Groen en dynamisch stedengewest
Groen en dynamisch stedengewest
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 Context en uitdagingen 1.2 Status en doelafstand 1.3 Uitdagingen voor de komende legislatuur 1.4 Bronnen
158
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
166
2.1 Algemene ambitie, visie 2.2 Strategische doelstellingen SD1. De (milieu)kwaliteit van de leefomgeving verhogen
158 160 163 165
166 167 167
SD2. Naar een klimaatvriendelijke samenleving evolueren met een nieuw energiesysteem
168
SD3. Natuurlijke hulpbronnen en integriteit van ecosystemen beschermen
168
SD4. Vlaanderen op weg zetten naar een kringloopeconomie
169
SD5. Maatschappelijke zorg voor milieu en milieuvriendelijke consumptie stimuleren
169
SD6. De ecologische integratie en beleidssamenhang verbeteren
169
SD7. Groene investeringen waarborgen en de milieukosten internaliseren
170
SD8. De steden van morgen creëren
171
SD9. Nu inzetten op wonen en (ver)bouwen voor de toekomst
171
2.3 Strategische beleidsvoorstellen Beleidsvoorstel 1: Vergroenen van onze economie Beleidsvoorstel 2: Acties initiëren om van Vlaanderen een leefbare groene metropool te maken
172 172 173
Inhoudstafel
Beleidsvoorstel 3: Vergroenen van de mobiliteit Beleidsvoorstel 4: Een klimaatvriendelijk Vlaanderen creëren: nu en in 2050 Beleidsvoorstel 5: Milieuvriendelijke consumptie promoten Beleidsvoorstel 6: Verder inzetten op de transitie duurzaam materialenbeheer Beleidsvoorstel 7: Een actief en duurzaam bodembeleid voeren Beleidsvoorstel 8: Europese natuurdoelen gericht realiseren Beleidsvoorstel 9: Beter wonen en (ver)bouwen Beleidsvoorstel 10: Initiëren van een Vlaamse energietransitie Beleidsvoorstel 11: Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en -kwantiteit Beleidsvoorstel 12: Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Beleidsvoorstel 13: Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
174 176 177 178 179 181 182 184 185 186 187
189
Groen en dynamisch stedengewest
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1 Context en uitdagingen
Inleiding De ambitie om Vlaanderen bij te sturen tot een groen en dynamisch stedengewest, omhelst tal van beleidsaspecten, zoals de vergroening van de economie; het duurzame gebruik van materialen, natuurlijke hulpbronnen, energie en ruimte; de verbetering van de leef- en woonkwaliteit; het behoud en de verbetering van milieu en natuur. Alleen al binnen Vlaanderen en België komen voor de uitvoering van dit beleid veel partners, beleidsdomeinen en bevoegdheidsniveaus (lokaal, gewestelijk, federaal) in het vizier. Tal van beleidsstrategieën vertonen raakvlakken met de beleidslijnen die in dit kader naar voren worden geschoven: Pact 2020, sectorale beleidsplannen met betrekking tot milieu, natuur, energie, ruimte, wonen en mobiliteit, Vlaamse en federale plannen duurzame ontwikkeling, Vlaamse en nationale strategieën rond behoud van biodiversiteit enzovoort. Er zijn ook belangrijke internationale of Europese aanknopingspunten. Op het multilaterale niveau is er het implementatieplan van Johannesburg, en meer in het bijzonder de uitkomst van de Rio+20 ‘the future we want’, maar ook de implementatie van de klimaatakkoorden en het biodiversiteitsverdrag met focus op de financiering van het mondiale klimaat- en biodiversiteitsbeleid. Voor het Europese beleidskader wordt verwezen naar de EU2020-strategie, de 20-20-20-doelstellingen en de Roadmap 2050 met betrekking tot klimaat en energie, de Roadmap Resource Efficiency en de Biodiversiteitsstrategie. Het zevende EUMilieuactieprogramma vormt ook een belangrijk kader.
Specifieke factoren De gemiddelde bevolkingsdichtheid van Vlaanderen (466 inwoners per km2 in 2011) bedraagt viermaal die van de Europese Unie. Tussen 2000 en 2011 groeide de Vlaamse bevolking met circa 6%. Het aantal huishoudens vertoonde in dezelfde periode een nog sterkere groei, onder andere door verdere gezinsverdunning. Bevolkingstoename, gezinsverdunning en individualisering zijn factoren die de consumptie mee aanzwengelen. Daartegenover staat dat het milieubesef langzaam toeneemt. Het aandeel Vlamingen dat feitelijk milieuvriendelijk (consumptie)gedrag vertoont, is tussen 2005 en 2010 toegenomen. Dat geldt ook voor het aandeel burgers dat bereid is financiële inspanningen te leveren voor het milieu. Toch blijft de ecologische voetafdruk van een gemiddelde Vlaamse consument (9 gha/persoon) zeer hoog. De consumptiedomeinen met de grootste voetafdruk zijn wonen, transport en voeding. Wat huisvesting betreft, woont het merendeel van de Vlaamse bevolking anno 2009 in een eengezinswoning, waarvan 85% in open en halfopen bebouwingen. In 2013 heeft 20% van de woningen geen dak- of zoldervloerisolatie, 55% heeft geen muurisolatie en 13% van de woningen beschikt alleen over enkel glas. Hoewel het aantal woongelegenheden de evolutie van het aantal huishoudens volgt, bestaat er een toenemende discrepantie tussen het woningaanbod en de woonbehoefte: veel vraag naar kwalitatieve gezinswoningen in steden versus een groot aanbod van vaak onderbenutte woningen buiten de stad.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In Vlaanderen is er een toenemende vraag naar mobiliteit. Sinds 2000 is het aantal personenkilometers (weg- en spoorverkeer) sneller gestegen dan de bevolking. In 2010 nam de wagen circa 80% van de personenkilometers voor zijn rekening. De laatste tien jaar steeg ook het aantal tonkilometers (wegverkeer, spoor en binnenvaart) sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Anno 2010 gebeurt het overgrote gedeelte (81%) van het goederenvervoer over de weg (vrachtwagen), 10% via binnenvaart en 9% via het spoor. Ondanks de verbeterde energie-efficiëntie in de periode 2000-2011 heeft Vlaanderen na Finland de hoogste energie-intensiteit van de West-Europese lidstaten (EU-15). Dat is onder meer inherent aan de aanwezigheid van een Vlaamse energie-intensieve industrie, zoals de chemie-, de ijzer- en staalsector en de voedingssector. Met betrekking tot energievoorziening blijft Vlaanderen sterk afhankelijk van het buitenland; in 2011 werd 92,8% van de primaire energiebronnen ingevoerd. Het gros van de eigen, primaire energieproductie bestaat onder andere uit biomassa en afvalverbranding. Elektriciteit uit wind, water en zon was goed voor minder dan 1% van het primaire energiegebruik. Het gebruik van grondstoffen en materialen (directe materialeninput van de economie) bedroeg in 2008 circa 37 ton per inwoner (EU-gemiddelde van 15 ton per inwoner). De materiaalintensiteit van de Vlaamse economie vertoont nog geen systematische verbetering. Het totale waterverbruik (exclusief koelwater) vertoonde het voorbije decennium geen duidelijk patroon en bedroeg ongeveer 725 miljoen m2 in 2010. Het leidingwaterverbruik door huishoudens nam in die periode af van 238 naar 226 miljoen m2 (of van 110 tot 99 liter per persoon per dag). In vergelijking met andere West-Europese landen heeft Vlaanderen echter een zeer lage waterbeschikbaarheid, die zich situeert tussen 1100 en 1700 m2 per inwoner en per jaar. Vergeleken met andere regio’s in Europa heeft Vlaanderen een hoge bebouwingsgraad. Die is in 2011 toegenomen tot 27% van de oppervlakte. Het is vooral de woonfunctie die steeds meer oppervlakte inneemt: sinds begin 2000 is die toegenomen met 14%. De Vlaamse bodem is voor 12,9% afgedicht, en scoort daarmee hoger dan België dat met 7,4% tot de landen met de hoogste bodemafdichting binnen Europa behoort. De verstedelijking gaat voornamelijk ten koste van het landbouwareaal, dat tussen 2000 en 2011 met 4,1% is afgenomen. De landbouwsector heeft 45% (in 2011) van de Vlaamse grondoppervlakte in gebruik, en blijft daarmee de grootste ruimtegebruiker. Met respectieve aandelen van 42% en 51% is de landbouw de belangrijkste bron van verzurende en vermestende emissie. In 2012 bedroegen de beleidsbudgetten voor milieu en energie 1,3 miljard euro, een aandeel van 4,7% in de totale Vlaamse begroting. 59% van die middelen wordt aangewend voor openbare waterzuivering. Het Vlaamse beleidsbudget voor wonen bedroeg 617 miljoen euro, of 2% van de totale Vlaamse begroting. Daarvan wordt bijna de helft aangewend voor sociale huur, 43% voor de ondersteuning van de eigendomsmarkt en amper 7% voor de private huursector. Het aandeel milieugerelateerde belastingen ten opzichte van het bbp is gedaald van 2,4% in 1995 naar 2,0% in 2011. In vergelijking met de EU27 heeft Vlaanderen hoge arbeidsbelastingen en lage milieugerelateerde belastingen.
Groen en dynamisch stedengewest
Ontwikkelingen Vlaanderen is sterk afhankelijk van wat in het buitenland gebeurt en wordt beïnvloed door mondiale trends. Relevante ‘megatrends’ met impact op milieu, natuur, energie en wonen in Vlaanderen zijn (zie algemene omgevingsanalyse):
•• •• •• •• •• ••
veranderende demografische balansen; versnelling in technologische ontwikkelingen (inclusief digitalisering); toenemende schaarste van natuurlijke hulpbronnen en wereldwijde competitie voor grond- en hulpstoffen (inclusief competitie voor grondoppervlakte en bodem); toenemende multipolariteit van en in de maatschappij en gewijzigde mondiale governance (globalisering én regionalisering); mondiale klimaat- en biodiversiteitsverandering met regiospecifieke impact; toenemende fragiliteit van natuurlijke (biotische, abiotische) en maatschappelijke systemen – toenemend belang van ecosysteemdiensten.
1.2 Status en doelafstand
Dit onderdeel wordt uitgewerkt op basis van indicatoren die gekoppeld zijn aan een deel van de beleidsdoelstellingen uit het Pact 2020, het regeerakkoord en ViA, beleidsnota’s, het MINA-plan … die verband houden met aspecten van een groen en dynamisch stedengewest.
Eco-efficiëntie en materiaalrecuperatie De eco-efficiëntie van de Vlaamse economie verbetert gestaag, zoals vooropgesteld in het Pact 2020. Beschouwd over de periode 2000-2011 zijn de emissies van verontreinigende stoffen, met uitzondering van de PAK-uitstoot, absoluut losgekoppeld van de economische groei. In de periode 2004-2010 is er ook een ontkoppeling tussen de hoeveelheid primair geproduceerde afvalstoffen en het bbp. De afvalstromen die afkomstig zijn van huishoudens en van bedrijven, nemen de laatste jaren zelfs licht af, in lijn met de vooropgestelde MINA 4-doelstelling. Naast efficiëntieverbetering wordt een beperking van het gebruik van primaire grondstoffen en materialen nagestreefd, onder andere via recyclage en de inzet van milieuverantwoorde alternatieven. In 2010 kreeg 68% van het primaire bedrijfsafval een nieuw leven na twee verwerkingsstappen; in 2011 ging 71% van het huishoudelijk afval naar een of andere vorm van materiaalrecuperatie. De hoeveelheid huishoudelijk restafval is mede daardoor geleidelijk afgenomen tot 150 kg per inwoner in 2011, waardoor het doel (maximaal 150 kg per inwoner) op Vlaams niveau wordt behaald en Vlaanderen koploper is in Europa.
Energie-intensiteit en hernieuwbare energie Het bruto binnenlands energiegebruik vertoont sinds 2005, met uitzondering van het jaar 2010, een dalende tendens en bedroeg in 2012 1566 PJ (- 6% ten opzichte van 2005). Vlaanderen ligt voorlopig op koers om tegen eind 2016 de energiebesparingsdoelstelling van 9% (ten opzichte van 2001-2005) te realiseren. Beschouwd over de periode 2005-2012 werd de Vlaamse economie iets minder energie-intensief. Toch scoort ze op dat vlak beduidend minder goed dan het Europese gemiddelde.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Met aandelen van 10,1% groene stroom, 4,5% groene warmte en koeling en 4,5% hernieuwbare energie in transport heeft Vlaanderen in 2012 een aandeel van 5,5% hernieuwbare energie in het totale brutoenergiegebruik (doelstelling voor België: 13% tegen 2020).
Energiemarkt Ondanks de gunstige evolutie sinds 2007 is de Vlaamse energiemarkt nog te sterk geconcentreerd (HHindex > 2500) om te kunnen spreken van een voldoende competitieve sector. In 2012 stond 56% van de elektriciteitsleveringen op naam van de GDF-Suezgroep. In 2004, het eerste jaar van de vrijmaking van de markt, bedroeg dat aandeel 76%.
Uitstoot van broeikasgassen In 2011 was 83% van de broeikasgasuitstoot een direct gevolg van energiegebruik. CO2 is dan ook veruit het belangrijkste broeikasgas in Vlaanderen. In de periode 1990-2011 is het aandeel van de emissie van broeikasgassen door gebouwen en transport duidelijk toegenomen. Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) voor de industrie heeft de Vlaamse Kyoto-doelstelling (- 5,2% gemiddeld in 2008-2012 ten opzichte van 1990) de facto herleid tot een doelstelling voor de niet-ETS-sectoren. Het niet-ETS-plafond bedraagt voor de Kyotoperiode 45,6 Mton CO2-eq per jaar. De niet-ETS-uitstoot lag in 2008, 2009, 2010 en 2011 altijd boven dat plafond. In 2011 was ze het laagste, met 47,3 Mton CO2-eq. De niet-ETS-uitstoot in 2012 werd geraamd op 49,7 Mton. De niet-ETS-reductiekloof voor de volledige Kyotoperiode wordt voorlopig geschat op 17 Mton en zal ingevuld worden via het gebruik van flexibele mechanismen.
Energieprestatie van gebouwenpark en kwaliteitsvol wonen Het energiegebruik van het gebouwenpark (residentiële en tertiaire sector samen) vertoonde een afname van 8% tussen 2003 en 2012, wat vergelijkbare jaren zijn op het vlak van de temperatuur. Die afname is vooral toe te schrijven aan de inspanningen binnen de residentiële sector: het energiegebruik daalde met 12% in 2003-2012, terwijl de tertiaire sector in deze periode een lichte toename van 3% laat optekenen. Het Pact 2020 stelt dat het energiegebruik van het gebouwenpark aanzienlijk moet afnemen tegen 2020. Het gemiddelde energieprestatiepeil van nieuwbouwwoningen is de laatste jaren sterk verbeterd: van een gemiddelde van E86 in 2006 naar E64 in 2010. Het aandeel zeer energiezuinige nieuwbouwwoningen (E-peil <= 40) is toegenomen tot 10% in 2010 (MINA 4-doel: 21% in 2015). Energiezuinigheid is maar een van de aspecten van kwaliteitsvol wonen. In 2011 leefde bijna een kwart van de Vlaamse bevolking in een huis met structurele gebreken of een gebrek aan elementair comfort. De Pact 2020-doelstelling van maximaal 11,5% in 2020 ligt nog ver weg. Het aanbod aan sociale huurwoningen neemt gestaag toe, van circa 136.000 eind 2003 tot ruim 153.000 eind 2012. Tegen 2020 zouden er 43.000 sociale huurwoningen bij moeten komen, wat neerkomt op een streefdoel van bijna 191.000 (Pact 2020).
Gezondheidsimpact ten gevolge van luchtverontreiniging en milieuhinder Een gemiddelde Vlaming verliest iets meer dan één gezond levensjaar (of DALY) bij levenslange blootstelling aan de huidige niveaus van milieuverstoring. Het verloop van de gezondheidseffecten vertoont over de laatste jaren weinig verandering waardoor het doel, een significante daling van de DALY’s tegen 2020, nog niet in bereik is. Fijn stof is veruit de belangrijkste veroorzaker van DALY’s (73%), gevolgd door geluidshinder (7%).
Groen en dynamisch stedengewest
Toch is de luchtkwaliteit in het voorbije decennium geleidelijk verbeterd. Ondanks de gunstige trend sinds 1997, werd in de periode 2008-2012 tussen 1% en 23% van de Vlamingen blootgesteld aan overschrijdingen van de Europese dagnorm voor fijn stof-PM10. Ook de jaargrenswaarde van NO2 wordt nog overschreden, vooral in dichtbevolkte en verkeersintensieve regio’s. De MINA 4-doelen (0% Vlamingen blootgesteld aan overschrijdingen van PM10 en NO2 in 2015) worden dus nog niet gehaald. Globaal gezien verminderde Vlaanderen zijn luchtverontreinigende emissies aanzienlijk in de periode 2000-2011. De MINA 4-doelstellingen werden in 2011 al gehaald voor SO2 en NH3, alsook voor NOx, VOS en PM2,5 uit stationaire bronnen. Om de doelstellingen voor NOx, VOS en PM2,5 door transport te bereiken, zijn nog bijkomende reducties nodig. Er komen nog altijd overschrijdingen voor van de jaargemiddelde concentraties van zware metalen (As, Cd, Pb, Ni) in de fijnstoffractie van de lucht (MINA 4-doel: geen overschrijdingen in 2015). De resultaten van het Schriftelijk Leefomgevingsonderzoek (SLO) van 2008 tonen aan dat 27% van de Vlamingen gehinderd is door geluid. Verkeer blijft daarbij de belangrijkste bron van hinder: circa 13% van de Vlamingen is ernstig tot extreem gehinderd door verkeerslawaai. Naast geluidsoverlast heeft de transportsector een belangrijk aandeel in de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen als ozonprecursoren, fijn stof, broeikasgassen, PAK’s en zware metalen. Daar staat tegenover dat de eco-efficiëntie van zowel het personen- als goederenvervoer aanzienlijk is verbeterd, dankzij een verhoogde inzet van energiezuinige voertuigen en strengere Europese emissienormen. De gemiddelde ecoscore van het Vlaamse wagenpark (personenwagens) nam toe van 50,2 in 2008 tot 54,9 in 2012 (MINA 4-doel: 61 in 2015).
Toestand van water en bodem De kwaliteit van het oppervlaktewater verbeterde geleidelijk in het voorbije decennium. Ook de biologische kwaliteit vertoonde een positieve evolutie. We staan evenwel nog ver verwijderd van de doelstelling die de kaderrichtlijn Water voorschrijft en van de engagementen van het Pact 2020, namelijk dat de meeste waterlichamen zich in een goede toestand bevinden tegen 2021. In de periode 2005-2007 bevond geen enkele van de 202 Vlaamse oppervlaktewaterlichamen zich in een goede toestand en haalde nog geen 20% een matige ecologische toestand. In landbouwgebied overschreed 28% (winter 2011-2012) van de meetplaatsen de norm van 50 mg nitraat per liter (Nitraatrichtlijn). Om de MINA 4-doelstelling te halen van maximaal 16% overschrijdingen in 2014, en maximaal 5% in 2018, moet de situatie nog aanzienlijk verbeteren. Ook kwantitatief zijn onze watersystemen nog altijd niet in balans, wateroverlast en verdroging zijn sprekende bewijzen daarvan. De kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen vertoont nog geen systematische verbetering: bijna 37% van de geanalyseerde grondwaterstanden vertoont over de periode 2000-2011 geen statistisch significante trend, bijna 44% vertoont een daling en bijna 20% is gestegen. Vlaanderen heeft naar schatting 10.750 gronden met historische bodemverontreiniging. Eind 2012 is op ruim een derde van die gronden (MINA 4-doel: 40% in 2015) de sanering minstens opgestart, voor zo’n 20% van die gronden is de sanering volledig afgerond. Inspanningen blijven nodig om alle gronden met historische verontreiniging tegen 2036 aan te pakken. Inzake erosiebestrijding zijn in 2012 ca. 12% van de belangrijkste bodemerosieproblemen opgelost (MINA 4-doel: 14% in 2014).
Biodiversiteit en groenbeleving Slechts een derde van de dier- en plantensoorten van Europees belang die in Vlaanderen voorkomen, bevindt zich in een gunstige staat van instandhouding; voor 37% van de soorten is de staat zeer ongunstig. De toestand is relatief gezien het slechtst voor aquatische soorten. Drie kwart van de habitats van Europees
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
belang in Vlaanderen bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Alle watergebonden habitats krijgen een zeer ongunstige beoordeling. De oppervlakte van de gebieden in effectief natuurbeheer bedroeg 67.451 ha in 2012 of 96% van het vooropgestelde MINA 4-doel (70.000 ha in 2015). Sinds 1991 werd 17.600 ha extra planologisch natuur- en bosgebied gerealiseerd. Dat is maar 37% van de vooropgestelde oppervlakte (bijkomend 38.000 ha natuur en 10.000 ha bos volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen). In 2013 bezit 4,7% van de oppervlakte bossen en natuurreservaten een uitgebreide toegankelijkheidsregeling. Naast die regeling geldt er voor voetgangers een principiële toegankelijkheid op de wegen in de bossen en natuurreservaten. Tegen 2015 zou het oppervlakteaandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten 60% moeten bedragen. In onze centrumsteden bedraagt het aandeel inwoners dat op minder dan 400 meter wandelafstand van openbaar groen woont tussen 46% (Mechelen) en 84% (Oostende en Antwerpen); het MINA-plan 4 stelt een toename in 2015 ten opzichte van de toestand in 2008 voorop.
1.3 Uitdagingen voor de komende legislatuur
Uitbouw van groene (kringloop)economie De Vlaamse economie heeft duidelijk vorderingen gemaakt op het vlak van eco-efficiëntie. Ondanks de blijvend hoge vraag naar primaire grondstoffen en materialen zijn we erin geslaagd de afvalproductie onder controle te houden. Ook inzake materiaalrecuperatie kan Vlaanderen goede cijfers voorleggen. De verwachte groei van de Vlaamse bevolking en van onze (energie-intensieve) economie – en de daaruit resulterende toename van de consumptie – kunnen de gerealiseerde (efficiëntie)winsten echter snel ongedaan maken. Bovendien vormt de hoge afhankelijkheid van primaire grondstoffen, beschikbaar op de wereldmarkt tegen schommelende prijzen, een bedreiging voor de competitiviteit.
Evolueren naar een koolstofarme samenleving De gerealiseerde beperking van de energievraag (en verbetering van de energie-efficiëntie) heeft een positieve weerslag gehad op het terugdringen van broeikasgasuitstoot, alsook op de toename van het aandeel hernieuwbare energie. Toch blijft de afstand ten aanzien van Europese klimaat- en energiedoelstellingen voor 2020 groot. Bovendien vereist een transitie naar een koolstofarme samenleving tegen 2050 een veel sterkere CO2-emissiereductie dan de reductie die we de voorbije twintig jaar hebben gerealiseerd. Daarnaast moeten we nu al rekening houden met de impact van de klimaatverandering op milieu en natuur, alsook met de risico’s (bijvoorbeeld overstromingen en waterschaarste, hitte) en bijhorende kosten die de klimaatverandering met zich meebrengt.
Verduurzamen van wonen en bouwen De verwachte snelle bevolkingstoename, wijzigingen in de samenstelling van de bevolking, suburbanisatie en mobiliteitsproblematiek en klimaatverandering leggen bijkomende randvoorwaarden op voor de wijze waarop we bouwen en wonen. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat elke Vlaming kan beschikken over een betaalbare en kwaliteitsvolle woning. Op dat vlak liggen de grootste knelpunten op de private huurmarkt en in de sociale huursector.
Groen en dynamisch stedengewest
Leefkwaliteit verbeteren Te veel Vlamingen ondervinden negatieve gevolgen van milieuverontreiniging (onder andere fijn stof, NO2 en zware metalen) en geluidshinder op hun gezondheid. Het behalen van de Europese luchtkwaliteitsdoelstellingen inzake fijn stof en NO2 blijft problematisch op veel locaties in Vlaanderen. Naast de bekende knelpunten leggen de verdere verstedelijking en de verwachte toename van het wegtransport, een belangrijke bron van luchtverontreiniging en milieuhinder, in de nabije toekomst een bijkomende druk op onze directe leefomgeving. Bovendien zal bij een toenemende verdichting van het stedelijke weefsel het huidige aanbod van toegankelijke groengebieden (natuur, bossen en parken) niet volstaan om de leefbaarheid van onze woongebieden op peil te houden.
Biodiversiteit in stand houden en verbeteren Vlaanderen ontsnapt niet aan de mondiale trend inzake verlies van biodiversiteit. Te veel Europees beschermde soorten en habitats bevinden zich in een ongunstige staat van instandhouding, een rechtstreeks gevolg van de afname van de oppervlakte geschikte habitat en van de dalende habitatkwaliteit. Een trendbreuk is nodig als we, conform de Europese biodiversiteitsstrategie, de achteruitgang in status van soorten en habitats willen stopzetten tegen 2020 en als we voor een derde van onze habitats en soorten een goede of verbeterde staat van instandhouding willen bereiken. Daarbij komt dat toenemende verstedelijking en klimaatverandering ook in de nabije toekomst een bijkomende druk zullen uitoefenen op ecosystemen en de diensten die ze leveren voor de maatschappij.
Milieudruk verder verminderen Vlaanderen is erin geslaagd om voor tal van milieuverontreinigende stoffen de emissies in bodem, water en lucht te reduceren. In het kader van – vaak Europese of internationale – afspraken over emissiereductie, zullen er de komende jaren blijvend inspanningen worden geleverd. Het verlagen van emissies aan de bron vermijdt immers dure remediëring achteraf. Verdere stappen moeten worden gezet ter bescherming van de menselijke gezondheid en van kwetsbare ecosystemen. Een verlaging van de emissies van het verkeer, de industrie, de energieproductie, de landbouw en de bevolking dringt zich daarbij op. Innovatie en toepassing van de beste beschikbare technieken op Europees en Vlaams niveau zullen daarbij een rol spelen.
Gericht remediëren ten behoeve van water- en bodemkwaliteit Er blijft een lange weg te gaan om de watersystemen (oppervlaktewater en grondwater) in goede toestand te brengen, conform de kwaliteitseisen van de Europese kaderrichtlijn Water. De sanering van verontreinigde gronden en het wegwerken van erosieknelpunten vorderen gestaag, maar de problemen zijn nog lang niet allemaal opgelost. De maatschappelijke kosten van remediëring zijn hoog. Saneren vergt een slimme aanpak, gericht op de gebieden of projecten met de meeste milieubaten of met de hoogste maatschappelijke relevantie.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.4 Bronnen
Doelstellingen en indicatoren MINA-plan 4: http://www.milieubeleidsplan.be Milieurapport Vlaanderen (MIRA): http://www.milieurapport.be Natuurindicatoren (NARA): http://www.natuurindicatoren.be Pact 2020. Kernindicatoren Meting 2012: http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/ detail/indicatorenmeting-pact-2020 Vlaams Energieagentschap: http://www.energiesparen.be/ Vlaamse regionale indicatoren (VRIND): http://www.vlaanderen.be/svr Wonen-Vlaanderen: https://www.wonenvlaanderen.be/ondersteuning_voor _ p ro f e s s i o n e l e n / o n d e r z o e k _ wo n e n _ e n _ l a n g e _ termijnbeleid
Groen en dynamisch stedengewest
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
2.1 Algemene ambitie, visie
Het toekomstpact voor Vlaanderen gaat ervan uit dat Vlaanderen tegen 2020 ook op ecologisch vlak tot de allerbeste Europese regio’s zal behoren. Een aantal pistes daarvoor worden in grote lijnen in het Pact 2020 geschetst. Het volledige pallet aan uitdagingen voor het thema ‘Groen en dynamisch stedengewest’ is echter omvattender. Het wordt bepaald door internationale verdragen, een uitgebreide Europese en Vlaamse regelgeving en een reeks eerder uitgewerkte doelstellingen en actieplannen. Deze bijdrage focust op dertien strategische beleidsvoorstellen voor de komende regeerperiode, die ingebed worden in een compacte globale visie. We formuleren daarbij negen strategische doelstellingen, die ook op lange termijn richtinggevend zijn. In een termijn van één generatie zouden ze gehaald moeten worden. Meer achtergrond hierbij en bij het lopende beleid is terug te vinden in het Vlaams Milieubeleidsplan (20112015) en in andere plannen over energie, klimaat, water, afval en materialen, wonen … In de totstandkoming en uitvoering van deze bijdrage wordt via afzonderlijke beleidsvoorstellen expliciet gestreefd naar samenwerking en afstemming met voor leefmilieu belangrijke beleidsdomeinen zoals mobiliteit en ruimte. Daarnaast gaat aandacht naar andere integrerende thema’s zoals groene economie en milieuvriendelijke consumptie en worden de bestaande transversale projecten uit VIA versterkt. Het gaat daarbij om de horizontale wisselwerking tussen Duurzaam Wonen en Bouwen, Duurzaam materialenbeleid en Energie. Centraal in deze werking staat het streven naar systeemveranderingen door een intensieve samenwerking tussen overheid, bedrijven, de onderzoekswereld en het maatschappelijk middenveld. Samengevat komt het erop neer dat we van Vlaanderen een groen en dynamisch stedengewest willen maken door op een klimaatvriendelijke wijze de milieu- en woonkwaliteit van de leefomgeving te verhogen, de biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen te bewaren en de risico’s te beheersen. Om dat te bereiken, wordt geïnvesteerd in groene infrastructuur en wordt gemikt op een koolstofarme kringloopeconomie met oog voor hernieuwbare bronnen, meer milieuvriendelijke producten en diensten en op meer maatschappelijke zorg voor het leefmilieu. Een dergelijk ambitieus milieubeleid, op maat van brede maatschappelijke uitdagingen, creëert ook kansen voor een groene, innoverende Vlaamse economie. Die uitdagingen zullen eenvoudiger bereikt kunnen worden als er meer geïntegreerd gewerkt wordt, de milieukosten geïnternaliseerd zijn en het aandeel groene investeringen wordt opgetrokken. Het blijft daarbij duidelijk dat een brongericht beleid de voorkeur verdient. Uit de omgevingsanalyse leren we dat onze ecologische voetafdruk ondanks alle inspanningen groot blijft. Om die trend om te buigen en de toekomstige generaties te vrijwaren moeten we onze manier van wonen, verplaatsen en consumeren grondig aanpassen. Zowel sensibilisering als concrete langetermijnoplossingen zijn noodzakelijk. Traditioneel wordt er binnen het milieu- en energiebeleid vaak gewerkt met juridische instrumenten. Er blijft een belangrijke rol weggelegd voor juridische instrumenten en de komende periode wordt gestaag verder gebouwd aan een betere regelgeving, uitvoering en handhaving. Transparantie en overleg met belanghebbenden zijn daarbij essentieel. Daarnaast is er een groot speelveld aan economische instrumenten, dat beter zou moeten worden benut. Een correcte prijsstelling van producten en diensten moet onder meer gebeuren op basis van de impact op milieu en natuur en de schaarste van energie, grondstoffen,
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
materialen en hulpbronnen en volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Bestaande, aangepaste en nieuwe mechanismen moeten ervoor zorgen dat de milieukosten geïnternaliseerd worden en dat de milieubaten beloond kunnen worden. Beide soorten instrumenten moeten gepaard gaan met de nodige sensibilisatie. Op internationaal niveau streeft Vlaanderen een ambitieus milieu- en energiebeleid na met bijzondere aandacht voor de draagkracht van het wereldmilieu en respect voor internationale afspraken. Vlaanderen moet daarbij zelf op alle fronten de vergelijking kunnen doorstaan met andere Europese regio’s en tegelijk ook de milieu-impact op andere landen beperken. Vlaanderen beperkt daarvoor de export van milieuverontreiniging naar andere landen. Daarnaast wordt ook de milieu-impact (winning, productie, transport) van ingevoerde producten beperkt, alsook die van het gebruik van uitgevoerde producten. Op Europees en internationaal niveau is het de ambitie om proactief in te spelen op de agenda en onder meer voor bodem- en materialenbeleid tot de top te behoren. Een aantal kernbegrippen of -indicatoren maakt dat meer tastbaar. Er is de ambitie om het aantal ‘verloren gezonde levensjaren’ te verminderen en er wordt gewerkt aan de levenskwaliteit met oog voor lokale milieuproblemen of -risico’s en met oog voor kwetsbare groepen. Een geleidelijke vermindering van de ecologische voetafdruk wordt nagestreefd net als een zo laag mogelijk grondstof-, energie-, materiaal- en verhard ruimtegebruik. Eco-efficiëntie en een absolute ontkoppeling van milieudruk en economie zijn daarvoor het middel bij uitstek. De waarde van de ecosysteemdiensten wordt weerspiegeld in het beleid. Daarbij zijn ook belangrijke kwantitatieve Europese doelstellingen met betrekking tot lucht, water, klimaat, energie en biodiversiteit vertaald naar Vlaanderen.
2.2 Strategische doelstellingen
SD1. De (milieu)kwaliteit van de leefomgeving verhogen De kwaliteit van de leefomgeving in Vlaanderen zal zodanig gunstig evolueren dat de risico’s voor de natuur, het klimaat en de menselijke gezondheid tot een minimum zijn beperkt. Daarbij is rekening gehouden met de meest kwetsbare groepen in de samenleving en wordt ingezet op een gebiedsgerichte benadering én een algemene daling van de emissies en concentraties van polluenten. Alle Vlamingen kunnen daarbij beschikken over een basisnatuurkwaliteit in hun directe omgeving. Een Vlaanderen waar het goed is om te wonen, te leven en te werken vraagt een hoge leef- en omgevingskwaliteit. Zuivere lucht, proper water, niet-vervuilde bodems en een kwaliteitsvolle natuur bevorderen in grote mate het welzijn (voorstel mobiliteit, bodem, natuurdoelen, water, wonen en (ver)bouwen ). Dat geldt ook voor mooie landschappen, groene ruimten in de directe omgeving (voorstel groene metropool ), stilte en rust of de afwezigheid van geluid- en geurhinder. Het gaat daarbij om objectieve vaststellingen, maar ook om de meer subjectieve waarde die mensen of groepen aan hun omgeving hechten voor gebruik en beleving, met het oog op de toekomst. De risico’s die voortvloeien uit onze manier van leven, zijn beperkt tot een maatschappelijk en ecologisch aanvaardbaar niveau en de gevolgen zijn zo veel mogelijk te voorzien en te beheersen. In dat opzicht wordt verder beleid ontwikkeld voor Seveso-bedrijven en transport voor gevaarlijke stoffen, elektromagnetische golven, bestrijdingsmiddelen en andere milieugevaarlijke stoffen, onvoorziene emissies, uitheemse soorten, het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen en extreme weersomstandigheden (voorstel overstromingsrisico’s ).
Groen en dynamisch stedengewest
SD2. Naar een klimaatvriendelijke samenleving evolueren met een nieuw energiesysteem De toekomstige klimaatuitdagingen worden het vertrekpunt van het (klimaat)beleid dat vandaag wordt vormgegeven. Voor de overgang van Vlaanderen naar een koolstofarme economie tegen 2050 wordt naar analogie van de routekaarten die op Europees niveau worden opgesteld, ook op Vlaams niveau werk gemaakt van een routekaart 2050 (voorstel klimaat ). Daarin wordt in een traject voorzien om in alle sectoren de broeikasgasuitstoot aanzienlijk terug te dringen. Dat impliceert een lager primair energiegebruik, een drastische bevordering van energie-efficiëntie en een sterke verhoging van het milieuverantwoorde gebruik van hernieuwbare energiebronnen. In dat kader worden in overleg met deskundigen, betrokkenen en het maatschappelijk middenveld een netwerk en een traject opgezet voor de ontwikkeling van een overkoepelende energie-systeemvisie voor Vlaanderen (voorstel energie ). Vraag- en aanbodsturing kan gebeuren door slimme netwerken en de opslag van energie. Er bestaat een ruimtelijk energieplan dat de gewenste mix van hernieuwbare energie-installaties een plaats geeft in het druk bebouwde Vlaanderen. Gezinnen en bedrijven zijn niet langer alleen consument van energie, maar worden ook steeds meer zelf producent. Voor transport maakt men gebruik van vervoerswijzen en voertuigen met een laag energieverbruik en met minder koolstofintensieve brandstoffen, en van hernieuwbare energiebronnen (voorstel mobiliteit ). Het energiegebruik van woningen en gebouwen daalt aanzienlijk (voorstel wonen en (ver)bouwen ). Ook het beleid op tal van andere vlakken buiten het klassieke klimaat- en energiebeleid, zoals het innovatiebeleid, het economisch beleid, het arbeidsmarktbeleid, het milieubeleid en het ruimtelijk beleid, is in die zin bijgestuurd.
SD3. Natuurlijke hulpbronnen en integriteit van ecosystemen beschermen Voedsel, water, energie en grondstoffen zijn levensnoodzakelijk. Ze maken deel uit van de diensten die door ecosystemen worden geleverd. De zorg voor die ecosysteemdiensten, die ook voor koolstofopslag en voor de nodige veerkracht zorgen in het kader van de klimaatadaptatie, worden verankerd in het beleid. In Vlaanderen gaat specifieke aandacht naar water, bodem en de bijbehorende nutriëntencyclus (voorstel water en bodem ). Net als voor andere natuurlijke rijkdommen moet de onttrekking in evenwicht zijn met de aanrijking. Op mondiale schaal wordt die kwestie steeds prominenter voor niet-hernieuwbare ‘delfstoffen’, waaronder mineralen, metalen, steenkool, olie en gas. Het vergt een fundamentele herdenking van het systeem van consumptie en productie om daarmee om te gaan (voorstel consumptie, materialen ). In de Vlaamse context kan grond worden beschouwd als een steeds schaarsere hulpbron. We verzekeren ook in de toekomst een toegang en een optimale invulling van gronden (voorstel grond ). Met betrekking tot biodiversiteit scoren we in 2020 in Vlaanderen even goed als andere economische topregio’s. Hiervoor werken we ambitieus aan het behoud, het herstel en de versterking van de biologische diversiteit en van de ecosysteemdiensten. Er wordt naar gestreefd om de biodiversiteit zowel in de stad als op het platteland te bevorderen en de toestand van kritieke soorten en soortengroepen te verbeteren. De kwaliteit en diversiteit van habitats is verbeterd en de grootte en samenhang is toegenomen ten behoeve van alle inheemse soorten. Invasieve uitheemse soorten worden gecontroleerd en beheerst. Er is behoefte aan een samenhangend en robuust Vlaams Ecologisch Netwerk met een maximale afstemming op het Europese natuurnetwerk (voorstel natuurdoelen ).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
SD4. Vlaanderen op weg zetten naar een kringloopeconomie Tegen 2020 zijn belangrijke stappen gezet naar een kringloopeconomie met een zo laag mogelijk grondstof-, energie-, materiaal- en ruimtegebruik en een zo beperkt mogelijke impact op milieu en natuur. Hiervoor is onder meer een transitie nodig naar een milieuverantwoord energiesysteem en materialenbeheer (voorstel materialen ), naar milieuverantwoorde huisvesting, voeding en mobiliteit. Meer concreet zorgen we tegen 2020 voor een verlaging van 15% van de hoeveelheid restafval van bedrijven en huishoudens, bestemd voor eindverwerking. Vooruitgang is geboekt op het vlak van eco-innovatie en energie-efficiëntie. Ecoefficiëntie van materialen, producten, diensten en technologieën en een milieuverantwoorde consumptie zijn de norm in Vlaanderen (voorstel consumptie ). Omdat 80% van de volledige milieu-impact van producten ingebakken zit bij het ontwerp, wordt extra klemtoon gelegd op ecodesign. De verhoging van de recycleerbaarheid, de beperking van het energiegebruik tijdens de gebruiksfase, de gerecycleerde inhoud en de levensduur zijn daarbij de uitdagingen. Het traditionele concept van statische stortplaats wordt omgevormd naar dynamische voorraad (voorstel materialen ) om de materialenvoorziening op lange termijn te garanderen. Die doorgedreven aanpak leidt niet alleen tot een verdere ontkoppeling tussen de economische groei en de druk op milieu en natuur, maar ook tot een substantiële verlaging van die milieudruk. Een kringloopeconomie als onderdeel van groene economie biedt kansen voor toekomstgerichte en nieuwe sectoren en tewerkstelling in groene jobs (voorstel groene economie ). Opleidingspolen kunnen specifieke technische kennis aanreiken en kunnen een rol spelen bij het heroriënteren van werkenden en werkzoekenden in die richting.
SD5. Maatschappelijke zorg voor milieu en milieuvriendelijke consumptie stimuleren Vlamingen dragen zorg voor en appreciëren hun leefomgeving. Het milieubewustzijn is versterkt en het maatschappelijke draagvlak voor het milieubeleid vergroot. Individuen, groepen en sectoren kunnen inschatten hoe milieuverantwoord zij functioneren en passen hun gedrag aan. Door in een brede context van duurzaam wonen, ondernemen, voeden en transport in sensibilisering en dialoog te voorzien, ontstaat een gedeelde verantwoordelijkheid (voorstel wonen en (ver)bouwen, mobiliteit ). Op korte termijn verhoogt de Vlaamse overheid het aantal partnerschappen met bedrijven, organisaties en burgers. Zes op de tien Vlamingen kunnen bepaalde aspecten van hun gedrag als milieuverantwoord bestempelen, al is zorg voor het milieu niet altijd hun drijfveer. Vier op de tien hinken achter die min of meer milieubewuste consumenten aan. Om de eerste groep te vergroten, zijn informatie over en een aanbod aan milieuvriendelijke varianten noodzakelijk. Correcte informatie over prijzen of bijkomende prijssignalen completeren dat (voorstel consumptie ). In de toekomst zijn er mature markten voor gerecycleerde materialen, het kopen van milieuverantwoorde producten en milieubewust produceren. Binnen de cyclus van productie en consumptie speelt de consument een cruciale rol. De vraag naar groene producten en diensten bepaalt mee het aanbod en omgekeerd. De overheid vervult daarbij zelf een belangrijke rol als aankoper.
SD6. De ecologische integratie en beleidssamenhang verbeteren Door de toegenomen complexiteit en onderlinge verwevenheid van de maatschappelijke uitdagingen zal er meer geïntegreerd gewerkt worden. Dat vergt een beleidsdomein- en bestuurslaagoverschrijdende aanpak,
Groen en dynamisch stedengewest
maar ook een dialoog met andere maatschappelijke groepen. De Vlaamse overheid brengt meer interne samenwerking en synergieën tot stand, hetzij projectmatig, hetzij procesmatig, hetzij meer strategisch. Specifiek voor het milieubeleid wordt nog meer aansluiting gezocht bij economie, werkgelegenheid, innovatie, mobiliteit, ruimte en landbouw (voorstel groene metropool, mobiliteit, milieuvriendelijke consumptie, materialen en groene economie ). Zo wordt bijvoorbeeld bij de uitvoering van het Plattelandsbeleidsplan gewerkt aan de verhoging van de omgevingskwaliteit, waarbij ruimtelijke, ecologische, socioculturele en economische aspecten worden meegenomen. Daarnaast is belangrijk dat in de beleidsplannen van alle andere beleidsdomeinen en in de strategische toekomstplannen van de Vlaamse overheid (en van de Belgische en Europese overheden) aandacht wordt besteed aan milieu en natuur. In het bijzonder wordt afstemming gezocht tussen de milieuplanning, de ruimtelijke planning en de mobiliteitsplanning. De opname van milieu- en natuuraspecten eindigt niet bij de voorstelling van een plan, maar gaat verder bij de uitvoering. Het integreren van bijvoorbeeld groene infrastructuur bij de uitbouw van energie- en mobiliteitsnetwerken of bij de inrichting van gebieden kan bijdragen tot de realisatie van milieudoelstellingen(voorstel groene metropool ). Het zorgt voor een verbetering van de veerkracht van ecosystemen en waarborgt op die manier de toekomstige levering van ecosysteemdiensten. De keuze voor een geïntegreerd milieubeleid, met transparante opvolging en jaarlijkse rapportering, is vanzelfsprekend.
SD7. Groene investeringen waarborgen en de milieukosten internaliseren De hier genoemde doelstellingen maken deel uit van economische en sociale investeringsprogramma’s. Bij die groene investeringen horen ook inspanningen om via vernieuwende financiële instrumenten en rechtstreekse financiering drempels weg te nemen voor eco-innovatie en voor de ontplooiing van de eco-industrieën (voorstel groene economie ). Ook de eigen overheidsinvesteringen dragen daartoe bij (voorstel water, bodem, grond ). Het aangaan van die complexe uitdagingen houdt ook in dat het volledige potentieel van de bestaande technologieën voor een groen stedengewest wordt aangewend en dat de best beschikbare technieken en innovaties in de industrie worden toegepast. Dat is onder meer noodzakelijk met het oog op een koolstofarme economie of een kringloopeconomie. Een fundamentele bouwsteen van een groene economie is het vermijden (of compenseren) van negatieve externe effecten bij de productie van goederen en diensten door de externe kosten te internaliseren. Dat kan een aanzet zijn om de omslag te maken van belastingen op arbeid naar onder meer belastingen op milieugebruik of -vervuiling, zoals Europa en de OESO vragen. Een correcte prijsstelling van producten en diensten moet onder meer gebeuren op basis van de impact op milieu en natuur en de schaarste van grondstoffen, materialen en hulpbronnen en volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Belangrijk daarbij is dat de volledige cyclus van de hulpbron, de grondstof of het materiaal in rekening wordt gebracht. Via belastingen, heffingen of handel in emissierechten en een goede onderlinge afstemming daartussen kan voor een duidelijk marktsignaal worden gezorgd. Ook de (tijdelijke) inzet van subsidiëring kan een effectieve oplossing bieden. Nieuwe opportuniteiten worden onderzocht. Zo zijn er momenteel nog weinig of geen financiële incentives voor producten met een lage milieu-impact. De subsidiëring van milieuschadelijke activiteiten en contraproductieve beleidsinstrumenten moet worden vermeden (voorstel groene economie ).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
SD8. De steden van morgen creëren Een groot deel van de Vlamingen leeft in stedelijk gebied. Het stedelijk gebied en zeker de centrumsteden zijn een vruchtbare voedingsbodem voor wetenschap en technologie, innovatie, cultuur en individuele en collectieve creativiteit. Tegelijkertijd worden steden geconfronteerd met een gemeenschappelijke kern van milieuproblemen, waaronder minder goede luchtkwaliteit, geluidshinder, gebrek aan groen en aangename publieke ruimtes, broeikasgasemissies, hitte-eilandeffecten, waterschaarste, overstromingen en stormen, verontreinigde locaties, zoals oude industrieterreinen, en afval. De daaraan gekoppelde uitdagingen zullen alleen maar toenemen als ook de voorziene bevolkingsgroei moet worden opgevangen. Steden vormen een bijzonder gunstige plaats voor het opzetten van experimenten om onze ecologische voetafdruk te verkleinen en op zoek te gaan naar meer leefkwaliteit (voorstel groene metropool ). Leven, winkelen en werken in de stad is een goede manier om milieuonvriendelijke verplaatsingen te beperken en de druk op de open ruimte te verminderen. Een hoge leefkwaliteit betekent ook een significante verbetering van de stedelijke luchtkwaliteit. Dat wordt gerealiseerd door een mix van maatregelen die leiden tot een verdere daling van de lokale uitstoot (verkeer, gebouwenverwarming, lokale landbouw en industrie). Tegen het einde van de legislatuur worden daarmee de luchtkwaliteitsknelpunten in stedelijke gebieden opgelost. Het komt erop aan om partnerschappen aan te gaan met de (centrum)steden en met geëngageerde groepen in de samenleving, die als voorlopers kunnen fungeren. Daarbij gaat de aandacht naar energiebesparing door wijkrenovaties, hernieuwbare energie, duurzaam bouwen en wonen, groenvoorziening, duurzame materialen, lokale (voedsel)voorzieningen en milieuvriendelijk vervoer (voorstellen klimaat, energie, groene mobiliteit, materialen, bodem, duurzaam wonen en (ver)bouwen, groene economie ).
SD9. Nu inzetten op wonen en (ver)bouwen voor de toekomst Het is duidelijk dat in de organisatie van onze samenleving bepaalde grenzen zijn bereikt, ook op het vlak van wonen en gebouwen. Wonen en gebouwen zijn immers verantwoordelijk voor een behoorlijk groot ruimte- en energieverbruik. Bovendien heeft een groeiende bevolking meer woningen nodig met meer kwaliteit en ook de energieprestatie moet beter. De omgeving en de gebouwen moeten bovendien comfortabel, veilig en toegankelijk zijn en moeten aangepast zijn aan elke levensfase. Daarnaast moeten ze flexibel, milieuvriendelijk en betaalbaar zijn. Wijken zijn levendig en groen met een goede sociale cohesie, en diensten en openbaar vervoer zijn goed bereikbaar. Om het recht op wonen ook in de toekomst blijvend te garanderen, moet het beleid nu actie ondernemen en de noodzakelijke transitie op verschillende vlakken inzetten (werking woningmarkt, cultuurwijziging, wijze van bouwen en wonen, manier van overheidsingrijpen en besteding van overheidsmiddelen …). Daarom wordt op korte termijn uitvoering gegeven aan de doelstellingen van het Woonbeleidsplan Vlaanderen, de richtlijnen en actieplannen met betrekking tot energie-efficiëntie en het transitieproces duurzaam bouwen en wonen (voorstellen duurzaam wonen en (ver)bouwen ).
Groen en dynamisch stedengewest
2.3 Strategische beleidsvoorstellen
Beleidsvoorstel 1:
Vergroenen van onze economie Een vergroening van de economie heeft als doel de druk op het milieu te verminderen en de kwaliteit van de leefomgeving te verhogen, verlies van biodiversiteit tegen te gaan, natuurlijke hulpbronnen en materialen duurzaam te gebruiken en tegelijk een verhoging van het welzijn na te streven. Daarvoor worden structurele veranderingen nagestreefd in het (economische) systeem. Accenten liggen op duurzaam materialenbeheer, groene mobiliteit, rationeel energieverbruik, hernieuwbare energie, voeding en duurzaam wonen en bouwen. Als die veranderingen slim worden doorgevoerd, leiden ze tot het ontstaan van een nieuwe economische dynamiek met gewijzigde productieprocessen en businessmodellen waarbij milieuuitdagingen als een opportuniteit worden bekeken en jobs creëren. Voor dat laatste is het van belang dat de arbeidsmarkt wendbaar genoeg is om zich aan te passen. Een duidelijk beeld op de competenties en talenten die in de toekomst cruciaal zullen zijn, maakt een proactieve aanpak mogelijk. Een eerste accent ligt op het internaliseren van externe kosten. De prijs voor milieuverantwoorde producten ligt momenteel vaak hoger, onder meer omdat bij de andere producten een deel van de (milieu) kosten op de samenleving wordt afgewenteld. Onder andere met een gericht fiscaal en ondersteuningsbeleid kan de overheid zorgen voor een prijszetting die consumenten ertoe aanzet voor het milieuvriendelijker alternatief te kiezen. We grijpen de staatshervorming aan om het belastingstelsel in Vlaanderen te vergroenen. We zoeken naar opties om de arbeidslasten te verlagen en kijken daarbij onder andere naar nieuwe bevoegdheden. Ook om de lastenverlaging te financieren, voeren we nieuwe milieubelastingen in of verhogen we de bestaande milieubelastingen. Op die manier kan de totale belastingdruk gelijk blijven. Daarnaast zorgen we ervoor dat er geen ongewenste herverdelingseffecten zijn. Zo wordt ook tegemoetgekomen aan de aanbevelingen van de Europese Commissie om de bestaande lasten deels te verleggen naar bijvoorbeeld lasten op milieu. Er wordt ook gedacht aan een gedifferentieerde kilometerheffing voor personenwagens met een sterk prijssignaal, een sturende hervorming van de verkeersbelastingen, een belasting op basis van de milieudruk van producten of de energieklasse van toestellen (cf. labeling en ecodesign). Tijdens de komende legislatuur streeft de Vlaamse overheid ernaar om haar overheidsuitgaven te vergroenen. Dat gebeurt onder meer door een groen aankoopbeleid, het afbouwen van sommige milieuschadelijke subsidies of het aanpassen van de voorwaarden voor relevante subsidies met behoud van de oorspronkelijke doelstelling met het oog op meer milieuwinst. Een milieuschadelijke subsidie houdt een overheidsoptreden in, dat een voordeel biedt voor consumenten of producenten om hun kosten te verlagen of hun inkomen aan te vullen, maar dat tegelijk een schadelijk effect heeft op milieu en natuur. Een van de bouwstenen van de groene economie zijn eco-innovaties. Voor een aanzienlijk deel zijn die technologisch van aard, maar een belangrijke focus is ook nodig op alle andere product-, dienst-, proces-, organisatorische en systeeminnovaties, die milieuwinst opleveren. Er is behoefte aan financiering en investeringen om eco-innovaties te stimuleren. Daarom zal de Vlaamse overheid voldoende van haar innovatiemiddelen en andere financiële steun richten op eco-innovatieve projecten. Daarnaast kunnen de publieke middelen ingezet worden om private middelen te kanaliseren voor die projecten. Het kanaliseren van middelen wordt concreet uitgewerkt door een Groene Obligatie Plus te introduceren. Die obligaties worden uitsluitend ingezet voor groene projecten. Plus wil zeggen dat de overheid de obligaties ondersteunt om ze aantrekkelijker (en effectiever) te maken, zodat meer additionele middelen naar de groene economie georiënteerd worden dan bij een ‘klassieke’ groene obligatie. Mogelijke ondersteuningsvormen
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
zijn een rente- of uitgifteprijssubsidie, een rendementsgarantie of een kapitaalwaarborg. De overheid kan daarnaast institutionele beleggers ertoe aanzetten om een zeker aandeel in groene obligaties te beleggen, ze kan in een kwaliteitslabel voor groene obligaties voorzien of de monitoring- en controlekosten subsidiëren Om het beleid rond eco-innovatie beter te onderbouwen en om meer visibiliteit en draagvlak te creëren, zal werk gemaakt worden van het meten van eco-innovatie. Er wordt gezocht naar indicatoren die een beeld geven of eco-innovatie al of niet goed verloopt in Vlaanderen gedurende de verschillende stappen van het innovatieproces. Inzetten op een versteviging van de lokale economie zal ook bijdragen tot een vergroening van de economie, onder meer door een beperking van de transportkilometers. Onder die noemer vallen een heel aantal initiatieven die nu ook bottom-up ontstaan en verder ondersteund zullen worden: voedselteams, volkstuinen, lokale energieopwekking, korte keten landbouw, ‘rapid manufacturing’ enzovoort. Ook door de verenigbare recreatieve functies van bossen en natuur te optimaliseren, en duurzaam geproduceerd hout en biomassa te bevorderen, verbeteren we de economische functie van bos en natuur die de lokale economie ten goede komt.
Beleidsvoorstel 2:
Acties initiëren om van Vlaanderen een leefbare groene metropool te maken De Vlaamse Regering wil van Vlaanderen een veerkrachtige leefbare metropool maken: een veelzijdige levensruimte met een hoge leefkwaliteit en dus ook een gezonde leefomgeving, die is opgewassen tegen de verschillende megatrends die op haar afkomen. Daarvoor is het onder meer essentieel dat tussen en in de steden een groenblauwe netwerkinfrastructuur wordt ontwikkeld. Die groenblauwe infrastructuur maakt mensen gezonder en maakt dagen van strenge vorst of hittegolven draaglijker, bevordert sociale contacten, vangt overstromingen op, lokt toeristen en investeerders en versterkt zo onze economie en samenleving. De ambitie leeft om in een stedelijke context gebouwen en straten op harmonieuze wijze te integreren in een decor van parken, groene hoeken, groendaken, gevelgroen en waterlopen. Tegen het einde van deze regeerperiode moeten alle Vlamingen daarom toegang hebben tot buurtgroen en wordt een deel van de waterlopen verder opengelegd. Daarnaast verhoogt de Vlaamse overheid de leefbaarheid van haar steden door multifunctionele open ruimtes te creëren. Ook projecten, zoals een stadsboerderij voor elke centrumstad, plukparken en volkstuinen met fruit en groenten, multifunctionele stadsbossen of groenpolen dragen daartoe bij, net als de groene ruimten die sport, ontspanning en spel en natuurbeleving mogelijk maken. Burgers worden daar, waar mogelijk, actief bij betrokken. Particuliere initiatieven op dat vlak worden aangemoedigd. Ook tussen het stedelijke en landelijke gebied worden meer onderling verbonden groenblauwe zones in projectvorm uitgebouwd. Ze bieden ruimte aan allerlei milieuvriendelijke mogelijkheden voor lokale economie, sociale en educatieve projecten, toerisme, recreatie en ontspanning. Brownfields en voormalige stortplaatsen mogen in dat kader niet langer een bedreiging vormen. Om ook nieuwe doelgroepen in contact te brengen met natuur, bos, groen en blauw, zijn innovatieve acties nodig die maatwerk leveren, gericht op bijvoorbeeld jongeren, personen met een handicap, het bedrijfsleven. Bijzondere aandacht wordt daarbij geschonken aan minder gegoede burgers. Een evenwichtige spreiding van groen, ook in stedelijke gebieden, kan vermijden dat ze zich vanwege de hogere huur of huizenprijzen geen groene omgeving kunnen permitteren.
Groen en dynamisch stedengewest
Een groenstructuurplan, een kennisnetwerk op Vlaams niveau rond Groen in de Stad en een sterke wetenschappelijke basis zijn de bouwstenen voor een sterk beleid dat een duidelijke kosten-batenanalyse van groen, natuur en bos kan doorvoeren en kennisdeling en -verspreiding tussen lokale besturen en andere spelers opzet. Bovendien vormen het aankopen van gronden en het verzekeren van de nodige opvangfaciliteiten voor het publiek essentiële investeringen om van Vlaanderen een groene metropool te kunnen maken. In navolging van de Europese thematische strategie werken we aan een significante verbetering van de luchtkwaliteit en het geluidsklimaat in de stad. Dat willen we bereiken door een straatbeeld met meer voetgangers en fietsers, zero-emissie en stille voertuigen, milieuvriendelijke lokale industrie en emissiearme gebouwenverwarming. Een samenwerking met stadsbesturen en bijvoorbeeld havenbedrijven moet complementaire lokale maatregelen opleveren voor bedrijven, het bijbehorende transport (offroad, scheepvaart, vrachtwagens), en andere bronnen, zoals de gebouwenverwarming. Omdat het aandeel van de residentiële houtverbranding in de fijnstofproblematiek groot is, zetten we in op een verdere technologische vernieuwing en vergroening van het bestaande installatiepark en op gebruiksbeperkingen, waar dat milieuhygiënisch wenselijk en maatschappelijk aanvaardbaar is. Ten slotte willen we Vlaamse steden en gemeenten stimuleren om zich te ontwikkelen in de richting van een ‘smart city’, waarbij een van de focuspunten het onderdeel ‘smart environment’ is. Om dat te realiseren moet de natuurlijke aantrekkelijkheid omhoog, de verontreiniging omlaag en moet er voldoende sprake zijn van milieubescherming en duurzaam bronbeheer. We leggen onszelf in het kader daarvan de reflex op om milieu en dus ook groen te verankeren in ruimtelijke ordening en in bouwvergunningen en gaan voor een slimme stadsplanning en mobiliteit. Projectmatige en experimentele samenwerkingen met diverse actoren en beleidsdomeinen vullen dat verder aan. Die slimme stadsplanning bestaat onder meer uit een locatiebeleid waarbij er aandacht is voor groenblauwe netwerken, waar nabijheid en selectieve bereikbaarheid centraal staan, rekening wordt gehouden met de verhouding tussen de bouwhoogte en de straatbreedte om het ontstaan van ‘streetcanyons’ te vermijden, kwetsbare functies slim worden gelokaliseerd en doordacht wordt omgesprongen met het parkeeraanbod en de parkeernormeringen.
Beleidsvoorstel 3:
Vergroenen van de mobiliteit De wijze waarop de mobiliteit in Vlaanderen is ingevuld, leidt tot een belasting van de leefkwaliteit. Niet alleen door luchtverontreiniging en geluidshinder, maar ook vanwege het ruimtegebruik en de onveiligheid. De Vlaamse Regering zal inzetten op een verdere vergroening van de mobiliteit. De STOP-logica met een grotere focus op zachte mobiliteit (stappen en fietsen) en op alternatieven voor privévervoer is daarbij de leidraad. Groenblauwe netwerken zullen dat ondersteunen. Het aantal afgelegde gemotoriseerde kilometers wordt verminderd en ruimtelijk beheerst. Dat doen we door een sturende kilometerheffing voor vracht- en personenwagens op het volledige wegennet sterk gedifferentieerd volgens plaats, tijdstip en milieukenmerken van het voertuig (cf. Slimme mobiliteit) in te voeren. Daarnaast bouwen we de alternatieven voor (vracht)wagens verder uit en zetten daarbij onder meer in op de verhoging van het aandeel van binnenvaart en spoor in het goederenvervoer. Bijkomend ontwikkelen we een voorkomingsbeleid door integratie van gepaste instrumenten of maatregelen in het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid en het woonbeleid en door overwogen keuzes bij de verdere
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
uitbouw en inrichting van infrastructuur. Een bijzondere inspanning is daarbij noodzakelijk om de fiets een meer prominente rol te laten spelen en structureel als (stedelijk) vervoermiddel te promoten. In het bijzonder wordt ingezet op binnenstedelijke en interstedelijke fietsverbindingen. Met de komst van de elektrische fiets is immers ook de gemiddelde actieradius toegenomen. De blootstelling aan luchtverontreiniging en geluidshinder door verkeer (bijvoorbeeld langs drukke verkeerswegen) wordt beperkt door de ontwikkeling van actieplannen waarin onder meer voorstellen voor de overdachte inplanting van woonzones, bouwvoorschriften, schermen en een aangepaste wegbedekking zijn opgenomen. Meer specifiek voor de nationale luchthaven ontwikkelen we een coherent ruimtelijk beleid met specifieke plannings- en bouwvoorschriften ter voorkoming en beperking van geluidshinder. De verdere uitbouw van harde verkeersinfrastructuur wordt beperkt en voorafgegaan door een milieukostenbatenanalyse. Het Vlaamse wagenpark zal verder vergroenen door een samenhangend pakket van maatregelen. Een sturende vergroening van de verkeersbelasting wordt uitgevoerd, zodat het bezit van milieuvriendelijke wagens beduidend goedkoper wordt en dat van milieuonvriendelijke beduidend duurder. De overheid zal de bouw en het gebruik van voertuigen op basis van alternatieve technologieën, in de eerste plaats elektrische voertuigen, krachtdadig ondersteunen met aandacht voor lichtere voertuigen, zoals twee- en driewielers. Na afloop van de proeftuin wordt daarvoor een E-team opgericht, dat die doorbraak moet coördineren. Daarbij moet een rol worden opgenomen vanuit Leefmilieu, Energie, Mobiliteit, Economie, Innovatie, Financiën, Bestuurszaken … Het pad richting 2020 met onder meer als doel 10% van de nieuwe personenwagens elektrisch te laten rijden, zal geëffend worden door een pakket van maatregelen die bestaan uit het uitrollen van grootschalige projecten, gericht op kerngebieden of op specifieke vloten, de gestructureerde uitbouw van laadinfrastructuur – onder meer in navolging van de nieuwe Europese richtlijn ‘Clean power for transport’ – en verdere investeringen in innovatie, onder meer in de ontwikkeling van de technologie. De consument wordt over de streep getrokken door rechtstreekse financiële ondersteuning bij de aankoop en door duidelijke en actuele informatie. De Vlaamse overheid neemt daarbij een voorbeeldrol op door zelf versneld over te schakelen op milieuvriendelijke voertuigen. Bij de opmaak van een actieplan duurzame mobiliteit binnen de overheid wordt de verbetering van de ecoscore van de vloot, naast het aantal vermeden kilometers, een belangrijke doelstelling op zich. Afzonderlijke aandacht gaat naar de logistieke sector. Er wordt ingezet op een vergroening van het logistieke systeem (aandacht voor de lokale en tussentijdse overslag) in combinatie met een overschakeling naar (kleinere) milieuvriendelijke voer- en vaartuigen voor de bedeling van dorps- en stadskernen. Lokale besturen spelen in het kader van die vergroening een belangrijke rol. De Vlaamse Regering zal nagaan hoe ze verder gestimuleerd kunnen worden om een deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen. Dat kan gaan van een centrale inhoudelijke ondersteuning, het promoten van voorlopers en het aangaan van partnerschappen tot het opleggen van verplichtingen. Burgers worden daarbij actief betrokken. Dat gaat gepaard met een duidelijke en open communicatie. De leefbaarheid in de binnenstad en in woonwijken is daarbij een specifieke focus die onder meer zal worden gestimuleerd door de inrichting van lage-emissiezones in aanvulling op autoluwe zones.
Groen en dynamisch stedengewest
Beleidsvoorstel 4:
Een klimaatvriendelijk Vlaanderen creëren: nu en in 2050 Om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95% te verminderen ten opzichte van 1990 heeft de Europese Commissie de Mededeling ‘Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050’ gepubliceerd. Een concreter kader voor het klimaat- en energiebeleid op middellange termijn (2030) wordt via een groenboek voorbereid. Ook Vlaanderen moet een eigen traject uitzetten om invulling te geven aan de Europese strategie en de internationale akkoorden. In het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 is bepaald dat het Vlaamse Gewest een ‘koolstofarme ontwikkelingsstrategie’ zal opstellen. Daarvoor moet een langetermijntransitiepad (2050) voor Vlaanderen vastgelegd worden, met onderbouwde langetermijndoelen per sector of doelgroep, aangevuld met tussentijdse mijlpalen. Scenario’s zullen ontwikkeld worden en indien nodig zal het bestaande klimaatinstrumentarium bijgestuurd worden of zullen nieuwe beleidsinstrumenten geïntroduceerd worden. De nadruk ligt daarbij op de vermindering van de emissies van broeikasgassen en een optimale afstemming met de doelstellingen en het beleid voor hernieuwbare energie en energiebesparing (inclusief het gebruik van restwarmte), het ruimtelijk beleid (behoefte aan compacte kernen, verdichting rond belangrijke openbaarvervoerassen, verweving van functies), het mobiliteitsbeleid, het landbouwbeleid, het woonbeleid, het onroerenderfgoedbeleid, het innovatiebeleid en dergelijke. Daarom zal de verantwoordelijkheid en de ‘sense of urgency’ van de verschillende beleidsdomeinen tot het bijdragen aan de klimaatdoelstellingen versterkt worden. De langetermijndoelen en tussentijdse mijlpalen zullen doorwerken en bijkomend beleid in elk van de sectoren noodzakelijk maken. Daarnaast wordt gestart met de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de afvang en het transport van CO2 te faciliteren (focus op financieringsinstrumenten) met het oog op de geologische opslag ervan in het buitenland (Carbon Capture and Storage) en het gebruik ervan in productieprocessen (Carbon Capture Use and Storage). Het kortetermijnbeleid (2020) wordt versterkt en moet in lijn liggen met het langetermijntransitiepad. Bijkomende maatregelen zijn noodzakelijk om de doelstellingen voor 2013-2020 te bereiken. Een belangrijke impuls daarbij is de uitwerking en operationalisering van een nieuw financieringskader binnen het Vlaams Klimaatfonds voor de periode 2015-2020. Op die manier kan cofinanciering vanuit het Vlaams Klimaatfonds een hefboom vormen om beleidsinitiatieven te ontwikkelen. Op voorwaarde dat het grootste deel van het klimaatfonds daarvoor ingezet wordt, zal het op een kostenefficiënte manier significant bijdragen aan de Vlaamse klimaatdoelstellingen. Dat moet bijkomend een hefboom zijn om vanuit de betrokken beleidsdomeinen nieuwe maatregelen te ontwikkelen en te financieren. Naast bijkomende inspanningen uit de algemene middelen is daarbij ook een rol weggelegd voor innovatieve financieringsmechanismen (Vlaams Energiebedrijf, derdebetalerssystemen). Op lokaal niveau zal Vlaanderen ondersteuning bieden aan steden of gemeenten die instappen in het Burgemeestersconvenant. Enerzijds zal Vlaanderen in technische ondersteuning voorzien voor de opmaak van plannen (bijvoorbeeld financiële middelen helpen mobiliseren, technische vergaderingen en workshops organiseren, goede voorbeelden verspreiden), synergieën zoeken tussen Europees, nationaal, regionaal en lokaal beleid, informatie verspreiden en betrokkenheid garanderen bij andere Europese projecten (inclusief Europese financiering). Anderzijds wil Vlaanderen gemeenten financieel ondersteunen om hun actieplannen uit te voeren.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
In de periode 2014-2019 zal de Vlaamse Regering duidelijkheid scheppen over de wijze van financiering van de gerelateerde financiële verplichtingen die op Vlaanderen afkomen. Wat betreft klimaat gaat het (bijkomend ten opzichte van de lasten van de Kyotoakkoorden) wereldwijd en vanaf 2020 voorlopig over jaarlijks 100 miljard USD aan benodigde middelen voor de Noord-Zuidsolidariteitsfinanciering op lange termijn. Gelet op de omvang van de bedragen zal er voor de Vlaamse engagementen een financieringskanaal los van het Vlaams Klimaatfonds gevonden moeten worden.
Beleidsvoorstel 5:
Milieuvriendelijke consumptie promoten Het huidige consumptiepatroon van de Vlaming legt een zware druk op het leefmilieu en de natuur. In de komende legislatuur zal de Vlaamse Regering ernaar streven om de milieu-impact van het consumptiepatroon van zowel de overheid, de bedrijven als de burger te doen dalen. De promotie en ondersteuning van milieuvriendelijke producten wordt verder uitgebouwd in het bredere kader van een milieuverantwoord consumptiepatroon. De Vlaming is bereid om meer milieuvriendelijke producten aan te kopen, maar het moet zo gemakkelijk mogelijk zijn. Tegelijk geeft hij aan dat hij meer informatie nodig heeft om zijn consumptiepatroon te verduurzamen. Het moet voor de consument snel duidelijk zijn hoe een bepaald product scoort op een aantal milieuparameters, waaronder de CO2-inhoud, het verbruik van water, energie, materialen, en de mate van recycleerbaarheid. Voor de opmaak van een dergelijk milieuprofiel van een product kan aangesloten worden bij Europese initiatieven, zoals de methodologie van de ‘product environmental footprint’. Die informatie zal op eenvoudige en eenduidige manier worden aangeboden. Er kan bijvoorbeeld een app voor smartphones ontwikkeld worden. Samen met onder andere consumentenorganisaties, producentenorganisaties en de distributiesector wordt bekeken welke acties op poten kunnen worden gezet om de informatie en de voordelen van een groen dagelijks consumptiepatroon te onderstrepen. In eerste instantie worden de ‘fast moving consumer goods’ onder de loep genomen. De focus op dagelijkse aankopen kan katalyserend werken. Voeding is, samen met transport en huisvesting, de belangrijkste bron van milieudruk. Een evenwichtig dieet, waarbij ook rekening wordt gehouden met de milieu-impact van de verschillende voedingsproducten, kan zowel op het milieu als op de gezondheid een gunstig effect hebben. Lokale seizoensgroenten en -fruit hebben bijvoorbeeld een geringe ecologische voetafdruk. Lokaal geproduceerde voedingsmiddelen met een korte keten genieten in die optiek vaak de voorkeur vanwege een lagere impact op het milieu. In de strijd tegen de voedselverspilling zal de Vlaamse Regering haar inspanningen opdrijven. Het consumeren van producten en diensten die een grote impact op het milieu hebben, wordt ontmoedigd en alternatieven worden ondersteund. Het promoten en ondersteunen van ‘product-dienstsystemen’ en de ‘deeleconomie’ is een manier om het consumptiepatroon te veranderen. Zo wordt immers niet meer het product gekocht, maar de dienst die een bepaald product vervult, of kan een gedeeld product meer diensten leveren, waardoor de milieudruk daalt. Bestaande barrières, zoals het gebrek aan financiële stimuli, tegenwerkende fiscale wetgeving en gewoontepatronen moeten worden doorbroken. We willen de belanghebbenden samenbrengen om te komen tot praktijkgerichte oplossingen en als overheid daarin zelf het voorbeeld geven.
Groen en dynamisch stedengewest
Als consument zal de Vlaamse overheid er zelf ook verder over waken dat ze bij de aankoop en het gebruik van goederen en diensten, maar ook bij het nemen van beleidsbeslissingen, de impact op milieu en natuur zo laag mogelijk houdt. Dat kan door in opdrachten en bestellingen rekening te houden met duurzaamheidscriteria. Op die manier neemt de Vlaamse overheid een voorbeeldrol op en beïnvloedt ze als grote speler de markt in milieugunstige zin. Tegelijk benut ze de kans om haar eigen personeel door middel van stimulansen en facilitering milieuvriendelijker te laten consumeren. Er kan gedacht worden aan het organiseren van de collectieve aankoop van milieuvriendelijke toestellen en materialen, lokale groentepakketten ...
Beleidsvoorstel 6:
Verder inzetten op de transitie duurzaam materialenbeheer Grondstoffen en materialen blijven kostbaar en schaars voor Vlaanderen, vanuit ecologisch, maatschappelijk en economisch oogpunt. Duurzaam materialenbeheer werd eerder al door de Vlaamse Regering aangeduid als een van de dertien grote maatschappelijke uitdagingen binnen Vlaanderen in Actie. Vlaanderen wil op Europees niveau tegen 2020 tot de top 5-regio’s behoren. Daarom zal Vlaanderen de komende jaren volop verder inzetten op de ingeslagen weg naar een transitie duurzaam materialenbeheer. De focus van een afvalbeleid verschuift verder naar een meer geïntegreerde benadering over de hele levenscyclus heen. Dat moet helpen om in Vlaanderen een efficiënte groene kringloopeconomie te realiseren met een zo laag mogelijk grondstof-, energie- en materiaalgebruik. Belangrijke krachtlijnen in het afvalstoffen- en materialenbeleid zijn: het creëren van nieuwe, duurzame waardeketens op systeem- en productniveau, gebaseerd op zowel technologische als economische en sociale innovatie; het verhogen van de materiaalefficiëntie binnen de Vlaamse economie; het sluiten van materiaalkringlopen door duurzaam design, slimmere productie, logistieke en consumptieprocessen en -modellen, het stimuleren van hoogwaardig hergebruik en recyclage (met aandacht voor het uitfaseren van gevaarlijke stoffen en het creëren van mature markten voor gerecycleerde materialen) en het vermijden van lekstromen. De Vlaamse overheid gaat het engagement aan om het Vlaams Materialenprogramma uit te voeren, in nauwe samenwerking met alle actoren uit industrie, middenveld en kennisinstellingen. Via Plan C blijven we inzetten op systeeminnovatie, waarbij onder meer het opzetten van een krachtige ‘antennefunctie’, het kanaliseren van informatiestromen en het uitwerken van leer- en innovatietrajecten rond duurzaam materialenbeheer een belangrijke rol spelen. Het beleid wordt wetenschappelijk onderbouwd door het Steunpunt voor Duurzaam Materialenbeheer. Het instrumentarium wordt uitgebouwd op maat van de volgende vier prioritaire clusters:
••
Bouw: we zetten samen met de diverse belanghebbenden onze schouders onder het beleidsprogramma bouw. Daarbij gaat de aandacht vooral naar het stimuleren van duurzaam ontwerp en het gebruik van de materialenmethodiek, naar selectieve sloop met extra focus op kunststofrecyclage en naar de verhoging van de afzet van hoogwaardige gerecycleerde granulaten. Een uitfaseringsprogramma voor asbest en asbesthoudende materialen is noodzakelijk om milieu- en gezondheidsrisico’s te verminderen, renovatie en stedelijke herontwikkeling te faciliteren en de kosten voor de afbraak van niet-herbruikbare gebouwen uit landbouw en kmo’s draaglijk te maken.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
••
Metalen: we stimuleren de selectieve inzameling en recyclage van metalen die van strategisch belang zijn voor de Vlaamse economie.
••
Biomassa: we zetten actief in op het verankeren én implementeren van de basisprincipes van de biomassacascade. We maximaliseren energie- en materiaalwinst via verhoogde inzet op gft en groeninzameling en -verwerking (in casu compostering en vergisting). Ook zetten we in op het sterk terugdringen van voedselverliezen en een vernieuwd beleid rond biomassareststromen. Chemie en kunststoffen: er gaan nog steeds te veel waardevolle kunststoffen verloren, dus zetten we ook in op selectieve inzameling en recyclage én afzet van hoogwaardige recyclaten. We geven extra aandacht aan bioplastics, onder meer door proefprojecten op te zetten. Daarnaast ondersteunen en faciliteren we de innovatie-initiatieven binnen FISCH.
••
In het kader van de (her)introductie van materialen, producten en systemen is een afstemming met het delfstoffen- en het energiebeleid erg belangrijk. De principes van preventie, hergebruik en recyclage worden in beide beleidsthema’s geïntegreerd. Primaire grondstoffen moeten hoogwaardig vervangen worden door recyclaten en hernieuwbare materialen. Die recyclage moet in haar breedste betekenis worden bekeken en omvat onder meer Enhanced Landfill Mining. Een duurzaam voorraadbeheer van stortplaatsen, met een geïntegreerde aanpak voor bodemsanering, moet een substantiële invulling geven aan de behoefte aan grondstoffen en ruimte. De Vlaamse overheid werkt een visie daarvoor uit, inventariseert mogelijk interessante stortplaatsen én zet in op demonstratieprojecten op stortplaatsen waar bodemsanering noodzakelijk is. Ook in de openbare waterinfrastructuur liggen kansen om zich te transformeren en te innoveren naar een geïntegreerd water-, grondstoffen- en energiesysteem. Naast efficiëntiewinsten zullen de mogelijkheden voor hergebruik en kringloopsluiting van materialen, nutriënten en energie onderzocht en gevaloriseerd worden. De verruiming naar materialenbeleid vraagt meer interactie, ook met stedenbeleid, productbeleid, economisch beleid, innovatiebeleid … Zo wordt bijvoorbeeld met het transitieproces Nieuw Industrieel Beleid een gezamenlijke roadmap uitgevoerd ter realisatie van een groene kringloopeconomie. Voor de lokale besturen wordt het beleidskader geoptimaliseerd en wordt in specifieke ondersteuning voorzien, onder meer door overeenkomsten te sluiten op maat van het bestuur. Op Europees en internationaal niveau is het de ambitie om onder meer een actieve rol op te nemen in de activiteiten rond Resource Efficiency Strategy en Raw Materials Initiative.
Beleidsvoorstel 7:
Een actief en duurzaam bodembeleid voeren Beschikbare ruimte, een kwaliteitsvolle bodem en kwaliteitsvol grondwater blijven schaarse en kostbare goederen in Vlaanderen. Het bodembeleid wordt daarom maximaal gericht op het helpen realiseren van andere maatschappelijke behoeften (zoals ruimte, water, ondersteuning van kwetsbare groepen, bodem als ecosysteem). Bodemverontreiniging kan een bedreiging betekenen voor gezondheid en milieu. Daarom moeten tegen 2036 alle historisch verontreinigde gronden gesaneerd zijn. Gelet op de grote kosten van sanering ligt de
Groen en dynamisch stedengewest
focus op het voorkomen en beperken van bodemverontreiniging. Nieuwe bodemverontreiniging wordt daarbij zo vlug mogelijk gesaneerd om verdere verspreiding en risico’s te vermijden. Voor de sanering van historisch verontreinigde gronden zal prioriteit gegeven worden aan kwetsbare gebieden, gronden met hoge risico’s of interessant potentieel en aan maatschappelijk belangrijke sectoren of doelgroepen. Binnen het huidige beleid wordt dan ook nog meer nadruk gelegd op het optimaal faciliteren van overdrachten van verontreinigde gronden en de realisatie van bouwprojecten op die gronden. Onder meer de cofinanciering biedt mogelijkheden om een meer billijke saneringslast te verkrijgen. Bodemverontreiniging en -sanering wordt ook meer integraal benaderd: afstemming en wisselwerking met andere beleidsdomeinen en -thema’s wordt verder onderzocht en waar mogelijk in proefprojecten uitgetest. Samen met de betrokken actoren wordt vanuit het bodembeleid actief bijgedragen aan een duurzaam ruimtelijk beleid en aan een duurzaam materialenbeleid, onder meer via voorbeeldprojecten, gericht op een duurzame ontwikkeling van brownfields en gronden die ambtshalve gesaneerd moeten worden. Tal van (semi-)industriële locaties worden niet meer optimaal ingezet. Via geïntegreerde projecten bieden we een oplossing aan, waarbij de bodemsanering afgestemd wordt op herontwikkeling. Bovendien zal ingezet worden op een programmatische aanpak op maat van belangrijke maatschappelijke uitdagingen of doelgroepen met ernstige problemen. Stadsvernieuwings- en stadsontwikkelingsprojecten zijn voorbeelden van complexe projecten die een dergelijke aanpak behoeven. In een aantal gevallen vormt een zwaar verontreinigde waterbodem een hinderpaal voor verdere waterkwaliteitsverbetering. Bovendien worden waterloopbeheerders daar altijd geconfronteerd met zeer hoge kosten voor het ruimen van de waterloop. In nauw overleg start de Vlaamse overheid met het onderzoek en de eventuele sanering van de prioritaire waterbodems. We zetten bodemsaneringsfondsen op in samenwerking met sectoren die te kampen hebben met bodemverontreiniging. Specifiek in het geval van bodemverontreiniging ten gevolge het gebruik van particuliere stookolietanks, zetten we prioritair in op de oprichting van een stookolietankfonds. De overheid neemt expliciet haar voorbeeldrol op. We willen volop gebruikmaken van de expertise en schaalvoordelen van de OVAM, die waar mogelijk een rol als ‘huissaneerder’ opneemt en saneringsverplichtingen van andere overheden uitvoert. We zetten ook in op een verhoogde, kwaliteitsvolle dienstverlening door de doorlooptijd van bodemdossiers te verkorten, door een mogelijke vrijstelling van de onderzoeksplicht voor particulieren te onderzoeken en door de werking te optimaliseren met de hulp van bodemsaneringsdeskundigen. Mogelijkheden ter ondersteuning van de gemeenten bij de inventarisatie van risicogronden worden onderzocht. Tenslotte gaat er extra aandacht naar handhaving bij grondverzet en nieuwe bodemverontreiniging. De aanpak van erosie wordt versneld en slagkrachtiger gemaakt door via de randvoorwaarden maatregelen op te leggen op een groter areaal en door vrijwillige maatregelen krachtiger te ondersteunen. Een bijzonder aandachtspunt is de uitbreiding van de vrijwillige en verplichte erosiebestrijdingsmaatregelen tot de bodemgebruikers op wie het Europese landbouwbeleid niet van toepassing is. Bijkomende bodemafdichting wordt vertraagd zodat er geen bij komt tegen 2050.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 8:
Europese natuurdoelen gericht realiseren In Vlaanderen zijn in 2013 5 van de 47 Europees beschermde habitats in een gunstige staat van instandhouding. Bij de soorten gaan er meer achteruit dan vooruit. Dat is niet alleen ecologisch een probleem. Als habitats en soorten het niet goed doen, legt Europa ook strenge vergunningsregels op. Het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor habitats en soorten is dus een win-winsituatie voor ecologie en economie. Met een sluitend Natura 2000-programma willen we tegen 2020 een derde of zestien Europees beschermde habitattypes in een gunstige of verbeterde staat van instandhouding brengen, ter uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn en de daarbij geldende instandhoudingsdoelstellingen (IHD). Ook voor de andere Europees beschermde habitattypes en -soorten worden maatregelen genomen, zodat in 2020 70% van de benodigde oppervlakte correct beheerd wordt. Daarbij worden de 2015- en 2020-projecten van het geactualiseerde Sigmaplan volledig gerealiseerd. Voor 35 Europees beschermde soorten wordt dat geconcretiseerd via de opmaak van soortbeschermingsprogramma’s. Voor invasieve en abundante soorten (onder andere everzwijn) wordt nagegaan of ze een negatieve impact hebben. Als dat nodig is, worden beheermaatregelen voorgesteld. Voor de realisatie van het natuurbeleid is voldoende ruimte nodig. Blijvende aandacht moet gaan naar de afbakening van 38.000 ha extra natuurgebied, 10.000 ha bosgebied en 150.000 ha natuurverwevingsgebied. Dat is een bindende bepaling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2002-2007). Overheden en terreinbeherende verenigingen moeten hun terreinen maximaal inzetten om de Europese taakstelling te realiseren. Daarbovenop zal nog 20.000 ha extra onder correct beheer moeten worden gebracht. Er wordt van uitgegaan dat de helft van de resterende taakstelling kan worden opgenomen door particulieren, de andere helft gebeurt via verwerving. In 2016 wordt geëvalueerd of de taakverdeling tot de gewenste resultaten leidt. Het financieringssysteem op het vlak van inrichting en beheer zal alle beheerders gelijkwaardig behandelen. Naast klassieke subsidies wordt ook werk gemaakt van fiscale stimuli om een ruimer aandeel beheerders ertoe aan te zetten om een groter deel van de taakstelling op te nemen. Een monitoringsysteem wordt uitgebouwd om afspraken, uitvoering en resultaten te volgen op Vlaams, gebieds- en terreinniveau. De decreten en besluiten inzake natuur, bos en jacht worden verder doorgelicht en waar nodig geactualiseerd, vereenvoudigd en geïntegreerd, zonder afbreuk te doen aan de prioritaire doelstellingen. De aanpassingen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, staan centraal. Tegelijk vindt een vereenvoudiging van de jachtregelgeving plaats. De prioritaire inspanningen voor milieucondities worden geconcretiseerd en worden toegewezen aan de bevoegde overheden en administraties. Een ondersteunend instrument moet initiatiefnemers zo veel mogelijk ontlasten bij de opmaak van een passende beoordeling. Voor verzurende en vermestende deposities wordt een programmatische aanpak ontwikkeld, die een ecologische oplossing koppelt aan economische ontwikkelruimte. Naast het eigen budget worden alternatieve financieringstechnieken ontwikkeld die tegen 2019 5% moeten bijdragen aan het Natura 2000-programma. Ook zal in financiële provisies of andere financiële anticiperende maatregelen worden voorzien met het oog op de Vlaamse bijdrage aan internationaal bindende
Groen en dynamisch stedengewest
VN-akkoorden voor biodiversiteit. Globaal wordt gesproken over een mondiale financieringsbehoefte van jaarlijks 200 miljard euro. Alle partners krijgen een aangemeten rol en ondersteuning op grond van hun respectieve sterkten en met het oog op effectiviteit en draagvlak. De optimalisatie van de samenwerkingsverbanden zal het maatschappelijk draagvlak voor natuur en landschapsbeleid bestendigen en vergroten. Daarom wordt blijvend ingezet op wetenschappelijke onderbouwing en participatieve ontwikkeling van het beleid en de uitvoering ervan, ook voor de evaluatie en eventuele herziening van de instandhoudingsdoelen in 2019, aansluitend op de Natura 2000-rapportering voor Europa.
Beleidsvoorstel 9:
Beter wonen en (ver)bouwen Transitie duurzaam wonen en bouwen Het tweesporenbeleid met betrekking tot duurzaam wonen en bouwen wordt verder vormgegeven. Het richt zich op het versterken van het transitieproces duurzaam wonen en bouwen en van de interne en externe coherentie en afstemming van het Vlaamse beleid duurzaam wonen en bouwen. Het vernieuwde transitieproces duurzaam wonen en bouwen (TM duwobo 2.0) moet leiden tot een strategische agenda waarmee leergemeenschappen of projectgroepen aan de slag kunnen om experimenten op te zetten. Er is behoefte aan meer innovatie- en experimenteerruimte, waarbinnen in voldoende middelen voorzien wordt om innovatie op alle aspecten van de woon- en bouwketen te ondersteunen. De bestaande subsidiekanalen van de Vlaamse overheid zijn daar momenteel te weinig op afgestemd. Dat kan via een apart, nieuw op te richten subsidiefonds, via het opentrekken van de criteria binnen bestaande subsidiekanalen en de toepassing van een geïntegreerde aanpak daarbij, en mogelijk ook door nieuwe vormen van financiering op te zetten in samenwerking met de privésector. Essentieel daarbij is dat de resultaten van de projecten gedeeld worden binnen het DuWoBo-netwerk. Experimenteerruimte wil ook zeggen dat men moet werken aan de randvoorwaarden die de experimenten in de weg staan. De reglementering is soms niet aangepast en staat innovatief experimenteren in de weg. Deze verschillende aspecten (experimenteerruimte, financiering en aangepaste reglementering) zouden kunnen gebundeld worden in een nieuw instrument nl de duurzamewijken-convenant naar analogie met de brownfieldconvenant. Om de duurzame wijken op een objectieve manier te selecteren kan de duurzaamheidsmeter wijken ingezet worden. De leerervaringen van de transitie-experimenten zouden moeten kunnen doorstromen naar nieuwe leernetwerken. Ook daarin kan de overheid een faciliterende rol spelen. Nieuwe leernetwerken zullen opgestart worden en nieuwe vormen van interactie worden ingeschakeld via een ideeënmanagementsysteem. De lopende initiatieven zullen versterkt voortgezet worden: de maatstaf duurzaam wonen en bouwen, de Belgian sustainable buidling council, de provinciale steunpunten, het leernetwerk en doorbraakprojecten rond duurzame wijken, het verduurzamen van curricula voor opleidingen in de bouwsector, het integreren en opzetten van proefprojecten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen in de bouw, werken in bouwteams en flexibel en demontabel bouwen en nieuwe vormen van samenwonen. De afstemming van het beleid zal worden vormgegeven in een Vlaams actieplan duurzaam wonen en bouwen. Een verdere integratie en afstemming van bijvoorbeeld subsidiekanalen, studies en beleidsvoorstellen is een absolute noodzaak. Het actieplan zal opgemaakt worden in een partnerschap tussen de overheid en de actoren (sector, ngo’s, kennisnetwerk, bedrijven …).
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Wonen20 De realisatie van het recht op wonen voor iedereen via een coherent en consistent woonbeleid staat centraal. We streven naar een woningmarkt met sterke deelmarkten en, waar nodig, gerichte overheidsondersteuning. De huur- en eigendomsmarkt moeten elk in gelijke mate garant staan voor kwaliteit, betaalbaarheid, woonzekerheid en beschikbaarheid. In het kader van de zesde staatshervorming krijgen de geregionaliseerde woonfiscaliteit en woninghuurwet een plaats in het Vlaamse woonbeleid en worden de middelen gericht op de grootste woonnoden. We heroriënteren de inspanningen naar de huursector, met een uitbreiding en renovatie van het aanbod aan sociale huurwoningen en een substantiële inhaalbeweging voor de private huursector. Voor de sociale huurmarkt moeten financiële middelen beschikbaar worden gesteld om de meerkosten voor de hogere energie-eisen te kunnen dragen (zowel voor het nieuwbouw- als het renovatieprogramma). De minimale investeringsvolumes om sociale woningen ter beschikking te stellen, worden opgetrokken in lijn met het groeipad, zoals bepaald in het grond- en pandenbeleid. In het kader van de toegenomen wachtlijsten is het bovendien essentieel dat de doelgroep van de sociale huisvesting wordt begrensd en dat er geen doorschuifoperaties meer plaatsvinden van doelgroepen tussen de verschillende beleidssectoren. Voor de private huursector moeten financiële middelen beschikbaar worden gesteld en wordt in stimulerende maatregelen voorzien, die zowel de huurder als de verhuurder ten goede komen. De woninghuurwet wordt in overleg met de stakeholders aangepast voor een aantal specifieke knelpunten, waaronder de huurwaarborgregeling. De middelen van de federale woonfiscaliteit worden traditioneel voornamelijk ingezet voor de eigendomssector. Een gedeeltelijke heroriëntering van de middelen naar de huursector is noodzakelijk aangezien de woonnoden er op dit moment het grootst zijn. De Vlaamse woonfiscaliteit en het Vlaamse woonbeleid worden geëvalueerd om overheidsmiddelen optimaal in te zetten ter verbetering van de woonsituatie van de meest woonbehoeftigen. Energie Elke Vlaming moet in 2020 in een energiezuinige woning wonen. De aandacht moet daarbij niet alleen gaan naar de technische aspecten, maar vooral naar de innovatie in het proces, naar nieuwe samenwerkingsvormen en naar de ontwikkeling van nieuwe concepten. We blijven inzetten op de uitvoering van de Europese richtlijn betreffende energie-efficiëntie, met in het bijzonder de langetermijnstrategie voor de renovatie van het gebouwenpark en de uitvoering van het actieplan bijna-energieneutrale gebouwen, dat vooral focust op de ondersteuning van een voorlopersbeleid. Daarnaast zal de Vlaamse overheid investeren in initiatieven die gericht zijn op een grootschalige grondige energierenovatie van het Vlaamse gebouwenbestand met bijzondere aandacht voor de private huurmarkt, kwetsbare gezinnen en woongebouwen in mede-eigendom. Een substantiële stabiele vraag naar grondige energierenovaties is essentieel om een breed aanbod te creëren en financiers en investeerders aan te trekken. Gerichte maatregelen maken dat aanbod aan energierenovatie toegankelijk voor kwetsbare gezinnen, zodat energiearmoede structureel wordt opgelost of vermeden. De invoering van energierenovatieverplichtingen wordt daarbij niet uitgesloten, rekening houdend met sociaal zwakkere doelgroepen. Met de invoering van de Vlaamse dakisolatienorm vanaf 2015 wordt een eerste bescheiden stap in die richting gezet.
20
Voor meer duiding bij dit voorstel zie Annex bij de bijdrage aan het regeerakkoord, te raadplegen op: https://www. wonenvlaanderen.be/ondersteuning_voor_professionelen/onderzoek_wonen_en_lange_termijnbeleid
Groen en dynamisch stedengewest
Bijzondere aandacht zal gaan naar een versnelde vernieuwing van het gebouwenbestand. Daarvoor zullen nieuwe financieringsinstrumenten worden ontwikkeld. Met de opmaak en uitvoering van een actieplan interne energiezorg willen we ook het energieverbruik van de Vlaamse overheid terugdringen.
Beleidsvoorstel 10:
Initiëren van een Vlaamse energietransitie Het energievraagstuk is wereldwijd een van de grootste maatschappelijke en economische uitdagingen. Energie is een basisbehoefte en een basisrecht. Maar de niet-hernieuwbare energiebronnen, zoals olie, gas en steenkool raken opgebruikt. Het welzijn van de mensen, de competitiviteit van onze industrie en het algemeen functioneren van onze maatschappij hangen af van veilige, verzekerde, duurzame en betaalbare energie. Een globaal transitieproces voor ons energiesysteem is nodig vanwege de dwingende uitdagingen, onder andere op het vlak van klimaatverandering, bevoorradingszekerheid, betaalbaarheid, energiearmoede en concurrentievermogen. Consumenten zullen zelf meer elektriciteit produceren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van zonnepanelen, windmolens of via warmte-krachtkoppeling. Het elektriciteitsnetwerk moet tweerichtingsverkeer ondersteunen en ook beter toelaten dat de productie interactief op de vraag wordt afgestemd. De bestaande elektriciteitsinfrastructuur moet worden omgebouwd tot een intelligent netwerk of smart grid. De opmaak van warmtekaarten en potentieelstudies moet uitwijzen waar de aanleg van warmtenetten kan worden bevorderd. We gaan voor een energietransitie waarbij economische, sociale en ecologische belangen optimaal met elkaar sporen. Vlaanderen wil daarin een voortrekkersrol spelen. Vlaanderen zet een energietransitie in naar een energiesysteem gebaseerd op hernieuwbare energie en streeft ernaar uiterlijk tegen 2050 zijn energiebehoefte zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie te halen en een slim elektriciteitsnetwerk uit te bouwen. Tijdens deze legislatuur zullen de concrete hernieuwbare energiedoelstellingen voor 2030 worden vastgelegd. De energie zelf willen we zo veel mogelijk in Vlaanderen zelf opwekken. Die ontwikkeling mag de energiekosten in Vlaanderen niet veel sterker doen stijgen dan in de landen die ons omringen. De energietransitie vraagt onder meer:
•• •• •• •• ••
een substantiële vermindering van de vraag naar energie zonder de basisbehoeften in het gedrang te brengen; vraag- en aanbodsturing door slimme netwerken en de opslag van energie; zowel technologische innovaties als de uitwerking van innovatieve beleidsstrategieën; een ruimtelijk energieplan dat hernieuwbare energie-installaties een plaats geeft in het druk bebouwde Vlaanderen; maatregelen en initiatieven om in de nodige infrastructuur te voorzien en de gewenste mix van hernieuwbare energietoepassingen (groene stroom, groene warmte, hernieuwbare energie in transport) te creëren.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
Ruimte voor hernieuwbare energie wordt in het dichtbevolkte Vlaanderen zo veel mogelijk multifunctioneel ingevuld, waarbij wordt ingezet op verweving en slimme functiecombinaties. De energiepotenties van landschappen, alsook de koppeling met de energievraag in een bepaald gebied, zijn, samen met de ontwerpopgave die ze met zich meebrengen, belangrijke aspecten die in elke relevante gebiedsontwikkeling mee in overweging moeten worden genomen. Op die manier wordt ernaar gestreefd de aanwezige potenties maximaal te valoriseren en energieke landschappen te realiseren, waarbij de energieproductie geïntegreerd is in het landschap en de functies die er aanwezig zijn. Via een ruimtelijk energieplan wordt daarvoor een passend kader uitgewerkt. Een slim net vergt slimme meters waarmee het verbruik en de productie van de consumenten opgevolgd en, waar nodig, gestuurd kunnen worden vanop afstand. De tarifering van het netwerkgebruik zal worden uitgebouwd tot een belangrijk beleidsinstrument, zowel aan de kant van de netbeheerders als aan de kant van de gebruiker. Het Vlaams Energiebedrijf krijgt de opdracht om voor de uitbouw van een slim net een maatschappelijk gedragen investeringsplan op te maken en de uitvoering ervan te coördineren.
Beleidsvoorstel 11:
Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en -kwantiteit De goede toestand van het oppervlaktewater en grondwater, zoals gevraagd door de kaderrichtlijn Water, is een bijzonder ambitieuze doelstelling voor Vlaanderen. De voornaamste hinderpalen liggen bij een teveel aan nutriënten, zuurstofbindende stoffen, pesticiden en andere milieugevaarlijke stoffen, in combinatie met de slechte structuurkwaliteit van veel waterlopen, het kwantitatieve beheer en historische verontreiniging (onder andere waterbodem). Het intens benutten van grondwater en oppervlaktewater in droge periodes verhoogt bovendien de impact van verontreiniging. Dat effect zal in de toekomst nog versterkt worden door de verwachte klimaatwijziging. Maatregelen en acties zullen worden opgenomen in de volgende stroomgebiedbeheerplannen (2016-2021). Europa heeft ook een evaluatie van het waterbeleid gemaakt (de ‘Blauwdruk’) en stelt een driesporenaanpak voor, waarbij de mogelijkheden van de bestaande wetgeving ten volle worden benut, de integratie in andere beleidsdomeinen wordt versterkt en de hiaten in het bestaande kader worden gedicht, zoals instrumenten om de waterefficiëntie te verhogen. Het generieke waterbeleid blijft cruciaal: rioleringen en waterzuivering, het mestactieplan, bufferstroken, erosiemaatregelen, milieuvergunningen (lozingsnormen, grondwateronttrekking enzovoort). Dat generieke beleid zal leiden tot een gestage verbetering van zowel grond- als oppervlaktewater. Drinkwaterlevering en afvalwatersanering moeten gegarandeerd blijven. Dat vereist onder meer de verdere uitbouw van het risicobeheer, de beheersing van de prijs voor water en de voorbereiding op de mogelijke gevolgen van een klimaatwijziging. Een cruciale voorwaarde om in een significant aantal oppervlakte- en grondwaterlichamen de goede toestand te bereiken, is de aanpak aanvullen met een gerichte inzet in specifieke gebieden. Die aanpak bouwt voort op de aanpak van de speerpuntgebieden en de herstelprogramma’s voor grondwaterlichamen in kwantitatief ontoereikende toestand uit de huidige stroomgebiedbeheerplannen. Het biedt de mogelijkheid tot en het voordeel van aangepast maatwerk: integratie van acties, winwinsituaties, grotere effecten. Het is belangrijk om samen met alle actoren gedragen oplossingen uit te werken en die tijdig te implementeren.
Groen en dynamisch stedengewest
Specifieke aandacht (zowel generiek als gebiedsgericht) gaat naar groenblauwe infrastructuur, zoals oeverzones, bufferstroken, schorren, wetlands, waterpartijen, overstromingsgebieden en dergelijke. Die bieden (milieu)baten op zeer veel gebieden: (ecologische) waterkwaliteit, beheer van wateroverlast en waterschaarste, buffer voor diffuse verontreinigingsprocessen en calamiteiten, watervoorziening, biodiversiteit, omgevingskwaliteit enzovoort. Aangepaste verweving met bijvoorbeeld recreatie en landbouw genereert bovendien baten buiten het milieuveld. Bovendien is die aanpak meestal voordelig op het vlak van kostenefficiëntie en robuustheid. Kwantiteit en kwaliteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in een watersysteem. Op generiek niveau zal werk gemaakt worden van het opstellen van waterbalansen en verdringingsreeksen, milieukwantiteitsdoelstellingen en ecological flow, prijsbeleid enzovoort. Gebiedsgericht wordt dat vertaald in minder watergebruik, het lokaal zoeken naar alternatieven, het implementeren van herstelprogramma’s voor grondwaterlichamen, aangepast peilbeheer en dergelijke. De financiering van het waterbeheer is een complex gegeven. Een onderbouwde visie op de langetermijnfinanciering van het waterbeheer en de kostentoerekening voor waterdiensten, maar ook een correctere, redelijke en billijke doorrekening van de werkelijke kosten van milieugebruik zijn nodig. Bij de uitwerking van een financieringsplan op lange termijn moeten de huidige instrumenten (bijvoorbeeld heffingen, subsidies), bestaande fondsen enzovoort geëvalueerd worden, en moeten mogelijke pistes voor een betere kostenterugwinning (bijvoorbeeld hemelwater) of alternatieve financiering uitgewerkt worden op basis van een analyse van de betaalbaarheid voor de doelgroepen en een vergroening van de economische instrumenten van het integraal waterbeleid, zodat gedragsverandering en innovatie gestimuleerd worden. Sensibilisatie, en waar nodig toezicht en handhaving, ondersteunen die gedragsverandering.
Beleidsvoorstel 12:
Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Onze watersystemen zijn niet altijd in balans: wateroverlast en verdroging zijn sprekende bewijzen daarvan. In het dichtbevolkte Vlaanderen is de ruimte die aan het watersysteem wordt gegeven, minimaal. Er is echter behoefte aan ruimte om water te infiltreren, vast te houden en te bergen. De toename van de verharde oppervlakken en bodemverdichting in Vlaanderen zorgen zowel voor een snellere afstroming als voor een verminderde infiltratie van het water. De effecten van droogte zullen in samenhang met effecten van te veel water beheerd moeten worden. De voorbije jaren is in Vlaanderen stilaan het besef gegroeid dat de huidige protectieve beleidsstrategie van vasthouden, bergen en afvoeren van waterlopen stroomopwaarts van het getijgebied een sterke visie blijft, maar onvoldoende is om de huidige en toekomstige overstromingsrisico’s het hoofd te bieden. Door protectieve, preventieve en paraatheidsverhogende maatregelen (3P’s) te combineren en door een gedeelde verantwoordelijkheid na te streven bij de betrokkenen (waterbeheerder, ruimtelijke ordening, crisisdiensten, burger en verzekeringssector) ontstaat geleidelijk een meerlaagse waterveiligheid.
••
Protectieve maatregelen werken in op de kans op overstromingen. Het concept van ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ blijft een van de pijlers voor het waterkwantiteitsbeheer. Ook de bouw van infrastructuur, zoals stuwen, pompstations, dijklichamen, strandsuppleties en zeedijken, kan een kostenefficiënte maatregel zijn. Door intelligente sturingssystemen te gebruiken, wordt de infrastructuur geoptimaliseerd.
02 / STRATEGISCHE BELEIDSVOORSTELLEN
••
Preventieve maatregelen werken structureel in op de gevolgschade van overstromingen. Dat kan via de vrijwaring van bepaalde gebieden van bebouwing, door overstromingsbestendige nieuwbouw te ontwerpen of door bestaande bebouwing te verbouwen. Via de watertoets worden schadelijke effecten van nieuwe plannen, programma’s en vergunningen vermeden. Preventie is cruciaal met het oog op uitdagingen, zoals klimaatverandering en bevolkingstoename.
••
Een sterke parate respons heeft ook tot gevolg dat de actuele schade ten gevolge van overstromingen kan worden beperkt. Voorspellingssystemen waarschuwen voor nakend onheil zodat burgers en hulp- en crisisdiensten proactief kunnen handelen. Verder zijn er nog bewustwordingscampagnes, gezamenlijke rampoefeningen …
De verschillende waterbeheerders en beleidsdomeinen werken nu al aan een adequate invulling van de diverse lagen, via bijvoorbeeld investeringsprojecten, de signaalgebieden, de watertoets, de portaalsite waterkwantiteitsdata enzovoort. De transitie naar een volledige meerlaagse veiligheid is echter een langdurig proces. De protectieve maatregelen kunnen binnen de bestaande instrumenten en afhankelijk van de budgetten op relatief korte termijn worden gerealiseerd. Ze zijn een voortzetting van het huidige beleid, met bijkomende toetsen op kostenefficiëntie en invloed van klimaatverandering. Het terrein van de preventieve maatregelen wordt een belangrijke uitdaging voor de komende jaren. Dat vergt de inzet van verschillende, aangepaste en vaak nieuwe flankerende beleidsinstrumenten, zoals erfdienstbaarheid en herverkaveling. Zolang de realisatie van het preventieve spoor niet voldoende voltooid is, blijven investeringen in paraatheid noodzakelijk, zelfs al lijkt het eerder een ad-hocbeleid. Overstromingen vanuit zee vormen een aparte problematiek. De Vlaamse kusthavens vormen daarbij de zwakste schakels. De realisatie van een voldoende hoge bescherming tegen stormen en overstromingen, gebundeld in het Masterplan Kustveiligheid, vormt een prioriteit in het Vlaamse beleid. Opportuniteiten voor het creëren van een veilige en veerkrachtige kust door het vooruitschuiven van de kustlijn worden onderzocht.
Beleidsvoorstel 13:
Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest Steeds meer verschillende overheden kopen grond aan in dezelfde gebieden om hun doelstellingen (instandhoudingsdoelstellingen, integraal waterbeleid, Sigma, infrastructuurprojecten, havenuitbreidingen) te realiseren. Daardoor ontstaat onduidelijkheid bij en mogelijke concurrentie tussen de betrokkenen. Een goed uitgebouwde grondmobiliteit maakt de Vlaamse projecten, plannen en programma’s meer actiegericht en zorgt voor een kostenefficiënte en transparante oplossing van acute knelpunten op het terrein (bijvoorbeeld de problematiek van nog niet ingevulde woongebieden in overstroombare zones).
Groen en dynamisch stedengewest
We maken werk van een goede organisatie van de grondmobiliteit met het oog op de realisatie van Vlaamse plannen, projecten en programma’s, met evenwaardige aandacht voor de diverse invalshoeken, zoals bescherming, investeringen en veiligheid. Dat doen we door:
•• •• •• ••
de grondmobiliteit in Vlaanderen efficiënt te organiseren, onder meer naar aanleiding van de regionalisering van de federale aankoopcomités door de zesde staatshervorming; de Vlaamse Grondenbank en een rollend fonds voor strategische grondaankopen verder te operationaliseren; een breed in te zetten instrumentenbox ‘grondmobiliteit’ te creëren in het kader van het decreet Landinrichting; te onderzoeken of het tot op heden gevoerde grondenbeleid vanuit de Vlaamse overheid de prijs van de gronden heeft beïnvloed.
Om eventuele knelpunten, veroorzaakt door bodemverontreiniging in het kader van grondmobiliteit, te vermijden, brengt de Vlaamse overheid systematisch in kaart op welk van haar gronden risico’s van bodemverontreiniging aanwezig zijn.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
De uitdagingen op het vlak van milieu, natuur, energie, materialen, ruimte, … blijven groot. Om een groen en dynamisch stedengewest en de doelstellingen van het PACT2020 te realiseren, moeten we op een klimaatvriendelijke wijze de milieu- en woonkwaliteit verhogen, de biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen bewaren en de risico’s beheersen. Er wordt daarbij geïnvesteerd in een groene infrastructuur en gemikt op een koolstofarme kringloopeconomie met hernieuwbare bronnen en meer milieuvriendelijke producten en diensten. De maatschappelijke zorg voor het leefmilieu wordt binnen alle lagen van de bevolking verhoogd. Zo’n ambitieus beleid, gestoeld op brede en urgente maatschappelijke uitdagingen, creëert ook kansen voor een groene, innoverende Vlaamse economie. De administratie pleit voor gerichte investeringen waarvan uitgegaan wordt dat die baten zullen opleveren op verschillende niveau’s (niveau van de Vlaams samenleving en de Vlaamse overheid als geheel, zowel op korte als op lange termijn). Elke investeringskost dient zorgvuldig te worden afgewogen, afhankelijk van de baat die daarmee naar de overheidswerking of samenleving terugkeert. Er zijn tal van randvoorwaarden die maken dat op vandaag de begrotingsimpact van de voorgestelde maatregelen moeilijk in te schatten valt. Toch werd hier getracht om een richtinggevende inschatting te maken van de budgettaire impact verbonden aan de uitvoering van de diverse beleidsvoorstellen.
1. Groene economie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van de meeste geformuleerde beleidsvoorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – grootteorde minder dan 500 k.euro per jaar
Idem
Groen en dynamisch stedengewest
Niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Wat betreft het voorstel om de staatshervorming aan te grijpen om het belastingstelsel in Vlaanderen te vergroenen heeft de politiek alle mogelijkheden om te beslissen tot meeropbrengsten of meeruitgaven. Dit kan via het verlagen van de uitgebreide opcentiemen voor de personenbelasting en het invoeren van nieuwe milieubelastingen of verhogen de bestaande milieubelastingen.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeropbrengsten of meeruitgaven te concretiseren via wijzigingen belastingstarieven
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Uitzondering op de regel van budgetneutraliteit is het voorstel om eco-innovaties te stimuleren. Het kanaliseren van middelen kan immers bijvoorbeeld uitgewerkt worden door het introduceren van een Groene obligatie Plus. Deze obligaties worden uitsluitend ingezet voor groene projecten. De plus wil zeggen dat de overheid deze obligaties ondersteunt om ze aantrekkelijker (en effectiever) te maken, zodat meer additionele middelen naar de groene economie georiënteerd worden dan bij een ‘klassieke’ groene obligatie. Uit lectuurstudies blijkt dat voor een obligatie die 1 miljard euro zou moeten ophalen een extra recurrent budget tussen 1 en 10 miljoen euro ingezet moet worden.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 1.000 – 10.000 k.euro (nieuw)
Idem
2. Naar een leefbare groene metropool Vlaanderen Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Met uitzondering van twee voorstellen, is de uitwerking van alle geformuleerde voorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE en ANB (programma’s LA-LD en MINAfonds) – grootteorde tussen 100.000 k.euro en 125.000 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Wat betreft het voorstel om de leefbaarheid van haar steden te verhogen door multifunctionele open ruimtes te creëren, is er wel sprake van een recurrente meerkost (2,5 mio euro) voor de gerichte inzet binnen VLM van de instrumenten landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+2.500 k.euro (+20% tov. huidig budget 2014 op programma’s LC en MINAfonds)
Idem
Tenslotte is er ook een meerkost om Vlaamse steden en gemeenten te stimuleren om zich te ontwikkelen in de richting van een ‘smart city’ waarbij één van de focuspunten het onderdeel ‘smart environment’ is. Om dit te realiseren moet de natuurlijke aantrekkelijkheid omhoog, de verontreiniging omlaag en moet er voldoende sprake zijn van milieubescherming en duurzaam bronbeheer. Ter stimulering van deze doelen zou het een absolute meerwaarde zijn om onder wedstrijdvorm gerichte projectsubsidies te voorzien (3 a 6 mio euro eenmalig).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
vork 3.000 – 6 .000 k.euro (nieuw)
0 (eenmalig)
3. Vergroening mobiliteit Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van de meeste geformuleerde voorstellen uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid. Bovendien heeft de politiek alle mogelijkheden om inzake sturende kilometerheffingen, heffingen op geluidsoverlast door luchtverkeer, of via vergroening van de verkeersbelastingen te beslissen tot meeropbrengsten of meeruitgaven.
Groen en dynamisch stedengewest
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van de departementen LNE en MOW (programma’s LA – MINAfonds VIF) - grootteorde tussen 40.000 k.euro en 60.000 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Wat betreft het ontwikkelen van een voorkomingsbeleid door integratie van gepaste instrumenten/ maatregelen in het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid en het woonbeleid en door overwogen keuzes bij de verdere uitbouw en inrichting van infrastructuur is er wel sprake van een budgettaire impact. Ter bestrijding en sanering van geluidsoverlast kan er politiek een recurrent budget voorzien worden van 10 mio euro (recurrent per jaar), dat extern gefinancierd kan worden op basis van luchtvaartheffingen, federaal in te voeren. Brussels-Nationaal had in 2013 bijna 20 miljoen passagiers. Een specifieke geluidheffing van 1 euro per vertrekkende passagier betekent een recurrente opbrengst van 10 miljoen euro per jaar.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 Meeropbrengsten of meeruitgaven te concretiseren via wijzigingen belastingstarieven
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het krachtdadig ondersteunen van de bouw en het gebruik van voertuigen op basis van alternatieve technologieën, in de eerste plaats elektrische voertuigen, zou gepaard met een recurrente meerkost van 16 mio euro per jaar. Dit extra budget kan dan ingezet worden voor het uitwerken van een Vlaams ondersteunend premiestelsel.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 +16.000 k.euro (nieuw)
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
4. Klimaat Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Vlaanderen dient een eigen traject uit te zetten om invulling te geven aan deze Europese strategie en de internationale akkoorden. De nadruk ligt daarbij op het verminderen van de emissies van broeikasgassen en een optimale afstemming met de doelstellingen en het beleid voor hernieuwbare energie en energiebesparing, het ruimtelijk beleid, het mobiliteitsbeleid, het landbouwbeleid, het woonbeleid, het innovatiebeleid e.d.m.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – minder dan 500 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het kortetermijnbeleid (2020) wordt versterkt en moet in lijn liggen met het lange termijn transitiepad. Bijkomende maatregelen zijn noodzakelijk voor het bereiken van de doelstellingen voor 2013-2020. Een belangrijke impuls daarbij is de uitwerking en operationalisering van een nieuw financieringskader binnen het Vlaams Klimaatfonds voor de periode 2015-2020. Op die manier kan cofinanciering vanuit het Vlaams klimaatfonds een hefboom vormen voor het ontwikkelen van beleidsinitiatieven. Op voorwaarde dat het grootste deel van het klimaatfonds hiervoor ingezet wordt, zal dit toelaten om op een kostenefficiënte manier significant bij te dragen aan de Vlaamse klimaatdoelstellingen. Dit moet bijkomend een hefboom zijn om vanuit de betrokken beleidsdomeinen nieuwe maatregelen te ontwikkelen en te financieren. Naast bijkomende inspanningen uit de algemene middelen (200 mio euro recurrent per jaar) is er hierbij ook een rol weggelegd voor innovatieve financieringsmechanismen (Vlaams Energiebedrijf, derdebetalersystemen,…) In de periode 2014-2019 zal de Vlaamse Regering duidelijkheid scheppen over de wijze van financiering van de gerelateerde financiële verplichtingen die op Vlaanderen afkomen. Wat betreft klimaat gaat het (bijkomend t.o.v. de lasten van de Kyoto-akkoorden) wereldwijd voorlopig over jaarlijks 100 miljard euro aan benodigde middelen voor de lange termijn Noord-Zuid solidariteitsfinanciering. Gelet op de omvang van de recurrent te voorziene bedragen (10 a 18 mio euro in periode 2014-2019, 100 a 170 mio euro vanaf 2020) zal er voor de Vlaamse engagementen een financieringskanaal los van het Vlaamse klimaatfonds gevonden moeten worden.
Groen en dynamisch stedengewest
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 210.000 – 218.000 k.euro (+100% tov. totale budgetten 2014 verspreid over LNE-OV-RWO-MOWEWI-…)
Vork 210.000 – 218.000 k.euro in 2014-2019; Vork 300.000 – 370.000 k.euro vanaf 2020
Budgettaire uitgave (in Keuro)
De start met de ontwikkeling van beleidsinstrumenten voor het faciliteren van afvang en transport van CO2 (focus op financieringsinstrumenten) met het oog op de geologische opslag ervan in het buitenland (Carbon Capture and Storage) en het gebruik ervan in productieprocessen (Carbon Capture Use and Storage) gaat gepaard met een recurrente meervraag van 2 mio euro, waarbij deze middelen versterkt worden via Europese cofinanciering.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
2.000 k.euro (nieuw)
Idem
5. Milieuvriendelijke consumptie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De uitwerking van bijna ieder geformuleerd voorstel uit dit luik is in regel opvangbaar binnen de beschikbare kredieten binnen constant beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de apparaatskredieten en beleidskredieten van het departement LNE (programma’s LA en MINAfonds) – minder dan 1.000 k.euro
Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Uitzondering op de regel van budgetneutraliteit is het voorstel tot het opmaken en communiceren van een milieu productprofiel (1 mio euro recurrente meerkost).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
1.000 (+60% tov. huidig studiebudget 2014)
Idem
6. Duurzaam materialenbeheer Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De uitbouw van het beleid rond dit thema gaat gepaard met de vraag tot significante extra budgetten voor OVAM. Wat betreft het beleidsprogramma bouw gaat de aandacht met de inzet van gemiddeld jaarlijks 0,65 mio euro vooral naar het stimuleren van duurzaam ontwerp en het gebruik van de materialenmethodiek, naar selectieve sloop en het verhogen van de afzet van hoogwaardige gerecycleerde granulaten. Het uitfaseringsprogramma voor asbest en asbesthoudende materialen om milieu- en gezondheidsrisico’s te verminderen, renovatie en stedelijke herontwikkeling te faciliteren en de kosten voor afbraak van oude gebouwen uit landbouw en KMO draaglijk te maken, betekent een extra investering van 10,8 mio euro vanaf 2018). De introductie van Enhanced Landfill Mining, een duurzaam voorraadbeheer van stortplaatsen, vergt eveneens een extra jaarlijks budget van 1,2 mio euro. Het voorzien van specifieke ondersteuning voor duurzaam materialenbeheer bij de lokale besturen betekent een meerkost van jaarlijks 2,8 miljoen euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
4.412 k.euro (+11% tov. huidig afvalen materialen-budget 2014 OVAM)
15.726 k.euro
7. Duurzaam bodembeheer Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Voor de oprichting van een stookolietankfonds is er geen budgettaire meervraag indien er politiek in een overheveling van middelen van de bestaande vzw BOFAS kan worden voorzien.
Groen en dynamisch stedengewest
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via overheveling BOFAS-middelen – in 2014 geen budget voorzien
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Voor dit beleidsthema zijn er eveneens significante meervragen binnen OVAM. Voor de onderzoeken en eventuele sanering van waterbodems wordt jaarlijks een gemiddelde meerkost van 3,4 mio euro voorzien (waarvan jaarlijks 5,5 mio euro vanaf 2018). Het opnemen van de rol van huissaneerder voor andere overheden kost jaarlijks gemiddeld 0,5 mio euro en daarbovenop eenmalig (in 2018) 4,5 mio. Voor het onderzoek naar vrijstellingen van de onderzoeksplicht voor particulieren dient jaarlijks gemiddeld 2,6 mio euro voorzien te worden waarvan jaarlijks 3,3 mio euro vanaf 2017. Voor de handhaving in geval van grondverzet gaat het om de recurrente bijkomende inzet van 1,4 mio euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
3.584 k.euro (+7% tov. huidig bodem-budget 2014 OVAM)
11.020 k.euro
8. Gerichte realisatie van Europese natuurdoelen Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Het behalen van de Europese natuurdoelstellingen vergt de inzet van significante budgetten. Via het gericht focussen en inzetten van de beschikbare middelen binnen de Vlaamse overheid kan het grootste deel van meerkost nog binnen de beschikbare Vlaamse kredieten opgevangen worden. Hierbij geldt dan de notie constant beleid waarbij kostendrijvers als het aantal aan te kopen. Desalniettemin zijn er extra recurrente budgetten (17,9 mio per jaar waarvan 12,3 mio ANB en 5,6 mio INBO) nodig voor de uitvoering van een sluitend Natura 2000 Programma (inclusief aanmaak bijhorende databank passende beoordeling) met de uitvoering van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en de daarbij geldende instandhoudingsdoelstellingen (IHD). Voor 35 Europees beschermde soorten wordt ingezet op de opmaak van soortbeschermingsprogramma’s. Voor invasieve en abundante soorten (o.a. everzwijn) wordt nagegaan of ze een negatieve impact hebben en worden waar nodig beheermaatregelen voorgesteld. In totaal is hiervoor na prioritering van de beschikbare middelen nog een bijkomend recurrent budget van 1,5 mio euro te voorzien. Hierbij is wel een mogelijkheid tot recuperatie van 0,5 mio euro extra inkomsten door recuperatie van de inkomsten van de verkoop van jachtverloven in een jachtfonds.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Voor de volledige realisatie van de 2010 en 2015 projecten van het geactualiseerd Sigmaplan (Scheldeverdragen) en van de natuurcompensaties op LinkerSchelde-oever en RechterSchelde-oever is voor de periode 2014 – 2020 ca. 72 mio euro nodig. Uitgaande van een minimale realisatiegraad van 75 % (55 mio euro) en rekening houdende met de inzet van een recurrent budget van 5 mio euro per jaar door het ANB voor Sigma en van 1,5 mio euro door meekoppeling met de instandhoudingsdoelstellingen en de soortenbeschermingsprogramma’s, is nog een gemiddeld recurrent budget nodig van 1,5 mio euro per jaar.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.900 k.euro (+28% tov huidig INBO (programma LA en LD) en ANB budget MINAfonds)
Idem
De prioritaire inspanningen betreffende milieucondities worden geconcretiseerd en toegewezen aan de bevoegde overheden en administraties. Een ondersteunend instrument moet initiatiefnemers zoveel mogelijk ontlasten bij de opmaak van een passende beoordeling. Voor verzurende en vermestende deposities wordt een programmatische aanpak ontwikkeld, die een ecologische oplossing koppelt aan economische ontwikkelruimte. Om deze inspanningen te kunnen concretiseren, dient eenmalig een budget van 6,5 mio euro voorzien te worden verdeeld over 2015 en 2016 voor de uitvoering van gebiedsgerichte ecohydrologische studies.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
6.500 k.euro (+12% tov. huidig ANB budget MINAfonds)
0 (eenmalig)
9. Wonen en (ver)bouwen De zesde staatshervorming maakt de financiering van het beleidsthema duurzaam wonen en (ver)bouwen in Vlaanderen een van de grootste uitdagingen voor de Vlaamse Regering. Het financiële bereik van het Vlaamse woonbeleid zal verviervoudigen, van 600 miljoen euro tot bijna 2,4 miljard euro. Die middelen zullen echter ontoereikend zijn, zelfs zonder de saneringsbijdrage, om het bestaande Vlaamse en federale beleid onverkort voort te zetten. Daarom hebben we ervoor gekozen om de strategische voorstellen zo veel mogelijk uit te werken zonder de kosten voor de overheid te laten oplopen. Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De meerkost van de geformuleerde beleidsgerichte voorstellen uit het transitietraject duurzaam wonen en bouwen situeert zich voornamelijk bij de uitbouw van meer innovatie- en experimenteerruimte (3,2 mio euro recurrent voor ondersteuning voorbeeldprojecten). Hiernaast dient er ook bijkomend 0,4 mio euro recurrent voorzien te worden voor het transitienetwerk DUWOBO voor het departement DAR.
Groen en dynamisch stedengewest
Voor de sociale huurmarkt moeten echter bijkomende financiële middelen (35 mio euro recurrent) beschikbaar worden gesteld om de meerkosten voor de hogere energie-eisen te kunnen dragen en toe te werken naar de doelstellingen van het energierenovatieprogramma 2020 . Voor de stimulatie van de private huursector moeten begeleidende maatregelen worden voorzien, die zowel de huurder als de verhuurder ten goede komen. Een eerste stap daarin kan bestaan in de uitbreiding van het huurpremiestelsel (30 mio euro recurrent op kruissnelheid). Om de woninghuurwet in overleg met de stakeholders aan te passen voor een aantal specifieke knelpunten, waaronder de huurwaarborgregeling, dient een expertisecel binnen het Agentschap Wonen-Vlaanderen uitgebouwd te worden (0,3 mio euro), terwijl er geen personeelsoverdrachten worden verwacht.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 68.900 k.euro (+11,5% tov budget 2014 voor 6° SHV)
Idem
Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd De minimale investeringsvolumes om sociale woningen ter beschikking te stellen, worden opgetrokken in lijn met het groeipad, zoals bepaald in het grond- en pandenbeleid en voorzien in de meerjarenbegroting. Een gedeeltelijke heroriëntering van de middelen van de federale woonfiscaliteit is noodzakelijk gegeven de woonnoden van het moment. Het budget van de woonbonus is expansief. Bij onverkorte verderzetting van de huidige regeling zal het tekort in de volgende legislatuur jaar na jaar aangroeien. Er moet over worden gewaakt dat het binnen de perken blijft. Dat kan door gericht in te grijpen en de strategische doelstellingen van het woonbeleid als maatstaf te blijven hanteren. Het geraamde budget voor de woonfiscaliteit op kruissnelheid kan afhankelijk van de doorgevoerde heroriëntering variëren tussen een besparing van 400 mio euro en een meerkost van 500 mio euro. Daarom wordt in onderstaande tabel uitgegaan van een budgetneutraal scenario, behoudens voor de uitbouw van een expertisecel binnen het Agentschap Wonen-Vlaanderen (0,2 mio euro vermits geen personeelsoverdrachten worden verwacht).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van beleidsveld Wonen – tussen 600.000 en 650.000 k.euro
Idem
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Voor het stimuleren van initiatieven die gericht zijn op een grootschalige grondige energierenovatie van het Vlaamse gebouwenbestand en voor de versnelde vernieuwing van het gebouwenbestand kan ter financiering het principe van de openbaredienstverplichtingen toegepast worden. Bij deze werkwijze heeft de politiek alle mogelijkheden om de meerkosten te laten verrekenen in de elektriciteitsprijzen, en zodoende zelf te beslissen over het eigen aandeel in de meeruitgaven.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via openbaredienstverplichtingen
Idem
10. Energietransitie Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Voor het concretiseren van (de eerste stappen richting) de energietransitie naar een energiesysteem gebaseerd op hernieuwbare energie en de uitbouw van een slim elektriciteitsnetwerk kan ter financiering eveneens het principe van de openbaredienstverplichtingen toegepast worden, waarbij de politiek alle mogelijkheden heeft om de meerkosten dus te laten verrekenen in de elektriciteitsprijzen, en zodoende zelf te beslissen over het eigen aandeel in de meeruitgaven.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meeruitgaven te compenseren via openbaredienst-verplichtingen
Idem
Wat betreft de uitbouw van de tarifering van het netwerkgebruik tot een belangrijk beleidsinstrument is er sprake van een meerkost van jaarlijks 1,2 mio euro om de VREG de mogelijkheid te geven deze nieuwe bevoegdheid op te nemen. Aangezien via de 6e staatshervorming er hiertoe geen budgetten zouden overkomen, dienen deze voorzien te worden in de meerjarenbegroting 2014-2019.
11. Gebiedsgericht investeren in goede waterkwaliteit en kwantiteit Niet-budgetneutraal maar kan (deels) gefinancierd worden via een mogelijke extra ontvangst (belasting, retributie, gebruikersbijdrage, …) Het generieke waterbeleid blijft cruciaal: rioleringen en waterzuivering, het mestactieplan, bufferstroken, erosiemaatregelen, milieuvergunningen (lozingsnormen, grondwateronttrekking e.a.)
Groen en dynamisch stedengewest
etc. Drinkwaterlevering en afvalwatersanering moeten gegarandeerd blijven, evenals de noodzakelijke slibruimingen. Een bijkomend recurrent budget van 15 mio euro is hiervoor noodzakelijk, waarbij 10 mio bestemd is voor de ondersteuning van de investeringen in gemeentelijke rioleringen (resulterend in een totaal jaarlijks budget van 129 mio euro) en 5 mio euro voor slibruimingen. Een cruciale voorwaarde om in een significant aantal waterlichamen de goede toestand te bereiken is om deze aanpak aan te vullen met een gerichte inzet in specifieke gebieden. Deze aanpak bouwt verder op de aanpak via speerpuntgebieden uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2010-2015 en de herstelprogramma’s voor grondwater. De kostprijs van de maatregelen en acties die zullen worden opgenomen in het kader van de volgende stroomgebiedbeheerplannen (SGBP 2016-2021) zijn zeer moeilijk te begroten, vooral gegeven de betrokkenheid van een veelheid aan actoren (VMM, ANB, VLM, MOW, ... maar ook lokale overheden en stakeholders). Momenteel (april 2014) wordt, op basis van de door de CIW voorbereide teksten, vanaf 2016 de jaarlijkse meerkost voor de Vlaamse Overheid voor de uitvoering van het maatregelenprogramma van de SGBP ingeschat op 20 à 31 mio euro voor gebiedsgerichte acties en bijhorend ondersteunend beleid. Voor de sanering van historisch verontreinigde waterbodems is jaarlijks een budget van 19-36 mio euro nodig. Gezien de mogelijke overlap met “duurzaam bodembeleid”, de meervraag voor ruiming en met de verdere uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak, wordt hiervoor in de onderstaande tabel echter geen bedrag weerhouden. Een “redelijke bijdrage in de kosten” en het principe “de vervuiler betaalt” zijn 2 centrale principes van het integraal waterbeleid. In kader van de stroomgebiedbeheerplannen dient de toepassing geëvalueerd te worden (bv. hemelwater) en waar nodig bijgestuurd. In de kader zal de Europese rechtspraak aangaande de “waterdiensten” meebepalend zijn.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
15.000 k.euro (+5% tov. het totale referentiebudget voor gebiedsgerichte (water) investeringen bij MOW, LNE e.a.
Vork 35 000 - 46 000 k.euro.
12. Beheer overstromingsrisico’s via meerlaagse waterveiligheid Kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd Overstromingen altijd en overal uitsluiten is onmogelijk. Het beleid en beheer staat daarom in het teken van bescherming tegen onverantwoorde schade, waarbij budgettair van het principe uitgegaan wordt dat mits goede prioritering van de beschikbare middelen er geen budgettaire meervraag nodig is.
03 / Raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van VMM (programma LC, LD en MINAfonds) – grootteorde tussen 10.000 en 20.000 k.euro
Idem
Overstromingen vanuit zee vormen een aparte problematiek. De uitvoering van het Masterplan Kustveiligheid voor wat betreft de zachte maatregelen kan binnen de huidige kredieten van MOW worden uitgevoerd (6,5 mio euro).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Voorzien in de referentiebudgetten van MOW (programma VIF) – grootteorde 6.500 k.euro
Idem
Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag Voor de uitvoering van de harde maatregelen uit het Masterplan Kustveiligheid is voor MOW in 2015 een bijkomend budget nodig van 70,150 mio euro.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+70.150 k.euro (+10% tov totale VIF-budget 2014)
Idem
Groen en dynamisch stedengewest
13. Grond: van belemmerende naar stimulerende factor voor een groen stedengewest Niet-budgetneutraal en vraagt een meerkost / budgettaire meervraag De gerelateerde geplande operationalisering van een nieuw rollend fonds voor strategische grondaankopen gaat gepaard met een jaarlijkse meerkost van 2,5 mio euro bij VLM.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
2.500 (+20% tov. ESRuitgavenbudget VLM Grondenbank
Idem.