Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse regering
Deel 10
Leefmilieu en Natuur
Inhoudstafel MANAGEMENT SUMMARY ........................................................................................ 4
TEKST VAN DE BIJDRAGE.......................................................................................... 8
1
2
INLEIDING 1.1
Afbakening beleidsdomein .....................................................................................9
1.2
Opdrachten van de Vlaamse overheid in dit beleidsdomein ..................................10
OMGEVINGSANALYSE 2.1
Externe factoren
2.1.1
De Europese en internationale besluitvorming bepaalt de Vlaamse beleidsagenda................................................................................................10
2.1.2
Mondiale impulsen (bv. inzake duurzame ontwikkeling) verhogen de nood aan integratie........................................................................................11
2.1.3
Actoren worden mondiger .............................................................................11
2.2. Interne factoren 2.2.1
Planmatig werken structureert het milieubeleid .............................................12
2.2.2
Traditionele instrumenten blijven de hoekstenen van een slagkrachtig milieubeleid ...................................................................................................13
2.2.3
Ook de inzet van verbrede instrumenten vond ingang ...................................14
2.2.4
Het milieubeleid wordt alsmaar beter onderbouwd ........................................15
2.3
Toestand van milieu en natuur
2.3.1
Huidige toestand............................................................................................15
- Blijvende aandacht nodig voor luchtkwaliteit ..........................................................15 - Bodemverontreiniging vormt zwaar historisch passief ............................................16 - Vlaamse natuur blijft onder grote druk staan..........................................................17 - Milieugevaarlijke stoffen zijn alomtegenwoordig ....................................................17 - Verloren gezonde levensjaren .................................................................................17 - Vlaamse afvalberg bestaat vooral uit bedrijfsafval ..................................................18 - Druk op watersystemen en –reserves is hoog .........................................................18
1
3
2.3.2
Situering t.o.v. landen of regio’s ....................................................................19
2.3.3
Te verwachten evoluties.................................................................................20
UITDAGINGEN EN VOORSTELLEN 3.1
Klimaat en lucht....................................................................................................23
3.2
Bodem ..................................................................................................................23
3.3
Biodiversiteit.........................................................................................................24
3.4
Gezondheid en stedelijk beleid .............................................................................25
3.5
Afval en stofstroombeheer....................................................................................26
3.6
Water ....................................................................................................................27
3.7
Integratie ..............................................................................................................28
3.8
Betrokkenheid van de actoren...............................................................................29
3.9
Uitvoeringsinstrumentarium .................................................................................30
3.10 Subsidiariteit.........................................................................................................31 3.11 Internationaal .......................................................................................................31 3.12 Economische onderbouwing en financiering van het milieubeleid.........................32 3.13 Versterking beleidsonderbouwing ........................................................................32 3.14 Aandacht voor beleidsvoorbereiding en –evaluatie ...............................................33
4
IDEEENFICHES 1
Het Vlaams klimaatbeleid optimaliseren ...............................................................34
2
Opmaak en implementatie van sectorale reductieprogramma’s vluchtige organische stoffen (VOS), SO2, NOX en NH3...........................................................................................34
3
Integratie van het milieubeleid en het mobiliteitsbeleid bevorderen .....................34
4
Bodemsaneringen versnellen, met aandacht voor brownfields en woonzones ...........................................................................................................35
5
Waterbodemverontreiniging aanpakken................................................................35
6
Ecologisch waardevolle gebieden ruimtelijk veilig stellen .....................................36
7
Milieukwaliteit afstemmen op de behoeften van kwetsbare soorten en habitats............................................................................................................37
8
De bossen in Vlaanderen uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren ..................37
9
De EU-richtlijn omgevingslawaai uitvoeren...........................................................37
10
Milieu-, natuur- en leefbaarheidsaspecten inbrengen in een globaal stedelijk beleid .....................................................................................................38
11
Opstellen en uitvoeren van een actieplan pesticiden.............................................38
2
12
Mee uitvoeren van een Europees beleid inzake milieugevaarlijke stoffen..............39
13
Voorkomen van afval via proces- en productbeleid ..............................................39
14
Implementatie Europese regelgeving inzake biologische afvalstoffen ...................40
15
Afvalstoffenbeleid verder uitvoeren d.m.v. specifieke uitvoeringsplannen ............40
16
Verder ontwikkeling van het juridisch instrumentarium en de organisatiestructuren voor integraal waterbeleid ....................................................................................41
17
Zuiveringsgraad huishoudelijk afvalwater opdrijven .............................................41
18
Natuurlijke werking en structuur van watersystemen beschermen, herstellen en verbeteren .......................................................................................42
19
Vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging............................................................................................43
20
Verdere uitbouw van het plattelandsbeleid ...........................................................43
21
Gezamenlijk uitwerken van concrete ontsnipperingsprojecten..............................43
22
Evaluatie en onderbouwde bijsturing van het milieuvergunningenbeleid ..............44
23
Decretale onderbouwing en inhoudelijke bijsturing van het hand-havingsbeleid .45
24
Optimaliseren en afstemmen van de inrichtingsinstrumenten voor het buitengebied ........................................................................................................45
25
Uitbouwen van een vernieuwde mestwetgeving ....................................................46
26
Participatie aan het internationale niveau structureel uitbouwen en stroomlijnen .46
27
Evalueren, bijsturen en eventueel uitbreiden van economische instrumenten ........................................................................................................47
28
Economische afwegingskaders ingang doen vinden in het milieubeleid................47
29
Verder afstemmen en verankeren van de diverse planningscycli voor het milieubeleid ..........................................................................................................48
BIJLAGEN KERNSET MILIEU-INDICATOREN .....................................................................................50 LIJST VAN DE PROJECTEN UIT HET MINA-PLAN 3............................................................56
3
MANAGEMENT SUMMARY
4
Grote delen van het leefmilieubeleid zijn gewestelijke bevoegdheid. De bewegingsruimte voor het Vlaamse beleid wordt weliswaar beperkt door de internationalisering van het milieubeleid. De Europese en internationale besluitvorming (oa. het Kyoto-protocol, het zesde Milieuactieprogramma van de EU enz.) bepaalt in toenemende mate de Vlaamse beleidsagenda. Het milieubeleid wordt hierbij steeds meer ingebed in een beleid gericht op duurzame ontwikkeling. Het planmatig werken is ingebed in het Vlaamse milieubeleid. In uitvoering van het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de hoofdlijnen van het milieubeleid vastgelegd in een vijfjaarlijks milieubeleidsplan. Het huidige MINA-plan 3 werd door de Vlaamse regering vastgesteld op 19 september 2003. De uitvoering ervan loopt tot eind 2007. Om af te stemmen met de regeringscyclus zou dit verlengd kunnen worden tot eind 2010. Nagenoeg alle voorstellen uit deze bijdrage komen ook aan bod in het MINA-plan 3. Het milieubeleidsplan wordt elk jaar geoperationaliseerd en opgevolgd m.b.v. milieujaarprogramma's. Een omvattende toestandsbeschrijving voor milieu en natuur wordt geleverd door het milieurapport (MIRA) en het natuurrapport (NARA). Bij de uitvoering van het milieubeleid wordt vooral gesteund op de traditionele juridische instrumenten zoals vergunningverlening en handhaving. Daarnaast worden ook economische instrumenten ingezet onder de vorm van bijvoorbeeld heffingen, subsidies of fiscale maatregelen. Sociale instrumenten, zoals sensibilisatie, educatie of interactief doelgroepenbeleid vervolledigen de aanpak. Uit de milieu- en natuurrapporten blijkt dat er zich knelpunten stellen voor zowat alle milieuthema's. Andere uitdagingen stellen zich voor de wijze van beleidsvoering: het Vlaamse beleid evolueert van het klassieke "besturen" naar een aansturing en beleidsvoering in interactie met actoren. Dit alles kadert tenslotte in een keuze voor duurzame ontwikkeling, wat bijkomende specifieke uitdagingen met zich brengt. In de bijdrage wordt de nadruk gelegd op die voorstellen (1) die in grote mate bijdragen aan het behalen van de doelstellingen, (2) die behoren tot een prioritaire thematiek waarbij de impact op mens en natuur en de afstand tot de doelstellingen groot is, (3) die bijkomende inspanningen vereisen om de reeds ingezette middelen verder te doen renderen, (4) die uitgevoerd moeten worden in het kader van een internationale verplichting, (5) die uitvoering geven aan Vlaamse verplichtingen, (6) die als een kerntaak voor het Vlaamse gewest worden beschouwd en (6) die onontbeerlijk zijn voor een zo volledig mogelijke uitvoering van het geldende Milieubeleidsplan. Voorstellen
Het Kyoto-protocol en de Europese richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn) leggen belangrijke verplichtingen op. Op vlak van klimaat en lucht wordt daarom als prioriteit naar voor geschoven: •
de optimalisatie van het Vlaams klimaatbeleid;
•
de opmaak en implementatie van sectorale reductieprogramma’s vluchtige organische stoffen, SO2, NOx en NH3;
•
de bevordering van de integratie van het milieubeleid en het mobiliteitsbeleid.
5
Bodemverontreiniging vormt een zwaar historisch passief en vergt heel wat middelen. De prioriteit ligt bij •
het versnellen van de bodemsaneringen, met aandacht voor brownfields en woonzones;
•
het aanpakken van de waterbodemverontreiniging.
De biodiversiteit staat in Vlaanderen onder grote druk. Er wordt voorgesteld in de eerste plaats te werken aan •
het ruimtelijk veilig stellen van ecologisch waardevolle gebieden;
•
het afstemmen van de milieukwaliteit op de behoeften van kwetsbare soorten en habitats;
•
het uitbreiden van de bossen in Vlaanderen en het verbeteren van hun kwaliteit.
De concentratie aan milieubelasting in steden vergt een specifiek stedelijk beleid. De relatie tussen milieu en gezondheid krijgt toenemende aandacht. Het beleid moet zich richten op •
de uitvoering van de EU-richtlijn omgevingslawaai;
•
het inbrengen van milieu-; natuur- en leefbaarheidsaspecten in een globaal stedelijk beleid;
•
het opstellen en uitvoeren van een actieplan pesticiden;
•
het mee uitvoeren van het Europees beleid inzake milieugevaarlijke stoffen.
Het ontstaan en de verwerking van afval veroorzaakt milieueffecten, verlies aan grondstoffen en energie en ruimtebeslag. Prioritair is •
het voorkomen van afval via proces- en productbeleid;
•
de implementatie van de Europese regelgeving inzake biologische afvalstoffen;
•
het verder uitvoeren van het afvalstoffenbeleid d.m.v. specifieke uitvoeringsplannen.
In het waterbeleid stellen zich vele uitdagingen, zoals het vormgeven van een integraal waterbeleid in uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn water, en de verbetering van de waterkwaliteit. De inspanningen worden toegespitst op •
de verdere ontwikkeling van het juridisch instrumentarium en de organisatiestructuren voor integraal waterbeleid;
•
het opdrijven van de zuiveringsgraad van huishoudelijk afvalwater ;
•
het beschermen, herstellen en verbeteren van de natuurlijke werking en structuur van watersystemen.
Milieubeleid is geen exclusieve verantwoordelijkheid voor het beleidsdomein leefmilieu. Beleidsdomeinen als energie, mobiliteit of landbouw kunnen of moeten een belangrijke bijdrage leveren. Interne en externe integratie van het milieubeleid is nodig. Belangrijke voorstellen zijn •
het vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging;
•
de verdere uitbouw van het plattelandsbeleid;
•
het gezamenlijk uitwerken van concrete ontsnipperingsprojecten.
6
Het uitvoeringsinstrumentarium in het milieubeleid is omvangrijk en complex. Er is nood aan meer samenhang en vereenvoudiging, aan de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en aan onderzoek naar een optimale instrumentmix. De handhaafbaarheid mag niet uit het oog worden verloren. De inspanningen worden toegespitst op •
de evaluatie en onderbouwde bijsturing van het milieuvergunningenbeleid;
•
de decretale onderbouwing en inhoudelijke bijsturing van het handhavingsbeleid;
•
het optimaliseren en afstemmen van de inrichtingsinstrumenten voor het buitengebied;
•
het uitbouwen van een vernieuwde mestwetgeving.
Vlaanderen moet meer oog hebben voor en participeren aan het internationale beleid. De focus ligt op •
het structureel uitbouwen en stroomlijnen van de participatie aan het internationale niveau;
Er is een grote behoefte aan een goede economische onderbouwing van het milieubeleid. Er stellen zich daarnaast grote uitdagingen in verband met de financiering van het milieubeleid, onder meer op het vlak van de waterzuivering. Er wordt voorgesteld prioriteit te leggen bij •
het evalueren, bijsturen en eventueel uitbreiden van economische instrumenten;
•
het ingang doen vinden van economische afwegingskaders in het milieubeleid.
Tot slot zijn inspanningen wenselijk op het vlak van beleidsvoorbereiding en -evaluatie, waarbij ook aandacht moet gaan naar een betere afstemming tussen de decretale milieubeleidsplanning en de planningscycli van de Vlaamse regering. Het voorstel betreft •
het verder afstemmen en verankeren van de diverse planningscycli voor het milieubeleid.
7
TEKST VAN DE BIJDRAGE
8
1
Inleiding 1.1
Afbakening beleidsdomein
Het milieubeleid heeft de bescherming van het (leef)milieu, in de zin van het fysische en biotische milieu, tot voorwerp. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van 5 april 1995 (kortweg DABM) wordt het milieu verder gedefinieerd als "de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de ecosystemen, de landschappen en het klimaat". De opgesomde elementen van het milieu hebben een aantal functies te vervullen, die mee de kwaliteit van ons eigen bestaan bepalen. Het gaat hier in de eerste plaats om productie van materie en energie, zoals zuurstof, voedsel, licht en warmte. Daarnaast zijn er nog de draagfuncties die ruimte en substraat verschaffen voor maatschappelijke activiteiten, informatiefuncties en regulatiefuncties in de zin van zuivering en stabilisering. Naast de nutswaarde van milieu wordt meer en meer verwezen naar ethische motieven om milieubeleid te voeren. Hierbij wordt dan verwezen naar onze verantwoordelijkheid t.o.v. toekomstige generaties en t.o.v. de natuurlijke processen op zich, m.a.w. de eigenwaarde van het milieu. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. In hetzelfde decreet worden drie doelstellingen voor het milieubeleid bepaald, die overeenkomen met de vaak gebruikte termen "Milieubeheer", "Milieuhygiëne" en "Natuurbehoud": •
Het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grondstoffen en de natuur.
•
De bescherming, tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven.
•
Het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn.
Deze doelstellingen worden decretaal vergezeld door een aantal beginselen: •
Voorkomingsbeginsel wordt ook wel het beginsel van preventief handelen genoemd en betekent dat milieuschade dient te worden voorkomen.
•
Voorzorgsbeginsel houdt in dat men niet wacht op een wetenschappelijke consensus over het oorzakelijke verband tussen verontreiniging en effecten om een mogelijk probleem aan te pakken, ernstige aanwijzingen zijn voldoende.
•
Voorkeur voor brongerichte maatregelen, meer bepaald de aanpak van het probleem waar het ontstaat, aan de bron dus. Dit maakt het probleem beheersbaar, de kans op onomkeerbare effecten kleiner, de verantwoordelijkheid van de veroorzaker duidelijk en de kosten geringer.
•
Stand-still-beginsel houdt in dat minimaal de bestaande kwaliteit (of kwantiteit) behouden blijft.
•
Beginsel 'de vervuiler betaalt' bepaalt dat wie schade of verstoring veroorzaakt ook moet instaan voor de (kosten van de) opruiming of voor de hersteloperatie.
Het milieubeleid in Vlaanderen, maar ook op wereldschaal, wordt verder ingebed in een beleid gericht op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling wordt hierbij omschreven als de ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden in gevaar te brengen voor toekomstige generaties om ook in hun behoeften te voorzien. Dit heeft vooral te maken met de wijze waarop een maatschappij functioneert en meer bepaald met de
9
samenhang tussen milieukwaliteit en maatschappelijke activiteiten. Sociaal-economische ontwikkelingen putten het milieu uit en omgekeerd tasten milieuproblemen maatschappelijke en economische functies aan.
1.2
Opdrachten van de Vlaamse overheid in dit beleidsdomein
Sinds de staatshervorming van 1980 behoren grote delen van het leefmilieubeleid tot de bevoegdheid van de gewesten. In 1989 en in 1993 werden er nog een aantal deelaspecten aan dit pakket toegevoegd. In de meeste gevallen gaat het hier om exclusieve bevoegdheden. De Vlaamse bevoegdheden kunnen als volgt worden ingedeeld: •
Bescherming van het leefmilieu, waarin ook het afvalstoffenbeleid, het mestbeleid en het milieutoezicht op bedrijven en andere hinderlijke inrichtingen begrepen zit. Uitzondering moet hierbij o.m. gemaakt worden voor het vaststellen van productnormen, de bescherming tegen ioniserende stralingen, de doorvoer van afvalstoffen, de problematiek van het radioactief afval en de bescherming van de Noordzee.
•
Waterbeleid, met inbegrip van de waterproductie en watervoorziening alsook de waterbouwkundige werken in functie van het milieubeleid.
•
Landinrichting en natuurbehoud
•
Landbouw en milieu, waarmee o.m. de maatregelen in het raam van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden bedoeld, die betrekking hebben op het leefmilieu en op de landinrichting, de bosbouw en het natuurbehoud.
•
Wetenschappelijk onderzoek, voor zover het in functie staat van de eigen bevoegdheden.
•
Europees en internationaal beleid, voor het sluiten van verdragen in gewestelijke aangelegenheden.
•
Fiscale bevoegdheden, waarbij de bevoegdheid voor het instellen van retributies en van belastingen binnen bepaalde grenzen.
•
Bijkomende bevoegdheden, zoals toezicht op ondergeschikte besturen, het oprichten van instellingen, het doorvoeren van onteigeningen
Ondanks de ruime bevoegdheden wordt de bewegingsruimte voor het eigen beleid beperkt door de internationalisering van het milieubeleid (zie verder).
2
Omgevingsanalyse 2.1
Externe factoren
2.1.1
De Europese en internationale besluitvorming bepaalt de Vlaamse beleidsagenda
De grensoverschrijdende aard van de milieuproblematiek maakt het noodzakelijk om globale oplossingen na te streven. De VN Millenniumverklaring (2000) en de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling in Johannesburg (2002) formuleerden een nieuw kader, waarbij leefmilieu wordt benaderd als een van de drie pijlers van duurzame ontwikkeling en waarbij de nadruk ligt op een snellere en betere implementatie van afspraken. Het multilateraal leefmilieubeleid wordt in de eerste plaats aangestuurd en gecoördineerd door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP). Het programma zit momenteel op een scharniermoment. De recente discussie over een nieuwe VN milieuorganisatie kan leiden tot een fundamentele gedaanteverandering van UNEP. Ook de VN Commissie voor Duurzame
10
Ontwikkeling (CSD) speelt een vooraanstaande rol als opvolgingscommissie voor de afspraken gemaakt o.a. in Agenda 21 en op de Top van Johannesburg. De VN Economische Commissie voor Europa (UNECE) zet de pan-Europese agenda uit, waarbij verscheidene politiek belangrijke leefmilieuakkoorden werden ondertekend met een weerslag op EU besluitvorming en zodoende op de federale en Vlaamse wetgeving. Daarnaast kent het leefmilieuthema ook een groeiende belangstelling op de agenda van de Wereld Handelsorganisatie (WTO). Binnen de Europese instellingen geniet de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een stevige reputatie als studiecentrum en organiseert zij een vijfjaarlijkse milieu-review bij haar leden. De hoofdmoot van Vlaamse milieuwetgeving komt tot stand op niveau van de Europese Unie, na consensus tussen de Europese leefmilieuministers. Andere bakens voor Europees leefmilieubeleid zitten vervat in het zesde Milieuactieprogramma en in het proces van Cardiff ter integratie van leefmilieuaspecten in andere sectoren. De Europese strategie voor duurzame ontwikkeling belichaamt de milieudimensie bij de sociaal-economische dimensies uit de Lissabonstrategie. Op Belgisch niveau zorgt het Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid (CCIM) voor een overleg tussen alle overheden die betrokken zijn bij het Europese (en zelfs internationale) milieubeleid. Op Vlaams niveau biedt het 'Vlaams Overleg Internationaal Milieubeleid' (VOIM) een overlegstructuur tussen de verschillende actoren voor het bovengewestelijk leefmilieubeleid. Teneinde de continuïteit in de opvolging van Europese/internationale milieudossiers te verhogen, werd onder andere een Vlaams leefmilieuattaché aangesteld bij de Belgische permanente vertegenwoordiging binnen de EU.
2.1.2. Mondiale impulsen (bv. inzake duurzame ontwikkeling) verhogen de nood aan integratie
De VN Millenniumverklaring en de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling gaven de aanzet tot een verhoogd streven naar een evenwichtige integratie van sociale, economische en leefmilieufactoren op alle niveaus. In het uitvoeringsplan van de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling verbinden België en Vlaanderen zich om uiterlijk tegen 2005 werk te maken van de uitvoering van nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling. Voor Vlaanderen biedt het Netwerk van Regio’s voor Duurzame Ontwikkeling (NRG4SD) een interessant interregionaal forum om dergelijke punten van beleidsintegratie te kunnen opvolgen en aftoetsen. Onder meer door deze ontwikkelingen ontstaan nieuwe vormen van samenwerking op het terrein, waarbij bestuursniveaus betrokken zijn van internationaal tot op lokaal niveau. Het Vlaamse Gewest bouwt formele samenwerkingsstructuren uit met lokale overheden, het Waals en Brussels hoofdstedelijk gewest en het federale niveau. Ook met andere aanleunende beleidsdomeinen op Vlaams niveau wordt samengewerkt om tot een geïntegreerd beleid te komen. Bijvoorbeeld op het vlak van volksgezondheid, ruimtelijke ordening, mobiliteit, landbouw, economie en energie. Het Vlaamse Gewest bouwt ook de relaties met de buurlanden of buurregio's uit voor de aanpak van grensoverschrijdende onderwerpen. Er lopen een aantal proefprojecten in die zin.
2.1.3
Actoren worden mondiger
Burgers worden door de overheid steeds meer als klant benaderd. De burger stelt daarbij hoge individuele eisen aan de overheid, en is - mede door het gestegen welvaartspeil - ook veeleisender voor de kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid voor de toekomst. Het maatschappelijk draagvlak voor het beleid kan verhoogd worden door de burger meer te betrekken bij de beleidsvoering in alle fases van de beleidscyclus. Inspraakprocedures bij diverse plannen en programma’s worden steeds vaker en vroeger in het proces ingeschreven. De inspanningen van de overheid rond communicatie, sensibilisatie en participatie leveren in de praktijk evenwel niet altijd het verhoopte resultaat op.
11
Ook de bedrijfswereld is vragende partij om van bij de aanvang van het besluitvormingsproces in de beleidsdiscussie betrokken te worden. In de huidige Vlaamse open economie stijgt voor de bedrijven (industrie en landbouw) immers het belang van milieuzaken als meebepalende factor voor economische bedrijvigheid. In dit licht worden overheden steeds meer aangesproken op hun voorbeeldfunctie. De Vlaamse overheid pleit voor milieuvriendelijk gedrag en neemt maatregelen naar bedrijven, lokale overheden en burgers toe. Zij zelf moet dan ook minstens de ambitie hebben om het even goed te doen. Interne milieuzorg is een eerste aandachtspunt. De Vlaamse regering besliste op 8 mei 2002 dat milieuzorg vanaf 2003 verplicht moet worden ingevoerd in alle entiteiten van de Vlaamse overheid. Begin 2003 werd een Centrale Coördinatiecel Milieuzorg opgericht en alle overheidsdiensten zijn ondertussen gestart met een eerste doorlichting en hebben een eerste actieplan ingediend. Een ander aandachtspunt is het afbouwen van het pesticidengebruik door openbare diensten, opgelegd door het decreet houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten in het Vlaamse Gewest. Vanaf 2004 mogen deze in principe geen pesticiden meer gebruiken.
2.2
Interne factoren
2.2.1
Planmatig werken structureert het milieubeleid
In het milieubeleid is het planmatig werken, met aandacht voor structurering en voor het formuleren van langetermijnvisies en doelstellingen, sterk ontwikkeld. In uitvoering van het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) worden er regelmatig plannen, programma's en rapporten opgesteld. Deze bijdrage maakt in hoge mate gebruik van de bestaande plandocumenten. De basis voor de planningscyclus in het milieubeleid wordt gelegd in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Dat decreet bepaalt dat het milieubeleid in Vlaanderen gestalte krijgt via de milieubeleidsplanning, met als hoekstenen het milieurapport, het milieubeleidsplan en de milieujaarprogramma’s. Het milieurapport (MIRA) is de wetenschappelijke onderbouwing van het milieubeleid. De opdracht van de milieurapportering is: het beschrijven van de kwaliteit van het leefmilieu (MIRA-T, jaarlijks), aangeven hoe die kwaliteit zich zou kunnen ontwikkelen en via welke beleidsinterventies die ontwikkeling kan worden verbeterd (MIRA-S 2000 en 2006), en onderzoeken in welke mate en op welke wijze het beleid tot nu toe tot veranderingen in de milieukwaliteit heeft geleid (MIRA-BE 2003 en 2005). Aanvullend aan het DABM voorziet het Natuurdecreet de opmaak van een tweejaarlijks natuurrapport (NARA 1999, 2001, 2003), kaderend in het milieurapport. Het milieubeleidsplan bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest, en door de provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, dient te worden gevoerd. Het plan beoogt enerzijds de bescherming en het beheer van het milieu en anderzijds de doeltreffendheid, de efficiëntie en de interne samenhang van het milieubeleid op alle beleidsniveaus te bevorderen. Het wordt o.m. op basis van het scenariorapport opgesteld en om de vijf jaar door de Vlaamse regering vastgesteld, na een openbaar onderzoek. Het MINA-plan 3 (2003-2007) werd door de Vlaamse regering vastgesteld op 19 september 2003. Het Natuurdecreet legt op dat de Vlaamse regering een algemeen beleidsplan vaststelt voor het natuurbehoud en het behoud van het natuurlijk milieu. Dit natuurbeleidsplan kadert in het milieubeleidsplan en is vervat in het MINA-plan 3. De operationalisering van het milieubeleidsplan gebeurt via de milieujaarprogramma’s. Een milieujaarprogramma bevat o.m. een verslag van de stand van uitvoering van het geldende milieubeleidsplan en van de Europese milieuwetgeving; en een opgave van de door het Vlaamse Gewest in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van
12
het geldende milieubeleidsplan. Nadruk wordt hierbij gelegd op de organisatie, het tijdpad en de prioriteitenstelling van de verschillende maatregelen. De Vlaamse regering stelt jaarlijks een ontwerp-milieujaarprogramma op, dat samen met het ontwerp van begroting aan het Vlaamse Parlement wordt bezorgd. De Vlaamse regering hanteert een eigen planningscyclus. Bij haar aantreden wordt een regeerakkoord opgesteld, op basis waarvan elke minister een beleidsnota opmaakt. Deze beleidsnota omspant de regeerperiode en geeft ‘de grote strategische keuzen en opties voor het beleid’ weer. Bij het opstellen van de beleidsnota's wordt sinds 1999 de methodiek van de strategische planning gehanteerd. Vertrekkend van een omgevingsanalyse en een evaluatie worden hierbij strategische doelen en te bereiken maatschappelijke effecten op langere termijn bepaald. Jaarlijks dient elke minister ter detaillering van de beleidsnota één of meerdere beleidsbrieven in. Daarbovenop bestaat er ook een begrotingscyclus met de opmaak van een meerjarenbegroting en jaarlijkse begrotingen, die worden voorzien van inhoudelijke toelichtingen over genomen en geplande initiatieven. De planningscyclus van de Vlaamse regering en de milieubeleidsplanningscyclus, met hun respectievelijke documenten, overlappen elkaar. Er is nood aan (minstens inhoudelijke) afstemming tussen beiden. Op inhoudelijk vlak wordt een afstemming tussen de beleidsbrief leefmilieu en het milieujaarprogramma beoogd. Binnen de leefmilieusector bestaan er naast het milieubeleidsplan ook heel wat sectorale plannen. Het Bosdecreet maakt melding van een Bosactieplan, het Afvalstoffendecreet van Afvalstoffenplannen, het Mestdecreet van een mestactieplan en een voortgangsrapport. Het decreet Integraal Waterbeleid voert ook de Waterbeleidsnota, het stroomgebiedbeheerplan, het bekkenbeheerplan en het bekkenvoortgangsrapport in. Via het milieubeleidsplan wordt de verankering en inpassing van deze planfiguren geregeld. Ter voorbereiding en uitvoering van de milieubeleidsplanning werd een plannings- en uitvoeringsnetwerk opgericht dat zich uitstrekt over de milieuadministratie (AMINAL) en de drie milieu-VOI's VMM, VLM en OVAM. Dit netwerk staat bovendien in verbinding met andere administraties (ANRE, ALT, AROHM, AWV,AWZ,…). Het netwerk wordt overkoepeld door een Gewestelijk Milieu-overleg (GMO). Via de organisatie van dit netwerk wordt de taakverdeling en de communicatie tussen de diverse betrokkenen geregeld en worden concrete afspraken gemaakt over de uitvoering en de opvolging van het milieubeleidsplan. De opvolging wordt o.m. vorm gegeven door het gebruik van indicatoren. In het MINA-plan 3 werd een kernset van 30 indicatoren opgenomen. Deze kernset focust op de strategisch belangrijkste domeinen en thema's en op internationale strategieën en doelstellingen. Naast de opvolging van het eigen milieubeleid is er ook aandacht voor de evaluatie van andere beleidsinitiatieven die effect hebben op het milieu. Deze kernset (met een actuele stand van zaken) wordt als bijlage toegevoegd.
2.2.2 Traditionele instrumenten blijven de hoekstenen van een slagkrachtig milieubeleid
Juridische instrumenten vervullen een erg belangrijke rol binnen het milieubeleid. In het huidige milieubeleid staan de milieuvergunning en de -inspectie centraal. Vergunningsprocedures, toezicht en handhaving zijn echter geen zaak van milieu- en natuurbeleid alleen en in de (juridische) praktijk bestaan er dan ook sterke relaties met andere rechtstakken zoals het administratief en het strafrecht. De juridische vormgeving van het milieubeleid is in eerste instantie te vinden in het milieurecht. Het milieuhygiënerecht is voornamelijk gericht op het voorkomen en tegengaan van de
13
vermindering van milieukwaliteit door verontreiniging. Belangrijke pijlers zijn oa. het VLAREM, het VLAREBO, het VLAREA, het Mestdecreet. Het milieubeheersrecht beoogt de bescherming van de natuur, de bevordering van de biologische diversiteit, de instandhouding van natuurlijke habitats en wilde soorten en de landschapsbescherming. Hieronder vallen o.m. het Natuurdecreet en het Bosdecreet. Het milieubeheersrecht stelt ook instrumenten in voor ontwikkeling van de open ruimte: natuurinrichting, ruilverkaveling, landinrichting, beheerovereenkomsten, grondenbank. Beide luiken van het milieurecht bevatten vergunningenstelsels, advies- en besluitvormingsprocedures en handhavingsvoorschriften.
2.2.3
Ook de inzet van verbrede instrumenten vond ingang
Economische instrumenten zetten via een financiële transfer of een relatieve prijsverandering aan tot gedragsverandering met het oog op het halen van bepaalde kwaliteitsdoelstellingen. Er zijn financiële en marktgerichte instrumenten. Financiële instrumenten omvatten milieuheffingen, financiële steun (subsidies) en fiscale maatregelen. Het meest gekende voorbeeld van marktgerichte instrumenten zijn verhandelbare emissierechten. Internationaal gezien is er een duidelijke trend tot verhoogd gebruik van economische instrumenten, zoals bijvoorbeeld verhandelbare emissierechten voor de realisatie van de Kyoto-doelstellingen. In Vlaanderen is het ingezette economische instrumentarium op het vlak van milieubeleid beperkt. Fiscale maatregelen vallen onder de federale bevoegdheid. Het instrument milieuheffingen wordt regulerend ingezet, maar vooral ook ter (partiële) financiering van een aantal milieu-uitgaven. Er zijn milieuheffingen op afval, op waterverontreiniging en op grondwatergebruik ,op dierlijke productie en voor de stimulering van de mestverwerking. Er bestaan een aantal financiële steunregelingen in het Vlaamse milieubeleid die betrekking hebben op diverse milieuaspecten en zich tot verschillende doelgroepen richten. Voorbeelden hiervan zijn de PRESTI-initiatieven, via dewelke de overheid tracht KMO’s aan te zetten tot meer milieubewust produceren; de financiële steunmaatregelen voor milieuvriendelijke investeringen (aanleg van hemelwaterputten en individuele afvalwaterbehandelingsinstallaties), de vergoeding van landbouwers die via beheerovereenkomsten extra inspanningen leveren ter bescherming van de waterkwaliteit voor drinkwaterproductie, ter bescherming van de natuurkwaliteit van graslanden in natuurgebieden, de subsidies voor boseigenaars, voor kleinschalige erosiebestrijdingsprojecten, voor bebossing van landbouwgronden, plattelandsontwikkeling, ruilverkavelingswerken, landinrichtingsprojecten,… Sociale instrumenten hebben betrekking op informatieverspreiding en communicatie en gaan uit van vrijwilligheid en overreding. Ze beslaan een brede waaier, gaande van zuiver eenzijdige (louter eenrichtingsverkeer zoals reclame) tot volledig meerzijdige communicatie (interactief tweerichtingsverkeer gericht op afspraken tussen min of meer evenwaardige partners). In de fase van beleidsuitvoering spelen sociale instrumenten voornamelijk een ondersteunende en aanvullende rol ten opzichte van juridische en economische instrumenten. De Vlaamse overheid maakt er veelvuldig gebruik van om het milieubewustzijn van individuen of groepen te vergroten met het oog op de vermindering van de milieubelasting van hun activiteiten. Er is een belangrijke werking rond natuur- en milieueducatie gegroeid, zowel gericht naar onderwijs als naar burgers of specifieke doelgroepen. Specifieke sensibiliseringscampagnes moeten burgers aanzetten tot afvalpreventie, tot rationeel energie- of watergebruik. Ook de milieubeleidsovereenkomsten in bijvoorbeeld de afvalsector zijn een geformaliseerde vorm van sociale instrumenten. Het doelgroepenbeleid is een voorbeeld van interactief tweerichtingsverkeer gericht op afspraken tussen min of meer evenwaardige partners. Procesbegeleiding om projecten meer in interactie met alle betrokkenen te laten ontstaan krijgt meer en meer aandacht.
14
2.2.4
Het milieubeleid wordt alsmaar beter onderbouwd
Milieu is een erg technische materie, waarbij de opbouw en het benutten van wetenschappelijke kennis cruciaal is. Dat brengt met zich mee dat zowel de voorbereiding als de uitvoering en de evaluatie van het beleid baat hebben bij eeen doorgedreven wetenschappelijke onderbouwing. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kennisverwerving, informatiebeheer en rapportering. Al enkele jaren wordt er gewerkt aan de stroomlijning van de kennisverwerving. Gepland wetenschappelijk onderzoek wordt samengebracht in een jaarlijks programma zodat er onderlinge afstemming mogelijk is inzake inhoud, prioritering, financiering en timing. Hiervoor wordt een uitgewerkt databeheersysteem gehanteerd. Er wordt gewerkt aan een verdere planmatige aanpak van opvolging, evaluatie en terugkoppeling. De eigen meetnetten nemen een belangrijke plaats in bij de beleidsonderbouwing. Een centraal instrument in de aanwending en ontsluiting van de verzamelde gegevens is de Milieudatabank met als drie pijlers: vergunningen en heffingen, de meetdatabank en de gronddatabank. De integratie van deze pijlers wordt op dit ogenblik geoptimaliseerd zodat de databank wordt uitgebouwd tot één logisch en bevraagbaar geheel. Vertrekkend van de verzamelde gegevens kan antwoord gegeven worden op beleidsvragen en op vragen van internationale instanties. De belangrijkste overkoepelende rapporteringssystemen voor het beleidsdomein leefmilieu zijn de milieu- en natuurrapporten MIRA en NARA (zie hoger).
2.3
Toestand van milieu en natuur
2.3.1
Huidige toestand
Onderstaande toestandsbeschrijving is gebaseerd op de MIRA- en NARA-rapporten en op het rapport "Algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen" opgemaakt door APS. Het Vlaamse gewest is dicht bevolkt en sterk industrieel ontwikkeld. Het milieu staat dan ook onder zware druk. Een vierde deel van het grondgebied is volgebouwd of bestaat uit zeer dichte netwerken van wegen, spoorwegen en waterwegen. De industrie, het verkeer, de intensieve teelt van dieren en gewassen, en ook de bevolking zetten lucht, bodem, water en natuur onder toenemende druk. Onder dergelijke omstandigheden krijgt de uitdaging om duurzame ontwikkeling verder te verzekeren op economisch, sociaal en ecologisch vlak een bijzonder dringend karakter. Uit de laatste toestandsbeschrijving (MIRA-T 2003, zie www.milieurapport.be) blijkt dat het milieu in Vlaanderen op bepaalde punten verbetert, en op andere punten niet. De inspanningen van de bevolking, de landbouw, de industrie en de overheid tijdens de laatste decennia werpen hun vruchten af. Toch is het nog steeds slecht gesteld met het milieu, mede door de grote historische vervuiling die Vlaanderen moet wegwerken en het algemeen aanhoudend hoog en verspillend consumptiegedrag. De toestand verbetert, maar te traag om een duurzame toekomst voor de volgende generaties te verzekeren. Een voorbeeld van vooruitgang vormt het Vlaams beleid inzake afvalverwerking. Dit resulteerde in een sterke vermindering van het aandeel van de afvalverwerking in de emissies van verschillende polluenten. Een voorbeeld van een belangrijk probleem is de chemische belasting van de mens en het milieu door producten van onvolledige verbranding (POV), zwevend stof, vluchtige organische stoffen (VOS), fotochemische smog, zware metalen en bestrijdingsmiddelen. De vermoedelijke impact van sommige bestrijdingsmiddelen, polyaromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en dioxines als endocriene stoorstoffen krijgt momenteel internationaal aandacht. Ook in Vlaanderen wordt er onderzoek naar gevoerd.
15
Blijvende aandacht nodig voor luchtkwaliteit
Verzuring blijft een belangrijk probleem in Vlaanderen. De totale emissies van de drie verzurende gassen SO2 (zwaveldioxide), NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) zijn met zo'n 45% teruggelopen sedert 1990. Dit is vooral te wijten aan het lager zwavelgehalte in de brandstoffen voor transport, industrie en energieopwekking. Ook de NOx-emissie volgt al enkele jaren een dalende trend, door inspanningen van de sector energie en in mindere mate van de sector vervoer en verkeer. Deze laatste blijft in absolute cijfers de belangrijkste NOx-bron. De landbouw zorgde t.o.v. 1990 voor een daling van 32 % in de ammoniakuitstoot, door het emissiearm aanwenden van dierlijke mest, het afdekken van externe mestopslagen en een krimpende veestapel. De daling door de industrie wordt echter tenietgedaan door de toename van ammoniakemissie bij verkeer en vervoer. De emissieplafonds opgelegd door de NEC-richtlijn komen stilaan in zicht: van de 60,3 % reductie die Vlaanderen tussen 1990 en 2010 moet realiseren is in 2002 ongeveer driekwart gerealiseerd. De verzurende depositie verminderde tussen 1990 en 2002 met gemiddeld 27%. In 2002 was nog ongeveer 68% van de Vlaamse natuur blootgesteld aan verzurende deposities boven hun kritische last. De kritische last voor vermesting werd in 2002 voor 97% van de Vlaamse terrestrische natuur overschreden. De broeikasgasemissies zijn sedert 1990 toegenomen met ruim 10 Mton CO2-equivalenten of 12,7% tot 93,4 Mton. De landbouw heeft als enige sector een absolute emissiereductie gerealiseerd in de periode 1990-2002. Vooral de sectoren verkeer & vervoer en industrie zijn verantwoordelijk voor de toename van broeikasgasemissies. 81,9 % van de broeikasgasemissies is een rechtstreeks gevolg van ons energiegebruik. Ook in ons land zijn er tekenen van klimaatverandering waar te nemen. Sinds de start van de metingen in 1833 is de temperatuur (10-jaargemiddelde) met 1,9 °C toegenomen, met 1989, 1990, 2000 en 2002 als absolute recordjaren. Ook de gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid in ons land stijgt. Hier zijn 2001 en 2002 absolute recordjaren. De emissie van ozonafbrekende stoffen zoals CFK, halonen en methylbromide lag in 2002 zo'n 58% lager dan in 1995. Blaasmiddelen en brandbestrijdingsmiddelen waren in 2002 de belangrijkste groepen van ozonafbrekende stoffen. Ondanks de positieve evolutie in de emissie nam de dikte van de ozonlaag tussen 1980 en 2002 af met gemiddeld 0,23% per jaar. De emissies van zwevend stof blijven verontrustend. Tussen 1996 en 1998 werd een daling van de jaargemiddelde concentratie van PM10 opgetekend, daarna is het verloop eerder schommelend, in 2003 werd terug een significante toename vastgesteld. De blootstelling aan deze fijnstoffractie veroorzaakt gezondheidsschade bij de mens. Tegenwoordig verschuift de aandacht meer en meer naar de fractie ultrafijn stof (PM2,5 en PM0,1). De sector verkeer en vervoer is de belangrijkste bron van PM2,5. Activiteiten met een uitstoot van de twee polluenten NOx (stikstofoxiden) en VOS (vluchtige organische stoffen) liggen aan de basis van de ozonvorming op leefniveau. Het aantal ozonpiekwaarden neemt af maar de achtergrondconcentraties door het jaar heen stijgen. Het wegverkeer blijft de grootste bron van ozonprecursoren. Ze worden ook van over de grenzen aangevoerd. Bodemverontreiniging vormt zwaar historisch passief
Als gevolg van talrijke risicoactiviteiten is de bodem op diverse plaatsen in Vlaanderen verontreinigd met milieugevaarlijke stoffen zoals zware metalen, organische stoffen zoals minerale oliën, dioxines en polyaromatische koolwaterstoffen (PAK’s) of bestrijdingsmiddelen. Het totaal aantal risicogronden in Vlaanderen wordt op 76.200 geschat. Eind 2002 was voor 22 % van deze risicogronden een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan werd 80 % van de onderzochte gronden verontreinigd bevonden. Omdat men nog in de fase van inventarisatie zit is er geen beeld te geven van de evolutie van de verontreinigde gronden in Vlaanderen. Oorzaken van de verontreiniging zijn divers: industriële activiteiten, ongevallen met milieugevaarlijke stoffen, lekkende opslagtanks of leidingen, onzorgvuldige grondstoffen- en afvalstoffenopslag, sluikstorten. Vermesting en erosie zijn andere processen die de kwaliteit van de bodems in het Vlaamse gewest aantasten. In 2002 bedroeg het overschot op de nutriëntenbalans van de landbouw 184 kg/ha
16
stikstof (excl. ammoniak) en 31 kg/ha fosfor, wat een vermindering is met resp. een derde en de helft ten opzichte van 1990. Bodemerosie veroorzaakt bodemdegradatie en geeft aanleiding tot sedimentatie in het watersysteem. Tussen 1990 en 2002 is de erosiegevoeligheid van het bodemgebruik in Vlaanderen gemiddeld met 22 % gestegen. Hoofdoorzaken zijn de toename van het areaal akkerland en van erosiegevoelige teelten zoals maïs. Vlaamse natuur blijft onder grote druk staan
In Vlaanderen blijft er nog weinig ruimte over voor natuur. Menselijke activiteiten over de eeuwen heen hebben de grootste delen van de natuur in Vlaanderen fundamenteel veranderd, zodat de overgebleven natuurgebieden in feite semi-natuur zijn. Het beschermde gebied blijft klein (in 2002 was 1,7% van de Vlaamse oppervlakte reservaat), gefragmenteerd en niet representatief voor de belangrijkste types ecosystemen. Bovendien blijft de druk door verstedelijking, transport en landbouw toenemen. Versnippering is een reëel probleem. De vroegere dalende trend in de gemiddelde oppervlakte van reservaten is inmiddels omgebogen. Verdroging heeft een direct effect op de typische biodiversiteit van vochtige gebieden. Vermesting oefent druk uit op alle ecosystemen. Verzuring en verontreiniging van water, bodem en lucht oefenen veelzijdige druk uit. De biodiversiteit in Vlaanderen blijft achteruit gaan. Zo is een kwart van de Vlaamse dagvlinders al uitgestorven. De laatste twintig jaar gingen in de Vlaamse poldergrachten 85% van de waterplanten achteruit, door overbemesting, pesticidengebruik en ruimingswijze van de waterloop. In diezelfde tijdspanne worden een derde minder amfibieën teruggevonden. Heel wat vogelsoorten komen niet meer tot broeden. Positief nieuws is dat de vispopulaties in de benedenlopen van de grote rivieren zich aan het herstellen zijn. Een verbeterende milieukwaliteit en natuurherstelmaatregelen zorgen voor een beperkt natuurherstel. Enkel de meer tolerante soorten kunnen zich herstellen. Vooral de gespecialiseerde en gevoelige soorten is de milieu- en ruimtelijke druk is nog steeds te hoog. Volgens de boskartering is 10,8% of zo'n 146.000 ha van het Vlaamse grondgebied bos. Slechts de helft van deze bossen heeft kenmerken van een natuurlijke bosplantengemeenschap. Milieugevaarlijke stoffen zijn alomtegenwoordig
Niettegenstaande belangrijke emissiereducties bevatten indicatororganismen over heel Vlaanderen nog steeds verhoogde concentraties van allerlei milieugevaarlijke stoffen. De vracht van de meeste metalen naar oppervlaktewater vertoont een gestaag dalende trend sedert 1985, maar de laatste jaren wordt er vrijwel geen verbetering meer opgetekend. Zo is de emissie in oppervlaktewater tussen 1985 en 2002 met 93 % teruggedrongen voor cadmium, met 82 % voor kwik en met 43% voor lood. Diffuse lozingen nemen ongeveer 70 % van de emissie voor zich. Niettegenstaande de dalende emissies worden zware metalen aangetroffen in mens en dier. De historische vervuiling van de (water)bodems is hierbij van groot belang en zal nog jaren een hypotheek leggen op ons milieu. De meest toxische en persistente bestrijdingsmiddelen worden geleidelijk van de markt gehaald, zodat de milieudruk daalt. Toch worden bestrijdingsmiddelen nog in belangrijke mate aangetroffen in regen- en oppervlaktewater en in waterbodems. Een aantal bestrijdingsmiddelen zijn slecht biologisch afbreekbaar waardoor ze lange tijd aanwezig blijven in het milieu en zich kunnen opstapelen in levende organismen. Sedert 1996 daalt ook de gemiddelde concentratie van dioxines in vet van koemelk. De dioxinedepositie vanuit de lucht volgt een dalende trend: waar in 1993 nog 70 % van de metingen een verhoogde depositie aangaven was dit in 2002-2003 in minder dan 5 % van de metingen het geval. Recent is de problematiek van 'nieuwe' chemicaliën in de aandacht gekomen. Zo worden gebromeerde vlamvertragers in sommige waterbodems en palingen in uitzonderlijk hoge concentraties aangetroffen. Zij hebben mogelijk een hormoonverstorende functie.
17
Verloren gezonde levensjaren
De blootstelling aan luchtverontreiniging (o.a. ozon, PM10) en geluid geeft in Vlaanderen aanleiding tot het verlies van 500 gezonde levensjaren (DALY’s) per 100.000 inwoners. Dit betekent dat elke inwoner in Vlaanderen bijna een half gezond levensjaar verliest door levenslange blootstelling aan milieufactoren. Ongeveer 2,7 % van de totale ziektelast in Vlaanderen kan toegeschreven worden aan milieufactoren. Door het stiller worden van de wagens en de verzadiging van de hoofdwegen neemt de geluidsemissie in Vlaanderen verder af. Door de lintbebouwing langs drukke wegen en het dichte wegennet in Vlaanderen daalt het aantal personen dat blootgesteld wordt aan relatief hoge geluidsnormen (65 dB(A)) niet. Het percentage ernstig gehinderden door geluid schommelt sinds 1995 rond de 18 % en het verkeer en vervoer levert hierbij veruit de belangrijkste bijdrage. Vlaamse afvalberg bestaat vooral uit bedrijfsafval
De bevolking staat steeds kritischer tegenover de kwaliteit van voedingsproducten en besteedt alsmaar meer aandacht aan het verband tussen gezondheid, milieu en veiligheid. Ook processen als gezinsverdunning en veroudering beïnvloeden het consumptiegedrag en bijgevolg de afvalproductie. In 2002 is de huishoudelijke afvalberg, voor het eerst sinds 1991, gestopt met groeien. In 2002 werd 556 kg/inwoner ingezameld. In dezelfde periode steeg het aandeel van selectief ingezameld afval van 18,3 % naar 69,5 %. Het is nog te vroeg om van een trendbreuk te kunnen spreken, maar de evolutie kan erop wijzen dat het preventiebeleid vruchten begint af te werken. Het gaat hierbij o.a. over het aanmoedigen van thuiscomposteren, het ondersteunen van kringloopcentra en preventieprojecten op gemeentelijk of intercommunaal niveau, de gedifferentieerde tarifering voor selectieve stromen (DIFTAR) en de uitvoering van preventieplannen van verpakkingsverantwoordelijken. Het aanbod huishoudelijk afval voor eindverwerking (verbranden en/of storten) daalt continu sedert 1995 en lag in 2002 op 169 kg/inwoner. Desondanks is afvalbewust gedrag nog geen gemeengoed. De kost voor de verwerking van afvalstoffen wordt zowel voor de gezinnen als voor de bedrijven steeds zichtbaarder. In Vlaanderen is 90% van het afval te benoemen als bedrijfsafval, 4% hiervan is als gevaarlijk afval te beschouwen. In 2001 werd 13% van het bedrijfsafval gestort, wat een toename was tegenover het voorgaande jaar. De voorbije jaren zijn grote inspanningen geleverd om afvalpreventie bij bedrijven te bevorderen. Toch maakt het preventiebeleid nog onvoldoende deel uit van een geïntegreerde beleidsaanpak.. Druk op watersystemen en -reserves is hoog
Ondanks de grote hoeveelheid regen heeft Vlaanderen relatief weinig waterreserves. De druk als gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid, de industrie en de intensieve landbouw is zeer hoog. De industriële belasting van het oppervlaktewater liep tussen 1992 en 2002 sterk terug: de BZVvracht nam af met 79%, de stikstofvracht met 50%. Voor het huishoudelijk afvalwater tekende zich eenzelfde trend af: de BZV-vracht nam af met 38%, de N-vracht met 26%. Dit laatste is vooral te wijten aan het waterzuiveringsbeleid. In 2003 is 60% van de inwoners van Vlaanderen aangesloten op een RWZI. Ondanks het dalend overschot op de nutriëntenbalans daalden de stikstof- en fosforvrachten van agrarische oorsprong naar oppervlaktewater echter niet. Wel zijn er duidelijk tekenen van verbetering aanwezig. Er was de laatste jaren een aanzienlijke stijging van het aantal meetpunten waar er geen enkele keer een overschrijding was van de norm. Verdere positieve evoluties zijn te verwachten oa. als de effecten van de eindbemestingsnormen verder doorwerken. Ondanks de gunstige evolutie voor de meeste waterkwaliteitsparameters voldoet een groot deel van de meetplaatsen nog steeds niet aan de basiswaterkwaliteitsnormen. De kosten voor
18
drinkwaterwinning blijven hoog. Grondwaterreserves worden bedreigd omdat teveel water wordt opgepompt. Overstromingen en de materiële schade die hierdoor wordt aangebracht halen steeds vaker de actualiteit. Menselijke ingrepen in het verleden spelen hierin een belangrijke rol. Het rechttrekken en uitdiepen van waterlopen, draineren van gronden en verharden van de bodem zorgen voor een snelle afvoer van water, met stroomafwaartse problemen tot gevolg. Ook de ruimtelijke ordening, die historisch vooral gericht is op economische motieven en zo volop activiteiten heeft voorzien in de natuurlijke overstromingszones van onze rivieren, heeft onmiskenbaar een groot aandeel in de problematiek..
2.3.2
Situering ten opzichte van andere landen of regio's
Jaarlijks wordt de voortgang van de uitvoering van de Lissabonstrategie gerapporteerd aan de Europese Raad. Dit voortgangsrapport bevat een lijst met de zogenaamde structurele indicatoren, overeenkomstig de prioriteiten die naar voor geschoven werden met betrekking tot economische ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale cohesie en milieu. Een vergelijking van Vlaanderen ten opzichte van de 15 EU-landen met betrekking tot een selectie van deze indicatoren (referentiejaar 2000) geeft volgende analyse. Vlaanderen behoort tot de meest welvarende regio's in Europa. Het bruto binnenlands product per hoofd is hoger dan het Europese gemiddelde. Met meer dan 400 inwoners/km² is Vlaanderen ook één van de dichtstbevolkte regio's in Europa. De industrie neemt nog steeds een belangrijke plaats in onze economische structuur. In Vlaanderen is de energie-intensiteit van de economie in vergelijking met de rest van Europa zeer groot. Het bruto binnenlands energiegebruik per eenheid van BBP is over de periode 1995-2000 weliswaar dalende, doch met 290 kgoe/1000 EURO bekleedt Vlaanderen de laatste plaats in een vergelijking met de 15 EU-lidstaten. Het hoge energiegebruik en meerbepaald de verbranding van fossiele brandstoffen is de voornaamste oorzaak van CO2- en broeikasgasemissies in Vlaanderen. De emissie van broeikasgassen nam in de periode 1990-2000 met 11% toe, terwijl het gemiddelde van de 15 EU-landen in dezelfde periode een daling van 3% aangeeft. Het aandeel van groene stroom in het Europees elektriciteitsgebruik bedraagt 14,7% in 2000. In Vlaanderen bedraagt het aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen 0,7% van het bruto binnenlands elektriciteitsgebruik in 2000. Ondanks de voortgang van de laatste jaren blijft het Vlaamse gewest ver achter op de andere EU-landen. De toename van volume van het personenvervoer houdt in Vlaanderen gelijke tred met de toename van het BBP, het volume van het vrachtvervoer stijgt sneller. Er is dus geen sprake van ontkoppeling. Het aandeel wegtransport in het totale goederenvervoer bedraagt in België 77,8% in 2002 in vergelijking met gemiddeld 79% voor de EU-landen. Met betrekking tot het personenvervoer in België, blijft het aandeel vervoer per wagen hoog (83,4% in 2001), wat vergelijkbaar is met de rest van Europa. Ook in Vlaanderen heeft de auto het grootste aandeel in het personenvervoer. Ruim driekwart van de afgelegde kilometers gebeurt met de wagen. Voor ongeveer 8% van alle afgelegde kilometers in 2000 wordt gebruik gemaakt van het openbaar vervoer. Voor 5,7% van alle afstand nemen Vlamingen de fiets. Hiermee leunt Vlaanderen aan bij de Europese toppers Denemarken en Nederland. De huishoudelijke afvalproductie per persoon houdt in Vlaanderen gelijke tred met het EUgemiddelde. Er wordt in het Vlaamse Gewest echter naar verhouding veel minder afval gestort dan in België of Europa: slechts 86 kg/persoon werd gestort tegenover 242 kg/persoon in de EU. Dat is de laatste jaren ook het geval voor wat betreft het verbrande afval. Inzake blootstelling van de bevolking aan luchtverontreiniging door ozon behoort Vlaanderen tot de 'hot spot'-regio's in Europa. In de periode 2001-2003 waren er in Vlaanderen gemiddeld 40 dagen met overschrijding van de 8-uursgemiddelde ozondrempelwaarde van 120 µg/m³. De concentratie PM-10 in stedelijk gebied blijft in Vlaanderen, zoals in de ons omringende landen, al
19
een aantal jaar onder de grens van 40 µg/m³ (EU korte termijndoelstelling). Landen als het Verenigd Koninkrijk, Finland en Zweden doen het daarentegen nog veel beter door nu reeds de lange termijndoelstelling van max. 20 µg/m³ te respecteren. Voor de bescherming van bedreigde habitats en soorten werden beschermingsgebieden afgebakend. In 2002 was in Vlaanderen 7,5% van het grondgebied als Habitatrichtlijngebied afgebakend. Het gemiddelde van de 15 EU-landen bedraagt evenwel 13,8%. Wat de afbakening van de Vogelrichtlijngebieden betreft, bevindt Vlaanderen zich in de Europese middenmoot (7,2 % van het grondgebied voor Vlaanderen in vergelijking met 7,7% als EU-gemiddelde). Met betrekking tot de Rode Lijsten leert internationaal onderzoek (OESO-gegevens) dat in Vlaanderen 23% van de vaatplanten en 28 % van de gewervelde dieren in mindere of meerdere mate bedreigd zijn. De vergelijking met andere Europese landen laat zien dat Nederland en Duitsland slechter en het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Scandinavische landen duidelijk beter scoren. Eveneens uit internationale rapporteringen, waaronder de ESI-index van het wereldeconomisch forum en het 'Water Development Report' van de Verenigde Naties, blijkt dat België (en ook Vlaanderen) niet zo goed scoort met betrekking tot de kwaliteit van en de druk op het milieu. Specifiek met betrekking tot waterkwaliteit wordt België in deze rapporten voorafgegaan door de andere EU-landen. Zeker in Vlaanderen wordt een herstel van de waterkwaliteit vaak vertraagd door de hoge bevolkingsdichtheid, verspreide bebouwing, uitgebreide industrie, intensieve veeteelt,… 2.3.3
Te verwachten evoluties
Het scenariorapport MIRA-S 2000 bevat een beschrijving van de milieutoestand in Vlaanderen voor het verleden, het heden en de toekomst. Er werd onderscheid gemaakt tussen drie beleidsscenario’s. Het BAU-scenario (‘business as usual’) houdt rekening met het vastgelegde milieubeleid. Het BAU+-scenario onderzoekt de effecten van extra, hoofdzakelijk technologische maatregelen bij de verschillende doelgroepen. Het DO-scenario (duurzaamheidsscenario) gaat verder en onderzoekt de effecten van volumemaatregelen. De algemene conclusie van dit scenariorapport was dat bij de verwachte ontwikkelingen, de toekomstige milieudruk verder zal toenemen. Aanvullende technologische maatregelen zullen ontoereikend zijn om een goede milieukwaliteit te bereiken. Wil men de milieudruk duurzaam beheersen dan zullen maatregelen nodig zijn die ingrijpen op de ontwikkelingen van de sectoren zelf (structurele maatregelen, volumemaatregelen). MIRA-S 2000 toonde aan dat het aangescherpte milieubeleid in een BAU+-scenario een aanzienlijke winst meebrengt voor de volksgezondheid en de natuur. De schadekosten van milieuverstoring, in het bijzonder de luchtverontreiniging, blijven echter hoog. Huishoudens. Het watergebruik zal bij de vastgestelde stijging van het aantal huishoudens maar dalen als het gebruik van hemelwater sterk toeneemt, samen met een toenemend gebruik van waterbesparende technologieën. In het BAU-scenario bleef ook de totale energievraag stijgen. In het BAU+-scenario veranderde de energievraag weinig en kwam ze terug op het niveau van begin de jaren ’90. Enkel vanaf het DO-scenario daalde de energievraag aanzienlijk door de introductie van afstandverwarming en micro-warmtekrachtkoppeling In alle gevallen zijn er aanzienlijke mogelijkheden voor energiebesparingen. Zelfs in het BAU+-scenario bleef de hoeveelheid huishoudelijk afval stijgen. Industrie. In de veronderstelling dat de deelsectoren hun waterbesparingen zullen verderzetten, zal het industrieel watergebruik verder dalen. Waterbesparingen zijn echter maar tot een bepaalde grens mogelijk en de kennis over de implementatie van waterbesparende maatregelen is beperkt. In het BAU+-scenario werd verondersteld dat tegen 2010 de efficiëntie van het brandstofgebruik met 15 % en van het elektriciteitsgebruik met 10 % zal verbeteren t.o.v. 1998. Desondanks zal in de periode 1998-2010 het brandstofgebruik en het elektriciteitsgebruik blijven stijgen. De mogelijkheden van toepasssing van hernieuwbare energie in Vlaanderen zijn beperkt. Bij een stopzetting van de nucleaire elektriciteitsproductie zal bijgevolg het elektriciteitsgebruik sterk
20
moeten dalen. Het verder vermijden van de industriële lozingen van afvalwaters vereist in vele gevallen dat bedrijven hun productieprocessen aanpassen. Een belangrijk instrument om afvalpreventie bij bedrijven te bevorderen, zijn de zogenaamde preventiestimulerende programma’s (Presti). Landbouw. Door de inkrimping van de veestapel wordt een daling van het watergebruik verwacht. Om het energiegebruik en de CO2-emissie in de Vlaamse landbouw verder terug te dringen, is een sterke daling van het gebruik per eenheid product (efficiëntieverhoging) noodzakelijk. Het kunstmestverbruik zal in de toekomst afnemen. Naast een efficiënter gebruik van de stikstof in dierlijke mest door ondergrondse aanwending, komt dit ook door een algemene verlaging van het bemestingsniveau per hectare. In de toekomst zal ook de NH3-emissie sterk dalen. Dit kan verklaard worden door veranderingen in de totale stikstofproductie van de veehouderij, de introductie van emissiearme aanwendingstechnieken van mest en het bouwen van emissiearme stallen. Verkeer en vervoer. In het BAU-scenario werd rekening gehouden met de huidige (Europese) emissiereglementering, zoals een verlaging van het loodgehalte in benzine en het zwavelgehalte in diesel. Ondanks de volumetoename, zorgen de invoering van de katalysator en de verbetering van de brandstoffen voor forse reducties van de uitstoot. Door de verwachte verschuiving van benzinewagens naar dieselwagens zullen de emissies van NH3 en N2O echter toenemen. Ook de CO2-emissies blijven stijgen. In het BAU+-scenario zal de versnelde vervanging van het bestaande wagenpark (door nieuwe, minder vervuilende voertuigen) het meest bijdragen tot de emissiereductie. De invoering van elektrische voertuigen veroorzaakt een relatief grote emissiereductie voor bijna alle polluenten omdat de uitlaatemissies wegvallen. De emissies van CO2 door personenwagen blijven in de toekomst stijgen tenzij het mobiliteitsvolume wijzigt, zoals verondersteld werd in het DO-scenario.
21
3
Uitdagingen en voorstellen Een eerste reeks uitdagingen en knelpunten bevindt zich op het vlak van de leefmilieuproblematiek op zich, die thematisch wordt benaderd. Voor nagenoeg alle thema's valt er nog veel werk te verzetten, en de aandachtspunten en prioriteiten verschillen onder meer naargelang de invalshoek en het schaalniveau. Omwille van zijn belang wordt het Europees milieubeleid, zoals vastgelegd in het Europese Milieubeleidsplan (MAP 6), als aanknopingspunt gekozen. De klemtonen die hierin gelegd worden op klimaat, biodiversiteit (met inbegrip van bodem, landschapsbescherming en de relatie tussen landbouw en milieu), gezondheid (met inbegrip van stedelijk milieubeleid) en natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van de afvalproblematiek) zijn ook geldig voor Vlaanderen. Verder nopen de Europese Kaderrichtlijn Water en de diverse internationale evaluaties tot meer aandacht voor water. Een tweede reeks uitdagingen heeft betrekking op manieren van beleid voeren in het licht van de veranderende positie van de overheid. Vanuit een sectoraal ontstaan milieubeleid werd stapsgewijze naar een interne en externe integratie toegewerkt. Vooral de externe integratie (het doordringen van het milieubeleid in andere beleidsdomeinen zoals landbouw, industrie enz.) is een complex en traag proces. Daarnaast ontwikkelde zich beleid op verschillende bestuurlijke niveaus, met andere strategieën, actoren en accenten. Hierbij stelt zich telkens de uitdaging om deze vormen van beleid op mekaar af te stemmen en in mekaar te laten doorwerken. Tegelijk is er een evolutie aan de gang van het centraal door de overheid opgezette beleid naar een meer gedeelde verantwoordelijkheid voor het milieubeleid. Actoren wensen mee verantwoordelijkheid te dragen bij de formulering en uitvoering van beleid. Via deze weg van responsabilisering mikt de Vlaamse overheid ook op een betere acceptatie en implementatie van het beleid. Het Vlaamse beleid evolueert dus van het klassieke "besturen" naar een aansturing en beleidsvoering in interactie met andere actoren. De ontwikkeling van het gebiedsgerichte beleid is hier een voorbeeld van. Tenslotte wordt het milieubeleid geplaatst in het kader van een duurzame ontwikkeling. Vlaanderen dient actief te blijven deelnemen aan de Interdepartementele Commissie Duurzame Ontwikkeling teneinde de Vlaamse doelstellingen en belangen inzake duurzame ontwikkeling (en bijgevolg ook leefmilieu) te kunnen inbrengen in het federale plan voor duurzame ontwikkeling. Dit impliceert in de eerste plaats het uitbouwen van een Vlaamse Strategie inzake Duurzame Ontwikkeling tegen 2005 in respons op de VN-Verklaring van Johannesburg. Een keuze voor duurzame ontwikkeling vereist ook het verder institutioneel verankeren van dit thema binnen de verschillende beleidsdomeinen en gezagsniveaus en de oprichting van een duidelijke overlegstructuur. Op basis van de geformuleerde uitdagingen worden actiegerichte voorstellen geformuleerd. Het gaat hier om een selectie van 29 prioritair uit te voeren maatregelen. Vooral die maatregelen worden opgenomen (1) die in grote mate bijdragen aan het behalen van de doelstellingen, (2) die behoren tot een prioritaire thematiek waarbij de impact op mens en natuur en de afstand tot de doelstellingen groot is, (3) die bijkomende inspanningen vereisen om de reeds ingezette middelen verder te doen renderen, (4) die uitgevoerd moeten worden in het kader van een internationale verplichting, (5) die uitvoering geven aan Vlaamse verplichtingen, (6) die als een kerntaak voor het Vlaamse gewest worden beschouwd en (6) die onontbeerlijk zijn voor een zo volledig mogelijke uitvoering van het geldende Milieubeleidsplan. De voorstellen worden verder uitgewerkt in de er op volgende ideeënfiches. Nagenoeg alle uitdagingen en denkpistes alsook het doel van de verschillende voorstellen worden ook uitgebreid beschreven in het MINA-plan 3 (tekst te vinden op www.milieubeleidsplan.be).
22
3.1
Klimaat en Lucht
Klimaatverandering door een versterkt broeikaseffect is een mondiaal milieuprobleem. Het protocol van Kyoto legt internationale afspraken vast en stelt voor 38 industrielanden reductiedoelstellingen voor broeikasgassen op. Vlaanderen neemt zijn verantwoordelijkheid om de Belgische reductiedoelstelling van 7,5% mee te realiseren in de periode 2008-2012. Als tussentijdse doelstelling voorziet het MINA-plan 3 dat Vlaanderen zijn totale broeikasgasemissies tegen 2005 terug moet brengen tot het niveau van 1990. De beleidsaanpak vanuit leefmilieu is opgenomen in het Vlaams Klimaatplan dat door de Vlaamse regering werd vastgesteld op 28 februari 2003. Belangrijk in de aanpak van luchtverontreiniging is de Europese richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn). Hierin worden emissieplafonds voorzien tegen 2010 voor de polluenten SO2, NOx, VOS en NH3. Deze emissieplafonds werden vertaald in emissiereductiedoelstellingen per lidstaat, die vervolgens verdeeld werden over de verschillende gewesten. In uitvoering hiervan moet de uitstoot van deze stoffen in Vlaanderen in 2007 verminderd zijn tot respectievelijk 66,8 kton SO2, 94 kton NOx, 93,1 kton VOS en 45 kton NH3. Voorstellen:
1. Het Vlaams klimaatbeleid optimaliseren 2. Opmaak en implementatie van sectorale reductieprogramma’s vluchtige organische stoffen (VOS), SO2, NOx en NH3 3. Integratie van het milieubeleid en het mobiliteitsbeleid bevorderen
3.2
Bodem
Regionale maar ook internationale aandacht plaatsen dit onderwerp steeds meer op de agenda. Het gaat hierbij om drie verschillende aspecten: (1) bodemverontreiniging, en daarmee samenhangende bodemsanering, (2) bodemaantasting en (3) waterbodems. Het MINA-plan 3 voorziet dat tegen 2007 de sanering van de meest urgente gevallen van historische bodemverontreiniging (23 % of +/- 2.450 gronden) minstens opgestart moet zijn. Daarvoor zijn een versnelling van de ambtshalve bodemsanering en een geïntegreerde aanpak van brownfields en woonzones nodig. Verder is er nog geen volledig beeld van het aantal gronden in Vlaanderen dat verontreinigd is. De bodemsaneringen kosten veel geld. Indien een drastische verhoging van de middelen vanuit de algemene begroting niet mogelijk is, dienen alternatieve paden onderzocht te worden. Eén van de voornaamste pistes is de fondsvorming door sectoren. De aandacht voor bodemaantasting is een zeer recent fenomeen. Er zijn geen systematische gegevens over de aantasting van de Vlaamse bodems voorhanden. Erosiebestrijdingsmaatregelen zijn dan ook een vrij nieuw gegeven. Er is nood aan de uitwerking van een juridisch en beleidskader voor bodemaantasting. Op basis van de goedgekeurde gemeentelijke erosiebestrijdingsplannen moet een versnelling van de aanpak op het terrein gerealiseerd worden. De uitwerking van goede landbouw- en milieupraktijken en de opvolging van de bodemkwaliteit zal gebeuren in uitvoering van het aangepaste EU-landbouwbeleid (cross compliance). Waterbodemverontreiniging tenslotte heeft te maken met opname en vrijstelling van milieugevaarlijke stoffen door waterbodems en met de problematiek van de bagger- en ruimingspecie. Er is een historische achterstand in het ruimen. Tegen 2007 moet, volgens het sectoraal uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie, +/- 600.000 m³ van de historische ruimingsachterstand van hydraulische aard in waterlopen weggewerkt zijn. Juridische knelpunten, voornamelijk in de vorm van onaangepaste vergunningsvoorwaarden, bemoeilijken het vinden van een bestemming voor de specie en remt het uitvoeren van baggerwerken. Het beleid focust op de sanering, verwerking en voorkoming van slib. Een aanpassing van het bodemsanerings- naar een bodembeschermingsdecreet met een hoofdstuk 'waterbodemsanering' dringt zich op. Bij deze aanpassing moeten ook een aantal onbillijkheden in
23
de bodemsaneringsplicht verder worden weggewerkt. Het uitwerken van een systeem van cofinanciering, waarbij de overheid de netto saneringskost verlicht, lijkt aangewezen. Voorstellen:
4. Bodemsaneringen versnellen, met aandacht voor brownfields en woonzones 5. Waterbodemverontreiniging aanpakken
3.3
Biodiversiteit
Het Natuurdecreet, met inbegrip van de wijziging (2002), en de bijhorende uitvoeringsbesluiten waren een belangrijke stap voor het natuurbehoud in Vlaanderen. Het Natuurdecreet, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het MINA-plan 3 voorzien tegen 2003 de afbakening van 125.000 ha Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en van 150.000 ha natuurverwevingsgebied. Dit netwerk past in het Europese Natura-2000 netwerk en omvat ook de speciale beschermingszones aangeduid in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Een mijlpaal was de eerste afbakening van 85.500 ha VEN-gebieden, in werking getreden op 31 oktober 2003. De tweede fase zal de overige 41.000 ha van het VEN en 150.000 ha natuurverwevingsgebied moeten afbakenen. De natuurrichtplannen vormen een kader waarbinnen instrumenten zoals terreinverwerving, beheerplanning en -uitvoering, natuurinrichting, landinrichting en beheerovereenkomsten ingezet worden. Voor elk van deze onderdelen zijn doelstellingen vastgelegd in het MINA-plan 3. Zo zou in 2007 o.m. de totale oppervlakte die onder effectief natuurbeheer staat, door Vlaamse overheid, lokale overheden en verenigingen, moeten gestegen zijn tot 50.000 ha. Ook het opnemen van zorg voor natuur in andere beleidsdomeinen is essentieel voor een doeltreffend natuurbeleid. Samenwerking met diverse doelgroepen en met lokale overheden is hiervoor nodig. Een voorbeeld hiervan is het Vlaamse bosbeleid, dat staat voor een kwalitatief hoogstaand bosbeheer. Het Bosdecreet voert het principe van de multifunctionaliteit van het bos in: een bos kan gelijktijdig een ecologische, economische, sociale, educatieve en wetenschappelijke functie hebben. Voor elk van die functies werden criteria voor duurzaam bosbeheer vastgelegd door de Vlaamse regering. Deze criteria gelden bij het beheer van alle openbare bossen en voor sommige privébossen, en worden opgevolgd via indicatoren. Er zal een uniforme regeling worden uitgewerkt over de toegankelijkheid voor bos en natuurgebieden. Deze eenvormige regeling zal leiden tot meer duidelijkheid aangaande gedragsregels voor de diverse niet-professionele natuurgebruikers en zal zo leiden tot een vereenvoudiging van de regelgeving. Tegelijk wordt nagegaan op welke wijze meer bos- en natuurgebieden recreatief ontsloten kunnen worden. Een slechte milieukwaliteit is een sterke bedreiging voor de biodiversiteit. Waar het generieke beleid er niet in slaagt de noodzakelijke hoge milieukwaliteit te voorzien, dient een aanvullend gebiedsgericht beleid te worden uitgestippeld. Zo dient bv. het anti-verzuringsbeleid in Vlaanderen gericht te blijven op het beschermen van gevoelige en waardevolle ecosystemen tegen een verzurende depositie die hoger ligt dan de kritische last. Een performant depositiemeetnet verzuring, eventueel uitgebreid met gebiedsgerichte metingen, levert de onderbouwing. Andere grote uitdagingen zijn het verder versterken van de biodiversiteit in stedelijke gebieden en het uitwerken van het soortenbeleid met specifieke aandacht voor geïntroduceerde soorten.
24
Voorstellen:
6. Ecologisch waardevolle gebieden ruimtelijk veilig stellen 7. Milieukwaliteit afstemmen op de behoeften van kwetsbare soorten en habitats 8. De bossen in Vlaanderen uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren
3.4
Gezondheid en stedelijk beleid
De relatie tussen milieu en gezondheid staat volop in de actualiteit. Een geïntegreerd milieu- en gezondheidsbeleid vereist onder meer het beter samenbrengen van alle relevante gegevens, een minimale blootstelling aan schadelijke stoffen, een maatschappelijke afweging van risico’s, een continue evaluatie van de normen en het leren omgaan met onzekerheden en risico’s. Conform het EU-beleid, omschreven in het 6de Milieuactieprogramma, gaat hierbij bijzondere aandacht naar kwetsbare bevolkingsgroepen. De concentratie van milieubelastende elementen in steden vereist een gebiedsspecifieke aanpak waarbij ook het ruimtelijk beleid meespeelt. Gezond wonen heeft immers niet alleen te maken met betere luchtkwaliteit en minder geluids-, licht- en geurhinder, maar ook met groene ruimten en water in de stad. Een betere stedelijke woonomgeving en een beter stedelijk milieu zijn de eerste basisvoorwaarden om stadsvlucht af te remmen. Op velerlei terreinen is actie nodig. Zo is er bijzondere aandacht nodig voor meer natuur en groen voor de mens in de stedelijke en randstedelijke gebieden. Stadsbossen zullen voor meer groen in en rondom de steden moeten zorgen. Daarbij is de realisatie van de in het ruimtelijk beleid geplande bosuitbreidingsdoelstellingen een belangrijke voorwaarde. Voor parken en openbaar groen zullen streefnormen worden opgesteld op gebied van oppervlakte, ligging, bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit. Om deze normen te realiseren zullen instrumenten worden ontwikkeld, conform de verantwoordelijkheden die terzake zijn vastgelegd in het kader van het kerntakendebat. Een verregaande participatie van de bevolking wordt daarbij nagestreefd. Het beheer stoelt op de visie ‘Harmonisch Park- en Groenbeheer’ die verder wordt ontwikkeld. Ondersteunende initiatieven, een netwerk aan voorbeeldprojecten, de ontwikkeling van nieuwe technieken en een kenniscentrum zullen dit beleid schragen. Daarnaast is er de blootstelling van de mens aan milieufactoren die via verschillende blootstellingsroutes loopt en een grote waaier aan stoffen betreft. Zo moet onder meer vanaf 2010 het aantal dagen dat de 8-uursgemiddelde ozondrempelwaarde van 120 µg/m3 overschreden wordt, teruggedrongen zijn tot max. 25 en moet tegen 2005 de depositie van dioxines tot maximaal 26 pg/m².dag (maandgemiddelde) gereduceerd zijn. Maatregelen voor de verbetering van de luchtkwaliteit zijn nodig. Gezien luchtverontreiniging een grensoverschrijdende aanpak vergt dienen de maatregelen te kaderen in de Europese strategie. ook aanvullende lokale maatregelen kunnen evenwel vereist zijn. Concreet betekent dit o.m. een nauwgezette uitvoering van het ozonplan (reductieprogramma nationale emissieplafonds); het ontwikkelen van een programma’s ter reductie van fijn stof, polyaromatische koolwaterstoffen, zware metalen en dioxines in de lucht en stapsgewijze invoering van reductiemaatregelen, en de uitbouw en het onderhoud van een performant meetnet lucht. Ook onderzoek naar de binnenhuisblootstelling is nodig. Wat het aspect hinder betreft legt de nieuwe Europese richtlijn aangaande de beoordeling en beheersing van omgevingslawaai op dat de geluidstoestand van grote agglomeraties, luchthavens en belangrijke wegen en spoorlijnen moet in kaart gebracht worden, waarna knelpunten moeten aangepakt worden met behulp van geluidsactieplannen. Uiteraard blijft ook het specifieke geluidhinderbeleid rond de luchthavens centraal staan.
25
Voorstellen:
9. De EU-richtlijn omgevingslawaai uitvoeren 10. Milieu-; natuur- en leefbaarheidsaspecten inbrengen in een globaal stedelijk beleid 11. Opstellen en uitvoeren van een actieplan pesticiden 12. Mee uitvoeren van het Europees beleid inzake milieugevaarlijke stoffen
3.5
Afval en stofstroombeheer
Het ontstaan en de verwerking van afvalstoffen veroorzaakt emissies naar lucht, bodem en water, zorgt voor verlies aan grondstoffen en energie en veroorzaakt ruimtebeslag. De aanpak van het afvalstoffenprobleem vereist in de eerste plaats een beleid van afvalvoorkoming en planmatige aanpak van prioritaire bedrijfsafvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen en hoogwaardig calorisch afval. Zo moet o.m. de hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen in 2007 lager liggen dan in 2002. Bij het uitwerken van concrete preventie- en recuperatiedoelstellingen voor bedrijfs- en huishoudelijke afvalstoffen door de overheid is samenspraak met de doelgroepen essentieel. Belangrijk is dat de bereikte resultaten voor huishoudelijke afvalstoffen geconsolideerd worden en de voortzetting ervan gegarandeerd. Hierbij moet gewaakt worden over het behoud van het draagvlak bij de bevolking. Dit mag niet verloren gaan door te verregaande doelstellingen voorop te stellen. Zowat 90% van de Vlaamse afvalberg bestaat echter uit bedrijfsafval. Het MINA-plan 3 legt o.m. in dit kader op dat de hoeveelheid definitief verwijderde bedrijfsafvalstoffen tegen 2010 met minstens 20% moet verminderd zijn t.o.v. 2000. Een strikte toepassing van stort- en verbrandingsverboden en een planmatig beheer van stort- en verbrandingscapaciteit zijn nodig. Sensibilisering en informatie moeten afvalproductie voorkomen en milieubewust gedrag en de vraag naar duurzame en milieuvriendelijke producten stimuleren. Gerecycleerde materialen moeten een grotere plaats krijgen in productieprocessen. De bestaande aanvaardingsplichten moeten zich meer richten op preventie en duurzame ontwikkeling. Aandacht moet gaan naar een hogere kwaliteit van de ingezamelde stromen, een strikte handhaving en financiering van het inzamel- en verwerkingssysteem. Voor dierlijk afval is om reden van volksgezondheid een hoogwaardige recyclage in de dierenvoeding uitgesloten en gaat de voorkeur naar vernietiging. Desondanks moet een hoogwaardiger valorisatie worden beoogd. Voorts moet gestreefd worden naar gebruik van secundaire grondstoffen met inbegrip van een kwaliteitsopvolgingssysteem. De afbakening van afvalstoffen versus grondstoffen vergt de nodige aandacht, net zoals de afstemming/actualisatie van de VLAREA-normen voor bouwstof met de stortcriteria voor inerte afvalstoffen. Tenslotte moet de uitvoering van de goedgekeurde uitvoeringsplannen gewaarborgd worden; met name de uitvoeringsplannen omtrent huishoudelijke afvalstoffen, organisch biologische afvalstoffen, hoogcalorisch afval, bagger en ruimingspecie, houtafval, gescheiden inzameling bedrijfsafval van kleine ondernemingen, bouw en sloopafval en slibafval. In navolging van het Europese beleid verbreedt de invalshoek naar het beheer van stoffen/voorraden, waarbij een koppeling wordt gemaakt met onderzoeks- en innovatieprogramma's, het actieplan voor milieutechnologie, de strategieën voor afvalpreventie en recycling en voor beheer van natuurlijke rijkdommen, en het geïntegreerde productbeleid. Bij verdere uitbreiding gaat het dan niet meer louter om het afvalbeheer in de ruime zin maar ook over het beheersen van de inzet van milieuvoorraden, bv. over water, biodiversiteit, ruimte, economische voorraden. Samenhangende concepten hierrond dienen uitgewerkt te worden om uiteindelijk tot uitdagende doelstellingen en maatregelen te komen. De daartoe vereiste doorbraken, zijn maar te realiseren mits grondige wijzigingen in de samenlevingspatronen. Onder de noemer
26
'transitiemanagement' wordt nu al nagedacht over de gewenste ontwikkelingen in de (verre) toekomst. Voorstellen:
13. Voorkomen van afval via proces- en productbeleid 14. Implementatie Europese regelgeving inzake biologische afvalstoffen 15. Afvalstoffenbeleid verder uitvoeren d.m.v. specifieke uitvoeringsplannen
3.6
Water
Het waterbeleid wordt nu en de komende jaren sterk gestuurd door de Europese kaderrichtlijn Water. Deze richtlijn heeft zowel betrekking op de bescherming van oppervlaktewateren als van grondwater, waarbij een integrale benadering op het niveau van stroomgebieden centraal staat. De richtlijn legt een reeks verplichtingen op om tegen 2015 een goede toestand voor oppervlakte- en grondwater te bereiken. Om dit te bereiken moet de overheid werk maken van diverse analyses, integrale waterplannen en programma’s met maatregelen op de verschillende niveaus (stroomgebied, Vlaams, bekken en deelbekken). Het optimaliseren van het lokale waterbeleid, op deelbekkenniveau, vormt daarbij één van de komende uitdagingen. Belangrijke stappen zijn het bepalen van een methodologie voor het opstellen van deelbekkenbeheerplannen en het zoveel mogelijk uniformiseren van toepasselijke subsidieregelingen (voor waterlopenbeheer, waterzuivering, drinkwaterbeheer, …) tot één subsidieregeling. De deelbekkenbeheerplannen maken een integraal onderdeel uit van de bekkenbeheerplannen, die op hun beurt de bouwstenen vormen voor de stroomgebiedbeheerplannen. Op stroomgebiedniveau zijn afspraken met buur-oeverstaten nodig over de planning en uitvoering van een integraal waterbeleid. De onderlinge afstemming van deze waterplannen en de communicatie erover naar het publiek zal een belangrijk aandachtspunt zijn. Eveneens belangrijk is dat in de bekkenbeheerplannen de kennis van watersystemen en hun functiemogelijkheden verder ontwikkeld worden. Om tot een duurzaam watergebruik te komen zou het drinkwatergebruik door de bevolking tegen 2007 moeten teruggebracht zijn tot 215 miljoen m3 (ca. 98 l/persoon.dag) en zou het hemelwatergebruik in diezelfde tijdspanne moeten opgelopen zijn tot 30 miljoen m3. Bijkomend moeten de watervoerende lagen beschermd en hersteld worden. Een visie inzake de verdere exploitatie van watervoerende lagen wordt afgewerkt, herstelprogramma’s voor bedreigde en verontreinigde watervoerende worden voorbereid, een sturend vergunningen- en heffingenbeleid wordt uitgewerkt, illegale grond- en oppervlaktewaterwinningen vermeden en groot- en kleinschalige infiltratie bevorderd. Belangrijk zijn ook de richtlijn Stedelijk afvalwater, de Drinkwaterrichtlijn en de richtlijn Milieugevaarlijke stoffen. Voor de verbetering van de waterkwaliteit is de verdere uitbouw van de zuiveringsinfrastructuur voor huishoudelijk afvalwater nodig. Tegen eind 2007 moet de zuiveringsgraad van het huishoudelijk afvalwater, door uitvoering te geven aan de verplichtingen van de richtlijn Stedelijk afvalwater, toenemen tot 80%. Ook de overige 20% moet over een afdoende zuivering beschikken. De verantwoordelijkheden voor deze waterzuivering dienen eenduidig toegewezen te worden en de realisatie van de nodige waterzuiveringsinfrastructuur moet worden uitgevoerd conform de Code van goede Praktijk. Om de hoeveelheid industrieel afvalwater terug te dringen worden instrumenten als vergunningen, heffingen en overleg ingezet. Naarmate meer afvalwater is aangesloten op een zuiveringsinstallatie wordt de aanpak van diffuse bronnen belangrijker. Voor de aanpak van diffuse verontreiniging vanuit de landbouw vormt de Europese Nitraatrichtlijn het richtinggevend kader.
27
Het huidige mestbeleid moet de eerstkomende jaren geëvalueerd worden en volledig in overeenstemming gebracht worden met die Europese Nitraatlichtlijn. De basisprincipes van het huidige volumebeleid (behoud nutriëntenhalte, stand-still vergunde productie op Vlaams niveau) blijven behouden. Een strikt vergunningenbeleid blijft noodzakelijk, waarbij evenwel rekening gehouden wordt met de dynamiek in de sector en de ontwikkeling van nieuwe bedrijfstypes. Er moet werk gemaakt worden van het volledig in kaart brengen van de juiste vergunde dierlijke productie. De huidige visie op het waterbeleid heeft als uitgangspunt dat overstromingen een natuurlijk verschijnsel zijn en steeds zullen blijven voorkomen. Het beleid moet daarom zoveel mogelijk aansluiten bij het natuurlijk functioneren van het watersysteem. Om de overstromingsproblematiek te kunnen aanpakken is er meer ruimte voor water nodig. Overstromingsgebieden moeten worden afgebakend en ingericht, de natuurlijke werking en structuur van watersystemen moet in stand gehouden en hersteld worden. De aanpak aan de bron (vertraging waterafvoer, infiltratie, lokale berging) is hierbij belangrijk.. Het nieuwe instrument watertoets moet geoperationaliseerd worden. Voorstellen:
16. Verdere ontwikkeling van het juridisch instrumentarium en de organisatiestructuren voor integraal waterbeleid 17. Zuiveringsgraad huishoudelijk afvalwater opdrijven 18. Natuurlijke werking en structuur van watersystemen beschermen, herstellen en verbeteren.
3.7
Integratie
Geïntegreerd milieubeleid vergt vooreerst dat de verschillende entiteiten van het eigen beleidsdomein op een coherente manier samenwerken. Milieubeleid is echter geen verantwoordelijkheid voor het beleidsdomein milieu alleen. Ook andere beleidsdomeinen zoals energie, landbouw of mobiliteit kunnen en moeten er een belangrijke bijdrage voor leveren. Deze externe integratie van milieubeleid is een belangrijke opgave. Ze komt tot uiting zowel in het Europese (via het zogenaamde Cardiff-proces), het federale (via federaal plan duurzame ontwikkeling) als het Vlaamse milieubeleid (MINA-plan 3). Voor vijf beleidsdomeinen die een groot raakvlak met het milieubeleid vertonen is dit spoor al wat dieper uitgewerkt: economie en energie, mobiliteit en infrastructuur, landbouw, volksgezondheid en ruimtelijke ordening. In de samenwerking met het beleidsdomein ruimtelijke ordening kan als voorbeeld worden verwezen naar de uitvoering van de strategische plannen van de zeehavens, waarbij ook de beschikbare milieugebruiksruimte als criterium wordt gehanteerd. Op niveau van de dagelijkse dossiers stelt zich de taak van verdere uitwerking en uitvoering van de watertoets, als instrument van integratie. De afspraken die werden gemaakt bij het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 1997, met name 10.000 ha ecologische bosuitbreiding en 10.000 ha meer economisch gerichte bosaanleg in het agrarisch gebied moeten worden nageleefd en verder uitgevoerd. Ook moet de afbakening van de tweede fase van het VEN en de verwevingsgebieden gerealiseerd worden. Een ander concreet voorbeeld van externe integratie is de toepassing van natuurtechnische milieubouw bij de uitvoering van infrastructuurwerken aan wegen en waterlopen. Omwille van de voortdurend evoluerende inzichten zijn steeds nieuwe proefprojecten nodig. Vanuit de opgebouwde samenwerking dienen verder concrete initiatieven te worden genomen om de versnippering en doorsnijding van leefgebieden van planten en dieren ongedaan te maken.
28
Voorstellen:
19. Vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging 20. Verdere uitbouw van het plattelandsbeleid 21. Gezamenlijk uitwerken van concrete ontsnipperingsprojecten
3.8
Betrokkenheid van de actoren
Omdat milieudruk in belangrijke mate afkomstig is van allerlei actoren, zullen deze de milieuproblemen ook voor een belangrijk deel mee moeten oplossen. Als de overheid deze actoren beter bij beleidsontwikkelingen betrekt, biedt dat garanties voor een ruimer geaccepteerd en een kwalitatief hoogstaand milieubeleid. Op diverse terreinen is er alsmaar meer gelegenheden tot participatie. De participatiedrempel bij procedures voor openbaar onderzoek en inspraak zal worden verlaagd, waardoor ook de voorbereidende fasen van de beleidsvorming toegankelijk worden voor de burger. Op het terrein ontstaan constant nieuwe vormen van samenwerking en participatie. Voorbeelden daarvan zijn de bosgroepen als coöperatieve structuren voor partnerschappen met lokale overheden, doelgroepen en actoren, de wildbeheerseenheden als samenwerkingsverbanden tussen diverse sectoren, en de bekkenstructuren met betrekking tot het integraal waterbeleid. Er werden ook ervaringen opgedaan via een overkoepelend pilootproject 'doelgroepenbeleid'. In de toekomst moet dit worden verankerd en moet worden overgegaan tot een verruimde en veralgemeende werking naar een aantal doelgroepen die vanuit milieuoogpunt prioritair zijn. Uitbreiding van de coördinatie is o.m. nodig voor de milieucommunicatie van de overheid. Dit kan door ze meer te richten op specifieke doelgroepen en door de overlegstructuren met doelgroepen en stakeholders duidelijker te coördineren. Ook de hervorming van het advies- en overlegstelsel inzake leefmilieu en natuur past hierin. Door de contacten met het bedrijfsleven en met relevante doelgroepen zoals sectorfederaties en vakbonden te intensifiëren, wordt meer zekerheid ingebouwd in functie van de toekomstige ontwikkeling van Vlaamse bedrijven. De Vlaamse overheid moet zelf ook kunnen aantonen dat zij de nodige inspanningen levert om haar negatieve milieu impact te verkleinen. Om dat te verzekeren moet milieuzorg nog meer structureel verankerd worden in de organisatie. Milieucriteria moeten mee opgenomen worden in o.m. beheersovereenkomsten en bestekken en elke entiteit moet in de uitvoering van haar taken rekening houden met de mogelijke milieu impact.
29
3.9
Uitvoeringsinstrumentarium
De milieuregelgeving is omvangrijk en complex. De snelheid waarmee een grote hoeveelheid milieurecht tot stand is gekomen, heeft een aantal ongunstige neveneffecten gecreëerd. Zo werd met de wetgeving veelal ingespeeld op acute problemen en werd te weinig aandacht besteed aan de onderlinge afstemming. De veelheid aan regels leidt tot gevoelens van rechtsonzekerheid, interpretatieproblemen en conflicten. Dat alles bemoeilijkt een effectieve en efficiënte besluitvorming. Meer interne samenhang wordt bv. beoogd met het ontwerpdecreet Integrale voorwaarden, goedgekeurd op 19 september 2003 door de Vlaamse regering. Verdere inspanningen op dit vlak zijn nodig, vooral in functie van interne samenhang, doeltreffendheid, technische uitvoerbaarheid, doorzichtigheid en rechtszekerheid. Bij dit laatste is het belangrijk dat de regelgeving zo wordt geconcipieerd dat zij minder aanleiding geeft tot aanpassingen. Een inhaalbeweging is nodig. Een coördinerende structuur voor milieuregulering moet worden opgezet. De initiële taken van dit milieureguleringsteam dienen zich te situeren op het vlak van coördinatie en kwaliteitsbewaking alsook op het vlak van concrete opvolging en omzetting van de EU-milieuregelgeving (met uitzondering van het contentieux). Een voorbeeld van complexe en regelmatig wijzigende regelgeving is de mestwetgeving. Deze moet prioritair herzien worden waarbij de nodige aandacht geschonken moet worden aan een sterk vereenvoudigd, transparant, controleerbaar en stimulerend mestbeleid. Ander voorbeeld is de de nieuwe regelgeving inzake milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage. Deze zal geoperationaliseerd moeten worden en ondersteund door initiatieven voor de kwaliteitsbewaking van het instrument m.e.r. en voor de uitbouw van de plan-m.e.r.. Bijzondere aandacht dient eveneens te gaan naar de handhaafbaarheid van de milieuwetgeving. De geloofwaardigheid van een groot deel van het beleid hangt immers hiervan af. Dit is enkel mogelijk indien overtredingen daadwerkelijk worden gesanctioneerd. Een goede samenwerking en duidelijke afspraken tussen de eigen inspectiediensten, het Openbaar Ministerie en de reguliere politiediensten zijn hierbij onontbeerlijk. Ook een aantal specifieke maatregelen kunnen de handhaving vereenvoudigen. Het gaat hier om bv. uniforme en zwaardere strafbepalingen voor de bestaande milieuwetgeving met ruime differentiatie naargelang de aard en de ernst van het misdrijf, uitbreiden van een stelsel van eenvoudig te hanteren administratieve sancties en invoeren van de strafrechterlijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Aandachtspunten bij de verdere ontwikkeling van sociale instrumenten zijn o.a. netwerkvorming, interactief beleid en toegang tot milieu-informatie. De Vlaamse overheid dient werk te maken van een administratieve vereenvoudiging en uniformisering van procedures en het transparanter maken van de besluitvorming. Doelgroepen van het milieubeleid moeten bv. op eenvoudige wijze kennis kunnen nemen van alle mogelijkheden en beperkingen die rusten op eigendommen of percelen in gebruik. Een e-loket waarin alle mogelijkheden van agro-milieumaatregelen kunnen worden bevraagd en de uitbouw van een informatieve en administratieve consulteerbare databank door de grondenbank kunnen hieraan tegemoet komen. Er komt één loket voor de aanbieding van rechten en voorkoop en koopplichten. De openbaarheid van bestuur en alle daaraan verbonden informatieverstrekking zal worden verhoogd, om op een positieve manier in te spelen op de behoefte van de burger aan betrokkenheid bij de beleidsvorming. Een duidelijke communicatie naar de burger vereist verstaanbare taal, makkelijk toegankelijke informatiebronnen, eventueel aanvullende informatiesessies op lokaal niveau, en dergelijke meer. Ook het natuur- en milieueducatiebeleid zal meer doelgroepgericht en resultaatgericht worden georganiseerd, met focus op duurzame ontwikkeling (bv. het aanpassen van het aankoopgedrag in de richting van milieuvriendelijke producten, het stimuleren van het duurzaam verbruik van water, energie en grondstoffen).
30
Een ander bijzonder aspect betreft de zogenaamde instrumentenmix. Hoe diverse soorten instrumenten zich tot elkaar verhouden en hoe de juiste selectie kan worden gemaakt om echt resultaat te bereiken, blijven voor het grootste deel open vragen. Zowel qua nadere invulling en onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van dit concept als qua organisatorische aanpak zijn bijzondere initiatieven nodig. Het instrumentarium voor ontwikkeling van de open ruimte is aan een verdere optimalisering en afstemming met andere processen binnen en buiten het beleidsdomein leefmilieu toe (afbakening, bekkenbeheerplannen, natuurrichtplannen, …). De vanuit Europa opgelegde 'cross-compliance' (koppeling van economische steun in de landbouwsector aan de naleving van voorwaarden op het vlak van milieu- en natuur) biedt in dit kader een aantal nieuwe kansen van afstemming tussen de beide beleidsdomeinen. Het instrument beheerovereenkomsten dient te worden geoptimaliseerd en de mogelijkheden naar andere beleidsdomeinen, zoals erfgoedbeheer, uitgebreid. De grondenbank moet worden geoperationaliseerd. Voorstellen:
22. Evaluatie en onderbouwde bijsturing van het milieuvergunningenbeleid 23. Decretale onderbouwing en inhoudelijke bijsturing van het handhavingsbeleid 24. Optimaliseren en afstemmen van de inrichtingsinstrumenten voor het buitengebied 25. Uitbouwen van een vernieuwde mestwetgeving
3.10 Subsidiariteit Ondersteuning van het gemeentelijk en provinciaal milieubeleid blijft een belangrijke opdracht voor het Vlaamse gewest. Het samenwerkingsakkoord 2002-2004 dat de Vlaamse overheid met gemeenten en provincies afsloot geeft deze ondersteuning een structurele vorm. De permanente opvolging daarvan vormt de kern van het beleid. Stimuleren van milieubeleidsplanning, het ontwikkelen van aangepaste milieu-indicatoren en externe integratie op deze bestuursniveaus zijn daarin belangrijke aandachtspunten. De Vlaamse overheid kan lokale besturen een belangrijke ondersteuning bieden door participatieprocessen te bevorderen. Ten slotte moeten initiatieven zoals het Milieuoverleg tussen Lokale Overheden (MILO), het Aanspreekpunt voor Lokale Overheden, een geïntegreerde databank en gerichte vormingsacties dit beleid gericht op lokale overheden begeleiden. De huidige samenwerkingsovereenkomst wordt tegen eind 2004 aan een evaluatie onderworpen.
3.11 Internationaal Om de uitdagingen op het gebied van milieu aan te kunnen heeft Vlaanderen niet genoeg aan eigen maatregelen. Het doel is te streven naar een nieuw mondiaal samenwerkingsverband door een voortdurende, constructieve dialoog te voeren. De noodzaak om tot een duurzame ontwikkeling en een meer welvarende en rechtvaardige wereldeconomie te komen, vormt daarvoor de drijfveer. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de relatie tussen milieu en handel op wereldvlak, en aan de relatie met armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwerking. Enerzijds moet Vlaanderen zelf meer aandacht besteden aan een vluggere omzetting van de richtlijnen en verdragen; anderzijds moet ook de participatie op internationaal vlak worden versterkt en dient bij de voorbereiding van de onderhandelingen op Vlaams niveau meer gestructureerd te werk worden gegaan (coördinatie met ander beleidsdomeinen en doelgroepen). Er is ook nood aan meer betrokkenheid van het middenveld en het politieke niveau bij de voorbereiding van internationale afspraken.
31
Voorstellen:
26. Participatie aan het internationale niveau structureel uitbouwen en stroomlijnen
3.12 Economische onderbouwing en financiering van het milieubeleid Er is een grote behoefte aan een goede milieueconomische onderbouwing van het milieubeleid. Kennis over de interne en externe kosten van milieumaatregelen en hun kostenefficiëntie is essentieel. Eveneens is er weinig zicht op de effecten van de diverse financiële steunverleningsprogramma's en op de kosteneffectiviteit van de heffingen. Deze kennis is nodig om de middelen (van overheid en privé-sector) voor milieudoelstellingen zo efficiënt mogelijk aan te wenden. Vraagstukken als de verdeling van internationaal opgelegde reductie-inspanningen over doelgroepen en sectoren, verdeling van de kosten of inspanningen voor de reductie van grensoverschrijdende pollutie, het optimaal internaliseren van de externe kosten via het principe "de vervuiler betaalt", de evaluatie van de economische effecten van het milieubeleid, kunnen zonder deze kennis niet op een onderbouwde manier worden opgelost. Beleidsonderbouwende instrumenten zoals milieukostenstatistieken, milieueconomische modellen en afwegingskaders zijn hierbij noodzakelijk en moeten dringend verder ontwikkeld worden. Het beleidsdomein Leefmilieu wordt enerzijds geconfronteerd met zware budgettaire uitdagingen (onder meer op het vlak van waterzuivering (BTW-problematiek en beheersovereenkomst Aquafin, achterstand subsidiëring gemeentelijke rioleringen), anderzijds voorziet het nieuwe comptabiliteitdsdecreet in de vereffening van het MiNa-fonds. Hierbij zal projectmatig een alternatieve financieringsstructuur moeten worden uitgewerkt. Binnen deze context dienen de milieuheffingen als economisch beleidsinstrument bijgestuurd te worden. Een langetermijnvisie over de financiering van het Vlaamse milieubeleid is meer dan ooit nodig. In elk geval dient er een uitspraak te worden gedaan over de verhouding algemene middelen versus heffingsinkomsten. Ook voor de bedrijfswereld is duidelijkheid op lange termijn belangrijk, omdat dit rechtszekerheid verschaft over de inzet van economische instrumenten door de overheid (i.e. heffingen, subsidies en verhandelbare emissierechten). Op korte termijn kan deze visie het draagvlak bij de bedrijfswereld vergroten m.b.t. de inzet van economische instrumenten in het luchtbeleid (voor broeikasgassen, maar ook voor NOx, SOx en VOS). Bij het vooropstellen van de financiële lasten zal rekening worden gehouden met de inzet van economische instrumenten in de ons omringende landen (via benchmarkingstudies). Tenslotte zal de implementatie van het comptabiliteitsdecreet bijzondere uitdagingen inhouden voor het beleidsdomein Leefmilieu. Zo dient onder meer de volledige milieubegroting herwerkt te worden en dienen nieuwe boekhoudpakketten en consolidatiemethodes te worden ingevoerd. Deze aanpak kan worden aangegrepen om de milieubegroting verder aan een grondige doelmatigheidsanalyse te onderwerpen. Voorstellen:
27. Evalueren, bijsturen en eventueel uitbreiden van economische instrumenten 28. Economische afwegingskaders ingang doen vinden in het milieubeleid
3.13 Versterking beleidsonderbouwing In een complexe materie als het milieubeleid is een goede, op gegevens en wetenschappelijk onderzoek gebaseerde onderbouwing noodzakelijk. De inspanningen die de afgelopen jaren op dit vlak werden geleverd moeten worden verder gezet, evenals een betere verankering ervan in de
32
structuren. Het gaat hierbij om het verzorgen van samenhang en noodzakelijke afstemming tussen de diverse beleidsonderbouwende instrumenten en om het creëren van ruimte voor een strategie inzake kennisverwerving, informatiebeheer en rapportering. Een aantal belangrijke vernieuwingen dringen zich op: doorgedreven programmatie en afstemming van het wetenschappelijk onderzoek, aandacht voor de ontsluiting van het onderzoek, afstemming van de meetnetten en monitoring, ontwikkeling van een Milieu Management Informatiesysteem, uitbouw van een loket voor de ontsluiting van milieugeïntegreerde data en een verder doorgedreven indicatorgerichte rapportering. Geïntegreerde dataverzameling voor het milieu beleid en andere beleidsdomeinen (bv. landbouw) biedt mogelijkheden voor bijkomende administratieve vereenvoudiging.
3.14 Aandacht voor beleidsvoorbereiding en -evaluatie Een betere afstemming tussen de decretale milieubeleidsplanning en het Vlaamse regeerakkoord met daarop aansluitende planningscycli, zoals de cyclus van de beleidsnota en -brieven en die van de meerjarenbegroting en begroting, is wenselijk. Een eerste stap hiertoe is een gelijkschakeling in de tijd. Door een verlenging van het MINA-plan 3 tot 2010 wordt deze gelijkschakeling zonder al te veel bijkomende inspanningen gerealiseerd. Een actualisatie kan dan volstaan. Een ander aandachtspunt is de verdere uitbreiding van de decretale milieubeleidsplanning zelf. De sterke punten hiervan moeten in de toekomst worden behouden en uitgebouwd, waarbij het milieubeleidsplan als kader kan gelden voor het volledige milieubeleid. De zwakke punten, zoals het gebrek aan een vroegtijdig politiek draagvlak, moeten worden bijgewerkt. Een meer gecoördineerde beleidsevaluatie moet een nauwere aansluiting kunnen vinden bij de andere onderdelen van de planningscyclus. In relatie hiermee worden op drie niveaus sets van indicatoren ontwikkeld, die overeenstemmen met internationale afspraken en vorm moeten geven aan één aspect van de beleidsevaluatie sensu stricto en aan de beleidsopvolging. Voorstellen:
29. Verder afstemmen en verankeren van de diverse planningscycli voor het milieubeleid
33
4
Ideeënfiches 1
Het Vlaams klimaatbeleid optimaliseren
Beschrijving
Er wordt gestreefd naar een effectieve integratie van alle participerende bevoegdheden in het klimaatbeleid. Het project bestaat uit twee delen. Een eerste deel betreft de ambitieuze realisatie van het Vlaams klimaatbeleidsplan. Het Vlaams klimaatbeleidsplan is een iteratief strategisch beleidsplan dat permanent dient opgevolgd te worden en jaarlijks wordt bijgestuurd, en waarbij permanente politieke betrokkenheid wordt verzekerd. Jaarlijks zal in februari wordt een voortgangsrapport over het klimaatbeleid aan de Vlaamse regering voorgelegd ter goedkeuring. Het tweede deel heeft betrekking op de sectorale integratie van andere milieuthema's. Vanuit de context van het Minaplan 3 zal vanuit leefmilieu een duidelijke trekkersrol worden opgenomen inzake organisatorische en inhoudelijke acties, die een uniform, geïntegreerd en efficiënt klimaatbeleid ondersteunen. Hierbij zal specifieke aandacht gaan naar het integreren van projecten vanuit andere thema’s in het Vlaams klimaatbeleid Doel
Stabiliseren van de broeikasgasemissies in 2005 t.o.v. 1990 (beslissing van de Vlaamse regering van 21april 2001) 2
Opmaak en implementatie van sectorale reductieprogramma’s vluchtige organische stoffen (VOS), SO2, NOx en NH3
Beschrijving
Het proces waarmee het emissiereductiebeleid voor de industriële deelsectoren wordt uitgewerkt, kadert in het project ‘Emissiereductiebeleid lucht’. Op basis van de sectorstudies en de intersectorale afweging zullen in 2004 verder maatregelen voor het terugdringen van de emissies van VOS, SO2, NH3 en NOx worden uitgewerkt. Bestaande instrumenten zoals de VLAREMwetgeving, individuele milieuvergunningen, milieueffectenrapporten en inspectiecampagnes worden daarbij gericht ingezet. Andere mogelijke acties zijn onder meer demonstratieprojecten, subsidieregelingen en sensibilisatiecampagnes. Doel
De totale emissies verminderen tot maximum 93,1 kton VOS (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 75,35 kton), 94 kton NOx (streefwaarde 87,2 kton), 66,8 kton SO2 (streefwaarde 60 kton) en 45 kton NH3 (streefwaarde 40,7 kton). 3
Integratie van het milieubeleid en het mobiliteitsbeleid bevorderen
Beschrijving
Er zal een visie worden ontwikkeld over de milieudoelstelling van het mobiliteitsbeleid, vertaald naar operationele doelstellingen en taken voor het mobiliteitsbeleid. Daarnaast worden concrete maatregelen genomen vanuit de milieusector om de druk te verminderen in de verschillende milieudomeinen. Deze maatregelen worden in overleg met het mobiliteitsbeleid uitgewerkt. Er wordt hierbij gefocust op volgende onderwerpen: (1) doelstellingen voor het mobiliteitsbeleid verder uitwerken; (2) de milieueffecten van het mobiliteitsbeleid opvolgen; (3) uitvoering van milieumaatregelen uit het mobiliteitsplan Vlaanderen i.s.m. mobiliteitsbeleid., zoals de bevordering van het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen.
34
Doel
Onder meer het behalen van sectorale doelstellingen voor verkeer en vervoer op vlak van PM10, NOx, VOS, SO2, CO2 en NH3 (bv. Tegen 2010 de uitstoot van CO2 door verkeer t.o.v. het referentiejaar 1990 stabiliseren en de emissies van het verkeer verminderen tot maximaal 35,7 kton NOx en 22,2 kton VOS) 4
Bodemsaneringen versnellen, met aandacht voor brownfields en woonzones
Beschrijving
Verdere uitbouw van aanpak woonzones en brownfields evenals complexe verontreinigingen. Doorlopend wordt onderzoek verricht naar potentieel verontreinigde woonzones. De opstart van enkele projecten voor woonzones is voorzien. Tevens wordt de lokale overheid ondersteund bij de uitwerking van brownfieldprojecten. De reeds opgestarte woonzones en brownfields worden binnen de budgettaire mogelijkheden verder aangepakt. Clusters of complexe verontreinigingen worden gedefinieerd als terreinen waarop over een grote oppervlakte bodem en/of grondwaterverontreinigingen voorkomen waarbij meerdere potentieel saneringsplichtige exploitanten en/of eigenaars aanwezig zijn. Typisch zijn de grote industrieterreinen waarbij meerdere bedrijven hebben bijgedragen tot de verontreiniging (vooral dan grondwaterverontreiniging) of bedrijventerreinen die voorkomen op een voormalige stortplaats. De bereidheid van saneringsplichtigen wordt afgetoetst om op die manier tot een geïntegreerde aanpak van de bodemverontreiniging te komen. Dit gebeurt via enquêtes bij bedrijven en federaties en een onderzoek naar het potentieel tot betere aanpak bij enkele specifieke dossiers. Daarnaast is een verdere verfijning van de wetgeving noodzakelijk Doel
Tegen 2007 is 30 % van de potentieel verontreinigde gronden onderzocht (ca. 22.500 gronden) en is de sanering aangevat van 23% van de gronden met historische bodemverontreiniging (ca. 2450 gronden). 5
Waterbodemverontreiniging aanpakken
Beschrijving
Waterbodemsaneringsplannen worden opgemaakt voor alle waterlopen met een ecologische kwaliteitsbeoordeling 3 of 4 volgens de Triadebenadering, met prioriteit voor TKB 4. De inspanningen worden toegespitst op sites waarvan de functies belemmerd worden door de hoeveelheid en/of kwaliteit van het slib, en waar reële kansen op herstel zijn. De aanpak situeert zich in het ruimer geheel van nog op te stellen bekkenbeheerplannen en deelbekkenbeheerplannen. Deze plannen houden rekening met de te bereiken milieudoelstellingen voor het oppervlaktewater en worden per waterloop of deeltraject opgemaakt. Zo’n plan bevat een zeer gedetailleerde beschrijving van de vervuilde waterbodem (kwantitatief en kwalitatief) in een bepaalde waterloop of in een traject ervan en kadert die vervuiling binnen het watersysteem. Het plan werkt ook duurzame oplossingen uit zoals het vermijden van erosie in bovenstroomse gebieden, het uitbouwen van overstromingsgebieden waar de waterbodem kan bezinken (zie ‘verdroging’) en het voorkomen van verdere vervuiling van de waterbodem. Bijkomend onderzoekt het de ruimings-, transport- en best beschikbare verwerkingstechniek en beschrijft het de afperking van de verontreiniging en extra te nemen maatregelen. Conform de plannen volgen nadien de effectieve saneringen. Jarenlang is een historische achterstand opgebouwd met het baggeren en ruimen van de Vlaamse waterlopen. De oorzaken van de achterstand bij het baggeren en ruimen van de Vlaamse waterlopen zijn ook te wijten aan een tekort aan verwerkings- en stortcapaciteit. Binnen de principes van BATNEEC wordt gekozen voor verwerking van de specie, afhankelijk van de
35
resultaten van het sectoraal Uitvoeringsplan Bagger- en ruimingsspecie (SUP). Acties worden ondernomen om de markt van de verwerking van bagger- en ruimingspecie meer concurrentieel te maken. Ook de invoering van een hoofdstuk ‘Waterbodems’ in de regeling rond de bodemsanering kan als hefboom worden gebruikt om meer saneringen op te starten (via toewijzing saneringsplicht). Doel
Tegen 2007 is ca. 600.000 m3 en ca. 1.000.000 m3 van de historische ruimingsachterstand van respectievelijk hydraulische en ecologische aard weggewerkt Tegen 2007 moet ca. 1.000.000 m3 van de ruimingspecie verwerkt worden volgens het BATNEECprincipe. 6
Ecologisch waardevolle gebieden ruimtelijk veilig stellen
Beschrijving
De doelstelling berust op vier pijlers: (1) gebieden ruimtelijk veilig stellen, (2) verwerving van natuurgebieden, (3) inrichting en beheer van gebieden, (4) samenwerking. Via een planmatige en wetenschappelijk onderbouwde aanpak zet de overheid volgende instrumenten in: •
de afbakening van VEN en natuurverwevingsgebieden verder realiseren om de gebieden met belangrijke natuurwaarden en met mogelijkheden voor herstel en ontwikkeling van een goede natuurkwaliteit ruimtelijk veilig te stellen;
•
de afbakening van de natuurverbindingsgebieden door de provincies te ondersteunen;
•
door de ontwikkeling van natuurrichtplannen de visievorming sturen (via de gebiedsvisie) die bepaalt wat we in een specifiek gebied op het vlak van natuurbehoud beogen en welke stimulerende en bindende maatregelen en instrumenten we hiervoor kunnen inzetten. Dit gebeurt in overleg en samenwerking met de betrokken in een gebied.
•
verwerving van waardevolle en kwetsbare gebieden versneld aanpakken op basis van prioriteitenkaarten;
•
erkenning en aanwijzing van reservaten optimaliseren;
•
uitvoeringsmaatregelen inzetten om de natuurmogelijkheden te realiseren door inrichting en beheer, privé-initiatieven bevorderen en ondersteunen;
•
samenwerking met provincies en gemeenten, terreinbeherende verenigingen, militaire overheid en de overheden in grens- en gewestoverschrijdende gebieden uitbreiden en effectiever maken om realisaties te verhogen.
Doel
De oppervlakte met ecologische waarde doen toenemen: het afbakenen van 125.000 ha VEN en 150.000 ha natuurverwervingsgebieden De oppervlakte met ecologische waarde doen toenemen: de totale oppervlakte groengebied doen stijgen met 38.000 ha natuur en 10.000 ha bosgebied en bosuitbreidingsgebied ten opzichte van begin 1994 De oppervlakte met ecologische waarde doen toenemen: het jaarlijkse aankoopritme van natuur- en bosgebied doen stijgen tot 3.000 ha
36
7
Milieukwaliteit afstemmen op de behoeften van kwetsbare soorten en habitats
Beschrijving
Bedoeling is voor de prioritaire gebieden van de natuurlijke structuur bijzondere milieukwaliteitsnormen in te stellen en maatregelen in te voeren om een milieukwaliteit te behalen die het mogelijk maakt de beoogde natuurdoelen te realiseren. De sterkste bedreiging voor verlies aan biodiversiteit is een slechte milieukwaliteit. Bovendien is de gevoeligheid voor een slechte milieukwaliteit sterk afhankelijk van het natuurtype en de natuurlijke abiotische kenmerken van een gebied. Veelal volstaat het niet een algemene milieukwaliteit te bereiken om een aantal specifieke soorten, natuurtypes en ecosystemen te beschermen. De wetenschappelijke basis voor de uitwerking van gebiedsgerichte verscherping van milieukwaliteitsnormen binnen de natuurlijke structuur is essentieel voor de opmaak van natuurrichtplannen. De invoering van bijzondere milieukwaliteitsnormen voor prioritaire gebieden van de natuurlijke structuur is gebaseerd op wetenschappelijke onderbouwing. Doel
De natuurgerichte milieukwaliteit verhogen: milieukwaliteit afstemmen op de ecologische vereiste van de kwetsbare soorten en habitats in gebieden in het VEN, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de speciale beschermingszones 8
De bossen in Vlaanderen uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren
Beschrijving
Er dient te worden gewerkt aan de bescherming en het duurzaam gebruik van de bestaande bossen, bosuitbreiding en maatschappelijk draagvlak, o.m. via samenwerking met boseigenaars en beheerders. Het bosbeleid is in de voorbije regeerperiode gekenmerkt door intense veranderingen en bijstellingen inzake regelgevend kader. In de volgende regeerperiode zal prioritaire aandacht gaan naar stimulansen om de opgezette vernieuwingen te ondersteunen en te begeleiden. Het gaat o.m. om het opstellen van beheersplannen die voldoen aan de criteria voor duurzaam bosbeheer, het realiseren van de erkenningsregeling voor bosexploitanten, het uitbouwen van een op het Bosdecreet afgestemd certificeringsysteem, het opstarten van nieuwe pilootprojecten rond bosgroepen in de overblijvende regio's. Toch zal worden nagegaan in welke mate de decretale regeling voor het bosbeleid, verder kan verfijnd worden om doelstellingen van bosbehoud en bosuitbreiding te realiseren. Door een verbreding van het bestaande Bossenfonds - nu beperkt tot de compensatieregeling bij ontbossing - wordt een bijkomend instrument ontwikkeld om extra middelen o.a. in het kader van de Kyoto-afspraken - te genereren ten behoeve van bosaanleg. Dit alles zal worden neergelegd in een lange termijn plan en een uitvoeringsplan Doel
Kwalitatief en kwantitatief bosbehoud, 10.000 ha ecologische verantwoorde bosuitbreiding en geïntegreerde maatschappelijke taakinvulling. 9
De EU-richtlijn omgevingslawaai uitvoeren
Beschrijving
De EU-richtlijn Omgevingslawaai bepaalt dat alle lidstaten voor grote agglomeraties, belangrijke wegen, spoorlijnen en luchthavens geluidskaarten moeten maken, uitgedrukt in geharmoniseerde geluidmaten. Deze geluidskaarten hebben tot doel het publiek te informeren over de geluidstoestand in hun specifieke leefomgeving. Ze dienen ook als basis voor geluidsactieplannen om bij de belangrijke knelpunten de toestand te verbeteren.
37
De gewesten moeten deze richtlijn tegen juli 2004 in wetgeving omzetten. Ze moeten limietniveaus meedelen aan de Europese Commissie: dit zijn geluidsniveaus voor de verschillende deelaspecten (wegverkeer, treinverkeer, luchtvaart). Bij overschrijding ervan gaat de overheid tot actie over. Daarna moeten de gewesten de nodige geluidskaarten voor de grootste agglomeraties, wegverkeerswegen, spoorlijnen en luchthavens maken en op lokaal niveau publiceren. Het doel is uiteindelijk actieplannen te ontwikkelen en uit te voeren die de ergste toestanden verhelpen. Deze plannen moeten vervolgens juridisch verankerd worden. Doel
In 2007 ligt het aantal potentieel ernstig gehinderden door geluid niet hoger dan 15% van de bevolking 10 Milieu-, natuur- en leefbaarheidsaspecten inbrengen in een globaal stedelijk beleid Beschrijving
Centraal in het project staan de creatie van een overlegstructuur voor de sturing van diverse initiatieven, de opmaak van een visie, het uitbouwen van de kennis en het opstarten van voorbeeldprojecten. Wat de voorbeeldprojecten betreft wordt nagegaan of bestaande projecten kunnen worden versterkt of nieuwe opgezet rond onder meer volgende items: •
netwerken van groene ruimten opzetten om zo binnen het stedelijk gebied te kunnen beantwoorden aan de toenemende behoefte aan groen en recreatie;
•
natuur in de stad en in verstedelijkte gebieden ontwikkelen en de bevolking ervoor sensibiliseren;
•
stadsbossen integreren in de netwerken van groene ruimten;
•
de leefkwaliteit verbeteren in woonzones met specifieke hinderklachten;
•
de hemelwaterinfiltratie en -opvang versterken;
•
de stedelijke luchtkwaliteit verbeteren, onder meer door het plaatselijk gebruik van (openbare) voertuigen met een lage emissie voor verkeersgerelateerde polluenten zoals NOx, PM10, CO, benzeen en PAK’s;
•
milieuvriendelijke vervoermiddelen promoten voor verplaatsingen binnen de stedelijke ruimte;
•
de mogelijkheid nagaan van emissiearme of -vrije zones.
Doel
Versterken en verbeteren van de milieukwaliteit en ruimtelijke kwaliteit door een gedifferentieerde aanpak van milieuproblemen en maatwerk op niveau van gebied 11 Opstellen en uitvoeren van een actieplan pesticiden Beschrijving
Er is in uitvoering van het MINA-plan 2 door de administratie een reductieprogramma voor bestrijdingsmiddelen opgemaakt. Het is onder meer gericht op het behalen van de doelstellingen van de Noordzeeconferenties en de richtlijn 76/464. Uit het reductieprogramma worden een aantal prioritaire maatregelen op Vlaams niveau gelicht, die samen deel zullen gaan uitmaken van een concreet actieplan. Dit actieplan zal ook de insteek vormen voor het nationaal actieplan 'pesticiden', dat zal moeten worden opgemaakt in uitvoering van de op til zijnde federale productwetgeving. Een aantal sleutelaspecten van het Vlaamse actieplan zijn onder meer: kennis over het gebruik en de impact van bestrijdingsmiddelen optimaliseren, het mee vorm geven van het Nationaal
38
Reductieprogramma, de uitvoering verzekeren van het 'decreet tot vermindering van het gebruik van pesticiden door openbare diensten in het Vlaamse Gewest', en het verminderd gebruik van bestrijdingsmiddelen bij industrie, landbouw, particulieren en openbare diensten stimuleren via voorlichting en sensibilisering. Doel
Bestrijdingsmiddelen: reduceren van verspreidingsequivalenten met 50% (2005 t.o.v. 1990) 12 Mee uitvoeren van een Europees beleid inzake milieugevaarlijke stoffen Beschrijving
Een Vlaams stoffenbeleid kan niet losstaan van het internationale beleidskader milieugevaarlijke stoffen. Dit laatste brengt vernieuwing en formuleert ambitieuze doelstellingen. Momenteel liggen er in Europa verschillende dossiers op tafel: een volledige herziening van de wetgeving chemische stoffen, twee kaderrichtlijnen die vragen om een kwaliteitsvolle uitvoering en nieuwe beleidslijnen inzake fijn stof en hormoonverstoring. Ter uitvoering van de bepalingen van de kaderrichtlijn Water inzake de aanpak van prioritaire stoffen dient ook het Vlaams beleid vernieuwd te worden, waarbij kan verder gebouwd worden op de bouwstenen van het Vlaams reductieprogramma: vergunningsherziening, herziening milieukwaliteitsnormen en bijsturing meetnetten. Het richtinggevend kader voor een nieuw beleid omtrent milieugevaarlijke stoffen lucht bestaat uit de kaderrichtlijn Lucht en de LRTAP-protocols Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging. De bestaande emissie-inventaris moet geoptimaliseerd worden en saneringsplannen moeten worden opgesteld. Ook in toepassing van een Europese richtlijn zijn twee acties essentieel bij de opmaak en uitvoering van een beleid voor zwevend stof: enerzijds het opstellen en uitwerken van reductieplannen in functie van de internationale doelstellingen en anderzijds de opmaak van kostencurves in het kader van onderhandelingen over het toekomstig protocol.. Inzake hormoonverstoring werd binnen Vlaanderen al een aanvang genomen met verkennend onderzoek en monitoring. De eliminatie van gevaarlijke stoffen uit onze leefomgeving behelst ook het beheer en de verwerking van afvalstoffen. Op dit vlak zal een tweesporenbeleid worden gevoerd: een gecontroleerde en planmatige uitfasering van gevaarlijke stoffen (PCB's, POP's, halonen, kwik, ….) en overleg met de federale overheid (verantwoordelijk voor het productbeleid) over het stringenter maken van het op de markt brengen van (nieuwe) stoffen. Doel
Streven naar concentraties in het milieu, dichtbij achtergrondwaarden voor natuurlijk voorkomende stoffen en nulbenaderende concentraties voor synthetische stoffen, waarbij in eerste instantie het risico voor mens en milieu tot een aanvaardbaar en zo mogelijk verwaarloosbaar niveau wordt teruggebracht (concrete doelstellingen op korte termijn opgenomen in het MINA-plan 3) 13 Voorkomen van afval via proces – en productbeleid Beschrijving
Hierbij wordt zowel een vermindering van zowel de hoeveelheid als de schadelijkheid van afvalstoffen nagestreefd. Om rekening te houden met het begrippenkader van de bedrijfswereld worden bestaande en nieuw op te starten preventie-initiatieven samengebracht onder de paraplu eco-efficiëntie (E2). Door het besef te doen groeien dat milieu-impactvermindering en economische baten niet noodzakelijk tegenstrijdig zijn, en mits het ontwikkelen van ondersteunende initiatieven op voldoende grote schaal, kan effectief gekomen worden tot het realiseren van de in het pact van Vilvoorde gestelde doelstelling rond eco-efficiëntie. Het in ontwikkeling zijnde E2-programma (cf. ondernemingsconferentie) zal veel bedrijven de kans geven
39
om het potentieel aan eco-efficiëntie te bepalen en alzo aan te zetten tot investeringen die zowel het milieu als het bedrijf ten goede komen Doel
De afvalproductie en de hieraan verbonden milieudruk terugdringen tot een niet te vermijden minimum (concrete doelstellingen op korte termijn opgenomen in het MINA-plan 3) 14 Implementatie Europese regelgeving inzake biologische afvalstoffen Beschrijving
Sinds 1 mei 2003 is de Europese verordening m.b.t. gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten van kracht. Vóór eind 2004 zal de Europese Commissie een richtlijn betreffende het veilig gebruik, hergebruik, terugwinning en verwijdering van bio-afval, inclusief keukenafval en etensresten uitwerken. Tegelijk wordt ook de richtlijn betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw, herzien. Deze ontwikkelingen nopen tot een globale strategie met een daarbij horend uitvoerend programma. Transparantie, traceerbaarheid en kwaliteitsopvolging zijn sleutelbegrippen. Ook de afbakening van afvalstoffen versus grondstoffen en producten vergt bijzondere aandacht. De pro-actieve rol van Vlaanderen dient hierbij te worden bestendigd. Andere beleidsdomeinen zijn hierbij betrokken. Op gewestelijk vlak bv. landbouw en energie. Concrete dossiers zijn bv. de financiering van de ophaling en verwerking van krengen uit de veehouderij en de productie van groene stroom via de anaërobe vergisting van afvalstoffen. Nagegaan moet worden hoe de verhouding tussen materiaalrecyclage en energetische valorisatie onder de vorm van bijv. (co)vergisting of verbranding van biomassa, kan worden geoptimaliseerd. Federaal zijn er raakvlakken met volks-, dierengezondheid, voedselveiligheid en productnormering. Concrete dossiers hier zijn bv. het gebruik van biologische afvalstoffen (secundaire grondstoffen) in de diervoeding of als meststof/bodemverbeterend middel en de vervanging van primaire materialen door secundaire (biodiesel als brandstof en biodegradeerbare/composteerbare materialen als verpakking). Doel
De afvalproductie en de hieraan verbonden milieudruk terugdringen tot een niet te vermijden minimum (concrete doelstellingen op korte termijn opgenomen in het MINA-plan 3) 15 Afvalstoffenbeleid verder uitvoeren d.m.v. specifieke uitvoeringsplannen Beschrijving
Het afvalstoffenbeleid vindt al jaren zijn uitvoering d.m.v. uitvoeringsplannen. Deze planmatige manier van werken wordt verder gezet voor diverse afvalstromen. Recent werden de uitvoeringsplannen Houtafval en Hoogcalorisch Afval opgesteld. Waar het Elektriciteitsdecreet en de invoering van een systeem van groenestroomcertificaten een eerste aanzet gaven om op een gestructureerde wijze de energie-inhoud uit afvalstoffen niet geschikt voor product- en materiaalhergebruik te valoriseren, wordt dit verder vorm gegeven in deze uitvoeringsplannen. Bovenop het valoriseren van de energie-inhoud door elektriciteitsopwekking, wordt ook gemikt op het rechtsreeks benutten van de verbrandingswarmte (afstandsverwarming, proceswarmte, …). In overleg met het beleidsdomein energie zal het gebruik van 'groene warmte' gestimuleerd en uitgebouwd worden. Voor bouw- en sloopafval wordt gewerkt aan een nieuwe strategie. Er wordt gemikt op het verminderen van de milieudruk van bouw- en sloopafval door de productie aan bouw- en sloopafval maximaal te voorkomen en te zorgen voor beter recycleerbaar afval door de aandacht te vestigen op de afvalaspecten van duurzaam bouwen. Elementen daarin zijn het verder opdrijven van de recyclage, het zo hoogwaardig mogelijk nuttig toepassen en een goede scheiding aan de bron
40
van de niet-steenachtige en de steenachtige fractie. Daarnaast wordt werk gemaakt van het selectief slopen van alle bouwwerken einde levensduur waarbij voorkomen moet worden dat gevaarlijke stoffen, inzonderheid asbest, teerhoudende asfalt en PCB’s het milieu en de gezondheid schaden. Tenslotte wordt de afzet van steenachtige secundaire grondstoffen verzekerd in toepassingen die afgestemd zijn op de kwaliteit van de puingranulaten, waarbij rekening wordt gehouden met andere plannen zoals het oppervlaktedelfstoffenplan. Doel
De afvalproductie en de hieraan verbonden milieudruk terugdringen tot een niet te vermijden minimum (concrete doelstellingen op korte termijn opgenomen in het MINA-plan 3) 16 Verdere ontwikkeling van het juridisch instrumentarium en de organisatiestructuren voor integraal waterbeleid Beschrijving
Op 18 juli 2003 keurde de Vlaamse regering het decreet integraal waterbeleid goed. Het decreet vormt de basis voor de manier waarop Vlaanderen in de toekomst met water zal omgaan. Het legt de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid vast en roept een aantal nieuwe instrumenten, waaronder de watertoets, in het leven. Het bepaalt hoe de watersystemen ingedeeld worden in stroomgebieden en stroomgebiedsdistricten, bekkens en deelbekkens. Het schrijft voor hoe de overlegstructuren er moeten uitzien, hoe de waterplanning moet voorbereid en opgevolgd worden en hoe de bevolking hierin inspraak hoort te krijgen Een belangrijke uitdaging op korte termijn betreft het formaliseren van de nodige overlegstructuren inzake integraal waterbeleid en dit zowel op Vlaams niveau (CIW) als op bekkenniveau (bekkenstructuren).Hiertoe dienen de nodige uitvoeringsbesluiten opgemaakt te worden. Ook de concretisering van het instrument watertoets via een uitvoeringsbesluit is prioritair. Een belangrijke randvoorwaarde om het decreet integraal waterbeleid uit te voeren is het voorzien van het noodzakelijke personeel en de nodige middelen voor de werking van de organisatiestructuren zowel op Vlaams als op bekkenniveau. Doel
Bereiken van een goede toestand van de watersystemen. Voor oppervlaktewater betekent dit ten minste een goede ecologische en chemische toestand voor gewone oppervlaktewaterlichamen en een goed ecologisch potentieel en goede chemische toestand voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen. Voor grondwater betekent dit dat de kwantitatieve en de chemische toestand van de grondwaterlichamen ten minste goed moeten zijn 17 Zuiveringsgraad huishoudelijk afvalwater opdrijven Beschrijving
Het accent ligt op een optimalisatie van de huidige zone-indeling, het opmaken van investeringsprogramma’s voor de bovengemeentelijk waterzuiveringsinfrastructuur, een ecologisch evaluatiesysteem per zuiveringsgebied ontwikkelen en gebaseerd op een efficiënte bemonsterings en meetstrategie en het bijsturen van subsidiëringsprogramma’s voor de gemeentelijke rioleringen. Zowel op gemeentelijk als bovengemeentelijk vlak is de financiering van de riolerings- en waterzuiveringsinfrastructuur problematisch. Het bereiken van een goede toestand van de oppervlaktewateren tegen 2015 zal nog heel wat inspanningen vergen. Voor de bovengemeentelijke riolerings- en zuiveringsinfrastructuur is het einde in zicht. Na uitvoering van het IP 2005 zou Vlaanderen moeten voldoen aan de richtlijn Stedelijk Afvalwater en zal daardoor een zuiveringsgraad van 80% bereikt worden. Dit betekent echter niet dat de financiële lasten meteen zullen dalen. Een belangrijk financieringsprobleem blijft omwille van de debudgettering die aan de
41
oprichting van Aquafin verbonden was. De recente BTW-problematiek heeft dit probleem daarenboven nog versterkt. De uitvoering van de sanering van de resterende 20%, het buitengebied valt grotendeels onder de gemeentelijke autonomie. Hoewel reeds enorm geïnvesteerd is en nog zal worden, heeft deze dure infrastructuur geen zin indien ook de huisaansluitingen niet effectief gerealiseerd worden. De controle en de handhaving om een effectieve aansluiting op de riolering af te dwingen blijft onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de werking van de septische putten of de individuele behandelingsinstallaties. Het overstorten vanuit de riolen blijkt een toenemend aandeel in de belasting van het oppervlaktewater te hebben. Verdere uitbouw en opvolging van het riooloverstortenmeetnet is nodig voor een efficiënte regulering. Tenslotte is er de hernegotiatie met de NV Aquafin. De huidige overeenkomst, die in feite een middelenverbintenis is, dient aangepast te worden tot een volwaardige resultaatverbintenis. De VMM wordt verantwoordelijk voor de regulering. Het project voorziet in de jaarlijkse opmaak van de vijfjareninvesteringsprogramma's. Vanaf 2006 zullen enkel nog optimalisatieprojecten voorzien worden. De opmaak van de gemeentelijke subsidiëringsprogramma's voor rioleringen en kleinschalige zuiveringsinstallaties wordt voortgezet. Deze moeten eveneens kadereen in een verdere optimalisatie van hetzij bestaande riolering in zuiveringszone A, hetzij zuiveringszone C, hetzij niet-gezoneerd gebied. Aandacht moet gaan naar het wegwerken van de budgettaire achterstand en het verfijnen van de subsidieregels. De huidige zone-indeling zal beter uitgewerkt worden zodat er duidelijkheid komt over welke woningen nooit aangesloten zullen worden op een centrale zuivering en waar dus een individuele zuivering moet komen. Doel
Verhogen van de zuiveringsgraad van het afvalwater van de huishoudens tot 80% en saneren van het buitengebied 18 Natuurlijke werking en structuur van watersystemen beschermen, herstellen en verbeteren Beschrijving
Het beschermen, verbeteren en herstellen van de hydromorfologische structuurvariatie (vrije meandering, ontwikkeling van natuurlijke oeverstructuur, afkalving, snel- en traagstromende zones, …) is een aandachtspunt van de Europese kaderrichtlijn Water. Naast een toename van de biologische diversiteit hebben natuurlijke morfologische kenmerken positieve effecten op het regime van het watersysteem. Een herstel van valleigebieden, onder andere in functie van een veiligheidsbeleid en van verdroogde ecosystemen, dringt zich op. De sanering van de (vis)migratieknelpunten in en langs watersystemen zal hiermee geïntegreerd uitgevoerd worden. De belangrijkste beleidslijnen waarrond gewerkt zal worden zijn: uitgaan van de natuurlijke werking van het watersysteem, herstellen van de hydromorfologische structuur van de waterlopen, overstromingsgebieden afbakenen en inrichten, goed beheer en onderhoud van de waterlopen, subsidiëren en samenwerken bij uitvoering van lokale waterbeheerprojecten en standplaatsverdroging in de natuurlijke structuur en in internationaal beschermde gebieden terugdringen. Doel
Verbeteren van de structuurkwaliteit van de waterlopen (verhogen van het percentage waardevolle trajecten, verminderen van de slechte)
42
19 Vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging Beschrijving
Voor vele stoffen - waarvan we aanwijzingen hebben dat ze schadelijk zijn voor de mens - zijn er geen goede blootstellingseffect relaties beschreven zijn, en is de blootstelling eraan via het milieu niet goed gekend. Milieufactoren dragen mogelijk bij tot het ontstaan of bevorderen van een aantal veel voorkomende aandoeningen met stijgende prevalentie en niet goed gekarakteriseerde oorzaken, zoals neuropsychiatrische ziektes, kankers van de geslachtsorganen en aandoeningen van spieren en gewrichten. Deze aandoeningen maken een belangrijk deel uit van de gezondheidslast en zijn wellicht multifactorieel. Er zijn aanwijzingen dat o.a.: hormoonverstoorders, blootstelling aan multipele chemische stoffen en vluchtige organische stoffen in relatie staan met deze aandoeningen. Het project richt zich op het vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging. Hiervoor moet het gehele milieuhygiënebeleid gezondheidsaspecten in rekening brengen of volwaardig incorporeren, met speciale aandacht voor zwakkere bevolkingsgroepen zoals kinderen. Het begrip milieu refereert hierbij zowel naar het buiten- als het binnenmilieu. Hiervoor moet onderzoek worden verricht naar de relaties en risico-inschatting m.b.t. milieu en gezondheid, moeten de conclusies van het onderzoek in het milieuhygiënebeleid geïmplementeerd worden, en moet er aandacht zijn voor communicatie. Doel
Een binnen- en buitenomgeving waarin mensen, inclusief zwakkere bevolkingsgroepen, geen noemenswaardige milieugezondheidsrisico’s meer lopen 20 Verdere uitbouw van het plattelandsbeleid Beschrijving
Kwaliteit en leefbaarheid van plattelandsgebieden staan in rechtstreekse relatie tot het bereiken van een algemene milieu- en natuurkwaliteit. Het Europese verbrede landbouwbeleid biedt daarenboven ook meer en meer mogelijkheden voor financiële ondersteuning van realisaties in plattelandsgebieden. Belangrijk in dit opzicht is de Europese verplichting tot invoering van crosscompliance tussen economische steunmaatregelen en de naleving van milieu- en natuurverplichtingen. Het Vlaams geïntegreerd plattelandsbeleid wordt als volwaardig uitgebouwd naast het stedenbeleid. Vanuit het beleidsdomein leefmilieu en natuur wordt hiervan de coördinatie opgenomen en de verschillende beleidsdomeinen en bestuursniveaus worden erbij betrokken. Een beleidskader wordt uitgetekend in een Vlaams plattelandsbeleidsplan. Uit te werken elementen hierbij zijn: de ondersteuning van het interbestuurlijk overleg en van de denkcel platteland, het onderzoek naar financieringsmogelijkheden, de uitwerking van een omgevingsanalyse, het tot stand brengen van een monitoring, de ondersteuning van de huidige maatregelen in Vlaanderen van het Europees plattelandsbeleid en de uitbreiding van financieringsmogelijkheden door Europa van initiatieven in het platteland. Hiertoe worden onder meer vernieuwende voorstellen ingebracht in het Plattelandsontwikkelingsplan 2007-2013 dat het Europese verbrede landbouwbeleid concretiseert voor Vlaanderen. Doel
De kwaliteit en de leefbaarheid van de plattelandsgebieden versterken 21 Gezamenlijk uitwerken van concrete ontsnipperingsprojecten Beschrijving
Bepalen van structurele ontsnipperingsdoelstellingen in overleg en consensus met andere beleidsdomeinen (mobiliteit en ruimtelijke ordening) en beleidsniveaus (federaal, provinciaal,
43
gemeentelijk), vertaald naar operationele doelstellingen en taken. Aandacht gaat hierbij o.m. naar het verder invullen van de prioritering van de te ontsnipperen locaties in functie van doelsoorten op basis van de reeds uitgevoerde studies (locatiegebonden, gebiedsdekkend op theoretische of meer praktische basis) met de uitwerking van haalbare plannen, rekening houdende met ruimtelijke, administratieve en bestuurlijke randvoorwaarden. Concrete ontsnipperingsprojecten worden opgedeeld in: •
verder uitvoeren van lopende en nieuwe ontsnipperingsdossiers;
•
uitwerken en uitvoeren ontsnipperingsmaatregelen ruimtelijk niveau in nauwe inbegrip van een aantal opleiding);
•
verder uitvoeren van een aantal belangrijke en omvangrijke strategische en vernieuwende dossiers (vooral ecoducten, zie hoger) waaruit bijkomende technische, ecologische en administratieve kennis en ervaring zal opgebouwd worden, en opstarten van nieuwe dossiers (op basis van reeds uitgevoerde ontsnipperingsstudies).
van concrete voorstellen van een aantal prioritaire (bijvoorbeeld het creëren van grotere autoluwe zones) op samenwerking met alle betrokkenen, ook lokale sectoren (met proefprojecten, een sensibiliseringsactie en een aangepaste
Doel
Bevorderen van de mogelijkheden van migratie tussen en binnen leefgebieden voor bepaalde (land)doelsoorten 22 Evaluatie en onderbouwde bijsturing van het milieuvergunningenbeleid Beschrijving
De geplande bijsturing van het milieuvergunningenbeleid zal zich moeten toespitsen op de uitvoering van de IPPC-richtlijn, de problematiek van de middelen- versus doelvoorschriften en de doorwerking van reductieprogramma’s, milieukwaliteitsdoelstellingen en -normen. Deze bijsturing moet leiden tot een verhoogde klantvriendelijkheid en transparantie van procedures, een verbeterde openbaarheid en inspraak van de burger en een verbeterde efficiëntie en effectiviteit door onder meer de invoering van integrale voorwaarden, doelvoorschriften en de afstemming op en integratie van vergunningenstelsels. Een grondige analyse van de verschillende types milieuvoorwaarden in VLAREM II vindt plaats, met afweging van de voor- en nadelen van doel- en middelenvoorschriften. Op korte termijn moet het systeem van inplantingsregels (verbods- en afstandsregels) met de principes van het RSV geharmoniseerd worden. Om de belasting van een bepaald compartiment van het milieu gradueel te verlagen, bijvoorbeeld om grens- en richtwaarden voor de milieukwaliteitsnormen te halen, is een sturend vergunningenbeleid nodig. Deze sturing kan nodig zijn om algemeen geldende milieukwaliteitsnormen te halen maar ook om gebiedsgebonden effecten te milderen, bijvoorbeeld bij vaststelling van significant verhoogde blootstellingen gemeten via biomonitoring bij de mens. De vereiste juridische onderbouwing hiervan moet onderzocht worden. De Europese verplichting om de vergunningsvoorwaarden van ongeveer 1200 bestaande IPPC (GPBV)-installaties vóór 30 oktober 2007 te toetsen aan de BBT en aan de milieukwaliteitsdoelstellingen, is opgenomen in VLAREM. De concrete aanpak hiervan (structuren, criteria, fasering…) ligt nog niet vast. De planmatige aanpak wordt vastgelegd met volgende stappen: (1) de inventarisatie van alle GPBV-bedrijven, (2) de criteria en prioritaire sectoren concreet invullen (op basis van de huidige milieutoestand, beleidsopties, reductieprogramma’s, integratie van herzieningen in het kader van andere Europese richtlijnen, de timing van de BREF’s…) en (3) een actieplan opstellen. Doel
De kwaliteit van het milieurecht verbeteren door meer interne samenhang, onderlinge afstemming en doeltreffendheid, vereenvoudiging en door de verhoging van de technische uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de handhaafbaarheid.
44
23 Decretale onderbouwing en inhoudelijke bijsturing van het handhavingsbeleid Beschrijving
De naleving van milieuregelgeving is cruciaal voor het milieubeleid. Nieuwe of verbeterde regelgeving moet dan ook de nodige aandacht besteden aan uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. We mogen ons daarvoor echter niet enkel op het technisch-juridische vlak concentreren maar moeten ook oog hebben voor de organisatorische en institutionele aspecten. Planmatig optreden, coördinatie, netwerkvorming en informatie-uitwisseling zijn essentieel. Om de beoogde effectiviteitsverbetering te bereiken zal de overheid voor de handhaving een aantal cruciale stappen moeten zetten. In eerste instantie is er behoefte aan een duidelijke basisregelgeving en moet ze de bestaande regelgeving bijwerken. Daarnaast moet ze de organisatorische uitvoeringsvoorwaarden bijsturen en ontwikkelen. Ook de al bestaande planmatige aanpak van het inspectiebeleid (gerichte campagnes) moet worden uitgebouwd. Daarenboven is het duidelijk noodzakelijk de huidige handhavingsregimes in functie van andere, al dan niet vrijwillige instrumenten (bv. bedrijfsinterne milieuzorg, beheersovereenkomsten) verder te coördineren. Doel
De kwaliteit van het milieurecht verbeteren door meer interne samenhang, onderlinge afstemming en doeltreffendheid, vereenvoudiging en door de verhoging van de technische uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de handhaafbaarheid. 24 Optimaliseren en afstemmen van de inrichtingsinstrumenten voor het buitengebied Beschrijving
Om een specifiek probleem aan te pakken in het buitengebied is meer en meer een afweging tussen alle overheidsinstrumenten aan de orde (juridische, sociale en economische instrumenten zowel binnen als buiten het beleidsdomein). De besluitvorming rond de aanpak van een specifiek probleem en de uitdagingen voor een bepaald gebied, project of thema is een geïntegreerd proces. De hieruit voortvloeiende inzet van de instrumenten gebeurt met alle betrokkenen. Deze besluitvorming kan aan de orde zijn bij afbakeningsprocessen, opmaak van bekkenbeheerplannen, natuurrichtplannen, concrete projecten bv. met betrekking tot bosuitbreiding, natuurcompensaties in havengebieden, visie-ontwikkeling rond plattelandsgebieden, concrete vragen en noden van betrokken partners binnen en – mits financiering – buiten het beleidsdomein. Als deze besluitvorming geleid heeft tot vragen naar inzet van inrichting, beheerovereenkomsten, grondenbank, …., dient de uitvoering ervan dan ook snel te volgen en efficiënt en op maat van de vraag te gebeuren. Concreet betekent dit dat landinrichting, ruilverkaveling, natuurinrichting, beheersovereenkomsten en grondenbank op korte termijn moeten worden uitgewerkt als flexibele ‘tools’. De mogelijkheden van het instrument beheersovereenkomsten dienen hierbij te worden uitgebreid naar andere beleidsdomeinen zoals erfgoedbeheer. Op middellange termijn dient een decreet te worden uitgewerkt waarin een flexibel, transparant en rechtszeker inrichtingsinstrumentarium wordt vastgesteld en alle inrichtingsinitiatieven worden gekaderd. Doel
Versterken en verbeteren van de milieukwaliteit en ruimtelijke kwaliteit door een gedifferentieerde aanpak van milieuproblemen en maatwerk op niveau van gebied
45
25 Uitbouwen van een vernieuwde mestwetgeving Beschrijving
Er is nood aan een bijgestuurd mestbeleid. Hiervoor is een vernieuwde, vereenvoudigde, stabiele en performante mestwetgeving nodig, waarbij het beleid meer moet afgestemd worden op de meetresultaten en minder op administratieve verplichtingen. Een aangepaste wetgeving moet ook de nodige rechtszekerheid bieden en voldoende flexibel te zijn om om te gaan met nieuwe ontwikkelingen in de landbouwsector. Hierbij moet afgestemd worden met andere regelgeving en op andere beleidsdomeinen zodat een geïntegreerde aanpak mogelijk is. Een belangrijk onderdeel hierin is het transparanter, resultaatgerichter en afdwingbaarder maken van de bemestingsvoorwaarden. Bemestingsnormen blijven noodzakelijk als richtkader en moeten stabiel blijven op lange termijn. Voor de kwetsbare zones wordt er gewerkt met één type verlaagde norm die rekening houdt met de nitraatrichtlijn. Bijkomende accenten in functie van het type kwetsbare zone zijn mogelijk maar blijven beperkt. Waar natuurwaarden van belang zijn, moet gestreefd worden naar de toepassing van speficieke bemestingsnormen in grotere homogenere gebieden i.p.v. de huidige perceelsgebonden differentiatie van normen Doel
De productie en het gebruik van nutriënten in de landbouw mogen de basismilieukwaliteit niet aantasten en meer kwetsbare zones moeten beter beschermd worden 26 Participatie aan het internationale niveau structureel uitbouwen en stroomlijnen Beschrijving
Internationale fora en vooral de Europese Unie zijn de fora geworden waar het grootste gedeelte van de doelstellingen, de bronnen van Vlaamse regelgeving en nieuw instrumentarium ontstaan. Vlaanderen heeft er alle belang bij om (pro-)actief aanwezig te zijn op deze fora. Op die manier kan de besluitvorming mee gestuurd worden en Vlaamse belangen verdedigd. Het multilaterale, internationale en Europese milieubeleid kan tegelijk als inspiratiebron dienen voor het Vlaamse beleid Dit kan gebeuren door het verder aftoetsen van de Belgische overlegstructuur (via herziening CCIM samenwerkingsakkoord), het herzien van het samenwerkingsakkoord inzake vertegenwoordiging van België bij gemengde verdragen, het aandachtig opvolgen van het leefmilieuthema op de WTO-agenda, het versterken van de samenwerking (zowel via financiering als beleidsoverleg) met UNEP, het centrale forum voor multilaterale beleidsaansturing en coördinatie voor leefmilieu en creëren van een budgettair en institutioneel kader voor het detacheren van ambtenaren naar de permanente vertegenwoordiging (PV) bij internationale instellingen. Als regio binnen de Europese Unie is het voor Vlaanderen ook belangrijk haar Europese betrokkenheid te vergroten door onder meer de Europees geformuleerde wetgeving pragmatisch te implementeren, het dossier ‘financiële perspectieven’ van de EU aandachtig te blijven opvolgen en een sectorale coördinatie op te zetten als voorbereiding van de jaarlijkse Europese lentetop. De huidige Vlaamse coördinatiestructuur voor Europese dossiers moet worden verfijnd via procescoördinatoren en een voldoende bemande PV. Het imago van Vlaanderen kan internationaal en Europees opgewaardeerd worden wanneer vanuit de regio de nodige ondersteuning wordt geleverd aan de verdere uitbouw van rapporteringsnetwerken zoals een goed voorbereide OESO-milieu-review in 2005. De oprichting van een werkgroep, eventueel onder de leiding van een (externe) coördinator, zou daarbij de omvangrijke werkvracht grotendeels kunnen opvangen, kanaliseren en coördineren. Andere prioritaire beleidsonderwerpen daarbij zijn het klimaatbeleid en de grensoverschrijdende luchtverontreiniging.
46
Ook een actieve participatie in de voorbereiding en opvolging van de leefmilieufinanciering voor de volgende jaren op niveau EU – onder meer financiering van Natura 2000 en het plattelandsontwikkelingsprogramma – is van belang. Doel
Bereiken van een zo hoog mogelijk milieubeschermingsniveau op mondiaal, Europees, federaal en Vlaams niveau, rekening houdend met het streefdoel van duurzame ontwikkeling 27 Evalueren, bijsturen en eventueel uitbreiden van economische instrumenten Beschrijving
Voor de bestaande economische instrumenten is de aanpassing en uitbreiding van het huidige milieuheffingensysteem met regulerende heffingen het belangrijkst. Dit moet op een wetenschappelijk gefundeerde manier gebeuren. Daarvoor is een gedegen kennis van de milieukosten, met name via het milieukostenmodel, noodzakelijk. Aan de hand van diverse scenario’s zal het milieukostenmodel het mede mogelijk maken de optimale hoogte van de heffing vast te stellen. Tezamen met de beoogde beleids- en milieueffecten, moet rekening gehouden worden met rechtszekerheid en moet vooruit geblikt worden in een ruim tijdskader. De diverse bestaande steunverleningsprogramma’s moeten worden geëvalueerd en zodanig bijgestuurd dat er één geïntegreerd steunverleningsprogramma ontstaat, zonder negatieve neveneffecten op milieuvlak. Wanneer gedacht wordt aan nieuwe potentiële economische instrumenten, komen we naast regulerende luchtheffingen en verhandelbare plichten (bvb. groene stroomcertificaten) terecht bij verhandelbare emissierechten. Verhandelbare emissierechten zijn in theorie zeer kosteneffectief. Bovendien heeft dit systeem het voordeel dat de milieudoelstelling op voorhand bepaald kan worden door een globaal verhandelbaar quotum vast te leggen. Voor CO2 wordt het systeem op het niveau van de Europese Unie georganiseerd. Voor andere vervuilende stoffen (zoals daar zijn NOx, SO2 en eventueel ook voor bijvoorbeeld grondwater en nutriënten) worden de mogelijkheden van verhandelbare emissierechten momenteel onderzocht. Als er mogelijkheden zijn, moeten er voor het einde van de planperiode pilootprojecten komen. Verder kan ook nagegaan worden of er geen mogelijkheden zijn om via het economisch instrumentarium milieuvriendelijk gedrag te belonen via positieve financiële stimuli. Doel
De kosteneffectiviteit van het gebruik van economische instrumenten binnen het milieubeleid maximaliseren. 28 Economische afwegingskaders ingang doen vinden in het milieubeleid Beschrijving
In eerste instantie moeten milieukosten en -uitgaven jaarlijks in kaart worden gebracht. Tot nu toe gebeurt de opmaak van statistieken ad hoc, naar aanleiding van specifieke vragen (zoals de Eurostat-OESO-enquête). Dit zou op een systematische manier moeten gebeuren, volgens een vastgestelde methode. Ook de uitgaven en kosten van doelgroepen, waarover tot nu toe geen Vlaamse statistieken bestaan, moeten opgenomen worden. Daarnaast moeten toekomstige milieukosten en -uitgaven worden geraamd. Het is de bedoeling modellen te ontwikkelen om deze kosten en -uitgaven van overheid en doelgroepen volgens verschillende scenario’s te kunnen ramen. Deze simulatie volgens scenario’s zal stapsgewijs uitgewerkt worden. Flankerend hieraan moeten er verder gevalspecifieke studies met een milieueconomische invalshoek (kosten-batenanalyses, inschatting socio-economische effecten, kosteneffectiviteitsanalyses) worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet centraal worden ondersteund, er moet gezorgd worden voor kwaliteitsbewaking en expertise en methodologieën moeten worden aangereikt.
47
Ook moet er onderzoek plaats vinden naar afwegingskaders om de efficiëntste pakketten van maatregelen en instrumenten te kunnen kiezen. Dit houdt de ontwikkeling van beleidsondersteunende instrumenten in: doelmatigheidsanalyse, kosteneffectiviteitsanalyse, kostenbatenanalyse en inschatting socio-economische effecten van het milieubeleid. Doel
Een milieueconomische onderbouwing van goede kwaliteit van het milieubeleid leveren die ertoe bijdraagt de middelen van de samenleving (overheid, privé-sector en burgers) zo efficiënt mogelijk in te zetten voor een beter leefmilieu. 29 Verder afstemmen en verankeren van de diverse planningscycli voor het milieubeleid Beschrijving
Dit project fungeert als centraal project voor de uitvoering van het MINA-plan 3. Van hieruit vertrekken de initiatieven om alle andere projecten te stroomlijnen. Cruciaal zijn de uitbouw van een netwerk voor uitvoering van het plan (uitvoeringsstructuur) en de jaarlijkse opmaak van de milieujaarprogramma’s. Bij beide is het achterliggende principe dat het MINA-plan 3 als kader moet fungeren voor de volledige breedte van het milieubeleid. Specifieke aandachtspunten in de afstemming met andere beleidscycli zijn ook: (1) de inhoud en structuur van de beleidsnota moet afgestemd zijn op die van het Milieubeleidsplan, (2) de termijn van het Milieubeleidsplan moet afgestemd zijn op die van de regeerperiode, wat het eenvoudigst kan worden bereikt door het MINA-plan 3 te verlengen tot 2010, (3) de inhoud en structuur van de beleidsbrief moet afgestemd zijn op die van het Milieujaarprogramma, (4) beide moeten bepalend zijn voor de opmaak van de begroting en het uit te voeren beleid, (5) beide moeten indicatoren bevatten die nauw aansluiten bij de verschillende doelstellingen. Beleidsevaluatie en beleidsindicatoren vormen het tweede luik van dit project. Naast de meer structurerende initiatieven wordt werk gemaakt van het luik beleidsindicatoren. De informatie over de sleutelindicatoren wordt opgenomen in de MJP's en waar relevant worden op basis hiervan accenten gelegd. Ook in de MJP's zal gebruik worden gemaakt van de indicatoren van het derde niveau om de concrete uitvoering van het plan op te volgen. In de opeenvolgende MJP's zal hiertoe een degelijke indicatorenset worden opgebouwd, in maximale afstemming met de milieu- en natuurrapportering. Doel
Afstemmen van de beleidsvoorbereiding, versterking van de beleidsevaluatie en uitwerken van beleidsindicatoren
48
BIJLAGEN
49
Kernset milieu-indicatoren (MINA-plan 3 en MJP 2004) Thema
Indicator
Trend
Tekst
Duurzaam gebruik van hulpbronnen Afvalstoffen
Totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner
-
De totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner nam toe van 405 kg in 1991 tot 559 kg in 2001. In 2002 werd er een afname tot 556 kg/inwoner genoteerd.
Energiegebruik
Bruto binnenlands energiegebruik
--
Hoewel de energie-intensiteit van de Vlaamse economie sinds 1998 verbeterde, nam het absolute energiegebruik de voorbije jaren geleidelijk toe. In 2002 is het bruto binnenlands energiegebruik met 36% gestegen t.o.v. 1990 (sinds 1998 schommelt dit rond 1600 PJ per jaar).
Watergebruik
Leidingwatergebruik
+/-
Het totale drinkwaterverbruik vertoonde over de laatste 10 jaar geen duidelijke trend en schommelt rond 400 miljoen m³. Ook het drinkwaterverbruik door de bevolking ligt in 2000 op nagenoeg hetzelfde niveau als in 1991. In 2001 gebruikte de bevolking ca. 232 miljoen m3 leidingwater of 107 liter per persoon en per dag.
Grondstoffeng ebruik
Totale materialenbehoefte
-
Over de periode 1991-1995 bedroeg de jaarlijkse totale materialenbehoefte (TMB) gemiddeld 118 ton/inwoner. De TMB nam toe tot 138 ton/inwoner in de periode 1996-2001.
Ruimtegebruik
Bebouwde oppervlakte
--
In 2002 nam bebouwd Vlaanderen 2.266 km² in beslag. Dit komt neer op 16,8% van de totale oppervlakte. In de periode tussen 1991 en 2002 is de bebouwde oppervlakte toegenomen met gemiddeld 39 km² per jaar.
50
Bescherming van het milieu Klimaat
Emissies broeikasgassen
van
--
In 2002 waren de broeikasgasemissies gestegen tot 93,4 Mton CO2eq, oftewel met 12,7% t.o.v. 1990.
Luchtkwaliteit – verzurende stoffen
Uitstoot van verzurende stoffen
+
De totale potentieel verzurende emissie verminderde in de periode 1990-2002 met 44,5 % tot 9.659 miljoen Zeq. De daling is vooral toe te schrijven aan een sterke afname van de SO2-emissies (meer dan halvering). De NOx-emissie namen daarentegen slechts geleidelijk af en pas vanaf 2000 werd een aanzienlijke NH3-emissiereductie gerealiseerd.
Kwaliteit van het oppervlaktewat er
Percentage meetplaatsen van het oppervlaktewatermeet net dat voldoet aan de basiskwaliteit voor biochemisch zuurstofverbruik (BZV)
+
In 2002 voldeden 47% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteit voor BZV. Sinds 1998 (toen voldeden 29% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteit) wordt een geleidelijke verbetering vastgesteld.
Percentage meetplaatsen van het oppervlaktewatermeet net met een -score op de Belgisch Biotische Index van tenminste 7
+
In 2002 voldeden 30% van de meetpunten aan de basiskwaliteitsnorm. Dit is een geleidelijke verbetering ten opzichte van de voorgaande jaren.
Kwaliteit van het grondwater
Percentage meetplaatsen van het MAPgrondwatermeetnet met overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg/l
…
De resultaten van de eerste meetcampagne (2000) geven aan dat in 32% van de gevallen de maximaal toegelaten nitraatconcentratie in het grondwater werd overschreden.
Kwaliteit van de bodem – nutriënten
Overschot op stikstofbalans
+
In de periode 1990-2002 is het overschot op de stikstofbalans met 34% gedaald tot 183 kg N/ha in 2002 (t.o.v. 276 kg N/ha in 1990).
de
51
Verspreiding van zware metalen
Emissie van zware metalen naar het oppervlaktewater
++
Voor de prioritaire metalen werden in de periode 19851998 goede reducties gerealiseerd. Sinds 1998 tot 2002 is de toestand niet meer substantieel gewijzigd. Voor Cd, Hg, Cr en Ni werden reducties van meer dan 70% bereikt. De As emissies werden meer dan gehalveerd. De reducties Cu, Pb en Zn zijn minder uitgesproken.
Verspreiding van chemicaliën
Gebruik van bestrijdingsmiddelen
+
Gewasbeschermingsmiddelen : In de periode 1990 – 2001 daalde het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, uitgedrukt in verspreidingsequivalenten (Seq), met 19% van 50,99 109 Seq in 1990 tot 41,25 109 Seq in 2001.
Milieu en gezondheid Luchtkwaliteit – omgevingslucht
Aantal dagen met overschrijding van de ozon drempelwaarde van 120 µg/m³
+/-
Los van de belangrijke jaarfluctuaties en sterke regionale verschillen inzake ozonoverlast, blijft het aantal dagen met overschrijding van de ozon drempel voor de bescherming van de volksgezondheid hoog. In 1995, 1999 en 2003 werden meer dan veertig dagen genoteerd, in 1996, 1997 en 2001 meer dan dertig. Het glijdend 3-jaargemiddelde bedroeg in 2002 25 dagen met overschrijding.
Stedelijke luchtkwaliteitsindex
+
Zowel in Antwerpen als in Gent wordt in de periode 1996-2000 een geleidelijke verbetering van de luchtkwaliteit vastgesteld. In 2001 ging de kwaliteit evenwel wat achteruit in beide steden: in Gent was de luchtkwaliteit middelmatig tot en met zeer slecht op 28% van de dagen; in Antwerpen was dit op 40% van de dagen.
52
Gezondheidssc hade
Gezondheidsimpact van zwevend stof Disability Adjusted Life Years (DALY)
+/-
Het aantal verloren gezonde levensjaren (DALY's) ten gevolge van blootstelling aan zwevend stof (PM10) wordt geschat op ongeveer 40 DALY's per 10.000 inwoners. De situatie is de laatste jaren nagenoeg onveranderd.
Hinder
Percentage van de bevolking dat potentieel ernstig wordt gehinderd door geluid.
+/-
In 2002 was ongeveer 18% van de bevolking potentieel ernstig gehinderd door geluid. De situatie is vrijwel onveranderd sinds 1990.
Beschermde gebieden
Totale oppervlakte met hoofdfunctie natuur en natuurgericht beheer
+
Zie thema 'Verlies biodiversiteit'
Biodiversiteit
Percentage niet bedreigde en (met uitsterven) bedreigde soorten
…
In 2001 was 43% van de Rode Lijst-soorten niet bedreigd en 20% (met uitsterven) bedreigd.
Transport
Volume personenvervoer
--
In de periode 1990-2002 is het personenvervoer met 22% toegenomen. Deze toename is vooral toe te schrijven aan een verhoogd gebruik van de auto / moto als transportmiddel. Sinds 1997 is er evenwel ook een toename van het gebruik van het openbaar vervoer.
Energievoorzie ning
Aandeel groene stroom in de distributieleveringen van elektriciteit
+
In 2001 bedroeg het aandeel groene stroom in de elektriciteitsleveringen 0,38%. Dit is bijna een verzesvoudiging ten opzichte van 1998, doch het aandeel blijft zeer klein.
Natuurbehoud aan
Integratie
53
Industrie
Eco-efficiëntie van de industrie
+
Terwijl de productie-index van de industrie steeg tussen 1990 en 2002, daalde de emissie van verzurende stoffen en van CZV en zware metalen in oppervlaktewater, wat op een verbetering van de eco-efficiëntie wijst. De afvalproductie steeg daarentegen sneller dan de productie-index; het energiegebruik en de broeikasgasemissies houden gelijke tred met de productieindex.
Bevolking
Aandeel selectief ingezameld huisvuil
++
De selectieve fracties in het totaal van het huishoudelijk afval zijn sterk gestegen van 34% in 1995 naar 69,5% in 2002.
Landbouw
Areaal biologische landbouwproductie
+
Het areaal biologische landbouw is sinds 1991 (493 ha) sterk toegenomen tot 3.879 ha in het jaar 2002. In 2002 werd de stijgende trend van de voorgaande jaren evenwel niet doorgezet. Het areaal bedraagt slechts 0,60% van de totale landbouwoppervlakte in Vlaanderen.
Samenwerking en draagvlak Draagvlak bereidheid burgers
-
Bereidheid tot financiële inspanningen ten aanzien van het milieu
+/-
Zowel in 1996 als in 2000 gaf 53% van de Vlamingen aan minstens deels bereid te zijn om een financiële bijdrage te leveren ten voordele van milieu.
Draagvlak gedrag burgers
Feitelijk gedrag ten aanzien van het milieu
+/-
Het percentage Vlamingen die consistent altijd of dikwijls milieuvriendelijk consumeren bleef in 2000 (13%) nagenoeg onveranderd ten opzichte van 1996 (12,5%).
54
Politiek draagvlak
Aandeel uitgaven van de Vlaamse overheid voor milieu
+
In de periode 1997-2002 steeg het aandeel milieuuitgaven in het totaal van de Vlaamse overheidsuitgaven van 4,3% tot 4,8%. Ondanks de voorzichtig positieve trend, moeten in de komende jaren beduidend meer middelen vrijgemaakt worden wil men alle maatregelen uit dit plan uitvoeren.
Samenwerking - lokaal
Ondertekeningen samenwerkingsovereen komst gemeenten Vlaams gewest
+
237 Vlaamse gemeenten hebben de samenwerkingsovereenkomst ondertekend (situatie eind 2003). Hiervan zijn er 156 ondertekeningen voor niveau 1 (basis) en 81 voor niveau 2.
Samenwerking - internationaal
Bekrachtiging internationale milieuverdragen
+/-
Ongeveer 50% van de internationale milieuverdragen waarbij Vlaanderen betrokken is, werden door de Vlaamse regering bekrachtigd.
van
Legende trendevolutie: +++: zeer gunstige trend; ++: gunstige evolutie; +: voorzichtig positieve trend; +/-: toestand nagenoeg ongewijzigd; -: licht negatieve trend; --: negatieve evolutie: ---: zeer negatieve evolutie; …: geen trend beschikbaar
55
Lijst van de projecten uit het MINA-plan 3 Het Vlaams Milieubeleidsplan 2003-2007 (MINA-plan 3) werd op 19 september 2003 goedgekeurd door de Vlaamse regering. Het Milieubeleidsplan bepaalt voor een periode die afloopt op 31 december 2007 de hoofdlijnen van het milieubeleid. In het MINA-plan 3 worden 41 projecten beschreven. De projecten worden voornamelijk opgezet daar waar een belangrijke verandering of doorbraak verwacht wordt en een instellingsoverschrijdende aanpak noodzakelijk is. Hieronder worden ze alle opgesomd. In vele gevallen komen zij in min of meerdere mate overeen met de voorstellen, opgenomen in de fiches van de bijdrage. De teksten van het Milieubeleidsplan en van de Synthese zijn terug te vinden op www.Milieubeleidsplan.be Project 1
Beleid gericht op voorraden
Doel: Concrete methodes uitwerken om overwegingen inzake voorraadbeheer in bestaande besluitvormingsprocedures in te bouwen. Project 2
Risicobeheer
Doel: Een beleid uitbouwen specifiek gericht op risico’s. Project 3
Klimaatbeleid
Doel: Het Vlaamse klimaatbeleid optimaliseren en streven naar een efficiënte integratie van alle participerende bevoegdheden in dit beleid. Project 4
Emissiereductiebeleid lucht
Doel: Een gefundeerd en evenwichtig reductiebeleid voeren dat rekening houdt met het reductiepotentieel en de socio-economische effecten in de verschillende sectoren. Project 5
Beleid milieugevaarlijke stoffen
Doel: Beschikken over een volwaardig onderbouwd beleidskader inzake milieugevaarlijke stoffen, waarbij afgesproken reductiepercentages en kwaliteitsdoelstellingen worden bereikt. Project 6
Bodemsanering
Doel: Ambtshalve bodemsaneringen versnellen en woonzones en brownfields geïntegreerd aanpakken. Project 7
Waterbodemverontreiniging
Doel: Sanering van waterbodems voorbereiden en starten. Project 8
Bodembescherming
Doel: Een beleid starten en maatregelen ter bescherming van de bodem uitvoeren.
56
Project 9
Prioritaire bedrijfsafvalstoffen
Doel: Preventie-, hergebruik- en recyclagedoelstellingen bedrijfsafvalstoffen die prioritair moeten worden aangepakt.
vastleggen
en
invullen
voor
Project 10 Hoogcalorisch afval
Doel: Storten van hoogwaardig calorisch afval tot een minimum beperken en energie uit afval dat niet geschikt is voor product- en materiaalhergebruik maximaal benutten met een minimale milieudruk. Project 11 Afvalvoorkoming
Doel: Het afvalstoffenbeleid binnen een brongerichte aanpak ontwikkelen en sturen. Project 12 Uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen
Doel: Een uitvoeringsplan opmaken en uitvoeren dat een integraal ketenbeheer voor huishoudelijke afvalstoffen omvat met aandacht voor de eigenheid van de gemeenten. Project 13 Planning integraal waterbeleid
Doel: De analyse en planvorming voor de verschillende watersysteemniveaus integreren en het integraal waterbeleid op stroomgebied-, bekken- en deelbekkenniveau concreet invullen. Project 14 Zuivering huishoudelijk afvalwater
Doel: Een zuiveringsgraad van 80 % tot stand brengen voor het huishoudelijk afvalwater. Project 15 Emissiereductiebeleid bedrijfsafvalwater
Doel: De industriële vuilvracht verder reduceren op basis van de draagkracht van het watersysteem en de impact op de RWZI. Project 16 Strategische visie watervoorziening en watergebruik
Doel: Een visie ontwikkelen en operationaliseren om het aanbod aan water (grond- en oppervlakte, drink- en tweedecircuitwater) af te stemmen op de vraag ernaar, met een minimale negatieve milieu-impact. Project 17 Integratie hinderbeleid
Doel: Het hinderbeleid in de ruimtelijke ordening integreren. Project 18 Prioriteiten ontsnippering
Doel: Prioriteiten bepalen en aanpakken om niet of moeilijk omkeerbare versnipperingsprocessen tegen te gaan van de samenhang tussen habitats op basis van het grondgebruik en de omgevingskwaliteit.
57
Project 19 Ruimte voor natuur
Doel: Behoud en herstel van biodiversiteit door de natuur en de natuurlijke milieus in stand te houden, te beheren, te herstellen, te ontwikkelen, de oppervlakte met biologische en natuurwaarde te doen toenemen en de verbinding en netwerking tussen de gebieden te verzekeren. Project 20 Soortendiversiteit
Doel: De instandhouding en het herstel verzekeren van de populaties van kwetsbare, bedreigde, zeldzame en internationaal belangrijke soorten door bijkomende beschermingsmaatregelen. Project 21 Bosbeleid
Doel: De oppervlakte aan bossen in Vlaanderen uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren. Project 22 Zorg voor natuur
Doel: Maximale synergie bereiken tussen de gebruikers van de open ruimte om een natuurgerichte milieukwaliteit via bijzondere milieukwaliteitsnormen te realiseren, afgestemd op de behoeften van kwetsbare soorten en gebieden. Project 23 Instrumenten voor het buitengebied
Doel: De inrichting van het buitengebied door de optimalisatie en afstemming van de (bestaande) instrumenten en dit op projectmatige basis op vraag van derden (dit kunnen zijn: andere Vlaamse instellingen, provincies, natuurverenigingen etc). Project 24 Stedelijk milieubeleid
Doel: Een milieubeleid opstarten, specifiek gericht op de stedelijke ruimte om diverse initiatieven op elkaar af te stemmen en milieu-, natuur- en leefbaarheidsaspecten beter te integreren in een globaal stedelijk beleid. Project 25 Doelgroepenbeleid
Doel: Gestructureerd en geïntegreerd uitbouwen van een beleid gericht op doelgroepen in functie van een optimale betrokkenheid bij de beleidsvoorbereiding/ -uitvoering, rekening houdend met de rol en verantwoordelijkheden van de betrokkenen. Project 26 Samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties
Doel: Versterken van de actieve rol van de milieu- en natuurverenigingen binnen het natuur- en milieubeleid en meer algemeen de maatschappelijke (socio-economische en socio-culturele) organisaties beter bij het beleid betrekken. Project 27 Geïntegreerd overheidsbeleid
Doel: De doorwerking van milieudoelstellingen en de wederzijdse afstemming binnen het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur en tussen de beleidsdomeinen en beleidsniveaus verbeteren.
58
Project 28 Milieu en gezondheid
Doel: Een beleid gericht op het vermijden van betekenisvolle negatieve gezondheidseffecten door milieuverontreiniging structureren, opmaken en uitvoeren. Project 29 Integratie waterbeleid
Doel: Water als één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening in de aandacht brengen en houden door de samenwerking tussen ruimtelijk planners en de waterbeheerders te intensifiëren en de uitwisseling van visie en kennis te bevorderen. Project 30 Milieu en mobiliteit
Doel: Instrumenten en maatregelen voorstellen om onnodige druk van de mobiliteit op het leefmilieu te beperken. Project 31 Aanspreekpunt lokale overheden
Doel: De communicatie tussen lokale overheden en het Vlaamse gewest verbeteren en instaan voor een algemene opvolging van de samenwerkingsovereenkomst. Project 32 Internationaal milieubeleid
Doel: De participatie van Vlaanderen aan multilaterale instellingen en ontwikkelingen verzekeren en interregionale samenwerking op milieuvlak bevorderen. Project 33 Planningscyclus
Doel: De planningscyclus verder uitbouwen met aandacht voor de afstemming van de beleidsvoorbereiding, versterking van de beleidsevaluatie en uitwerking van beleidsindicatoren. Project 34 Wetenschappelijk onderzoek
Doel: Een gecoördineerde planmatige aanpak creëren in de opbouw van kennis, waarbij de samenhang tussen de onderzoeksprojecten vergroot en de beleidsrelevantie toeneemt, onder meer door een grotere aandacht voor strategisch onderzoek. Project 35 Meetnetten en monitoring
Doel: De beleidsonderbouwende capaciteit van de verzamelde gegevens verhogen. Project 36 Milieu-informatie
Doel: Milieu-informatie verder afstemmen, optimaliseren, uitbouwen en logisch integreren door de uitbouw van de milieudatabankpijlers en de realisatie van een Milieu Management Informatie Systeem (MMIS). Project 37 Interne milieuzorg
Doel: Milieuzorgsystemen invoeren in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en in de Vlaamse openbare instellingen.
59
Project 38 Fundamentele principes en instrumentenontwikkeling
Doel: Een principieel juridisch toetsings- en afwegingskader ontwikkelen ten behoeve van de milieubeleidscyclus en –praktijk. Project 39 Milieuvergunningenbeleid
Doel: Het milieuvergunningenbeleid bijsturen en vernieuwen door de IPPC-richtlijn uit te voeren en het beleid ter invoering van efficiënte en effectieve vergunningsmodaliteiten voorbereiden. Project 40 Handhaving
Doel: De effectiviteit van het handhavingsbeleid verhogen door een duidelijker juridisch kader en een meer planmatige en gecoördineerde uitvoering. Project 41 Milieu-economie en financiering milieubeleid
Doel: Via een gemeenschappelijke aanpak bijdragen aan een efficiënter milieubeleid door een betere financieel-economische onderbouwing en een beter gebruik van het economisch instrumentarium.
60