Skip to main content

Spanhove_2022_AnalyseRealiseerbaarheidInstandhoudingsDoelstellingenRonse.pdf

Page 1

Analyse van de realiseerbaarheid van de instandhoudings-doelstellingen bij het planproces Rond Ronse Toon Spanhove


Auteurs: Toon Spanhove Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Lode De Beck (finale review), Kris Vandekerkhove, Luc De Keersmaeker, Dries Adriaens, Patrik Oosterlynck, Joris Everaert, Danny Maddelein, Thomas Defoort en Jeroen Bot (tussentijdse review) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel vlaanderen.be/inbo e-mail: toon.spanhove@inbo.be Wijze van citeren: Spanhove T. (2022) Analyse van de realiseerbaarheid van de instandhoudings-doelstellingen bij het planproces Rond Ronse. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022 (15). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.74920980 D/2022/3241/177 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2022 (15) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Hotondberg, Ronse ( Y. Adams / vildaphoto) Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: Departement Omgeving (ordernummer 19089062)

Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding‐GelijkDelen 4.0 Internationaal‐licentie.


ANALYSE VAN DE REALISEERBAARHEID VAN DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN BIJ HET PLANPROCES ROND RONSE Toon Spanhove

doi.org/10.21436/inbor.74920980 Studie in opdracht van Departement Omgeving (ordernummer 19089062)

www.vlaanderen.be/inbo


Dankwoord

Op de eerste plaats wens ik Christine Daniels (Departement Omgeving) te bedanken om de expertenopdracht aan het EVINBO te gunnen. Het geeft veel voldoening te kunnen bijdragen aan een proces waarin de realisatie van de Europese instandhoudingsdoelstellingen een stapje dichterbij komt. Tijdens het hele proces ontmoette ik heel wat mensen die elk op hun manier er het beste van maakte om tot een degelijk onderbouwd planvoorstel te komen. Met het risico om heel wat mensen te vergeten, wil ik toch enkele personen expliciet bedanken voor hun –al dan niet rechtstreekse – bijdrage aan het rapport: Joos Dewulf (De werkvennootschap), Christophe Vandevoort en Sarah Sinan Op De Beeck en Christine Daniels (Departement Omgeving), Elke Ramon (Departement Landboud en Visserij), Xavier Coppens, Delphine de Hemptinne en Danny Maddelein (Agentschap Natuur en Bos), Guido Tack (Agentschap Onroerend Erfgoed), Ive Van Giel (agio Legal), Pieterjan Dhont (Arcadis), Sofie Claerbout en Paul Arts (Anteagroup) en Mieke Nagels (Tractebel). Heel wat INBO-collega’s leverden inhoudelijk advies: Lode De Beck gaf me de nodige achtergrond bij het proces rond de opstelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen, deelde heel wat gebiedskennis en gaf me inzicht in de historiek van het traject dat al voorafging aan deze oefening. Kris Vandekerkhove en Luc De Keersmaeker deden suggesties voor de evaluatie van bebossingsscenario’s. Desiré Paelinckx en Dries Adriaens gaven inzicht over IHD en evaluaties, Patrik Oosterlynck rond LSVI en Joris Everaert rond ontsnipperingsmaatregelen. Tot slot wens ik nog vele reviewers te bedanken die feedback gaven over eerdere versies van het rapport: Lode De Beck, Kris Vandekerkhove, Luc De Keersmaeker, Dries Adriaens, Patrik Oosterlynck, Joris Everaert, Danny Maddelein, Thomas Defoort en Jeroen Bot.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


Samenvatting De Vlaamse regering wil met een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rond Ronse’ onder andere inzetten op een bescherming en het herstel van de natuur in de streek rond Ronse. In dit rapport bespreken we in welke mate het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan bijdragen aan de realiseerbaarheid van de instandhoudingsdoelen. We analyseren daarbij de doelen voor de bos- en heidehabitattypes van het toekomstige complex Koppenberg – Hotond – Kluisbos en het Muziekbos en focussen op de criteria die gelinkt zijn aan de oppervlakte en de ruimtelijke schikking. Wanneer de ruimtelijke bestemming bos gerealiseerd wordt zoals dit in het ontwerp voorzien is, kan een aaneengesloten boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos van 766 hectare gecreëerd worden. Dit biedt een marge van ongeveer 45 hectare ten opzichte van de richtwaarden voor bos- en heidehabitat vermeld in de instandhoudingsdoelstellingen. Voor het Muziekbos is een boskern van 268 hectare binnen Natura 2000-gebied aangeduid. Dit is ongeveer 5 hectare minder dan de richtwaarden uit de instandhoudings-doelstellingen voor bos en heide samen. Het bosgebied werd zodanig ingepland dat een aaneengesloten boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos potentieel gerealiseerd kan worden. Toch zal het toekomstige boscomplex doorsneden worden door ruim 30 wegen. Zonder verdere ontsnipperingsmaatregelen kan tot 73 % van de bosoppervlakte in het Natura 2000 gebied in een lokale gunstige staat van instandhouding verkeren voor de oppervlakte-gerelateerde criteria ‘minimum structuurareaal’ en ‘ruimtelijke samenhang’. Dit aandeel kan verder stijgen tot 98 % door wegen met twee rijvakken te ontsnipperen ter hoogte van de toekomstige bosverbindingen, bijvoorbeeld door de weg plaatselijk te versmallen tot één rijvak. Op die manier zal dit project sterker bijdragen aan de gebiedsspecifieke en de gewestelijke instandhoudingsdoelen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 3 van 23


Inhoudstafel Dankwoord ................................................................................................................................ 2 Samenvatting ............................................................................................................................. 3 1

Inleiding ............................................................................................................................. 5

2

Boshabitats ........................................................................................................................ 7 2.1

Instandhoudingsdoelen voor de boshabitats .............................................................. 7

2.1.1

Doel 1 en 2: boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos en Muziekbos........ 12

2.1.2 Doel 3 en 6: gunstige staat van instandhouding en robuust netwerk voor typische soorten. .............................................................................................................. 14 3

4

Heidehabitats ................................................................................................................... 18 3.1

Instandhoudingsdoelen voor de heidehabitats......................................................... 18

3.2

Realiseerbaarheid van de doelen voor heidehabitat................................................. 18

Besluit .............................................................................................................................. 21

Referenties .............................................................................................................................. 22 Bijlages..................................................................................................................................... 23

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


1 INLEIDING De Vlaamse regering wenst met het planproces ‘Rond Ronse’ een oplossing te bieden voor de regionale mobiliteitsproblematiek in de omgeving van Ronse. Daarnaast wenst ze maatschappelijke meerwaarde te creëren door verbetering van de ruimtelijke structuur rond Ronse. Een subdoelstelling hiervan is het inzetten op de bescherming en het herstel van de natuur, waar het faciliteren van het behalen van (elementen van) de Europese natuurdoelstellingen onderdeel van uitmaakt. Met deze nota verkennen we in welke mate de instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) voor het gebied gerealiseerd zouden kunnen worden indien de ruimtelijke bestemmingen natuur en bos effectief op het terrein gerealiseerd worden. We analyseren de doelen voor het boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos en het Muziekbos op vlak van ruimtelijke configuratie van de toekomstige bos- en heidevegetaties. We gaan ook na in welke mate een gunstige staat van instandhouding bereikt kan worden, als element van de IHD’s. We focussen hierbij enkel op de criteria ‘ruimtelijke samenhang’ en ‘minimum structuurareaal’ (MSA) voor de aangemelde habitattypes. Overige criteria – die eveneens van belang zijn voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding van de onderscheiden habitats – komen niet aan bod in dit rapport. Een van de doelstellingen van het planproces ‘Rond Ronse’ is om de realisatie van de Europese natuurdoelen te faciliteren. Dit gebeurt door gebieden te bestemmen als natuur- of bosgebied en door een ruimtelijk-planologisch kader te creëren waarbinnen deze doelen op het terrein gerealiseerd kunnen worden. De effectieve realisatie van de uiteindelijke streefdoelen is een werk van lange adem en moet via concrete (nog te ontwikkelen) inrichtingsprojecten gebeuren. De ontwikkeling van habitatwaardige bossen en het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van heel wat vegetatie- en structuurkenmerken zal verschillende decennia – voor sommige bossen zelfs meer dan een eeuw – duren. Toch wensen we met deze analyse potentiële knelpunten te detecteren die op lange termijn de realisatie van de IHD’s zouden kunnen hypothekeren, zodat hier in het verdere planproces rekening mee gehouden kan worden. De analyse in het voorliggend rapport werd uitgevoerd op het voorstel van voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplanontwerpplannen (Figuur 1). Dit is een officieuze ontwerpversie die binnen het planteam in maart 2022 circuleerde ter voorbereiding van het voorontwerp RUP. In het aanwijzingsbesluit voor de Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen1 worden doelen vastgelegd. Dit zijn de gebiedsspecifieke doelen of S-IHD. Die worden in dit rapport als afwegingskader gebruikt. Meer achtergrondinformatie over die IHD’s voor dit Habitatrichtlijngebied is terug te vinden in het zgn. instandhoudingsrapport (ANB 2012). De tabellen voor het beoordelen van de lokale staat van instandhouding (LSVI) (Oosterlynck et al., 2020) bevatten o.a. criteria die gerelateerd zijn aan oppervlakte en ruimtelijke configuratie. We analyseren in welke mate aan die criteria kan voldaan worden (een voorwaarde voor het behalen van de IHD-doelen) . We bespreken de realiseerbaarheid van de doelen voor bos en heide afzonderlijk, maar we houden rekening met de vereisten indien deze een impact hebben 1

Voluit: ‘Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de speciale beschermingszone ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en tot definitieve vaststelling van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten’ van 23 april 2014. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 5 van 23


op de realiseerbaarheid van de andere doelen. Een verkennende bespreking voor het realiseren van natuurverbindingen in relatie tot de weginfrastructuur geven we als bijlage bij dit rapport.

Figuur 1 Extract uit het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplanontwerpplannen met in donkergroen de locaties met een bestemming ‘bos’ en in lichtergroen de locaties met bestemming ‘natuur’.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


2 BOSHABITATS In dit deel gaan we na of de doelen voor boshabitats gerealiseerd kunnen worden binnen het voorliggende ontwerpplan. We bespreken daarvoor eerst de vooropgestelde instandhoudingsdoelen en analyseren in welke mate deze gerealiseerd kunnen worden met het voorliggende planontwerp.

2.1

INSTANDHOUDINGSDOELEN VOOR DE BOSHABITATS

In het aanwijzingsbesluit staan voor de boshabitats volgende doelen vermeld voor het plangebied. Deze worden in de verdere analyse als aftoetsingskader gebruikt. We lijsten hier zes elementen op uit de S-IHD en vermelden telkens of en hoe we die aftoetsen. 1.

“Er wordt gestreefd naar één groot, aaneengesloten boscomplex met richtwaarde van 717 hectare tussen de Koppenberg – Hotond – Kluisbos. Dit omvat de deelgebieden 16 Kalkoven, 33 Feelbos, 34 Beiaardbos, 35 Heysndaele, 36 HotondKoppenberg en 38 Kluisbos.”

We gaan na of het boscomplex alle genoemde deelgebieden omvat en toetsen de oppervlakte aan de vermelde richtwaarde. Een bespreking van het begrip ‘aaneengesloten’ is gelinkt aan de ontsnippering en wordt uitgebreider behandeld in de bijlage bij dit rapport. 2.

“Voor het Muziekbos wordt een boskern met richtwaarde van 266 hectare beoogd”.

We toetsen af aan de vermelde oppervlakte. De oppervlaktes die in het aanwijzingsbesluit vermeld zijn (hier onder doel 1 en 2), betreffen steeds de oppervlaktes die gerealiseerd moeten worden binnen de grenzen van het SBZ (mededeling ANB). 3.

“Er wordt gestreefd naar de realisatie van een robuust netwerk van boskernen waarin leefbare populaties van de typische soorten van deze kernen en hun boshabitat in stand gehouden worden.” Dit is een algemeen doel voor het gehele Habitatrichtlijngebied. Voor de deelgebieden die gelegen zijn in het plangebied, gaat het om de vegetaties en soorten van 9120, 9130, 91E0 en 64302 . Het bereiken van leefbare populaties van

2

We gebruiken in doorheen dit document de codes van Annex 1 van de EU- Habitatrichtlijn en relevante subtypes: 4030: Droge Europese heide 6230: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones, met voor het gebied relevant subtype 6430_bz: Nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 7 van 23


habitattypische soorten is sterk gelinkt aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor de ruimtelijke samenhang (Oosterlynck et al., 2020). Dit zit vervat in de analyses van doel 6 (zie verder). 4.

“Ook de ontwikkeling van gevarieerde bosranden en -zomen zijn voor de SBZ van belang. Op de droge tot natte gronden is het van belang om gevarieerde bosranden en -zomen (o.a. habitattype 6430_subtype boszoom) te voorzien om kleine populaties van habitattypische soorten als Sleedoornpage, Boswitje, Levendbare hagedis, Hazelworm, Eikelmuis, Goudvink, Zomertortel, Geelgors, etc... te kunnen realiseren. Meest geschikte zones op droge gronden zijn de steilere, zuidelijk gerichte hellingen, met mogelijke overgangen naar habitattype 6510 (zie verder). Op de rijkere natte bodemtypes zijn dergelijke randen en zomen van belang om optimale condities te creëren voor leefbare populaties van habitattypische soorten van natte ruigtes en graslanden (Rietgors, ...) - evenals meer habitattypische soorten van lichtrijke natte bossen (Goudvink, Nachtegaal, Kleine IJsvogelvlinder).” In het aanwijzingsbesluit wordt gesteld dat (minimaal) “1/4de van de bosranden te ontwikkelen zijn als goed ontwikkelde boszomen, voornamelijk van de vochtige bossen”. Habitatwaardige structuurranden kunnen bijna altijd gerealiseerd worden op geschikte plaatsen mits een aangepast bosbeheer. Dit wordt in dit rapport niet verder afgetoetst. Het aanwijzingsbesluit stelt dat “voor het habitattype 6430_bz geen oppervlaktedoel geformuleerd wordt, aangezien deze bij de oppervlaktedoelen van de andere boshabitats gerekend wordt”. Dit wordt hier niet verder afgetoetst.

5.

Hoewel er voor ieder habitattype een oppervlaktedoel vermeld wordt voor het volledige habitatrichtlijngebied, worden geen specifieke oppervlakte-doelstellingen voor de afzonderlijke habitat(sub)types vermeld per deelzone. Dit wordt hier dan ook niet afgetoetst.

6.

Het aanwijzingsbesluit stelt in de betrokken gebieden een goede staat van instandhouding voor 9120, 9130, 91E0_vc (= 91E0_bron) en 91E0_va (= 91E0_veb) en een voldoende toestand voor 91E0_vn en 91E0_vm tot doel. We analysen voor welk oppervlakteaandeel een gunstige lokale staat van instandhouding bereikt kan worden voor criteria die direct gelinkt zijn aan de ruimtelijke configuratie van deze boshabitats. Habitattypes verkeren in een gunstige staat van instandhouding indien ze voldoen aan een breed scala van criteria die gelinkt zijn aan vegetatiesamenstelling, structuur, verstoring en ruimtelijke samenhang, dit zijn de zogenaamde criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding (kortweg LSVI-criteria). In de voorliggende analyse focussen we enkel op de criteria rond minimale oppervlakte en

91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae). Daarin zijn voor het gebied volgende subtypes relevant: 91E0_vc (= 91E0_bron): Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) 91E0_va (= 91E0_veb): beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum) 91E0_vn (= 91E0_eutr): Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum) 91E0_vm (= 91E0_meso): Mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongataeAlnetum) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


ruimtelijke samenhang. Deze criteria zijn in het kader van dit rapport vooral van belang omdat het ruimtelijk uitvoeringsplan hier een impact op kan hebben. Voor boshabitats zijn drie LSVI-criteria uit Oosterlynck et al. (2020) direct gelinkt aan de oppervlaktevereisten: minimum structuurareaal, ruimtelijke samenhang criterium A en criterium B. • Het minimum structuurareaal (MSA) voor een welbepaald boshabitat is de bosoppervlakte die minimaal nodig is zodat de vereiste dynamiek en ecologische processen kunnen plaatsvinden zodat het zelfregulerende vermogen van dat ene welbepaalde boshabitat in stand gehouden kan worden. MSA staat vooral in functie van structuurbepalende processen en niet zozeer in functie van welbepaalde dier- of plantensoorten. Voor het berekenen worden alle habitatlocaties van hetzelfde habitattype samengenomen in zoverre zij onderling met elkaar verbonden zijn al dan niet via andere boshabitattypen. Bosbestanden worden beschouwd als dezelfde cluster indien de boomkruinen elkaar (kunnen) raken (Oosterlynck et al.,2020). MSA wordt niet expliciet vermeld in bijlage 4 bij Paelinckx et al. (2019), maar is te beschouwen als ‘zeer belangrijk’ criterium omwille van het optimaal functioneren van een ecosysteem. Een habitatvlek moet gunstig scoren voor MSA om in een gunstige lokale staat van instandhouding te verkeren. • Ruimtelijke samenhang - criterium A is de oppervlakte van het geheel van aaneengesloten habitatvlekken samen met verwante habitattypes (de functionele habitatcluster). Het behalen van een voldoende oppervlakte voor het criterium A wordt enkel beoogd voor de habitats waar het SBZ essentieel of zeer belangrijk is voor het realiseren van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (Paelinckx et al., 2009; Oosterlynck et al., 2020). Het habitatrichtlijngebied is aangeduid als ‘zeer belangrijk’ voor het habitattype 9120 en als ‘essentieel’ voor de habitattypes 9130 en 91E0. Het ruimtelijke samenhang criterium A moet dus afgetoetst worden voor deze drie habitattypes. Criterium A wordt in bijlage 4 bij Paelinckx et al. (2019) aangeduid als ‘belangrijk’ criterium, maar geen ‘zeer belangrijk’ criterium. Een habitatvlek kan nog steeds in een gunstige lokale staat van instandhouding verkeren, ook wanneer het ongunstig scoort voor criterium A. • Ruimtelijke samenhang – criterium B is de oppervlakte van een specifiek habitat(sub)type binnen de functionele habitatcluster zoals hierboven beschreven. Criterium B wordt in bijlage 4 bij Paelinckx et al. (2019) aangeduid als ‘zeer belangrijk’ criterium. Een habitatvlek moet gunstig scoren voor criterium B om in een gunstige lokale staat van instandhouding te verkeren. • De criteria voor de ruimtelijke samenhang A en B zijn – in tegenstelling tot MSA – vooral gericht op het behouden of ontwikkelen van voldoende grote oppervlaktes om de typische soorten te behouden door het creëren van een netwerk waarin leefbare populaties van de typische soorten van deze kernen en hun boshabitat in stand gehouden kunnen worden (zie doelstelling 3). Mobiliteit van soorten speelt hierbij een grote rol. Tweevakswegen worden in de analyse van de ruimtelijke samenhang beschouwd als harde barrières die versnipperend werken 3 (Oosterlynck et al., 2020). 3

In tegenstelling met MSA verwijzen Oosterlynck et al. (220) bij de beschrijving van de beoordelingscriteria van de ruimtelijke samenhang niet naar sluitende boomkruinen, maar vermelden tweevaksbanen als fragmenterend infrastructuur. We hanteren in de verdere analyse van ruimtelijke samenhang letterlijk deze interpretatie uit Oosterlynck et al. (2020), maar willen hier wel nuanceren dat ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 9 van 23


Voor de bepaling van de ruimtelijke samenhang moeten – in tegenstelling tot de IHDoppervlaktedoelen – de oppervlaktes worden afgetoetst aan de reële situatie op het terrein, dus ongeacht of de bosvegetatie binnen of buiten het SBZ valt. De aftoetsingskaders en streefcijfers vastleggen voor de evaluatie van de staat van instandhouding is niet evident. Er bestaat namelijk geen eenduidigheid over de exacte betekenis van ‘goede staat van instandhouding’ voor het niveau tussen de habitatvlek (de lokale staat van instandhouding) en het gewestelijke niveau. Ook de methodiek wijzigde het voorbije decennium. Zowel de beoordelingsklassen als de beoordelingscriteria van de ruimtelijke samenhang worden in de nieuwste versie van de LSVI-tabellen (Oosterlynck et al., 2020) anders omschreven dan in de vorige versie van de LSVI-tabellen (T’jollyn et al., 2009). Het S-IHD rapport van de Vlaamse Ardennen (ANB 2012) en het aanwijzingsbesluit gebruiken de oudere terminologie. Een wetenschappelijke toetsingscommissie adviseerde echter om enkele tekortkomingen in T’jollyn et al. (2009) te herwerken. Dit resulteerde in de versie van Oosterlynck et al. (2020). Enkele wijzigingen zijn erg relevant in deze analyse en vragen om extra duiding: -

-

Het onderscheid tussen ‘voldoende’ en ‘goede’ staat van instandhouding uit de IHD wordt niet langer gemaakt in de meest recente LSVI tabellen. Oosterlynck et al. (2020) stellen letterlijk dat “de categorie ‘voldoende’ is …. steeds geïnterpreteerd als onderdeel van de gunstige staat”. We vatten de tot doel gestelde ‘goede’ en ‘voldoende’ staat van instandhouding hier dan ook volledig op als ‘gunstige’ staat van instandhouding. T’jollyn et al. (2009) gebruiken naast het structuurcriterium ‘Minimaal structuurareaal (MSA)’ slechts één criterium voor de ‘faunakarakteristieken en – beoordeling’. Dit criterium beschouwt of een gebied voldoende groot en aaneengesloten is voor de typische fauna-elementen van het habitattype. Voor een goede toestand is voor de meeste bostypes een oppervlakte van 150 hectare of meer vereist (A-kern). Bossen die groter zijn dan 5 of 15 hectare (afhankelijk van het habitattype), maar kleiner dan de A-kernen zijn de zogenaamde B-kernen en verkeren in voldoende toestand. Nog kleinere bossen worden als gedegradeerd beschouwd. In Oosterlynck et al. (2020) is niet langer sprake van A- en B-kernen. In plaats daarvan bevatten de nieuwe LSVI-tabellen twee criteria voor de analyse van de ruimtelijke samenhang: één voor de grootte van habitatcluster van verwante habitattypes (criterium A) en één voor de oppervlakte van een specifiek habitat binnen deze cluster (criterium B). De grenswaardes voor het criterium A (meestal 150 hectare voor bossen) en criterium B (15, 20 of 40 hectare voor bossen) is van dezelfde grootteorde als deze van de A- en B- kernen en de namen van de criteria lijken op elkaar, maar de methodiek is fundamenteel verschillend. In deze analyse volgen we de werkwijze en grenswaarden van de recentste versie van de LSVI-tabellen.

Het LSVI-beoordelingskader dient om toegepast te worden op een habitatvlek (dit is de lokale staat van instandhouding). Voor het bepalen van de zogenaamde ‘staat van instandhouding’ voor een welbepaald habitat binnen een groter gebied - in het voorliggend plangebied is dit een deel van een SBZ - is het beoordelingskader minder eenduidig beschreven. We verwijzen hieronder naar enkele documenten die melding maken van een oppervlakteaandeel met tweevaksbanen met aaneengesloten boomkruinen voor de meeste bosorganismes doorgaans een minder sterke barrière vormen dan tweevaksbanen zonder aaneengesloten boomkruinen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


gunstige/goede of voldoende lokale staat van instandhouding voor het bepalen van de staat van instandhouding voor grotere gebieden. -

-

-

-

-

Panis et al. (2009) stellen in een ongepubliceerde nota over het opstellen van de instandhoudingsdoelstellingen op niveau van SBZ dat een LSVI-criterium voor een groter gebied als volgt opgevat kan worden: • Een ‘overal voldoende tot goede’ staat van instandhouding indien het LSVIcriterium voor habitatlocatie ‘grotendeels’ goed of voldoende scoort. • Een ‘overwegend voldoende tot goede’ staat van instandhouding indien meer dan 2/3de van de oppervlakte (of habitatvlekken) goed of voldoende scoort. • Een ‘deels voldoende tot goed’ staat van instandhouding indien tussen 1/3de en 2/3de van de oppervlakte (of habitatvlekken) goed of voldoende scoort. Oosterlynck et al. (2020) volgen een gelijkaardige indeling als Panis et al. (2009) voor de integratie van een criterium over verschillende habitatlocaties. Ze hanteren wel een aangepaste terminologie ‘overal gunstige’, ‘overwegend gunstige’ en ‘deels gunstige’ staat van instandhouding. Verder specifiëren ze ‘grotendeels’ als minimaal 90 %. In bijlage 2 (Analyse van de Europees te beschermen habitats en soorten) van het SIHD rapport van de Vlaamse Ardennen (ANB 2012) wordt gesteld dat een ‘goede tot uitstekende staat van instandhouding’ voor een gebied behaald wordt indien alle criteria ‘overal voldoende tot goed’, ‘overwegend voldoende tot goed’ of ‘deels voldoende tot goed’ scoren. Op basis van deze interpretatie uit het S-IHD rapport, gecombineerd met de richtlijnen uit Panis et al. (2009) zoals hierboven vermeld, dient minimaal 1/3 van de oppervlakte in een gunstige lokale staat van instandhouding te verkeren om een gunstige staat van instandhouding op groter gebiedsniveau te kunnen bereiken. Het G-IHD rapport (Paelinckx et al., 2009) vermeldt dat voor het bereiken van een regionale gunstige staat van instandhouding (dus op niveau van Vlaanderen) 75 % van de oppervlakte in een gunstige lokale staat van instandhouding vereist is. Dit ligt in lijn met de vereisten vanuit de Europese Commissie voor het beoordelen van de staat van instandhouding op regionaal niveau in het kader van artikel 17 van de Habitatrichtlijn. Bij de ruimtelijke allocatie van de instandhoudingsdoelstellingen over de verschillende SBZ gebieden (Poelmans et al., 2013) vertrekt het kalibratiemodel van de randvoorwaarde dat ieder habitattype voor 75 % in een gunstige lokale staat van instandhouding moet verkeren voor het B-criterium. Een andere randvoorwaarde van het model is dat, in elk SBZ-H die als essentieel of zeer belangrijk werd aangeduid voor een bepaald habitattype, minstens 50 % van de oppervlakte moet voldoen aan het A-criterium (zie ook Paelinckx et al., 2009).

Ook voor de integratie van verschillende LSVI-criteria tot één eindoordeel zijn verschillende methodes mogelijk. -

-

Volgens Panis et al. (2009) moeten alle criteria ‘overal voldoende tot goed’ of ‘overwegend voldoende tot goed’ scoren voor een goede tot uitstekende actuele staat van instandhouding. Zoniet is er sprake van een gedeeltelijk aangetaste staat van instandhouding. Oosterlynck et al. (2020) stellen dat een juiste uitspraak enkel bekomen kan worden wanneer vertrokken wordt van een integratie van eindoordelen gunstig/ongunstig per locatie. Ze vermelden zowel een ‘one-out-all-out principe’, een gewogen score

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 11 van 23


van criteria of een combinatie van beide methodes als mogelijkheid. Vermeldenswaardig is de methode die gehanteerd werd voor de rapportage over artikel 17 van de habitatrichtlijn: een habitatvlek scoort ongunstig van zodra één zeer belangrijk criterium (sensu Paelinckx et al., 2019) ongunstig scoort of wanneer meer dan de helft van de criteria ongunstig scoren. Aangezien een eenduidige methodiek en drempelwaarde voor het bepalen van een gunstige staat van instandhouding ontbreekt voor de niveaus tussen de lokale habitatvlek en het regionale niveau, zullen we in deze analyse niet expliciet nagaan of het criterium ‘gunstige staat van instandhouding’ voor de vermelde habitattypes gehaald kan worden. We kunnen wel stellen dat hoe hoger het aandeel van de habitattypes in het projectgebied in een gunstige lokale staat van instandhouding verkeert, hoe sterker dit project zal bijdragen aan de realisatie van de gebiedsspecifieke en de gewestelijke IHD’s.

2.1.1

Doel 1 en 2: boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos en Muziekbos

Het voorziene boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos omvat alle vermelde deelgebieden uit het aanwijzingsbesluit en zoals vermeld in het onderdeel (doel 1; zie hoger) van de S-IHD. De deelgebieden zullen met elkaar verbonden zijn via boscorridors van minstens 50 m breed. Er lopen momenteel wel ruim 30 wegen door het voorziene boscomplex die nog fragmenterend kunnen zijn (zie analyse fragmentatie in bijlage 1). In Tabel 1 vergelijken we de beoogde oppervlaktes van het boscomplex uit de S-IDH met de oppervlaktes die gerealiseerd kunnen worden wanneer alle planologische bestemmingen bos op het terrein daadwerkelijk ook bos (en heide-) habitat zouden worden. Het boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos voldoet qua oppervlakte aan de opgelegde doelstelling, ook na aftrek van de voorziene taakstelling rond heidedoelen. Er is een marge van 44,1 hectare. We merken hierbij wel op dat 6,3 hectare van de planologische bestemming bos momenteel ingenomen door bebouwing en bijhorende tuinen, waar de effectieve realisatie van de bosbestemming weinig realistisch is. In het Muziekbos volstaat de voorziene oppervlakte bosgebied niet om zowel de richtwaarde voor het bos als de heidedoelen te realiseren. Rekening houdend met de doelen voor heide in het Muziekbos (in dat bos moet 5 tot 7 hectare heide voorzien worden - zie verder bij de bespreking van de heidedoelen), zal er binnen het SBZ 2,9 tot 4,9 hectare minder bos- en heidehabitat gerealiseerd kunnen worden dan de richtwaarde van 266 hectare. Daarboven wordt nog eens 4,9 hectare van het voorgestelde bosgebied momenteel ingenomen door bebouwing en bijhorende tuinen, waar de effectieve realisatie van de bosbestemming weinig realistisch is.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 1 Overzicht van doelen en de potentieel realiseerbare oppervlakte voor heide- en boshabitats binnen SBZ.

De mogelijkheden om aan het Muziekbos bijkomend bos te voorzien binnen de grenzen van het SBZ zijn beperkt. In totaal krijgt 10,9 hectare van het SBZ geen bosbestemming in het voorontwerp RUP. Deze zijn aangeduid in Figuur 2. De zones die momenteel in het planvoorstel niet als bos of natuur voorzien worden zijn o.a. bijna 5 hectare woningen en tuinen die in het ontwerpplan meestal aangeduid worden als gemengd openruimtegebied, al dan niet met cultuurhistorische waarde (GO en CH), bijna 3 hectare die open blijven in functie van zichtassen, op het ontwerpplan aangeduid als agrarisch gebied met ecologisch belang (AGEB) en ruim 3 hectare landbouwgrond, hoofdzakelijk rond een bedrijfszetel, aangeduid als bouwvrij agrarisch gebied (BAG) en een klein deel als AGEB (zie Figuur 2).

Figuur 2 Kaart van het Muziekbos met aanduiding van de grens van SBZ (blauw), de zones met bestemming bosgebied (groen) en in rood de overige bestemmingen. Dit zijn o.a. bebouwing en tuinen (T), belangrijke zichtassen (Z) of percelen in landbouwgebruik (L).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 13 van 23


In het aanwijzingsbesluit is er steeds sprake van een ‘richtwaarde’ voor de oppervlaktes van de boscomplexen. De instandhoudingsdoelen specifiëren niet hoe exact moet worden omgegaan met het begrip ‘richtwaarde’. Vanuit het idee dat de term mogelijk enige marge biedt op de onderlinge verdeling tussen SBZ-deelgebieden, bekijken we hier ook de oppervlaktecijfers voor het volledige geanalyseerde gebied (i.e. het boscomplex Koppenberg – Hotond – Kluisbos en de boskern Muziekbos samen). Wanneer de oppervlakte voor de heidedoelen in mindering wordt gebracht, voorziet het ontwerpplan voor beide gebieden samen 39,2 hectare meer bos en heide binnen SBZ dan vooropgesteld in het aanwijzingsbesluit. Het is echter redelijk om aan te nemen dat het in praktijk niet mogelijk is om voorziene oppervlakte die bestemd wordt als bosgebied voor 100% volledig te bebossen, bv. omdat rekening gehouden zal moet worden met bestaande vergunde bebouwing, constructies, wegenis of andere nutsinfrastructuur in het gebied. Het is dus verantwoord en aangewezen om een kleine marge te behouden.

2.1.2

Doel 3 en 6: gunstige staat van instandhouding en robuust netwerk voor typische soorten.

In dit deel maken we een analyse van de oppervlakte-gerelateerde LSVI-criteria rond ‘minimum structuurareaal’ (MSA) en ‘ruimtelijke samenhang’. MSA en ruimtelijke samenhang criterium B zijn zeer belangrijke criteria (sensu bijlage 4 bij Paelinck et al., 2019) voor het bepalen van de lokale staat van instandhouding, zowel voor het behoud van processen (MSA) als voor het behoud van voldoende grote populaties van habitattypische organismen (ruimtelijke samenhang). Naast deze criteria bestaan nog veel andere criteria die betrekking hebben op de vegetatie, de habitatstructuur en verstoring. We gaan niet in op deze andere criteria. Het planvoorstel werd zodanig ontworpen dat er verbindingen voorzien worden tussen de resterende bosfragmenten. Toch blijft het te realiseren bos, ook na de uitwerking van deze verbindingen, doorsneden door ruim 30 wegen. Wegen met minder dan twee rijbanen worden in voorliggende analyse nooit als fragmenterend beschouwd voor de beschouwde LSVI-criteria. Wegen met exact twee rijbanen (en waarvan boomkruinen elkaar kunnen raken boven de weg) beschouwen we niet fragmenterend voor MSA, maar wel als fragmenterend voor criteria A en B van de ruimtelijke samenhang. Wegen die breder zijn dan twee rijstroken (met extra rijfiets of parkeerstroken) worden voor zowel MSA als de criteria rond ruimtelijke configuratie als fragmenterende infrastructuur beschouwd. Dit is een letterlijke interpretatie van het criterium rond ruimtelijke configuratie uit Oosterlynck et al. (2020). In wat volgt noemen we aaneengesloten bos waarvan de kruinen kunnen aaneensluiten ‘boscompartimenten’. Deze zijn relevant voor de analyse rond ruimtelijke samenhang. Verschillende ‘compartimenten’ groeperen we tot clusters wanneer deze niet gescheiden worden door wegen die breder zijn dan twee rijstroken. Deze clusters zijn relevant voor de analyse van MSA. Voor ieder habitattype werd de totale potentiële oppervlakte in het te realiseren bos berekend op basis van het actuele habitat en de te verwachten climaxvegetatie bij bosomvorming en bosuitbreiding. De oppervlakte voor de taakstelling voor heideherstel (12 ha) werd hierbij in mindering gebracht. Het inschatten van de climaxvegetatie gebeurde voornamelijk op basis van de kaart van de potentieel natuurlijke vegetaties (PNV kaart, GDI Vlaanderen 2001). Op plaatsen waar de PNV-kaart hiaten vertoont (de meeste hiaten staan op de bodemkaart – vaak onterecht – aangeduid als antropogene bodems), werd de potentieel natuurlijke vegetatie ingeschat op basis van topografie en de PNV in de omgeving.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


We gaan er in deze analyse van uit dat: -

-

alle bestaande bossen die momenteel in verbinding staan met de voorziene boscomplexen behouden blijven. Dit verwachten we ook voor bossen buiten het plangebied, zoals deze in Wallonië. er daadwerkelijk bos of natuur zal ontstaan in alle zones voor bosgebied uit het ontwerpplan. er op termijn habitatwaardig bos zal ontwikkelen in de bossen die worden omgevormd of die via bosuitbreiding ontstaan.

We houden in deze analyse geen rekening met een veranderend klimaat. De onzekerheid over welke oppervlaktes de verschillend boshabitattypes zullen innemen onder een gewijzigd klimaat is erg groot en wordt heel sterk bepaald door het gevoerde mitigerende klimaatbeleid op wereldschaal. Bovendien hanteert het huidige IHD-beleid ondanks het veranderend klimaat een vrij statische visie op natuurdoelen. Uit de analyses komen vier clusters en negen boscompartimenten naar voor: acht compartimenten in drie clusters in het complex Koppenberg – Hotond – Kluisberg (Figuur 3) en één compartiment/cluster in het Muziekbos. Tussen de clusters liggen de Rijksweg (N60), de Ronsebaan (N36) en de Zandstraat (N425). In Cluster 1 werken de tweevaksbanen Hoogbergstraat en Lamontstraat fragmenterend. In Cluster 3 liggen de Ronde van Vlaanderenstraat en de Bergstraat. Al deze tweevaksbanen zijn voldoende smal om in de toekomst een kroonsluiting boven de weg toe te laten. De andere wegen binnen de clusters zijn smaller dan tweevakswegen en beschouwen we hier als niet-fragmenterend.

Figuur 3 Clusters en compartimenten van bos in het geplande boscomplex Koppenberg - Hotond – Kluisbos. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 15 van 23


Tabel 2 Potentiële oppervlakte van de habitattypes per boscompartimenten, met aanduiding van de LSVI-status voor het criterium A en B.

Cluster1 Hotond_Koppenberg Beiaardbos_HotondNoord Kalkoven-FeelbosNoord Cluster2 HotondZuid Cluster3 FeelbosZuid Kluisbos

2

HT_9120

HT_9130

HT_91E0

Crit B: 40 ha

Crit B: 20 ha

Crit B: 15 ha

GH1

Totaal Crit A : 150 ha

14,4 ha (8,1%)* 221,7 ha (25,8%) 24,8 ha (25,1%) 21,8 ha (12,6%)* 113,9 ha (12,9%) 12,4 ha (17,1%) 1,3 ha (0,1%)* 34,6 ha (3,6%) 9,1 ha (9,2%)

260,9 ha (22,9%) 148,1 ha (13,2%) 45 ha (3,4%)

9,1 ha (4,4%)

18,1 ha (2%)

0,1 ha (0,1%)

27,3 ha (2,3%)

1,1 ha (0,3%) 48 ha (23,7%)

12,4 ha (1,3%) 254,5 ha (26%)

0,2 ha (0,2%) 13,7 ha (1%) 15,8 ha (16,9%) 9,3 ha 318,3 ha (24,9%) 4,7 ha (5%) 108,6 ha (24,9%)

95,9 ha (7,4%) Heynsdaele - Foret Trieu 2 8,0 ha (0,3%) KluisbosWest 0 ha (0%) 5,3 ha (0,5%) 0 ha (0%) Cluster4 Muziekbos 86,4 ha (50,4%) 196,2 ha (20,4%) 24 ha (26,3%)

5,3 ha (0,4%) 306,7 ha (25,9%)

De vermelde oppervlaktes zijn de volledige oppervlakte van het boscompartiment zoals voorzien in de ontwerpplannen, inclusief de delen buiten SBZ, met de heidedoelen in mindering gebracht. Voor delen die actueel nog geen Natura 2000 boshabitat zijn, werd het habitattype ingeschat op basis van de Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV). De percentages duiden op het relatief aandeel ten opzichte van de oppervlakte van het habitat binnen SBZ-gebieden in het studiegebied. Vet groen gemarkeerde cellen voldoen aan de vereiste oppervlaktes voor criterium A en B voor het behalen van een gunstige lokale staat van instandhouding. Oranje gemarkeerde cellen kunnen met eenvoudige ontsnipperingsmaatregelen (zoals wegversmalling) in gunstige lokale staat van instandhouding gebracht worden. Cursief rood gemarkeerde cellen duiden op te kleine oppervlaktes die ingrijpendere ontsnipperingsmaatregelen vragen om in een gunstige staat van instandhouding te brengen. 1 GH = geen Natura 2000 habitat binnenin een bos. Dit zijn actueel naaldbestanden in Wallonië. Vlaanderen is niet bevoegd om hier een bosomvorming te realiseren. 2 De vermelde oppervlakte omvat de aangrenzende bossen in Wallonië, maar voor het percentage gebruikten we enkel deel in Vlaanderen. * Gezamenlijke oppervlakte op niveau van de cluster op basis van het PNV model ligt lager dan MSA, maar we verwachten dat op een deel van de droge zandleem naast HT_9130 ook HT_9120 zal ontwikkelen, waardoor MSA eerder wel gehaald zal worden.

Tabel 3 Potentiële oppervlakte van de bosclusters per habitattypes, met aanduiding van de LSVI voor het criterium MSA.

HT_9120

HT_9130

HT_91E0

MSA: 40 ha MSA: 20 ha MSA 10 - 20 ha Cluster1 37,4 ha (20,8%)* 370,3 ha (42,3%) 46,3 ha (51,5%) Cluster2 9,1 ha (4,4%) 18,1 ha (2%) 0,1 ha (0,1%) Cluster3 57,1 ha (24,4%) Cluster4 86,4 ha (50,4%)

368,1 ha (35,2%) 20,7 ha (22,1%) 196,2 ha (20,4%) 24 ha (26,3%)

De vermelde oppervlaktes zijn de volledige oppervlakte van het boscompartiment zoals voorzien in de ontwerpplannen, inclusief de delen buiten SBZ, met de heidedoelen in mindering gebracht. De percentages duiden op het relatief aandeel ten opzichte van de oppervlakte van het habitat binnen SBZ-gebieden. Vet groen gemarkeerde cellen voldoen aan de vereiste oppervlaktes voor het behalen van een gunstige lokale staat van instandhouding voor MSA. Cursief rood gemarkeerde cellen duiden op te kleine oppervlaktes die ingrijpendere ontsnipperingsmaatregelen vragen. * Oppervlakte op basis van het PNV model ligt lager dan MSA, maar we verwachten dat op een deel van de droge zandleem ook Habitattype 9120 zal ontwikkelen, waardoor MSA wel gehaald zal worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 2 en Tabel 3 geven een overzicht van de potentiële oppervlaktes per boshabitattype voor de boscompartimenten en clusters zoals voorzien in het ontwerpplan, met aanduiding of deze al dan niet in een gunstige staat van instandhouding kunnen verkeren. Met het ontwerpplan kunnen de drie boshabitattypes in het volledige Kluisbos en het Muziekbos een gunstige lokale staat van instandhouding bereiken voor MSA, criterium A en criterium B. Voor het toekomstige boscompartiment van Hotond-Noord tot Koppenberg kunnen enkel de habitattypes 9130 en 91E0 in een gunstige lokale staat van instandhouding gebracht worden voor deze drie criteria. De compartimenten Beiaardbos – Hotond Noord, Kalkoven – FeelbosNoord en Heynsdaele – Forêt Trieu scoren enkel gunstig voor criterium B en MSA, niet voor Criterium A. Over alle habitattypes heen is het in dat geval mogelijk om tot maximaal 73 % van het studiegebied in een gunstige lokale staat van instandhouding te brengen voor de drie criteria. Dit is. 74 %, 72 % en 68 % voor resp. habitattypes 9120, 9130 en 91E0. Wanneer de kleinere tweevaksbanen binnen de clusters zouden worden heringericht ter hoogte van de bosverbindingen, kan de ruimtelijke samenhang tussen de compartimenten aanzienlijk verbeteren zonder bijkomende claim van (landbouw)gronden (Tabel 4). Met onsnipperingsmaatregelen zoals plaatselijke wegversmallingen kunnen verschillende compartimenten binnen een cluster daardoor als één geheel beschouwd worden. Met deze relatief kleine ingrepen kan over alle habitattypes heen 98 % van het boshabitat in het studiegebied in een gunstige ruimtelijke configuratie gebracht worden. Dit is resp. tot 96 %, 98 % en 100 % van de habitattype 9120, 9130 en 91E0. Als daarbovenop nog een verbinding ter hoogte van de Zandstraat wordt voorzien, kan zelfs de volledige oppervlakte van de drie habitattypes een gunstige lokale staat van instandhouding bereiken, althans voor wat betreft enkel de criteria oppervlakte en samenhang. Op die manier dragen de realisaties binnen het projectgebied Rond Ronse sterker bij aan de realisatie van de S-IHD Vlaamse Ardennen en de gewestelijke instandhoudingsdoelen.

Tabel 4 Potentieel oppervlakteaandeel van de drie boshabitattypes in het studiegebied die gunstig kunnen scoren voor minimum structuurareaal (MSA), criteria A en B voor ruimtelijke samenhang in een scenario zonder ontsnippering en met beperkte ontsnippering van kleinere tweevaksbanen. Zonder ontsnippering

Beperkte ontsnippering

HT_9120 HT_9130 HT_91E0 Totaal

HT_9120 HT_9130 HT_91E0 Totaal

MSA

95,6%

98,0%

99,9%

97,7%

95,6%

98,0%

99,9%

97,7%

Criterium A

82,3%

72,3%

68,3%

73,9%

95,6%

98,0%

99,9%

97,7%

Criterium B*

74,2%

96,2%

68,3%

90,4%

95,6%

98,0%

99,9%

97,7%

MSA, Criterium A en Criterium B

74,2%

72,3%

68,3%

72,6%

95,6%

98,0%

99,9%

97,7%

*Alle habitatvlekken die gunstig scoren voor Criterium B scoren ook gunstig voor MSA. Beide criteria zijn ‘zeer belangrijke’ criteria (sensu Paelinckx et al., 2019) en moeten hoedanook gunstig scoren om een gunstige lokale staat van instandhouding te kunnen bereiken (one-out-all-out principe).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 17 van 23


3 HEIDEHABITATS In dit deel gaan we na of de doelen voor heide geplaatst kunnen worden binnen het voorliggende planontwerp. We gaan eerst dieper in op de vooropgestelde instandhoudingsdoelen en analyseren in welke mate deze gerealiseerd kunnen worden.

3.1

INSTANDHOUDINGSDOELEN VOOR DE HEIDEHABITATS

In het aanwijzingsbesluit staat voor habitattype 4030 Droge Europese heide volgende zaken vermeld die relevant zijn voor het plangebied: 1. 2. 3.

Er is een toename van 2 hectare naar 12 hectare voorzien in deelgebieden 14 Muziekbos en 38 Kluisbos. We gaan na of deze oppervlakte bereikt kan worden. Er wordt telkens één kern van 5 – 10 ha groot beoogd in beide deelgebieden. We gaan na of deze oppervlakte bereikt kan worden. De vegetatie moet in voldoende staat van instandhouding zijn. Het aanwijzingsbesluit vermeldt expliciet dat de vergrassing/verruiging maximaal 50 % en de verbossing maximum 30% bedraagt. Dit kwaliteitscriterium is sterk afhankelijk van het gevoerde beheer en wordt hier niet afgetoetst.

Volgens de LSVI-tabellen (Oosterlynck et al., 2020) bedraagt de minimum oppervlakte van een heidevegetatie voor een gunstige ruimtelijke samenhang 5 hectare (criterium B). Dit is tevens de minimum oppervlakte die volgens doel 1 en 2 wordt nagestreefd. Het SBZ is niet essentieel of zeer belangrijk voor habitattype 4030, waardoor criterium A (cluster van 50 hectare) niet wordt afgetoetst. 4.

3.2

Het aanwijzingsbesluit vermeldt als prioriteit dat plaatselijk enkele naaldbossen zullen worden omgevormd naar heidehabitats (4030 en 6230) zodat kernen gecreëerd worden van 5 à 10 hectare. Dit gebeurt op gronden in eigendom of beheer van ANB. We beschouwen dit doel als een randvoorwaarde bij het plaatsen van de doelen, waardoor deze niet verder wordt afgetoetst.

REALISEERBAARHEID VAN DE DOELEN VOOR HEIDEHABITAT

Zones voor de realisatie van heidedoelen worden in het ontwerpplan niet afzonderlijk aangeduid. Mits het verkrijgen van de nodige toelatingen kunnen de heidekernen in principe binnen het bosgebied ontwikkeld worden. Rekening houdend met de potentie voor heideontwikkeling (droge zandbodem) en de actuele aanwezige naaldbossen (of kapvlaktes van deze naaldbossen) komen slechts een vrij beperkt aantal locaties in aanmerking voor heideontwikkeling die overeen stemmen met de specificaties uit de S-IHD. Figuur 4 toont de actuele kapvlaktes in voormalige naaldbossen, de actuele naaldbosbestanden en zones waar de bodem meest geschikt is voor heidevegetaties. Tabel 5 geeft de oppervlaktes van die potentiële locaties die voldoen aan de criteria uit het aanwijzingsbesluit.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 4 Kaart van een deel van het Kluisbos (boven) en het Muziekbos (onder) met aanduiding van de actuele Biologische Waarderingskaart en locaties met arme droge zandbodem waar een droge heidevegetatie kan ontwikkelen. De donkergroene zones zijn hoofdzakelijk habitatwaardige loofbossen, de lichtgroene zones met ‘se’ zijn kapvlaktes van voormalige naaldbossen, die met ‘pmb’ en ‘ppmb’ zijn naaldbestanden. Voor de betekenis van de overige codes verwijzen we naar De Saeger et al. (2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 19 van 23


In het Kluisbos is de totale oppervlakte van de actuele kapvlakte in voormalig naaldbos met het resterende omliggende naaldbos samen 4,7 hectare. Wanneer de om te vormen naaldbestanden verbonden zouden worden met een heidecorridor, dient minstens 167 meter overbrugd te worden door loofbos. Met een corridorbreedte van 18 meter kan de resterende taakstelling ingevuld worden, zodat hier in totaal 5 hectare aaneengesloten heidevegetatie gerealiseerd kan worden. In het uiterste oosten van het Kluisbos liggen ook enkele kleinere naaldbestanden met potentie voor heideontwikkeling, maar deze liggen geïsoleerd van de overige naaldbestanden. In het Muziekbos kan een heidevegetatie van minimum 5 hectare gerealiseerd worden door het kappen van naaldbestanden in de directe omgeving van het centrale perceel waar nu al heidevegetatie ontwikkelt. Het geplande bosgebied binnen SBZ is echter onvoldoende groot om alle bos- en heidedoelen te plaatsen. Tabel 5 Oppervlaktes van actuele kapvlaktes en naaldbestanden met een potentie voor heideontwikkeling en eventuele corridors in loofbos in Muziekbos en Kluisbos.

Actuele kapvlakte/omvorming1 Naaldhout in directe omgeving actuele kapvlakte 2 Heidecorridor Totaal

Kluisbos 0,3 ha 4,4 ha 0,3 ha

Muziekbos 2,5 ha 6,2 ha n.v.t.

5 ha3

8,7 ha4

1

In recente kapvlaktes op de zandige heuvelkoppen is struikheide steevast aanwezig of kiemt de soort uit de zaadbank. De vegetatie is actueel onvoldoende ontwikkeld om ze te typeren als ‘4030 Droge Europese Heide’, maar mits gunstig beheer is deze vegetatie realistisch haalbaar. 2 De meeste naaldbestanden liggen op minder dan 50 meter, uitzonderlijk op 100 m, van andere naaldbestanden. 3 In het oostelijk deel van het Kluisbos werd in het voorontwerp RUP een zone aangeduid met bestemming natuur, waar mogelijk ook ca. 2 ha heidevegetatie kan ontwikkelen. Deze oppervlakte zit niet vervat in dit cijfer. 4 Indien 5 ha gerealiseerd wordt in het Kluisbos, dient hier slechts 7 ha te worden omgevormd om de IHD doelen te halen. Indien extra heidehabitat gerealiseerd kan worden in het Kluisbos (zie 3), kan deze benodigde oppervlakte nog verder dalen tot 5 ha.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


4 BESLUIT De ontwerpplannen voorzien bijkomende gebieden met bos- en natuurbestemming rond de bestaande bosgebieden in de ruime omgeving van Ronse. Hiermee kunnen de bijkomende bos- en natuurdoelen uit de S-IHD grotendeels op een zone-eigen wijze gerealiseerd worden. Voor het complex Koppenberg-Hotond-Kluisbos volstaat het huidige planvoorstel om de oppervlaktedoelen zone-eigen te plaatsen, zowel voor bos als voor heide. Er is een marge van ongeveer 45 hectare om de richtwaarde van 717 hectare voor het boscomplex KoppenbergHotond-Kluisbos te kunnen realiseren. De heidedoelen in het Kluisbos kunnen grotendeels gerealiseerd worden binnen de naaldbestanden zoals voorzien in het aanmeldingsbesluit. Voor het Muziekbos daarentegen is er te weinig bos- en natuurbestemming voorzien om zowel de doelen voor bos en heide te plaatsen. Er is een tekort van enkele hectare (3-5 hectare) ten opzichte van de richtwaarde van 266 hectare voor de kern van het Muziekbos. Wanneer het complex Koppenberg-Hotond-Kluisbos en het Muziekbos samen beschouwd worden, zal de gezamenlijke oppervlaktes met bestemming bos- en natuurgebied wel volstaan om de gezamenlijke oppervlaktedoelen te plaatsen. Het ontwerpplan voorziet voor beide gebieden samen 39,2 hectare meer bos en heide binnen SBZ dan vooropgesteld in het aanwijzingsbesluit. We concluderen daarom dat er in totaal ruim voldoende oppervlakte met bos- en natuurbestemming wordt voorzien in het voorliggende planontwerp. In het Muziekbos kunnen net niet alle doelen geplaatst worden binnen het SBZ, maar de richtwaarde wordt zeer dicht benaderd. Bovendien kan het overschot dat voorzien wordt voor het complex Koppenberg – Hotond- Kluisbos wellicht voldoende compenseren voor het tekort in het Muziekbos. Daarmee besluiten we dat het voorliggende planontwerp aan één van de doelstellingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan voldoet, namelijk door het planologische kader te bieden waarin de Europese natuurdoelstellingen op een zone-eigen manier gerealiseerd kunnen worden. De actuele weginfrastructuur blijft echter fragmenterend voor het toekomstige boscomplex Koppenberg-Hotond-Kluisbos, waardoor het minimum structuurareaal en de ruimtelijke samenhang niet overal in een gunstige lokale staat van instandhouding kan geraken. De ruimtelijke configuratie van de voorziene bosuitbreiding laat toe om zonder verdere ontsnipperingsmaatregelen, over alle habitattypes heen, tot 73 % van het bos in een lokale gunstige staat van instandhouding te brengen voor wat betreft de oppervlakte-gerelateerde criteria. Door werk te maken van beperkte ontsnippering ter hoogte van de kleinere tweevakswegen (zoals plaatselijke wegversmallingen) kan dit aandeel opgetrokken worden tot 98 %. Met een bijkomende ontsnippering ter hoogte van de Zandstraat kan zelfs 100 % gunstige staat van instandhouding gehaald worden. We concluderen daarom dat er bovenop de voorziene zones voor bosuitbreiding ook best wordt ingezet op het ontsnipperen van de tweevaksbanen Hoogbergstraat, Lamontstraat, Ronde van Vlaanderenstraat en Bergstraat ter hoogte van de voorziene bosverbindingen. Dergelijke maatregelen zijn in principe compatibel met de voorliggende ontwerpplannen, maar de mogelijkheid tot ontsnipperen van boskernen wordt best ook expliciet opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 21 van 23


Referenties ANB (2012). Rapport 12 Instandhoudingsdoelstellingen voor special beschermingszones. BE2300007. Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen. Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel De Saeger S., Guelinckx R., Oosterlynck P., De Bruyn A., Debusschere K., Dhaluin P., Erens R., Hendrickx P., Hennebel D., Jacobs I., Kumpen M., Opdebeeck J., Spanhove T., Tamsyn W., Van Oost F., Van Dam G., Van Hove M., Wils C. & Paelinckx D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. GDI Vlaanderen (2001). Potentieel Natuurlijke Vegetatie , 2001. Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., Paelinckx D. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypen in Vlaanderen. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Paelinckx D., Sannen K., Goethals V., Louette G., Rutten J. & Hoffmann M. (2009). Gewestelijke doelstellingen voor de habitats en soorten van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn voor Vlaanderen. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Paelinckx D., De Saeger S., Oosterlynck P., Vanden Borre J., Westra T., Denys L., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B. & Spanhove T. (2019). Regionale staat van instandhouding voor de habitattypen van de Habitatrichtlijn. Rapportageperiode 2013 - 2018. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Panis J., Sterckx G., Paelinckx D., Adriaens D., Adriaens P. & Ameeuw G. (2009). Methodiek voor het opstellen van de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten voor een Speciale Beschermingszone. Niet-gepubliceerde nota van het Agentschap voor Natuur en Bos (versie 2009/12/16) Poelmans L., Uljee I., Engelen G., Hens M., Adriaens D., Herr C., Lommaert L., Louette G., Wils C., Van Daele T. & Wouters J. (2013). Ecologisch en socio-economisch optimale allocatie van de instandhoudingsdoelstellingen in Vlaanderen. VITO T’jollyn F., Bosch H., Demolder H., De Saeger S., Leyssen A., Arno T., Wouters J., Paelinckx D. & Hoffmann M. (2009). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypen. Versie 2.0. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 23

doi.org/10.21436/inbor.74920980

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlages Bijlage 1 Voorstel van voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplanontwerpplannen waarop analyses werden uitgevoerd. Bijlage 2 Analyse van de fragmenterende werking van de weginfrastructuur op het boscomplex Koppenberg-Hotond-Kluisbos Bijlage 3 Inschatting van de capaciteit van habitattypische plant- en diersoorten om een tweevaksbaan te overbruggen op vlak van genetische uitwisseling en voor verbreiding. Bijlage 4 Preliminaire scores van de VAPEO criteria voor een eventuele ontsnippering ter hoogte van het Feelbos en Zandstraat

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.74920980

Pagina 23 van 23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Spanhove_2022_AnalyseRealiseerbaarheidInstandhoudingsDoelstellingenRonse.pdf by Vlaanderen-be - Issuu