Skip to main content

Eindrapport studie Handhavingsrapport Omgeving.pdf

Page 1

INHOUD EN OPMAAK HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING

EINDRAPPORT

1 DECEMBER 2018

Prof Dr Kurt Deketelaere Voorzitter Sustainability College Bruges Brugge, 1 december 2018

1


INHOUDSTAFEL

Samenvatting, p6

Inleiding, p8

Deel I Voorafgaand aan de opstelling van een eerste Handhavingsrapport Omgeving, p10

A. Inleiding, p10

B. De decretale verankering van het Handhavingsprogramma Omgeving en het Handhavingsrapport Omgeving, p11

C. De opmaak van een Handhavingsprogramma Omgeving, p15

D. De bepaling van Kernprioriteiten Handhaving in het Handhavingsprogramma Omgeving, p16

E. De bepaling van een representatief staal van gemeenten, steden en politiezones, p19

F. De aanpassing van de bevragingsfiches, p20

2


G. De vormgeving van het overleg met de handhavingsactoren, p21

Deel II De bevragingsfiches voor de handhavingsactoren, p22

A. Inleiding, p22

B. Bevragingsfiches inzake het handhavingsbeleid zoals gevoerd door lokale handhavingsactoren, p25

1. Lokale Politie, p25 2. Steden en Gemeenten, p28 3. Intergemeentelijke Verenigingen, p31 4. Provincies, p34

C. Bevragingsfiches inzake het handhavingsbeleid zoals gevoerd door gewestelijke handhavingsactoren, p37

1. Gewestelijke toezichthouders leefmilieu en gewestelijke verbalisanten/ inspecteurs ruimtelijke ordening, p37 2. Gewestelijke Beboetingsentiteit, p40 3. Handhavingscollege, p40 3


4. Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, p41

D. Bevragingsfiches inzake het handhavingsbeleid zoals gevoerd door federale handhavingsactoren, p41

1. Federale Politie, p41 2. Parketten, p42

Deel III De vormgeving van representatieve stalen, p44

A. Inleiding, p44

B. Steden en Gemeenten, p44

C. Politiezones, p48

Deel IV Het overleg met de diverse handhavingsactoren, p52

A. Inleiding, p52

B. Politiezones, p55 4


C. Steden en Gemeenten, p57

D. Intergemeentelijke Verenigingen, p59

E. Provincies, p61

F. Gewestelijke Actoren, p62

1. Inleiding, p63 2. Departement Omgeving, p63 3. Agentschappen, p65 4. Gewestelijke Beboetingsentiteit, p68 5. Handhavingscollege, p69 6. Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, p70

G. Federale actoren, p72

1. Federale Politie, p72 2. Parketten, p73

5


H. Write Up, p75

Deel V Het vaststellen van en rapporteren over Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, p77

A. Inleiding, p77

B. Het vaststellen van kernprioriteiten, p77

C. Het rapporteren over kernprioriteiten, p79

Deel VI Tijdslijn voor de opmaak van het eerste Handhavingsrapport, p81

Deel VII Mogelijk draaiboek voor de opstelling van de toekomstige handhavingsrapporten omgeving, p84

Slot, p92

6


SAMENVATTING

In dit eindrapport van het onderzoekproject “Inhoud en Opmaak Handhavingsrapport Omgeving� wordt het traject van de totstandkoming van het Handhavingsrapport Omgeving onderzocht. Tevens wordt een draaiboek voor de opmaak van een Handhavingsrapport Omgeving voorgesteld.

Na een Inleiding, schetst Deel I wat voorafgaand aan de opstelling van het eerste Handhavingsrapport Omgeving nog moet gebeuren : (1) de verankering van het Handhavingsrapport Omgeving en het Handhavingsprogramma Omgeving in het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM) en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO); (2) de opmaak van een Handhavingsprogramma Omgeving; (3) de bepaling van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening in het Handhavingsprogramma Omgeving; (4) de bepaling van een representatief staal van gemeenten, steden en politiezones, in overleg met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de Vaste Commissie van de Lokale Politie (VCLP); (5) de aanpassing van de bevragingsfiches voor de diverse handhavingsactoren; en (6) de vormgeving van het overleg met de diverse handhavingsactoren.

Deel II gaat nader in op de bevragingsfiches voor de handhavingsactoren : voor de meeste handhavingsactoren worden nieuwe bevragingsfiches opgenomen, opgemaakt conform de uitgangspunten en conclusies van de eerste twee Voortgangsrapporten. Een beperkt aantal bestaande bevragingsfiches wordt behouden of slechts beperkt aangepast.

7


Deel III geeft aan hoe de vormgeving van de representatieve stalen van steden, gemeenten en politiezones kan gebeuren. In plaats van alle steden, gemeenten en politiezones nog te bevragen, zullen deze representatieve stalen anders en diepgaander bevraagd worden inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening.

Deel IV licht het overleg met de diverse handhavingsactoren toe, zowel voorafgaand aan de bevraging als volgend op de bevraging. Het overleg met en de duiding door de handhavingsactoren is essentieel voor een goed begrip van het gevoerde handhavingsbeleid en de via de bevraging verkregen resultaten. Het overleg focust op “wie, wanneer, waarover” : met wie moet de VHRM spreken, wanneer moet de VHRM dat doen, en waarover moet de VHRM dat doen.

Deel V gaat in op de toekomstige rapportering inzake de realisatie van de vastgestelde Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening : vooraleer kan gerapporteerd worden, moeten die Kernprioriteiten eerst worden vastgesteld. Hoe gebeurt dat ? En éénmaal vastgesteld, hoe moet er dan gerapporteerd worden over de realisatie ervan ?

Deel VI schetst een tijdslijn voor de opmaak van het eerste Handhavingsrapport Omgeving. Welke stappen moeten wanneer worden gezet en door wie ?

Voorafgaand aan het Slot, bevat Deel VII een mogelijk draaiboek voor de opstelling van de toekomstige Handhavingsrapporten Omgeving.

8


INLEIDING

1. Bij beslissing van 26 maart 2018 is Sustainability College Bruges (SCB) door het Vlaamse Gewest belast met de overheidsopdracht “Inhoud en Opmaak Handhavingsrapport Omgeving”.

2. Onder opvolging van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM) moet de studie binnen een periode van zeven maanden resulteren in haalbare en realistische voorstellen tot : “1. Optimale inhoud rapport - een concreet voorstel over de optimale inhoud van de rapportering op basis van een inhoudelijke analyse (een analyse en afbakening van de inhoud van het geïntegreerd Handhavingsrapport Omgeving); 2. Raadpleging bestaande gegevens/gebruik van andere gegevensdragers; 3. Bevraging en betrokkenheid actoren - een voorstel voor de concrete praktische vraagstelling aan de verschillende handhavingsactoren op basis van een inhoudelijke analyse; incl. plaats hierin van gegevensregistratie door deze actoren; 4. Verwerking gegevens en hoe hieruit (semi-automatisch) analyses en conclusies volgen - een voorstel tot verwerking van de verzamelde gegevens (met onder meer uitfiltering van dubbele elementen); 5. Aanpassing regelgeving indien nodig met het oog op de optimalisatie van de inhoud van het handhavingsrapport.”

3. In een eerste fase van de werkzaamheden werd de inhoud van het handhavingsrapport afgebakend. Deze afbakening werd in nauw overleg met de begeleidingscommissie gevoerd en werd, vooraleer de tweede fase werd aangevat, voorgelegd en besproken met de plenaire vergadering van de VHRM. De begeleidingscommissie en de VHRM hebben, mits enkele bedenkin-

9


gen voor het verdere verloop van de studie, hun goedkeuring gehecht aan het voorgestelde traject. In een tweede fase werd de vertaling gedaan van de resultaten van de analyse in de eerste fase, naar de benodigde data, de verkrijging en de verwerking ervan. De analyse van deze tweede fase vond in nauw overleg plaats met de begeleidingscommissie. De begeleidingscommissie gaf uitdrukkelijk de opdracht dat de analyses op een onafhankelijke wijze dienden te worden uitgevoerd. Doorheen de loop van de tekst in deel I wordt daarom expliciet aangegeven waarom bepaalde voorstellen en bemerkingen, geformuleerd in fase 1 en fase 2, al dan niet werden opgenomen in de verdere analyse. In deze laatste fase wordt nu het traject van de totstandkoming van het handhavingsrapport onderzocht en een voorstel tot sjabloon handhavingsrapport Omgeving als gevraagd resultaat van de studie gepresenteerd. 4. Conform het bestek moet na afloop van deze derde fase de opdrachtnemer voorafgaand aan de definitieve oplevering de resultaten van de studie presenteren aan de plenaire vergadering van de VHRM. Dit gebeurt op 19 november 2018. De tussentijdse voortgang van fase 3 van de studie werd gepresenteerd aan de begeleidingscommissie op 12 oktober 2018. Voorliggend document is het eindrapport. 5. Deel I schetst wat voorafgaand aan de opstelling van een eerste Handhavingsrapport Omgeving moet gebeuren. Daarna gaat Deel II nader in op de bevragingsfiches voor de handhavingsactoren, Deel III op de vormgeving van de representatieve stalen, Deel IV op het overleg met de diverse handhavingsactoren, en Deel V op het vaststellen van en rapporteren over kernprioriteiten handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Deel VI schetst een tijdslijn voor de opmaak van het eerste Handhavingsrapport Omgeving, en Deel VII bevat een mogelijk draaiboek voor de opstelling van de toekomstige Handhavingsrapporten Omgeving.

10


DEEL I VOORAFGAAND AAN DE OPSTELLING VAN EEN EERSTE HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING

A. INLEIDING

6. In het kader van deze studie wordt er van uit gegaan dat een eerste Handhavingsrapport Omgeving wordt opgesteld in 2020, rapporterend over de handhavingspraktijk van 2018/2019 (cf tijdslijn in Deel VI). Teneinde dit te kunnen doen, moeten voorafgaandelijk nog een aantal zaken worden gerealiseerd. Daarbij moet/kan gedacht worden aan :

(1) de verankering van het Handhavingsrapport Omgeving en het Handhavingsprogramma Omgeving in het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM) en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO); (2) de opmaak van een Handhavingsprogramma Omgeving; (3) de bepaling van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening in het Handhavingsprogramma Omgeving; (4) de bepaling van een representatief staal van gemeenten, steden en politiezones, in overleg met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de Vaste Commissie van de Lokale Politie (VCLP); (5) de aanpassing van de bevragingsfiches voor de diverse handhavingsactoren; (6) de vormgeving van het overleg met de diverse handhavingsactoren.

11


7. Op elk van deze elementen wordt hierna nader ingegaan. Vooraleer dit te doen is het goed nog even in herinnering te brengen wat in het tweede Voortgangsrapport werd geschreven inzake het toekomstig Handhavingsrapport Omgeving :

“15. In diezelfde optiek past het hier reeds een voorstel te doen over hoe een handhavingsrapport er inhoudelijk zou kunnen uitzien post 2020, wetende dat de rapportering dan enkel nog om het andere jaar zal gebeuren (jaar 1, jaar 3, jaar 5 van het (hopelijk tegen dan besliste) handhavingsprogramma Omgeving). Rapportering over de basisgegevens inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening zal daarbij het belangrijkste onderdeel zijn en blijven : zoals hierna zal blijken wordt onder “basisgegevens” verstaan het aantal voor handhaving ingezette mensen, het aantal door die mensen uitgevoerde controles, en het gebruik van handhavingsinstrumenten door die mensen. Deze gegevens blijven in hun eenvoud cruciaal voor de evaluatie en de evolutie van het handhavingsbeleid. Bedoeling moet echter zijn dat de cijfers zelf niet meer de kern van het rapport zijn, zoals nu het geval is (en dus eerder in bijlage van de tekst kunnen/moeten worden opgenomen), maar wel de basis vormen van een verhaal (eventueel per handhavingsactor) dat het door de handhavingsactoren gevoerde handhavingsbeleid beschrijft, verklaart en illustreert. Een verhaal dat niet noodzakelijkerwijze alleen door de VHRM zelf moet worden geschreven, maar evenzeer in co-auteurschap met de betrokken handhavingsactoren kan worden opgemaakt. Voorstelling van de verzamelde basisgegevens op narratieve wijze, met duiding en met illustraties, eventueel geflankeerd of gedragen door een interview met een vertegenwoordiger van één of meer handhavingsactoren, moet de nieuwe “look & feel” van het handhavingsrapport worden. De directe betrokkenheid van de handhavingsactoren betekent natuurlijk niet dat de schets van een globaal beeld of het doen van generalistische uitspraken over de handhavingsactoren heen, zou worden verlaten, integendeel : de deelverhalen moeten het globaal verhaal versterken en illustreren. Die betrokkenheid betekent ook niet dat kritiekloze goed nieuws-verhalen zouden kunnen gebracht worden : de plenaire VHRM moet en zal hier een constructief-kritische rol blijven spelen, zoals in het verleden. Naast de rapportering van de basisgegevens “nieuwe stijl” komt dan, in de mate dat die dan al zijn bepaald in het toekomstig handhavingsprogramma (cf de “cyclische” benadering zoals vooropgesteld in het eerste voortgangsrapport), de rapportering over de realisering van een aantal kernprioriteiten van het Vlaams handhavingsbeleid omgeving.”

B. DE DECRETALE VERANKERING VAN HET HANDHAVINGSPROGRAMMA OMGEVING EN HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING

12


8. In het eerste Voortgangsrapport werd het decretale kader (DABM en VCRO) inzake de handhavingsprogramma’s (HHP) geschetst. Zoals bekend “coördineert” de VHRM de opmaak van een vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma en een handhavingsprogramma ruimtelijke ordening. Beide programma’s lopen binnenkort (2020) af, dus kan er worden van uitgegaan dat de voorbereiding van nieuwe HHP reeds is opgestart, conform de procedures zoals vastgesteld in het DABM (art 16.2.4) en de VCRO (art 6.1.3). Vanuit dat perspectief, en gelet op het “omgevings”-denken, stelt SCB voor de huidige bepalingen en procedures inzake de HHP te behouden maar decretaal te voorzien dat ze elk (leefmilieu en ruimtelijke ordening) een onderdeel zijn van het Handhavingsprogramma Omgeving. Dat Handhavingsprogramma Omgeving zou dan bestaan uit (deel I) het HHP Leefmilieu, (deel II) het HHP Ruimtelijke Ordening, en (deel III) de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening (cf art 16.2.6 DABM inzake de bevoegdheden van de VHRM).

9. Daarvoor zou art 16.2.4, lid 4 DABM moeten worden vervangen door de volgende bepalingen: “Het door de Vlaamse Regering goedgekeurd Milieuhandhavingsprogramma is deel I van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving. Het door het Vlaams Parlement goedgekeurd Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening is deel II van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving. Deel III van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving zijn de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering, op voorstel van de VHRM. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling, de verspreiding en de actualisering van het Handhavingsprogramma Omgeving en zijn drie onderdelen. De Vlaamse Regering kan eveneens nadere regels vaststellen voor de afstemming van het Handhavingsprogramma Omgeving en zijn drie onderdelen, met andere beleidsdocumenten.” 1

1

De bepalingen van artikel 5 van het Milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008

13


10. In art 6.1.3, §1 VCRO moet lid 7 dan vervangen worden door een gelijkaardige bepaling, die stelt : “Het door het Vlaams Parlement goedgekeurd Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening is deel II van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving. Het door de Vlaamse Regering goedgekeurd Milieuhandhavingsprogramma is deel I van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving. Deel III van het Vlaams Handhavingsprogramma Omgeving zijn de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering, op voorstel van de VHRM. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling, de verspreiding en de actualisering van het Handhavingsprogramma Omgeving en zijn drie onderdelen. De Vlaamse Regering kan eveneens nadere regels vaststellen voor de afstemming van het Handhavingsprogramma Omgeving en zijn drie onderdelen, met andere beleidsdocumenten.”

11. In het eerste Voortgangsrapport werd eveneens het decretale kader (DABM en VCRO) inzake de handhavingsrapporten (HHR) geschetst. Zoals bekend stelt de VHRM jaarlijks een milieuhandhavingrapport én een handhavingsrapport ruimtelijke ordening op. Gelet op de iden-

(“§ 1. Op basis van strategische en operationele doelstellingen, onder meer opgenomen in de beleidsnota, maakt de Raad een vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma op. Dit programma bevat ten minste: 1° handhavingsprioriteiten van de handhavingsinstanties, gebundeld onder de coördinatie van de Raad; 2° overkoepelende aanbevelingen van de Raad met betrekking tot de strategische en de operationele doelstellingen betreffende het gewestelijke, provinciale en gemeentelijke milieuhandhavingsbeleid; 3° strategische en operationele doelstellingen met betrekking tot de taken en de werkzaamheden van de Raad. § 2. De vaste secretaris van de Raad plaatst het goedgekeurde vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma op de website van de Raad. § 3. De Raad kan het vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma jaarlijks evalueren en, indien vereist, tussentijds actualiseren op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering of het Vlaams Parlement.”) moeten dan eventueel worden aangepast.

14


tieke, decretaal vastgelegde, inhoudsvereisten voor beide HHR, stelt SCB voor het Handhavingsrapport Omgeving op de volgende wijze te verankeren in het DABM en de VCRO : art 16.2.5 DABM en art 6.1.3, §2 VCRO worden vervangen door éénzelfde nieuwe bepaling. Deze bepaling, die ook rekening houdt met andere beslissingen in het kader van dit project (opmaak van een HHR om de twee jaar; rapportering over de realisatie van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening van (deel 3 van) het HHP Omgeving), luidt dan als volgt :

“Om de twee jaar stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een Handhavingsrapport Omgeving op. Alle overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht en het ruimtelijke ordeningsrecht stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het Handhavingsrapport Omgeving, vrijwillig ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. Het Handhavingsrapport Omgeving omvat minstens de volgende onderdelen : 1° een algemene evaluatie van het gewestelijke handhavingsbeleid dat is gevoerd; 2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten; 3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen; 4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld stedenbouwkundig misdrijf of milieumisdrijf; 5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde handhavingsbeleid inzake milieu en ruimtelijke ordening;

15


6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering; 7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid; 8° een overzicht, evaluatie en impactanalyse van de uitvoering van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, zoals vastgesteld in deel 3 van het Handhavingsprogramma Omgeving. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu deelt het Handhavingsrapport Omgeving mee aan de Vlaamse Regering. Die bezorgt het Handhavingsrapport Omgeving aan het Vlaams Parlement, de relevante Vlaamse adviesraden en de provincies en de gemeenten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het Handhavingsrapport Omgeving.” 2

12. Via deze decretale aanpassingen worden de begrippen Handhavingsprogramma Omgeving en Handhavingsrapport Omgeving in het DABM en de VCRO geïncorporeerd en vorm gegeven, voorafgaand aan de opstelling ervan.

2

De bepalingen van artikel 6 van het Milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008

(“De vaste secretaris van de Raad bezorgt het handhavingsrapport elektronisch aan de overheden, vermeld in artikel 16.2.5, vijfde lid, van het decreet. Het Departement plaatst het handhavingsrapport op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar kan verkregen worden en maakt het via de pers bekend.”) moeten dan eventueel worden aangepast.

16


C. DE OPMAAK VAN EEN HANDHAVINGSPROGRAMMA OMGEVING

13. Zoals hiervoor reeds aangegeven, stelt SCB voor dat de Vlaamse Regering een vijfjaarlijks Handhavingsprogramma Omgeving vorm geeft, dat bestaat uit drie delen : (1) het huidige Milieuhandhavingsprogramma; (2) het huidige Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening; (3) de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening. Dit Handhavingsprogramma Omgeving moet natuurlijk vastgesteld zijn voorafgaand aan het eerste Handhavingsrapport Omgeving.

14. Wat de eerste twee delen betreft, werd in het eerste Voortgangsrapport reeds aangegeven dat het HHP beter moet linken met het HHR : een “cyclische” benadering werd daarbij vooropgesteld, stellende dat de twee documenten (HHP en HHR) elkaar wederzijds input moeten verschaffen. Over de (realisatie van de) doelstellingen en prioriteiten, zoals geformuleerd in de eerste twee delen van het Handhavingsprogramma Omgeving, moet in het toekomstig Handhavingsrapport Omgeving meer te lezen zijn dan in het verleden, in de afzonderlijke HHR, het geval was. Bij de opstelling van de nieuwe HHP Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening moet daarmee beter rekening worden gehouden.

15. Het derde deel, de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, is nieuw en wordt voorbereid in de schoot van de VHRM. Art 16.2.6 DABM geeft de VHRM hiertoe alle bevoegdheid, zowel naar leefmilieu als naar ruimtelijke ordening toe : “De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt de krachtlijnen en de prioriteiten van het beleid inzake de handhaving van de milieuwetgeving voor. Hij doet dat op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering.

17


De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering voorstellen en adviezen formuleren in het kader van het handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening en ten aanzien van het gewestelijk handhavingsprogramma ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.”

Dit nieuwe deel drie wordt voorgelegd voor goedkeuring aan de Vlaamse Regering, die het dan samen voegt met de andere delen van het Handhavingsprogramma Omgeving. Hierna wordt op deze kernprioriteiten nader ingegaan : vooraleer er over kan gerapporteerd worden in het Handhavingsrapport Omgeving (cf het nieuwe onderdeel : 8° een overzicht en evaluatie van de uitvoering van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, zoals vastgesteld in deel 3 van het Handhavingsprogramma Omgeving), moeten ze natuurlijk eerst vastgesteld zijn.

D. DE BEPALING VAN KERNPRIORITEITEN HANDHAVING IN HET HANDHAVINGSPROGRAMMA OMGEVING

16. In het eerste Voortgangsrapport werd het idee van de Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening gelanceerd, en dan verder uitgewerkt in het tweede Voortgangsrapport. Zoals eerder gesteld gaat het om prioriteiten die vastgesteld worden in de schoot van de VHRM, los van de prioriteiten van de individuele handhavingsprogramma’s van de individuele handhavingsactoren, maar waarover de handhavingsactoren het eens zijn dat ze op korte termijn samen moeten worden aangepakt en gerealiseerd, en waarover het Handhavingsrapport Omgeving dan gaat rapporteren. Deze aanpak moet het mogelijk maken om specifieke misdrijven leefmilieu en ruimtelijke ordening zichtbaar(der) te maken en het resultaat van het handhavingsoptreden te belichten. 17. Het is aangewezen in het DABM (nieuw art. 16.1.2., 8°) en de VCRO (nieuw art. 1.1.2, 19°) een definitie op te nemen van de “Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening”. Deze zou als volgt kunnen luiden : “de door de Vlaamse Regering, op voorstel van de 18


Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, vastgestelde prioriteiten handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening, en die vervat zijn in deel 3 van het Handhavingsprogramma Omgeving�.

18. Over de methodiek om deze kernprioriteiten te bepalen in het Handhavingsprogramma Omgeving en de rapportering over de realisatie ervan in het Handhavingsrapport Omgeving, stelde SCB reeds in het tweede Voortgangsrapport :

“97. Zoals eerder aangegeven is het niet de bedoeling in dit rapport, de voornoemde kernprioriteiten te bepalen. Alvorens in te gaan op de problematiek van databepaling, dataverkrijging en dataverwerking met het oog op de rapportering van de realisaties inzake de kernprioriteiten, kan toch al even nagedacht worden over de methodiek om kernprioriteiten te bepalen in het Handhavingsprogramma Omgeving. Ons inziens moet dit een bottom up proces zijn binnen de VHRM : aan de hand van een door de VHRM opgesteld sjabloon stellen de handhavingsactoren kernprioriteiten voor; daarbij geven ze aan : 1/ wat de redenen zijn waarom dit een kernprioriteit zou moeten zijn, 2/ welke handhavingsactoren hierbij betrokken (kunnen) worden, 3/ welke acties nodig zijn voor de realisatie van de prioriteit, 4/ welke middelen nodig zijn voor de realisatie van de prioriteit, 5/ welk het tijdskader is waarbinnen de prioriteit moet gerealiseerd worden, 6/ op basis van welke criteria zal kunnen besloten worden tot realisatie van de prioriteit, en 7/ op basis van welke criteria zal de impact van de realisatie gemeten worden. Op basis van de geformuleerde voorstellen vindt dan overleg plaats binnen de VHRM, teneinde in consensus een shortlist van kernprioriteiten te bepalen. De handhavingsactoren moeten in dat overleg voor zichzelf kunnen uitmaken welke prioriteiten ze kunnen steunen en mee helpen realiseren, rekening houdend met de beschikbare mensen en middelen die ze hebben voor hun eigen handhavingstaken. Zoals eerder aangegeven moet niet elke handhavingsactor bij elke prioriteit betrokken zijn. Gestreefd moet worden naar een selectie van kernprioriteiten waarbij de bijkomende workload voor elke betrokken handhavingsactor niet alleen aanvaardbaar is, maar waarbij de gezamenlijke investering van alle handhavingsactoren ook toelaat om over de periode van het handhavingsprogramma heen een belangrijke lijst van kernprioriteiten inzake handhaving te realiseren.

98. Over die realisaties moet dan gerapporteerd worden in het Handhavingsrapport Omgeving. Teneinde dit op een degelijke manier te kunnen doen, is het aangewezen dat binnen de VHRM per geselecteerde prioriteit een werkgroep wordt opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van de handhavingsactoren die bij de realisatie

19


van de handhavingsprioriteit betrokken zijn. Elke werkgroep moet de drijvende kracht achter de realisatie van de betrokken prioriteit zijn door nauwgezet de acties, de inzet van middelen en het respect voor het tijdskader op te volgen. Het is ook de werkgroep die bij het einde van het project een verslag inzake realisatie en impact opmaakt (rekening houdend met de eerder vooropgestelde criteria terzake) dat kan dienen als insteek voor de rapportering in het Handhavingsrapport. Het is te verwachten dat die rapportering van een enigszins andere aard zal zijn dan deze die we hiervoor geanalyseerd hebben voor de basisgegevens. Door de, normaliter, specificiteit van de actie, zal de infoverzameling heel gericht zijn en input vergen van al de betrokken handhavingsactoren. Raadpleging van databanken (ANG, College van PGs, Gewestelijke Beboetingsentiteit), waarbij specifiek kan gezocht worden naar een welbepaald misdrijf en de daarrond ontwikkelde acties, zal, net zoals bij de basisgegevens, een belangrijk onderdeel van de infoverzameling zijn. Ook duiding zal natuurlijk noodzakelijk zijn : daar zal de werkgroep, met de vertegenwoordigers van de handhavingsactoren, een vooraanstaande rol in spelen, en het hoe en waarom van de ontwikkelde acties en ingezette mensen en middelen moeten schetsen, als achtergrond bij en verklaring voor de verzamelde cijfers. In welke mate bevragingsfiches nuttig kunnen zijn, valt af te wachten en zal waarschijnlijk afhankelijk zijn van de specifieke handhavingsprioriteit. In de mix van bevragingsfiches, databanken en duiding is het te verwachten dat de laatste twee een belangrijke rol zullen spelen, samen met het faciliterende werk van de VHRM. Zoals eerder aangegeven is de VHRM het overlegforum waar consensus moet worden gevonden inzake de shortlist van kernprioriteiten, en is het ook de plek (in de werkgroepen en plenair) waar de uitvoering van de prioriteiten zal worden opgevolgd alsook de rapportering zal worden voorbereid en gefinaliseerd. Het Permanent Secretariaat van de VHRM zal dit alles in goede banen moeten leiden (en realiseren), maar het spreekt voor zich dat de expertise die aanwezig is in hoofde van de leden van de VHRM hierbij ook meer en beter moet worden ingezet. Dit moet de VHRM toelaten om zich te ontwikkelen tot een expertisecentrum inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Redactie van het Handhavingsprogramma Omgeving en het Handhavingsrapport Omgeving, advisering van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering, permanente vorming en beleidsondersteunend onderzoek kunnen zich dan ontwikkelen als de kernactiviteiten van een versterkte VHRM.”

19. Daar de kernprioriteiten een afzonderlijk deel zijn van het toekomstige HHP Omgeving, belet niets de VHRM om nu al van start te gaan met het overleg om de kernprioriteiten te bepalen. Overleg organiseren en consensus bereiken binnen de VHRM, gevolgd door goedkeuring van de prioriteiten door de Vlaamse Regering, zijn immers tijdrovende activiteiten. Bij de bespreking van het tweede Voortgangsrapport merkte één van de handhavingsactoren op dat, als alternatief (omdat “het niet de bedoeling kan zijn dat de VHRM handhavingscampagnes/-acties gaat coördineren en aansturen”), per vastgestelde kernprioriteit een operationele werkgroep

20


(in plaats van een VHRM werkgroep) zou kunnen opgericht worden (bestaande uit de verschillende deelnemende entiteiten en met als voorzitter de trekkende entiteit), die dan zou rapporteren over de voortgang aan de VHRM Werkgroep Handhavingspraxis. Voor SCB lijkt de VHRM nochtans het juiste forum voor de opvolging van en de rapportering over de realisatie van de vastgestelde kernprioriteiten.

E. DE BEPALING VAN EEN REPRESENTATIEF STAAL VAN GEMEENTEN, STEDEN EN POLITIEZONES

20. In het kader van deze studie werd beslist, mede op vraag van VVSG, dat het opportuun is om de bevraging van de +300 Vlaamse steden en gemeenten te beperken tot een representatief staal. Vooraleer het proces van het Handhavingsrapport Omgeving wordt opgestart, moet dat representatief staal dan ook bepaald zijn. Dat representatief staal zou, volgens de VVSG, best op basis van de Belfius typologie bepaald worden. Doorheen de studie bleef de opdrachtgever aangeven (cf bespreking van Voortgangsrapport 1 en Voortgangsrapport 2) dat de criteria, zoals gebruikt in de Belfius typologie, onvoldoende gericht zijn op handhaving, leefmilieu en ruimtelijke ordening (en ons aldus weinig zouden leren over het handhavingsbeleid leefmilieu en ruimtelijke ordening van de betrokken steden en gemeenten), en vooral sociaal-economisch zijn. Indien de Belfius typologie zou gebruikt worden, zouden dan ook aanvullende criteria inzake handhaving, leefmilieu, ruimtelijke ordening moeten ingevoegd worden. Ofwel zou van de Belfius typologie moeten worden afgestapt en een eigen typologie, op basis van criteria handhaving, leefmilieu en ruimtelijke ordening worden uitgewerkt. Voorbeelden van dergelijke criteria, zoals gesuggereerd door een handhavingsactor, kunnen zijn : het aantal bedrijven (graadmeter voor het aantal nodige toezichthouders); het voorhanden zijn van een samenwerkingsverband in een politiezone of intergemeentelijke vereniging; de graad van landelijkheid, verstedelijking, natuur. Aanvullend aan de vraag naar criteria, stelt zich ook de vraag naar de rotatie en de rotatiesnelheid van de steden en gemeenten in het representatief staal : enerzijds mag niet de indruk worden gegeven aan steden en gemeenten buiten het representatief 21


staal dat ze niets meer moeten meten (maar dat hun beurt nog wel komt); anderzijds moeten steden en gemeenten voldoende lang in het representatief staal blijven teneinde evoluties te kunnen meten en conclusies te kunnen trekken (1, 2, 3 rapporten, dus de duur van een HHP ?). Bij de tussentijdse bespreking van de fase 3 werkzaamheden van deze studie werd de vraag gesteld of toch niet alle steden en gemeenten blijvend zouden moeten bevraagd worden voor een beperkt aantal elementen, zoals bijvoorbeeld het aantal ingezette mensen (DABM toezichthouders en VCRO verbalisanten ruimtelijke ordening) ?

21. Op 12 oktober 2018 werd met de vertegenwoordiger van VVSG in de VHRM samen gezeten en deze problematiek besproken. Hierna wordt daar nader op ingegaan.

22. In de eerste twee Voortgangsrapporten werd ook de mogelijkheid geopperd om niet langer de +100 Vlaamse politiezones te bevragen maar ook hier te werken met een representatief staal. Het regelmatig veranderend landschap van politiezones en hun gematigd enthousiasme voor bevragingen als deze, maakt dat ook in deze weloverwogen moet worden omgegaan met de vormgeving van een representatief staal.

23. Op 17 oktober 2018 werd met de vertegenwoordiger van VCLP in de VHRM samen gezeten en deze problematiek besproken. Hierna wordt daar nader op ingegaan.

F. DE AANPASSING VAN DE BEVRAGINGSFICHES

24. Vanzelfsprekend moeten voorafgaand aan het opstarten van het proces voor het eerste HHR Omgeving de bevragingsfiches voor de diverse handhavingsactoren aangepast worden.

22


Daarbij wordt uitgegaan van de bevindingen van het tweede Voortgangsrapport, de commentaren van de Begeleidingscommissie vervat in het addendum bij dat rapport, en de opmerkingen geformuleerd door de Begeleidingscommissie tijdens de tussentijdse vergadering voor fase 3 van het project (12 oktober 2018). Daar de nadruk nu komt te liggen op het verzamelen van betrouwbare basisgegevens, moeten de fiches focussen op : het aantal ingezette mensen (DABM toezichthouders en VCRO verbalisanten), het aantal uitgevoerde controles en het aantal gebruikte instrumenten (waaruit dan natuurlijk ook “het wat/het thema� van de controles en overtredingen moet blijken). Duiding van de aldus verzamelde cijfers moet gebeuren via overleg met de diverse handhavingsactoren. In deel II worden de aangepaste fiches opgenomen.

G. DE VORMGEVING VAN HET OVERLEG MET DE HANDHAVINGSACTOREN

25. In de eerste twee Voortgangsrapporten werd sterk benadrukt dat meer overleg met de diverse handhavingsactoren noodzakelijk is teneinde het door hen ontwikkelde handhavingsbeleid beter te duiden en de via de bevragingsfiches verzamelde cijfers toe te lichten en te verklaren. Gelet op de steun voor deze aanpak, is het dan ook nodig dat, voorafgaand aan de opstart van het proces voor de opstelling van het eerste Handhavingsrapport Omgeving, het overleg met de handhavingsactoren wordt vorm gegeven : wie, wanneer, waarover ? Hierna wordt daar handhavingsactor per handhavingsactor op ingegaan. Uit de bespreking van het tweede Voortgangsverslag bleek alvast dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet moet worden opgenomen, en dat de rapportering inzake de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering ook moet focussen op het aantal handhavingsdossiers dat wordt opgelost op het moment dat de adviesprocedure voor de Hoge Raad wordt ingezet of afgehandeld.

23


DEEL II DE BEVRAGINGSFICHES VOOR DE HANDHAVINGSACTOREN

A. INLEIDING

24


26. In dit deel worden de aangepaste bevragingsfiches voor de meeste handhavingsactoren opgenomen. Een beperkt aantal bestaande bevragingsfiches worden behouden of slechts beperkt aangepast. Inzake het aanpassen van de bevragingsfiches kan gewezen worden op de volgende uitgangs- en discussiepunten :

=> het aantal ingezette mensen (toezichthouders en verbalisanten) : de huidige vragen naar het aantal toezichthouders en verbalisanten en hun naam worden behouden (alhoewel SCB er op wees dat het Departement Omgeving normaliter de betrokken info heeft inzake het aantal (en de naam van de ) toezichthouders (cf de decretale aanmeldingsplicht) en gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening); over de tijdsbesteding was er unanimiteit om deze niet meer op te vragen;

=> het aantal uitgevoerde controles : de vraag naar het totale aantal (terrein/stukken) controles wordt behouden (maar wel schrapping van de subvragen die de controles verder opsplitsen, kwalificeren en kwantificeren); de voorkeur van SCB om dit alles te schrappen (wegens de gevarieerde invulling van het begrip controle, en de onmogelijkheid om diverse opsplitsingen ervan correct te kunnen kwantificeren) en te vervangen door een telling van het aantal opgestelde PV (cf databank College PGs) en VvV (cf BSOS), aangevuld met een duiding van het preventief handhavingsbeleid via aanmaningen en raadgevingen, werd niet gevolgd;

=> het aantal gebruikte instrumenten :

(1) door de Begeleidingscommissie werd uitdrukkelijk gevraagd om het aantal aanmaningen en raadgevingen (voor zover er een papieren weerslag is) te blijven inventariseren zodat ook daarrond evoluties over verschillende jaren kunnen gevolgd worden (cf het bewaren van

25


een goed evenwicht tussen het contextualiseren van cijfers van één periode v de mogelijkheden om vergelijkingen te kunnen trekken over verschillende periodes heen); (2) daarnaast was er ook consensus om de volgende elementen te bevragen en te kwantificeren : a/ de verzoeken van de toezichthouder aan de vergunningverlenende overheid tot bijstelling van de in de vergunning opgelegde voorwaarden; b/ de verzoeken van de toezichthouder aan de vergunningverlenende overheid tot schorsing van de vergunning; c/ de verzoeken van de toezichthouder aan de vergunningverlenende overheid tot opheffing van de vergunning; (3) het uitbouwen van BSOS tot een eigen Vlaamse Databank Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening werd niet gevolgd (cf de omstandige motivering in het addendum bij het tweede Voortgangsrapport); (4) door de Begeleidingscommissie werd het idee geformuleerd de handhavingsactoren te bevragen (cijfermatig) in hoeveel gevallen de inzet van één of meer instrumenten tot een oplossing heeft geleid (m.a.w. wat is het resultaat van de handhaving ?); daar dit de bevraging werkelijk tot op het concrete dossierniveau zou trekken, wat ongewenst is, kunnen ten hoogste, en dan nog, vragen ingevoegd worden in de bevragingsfiche in de zin van “hoeveel % van de aanmaningen heeft geleid tot conformiteit ?”, “in hoeveel % van de PV diende alsnog een bestuurlijke maatregel te worden opgelegd ?”, enz.; volgens SCB moeten dergelijke vragen echter het voorwerp uitmaken van het overleg met en de duiding door de handhavingsactoren, en niet het voorwerp zijn (weerom) van exacte kwantificering; (5) het zelfde geldt voor de opmerking dat (net zoals bij PV en VvV), bij het in kaart brengen van de raadgevingen en aanmaningen, ook de inhoudelijke thema’s (water, lucht, geluid, bodem, enz) telkens zouden moeten worden aangegeven;

26


(6) wat die inhoudelijke thema’s van de PV en de VvV betreft, werden nog twee opmerkingen gemaakt door de Begeleidingscommissie : a/ ruimtelijke ordening zou sterker aan bod moeten komen in de basislijst van thema’s (en dat werd aangepast, zie bevragingsfiche 3); b/ daar verschillende gewestelijke handhavingsactoren slechts een beperkte, thematische,

De VCOR onderscheidt stedenbouwkundige misdrijven (art. 6.2.1 VCRO) en inbreuken (art. 6.2.2 VCRO) inzake vergunningsplichtige activiteiten en inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen. In de aangepaste VHRM bevragingsfiche hierna wordt dan ook gevraagd naar het aantal PV en VvV inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen en vergunningsplichtige activiteiten. 3

Wat deze laatste betreft wordt een opsplitsing gemaakt tussen omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen, omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten, en omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie. Op deze wijze wordt misdrijven/inbreuken stedenbouw en ruimtelijke ordening cijfermatig beter in beeld gebracht. Tijdens het overleg met de gemeentelijke en gewestelijke handhavingsactoren kunnen die cijfers dan ingekleurd worden door specifiek te vragen naar het soort feiten die ten grondslag liggen van de PV/VvV, waarbij het volgende onderscheid kan worden gehanteerd (zoals gesuggereerd door de Begeleidingscommissie) : (1) gevallen met ruimtelijk impact fysiek van constructie zelf : (1) Constructies in RKG en open ruimte gebieden (artn. 4.2.1, 1° VCRO en 4.2.2, 2° VCRO + 4.2.1, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° VCRO) (2) Constructies in andere gebieden (artn. 4.2.1, 1° VCRO en 4.2.1, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° VCRO), (3) Publiciteitsinrichtingen (art. 4.2.1, 9° VCRO) (2) gevallen met ruimtelijke impact van het gebruik : (1) Splitsen van woningen (art. 4.2.1, 7° VCRO) (2) Functiewijziging (art. 4.2.1, 6° VCRO) (3) Gewoonlijk gebruik van een grond (art. 6.2.1, 5° VCRO) (4) Inrichting recreatieve terreinen (art. 4.2.1, 8° VCRO)

27


handhavingsbevoegdheid hebben, hoeft de volledige thematische lijst inzake PV en VvV misschien niet te worden opgenomen in hun bevragingsfiche maar kan het eigen thema misschien verder worden gespecificeerd ?; volgens SCB moet deze verdere specificering echter eerder het voorwerp zijn van het overleg met en de duiding door de betrokken handhavingsactor, in plaats van het voorwerp te zijn van een eigen afzonderlijke bevragingsfiche (die dan ook nog eens de (quasi) éénvormigheid van de door de VHRM gebruikte bevragingsfiche dreigt te doorbreken).

27. Inzake de bevragingsfiches kunnen tenslotte nog een aantal opmerkingen worden gemaakt. Zoals hierna zal blijken is de bevragingsfiche inderdaad zeer gelijkaardig voor de lokale, provinciale en (meeste) gewestelijke handhavingsactoren. De weinige verschilpunten hebben te maken met specifieke bevoegdheden, instrumenten en personen die decretaal (al of niet) voorzien worden voor specifieke handhavingsactoren. De thematische opsplitsing van de PV en VvV in de bevragingsfiche is ook voor iedere handhavingsactor dezelfde, ongeacht of alle thema’s binnen de bevoegdheid van de betrokken handhavingsactor vallen of niet. De via de bevragingsfiche van de toezichthouders en verbalisanten bekomen cijfers inzake PV en VvV kunnen worden geverifieerd via de databanken van het College van Procureurs-Generaal en de Gewestelijke Beboetingsentiteit. De vermindering en de vereenvoudiging van de bevraging via de bevragingsfiches wordt blijvend voor ogen gehouden. Duiding van de via de bevragingsfiche verzamelde info door de handhavingsactoren is essentieel. Tot slot moet worden vermeld dat al naar gelang de bevragingsfiche, welbepaalde informatie vooraf wordt ingevuld door de VHRM.

B. BEVRAGINGSFICHES INZAKE HET HANDHAVINGSBELEID ZOALS GEVOERD DOOR LOKALE HANDHAVINGSACTOREN

1. Lokale Politie

28


28. De bevragingsfiche voor het representatief staal 4 van de politiezones kan er in de toekomst als volgt uitzien :

BEVRAGINGSFICHE POLITIEZONES HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING 20XX REFERENTIEPERIODE : … - …

De VHRM stelt jaarlijks een Handhavingsrapport Omgeving op. In dat rapport wordt onder meer een globale analyse gemaakt van de werkzaamheden van een representatief staal van politiezones in het Vlaamse Gewest. De ontvangen gegevens zullen worden geanalyseerd zodat het rapport een overzicht geeft van de handhavingsactiviteiten van de afgelopen … maanden. Het rapport wordt opgemaakt als ondersteuningsinstrument voor de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement en bevat daarom ook conclusies en aanbevelingen, geformuleerd op basis van de analyse van de cijfergegevens en de via overleg ontvangen duiding terzake, ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid. Deze voorbereidende vragenlijst wordt verstuurd naar alle korpschefs en naar alle contacten milieu en ruimtelijke ordening van de politiezones in het representatief staal, die gekend zijn bij de VHRM. Het is aan te raden om alle antwoorden op voorhand te verzamelen. In … zal u per e-mail een unieke link van de digitale bevraging ontvangen. Ter voorbereiding worden de vragen u hieronder reeds meegedeeld. Onderstaande vragenlijst moet niet naar het permanent secretariaat van de VHRM worden gestuurd.

IDENTIFICATIE :

SCB gaat er van uit dat de VHRM in de toekomst gaat werken met een representatief staal van politiezones. 4

29


          

Naam Politiezone: Straat + nr: Postcode: Gemeente: Korpschef: Contactpersoon: Functie: Email: Tel nr: Aantal gemeenten in de Politiezone: Naam van de gemeenten in de Politiezone:

AANTAL TOEZICHTHOUDERS TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE 5 :

1. Hoeveel toezichthouders werden aangesteld conform art. 16.3.1.§1, 5° DABM (“toezichthouders van politiezones”) ? 2. Waren deze toezichthouders aangemeld bij het Departement Omgeving ? 3. Indien ja, zijn dit de juiste namen ? : … 4. Indien neen, vul hier de juiste namen in : …

Zoals bekend kunnen politiezones geen verbalisanten ruimtelijke ordening aanstellen in het kader van Art 6.2.5/1 VCRO kunnen aanstellen. De basisgegevens inzake handhaving ruimtelijke ordening door politiezones worden dan ook best in kaart gebracht via : enerzijds, het overleg dat de VHRM heeft met het representatief staal van de politiezones, zeker voor wat betreft de beleidsmatige aspecten zoals het voorhanden zijn van een RO handhavingsplan, een RO handhavingscel, maar ook voor wat betreft het kwantificeren van de inzetbaarheid van en de controles door agenten en officieren van gerechtelijke politie; anderzijds, het bevragen van de ANG voor wat betreft de PV opgesteld door het representatief staal van de politiezones; indien, zoals aangegeven in het tweede Voortgangsrapport, de ISLP van de ANG kan worden aangepast, kunnen ook cijfers worden verzameld inzake opgelegde stakingsbevelen. 5

30


AANTAL CONTROLES UITGEVOERD TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel controles ter plaatse werden uitgevoerd door de toezichthouders ? 2. Hoeveel controles op stukken werden uitgevoerd door de toezichthouders ?

AANTAL INSTRUMENTEN GEBRUIKT TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel raadgevingen werden door de toezichthouders gegeven ? 2. Hoeveel aanmaningen werden door de toezichthouders gegeven ? 3. Hoeveel PV werden door de toezichthouders opgesteld ? 4. Hoeveel PV van de toezichthouders hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 5. Hoeveel VvV werden door de toezichthouders opgesteld ? 6. Hoeveel VvV van de toezichthouders hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen 31


voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 7. Hoeveel bevelen tot staking werden door de toezichthouders opgelegd ? 8. Hoeveel bevelen tot regularisatie werden door de toezichthouders opgelegd ? 9. Hoeveel keer werd bestuursdwang toegepast ? 10.

Hoeveel keer werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd samen met een DABM be-

stuurlijke maatregel ? 11.

Hoeveel keer werden veiligheidsmaatregelen opgelegd ?

12.

Hoeveel verzoeken tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden werden door de toe-

zichthouders geformuleerd ? 13.

Hoeveel verzoeken tot schorsing van de vergunning werden door de toezichthouders

geformuleerd ? 14.

Hoeveel verzoeken tot opheffing van de vergunning werden door de toezichthouders

geformuleerd ?

2. Steden en Gemeenten

29. De bevragingsfiche voor het representatief staal 6 van de steden en gemeenten kan er in de toekomst als volgt uitzien :

SCB gaat er van uit dat de VHRM in de toekomst gaat werken met een representatief staal van steden en gemeenten. 6

32


BEVRAGINGSFICHE STEDEN EN GEMEENTEN HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING 20XX REFERENTIEPERIODE : … - … De VHRM stelt jaarlijks een Handhavingsrapport Omgeving op. In dat rapport wordt onder meer een globale analyse gemaakt van de werkzaamheden van een representatief staal van steden en gemeenten in het Vlaamse Gewest. De ontvangen gegevens zullen worden geanalyseerd zodat het rapport een overzicht geeft van de handhavingsactiviteiten van de afgelopen … maanden. Het rapport wordt opgemaakt als ondersteuningsinstrument voor de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement en bevat daarom ook conclusies en aanbevelingen, geformuleerd op basis van de analyse van de cijfergegevens en de via overleg ontvangen duiding terzake, ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid. Deze voorbereidende vragenlijst wordt verstuurd naar alle burgemeesters en naar alle contacten milieu en ruimtelijke ordening van de steden en gemeenten in het representatief staal, die gekend zijn bij de VHRM. Het is aan te raden om alle antwoorden op voorhand te verzamelen. In … zal u per e-mail een unieke link van de digitale bevraging ontvangen. Ter voorbereiding worden de vragen u hieronder reeds meegedeeld. Onderstaande vragenlijst moet niet naar het permanent secretariaat van de VHRM worden gestuurd.

IDENTIFICATIE :

       

Naam Gemeente: Straat + nr: Postcode: Burgemeester: Contactpersoon: Functie: Tel nr: Email:

AANTAL TOEZICHTHOUDERS EN VERBALISANTEN TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

33


1. Hoeveel toezichthouders werden aangesteld conform art. 16.3.1.§1, 3° DABM (“gemeentelijke toezichthouders”) ? 2. Waren deze toezichthouders aangemeld bij het Departement Omgeving ? 3. Indien ja, zijn dit de juiste namen ? : … 4. Indien neen, vul hier de juiste namen in : … 5. Hoeveel verbalisanten ruimtelijke ordening werden aangesteld conform art. 6.2.5/1, 3°VCRO (“gemeentelijke verbalisanten ruimtelijke ordening”) ? 6. Hoeveel stedenbouwkundig inspecteurs werden aangesteld conform art. 1.4.9 en 6.1.1., 1° VCRO (“gemeentelijke stedenbouwkundig inspecteurs”) ?

AANTAL CONTROLES UITGEVOERD TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel controles ter plaatse werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ? 2. Hoeveel controles op stukken werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ?

AANTAL INSTRUMENTEN GEBRUIKT TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel raadgevingen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 2. Hoeveel aanmaningen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 3. Hoeveel PV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ?

34


4. Hoeveel PV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 5. Hoeveel VvV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ? 6. Hoeveel VvV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 7. Hoeveel bevelen tot staking werden door de toezichthouders opgelegd ? 8. Hoeveel bevelen tot staking werden door de verbalisanten opgelegd ? 9. Hoeveel bevelen tot regularisatie werden door de toezichthouders opgelegd ? 10.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van het DABM toegepast ?

11.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van de VCRO toegepast ?

12.

Hoeveel keer werd last onder dwangsom in het kader van de VCRO toegepast ?

13.

Hoeveel keer werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd samen met een DABM be-

stuurlijke maatregel ? 14.

Hoeveel keer werd een minnelijke schikking in het kader van de VCRO aangegaan ? 35


15.

Hoeveel verzoeken tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden werden door de toe-

zichthouders en verbalisanten geformuleerd ? 16.

Hoeveel verzoeken tot schorsing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ? 17.

Hoeveel verzoeken tot opheffing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ? 18.

Hoeveel keer werden veiligheidsmaatregelen opgelegd ?

19.

Hoeveel PV van vaststelling werden opgesteld conform art. 6.3.6, §1 VCRO ?

3. Intergemeentelijke Verenigingen

29. De bevragingsfiche voor de intergemeentelijke verenigingen kan er in de toekomst als volgt uitzien :

BEVRAGINGSFICHE INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING 20XX REFERENTIEPERIODE : … - …

De VHRM stelt jaarlijks een Handhavingsrapport Omgeving op. Voor de opmaak van dit rapport worden de verschillende handhavingsactoren bevraagd, waaronder de intergemeentelijke verenigingen. De ontvangen gegevens zullen worden geanalyseerd zodat het rapport een overzicht geeft van de handhavingsactiviteiten van de afgelopen … maanden. Het rapport wordt opgemaakt als ondersteuningsinstrument voor de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement en bevat daarom 36


ook conclusies en aanbevelingen, geformuleerd op basis van de analyse van de cijfergegevens en de via overleg ontvangen duiding terzake, ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid. In … zal u per e-mail een unieke link van de digitale bevraging ontvangen. Ter voorbereiding worden de vragen u hieronder reeds meegedeeld. Het is aan te raden om alle antwoorden op voorhand te verzamelen. Onderstaande vragenlijst moet niet naar het permanent secretariaat van de VHRM worden gestuurd.

IDENTIFICATIE :

        

Naam Intergemeentelijke Vereniging: Straat + nr: Postcode: Contactpersoon: Functie : Tel nr : Email : Aantal gemeenten in de Intergemeentelijke Vereniging: Naam van de gemeenten in de Intergemeentelijke Vereniging:

AANTAL TOEZICHTHOUDERS EN VERBALISANTEN TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel toezichthouders werden aangesteld conform art. 16.3.1.§1, 4° DABM (“toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen”) ? 2. Waren deze toezichthouders aangemeld bij het Departement Omgeving ? 3. Indien ja, zijn dit de juiste namen ? : … 4. Indien neen, vul hier de juiste namen in : … 5. Hoeveel verbalisanten ruimtelijke ordening werden aangesteld conform art. 6.2.5/1, 4°VCRO (“verbalisanten ruimtelijke ordening intergemeentelijke verenigingen”) ?

37


6. Hoeveel stedenbouwkundig inspecteurs werden aangesteld conform art. 1.4.9 en 6.1.1., 1° VCRO (“stedenbouwkundig inspecteurs intergemeentelijke verenigingen”) ?

AANTAL CONTROLES UITGEVOERD TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel controles ter plaatse werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ? 2. Hoeveel controles op stukken werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ?

AANTAL INSTRUMENTEN GEBRUIKT TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel raadgevingen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 2. Hoeveel aanmaningen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 3. Hoeveel PV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ? 4. Hoeveel PV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ?

38


5. Hoeveel VvV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ? 6. Hoeveel VvV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 7. Hoeveel bevelen tot staking werden door de toezichthouders opgelegd ? 8. Hoeveel bevelen tot staking werden door de verbalisanten opgelegd ? 9. Hoeveel bevelen tot regularisatie werden door de toezichthouders opgelegd ? 10.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van het DABM toegepast ?

11.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van de VCRO toegepast ?

12.

Hoeveel keer werd last onder dwangsom in het kader van de VCRO toegepast ?

13.

Hoeveel keer werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd samen met een DABM be-

stuurlijke maatregel ? 14.

Hoeveel keer werd een minnelijke schikking in het kader van de VCRO aangegaan ?

15.

Hoeveel verzoeken tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden werden door de toe-

zichthouders en verbalisanten geformuleerd ? 16.

Hoeveel verzoeken tot schorsing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ? 17.

Hoeveel verzoeken tot opheffing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ?

39


18.

Hoeveel keer werden veiligheidsmaatregelen opgelegd ?

19.

Hoeveel PV van vaststelling werden opgesteld conform art. 6.3.6, §1 VCRO ?

4. Provincies

30. De bevragingsfiche voor de provincies kan er in de toekomst als volgt uitzien :

BEVRAGINGSFICHE PROVINCIES HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING 20XX REFERENTIEPERIODE : … - …

De VHRM stelt jaarlijks een Handhavingsrapport Omgeving op. Voor de opmaak van dit rapport worden de verschillende handhavingsactoren bevraagd, waaronder de provincies. De ontvangen gegevens zullen worden geanalyseerd zodat het rapport een overzicht geeft van de handhavingsactiviteiten van de afgelopen … maanden. Het rapport wordt opgemaakt als ondersteuningsinstrument voor de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement en bevat daarom ook conclusies en aanbevelingen, geformuleerd op basis van de analyse van de cijfergegevens en de via overleg ontvangen duiding terzake, ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid. In … zal u per e-mail een unieke link van de digitale bevraging ontvangen. Ter voorbereiding worden de vragen u hieronder reeds meegedeeld. Het is aan te raden om alle antwoorden op voorhand te verzamelen. Onderstaande vragenlijst moet niet naar het permanent secretariaat van de VHRM worden gestuurd.

IDENTIFICATIE :

 Naam Provincie: 40


      

Straat + nr: Postcode: Gouverneur: Contactpersoon: Functie : Tel nr : Email :

AANTAL TOEZICHTHOUDERS TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE 7 :

1. Hoeveel toezichthouders werden aangesteld conform art. 16.3.1.§1, 2° DABM (“provinciale toezichthouders”) ? 2. Waren deze toezichthouders aangemeld bij het Departement Omgeving ? 3. Indien ja, zijn dit de juiste namen ? : … 4. Indien neen, vul hier de juiste namen in : …

AANTAL CONTROLES UITGEVOERD TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel controles ter plaatse werden uitgevoerd door de toezichthouders ? 2. Hoeveel controles op stukken werden uitgevoerd door de toezichthouders ?

Inzake handhaving ruimtelijke ordening spelen de provincies geen enkele rol : noch provinciale verbalisanten ruimtelijke ordening, noch provinciale stedenbouwkundig inspecteurs zijn voorzien in Titel VI VCOR, en ook in het opleggen van bestuurlijke maatregelen spelen de gouverneurs, in tegenstelling tot de burgemeesters, geen rol. 7

41


AANTAL INSTRUMENTEN GEBRUIKT TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel raadgevingen werden door de toezichthouders gegeven ? 2. Hoeveel aanmaningen werden door de toezichthouders gegeven ? 3. Hoeveel PV werden door de toezichthouders opgesteld ? 4. Hoeveel PV van de toezichthouders hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 5. Hoeveel VvV werden door de toezichthouders opgesteld ? 6. Hoeveel VvV van de toezichthouders hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 7. Hoeveel bevelen tot staking werden door de toezichthouders opgelegd ? 8. Hoeveel bevelen tot regularisatie werden door de toezichthouders opgelegd ? 9. Hoeveel keer werd bestuursdwang toegepast ?

42


10.

Hoeveel keer werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd samen met een DABM be-

stuurlijke maatregel ? 11.

Hoeveel verzoeken tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden werden door de toe-

zichthouders geformuleerd ? 12.

Hoeveel verzoeken tot schorsing van de vergunning werden door de toezichthouders

geformuleerd ? 13.

Hoeveel verzoeken tot opheffing van de vergunning werden door de toezichthouders

geformuleerd ? 14.

Hoeveel keer werden veiligheidsmaatregelen opgelegd ?

C. BEVRAGINGSFICHES INZAKE HET HANDHAVINGSBELEID ZOALS GEVOERD DOOR GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOREN

1. Gewestelijke toezichthouders leefmilieu en gewestelijke verbalisanten/inspecteurs ruimtelijke ordening

31. De bevragingsfiche voor de gewestelijke toezichthouders leefmilieu en de gewestelijke verbalisanten/inspecteurs ruimtelijke ordening 8 kan er in de toekomst als volgt uitzien :

Het gaat in het bijzonder om toezichthouders en verbalisanten aangesteld bij het Departement Omgeving (Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (voormalige AMV); Afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving (voormalige ALBON); Afdeling Handhaving - Milieu-Inspectie (voormalige AMI); Afdeling Handhaving - Inspectie Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed)), Departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW), Agentschap Natuur en Bos (ANB), Vlaamse Waterweg (vroeger Agentschap Waterwegen en Zeekanaal en NV 8

43


BEVRAGINGSFICHE GEWESTELIJKE ACTOREN HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING 20XX REFERENTIEPERIODE : … - … De VHRM stelt jaarlijks een Handhavingsrapport Omgeving op. Voor de opmaak van dit rapport worden de verschillende handhavingsactoren bevraagd, waaronder de gewestelijke toezichthouders leefmilieu en de gewestelijke verbalisanten/inspecteurs ruimtelijke ordening. De ontvangen gegevens zullen worden geanalyseerd zodat het rapport een overzicht geeft van de handhavingsactiviteiten van de afgelopen … maanden. Het rapport wordt opgemaakt als ondersteuningsinstrument voor de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement en bevat daarom ook conclusies en aanbevelingen, geformuleerd op basis van de analyse van de cijfergegevens en de via overleg ontvangen duiding terzake, ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid. In … zal u per e-mail een unieke link van de digitale bevraging ontvangen. Ter voorbereiding worden de vragen u hieronder reeds meegedeeld. Het is aan te raden om alle antwoorden op voorhand te verzamelen. Onderstaande vragenlijst moet niet naar het permanent secretariaat van de VHRM worden gestuurd.

IDENTIFICATIE :

     

Naam Gewestelijke Actor: Straat + nr: Postcode: Contactpersoon: Functie : Tel nr :

De Scheepvaart), Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (VAZG), Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Niettegenstaande het diverse karakter van deze instellingen wordt toch dezelfde bevragingsfiche gebruikt en zal bij de bespreking van de resultaten met de afzonderlijke instellingen meer diepgang in de relevante thema’s en cijfers worden gevraagd en aangebracht.

44


 Email :

AANTAL TOEZICHTHOUDERS EN VERBALISANTEN TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel toezichthouders werden aangesteld conform art. 16.3.1.§1, 1° DABM (“gewestelijke toezichthouders”) ? 2. Hoeveel verbalisanten ruimtelijke ordening werden aangesteld conform art. 6.2.5/1, 1°en 2° VCRO (“gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening”) ? 3. Hoeveel stedenbouwkundig inspecteurs werden aangesteld conform art. 1.4.9 en 6.1.1., 3° VCRO (“gewestelijke stedenbouwkundig inspecteurs”) ? 4. Hoeveel milieuopsporingsambtenaren werden aangesteld conform art. 16.5.5 DABM (“gewestelijke milieuopsporingsambtenaren”) ? 5. Hoeveel gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening werden aangewezen conform art. 6.2.5/1, §2 VCRO als officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des konings ?

AANTAL CONTROLES UITGEVOERD TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE :

1. Hoeveel controles ter plaatse werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ? 2. Hoeveel controles op stukken werden uitgevoerd door de toezichthouders en verbalisanten ?

AANTAL INSTRUMENTEN GEBRUIKT TIJDENS DE REFERENTIEPERIODE : 45


1. Hoeveel raadgevingen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 2. Hoeveel aanmaningen werden door de toezichthouders en verbalisanten gegeven ? 3. Hoeveel PV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ? 4. Hoeveel PV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 5. Hoeveel VvV werden door de toezichthouders en verbalisanten opgesteld ? 6. Hoeveel VvV van de toezichthouders en verbalisanten hadden betrekking op : lucht : …; water : …; bodem : …; geluid : …; mest : …; afval : …; natuur : …; bos : …; jacht : …; visserij : …; omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen : …; omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden : …; omgevingsvergunningen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten : …; omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten : …; omgevingsvergunningen voor het wijzigen van kleine landschapselementen of voor het wijzigen van vegetatie : …; ruimtelijke uitvoeringsplannen : …; combinatie : … ? 7. Hoeveel bevelen tot staking werden door de toezichthouders opgelegd ? 8. Hoeveel bevelen tot staking werden door de verbalisanten opgelegd ? 9. Hoeveel bevelen tot regularisatie werden door de toezichthouders opgelegd ? 10.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van het DABM toegepast ?

46


11.

Hoeveel keer werd bestuursdwang in het kader van de VCRO toegepast ?

12.

Hoeveel keer werd last onder dwangsom in het kader van de VCRO toegepast ?

13.

Hoeveel keer werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd samen met een DABM be-

stuurlijke maatregel ? 14.

Hoeveel keer werd een minnelijke schikking in het kader van de VCRO aangegaan ?

15.

Hoeveel verzoeken tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden werden door de toe-

zichthouders en verbalisanten geformuleerd ? 16.

Hoeveel verzoeken tot schorsing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ? 17.

Hoeveel verzoeken tot opheffing van de vergunning werden door de toezichthouders en

verbalisanten geformuleerd ? 18.

Hoeveel keer werden veiligheidsmaatregelen opgelegd ?

19.

Hoeveel PV van vaststelling werden opgesteld conform art. 6.3.6, ยง1 VCRO ?

2. Gewestelijke Beboetingsentiteit

32. De Gewestelijke Beboetingsentiteit houdt een gedetailleerd overzicht van zijn activiteiten bij en levert op basis daarvan een gedetailleerde input voor het Handhavingsrapport. In het tweede Voortgangsrapport werd daarover gesteld dat die input misschien wel te gedetailleerd is en dat deze zou kunnen worden beperkt tot : (1) het aantal ontvangen beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen; (2) het aantal ontvangen PV; (3) het aantal ontvangen VvV; (4) het aantal beslissingen genomen in het kader van de alternatieve bestuurlijke beboeting; (5) het aantal beslissingen genomen in het kader van de exclusieve bestuurlijke beboe-

47


ting. De ruimere detailinfo die aanwezig is bij de Gewestelijke Beboetingsentiteit kan het voorwerp zijn van het overleg tussen de VHRM en de Gewestelijke Beboetingsentiteit, net zoals, inzake ruimtelijke ordening, de ontwikkeling van het sepotbeleid, het transactiebeleid en het boetebeleid 9. Op dat overleg komen we in een volgend deel terug.

3. Handhavingscollege

33. De huidige VHRM bevragingsfiche voor het (Milieu)Handhavingscollege moet aangepast worden aan de bevoegdheidsverruiming inzake ruimtelijke ordening (cf Titel VI VCRO). Ofwel wordt overal “milieu” geschrapt, ofwel worden twee kolommen toegevoegd : “Misdrijven Ruimtelijke Ordening” en “Inbreuken Ruimtelijke Ordening”. Dit laatste lijkt verkieslijker. Op het overleg tussen het Handhavingscollege en de VHRM, ter duiding van de geleverde input, wordt in een volgend deel nader ingegaan.

4. Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering

34. De huidige VHRM bevragingsfiche voor de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering kan behouden worden. De geleverde input biedt een gedetailleerd overzicht van de activiteiten van de Hoge Raad inzake herstelvorderingen, dwangsomschulden, bestuurlijke besluiten en bemiddeling. Op het overleg tussen de Hoge Raad en de VHRM, ter duiding van de geleverde input, wordt in een volgend deel nader ingegaan.

Zoals vervat in de VR mededeling (VR 2018 2206 MED.0243/2BIS) inzake criteria voor het bestuurlijk beboetingsbeleid in de ruimtelijke ordening. 9

48


D. BEVRAGINGSFICHES INZAKE HET HANDHAVINGSBELEID ZOALS GEVOERD DOOR FEDERALE HANDHAVINGSACTOREN

1. Federale Politie

35. Gelet op de bescheiden en specifieke rol van de federale politie in het handhavingsgebeuren leefmilieu en ruimtelijke ordening, kan de vraag gesteld worden of de bevragingsfiche niet kan vervangen worden door een overleg tussen de VHRM en de vertegenwoordiger van de federale politie in de VHRM ? De vragen en de antwoorden zijn immers summier : (1) hoeveel mensen worden door de federale politie ingezet voor handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening ? (2) hoeveel afvaltransportcontroles worden door de federale politie uitgevoerd ? (3) hoeveel PV worden door de federale politie opgesteld inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening (cf ANG) ? De PV opgesteld door de lokale politie worden behandeld bij de activiteiten van de lokale politie. Op het overleg tussen de federale politie en de VHRM wordt in een volgend deel nader ingegaan. 2. Parketten

36. Tijdens de bespreking van het tweede Voortgangsrapport is gebleken dat de Begeleidingscommissie vasthoudt aan de regel : een correct beeld van de VvV krijgen we via BSOS (databank van de Gewestelijke Beboetingsentiteit), een correct beeld van de PV krijgen we via de databank van het College van Procureurs-Generaal. Alternatieve databanken moeten niet ontwikkeld worden. Het spreekt dan ook voor zich dat de VHRM bevragingsfiche voor de parketten nagenoeg integraal moet behouden worden. Enkel het luik inzake vooruitgangstaten kan geschrapt worden. De motieven tot seponering moeten zeker behouden blijven, en in het overleg tussen de VHRM en de parketten moeten ook de motieven voor het niet behandelen van een 49


zaak (en dus het doorsturen ervan naar de Gewestelijke Beboetingsentiteit) geduid worden. Op te merken valt dat, éénmaal de Prioriteitennota is uitgebreid naar ruimtelijke ordening, in de bevraging ook het onderscheid “Prioritaire dossiers” v “Niet-Prioritaire Dossiers” kan gemaakt worden in het luik ruimtelijke ordening.

37. Op te merken valt dat momenteel binnen het Openbaar Ministerie gewerkt wordt aan een systeem om o.a. de milieustrafwetgeving beter te kunnen vatten in het IT-gebeuren. Het moet een systeem worden dat niet onderhevig is aan verouderingsverschijnselen en dat zich inpast in MaCH. Daarbij worden onder meer de volgende principes gehanteerd, die door het College van Procureurs-Generaal zijn goedgekeurd : (1) opbouw volgens een boomstructuur die vergelijkbaar is met deze van het gemeen strafrecht; (2) aanbouwsysteem waarbij op eenvoudige wijze ook toekomstige milieustrafwetgeving kan worden opgenomen; (3) er wordt rekening gehouden met de onderscheiden federale en regionale bevoegdheden en mogelijke toekomstige verschuivingen; (4) er wordt gewerkt met “milieufenomenen”, wat het grote voordeel heeft dat de impact van de frequente wetswijzigingen in deze materie wordt geneutraliseerd. Dit laatste principe houdt onvermijdelijk in dat er niet naar concrete milieustrafwetten wordt verwezen en dat er bijgevolg evenmin in registratiemogelijkheden tot op het niveau van een concrete federale/regionale strafbaarstelling wordt voorzien. Dit betekent ook dat de in het tweede Voortgangsrapport geformuleerde piste om de huidige 3 tenlasteleggingscodes ruimtelijke ordening om te zetten in 7, die stroken met de 7 misdrijven ruimtelijke ordening zoals nu vervat in de CRO, weinig waarschijnlijk is, tenzij deze als “milieufenomenen” zouden kunnen worden gekwalificeerd. Het voorgaande betekent sowieso ook dat tussen nu en de opmaak van het eerste Handhavingsrapport Omgeving, de ontwikkelingen binnen het Openbaar Ministerie van nabij zullen moeten worden opgevolgd.

50


DEEL III DE VORMGEVING VAN REPRESENTATIEVE STALEN

A. INLEIDING

38. Hiervoor werd reeds aangegeven dat de bevraging van steden, gemeenten, en eventueel ook politiezones, beter zou gebeuren via een representatief staal. Teneinde de vormgeving van een representatief staal tijdig te kunnen aanvatten, met het oog op de bevraging voor het eerste Handhavingsrapport Omgeving, werd door SCB samengezeten met de vertegenwoordigers van de VVSG en de VCLP in de VHRM. De vaste secretaris van de VHRM nam aan beide vergaderingen deel.

B. STEDEN EN GEMEENTEN 51


39. Op 12 oktober 2018 vond overleg met Steven Verbanck (vertegenwoordiger van de VVSG in de VHRM) plaats. Zoals in het tweede Voortgangsrapport reeds aangegeven, is VVSG voorstander om te werken met een representatief staal van steden en gemeenten. Dat sluit voor VVSG echter niet uit dat een aantal basisvragen nog altijd aan alle 308 steden en gemeenten zouden kunnen gesteld worden (wat dan ook als voordeel zou hebben dat iedereen “bij de les blijft�, ook zij die niet in het representatief staal zitten). VVSG blijft voorstander van het gebruik van de Belfius typologie, eventueel aangevuld met een aantal specifieke, voor handhaving relevante, criteria inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening. Het uitwerken van een eigen typologie lijkt onrealistisch daar alle 308 steden en gemeenten dan eerst, na analyse, in deze nieuwe typologie zouden moeten worden ingebracht, vooraleer een representatief staal kan worden samengesteld.

40. Zoals in het tweede Voortgangsrapport reeds aangegeven, werkt de Belfius typologie met zes types van gemeenten, de zgn 6 clustergroepen :

* woongemeenten, * landelijke gemeenten, * gemeenten met concentratie van economische activiteit, * verstedelijkte gemeenten, * grote en regionale steden, * kustgemeenten,

en, bij verdere opdeling van deze clustergroepen, 16 clusters : 52


Woongemeenten V1 Gemeenten in de stadsrand met hoge inkomens en vergrijzende bevolking V2 Gemeenten in de stadsrand met hogere inkomens en toenemend aantal jongeren V3 Woongemeenten met hogere inkomens V4 Woongemeenten met toenemend aantal jongeren V5 Woongemeenten met vergrijzende bevolking

Landelijke gemeenten V6 Landelijke woongemeenten met hogere inkomens V7 Landbouwgemeenten V8 Landelijke woongemeenten met eerder vergrijzende bevolking

Gemeenten met concentratie van economische activiteit V9 Gemeenten in de stadsrand met economische activiteit en toenemend aantal jongeren V10 Gemeenten met economische activiteit en vergrijzende bevolking V11 Gemeenten met groter bevolkingsaantal en economische activiteit V12 Gemeenten en kleine steden met centrumfunctie en economische activiteit

Verstedelijkte gemeenten

53


V13 Goed uitgeruste gemeenten en kleine steden met vergrijzende bevolking V14 Goed uitgeruste gemeenten en kleine steden met toenemend aantal jongeren

V15 Grote en regionale steden V16 Kustgemeenten

41. Alleen al de benaming van de diverse clustergroepen kan doen vermoeden dat er een verschillend handhavingsbeleid leefmilieu en ruimtelijke ordening zal worden vastgesteld : landelijke gemeenten v verstedelijkte gemeenten/grote en regionale steden; woongemeenten v gemeenten met concentratie van economische activiteit. Omvang, ligging, activiteit, bevolking, enz. kunnen verschillende soorten inbreuken/misdrijven inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening met zich mee brengen en een ander handhavingsbeleid vereisen. Het spreekt voor zich dat de eventuele handhavingsverschillen tussen steden en gemeenten van de verschillende clusters interessant zullen zijn, maar evenzeer, en misschien nog meer, de eventuele handhavingsverschillen tussen steden en gemeenten van ĂŠĂŠnzelfde cluster.

42. Het is duidelijk dat de sociale criteria (jong v oud, rijk v arm, al of niet vergrijzend) van de Belfius typologie in deze minder tot weinig relevant zijn. Andere selectiecriteria die eerder gericht zijn op (handhaving) leefmilieu en ruimtelijke ordening kunnen bijkomend worden overwogen. Die kunnen bijvoorbeeld zijn : het aantal aangestelde gemeentelijke toezichthouders en verbalisanten ruimtelijke ordening; het aantal hinderlijke inrichtingen in de gemeente of stad; het aantal verleende bouw/milieu/omgevingsvergunningen in de gemeente of stad; het al of niet samenwerken inzake handhaving ruimtelijke ordening en leefmilieu in intergemeentelijk verband; enz. Aansluitend bij eerdere opmerkingen in fase 2 van het project kan ook gedacht worden aan het samenstellen van een afzonderlijke groep grensgemeenten teneinde specifieke handhavingsproblemen leefmilieu en ruimtelijke ordening aldaar, in kaart te kunnen brengen. 54


43. Wat betreft het aantal steden en gemeenten in het representatief staal, kan worden gedacht aan een minimum van 5 per clustergroep, zijnde minimum 30 steden en gemeenten, eventueel aangevuld met een nieuwe clustergroep grensgemeenten. Bij het selecteren van die minstens 5 per clustergroep kunnen de voormelde aanvullende criteria inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening bepalend zijn (waarbij dan natuurlijk diversiteit moet worden nagestreef, bv een gemeente met veel/weinig toezichthouders of verbalisanten, een gemeente met veel/weinig hinderlijke inrichtingen, een gemeente met veel/weinig vergunningen, enz). Hoe meer aanvullende criteria worden gebruikt, hoe groter het aantal te selecteren steden en gemeenten per clustergroep waarschijnlijk zal worden. Het nastreven van provinciale representativiteit in het representatief staal van steden en gemeenten is minder relevant, maar nastrevenswaardig gelet op de noodzakelijke blijvende betrokkenheid van alle 308 steden en gemeenten, en 5 provincies. Het spreekt voor zich dat in de concrete selectie van de te gebruiken aanvullende criteria en van de minstens 30 steden en gemeenten, de VHRM moet kunnen rekenen op de input, expertise en terreinkennis van de VVSG, teneinde tot een concreet representatief staal van steden en gemeenten te komen.

44. Wat betreft de rotatie van de steden en gemeenten in het representatief staal, is het toch wel wenselijk dat een stad of gemeente voor minstens twee handhavingsrapporten in het representatief staal blijft (dus een minimum van vier jaar). Op deze wijze kunnen evoluties worden vastgesteld en niet enkel momentopnames worden gedaan. De rotatie op zich kan dan nog op verschillende wijzen gebeuren : alle steden en gemeenten in ÊÊn keer, of steden en gemeenten gefaseerd gaan vervangen. Dit alles betekent dat minstens een 30-tal steden en gemeenten gedurende een viertal jaar in de focus van de VHRM zal staan, en 278 niet ‌ Vandaar dat het misschien toch wel geen slecht idee is om alle 308 steden en gemeenten bij de handhavingsles te houden via het tweejaarlijks opvragen, bij allemaal, van welbepaalde basisinfo, al was het bv. maar het aantal (conform het DABM) aangestelde toezichthouders en (conform de VCRO) verbalisanten ruimtelijke ordening. 55


45. VVSG engageert zich om samen met de VHRM een representatief staal vorm te geven in de komende maanden, teneinde tijdig klaar te zijn voor de bevraging voor het eerste Handhavingsrapport Omgeving.

46. Samenvattend kan inzake het representatief staal steden en gemeenten gesteld worden :

* samenwerking VHRM en VVSG nodig; * gebruik van de Belfius typologie; * aanvulling met (handhaving) leefmilieu en ruimtelijke ordening gerelateerde criteria; * minstens 30 steden en gemeenten (minstens 5 steden en gemeenten per clustergroep); * rotatie na twee handhavingsrapporten, geheel of gedeeltelijk; * blijvende bevraging (om de twee jaar) van alle steden en gemeenten inzake het aantal aangestelde gemeentelijke toezichthouders en verbalisanten ruimtelijke ordening.

C. POLITIEZONES

47. Op 17 oktober 2018 vond overleg met Eric Wauters (vertegenwoordiger van de VCLP in de VHRM) plaats. Reflecterend over de vraag of de 109 (stand van zaken 20/09/18) politiezones ook niet beter via een representatief staal bevraagd worden, was zijn voornaamste boodschap : “laat de politiezones niet los�. Er is al zo weinig mogelijkheid en capaciteit om handhaving

56


leefmilieu en ruimtelijke ordening prioritair te stellen binnen de lokale politie, dat elke opportuniteit, zoals de VHRM bevraging, moet benut worden 10. Evenwel moet daarbij, zoals in het tweede Voortgangsrapport duidelijk aangegeven, (1) de bevraging aanzienlijk ingeperkt worden, (2) de bevraging slechts om de twee jaar gebeuren, (3) de ANG maximaal gebruikt worden. Deze drie desiderata werden in de loop van het project reeds aan boord genomen voor de verdere bevraging van de politiezones, wat door de VCLP positief wordt onthaald.

48. De VCLP kan zich tevens vinden in het dieper bevragen van een “focusgroep” van politiezones, voor zover alle politiezones minimaal blijvend bevraagd worden, zodat “iedereen bij de les blijft”. Hoe zo’n focusgroep of representatief staal moet samengesteld worden, is niet zo evident. Een Belfius typologie voor politiezones is niet voor handen. Wel werd rond de eeuwwisseling (en sindsdien niet meer geactualiseerd …), in het kader van de federale financiering van politiezones, de zogenaamde KUL-norm ingevoerd die het mogelijk maakt politiezones (via de samenstellende steden en gemeenten) met elkaar te vergelijken 11:

“De belangrijkste component van het federale deel van de financiering van de politiezones is de federale basistoelage. Deze toelage wordt onder de politiezones verdeeld op basis van de KUL-norm. Deze norm werd opgesteld in het kader van de hervorming van de politiediensten. Hierbij was het de bedoeling de lokale politiecapaciteit te bepalen voor iedere gemeente op basis van objectieve en meetbare indicatoren uitgaande van de lokale politiecapaciteit. De indicatoren werden omgezet in een formule om zo precies mogelijk weer te geven wat de bestaande politiecapaciteit is. In dit kader werden 14 verklarende variabelen in aanmerking genomen, waaronder de uitrustingsgraad, de totale bevolking van de gemeente, de oppervlakte ervan, de gevangeniscapaciteit en het kadastraal inkomen per bebouwde oppervlakte. Daaraan werden specifieke variabelen toegevoegd voor de vijf grote steden van het land (Brussel, Antwerpen, Gent, Luik en Charleroi), teneinde rekening te houden met hun specificiteit die

Op te merken valt dat er een tendens is naar milieudienstverlening tegen betaling tussen politiezones (bv inzake geluidsmeting). 10

https://www.lachambre.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=54&dossierID=54-b144-900-2833-2017201820268.xml 11

57


verband houdt met de omvang van deze steden en dus met de desbetreffende politie-realiteit. De aldus initieel bepaalde toelage evolueert van jaar tot jaar op basis van de evolutie van de gezondheidsindex.�

Deze (niet actuele) KUL-norm, die leidt tot een score per stad/gemeente en dus niet per politiezone (enkel als optelsom van de samenstellende steden/gemeenten), lijkt weinig houvast te bieden voor het samenstellen van een representatief staal van politiezones inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening.

49. Andere indelingen van politiezones zijn mogelijk : op basis van de provincie, op basis van het inwonersaantal, op basis van het mandaat van korpschef, op basis van de Salduz-subsidie, enz. Geen van deze indelingswijzen lijkt bevredigend voor de samenstelling van het beoogde representatief staal. Nog andere indelingen vereisen eerst behoorlijk wat inventarisatiewerk vooraleer een indeling van politiezones kan gemaakt worden : welke politiezones hebben toezichthouders conform Titel XVI DABM aangesteld ? welke politiezones hebben een aparte cel voor leefmilieu en ruimtelijke ordening ? welke politiezones hebben in hun zonaal veiligheidsplan van leefmilieu en ruimtelijke ordening een prioriteit gemaakt (cf de nieuwe zonale veiligheidsplannen moeten volgend jaar (2019) worden vastgesteld voor de periode 2020-2026) ? Over deze drie laatste elementen heeft de VHRM de voorbije jaren zelf (partiĂŤle) informatie verzameld die eventueel een basis voor een eerste indeling kan vormen (responderende en niet-responderende politiezones), met het oog op de samenstelling van een representatief staal. Tot slot zou de activiteitsgraad inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening van de politiezones ook kunnen achterhaald worden, cf inventarisatiewerk, via de ANG : hoeveel PV leefmilieu en ruimtelijke ordening werden in elk van de 109 politiezones opgesteld in een welbepaalde periode ? Deze cijfers kunnen een eerste basis vormen voor het in kaart brengen van actieve, minder actieve en niet actieve politiezones. Een laatste optie is natuurlijk al het tijdrovende inventarisatiewerk te vermijden, en gewoon steekproefgewijs te werk te gaan, weze het op basis van de terreinkennis van de VCLP. Eric Wauters is alvast bereid daar aan mee te wer-

58


ken als de vraag officieel wordt gesteld aan de VCLP. Voor SCB zijn de laatste twee opties relevant en valabel : ofwel op basis van activiteitsgraad, ofwel steekproefgewijs met advisering door de VCLP.

50. Ongeacht de gekozen methodiek om tot een representatief staal van politiezones te komen, wordt best geopteerd voor 3 politiezones per provincie 12, 15 in totaal (van de 109 …), die elk twee handhavingsrapporten in het representatief staal blijven, en dan, geheel/gedeeltelijk worden vervangen door andere politiezones (cf zelfde rotatiemethodiek als deze inzake steden en gemeenten). Zoals eerder aangegeven heeft het de voorkeur tegelijkertijd alle politiezones te blijven bevragen inzake een aantal essentiële basisgegevens, zoals het aantal aangestelde toezichthouders.

51. Tijdens het overleg met de VCLP werd ook een alternatief voor het idee van het representatief staal geformuleerd, namelijk dat van de provinciale bijeenkomsten van de korpschefs. In plaats van de VHRM bevragingsfiche te reserveren voor een (moeilijk te bepalen) representatief staal van politiezones, wordt ze toch aan alle 109 politiezones bezorgd, en de aldus bekomen data worden dan per provincie besproken met de korpschefs tijdens of nav één van hun provinciale bijeenkomsten. Evenwel zouden deze provinciale bijeenkomsten ook kunnen worden gebruikt om de resultaten van het representatief staal voor te stellen en alzo bovendien de nietdeelnemende politiezones bij de les te houden.

52. Samenvattend kan inzake het representatief staal politiezones gesteld worden :

Huidige aantallen per provincie : Antwerpen 24, Limburg 14, Vlaams-Brabant 24, OostVlaanderen 28, West-Vlaanderen 19. 12

59


* samenwerking VHRM en VCLP is nodig; * er is geen equivalent voor de Belfius typologie steden en gemeenten; * ongeacht de selectiewijze voor het representatief staal (maar met voorkeur voor activiteitsgraad of geadviseerde steekproef), voorkeur voor 3 politiezones per provincie; * rotatie na twee handhavingsrapporten, geheel of gedeeltelijk; * blijvende bevraging (om de twee jaar) van alle politiezones inzake het aantal aangestelde toezichthouders; * toelichting van de resultaten van het representatief staal op de provinciale bijeenkomsten van de korpschefs.

60


DEEL IV HET OVERLEG MET DE DIVERSE HANDHAVINGSACTOREN

A. INLEIDING

53. Het HHR Omgeving zal de cijfers, zoals verzameld via de bevragingsfiches, in bijlage opnemen. De cijfers komen dus niet meer centraal te staan in het HHR. Centraal komt te staan het verhaal inzake de handhaving van de regelgeving inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening in Vlaanderen. Dat verhaal zal uitgaan van de verzamelde cijfers en focussen op de bij deze cijfers gegeven achtergrond, toelichting en verduidelijking door de handhavingsactoren. Waarom zijn de cijfers zoals ze zijn ? In tegenstelling tot de vraag die tot nog toe centraal stond : wat zijn de cijfers ? Als conform het DABM en de VCRO beleidsaanbevelingen inzake handhaving moeten (kunnen) worden gegeven via het HHR Omgeving, dan volstaan (meer of minder gedetailleerde) cijfers inderdaad niet meer. Zoals in de eerste twee Voortgangsrapporten uitdrukkelijk werd gesteld, moet met de handhavingsactoren in gesprek worden gegaan. Uitgaande van de vastgestelde cijfers moeten ze deze cijfers kunnen verklaren, op basis van gemaakte beleidskeuzes en vooropgestelde beleidsprioriteiten.

61


54. Hiervan uitgaande is het duidelijk dat in de gesprekken met de verschillende handhavingsactoren, hetzij voorafgaand aan of aansluitend bij de bevraging, diverse vragen dezelfde of minstens gelijkaardig (afhankelijk van de handhavingsactor in kwestie) zullen zijn. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende vraagstelling (hierna : “de standaardvragenlijst�) :

* wat zijn de voornaamste omgevingsproblemen en de handhaving ervan ? * is er een beleid inzake handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleidsplan inzake handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een budget voor handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een personeelskader voor handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een prioriteitenlijst handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een opvolging van de realisatie van de prioriteiten handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een systematische rapportering inzake handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een eindverantwoordelijke voor handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een succes ratio bepaling van de handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * is er een samenwerking met andere instellingen inzake handhaving omgeving ? waarom wel, waarom niet ? * zijn specifiek toezichthouders, verbalisanten, inspecteurs, parketmagistraten, enz aangesteld ? waarom niet meer, waarom niet minder ? * is er een opleiding en permanente vorming van toezichthouders, verbalisanten, inspecteurs, parketmagistraten enz ? waarom wel, waarom niet ? 62


* is er juridische en technische ondersteuning van toezichthouders, verbalisanten, inspecteurs, parketmagistrate, enz ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleid inzake controles ter plekke ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleid inzake controles op stukken ? waarom wel, waarom niet ? * wat zijn de voornaamste (handhavings)instrumenten die worden ingezet om de omgevingsproblemen aan te pakken ? * is de inzet van de instrumenten succesvol ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleidsmatig gebruik van aanmaningen en raadgevingen ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleidsmatig gebruik van PV en VvV ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleidsmatig gebruik van bestuurlijke maatregelen ? waarom wel, waarom niet ? * is er een beleidsmatig gebruik van veiligheidsmaatregelen ? waarom wel, waarom niet ?

55. Het is duidelijk dat de antwoorden op de standaardvragenlijst een duidelijk beeld kunnen schetsen van de handhavingssituatie bij een bepaalde handhavingsactor, en dat deze lijst kan beantwoord worden los van de bevragingsfiche en de antwoorden erop. Het is dus voor de VHRM perfect mogelijk om met alle betrokken handhavingsactoren een goed gesprek te hebben om deze elementen in kaart te brengen, voorafgaand aan het uitsturen van de bevragingsfiche. De evaluatie van de antwoorden nadien, samen met de handhavingsactoren, zal er enkel makkelijker door worden.

56. Als we het overleg tussen de VHRM en de handhavingsactoren, in de aanloop naar het eerste HHR Omgeving, dus willen vorm geven, kan reeds een eerste krachtlijn naar voor worden geschoven : teneinde de handhavingsactoren beter te leren kennen (wie ze zijn, wat ze doen) 63


kan in de periode voorafgaand aan het uitsturen van de VHRM bevragingsfiche, een vergadering worden georganiseerd waarbij enerzijds de standaardvragenlijst wordt overlopen en anderzijds vragen specifiek voor de betrokken handhavingsactor; na het uitsturen en beantwoorden van de VHRM bevragingsfiche kan dan een nieuwe vergadering worden belegd waarbij de antwoorden met de betrokken handhavingsactor worden overlopen en besproken, indachtig de kennis die werd opgedaan tijdens de eerste vergadering. Op deze wijze moet een veel beter zicht verkregen worden op de handhavingssituatie van een handhavingsactor.

57. Naast de voormelde standaardvragenlijst die voor de meeste lokale, gewestelijke en federale handhavingsactoren relevant is, zijn er natuurlijk specifieke omstandigheden, eigen aan specifieke handhavingsactoren. Bij de bevragingsfiches werd er reeds op gewezen dat er minieme verschillen in de fiches kunnen zitten al naar gelang de decreetgever aan een of andere handhavingsactor specifieke bevoegdheden, personen of instrumenten heeft toegekend. Daar moet tijdens de gesprekken tussen de VHRM en de handhavingsactoren in kwestie dan natuurlijk ook worden op in gegaan.

58. Hierna wordt op het overleg van de VHRM met de diverse handhavingsactoren nader ingegaan. Daarbij wordt de focus gelegd op “wie, wanneer, waarover� : met wie moet de VHRM spreken, wanneer moet de VHRM met hen spreken, waarover moet de VHRM met hen spreken ?

B. POLITIEZONES

59. Wie : In de veronderstelling dat de VHRM, zoals voorgesteld door SCB, in de toekomst gaat werken met een representatief staal van politiezones, zijn de 15 geselecteerde politiezones,

64


samen met de VCLP, natuurlijk de belangrijkste gesprekspartners van de VHRM. Binnen die politiezones zijn de aan te spreken personen normaliter de korpschef, de toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM) en eventuele andere agenten of officieren van gerechtelijke politie die specifiek met leefmilieu en ruimtelijke ordening zijn belast. De provinciale bijeenkomsten van de korpschefs kunnen een belangrijk klankbord zijn, alsook het Leefmilieunetwerk.

60. Wanneer : Het representatief staal moet zo snel als mogelijk in 2019 worden samengesteld, in overleg met de VCLP. EĂŠnmaal samengesteld, moeten de 15 politiezones en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de politiezones op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moeten de politiezones een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan het representatief staal van politiezones wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de politiezones teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen kunnen per provincie plaats vinden of met de hele groep ineens.

61. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds bekende problemen besproken worden : - wat is de taakverdeling tussen toezichthouders, agenten en officieren van gerechtelijke politie inzake handhaving omgeving ?; - is het ontbreken van verbalisanten ruimtelijke ordening een probleem ? - waarom is er terughoudendheid inzake het gebruik van raadgevingen en aanmaningen ?; 65


- wat is de interpretatie en de toepassing van het begrip ‘“controle”; - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijferof dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk” dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

62. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de politiezones en de VCLP noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de politiezones, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door een representatief staal van politiezones.

63. Indien de VHRM niet opteert voor het gebruik van een representatief staal van politiezones, dan krijgen alle politiezones de VHRM bevragingsfiche. Duiding van de bekomen antwoorden wordt dan een moeilijker zaak. Bij voorkeur wordt dan nauwer overleg gevoerd met de 66


VCLP, wordt beter gebruik gemaakt van het Leefmilieunetwerk en wordt effectief een rondgang met presentatie van de resultaten gedaan op de verschillende provinciale bijeenkomsten van de korpschefs. SCB blijft niettemin voorstander van het werken met een representatief staal.

C. STEDEN EN GEMEENTEN

64. Wie : In de veronderstelling dat de VHRM in de toekomst gaat werken met een representatief staal van steden en gemeenten, zijn de 30 geselecteerde steden en gemeenten, samen met de VVSG, natuurlijk de belangrijkste gesprekspartners van de VHRM. Binnen die steden en gemeenten zijn de aan te spreken personen normaliter de burgemeester, de schepenen, de toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM), de verbalisanten ruimtelijke ordening (aangesteld in het kader van Titel VI VCRO) en de gemeentelijke stedenbouwkundig inspecteurs (aangesteld in het kader van Titels I en VI VCRO).

65. Wanneer : Het representatief staal moet zo snel als mogelijk in 2019 worden samengesteld, in overleg met de VVSG. EĂŠnmaal samengesteld, moeten de 30 steden en gemeenten en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de steden en gemeenten op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moeten de steden en gemeenten een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan het representatief staal van steden en gemeenten wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de steden en gemeenten teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen kunnen per provincie plaats vinden of met de hele groep ineens.

67


66. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds bekende problemen besproken worden : - hoeveel hinderlijke inrichtingen zijn er op het grondgebied ? - wat is de rol van de burgemeester en het college van burgemeester en schepenen in de handhaving omgeving ? - wat is de interpretatie en de toepassing van het begrip ‘“controle�; - is er samenwerking inzake handhaving omgeving in intergemeentelijk verband ? - is er samenwerking inzake handhaving omgeving in politiezone verband ? - is er handhaving omgeving buiten het kader van het DABM en de VCRO (bv via lokale verordeningen) ? - is er een vergunningen- en plannenregister ? - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijfer-

68


of dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk� dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

67. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de steden en gemeenten en de VVSG noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de steden en gemeenten, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door een representatief staal van steden en gemeenten.

68. Indien de VHRM niet opteert voor het gebruik van een representatief staal van steden en gemeenten, dan krijgen alle steden en gemeenten de VHRM bevragingsfiche. Duiding van de bekomen antwoorden wordt dan een moeilijker zaak. Bij voorkeur wordt dan nauwer overleg gevoerd met de VVSG en wordt er een rondgang met presentatie van de resultaten gedaan op de verschillende regionale bijeenkomsten van burgemeesters en topambtenaren, zoals met regelmaat georganiseerd door de VVSG. SCB blijft niettemin voorstander van het werken met een representatief staal.

D. INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN

69. Wie : Tot nog toe werkte de VHRM met 7 intergemeentelijke verenigingen inzake handhaving omgeving. Binnen die intergemeentelijke verenigingen zijn de aan te spreken personen normaliter de voorzitter, de algemeen directeur, de toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM), de verbalisanten ruimtelijke ordening (aangesteld in het kader van Titel VI VCRO) en de (gemeentelijke) stedenbouwkundig inspecteurs (aangesteld in het kader van Titels I en VI VCRO). 69


70. Wanneer : Het is wenselijk dat de 7 intergemeentelijke verenigingen en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de intergemeentelijke verenigingen op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moeten de intergemeentelijke verenigingen een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan de intergemeentelijke verenigingen wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de intergemeentelijke verenigingen teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen kunnen met de hele groep ineens.

71. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds bekende problemen besproken worden : - wat zijn de motieven om intergemeentelijk aan handhaving omgeving te doen ? - wat zijn de voor- en nadelen van die intergemeentelijke handhaving omgeving ? - wat is de taakverdeling in een intergemeentelijke handhaving omgeving ? - wat is de dienstverlening in een intergemeentelijke handhaving omgeving ? - wat is het kostenmodel in een intergemeentelijke handhaving omgeving ? - wat is de interpretatie van het begrip “controle� ? - enz.

70


De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijferof dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk� dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn. 72. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de intergemeentelijke verenigingen noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de intergemeentelijke verenigingen, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de 7 intergemeentelijke verenigingen.

E. PROVINCIES

73. Wie : De VHRM werkt vanzelfsprekend samen met de 5 Vlaamse provincies en de VVP. Binnen die provincies zijn de aan te spreken personen normaliter de gouverneur, de bestendig afgevaardigden en de toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM). Zoals eerder aangegeven spelen de provincies geen rol in het handhavingsbeleid ruimtelijke ordening.

71


74. Wanneer : Het is wenselijk dat de 5 provincies en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de provincies op het vlak van handhaving leefmilieu. Omgekeerd moeten de provincies een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan de provincies wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de provincies teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen kunnen met de hele groep ineens.

75. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst (met bijzonder aandacht voor wat daarbij eerder gemeld werd in nr 26, voetnoot 3). Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds bekende problemen besproken worden : - wat is de rol van de gouverneur en de bestendige deputatie in de handhaving omgeving ? - is het ontbreken van verbalisanten ruimtelijke ordening een probleem ? - hoe verhoudt de handhavingsbevoegdheid zich tot de vergunningsbevoegdheid ? - wat is de interpretatie van het begrip “controle� ? - zijn er belangrijke handhavingstaken buiten het DABM (bv inzake onbevaarbare waterlopen) ? - enz. De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : 72


welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijferof dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk” dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

76. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de provincies noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de provincies, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de 5 provincies.

F. GEWESTELIJKE ACTOREN

1. Inleiding

77. De variëteit aan gewestelijke handhavingsactoren noopt tot een gedifferentieerde aanpak. Sowieso is het Departement Omgeving op gewestelijk niveau de belangrijkste handhavingsactor, met een zeer brede handhavingsbevoegdheid. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken speelt een beperkte rol. Daarnaast zijn er de gewestelijke agentschappen die elk een specifieke thematische handhavingsbevoegdheid hebben. Tot slot zijn er de gewestelijke entiteiten, verder in de handhavingsketen, die een specifieke rol spelen als beboeter,

73


rechter of raadgever. Met elk van hen moet de VHRM in gesprek treden. Hierna wordt verder ingegaan op het “wie, wanneer, waarover� van die gesprekken.

2. Departement Omgeving

78. Wie : Met de Secretaris-Generaal, de Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (het voormalige AMV), de Afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving (het voormalige ALBON), de Afdeling Handhaving (Milieu-Inspectie (voormalige AMI) & Inspectie Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (voormalige Agentschap Inspectie RWO)) en de afdeling Beleid en Juridische Ondersteuning, heeft de VHRM natuurlijk belangrijke gesprekspartners binnen het Departement Omgeving. Daarbij zijn de Secretaris-Generaal, de afdelingshoofden, de gewestelijke toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM), de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening (aangesteld in het kader van Titel VI VCRO) en de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteurs (aangesteld in het kader van Titel I en Titel VI VCRO) natuurlijk de aangewezen personen om in gesprek te gaan over de gewestelijke handhaving omgeving. Gelet op het aantal betrokken mensen, wordt best gewerkt met een gemachtigde afvaardiging.

79. Wanneer : Het is wenselijk dat het Departement Omgeving en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen het Department Omgeving op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moet het Departement Omgeving een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan het Departement Omgeving wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en het Departement Omgeving teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen kunnen met de hele groep ineens. 74


80. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds bekende problemen besproken worden : - wat is de rol van de Secretaris-Generaal in de handhaving omgeving ? - hoe evolueert de integratie leefmilieu en ruimtelijke ordening tot omgeving op het vlak van handhaving ? - hoe evolueert de opmaak van het HHP Omgeving (deel I en deel II) ? - wat is de inhoud, de timing en de doelstelling van het project “Ontwikkeling van een geïntegreerd, afgestemd en risico-gebaseerd milieuhandhavingsbeleid binnen het departement Omgeving en inbedding ervan in een toekomstgericht omgevingshandhavingsbeleid” ? - wat is de interpretatie van het begrip “controle” ? - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijfer-

75


of dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk” dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

81. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met het Departement Omgeving noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van het Departement Omgeving, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door het Departement Omgeving.

82. Wat het Departement Mobiliteit en Openbare Werken betreft, kan die meegenomen worden in de gesprekken met het Departement Omgeving, of, gelet op de specifieke taakstelling, in de groep van de agentschappen.

3. Agentschappen

83. Vooraleer in te gaan op “wie, wanneer, waarover”, is het goed er op te wijzen dat de agentschappen in de regel een veel beperktere actieradius inzake handhaving hebben dan nagenoeg alle voormelde handhavingsactoren. Vaak zijn ze gericht op een specifiek thema (natuur, water, lucht, bodem, afval, wegen, waterwegen, enz). Niettemin is de voormelde standaardvragenlijst voor elk van hen zonder probleem van toepassing (weze het dan vanuit het perspectief van hun thematische handhavingsbevoegdheid), alsook de VHRM bevragingsfiche, zoals dat de voorbije jaren zonder probleem het geval was. Zoals hiervoor aangegeven vindt SCB het niet opportuun om voor elk van deze agentschappen een aparte bevragingsfiche op te maken (ingegeven door het feit dat de lijst van thema’s van PV en VvV, zoals opgenomen in de VHRM bevra-

76


gingsfiche, natuurlijk te lang en te algemeen is). Het spreekt voor zich dat deze handhavingsactoren bij het beantwoorden van de standaardvragenlijst en het duiden van de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, veel meer detailinfo kunnen geven bij hun thematische handhavingsbeleid, en wat de meest voorkomende misdrijven en inbreuken zijn waarvoor PV en VvV wordt opgesteld.

84. Wie : Met het Agentschap Natuur en Bos (ANB), de Vlaamse Waterweg (fusie van Agentschap Waterwegen en Zeekanaal en NV De Scheepvaart), het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (VAZG), de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), heeft de VHRM natuurlijk belangrijke gewestelijke gesprekspartners inzake handhaving buiten het Departement Omgeving. Daarbij zijn de Administrateur-Generaal, de afdelingshoofden handhaving (of equivalenten) en de toezichthouders (aangesteld in het kader van Titel XVI DABM) natuurlijk de aangewezen personen om in gesprek te gaan over de gewestelijke handhaving omgeving.

85. Wanneer : Het is wenselijk dat de agentschappen en de VHRM elkaars werking beter leren kennen, en dit best aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst, zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de agentschappen op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moeten de agentschappen een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan de agentschappen wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de agentschappen teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. Deze vergaderingen vinden best plaats met elk agentschap afzonderlijk.

77


86. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds een aantal specifieke thematische issues besproken worden :

- wat zijn de karakteristieken van de thematische handhavingsproblematiek waarvoor het agentschap verantwoordelijk is ? - hoe is het agentschap uitgerust om deze thematische handhavingsproblematiek aan te pakken (mensen, middelen, instrumenten) ? - welke specifieke misdrijven en inbreuken kunnen worden onderscheiden onder de algemene noemer (water, lucht, geluid, bodem, enz) van de VHRM bevragingsfiche ? - wat is de interpretatie van het begrip “controle� met betrekking tot deze thematische handhavingsproblematiek ? - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke veiligheidsmaatregelen werden in concreto opgelegd ? welke raadgevingen en aanmaningen werden in concreto gegeven ? welke misdrijven en inbreuken werden in concreto vastgesteld via PV en VvV ? welke bestuurlijke maatregelen werden in concreto opgelegd ? wat was het effect van deze raadgevingen, aanmaningen, PV, VvV, bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijfer-

78


of dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk” dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

87. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de agentschappen noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de agentschappen, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de agentschappen. 4. Gewestelijke Beboetingsentiteit

88. De vraag “wie, wanneer, waarover” ligt bij de Gewestelijke Beboetingsentiteit, net zoals voor het Handhavingscollege en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid hierna, anders dan bij de voorgaande handhavingsactoren. De Gewestelijke Beboetingsentiteit heeft geen mensen op het terrein, voert geen controles uit, enz., maar beslist in hoofdzaak over het opleggen van boetes voor gepleegde inbreuken en misdrijven. Hoe ze tot dergelijke beslissingen komt, verdient evenzeer toelichting, net als het optreden van alle eerder genoemde handhavingsactoren.

89. Wie : Het afdelingshoofd van de Afdeling Handhaving van het Departement Omgeving is de aangewezen persoon voor de VHRM om de werking van de Gewestelijke Beboetingsentiteit te bespreken, alsook de bijdrage ervan aan het HHR Omgeving.

90. Wanneer : Net zoals bij de andere handhavingsactoren moet het eerste overleg tussen de VHRM en de Gewestelijke Beboetingsentiteit plaats vinden vooraleer de VHRM bevragingsfiche 79


aan de Gewestelijke Beboetingsentiteit wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche vindt dan een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de Gewestelijke Beboetingsentiteit teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen.

91. Waarover : In tegenstelling tot de eerder genoemde handhavingsactoren is de standaardvragenlijst voor de Gewestelijke Beboetingsentiteit niet relevant. Veeleer moet het initiĂŤle gesprek tussen de VHRM en de Gewestelijke Beboetingsentiteit gericht zijn op het schetsen van het besluitvormingskader inzake beboeting, ten einde een beter begrip te hebben van de cijfers die later uit de antwoorden op de bevragingsfiche zullen blijken : wanneer wordt een beboetingsprocedure opgestart, waarom wel, waarom niet ?; wat met het sepotbeleid, transactiebeleid en boetebeleid, specifiek inzake ruimtelijke ordening ? worden de criteria terzake, zoals vastgesteld in een mededeling aan de Vlaamse Regering, systematisch toegepast ? enz. De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en toelichting, verduidelijking en verdieping geven, daar waar nodig en wenselijk. Het spreekt voor zich dat het in deze gesprekken niet kan gaan om het in vraag stellen van genomen beslissingen van de Gewestelijke Beboetingsentiteit.

92. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de Gewestelijke Beboetingsentiteit noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de Gewestelijke Beboetingsentiteit, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de Gewestelijke Beboetingsentiteit.

5. Handhavingscollege

80


93. De vraag “wie, wanneer, waarover� ligt bij het Handhavingscollege, net zoals voor de Gewestelijke Beboetingsentiteit hiervoor en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid hierna, anders dan bij de voorgaande handhavingsactoren. Het Handhavingscollege heeft geen mensen op het terrein, voert geen controles uit, enz., maar beslist in hoofdzaak over beroepen tegen beslissingen van de Gewestelijke Beboetingsentiteit. Hoe ze tot dergelijke beslissingen komt, verdient evenzeer toelichting, net als het optreden van alle eerder genoemde handhavingsactoren.

94. Wie : De voorzitter van het Handhavingscollege is de aangewezen persoon voor de VHRM om de werking van het Handhavingscollege te bespreken, alsook de bijdrage ervan aan het HHR Omgeving.

95. Wanneer : Net zoals bij de andere handhavingsactoren moet het eerste overleg tussen de VHRM en het Handhavingscollege plaats vinden vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan het Handhavingscollege wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche vindt dan een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en het Handhavingscollege teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen. 96. Waarover : In tegenstelling tot de eerder genoemde handhavingsactoren is de standaardvragenlijst voor het Handhavingscollege niet relevant. Veeleer moet het initiĂŤle gesprek tussen de VHRM en het Handhavingscollege gericht zijn op het schetsen van het besluitvormingskader inzake de ingestelde beroepen, ten einde een beter begrip te hebben van de cijfers die later uit de antwoorden op de bevragingsfiche zullen blijken : bevoegdheid v onbevoegdheid, ontvankelijkheid v onontvankelijkheid, gegrondheid v ongegrondheid, enz. De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en toelichting, verduidelijking en verdieping geven, daar waar nodig en wenselijk. Het spreekt voor zich dat het in deze gesprekken niet kan gaan om het in vraag stellen van genomen beslissingen van het Handhavingscollege. 81


97. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met het Handhavingscollege noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van het Handhavingscollege, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door het Handhavingscollege.

6. Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid

98. De vraag “wie, wanneer, waarover� ligt bij de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, net zoals voor de Gewestelijke Beboetingsentiteit en het Handhavingscollege hiervoor, anders dan bij de voorgaande handhavingsactoren. De Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid heeft geen mensen op het terrein, voert geen controles uit, enz., maar adviseert voornamelijk stedenbouwkundig inspecteurs en colleges van burgemeester en schepenen over herstelvorderingen. Hoe ze tot dergelijke (veelal bindende) adviezen komt, verdient evenzeer toelichting, net als het optreden van alle eerder genoemde handhavingsactoren.

99. Wie : De voorzitter van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid is de aangewezen persoon voor de VHRM om de werking van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid te bespreken, alsook de bijdrage ervan aan het HHR Omgeving.

100. Wanneer : Net zoals bij de andere handhavingsactoren moet het eerste overleg tussen de VHRM en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid plaats vinden vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche vindt dan een nieuwe vergadering plaats tussen de 82


VHRM en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen.

101. Waarover : In tegenstelling tot de eerder genoemde handhavingsactoren is de standaardvragenlijst voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid niet relevant. Veeleer moet het initiele gesprek tussen de VHRM en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid gericht zijn op het schetsen van het besluitvormingskader inzake de uitgebrachte adviezen, ten einde een beter begrip te hebben van de cijfers die later uit de antwoorden op de bevragingsfiche zullen blijken. De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en toelichting, verduidelijking en verdieping geven, daar waar nodig en wenselijk. Interessant daarbij is te weten hoeveel handhavingsdossiers worden opgelost op het moment dat de adviesprocedure voor de Hoge Raad wordt ingezet of afgehandeld. Het spreekt voor zich dat het in deze gesprekken niet kan gaan om het in vraag stellen van geformuleerde adviezen van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

102. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

G. FEDERALE ACTOREN

1. Federale Politie

83


103. Wie : De VHRM werkt al lang nauw samen met de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie. De hoofdcommissaris van de Dienst Leefmilieu is tevens lid van de VHRM en de ideale gesprekspartner voor de VHRM, o.a. voor wat betreft het verkrijgen van de nodige data bij de ANG, en het leggen van contacten met het Leefmilieunetwerk.

104. Wanneer : Voor zover als nog nodig en wenselijk, kan de VHRM ook met de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie samen zitten teneinde elkaars werking beter te leren kennen. Dit kan gebeuren aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst (alhoewel niet alle vragen daar (even) relevant zullen zijn), zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie op het vlak van handhaving leefmilieu 13. Omgekeerd moet de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie, voor zover als nog nodig, een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan de de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen.

105. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst, voor zover als relevant voor de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds andere zaken besproken worden :

- hoe is het werken in een domein dat vooral een gewestelijke bevoegdheid is ?

13

Het optreden van de federale politie inzake ruimtelijke ordening is nagenoeg nihil.

84


- hoe is het werken op onderwerpen die vaak grensoverschrijdend zijn, inhoudelijk en institutioneel ? - hoe kan de VHRM beter gelinkt worden met het Leefmilieunetwerk ? - wat is de interpretatie van het begrip “controle” ? - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : welke misdrijven werden in concreto vastgesteld via PV ? wat was het effect van deze PV in concreto ? enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijfer-of dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk” dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn. 106. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie.

2. Parketten

85


107. Wie : De VHRM werkt al lang nauw samen met het College van Procureurs-Generaal, en heeft in haar midden een vertegenwoordiger van zowel de parketten van de procureur des konings als van de parketten-generaal, die aldus een ideale gesprekspartner vormen voor de VHRM. Daar er tegenwoordig nog 6 parketten zijn in Vlaanderen, en het aantal parketmagistraten dat specifiek werkt op dossiers leefmilieu en ruimtelijke ordening nog altijd (zeer) beperkt is, zou het goed zijn dat de VHRM ook met deze parketmagistraten in gesprek gaat via een gezamelijke vergadering. Tot nog toe lag de focus immers voornamelijk op het verkrijgen en verwerken van data uit de relevante databank van het College van Procureurs-Generaal.

108. Wanneer : Deze gezamelijke vergadering is nuttig teneinde elkaars werking beter te leren kennen. Dit kan gebeuren aan de hand van de voormelde standaardvragenlijst (alhoewel niet alle vragen daar (even) relevant zullen zijn), zodat de VHRM een goed zicht krijgt op het reilen en zeilen binnen de parketten op het vlak van handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening. Omgekeerd moeten de parketten een goed zicht krijgen op de informatienoden van de VHRM. Deze kennismakingsfase moet afgelopen zijn vooraleer de VHRM bevragingsfiche aan het College van Procureurs-Generaal wordt bezorgd. Na ontvangst van de antwoorden op de bevragingsfiche vindt een nieuwe vergadering plaats tussen de VHRM en de vertegenwoordigers van de parketten teneinde de antwoorden te bespreken, te duiden en verder uit te diepen.

109. Waarover : Zoals aangegeven gaat het eerste overleg best eerst in op de standaardvragenlijst, voor zover als relevant voor de parketten. Aanvullend kunnen op dat eerste overleg ook reeds andere zaken besproken worden :

- hoe is het werken in een domein dat vooral een gewestelijke bevoegdheid is ? - hoe is het werken in een domein met een sterke tendens tot depenalisering en een opsplitsing van overtredingen in inbreuken v misdrijven ? 86


- hoe is het werken in een domein met prioritaire v niet-prioritaire feiten ? - hoe kunnen de tenlasteleggingscodes representatiever en concreter worden gemaakt, in eerste instantie voor misdrijven ruimtelijke ordening ? - enz.

De tweede bijeenkomst moet dan inhoudelijk focussen op de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche, en deze linken met de antwoorden op de standaardvragenlijst. Uit de confrontatie van beide sets antwoorden kunnen bevestigingen, ontkenningen, tegenstellingen, enz. blijken, die dan voorwerp van gesprek moeten zijn. Tevens kunnen de antwoorden op de VHRM bevragingsfiche een startpunt zijn voor verdere concretisering van beide sets antwoorden : motieven tot seponering; motieven voor niet strafrechtelijke behandeling; verklaringen voor geografische verschillen; enz. Het spreekt voor zich dat op deze vragen geen exact cijfer-of dossiermatig antwoord wordt verwacht, maar wel een antwoord op hoofdlijnen dat de gestelde vragen inhoudelijk zo goed als mogelijk probeert te beantwoorden. Het valt te verwachten dat “voornamelijk� dan ook een veel voorkomend woord in de antwoorden zal zijn.

110. Met het oog op de opstelling van het HHR Omgeving is een nauwkeurige write up van deze vergaderingen van de VHRM met de parketten noodzakelijk. Dit zal in eerste instantie door de VHRM dienen te gebeuren, maar met feedback en input van de parketten, teneinde een accuraat en door ieder gesteund beeld te kunnen schetsen van het handhavingsbeleid omgeving door de parketten.

H. WRITE UP

87


111. Hiervoor werd reeds in herinnering gebracht wat in het tweede Voortgangsrapport werd geschreven inzake het toekomstig Handhavingsrapport Omgeving :

“15. In diezelfde optiek past het hier reeds een voorstel te doen over hoe een handhavingsrapport er inhoudelijk zou kunnen uitzien post 2020, wetende dat de rapportering dan enkel nog om het andere jaar zal gebeuren (jaar 1, jaar 3, jaar 5 van het (hopelijk tegen dan besliste) handhavingsprogramma Omgeving). Rapportering over de basisgegevens inzake handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening zal daarbij het belangrijkste onderdeel zijn en blijven : zoals hierna zal blijken wordt onder “basisgegevens” verstaan het aantal voor handhaving ingezette mensen, het aantal door die mensen uitgevoerde controles, en het gebruik van handhavingsinstrumenten door die mensen. Deze gegevens blijven in hun eenvoud cruciaal voor de evaluatie en de evolutie van het handhavingsbeleid. Bedoeling moet echter zijn dat de cijfers zelf niet meer de kern van het rapport zijn, zoals nu het geval is (en dus eerder in bijlage van de tekst kunnen/moeten worden opgenomen), maar wel de basis vormen van een verhaal (eventueel per handhavingsactor) dat het door de handhavingsactoren gevoerde handhavingsbeleid beschrijft, verklaart en illustreert. Een verhaal dat niet noodzakelijkerwijze alleen door de VHRM zelf moet worden geschreven, maar evenzeer in co-auteurschap met de betrokken handhavingsactoren kan worden opgemaakt. Voorstelling van de verzamelde basisgegevens op narratieve wijze, met duiding en met illustraties, eventueel geflankeerd of gedragen door een interview met een vertegenwoordiger van één of meer handhavingsactoren, moet de nieuwe “look & feel” van het handhavingsrapport worden. De directe betrokkenheid van de handhavingsactoren betekent natuurlijk niet dat de schets van een globaal beeld of het doen van generalistische uitspraken over de handhavingsactoren heen, zou worden verlaten, integendeel : de deelverhalen moeten het globaal verhaal versterken en illustreren. Die betrokkenheid betekent ook niet dat kritiekloze goed nieuws-verhalen zouden kunnen gebracht worden : de plenaire VHRM moet en zal hier een constructief-kritische rol blijven spelen, zoals in het verleden. Naast de rapportering van de basisgegevens “nieuwe stijl” komt dan, in de mate dat die dan al zijn bepaald in het toekomstig handhavingsprogramma (cf de “cyclische” benadering zoals vooropgesteld in het eerste voortgangsrapport), de rapportering over de realisering van een aantal kernprioriteiten van het Vlaams handhavingsbeleid omgeving.”

112. Dit uitgangspunt indachtig, is het belangrijk nogmaals te benadrukken hoe belangrijk de write up van de gesprekken van de VHRM met de handhavingsactoren zal zijn. Het moet de VHRM toelaten algemene lessen en conclusies te trekken uit de handhavingspraktijk van de diverse handhavingsactoren, enerzijds, en, anderzijds, concrete praktijken en casussen aanleveren die kunnen dienen als illustratie van de algemene lessen en conclusies. Specifieke casussen 88


en praktijken kunnen in de tekst van het HHR Omgeving “in the picture” geplaatst worden en alzo beter illustreren wat de concrete inzet, praktijk en uitkomst is van het optreden van één of meer handhavingsactoren. Zoals hiervoor aangegeven : “de deelverhalen moeten het globaal verhaal versterken en illustreren”.

DEEL V HET VASTSTELLEN VAN EN RAPPORTEREN OVER KERNPRIORITEITEN HANDHAVING LEEFMILIEU EN RUIMTELIJKE ORDENING

A. INLEIDING

113. De voorgaande 75 bladzijden hebben betrekking op het hervormen van het HHR Leefmilieu en het HHR Ruimtelijke Ordening, zoals we deze de voorbije jaren vorm hebben zien krijgen : minder cijferfetisjisme, meer betrouwbare en verifieerbare gegevens en hoofdlijnen, meer overleg, meer duiding, meer illustratie.

89


114. In een nieuw deel van het toekomstig HHP Omgeving (cf HHP Leefmilieu is deel I, HHP Ruimtelijke Ordening is deel II), nl deel III “Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening”, willen we de voornoemde hervormingen nog beter illustreren aan de hand van een aantal “Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening”. Deze moeten worden vastgesteld in het nieuwe HHP Omgeving, en over de realisatie ervan moet worden gerapporteerd in het nieuwe HHR Omgeving. Op de concrete aanpak van vaststelling en rapportering wordt hierna nader ingegaan.

B. HET VASTSTELLEN VAN KERNPRIORITEITEN

115. In het tweede Voortgangsrapport werd over de vaststelling van de kernprioriteiten reeds het volgende gesteld :

“97. Zoals eerder aangegeven is het niet de bedoeling in dit rapport, de voornoemde kernprioriteiten te bepalen. Alvorens in te gaan op de problematiek van databepaling, dataverkrijging en dataverwerking met het oog op de rapportering van de realisaties inzake de kernprioriteiten, kan toch al even nagedacht worden over de methodiek om kernprioriteiten te bepalen in het Handhavingsprogramma Omgeving. Ons inziens moet dit een bottom up proces zijn binnen de VHRM : aan de hand van een door de VHRM opgesteld sjabloon stellen de handhavingsactoren kernprioriteiten voor; daarbij geven ze aan : 1/ wat de redenen zijn waarom dit een kernprioriteit zou moeten zijn, 2/ welke handhavingsactoren hierbij betrokken (kunnen) worden, 3/ welke acties nodig zijn voor de realisatie van de prioriteit, 4/ welke middelen nodig zijn voor de realisatie van de prioriteit, 5/ welk het tijdskader is waarbinnen de prioriteit moet gerealiseerd worden, 6/ op basis van welke criteria zal kunnen besloten worden tot realisatie van de prioriteit, en 7/ op basis van welke criteria zal de impact van de realisatie gemeten worden. Op basis van de geformuleerde voorstellen vindt dan overleg plaats binnen de VHRM, teneinde in consensus een shortlist van kernprioriteiten te bepalen. De handhavingsactoren moeten in dat overleg voor zichzelf kunnen uitmaken welke prioriteiten ze kunnen steunen en mee helpen realiseren, rekening houdend met de beschikbare mensen en middelen die ze hebben voor hun eigen handhavingstaken. Zoals eerder aangegeven moet niet elke handhavingsactor bij elke prioriteit betrokken zijn. Gestreefd moet worden naar een selectie van kernprioriteiten waarbij de bijkomende

90


workload voor elke betrokken handhavingsactor niet alleen aanvaardbaar is, maar waarbij de gezamenlijke investering van alle handhavingsactoren ook toelaat om over de periode van het handhavingsprogramma heen een belangrijke lijst van kernprioriteiten inzake handhaving te realiseren.�

116. Met het oog op de vormgeving van (deel III van) het HHP Omgeving is het dus aangewezen dat de VHRM asap in 2019 overgaat tot :

(1) het opstellen van voormeld sjabloon met de zeven aangegeven elementen; (2) het bezorgen van het sjabloon aan de handhavingsactoren; (3) het uitnodigen van de handhavingsactoren tot het doen van voorstellen inzake kernprioriteiten; (4) het verzamelen van de voorstellen van de handhavingsactoren inzake kernprioriteiten; (5) het organiseren van overleg over de voorstellen van de handhavingsactoren inzake kernprioriteiten; (6) het bepalen van een shortlist van kernprioriteiten handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening op basis van de voorstellen van de handhavingsactoren; (7) het verkrijgen en vastleggen van het engagement van de handhavingsactoren om waar mogelijk en nodig bij te dragen aan de realisatie van de shortlisted kernprioriteiten; (8) het opnemen van deze shortlisted kernprioriteiten in deel III van het HHP Omgeving; (9) het laten goedkeuren van dit deel III van het HHP Omgeving door de Vlaamse Regering; (10)

het laten samenvoegen van deel III met deel I (HHP Leefmilieu) en deel II (HHP Ruimte-

lijke Ordening), tot een volwaardig HHP Omgeving.

91


C. HET RAPPORTEREN OVER KERNPRIORITEITEN

117. Eénmaal de kernprioriteiten zijn goedgekeurd door de Vlaamse Regering, kan de uitvoering starten, en éénmaal uitgevoerd, kan de rapportering gebeuren. Hierover werd reeds in het tweede Voortgangsrapport gesteld :

“98. Over die realisaties moet dan gerapporteerd worden in het Handhavingsrapport Omgeving. Teneinde dit op een degelijke manier te kunnen doen, is het aangewezen dat binnen de VHRM per geselecteerde prioriteit een werkgroep wordt opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van de handhavingsactoren die bij de realisatie van de handhavingsprioriteit betrokken zijn. Elke werkgroep moet de drijvende kracht achter de realisatie van de betrokken prioriteit zijn door nauwgezet de acties, de inzet van middelen en het respect voor het tijdskader op te volgen. Het is ook de werkgroep die bij het einde van het project een verslag inzake realisatie en impact opmaakt (rekening houdend met de eerder vooropgestelde criteria terzake) dat kan dienen als insteek voor de rapportering in het Handhavingsrapport. Het is te verwachten dat die rapportering van een enigszins andere aard zal zijn dan deze die we hiervoor geanalyseerd hebben voor de basisgegevens. Door de, normaliter, specificiteit van de actie, zal de infoverzameling heel gericht zijn en input vergen van al de betrokken handhavingsactoren. Raadpleging van databanken (ANG, College van PGs, Gewestelijke Beboetingsentiteit), waarbij specifiek kan gezocht worden naar een welbepaald misdrijf en de daarrond ontwikkelde acties, zal, net zoals bij de basisgegevens, een belangrijk onderdeel van de infoverzameling zijn. Ook duiding zal natuurlijk noodzakelijk zijn : daar zal de werkgroep, met de vertegenwoordigers van de handhavingsactoren, een vooraanstaande rol in spelen, en het hoe en waarom van de ontwikkelde acties en ingezette mensen en middelen moeten schetsen, als achtergrond bij en verklaring voor de verzamelde cijfers. In welke mate bevragingsfiches nuttig kunnen zijn, valt af te wachten en zal waarschijnlijk afhankelijk zijn van de specifieke handhavingsprioriteit. In de mix van bevragingsfiches, databanken en duiding is het te verwachten dat de laatste twee een belangrijke rol zullen spelen, samen met het faciliterende werk van de VHRM. Zoals eerder aangegeven is de VHRM het overlegforum waar consensus moet worden gevonden inzake de shortlist van kernprioriteiten, en is het ook de plek (in de werkgroepen en plenair) waar de uitvoering van de prioriteiten zal worden opgevolgd alsook de rapportering zal worden voorbereid en gefinaliseerd. Het Permanent Secretariaat van de VHRM zal dit alles in goede banen moeten leiden (en realiseren), maar het spreekt voor zich dat de expertise die aanwezig is in hoofde van de leden van de VHRM hierbij ook meer en beter moet worden ingezet. Dit moet de VHRM toelaten om zich te ontwikkelen tot een expertisecentrum inzake handhaving leefmilieu en ruimte-

92


lijke ordening. Redactie van het Handhavingsprogramma Omgeving en het Handhavingsrapport Omgeving, advisering van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering, permanente vorming en beleidsondersteunend onderzoek kunnen zich dan ontwikkelen als de kernactiviteiten van een versterkte VHRM.�

118. Met het oog op de rapportering door het HHR Omgeving over de uitvoering van de kernprioriteiten van het HHP Omgeving is het dus aangewezen dat de VHRM asap in 2019 overgaat tot het faciliteren van :

(1) het samenstellen van een VHRM werkgroep per kernprioriteit; (2) het aanduiden van een lead handhavingsactor per VHRM werkgroep; (3) het opstellen van een actieplan per VHRM werkgroep, met aanduiding (op voorstel van de betrokken handhavingsactoren) van in te zetten mensen en middelen, uit te voeren acties, en te respecteren timing; (4) het monitoren van de vooruitgang in elke VHRM werkgroep inzake de realisatie van de kernprioriteit; (5) het opstellen van een verslag per VHRM werkgroep inzake de realisatie van de kernprioriteit en de impact ervan, op basis van data-inzameling en duiding door de betrokken handhavingsactoren.

119. De verslagen van de VHRM werkgroepen zijn de basis voor de rapportering over de kernprioriteiten in het HHR Omgeving. Hun aantal per rapport zal afhankelijk zijn van de tijd nodig om de kernprioriteiten op het terrein te realiseren. Deze ongetwijfeld tot de verbeelding sprekende realisaties zullen het handhavingsbeleid van de diverse handhavingsactoren in Vlaanderen meer zichtbaar, begrijpbaar en gewaardeerd maken.

93


DEEL VI TIJDSLIJN VOOR DE OPMAAK VAN HET EERSTE HANDHAVINGSRAPPORT OMGEVING

120. In juli 2018 werden het HHR Leefmilieu 2017 en HHR Ruimtelijke Ordening 2017 gepubliceerd. Als niets verandert, begint de VHRM straks met de opmaak van het HHR Leefmilieu 2018 en HHR Ruimtelijke Ordening 2018, op basis van de zelfde methodiek als de voorbije jaren, zijnde een bevraging in januari en een goedgekeurd rapport in juli. Q1/Q2 2019 zijn dus voor de rapporten 2018. Normaliter zijn Q1/Q2 2020 voor de rapporten 2019.

121. Wanneer kan dan een eerste HHR Omgeving op tafel liggen ? Hiervoor werd aangegeven dat er daarvoor nog veel voorbereidend werk is : (1) aanpassing van het decretale kader; (2) aanpassing van de bevragingsfiches; (3) samenstelling van een representatief staal van steden, gemeenten en politiezones; (4) aan de VHRM bevraging voorafgaande gesprekken met de handhavingsactoren; (5) opmaak van het HHP Omgeving in zijn drie onderdelen (HHP Leefmilieu, HHP Ruimtelijke Ordening, Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening).

94


122. Gelet op dat voorbereidend werk, dat zal moeten gebeuren in 2019, stelt SCB voor : (1) ofwel vraagt de VHRM de Vlaamse Regering (en/of het Vlaamse Parlement) om in 2019 geen HHR Leefmilieu 2018 en HHR Ruimtelijke Ordening 2018 te moeten opstellen, maar dat jaar mee te nemen in de referentieperiode voor het eerste HHR Omgeving; de volledige voorbereiding van het HHP Omgeving en HHR Omgeving kan dan gebeuren in 2019, zodat het eerste HHR Omgeving (over 2018 en 2019) kan opgemaakt worden in Q1/Q2 2020, met goedkeuring op de Vlaamse Regering in juli 2020; het tweede HHR Omgeving volgt dan in 2022 (over 2020 en 2021); (2) ofwel neemt de VHRM een langere voorbereidingsperiode voor het eerste HHR Omgeving terwijl ze haar normale werkzaamheden verder zet, d.w.z. : - Q1/Q2 2019 gebruiken voor de rapporten 2018; - Q3/Q4 2019 gebruiken voor voorbereidend werk HHP Omgeving en HHR Omgeving; - Q1/Q2 2020 gebruiken voor de rapporten 2019; - Q3/Q4 2020 gebruiken voor voorbereidend werk HHP Omgeving en HHR Omgeving; - Q1/Q2 2021 gebruiken voor het eerste HHR Omgeving (over 2020); - Q1/Q2 2023 gebruiken voor het tweede HHR Omgeving (over 2021/2022).

123. De voorkeur van SCB gaat uit naar scenario 1 : 2019 is een gewestelijk verkiezingsjaar en de kans dat in juli 2019 de Vlaamse Regering akte neemt van een HHR Leefmilieu 2018 en een HHR Ruimtelijke Ordening 2018 (en zorgt voor de verdere verspreiding ervan), is nagenoeg onbestaande; 2019 is tevens het eerste werkjaar voor alle nieuwe lokale en provinciale besturen, wat ook al niet bevorderlijk is voor bevragingen door gewestelijke entiteiten; en in 2019 nog

95


geen vol jaar van het nieuwe bestuurlijke handhavingssysteem ruimtelijke ordening beoordelen is wat prematuur (een extra jaar zou zeker welkom zijn). Kortom, de HHR 2018, op te maken Q1/Q2 2019, dreigen dus een maat voor niets te worden en zonde te zijn voor het vele werk dat de VHRM en de handhavingsactoren daarin investeren. Voldoende redenen dus om 2019 te gebruiken voor het voorbereidend werk voor het HHP Omgeving en HHR Omgeving.

124. In dat scenario is het cruciaal dat :

(1) de VHRM asap (Q4/2018) de Vlaamse Regering (en/of het Vlaamse Parlement) vraagt om in 2019 geen HHR Leefmilieu 2018 en HHR Ruimtelijke Ordening 2018 te moeten opstellen, maar dat jaar 2018 mee te nemen in de referentieperiode voor het eerste HHR Omgeving; (2) de VHRM asap (Q4/2018) de verschillende handhavingsactoren bericht inzake de goedkeuring van de Vlaamse Regering (en/of het Vlaamse Parlement) van voormeld voornemen; (3) de VHRM asap (Q4/2018) de minister/de Vlaamse Regering vraagt om de voorstellen voor wijziging van het decretaal kader HHP en HHR te initiĂŤren zodat deze nog worden goedgekeurd voor de ontbinding van het Vlaams Parlement in april 2019; (4) de VHRM asap (Q1/2019) in overleg gaat met de VVSG en VCLP om een representatief staal van steden, gemeenten en politiezones vast te stellen; dit moet gebeurd zijn tegen het einde van Q2/2019; (5) de VHRM asap (Q1/2019) in overleg gaat met de handhavingsactoren teneinde een shortlist van Kernprioriteiten Handhaving Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening vast te stellen, en nog te laten goedkeuren door de huidige Vlaamse Regering; (6) de VHRM asap (Q4/2018) haar coĂśrdinerende taak opstart inzake de opstelling van een nieuw HHP Leefmilieu, zijnde deel I van het nieuwe HHP Omgeving;

96


(7) de VHRM asap (Q4/2018) haar coรถrdinerende taak opstart inzake de opstelling van een nieuw HHP Ruimtelijke Ordening, zijnde deel II van het nieuwe HHP Omgeving; (8) de VHRM een agenda opstelt inzake de timing van de voorbereidende gesprekken met de handhavingsactoren (Q3/Q4 2019), voorafgaand aan de VHRM bevraging in Q1/2020; (9) de VHRM de bevraging van de handhavingsactoren kan doen in Q1/2020; (10)

de VHRM de opstelling van het eerste HHR Omgeving kan doen in Q2/2020.

DEEL VII MOGELIJK DRAAIBOEK VOOR DE OPSTELLING VAN DE TOEKOMSTIGE HANDHAVINGSRAPPORTEN OMGEVING

125. Ter afronding van dit rapport, en het project, is het nuttig om voor de toekomst een draaiboek of leidraad te hebben voor de opstelling van een nieuw Handhavingsrapport Omgeving. Hierna wordt terzake een voorstel geformuleerd. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen wat nodig is voor de rapportering inzake de bevraging van de handhavingsactoren enerzijds, en de rapportering inzake de realisatie van de kernprioriteiten anderzijds.

126. Wat betreft de rapportering inzake de bevraging van de handhavingsactoren moeten de volgende elementen voor ogen worden gehouden :

JAAR X (voorbereidend jaar) :

1. Bepaal de referentieperiode voor de bevraging van de handhavingsactoren

97


2. Bepaal de te bevragen handhavingsactoren en hun contactpersonen

3. Actualiseer de bevragingsfiche voor de handhavingsactoren voor zover als nodig

4. Actualiseer de standaardvragenlijst voor de handhavingsactoren voor zover als nodig

5. Overleg het bevragingsproces met de plenaire vergadering van de VHRM

6. Bepaal de minimale bevraging van de steden en gemeenten die geen deel uitmaken van het representatief staal van steden en gemeenten

7. Bepaal de minimale bevraging van de politiezones die geen deel uitmaken van het representatief staal van politiezones 8. Bepaal het representatief staal van te bevragen steden en gemeenten

Optie 1 : het representatief staal van JAAR X-2 blijft behouden

=> de steden en gemeenten worden bericht dat ze deel blijven uitmaken van het representatief staal

Optie 2 : het representatief staal van JAAR X-2 wordt gedeeltelijk vervangen

98


=> de te vervangen steden en gemeenten worden bericht dat ze geen deel meer uitmaken van het representatief staal => de niet te vervangen steden en gemeenten worden bericht dat ze deel blijven uitmaken van het representatief staal => samen met de VVSG worden een aantal nieuwe steden en gemeenten geselecteerd voor het representatief staal => de nieuwe steden en gemeenten worden bericht dat ze deel gaan uitmaken van het representatief staal

Optie 3 : het representatief staal van JAAR X-2 wordt volledig vervangen

=> de steden en gemeenten worden bericht dat ze geen deel meer uitmaken van het representatief staal => samen met de VVSG wordt een nieuw representatief staal van steden en gemeenten gevormd => de steden en gemeenten worden bericht dat ze deel gaan uitmaken van het nieuwe representatief staal

9. Bepaal het representatief staal van te bevragen politiezones

Optie 1 : het representatief staal van JAAR X-2 blijft behouden

99


=> de politiezones worden bericht dat ze deel blijven uitmaken van het representatief staal

Optie 2 : het representatief staal van JAAR X-2 wordt gedeeltelijk vervangen

=> de te vervangen politiezones worden bericht dat ze geen deel meer uitmaken van het representatief staal => de niet te vervangen politiezones worden bericht dat ze deel blijven uitmaken van het representatief staal => samen met de VCLP worden een aantal nieuwe politiezones geselecteerd voor het representatief staal => de nieuwe politiezones worden bericht dat ze deel gaan uitmaken van het representatief staal

Optie 3 : het representatief staal van JAAR X-2 wordt volledig vervangen

=> de politiezones worden bericht dat ze geen deel meer uitmaken van het representatief staal => samen met de VCLP wordt een nieuw representatief staal van politiezones gevormd => de politiezones worden bericht dat ze deel gaan uitmaken van het nieuwe representatief staal

10. Organiseer een voorbereidende vergadering met de handhavingsactoren, inclusief het representatief staal van steden, gemeenten en politiezones

100


=> stuur uitnodiging => bepaal datum => stuur standaardvragenlijst ter voorbereiding => hou vergadering => doe write up output vergadering in overleg met de handhavingsactoren

JAAR X+1 (implementatiejaar) :

1. Stuur de bevragingsfiche naar de handhavingsactoren, inclusief het representatief staal van steden, gemeenten en politiezones

2. Stuur de minimale bevraging aan de steden en gemeenten die geen deel uitmaken van het representatief staal van steden en gemeenten

3. Stuur de minimale bevraging aan de politiezones die geen deel uitmaken van het representatief staal van politiezones

4. Ontvang en verwerk de antwoorden op de minimale bevraging van de steden en gemeenten die geen deel uitmaken van het representatief staal van steden en gemeenten

101


5. Ontvang en verwerk de antwoorden op de minimale bevraging van de politiezones die geen deel uitmaken van het representatief staal van politiezones

6. Ontvang en verwerk de antwoorden op de bevragingsfiche van de handhavingsactoren, inclusief het representatief staal van steden, gemeenten en politiezones

7. Organiseer, na analyse van de antwoorden, een opvolgvergadering met de handhavingsactoren, inclusief het representatief staal van steden, gemeenten en politiezones

8. Doe de write up (in overleg met de handhavingsactoren) van de output van de opvolgvergaderingen met de handhavingsactoren, inclusief het representatief staal van steden, gemeenten en politiezones

9. Maak een eerste ontwerp van Handhavingsrapport Omgeving op basis van de write up van de voorbereidende vergaderingen, de antwoorden op de bevragingsfiches, de antwoorden op de minimale bevragingen, en de write up van de opvolgvergaderingen

10. Agendeer en bespreek het ontwerp Handhavingsrapport Omgeving met de plenaire vergadering van de VHRM

11. Finaliseer het ontwerp Handhavingsrapport Omgeving en leg het ter goedkeuring voor aan de plenaire vergadering van de VHRM

102


12. Bereid een mededeling van het Handhavingsrapport Omgeving aan de Vlaamse Regering voor, alsook een opgemaakte versie, samenvatting en persbericht

13. Zorg, na mededeling aan de Vlaamse Regering, voor de verspreiding (websites en social media) van het Handhavingsrapport Omgeving (Vlaams Parlement, gewestelijke adviesraden, provincies, steden, gemeenten, politiezones, gewestelijke en federale handhavingsactoren, leden van de VHRM, en andere geĂŻnteresseerden)

14. Zorg voor een Engelstalige versie van het Handhavingsrapport Omgeving en de verspreiding ervan

15. Organiseer een launchevent naar aanleiding van de publicatie van het Handhavingsrapport Omgeving

JAAR X+2 (voorbereidingsjaar) :

Zie jaar X.

JAAR X+3 (implementatiejaar) :

Zie jaar X+1.

103


127. Wat betreft de rapportering inzake de realisatie van de kernprioriteiten moeten de volgende elementen voor ogen worden gehouden :

JAAR X :

1. Bezorg het VHRM sjabloon inzake de kernprioriteiten aan de handhavingsactoren

2. Nodig de handhavingsactoren uit tot het doen van voorstellen inzake kernprioriteiten

3. Verzamel de voorstellen van de handhavingsactoren inzake kernprioriteiten

4. Organiseer overleg over de voorstellen van de handhavingsactoren inzake kernprioriteiten

5. Bepaal een shortlist van kernprioriteiten handhaving leefmilieu en ruimtelijke ordening op basis van de voorstellen van de handhavingsactoren

6. Verkrijg en leg vast het engagement van de handhavingsactoren om waar mogelijk en nodig bij te dragen aan de realisatie van de shortlisted kernprioriteiten

7. Laat de shortlisted kernprioriteiten goedkeuren als deel III van het Handhavingsprogramma Omgeving door de Vlaamse Regering

104


8. Stel een VHRM werkgroep samen per kernprioriteit

9. Laat een lead handhavingsactor aanduiden per VHRM werkgroep

10.

Laat een actieplan opstellen per VHRM werkgroep, met aanduiding (op voorstel van de

betrokken handhavingsactoren) van in te zetten mensen en middelen, uit te voeren acties, en te respecteren timing

JAAR X+1 :

11.

Laat de vooruitgang in elke VHRM werkgroep inzake de realisatie van de kernprioriteit

monitoren

12.

Laat voor de gerealiseerde kernprioriteiten een verslag opstellen per VHRM werkgroep

inzake de realisatie van de kernprioriteit en de impact ervan, op basis van data-inzameling en duiding door de betrokken handhavingsactoren

13.

Neem een samenvatting van de verslagen van de VHRM werkgroepen op in het Handha-

vingsrapport Omgeving

JAAR X+2 :

105


14.

Laat de vooruitgang in elke VHRM werkgroep inzake de realisatie van de kernprioriteit

monitoren

15.

Laat voor de gerealiseerde kernprioriteiten een verslag opstellen per VHRM werkgroep

inzake de realisatie van de kernprioriteit en de impact ervan, op basis van data-inzameling en duiding door de betrokken handhavingsactoren

JAAR X+3 :

16.

Laat de vooruitgang in elke VHRM werkgroep inzake de realisatie van de kernprioriteit

monitoren

17.

Laat voor de gerealiseerde kernprioriteiten een verslag opstellen per VHRM werkgroep

inzake de realisatie van de kernprioriteit en de impact ervan, op basis van data-inzameling en duiding door de betrokken handhavingsactoren

18.

Neem een samenvatting van de verslagen van de VHRM werkgroepen op in het Handha-

vingsrapport Omgeving

JAAR X+4 :

Zie jaar X+2.

106


JAAR X+5 :

Zie jaar X+3.

SLOT

128. In dit eindrapport werd een analyse gemaakt van het te volgen traject voor de opmaak van een eerste Handhavingsrapport Omgeving. Op basis van de uitgangspunten en de conclusies van de eerste twee Voortgangsrapporten werd aangegeven wat er nog moet gebeuren vooraleer de bevraging van de handhavingsactoren voor het eerste Handhavingsrapport Omgeving kan gebeuren. Tevens werd een draaiboek opgesteld voor de opmaak van de Handhavingsrapporten Omgeving.

129. Wanneer dit traject in de volgende maanden kan worden gevolgd en gerealiseerd, kan een eerste Handhavingsrapport Omgeving in 2020 op tafel liggen, reflecterend op het handhavingsbeleid inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening, zoals ontwikkeld door de verschillende handhavingsactoren op de verschillende beleidsniveaus in de loop van 2018 en 2019.

130. Conform de uitgangspunten en de doelstellingen van de studie, zal dit Handhavingsrapport Omgeving een veel kwalitatiever beeld schetsen van het gevoerde handhavingsbeleid, zal het de aard van de gepleegde misdrijven en inbreuken beter in beeld brengen, en zal het de mogelijkheid bieden te oordelen over de impact van het gevoerde handhavingsbeleid. 107


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Eindrapport studie Handhavingsrapport Omgeving.pdf by Vlaanderen-be - Issuu