Skip to main content

Trendrapport_2021_Kwetsbare_groepen_Vlaamse_arbeidsmarkt_08032022_0.pdf

Page 1

TRENDRAPPORT 2021 Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt

DEPARTEMENT WERK & SOCIALE ECONOMIE


TRENDRAPPORT 2021 Kwetsbare groepen op de Vlaamse Arbeidsmarkt

Vandenberghe, C., en Vansteenkiste, S. (red.) (2021). Trendrapport 2021: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk. ISBN: 978-9-04-030439-2


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Inhoud Figuren

5

Tabellen

7

Samenvatting

9

1

Inleiding AUTE U R:

2

Raf BOEY

De coronacrisis en kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt AUTE U R:

3

Aantal gewerkte uren

15

Werkzaamheid

17

Personen met een migratieachtergrond

19

Christiaan Reinier GAASENDAM E N Cornelia VANDENBERGHE

Aandeel in de bevolking

19

Werkzaamheid

20

FOCU S:

Tijdelijk werk naar opleidingsniveau

24

Deelname aan opleiding

25

Socio-demografische kenmerken

27

Jongeren

28

Raf BOEY

Aandeel in de bevolking

28

Werkzaamheid

28

FOCU S:

Impact COVID-19-pandemie op de arbeidsmarktsituatie van jongeren

Werkloosheid en uitstroom naar werk FOCU S:

Jeugdwerkloosheid volgens gedetailleerd studieniveau

30 31 33

Socio-demografische kenmerken

34

NEET-Jongeren

35

AUTE U R S:

6

22

Werkloosheid en uitstroom naar werk

AUTE U R:

5

15

Cornelia VANDENBERGHE

AUTE U R S:

4

14

Ines PENDERS E N Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking

35

NEET-ratio naar achtergrondkenmerken

36

Afstand tot de arbeidsmarkt

37

Socio-demografische kenmerken

39

55-plussers

40

AUTE U R S:

Ruben DE SMET E N Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking

40

Werkzaamheid

41

FOCU S:

Evolutie werkzaamheidsgraad per onderwijsniveau

Werkloosheid en uitstroom naar werk

43 44 3


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FOCU S:

Uittredestatuten

45

Deelname aan opleiding

48

Socio-demografische kenmerken

49

Kortgeschoolden

50

AUTE U R:

Christiaan Reinier GAASENDAM

Aandeel in de bevolking

50

Werkzaamheid

51

FOCU S:

Kloven in werkzaamheidsgraad naar geslacht en leeftijd

Werkloosheid en uitstroom naar werk FOCU S:

Tijdelijke en kortdurende contracten

55 55

Socio-demografische kenmerken

57

Personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte

58

Eline VAN ONACKER

Aandeel in de bevolking

58

Werkzaamheid

59

FOCU S:

Werkzaamheidsgraad volgens socio-demografische kenmerken

61

FOCU S:

Deeltijds & tijdelijk werk

62

Werkloosheid en uitstroom naar werk

63

FOCU S:

Evolutie van arbeidsdeelname

64

FOCU S:

Gekend bij een officieel plaatsingsbureau

65

Deelname aan opleiding

66

Socio-demografische kenmerken

67

Arbeidsreserve

68

AUTE U R S:

Michelle SOURBRON

EN

Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking FOCU S:

10

53

Deelname aan opleiding

AUTE U R:

9

52

Inschrijving bij RVA of VDAB

68 71

Mogelijke werkzaamheidsgroei

72

Deelname aan opleiding

74

Socio-demografische kenmerken

75

Huishoudpositie

76

AUTE U R S:

Ines PENDERS, Michelle SOURBRON E N Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking

76

Werkzaamheid

78

FOCU S:

Werkzaamheidsgraad naar huishoudpositie en geslacht

80

FOCU S:

Arbeidsregime

84

Personen in baanloze gezinnen

85

Deelname aan opleiding

86

Socio-demografische kenmerken

88

11

Methodologie

89

12

Bibliografie

91

Colofon

92 4


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuren Figuur 1:

Figuur 2: Figuur 3: Figuur 4:

Figuur 5: Figuur 6: Figuur 7:

Figuur 8: Figuur 9: Figuur 10: Figuur 11: Figuur 12: Figuur 13: Figuur 14: Figuur 15: Figuur 16: Figuur 17: Figuur 18: Figuur 19: Figuur 20: Figuur 21: Figuur 22: Figuur 23: Figuur 24:

Aandeel (%) van personen dat afwezig was of minder gewerkt heeft, waarbij dit niet gerelateerd was aan het coronavirus | Vlaams Gewest, 20‑64 jaar, 2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) personen geboren buiten de EU-28 in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar geboorteland | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2008-2020 Aandeel werkenden tewerkgesteld met tijdelijk contract (%) naar onderwijsniveau, personen geboren buiten EU-28 en geboren in België vergeleken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2020 Werkloosheidsgraad (%) naar geboorteland | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%), naar migratieachtergrond | Vlaams Gewest, 2018-2020 Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding, naar geboorteland | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) 15- tot 24-jarigen in de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar) | Vlaams Gewest, 2008-2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 15-29 jaar, 2008-2020 Werkloosheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%) | Vlaams Gewest, 2018-2020 Evolutie jeugdwerkloosheid (%) volgens studieniveau | Vlaams Gewest, 2019-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) NEET-jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2008-2020 NEET-ratio (%) volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2019-2020 Zelf-gepercipieerde socio-economisch statuut van niet-beroepsactieve NEET-jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) 55-plussers in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2008-2020 Werkzaamheidsgraad (%) 55-plussers naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2008-2020 Werkloosheidsgraad (%) 55-plussers | Vlaams gewest, 2008-2020 Samenstelling van de populatie 55- tot 64-jarigen | Vlaams Gewest, 2011-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%), naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2018-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%), naar leeftijd en werkloosheidsduur | Vlaams Gewest, 2020 Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2009-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) kortgeschoolden in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2008-2020

16 19 20

23 24 25

26 28 29 31 32 33 36 37 38 41 42 43 44 45 46 47 48 50 5


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 25: Figuur 26: Figuur 27: Figuur 28: Figuur 29: Figuur 30:

Figuur 31:

Figuur 32: Figuur 33:

Figuur 34: Figuur 35: Figuur 36: Figuur 37: Figuur 38: Figuur 39: Figuur 40: Figuur 41:

Figuur 42:

Figuur 43: Figuur 44: Figuur 45: Figuur 46: Figuur 47:

Werkzaamheidsgraad (%) naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25‑64 jaar, 2008-2020 Werkzaamheidsgraden (%) naar leeftijd en geslacht, vergeleken naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2020 Werkloosheidsgraad (%) naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2008-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%), naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2018-2020 Duurtijd tijdelijke contracten (%), naar opleidingsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2020 Aandeel (%) personen dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15‑64 jaar, 2009-2020 Werkzaamheidsgraad (%) van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2009-2020 Werkzaamheidsgraad van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte opgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019-2020 Werkloosheidsgraad (%) naar hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2009-2020 Aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte opgesplitst naar statuut | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2009-2020 Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%) | Vlaams Gewest; 2018-2020 Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) niet-beroepsactieven die zoekend of beschikbaar zijn in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) inzetbare niet-beroepsactieven in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 Aantal (× 1000) en aandeel (%) huisvrouwen en -mannen in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 Werkzaamheidsgraad (%) en mogelijke werkzaamheidsgroei door het inzetten van de potentiële arbeidsreserve | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 20122020 Werkzaamheidsgraad (%) en mogelijke werkzaamheidsgroei door het inzetten van de potentiële arbeidsreserve, opgesplitst naar sociodemografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2012-2020 Aandeel van huishoudpositie in de bevolking | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2012‑2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2012-2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie en geslacht | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2019-2020 Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding naar huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25‑49 jaar, 2012-2020

51 52 53 54 55

56

59 60

61 63 64 65 66 68 69 70

72

73 74 77 79 81

87 6


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabellen Tabel 1: Tabel 2: Tabel 3:

Tabel 4: Tabel 5: Tabel 6: Tabel 7: Tabel 8: Tabel 9: Tabel 10: Tabel 11: Tabel 12: Tabel 13: Tabel 14: Tabel 15: Tabel 16: Tabel 17:

Tabel 18: Tabel 19:

Tabel 20: Tabel 21: Tabel 22:

Socio-demografisch profiel van de bevolkingsgroepen in dit rapport | Vlaams G ­ ewest, 15-64 jaar, 2020 Aandeel werkende bevolking (exclusief helpers) dat thuiswerkt volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019-2020 Werkzaamheids- en werkloosheidsgraad en aandeel niet-beroepsactieven in de bevolking volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019 & 2020 Evolutie werkzaamheidsgraad personen geboren buiten de EU-28, volgens achtergrondkenmerken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2016, 2019 & 2020 Aandeel (%) personen naar migratieachtergrond en andere sociodemografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2019-2020 Evolutie in de arbeidsmarktsituatie van jongeren tussen 2019 en 2020 | Vlaams Gewest Evolutie in de arbeidsmarktsituatie van schoolverlaters tussen 2019 en 2020 | Vlaams Gewest Aandeel (%) jongeren naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2019-2020 Huidige arbeidsmarktpositie van NEET-jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2019-2020 Aandeel (%) NEET-jongeren naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2019-2020 Aandeel (%) 55-plussers naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15‑64 jaar, 2019-2020 Aandeel (%) personen naar onderwijsniveau en andere socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2019-2020 Aandeel (%) voltijds versus deeltijds werk door personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Aandeel (%) deeltijds werk bij mannen en vrouwen bij personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Aandeel vast versus tijdelijk contract bij personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Inschrijving bij RVA of VDAB van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2020 Aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte uitgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2019-2020 Inschrijving bij RVA of VDAB, van personen die zoekend of beschikbaar zijn | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Aandeel (%) personen in verschillende groepen uit de arbeidsreserve opgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019-2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie, opgesplitst naar geslacht en onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020 Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie, opgesplitst naar geslacht en geboorteland | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020 Aandeel (%) deeltijds werk per huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020

13 17

18 21 27 30 31 34 37 39 49 57 62 62 62 65

67 71

75 82 83 84 7


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 23: Tabel 24: Tabel 25:

Arbeidsmarktpositie van personen in baanloze gezinnen | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2019 en 2020 Verdeling naar huishoudpositie van personen in baanloze gezinnen | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2019 en 2020 Aandeel (%) personen naar huishoudpositie en andere socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020

85 86 88

8


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Samenvatting CORONAC RI SI S De coronacrisis trof sommige groepen op de arbeidsmarkt meer dan andere groepen. De Vlaamse werkzaamheidsgraad voor 20-64-jarigen daalde met 0,8 procentpunt naar 74,7% in 2020. Bij de personen met een migratieachtergrond en de jongeren daalde de werkzaamheidsgraad meer dan gemiddeld, met een afname van respectievelijk 2,8 en 4,2 procentpunten ten opzichte van 2019. Bovendien vormde in deze twee bevolkingsgroepen het coronavirus ook vaker de reden achter een afwezigheid op het werk. De coronacrisis lijkt de ongelijkheid op de arbeidsmarkt vergroot te hebben. Enkele groepen die het in normale tijden moeilijker hebben op de arbeidsmarkt, zoals de personen met een migratieachtergrond, voelden de impact van de coronacrisis ook meer. Andere kwetsbare groepen waren crisisbestendiger: bij de 55-plussers bijvoorbeeld nam de werkzaamheidsgraad zelfs licht toe in 2020.

P E R S O N E N M E T E E N M I G R AT I E A C H T E R G R O N D Het aandeel personen geboren buiten de EU-28 in Vlaanderen is sinds 2016 vrij stabiel gebleven. Tijdens de coronacrisis daalde de werkzaamheidsgraad bij personen met een migratieachtergrond meer dan gemiddeld, met een afname van 2,8 procentpunten ten opzichte van 2019. Deze daling doet een deel van de vooruitgang in dit cijfer uit de periode 2016-2019 teniet. De tewerkstelling van personen met een migratieachtergrond is conjunctuurgevoeliger. Deze groep werkt ook vaker in de horeca, een sector die bijzonder te lijden had onder de coronacrisis. Het aandeel niet-beroepsactieven is hoger dan gemiddeld bij personen met een migratieachtergrond, maar het is vooral de werkloosheidsgraad die uitzonderlijk hoog is bij deze groep. In 2020 was de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU ruim 3× hoger dan bij personen geboren in België. Veel niet-werkende personen geboren buiten de EU zijn dus actief op zoek naar werk. De uitstroom naar werk vanuit werkloosheid is lager dan gemiddeld, maar minder dramatisch dan sommige van de andere groepen die in dit rapport worden besproken. Personen geboren buiten de EU zijn echter oververtegenwoordigd in tijdelijk werk, waardoor ze vaker periodes van werk afwisselen met periodes van werkloosheid, en gevoeliger zijn voor conjunctuurschommelingen. Personen geboren buiten de EU-28 nemen bovendien minder vaak deel aan opleiding dan personen geboren in België of in een EU-28-land.

J O N G E R E N (1 5 -2 4 JA A R ) In 2020 steeg het aantal jongeren tussen 15 en 24 jaar voor de eerste keer sinds 2012. In tijden van nijpende arbeidsmarktkrapte is dat goed nieuws. Het aandeel van deze jongeren dat aan het werk is, ging de afgelopen jaren eveneens in stijgende lijn, maar de Covid-crisis zorgt voor een dip in 2020. Slechts 29,2% van de 15- tot 24-jarigen was aan het werk, ten opzichte van 33,4% in 2019. Ook jongeren zijn vaker aan het werk in coronagevoelige sectoren, zoals de horeca, wat waarschijnlijk een rol speelt in de afname van de werkzaamheidsgraad. De Covid-crisis zorgde voor een forse daling van het aantal vacatures en aanwervingen, wat veel schoolgaande jongeren deed besluiten om de overstap naar de arbeidsmarkt nog even uit te stellen. Het aantal schoolverlaters daalde met -4,5%, maar toont een zorgwekkend contrast tussen beroepsactieve en niet-beroepsactieve schoolverlaters. Het aantal schoolverlaters dat 9


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

aan het werk was of werkzoekend was, daalde in 2020 met respectievelijk -15,8% en -23,1% ten opzichte van 2019, terwijl het aantal niet-beroepsactieve schoolverlaters toenam met +20,1%.

N E E T- J O N G E R E N De NEET-jongeren (jongeren die niet werken en geen opleiding volgen) zijn een zeer heterogene groep qua samenstelling. In vergelijking met 2019 vinden we bij de NEET tussen 15 en 24 jaar in 2020 iets meer mannen en personen met een arbeidshandicap terug en minder personen geboren buiten de EU-28. Die laatste twee blijven wel oververtegenwoordigd in de NEET-groep in vergelijking met de totale jongerenpopulatie. Sinds 2013 is er een dalende tendens bezig en ook in 2020 neemt de NEET-ratio lichtjes verder af, van 7,5% in 2019 naar 7,3% in 2020. In tegenstelling tot bij de financieel-economische crisis van 2008, stellen we dus geen stijging vast tijdens het eerste jaar van de COVID-19-pandemie op het aantal en aandeel NEET-jongeren. Die conjunctuurgevoeligheid komt wel terug bij de oudere leeftijdscategorie, van 25 tot 29 jaar. Daar neemt de NEET-ratio toe met 1 procentpunt in 2020. Verder concluderen we net zoals in het vorige Trendrapport dat heel wat jongeren een behoorlijke afstand tot de arbeidsmarkt hebben: bijna de helft heeft geen arbeidswens en 20,5% wou wel werken maar was niet actief op zoek naar werk. Er zijn verhoudingsgewijs wel iets meer werklozen ten opzichte van 2019. Dat kan te verklaren zijn doordat NEET-jongeren als ze werk vinden vaak als uitzendkracht aan de slag gaan, en het net de uitzendsector is die sterk te lijden had onder de COVID-19-pandemie met meer werkloosheid in die sector tot gevolg en zo ook onder de NEET.

55-PLUSSERS Geen enkele andere bevolkingsgroep boekte de afgelopen jaren zoveel vooruitgang op vlak van werkzaamheid als de 55-plussers. Zelfs de COVID-19-pandemie kon de werkzaamheidsgroei bij de 55-plussers niet stuiten. Ondanks deze progressie, slaagt Vlaanderen er nog niet in om zich te meten met heel wat landen binnen Europa. De progressiemarge blijft dan ook groot. In 2020 ligt de werkzaamheidsgraad bij 55-plussers nog steeds 29,9 procentpunten lager dan bij de 25- tot 54-jarigen. Vooral vanaf 58 jaar merken we een sterke afname in de Vlaamse arbeidsdeelname. De crisisbestendigheid van de 55-plussers blijkt ook uit de werkloosheidsgraad: deze bleef op een stabiel laag niveau van 2,8%. Maar ook hier blijven pijnpunten aanwezig. Zo stromen 55-plussers die in werkloosheid terechtkomen nog altijd veel minder door naar werk, zeker indien ze al langere tijd werkloos zijn. Bovendien blijven 55-plussers achterophinken qua opleidingsdeelname. In de afgelopen elf jaar werd de generatiekloof op dit vlak amper gedicht.

KORTGESCHOOLDEN Tussen 2008 en 2020 daalde het aandeel kortgeschoolden in de Vlaamse bevolking op beroepsactieve leeftijd van 28,4% naar 17,7%, een forse daling van ongeveer 340 000 personen. Gedurende deze periode bleef de werkzaamheidsgraad van kortgeschoolden maar net boven de 50%. De werkzaamheidsgraden van vrouwen en 55+’ers zijn in het algemeen lager, maar deze kloven zijn nog meer uitgesproken bij kortgeschoolden. Kortgeschoolden hebben bovendien vaker een tijdelijk contract, werken vaker in de uitzendsector en hun tijdelijke contracten zijn vaker korter dan een maand. Hun arbeidsmarktsituatie is dus vaker precairder dan die van middengeschoolden en hooggeschoolden.

10


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Het risico op langdurige werkloosheid is daarnaast hoger voor kortgeschoolden. In 2020 was bijna 4 op 10 (39,2%) van de kortgeschoolde werklozen langdurig werkloos ten opzichte van 22,1% van de hooggeschoolde werklozen. Ook stromen kortgeschoolden die in de werkloosheid komen minder vaak door naar werk dan middengeschoolden en hooggeschoolden en steeg het aandeel kortgeschoolden dat niet-beroepsactief werd in 2020. Kortgeschoolden nemen bovendien veel minder vaak deel aan opleiding: 8,4% in 2020, ten opzichte van 16,5% van midden­ geschoolden en 31,1% van hooggeschoolden.

PERSONEN MET EEN ARBEIDSHANDICAP 596 000 Vlamingen, wat overeenkomt met 14,3% van de bevolking tussen 15 en 64 jaar, ondervinden hinder bij het werken of in hun dagelijks leven door een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem. Hun aandeel in de bevolking is een stuk groter dan 10 jaar geleden, maar dit cijfer stabiliseert wel de laatste jaren. Binnen deze groep zien we een sterke oververtegenwoordiging van onder meer 55-plussers en kortgeschoolden. In 2020 was 46,0% aan het werk (bij de groep 20-64-jarigen). Dit is lichtjes hoger dan in 2019. De werkzaamheidsgraad van deze groep lijkt dus niet uitgesproken conjunctuurgevoelig. We zien dan ook dat 94,4% van hen een vast contract heeft, wat iets meer is dan in de populatie zonder hinder. De kloof tussen wie wel en wie geen hinder ondervindt blijft, met 34,2 procentpunt, wel erg groot. Ook de kloof tussen wie in erge en wie in beperkte mate hinder ondervindt is groot, met 30,8 procentpunt.

ARBE I DSRESE RVE In 2020 bedraagt de Vlaamse werkloosheidsgraad 3,5%, een stijging van 0,3 procentpunten ten opzichte van 2019. Dankzij een aantal beschermende maatregelen blijft de impact van de Corona-crisis op de Vlaamse arbeidsmarkt voorlopig binnen de perken en heerst er nog steeds een uiterst krappe arbeidsmarkt. Om tegemoet te komen aan de arbeidsvraag zit er naast de werklozen ook nog heel wat arbeidspotentieel verscholen bij niet-beroepsactieven. We leggen in dit rapport de focus op de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven, de inzetbare niet-beroepsactieven en de huisvrouwen of -mannen omwille van andere redenen dan te dure (kinder)opvang. In deze groepen vinden we bovengemiddeld veel vrouwen, kortgeschoolden, personen geboren buiten de EU-28 en personen met een arbeidshandicap terug. Meer dan de helft van deze groep is gekend bij VDAB of RVA waardoor hun band met de arbeidsmarkt nog niet helemaal verbroken is. Indien we erin slagen om de groepen die het dichtst bij de arbeidsmarkt staan (werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en de inzetbare niet-beroepsactieven) aan de slag te krijgen bovenop de werkende populatie van 2020, dan zou de werkzaamheidsgraad 5,7 procentpunten hoger liggen (80,4%). Vlaanderen zou hiermee in één klap de aansluiting vinden met de Europese toplanden op vlak van werkzaamheidsgraad en tegelijkertijd wordt de werkzaamheidsdoelstelling van 80% behaald. Om dit potentieel effectief te benutten, moet uiteraard ook de arbeidsvraag voldoende aantrekken. We constateren op dit vlak al een sterk aanzwengelende vacaturemarkt, en toenemende personeelstekorten in een aantal sectoren zoals onderwijs, IT en gezondheidszorg. Daarnaast zorgt de sterke uitstroom van 55-plussers voor een toenemende vraag naar arbeid de komende jaren. De projecties van het Steunpunt Werk wijzen op gemiddeld 77 000 vervangingsvacatures per jaar voor het komende decennium door uitstroom van 55-plussers uit de arbeidsmarkt. Een brede benadering van het arbeidspotentieel speelt zo een belangrijke rol in het helpen beantwoorden van deze toenemende arbeidsvraag en de krapte op de arbeidsmarkt.

11


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Wanneer we de mogelijke werkzaamheidsgroei opspitsen naar een aantal socio-demografische kenmerken merken we op dat er vooral bij de meest kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt veel progressiemarge is. Deze groepen hebben een lagere werkzaamheidgraad dan gemiddeld, maar doordat ze oververtegenwoordigd zijn in de potentiële arbeidsreserve is er nog veel groei mogelijk.

HUISHOUDPOSITIE De analyse naar huishoudpositie is een nieuwe toevoeging aan de tweede editie van het Trendrapport ‘Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt’. In dit hoofdstuk bespreken we de verdeling naar socio-demografische kenmerken, de werkzaamheidsgraad en opleidingsdeelname van de verschillende huishoudposities, namelijk alleenstaanden, samenwonende partners met en zonder kinderen en éénoudergezinnen. De Vlaamse bevolking tussen de 25 en 49 jaar bestaat voor iets meer dan de helft uit samenwonenden met kinderen. Vooral het klassieke gezin met twee kinderen blijft de meest voorkomende samenlevingsvorm in Vlaanderen. De alleenstaanden zijn in verhouding dan weer een kleine groep, maar het belang ervan is de afgelopen jaren wel gestegen. Zij vormen, net zoals de alleenstaande ouders, een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt door de oververtegenwoordiging van onder meer kortgeschoolden, personen geboren buiten België en personen met een arbeidshandicap. De gezinssamenstelling heeft ook een impact op de werkzaamheidsgraad en die impact is verschillend naargelang geslacht. Zo hebben alleenstaanden, alleenstaande ouders en samenwonenden met drie of meer kinderen in het algemeen een lagere werkzaamheidsgraad. De kloof tussen mannen en vrouwen wordt uitgediept wanneer er kinderen inwonend zijn en wanneer de gezinslast toeneemt. Zo is er een werkzaamheidskloof van 21,5 procentpunten tussen vrouwen en mannen die samenwonend zijn en drie of meer kinderen hebben. Bij samenwonenden zonder kinderen is deze kloof beperkt tot 3,8 procentpunten. Terwijl bij mannen de gezinssituatie de hoge werkzaamheidsgraad enigszins nuanceert, weegt de gezinspositie gemiddeld genomen veel zwaarder door in de arbeidsdeelname van vrouwen. Een gezinsuitbreiding gaat in het geval van vrouwen vaak gepaard met een daling van de werkzaamheidsgraad. Bovendien hebben vrouwen veel vaker dan mannen een deeltijdse betrekking en dit percentage neemt toe met het aantal kinderen. Deze conclusie houdt stand ongeacht onderwijsniveau want hoewel hooggeschoolde vrouwen voor meer dan 90% aan het werk zijn, werken zij vaker dan mannen deeltijds om hun job te combineren met gezins- en zorgtaken. Als we inzoomen op personen die in baanloze gezinnen leven, gezinnen waar niet gewerkt wordt, stellen we vast dat de COVID-19-pandemie het risico enigszins deed toenemen om deel uit te maken van een baanloos gezin. Vooral alleenstaanden met en zonder kinderen zijn sterk vertegenwoordigd in baanloze gezinnen.

12


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 1: Socio-demografisch profiel van de bevolkingsgroepen in dit rapport | Vlaams ­Gewest, 15-64 jaar, 2020 15-64 jaar Werkzaamheidsgraad

69,4%

Geboren buiten EU-28 57,0%

Jongeren

NEET-Jongeren (15-24 jaar)

29,2%

nvt

55-plussers 55,7%

Werkloosheidsgraad

2,5%

6,0%

3,5%

nvt

1,6%

Inactiviteitsgraad

28,1%

37,0%

67,3%

nvt

42,7%

Man

50,4%

48,6%

51,1%

56,0%

50,2%

Vrouw

49,6%

51,4%

48,9%

44,0%

49,8%

15-24

17,2%

9,5%

100,0%

100,0%

0,0%

25-54

60,9%

77,8%

0,0%

0,0%

0,0%

55-64

21,9%

12,7%

0,0%

0,0%

100,0%

Kortgeschoolda

29,1%

17,7%

38,0%

nvt

45,2%

Middengeschoolda

39,6%

34,3%

nvt

41,0%

38,8%

Hooggeschoolda

42,7%

27,7%

nvt

13,8%

32,0%

Geboren in België

85,8%

0,0%

91,5%

84,7%

90,5%

Geboren in EU-28 (excl. België)

5,8%

0,0%

3,7%

nb

4,6%

Geboren buiten EU-28

8,4%

100,0%

4,8%

9,9%

4,9%

Met arbeidshandicap

14,3%

14,1%

6,1%

20,7%

24,3%

Zonder arbeidshandicap

85,7%

85,9%

93,5%

79,3%

75,7%

15-64 jaar

Kortgeschoolden b

Personen met een arbeids­ handicap c

Zoekend of beschikbaard

Huisvrouwen en -mannen d

Werkzaamheidsgraad

69,4%

53,8%

45,0%

0,0%

Werkloosheidsgraad

2,5%

2,6%

2,6%

0,0%

0,0%

Inactiviteitsgraad

28,1%

43,6%

52,4%

100,0%

100,0%

Man

50,4%

53,6%

47,4%

47,5%

nb

Vrouw

49,6%

46,4%

52,6%

52,5%

97,0%

15 (20)-24

0,0%

17,2%

nvt

7,3%

21,1%

nb

25-54

60,9%

57,1%

55,4%

65,5%

57,4%

55-64

21,9%

42,9%

37,3%

13,4%

42,1%

Kortgeschoolda

17,7%

100,0%

36,2%

23,4%

42,2%

Middengeschoolda

39,6%

0,0%

41,4%

42,3%

36,8%

Hooggeschoolda

42,7%

0,0%

22,4%

34,3%

21,0%

Geboren in België

85,8%

69,7%

85,5%

70,0%

54,2%

5,8%

8,5%

5,4%

8,4%

10,0%

Geboren buiten EU-28

8,4%

21,8%

9,1%

21,6%

35,8%

Met arbeidshandicap

14,3%

31,6%

100,0%

21,3%

8,6%

Zonder arbeidshandicap

85,7%

68,4%

0,0%

78,7%

91,4%

Geboren in EU-28 (excl. België)

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. a. Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (15-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Enkel bij de NEET-jongeren wordt de leeftijdsafbakening 15-24 jaar gehanteerd, aangezien deze geen studies meer volgen. b. Bij de kortgeschoolden gaat het over 25-64-jarigen. c. Bij personen met een arbeidshandicap gaat het over personen die hinder ondervinden. d. Bij zoekend of beschikbaar en huisvrouwen en -mannen gaat het over 20- tot 64-jarigen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

13


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

1

Inleiding AUTEUR: Raf

BOEY

De Vlaamse arbeidsmarkt kent felle contrasten. Zo kan de werkzaamheidsgraad (het aandeel werkenden in de bevolking) van hooggeschoolden jonger dan 55 jaar wedijveren met de absolute toplanden in Europa, maar ligt de werkzaamheidsgraad van een aantal kwetsbare groepen een heel stuk lager. Na de COVID-19-crisis steekt de arbeidsmarktkrapte weer de kop op, maar sommige van deze groepen blijven grote moeilijkheden ondervinden op de arbeidsmarkt. Deze editie van het Trendrapport toont bovendien aan dat het coronavirus de kloof tussen de sterkere en meer kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt enkel vergroot heeft. In wat volgt wordt de arbeidsmarktpositie van verschillende kwetsbare groepen geschetst aan de hand van hun werkzaamheidsgraad, werkloosheidsgraad, transities van werkloosheid naar werk en hun opleidingsdeelname. Waar relevant, worden de cijfers ook wat meer in de diepte geanalyseerd. De cijfers in dit rapport lopen tot 2020. Ze schetsen duidelijk het effect van de COVID-19-crisis, maar kunnen het scherpe herstel in 2021 nog niet mee in kaart brengen. Zo toont het rapport hoe een aantal kwetsbare groepen zwaarder dan gemiddeld getroffen werden door de crisis, maar blijft het voorlopig onzeker of ze ook langer dan gemiddeld de gevolgen van de crisis zullen dragen. Het herstel van de werkzaamheidsgraad bij sommige groepen zal wellicht ook deels samenhangen met de snelheid van het herstel van de tewerkstelling in bepaalde sectoren. Naast conjunctuurgevoeligheid zijn er nog zeer veel andere redenen waarom bepaalde groepen een lagere arbeidsdeelname hebben dan gemiddeld. Opleidingsniveau, taalkennis, discriminatie, of een combinatie van deze en andere factoren kunnen ertoe leiden dat bepaalde groepen van mensen minder vlot hun weg vinden op de arbeidsmarkt. De cijfers in dit rapport monitoren de verschillen in arbeidsdeelname tussen verschillende groepen, maar kunnen niet aanwijzen waaraan deze verschillen te wijten zijn. Het Trendrapport is bovendien beperkt tot een aantal groepen die op basis van hun socio-demografische kenmerken eenvoudig te identificeren zijn in statistieken. Het gaat met name om jongeren, 55-plussers, personen geboren buiten de Europese Unie, personen met een arbeidshandicap, de niet-beroepsactieven en bepaalde huishoudposities. Er bestaan daarnaast nog heel wat groepen die kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt, zoals mensen in armoede, laaggeletterden,… Deze groepen kunnen helaas niet afgebakend worden in de gebruikte statistieken en kunnen dus ook niet op een vergelijkbare wijze geanalyseerd worden. Wie meer wil weten over de arbeidsmarktsituatie van andere groepen, kan terecht in meer gespecialiseerde literatuur. Wie vragen heeft bij de gebruikte begrippen en definities, kan terecht in het methodologische hoofdstuk aan het einde van dit rapport.

14


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

2

De coronacrisis en kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt AUTEUR: Cornelia

VANDENBERGHE

De coronacrisis had een grote impact op de arbeidsmarkt. Sommige sectoren moesten tijdelijk sluiten, anderen kregen beperkingen opgelegd. Daardoor daalde het arbeidsvolume in termen van voltijds equivalenten. In Vlaanderen lag het arbeidsvolume in het tweede kwartaal van 2020 13,0% lager dan één jaar eerder (De Smet, Neefs, Vansteenkiste & Penders, 2021). In dit kort corona-hoofdstuk wordt de impact van de coronacrisis geanalyseerd op de arbeidsmarktsituatie van verschillende kwetsbare groepen. Daarbij wordt besproken in welke mate verschillende bevolkingsgroepen minder gewerkt hebben dan gewoonlijk, en of de werkzaamheidsgraad van deze groepen differentieel evolueerde.

Aantal gewerkte uren Tussen 2019 en 2020 is er een behoorlijke stijging in het aandeel mensen dat minder uren gewerkt heeft dan gewoonlijk. In de werkende bevolking (20-64 jaar) stijgt dit aandeel met 7,1 procentpunten naar 29,0% in 2020. Met uitzondering van de personen met een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem en de 55-plussers, noteren alle weergegeven kwetsbare groepen exclusief huishoudpositie een stijging van meer dan 7,1 procentpunten tussen 2019 en 2020. De groep personen met een geboorteland buiten de EU-28 noteert een stijging van 9,7 procentpunten. De jongeren en de kortgeschoolden vormen respectievelijk de tweede en derde grootste stijger. Bij de personen met een migratieachtergrond, jongeren en kortgeschoolden was het coronavirus ook vaker dan gemiddeld de reden achter een afwezigheid op het werk (figuur 1). Hetzelfde geldt evenwel niet voor personen in deze groepen die wel aanwezig waren op het werk, maar gedurende minder uren. Bij de personen in Vlaanderen die minder werkten in hun job in 2020, hield dit in ongeveer zeven op de tien gevallen geen verband met het coronavirus.

15


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 1: Aandeel (%) van personen dat afwezig was of minder gewerkt heeft, waarbij dit niet gerelateerd was aan het coronavirus | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 90%

78,2%

83,7%

72,5%

64,5%

57,6%

66,9%

65,7%

68,8%

71,0%

nb

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Afwezigheid op werk niet gerelateerd aan coronavirus Vlaams Gewest

55+

Kortgeschoold (25-64)

Verminderde arbeidsprestaties niet gerelateerd aan coronavirus Jongeren (15-24)

Niet-EU-28

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. De cijfers voor personen met een handicap kunnen niet weergegeven worden, omdat handicaps in het begin van het jaar bevraagd worden, en vragen over het coronavirus pas later in 2020 gesteld werden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Een verklaring voor het grotere aantal afwezigheden gerelateerd aan het coronavirus bij jongeren, kortgeschoolden en personen met een migratieachtergrond ligt in welke jobs deze groepen uitoefenen. Ze werken vaker in jobs waarbij telewerk minder voor de hand ligt, en waarin er dus in mindere mate of niet op telewerk kon overgeschakeld worden in 2020 (tabel 2). Daarmee hangt uiteraard de sectorale tewerkstelling van deze bevolkingsgroepen samen: zij zijn vaker aan de slag in coronagevoelige sectoren zoals de horeca, de bouw en de groot- en kleinhandel (Lens, Marx, & Mussche, 2020). Wellicht verklaart de lage ‘thuiswerkbaarheid’ van deze jobs deels de groei van het aandeel jongeren, kortgeschoolden en personen met een migratieachtergrond dat minder dan gewoonlijk werkte in hun betrekking. Ook houden jobs in de groot- en kleinhandel een groter risico op blootstelling aan COVID-19 in, wat ook afwezigheden met zich mee kan brengen.

16


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 2: Aandeel werkende bevolking (exclusief helpers) dat thuiswerkt volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019-2020 2019

2020

Vlaams Gewest

26,2

34,0

Geboren buiten EU-28

12,7

13,9

Kortgeschoold

8,9

8,4

Jongeren (15-24 jaar)

10,7

14,2

Personen met arbeidshandicap

21,2

25,2

55-tot 64-jarigen

26,2

34,4

Noot: De categorie kortgeschoolden bevat alle personen zonder diploma hoger secundair onderwijs in de leeftijdscategorie 25-64 jaar. Deze cijfers geven het aandeel werkenden aan dat aangeeft soms of gewoonlijk thuis te werken voor zijn/ haar/hun hoofdactiviteit in de maand van de bevraging. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Werkzaamheid Binnen de groep werkenden groeide het aandeel personen met een migratieachtergrond en het aandeel jongeren dat minder dan gewoonlijk werkte, maar daarnaast daalde ook de werkzaamheid van deze groepen meer dan het Vlaams gemiddelde (tabel 3). De werkzaamheidsgraad van deze groepen daalde bovengemiddeld omdat deze groepen oververtegenwoordigd zijn in atypisch werk en jobs met lage anciënniteit (Lens, Marx, & Mussche, 2020). Personen met een migratieachtergrond en jongeren zijn ook vaker tewerkgesteld met tijdelijke contracten, en tijdens corona werden contracten minder vaak verlengd. Daarnaast blijkt uit de Enquête naar de arbeidskrachten dat personen met migratieachtergrond en jongeren ook vaker in de horeca werken, een sector die vrij zwaar werd getroffen door corona. Bovenstaande factoren bieden verklaringen waarom personen met een migratieachtergrond en jongeren vaker hun baan verloren tijdens de coronacrisis, en waarom de werkzaamheidsgraad van deze groepen daalde. Die daling in de werkzaamheidsgraad vertaalt zich voor het grootste deel in een stijging van het aandeel niet-beroepsactieven. Op Vlaams niveau stijgt het aandeel niet-beroepsactieven met 0,5 procentpunten ten opzichte van 2019. Bij de personen met een migratieachtergrond bedraagt de stijging 2,8 procentpunten ten opzichte van 2019. Bij de jongeren is dit zelfs 4,2 procentpunten, studieverlenging of het kiezen voor een bijkomende opleiding speelt hier mogelijk een rol.

17


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 3: Werkzaamheids- en werkloosheidsgraad en aandeel niet-beroepsactieven in de bevolking volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019 & 2020 Werkzaamheidsgraad (%)

Werkloosheidsgraad (%)

Niet-beroepsactief (%)

74,7% (-0,8)

2,6% (+0,2)

22,7% (+0,5)

Geboren buiten EU-28

59,1% (-2,8)

6,0% (+0,0)

34,9% (+2,8)

Kortgeschoold

53,7% (-0,6)

2,7% (-0,1)

43,6% (+0,7)

Jongeren (15-24 jaar)

29,2% (-4,2)

3,5% (+0,0)

67,3% (+4,2)

Personen met arbeidshandicap

46,0% (+0,4)

2,7% (+0,2)

51,3% (-0,6)

55-tot 64-jarigen

55,7% (+0,8)

1,6% (+0,0)

42,7% (-0,8)

Vlaams Gewest

Noot: Cijfers tussen haakjes zijn gelijk aan de evolutie ten opzichte van 2019 uitgedrukt in procentpunten. Bij kortgeschoolden worden personen in de leeftijdscategorie 25-64-jarigen meegenomen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

18


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

3

Personen met een migratieachtergrond AUTEURS: Christiaan

Reinier GAASENDAM EN Cornelia VANDENBERGHE

Aandeel in de bevolking In dit hoofdstuk bekijken we mensen met een migratieachtergrond, hier gedefinieerd als mensen geboren buiten de EU-28. Merk op dat er met deze definitie geen rekening wordt gehouden met de ouders maar enkel met het geboorteland van de personen in kwestie. We vergelijken deze groep met de totale populatie maar ook met personen geboren in België en met personen geboren binnen de EU-28 (exclusief België) om een goed zicht te krijgen op hun specifieke arbeidsmarktpositie. Figuur 2: Aantal (× 1000) en aandeel (%) personen geboren buiten de EU-28 in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 4,7%

5,7%

5,8%

6,6%

7,1%

7,1%

7,3%

7,7%

8,3%

8,5%

8,7%

8,5%

8,4%

400

10% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0%

350 300 250 200 150 100 50

193

234

237

274

294

295

301

319

347

353

361

356

351

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

0

Aantal personen geboren buiten de EU-28

Aandeel in de bevolking

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. ** Kroatië trad in 2013 toe tot de Europese Unie. Voor de periode 2008 – 2012 gaat het dus om de EU-27. *** Personen afkomstig uit het VK worden gerekend tot de EU-28-populatie. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

We observeren tussen 2008 en 2018 een quasi continue stijging van het aantal personen geboren buiten de EU-28 in de bevolking tussen 15 en 64 jaar, maar in 2019 en 2020 daalt dit aantal licht (figuur 2). Waar het in 2008 nog om 193 000 personen ging, steeg dit in 2018 tot 361 000 personen. In 2020 daalt het cijfer naar 351 000 personen. Mogelijk heeft dit te maken met de sluiting van de grenzen, waardoor sommige expats terugkeerden en minder gedetacheerden in Vlaanderen aan de slag konden. Ook het relatieve aandeel niet-EU-28 kende een toename 19


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

tussen 2008 en 2020 (van 4,7% tot 8,4%). Deze groep wordt dus stelselmatig belangrijker op de Vlaamse arbeidsmarkt. Sinds 2018 is er weliswaar sprake van een lichte daling in de cijfers (van 8,7% in 2018 naar 8,4% in 2020). Wanneer we deze groep vergelijken met de in België geboren bevolking merken we op dat ze een aantal specifieke kenmerken hebben. Zo zijn er in deze groep relatief weinig 55-plussers te vinden (12,7% in vergelijking met 23,2% bij wie in België werd geboren). Het merendeel van de personen met een migratieachtergrond behoort tot de leeftijdsgroep 25- tot 54-jarigen (77,8%). Tegelijk is het aandeel kortgeschoolden binnen deze groep opmerkelijk hoger dan bij de in België geboren bevolking: 38,0% in vergelijking met 15,3%. Het aandeel hooggeschoolden ligt dan weer veel lager: 27,7% in vergelijking met 44,7% bij de in België geboren bevolking (zie tabel 5).

Werkzaamheid Figuur 3: Werkzaamheidsgraad (%) naar geboorteland | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 20082020 80% 75% 70% 65% 60% 55% 50% 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Totaal

72,3

71,5

72,1

71,8

71,5

71,9

71,9

71,9

72,0

73,0

74,6

75,5

74,7

België

73,3

72,9

73,5

73,3

73,3

73,4

73,6

73,6

74,0

74,9

76,2

76,9

76,3

EU-28 (excl. Belgen)

68,2

67,0

68,6

69,0

69,0

70,0

70,0

70,5

71,4

70,4

72,4

75,9

76,1

Niet-EU-28

56,2

53,4

53,4

53,0

51,8

54,9

53,3

53,7

53,0

56,0

61,2

61,9

59,1

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Tijdens 2020 nam de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU-28 af met 2,8 procentpunten (figuur 3). De werkzaamheid bij personen geboren buiten de EU-28 nam een stuk meer af dan de werkzaamheid bij personen geboren in België, die met 0,6 procentpunten afnam. De tewerkstelling van personen met een migratieachtergrond is conjunctuurgevoeliger. Ook tijdens de vorige economische crisis vergrootte de werkzaamheidskloof tussen personen geboren in België en personen met een migratieachtergrond. Personen met een migratieachtergrond werken in vaker in sectoren die meer getroffen werden door de coronacrisis. De horeca is een voorbeeld: 8,0% van de personen met een niet-Europees geboorteland werkt in deze sector, tegenover een Vlaams gemiddelde van 2,9% bij de 20-64-jarigen. Personen met een mi20


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

gratieachtergrond werken ook vaker in de sector van de administratieve en ondersteunende diensten (10,1% ten opzichte van 5,2% gemiddeld in Vlaanderen). Het moet zich nog uitwijzen hoe snel de werkzaamheidsgraad van personen met een migratieachtergrond zich herstelt van de impact van de coronacrisis – wellicht zal dit deels samenhangen met snelheid van het herstel van bepaalde sectoren. Deze groei van de kloof in de werkzaamheid tussen personen met en zonder migratieachtergrond in 2020 doet een deel van de vooruitgang uit de periode 2016-2019 teniet. De werkzaamheidsgraad groeide toen vooral bij bij midden- en hooggeschoolde vrouwen met een migratieachtergrond. Bij mannen was de stijging minder sterk dan bij de vrouwen (+5,9 procentpunten bij de mannen, versus +10,8 procentpunten bij de vrouwen), maar bij de mannen vond deze plaats bij alle opleidingsniveaus. Bovendien zorgde in de periode 2016-2019 de veranderende samenstelling van de groep mensen met een migratieachtergrond voor een gunstig effect op de werkzaamheid: het aantal kortgeschoolde personen geboren buiten de EU-28 daalde, terwijl het aantal midden- en hooggeschoolden steeg. Hierdoor werd de gemiddelde werkzaamheidsgraad van deze bevolkingsgroep omhoog getrokken. De daling in de werkzaamheid van personen met een migratieachtergrond tijdens het coronajaar 2020 is bijna volledig toe te schrijven aan de evolutie bij de vrouwen met migratieachtergrond (tabel 4). Bij de midden- en hooggeschoolde vrouwen met migratieachtergrond in het bijzonder werd een groot deel van de stijging in de werkzaamheidsgraad in de periode 2016-2019 teruggedraaid. Opmerkelijk genoeg is het ook in de categorie mannen de groep hooggeschoolden die de grootste werkzaamheidsdaling optekent in 2020. Mogelijk keerden door de coronacrisis sommige expats terug naar het thuisland, waardoor de werkzaamheidsgraad van de overblijvende groep daalde. Het gebruik van single permits, die toelaten niet-EU-burgers in Vlaanderen te werken, daalde in 2020. Tabel 4: Evolutie werkzaamheidsgraad personen geboren buiten de EU-28, volgens achtergrondkenmerken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2016, 2019 & 2020 Werkzaamheidsgraad (%) 2016

2019

2020

56,2

65,6

74,7

’19-’20 (ppt) ’16-’19 (ppt)

Mannen Kortgeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal mannen

25-34 jaar

9,1

9,4

35-54 jaar

67,2

75,2

71,1

-4,1

8,0

Totaal

58,1

66,2

67,0

0,8

8,1

25-34 jaar

70,7

75,7

81,4

5,7

5,0

35-54 jaar

76,5

78,9

80,1

1,2

2,4

Totaal

72,7

75,1

77,1

2,0

2,4

25-34 jaar

70,1

79,7

68,1

-11,6

9,6

35-54 jaar

78,0

83,7

81,0

-2,7

5,7

Totaal

75,8

81,2

76,0

-5,2

5,4

66,9

72,8

72,9

0,1

5,9

21


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkzaamheidsgraad (%) 2016

2019

2020

36,5

nb

nb

’19-’20 (ppt) ’16-’19 (ppt)

Vrouwen Kortgeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

25-34 jaar

nb

nb

35-54 jaar

38,1

39,4

38,0

-1,4

1,3

Totaal

34,0

32,9

31,5

-1,4

-1,1

25-34 jaar

44,1

56,8

55,1

-1,7

12,7

35-54 jaar

56,5

72,4

64,5

-7,9

15,8

Totaal

50,7

65,7

57,8

-7,9

15,0

25-34 jaar

nb

65,4

66,6

1,2

nb

35-54 jaar

59,2

74,1

61,1

-13,0

14,9

52,1

69,3

62,2

-7,1

17,2

Totaal vrouwen

Totaal

43,7

54,5

49,1

-5,4

10,8

Totaal

54,7

63,9

60,6

-3,3

8,8

Noot: a. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie tussen 2016 en 2019 moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. b. ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. De celaantallen voor de leeftijdsklasse van 55-64-jarigen waren onvoldoende groot, dus deze leeftijdsklasse wordt niet weergegeven. De 55-64-jarigen zijn wel meegenomen in de totalen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

FO C U S

Tijdelijk werk naar opleidingsniveau Hier focussen we kort op de tewerkstelling met tijdelijke contracten en de prevalentie van uitzendarbeid. Daarbij maken we een onderscheid tussen de verschillende onderwijsniveaus. Personen geboren buiten de EU-28 werken vaker met tijdelijke contracten. In 2020 ging het bij de groep 20- tot 64-jarigen om 15,1% van de werkenden, een stuk hoger dan het aandeel in de groep die in België geboren is (7,2%) of bij de totale werkende Vlaamse bevolking (7,9%). Voor zowel personen met als zonder migratieachtergrond liggen deze percentages lichtjes lager dan in 2019; omwille van de coronacrisis werden in 2020 veel tijdelijke contracten niet verlengd of stopgezet. Bij personen met een migratieachtergrond met een middengeschoold profiel werkt bijna een op de vijf met een tijdelijk contract, dat is een viervoud van het aandeel tijdelijke contracten bij middengeschoolden geboren in België (figuur 4). Opmerkelijk is dat het aandeel personen geboren buiten de EU-28 met een tijdelijk contract een stuk hoger ligt bij de middengeschoolden (18,5%) dan bij de kortgeschoolden (12,3%). Bij de personen geboren in België bestaat relatief minder verschil tussen het aandeel van tijdelijke contracten over de verschillende onderwijsniveaus heen.

22


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 4: Aandeel werkenden tewerkgesteld met tijdelijk contract (%) naar onderwijsniveau, personen geboren buiten EU-28 en geboren in België vergeleken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2020 20%

6,7%

12,3%

4,2%

18,5%

5,3%

9,6%

18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% Kortgeschoold België

Middengeschoold

Hooggeschoold

Niet-EU-28

Noot: Gezien we de opsplitsing maken naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (20-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Binnen de groep personen met een tijdelijk contract zijn personen met een migratieachtergrond ook veel vaker actief als uitzendkracht. In 2020 was 38,9% van de personen geboren buiten de EU en met een tijdelijke contract aan de slag als uitzendkracht. Bij de in België geboren personen was 21,7% van de personen met een contract van beperkte duur actief als uitzendkracht (20- tot 64-jarigen).

23


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkloosheid en uitstroom naar werk Figuur 5: Werkloosheidsgraad (%) naar geboorteland | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%

Totaal

2008

2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b 2018

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

5,1

5,1

5,2

4,9

4,4

3,5

2019

2020

3,3

3,5

België

3,3

4,2

4,3

3,5

3,5

4,2

4,2

4,2

3,9

3,5

2,7

2,7

2,9

Niet-EU-28

14,8

16,9

17,7

15,0

17,4

16,0

15,6

16,0

16,3

12,4

9,8

9,0

9,5

EU-28 (excl. Belgen, incl. VK)

6,3

8,0

8,4

6,7

7,9

7,1

7,9

9,0

6,2

7,5

6,2

4,4

5,2

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. c. Kroatië trad in 2013 toe tot de Europese Unie. Voor de periode 2008 – 2012 gaat het dus om de EU-27. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Wanneer we inzoomen op de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU-28 zien we een behoorlijke daling tussen 2008 (14,8%) en 2019 (9,0%), gevolgd door een lichte stijging in 2020 (9,5%) (figuur 5). Tegelijk blijft er ook hier een uitgesproken kloof met de algemene werkloosheidsgraad (3,5% – een kloof van 6 ppt) en de werkloosheidsgraad van wie in België geboren werd (2,9% – een kloof van 6,6 ppt). Bovendien zijn niet-EU-28’ers die minder lang in Vlaanderen verblijven (minder dan tien jaar) vaker werkloos (13,2%) dan degenen die hier al langer zijn (8,1% voor langer dan tien jaar). Ook het contrast met personen geboren binnen de EU-28 springt in het oog: hun werkloosheidsgraad ligt hoger dan gemiddeld, maar toch een stuk lager dan bij wie buiten de EU geboren werd. Ook hier is de impact van de conjunctuur behoorlijk, met pieken tijdens de economische crisis in 2010 en 2012 van boven de 17%. Net als bij de werkzaamheidsgraad blijkt ook hier dat deze groep een grotere conjunctuurgevoeligheid kent dan gemiddeld. In coronajaar 2020 was er weliswaar slechts een beperkte stijging in de werkloosheidsgraad. Ook bij de uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (wzw) valt op dat personen met een migratieachtergrond minder vaak uitstromen (8,4% in 2019) dan personen zonder migratieachtergrond (10,6%) (figuur 6). Hoewel de uitstroom van beide groepen daalde in 2020, bleef het verschil in uitstroom tussen de groepen ongeveer gelijkaardig.

24


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 6: Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%), naar migratieachtergrond | Vlaams Gewest, 2018-2020 10,7%

12%

8,2%

10,6%

8,4%

9,2%

6,9%

10% 8% 6% 4% 2% 0% 2018 Niet-PmMA

2019

2020

PmMA (Personen met een migratieachtergrond)

Noot: Allochtone (hier PMMA) werkzoekenden worden statistisch gedefinieerd als werkzoekenden die een huidige of vorige nationaliteit hebben van buiten de EU-28 of EVA-landen. VDAB krijgt deze gegevens uit het Rijksregister. Hierdoor kunnen nieuwe Belgen met een vorige nationaliteit uit een niet-EU-land als “allochtoon” gedetecteerd worden. VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van VDAB

Deelname aan opleiding Wanneer we naar de totale bevolking kijken, observeren we de afgelopen elf jaar een bescheiden stijging in de deelname aan opleiding gedurende de laatste twaalf maanden. Deze toename vindt echter niet plaats bij de personen geboren buiten de EU-28, waar het verloop volatieler was. Een vergelijkbaar schommelend verloop merken we ook op bij wie geboren werd binnen de EU-28 (excl. België), hoewel deze groep in 2020 een dieptepunt bereikte qua deelname. Overigens weten we dat bij personen met een migratieachtergrond deelname aan de opleiding Nederlands als 2e Taal (NT2) in belangrijke mate de deelnamecijfers verklaart1 . De kloof in opleidingsdeelname tussen wie in België geboren werd en wie daarbuiten lijkt zich tussen 2009 en 2020 niet structureel te dichten (figuur 7).

1

https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/schoolbevolking-volwassenenonderwijs#nederlands_voor_anderstaligen_ (nt2)_goed_voor_32%_van_inschrijvingen_volwassenenonderwijs 25


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 7: Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding, naar geboorteland | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Totaal

20,7

21,3

21,4

20,7

20,7

22,2

20,7

20,9

22,9

22,4

23,0

21,1

Belg

20,9

21,2

21,6

20,6

20,9

22,4

21,2

21,4

23,9

22,9

23,9

21,9

EU-28 (excl. Belgen)

20,1

21,0

22,6

25,0

21,6

23,7

20,7

19,8

20,5

21,2

20,6

15,6

Niet-EU-28

18,5

22,5

19,0

19,8

17,8

19,4

15,3

17,2

16,5

18,9

17,2

17,5

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

26


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 5: Aandeel (%) personen naar migratieachtergrond en andere socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2019-2020

Geboren in België

Geboren binnen EU-28 (excl. België)

Geboren buiten EU-28

Populatie 15-64 jaar

2019

2020

2019

2020

2019

2020

2019

2020

Statuut Werkend

71,2

70,4

72,0

72,6

60,1

57,0

70,3

69,4

Werkloos

2,0

2,1

3,4

4,0

5,9

6,0

2,4

2,5

• Waarvan langdurig werkloos

23,3

26,1

nb

nb

47,1

27,5

29,1

26,0

Niet-beroepsactief

26,8

27,5

24,6

23,4

34,0

37,0

27,3

28,1

Man

50,7

50,7

46,6

48,6

49,4

48,6

50,4

50,4

Vrouw

49,3

49,3

53,4

51,4

50,6

51,4

49,6

49,6

18,2

18,3

12,4

11,3

9,9

9,5

17,1

17,2

Geslacht

Leeftijd 15-24 25-54

59,0

58,5

70,3

71,4

76,4

77,8

61,2

60,9

55-64

22,8

23,2

17,3

17,3

13,7

12,7

21,7

21,9

15,9

15,1

21,8

22,8

39,3

38,0

18,4

17,7

Middengeschoold

41,2

40,2

40,5

39,7

34,8

34,3

40,6

39,6

Hooggeschoold

42,9

44,7

37,7

37,5

26,0

27,7

41,0

42,7

Met arbeidshandicap

14,5

14,5

13,2

12,6

13,6

14,1

14,4

14,3

Zonder Arbeidshandicap

85,5

85,5

86,7

87,4

86,4

85,9

85,6

85,7

Onderwijsniveaua Kortgeschoold

Arbeidshandicap

Noot: a. Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (15-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Voor alle andere groepen gaat het om de 15- tot 64-jarigen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

27


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

4

Jongeren AUTEUR: Raf

BOEY

Aandeel in de bevolking De voorbije jaren kende Vlaanderen een graduele daling van het aantal jongeren (15- tot 24-jarigen). Dit is een gevolg van een daling van de geboortecijfers rond het jaar 2000. Vanaf 2005 gingen de Vlaamse geboortecijfers opnieuw de hoogte in waardoor deze dalende trend in 2020 gestopt werd, en het aantal en aandeel jongeren ook in de komende jaren opnieuw zal toenemen. Figuur 8: Aantal (× 1000) en aandeel (%) 15- tot 24-jarigen in de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar) | Vlaams Gewest, 2008-2020 17,8%

17,8%

17,8%

17,8%

17,9%

17,8%

17,8%

17,7%

17,5%

17,3%

17,2%

17,2%

17,2%

760

18,5% 18,0%

750

17,5% 740

17,0%

730

17,0% 16,5%

720

16,0% 710

727

731

734

738

740

740

738

734

728

718

716

716

15,5%

718

700

15,0% 2008

2009

2010

Aantal 15-24-jarigen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel in de bevolking

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Werkzaamheid De werkzaamheidsgraad van 15- tot 24-jarigen schommelt al jaren rond 30%. Dit lage cijfer wordt in de eerste plaats verklaard door het beperkte aandeel werkenden onder de 15- tot 19-jarigen, waarvan de overgrote meerderheid nog schoolgaand is (figuur 9). De coronacrisis veroorzaakte een stevige dip in de jongerenwerkzaamheid.

28


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 9: Werkzaamheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 15-29 jaar, 2008-2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2008

2009

2010

2011

2012

15-24-jarigen

31,7

28,6

28,8

29,4

28,1

25-29-jarigen

86,9

86,2

84,2

83,9

82,5

2013

2014

2015

27,7

27,0

27,9

82,2

83,2

82,1

2017*

2018

27,0

27,5

82,3

82,2

2016

2019

2020

30,2

33,4

29,2

83,1

84,8

83,1

15-19-jarigen

7,8

8,0

6,6

7,9

6,3

5,4

6,1

6,1

6,3

7,6

10,9

13,5

10,9

20-24-jarigen

56,1

49,6

50,8

50,0

48,6

48,1

46,1

47,7

46,1

45,9

48,2

52,1

46,4

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Bij 20- tot 24-jarigen bedroeg de werkzaamheidsgraad in 2019 52,1%, maar deze zakte in 2020 terug tot 46,4%. Bij 25- tot 29-jarigen – de leeftijd waarop de meeste jongeren de school hebben verlaten – was de impact van de coronacrisis wat milder. De werkzaamheidsgraad zakte tussen 2019 en 2020 van 84,8% naar 83,1%. De laatste tien jaar zat er een licht dalende trend in de werkzaamheidsgraad van Vlaamse jongeren, maar sinds de heropleving van de arbeidsmarkt in 2017-2019 ging deze opnieuw in stijgende lijn. Ook bij de 15-tot 19-jarigen is dat het geval, omdat het aantal studenten die bijverdienen met studentenarbeid in deze leeftijdsgroep bijna verviervoudigde sinds de regels over studentenarbeid in 2017 werden versoepeld. Net zoals de personen met een migratieachtergrond, zijn jongeren vaker aan het werk in sectoren die zwaarder te lijden hadden onder (de beperkingen van) de coronacrisis. In Vlaanderen werkt 2,9% van de werkende 20-64-jarigen in de horeca, bij de jongeren (15-24-jarigen) is dit 11,4%. Bij de werkende jongeren is 22,1% actief in de sector van de groot- en detailhandel, en de reparatie van auto’s en motorfietsen. Niet-essentiële retail moest tijdens 2020 gedurende enkele periodes de deuren sluiten. De tewerkstelling van jongeren in coronagevoelige sectoren verklaart deels waarom de werkzaamheidsgraad van de 15-24-jarigen behoorlijk afnam tijdens 2020.

29


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Impact COVID-19-pandemie op de arbeidsmarktsituatie van jongeren Tussen 2019 en 2020 daalde het aantal werkende jongeren met 12,5%. De impact was het grootst bij tijdelijke contracten, zeker bij 15- tot 19-jarige jongeren, maar ook het aantal jongeren met een vast contract daalde sterk in 2020. Dit in tegenstelling tot de oudere leeftijdsgroepen, waar de impact van de coronacrisis veel sterker bij de tijdelijke contracten geconcentreerd zat. Ook de kansen van jongeren om van job te veranderen waren in 2020 erg ingeperkt, met een daling van ruim 20% in het aantal werk-naar-werk-transities. Tabel 6: Evolutie in de arbeidsmarktsituatie van jongeren tussen 2019 en 2020 | Vlaams Gewest

Werkend • Vast contract • Tijdelijk contract • Werk-werk-transities

15-19 jaar

20-24 jaar

15-24 jaar

-18,6%

-11,0%

-12,5%

3,6%

-13,2%

-12,2%

-24,4%

-11,9%

-16,3%

nb

nb

-20,6%

Niet-werkend

4,1%

11,5%

6,9%

• Werkzoekend

-11,9%

8,0%

1,4%

• Na jobverlies

nb

14,8%

17,5%

• Niet-beroepsactief

4,5%

11,9%

7,2%

• Na studies

3,4%

14,6%

6,9%

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Bij de niet-werkende jongeren merken we in 2020 een relatief beperkte toename van het aantal werkzoekenden, vooral gedreven door een stijging van het aantal jongeren die werkloos werden na jobverlies. Ook het aantal niet-beroepsactieve jongeren nam toe. Onder 15- tot 24-jarigen vinden we bij de niet-beroepsactieven vooral studenten, maar ook bij de schoolverlaters steeg het aantal niet-beroepsactieven. In tabel 6 gaan we wat dieper in op deze schoolverlaters. 2020 was een moeilijk jaar om in af te studeren, met ondermeer opgeschorte lessen, stages die niet konden doorgaan of afgewerkt worden, en een beperkt aanbod aan vacatures. Dit wordt in de cijfers gereflecteerd. Het aantal schoolverlaters daalde met 4,5% ten opzichte van 2019, waarbij vooral bij de 20- tot 24-jarigen allicht heel wat jongeren hun schoolcarrière verlengden, soms noodgedwongen maar wellicht ook uit vrees om geen werk te vinden. Het aantal schoolverlaters die wisten door te stromen naar werk daalde met bijna 16% en ook het aantal schoolverlaters dat werkzoekend bleef, lag in 2020 een flink stuk lager dan in 2019. Het aantal schoolverlaters dat niet-beroepsactief was, steeg daarentegen bijzonder sterk. Bij de 15- tot 19-jarigen gaat het om een stijging van 16 000 naar bijna 20 000 niet-beroepsactieve jongeren, bij 20- tot 24-jarigen om een beperktere stijging van ruim 9 000 jongeren in 2019 tot bijna 11 000 jongeren in 2020. Dit gaat evenwel niet gepaard met een gelijkaardige evolutie bij de NEET-jongeren (zie figuur 13 in hoofdstuk 5).

30


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 7: Evolutie in de arbeidsmarktsituatie van schoolverlaters tussen 2019 en 2020 | Vlaams Gewest 15-19 jaar

20-24 jaar

15-24 jaar

-21,3%

-15,0%

-15,8%

nb

nb

-23,1%

Niet-beroepsactief

22,4%

16,3%

20,1%

Totaal

2,5%

-7,9%

-4,5%

Werkend Werkzoekend

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Werkloosheid en uitstroom naar werk In de evolutie van de jeugdwerkloosheidsgraad wordt duidelijk hoe conjunctuurgevoelig de tewerkstelling van jongeren is. De economische crisissen van 2008-2009 en 2012-2013 zijn duidelijk zichtbaar in de grafiek, met telkens een forse opstoot. In vergelijking met deze crisissen valt de impact van de coronacrisis vooralsnog goed mee, met een stijging van de jeugdwerkloosheidsgraad met niet meer dan 1,3 procentpunt (figuur 10). Figuur 10: Werkloosheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2008

2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

15-24-jarigen

10,5

15,7

15,6

12,7

12,8

16,6

16,1

15,2

14,1

12,8

10,9

9,5

10,8

15-64-jarigen

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

5,1

5,1

5,2

4,9

4,4

3,5

3,3

3,5

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

31


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 11 toont de uitstroom naar werk van jonge werkzoekenden zonder werk. Het gemiddelde maandelijkse aantal jonge werkzoekenden dat werk vond, is tussen 2019 en 2020 gedaald van 16,6% naar 14,6%. Die daling ligt ongeveer in lijn met de daling bij de volledige werkloze bevolking. Figuur 11: Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%) | Vlaams Gewest, 2018-2020 18%

17,0%

10,0%

16,6%

9,9%

14,6%

8,5%

16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2018 15-24-jarigen

2019

2020

15-64-jarigen

Noot: VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van VDAB

32


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Jeugdwerkloosheid volgens gedetailleerd studieniveau In figuur 12 bekijken we de jeugdwerkloosheidscijfers in verder detail. Wanneer we ze opsplitsen volgens gedetailleerd studieniveau, zien we grote verschillen in de werkloosheidsevoluties. Hoewel het totaal aantal werkzoekende jongeren tussen 2019 en 2020 slechts met 3,8% toenam, is de stijging veel sterker bij jongeren met een masterdiploma, een HBO5-diploma, een professionele bachelor, de 3e graad KSO en het DBSO. De sterke werkloosheidsstijging bij hooggeschoolden wordt verklaard door hun gunstig arbeidsmarktprofiel. In normale jaren vinden zij vlot werk en zijn er dus weinig jonge hooggeschoolde werkzoekenden. Een crisissituatie zorgt dan voor procentueel sterke stijgingen, ook al gaat het nog steeds om relatief beperkte aantallen. De grootste groepen zijn de jongeren uit de 3e (en 4e) graad van het secundair onderwijs, waar we een beperktere stijging vaststellen bij de jongeren uit het technisch en beroepsonderwijs en een daling bij jongeren uit het ASO. Figuur 12: Evolutie jeugdwerkloosheid (%) volgens studieniveau | Vlaams Gewest, 2019-2020 20%

-0,5% 3,9% 8,4% -7,1% 2,0% 3,3% -2,6% -4,7% 5,3% 5,2% 9,5% 18,0% 10,3% 3,7% 16,1% 14,5% 3,8%

15% 10% 5% 0% -5%

Totaal

Onbekend

Master

Academische bachelor

Professionele bachelor

Graduaat-HBO5

3e graad sec. kunst

3e graad sec. technisch

3e en 4e gr. sec. beroeps

3e graad sec. algemeen

2e graad sec. kunst

2e graad sec. technisch

2e graad sec. beroeps

2e graad sec. algemeen

Deeltijds beroepssecund.

Leertijd (Syntra)

Lager onderwijs + 1e gr.

-10%

Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van VDAB

33


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 8: Aandeel (%) jongeren naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15‑64 jaar, 2019-2020 15-24 jarigen

15-64 jarigen

2019

2020

2019

2020

Werkend

33,4

29,2

70,3

69,4

Werkloos

3,5

3,5

2,4

2,5

Statuut

• Waarvan langdurig werkloos

nb

nb

29,1

25,5

Niet-beroepsactief

63,1

67,3

27,3

28,1

Man

51,1

51,1

50,4

50,4

Vrouw

48,9

48,9

49,6

49,6

Geboren in België

91,0

91,5

85,8

85,8

Geboren in EU-28 (excl. België)

4,1

3,7

5,7

5,8

Geboren buiten EU-28

4,9

4,8

8,5

8,4

Geslacht

Geboorteland

Arbeidshandicap Met arbeidshandicap

5,2

6,1

14,4

14,3

Zonder arbeidshandicap

94,8

93,5

85,6

85,7

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

34


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

5

NEET-Jongeren AUTEURS: Ines

PENDERS EN Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking De groep jongeren die niet aan het werk is en geen onderwijs of opleiding volgt maar hiervoor wel in aanmerking komt, wordt de NEET-jongeren (Not in Education, Employment or Training) genoemd. In dit onderdeel gaan we dieper in op de samenstelling van deze groep, de evolutie en omvang van de NEET-jongeren en hun afstand tot de arbeidsmarkt. Een belangrijke indicator die zicht geeft op de omvang en de evolutie van de NEET-jongeren, is de NEET-ratio. De NEET-ratio drukt uit hoeveel NEET-jongeren er zijn in relatie tot het totale aantal jongeren. De klassieke leeftijdsafbakening van deze ratio is 15 tot 24 jaar. Dat is ook de afbakening waar we ons in dit hoofdstuk op concentreren. De NEET-jongeren zijn een zeer heterogene groep qua samenstelling. Voor een beter beeld van het profiel van de NEET-jongeren, kijken we naar de huidige kenmerken van deze groep (zie tabel 10 aan het einde van dit hoofdstuk). Het valt op dat de meerderheid van de NEET-jongeren mannen zijn (56,0%) en geboren in België (84,7%). In vergelijking met de totale jongerenpopulatie tussen de 15 en 24 jaar, merken we een oververtegenwoordiging op van jongeren geboren buiten de EU-28 (9,9% versus 4,7% in de totale jongerenpopulatie) en van jongeren die hinder ondervinden van een handicap, aandoening of ziekte (20,7% versus 6,1% in de totale jongerenpopulatie). Opleidingsniveau speelt voor deze leeftijdscategorie geen opvallende rol: omdat een groot aandeel kortgeschoolden jonger is dan 18 jaar, vinden we geen oververtegenwoordiging van kortgeschoolden terug bij deze jonge leeftijdscategorie (wat bijvoorbeeld wel het geval is voor de oudere NEET-leeftijdscategorie van 25 tot 29 jaar). In vergelijking met de samenstelling in 2019 bestaat de NEET-groep in 2020 uit iets meer mannen (+3 ppt), meer personen met een arbeidshandicap (+5,7 ppt) en minder personen geboren buiten de EU-28 (-3,4 ppt).

35


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 13: Aantal (× 1000) en aandeel (%) NEET-jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 20082020 6,3%

7,3%

7,5%

8,5%

9,2%

10,5%

9,8%

9,5%

7,5%

7,2%

7,8%

7,5%

7,3%

90

12%

80

10%

70 60

8%

50

6%

40 30

4%

20 10

46

53

55

62

68

77

72

69

54

51

56

54

2%

52

0

0% 2008

2009

2010

2011

Aantal NEET (15-24 jaar)

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel NEET (15-24 jaar)

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Figuur 13 toont de evolutie van de NEET-ratio van 2008 tot en met 2020. Het verloop van deze ratio toont aan dat NEET-jongeren gevoelig zijn voor conjunctuurschommelingen. Na de financieel-economische crisis van 2008-2009 steeg het aantal NEET-jongeren fors, pas vanaf 2013 zien we een dalende trend. In 2020 daalt het aantal en aandeel NEET-jongeren lichtjes verder, ook al start in dat jaar de COVID-19-pandemie. De NEET-ratio bedraagt in 2020 7,3% of 0,2 procentpunt minder dan een jaar eerder. Die NEET-ratio komt overeen met 52 000 jongeren tussen de 15 en 24 jaar die geen betaalde arbeid hebben verricht tijdens de referentieweek, noch deelnamen aan onderwijs of opleiding gedurende de referentiemaand. Dat de COVID-19-pandemie geen opwaartse druk uitoefent op de NEET-ratio in 2020 is opmerkelijk. De NEET-ratio van de oudere leeftijdscategorie (25 tot 29 jaar) kent daarentegen wel een toename. Met ongeveer 3 500 NEET meer, stijgt de NEET-ratio met bijna 1 procentpunt: van 10,6% in 2019 naar 11,5% in 2020.

NEET-ratio naar achtergrondkenmerken In figuur 14 berekenen we voor verschillende socio-demografische kenmerken de NEET-ratio. We splitsen de NEET-ratio op naar geslacht, opleidingsniveau, geboorteland en het hebben van een handicap, aandoening of ziekte. Net zoals in het vorige Trendrapport (De Smet et al., 2020), stellen we vast dat de meest opmerkelijke verschillen te vinden zijn bij geboorteland en handicap. Bij jongeren geboren in België is 6,7% NEET terwijl de ratio met 15,4% meer dan dubbel zo hoog ligt bij jongeren geboren buiten de EU-28. De NEET-ratio van de personen geboren buiten de EU-28 is op een jaar tijd wel gedaald (-4,9 ppt). De NEET-ratio van personen geboren in België is daarentegen slechts met -0,2 ppt gedaald, waardoor de kloof tussen personen met en zonder een migratieachtergrond op een jaar tijd kleiner is geworden. Bij personen die hinder ervaren door een handicap, aandoening of ziekte is bijna een derde NEET (29,2%), wat vier keer zo hoog is als bij jongeren die geen hinder ervaren (7,3%). Deze kloof is tegenover vorig jaar wel verder uitgediept: in 2019 was 25,1% van personen die hinder ervaren NEET tegenover 7,2% van de groep die geen hinder ervaart. De NEET-ratio naar geslacht en opleidingsniveau is ongeveer van 36


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

dezelfde grootteorde als in 2019. Zoals eerder aangegeven speelt opleidingsniveau geen opvallende rol bij de 15- tot 24-jarigen gezien het groot aandeel kortgeschoolde jongeren dat jonger is dan 18 jaar en dus leerplichtig is. Ter vergelijking: zoomen we in op de leeftijdsgroep tussen 25 en 29 jaar, dan ligt de NEET-ratio maar liefst meer dan 5 keer hoger bij de kortgeschoolden (34,6%) tegenover de hooggeschoolden (6,1%) (niet in de figuur). Figuur 14: NEET-ratio (%) volgens socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 1524 jaar, 2019-2020 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% Man

Vrouw

Kort

Geslacht

Midden

Hoog

België

Opleidingsniveau

Niet-EU-28

Geboorteland

Hinder

Geen hinder

Handicap, aandoening of ziekte

2020

8,0

6,6

7,5

7,7

5,9

6,7

15,4

29,2

7,3

2019

7,8

7,2

7,5

7,6

7,0

6,9

20,3

25,1

7,2

Noot: Personen geboren in EU-28 exclusief België zijn niet opgenomen in deze figuur wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Afstand tot de arbeidsmarkt Tabel 9: Huidige arbeidsmarktpositie van NEET-jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 20192020 2019

2020

Aantal

%

Aantal

%

Werkloos

15 100

28,3

16 300

31,1

Niet-beroepsactief

38 400

71,7

36 100

68,9

• Met arbeidswens

11 600

21,7

10 800

20,5

• Zonder arbeidswens

26 800

50,0

25 400

48,4

Totaal

53 500

52 400

Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

37


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

In dit onderdeel brengen we verschillende indicatoren samen om de positie op en de afstand tot de arbeidsmarkt van NEET-jongeren tussen 15 en 24 jaar in kaart te brengen. Niet elke NEET-jongere staat namelijk even dichtbij of veraf van de arbeidsmarkt. De eerste indicator die we onder de loep nemen is de objectieve huidige arbeidsmarktpositie van de NEET-jongeren. In tabel 9 worden de NEET-jongeren opgedeeld in drie groepen: werkloze NEET, niet-beroepsactieve NEET met arbeidswens en niet-beroepsactieve NEET zonder arbeidswens. 31,1% van de NEET-jongeren is werkloos en heeft zo de kleinste afstand tot de arbeidsmarkt. Iemand wordt namelijk als werkloos opgevat als hij of zij actief werk zoekt en meteen inzetbaar is. De grootste afstand wordt toegedicht aan niet-beroepsactieven zonder arbeidswens: zij zoeken niet naar werk, stellen zich niet beschikbaar voor werk en wensen ook geen betaalde jobs. Net niet de helft van de 15- tot 24-jarige NEET-jongeren (48,4%) is hier onder te brengen. Daartussenin zit de groep van niet-beroepsactieven met arbeidswens (20,5%). Omdat zij wel wensen te werken, maar nog niet actief zoeken of zich niet meteen beschikbaar opstellen voor de arbeidsmarkt, wordt hen een iets grotere afstand tot de arbeidsmarkt toegedicht dan de werkloze NEET. Ondanks dat het merendeel anno 2020 onder te brengen is bij de niet-beroepsactieven (68,9%), is iets meer dan de helft van de NEET-jongeren (51,6%) dus wel op zoek naar werk of wenst te werken. In vergelijking met 2019, zijn er in 2020 iets meer werkloze NEET (31,1% versus 28,3%) en bijgevolg minder niet-beroepsactieven (68,9% versus 71,7%). Dat kan te verklaren zijn doordat NEET-jongeren als ze werk vinden vaak als uitzendkracht aan de slag gaan (De Graeve, Vansteenkiste, De Cuyper, & Delva, te verschijnen), en het net de uitzendsector is die sterk te lijden had onder de COVID-19-pandemie met meer werkloosheid in die sector tot gevolg (De Smet, Neefs, Vansteenkiste, & Penders, 2021; De Smet, Penders & Vansteenkiste, 2021). De stijging van werklozen binnen de NEET-groep kan dus te verklaren zijn door het verlies van uitzendjobs tijdens het eerste jaar van het coronavirus. Tegelijkertijd zou dit ook kunnen betekenen dat eens de arbeidsmarkt verder aantrekt en de uitzendcijfers verbeteren, we deze jongeren terug zien opduiken bij de werkendenstatistieken. In 2021 stellen we reeds een sterk herstel vast van de uitzendsector, wat de NEET-ratio voor 2021 zou kunnen doen drukken. Tot slot is de verhouding arbeidswens-geen arbeidswens binnen de groep van niet-beroepsactieven zo goed als onveranderd gebleven tegenover 2019. Figuur 15: Zelf-gepercipieerde socio-economisch statuut van niet-beroepsactieve NEET-­ jongeren | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2020 Andere: nb

Leerling/student/in beroepsopleiding: 52,1%

Werkloos: 18,6%

Arbeidsongeschikt: 17,7% Huisvrouw/man: nb Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK 38


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

In figuur 15 analyseren we de samenstelling van de niet-beroepsactieve NEET-jongeren op basis van het sociaaleconomisch statuut dat zij zichzelf toeschrijven. Hiermee kunnen we te weten komen of er toch een opleidings- of vormingsperspectief aanwezig is bij de NEET-jongeren die een grotere afstand tot de arbeidsmarkt laten optekenen op basis van hun objectieve arbeidsmarktpositie. Dat is effectief het geval: meer dan de helft van de niet-beroepsactieve NEET (52,1%) omschrijft zichzelf als ‘leerling, student of in beroepsopleiding’. Het kan in dat geval gaan om jongeren die nog een vervolgopleiding op het oog hebben, even een pauze inlassen vooraleer ze de arbeidsmarkt betreden of jongeren die niet of maar sporadisch naar de les gaan. COVID-19 heeft alleszins niet gezorgd voor een verruiming van deze categorie. Er is zelfs sprake van een lichte daling ten opzichte van 2019 (-0,6 ppt). Verder ziet 17,7% zichzelf als arbeidsongeschikt en 18,6% als werkloos. Ten opzichte van 2019 is dat in beide gevallen een stijging van +3,1 ppt. Het zelf-gepercipieerde socio-economische statuut hangt erg af van de gekozen leeftijdscategorie. Zo omschrijven 25- tot 29-jarige NEET zichzelf veel vaker als huisman of -vrouw (21,9%) en arbeidsongeschikt (28,8%), terwijl we geen betrouwbare uitspraken meer kunnen doen over het percentage dat zichzelf omschrijft als student. In het algemeen kunnen we opnieuw stellen dat dé NEET-jongere niet bestaat, maar dat het om een zeer heterogene groep gaat. Het hoofdstuk over afstand tot de arbeidsmarkt ronden we af met de vraag of de NEET-jongeren ooit al betaalde arbeid hebben verricht. We gaan dit na volgens de huidige arbeidsmarktpositie. In totaal heeft bijna een derde van de 15- tot 24-jarigen ooit al gewerkt, 32,3% (-0,5 ppt ten opzichte van 2019). Dit percentage ligt een flink stuk hoger voor de personen met de kortste afstand tot de arbeidsmarkt, namelijk de werkloze NEET (54,2%). In 2019 lagen de percentages voor zowel de werkloze NEET (55,7%) als voor de niet-beroepsactieve NEET (23,7%) 1,5 ppt hoger.

Socio-demografische kenmerken Tabel 10: Aandeel (%) NEET-jongeren naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-24 jaar, 2019-2020 NEET-jongeren 2019

2020

Totaal 15-24 jaar 2019

2020

Geslacht Man

53,0

56,0

51,1

51,1

Vrouw

47,0

44,0

48,9

48,9

42,4

45,2

42,2

44,2

Middengeschoold

41,9

41,0

41,0

38,7

Hooggeschoold

15,8

13,8

16,7

17,1

84,2

84,7

91,0

91,5

Onderwijsniveau Kortgeschoold

Geboorteland Geboren in België Geboren in EU-28 (exclusief België)

nb

nb

4,1

3,8

Geboren buiten EU-28

13,3

9,9

4,9

4,7

Met arbeidshandicap

15,0

20,7

4,8

6,1

Zonder arbeidshandicap

85,0

79,3

95,2

93,9

Arbeidshandicap

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

39


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

6

55-plussers AUTEURS: Ruben

DE SMET EN Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking De vergrijzing van de Vlaamse bevolking op beroepsactieve leeftijd zette zich tussen 2008 en 2020 verder door. In deze periode kwamen er meer dan 160 000 55-plussers bij, waardoor hun aandeel in de bevolking toenam van 18,5% in 2008 tot 21,9% in 2020 (figuur 16). Volgens de projecties van het Federaal Planbureau zal het aandeel 55-plussers nog tot en met 2024 verder toenemen, om daarna tot 2071 rond de 20% te blijven schommelen. 2 In de periode 2008-2020 nam het aandeel 55- tot 59-jarigen (+1,8 ppt) iets sterker toe dan het aandeel 60- tot 64-jarigen (+1,6 ppt). Vanaf 2017 zien we echter wel een lichte vergrijzing binnen de groep 55-plussers optreden. In 2020 nam het aandeel 60-plussers binnen de Vlaamse bevolking iets sneller toe dan dit van de 55- tot 59-jarigen (+0,2 ppt ten opzichte van +0,1 ppt). Op basis van cijfers van het Federaal Planbureau zou de verdere vergrijzing van de 55-plussers zich nog doorzetten tot en met 2032 (Federaal Planbureau, 2020). Op dat moment zou 51,6% van de 55-plussers 60- tot 64-jaar zijn, 4,0 procentpunten hoger ten opzichte van 2020. Wanneer we kijken naar de huidige kenmerken van de 55-plussers valt vooral de hogere proportie kortgeschoolden op (29,1%) in vergelijking met de totale bevolking (17,7%). Deze hoger dan gemiddelde aanwezigheid van kortgeschoolden binnen de 55-plussers neemt wel in sneltempo af: in 2019 lag het aandeel kortgeschoolde 55-plussers nog +1,1 ppt hoger (op 30,2%), tien jaar geleden was zelfs nog 45,5% kortgeschoold. Daarnaast zijn 55-plussers ook beduidend vaker in België geboren (90,5% ten opzichte van 85,8%) en hebben ze vaker een arbeidshandicap (24,3% ten opzichte van 14,3%) (zie tabel 11 aan het einde van dit hoofdstuk).

2 Regionale economische vooruitzichten 2020-2025 – Statistische bijlage. (2020). [Dataset]. Geraadpleegd van https:// www.plan.be/databases/data-27-nl-regionale_economische_vooruitzichten_2020_2025_statistische_bijlage 40


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 16: Aantal (× 1000) en aandeel (%) 55-plussers in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2008-2020 18,5%

18,8%

19,1%

19,3%

19,4%

19,7%

20,0%

20,4%

20,7%

21,0%

21,3%

21,7%

21,9%

1.000

25%

900 800

20%

700 600

15%

500 400

10%

300 200 100

5% 757

769

785

797

806

818

832

847

862

873

888

904

917

0

0% 2008

2009

2010

Aantal 55-plussers

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel 55-plussers

Noot: * Tijdsbreuk tussen 2016 en 2017. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Werkzaamheid De werkzaamheidsgraad van de 55-plussers nam sinds 2008 continu toe, een groei die zich ook heeft doorgezet in crisistijden. Tijdens de kredietcrisis werd tussen 2008 en 2009 een groei met +1,4 ppt vastgelegd, terwijl de werkzaamheidsgraad bij de 25- tot 54-jarigen met 0,5 ppt afnam. Ook het eerste jaar van de COVID-19-pandemie doet de groei bij de 55-plussers niet (volledig) stokken, met een verdere toename van de werkzaamheidsgraad tot 55,7% (+0,8 ppt). Dit is wel de laagste jaargroei sinds 2011 (+0,7 ppt) en heel wat lager dan de gemiddelde jaargroei tussen 2017 en 2019 (+2,7 ppt per jaar), maar hiermee weten de 55-plussers toch opnieuw tegen de algemene tendens in te gaan. De werkzaamheidsgraad bij de 25- tot 54-jarigen neemt immers af met -0,5 ppt.

41


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 17: Werkzaamheidsgraad (%) naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2008-2020 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

20-64 jaar

72,3

71,5

72,1

71,8

71,5

71,9

71,9

71,9

72,0

73,0

74,6

75,5

74,7

25-54 jaar

85,6

85,1

85,4

85,0

84,5

84,6

84,7

84,2

84,4

84,9

86,2

86,1

85,7

55-plussers

34,3

35,8

38,2

38,9

40,5

42,9

44,3

45,6

46,7

49,5

52,5

54,9

55,7

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Twaalf jaar van continue groei heeft de generatiekloof op vlak van werkzaamheid in Vlaanderen dan wel fors verkleind, hij blijft wel bijzonder groot. In 2020 ligt de werkzaamheidsgraad bij 55-plussers nog steeds -29,9 ppt lager dan deze bij 25- tot 54-jarigen. Tegelijk is dit -41,6% lager dan in 2008 toen de kloof maar liefst 51,3 ppt bedroeg.

42


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Evolutie werkzaamheidsgraad per onderwijsniveau Het nader bestuderen van de evolutie van de werkzaamheidsgraad per onderwijsniveau toont aan dat vooral de hooggeschoolde 55-plussers de drijvende kracht zijn achter de vastgestelde werkzaamheidsgroei. De groei van de werkzaamheidsgraad tussen 2008 en 2020 ligt bij de hooggeschoolden met +22,9 ppt beduidend hoger dan bij de middengeschoolden (+15,4 ppt) en de kortgeschoolden (+13,7 ppt). Hierdoor is ook de werkzaamheidskloof tussen de verschillende onderwijsniveaus bij de 55-plussers de afgelopen jaren enkel uitgediept: terwijl de kortgeschoolden in 2008 slechts -9,9 ppt achterophinkten ten opzichte van het gemiddelde, is dit in 2020 bijna verdubbeld en opgelopen tot maar liefst -17,6 ppt. Figuur 18: Werkzaamheidsgraad (%) 55-plussers naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2008-2020 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014a

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

Totaal

34,3

35,8

38,2

38,9

40,5

42,9

44,3

45,5

46,7

49,5

52,5

54,9

55,7

Kortgeschoold

24,4

25,0

27,1

27,7

28,1

29,9

31,6

31,7

31,3

33,8

34,8

36,9

38,1

Middengeschoold

38,9

40,4

42,8

42,1

44,6

45,6

45,8

47,6

48,7

50,7

53,1

54,7

54,3

Hooggeschoold

50,6

52,0

52,8

55,1

58,0

60,4

62,6

63,6

66,0

66,4

70,7

73,0

73,5

Noten: a. Tot en met 2013 gaat het over de ISCED 1997 classificatie, vanaf 2014 is de ISCED 2011-classificatie van kracht. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

43


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkloosheid en uitstroom naar werk Figuur 19 illustreert het vrij volatiele karakter van de werkloosheidsgraad van 55-plussers doorheen de jaren. De sterke toename in 2009 ten gevolge van de kredietcrisis, werd gevolgd door een stelselmatige afname tot en met 2012. Daarna volgde tot en met 2017 een periode met een eerder wisselend verloop, waarbij nieuwe toenames telkens werden opgevolgd door gelijkmatige afnames. Sinds 2018 wordt dit schommelend patroon doorbroken, en merken we een stabilisatie van de werkloosheidsgraad bij 55-plussers op het laagste niveau van de afgelopen jaren (2,8%). De COVID-19-crisis zorgt dus niet voor een opwaartse druk bij de 55-plussers, iets wat we wel in beperkte mate vaststellen bij de totale groep van 15- tot 64-jarigen (+0,3 ppt). Figuur 19: Werkloosheidsgraad (%) 55-plussers | Vlaams gewest, 2008-2020 6%

5%

4%

3%

2% 2008

2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

55-plussers

3,6

4,3

4,0

3,4

3,0

3,8

3,3

4,2

3,3

4,5

3,0

2,8

2,8

15-64 jaar

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

5,1

5,1

5,2

4,9

4,4

3,5

3,3

3,5

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

44


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Uittredestatuten Het is belangrijk om bij het bestuderen van de (erg lage) werkloosheidsgraad van 55-plussers ook rekening te houden met bredere context van de eindeloopbaan. Oudere werklozen kunnen onder bepaalde voorwaarden immers ook de stap naar niet-beroepsactiviteit zetten, bijvoorbeeld door het verkrijgen van een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende. Daarnaast bestaat ook nog steeds het Stelsel van Werkloosheid met bedrijfsToeslag (SWT), waarbij personen aangepast beschikbaar moeten blijven. Hierbij zijn ze wel ingeschreven als werkzoekende, maar dient men niet noodzakelijk zelf actief naar werk te zoeken. Deze groep voldoet dus niet volledig aan de ILO-definitie van werklozen. In de afgelopen jaren werden de toetredingsvoorwaarden voor deze stelsels echter gevoelig opgetrokken of werd het stelsel uitdovend gemaakt. Zo zijn er in 2020 slechts 1500 (0,2%) van de 55-plussers in het stelsel van vrijgestelde oudere werkloze terug te vinden. Terwijl ook het aantal SWT’ers terugviel tot 29 300 (3,2%), of -6,9 ppt lager dan het aandeel negen jaar eerder. Zoals we bij de onderdelen rond de werkzaamheids- en werkloosheidsgraad reeds opmerkten, gaat dit voornamelijk gepaard met een duidelijke toename van het aantal werkende 55-plussers (figuur 20). Figuur 20: Samenstelling van de populatie 55- tot 64-jarigen | Vlaams Gewest, 2011-2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Werkend

38,9

40,5

42,9

44,3

45,6

46,7

49,5

52,5

54,9

55,7

Werkzoekend na voltijdse prestatie

2,8

2,7

2,9

3,4

3,7

3,6

3,6

3,6

3,4

3,4

Oudere werklozen, vrijgesteld

5,6

5,1

4,6

3,6

2,8

2,3

1,7

1,0

0,5

0,2

SWT-stelsel

10,1

9,8

9,4

9,0

8,4

7,7

6,9

6,0

4,5

3,2

Andere niet-beroepsactief

42,6

41,9

40,2

39,8

39,6

39,7

38,3

36,9

36,7

37,5

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van RVA, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

45


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

De gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (wzw) ouder dan 55 jaar blijft bijzonder laag ten opzichte van de jongere leeftijdsgroepen (figuur 21 en figuur 22). Terwijl gemiddeld 8,5% van alle wzw per maand de weg naar werk vinden, bedraagt dit bij de 55-plussers slechts 2,5%. Zelfs bij de 40- tot 54-jarigen ligt het uitstroompercentage bijna driemaal zo hoog (7,4%). In tegenstelling tot bij de werkzaamheids- en werkloosheidsgraad, zwemmen de 55-plussers hier minder duidelijk tegen de stroom in. De relatieve terugval ten opzichte van 2019 is slechts iets minder groot bij de 55-plussers (-13,6%) ten opzichte van het gemiddelde (-14,0%). Figuur 21: Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%), naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2018-2020 12%

10,0%

9,9%

10%

8,5%

8% 6% 4%

2,7%

2,9%

2,5%

2018

2019

2020

2% 0%

Totaal

55-plussers

Noot: VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van VDAB

46


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 22: Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%), naar leeftijd en werkloosheidsduur | Vlaams Gewest, 2020

20%

18,7% 12,2% 13,6% 8,1%

13,2% 9,4% 10,9% 5,3%

9,6% 6,6% 8,4% 2,8%

6,3% 3,0% 4,6% 0,8%

14,6% 7,4% 10,1% 2,5%

< 6 maanden

6 maanden tot 1 jaar

1 tot 2 jaar

2 jaar of meer

Totaal

15%

10%

5%

0%

< 25 jaar

25-39 jaar

40-54 jaar

≥ 55 jaar

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van VDAB

De werkloosheidsduur speelt een essentiële rol in de gemiddelde maandelijkse uitstroom van de werkloze 55-plussers (figuur 22). Bij wzw die minder dan zes maanden werkloos zijn, ligt het uitstroompercentage van de 40- tot 54-jarigen 1,5 maal hoger dan bij de 55-plussers. Naarmate de werkloosheidsduur toeneemt, neemt de kloof tussen beide leeftijdsgroepen ook stelselmatig toe. Bij een werkloosheidsduur van een tot twee jaar ligt de uitstroom naar werk bij 40- tot 54-jarigen reeds 2,4 maal hoger dan bij de 55-plussers, bij een werkloosheidsduur van meer dan twee jaar is dit zelfs 3,7 maal hoger. Dit uit zich ook in het bijzonder hoge aandeel van langdurig werklozen bij de 55-plussers. Zo is maar liefst 55,0% van de werkloze 55-plussers langdurig werkloos, terwijl bij 15- tot 64-jarigen slechts 25,5% van de werklozen twee jaar of meer zonder werk zit (zie tabel 12).

47


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Deelname aan opleiding Figuur 23: Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding naar leeftijd | Vlaams Gewest, 2009-2020 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

55-64 jaar

11,0

11,7

12,1

11,6

11,6

12,3

12,0

12,6

12,7

13,3

14,5

12,1

25-54 jaar

23,6

24,1

24,3

23,6

23,5

25,4

23,6

23,7

26,4

25,6

26,1

24,3

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

De afgelopen jaren namen 55-plussers steeds vaker deel aan opleidingen: terwijl in 2009 nog 11,0% van de 55-plussers in het afgelopen jaar deelnam aan opleidingen, bedroeg dit in 2019 intussen 14,5% (figuur 23). De COVID-19-crisis zorgt hierbij echter voor een duidelijke trendbreuk, met een terugval tot 12,1% (-2,4 ppt). Ook bij de 25- tot 54-jarigen is er een daling van de opleidingsdeelname van 26,1% naar 24,3%, al is hier de terugval iets minder groot (-1,8 ppt). Hierdoor zitten we met een identieke situatie als in 2011 en een duidelijke generatiekloof van 12,2 ppt.

48


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 11: Aandeel (%) 55-plussers naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15‑64 jaar, 2019-2020 55-plussers

15-64 jarigen

2019

2020

2019

2020

54,9

55,7

70,3

69,4

Statuut Werkend Werkloos

1,6

1,6

2,4

2,5

• Waarvan langdurig werkloos

51,1

55,0

29,1

25,5

Niet-beroepsactief

43,5

42,7

27,3

28,1

Man

50,1

50,2

50,4

50,4

Vrouw

49,9

49,8

49,6

49,6

Geslacht

Onderwijsniveaua Kortgeschoold

30,2

29,1

18,4

17,7

Middengeschoold

39,2

38,8

40,6

39,6

Hooggeschoold

30,5

32,0

41

42,7

Geboren in België

90,1

90,5

85,8

85,8

Geboren in EU-28 (excl. België)

4,5

4,6

5,7

5,8

Geboren buiten EU-28

5,4

4,9

8,5

8,4

Met arbeidshandicap

25,4

24,3

14,4

14,3

Zonder arbeidshandicap

74,6

75,7

85,6

85,7

Geboorteland

Arbeidshandicap

Noot: a. Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (15-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

49


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

7

Kortgeschoolden AUTEUR: Christiaan

Reinier GAASENDAM

Aandeel in de bevolking Het aandeel kortgeschoolden in de totale Vlaamse bevolking tussen 25-64 jaar is de voorbije tien jaar sterk afgenomen (figuur 24). Terwijl in 2008 nog 28,4% kortgeschoold was, is dit aandeel in 2020 gezakt naar 17,7%. Het aandeel kortgeschoolden is dus sinds 2008 met meer dan 10 procentpunten gedaald. Het aandeel middengeschoolden bleef ongeveer gelijk (van 39,1% in 2008 naar 39,6% in 2020) terwijl het aandeel hooggeschoolden toenam (van 32,5% naar 42,7%). In de groep kortgeschoolden is het aandeel mannen (54,4%) hoger dan onder hooggeschoolden (44,9%) maar ongeveer gelijk aan het aandeel mannen onder middengeschoolden (54,2%). Daarnaast is het aandeel 55-plussers ook opmerkelijk hoger bij kortgeschoolden (43,6% ten opzichte van 26,0% voor middengeschoolden en 19,9% voor hooggeschoolden). Het feit dat kortgeschoolden vaker tot de oudere leeftijdscategorie behoren, verklaart ook deels waarom hun aandeel in de bevolking tussen 25-64 jaar zo hard is gedaald sinds 2008. Er lijkt een generatiewissel plaats te vinden: veel oudere kortgeschoolden gaan met pensioen en worden vervangen door jongeren die vaker hooggeschoold zijn. In de groep kortgeschoolden zitten ook relatief meer personen met een migratieachtergrond en een arbeidshandicap (tabel 12). Figuur 24: Aantal (× 1000) en aandeel (%) kortgeschoolden in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2008-2020 28,4%

27,4%

27,2%

26,2%

26,1%

24,6%

23,9%

22,9%

22,6%

20,6%

19,0%

18,4%

17,7%

1.200

30%

1.000

25%

800

20%

600

15%

400

10%

200

953

925

922

889

888

839

816

785

775

705

654

636

5%

613

0

0% 2008

2009

2010

2011

Aantal kortgeschoolden

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel kortgeschoolden in de totale bevolking

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK 50


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkzaamheid De positie van personen op de arbeidsmarkt verschilt sterk naargelang hun onderwijsniveau. In 2020 was 53,7% van de kortgeschoolde volwassenen aan het werk ten opzichte van 77,3% en 88,1% bij midden- en hooggeschoolden (figuur 25). De daling in werkzaamheid in 2020 vanwege corona is eerder beperkt en kortgeschoolden werden niet bijzonder hard geraakt. De werkzaamheidsgraad steeg de afgelopen jaren voor het gehele Vlaamse Gewest met uitzondering van coronajaar 2020. Tussen 2008 en 2019 steeg de werkzaamheidgraad bij 25- tot 64-jarigen met 4 procentpunten (van 74,0% naar 78,0%). Deze toename is vooral te wijten aan een stijging in de werkzaamheidsgraad bij hooggeschoolden en de relatieve stijging van het aandeel hooggeschoolden. De werkzaamheidsgraad bij kortgeschoolden schommelde licht tussen 2008 en 2019 maar is in 2020 ongeveer weer op hetzelfde niveau als in 2008. Figuur 25: Werkzaamheidsgraad (%) naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2008-2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Totale populatie

74,0

73,8

74,4

74,2

74,1

74,6

74,9

74,6

74,9

75,9

77,5

78,0

77,7

Kortgeschoold

53,3

52,5

53,3

52,0

51,7

52,5

52,3

51,0

50,7

51,5

52,4

54,3

53,7

Middengeschoold

78,5

77,8

78,7

78,3

77,4

77,6

76,9

76,6

76,9

77,0

78,1

77,9

77,3

Hooggeschoold

86,7

86,7

86,2

86,3

87,0

86,4

87,3

87,1

87,2

87,2

88,5

88,6

88,1

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

51


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Kloven in werkzaamheidsgraad naar geslacht en leeftijd De focus ligt hier op de onderwijskloof in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen en tussen leeftijdscategorieën. De werkzaamheidsgraad is over het algemeen lager voor vrouwen dan voor mannen en lager bij 55-plussers dan bij de 25- tot 54-jarigen, maar onder de kortgeschoolden zijn deze kloven nog sterker uitgesproken. Bij de hooggeschoolde 25- tot 54-jarigen is de genderkloof bijvoorbeeld nog slechts 2,9 procentpunten (93,4% ten opzichte van 90,5%) terwijl de kloof bij dezelfde leeftijdsgroep kortgeschoolden maar liefst 21,6 procentpunten bedraagt (74,8% ten opzichte van 53,6%). Minder dan één op drie (30,5%) van de vrouwelijke kortgeschoolde 55-plussers is aan het werk. Voor hooggeschoolde vrouwelijke 55-plussers is de werkzaamheidsgraad meer dan dubbel zo hoog (68,3%). Bij de mannelijke 55-plussers is de werkzaamheidsgraad 45,6% voor kortgeschoolden en 78,7% voor hooggeschoolden (figuur 26). Figuur 26: Werkzaamheidsgraden (%) naar leeftijd en geslacht, vergeleken naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2020 100%

74,8% 90,3% 93,4%

45,6% 58,5% 78,7%

53,6% 79,2% 90,5%

30,5% 50,2% 68,3%

25-54

55-64

25-54

55-64

90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Mannen Kortgeschoold

Middengeschoold

Vrouwen Hooggeschoold

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

52


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkloosheid en uitstroom naar werk Ook de werkloosheidsgraad toont de zwakkere positie van kortgeschoolden op de arbeidsmarkt. Kortgeschoolden zijn vaker werkloos dan midden- of hooggeschoolden. De werkloosheidsgraad van kortgeschoolden in 2020 is met 4,8% dubbel zo hoog als die van hooggeschoolden (2,4%). De werkloosheidsgraad daalde sinds 2016 voor alle onderwijsniveaus, maar de opvallendste daling deed zich voor bij de kortgeschoolden. Terwijl de werkloosheidsgraad van kortgeschoolden in 2016 nog 8,3% bedroeg, daalde deze tot onder de 5% sinds 2019. Dit komt ook overeen met de stijging in de werkzaamheidsgraad sinds 2016 (figuur 27). Ook opmerkelijk is dat tijdens het coronajaar 2020 de werkloosheid van zowel midden- als hooggeschoolden steeg, maar voor kortgeschoolden (licht) daalde. Kortgeschoolden werden dan ook vaker niet-beroepsactief in 2020. Figuur 27: Werkloosheidsgraad (%) naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 20082020 10% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% 2008

2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

Totale populatie

3,3

3,9

4,2

3,5

3,8

4,0

4,1

4,3

4,1

3,7

2,8

2,7

2,9

Kortgeschoold

6,0

6,9

8,0

7,1

7,1

7,4

7,7

8,8

8,3

7,2

5,6

4,9

4,8

Middengeschoold

3,2

3,8

3,9

3,1

3,9

3,8

4,3

4,3

4,2

3,3

2,6

2,9

2,9

Hooggeschoold

1,9

2,5

2,6

2,1

2,2

2,7

2,5

2,7

2,4

2,9

2,1

1,8

2,4

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Kortgeschoolden lopen een hoger risico om langdurig werkloos te blijven dan hooggeschoolden. In 2020 was bijna vier op tien (39,2%) van de kortgeschoolde werklozen langdurig werkloos (tabel 12). Bij hooggeschoolden is dit slechts minder dan een kwart (22,1%) van de werklozen. In 2020 stroomde 6,5% van de kortgeschoolde werkzoekenden zonder werk (wzw) uit naar werk (figuur 28). Dit percentage ligt een stuk lager dan voor middengeschoolde werkzoekenden zonder werk (9,5%) en hooggeschoolde werkzoekenden zonder werk (11,4%). De uitstroom naar 53


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

werk voor langdurig werkzoekenden en 55-plussers is ook lager dan gemiddeld, en deze groepen zijn dan ook oververtegenwoordigd onder kortgeschoolde werkzoekenden. De cijfers voor coronajaar 2020 liggen voor alle groepen beduidend lager dan in voorgaande jaren. Figuur 28: Gemiddelde maandelijkse uitstroom naar werk van werkzoekenden zonder werk (%), naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 2018-2020 16%

7,6%

11,1%

13,6%

7,7%

11,0%

13,2%

6,5%

9,5%

11,4%

14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2018 Kortgeschoold

2019 Middengeschoold

2020

Hooggeschoold

Noot: VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van VDAB

54


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Tijdelijke en kortdurende contracten Werkende kortgeschoolden hebben vaker een tijdelijk contract (6,9%) dan midden- (4,8%) en hooggeschoolden (5,8%). 59% van de kortgeschoolden met tijdelijk werk doet bovendien uitzendwerk – ten opzichte van 37,6% van midden- en slechts 15,5% van hooggeschoolden. Het tijdelijk contract van kortgeschoolden is daarnaast gemiddeld een stuk korter: bijna 40% van de kortgeschoolden met een tijdelijk contract heeft een arbeidscontract dat korter is dan één maand, ten opzichte van 31% van de midden- en slechts 12,8% van de hooggeschoolden. Middengeschoolden hebben vaker een tijdelijk contract met een duurtijd tussen de een en zes maanden terwijl de tijdelijke contracten van hooggeschoolden vaak voor ten minste zes maanden of nog aanzienlijk langer zijn. Figuur 29: Duurtijd tijdelijke contracten (%), naar opleidingsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2020 45%

39,4% 31,0% 12,8%

31,2% 37,9% 25,6%

19,5% 21,5% 39,7%

Tijdelijk contract korter dan 1 maand

Tijdelijk contract 1-6 maand

Tijdelijk contract 6-12 maand

9,6% 21,9%

40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

Kortgeschoolden

Middengeschoolden

Tijdelijk contract langer dan 1 jaar

Hooggeschoolden

Noot: Het aantal kortgeschoolden met een tijdelijk contract langer dan één jaar is statistisch niet betrouwbaar vanwege te kleine aantallen. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Deelname aan opleiding De onderwijskloof op de arbeidsmarkt is ook zichtbaar in de deelname aan verdere opleiding (figuur 30). In 2020 nam 8,4% van de kortgeschoolden deel aan minstens één verdere opleiding gedurende een periode van twaalf maanden. Bij middengeschoolden is de opleidingsdeelname bijna dubbel zo hoog (16,5%) en bij hooggeschoolden bijna vier keer zo hoog (31,1%). In recente jaren is de opleidingsdeelname van kortgeschoolden gestegen, terwijl deze voor hooggeschool55


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

den licht daalde en voor middengeschoolden ongeveer gelijk bleef. In coronajaar 2020 daalde de deelname weliswaar voor alle opleidingsniveaus. Bij de opleidingsparticipatie van volwassenen speelt duidelijk een mattheuseffect: mensen die al hooggeschoold zijn en vaker een sterk profiel hebben, nemen het meest deel aan opleiding. Verschillende factoren spelen hier mee. Ten eerste zijn kortgeschoolden minder vaak aan het werk waardoor ze minder toegang hebben tot opleiding die georganiseerd wordt door de werkgever. Ten tweede bieden werkgevers hun kortgeschoolde werknemers ook minder opleiding aan. Ten slotte spelen ook factoren op individueel niveau mee: kortgeschoolden geven aan minder vaak nood te hebben aan opleiding en zijn bijgevolg minder vaak intrinsiek gemotiveerd om deel te nemen (Van Langenhove, Penders, Sourbron, & Vansteenkiste, 2020). Figuur 30: Aandeel (%) personen dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding naar onderwijsniveau | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

Totale populatie

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

20,7

21,3

21,4

20,7

20,7

22,2

20,7

20,9

22,9

22,4

23,0

21,1

Kortgeschoold

7,9

8,6

9,1

8,4

8,3

9,3

8,4

9,0

8,5

8,7

9,8

8,4

Middengeschoold

16,6

17,4

17,6

16,5

16,6

17,5

16,5

16,2

18,5

18,2

18,3

16,5

Hooggeschoold

35,9

35,3

35,2

34,4

33,6

35,3

32,9

33,0

35,4

33,8

34,6

31,1

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

56


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 12: Aandeel (%) personen naar onderwijsniveau en andere socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2019-2020 Kortgeschoold

Midden­ geschoold

Hooggeschoold

Totaal 25-64 jarigen

2019

2020

2019

2020

2019

2020

2019

2020

Werkend

54,3

53,7

77,9

77,3

88,6

88,1

78,0

77,7

2,3

1,7

2,1

2,1

2,3

Statuut Werkloos

2,8

2,7

2,3

•  Waarvan langdurig werkloos

48,7

39,2

33,1

36,6

26,1

22,1

34,6

31,8

Niet-beroepsactief

42,9

43,6

19,8

20,3

9,8

9,7

19,9

19,9

Man

54,7

54,2

53,7

54,2

44,8

44,9

50,4

50,2

Vrouw

45,3

45,8

46,3

45,8

55,2

55,1

49,6

49,8

25-54 jaar

61,5

56,4

76,1

74,0

81,1

80,1

73,8

73,5

55-64 jaar

43,0

43,6

25,3

26,0

19,5

19,9

26,2

26,5

73,1

72,3

86,1

85,8

88,6

88,6

84,7

84,6

Geslacht

Leeftijd

Geboorteland Geboren in België Geboren in EU-28 (excl. België, incl. VK)

7,1

8,0

6,0

6,2

5,5

5,5

6,0

6,2

Geboren buiten EU-28

19,8

19,7

8,0

7,9

5,9

6,0

9,3

9,2

Met arbeidshandicap

30,1

31,8

16,6

16,4

9,0

8,6

16,4

16,0

Zonder arbeidshandicap

69,9

68,2

83,4

83,6

91,0

91,4

83,7

84,0

Arbeidshandicap

Noot: Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (15-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

57


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

8

Personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte AUTEUR: Eline

VAN ONACKER

Aandeel in de bevolking Personen met een arbeidshandicap zijn personen die in de EAK aangeven in hun dagelijkse bezigheden (op het werk of daarbuiten) hinder te ervaren door een handicap, langdurige aandoening of ziekte. In 2020 gaven 596 000 personen aan een vorm van hinder te ervaren. Dit komt overeen met 14,3% van de bevolking tussen 15 en 64, of ongeveer een Vlaming op zeven. Dit cijfer is sinds 2018 behoorlijk stabiel, na een initieel stijgende trend vanaf 2009, het startjaar van de meting van deze doelgroep in de EAK. Toen verklaarde 10,7% van de Vlaamse bevolking hinder te ondervinden. We vinden in deze groep relatief meer vrouwen (52,6%) dan mannen (tabel 17 op het einde van dit hoofdstuk). Tegelijk merken we in vergelijking met de totale bevolking bij bepaalde groepen een in het oog springende oververtegenwoordiging. Dit is in het bijzonder het geval bij 55-plussers en kortgeschoolden. Ook bij de niet-beroepsactieven merken we de sterke aanwezigheid van hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte, met overwicht van hinder in erge mate (68,7%).

58


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 31: Aantal (× 1000) en aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte in de totale bevolking | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2009-2020 10,7%

10,4%

12,4%

12,7%

12,9%

13,3%

13,9%

14,1%

14,7%

14,2%

14,4%

14,3%

800

16%

700

14%

600

12%

500

10%

400

8%

300

6%

200

4%

100

427

418

509

525

531

548

576

582

605

589

599

2%

596

0

0% 2009

2010

2011

Aantal personen

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel personen

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Werkzaamheid De werkzaamheidsgraad van de personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte, kent een stijgende trend en klokt in 2020 af op 46,0% (figuur 32). Ter vergelijking: in 2009 bedroeg de werkzaamheidsgraad bij deze groep 37,5%. De kloof in werkzaamheidsgraad tussen wie wel en geen hinder ondervindt, blijft erg groot, met 34,2 procentpunten. We zien zowel een stijging bij de groep met hinder in zekere mate (een stijging van 6,3 procentpunten tussen 2009 en 2020) als bij de groep met hinder in erge mate (een stijging van 8,4 procentpunten tussen 2009 en 2020). Bij de groep met beperkte hinder stellen we in vergelijking met 2019 een lichte daling in werkzaamheidsgraad vast, terwijl we bij de groep die in erge mate hinder ondervindt een stijging opmerken. De kloof in de werkzaamheidsgraad tussen mensen die in erge mate en zij die maar in zekere mate hinder ondervinden, blijft wel hoog (30,8 procentpunten in 2020).

59


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 32: Werkzaamheidsgraad (%) van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2009-2020 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Hinder

37,5

33,5

38,6

38,7

40,4

42,7

43,1

41,0

43,3

45,8

45,6

46,0

• In erge mate

22,4

18,2

21,9

21,1

23,8

27,0

25,6

24,7

26,4

28,2

27,5

30,8

• In zekere mate

55,3

53,8

55,9

58,2

58,4

58,9

61,9

58,8

61,4

64,0

65,0

61,6

Geen hinder

76,0

77,3

77,0

76,7

77,0

76,8

77,0

77,6

78,6

80,1

81,2

80,2

Totale populatie

71,5

72,1

71,8

71,5

71,9

71,9

71,9

72,0

73,0

74,6

75,5

74,7

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

60


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Werkzaamheidsgraad volgens sociodemografische kenmerken Ook binnen de groep personen die hinder ondervindt door handicap, langdurige aandoening of ziekte zijn er qua werkzaamheidsgraad opmerkelijke verschillen tussen groepen met verschillende socio-demografische kenmerken (figuur 33). Bepaalde groepen laten een uitgesproken lagere werkzaamheidsgraad optekenen. Opvallend zijn de lage cijfers bij 55-plussers (36,4%), kortgeschoolden (29,4%), en personen geboren buiten EU-28 (24,1%). Bij deze laatste twee groepen is er ook een daling ten opzichte van 2019, terwijl de globale werkzaamheidsgraad van personen met hinder wel lichtjes steeg. Figuur 33: Werkzaamheidsgraad van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte opgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20‑64 jaar, 2019-2020

70%

45,6% 46%

48,4% 43,0% 47,4% 44,8%

30,5% 48,9% 66,0% 29,4% 50,8% 65,4%

42,2% 53,5% 34,3% 39,3% 53,0% 36,4%

47,0% 39,1% 36,5% 47,8% 55,7% 24,1%

60% 50% 40% 30% 20% 10%

2020

Geboren in EU-28

Geboren in België

55-64

25-54

20-24

Hooggeschoold

Middengeschoold

Kortgeschoold

Vrouwen

Geboren buiten EU-28

2019

Mannen

20-64

0%

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

61


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Deeltijds & tijdelijk werk Tabel 13: Aandeel (%) voltijds versus deeltijds werk door personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Voltijds

Deeltijds

Totaal hinder

57,4

42,6

• In erge mate

49,1

50,9

• In zekere mate

61,6

38,4

Geen hinder

76,7

23,3

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

We kunnen ook nagaan in welke mate personen die hinder ondervinden deeltijds werken. We stellen vast dat 42,6% van de werkenden met hinder deeltijds werkt. Het cijfer is hoger bij wie in erge mate hinder ondervindt (50,9%) dan bij wie in zekere mate hinder ondervindt (38,4%). Bij wie geen hinder ondervindt, bedraagt dat cijfer 23,3%. Tabel 14: Aandeel (%) deeltijds werk bij mannen en vrouwen bij personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Aandeel bij mannen

Aandeel bij vrouwen

Totaal hinder

23,8

60,5

Geen hinder

9,4

39,1

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Opvallend is ook het verschil tussen mannen en vrouwen (tabel 14). Bij personen met hinder werkt 23,8% van de mannen deeltijds en 60,8% van de vrouwen: een kloof van 36,7 procentpunten. Bij de personen zonder hinder zijn de cijfers lager: 9,4% van de mannen werkt deeltijds, tegenover 39,1% van de vrouwen. De kloof daar is met 29,7 procentpunten ook uitgesproken, maar kleiner dan bij de groep met hinder. Tabel 15: Aandeel vast versus tijdelijk contract bij personen met hinder door handicap, aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Vast contract

Tijdelijk contract

Totaal hinder

94,4

5,6

Geen hinder

92,4

7,6

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

We kunnen ook kijken naar het aandeel tijdelijk werk bij deze groep. Van wie met hinder door handicap, aandoening of ziekte aan het werk is, heeft 94,4% een vast contract. Dit cijfer is lichtjes hoger dan bij wie zonder hinder aan de slag is, daar heeft 92,4% een vast contract. 62


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Werkloosheid en uitstroom naar werk De werkloosheidsgraad bij personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem bedroeg in 2020 5,4% (figuur 34). In vergelijking met de eerste jaren waarvoor we gegevens hebben, stellen we hier een aanzienlijke daling vast. Opmerkelijk is ook dat de daling zich ook in het coronajaar 2020 verder heeft gezet, terwijl de werkloosheidsgraad bij personen zonder hinder wel licht gestegen is (van 3,0% naar 3,3%). De kloof in werkloosheidsgraad tussen personen met en zonder hinder is dan ook veel kleiner geworden: van 6,9 procentpunten in 2009 tot 2,1 procentpunten in 2020. Figuur 34: Werkloosheidsgraad (%) naar hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2009-2020 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

Hinder

11,4

14,8

9,6

8,7

10,0

10,0

9,1

8,3

7,4

5,5

5,7

5,4

Geen hinder

4,5

4,5

3,9

4,2

4,6

4,6

4,8

4,5

4,1

3,2

3,0

3,3

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

63


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Evolutie van arbeidsdeelname We zoomen hier verder op in door na te gaan of de daling in de werkloosheidsgraad gepaard is gegaan met een stijging bij het aandeel werkenden of het aandeel niet-beroepsactieven. We stellen vast dat het aandeel niet-beroepsactieven door de jaren heen is gedaald: van 58,6% in 2009 tot 52,4% in 2020. Het aandeel werkenden is dan weer toegenomen: van 36,7% in 2009 tot 45,0% in 2020. Steeds meer personen met hinder zijn dus aan de slag, al blijven de cijfers laag in vergelijking met de algemene populatie. Figuur 35: Aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte opgesplitst naar statuut | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2009-2020 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2009

2010

2011a

2012

2013

2014

2015

2016

2017b

2018

2019

2020

4,7

5,7

4,0

3,6

4,4

4,6

4,2

3,6

3,4

2,6

2,7

2,6

Werkend

36,7

32,8

37,7

37,8

39,6

41,6

42,1

40,0

42,2

44,6

44,7

45,0

Niet-beroepsactief

58,6

61,5

58,3

58,6

56,0

53,8

53,7

56,4

54,4

52,8

52,6

52,4

Werkloos

Noot: a. Aanpassing in de toewijzing van werklozen. b. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Figuur 36 toont dat werkzoekenden zonder werk (wzw) met een arbeidshandicap een zeer lage uitstroom naar werk hebben. In 2020 bedroeg deze uitstroomkans 3,3% tegenover 9,8% bij niet-arbeidsgehandicapten. In 2020 vindt er een – waarschijnlijk sterk corona gerelateerde – daling plaats bij beide groepen, maar de kloof tussen beide blijft met 6,5 procentpunten aanzienlijk.

64


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 36: Gemiddelde maandelijkse uitstroom van wzw naar werk (%) | Vlaams Gewest; 2018-2020 11,4%

12%

11,4% 9,8%

10% 8% 6%

4,1%

4,0%

2018

2019

3,3%

4% 2% 0%

Geen arbeidshandicap

2020

Arbeidshandicap

Noot: VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van VDAB

FO C U S

Gekend bij een officieel plaatsingsbureau In tabel 16 bekijken we of de personen die hinder ondervinden door een handicap of langdurig gezondheidsprobleem al dan niet ingeschreven zijn bij een officieel plaatsingsbureau (VDAB of RVA) en of ze een RVA-uitkering ontvangen. Het aandeel dat ingeschreven was is veeleer beperkt. In 2020 was 17,0% van de personen met hinder ingeschreven. Bij personen die in erge mate hinder ondervonden, lag dit cijfer met 11,1% het laagst. 12,5% is ingeschreven en ontvangt een uitkering. 4,5% is ingeschreven zonder uitkering. Vooral personen die in zekere mate hinder ondervinden zijn ingeschreven bij VDAB of RVA: van deze groep is 27,3% gekend bij deze instanties en hebben de band met de arbeidsmarkt dus zeker nog niet volledig verloren. Tabel 16: Inschrijving bij RVA of VDAB van personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2020

Totaal hinder

Totaal aandeel ingeschreven bij VDAB of RVA

Aandeel ingeschreven met uitkering

Aandeel ingeschreven zonder uitkering

17,0

12,5

4,5

In erge mate

11,1

7,9

3,2

In zekere mate

27,3

20,5

6,8

Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

65


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Deelname aan opleiding Een bijkomende indicator om de huidige band met de arbeidsmarkt in te schatten, is opleidingsdeelname; dit vatten we in figuur 37. In 2020 nam in de twaalf maanden voorafgaand aan de bevraging 13,7% van de personen die hinder ervaren, deel aan een opleiding. Dit is een stijging tegenover 2009, toen ging het nog om 13,1%, maar het is wel een daling tegenover de voorgaande jaren. In 2019 bedroeg de deelname nog 16,0%. Tegelijk merken we bij de opleidingsdeelname een grote ongelijkheidskloof. De opleidingsdeelname bij personen die geen hinder ervaren lag met 22,5% een stuk hoger. Tegelijk springt ook het verschil tussen wie in erge mate hinder ondervindt en wie in zekere mate hinder ondervindt in het oog. Bij de eerste groep bedraagt de opleidingsdeelname amper 7,7%, terwijl de groep met hinder in zekere mate met 20,0% een veel hoger cijfer laat optekenen, dat nauwer aansluit bij de populatie zonder hinder. Figuur 37: Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deel­ genomen aan opleiding | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2009-2020 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

Hinder

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

13,1

11,8

14,2

14,2

14,5

17,1

15,5

14,5

15,7

14,9

16,0

13,7

• In erge mate

8,9

6,3

8,6

8,4

9,4

11,0

9,6

8,1

8,0

8,1

9,5

7,7

• In zekere mate

18,2

19,3

20,1

20,7

20,1

23,5

21,9

21,6

24,0

21,9

23,2

20,0

Zonder hinder

21,6

22,2

22,6

21,9

21,8

23,1

21,7

22,2

24,3

23,8

24,4

22,5

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

66


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 17: Aandeel (%) personen met hinder door handicap, langdurige aandoening of ziekte uitgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 15-64 jaar, 2019-2020 Totaal hinder

Geen hinder

2019

In erge mate 2020

In zekere mate 2019

2020

2019

2020

2019

2020

2019

Totaal 2020

27,0

30,3

63,6

59,8

44,7

45,0

74,7

73,5

70,3

69,4

Statuut Werkend Werkloos

1,6

1,0

3,9

4,2

2,7

2,6

2,3

2,5

2,4

2,5

Niet-beroepsactief

71,4

68,7

32,6

36,0

52,6

52,4

23,0

24,0

27,3

28,1

Man

49,3

47,1

47,3

47,7

48,3

47,4

50,7

50,4

50,4

50,4

Vrouw

50,7

52,9

52,7

52,3

51,7

52,6

49,3

49,6

49,6

49,6

Kortgeschoold

46,3

40,4

28,1

31,7

37,6

36,2

17,7

14,8

20,4

17,7

Middengeschoold

37,5

41,7

43,8

41,2

40,5

41,4

39,8

40,2

39,9

39,6

Hooggeschoold

16,3

17,9

28,1

27,1

21,9

22,4

43,1

45,1

39,7

42,7

4,4

6,0

7,1

9,7

5,7

7,3

19,0

18,8

17,1

17,2

25-54 jaar

54,7

54,4

57,6

56,3

56,1

55,4

62,1

61,9

61,2

60,9

55-64 jaar

40,9

39,6

35,3

35,0

38,2

37,3

18,9

19,3

21,7

21,9

Geboren in België

84,3

85,7

87,4

85,3

85,8

85,5

84,7

84,5

84,9

85,8

Geboren in EU-28 (excl. België)

5,9

5,1

4,9

5,8

5,4

5,4

6,0

6,2

5,9

5,8

Geboren buiten EU-28

9,8

9,2

7,7

8,9

8,8

9,1

9,4

9,3

9,3

8,4

Geslacht

Onderwijsniveaua

Leeftijd 15-24 jaar

Geboorteland

Noot: a. Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (15-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Voor alle andere groepen gaat het om de 15- tot 64-jarigen. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

67


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

9

Arbeidsreserve AUTEURS:

Michelle SOURBRON EN Sarah VANSTEENKISTE

Aandeel in de bevolking Traditioneel wordt verondersteld dat alleen de beroepsbevolking – de werkenden en de werklozen – in te zetten zijn op de arbeidsmarkt. Eerder studiewerk toonde reeds aan dat ook binnen de niet-beroepsactieven nog arbeidspotentieel verscholen ligt (Vansteenkiste et al., 2019; Vansteenkiste & Sourbron, 2020). In dit onderdeel leggen we de focus op de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven, de inzetbare niet-beroepsactieven en de huisvrouwen of -mannen omwille van andere redenen dan te dure (kinder)opvang. Figuur 38: Aantal (× 1000) en aandeel (%) niet-beroepsactieven die zoekend of beschikbaar zijn in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 1,5%

1,5%

1,6%

1,6%

1,4%

1,8%

1,9%

1,7%

1,9%

80

2%

70 60 50

22

20

21

23

21

25

25

28

27

40

1%

30 20 10

36

37

40

40

34

44

46

38

44

0

0% 2012

2013

2014

Niet zoekend, wel beschikbaar

2015

2016

2017*

Niet beschikbaar, wel zoekend

2018

2019

2020

Zoekend of beschikbaar (%)

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Figuur 38 geeft het aantal niet-beroepsactieven weer die zoekend of beschikbaar zijn. Deze groep voldoet niet aan alle criteria om onder de officiële ILO-werkloosheidsdefinitie geplaatst te worden. Volgens de ILO-definitie zijn werklozen niet-werkenden die de afgelopen vier weken actief naar werk hebben gezocht en binnen de twee weken beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. De groep van zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven voldoet maar aan een van de twee componenten van deze definitie: ze zijn ofwel zoekend naar werk, maar niet direct beschikbaar om te werken, ofwel beschikbaar om te werken, maar niet zoekend, bijvoorbeeld omdat ze ontmoedigd zijn. Hoewel ze dus niet beantwoorden aan het volledig vooropgestelde 68


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

profiel van een actieve werkloze, beantwoorden ze er wel voor een deel aan, en hebben ze heel wat karakteristieken gemeenschappelijk. Het is duidelijk dat deze personen niet volledig losgekoppeld zijn van de arbeidsmarkt en er dus nog een band mee hebben. In 2020 bestaat deze groep uit 71 000 personen, wat overeenkomt met 1,9% van de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar. De grootste deelgroep is niet zoekend maar wel beschikbaar (44 000 personen). Sommigen hebben de hoop opgegeven om een job te vinden omdat ze bijvoorbeeld niet over de juiste kwalificaties beschikken, geen werk in de nabije omgeving vinden of denken dat ze te jong of te oud zijn voor een bepaalde job. Het aandeel personen dat hun kansen op de arbeidsmarkt negatief inschat is sinds de COVID-19-pandemie toegenomen. Maar liefst een op de vier personen geeft in 2020 een van bovenstaande redenen aan om geen betrekking te zoeken, we kunnen hier spreken over ontmoedigde werklozen. Daarnaast geven 27 000 personen aan niet beschikbaar maar wel zoekend te zijn. Studies dienen nog afgerond te worden, men heeft geen alternatief voor de zorg voor kinderen, men is (tijdelijk) arbeidsongeschikt, enzovoort. Ook personen die langdurig (meer dan drie maanden) afwezig zijn van het werk door loopbaanonderbreking of tijdskrediet vinden we grotendeels hier terug. Op acht jaar tijd, tussen 2012 en 2020, is er sprake van een lichte stijging van +0,3 procentpunten in het aandeel zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven. In vergelijking met 2012, zijn er in 2020 14 000 personen meer die tot deze groep van de arbeidsreserve behoren. Binnen de groep van zoekende of beschikbare personen komen kortgeschoolden vaker voor dan in de totale bevolking, net als de 20- tot 24-jarigen, personen geboren buiten een EU-land en personen met een arbeidshandicap (zie tabel 19 op het einde van dit hoofdstuk). Figuur 39: Aantal (× 1000) en aandeel (%) inzetbare niet-beroepsactieven in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 2,5%

1,9%

1,8%

1,7%

1,5%

1,5%

1,1%

1,2%

1,3%

120

3%

100 80

2%

60 40 20

1%

94

73

67

63

58

57

41

47

48

0

0% 2012

2013

2014

2015

Aantal inzetbare niet-beroepsactieven

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel inzetbare niet-beroepsactieven

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

69


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

De tweede groep zijn de inzetbare niet-beroepsactieven. In tegenstelling tot de voorgaande groep zijn deze personen noch actief op zoek naar werk noch beschikbaar voor werk, maar percipiëren ze zichzelf wel als werkend of werkloos wanneer gepeild wordt naar hun arbeidsmarktstatus. Ze voelen met andere woorden toch nog steeds een band met de arbeidsmarkt. Deze categorie omvat ook de huisvrouwen of -mannen die de zorg voor de eigen kinderen of andere afhankelijke personen op zich nemen omwille van een gebrek aan (betaalbare) opvang. In het Vlaams Gewest omvat deze groep 48 000 personen, of 1,3% van de bevolking op arbeidsleeftijd. Dit is een halvering ten opzichte van 2012 waar het nog ging over 2,5% van de totale bevolking of 94 000 personen (figuur 39). Tabel 19 toont aan dat vrouwen, kortgeschoolden, 55-plussers, personen geboren buiten de EU en personen met een arbeidshandicap oververtegenwoordigd zijn bij deze categorie van niet-beroepsactieven tegenover hun respectievelijk aandeel in de beroepsbevolking. Met uitzondering van de 55-plussers, zijn al deze groepen nog prominenter aanwezig sinds de COVID-19 uitbraak. De belangrijkste reden om niet actief naar werk te zoeken, noch zich beschikbaar te stellen voor werk blijft de zorg die ze op zich nemen voor kinderen of andere afhankelijke personen (23,4%), of tijdelijke ziekte of arbeidsongeschiktheid (18,9%). Deze redenen zijn in 2020 doorslaggevender dan in 2019 waar het respectievelijk over 17,5% en 16,7% ging. In 2019 vervolledigde de redenen denken te oud te zijn voor de arbeidsmarkt en volgen van opleiding het lijstje, in 2020 spelen deze redenen minder een rol. Figuur 40: Aantal (× 1000) en aandeel (%) huisvrouwen en -mannen in de bevolking | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 4,3%

4,3%

4,2%

4,0%

4,1%

3,5%

3,7%

3,3%

3,2%

200

5%

180 160

4%

140 120

3%

100 80

2%

60 40 20

1% 164

162

159

152

155

132

140

127

122

0

0% 2012

2013

2014

Aantal huisvrouwen en -mannen

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Aandeel huisvrouwen en -mannen

Noot: *In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Als laatste zoomen we in op de subgroep van de niet direct inzetbaren, meer bepaald de huisvrouwen en -mannen. In 2020 geven 122 000 personen aan huisvrouw- of man te zijn, en dit omwille van andere redenen dan gebrek aan of te dure opvang (3,2% van de totale Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar). We kunnen ze dus duidelijk onderscheiden van de huisvrouwen of -mannen die tot de inzetbare niet-beroepsactieven behoorden. Deze groep is niet di70


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

rect inzetbaar, maar een deel van hen zou in de toekomst wel inzetbaar kunnen worden. In 2012, het begin van de tijdreeks, ging het nog om 164 000 personen of 4,3% van de bevolking (figuur 40). Het profiel van de groep huisvrouwen en -mannen wijkt af van de vorige groep. Zo nemen vrouwen met 97,0% een prominente plaats in. Wat onderwijsniveau betreft, valt het op dat 42,2% kortgeschoold is, terwijl kortgeschoolden maar 17,7% van de totale bevolking vertegenwoordigen. Als we een verdere opsplitsing maken naar leeftijd, stellen we vast dat ruim de helft (57,4%) in de middelste leeftijdscategorie valt en 42,1% 55 jaar of ouder is. Die laatste categorie is oververtegenwoordigd aangezien de 55-plussers slechts 23,9% uitmaken van de totale bevolking. Ook personen geboren buiten de EU komen vaker voor (35,8% versus 8,8% in de totale bevolking, zie tabel 19).

FO C U S

Inschrijving bij RVA of VDAB Tabel 18: Inschrijving bij RVA of VDAB, van personen die zoekend of beschikbaar zijn | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 Totaal aandeel ingeschreven bij VDAB of RVA

Aandeel ingeschreven met uitkering

Aandeel ingeschreven zonder uitkering

Zoekend of beschikbaar

56,8

39,4

17,4

Inzetbare niet-beroepsactieven

58,9

48,9

10,0

Noot: Huisvrouwen en -mannen worden in deze tabel buiten beschouwing gelaten omwille van te kleine aantallen. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

In tabel 18 brengen we in kaart of de personen uit de arbeidsreserve al dan niet ingeschreven zijn bij de RVA of VDAB en of ze een RVA-uitkering ontvangen. Bij de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven was in 2020 56,8% ingeschreven bij VDAB of RVA: 39,4% was ingeschreven en ontving eveneens een uitkering, 17,4% was ingeschreven zonder uitkering. Bij de inzetbare niet-beroepsactieven lag dit aandeel met 58,9% net iets hoger: 48,9% was ingeschreven met een uitkering en 10,0% was ingeschreven zonder uitkering. De potentiële arbeidsreserve is met andere woorden voor meer dan de helft gekend bij de betrokken instanties waardoor hun band met de arbeidsmarkt nog niet helemaal verbroken is.

71


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Mogelijke werkzaamheidsgroei Figuur 41: Werkzaamheidsgraad (%) en mogelijke werkzaamheidsgroei door het inzetten van de potentiële arbeidsreserve | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2012-2020 85% 83% 81% 79% 77% 75% 73% 71% 69% 67% 65% 2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

Werkzaamheidsgraad

71,5

71,9

71,9

71,9

72,0

73,0

74,6

75,5

74,7

Potentiële werkzaamheidsgraad

78,8

79,0

79,0

79,1

78,5

79,5

80,1

80,7

80,4

Noot: De niet-werkende potentiële arbeidsreserve omvat de werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en de inzetbare niet-beroepsactieven. * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

In figuur 41 gaan we na hoe de werkzaamheidsgraad zou worden opgehoogd als we erin slagen om de op het eerste gezicht ‘makkelijkste’ groepen van de arbeidsreserve aan de slag te krijgen bovenop de werkende populatie. Meer specifiek bekijken we hoe de werkzaamheidsgraad verandert als we de actieve werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en inzetbare niet-beroepsactieven aan het werk zouden krijgen. Deze groepen staan ook gekend als de potentiële arbeidsreserve. We kunnen op deze manier de potentiële werkzaamheidsgraad in kaart brengen, een oefening die Steunpunt Werk reeds een aantal keer uitvoerde in het verleden. Het gaat hier om een theoretische denkoefening, waar enkel gekeken wordt naar de aanbodzijde en waar de arbeidsvraageffecten niet in rekening worden gebracht. Tussen 2016 en 2019 waren er in Vlaanderen steeds meer mensen aan het werk. De werkzaamheidsgraad steeg in die periode van 72,0% naar 75,5%. Covid-19 heeft echter een rem op deze groei gezet en zorgt in 2020 voor een daling van de werkzaamheidsgraad met 0,7 procentpunten. De globale werkzaamheidsgraad voor de 20- tot 64-jarigen bedraagt daarmee 74,7% in Vlaanderen. Deze kentering is ook zichtbaar in de potentiële werkzaamheidsgraad. Indien we erin slagen om de arbeidsreserve aan het werk te krijgen, dan zou de werkzaamheidsgraad 5,7 procentpunten hoger komen te liggen op 80,4%. Dat is een kleine afname in vergelijking met 2019 waar de potentiële werkzaamheidsgraad 80,7% bedroeg. Met de score van 2020 zou Vlaanderen aansluiting vinden met de Europese toplanden op vlak van werkzaamheidsgraad en wordt tegelijkertijd de werkzaamheidsdoelstelling van 80% behaald.

72


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Om dit potentieel effectief te benutten, moet uiteraard ook de arbeidsvraag voldoende aantrekken. We constateren op dit vlak al een sterk aanzwengelende vacaturemarkt, en toenemende personeelstekorten in een aantal sectoren zoals onderwijs, IT en gezondheidszorg. Daarnaast zorgt de sterke uitstroom van 55-plussers voor een toenemende vraag naar arbeid de komende jaren. De projecties van het Steunpunt Werk wijzen op gemiddeld 77 000 vervangingsvacatures per jaar voor het komende decennium door uitstroom van 55-plussers uit de arbeidsmarkt. Een brede benadering van het arbeidspotentieel speelt zo een belangrijke rol in het helpen beantwoorden van deze toenemende arbeidsvraag en de krapte op de arbeidsmarkt. Figuur 42: Werkzaamheidsgraad (%) en mogelijke werkzaamheidsgroei door het inzetten van de potentiële arbeidsreserve, opgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2020 5,4%

6,0%

10,6% 5,4%

4,6%

7,9%

5,2% 4,0%

4,9% 14,2%

7,5%

5,1%

53,7% 77,3% 88,1%

76,3% 59,1%

46,0% 80,2%

5,7%

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%

78,5% 70,9%

46,4% 85,7% 55,7%

74,7%

Totaal

Zonder arbeidshandicap

Met arbeidshandicap

Geboren buiten EU-28

Geboren in EU-land (incl. België)

Hooggeschoold*

Middengeschoold*

Kortgeschoold*

55-64 jaar

25-54 jaar

20-24 jaar

Vrouw

Man

0%

Noot: De niet-werkende potentiële arbeidsreserve omvat de werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en de inzetbare niet-beroepsactieven. * Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken, omdat jongeren hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Voor alle andere groepen gaat het om de 20- tot 64-jarigen. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Wanneer we inzoomen op een aantal socio-demografische kenmerken merken we op dat er vooral bij de meest kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt veel progressiemarge is (figuur 42). Deze groepen hebben een lagere werkzaamheidgraad dan gemiddeld, maar doordat ze oververtegenwoordigd zijn in de potentiële arbeidsreserve is er nog veel groei mogelijk. Kortgeschoolden bijvoorbeeld kennen in 2020 een werkzaamheidsgraad van 53,7%. Dit cijfer groeit aan tot 61,5% indien alle kortgeschoolden uit de potentiële arbeidsreserve aan de slag zouden gaan. Ook bij de jongeren, personen geboren buiten de EU en personen met een arbeids­handicap is 73


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

nog heel wat groeimarge. Al deze groepen kunnen met een versterkte inzet van hun arbeidsreserve nog een groei in werkzaamheid teweegbrengen. Bij de personen geboren buiten de EU-28 is de potentiële winst het meest uitgesproken met een mogelijke groei van 14,2 procentpunten. De hooggeschoolden daarentegen vertonen niet veel progressiemarge meer. Deze groep wordt het effectiefst ingezet op de arbeidsmarkt.

Deelname aan opleiding Figuur 43: Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan opleiding | Vlaams Gewest, 25-64 jaar, 2012-2020 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

24,8

23,9

24,5

21,0

23,3

21,3

19,6

24,9

19,2

Inzetbare niet-beroepsactieven

11,2

11,4

9,1

11,1

14,9

19,0

Huisvrouwen- en mannen

7,7

6,2

7,0

6,8

6,6

5,9

5,9

8,5

7,9

20,7

20,7

22,2

20,7

20,9

22,9

22,4

23,0

21,1

Zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven

Totaal

15,2

Noot: In 2018 en 2019 zijn er geen data voor de categorie inzetbare niet-beroepsactieven omwille van te kleine celaantallen. * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

We bekijken vervolgens de opleidingsdeelname in de twaalf maanden voorafgaand aan de bevraging (figuur 43). In 2020 nam 19,2% van de personen die zoekend of beschikbaar zijn, deel aan een opleiding in het regulier onderwijs of daarbuiten. Dit is een terugval van 5,7 procentpunten ten opzichte van 2019. Deze percentages blijven weliswaar in lijn liggen met de opleidingsdeelname van de totale bevolking. Bij de huisvrouwen en -mannen ligt dit cijfer veel lager: slechts 7,9% volgde in 2020 een opleiding. Hiermee vallen we terug op het niveau van 2012 met een opleidingsdeelname van 7,7%. De inzetbare niet-beroepsactieven liggen tussen de andere groepen in. In 2012 nam 11,2% deel aan een opleiding, sinds 2014 is dat aandeel exponentieel toegenomen. Doordat deze groep tussen 2012 en 2020 gehalveerd is, kan er in de laatst beschik-

74


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

bare jaren geen betrouwbare uitspraak meer gedaan worden over de opleidingsdeelname van deze groep.

Socio-demografische kenmerken Tabel 19: Aandeel (%) personen in verschillende groepen uit de arbeidsreserve opgesplitst naar socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 20-64 jaar, 2019-2020 Totale bevolking

Zoekend of beschikbaar

Inzetbare nietberoepsactieven

Huisvrouwen- en mannen

2019

2020

2019

2020

2019

2020

2019

2020

Man

50,3

50,3

43,6

47,5

42,0

39,5

nb

nb

Vrouw

49,7

49,7

56,4

52,5

58,0

60,5

98,2

97,0

Geslacht

Onderwijsniveaua Kortgeschoold

18,4

17,7

24,8

23,4

39,7

43,5

43,8

42,2

Middengeschoold

40,6

39,6

43,0

42,3

42,7

36,8

38,3

36,8

Hooggeschoold

41,0

42,7

32,2

34,3

17,7

19,7

17,9

21,0

Leeftijd 20-24 jaar

9,7

9,6

18,5

21,1

17,2

12,4

nb

nb

25-54 jaar

66,7

66,4

65,4

65,5

44,0

50,2

55,2

57,4

55-64 jaar

23,6

23,9

16,1

13,4

38,8

37,4

42,7

42,1

Geboren in België

85,3

85,2

70,5

70,0

71,3

71,5

58,5

54,2

Geboren in EU-land (excl. België)

5,8

6,0

9,0

8,4

nb

nb

7,8

10,0

Geboren buiten EU

8,9

8,8

20,5

21,6

22,6

25,1

33,7

35,8

Met arbeidshandicap

15,4

15,1

27,9

21,3

26,2

31,0

13,4

8,6

Zonder arbeidshandicap

84,6

84,9

72,1

78,7

73,8

69,0

86,6

91,4

Geboorteland

Arbeidshandicap

Noot: a Voor de opsplitsing naar onderwijsniveau wordt de bevolking van 25 tot 64 jaar bekeken omdat jongeren (20-24 jaar) hun studies doorgaans nog niet hebben afgerond. Voor alle andere groepen gaat het om de 20- tot 64-jarigen. b. nb wijst op een niet betrouwbaar gegeven wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/Departement WSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

75


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

10

Huishoudpositie AUTEURS: Ines

PENDERS , Michelle SOURBRON EN Sarah VANSTEENKISTE

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de verschillende huishoudposities, een groep die in de vorige editie van dit Trendrapport (De Smet et al., 2020) nog niet aan bod kwam. Met een huishouden bedoelen we alle personen die gewoonlijk onder hetzelfde dak wonen. We bespreken de volgende groepen: alleenstaanden, samenwonend met partner en zonder kinderen, samenwonend met partner en met kinderen, en éénoudergezinnen. Bij de samenwonenden met partner en kinderen maken we nog een verder onderscheid naargelang het aantal kinderen, namelijk één, twee en drie of meer. Verder zijn er ook nog inwonende kinderen en een restcategorie, maar deze twee categorieën bespreken we niet uitvoerig. Voor onze analyses focussen we op de 25- tot 49-jarigen, omdat op deze leeftijd heel wat mensen een beroepsleven hebben en dit combineren met verantwoordelijkheden binnen het gezin. De keuze voor deze leeftijdscategorie heeft wel een invloed op de resultaten. Het aandeel gezinnen met kinderen wordt zo relatief hoog, terwijl het aandeel alleenstaanden en samenwonenden zonder inwonende kinderen lager ligt. We analyseren in dit hoofdstuk of vrouwen en mannen in gelijke mate deelnemen aan de arbeidsmarkt, of dit afhankelijk is van hun gezinssituatie en of onderwijsniveau en geboorteland onderscheidende factoren zijn. Alle tijdreeksen die in dit hoofdstuk aan bod komen, starten in 2012 en niet in 2009 zoals gebruikelijk is in dit rapport. Dat komt door een wijziging in de huishoudvariabele tussen 2011 en 2012, wat voor een breuk in de resultaten zorgt.

Aandeel in de bevolking In 2020 bestaat de bevolking tussen 25 en 49 jaar voor meer dan de helft (53,1%) uit samenwonende partners met kinderen (figuur 44). Het klassieke gezin met kinderen heeft dan wel licht ingeboet in aandeel, in 2012 bedroeg dit nog 55,8% (-2,7 ppt), toch blijft dit de meest voorkomende samenlevingsvorm in Vlaanderen. Ouders van twee kinderen komen het vaakst voor (25,9%) en dit aandeel is bovendien overheen de periode 2012-2020 ongeveer gelijk gebleven. De categorie van samenwonenden met één kind kent een lichte afname, van 18,5% in 2012 naar 16,2%, net zoals de samenwonenden met drie of meer kinderen (van 11,7% naar 10,9%). Verder is 5,8% in 2020 hoofd van een éénoudergezin en 12,9% alleenstaand. Die laatste groep kent de sterkste stijging sinds 2012, met +2,2 procentpunten.

76


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 44: Aandeel van huishoudpositie in de bevolking | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2012‑2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2015

2016

2017*

2018

10,9

11,5

10,9

12,8

13,2

11,9

12,9

15,7

14,8

15,3

14,6

15,5

15,4

16,0

2012

2013

2014

Alleenstaande

10,7

10,8

Samenwonend met partner zonder kinderen

16,4

15,4

2019

2020

Samenwonend met partner en 1 kind

18,5

17,6

17,1

17,7

17,5

16,9

16,8

16,8

16,2

Samenwonend met partner en 2 kinderen

25,6

27,6

26,4

26,2

26,8

27,3

25,2

26,2

25,9

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

11,7

11,0

11,9

11,2

11,9

11,5

11,3

10,9

10,9

Hoofd éénoudergezin

6,6

6,1

6,1

6,4

5,5

5,4

5,8

5,6

5,8

Inwonend bij de ouders

6,3

6,6

6,8

6,4

6,8

5,6

6,9

6,2

6,7

Overige

4,2

4,8

5,2

5,9

5,1

6,0

5,4

6,9

5,6

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

In tabel 25 achteraan het hoofdstuk vergelijken we de samenstelling van elke huishoudpositie met de totale bevolking tussen de 25 en 49 jaar. De groep van alleenstaanden bestaat voor 65,1% uit mannen, het hoogste aandeel mannen in vergelijking met de andere huishoudposities. Vrouwen staan veel vaker aan het hoofd van een eenoudergezin (78,0%). De hoogste aandelen van werkenden vinden we terug bij samenwonenden zonder kinderen (92,5%), samenwonenden met één kind (88,9%) en samenwonenden met twee kinderen (91,6%). Niet-beroepsactieven zijn oververtegenwoordigd bij de samenwonenden met drie of meer kinderen en de eenoudergezinnen, respectievelijk 15,7% en 14,5% in vergelijking met 10,9% in de totale bevolking tussen 25 en 49 jaar. Aangezien deze leeftijdscategorie de meest actieve laag van de bevolking is, zijn de aantallen bij de werklozen vaak te klein wanneer deze opgesplitst worden naar huishoudpositie. Enkel over alleenstaanden en personen die samenwonen met een partner en twee kinderen kunnen we een betrouwbare uitspraak doen over het aandeel werklozen: respectievelijk 5,7% en 1,5% is werkloos terwijl 2,8% van de totale bevolking werkloos is. Van alle besproken huishoudposities hebben de samenwonenden met twee kinderen het hoogste aandeel hooggeschoolden (50,3%) en eenoudergezinnen het kleinste aandeel (37,1%). Ter vergelijking: 48,5% van de 25- tot 49-jarigen is hooggeschoold. De meeste kortgeschoolden vinden we terug bij al77


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

leenstaanden (14,9%), samenwonenden met drie of meer kinderen (16,1%) en eenoudergezinnen (18,6%). De aanwezigheid van kortgeschoolden ligt in deze huishoudposities telkens hoger dan het aandeel dat ze uitmaken in de totale bevolking (12,3%). Wanneer we geboorteland analyseren, constateren we een oververtegenwoordiging van personen geboren in de EU-28 (exclusief België) bij de samenwonenden met één kind (9,0% in vergelijking met 6,9%) en een oververtegenwoordiging van personen geboren buiten de EU-28 bij samenwonenden met drie of meer kinderen (22,7% in vergelijking met 11,2%). Samenwonenden zonder kinderen en samenwonenden met twee kinderen zijn dan weer het vaakst geboren in België, respectievelijk 85,1% en 83,5%. Als we ten slotte inzoomen op het hebben van een arbeidshandicap, valt op dat vooral eenoudergezinnen (16,0%) en alleenstaanden (12,5%) vaker een arbeidshandicap signaleren dan de totale bevolking (10,9%). We concluderen dat we bij alleenstaanden een oververtegenwoordiging terugvinden van werklozen, mannen, kortgeschoolden, personen geboren buiten België en personen met een arbeidshandicap. Samenwonenden zonder kinderen en met twee kinderen kennen een hoger aandeel werkenden en zijn vaker geboren in België. Samenwonenden met één kind kennen eveneens een oververtegenwoordiging van werkenden, maar ook van middengeschoolden en personen geboren buiten België. In de categorieën samenwonend met drie of meer kinderen en eenoudergezinnen constateren we dan weer een hoger aandeel niet-beroepsactieven, vrouwen, kortgeschoolden en personen geboren buiten de EU-28 dan hun respectievelijke aandelen in de totale bevolking tussen 25 en 49 jaar. De ouder in een eenoudergezin ervaart bovendien vaker hinder door een arbeidshandicap.

Werkzaamheid De werkzaamheidsgraad van samenwonenden zonder kinderen, samenwonenden met één kind en samenwonenden met twee kinderen situeert zich gedurende de hele periode 2012-2020 boven de algemene werkzaamheidsgraad van de totale bevolking tussen de 25 en 49 jaar oud. Tot 2019 liet de categorie samenwonend met partner en twee kinderen consistent de hoogste werkzaamheidsgraad optekenen, maar in 2019 hebben de samenwonenden met één kind een hogere werkzaamheidsgraad (91,6% t.o.v. 90,0%) en in 2020 ligt de werkzaamheidsgraad van de samenwonenden met partner en zonder kinderen net iets hoger (92,5% in vergelijking met 91,6%). Met een toename van 4,5 procentpunten realiseren de samenwonenden zonder kinderen overigens de sterkste groei van de werkzaamheidsgraad sinds 2012. De werkzaamheidsgraad van samenwonenden met één kind kende een redelijk stabiel verloop, maar ondervindt een sterke negatieve impact tijdens het eerste jaar van de COVID-19-pandemie (-2,7 ppt). Het hoog aandeel hooggeschoolden bij samenwonenden zonder kinderen en samenwonenden met twee kinderen draagt bij aan de hoge werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad van eenoudergezinnen, samenwonende partners met drie of meer kinderen en alleenstaanden bevindt zich onder de algemene werkzaamheidsgraad en kent in de drie gevallen een meer fluctuerend verloop in vergelijking met de reeds besproken huishoudposities. In 2020 werkt 84,7% van de alleenstaanden en 82,4% van de samenwonenden met partner en drie of meer kinderen. Eenoudergezinnen hebben met 81,8% de laagste werkzaamheidsgraad. Ook deze categorie ondervindt de gevolgen van de COVID-19-pandemie want in 2019 lag hun werkzaamheidsgraad hoger dan die van de alleenstaanden en samenwonenden met drie of meer kinderen, respectievelijk 84,6% ten opzichte van 83,2% en 83,7%. Ook ten opzichte van 2012 gaan zij die aan het hoofd staan van een éénoudergezin er niet op vooruit, ondanks de groeiperiode tussen 2017 en 2019: hun werkzaamheidsgraad bedroeg in 2012 84,1%, 2,3 procentpunten hoger dan in 2020. Deze categorie bestaat overigens in 2020 proportioneel uit een grote groep niet-beroepsactieven en dit aandeel is toegenomen ten opzichte van 2019 78


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

(van 11,7% naar 14,5%). Bovendien wordt er binnen deze huishoudsamenstelling vaker dan bij andere huishoudposities met deeltijds contracten gewerkt (zie tabel 22), wat hen kwetsbaarder maakt op de arbeidsmarkt. Figuur 45: Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 20122020 95%

90%

85%

80%

75% 2016

2017*

2012

2013

2014

2015

2018

2019

2020

Alleenstaande

81,4

83,0

80,6

80,3

78,7

81,3

81,9

83,2

84,7

Samenwonend met partner zonder kinderen

88,0

88,9

89,7

89,8

90,7

90,3

89,6

90,2

92,5

Samenwonend met partner en 1 kind

89,7

89,2

89,8

89,7

89,8

90,3

90,6

91,6

88,9

Samenwonend met partner en 2 kinderen

90,9

90,7

91,2

90,8

91,7

91,0

92,8

90,9

91,6

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

81,6

79,7

81,9

79,7

79,3

81,1

84,7

83,7

82,4

Hoofd éénoudergezin

84,1

82,5

81,0

81,5

79,2

77,4

81,6

84,6

81,8

25-49 jaar

85,9

85,7

85,8

85,2

85,2

85,8

86,7

86,6

86,4

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

79


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Werkzaamheidsgraad naar huishoudpositie en geslacht In figuur 46 focussen we kort op de verschillen in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen afhankelijk van hun gezinspositie. Opdat we de impact van COVID-19 kunnen nagaan, doen we deze analyse voor 2019 en 2020. In Vlaanderen is in 2020 83,0% van de vrouwen tussen 25 en 49 jaar aan de slag en 89,6% van de mannen. In het algemeen hebben mannen doorgaans een hogere werkzaamheidsgraad dan vrouwen, behalve wanneer het gaat over alleenstaanden en éénoudergezinnen. De gezinssituatie waarin ze leven, nuanceert dus wel het algemeen beeld dat mannen tussen 25 en 49 jaar bijna een volledige werkzaamheid bereiken. De algemene genderkloof (niet in de figuur) bedraagt 6,6 procentpunten in 2020. In vergelijking met 2019 bleef deze kloof stabiel (0,1 ppt hoger). Naar huishoudpositie toe, constateren we wel verschillende evoluties op vlak van deze kloven, die we hieronder achtereenvolgens bespreken. Bij éénoudergezinnen vinden we de kleinste genderkloof terug (0,8 ppt). In 2020 hebben vrouwen binnen deze huishoudpositie een werkzaamheidsgraad van 82,0% en mannen 81,2%. In 2019 was het verschil een stuk groter en was de werkzaamheidsgraad van mannen bovendien hoger dan die van de vrouwen. Voor de COVID-19-pandemie lieten alleenstaande mannen met kinderen nog een erg hoge werkzaamheidsgraad optekenen van 93,4%. Deze groep kent met maar liefst -12,2 procentpunten dan ook de sterkste afname in werkzaamheidsgraad in het eerste jaar van de COVID-19-pandemie. Belangrijk om hier in het achterhoofd te houden is dat mannen de minderheid uitmaken van deze huishoudpositie: slechts 22% is man. Omwille van te kleine aantallen is het niet mogelijk om uitspraken te doen over het contracttype of sector waarin ze tewerkgesteld zijn. Het zouden verklaringen kunnen zijn waarom mannen in deze huishoudpositie kwetsbaarder zijn. Bij alleenstaanden merken we eveneens een beperkte genderkloof in werkzaamheidsgraad (1 ppt): in 2020 is 85,3% van de vrouwelijke alleenstaanden aan het werk tegenover 84,3% van de mannen. Beide groepen zijn er bovendien op vooruitgegaan in vergelijking met een jaar eerder. Hun genderkloof is wel wat kleiner geworden omdat de werkzaamheidsgraad van alleenstaande mannen (+1,9 ppt) sterker toenam dan deze van de vrouwen (+0,7 ppt). In gezinnen met kinderen is de genderkloof opvallend groter dan de reeds besproken categorieën. Bij samenwonenden met één kind bereiken mannen bijna volledige tewerkstelling (96,1% tegenover 82,3% bij de vrouwen), wat resulteert in een kloof van 13,7 procentpunten. Deze kloof is op een jaar tijd fors uitgediept door een sterke krimp in de werkzaamheidsgraad van vrouwen (-6,3 ppt), terwijl de werkzaamheidsgraad van mannen een toename kende van 1,2 procentpunten. Bij samenwonenden met twee kinderen bedraagt het verschil in werkzaamheidsgraad 8,9 procentpunten. Mannen laten er in 2020 van alle huishoudposities de hoogste werkzaamheidsgraad optekenen met 96,3%, waar vrouwen in 87,3% van de gevallen aan het werk zijn. De werkzaamheidsgraad van vrouwen steeg in vergelijking met een jaar eerder met 1,3 procentpunten. Bij de mannen stellen we een stabilisatie vast, waardoor de genderkloof beperkter in omvang is geworden. De grootste en erg uitgesproken genderkloof (21,5 ppt) vinden we terug bij de samenwonenden met partner en drie of meer kinderen. Met een werkzaamheidsgraad van 93,9% torenen de 80


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

mannen in deze gezinspositie fel boven de vrouwen uit (72,4%). Deze kloof is bovendien nog groter geworden door de COVID-19-pandemie omdat er beduidend minder vrouwen aan het werk zijn tussen 2020 en 2019 (-2,7 ppt), terwijl de werkzaamheidsgraad van mannen gelijk bleef. Bij de samenwonenden zonder kinderen is de kloof in werkzaamheidsgraad beperkt tot 3,8 procentpunten. Vrouwen hebben hier binnen alle huishoudposities dan ook de hoogste werkzaamheidsgraad met 90,6%. De werkzaamheidsgraad van mannen bedraagt er 94,4%. Ten opzichte van 2019 steeg de werkzaamheidsgraad van vrouwen in deze gezinspositie sterk van 85,7% naar 90,6% (+4,9 ppt). De genderkloof werd hierdoor kleiner omdat mannen in dezelfde getalen aan het werk waren in 2019 en 2020. Vrouwen die samenwonen met een partner maar geen kinderen hebben, zijn dus het meest actief op de arbeidsmarkt. Dit verandert wanneer er sprake is van gezinsuitbreiding. Zo is de werkzaamheidsgraad van vrouwen die samenwonen en één kind hebben lager dan die van samenwonenden zonder kinderen. De kloof wordt groter naarmate het aantal kinderen in het gezin toeneemt en dan vooral bij drie of meer kinderen. Hetzelfde remmende effect van gezinsuitbreiding op de werkzaamheidsgraad stellen we niet vast bij mannen. Figuur 46: Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie en geslacht | Vlaams Gewest, 25‑49 jaar, 2019-2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%

Alleenstaande

Samenwonend Samenwonend met partner met partner zonder kinderen en 1 kind

Samenwonend met partner en 2 kinderen

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

Totaal

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vrouwen

Mannen

0%

Hoofd éénoudergezin

2020

84,3 85,3 84,7

94,4 90,6 92,5

96,1 82,3 88,9

96,3 87,3 91,6

93,9 72,4 82,4

81,2 82,0 81,8

2019

82,4 84,6 83,2

94,5 85,7 90,2

94,9 88,6 91,6

96,2 86,1 90,9

94,0 75,1 83,7

93,4 82,3 84,6

Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

We splitsen de werkzaamheidsgraad nog eens verder op naar geslacht en onderwijsniveau en berekenen hierbij telkens de seksekloof (tabel 20). Deze kloof duidt op het relatieve verschil

81


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

tussen de werkzaamheid van mannen en vrouwen en wordt berekend door de mannelijke werkzaamheidsgraad te delen door de vrouwelijke. In het geval van een gelijk aandeel werkenden bij mannen en vrouwen bedraagt de seksekloof 1. Wanneer mannen een hogere werkzaamheidsgraad hebben dan vrouwen, dan is de seksekloof groter dan 1. Wanneer vrouwen een hogere werkzaamheidsgraad noteren, is de sekskloof kleiner dan 1. Op basis van figuur 46 hebben we reeds vastgesteld dat er bij mannen een verschil is in werkzaamheidsgraad naargelang gezinssituatie. Zo zijn vaders met partner en kinderen vaker aan het werk dan alleenstaande mannen. De hoogste werkzaamheidsgraad vinden we terug bij de mannen die samenwonen met een partner en twee kinderen hebben (96,3%), terwijl de werkzaamheidsgraad van alleenstaande mannen 84,3% bedraagt. Deze kloof in arbeidsmarktpositie tussen alleenstaande mannen en mannen met een partner (al dan niet met kinderen) manifesteert zich in alle onderwijsniveaus. Enkel bij de kortgeschoolden is het verschil tussen enerzijds alleenstaande mannen en anderzijds mannen die samenwonen met een partner zonder kinderen minder groot. Bij vrouwen zijn we reeds tot de conclusie gekomen dat gezinsuitbreiding vaak gepaard gaat met een daling van de werkzaamheidsgraad. Zo zijn er grote verschillen waarneembaar enerzijds tussen vrouwen die samenwonen en geen kinderen hebben en vrouwen die samenwonen met kinderen en anderzijds tussen zij die twee kinderen hebben en drie kinderen of meer. Dit geldt voor zowel midden- als hooggeschoolde vrouwen. De seksekloof is het meest uitgesproken bij kortgeschoolden (1,45): kortgeschoolde mannen zijn – ongeacht huishoudpositie – veel vaker dan kortgeschoolde vrouwen aan het werk. Kortgeschoolde mannen die samenwonen met partner en met één kind noteren bijvoorbeeld een werkzaamheidsgraad van 97,2% terwijl slechts 60,3% vrouwen in dezelfde gezinssituatie en hetzelfde onderwijsniveau aan het werk zijn. Hooggeschoolde alleenstaande vrouwen noteren samen met de middengeschoolde alleenstaande moeders als enige categorieën een seksekloof kleiner dan één (0,97 in beide gevallen). Over éénoudergezinnen kunnen we weinig betrouwbare uitspraken doen omdat de aantallen bij de mannen vaak te klein zijn. De overgrote meerderheid van deze huishoudpositie is dan ook vrouw. Tabel 20: Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie, opgesplitst naar geslacht en onder­wijsniveau | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020 25-49 jaar Alleenstaande Samenwonend met partner zonder kinderen Samenwonend met partner en 1 kind Samenwonend met partner en 2 kinderen Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen Hoofd éénoudergezin Totaal

Mannen Kort Midden Hoog Totaal 76,5 84,2 88,2 84,3

Vrouwen Kort Midden Hoog Totaal nb 79,6 90,9 85,3

Kloven (mannen/vrouwen) Kort Midden Hoog Totaal nb 1,06 0,97 0,99

81,7

94,5

97,8

94,4

60,3

92,6

95,2

90,6

1,36

1,02

1,03

1,04

97,2

95,9

95,9

96,1

60,3

80,8

87,8

82,3

1,61

1,19

1,09

1,17

87,4

96,2

98,5

96,3

61,7

82,9

94,7

87,3

1,42

1,16

1,04

1,10

78,9 nb 76,0

94,8 79,4 90,4

98,3 nb 93,4

93,9 81,2 89,6

nb 61,0 52,5

76,1 81,9 80,2

84,4 92,1 90,8

72,4 82,0 83,0

nb nb 1,45

1,25 0,97 1,13

1,16 nb 1,03

1,30 0,99 1,08

Noot: a. Hoofd van een eenoudergezin is een huishoudpositie die bij de mannen beperkt blijft tot 2,5% van de mannelijke 25- tot 49 jarigen. Een verdere opsplitsing naar onderwijsniveau is omwille van te kleine celaantallen bijgevolg niet mogelijk. b. ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

82


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Vervolgens doen we dezelfde oefening voor geslacht en geboorteland. Tabel 21 geeft opnieuw een indicatie van het relatieve verschil in arbeidsmarktpositie. In de eerste plaats stellen we vast dat personen geboren in België een hogere werkzaamheidsgraad hebben dan personen geboren buiten de EU-28, ongeacht huishoudsamenstelling en geslacht. We weten uit de vorige editie van dit Trendrapport (De Smet et al., 2020) dat deze ongelijkheid in arbeidsdeelname tussen beide groepen in de eerste plaats te verklaren is door het opleidingsniveau. Zo ligt het aandeel kortgeschoolden binnen de groep van personen met een migratieachtergrond opmerkelijk hoger dan bij de in België geboren bevolking (zie ook tabel 5) en kortgeschoolden noteren een lagere werkzaamheidsgraad dan hoger geschoolden. Bovendien konden we reeds een grotere seksekloof vaststellen bij kortgeschoolden (zie voorgaande tabel; seksekloof van 1,45). Dit verklaart mee de grotere seksekloven bij personen geboren buiten de EU-28 dan bij de personen geboren in België. Bij bijvoorbeeld personen met een migratieachtergrond die samenwonen met drie of meer kinderen bestaat er een seksekloof van 2,33, terwijl die beperkt is tot 1,12 bij personen geboren in België in dezelfde huishoudpositie. Niet alleen het geboorteland, maar zeker ook het opleidingsniveau spelen een rol in de mate van ongelijkheid in arbeidsdeelname tussen mannen en vrouwen. Tabel 21: Werkzaamheidsgraad (%) naar huishoudpositie, opgesplitst naar geslacht en ­geboorte­land | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020

25-49 jaar Alleenstaande Samenwonend met partner zonder kinderen Samenwonend met partner en 1 kind Samenwonend met partner en 2 kinderen Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen Hoofd éénoudergezin Totaal

Mannen Geboren Geboren buiten in België EU-28 87,7 66,8

Totaal 84,3

Vrouwen Geboren Geboren buiten in België EU-28 87,6 nb

Totaal 85,3

Kloven (mannen/vrouwen) Geboren Geboren buiten in België EU-28 Totaal 1,00 nb 0,99

95,8

82,3

94,4

92,6

73,0

90,6

1,03

1,13

1,04

96,1

94,8

96,1

90,9

45,7

82,3

1,06

2,07

1,17

97,5

84,5

96,3

91,2

55,9

87,3

1,07

1,51

1,10

95,2

87,0

93,9

84,8

37,4

72,4

1,12

2,33

1,30

86,3 91,1

nb 78,2

81,2 89,6

83,9 87,9

67,3 53,1

82,0 83,0

1,03 1,04

nb 1,47

0,99 1,08

Noot: a. Personen geboren in EU-28 exclusief België zijn niet opgenomen in deze tabel wegens te kleine celaantallen. b. ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

83


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

FO C U S

Arbeidsregime In tabel 22 zoomen we in op het arbeidsregime, waarbij we nagaan in welke gezinsposities mannen en vrouwen meestal voltijds of deeltijds werken. Het zijn voornamelijk vrouwen die deeltijds werken. Het algemeen cijfer geeft aan dat 37,3% van de vrouwen – ongeacht hun gezinspositie – deeltijds werken tegenover 6,9% van de mannen. Deze deeltijds werkenden vinden we hoofdzakelijk terug bij vrouwen met kinderen. Het aandeel neemt toe met het aantal kinderen. Zo zijn 42,1% van de vrouwen die samen wonen en één kind hebben, deeltijds aan de slag. Bij vrouwen met twee kinderen stijgt dit aandeel verder tot 46,7% en bij drie of meer kinderen zelfs tot 52,5%. Deze conclusie blijft overeind als we nog verder opsplitsen naar onderwijsniveau (niet in tabel). Hooggeschoolde vrouwen werken dan wel minder vaak deeltijds dan korten middengeschoolde vrouwen, toch vinden we de deeltijds werkenden hoofdzakelijk terug bij de moeders. Hooggeschoolde vrouwen zijn voor meer dan 90% aan het werk, maar schroeven hun arbeidstijd vaker terug dan mannen om meer gezins- en zorgtaken op te nemen. Vrouwen geven de zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen ook aan als belangrijkste reden om deeltijds te werken (42,0%). Ook dit percentage is afhankelijk van de gezinspositie. Zo geeft 57,7% van de vrouwen die samenwonen en drie of meer kinderen hebben, deeltijds te werken omwille van de zorg voor anderen. Bij hoofd eenoudergezin en bij samenwonenden met twee kinderen bedraagt dit 53,5% en bij samenwonenden met één kind 43,3%. Bij de drie gezinsposities met partner en kinderen geeft wel meer dan 80% van de gevallen aan deze zorgtaken uit vrije wil op te nemen. Bij eenoudergezinnen ligt dat percentage iets lager (74,1%). Mannen daarentegen blijven veel vaker voltijds aan de slag, ongeacht hun gezinspositie. Zelfs als er kinderen in het huishouden aanwezig zijn, blijft het aandeel deeltijds werkenden bij mannen onder de 10 procent. Een grotere gezinslast heeft dus voornamelijk een impact op de arbeidssituatie van vrouwen. Door een vermindering van betaalde arbeid bij deeltijds werk, maakt dit vrouwen kwetsbaarder op de arbeidsmarkt. Tabel 22: Aandeel (%) deeltijds werk per huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020 Arbeidsregime: deeltijds werk a

Mannen

Vrouwen

Totaal

Alleenstaande

7,3

16,4

10,5

Samenwonend met partner zonder kinderen

10,5

24,9

17,4

Samenwonend met partner en 1 kind

9,3

42,1

25,2

Samenwonend met partner en 2 kinderen

7,5

46,7

27,2

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

nb

52,5

27,8

Hoofd eenoudergezin

nb

37,6

31,5

Totaal

6,9

37,3

21,5

Noot: a Iemand is deeltijds tewerkgesteld indien de normale arbeidsduur minder is dan die van een voltijdswerkende in een gelijkwaardige job . Het gaat om deeltijdarbeid in de hoofdactiviteit, gebaseerd op het spontane antwoord van de respondent. b. ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

84


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Personen in baanloze gezinnen In de andere hoofdstukken in dit Trendrapport wordt telkens ingezoomd op de werkloosheid van elke groep. In het hoofdstuk over huishoudpositie komt dit niet aan bod. De leeftijdscategorie van 25 tot 49 jaar is namelijk de meest actieve laag van de bevolking, wat resulteert in aantallen op vlak van werkloosheid die vaak te klein zijn om betrouwbare uitspraken over te kunnen doen. In de plaats bespreken we de baanloze gezinnen, dat zijn gezinnen waar elk lid werkloos of niet-beroepsactief is. Het aandeel personen – traditioneel berekend voor de leeftijdscategorie van 18 tot en met 59 jaar – in baanloze gezinnen, daalde in het voorbije decennium beperkt van 8,5% in 2009 tot 6,9% in 2019 (Vansteenkiste, Scholiers, & Van Lancker, 2020). Echter, in 2020 wordt de dalende trend gestopt want het aandeel stijgt opnieuw naar 7,3%. Ook voor de 25- tot 49-jarigen stellen we een beperkte stijging vast tussen 2019 en 2020, van 5,6% naar 5,8%. De COVID-19-crisis vergrootte het risico om als persoon werkloos of niet-beroepsactief te worden, en dit komt ook tot uiting op gezinsniveau. Tabel 23 toont de arbeidsmarktpositie van personen in baanloze gezinnen in 2019 en 2020. Terwijl in 2019 nog 20,4% van de personen in baanloze gezinnen werkloos was, loopt dat percentage in 2020 op naar 22,6%. Het merendeel (77,4%) van de personen uit een baanloos gezin is onder te brengen bij de niet-beroepsactieven. Het aandeel niet-beroepsactieven met een arbeidswens is ten opzichte van 2019 constant gebleven, op 23,7% Tabel 23: Arbeidsmarktpositie van personen in baanloze gezinnen | Vlaams Gewest, 25‑49 jaar, 2019 en 2020 2019

2020

Aantal

%

Aantal

%

Werkloos

23 600

20,4

27 500

22,6

Niet-beroepsactief*

92 200

79,6

94 400

77,4

• Met arbeidswens

27 400

23,7

28 900

23,7

64 800

55,9

65 500

53,7

• Zonder arbeidswens Totaal

115 800

121 900

Noot: * Niet-beroepsactieven uiten een arbeidswens doordat ze actief zochten naar werk, werk hebben dat ze in de toekomst zullen aanvatten of hernemen, of doordat ze de vraag naar de wens om betaalde arbeid te verrichten positief beantwoordden. De niet-beroepsactieven zonder arbeidswens voldoen aan geen enkele van deze drie criteria. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Via tabel 24 analyseren we welke huishoudposities oververtegenwoordigd zijn bij de gezinnen waar niet gewerkt wordt. Uit de tabel kunnen we afleiden dat in 2020, net zoals in 2019, alleenstaanden met en zonder kinderen sterk vertegenwoordigd zijn in baanloze gezinnen, respectievelijk 18,3% en 34,5%. Als we kijken naar de huishoudens met kinderen, dan constateren we dat ongeveer vier op tien (39,3%) van de personen in baanloze gezinnen in een huishouden met kinderen leeft.

85


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Tabel 24: Verdeling naar huishoudpositie van personen in baanloze gezinnen | Vlaams ­Gewest, 25-49 jaar, 2019 en 2020 2019

2020

Aandeel van personen in baanloze gezinnen (25‑49 jaar)

Aandeel in de totale populatie (25‑49 jaar)

Aandeel van personen in baanloze gezinnen (25‑49 jaar)

Aandeel in de totale populatie (25‑49 jaar)

Alleenstaande

35,8

11,9

34,5

12,9

Samenwonend met partner zonder kinderen

nb

15,4

nb

16,0

Samenwonend met partner en 1 kind

nb

16,8

nb

16,2

Samenwonend met partner en 2 kinderen

10,0

26,2

9,4

25,9

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

nb

10,9

8,4

10,9

Hoofd éénoudergezin

15,4

5,6

18,3

5,8

Samenstelling naar huishoudpositie

Noot: a. bij de berekening van de aandelen is rekening gehouden met de resterende twee categorieën ‘inwonend bij ouders’ en ‘overige’, maar deze worden niet opgenomen in de tabel. De aandelen tellen daarom niet op tot honderd. b. ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

Deelname aan opleiding Hoewel de curve redelijk volatiel verloopt, stellen we een bescheiden stijging vast op vlak van opleidingsdeelname van de totale groep van 25- tot 49-jarigen (figuur 47). Terwijl in 2012 de opleidingsdeelname 24,5% bedroeg, nam in 2019 27,3% deel aan opleiding tijdens een periode van twaalf maanden. In 2020 daalt dit percentage echter opnieuw naar 25,0%, 0,5 procentpunten hoger dan in 2012. In 2020, het eerste jaar van de COVID-19-pandemie, ligt de opleidingsdeelname van alle besproken huishoudposities lager ten opzichte van 2019. Ongeacht de huishoudpositie is er in 2020 dus minder vaak deelgenomen aan opleiding. Opvallend, de sterkste daling vinden we terug bij de personen die samenwonend zijn met partner en twee kinderen ten laste hebben. In 2019 nam nog 30,0% deel aan opleiding, het hoogste percentage van alle huishoudposities. In 2019 daalde dit naar 23,9%. Ondanks het hoge percentage hooggeschoolden in deze groep, die gemiddeld gesproken een hogere opleidingsdeelname laten optekenen, stellen we dus een forse krimp vast van 6,1 procentpunten. Ook bij alleenstaanden daalt de opleidingsdeelname sterk, met -4,6 procentpunten. Het zijn ook deze twee categorieën die in 2020 een lagere opleidingsdeelname kennen in vergelijking met het beginpunt van de meting in 2012. Met een opleidingsdeelname van 27,1%, nemen samenwonenden met partner en zonder kinderen in het huishouden, het vaakst deel aan opleiding. Personen die aan het hoofd staan van een eenoudergezin, nemen over de hele periode 2012-2020 minder vaak deel aan opleiding dan de gemiddelde 25- tot 49-jarige, enkel in 2019 lag het percentage 0,2 procentpunten hoger dan de totale opleidingsdeelname. Ook hier heeft de COVID-19-pandemie een impact gehad, want op een jaar tijd zakte de participatiegraad van 27,5% naar 24,3% (-3,2 ppt). Nog een categorie die minder vaak opleiding volgt dan gemiddeld zijn de samenwonenden met partner en drie of meer kinderen. Dat kan verklaard worden door het hogere aandeel niet-beroepsactieven, kortgeschoolden en personen geboren buiten de EU-28, groepen die gemiddeld genomen minder vaak opleidingen volgen. Desondanks stellen we wel vast dat deze huishoudpositie in 2020 een hogere opleidingsdeelname noteert in vergelijking met 2012: terwijl in 2012 nog 23,3% deelnam aan opleiding, is dat in 2020 25,3% (+2,0 ppt). Enkel de samenwonenden met partner en één kind gaan er met 2,7 procentpunten nog sterker op vooruit in vergelijking met 2012. 86


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Figuur 47: Aandeel (%) dat tijdens een referentieperiode van twaalf maanden heeft deel­ genomen aan opleiding naar huishoudpositie | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2012-2020 35%

30%

25%

20%

15% 2012

2013

2014

2015

2016

2017*

2018

2019

2020

27,4

25,1

27,9

23,4

27,9

31,7

30,0

26,6

22,1

Samenwonend met partner zonder kinderen

26,6

24,8

26,4

26,5

26,1

29,7

28,9

29,4

27,1

Samenwonend met partner en 1 kind

22,5

21,3

24,5

22,9

21,0

28,1

23,2

25,5

25,3

Alleenstaande

Samenwonend met partner en 2 kinderen

24,6

25,9

28,0

26,3

26,7

27,8

29,0

30,0

23,9

Samenwonend met partner en 3 of meer kinderen

23,3

25,4

26,6

23,9

24,0

25,0

26,3

26,1

25,3

Hoofd éénoudergezin

22,4

24,8

26,2

20,1

21,8

26,5

21,6

27,5

24,3

25-49 jaar

24,5

24,8

26,6

24,5

24,8

27,9

27,0

27,3

25,0

Noot: * In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

87


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Socio-demografische kenmerken Tabel 25: Aandeel (%) personen naar huishoudpositie en andere socio-demografische kenmerken | Vlaams Gewest, 25-49 jaar, 2020

Alleen­ staande

Samen­ wonend met ­p artner en zonder ­kinderen

Samen­ wonend met ­p artner en 1 kind

Samen­ wonend met ­p artner en 2 kinderen

Samen­ wonend met ­p artner en 3 of meer kinderen

Hoofd éénouder­ gezin

Totaal 25-49 jarigen

Werkend

84,7

92,5

88,9

91,6

82,4

81,8

86,4

Werkloos

5,7

nb

nb

1,5

nb

nb

2,8

Niet-beroepsactief

9,7

6,0

9,1

7,0

15,7

14,5

10,9

Man

65,1

50,4

47,7

47,3

46,5

22,0

50,2

Vrouw

34,9

49,6

52,3

52,7

53,5

78,0

49,8

Kortgeschoold

14,9

11,0

11,4

10,2

16,1

18,6

12,3

Middengeschoold

38,5

40,6

45,0

39,4

38,7

44,3

39,1

Hooggeschoold

46,6

48,5

43,6

50,3

45,1

37,1

48,5

Geboren in België

79,2

85,1

76,7

83,5

70,7

75,5

81,8

Geboren in EU-28 (excl. België)

7,3

6,5

9,0

7,5

6,6

8,7

6,9

Geboren buiten EU‑28

13,5

8,4

14,3

8,9

22,7

15,8

11,2

Met arbeidshandicap

12,5

11,3

9,2

8,0

9,4

16,0

10,9

Zonder arbeidshandicap

87,5

88,7

90,8

92,0

90,6

84,0

89,1

Statuut

Geslacht

Onderwijsniveau

Geboorteland

Arbeidshandicap

Noot: ‘nb’ wijst op niet-betrouwbare gegevens wegens te kleine celaantallen. Bron: Steunpunt Werk/DWSE op basis van Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) – EAK

88


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

11

Methodologie Met uitzondering van de uitstroom naar werk (VDAB), zijn vrijwel alle cijfers in dit rapport afkomstig uit de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK). Dit is de Belgische versie van de Europese Labour Force Survey. Met het gebruik van deze bron is verzekerd dat 1) de cijfers relatief actueel zijn (andere databronnen kennen doorgaans meer vertraging), 2) dat de cijfers over de verschillende groepen die in dit rapport besproken worden onderling vergelijkbaar zijn, en 3) dat de gebruikte begrippen en definities internationaal vergelijkbaar zijn. Voor meer cijfers en toelichting kan u terecht op de website van het Steunpunt Werk en op Eurostat. Hieronder geven we nog eens definities weer van de in dit rapport gebruikte begrippen. De indeling in werkenden, werklozen en niet-beroepsactieven is gebaseerd op de definitie van het Internationaal Arbeidsbureau (ILO). • De ILO-werkenden zijn personen die in de referentieweek minstens één uur betaalde arbeid hebben verricht. • De ILO-werklozen zijn de niet-werkenden die afgelopen vier weken actief naar werk gezocht hebben en onmiddellijk beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (=binnen de twee weken een nieuwe job kunnen beginnen), samen met de niet-werkenden die een job hebben gevonden die binnen de drie maanden begint. • De ILO-niet-beroepsactieven zijn personen die niet tot de ILO-werkenden noch tot de ILO-werklozen behoren. Werkloosheidsgraad: toont de mate waarin de actieve bevolking werkloos is, volgens de ILO definitie: ILO-werklozen / (ILO-werklozen + ILO-werkenden) Werkzaamheidsgraad: toont de mate waarin de bevolking aan het werk is: ILO-werkenden /

totale bevolking Onderwijsniveau: wordt ingedeeld aan de hand van het hoogst behaalde diploma van de respondent; deze indeling komt overeen met de internationaal geldende ISCED-indeling (International Standard Classification of Education). • kortgeschoolden zijn de personen zonder einddiploma van het secundair onderwijs (ISCED 1997: 0-2; ISCED 2011: 0-2) • middengeschoolden zijn de personen met een diploma van het secundair onderwijs van de 3de graad, samen met de personen in het bezit van een diploma postsecundair niet-hoger onderwijs (ISCED 1997: 3-4; ISCED 2011: 3-4) • hooggeschoolden zijn de personen met een diploma hoger onderwijs (inclusief voortgezette universitaire opleiding en een doctoraat met proefschrift) (ISCED 1997: 5-6; ISCED 2011: 5-8) Migratieachtergrond: personen geboren in het Verenigd Koninkrijk worden in dit rapport meegenomen bij de groep met een EU-28-geboorteland, ook in het jaar 2020. NEET-jongeren (Not in Employment, Education or Training): jongeren in de leeftijdsgroep 15 tot 24 jaar die noch een opleiding volgen, noch aan het werk zijn. Op basis van de Europese definities wordt een jongere als NEET beschouwd wanneer hij of zij geen opleiding volgde in de referentieperiode van vier weken. Dit betekent dat ze geen regulier onderwijs mogen volgen noch student in vakantie mogen zijn, noch een opleiding buiten het reguliere onderwijs mogen volgen. Daarenboven is hij of zij niet aan het werk.

89


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

Opleidingsdeelname: In dit rapport kiezen we er bewust voor om de opleidingsdeelname in een periode van twaalf maanden weer te geven, in plaats van de meer gangbare definitie in de laatste vier weken voor de bevraging. De meting van opleidingsdeelname in de laatste vier weken zegt vooral iets over de intensiteit waarmee opgeleid wordt (“elke maand volgt x% van de bevolking opleiding”), terwijl de meting over twaalf maanden ons meer vertelt over toegang tot opleiding (“slechts x% van de bevolking nam het voorbije jaar deel aan opleiding”). Opleidingsdeelname wordt gedefinieerd als het aandeel van de bevolking (25-64 jaar) dat in de referentieperiode van twaalf maanden deelnam aan een opleiding in het reguliere onderwijs of geen opleiding volgde in het reguliere onderwijs, maar wel buiten het reguliere onderwijs. Uitstroom naar werk: Het gaat om het aandeel werkzoekenden zonder werk (wzw) die gemiddeld in de loop van één maand aan het werk gaan, ten opzichte van het aantal wzw aan het begin van de maand. VDAB hanteert sinds juni 2021 een nieuwe werkzoekendenindeling. Meer bepaald ligt nu de focus op de rapportering van alle burgers die ingeschreven zijn bij de VDAB (werkzoekenden zonder werk, maar bijvoorbeeld ook werkenden en studenten). Deze wijziging heeft als gevolg dat de tijdreeks over de maandelijkse uitstroom van de wzw naar werk slechts vanaf 2018 beschikbaar is. Huishoudpositie: bij een opdeling naar huishoudpositie wordt er enkel gekeken naar private huishoudens. De collectieve huishoudens (religieuze gemeenschappen, rusthuizen, weeshuizen, studenten- en werkliedenhuizen, ziekenhuizen en gevangenissen) zitten niet in de data. We houden hierbij enkel rekening met de personen uit het kerngezin. Kinderen die ouder zijn dan 15 jaar vallen onder de groep ‘inwonend bij de ouders’. We maken een onderscheid tussen alleenstaanden, alleenstaande ouders en samenwonende partners met en zonder kinderen.

90


T R E N D R A P P O R T 2 0 2 1: K W E T S B A R E G R O E P E N O P D E V L A A M S E A R B E I D S M A R K T

12

Bibliografie De Graeve, P-J., Vansteenkiste, S., De Cuyper, N., & Delva, J. (te verschijnen.) NEET-jongeren op weg naar werk: het perspectief van de begeleiders (voorlopige werktitel). Werk.Rapport. Leuven: Steunpunt Werk. De Smet, R., Neefs, B., Vansteenkiste, S., & Penders, I. (2021). Kwartaalbericht Vlaamse arbeidsmarkt. Augustus 2021 (Werk.Focus 2021 nr. 3). Leuven: Steunpunt Werk. De Smet, R., Penders, I., & Vansteenkiste, S. (2021). De Vlaamse arbeidsmarkt tijdens het eerste jaar van de COVID-19-pandemie. Over.Werk. Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 31(1), 6-28. De Smet, R., Penders, I., Sourbron, M., Vansteenkiste, S., Boey, R., Van Langenhove, H. & Van Onacker, E. (2020). Trendrapport 2020: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt (Werk. Rapport 2020 nr.4). Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk. Lens, D., Marx, I., & Mussche, N. (2020). De initiële effecten van de COVID-19-pandemie op de Belgische arbeidsmarkt – opkomende ongelijkheden. (COVIVAT beleidsnota 6). Leuven/Antwerpen: COVIVAT. Struyven, L., Vandekerkhove, T., & Goesaert, T. (2021). Onder de waterspiegel van werk en werkloosheid (Dynam Corona Flash nr. 8). Leuven: HIVA. Van Langenhove, H., Penders, I., Sourbron, M., & Vansteenkiste, S. (2020). Monitoringsrapport opleidingsdeelname en de opleidingsinspanningen van werkgevers in Vlaanderen. Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk. Vansteenkiste, S., Scholiers, B., & Van Lancker, W. (2020). Een profielschets van de baanloze gezinnen in Vlaanderen. Over.Werk. Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 30(1), 56-65. Steunpunt Werk / Uitgeverij Acco. Vansteenkiste, S., Sourbron, M., Scholiers, B., Van Onacker, E., De Graeve, P., & De Smet, R. (2019). Een inclusieve benadering van het arbeidspotentieel van de Vlaamse bevolking op basis van enquête- en administratieve data (Werk.Rapport 2019 nr.1). Leuven: Steunpunt Werk. Vansteenkiste, S., & Sourbron, M. (2020). Analyse van het arbeidspotentieel naar gewest: aandacht voor niet-traditionele groepen ook cruciaal in een (post) COVID-19-tijdperk (Werk.Focus 2020 nr. 2). Leuven: Steunpunt Werk.

91


Colofon

S A M E N ST E L L I N G

Vlaamse overheid DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE

Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 beleid.wse@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse Steunpunt Werk Vlamingenstraat 83 bus 3552 3000 Leuven 016 32 32 39 steunpuntwerk@kuleuven.be www.steunpuntwerk.be V E R A N T WO O R D E L I J K E U I TG E V E R

Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal Sarah Vansteenkiste Coördinator Steunpunt Werk L AY- O U T

Perplex | Aalst U I TG AV E

november 2021 D E P OT N U M M E R

D/2021/3241/355 ISBN

978-9-04-030439-2


DEPARTEMENT WERK & SOCIALE ECONOMIE Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel www.vlaanderen.be/departement-wse

Vlamingenstraat 83 bus 3552, 3000 Leuven steunpuntwerk@kuleuven.be | +32 016 32 32 39 www.steunpuntwerk.be | twitter: @SteunpuntWerk Het STEUNPUNT WERK is een universitair kenniscentrum dat arbeidsmarktinformatie verspreidt en het Vlaams arbeidsmarktbeleid ondersteunt.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook