Skip to main content

Verslagboek_Raad_betwistingen_werkjaar_2018.pdf

Page 1

VOORWOORD................................................................................................................... 2 DEEL I

ORGANISATIE EN BELEID ............................................................................... 3

I. II.

HISTORIEK ........................................................................................................................... 4 ORGANISATIE VAN DE RAAD.................................................................................................... 5 1. Bevoegdheid ................................................................................................................ 5 2. Bevoegdheidsomschrijving .......................................................................................... 8 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement ............................................................ 8 4. Samenstelling van de Raad .......................................................................................... 9 5. Secretariaat ................................................................................................................. 9 6. Taalgebruik in de procedure ...................................................................................... 10 III. WIJZIGINGEN IN DE REGELGEVING .......................................................................................... 11 IV. EXTERNE RELATIES .............................................................................................................. 13 V. ONTSLUITING VAN DE RECHTSPRAAK ....................................................................................... 14 DEEL II

CIJFERGEGEVENS ........................................................................................... 15

I. AANTAL GEREGISTREERDE VERZOEKSCHRIFTEN .......................................................................... 16 II. AANTAL ZITTINGSDAGEN, ZITTINGEN EN BEHANDELDE DOSSIERS ................................................... 18 III. DOORLOOPTIJD .................................................................................................................. 20 IV. BEROEPEN TEGEN STUDIEVOORTGANGSBESLISSINGEN ................................................................ 21 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 21 1.1 Gender ................................................................................................................ 21 1.2 Geografische spreiding ....................................................................................... 21 1.3 Spreiding naar aard verwerende partij .............................................................. 23 1.4 Soort opleiding ................................................................................................... 23 1.5 Spreiding over studiegebied............................................................................... 24 2. Voorwerp van het verzoekschrift ............................................................................... 24 2.1 Aard studievoortgangsbeslissing ........................................................................ 24 2.2 Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen ........................................... 25 3. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 26 4. Bijstand door een advocaat ....................................................................................... 27 4.1 Verzoekende partij ............................................................................................. 27 4.2 Instelling ............................................................................................................. 29 V. LEERKREDIETDOSSIERS ......................................................................................................... 31 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 31 2. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 33 VI. BESLISSINGEN INZAKE GELIJKWAARDIGHEID BUITENLANDSE DIPLOMA’S .......................................... 35 1. Verzoekende partijen ................................................................................................. 35 2. Uitspraken van de Raad ............................................................................................. 35

1 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Voorwoord Dit is het jaarverslag van 2018, het veertiende werkingsjaar van de Raad voor Betwistingen inzake Studievoorgangsbeslissingen. Het aantal beroepen heeft zich over de laatste jaren gestabiliseerd rond de 700. Rekening houdend met zowel de doorlooptijd als de bewaking van de kwaliteit van de rechtspraak, zoekt de Raad voortdurend naar een optimale organisatie van de zittingen, mede gelet op met de beschikbaarheid van de bestuursrechters binnen hun ad hoc-statuut. In 2018 is getracht het aantal zittingen te beperken, wat uiteraard heeft geleid tot een groter aantal dossiers dat per zitting wordt behandeld. Uit interne evaluatie is gebleken dat daardoor de doorlooptijd onder druk komt te staan, zodat ondertussen in 2019 het aantal zittingen opnieuw aanzienlijk is verhoogd. De decretale wijzigingen aan de procedure waren in het werkingsjaar 2018 beperkt. Zij worden in Deel I, Hoofdstuk III nader toegelicht. De Raad blijft nog steeds vragende partij voor een betere ontsluiting van zijn rechtspraak middels een website met een performante zoekfunctie. In het jaarverslag wordt er verder nog op teruggekomen. De arresten van de Raad zijn thans raadpleegbaar op de volgende website: http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/raad. Naast alle materiële omkadering is en blijft rechtspraak uiteraard in de eerste plaats mensenwerk. Mijn bijzondere dank gaat dan ook uit naar de kamervoorzitters en alle bestuursrechters van de Raad voor hun onvoorwaardelijke inzet, en in het bijzonder naar de twee secretarissen van de Raad, die er niet alleen in slagen om de administratie en het griffiewerk van de Raad meester te blijven, maar ook een belangrijke hand hebben gehad in de totstandkoming van dit jaarverslag. Wat dit laatste betreft, mag ook de gewaardeerde ondersteuning niet onvermeld blijven van mevrouw Marita Verzelen en de heer Mark Van der Jeught van het agentschap AHOVOKS.

Jim Deridder Voorzitter 21 juni 2019

2 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Deel I Organisatie en beleid

3 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


I.

Historiek

De Raad werd – oorspronkelijk als Raad voor Examenbetwistingen – bij decreet van 19 maart 2004 opgericht als onafhankelijk administratief rechtscollege binnen de Vlaamse Gemeenschap.1 De decreetgever motiveerde de oprichting van de Raad vanuit de behoefte om op korte termijn een jurisdictioneel oordeel te hebben over examengeschillen, met een beoordeling ten gronde die effectief rechtsherstel kan bieden.2 De decreetgever overwoog daarbij het volgende: “De Raad van State biedt objectief rechtsherstel door de annulatie van een administratieve rechtshandeling. De geannuleerde beslissing is aldus aangetast door een civielrechtelijke fout, die aanleiding kan geven tot schadevergoeding, te vorderen voor de gewone rechter. Zoals gesteld, meent de decreetgever dat procedures waarin schadevergoedingen gevorderd worden op grond van het verlies van één of meerdere jaren niet op zijn plaats zijn in het onderwijs. In onderwijsaangelegenheden dient het recht op onderwijs te worden gevrijwaard, niet het recht op financiële genoegdoening. Een loutere annulatie waarborgt evenwel geen effectief rechtsherstel in deze. De Raad dient daarom bijkomende bevoegdheden te hebben. De behandeling van een verzoekschrift door de Raad leidt overeenkomstig het decreet tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid en/of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen examenbeslissing, in welk geval de Raad inderdaad de nodige, welomschreven, voorlopige en herstelmaatregelen kan bevelen. De decreetgever stelt dat de Raad kan bepalen dat opnieuw in de zaak wordt beslist, desgevallend op grond van een nieuw afgenomen examen of enig onderdeel daarvan. De Raad kan daarbij de legitieme/illegitieme gronden aangeven dewelke bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing moeten/niet mogen betrokken worden.” Met het oog op het waarborgen van het effectief rechtsherstel kreeg de Raad ook de bevoegdheid om voorlopige maatregelen en herstelmaatregelen te bevelen. Volgens de parlementaire voorbereiding oordeelt de Raad niet binnen het ‘objectief contentieux’, maar over politieke rechten zoals bedoeld in artikel 145 van de Grondwet.3

Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, BS 10 juni 2004 (Aanvullingsdecreet). 2 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 17. 3 Parl. St. Vl. Parl. 2003-2004, nr. 1960/1, 18. 1

4 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


II.

Organisatie van de Raad

1. Bevoegdheid

Bij zijn oprichting werd de Raad bevoegd gemaakt examen(tucht)beslissingen binnen het hoger onderwijs: -

-

voor

de

volgende

Examenbeslissing: elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; Examentuchtbeslissing: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten.

Doorheen de daaropvolgende jaren werd de bevoegdheid van de Raad stelselmatig uitgebreid, hetzij door tussenkomst van de decreetgever, hetzij door een nadere omschrijving van de decretale bevoegdheid door de Raad van State als cassatierechter. Krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet kan de Raad vanaf het academiejaar 2008-2009 uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 13quater van het Structuurdecreet. Een volgende uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad werd ingevoerd met Onderwijsdecreet XIX, met name ten aanzien van het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven.4 Bovendien werd de bevoegdheid van de Raad ruim(er) gedefinieerd door de rechtspraak van de Raad van State. In de werkjaren 2008 en 2009 was de Raad van oordeel dat hij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen op grond van artikel 51 van het Flexibiliseringsdecreet (rechtstreekse diplomering). Enkel wanneer het kon begrepen worden als een toekenning van vrijstellingen, behandelde de Raad het dossier. In het arrest nr. 200.012 oordeelde de Raad van State evenwel dat de Raad hiervoor wel bevoegd is. Het Onderwijsdecreet OD XXI heeft vervolgens de bevoegdheid van de Raad uitgebreid wat de beslissingen inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma betreft.5 Deze zijn aanvechtbaar met ingang van 1 september 2011. Met ingang van 1 september 2011 is de Raad ook bevoegd om beroepen te behandelen van studenten die hun leerkrediet dreigen te verliezen omwille van ‘overmacht’. Deze bevoegdheid is er gekomen ter vervanging van het georganiseerd administratief beroep dat in 2010 kon worden ingesteld bij de Vlaamse Regering.

4 5

Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, BS 28 augustus 2009. Decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XIX, BS 30 augustus 2011.

5 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Het Onderwijsdecreet XXIII heeft de afzonderlijke bevoegdheid “een beslissing van een instellingsbestuur over de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma genomen in toepassing van artikel 69, §3, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen” geschrapt om te vermijden dat de instellingen voor deze toelatingsbeslissingen, die geen formele gelijkwaardigheidsbeslissing sensu stricto inhouden (dat is een bevoegdheid van NARIC), een interne beroepsprocedure dienen te organiseren.6 Het Vereenvoudigingsdecreet heeft de bevoegdheid geschrapt omtrent “een beslissing waarbij er in geval van overmacht geen aangepaste examenregeling mogelijk is om organisatorische redenen”, in die zin dat de leerkredietdossiers niet langer onder de term ‘studievoortgangsbeslissing’ vallen en de instellingen hiervoor bijgevolg geen intern beroep meer moeten organiseren.7 De Raad is en blijft wel bevoegd voor de leerkredietdossiers. Daarnaast heeft het Vereenvoudigingsdecreet nog een bijzondere soort van aanvechtbare beslissing tot stand gebracht, met name het beroep tegen de beslissing van de instelling om een stage of ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen. Het Onderwijsdecreet XXVII heeft aan de Raad de bevoegdheid toegekend voor “individuele beslissingen houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling”.8 De Raad is bijgevolg enkel bevoegd voor beslissingen die werden genomen nadat de student een interne afwijkingsprocedure heeft doorlopen. De instellingen hebben echter nog steeds de mogelijkheid om geen interne afwijkingsprocedure open te stellen en enkel een algemene beleidsregel van weigering in te schrijven ingeval van negatief leerkrediet (minder of gelijk aan nul). Studenten die geweigerd worden op basis van zo een algemene beleidsregel kunnen niet bij de Raad terecht.9 Ten slotte werd in artikel I.3, 69°, g) van de Codex Hoger Onderwijs het woord ‘diplomacontract’ vervangen door het woord ‘contract’.10 Dit gebeurde naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof waarin een antwoord werd geformuleerd op een prejudiciële vraag die de Raad in één van zijn dossiers had gesteld.11

Decreet van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, BS 27 augustus 2013. Decreet van 21 maart 2014 tot aanpassing van enkele hogeronderwijsbepalingen die de organisatie en controle van het onderwijs faciliteren en de plan- en implementatielasten verminderen, BS 15 mei 2014. 8 Decreet van 16 juni 2017 betreffende het Onderwijs XXVII, BS 18 augustus 2017. 9 Zie ook RvS 18 januari 2016, nr. 233.491, Vrije Universiteit Brussel. 10 Decreet houdende wijziging van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wat betreft het hoger onderwijs, BS 8 december 2018. 11 GwH 16 februari 2017, nr. 26/2017. 6 7

6 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


De volgende studievoortgangsbeslissingen konden op grond van artikel I.3, 69° van de Codex Hoger Onderwijs tijdens het werkjaar 2018 het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel; b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.24612; g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling. Daarnaast is de Raad overeenkomstig artikel II.285, lid 2 Codex Hoger Onderwijs ook bevoegd om kennis te nemen van verzoeken die studenten rechtstreeks bij de Raad indienen om hun leerkrediet aan te passen, omdat ze zich in een overmachtssituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden. Ten slotte is de Raad bevoegd inzake materiële vergissingen en onjuistheden zoals bedoeld in artikel IV.93 van de Codex Hoger Onderwijs.13

Met inbegrip van de beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel voortijdig te beëindigen (ingevoerd artikel 25 Vereenvoudigingsdecreet). 13 Deze bepaling is licht gewijzigd: In de zin “De beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs op grond van de procedure bedoeld in artikel IV.93, kunnen worden aangevochten voor de Raad” is het vetgedrukte vervangen door ‘door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg’. 12

7 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


2. Bevoegdheidsomschrijving

De initiële bevoegdheid van de Raad is doorheen de jaren stelselmatig uitgebreid. Daardoor is deze bevoegdheid geëvolueerd van een beperkte toegewezen bevoegdheid die eenduidig was in de toepassing (examenbeslissingen en examentuchtbeslissingen), tot een bevoegdheid die weliswaar nog steeds toegewezen van aard is en niet residuair, maar die niettemin een breed veld bestrijkt, met soms onduidelijke grenzen. De Raad herneemt in dat verband zijn adviezen uit de voorgaande jaarverslagen. Het is de Raad wenselijk dat de decreetgever de mogelijkheden omtrent een meer homogene bevoegdheidsomschrijving onderzoekt. Dit kan misschien ook beter de doelstellingen van de decreetgever met betrekking tot de beoogde rechtsbescherming tot uiting brengen, dan de huidige uitgebreide opsomming. De Raad merkt een toename in de geschillen die de bevoegdheid van de Raad betreffen, en deze geven ook regelmatig aanleiding tot cassatievoorzieningen voor de Raad van State.14 Cassatievoorzieningen en prejudiciële vragen die geen betrekking hebben op de grond van de zaak, werken enkel vertragend voor de beoordeling ten gronde en zijn, zeker in een contentieux waar een spoedige beoordeling essentieel is, zoveel mogelijk te vermijden. 3. Interne organisatie – huishoudelijk reglement

Met het oog op een betere organisatie van de werking heeft de algemene vergadering van de Raad op 6 juni 2015 een nieuw huishoudelijk reglement aangenomen, dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 juli 2015. Het huishoudelijk reglement regelt vooreerst de werking van de algemene vergadering en de bevoegdheden van de voorzitter, alsook de evaluatie van de secretarissen. Daarnaast is de Raad voortaan ingedeeld in drie kamers (Iste, IIde en IIIde Kamer), waardoor zaken vlotter kunnen worden toebedeeld, rekening houdend met de beschikbaarheid van de leden en de onverenigbaarheden. De indeling in kamers was noodzakelijk geworden om de Raad toe te laten kamers simultaan te laten zetelen ten einde de inkomende beroepen binnen een redelijke termijn verwerkt te krijgen. De voorzitter van de Raad zit de Iste Kamer voor, de plaatsvervangende voorzitters worden als kamervoorzitter aan de andere kamers toegewezen.

Illustratief kan worden verwezen naar de beslissing om een student om administratieve redenen niet toe te laten voor een tweede examenkans in te schrijven. Een dergelijke beslissing valt buiten de toegekende bevoegdheid van de Raad (R.Stvb. 17 februari 2015, nr. 2015/010, vernietigd door RvS 19 september 2016, nr. 235.791, KU Leuven en R.Stvb. 18 december 2014, nr. 201/415, vernietigd door RvS 19 september 2016, nr. 235.790, KU Leuven) en valt, al naargelang de aard van de instelling, onder de bevoegdheid van de Raad van State en/of de burgerlijke rechter. In de motivering bij de oprichting van de Raad heeft de decreetgever aangegeven dat deze rechtscolleges in het raam van de studievoortgang van studenten geen voldoende snel rechtsherstel ten gronde kunnen bieden. 14

8 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Vanaf juli 2015 veranderden de uitspraken van de Raad ook van vorm. Er werd een nieuw sjabloon aangenomen en de uitspraken worden voortaan, zoals bij de andere Vlaamse administratieve rechtscolleges, arresten genoemd – deze term zal doorheen dit verslag dan ook worden gebruikt.15 De arresten worden ondertekend door de kamervoorzitter en door de secretaris die op de zitting als griffier is opgetreden. 4. Samenstelling van de Raad

Krachtens artikel II.287, §1, 2° van de Codex Hoger Onderwijs bestaat de Raad naast de voorzitters uit twee werkende en vier plaatsvervangende bijzitters (bestuursrechters). Omwille van de werklast worden alle bestuursrechters op gelijke wijze opgeroepen om te zetelen, zodat de Raad geen onderscheid maakt tussen de effectieve en de plaatsvervangende bestuursrechters. Tijdens het werkjaar 2018 kende de Raad volgende samenstelling:16 Voorzitter Kamervoorzitter Bestuursrechters

de heer Jim Deridder de heer Bertel De Groote mevrouw Karla Van Lint de heer Jean Goossens de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Piet Versweyvelt mevrouw Marleen Verreth mevrouw Sigrid Pauwels

Tijdens elke zitting van de Raad zetelt er een kamervoorzitter samen met twee bestuursrechters. De zetel van de Raad voor een zitting wordt samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden van de Raad. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt dit lid niet wanneer deze instelling één van de betrokken partijen is. 5. Secretariaat

De leden van de Raad worden ondersteund door de medewerkers van het secretariaat, die instaan voor het in staat stellen van de dossiers. Op de zitting nemen de secretarissen de functie van griffier waar. Melissa Thijs en Freya Gheysen waren in 2018 aangesteld als secretaris van de Raad. In tegenstelling tot andere administratieve rechtscolleges, beschikt de Raad niet over inhoudelijk ondersteunend personeel zoals referendarissen. De arresten hebben voortaan een uniek nummer, zodat niet meer naar het rolnummer moet worden verwezen. 16 Artikel 1 Huishoudelijk Reglement Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, BS 15 juli 2015. 15

9 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


6. Taalgebruik in de procedure

Noch de Codex Hoger Onderwijs, noch een op de Raad van toepassing zijnde besluit van de Vlaamse regering bevat enige bepaling inzake de taal van de procedure. Het huishoudelijk reglement van de Raad (artikel 21) schrijft voor dat de procedure in het Nederlands verloopt. Regelmatig wenden buitenlandse studenten zich tot de Raad; meestal – doch niet altijd – zijn zij ingeschreven in een Engelstalige opleiding aan een Vlaamse instelling van hoger onderwijs. Deze verzoekende partijen dienen soms een Engelstalig verzoekschrift in. In het verleden heeft de Raad anderstalige verzoekschriften niet om die reden onontvankelijk verklaard. In 2015 werd evenwel een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen door een verwerende partij.17 Aansluitend heeft de Raad zich beraden over de toepassing van de taalwetten. In afwachting van een eventuele decretale regeling houdt de Raad voorlopig de volgende werkwijze aan, die ook op de website is vermeld. De rechtspleging verloopt in het Nederlands. Teneinde de verzoekende partij niet onverwacht met een (ambtshalve) exceptie van onontvankelijkheid te confronteren, verleent de Raad de verzoekende partij die een anderstalig verzoekschrift heeft ingediend, een redelijke termijn om dat verzoekschrift (en in voorkomend geval de wederantwoordnota) in het Nederlands te (laten) vertalen.18 Indien de verzoekende partij vervolgens nalaat om minstens van het verzoekschrift een Nederlandstalige versie neer te leggen, verklaart de Raad het beroep onontvankelijk.19

R.Stvb. 4 september 2015, nr. 2.311. Bv. R.Stvb. 29 oktober 2015, nr. 2.537; R.Stvb. 1 december 2015, nr. 2.659; R.Stvb. 17 december 2015, nr. 2.735; R.Stvb. 16 juni 2017, nr. 3.656; R.Stvb. 26 oktober 2017, nr. 3.928; R.Stvb. 17 september 2018, nr. 4.407; R.Stvb. 1 oktober 2018, nr. 4.428. 19 R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.697; R.Stvb. 8 december 2015, nr. 2.698. 17 18

10 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


III.

Wijzigingen in de regelgeving

Naast de aanpassing aan artikel I.3, 69°, g) van de Codex Hoger Onderwijs (zie supra II.1), zijn nog enkele wijzigingen doorgevoerd inzake de procedure voor de Raad. Deze wijzigingen zijn op 1 januari 2018 in werking getreden.20 In artikel II.294, §1, tweede lid van de Codex Hoger Onderwijs wordt verduidelijkt dat beroepen tegen een beslissing als vermeld in artikel I.3, 69, h) bij de Raad moeten worden ingesteld binnen een vervaltermijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de dag van de kennisgeving van de definitieve beslissing van het krachtens het decreet bevoegde orgaan.21 Wat de samenstelling van het administratief dossier betreft, geeft artikel II.298 van de Codex Hoger Onderwijs nu een overzicht van welke stukken minstens deel moeten uitmaken van dit administratief dossier. Het administratief dossier moet uiterlijk samen met de antwoordnota zowel aan de Raad als aan de verzoekende partij worden bezorgd. Daarnaast werd in §2 ingeschreven dat als er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd. De voorzitter beslist ter zake bij beschikking. Luidens artikel II.300 kan het dossier van de rechtspleging door de partijen en/of hun raadsman worden geraadpleegd op het secretariaat van de Raad. In artikel II.302 wordt afgezien van de voorheen voorziene procedure inzake de procedurekalender, waarbij sprake was van een ‘ontwerp van procedurekalender’. Er moet nu slechts eenmaal een procedurekalender worden opgesteld, waarin de termijn wordt vastgesteld waarbinnen (1) het bestuur in staat wordt gesteld een antwoordnota en het administratief dossier aan de Raad en aan de verzoeker voor te leggen en (2) de verzoeker in staat wordt gesteld een wederantwoordnota aan de Raad en aan het bestuur voor te leggen. Verder werd ook artikel II.303, §2, houdende de redenen tot wraking van een van de leden van de Raad, aangepast. De redenen tot wraking zijn nu de volgende: 1° de redenen bedoeld in artikel 828, 829, tweede lid en 830 van het Gerechtelijk Wetboek; 2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, §4 van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool; 3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat.

Decreet houdende wijziging van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wat betreft het hoger onderwijs, BS 8 december 2018. 21 Artikel I.3, 69°, h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256. 20

11 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


De laatste wijziging aan de procedure van de Raad is opgenomen in artikel II.307, vierde lid, waarin wordt bepaald dat de uitspraak van de Raad met een aangetekende zending aan de partijen wordt bezorgd.

12 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


IV.

Externe relaties

Op 4 mei 2018 namen verschillende leden van de Raad deel aan de studiedag “Onderwijscontentieux – secundair onderwijs/leerplichtonderwijs” te Gent. Op 8 juni 2018 namen verschillende leden van de Raad deel aan de studiedag “Onderwijscontentieux – hoger onderwijs” te Leuven. Op 13 november 2018 volgden verschillende leden van de Raad de opleiding “Het administratief cassatieberoep bij de Raad van State”. Op 9 november 2018 ontving de voorzitter een aantal studenten van de KU Leuven in het raam van een werkcollege administratief recht. In het raam van ‘De Warmste Week’ hebben de bestuursrechters en secretarissen van de Raad een gezamenlijke gift van 1.000 euro gedaan aan de vzw Bednet.

13 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


V.

Ontsluiting van de rechtspraak

De Raad dringt er sinds enkele jaren op aan dat de ontsluiting van zijn rechtspraak dient te worden verbeterd, en betreurt dat aan deze vraag nog geen gevolg werd gegeven. De opzoekmogelijkheden op de huidige website zijn erg beperkt en het doorzoeken van arresten met een vrije zoekfunctie is niet mogelijk. Externe actoren hebben reeds aangegeven dat dit als een beperking wordt ervaren om de stand van de rechtspraak bij te houden of om juridische argumentatie in een procedure voor de Raad te onderbouwen. Ook de Raad zelf zou baat hebben bij een betere ontsluiting van de rechtspraak. Dienstige verwijzingen naar voorgaande rechtspraak opnemen in een arrest vergt thans regelmatig tijdrovend opzoekwerk. Aangezien andere rechtscolleges zoals de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en binnen de Vlaamse overheid ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen, het Handhavingscollege en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen over een website met dergelijke zoekmotor beschikken, neemt de Raad aan dat dit eenvoudig en snel kan worden geïmplementeerd. De Raad vraagt dan ook, na herhaald verzoek, met aandrang dat hiervoor de nodige budgetten worden vrijgemaakt.

14 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Deel II Cijfergegevens

15 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


I.

Aantal geregistreerde verzoekschriften

In het werkjaar 2018 heeft de Raad 697 verzoekschriften ontvangen en geregistreerd.22 Dit betekent dat er, na een jarenlange stijging, sinds 2015 een zekere stabiliteit kan worden vastgesteld. In de werkjaren 2015, 2016 en 2017 ging het immers respectievelijk om 694, 699 en 673 verzoekschriften, zodat er dit werkjaar opnieuw een lichte stijging ten opzichte van het werkjaar 2017 in het aantal ontvangen en geregistreerde verzoekschriften kan worden opgetekend. In onderstaande grafiek wordt het aantal verzoekschriften van de laatste negen werkjaren vergeleken.

Overzicht van het aantal verzoekschriften 2010-2018 800 700 600 500 400 300 200 100 0 aantal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

149

242

345

413

548

694

699

673

697

Voor de stijgende trend op middellange termijn kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. De Raad heeft doorheen de jaren wellicht meer bekendheid gekregen bij de studenten. De verplichte vermelding van de beroepsmogelijkheden bij de Raad op de te bestrijden beslissing (artikel 35 Openbaarheidsdecreet)23 wijst de studenten ook uitdrukkelijk de weg; deze vermelding geldt evenwel voor alle beslissingen of administratieve handelingen met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben. Ten slotte werd de bevoegdheid van de Raad ook meermaals uitgebreid, en is er in de media elk jaar aandacht voor de statistieken en het functioneren van de Raad. In de 697 beroepen die in 2018 werden ingesteld, merken we opnieuw een lichte daling wat de gebruikelijke studievoortgangsbetwistingen (examenbetwistingen, weigering van een inschrijving, …) betreft ten opzichte van het vorige werkjaar. Zo werden er in 2017

Daarin worden ook de ambtshalve registratie en behandeling van verzoekschriften na vernietiging door de Raad van State meegerekend. 23 Het Openbaarheidsdecreet is ondertussen opgeheven en deze bepaling is nu opgenomen in artikel II.21 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, BS 19 december 2018. 22

16 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


193 beroepen ingediend, terwijl dit er in 2018 183 waren. Dit is eveneens minder dan tijdens het werkjaar 2016, toen er 219 dergelijke beroepen werden ingediend. Vanaf 1 september 2011 behandelt de Raad ook dossiers in verband met ‘overmacht en leerkrediet’. Deze beroepen kunnen niet worden beschouwd als klachten tegen een onderwijsinstelling. Het gaat immers om studenten die wegens overmacht (doorgaans ziekte) hun examenkansen niet volledig hebben kunnen benutten en bijgevolg een deel van hun leerkrediet verloren hebben. Zij vragen de verloren studiepunten uit hun leerkrediet terug op grond van een aangetoonde overmachtssituatie. Wat deze dossiers betreft, is er een stijging merkbaar ten opzichte van de vorige werkjaren. In 2016 en 2017 waren er immers respectievelijk 468 en 471 dossiers betreffende leerkrediet en overmacht, maar in 2018 werden er 506 dossiers ingeleid. De overige 8 dossiers die in 2018 werden geregistreerd, betroffen beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met een Vlaams diploma, of met een Vlaamse graad. De beroepen worden doorheen heel het jaar ingediend, met vooral pieken in september en oktober. Het aantal beroepen dat naar aanleiding van de laatste examenzittijd wordt ingediend, doet vermoeden dat studenten vaak een ongunstige beslissing in de eerste examenkans niet aanvechten, en er de voorkeur aan geven eerst de tweede examenkans te benutten. Dit verklaart ook waarom er in verhouding veel geschillen inzake stages zijn na de eerste examenkans: deze opleidingsonderdelen zijn immers vaak van een herkansing uitgesloten. In september werden vooral verzoeken met het oog op de terugvordering van leerkrediet ingediend. De meeste dossiers waarin studievoortgangsbeslissingen worden aangevochten, werden ingediend in maart, juli en oktober, na de verschillende examenperiodes. Wat de werklast betreft, deint de impact van deze pieken steeds verder uit, gelet op de termijn die de Raad nodig heeft om tot een eindbeoordeling te kunnen komen. In de maanden april, mei, juni en december is er een relatief kleinere instroom.

Aantal ingediende verzoekschriften per maand 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0

Overmacht

Studievoortgangsbeslissingen

Gelijkwaardigheid buitenlands diploma

17 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


II.

Aantal zittingsdagen, zittingen en behandelde dossiers

In het werkjaar 2018 waren er 34 dagen waarop de Raad zitting hield, in vergelijking met 58 zittingsdagen in het werkjaar 2017. Er is dan ook sprake van een sterke daling (- 41%) van het aantal zittingsdagen tegenover het vorige werkjaar. Hierbij moet worden opgemerkt dat er op drie dagen simultaan met twee kamers werd gezeteld en dat op drie dagen dezelfde kamer in twee verschillende samenstellingen heeft gezeteld, zodat er in 2018 in werkelijkheid 40 zittingen hebben plaatsgevonden, wat een daling is met 34% ten opzichte van het werkjaar 2017 (61 zittingen).

Overzicht aantal zittingen en - zittingsdagen 2010-2018 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2010

2011

2012

2013

2014

Zittingsdagen

2015

2016

2017

2018

Zittingen

Op de datum van de behandeling worden de partijen in elkaars aanwezigheid gehoord in openbare zitting.24 Ook als een partij niet ter zitting verschijnt, zal de zaak worden behandeld. De Raad heeft in 2018 518 beroepen behandeld. Het gaat hierbij telkens om dossiers waarin een definitieve uitspraak door de Raad werd genomen. In 2018 werden er 165 dossiers betreffende de gebruikelijke studievoortgangsbetwistingen behandeld. Daarnaast werd in 347 dossiers een uitspraak gedaan over de aanvraag van een student om leerkrediet terug te krijgen omwille van overmacht. Dit is minder dan in 2017, toen er 422 van dergelijke dossiers werden behandeld. De 6 overige behandelde dossiers waren beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met een Vlaams diploma, of met een Vlaamse graad. Een en ander vertegenwoordigt in 2018 een globale gemiddelde werklast per kamer per jaar van 173 arresten (inclusief leerkrediet), waaronder 55 arresten inzake studievoortgangsgeschillen.

24

De procedure inzake overmacht verloopt in principe wel schriftelijk.

18 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Naric 1%

Behandelde dossiers Studievoortgangsbeslissing 32%

Overmacht 67% Studievoortgangsbeslissing

Overmacht

Naric

De Raad hecht veel belang aan het bewaken van de eenheid van de rechtspraak. Het is de taak van de voorzitter om hierop toe te zien op het niveau van de Raad. Elke kamervoorzitter bewaakt daarnaast de eenheid van rechtspraak binnen de eigen kamer. Gelet op het huidige statuut van de bestuursrechters is de kleinschaligheid van het kader een belangrijk voordeel om deze eenheid van rechtspraak te waarborgen. Onder meer om die reden is een uitbreiding van het kader niet de optimale oplossing om de werklast beheersbaar te houden.

19 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


III.

Doorlooptijd

Artikel II.308 van de Codex Hoger Onderwijs schrijft voor dat de Raad uitspraak doet binnen een ordetermijn van twintig kalenderdagen, na de registratie van het beroep. Voor beroepen inzake de gelijkwaardigverklaring van een buitenlands diploma bedraagt deze ordetermijn dertig kalenderdagen. De Raad spant zich in om de ordetermijn van twintig dagen te respecteren. Een aantal aspecten die eigen zijn aan de werking van de Raad, zijn daarbij relevant. Zo is het niet mogelijk om elk inkomend dossier onmiddellijk aan een zitting toe te wijzen, omdat de samenstelling van de zetel door de onverenigbaarheden afhankelijk is van de betrokken partijen (voornamelijk: de betrokken instelling). Het secretariaat dient daardoor te wachten tot een voldoende groot volume aan verzoekschriften is toegekomen om na te gaan aan welke kamer en in welke samenstelling elk dossier kan worden toegewezen. Dit veroorzaakt onvermijdelijk enige vertraging in de doorlooptijd. Daarnaast is het zo dat de Raad, zoals hierboven is aangegeven, niet beschikt over ondersteunend personeel om de ingediende beroepen aan een juridisch onderzoek te onderwerpen alvorens zij aan de leden van de kamer worden overgemaakt. Daarom wordt vervolgens een termijn van een week in acht genomen om de kamervoorzitter toe te laten het dossier voor te bereiden met het oog op de zitting. Uiteraard speelt ook de globale werklast hierbij een rol. Ten einde de doorlooptijd van een zaak niettemin zo kort mogelijk te houden, wordt onmiddellijk na de behandeling van het dossier – het huishoudelijk reglement voorziet in principe in een pleitduur van vijftien minuten per partij; de complexiteit van het dossier noopt regelmatig tot een ruimer debat – beraadslaagd achter gesloten deuren. Aldus bedraagt de doorlooptijd van een dossier normaliter ongeveer een maand. Dit kan nog steeds worden beschouwd als een zeer snelle rechtsbedeling voor de partijen. Uiteraard kan de duur van de behandeling van een zaak variëren in functie van de moeilijkheidsgraad, de duidelijkheid en volledigheid van het schriftelijk dossier en de pleidooien van de partijen. Het arrest wordt met een aangetekende zending aan de partijen bezorgd.25 De Raad werkt aan een systeem om de doorlooptijd te monitoren. Ten einde ter zake over representatieve cijfers te kunnen beschikken, dienen evenwel verschillende variabelen in rekening te worden genomen. Gelet op het vanuit statistisch oogpunt beperkt aantal beroepen – en dus de relatief grote impact van de doorlooptijd per dossier – moet naast het bovenstaande ook rekening kunnen worden gehouden met factoren die de doorlooptijd verhogen, maar niet aan de werking van de Raad als dusdanig toe te schrijven zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan tussenarresten die de debatten heropenen, prejudiciële procedures, vragen om uitstel door de partijen, uitstel dat wordt verleend om een Nederlandse vertaling van een anderstalig verzoekschrift in te dienen, enz.

25

Zie art. II.307, vierde lid Codex Hoger Onderwijs.

20 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


IV.

Beroepen tegen studievoortgangsbeslissingen

Met onderstaande cijfers wordt dieper ingegaan op de 165 dossiers die de Raad in het werkjaar 2018 heeft behandeld waarbij de student een studievoortgangsbeslissing wenste te betwisten. Analyses van de verzoekende partijen, het voorwerp van het verzoekschrift, de uitspraken van de Raad en de bijstand van de partijen door een raadsman komen achtereenvolgens aan bod. 1. Verzoekende partijen

Bij de verzoekende partijen worden niet enkel de genderverdeling en de geografische spreiding onder de loep genomen, maar wordt ook ingegaan op de instelling waar zij studeren, welke soort opleiding zij volgen en onder welk studiegebied deze opleiding valt. 1.1 Gender

Van de 165 dossiers inzake studievoortgangsgeschillen die in 2018 door de Raad werden behandeld, werden er 75 verzoekschriften ingediend door vrouwen en 90 door mannen. Er is aldus sprake van een (quasi) gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen. Deze genderverdeling stemt evenwel niet overeen met de genderverdeling die bestaat in de inschrijvingen in het hoger onderwijs, met name 55% inschrijvingen van vrouwen en 45% van mannen.26

Genderverdeling

Vrouw 45%

Man 55%

Man

Vrouw

1.2 Geografische spreiding

Wat de geografische spreiding betreft, stellen we vast dat de meeste dossiers die door de Raad werden behandeld – op basis van woonplaatscriterium – werden ingesteld door

De cijfers betreffen het academiejaar 2017-2018: 108.060 mannen en 131.092 vrouwen (bron: https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/hoger-onderwijs-in-cijfers-2017-2018-1). 26

21 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


verzoekers die uit de provincie Antwerpen komen, gevolgd door Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant.27

Spreiding op basis van woonplaats verzoekende partij 60

35,0%

50

30,0% 25,0%

40

20,0% 30 15,0% 20

10,0%

10

5,0%

0

Brussels Antwerpen Hoofdstedeli buitenland jk Gewest

Percentage Aantal

0,0% Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

33,3%

5,5%

4,8%

7,9%

28,5%

15,2%

4,8%

55

9

8

13

47

25

8

Verder stellen we vast dat het merendeel van de behandelde dossiers gericht was tegen instellingen in de provincie Antwerpen, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in Oost-

Spreiding op basis van zetel verwerende partij 60

40,0% 35,0%

50

30,0% 40

25,0%

30

20,0% 15,0%

20

10,0% 10

5,0%

0

Percentage Aantal

Antwerpen

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

34,5% 57

0,0% Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

25,5%

4,8%

24,2%

6,7%

4,2%

42

8

40

11

7

Vgl. cijfers relatieve cijfers van studenten met een actieve inschrijving met een diplomacontract op basis van de woonplaats van de student: Antwerpen (71.293; 25,40%), Brussels Hoofdstedelijk Gewest (9.705; 3,46%), buitenland (12.918; 4,60%), Henegouwen (988; 0,35%), Limburg (30.271; 10,79%), Luik (464; 0,17%), Luxemburg (99; 0,04%), Namen (171; 0,06%), Oost-Vlaanderen (64.273; 22,90%), Vlaams-Brabant (47.632; 16,97%), Waals-Brabant (928, 0,33%) en West-Vlaanderen (41.901; 14,93%). 27

22 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Vlaanderen.28 De minste dossiers werden gericht tegen instellingen in Limburg, VlaamsBrabant en West-Vlaanderen. 1.3 Spreiding naar aard verwerende partij

Net zoals in het vorig werkjaar blijkt dat er in 2018 in het merendeel van de behandelde dossiers een universiteit als verwerende partij werd aangeduid (67 hogescholen - 96 universiteiten). Relatief gezien was in 58% van de behandelde dossiers een universiteit verwerende partij, tegenover in 41% een hogeschool.29 In één dossier had de verzoekende partij een examen afgelegd bij een vzw en in een ander dossier volgde de student een HBO5-opleiding (voor deze instellingen was de Raad in het werkingsjaar 2018 niet bevoegd).

Verhouding universiteit - hogeschool - andere Andere 1%

Hogeschool 41%

Universiteit 58%

Hogeschool

Universiteit

Andere

1.4 Soort opleiding

De meeste studenten waarvan de Raad in het werkjaar 2018 een dossier heeft behandeld, volgden een bacheloropleiding. Het gaat om 108 van de 165 dossiers. In 45 dossiers volgde de verzoekende partij een masteropleiding. In 10 dossiers was de student ingeschreven in het hoger onderwijs, maar niet in een initiële bachelor- of masteropleiding. Deze studenten waren meer bepaald ingeschreven in een schakel- of voorbereidingsprogramma, in een master-na-masteropleiding, in een doctoraatsopleiding of slechts voor enkele opleidingsonderdelen met een creditcontract.

Vgl. cijfers relatieve spreiding van hoger onderwijsinstellingen op basis van zetel, rekening houdend met fusies: Antwerpen (6; 27%), Limburg (4; 18%), Vlaams-Brabant (2; 9%), Brussels Hoofdstedelijk Gewest (4; 18%), Oost-Vlaanderen (3; 14%), West-Vlaanderen (3; 14%). 29 Volgens “Hoger Onderwijs in Cijfers”: 120.989 studenten ingeschreven in een hogeschool en 118.163 studenten ingeschreven in een universiteit. Gegevens raadpleegbaar op: https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/hoger-onderwijs-in-cijfers-2017-2018-1. 28

23 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


De 2 overige verzoekende partijen waren niet ingeschreven in een opleiding van het hoger onderwijs.

Soort opleiding Andere (hoger onderwijs) 6%

Andere (geen hoger onderwijs) 1%

Master 27% Bachelor 66%

Bachelor

Master

Andere (hoger onderwijs)

Andere (geen hoger onderwijs)

1.5 Spreiding over studiegebied

De behandelde beroepen blijken over verschillende studiegebieden gespreid te zijn. Bij de hogescholen blijken de studiegebieden ‘Onderwijs’ (17 beroepen), ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’ (17 beroepen) en ‘Gezondheidszorg’ (14 beroepen) sterk te zijn vertegenwoordigd. Deze cijfers zijn evenwel niet gerelateerd aan het aantal studenten dat in de betrokken studierichting is ingeschreven, of er verplichte stages zijn e.d. In de door de Raad in 2018 behandelde dossiers die universitaire opleidingen betreffen, blijken de meeste studenten net zoals vorig werkjaar te komen uit het studiegebied ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’ (17 beroepen). Voor het overige is er een grote variatie wat de studiegebieden betreft. 2. Voorwerp van het verzoekschrift

Voor deze analyse van het voorwerp van het verzoekschrift wordt vooreerst nagegaan welke studievoortgangsbeslissingen betwist werden. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de examenbeslissingen en wordt bekeken op welke soort opleidingsonderdelen het beroep betrekking heeft. 2.1 Aard studievoortgangsbeslissing

De examenbeslissingen gaven in werkjaar 2018 aanleiding tot het meeste beroepen (85 dossiers). Beslissingen inzake maatregelen van studievoortgangsbewaking vormen de 24 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


tweede grootste cluster (63 dossiers). Daarbij gaat het in hoofdzaak om studenten van wie de inschrijving wordt geweigerd op basis van artikel II.246 Codex Hoger Onderwijs (studievoortgangsmaatregelen). Dat waren met name 61 dossiers. Slechts in 2 gevallen stelde de student een beroep in om de bindende voorwaarden die hij in het kader van studievoortgangsbewaking kreeg opgelegd, te betwisten. Betwistingen over de andere studievoortgangsbeslissingen blijven ook in huidig werkjaar eerder beperkt. Er worden relatief weinig examentuchtbeslissingen en vrijstellingsbeslissingen voorgelegd aan de Raad.30

Aard studievoortgangsbeslissingen 1%

4%

1%

37%

52%

1% 2%

2%

Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Toekenning vrijstelling Maatregel studievoortgangsbewaking: bindende voorwaarden Maatregel studievoortgangsbewaking: weigering inschrijving Samenstelling studieprogramma Weigering inschrijving o.w.v. negatief leerkredietsaldo Andere

2.2 Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen

Binnen de dossiers waarin de student een examenbeslissing betwist, kan nog een onderscheid worden gemaakt naargelang het soort opleidingsonderdeel waarop het beroep betrekking heeft. In de meeste gevallen wil de verzoekende partij het resultaat van een theoretisch opleidingsonderdeel betwisten (30 dossiers), maar ook praktische opleidingsonderdelen maken vaak het voorwerp uit van een beroep bij de Raad (22 dossiers). Onder de rubriek ‘andere’ zijn onder meer de dossiers begrepen waarbij de verzoekende partij een examen had afgelegd bij een vzw en waarbij de verzoekende partij een HBO5-opleiding volgde. 30

25 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Soort opleidingsonderdeel bij examenbeslissingen Meerdere 10% Theorie 35% Praktijk 26%

Meerdere

Stage 18% Praktijk

Proefschrift 11% Proefschrift

Stage

Theorie

3. Uitspraken van de Raad

Van de dossiers met een studievoortgangsbeslissing als voorwerp werden er 113 van de 165 dossiers ontvankelijk verklaard (68,5%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Van deze dossiers werden er 35 gegrond verklaard, wat overeenkomt met 31% van de ontvankelijke dossiers en 21,2% van de totaliteit. 27,9% van de dossiers werd onontvankelijk verklaard en in 3,6% van de dossiers deed de verzoekende partij in de loop van de procedure afstand van het beroep.

Arresten werkjaar 2018 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Aantal

ontvankelijk - gegrond

35

ontvankelijk - niet gegrond

78

niet ontvankelijk

46

afstand

6

26 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2018

ontvankelijk - gegrond 31%

ontvankelijk - niet gegrond 69%

ontvankelijk - gegrond

ontvankelijk - niet gegrond

Er zijn verschillende redenen waarom de Raad een dossier onontvankelijk heeft verklaard. Vaak was het verzoekschrift niet ondertekend (13 dossiers) of had de verzoekende partij geen intern beroep ingesteld (10 dossiers), maar het gebeurde ook dat de Raad niet bevoegd was (7 dossiers) of dat de verzoekende partij de termijn voor het indienen van het beroep bij de Raad niet had gerespecteerd (6 dossiers).

Redenen onontvankelijkheid Andere 11% Geen intern beroep 22%

Zonder voorwerp 11%

Laattijdig 13%

Raad niet bevoegd 15%

Geen intern beroep

Laattijdig

Niet ondertekend 28% Niet ondertekend Raad niet bevoegd

Zonder voorwerp

Andere

4. Bijstand door een advocaat

Zowel de studenten als de instellingen kunnen zich voor de procedure bij de Raad laten bijstaan door een advocaat. Hieronder wordt daarop dieper ingegaan.

4.1 Verzoekende partij

27 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


In 2018 hebben 56 studenten zich laten bijstaan door een advocaat. Dit kan in elke stand van de procedure gebeuren. In de loop van de procedure kan een partij in principe echter geen nieuwe middelen meer inbrengen. Dit betekent dat een advocaat die op een later moment in de procedure betrokken wordt, binnen de krijtlijnen van het initieel ingediende verzoekschrift zal moeten blijven. Net zoals het vorig werkjaar heeft het overgrote deel van de studenten (109) in het werkjaar 2018 het dossier zelf verdedigd, zonder specifieke juridische bijstand van een advocaat in te roepen.

Bijstand student

advocaat 34%

geen advocaat 66%

advocaat

geen advocaat

De onderstaande tabellen schetsen een mogelijk verband tussen het inschakelen van een advocaat en het resultaat van de procedure. De percentages zijn berekend in verhouding tot het aantal zaken dat binnen een bepaalde groep behandeld is om zodoende een correcte succesratio te berekenen. In de 109 dossiers waar de student zelf zijn zaak verdedigd heeft, werden er 12 beroepen gegrond verklaard en werden er 37 dossiers nietontvankelijk verklaard. In 56 dossiers waar een advocaat optrad, werden er 23 beroepen gegrond verklaard en werden 9 dossiers niet-ontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten echter steeds duidelijk worden genuanceerd, daar de inhoud van de dossiers zelf buiten beschouwing werd gelaten. bijstand student advocaat

Totaal geen advocaat

ontvankelijkheid en gegrondheid ontv. + gegrond ontv. + niet-gegrond niet ontvankelijk afstand ontv. + gegrond ontv. + niet-gegrond niet ontvankelijk afstand

2018 23 21 9 3 56 12 57 37 3

41,07% 37,50% 16,07% 5,36% 100,00% 11,01% 52,29% 33,94% 2,75%

28 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Totaal

109

100,00%

165

Resultaten - bijstand student 60 50 40 30 20 10 0 ontv. + gegrond

ontv. + nietniet gegrond ontvankelijk

afstand

ontv. + gegrond

advocaat

ontv. + nietniet gegrond ontvankelijk

afstand

geen advocaat

4.2 Instelling

De instellingen doen vaker beroep op een advocaat dan de studenten. In 96 van de 165 dossiers (58%) werd immers een advocaat ingeschakeld om de belangen van de instelling te verdedigen.

Bijstand instelling

geen advocaat 42% advocaat 58%

advocaat

geen advocaat

In dossiers waar de instelling zelf haar belangen verdedigde, werden 13 beroepen gegrond verklaard en werden 34 dossiers onontvankelijk verklaard. In dossiers waar een advocaat is tussengekomen, werden 22 beroepen gegrond verklaard en werden 29 dossiers onontvankelijk verklaard. Deze cijfers moeten ook hier worden genuanceerd, want de inhoud van het dossier werd buiten beschouwing gelaten. Ten slotte moet 29 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


opgemerkt worden dat bij de instellingen die geen externe raadsman hebben, er vaak wel een intern juridisch adviseur is die het dossier behartigt. bijstand instelling advocaat

ontvankelijkheid en gegrondheid

2018

ontv. + gegrond

22

22,92%

ontv. + niet-gegrond

44

45,83%

niet ontvankelijk

29

30,21%

1

1,04%

96

100,00%

ontv. + gegrond

13

18,84%

ontv. + niet-gegrond

34

49,28%

niet ontvankelijk

17

24,64%

5

7,25%

69

100,00%

afstand Totaal geen advocaat

afstand Totaal

165

Resultaten - bijstand instelling 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 ontv. + gegrond

ontv. + nietniet gegrond ontvankelijk advocaat

afstand

ontv. + gegrond

ontv. + nietniet gegrond ontvankelijk

afstand

geen advocaat

De Raad waardeert de aanwezigheid van de partijen op de zitting. Gelet op de korte termijnen waarbinnen de Raad uitspraak moet doen, biedt dit immers in voorkomend geval de mogelijkheid de partijen te bevragen omtrent feitelijke aspecten die in de schriftelijke stukken niet of minder uitgebreid aan bod zijn gekomen. In dat opzicht moedigt de Raad aan dat wanneer, in specifieke gevallen, de aard van de betwisting daartoe aanleiding geeft, ook de betrokken docent, stagebegeleider e.d. op de zitting aanwezig zou zijn. De ervaring in voorgaande dossiers leert immers dat wanneer bijvoorbeeld middelen worden opgeworpen die concreet betrekking hebben op het feitelijk verloop van een opleidingsonderdeel of een stage, het kunnen bevragen van de titularis bijzonder verhelderend kan zijn.

30 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


V.

Leerkredietdossiers

Met onderstaande cijfers wordt dieper ingegaan op de 347 leerkredietdossiers die de Raad in het werkjaar 2018 heeft behandeld. Hierbij wordt eerst ingegaan op de verzoekende partijen die een verzoek tot terugvordering van leerkrediet bij de Raad hebben ingesteld, waarna een analyse van de uitspraken volgt. 1. Verzoekende partijen In werkjaar 2018 werden 347 dossiers behandeld waarbij de student een terugvordering van het leerkrediet beoogde. Van deze dossiers werden er 180 ingediend door mannen en 167 door vrouwen, zodat er aldus sprake is van een (quasi) gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen.

Genderverdeling

Vrouw 48%

Man 52%

Man

Vrouw

In de meeste dossiers waarin de student een terugvordering van het leerkrediet beoogde, werd een universiteit als verwerende partij aangeduid (138 hogescholen - 208 universiteiten). Relatief gezien was in 60% van de behandelde dossiers een universiteit verwerende partij, tegenover in 40% een hogeschool. In één dossier studeerde de verzoekende partij niet aan een Vlaamse hogeronderwijsinstelling.

31 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Verhouding universiteit - hogeschool Andere 0%

Hogeschool 40%

Universiteit 60%

Hogeschool

Universiteit

Andere

Net zoals het vorige werkjaar werden er dus opvallend meer verzoekschriften ingediend tegen universiteiten. De Raad ziet geen eenduidige verklaring voor deze cijfers. In het academiejaar 2017-2018 waren er zelfs meer studenten ingeschreven aan de hogescholen dan aan de universiteiten.31 Een meer gelijke verdeling lijkt dan in de lijn van de verwachtingen te liggen. Een eerste mogelijke verklaring kan zijn dat de professionele bacheloropleidingen korter zijn dan universitaire opleidingen, die immers bestaan uit een bachelor en een master. Het is niet uitgesloten dat aldus de studenten aan de hogeschool met een gelijkaardig studieparcours minder snel nood hebben aan teruggave van leerkrediet om hun studies te kunnen afronden. Anderzijds is het ook niet uitgesloten dat het systeem van de terugvordering van leerkrediet onder de universiteitsstudenten beter gekend is. In voorkomend geval kan de informatieverstrekking in de hogescholen mogelijk worden geoptimaliseerd. Ter zake zou bijvoorbeeld kunnen overwogen worden dat op het puntenblad waarop een code verschijnt die duidt op afwezigheid van de student op een examen (bv. ‘A’), automatisch ook een tekst verschijnt die de student wijst op de mogelijkheid tot terugvordering van leerkrediet. Dit hoeft geen vermelding van de volledige procedure te zijn; een verwijzing naar de vindplaats van de relevante informatie volstaat. Die tussenstap kan ook vermijden dat studenten nutteloos (bv. voorbarig) leerkrediet terugvorderen. Alleszins is de Raad van oordeel dat het van belang is dat studenten tijdig en afdoende worden geïnformeerd, zodat zij ook tijdig een procedure tot terugvordering van leerkrediet kunnen instellen.32

Volgens “Hoger Onderwijs in Cijfers”: 120.989 studenten ingeschreven in een hogeschool en 118.163 studenten ingeschreven in een universiteit. Gegevens raadpleegbaar op: https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/hoger-onderwijs-in-cijfers-2017-2018-1. 32 Wanneer terugvorderingen van leerkrediet betrekking hebben op een verder verleden, wordt de student vaker geconfronteerd met problemen rond het verzamelen van de vereiste (medische) bewijsstukken omtrent de ingeroepen overmacht. 31

32 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


2. Uitspraken van de Raad

Van de dossiers inzake overmacht en leerkrediet werden er 335 van de 347 ontvankelijk verklaard (96,5%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Van deze dossiers werden er 241 gegrond verklaard, wat overeenkomt met 72% van de ontvankelijke dossiers en 69% van de totaliteit. Dit is een lichte daling ten opzichte van werkjaar 2017, toen 73% van de behandelde leerkredietdossiers ontvankelijk en gegrond werd verklaard. In 11 dossiers (3,17%) besloot de Raad tot de niet-ontvankelijkheid ervan. Dit gebeurde meestal omdat het verzoekschrift niet ondertekend was (10 dossiers). Dit verhindert niet dat de student een nieuw verzoekschrift indient. Daarnaast was er één verzoekende partij die niet aan een Vlaamse hogeronderwijsinstelling studeerde. Tijdens het werkjaar 2018 werd er door de Raad een teruggave van het leerkrediet bevolen voor een globaal jaartotaal van 8.071 studiepunten. Dit is een daling in vergelijking met de werkjaren 2016 en 2017, toen respectievelijk de teruggave van 10.952 en 10.989 studiepunten werd bevolen.

Arresten werkjaar 2018 300 250 200 150 100 50 0

Aantal

ontvankelijk - gegrond

241

ontvankelijk - niet gegrond

94

niet ontvankelijk

11

afstand

1

33 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2018 ontvankelijk - niet gegrond 28%

ontvankelijk - gegrond 72%

ontvankelijk - gegrond

ontvankelijk - niet gegrond

34 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


VI.

Beslissingen inzake gelijkwaardigheid buitenlandse diploma’s

De derde en laatste categorie van dossiers zijn de beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met een Vlaams diploma, of met een Vlaamse graad. Ook hier wordt eerst ingegaan op de verzoekende partijen en nadien komen de uitspraken aan bod. 1. Verzoekende partijen

In werkjaar 2018 werden 6 beroepen behandeld waarin een student een gelijkwaardigheid van zijn buitenlands diploma wilde bekomen. Vijf verzoekschriften werden ingediend door mannen, slechts in één dossier was de verzoekende partij een vrouw. De meesten (3) beoogden een gelijkwaardigheid van het buitenlands diploma met de Vlaamse mastergraad, maar er was ook één verzoeker die de gelijkwaardigheid met de Vlaamse bachelorgraad wenste. Daarnaast was er nog één verzoeker die de gelijkwaardigheid met de Vlaamse graad van “Gegradueerde verpleegkunde HBO-5” beoogde. In het laatste dossier had het beroep van verzoekende partij betrekking op de door hem gevraagde gelijkwaardigheid inzake de onderwijsbevoegdheid, die niet onderzocht was in de bestreden beslissing.33 De 6 verzoekers kwamen uit 6 verschillende landen, met name uit Egypte, Chili, Nederland, Mali, het Verenigd Koninkrijk en Oekraïne. 2. Uitspraken van de Raad

Van de beroepen tegen negatieve beslissingen inzake de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s werden er 2 van de 6 dossiers ontvankelijk verklaard (33,3%) en bijgevolg ten gronde behandeld. Deze dossiers werden allebei niet gegrond verklaard. In de overige 4 dossiers (66,7%) besloot de Raad tot de niet-ontvankelijkheid ervan. Dit gebeurde omdat het beroep zonder voorwerp was (3 dossiers) of omdat het verzoekschrift niet ondertekend was (1 dossier).

33

R.Stvb. 17 augustus 2018, nr. 4.367.

35 Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen – Jaarverslag 2018


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verslagboek_Raad_betwistingen_werkjaar_2018.pdf by Vlaanderen-be - Issuu