Skip to main content

Eurydice_ nederlandse_ versie_ 2003.pdf

Page 1

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement Onderwijs Afdeling Beleidscoรถrdinatie Brussel, 2004

Universiteit Antwerpen Onderzoeksgroep EduBROn Universiteitsplein 1 2610 Wilrijk


Uitgegeven door:

Micheline Scheys, afdelingshoofd Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Onderwijs Afdeling Beleidscoördinatie Vlaamse Eurydice-eenheid

D/2004/3241/392

© 2003

Afdeling Beleidscoördinatie Hendrik Consciencegebouw, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel

Deze publicatie kwam tot stand met de steun van de Europese Commissie (Socrates-programma, Eurydice)

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever


Vlaams Eurydice rapport 2003

VOORWOORD

Om inzicht te kunnen verwerven in de verschillende Europese onderwijssystemen is het cruciaal over betrouwbare informatie te beschikken. De Europese Commissie en de lidstaten hebben deze nood begrepen en ze hebben onder het programma Socrates de actie Eurydice geïnitieerd. Eurydice maakt jaarlijks heel wat vergelijkende studies over bepaalde onderwijstopics. Daarnaast maakt elk land dat lid is van het Eurydice-netwerk (op dit moment 30 landen) elk jaar een update van ‘het onderwijsbeleid en de onderwijsorganisatie’ in eigen land. Het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft in de voorbije jaren heel wat informatie en data samengebracht. In de periode 1997 – 2001 werden de gegevens door de Katholieke Universiteit Leuven geactualiseerd. In 2002 heeft het Centre for European Social and Economic Policy (CESEP) de update voor zijn rekening genomen. Het actualiseren van het Vlaams Eurydice rapport 2003 werd toegekend aan Prof. P. Van Petegem van de Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep EduBRon. Binnen EduBRon werd het werk opgenomen door Alexia Deneire, Ingrid Imbrecht en Jan Vanhoof. Het rapport werd aangepast aan de situatie in 2003, volgens de inhoudelijke en structurele richtlijnen van Eurydice. Daarom zal men in dit boek haast geen kritische reflecties vinden. De hoofdbedoeling van het boek is informatie geven. De informatie is tevens op het internet terug te vinden. Op het adres www.eurydice.org/eurybase vindt men niet alleen het onderwijsbeleid van Vlaanderen terug vinden, maar kan men tevens de informatie van alle andere landen raadplegen. We konden rekenen op de hulp van vele personen van het departement onderwijs. We bedanken mevrouw Micheline Scheys en mevrouw Katty De Loof, die de contacten legden in het departement Onderwijs en het project hebben begeleid. Wij danken tevens de vele deskundigen van het departement onderwijs, die kritisch bepaalde delen hebben gelezen en becommentarieerd. Hun input en commentaar heeft ons goed geholpen. Tenslotte gaat onze dank uit naar de heer Ludy Van Buyten, waarnemend secretaris-generaal van het departement onderwijs die ons de opdracht toevertrouwde. Wij hopen dat dit werk mag bijdragen tot een beter inzicht in de formele onderwijsstructuur in Vlaanderen.


Vlaams Eurydice rapport 2003

INHOUDSOPGAVE

VOORWOORD

iii

INHOUDSOPGAVE...................................................................................................................................vi LIJST VAN TABELLEN..........................................................................................................................xix

HOOFDSTUK 1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND........................1 1.1.

Historisch overzicht...................................................................................................................1

1.1.1.

Naar een federale staat..........................................................................................................1

1.1.2.

Niveaus van besluitvorming .................................................................................................2

1.1.3.

Politieke partijen in Vlaanderen ...........................................................................................3

1.1.4.

Grondwettelijke waarborgen voor onderwijs........................................................................3

1.2.

Actuele discussies......................................................................................................................3

1.3.

Wetgevende en uitvoerende macht............................................................................................4

1.4.

Godsdienst en onderwijs ...........................................................................................................4

1.5.

Talen

1.6.

Demografische indicatoren........................................................................................................5

1.7.

Economische indicatoren ..........................................................................................................6

5

1.7.1.

Economische toestand van Vlaanderen ................................................................................6

1.7.2.

De Vlaamse actieve bevolking .............................................................................................7

1.8.

Statistieken ................................................................................................................................7

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM ........................13 2.1.

Historisch overzicht.................................................................................................................13

2.2.

Actuele discussies....................................................................................................................13

2.3.

Fundamentele principes en wetgeving ....................................................................................13

2.3.1.

Vrijheid van onderwijs .......................................................................................................14

2.3.2.

Onderwijsnetten..................................................................................................................15

2.3.3.

Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen......................................................16


Inhoudstafel

2.3.4.

Onderwijsmethoden en ‘pedagogisch project’....................................................................16

2.3.5.

Eindtermen en leerplannen .................................................................................................17

2.4.

Algemene structuur van en beslissingsmomenten in het onderwijs ........................................18

2.5.

Leerplicht ................................................................................................................................19

2.5.1.

Historisch overzicht ............................................................................................................19

2.5.2.

Actuele wetgeving ..............................................................................................................19

2.5.3.

Controle op de leerplicht ....................................................................................................20

2.6.

Algemeen beheer.....................................................................................................................21

2.6.1.

Algemeen beheer op centraal vlak......................................................................................21

2.6.2.

Algemeen beheer op intermediair vlak ...............................................................................22

2.6.3.

Algemene beheer op lokaal vlak.........................................................................................24

2.6.4.

Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer ...........................................................................25

2.7.

Interne en externe participatie- en overlegstructuren ..............................................................35

2.7.1.

Participatie en overleg binnen de school ............................................................................35

2.7.2.

Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld ....................37

2.8.

Financiering en onderwijsbudget ............................................................................................41

2.8.1.

Herkomst van de middelen voor onderwijs ........................................................................42

2.8.2.

De omvang van de middelen voor onderwijs .....................................................................43

2.8.3.

Relevante thema’s inzake onderwijsfinanciering ...............................................................43

2.8.4.

Belangrijkste posten in de financiering ..............................................................................46

2.8.5.

Voorwaarden voor de financiering en subsidiëring van scholen ........................................48

2.8.6.

Financiering en financieel beheer .......................................................................................49

2.9.

Statistieken ..............................................................................................................................53

HOOFDSTUK 3. KLEUTERONDERWIJS .............................................................................................57 3.1.

Historisch overzicht.................................................................................................................57

3.2.

Actuele discussies....................................................................................................................57

3.3.

Wettelijk kader ........................................................................................................................58

3.4.

Algemene doelstellingen .........................................................................................................59

3.5.

Geografische toegankelijkheid ................................................................................................59

vii


Vlaams Eurydice rapport 2003

3.6.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ..................................................................................60

3.7.

Financiële ondersteuning van het gezin...................................................................................61

3.8.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen .......................................................................................61

3.9.

Organisatie van de schooltijd ..................................................................................................62

3.9.1.

Organisatie van het schooljaar...........................................................................................62

3.9.2.

Organisatie van schoolweek en schooldag ........................................................................62

3.10.

Curriculum en activiteiten .......................................................................................................63

3.11.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ...........................................................................63

3.12.

Evaluatie van leerlingen ..........................................................................................................64

3.13.

Bijzondere begeleiding van leerlingen ....................................................................................65

3.14.

Privé-onderwijs .......................................................................................................................67

3.15.

Andere organisatievormen.......................................................................................................67

3.16.

Statistieken ..............................................................................................................................68

HOOFDSTUK 4. LAGER ONDERWIJS .................................................................................................71 4.1.

Historisch overzicht.................................................................................................................71

4.2.

Actuele discussies....................................................................................................................72

4.3.

Wettelijk kader ........................................................................................................................72

4.4.

Algemene doelstellingen .........................................................................................................73

4.5.

Geografisch toegankelijkheid ..................................................................................................73

4.6.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ..................................................................................73

4.7.

Financiële ondersteuning van de gezinnen van de leerlingen..................................................74

4.8.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen .......................................................................................74

4.9.

Organisatie van de schooltijd ..................................................................................................74

4.9.1

Organisatie van het schooljaar............................................................................................75

4.9.2

Organisatie van de schoolweek en de schooldag ................................................................75

4.10.

Curriculum, onderwerpen, aantal lesuren................................................................................76

4.11.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ..........................................................................77

4.12.

Evaluatie van leerlingen ..........................................................................................................77

4.13.

Voortgang van de leerlingen ...................................................................................................77


Inhoudstafel

4.14.

Diplomering ............................................................................................................................77

4.15.

Bijzondere begeleiding van leerlingen ....................................................................................78

4.15.1.

Het nieuwe geïntegreerd gelijke kansenbeleid ...................................................................78

4.15.2.

Geïntegreerd onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften (GON) ............................78

4.15.3.

De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB)..........................................................79

4.16.

Privé-onderwijs .......................................................................................................................79

4.17.

Andere organisatievormen.......................................................................................................79

4.18.

Statistieken ..............................................................................................................................79

HOOFDSTUK 5. SECUNDAIR ONDERWIJS........................................................................................83 5.1.

Historisch overzicht.................................................................................................................83

5.2.

Actuele discussies....................................................................................................................84

5.3.

Wettelijk kader ........................................................................................................................85

5.4.

Algemene doelstellingen .........................................................................................................86

5.5.

Onderwijsinstellingen..............................................................................................................87

5.6.

Geografische toegankelijkheid ................................................................................................88

5.7.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ..................................................................................89

5.8.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld ........................................................................................90

5.9.

Financiële steun voor leerlingen..............................................................................................91

5.10.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen .......................................................................................91

5.11.

Studierichtingen en specialisatie .............................................................................................92

5.12.

Organisatie van de schooltijd ..................................................................................................93

5.12.1.

Organisatie van het schooljaar............................................................................................93

5.12.2.

Organisatie van schoolweek en schooldag .........................................................................93

5.13.

Curriculum, onderwerpen, aantal lesuren................................................................................94

5.13.1.

Eerste graad ........................................................................................................................97

5.13.2.

Het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) .......................................................................98

5.13.3.

Technisch Secundair Onderwijs (TSO) ..............................................................................99

5.13.4.

Kunstsecundair Onderwijs (KSO) ....................................................................................100

5.13.5.

Beroepssecundair Onderwijs (BSO).................................................................................101

ix


Vlaams Eurydice rapport 2003

5.13.6.

Deeltijds leerplicht............................................................................................................102

5.13.7.

Vierde graad beroepssecundair onderwijs ........................................................................103

5.14.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ........................................................................104

5.15.

Evaluatie van leerlingen ........................................................................................................104

5.16.

Voortgang van leerlingen ......................................................................................................105

5.17.

Diplomering ..........................................................................................................................105

5.18.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ........................................................106

5.19.

PrivĂŠ-onderwijs .....................................................................................................................108

5.20.

Andere organisatievormen.....................................................................................................109

5.21.

Statistieken ............................................................................................................................109

HOOFDSTUK 6. HOGER ONDERWIJS...............................................................................................115 6.1.

Historisch overzicht...............................................................................................................115

6.1.1.

Geschiedenis van het hogeschoolonderwijs......................................................................115

6.1.2.

Geschiedenis van de universiteiten...................................................................................118

6.2.

Actuele discussies..................................................................................................................120

6.3.

Wettelijk kader ......................................................................................................................120

6.4.

Algemene doelstellingen .......................................................................................................121

6.4.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................121

6.4.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................121

6.5.

Onderwijsinstellingen............................................................................................................122

6.5.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................122

6.5.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................123

6.5.3.

Associaties........................................................................................................................123

6.6.

Toelatingsvoorwaarden .........................................................................................................124

6.6.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................124

6.6.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................125

6.6.3.

Eerder verworven kwalificaties (EVK) en elders verworven competenties (EVC)..........125

6.7. 6.7.1.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld ......................................................................................126 Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................126


Inhoudstafel

6.7.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................127

6.8.

FinanciĂŤle steun voor studenten ............................................................................................127

6.9.

Organisatie van het academiejaar ..........................................................................................128

6.9.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................128

6.9.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................129

6.10.

Studiegebieden en specialisatie ............................................................................................129

6.10.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................129

6.10.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................130

6.11 Curriculum 131 6.11.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................131

6.11.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................132

6.12.

Onderwijsmethoden..............................................................................................................132

6.12.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................132

6.12.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................133

6.13.

Evaluatie van studenten.......................................................................................................133

6.13.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................133

6.13.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................133

6.14.

Voortgang van studenten......................................................................................................134

6.14.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................134

6.14.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................134

6.15.

Diplomering ..........................................................................................................................134

6.15.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................135

6.15.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................135

6.16.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ........................................................136

6.16.1.

Hogeschoolonderwijs .......................................................................................................136

6.16.2.

Universitair onderwijs ......................................................................................................136

6.17.

PrivĂŠ-onderwijs .....................................................................................................................137

6.18.

Verschillen in organisatie en andere structuren.....................................................................137

6.19.

Statistieken ............................................................................................................................138

xi


Vlaams Eurydice rapport 2003

HOOFDSTUK

7.

PERMANENTE

VORMING

EN

OPLEIDINGEN

VOOR

JONGE

SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN ......................................................................................145 7.1.

Historisch overzicht...............................................................................................................145

7.1.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................146

7.1.2.

Basiseducatie ....................................................................................................................146

7.1.3.

Vlaamse Dienst voor de Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)..................146

7.1.4.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................147

7.1.5.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................147

7.1.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................147

7.2.

Actuele discussies..................................................................................................................148

7.3.

Wettelijk kader ......................................................................................................................149

7.3.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................150

7.3.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................150

7.3.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................151

7.3.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................151

7.3.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................151

7.3.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................152

7.3.7.

Landbouwvorming............................................................................................................152

7.3.8.

Sociaal-cultureel Volwassenenwerk .................................................................................152

7.4.

Algemene doelstellingen .......................................................................................................153

7.4.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................153

7.4.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................153

7.4.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................154

7.4.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................154

7.4.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................154

7.4.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................155

7.4.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................155

7.5.

Soorten instellingen...............................................................................................................155

7.5.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................155

7.5.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................155

7.5.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................156


Inhoudstafel

7.5.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................156

7.5.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................156

7.5.6.

Deeltijds Kunstonderwijs .................................................................................................157

7.5.7.

Landbouwvorming............................................................................................................157

7.5.8.

Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk ................................................................................157

7.6.

Geografische toegankelijkheid ..............................................................................................157

7.7.

Toelatingsvoorwaarden .........................................................................................................158

7.7.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................158

7.7.2.

Begeleid Individueel Studeren..........................................................................................158

7.7.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................158

7.7.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................159

7.7.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................159

7.7.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................159

7.7.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................160

7.8.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld ......................................................................................160

7.8.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................160

7.8.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................160

7.8.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................161

7.8.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................161

7.8.5.

Deeltijds Kunstonderwijs .................................................................................................161

7.8.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................161

7.9.

FinanciĂŤle steun voor cursisten .............................................................................................162

7.9.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................163

7.9.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................163

7.9.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................163

7.9.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................163

7.9.5.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................163

7.9.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................164

7.10. 7.10.1.

Studie-aanbod........................................................................................................................164 Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................164

xiii


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.10.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................165

7.10.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................165

7.10.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................165

7.10.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................165

7.10.6.

Deeltijds Kunstonderwijs .................................................................................................166

7.10.7.

Landbouwvorming............................................................................................................167

7.10.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................167

7.11.

Onderwijsmethoden...............................................................................................................167

7.11.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................168

7.11.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................168

7.11.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................168

7.11.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................169

7.11.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................169

7.11.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................170

7.11.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................170

7.12.

Lesgevers...............................................................................................................................171

7.12.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................171

7.12.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................172

7.12.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................172

7.12.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................172

7.12.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................172

7.12.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................173

7.12.7.

Landbouwvorming............................................................................................................173

7.12.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................173

7.13.

Evaluatie en voortgang ..........................................................................................................173

7.13.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................174

7.13.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................174

7.13.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................175

7.13.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................175

7.13.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................175


Inhoudstafel

7.13.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................175

7.13.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................176

7.14.

Diplomering ..........................................................................................................................176

7.14.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ..........................................................................176

7.14.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)................................................................................177

7.14.3.

Basiseducatie ....................................................................................................................177

7.14.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ......................177

7.14.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)..................................................177

7.14.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) .....................................................................................178

7.14.7.

Landbouwvorming............................................................................................................178

7.14.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk..................................................................................178

7.15.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ........................................................178

7.16.

Privé-onderwijs .....................................................................................................................179

7.17.

Statistieken ............................................................................................................................180

HOOFDSTUK 8. ONDERWIJZEND PERSONEEL .............................................................................185 8.1.

Initiële lerarenopleiding ........................................................................................................186

8.1.1.

Historisch overzicht ..........................................................................................................186

8.1.2.

Actuele discussies.............................................................................................................186

8.1.3.

Wettelijk kader .................................................................................................................187

8.1.4.

Instellingen, niveau en opleidingsmodellen......................................................................188

8.1.5.

Toelatingsvoorwaarden ....................................................................................................189

8.1.6.

Curriculum, specifieke vaardigheden en specialisatie ......................................................189

8.1.7.

Evaluatie, diploma’s .........................................................................................................191

8.1.8.

Alternatieve opleidingswegen ..........................................................................................192

8.2.

Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel.........................................................193

8.2.1.

Historisch overzicht ..........................................................................................................193

8.2.2.

Actuele discussies.............................................................................................................194

8.2.3.

Wettelijk kader .................................................................................................................194

8.2.4.

Planningsbeleid.................................................................................................................195

xv


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.2.5.

Toegang tot het beroep .....................................................................................................196

8.2.6.

Statuut...............................................................................................................................199

8.2.7.

Vervangingsmaatregelen ..................................................................................................200

8.2.8.

Ondersteunende maatregelen............................................................................................201

8.2.9.

Evaluatie ...........................................................................................................................201

8.2.10.

Nascholing........................................................................................................................203

8.2.11.

Wedde...............................................................................................................................205

8.2.12.

Arbeidstijd en vakantie .....................................................................................................208

8.2.13.

Promotie en bevordering ..................................................................................................210

8.2.14.

Beroepsmobiliteit..............................................................................................................212

8.2.15.

Ontslag..............................................................................................................................213

8.2.16.

Pensioenregeling...............................................................................................................215

8.3.

Managementspersoneel .........................................................................................................216

8.3.1.

Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt...........................................................216

8.3.2.

Arbeidsvoorwaarden.........................................................................................................217

8.4.

Inspecteurs.............................................................................................................................217

8.4.1.

Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt .....................................................217

8.4.2.

Arbeidsvoorwaarden.........................................................................................................218

8.5.

Personeel verantwoordelijk voor begeleiding .......................................................................219

8.6.

Ander onderwijspersoneel .....................................................................................................220

8.7.

Statistieken ............................................................................................................................220

HOOFDSTUK 9. EVALUATIE BINNEN HET ONDERWIJSSYSTEEM ............................................225 9.1.

Historisch overzicht...............................................................................................................225

9.2.

Actuele discussies..................................................................................................................225

9.3.

Administratief en wettelijk kader ..........................................................................................226

9.3.1.

De onderwijsinspectie.......................................................................................................226

9.3.2.

Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO).....................................................................229

9.3.3.

Pedagogische begeleidingsdiensten..................................................................................230

9.3.4.

Speciale regelingen...........................................................................................................231


Inhoudstafel

9.4.

Evaluatie van onderwijsinstellingen......................................................................................232

9.4.1.

Interne evaluatie ...............................................................................................................232

9.4.2.

Externe evaluatie ..............................................................................................................235

9.5.

Evaluatie van het onderwijssysteem......................................................................................240

9.5.1.

Het jaarverslag van de onderwijsinspectie........................................................................240

9.5.2.

Periodiek peilingsonderzoek.............................................................................................240

9.5.3.

Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek ......................................................241

9.6.

Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek .....................................................................242

9.7.

Statistieken ............................................................................................................................242

HOOFDSTUK

10.

ONDERWIJS

VOOR

LEERLINGEN

MET

SPECIFIEKE

ONDERWIJSBEHOEFTEN ....................................................................................................................245 10.1.

Historisch overzicht...............................................................................................................245

10.2.

Actuele discussies..................................................................................................................246

10.3.

DefiniĂŤring en diagnose van doelgroepen .............................................................................246

10.4.

FinanciĂŤle ondersteuning van het gezin.................................................................................247

10.5.

Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs ......................................................247

10.5.1.

Wettelijk kader .................................................................................................................247

10.5.2.

Algemene doelstellingen ..................................................................................................248

10.5.3.

Specifieke ondersteunende maatregelen ...........................................................................248

10.6.

Buitengewoon onderwijs .......................................................................................................250

10.6.1.

Wettelijk kader .................................................................................................................250

10.6.2.

Algemene doelstellingen ..................................................................................................251

10.6.3.

Geografische toegankelijkheid .........................................................................................252

10.6.4.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ...........................................................................252

10.6.5.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen ................................................................................254

10.6.6.

Organisatie van het schooljaar..........................................................................................255

10.6.7.

Curriculum en vakken ......................................................................................................255

10.6.8.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ....................................................................256

10.6.9.

Voortgang van leerlingen .................................................................................................256

10.6.10.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ...............................................256

xvii


Vlaams Eurydice rapport 2003

10.6.11.

Diplomering .................................................................................................................258

10.6.12.

Privé-onderwijs............................................................................................................258

10.7.

Specifieke maatregelen voor migrantenleerlingen ................................................................258

10.8.

Statistieken ............................................................................................................................259

HOOFDSTUK 11. EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS............263 11.1.

Historisch overzicht...............................................................................................................263

11.2.

Actuele discussies..................................................................................................................263

11.2.1.

Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem. ......................................263

11.2.2.

Europese samenwerkingen ...............................................................................................264

11.3.

Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader ..............................................................................266

11.4.

Vlaamse programma’s en initiatieven ...................................................................................267

11.4.1.

Bilaterale programma’s en initiatieven.............................................................................267

11.4.2.

Multilaterale programma’s en initiatieven........................................................................270

11.5.

Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum..........................................271

11.6.

Mobiliteit en uitwisseling ......................................................................................................273

11.6.1.

Leerlingen en studenten....................................................................................................273

11.6.2.

Leerkrachten en academisch personeel.............................................................................275

11.7.

Statistieken ............................................................................................................................276

BIBLIOGRAFIE

283

OVERZICHT VAN DE WETGEVING...................................................................................................299


LIJST VAN TABELLEN

Tabel 1: Evolutie in de bevolking van Vlaanderen naar geslacht.................................................................7 Tabel 2: Evolutie in gemiddelde dichtheid per Gewest en voor België, inw./km² .......................................7 Tabel 3: Evolutie bevolkingsstructuur in Vlaanderen ..................................................................................8 Tabel 4: Evolutie in het aantal geboorten (Vlaanderen en België) ...............................................................8 Tabel 5: Aantal leerlingen/studenten die een diploma, getuigschrift of attest

behaalden naar

onderwijsniveau....................................................................................................................................9 Tabel 6: Reële groei van het BBP van Vlaanderen en België ( in % t.o.v. het voorgaande jaar) ...............10 Tabel 7: Activiteitsgraad Vlaams Gewest naar leeftijdsgroep en onderwijsniveau (in %).........................10 Tabel 8: Aandeel werkloosheid Vlaams Gewest naar werkloosheidsduur en leeftijdsgroep......................11 Tabel 9: Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht (uitgezonderd de Vlaamse Gemeenschapscommissie) - schooljaar 2002-2003 .............................................................54 Tabel 10: Verdeling van scholen over de netten - schooljaar 2002-2003...................................................55 Tabel 11: Kostprijs per leerling per onderwijsniveau (in EUR) Schooljaar 2002-2003.............................55 Tabel 12: Verhouding onderwijsbudget t.o.v. het budget van de Vlaamse Gemeenschap en het Bruto Regionaal Product (in duizend EUR) - Schooljaar 2002-2003...........................................................55 Tabel 13: Aantal kleuterscholen van de verschillende onderwijsnetten (schooljaar 2002-2003)...............68 Tabel 14: Evolutie van het aantal leerlingen in het kleuteronderwijs (1980-2003)....................................68 Tabel 15: Aantal scholen in het lager onderwijs (2002-2003)....................................................................79 Tabel 16: Evolutie van het aantal leerlingen in het lager onderwijs (1984-2003) ......................................79 Tabel 17: Vooruitgang in de studies van de leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs (2002-2003) .......................................................................................................................81 Tabel 18: Vooruitgang in de studies van de leerlingen met vreemde nationaliteit in het gewoon lager onderwijs (2002-2003) .......................................................................................................................81 Tabel 19: Aantal onderwijsinstellingen in het secundair onderwijs (schooljaar 2002-2003) ...................109 Tabel 20: Aantal onderwijsinstellingen in het deeltijds beroepssecundair ...............................................109 Tabel 21: Evolutie van het aantal leerlingen in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (19842003)

110

Tabel 22: Schoolse vertraging in het secundair onderwijs (1987-2001) ..................................................110 Tabel 23: Schoolse vertraging (in percentages) in het gewoon secundair onderwijs per leerjaar, Belgen en niet-Belgen (schooljaar 2000-2001) .................................................................................................111


Vlaams Eurydice rapport 2003

Tabel 24: Schoolse vertraging (percentages) in het gewoon secundair onderwijs per leerjaar en onderwijsvorm (schooljaar 2000-2001)............................................................................................111 Tabel 25: Aantal leerlingen naar studierichting (schooljaar 2002-2003) .................................................112 Tabel 26: Evolutie van het aantal leerlingen in het zevende jaar BSO (1983-2003) cijfers .....................113 Tabel 27: Evolutie van het aantal studenten aan de hogescholen (1985-2003) .......................................138 Tabel 28: Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen aan de universiteiten (1993-2003)......................139 Tabel 29: Aantal studenten per studiegebied in het hogeschoolonderwijs (academiejaar 2002-2003) ....139 Tabel 30: Aantal studenten per studiegebied in het universitair onderwijs (academiejaar 2002-2003) ...140 Tabel 31: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 1 cyclus: eerste jaar (generatiestudenten en niet-generatiestudenten) (academiejaar 01-02) ..............141 Tabel 32: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 2 cycli eerste jaar (generatiestudenten en niet-generatiestudenten) (academiejaar 2001-2002) ..........141 Tabel 33: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 2 cycli: overige jaren (niet eerste jaar) (academiejaar 2001-2002)......................................................142 Tabel 34: Slaagcijfers van generatiestudenten van het Algemeen Secundair Onderwijs in het hoger onderwijs (op basis van een steekproef van laatstejaars van het secundair onderwijs in 1995-1996) 142 Tabel 35: Aantal uitgereikte diploma’s in hogescholen en universiteiten (2001-2002) ...........................143 Tabel 36: Aantal deelnemers in het onderwijs voor sociale promotie (referentieperiode: 1 februari 200231 januari 2003)................................................................................................................................180 Tabel 37: Aantal ingeschreven cursisten in het Begeleid Individueel Studeren in 2002..........................180 Tabel 38: Aantal cursisten in de Basiseducatie (schooljaren 1999-2003) ................................................181 Tabel 39: Aantal financierbare leerlingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) op 1 februari 2003, naar inrichtende macht en studierichting..................................................................................................181 Tabel 40: Aantal onderwijsinstellingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), in 2002-2003 .............181 Tabel 41: Behaalde getuigschriften/ diploma’s bij de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs in 2002 ..................................................................................182 Tabel 42: Aantal beëindigde opleidingen bij de Vlaamse dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), opgesplitst naar activiteit / werknemers-werkzoekenden (2002).........182 Tabel 43: Het aantal cursussen, lesuren en cursisten voor het cursusjaar 2002-2003 aan het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)...............................................................................182 Tabel 44: Aantal sociaal-culturele organisaties en kernrealisaties 2002 ..................................................183 Tabel 45: Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau: aantal budgettaire full-time equivalenten (januari 2003), uitgesplitst naar geslacht en statuut ....................................................221


Lijst van tabellen

Tabel 46: Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau: aantal personen (januari 2003), uitgesplitst naar statuut en opdracht .................................................................................................221 Tabel 47: Bestuurs- en onderwijzend personeel (aantal personen) in alle onderwijsniveaus, naar leeftijd, statuut en geslacht (januari 2003).....................................................................................................222 Tabel 48: Bestuurs- en onderwijzend personeel aan de hogescholen, naar statuut en geslacht (januari 2003)

222

Tabel 49: Academisch personeel (in voltijdse eenheden uitgedrukt) aan de universiteiten op 1 februari 2003, uitgesplitst naar geslacht.........................................................................................................222 Tabel 50: Bruto-jaarwedde (EUR) van het onderwijzend personeel van het basis- en secundair onderwijs (1 september 2003) ...........................................................................................................................223 Tabel 51: Bruto-jaarwedde (EUR) van het voltijds academisch personeel in de hogescholen en universiteiten (1 juni 2003) ..............................................................................................................223 Tabel 52: Overzicht van het aantal doorlichtingen door de onderwijsinspectie in schooljaar 2002-2003243 Tabel 53: Aantal leerlingen in buitengewoon kleuteronderwijs naargelang van het type (schooljaar 20012002)

259

Tabel 54: Aantal leerlingen in het buitengewoon lager onderwijs naargelang van het type (2002-2003)259 Tabel 55: Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs (BuSO) naar opleidingsvorm (20012002)

260

Tabel 56: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 1 van het BuSO naar type (2002-2003)..........................260 Tabel 57: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 2 van het BuSO naar type (2002-2003)..........................260 Tabel 58: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 3 van het BuSO naar type (2002-2003)..........................261 Tabel 59: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 4 van het BuSO naar type (2002-2003)..........................261 Tabel 60: Evolutie van het leerlingenaantal in het buitengewoon kleuteronderwijs (1990-2003) ...........261 Tabel 61: Evolutie van het leerlingenaantal in het buitengewoon lager onderwijs (BLO) (1990-2003) ..262 Tabel 62: Socrates Comenius voor het basisonderwijs Actie 1.1. Schoolprojecten .................................276 Tabel

63:

Socrates

Comenius

voor

het

basis-

en

secundair

onderwijs

Actie

1.3.

Schoolontwikkelingsprojecten (Socrates II).....................................................................................277 Tabel 64: Socrates Comenius voor het basisonderwijs Actie 3.2.c (tot 1999), Actie 2.2c (vanaf 2000)..277 Tabel 65: Socrates Comenius voor het secundair onderwijs Actie 1........................................................277 Tabel 66: Socrates Comenius voor het secundair onderwijs Actie 2.2c Bijscholingen............................278 Tabel 67: Evolutie in het aantal deelnemers aan het Erasmus-programma (1988-2002) .........................278 Tabel 68: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-1...............................................279 Tabel 69: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-2...............................................279

xxi


Vlaams Eurydice rapport 2003

Tabel 70: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-3...............................................279 Tabel 71: Deelname aan Socrates- Minerva, open- en afstandsonderwijs ...............................................279 Tabel 72: Deelname aan Lingua Actie C- hoger onderwijs (overgangsjaar met “ex-Lingua C” in 20012002, vanaf 2002-2003 Comenius 2.2.b “Taalassistenten”).............................................................280 Tabel 73: Deelname aan Lingua Actie E- secundair en hoger onderwijs (overgangsjaar met “ex-Lingua E” in 2000-2001, vanaf 2001-2002 Comenius 1.2. “Taalprojecten”)....................................................280 Tabel 74: Deelname aan Euroklassen - secundair onderwijs....................................................................280 Tabel 75: Deelname aan Gros- secundair onderwijs ................................................................................281 Tabel 76: Deelname aan Gros- Buurlandenbeleid (vanaf 1999) - Basisonderwijs...................................281


HOOFDSTUK 1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND

In België heeft de ontwikkeling naar een federale staat belangrijke implicaties gehad voor het onderwijs. Vanaf 1989 is de bevoegdheid voor onderwijs bijna volledig overgeheveld naar de drie Gemeenschappen. Hoewel de gemeenschappelijke wortels niet kunnen worden ontkend, zijn de Gemeenschappen sindsdien op het vlak van de onderwijsstructuur en het onderwijsbeleid hun eigen weg gegaan. Dit rapport beschrijft het onderwijssysteem van de Vlaamse Gemeenschap. Het eerste hoofdstuk behandelt de politieke, sociale en economische achtergrond van de wetgeving over het Vlaamse onderwijs.

1.1.

Historisch overzicht

In het onderstaande overzicht worden een aantal belangrijke feiten en hervormingen betreffende de Belgische Staat, de politiek en het onderwijs in hun historisch perspectief weergegeven. 1.1.1.

Naar een federale staat

Bij de oprichting van de Belgische staat (1830) legde de grondwet, afgekondigd in februari 1831, de structuren van een gecentraliseerde staat vast, gebaseerd op het principe van een éénvormige wetgeving en bestuur voor het hele land. Sinds de oprichting van de Belgische staat bestaan er naast de wetgevende (bestaande uit de Koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat), de uitvoerende (bestaande uit de Koning en de Regering) en de rechterlijke macht, twee instellingen die voor het onderwijs belangrijk zijn: de provincies en de gemeenten. Ofschoon de provincies en de gemeenten een tamelijk grote autonomie hebben, zijn hun machten ingeperkt; hun beslissingen vallen onder de controle van de gewestelijke en de nationale wetgevende en uitvoerende macht (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1991a). In 1831 creëerde de Constituante een unitaire staat. Met de bedoeling om tegemoet te komen aan de diversiteit van de regio’s, werd er een zekere mate van decentralisatie voorzien: het land werd verdeeld in negen provincies, waarbij elke provincie bestond uit vele lokale autoriteiten. Aangezien de provinciale en lokale autoriteiten in belangrijke mate onder controle van de centrale overheid stonden, kon de Belgische Staat van 1831 een gecentraliseerde staat worden genoemd. Deze unitaire en gecentraliseerde staatsstructuur heeft zo’n 140 jaar bestaan, van 1831 tot 1970.

Als antwoord op de toenemende

verzuchtingen in de samenleving heeft men de grondwet vanaf 1970 vijf maal gewijzigd, namelijk in 1970-1971, 1980, 1988, 1993 en 2001. De wijziging in 1993 heeft de nieuwe federale structuur van de Belgische staat grondwettelijk verankerd. De voormalig tweetalige provincie Brabant is opgesplitst in twee provincies: Vlaams Brabant (Nederlandstalig) en Waals Brabant (Franstalig). Brussel, de hoofdstad van België én tevens geografisch gezien in het centrum van de voormalige provincie Brabant gelegen, behoort niet langer tot een provincie. Haar speciaal statuut als tweetalig gebied is versterkt. De laatste wijziging in 2001 staat bekend als het ‘Lambermont-akkoord’ en geeft de verschillende deelstaten zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden.

Zo is er voor het eerst echt sprake van fiscale


Vlaams Eurydice rapport 2003

autonomie en krijgen de gewesten de nagenoeg volledige bevoegdheid over een aantal belastingen waaronder de verkeersbelasting en de registratie- en successierechten. Daarnaast worden bevoegdheden over landbouw, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking naar de deelstaten overgeheveld. Verder verwerven de gewesten door de overheveling van de Gemeente- en Proviciewet de bevoegdheid en het toezicht over de ondergeschikte besturen binnen hun territorium. Er kunnen vijf fasen worden onderscheiden in de recente wijzigingen van de grondwet die stapsgewijs een federaal systeem hebben geïnstalleerd, met als resultaat de centrale staat - de nationale overheid - die de volle bevoegdheid behoudt over een aantal materies (b.v. financiën, defensie, justitie...) en die een grotere of kleinere mate aan beslissingsbevoegdheid heeft voor andere materies (b.v. buitenlandse handel). De derde fase (1988-89) hield belangrijke implicaties voor het onderwijs in. De overheveling van de bevoegdheid voor onderwijs naar de Gemeenschappen - wat reeds sinds 1981 in een overgangsfase zat - werd in de grondwet ingeschreven (art. 127 § 1. 2), alsook de garanties die vroeger reeds waren gewaarborgd door de zogenaamde Schoolpactwet van 29 mei 1959 (art. 24). Artikel 142 van de herziene grondwet (17 februari 1994) geeft elke belanghebbende burger het recht een beroep te doen op het Arbitragehof wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van een schending van de principes en de waarborgen die zijn vastgelegd in onder andere artikel 24 van de grondwet omtrent onderwijs. De bijdrage van de vijfde staatshervorming aan het onderwijs is voornamelijk dat er meer financiële middelen zijn voor het onderwijs. 1.1.2.

Niveaus van besluitvorming

Vandaag is er, naast de gemeenten en provincies, sprake van drie niveaus van besluitvorming met hun eigen wetgevende en uitvoerende organen: de nationale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten. Er zijn drie culturele Gemeenschappen: de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschap; en drie economische Gewesten: het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Gewest (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1992b). Op zich hebben de Gemeenschappen geen grondgebied, maar elke Gemeenschap heeft de bevoegdheid over het corresponderende ééntalige taalgebied. In tweetalig Brussel gelden de beslissingen van de Gemeenschappen enkel voor de instellingen van Brussel-Hoofdstad die worden beschouwd op basis van hun organisatorische kenmerken exclusief te behoren tot de éne dan wel tot de andere Gemeenschap (b.v. de Vlaamse scholen in Brussel).

De Gemeenschappen zijn bevoegd voor de cultuur (theater,

bibliotheken, audiovisuele media, ...), het onderwijs, het gebruik van talen en de persoonsgebonden aangelegenheden die aan de ene kant het gezondheidsbeleid (de curatieve en preventieve geneeskunde) en aan de andere kant de hulp aan personen (de jeugdbescherming, de sociale bijstand, familiehulp, opvang van immigranten, ...) omvatten. Zij zijn eveneens bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek over hun bevoegdheden en de internationale betrekkingen die met hun bevoegdheden te maken hebben. De Gewesten zijn verantwoordelijk voor economie, werkgelegenheid, landbouw, waterbeleid, huisvesting, openbare werken, energie, vervoer (met uitzondering van de NMBS), leefmilieu, ruimtelijke ordening en stedenbouw, modernisering van de landbouw, natuurbehoud, krediet, buitenlandse handel en toezicht over de provincies, de gemeenten en de intercommunales.


Hoofdstuk 1: De politieke, sociale en economische achtergrond

1.1.3.

Politieke partijen in Vlaanderen

Het politieke landschap in Vlaanderen bestaat uit acht politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in het Vlaams parlement. Ten eerste zijn er de partijen die de erfgenamen zijn van de vroegere nationale traditionele partijen: de christen-democratische CD&V (“Christen-Democratisch en Vlaams”), de sociaaldemocratische SP.A (“Sociaal Progressief Alternatief”) en de liberale VLD (“Vlaamse Liberalen en Democraten”). Verder is er de N-VA (“Nieuw-Vlaamse Alliantie”), Spirit en het extreem-rechtse Vlaams Blok. Deze drie partijen houden regelmatig pleidooien voor een autonome Vlaamse Staat. Groen! (voorheen AGALEV “Anders Gaan Leven”) is de Vlaamse groene partij.

In 1999 was er één

vertegenwoordiger verkozen van de Franstalige UF (“Union des Francophones”)-partijlijst rond Brussel. De NCD (een recente afsplitsing van de christen-democratische CD&V – in 2002 opgegaan in de VLD), de N-VA en Spirit (een recente tweedeling van de Vlaams-nationalistische partij VU-ID; Spirit vormde voor de federale verkiezingen van 2003 een kartellijst met de SP.A) zijn nog niet als afzonderlijke fracties erkend in het Vlaams Parlement. Op gemeentelijk vlak zijn er heel wat lokale partijen. Met betrekking tot het thema onderwijs is hun relevantie eerder beperkt; zij zijn enkel op lokaal vlak van belang. Dikwijls hebben dergelijke lokale partijen banden met één van de grote partijen. 1.1.4.

Grondwettelijke waarborgen voor onderwijs

Na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen met uitzondering van drie punten: de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht; de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma’s; het pensioenstelsel. De eerste twee uitzonderingen zijn gemaakt om een minimum aan coherentie tussen de onderwijssystemen van de Gemeenschappen veilig te stellen. Wat betreft het pensioenstelsel is het zo dat de pensioenregeling nog steeds deel uitmaakt van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. Als een gevolg van vermelde veranderingen behoort de verantwoordelijkheid voor onderwijsmateries vanaf 1989 toe aan de Vlaamse Gemeenschap die bijgevolg instaat voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1991a, 1991c, 1992; Platel, 1993).

1.2.

Actuele discussies

De actuele discussies inzake onderwijsaangelegenheden worden in de hoofdstukken die zich richten op de meer specifieke aspecten van het Vlaamse onderwijssysteem toegelicht.

3


Vlaams Eurydice rapport 2003

1.3.

Wetgevende en uitvoerende macht

Het wetgevende orgaan voor Vlaanderen is het Vlaams parlement, het parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest. Tot voor de algemene verkiezingen van 1995 bestond de Vlaams parlement uit de 186 Nederlandstalige leden van het Belgische parlement (124 volksvertegenwoordigers en de direct verkozen senatoren). Deze tijdelijke regeling is verdwenen na de algemene verkiezingen van 1995. Het ‘dubbele mandaat’ (waarbij elk lid van het Vlaams parlement ook lid was van het nationaal parlement) is afgeschaft en de leden van het Vlaams parlement werden voor de eerste maal direct verkozen. Het nieuwe Vlaams parlement bestaat thans uit 124 leden: 118 direct verkozen door de inwoners van het Vlaams Gewest en 6 verkozen onder de Nederlandstalige vertegenwoordigers van de Brusselse Gewestraad (Platel, 1993). Het Vlaams parlement heeft de drie klassieke functies van een parlement: een wetgevende functie, de vorming van regeringen en een controle-functie. Het Vlaams parlement oefent haar wetgevende macht uit door middel van decreten, die dezelfde rechtskracht hebben als de wetten van het nationale parlement. De uitvoerende macht is in handen van de Vlaamse regering, die bij decreet maximum elf leden telt, waarvan minstens één uit het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad moet komen. Zij worden verkozen uit en aangesteld door het Vlaams parlement. De Vlaamse regering beslist ‘collegiaal’: elke beslissing wordt genomen door de ganse regering, tenzij een bevoegdheid expliciet wordt ‘gedelegeerd’ aan een individuele minister. Op dit moment is de meerderheid in het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering samengesteld uit vier partijen: de Liberalen (VLD) (26 zetels), de Sociaal Democraten (SP.A) (20 zetels), de Vlaamse Groene partij (GROEN!) (12 zetels) en Spirit (4 zetels). De oppositie bestaat uit de Christen Democraten (CD&V) (29 zetels), de ultra-rechtse vleugel (VB) (22 zetels), de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) (3 zetels), een Franstalige partij (UF) (1 zetel) en vijf onafhankelijke vertegenwoordigers. Aangezien Spirit en N-VA nog niet in hun afzonderlijke hoedanigheid zijn verkozen, horen zij in het Vlaams parlement in principe nog bij hun vroegere fractie (VU-ID). Op 13 juni 2004 worden opnieuw verkiezingen voor het Vlaamse Parlement georganiseerd.

1.4.

Godsdienst en onderwijs

De Belgische grondwet (17 februari 1994) garandeert de scheiding van Kerk en Staat. In deze context zijn er vele sociale, culturele en onderwijsaangelegenheden georganiseerd volgens het subsidiariteitsprincipe. Dit verklaart waarom de regering in Vlaanderen geen directe invloed heeft op de opstelling van de leerplannen zelf. De regering heeft enkel een duidelijk gedefinieerd recht om deze leerplannen te controleren (zie 9.4.1.). Verder is er ook geen sprake van een ‘officiële’ godsdienst, ofschoon de overheid bij wet verschillende godsdiensten erkent. De ‘erkende’ godsdiensten zijn de katholieke, protestantse, joodse, anglicaanse, islamitische en orthodoxe godsdienst. De grondwet garandeert (art. 24) dat alle kinderen in het lager en het secundair onderwijs het recht hebben een filosofisch of godsdienstig vak (2 lesuren per week) te volgen op kosten van de overheid. De instellingen van het officieel onderwijs (gemeenschapsscholen en gesubsidieerde officiële scholen) moeten de filosofische keuze van alle ouders respecteren en bieden de keuze tussen een godsdienstig vak


Hoofdstuk 1: De politieke, sociale en economische achtergrond

en een vak niet-confessionele ethiek. Er is geen overheidscontrole op de vakinhoud voor deze lessen (zolang ze de democratische principes van de samenleving niet in het gedrang brengen) (zie 9.4.7.2.). In gesubsidieerde vrije scholen bestaat dergelijke keuze niet.

De meerderheid van deze scholen zijn

katholiek geïnspireerd. Protestantse, joodse en Steiner scholen vormen een minderheid. Een speciale regeling is voorzien voor scholen georganiseerd op basis van ‘alternatieve’ onderwijsbenaderingen zoals ontwikkeld door Steiner en Freinet.

1.5.

Talen

België heeft vier taalgebieden: het Nederlandstalige, Franstalige, Duitstalige en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (Nederlands en Frans). In 1963 is de taalgrens vastgelegd (Wet van 30 juli 1963). Elke Gemeenschap behoort tot een taalgebied waarbij een wijziging of aanpassing van de grenzen een speciale meerderheid in het nationale parlement vraagt.

Tweetaligheid is van toepassing op de 19

gemeenten van de hoofdstad Brussel, waar de Franstaligen een duidelijke meerderheid uitmaken. Rond dit tweetalig gebied liggen er een aantal Nederlandstalige gemeenten met administratieve taalfaciliteiten voor de Franstalige inwoners. De enige officiële taal van de Vlaamse Gemeenschap is het Nederlands. Veel Vlamingen hebben een goede communicatieve kennis van ten minste één of twee andere Europese talen (Engels, Frans, Duits,...). Officieel zijn er geen wettelijk erkende minderheidstalen in Vlaanderen met uitzondering van het Frans in sommige gemeenten langs de taalgrens met taalfaciliteiten.

In de Vlaamse Gemeenschap is het

Nederlands de onderwijstaal. Frans wordt aangeleerd als tweede taal vanaf het vijfde jaar van het lager onderwijs (in de Brusselse regio gebeurt dit vanaf het derde jaar van het lager onderwijs). Engels wordt aangeleerd als de derde taal vanaf het tweede jaar secundair onderwijs. Afhankelijk van de genomen onderwijskundige opties kunnen andere talen op school worden aangeleerd. De talen gesproken door migranten zijn wettelijk niet erkend als minderheidstalen. Niettemin heeft men een speciaal beleid ontwikkeld binnen het onderwijssysteem om gelijke leermogelijkheden te bieden, vooral voor migrantenkinderen die onder de leerplicht vallen.

In paragraaf 10.5 wordt het gelijke

onderwijskansendecreet (GOK-I) dat op 28 juni 2002 werd goedgekeurd door de Vlaamse regering toegelicht en in paragraaf 10.7. wordt ingegaan op de opvang van anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse onderwijs.

1.6.

Demografische indicatoren

Vlaanderen is een bijzonder dichtbevolkte regio, waarvan het aantal inwoners over de laatste 100 jaar verdubbeld is. In 2003 telde Vlaanderen 5.995.553 inwoners of 58% van de gehele Belgische bevolking. De bevolkingsdichtheid bedroeg in 2003, 443 inwoners per vierkante kilometer. De geürbaniseerde zones overwegen duidelijk in Vlaanderen, waarbij de dichtste bevolkingsconcentraties zich in het centrum bevinden, binnen de ruit gevormd door Antwerpen, Leuven, Brussel en Gent (NIS, 2004a). In het Vlaamse Gewest maken niet-Belgen 4,7% (in 2003) van de populatie uit (ongeveer 9,2% in het Waalse Gewest en ongeveer 26,2% in het Brussels Gewest). Ongeveer een vierde van de niet-Belgen is

5


Vlaams Eurydice rapport 2003

Nederlander, ongeveer 15% is Marokkaan, 13% is Turk en ongeveer 9% is Italiaan (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken, 2000; NIS, 2004a). De laatste jaren werd Vlaanderen, net als de rest van Europa, geconfronteerd met het probleem van de toenemende veroudering van haar bevolking. In 2003 was 22,3% van de bevolking ouder dan 60 jaar, en iets meer had nog niet de leeftijd van 20 jaar bereikt (22,4%). Het geboortecijfer is sterk gedaald, terwijl de gemiddelde levensverwachting is gestegen (78,59 in Vlaanderen in 2001).

In 2000 was het

geboortecijfer 1,11% in België en 1,04% in Vlaanderen (MVG, departement Algemene Zaken, 2001, NIS 2002). De toename van de vruchtbaarheid op oudere leeftijd compenseert de afname ervan op jongere leeftijd niet (MVG, 1999). Er zijn drie Vlaamse steden met meer dan 100.000 inwoners: Antwerpen (452.474 inwoners), Gent (228.016 inwoners) en Brugge (139.501 inwoners). Gemiddeld is er een dorp om de vijf kilometer, en een stad elke twintig kilometer. Ongeveer de helft van de bevolking leeft in urbane of sub-urbane zones. Bijna 25% van de totale oppervlakte van Vlaanderen zijn bebouwde gronden en terreinen, waarvan 10,5% woongebied (NIS, 2004b).

1.7.

Economische indicatoren

In onderstaande paragrafen komt de economische toestand in Vlaanderen en actieve bevolking op de arbeidsmarkt aan bod. 1.7.1.

Economische toestand van Vlaanderen

Een groeiende en beter presterende economie is één van de beleidseffecten die de Vlaamse regering wil bereiken. Een indicator hiervoor is het Bruto Binnenlands Product of BBP. De voorbije jaren nam het Vlaamse BBP vrij sterk toe. Enkel omstreeks de jaarwisseling 1998-1999 was er een verzwakking van de economie. In 2002 nam het BBP voor de Vlaamse Gemeenschap met 3,2% toe (Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek, 2003). Dit BBP bedroeg in 2001 57% van het Belgisch BNP (APS 2002). De drijvende kracht achter het Vlaamse economische gebeuren zijn voor een groot stuk de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (KMO’s), die vaak in de toeleveringssector actief zijn en verantwoordelijk zijn voor minstens 40% van de werkgelegenheid in die sector. Slechts 1,3% van het Vlaamse BBP wordt geleverd door de landbouwsector. Dit aandeel vermindert voortdurend, net zoals in andere geïndustrialiseerde landen. De belangrijkste sectoren zijn de staalproductie, die bijna 10% bijdraagt tot het BBP, de chemische sector (ongeveer 5%) en de textielsector.

De handels- en dienstensector

vertegenwoordigen samen ongeveer 60% van het BBP. De Vlaamse economie is zeer ‘open’. Zo’n 87% van het BBP wordt geëxporteerd. Over de periode van 1999-2002 is de export van Vlaanderen verdubbeld met 28% (Export Vlaanderen). Meer dan twee derde (77,6%) van de Belgische export is van Vlaamse oorsprong. De economische ontwikkeling in Vlaanderen is niet gelijkmatig verdeeld over de verschillende delen van de regio.


Hoofdstuk 1: De politieke, sociale en economische achtergrond

1.7.2.

De Vlaamse actieve bevolking

De activiteitsgraad van de Vlaamse bevolking van 15 tot 64 jaar bereikte in 2002, 66,8% (74,9% voor de mannen en 58,5% voor de vrouwen). In de Europese Unie was dit in 2002 69% (78% voor de mannen en 60% voor de vrouwen) (Steunpunt WAV, 2004). Tot 1990 nam de werkloosheid snel af in Vlaanderen. De jeugdwerkloosheid (personen jonger dan 25 jaar) daalde in Vlaanderen van 1985 tot 1990 maar verhoogde weer in 1993. Vanaf 1996 is de werkloosheid in Vlaanderen weer beginnen afnemen. In 2001 kondigde zich voor het eerst sinds lang minder gunstige arbeidsmarktevoluties aan in Vlaanderen: de werkloosheidsdaling stokte en het aantal openstaande vacatures lag lager dan een jaar eerder. In 2002 en 2003 was er geen beterschap en kende men zelfs een stijging van de werkloosheidscijfers. In december 2003 bedroeg de werkloosheidsgraad in Vlaanderen 6,71% voor mannen en 9,72% voor vrouwen (totaal: 8,01%) (VDAB, 2004). De werkloosheidsgraden van mannen en vrouwen worden alsmaar meer gelijk voor de jongere generaties (Steunpunt WAV, 2001).

1.8.

Statistieken Tabel 1: Evolutie in de bevolking van Vlaanderen naar geslacht MANNEN

VROUWEN

TOTAAL

1/01/2003

2.956.558

3.038.995

5.995.553

1/01/2002

2.945.066

3.027.715

5.972.781

1/01/2001

2.934.940

3.017.612

5.952.552

1/01/2000

2.929.510

3.010.741

5.940.251

1/01/1999

2.923.551

3.003.287

5.926.838

1/01/1998

2.916.640

2.995.742

5.912.382

1/01/1997

2.910.715

2.988.109

5.898.824

(NIS, 2004)

Tabel 2: Evolutie in gemiddelde dichtheid per Gewest en voor BelgiÍ, inw./km² BRUSSELS

VLAAMS

WAALS

GEWEST

GEWEST

Oppervlakte (HA)

1352225

1684428

16138

3052791

1/01/2003

443

200

6.147

339

HOOFDSTEDELIJK

HET RIJK

GEWEST

7


Vlaams Eurydice rapport 2003

1/01/2002

442

199

6.063

336

1/01/2001

440

199

5.976

336

1/01/2000

439

198

5.944

335

1/01/1999

438

198

5.914

335

1/01/1998

437

197

5.976

334

1/01/1997

436

197

5.890

333

1/01/1996

435

197

5.875

332

1/01/1995

434

197

5.896

332

1/01/1994

432

196

5.881

331

(NIS, 2004)

Tabel 3: Evolutie bevolkingsstructuur in Vlaanderen Vooruitzichten op 31/12 van het

Bevolking op 1 januari van het jaar Leeftijdsgroep 1990

2000

2001

2002

jaar 2003

2004

2009

2015

0-19

1.413.368 1.369.264 1.359.547 1.351.286 1.345.685 1.338.871 1.309.387 1.256.249

20-39

1.782.520 1.676.627 1.659.164 1.643.421 1.627.796 1.583.375 1.508.318 1.493.678

40-59

1.412.454 1.577.593 1.607.213 1.646.413 1.681.446 1.727.703 1.770.575 1.738.859

60-79

941.637

1.114.883 1.114.353 1.108.289 1.107.464 1.116.283 1.180.634 1.271.404

80+

189.757

201.884

TOTAAL

5.739.736 5.940.251 5.952.552 5.972.781 5.995.553 6.021.773 6.071.351 6.112.632

212.275

223.372

233.162

255.541

302.437

(NIS, 2004)

Tabel 4: Evolutie in het aantal geboorten (Vlaanderen en BelgiĂŤ) Jaar

Geboorten BelgiĂŤ (B)

Vlaams Gewest (VG)

% VG / B

2002

111.225

59.725

53,7

2001

114.014

60.590

53,1

2000

114.883

61.877

53,9

352.442


Hoofdstuk 1: De politieke, sociale en economische achtergrond

1990

123.554

69.492

56,2

1980

124.794

72.491

58,1

1970

141.119

81.807

58,0

1960

155.520

93.752

60,3

(NIS, 2004)

Tabel 5: Aantal leerlingen/studenten die een diploma, getuigschrift of attest behaalden naar onderwijsniveau Onderwijsniveau 2000-01

1999-00 1998-99 1997-98 1996-97

Diploma van secundair onderwijs ASO

24.003

24.361

25.236

25.414

25.463

Diploma van secundair onderwijs TSO

18.923

19.170

19.373

19.459

1.164

Diploma van secundair onderwijs KSO

1.117

1.091

1.164

1.181

19.022

13.510

13.552

14.451

14.238

14.164

Studiegetuigschrift 3de jaar van de 3de graad TSO

1.564

1.639

1.796

1.854

1.722

Studiegetuigschrift 3de jaar van de 3de graad KSO

36

40

53

54

40

Studiegetuigschrift 3de jaar van de 3de graad BSO

166

355

356

286

321

9.542

9.137

9.052

8.220

Derde graad 2de leerjaar van de 3de graad

Studiegetuigschrift 2de leerjaar van de 3de graad BSO

3de leerjaar van de 3de graad

Diploma van SO (na het 3de lj. van de 3de gr. BSO) 9.376

HOGESCHOLENONDERWIJS Eén cyclus

16.937

16.986

16.220

16.211

15.474

Tweede cyclus van twee

4.536

4.214

4.318

4.210

4.373

UNIVERSITAIR ONDERWIJS

9


Vlaams Eurydice rapport 2003

Academische opleiding 2de cyclus

9.368

9.269

9.067

8.632

8.646

(NIS, 2004)

Tabel 6: Reële groei van het BBP van Vlaanderen en België ( in % t.o.v. het voorgaande jaar) 2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

Vlaams Gewest

0,8

0,9

1,0

4,1

3,2

1,9

3,8

0,7

België

0,8

0,7

0,6

3,8

3,2

2,0

3,5

1,2

(NIS, 2004)

Tabel 7: Activiteitsgraad Vlaams Gewest naar leeftijdsgroep en onderwijsniveau (in %)

Laaggeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal

2002

2001

2000

1998

1996

15-24 jaar

20,7

19,1

18,9

23,0

25,4

25-49 jaar

77,8

76,8

78,8

84,0

84,9

50-64 jaar

31,5

29,6

30,7

30,0

28,7

Totaal

48,6

47,6

49,0

52,0

53,2

15-24 jaar

44,9

45,9

45,5

48,8

49,1

25-49 jaar

90,0

89,3

89,2

88,1

89,4

50-64 jaar

50,2

50,4

50,7

48,4

47,7

Totaal

72,4

72,1

72,1

72,3

73,0

15-24 jaar

79,6

80,2

83,9

83,5

90,3

25-49 jaar

94,7

94,2

94,5

95,2

95,0

50-64 jaar

62,7

64,8

63,6

63,2

62,5

Totaal

86,9

87,2

87,8

88,8

89,4

15-24 jaar

38,9

38,3

37,9

39,9

42,1

25-49 jaar

87,9

87,0

87,6

88,8

89,4


Hoofdstuk 1: De politieke, sociale en economische achtergrond

50-64 jaar

42,1

41,2

41,0

39,3

37,2

Totaal

66,8

66,1

66,4

67,1

67,4

(Bron: NIS, 2004)

Tabel 8: Aandeel werkloosheid Vlaams Gewest naar werkloosheidsduur en leeftijdsgroep

minder dan 6 maanden

6 tot en met 11 maanden

12 maanden en meer

2002

2001

2000

1999

15-24 jaar

66,5

71,6

70,5

63,5

25-49 jaar

42,2

43,7

36,4

31,5

50-64 jaar

22,4

19,4

20,7

12,4

totaal

45,7

48,4

44,0

37,7

15-24 jaar

17,7

16,0

12,5

14,1

25-49 jaar

17,5

14,5

13,4

14,1

50-64 jaar

11,4

6,2

10,3

9,7

totaal

16,8

14,0

12,8

13,6

15-24 jaar

41,8

12,4

17,1

22,4

25-49 jaar

67,7

41,8

50,2

54,5

50-64 jaar

77,6

74,3

69,1

77,9

totaal

62,2

37,5

43,1

48,7

(Bron: NIS, 2004)

11


HOOFDSTUK 2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM De onderstaande paragrafen richten zich op de algemene organisatie van het Vlaamse onderwijssysteem.

2.1.

Historisch overzicht

Een historisch perspectief op het Vlaamse onderwijsbeleid leert dat de vrijheid van onderwijs voortdurend één van de meest centrale thema’s geweest is. De vrijheid van onderwijs is opgenomen in de grondwet sinds het prille begin van de Belgische Staat en is het voorwerp geweest van vele conflicten en strijd, de zogenaamde ‘schoolstrijd’.

Dit vormt een niet onbeduidend deel van de culturele en politieke

geschiedenis van België, zowel in de 19de eeuw, met grote opwellingen rond 1850 en 1879, als in de 20ste eeuw, vooral vanaf 1951.

Deze honderdjarige periode van confrontatie eindigde bij het

ondertekenen van het zogenaamde Schoolpact op 6 november 1958. Krachtens het principe van de vrije schoolkeuze mag de organisatie van onderwijsinrichtingen niet onderworpen worden aan enige beperkende maatregel.

Nochtans moeten scholen die wensen erkende diploma’s uit te reiken en

overheidssubsidies te ontvangen, voldoen aan de wettelijke en statutaire voorschriften. Sinds het sluiten van het Schoolpact vormt de Schoolpactwet van 29 mei 1959 het fundament voor de organisatie van alle onderwijsinrichtingen (met uitzondering van de universiteiten) in een onderwijssysteem, gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid. Artikel 24 van de grondwet, gewijzigd op 15 Juli 1988, herbevestigt de basisprincipes van die wet. Andere artikels (art. 127 § 1.2 en art. 142) regelen de algemene wettelijke macht van de Gemeenschappen met betrekking tot onderwijs (De Groof, 1989; Laridon & Mertens, 1988).

2.2.

Actuele discussies

Actuele discussies in het Vlaamse onderwijssysteem hebben voornamelijk betrekking op de volgende thema’s: de betrokkenheid van stakeholders bij onderwijs en schoolgebeuren, de rechtspositie van de leerlingen, autonomie en bestuurskracht van scholen en vereenvoudigde regelgeving, het bevorderen van de instroom voor studierichtingen wiskunde, wetenschappen en technologie, de kostprijs van het onderwijs voor ouders en jongeren( gelijke kansen) en het herbekijken van het financieringssysteem.

2.3.

Fundamentele principes en wetgeving

De volgende paragrafen stellen de belangrijkste onderwijsprincipes van de Vlaamse onderwijswetgeving en het Vlaamse onderwijsbeleid centraal.


Vlaams Eurydice rapport 2003

2.3.1.

Vrijheid van onderwijs

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste onderwijswetgeving en de belangrijkste onderwijsprincipes die in Vlaanderen worden gehanteerd. 2.3.1.1.

Vrijheid van inrichting van onderwijs

Centraal in de Belgische onderwijswetgeving staat de Belgische grondwet (herziening 17 februari 1994) waarin de ‘vrijheid van onderwijs’ gegarandeerd wordt (art. 24). Deze houdt onder meer de zogenaamde ‘pedagogische vrijheid’ in. Dat betekent dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht heeft onderwijs te organiseren en daarvoor instellingen op te richten. De schoolpactwet van 29 mei 1959 gaf de overheid niet alleen de bevoegdheid om kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs in te richten en te organiseren. De Staat (nu de Gemeenschap) moet ook onderwijsinstellingen subsidiëren die niet door de Gemeenschap zelf ingericht worden. Tenminste indien deze voldoen aan de wettelijke en statutaire normen met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving. Dit alles vooral met de bedoeling om de vrije schoolkeuze van de ouders te garanderen.

Het principe van ‘pedagogische vrijheid’ in het Vlaamse (en Belgische)

onderwijsbeleid regelt in zeer grote mate de relaties tussen en de verantwoordelijkheden van de verschillende partners in het onderwijsbeleid (het ministerie, de inrichtende machten, de officiële en nietofficiële scholen,....). Inzake ‘pedagogische vrijheid’ is ‘inrichtende macht’ een fundamenteel basisbegrip in het Belgisch onderwijssysteem. ‘Inrichtende macht’ wordt op de volgende wijze gedefinieerd (wet van 29 mei 1959. art. 2): “De inrichtende macht van een onderwijsinrichting zijn de overheid, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon of -personen, die er verantwoordelijkheid voor op zich nemen”. De afspraken van het Schoolpact beoogden in essentie dat het onderwijs dat niet werd georganiseerd door de Staat - dus hoofdzakelijk het vrije (katholiek) onderwijs - een zekere vorm van overheidscontrole zou aanvaarden in ruil voor een gedeeltelijke subsidiëring, maar dat elke inrichtende macht het recht zou hebben om in complete autonomie datgene uit te oefenen wat de ‘pedagogische vrijheid’ wordt genoemd. Deze vrijheid werd gedefinieerd en geregeld door artikel 6 van de wet van 29 mei 1959 op het Schoolpact: “Op voorwaarde dat een wettelijk bepaald minimumleerplan en minimumlessenrooster in acht worden genomen, beschikt elke inrichtende macht over de vrijheid voor haar onderwijsnet en zelfs voor elke onderwijsinrichting de lesroosters vast te stellen en, onder voorbehoud, van goedkeuring door de minister, met het oog op het waarborgen van het studiepeil, haar leerplannen op te stellen. Elke inrichtende macht kiest vrij haar pedagogische methodes”. De inrichtende machten beschikken over een ruime autonomie. In het Decreet Basisonderwijs (25 februari 1997) werd het begrip ‘schoolbestuur’ geïntroduceerd als een synoniem voor ‘inrichtende macht’. 2.3.1.2.

Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht

Naast de ‘pedagogische vrijheid’ (zie paragraaf 2.3.1.1) is er de vrije schoolkeuze. Ook deze wordt door de grondwet gegarandeerd. Ouders en hun kinderen moeten over een school van hun keuze kunnen beschikken op een redelijke afstand van de woonplaats. Het recht van de leerling of zijn ouders op een inschrijving in de school van eigen keuze wordt in het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

(decreet van 28 juni 2002) decretaal sterk verankerd. Met dit principieel inschrijvingsrecht gaat een aanvaardingsplicht van de school gepaard. Dit betekent dat elke leerling die voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden (inzake leeftijd en bekwaamheid) recht heeft op inschrijving in de door de ouders gekozen school. Dit recht moet toelaten dat alle leerlingen en ouders in deze pluralistische maatschappij onbelemmerd onderwijs kunnen kiezen binnen een waaier van pedagogische projecten. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen zal een school een leerling kunnen weigeren of doorverwijzen. De redenen om een leerling in de toekomst niet in te schrijven zullen limitatief vastgelegd worden, namelijk wanneer: een leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden; de materiële omstandigheden in de school ontoereikend zijn of de school niet kan inschrijven omwille van veiligheidsoverwegingen; de leerling of zijn ouders het pedagogisch project van de school of het schoolreglement niet willen onderschrijven; er objectieve redenen zijn waardoor de draagkracht van de gewone school niet toelaat een passend onderwijsaanbod te doen aan een leerling met een zware handicap en waardoor het belang van de leerling in het gedrang komt. Deze redenen tot niet-inschrijven moeten zowel door officiële als door vrije scholen kunnen gehanteerd worden. 2.3.2.

Onderwijsnetten

Scholen die behoren tot verschillende inrichtende machten, worden gegroepeerd in onderwijsnetten op basis van hun wettelijk statuut.

Krachtens de grondwettelijke vrijheid inzake onderwijs, mag een

onderwijsnet worden georganiseerd door de Gemeenschappen, de provincies en gemeenten (publieke overheden) enerzijds en door individuen, vrije verenigingen of vzw’s (private instanties) anderzijds. De onderwijsvoorzieningen, georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap (de vroegere Rijksscholen), zijn bekend als het ‘gemeenschapsonderwijs’; zij die door provincies en gemeenten worden georganiseerd staan bekend als het ‘gesubsidieerd officieel onderwijs’, terwijl de onderwijsvoorzieningen die worden georganiseerd door vrije verenigingen of vzw’s bekend staan als het ‘gesubsidieerd vrij onderwijs’. Het onderwijs dat door provinciale en lokale publieke autoriteiten en door private instanties wordt georganiseerd, wordt gesubsidieerd door de Gemeenschappen. Bijgevolg is er over het algemeen sprake van drie onderwijsnetten in de wettelijke en statutaire regelingen: Het net van gemeenschapsscholen (het gemeenschapsonderwijs (GO)); dit onderwijssysteem moet voldoen aan bijzondere regelingen omtrent neutraliteit zoals bepaald door de grondwet. De scholen worden ‘officiële scholen’ genoemd en worden ingericht in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap. Het net van provinciale en gemeentelijke scholen.

Deze scholen worden ‘gesubsidieerde officiële

scholen’ (OGO) genoemd.

15


Vlaams Eurydice rapport 2003

Het net van de gesubsidieerde vrije scholen. Het gesubsidieerd vrij onderwijs (VGO) is het onderwijs dat op privé-initiatief, door een privé-persoon of privé-organisatie georganiseerd wordt. In vergelijking met andere landen zijn deze scholen helemaal geen ‘privé-scholen’. Katholieke scholen maken veruit het grootste deel uit van de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen. Er zijn echter ook protestantse, joodse, … scholen mogelijk. Naast deze confessionele scholen zijn er ook scholen die niet aan een godsdienst gebonden zijn en die pedagogische methoden toepassen (zoals Freinetscholen, de Montessorischolen en Steinerscholen). Een zeer kleine minderheid van scholen is niet gemachtigd om officieel erkende bekwaamheidsbewijzen of diploma’s uit te reiken, daar zij de hierboven bedoelde wettelijke voorschriften niet aanvaarden. Zij worden ‘vrije scholen’ genoemd en kunnen niet gefinancierd of gesubsidieerd worden door de overheid. Het relatieve aandeel van alle leerlingen voor de drie grote onderwijsnetten leverde voor het schooljaar 2003 in het voltijds basis- en secundair onderwijs de volgende cijfers op: 15,07% ging naar de gemeenschapsscholen, 16,55% naar de gesubsidieerde officiële scholen en 68,32% naar de gesubsidieerde vrije scholen (MVG, departement Onderwijs, 2003). 2.3.3.

Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen

De intenties uitgedrukt in artikel 6 van de Schoolpactwet (29 mei 1959), zoals gewijzigd (Decreet van 24 juli 1996 (b)), zijn gespecificeerd in artikel 24 § 2. Dit artikel stipuleert dat een school of een deel van een onderwijsinstelling voor kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs gesubsidieerd wordt wanneer het beantwoordt aan de wettelijke en statutaire voorschriften met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving. Meer bepaald moet aan 10 criteria worden voldaan: •

het opzetten van een structuur zoals vastgelegd door een wet of decreet;

•

beantwoorden aan een programma dat in overeenstemming is met de wettelijke vereisten of dat is goedgekeurd door de minister;

•

zich onderwerpen aan overheidscontrole en -inspectie;

•

georganiseerd worden door een natuurlijke of rechtspersoon die de volledige verantwoordelijkheid op zich neemt;

•

voldoen aan de normen i.v.m. studentenaantallen zoals bepaald bij decreet;

•

gehuisvest zijn in panden die beantwoorden aan de hygiëne- en veiligheidsvoorschriften;

•

beschikken over voldoende onderwijs- en algemeen schoolmateriaal om aan de pedagogische vereisten te voldoen;

•

personeel tewerkstellen dat op geen enkele manier een gezondheidsrisico inhoudt voor de leerlingen;

•

het aanvaarden van het schoolvakantiesysteem zoals bij wet bepaald;

•

het organiseren van participatiestructuren zoals bij wet bepaald.

2.3.4.

Onderwijsmethoden en ‘pedagogisch project’

Inzake onderwijsmethoden of het pedagogisch project zijn de verschillende onderwijsnetten en de scholen in grote mate autonoom.

Elk schoolbestuur definieert autonoom zijn pedagogisch project of

opdrachtverklaring. Overheidscontrole is dus uitgesloten zolang de projecten niet in contradictie zijn met


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

de democratische principes die de Belgische staat schragen. Dit is de reden waarom de verschillende onderwijsnetten en scholen hun pedagogische projecten gedetailleerd hebben uitgewerkt, uitgeschreven en gepubliceerd. In de Vlaamse Gemeenschap heeft het Gemeenschapsonderwijs (vroeger de ARGO) het ‘Pedagogisch project van het Gemeenschapsonderwijs’ gepubliceerd op 1 september 1989.

Het

Katholieke Onderwijs publiceert op zijn beurt regelmatig gedetailleerde documenten waarin het eigen pedagogisch project wordt uitgelegd. Met respect voor de wettelijke en statutaire voorschriften mag elke inrichtende macht zijn eigen programma’s, onderwijsmethoden (de beoordeling van leerlingen inbegrepen) en zijn eigen organisatie bepalen, onder het toezicht van een team van inspecteurs en verificateurs. Tegenwoordig hebben de meeste scholen hun eigen pedagogisch project. De meeste scholen zijn gemengd, in overeenstemming met de officiële voorschriften die een gelijke behandeling van beide seksen beogen. Gemeentelijke, provinciale en gemeenschapsscholen zijn verplicht om gemengd onderwijs aan te bieden. Als openbaar bestuur mogen zij niemand weigeren op grond van geslacht.

Het gesubsidieerd vrij onderwijs kan in bepaalde gevallen wel leerlingen weigeren op

voorwaarde dat zij dat schriftelijk motiveren en op voorwaarde dat er voldoende onderwijsaanbod in de buurt is. Vandaar dat er een klein aantal jongens- en meisjesscholen in het gesubsidieerd vrij onderwijs (met name de katholieke scholen) blijft bestaan. In het gewoon lager onderwijs zijn er 9 jongensscholen en 13 meisjesscholen op een totaal van 2.161 scholen. In het gewoon secundair onderwijs zijn slechts 2 van de 924 scholen enkel voor jongens bedoeld (MVG, departement Onderwijs, 2003). Een voorstel om een gemengde schoolparticipatie te veralgemenen, is nog niet door het Vlaamse parlement aangenomen. De discussie en evolutie is er echter één naar gemengde schoolparticipatie (ook als een gevolg van EUreglementering omtrent het beroepsgeoriënteerd onderwijs). 2.3.5.

Eindtermen en leerplannen

Een belangrijk principe in het Vlaamse onderwijs is het gebruik van eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie (decreet 4 februari 2003). In eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt omschreven welke kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes de samenleving noodzakelijk of wenselijk acht voor leerlingen op verscheiden onderwijsniveaus. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden aldus door de overheid gehanteerd als middel om aan kwaliteitsbewaking te doen. Ze zullen duidelijk aanwezig zijn in de leerplannen, de werkplannen en de leerboeken die de scholen gebruiken (MVG,1998). Het kleuteronderwijs is geen verplicht onderwijs. Niet alle kleuters stappen de school binnen op dezelfde leeftijd. Ze ontwikkelen zich ieder op hun eigen tempo. In het kleuteronderwijs wordt daarom gesproken over ontwikkelingsdoelen en niet over eindtermen. Kleuters krijgen alle ontwikkelingsdoelen aangeboden, maar het is niet strikt vereist dat ze die bij het instappen in de lagere school ook allemaal bereikt hebben. Ontwikkelingsdoelen worden dus nagestreefd (MVG,1998).

17


Vlaams Eurydice rapport 2003

In het lager onderwijs begint de leerplicht. Hier deelt men de eindtermen op in leergebiedgebonden (vakgebonden) en leergebiedoverschrijdende (vakoverschrijdende) eindtermen. Leergebiedgebonden eindtermen, met uitzondering van de attitudinale eindtermen (ontwikkelen van een houding of attitude), zijn minimumdoelen die de leerlingen gedurende het leerproces moeten bereiken. De leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek tot een leergebied behoren. Zij voegen evenwel waardevolle inhouden en doelen toe die anders tussen de mazen van het net van leergebied of vakken dreigen te glijden. Leergebiedoverschrijdende en attitudinale eindtermen moet de school bij haar leerlingen nastreven (MVG,1998). Ook voor secundaire scholen werden er eindtermen en ontwikkelingsdoelen ontwikkeld (zie paragraaf 5.13.) De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Er kunnen dus verschillen zijn in aanpak. Zo is er ruimte voor verscheidenheid. Dat blijkt uit de verscheidenheid van leerplannen die in Vlaamse scholen gehanteerd worden. De vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen moeten herkenbaar in de leerplannen worden verwerkt. Een leerplan is een document dat de essentiële gegevens bevat voor de concrete onderwijspraktijk. Het is afgestemd op een welomschreven leerlingengroep en het somt de algemene en specifieke doelstellingen en aansluitende leerinhouden op voor één of meer vakken of vakgebieden. Bovendien geeft het wenken voor de didactische aanpak en verschaft het gegevens die nuttig zijn voor de realisatie van het leerplan. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en adviseert de minister van onderwijs met betrekking tot de goedkeuring.

Voor zover er reeds eindtermen en

ontwikkelingsdoelen voor het niveau in kwestie zijn opgesteld, gaat de inspectie na of de leerplannen daaraan beantwoorden. Het leerplan wordt ontwikkeld door de inrichtende macht of door de overkoepelende onderwijsorganisatie van de school (zie 2.3.2.). De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over.

2.4.

Algemene structuur van en beslissingsmomenten in het onderwijs

Het Vlaamse onderwijssysteem bevat basisonderwijs, secundair onderwijs en hoger onderwijs. Het basisonderwijs omvat het kleuteronderwijs (2,5 tot 6 jaar) en het lager onderwijs (6 tot 12 jaar). Hoewel beide structureel gezien los van elkaar staan, tracht men tussen beide een vloeiende overgang te realiseren. Het secundair onderwijs is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het algemeen secundair onderwijs (aso), technisch secundair onderwijs (tso), beroepssecundair onderwijs (bso) en kunstsecundair onderwijs (kso). Het hoger onderwijs wordt verzorgd door enerzijds de hogescholen en anderzijds door universiteiten. In het algemeen kan worden gezegd dat er sprake is van drie beslissende momenten in de onderwijscarrière van leerlingen. De eerste heeft plaats na de lagere school (12 jaar); de leerlingen moeten een secundaire school kiezen. Ofschoon in theorie de eerste graad van het secundair onderwijs gericht is op een gemeenschappelijke basisvorming, weerspiegelen de aangeboden optiemogelijkheden al de keuzes die moeten worden gemaakt na de eerste graad. Ten tweede moeten de leerlingen na het tweede jaar van


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

het secundair onderwijs kiezen tussen algemeen vormend, kunst-, technisch of beroepssecundair onderwijs.

Het derde moment ligt natuurlijk in de overgang van secundair naar hoger onderwijs.

Leerlingen kunnen ook opteren voor deeltijds onderwijs na het vierde jaar van secundair onderwijs.

2.5.

Leerplicht

De volgende paragrafen richten zich op de historiek van het leerplichtonderwijs (zie paragraaf 2.5.1.), de hedendaagse toestand inzake leerplichtonderwijs (zie paragraaf 2.5.2.) en de controle op het leerplicht onderwijs (zie paragraaf 2.5.3.). 2.5.1.

Historisch overzicht

De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou worden verhoogd tot 13 en vervolgens tot 14 jaar.

Deze wet,

goedgekeurd na een ‘gepassioneerd debat’, is echter niet toegepast tot na de Eerste Wereldoorlog, in het jaar 1919. Officieel is er in België sprake van een ‘leerplicht’ en niet van een ‘schoolplicht’. In 1953 werd er door de regering een wetsvoorstel geïntroduceerd dat de leerplicht verlengde tot de leeftijd van 15 jaar. Vervolgens zijn tijdens de jaren ‘70 verscheidene andere wetsvoorstellen geïntroduceerd met de bedoeling de leerplicht tot 16 jaar te verlengen. De aanleiding hiertoe waren studies die een verband tussen onderwijsniveau en werkloosheid aantoonden. 2.5.2.

Actuele wetgeving

De wet van 28 juni 1983 schrijft voor dat minderjarigen, zowel Belgen als allochtonen, onderworpen zijn aan de leerplicht voor een periode van 12 jaar, startend vanaf het schooljaar waarin het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt en eindigend op het einde van het schooljaar waarin de jongere 18 jaar wordt (Dewaele, e.a., 1985; TORB, 1995). Een omzendbrief in 2002 heeft duidelijk gemaakt dat de leerplicht stopt op de 18e verjaardag. Wie 18 jaar en dus burgerlijk meerderjarig is, kan niet worden verplicht tot het einde van het schooljaar de lessen te volgen. In het kalenderjaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, eindigt de leerplicht hetzij op 30 juni (einde schooljaar) voor leerlingen die reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, hetzij op de dag van de 18e verjaardag zelf. (dep. Ond. omzendbrief SO/68 – 17/4/02). Wel vraagt de omzendbrief dat de scholen hun uiterste best doen om de leerlingen te overtuigen het schooljaar te vervolmaken, ook al zijn ze reeds 18 jaar geworden (dep. Ond. 2002 – omzendbrief). De leerplicht is voltijds tot de leeftijd van 15 of 16 jaar, afhankelijk van het individuele geval; de periode van leerplicht beslaat het lager onderwijs (6 of 7 jaren, afhankelijk van de nood van het kind of zelfs 8 jaren in uitzonderlijke gevallen) en tenminste de eerste twee jaren van het voltijds secundair onderwijs. De voltijdse leerplicht gaat nooit verder dan de leeftijd van 16 jaar. Voor het schooljaar 2003-2004 bijvoorbeeld, moeten leerlingen die na 1 januari 1986 geboren zijn, ten minste de eerste twee jaren van het voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd en met succes hebben afgesloten. Indien zij de eerste twee jaren hebben gevolgd en geslaagd zijn dan kunnen zij, indien ze dat willen, het voltijds onderwijs verlaten wanneer ze de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt. Hebben ze de

19


Vlaams Eurydice rapport 2003

eerste twee jaren niet met succes afgesloten, dan mogen ze enkel het voltijds onderwijs verlaten wanneer ze 16 jaar worden. In beide gevallen moeten ze deeltijds onderwijs volgen dat bestaat uit minstens 360 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van hun 16de verjaardag, en tenminste 240 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van hun 18de verjaardag. Aan de vereisten van de deeltijdse leerplicht kan ook worden voldaan door verder voltijds onderwijs te blijven volgen of door een deeltijds programma te volgen in een centrum dat daarvoor is opgericht, of door een erkende opleidingscursus te volgen die voldoet aan de vereisten van de leerplicht. ‘Erkende opleidingscursussen’ zijn deze die in artikel 2 van de leerplichtwet worden gedefinieerd.

Dit zijn

bijvoorbeeld de opleidingscursussen die gegeven worden door het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO). Jongeren kunnen ook aan de vereiste van de leerplicht voldoen via huisonderwijs. Hieronder wordt zowel het onderwijs verstrekt in particulier verband als het onderwijs in een privé-school verstaan.

Ook

zelfstudie komt voor huisonderwijs in aanmerking. Voor het huisonderwijs gelden geen specifieke bepalingen, wel blijft de volgende bepaling van de leerplichtwet vooropstaan: “het onderwijs en de vorming die aan de leerplichtige wordt verstrekt, moeten bijdragen tot diens opvoeding alsmede tot diens voorbereiding tot de uitoefening van een beroep” (Omzendbrief van 1 maart 2000). In dit verband dient opgemerkt te worden dat huisonderwijs nooit recht geeft op erkende studiebewijzen. Men dient examen af te leggen voor de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, wil men een erkend diploma behalen. Het volgen van huisonderwijs is eerder uitzonderlijk in Vlaanderen. De meeste jongeren gaan naar school. Hier dient vermeld te worden dat de wet op de leerplicht geen einde heeft gemaakt aan het debat in het Vlaamse onderwijsbeleid omtrent de wettelijk aanvaarde leeftijd van schoolverlaten. 2.5.3.

Controle op de leerplicht

Jongeren kunnen ook aan de vereiste van de leerplicht voldoen door thuis les te volgen, op voorwaarde dat het verschafte onderricht voldoet aan de vereisten die door de wet zijn vastgelegd. De meeste jongeren doen dit echter niet. Zij volgen onderricht op school. Een tijd geleden zijn er een aantal regels omtrent de controle op de leerplicht ingebracht in de wetgeving (Besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997). Gebaseerd op de dossiernummers die worden toegewezen aan elke burger vanaf zijn geboorte, is er een controlesysteem opgezet met een speciale verantwoordelijkheid voor de schooldirecteur. Het dossiernummer van ingeschreven leerlingen kan makkelijk worden vergeleken met dat van alle jonge Belgen in het Rijksregister. Met het koninklijk besluit van 7 juli 2002 kan het departement Onderwijs voortaan ook het rijksregisternummer gebruiken om controle uit te oefenen op inschrijvingen en geregeld schoolbezoek, rationalisatie van bestaande gegevensopvragingen en follow-up van studie- en schoolloopbaan van een leerling uitvoeren (B.S. 17/09/2002). Ouders van leerlingen zijn verantwoordelijk voor de inschrijving van hun kinderen.

Wanneer de

administratie heeft opgemerkt dat een kind niet is ingeschreven, moeten de ouders zich daarvoor verantwoorden en worden zij aan hun verantwoordelijkheid herinnerd.

Gerechtelijke stappen zijn

mogelijk wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen (Decreet van 25 februari 1997).


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

Voor het huisonderwijs gelden geen specifieke bepalingen, wel blijft de volgende bepaling van de leerplichtwet vooropstaan: “het onderwijs en de vorming die aan de leerplichtige wordt verstrekt, moeten bijdragen tot diens opvoeding alsmede tot diens voorbereiding tot de uitoefening van een beroep”. In die zin kan huisonderwijs voorwerp uitmaken van een controle door de onderwijsinspectie (Omzendbrief van 1 maart 2001). De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s) hebben van de overheid de taak gekregen om jongeren die problemen hebben in verband met de leerplicht, te begeleiden. Het doel van de centra is om deze jongeren te herintegreren in het onderwijsproces (Decreet van 1 december 1999). In 2002 werd er een beleid uitgetekend waardoor pro-actiever wordt omgegaan met problematische afwezigheden. Een school moet voor een problematische afwezigheid geen bewijsstukken voorleggen, maar moet de leerling actief begeleiden in samenwerking met het begeleidend CLB. Indien de school niet kan aantonen dat ze ernstige inspanningen heeft geleverd om de vastgelopen situatie van de leerling te deblokkeren, kan er wel een probleem komen met de wettiging van de afwezigheid (omzendbrief 15/08/2002).

2.6.

Algemeen beheer

In een klein land als België zijn termen als ‘nationaal niveau’ en ‘lokaal niveau’ altijd wat relatief. Het onderwijsbeleid is hoofdzakelijk een interactie tussen beheersorganen op het ‘nationaal’ of ‘gemeenschaps-’niveau enerzijds en de lokale scholen, vertegenwoordigd door hun inrichtende machten anderzijds. 2.6.1.

Algemeen beheer op centraal vlak

Binnen de Vlaamse regering is de minister van Onderwijs en Vorming verantwoordelijk voor bijna alle aspecten van het onderwijsbeleid van het kleuter- tot en met het universitair onderwijs. Enkel de pensioenen van het onderwijspersoneel, het vastleggen van de leerplicht en het bepalen van de minimumvoorwaarden voor het behalen van een diploma behoren tot de federale Belgische materie. De minister van Onderwijs en Vorming bepaalt het beleid inzake onderwijs en vorming. Dit beleid laat ze mee voorbereiden, uitvoeren en evalueren door haar administratie (= departement Onderwijs). Het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap functioneert onder de leiding van de Secretaris-generaal.

Het departement is georganiseerd in 5 administraties (basis onderwijs,

secundair onderwijs, hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, permanente vorming en ondersteuning). Bijna al deze diensten zijn in Brussel gevestigd. Bepaalde vormen van permanente vorming vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs zelf: het ‘Onderwijs voor Sociale

Promotie’,

het

‘Deeltijds

Kunstonderwijs’,

het

‘Afstandsonderwijs’,

het

‘Deeltijds

Beroepsonderwijs’ en het ‘Industrieel leercontract’. Permanente vorming voor tewerkgestelden en werklozen valt onder de verantwoordelijkheid van verschillende organen van de gemeenschaps- en gewestelijke overheid. Hetzelfde kan worden gezegd van de opleiding voor zelfstandig ondernemen.

Voor deze sectoren beschikken de minister van

Werkgelegenheid en Toerisme, de minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, alsook de

21


Vlaams Eurydice rapport 2003

minister van Leefmilieu en Landbouw eveneens over zekere bevoegdheden. De minister van Onderwijs en Vorming coördineert de vorming die beheerd wordt door vorige ministers. 2.6.2.

Algemeen beheer op intermediair vlak

Organisatiestructuren tussen het centrale en lokale niveau vallen in Vlaanderen niet samen met geografische grenzen. Tussen beide niveaus situeert zich evenwel wel een intermediair beleidsniveau dat zeer kenmerkend is voor het algemeen beheer van het Vlaamse onderwijs, namelijk de onderwijsnetten. De verwevenheid van het intermediaire (cf. regionale) beheersniveau met de andere beheersniveaus wordt hieronder

geïllustreerd

aan

de

hand

van

een

beschrijving

van

de

organisatie

van

het

gemeenschapsonderwijs. Tot de eerste januari van 1989 was de minister van Onderwijs de inrichtende macht van het Rijksonderwijs in elk van de drie Belgische Gemeenschappen (Magits & Veny, 1993). Na 1989 werd deze structuur in de Vlaamse Gemeenschap gewijzigd. In het Vlaamse deel van het land wordt het gemeenschapsonderwijs nu georganiseerd door het Gemeenschapsonderwijs (vroeger de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO)), opgericht door het Bijzonder Decreet van 19 december 1989.

De inrichtende macht is daarbij niet langer de gemeenschapsminister maar het

gemeenschapsonderwijs. Om o.m. het gemeenschapsonderwijs in staat te stellen zich aan te passen aan het vernieuwde concept van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs werd het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs gestemd. Een gevolg van dit decreet is de vervanging van de ARGO door een nieuw publiek orgaan, namelijk het Gemeenschapsonderwijs. Dit bijzonder decreet stipuleert een belangrijke overgang van een structuur met twee niveaus naar een structuur met drie niveaus: de school (lokaal niveau), de scholengroep (midden niveau) en Vlaanderen (centraal niveau). Spilfiguur op het schoolniveau zijn de directeur en de schoolraad die per school georganiseerd wordt. Een schoolraad telt 8 leden (3 leden verkozen door en uit ouders, 3 leden verkozen door en uit het personeel en 2 leden gecoöpteerd uit sociale, economische en culturele milieus) en de directeur. De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij en heeft een adviserende stem. De schoolraad heeft advies- en overlegbevoegdheid en informatierecht over de beslissingen die het schoolleven beïnvloeden. De directeur en de schoolraad zijn tezamen bevoegd voor de algemene en pedagogische organisatie en voor personeelszaken (zoals aanwending van lestijden, veiligheid op school en het schoolreglement). Schoolraden binnen hetzelfde onderwijsniveau en gesitueerd op dezelfde campus kunnen vrijwillig samensmelten.

Naast de schoolraden is er in elke gemeenschapsschool ook een

Pedagogisch College, bestaande uit leden van het administratief en onderwijspersoneel. Dit orgaan heeft hoofdzakelijk een adviserende functie en de bevoegdheid om beslissingen te nemen omtrent “huiswerk, taken en testen”. Beslissingsbevoegdheden liggen grotendeels bij het mesoniveau, bij de scholengroep. Een scholengroep bestaat uit verschillende scholen van alle niveaus in eenzelfde stad op streek, eventueel aangevuld met een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Op dit niveau wordt het onderwijsbeleid concreet gestalte gegeven. De scholengroep heeft de bevoegdheid van inrichtende macht en wordt bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een algemeen directeur en een college van directeurs.


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

De algemeen directeur voert het dagelijkse beheer van de scholengroep. Eén van de directeurs van de scholen van de scholengroep wordt door de raad van bestuur benoemd tot algemeen directeur. De algemeen directeur heeft beslissings- en managementbevoegdheid op vlak van de scholengroep. Hij beslist bij spoedeisende omstandigheden. Deze beslissingen moeten achteraf wel door de raad van bestuur bekrachtigd worden. De raad van bestuur telt 10 leden. 6 leden worden verkozen door de leden van de schoolraden en deze leden coöpteren 3 leden op voorstel van het college van directeurs. Daarnaast is er de algemeen directeur met raadgevende stem. Algemeen beleid, pedagogisch beleid, personeelsbeleid en materieel en financieel beleid op het niveau van de scholengroep behoren tot de bevoegdheid van de raad van bestuur. Daarenboven heeft de raad van bestuur alle bevoegdheden die niet zijn toevertrouwd aan andere administratieve organen. In de algemene vergadering zetelen per schoolraad 2 afgevaardigden (1 afgevaardigde aangeduid door en uit de ouders (of de gecoöpteerde leden) en 1 afgevaardigde aangeduid door en uit de personeelsleden). De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur. De bevoegdheid van de algemene vergadering ligt op het vlak van het bekrachtigen van de begroting, de jaarrekening en de aanstelling van de algemeen directeur door de raad van bestuur. Het college van directeurs, bestaande uit alle directeurs van de scholen, vormt de brug tussen de scholen en de scholengroep, en zorgt voor het beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend werk. De algemeen directeur is voorzitter van het college. Hij staat tevens in voor het dagelijks bestuur van de scholengroep. Op het centrale niveau situeren zich het bewaken van de grondwettelijke waarborgen, o.m. inzake de vrije keuze, het bewaken van de taken van de openbare dienst, de algemene kwaliteitszorg, de ondersteuning van de scholen en de scholengroepen en de toewijzing van de middelen voor de investeringen en de grote infrastructuurwerken.

Deze

bevoegdheden

worden

uitgeoefend

door

de

Raad

van

het

Gemeenschapsonderwijs en de afgevaardigd-bestuurder die het dagelijkse beheer en beleid voert en de centrale administratie leidt (ARGO, 2004; MVG, 1998f). De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bestaat uit 15 niet-bezoldigde mandaatfuncties: 5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit rechtstreeks verkozen ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraden, 5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de directeurs en de door het personeel verkozen leden van de schoolraden, 3 leden aangeduid door de drie Vlaamse universiteiten met een pedagogische faculteit, op gezamenlijke voordracht van de faculteiten pedagogie, economie en rechten, en 2 leden gezamenlijk aangeduid door de Vlaamse Autonome Hogescholen. De Afgevaardigd-Bestuurder heeft een raadgevende stem in de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. Hij is namens de Raad belast met het dagelijkse beheer en beleid. Binnen het kader van de bevoegdheden van de Raad heeft hij beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende bevoegdheden. De AfgevaardigdBestuurder treedt op in spoedeisende gevallen, maar moet zijn beslissing laten bekrachtigen op de eerstkomende vergadering van de Raad.

Tevens ressorteert de centrale administratie onder zijn

bevoegdheid.

23


Vlaams Eurydice rapport 2003

2.6.3.

Algemene beheer op lokaal vlak

De belangrijkste beheersorganen op lokaal vlak zijn individuele scholen, hun inrichtende machten en scholengemeenschappen. 2.6.3.1.

De school en de directie

De school is een pedagogisch geheel dat bestaat uit één of meerdere vestigingsplaatsen. Ze staat onder leiding van een directie die de leidinggevende is van de personeelsleden in de school. Zowel de directeur als de leraars zijn echter onderworpen aan de autoriteit van de inrichtende macht van de school. Op het vlak van personeelszaken houdt de directeur zich voornamelijk bezig met het selecteren en aanwerven van tijdelijk personeel, het voorbereiden van vaste benoemingen, het invullen van de concrete taakinvulling van elk personeelslid met de daaraan gekoppelde functieomschrijving, begeleiding en evaluatie, het in kaart brengen van de nascholingsbehoeften bij zijn personeel en dergelijke. 2.6.3.2.

Inrichtende machten en schoolbesturen

De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van één of meerdere scholen. Ze kunnen de vorm aannemen van een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. De inrichtende macht werft de directie en leraren aan en ontvangt de werkingsmiddelen voor de school van het departement Onderwijs. Ze huurt of bezit de schoolgebouwen. De inrichtende macht werkt voor de school/scholen die zij onder haar bevoegdheid heeft een pedagogisch project uit. Een inrichtende macht van een basisschool wordt een schoolbestuur genoemd (MVG, 2004). 2.6.3.3.

Scholengemeenschappen

Een scholengemeenschap is een verzameling van verschillende scholen van een zelfde onderwijsniveau (basis- of secundair onderwijs) die samenwerken op diverse vlakken (logistiek, studieaanbod, …). Dat kunnen scholen zijn met eenzelfde of verschillende inrichtende machten en ze behoren tot eenzelfde of verschillend onderwijsnet. Het Decreet van 14 juli 1998 bepaalt een opdeling in 44 geografische onderwijszones,

waarbinnen

de

scholengemeenschappen

kunnen

geordend

worden.

Een

scholengemeenschap valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken inrichtende macht(en) en wordt beheerd op de wijze waartoe, naargelang, van het geval, de enige betrokken inrichtende macht heeft beslist dan wel de diverse betrokken inrichtende machten zich bij schriftelijke overeenkomst hebben verbonden (art. 65). Scholengemeenschappen werden door de overheid in de eerste plaats in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat leerlingen gemakkelijker doorstromen van de ene school naar de andere en studiekeuzes kunnen maken die aanleunen bij hun wérkelijke interesses. In het kader hiervan wordt er nauw samengewerkt met de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s). Rond een aantal themata heeft de decreetgever uitdrukkelijke bevoegdheden aan de scholengemeenschappen toevertrouwd. Deze bevoegdheden nemen de vorm aan van verplichte afspraken, een verplichte adviesformulering of een optie op een samenwerkingsakkoord (Omzendbrief : Scholengemeenschappen secundair onderwijs. SO 62, publicatiedatum : (30/04/1999)). Er worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt inzake personeelsbeleid (criteria voor het rekruteren, functioneren en evalueren van personeelsleden) en de scholengemeenschap brengt advies uit inzake investeringen in schoolaccommodatie en infrastructuur.

Bijkomende


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

bevoegdheden kunnen afgesproken worden zoals de overdracht van lestijden tussen de scholen onderling en de samenwerking met scholen uit andere onderwijssectoren of onderwijsnetten. De administratieve voordelen voor scholen die participeren aan een scholengemeenschap zijn o.a. bijkomende financiële stimuli, de mogelijkheid om uren over te dragen tussen de scholen onderling, de toewijzing van specifieke taken naar het niveau van de scholengemeenschap en het gezamenlijk inzetten van administratief personeel op het niveau van de scholengemeenschap (Decreet van 14 juli 1998). 2.6.4.

Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer

De onderstaande secties handelen over de voornaamste administratieve ambten en bestuursorganen van de onderwijsinstellingen. Het schoolbeheer in zowel het basis- en secundair onderwijs, het hoger onderwijs als het universitair onderwijs wordt respectievelijk bestudeerd. 2.6.4.1.

Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in het kleuter-, lager en secundair onderwijs

In onderstaande paragrafen worden verschillende aspecten van schoolmanagement besproken, waaronder schoolbestuur op lokaal niveau, bevoegdheden, benoemen en rekruteren van personeel en elementen van organisatie en planning. 2.6.4.1.1.

Bestuur op lokaal niveau: bestuursorganen en - ambten

De Schoolpactwet geeft de inrichtende machten de verantwoordelijkheid voor de organisatie van onderwijs, ofschoon hun functie niet in meer specifieke termen is beschreven door de wet.

De

beheersfunctie van de inrichtende macht wordt meestal gedeeld of zelfs in grote mate uitgeoefend door de schooldirecteur. Verder zijn er de participatieraden in het gesubsidieerd onderwijs en schoolraden in het gemeenschapsonderwijs (Heyvaert & Janssens, 2001). Binnen het kleuteronderwijs wordt het hoofd van de school ‘directeur’ genoemd.

De meeste

kleuterschoolinrichtingen maken deel uit van een basisschool die eveneens lager onderwijs aanbiedt. Veel directeurs van dergelijke instellingen hebben nog steeds onderwijstaken. Enkel in scholen met minstens 180 leerlingen heeft de directeur geen onderwijstaken. In het secundair onderwijs heeft de directeur nooit onderwijstaken. Werkingsmiddelen voor bijkomende beleidsondersteuning zijn voorzien, afhankelijk van het aantal leerlingen op school. In het geval van een fusie tussen basisscholen wordt een adjunct-directeur aangesteld (Decreet van 25 februari 1997). Er is tevens in de mogelijkheid voorzien om van een directiefunctie een duobaan te maken (Onderwijsdecreet XIV). Verder zijn er in het secundair onderwijs de ambten van directiesecretaris, beheerder, opvoederhuismeester, onderdirecteur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur en intern pedagogische begeleider. De ambten van directeur, beheerder en technisch adviseur-coördinator worden officieel bevorderingsambten genoemd, de andere worden als selectieambten omschreven. Beide soorten ambten bestaan naast de wervingsambten, met name de leerkrachten (Heyvaert & Janssens, 2001). Algemene omschrijvingen van deze ambten zijn enkel voor het gemeenschapsonderwijs voorzien bij wet. Als resultaat van overleg zijn er algemene - maar niet-bindende - omschrijvingen van dergelijke administratieve ambten opgesteld in het gesubsidieerd onderwijs (Devos, e.a., 1987).

25


Vlaams Eurydice rapport 2003

2.6.4.1.2.

Bevoegdheden

De inrichtende macht wordt door de wet gezien als de initiatiefnemer van de school en is verantwoordelijk voor het functioneren van de school. Zij is tevens verantwoordelijk voor het opstellen van het pedagogische project van de school. Haar vrijheid inzake onderwijsmethoden en onderwijsconcept is wettelijk gegarandeerd. Op voorwaarde dat een minimaal lessenrooster wordt gerespecteerd en het leerplan is goedgekeurd kan de school worden gefinancierd of gesubsidieerd. De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor de rekrutering en benoeming van personeel en ontvangen financiële middelen van de overheid. Zij bezitten of huren de schoolinfrastructuur (Heyvaert & Janssens, 2001). In het gemeenschapsonderwijs is de bevoegdheid van de inrichtende macht verdeeld tussen het centrale niveau (Raad van het Gemeenschapsonderwijs) en het intermediaire niveau (de scholengroepen). Op lokaal niveau draagt de directeur de beslissingsbevoegdheid, bijgestaan door de schoolraad. Deze heeft een adviserende functie en is bijvoorbeeld gemachtigd om advies te geven omtrent de algemene organisatie van de school, de werving van leerlingen of cursisten, het schoolbudget, het schoolwerkplan,... De schoolraden hebben echter geen beslissingsbevoegdheid. Deze komt grotendeels bij de scholengroepen te liggen op een intermediair niveau. De Algemene Vergadering en de Raad van Bestuur van de scholengroepen zijn bevoegd als inrichtende macht van de betreffende scholengroepen. Op het lokale niveau is de directeur verantwoordelijk voor schoolgebonden zaken. Verder is er de participatieraad in gesubsidieerde scholen, bestaande uit de directeur en vertegenwoordigers van de inrichtende macht, het personeel en de ouders.

Deze raad heeft ten minste

adviesbevoegdheid ten aanzien van de algemene organisatie en werking van de school, de planificatie en de algemene criteria met betrekking tot de begeleiding en evaluatie van leerlingen; en op zijn minst de overlegbevoegdheid (waarbij er naar een consensus wordt gestreefd) wat betreft de criteria voor aanwending van lestijdenpakket, de opstelling en wijziging van de schoolreglementen, het leerlingentransport en de veiligheid en gezondheid van de leerlingen.

Bijkomende rechten en

bevoegdheden kunnen worden toegewezen en zijn gedefinieerd door de wet, zoals bijvoorbeeld het beleid met betrekking tot de rekrutering van de leerlingen, het informeren van de ouders of de schoolinfrastructuur (Decreet van 23 oktober 1991 (a)). De directeur is verantwoordelijk voor het bestuur van de school en staat aan het hoofd van de beperkte administratieve staf (indien voorhanden).

Hij staat in voor de registratie van de leerlingen, hun

administratieve dossiers en voor de dossiers van zijn personeelsleden. De directeur is bij delegatie medeverantwoordelijk voor de beslissingen over de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, minstens éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële situatie van de school en stelt hij het budget voor het volgend jaar voor. Hij is ook verantwoordelijk voor het materieel beheer van de school, voor het onderhoud en de herstellingen wanneer nodig en voor de aankoop van schooluitrusting, de opstelling van leraars- en leerlingenreglementen, de orde en tucht op school, enzovoort (Devos, e.a., 1987). De directeur neemt de verantwoordelijkheid voor de coördinatie op het schoolniveau door onder andere: persoonlijk contact met het personeel te (onder)houden; klassen te bezoeken;


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

de organisatie van personeelsvergaderingen omtrent pedagogische kwesties, de keuze van didactisch materiaal en onderwijsmethoden; deel te nemen aan de begeleiding van nieuwe leerkrachten of deze te organiseren; de evaluatie van leerplannen en de voorbereiding van de lessen; nascholingsactiviteiten te ontwikkelen en te stimuleren; de participatieraad voor te zitten in het gesubsidieerd onderwijs en de vergaderingen van de schoolraad voor te bereiden in het gemeenschapsonderwijs; het toezicht op het administratief personeel. De directeur speelt een centrale rol bij de selectie van nieuw onderwijzend en ander personeel dat benoemd wordt door de inrichtende macht. Hij is ook verantwoordelijk voor alle contacten naar buiten toe (met de inspectie, pedagogische begeleidingsdiensten, ouders, de lokale gemeenschap,...) en voor de public relations van de school in het algemeen (Michielsens, 1998). De onderdirecteur is de directe medewerker van de directeur en staat hem bij in overeenstemming met zijn kwalificatie, met betrekking tot o.a. de coördinatie van het onderwijs en de leerplannen, de dagroosters voor lessen en taken en andere activiteiten van het personeel. Hij vervangt de directeur bij diens afwezigheid, organiseert het toezicht op de leerlingen buiten de lesuren; hij kan verantwoordelijk zijn voor het goed functioneren van de schoolbibliotheek, enzoverder. De directiesecretaris is verantwoordelijk voor administratieve taken die de directeur hem toevertrouwt (KB van 15 juli 1969 en van 23 november 1970). De beheerder is verantwoordelijk voor het materieel en boekhoudkundig beheer in een onderwijsinstelling die een internaat heeft.

De opvoeder-huismeester voert de taken met betrekking tot het

materieel en boekhoudkundig beheer uit die de beheerder hem toevertrouwt of hij heeft de taken van de beheerder in de scholen waar het ambt van beheerder niet bestaat (KB van 15 juli 1969). In het beroepsen technisch onderwijs coördineert de werkmeester de activiteiten van het onderwijzend personeel met betrekking tot de beroepspraktijken waar hij verantwoordelijk voor is. Hij houdt het toezicht op het beheer van de technische uitrusting.

Een werkplaatsleider coördineert de activiteiten van de

werkmeesters in scholen waar er minstens drie werkmeesters zijn (Devos, e.a., 1987). Recent werd de term werkmeester vervangen door technisch adviseur en de term werkplaatsleider vervangen door technisch adviseur-coördinator (Decreet van 14 juli 1998). De taken van de intern pedagogische begeleider vertrekken vanuit het pedagogisch project en het schoolwerkplan van de school. Zijn opdracht heeft betrekking op de pedagogische en opvoedkundige onderwijsmateries en de daarmee verbonden organisationele taken. Hij ziet toe op de realisatie van het pedagogisch project van de school en meer algemeen legt hij zich toe op de zorg voor de onderwijskwaliteit. Zo participeert hij in het pedagogisch beleid en het beheer van de school en bevordert hij de ‘schoolcultuur’ (bv. de bevordering van de interne en externe communicatie op schoolniveau). Elke school zal deze algemene taken specificeren.

Hij kan alle vormen van leerlingenbegeleiding

coördineren en een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de voorbereiding van en het verloop van de vergaderingen van de klassenraad - die bestaat uit de leden van het onderwijzend personeel van een klas en die alle beslissingen en verantwoordelijkheden neemt met betrekking tot de

27


Vlaams Eurydice rapport 2003

evaluatie van de leerlingen - en de nazorg ervan. Ook kan hij een belangrijke contactpersoon zijn voor ouders en leden van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s). Andere mogelijke taken zijn de begeleiding van nieuwe leerkrachten, de organisatie van werkgroepen van leerkrachten, de voorbereiding van diverse pedagogische activiteiten,... (VVKSO, 1994). 2.6.4.1.3.

Benoeming en rekrutering

Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs brengt een wijziging aan in de wettelijke status van de directeur. Ook in de andere onderwijsnetten is dit het geval. Een nieuwe directeur zal namelijk niet langer permanent benoemd worden. In de plaats daarvan zullen zij benoemd worden bij mandaat voor een bepaalde duur. De modaliteiten zijn vastgelegd in het Decreet betreffende het onderwijs XI van 18 mei 1999. De startdatum was oorspronkelijk vastgelegd op 1 september 2000 maar is ondertussen uitgesteld, behalve voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding waar elke nieuwe directeur reeds vanaf 1 september 2000 bij mandaat benoemd wordt (Heyvaert & Janssens, 2001). De wijze van rekrutering kan aanzienlijk verschillen, afhankelijk van het beleid van de inrichtende macht. Soms worden er formele examens georganiseerd (mondeling of schriftelijk). Wettelijk is een benoeming in het basisonderwijs mogelijk wanneer aan twee voorwaarden is voldaan: de kandidaat moet een diploma van kleuterleid(st)er of onderwijzer, of een EU-diploma dat voldoet aan de EU-richtlijnen hebben en 10 jaar dienst (Devos, e.a., 1987). In het secundair onderwijs moet de kandidaat beschikken over een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs om les te geven en de laatste evaluatie mag niet ‘onvoldoende’ zijn. Sommige inrichtende machten stellen ook als eis (een bewijs van) de deelname aan bepaalde nascholingsprogramma’s.

Met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs zijn er geen

bijkomende kwalificaties geformuleerd, zoals het gevolgd hebben van een voorbereidende cursus, houder zijn van een specifiek bekwaamheidsbewijs,... (Michielsens, 1998). Voor de andere selectieambten en bevorderingsambten zijn er gelijkaardige vereisten vastgelegd: het vereiste diploma, de vereiste bekwaamheden en geen onvoldoende als eindconclusie van de beoordeling of evaluatie. Tot voor kort moesten de kandidaten ook minstens halftijds vast benoemd zijn in de betrokken personeelscategorie in het gemeenschapsonderwijs. Deze voorwaarde is geleidelijk (eerst voor het secundair onderwijs en het Onderwijs voor Sociale Promotie en recent door Onderwijsdecreet XIII (van 13 juni 2001) ook voor de andere onderwijsvormen en niveaus) afgeschaft. 2.6.4.1.4.

Organisatie en planning

De directeur is verantwoordelijk voor het opstellen van een schoolwerkplan en een leerplan. In het buitengewoon onderwijs is ook een handelingsplan vereist. Een leerplan formuleert in het algemeen de doelen voor de leerlingen op basis van het pedagogische project en meer in het bijzonder de schoolvisie op de inhoud van de onderwezen vakken.

Een handelingsplan bestaat uit een pedagogische en

opvoedkundige planning voor één of meerdere leerlingen uit het buitengewoon onderwijs voor een welbepaalde periode.

Het integreert de sociale, medische, psychologische en orthopedagogische

begeleiding in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 25 februari 1997). In het schoolwerkplan wordt het pedagogisch project beschreven. In feite behandelt het alle aspecten die belangrijk zijn om de visie van de school op onderwijs te implementeren, zoals de organisatie van de school, de opdeling van de


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

leerlingen, de manier van beoordelen en rapporteren, nascholing, het schoolreglement, enzovoort. Eventueel worden zowel voorzieningen voor leerlingen met een handicap of met leermoeilijkheden gedefinieerd als zaken zoals de vorm van samenwerking met andere scholen van het gewoon en buitengewoon onderwijs. Naast dit alles, bevat het schoolwerkplan een variabel deel dat bestaat uit een werkplanning voor een zekere tijdsperiode waarbij bepaalde prioriteiten worden vooropgesteld als iets ‘waaraan moet gewerkt worden’ (VSKO, 1998). Er is in het basisonderwijs geen verplichte indeling in jaren, vakken en graden meer; verplichte lessenroosters behoren tot het verleden. Behalve de verplichting om een schoolwerkplan op te stellen, geniet het schoolbestuur heel wat vrijheid in het organiseren van onderwijs. Het is bijvoorbeeld mogelijk om met een andere indeling te werken dan met het jaarklassensysteem, met als gevolg dat het onderwijsaanbod meer gedifferentieerd kan worden en worden aangepast aan de specifieke leerlingengroepen. In de hervorming van het secundair onderwijs wordt de lokale autonomie van de school bevorderd; de centraal opgelegde lessenroosters worden achterwege gelaten zodat er meer ruimte is voor een aanpassing aan de noden van de leerlingen. Er zijn ook mogelijkheden tot de integratie van vakken en leerplannen die een hele graad omvatten. Enkel de eindtermen en een minimale lessenrooster voor de basisvorming worden door de overheid vastgelegd. In het buitengewoon onderwijs zijn er meer mogelijkheden voor differentiatie omwille van de vervanging van het jaarklassensysteem door een flexibel systeem van leerlingengroepen waarbij er meer aandacht uitgaat naar de individuele noden van de leerlingen. In het buitengewoon onderwijs moet ook een groepswerkplan worden geïntegreerd in het schoolwerkplan; het plant het onderwijs voor een groep leerlingen met gelijkaardige handicaps. Ook wordt er een aantal uren voor paramedische, medische, sociale, psychologische en orthopedagogische begeleiding voorzien. Verder definieert elke school haar schoolreglement dat de relaties regelt tussen de school enerzijds en de leerlingen en ouders anderzijds. Dit reglement omvat bijvoorbeeld een tuchtreglement, regelingen i.v.m. huiswerk, agenda’s, rapporten,... 2.6.4.2.

Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de hogescholen

Het Decreet van 13 juli 1994 met betrekking tot de hogescholen definieert de administratieve organisatie van de hogescholen. Het decreet maakt daarbij onderscheid tussen gefinancierde hogescholen (publieke instellingen) en gesubsidieerde hogescholen (private en provinciale instellingen). 2.6.4.2.1.

Algemene beheersstructuren en administratieve ambten

Voor wat betreft de gefinancierde hogescholen is er een Raad van Bestuur, bestaande uit (1) de vertegenwoordigers van de verschillende categorieën van het personeel, verkozen voor 4 jaar door het personeel, (2) vertegenwoordigers van de studenten, verkozen voor 2 jaar door de studenten, en (3) de vertegenwoordigers van de inrichtende macht en/of de vertegenwoordigers van de socio-economische en culturele milieus (ook voor een termijn van 4 jaar). De algemeen directeur - de directeur van de hogeschool - heeft een adviserende stem in deze raad. De Raad van Bestuur bepaalt het administratief

29


Vlaams Eurydice rapport 2003

reglement, het examen- en tuchtreglement, stelt het budget op, benoemt het personeel, stelt het kader op voor de organisatie en coördinatie van de taken van de onderwijsinstelling,... Het Bestuurscollege bestaat uit de voorzitter van de Raad van Bestuur, de algemeen directeur en 3 vertegenwoordigers van het personeel, allen voor 4 jaar door de raad van bestuur benoemd. Het Bestuurscollege is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur en de voorbereiding, het openbaar maken en de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Bestuur, voor het financieel beheer binnen de lijnen die door de Raad van Bestuur zijn uitgezet, de benoeming van het lager administratief en technisch personeel en vele andere materies die niet expliciet door de wet worden toegewezen aan andere administratieve organen of ambten (Decreet van 13 juli 1994). De algemeen directeur wordt benoemd (en eventueel ontslagen) door de Raad van Bestuur. Hij is verantwoordelijk voor het bestuur van de instelling en staat aan het hoofd van het administratief en ander personeel (bv. de ambtenaar voor internationale relaties). Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van ieder van zijn personeel. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de school en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor.

Verder is hij ook

verantwoordelijk voor de materiële toestand van de school, voor onderhoud en herstellingen en voor de aankoop van schooluitrusting. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van het nieuwe onderwijzend en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten (met de inspectie, de lokale gemeenschap, de arbeidsmarkt...) en in het algemeen voor de public relations van de school. De onderwijsinstellingen moeten hun eigen aanwervingsprocedures voor het directeursambt organiseren. Het ambt mag worden ingevuld door een lid van het permanente onderwijzend personeel of door middel van externe rekrutering. De benoemingsvoorwaarden zijn gelijkaardig aan die van het onderwijzend personeel. Net als in het basis- en secundair onderwijs is er nascholing voor directeurs mogelijk. Verder garandeert het Decreet van 13 juli 1994 de gesubsidieerde hogescholen beleidsorganen, zoals een Academische Raad, met hoofdzakelijk adviserende taken naar het Hogeschoolbestuur toe (het Hogeschoolbestuur wordt niet verder gedefinieerd door het decreet). Het Hogeschoolbestuur moet de Academische Raad informeren over alle aangelegenheden omtrent de onderwijsinstelling.

De

Academische Raad bestaat uit de verkozen vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur en het personeel (voor 4 jaar), en de studenten (voor 2 jaar).

Deze raad heeft het informatierecht, de

adviesbevoegdheid (op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden (ook bijvoorbeeld het onderzoeksbeleid,...). Daarnaast heeft de raad de overlegbevoegdheid (het nemen van een beslissing op eigen initiatief of op vraag van het Hogeschoolbestuur, die in geval van consensus zal worden uitgevoerd door het Hogeschoolbestuur) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden als daar zijn: het financieel beleid, het beleid inzake onderwijs en examinering, de organisatie van studiebegeleiding,... Elke hogeschool moet een studentenraad oprichten, die uit tenminste 8 en ten hoogste 16 verkozen studenten bestaat. De Raad van Bestuur en het Bestuurscollege (binnen de gefinancierde hogescholen) of


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

het Hogeschoolbestuur (binnen de gesubsidieerde hogescholen) overleggen op voorhand met de studentenraad over alle aangelegenheden die van direct belang zijn voor de studenten (bv. regelingen i.v.m. onderwijs en examinering, de evaluatie van het onderwijzend personeel,...). De studentenraad kan nochtans ook op eigen initiatief advies geven (Decreet van 13 juli 1994). Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden beschikt elke hogeschool en elk departement van die instelling over een onderhandelingscomité (resp. HOC en DOC), bedoeld om de relaties tussen de werkgever en de vakbonden van het personeel te regelen.

In een gefinancierde hogeschool bestaat het

hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) uit de vertegenwoordigers van de Raad van Bestuur en de vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel. In gesubsidieerde hogescholen bestaat deze raad uit de vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur en die van het personeel (Decreet van 13 juli 1994). 2.6.4.2.2.

Beheersstructuren en ambten op een lager niveau

Elke hogeschool, zowel een gefinancierde als een gesubsidieerde, is onderverdeeld in departementen. In de gefinancierde hogescholen bestaat er voor elk departement een departementsraad die dezelfde partijen bevat als de Raad van Bestuur (met dezelfde ambtstermijnen, maar met een andere proportionele samenstelling). Deze raad verkiest het hoofd van het departement die de raad voorzit voor 4 jaar. De departementsraad organiseert het aanbod van onderwijs, de projecten voor wetenschappelijke onderzoek en de dienstverlening aan de samenleving. Deze raad is o.a. verantwoordelijk voor de vaststelling van onderwijsprogramma’s en examens, de organisatie van de onderzoeksprogramma’s, de aanwending van de financiële middelen en het personeel, de aanwerving van tijdelijk personeel en de voorstelling van kandidaten voor een vaste benoeming, de interne organisatie van het departement, de jaarlijkse opstelling van voorstellen van budget, enzovoort (Decreet van 13 juli 1994). In een gesubsidieerde hogeschool moet er een departementale raad worden opgericht voor elk departement, bestaande uit het hoofd van het departement als de voorzitter van de raad, de verkozen vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, de vertegenwoordigers van de studenten en van de socio-economische en culturele milieus. Deze raad heeft het informatierecht voor alle aangelegenheden op het niveau van het departement en kan advies geven op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief omtrent een hele waaier van materies op het niveau van het departement (Decreet van 13 juli 1994). In gefinancierde hogescholen bestaat het departementaal onderhandelingscomité (DOC) uit de vertegenwoordigers van de departementsraad en van het personeel.

In gesubsidieerde hogescholen

bestaat deze raad uit de vertegenwoordigers van het departementsbestuur en van het personeel (Decreet van 13 juli 1994). 2.6.4.3.

Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer op het niveau van de universiteiten

Elke universiteit is in principe verantwoordelijk voor de oprichting van haar eigen interne organisatie. De beleidsstructuur van de Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven) zal hier als voorbeeld worden genomen samen met deze van de Universiteit Gent (Bijzonder Decreet van 26 juni 1991).

31


Vlaams Eurydice rapport 2003

2.6.4.3.1.

Algemene beheersstructuren en administratieve ambten

Eerst en vooral heeft de Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven) een inrichtende macht die de opdrachtsverklaring van de universiteit goedkeurt en het organiek reglement van de universiteit vastlegt, beide na advies van de Academische Raad. Verder is de inrichtende macht verantwoordelijk voor de oprichting, het statuut en het behoud van de faculteit theologie en godsdienstwetenschappen.

De

inrichtende macht benoemt en ontslaat de rector en de algemeen beheerder (KU Leuven, 1996). Het Bijzonder Decreet betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen (nu Universiteit Antwerpen (Decreet van 22 december 1995)) van 26 juni 1991 hevelt de inrichtende macht over van de Vlaamse regering naar beide universitaire instellingen. Aan de Katholieke Universiteit Leuven bestuurt de Raad van Beheer de universiteit en vertegenwoordigt haar naar buiten toe. Deze raad is o.a. bevoegd om het budget en de rekeningen en het gewoon, personeels- en studentenreglement vast te leggen. Dit gebeurt na advies van de Academische Raad. De Raad van Beheer is verantwoordelijk voor het financieel beheer van de universiteit en het personeelsbeleid

(benoemingen,

aanwervingen,...)

en

kijkt

toe

op

de

vervulling

van

de

opdrachtsverklaring van de universiteit. Hij bestaat uit de rector, de algemeen beheerder, de leden van het Gemeenschappelijk Bureau en andere leden die verkozen worden voor 5 jaar.

Verder is er een

Academische Raad die het beleid bepaalt en coรถrdineert inzake onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Hij organiseert ook de verkiezing van de rector en benoemt de leden van het Gemeenschappelijk Bureau. De Academische Raad geeft advies aan de Raad van Beheer op eigen initiatief of op vraag van deze laatste, met betrekking tot aangelegenheden waarvoor de Raad van Beheer bevoegd is, zoals het personeels- en financieel beleid, reglementen, enzovoort. Naast de rector, de algemeen beheerder en de leden van het Gemeenschappelijk Bureau zijn de decanen van de faculteiten lid van de Academische Raad. Deze raad bevat ook vertegenwoordigers van het assisterend academisch personeel (AAP) en van de studenten en eventueel leden van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) (KU Leuven, 1996). Het Gemeenschappelijk Bureau bestaat uit de rector, de algemeen beheerder en andere leden. Dit orgaan is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de universiteit, bereidt de vergaderingen van de Academische Raad en de Raad van Beheer voor, dient voorstellen in en is verantwoordelijk voor de uitvoering van hun beslissingen (KU Leuven, 1996). De Raad van Bestuur is het belangrijkste administratieve orgaan aan de Universiteit Gent (RUG). Het bestaat uit de rector, de vice-rector, de vertegenwoordigers van het academisch personeel en van het administratief en technisch personeel, de vertegenwoordigers van de studenten en ten slotte vertegenwoordigers gekozen uit openbare instanties, politieke, sociaal-economische en culturele milieus, rekening houdend met het profiel van de universiteit (Bijzonder Decreet van 18 mei 2001). Het mandaat van de leden van deze raad duurt 4 jaar, uitgezonderd de vertegenwoordigers van de studenten die voor een termijn van 2 jaar zijn verkozen. Verder is er aan de Universiteit Gent een Bestuurscollege, bestaande uit de rector, de vice-rector en enkele verkozen vertegenwoordigers van de verschillende groepen binnen de Raad van Bestuur. Dit orgaan is belast met alle aangelegenheden die bij decreet niet aan de Raad van Bestuur zijn toegewezen. Het Bestuurscollege bereidt de vergaderingen van de Raad van Bestuur voor, maakt diens beslissingen


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

bekend en voert ze uit; hij is verantwoordelijk voor de aanstelling van het assisterend academisch personeel (AAP), de aanwending van de financiële middelen binnen de lijnen van het financieel plan dat door de Raad van Bestuur is uitgetekend, de vaststelling van vacante ambten,... Het Bestuurscollege is voor zijn beslissingen verantwoording verschuldigd aan de Raad van Bestuur (Decreet van 13 juli 1994). Aan de Universiteit Gent vormen de beheerders en andere benoemde leden het Directiecollege onder leiding van de rector en de vice-rector. Dit college is belast met het dagelijks administratief, technisch en financieel beheer van de universiteit en de coördinatie van de werking van de administratieve diensten (Decreet van 13 juli 1994). Het Decreet op de universiteiten van 12 juni 1991 garandeert de participatie van studenten in de besluitvorming van een universiteit. Elke universiteit moet een studentenraad oprichten, zoals in de hogescholen, indien de studenten niet vertegenwoordigd zijn in het hoogste orgaan van de universiteit dat over aangelegenheden beslissingen neemt die van direct belang zijn voor de studenten (Decreet van 13 juli 1994). Wat betreft de arbeidsvoorwaarden hebben de gesubsidieerde universiteiten in overeenstemming met de nationale arbeidswetgeving een ondernemingsraad (bij minimum 100 werknemers) en/of een comité voor preventie en bescherming op het werk (bij minimum 50 werknemers), net zoals alle andere privéinstellingen. 2.6.4.3.2.

Belangrijke ambten aan de top

De rector is verantwoordelijk voor het beheer van de universiteit en staat aan het hoofd van het personeel. Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van elk personeelslid. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent het gebruik van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de universiteit en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van nieuwe docenten en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd.

Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten en in het

algemeen voor de public relations van de universiteit. De rector moet worden verkozen onder de gewoon hoogleraren. Aan de Katholieke Universiteit Leuven wordt hij verkozen door de leden van de faculteitsraden, elke 5 jaar. Het ambt van rector kan éénmaal worden vernieuwd.

Hij wordt benoemd door de inrichtende macht (KU Leuven, 1996).

Aan de

Universiteit Gent wordt de rector verkozen door de leden van de faculteitsraden en benoemd door de Vlaamse regering voor een termijn van 4 jaar die tweemaal kan worden vernieuwd (Decreet van 26 juni 1991). 2.6.4.3.3.

Beheersstructuren en ambten op een lager niveau

In algemene termen wordt de coördinatie van het onderwijsaanbod en het wetenschappelijk onderzoek gesitueerd op het niveau van de faculteiten. Aan de Katholieke Universiteit Leuven staan drie groepen (menswetenschappen, exacte wetenschappen en biomedische wetenschappen) in voor de bevordering van de samenwerking tussen de betrokken faculteiten. De voorzitter van de groep en de betrokken decanen vormen een groepsraad.

33


Vlaams Eurydice rapport 2003

Op het niveau van de faculteiten van de Katholieke Universiteit Leuven is er de Faculteitsraad die bestaat uit het zelfstandig academisch personeel (ZAP), de vertegenwoordigers van het assisterend academisch personeel (AAP) en de vertegenwoordigers van de studenten. Aan de RUG is ook het administratief en technisch personeel vertegenwoordigd in de faculteitsraad. De vertegenwoordigers worden verkozen. Aan de Katholieke Universiteit Leuven is de faculteitsraad bevoegd om onderwijsprogramma’s op te stellen, het onderwijsaanbod te organiseren en te evalueren, om studiebegeleiding te organiseren en te evalueren, om examens te organiseren, te controleren en te evalueren, om de departementen te coördineren en te stimuleren met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, om een budget op te stellen, om de van de Raad van Beheer gekregen financiële middelen voor het personeel te verdelen, de werking en de accommodatie, en zo verder (KUL, 1996). Het bureau van de faculteit staat in voor het dagelijkse bestuur van de faculteit. Het bestaat uit de decaan, de academisch secretaris en enkele leden van de faculteitsraad. Aan de Universiteit Gent (RUG) heeft de Raad van Bestuur de bevoegdheid om de werking en bevoegdheden van de faculteitsraden te bepalen die wordt voorgezeten door de decaan.

De decaan wordt door de faculteitsraad verkozen onder de

hoogleraren voor een periode van 2 jaar (Decreet van 26 juni 1991). Aan de Katholieke Universiteit Leuven richt de faculteitsraad voor elke richting een permanente onderwijscommissie (POC) op die bestaat uit het academisch personeel en de vertegenwoordigers van de studenten. Zij geeft advies aan de faculteitsraad wat betreft onderwijsaangelegenheden (de evaluatie van de examens, programma’s, onderwijsmethoden, examineringmethoden,...) (KU Leuven, 1996). Elke faculteit van de Katholieke Universiteit Leuven bestaat uit één of meer departementen die verantwoordelijk zijn voor de organisatie en coördinatie van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Zij krijgen het mandaat van de faculteit om universitair onderwijs aan te bieden en het budget op te stellen voor het departement. Ze zijn verantwoordelijk voor het interne personeelsbeleid in overeenstemming met de regelingen omtrent het academisch personeel (bijvoorbeeld het adviseren bij een benoeming of aanwerving van zelfstandig of assisterend academisch personeel) en organiseren hun logistieke diensten, infrastructuur, enzovoort. Op dit niveau is er ook sprake van een departementsraad met een samenstelling gelijkaardig aan die van de faculteitsraad, maar beperkt tot de leden van het departement. De voorzitter van het departement, verkozen voor 5 jaar door de departementsraad, ziet toe op de uitvoering van de taken van het departement en is verantwoordelijk voor de goede aanwending van de ontvangen middelen (KUL, 1996). Aan de Katholieke Universiteit Leuven houdt de voorzitter van de groep als lid van het Gemeenschappelijk Bureau toezicht op de beslissingen van de organen op het niveau van faculteit en departement met betrekking tot de interne verdeling van accommodatie, personeel en financiële middelen.

In

uitzonderlijke omstandigheden kan hij dergelijke beslissingen schorsen. De decaan, verkozen onder de gewoon hoogleraren voor drie jaar (aan de KU Leuven) of voor twee jaar (aan de Universiteit Gent en de Universiteit Antwerpen) door de faculteitsraad, wordt de algemene leiding toevertrouwd. Hij vertegenwoordigt de faculteit naar buiten toe en houdt toezicht op de beslissingen die op het niveau van de departementen worden genomen (KU Leuven, 1996; Decreet van 26 juni 1991, Decreet van 22 december 1995).


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

2.7.

Interne en externe participatie- en overlegstructuren

De volgende paragrafen gaan respectievelijk dieper in op participatiestructuren en -organen binnen de school (zie 2.7.1.) en op participatiestructuren en -organen die schooloverstijgend ingericht worden (2.7.2.). 2.7.1.

Participatie en overleg binnen de school

De participatie van ouders, leraars en de lokale gemeenschap was niet altijd erg groot in het voormalige Belgische onderwijssysteem. Ondertussen heeft de Vlaamse overheid wettelijke voorzieningen getroffen voor de participatie van deze partijen (in het gesubsidieerd onderwijs gebeurt dit samen met de inrichtende machten) aan de besluitvorming in het basis- en secundair onderwijs.

Voor het

gemeenschapsonderwijs maakte dit deel uit van het Bijzonder Decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO). Dit Bijzonder Decreet is vervangen door het Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998. Voor het gesubsidieerd onderwijs wordt de participatie geregeld door het Decreet van 23 oktober 1991. Het beleid en de praktische organisatie binnen scholen krijgt momenteel vorm in verscheidene overlegstructuren. In de onderstaande paragrafen worden de belangrijkste structuren toegelicht. 2.7.1.1. Inzake

Participatieraden en schoolraden participatie

op

schoolniveau

moet

een

onderscheid

gemaakt

gemeenschapsonderwijs enerzijds en het gesubsidieerd onderwijs anderzijds.

worden

tussen

het

De samenstelling en

bevoegdheden van de schoolraden in het gemeenschapsonderwijs worden toegelicht in paragraaf 2.6.2.1. Volgende alinea’s richten zich specifiek op de participatieraden in het gesubsidieerd officieel en vrij onderwijs. Het Decreet van 23 oktober 1991 met betrekking tot de medezeggenschap in het basis- en secundair gesubsidieerd onderwijs kwam in voege op de eerste januari 1992.

Op die dag gingen de parti-

cipatieraden officieel van start. Zij waren voor de eerste maal volledig operationeel op 31 mei 1992. In elke school of in elke groep van scholen is een participatieraad opgericht. Deze raad bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht, de ouders, de personeelsleden en de lokale gemeenschap (ten minste twee voor elk van deze partijen). Over het algemeen is de directeur voorzitter van de participatieraad. De inrichtende macht benoemt haar vertegenwoordigers.

Ouders en leerkrachten kiezen hun ver-

tegenwoordigers. Al deze direct verkozen leden coöpteren de personen die de lokale gemeenschap vertegenwoordigen. Alle mandaten duren 4 jaar en zijn hernieuwbaar. Ouders waarvan de kinderen niet langer op school zitten of leraars die niet langer op de school werken, mogen geen deel uitmaken van de participatieraad als gecoöpteerd lid van de lokale gemeenschap. De participatieraad kan beslissen om de vertegenwoordigers van de leerlingen te horen voor aangelegenheden die hen direct aanbelangen (Verhoeven, e.a., 1997). Sedert de oprichting van de scholengemeenschappen kan een participatieraad worden samengesteld in elke scholengemeenschap.

Deze raad is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers per

35


Vlaams Eurydice rapport 2003

afdeling.

Indien de participatieraad geleid wordt door één inrichtende macht, wordt er één

vertegenwoordiger gedelegeerd. Mits overleg kan hiervan afgeweken worden, zonder de pariteit tussen de afdelingen evenwel in het gedrang te brengen. Elk lid van een afdeling van de participatieraad van de scholengemeenschap is lid van de participatieraad van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren (Decreet van 18 mei 1999). Het Decreet van 23 oktober 1991 legt, als minimum, 4 bevoegdheidsdomeinen vast waarvoor de participatieraden van het lager en secundair onderwijs verantwoordelijk zijn: het ‘recht op informatie’ m.b.t. alle schoolaangelegenheden; een ‘adviesbevoegdheid’, op zijn minst omtrent de algemene organisatie en werking van de school, de planning en de algemene criteria inzake de begeleiding en evaluatie van de leerlingen; een ‘overlegbevoegdheid’ (gericht op het bereiken van een consensus) op zijn minst omtrent de criteria voor de aanwending van het lestijdenpakket en de uren-leraar, de bepaling en aanpassing van het schoolreglement, het leerlingenvervoer en de veiligheid en gezondheid van de leerlingen; een ‘instemmingsbevoegdheid’ m.b.t. bijv. de planning van de schoolkalender. Deze bevoegdheidsdomeinen kunnen worden uitgebreid door de participatieraden zelf. De laatste bevoegdheid bestaat enkel in de gesubsidieerde vrije scholen.

Wettelijke regelingen inzake de

bevoegdheden van de provincie- en gemeenteraden laten niet toe dat hun uitvoerende macht onderworpen wordt aan de beoordeling van externe organen. 2.7.1.2.

Leerlingenraden

Sinds 1 september 1999, kon elke secundaire school, die een pedagogische eenheid vormt, die behoort tot het gewoon erkend, gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs, een leerlingenraad oprichtten. Dit was verplicht wanneer ten minste een derde van de leerlingen van de betrokken school erom vroeg. Een leerlingenraad is een door en uit de leerlingen verkozen adviesorgaan, dat als doel heeft het bevorderen van de dialoog tussen leerlingen en directie, leerlingen en leerkrachten en leerlingen onderling, met het oog op optimale ontplooiingskansen voor alle leerlingen. De leerlingenraad heeft adviserende bevoegdheid ten aanzien van de directie voor alle aangelegenheden die de leerlingen rechtstreeks betreffen en de directie is verplicht alle beschikbare informatie die leerlingen betreft, kenbaar te maken. Daarenboven moet de directie de nodige infrastructurele en administratieve ondersteuning aan de leerlingenraad vetstrekken. 2.7.1.3.

Personeelsvergaderingen

Een belangrijk overlegorgaan binnen scholen is de personeelsvergadering. Er zijn daaromtrent geen strikte voorschriften en de invulling ervan is dan ook sterk schoolafhankelijk. Bij wijze van voorbeeld verwijzen we naar de volgende beschrijving van de functie van personeelsvergadering op de website van een secundaire school. “Eén maal per maand is er, afwisselend op maandag, dinsdag en donderdag, na de schooluren een personeelsvergadering. Alle leraren en secretariaatsmedewerkers dienen daarop aanwezig te zijn. De directeur overloopt daarin de tijdens de schoolraad besproken punten en informeert naar de


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

reactie van de groep. Ook individuele personeelsleden kunnen punten op de agenda laten plaatsen. Eventuele op- of aanmerkingen worden tijdens de vergadering besproken. Na de vergadering wordt er door het secretariaat een verslag verspreid, met een overzicht van de besproken thema's en de genomen beslissingen” (PSS, 2004). 2.7.1.4.

Klassenraden

Van een klassenraad maken doorgaans alle leerkrachten deel uit die in een bepaalde klas lesgeven. De vergaderingen vinden plaats na de gewone lesuren. De klassenraad kan met drie functies worden belast en wordt dienvolgens, naargelang van het geval, aangeduid als respectievelijk "toelatingsklassenraad", ‘begeleidende klassenraad’ en ‘delibererende klassenraad’ (omzendbrief, S.O. 64).

De twee laatste

functies zijn het meest belangrijk. In het secundair onderwijs komt ‘begeleidende klassenraad’ doorgaans samen na een examenreeks of wanneer er een bepaald probleem gesitueerd wordt in de klasgroep of met een bepaalde leerling. De begeleidende klassenraad houdt zich voornamelijk bezig met het bespreken van het klasklimaat (verhoudingen binnen de klas, interesse en medewerking van leerlingen) met het opvolgen, evalueren en begeleiden van de studievordering en met het gedrag van de leerlingen (bvb. door middel van remediëringstaken bij gedrags- of studieproblemen). De ‘delibererende klassenraad vindt plaats na de examens van juni en is bevoegd om te beslissen over het al dan niet slagen van een leerling. Deze klassenraad kent attesten, diploma's en getuigschriften toe en geeft advies over de verdere studie van leerlingen. 2.7.1.5.

Vakgroepen

In vele secundaire scholen wordt tevens structureel overleg gevoerd tussen leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor eenzelfde vak(kencluster). De invulling van deze vakgroepen (bvb. naar frequentie van vergaderen en aangaande de nagestreefde doelen) behoort tot de autonomie van de individuele school.

Een sleutelfiguur in dit verband wordt de vakverantwoordelijke. Deze heeft

doorgaans de supervisie over een vakgroep of vakkencluster (hij leidt de vakvergaderingen) en begeleidt beginnende leerkrachten. 2.7.2.

Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld

De volgende paragrafen inventariseren de belangrijkste Vlaamse participatie- en overlegstructuren die schooloverstijgend ingericht worden. 2.7.2.1.

Vlaamse Onderwijsraad (VLOR)

Voor de federalisering van het onderwijs werd zowel het overleg op alle onderwijsniveaus als het overleg met de socio-economische wereld georganiseerd in een aantal Hoge Raden.

Al deze raden zijn

momenteel door het Decreet van 31 juli 1990 samengebracht in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). Vertegenwoordigers uit het hele onderwijslandschap overleggen in de VLOR over het onderwijsbeleid.

37


Vlaams Eurydice rapport 2003

Op basis daarvan geeft de VLOR adviezen aan de Vlaamse minister van Onderwijs en het Vlaamse Parlement. De Vlaamse Onderwijsraad bestaat uit een Algemene Raad en aparte raden voor de verschillende onderwijsniveaus: een Raad voor het Basisonderwijs; een Raad voor het Secundair Onderwijs; een Raad voor het Hoger Onderwijs en een Raad voor het Volwassenenonderwijs. Daarnaast zijn er nog speciale commissies voor het overleg met de vertegenwoordigers van de verschillende socio-economische sectoren. De Algemene Raad bestaat uit 39 actieve leden, waaronder vertegenwoordigers van de inrichtende machten, de vakbonden, de ouders en de studenten, alsook experts van de universiteiten, ambtenaren van het onderwijsdepartement en vertegenwoordigers van de socio-economische wereld, aangeduid door de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (SERV). De samenstelling van de raden en afdelingen voor elk onderwijsniveau worden per decreet vastgesteld door de Vlaamse regering. De Vlaamse Onderwijsraad heeft bij decreet de algemene bevoegdheid gekregen voor studie, gezamenlijke actie en overleg, op eigen initiatief of op vraag van de minister van Onderwijs en Vorming, omtrent alle onderwijsaangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk is. Meer in het bijzonder moet de minister van Onderwijs, alvorens ermee naar het Vlaams parlement te gaan, een voorafgaand advies van de Vlaamse Onderwijsraad vragen voor alle voorontwerpen van decreet omtrent onderwijsaangelegenheden (met uitzondering van het budget voor onderwijs) en voor rapporten en documenten omtrent het te voeren beleid bestemd voor het Vlaams parlement. De Vlaamse regering en de minister van Onderwijs hebben de VLOR een aantal projecten toevertrouwd die zich concentreren op één aspect van het onderwijsbeleid, zoals gezondheidsbevordering, onderwijs aan migranten, beroepsprofielen en opleidingsprofielen, opvoeden tot democratie, het gelijke onderwijskansenbeleid, het Forum Basisonderwijs… 2.7.2.2.

Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA)

In 1976 is de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) opgericht als een autonoom publiek orgaan met een eigen institutioneel statuut.

De raad bestaat uit leden die de Vlaamse universiteiten

vertegenwoordigen. Het verdedigt de belangen van de universiteiten en geeft advies aan de Vlaamse regering met betrekking tot aangelegenheden die de universiteiten aangaan (overleg, advies en aanbevelingen). Daarenboven organiseert de raad overleg onder de universitaire instellingen. Sedert enkele jaren functioneert er een gelijkaardig orgaan voor de hogescholen na de fusieoperatie van 1995, met name de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). 2.7.2.3.

Ouderverenigingen

Veel scholen hebben hun eigen schoolgebonden oudervereniging.

Deze verenigingen mengen zich

doorgaans niet met het klas- en schoolgebeuren maar hebben enkel tot doel het contact en samenwerking tussen ouders en school, en tussen ouders onderling te bevorderen. Schooloverstijgend zijn er de ouderverenigingen die ressorteren onder de koepelorganisaties. In het gemeenschapsonderwijs waren er twee kleinere organisaties actief: het Nederlandstalig Verbond van


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

Ouderverenigingen (NVO) en de Educatieve Vereniging voor Ouderwerking (EVO). De eerste was meer een belangengroep, de laatste meer een socio-cultureel opleidingscentrum voor ouders. Onlangs hebben deze twee organisaties een nieuw partnerschap aangegaan, genaamd Ouderverenigingen van het Gemeenschapsonderwijs (ROGO).

De Koepelorganisatie van Ouderwerkingen van het officieel

gesubsidieerd onderwijs (KOOGO) vertegenwoordigt de ouders in de gesubsidieerde officiële scholen. Binnen het vrije onderwijsnet bewerkstelligt de Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen (VCOV) de samenwerking tussen ouders en leerkrachten op school. Het Decreet van 5 juni 1996 voorziet in een financiële ondersteuning van de ouderverenigingen, op voorwaarde dat de verenigingen binnen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd officiële onderwijsnet enerzijds en die binnen het vrije onderwijsnet anderzijds beslissen om samen te werken. Het decreet voorziet: een financiële basisvergoeding voor administratieve taken, projectgebonden financiële ondersteuning op jaarbasis en een maximum van 5 leerkrachten toegewezen aan de organisaties voor de bevordering van de ouders-schoolrelatie. Het doel van de ouderverenigingen is het vormen van een centrum dat ouders en de lokale ouderverenigingen helpt wegwijs te geraken in de onderwijswereld. Bovendien vertegenwoordigen en verdedigen ze de ideeën en belangen van de ouders naar de overheid en de buitenwereld. Op dit moment vertegenwoordigen ROGO, KOOGO en VCOV de ouders in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). 2.7.2.4.

Onderwijsvakbonden

De onderwijsvakbonden zijn gestructureerd volgens de traditionele politieke strekkingen in de Vlaamse samenleving. De Algemene Centrale der Openbare Diensten – Sector Onderwijs (ACOD) behoort tot de sociaal-democratische beweging.

Het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt – Sector Onderwijs

(VSOA) steunt op het liberale gedachtegoed binnen de Vlaamse samenleving. Twee vakbonden zijn christen-democratisch geïnspireerd.

De eerste vakbond vertegenwoordigt leerkrachten uit het

basisonderwijs, namelijk het Christelijk Onderwijzersverbond (COV). De Christelijke Onderwijscentrale (COC) brengt de leerkrachten en docenten uit de secundaire scholen en de hogescholen samen. Deze vier vakbonden vertegenwoordigen de leerkrachten in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). Er is ook een vereniging voor directeurs van het basisonderwijs in Vlaanderen, namelijk de Organisatie Directeurs Vlaams Basisonderwijs (ODVB). Ofschoon dit geen echte vakbond is, behartigen zij ook de belangen van hun leden. 2.7.2.5.

Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen studenten- en leerlingenkoepelverenigingen. Deze koepelverenigingen komen in aanmerking voor subsidies van de Vlaamse regering, indien ze erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap en dus voldoen aan bepaalde statutaire voorwaarden. De subsidies dienen aangewend te worden voor werkingsuitgaven, personeelsuitgaven en voor uitgaven inzake projecten. De koepelvereniging brengt op verzoek van de Vlaamse regering advies uit en staat onder controle van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (Decreet van 30 maart 1999).

39


Vlaams Eurydice rapport 2003

De studentenbeweging is structureel georganiseerd aan elke hogeschool en elke universiteit afzonderlijk. Op gemeenschapsniveau bestaat er één koepelorganisatie die de belangen van de studenten op pluralistische basis vertegenwoordigt, met name de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS). Dit orgaan bestaat uit twee centrales: één voor de hogescholen en één voor de universiteiten. De VVS sluit associatieakkoorden met de verschillende studentenorganisaties die de belangen van de studenten vertegenwoordigen aan de verschillende instellingen voor hoger onderwijs.

Er zijn ook andere

studentenorganisaties op gemeenschapsniveau, maar deze vertegenwoordigen de studenten niet als geheel. In 1997-1998 werd de eerste leerlingenkoepelvereniging opgericht door het VVS, met name de “Vlaamse Scholierenkoepel” (VSK). Deze heeft als doel op te komen voor de belangen van de scholieren in het secundair onderwijs. De basisdoelstellingen zijn leerlingeninspraak en participatie op klas-, school- en beleidsniveau, democratisering van het onderwijs en kinderrechten op school.

VSK werkt ook

netoverschrijdend: de leden komen uit alle netten (vrij, stedelijk en gemeentelijk, provinciaal en gemeenschapsonderwijs). De leden komen ook uit alle onderwijsvormen (KSO, ASO, BSO, TSO) en uit alle hoeken van het Vlaamse land. 2.7.2.6.

Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden

Leerkrachten - of tenminste hun vertegenwoordigers - zetelen zowel in de schoolraden op lokaal niveau en de organen van de scholengroepen op intermediair als in de participatieraden (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). Onderhandelingen die specifiek de arbeidsvoorwaarden tot onderwerp hebben, behoren echter niet tot de bevoegdheid van deze participatiestructuren. In het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs hebben dergelijke onderhandelingen altijd plaats gevonden op centraal en lokaal niveau in de zogenaamde paritaire organen voor de publieke sector. De wet van 19 december 1974 organiseert de onderhandelingen tussen de vakbonden van de ambtenaren uit de publieke sector en de overheid (zowel in het gemeenschaps- als het gesubsidieerd officieel onderwijs) (Devos, e.a., 1987). De onderhandelingen omtrent onderwijsaangelegenheden worden gehouden in het zogenaamde Sectorcomité X Onderwijs (voor het gemeenschapsonderwijs) en het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten – Afdeling 2 – Onderafdeling Vlaamse Gemeenschap (voor het gesubsidieerd officieel onderwijs). Op dit niveau zijn enkel de Vlaamse regering en de representatieve vakbonden vertegenwoordigd. Door het Decreet van 5 april 1995 werd een gelijkaardige structuur opgericht voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, met name het Overkoepelend Onderhandelingscomité. Dit comité bestaat uit drie delegaties: de Vlaamse regering, de representatieve onderwijsvakbonden en de inrichtende machten. Voorstellen zijn gedaan om ook de inrichtende machten te laten zetelen in het comité voor het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Op lokaal schoolniveau zijn er voor de

gemeenschapsscholen en gesubsidieerd officiële scholen lokale varianten van de vernoemde paritair samengestelde organen. Deze worden de basisonderhandelingscomités (BOC’s) (Wet van 15 december 1998) genoemd die bevoegd zijn voor het overleg over de arbeidsvoorwaarden op lokaal niveau. In 1995 zijn er bij decreet (Decreet van 5 april 1995) Lokale Onderhandelingscomités (LOC’s) opgericht voor het vrij onderwijs op schoolniveau, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het personeel en van de inrichtende macht. Dus nu is de lerarenparticipatie op schoolniveau gegarandeerd,


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

ongeacht de grootte van de school. Onderhandelingen in deze lokale overlegorganen zijn gericht op vijf domeinen: de administratieve reglementering van de arbeidsvoorwaarden van leraars en ander personeel (vakanties inbegrepen), de weddenschalen, de pensioenregeling, de verhouding met de vakbonden en de verschaffing van sociale voorzieningen. Sinds 15 mei 1999 kan er één Lokaal Onderhandelingscomité opgericht worden voor elke scholengemeenschap van het vrij gesubsidieerd onderwijs, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het personeel en van de inrichtende machten. De decreten betreffende de hogescholen (13 juli 1994) en de universiteiten (12 juni 1991; 26 juni 1991) geven een specifiek kader voor de organisatie van de docentenparticipatie (zie 2.6.4.2. en 2.6.4.3.). 2.7.2.7.

Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers

Voor het technisch en beroepsonderwijs zijn er de zogenaamde sectorcommissies opgericht voor alle grote segmenten van de arbeidsmarkt (metaalindustrie, textiel, voeding,…) (Wet van 20 september 1948; Geers & Van Weydeveldt, 1994). Binnen het kader van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) verkennen zij de nieuwe tendensen op de arbeidsmarkt en geven advies over nieuwe geplande initiatieven daaromtrent. In het bijzonder voor het volwassenenonderwijs zijn er permanente werkgroepen opgericht binnen de Subregionale Tewerkstellingscommissies (STC’s).

Deze werkgroepen hebben een

overlegfunctie en doelen op een intense samenwerking tussen industrie, onderwijs en de werkgelegenheidscentra. Zij hebben daarenboven een formele adviesbevoegdheid met betrekking tot de planning van nieuwe opleidingsprogramma’s in het volwassenenonderwijs. Onderwijs is niet de enige verstrekker van onderwijs en vorming in Vlaanderen. Er zijn heel veel andere opleidingsverstrekkers actief. De lerenden kunnen kiezen tussen het aanbod van de diverse opleidingsverstrekkers. Om de lerenden een homogeen vormingsaanbod te kunnen aanbieden werd op 31 maart 2003 de Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA) opgericht (voorheen INTERFACE). DIVA is het instrument van de Vlaamse Regering voor de stimulering van het levenslang en levensbreed leren en de afstemming tussen de institutionele opleidingsverstrekkers. Het is een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Cultuur en Economie, vertegenwoordigd door het volwassenenonderwijs (OSP, BIS en Basiseducatie), de VDAB, het VIZO en het Steunpunt voor Sociaal-cultureel Volwassenenwerk (SoCiuS).

2.8.

Financiering en onderwijsbudget

Dit deel behandelt niet de totale onderwijskost van het onderwijs, maar enkel de openbare uitgaven in de onderwijssector, met name de uitgaven die door de nationale en gemeenschapsoverheid worden gedaan. Naast de financiering door de nationale en gemeenschapsoverheid bestaat de totale kost uit een (beperkte) financiering door provincies en gemeenten in het gesubsidieerd officieel onderwijs, door de kerkautoriteiten en private personen in het gesubsidieerd vrij onderwijs en tenslotte door de ouders. Over de overheidsfinanciering van het onderwijs bestaat er een veelheid aan informatie, maar gedetailleerde informatie over de andere financieringsbronnen is schaars, waardoor het onmogelijk is om een allesomvattend beeld over de reële kost van het onderwijs te geven.

41


Vlaams Eurydice rapport 2003

De vergelijking van jaarlijkse financiële gegevens is een riskante onderneming omwille van de wijziging van de betekenis van definities, de wijziging in de verdeling van de bevoegdheden over de nationale en gemeenschapsoverheden en het tijdelijke karakter van bepaalde cijfers. 2.8.1.

Herkomst van de middelen voor onderwijs

In 1989 werd het onderwijs in België gecommunautariseerd. Sindsdien zijn het de Vlaamse, de Franse en de Duitse Gemeenschap die het onderwijs financieren. De middelen daarvoor krijgen ze van de federale staat. De staatshervorming van 1988 resulteerde in een budget van meer dan

17,35 miljard dat werd

overgeheveld naar de Gemeenschappen. Tegelijkertijd werd er een financieringswet goedgekeurd om de toekomstige regels voor de verdeling van het onderwijsbudget uit te zetten. Deze dotaties voor onderwijs worden gefinancierd door de inkomsten van de BTW en elk jaar geïndexeerd.

Zij worden ook

gecorrigeerd (ten belope van een aandeel van 80%) aan de daling van het aantal jongeren.

De

Gemeenschappen zijn natuurlijk vrij om eigen middelen toe te voegen aan deze dotaties. De dotaties van de federale overheid aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschap werden vastgelegd door de Bijzondere Wet op de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (van 16 januari 1989). De toewijzing impliceert geenszins dat de Gemeenschappen verplicht zijn om dit geld te gebruiken voor onderwijs, noch dat hun uitgaven voor onderwijs zouden moeten worden beperkt tot dit bedrag. De Bijzondere Wet op de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten van 16 januari 1989 had moeten aangepast worden in 1998. Artikel 39 van de financieringswet bepaalt immers dat vanaf 1999 de verdeelsleutel, op basis waarvan het aan de Vlaamse en Franse Gemeenschap toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde wordt verdeeld over de Gemeenschappen, aangepast wordt aan het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde criteria. De problematiek betreft de horizontale verdeling van de middelen tussen de Gemeenschappen onderling en de criteria op basis waarvan dit zal gebeuren (Stienlet, 1998). Het lange politieke debat heeft geresulteerd in de wet van 23 mei 2000, die de criteria waarnaar gerefereerd wordt in Artikel 39 van de Bijzondere Wet, vastlegt. Enkel het aantal leerlingen van 6 tot 17 jaar oud, die ingeschreven zijn als regelmatige leerling in het lager of secundair onderwijs in een onderwijsinstelling georganiseerd of gesteund door de Vlaamse of de Franse Gemeenschap, worden geteld. De telling heeft plaats op 1 februari en de data worden bekend gemaakt aan het Rekenhof voor 15 de mei van elk jaar. Het Rekenhof controleert de data nauwkeurig. Met het Lambermont akkoord werd de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 herzien. Door het Lambermont akkoord krijgen de verschillende deelstaten zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden.

Wat betreft de financiële middelen gebeurt er een herfinanciering van de

gemeenschappen, worden de gewestelijke belastingen en het kijk- en luistergeld geregionaliseerd en wordt de personenbelasting duidelijker geformuleerd. De financiering van het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wordt geregeld door een aparte wet en gegeven de kleine omvang van deze onderwijssector wordt er rekening gehouden met de specifieke behoeften die in 1990 zijn vastgesteld.


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

2.8.2.

De omvang van de middelen voor onderwijs

In de volgende paragrafen gaan we respectievelijk dieper in op de omvang van de middelen in het algemeen (zie 2.8.2.1) en op de middelen voor verschillende niveaus in het bijzonder (zie 2.8.2.2.). 2.8.2.1.

Het totale Vlaamse onderwijsbudget

België besteedde in 1988 6,10% van het BNP (Bruto Nationaal Product) aan onderwijs en de Vlaamse Gemeenschap 5,4% van zijn eigen BRP (Bruto Regionaal Product). In 1991 bedroegen deze cijfers 5,4% van het BNP en 5,27% van het Vlaamse BRP. Dit aandeel bleef relatief stabiel voor Vlaanderen voor de volgende jaren. In 2002 werd 4,5% van het Vlaamse BRP gespendeerd aan onderwijs. De Vlaamse uitgaven voor onderwijs vertegenwoordigden in 1991 ongeveer 43,6% van het Vlaamse budget. De volgende jaren schommelde dit aandeel rond de 45%. Vervolgens is er terug sprake van een lichte daling van 44,2% in 1995 naar 43,0% in 1999, 41,9% in 2000 en 41,1% in 2001 wat wijst op grotere uitgaven ten voordele van andere sectoren.

Sinds 2001 is de verhouding tussen het

onderwijsbudget en het totale budget van de Vlaamse Gemeenschap opnieuw lichtjes gestegen tot 42,1% in 2003 (MVG, departement Onderwijs, 2003). Het totale onderwijsbudget bedroeg in 2003 7,556 miljard Euro (MVG, departement Onderwijs, 2003). 2.8.2.2.

Onderwijsbudget voor de verschillende niveaus

De principes voor de financiering en subsidiëring van het kleuter- en lager onderwijs zijn identiek. De laatste 10 jaren is de subsidiëring en financiering van het basisonderwijs constant gestegen.

Deze

gunstige ontwikkeling is gerechtvaardigd aangezien het absolute bedrag van subsidiëring per leerling voor het basisonderwijs in 2003 nog steeds slechts 49% bedraagt van dat van het secundair onderwijs (MVG, departement Onderwijs, 2003). De Vlaamse Gemeenschap heeft over de jaren heen de volgende percentages van haar onderwijsbudget gespendeerd aan het gewoon basisonderwijs: 26,88% in 1999, ongeveer 27% in 2000, 2001 en in 2002 en 28% in 2003. Het totale budget voor het gewoon basisonderwijs bedroeg in 2003 2,120 miljard Euro. De gemiddelde investering in elke leerling uit het gewoon basisonderwijs bedroeg in 2003 gesubsidieerd officieel onderwijs en

4.117 in het gemeenschapsonderwijs,

3.320 in het

3.275 in het gesubsidieerd vrij onderwijs. De gemiddelde uitgave

voor elke leerling kwam in 2003 neer op

3.407 (MVG, departement Onderwijs, 2004). Het

Onderwijsdecreet XIV (februari 2003) verhoogde het werkingsbudget van het basisonderwijs. Vanaf het schooljaar 2002-2003 wordt er 19,83 miljoen euro aan de werkingsmiddelen toegevoegd. Deze verhoging zal worden gebruikt voor het uittekenen van administratieve kernen in het basisonderwijs. De Vlaamse Gemeenschap heeft over de jaren heen de volgende percentages van haar onderwijsbudget gespendeerd aan het gewoon secundair onderwijs: 40,89% in 1999, 40,17% in 2000, 39,26% in 2001, 37,94% in 2002 en 38.36% in 2003. Het totale budget voor het gewoon secundair bedroeg in 2003 2,899 miljard Euro. De gemiddelde investering in elke leerling van het gewoon secundair onderwijs bedroeg voor 2003,

8.704 in het gemeenschapsonderwijs,

7.576 in het gesubsidieerd officieel onderwijs en

6.393 in het gesubsidieerd vrij onderwijs. In 2003 lag het gemiddelde op

6.901. Deze cijfers

43


Vlaams Eurydice rapport 2003

reflecteren het probleem van de verdeling van de middelen over de verschillende onderwijsnetten (MVG, departement Onderwijs, 2003). Aan hoger onderwijs (universiteiten inbegrepen) heeft de Vlaamse Gemeenschap de volgende percentages van zijn onderwijsbudget besteed: 16,38% in 1999, 16,36% in 2000, 15,98% in 2001, 17,91% in 2002 en 16,95% in 2003.

De totale budgetten voor het hogescholenonderwijs en het

universitaire onderwijs bedroegen in 2003 respectievelijk 592,251 en 735,439 miljoen Euro. De gemiddelde investering in een student aan de hogeschool bedroeg in 2003 universiteitsstudent was dit in 2003,

6.139.

Voor een

13.592 (MVG, departement Onderwijs, 2004). De diploma’s van

academisch niveau uitgereikt na twee cycli aan een hogeschool zullen in de toekomst Masters worden. Masters zijn volgens het Structuurdecreet per definitie steeds academisch gericht. Ze kunnen wel een professionele component hebben. Een master moet dus onderbouwd zijn met het wetenschappelijk onderzoek in brede zin. Om deze academisering van de hogeschoolopleidingen van twee cycli te kunnen realiseren krijgen de hogescholen vanaf 2003 extra middelen. Ook de universiteiten zullen in 2003 extra middelen ontvangen om de omvorming naar een bachelor- en mastersysteem te kunnen vorm geven. Aangezien de basissubsidie van de universiteiten de laatste 10 jaar noch met de toename van de studentenpopulatie, noch met de aanpassing van de budgetten aan de loonkosten mee evolueerde, voorzag het regeerakkoord een versterking van de basisfinanciering. De globale enveloppe zal dan ook progressief verhoogd worden. In 2003 komt er reeds 7,8 miljoen euro bij. De grootste daling in het onderwijsbudget voltrok zich in het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (44% over de periode 1975-1987). De belangrijkste oorzaak van deze afslanking kan worden gelegd bij de zogenaamde ‘anti-cumul’-regeling die in 1982 werd geïntroduceerd, in een poging om de inkomsten die een leerkracht uit een bijkomende job kan halen tot een minimum te herleiden. Dit bemoeilijkt vandaag echter de aanwerving van specifieke categorieën van leerkrachten in de technische en beroepsafdelingen van het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP).

In 2003 werd 2,36% van het onderwijsbudget

uitgetrokken voor het Onderwijs voor Sociale Promotie. Dat komt in totaal neer op een budget van 178.943.000 in 2003 (MVG, departement Onderwijs, 2004). Over de laatste 10 jaar is de financiering en subsidiëring van het buitengewoon onderwijs constant gestegen: 6,55% in 1999, 6,6% in 2000, 2001 en 2002, en 6,84% in 2003. De totale budgetten voor het buitengewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs bedroegen in 2003 respectievelijk 288,025 en 229,259 miljoen Euro. De gemiddelde investering in elke leerling uit het buitengewoon basisonderwijs bedroeg in 2003 13.832 in het gemeenschapsonderwijs,

8.384 in het gesubsidieerd

officieel onderwijs en 9.053 in het gesubsidieerd vrij onderwijs. In 2003 was er een gemiddelde kostprijs voor het buitengewoon basisonderwijs van onderwijs kostte een leerling in 2003 gemiddeld gesubsidieerd officieel onderwijs en

9.982 per leerling. In het buitengewoon secundair

15.291 in het gemeenschapsonderwijs,

13.770 in het gesubsidieerd vrij onderwijs. In 2003 bedroeg de

gemiddelde kost per leerling in het buitengewoon secundair onderwijs Onderwijs, 2004).

13.455 in het

14.049 (MVG, departement


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

2.8.3. Relevante thema’s inzake onderwijsfinanciering De laatste jaren hebben enkele belangrijke keuzes en gebeurtenissen, o.a. de decentralisering die de overheid op gang bracht en de daling van de geboortecijfers, de onderwijsfinanciering zeer sterk beïnvloed. 2.8.3.1.

Decentralisatie

De decentralisatietrend binnen het onderwijsbeleid komt duidelijk naar voren op het financiële vlak. Dit geldt vooral voor het gemeenschapsonderwijs, dat oorspronkelijk geheel door de overheid werd georganiseerd.

Onlangs werd een verdere decentralisering in het onderwijsbeleid in het

gemeenschapsonderwijs uitgewerkt via een overgang van een tweeledige structuur naar een drieledige structuur (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). Samengevat geldt dat er nieuwe schoolraden gevormd werden op het niveau van de scholen. Deze schoolraden hebben advies- en overlegbevoegdheden. De scholengroepen samen met de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zullen echter de inrichtende macht vormen

met

beslissingsbevoegdheid

voor

materiële

en

financiële

aangelegenheden

in

het

gemeenschapsonderwijs (zie paragraaf 2.6.2.1.). 2.8.3.2.

De problematiek van de verdeling van de middelen

De problematiek van de verdeling van de middelen is verbonden met twee basisprincipes in de onderwijswetgeving: de vrije schoolkeuze en de leerplicht. Een ander probleem is de verdeling van de middelen over de onderwijsnetten. Algemeen wordt aangenomen dat het gemeenschapsonderwijs een relatief hoge financiering vereist (bijv. voor schoolgebouwen) om zo in staat te zijn onderwijs te organiseren op dezelfde wijze als in de andere grote netten. Omwille van historische redenen heeft het katholiek onderwijs grotere (eigen) activa tot haar beschikking terwijl het gesubsidieerd officieel onderwijs bijkomende middelen ontvangt van de provincies en gemeenten. Een ander argument ten voordele van een hogere financiering van het gemeenschapsonderwijs heeft betrekking op de verplichting van het officieel onderwijs om alle leerlingen te aanvaarden, wat betekent dat dit net een relatief hoger aandeel kinderen opvangt van socio-economisch zwakke gezinnen en kinderen met leermoeilijkheden. Ten derde betekent de vereiste voor alle officiële scholen om zowel niet-confessionele zedenleer als godsdienstlessen in te lassen, dat zij af te rekenen hebben met hogere kosten dan de vrije scholen die enkel godsdienstonderricht geven. Ten vierde is het netwerk van gemeenschapsscholen minder sterk gespreid, wat betekent dat de voordelen van schaalvergroting hier niet werken.

Tenslotte is het

gemeenschapsonderwijs onderworpen aan bepaalde beperkingen omtrent de hoogte van het schoolgeld dat kan worden gevraagd voor leerlingen die zijn ingeschreven voor volwassenenonderwijs. Omwille van deze overwegingen, samen met andere meer politiek gekleurde, legde het Schoolpact in 1958 (Wet van 29 mei

1959)

een

regeling

vast

voor

de

verdeling

van

werkingsmiddelen,

waarbij

het

gemeenschapsonderwijs één derde van de extra middelen ontving bestemd voor werkingsuitgaven. Het gemeenschapsonderwijs ontving ook voordelen m.b.t. de uitgaven voor bepaalde personeelscategorieën en de financiering van schoolgebouwen. Bij Decreet van 25 februari 1997 is vastgelegd dat de hoogte van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd basisonderwijs tussen 75,8% en 76,2% moet liggen van het bedrag van de

45


Vlaams Eurydice rapport 2003

werkingsmiddelen voor elk leerling van het gemeenschapsbasisonderwijs (de financiering van het onderhoudspersoneel niet inbegrepen). Dit verschil van ongeveer 24% in het budget in het voordeel van het gemeenschapsonderwijs werd gerechtvaardigd door de ‘objectiveerbare verschillen’, zoals de keuze die moet worden aangeboden tussen godsdienst en zedenleer, de verplichting om elke leerling die zich aanbiedt, in te schrijven, de grotere participatie van leerlingen met een sociaal-culturele achtergrond die een succesvolle schoolcarrière eerder in de weg staat, verschillen in infrastructuur en de gevolgen van besluitvorming in het verleden.

Deze ‘objectiveerbare verschillen’ zijn vooralsnog moeilijk te

kwantificeren op een wetenschappelijke wijze, zodat op dit ogenblik het politieke akkoord van de 24%norm van kracht is. De hervorming van het secundair onderwijs, zoals staat in het Decreet van 14 juli 1998 regelt de verdeling van de werkingsmiddelen tussen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs op een gelijkaardige manier (artikel 100 van dit decreet). Het Decreet stelt dat de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd vrij secundair onderwijs in 2007, 76% moet zijn van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gemeenschapssecundair onderwijs. Omwille van de bestaande meningsverschillen over de gegrondheid van de ‘objectiveerbare verschillen’ en omwille van de complexiteit van de materie, waardoor het niet mogelijk was om een objectieve kijk te verwerven, heeft de Vlaamse regering in 1997 beslist om een studie te laten uitvoeren die klaarheid moest brengen in deze materie. Ondertussen zijn de resultaten van deze studie “Inkomsten en uitgaven van scholen in Vlaanderen.

Kwantificering van de objectiveerbare verschillen.”, uitgevoerd door het

studiebureau Deloitte en Touche, bekend.

De voornaamste conclusie van het rapport is dat het

onderwijsnet waartoe een school behoort, weinig verschil maakt in de behoeften aan werkingsmiddelen die ze heeft. Dit betekent dat de huidige grote verschillen in subsidiëring van de scholen naargelang het net waartoe ze behoren, niet gegrond zijn in ‘objectiveerbare behoeften’. De studie suggereert dan ook de werkingsmiddelen van scholen gelijk te maken voor de scholen van alle netten en alleen verschillen toe te laten op basis van leerlingenkenmerken (kansarmoede bijvoorbeeld) (Deloitte & Touche, 2001). Er is reeds gezegd dat de verdeling van de middelen over de verschillende onderwijsnetten onderwerp is van politieke discussies. Cruciaal hierbij is de bepaling van de criteria voor een objectieve verdeling. Er zijn op dit moment geen objectieve indicatoren voor de verdeling van middelen over de onderwijsnetten, zodat er ad hoc-maatstaven worden gehanteerd. De richtlijnen die zijn voortgekomen uit het parlementair debat omtrent deze problematiek, hebben een zeer algemeen karakter en geven geen algemene bevrediging. Evenwel zal het steeds zeer moeilijk zijn om verdelingscriteria vast te leggen, daar er geen informatie beschikbaar is over de middelen die de gesubsidieerde scholen krijgen van de lokale overheden of de private instanties. 2.8.4.

Belangrijkste posten in de financiering

De belangrijkste posten in de begroting van het Vlaamse onderwijs hebben betrekking op de financiering van het personeel, financiering van werkings- en uitrustingskosten en de financiering van schoolgebouwen.


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

De uitgaven voor personeel maken het grootste deel van het overheidsbudget uit (69,17% van de publieke uitgaven voor onderwijs in 2003, zonder de personeelskosten in het hoger onderwijs er bij te rekenen) (MVG, departement Onderwijs, 2003). Alle directeurs, leden van het onderwijzend en paramedisch personeel van het basis en secundair onderwijs, ongeacht het onderwijsnet, worden direct door de Vlaamse Gemeenschap betaald. Elke school wordt een urenpakket (basis- en buitengewoon onderwijs), een aantal uren-leerkracht (secundair onderwijs) of een allesomvattend budget (hoger onderwijs) toegewezen, afhankelijk van het aantal studenten, dat kan worden aangewend en verdeeld in overeenstemming met de noden tussen de niveaus, onderwijsvormen, studierichtingen, enzovoort. 8,96% van het overheidsbudget gaat naar de werking van scholen (uitgezonderd hoger onderwijs) (MVG, departement Onderwijs, 2003). Er bestaat een verschillende regeling voor de financiering van werkingsen uitrustingskosten in scholen die georganiseerd worden door de Gemeenschap aan de ene kant en die door de Gemeenschap gesubsidieerd worden aan de andere kant. Er is veel kritiek geweest in de Vlaamse Gemeenschap omtrent de verschillen in de omvang van de gelden voor de werkingsmiddelen toegekend aan het gemeenschapsonderwijs enerzijds en het gesubsidieerd onderwijs anderzijds. Meer informatie hierover werd gegeven in paragraaf 2.8.3.2. Investeringen in de infrastructuur van het gemeenschapsonderwijs werden vroeger volledig betaald door de overheid. De gesubsidieerde officiële scholen ontvingen subsidies ten belope van 60% van hun investering en subsidies op de interest (die het verschil dekken tussen de actuele interestvoet op de financiële markt en 1,25%) voor het overige deel. Nu wordt de financiering zo georganiseerd dat het gesubsidieerd officieel en het gesubsidieerd vrij onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap op gelijke voet worden behandeld. Beide netten ontvangen subsidies ten belope van 60% van hun investering (70% voor het basisonderwijs). De verantwoordelijkheid voor de niet gesubsidieerde aspecten van het gesubsidieerd officieel onderwijs valt nu bij het Investeringsfonds van de Gemeenten en de Gemeenschap moet garant staan voor leningen van het vrij onderwijs die bedoeld zijn om het niet gesubsidieerde deel te dekken. Investeringen in het gemeenschapsonderwijs blijven op rekening van de Gemeenschap gebeuren. Het decreet bevat ook objectieve criteria om de prioriteiten voor schoolgebouwen in alle onderwijsnetten vast te stellen. Binnen de Vlaamse Gemeenschap zijn de verbintenissen, aangegaan bij het voormalige Nationale Garantiefonds voor Schoolgebouwen voor zowel het gesubsidieerd officieel en het gesubsidieerd vrij onderwijs, overgenomen door de Dienst Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (DIGO). De

investeringen

worden

voor

het

gemeenschapsonderwijs

gecoördineerd

door

het

Gemeenschapsonderwijs (vroeger de ARGO) (DIGO, 1992). Binnen de Vlaamse Gemeenschap zijn de verbintenissen, aangegaan bij het voormalige Nationale Garantiefonds voor Schoolgebouwen voor zowel het gesubsidieerd officieel en het gesubsidieerd vrij onderwijs, overgenomen door de Dienst Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (DIGO). De wettelijke opdracht van de DIGO omvat drie luiken (DIGO, 2004). Een eerste opdracht is het subsidiëren van de aankoop, de bouw, de verbouwing én de eerste uitrusting van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding en internaten. Ook kan de DIGO een deel (max. 10%) van zijn jaarlijkse dotatie aanwenden voor het subsidiëren van de aankoop van zware didactische apparatuur. De tweede opdracht bestaat uit het verlenen van een waarborg voor de

47


Vlaams Eurydice rapport 2003

terugbetaling van kapitaal, intresten en bijhorende onkosten van leningen die werden aangegaan met het oog op de financiering van het niet-gesubsidieerde gedeelte van de subsidiabele kostprijs (30% of 40%). Tenslotte beheert de DIGO de federale leningen aangegaan voor 1 januari 1989, voor zowel het vrij als officieel gesubsidieerd onderwijs. In totaal wordt 2,44% van het onderwijsbudget (uitgezonderd hoger onderwijs) besteed aan investeringen (MVG, departement Onderwijs, 2003). 2.8.5.

Voorwaarden voor de financiering en subsidiëring van scholen

De Gemeenschap financiert de scholen van het gemeenschapsonderwijs en subsidieert de scholen van het gesubsidieerd onderwijs. De financiering of subsidiëring van scholen wordt geregeld door een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Naast de specifieke voorwaarden om middelen voor de bekostiging van lonen, werking, gebouwen en uitrusting te ontvangen, zijn er twee types van voorwaarden die moeten worden vervuld om financiële middelen te ontvangen. Eerst en vooral zijn er de algemene erkenningsvoorwaarden voor scholen die verband houden met de garantie van de veiligheid en hygiëne van de schoolgebouwen, de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur voor de organisatie van onderwijs, het opstellen van leerplannen, de aanvaarding van inspectiecontrole, de structurele organisatie van onderwijs in overeenstemming met de onderwijswetgeving, het respecteren van de taalwetgeving in het onderwijs, enzovoort. De regering kent een erkenning toe op basis van het advies van de inspectie (Decreet van 25 februari 1997). Dergelijke erkenning is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde om in aanmerking te komen voor financiering of subsidiëring. Verder worden er meer specifieke voorwaarden gedefinieerd met betrekking tot het leerlingenaantal in de scholen voor basisonderwijs. De programmatienormen verwijzen naar het aantal studenten dat moet ingeschreven zijn op de laatste dag van september in een nieuw opgerichte school om van de overheid financiële middelen te kunnen ontvangen. Deze normen variëren naargelang het jaar dat de school bestaat (max. 4 jaar voor gewone scholen) en de bevolkingsdichtheid van de gemeente waarin de school zich bevindt.

Om met een nieuw onderwijsniveau van start te gaan, wordt er, naast de lokale

bevolkingsdichtheid, rekening gehouden met de bestaande spreiding van scholen in de omgeving. De rationalisatienormen bepalen het aantal leerlingen die de eerste schooldag van februari moeten zijn ingeschreven, na het vierde jaar van bestaan van de school in het gewoon onderwijs en het derde jaar van bestaan in het buitengewoon onderwijs, om blijvend aanspraak te maken op financiering of subsidiëring. Deze normen hangen af van de bevolkingsdichtheid van de gemeente waar de school zich bevindt, het onderwijsniveau en de spreiding van de scholen of het onderwijsaanbod in de naburige omgeving (met de bedoeling de vrije schoolkeuze te garanderen) (Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997). Ingeschreven minderjarigen wiens verblijfstatuut, of die van hun ouders kandidaat-asielzoekers nog niet in orde is, tellen mee voor de berekening van de basisfinanciering van de school. Voor het secundair onderwijs zijn er ook programmatie- en rationalisatienormen van kracht, maar andere criteria zijn hier relevant voor de bepaling van het vereiste aantal leerlingen.

Voor de

programmatienormen wordt het karakter van de school (confessioneel, niet-confessioneel of pluralistisch


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

onderwijs) met een voltijds leerplan mee in rekening gebracht.

Voor de rationalisatienormen is

bijkomend het onderwijsnet (gemeenschaps-, gesubsidieerd officieel en gesubsidieerd vrij onderwijs) waar de school toe behoort, relevant. Verder wordt er binnen deze gedefinieerde categorieën een ander onderscheid gemaakt met betrekking tot het onderwijsaanbod tussen afdelingen, opties, vervolmakingsof specialisatiejaren aangeboden met hoge frequentie en deze aangeboden met lage frequentie (per provincie, per net en per karakter). Voor de rationalisatienormen wordt er rekening gehouden met de bevolkingsdichtheid en de spreiding van de scholen of het onderwijsaanbod in de omgeving (om de vrije schoolkeuze te garanderen) en de mogelijkheid van een scholengemeenschap. Dit is een entiteit van instellingen die in staat is om de noodzakelijke onderwijsvoorzieningen te garanderen in een bepaalde regio met betrekking tot demografische, economische, sociaal-culturele en infrastructurele aspecten (Offeciers, 1996; KB van 29 juli 1989). Voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap wordt de gewone rationalisatienorm met 15% verminderd (Decreet van 14 juli 1998). Voor het buitengewoon onderwijs is de regeling meer gecompliceerd omwille van het bestaan van verschillende types en opleidingsvormen; voor elk type of opleidingsvorm zijn er kwantitatieve normen vastgelegd. Voor de hogescholen en de universiteiten gelden er ook financieringsvoorwaarden, met de bedoeling een ongecontroleerde groei van het onderwijsaanbod tegen te gaan. In de hogescholen zal een basisopleiding enkel voor financiering in aanmerking komen wanneer het 40 studenten bereikt in een opleiding van één cyclus of in de eerste cyclus van een opleiding van twee cycli en ten minste 20 financierbare studenten, indien het de tweede cyclus van een basisopleiding van twee cycli betreft.

Recent werden de

basisopleidingen en opties getest en geëvalueerd door de regering met de bedoeling om het aanbod van opleidingen en opties te hervormen.

Met ingang van het academiejaar 2004-2005 zijn enkel de

opleidingen die voorkomen in het hoger onderwijsregister financierbaar. Dat register zal de volledige informatie over elke aanvaarde opleiding bevatten (Decreet van 4 april 2003). Elke universiteit mag enkel specifieke studiegebieden aanbieden voorzien door het Decreet op de universiteiten en de opleidingen zullen enkel worden gefinancierd wanneer ze aan de volgende criteria voldoen: de eerste cyclus van een universitaire opleiding moet een leerlingenaantal hebben van gemiddeld tenminste 40 ingeschreven studenten in de twee vorige jaren. De programmatienorm voor de tweede cyclus ligt op 20 studenten. De bestaande opleidingen moeten het criterium van 20 studenten bereiken, ingeschreven voor de eerste cyclus in de twee vorige jaren en van 10 studenten voor de tweede cyclus (rationalisatienormen) (Verhoeven & Beuselinck, 1996). 2.8.6.

Financiering en financieel beheer

De onderstaande paragrafen gaan respectievelijk dieper in op de financiering en het financieel beheer in de verschillende Vlaamse onderwijsnetten enerzijds (zie paragraaf 2.9.1.) en in de hogescholen (zie paragraaf 2.9.2.) en de universiteiten anderzijds (zie paragraaf 2.9.3.).

49


Vlaams Eurydice rapport 2003

2.8.6.1.

Financiering en financieel beheer in de verschillende netten

De regels en procedures met betrekking tot het financieel beheer opgelegd aan de schoolbesturen verschillen grondig tussen de onderwijsnetten. In de structuur van het gemeenschapsonderwijs zijn de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende machten (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). De Raad van het Gemeenschapsonderwijs blijft bevoegd voor de definitie van de regels voor de toewijzing van de middelen tussen de scholengroepen. De scholengroepen zelf zijn bevoegd voor het autonoom financieel en materieel beheer van de scholen die tot de scholengroep behoren. Een College van Accountants, aangesteld door de Vlaamse Regering, heeft een controlerende taak over het financieel beleid van de scholengroepen.

Het College is tevens belast met het financieel toezicht op de Raad van het

Gemeenschapsonderwijs. Het College van Accountants bestaat uit 5 leden en is aangesteld voor 4 jaar. De gemeenten en provincies zijn verantwoordelijk voor het financieel beheer van de scholen in het gesubsidieerd officieel onderwijs. Het budget moet worden goedgekeurd op een hoger niveau - de Bestendige Deputatie (het provinciebestuur) voor het gemeentelijk budget en de Vlaamse regering voor het provinciale budget. Financiële beslissingen op een lager niveau kunnen op hoger niveau worden geschorst wanneer de wetgeving niet wordt nageleefd (Devos, e.a., 1998). In tegenstelling tot de andere twee onderwijsnetten hebben de schoolbesturen van het gesubsidieerd vrij onderwijs een heel grote autonomie. Zij moeten niet aan regels gehoorzamen voor de opstelling van een budget en hun budget moet niet worden goedgekeurd door een hogere instantie. Ze moeten enkel voldoen aan een aantal basisvoorwaarden met betrekking tot de verkregen werkingsmiddelen.

Dus de

bekendmaking van alle inkomsten en uitgaven zijn niet vereist in het vrije onderwijsnet (Devos, e.a., 1998). 2.8.6.2.

Financiering van de hogescholen

Elke hogeschool ontvangt een enveloppe met geld. Het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 legt een totaalbedrag voor alle hogescholen vast, dat geïndexeerd wordt overeenkomstig de stijging van de loonkost en de prijzen. Vooraleer er een verdeling tussen de hogescholen kan worden uitgevoerd, doet men een voorafname om bepaalde kosten te dekken. Het gaat om kosten waar de regering nog steeds direct in tegemoet komt, zoals de loonkosten voor een deel van het personeel. Na deze voorafname blijft er een globaal bedrag over voor de werkingsuitkeringen van de hogescholen.

Het bedrag is per

hogeschool bepaald op basis van de volgende criteria: •

het historisch forfait: de kost van de hogeschool in het verleden;

•

de studentenaantallen (vijfjaarlijks gemiddelde);

•

de onderwijsbelasting: een combinatie van studentenaantallen (driejaarlijks gemiddelde) en van de puntgewichten toegekend aan de opleidingen.

Net zoals aan de universiteiten worden er verschillende gewichten gegeven aan de financierbare studenten om de onderwijsbelastingseenheden te bepalen.

Vier groepen worden onderscheiden waaraan de

volgende gewichten worden toegekend: 1 (o.a. handelswetenschappen en bedrijfskunde), 1,2 (toegepaste taalkunde en opleidingen van één cyclus in industriële wetenschappen), 1,4 (architectuur, biotechnologie,


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

sociaal-agogisch werk, opleidingen van twee cycli in de industriĂŤle wetenschappen) en 1,6 (productontwikkeling, gezondheidszorg en onderwijs). Er is een overgangsperiode voorzien tot het jaar 2006 voor de volledige invoering van dit nieuw financieringsmechanisme (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Vanaf 1 januari 2001 wordt de jaarlijkse enveloppe verhoogd met

4.957.870,50 als compensatie voor de

kosten verbonden aan de implementatie van het hogescholendecreet (CAO VI). De regering draagt ook bij in de financiering van de sociale voorzieningen aan de hogescholen en de hogescholen zijn gerechtigd om inschrijvingsgeld te vragen. Het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap bepaalt dat de hogescholen een inschrijvingsgeld mogen vragen van minimum 62 en maximum

360 per jaar voor een student die geen recht heeft op een studiebeurs.

De hogescholen genieten een zekere mate van autonomie omtrent het beleid dat zij willen volgen met het toegewezen geld. Zij zijn echter wel gebonden door een aantal decretale voorschriften, zoals inzake de aanwerving en benoeming van personeelsleden. De naleving van deze regels wordt gecontroleerd door een commissaris van de Vlaamse regering en een inspecteur van financiĂŤn. De commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de hogeschool en dan moet de Vlaamse regering de beslissing beoordelen. Net zoals de universiteiten moeten de hogescholen regels opstellen voor de interne verdeling van de middelen (Verhoeven & Beuselinck, 1996). 2.8.6.3.

Financiering van universiteiten

Tussen 1991 en 1996 werd de overheidsbijdrage voor de bekostiging van onderwijs en onderzoek in twee delen opgesplitst voor zowel de gewone werkingsuitgaven als voor de investeringsuitgaven: enerzijds een vast element dat evolueert met de loonkost en de prijzen, anderzijds een element dat evolueert met de onderwijsbelastingseenheden en jaarlijks wordt aangepast aan de ontwikkeling van de loonkosten en prijzen.

Het vaste element wordt berekend op basis van 50% van het geld dat in 1991 aan de

universiteiten is gegeven. De overblijvende 50%, het variabele element, zal evolueren naargelang de evolutie van het aantal onderwijsbelastingseenheden voor een bepaald jaar vergeleken met het aantal op 1 februari 1991. Het aantal onderwijsbelastingseenheden is gebaseerd op het totale aantal studenten dat in aanmerking komt voor subsidiĂŤring in een bepaald studieveld, waarbij er gewichten worden toegekend naargelang de aard van dat studieveld (een gewicht van 1 voor de menswetenschappen, een gewicht van 2 voor de kandidaturen in toegepaste en biomedische wetenschappen en een gewicht van 3 voor de tweede cyclus van een toegepaste of biomedische wetenschapsopleiding). Sinds 1994 worden studenten van voortgezette academische opleidingen niet meer gerekend tot het aantal onderwijsbelastingseenheden (OBE). Met deze financieringsmethode wilde de regering niet enkel de kosten van het onderwijs verminderen en het academisch aanbod rationaliseren, maar wilde men ook het wetenschappelijk onderzoek minder afhankelijk te maken van de evolutie van het aantal studenten. Als gevolg van de ongelijke groei in het aantal onderwijsbelastingseenheden in de universiteiten, ontstond er in de verschillende universiteiten een ongelijke financiering per student. Artikel 96 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende Onderwijs IX poogde dit probleem te corrigeren. Sinds het begrotingsjaar 1996 zijn de werkingsuitkeringen aan de universiteiten samengesteld uit drie delen:

51


Vlaams Eurydice rapport 2003

Het eerste deel (Wao) is het bedrag van de werkingsuitkering academische opleidingen, doctoraten, doctoraatsopleidingen en lerarenopleidingen voor het jaar 1995 + n (

11.155) met een jaarlijkse

indexatie. Maatregelen werden genomen om te verhinderen dat de universiteiten met een opmerkelijk lager aantal onderwijsbelastingeenheden meer zouden krijgen dan in het verleden. Het tweede deel (Wvao) is het bedrag van de werkingsuitkering voortgezette academische opleiding voor het jaar 1995 + n. Deze enveloppe wordt jaarlijks geïndexeerd en verdeeld over de verschillende universiteiten, op basis van het gemiddeld aantal diploma‘s dat werd uitgereikt over de laatste twee academiejaren. Het derde deel (Whuisarts) bestaat uit het nominaal bedrag van de werkingsuitkering huisartsopleiding voor het jaar 1995 + n. Zoals dit geldt voor het vorige deel, wordt de enveloppe ook voor dit deel verdeeld over de universiteiten volgens het gemiddeld aantal diploma‘s van arts uitgereikt tijdens het voorlaatste en tweede voorlaatste academiejaar. Via deze berekening ontvangen alle universiteiten meer werkingsuitkering, maar de onderindexatie van de werkingsuitkering alsook de ongelijke kostprijs per student is niet verdwenen. Naast werkingsuitkeringen staat de regering ook in voor sociale faciliteiten. De universiteiten kunnen inschrijvingsgeld vorderen. Het Decreet van 12 juni 1991 had ook als doel om een nieuwe relatie in te stellen tussen de universiteiten en de autoriteiten, gebaseerd op meer autonomie en lokale financiële verantwoordelijkheid. Vanaf dan werden universiteiten voor 50% gefinancierd in functie van het aantal studenten op 1 februari van het voorgaande academiejaar.

De andere 50% was vast en varieerde in functie van de index van

consumptieprijzen en de loonkosten. langetermijnplanning mogelijk.

Op die manier werden de uitgaven stabieler en werd

Vanaf dan is het financieringssysteem regelmatig op kleine punten

aangepast door verschillende decreten. Het vorige financieringssysteem resulteerde in een ongelijkheid tussen de verschillende universiteiten waarbij de kleinere universiteiten voordeel ondervonden. Het Decreet van 1998 trachtte deze ongelijkheid op te heffen door het verdelen van een extra bedrag. Dit decreet veranderde ook de financiële formule.

Op dit moment hangt er echter een nieuw

financieringssysteem in de lucht dat als doel heeft om de onderzoekscomponent van de universiteiten meer te benadrukken.

Dit nieuwe systeem zou minder afhankelijk gemaakt worden van

studentenaantallen en de financiering meer baseren op de output. In afwachting van dit systeem heeft de regering een overgangsperiode ingesteld van 2001 tot 2004 gedurende dewelke de financiering onafhankelijk is van fluctuaties in studentenaantallen. Deze tijdelijke bevriezing van de financiering zou moeten leiden tot een optimalisatie en rationalisatie van het universitair onderwijsaanbod (Deweghe, 2000). Dit voorlopig financieringssysteem werd bekrachtigd in het Decreet van 7 december 2001 betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen. Voor de jaren 2001-2004 bestaan de werkingsuitkeringen van de universiteiten uit de volgende onderdelen: •

een forfaitair bedrag;


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

•

een extra bedrag ter aanvulling op het forfaitair bedrag;

•

een bedrag voor de voortgezette academische opleidingen,

•

aanvullende middelen die toegekend worden bij wijze van convenants tussen de Vlaamse regering en universiteitsbesturen.

Elk jaar bepaalt het Vlaams parlement, op advies van de Vlaamse interuniversitaire Raad (VLIR), het minimum en maximum inschrijvingsgeld en het inschrijvingsgeld voor de examens van de academische cursussen

en

van

voortgezette

academische

opleidingen.

Het

advies

van

de

Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) met betrekking tot het inschrijvingsgeld voor het academisch jaar 2003-2004 was

488 voor voltijdse studenten die niet in aanmerking komen voor een beurs,

257 voor voltijdse studenten die bijna tot de categorie van beursstudenten behoren en

80 voor voltijdse

studenten die in aanmerking komen voor een beurs. Voor deeltijdse studenten zijn de respectievelijke bedragen:

269 (niet-beursstudent),

147 (bijna-beursstudent) en

bijkomende inschrijving betalen niet-beursstudenten

53 (beursstudent).

158, bijna-beursstudenten

Voor elke

105 en beursstudenten

55 (Informatie verkregen van de VLIR). Aanvullend bepaalt het decreet van 18 mei 1999 dat het universiteitsbestuur, volgens bepaalde criteria, een hoger inschrijvingsgeld kan vragen voor specialisatiecursussen. De universiteiten genieten van een zekere mate van autonomie wat betreft het financieel beleid. Het naleven van de wet wordt evenwel opgevolgd door een Commissaris van de Vlaamse Regering en een financieel inspecteur. De Commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de universiteit, waarover de Vlaamse regering moet beslissen.

Sinds kort waren de universiteiten gebonden aan

verscheidene decretale reguleringen betreffende de aanwerving en promotie van het personeel. Het decreet van 5 mei 1999 betreffende Onderwijs X heeft deze strenge regels versoepeld. Elke universiteit heeft regels opgesteld voor de verdeling van de financies tussen de faculteiten en de centrale diensten. De Vlaamse regering geeft sinds september 2002 (Besluit van 13/09/02) ondersteuning aan de Interfaceactiviteiten van de universiteiten. Interface-activiteiten zijn activiteiten ter bevordering van: •

de samenwerking tussen de universiteiten en bedrijven;

•

de economische valorisatie van het universitair onderzoek;

•

de oprichting van spin-off bedrijven door de universiteiten.

De Interfacediensten moeten om de 5 jaar een beleidsplan opstellen waarin de hoofdlijnen worden geschetst van het gevoerde valorisatiebeleid en van de aanwending van de financiële steun. Dit beleidsplan moeten ze voorleggen aan het IWT-Vlaanderen.

2.9.

Statistieken

In de volgende tabellen presenteren we een selectie van statistische gegevens omtrent aspecten van het onderwijsbeleid in Vlaanderen. Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht (uitgezonderd de Vlaamse Gemeenschapscommissie) - schooljaar 2002-2003

53


Vlaams Eurydice rapport 2003

Tabel 9: Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht (uitgezonderd de Vlaamse Gemeenschapscommissie) - schooljaar 2002-2003 Gemeenschapsonderwijs

Vrij onderwijs

Provincie Gemeente Jongens Meisjes Totaal

BASISONDERWIJS

94.547

427.698

928

146.116

342.017 327.335 669.352

Kleuteronderwijs

32.857

153.008

136

52.107

121.586 116.557 238.143

Gewoon

32.335

151.910

136

52.036

120.410 116.007 236.417

Buitengewoon

522

1.098

-

71

1.176

61.690

274.690

792

94.009

220.431 210.778 431.209

Gewoon

55.962

257.888

197

90.261

203.591 200.717 404.308

Buitengewoon

5.728

16.802

595

3.748

16.840 10.061 26.901

71.976

327.337

13.616

22.179

222.332 213.449 435.781

Anderstalige nieuwkomers

581

795

117

404

1.018

1ste graad

23.066

108.866

3.287

6.304

72.711 68.895 141.606

2de graad

22.637

101.790

4.397

6.457

69.385 65.981 135.366

3de graad

21.732

100.646

5.142

6.676

67.492 66.847 134.339

Algemeen

7.747

39.173

325

845

20.712 27.378 48.090

Technisch

5.261

34.599

2.295

2.351

25.369 19.178 44.547

Kunst

536

1.284

312

508

965

Beroeps

8.188

25.590

2.210

2.972

20.446 18.616 39.062

4de graad

122

1.032

-

38

170

1.022

1.192

modulair 2de en 3de graad

145

1.000

137

499

1.008

773

1.781

modulair 4de graad

190

2.639

257

112

332

2.866

3.198

Totaal gewoon secundair

68.473

316.768

13.337

20.490

212.116 207.263 419.379

3.503

10.569

279

1.689

10.216 6.186

166.523

755.035

14.544

168.295

564.349 540.784 1.105.133

Lager onderwijs

SECUNDAIR ONDERWIJS

Totaal

buitengewoon

secundair BASIS- EN SECUNDAIR

550

879

1.675

1.726

1.897

2.640

16.402

HOGER ONDERWIJS

71.507 84.993 156.500

Hogescholenonderwijs

46.125 53.536 99.661


Hoofdstuk 2: Algemene organisatie van het onderwijssysteem

EĂŠn cyclus

31.012 42.946 73.958

Twee cycli

15.113 10.590 25.703

Universitair onderwijs

25.382 31.457 56.839

ALGEMEEN TOTAAL

635.856 625.777 1.261.633

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 10: Verdeling van scholen over de netten - schooljaar 2002-2003 Onderwijsnet kleuteronderwijs

Gem. ond. 359

Vrij ond. 1320

Provincie 2

Gemeente 448

Totaal 2129

Lager onderwijs Secundair onderwijs

361 233

1325 603

1 29

474 48

2161 913

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 11: Kostprijs per leerling per onderwijsniveau (in EUR) Schooljaar 2002-2003 Onderwijsniveau

2001

2002

2003

Gewoon basisonderwijs

3.026,83

3.215,85

3.407,74

Buitengewoon basisonderwijs

8.954,23

9.531,95

9.982,84

Gewoon secundair onderwijs

6.412,78

6.640,77

6.901,21

Buitengewoon secundair onderwijs

13.114,17

13.692,70

14.049,45

Hogescholenonderwijs

5.796,76

5.952,20

6.139,00

Universitair onderwijs

10.999,41

13.262,81

13.592,56

Deeltijds kunstonderwijs

901,62

910,00

959,99

Onderwijs voor sociale promotie

-

624,19

651,17

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 12: Verhouding onderwijsbudget t.o.v. het budget van de Vlaamse Gemeenschap en het Bruto Regionaal Product (in duizend EUR) - Schooljaar 2002-2003 Algemene evolutiecijfers

1998

2000

2002

2003

Onderwijsbudget

6.112.482

6.320.562

6.707.895

6.899.697

Budget Vlaamse Gemeenschap

14.059.700

15.015.210

16.034.782

16.392.824

Bruto Regionaal Product

136.261.378

145.522.360

147.683.032

niet gekend

(in vaste prijzen van 1998)

55


Vlaams Eurydice rapport 2003

Onderlinge verhouding (in %)

1998

2000

2002

2003

Onderw.budg./Budg. Vl. Gem.

43,5

42,1

41,8

42,1

Onderw.budg./Bruto Reg. Prod.

4,5

4,3

4,5

niet gekend

Budg. Vl. Gem./Bruto Reg. Prod.

10,3

10,3

10,9

niet gekend

(MVG, departement Onderwijs, 2003)


HOOFDSTUK 3. KLEUTERONDERWIJS In Vlaanderen maakt het kleuteronderwijs, samen met het lager onderwijs, deel uit van het basisonderwijs (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997). Vanaf 1 september 2003 zullen scholen die worden opgericht de structuur kleuter- én lager onderwijs moeten aannemen. Deze bepaling geldt niet voor bestaande scholen: autonome kleuter- en lagere scholen kunnen hun huidige structuur behouden (Decreet landschap basisonderwijs van 10 juli 2003).

3.1.

Historisch overzicht

Hieronder wordt het historisch perspectief van het kleuteronderwijs toegelicht. In 1827 werd te Brussel de eerste bewaarschool voor kleuters van buitenhuiswerkende ouders geopend. In 1843 werd dit type van voorschools onderwijs erkend als een onderwijsinstelling die een basis vormde voor de volksschool. Deze nieuwe schoolvorm verspreidde zich snel: in 1845 bestonden er reeds een vierhonderdtal van deze bewaarscholen. Ze stonden in voor de verzorging en het morele welzijn van de kinderen, en bereidden de oudste kinderen voor op het lager onderwijs. In 1857 werd de eerste Fröbel-kindertuin geopend waar elk nuttigheidsonderricht werd geweerd. In navolging van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel werd aan creatief spel gedaan, waarbij de activiteit en spontaniteit van de kleuter centraal stonden. Het duurde echter een tijdje voor de Fröbel-methode in de gewone bewaarscholen ingang vond. Pas in 1880 werden ministeriële richtlijnen uitgevaardigd om de werking van het voorschools onderwijs te reguleren. Het eerste curriculum voor deze scholen, dat in 1890 werd opgelegd, was grotendeels gebaseerd op het werk van Fröbel. De inspecteurs voor het lager onderwijs stonden in voor het toezicht op de implementatie van de richtlijnen. Gedurende de daarop volgende periode, tot 1914, was voorschools onderwijs geen prioritair beleidsdomein meer. Tussen de twee wereldoorlogen zijn de bewaarscholen uitgegroeid tot opvangcentra waar kinderen sociale vaardigheden kregen aangeleerd en hun intellectuele capaciteiten en persoonlijkheid verder ontwikkelden. Verscheidene officiële programma’s en activiteiten werden ingevoerd. De invloed van Fröbel, samen met die van de Italiaanse Maria Montessori en de Belgische Ovide Decroly, werden groter. Dit is onder meer te merken aan de curricula uitgevaardigd in 1936. Sindsdien kent voorschools onderwijs in België een expansieve groei. In 1997 werd het Decreet op het basisonderwijs van 25 februari 1997 van kracht. Dit nieuwe decreet beoogt een integratie van alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en basisonderwijs in één coherent kader. Verder bevat het ook belangrijke wijzigingen en vernieuwingen. Het decreet wil meer autonomie geven aan elke school, maar ook meer verantwoordelijkheid (zie hoofdstuk 2).

3.2.

Actuele discussies

In onderstaande paragraaf worden enkele actuele hervormingsvoorstellen besproken.


Vlaams Eurydice rapport 2003

Het Gelijke Onderwijskansenbeleid (GOK) is een actueel thema in het basisonderwijs. Dit beleid wordt in 3 fasen uitgevoerd. •

Fase 1: vanaf 2002-2003 werden GOK-middelen toegekend aan basisscholen met een specifiek doelpubliek.

•

Fase 2: vanaf 2003-2004 krijgen de basisscholen zorguren.

•

Fase 3: in de toekomst zal meer inclusief onderwijs worden uitgebouwd.

De implementatie van fase 1 en 2 en de discussie inzake fase 3 zijn actuele materie (zie ook paragraaf 3.13). Er wordt een bestuurlijke schaalvergroting bewerkstelligd door de basisscholen aan te moedigen samen te werken in scholengemeenschappen (Vanderpoorten, 2002). Basisscholen worden hiertoe niet verplicht, maar wel gestimuleerd door de toekenning van middelen. Eén van de recente vernieuwingen betreft de invoering van een systeem van extra omkadering via een systeem van puntenenveloppes. Deze omkadering is bedoeld om de directeur en het lerarenteam pedagogisch, organisatorisch en administratief te ondersteunen. De enveloppes zijn bestemd voor het voeren van een zorgbeleid, de coördinatie van een ICT-beleid en voor de uitbouw van een administratieve omkadering. Er wordt werk gemaakt van de vermindering van de planlast voor de basisscholen. Vanaf 1 september 2004 zullen de basisscholen minder informatie moeten aanleveren voor de schooldoorlichting door de onderwijsinspectie (zie ook hoofdstuk 9). Participatie op school is een actueel thema waarvoor reeds het voorontwerp van het Decreet betreffende participatie op school werd goedgekeurd door het Vlaams parlement. Het centraal participatie-instrument wordt de schoolraad, eventueel aangevuld met een leerlingenraad en/of een pedagogische raad en/of een ouderraad. De doelstelling is dat vanaf 2004 met de implementatie van dit decreet kan worden begonnen. Er is aandacht voor talenonderwijs. Bijna alle basisscholen starten nu reeds vrijwillig met Frans in het vijfde leerjaar. Er is een voorstel tot decreet dat alle basisscholen zou verplichten Frans te geven vanaf het vijfde leerjaar en dat reeds vanaf de kleuterschool een vreemde taleninitiatie mogelijk maakt (Vanderpoorten, 2003).

3.3.

Wettelijk kader

Belangrijke onderwijswetgeving voor het kleuteronderwijs wordt hieronder opgesomd. •

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd door het Decreet van 15 juli 1997, tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs.

•

Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I

•

Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs

•

Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

3.4.

Algemene doelstellingen

Volgende algemene onderwijsdoelstellingen gelden voor het kleuteronderwijs en het lager onderwijs van alle onderwijsnetten. Brede vorming: in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs wordt de nadruk gelegd op een ruime basisvorming waarbij de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal staat. Bovendien wordt er de fundering gelegd voor de verdere studie en voor het goed functioneren in de maatschappij. De verstandelijke ontwikkeling, maar ook houdingen en waarden zijn belangrijk. Actief leren: de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen geven de kinderen de ruimte om tijdens het lesgebeuren samen met de leerkracht en de medeleerlingen op zoek te gaan naar oplossingen, ervaringen op te doen, vaardigheden te gebruiken, inzichten te verwerven,… Het gaat hier om ‘basiscompetenties’: de geformuleerde doelen zijn levensecht en kunnen worden toegepast in het dagelijks leven van de kinderen. Zorg voor elke leerling: de eerste zorg van de school is dat elk kind de nodige basisbekwaamheden verwerft. Alle kinderen hebben recht op dat minimum. Toch doet ze ook recht aan de verschillen tussen de kinderen. De persoonlijke ontwikkeling van ieder kind staat immers centraal. Samenhang: een vierde belangrijk kenmerk is de samenhang tussen de leergebieden onderling. Kinderen zien de werkelijkheid niet gescheiden in vakjes. Daarom zijn er slechts 5 leergebieden en 2 leergebiedoverschrijdende thema’s. Dit noemt men de horizontale samenhang. Daarnaast spreekt men van verticale samenhang. Er moet een vloeiende lijn zijn in het leerproces vanaf de kleuterschool tot het einde van de leerplicht (MVG, 1998g). Het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (art. 8.) vermeldt dat op grond van een pedagogisch project de school een opvoedings- en leeromgeving moet creëren waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving wordt aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Het basisonderwijs is verantwoordelijk voor onderwijs aan alle leerlingen en moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden.

3.5.

Geografische toegankelijkheid

De verspreiding van scholen in Vlaanderen en dus ook kleuterscholen is vrij gelijkmatig over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven (grondwet van 17 februari 1994). In overeenstemming met de grondwet hebben ouders van kinderen niet alleen de vrijheid van schoolkeuze, maar ook het recht om te kiezen tussen een neutrale officiële of een confessionele school (behorend tot het vrij gesubsidieerd onderwijs). Indien één van beide scholen niet beschikbaar is binnen een omtrek van 4 kilometer van de woonplaats voor het lager onderwijs en 8 kilometer voor het secundair onderwijs, dan is er een speciale transportregeling, gefinancierd door de overheid, van toepassing. Voor kinderen uit het buitengewoon onderwijs word er bus- of taxitransport georganiseerd, gefinancierd door de overheid. In sommige gevallen kunnen de ouders zelf instaan voor het transport, waarbij ze dan een vergoeding krijgen op basis van de kosten voor openbaar vervoer.

59


Vlaams Eurydice rapport 2003

3.6.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze

Hoewel het kleuteronderwijs een vanzelfsprekende sociale en voorbereidende functie heeft naar het lager onderwijs toe, geldt op dit niveau geen leerplicht. Er is in Vlaanderen voor niemand schoolplicht. De instapleeftijd in het kleuteronderwijs is 2,5 jaar. Kleuters tussen 2,5 en 3 jaar worden toegelaten in het kleuteronderwijs op de volgende instapdata: de eerste schooldag na de zomervakantie; de eerste schooldag na de herfstvakantie; de eerste schooldag na de kerstvakantie; de eerste schooldag van februari; de eerste schooldag na de krokusvakantie of de eerste schooldag na de paasvakantie. Dit betekent dat een kleuter wordt toegelaten in het kleuteronderwijs en als regelmatige leerling wordt beschouwd vanaf de instapdatum volgend op de datum waarop hij/zij de leeftijd van 2,5 jaar heeft bereikt. Vóór de instapdatum mag een kleuter tussen 2,5 jaar en 3 jaar niet op school aanwezig zijn. Een kleuter die de leeftijd van 3 jaar bereikt heeft, kan elke dag worden ingeschreven en in de school worden toegelaten zonder rekening te moeten houden met de instapdata (Omzendbrief van 10 augustus 2001). Een schoolcarrière in het kleuteronderwijs eindigt meestal in de maand juni van het jaar waarin het kind zes jaar wordt. De ouders kunnen beslissen dat hun kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft of dat hun kind een jaar vroeger overstapt naar het lager onderwijs. De klassenraad van de betrokken kleuterschool en het hoofd van het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) brengen hierbij advies uit. In geval dat het kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft, is het verplicht om regelmatig school te lopen aangezien het dan voor het eerst onder de leerplicht valt. Zoals reeds is gezegd, is de vrijheid van schoolkeuze een fundamenteel principe dat het huidige onderwijssysteem schraagt (Wet van 29 mei 1959). In theorie is elke keuze van school en studierichting volledig vrij. 2002 was een historisch jaar voor het principe van de vrijheid van schoolkeuze. Het decreet van 28 juni 2002 (gelijke onderwijskansen) verankert een principieel inschrijvingsrecht in de door de ouders gekozen school. Elke leerling heeft vanaf het schooljaar 2003-2004 een recht op inschrijving in de school gekozen door zijn ouders (in samenspraak met de leerling als die leerling 12 jaar of ouder is). De ouders en leerling worden geïnformeerd over het pedagogisch project en het schoolreglement (die de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind eerbiedigen). Indien de ouders niet instemmen met dit project of het schoolreglement dan zal de inschrijving niet worden aanvaard. Er zijn geen andere toelatingsvoorwaarden. Een school kan slechts 2 redenen tot weigering inroepen: wanneer een bijkomende inschrijving omwille van materiële omstandigheden de veiligheid van de leerlingen in het gedrang brengt; wanneer de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten in de school. Indien klacht wordt ingediend, wordt elke weigering door een ‘Commissie inzake leerlingenrechten’ (opgericht door het Besluit van 27/09/02) beoordeeld. Indien een weigering niet of niet afdoende (b.v. indien er later wel nog bijkomende inschrijvingen worden genomen) werd gemotiveerd, dan kunnen er


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

maatregelen worden genomen tegen de school. De Commissie behandelt ook alle doorverwijzingen waarvoor er binnen het lokale overlegplatform geen oplossing werd gevonden. Een inrichtende macht kan ook bij inschrijving elke bijkomende leerling waarvan de thuistaal niet of – afhankelijk van het geval – wél het Nederlands is, doorverwijzen om de vooropgestelde verhouding tussen beide leerlingengroepen te waarborgen. Er worden wel verschillende voorwaarden gesteld voor de doorverwijzing in verband met het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands binnen de school en de relatieve aanwezigheid van de doelgroep die ten minste 20% moet bedragen en hoger moet zijn dan de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied waarin de school ligt. Daarnaast kan de school ook oordelen dat de draagkracht onvoldoende is om een leerling met een zware handicap optimaal te kunnen ondersteunen. In dergelijk geval kan de leerling worden doorverwezen. Alle

doorverwijzingen

worden behandeld

door de ‘lokale

overlegplatforms

inzake

gelijke

onderwijskansen’ (zie hoofdstuk 10.)

3.7.

Financiële ondersteuning van het gezin

Het basisonderwijs, waarvan het kleuteronderwijs deel uitmaakt, moet voor iedereen gratis toegankelijk zijn (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 27). Er zijn dus geen beurzen of toelagen voorzien. Aan ouders die hun kind inschrijven in een basisschool mag geen direct (d.i. bij de inschrijving zelf) of indirect (door b.v. hoge kosten aan te rekenen voor zaken waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders) inschrijvingsgeld worden gevraagd zoals in het hoger onderwijs wel gebeurd. Activiteiten of schoolbenodigdheden die noodzakelijk zijn voor het bereiken van een eindterm of het nastreven van een ontwikkelingsdoel zijn gratis (b.v. schriften, schoolagenda, schoolboeken, tijdschriften waarmee in de klas wordt gewerkt) . Er kan wel aan de ouders (= de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben) een bijdrage worden gevraagd voor b.v. de kosten van maaltijden en vervoer in het kader van een schooluitstap en facultatieve (en aldus niet-verplichte) buitenschoolse activiteiten (zoals sneeuwklassen, sportklassen,…). Er moet worden overlegd binnen de schoolraad (gemeenschapsonderwijs) of participatieraad (gesubsidieerd onderwijs) over de materialen en diensten waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders. Vanaf het schooljaar 2002-2003 moet de bijdrageregeling via het schoolreglement aan de ouders kenbaar worden gemaakt. Deze bijdragenlijst bij het schoolreglement bevat een opgave van de verschillende categorieën kosten waarvoor een tussenkomst kan worden gevraagd. Er wordt een raming gemaakt van het maximale bedrag per categorie zodat de ouders een inschatting kunnen maken van de grootte van de jaarlijkse bedragen en aldus niet in de loop van het schooljaar voor verrassingen komen te staan. Binnen het overleg in de participatieraad of de schoolraad wordt een gedifferentieerde regeling uitgewerkt voor minder gegoede ouders, die ook in het schoolreglement wordt opgenomen (Omzendbrief BaO/2002/3).

3.8.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen

In de meeste gevallen worden jaren gegroepeerd volgens de leeftijd: kinderen van 2,5 jaar tot 3 jaar;

61


Vlaams Eurydice rapport 2003

kinderen van 3 tot 4 jaar; kinderen van 4 tot 5 jaar; kinderen van 5 tot 6 jaar. Dergelijke indeling is echter niet van overheidswege vastgelegd. Officieel bestaan er immers geen leerjaren in het kleuteronderwijs. Meestal blijft de leerkracht niet bij de klasgroep als die overgaat naar een volgend jaar. Elke school is vrij om het onderwijs te organiseren zoals zij het wil. Sommige scholen hanteren kortstondig of continu het verticaal verdelingssysteem, waarbij verschillende leeftijdsgroepen in eenzelfde jaar samen zitten. Dit is vaak het geval in landelijke gebieden waar de lokale bevolking te klein is om aparte jaren in te richten. Een dergelijk systeem geeft meer differentiatiemogelijkheden. Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur.

3.9.

Organisatie van de schooltijd

De organisatie van de schooltijd wordt geregeld door het Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs van 14 april 1991. Binnen het kader dat door dit besluit wordt geschapen handelt het schoolbestuur autonoom wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het kleuteronderwijs (zie ook paragrafen 3.9.1, 3.9.2 en 3.10). 3.9.1.

Organisatie van het schooljaar

Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus. Scholen zijn minimum 182 dagen per jaar open en zijn gesloten in de maanden juli en augustus. Zij zijn vrij om in de maanden juli en augustus dagen te voorzien om leerlingen in te schrijven (zie ook paragraaf 5.12.1). 3.9.2.

Organisatie van schoolweek en schooldag

Met uitzondering van ziekenhuisscholen volgen de kinderen per schoolweek 28 of 29 lestijden van 50 minuten. Ze worden gelijkmatig verspreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag.

De

woensdagnamiddag is vrij (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). Op een schooldag beginnen de lessen op zijn vroegst om 8 uur. Ze eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van tenminste één uur. De lesroosters worden opgesteld door het schoolbestuur. Er is een wettelijk kader ontwikkeld voor voorzieningen voor kinderopvang buiten de schooltijd, op woensdagnamiddag en tijdens de vakantie. Naast privé-initiatieven kan een school kinderopvang organiseren wanneer op gemeentelijk niveau blijkt dat omwille van organisatorische redenen, de school best kan instaan voor de organisatie van kinderopvang, rekening houdend met het bestaand aanbod van voorzieningen in kinderopvang in de gemeente.

Net zoals alle andere initiatieven moet de school

beantwoorden aan specifieke kwaliteitsvereisten voor kinderopvang (Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997). De scholen zijn echter niet verplicht om deze dienst te voorzien.


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

3.10.

Curriculum en activiteiten

Er werden door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling ontwikkelingsdoelen geformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 25 februari 1997. Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. De ontwikkelingsdoelen vormen het curriculum. Zij worden geformuleerd voor vijf leergebieden: lichamelijke opvoeding (onderwerpen: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren), muzische vorming (onderwerpen: beeld, muziek, drama, beweging, media

en

attitudes),

Nederlandse

taal

(onderwerpen:

luisteren,

spreken,

lezen,

schrijven,

taalbeschouwing), wereldoriëntatie (onderwerpen: natuur, mens, maatschappij, technologie, tijd en ruimte) en wiskundige initiatie kleuteronderwijs (onderwerpen: getallen, meten en ruimte).

De

leergebiedoverschrijdende thema’s leren leren en sociale vaardigheden worden voor het kleuteronderwijs komen in alle leergebieden en het hele schoolgebeuren aan bod. Alle scholen moeten activiteiten in al deze leergebieden aan de leerlingen aanbieden. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 maakt een afwijking van de vastgelegde ontwikkelingsdoelen mogelijk. Een schoolbestuur kan oordelen dat de vastgelegde ontwikkelingsdoelen te weinig ruimte geven om de eigen pedagogische en opvoedkundige visie te realiseren en/of dat ze onverenigbaar zijn met deze visie. In dat geval kan het schoolbestuur een afwijking (die moet worden gemotiveerd) aanvragen bij de Vlaamse regering, en moeten alternatieve ontwikkelingsdoelen worden voorgesteld. De Vlaamse regering beoordeelt dan de gelijkwaardigheid van de voorgestelde ontwikkelingsdoelen met de vastgelegde. Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. De onderwijsinspectie controleert of de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. In het kleuteronderwijs zijn er sinds 1 september 2002 aanvullende lestijden bewegingsopvoeding en is er een afzonderlijk urenpakket voor kinderverzorgers. Ook een deel van de middelen voor zorgcoördinatie gaat naar het kleuteronderwijs waardoor zij zorgcoördinatoren kunnen aanstellen.

3.11.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal

Zoals gezegd behoort de beslissing omtrent de gehanteerde onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen tot de vrijheid van het schoolbestuur.

Bijgevolg zijn er geen officiële

richtlijnen. De ideeën van ervaringsgericht kleuteronderwijs zijn relatief populair in Vlaanderen. Deze benadering legt de nadruk op de sociaal-emotionele ontwikkeling en het welbevinden van het kind (Laevers, 1987). Er zijn kleuterscholen binnen het erkend en gesubsidieerd onderwijs die zich - wat betreft ideeën en methoden – laten inspireren door Steiner, Freinet, Montessori en andere belangrijke figuren uit de onderwijsgeschiedenis.

63


Vlaams Eurydice rapport 2003

Kinderen moeten de kans krijgen zelfstandig of met hulp van andere kinderen (en volwassenen) te experimenteren, ontdekken, overleggen,.... Hoekenwerk en contractwerk zijn belangrijke hulpmiddelen in het verwerven van zelfstandigheid. Bij hoekenwerk worden elke week een paar uurtjes (autonomie van de school) uit getrokken om de kinderen in de verschillende hoeken van de klas ontdekkingen te laten doen, reeds gekende zaken in dagdagelijkse situaties toe te passen of een oplossing voor een probleem proberen te vinden. Die uurtjes kunnen de kinderen ook gebruiken om naar eigen keuze een opdracht uit hun contract uit te voeren. Ze moeten ervoor zorgen dat ze voor een afgesproken datum klaar zijn met hun werk (planning). Dit noemt men contractwerk. Contractwerk is een organisatievorm waarbij voor iedere leerling een activiteitenpakket voor een bepaalde periode wordt vastgelegd. Voor de afwerking van het pakket (bundeltje) krijgen de leerlingen een bepaald deel van de klastijd ter beschikking, waarbij ze relatief zelfstandig over de duur en de volgorde van de activiteiten kunnen beslissen. ICT in het basisonderwijs wordt beschouwd als ondersteuning van het leerproces. Hiertoe werden de kleuters vanaf 4 jaar opgenomen bij de doelgroepen van het ICT-infrastructuurprogramma (opvolger van het project pc/kd, dat beëindigd is). 1 pc op 10 kleuters werd in 2001 als doel voorop gesteld en net niet gehaald in het gewoon kleuteronderwijs. Hiertoe zijn ook ICT-competenties voor de basisschool ontwikkeld. Elke school is echter vrij om te beslissen vanaf welke leeftijd zij hieraan beginnen te werken (zie ook paragraaf 3.10). De aankoop van leermateriaal zoals schoolboeken, audiovisueel materiaal e.a. wordt niet opgelegd vanwege de overheid. Scholen kunnen hierover wel onderling afspraken maken (b.v. binnen de scholengemeenschappen).

3.12.

Evaluatie van leerlingen

Het kleuteronderwijs is georganiseerd volgens de traditie van de Duitse kleuterschool. Bijgevolg is er geen sprake van formeel onderricht of een formele evaluatie. Dit betekent echter niet dat er helemaal geen sprake is van een beoordeling in dit onderwijsniveau. De beoordeling in het kleuteronderwijs is hoofdzakelijk gebaseerd op observatie en vervult drie rollen: •

Een vooruitziende rol: biedt de graad van rijpheid en ontwikkeling die door de leerling bereikt is voldoende perspectieven voor een schoolcarrière in het lager onderwijs?

•

Een peilende rol: wat heeft het kind geleerd, hoever staat de leerling in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten?

•

Een diagnostische rol: waarom heeft de ontwikkeling van een leerling vertraging opgelopen of waarom is de kennis op bepaalde terreinen niet verworven?

Er is een rijke traditie wat betreft het werken met instrumenten zoals kind- of leerlingvolgsystemen bij de observatie en het opvolgen van de ontwikkeling van de leerlingen. De overgang van kleuter- naar lager onderwijs vraagt om een steeds grotere opvolging door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB), samen met het onderwijsteam van de school, gegeven de toenemende problemen in dit stadium. Deze centra functioneren als geïntegreerde schoolbegeleidingsdiensten en zijn het resultaat van de samenvoeging van de vroegere Psycho-Medisch-Sociale (PMS) Centra die hoofdzakelijk verantwoordelijk waren voor de begeleiding van leerlingen en de centra voor Medisch


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

Schooltoezicht (MTC) die de gezondheidscontrole uitvoerden.

De nieuwe CLB’s zijn bijgevolg

verantwoordelijk zowel voor schoolbegeleiding als voor gezondheidscontrole. Ze werden effectief op 1 september 2000 als gevolg van het Decreet van 1 december 1998 betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding. De taken van de CLB’s bestaan in het algemeen uit een aantal geïntegreerde, multidisciplinaire acties. Deze acties zijn gericht op de leerling en worden uitgevoerd vanuit ‘preventief, remediërend of educatief oogpunt’ (Decreet van 1 december 1998). De acties behoren tot de zorg voor de ontwikkeling van de leerlingen van het gewoon en buitengewoon kleuter-, lager en secundair onderwijs en vinden plaats in samenwerking met de ouders en de school, die de eerste verantwoordelijken zijn. Waar nodig wordt eveneens samengewerkt met andere diensten, instellingen of voorzieningen. Het actieveld van de CLB’s is ruim en is geconcentreerd op de volgende aspecten (Decreet van 1 december 1998): 1) het leren en studeren, 2) de onderwijsloopbaan, 3) de preventieve gezondheidszorg; 4) het psychisch en sociaal functioneren. De CLB’s hebben als opdracht bij te dragen tot het welbevinden van de leerlingen nu en in de toekomst. Een belangrijke taak is het voorzien in informatie betreffende de structuur en de organisatie van het Vlaamse onderwijssysteem, de mogelijke studierichtingen, de relatie tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, de welzijnsvoorzieningen en de gezondheidsvoorzieningen. Een ander aandachtspunt is het verbeteren van de slaagcijfers en de vermindering en preventie van risicovol gedrag. De centra zijn ook verantwoordelijk voor spijbelende leerlingen en zullen trachten hen terug te integreren in het onderwijsproces. Het CLB-decreet stipuleert dat enkel de school de hoofdverantwoordelijkheid voor de studie- en beroepskeuzebegeleiding van de leerlingen bij de overgang van secundair naar hoger onderwijs draagt. Het decreet heeft dus de begeleiding van studiekeuze en leerlingenloopbaan verschoven naar de leraar in de school. Verschillende CLB’s coachen de leraars bij die taak en spelen hun know-how door (MVG, dep. Onderwijs, 2002). Op medisch vlak zijn de centra verantwoordelijk voor de gezondheid, groei en ontwikkeling van de leerlingen. Daarvoor voeren zij verplichte medische consultaties uit bij alle leerlingen op bepaalde momenten van hun onderwijsloopbaan en houden zij bestanden bij van de medische vaccinaties van de leerlingen. Ze trachten ook zo vroeg mogelijk stoornissen te ontdekken en zijn bezig met de preventie en detectie van besmettelijke ziekten. Vanaf de kleuterschool tot aan de overgang naar het hoger onderwijs, verzamelen, analyseren en beoordelen de centra psychologische, medische en sociale data over de leerlingen, die worden bijgehouden in een multidisciplinair bestand voor elke leerling.

3.13.

Bijzondere begeleiding van leerlingen

Sinds het schooljaar 1993-1994 worden door de Vlaamse regering projecten zorgverbreding in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs (zes- en zevenjarigen) aangeboden. Deze projecten bestaan uit extra lestijden opdat een breder continuüm aan onderwijszorgen voor leerbedreigde en kansarme leerlingen tot stand gebracht kan worden. De zorgverbredingsinspanningen dienen te leiden tot een preventief, begeleidend en remediërend proces waarbij uiteraard de hele persoonlijkheid van het kind uitgangspunt is.

Het is de bedoeling een

65


Vlaams Eurydice rapport 2003

onderwijspraktijk uit te bouwen die ook rekening houdt met de taalachtergrond en de sociale en culturele verscheidenheid van de leerlingen (ook de autochtone leerlingen). De actieterreinen die in de zorgverbredingsaanpak aan bod komen, zijn de volgende: 1.

preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden;

2.

taalvaardigheid Nederlands;

3.

intercultureel onderwijs;

4.

socio-emotionele ontwikkeling;

5.

leerlingenparticipatie en ouderbetrokkenheid;

6.

doorstroming en oriëntering.

Sedert het schooljaar 2002-2003 wordt er een nieuw geïntegreerd gelijke kansenbeleid (GOK) geïmplementeerd. Dit nieuw geïntegreerd beleid combineert bestaande maatregelen voor de bijzondere begeleiding van leerlingen, namelijk ‘zorgverbreding’ en ‘onderwijsvoorrangsbeleid’. Deze tijdelijke projecten worden stopgezet voor het gewoon basisonderwijs. De maatregelen worden nu gebundeld in één herkenbaar ondersteuningsaanbod. Het GOK wil alle kinderen evenwaardige ontplooiings- en onderwijskansen bieden, waarbij doorgroeien naar “doorstromingsrichtingen” in ASO, TSO en KSO vooropstaat. Als een school 10% doelgroepleerlingen heeft en als ze batig gerangschikt staat, dan krijgt de school een aantal aanvullende lestijden toegekend voor een periode van 3 jaar. De school hoeft niet langer een aanwendingsplan in te dienen, maar zal achteraf geëvalueerd worden of ze haar beleidsplan wel degelijk heeft uitgevoerd. Indicatoren (elke indicator krijgt een bepaald gewicht) die bepalen of iemand een doelgroepleerling is, zijn: •

het gezin leeft uitsluitend van een vervangingsinkomen;

•

de leerling is thuisloos;

•

de ouders behoren tot de trekkende bevolking;

•

de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

•

de thuistaal is niet het Nederlands.

Vanaf 1 september 2003 treedt de tweede fase van het GOK in werking en kunnen alle gewone basisscholen rekenen op extra zorguren. Het aantal zorguren wordt toegekend via een puntenenveloppe, die wordt berekend naargelang het aantal ingeschreven leerlingen. Tot nu toe genoot al meer dan drie kwart van de scholen de mogelijkheid om extra middelen in te zetten voor het bestrijden van kansarmoede (eerste deel gelijke onderwijskansen). Vanaf dit schooljaar kan echter elke gewone basisschool een zorgbeleid uittekenen. Deze zorguren komen bovenop de bestaande GOK-uren. Het hoofddoel van het nieuwe zorgbeleid is dat kinderen met een leerprobleem zich in de eerste plaats goed voelen op school. Aangepaste zorg zal hun motivatie verhogen en leren leuker maken voor hen.


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

Voor kinderen met leerproblemen betekent dit ook een kans om les te blijven volgen in een gewone school. De persoon die verantwoordelijk wordt voor de zorg binnen een school, is de zorgbegeleider of zorgcoördinator. De zorgbegeleider doet meer dan de zorg binnen een school coördineren en leerlingen begeleiden. Hij of zij kan ook leerkrachten begeleiden die met vragen zitten over hoe ze kinderen met een bepaald probleem moeten benaderen en kan daarnaast ook de link zijn tussen leerling, school, ouders, CLB, therapeut en alle andere instanties die bij een betere ondersteuning van het kind kunnen helpen. Vanaf het schooljaar 2001-2002 wordt er een afzonderlijk urenpakket voor kinderverzorgers gefinancierd of gesubsidieerd in het gewoon kleuteronderwijs. Deze maatregel is een stap in de richting van een betere begeleiding en van het optimaliseren van de opvang van de jongste kleuters. Het urenpakket wordt berekend op basis van het aantal regelmatige kleuters op de teldag en op basis van het aantal vestigingsplaatsen. Van zodra de school 35 kleuters telt, worden er 8 uren kinderverzorgers gesubsidieerd. Per volle schijf van 55 kleuters komt er één uur bij. Per bijkomende vestigingsplaats kleuteronderwijs die wordt ingericht, ontvangt de school 2 extra uren (Decreet van 13 juni 2001). In het schooljaar 2002-2003 werden in het gewoon kleuteronderwijs 20.095 uren kinderverzorgers gefinancierd/gesubsidieerd (MVG, Dep. Onderwijs 2003). Voor kinderen met een handicap zijn er de voorzieningen van het buitengewoon onderwijs (zie hoofdstuk 10).

3.14.

Privé-onderwijs

Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd en officiële gegevens hieromtrent derhalve zijn onbestaande. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de

opleidingen,

als

qua

de

lesmodaliteiten

en

prijs

(SIDIN

2004-2005,

http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf). Er is geen financiering (subsidies) voor privé-onderwijs.

3.15.

Andere organisatievormen

Een andere organisatievorm van onderwijs is het huisonderwijs. De leerplicht impliceert immers niet de plicht om naar school te gaan. De wettelijke basis voor huisonderwijs is vastgelegd in het Decreet betreffende het onderwijs-XIV van 14 februari 2003. Ouders die kiezen voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen : •

1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;

•

2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

67


Vlaams Eurydice rapport 2003

De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen zoals beschreven. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet wordt aanvaard of wanneer de onderwijsinspectie vaststelt dat het verstrekte onderwijs niet beantwoordt aan de vooropgestelde doelstellingen, schrijven de ouders de leerling in, in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap.

3.16.

Statistieken

Hieronder volgen enkele statistische gegevens betreffende het kleuteronderwijs. Leerkracht-leerling ratio

in 2002-2003 in het gewoon kleuteronderwijs: 15,9 (MVG, departement

Onderwijs, 2003).

Tabel 13: Aantal kleuterscholen van de verschillende onderwijsnetten (schooljaar 2002-2003) Gemeenschapsonderwijs

382

Gesubsidieerd vrij onderwijs

1380

Gesubsidieerd officieel onderwijs

457

Totaal

2219

De cijfers in tabel 3.1. omvatten zowel het gewoon als het buitengewoon kleuteronderwijs . Ze bevatten ook scholen die zowel kleuter- als lager onderwijs organiseren. In 2002-2003 organiseerden 1.950 scholen zowel kleuter- als lager onderwijs, 211 scholen enkel lager onderwijs en 179 scholen enkel kleuteronderwijs. In het buitengewoon onderwijs was er geen enkele school die enkel kleuteronderwijs aanbood en 90 scholen boden zowel buitengewoon kleuter- als lager onderwijs aan (MVG, departement Onderwijs, 2003).

Tabel 14: Evolutie van het aantal leerlingen in het kleuteronderwijs (1980-2003) Jaar

Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

vrij Gesubsidieerd

Totaal

onderwijs

onderwijs

officieel onderwijs

80-81

32.100

160.163

31.410

223.673

81-82

33.500

161.471

33.150

228.121

82-83

34.085

164.465

34.059

232.609

83-84

33.993

167.069

35.245

236.307

84-85

33.479

166.456

36.118

236.053


Hoofdstuk 3: Kleuteronderwijs

85-86

32.454

163.675

36.389

232.518

86-87

30.078

159.063

35.542

224.683

87-88

28.790

154.015

34.905

217.710

88-89

28.301

150.410

34.817

213.528

89-90

28.260

148.246

36.097

212.603

90-91

28.200

148.847

36.792

213.839

91-92

30.597

162.200

41.801

234.598

92-93

31.251

166.767

43.909

241.927

93-94

31.847

171.219

46.073

249.139

94-95

32.390

174.410

47.931

254.731

95-96

32.457

174.251

48.769

255.477

96-97

32.741

171.149

49.153

253.043

97-98

32.442

165.370

49.703

247.515

98-99

31.706

160.405

50.510

242.621

99-00

31.624

157.454

51.576

240.654

00-01

31.498

156.301

52.783

240.582

01-02

31.633

154.738

53.133

239.504

02-03

32.857

153.008

52.278

238.143

Deze cijfers omvatten zowel het aantal leerlingen in het gewoon kleuteronderwijs als het buitengewoon kleuteronderwijs (MVG, departement Onderwijs, 2003).

69


HOOFDSTUK 4. LAGER ONDERWIJS

In Vlaanderen maakt het lager onderwijs, samen met het kleuteronderwijs, deel uit van het basisonderwijs (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997). Het lager onderwijs bestaat uit zes leerjaren. Als de leerling deze succesvol doorloopt, gaat hij of zij daarna naar het secundair onderwijs.

4.1.

Historisch overzicht

Hieronder wordt het historisch perspectief van het lager onderwijs toegelicht. Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 werd de vrijheid van onderwijs ingevoerd: iedereen kon een school oprichten zonder daarvoor de toestemming van de overheid nodig te hebben. Dit leidde tot de oprichting van een groot aantal lagere scholen op initiatief van particulieren of geestelijken. In 1842 vaardigde het parlement de eerste wet op het lager onderwijs uit met de bedoeling de uitbreiding ervan in goede banen te leiden en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Deze wet verplichtte elk lokaal bestuur tot het oprichten van minstens één lagere school. Niettegenstaande deze wet was het schoolverzuim in de negentiende eeuw zeer groot. Schoolplicht bestond niet, wat tot een hoge graad van analfabetisme bij de bevolking leidde. De belangrijkste reden van het schoolverzuim was de kinderarbeid die wijd verspreid was. Op het einde van de negentiende eeuw was ongeveer 30% van de bevolking analfabeet. In 1914 werd de leerplicht ingevoerd in België: iedereen van zes tot veertien jaar was verplicht onderwijs te volgen. Tot dan telde het lager onderwijs drie graden van elk twee jaar, maar met de wet van 1914 werd een vierde graad voor de kinderen van twaalf tot veertien jaar ingericht. Door het uitbreken van de eerste wereldoorlog werd deze wet pas na de oorlog uitgevoerd. Het eerste leerplan, dat in 1880 werd ingevoerd door inspecteur-generaal Germain, kende een belangrijke vernieuwing in 1920 toen een leerplan voor de vierde graad werd uitgewerkt. Het leerplan van 1936 beoogde meer dan het louter aanleren van lezen, schrijven en rekenen. Vanaf dan tot op heden is de invloed van Ovide Decroly op de leerplannen zeer belangrijk geweest, vooral zijn ideeën over de invloed van de interesses van het kind op de leerprocessen. In de daarop volgende leerplannen overheerste een meer systematische benadering van het basisonderwijs, zonder daarbij de initiatieven die uitgingen van de leerkracht te beperken.

Deze

vernieuwingen vormden een antwoord op de angst dat een hogere graad van flexibiliteit in het onderwijs zou worden geïntroduceerd.

Er werd nu ook aandacht besteed aan geschikte methoden om jonge

kinderen te onderwijzen, de aanpassing van het onderricht aan de omgeving en het zo goed mogelijk respecteren van het leertempo van elk kind.

Programma’s werden herzien om de werving van

instrumentele kennis, eerder dan feitenkennis, te stimuleren.


Vlaams Eurydice rapport 2003

Vanaf 1959 kon ook

de nationale overheid scholen oprichten.

In 1973 werden in de Vlaamse

Gemeenschap in enkele scholen als experiment een aantal hervormingsinitiatieven opgestart. Uit deze experimenten groeide een grootschalig innovatieproject: het Vernieuwd Lager Onderwijs. De principes van deze nieuwe onderwijsbenadering werden vanaf 1980 in alle scholen toegepast. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 betekende een integratie van alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en basisonderwijs in ĂŠĂŠn coherent kader. Verder bevat het ook belangrijke wijzigingen en vernieuwingen, en ondermijnt het de principes van het Schoolpact die de controlerende macht van de koepelorganisaties binnen de verschillende onderwijsnetten voortzetten.

Het

decentralisatieprincipe heeft de autonomie en de verantwoordelijkheid van de school aangemoedigd en heeft dus ook het belang van de koepelorganisaties, die de rol uitoefenden van tussenschakel in de relatie tussen de scholen en de staat, verminderd. Op 1 september 2003 werd er gestart met de uitvoering van het Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Naar aanleiding van dit decreet hebben 9 op de 10 basisscholen zich verenigd tot scholengemeenschappen. Dit wordt gestimuleerd, doch niet verplicht.

4.2.

Actuele discussies

De actuele discussies die in paragraaf 3.2. worden geschetst, gelden voor de basisschool (dus zowel voor het kleuteronderwijs als voor het lager onderwijs).

4.3.

Wettelijk kader

Volgende onderwijswetgeving is van belang voor het lager onderwijs in Vlaanderen. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd door het Decreet van 15 juli 1997 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, en zoals gewijzigd. Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het Decreet van 27 februari 1997 betreffende het basisonderwijs van 14 juli 1998. Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewon basisonderwijs type 1. Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewon basisonderwijs type 8. Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I. Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV.


Hoofdstuk 4: Lager onderwijs

4.4.

Algemene doelstellingen

De algemene doelstellingen van het kleuter- en het lager onderwijs liggen in mekaars verlengde. Voor de algemene doelstellingen van het lager onderwijs wordt verwezen naar paragraaf 3.4.

4.5.

Geografisch toegankelijkheid

De verspreiding van scholen in Vlaanderen en dus ook lagere scholen is vrij gelijkmatig over het territorium. De meeste scholen in Vlaanderen hebben kleuter- en lager onderwijs. Wat betreft de bespreking van de geografische toegankelijkheid wordt verwezen naar paragraaf 3.5.

4.6.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze

Het lager onderwijs begint normaal in september van het jaar dat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt. Deze datum markeert het begin van de leerplicht die twaalf jaar duurt. De voogd kan echter beslissen dat zijn/haar kind het eerste jaar lager onderwijs mag aanvangen op de leeftijd van vijf jaar of dat het kind het eerste jaar van de leerplicht in het kleuteronderwijs doorbrengt, steeds na een advies van de klassenraad en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). Anderzijds is het in geval van een positief advies van de klassenraad en het CLB mogelijk dat het kind acht jaar doorbrengt in het lager onderwijs (Decreet van 25 februari 1997). Dergelijke regeling laat het kind dat laattijdig (te wijten aan ziekte, handicap of immigratie) aanvangt in het onderwijs toe om in het lager onderwijs te blijven tot het einde van het schooljaar waarin het de leeftijd van 15 jaar bereikt (en onder voorwaarde dat hij/zij niet meer dan 8 jaar in dit onderwijsniveau heeft school gelopen). Het minimaal aantal jaren in het lager onderwijs is teruggebracht tot 4. De schoolkeuze gebeurt door de ouders. Bij de eerste inschrijving in het lager onderwijs stelt de inrichtende macht de ouders en de leerling in kennis van het pedagogisch project en het schoolreglement van de school. Het schoolreglement wordt uitgebreid met de bijdrageregeling voor de ouders – of de perso(o)n(en) die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben – alsook met informatie omtrent de wijze waarop de school omgaat met de geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning van buiten de Vlaamse Gemeenschap.

Verder zijn er geen

toelatingsvoorwaarden. Daarnaast is uiteraard ook hier het nieuwe decreet gelijke kansen (zie ook paragraaf 3.13.) relevant. Het onvoorwaardelijk recht op inschrijving in de school van keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd (Omzendbrief 2002/01 - Informatie bij eerste inschrijving en schoolreglement). Een inrichtende macht kan: •

elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer deze volgens de inrichtende macht omwille van materiële omstandigheden de veiligheid van de leerling in het gedrag brengt;

•

de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten.

Als de ouders de school niet volgen in haar motivatie om het kind te weigeren, kunnen zij klacht indienen bij de Commissie inzake leerlingenrechten, binnen de 30 kalenderdagen na het ontvangen van de

73


Vlaams Eurydice rapport 2003

weigering. Na ontvangst van de klacht oordeelt de Commissie inzake leerlingenrechten binnen de vijf kalenderdagen over de grond van de klacht en stuurt een bericht per aangetekende brief. Oordeelt de commissie dat de school het recht had het kind te weigeren, dan wordt met de hulp van het lokaal overlegplatform gezocht naar een andere, geschikte school. Indien de commissie vindt dat de school geen enkele gegronde reden had om het kind te weigeren, kan de school een financiële sanctie krijgen, tenzij ze toch bereid is het kind in te schrijven.

4.7.

Financiële ondersteuning van de gezinnen van de leerlingen

Het basisonderwijs, waarvan het kleuteronderwijs deel uitmaakt, moet voor iedereen gratis toegankelijk zijn (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 27). Voor verdere uitleg omtrent financiële ondersteuning onder de vorm van beurzen en studietoelagen wordt verwezen naar paragraaf 3.7. 4.8.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen

De structuur van het lager onderwijs, bestaande uit 6 leerjaren en drie graden, is reeds verschillende decennia in voege. Indien de schoolbevolking onvoldoende groot was om 6 leerjaren te vormen voor de 6 leeftijdsgroepen, werden er graadklassen gevormd met de leerlingen van twee opeenvolgende leeftijdsgroepen of werden er gradenklassen gevormd indien nodig. Dit was noodzakelijkerwijs het geval in streken waar de bevolkingsdichtheid laag was. Tegenwoordig is het schoolbestuur vrij om zijn eigen onderwijs te organiseren. In de grond is er geen verplichte verdeling meer in klassen, vakken of graden (Verhoeven & Elchardus, 2000). De meeste scholen blijven echter de verdeling in 6 klassen behouden. Buiten de klassen waarin, in enkele uitzonderlijke gevallen, groepswerk tussen kinderen van verschillende leeftijd en geïndividualiseerde onderwijsmethoden worden gebruikt, gebeurt het lager onderwijs in grote mate ongedifferentieerd. Hetzelfde programma wordt meestal gehanteerd voor alle leerlingen uit eenzelfde klas.

Nochtans zoekt het onderwijsbeleid vandaag naar manieren om

differentiatie te vergroten. Feitelijk werken de meeste lagere scholen hard om de differentiatie te verbeteren door b.v. speciale lesuren voor kinderen met leermoeilijkheden, ‘hoekenwerk’ waarbij kinderen uit dezelfde klas in kleine groepjes aan verschillende taken werken en ‘contractwerk’ waarbij de kinderen verantwoordelijk zijn voor de vorderingen van hun eigen werkjes (Inspectie Basisonderwijs, 2000). Normaal is er één leerkracht die alle vakken geeft. Soms worden er echter speciale leerkrachten aangesteld voor vakken als muziek, lichamelijke opvoeding, godsdienst,.... Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur.

4.9.

Organisatie van de schooltijd

De organisatie van de schooltijd wordt geregeld door het Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs van 14 april 1991.


Hoofdstuk 4: Lager onderwijs

Binnen het kader dat door dit besluit wordt geschapen handelt het schoolbestuur autonoom wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het kleuteronderwijs (zie ook paragrafen 3.9.1, 3.9.2 en 3.10). 4.9.1

Organisatie van het schooljaar

Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus. Scholen zijn minimum 182 dagen per jaar open en zijn gesloten in de maanden juli en augustus. Zij zijn vrij om in de maanden juli en augustus dagen te voorzien om leerlingen in te schrijven (zie ook paragraaf 5.12.1). 4.9.2

Organisatie van de schoolweek en de schooldag

Het schoolbestuur is vrij om de organisatie van het onderwijs die wordt vastgelegd in een schoolwerkplan, te bepalen (Verhoeven & Elchardus, 2000). Er bestaan niet langer vaste lesroosters in het basisonderwijs. Met uitzondering van ziekenhuisscholen volgen de kinderen per schoolweek 28 of 29 lestijden van 50 minuten. Ze worden gelijkmatig verspreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag. De woensdagnamiddag is vrij (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). Op een schooldag beginnen de lessen op zijn vroegst om 8 uur. Ze eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van tenminste één uur. Vaak worden de lessen in de voor- en / of in de namiddag onderbroken voor een speeltijd. Aansluitend voor- en/of na de lunchpauze is er soms ook een speeltijd. Er is een wettelijk kader ontwikkeld voor kinderopvang voor en na de schooltijd, op woensdagnamiddag en tijdens de vakantie. Naast privé-initiatieven kan een school kinderopvang organiseren wanneer op gemeentelijk niveau blijkt dat omwille van organisatorische redenen de school best kan instaan voor de organisatie van kinderopvang, rekening houdend met het bestaand aanbod van voorzieningen in kinderopvang in de gemeente. Net zoals alle andere initiatieven moet de school beantwoorden aan specifieke kwaliteitsvereisten voor kinderopvang (Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997). De scholen zijn echter niet verplicht om deze dienst te voorzien.

Lengte van de schooldag Voorziening buiten

Voorziening de

Start lessen

lunchpauze

Einde lessen

lesuren

buiten

de

lesuren

Maandag Dinsdag Donderdag Vrijdag

Voorschoolse opvang mogelijk

Niet uur,

voor

meestal

om 8u30

Ten

8 Minstens 1 uur

vroegste

om 15 uur en ten laatste 17 uur

Naschoolse opvang mogelijk

75


Vlaams Eurydice rapport 2003

Woensdag

Vrij

op

woensdagnamiddag

(eventueel

nog

beperkte naschoolse opvang)

Het Decreet Basisonderwijs (25 februari 1997) erkent het recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor kinderen die tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om naar de lagere school te gaan wegens ziekte of ongeval. Op vraag van de ouders – of de perso(o)n(en) die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben - is de school verplicht om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren (twee lesuren per week die gesubsidieerd of gefinancierd worden als aanvullende lesuren). Deze regeling geldt pas wanneer de afwezigheid minstens 21 dagen duurt (zie ook paragraaf 3.15).

4.10.

Curriculum, onderwerpen, aantal lesuren

Voor het lager onderwijs zijn er door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) eindtermen geformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 25 februari 1997. Het curriculum bestaat uit eindtermen lichamelijke opvoeding (onderwerpen zoals beschreven in paragraaf 3.10), muzische vorming (onderwerpen zoals beschreven in paragraaf 3.10), taal (onderwerpen zoals beschreven in paragraaf 3.10 aangevuld met vaardigheden en strategieën Nederlands en Frans (onderwerpen: luisteren, lezen, spreken en schrijven), wereldoriëntatie (onderwerpen zoals in paragraaf 3.10 aangevuld met brongebruik), wiskundige initiatie lager onderwijs (onderwerpen: getallen, meten, meetkunde, strategieën en probleemoplossende vaardigheden, en attitudes). De eindtermen moeten door de leerlingen worden bereikt op het einde van de lagere school. De leergebiedoverschrijdende thema’s leren leren en sociale vaardigheden komen in alle leergebieden en het hele schoolgebeuren aan bod. Alle scholen moeten activiteiten in al deze leergebieden aan de leerlingen aanbieden. Deze zijn alle vanaf 1 september 1998 verplicht. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 maakt een afwijking van de vastgelegde eindtermen mogelijk voor schoolbesturen die verantwoordelijk zijn voor de inrichting van lager onderwijs. Een schoolbestuur kan oordelen dat de vastgelegde eindtermen te weinig ruimte bieden om de eigen pedagogische en opvoedkundige visie te realiseren en/of dat ze onverenigbaar zijn met deze visie. In dat geval kan het schoolbestuur een gemotiveerde vraag tot afwijking indienen samen met een eigen alternatieve definitie van de eindtermen, waarover de Vlaamse regering een beslissing zal nemen. De Dienst voor Onderwijsontwikkeling kreeg van de het departement Onderwijs de opdracht om specifieke ICT-competenties voor het basisonderwijs uit te werken. De planning is dat deze ICTcompetenties vanaf 2003-2004 via gewone lessen zullen worden nagestreefd (zie ook paragrafen 3.10 en 3.11). Op basis van de eindtermen maken de schoolbesturen zelf hun leerplan. In praktijk gebeurt dit meestal door de koepels van de onderwijsnetten. Deze leerplannen worden met het oog op het waarborgen van het onderwijspeil op advies van de inspectie door de regering goedgekeurd (Verhoeven & Elchardus, 2000).


Hoofdstuk 4: Lager onderwijs

Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. De taak van de onderwijsinspectie wordt beschreven in hoofdstuk 9.

4.11.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal

Volgens het principe van de pedagogische vrijheid behoort een beslissing omtrent de onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen tot de vrijheid van het schoolbestuur. Bijgevolg is er geen sprake van officiĂŤle richtlijnen (zie ook paragraaf 3.11.).

4.12.

Evaluatie van leerlingen

De onderwijzer moet testen afnemen op het einde van elk leerjaar met de bedoeling om te beoordelen in welke mate de vooropgestelde doelstellingen door de leerlingen bereikt zijn en om de doelmatigheid van zijn/haar lesgeven te evalueren.

Een schoolrapport informeert elke leerling en zijn/haar ouders op

regelmatige tijdstippen over de bereikte resultaten, de vooruitgang die is gemaakt, het leergedrag en de persoonlijke ontwikkeling van het kind. Op dit niveau (net zoals in het secundair onderwijs) wordt de leerkracht aangemoedigd om een pedagogie van succes en positieve stimulering te hanteren, die rekening houdt met de moeilijkheden die inherent zijn aan de vooropgestelde doelstellingen en de variĂŤrende bekwaamheden van de leerlingen. Samen met de formatieve toetsen kunnen de resultaten van de examens die in december of juni worden afgenomen hierbij worden gebruikt. Het besef groeit dat gedifferentieerde evaluatievormen nodig zijn. Ook leerlingenvolgsystemen vinden meer en meer ingang. Alle evaluaties (examens en testen)

worden georganiseerd door de leerkracht onder de

verantwoordelijkheid van de schoolbestuur van de school.

4.13.

Voortgang van de leerlingen

Over het met vrucht doorlopen van een schooljaar en het overgaan naar het volgende leerjaar wordt beslist door de klasleraar, vaak in overleg met de directeur en eventueel met andere leden van het onderwijsteam. Het zittenblijven is duidelijk een probleem in het lager onderwijs (zie tabellen 4.3. en 4.4.).

De diplomering in het lager onderwijs gebeurt als volgt. Het Getuigschrift Basisonderwijs kan worden bekomen op het einde van het 6de leerjaar van het lager onderwijs, op het einde van het eerste jaar van het secundair onderwijs (1ste jaar A of B) of op het einde van het voorbereidende jaar beroepsonderwijs (d.i. het tweede jaar van de eerste graad secundair onderwijs voor zij die uit de het eerste jaar B komen) waar een evenwaardig certificaat wordt verstrekt.3

77


Vlaams Eurydice rapport 2003

4.15.

Bijzondere begeleiding van leerlingen

In 1984 werd het Koninklijk Besluit van 27 oktober 1966 gewijzigd om een grotere autonomie voor elke school te garanderen wat betreft de organisatie van haar onderwijsaanbod en dit door de school te financieren op basis van een pakket toegewezen lesuren. Een aantal lestijden wordt ter beschikking gesteld van elke school, afhankelijk van het aantal leerlingen.

Dit systeem geeft de scholen de

mogelijkheid om een optimaal lessenrooster op te stellen en de structuur van het onderwijsaanbod af te stemmen op de particuliere noden van de leerlingen (de organisatie van overgangsjaren, de inrichting van lessen lichamelijke opvoeding, het uittrekken van uren voor ondersteuning in het schoolbeheer,…). Scholen kunnen de diensten inroepen van een taakleraar, wiens taak het is om door middel van specifieke en sterk geïndividualiseerde activiteiten leerlingen bij te staan die door een moeilijke periode van het leerproces gaan. De activiteiten van de taakleraren worden momenteel ingebed in het zorgbeleid van de school dat zich steeds op 3 niveaus situeert, met name 1) coördinatie van alle zorginitiatieven, 2) coachen van de leerkrachten en 3) begeleiden van de leerlingen (Omzendbrief betreffende de taakleraar in het gewoon basisonderwijs, ref. B/HJ/LC/HDB). 4.15.1.

Het nieuwe geïntegreerd gelijke kansenbeleid

Vanaf het schooljaar 2002-2003 wordt er een nieuw geïntegreerd gelijke kansenbeleid (GOK) geïmplementeerd. Dit nieuw geïntegreerd beleid combineert bestaande maatregelen voor de bijzondere begeleiding van leerlingen namelijk ‘zorgverbreding’ en ‘onderwijsvoorrangsbeleid’. Deze tijdelijke projecten

worden

stopgezet.

De

maatregelen

worden

nu

gebundeld

in

één

herkenbaar

ondersteuningsaanbod. Het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het buitengewoon onderwijs blijft verder lopen in afwachting van een heroriëntatie van het buitengewoon onderwijs. De ondersteunende maatregelen voor Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en voor scholen met anderstalige nieuwkomers blijven afzonderlijk behouden. De ondersteuning die voortvloeit uit dit tijdelijk project ‘Vlaamse rand’ kan niet worden gecombineerd met het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. Het GOK voor het basisonderwijs wordt besproken in paragraaf 3.13. 4.15.2.

Geïntegreerd onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften (GON)

Een speciaal systeem van geïntegreerd onderwijs (GON) maakt mogelijk dat leerlingen met speciale behoeften, waarvan sommigen een zekere tijd in een school voor buitengewoon onderwijs hebben doorgebracht, tijdelijk verder kunnen genieten van de begeleiding uit het buitengewoon onderwijs (omzendbrief van 1 juli 1993, zie ook paragraaf 10.5). Dit systeem laat ook toe om kinderen te voorzien van technische uitrusting, met de bedoeling hen te herintegreren in een school uit het gewoon onderwijs. Dergelijke uitrusting wordt gefinancierd door de overheid. In de periode 1990-2003 is het aantal leerlingen uit het geïntegreerd onderwijs gegroeid van 524 naar 1.874 in het basisonderwijs (MVG, Departement Onderwijs, 2003).


Hoofdstuk 4: Lager onderwijs

4.15.3.

De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB)

De rol van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt beschreven in paragraaf 3.12.

4.16.

Privé-onderwijs

Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd en officiële gegevens hieromtrent derhalve zijn onbestaande. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de

opleidingen,

als

qua

lesmodaliteiten

en

prijs

(SIDIN

2004-2005,

http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf). Er is geen financiering (subsidies) voor privé-onderwijs.

4.17.

Andere organisatievormen

Een alternatieve onderwijsvorm is huisonderwijs. Wanneer de ouders voldoende garanties kunnen geven (omtrent studeermogelijkheden enzovoort) aan de inspectie, is huisonderwijs toegelaten. De leerplicht impliceert immers nog niet de plicht om naar school te gaan. Meer informatie hierover staat in paragraaf 3.15.

4.18.

Statistieken

Hieronder volgen enkele statistische gegevens betreffende het lager onderwijs. De leerkracht-leerling ratio in het gewoon lager onderwijs in 2002-2003: 12.6 (voor buitengewoon onderwijs: zie hoofdstuk 10) (MVG, departement Onderwijs, 2003).

Tabel 15: Aantal scholen in het lager onderwijs (2002-2003) Gemeenschapsonderwijs

397

Gesubsidieerd vrij onderwijs

1.447

Gesubsidieerd officieel onderwijs

506

Totaal

2.350

Deze cijfers omvatten zowel het gewoon als het buitengewoon lager onderwijs (uitgezonderd de 6 scholen die buitengewoon onderwijs type 5 organiseren). Ze bevatten ook scholen die zowel kleuter- als lager onderwijs organiseren. Tabel 16: Evolutie van het aantal leerlingen in het lager onderwijs (1984-2003) Jaar

Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

vrij Gesubsidieerd officieel Totaal

79


Vlaams Eurydice rapport 2003

onderwijs

onderwijs

onderwijs

84-85

63.052

273.930

93.218

429.200

85-86

61.820

273.657

92.753

428.230

86-87

60.611

276.059

92.820

429.490

87-88

60.025

280.029

93.313

433.367

88-89

59.346

281.068

94.276

434.690

89-90

58.717

281.376

93.685

433.778

90-91

58.650

278.364

93.214

424.556

91-92

57.819

274.324

92.413

418.691

92-93

56.879

270.147

91.565

419.008

93-94

56.313

266.956

91.259

414.528

94-95

55.842

264.918

91.829

412.589

95-96

55.702

264.859

92.162

412.723

96-97

57.087

267.534

92.748

417.369

97-98

57.877

271.835

94.298

424.110

98-99

58.708

275.116

96.132

429.956

99-00

59.387

277.673

97.212

434.272

00-01

59.908

278.292

97.335

435.535

01-02

59.802

277.027

97.491

434.320

02-03

61.690

274.690

94.009

431.209

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Deze cijfers omvatten zowel het aantal leerlingen in het gewoon lager onderwijs als het buitengewoon lager onderwijs1. In paragraaf 10.8 worden de cijfers van het buitengewoon lager onderwijs gegeven.

1

Om dubbeltellingen te voorkomen, zijn de leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon lager onderwijs type 5 (leerlingen met langdurige ziekten) niet inbegrepen in de cijfers.


Hoofdstuk 4: Lager onderwijs

Tabel 17: Vooruitgang in de studies van de leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs (2002-2003) Leerlingen met Normaal

1

voorsprong

gevorderd

achterstand

achterstand

achterstand

AC

%

AC

%

AC

%

AC

%

AC

%

590

0,90

58.253

89,13

6.313

9,66

197

0,30

6

0,01

65.359

Tweede 621

1,00

53.862

86,48

7.384

11,85 398

0,64

21

0,03

62.286

Derde

629

1,03

52.021

85,50

7.682

12,63 480

0,79

30

0,05

60.842

Vierde

602

0,95

53.693

84,87

8.308

13,13 616

0,97

46

0,07

63.265

Vijfde

655

1,02

54.368

84,74

8.522

13,28 598

0,93

18

0,03

64.161

Zesde

654

1,05

54.173

86,64

7.337

11,73 352

0,56

10

0,02

62.526

Totaal

3.751

0,99

326.370

86,24

45.546 12,04 2.641

0,70

131

0,03

378.439

Jaar

Eerste

jaar 2

jaar >

2

jaar

Totaal AC

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 18: Vooruitgang in de studies van de leerlingen met vreemde nationaliteit in het gewoon lager onderwijs (2002-2003)

Jaar

Voorsprong

Normaal

1

jaar 2

jaar >

2

jaar

gevorderd

achterstand

achterstand

achterstand

Totaal

AC

%

AC

%

AC

%

AC

%

AC

%

28

0,56

3.211

64,56

1.400

28,15

261

5,25

74

1,49

4.974

Tweede 31

0,68

2.519

55,58

1.517

33,47

370

8,16

95

2,10

4.532

Derde

17

0,38

2.269

50,90

1.580

35,44

465

10,43

127

2,85

4.458

Vierde

32

0,74

1.960

45,41

1.644

38,09

581

13,46

99

2,29

4.316

Vijfde

26

0,64

1.875

46,41

1.532

37,92

560

13,86

47

1,16

4.040

Zesde

29

0,82

1.823

51,37

1.365

38,46

315

8,88

17

0,48

3.549

Totaal

163

0,63

13.657 52,79

9.038

34,94

2.552

9,87

459

1,77

25.869

Eerste

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

81


HOOFDSTUK 5. SECUNDAIR ONDERWIJS De organisatie van de vier graden-structuur van het voltijds secundair onderwijs is gebaseerd op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het secundair onderwijs-II, zoals gewijzigd. De tweede en derde graad biedt Algemeen Vormend Secundair Onderwijs (ASO), Technisch Secundair Onderwijs (TSO), Kunstsecundair Onderwijs (KSO) en Beroepssecundair Onderwijs (BSO). Er bestaat ook deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Leerlingen kunnen het secundair onderwijs binnen één instelling volgen.

5.1.

Historisch overzicht

Hieronder wordt het historisch perspectief van het secundair onderwijs toegelicht. Het duurde tot 1887 vooraleer een wet de structuur van het secundair onderwijs vastlegde. Die structuur werd behouden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Naast de klassieke richtingen (Latijn-Grieks en Latijn) kreeg ook de moderne humaniora (met de klemtoon op moderne talen en wetenschappen) betekenis. Daarenboven werden secundaire scholen opgericht, die geen humaniora-onderwijs aanboden maar die bedoeld waren om jongeren voor te bereiden op een loopbaan in de handel, industrie, administratie en financiële wereld. Ook ontstond in de loop van de 19de eeuw, los van de bestaande secundaire scholen, het technisch onderwijs. Dit onderwijstype dat gericht was op de sectoren landbouw, tuinbouw, industrie en handel, voorzag lessen met een praktische en nuttige inslag, ‘s avonds en op zondag. De grote politieke, sociale en economische veranderingen uit de nadagen van de Eerste Wereldoorlog hadden een invloed op de toenmalige structuur van het secundair onderwijs; het aantal scholen en leerlingen nam sterk toe (De Keyser & D’Hoker, 1984-1985). Vanaf het interbellum spitste de discussie zich toe op de evenwaardigheid tussen de klassieke richtingen enerzijds en de moderne humaniora anderzijds. In 1924 kwam het leerplan van de middelbare scholen, dat een afdeling Latijn-Grieks kon bevatten in de rijksmiddelbare scholen, overeen met de eerste drie jaar van de moderne humaniora. Het technisch onderwijs, waarvan de ontwikkeling werd gekenmerkt door een gebrek aan coherentie en dat noch over een statuut noch over een unitaire structuur beschikte, kreeg door een koninklijk besluit in 1933 voor de eerste keer een samenhangende indeling voor technische scholen. Het bestuur van het technisch onderwijs, dat tot dan toe de verantwoordelijkheid was geweest van verschillende ministers (Landbouw, Handel en Arbeid) kwam onder de bevoegdheid van de minister van Openbaar Onderwijs. Op dat moment kwam, tenminste in bepaalde kringen, het idee naar voren om het secundair en technisch onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren 1950 en 1960, evolueerde het secundair onderwijs op een determinerende wijze. Eerst en vooral werden er nieuwe afdelingen en structuren opgericht (KB van 30 april 1957(b)). Op hetzelfde moment werd het technisch en beroepsonderwijs een structuur gegeven die gelijkaardig was aan die van het oudere algemeen vormend onderwijs (KB van 30 april 1957(a)). De ‘Omnivalentiewet’ van 8 juni 1964 liet een grotere toegang tot hoger onderwijs en bepaalde universiteitsfaculteiten in het bijzonder toe. Tijdens de decennia die het einde van de Tweede


Vlaams Eurydice rapport 2003

Wereldoorlog voorafgingen was het secundair onderwijs met zijn zeer hiërarchische, categoriale en piramidale structuur, immers enkel toegankelijk geweest voor een kleine groep jongeren. De democratiseringsbewegingen hebben in het secundair onderwijs na de Tweede Wereldoorlog een radicale hervorming teweeg gebracht in haar structuren en pedagogische methoden. Deze evolutie had zowel een kwalitatieve (structurele veranderingen) als een kwantitatieve dimensie (de ‘school-boom’). Meer pogingen tot hervorming van het secundair onderwijs gaan terug tot het schooljaar 1969-1970. De Wet van 19 juli 1971 introduceert een nieuw type van secundair onderwijs, dat het Type 1 werd genoemd. Waar dit nieuwe (comprehensieve) type verplicht werd in het rijksonderwijs, werd het slechts gedeeltelijk toegepast in de gesubsidieerde scholen. Twee belangrijke hervormingen bepalen de actuele eenheidsstructuur van het secundair onderwijs. Ten eerste zijn de twee hoofdtypes (een comprehensief type en een type met verschillende richtingen) vervangen, door een nieuw algemeen kader. De vroegere nationale wetgeving (aangenomen vóór de bevoegdheidsoverdracht van federale overheid naar gemeenschap) van 1971 (type I) en 1957 (type II) is vervangen door het Decreet betreffende het onderwijs II van 31 juli 1990. Dit voerde een nieuwe algemene structuur voor het secundair onderwijs in. Vanaf 1 september 1989 namen alle Vlaamse scholen progressief deze organisatievorm aan, vertrekkend van het eerste jaar secundair onderwijs. Ten tweede is het secundair onderwijs over de laatste 30 jaren geëvolueerd naar een uniforme wetgeving voor het hele secundaire onderwijs (technisch en beroepsonderwijs inbegrepen) met betrekking tot de uitreiking van diploma’s, leerplannen, leerlingenevaluatie,…. In Vlaanderen verwijzen de termen ‘lager’ en ‘hoger’ secundair onderwijs naar de voormalige structuur van het secundair onderwijs dat uit twee cycli van 3 jaar bestond (m.n. de lagere en de hogere cyclus). Vandaag heeft het secundair onderwijs een meer uniforme structuur en een onderverdeling in 3 graden. In het Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs wordt een nieuwe reorganisatie vastgelegd. Een belangrijke doelstelling van het Decreet van 14 juli 1998 is de optimalisering van de oriëntering van de leerlingen, met de bedoeling aan elke leerling het onderwijs te geven dat het best beantwoordt aan zijn interesses en capaciteiten. Dit betekende dat er komaf moest worden gemaakt met een aantal problemen die zich in het onderwijs voordoen, als daar zijn: het toenemende aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het groter aantal mislukkingen, het eliminatiemechanisme dat karakteristiek is voor het secundair onderwijssysteem, de ongekwalificeerde ‘output’ van leerlingen van het secundair onderwijs op de arbeidsmarkt, enzovoort. Op vijf vlakken werden hervormingen vastgelegd, zoals de rationalisering en herschikking van het onderwijsaanbod, de bevordering van de lokale autonomie van de scholen, bijkomende inspanningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, de integratie van het gewoon en buitengewoon onderwijs en de modularisering van het beroepsgericht onderwijs (zie paragraaf 5.13.5).

5.2.

Actuele discussies

In het secundair onderwijs zijn volgende hervormingsvoorstellen actueel.


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Accent op talent. In de zomer van 2004 zal een witboek worden voorgesteld waarin de ervaringen van de voortrekkerscholen, de voorstellen van de SERV en andere concretiseringen uit het rapport 'Accent op talent' gebundeld zijn. Dit witboek moet de bakens uitzetten voor onderwijsvernieuwingen in het Vlaamse secundair onderwijs tegen 2010 (zie ook paragraaf 5.18). Talen. Met de uitbreiding van de Europese Unie moeten scholen naast Duits, Italiaans, Spaans of Russisch ook andere officiële talen van de Europese Unie kunnen aanbieden. Er wordt nagegaan hoe het onderwijs van twee vreemde talen vanaf het eerste jaar secundair onderwijs kan worden verplicht. Het vreemdetalenonderwijs in BSO en TSO moet opnieuw worden bekeken. Het deeltijds onderwijs houdt een voltijds engagement in vanwege de jongeren. Er moeten daarom voldoende leerrijke werkervaringsplaatsen voorhanden zijn. Het alternerend leren moet een reële en gelijkwaardige optie worden binnen het leerplichtonderwijs. In het schooljaar 2004-2005 wordt de mogelijkheid gecreëerd voor jongeren in het DBSO om een getuigschrift tweede graad te behalen. Dat maakt een vlotte overgang tussen voltijdse en alternerende systemen mogelijk. Drie centra kunnen bij wijze van experiment onthaalonderwijs inrichten. Regionale Technologische Centra. Vanaf 2004 beperken de regionale technologische centra zich tot die sectoren en studiegebieden die voor de betrokken regio van belang zijn én toekomstmogelijkheden bieden. De selectie van sectoren en studiegebieden behoort tot de autonomie van elk Regionaal Technologisch Centrum. De beschikbaarheid van hoogtechnologische infrastructuur voor de scholen blijft daarin prioritair (zie ook paragraaf 5.18).

5.3.

Wettelijk kader

Onderstaande onderwijswetgeving is van belang in het secundair onderwijs. Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving van 29 mei 1959, bijgenaamd de ‘Schoolpactwet’. Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op het technisch onderwijs van 30 april 1957. Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op het middelbaar onderwijs van 30 april 1957. Wet betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs van 19 juli 1971. Besluit van de Vlaamse Regering houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs 31 juli 1990. Decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleiding van 17 juli 1991. Decreet betreffende het Onderwijs II van 31 juli 1990. Besluit van de Vlaamse Executieve betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs van 13 maart 1991. Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs van 24 juli 1996.

85


Vlaams Eurydice rapport 2003

Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs van 14 juli 1998. Decreet betreffende het Onderwijs XI van 18 mei 1999. Decreet betreffende het Onderwijs XIII- MozaĂŻek van 13 juli 2001. Besluit van de Vlaamse regering houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs van 31 augustus 2001. Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs van 18 januari 2002. Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 02 tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (in het staatsblad op 26/07/02). Decreet tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Besluit van de Vlaamse regering van 20 september 02 tot vaststelling van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (in staatsblad op 28/11/02). Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I. Besluit van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming betreffende de aanduiding van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van 5 maart 2002. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs-XIV.

5.4.

Algemene doelstellingen

Onderwijs en vorming moet concreet de onderstaande doelstellingen nastreven (uit Vanderpoorten, 2003b). 1) De doe-, denk- en sociale talenten en competenties van iedere individuele lerende zo ruim mogelijk ontwikkelen en zijn maatschappelijke en economische inzetbaarheid maximaliseren met de best mogelijke leerprocessen, - systemen en professionele leerkrachten en door een maximaal gebruik van individuele leertrajecten. 2) Een integrale en permanente vorming realiseren: levenslang leren, leren leren, kennen en kunnen, leren en werken, kritisch denken en waardevorming, opfrissen – hernieuwen – en stimuleren en ontwikkelen van creativiteit, innovatie, ondernemerschap en teamgeest in de meest ruime zin. Het leerplichtonderwijs moet jongeren een basis bieden zodat ze zelf hun levenslang leren kunnen sturen. De onderwijswereld is verantwoordelijk om, samen met andere verstrekkers van opleidingen, ieder de mogelijkheden te bieden voor leren op elke leeftijd. 3) Voor iedereen de toegang tot het onderwijs waarborgen, dankzij kansengelijkheid en respect voor diversiteit; de sociale cohesie in Vlaanderen, verdraagzaamheid, actieve eerbied voor de mensenrechten en democratisch burgerschap mee in de hand werken.


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Sociale cohesie ontstaat doordat burgers een gemeenschappelijk platform aan waarden delen. Onderwijs zal daarom aan waardevorming doen, zonder het recht op anderszijn van jongeren uit te sluiten. 4) Jongeren voorbereiden op economische zelfstandigheid.

Onderwijs moet jongeren een

toekomstperspectief aanbieden waar een zinvol beroepsleven deel van uitmaakt. Hierbij moet worden gepleit voor een brede beroepsopleiding die ook ‘sleutelvaardigheden’ ontwikkelt zodat werknemers duurzaam inzetbaar blijven. 5) Beantwoorden aan de hoogste wereldwijde normen van efficiëntie en effectiviteit, van rendement op de ingezette middelen, van tevredenheid van leerlingen en ouders, leraars en directie. Dit zonder afbreuk te doen aan de primaire doelstelling: de maatschappelijke en economische inzetbaarheid van de lerende maximaliseren, naast de bevordering van het persoonlijk welzijn. 6) Bij de lerenden een aantal competenties en waarden ontwikkelen, waaronder: Competenties: Persoonlijke competenties: analytisch denken, kritisch-creatief denken, moreel oordeelsvermogen, kwaliteits- en veiligheidsbewustzijn, aandacht voor evenwicht tussen economie, milieu en beperktheid van grondstoffen (duurzame ontwikkeling), initiatief en ondernemerschap, algemene cultuur. Interpersoonlijke competenties: teamwerking en groepsgericht denken. Functionele competenties: talenkennis, ICT-vaardigheden, technische en technologische vaardigheden. Waarden: zorg voor de eigen persoonlijke ontplooiing, verdraagzaamheid, respect voor diversiteit, respect voor het individu en voor de gemeenschap, actief – democratische ingesteldheid, sociaal engagement.

5.5.

Onderwijsinstellingen

Het voltijds secundair onderwijs wordt ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (uitgezonderd de driejarige opleiding verpleegkunde van de vierde graad), eventueel aangevuld met een derde leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en met een derde leerjaar van de derde graad. De structuur ziet eruit als volgt (Omzendbrief over de structuur en de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, ref. SO 64). Eerste graad : eerste leerjaar A; eerste leerjaar B (bestemd voor leerlingen die behoefte hebben aan een aangepast onderwijs); tweede leerjaar van de eerste graad; beroepsvoorbereidend leerjaar. Tweede graad : eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het A.S.O. T.S.O., K.S.O. B.S.O.; derde leerjaar van de tweede graad van het B.S.O., ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar.

87


Vlaams Eurydice rapport 2003

Derde graad : eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het A.S.O. T.S.O., K.S.O. B.S.O.; derde leerjaar van de derde graad van het A.S.O. en K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs; derde leerjaar van de derde graad van het T.S.O., K.S.O. en B.S.O., ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar; derde leerjaar van de derde graad van het B.S.O., niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar. Vierde graad : eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het B.S.O.; derde leerjaar van de vierde graad van het B.S.O. (enkel voor de verpleegkunde). Het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers wordt in geen enkele graad ondergebracht. De eerste graad heeft een gemeenschappelijke onderwijsvorm voor alle leerlingen. De tweede, derde en vierde graad bieden vier onderwijsvormen aan: het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO). Deze onderwijsvorm beoogt een brede theoretische vorming en bereidt de leerling eveneens voor op hoger onderwijs; het Technisch Secundair Onderwijs (TSO), dat vooral aandacht heeft voor algemene en technischtheoretische vakken. Het TSO bereidt de leerlingen voor op het beroepsleven of het hoger (technisch) onderwijs. Praktijklessen zijn in de opleiding inbegrepen; het Kunstsecundair Onderwijs (KSO), dat een algemene en brede ontwikkeling combineert met een actieve artistieke praktijk. Het KSO bereidt de leerlingen voor op een professioneel leven of op hoger (kunst)onderwijs; het Beroepssecundair Onderwijs (BSO) laat de leerlingen specifieke vaardigheden opdoen in combinatie met een algemene opleiding. De overstap naar hoger onderwijs is mogelijk maar niet gebruikelijk. Er zijn verschillende types onderwijsinstellingen: onafhankelijke middenscholen die enkel de eerste graad van secundair onderwijs aanbieden, scholen die enkel de tweede en de derde graad aanbieden (ofwel ASO, ofwel TSO en BSO, ofwel beide), scholen die de drie graden aanbieden,‌ Het kunstonderwijs (2de en 3de graad) wordt slechts in enkele onderwijsinstellingen aangeboden.

5.6.

Geografische toegankelijkheid

Scholen in Vlaanderen, en dus ook scholen die secundair onderwijs verstrekken, zijn vrij gelijkmatig verspreid over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven (zie ook paragraaf 3.5).


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

5.7.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze

Over het algemeen hebben de leerlingen de leeftijd van twaalf jaar bereikt vooraleer zij tot het secundair onderwijs toetreden. Hieronder worden de toelatingsvoorwaarden beschreven voor leerlingen in de verschillende graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs. Zij kunnen het eerste jaar A aanvangen wanneer ze het getuigschrift basisonderwijs bezitten (Wet van 28 juni 1983; Besluit van de Vlaamse Executieve van 13 maart 1991). Wanneer jongeren na het laatste jaar lager onderwijs dit getuigschrift niet bereiken, kunnen zij toch worden toegelaten tot het 1ste jaar A, dit in onderling akkoord met de ouders en op advies van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad van het 1ste jaar A een gunstig advies geeft. De rol van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt beschreven in paragraaf 3.12. In het eerste leerjaar B kunnen als regelmatige leerling worden toegelaten: de regelmatige leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd, doch niet met vrucht; de leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs niet hebben gevolgd of niet hebben beëindigd, op voorwaarde dat zij uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de 12 jaar worden; de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs, op voorwaarde van akkoord van de betrokken personen die vooraf het advies van het C.L.B. moeten hebben ontvangen; de regelmatige leerlingen van het buitengewoon lager of secundair onderwijs die geen getuigschrift van basisonderwijs bezitten, op voorwaarde van a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad en b) akkoord van de betrokken personen, die vooraf het advies van het C.L.B.-centrum moeten hebben ontvangen. De overgang van het 1ste leerjaar B naar het 1ste leerjaar A is mogelijk tot de 15de november en van het 1ste leerjaar A naar het 1ste leerjaar B tot de 15de januari, indien de ouders van de leerling akkoord gaan en de klassenraad van 1A dit gunstig adviseert. Een overstap van de ene onderwijsvorm naar de andere is toegelaten doorheen het secundair onderwijs, op voorwaarde dat het advies van de toelatingsklassenraad en de overgangsvoorwaarden tussen de studierichtingen worden gerespecteerd. In de derde graad van het algemeen vormend, technisch en kunstonderwijs zijn overgangen beperkter. Op de leeftijd van 16 jaar kan een leerling het derde jaar van het beroepsonderwijs aanvangen, wat ook zijn voorafgaande schoolcarrière mag zijn, indien de toelatingsklassenraad een gunstig advies geeft. Deze leerlingen kunnen niet het diploma van secundair onderwijs verwerven, tenzij zij instromen op leeftijd. Om op een rechtmatige manier te zijn ingeschreven in het gewoon secundair onderwijs moet een leerling die buitengewoon onderwijs volgt (zie GON, paragraaf 10.5), toelating krijgen van de Administratie van het departement Onderwijs (ministerie van de Vlaamse Gemeenschap).

89


Vlaams Eurydice rapport 2003

Buitenlandse leerlingen die wensen hun secundaire studies in België verder te zetten, moeten bij de eerste inschrijving in het bezit zijn van een gelijkwaardigheidsverklaring voor hun gedane studies in het buitenland, verstrekt door de betrokken administratie. Bij de inschrijving van een leerling zonder wettig verblijfsstatuut kunnen, wanneer een buitenlands studiebewijs kan worden voorgelegd, de bestaande procedures voor het bekomen van de gelijkwaardigheid gehanteerd worden. Zoniet kan de gelijkwaardigheid ook worden verkregen, zoals dit voor het onthaalonderwijs reeds van toepassing is, op basis van een verklaring op eer door de ouder of de niet begeleide minderjarige zelf over de precieze opleiding die werd gevolgd. (dep. Ond. Omzendbrief 24/4/02) In het secundair onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt tussen drie soorten attesten: een A-attest (wanneer een leerling het jaar succesvol doorlopen heeft); een B-attest (de leerling wordt toegelaten tot het volgende jaar maar sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten); een C-attest (de leerling moet zittenblijven). B-attesten worden niet uitgereikt aan het eind van het eerste jaar B, het eerste jaar van de derde graad Algemeen Secundair Onderwijs (ASO)/ Beroepssecundair Onderwijs (BSO), of de vierde graad van het Beroepssecundair Onderwijs (BSO). Aan iedere leerling, ongeacht zijn verblijfsstatuut, die op regelmatige wijze de lessen heeft gevolgd en op het einde van de studieperiode is geslaagd, moet eveneens een diploma worden afgeleverd. Daarnaast is wat betreft schoolkeuze uiteraard ook hier het nieuwe decreet gelijke kansen relevant (zie ook paragraaf 3.13). Het recht op inschrijving in de school naar keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd.

5.8.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld

De wettelijke basis betreffende inschrijvingsgeld en schoolgeld wordt geregeld in het Onderwijsdecreet XIII-mozaïek van 13 juli 2001. Internationale verdragen en de Belgische grondwet vertalen het beginsel van de kosteloosheid naar het secundair onderwijs door het verbieden van een direct of een indirect inschrijvingsgeld in de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds of deeltijds onderwijs. Directe inschrijvingsgelden kunnen enkel in het niet-leerplichtonderwijs (d.i. het onderwijs buiten het basis- en secundair onderwijs) worden gevraagd (zie hoofdstuk 7). Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het jaar, door inrichtende machten of nevenorganisaties, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven. In

het

secundair

onderwijs

bestaat

er

dus

geen

absolute

kosteloosheid.

Voor

bepaalde

onderwijsactiviteiten en voor didactisch materiaal mogen aan ouders en meerderjarige leerlingen bepaalde


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

kosten worden doorgerekend. Het is evident dat het om effectieve, aantoonbare en verantwoordbare kosten moet gaan die in evenwichtige verhouding staan tot de eigenheid en de doelgroep van het secundair onderwijs. Daarnaast bepaalt het Decreet dat vanaf het schooljaar 2002-2003 aan twee bijkomende voorwaarden moet worden voldaan, met name: de lijst van de bijdragen die aan ouders en meerderjarige leerlingen worden gevraagd, evenals de afwijkingen voor financieel minder gegoede gezinnen kunnen pas door de inrichtende macht worden vastgelegd na overleg binnen de schoolraad (Gemeenschapsonderwijs) of de participatieraad (gesubsidieerd onderwijs); de bijdrageregeling moet uiterlijk bij het begin van het schooljaar schriftelijk aan de belanghebbenden worden meegedeeld. Het schoolreglement is hiervoor het meest aangewezen instrument.

5.9.

Financiële steun voor leerlingen

Het toekennen van studietoelagen wordt geregeld in de Wet betreffende de toekenning van studietoelagen (B.S. 16 juli 1971). Om een studietoelage van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te kunnen ontvangen moet men voldoen aan een aantal voorwaarden, zijnde nationaliteitsvoorwaarden, financiële voorwaarden (betreffende inkomen, kadastraal inkomen, voorwaarden voor zelfstandig wonende of gehuwde leerlingen) en studievoorwaarden. De studievoorwaarden houden in dat zolang de leerling leerplichtig is, én voltijds onderwijs volgt, een studietoelage steeds kan worden ontvangen. Als de leerling echter niet meer leerplichtig is, moet aan een aantal bijkomende voorwaarden worden voldaan, namelijk dat de leerling 1) het vorige jaar een A of B attest behaalde, 2) hij/zij niet meer dan één schooljaar heeft gedubbeld tijdens de niet-leerplichtige periode; en 3) hij/zij een hoger leerjaar volgt dan vorig jaar. Als de leerling een zelfde leerjaar volgt, moet dat zijn omdat de schooldirectie dat heeft geadviseerd. Het Studiefonds van de Gezinsbond v.z.w. staat studieleningen toe aan studenten uit grote gezinnen (vanaf 3 kinderen). Het geld is bestemd om de studiekosten te financieren voor Nederlandstalig secundair en hoger onderwijs met volledig leerplan.

5.10.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen

In theorie geldt voor het secundair onderwijs het jaarklassensysteem waar groepen leerlingen met een identieke leeftijd een klas vormen. Omwille van mislukkingen en zittenblijven hebben de klassen soms een heterogene samenstelling (in het bijzonder in het beroepsonderwijs). Elk vak wordt onderwezen door een leerkracht die zich daarin heeft gespecialiseerd. De onderwijsbevoegdheid van de leerkracht hangt af van zijn bekwaamheidsbewijs, m.a.w. de leerkracht mag alle vakken onderwijzen waarvoor hij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft. Leerkrachten geven les in verschillende leerjaren en leerlingen krijgen les van verschillende leerkrachten.

91


Vlaams Eurydice rapport 2003

De leerplicht stopt op de 18e verjaardag. Wie 18 jaar en dus burgerlijk meerderjarig is, kan niet worden verplicht tot het einde van het schooljaar de lessen te volgen. In het kalenderjaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, eindigt de leerplicht hetzij op 30 juni (einde schooljaar) voor leerlingen die reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, hetzij op de dag van de 18e verjaardag zelf.

5.11.

Studierichtingen en specialisatie

In het secundair onderwijs worden specialisaties of keuzerichtingen aangeboden, voornamelijk in het Technisch en het Beroeps Secundair Onderwijs. Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs bepaalt dat het aanbod van onderwijsvormen, studiedomeinen en studierichtingen meer transparant moet worden georganiseerd. De eerste graad moet een brede vorming garanderen. Specifiek moet erop toegekeken worden dat een te sterke specialisatie in het tweede jaar van de eerste graad wordt vermeden. Het aantal optionele vakken wordt gereduceerd. In de tweede en derde graad worden een aantal studierichtingen gereduceerd of gehergroepeerd met het oog op een duidelijker aanbod van studierichtingen met een duidelijker herkenbaar profiel.

Dit moet resulteren in een betere voorbereiding binnen de verschillende

onderwijsvormen op het hoger onderwijs of het beroepsleven. In het huidige onderwijsaanbod blijven er nog 29 studiegebieden over (2e, 3e en 4e graad en modulair onderwijs). De studierichtingen binnen het algemeen secundair onderwijs worden ingedeeld in ĂŠĂŠn studiegebied, nl. algemeen secundair onderwijs. EĂŠn studiegebied, namelijk sport, overlapt het Algemeen Secundair Onderwijs en het Technisch Secundair Onderwijs. De studierichtingen binnen het Technisch Secundair Onderwijs en het Beroepssecundair Onderwijs zijn verdeeld in 26 studiegebieden die elkaar deels overlappen. Voor het TSO betreft het volgende 24 studiegebieden: auto, bouw, chemie, decoratieve technieken, fotografie, glastechnieken, grafische technieken, handel, hout, kleding, koeling en warmte, land- en tuinbouw, maritieme opleidingen, mechanica/elektriciteit,

optiek,

orthopedische

technieken,

personenzorg,

lichaamsverzorging,

tandtechnieken, textiel, toerisme en voeding. Zoals vermeld, overlapt het studiegebied sport het ASO. Het studiegebied podiumkunsten overlapt het KSO. Voor het BSO gaat het om de 18 studiegebieden auto, bouw, decoratieve technieken, glastechnieken, juwelen, grafische technieken, handel, hout, kleding, koeling

en

warmte,

land-

en

tuinbouw,

maritieme

opleidingen,

mechanica/elektriciteit,

muziekinstrumentenbouw, personenzorg, lichaamsverzorging, voeding en textiel. Het BSO telt verder nog een 7e naamloos jaar dat niet in een studiegebied is ingedeeld. De studierichtingen binnen het Kunstsecundair Onderwijs zijn verdeeld in drie studiegebieden: podiumkunsten, beeldende kunsten en ballet (MVG, departement Onderwijs, 2003).


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

5.12.

Organisatie van de schooltijd

Het schoolbestuur beschikt over een grote vrijheid wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het secundair onderwijs (zie ook omzendbrief betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, ref. SO 64). 5.12.1.

Organisatie van het schooljaar

Net zoals voor het basisonderwijs, begint het schooljaar voor het secundair onderwijs op 1 september en eindigt het in theorie op 31 augustus. Omwille van de zomervakantie (1 juli t.e.m. 31 augustus) eindigt het schooljaar in de praktijk echter op 30 juni (MVG, Departement Onderwijs, 2001f). Na 31 augustus is geen enkele onderwijsactiviteit (ook geen leerlingenstage) meer mogelijk die betrekking heeft op het voorbije schooljaar; uitzondering hierop vormen laattijdige beslissingen van de delibererende klassenraad (uiterlijk 1 september) of beroepen tegen omstreden beslissingen van voornoemde klassenraad (uiterlijk 20 september). Gezien 31 augustus de theoretische einddatum van het schooljaar is, betekent dit dat regelmatige leerlingen ertoe gehouden zijn om aan alle onderwijsactiviteiten die de school in de zomerperiode organiseert, deel te nemen, b.v. een leerlingenstage of een vakantietaak. In voorkomend geval geldt het principe van uitstel op 30 juni van de eindbeslissing van de delibererende klassenraad, aangezien het onderwijsprogramma nog niet volledig is afgewerkt of aangezien de klassenraad over onvoldoende gegevens beschikt om de beslissing te nemen over het al dan niet geslaagd zijn. (Omzendbrief van 12 juni 2001). De vakanties indachtig, is de school gedurende 182 dagen per schooljaar open (MVG, Departement Onderwijs, 2001f, zie ook paragrafen 3.9.1. en 4.9.1.). 5.12.2.

Organisatie van schoolweek en schooldag

Wat betreft de schoolweek, worden de lessen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs gespreid over 9 halve dagen van maandag tot en met vrijdag; leerlingenstages worden hierbij buiten beschouwing gelaten. De vrije halve dag (voormiddag of namiddag) kan naar keuze worden bepaald en valt in praktijk zeer vaak op woensdagnamiddag. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Het woord "maximum" slaat op het feit dat voor sommige leerlingen het deeltijds beroepssecundair onderwijs 15 uren omvat en voor anderen, die de algemene vakken in een erkende vormingsinstelling volgen, slechts 8 uren. De lesspreiding doet in elk geval geen afbreuk aan de mogelijkheid om, na toelating van het onderwijsdepartement, de lessen in een ander "ritme" te organiseren (cf. ministeriĂŤle omzendbrief S.O. 66 van 30 juni 1999 betreffende de organisatie van het D.B.S.O.). Binnen het "voltijds secundair onderwijs" geldt een lesweek van ten minste 28 lesuren (36 wekelijkse lesuren voor de verpleegkunde). Het maximum aantal wekelijkse lestijden, dat voor overheidsfinanciering of -subsidiĂŤring in aanmerking komt, is vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978.

93


Vlaams Eurydice rapport 2003

Dit maximum (waarin de eventuele lesuren inhaallessen niet zijn begrepen) bedraagt -mits een aantal uitzonderingen- 32 u. Wat betreft de organisatie van de schooldag, is geregeld dat de lessen ten vroegste om 8u aanvangen en eindigen tussen 15u en 17u. Er is een middagpauze van minimaal 50 minuten die moet worden voorzien op een voor het nuttigen van een middagmaal aanvaardbaar tijdstip. Bij afwezigheid van de leraar en de onmogelijkheid om in vervanging of een vervangende activiteit te voorzien, kan beslist worden dat de leerlingen de school mogen verlaten. Het gezond verstand en het belang van de leerlingen moeten hierbij vooropstaan; elementen zoals het akkoord van de ouders, de verzekeringsdekking, de mate van overmacht, het tijdstip, de leeftijd van de leerlingen e.d. zullen in overweging worden genomen (Omzendbrief van 12 juni 2001, SO 74).

5.13.

Curriculum, onderwerpen, aantal lesuren

In verband met het curriculum dient de ontwikkeling van eindtermen en ontwikkelingsdoelen te worden vermeld als deel van de kwaliteitsbewakende controles in het Vlaamse onderwijs. Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. De eindtermen worden vastgelegd per graad en per onderwijsvorm (MVG, Departement Onderwijs, http://www.ond.vlaanderen.be). Momenteel zijn er een serie eindtermen van kracht voor het 1ste leerjaar A en het tweede leerjaar van de eerste graad voor alle vakken van de basisvorming (Maes, 1998). Ontwikkelingsdoelen zijn vastgelegd voor de vakken van de basisvorming voor het 1ste leerjaar B en het Beroepsvoorbereidend Leerjaar (BVL). Daarnaast zijn er voor al deze gevallen eveneens vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeding tot burgerschap, gezondheidseducatie en milieueducatie. Al deze eindtermen werden uitgewerkt door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO). De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) adviseert zulke voorstellen steeds wanneer ze naar het Vlaams parlement gaan. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad secundair onderwijs zijn vastgelegd in het Decreet van 24 juli 1996 en werden in september 1997 ingevoerd. De eindtermen voor de 2de en 3de graad van het secundair onderwijs werden met het Decreet van 18 januari 2002 officieel goedgekeurd door het Vlaams parlement. Voor alle vakken wordt er een set van eindtermen geformuleerd binnen de basisvorming van de verschillende studierichtingen in de tweede en derde

graad.

Bijkomend

werden

er

vakoverschrijdende

eindtermen

geformuleerd.

Deze

vakoverschrijdende eindtermen zijn hetzelfde voor het Algemeen Secundair Onderwijs, het Technisch Secundair Onderwijs, het Kunstsecundair Onderwijs en het Beroepssecundair Onderwijs, maar zijn verschillend voor de tweede en derde graad. De thema’s zijn bijna hetzelfde als die voor de eerste graad: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie, milieueducatie, muzischcreatieve vorming en technisch-technologische vorming (enkel voor het Algemeen Secundair Onderwijs). Deze vakoverschrijdende eindtermen, alsook de eindtermen voor de vakken van de basisvorming, worden vanaf het schooljaar 2002-2003 progressief ingevoerd in de tweede en de derde graad.


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Net zoals voor het kleuter- en lager onderwijs, geldt voor het secundair onderwijs eveneens de mogelijkheid tot afwijking van de vastgelegde eindtermen en ontwikkelingsdoelen (MVG, Departement Onderwijs, http://www.ond.vlaanderen.be; Decreet van 15 juli 1997). De lessentabellen in het secundair onderwijs bestaan telkens uit een gemeenschappelijk en een optioneel pakket. Het gemeenschappelijke deel bestaat uit een basisvorming die per graad en per onderwijsvorm gemeenschappelijk is; optionele vakken behoren ofwel tot het fundamenteel curriculum (afhankelijk van verdere keuzes) ofwel tot het vrije keuzegedeelte dat door de school in te vullen is, binnen het voorziene wettelijke kader. Dit laatste wordt het ‘complementair gedeelte’ genoemd. Wat de basisvorming (het kerncurriculum) betreft, worden aan de diverse limitatieve lijsten van verplicht te volgen vakken uitsluitend in de eerste graad - en dan nog globaal en geenszins per afzonderlijk vak minimalestijden worden gekoppeld. Overigens kan de Vlaamse regering, op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gewaarborgd, aan onderwijsinstellingen individuele afwijkingen verlenen van voornoemde minimalestijden. Wat de tweede en de derde graad betreft, kunnen de urentoekenning en -verdeling met betrekking tot de basisvorming op volledig autonome wijze worden uitgevoerd. De respectieve verplichte vakkenreeksen van de basisvorming worden hieronder concreet opgesomd: voor het eerste leerjaar A: godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs), godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs), Nederlands, Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, natuurwetenschappen OF fysica en/of biologie, artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding, lichamelijke opvoeding, technologische opvoeding, en eventueel Engels. Deze basisvorming bedraagt tenminste 27 uren/week en dient te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd. voor het eerste leerjaar B: godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs), godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs), Nederlands, wiskunde, maatschappelijke vorming OF geschiedenis en aardrijkskunde, natuurwetenschappen OF fysica en/of biologie, artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding, lichamelijke opvoeding, technologische opvoeding, en eventueel Frans. Deze basisvorming, waarvan twee of meer vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, bedraagt tenminste 27 uren/week en dient georganiseerd te worden op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd. voor het tweede leerjaar van de eerste graad: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste leerjaar A. Enige uitzondering is dat het vak Engels verplicht is, en dat naast natuurwetenschappen OF fysica en/of biologie, ook gekozen kan worden voor wetenschappelijk werk. Deze basisvorming bedraagt tenminste 24 uren/week, waarvan tenminste 14 uren/week dienen te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd.

95


Vlaams Eurydice rapport 2003

voor het beroepsvoorbereidend leerjaar : hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste leerjaar B. Enige uitzondering is dat naast natuurwetenschappen OF fysica en/of biologie, ook kan worden gekozen voor wetenschappelijk werk. Deze basisvorming, waarvan twee of meer vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, bedraagt tenminste 16 uren/week. voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O.: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste leerjaar A. Uitzonderingen zijn dat 1) artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding, en technologische opvoeding niet meer zijn opgenomen, 2) dat het vak Engels verplicht is, en 3) dat gekozen kan worden uit natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm. voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad T.S.O. en K.S.O.: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O.. Enige uitzondering is dat gekozen kan worden tussen Engels of Frans. voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O.: godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs), godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs), Nederlands, wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm, maatschappelijke vorming OF geschiedenis en/of aardrijkskunde, lichamelijke opvoeding. Twee of meer van de vakken van deze basisvorming kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken. voor het derde leerjaar van de tweede graad B.S.O., ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar, wordt geen basisvorming opgelegd, aangezien de vervolmaking uitermate optiegebonden is met bijgevolg bijzondere aandacht voor technische en zeker praktische vakken. voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad A.S.O.: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O.. Uitzonderingen zijn dat er gekozen kan worden tussen Engels of Duits, en dat er enkel keuze is tussen natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie (niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", en niet in een geïntegreerde vorm). voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad T.S.O. en K.S.O.: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad T.S.O. en K.S.O. Enige verschil is het ontbreken van het vak natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm. voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad B.S.O.: hier vinden we dezelfde vakkenreeksen terug als deze van het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O., met als enig verschil het ontbreken van het vak wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm. Twee of meer van de vakken van deze basisvorming kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken.


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

voor het derde leerjaar van de derde graad B.S.O., al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar: in verhouding tot wat voorafgaat, geldt voor dit leerjaar een ietwat bijzondere regel, namelijk de basisvorming, die moet worden samengesteld uit algemene vakken en waarvan er twee of meer kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, moet alleszins 1) de vakken bevatten van het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad B.S.O en moet 2) tenminste 12 uren/week bedragen. Voorzover dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, moeten daarenboven tenminste 14 uren/week worden toegekend aan technische vakken en/of praktische vakken. voor het derde leerjaar van de derde graad A.S.O., resp. K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, en voor het derde leerjaar van de derde graad K.S.O., resp. T.S.O., ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar: voor deze leerjaren wordt geen basisvorming opgelegd, vermits de secundaire opleiding van de betrokken leerlingen reeds als voltooid mag worden beschouwd en het leerjaar in kwestie hetzij een zuiver specialiserend karakter draagt, hetzij een verdieping van de genoten studie met het oog op hoger onderwijs beoogt. voor de leerjaren van de vierde graad B.S.O.: omwille van de specificiteit wordt ook hier geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of nietconfessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief van 25 juni 1999 ref. SO64; Decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II). De lesroosters worden door het schoolbestuur opgesteld. In onderstaande tekst gaan we achtereenvolgens dieper in op de eerste graad, het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO), het Technisch Secundair Onderwijs (TSO), het Kunstsecundair Onderwijs (KSO) en het Beroepssecundair Onderwijs (BSO) incl. het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO). We ronden dit luik af met de topic “taalonderwijs”. 5.13.1.

Eerste graad

Aangezien de eigenlijke lessenroosters de verantwoordelijkheid zijn van de inrichtende macht, kunnen zij in dit kort bestek niet worden gegeven. Wij geven exemplarisch deze van het Gemeenschapsonderwijs. In het eerste jaar A volgen alle leerlingen een gelijkaardige basisvorming van maximum 28 lestijden per week, bestaande uit: godsdienst of niet-confessionele zedenleer, Nederlands, Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie, plastische opvoeding, muzikale opvoeding, technologische opvoeding,

lichamelijke

opvoeding

en

Engels.

Bijkomend

moeten

leerlingen

in

het

Gemeenschapsonderwijs per week 4 lestijden naar keuze volgen. Zij kunnen opteren voor het volgen van nieuwe vakken en/of voor aanvulling van de lestijd van de reeds gedoceerde vakken uit de basisvorming. De keuze bestaat tussen de algemene vakken Latijn, lichamelijke opvoeding, muzikale opvoeding, plastische opvoeding, wetenschappelijk werk en Nederlands, en tussen de technische vakken technologische opvoeding en nautische technieken. Voorwaarde is dat de school deze keuzes aanbiedt en dat het totaal aantal keuzelestijden niet meer dan 4 bedraagt. Voor het 1ste leerjaar B geldt vrijwel een identieke indeling. Verschilpunten zijn: in de basisvorming is het vak natuurwetenschappen opgenomen in plaats van het vak biologie;

97


Vlaams Eurydice rapport 2003

binnen de lijst van keuzevakken zijn de algemene vakken Frans en Wiskunde opgenomen. Latijn, wetenschappelijk werk en nautische technieken behoren niet tot de keuzemogelijkheden; naar keuze kunnen 2 of meerdere vakken (keuzeletter A) samengenomen worden tot het ‘Project algemene vakken’, in zoverre de school deze keuze aanbiedt. Zowel in het eerste leerjaar A, als in het eerste leerjaar B moeten de leerlingen aldus in totaal maximum 32 uur les per week volgen (Gemeenschapsonderwijs, 2004). In het tweede jaar volgen alle leerlingen uit de A-stroom een basisvorming van maximum 26 lestijden per week, bestaande uit volgende vakken: godsdienst of niet-confessionele zedenleer, Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, fysica, biologie plastische opvoeding, technologische opvoeding en lichamelijke opvoeding. Afhankelijk van de gekozen basisoptie, krijgen de leerlingen nog bijkomend 6 of 8 uur per week les binnen optiespecifieke vakken. Leerlingen hebben de keuze uit volgende basisopties: agro- en biotechnieken, artistieke vorming, ballet, bouw- en houttechnieken, Grieks-Latijn, grafische technieken, handel, hotel-voeding, industriële wetenschappen, Latijn, maritieme vorming, mechanica-elektriciteit, moderne wetenschappen, en sociale en technische vorming. In totaal geldt aldus een lesweek van maximum 32 of 34 uur. Ook in het tweede jaar is er een afwijkende regeling voor de leerlingen van het twee leerjaar B, het zogenaamde beroepsvoorbereidende leerjaar (BVL). Voor hen geldt een basisvorming van maximum 16 lesuren per week, bestaande uit de zogenaamde “A-keuzevakken” Nederlands, Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde en natuurwetenschappen, waarvan naar keuze 2 of meerdere vakken kunnen worden samengenomen tot het ‘Project algemene vakken’, in zoverre de school deze keuze aanbiedt. Binnen de basisvorming van maximum 16 uur zijn ook nog de vakken plastische opvoeding, lichamelijke opvoeding en godsdienst of niet-confessionele zedenleer opgenomen. Net zoals in het tweede leerjaar A, worden in het beroepsvoorbereidend leerjaar deze 16 uur basisvorming aangevuld met een pakket van maximum 18 lestijden waarvan de inhoud verschilt naargelang het gekozen beroepenveld, wat het totaal aantal lesuren per week aldus op maximum 34 brengt. Er kan worden gekozen uit 48 beroepenvelden die worden gevormd door combinaties van bouw, decoratie, elektriciteit, haarzorg, hout, kantoor en verkoop, metaal, mode, Rijn- en binnenvaart en verzorging-voeding. Enige uitzonderingen op deze “combinatieregel” zijn de beroepenvelden Land- en tuinbouw, en Nijverheid (Gemeenschapsonderwijs, 2004). 5.13.2.

Het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO)

Het ASO houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen (Van Den Bossche, 1996). Hieronder wordt exemplarisch het ASO van het Gemeenschapsonderwijs toegelicht. Met uitzondering van de tweede en derdegraadsstudierichtingen Rudolf Steinerpedagogie, Yeshiva en wetenschappentopsport, de tweedegraadsstudierichtingen humane wetenschappen, richt het Gemeenschapsonderwijs alle bestaande ASO-studierichtingen in (in 2e of 3e graad). In de tweede graad betreft het: economie, Grieks, Latijn, Grieks-Latijn, wetenschappen en humane wetenschappen. De vakken van de basisvorming van de


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

tweede graad zijn de volgende: godsdienst of niet-confessionele zedenleer, Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, fysica, chemie, biologie en lichamelijke opvoeding. In totaal beslaat deze ASO-basisvorming in de tweede graad voor de 6 studierichtingen maximum 24 lestijden. Op de studierichting Grieks-Latijn na (enkel max. 8u fundamenteel gedeelte), bedraagt het fundamenteel gedeelte maximum 5 lestijden, en het complementair gedeelte maximum 3 lestijden. In de derde graad (5e en 6e leerjaar) van het ASO biedt het Gemeenschapsonderwijs 14 studierichtingen aan: sport-wetenschappen, economie-moderne talen, economie-wiskunde, Grieks-Latijn, Griekswetenschappen, Grieks-wiskunde, Latijn-moderne talen, Latijn-wetenschappen, Latijn-wiskunde, menswetenschappen, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde, wiskunde-wetenschappen en wetenschappen-topsport. Als enige wordt in het derde leerjaar van de derde graad nog de speciale studierichting Bijzondere wetenschappelijk vorming aangeboden die een voorbereiding inhoudt op het hoger onderwijs. Met uitzondering van de laatst genoemde speciale studierichting en sportwetenschappen, bedraagt het aantal uren basisvorming steeds maximum 18 of 20 uur, afhankelijk van de gekozen studierichting. Het maximum aantal lestijden van het fundamenteel en het complementair gedeelte van de 13 bovenvermelde studierichtingen varieert tussen respectievelijk 8 en 14 uur, en 4 en 0 uur. Bij de speciale studierichting Bijzondere wetenschappelijke vorming behoren de 24 lestijden tot het fundamenteel gedeelte. Het complementair gedeelte is beperkt tot 6 lestijden, de basisvorming tot 2 lestijden (m.n. godsdienst of niet-confessionele zedenleer). Voor de derdegraadsrichting sport-wetenschappen geldt een maximum van 18 uur basisvorming, 13 uur fundamenteel gedeelte en 1 uur complementair gedeelte. 5.13.3.

Technisch Secundair Onderwijs (TSO)

Het TSO legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op instap in het hoger (technisch) onderwijs (Van Den Bossche, 1996). De lesuren voor de basisvorming, het fundamenteel en het complementair gedeelte zoals die hieronder worden voorgesteld, zijn die van de studierichtingen binnen de 18 TSO-studiegebieden die worden aangeboden door het Gemeenschapsonderwijs: auto, bouw, chemie, fotografie, grafische technieken, handel, hout, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lichaamsverzorging, maritieme opleidingen, mechanica-elektriciteit, optiek, personenzorg, sport, tandtechniek, toerisme en voeding. De leerjaren uit de tweede en de derde graad van de studierichtingen die ressorteren onder deze TSOstudiegebieden bestaan elk uit maximum 13 tot 20 lestijden per week voor de basisvorming, 14 tot 23 lestijden voor het fundamenteel curriculum, en 0 tot 4 lestijden voor het complementair gedeelte, afhankelijk van de specifieke studierichting en de graad. In totaal bedraagt de lestijd per week telkens maximum 36 uur. Ook voor het derde leerjaar van de derde graad geldt een maximum van 36 lestijden per week, verspreid over 4 uur basisvorming, en 32 uur fundamenteel gedeelte. Enige uitzondering wordt gevormd door de opleiding toerisme en recreatie (studiegebied toerisme) waarvan het totaal aantal lestijden per week maximum 38 bedraagt (Gemeenschapsonderwijs, 2004).

99


Vlaams Eurydice rapport 2003

In het kader van de herwaardering van het TSO, en ook van het BSO nemen leerlingenstages een belangrijke plaats in omdat zij een hefboom vormen voor de noodzakelijke aansluiting tussen de onderwijs- en de beroepswereld. Om scholen te helpen in hun zoektocht naar stageplaatsen, heeft de overheid een stagedatabank opgericht: een

elektronische

markt

waar

vraag

en

aanbod

inzake

stages

worden

gekoppeld

(http://www.stagedatabank.be/). In een omzendbrief van 16 september 2002 (ref. SO/2002/09) worden duidelijke richtlijnen gegeven met betrekking tot de eigenlijke organisatie van leerlingenstages. 5.13.4.

Kunstsecundair Onderwijs (KSO)

Deze kleine onderwijsvorm (ongeveer 2% van de leerlingen van het secundair onderwijs) voorziet in een meer ‘artistiek’ aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen, uit te sluiten. Omwille van deze ruime doeleinden van het KSO, is het vormingsproces fundamenteel gebaseerd op de integratie van algemene vorming met artistieke componenten. In het KSO krijgen jongeren aldus een zeer volledige opleiding: handvaardigheidstraining, kunstopleiding en theoretische vorming. Daarnaast worden ze ook filosofisch gevormd (VLOR, 2001). Het decreet van 14 juli 1998 bepaalt dat het KSO in drie studiegebieden wordt ingedeeld, met name ballet, podiumkunsten en beeldende kunsten. Elk van deze drie studiegebieden bevat één of meerdere studierichtingen. Kenmerkend voor het studiegebied beeldende kunsten is de zogenaamde driepoligheid ‘vorming’, ‘kunsten’ en ‘opleiding’. De polen verschillen van elkaar op vlak van doelstellingen, verhouding algemene en kunstvakken, en de doorstroommogelijkheden. Ongeacht de studierichting, moeten KSO-leerlingen volgens het decreet betreffende het onderwijs-II van 13 juli 1990 verplicht een aantal algemene vakken volgen. Deze basisvorming is identiek aan deze van het TSO (gemeenschappelijke eindtermen ingaand op 1 september 2002) (zie inleidend deel van paragraaf 5.13). Naast de algemene vakken dienen leerlingen een belangrijk pakket kunstvakken te volgen. Dit pakket verschilt naargelang de gekozen studierichting. In dit specifieke gedeelte komen geen technische en/of praktijkvakken voor. Een volledige lesweek in het KSO telt maximum 36 contacturen. Binnen het studiegebied beeldende kunsten worden na het tweede leerjaar van de derde graad nog enkele ‘specialisatiejaren’ aangeboden, gericht op leerlingen met intrinsieke kwaliteiten en een specifieke motivatie voor bepaalde kunstgerichte beroepen: ‘architecturale vormgeving’, ‘audiovisuele vormgeving’, ‘grafische vormgeving’, ‘industriële kunst’, en ‘ruimtelijke vormgeving’. In het derde leerjaar van de derde graad voorziet het KSO ook twee voorbereidende leerjaren. Een voorbereidend leerjaar richt zich tot leerlingen die geen KSO gevolgd hebben, geen of onvoldoende artistieke vooropleiding genoten hebben en toch wensen door te stromen naar het hoger kunstonderwijs. ‘Bijzondere beeldende vorming’ is het voorbereidend jaar voor het studiegebied beeldende kunsten. Mits een minimale vooropleiding, kan binnen het studiegebied podiumkunsten de opleiding ‘bijzondere muzikale vorming’ gevolgd worden (Decreet betreffende het onderwijs-II van 13 juli 1990; decreet van 14 juli 1998; VLOR, 2001).


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Ter illustratie schetsen we de lesuren van de basisvorming, het fundamenteel gedeelte en het complementair gedeelte van de studierichtingen binnen de studiegebieden beeldende kunsten en podiumkunsten, zoals aangeboden door het Gemeenschapsonderwijs. De twee leerjaren van de tweede graad van de studierichtingen die ressorteren onder het studiegebied beeldende kunsten bestaan elk uit maximum 17 tot 21 lestijden per week voor de basisvorming, 15 tot 19 lestijden voor het fundamenteel gedeelte en 0 tot 2 lestijden voor het complementair gedeelte, afhankelijk van de specifieke studierichting. In de twee leerjaren van de derde graad van dit studiegebied gelden maxima van respectievelijk 13 tot 16, 18 tot 23 en 0 tot 2. Het voorbereidend jaar dat binnen het studiegebied beeldende kunsten wordt aangeboden door het Gemeenschapsonderwijs – m.n. bijzondere beeldende vorming - omvat een basisvorming van maximum 4 lestijden per week en een fundamenteel gedeelte van maximum 28 uur per week. Bij het studiegebied podiumkunsten bestaan de twee leerjaren van de tweede graad elk uit maximum 19 tot 20 uur/week basisvorming, 13 tot 17 uur voor het fundamenteel gedeelte en 0 tot 3 uur voor het complementair gedeelte, afhankelijk van de specifieke studierichting. In de derde graad zijn er twee mogelijkheden voor de studierichtingen binnen het studiegebied podiumkunsten: 1) een basisvorming van maximum 15 uur, en een fundamenteel gedeelte van maximum 21 uur, of 2) een basisvorming van maximum 16 uur, en een fundamenteel gedeelte van maximum 20 uur. Het voorbereidend jaar binnen het studiegebied podiumkunsten - m.n. ‘bijzondere muzikale vorming’ heeft een maximumverdeling van respectievelijk 4 – 25 – 3 uur per week (Gemeenschapsonderwijs, 2004). 5.13.5.

Beroepssecundair Onderwijs (BSO)

Het beroepssecundair onderwijs is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert (MVG, Departement Onderwijs, 2004a). In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden. Zoals reeds vermeld (zie paragraaf 5.11), is het BSO-onderwijsaanbod van de tweede, derde en vierde graad gegroepeerd rond 18 studiegebieden die in grote lijnen overeenkomen met deze uit het TSO (MVG, 2003a). We schetsen kort de lesuren van de basisvorming, het fundamenteel gedeelte en het complementair gedeelte van de studierichtingen die aangeboden worden door het Gemeenschapsonderwijs. Het betreft studierichtingen binnen de studiegebieden auto, bouw, decoratieve technieken, handel, hout, juwelen, kleding, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lichaamsverzorging, maritieme opleidingen, mechanicaelektriciteit, personenzorg en voeding. De leerjaren uit de tweede en de derde graad van de studierichtingen die ressorteren onder deze studiegebieden bestaan elk uit maximum 8 tot 13 lestijden per week voor de basisvorming, 21 tot 26 lestijden voor het fundamenteel gedeelte en 1 tot 4 lestijden voor het complementair gedeelte, afhankelijk van de specifieke studierichting en de graad. In totaal bedraagt de lestijd per week telkens maximum 36 uur. Ook voor het derde leerjaar van de derde graad geldt een

101


Vlaams Eurydice rapport 2003

maximum van 36 lestijden per week, verspreid over maximum 4 tot 12 uur basisvorming, 20 tot 32 uur fundamenteel gedeelte en 0 tot 4 uur complementair gedeelte (Gemeenschapsonderwijs, 2004). Leerlingenstages nemen ook in het beroepssecundair onderwijs een belangrijke plaats in (zie 5.13.2). Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs heeft belangrijke wijzigingen ingevoerd voor het beroepsgerichte onderwijs. Door de overheid wordt een structuur van opleidingsmodules ontwikkeld, met de bedoeling om o.a. de problemen van enerzijds de ongekwalificeerde ‘output’ van leerlingen uit het beroepsgerichte onderwijs en van anderzijds de discrepantie tussen het beroepsopleidingsaanbod en de vraag op de arbeidsmarkt aan te pakken. Daarnaast is een modulaire opleidingenstructuur eveneens bedoeld om leerlingen te oriënteren op basis van hun capaciteiten in plaats van op basis van hun mislukkingen. In het modulaire onderwijs wordt elke opleiding naast de basisvorming opgedeeld in een aantal modules met beroepsgerichte vorming waarin algemeen vormende componenten zijn geïntegreerd en waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan sleutelvaardigheden. Hierdoor bereidt men de leerling beter voor op de beroepsuitoefening maar eveneens op het persoonlijk en maatschappelijk functioneren. Van belang hierbij zijn de beroepsprofielen die opgesteld worden door de sociale partners en de eindtermen door de overheid opgesteld per graad en per onderwijsvorm. Op basis van de beroepsprofielen wordt een nauwere band met de arbeidsmarkt verzekerd (Decreet van 14 juli 1998; Omzendbrief van 26 juli 2001 ref. SO 76). Daarenboven heeft de organisatie van een schooljaar in modulair onderwijs een heel ander uitzicht dan in het niet-modulaire onderwijs, onder meer verdwijnt de indeling in vakken, zijn modules schooljaaroverstijgend en is er op weekbasis een structurele ruimte voorzien voor differentiatie (Schepers, 2000; Omzendbrief van 25 juli 2000). Op 1 september 2000 is de invoering van de modulaire onderwijsstructuur experimenteel gestart met leerlingen en dit tot 31 augustus 2007. De volgende studiegebieden zijn opgenomen in het modulaire onderwijs: vanaf 1 september 2000: auto, bouw, handel, mechanica-elektriciteit, personenzorg; vanaf 1 september 2001: grafische technieken, hout, kleding, koeling en warmte, lichaamsverzorging, textiel en voeding (Omzendbrief van 26 juli 2001). 5.13.6.

Deeltijds leerplicht

Er zijn verschillende wegen om te voldoen aan de deeltijdse leerplicht. 1) De leerling kan zich inschrijven in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Dit onderwijs wordt speciaal ingericht voor leerlingen die problemen hebben met het voltijds onderwijs en die vaak schoolmoe zijn. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) voorziet in een formule waarbij leerlingen deeltijds werken en deeltijds naar school gaan. Het curriculum en de lesmethodes zijn aangepast aan de specifieke noden van deze jongeren. De voorzieningen die voorgesteld werden in het Decreet van 14 juli 1998 betreffende de mogelijke introductie van een modulair systeem van beroepsopleidingen zijn ook bedoeld voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) (zie paragraaf 5.13.5).


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Het deeltijds secundair onderwijs wordt 40 weken per jaar aangeboden met wekelijks 15 lesperioden van 50 minuten (minimum 6 lestijden algemeen vormend onderwijs en minimum 6 lestijden technisch of beroepsonderwijs) (Omzendbrief van 31 juli 1990). Dit onderwijs wordt aangeboden door 45 Centra voor Deeltijds Beroepsonderwijs (CDO) (MVG, departement Onderwijs, 2001b). Deze centra zijn verbonden met secundaire scholen die voltijds technisch en beroepsonderwijs aanbieden. 2) Leerlingen kunnen een opleiding volgen (de zogenaamde leertijd) die wordt georganiseerd door het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) (zie hoofdstuk 7). Via een leerovereenkomst kunnen meer dan 200 beroepen worden aangeleerd. De leerling volgt vier dagen per week een praktijkopleiding in een onderneming en volgt één dag per week aanvullende cursussen. Deze ‘leertijd’ is mogelijk voor jongeren vanaf 15 jaar die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben of vanaf 16 jaar. Vanaf 18 jaar kunnen zij een stageovereenkomst sluiten. Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. 3) Leerling kunnen zich inschrijven in het deeltijds zeevisserijonderwijs. Dit onderwijs omvat tenminste 240 lesuren en wordt gedurende ten minste zeven en ten hoogste tien weken per schooljaar gegeven. Het omvat zowel de algemene vakken, als de technische vakken en de praktische vakken. Ten minste 80 lesuren worden besteed aan algemene vakken (Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1991 houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs). 4) Tenslotte kunnen leerlingen een erkende vorming volgen. Deze vorming moet bijdragen tot de opvoeding en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep, en moet componenten bevatten van persoonlijke, maatschappelijke en beroepsgerichte vorming (Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie, de normering en de financiering van de erkende vorming in het kader van deeltijdse leerplicht). 5.13.7.

Vierde graad beroepssecundair onderwijs

Het BSO omvat drie studiegebieden in de vierde graad, namelijk decoratieve technieken, kleding en personenzorg (zie paragraaf 5.5) (Departement Onderwijs, http://www.ond.vlaanderen.be). Deze vierde graad van het BSO is a.h.w. “geboren” uit het “Aanvullend Secundair Beroepsonderwijs (ASBO)” dat lange tijd een verzameling van opleidingen was, zwevend tussen het secundair en het hoger onderwijs. Na de fusie-operatie van 1995 in het hoger onderwijs, werden deze opleidingen samengebracht en gegroepeerd onder de noemer ‘vierde graad beroepssecundair onderwijs’. Er worden momenteel in totaal zes studierichtingen aan geboden in de vierde graad, gegroepeerd in de drie onderstaande studiegebieden. Studiegebied decoratieve technieken: studierichting plastische kunsten. Studiegebied kleding: studierichting mode. Studiegebied personenzorg: studierichtingen psychiatrische verpleegkunde, zieken-huisverpleegkunde, en verpleegkunde (al dan niet modulair ingericht). De studierichtingen psychiatrische verpleegkunde en ziekenhuisverpleegkunde hebben een uitdovend karakter (Omzendbrief SO 64).

103


Vlaams Eurydice rapport 2003

Met uitzondering van de opleiding verpleegkunde, die drie leerjaren omvat, telt de vierde graad telkens twee leerjaren. Zoals reeds vermeld, wordt omwille van de specificiteit geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief van 25 juni 1999; decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, zoals gewijzigd en het Besluit van de Vlaamse regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd door het Besluit van de Vlaamse regering van 7/2/2003).

5.14.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal

De beslissing omtrent onderwijsmethoden en -hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen hieromtrent. In het algemeen kan worden gezegd dat het onderricht vakgebonden gebeurt. Een aantal zogenoemde methodescholen binnen het erkend en gesubsidieerd onderwijs laten zich - wat betreft ideeën en methoden - inspireren door Steiner, Freinet, Montessori en andere belangrijke figuren uit de onderwijsgeschiedenis. Er bestaat geen wettelijke regeling inzake de duur en omvang van huistaken. De Vlaamse Gemeenschap laat dit over aan haar directeurs en leraren. In het modulair beroepssecundair onderwijs (zie paragraaf 5.13.5.) ligt de klemtoon op onderwijsmethodes zoals ‘geïntegreerd werken’, ‘team teaching’, ‘permanente evaluatie’ en ‘step by step learning’.

5.15.

Evaluatie van leerlingen

De evaluatie van de leerlingen gebeurt door testen en examens, georganiseerd door de individuele leerkracht onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van de school (Besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991). Ook permanente evaluatie is mogelijk. In het secundair onderwijs vormt de klassenraad het centrale beoordelingsorgaan. De begeleidende en de delibererende klassenraad bestaan uit de directeur of zijn afgevaardigde en alle leden van het onderwijzend personeel die in een bepaald leerjaar aan de leerling onderwijs verstrekken (deze personen zijn stemgerechtigd). Zij kunnen worden bijgestaan door de adjunct-directeur, de technisch adviseur(coördinator), ondersteunend personeel en/of personeelsleden die in de betrokken onderwijsinstelling bij de psychosociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn (deze personen zijn raadgevend) (Omzendbrief SO 64). De klassenraad is verantwoordelijk voor het onderricht van een specifieke groep leerlingen, de beoordeling van hun vooruitgang op school, de beslissing over de overgang van elke leerling naar een hoger jaar en de uitreiking van attesten.


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

5.16.

Voortgang van leerlingen

Een reguliere overgang van een leerling naar een volgend leerjaar volgt op de uitreiking door de klassenraad van een oriënteringsattest op het einde van het leerjaar. De klassenraad kan zijn beslissingen baseren op onder meer de volgende factoren: de vroegere schoolcarrière van elke leerling; de tussentijdse resultaten van het dagelijks werk, testen en examens; de informatie van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding; gesprekken met ouders en kinderen, indien nodig. Elke klassenraad heeft de delicate taak om op regelmatige tijdstippen een intellectuele en sociale evaluatie van elke leerling te maken en om de pedagogische conclusies te trekken die uit deze evaluatie voortkomen. Daarbij wordt mogelijke hulp gesuggereerd en, indien nodig, een (her)oriëntering. Verder heeft de klassenraad de taak om een gezamenlijke houding af te spreken voor elke leerling en aan het eind van het schooljaar de noodzakelijke beslissingen te nemen voor de overgang naar een hoger jaar en de uitreiking van attesten. Op het einde van het jaar spreekt de klassenraad zich voor elke leerling uit over de mogelijkheid tot de toegang tot een hoger jaar, met (B-attest) of zonder (A-attest) beperkingen, uitgesteld (de overgang hangt af van het slagen in een herexamen), of geweigerd (C-attest) (VSKO, 1997). Deze uitspraken vormen de basis voor oriënteringsrapporten. De beslissing ligt bij de betrokken personen (b.v. bij B-attest kan/kunnen de leerling/ouders beslissen het leerjaar te herdoen). Een belangrijk probleem blijft dat van de mislukkingen. In te veel gevallen is het zittenblijven een te gemakkelijk alternatief voor een falend oriënteringsproces of het gevolg van een verkeerde studiekeuze. Verdere initiatieven omtrent het zittenblijven en mislukken op school zijn op til.

5.17.

Diplomering

De diplomering gebeurt als volgt. Naast de adviserende rapporten (oriënteringsattesten) die aan het eind van elk jaar van het secundair onderwijs worden opgelegd, kan de klassenraad het diploma secundair onderwijs uitreiken op het eind van het 6e jaar van het secundair onderwijs (ASO, TSO, KSO) of van het 7e (specialisatie)jaar of het 1e of 2e jaar van de vierde graad (BSO), volgens de voorwaarden bepaald door het Decreet van 31 juli 1990, zoals gewijzigd. In het beroepssecundair onderwijs kunnen leerlingen getuigschriften verwerven na het 4e of het 6e jaar en na het 5e vervolmakingsjaar voor dezelfde opleidingen (Omzendbrief Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs, ref. SO 64). Het diploma secundair onderwijs en de getuigschriften kunnen worden uitgereikt na het slagen in één geïntegreerde proef.

105


Vlaams Eurydice rapport 2003

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs reikt men kwalificatiegetuigschriften uit als men de opleiding men succes heeft doorlopen (zie Omzendbrief betreffende de organisatie van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, ref. SO 66). Het studiegetuigschrift kan ook worden bereikt na het volgen van een opleiding met gereduceerd lesrooster, onder dezelfde voorwaarden als in het voltijds onderwijs. Het is de intentie van de minister om leerlingen uit het beroepsonderwijs reeds na 6 jaar een getuigschrift secundair onderwijs te laten behalen. Dit getuigschrift geeft hen geen toegang tot het hoger onderwijs. Het zevende jaar zal immers niet verdwijnen. Er komt een dubbel spoor: (1) een zevende jaar dat voorbereidt op hoger onderwijs en (2) een specialisatiejaar als overstap naar het beroepsleven (MVG, dep. Ond., 2002). In het modulair beroepsonderwijs (zie paragraaf 5.13.5) leidt elke module tot een deelcertificaat en alle modules van een leertraject samen leiden tot een certificaat. Een of meerdere certificaten gekoppeld aan eindtermen en een studieduur leiden tot een diploma.

5.18.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt

Er werden reeds heel wat maatregelen genomen wat betreft de begeleiding van jongeren om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. In het technisch en beroepssecundair onderwijs vormt een praktijkopleiding (ook in levensechte omstandigheden) een essentieel onderdeel van de meeste programma’s. Daarom is, uitgerekend in het technisch en beroepssecundair onderwijs, samenwerking tussen de scholen en het bedrijfsleven zeer belangrijk. In de eerste plaats kan deze samenwerking de kwaliteit van het onderwijs verbeteren door het actualiseren van het curriculum door praktische kennis.

Ten tweede kan materiële en financiële

samenwerking het imago van het technisch en beroepsonderwijs verbeteren door te voorzien in betere faciliteiten (Verhoeven & Elchardus, 2000). Recent werden er verschillende maatregelen getroffen om de leerlingenstage in het voltijds secundair onderwijs te vergemakkelijken (Besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001) (zie ook paragraaf 5.13.2). Een aantal scholen heeft een lange traditie van samenwerking met de lokale bedrijfswereld. Zo b.v. leveren directeurs van ondernemingen die lid zijn van inrichtende machten of examencomités technische uitrusting voor praktijklessen en krijgen leerlingen die stage volgden in een onderneming vaak voltijds werk wanneer ze de school verlaten. In 1993 organiseerde de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) voor het technisch secundair onderwijs de ‘Staten Generaal’ waar er samenwerkingsverbanden tot stand werden gebracht tussen het onderwijs en bepaalde sectoren zoals ‘bouw’, ‘voeding’ en ‘kleding’. In 1995 formuleerde de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen samen met het onderwijzend personeel en met steun van de Europese Commissie een handleiding voor het organiseren van zulke samenwerkingsverbanden. Sinds de ‘Staten Generaal’, heeft de samenwerking tussen onderwijs en het bedrijfsleven meer structurele steun gekregen door middel van convenanten tussen de overheid, het bedrijfsleven en de onderwijssector. Deze sectorgebonden convenanten zijn reeds vastgelegd voor een aantal studiegebieden. De convenanten maken het onderwijs


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

meer ‘levensecht’ en resulteren in een meer intense opleiding-tewerkstellingsrelatie (Verhoeven & Elchardus, 2000). In dit verband dient ook het modulair systeem vermeld te worden (zie ook paragraaf 5.13.4). Modulair onderwijs is expliciet geconcentreerd op de arbeidsmarkt en heeft een tweeledige doelstelling, namelijk enerzijds het verminderen van het aantal jongeren die het onderwijs ongekwalificeerd verlaten, en anderzijds het vergroten van de capaciteit van de jongeren om zich aan te passen aan de veranderende arbeidsmarkt (Verhoeven & Elchardus, 2000). Verder heeft de overheid een aantal tewerkstellingsinitiatieven genomen die geconcentreerd zijn op de begeleiding van jonge afgestudeerden op de arbeidsmarkt en die een lerend component bevatten. Voorbeelden

hiervan

zijn

het

Jeugdwerkgarantieplan

in

1994,

de

Brugprojecten

en

de

Startbaanovereenkomst. Deze Startbaanovereenkomst maakt deel uit van de Wet van 24 december 1999 voor tewerkstellingsbevordering. De overeenkomst is in de eerste plaats gericht op jonge afgestudeerden (minder dan 25 jaar oud). Het plan biedt hen een voltijdse tewerkstelling of een deeltijdse tewerkstelling samen met een opleiding van onbepaalde duur of van bepaalde duur voor tenminste één jaar. De werkgever wordt niet alleen door middel van financiële premies aangemoedigd om deze jongeren aan te nemen, maar is zelfs verplicht om 3% jongeren aan te nemen op voorwaarde dat de werkgever een privébedrijf is met meer dan 50 werknemers. In een samenwerkingsovereenkomst, goedgekeurd door de Vlaamse regering op 25 februari 2000, werden m.b.t. de startbanen afspraken gemaakt tot projectmatige invulling. Daarbij besliste de federale overheid in overleg met de Vlaamse overheid onder meer 315 startbanen te voorzien in de sector Onderwijs, volledig federaal te financieren. Binnen dit kader worden door de Vlaamse overheid twee projecten tot stand gebracht. Het eerste project, goed voor 150 startbaners, omvat "preventie van antisociaal gedrag op school", dat van start gegaan is onder de naam “Scholen

voor

jongeren

–

Jongeren

voor

scholen”,

ofwel

“Jo-Jo”.

Het

tweede

project

“verkeersveiligheid” kan 165 jongeren tewerkstellen. Bij de uitwerking van de projecten werd prioritair aandacht besteed aan de groepen die het laagst scoren op de werkzaamheidsgraad. Met het “Jo-Jo project” richt de Vlaamse Gemeenschap zich tot jongeren die de school voortijdig verlaten hebben of de studies na het secundair onderwijs hebben stopgezet, maar toch geïnteresseerd zijn om in scholen te werken. Jongeren van allochtone afkomst en jongeren uit kansarme gezinnen worden in het bijzonder aangemoedigd om zich in te schrijven voor deze startbanen omdat zij het in het algemeen vrij moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. De doelstelling van het project is tweeërlei: 1) de doelgroepjongeren laten proeven van een job in het onderwijs, en hen aldus de smaak te pakken te laten krijgen voor eventuele verdere opleiding en tewerkstelling, en 2) scholen met een publiek van jongeren met schoolse problemen een bijkomende arbeidskracht bieden die mee kan worden ingezet bij het werken aan een positief schoolklimaat en aan een beter contact tussen de leraren en de allochtone of kansarme gezinnen. Het project “verkeersveiligheid” wil jongeren ertoe aansporen hun schoolse opleiding te voltooien met een beroepskwalificatie die noodzakelijk is voor hun duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt. Hierbij wordt getracht aan de jongeren de nodige ervaring te geven, met verantwoordelijkheid t.o.v. de veiligheid van andere jongeren. Het project wil een verkeersveilige schoolomgeving creëren en het schoolwoonverkeer veiliger maken. Verder tracht het een samenwerking tot stand te brengen tussen scholen en

107


Vlaams Eurydice rapport 2003

gemeenten waarbij de startbaner taken op zich kan nemen die bijdragen tot een verbetering van de verkeersveiligheid in schoolomgevingen. Zoals reeds gezegd, wil de formule van het industrieel leercontract de toegang tot de arbeidsmarkt voor bepaalde werkzoekende schoolverlaters vergemakkelijken. De huidige regering is zeer bezorgd om de band tussen onderwijs en arbeidsmarkt en doet inspanningen om die band te versterken. Maatregelen in dit verband zijn de evaluatie van de bestaande convenanten, het geven van bijzondere aandacht aan de organisatie van voldoende goede leercontract (in het bijzonder voor bepaalde minderheidsgroepen), en het instellen van regionale technologische centra. De decretale basis voor de Regionale Technologische Centra (RTC) is het Onderwijsdecreet XIII-Mozaïek. Deze centra ondersteunen de samenwerking tussen onderwijsinstellingen, de bedrijfswereld en organisaties met een socio-economisch of educatief oogmerk. Zij staan in voor het gezamenlijk gebruik van technologische apparatuur, opleidingsinfrastructuur en technische en didactische know-how. Zij ontwikkelen ook leermateriaal voor gezamenlijk gebruik, richten nascholingsprojecten in op vlak van nieuwe technologieën, en spelen een rol bij het op mekaar afstemmen van de vraag naar stages en het aanbod van stageplaatsen. Door het Onderwijsdecreet XIII-Mozaïek werden de regels m.b.t. reclame en sponsoring door bedrijven al aanzienlijk versoepeld. Deze maatregel moet scholen helpen om met behulp van de bedrijfswereld de noodzakelijke apparatuur aan te schaffen (Decreet van 13 juni 2001). Het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2003 voert het “tijdelijk project bevordering van de werkervaring in het deeltijds beroepsonderwijs (DBSO)” in. Dit project beoogt enerzijds het brengen van de leerling naar een duurzame inschakeling in de arbeidsmarkt door middel van een geïndividualiseerde benadering, en anderzijds het bijbrengen van een startkwalificatie. Trajectbegeleiding moet voortijdig afhaken voorkomen. Het project loopt tot 31 augustus 2005. In november 2002 publiceerde de Koning Boudewijnstichting het rapport van haar commissie “Een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen”, getiteld “Accent op talent”. Een geïntegreerde visie op leren en werken”. De commissie is voorstander van ‘anders leren’ (b.v. afschaffing ASO/TSO/BSO,

meer

modulair

onderwijs,

levenslang

leren),

‘anders

kiezen’

(b.v.

betere

studieoriëntering, aantrekkelijker aanbod van technische opleidingen) en ‘anders besturen’ (meer autonomie voor scholen). Ze opteert expliciet voor een hervorming waarbij ook de sociaal-economische wereld wordt betrokken en pleit daarom eveneens voor ‘anders werken’ (b.v. organisatievernieuwing in bedrijven). De commissie is van plan om de ervaringen van de proefscholen, de voorstellen van de SERV en andere concrete ideeën over de concepten uit het rapport “Accent op Talent” te bundelen in een witboek voor de volgende Vlaamse regering, dat in de zomer van 2004 zal worden voorgesteld. Dit zou de bakens moeten uitzetten voor een fundamentele onderwijsvernieuwing in Vlaanderen tegen 2010.

5.19.

Privé-onderwijs

Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd en officiële gegevens hieromtrent derhalve zijn onbestaande. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

de opleidingen, als qua lesmodaliteiten en prijs (MVG, 2004c). Er is geen financiering (subsidies) voor privĂŠ-onderwijs.

5.20.

Andere organisatievormen

Een andere organisatievorm is huisonderwijs. Dit wordt beschreven in paragraaf 3.15.

5.21.

Statistieken

Hieronder volgen enkele statistische gegevens betreffende het secundair onderwijs. Leerkracht-leerlingratio in gewoon secundair onderwijs in 2002-2003: 7,65 (voor buitengewoon onderwijs: zie paragraaf 10.8.) (MVG, departement Onderwijs, 2003). Tabel 19: Aantal onderwijsinstellingen in het secundair onderwijs (schooljaar 2002-2003) Gewone secundaire scholen

Buitengewone secundaire scholen

Gemeenschapsonderwijs

233

19

Gesubsidieerd vrij onderwijs

603

74

Gesubsidieerd officieel onderwijs

78

18

Totaal

914

111

Totaal secundair onderwijs: 1.025 (MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 20: Aantal onderwijsinstellingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (schooljaar 2002-2003) Deeltijds beroepssecundair onderwijs

Aantal onderwijsinstellingen

Gemeenschapsonderwijs

16

Gesubsidieerd vrij onderwijs

23

Gesubsidieerd officieel onderwijs

7

Totaal

46

Deeltijds zeevisserijonderwijs Gemeenschapsonderwijs

0

Gesubsidieerd vrij onderwijs

0

Gesubsidieerd officieel onderwijs

1

109


Vlaams Eurydice rapport 2003

Totaal

1

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 21: Evolutie van het aantal leerlingen in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (1984-2003) Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

onderwijs

onderwijs

onderwijs

84-85

95.097

350.840

46.927

492.864

85-86

91.279

347.761

46.478

485.518

86-87

86.576

344.046

45.216

475.838

87-88

82.455

341.719

44.181

468.355

88-89

79.345

335.304

42.205

456.854

89-90

76.318

330.945

39.720

446.983

90-91

73.368

328.187

38.470

440.025

91-92

73.212

328.679

39.398

441.289

92-93

74.249

329.582

38.618

442.449

93-94

74.895

334.864

39.229

448.988

94-95

75.027

337.616

39.274

451.917

95-96

74.452

337.337

39.004

450.793

96-97

74.026

334.845

38.904

447.775

97-98

73.337

330.828

37.702

441.867

98-99

71.596

327.187

37.242

436.025

99-00

70.336

323.981

36.710

431.027

00-01

69.690

322.705

36.711

429.106

01-02

69.929

323.332

36.902

430.163

02-03

71.976

327.337

36.468

435.781

Jaar

vrij Gesubsidieerd officieel

Totaal

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 22: Schoolse vertraging in het secundair onderwijs (1987-2001) % leerlingen met vertraging


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Alle jaren

Eerste jaar

Zesde jaar

1987-88 35,1%

21,6%

40,1%

1991-92 31,9%

19,8%

40,9%

1995-96 29,4%

19,9%

38,1%

1996-97 30,9%

20,2%

37,6%

1999-00 30,3%

19,7%

36,5%

2000-01 29,1%

19,4%

36,4%

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs 2002) Tabel 23: Schoolse vertraging (in percentages) in het gewoon secundair onderwijs per leerjaar, Belgen en niet-Belgen (schooljaar 2000-2001) Belgen

Niet-Belgen

Jongens

Meisjes

Totaal

Jongens

Meisjes

Totaal

Eerste

19,9

14,9

14,5

60,2

58,8

59,6

Tweede

24,7

18,1

21,5

68,8

61,0

65,1

Derde

30,1

20,9

25,7

73,5

64,8

69,4

Vierde

35,8

24,4

30,2

75,0

69,6

72,3

Vijfde

42,6

28,9

35,9

76,4

67,4

71,8

Zesde

42,7

27,8

35,1

78,2

67,0

72,4

Totaal

32,3

22,4

27,5

71,2

64,4

67,9

(MVG, departement Onderwijs; 2001d)

Tabel 24: Schoolse vertraging (percentages) in het gewoon secundair onderwijs per leerjaar en onderwijsvorm (schooljaar 2000-2001) ASO

TSO

KSO

BSO

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal Derde 11,5

7,8

9,5

35,4

28,0

32,4

55,4

39,1

44,9

59,8

52,8

56,7

Vierde 14,6

9,1

11,5

42,7

32,0

32,2

64,0

45,6

52,6

62,0

54,2

58,4

Vijfde 20,5

12,1

15,7

49,4

37,3

44,4

71,8

46,5

57,0

64,3

54,9

59,9

Zesde 22,6

12,2

16,7

50,3

37,1

44,5

69,5

47,0

56,1

62,7

51,5

57,3

111


Vlaams Eurydice rapport 2003

Totaal 13,8

10,2

13,1

44,4

33,7

39,9

66,0

44,8

53,2

62,2

53,4

(MVG, departement Onderwijs, 2001d)

Tabel 25: Aantal leerlingen naar studierichting (schooljaar 2002-2003) Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

Gesubsidieerd

onderwijs

vrij onderwijs

officieel onderwijs

1A

9.579

49.852

3.446

62.877

1B

1.950

5.340

1.231

8.521

2de jaar

8.222

45.984

3.077

57.283

BVL

3.315

7.690

1.920

12.925

Totaal eerste graad

23.066

108.866

9.674

141.606

ASO

9.737

47.989

1.703

59.429

TSO

5.011

34.360

4.426

43.797

KSO

525

1.200

653

2.378

BSO

7.364

18.241

4.158

29.763

Totaal tweede graad

22.637

101.790

10.940

135.367

ASO

7.747

39.173

1.170

48.090

TSO

5.261

34.599

4.687

44.547

KSO

536

1.284

820

2.640

BSO

8.188

25.590

5.284

39.062

Totaal derde graad

21.732

100.646

11.961

134.339

145

1.000

636

1.781

Vierde graad

122

1.032

38

1.192

DBSO

1.748

2.983

924

5.655

0

0

4

4

Totaal

Eerste graad

Tweede graad

Derde graad

Modulair de

onderwijs de

niv. 2 en 3 graad

Deeltijds onderwijs

zeevisserij-

58,1


Hoofdstuk 5: Secundair onderwijs

Modulair

onderwijs

de

niv. 4 graad

190

2.639

369

3.198

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 26: Evolutie van het aantal leerlingen in het zevende jaar BSO (1983-2003) cijfers 1983-84

630

1989-90

7.232

1996-97

9.137

1997-98

9.958

1998-99

10.042

1999-00

10.487

2000-01

10.115

2001-02

10.131

2002-03

9.939

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

113


HOOFDSTUK 6. HOGER ONDERWIJS

In Vlaanderen wordt het hoger onderwijs georganiseerd in niet-universitair hoger onderwijs en universitair hoger onderwijs, die beiden respectievelijk postuniversitair hoger onderwijs / post- hoger onderwijs aanbieden.

6.1.

Historisch overzicht

De historische ontwikkeling van het hoger onderwijs is nogal verschillend voor het hogeschoolonderwijs aan de ene kant en het universitair onderwijs aan de andere kant. De Belgische wet maakt een onderscheid tussen hogescholen en universiteiten. In de Wet van 7 juli 1970 werden universiteiten gedefinieerd als een bijzondere vorm van hoger onderwijs. De belangrijkste reden hiervoor kan worden teruggevonden in een gescheiden ontwikkeling van beide onderwijsvormen.

Meer recente

ontwikkelingen, zoals o.m. de grote hervorming door het Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, behouden dit onderscheid tussen de verschillende types van hoger onderwijs. Sinds de Belgische onafhankelijkheid in 1830 hebben de universiteiten zich op een eigen specifieke manier ontwikkeld. Zo konden de universiteiten in belangrijke mate ontsnappen aan de ‘schooloorlogen’. Gedurende meer dan een eeuw heeft het ideologisch evenwicht tussen de 4 traditionele Belgische universiteiten - Gent (publiek), Luik (publiek), Leuven (katholiek), Brussel (vrij onderzoek) stand gehouden. Het hogeschoolonderwijs is hoofdzakelijk ontstaan uit de hogere niveaus van secundaire scholen. Deze voorgangers van het hoger onderwijs waren duidelijk beroepsgericht en waren georganiseerd in (of nauw verbonden met) dezelfde scholen die ook secundair onderwijs aanboden – waarbij het hoofdzakelijk om technische scholen ging. 6.1.1.

Geschiedenis van het hogeschoolonderwijs

In de negentiende eeuw waren alle universiteiten en hogescholen van academisch niveau Franstalig, overeenkomstig het publiek waartoe deze onderwijsinstellingen zich richtten: de hogere burgerij en de adel.

Op een lager niveau bestonden de scholen voor leerkrachten, verpleegkundigen, technische

ingenieurs,… Deze hogescholen lagen oorspronkelijk in het verlengde van het secundair onderwijs, en werden bevolkt door jongens en meisjes uit de lagere burgerij. Na de tweede wereldoorlog werden deze scholen opgewaardeerd tot onafhankelijke tertiaire onderwijsinstellingen. Sinds de jaren zestig is het Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit (HOBU) veel sterker gegroeid dan het universitair onderwijs. De sterke uitbreiding van de studentenpopulatie aan de hogescholen weerspiegelt de democratisering die er zich sindsdien heeft voorgedaan: een steeds groter wordend aantal jongens en meisjes uit alle lagen van de bevolking volgt hogere studies.

Toch is het aandeel van de

arbeiderskinderen in de hogeschoolbevolking nog steeds kleiner dan het aandeel arbeiders in de beroepsbevolking.


Vlaams Eurydice rapport 2003

In 1968 heeft de Nationale Raad voor het Wetenschapsbeleid een rapport gepubliceerd dat een algemene herstructurering van het post-secundair onderwijs voorstelde en de oprichting van een volwaardig hoger onderwijs buiten de universiteit tot doel stelde, dat niet langer nauw verbonden zou zijn met het technisch secundair onderwijs (Wielemans & Vanderhoeven, 1991). In navolging van dit rapport werd de Wet van 7 juli 1970 op het hoger onderwijs goedgekeurd; deze wet legde vast dat onderwijs werd voorzien op vier niveaus (art. 1): kleuter-, lager, secundair en hoger onderwijs. Het hoger onderwijs bestond uit 8 vormen: technisch, economisch, agrarisch, paramedisch, sociaal, kunst- en pedagogisch hoger onderwijs en universitair onderwijs. De Wet van 15 juli 1985 voegde er een negende vorm aan toe, met name het maritiem hoger onderwijs. Het hoger onderwijs buiten de universiteit werd georganiseerd in twee verschillende vormen, alsook in twee soorten scholen. De Wet van 7 juli 1970 onderscheidde een kort type en een lang type (art. 2). Het korte type besloeg normaliter drie jaren. Al deze opleidingen waren expliciet beroepsgericht. Het hoger onderwijs van het lange type bestond uit twee cycli van ten minste 2 jaren studie. In de wetgeving van 13 juli 1994 zijn het hoger onderwijs van het korte en het lange type geherdefinieerd als hoger onderwijs van één cyclus of twee cycli. Met betrekking tot de regelgeving omtrent budgetopmaak, benoemingen, leerplannen en dergelijke meer viel het hoger onderwijs nog steeds onder de Schoolpactwet van 29 mei 1959. Op 23 oktober 1991 werd een decreet aangenomen betreffende het hoger onderwijs van het lange type. Ofschoon het niet werd geïntegreerd in het universitair onderwijs, werd ervan gezegd dat het onderwijs op ‘academisch niveau’ aanbood.

Het hoger onderwijs van het lange type werd onderworpen aan dezelfde regels als het

universitair onderwijs (zie verder). Vanaf de 1ste september 1995 werd het Decreet van 31 juli 1994 geïmplementeerd. Het doel van dit decreet was eerst en vooral een zeer fundamentele hervorming - een belangrijke fusie-operatie inbegrepen - van het hoger onderwijs buiten de universiteit en een verdere integratie van de regelgeving omtrent het gehele hoger onderwijs (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Op dit moment is er een grondige hertekening van het hoger onderwijslandschap aan de gang. Deze hervorming gebeurt in het kader van de Bologna-verklaring, in 1999 ondertekend door de onderwijsministers van 29 Europese landen.

Deze verklaring heeft als bedoeling een Europese

onderwijsruimte te creëren om in Europa meer eenheid te brengen op onderwijsvlak. Het nieuwe Europese onderwijs moet tegen 2010 een feit zijn.

De voornaamste krachtlijnen van dit nieuwe

onderwijslandschap zijn: Het vergroten van de vergelijkbaarheid van de opleidingen in termen van hun structuur en van de academische graden. Meer mobiliteit van studenten en professoren. Het onderwijs wapenen voor internationale competitiviteit. Een harmonisatie van het onderwijs in een twee-cycli-structuur (de bachelor-master-structuur), waarvan de eerste (de bachelor) tenminste drie jaar moet bedragen en voor sommige studenten al een


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

beroepskwalificatie oplevert. De tweede cyclus (de master) is ofwel gericht op een beroepskwalificatie, ofwel op een wetenschappelijke vorming die eventueel verder uitgroeit in een doctoraat. Levenslang Leren als een gestructureerde bezigheid met de erkenning van het ECTS – het European Credit Transfer System.

Dit systeem wil een eenheid in het leven roepen, de credits, waarmee

onderwijscomponenten gewogen en aan elkaar gerelateerd kunnen worden, eender of die binnen of buiten het klassieke opleidingscircuit worden verworven. Bologna wil verder een internationaal transparant systeem van kwaliteitsverzekering oprichten, de zogenaamde accreditering. Tenslotte wil Bologna de samenwerking tussen Europese onderwijsinstellingen sterk vergroten. Dit akkoord heeft ingrijpende gevolgen voor het Vlaamse hoger onderwijs.

Voor de

hogeschoolopleidingen van één cyclus stellen zich weinig problemen: die worden omgevormd naar het bachelor-niveau. De opleidingen van twee cycli zullen in de toekomst geacademiseerd worden. Een ander gevolg is verder dat de samenwerking tussen Vlaamse hogescholen en universiteiten via associatievorming grondig zal toenemen. Met het Decreet van 20 april 2001 houdende de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs, werd er al een stap gezet in de richting van meer samenwerking binnen het hoger onderwijs. De hogescholen- en universiteitsdecreten worden nog meer op elkaar afgestemd om samenwerking tussen de instellingen te stimuleren. De overgang tussen opleidingen van het hogeschoolen universitair onderwijs wordt versoepeld. De Vlaamse regering heeft op 4 april 2003 het decreet betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen goedgekeurd.

Dit structuurdecreet wordt soms ook het Bolognadecreet

genoemd. De wijzigingen situeren zich op verschillende vlakken : er komt een nieuwe kwalificatiestructuur. Er zijn de Bacheloropleidingen met professionele oriëntatie of met academische oriëntatie en er zijn Masteropleidingen die aansluiten op een bacheloropleiding of die aansluiten op een andere masteropleiding. Hogescholen organiseren (a) professioneel gerichte bacheloropleidingen en/of (b) academisch gerichte bacheloropleidingen en masteropleidingen in associatie met een universiteit. Universiteiten organiseren (a) academisch gerichte bacheloropleidingen; (b) masteropleidingen; (c) de promotie tot de graad van doctor; er zal een versterking komen van het systeem van kwaliteitsbewaking. Door de accreditatie zullen de studenten en de werkgevers de garantie hebben dat de afgestudeerden een internationaal herkenbaar competentieniveau bereikt hebben; de samenwerkingen in de vorm van associaties wordt versterkt en uitgebreid; het Nederlands blijft de onderwijstaal, maar er zijn uitzonderingen op deze regel mogelijk voor bepaalde onderdelen van de opleiding indien er een meerwaarde kan worden aangetoond; andere aanbieders kunnen ook hoger onderwijs aanbieden als hun opleidingen geaccrediteerd worden.

117


Vlaams Eurydice rapport 2003

De instellingen zullen reeds vanaf juni 2005 de eerste titels bachelor en master uitreiken. De Vlaamse regering heeft niet de intentie dat de omvorming leidt tot een verlenging van de studieduur (Persmededeling van de Vlaamse regering 24 mei 2002). 6.1.2.

Geschiedenis van de universiteiten

Toen België onafhankelijk werd in 1830 bestonden er drie staatsuniversiteiten: Gent, Leuven en Luik. In 1834 werden er twee nieuwe, vrije universiteiten opgericht: een katholieke universiteit in Mechelen en een liberale universiteit in Brussel.

De wet van 1835 op het hoger onderwijs erkende twee vrije

universiteiten (Leuven en Brussel) en twee staatsuniversiteiten (Gent en Luik). De staatsuniversiteit van Leuven werd afgeschaft en de katholieke universiteit van Mechelen verhuisde naar Leuven om daar de vroegere Leuvense universiteit, opgericht in 1425, verder te zetten.

Al deze universiteiten waren

Franstalig in overeenstemming met het publiek waarop ze zich richtten: de hogere burgerij en de adel. Van 1835 tot 1876 werden universiteitsexamens georganiseerd door een examencommissie, samengesteld door de overheid. Men wilde de universiteiten niet machtigen om zelf diploma’s uit te reiken. Aan de ene kant werd daardoor de vrijheid van onderwijs wel verzekerd, maar aan de andere kant werd de kwaliteit van het universitair onderwijs gecontroleerd. Een wet van 20 mei 1876 veranderde dit beleid drastisch door het de universiteiten mogelijk te maken om hun eigen examencommissie samen te stellen en zelf diploma’s uit te reiken. Noch externe experts, noch vertegenwoordigers van de minister moesten aan deze commissie worden toegevoegd. De toenmalige parlementaire discussies tonen aan dat met deze maatregel niet in de eerste plaats de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek moest worden erkend, maar veeleer de academische vrijheid als een voorwaarde voor een kwalitatief hoogstaand onderwijs (Vanhove, 1985). De controle van de onderwijskwaliteit was echter nog niet helemaal afgeschaft, daar de wet wettelijke academische graden vastlegde, waardoor het onderscheid ontstond met de andere graden, wetenschappelijke graden genoemd. Wettelijke graden waren diploma’s die expliciet gericht waren op een particuliere professionele kwalificatie. Zij omvatten de klassieke academische diploma’s zoals die van Rechten, Geneeskunde, Letteren, enzovoort. De vereiste leerplannen werden meestal in grote lijnen bij wet gedefinieerd. De verworven wettelijke diploma’s moesten worden bekrachtigd door de publieke homologatiecommissie, wat een formele controle betekende van de voorwaarden die moesten worden vervuld.

De wetenschappelijke diploma’s werden toegekend door de universiteiten zelf voor o.a.

psychologie, pedagogie, en dergelijke. Hun kwaliteit werd gegarandeerd door het wetenschappelijk prestige van de universiteiten. Dit onderscheid is opgeheven door het decreet van 12 juni 1991. In 1930 werd de universiteit van Gent volledig Nederlandstalig. Dit verbreedde de rekrutering in Vlaanderen, maar de universiteit bleef gericht op een beperkte, sociaal bevoorrechte groep. Vanaf de jaren zestig werd het universiteitsonderwijs meer gedemocratiseerd. Er deed zich een sterke stijging van de studentenbevolking aan de universiteiten voor. Nieuwe universiteiten werden opgericht, zoals het geval was in Antwerpen. De unitaire (tweetalige) universiteiten van Leuven en Brussel werden in 1970 opgesplitst in Nederlandstalige en Franstalige autonome universiteiten.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Ofschoon op het eerste zicht de zendingen van beide soorten hoger onderwijs merkelijk van elkaar verschillen, blijkt dit niet het geval te zijn voor elk onderdeel van dit onderwijs. Vooral tussen het universitair onderwijs en het hogeschoolonderwijs met twee cycli is dit niet altijd duidelijk. Er bestaat weinig twijfel dat het wetenschappelijk onderzoek de kerntaak is van de universiteit en dat het onderwijs aan de universiteit daarop moet steunen. Anderzijds ligt de klemtoon in de hogescholen op de eigenheid van het “hogeschoolonderwijs” wat in de Memorie van toelichting bij het decreet van 12 juni 1991 (MVG, 1991: 36) het ‘meer “professioneel gericht” onderwijs’ wordt genoemd. Alhoewel uit deze definitie kan worden afgeleid dat universiteiten en hogescholen een verschillende taak hebben, wordt die zienswijze in het decreet op de hogescholen wederom vertroebeld door te stellen dat de basisopleidingen van twee cycli in de hogescholen van “academisch niveau en dus gestoeld op wetenschappelijke kennis” (art. 11, ‘2) zijn. Nog lastiger wordt het om het onderscheid te handhaven als in hetzelfde decreet wordt gesteld: “de basisopleiding uit het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde (in de hogescholen) is als basisopleiding equivalent met de academische opleiding toegepaste economische wetenschappen uit het studiegebied economische en toegepaste economische wetenschappen (in de universiteiten)” (art. 11, ‘3). Enerzijds ziet men dat zowel universiteiten als hogescholen een beroep doen op wetenschappelijke kennis, maar anderzijds is het ook zo dat universiteiten net zoals de hogescholen tot bepaalde professies willen opleiden (b.v. artsen, advocaten, ingenieurs, etc.). Men kan zich daarbij de vraag stellen wat dit onderscheid betekent voor studenten die moeten kiezen voor een universiteit of een hogeschool. In feite volgt de overgrote meerderheid van de studenten hoger onderwijs om na de studies toegang te krijgen tot maatschappelijk (hoog) gewaardeerde beroepen en/of functies. In de beroepen waartoe het hoger onderwijs opleidt, kunnen we een onderscheid maken tussen: deze die zich uittekenen op basis van één of andere wetenschap. Van het toepassen van, het onderzoek in en/of het onderwijs van deze wetenschap wenst men zijn beroep te maken. De opleiding tot dit type beroep komt uitsluitend toe aan de universiteiten en kan gedefinieerd worden als wetenschappelijk onderwijs; en deze die zich uittekenen op basis van één of andere maatschappelijk relevant geachte problematiek, met een hoge graad van complexiteit. Van het deskundig en concreet (helpen) oplossen van deze problematiek wenst men zijn beroep te maken. Hiervoor moet o.m. meestal een beroep worden gedaan op inzichten en verworvenheden uit meerdere wetenschappen. De opleiding tot dit type beroep wordt verstrekt door hogescholen en kan gedefinieerd worden als hoger beroepsonderwijs. Maar, zoals reeds gezegd, kan even goed de opleiding tot arts, advocaat, of dergelijke als hoger beroepsonderwijs, verstrekt door de universiteiten, worden gedefinieerd. Naargelang de graad van complexiteit en omvang van het geheel van kennissen, vaardigheden en houdingen dat moet overgedragen worden, loopt de studieduur over 3, 4 of 5 jaar (Verhoeven & Beuselinck, 1996). De huidige hervorming van het hoger onderwijslandschap is ook van toepassing voor het universitair onderwijs (zie paragraaf 6.1.1.).

119


Vlaams Eurydice rapport 2003

6.2.

Actuele discussies

De uitvoering van het structuurdecreet en ontwerpen van decreet die nog in behandeling zijn in het verlengde van de Bolognaverklaring leiden tot heel wat wetgevend werk, omvormingen en hervormingsvoorstellen in het hoger onderwijs. Een erkenningscommissie adviseerde tegen 15 januari 2004 de Vlaamse regering over de voorstellen van de instellingen voor de omvorming naar de bachelor-masterstructuur. Een maand later besliste de Vlaamse regering over de omvormingsdossiers. De resultaten zullen het eerste Hoger Onderwijsregister (HOR) vormen met informatie over de opleidingen en hun aanbieders. Het eerste HOR zal de lijst bevatten van de bacheloropleidingen die de instellingen kunnen opstarten vanaf 2004-2005 of 2005-2006 en de lijst van de masteropleidingen vanaf 2007-2008 of 2008-2009. In uitvoering van het structuurdecreet en ontwerpen van decreet die nog in behandeling zijn, moet de Vlaamse regering nog een hele reeks uitvoeringsbesluiten goedkeuren. De regering wil het ontwerpdecreet op de flexibilisering van de leertrajecten zo snel mogelijk indienen in het Vlaams Parlement. In een flexibel systeem behaalt een student een diploma na verschillende opleidingsonderdelen met succes te hebben beĂŤindigd en daarvoor telkens creditattesten te hebben verworven. Vanaf 2004-2005 kan flexibilisering worden ingevoerd, vanaf 2007-2008 is ze verplicht (Vanderpoorten, 2003).

6.3.

Wettelijk kader

Onderstaande onderwijswetgving is van belang voor het hoger onderwijs in Vlaanderen. Wet betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs van 7 juli 1970. Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991. Bijzonder Decreet betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen van 26 juni 1991. Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994. Decreet houdende wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap van 24 juli 1996. Decreet van 14 juli 1998 betreffende Onderwijs IX. Decreet van 18 mei 1999 betreffende Onderwijs X. Decreet van 20 oktober 2000 betreffende het Onderwijs XII Ensor. Decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs. Bijzonder decreet van 4 april 2003 houdende de opheffing van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, wat het Universitair Centrum Antwerpen betreft.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen Decreet van 4 april 2003 betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

6.4.

Algemene doelstellingen

De onderwijsdoelstellingen van de hogescholen en de universiteiten worden afzonderlijk behandeld. 6.4.1.

Hogeschoolonderwijs

De doelen van het hogeschoolonderwijs worden hieronder weergegeven. De opleidingen van één cyclus bereiden de studenten voor op velerlei beroepen in sectoren als industrie, handel, transport, landbouw, medisch hulp- en sociaal werk, onderwijs, hotelwezen, mode, informatietechnologie, toegepaste kunsten, media, enzovoort. De twee cycli-opleidingen leiden technisch personeel op die taken met een hoog wetenschappelijk en technisch karakter kunnen uitvoeren en daar verantwoordelijk voor zijn. Het Decreet van 13 juli 1994 stipuleert dat het onderricht dat wordt aangeboden in de opleidingen van 2 cycli van academisch niveau is en dus is gestoeld op wetenschappelijke kennis. In het geheel dragen ze bij tot de algemene menselijke vorming en zijn ze in het bijzonder gericht op “de toepassing van de wetenschappen, het zelfstandig denken en het ontwikkelen van creativiteit” (art. 11 § 2). Niettemin blijft er zoals gezegd een duidelijk onderscheid tussen het hogeschoolonderwijs van twee cycli en het universitair onderwijs. De universiteiten voorzien in onderwijs gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek terwijl het hogeschoolonderwijs gebaseerd is op wetenschappelijke kennis (Verhoeven & Beuselinck, 1996).

In dit verband heeft de Vlaamse overheid de hogescholen de mogelijkheid geboden om

wetenschappelijk onderzoek uit te voeren in samenwerking met andere hogescholen, universiteiten of derden. 6.4.2.

Universitair onderwijs

De doelen van het universitair onderwijs worden hieronder weergegeven. Het Decreet van 12 juni 1991 bakent de taak van de universiteiten af op drie vlakken: “Universiteiten zijn, in het belang van de samenleving, terzelfder tijd werkzaam op het gebied van het academisch onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke dienstverlening” (art. 4). Dit academisch onderwijs wordt in de Memorie van Toelichting (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1991) bij dit universiteitsdecreet nog scherper toegelicht. Het academisch onderwijs: is gericht op kritisch bevragende, contextueel-multidisciplinaire en synthetiserende vorming; steunt op de resultaten van het jongste wetenschappelijk onderzoek (dit impliceert een integratie van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten in dezelfde eenheid);

121


Vlaams Eurydice rapport 2003

hecht meer belang aan theoretische vorming en methodologie dan aan kennisopstapeling (het waarom primeert op het wat); stimuleert een probleemoplossend denken en de bekwaamheid tot synthetiseren. Vaardigheden zijn belangrijker dan het kennen van feiten (Verhoeven & Beuselinck, 1996).

6.5.

Onderwijsinstellingen

In deze paragraaf over onderwijsinstellingen worden eerst de hogescholen besproken, vervolgens de universiteiten en tenslotte de associaties van hogescholen en universiteiten. 6.5.1.

Hogeschoolonderwijs

Als eerste type onderwijsinstelling in het hoger onderwijs komen de hogescholen aan bod. Op 23 oktober 1991 werd een decreet aangenomen betreffende het hoger onderwijs van het lange type (nu geïntegreerd in het Decreet van 13 juli 1994). Ofschoon het niet werd geïntegreerd in het universitair onderwijs, werd ervan gezegd dat het onderwijs op ‘academisch niveau’ aanbood. Het hoger onderwijs van het lange type werd onderworpen aan dezelfde regels als het universitair onderwijs. Het belangrijkste nieuwe element was de veel grotere autonomie van de hogescholen die dit onderwijs van 2 cycli aanboden, ondersteund door een forfaitaire financiering. Het decreet gaf de hogescholen de mogelijkheid om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren samen met andere hogescholen, universiteiten en derden. De nieuwe regels introduceerden een flexibeler systeem voor overgangen tussen de verschillende opleidingsniveaus. Vanaf 1 september 1995 werd het Decreet van 31 juli 1994 geïmplementeerd. Het doel van dit decreet was eerst en vooral een zeer fundamentele hervorming - een belangrijke fusie-operatie inbegrepen - van het hoger onderwijs buiten de universiteit en een verdere integratie van de regelgeving omtrent het gehele hoger onderwijs. Het korte en lange type zijn in één systeem, één institutioneel kader en één wetgeving geïntegreerd, die al was voorbereid door het Decreet van 23 oktober 1991. De hogescholen zijn daarnaast ook meer autonoom geworden inzake de aanwending van het budget. Elke hogeschool ontvangt nu een enveloppe, een totaal bedrag waarmee ze kan werken. Het is echter wel zo dat de overheid nog direct de loonkost van bepaalde leden van het onderwijzend personeel op zich neemt. Daarnaast heeft er een fusie plaatsgevonden. De 164 hogescholen – die ofwel het korte of het lange type aanboden, of uitzonderlijk beide – zijn samengesmolten in 25 hogescholen met over het algemeen minstens 2000 studenten, die alle voltijdse basisopleidingen van één cyclus of twee cycli aanbieden: 5 nieuwe instellingen zijn zogenaamd ‘autonoom’. Vroeger behoorden zij tot het officiële onderwijsnet. Nu functioneert hun Raad van Bestuur autonoom; 3 nieuwe instellingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de provinciale overheden; 16 nieuwe instellingen behoren tot het vrije onderwijsnet en vallen onder het privaat recht;


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

de enige hogeschool die zeevaartopleiding aanbiedt is de Hogere Zeevaartschool in Antwerpen. Dit instituut functioneert onder de directe bevoegdheid van de minister van Onderwijs en biedt tweetalige opleidingen aan (Nederlands en Frans) (Verhoeven & Beuselinck, 1996). De meeste van deze instellingen groeperen verschillende departementen. 6.5.2.

Universitair onderwijs

Een tweede type van onderwijsinstelling in het hoger onderwijs wordt gevormd door de universiteiten. Universitair onderwijs wordt georganiseerd in instellingen die het statuut van universiteit hebben. Hun taak bestaat uit onderwijs, onderzoek en wetenschappelijk dienstverlening. Binnen de Vlaamse Gemeenschap bestaan er zes universiteiten. De vier grootste zijn: de Universiteit Gent (RUG), de Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven) (de campus van Kortrijk inbegrepen met de naam Katholieke Universiteit Leuven Afdeling Kortrijk (KULAK)), de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en de Universiteit Antwerpen (UA). Daarnaast zijn er twee universiteiten waarin het onderwijs beperkt wordt tot bepaalde disciplines: de Katholieke Universiteit Brussel (KUB) en het Limburgs Universitair Centrum (LUC). Het Limburgs Universitair Centrum (LUC) vormt samen met de Nederlandse Universiteit Maastricht (UM) de “transnationale Universiteit Limburg” (tUL). Deze universiteit is op 1 oktober 2001 begonnen met het geven van lessen in de opleidingen kennistechnologie-, informatica en biomedische wetenschappen. Vanaf het academiejaar 2001 – 2002 volgde er een uitbreiding van het aanbod. De nieuwe universiteit vormt een derde rechtspersoon naast de Universiteit Maastricht en het Limburgs Universitair Centrum (Deweghe, 2000). 6.5.3.

Associaties

Als derde type onderwijsinstelling worden hier de associaties besproken. In het decreet van 4 april 2003 betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt geregeld dat de hogescholen en de universiteiten associaties vormen. Een associatie is een vzw waaraan hogescholen en universiteiten, sinds de herstructurering van het hoger onderwijs, bepaalde beslissingsbevoegdheden kunnen overdragen. Een associatie bestaat uit één universiteit, die de bevoegdheid heeft tot het autonoom aanbieden van zowel bachelor- als mastersopleidingen enerzijds, en ten minste één hogeschool anderzijds. Geen enkele universiteit of hogeschool kan deel uitmaken van meer dan één associatie. De hogescholen kunnen in het kader van een associatie opleidingen aanbieden die leiden tot de graad van master. Associaties zijn tenminste bevoegd voor: het onderwijsaanbod; de afstemming van de opleidingsprofielen, het structureren van de opleidingstrajecten en een verbetering van de doorstromingsmogelijkheden tussen vooral bachelors- en mastersopleidingen; de organisatie van trajectbegeleiding voor studenten;

123


Vlaams Eurydice rapport 2003

de afstemming van de interne reglementen inzake het personeelsbeleid; het opstellen en uitvoeren van een meerjarenplan voor onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering, aansluitend bij een gezamenlijk opgezet systeem van interne kwaliteitszorg voor het onderwijs; het opstellen van een meerjarenplan voor het onderzoek en de maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, aansluitend bij een gezamenlijk opgezet systeem voor kwaliteitszorg voor het onderzoek; de

onderzoeksgebondenheid

van

de

academisch

gerichte

bachelorsopleidingen

en

van

de

mastersopleidingen aangeboden door de hogescholen van de associatie in het kader van het meerjarenplan voor onderzoek; het opstellen van een meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen; het uitwerken van een procedure voor de aanwijzing van een adequaat aantal vertegenwoordigers van de hogescho(o)l(en) die academisch gerichte bachelorsopleidingen en mastersopleidingen aanbieden, in de onderzoeksraad van de universiteit; het uitbrengen van een advies over het aanbieden van een nieuwe bachelors- of mastersopleiding in een instelling; het uitbrengen van een advies over de omvorming van een basisopleiding van twee cycli tot een bachelors- en mastersopleiding in het academisch onderwijs; het uitbrengen van een advies over het onderwijsontwikkelingsplan. Er werden associaties gevormd rond de KUleuven, LUC/tUL, RUG, UA en VUB. In het Besluit van de Vlaamse regering houdende de vaststelling van de lijst van de controletaken van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de universiteiten van 05.09.03 (B.S.21/10/2003) wordt geregeld dat de Minister van Onderwijs vijfjaarlijks de commissarissen zal aanduiden die bevoegdheid hebben toezicht te houden op het wettelijkheid en het financieel evenwicht van de associaties. Vanwege deze beperkte bevoegdheid blijft de beleidsvrijheid van de associaties gegarandeerd. Een commissaris kan alle bestuursvergaderingen van een associatie bijwonen met raadgevende stem.

6.6.

Toelatingsvoorwaarden

De toelatingsvoorwaarden van de hogescholen en de universiteiten worden hieronder besproken. Ten slotte wordt in paragraaf 6.6.3. het ontwerp tot Flexibiliseringsdecreet over elders verworven kwalificaties (EVK) en eerder verworven competenties (EVC) behandeld. 6.6.1.

Hogeschoolonderwijs

Alle studenten die het diploma secundair onderwijs hebben behaald, hebben vrij toegang tot het hoger onderwijs. Een ‘numerus clausus’ en andere toelatingsvoorwaarden bestaan op dit moment niet voor de hogescholen. Er wordt wel een artistieke proef ingericht voor kandidaten voor de studiegebieden


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst en een bekwaamheidsproef voor nautische wetenschappen. 6.6.2.

Universitair onderwijs

De toelatingsvoorwaarden zijn quasi identiek voor het gehele hoger onderwijs, namelijk alle studenten met een diploma secundair onderwijs hebben vrij toegang tot het hoger onderwijs. Numerus clausus en dergelijke bestaan niet. Tot 1996 was er echter ĂŠĂŠn uitzondering op de regel: het toelatingsexamen (voornamelijk een wiskunde-examen) georganiseerd aan de faculteiten toegepaste wetenschappen voor de opleiding burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect. Aan alle andere faculteiten vervullen de eindejaarsexamens de functie van selectieprocedure. Voor de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde geldt de regeling die van kracht is sedert het academiejaar 1997-1998 (Decreet van 24 juli 1996): een toelatingsexamen wordt georganiseerd (door het departement Onderwijs) op interuniversitair niveau en is opgesplitst in twee delen: het testen van de reeds verworven kennis van fysica, biologie, chemie en wiskunde (op niveau van de derde graad van het ASO) en een test van de studiebekwaamheid van de kandidaat. Elk jaar worden er twee sessies van het examen georganiseerd (juli en september). De relatief makkelijke toegang tot het hoger onderwijs gaat samen met een laag slaagpercentage op het eind van het eerste jaar. Voor het academiejaar 2000-2001 bedroeg het slaagcijfer voor de eerste kandidatuur 49,61% voor generatiestudenten en 50,11% voor niet-generatiestudenten (MVG, departement Onderwijs, 2003). In 2001-2002 waren de slaagcijfers respectievelijk 48,11% en 60,02%. Voor afgestudeerden van het algemeen secundair onderwijs ligt het slaagcijfer aan het einde van het eerste jaar universiteit iets hoger: 54,6% (Inspectie Secundair Onderwijs, 2000). Het ingangsexamen aan de faculteit toegepaste wetenschappen (66,67% geslaagde generatiestudenten in eerste kandidatuur), geneeskunde (80,42%) en tandheelkunde (78,57%) heeft een invloed gehad op de slaagcijfers van de eerste kandidatuur (MVG, 2000e). Het effect van deze test verdwijnt echter na het eerste jaar: de slaagcijfers voor toegepaste wetenschappen verschillen niet wezenlijk van die van de andere richtingen na het tweede jaar. Verdere beleidsvoorstellen worden overwogen. 6.6.3.

Eerder verworven kwalificaties (EVK) en elders verworven competenties (EVC)

Momenteel wordt gewerkt aan het Flexibiliseringsdecreet (Vlaamse Regering: 12 december 2003). Zoals de naam het zegt, zal dit decreet de toelatingsvoorwaarden meer flexibel maken. Het voorontwerp van decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs bevat onderstaande richtlijnen in verband met eerder verworven kwalificaties (EVK) en elders verworven competenties (EVC). Instellingen/opleidingen kunnen op basis van EVK en/of EVC aan studenten vrijstelling verlenen van het volgen van en examen afleggen over bepaalde opleidingsonderdelen of een gedeelte ervan. De formele erkenning van competenties (leveren van formele bewijzen voor competenties, ongeacht de wijze waarop deze zijn verworven) kan leiden tot certificering van competenties. De volgende procedure zal daartoe worden gevolgd:

125


Vlaams Eurydice rapport 2003

de overheid stelt in overleg met de associaties een afsprakennota op waarin een aantal basismethodologische garanties zijn ingeschreven; op niveau van elke associatie wordt vervolgens, rekening houdend met deze afsprakennota, een eenvormige procedure, methodologie en referentiekader uitgewerkt; elke associatie legt haar voorstel dienaangaande voor ter goedkeuring aan de Vlaamse regering; het assessment en de erkenning van de competenties, het verlenen van vrijstelling en afleveren van een creditattest gebeuren tot slot door de ontvangende instelling op basis van de op associatieniveau uitgewerkte procedure en het referentiekader. De Vlaamse overheid zal een periodieke externe beoordeling organiseren van de verschillende stappen (zowel van wat op associatieniveau als op instellingsniveau is gebeurd). De garantie van de rechten van studenten worden gevrijwaard door een aantal rechtsbeginselen en/of procedureregels in het decreet: het begrip 'een substantieel verschil' wordt ingeschreven als richtlijn voor de interinstitutionele erkenning; verplichte inspraakregeling voor de student; voorafgaande in samenspraak met de student vastgelegde objectieve criteria (b.v. inhoud, studiebelasting,...); een uitgebreide motivatieverplichting van de instelling op basis van de vastgelegde objectieve criteria; een beroepsprocedure; vastlegging en publieke bekendmaking van de regels op het ogenblik van de inschrijving. De student die voor alle opleidingsonderdelen van een bepaalde opleiding een creditattest heeft gekregen, verwerft de betreffende graad en krijgt het diploma van de opleiding. Elke hogeschool en universiteit moet wel voorzien in een procedure van deliberatie waarbij de examencommissie kan oordelen dat een student die niet voor alle opleidingsonderdelen een creditattest heeft verworven, de doelstellingen van de opleiding toch in voldoende mate heeft verwezenlijkt. De examencommissie kan besluiten dat aan die student de betreffende graad wordt verleend.

6.7.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld

Hieronder wordt besproken welk inschrijvingsgeld en examengeld de studenten in het hoger onderwijs moeten betalen. 6.7.1.

Hogeschoolonderwijs

Het decreet betreffende de hogescholen van 13 juli 1994 legt enkel de bedragen vast voor het inschrijvingsgeld en het examengeld. Voor de basisopleidingen bedraagt het jaarlijkse inschrijvingsgeld minstens 77,48 euro en hoogstens 449,90 euro. Voor een student die in hetzelfde academiejaar een tweede inschrijving neemt, bedraagt het inschrijvingsgeld de helft van minstens 77,48 euro en hoogstens 449,90 euro.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Voor de student die deeltijds studeert, bedraagt het inschrijvingsgeld de helft van minstens 77,48 euro en hoogstens

449,90

euro. Voor

niet-financierbare

studenten

en

vrije

studenten

bepaalt

het

hogeschoolbestuur vrij het inschrijvingsgeld. Het bedrag van het examengeld is vastgelegd op hoogstens 50 euro. Dit bedrag mag slechts eenmaal per academiejaar aan de student worden gevraagd. De hogeschool gebruikt het inschrijvingsgeld ten behoeve van de studenten. De overheid bepaalt niet welke bijkomende studiekosten een hogeschool mag aanrekenen bovenop het inschrijvingsgeld aan de studenten. De totale kostprijs van een opleiding kan immers sterk variëren van opleiding tot opleiding en ook andere variabelen zoals b.v. de algemene financiële draagkracht van een hogeschool, kunnen een rol spelen bij de noodzaak van een hogeschool om extra kosten bij de studenten aan te rekenen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 2003a). 6.7.2.

Universitair onderwijs

Het inschrijvingsgeld is de som van het collegegeld en het bedrag bepaald in artikel 43 §9 van het universitaire decreet van 12 juni 1991. Dit laatste bedrag omvat examengeld, kosten voor inschrijving op de rol, verzekering, e.d. Het collegegeld omvat de inschrijving voor de opleidingsonderdelen van een voltijds studiejaar, met inbegrip van de lessen in de praktische werkzaamheden en bewerkingen, alsmede de inschrijving voor de toepassingsoefeningen welke deze opleidingsonderdelen vergen. Elk universiteitsbestuur dient jaarlijks vóór 1 mei de bedragen van de inschrijvingsgelden voor het volgende academiejaar vast te leggen. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) formuleert op eigen initiatief jaarlijks een advies over de inschrijvingsgelden. De instellingen zijn vrij dit advies al dan niet te volgen. Dit VLIR-advies met betrekking tot de inschrijvingsgelden voor het academiejaar 2003-2004 werd door alle universiteiten onderschreven. De VLIR indexeert de inschrijvingsgelden overeenkomstig de evolutie van het 'gezondheidsindexcijfer', mits de aldus vastgestelde bedragen binnen de decretaal vastgelegde en geïndexeerde (consumptie-index) grenzen vallen (http://www.vlir.be). Voor niet-beursstudenten bedraagt het inschrijvingsgeld jaarlijks 488 euro. Boeken en cursussen kosten afhankelijk van studierichting minimum 125 euro en maximum 375 euro. Ook voor het bedrag van de examengelden en van alle andere door de universiteit aan de studenten bij de inschrijving aan te rekenen kosten werd met ingang van het academiejaar 1993-1994 een maximum van 50 euro vastgelegd. Dit bedrag mag slechts eenmaal per academiejaar aan de student worden gevorderd. De bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de index van de consumptieprijzen.

6.8.

Financiële steun voor studenten

Aan de universiteiten en aan de hogescholen zijn het inschrijvingsgeld en de bedragen van de examengelden en van alle andere door de instelling aan te rekenen kosten aan de studenten bij de inschrijving verlaagd voor bijna-beursstudenten en voor beursstudenten. Om een studietoelage van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te kunnen ontvangen moet men voldoen aan een aantal voorwaarden, met name nationaliteitsvoorwaarden, financiële voorwaarden

127


Vlaams Eurydice rapport 2003

(waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen, het kadastraal inkomen en de samenstelling van het gezin) en studievoorwaarden. De studievoorwaarden houden in dat men regelmatig (als voltijds of deeltijds student) moet ingeschreven zijn aan een instelling die erkend, gesubsidieerd of gefinancierd is door het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Als vrij student, als student in het hoger onderwijs voor sociale promotie of als ingeschrevene voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap komt men niet in aanmerking voor een studietoelage. Als basisregel geldt dat men onderwijs moet volgen van een hoger niveau dan wat men vroeger al gevolgd heeft. Hierbovenop is de algemene regel dat men het vorig studiejaar geslaagd moet zijn om in het huidige jaar in aanmerking te komen voor een studietoelage. Als men een jaar overdoet, een andere studierichting kiest of een opleiding van de derde cyclus volgt, kan men in de hogere studies éénmalig een jokerbeurs aanvragen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, infobrochure studietoelagen hoger onderwijs 2003-2004). Studieleningen worden verstrekt door de Gezinsbond, het Limburgs studiefonds, de stichting Fernand Lazard en de vereniging van Burgerlijke ingenieurs uit Leuven. Het Studiefonds van de Gezinsbond v.z.w. staat studieleningen toe aan studenten uit grote gezinnen (vanaf 3 kinderen). Het geld is bestemd om de studiekosten te financieren voor Nederlandstalig secundair en hoger onderwijs met volledig leerplan. Voor hoger onderwijs kan men 1.000 euro lenen voor kotstudenten en 650 euro

voor

pendelstudenten. Studiebeurzen worden verder nog verstrekt door verscheidene instanties zoals de Provinciale Commissie voor Studiebeurzenstichtingen, studiebeurzen in het kader van Socrates-akkoorden en andere Europese uitwisselingsprogramma’s, de stichting Van Goethem-Brichant en de Vereniging van de Leopoldsorde. Er bestaan tevens post-universitaire studiebeurzen voor het buitenland en voor wetenschappelijk onderzoek (o.a. doctoraatsbeurzen).

6.9.

Organisatie van het academiejaar

In het Decreet van 4 april 2003 betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen staat dat de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten in de door het instellingsbestuur opgestelde onderwijsregeling moet worden opgenomen. Een academiejaar wordt omschreven als een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar; van de vaste duur van één jaar kan uitzonderlijk afgeweken worden indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen, ofwel te verlaten. 6.9.1.

Hogeschoolonderwijs

De invulling van het academiejaar kan verschillen aangezien dit behoort tot de onderwijsregeling van de hogeschool. In praktijk begint het academisch jaar in de hogescholen rond september/oktober en eindigt het eind juni of de eerste helft van juli. Over het algemeen omvat een jaar 30 weken van les volgen, deelnemen aan seminaries en het uitvoeren van praktische taken, gewoonlijk onderverdeeld in twee semesters.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

6.9.2.

Universitair onderwijs

De organisatie van het academiejaar behoort zoals gezegd tot de onderwijsbevoegdheid van het instellingsbestuur (decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 en Decreet van 4 april 2003 betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs). Het universitair academiejaar vangt aan op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgend kalenderjaar. De meeste universiteiten werken met een semestersysteem, d.w.z. dat het academiejaar wordt ingedeeld in twee afzonderlijke lesperiodes of semesters. Het eerste semester omvat eerst 13 weken onderwijs- en studieactiviteiten, afgerond met 2 weken kerstvakantie. Daarna volgen 1 week blok en 3 weken examens. Aansluitend daarop volgt 1 week vakantie. Het tweede semester omvat eveneens 13 weken onderwijs- en studieactiviteiten, maar wordt onderbroken door 2 weken paasvakantie. Na de 13 weken volgen 2 weken blok, 3 weken examens en 1 week deliberaties. Na een zomeronderbreking van 6 weken volgt de tweede zittijd, die bestaat uit 3 weken examens. Voor sommige opleidingen zijn 4 weken examens nodig; in dat geval duurt de zomeronderbreking slechts 5 weken. Na de examens volgt 1 week deliberaties. Tussen het einde van de deliberaties en het begin van het nieuwe eerste semester blijft ĂŠĂŠn vrije week over.

6.10.

Studiegebieden en specialisatie

De studiegebieden, studieduur en specialisatie van de opleidingen aan de hogescholen en de universiteiten worden hieronder apart behandeld. 6.10.1.

Hogeschoolonderwijs

Alle hogescholen bieden 4 soorten opleidingen aan (Verhoeven & Beuselinck,1996): basisopleidingen die aansluiten op het secundair onderwijs (1 cyclus of 2 cycli). De studieduur bedraagt meestal 3 of 4 jaar; voortgezette opleidingen die aansluiten op de basisopleidingen, bedoeld om de kennis verworven tijdens een basisopleiding aan te vullen of uit te breiden, of uit te diepen door specialisatie in een geselecteerd studiegebied; posthogeschool vorming; lerarenopleiding (zie hoofdstuk 8). Het Decreet van 13 juli 1994 heeft al deze opleidingen georganiseerd binnen een algemeen kader van 11 studiegebieden: architectuur; gezondheidszorg; industriĂŤle wetenschappen en technologie; audiovisuele en beeldende kunst; muziek en dramatische kunst;

129


Vlaams Eurydice rapport 2003

biotechniek; onderwijs; sociaal-agogisch werk; toegepaste taalkunde; handelswetenschappen en bedrijfskunde; productontwikkeling. Dergelijke opleidingen worden al naar gelang de onderwijsdoelstelling georganiseerd in één cyclus of twee cycli. 6.10.2.

Universitair onderwijs

Elke academische basisopleiding wordt in twee cycli ingedeeld die elk aanleiding geven tot het verwerven van een academische graad. Beide cycli kennen over het algemeen een studieduur van twee jaar. Academische initiële lerarenopleidingen zijn gericht op het verwerven van basiscompetenties voor het leraarstype secundair onderwijs - groep 2, en leiden studenten met andere woorden op voor onderwijsbevoegdheid in de 2de en 3de graad ASO, TSO, BSO en KSO (zie hoofdstuk 8). Voortgezette academische opleidingen omvatten het geheel van aanvullende en specialisatieopleidingen. Een aanvullende opleiding is gericht op een aanvulling of verbreding van één of meerdere academische opleidingen van de tweede cyclus. Een specialisatie is gericht op een uitdieping of een bijzondere verdeskundiging. Voorbeeld van een dergelijke kunstgerichte voortgezette academische opleiding is de gespecialiseerde interuniversitaire studie Theaterwetenschappen (Universiteit Antwerpen). Een doctoraatsopleiding is gericht op de voorbereiding van het doctoraatsproefschrift. Postacademische vorming omvat het geheel van na- en bijscholingen die de universiteiten buiten de academische opleidingen en de voortgezette academische opleidingen organiseren. Het Decreet van 12 juni 1991 regelde en vereenvoudigde het aanbod van universitair onderwijs. Het universitair onderwijsaanbod wordt georganiseerd binnen 18 studiegebieden, waarvan elk open staat voor een verdere gedetailleerde uitwerking en die door het decreet exhaustief worden opgesomd: wijsbegeerte en moraalwetenschappen; godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht; taal- en letterkunde; geschiedenis; archeologie en kunstwetenschappen; rechten, notariaat en criminologische wetenschappen; psychologische en pedagogische wetenschappen;


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

economische en toegepaste economische wetenschappen; politieke en sociale wetenschappen; sociale gezondheidswetenschappen; lichamelijke opvoeding, motorische revalidatie en kinesitherapie; wetenschappen; toegepaste wetenschappen; toegepaste biologische wetenschappen; geneeskunde; tandheelkunde; diergeneeskunde; farmaceutische wetenschappen. Deze 18 studiegebieden omvatten in totaal zo’n 85 erkende opleidingsprogramma’s (academische graden en diploma’s). Studenten kunnen voltijds of halftijds een universitaire opleiding volgen.

6.11 Curriculum In het onderstaande wordt het curriculum van de hogescholen en de universiteiten besproken. 6.11.1.

Hogeschoolonderwijs

De overheid garandeert bij decreet dat de omvang van de opleidingen doenbaar blijft voor studenten, door vast te leggen dat één studiejaar minimum 1.500 en maximum 1.800 uren studietijd mag omvatten. In deze studietijd zijn opgenomen: contacturen, verwerking, literatuur, taken, stages, eindverhandeling, voorbereiden en afleggen van examens en dergelijke. Kortom, alles wat een student moet doen om een studiejaar tot een goed einde te brengen. Verder bestaat elk studiejaar uit 60 studiepunten, waarbij elk vak van de opleiding voor minstens drie studiepunten telt (één studiepunt staat voor zo’n 25 à 30 uren studietijd). Deze studiepunten reflecteren de studiebelasting voor een bepaald vak. Binnen dit kader zijn de hogescholen vrij om hun eigen curriculum te structureren. De concrete uitwerking van het curriculum verschilt van hogeschool tot hogeschool. In grote lijnen kan men stellen dat het globale curriculum van een studiegebied of opleiding wordt opgebouwd door opleidingscommissies (op het niveau van opleidingen, departementen en/of vakgroepen) en dat de inhoudelijke invulling van een vak hoofdzakelijk gebeurt door de titularissen van de vakken. De opleidingscommissies kijken daarna weer toe of deze inhoud beantwoordt aan de doelstellingen (Verhoeven & Beuselinck, 1996). De hogescholen moeten echter wel het systeem van kwaliteitscontrole en zelfevaluatie respecteren zoals vastgelegd door de regering. Het Decreet van 13 juli 1994 schafte een aantal interventies door de overheid af m.b.t. allerlei aspecten van het curriculum. De verantwoordelijkheid van de hogescholen werd dus uitgebreid, samen met de verplichting om - net zoals aan de universiteiten - een eigen systeem van kwaliteitscontrole op te zetten.

131


Vlaams Eurydice rapport 2003

Het vermelde studiepuntensysteem laat ook de overdracht van studiepunten toe van vakken die de student reeds met succes heeft afgelegd in andere opleidingen (aan de hogescholen of universiteiten). Studenten die een diploma hoger onderwijs hebben of tenminste een jaar van een opleiding hoger onderwijs met vrucht hebben afgelegd, kunnen een vermindering van de studietijd krijgen of kunnen worden vrijgesteld van examens voor bepaalde vakken van de opleiding (Verhoeven & Beuselinck, 1996). 6.11.2.

Universitair onderwijs

Net zoals voor het hogeschoolonderwijs is voor het universitair onderwijs de studiebelasting wettelijk begrensd tussen minimum 1.500 uren en maximum 1.800 uren studietijd. Ook hier vormt elk jaar 60 studiepunten waarbij elk vak minstens drie studiepunten krijgt toegewezen (1 studiepunt telt voor 25 à 30 uren studietijd). Binnen dit kader zijn de universiteiten, net zoals de hogescholen, vrij om hun eigen curricula te structureren, waarbij de concrete uitwerking verschilt van universiteit tot universiteit. In grote lijnen kan men stellen dat het globale curriculum van een studiegebied of opleiding wordt opgebouwd door opleidingscommissies (op het niveau van opleidingen, faculteiten, departementen en/of vakgroepen) – soms permanente onderwijscommissies (POC’s) genoemd – en dat de inhoudelijke invulling van een vak hoofdzakelijk gebeurt door de titularissen van de vakken.

De

opleidingscommissies kijken daarna weer toe of deze inhoud beantwoordt aan de doelstellingen (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Over het algemeen bestaat een curriculum uit verplichte vakken en in de tweede graad uit verplichte vakken en – soms weinig, soms veel – keuzevakken (die kunnen worden gegeven aan andere faculteiten) en optiepakketten. Het studiepuntensysteem dat voor het hele hoger onderwijsveld van kracht is, laat ook de overdracht van studiepunten toe van vakken die de student reeds met succes heeft afgelegd in andere opleidingen. Studenten die een diploma van het hogeschool- of universitair onderwijs hebben of tenminste een jaar van opleiding op hoger onderwijsniveau met succes hebben gevolgd, kunnen een vermindering van de studietijd krijgen of vrijgesteld worden van examens voor bepaalde vakken van de opleiding (Verhoeven & Beuselinck, 1996). De universiteiten worden bij decreet verplicht om een eigen systeem voor kwaliteitszorg te organiseren (zie paragraaf 9.4.1.).

6.12.

Onderwijsmethoden

De in de hogescholen en universiteiten gehanteerde onderwijsmethoden en –hulpmiddelen worden hieronder besproken. 6.12.1.

Hogeschoolonderwijs

De beslissing omtrent onderwijsmethoden en –hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen hieromtrent. Het studiemateriaal wordt gekozen of gemaakt door de docent. In alle vormen van hoger onderwijs is er nog steeds een sterke tendens om alle programma’s volgens een aantal standaardprincipes te organiseren. Ex-cathedra onderwijs is gebruikelijk.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Het gebruik van elektronische leerplatforms vindt meer en meer ingang. Voor elk jaar wordt er een min of meer vast programma aangeboden dat van start gaat met een brede, algemene en theoretische introductie tot een bepaalde discipline. Later wordt deze algemene kennis dan toegepast op meer concrete problemen. Elk jaar moet de student een aantal examens afleggen. Gezien de schaalvergroting in het hoger onderwijs is het de tendens is dat de groepen waaraan men lesgeeft steeds groter worden (decreet betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). 6.12.2.

Universitair onderwijs

De onderwijsmethoden behoren tot de verantwoordelijkheid van de docenten, alhoewel de opleidingscommissies in algemene termen specificeren of een bepaalde materie best zou worden gegeven in de vorm van seminaries, labo-lessen of op een andere wijze (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Het studiemateriaal wordt ook hier gekozen of gemaakt door de docent. Net als aan de hogescholen is de tendens nog sterk om de opleidingen volgens een vaste structuur te regelen. Ex-cathedra onderwijs is gebruikelijk. Het gebruik van elektronische leerplatforms is een trend die zich ook hier meer en meer doorzet.

6.13.

Evaluatie van studenten

De wijze waarop hogeschool- en universiteitsstudenten worden geëvalueerd, wordt hieronder weergegeven. 6.13.1.

Hogeschoolonderwijs

Hierna wordt de wijze van evaluatie weergegeven. Over het algemeen worden minstens één of twee weken voorzien waarin de student zich kan voorbereiden op de examens die door de hogescholen worden georganiseerd. Aan het eind van elk jaar wordt de verwerking van de leerstof beoordeeld op basis van examens, die meestal zowel theoretisch als praktisch van aard zijn. Er zijn twee examenperiodes, met name in juni en september. In een semestersysteem worden er ook examens georganiseerd in januari (het einde van het eerste semester); deze worden beschouwd te behoren tot de eerste zittijd. Op het einde van de opleiding moet elke student een verhandeling indienen (en soms verdedigen). 6.13.2.

Universitair onderwijs

Hierna wordt de wijze van evaluatie weergegeven. Ook op universitair niveau worden er over het algemeen minstens één of twee weken voorzien waarin de student zich kan voorbereiden op de examens. Vroeger waren er twee examenperiodes, met name juni en september. Om voorbereid te zijn op de implementatie van Bologna werd het semestersysteem ingevoerd. Dit semestersysteem heeft als gevolg dat in sommige gevallen een student ook aan het einde van het eerste semester (januari – februari) aan een

133


Vlaams Eurydice rapport 2003

examen kan deelnemen (zie ook paragraaf 6.9.2.). Aan eenzelfde examen kan hoogstens tweemaal per jaar worden deelgenomen. In de meeste faculteiten moet de student aan het eind van de opleiding een verhandeling presenteren (en verdedigen).

6.14.

Voortgang van studenten

De voortgang van hogeschool- en universiteitsstudenten wordt hieronder weergegeven. 6.14.1.

Hogeschoolonderwijs

De student moet met succes de examens van elk studiejaar van een cyclus afleggen, vooraleer te worden toegelaten tot het volgende studiejaar of de volgende cyclus. Aan een zelfde examen kan hoogstens tweemaal per jaar worden deelgenomen, zelfs in een trimester- of semestersysteem; elke student krijgt dus een tweede kans. Een student die niet is geslaagd voor al zijn vakken in een bepaald studiejaar, kan een “Individueel Aangepast Jaarprogramma” (IAJ) volgen gedurende het volgende academiejaar. Dit programma bestaat uit de vakken uit het vorige studiejaar waarvoor de student niet is geslaagd en een aantal vakken van het volgende academiejaar. De examencommissies, samengesteld uit het onderwijzend personeel van de hogescholen, zijn verantwoordelijk voor deze procedures (Verhoeven & Beuselinck, 1996). De overstap naar een andere opleiding in het hoger onderwijs (1 cyclus, 2 cycli of universitair) is mogelijk. Deze overstap kan gepaard gaan met een vrijstelling van één of meer vakken. Dergelijke vrijstellingen worden individueel toegekend op aanvraag (Decreet betreffende de hogescholen van 13 juli 1994). 6.14.2.

Universitair onderwijs

Een student moet met succes elke cyclus of jaar doorlopen, om te worden toegelaten tot de volgende cyclus of jaar. Een student die niet geslaagd is voor al zijn vakken in een bepaald studiejaar kan ook op universitair niveau een “Individueel Aangepast Jaarprogramma” (IAJ) volgen gedurende het volgende academiejaar. Typisch voor het universitair onderwijs is dat elke opleiding vrij strikt is onderverdeeld. Het beëindigen van een cyclus gaat gepaard met de toekenning van een certificaat, dat een noodzakelijke voorwaarde is om tot de volgende cyclus te worden toegelaten.

6.15.

Diplomering

De wijze van certifiëren van hogeschool- en universiteitsstudenten wordt hieronder besproken.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

6.15.1.

Hogeschoolonderwijs

Opleidingen van 1 cyclus geven recht op ‘graduaatsdiploma’s’ in velerlei disciplines, zoals verloskunde, verpleegster, sociaal assistent, boekhouder, leraar (kleuter-, lager- en secundair onderwijs - groep 1). Het schoolbestuur levert de diploma’s af die ‘automatisch’ worden erkend door het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Een opleiding van 2 cycli leidt tot graden als industrieel ingenieur, licentiaat, licentiaat in maritieme wetenschappen, handelsingenieur, architect, meester in de kunsten, .... 6.15.2.

Universitair onderwijs

De eerste universiteitsgraad is die van kandidaat, die wordt bereikt na twee, of in sommige faculteiten drie jaar studie. Deze graad vormt de noodzakelijke basis voor verdere studies. Vervolgens wordt de graad van licentiaat bereikt na nog eens twee of drie jaren studie. In deze periode wordt onderricht verstrekt en aan het eind van de opleiding dienen de studenten een verhandeling in. Aan sommige faculteiten geeft de beëindiging van de tweede cyclus recht op de titel van arts, apotheker, (o.m. burgerlijk) ingenieur en dierenarts. Afhankelijk van de opleiding kan de vereiste studieperiode langer duren. De graden van de tweede cyclus geven de houder recht om een beroep uit te oefenen, ofschoon in sommige gevallen een aanvullende opleiding vereist is. Zo vraagt de toegang tot onderwijsposten in het hoger secundair onderwijs b.v. een bijkomende graad, deze van ‘geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2’, die onmiddellijk na het uitreiken van het licentiaatsdiploma kan worden toegekend na de bijkomende lerarenopleiding te hebben gevolgd, zonder dat een bijkomende studieperiode is vereist (zie hoofdstuk 8). Studenten die met succes aanvullende opleidingen of specialisatieopleidingen hebben gevolgd, worden gediplomeerde in de aanvullende studies (GAS) of gediplomeerde in de gespecialiseerde studies (GGS). De graad van doctor kan worden bereikt ten vroegste twee jaren na de toekenning van de graad van licentiaat. Dit vereist de publieke verdediging van een doctoraat, dat bestaat uit een originele dissertatie en soms ook de verdediging van één of meerdere daarmee verbonden thesissen. Deze graad is noodzakelijk voor een verdere universitaire carrière als docent (Verhoeven & Beuselinck, 1998). Vóór het Decreet van 12 juni 1991 was een doctoraatsthesis gebaseerd op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, onder toezicht van een promotor en publiek verdedigd, de enige voorwaarde tot het bekomen van de graad van doctor. Nu kan elke universiteit doctoraatsopleidingen organiseren en van de doctoraatsstudenten eisen dat ze een opleidingsprogramma volgen alvorens hun proefschrift te verdedigen. Deze doctoraatsopleiding die wordt gevolgd terwijl het proefschrift wordt voorbereid, komt overeen met een jaar studie en omvat minstens 1.500 en hoogstens 1.800 studie-uren of andere daarmee verbonden activiteiten (ten belope van 60 studiepunten). De student moet punten verzamelen door lessen bij te wonen, te participeren in seminaries of conferenties, deel te nemen aan een zomerschool, enzovoort. Het verwerven van de studiepunten kan worden gespreid over de periode die is voorzien voor het schrijven van het proefschrift. Bij beëindiging van de doctoraatsopleiding wordt een certificaat uitgereikt. Tot nu toe beslist de universiteit autonoom of de doctoraatsopleiding verplicht of optioneel is voor de postgraduaatstudenten (Beuselinck & Verhoeven, 1997).

135


Vlaams Eurydice rapport 2003

Doctoraatsstudenten kunnen worden gefinancierd door de universiteit als universitaire assistenten of door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en aanverwante fondsen. Het is ook mogelijk om het doctoraat zelf te financieren, maar dit gebeurt eerder uitzonderlijk (Beuselinck & Verhoeven, 1997). De opheffing van het voormalige onderscheid tussen wettelijke en wetenschappelijke graden laat toe dat alle diploma’s kunnen worden bereikt via de examencommissies van de overheid.

6.16.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt

De acties die hogescholen en universiteiten ondernemen om studenten te begeleiden naar de arbeidsmarkt worden hieronder beschreven. 6.16.1.

Hogeschoolonderwijs

De hogeschoolopleiding legt de nadruk op praktische aspecten en is vanaf het begin georiënteerd op het toekomstige beroepsleven. Een praktische opleiding in echte werkomstandigheden (bedrijven, scholen, ziekenhuizen, ...) maakt een essentieel deel van elke opleiding van één cyclus uit. De begeleiding van de studenten om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, neemt verschillende vormen aan. De meerderheid van de hogescholen heeft plaatsingsdiensten, alhoewel de werking nogal kan verschillen. Hiervoor zijn geen officiële richtlijnen. Sommige hogescholen beperken zich tot het verzamelen van vacatures of het bijhouden van de tewerkstellingsstatistieken, terwijl andere uitgebreide tewerkstellingsdossiers van de individuele afgestudeerden bijhouden, sollicitatietrainingen geven en/of voorbereidingsseminaries op tewerkstelling organiseren, ... (Inspectie Hoger Onderwijs, 1996). Regelmatig gebeurt het dat de stage-activiteiten van de student leiden tot de aanwerving van de student eens hij/zij is afgestudeerd. De interactie tussen de arbeidsmarkt en de onderwijsprogramma’s is niet altijd even optimaal, maar dit varieert naargelang het studieveld of de opleiding (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Over het algemeen hebben afgestudeerden van hogescholen relatief gezien gunstige tewerkstellingskansen. Om na te gaan hoe een (nog) betere samenwerking mogelijk is tussen het bedrijfsleven en onderwijs vond in 2002 een netoverschrijdend initiatief plaats van het Verbond voor Kristelijke Werkgevers en Kaderleden (VKW) voor alle leraars secundair onderwijs en de medewerkers van de CLB’s en met 127 grote en minder grote bedrijven (80 in 2001).

Elke deelnemende onderneming voorzag een

bedrijfsvoorstelling en een rondleiding, gevolgd door een debat met de bedrijfsleiding over een vooraf bepaald thema. 6.16.2.

Universitair onderwijs

Net als de hogescholen hebben de universiteiten binnen de sociale sector een specifieke infrastructuur uitgebouwd ten behoeve van deze ruimere zorg en begeleiding. Het gaat hier onder andere om jobdiensten. Al naargelang van de universiteit worden er initiatieven genomen zoals afstuderenden en oud-studenten via een eigen vacaturedatabank op de hoogte brengen van vacatures, het organiseren van


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

informatiesessies over tewerkstelling in verschillende sectoren, het sociaal statuut van de afstuderende enz.

6.17.

Privé-onderwijs

Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd en officiële gegevens hieromtrent zijn derhalve onbestaande. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 2004). Er is geen financiering (subsidies) voor privé-onderwijs.

6.18.

Verschillen in organisatie en andere structuren

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de organisatorische verschillen van de reguliere programma’s en de alternatieve opleidingsstructuren die niet vallen onder de gewone wetgeving op het hoger onderwijs. Binnen het actuele aanbod kunnen vier varianten of alternatieven op de normale organisatie van hoger onderwijs worden onderscheiden. 1) Sommige universitaire programma’s en hogeschoolprogramma’s van twee cycli voorzien een alternatieve lesindeling (avondonderwijs) voor studenten die reeds zijn tewerkgesteld. 2) Ook is er de mogelijkheid voor iedereen om examens voor alle hoger onderwijsopleidingen af te leggen zonder dat er lessen moeten worden bijgewoond. Deze examens moeten worden afgelegd in de onderwijsinstelling die het gewone voltijdse programma aanbiedt. 3) Vele programma’s worden aan de hogescholen ook deeltijds aangeboden door het Onderwijs voor Sociale Promotie. 4) In samenwerking met de Open Universiteit Heerlen in Nederland wordt door de hoger onderwijsinstellingen afstandsonderwijs aangeboden. Verder bestaan er enkele instellingen voor hoger onderwijs die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het hoger onderwijs. Zo is er de Faculteit der Protestantse Godgeleerdheid in Brussel en de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven, die graden toekennen in de protestantse theologie. Deze faculteiten zijn erkende private instellingen. Katholieke theologie wordt als een reguliere opleiding onderwezen aan de Katholieke Universiteit Leuven. Kandidaat-officieren van het leger krijgen hun opleiding in de Koninklijke Militaire School (KMS) in Brussel. Deze instelling voor hoger onderwijs leidt officieren op, zoals vastgelegd door de Wet van 18 maart 1838. De duur van de studies op universitair niveau in de Polytechnische afdeling (burgerlijk ingenieur) bedraagt 5 jaar en 4,5 jaar in de afdeling Alle Wapens. Kandidaat-officieren van de rijkswacht volgden tot voor kort eveneens hun kandidaturen aan de Koninklijke Militaire School. In het kader van de hervorming van de politiediensten, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken evenwel beslist de rekrutering via de KMS op te schorten. Sommige kandidaat-officieren worden helemaal opgeleid in de gewone onderwijsinstellingen die hierboven zijn beschreven, de Hogere Zeevaartschool inbegrepen. Dit is het geval voor de kandidaten voor de medische diensten. Deze opleidingsmogelijkheden zijn geregeld door KB’s van 20 juni 1975 en 3 oktober 1989. Het leger organiseert eveneens postgraduaatopleidingen.

137


Vlaams Eurydice rapport 2003

6.19.

Statistieken

Hieronder volgen enkele statistische gegevens betreffende het hoger onderwijs. De docent-student ratio2 bedraagt 15,06

aan het universitair hoger onderwijs en voor het

hogescholenonderwijs 12,50 (2002-2003) (MVG, departement Onderwijs, 2003). Tabel 27: Evolutie van het aantal studenten aan de hogescholen (1985-2003) Mannen

2

Vrouwen

Totaal

Academisch jaar

N

%

N

%

N

%

1985-86

33.884

48,34

36.210

51,66

70.094

100

1986-87

35.289

47,20

39.470

52,80

74.759

100

1987-88

36.841

47,69

40.406

52,31

77.247

100

1988-89

38.104

47,80

41.617

52,20

79.721

100

1989-90

39.392

48,15

42.415

51,85

81.807

100

1990-91

39.732

48,37

42.417

51,63

82.149

100

1991-92

39.001

48,24

41.848

51,76

80.849

100

1992-93

40.572

47,81

44.286

52,19

84.858

100

1993-94

42.917

47,34

47.734

52,66

90.651

100

1994-95

42.211

46,82

47.944

53,18

90.155

100

1995-96

42.451

46,63

48.595

53,37

91.046

100

1996-97

43.707

46,51

50.269

53,49

93.976

100

1997-98

45.685

46,82

51.889

53,18

97.574

100

1998-99

46.796

46,83

53.137

53,17

99.933

100

1999-00

45.747

46,43

52.789

53,57

98.536

100

2000-01

45.773

46.12

53.485

53.88

99.258

100

2001-02

45.775

46,08

53.564

53,92

99.339

100

2002-03

46.125

46.28

53.536

53.72

99.661

100

Aantal studenten ingeschreven in hoger onderwijs in het academiejaar 2002-2003 gedeeld door het aantal Zelfstandig Academisch Personeel & Assisterend Academisch Personeel voor het universitair onderwijs op 1 februari 2003 of het bestuurs- & onderwijzend personeel voor het hogescholenonderwijs (budgettaire full-time equivalenten) in januari 2003.


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 28: Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen aan de universiteiten (1993-2003) Academisch jaar

Enkel academische basisopleidingen Mannen

Vrouwen

Totaal

N

%

N

%

N

%

1993-1994

26.173

51,43

24.714

48,57

50.887

100

1994-1995

27.032

51,22

25.745

48,78

52.777

100

1995-1996

27.934

50,52

27.364

49,48

55.298

100

1996-1997

28.174

49,94

28.242

50,06

56.416

100

1997-1998

27.929

49,08

28.973

50,92

56.902

100

1998-1999

27.408

47,94

29.762

52,06

57.170

100

1999-2000 3

26.508

46,72

30.232

53,28

56.740

100

2000-2001

25.656

45,70

30.462

54,30

56.118

100

2001-2002

25.644

45,23

31.049

54,77

56.693

100

2002-2003

25.382

44,66

31.457

55,34

56.839

100

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 29: Aantal studenten per studiegebied in het hogeschoolonderwijs (academiejaar 2002-2003) Studiegebied Eén cyclus Twee cycli Totaal Eerste cyclus Tweede cyclus Architectuur 1.762 1.010 811 3.583 Audio-visuele en beeldende kunst 186 2.228 1.359 3.773 Muziek en dramatische kunst 37 708 1.014 1.759 Productontwikkeling 172 237 409

3

Vanaf het academiejaar 1999-2000 worden de studentenaantallen verzameld door het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.

Daarvoor was de “Vlaamse Interuniversitaire Raad” (VLIR) hiervoor

verantwoordelijk. Vanaf dit academiejaar wordt de inschrijving in de volgende richtingen gerekend: universitaire opleidingen, aanvullende opleidingen, specialisatie-opleidingen en de universitaire initiële lerarenopleiding.

139


Vlaams Eurydice rapport 2003

Handelswet. En bedrijfskunde

25.874

Toegepaste taalkunde Gezondheidszorg Onderwijs Sociaal-agogisch werk IndustriĂŤle wet. en technologie Biotechniek Totaal

9.143

3.336

2.282

31.492

1.806

1.027

2.833

521

426

10.090

18.556

18.556

8.440

8.440

9.071

4.697

3.687

17.455

889

178

168

1.235

73.958

14.656

11.011

99.625

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 30: Aantal studenten per studiegebied in het universitair onderwijs (academiejaar 20022003) Studiegebied M V Totaal Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 730 429 1.159 Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en 176 171 347 kerkelijk recht Taal en letterkunde 1.074 2.587 3.661 Geschiedenis 1.253 987 2.240 Archeologie en kunstwetenschappen 425 950 1.375 Rechten, notariaat en criminologische wet. 3.928 5.033 8.961 Psychologische en pedagogische wet. 1.328 5.532 6.860 Economische en toegepast economische wet. 4.876 3.443 8.319 Politieke en sociale wetenschappen 2.576 3.099 5.675 Sociale gezondheidswetenschappen 223 872 1.095 Lichamelijke opvoeding, motorische revalidatie en 1.010 1.344 2.354 kinesitherapie Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wet. Geneeskunde Tandheelkunde Dierengeneeskunde Farmaceutische wetenschappen

3.401

1.946

5.347

3.634

1.108

4.742

1.283

1.189

2.472

1.667

2.431

4.098

158

207

365

485

1.114

1.599

315

1.050

1.365


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Gecombineerde studiegebieden Totaal

1.218

2.396

3.614

29.760

35.888

65.648

(*) Enkel academische basisopleidingen. (MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 31: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 1 cyclus: eerste jaar (generatiestudenten en niet-generatiestudenten) (academiejaar 01-02) 4 Studiegebied

Generatiestudenten

Niet-generatiestudenten

Architectuur

54,41

65,32

Audiovisuele en beeldende kunst

69,23

70,45

Biotechniek

57,98

74,75

Gezondheidszorg

58,16

69,16

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

46,75

57,81

Industriële wetenschappen en technologie 46,94 Muziek en dramatische kunst 55,00

59,72

Onderwijs

46,42

60,86

Sociaal-agogisch werk

45,45

59,71

Totaal

48,12

60,37

83,33

(MVG, departement Onderwijs, 2002) Tabel 32: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 2 cycli eerste jaar (generatiestudenten en niet-generatiestudenten) (academiejaar 2001-2002) Studiegebied

4

Generatiestudenten

Niet-generatiestudenten

De gegevens in de tabellen 6.5. tot en met 6.8. hebben enkel betrekking op regelmatige studenten op 1.2.2003. Dit betekent dat een groot aantal hogeschoolstudenten niet in de tabel is opgenomen. Een aantal opleidingen zijn hierdoor evenmin in de tabel opgenomen, met name: de opleidingen hout, informatica, logistieke technologie, nautische wetenschappen en textiel binnen het studiegebied industriële wetenschappen en technologie; de opleidingen bestuurskunde en handelsingenieur binnen het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde; de opleidingen medische beeldvorming en orthopedie binnen het studiegebied gezondheidszorg; de opleiding productdesign binnen het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst. Dit geldt ook voor de tweecycliopleiding landbouw- en biotechnologie en de ééncyclusopleiding landschaps-en tuinarchitectuur, die slechts in twee hogescholen worden ingericht.

141


Vlaams Eurydice rapport 2003

Architectuur

44,36

47,27

Audiovisuele en beeldende kunst

50,00

59,69

Biotechniek

50,00

58,93

Gezondheidszorg

46,18

60,59

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

47,92

62,59

IndustriĂŤle wetenschappen en technologie

50,22

61,40

Muziek en dramatische kunst

69,11

64,10

Productontwikkeling

32,32

30,77

Vertaalkunde

40,59

47,15

48,04

58,64

Totaal (MVG, departement Onderwijs, 2002)

Tabel 33: Slaagcijfers (in percenten) per studiegebied voor de basisopleidingen aan hogescholen van 2 cycli: overige jaren (niet eerste jaar) (academiejaar 2001-2002) Studiegebied

Percentage geslaagden

Architectuur

70,80

Audiovisuele en beeldende kunst

82,70

Biotechniek

91,30

Gezondheidszorg

92,05

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

82,96

IndustriĂŤle wetenschappen en technologie

87,10

Muziek en dramatische kunst

79,21

Productontwikkeling

48,75

Vertaalkunde

88,88

Totaal (MVG, departement Onderwijs, 2002)

82,89

Tabel 34: Slaagcijfers van generatiestudenten van het Algemeen Secundair Onderwijs in het hoger onderwijs (op basis van een steekproef van laatstejaars van het secundair onderwijs in 1995-1996) % geslaagd Studierichting Aantal lln Hogeschoolonder Hogeschoolonder Universiteit wijs van 2 cycli wijs van 1 cyclus Totaal 6.338 54,6 63,6 67,2 Grieks-wiskunde 59 89,8 -


Hoofdstuk 6: Hoger onderwijs

Grieks-wetenschappen 23 81,0 Latijn-wiskunde 710 71,3 Grieks-Latijn 237 68,8 Wetenschappen-wiskunde 977 62,8 Latijn-wetenschappen 408 54,8 Latijn-moderne talen 435 47,9 Latijn-wiskunde 430 46,3 Economie-wiskunde 645 44,8 Moderne talen513 44,3 wetenschappen Sportwetenschappen 84 35,7 Economie-moderne talen 1.190 34,3 Sociale wetenschappen 717 24,4 Opmerking: deze cijfers tellen enkel voor generatiestudenten, niet bissen. (Inspectie Secundair Onderwijs, 2000)

100,0 83,3 100,0 83,1 77,8 71,0 59,3 62,0

100,0 77,1 50,0 84,8 85,7 71,7 77,1 65,3

61,5

74,9

16,7 40,4 45,1 voor studenten die

67,7 65,0 56,9 hun eerste jaar

Tabel 35: Aantal uitgereikte diploma’s in hogescholen en universiteiten (2001-2002) Mannen Vrouwen Totaal Hogescholen 1 cyclus 6.641 11.220 17.861 2 cycli 2.743 1.941 4.684 (2de cyclus van 2) Totaal 9.384 13.161 22.545 Universiteiten 2de cyclus Universiteiten

4.114

5.228

9.342

Aanvullende opleiding Specialisatiejaar Lerarenopleiding

739 583

792 519

1.531 1.102

Doctoraat

398

330

885

1.215

247 645 (MVG, departement Onderwijs, 2002)

143


HOOFDSTUK 7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN

In Vlaanderen vallen verschillende opleidingen onder de noemer ‘permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen’. In deze inleiding geven we een kort overzicht van de betreffende opleidingen enerzijds, en hun voornaamste doelgroep anderzijds: Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP), georganiseerd door Centra voor Volwassenenonderwijs, voor jongeren en volwassenen; Begeleid Individueel Studeren (BIS), georganiseerd door de afdeling Volwassenenonderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dat zich richt tot elke geïnteresseerde; Basiseducatie, georganiseerd door de Centra voor Basiseducatie en ondersteund door het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB), dat zich richt op alle volwassenen die in onvoldoende mate beschikken over de vereiste basiscompetenties om zich ten volle te ontplooien en te participeren in de verschillende maatschappelijke contexten; Beroepsopleidingen,

georganiseerd

door

de

Vlaamse

Dienst

voor

Arbeidsbemiddeling

en

Beroepsopleiding (VDAB), ten behoeve van werkzoekenden en werknemers; Opleidingen tot zelfstandige, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO); Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) voor jongeren en volwassenen; Landbouwvorming, georganiseerd door erkende centra of organisaties, voor individuen tewerkgesteld in de landbouw of een aanverwante sector; Sociaal-cultureel Volwassenenwerk dat burgers in staat stelt competenties te verwerven en geëmancipeerd te worden. De term ‘volwassenenonderwijs’ is een verzamelnaam voor het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP), het Begeleid Individueel Studeren (BIS) en de Basiseducatie. In de onderstaande paragrafen worden de verschillende categorieën opleidingen - afhankelijk van het thema - verder toegelicht.

7.1.

Historisch overzicht

In deze paragraaf belichten we het volwassenenonderwijs (met uitzondering van het Begeleid Individueel Studeren), de beroepsopleidingen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), de opleidingen van het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), en het sociaal-cultureel volwassenenwerk in historisch perspectief.


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.1.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

De oorsprong van het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP ligt in twee soorten instellingen uit de 19de eeuw: de volwassenenscholen en de industriële scholen. Deze laatste werden opgericht in de grote steden en waren een vorm van volwassenenonderwijs dat een typisch technisch programma aanbood voor de ‘elite’ van het ‘werkvolk’. Op zondagen en weekavonden werden lessen gegeven door onderwijzers. In het begin boden de initiatiefnemers van dit volwassenenonderwijs een bijzonder grote variëteit aan opleidingen aan, afhankelijk van de eisen en het niveau van ervaring en kennis van hen die zich wilden inschrijven. Reeds in 1933 werden er aanzienlijke inspanningen gedaan om het volwassenenonderwijs te standaardiseren binnen het kader van het technisch onderwijs. In 1957 standaardiseerden wettelijke regelingen de aangeboden opleidingen en kwalificaties.

Een herclassificatie van het aanbod en de

categorieën die waren opgezet in 1957 had plaats in 1966 en resulteerde in de volgende structuur: lager secundaire cyclus; hoger secundaire cyclus; eerste graad hogere cyclus; en tweede graad hogere cyclus. Deze structuur is ondertussen wederom veranderd. De derde en vierde categorie werden na 1970 hervormd in het deeltijds hoger onderwijs buiten de universiteit (Wet van 7 juli 1970). Dit is nu het hoger onderwijs voor sociale promotie dat opleidingen hoger onderwijs korte type en hogere technische leergangen 2de graad aanbiedt. In het kader van de BAMA-hervormingen zal dit hoger onderwijs in de toekomst nog aan wijzigingen onderhevig zijn. Zoals uiteengezet in het hoofdstuk 5, wordt het secundair onderwijs ingedeeld in drie graden (uitgez.: BSO nog een 4e graad). Door het decreet van 2 maart 1999 heeft het Onderwijs voor Sociale Promotie deze organisatorische structuur van het secundair onderwijs overgenomen en is het actief in de 2e en de 3e graad, en een heel klein deel in de 4e graad. Het talenonderwijs heeft een eigen rangschikking. 7.1.2.

Basiseducatie

In 1985 startte de Vlaamse overheid met het experiment ‘basiseducatie’. De doelstellingen waren het verkennen van de mogelijkheden van een basiseducatiebeleid voor volwassenen met een laag onderwijsniveau enerzijds; en het opzetten van een netwerk van instellingen en geïntegreerde programma’s voor basiseducatie anderzijds. Dit experiment duurde drie jaar en leidde dankzij een permanente reflectie en evaluatie van de programma’s tot het voorstel van een geïntegreerd systeem van basiseducatie met lokale en regionale centra. 7.1.3.

Vlaamse Dienst voor de Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

In de context van de ontwikkeling van het sociale zekerheidssysteem sinds 1945 werd door de regering de vraag gelanceerd om beroepsopleidingsprogramma’s te organiseren voor de werkloze bevolking. Als antwoord heeft er zich een omvangrijk netwerk van centra ontwikkeld dat opleidingscursussen voor de secundaire en de tertiaire sector aanbiedt. De wet van 1961 betreffende de economische expansie introduceerde niet enkel een nieuwe benaming, namelijk de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), maar voerde bovenal veranderingen inzake doelstellingen, inhoud en doelgroepen in. De grondwetsherziening van 1988 leidde tot een transfer van de opleidingsaspecten van deze dienst naar de


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

Gemeenschappen, en dit resulteerde eens te meer in een naamsverandering en lichte verschillen tussen de diensten die elke Gemeenschap voorzag. De RVA is aldus de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) geworden, tenminste wat betreft opleiding als antwoord op de tewerkstellingsproblematiek. 7.1.4.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

De oudste vorm van buitenschoolse beroepsopleiding vormt het systeem van leercontracten in de sector van de zelfstandige beroepen.

Reeds in de vroege middeleeuwen ontwikkelden coöperatieve

verenigingen en handelsgilden in steden als Brugge, Gent, Brussel en Antwerpen een systeem dat voorzag in de opleiding van leerlingen op de werkvloer, met een hiërarchische indeling in leerjongens, gezellen en meesters, samen met een raad voor ambachten of gilden die toezicht hield op de toelatingsvoorwaarden tot het beroep. Het was echter pas in 1906 dat een Ministerieel Besluit officieel ‘leercontracten’ vastlegde en een vergoeding uitkeerde aan werkgevers die jonge leerlingen in hun zaak opnamen. Vervolgens werd in 1947 een officieel kader opgesteld voor de opleiding en nascholing voor ambachtslieden en zelfstandigen. De actuele structuur en de verschillende types van beroepsopleiding voor de zelfstandigen hebben hun oorsprong in het KB van 4 oktober 1976. De permanente vorming voor zelfstandigen is gefederaliseerd sinds de institutionele hervormingen van 1980 en behoort nu tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen. In Vlaanderen wordt de bevoegdheid voor de vorming en opleiding tot zelfstandige en KMO sinds 1991 overgedragen aan een autonome instelling met het statuut van een Vlaamse Openbare Instelling (VOI), nl. het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) (VIZO, 1996). 7.1.5.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

De wortels van het kunstonderwijs zijn terug te vinden in de 17de eeuw met het ontstaan van de Academies. In de 19de eeuw kregen de Academies concurrentie door de oprichting van de SintLucasscholen. Deze waren geconcipieerd als een soort substituut voor de officiële Academies, die als ‘heidens’ werden aangezien. De esthetisch-ideologische kloof tussen is de voorbije decennia evenwel gedicht (De Maeyer, 1988; Tavernier & Rijmen, 1997; VLOR, 1998). De basis van het huidige DKO werd op 14 mei 1955 gelegd met de eerste wet op de organisatie van het kunstonderwijs met volledig leerplan. In art. 1 van deze wet werd het kunstonderwijs vernoemd als een apart onderwijsniveau naast het ‘bewaarschoolonderwijs, het lager, middelbaar, normaal, technisch en buitengewoon onderwijs’. Het zou evenwel tot 1990 duren vooraleer dit onderwijstype een volwaardige plek zou krijgen binnen het onderwijslandschap. Op 31 juli 1990 werden namelijk de organisatiebesluiten goedgekeurd waarin de structuur van het DKO zeer gedetailleerd werd vastgelegd (zie paragraaf 7.3.7) (VLOR, 2000). 7.1.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Het sociaal-cultureel volwassenenwerk (vroeger: volksopvoeding, volksverheffing, volksontwikkeling, vormings- en ontwikkelingswerk) heeft zijn wortels in de periode van de Verlichting. Het Willemsfonds (1851) en het Davidsfonds (1875) worden beschouwd als de eerste volksontwikkelingsinitiatieven. Vanaf begin tot ruim midden de 20ste eeuw haakten ook de sociale ontvoogdingsbewegingen, de katholieke boeren en middenstanders, en andere emancipatiebewegingen in op het volksontwikkelingswerk. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk kende een grote expansie in de tweede helft van de 20ste eeuw.In

147


Vlaams Eurydice rapport 2003

1967 werd een betere subsidieregeling voor nationale en regionale volksontwikkelingsorganisaties van kracht. In de tweede helft van de jaren ’70 kwamen de eerste afzonderlijke decreten voor verenigingen (1975)

en

(syndicale)

vormingsinstellingen’(1978).

In

1985

werd

een

decreet

‘politieke

vormingsinstellingen’ goedgekeurd, dat inmiddels weer is opgeheven. Datzelfde jaar werd ook het zogenaamde ‘vijfde decreet ‘ van kracht. Dit decreet regelde tegelijk de erkenning en subsidiëring van het ontwikkelingswerk voor volwassenen én van de volksontwikkelingsorganisaties die zich richten tot personen met een handicap of op een specifieke problematiek. Een restgroep van meestal kleine organisaties bleef gesubsidieerd op basis van het Koninklijk Besluit van 1967. In 1995 werd een poging gedaan om het sociaal-cultureel volwassenenwerk te ordenen. Dit resulteerde in drie decreten, meer bepaald: een decreet voor verenigingen voor volksontwikkelingswerk, een decreet voor instellingen voor volksontwikkelingswerk en een decreet voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen. Nauwelijks acht jaar later (in 2003) kreeg het sociaal-cultureel volwassenenwerk een nieuwe erkennings- en subsidiëringsbasis, waarbij de overheid opteerde voor één decreet met 3 luiken: een luik sociaal-culturele verenigingen, een luik vormingsinstellingen en een luik bewegingen. Dit decreet van 4 april 2003 regelt ook de erkenning en subsidiëring van een steunpunt voor het sociaalcultureel volwassenenwerk (SoCiuS).

7.2.

Actuele discussies

In deze paragraaf behandelen we twee verschillende thema’s. Enerzijds de huidige samenwerking tussen alle instanties in Vlaanderen die betrokken zijn bij vorming, en anderzijds de zogenaamde ‘Huizen van het Nederlands’ in Vlaanderen ten behoeve van anderstaligen. Elke studietak heeft zijn eigen wetgevend kader (zie 7.3.). Een meer geïntegreerde algemene structuur wordt al verschillende jaren in het vooruitzicht gesteld. Het doel blijft om tot één volledige overkoepelende opleidingsstructuur te komen voor voltijds en deeltijds onderwijs, toegankelijk voor leerplichtige en volwassen studenten. Dit doel werd door het decreet niet bereikt. Ondertussen werd het voorstel tot hervorming van de vormingssector verder geconcretiseerd om te komen tot een nauwere samenwerking tussen de vier instanties die betrokken zijn bij vorming. De Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA) –die van start ging op 31 maart 2003- is een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Cultuur en Economie, vertegenwoordigd door het volwassenenonderwijs (OSP, BIS en Basiseducatie), de VDAB, het VIZO en het Steunpunt voor Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk (SoCiuS). Onder de aansturing van het Ministerieel Comité Vorming wordt DIVA naar voor geschoven als het instrument van de Vlaamse Regering voor de stimulering van het levenslang en levensbreed leren en de afstemming tussen de institutionele opleidingsverstrekkers. DIVA richt zich tot de diverse actoren op het terrein van het levenslang en het levensbreed leren, met name lerenden (individuen, organisaties en ondernemingen), publieke en private opleidingsverstrekkers, onderzoekers en beleidsverantwoordelijken. DIVA heeft verschillende taken: het ondersteunt de regering in de voorbereiding en de uitvoering van het beleid inzake levenslang en levensbreed leren; het stimuleert onderzoek naar het levenslang en het levensbreed leren, alsmede de afstemming en de doorstroming ervan; het detecteert de leer- en vormingsbehoeften van individuen, organisaties en ondernemingen en toetst het aanbod aan deze vraag; het zorgt voor afstemming van gemeenschappelijke projecten,


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

structurele initiatieven en de back-offices van de institutionele opleidingsverstrekkers; het fungeert als platform voor de opleidingsverstrekkers om de effectiviteit van het vormingsaanbod te versterken; het stuurt acties m.b.t. de sensibilisatie van het levenslang en het levensbreed leren aan; het maakt het vormingsaanbod transparant en organiseert een eerste lijnsadvisering via de leerwinkel; en ten slotte ontwikkelt het voor de opleidingsverstrekkers een systeem van wederzijdse overdraagbare en erkende certificering en kwaliteitsbewaking. De werking van DIVA steunt op de volgende vier pijlers: Beleidsondersteuning van het Ministerieel Comité Vorming, Beleidsuitvoering gericht op de dienstverlening

naar

de

volwassene,

Beleidsuitvoering

gericht

op

de

afstemmings-

en

samenwerkingsprojecten tussen de partners, en Provinciale werking (bron: DIVA, Programma 2004). Sinds november 2002 brengen 7 experimentele ‘Huizen van het Nederlands’ het volledige aanbod Nederlands Tweede taal (NT2) in hun werkingsgebied in kaart, evenals de noden van anderstaligen op zoek naar een cursus. Na een professionele en eenvormige intakeprocedure, oriënteren zij de anderstaligen naar het meest geschikte cursusaanbod Nederlands. Dankzij een speciaal hiertoe ontwikkeld cursistenregistratiesysteem zullen zij de overheid op korte termijn ook informeren over de bestaande behoeften, eventuele wachtlijsten, doorstroming en uitval. Alle centra voor basiseducatie, centra voor volwassenenonderwijs, VDAB-centra, Syntra, universitaire talencentra, provinciale overheden, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de stedelijke overheden van Antwerpen en Gent zetelen als partners in de Huizen van het Nederlands. Naar verwachting zullen vanaf 1 september 2004 acht Huizen van het Nederlands instaan voor een kwaliteitsvol en klantgericht NT2-beleid in Vlaanderen. In elke provincie komt er een Huis, net als in de steden Antwerpen, Brussel en Gent.

7.3.

Wettelijk kader

Elke studietak heeft zijn eigen wetgevend kader. In de onderstaande subparagrafen schetsen we de relevante wetgeving binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), de landbouwvorming, het Deeltijds Kunstonderwijs en het SociaalCultureel Volwassenenwerk. In dit inleidend stuk gaan we eerst dieper in op het wettelijk kader dat het educatief verlof regelt, en stippen we de autoriteiten aan die in Vlaanderen verantwoordelijk zijn voor permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen. Het systeem van het betaald educatief verlof wordt geregeld door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd door de programmawetten van 22 december 1989 en 10 februari 1998, de wetten van 29 december 1990, 10 juni 1993 en 23 maart 1994 en door de koninklijke besluiten van 28 maart 1995, 20 juli 1998 en 31 mei 1999. Het betaald educatief verlof beoogt de sociale promotie van de werknemers uit de privé-sector. Hiertoe krijgen ze extra verlofuren voor de opleidingen die ze in hun vrije tijd volgen of wordt hen verlof toegekend om effectief de lessen bij te wonen, dit laatste als de lesuren met de werkuren samenvallen. Dit verlof wordt in eerste instantie door de werkgever met het normale maandloon en op het normale tijdstip van verloning uitbetaald. Deze kan echter terugbetaling bekomen bij het daartoe opgericht fonds. Het aantal terugbetaalbare uren verlof is gelijk aan het aantal aanwezigheidsuren op de cursus en is begrensd in functie van de aard van de gevolgde opleiding en het al

149


Vlaams Eurydice rapport 2003

of niet samenvallen van de lesuren met de werkuren. Er is ook een begrenzing vastgelegd voor het terugbetaalbaar loon. De gevolgde opleidingen kunnen een professionele finaliteit hebben, zonder dat er een verband moet bestaan met het actueel uitgeoefend beroep, maar ze kunnen ook algemeen vormend van aard zijn. Daarenboven bestaan er ook specifieke regelingen voor de werknemers die zich voorbereiden voor de examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, voor de werknemers van K.M.O's en voor bepaalde deeltijdse werknemers. De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming is voor bijna alle types van erkende opleidingen verantwoordelijk. Enkel in drie gevallen zijn andere ministers bevoegd: de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme is verantwoordelijk voor de opleidingen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB); de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands beleid en E-government is verantwoordelijk voor het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO; en de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking is bevoegd voor de landbouwvorming. 7.3.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

De Wet van 7 juli 1970 heeft het eigenlijke volwassenenonderwijs haar huidige naam van Onderwijs voor Sociale Promotie gegeven. Het decreet van 2 maart 1999 regelt het Onderwijs voor Sociale Promotie met betrekking tot de opdracht van het onderwijs, de indeling van het onderwijs en de programmatieregels, het onderwijsaanbod, de toelatingsvoorwaarden, de examens en studiebekrachtiging, de financiering of subsidiëring, de benoemings- en bezoldigingsvoorwaarden van het personeel, en de terugvorderingen en sancties. Na dit decreet volgden er heel wat besluiten. Concreet werden er in het referentiejaar 2003 3 nieuwe besluiten goedgekeurd. Het Besluit van de Vlaamse regering van 10 januari 2003 wijzigt meer specifiek de vaststelling van de vakken en de indeling van de vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie; het Besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 heeft betrekking op de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004; en het Besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2003 wijzigt de structuur in het hoger onderwijs voor sociale promotie. 7.3.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

De voorganger van wat het ‘Begeleid Individueel Studeren’ (BIS) wordt genoemd, ging in België officieel van start in 1959 en werd door de Wet van 5 maart 1965 erkend. In de context van de constitutionele hervorming van 1980 is deze onderwijsvorm overgeheveld naar de Gemeenschappen. Door het decreet van 2 maart 1999 werd de wet van 5 maart 1965 opgeheven en werd het Begeleid Individueel Studeren gedeeltelijk geïntegreerd in het deeltijds volwassenenonderwijs. Daarenboven is nu naast contactonderwijs ook gecombineerd onderwijs mogelijk, wat inhoudt dat een deel van het onderwijs kan gebeuren via afstandsonderwijs. Vandaar dat het ‘Begeleid Individueel Studeren’ (BIS) ook wel ‘Afstandsonderwijs’ wordt genoemd. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2000 introduceerde

de

naam

‘Begeleid

Individueel

Studeren’

voor

deze

specifieke

vorm

van

volwassenenonderwijs. De term ‘Afstandsonderwijs’ wordt echter ook nog steeds gebruikt. Het meest recente Besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2002 regelt een aantal aangelegenheden van


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

het Begeleid Individueel Studeren, met name de vergoeding van de mentor, en de inschrijvingen. Dit besluit regelt eveneens deze zaken voor BIS Online, het afstandsonderwijs via internet. 7.3.3.

Basiseducatie

Op 12 juli 1990 werd het decreet voor de basiseducatie goedgekeurd dat op 1 september van datzelfde jaar operationeel werd. Dit decreet regelt onder meer de oprichting van 29 lokale centra, en 1 ondersteunings- en coördinatiecentrum (Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie – VOCB). De decretale opdracht van het VOCB is geactualiseerd in het decreet van 2 maart 1999. Op 21 december 1994 keurde het Vlaams Parlement een eerste keer een aantal regelingen goed die het decreet van 12 juli 1990 wijzigden. De wijzigingen hadden betrekking op het scholingsniveau, de financieringstechniek en de functieomschrijvingen van het personeel in de centra. In 1996 werd een tweede decreetwijziging doorgevoerd (Besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1996) die als gevolg had dat de aanvankelijk opgerichte Raad voor Basiseducatie werd opgeheven en de opdrachten werden overgedragen aan de Raad voor Volwassenenonderwijs binnen de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). Op 2 maart 1999 werd een derde wijziging doorgevoerd, met als resultaat dat het administratief toezicht en de kwaliteitscontrole die aanvankelijk aan het VOCB waren toegewezen, nu worden opgenomen door het departement Onderwijs zelf. Daartoe werd binnen de afdeling volwassenenonderwijs een administratieve eenheid basiseducatie opgericht en er werd een specifieke inspectieregeling voor de basiseducatie uitgewerkt. 7.3.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) werd in het leven geroepen op grond van het Decreet van 20 maart 1984. Dit decreet werd vervolgens door opeenvolgende Decreten en Besluiten van de Vlaamse regering verder aangevuld en gewijzigd. Het meest recente Besluit van de Vlaamse regering m.b.t. de VDAB dateert van 10 oktober 2003. De bepalingen hebben betrekking op de werking van de instelling, de administratieve loopbaan, het verlof en de administratieve toestand tijdens het verlof, en de bezoldiging van de personeelsleden. 7.3.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) werd in het leven geroepen op grond van het Decreet van 23 januari 1991. Dit Decreet werd gewijzigd bij Decreet van 7 juli 1998 tot wijziging en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen. Sinds 1991 werden talrijke Besluiten van de Vlaamse regering uitgevaardigd die betrekking

hebben

op

aspecten

als

administratieve

vereenvoudiging,

bedrijfsbegeleiding,

bestuursorganen, centra, financiën en begroting, leersecretarissen, lesgevers, schaalvergroting en financiering van de SYNTRA enz. (Besluiten van de Vlaamse Regering van 17 april 1991, 5 juni 1991, 3 juli 1991, 31 juli 1991 en 14 december 2001). Het meest recente besluit dateert van 4 april 2003, en heeft betrekking op de voortgezette vorming die wordt georganiseerd door het VIZO.

151


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.3.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Het Decreet van 31 juli 1990 (Onderwijsdecreet II) heeft belangrijke hervormingen ingevoerd in het Deeltijds Kunstonderwijs. Zo werd de eigen structuur met graden en opties van elke studierichting in het DKO vastgelegd. Bepaalde organisatorische aspecten van, en personeelsaangelegenheden binnen het Deeltijds Kunstonderwijs worden verder geregeld door 5 verschillende Besluiten van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990. Met het oog op de organisatie van het Deeltijds Kunstonderwijs werden in 1996, 1999 en 2002 nog andere besluiten uitgevaardigd: het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1996 regelt de oprichting en samenstelling van de afdeling Deeltijds Kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad; het ministerieel besluit van 16 mei 1999 bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging

in

het

bestaande

studieaanbod

in

het

deeltijds

kunstonderwijs

en

de

infrastructuurvereisten voor de studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs; het Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 tenslotte, bepaalt het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs. In de Onderwijsdecreten VI en VII van respectievelijk 21 december 1994 en 8 juli 1996 worden opnieuw een aantal personeelsaangelegenheden van het Deeltijds Kunstonderwijs geregeld. Met het wijzigingsbesluit van 9 juli 2001 werden flexibelere leertrajecten voor de leerling gecreëerd, alsook meer autonomie voor directies, leerkrachten en schoolbesturen. Voorts zorgde dit besluit voor actualisering en differentiëring van het studieaanbod. 7.3.7.

Landbouwvorming

Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, dat vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw was, is overgeheveld naar de Gemeenschappen door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980. Het oorspronkelijke Koninklijk Besluit van 23 augustus 1974 betreffende de landbouwvorming, werd opgeheven op grond van het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1992 betreffende de permanente vorming van de personen die in de landbouw werkzaam zijn. Dit besluit werd verder gewijzigd en aangevuld op grond van de Besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 1994 en van 13 december 1995. 7.3.8.

Sociaal-cultureel Volwassenenwerk

Op grond van het decreet van 4 april 2003 (zie 7.1.6.) ondersteunt de Vlaamse Gemeenschap vanaf 2004 organisaties die burgers in staat stellen competenties te verwerven en geëmancipeerd te worden. Die organisaties hebben de vorm van een vereniging, beweging of vormingsinstelling. Het decreet beperkt zich dus tot het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. Het nieuwe decreet regelt hoe de sector sociaalcultureel volwassenenwerk vanaf 2004 georganiseerd is, welke werksoorten erkend en gesubsidieerd kunnen worden en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen.


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.4.

Algemene doelstellingen

Elk opleidingstype schuift eigen doelstellingen naar voor. In de onderstaande subparagrafen gaan we bijgevolg –afzonderlijk- in op de algemene onderwijsdoelen, en -waar relevant- lesdoelen van het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS, en de Basiseducatie), de opleidingen verzorgd door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), de opleidingen van het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs, en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.4.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten sociale promotie: enerzijds verticale promotie of het vervolmaken van secundair of hoger onderwijs, anderzijds horizontale promotie, namelijk aanvullende opleidingen en/of herscholing voor personen die tewerkgesteld zijn in de industrie of andere sectoren van het beroepsleven. Het decreet van 2 maart 1999 bepaalt dat het Onderwijs voor Sociale Promotie tot opdracht heeft aan de cursisten kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen, nodig voor het maatschappelijk functioneren, het deelnemen aan verder onderwijs, de uitoefening van een beroep of het beheersen van een taal. Het Onderwijs voor Sociale Promotie heeft tevens de opdracht de cursist in staat te stellen een erkend studiebewijs te behalen. Het hoofddoel van het Onderwijs voor Sociale Promotie is in de eerste plaats het verschaffen van basisopleidingen en beroepsgerichte herscholing, en in de tweede plaats het bevorderen van sociale integratie. Meer concreet kunnen de doelstellingen van het Onderwijs voor Sociale Promotie als volgt samengevat worden: De kans bieden om een erkend studiebewijs te behalen. De kans bieden om je in je vak bij te scholen of te vervolmaken. De talenkennis van de bevolking vergroten. Kansen bieden voor persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke integratie. 7.4.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Begeleid Individueel Studeren is gestoeld op het principe van zelfstandig en individueel leren, inzake plaats, tijd en tempo onafhankelijk van de mentor of van medecursisten. Het Begeleid Individueel Studeren heeft in het bijzonder tot doel de cursist de kans te bieden kennis en vaardigheden te verwerven en hem voor te bereiden op examens, georganiseerd door onderwijsinstellingen, door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs en op examens van het openbaar ambt (Decreet van 2 maart 1999). Bij het Begeleid Individueel Studeren worden de leerinhouden op verzoek van de cursist en volgens het door de cursist aangegeven tempo, schriftelijk of via andere media (BIS Online) ter beschikking gesteld.

153


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.4.3.

Basiseducatie

De basiseducatie is een educatieve voorziening voor laaggeschoolde en educatief achtergestelde volwassenen; het onderwijsaanbod is gericht op het aanleren en verbeteren van basiscompetenties die elementair zijn voor het functioneren in en het participeren aan de samenleving. In art.5 van het Decreet van 12 juli 1990 wordt de doelstelling van basiseducatie als volgt weergegeven: ‘de verbetering van elementaire taal- en rekenvaardigheden, sociale vaardigheden, de verbreding van de maatschappelijke oriëntatie en de voorbereiding op een andere opleiding of werk’. De basiseducatie heeft een dubbele functie. Enerzijds wordt een onderwijs- en vormingsaanbod ontwikkeld dat tegemoet komt aan leervragen van deelnemers en dat een eigen finaliteit heeft. Er zijn programma’s die gericht zijn op sociale redzaamheid, op educatieve redzaamheid of op professionele redzaamheid. Anderzijds functioneert de basiseducatie als opstapvoorziening in functie van doorstroming naar andere vormings-, opleidings-, en onderwijsinitiatieven. 7.4.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

De VDAB heeft een sociale en een economische opdracht, zijnde werkgever en werkzoekende met elkaar in contact te brengen enerzijds, en een betrouwbare partner te zijn voor alles wat met personeelsbeleid te maken heeft anderzijds. Om die opdracht zo efficiënt mogelijk uit te voeren, biedt de VDAB een dienstenpakket aan van arbeidsbemiddeling, training & opleiding, loopbaanbegeleiding en outplacement (zie ook paragraaf 7.15.4.). Met betrekking tot training en opleiding staan twee belangrijke onderwijsdoelstellingen centraal: 1) het aanbieden van opleidingen voor werkzoekenden of werknemers die hen toelaten om werk te vinden of aan het werk te blijven; en 2) het opleiden van de nodige gekwalificeerde arbeiders. Het gaat hier aldus enerzijds om opleidingsinspanningen in functie van de toeleiding van werkzoekenden naar de sector, en anderzijds om preventieve en proactieve opleidingsinspanningen naar werknemers. Preventief als wapen tegen potentiële werkloosheid, proactief in functie van technologische vernieuwingen in de sector (Jaarverslag VDAB, 2002). Vanaf 2002 maken de opleidingen voor werknemers op vraag van de werkgever én de opleidingen voor individuele werknemers deel uit van het opleidingsaanbod van de VDAB (Jaarverslag VDAB, 2002). De algemene doelstellingen, leerplannen en methoden hangen sterk samen en hangen af van het specifieke doel van een bepaalde opleiding of initiatief. De verschillende initiatieven worden gegroepeerd in drie grote groepen: de 1) opleidingen voor de secundaire sector, 2) opleidingen voor de tertiaire economische sector en 3) andere meer gespecialiseerde initiatieven voor werklozen (zie paragraaf 7.15.4.). 7.4.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Het VIZO beoogt met zijn opleidingsaanbod de ontwikkeling van algemene en beroepsvaardigheden die nodig zijn om later zelf een onafhankelijk beroep uit te oefenen. In deze opdracht ziet het VIZO zich gesteund door het SYNTRA-opleidingsnetwerk voor zelfstandigen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s). Het opleidingsaanbod van het SYNTRA-netwerk is gebaseerd op drie


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

basisprincipes: (1) het bieden van permanente vorming met opeenvolgende niveaus en mogelijkheden; (2) het systeem van alternerend leren, waarbij studeren afgewisseld wordt met werken; en (3) de modulaire organisatie van het aanbod, waarbij men zelf de opleiding samenstelt volgens het eigen niveau en de eigen opleidingsbehoeften. 7.4.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Het deeltijds kunstonderwijs komt tegemoet aan de algemene kunstzinnige belangstelling van de cursist, biedt de mogelijkheid tot voeding van zijn artistieke ambities of kan instaan voor een professionele vorming, met kansen in het beroepsleven. De doelstellingen zijn drieledig: kunst zelf beoefenen, kunst leren ontdekken en jongeren voorbereiden op het hoger kunstonderwijs. 7.4.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Het sociaal-cultureel volwassenenwerk heeft drie gemeenschappelijke algemene doelstellingen, namelijk bijdragen tot de evenwichtige ontplooiing van ieder individu als actieve participant in de samenleving; mensen via niet-formele educatie stimuleren in de ontwikkeling van competenties (bijv. op het vlak van maatschappelijke integratie, actief burgerschap, …); en ten slotte werken aan de zingeving en emancipatie van mensen en zo bijdragen tot cultuuropbouw, tot maatschappelijke integratie en tot de realisatie en de versteviging van een democratische samenleving.

7.5.

Soorten instellingen

In deze paragraaf staan we stil bij de opleidingscentra binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS, en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs, de Landbouwvorming en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.5.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Het Onderwijs voor Sociale Promotie wordt verstrekt door erkende en gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs, ingericht door het gemeenschapsonderwijs, steden en gemeenten, provincies of vzw’s. Sinds het Decreet van 2 maart 1999 heten de instellingen voor het Onderwijs voor Sociale Promotie: Centra voor Volwassenenonderwijs, afgekort ‘CVO’s’. Er zijn in Vlaanderen 112 centra die secundair onderwijs verstrekken, en 64 centra die hoger onderwijs verstrekken (MVG, departement Onderwijs, 2003). Een aantal instellingen bieden zowel secundair als hoger onderwijs aan, de meeste maken echter een keuze. 7.5.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Zoals vermeld, is BIS een dienst van de Vlaamse Gemeenschap (departement Onderwijs) die afstandsonderwijs inricht. Verplaatsing is m.a.w. niet noodzakelijk: men studeert thuis, volgens zijn/haar eigen ritme, en wordt schriftelijk of via andere media (BIS Online) begeleid door een mentor die de persoon doorheen gans de cursus helpt. Bij BIS is er aldus geen sprake van ‘opleidingscentra’.

155


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.5.3.

Basiseducatie

Op dit ogenblik worden er 29 centra voor basiseducatie erkend en betoelaagd. De centra zijn onafhankelijke pluralistische instellingen, gestructureerd als privaatrechtelijke organisaties. Naast de centra voor basiseducatie werd door de Vlaamse Regering in 1990 het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) opgericht. Het centrum heeft een specifieke ondersteunings- en ontwikkelingsopdracht. De centra worden jaarlijks erkend voor een welbepaald aantal deelnemersuren (d.w.z. een bepaald volume van educatief werk met een aantal cursisten). De erkenningsdrempel voor centra voor basiseducatie werd decretaal vastgelegd op 12.000 deelnemersuren. Door de toegenomen belangstelling voor de basiseducatie beschikken de kleinere centra echter sinds januari 1996 feitelijk over een minimale erkenning van 15.000 deelnemersuren. Grote centra als Gent, Antwerpen en Brussel hebben een erkenning van 50.000 à 90.000 deelnemersuren (VOCB, http://www.vocb.be, 2004). Na de spectaculaire groei in het werkjaar 2001-2002 (+ 24,39 % t.o.v. 2000-2001) daalde het aantal cursisten in de Basiseducatie in het werkjaar 2002-2003 (- 6,54 % t.o.v. 2001-2002) voor het eerst. De verschillende onderwijsnetten en de verschillende soorten organisaties (OSP, socio-culturele vorming,...) participeren in de beheersorganen van de lokale centra. 7.5.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Het grootste deel van een VDAB-opleiding vindt plaats in de eigen centra van de VDAB. De VDAB heeft 68 opleidingscentra, verspreid over Vlaanderen, met zo’n 700 instructeurs. Over het hele land zijn er ongeveer 400 afdelingen die een hele reeks beroepen beslaan in de bouwnijverheid, metaalnijverheid, transportindustrie, chemische industrie, houtindustrie, textielindustrie,... Naast de eigen VDAB-centra, voorzien tevens drie -door de VDAB- erkende opleidingscentra in VDAB-opleidingen (door de VDAB betaald): het VCL (Vervolmakingscentrum voor Lassers), het COBOT (Centrum voor Opleiding, Bij- en Omscholing voor de Textiel- en de Breigoednijverheid), en het CEPA (Opleidingscentrum voor havenarbeiders in Antwerpen). Voorts kunnen opleidingen ook plaatsvinden in de ondernemingen zelf die vragende partij zijn voor de opleiding. Specifiek kunnen bedrijven in moeilijkheden een aanvraag indienen om in samenwerking met de VDAB een opleiding op te starten. Het betreft hier dan ‘Centra opgericht met medewerking van ondernemingen’ (MVG, departement Onderwijs, 2003). Bij afstandleren en webleren gebeurt het leren thuis of op de werkplek. Bij afstandsleren is er een eenmalig rechtstreeks contact met de instructeur op het moment dat men het cursusmateriaal gaat ophalen in het VDABcentrum. De overige communicatie verloopt asynchroon via e-mail. Bij webleren is het cursusmateriaal 24 uur op 24 on-line ter beschikking, en gebeurt alle begeleiding synchroon via e-mail (VDAB, http://www.VDAB.be, 2004). 7.5.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Als overkoepelende overheidsinstelling subsidieert en erkent het VIZO het SYNTRA-netwerk. Er zijn in Vlaanderen 21 opleidingscentra voor zelfstandigen en KMO’s die gegroepeerd zijn in 5 regionale SYNTRA-koepels. Men vindt er zowel opleidingen terug voor leerlingen met een leerovereenkomst, als langlopende opleidingen voor ondernemers in spe, en bijscholings- en vervolmakingscursussen voor gevestigde ondernemers.


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.5.6.

Deeltijds Kunstonderwijs

Het DKO profileert zich als een onderwijsvorm met vier gelijkwaardige studierichtingen: Beeldende kunst, Muziek, Woordkunst en Dans. Deze worden ondergebracht in twee soorten scholen: enerzijds academies voor Beeldende kunst, en anderzijds academies voor Muziek, Woordkunst en Dans. Er zijn in Vlaanderen 167 instellingen die Deeltijds Kunstonderwijs verstrekken, verspreid over drie netten (MVG, departement Onderwijs, 2003). De schoolbevolking in het Deeltijds Kunstonderwijs is sinds het schooljaar 1994-1995 sterk toegenomen. In 2002-2003 steeg het aantal financierbare leerlingen met 2,82 % t.o.v. het voorgaande jaar. 7.5.7.

Landbouwvorming

Landbouwvorming is een afdeling van de administratie Land-en Tuinbouw (ALT), één van de 5 administraties van het beleidsdomein Landbouw & Visserij van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ook het Centrum voor Landbouweconomie (CLE) en het Centrum voor Landbouwkundig onderzoek (CLO) maken deel uit van Landbouw & Visserij. Zoals vermeld (zie inleiding van hoofdstuk 7), is Landbouwvorming voor het Vlaamse Gewest bevoegd voor de permanente vorming van de land- en tuinbouwers en hun medewerkers, en subsidieert het de vormingsactiviteiten die ingericht worden door erkende vormingscentra. Voorts staat de afdeling in voor de registratie van de lesgevers, de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie voor de deelnemers. Ook de erkenning van de organisatoren behoort tot het takenpakket van de afdeling. In totaal zijn er in Vlaanderen 64 erkende opleidingscentra, verdeeld in drie groepen: 4 algemene centra, 50 gewestelijke

centra,

en

10

liefhebbersverenigingen

(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/nieuws/landvorm.html, 2004). 7.5.8.

Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk

Het nieuwe decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk (4 april 2003) heeft geleid tot een grondige hertekening van het landschap. Er zijn 13 volkshogescholen opgericht in evenveel regio’s, die samen heel Vlaanderen dekken. Verder werden 17 in een thema gespecialiseerde vormingsinstellingen voor subsidiëring in aanmerking genomen. De syndicale vormingsinstellingen hebben zich gegroepeerd in 3 federaties. Dat geldt ook voor de instellingen voor personen met een handicap. Bovendien werd 1 (nieuwe) vormingsinstelling voor gedetineerden erkend.

7.6.

Geografische toegankelijkheid

Voor de geografische spreiding van de instellingen binnen Vlaanderen die zich richten op volwassenenonderwijs, permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen, en –daarbij aansluitend- het aspect ‘geografische toegankelijkheid’ verwijzen we de lezer naar 3.5.

157


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.7.

Toelatingsvoorwaarden

We bekijken achtereenvolgens de toelatingsvoorwaarden binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS, en de Basiseducatie), de VDAB, het VIZO, het Deeltijds Kunstonderwijs, de Landbouwvorming, en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.7.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen de toelatingsvoorwaarden voor het secundair onderwijs voor sociale promotie enerzijds, en voor het hoger onderwijs voor sociale promotie anderzijds. Om toegelaten te worden tot het secundair onderwijs voor sociale promotie dient men ouder te zijn dan achttien jaar. Minderjarigen kunnen dit onderwijs volgen indien zij ofwel zestien jaar zijn ofwel vijftien jaar en de eerste twee jaren van voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd. Naargelang de plaats waar men in het leertraject stapt, kan een zekere voorkennis of vooropleiding vereist worden. De toegang tot opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereisen steeds één van de volgende studiebewijzen: een diploma van het secundair onderwijs; een brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs (ASBO) of een diploma van het voltijds hoger onderwijs; een getuigschrift of diploma van de hogere secundair technische leergangen of een certificaat of getuigschrift van een OSP-opleiding gerangschikt als TSO3; een diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. Indien de cursist geen van deze studiebewijzen kan voorleggen, maar de leeftijd van 21 bereikt heeft, kan deze cursist toegelaten worden via een toelatingsproef. 7.7.2.

Begeleid Individueel Studeren

Er worden geen toelatingsvoorwaarden voor het Begeleid Individueel Studeren gesteld (geen leeftijdsgrenzen of diplomavereisten) en inschrijvingen zijn permanent toegelaten. Ook vanuit het buitenland kan een BIS-cursus gevolgd worden. 7.7.3.

Basiseducatie

Enkel personen die niet in het bezit zijn van een gehomologeerd getuigschrift van lager secundair of een getuigschrift van de tweede graad van het lager secundair onderwijs; en migranten die ten hoogste 10 jaar onderwijs hebben genoten in het land van herkomst worden toegelaten tot de cursussen van Basiseducatie. Het onderscheiden van niveaus per leerdomein (zie 7.11.3.) betekent niet dat cursisten alle voorziene niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen. Mensen met een laag leerpotentieel behoren tot de doelgroep van de basiseducatie mits aangetoond wordt dat er leerwinst mogelijk is. Via een assessmentsysteem –en op


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

grond van een aangepast instrumentarium- bepaalt men welke cursisten in de basiseducatie terechtkunnen, en in welke trajecten. Er wordt gepeild naar de startcompetentie, de leercompetentie en de leerbehoefte van de potentiële cursist. Daarnaast moet de assessment een antwoord geven op de vraag of de basiseducatie in de aangeboden vorm een realistische optie is voor de behoefte van de cursist. 7.7.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

De opleidingen van de VDAB staan open voor elke volwassene -zonder onderscheid van nationaliteitmet een minimum aan vooropleiding. Door middel van voordelen en begeleiding worden bepaalde categorieën in het bijzonder aangespoord om de opleidingen te volgen. Voor bepaalde opleidingen stelt men hogere toelatingsvoorwaarden en moet men tevens slagen voor selectieproeven (UG, Pi-online Vademecum, 2004). 7.7.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Zoals vermeld, werkt het VIZO voor zijn opleidingenaanbod samen met het SYNTRA-opleidingsnetwerk voor zelfstandigen en KMO. Net zoals de VDAB, legt SYNTRA geen algemene toelatingsvoorwaarden op aan diegenen die zich wensen in te schrijven voor een opleiding. Voor bepaalde opleidingen worden wel hogere toelatingsvoorwaarden gesteld. De algemene voorwaarden om te starten in de leertijd zijn: 15 jaar oud zijn, én het tweede jaar middelbaar onderwijs afgewerkt hebben, of minimaal 16 jaar oud zijn. Jonge mensen die de ondernemersopleiding willen volgen moeten hun leercontract succesvol afgerond hebben of een andere opleidingsvorm gevolgd hebben, minimaal 18 jaar zijn en moeten -voor sommige opleidingen- beschikken over adequate beroepservaring (Decreet van 23 januari 1991). 7.7.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Het Deeltijds Kunstonderwijs kent een organisatiestructuur met verschillende niveaus die in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan; men kan bv. niet met een specialisatiecursus aanvangen zonder voldoende opleiding op een lager niveau te hebben gevolgd.

Op voorwaarde dat de vereiste

minimumleeftijd voor de studierichting bereikt is, start een leerling in principe in het eerste leerjaar van de gekozen optie. Om naar een volgend leerjaar over te gaan, moet de leerling geslaagd zijn voor de proeven van het gevolgde jaar. Op dit algemeen principe zijn er twee uitzonderingen. Enerzijds werd er vastgesteld dat leerlingen in volgende gevallen instromen volgens leeftijd: in de lagere en middelbare graad Beeldende kunst, in de lagere graad Woordkunst, en in de eerste drie leerjaren van de lagere graad Dans. Anderzijds werd beslist dat na een positieve toelatingsperiode een leerling een leerjaar kan/mag volgen waarvoor hij/zij volgens de ‘gewone’ toelatingsvoorwaarden niet in aanmerking komt. Dergelijke toelatingsperiode laat de leerkrachten toe om de leerling gedurende een korte of langere periode (max. tot 31 januari) grondig te observeren. Aangezien op deze manier het niveau en de leermoeilijkheden van de leerling veel beter kunnen worden ingeschat dan bij een toelatingsproef, wordt in het gewijzigde Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 2001 enkel nog een toelatingsperiode voorzien. Bovenop deze uitzonderingsregels, kan er in sommige gevallen nog worden afgeweken van de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden ‘minimumleeftijd’ en/of ‘succesvol beëindigen van het gevolgde jaar’.

159


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.7.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Met uitzondering van bepaalde activiteiten van verenigingen die zich specifiek tot de eigen leden richten en van de (kader)vormingsinitiatieven gericht op de vrijwillige en freelance medewerkers van organisaties gelden voor deelname aan de leeractiviteiten van sociaal-culturele organisaties geen specifieke toelatingsvoorwaarden.

7.8.

Inschrijving en/of inschrijvingsgeld

In deze paragraaf gaan we dieper in op de inschrijvingsprocedure en –bedragen binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, het Deeltijds Kunstonderwijs, en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.8.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Voor het volgen van een opleiding wordt van de cursist een minimale bijdrage gevraagd. De overheid heeft een inschrijvingsgeld vastgelegd dat afhankelijk is van het aantal uren van de opleiding. Het inschrijvingsgeld is niet lager dan 0.37 euro per lestijd en niet hoger dan 0.74 euro per lestijd. Deze bijdrage wordt voor het hele schooljaar of voor de ganse module betaald. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs bepaalt vrij, binnen de vastgelegde grenzen, het inschrijvingsgeld. Het centrumreglement bepaalt eveneens voor welke verbruiksmaterialen buiten het inschrijvingsgeld de reële kosten worden aangerekend. Daarbuiten kunnen geen bijdragen aan de cursisten gevraagd worden (Omzendbrief PV/2003/03). 7.8.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Voor dit type opleiding dient er sinds mei 2000 inschrijvingsgeld betaald te worden. Voor een schriftelijke cursus is het bedrag afhankelijk van het aantal lespaketten waaruit de cursus is opgebouwd. De prijs varieert van 9,5 tot 85,5 euro. Het moment waarop men het kennismakingspakket bestelt, is beslissend voor de prijsberekening. Men moet achteraf niet bijbetalen om de cursus aan te vatten als binnen de drie maanden na ontvangst van het kennismakingspakket betaald wordt. Voor een internetcursus hangt de kostprijs af van het aantal maanden dat men zich inschrijft. Inschrijven of verlengen gebeurt verplicht voor een termijn van 3 of 6 maanden. De kostprijs bedraagt tot 31 juli 2004 15,25 euro per maand en per cursus. De Vlaamse Overheid heeft vastgelegd dat de kostprijs elk jaar op 1 augustus verhoogt met 0,75 euro per maand voor de cursussen die uitsluitend via internet worden aangeboden, en met 0,25 euro per lespakket voor de cursussen die op een andere manier worden aangeboden. Voor cursussen die niet via het internet worden aangeboden, zijn de cursisten inschrijvingsgeld verschuldigd na de eerste proefzending en voor het geheel van de cursus. Een cursist die de studie stopzet of onderbreekt, heeft geen recht op terugbetaling van het inschrijvingsgeld, noch op de lespakketten die hij nog niet heeft gevolgd. Indien de onderbreking langer dan één jaar duurt, vervalt de inschrijving. De inschrijving is tot drie jaar na datum van betaling van het inschrijvingsgeld geldig. Een cursist die niet meer dan 40% van de lespakketten van een cursus heeft gevolgd en op advies van zijn


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

mentor overschakelt naar een andere cursus van hetzelfde leervak is voor deze cursus geen inschrijvingsgeld verschuldigd. Cursisten kunnen worden uitgesloten op advies van hun mentor om pedagogische redenen. In dit geval hebben zij geen recht op terugbetaling van het inschrijvingsgeld. Internetcursisten kunnen worden uitgesloten wegens ongepast taalgebruik in de communicatie met medecursisten en mentoren. In dit geval hebben zij geen recht op terugbetaling van het inschrijvingsgeld. De cursist die geen of slechts beperkt gebruik maakt van de toegang tot de cursus die via het internet wordt aangeboden, heeft evenmin recht op enige terugbetaling van het inschrijvingsgeld. BIS is een dienst van de Vlaamse Overheid. Deze kan beslissen de inschrijvingsvoorwaarden te wijzigen. Cursisten worden niet individueel op de hoogte gesteld van wijzigingen. Ze worden gepubliceerd op de website en via de gebruikelijke wettelijke kanalen (Besluit van 8 november 2002). 7.8.3.

Basiseducatie

In tegenstelling tot het Onderwijs voor Sociale Promotie en het Begeleid Individueel Studeren, worden de cursussen in de Basiseducatie gratis aangeboden. Alleen kopiekosten of het cursusboek dienen betaald te worden. 7.8.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Voor niet-werkende werkzoekenden zijn alle opleidingen van de VDAB gratis. Dit geldt eveneens voor de webleercursussen, waarbij overigens ook andere werkloosheidscategorieĂŤn in aanmerking komen voor vrijstelling van de opleidingskost (zie 7.9.4). Een werknemer die op eigen verzoek een opleiding volgt, betaalt enkel een vergoeding voor didactisch cursusmateriaal. Deze vergoeding bedraagt -naargelang de opleidingscategorie- 25, 37 of 43 euro/dag met een maximum van 250 euro per opleiding. Voor webleercursussen varieert de totale opleidingsprijs van 30 tot 360 euro (afhankelijk van de opleiding). Voor werkgevers geldt dat de prijs van de opleiding afhankelijk is van de gekozen opleiding, de duurtijd, de opleidingsplaats (bedrijf of VDAB-centrum), het aantal deelnemers, enz.. De prijs wordt contractueel vastgelegd na onderhandeling met de opleidingsverantwoordelijke van het betrokken VDAB-centrum. In principe varieert een werknemersopleiding op vraag van de werkgever (afhankelijk van de opleiding) van 99 tot 161 euro per deelnemer per dag. 7.8.5.

Deeltijds Kunstonderwijs

De opleidingen van het Deeltijds Kunstonderwijs vallen niet onder de leerplicht, bijgevolg moet een inschrijvingsgeld worden betaald.

Het inschrijvingsgeld bedroeg op 1 oktober 2003 49 euro voor

jongeren (verminderd tarief: 32 euro) en 160 euro voor volwassenen (verminderd tarief: 92 euro). Dit bedrag wordt doorgestort aan het departement Onderwijs (Omzendbrief PV/2003/01 (DKO)). 7.8.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Voor deelname aan het aanbod van sociaal-culturele volwassenenorganisaties wordt doorgaans een kleine bijdrage gevraagd. Het bedrag ervan wordt bepaald door de aanbieder zelf.

161


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.9.

Financiële steun voor cursisten

Binnen Vlaanderen bestaan een aantal vormen van financiële toelage aan cursisten binnen het geheel van opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen. De overheid heeft dergelijke maatregelen in het leven geroepen om het "levenslang en levensbreed" leren bij volwassenen te stimuleren. De voornaamste zijn het systeem van betaald educatief verlof (zie paragraaf 7.3.) en het systeem van opleidingscheques voor werkgevers enerzijds, en opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers anderzijds (zie ook paragraaf 7.4.4.). Zoals vermeld in paragraaf 7.3., biedt de regeling van het betaald educatief verlof mensen die tewerkgesteld zijn de mogelijkheid om opleidingen met een relatief hoog aantal uren per jaar te volgen en tegelijk te genieten van een bepaalde vorm van financiële compensatie voor het inkomensverlies. Daarnaast riep de Vlaamse overheid een systeem van opleidingscheques in het leven, om ondernemingen te stimuleren te investeren in opleiding (Besluit van 14 december 2001). Een opleidingscheque voor werkgevers heeft een waarde van 30 euro. 50% daarvan wordt door de onderneming betaald, 50% door de Vlaamse overheid. Met deze cheques kunnen ondernemingen een opleiding betalen bij erkende opleidingsverstrekkers. De doelgroep bestaat uit kleine, middelgrote en grote ondernemingen en een aantal vrije beroepen. Voorwaarden zijn dat de onderneming: 1) een exploitatiezetel heeft in het Vlaams gewest, 2) actief is in een aanvaardbare sector en 3) geen VZW is. Opleidingscheques moeten aangevraagd worden vóór de opleiding van start gaat. Wanneer de onderneming over de cheques beschikt, dient 1 van de werkenden binnen de 12 maanden vanaf uitgifte een opleiding bij een erkende opleidingsverstrekker te volgen. Op 19 juli 2002 werd het Besluit van 14 december 2001 gewijzigd. De lijst met aanvaardbare sectoren werd uitgebreid naar de voedings- en de vervoersector, alsook naar de sector van de private opleidingsverstrekkers. Voorts werden de verzilveringsmodaliteiten voor de opleidingsverstrekkers aangepast. Naast werkgevers, kunnen ook werknemers (wonend in Vlaanderen of in het Brussels gewest) op grond van het reeds aangehaalde besluit gebruik maken van de opleidings- en begeleidingscheques van de Vlaamse overheid. Met de opleidings- en begeleidingscheques kan men zowel een opleiding, als loopbaanbegeleiding betalen. Voorwaarde is dat men het op eigen initiatief volgt, in een erkende instelling, en dat men de opleiding/begeleiding buiten de normale werkuren volgt. De opleidingscheques voor werknemers kunnen, voor eenzelfde opleiding, niet gecumuleerd worden met de opleidingscheques voor werkgevers. Enkel de rechtstreekse of directe kosten (inschrijvingsgeld, cursusmateriaal, examens of tests ...) worden aan de werknemer terugbetaald. Voor elke opleiding die men met opleidingscheques betaalt, past de Vlaamse overheid per cheque de helft bij. Andere stimuleringsmaatregelen zijn onder meer de sectorfondsen, en het hefboomkrediet dat vorming voor werknemers, werkzoekenden en zelfstandigen subsidieert in het kader van een vernieuwing in de onderneming. Dit krediet subsidieert 27.5% van de totale projectkost (exclusief de loonkost van de deelnemers).


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.9.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

In bepaalde gevallen is er vrijstelling van inschrijvingsgeld mogelijk. Dit geldt voor personen die aanspraak kunnen maken op het bestaansminimum, uitkeringsgerechtigde werklozen of niet-werkenden, verplicht ingeschreven werkzoekenden (uitgezonderd bruggepensioneerden), vrij ingeschreven nietwerkende werkzoekenden ouder dan 25 jaar, mindervaliden, personen die een procedure hebben lopen tot erkenning als politiek vluchteling of als dusdanig zijn erkend, gedetineerden die in een Belgische strafinrichting verblijven, deeltijds of voltijds leerplichtigen, cursisten van het studiegebied Nederlands tweede taal, (richtgraad 1 en 2), cursisten van het studiegebied Algemene Vorming (voorheen ‘tweedekansonderwijs), en personen die ten minste twee jaar basiseducatie gevolgd hebben (vrijstelling voor een periode van vier opeenvolgende schooljaren). Als student in het hoger onderwijs voor sociale promotie komt men niet in aanmerking voor een studietoelage. 7.9.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Vrijstelling van betaling is mogelijk voor gedetineerden en voor cursisten die zich voorbereiden op de examens ingericht door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. 7.9.3.

Basiseducatie

Cursisten in de basiseducatie betalen geen inschrijvingsgeld, alleen kopiekosten of het cursusboek. Betaald educatief verlof is mogelijk. 7.9.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Om het opleidingsbeleid van ondernemingen te stimuleren, organiseren de Vlaamse, federale en Europese overheden verschillende financiële stimuleringsmaatregelen (betaald educatief verlof, hefboomkrediet, opleidingscheques, enz.). De VDAB biedt in het kader van deze maatregelen verschillende diensten aan, zoals het op de voet volgen van wijzigingen en nieuwe maatregelen, het verspreiden van zoveel mogelijk informatie (via infosessies, mailings,... ); het verstrekken van advies en begeleiding bij de opmaak van aanvraagdossiers voor subsidies, en het effectief opmaken van aanvraagdossiers voor subsidies (VDAB, http://www.vdab.be, 2004). Onder bepaalde voorwaarden kan de werkgever genieten van verminderingen van de opleidingsprijs of is zelfs vrijstelling van betaling voorzien. Zoals reeds vermeld, bestaan er daarnaast ook opleidingscheques voor werkgevers, en opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers (zie paragraaf 7.9.). In paragraaf 7.8.4. werd reeds aangekaart dat webleercursussen gratis zijn voor volledig uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. Ook andere categorieën werklozen komen in aanmerking voor gratis webleercursussen. 7.9.5.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Zoals blijkt in paragraaf 7.8.5., bestaat er in het deeltijds kunstonderwijs een systeem van ‘sociale reductie’ of ‘verminderd tarief’. Om voor het verminderd inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling (Decreet van 31 juli 1990) een attest of bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat hij/zij (1) uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of ten laste van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze; of

163


Vlaams Eurydice rapport 2003

(2) verplicht ingeschreven is als werkzoekende, het bestaansminimum ontvangt, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of (3) gehandicapt is met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %, recht heeft op een tegemoetkoming als gehandicapte, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of (4) in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft; of (5) het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon; of (6) steun krijgt uit het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt verminderd inschrijvingsgeld indien een ander lid van het gezin waartoe hij/zij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in dezelfde of in een andere instelling; en/of voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in dezelfde of in een andere instelling. 7.9.6.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Verenigingen hanteren meestal lagere tarieven voor eigen leden, vormingsinstellingen houden vaak rekening met het (gezins)inkomen en/of de gezins- of werksituatie van deelnemers bij het bepalen van deelnemersgelden.

7.10.

Studie-aanbod

In deze paragraaf behandelen we de belangrijkste studiegebieden en specialisaties binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Onderwijs, het Deeltijds Kunstonderwijs, de Landbouwvorming, en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.10.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Het aanbod van het Onderwijs voor Sociale Promotie is zeer divers en ruim. Het wordt georganiseerd op het niveau secundair onderwijs (31 studiegebieden) en op het niveau van het hoger onderwijs van het korte type (7 categorieën). De studiegebieden van het niveau secundair onderwijs zijn: algemene vorming (‘tweedekansonderwijs’), auto, bedrijfsbeheer, boekbinden, bouw, chemie, decoratieve technieken, diamantbewerking, fotografie, grafische technieken, handel, hout, huishoudelijk onderwijs, juwelen, kant, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lederbewerking, lichaamsverzorging, maritieme opleidingen, mechanica-elektriciteit, meubelrestauratie en houtsnijden, muziekinstrumentenbouw, Nederlands tweede taal (NT2), orthopedische technieken, personenzorg, smeden, talen, textiel, toerisme en voeding. Het hoger onderwijs voor sociale promotie is ingedeeld in 7 categorieën, die op hun beurt een aantal opleidingen ('afdelingen') groeperen. Deze categorieën zijn : artistiek hoger onderwijs korte type, economisch hoger onderwijs korte type, paramedisch hoger onderwijs korte type, pedagogisch hoger onderwijs korte type, sociaal hoger onderwijs korte type, technisch hoger onderwijs korte type, en hogere technische leergangen 2e graad. Ondanks het ruime aanbod kunnen bepaalde opleidingen niet worden gevolgd in het Onderwijs voor Sociale Promotie (bv. paramedische basisopleidingen, opleiding voor kleuteronderwijzer(es) of onderwijzer(es), enz..). Anderzijds worden in het Onderwijs voor Sociale Promotie een aantal opleidingen georganiseerd die niet in het voltijds onderwijs voorkomen (vb. opleiding "polyvalent verzorgende").


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.10.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Alle belangrijke vakken die gebaseerd zijn op de bestaande leerplannen in het gewoon secundair en hoger onderwijs, kunnen worden gevolgd door de studenten van het Begeleid Individueel Studeren. Het schriftelijke cursusaanbod omvat de categorieĂŤn Vreemde Talen (Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans en

Portugees),

Nederlands

(o.m.

Nederlands

voor

anderstaligen),

Informatica,

Economie,

Menswetenschappen, Recht, Techniek, en Andere (geheugentraining, wiskunde en basisvorming preventieadviseur). Op dit moment (voorjaar 2004) biedt BIS Online tevens de online taalcursussen Spaans voor beginners, Engels voor gevorderden, Nederlands voor anderstaligen (voor gevorderden), en Frans voor gevorderden aan. Elk van deze cursussen biedt meerdere niveaus (niet alle niveaus zijn nu al beschikbaar). Daarnaast worden er ten slotte ook cursussen aangeboden als voorbereiding op de examens secundair onderwijs van de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap: talen, informatica, economie, wetenschappen, humane vakken, wiskunde. 7.10.3.

Basiseducatie

Basiseducatie situeert zich op het niveau van het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs. Als dusdanig wordt basiseducatie gedefinieerd als een geheel van specifieke opleidingen in aansluiting op, of binnen de bestaande studiegebieden in het volwassenenonderwijs. Basiseducatie omvat volgende opleidingen: Nederlands als moedertaal (NT1), Nederlands als tweede taal (NT2), alfabetisering in de eigen taal: Turks en Arabisch (Alfa NT2), ICT, maatschappij-oriĂŤntatie (MO), wiskunde (WISK), en opstapcursussen Frans en Engels. 7.10.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

De VDAB organiseert honderden praktijkgerichte opleidingen, en dat in zowat alle mogelijke beroepsdomeinen: van p.c.-training en lassen tot heftruckbestuurder en Nederlands op de werkvloer, gericht op anderstalige werknemers. Bovendien zijn de opleidingen volledig op maat. Men kiest zelf wanneer men een opleiding volgt (tijdens de werkuren, 's avonds, op zaterdag) en waar. VDABberoepsopleidingen zijn immers bijzonder flexibel. Om zo goed mogelijk bij de beroepsrealiteit aan te sluiten, lopen de opleidingen in nauwe samenwerking met de bedrijfswereld. Daardoor kunnen ze verschillende organisatievormen aannemen, zoals collectieve opleidingen in VDAB-opleidingscentra, stages in ondernemingen, collectieve opleidingen in ondernemingen, opleidingen in een erkend centrum, individuele beroepsopleidingen in een onderneming of onderwijsinrichting, open leren, afstandsleren, en webleren (VDAB, http://www.VDAB.be, 2004). 7.10.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Er is sprake van vijf soorten opleidingen die de verwerving van vaardigheden noodzakelijk om een zelfstandig beroep uit te oefenen tot doel hebben: de leertijd, de ondernemingsopleiding, gelinkt aan de stageovereenkomst, de bijscholing, of de opleiding-op-maat. Daarnaast organiseert VIZO tevens cursussen bedrijfsbeheer om een vestigingsattest te krijgen.

165


Vlaams Eurydice rapport 2003

De leertijd is een initiële beroepsopleiding voor leerjongeren vanaf 15 jaar die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben, of vanaf 16 jaar, en die via een leerovereenkomst een basis kunnen verwerven om als medewerker in een bedrijf te kunnen functioneren. Een leerovereenkomst is een overeenkomst van bepaalde duur waarbij een ondernemingshoofd-opleider zich ertoe verbindt aan de leerling een beroep aan te leren, en waarbij de leerling zich ertoe verbindt deze praktijk aan te leren onder leiding van dit ondernemingshoofd-opleider, en daarnaast de nodige theoretische opleiding te volgen. De theoretische vorming omvat een maatschappijgerichte (120 uren per jaar + 120 uren supplementair voor 15-jarigen) en een beroepstechnische vorming (120 uren per jaar). Tevens kunnen aanvullende taalcursussen gegeven worden, en kunnen zowel binnen de maatschappijgerichte als binnen de beroepstechnische vorming nog aanvullende cursussen worden georganiseerd (VIZO, http://www.vizo.be, 2004 - brochure Wegwijs in Leertijd). Een ondernemersopleiding bereidt de deelnemers voor op het algemene, technische, commerciële, financiële en administratief beheer van een zelfstandig beroep of een kleine of middelgrote onderneming (tot 50 werknemers). De ondernemersopleiding omvat een theoretische vorming en praktijkervaring (of een aanvullende praktijkopleiding of praktijkstage). De bijscholings- en vervolmakingsprogramma’s voor zelfstandige ondernemers, KMO’s en naaste medewerkers omvatten programma’s voor bepaalde beroepen omtrent zeer specifieke beroepstechnieken (nieuwe evoluties en technologie in het beroep); algemene programma’s over actuele topics voor de KMO; thema’s uit bedrijfsbeheer en KMO-management; seminaries over nieuwe reglementering in de KMO; specifieke taalcursussen voor de KMO waarin vooral bedrijfseconomische conversaties worden bijgebracht en geoefend; opfrissingscursussen voor gevestigde ondernemers die op de hoogte willen blijven van een bepaalde ontwikkeling in hun beroep of in het algemene ondernemen; en gecertificeerde bijscholingen. Omdat het opleidingsaanbod van de SYNTRA-vestigingen niet voor iedereen een antwoord biedt op alle vragen, worden opleidingen-op-maat uitgewerkt. Een dergelijk programma-op-maat kan exclusief voor een onderneming worden uitgevoerd in één van de SYNTRA-lesplaatsen, in de betreffende onderneming of elders. De opleidingsconsulenten van de SYNTRA-vestigingen werken een globaal opleidingsplan uit dat bijdraagt tot de verhoging van de competentie van de medewerkers en dus ook van de onderneming. 7.10.6.

Deeltijds Kunstonderwijs

Het DKO profileert zich als een onderwijsvorm met vier gelijkwaardige studierichtingen: Beeldende kunst, Muziek, Woordkunst en Dans. Elke studierichting heeft een eigen structuur met graden (lagere graad, middelbare graad, hogere graad en eventueel specialisatiegraad) en opties die zijn vastgelegd in de organisatiebesluiten van 31 juli 1990. Met het oog op enige actualisering en versoepeling van het DKOstructuur, werden de organisatiebesluiten m.b.t. het DKO meermaals gewijzigd (zie paragraaf 7.3.7.). Zo verdient het wijzigingsbesluit van 9 juli 2001 vermelding. Op grond van dit besluit werd –onder meer- het studieaanbod uitgebreid met een aantal nieuwe vakken en opties: bv. Jazz en lichte muziek, digitale beeldende vorming, dansinitiatie, en literaire creatie.


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.10.7.

Landbouwvorming

De afdeling Land- en Tuinbouwvorming (administratie Land- en Tuinbouw - beleidsdomein Landbouw & Visserij - departement Economie, Werkgelegenheid en Binnenlandse Aangelegenheden) subsidieert cursussen, korte vormingsactiviteiten en voordrachten, ingericht door de erkende vormingscentra. Op het vlak van cursussen betreft het enerzijds B-cursussen (startersopleidingen voor de land- en tuinbouw), en anderzijds vormingscursussen (C-cursussen). Deze C-opleidingen omvatten minimum 20 uur, kunnen theoretisch of praktijkgericht zijn, en zijn bestemd voor land- en tuinbouwers. Het aanbod is zeer gevarieerd, zoals computercursussen, cursussen kunstmatige inseminatie bij rundvee, rundveepedicure, cursussen erkend gebruiker van fytoproducten, enz.. De C-cursussen nemen veruit het grootste aantal uren van de landbouwvorming voor zich. Korte vormingsactiviteiten bestaan er in drie soorten. Ten eerste zijn er de activiteiten voor de permanente vorming van de landbouwers, opgevat als korte vormingsactiviteiten van maximum 3 uur rond een sociaal, juridisch, technisch of economisch thema (studievergaderingen, panelgesprekken en geleide bezoeken). Ten tweede vermelden we de jaarlijkse contactvergaderingen van landbouwverantwoordelijken van de algemene centra. En ten derde worden er ook vervolmakingsdagen georganiseerd. Het betreft hier activiteiten van minimum 4 uur voor de bijscholing van de lesgevers in de landbouwvorming. Tot slot subsidieert de afdeling Land- en Tuinbouwvorming ook voordrachten. Dit zijn informatievergaderingen voor liefhebbers. Zij worden ingericht

door

de

erkende

liefhebbersverenigingen

(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/nieuws/landvorm.html, 2004). 7.10.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Het aanbod aan leeractiviteiten van sociaal-culturele volwassenenorganisaties is zeer divers. De indeling naar thema van de meer dan 4.500 activiteiten die in 2002 en 2003 in de databank Prettig Geleerd (een databank van sociaal-culturele activiteiten) werden ingevoerd, geeft een concreet beeld van deze diversiteit: kunsteducatie (12 %), gezondheid, zorg en sport (11%), persoonlijkheidsvorming (11%), creativiteit en expressie (7%), maatschappij en politiek (6%), interculturele vorming (6%), zingeving en filosofie (6%), werk en loopbaan (5%), computer, media en informatie (5%), relationele vorming (4%), opvoeding en onderwijs (4%), sociale en communicatieve vaardigheden (4%), populaire cultuur en hobby (3%), consumentenvorming (3%), natuur en milieu (3%), toerisme (3%), talen (1%) en wetenschap en techniek (1%). Andere thema’s waren nog ’s goed voor 4% van de activiteiten. Kanttekening bij dit beeld is dat het om het bovenlokaal aanbod van verenigingen, vormingsinstellingen en diensten gaat. Met name de lokale activiteiten van de afdelingen van verenigingen worden in deze databank niet opgenomen.

7.11.

Onderwijsmethoden

In deze paragraaf gaan we dieper in op de onderwijsmethoden en gehanteerde leermiddelen binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Onderwijs (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), en het sociaal-cultureel volwassenenwerk.

167


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.11.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Onderwijsmethoden behoren tot de pedagogische vrijheid van de inrichtende machten, waardoor er geen sprake kan zijn van richtlijnen die van bovenaf worden opgelegd. Het decreet van 2 maart 1999 maakt een onderscheid tussen drie categorieën van onderwijsverstrekking, namelijk het contactonderwijs, het afstandsonderwijs en het gecombineerd onderwijs. Er worden twee organisatiemodellen gehanteerd: 1) lineaire opleidingen die opgedeeld zijn in leerjaren. De lessen zijn gespreid over 32 tot 40 weken in de periode van begin september tot einde juni.; en 2) het modulair systeem –gebaseerd op de notie van ‘kapitaliseerbare eenheden’- dat in 1987 (KB van 6 november 1987) geïntroduceerd werd omwille van het geringe succes van het lineaire systeem. Bij een modulaire opleiding wordt de leerstof onderverdeeld in een aantal modules waar de theorie en de praktijk geïntegreerd gegeven worden. Verdere opdeling in eenheden stelt de cursist in staat zelf zijn/haar studiepakket te bepalen. De cursist bepaalt op deze wijze zelf ook de duur van zijn studie. Een modulaire opleiding kan over een heel schooljaar of een gedeelte ervan gespreid worden. Het zijn deze opleidingen die verschillende startdata hebben. Elk Centrum voor Volwassenenonderwijs is vrij de spreiding van de opleiding te bepalen. 7.11.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Opleidingen op afstand maken gebruik van massacommunicatiemiddelen, maar zijn tegelijkertijd geïndividualiseerd. De ‘klassieke’ BIS-opleiding maakt gebruik van een schriftelijke onderwijsformule, gedrukte cursussen aangevuld met het nodige didactische materiaal. Een cursus bestaat uit een aantal lespaketten en huistaken.

Deze huistaken moeten naar de dienst worden teruggezonden, eventueel

vergezeld van vragen en verzoeken om bijkomende uitleg en informatie. De binnengezonden taken worden vervolgens met de verbeteringen en commentaar naar de student teruggestuurd, en - indien gevraagd - vergezeld van een typisch voorbeeld dat een correcte versie van het antwoord geeft. In het geval van opleidingen moderne talen worden over het algemeen geluidscassettes gebruikt. Bij BIS Online wordt - zoals de naam al aangeeft - gebruik gemaakt van on line cursussen. Net zoals voor de schriftelijke variant, dienen ook bij dit systeem huistaken gemaakt te worden. Er is één opdracht per 5 à 10 lessen. Deze moet voor evaluatie doorgestuurd worden naar de persoonlijke mentor. Ook als er iets niet duidelijk is, kan men bij zijn/haar mentor terecht. De communicatie tussen cursist en mentor verloopt via BIS, de discussiefora en de opdrachten, of via andere kanalen die BIS Online hiervoor ter beschikking stelt (Bis Online, http://www.bisonline.be, 2004). 7.11.3.

Basiseducatie

De einddoelen van de opleidingen in de basiseducatie zijn analoog aan de doelen van het reguliere aanbod, maar de manier van aanbrengen gebeurt via een geëigende pedagogisch didactische aanpak. Hierbij gaat , naast het bijbrengen van kennis en vaardigheden, de aandacht vooral naar het aanbrengen van sleutelcompetenties, studievaardigheden en naar cursistenbegeleiding. Het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 heeft de enveloppe van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie voor de volgende 3 jaar verhoogd. Het centrum kreeg daarbij de taak om een voorstel van modulaire structuur


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

uit te tekenen. In 2002 werden de middelen voor de basiseducatie overigens reeds met 10% verhoogd om de centra bijkomende pedagogische armslag te geven (dep. Onderwijs, 2002). 7.11.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Er zijn vier leervormen te onderscheiden binnen de VDAB-opleidingen: het groepsleren, het open leren, het afstandsleren en het webleren. Bij de eerste leervorm volgt men een opleiding in groep onder leiding van een instructeur, op vaste tijdstippen en met een gemeenschappelijk leertraject voor de deelnemers. Het betreft dus klassikaal onderwijs (in een VDAB-centrum of in het bedrijf). Bij open leren neemt men individueel het totale leerpakket door in een VDAB-centrum of het bedrijf. Naast ondersteuning van een instructeur kan men er gebruik maken van een waaier aan leermiddelen (cd-rom, video, zelfstudiepakketten). Het betreft hier dus zelfstudie met onmiddellijke begeleiding, op afspraak, wanneer het de cursist past. Afstandsleren houdt in dat de cursist het cursusmateriaal (cursus, diskette of cd-rom) volgens eigen tijdsindeling thuis of op het werk doorneemt. Hij/zij haalt de cursus af in een VDABcentrum en bespreekt er met de instructeur op welke manier te werk zal gegaan worden. Voor vragen en feedback op oefeningen kan de cursist steeds via e-mail terecht bij de persoonlijke coach (asynchroon: antwoord binnen de 24 uur). Afstandsleren combineert m.a.w. zelfstudie met coaching en computerondersteunend leren. Bij webleren ten slotte, is het cursusmateriaal 24 uur op 24 on line ter beschikking en kan men rekenen op synchrone begeleiding van de instructeurs per e-mail. Men leert volgens eigen tijdsindeling on line, thuis of op de werkplek (VDAB, http://www.VDAB.be, 2004). 7.11.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

We bespreken achtereenvolgens de leertijd, de ondernemingsopleiding (incl. stageovereenkomst), de bijscholing, en de opleiding op maat. Zoals reeds vermeld (zie paragraaf 7.10.5.2.), is de leertijd uitgebouwd als een alternerende opleiding: de praktijkopleiding (4 dagen per week) bij een zelfstandige of in een kleine of middelgrote onderneming is gekoppeld aan een theoretische vorming (1 dag per week) in een SYNTRA-opleidingscentrum. Er kan in de leertijd een onderscheid gemaakt worden tussen algemene maatschappijgerichte vorming, en beroepsgerichte vorming. In deze laatste cursus wordt ernaar gestreefd om beroepsgerichte vorming bij te brengen aan de hand van het principe van “de betogende praktijk”. Dit didactisch principe wordt door het VIZO omschreven als “de ideale combinatie tussen enerzijds de praktische demonstratie en anderzijds het denk- en leerproces dat door de leerlingen met behulp van de lesgever luidop doorlopen wordt”. In de cursus

maatschappijgerichte

vorming

wordt

via

thematisch

projectwerk

en

afzonderlijke

trainingsmomenten voor taal- en rekenvaardigheden gewerkt aan de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerjongeren.

Specifiek wordt gewerkt naar maatschappijgerichte vormingsdoelen op de volgende

gebieden: een verantwoorde zelfontplooiing, een verantwoord familiaal en beroepsleven, burgerschap en wereldburgerschap. Zowel binnen de maatschappijgerichte, als binnen de beroepstechnische vorming kunnen aanvullende cursussen worden georganiseerd. In het bijzonder dienen de bijwerkingscursussen ("remediëring") voor leerlingen met leerachterstand vermeld te worden. Aangezien sommige jongeren niet kunnen aarden in de gewone klasgroep omwille van karakteriële, psychische of sociale

169


Vlaams Eurydice rapport 2003

omstandigheden, wordt er sinds het cursusjaar 1988-1989 geopteerd om een aantal van deze cursisten in een kleinere groep intensief en individueel te begeleiden. Zoals vermeld, omvat de ondernemersopleiding een theoretische vorming enerzijds en praktijkervaring, een praktijkstage of aanvullende praktijkopleiding anderzijds. De bijscholings- en vervolmakingsprogramma’s voor zelfstandige ondernemers, KMO en naaste medewerkers bestaan zoals vermeld uit algemene en specifieke/thematische programma’s, seminaries, specifieke taalcursussen, opfrissingscursussen; enz. (zie subparagraaf 7.10.5.4.). Bij de opleidingen-op-maat werken opleidingsconsulenten via een stappenplan een globaal opleidingsplan uit dat het dichtst bij de persoonlijke behoeften en ambities van (het hoofd van) de onderneming aanleunt. In de ondernemersopleiding en de andere opleidingen wordt steeds uitgegaan van de betogende praktijk. Het overgrote deel van de cursisten staat reeds professioneel in het beroep en ondervindt dus dagdagelijks de praktijk. Voor cursisten voor wie dit niet mogelijk is, maar wel een ondernemersopleiding willen volgen, is de stage-overeenkomst in voege, of de aanvullende praktijk vergelijkbaar met een leerovereenkomst. 7.11.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Beslissingen omtrent methoden behoren tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg zijn er geen officiële richtlijnen; onderwijs in kleine groepjes en zelfs individueel onderricht zijn alledaagse praktijk. 7.11.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

In het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk worden de methoden bepaald door de interventiestrategie die men aanwendt. De belangrijkste interventiestrategieën van het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk zijn: Het opzetten van een context waarbinnen deelnemers informeel kunnen leren in interactie met anderen en/of via zelfreflectie, alsook het begeleiden van deelnemers op informele wijze ( d.w.z. vormen van begeleiden van leerprocessen, die niet gebonden zijn aan vooraf door derden vastgestelde programma’s en eindtermen); Het maatschappelijk activeren van mensen rond diverse kwesties en thema's van collectieve aard met het oog op integratie en/of participatie aan de samenleving. Het stimuleren van ontmoeting tussen mensen en; Het creëren van een context waarin cultuurbeleving, betekenisschepping en de creatie van symbolen, mogelijk is en aangemoedigd wordt. In het sociaal-cultureel werk is er onder meer sprake van een educatieve functie en met name van nietformele educatie. Hierbij ligt in het aanbod van het sociaal-cultureel werk de klemtoon op het informele leren dat het zowel het stimuleren van incidenteel als het intentioneel leren omvat. In het sociaal-cultureel werk worden interventies en vormen van begeleiding niet als een overdracht opgevat van de begeleider


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

naar het individu. De deelnemer is daarentegen een actieve partner die zowel de inhoud als de aanpak van de programma’s, projecten en activiteiten, op een of andere wijze mee bepaalt.

7.12.

Lesgevers

In deze paragraaf gaan we dieper in op de personen (trainers, cursusleiders, lesgevers, …) die concreet instaan voor de opleidingen ten behoeve van jonge schoolverlaters en volwassenen in Vlaanderen. In de Vlaamse Gemeenschap is de opleiding van lesgevers binnen het geheel van permanent vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen bijna geheel geïntegreerd in de programma’s voor lerarenopleiding. Lesgevers binnen dit circuit beschikken normalerwijs over het diploma van leraar. Er zijn echter vier uitzonderingen: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) heeft zijn eigen Centrum voor Pedagogische Opleiding en Studie het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) organiseert voor de lesgevers enerzijds een initiële bijscholing met klemtoon op pedagogisch-didactische elementen, en anderzijds periodieke bijscholingen met klemtoon op vaktechnische of pedagogisch-didactische elementen; en voor de patroons de zogenaamde Estafette opleiding; de Vlaamse Gemeenschap voorziet eveneens opleidingscursussen voor lesgevers en leerkrachten in de landbouwvorming; voor basiseducatie bestaat een speciale voortgezette opleiding voor leerkrachten, die wordt gegeven aan twee Vlaamse hogescholen (zie 7.12.3). Het personeel wordt in deze vier gevallen niet benoemd als onderwijzend personeel en niet betaald door het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Zij werken in de

hoedanigheid van ambtenaar bij één van de vernoemde diensten. Lesgevers in het SYNTRA-netwerk echter, worden aangenomen en hebben dus een bediendecontract. Naast pedagogisch geschoolden, worden in vele gevallen experts uit de zaken- en administratieve wereld uitgenodigd als docent voor enkele uiteenzettingen, of als leerkracht voor het onderwijzen van een bepaald vak. In de meeste gevallen wordt hun expertise erkend als een kwalificatie om les te geven. De diploma’s van de lerarenopleidingen worden dan niet meer als voorwaarde gesteld voor benoeming. Bij de selectie van de leerkrachten is ervaring belangrijk. Wanneer er geen kandidaten te vinden zijn met ervaring, kunnen er andere experts aangesteld worden. 7.12.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Het onderwijzend personeel in het OSP valt onder de decreten rechtspositie (27 maart 1991). Hun wettelijk statuut en kwalificaties zijn gelijkaardig aan de vereisten die bestaan voor het gewoon secundair en hoger niet-universitair onderwijs.

171


Vlaams Eurydice rapport 2003

7.12.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Het onderwijzend personeel, zowel datgene dat de cursussen ontwerpt als datgene dat de taken verbetert, zijn leerkrachten die gespecialiseerd zijn in het specifieke vak dat wordt onderwezen. In het geval van administratieve vakken zijn de leerkrachten hogere ambtenaren. De mentor evalueert welke vorderingen de cursist maakt en geeft hem pedagogisch advies. De Vlaamse regering stelt de mentor aan voor een termijn van twee jaar, die hernieuwbaar is. De mentoren worden gekozen uit de leraren die gedurende twee jaar ten minste halftijds onderricht hebben gegeven in een erkende onderwijsinstelling, of uit de opleiders die gedurende twee jaar ten minste halftijds onderricht hebben gegeven in een door de Vlaamse Gemeenschap opgerichte of erkende opleidingsinstelling. Bij gebrek aan kandidaten met ervaring in een onderwijs- of opleidingsinstelling, kunnen ook andere deskundigen worden aangesteld.

Voor de

voorbereiding op examens van het openbaar ambt kunnen zij ook gekozen worden uit ambtenaren van niveau A – of daaraan gelijkgesteld – van een openbaar bestuur (Decreet van 2 maart 1999). 7.12.3.

Basiseducatie

De centra voor basiseducatie zijn professionele organisaties, telkens met een team van educatieve medewerkers. De opdracht van educatieve werkers is toegespitst op het lesgeven zelf en de cursistenbegeleiding; er is eveneens een duidelijker taakafbakening tussen de functie van coördinator en de educatieve functie. Elk centrum beschikt ook over één of meer administratieve medewerkers. Ruim 500 professionals zijn in de centra tewerkgesteld hetzij als lesgever (educatief medewerker), hetzij in een coördinerende of administratieve functie. In de loop der tijd werden de taken van het personeel in de centra meer gespecificeerd. Volgende functies worden momenteel onderscheiden: coördinator, educatief medewerker

met

lestaken,

lesvrij

educatief

medewerker,

administratief

medewerker

met

beleidsverantwoordelijkheid, en uitvoerend administratief medewerker. Decretaal is voorzien in verplichte bijscholing van educatieve medewerkers. In de periode 1992-1995 werd deze opleiding ten experimentele titel toevertrouwd aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB). Sedert 1996 wordt de verplichte bijscholing georganiseerd als voortgezette lerarenopleiding (Decreet van 16 april 1996). De opleiding wordt aangeboden door twee Vlaamse hogescholen. Deze opleiding bestaat uit contactmodules, begeleide praktijk en zelfstudie. De personeelsleden hebben niet het statuut van onderwijzend personeel. 7.12.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Ofschoon de VDAB over een eigen centrum voor onderwijskundige opleiding en studie beschikt, werven de VDAB-centra ook lesgevers aan die een lerarenopleiding hebben gevolgd. 7.12.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Zoals vermeld in de inleiding van paragraaf 7.12, organiseert het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) voor de lesgevers in eerste instantie een initiële bijscholing van 120 uur, waarbij de klemtoon ligt op pedagogisch-didactische elementen. Verder worden regelmatig periodieke bijscholingen georganiseerd waarbij de klemtoon ligt op vaktechnische elementen, of specifieke aspecten van de pedagogisch-didactische aanpak. Voor de patroons (die de leerjongere 4 dagen per week opleiden)


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

bestaan de Estafette-opleidingen. Hierin wordt voornamelijk gefocust rond instructies geven aan leerjongeren, coaching en conflicthantering. 7.12.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Lesgevers in het DKO dienen over een specifiek, vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken. Voor bijna alle vakken in het DKO zijn deze vereiste bekwaamheidsbewijzen vastgelegd. Het betreft specifieke basisdiploma's van kunstopleidingen, aangevuld met een lerarenopleiding. Sinds 1 september 2002 worden er daarnaast ook voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen aanvaard: algemene basisdiploma's, meestal van het kunstonderwijs, aangevuld met een lerarenopleiding. In uitzonderlijke gevallen kan ervaring als bekwaamheidsbewijs in aanmerking genomen worden, en tot een volwaardige aanwerving leiden (Omzendbrief PV/2002/07). 7.12.7.

Landbouwvorming

Ofschoon de Vlaamse Gemeenschap opleidingscursussen inricht voor lesgevers, werven de centra eveneens lesgevers aan met een diploma van leerkracht. 7.12.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

De educatieve medewerkers in sociaal-culturele organisaties dienen niet over een specifiek diploma te beschikken. Geëigende opleidingen vormen de basisopleiding ‘sociaal-agogisch werk’ ingericht door de sociale hogescholen en de richting sociale (ped)agogiek op universitair niveau. SoCiuS -het steunpunt voor sociaal-cultureel volwassenenwerk organiseert jaarlijks een meerdaagse introductiecursus voor nieuwe medewerkers in sociaal-culturele organisaties en staat in voor de organisatie van en toeleiding naar aangepast bijscholingsaanbod. De organisaties zorgen meestal zelf voor de vorming van hun vrijwillige en freelance lesgevers. Zowel verenigingen als vormingsinstellingen doen ook beroep op gespecialiseerde experts.

7.13.

Evaluatie en voortgang

Na een korte inleiding betreffende de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap gaan we dieper in op de evaluatie van cursisten in het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS, en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. De Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap stelt mensen in staat om zonder aan een ‘normale’ secundaire school de lessen te moeten bijwonen, een diploma te behalen van de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs of het officiële diploma van het secundair onderwijs. Ook een getuigschrift voor het basisonderwijs kan via de Examencommissie behaald worden. Sinds september 2002 is de leeftijd verlaagd van 11 naar 9 jaar voor de deelnemers. Op die manier wil men de hoogbegaafde leerlingen de mogelijkheid bieden reeds op jongere leeftijd dit getuigschrift te behalen (Onderwijsdecreet 13 art. 19 en besluit van september 2002). Sinds het schooljaar 2000-2001 kunnen CVO's fungeren als

173


Vlaams Eurydice rapport 2003

gedecentraliseerde examencommissies. Ook kunnen studenten van het hoger onderwijs via deze weg, zonder de lessen te moeten bijwonen, een diploma behalen: de eerste afdeling voor toekenning van de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs; de tweede afdeling voor toekenning van het diploma secundair onderwijs op basis van een studie die aansluit bij het algemeen vormend secundair onderwijs; de derde afdeling voor toekenning van het diploma secundair onderwijs op basis van een studie die aansluit bij het technisch, beroeps- of kunstonderwijs; de vierde afdeling voor het diploma in de verpleegkunde . Deze examencommissie bestond vroeger ook uit aparte afdelingen voor het hoger onderwijs, maar deze zijn ondertussen afgeschaft. Dit wil niet zeggen dat er geen examencommissies meer bestaan voor het hoger onderwijs. Zij maken nu echter, in tegenstelling tot vroeger, deel uit van de betreffende universiteit of hogeschool. Elke kandidaat heeft het recht om deel te nemen aan examens van elke hogeschool of universiteit zonder regelmatig lessen bij te wonen. Examens afleggen voor een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap is een alternatieve en uitzonderlijke weg om alsnog een universitair diploma of een hogeschooldiploma te behalen (MVG, departement Onderwijs, 2001f). Voor de voorbereiding en verbetering van de examens (op het niveau van het secundair onderwijs) worden leerkrachten uit het secundair onderwijs uitgenodigd om de verschillende afdelingen te versterken. Ambtenaren kunnen deelnemen aan administratieve examens voor verschillende promotieniveaus aan “Selor”, het selectiebureau van de federale overheid (zie http://www.selor.be). 7.13.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs dient in het modulair systeem ten minste één examen aan het einde van elke module te organiseren. In het lineair systeem moet het centrum ten minste één examen voor elk vak aan het einde van het schooljaar organiseren (Decreet van 2 maart 1999). 7.13.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

BIS (Online) biedt (on line) cursussen met begeleiding aan, maar neemt zelf geen examens af. Tijdens het verloop van de cursus krijgt iedere cursist een persoonlijke mentor toegewezen die onder meer de taken verbetert en deze voorziet van een objectief en gemotiveerd evaluatiecijfer. De mentor evalueert tevens welke vorderingen de cursist maakt en geeft hem pedagogisch advies. De tijd die nodig is om een schriftelijke BIS-cursus af te werken is afhankelijk van verschillende factoren: het aantal lespaketten per cursus, het volume per lespakket, de moeilijkheidgraad van de leerstof, de studietijd waarover de cursist beschikt, … Er bestaat geen verplichte termijn waarbinnen een BIS-cursus beëindigd moet worden. Een inschrijving blijft wel slechts 3 jaar geldig, en er wordt verwacht dat de cursist minimum één taak per jaar afgeeft. Ook de on line cursussen kunnen op eigen tempo gevolgd worden.


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

7.13.3.

Basiseducatie

Doorheen de opleiding worden cursisten intensief begeleid op hun niveau. Het cursusaanbod van de in paragraaf 7.10.3. vermelde leerdomeinen omvat verschillende niveaus die aansluiten op de verschillende instapniveaus van cursisten. In algemene zin is er in de niveau-indeling een onderscheid tussen een elementaire basis (niveau 1 en 2) en een niveau van verbreden en verdiepen (niveau 3 en 4). Het onderscheiden van niveaus per leerdomein betekent niet dat cursisten alle vier de voorziene niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen. Er zijn bovendien op verschillende tijdstippen van het jaar instapmogelijkheden (VOCB, http://www.vocb.be, 2004; Centra voor basiseducatie, http://www.basiseducatie.be, 2004). 7.13.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Er is geen formeel evaluatiemoment. Er is evenmin een vast start- en eindmoment van de opleidingen, en ook de duur verschilt van cursus tot cursus. 7.13.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

We schetsen hier kort het evaluatiesysteem binnen de leertijd van het VIZO. Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. Tijdens deze periode worden leerlingen permanent geëvalueerd. Dit houdt in dat de jongeren, naast het overgangsexamen en het eindexamen, tevens beoordeeld worden aan de hand van tussentijdse evaluaties met betrekking tot het functioneren bij de patroon (4 dagen / week). Ook het verloop van de praktijkopleiding wordt geëvalueerd. Het overgangsexamen vindt plaats op het einde van het eerste en het tweede opleidingsjaar. Het eindexamen vindt plaats in het laatste jaar van de leertijd. Het eindexamen omvat een geïntegreerde praktijkproef (de zogenaamde C-proef) waarbij de leerling moet bewijzen zowel de beroepstechnische als de algemene vakken te beheersen. De leerling die niet slaagt voor de examens van maatschappijgerichte en/of beroepstechnische vorming, krijgt de gelegenheid in hetzelfde jaar te herkansen. Een herkansing in de praktijkproef kan slechts tijdens het volgende cursusjaar. 7.13.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Tijdens het schooljaar wordt van iedere leerling van de academies voor Muziek, Woordkunst en Dans, en van de academies voor Beeldende kunst minimum tweemaal per jaar een schriftelijke evaluatie gemaakt, die aan de leerling wordt meegedeeld aan de hand van een evaluatiefiche. Binnen de academies voor Beeldende kunst worden aan het einde van de lagere graad, aan het einde van het vijfde en zesde leerjaar van de middelbare graad en aan het einde van ieder leerjaar van de andere graden tussen 1 juni en 30 juni overgangsproeven of eindproeven georganiseerd. De eindproeven worden georganiseerd in het laatste leerjaar van de middelbare graad, van de hogere graad en van de specialisatiegraad. Binnen de academies voor Muziek, Woordkunst en Dans vinden de overgangs- en eindproeven plaats tussen 15 mei en 30 juni. De eindproeven worden hier georganiseerd in het laatste leerjaar van elke graad; de overgangsproeven in de andere leerjaren. Verspreide of gedeeltelijke proeven kunnen georganiseerd worden mits kennisgeving aan de inspectie. Voor bepaalde vakken worden geen proeven georganiseerd, of geldt er geen verplichting tot het afnemen van overgangsproeven. Tussen 15 augustus en 15 september worden van alle vakken

175


Vlaams Eurydice rapport 2003

uitgestelde proeven afgenomen van de leerlingen die om een gewettigde reden niet hebben kunnen deelnemen aan de proeven aan het einde van het schooljaar. De inrichtende macht kan beslissen om tijdens die periode ook herkansingsproeven te organiseren. De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de proeven ingericht aan het einde van het leerjaar waarvoor zij zijn ingeschreven. De leerlingen die meer dan 1/3 van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, worden niet toegelaten tot de proeven en zijn derhalve niet geslaagd. 7.13.7.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Kenmerkend is het ontbreken van elke vorm van formele evaluatie van de deelnemers. De vormingsinstellingen doen soms wel aan zelfevaluatie, zowel ten behoeve van de deelnemers, als ten behoeve van hun eigen werking.

7.14.

Diplomering

In deze paragraaf gaan we dieper in op de studiebekrachtiging binnen het volwassenenonderwijs (het OSP, het BIS, en de Basiseducatie), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), de Landbouwvorming, en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. 7.14.1.

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP)

Er zijn verschillende types van studiebewijzen voor het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP), die elk een beeld geven van de eigen aard van de studieresultaten van de student: een attest, een deelcertificaat, een certificaat, een getuigschrift, en een diploma. Een attest bekrachtigt een eenheid in het volgens de voorlopige structuurschema's modulair georganiseerd onderwijs. Een deelcertificaat bekrachtigt een (sub-)module in het modulair georganiseerd onderwijs. Op enkele uitzonderingen na, bekrachtigt een certificaat een modulaire opleiding of optie. Een getuigschrift bekrachtigt een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs en een lineaire opleiding of optie (uitz. de opties van de opleiding algemene vorming ASO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming). Een diploma bekrachtigt: 1) een optie van de opleiding algemene vorming ASO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming; 2) een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een getuigschrift van een opleiding of optie van de derde graad van een ander studiegebied voorzover dat diploma in het voltijds secundair onderwijs wordt uitgereikt; 3) een opleiding TSO of BSO van de derde graad van een ander studiegebied dan het studiegebied algemene vorming, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van secundair onderwijs, voor zover dat nieuw verworven diploma in het voltijds secundair onderwijs kan worden uitgereikt; en een opleiding van het hoger onderwijs met uitzondering van het pedagogisch hoger onderwijs.


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

Het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 regelt de vereenvoudiging en een harmonisering van de terminologie van de studiebewijzen binnen het leerplicht- en volwassenenonderwijs. In een overgangsperiode kan er een supplement toegevoegd worden aan het studiebewijs waarop vermeld wordt hoe de vroegere benaming luidde en met de vermelding erbij dat dit hetzelfde civiele effect inhoudt (persmededeling Vlaamse regering 2003). 7.14.2.

Begeleid Individueel Studeren (BIS)

Als men alle taken van een BIS-cursus maakt, wordt op het einde automatisch een attest verleend. Het betreft echter geen erkend studiebewijs. Onrechtstreeks draagt BIS toch bij tot het bekomen van erkende certificaten. Zo kan men bij BIS een opleiding volgen om het Europees Computer Rijbewijs (ECDL) te behalen, of een certificaat Preventie en Bescherming op het Werk. Een aantal BIS-cursussen werd tevens ontwikkeld ter voorbereiding op selecties voor statutairen en bevorderingsexamens van Selor, het Selectiebureau van de Federale Overheid. Voorts is er een aanbod dat voorbereidt op examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, algemeen secundair onderwijs (ASO), de vroegere middenjury (Decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, http://www.ond.vlaanderen.be, 2004). 7.14.3.

Basiseducatie

De opleidingenstructuur van de Basiseducatie voorziet in een stelsel van certificering waarbij een module recht geeft op een deelcertificaat en een opleiding wordt afgesloten met een certificaat. Opleidingen kunnen worden aangeboden tot op het niveau van de eerste graad van het secundair onderwijs, rekening houdend met het specifieke doelpubliek. Dit is het geval voor Nederlands als moedertaal, wiskunde en maatschappij-oriĂŤntatie. Deze opleidingen behoren tot het zogenaamde analoge aanbod en leiden tot een certificaat voor de opleiding. De andere opleidingen worden tot het niet-analoge aanbod gerekend. Het gaat hier om Nederlands als tweede taal, alfabetisering in de eigen taal, ICT en de opstapcursussen Frans en Engels. Het niet-analoge aanbod leidt tot (deel)certificaten die toegang geven tot een hoger niveau van dezelfde opleiding bij een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) of bij een andere opleidingsverstrekker. 7.14.4.

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)

Deelnemers kunnen een attest krijgen voor bepaalde opleidingen die ze hebben gevolgd (bij webleercursussen bekomt men altijd een getuigschrift). Dergelijke attesten hebben geen formele of wettelijke waarde; zij worden niet erkend als equivalent met de erkende studiebewijzen van de eigenlijke onderwijssector. 7.14.5.

Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO)

Wanneer de leertijd door de leerling met succes wordt afgerond, ontvangt de leerling een attest dat hem/haar recht geeft op toegang tot de ondernemersopleiding. Met dit attest voldoet hij/zij eveneens aan de vestigingseisen inzake beroepskennis voor het merendeel van de gereglementeerde beroepen. Dit

177


Vlaams Eurydice rapport 2003

certificaat is echter niet equivalent met een diploma van voltijds secundair onderwijs. Na het met succes beëindigen van een ondernemersopleiding krijg men een diploma dat beantwoordt aan de eisen van de vestigingswet. Daarnaast ontvangt men een getuigschrift van de basiskennis van bedrijfsbeheer, waarmee men voldoet aan de Programmawet over de vereisten van bedrijfsbeheer (VIZO, http://www.vizo.be, 2004). Bepaalde cursussen bieden de mogelijkheid tot het bekomen van officieel erkende getuigschriften/ diploma's (Syntra Provincies Antwerpen en Vlaams Brabant vzw, http://www.syntra-ab.be, 2004). 7.14.6.

Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

Bij het succesvol beëindigen van elk leerjaar en elke graad ontvangt de leerling respectievelijk een (eind)attest en een (kwalificatie)getuigschrift. Dit document heeft geen ‘civiel effect’, maar toont enkel aan dat men een bepaald niveau aankan. De opleiding biedt natuurlijk wel een stevige basis aan jongeren die

wensen

aan

te

vangen

met

een

opleiding

binnen

het

hoger

kunstonderwijs

(b.v.

muziekconservatorium, toneel- en kleinkunstopleidingen, dansopleidingen) (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2001). In sommige gevallen zijn de uitgereikte certificaten equivalent met certificaten van het secundair onderwijs. 7.14.7.

Landbouwvorming

Na het succesvol volgen van een aantal opleidingsstappen, bekomt men een installatieattest ten behoeve van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. De Kamers van Ambachten en Neringen aanvaarden het installatieattest als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer voor het verkrijgen van een handelsregister. Een installatieattest is vanaf 1 januari 1997 verplicht voor al wie geen diploma kan voorleggen van een volledige cyclus land- of tuinbouwgericht onderwijs van minstens het niveau hoger secundair onderwijs (dus ook na het lager secundair land- of tuinbouwonderwijs of 4 jaar secundair beroepsonderwijs) en een beroep wenst te doen op de tussenkomsten van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds voor de eerste installatie op een land- of tuinbouwbedrijf (Ministerie van de Vlaamse

Gemeenschap,

beleidsdomein

Landbouw

&

Visserij,

http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/nieuws/landvorm.html, 2004). 7.14.8.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Deelnemers kunnen op hun verzoek en/of op initiatief van de organisatie na afloop van een cursus of andere leeractiviteit een leerbewijs krijgen. Bij een beperkt educatief aanbod wordt ook getest – theoretisch en/of door vaardigheidstesten – of bepaalde competenties verworven zijn door de deelnemers. In dit geval zal in de toekomst een competentiebewijs worden uitgereikt, dit in navolging van het ‘Advies Erkenning Verworven Competenties’ dat door de DIVA werd overgemaakt aan de Vlaamse Regering.

7.15.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt

In deze paragraaf betreffende loopbaanbegeleiding in het geheel van opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen gaan we exemplarisch in op de specifieke begeleiding die cursisten van


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ontvangen, met het oog op het versoepelen van de relatie opleiding-tewerkstelling. Naast training en opleiding biedt de VDAB nog andere doeltreffende diensten aan. Zo is er binnen de VDAB een dienst voor arbeidsbemiddeling, een (loopbaan)begeleidingsdienst en een dienst voor outplacement. Naast de klassieke media zijn vooral de WIS-kiosken en de uitgebreide toepassingen op het internet belangrijke hulpmiddelen. WIS is een jobcomputer met jaarlijks meer dan 120.000 werkaanbiedingen. Op het vlak van internettoepassingen dient de KISS-sollicitantenbank vermeld te worden, een gratis databank met cv's van meer dan 60.000 sollicitanten. Voorts zijn er ook nog ‘Lokale Werkwinkels’ die alle diensten samenbrengen die men kan raadplegen wanneer men op zoek is naar werk. Met het oog op het ondersteunen van mensen die hun eigen loopbaan in handen willen nemen, biedt de VDAB loopbaandiensten aan in competentiecentra. In deze centra helpen VDAB-loopbaanbegeleiders mensen om loopbaankeuzes te bepalen en een persoonlijk ontwikkelingsplan op te stellen. Dergelijk loopbaanadvies gebeurt vaak op vraag van de werkgever. In dat geval draagt het advies en de begeleiding van de VDAB bij tot de onderlinge optimale afstemming van de behoeften en competenties van de medewerkers en de noden van het betreffende bedrijf. Als werknemer kan men ook op eigen initiatief naar een competentiecentrum stappen. Voor diegenen die nog geen werk hebben, biedt de VDAB de mogelijkheid tot trajectbegeleiding, of “jobbegeleiding op maat”. Uit 7.4.6.2.3. De methode van deze ‘trajectbegeleiding’ werd begin jaren 1990 geïntroduceerd. Deze methode impliceert diepgaande en persoonlijke begeleiding van de werkloze en bestaat uit verschillende stappen zoals sollicitatietraining, opleiding, persoonsgerichte vorming, begeleiding naar de arbeidsmarkt, hulp bij het begin van de tewerkstelling en hulp en begeleiding op de werkplaats. In 2002 participeerden er 209 werknemers en 5.235 werkzoekenden in de ‘trajectbegeleiding’. Aan de sollicitatietraining en –begeleiding namen in 2002 38 werknemers en 8.204 werkzoekenden deel; aan de persoonsgerichte vorming (3.457 werknemers en 6.759 werkzoekenden) (MVG, departement Onderwijs, 2003). Naast trajectbegeleiding, kan een werkloze in zijn zoektocht naar een gepaste job via de VDAB-website ook een beroep doen op de CO.BR.A.-databank (COmpetentie- en BeroepenRepertorium voor de Arbeidsmarkt) die 550 beroepenfiches bevat. Uiteraard is deze databank ook voor niet-werkloze geïnteresseerden toegankelijk. Een ander instrument is de VDAB-beroepenoriëntatie die aan de hand van een vragenlijst duidelijk maakt welke beroepen bij een persoon passen. De VDAB heeft ten slotte ook commerciële diensten (t-interim en t-consult). Deze werden in het najaar van 2002 gebundeld en geprivatiseerd in t-groep NV. Deze groep huisvest twee diensten: het uitzendkantoor t-interim, en Ascento, dat het volledige pakket 'human capital services' integreert. Ascento helpt een bedrijf de meest geschikte kandidaat voor een job te selecteren en zo de bedrijfsdoelen te realiseren.

7.16.

Privé-onderwijs

De privé onderwijssector heeft zich eveneens ingelaten met afstandsonderwijs (cf. BIS) –als vorm van volwassenenonderwijs- en heeft ‘scholen’ of centra opgezet in verschillende steden en gemeenten, vooral in de sector van talen en informatietechnologie. Dit privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land echter niet wettelijk gereglementeerd en bijgevolg ook niet van overheidswege gefinancierd of gesubsidieerd. Officiële gegevens omtrent het privé-onderwijs zijn onbestaande. De diploma's afgeleverd

179


Vlaams Eurydice rapport 2003

door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privĂŠ-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs (SIDIN 2004-2005, http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/ wnhso2004-2005.pdf).

7.17.

Statistieken

De volgende reeks tabellen bevatten statistische gegevens omtrent volwassenenonderwijs, permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen in Vlaanderen. Tabel 36: Aantal deelnemers in het onderwijs voor sociale promotie (referentieperiode: 1 februari 2002- 31 januari 2003) Gesubsidieerd

Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

onderwijs

vrij onderwijs

21.725

39495

23.138

84.358

60.495

69.326

51.420

181.241

2.841

5.707

2.018

10.566

4.086

8.275

3.165

15.526

officieel

Totaal

onderwijs

Secundair onderwijs Lineair Secundair onderwijs Modulair Hoger onderwijs Lineair Hoger onderwijs Modulair

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 37: Aantal ingeschreven cursisten in het Begeleid Individueel Studeren in 2002 Studiegebied

Aantal deelnemers

Talen

13.528

Informatica

5.745

Wetenschappen

1.665

Varia

811

Administratie

831

Wiskunde

794


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

Economie

1.329

Techniek

122

Totaal

24.825

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 38: Aantal cursisten in de Basiseducatie (schooljaren 1999-2003) Mannen

%

Vrouwen

%

Totaal

1999-2000

7.788

40,0

11.684

60,0

19.472

2000-2001

8.460

39,9

12.753

60,1

21.213

2001-2002

10.462

39,6

15.925

60,4

26.387

2002-2003

10.456

42,4

14.206

57,6

24.662

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 39: Aantal financierbare leerlingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) op 1 februari 2003, naar inrichtende macht en studierichting Onderwijsnet

Beeldende Kunsten

Muziek/dans/woordkunst

Gemeenschapsonderwijs

2.464

6.752

Gesubsidieerd officieel onderwijs

48.639

86.837

Gesubsidieerd vrij onderwijs

3.029

2000

Totaal

54.132

95.589

Totaal DKO: 149.721 (MVG, departement Onderwijs, 2003). Tabel 40: Aantal onderwijsinstellingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), in 2002-2003 Onderwijsnet

Beeldende Kunst

Muziek/Woordkunst/Dans

Totaal

Gemeenschapsonderwijs

5

10

15

Gesubsidieerd vrij onderwijs

5

3

9

Gesubsidieerd officieel onderwijs

56

88

143

Totaal

66

101

167

181


Vlaams Eurydice rapport 2003

(MVG, departement Onderwijs, 2003). Tabel 41: Behaalde getuigschriften/ diploma’s bij de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs in 2002 Eerste zittijd

Tweede zittijd

1ste afdeling: getuigschrift 1ste graad

15

10

1ste afdeling getuigschrift 2de graad

39

27

2de afdeling (ASO)

65

47

3de afdeling (TSO/KSO/BSO)

150

151

4de afdeling: diploma ziekenhuisverpleegkunde

4

4

4de afdeling: diploma psychiatrische verpleegkunde

/

1

Totaal

273

240

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 42: Aantal beĂŤindigde opleidingen bij de Vlaamse dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), opgesplitst naar activiteit / werknemers-werkzoekenden (2002) Werknemers

Werkzoekenden

Totaal

Beroepsspecifieke opleidingen

56.363

42.400

98.763

Persoonsgerichte vorming

3.457

6.749

10.206

Sollicitatietraining en begeleiding

38

8.204

8.242

Trajectbepaling

209

5.235

5.444

Begeleiding/opleiding op de werkvloer

/

48

48

Centra opgericht m.m.v. ondernemingen /

144

144

Erkende centra

/

532

532

Individuele opleiding

/

7.755

7.755

Profielbepaling

/

23.412

23.412

VDAB-Centra

Andere centra

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 43: Het aantal cursussen, lesuren en cursisten voor het cursusjaar 2002-2003 aan het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) Cursussen

Lesuren

Cursisten


Hoofdstuk 7: Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

Leertijd Maatschappijgerichte vorming

429

45.628

5.500

Beroepsgerichte vorming

659

72.049

5.958

Bedrijfsbeheer

496

49.454

7.158

Beroepskennis

1.880

208.770

23.330

Ondernemersopleiding

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 44: Aantal sociaal-culturele organisaties en kernrealisaties 2002 Verenigingen aantal

56

aantal lokale afdelingen en groepen*

12.870

aantal uren kadervorming

4.491.50.00

Vormingsinstellingen aantal

42

aantal gepresteerde uren

159.994

aantal deelnemersuren

2.643.037

Diensten aantal

38

aantal gerealiseerde basisfuncties

271

waarvan basisfuncties educatieve activiteiten**

46

* een lokale afdeling actief als ze minstens 6 activiteiten met 12 deelnemers organiseert ** een basisfunctie 'educatieve activiteit' = 150u (Jaarverslag 2002 Afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk, samenvatting SoCiuS)

183


HOOFDSTUK 8. ONDERWIJZEND PERSONEEL

Algemeen kunnen er in het basis- en secundair onderwijs vier verschillende types van leerkrachten worden onderscheiden (Decreet van 16 april 1996): de ‘leraar kleuteronderwijs’ die algemeen en sociaal-opvoedend onderwijs geeft aan kinderen van drie tot zes jaar; de ‘leraar lager onderwijs’ die algemeen en sociaal-opvoedend onderwijs geeft aan kinderen van zes tot twaalf jaar; de ‘leraar secundair onderwijs - groep 1’ die opgeleid is om les te geven in de eerste en de tweede graad secundair onderwijs, in sommige opleidingseenheden van de derde graad technisch secundair onderwijs, en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs; de ‘leraar secundair onderwijs - groep 2’ die opgeleid is om les te geven in de tweede, derde en vierde graad van het secundair onderwijs. De initiële lerarenopleidingen zijn gericht op het verwerven van de basiscompetenties voor een bepaald leraarstype. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de initiële lerarenopleiding en de academische initiële lerarenopleiding. De initiële lerarenopleiding voor de eerste drie lerarentypes wordt gegeven aan de hogescholen. De ‘leraar secundair onderwijs - groep 2’ volgt een initiële academische lerarenopleiding aan de universiteiten

of

in

het

hogeschoolonderwijs

van

twee

cycli

(voor

de

studiegebieden

‘handelswetenschappen en bedrijfskunde’, ‘audiovisuele en beeldende kunst’ en ‘muziek en dramatische kunst’). De ambten van het onderwijzend personeel van de hogescholen worden in drie groepen ingedeeld. Groep 1 omvat de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector. Groep 2 bestaat uit het assisterend personeel: de assistent, de doctor-assistent en de werkleider. Groep 3 ten slotte, bestaat uit de docenten, hoofddocenten, en (gewoon) hoogleraars. De ambten van de eerste groep kunnen uitsluitend worden verleend in het hoger onderwijs van één cyclus, die van de tweede groep uitsluitend in het hoger onderwijs van twee cycli, terwijl de ambten van de derde groep, zowel in het hoger onderwijs van één cyclus, als in het hoger onderwijs van twee cycli kunnen worden verleend. Sinds het decreet van 12 juni 1991 bestaat er aan de universiteiten geen onderwijzend personeel meer. In de plaats daarvan is er het academisch personeel dat naast het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ook het verschaffen van academisch onderzoek tot taak heeft, al dan niet in ondergeschikt verband. Bij het zelfstandig academisch personeel bestaan de volgende graden: docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar. Bij het assisterend academisch personeel bestaan de graden ‘assistent’ en ‘doctor-assistent’. De leden van het zelfstandig academisch personeel hebben onder meer de opdracht academisch onderwijs in het vakgebied of de vakgebieden die hen zijn toegewezen te verschaffen. De onderwijsopdracht kan geheel of gedeeltelijk bestaan uit de begeleiding van studenten bij


Vlaams Eurydice rapport 2003

scripties

of

eindverhandelingen

en

van

promovendi

tijdens

de

voorbereiding

van

hun

doctoraatsproefschrift. De leden van het assisterend academisch personeel staan de leden van het zelfstandig academisch personeel bij in hun opdracht. Binnen de formatie van het assisterend academisch personeel kunnen de universiteiten praktijkassistenten of praktijklectoren aanstellen die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs. Ook doctor-assistenten, gepromoveerde onderzoekers van de universiteiten of van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen kunnen belast worden met het verstrekken van onderwijs. Voor het academisch personeel aan de universiteiten en het onderwijzend personeel in de hogescholen bestaat geen formeel initieel opleidingsprogramma.

8.1.

Initiële lerarenopleiding

In deze paragraaf gaan we dieper in op de initiële opleiding tot leerkracht basisonderwijs en leerkracht secundair onderwijs groep – 1 of groep - 2. Het tertiair onderwijs komt niet aan bod, gezien er geen formele initiële lerarenopleiding bestaat voor het onderwijzend personeel aan hogescholen en universiteiten. 8.1.1.

Historisch overzicht

In deze paragraaf bespreken we de initiële opleiding tot leerkracht basisonderwijs en leerkracht secundair onderwijs in Vlaanderen, in historisch perspectief. 8.1.1.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs groep - 1

Vroeger werden de opleidingen van leerkracht voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs in aparte instellingen georganiseerd, nl. de normaalscholen. Oorspronkelijk ging het om een soort van hoger secundair onderwijs, om dan later tot het hoger onderwijs te gaan behoren. Vanaf 1970 zijn de normaalscholen geïntegreerd in het structurele kader van het hoger onderwijs. Na de fusieoperatie van 1995, zijn deze instellingen departementen voor lerarenopleiding geworden binnen de nieuwe gefusioneerde hogescholen. 8.1.1.2.

Leerkrachten secundair onderwijs groep - 2

In 1929 werd bij wet een minimalistisch deeltijds schema voor de lerarenopleiding aan de universiteit vastgelegd dat complementair was met de gekozen studierichting. Veel pogingen zijn ondernomen om deze wet te wijzigen. Pas in 1996 had men succes. De actuele organisatie van de lerarenopleiding heeft vorm gekregen door het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. 8.1.2.

Actuele discussies

Momenteel zijn er discussies aan de gang omtrent een eventuele hervorming van de initiële lerarenopleiding in Vlaanderen. Een belangrijke vraag hierbij is of de lerarenopleiding een plaats kan


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

vinden in de nieuwe structuur van het hoger onderwijs waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de graden van bachelor en master (cf. Decreet van 4 april 2003). 8.1.3.

Wettelijk kader

In deze paragraaf gaan we dieper in op de onderwijswetgeving met betrekking tot de initiële opleiding tot leerkracht in Vlaanderen. 8.1.3.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De volgende decreten en besluiten regelen de initiële lerarenopleiding voor de leraren kleuteronderwijs, lager onderwijs, en secundair onderwijs – groep 1. Het Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994. Het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in Vlaanderen. Het Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren van 15 december 1998. 8.1.3.2.

Leraren secundair onderwijs - groep 2

Leraren secundair onderwijs - groep 2 krijgen een academische initiële lerarenopleiding aan een universiteit of hogeschool. Het wettelijk kader van die academische initiële lerarenopleiding bestaat uit de volgende decreten en besluiten. Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de universiteit). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet van 15 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

187


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.1.4.

Instellingen, niveau en opleidingsmodellen

In deze paragraaf behandelen we de volgende aspecten van de initiële opleiding tot leerkracht: de instellingen waarin de opleiding wordt verstrekt, het kwalificatieniveau, de opleidingsduur, en het opleidingsmodel dat wordt gevolgd. 8.1.4.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De initiële lerarenopleiding voor leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs – groep 1 wordt georganiseerd door de inrichtende machten die verantwoordelijk zijn voor de hogescholen. Zij bieden dit in een basisopleiding van één cyclus aan (studiegebied ‘onderwijs’). De opleiding duurt 3 jaar, en volgt het concurrente model. Het Decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt regelt de zelfstandige stage die de student in het derde studiejaar van een initiële lerarenopleiding van één cyclus uitvoert in een stageschool. Tijdens de zelfstandige stage neemt de student zelfstandig taken over van de leraar. De hogeschool sluit met de stageschool en de student een overeenkomst af waarin volgende zaken worden vermeld: de duur: (min. zes en max. negen weken); de periode van het schooljaar waarin deze stage plaatsgrijpt; de opdrachten die de stagiair moet opnemen; hoe en door wie de stagebegeleiding gebeurt vanuit zowel de hogeschool als de stageschool; de voorwaarden die de stageschool aan de stagiair oplegt; wie in overleg met de hogeschool de stagiair evalueert; en welke opleidingsonderdelen voor de betrokken student de zelfstandige stage vervangt. De zelfstandige stage geldt voor de schooljaren 20012002, 2002-2003 en 2003-2004 8.1.4.2.

Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

De academische initiële lerarenopleiding wordt georganiseerd door de faculteiten of departementen die eveneens instaan voor de organisatie van de betrokken basisopleiding aan de universiteiten. Hetzelfde is het geval voor de initiële lerarenopleiding van academisch niveau aan de hogescholen. De academische initiële lerarenopleiding volgt het consecutieve model. Wat de academische initiële lerarenopleiding aan de universiteiten betreft, worden tijdens de tweede cyclus minimum 270 uren onderwijs- of andere studieactiviteiten voor de academische initiële lerarenopleiding aangeboden. Voor de afgestudeerden die dit onderdeel niet hebben gevolgd, moet dit deeltijds worden ingericht. Tevens worden, gedeeltelijk of volledig parallel met, of na de tweede cyclus tussen de 600 en de 750 uren onderwijs- of andere studieactiviteiten voor de academische initiële lerarenopleiding ingericht, waarvan minstens 1/3 begeleide onderwijspraktijk (Decreet van 12 juni 1991). De praktijk vormt een belangrijke component in de opleiding. Aan de Universiteit Antwerpen (UA) vinden sommige vormen van praktijk plaats op de universiteit (instituutspracticum), andere op scholen (schoolpracticum). In het kader van het schoolpracticum wordt de student bij het begin van de opleiding zo snel mogelijk verbonden met één of twee stagescholen, om zo snel mogelijk met de onderwijspraktijk te worden geconfronteerd. De praktijk omvat onderwijskundige en didactische opdrachten (studiebelasting van 120 uur) bedoeld om kennis te maken met diverse aspecten van het reële schoolleven


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

(b.v. les- en klasobservaties, klassenraad, omgang met probleemleerlingen, e.d.); alsook een lesstage (studiebelasting van 150 uur) (Studiegids academische lerarenopleiding UA 2003-2004). Wat de academische initiële lerarenopleiding aan de hogescholen betreft, kan er aansluitend bij de basisopleidingen van twee cycli in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele en beeldende kunst of muziek en dramatische kunst, een initiële lerarenopleiding van academisch niveau worden georganiseerd (Decreet van 13 juli 1994). De academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool kan tijdens of na de basisopleiding worden gevolgd. De concrete spreiding en duur van de opleiding verschilt echter naargelang studiegebied en instelling. 8.1.5.

Toelatingsvoorwaarden

In deze paragraaf gaan we kort in op de toelatingsvoorwaarden verbonden aan de initiële opleiding tot leerkracht. 8.1.5.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De toelatingsvoorwaarden zijn identiek aan die van het hoger onderwijs in het algemeen (zie paragraaf 6.6.). Voor de inschrijving in een bachelorsopleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend (Decreet van 4 april 2003). 8.1.5.2.

Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de universiteit geldt het bezit van een diploma van de eerste cyclus van een academische opleiding als toelatingsvoorwaarde. Het universiteitsbestuur kan ook personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit in het buitenland -voorzover dit diploma een opleiding van ten minste vier jaar afrondt- toelating geven tot de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding. In dat geval kan het universiteitsbestuur de inschrijving afhankelijk maken van het volgen van sommige opleidingsonderdelen van een academische opleiding (Decreet van 12 juni 1991). Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van een basisopleiding van academisch niveau (Decreet van 13 juni 1997). 8.1.6.

Curriculum, specifieke vaardigheden en specialisatie

In deze paragraaf besteden we aandacht aan het curriculum, en de specifieke specialisaties binnen de initiële opleiding tot leerkracht in Vlaanderen, uitgesplitst naar onderwijsniveau.

189


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.1.6.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

Het is decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun verschillende lerarenopleidingen bepalen. De opleidingsprogramma's van de lerarenopleidingen omvatten ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen. Voor de opleiding van de leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs - groep 1, bedraagt de minimumomvang van de gemeenschappelijke stam van de basiscompetenties 45 studiepunten (Decreet van 16 april 1996). In de opleidingen voor de leraar secundair onderwijs – groep 1 zijn verschillende opties of specialisaties mogelijk. Elke opleiding bestaat uit een basiscluster van opleidingseenheden en uit één of meerdere opleidingseenheden voor uitdieping. Deze uitgediepte opleidingseenheid geeft aan de afgestudeerde het recht om in de hogere graden van het secundair onderwijs les te geven. Het uitdiepingsvak moet in regel behoren tot de gekozen basiscluster. Elke basiscluster moet overeenkomen met een waarde van drie punten.

Dergelijke basisclusters zijn in theorie een vrije combinatie van verschillende

opleidingseenheden die samen tellen voor 3 punten (Decreet van 16 april 1996). In de realiteit hangen de keuzes af van wat het opleidingsprogramma van het departement aanbiedt. Opleidingseenheden met een waarde van één punt zijn: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, fysica, Latijn, biologie, Frans, Nederlands, godsdienst, niet-confessionele, economie, technisch-technologische opvoeding, informatica en burotica, kleding, bewegingsrecreatie, project algemene vakken (voor het beroepssecundair onderwijs). Opleidingseenheden met een waarde van twee punten zijn: a) mechanica-electriciteit, voeding/ verzorging - kleding, bio-esthetiek - haartooi, hout-bouw, biotechnieken-land-tuinbouw, b) muziek, plastische kunsten en lichamelijke opvoeding. De opleidingseenheid ‘bewegingsrecreatie’ kan enkel worden gekozen in combinatie met de opleidingseenheid ‘lichamelijke opvoeding’. Eén van de opleidingseenheden van de basiscluster – met uitzondering van Latijn en technischtechnologische opvoeding – kan als uitdiepingseenheid worden gekozen. Aanvullend kunnen volgende vakken voor uitdieping worden genomen: Duits; Chemie (enkel voor kandidaten die fysica en biologie als kernmodule hebben gekozen). Twee opleidingseenheden kunnen worden uitgediept voor zover deze zijn: de opleidingseenheid project algemene vakken in combinatie met één opleidingseenheid uit volgende groep: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, wiskunde, fysica, biologie, Frans, Nederlands, godsdienst, niet-confessionele zedenleer, economie. Voor elk van de gekozen vakken wordt naast de theoretische kennis, eveneens de didactiek en de praktijk van het lesgeven aangeleerd en ingeoefend.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.1.6.2.

Leerkrachten secundair onderwijs groep - 2

Ook met betrekking tot de academische initiële lerarenopleiding werd decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun lerarenopleidingen bepalen (Decreet van 16 april 1996). Aan de hogeschool voor Wetenschap en Kunst (VLEKHO) bijvoorbeeld, bestaat de academische initiële lerarenopleiding in het academiejaar 2002-2003 uit contactonderwijs (algemene didactiek, didactiek van de handelswetenschappen, historische pedagogiek en onderwijswetgeving), begeleide onderwijspraktijk (simulatielessen, capita selecta didactiek en stage) en studie-activiteiten uit de basisopleiding (leidinggeven en personeelsbeleid, seminarie loopbaanperspectieven en –planning en bedrijfsethiek) (brochure academische initiële lerarenopleiding handelswetenschappen VLEKHO). Aan de Universiteit Antwerpen bestaat de academische initiële lerarenopleiding –naast de brugvakkenuit 7 specifieke modules, namelijk: Onderwijskunde–Oriëntatie, Onderwijskunde–Onderwijs en Psychologie, Onderwijskunde–Verbreding en Verdieping, Onderwijskunde–Onderwijs en Samenleving, Didactiek per discipline (deel 1), Didactiek per discipline (deel 2) en Stage (Uit: studiegids academische lerarenopleiding UA 2003-2004). 8.1.7.

Evaluatie, diploma’s

In deze paragraaf gaan we dieper in op het evaluatiesysteem en de uitgereikte diploma’s binnen de initiële opleiding tot leerkracht in Vlaanderen. Om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren dient iedere afgestudeerde over de relevante basiscompetenties (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes) te beschikken. Deze basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening). Elk profiel bevat op zijn minst zowel gemeenschappelijke competenties voor alle leerkrachten inzake kennis, vaardigheden en attitudes, als specifieke competenties die verbonden zijn met een bepaald onderwijsniveau. De competenties van het gemeenschappelijk gedeelte van de opleiding vertegenwoordigen een studielast van minstens 45 studiepunten. In het Decreet van 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing worden de volgende 10 profielen onderscheiden: de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen; de leraar als opvoeder; de leraar als inhoudelijk expert; de leraar als organisator; de leraar als innovator – de leraar als onderzoeker; de leraar als partner van de ouders/verzorgers; de leraar als lid van een schoolteam; de leraar als partner van externen; de leraar als lid van de onderwijsgemeenschap; en de leraar als cultuurparticipant. Elk profiel wijst op bepaalde vaardigheden die leraren moeten hebben. Daarenboven worden er tien attitudes vermeld die aan toekomstige leerkrachten moeten worden geleerd, nl. 1) beslissingsvermogen, 2) openheid voor relaties met anderen, 3) kritische ingesteldheid,

4)

leergierigheid,

5)

organisatievermogen,

6)

zin

voor

samenwerking,

7)

verantwoordelijkheidszin, 8) creatieve gerichtheid, 9) flexibiliteit, en 10) gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie. In 2002 heeft de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) de opdracht gekregen om de formulering van de basiscompetenties te verfijnen en te graderen (startcompetenties/basiscompetenties).

191


Vlaams Eurydice rapport 2003

Algemeen geldt aan Vlaamse hogescholen en universiteiten dat niemand door de examencommissie van een bepaald studiejaar geslaagd kan worden verklaard voor dat studiejaar tenzij hij/zij alle examens die horen bij het opleidingsprogramma van dat studiejaar, heeft afgelegd. De geëxamineerde kan zich in de loop van een zelfde academiejaar maximaal tweemaal voor dezelfde examens of examengedeelten aanmelden (Decreet van 4 april 2003) (zie paragraaf 6.1.4.). 8.1.7.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs - groep 1

De initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs geeft uitzicht op het bachelorsdiploma ‘initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs’. De initiële lerarenopleiding lager onderwijs wordt afgerond met het bachelorsdiploma ‘initiële lerarenopleiding lager onderwijs’.

De initiële lerarenopleiding secundair

onderwijs – groep 1 leidt tot het bachelorsdiploma ‘initiële lerarenopleiding secundair onderwijs - groep 1’. 8.1.7.2.

Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

De academische graad die men verkrijgt na het afmaken van de academische initiële lerarenopleiding is die van ‘geaggregeerde van het secundair onderwijs - groep 2’. Oorspronkelijk wordt naar dit type van leerkracht gerefereerd door middel van zijn discipline-georiënteerde titel van licentiaat of meester (voor kunstrichtingen). 8.1.8.

Alternatieve opleidingswegen

Binnen het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (zie hoofdstuk 7) op het niveau van het hoger onderwijs van korte type wordt een opleiding georganiseerd tot het behalen van een Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB-opleiding). Deze opleiding is –als vorm van alternatieve initiële opleiding tot leerkracht- bedoeld voor alle personen die een leraarsambt wensen uit te oefenen en is trouwens een vereiste om vast benoemd te kunnen worden. Het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid geldt als bewijs van pedagogische bekwaamheid, en geeft in combinatie met een basisdiploma, onderwijsbevoegdheid in graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs. De GPB- opleiding wordt modulair georganiseerd, in die zin dat de leerstof wordt onderverdeeld in een aantal modules. Door deze opdeling kan de cursist zelf het studiepakket samenstellen en de duur van de studie bepalen. Het centrum voor volwassenenonderwijs is vrij om een modulaire opleiding over een gedeelte van het jaar of over een heel jaar te spreiden. Dit betekent ook dat de opleidingen op verschillende ogenblikken van het jaar kunnen starten. De kandidaat-leerkrachten krijgen naast algemene vorming een grondige psycho-pedagogische en didactische opleiding. Om als regelmatig cursist toegelaten te worden tot de GPB-opleiding dient men houder te zijn van één van de hierna volgende studiebewijzen : diploma van secundair onderwijs; brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs; diploma van het voltijds hoger onderwijs; getuigschrift of diploma van een hogere secundaire technische leergang; of diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. Een kandidaat-


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

cursist die niet over één van deze studiebewijzen beschikt kan toch toegelaten worden als hij/zij : ten minste 21 jaar wordt in het kalenderjaar waarin hij zich voor het eerst inschrijft, en slaagt voor een toelatingsexamen of een aanvullend programma volgt.

8.2.

Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel

De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. Zij zijn de werkgevers van de leerkracht. De modaliteiten voor rekrutering, evaluatie, benoeming, ontslag,... zijn voor het basis- en secundair onderwijs bij decreet vastgelegd door de Vlaamse overheid, in de hoedanigheid van financier (Heyvaert & Janssens, 2001). Het statuut van het onderwijzend personeel wordt geregeld door twee decreten, één voor het officieel onderwijs en één voor het gesubsidieerd onderwijs (beide van 27 maart 1991). Deze decreten (van 27 maart 1991) zijn van toepassing op de personeelsleden van het basis-, het secundair, het buitengewoon, het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs, de Centra voor Leerlingenbegeleiding en de internaten.

De arbeidsvoorwaarden voor het personeel in het hoger

onderwijs worden geregeld door het Decreet van 13 juli 1994 voor de hogescholen en door het Decreet van 12 juni 1991 voor de universiteiten. Leden van het onderwijzend personeel in het (buiten)gewoon basis- en secundair onderwijs kunnen worden onderverdeeld naargelang ze een wervingsambt vervullen (b.v. leerkracht, begeleider, …), een selectieambt (b.v. adjunct-directeur, technisch adviseur, …) of een bevorderingsambt (b.v. directeur, technisch adviseur-coördinator. In het hoger onderwijs worden de ambten van het onderwijzend personeel ingedeeld in 3 groepen: praktijklector, hoofdpraktijklector, lector en hoofdlector (groep 1); assisterend personeel: assistent, doctor-assistent en werkleider (groep 2); en docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar (groep 3). De ambten van groep 1 komen uitsluitend voor in het hoger onderwijs van één cyclus, terwijl die van groep 2 enkel kunnen worden ingericht in het hoger onderwijs van 2 cycli. De ambten van groep 3 kunnen in beide voorkomen (Heyvaert & Janssens, 2003). Bij het academisch personeel aan de universiteiten wordt een onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig academisch personeel en het assisterend academisch personeel. Het zelfstandig academisch personeel kan worden opgesplitst in de volgende graden: docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar. Bij het assisterend academisch personeel bestaan de volgende graden: assistent, doctorassistent en praktijkassistent of –lector (Decreet van 12 juni 1991). 8.2.1.

Historisch overzicht

In deze paragraaf belichten we de huidige arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in historisch perspectief. Zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs regelt een statuut dat bij decreet is uitgevaardigd in 1991, de loopbaan van het personeel. Voor het gemeenschapsonderwijs was het de vervanging van de statuten van de jaren ’60. Voor het gesubsidieerd onderwijs betekende het de realisatie van een reeds sedert 1973 aangekondigd initiatief. Beide statuten zijn gekenmerkt door een streven om de regels op een minder rigide manier vast te leggen en door het verlenen van autonomie aan de plaatselijke inrichtende machten. Sedert hun ontstaan zijn de decreten van 1991 al herhaaldelijk gewijzigd en fundamenteel aangepast ingevolge structurele wijzigingen in enkele onderwijsniveaus:

193


Vlaams Eurydice rapport 2003

de hervorming van het secundair onderwijs; de omvorming van de PMS-centra en het MST tot centra voor leerlingenbegeleiding (CLB); het decreet betreffende het volwassenenonderwijs; het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 (voor het gemeenschapsonderwijs); De opeenvolgende wijzigingen hebben vereenvoudiging en overeenstemming tussen de onderwijsniveaus nagestreefd. Toch blijven er enkele verschillen bestaan (Heyvaert & Janssens, 2003). 8.2.2.

Actuele discussies

Begin april 2004 keurde de Commissie Onderwijs van het Vlaamse Parlement een verlenging van de vervangingspool (zie 8.2.5.) goed. De invoering van de vervangingspool wordt met een schooljaar verlengd. Er komt ook een evaluatie van de pool waarbij zal worden nagegaan of doelstellingen als het creĂŤren van betere arbeidsomstandigheden voor (jonge) vervangleerkrachten en het helpen van scholen in hun zoektocht naar vervangers zijn beantwoord. Ook de overige tijdelijke maatregelen zoals het opnieuw in actieve dienst treden, de betere betaling voor overwerk en bijbetrekking en de zelfstandige stages worden om dezelfde reden met een jaar verlengd. 8.2.3.

Wettelijk kader

In deze paragraaf gaan we dieper in op de wetgeving inzake de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht (ruimer: het onderwijzend personeel) in Vlaanderen. 8.2.3.1.

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs bestaat uit de onderstaande decreten. Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991. Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde Centra voor Leerlingenbegeleiding van 27 maart 1991. Decreet Basisonderwijs van 22 februari 1997. Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998. Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs van 14 juli 1998. Decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt (en bijkomend Decreet van 13 juli 2001 houdende wijziging van het Decreet van 8 juni 2000). Decreet betreffende het Onderwijs XIII- MozaĂŻek van 13 juli 2001.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.2.3.2.

Onderwijzend personeel in hogescholen

Het Decreet van 13 juli 1994 vormt het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. Titel III van dat decreet gaat meer specifiek in op de rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen. De gemeenschappelijke bepalingen hebben betrekking op de administratieve standen (dienstactiviteit, non-activiteit en terbeschikkingstelling), de evaluatie, de tucht, de toegang tot de ambten, de einde aanstelling en de definitieve ambtsneerlegging; terwijl de bepalingen specifiek voor het onderwijzend personeel ingaan op de samenstelling, de taakomschrijving en de opdracht, de werving, bevordering en ambtswijziging, de toegang tot de ambten, de bezoldigingsregeling, en de cumulatieregeling. 8.2.3.3.

Academisch personeel in universiteiten

Het Decreet van 12 juni 1991 en het Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap vormen het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de universiteiten. In het decreet wordt ondermeer dieper ingegaan op de samenstelling en opdrachten van het academisch personeel, de benoeming en aanstelling van het academisch personeel, de weddenschalen, vergoedingen en toelagen, en tenslotte ook de evaluatie. 8.2.4.

Planningsbeleid

Het Decreet van 8 juni 2000 bevat drie maatregelen om het tekort aan leraren te verminderen. Ten eerste zorgt het decreet voor een betere bezoldiging van overwerk en bijbetrekkingen. Deze maatregel is vooral van belang voor leerkrachten van het secundair onderwijs. Op niveau van het lager onderwijs betreft deze maatregel enkel het aan huis lesgeven. De tweede maatregel is het mogelijk terugroepen van leerkrachten die met verlof zijn, ter beschikking gesteld zijn wegens persoonlijke aangelegenheden, vroegtijdig op pensioen zijn, of gepensioneerd maar jonger dan 65 zijn. De voorwaarde hiervoor is dat de persoon in kwestie akkoord gaat om terug te komen. De derde maatregel is de belangrijkste. Deze maatregel houdt in dat er een vervangingspool van leerkrachten wordt opgericht (zie paragraaf 8.2.5.). Als reactie op de problemen om leerkrachten te vinden om afwezige leerkrachten te vervangen, heeft de regering een pool van leerkrachten gecreëerd die zorgt voor korte termijn vervangingen. Op deze manier wordt aan jonge leerkrachten werk- en loonzekerheid voor de periode van één jaar geboden. De inrichtende macht van de school beslist om al dan niet deel te nemen aan de pool. Buiten deze maatregelen bestaat er in Vlaanderen geen expliciet systeem van (onderwijs)planning omtrent vraag naar en aanbod van leerkrachten

195


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.2.5.

Toegang tot het beroep

In deze paragraaf gaan we dieper in op de toelatingsvoorwaarden tot het leerkrachtenberoep, alsook op de wijze van rekrutering (cf. vervangingspool). Ook deze aspecten maken deel uit van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen. 8.2.5.1.

Leerkrachten basis- en secundair onderwijs

De toegang tot het beroep van leerkracht in het kleuter-, lager en secundair onderwijs vereist het certificaat dat wordt verkregen bij een succesvolle beëindiging van de lerarenopleiding. In het bijzonder voor het secundair onderwijs wordt er nog een onderscheid gemaakt tussen drie soorten kwalificaties: de ‘vereiste bekwaamheidsbewijzen’, de ‘voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen’ en de ‘andere bekwaamheidsbewijzen’. De lijst van vereiste bekwaamheidsbewijzen definieert gedetailleerd welke

onderwijskwalificaties

vereist

zijn

om

een

bepaalde

activiteit

te

beoefenen.

De

bekwaamheidsbewijzen die als voldoende worden geacht bepalen welke kwalificaties worden aanvaard voor een bepaald ambt wanneer de vereiste kwalificaties ontbreken. De vereiste en voldoende geachte kwalificaties kunnen beide uitzicht geven op een vaste benoeming na een tijdelijke benoeming van minstens 240 dagen. De derde categorie van kwalificaties kan in overweging worden genomen bij een benoeming, maar dan enkel voor een tijdelijke en ad hoc-benoeming. Andere vereisten zijn (Decreten van 27 maart 1991): burger zijn van de Europese Unie (uitzonderingen zijn mogelijk gezien de Vlaamse regering vrijstellingen verlenen kan); in het bezit zijn van zijn/haar burger- en politieke rechten (de Vlaamse regering kan ook hier vrijstellingen verlenen); houder zijn van een bekwaamheidsbewijs, bepaald door de Vlaamse regering; voldoen aan de bepalingen van de taalwetten. Het Nederlands is de officiële onderwijstaal; van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een attest van goede zeden dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; voldoen aan de dienstplichtwetten. Recent heeft de Vlaamse overheid een vervangingspool van leerkrachten gecreëerd, deels om de toegang tot het leerkrachtenambt te vergemakkelijken Deze vervangingspool is een groep van leerkrachten die korte termijn vervangingen doen en beschikbaar zijn voor de hele Vlaamse regio en voor alle onderwijsnetten van het gewoon en buitengewoon lager en secundair onderwijs. De leerkrachten in deze pool zijn beschikbaar voor alle scholen die zich inschrijven voor de pool. De vervangingspool werd opgericht in het schooljaar 2000-2001 voor een periode van drie jaar. Elk jaar kondigt de regering het aantal leerkrachtenambten aan van de vervangingspool en de wijze van benoeming voor het volgende schooljaar. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) is verantwoordelijk voor de oprichting en het functioneren van de vervangingspool. De VDAB wijst elke toegelaten kandidaat toe aan een ankerschool en een


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

“onderwijszone”. De ankerschool is de school waar de leerkracht tewerkgesteld wordt gedurende de periodes dat hij of zij niet ingezet wordt voor een korte termijn vervanging. In deze school wordt de leerkracht aangesteld voor niet-reglementaire vervangingen, nascholing of andere pedagogische taken. Het doel van de vervangingspool is tweevoudig. Ten eerste is het de bedoeling om gemakkelijker interimarissen te vinden voor afwezige leerkrachten (zie paragraaf 8.2.7.). Ten tweede garandeert de pool werk- en loonzekerheid aan jonge afgestudeerde leerkrachten voor tenminste één jaar (zie paragraaf 8.2.8.). Niettemin concentreert de vervangingspool niet enkel op deze leerkrachten maar ook op terugkerende leerkrachten of andere werknemers die een leerkrachtencarrière overwegen zijn welkom. De vervangingspool is na één jaar werking bijgestuurd. Er werden een aantal kleine wijzigingen aangebracht die echter niets veranderen aan de algemene principes van de vervangingspool. Voor het schooljaar 2001-2002 hebben in het gesubsidieerd vrij onderwijs 24% van de basisscholen zich ingeschreven. 99% van de basisscholen van het gemeenschapsonderwijs zijn ingeschreven en 89% van de basisscholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs doen mee.

In het secundair onderwijs

participeren bijna alle scholen aan de vervangingspool. In het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn 96% van de secundaire scholen ingeschreven. Alle secundaire gemeenschapsscholen participeren aan de vervangingspool. 99% van de secundaire scholen uit het gesubsidieerd officieel onderwijs doen mee (Persdienst Minister Vanderpoorten, 15.06.2001). Zo’n 27% van de kandidaten die geselecteerd zijn voor de eerste lichting van de vervangingspool 2002 – 2003 zijn ouder dan 35. Dit bevestigt de trend dat er heel wat afgestudeerden, die in de periode van overaanbod aan leraren naar het bedrijfsleven uitweken, terug naar het onderwijs keren. Ook het aantal jongeren onder de 25 jaar stijgt tot 29,6 %. (Dep. Ond. PV/2002/7 – 21/8/02) 8.2.5.2.

Onderwijzend personeel in hogescholen

Voor de toegang tot een ambt van het personeel van de hogescholen gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: 1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie; 2° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 3° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs; 4° voldoen aan de bepalingen van de taalwetten ter zake; 5° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het beoogde ambt; 6° voldoen aan de dienstplichtwetten; en 7° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt (Decreet van 13 juli 1994). De formele kwalificatievereisten zijn (Verhoeven & Beuselinck, 1996): het diploma van hogeschoolonderwijs van 1 cyclus voor de ambten van praktijklector en hoofdpraktijklector; een diploma universitair onderwijs of een diploma hoger onderwijs van twee cycli voor de ambten lector, hoofdlector, assistent en werkleider; de graad van doctor voor het ambt van doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.

197


Vlaams Eurydice rapport 2003

Aan het vereiste bekwaamheidsbewijs worden bijkomende anciënniteitsvoorwaarden toegevoegd. Deze laatste kunnen worden gecumuleerd met nuttige beroepservaring die een onderdeel vormt van het vereiste bekwaamheidsbewijs. Kandidaten voor het ambt van gewoon hoogleraar moeten aan de volgende criteria beantwoorden (Verhoeven & Beuselinck, 1996): de instelling die aanwerft moet betrokken zijn in een gezamenlijk onderzoeksakkoord met een universiteit binnen het betrokken onderzoeksveld; hij/zij moet minstens zes jaren anciënniteit hebben in een ambt van groep 3 of equivalent daarmee; de wetenschappelijke bekwaamheden van de kandidaat moeten worden geëvalueerd door een commissie die bestaat uit drie gewone hoogleraren van drie verschillende Vlaamse universiteiten. Vier soorten administratieve toestanden zijn mogelijk: tijdelijke benoemingen, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. De leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of nietconfessionele zedenleer worden aangesteld door het Hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare oproep, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (Decreet betreffende het Onderwijs X). 8.2.5.3.

Academisch personeel in universiteiten

De formele kwalificatievereisten worden hieronder opgesomd (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Een belangrijke voorwaarde om tot lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) te worden benoemd, is een diploma van doctor op proefschrift of een diploma dat hiermee equivalent wordt geacht in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het ZAP benoemen of aanstellen. Om lid van het assisterend academisch personeel (AAP) te worden moet men houder zijn van een universiteitsdiploma van licentiaat of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. Voor een aanstelling tot praktijkassistent volstaat een diploma van de tweede cyclus van het hoger onderwijs van het lange type of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid één bedoelde, aanstellen tot assistent. In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.2.6.

Statuut

Een ander aspect dat integraal deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen houdt verband met zijn statuut. In deze paragraaf gaan we bijgevolg dieper in op de beroepspositie van leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs, en het onderwijzend personeel in de hogescholen en de universiteiten. 8.2.6.1.

Leerkrachten basis- en secundair onderwijs

Er kan worden gesteld dat leerkrachten bedienden zijn in de private onderwijsinstellingen en een soort van ambtenaren in de publieke onderwijsinstellingen. De Vlaamse regering heeft in de hoedanigheid van financier de modaliteiten voor rekrutering, benoeming, evaluatie, bevordering, ontslag en dergelijke vastgelegd. Het statuut van de leerkrachten is geregeld door twee decreten, één voor het gemeenschapsonderwijs en één voor het gesubsidieerd onderwijs, die beide dezelfde algemene principes bevatten. De twee vernoemde decreten van 27 maart 1991 voorzien in feite in een specifiek statuut voor de leerkrachten uit het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs, verschillend van het normale statuut van het personeel uit de publieke en private sector, omwille van het specifieke karakter en de speciale noden van het onderwijsveld. Op grond van het soort contract, kan er een onderscheid worden gemaakt tussen contractuelen, tijdelijken en vast benoemden (Heyvaert & Janssens, 2003). Op 1 januari 2002 bestonden in het Vlaamse onderwijs vier soorten contractuelen: de contractuelen departement onderwijs (CODO’s – GECO’s), die een contract van onbepaalde duur hebben ten laste van het departement onderwijs (sinds 1 september 2003 praktisch volledig verdwenen); de gesubsidieerde contractuelen aangesteld op conventies, afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Tewerkstelling; de gesubsidieerde contractuelen aangesteld op basis van individuele conventies tussen een inrichtende macht en een minister bevoegd voor tewerkstelling; en de contractuelen aangesteld op basis van werkingsmiddelen van de school (COWE’s – GECO’s). De tijdelijken kunnen een tijdelijke aanstelling hebben van bepaalde duur of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (zie paragraaf 8.2.13). Een aanstelling voor bepaalde duur geldt voor maximaal één jaar. Een aanstelling voor doorlopende duur daarentegen loopt over de schooljaren heen. De voordelen van een vaste benoeming t.o.v. een tijdelijke aanstelling is de garantie op vastheid van betrekking en verloning, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien er geen betrekking is en vervolgens recht op reaffectatie en wedertewerkstelling, de toegang tot een aantal verlofstelsels, en het recht op een overheidspensioen (bron: www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren/). 8.2.6.2.

Onderwijzend personeel in hogescholen

Contractueel gezien zijn de leden van het onderwijzend personeel werknemers in de gesubsidieerde hogescholen of een soort van ambtenaren in de gefinancierde hogescholen. Het hogeschoolpersoneel wordt betaald door de Vlaamse regering. Ofschoon hun wettelijk statuut voor de gesubsidieerde en gefinancierde hogescholen niet geheel hetzelfde is, zijn de verschillen tussen de twee klein (Verhoeven & Beuselinck, 1998). Aan de hogescholen kan de raad van bestuur of het Hogeschoolbestuur vacante

199


Vlaams Eurydice rapport 2003

betrekkingen tijdelijk of permanent toewijzen aan kandidaten. Enkel de assistenten zijn steeds tijdelijk benoemd. De benoeming in een betrekking gebeurt door rekrutering, promotie of verschuiving van betrekkingen. (Verhoeven & Beuselinck, 1998). 8.2.6.3.

Academisch personeel in universiteiten

Contractueel gezien zijn academici werknemers in de private sector van hoger onderwijs en een soort van ambtenaren in de publieke sector van hoger onderwijs. Het academisch personeel wordt betaald door de universiteiten. De verschillen qua wettelijk statuut voor publiek en privaat universitair onderwijs zijn echter klein. De universiteitsbesturen zijn bevoegd om vacante voltijdse of deeltijdse betrekkingen aan kandidaten toe te wijzen. Het assisterend academisch personeel is tijdelijk benoemd, terwijl het zelfstandig academisch personeel vastbenoemd is, met uitzondering van de buitengewoon hoogleraren die een deeltijdse universitaire functie vervullen (Verhoeven & Beuselinck, 1998). 8.2.7.

Vervangingsmaatregelen

In deze paragraaf behandelen we de mogelijke manieren waarop onderwijzend personeel (tijdelijk) vervangen kan worden. Dergelijke ‘vervangingsmaatregelen’ kunnen ook opgevat worden als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen. 8.2.7.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs Op 4 september 2000 trad op grond van het decreet van 8 juni 2000 in Vlaanderen de vervangingspool in werking (zie paragraaf 8.2.5.). De poolleden vormen een mobiel lerarenteam dat flexibel en netoverstijgend kan worden tewerkgesteld, in de eerste plaats voor korte reglementaire vervangingen. Scholen kunnen dus op basis van de vervangingspool sneller beschikken over een vervanger. In het derde jaar van de vervangingspool constateert men dat het aantal poolscholen ongeveer stabiel blijft: 67%. Alleen in de provincie Limburg is het aantal duidelijk gestegen ten opzichte van het jaar 2001: 58% naar 74%. Nagenoeg alle scholen van het gemeenschaps- en officieel onderwijs en van het vrij secundair onderwijs zijn in de pool ingeschreven. De participatie van het vrij basisonderwijs blijft in de meeste provincies zeer laag, vooral in Oost-Vlaanderen (8%), Antwerpen (23%) en West-Vlaanderen (25%). Het vrij basisonderwijs in Limburg roeit tegen de stroom in: tegenover 2001 (13%) stijgt het aantal scholen met 36% naar 49%. Het vrij basisonderwijs is het sterkst vertegenwoordigd in Brussel (76%). Vanaf 2003-2004 is het mogelijk dat scholen kandidaat-poolleden voordragen (zonder recht op voorrang) voor de ambten/vakken/specialiteiten waarvoor de kandidaat het vereiste bekwaamheidsbewijs heeft. De bedoeling hiervan is de scholen nog meer inspraak te geven bij een kwaliteitsvolle invulling van de vervangingspool (Omzendbrief GD/2003/02). 8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Zoals gezegd in paragraaf 8.2.3.2. regelt het Decreet van 13 juli 1994 het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. In dit Decreet wordt echter


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

niets vermeldt over maatregelen ter vervanging van (tijdelijk) afwezig onderwijzend personeel in de hogescholen. 8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten Het universiteitsbestuur stelt zelf een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan ĂŠĂŠn academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal vier maal hernieuwbaar. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan mag ten hoogste twee jaar bedragen (Decreet van 12 juni 1991 en Besluit van 1 december 1998). 8.2.8.

Ondersteunende maatregelen

In deze paragraaf bespreken we kort een volgend aspect van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen, namelijk de specifieke ondersteuningsmaatregelen ten behoeve van het onderwijzend personeel in basis- en secundair onderwijs. Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de school waar de beginnende leraar zijn opdracht vervult verantwoordelijk is voor de organisatie van de aanvangsbegeleiding. Bij de invulling van de opdracht van haar personeelsleden, houdt de school hiermee uitdrukkelijk rekening. In het basisonderwijs kunnen de middelen voorzien voor de nascholing worden aangewend om de aanvangsbegeleiding te organiseren. Deze middelen kunnen met dat doel worden omgezet in bijkomende lestijden. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten van de omzetting. De vervangingspool (8.2.5.) biedt voor startende leerkrachten het vooruitzicht op een stabiele job. Pas afgestudeerde leerkrachten worden immers toegewezen aan een ankerschool die hem/haar opvangt en begeleidt. 8.2.9.

Evaluatie

In deze paragraaf gaan we dieper in op een volgend element van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht, met name de evaluatie van het onderwijzend personeel in het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen. 8.2.9.1.

Leerkrachten basisonderwijs

Voor het basisonderwijs is er geen evaluatie vastgelegd die gebaseerd is op de functiebeschrijving. Bovendien werd het systeem van de functiebeschrijvingen tot nu toe nog niet ingevoerd in het basisonderwijs (Heyvaert & Janssens, 2003).

201


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.2.9.2.

Leerkrachten secundair onderwijs

In de decreten van 27 maart 1991 bepaalt de Vlaamse regering de regels inzake evaluatie van het onderwijzend personeel in het secundair onderwijs. Deze decreten voeren een evaluatiesysteem in dat nauw aansluit bij het systeem van de functiebeschrijving. Een functiebeschrijving omvat drie delen: de taken en instellinggebonden opdrachten en de wijze waarop het personeelslid deze moet uitvoeren, de instellingspecifieke doelstellingen en de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen, en de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Elk personeelslid moet minimaal om de drie jaar worden geëvalueerd. Indien voor het personeelslid geen functiebeschrijving werd opgemaakt is evaluatie niet mogelijk. De inrichtende macht of de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) en het college van directeurs (gemeenschapsonderwijs) onderhandelt over de algemene afspraken inzake evaluatie bij het lokaal comité. Het evaluatieverslag dat opgesteld wordt beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. De evaluatie gebeurt in de school waar het personeelslid lesgeeft. Elk personeelslid heeft één of twee evaluatoren, waaronder een directeur en/of adjunct-directeur. Enkel bij een evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie "onvoldoende", kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Zolang het college van beroep echter niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie "onvoldoende" niet mogelijk. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van minimum acht en maximum twaalf maanden effectieve prestaties omvatten (Decreten van 27 maart 1991). Totnogtoe heeft de Vlaamse Regering de functiebeschrijving en de evaluatie nog niet bij besluit opgelegd. De uiterste data waarop de functiebeschrijving en de evaluatie in het (buiten)gewoon secundair onderwijs zullen gelden zijn respectievelijk 1 september 2004 en 1 september 2006. (Heyvaert & Janssens, 2003) 8.2.9.3. Onderwijzend personeel in hogescholen De evaluatieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Decreet van 13 juli 1994). Deze evaluatie is verplicht voor elk personeelslid en wordt minstens elke vijf jaar uitgevoerd. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Wanneer het personeelslid de evaluatie “onvoldoende” toegewezen krijgt, dient een nieuwe evaluatie te gebeuren na één jaar. Ten tweede, in afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar. Indien een evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van vijftien kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. De evaluatie "onvoldoende" is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. Op elke evaluatie die niet eindigt met een "onvoldoende" kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.2.9.4. Academisch personeel in universiteiten In feite bestaan er enkele evaluatiemomenten in een academische carrière: de tijdelijke benoeming, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. In het kader van het systeem van kwaliteitsgarantie, zijn ook de individuele docenten onderworpen aan een evaluatie en kunnen de verkregen resultaten worden gehanteerd in de context van benoemingen en promotie (Verhoeven & Beuselinck, 1998). Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel (Decreet van 12 juni 1991). Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. Na elke nieuwe aanstelling en na elke benoeming of bevordering dient er een evaluatie na drie jaar plaats te vinden. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid bij onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd. Indien het eindoordeel van een evaluatie "onvoldoende" is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten. Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties "onvoldoende" is of driemaal "onvoldoende" is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. De eerste evaluatie moet voor elk personeelslid afgerond zijn uiterlijk op 31 december 2002. Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering zal ten laatste in 2006 de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures evalueren (Decreet betreffende Onderwijs X). Er moet worden opgemerkt dat het zelfstandig academisch personeel (ZAP) ook wordt geëvalueerd buiten de statutaire context van de universiteit, zoals bij het wedijveren naar onderzoeksfondsen op nationale en internationale niveaus. 8.2.10.

Nascholing

In deze paragraaf gaan we dieper in op een belangrijk thema met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen, meer concreet de verdere vorming waartoe leerkrachten zich engageren. Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de inrichtende macht van de school waar de leraar zijn opdracht vervult, er zorg voor moet dragen dat elke leraar ook voor verdere professionalisering ondersteuning krijgt.

203


Vlaams Eurydice rapport 2003

Dit decreet introduceerde een vraaggestuurd systeem van nascholing. De scholen krijgen de verantwoordelijkheid en de middelen voor hun eigen nascholingsbeleid. Naast de scholen krijgen het Gemeenschapsonderwijs (vroeger de ARGO genoemd en de representatieve groeperingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs een budget voor de vorming van personeel dat geen deel uitmaakt van het eigenlijke domein van het nascholingsbeleid (personeel van de internaten, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) of de pedagogische begeleidingsdiensten) en voor nascholingsinitiatieven specifiek voor het eigen pedagogisch project. Verder kan de Vlaamse regering ook op eigen initiatief projecten voor nascholing financieren in overeenstemming met de vastgelegde beleidsprioriteiten. Nascholingsprojecten die aan de beleidsdoelen -geformuleerd door de minister van Onderwijs en Vorming- beantwoorden worden gefinancierd door de overheid. Het prioritair nascholingsthema voor het schooljaar 2003 – 2004 is ‘een zorgzame school’. Recent heeft de regering ook een aantal initiatieven genomen om nascholing betreffende ICT te stimuleren. Daarvoor werden er “regionale expertisenetwerken” (REN’s) opgericht. De REN voorzien in nascholing en ondersteuning voor het pedagogisch gebruik van ICT in het onderwijs en richten zich naar alle onderwijsniveaus en -vormen. (Decreet betreffende het Onderwijs XII Ensor van 20 oktober 2000; Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 1999). Deze netwerken blijven doorlopen tot 2004. Vanaf het schooljaar 2003–2004 wil men komen tot één netwerk dat instaat voor administratieve opvolging en communicatie naar de doelgroepen. De helpdeskfunctie valt weg, de nadruk zal uitsluitend gaan naar nascholing, waarbij het accent geleidelijk verschuiven van aanbod- naar vraaggestuurde nascholing. Ook werd er door het departement Onderwijs een databank van het nascholingsrepertorium voor onderwijspersoneel

samengesteld

(voor

meer

informatie

hieromtrent

zie:

http://www.ond.vlaanderen.be/nascholing/database/zoekscherm.asp). Het wettelijk kader dat de nascholing van personeelsleden onderwijs regelt bestaat uit de volgende decreten en besluiten. Decreet met betrekking tot de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure voor de toewijzing van bijscholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Gemeenschap van 22 oktober 1996. Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van 22 oktober 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 1999 houdende regeling van de procedure en voorwaarden voor het verzekeren van een nascholingsaanbod in het kader van het beleid rond nieuwe media. Decreet betreffende het Onderwijs XII-Ensor van 20 oktober 2000. Er bestaan geen vaste regels voor de structurele organisatie van nascholingsprogramma’s; zij kunnen zowel op school als in opleidingscentra worden georganiseerd, voor één dag of meerdere dagen. De onderwijsmethoden behoren tot de verantwoordelijkheid van de inrichtende machten zodat er geen sprake is van officiële richtlijnen hieromtrent.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

Een school is verplicht om elk jaar een nascholingsplan op te maken. In het nascholingsplan worden de behoeften aan nascholing vastgesteld. De vaststelling van de noden kan resulteren in een prioriteitenplan op korte en lange termijn. Binnen de wetgeving wordt nascholing ruim opgevat, zolang kan worden aangetoond dat de gefinancierde initiatieven bijdragen tot de professionalisering van de leerkracht. Zowel de directie als alle personeelsleden van de school kunnen in principe beroep doen op het nascholingsgeld. Er moet wel kunnen worden aangetoond dat de nascholing nuttig is voor de taken van het personeelslid. De nascholingsprogramma’s kosten de deelnemende leerkrachten niets (geen inschrijvingsgeld en de vervoerskosten worden terugbetaald). Een school kan echter weigeren dat een leerkracht een nascholing volgt die niet past in het nascholingsplan. In principe zal het voornamelijk gaan om weigeringen omwille van praktische redenen, b.v. gebrek aan vervanging. Een school kan in dat geval ook weigeren nascholing terug te betalen. De middelen die de Vlaamse Gemeenschap voor het jaar 2003 ter beschikking stelt voor de basisscholen en de secundaire scholen zijn (niet-geïndexeerd) respectievelijk 4.214.189,92 euro en 5.949.444,59 euro. Alle scholen krijgen in het voorjaar een map opgestuurd met daarin een overzicht van alle gratis nascholingsprojecten van het volgende schooljaar, aangeboden door de Vlaamse Overheid (cf. prioritaire nascholingsthema’s). 8.2.11.

Wedde

De verloning van de leerkracht maakt integraal deel uit van de arbeidsvoorwaarden. In deze paragraaf gaan we dieper in op de wedde van het onderwijzend personeel in de diverse onderwijsniveaus, zonder expliciet in te gaan op de loonindex. 8.2.11.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs De personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs ontvangen een wedde, en de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs een weddentoelage, die rechtstreeks en maandelijks uitbetaald wordt door de Vlaamse Gemeenschap. De wedde hangt in de onderwijssector af van de volgende factoren (Heyvaert & Janssens, 2003): het uitgeoefende ambt (soorten ambten en personeelscategorieën (zie paragraaf 8.4.); de statutaire toestand (tijdelijk of vast benoemd); de administratieve toestand (actief, non-actief,…); de bekwaamheidsbewijzen en de eraan verbonden weddenschalen; de aard van de betrekking (hoofdbetrekking, bijkomende betrekking) en de omvang van de betrekking; de vroegere diensten (anciënniteit); de persoonlijke en familiale situatie (bijkomende financiële voordelen als vakantiegeld, kindergeld, vergoeding van transportkosten, eindejaarspremie,…);

205


Vlaams Eurydice rapport 2003

andere tegemoetkomingen, zoals de vergoeding voor kinderopvang voor en na de schooltijd en de vergoeding voor middagtoezicht. De weddenschalen zijn verbonden met een welbepaald bekwaamheidsbewijs en bestaat uit een aanvangswedde (minimum), een aantal periodieke verhogingen (jaarlijks, tweejaarlijks en op het einde) en een maximumwedde, overeenkomstig de weddenanciënniteit. De weddenanciënniteit begint pas te lopen na het bereiken van de minimumleeftijd. De bedragen van de weddenschalen worden aangepast aan de stijging van de consumptieprijzen. De weddenschalen kunnen worden geraadpleegd op de website van het departement onderwijs (http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm). Naast de eigenlijke wedde kan een personeelslid, in welbepaalde omstandigheden, aanspraak maken op volgende vergoedingen: (1) haard- en standplaatsvergoeding, (2) vergoeding voor bijzondere getuigschriften en diploma’s, (3) vakantiegeld, (4) eindejaarstoelage, (5) kraamgeld, (6) kinderbijslag, (7) verplaatsingskosten, (8) begrafenisvergoeding, (9) vakbondspremie, en (10) vergoeding voor middagtoezicht en voor- en naschoolse opvang. Sinds 1 september 1983 worden overwerk en prestaties als bijbetrekking in het onderwijs niet meer vergoed, tenzij een afwijking wordt verleend door de minister van Onderwijs en Vorming (Heyvaert & Janssens, 2003). De uitgaven voor wedden beliepen in 2002, 69,17 % (MVG, departement Onderwijs, 2003) van de totale onderwijsuitgaven (het hoger onderwijs niet meegerekend). Ook in Vlaanderen gaan de laatste jaren stemmen op voor een opwaardering van de opdracht en de wedde van de leerkrachten in het bijzonder. In antwoord hierop werd in de collectieve arbeidsovereenkomst VI (CAO VI) een lineaire loonsverhoging vastgelegd. De weddenschalen van kracht op 1 december 2001 werden op 1 december 2001 verhoogd met 1 % en op 1 juni 2003 met tweemaal dat bedrag. Deze lineaire loonmaatregel heeft betrekking op alle personeelsleden betaald door het departement Onderwijs, uitgezonderd de universiteiten. Deze loonsverhoging is ook van kracht voor de contractuele personeelsleden sinds het afsluiten van een overeenkomst met dezelfde inhoud in de bevoegde organen. Om de knelpunten die aan het licht kwamen in de eerste fase van een uitgebreide vergelijkende loonstudie (HayGroup, 2001) aan te pakken werden in de CAO VI - naast de lineaire loonsverhoging - ook nog een aantal specifieke maatregelen genomen. Zo ontvangen directeurs in het basisonderwijs sinds 1 september 2002 een extra loonsverhoging, terwijl leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel uit het lager onderwijs in het arrondissement BrusselHoofdstad die beschikken over een grondige kennis van het Frans, vanaf 1 september 2002 een bijwedde krijgen. Ondertussen is ook de tweede fase van de loonstudie voltooid (HayGroup, 2003). In 2004 zal in de onderhandelingen omtrent de volgende collectieve arbeidsovereenkomst (CAO VII) ondermeer aandacht worden besteed aan het uittekenen van een nieuw verloningsbeleid, op grond van de aanbevelingen geformuleerd in de tweede fase van de vergelijkende loonstudie. In feite hebben de leerkrachten een speciaal bezoldigingsstatuut in die zin dat zij worden betaald naargelang het aantal geleverde diensten (op basis van het aantal gegeven lesuren), maar het aantal lesuren dat ze willen geven niet vrij kunnen kiezen. De politieke maatregelen die zijn voorgesteld om inzake het aantal uren lesgeven (en dus de wedde) meer flexibiliteit in te voeren, zijn op verzet van de vakbonden gestoten.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

Een ander probleem is dat van de beroepsonkosten van de leerkrachten: in de meeste gevallen moeten zij zelf boeken en didactisch hulpmateriaal bekostigen. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat de toegekende werkingsmiddelen aan de scholen onvoldoende zijn. Bijgevolg kunnen de eisen voor meer loon ook gedeeltelijk worden geïnterpreteerd als een eis voor hogere werkingsmiddelen voor de school. De uitgaven voor lonen zijn in België in verhouding tot het totale onderwijsbudget hoger dan in de meeste andere landen van de Europese Gemeenschap, wat er in feite op neer komt dat de werkings- en uitrustingskosten relatief laag zijn (European Commission, 1996). Tenslotte is de weddenproblematiek onvermijdelijk verbonden met het statuut van leerkracht. Enerzijds zijn de budgettaire middelen om de lonen van de leerkrachten op te trekken beperkt. Aan de andere kant bevinden sommige leerkrachten zich in de administratieve toestand van ‘terbeschikkingstelling’, wat een extra kost met zich meebrengt die moeilijk te reduceren valt. Leerkrachten die op non-actief staan worden verwacht tijdelijke leerkrachten te vervangen, maar dit is slechts in beperkte mate mogelijk, omwille van veel obstakels (tussen de onderwijsnetten, niveaus en gespecialiseerde vakken) die de mobiliteit binnen het onderwijsberoep beperken. Dit alles leidt tot de paradoxale situatie waarin een aantal leerkrachten geen onderwijsopdracht heeft en het aantal tijdelijke leerkrachten min of meer constant blijft. De oprichting van de vervangingspool is een poging om dit soort problemen op te lossen. Deze vervangingspool opereert doorheen de onderwijsnetten (zie paragraaf 8.2.5.). 8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De wedden van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn bij decreet en besluit vastgelegd (zie tabel 8.7.7.). De berekening van de wedden gebeurt volgens dezelfde principes als voor het onderwijzend personeel van de andere onderwijsniveaus. De hogescholen hebben het recht om personeelsleden die bijkomende administratieve taken zijn toevertrouwd, een bonus van maximum 20% van de normale wedde toe te kennen (Decreet van 13 juli 1994 en Besluit van 3 mei 1995). 8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten De wedden van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en de lectoren in de universiteiten zijn bij decreet en besluit vastgelegd (Decreet van 12 juni 1991, Besluit van 30 juni 1998, Besluit van 4 mei 2001, en Besluit van 31 januari 2003). De weddenschalen van het academisch personeel worden in tabel 8.7.7 gegeven. In principe kunnen de universiteiten aanvullend bepaalde personeelsleden vergoeden voor bijzondere prestaties. Universiteiten maken gebruik van de mogelijkheid om aanvullende vergoedingen uit te reiken voor wetenschappelijke diensten, postacademische opleidingen en professoren op emeritaat die jonger zijn dan 65 en hun activiteiten voortzetten. Slechts een beperkt aantal personeelsleden blijken echter die betalingen voor specifieke verdiensten te ontvangen (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2001).

207


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.2.12.

Arbeidstijd en vakantie

In deze paragraaf gaan we dieper in op het volume van de opdracht en de vakantieregeling, als integraal onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht en het onderwijzend personeel in Vlaanderen. Het volume van de opdracht van leerkrachten wordt in het basis- en secundair onderwijs uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, en niet in uren werk. In het hoger onderwijs van één cyclus wordt het volume van de opdracht doorgaans ook uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, maar er is een tendens om naar 60 minuten over te stappen (Heyvaert & Janssens, 2003). 8.2.12.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs Het Decreet Basisonderwijs heeft in het basisonderwijs 3 begrippen ingevoerd: de opdracht, de schoolopdracht en de hoofdopdracht. De opdracht omvat alle taken die het personeelslid uitvoert, zowel in als buiten de school (b.v. thuis). De schoolopdracht bestaat uit de taken die een leerkracht uitvoert in schoolverband, zijnde de hoofdopdracht (de lesopdracht) en een aantal andere taken. De overheid heeft daarbij vastgelegd (Besluit van 17 juni 1997) dat de wekelijkse schoolopdracht maximaal 26 klokuren bedraagt en dat

het deelnemen aan oudervergaderingen of personeelsvergaderingen niet in de

schoolopdracht is inbegrepen. De wekelijkse hoofdopdracht is bij besluit vastgelegd op minimum 24 en maximum 27 lestijden in het gewoon lager onderwijs, en -sinds 1 september 2003 - maximum 26 lestijden in het gewoon kleuteronderwijs. In het buitengewoon onderwijs bedraagt de wekelijkse hoofdopdracht minimaal 22 lestijden, en maximaal 27 en 26 lestijden in respectievelijk het lager onderwijs en het kleuteronderwijs. De directeur bepaalt binnen de aangegeven grenzen het wekelijks aantal lestijden hoofdopdracht en klokuren schoolopdracht (Heyvaert & Janssens, 2003). In het secundair onderwijs omvat een officiële werkweek in Vlaanderen 38,5 werkuren. De werkuren van leerkrachten worden nog steeds aangeduid als uren van effectief lesgeven. Er zijn voorstellen gedaan om dit systeem in de nabije toekomst te veranderen. In het gewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden, afhankelijk van de graad waarin de leerkracht lesgeeft en het ambt (algemene vakken, technische vakken, kunstvakken of praktische vakken), minimaal 20 lestijden en maximaal 30 lestijden van 50 minuten. In het buitengewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden minimaal 22 lestijden voor de leraar algemene en sociale vorming en 24 lestijden voor de leraar beroepsgerichte vorming, en maximaal 24 lestijden en 28 lestijden respectievelijk. De jaarlijkse vakantie bestaat uit de officiële vakanties en vakantiedagen, en enkele dagen die elke onderwijsinstelling zelf moet kiezen. Het jaarlijks vakantieverlof bestaat uit de kerstvakantie (2 weken), de paasvakantie (2 weken), de zomervakantie (2 maanden), de ontspanningsverloven (2 keer 1 week), en een aantal wettelijke en reglementaire verlofdagen (+/- 4 dagen). De instellingen voor secundair onderwijs kunnen bijkomend over een facultatieve vakantiedag beschikken; de instellingen voor basisonderwijs en buitengewoon secundair onderwijs over twee facultatieve vakantiedagen. De vakanties worden vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdelijke leerkrachten worden evenwel per 30 juni uit dienst gemeld (Heyvaert & Janssens, 2003). Verder bestaat er de mogelijkheid van omstandigheidsverlof (maximum acht dagen per jaar, in geval van huwelijk, bevalling, overlijden van een familielid,…) en uitzonderlijk verlof wegens overmacht (ziekte of


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

ongeval van een gezinslid dat onder hetzelfde dak als de leerkracht woont). Een afwezigheid is ook gewettigd voor het vervullen van staatsburgerlijke plichten of burgerlijke opdrachten (rechtsgedingen, lokale verkiezingen,…), en voor de opvang van kinderen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. Verder beschikken de vast benoemde leerkrachten nog over andere gronden voor gewettigde afwezigheid, zoals verlof voor verminderde prestaties omwille van sociale of familiale redenen of wegens persoonlijke aangelegenheden, verlof voor het uitoefenen van bepaalde publieke ambten, politiek verlof,… (Heyvaert & Janssens, 2003). Net zoals in de andere sectoren is er ook de mogelijkheid van loopbaanonderbreking. Onder bepaalde voorwaarden kunnen tijdelijk en vast benoemde personeelsleden hun professionele activiteiten voor een bepaalde tijdsperiode onderbreken en een vergoeding ontvangen. De meest belangrijke voorwaarde heeft betrekking op de wijze waarop het betrokken personeelslid wordt vervangen (Heyvaert & Janssens, 2001). Loopbaanonderbreking moet worden toegestaan als een vervanger in het bezit is van een vereist bekwaamheidsbewijs en voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de school. Daartegenover staat dat de inrichtende macht meer vrijheid krijgt in de keuze van een vervanger. De verplichting om een TBS/OB of een uitkeringsgerechtigd werkloze aan te stellen vervalt. De nieuwe regeling voor tijdskrediet in de privé-sector daarentegen geldt niet voor leraren. Enkel de contractuelen van het vrij onderwijs, die worden betaald uit het eigen patrimonium van de inrichtende macht, vallen onder de nieuwe regeling van tijdskrediet. 8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Het hogeschoolbestuur bepaalt de opdracht en taakomschrijving van het onderwijzend personeel. Een voltijdse betrekking bedraagt 38,5 tot 40 uren per week (inclusief lesvoorbereiding). De voltijdse beschikbaarheid van een personeelslid impliceert echter geen voltijdse aanwezigheid; voor voltijdse personeelsleden is de aanwezigheid immers niet vereist voor twee halve dagen per week. De meeste hogescholen hebben een protocol gesloten met de personeelsafvaardiging omtrent de taakbelasting en uurregeling. Daarin staan richtlijnen omtrent het aantal lesuren en uren voor andere opdrachten (b.v. begeleiden

van

eindwerk,

uitvoeren

van

projectmatig

wetenschappelijk

onderzoek,…).

Het

hogeschoolbestuur kan ervoor opteren beginnend onderwijzend personeel minder lesuren te geven omdat hij/zij nog meer tijd nodig heeft voor lesvoorbereidingen. Het aantal lesuren kan dus verschillen van persoon tot persoon, en van hogeschool tot hogeschool. Voltijds personeel mag geen andere functie of job hebben. Zij kunnen een uitzondering vragen indien deze andere professionele verplichtingen in het voordeel zijn van de onderwijsinstelling en indien ze niet meer dan twee halve dagen per week in beslag nemen. De wetgeving voorziet het onderwijzend personeel van minstens negen vakantieweken. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Heyvaert & Janssens, 2003). Verder zegt het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 dat de Vlaamse regering de voorwaarden voor verlof zal vastleggen. Ondertussen blijven de bestaande regelingen van kracht (zie paragraaf 8.2.1.9.).

209


Vlaams Eurydice rapport 2003

8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten Elk lid van het personeel heeft een individuele functiebeschrijving die bestaat uit onderwijs-, onderzoeksen beleidstaken. Voltijdse personeelsleden mogen bijkomend geen andere functie bekleden, tenzij de bijkomende professionele verplichtingen ook een voordeel voor de onderwijsinstellingen inhouden en niet meer dan twee halve dagen per week beslaan De vakantieregeling wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur. 8.2.13.

Promotie en bevordering

In deze paragraaf gaan we dieper in op een volgend aspect van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen, namelijk de gangbare stappen bij bevordering van onderwijzend personeel, uitgesplitst naar onderwijsniveau. 8.2.13.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs De drie belangrijkste stappen in de onderwijsloopbaan van een leerkracht in het basisonderwijs of het secundair onderwijs zijn de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en de vaste benoeming. Aan het begin van de onderwijsloopbaan krijgt de leerkracht steeds een tijdelijke aanstelling. Er zijn bepaalde voorrangsregels van tel bij een tijdelijke benoeming. Nadat eerst voorrang wordt gegeven aan vast benoemde leerkrachten die ter beschikking staan, geldt de anciënniteit als criterium. Voor het gesubsidieerd onderwijs kunnen drie grote categorieën worden onderscheiden. Ze zijn hiërarchisch van boven naar onder gerangschikt (Devos, e.a, 1999): (1) zij die minstens 240 dagen dienstanciënniteit in een hoofdbetrekking hebben geaccumuleerd onder dezelfde inrichtende macht, gespreid over minstens twee schooljaren; (2) zij die minstens 480 dagen dienstanciënniteit hebben geaccumuleerd in een om het even welke hoofdbetrekking (hoofdzakelijk onder eenzelfde inrichtende macht), gespreid over minstens drie jaar; (3) alle andere kandidaten. Voor het gemeenschapsonderwijs gaat het om de volgende categorieën (Devos, e.a., 1999): (1) zij die minstens 480 dagen dienstanciënniteit in een hoofdbetrekking hebben geaccumuleerd in dezelfde scholengroep; (2) zij die minstens 240 dagen dienstanciënniteit in een hoofdbetrekking hebben geaccumuleerd in dezelfde scholengroep of zij die minstens 720 dagen dienstanciënniteit in een betrekking hebben geaccumuleerd; (3) alle andere kandidaten. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) is vanaf 1 september 2003 als eenvormig voorrangssysteem in het gesubsidieerd onderwijs en het gemeenschapsonderwijs ingevoerd. Een aanstelling voor doorlopende duur loopt over de schooljaren heen, en kan zowel een vacante als een nietvacante betrekking betreffen. De personeelsleden kunnen een recht laten gelden op TADD indien zij: geen evaluatie met als eindconclusie “onvoldoende” gekregen hebben bij de laatste evaluatie; niet ontslagen zijn; en een dienstanciënniteit hebben van ten minste 720 dagen gespreid over ten minste drie schooljaren waarvan 600 effectief gepresteerd (Heyvaert & Janssens, 2003).


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

Een vaste benoeming is zowel in het gemeenschapsonderwijs als het gesubsidieerd onderwijs enkel mogelijk wanneer een persoon minstens 720 dagen dienstanciënniteit in een hoofdbetrekking heeft geaccumuleerd (minstens 360 in diezelfde betrekking). Ook hier heeft een ter beschikking gesteld, vast benoemd personeel voorrang. Bijkomende voorwaarde in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs is dat het personeelslid op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming aangesteld is voor doorlopende duur. Bij de vaste benoeming is er een (hiërarchisch) onderscheid tussen de vaste benoeming in een vacant wervingsambt, en de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt (zie paragraaf 8.2). Beslissingen omtrent carrièreperspectieven moeten worden genomen door de inrichtende macht van de school. Een inspecteur kan om advies worden gevraagd, maar zijn opinie heeft geen wettelijke beslissingskracht. 8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen enkel worden ingenomen door promotie of verschuiving van betrekkingen (Verhoeven & Beuselinck, 1998). Anciënniteit vormt in combinatie met nuttige professionele ervaring het criterium voor de betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent en hoogleraar. In het geval van interne promotie moeten kandidaten minstens twee jaar anciënniteit hebben als praktijklector om hoofdpraktlijklector te worden. In het geval van externe promotie tot hoofddocent moeten kandidaten minstens vier jaren van nuttige beroepservaring buiten de hogeschool of minstens twee jaar anciënniteit als docent aan een andere hogeschool of universiteit kunnen voorleggen. De promotie naar gewoon hoogleraar vereist het volgende: ten eerste moet de hogeschool actief betrokken zijn bij onderzoek in samenwerking met een universiteit in het onderzoeksveld van de vacante betrekking; ten tweede moeten de kandidaten docent, hoofddocent of hoogleraar zijn geweest voor zes jaren aan een hogeschool of een universiteit en tijdens die periode verantwoordelijk geweest zijn voor kwalitatief hoogstaand onderzoek. De bekwaamheid van de kandidaten binnen een bepaald onderzoeksveld wordt beoordeeld door een ‘jury’ of commissie van drie gewone hoogleraren van verschillende universiteiten (Verhoeven & Beuselinck, 1998). 8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten Het academisch vast benoemd personeel begint haast altijd zijn/haar universitaire loopbaan als docent. Inzake de promotie tot zelfstandig academisch personeel (ZAP) evalueren beoordelingscommissies op departements- en/of faculteitsniveau de kandidaturen voor promoties. Naast het diploma spelen andere criteria mee voor promotie. Zij die het mandaat van docent beogen, moeten op basis van voordien geleverde prestaties, beantwoorden aan de verwachting dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. De kandidaat voor hoofddocent moet bewezen hebben dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. Indicaties van het wetenschappelijk onderzoek vormen b.v. publicaties, deelname aan congressen, het lidmaatschap van redactieraden,... Hij/zij die promoveert naar het ambt van

211


Vlaams Eurydice rapport 2003

hoogleraar wordt verondersteld een creatieve en productieve onderzoeker te zijn (ook leiding geven aan onderzoek en verwerven van onderzoeksgelden), alsook een lesgever met didactische kwaliteiten en een brede onderwijservaring. De kandidaat voor gewone of buitengewone hoogleraren moet een uitstekend onderzoeker zijn die nationale of internationale erkenning geniet in zijn vakgebied. Als pedagoog wordt van hem/haar verwacht over de nodige didactische vaardigheden te beschikken, alsook een brede onderwijservaring en leiderskwaliteiten. De Vlaamse regering heeft de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de anciĂŤnniteitsvereisten voor de benoeming in een bepaalde ZAP-rang aan de universiteiten gelaten (Verhoeven & Beuselinck, 1996). Het Decreet op de universiteiten van 12 juni 1991 specificeert enkel een aantal minimumvereisten voor de promotie inzake anciĂŤnniteit. Een docent moet reeds minstens twee jaar benoemd zijn in deze betrekking voor de promotie naar het mandaat van hoofddocent. Een benoeming of rekrutering als hoogleraar vereist het ZAP-lidmaatschap voor minstens vier jaar, alsook voor de mandaten van gewoon en buitengewoon hoogleraar. Met het Decreet betreffende het Onderwijs X worden de regels scherper. Bevordering is mogelijk na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure. Een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad kan daarentegen plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties. Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie. Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging (Decreet betreffende Onderwijs X). Het decreet van 18 mei 1999, betreffende Onderwijs X, schrijft verder ook voor dat bij de vaststelling van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel mogen bedragen. Zo lang dit aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan. 8.2.14.

Beroepsmobiliteit

In deze paragraaf gaan we dieper in op een ander aspect van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen, met name de beroepsmobiliteit en mogelijke transfer in de diverse onderwijsniveaus.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.2.14.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs De horizontale beroepsmobiliteit kan op dit moment eerder beperkt worden genoemd. Nochtans worden er in de wetgeving mogelijkheden van mobiliteit voorzien. Vast benoemde leerkrachten hebben wettelijk gezien de mogelijkheid om te verhuizen naar een andere school. In het gesubsidieerd onderwijs is mutatie een mogelijkheid maar geen recht. In het gemeenschapsonderwijs zijn de scholengroepen, functionerend als inrichtende macht, bevoegd om hun goedkeuring te geven. Het Decreet betreffende het onderwijs VIII van 15 juli 1997 staat toe dat vast benoemde leerkrachten, met hun instemming, gedeeltelijk of geheel kunnen afzien van de uitvoering van hun onderwijsopdracht waarvoor ze vast benoemd zijn om in een ander ambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor zij niet benoemd zijn. Vast benoemde personeelsleden die (een gedeelte van) hun opdracht verliezen, en bijgevolg ter beschikking zijn gesteld, voeren in afwachting van een reaffectatie of wedertewerkstelling pedagogische taken uit in de eigen school bij de eigen inrichtende macht of eventueel bij een andere inrichtende macht (Heyvaert & Janssens, 2003). 8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Horizontale beroepsmobiliteit in hogescholen is eerder beperkt, wat hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de individuele band tussen het personeelslid en de hogeschool. Gewoonlijk wordt het personeelslid benoemd aan ĂŠĂŠn bepaalde hogeschool en die benoeming kan niet simpelweg worden overgedragen naar een andere hogeschool. Hoewel er maar weinig informatie beschikbaar is, wordt er verondersteld dat ook verticale mobiliteit aan hogescholen beperkt is (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs). 8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten Horizontale beroepsmobiliteit aan de universiteiten is eerder beperkt. 8.2.15.

Ontslag

In deze paragraaf gaan we dieper in op diverse aspecten van het ontslag van de leerkracht, als onderdeel van de ruimere arbeidsvoorwaarden, in de diverse onderwijsniveaus. 8.2.15.1. Leerkrachten basis- en secundair onderwijs Een tijdelijk personeelslid kan zijn/haar ambt vrijwillig neerleggen, mits een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen in acht wordt genomen. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan evenwel akkoord gaan met een kortere opzeggingstermijn. Ook vast benoemde personeelsleden kunnen hun job vrijwillig verlaten. In dat geval geldt een opzeggingstermijn van minstens 15 kalenderdagen, tenzij met de inrichtende macht een andere termijn wordt overeengekomen (Heyvaert & Janssens, 2003).

213


Vlaams Eurydice rapport 2003

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid ook om dringende redenen ontslaan, zonder vooropzeg. Daaronder is de ernstige tekortkoming begrepen die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Zowel tijdelijke, als vast benoemde personeelsleden kunnen ambtshalve en zonder vooropzeg uit hun ambt worden ontslagen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige reden, hun dienst niet hervatten, behoudens overmacht, en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven. Enkel vast benoemde leerkrachten kunnen ten gevolge van een tuchtmaatregel worden ontslagen. Bij het ontslag (gemeenschapsonderwijs) en de afdanking (gesubsidieerd onderwijs) wordt het vast benoemd personeelslid definitief verwijderd uit zijn/haar ambt. Daarbij wordt een opzeggingstermijn gerespecteerd, afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die vereist zijn om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering (Heyvaert & Janssens, 2003). In het gesubsidieerd onderwijs kan een vastbenoemde leerkracht of een leerkracht aangesteld voor doorlopende duur worden ontslagen als hij/zij twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" of drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan heeft gekregen (binnen dezelfde inrichtende macht of binnen dezelfde scholengemeenschap, voor één bepaald ambt). Een tijdelijke leerkracht in het gesubsidieerd onderwijs wordt ontslagen als de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief is (decreet van 27 maart 1991). In het gemeenschapsonderwijs wordt de aanstelling van een tijdelijk personeelslid door het lokaal bestuursorgaan beëindigd indien het personeelslid een beoordeling ‘onvoldoende’ heeft gekregen, en bij een vast benoemd personeelslid indien hij/zij gedurende twee opeenvolgende schooljaren een beoordeling ‘onvoldoende’ heeft gekregen (Heyvaert & Janssens, 2003). 8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Onder normale omstandigheden kunnen personeelsleden worden ontslagen met een opzegperiode van drie maanden voor elke dienstperiode van vijf jaar (een juist nieuw begonnen periode van vijf jaar wordt beschouwd als een volledige periode). Een personeelslid kan worden ontslagen (zonder een opzegperiode) als gevolg van een tuchtmaatregel of wanneer hij/zij twee opeenvolgende jaren een negatieve evaluatie heeft gekregen of vijfmaal in zijn/haar carrière aan de hogeschool. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing daartoe beslist. Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn (Decreet betreffende Onderwijs X). Een vast benoemd personeelslid kan op eigen initiatief zijn betrekking verlaten, waarbij een opzegtermijn van minstens 60 dagen moet worden gerespecteerd. Tijdelijk benoemden moeten een opzegtermijn respecteren van 30 dagen. Bij ontslag wegens dringende redenen (b.v. fraude) is er geen opzegtermijn van toepassing.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten Het universiteitsbestuur kan een personeelslid ontslaan indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende” is of driemaal “onvoldoende” in de loop van de beroepscarrière. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan evenwel geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn (Decreet betreffende Onderwijs X. 8.2.16.

Pensioenregeling

In deze paragraaf beschrijven we een volgend element van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht: de pensionering en het pensioen, waarvan de regeling overigens identiek is voor alle onderwijsniveaus. De pensioenregeling voor het onderwijzend personeel is in de federale (Belgische) wetgeving vastgelegd. De pensioensregeling voor de sector onderwijs is één van de aspecten waarvoor de Vlaamse Gemeenschap niet bevoegd is. Het pensioen is gebaseerd op het aantal jaren dienst en de wedde. Verschillende regelingen zijn er voor leerkrachten die vervroegd met pensioen willen gaan. Om een pensioen te ontvangen moet een personeelslid (Heyvaert & Janssens, 2001): een aanvraag indienen (een persoonlijke aanvraag is steeds vereist ook al is de betrokken persoon bij wet verplicht om zijn professionele carrière te beëindigen); vast benoemd zijn; de vereiste leeftijd hebben bereikt (60 jaar); beantwoorden aan het vereiste aantal dienstjaren (vijf jaar). Het gemiddelde salaris van de laatste vijf dienstjaren (beschouwd als in voltijdse en actieve toestand) wordt als basis genomen voor de berekening van het pensioen. De berekende som mag nooit hoger zijn dan drie vierde van het gemiddelde bedrag van de laatste vijf dienstjaren. Daarnaast bestaat er een absoluut maximumbedrag dat niet alleen geldt voor een bepaald pensioen maar ook voor de cumulatie van meerdere pensioenen 5.155,15 euro bruto per maand (sinds 1 juli 2003). Daarnaast zijn er ook gewaarborgde minima die verschillen naargelang de ‘oorzaak’ van de opruststelling. Het gewaarborgd minimum (op 1 juni 2001) voor een pensioen wegens leeftijd of anciënniteit bedraagt 994,90 euro bruto per maand voor een alleenstaande persoon en 1.243,63 euro voor gehuwden. De persoon moet hier de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt en 20 jaar dienst hebben. Een pensioen ‘wegens lichamelijke ongeschiktheid’ garandeert 50% voor alleenstaanden en 62,5% voor gehuwden van het gemiddelde bedrag van de laatste vijf jaren. Indien de wedde lager was dan 23.877,67 euro per jaar (sinds 1 juli 2003) dan wordt dit bedrag als referentie genomen. Andere inkomens van de betrokken persoon en zijn vrouw worden van dit bedrag afgetrokken. Een supplement van 1.603,44 euro per jaar is voorzien voor personen

215


Vlaams Eurydice rapport 2003

die met pensioen zijn gegaan wegens een zware handicap, opgelopen tijdens hun loopbaan waardoor ze hun dienst hebben moeten beëindigen (Heyvaert & Janssens, 2003). In de periode dat er een leerkrachtenoverschot was, werd er een voorlopige maatregel, de volledige terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de CLB’s vanaf 55 jaar, ingesteld. Met het Besluit van de Vlaamse regering van 22 februari 2002 wordt de uitstapleeftijd vanaf 1 september 2002 opgetrokken tot 58 jaar (TBS58+) behalve voor de kleuteronderwijzers waar de uitstapleeftijd op 56 jaar wordt gebracht. De maatregel kadert in het globaal beleid van de Vlaamse regering om het lerarentekort prioritair aan te pakken. Met het optrekken van de uitstapleeftijd moet de jaarlijkse vervroegde uitstroom van duizenden leerkrachten, met waardevolle ervaring en pedagogische expertise, worden afgeremd. De leerkrachten en de onderwijsvakbonden zagen dat niet zo zitten. Zij zagen de tijdelijke maatregel als een verworven recht. Pas na lange en zware onderhandelingen met de vakbonden en met de andere regeringspartijen werd de TBS58+ goedgekeurd maar werden er verschillende overgangsbepalingen opgenomen in het Besluit (Omzendbrief van 29/03/03, Besluit van 11/2/00 en Besluit van 22/2/02).

8.3.

Managementspersoneel

Deze paragraaf heeft betrekking op de categorie van het niet-onderwijzend personeel in Vlaanderen, en meer specifiek op het ambt van directeur en dat van adjunct-directeur. Het ambt van directeur is een bevorderingsambt binnen de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel van het (buiten)gewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, en binnen de categorie bestuurspersoneel van het gewoon secundair onderwijs. Het ambt van adjunct-directeur is een selectieambt binnen de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het (buiten)gewoon secundair onderwijs. Het ambt van algemeen directeur in een hogeschool kan uitsluitend bij mandaat toegewezen worden (Heyvaert en Janssens, 2003). 8.3.1.

Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt

In deze paragraaf gaan we dieper in op de toegang tot het beroep van directeur, dat ressorteert onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel. In het gemeenschapsonderwijs bestaat er voor de selectie- en bevorderingsambten een proeftijd van 12 maanden, die eenmaal met 12 maanden kan worden verlengd. Tijdens deze periode moet het personeelslid effectief presteren in het ambt waarin het tot de proeftijd toegelaten is. Het personeelslid moet voor de toelating tot de proeftijd: houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, tijdens de laatste evaluatie of beoordeling geen “onvoldoende” hebben bekomen, voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie paragraaf 8.2.5.1.), beschikken over de vereiste bekwaamheden voor het ambt, getest in een proef, en zich kandidaat gesteld hebben bij de raad van bestuur. Na het beëindigen van de proeftijd met gunstig advies wordt het personeelslid door de raad van bestuur in vast verband benoemd (Heyvaert en Janssens, 2003). In het gesubsidieerd onderwijs bestaat de proeftijd niet. Het personeelslid wordt vast benoemd in het selectie- of bevorderingsambt indien hij/zij houder is van het vereiste of voldoende geachte


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

bekwaamheidsbewijs, als de laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie “onvoldoende” heeft opgeleverd, en als de kandidaat voldoet aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie paragraaf 8.2.5.1.) (Heyvaert en Janssens, 2003). Een vaste benoeming is enkel mogelijk in hoofdambt. Sinds 1 september 2002 kan een volledige betrekking echter worden toegekend aan één of twee personeelsleden, die elk met een halve betrekking worden belast. Naast een vaste benoeming in het ambt van directeur is het ook mogelijk dat een vast benoemd personeelslid (gesubsidieerd onderwijs) of personeelslid (gemeenschapsonderwijs) wordt aangesteld als waarnemend (adjunct-)directeur (Heyvaert en Janssens, 2003). 8.3.2.

Arbeidsvoorwaarden

Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de directeur en de adjunct-directeur – ambten die ressorteren onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel- verwijzen we de lezer naar 8.2.. Wat de evaluatieprocedure betreft is er een verschil i.v.m. paragraaf 8.2, in die zin dat de (adjunct-)directeur wordt geëvalueerd door de raad van bestuur (gemeenschapsonderwijs) of de inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs).

8.4.

Inspecteurs

In deze paragraaf gaan we dieper in op de voorwaarden tot aanstelling, en de arbeidsvoorwaarden van de inspecteur. Net als (adjunct-)directeurs ressorteren inspecteurs in Vlaanderen onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel. 8.4.1.

Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt

Zoals vermeld behandelen we in deze paragraaf de toegang tot het beroep van niet-onderwijzend personeel, en meer specifiek de leden van de inspectie. In Vlaanderen wordt er trouwens een onderscheid gemaakt tussen de onderwijsinspectie en de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding. Niet alle categorieën personeelsleden komen in aanmerking voor het ambt van inspecteur. Om tot de onderwijsinspectie te worden toegelaten dient men te behoren tot één van de volgende categorieën: bestuurs- en onderwijzend, paramedisch, sociaal, medisch, orthopedagogisch en psychologisch personeel in het onderwijs; personeelsleden van pedagogische begeleidingsdiensten; het technisch personeel van de gesubsidieerde vrije en officiële centra, van de centra van het gemeenschapsonderwijs en van het rijksvormingscentrum; directeurs en adviseurs van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO); het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; en het onderwijzend personeel van de hogescholen. Om tot de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding te worden toegelaten komen volgende categorieën personeelsleden in aanmerking: directeurs -voorzover ze houder zijn van het diploma dat toegang verleent tot het ambt van arts of psycho-pedagogisch consulent-; artsen; psychopedagogisch consulenten; paramedisch werkers; en maatschappelijk werkers uit de centra voor leerlingenbegeleiding; alsook personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten (Decreet van 17 juli 1991).

217


Vlaams Eurydice rapport 2003

Wanneer een ambt bij de inspectie vacant is, wordt een oproep bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en verspreid via een omzendbrief aan de scholen en de website van het departement onderwijs. Om tot de proef te worden toegelaten dient de persoon onderdaan te zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, van goed gedrag te zijn, de burgerlijke en politieke rechten te genieten, ten minste 10 jaar dienstanciënniteit te hebben, aangesteld of in vast verband benoemd te zijn in één van de bovenstaande personeelscategorieën. Verder dient de kandidaat een dossier voor te leggen m.b.t. zijn/haar curriculum vitae, met opgave van alle elementen waardoor hij/zij zijn/haar onderwijskundige inzichten, agogische vaardigheden en vakdidactische deskundigheid heeft uitgebreid en verdiept. De Vlaamse regering kan desgevallend bijkomende diplomavereisten bepalen. De selectieprocedure verloopt in 2 fasen en wordt uitgevoerd door een selectiecommissie waarin ambtenaren, inspectieleden en universiteitsprofessoren zitting hebben. In een eerste fase moeten de kandidaten een verhandeling schrijven over een onderwijskundig onderwerp. Alleen de kandidaten die voor dit onderdeel 60 % van de punten behalen worden toegelaten tot de tweede fase. In deze fase wordt een mondelinge proef georganiseerd. Ook voor dit mondeling gedeelte moeten de kandidaten 60 % behalen. De kandidaten die 60 % behaalden op beide onderdelen worden gerangschikt en de selectiecommissie draagt twee kandidaten voor per ambt. De Minister beslist wie van beide voorgedragen kandidaten wordt aangesteld. Kandidaten die voor beide onderdelen geslaagd zijn, maar niet werden aangesteld blijven gedurende vier jaar opgenomen in een werfreserve. Na de aanstelling tot onderwijsinspecteur in een vacant ambt moet men eerst een proeftijd doormaken die één jaar in beslag neemt. De bevoegde inspecteur-generaal wijst hiertoe een stageleider aan onder de inspectieleden. In de loop van de laatste maand van de proeftijd levert het betrokken personeelslid een rapport af dat door de bevoegde inspecteur-generaal en de stageleider wordt geëvalueerd. De beoordeling van de proeftijd door de stageleider en door de bevoegde inspecteurgeneraal geeft aanleiding tot een verslag dat besloten wordt met een gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of tot afdanking van het betrokken personeelslid. 8.4.2.

Arbeidsvoorwaarden

In deze paragraaf ligt de focus op de arbeidsvoorwaarden van het niet-onderwijzend personeel, met name op de arbeidsvoorwaarden van de ‘inspecteur’. In Vlaanderen wordt de rechtspositie van de inspectieleden voor een groot deel geregeld door het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. In deze paragraaf gaan we enkel in op de evaluatieprocedure waaraan inspectieleden onderworpen worden, en op de consequenties verbonden aan een dergelijke evaluatie. De leden van de inspectie doorlopen normaal een proeftijd van één jaar en worden dan - bij gunstige evaluatie - definitief benoemd (zie hierboven). Voor de inspecteurs-generaal en voor de coördinerende inspecteurs geldt een mandaatformule: ze hebben een mandaat van 4 jaar, dat enkel kan worden verlengd in het geval van een positieve evaluatie. In het decreet wordt gestipuleerd dat elk personeelslid dat meer dan drie maanden per jaar effectief fungeert bij de diensten van de inspectie wordt geëvalueerd. Elk personeelslid wordt éénmaal per schooljaar geëvalueerd in de eerste drie jaren van zijn/haar loopbaan. Daarna minstens om de twee schooljaren, tenzij het personeelslid vraagt om twee opeenvolgende schooljaren te worden geëvalueerd. De evaluatie gebeurt op basis van de functiebeschrijving (taken en


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

doelstellingen), en is de appreciatie van het totaal functioneren van het betrokken personeelslid. In de loop van de evaluatieperiode kan de geëvalueerde bij zijn evaluatoren terecht voor opvolging en ondersteuning om de verwachte resultaten te behalen. Alle leden van de inspectie die met evaluatie belast zijn, zijn trouwens verplicht een opleiding tot evaluator te volgen, en de evaluatoren worden zelf ook geëvalueerd op de kwaliteit van de evaluaties die zij opmaken. De evaluatie verloopt volgens een vast stramien. De functiehouder bereidt eerst een zelfevaluatie voor; vervolgens komt er een evaluatiegesprek; en ten slotte wordt de evaluatie in een gemotiveerd evaluatieverslag neergeschreven. Wanneer een personeelslid de evaluatie "onvoldoende" krijgt, moet hij/zij na één jaar opnieuw worden geëvalueerd. Het personeelslid wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid indien hij/zij gedurende twee opeenvolgende jaren of drie keer tijdens de loopbaan (vast benoemd lid), of één keer (contractueel of tijdelijk lid) de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen.

8.5.

Personeel verantwoordelijk voor begeleiding

In deze paragraaf vermelden we kort een aantal elementen betreffende het personeel dat in Vlaanderen verantwoordelijk is voor begeleiding. Hierbij maken we een onderscheid tussen personeel dat instaat voor de begeleiding en ondersteuning van het bestuurs- en onderwijzend personeel enerzijds, en personeel uit de Centra voor Leerlingenbegeleiding anderzijds. Beide categorieën ressorteren onder de noemer ‘nietonderwijzend personeel’. Het personeel in de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3.) valt uiteen in pedagogisch adviseurs en pedagogisch adviseurs-coördinator. Deze laatsten staan aan het hoofd van de pedagogische begeleidingsdienst. De ambten van pedagogisch adviseur en adviseur-cordinator zijn beiden bevorderingsambten, en kunnen halftijds of voltijds worden uitgeoefend. Naast de pedagogisch adviseurs en pedagogisch adviseurs – coördinator bestaat er trouwens nog een specifieke categorie van personeel uit het onderwijs aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht (m.n. een begeleidingsopdracht) werd toegekend. Wat de toelatingsvoorwaarden tot een ambt binnen de pedagogische begeleidingsdienst betreft, vallen er kleine verschillen te bespeuren tussen de begeleidingsdiensten van het gesubsidieerd onderwijs, en die van het Gemeenschapsonderwijs. Algemeen kunnen we echter stellen dat de kandidaat minstens 10 jaar dienstanciënniteit dient te hebben om in aanmerking te komen voor een tijdelijke aanstelling of vast benoeming. De Vlaamse Regering kan ook steeds bijkomende diplomavereisten bepalen (Decreet van 17 juli 1991). Het personeel van een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) bestaat uit een aantal vaste ambten, gaande van directeur (bevorderingsambt), over arts, consulent, psycho-pedagogische consulent, maatschappelijk werker, administratief werker, paramedisch werker, psycho-pedagogisch werker, tot medewerker. Het ambt van directeur is een bevorderingsambt. Sinds 1 september 2000 wordt elke nieuwe directeur van een CLB –met uitzondering van de permanente ondersteuningscel- aangesteld met een mandaat (Heyvaert & Janssens, 2003). De administratief werkers en de medewerkers vormen het administratief personeel van een CLB, terwijl de overige ambten het technisch personeel van een CLB uitmaken. Voor de aanstelling en benoeming in de ambten van het CLB zijn bepaalde bekwaamheidsbewijzen vereist (Besluit van 13 oktober 2000, gewijzigd bij Besluit van 11 januari 2002 en Omzendbrief CLB/2002/07). Ook personeelsleden van een CLB kunnen vast benoemd worden. Zowel

219


Vlaams Eurydice rapport 2003

het personeelslid, als de betrekking dienen hiertoe aan bepaalde voorwaarden te voldoen (zie Omzendbrief CLB/2002/11). Wat de rechtspositie van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding betreft, verwijzen we naar 8.2. Het personeel van de centra is per definitie met vakantie op dagen dat het centrum gesloten is. Voor het schooljaar 2002-2003 geldt overigens dat het centrum gesloten is tijdens het weekend, op wettelijke en decretale feestdagen, van 15 juli tot en met 15 augustus, en tijdens de kerstvakantie (uitgezonderd 2 dagen) en de paasvakantie (Decreet van 1 december 1998 en Omzendbrief 13AD/CLB/P/01/2). Daarnaast heeft het personeel extra recht op 21 werkdagen vakantie. Elk voltijds personeelslid in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft ook recht op een door de Vlaamse regering te bepalen aantal vormingsdagen per schooljaar (Decreet van 1 december 1998).

8.6.

Ander onderwijspersoneel

Naast het bestuurs- en onderwijzend personeel bestaan er nog een aantal andere categorieĂŤn nietonderwijzend personeel (non-teaching staff) in het Vlaamse onderwijssysteem In het basisonderwijs wordt een categorie beleids- en ondersteunend personeel (beleidsmedewerker, administratief

medewerker)

onderscheiden,

alsook

een

categorie

paramedisch

personeel

(kinderverzorger). In het buitengewoon basisonderwijs komen daar ook nog volgende categorieĂŤn bij: medisch personeel (arts), orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger), psychologisch personeel (psycholoog) en sociaal personeel (maatschappelijk werker). In het secundair onderwijs is er sprake van administratief personeel en opvoedend hulppersoneel. De eerste categorie bestaat uit de functie van opsteller of klerk-typist, de tweede uit de opvoeder-huismeester, de directiesecretaris, de secretaris-bibliothecaris en de studiemeester-opvoeder. In het buitengewoon secundair onderwijs komen daar ook nog volgende categorieĂŤn bij: medisch personeel (arts), orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger), psychologisch personeel (psycholoog) en sociaal personeel (maatschappelijk werker). In de categorie administratief personeel worden bijkomend de bodekamerbewaarder, de eerste klerk-typist en de eerste opsteller onderscheiden; in de categorie opvoedend hulppersoneel, studiemeester-opvoeder internaat, en beheerder (Heyvaert en Janssens, 2003). In het hoger onderwijs wordt, naast de directie, onderscheid gemaakt tussen onderwijzend personeel, administratief en technisch personeel en mandaten (algemeen directeur, departementshoofd, bibliothecaris). Tijdens de overgangsmaatregelen voor de schooljaren 1999-2000 tot 2005-2006, worden de personeelsleden van het onderwijsondersteunend en administratief personeel getransfereerd naar de categorie van het ondersteunend personeel op basis van de nieuwe normen (Decreet van 18 mei 1999).

8.7.

Statistieken

Deze paragraaf bevat tabellen met statistische gegevens betreffende het onderwijzend personeel in Vlaanderen.


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

Tabel 45: Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau: aantal budgettaire full-time equivalenten (januari 2003), uitgesplitst naar geslacht en statuut geslacht

statuut

man

vrouw

totaal

9.301

37.690

46.991

Buitengewoon basisonderwijs 1.139

4.093

Secundair onderwijs

24.512

Vastbe-

tijdelijk

totaal

34.406

12.585

46.991

5.232

3.895

1.337

5.232

30.331

54.843

41.043

13.800

54.843

2.170

2.543

4.713

3.526

1.187

4.713

Hogeschool

4.370

3.603

7.973

5.389

2.584

7.973

OSP (secundair)

1.366

2.104

3.470

1.703

1.767

3.470

OSP (hoger)

388

250

638

266

372

638

Deeltijds kunstonderwijs

1.611

1.729

3.340

2.596

744

3.340

Totaal

44.857

82.343

127.200

92.824

34.376

127.200

Basisonderwijs

Buitengewoon

secundair

onderwijs

noemd

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 46: Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau: aantal personen (januari 2003), uitgesplitst naar statuut en opdracht Aantal

personen

met

een Aantal

personen

met

Totaal

voltijdse opdracht

gedeeltelijke opdracht

vastbenoemd tijdelijk

vastbenoemd tijdelijk

vastbenoemd

tijdelijk

25.310

6.925

14.112

3.998

39.422

10.923

3.112

809

1.212

313

4.324

1.122

30.920

7.771

15.522

3.698

46.442

11.469

2.967

769

867

278

3.834

1.047

Hogeschool

4.384

1.613

1.243

1.705

5.627

3.318

OSP (secundair)

999

620

1.064

2.011

2.063

2.631

OSP (hoger)

171

90

142

918

313

1.008

Basisonderwijs Buitengewoon basisonderwijs Secundair onderwijs Buitengewoon secundair onderwijs

221


Vlaams Eurydice rapport 2003

Deeltijds kunstonderwijs

1.502

125

1.684

904

3.186

1.029

Totaal

69.365

18.722

35.846

13.825

105.211

32.547

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 47: Bestuurs- en onderwijzend personeel (aantal personen) in alle onderwijsniveaus, naar leeftijd, statuut en geslacht (januari 2003) Vastbenoemden

Tijdelijken

Totaal

leeftijd

man

vrouw

totaal

man

vrouw

totaal

man

vrouw

totaal

20-29

704

2.865

3.569

4.001

11.828

15.829

4.705

14.696

19.398

30-39

5.501

16.978

22.479

3.330

6.908

10.238

8.831

23.886

32.717

40-49

12.482

23.928

36.410

2.171

2.919

5.090

14.653

26.847

41.500

50-59

16.014

22.363

38.377

759

470

1.229

16.773

22.833

39.606

60+

2.426

1.950

4.376

137

24

161

2.563

1.974

4.537

Totaal

37.127

68.084

105.211

10.398

22.149

32.547

47.525

90.233

137.758

(MVG, departement Onderwijs, 2003) Tabel 48: Bestuurs- en onderwijzend personeel aan de hogescholen, naar statuut en geslacht (januari 2003) Aantal budgettaire voltijdse equivalenten

Aantal personen

vastbenoemd

vastbenoemd

tijdelijk

tijdelijk

man

vrouw

man

vrouw

man

vrouw

man

vrouw

3.120

2.269

1.250

1.334

3.088

2.539

1.832

1.486

Totaal: 7.973

Totaal: 8.945

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 49: Academisch personeel (in voltijdse eenheden uitgedrukt) aan de universiteiten op 1 februari 2003, uitgesplitst naar geslacht man

vrouw

totaal

Zelfstandig academisch personeel (ZAP)

2.152,2

380,4

2.532,5

Assisterend academisch personeel (AAP)

975,0

850,2

1.825,2

Totaal

3.127,2

1.230,6

4.357,7


Hoofdstuk 8: Onderwijzend personeel

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 50: Bruto-jaarwedde (EUR) van het onderwijzend personeel van het basis- en secundair onderwijs (1 september 2003) aanvang

bij maximum aantal jaren anciënniteit

Basisonderwijs

17.347,42

29.671,30

Secundair onderwijs– groep 1

17.347,42

30.212,35

Secundair onderwijs– groep 2

21.726,55

38.312,63

(MVG, departement onderwijs, http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm) Noot: Het barema is de minimum- en maximumwedde a rato van 100 % en de minimumleeftijd.

Tabel 51: Bruto-jaarwedde (EUR) van het voltijds academisch personeel in de hogescholen en universiteiten (1 juni 2003) Graad

aanvang

bij max. aantal jaren anciënniteit

Praktijklector

22.498,03

35.362,96

Hoofdpraktijklector

23.405,66

38.313,47

Lector

24.177,08

40.763,16

Hoofdlector

26.695,63

43.281,71

Assistent

23.468,58

39.716,10

Doctor-assistent

29.069,73

45.317,25

Docent

29.914,33

47.443,60

Hoofddocent

34,255,87

58.402,56

Hoogleraar

40.109,00

61.224,38

Gewoon hoogleraar

44.924,78

68.633,08

hogeschool

universiteit

(Heyvaert & Janssens, 2003) Noot: Het barema is de minimum- en maximumwedde a rato van 100% en de minimumleeftijd.

223


Vlaams Eurydice rapport 2003


!

"

De onderstaande paragrafen richten zich op evaluatie binnen het Vlaamse onderwijssysteem.

9.1.

Historisch overzicht

De evaluatie en begeleiding binnen het onderwijssysteem heeft het karakter van een interactie tussen verschillende partijen, waaronder de inspectie en de inrichtende machten.

De laatste zijn in deze

problematiek betrokken door de bijzondere rol die ze spelen bij de ontwikkeling van de leerplannen en het begeleiden van scholen. Vanaf 1989 is de relatie tussen de verschillende partners sterk gewijzigd. Daarom wordt hieronder een kort historisch overzicht gepresenteerd. De controlebevoegdheid van de overheid over het onderwijssysteem, en haar gevolgen in het bijzonder, is steeds een heel delicaat punt geweest in de Belgische (en nu Vlaamse) onderwijswereld.

De

oorspronkelijke zin over de controle vanwege de overheid is expliciet afgewezen bij de voorbereiding van de eerste Belgische grondwet in 1830. Er werd uitdrukkelijk de nadruk gelegd op de keuzevrijheid voor de ouders enerzijds en de vrijheid van de inrichtende machten om de scholen te organiseren anderzijds. Daarom was het zo dat sommigen een eigen inspectie hadden tot voor het Decreet van 17 juli 1991. Er was tevens een rijksinspectie die o.m. de minimumleerplannen opstelde, de diploma’s controleerde en het studiepeil naging. goedgekeurd. klasbezoeken.

De inrichtende machten stelden de leerplannen op die door de minister werden

De toepassing ervan werd gecontroleerd door de inspectie.

Inspecteurs deden ook

Deze benadering veranderde evenwel door het nieuwe Decreet van 17 juli 1991.

Terzelfder tijd werd een duidelijk onderscheid geĂŻntroduceerd tussen de controle en de begeleiding van het onderwijssysteem door de inspectie enerzijds en de ondersteuning van de scholen door de nieuw opgerichte pedagogische begeleidingsdiensten binnen de verschillende onderwijsnetten anderzijds.

9.2.

Actuele discussies

De krachtlijnen van de huidige discussies rond het onderwijskwaliteitszorgsysteem binnen de Vlaamse gemeenschap concentreren zich rond volgende aspecten: Het versterken van de positie van de school binnen het kwaliteitszorgsysteem: op dit vlak worden duidelijke sporen getrokken in de richting van erkenning en waardering van zelfevaluatieprojecten op schoolniveau (dit kan o.m. de "integratie" van zelfevaluatieresultaten in de doorlichtingen impliceren); Het versterken van de operationele autonomie van de onderwijsinspectie: daarbij wordt gedacht aan een beheersovereenkomst tussen regering en inspectie, die moet toelaten de inspectie tot grotere verantwoordelijkheid aan te zetten in ruil voor grotere transparantie inzake doelen en middelen; Naar aanleiding van de Andersen-audit bij de inspectie en de begeleidingsdiensten (zie uitgebreid Andersen-rapport) wil men het decreet op inspectie en begeleiding herzien. Dit heeft geleid tot een


Vlaams Eurydice rapport 2003

maatschappelijk debat naar kwaliteitszorg. Op basis van dit debat zal verder gewerkt worden aan de nieuwe contouren, taken en statuut van de inspectie en de begeleidingsdiensten. Het opzetten van een systeem van prestatiemetingen om de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Om de kwaliteit van het onderwijs op diverse niveaus (micro, meso, macro) te bewaken is het nodig om zicht te krijgen op de prestaties en de vooruitgang die leerlingen boeken. De overheid zoekt naar een systeem om zicht te krijgen op leerlingenprestaties en vooruitgang van leerlingen zonder uit te monden in een systeem van centrale examens en bijhorende excessen zoals rankings van scholen. Ook scholen vragen naar adequaat evaluatiemateriaal om leerlingen te volgen en gegevens waartegenover ze de prestaties van hun leerlingen kunnen afzetten om zicht te krijgen op hun kwaliteit. Aansluiting zoeken bij een Europees onderwijsbeleid met internationale indicatoren en benchmarks, en kwaliteitsbewaking via open coördinatie gekoppeld aan het ontwikkelen van een eigen Vlaams onderwijsbeleid gericht op de realisatie van de Vlaamse eindtermen en ontwikkelingsdoelen en een evaluatie van de mate waarin scholen en leerlingen deze maatschappelijk gedragen minimumdoelen bereiken.

9.3.

Administratief en wettelijk kader

Inzicht in het administratieve kader en de onderwijswetgeving inzake de evaluatie van het onderwijssysteem vergt een beschrijving van de drie belangrijkste pijlers inzake kwaliteitscontrole en bewaking in het Vlaamse onderwijs: de onderwijsinspectie (zie paragraaf 9.3.1.), de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (zie paragraaf 9.3.2.) en de pedagogische begeleidingsdiensten (zie paragraaf 9.3.3.). 9.3.1.

De onderwijsinspectie

De onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap is een organisatie die werkt in opdracht van de Vlaamse overheid en is belast met het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Het Decreet van 17 juli 1991 legt de structuur en werking vast van de inspectie voor alle onderwijsniveaus, de universiteiten en het hogeschoolonderwijs van twee cycli uitgezonderd (Michielsens, 1993; MVG, departement Onderwijs, 1995b). De onderstaande paragrafen gaan dieper in op een aantal relevante aspecten van de Vlaamse onderwijsinspectie. 9.3.1.1.

Organisatie van de inspectie

Inspecteurs worden doorgaans gerekruteerd onder het onderwijzend personeel. Zij worden ingedeeld in een aantal groepen: basisonderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs (VWO), deeltijds kunstonderwijs (DKO) en de inspectie van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s) (zie paragraaf 9.3.1.5.). Artikel 13 van het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX wijzigt het Decreet van 17 juli 1991. Het artikel bepaalt dat de algemene sturing en de leiding van de inspectie toevertrouwd wordt aan een inspectieraad. Deze inspectieraad is samengesteld uit de inspecteurs-generaal van de verschillende afdelingen van de inspectie en de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling. De coördinerend


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

inspecteur-generaal is voorzitter van de inspectieraad. De inspectieraad heeft als kerntaken het effectief functioneren van de onderwijsinspectie en het sturen van de kwaliteitsverzorgende opdrachten die de inspectie vanwege de Vlaamse overheid ten opzichte van de onderwijsinstellingen en van de centra uitvoert. Ze bevordert de samenwerking tussen de verschillende afdelingen van de inspectie. Tevens onderhoudt ze geregeld contact met het departement Onderwijs en reikt, indien nodig, beleidssuggesties aan. Ze coördineert en stuurt de verschillende concepten, instrumenten en procedures die gebruikt worden in het kader van de inspectieopdrachten. De inspectieraad coördineert tevens de totstandkoming van het jaarlijks verslag van de inspectie over de toestand van het onderwijs. De inspecties basisonderwijs en secundair worden geleid door een inspecteur-generaal. De inspecteurgeneraal voor het basisonderwijs is belast met de leiding voor het basisonderwijs, inclusief het buitengewoon basisonderwijs.

Per provincie is er in het gewoon basisonderwijs een coördinerend

inspecteur. Elke provincie is ingedeeld in een aantal ambtsgebieden (ressorten) waarvoor telkens één inspecteur verantwoordelijk is. Het buitengewoon basisonderwijs wordt mee opgenomen in het takenpakket van deze coördinerende inspecteurs. Formeel is evenwel de mogelijkheid aanwezig om één coördinerend inspecteur voor gans Vlaanderen te belasten met het buitengewoon onderwijs.

De

inspecteur-generaal voor het secundair onderwijs is belast met de leiding van de inspectie voor het secundair onderwijs, inclusief het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepsonderwijs. De leiding van de inspectie voor de CLB, het DKO en het VWO berust bij de coördinerend inspecteurgeneraal. 9.3.1.2.

Taken van de inspectie

De inspectie gaat door middel van schooldoorlichtingen na of de school haar maatschappelijke opdracht vervult en/of de gemeenschapsgelden op verantwoorde wijze worden gebruikt. Op basis hiervan brengt de inspectie een advies uit over het al dan niet erkennen of subsidiëren van scholen. Het inspectieteam heeft de volle bevoegdheid voor alle vakken die op school worden aangeleerd, met uitzondering van filosofische of godsdienstige vakken. Daarnaast heeft de inspectie een adviesfunctie naar het beleid toe. De informatie over de effecten van het gevoerde beleid op de scholen en het onderwijs in het algemeen is belangrijk voor de verdere uitstippeling van het beleid. Dit wordt o.m. nagestreefd door de jaarverslagen van de inspectiekorpsen over de toestand van het onderwijs (Maes, 1998). De taken van de inspectie die bij wet zijn vastgelegd zijn (Maes, 1998): de controle op de ontwikkeling en realisatie van de leerplannen door de onderwijsinstellingen die zijn goedgekeurd door de regering; controleren of de vak- of leergebiedgebonden eindtermen bereikt worden en of de ontwikkelingsdoelen en/of vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen in voldoende mate worden nagestreefd door de onderwijsinstellingen; de controle en toepassing van de schooltijd; de controle van de hygiëne van de schoolaccommodatie, de taalwetgeving, de onderwijs- en schooluitrusting;

227


Vlaams Eurydice rapport 2003

advies geven m.b.t. de financiering van de onderwijsinstellingen; het uitbrengen van beleidsadviezen over het onderwijs. De inspectie controleert niet louter of een aantal wettelijke voorschriften qua onderwijs worden nageleefd, maar heeft ook aandacht voor de bredere schoolcontext zoals het schoolklimaat, de relaties tussen de verschillende groepen, de infrastructuur,… De inspectie is niet gekwalificeerd om de onderwijsmethoden of het schoolwerkplan van de onderwijsinstelling te evalueren. Die behoren tot de onderwijsvrijheid. Zij mag evenmin de vakken godsdienst en niet-confessionele zedenleer controleren. De vertegenwoordigende organen van elke erkende filosofische of religieuze gemeenschap organiseren zelf de inspectie en de ondersteuning van de filosofische en godsdienstige vakken die op school worden onderwezen. 9.3.1.3.

Werkwijze

De werkwijze van de onderwijsinspectie is in zekere mate niveauspecifiek. De concrete werkwijze bij de doorlichting van basisscholen wordt beschreven in paragraaf 9.4.2.1, de werkwijze bij secundaire scholen in paragraaf 9.4.2.2. De volgende alinea’s geven alvast een algemeen overzicht van de werkwijze, die bestaat uit een aantal achtereenvolgende stappen. De eerste fase houdt de verzameling in van data die zullen worden geanalyseerd. De data komen gedeeltelijk van verschillende bronnen zoals de informatie die door de algemene administratie wordt verstrekt, de vroegere inspectiebezoeken, enzovoort. Een ander deel van de informatie wordt rechtstreeks door de scholen zelf verstrekt. De inspecteurverslaggever maakt een overzicht op, dat kan beschouwd worden als een verkenning van de school ‘vanop afstand’ (Laumen, 1992; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1995b). De tweede fase bestaat uit het bezoek van de inspecteurverslaggever met de bedoeling de verzamelde informatie aan de schoolrealiteit te toetsen.

Dus aan de ene kant wordt het verzamelde

informatiemateriaal aangevuld en aan de andere kant worden vertekende interpretaties uitgesloten. Specifiek in de tweede fase wordt de interpretatie die de school geeft aan haar eigen activiteitenprogramma van naderbij bekeken. De bedoeling hierbij is om de doelstellingen van de school en haar programma in kaart te brengen, of deze nu wel of niet worden bereikt. De tweede fase wordt afgerond met de laatste aanpassingen van het verzamelde materiaal. In de derde fase gebeurt de eigenlijke kwaliteitscontrole.

Een inspectieteam (drie à vier in het

basisonderwijs, drie à zes in het secundair onderwijs) bezoekt de school om de werking van de school te analyseren m.b.v. een aantal indicatoren en algemene standaarden.

Dit duurt ongeveer één week.

Ofschoon in principe de inspectie als een team opereert, zijn er ook individuele klassenbezoeken. Belangrijk hierbij is om een werkplan voor het schoolbezoek op te stellen. Tijdens de vierde fase worden alle verzamelde data bijeengebracht en uitgebreid besproken door het inspectieteam. Deze bespreking moet leiden tot het opstellen van een eindrapport, waarin de zwakke en sterke punten van de school worden beschreven.


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

Tenslotte wordt in de vijfde fase het eindrapport besproken met de betrokken school. Daarna worden de doorlichtingsactiviteiten afgerond door een finaal eindrapport op te stellen. Het concluderend gedeelte van het inspectieverslag kan ofwel (Maes, 1998): gunstig zijn; gunstig zijn, maar beperkt in de tijd: in dit geval worden een aantal tekorten vast gesteld die binnen een vooropgestelde tijd dienen weggewerkt te worden. Na minstens 60 dagen volgt er een voortgangscontrole van de vastgestelde tekorten; ongunstig zijn. Dit leidt tot een opheffing van de erkenning van een school of een onderdeel ervan. In sommige gevallen worden er andere werkwijzen gehanteerd, zoals onder meer in het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP). In deze gevallen wordt een gespreide of gefaseerde werkwijze gehanteerd (de ‘consecutieve methode’). Het onderzoek wordt gespreid over een langere periode en uitgevoerd door één of meer inspectieleden, al dan niet vergezeld van externe deskundigen. Dit laat een andere manier van controle en doorlichting toe.

Ook voor het deeltijds kunstonderwijs wordt een gespreide inspectie

gehanteerd. De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s) worden eveneens op een eigen wijze geïnspecteerd. In de periode 2000-2002 werden alle centra doorgelicht door de clb-inspectie. In de regelgeving is vastgelegd dat zij normaliter periodiek worden bezocht door een visitatiecommissie die de uitvoering van het beleidsplan of beleidscontract met de school en het kwaliteitsbeleid komt nagaan. De inspectie maakt deel uit van de visitatiecommissie, aangevuld door externen. Daarbij wordt erover gewaakt dat haar leden de psycho-pedagogische, de medische, de paramedische en de sociale discipline vertegenwoordigen. Bij elke doorlichting worden ook de scholen die tot het werkgebied van het centrum voor leerlingenbegeleiding

behoren,

betrokken.

Hierover

worden

afspraken

gemaakt

met

de

onderwijsinspectie. Na de beëindiging van de procedure voor de doorlichting van een centrum voor leerlingenbegeleiding, ontvangt elke betrokken school een mededeling van de bevindingen die betrekking hebben op haar werking en uitvoering van het beleidsplan of beleidscontract. Deze bevindingen worden ook medegedeeld aan de onderwijsinspectie. Het verslag van de doorlichting van een centrum voor leerlingenbegeleiding wordt medegedeeld aan het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding en aan de overheid, maar niet aan de betrokken scholen en de onderwijsinspectie. 9.3.1.4.

Evaluatie van de inspectie

De evaluatie van de inspectie wordt beschreven in paragraaf 8.4.2. 9.3.2.

Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO)

Met o.m. de bedoeling om de inspectietaken op de best mogelijke manier ten uitvoer te brengen, is er een speciale dienst opgericht door het Decreet van 17 juli 1991, nl. de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO). Bij haar oprichting in 1991 was de DVO een studiedienst bij de inspectie. Oorspronkelijk had deze nieuwe dienst vier taken: (1) het formuleren van voorstellen inzake eindtermen, (2) de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen door te lichten onder meer inzake het bereiken van eindtermen, (3) de ontwikkeling van methodes voor het opstellen van leerplannen en lessenroosters, onder

229


Vlaams Eurydice rapport 2003

meer in het licht van beroepsprofielen, en (4) het uitwerken van voorstellen inzake de introductie en bijscholing van inspectieleden. In 1999 werd de decretale opdracht en de positie van de dienst enigszins aangepast. De DVO werd een studiedienst van de minister en de Vlaamse regering. Het gewijzigde decreet betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten omschrijft de nieuwe opdracht van deze dienst als volgt: ‘Binnen het kader van de beleidsvoorbereidende opdracht van het departement Onderwijs, heeft de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tot opdracht het uitbrengen van wetenschappelijke onderbouwde adviezen ten behoeve van de Vlaamse regering en de minister bevoegd voor onderwijs’. De opdracht omvat in hoofdzaak de volgende taken: het formuleren van voorstellen betreffende de ontwikkeling van de opleidingenstructuur; de ontwikkeling van criteria voor het goedkeuren van leerplannen en handelingsplannen; het formuleren van voorstellen inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen en basiscompetenties; en de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen en centra door te lichten. Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 kent de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tevens de volgende opdracht toe: ‘De Vlaamse regering bepaalt het beroepsprofiel en de basiscompetenties van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Dienst voor Onderwijsontwikkeling stelt daartoe een voorstel op voor de Vlaamse Onderwijsraad.’ De decretale opdracht van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling vertaalt zich momenteel in de volgende activiteiten (DVO, 2004): ontwikkeling van eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen; ontwikkeling van basiscompetenties voor de lerarenopleiding; ontwikkeling van studieprofielen; ontwikkeling van instrumenten voor kwaliteitsbewaking; voorbereiding opleidingenstructuur; advisering en deskundigheidsinbreng; beleidsvoorbereiding aan de hand van studiewerk; samenwerking met andere diensten en organisaties inzake onderwijsaangelegenheden; internationale samenwerking; publiceren over inhouden, evaluatie en implementatie van curricula. Deze activiteiten hebben betrekking op het basisonderwijs, het buitengewoon onderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs wat betreft de lerarenopleiding. Daarnaast zijn een aantal thematieken niveauoverschrijdend. In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid zullen in de nabije toekomst de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap grondig geherstructureerd worden. Ook het departement Onderwijs, de inspectie, en de Dienst voor Onderwijsontwikkeling zullen hierbij betrokken worden. Voor de DVO betekent dit dat de dienst wellicht opgenomen wordt in de administratie van het Departement Onderwijs en dat de taken van de dienst zich zullen concentreren rond het thema “curriculum”. De DVO als curriculumdienst zou dan werken rond een aantal grote terreinen zoals curriculum als doelen en inhouden, ordening van curricula in een opleidingenstructuur en curriculumevaluatie. 9.3.3.

Pedagogische begeleidingsdiensten

Sinds het decreet van 17 juli 1991 de bevoegdheden van de inspectie en van de netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten grondig herverkavelde, worden de voornaamste controlerende


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

functies toevertrouwd aan de onderwijsinspectie en is er een adviserende en ondersteunende taak weggelegd voor de netgebonden pedagogische begeleiding. De pedagogische begeleidingsdiensten bevorderen de onderwijskwaliteit en ondersteunen leerkrachten, schooladministraties, scholen enz. om pedagogische projecten te realiseren die specifiek zijn voor de schoolbesturen (inrichtende machten). De diensten worden voor elk onderwijsnet afzonderlijk ingericht. Pedagogisch begeleiders zijn meestal leerkrachten die voor hun begeleidingswerk gedurende een of meerdere jaren van hun onderwijstaken worden ontheven. Concreet is de pedagogische begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs belast met de volgende opdrachten (Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996, B.S. 12/09/1996): de externe ondersteuning van de betrokken onderwijsinstellingen volgens het eigen pedagogisch concept, onder meer bij het opstellen van het schoolwerkplan; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van de betrokken instellingen; het stimuleren van initiatieven ter versterking van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden uit de betrokken instellingen; het opstellen van een jaarlijks begeleidingsplan en het opstellen van een jaarverslag van de activiteiten. Wat de morele en godsdienstige vakken betreft, hebben deze ondersteunende diensten geen autoriteit. Voor die vakken zijn er speciale procedures van toepassing. 9.3.4.

Speciale regelingen

Verder is er nog sprake van enkele speciale procedures inzake kwaliteitsbewaking. 9.3.4.1.

Controle en ondersteuning van filosofische en godsdienstvakken

Zoals vermeld garandeert de grondwet alle leerlingen, die onder de voorwaarden van de wet op de leerplicht vallen, twee lesuren per week moraal- of godsdienstonderricht op school, als deel van het leerplan. Deze vakken zijn op geen enkele manier onderworpen aan enige overheidscontrole - zolang de democratische basisbeginselen van de samenleving worden gerespecteerd. Het Decreet van 1 december 1993 heeft niettemin een kader vastgelegd voor de inspectie en onderwijskundige ondersteuning van deze vakken op het basis- en secundair niveau en in de lerarenopleiding (aan de hogescholen). Elke erkende of religieuze gemeenschap heeft een vereniging die erkend is als de wettige vertegenwoordiger van die gemeenschap. De erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bepalen de werking van de inspectie en de begeleiding van de betrokken godsdiensten en van de niet-confessionele zedenleer. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor de leerplannen voor deze vakken en de nascholing van de betrokken leerkrachten. De

aangewezen

inspecteur-adviseurs

hebben

verschillende

duidelijk

afgebakende

taken

en

verantwoordelijkheden, waaronder: de controle op de naleving van het lesrooster en de verklaringen betreffende de keuze voor een godsdienst of de niet-confessionele zedenleer, de controle van de leermiddelen;

231


Vlaams Eurydice rapport 2003

de controle van de bewoonbaarheid, de didactische bruikbaarheid en de hygiëne van de lokalen; het uitbrengen van beleidsadviezen; het controleren van de uitvoering van de leerplannen en de controle van het peil der studiën; de externe ondersteuning en de beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leerkrachten en het stimuleren van initiatieven ter verbetering van de beroepskwaliteit; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van het betrokken vakgebied en het bewaken en het stimuleren van het aan de levensbeschouwing aangepast opvoedingsproject binnen het vakgebied; alle andere opdrachten die worden toegekend door of krachtens wetten en decreten. De inspecteurs-adviseur geven informatie aan: de erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging voor de niet-confessionele zedenleer voor wat betreft de inhoud, de leerplannen en de beroepsbekwaamheid van de leerkrachten; de algemeen inspecteur-generaal - die aan het hoofd van de inspectie staat, voor wat de toepassing van de wettelijke en administratieve reglementering betreft. 9.3.4.2.

Inspectie voor de stadsscholen

Enkele grotere steden (Antwerpen, Gent, ,..) betalen hun eigen ‘inspectiepersoneel’. In feite moeten zij worden gezien als ambtenaren van hogere rang die in naam van de gemeentelijke overheid optreden, in haar rol van inrichtende macht voor de gesubsidieerd officiële scholen.

9.4.

Evaluatie van onderwijsinstellingen

De evaluatie van onderwijsinstellingen berust op twee luiken: enerzijds zijn er de interne evaluatievormen op aangeven van de scholen zelf of hun inrichtende machten (zie paragraaf 9.4.1.) en anderzijds is er de externe evaluatie door de onderwijsinspectie (zie paragraaf 9.4.2.). 9.4.1.

Interne evaluatie

Het Vlaams onderwijssysteem heeft geen sterke institutionele traditie opgebouwd inzake zelfevaluatie. In feite is zelfevaluatie nog niet zo lang officieel aangemoedigd als deel van het huidige inspectiesysteem en de huidige programma’s voor externe ondersteuning van scholen; het principe van zelfevaluatie is eveneens terug te vinden in de meest recente wetgeving op het hoger onderwijs (Decreet van 12 juni 1991 en Decreet van 13 juli 1994). De voorbije jaren werden verscheidene zelfevaluatie-instrumenten ontwikkeld, maar de uitvoering van dergelijke procedures voor zelfevaluatie behoren nog steeds tot de exclusieve bevoegdheid van de scholen en hun inrichtende machten (Van Petegem, 1996). Systemen van zelfevaluatie in het kleuter-, lager en secundair onderwijs werden uitgebouwd (zie paragraaf 9.4.1.1.); voor de hogescholen en de universiteiten


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

voorzien de decreten op de universiteiten en de hogescholen een systeem van kwaliteitsbewaking waarin zelfevaluatie een essentieel element is (zie paragraaf 9.4.1.2.). 9.4.1.1.

Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs

Er is internationaal een groeiende tendens bij scholen om zichzelf kritisch te bevragen en de realisatie van de eigen doelen op een meer systematische wijze te onderzoeken (Michielsens, 2002). Het uitvoeren van zelfevaluaties is ook binnen het Vlaamse onderwijs een belangrijk aspect in de kwaliteitsbewaking geworden. Bij zelfevaluatie gaat het om de vraag of de basisschool of de secundaire school voldoet aan de eigen doelstellingen die zij vanuit haar pedagogisch project formuleert. Bij een doorlichting door de onderwijsinspectie daarentegen gaat het in de eerste plaats over de vraag of de school voldoet aan de minimumverwachtingen die de samenleving (m.m. het beleid) stelt t.a.v. de school (Michielsens, 2002). Het overgrote deel van de zelfevaluaties wordt geĂŻnitieerd door de scholen zelf, zonder verplichting van overheidswege. Daartoe kunnen scholen een beroep doen op een veelheid van instrumenten die met het oog op het uitvoeren van zelfevaluatie in het basisonderwijs en secundair onderwijs ontwikkeld werden. De verscheidenheid in zelfevaluatie-instrumenten gaat terug op verschillende invullingen omtrent het onderwijsniveau, de te bevragen aspecten, de gevolgde methodieken, de functies van de zelfevaluatie, de begeleiding die scholen genieten en dergelijke.

Scholen kiezen dus doorgaans zelf of ze zichzelf

evalueren en hoe ze daarbij te werk gaan. Het Decreet betreffende de gelijke onderwijskansen-I (GOK-I) (B.S. 14/09/02) geeft aan het uitvoeren van zelfevaluatie voor het eerst het statuut van een wettelijk verankerde verwachting ten aanzien van scholen. Van basisscholen en secundaire scholen die over GOK-middelen beschikken, wordt verwacht dat zij in de loop van de looptijd van het Gelijke Onderwijskansenbeleid een zelfevaluatie van het beleid dienaangaande uitvoeren. Het behoort echter tot de autonomie van de school om concreet invulling te geven aan deze zelfevaluatie. 9.4.1.2.

Interne evaluatie in het hoger onderwijs

De vorm van interne en externe kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs verschilt van het systeem van kwaliteitscontrole zoals dat in het kleuter-, lager en secundair onderwijs gekend is. Zowel het decreet op de universiteiten als dat op de hogescholen voorziet een tweeledige structuur voor kwaliteitsbewaking Enerzijds voorzien beide decreten in de kwaliteitsbewaking door de hogescholen en universiteiten zelf, anderzijds heeft de overheid tot taak op de kwaliteitsbewaking van de universiteiten en hogescholen toe te zien. Er wordt dus ook in het hoger onderwijs een onderscheid gemaakt tussen de interne en externe kwaliteitsbewaking (zie 9.4.2.3.). Wat de interne kwaliteitsbewaking betreft heeft elke instelling de plicht permanent de eigen onderwijs- en onderzoeksactiviteit te controleren. In de onderstaande paragrafen wordt zowel ingegaan op de interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen (zie paragraaf (9.4.1.3.1.) als op de interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten (zie paragraaf (9.4.1.3.2.).

233


Vlaams Eurydice rapport 2003

9.4.1.2.1.

Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen

Van elke hogeschool wordt verwacht dat zij permanent de kwaliteit van haar onderwijs en onderzoek evalueert en dat acties om de situatie te verbeteren worden opgenomen in het jaarlijks rapport van de hogeschool. Studenten dienen actief in dit proces betrokken te worden. Daarenboven dient men zoveel mogelijk de gegradueerden en andere mensen uit het beroepsveld waarop het studiedomein is gericht, bij deze evaluatie te betrekken. De zelfevaluatie dient uiteindelijk te resulteren in een rapport waarvan de status en de verdeling wordt bepaald door het Hogeschoolbestuur. Op dit moment passen de meeste hogescholen het EFQM-systeem (European Foundation for Quality Management) toe, hoewel zeer verscheidene toepassingen gebruikt worden. Eén van dergelijke evaluatie-instrumenten is PROZA (Projectgroep Ontwikkeling Zelfanalyse – instrument kwaliteitszorg, dit is een projectgroep voor de ontwikkeling van een instrument voor de zelfevaluatie van kwaliteit). Hierin dienen verschillende stappen te worden gezet door het evaluatieteam van de hogeschool: de voorbereiding van de zelfevaluatie: Wie zal de coördinator worden? Wat dient er geëvalueerd te worden? Hoe dient men te quoteren, enz..; de samenstelling van het evaluatieteam; de stappen die moeten gezet worden, d.w.z. individuele zelfevaluatie, discussie van de individuele vragenlijsten in groepsvorm; het actieplan om de situatie te verbeteren (Schoofs, 1997-1998). Uit het VLOHRA-onderzoek ‘Optimalisatie van het hogeschoolonderwijs’ (2000) blijkt dat de meeste hogescholen kiezen voor een systeem van Integrale Kwaliteitszorg (IKZ). Dit betekent dat niet alleen het onderwijs en onderzoek aan bod komt in de kwaliteitszorg maar wel het systematisch beheersen en continu verbeteren van de werking van de hele hogeschool als organisatie opdat deze haar missie zou kunnen realiseren. De integrale kwaliteitszorg heeft dus betrekking op alle organisatieaspecten van de hogeschool en wordt zo een zaak van alle geledingen binnen de hogeschool (Rottiers, 2001; Bronders, 2001). 9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten In Vlaanderen hebben de universiteiten in 1991 in ruil voor een grotere zelfstandigheid een systeem van interne en externe kwaliteitszorg opgezet. De verantwoordelijkheid en het eigenaarschap van het kwaliteitszorgsysteem werd door de overheid volledig bij de instellingen gelegd. Net als de hogescholen zorgen de universiteiten voor de interne en externe kwaliteitszorg van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Zij zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Het Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 4 april 2003) stelt de betrokkenheid van de studenten, de alumni en externe deskundigen uit het beroepsveld voorop bij deze processen van interne kwaliteitsbewaking. Een centraal aspect in de kwaliteitsbewaking van het hoger onderwijs zijn de zogenaamde visitaties die gecoördineerd worden door de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Het visitatiestelsel valt uiteen in


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

drie fasen (zie paragraaf 9.4.2.3.). In een eerste fase ligt het zwaartepunt op de interne evaluatie. Het gaat om een kritische zelfanalyse door de betrokkenen van de te visiteren opleidingen. De resultaten van deze zelfbevraging, die ongeveer een jaar in beslag neemt en waarbij academisch, administratief en technisch personeel, studenten, afgestudeerden en vertegenwoordigers van het beroepenveld worden betrokken, worden samengebracht in een uitvoerig rapport, het zelfevaluatierapport. De zelfevaluatie, die beschouwd wordt als een controlevorm binnen het geheel van de interne kwaliteitszorg, geschiedt volgens een periodiciteit die vastgelegd wordt door het universiteitsbestuur en waarbij rekening wordt gehouden met elementen als de duur van de opleiding en de frequentie van de externe kwaliteitszorg. 9.4.2.

Externe evaluatie

De externe kwaliteitscontrole is gebaseerd op de doorlichting van scholen in het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs (incl. de basiseducatie), het deeltijds kunstonderwijs en op een systeem van externe visitaties in het hoger onderwijs. In de volgende paragrafen wordt achtereenvolgens de methodiek van externe evaluatie door de inspectie beschreven in het basisonderwijs (zie paragraaf 9.4.2.1.) en het secundair onderwijs (zie paragraaf 9.4.2.2.). Daarna wordt stilgestaan bij de externe evaluatie in het hoger onderwijs (zie paragraaf 9.4.2.3.). 9.4.2.1.

Basisonderwijs

De inspectie streeft ernaar om elke school minstens om de zes jaar door te lichten. Om de gelijkvormigheid te bewaken, gebruiken alle doorlichtingsteams een zelfde instrumentarium. Ook de procedure van doorlichten is in de ganse Vlaamse gemeenschap gelijk. 9.4.2.1.1. Instrumentarium Bij zijn kwaliteitsbewakende opdracht gebruikt de inspectie het CIPO-model (context, input, proces, output) als structurerend kader waarbinnen de vaststellingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bekeken. De invulling van deze aspecten is de volgende: Context: het geheel van demografische, structurele, materiĂŤle, financiĂŤle, juridische, bestuurlijke en pedagogisch-didactische gegevens die van invloed (kunnen) zijn op de input, het proces en de output van de school. Input: het geheel van persoonsgebonden gegevens van elkeen die rechtstreeks deelneemt aan het onderwijsleerproces, met name de leerlingengroep en het schoolteam (de directeur en de leraren). Proces: het geheel van onderwijskundige en schoolorganisatorische kenmerken dat aangeeft welke inspanningen de school doet om de door de overheid vooropgestelde doelen te bereiken. Output: het geheel van kenmerken dat duidt op kwalificaties van kinderen met betrekking tot de door de overheid vooropgestelde doelen. De keuze voor dit model impliceert dat de inspectie het functioneren van de leraar en de directeur ziet binnen het totale functioneren van de school en dat men het functioneren van de school kadert binnen de

235


Vlaams Eurydice rapport 2003

lokale

context.

Het

werken

met

dit

model

gebeurt

vanuit

een

verantwoordings-

en

schoolontwikkelingsperspectief. De schooldoorlichting is zowel een middel om gegevens in de school te controleren (verantwoording) als een mogelijke aanleiding voor scholen om hun onderwijskwaliteit te optimaliseren (ontwikkeling). Aanvullend gaat het doorlichtingsteam na of de infrastructuur van de school voldoet en of de wettelijke bepalingen nauwgezet worden opgevolgd. 9.4.2.1.2. Procedure De volgende beschrijving van de doorlichtingsprocedure is gebaseerd op de toelichting die de onderwijsinspectie aan basisscholen bezorgt ter voorbereiding van een inspectiebezoek (MVG, 2002, p.12-23). Een schooldoorlichting wordt altijd aangekondigd met een brief aan het schoolbestuur en aan de directeur. Voor de scholen van het gemeenschapsonderwijs wordt ook de Raad van het Gemeenschapsonderwijs op de hoogte gebracht. Het aantal inspecteurs dat een school doorlicht, hangt af van het aantal schoolteamleden en het aantal vestigingsplaatsen.

Elke doorlichting gebeurt door

minimum twee inspecteurs. De inspecteurverslaggever is verantwoordelijk voor de organisatie van de schooldoorlichting en voor de verslaggeving. In de periode die aan de schoolfase vooraf gaat, verzamelt de inspecteurverslaggever een aantal basisgegevens over de school. Vervolgens vindt een voorbereidend gesprek plaats. In de eerste plaats wordt de praktische organisatie besproken. Tijdens de doorlichting zullen de inspecteurs activiteiten volgen, gesprekken voeren met teamleden en de directeur, documenten inkijken en het schoolgebouw inspecteren. Deze fase, de schoolfase, zal maximaal een viertal dagen duren. In deze schoolfase organiseren de inspecteurs minstens twee gesprekken met de directeur: één meer bij het begin en één meer naar het einde van de schoolfase (samen nemen ze ongeveer een halve dag in beslag). Ook andere leidinggevende personen (adjunct-directeur, beleidsondersteuner …) kunnen hierbij worden betrokken. De inspecteurs winnen eveneens bij een selectie van leerkrachten uitgebreid informatie in.

Het is de bedoeling een eerste, zo juist mogelijk, globaal beeld van het

schoolleven te krijgen. De inspecteurs observeren tevens tijdens activiteiten met de kinderen. De inspecteurs gaan om met de leerlingen en kunnen informele gesprekjes met de leerlingen voeren en hun schriften, taken of werkstukjes nakijken. Daarnaast kijken ze de documenten van de teamleden na. Met de informatie uit de bevraging van het schoolbestuur, de ouders en de lokale gemeenschap vervolledigt het inspectieteam het beeld van de school. Na de schoolfase ordent en selecteert elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Uiterlijk 60 dagen later brengt de inspectie in elk geval het schoolbestuur en de directeur in een gesprek op de hoogte van haar bevindingen. Het inspectieteam plant tenslotte een verifiëringsgesprek. Het schoolbestuur bepaalt wie bij dit gesprek wordt betrokken. De inspectie hoopt dat ook een afvaardiging van het personeel hierbij aanwezig is. Het schoolbestuur kan onder meer ook de begeleiding uitnodigen.


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

9.4.2.1.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag Het verslag moet binnen dertig dagen na ontvangst door de directeur op de agenda van een personeelsvergadering worden geplaatst (MVG, 2002, p. 50-51). Het moet integraal worden besproken. Een exemplaar van het volledige verslag ligt op het schoolsecretariaat ter inzage. Voor de school en het schoolbestuur heeft het verslag een klankbordfunctie vanwege de concrete aanknopingspunten waarop school en schoolbestuur zich in de toekomst kunnen richten. Andere onderwijsparticipanten zoals: de leden van het basisoverlegcomité (BOC), het lokaal onderhandelingscomité (LOC), de ondernemingsraad, de afzonderlijke bijzondere comités (ABC), de participatie-/schoolraad en de oudervereniging kunnen een kopie van het doorlichtingsverslag ontvangen, als zij het vragen aan het schoolbestuur. De schoolbesturen kunnen het doorlichtingsverslag ook ter beschikking stellen van hun pedagogische begeleidingsdienst. In het kader van de openbaarheid van bestuur kunnen ook personen die geen onmiddellijk belang hebben, inzage krijgen in doorlichtingsverslagen. Zij moeten het verslag aanvragen via de inspecteur-generaal van het basisonderwijs. Wanneer geïnteresseerden een doorlichtingsverslag aanvragen, dan krijgen zij daar een korte inleidende nota bij. Daarin staat onder meer dat het verslag niet mag worden gebruikt voor commerciële doeleinden of om een rangschikking van scholen op te stellen. Voorts legt de nota de nadruk op het tijdgebonden karakter van een doorlichtingsverslag. Het inzagerecht geldt niet voor ongunstige adviezen, omdat die nog aan een beroepsprocedure zijn onderworpen en er nog een definitieve beslissing moet worden genomen. 9.4.2.2.

Secundair onderwijs

Om de gelijkvormigheid te bewaken, gebruiken alle doorlichtingsteams een zelfde instrumentarium. Ook de procedure van doorlichten is in de ganse Vlaamse gemeenschap gelijk. 9.4.2.2.1. Instrumentarium Het informatiedossier dat de inspectie hanteert, werd gestructureerd op grond van het CIPO-analysekader. Dit betekent dat vanuit hetzelfde referentiekader gegevens worden verzameld als in het basisonderwijs (zie paragraaf 9.4.2.1.1.). 9.4.2.2.2. Procedure De volgende beschrijving van de doorlichtingsprocedure is gebaseerd op de toelichting die de onderwijsinspectie aan secundaire scholen bezorgt ter voorbereiding van een inspectiebezoek (MVG, 2003, p.12-23). De inspectie-generaal brengt met een meldingsbrief de schooldirectie, de voorzitter van de inrichtende macht, de coördinerend directeur en de algemeen directeur schriftelijk op de hoogte van de komende doorlichting. De directie en een lid van het ondersteunend personeel worden enkele weken na de melding van de doorlichting uitgenodigd voor een informatiesessie. De informatiesessie betreft het CIPO-analysekader en de voorbereiding, het verloop van de schooldoorlichting en de verslaggeving. Parallel wordt aan het

237


Vlaams Eurydice rapport 2003

ondersteunend personeel praktische ondersteuning geboden voor het invullen van de verschillende dossiers. De feitelijke doorlichting door het inspectieteam duurt in principe een werkweek. Ze begint met een kennismaking van het inspectieteam met de directeur. De directie wordt dan uitgenodigd de school kort voor te stellen. De inspecteurs nemen de eerste dag van de doorlichting kennis van bijkomende informatie die op de school beschikbaar is. De uitgebreide informatieve fase wordt afgesloten met een teambespreking en resulteert in een gerichte planning van de doorlichtingsactiviteiten. De eigenlijke activiteiten van de inspectieleden worden hieronder opgelijst. Gesprekken: de gesprekken beogen de verworven informatie uit het informatiedossier en de vaststellingen te vervolledigen en te verfijnen. In de gesprekken met leerlingen komen algemene thema's aan bod, gebaseerd op de schalen en subschalen van de wetenschappelijk ontwikkelde enquĂŞte 'welbevinden leerlingen'. Deze gesprekken zijn niet bedoeld als een evaluatie van personeelsleden. Gesprekken met leraren hebben onder andere tot doel de reeds ingewonnen informatie te verfijnen, eventuele nieuwe aspecten of aandachtspunten te ontdekken, de persoonlijke inbreng en het initiatief van de leraar in de doorlichting te garanderen, en vaststellingen mee te delen. Gesprekken met titularissen van een vak- of vakkengroep zijn in het begin van de feitelijke doorlichting nuttig om informatie uit documenten (bijvoorbeeld het vak- of studierichtingsinformatiedossier) en observaties toe te lichten en op het einde van de feitelijke doorlichting om de bevindingen te bespreken. Gesprekken met ouders en/of externen beogen de perceptie van het schoolgebeuren door derden te toetsen. Lesobservaties: de inspecteurs wonen lessen bij. Deze klasbezoeken hebben niet als doel de individuele leraar te beoordelen, maar dragen bij tot vaststellingen m.b.t. het rendement van het vakkenonderwijs. Deelonderzoeken: voor sommige deelaspecten, zoals o.m. de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de veiligheid, het welbevinden en het taalbeleid, maakt de inspectie gebruik van specifieke instrumenten. Die instrumenten zijn voor de scholen ter beschikking op de website van de inspectie. Deelname aan het schoolleven: bezoek aan het leerlingenrestaurant, speelplaatsbezoek, informele ontmoetingen met leraren in de leraarskamer, aanwezigheid bij klassenraden. Vakvergaderingen: op het einde van de doorlichting kunnen de bevindingen op vak- of studierichtinggebied door de betrokken inspecteurs met de vakgroepen in een vergadering of met individuele leraren worden besproken. Na de schoolfase selecteert en ordent elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Op het einde van de verwerkingsperiode organiseert de inspecteurverslaggever een vergadering met alle teamleden. Die vergadering heeft een delibererend karakter, wat leidt tot het uiteindelijke verslag en advies. Op initiatief van de inspecteurverslaggever wordt ten laatste 60 kalenderdagen na de schooldoorlichting

een afspraak

gemaakt met de inrichtende macht en de directie voor de bespreking van de bevindingen aan de hand van het ontwerpverslag. Na dit afrondend gesprek wordt het verslag gefinaliseerd.


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

9.4.2.1.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag De directeur van de school is verplicht het doorlichtingsverslag binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst op de agenda te plaatsen van een personeelsvergadering. Zij/hij is verplicht dit verslag integraal met het personeel te bespreken. Het personeel heeft inzagerecht en kan desgewenst van de school een kopie van het verslag krijgen. De Vlaamse regering heeft deze verplichtingen van de school inzake de toegankelijkheid van het doorlichtingsverslag voor personeelsleden, leerlingen en ouders in een besluit vastgelegd (B.S. 01/04/1999). Het is de directie uiteraard niet verboden het verslag ook zelf te overhandigen aan wie daarom verzoekt. In ieder geval moet er steeds over worden gewaakt dat het verslag in zijn geheel wordt bezorgd en geen uittreksels. Die regeling ontslaat de overheid zelf niet van haar verplichting alle documenten ter beschikking te stellen die aanleiding kunnen geven tot bestuurshandelingen t.a.v. betrokken partijen. Een volledig doorlichtingsverslag kan in die zin door iedereen worden opgevraagd bij het departement Onderwijs. Het departement is gerechtigd hiervoor een vergoeding te vragen. Ondanks het openbaar karakter van het doorlichtingsverslag mag het verslag niet worden gebruikt voor ‘commerciële doeleinden’, i.e. propaganda voor de school met het oog op rekrutering van leerlingen. Het is niet toegestaan een vergelijking van scholen uit te werken op basis van een vergelijking van gegevens uit doorlichtingsverslagen. Dat zou een negatie betekenen van het eigene van een schooldoorlichting, waarbij wordt getracht de eigenheid van de school maximaal te respecteren. De doorlichting van centra voor volwassenenonderwijs, centra voor basiseducatie en instellingen voor deeltijds kunstonderwijs is vergelijkbaar met de doorlichting in basis- en secundair onderwijs. Het gebruikte instrumentarium beantwoordt eveneens aan de CIPO-indeling, de doorlichtingsprocessen zijn eveneens vergelijkbaar. De doorlichtingsverslagen zijn eveneens openbaar. 9.4.2.3.

Hoger onderwijs

De hogescholen en universiteiten voorzien zelf in een regelmatige externe beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Dit kan per opleiding of per cluster van opleidingen. De externe beoordeling gebeurt ten minste om de acht jaar voor de bachelors- en de mastersopleidingen (Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 18.08.2003). Daar waar de interne kwaliteitszorg tot de autonomie van de instellingen behoort, kregen de VLHORA en de VLIR (zie paragraaf 2.7.2.2.) de opdracht toegewezen de organisatie en coördinatie van de externe kwaliteitszorg in het hoger onderwijs - de zgn. visitaties van opleidingen - te verzorgen. De coördinatie slaat in ieder geval op de ontwikkeling en de vaststelling van een protocol van kwaliteitszorg dat de visitatiecommissies bij hun beoordeling van de kwaliteit hanteren. Het zijn de visitatiecommissies die de externe beoordeling van eenzelfde opleiding of cluster van opleidingen uitvoeren. Alle instellingen die een te controleren opleiding of groep van opleidingen aanbieden, worden bij de visitatie betrokken. De visitatie wordt uitgevoerd door een commissie van externe deskundigen en vertrekt van het zelfevaluatierapport, opgesteld door de opleidingen (zie paragraaf 9.4.1.2.). De visitatiecommissie bezoekt de betrokken instelling (VLOHRA, 2001). Op basis van de visitatieactiviteiten komt ze tot een consensus over de sterke punten en de punten waarvoor de commissie aanbevelingen tot verbetering

239


Vlaams Eurydice rapport 2003

wenst te formuleren. De bezoekfase wordt afgerond met een mondeling verslag van de voornaamste bevindingen aan de beleidsverantwoordelijken van de betrokken instelling. De visitatie is gericht op het proces van kwaliteitsverbetering. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling samen in een openbaar verslag. Indien volgens de Vlaamse regering de resultaten van een kwaliteitsbeoordeling van een externe visitatiecommissie aantonen dat de kwaliteit van de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten van de hogeschool in kwestie zorgen baart, moet het bestuur van de instelling binnen de zes maanden nadat de Vlaamse regering haar oordeel heeft medegedeeld, een plan voorleggen waarin het aangeeft welke maatregelen zullen worden genomen om de vastgestelde tekortkomingen te remediĂŤren. Mede door de Bologna-verklaring kwam de ontwikkeling van een derde luik in de kwaliteitszorg (naast interne evaluatie en de visitatie) met name de accreditatie in een stroomversnelling (VLOHRA, 2001). Het begrip 'accreditatie' duidt op het verlenen van een 'keurmerk' dat aangeeft dat aan bepaalde kwalitatieve maatstaven wordt voldaan. Accreditatie is in Vlaanderen een voorwaarde voor bekostiging/financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid en voor het recht erkende diploma's af te geven. Het initiatief voor een accreditatieaanvraag ligt bij de instelling voor hoger onderwijs. Het (ontwerp) accreditatiekader bepaalt dat ten behoeve van de accreditatie een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten. Vlaanderen heeft met Nederland een verdrag afgesloten betreffende de samenwerking rondom accreditatie. Het doel van dit verdrag is te komen tot een accreditatieorganisatie die zowel Vlaamse als Nederlandse opleidingen binnen het hoger onderwijs zal accrediteren. Die accreditatieorganisatie zal NVAO (Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie) heten (zie www.nvao.net).

9.5.

Evaluatie van het onderwijssysteem

Vlaanderen beschikt niet over een systeem van nationale examinering. Dat neemt niet weg dat verschillende andere kanalen in het leven geroepen werden die het mogelijk maken de kwaliteit van het onderwijssysteem te evalueren. We verwijzen daarbij naar het zogenaamde periodiek peilingonderzoek en de deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek. Uiteraard speelt ook de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol. 9.5.1.

Het jaarverslag van de onderwijsinspectie

Op basis van de ervaringen bij de evaluatie van de onderwijsinstellingen (zie paragraaf 9.4.2.) schrijft de onderwijsinspectie elk jaar een verslag over de toestand van het onderwijs. Dit jaarverslag van de inspectie (de zogenaamde onderwijsspiegel) beschrijft de toestand van het onderwijs tijdens het voorgaande schooljaar en poneert een aantal beleidsaanbevelingen, zowel op algemeen beleidsniveau als op schoolniveau (Onderwijsinspectie, 2004). 9.5.2.

Periodiek peilingsonderzoek

De overheid voert periodiek (jaarlijks) een peilingsonderzoek naar een cluster van eindtermen uit. Via representatieve steekproeven worden de prestaties van de leerlingen anoniem onderzocht en worden


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

resultaten op het niveau van het onderwijssysteem berekend.

Er werden reeds verschillende

peilingstoetsen voor diverse leergebieden uit het basisonderwijs en vakken uit het secundair onderwijs ontwikkeld. Aan de hand van de periodieke peilingen wil de minister van Onderwijs en Vorming (Vanderpoorten, 2003) zicht krijgen op het behalen van de eindtermen in het Vlaams onderwijs. De peilingen verschaffen noodzakelijke informatie over de opbrengsten van het onderwijs in termen van wat de leerlingen nu werkelijk geleerd hebben, wat ze kennen en kunnen. De betrouwbare landelijke gegevens over leerlingenprestaties worden aangewend in het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijssysteem. De informatie uit peilingen kan - naast andere informatie over de implementatie van de eindtermen - worden gebruikt om deze te evalueren en eventueel te herzien. Het peilingsonderzoek kan ook worden gebruikt om het onderwijsaanbod en de gebruikte leer- en onderwijsmethodes bij te sturen en een idee te krijgen van de behoefte aan begeleiding en nascholing van leerkrachten. 9.5.3.

Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek

Vlaanderen neemt met grote regelmaat deel aan internationaal vergelijkend onderzoek. Op basis van een internationale vergelijking van verscheidene kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem wordt informatie verkregen die het mogelijk maakt het functioneren van het onderwijssysteem te evalueren. Outputinformatie speelt daarbij een belangrijke rol maar wordt systematisch aangevuld met context-, input en procesinformatie. De belangrijkste internationaal vergelijkende onderwijsonderzoeken waaraan Vlaanderen recentelijk geparticipeerd heeft zijn: International Survey of Upper Secondary Schools (ISUSS). ISUSS is een internationaal vergelijkend onderzoek naar het functioneren van scholen uit het hoger secundair onderwijs (de tweede graad en de eerste twee leerjaren van de derde graad). Third International Mathematics and Science Study TIMSS-R(epeat). Het meest recente luik van TIMSS bracht de kennis en attitudes van 14-jarigen inzake wiskunde en wetenschappen in kaart. Naast prestatiegegevens werd informatie verzameld over leerlingen, leerkrachten en schoolleiders, over het curriculum en de instructie inzake wiskunde en wetenschappen maar ook over ruimere schoolkenmerken en het gevoerde schoolbeleid. Programme for International Student Assessment (PISA) is een internationaal onderzoek naar de kennis en vaardigheden van 15-jarigen. Eerder dan op de beheersing van een schools curriculum richt PISA zich op de mate waarin leerlingen begrippen en concepten verstaan, processen beheersen en kennis en vaardigheden kunnen toepassen in verschillende situaties. Het gaat daarbij om de geletterdheid van leerlingen inzake lezen, wiskunde en wetenschappen. Daarnaast worden er in Vlaanderen gegevens verzameld met het oog op het vergelijken van aspecten van het onderwijssysteem in internationale publicaties zoals Education at a Glance (OESO) en Key data (Europese Commissie). Er wordt ook een specifiek Vlaamse publicatie samengesteld die de kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem situeert in een internationale context (‘Vlaamse onderwijsindicatoren in een internationale context’). De indicatoren in internationale publicaties worden immers meestal geaggregeerd op het niveau van België.

241


Vlaams Eurydice rapport 2003

9.6.

Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek

Elk jaar besteedt de minister van Onderwijs en Vorming een deel van het budget aan ‘Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek’ (OBPWO). Het budget voor OBPWO is echter sterk verminderd. In 2002 was het te spenderen bedrag 1,5 miljoen 2,5 miljoen

terwijl het aantal jaren gelden nog

bedroeg. De wetenschappelijke onderzoeksprojecten nemen meestal twee jaar in beslag en

hebben betrekking op prioritaire thema’s, zoals vastgesteld door de minister van Onderwijs, op voorstel van het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaams Gemeenschap en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). In 2003 werden onderzoeksprojecten omtrent de volgende thema’s goedgekeurd: het aanwervingsbeleid voor leerkrachten technische en praktijkvakken in TSO/BSO scholen; allochtonen in het hoger onderwijs; studiefinanciering voor het hoger onderwijs; participatie van leerkrachten en ouders; het welbevinden en functioneren van directies basisonderwijs en het beleidsvoerend vermogen van basis- en secundaire scholen. Het is de bedoeling dat onderzoek en beleid zo goed als mogelijk op elkaar worden afgestemd. Aan de ene kant maken de onderzoeksprojecten deel uit van het onderwijsbeleid, terwijl aan de andere kant de wetenschappelijke kwaliteit van de onderzoeksprojecten en de vertaling van de resultaten in beleidsadviezen structureel gegarandeerd is.

Daartoe worden stuurgroepen voorzien die bestaan uit

beleidsmakers, wetenschappelijke experts en mensen die deel uitmaken van het onderwijsveld. Deze commissies volgen de ontwikkeling van het onderzoeksrapport en nemen deel aan de discussie over het eindrapport (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs; zie: http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo). Relevant inzake onderwijsonderzoek is verder het Steunpunt 'Loopbanen van leerlingen en studenten in het onderwijs en de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt'. Dit steunpunt is een initiatief gefinancierd door de Vlaamse Regering met als centrale doelstelling de constructie van gegevensbestanden die toelaten om na te gaan welk pad jongeren volgen van het begin van het basisonderwijs tot de intrede op de arbeidsmarkt. Hierbij ligt in eerste instantie de nadruk op het opzetten van gespecialiseerde surveys met betrekking tot het basisonderwijs en de overgang van school naar werk. Daarnaast steunt het departement Onderwijs onderzoek in het Steunpunt Intercultureel Onderwijs (ICO), het Steunpunt Nederlands Tweede Taal (NT2) en het Expertisecentrum voor Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO). Tenslotte zijn er aan de verschillende Vlaamse Universiteiten onderzoeksgroepen die zich bezig houden met fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek omtrent het functioneren van (aspecten van) het Vlaamse onderwijssysteem.

9.7.

Statistieken

In de volgende tabellen presenteren we een selectie van statistische gegevens omtrent aspecten van het onderwijsbeleid in Vlaanderen.


Hoofdstuk 9: Evaluatie binnen het onderwijssysteem

Tabel 52: Overzicht van het aantal doorlichtingen door de onderwijsinspectie in schooljaar 20022003 aantal doorlichtingen Basisonderwijs

394

Centra voor leerlingenbegeleiding Secundair onderwijs

75 127

Centra voor Volwassenenonderwijs (Bron: Onderwijsinspectie (2004))

20

Het inspectiekorps bestaat in totaal uit 154 personen (143 inspecteurs, 8 coördinerende inspecteurs en 3 inspecteurs-generaal). Gemiddeld genomen is er in het basis- en secundair onderwijs één inspecteur per 25,5 scholen en één inspecteur per 754 leerkrachten.

243


HOOFDSTUK 10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN

In Vlaanderen bestaat er voor leerlingen met specifieke onderwijsnoden naast het buitengewoon onderwijs, dat gescheiden van het gewoon onderwijs wordt georganiseerd (zie 10.6), ook een systeem van Geïntegreerd Onderwijs (GON) (zie 10.5.). Daarenboven is het zo dat op basis van het tijdelijk project rond

‘onderwijsvoorrang’ (enkel in het buitengewoon onderwijs), en het recente gelijke

onderwijskansenbeleid (GOK-beleid) stappen worden ondernomen om het onderwijs aan te passen aan de noden van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

10.1.

Historisch overzicht

In deze paragraaf schetsen we het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in historisch perspectief. Ofschoon enkele buitengewone scholen reeds een geschiedenis van honderd jaar achter de rug hebben (bv. scholen voor visueel of auditief gehandicapten), werd de gemeenschap zich slechts bewust van haar plicht tegenover de fysiek en mentaal gehandicapten op het moment dat de idee van het recht op onderwijs voor iedereen ingeburgerd geraakte (Broekaert, e.a., 1993). In 1901 richtte Decroly een ‘Instituut voor abnormale kinderen’ op. Hij schatte dat drie tot vier procent van de schoolbevolking specifieke onderwijsbehoeften had. Voor de zwaar gehandicapten bestonden er in de jaren ‘30 een aantal instellingen. In 1956 werden er jaren ingericht voor kinderen met een hersenletsel en deze waren verbonden aan normaalscholen. In die tijd liepen - enkel voor het lager onderwijs - ongeveer 6.000 leerlingen school aan dergelijke gespecialiseerde instellingen. In 1968 gingen 46.000 leerlingen naar buitengewone scholen. Op dat moment bereikte het Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO) haar verzadigingspunt en werd het duidelijk dat twee categorieën door elkaar werden gehaald: enerzijds de kinderen met leermoeilijkheden en anderzijds de gehandicapte kinderen die echt nood hadden aan speciaal onderwijs. De nood aan een wetgeving m.b.t. onderwijs voor gehandicapte kinderen kwam meer en meer naar voren. Politieke strubbelingen (in 1965, in 1966 en in 1968) hielden de introductie van een wetsvoorstel tegen tot 1970, om uiteindelijk op 6 juli 1970 te worden goedgekeurd. Het legde het toekomstig beleid vast dat nodig was om aan de onderwijsnoden van gehandicapte kinderen en jongeren te kunnen voldoen; zo definieerde deze wet wie van deze onderwijsvorm kon genieten door de toelatingsprocedures te specificeren voor de leerlingen, alsook de organisatie van de verschillende onderwijsniveaus. Het somde ook de personeelscategorieën op en besliste over het principe van de verschillende overheidsinterventies. Tenslotte werden er ook een aantal raden en commissies opgericht. In 1980 werd het Geïntegreerd Onderwijs als experiment tot leerlingenintegratie (pupil integration) geïntroduceerd. Een aanpassing, in 1986, van de wet van 1970 richtte het raamwerk van het Geïntegreerd


Vlaams Eurydice rapport 2003

Onderwijs (GON) op, dat verder diende te worden ingevuld door uitvoeringsbesluiten. Het Decreet betreffende het Onderwijs VIII van 15 juli 1997 voorziet GON voor het secundair onderwijs en bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden. Het Decreet van 13 juli 1994 betreffende de Hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voor GON in de hogescholen.

10.2.

Actuele discussies

Zie paragraaf 3.2. voor de bespreking van een relevant hervormingsvoorstel.

10.3.

Definiëring en diagnose van doelgroepen

In deze paragraaf schetsen we de doelgroep van het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in Vlaanderen. In het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I wordt de doelgroep bepaald op grond van zogenaamde ‘gelijkekansenindicatoren’. Voor het gewoon basisonderwijs en de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs zijn die dezelfde (zie paragraaf 3.13). Voor de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs zijn de gelijkekansenindicatoren: (1) de leerling heeft een schoolse achterstand van ten minste twee jaar; (2) de leerling is een neveninstromer (leerling die in het betrokken schooljaar ingeschreven is in een leerjaar van de tweede of derde graad van het beroepssecundair onderwijs, respectievelijk het technisch onderwijs, en het voorafgaand schooljaar niet in de school ingeschreven was, en het voorafgaand schooljaar een oriënteringsattest B of C behaalde); (3) de leerling volgde het voorafgaande schooljaar onthaalonderwijs (onderwijs voor anderstalige nieuwkomers). Het KB van 28 juni 1978 (bevestigd in het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997) definieert de verschillende types buitengewoon onderwijs die overeenstemmen met de aard en graad van de (hoofd)handicap van een bepaalde groep. Type 8 wordt wel niet georganiseerd op het niveau van het secundair onderwijs. Kort samengevat zijn er acht types, waarbij elk type aangepast is aan de opvoedings- en onderwijsbehoeften van een bepaalde groep kinderen: Type 1: kinderen met een licht mentale (= geestelijke) handicap; Type 2: kinderen met een matige of ernstige mentale handicap; Type 3: kinderen met ernstige emotionele en/of gedragsproblemen; Type 4: kinderen met een fysieke (= lichamelijke) handicap; Type 5: kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium; Type 6: kinderen met een visuele handicap (= gezichtsstoornis); Type 7: kinderen met een auditieve handicap (= gehoorstoornis); Type 8: kinderen met ernstige leerstoornissen.


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

Type 1 en type 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs. Bovendien wordt type 8 ook niet aangeboden op het niveau van het secundair onderwijs. Op het niveau van het secundair onderwijs worden vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (Broekaert e.a., 1993). ‘Opleidingsvorm 1’ (OV1) is van toepassing op leerlingen voor wie een individueel zelfstandig leven niet mogelijk is. ‘Opleidingsvorm 2’ (OV2) is bedoeld voor kinderen die, beschikkend over een zekere mate aan sociale zelfredzaamheid, een opleiding kunnen krijgen om hen voor te bereiden op een arbeidsleven in een beschermde arbeids- en leefomgeving. ‘Opleidingsvorm 3’ (OV3) is bedoeld voor leerlingen die bekwaam zijn om een beroepsopleiding te volgen, die voorbereidt op een job in een normale werkomgeving. ‘Opleidingsvorm 4’ (OV4) staat open voor leerlingen wiens intellectuele capaciteiten voldoende zijn om onderwijsprogramma’s van het gewoon onderwijs te volgen, waarbij onderwijsmethoden en – regelingen zijn aangepast aan hun specifieke handicap.

10.4.

Financiële ondersteuning van het gezin

Het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften houdt een zekere financiële belasting in voor de ouders. Het systeem van toelagen verschilt echter niet van dat in het gewoon onderwijs: leerlingen in het secundair en tertiair onderwijs ontvangen financiële ondersteuning via het reguliere systeem van de studietoelagen (zie 5.9 en 6.8). Zie ook 3.5 met betrekking tot de organisatie van het vervoer naar en van school.

10.5.

Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs

In deze paragraaf gaan we dieper in op het Geïntegreerd Onderwijs (GON) enerzijds, en het gelijke onderwijskansenbeleid anderzijds. Het Geïntegreerd Onderwijs is gericht op de integratie van leerlingen in het gewoon onderwijs. Het gelijke onderwijskansenbeleid is zowel van toepassing op het gewoon onderwijs (10.5.) als op het buitengewoon onderwijs (10.6.), maar wordt enkel hier besproken. 10.5.1.

Wettelijk kader

Het geïntegreerd onderwijs (GON) wordt geregeld door de volgende onderwijswetgeving: Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (inclusief uitvoeringsbesluiten); Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd hoger onderwijs, en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 dat o.m. de bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het geïntegreerd basisonderwijs vastlegt;

247


Vlaams Eurydice rapport 2003

Decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd secundair onderwijs, en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (B.S. 02/03/2004). Het gelijke onderwijskansenbeleid vindt haar wettelijke basis in het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen – I van 28 juni 2002. Het beleid inzake gelijke onderwijskansen wordt verder geregeld door tal van besluiten. Zo voorziet het Besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 vanaf 1 september 2002 in de oprichting van lokale overlegplatforms; het Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs; het Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002 regelt de tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen (zie 10.7.); het Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs; en het Besluit van de Vlaamse regering van 27 september 2002 ten slotte, richtte de Commissie inzake leerlingenrechten op. 10.5.2.

Algemene doelstellingen

Voor de algemene onderwijsdoelstellingen van het Geïntegreerd Onderwijs verwijzen we naar 4.15.2. Het gelijke onderwijskansenbeleid beoogt optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te realiseren; uitsluiting, segregatie en discriminatie te vermijden; en sociale cohesie te bevorderen (Decreet van 28 juni 2002). De focus van het decreet ligt op kansarme allochtone en autochtone gezinnen (Omzendbrief BaO/2003/01). 10.5.3.

Specifieke ondersteunende maatregelen

Binnen het Geïntegreerd Onderwijs (GON) wordt aan remediëring gedaan. Het GON betekent een aanzienlijke stap voorwaarts naar de integratie van het buitengewoon onderwijs in het gewoon onderwijs. Kinderen met een handicap en/of leermoeilijkheden kunnen aan gewone scholen school lopen, tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig. Bijkomende lestijden en/of bijkomende uren en/of bijkomende middelen worden voorzien om een dergelijke integratie te realiseren (Decreet van 15 juli 1997). Het GON heeft de bedoeling om de opvoedkundige mogelijkheden van het gewoon en het buitengewoon onderwijs te combineren. Er is sprake van een volledige of gedeeltelijke integratie naargelang de leerling alle of minstens gedurende twee halve dagen les volgt in het gewoon onderwijs. Een permanente integratie start ten laatste op 1 oktober en bestrijkt een volledig schooljaar, anders is er sprake van een tijdelijke integratie. Het GON wordt georganiseerd op basis van een integratieplan. Dit plan bevat o.a. een omschrijving van de problematiek en de hulpvragen van de leerling, de ouders en het schoolteam; de inhoud van de collegiale ondersteuning (teamgerichte werking), leerlinggerichte werking, en oudergerichte werking; de planning (intensiteit, evolutie doorheen het schooljaar, betrokken disciplines, plaats...); materiaalaanpassingen en materiële ondersteuning (speciale onderwijsleermiddelen). De GONbegeleiding wordt verzorgd door een school voor buitengewoon onderwijs. Deze instelling ontvangt daarvoor een financiële tegemoetkoming en een GON-pakket. De financiële tegemoetkoming neemt de vorm aan van een integratietoelage. Hiermee worden o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs betaald. Het GON-pakket wordt gebruikt voor het aanstellen van de GON-begeleiders. Deze begeleiders bieden onderwijskundige en/of paramedische, medische, sociale, psychologische en of orthopedagogische hulp aan leerkrachten (collegiale consultatie) en scholen, en aan leerlingen en/of ouders. Voor het hogeschoolonderwijs zijn gelijkaardige voorwaarden en regelingen van kracht, ofschoon er geen scholen voor buitengewoon hoger onderwijs bestaan. De student participeert aldus enkel in het gewoon hogescholenonderwijs met de nodige aanpassingen en begeleiding die karakteristiek zijn voor het GON. Het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) kan –indien nodig-

ingeschakeld worden voor de

begeleiding van GON-leerlingen. Concreet situeert deze begeleiding zich op het vlak van het leren en studeren, de onderwijsloopbaan, de preventieve gezondheidszorg en het psychisch en sociaal functioneren (Decreet van 1 december 1998). Het gelijke onderwijskansenbeleid vertrekt vanuit een integrale onderwijskundige visie op de kansarmoedeproblematiek en steunt op drie belangrijke principes: (1) het recht op inschrijving; (2) de rechtsbescherming (de lokale overlegplatforms en de Commissie inzake Leerlingenrechten); en (3) het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. We bespreken kort de 3 principes: (1) Elke leerling die voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden (inzake onderwijsniveau, studierichting en leerjaar waarin de leerling zich wil inschrijven) heeft een principieel recht op inschrijving in de school van keuze. Voortaan zal een weigering tot inschrijving door de school enkel nog kunnen in 2 welbepaalde gevallen (indien de school of een onderdeel van de school volzet is, en indien de leerling het voorgaande of daaraan voorgaande schooljaar met een tuchtmaatregel uit de school is verwijderd.). Weigeringen op grond van huidskleur, nationale of etnische herkomst, afkomst of geslacht zijn niet toelaatbaar.

Op deze wijze krijgen allochtone en kansarme autochtone kinderen een

gewaarborgd recht op toegang tot alle scholen. (2) Er werden lokale overlegplatforms (LOP’s) opgericht die het gelijke onderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee implementeren. Daarin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren zoals vertegenwoordigers van allochtone en (kans)arme autochtone gemeenschappen, van de integratiesector, van socio-economische partners, etc.. De scholen nemen verplicht deel aan dit overleg. Daarnaast bestaat er een autonome en niveauoverschrijdende Commissie inzake Leerlingenrechten, die -sinds 1 januari 2003- de opdracht heeft te waken over de rechtsbescherming van de leerlingen. (3) De bestaande ondersteunende maatregelen -met name de tijdelijke projecten rond onderwijsvoorrang, zorgverbreding, bijzondere noden, zigeuners en trekkende bevolking- werden vanaf 1 september 2002 gebundeld in één transparant geïntegreerd ondersteuningsaanbod. Dit geïntegreerd ondersteuningsaanbod werd tot nog toe enkel gerealiseerd in het gewoon onderwijs (Besluiten van 19/07/02 en 06/09/02). Binnen het gewoon basisonderwijs bestaat sinds het schooljaar 2003-2004 het systeem van de ‘zorgbegeleiding’ (zie 3.13). Het tijdelijk project ‘onderwijsvoorrang’ blijft verder lopen in het buitengewoon onderwijs (schooljaren 2002-2004) in afwachting van een heroriëntatie van het buitengewoon onderwijs (zie 10.7). De ondersteunende maatregelen voor Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en voor scholen met anderstalige nieuwkomers blijven afzonderlijk behouden, en kunnen gecumuleerd worden met het geïntegreerd ondersteuningsaanbod.

249


Vlaams Eurydice rapport 2003

Scholen kunnen op grond van het gelijke onderwijskansenbeleid voor een periode van drie opeenvolgende

schooljaren

bijkomende

ondersteuning

krijgen,

indien

de

school

in

haar

leerlingenpopulatie minimum 10 % doelgroepleerlingen (in het basisonderwijs en de 1ste graad secundair onderwijs) of 25 % doelgroepleerlingen

(in de 2de en 3de graad secundair onderwijs) telt die

beantwoorden aan één of meerdere indicatoren (zie 10.3). De Vlaamse regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe op basis waarvan een school –onder bepaalde voorwaardenaanvullende lestijden of extra uren-leraar kan krijgen. De school bepaalt, op basis van een omgevingsanalyse, welke concrete doelstellingen zij met de extra middelen wil nastreven, op welke wijze zij deze doelstellingen wil bereiken en op welke wijze zij zichzelf zal evalueren. De doelstellingen kunnen gekozen worden binnen de volgende themata: preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, taalvaardigheidsonderwijs, intercultureel onderwijs, doorstroming en oriëntering, socio-emotionele ontwikkeling, leerlingen- en ouderparticipatie.

In tegenstelling tot de tijdelijke

projecten kunnen leraren benoemd worden in de uren gelijkekansenbeleid van het basisonderwijs en van de 1ste graad secundair onderwijs.

10.6.

Buitengewoon onderwijs

In deze paragraaf behandelen we het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen. Het betreft hier het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in scholen voor buitengewoon onderwijs. Voor het gelijke onderwijskansenbeleid, dat ook van toepassing is op het buitengewoon onderwijs verwijzen we de lezer naar de vorige paragraaf 10.5. 10.6.1.

Wettelijk kader

De volgende onderwijswetgeving regelt het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen: Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving van 29 mei 1959. Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs van 6 juli 1970 (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs van 28 juni 1978 (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (zoals gewijzigd). Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs. Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs van 14 juli 1998 (zoals gewijzigd).


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 ter definiĂŤring van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon lager onderwijs type 2 en het Decreet van 2 maart 1999 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 . Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 en het Decreet van 18 januari 2002 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. Besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1en het Decreet van 22 maart 2002 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. Besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelstel. Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002 tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (B.S. 26/07/02) en het Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (B.S. 10/09/02). Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (B.S. 06/02/03). Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7 en het Decreet van 23 mei 2003 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7. Besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs (B.S. 11/04/03). Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs (B.S. 09/07/03). Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs (B.S. 09/07/03). Besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 betreffende het percentage van aanwending van het extra lesurenpakket onderwijsvoorrang in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2003-2004. Voor het wettelijk kader van het gelijke onderwijskansenbeleid verwijzen we naar 10.5.1.. 10.6.2.

Algemene doelstellingen

In deze paragraaf gaan we dieper in op de algemene doelen van het buitengewoon onderwijs.

251


Vlaams Eurydice rapport 2003

Zowel in de Wet op het buitengewoon onderwijs van 6 juli 1970 als in het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt het buitengewoon onderwijs gedefinieerd in termen van de mate waarin het gewoon onderwijs in staat is de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerlingen te verzekeren. In het laatste decreet luidt dit: “het is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast onderwijs, opvoeding,

verzorging

en

therapie

verstrekt

aan

leerlingen

waarvan

de

totale

persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden” (Decreet van 25 februari 1997). Deze definitie is gebaseerd op het echte concept van speciale noden. Het decreet refereert in eerste instantie naar de moeilijkheden en de onbekwaamheid van het gewoon onderwijs om voor een optimale en persoonlijke en sociale ontwikkeling te zorgen van alle kinderen, eerder dan naar de handicaps van het kind. Voor de algemene doelstellingen van het gelijke onderwijskansenbeleid verwijzen we naar 10.5.2.. 10.6.3.

Geografische toegankelijkheid

Voor de geografische spreiding van de scholen voor buitengewoon onderwijs verwijzen we de lezer naar 3.5. 10.6.4.

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze

In deze paragraaf gaan we dieper in op de toelatingsvoorwaarden en de schoolkeuze in het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter ten minste 2,5 jaar en 6 maanden zijn. De 5 instapdata die gelden voor het gewoon kleuteronderwijs (zie 3.6.) gelden niet voor het buitengewoon kleuteronderwijs (Omzendbrief BaO/97/14). Kinderen kunnen in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden tot 6 jaar, of uitzonderlijk tot de leeftijd van 7 of 8 indien dit als beter voor het kind wordt beoordeeld. Normaliter gaat een leerling vanaf de leeftijd van 6 jaar naar de lagere school. Vanaf 1 september 2001 kunnen leerlingen die voor 1 januari van het lopende schooljaar 5 jaar worden ook in het buitengewoon lager onderwijs worden ingeschreven. Dit zal echter slechts in een beperkt aantal gevallen gebeuren. Wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft, zijn ‘opleidingsvorm 1’ (OV1) en ‘opleidingsvorm 2’ (OV2) toegankelijk voor jongeren met een attest voor type 2, 3, 4, 6 of 7; ‘opleidingsvorm 3’ (OV3) staat open voor leerlingen met een attest voor type 1, 3, 4, 6 of 7; en ‘opleidingsvorm 4’ (OV4) staat open voor leerlingen wiens intellectuele capaciteiten voldoende zijn om onderwijsprogramma’s van het gewoon onderwijs te volgen. Zij hebben een attest voor type 3, 4, 5, 6 of 7 (Broekaert, e.a., 1993). De Wet van 6 juli 1970 en het KB van 28 juni 1978 - overgenomen in het Decreet van 25 februari 1997 regelen gedetailleerd de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs.

Terwijl de

toelatingsprocedure min of meer dezelfde is als voor het gewoon onderwijs qua leeftijdsvoorwaarden, vraagt een inschrijving in een instelling voor buitengewoon onderwijs ook steeds om een inschrijvingsverslag. Het inschrijvingsverslag bestaat uit twee delen: enerzijds een attest met informatie over het onderwijstype en/of de opleidingsvorm en het onderwijsniveau dat het kind volgt; anderzijds is er het verantwoordingsprotocol waarin verslag wordt gedaan van een multidisciplinair onderzoek en


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

waarin het afgeleverde attest wordt verantwoord. Dit verslag wordt opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) of door een instelling die inzake studie- of beroepskeuze dezelfde waarborgen biedt. De Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs maakt jaarlijks een lijst op van de inrichtingen die deze attesten mogen afleveren (Omzendbrief CLB/2003/07). Het attest wordt aan de ouders uitgereikt, wat hen toelaat om het kind in een school van hun keuze in te schrijven die het specifieke type en/of opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs organiseert waar hun kind behoefte aan heeft. Het attest wordt hen teruggegeven wanneer het kind de school verlaat (Broekaert, e.a., 1993). In bepaalde gevallen is een bijkomend advies vereist alvorens een leerling wordt toegelaten tot een buitengewone school. Hiertoe is in elke provincie een Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO) opgericht door het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997.

Deze

commissies zijn bevoegd om: een gemotiveerde beslissing te nemen over een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht voor een jongere of de opheffing van deze vrijstelling; advies te geven over het toekennen van de voordelen van de wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs buiten de leeftijdsgrenzen; advies te geven over een overplaatsing van een leerling ingeschreven in een gewone school naar een buitengewone school; advies te geven over een overplaatsing van een leerling ingeschreven in het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs; advies te geven over een overplaatsing van een leerling naar een andere buitengewone school waar een geschikter niveau, type of opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd; advies te geven over het recht op permanent onderwijs aan huis. Naast de ouders en de meerderjarige persoon met een handicap of zijn wettelijk vertegenwoordiger, kan ook een lid van de inspectie, een directeur of een arts van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) om advies vragen. Indien de ouders of de meerderjarige met een handicap weigeren samen te werken of helemaal niet akkoord gaan met de beslissing van het CABO is er een beroepsprocedure mogelijk. Na de bekendmaking van de resultaten uit een Vlaams onderzoek omtrent de overgang van het gewoon naar het buitengewoon basisonderwijs (OBPWO 98.09), besloot de minister een ad-hoc werkgroep op te starten om alternatieven uit te werken voor de knelpunten inzake de bestaande procedure om leerlingen naar het buitengewoon onderwijs te oriënteren. Deze ad-hoc werkgroep heeft inmiddels een kader ontwikkeld waarbinnen begeleidingtraject en overstap van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften naar het buitengewoon onderwijs een andere invulling krijgen. Leerkrachten, schoolteam, centra voor leerlingbegeleiding (CLB’s), ouders en leerlingen worden daarbij als volwaardige partners beschouwd. Het project loopt over twee schooljaren. De experimentele fase loopt af op het einde van schooljaar 20042005. Een evaluatie van het project zal bepalend zijn voor het verdere verloop. Als gevolg van de nieuwe regelgeving betreffende gelijke onderwijskansen (zie 10.5), wordt niet langer toegestaan dat scholen, leerlingen met een valabel attest voor het type en de opleidingsvorm die aangeboden worden toch weigeren bij de inschrijving omdat de school zich richt op een specifieke

253


Vlaams Eurydice rapport 2003

doelgroep binnen dat type en die opleidingsvorm. De inschrijvings- en aanmeldingsprocedure in het buitengewoon onderwijs verloopt concreet als volgt: De aanmeldingen van de leerlingen dienen chronologisch genoteerd te worden en leiden automatisch tot een inschrijving indien de ouders instemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. Die inschrijvingen gaan verder tot de school/vestigingsplaats/het

type

(basisonderwijs)/de

opleidingsvorm

(secundair

onderwijs)/de

administratieve groep/de leerlingengroep (secundair onderwijs)/de pedagogische eenheid eventueel vol is en er omwille van materiële omstandigheden kan geweigerd worden. Vanaf dan loopt het aanmeldingsregister verder terwijl er geen effectieve inschrijvingen meer zijn. Een aanmelding is met andere woorden een niet gerealiseerde inschrijving. De school moet via het aanmeldingsregister, waarin alle aanmeldingen chronologisch worden genoteerd, kunnen aantonen dat na de weigering geen nieuwe leerlingen werden ingeschreven (Omzendbrieven BaO/2000/10 en BaO/2003/01). Over het algemeen wordt het buitengewoon onderwijs georganiseerd in scholen die los staan van de gewone scholen; ze zijn wel vaak verbonden met andere sociale en opvoedkundige instellingen voor gehandicapten. Voor een kind, dat niet naar school kan gaan, zijn er twee mogelijkheden: ofwel vrijstelling van leerplicht (in het basisonderwijs en het secundair onderwijs) en dus geen onderwijs; ofwel permanent onderwijs aan huis (in het basisonderwijs). In het kader van wat ‘Permanent Onderwijs Aan Huis’ (POAH) wordt genoemd, krijgt een kind dat ingevolge van een handicap niet naar de basisschool kan 4 lestijden per week onderwijs aan huis vanuit de dichtstbijzijnde basisschool. 10.6.5.

Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen

Deze paragraaf heeft betrekking op de samenstelling van de klassen en het groeperen van leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Het buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd voor de niveaus kleuter-, lager en secundair onderwijs. Type 1 en type 8 bestaan echter niet in het buitengewoon kleuteronderwijs. Ook is er geen Buitengewoon Secundair Onderwijs (BuSO) voorzien voor jongeren uit het type 8 (Broekaert, e.a., 1993). Op het niveau van de lagere school zijn er acht types van buitengewoon onderwijs gedefinieerd, met de bedoeling om zo goed mogelijk aan de algemene en individuele noden van de kinderen en jongeren te beantwoorden (zie 10.3). Op het niveau van het secundair onderwijs worden bijkomend vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types - zoals op het niveau van het basisonderwijs is gedefinieerd - kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (zie 10.3). Op basis van het verantwoordingsprotocol plaatst de klassenraad de leerling in de meest geschikte klassengroep. Het schoolbestuur beslist dus over de indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden binnen de onderwijstypes en opleidingsvormen. De leerling verlaat normaal het lager onderwijs op de leeftijd van 13 jaar, of eventueel op de leeftijd van 14 of 15 jaar. Secundair onderwijs kan worden gevolgd tot de leeftijd van 21 jaar (Wet van 28 juni 1983). Afwijkingen op de leeftijdsgrens van 21 jaar kunnen worden toegestaan op advies van de Commissie voor Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO).


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

10.6.6.

Organisatie van het schooljaar

In deze paragraaf stippen we een aantal elementen aan die betrekking hebben op de organisatie van het schooljaar in het buitengewoon onderwijs, met name de organisatie van de schooltijd, het schooljaar en het lesrooster. De organisatie van het schooljaar, de schoolweek en -dag is vergelijkbaar met deze van de overeenstemmende onderwijsniveaus, zoals beschreven in hoofdstukken 3, 4 en 5, ofschoon de dagactiviteiten meer op de individuele noden van de leerlingen zijn georiënteerd. Wat het secundair onderwijs betreft, bestaat opleidingsvorm 1 uit één enkel deel van minstens vier studiejaren. Opleidingsvorm 2 bestaat uit twee delen die elk minimum twee studiejaren omvatten. Opleidingsvorm 3 bestaat –in tegenstelling tot het vroegere jaarklassensysteem- uit drie fasen plus een facultatieve integratiefase: 1° de observatiefase: omvat het eerste leerjaar en is beperkt tot één volledig schooljaar; 2° de opleidingsfase: omvat ten minste twee schooljaren; 3° de kwalificatiefase: omvat ten minste twee schooljaren; 4° de facultatieve integratiefase. Deze fase omvat één volledig schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding (Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002). De lesroosters van opleidingsvorm 4 zijn exact dezelfde als die van de corresponderende gewone scholen, daar deze opleidingsvorm verplicht is een structuur te hebben identiek aan die van het secundair onderwijs (Broekaert, e.a., 1993). 10.6.7.

Curriculum en vakken

In deze paragraaf gaan we dieper in op (de vakken van) het curriculum in het buitengewoon onderwijs. Naargelang het betrokken onderwijsniveau is er een duidelijk onderscheid tussen de verschillende aspecten en de relatieve belangrijkheid van de verschillende onderwijsactiviteiten: o.a. sociale vorming, lichamelijke opvoeding, godsdienst/zedenleer, compensatietechnieken om te leren omgaan met specifieke handicaps, taal, wiskunde, beroepsgerichte vorming, arbeidsgeschiktmaking, activiteiten voor de bevordering van de senso-motoriek,… De doelstellingen hieromtrent zijn bekrachtigd door het Besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990. Net als voor het gewoon basisonderwijs en de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs ontwikkelt de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO ) ontwikkelingsdoelen. Ontwikkelingsdoelen voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), en zo mogelijk in overleg met de ouders en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of groepen worden aangeboden en uitdrukkelijk worden nagestreefd. De selectie van deze ontwikkelingsdoelen moet worden neergeschreven en uitgewerkt in een handelingsplan, een stap-voor-stap programma op maat van de leerling waarin wordt aangegeven wat en hoe de leerling zal leren en hoe dat zal worden aangepakt. De doelstellingen worden duidelijk afgebakend en er wordt gestipuleerd wanneer ze moeten worden bereikt.

Het handelingsplan, dat voortdurend kan worden

aangepast aan de reële en haalbare evolutie van de leerling, vormt een dagelijkse leidraad voor de leerkrachten en paramedici. Een individueel handelingsplan kan in een groepswerkplan passen voor de

255


Vlaams Eurydice rapport 2003

pedagogische eenheid waarin de leerling de lessen volgt (Broekaert, e.a., 1993). Op dit moment zijn er reeds ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor het buitengewoon basisonderwijs van het type 1 (Besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001, bekrachtigd bij Decreet van 22 maart 2002), type 2 (Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998, bekrachtigd bij Decreet van 2 maart 1999), type 7 (Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003, bekrachtigd bij Decreet van 23 mei 2003), type 8 (Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001, bekrachtigd bij Decreet van 18 januari 2002); en voor de algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002, bekrachtigd bij Decreet van 19 juli 2002). In opleidingsvorm

4

van

het

buitengewoon

secundair

onderwijs

gelden

de

eindtermen,

de

ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs respectievelijk als eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen. De lesroosters van opleidingsvorm 4 zijn dus exact dezelfde als die van de corresponderende gewone scholen. Voor bepaalde andere opleidingsvormen of types kan de klassenraad de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs, van andere types van het buitengewoon secundair onderwijs, of van het gewoon of buitengewoon basisonderwijs overnemen als ontwikkelingsdoelen. In beide gevallen kan de klassenraad, rekening houdend met de kenmerken eigen aan de leerling, de gelijkwaardigheid beoordelen van prestaties in het betrokken type of de betrokken opleidingsvorm met de prestaties die door de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen van het overeenstemmende niveau van het buitengewoon secundair onderwijs worden vereist. Binnen de opleidingsvorm 3 (opleidings- en kwalificatiefase) en opleidingsvorm 4 (tweede en derde graad) van het buitengewoon secundair onderwijs wordt vanaf 1 september 2001 geĂŤxperimenteerd met modulair onderwijs (Besluit van 1 maart 2002). 10.6.8.

Onderwijsmethoden en didactisch materiaal

De onderwijsmethoden zijn sterk geĂŻndividualiseerd in het buitengewoon onderwijs. Voor elk kind moet een handelingsplan worden uitgewerkt (zie 10.6.7.). De beslissingen omtrent onderwijsmethoden en didactisch materiaal ressorteren onder de vrijheid van de inrichtende machten. 10.6.9.

Voortgang van leerlingen

De evaluatie en begeleiding van leerlingen zijn sterk met elkaar verweven.

In het buitengewoon

onderwijs heeft de beoordeling hoofdzakelijk een vormend karakter. De klassenraad die wordt bijgestaan door de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) neemt beslissingen m.b.t. de samenstelling van de klassen, of een bepaalde leerling in een bepaalde leerlingengroep moet blijven, en omtrent de overgang van leerlingen naar andere klassen of naar een bepaald onderwijstype of -vorm. 10.6.10.

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt

Naast de directie en het onderwijzend personeel, bestaat de personeelsformatie in het buitengewoon onderwijs ook uit paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. Deze


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

personeelscategorieën staan onder meer in voor de begeleiding van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Daarnaast richten ook de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) zich op de begeleiding van leerlingen in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 1 december 1998). Het centrum voor leerlingenbegeleiding begeleidt het buitengewoon onderwijs o.m. bij ontwikkelingsmoeilijkheden en de vermindering van risicogedrag, de adequate en kwaliteitsvolle verwijzing van de leerlingen van het gewoon onderwijs naar het buitengewoon onderwijs en omgekeerd, en het veilig school lopen (in het bijzonder de veiligheid en hygiëne en de impact op de gezondheid van de praktijkvakken) (Decreet van 1 december 1998). In opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt de leerling gedurende de integratiefase expliciet begeleid door een begeleidingsteam. Het begeleidingsteam bestaat uit leden die behoren tot de onderwijsinstelling enerzijds, en externen van de bedrijfswereld, van sociale organisaties of andere deskundigen die de leerling zinvol kunnen begeleiden anderzijds (Besluit van 6 december 2002). Eén van de maatregelen om het onderwijs nauwer te doen aansluiten op de beroepswereld is de stage. Leerlingen van de kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 of van de tweede fase van opleidingsvorm 2 volgen tijdens de opleiding een stage. In de kwalificatiefase van opleidingsvorm 3 is deze stage verplicht, in de tweede fase van opleidingsvorm 2 niet. Leerlingenstages in de observatie- en opleidingsfase van opleidingsvorm 3 en in fase 1 van opleidingsvorm 2 zijn verboden, gelet op de leeftijd van de leerlingen en de doelstellingen van deze structuuronderdelen. Alle leerlingen van de kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 of van de tweede fase van opleidingsvorm 2 moeten zonder onderscheid tot de stage kunnen worden toegelaten. Zelfs personen die niet beschikken over een verblijfstitel van meer dan drie maanden kunnen vanaf het schooljaar 2003-2004 onder vorm van een leerlingenstage in België worden tewerkgesteld (Koninklijk Besluit van 6 januari 2003). Voor de leerlingen van opleidingsvorm 1 die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben, of deze in de loop van het schooljaar bereiken, kan een sociaalmaatschappelijke training georganiseerd worden van maximaal 21 kalenderdagen of 28 kalenderdagen gedurende het schooljaar waarin zij vermoedelijk voor het laatst buitengewoon onderwijs volgen. De sociaal-maatschappelijke training heeft t.a.v. school, leerling en ouders doelstellingen die vergelijkbaar zijn met deze van een stage. De sociaal-maatschappelijke training kan alleen plaatsvinden in instellingen die erkend zijn (of zich in de erkenningsfase bevinden) voor de opname van volwassen gehandicapte personen die er geen op productie gerichte arbeid verrichten (vb. een dagcentrum, een bezigheidshome, ...) (Omzendbrief SO/2002/11). Voor leerlingen uit opleidingsvorm 4 is geen speciale regeling voorzien; zij komen net zoals alle anderen op de arbeidsmarkt terecht. Grotere bedrijven zijn bij wet verplicht om minstens enkele personen met een handicap in dienst te nemen (afhankelijk van het aantal werknemers in het bedrijf).

Zo vinden

bijvoorbeeld personen met een visuele handicap werk als telefonist(e).

257


Vlaams Eurydice rapport 2003

10.6.11.

Diplomering

Wat diplomering in het buitengewoon basisonderwijs betreft, kunnen leerlingen in bepaalde gevallen ook een getuigschrift bekomen. Dit getuigschrift heeft dan dezelfde waarde als een getuigschrift dat behaald is in het gewoon basisonderwijs. 10.6.12.

Privé-onderwijs

Het buitengewoon onderwijs dat georganiseerd wordt door het vrij gesubsidieerd onderwijs wordt beschreven in 10.6. Voor het (echte) privé-onderwijs verwijzen we de lezer naar 3.14.

10.7.

Specifieke maatregelen voor migrantenleerlingen

Drie maatregelen zijn in dit opzicht van belang: het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) dat als tijdelijk project met het oog op de integratie van migrantenleerlingen nog steeds voortbestaat in het buitengewoon onderwijs enerzijds; en het onthaalonderwijs, en het geïntegreerd ondersteuningsaanbod van het gelijke onderwijskansenbeleid (zie 10.5.) die enkel van toepassing zijn op het gewoon onderwijs anderzijds. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon onderwijs, die omwille van hun etnische herkomst, en omwille van sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandpositie te raken. De actieterreinen van het OVB zijn intercultureel onderwijs, taalvaardigheid Nederlands, en preventie en remediëring van leer- en ontwikkelingsproblemen. De bedoeling van intercultureel onderwijs is de ontwikkeling van vaardigheden en houdingen om op een positieve en efficiënte manier om te gaan met mensen die een andere etnische en/of culturele achtergrond hebben. Onderwijs Nederlands aan migrantenleerlingen wil de vereiste taalvaardigheid in het Nederlands systematisch opbouwen om optimaal aan het onderwijs te kunnen deelnemen. Ten slotte vragen migranten gezien hun specifieke socio-culturele en etnische achtergrond een specifieke ondersteuning, waarbij de algemene aanpak van leer- en ontwikkelingsproblemen wordt herdacht in functie van de doelgroep (Omzendbrief BaO/99/3). Het onthaalonderwijs richt zich specifiek tot anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs. Het doel bestaat er in hen voor te bereiden op de instroom in het gewoon onderwijs. Tijdens het onthaaljaar wordt aan de anderstalige nieuwkomers intensief Nederlands geleerd, zodat ze de onderwijsleerprocessen in een gewone klassituatie kunnen begrijpen (Omzendbrieven BaO/2001/09 en SO 75). Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) is hierbij een belangrijke partner. Daarenboven kunnen scholen die anderstalige nieuwkomers opvangen ondersteund worden door het Steunpunt Nederlands Tweede Taal en het Steunpunt Intercultureel Onderwijs. Op 28 juni 2002 keurde de Vlaamse regering het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I goed. Het geïntegreerd ondersteuningsaanbod werd reeds toegelicht in paragraaf 10.5.3. In het kader van dat decreet kent de Vlaamse regering daarnaast ook extra lestijden en/of uren-leraar en/of middelen toe, gedurende de schooljaren 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005, voor projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen (Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002). De projecten beogen de toeleiding, op experimentele basis, van deze minderjarigen naar het deeltijds kunstonderwijs (zie 7.7.6.).


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

Ten slotte wil het Vlaamse onderwijsbeleid aansluiten bij het Vlaams beleid ten aanzien van etnischculturele minderheden (Decreet van 28 april 1998) door het recht op onderwijs te vrijwaren voor alle kinderen, ook deze zonder een wettig verblijfsstatuut. Deze leerlingen kunnen, overeenkomstig de principes van het gelijke onderwijskansendecreet, tevens in rekening worden gebracht voor de in dat decreet uitgetekende ondersteuning (Omzendbrief GD/2003/03).

10.8.

Statistieken

Deze paragraaf bevat een reeks statistische gegevens met betrekking tot het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in Vlaanderen. Leerkracht - leerlingratio: 5,5 in buitengewoon kleuter- en lager onderwijs5 en 3,5 in buitengewoon secundair onderwijs6 (2002-2003) (MVG, departement Onderwijs, 2003).

Tabel 53: Aantal leerlingen in buitengewoon kleuteronderwijs naargelang van het type (schooljaar 2001-2002) T2

T3

T4

T6

T7

Gemeenschapsonderwijs

418

32

68

4

/

Gesubsidieerd vrij onderwijs

562

125

158

30

223

Gesubsidieerd officieel onderwijs

40

12

7

4

8

Totaal

1.020

169

233

38

231

Algemeen totaal: 1.691 (MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 54: Aantal leerlingen in het buitengewoon lager onderwijs naargelang van het type (20022003) T1

T2

T3

T4

T6

T7

T8

Gemeenschapsonderwijs

2.271

949

264

273

15

/

1.956

Gesubsidieerd vrij onderwijs

6.253

2.155

1.089

514

94

455

6.242

5

Aantal leerlingen in het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs in het schooljaar 2002-2003 gedeeld door het aantal leerkrachten (budgettaire full-time equivalenten) in het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs in januari 2003.

6

Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs in het schooljaar 2002-2003 gedeeld door het aantal leerkrachten (budgettaire full-time equivalenten) in het buitengewoon secundair onderwijs in januari 2003.

259


Vlaams Eurydice rapport 2003

Gesubsidieerd officieel onderwijs

2.073

168

Totaal

10.597 3.272

98

40

11

30

1.923

1.451

827

120

485

10.121

Algemeen totaal: 26.901 (MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 55: Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs (BuSO) naar opleidingsvorm (2001-2002) OV1

OV2

OV3

OV4

Gemeenschapsonderwijs

553

743

2.195

12

Gesubsidieerd vrij onderwijs

1.693

1.605

6.991

280

Gesubsidieerd officieel onderwijs

131

136

1.635

66

Totaal

2.377

2.484

10.821

358

Algemeen totaal: 16.040 (MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 56: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 1 van het BuSO naar type (2002-2003) Buitengewoon secundair onderwijs (OV1) T2

T3

T4

T6

T7

Gemeenschapsonderwijs

366

/

184

3

/

Gesubsidieerd vrij onderwijs

1.189

8

332

76

88

Gesubsidieerd officieel onderwijs

102

/

29

/

/

Totaal

1.657

8

545

79

88

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 57: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 2 van het BuSO naar type (2002-2003) Buitengewoon secundair onderwijs (OV2) T2

T3

T4

T6

T7

Gemeenschapsonderwijs

650

14

72

6

1

Gesubsidieerd vrij onderwijs

1.277

32

139

106

51

Gesubsidieerd officieel onderwijs

135

/

1

/

/

Totaal

2.062

46

211

112

52


Hoofdstuk 10. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 58: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 3 van het BuSO naar type (2002-2003) Buitengewoon secundair onderwijs (OV3) T1

T3

T4

T6

T7

Gemeenschapsonderwijs

1.975

191

29

/

/

Gesubsidieerd vrij onderwijs

6.001

777

25

17

171

Gesubsidieerd officieel onderwijs

1.529

98

2

1

5

Totaal

9.505

1.066

56

18

176

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 59: Aantal leerlingen in opleidingsvorm 4 van het BuSO naar type (2002-2003) Buitengewoon secundair onderwijs (OV4) Type 3

Type 4

Type 6

Type 7

Gemeenschapsonderwijs

12

/

/

/

Gesubsidieerd vrij onderwijs

34

161

12

73

Gesubsidieerd officieel onderwijs

66

/

/

/

Totaal

112

161

12

73

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 60: Evolutie van het leerlingenaantal in het buitengewoon kleuteronderwijs (1990-2003) Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

onderwijs

onderwijs

officieel onderwijs

90-91

268

944

193

1.405

91-92

319

1.104

192

1.615

92-93

317

1.179

176

1.672

93-94

340

1.234

215

1.789

94-95

388

1.282

191

1.861

95-96

425

1.306

216

1.947

96-97

420

1.246

118

1.784

97-98

456

1.233

122

1.811

Jaar

vrij Gesubsidieerd

Totaal

261


Vlaams Eurydice rapport 2003

98-99

472

1.177

131

1.780

99-00

467

1.178

122

1.767

00-01

471

1.105

125

1.701

01-02

490

1.086

110

1.686

02-03

522

1.098

71

1.691

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

Tabel 61: Evolutie van het leerlingenaantal in het buitengewoon lager onderwijs (BLO) (1990-2003) Gemeenschaps-

Gesubsidieerd

onderwijs

onderwijs

officieel onderwijs

90-91

3.013

12.250

3.175

18.438

91-92

3.362

13.134

3.632

20.128

92-93

3.576

13.449

3.754

20.779

93-94

3.640

13.847

3.896

21.383

94-95

3.932

14.154

3.984

22.070

95-96

4.123

14.646

4.058

22.827

96-97

4.308

14.866

3.947

23.121

97-98

4.658

15.352

4.062

24.072

98-99

4.909

15.865

4.161

24.935

99-00

5.081

16.345

4.301

25.727

00-01

5.215

16.578

4.419

26.212

01-02

5.431

16.849

4.541

26.794

02-03

5.728

16.802

4.343

26.901

Jaar

(MVG, departement Onderwijs, 2003)

vrij Gesubsidieerd

Totaal


HOOFDSTUK 11. "

#

Deelname aan internationale programma’s is voor het onderwijs in Vlaanderen reeds lange tijd een belangrijke zaak. In dit hoofdstuk wordt hierop niet meer in detail ingegaan. Vlaanderen participeert heel actief aan heel wat Europese programma’s. Op de relevante plaatsen in dit hoofdstuk zal er worden verwezen naar websites waar er gedetailleerde informatie over de Vlaamse verwezenlijkingen in de Europese programma’s te vinden is.

In dit hoofdstuk ‘Europese en internationale dimensie in het

onderwijs’ wordt dieper ingegaan op de internationale en bilaterale samenwerkingen buiten de Europese programma’s.

11.1.

Historisch overzicht

Op dit ogenblik is er nog geen informatie beschikbaar omtrent de Europese en internationale dimensie in het onderwijs vanuit historisch perspectief.

11.2.

Actuele discussies

Deze paragraaf bespreekt een aantal actuele voorstellen tot hervorming binnen 2 subparagrafen (11.2.1 en 11.2.2). De eerste paragraaf behandelt de huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem; de tweede paragraaf de Europese samenwerkingen. 11.2.1.

Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem.

Enkele markante Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem zijn de volgende: De hervorming van het hoger onderwijs buiten de universiteit van 1994 beoogde o.a. een verbetering van de participatie van de hogescholen in internationale programma’s. Elke universiteit en hogeschool heeft een Dienst Internationale Betrekkingen opgericht om de uitbouw van internationale contacten en relaties administratief te ondersteunen. In de Decreten op de universiteiten (12 juni 1991) en hogescholen (13 juli 1994) is bijv. de mogelijkheid voorzien om delen van de opleidingen in een vreemde taal te volgen alsook om opleidingen die aan buitenlandse instellingen zijn gevolgd als equivalent te erkennen in het kader van Europese actieprogramma’s (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1996a). Het volgen van opleidingen in een vreemde taal is bijvoorbeeld voorzien voor opleidingen in een vreemde taal, voor delen van opleidingen in de tweede cyclus waar een buitenlandse gasthoogleraar doceert, en voor postacademische vorming of posthogeschoolvorming. Aan de universiteiten kunnen de studenten van de tweede cyclus tot twintig procent van hun opleidingsonderdelen in een andere taal volgen. Studenten van de tweede cyclus aan een hogeschool van twee cycli en studenten van het laatste jaar aan een hogeschool van één cyclus of studenten die een aanvullende opleiding volgen kunnen maximaal twintig procent van hun programma in een andere taal volgen op voorwaarde dat de vakken worden


Vlaams Eurydice rapport 2003

gegeven door een anderstalige gastprofessor. De studenten hebben steeds het recht om hun examen in het Nederlands af te leggen. De introductie van enkele principes van het Europese ECTS-systeem (European Credit Transfer System) in de regelingen die van toepassing zijn op het hoger onderwijs (universiteit inbegrepen), maakt een aanpassing aan de studieprogramma’s van de instellingen in andere Europese landen eenvoudiger en is een belangrijk instrument voor de erkenning van studiepunten. Verder moet er worden opgemerkt dat Vlaanderen een aantal tendensen volgt op internationaal niveau. Vlaanderen heeft een internationale dimensie in haar systeem van kwaliteitscontrole ingebouwd. In samenwerking met Nederland evalueren visitatiecommissies, bestaande uit experts van beide landen, de studiegebieden van zowel het universitair onderwijs als het onderwijs aan de hogescholen (samenwerking VLHORA – HBO-Raad) die zowel in Vlaanderen als in Nederland worden aangeboden. Ook is er samenwerking met Nederland op het vlak van de doorlichting van de andere onderwijsniveaus (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1996a). Sinds 1998 namen Vlaamse scholen deel aan EU pilootprojecten over kwaliteitsgarantie en zelfevaluatie op lager en secundair niveau (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2001). De Nederlands-Vlaamse samenwerking op het niveau van de inspectie kreeg concreet gestalte in een intensieve uitwisseling van outputmetingen bij schooldoorlichtingen. 11.2.2.

Europese samenwerkingen

In deze paragraaf betreffende samenwerking op Europees vlak wordt meer concreet ingegaan op de Verklaring van Bologna, het Europees Doelstellingenrapport en het Brugge/Kopenhagen-proces. 11.2.2.1.

De Verklaring van Bologna

In 1999 tekenden de onderwijsministers van 29 Europese landen de verklaring van Bologna. Deze verklaring heeft als bedoeling een Europese hogere onderwijsruimte te creëren om in Europa meer eenheid te brengen op onderwijsvlak. Tegen 2010 zou het nieuwe Europese onderwijs een feit moeten zijn. De voornaamste krachtlijnen van dit nieuwe onderwijslandschap zijn: Het vergroten van de vergelijkbaarheid van de opleidingen in termen van hun structuur en van de academische graden. Meer mobiliteit van studenten en professoren. Het onderwijs wapenen voor internationale competitiviteit. Een harmonisatie van het onderwijs in een twee-cycli-structuur (de bachelor-master-structuur), waarvan de eerste (de bachelor) tenminste drie jaar moet bedragen en voor sommige studenten al een beroepskwalificatie oplevert. De tweede cyclus (de master) is ofwel gericht op een beroepskwalificatie, ofwel op een wetenschappelijke vorming die eventueel verder uitgroeit in een doctoraat. Levenslang Leren als een gestructureerde bezigheid met de erkenning van het ECTS – het European Credit Transfer System.

Dit systeem wil een eenheid in het leven roepen, de credits, waarmee


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

onderwijscomponenten gewogen en aan elkaar gerelateerd kunnen worden, eender of die binnen of buiten het klassieke opleidingscircuit verworven worden. Bologna wil verder een internationaal transparant systeem van kwaliteitsbewaking oprichten, de accreditering. Tenslotte wil Bologna de samenwerking tussen Europese onderwijsinstellingen sterk vergroten. Voor meer informatie zie www.ond.vlaanderen.be – hoger onderwijs – internationalisering. 11.2.2.2.

Het Europees Doelstellingenrapport

In aansluiting op de beleidsprioriteit ‘een antwoord bieden op uitdagingen van de toekomst’, hebben de Vlaamse regering en de vertegenwoordigers van het Vlaamse middenveld op 22 november 2001 een zogenaamd Pact van Vilvoorde ondertekend. Hierin worden 21 concrete lange termijndoelstellingen (te verwezenlijken tegen 2010) voor de 21ste eeuw vooropgesteld. Drie van die doelstellingen hebben specifiek betrekking op het onderwijs en komen ook terug in het Europees Doelstellingenrapport: Tegen 2010 neemt minstens 10 procent van de Vlaamse inwoners, tussen 25 en 65, deel aan permanente vorming. Het aantal jongeren dat de school verlaat zonder voldoende startkwalificaties is tegen 2010 minstens gehalveerd. Elke jongere uit Vlaanderen krijgt de kans om een ervaring op te doen in het buitenland, onder meer in het kader van samenwerkingsontwikkeling, culturele vorming of onderwijs. De Europese ministers van onderwijs en de Europese Commissie hebben de opdracht van de ‘Top van Lissabon’ om de meest dynamische en competitieve, op kennis gebaseerde economie van de wereld te worden, ter harte genomen. De doelstellingen die de ministers hebben goedgekeurd zijn ambitieus en hebben gevolgen voor het Vlaamse onderwijs. Via de open methode van coördinatie wil de Europese Unie de vooruitgang in de realisatie van de 3 strategische doelstellingen opvolgen: Verbetering van de kwaliteit en de effectiviteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU via onder meer verbetering van het onderwijs en de opleiding van leerkrachten en opleiders, optimale inzet van financiële middelen, toegang tot ICT voor iedereen, enz. Betere toegankelijkheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels voor iedereen, door het leren aantrekkelijker te maken, actieve participatie van burgers in de maatschappij, enz. De onderwijs- en opleidingsstelsels breed open gooien voor de buitenwereld via het stimuleren van het ondernemerschap, verbetering van vreemde talenonderwijs, versterking van mobiliteit en uitwisseling, enz. Vlaanderen werkt actief mee aan de diverse opgerichte expertenwerkgroepen en Vlaanderen heeft daarnaast werk gemaakt van de communicatie-acties om het rapport bekend te maken in het departement en het onderwijsveld.

265


Vlaams Eurydice rapport 2003

11.2.2.3.

Het Brugge/Kopenhagen-proces

De Europese Raad van Barcelona had de lidstaten opgeroepen om een initiatief op te zetten voor het Beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, analoog aan het Bologna-proces voor hoger onderwijs. Dit Brugge-proces werd geïnitieerd in Brugge tijdens een vergadering van de directeurs-generaal van de Beroepsopleiding. Er zullen acties komen voor volgende vier deelaspecten van Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en –opleiding: Europese dimensie; Erkenning van bekwaamheden en kwalificaties; Transparantie, voorlichting en begeleiding; Kwaliteitsbewaking. De ruimere maatschappelijke en internationale context van beroepsopleiding en –onderwijs maakt dat overleg met sociale partners en linken met de Werkgelegenheidsstrategie dient verzekerd te worden. Vlaanderen participeert aan verschillende van de opgestarte werkgroepen en zetelt actief in de coördinatiegroep.

11.3.

Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader

Internationalisering vormt een essentiële dimensie van het onderwijs. Ze draagt bij tot de kwaliteitsbevordering van zowel het onderwijsbeleid als de onderwijspraktijk. Het

volgen

van

internationale

onderwijskundige

evoluties

verbreedt

de

horizon

van

de

beleidsvoorbereiding. De ontwikkeling van het Vlaamse onderwijs is trouwens niet langer los te denken van het perspectief van de internationale ontwikkelingen. Het uitwisselen van informatie over onderwijssystemen werkt immers inspirerend. Wederzijdse afstemmingen van het onderwijsbeleid en de onderwijspraktijk creëren bovendien een onderwijsruimte die de Vlaamse context overstijgt. Internationale uitwisselingen en projecten leiden tot een groter Europees en internationaal bewustzijn bij de leerlingen, studenten en cursisten en leren hen te participeren aan een internationaal georiënteerde en multiculturele samenleving en internationale arbeidsmarkt. Vanaf 1989 had Vlaanderen de volledige bevoegdheid om internationale akkoorden af te sluiten. Voor enkele van de Belgische akkoorden heeft Vlaanderen in de jaren 80 zelf ook samenwerkingen met die landen of regio’s opgezet. De verschillende bilaterale samenwerkingen die Vlaanderen initieert zijn ingegeven vanuit volgende basisprincipes: Vlaanderen wil prioritair samenwerkingen uitbouwen met de buurlanden; Vlaanderen hecht prioriteit aan samenwerkingen met landen of regio’s met dezelfde taal; Op basis van criteria wordt daarna bepaald met welke andere landen bilaterale overeenkomsten zullen worden afgesloten.


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

Om de impact van de bilaterale samenwerking te vergroten was het de beleidsintentie van de Vlaamse regering in 1999 om een grotere geografische concentratie na te streven. Er was de intentie om met een meer afgelijnde set van prioritaire landen te werken die worden gekozen aan de hand van duidelijke criteria. De prioritaire landen voor de onderwijssamenwerking werden afgestemd met het buitenlandse beleid. Er werd een bijzondere aandacht besteed aan de keuze van de landen op basis van criteria zoals bijdragen tot de internationale solidariteit of tot de duurzame ontwikkeling. Tijdens haar legislatuur heeft de huidige minister van Onderwijs en Vorming de samenwerking met Rusland verder gezet. Na de val van de Muur wou Vlaanderen een signaal geven en wou Vlaanderen meewerken aan de heropbouw. Daarnaast werd in 2000 ook het Verdrag dat Vlaanderen had met ZuidAfrika uitgebreid tot alle beleidsdomeinen en werd er dus een onderwijsluik aan toegevoegd. Eind 1994, na het aantreden van de Zuid-Afrikaanse regering van nationale eenheid, besliste de Vlaamse regering het beleid ten aanzien van Zuid-Afrika te erkennen als prioriteit van het buitenlandse beleid in Zuid-Afrika. Daarnaast werd op basis van de criteria beslist om een samenwerkingsakkoord met Marokko op te zetten. De andere gemeenschappen van België, Nederland, de grensregio’s en nabij gelegen en vergelijkbare landen (Wallonië, Duitstalige gemeenschap, Nederland, Frankrijk en Duitsland) blijven uiteraard prioritaire partners voor het Vlaamse onderwijsbeleid. Daarnaast ondersteunt de Vlaamse regering in het kader van bilaterale samenwerking diverse projecten.

11.4.

Vlaamse programma’s en initiatieven

Deze paragraaf gaat dieper in op de internationale samenwerking van Vlaanderen, en meer specifiek op bilaterale programma’s en initiatieven enerzijds, en multilaterale programma’s en initiatieven anderzijds. 11.4.1.

Bilaterale programma’s en initiatieven

De bilaterale samenwerking van het Departement Onderwijs met partnerlanden is gebaseerd op culturele akkoorden (destijds door België gesloten en nu door Vlaanderen) (paragraaf 11.4.1.1.), Vlaamse verdragen

(hebben

betrekking

op

meerdere

Vlaamse

bevoegdheden)

(paragraaf

11.4.1.2.),

onderwijsakkoorden ondertekend door de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming (paragraaf 11.4.1.3.), en rondzendbrieven inzake grensoverschrijdende samenwerking per onderwijsniveau (paragraaf 11.4.1.4.). Om de impact van de bilaterale onderwijskundige samenwerking te vergroten, is deze toegespitst op een beperkt aantal prioritaire landen en thema’s. Deze landen werden bepaald in nauw overleg met het buitenlandse beleid. De buurlanden zijn uiteraard prioritaire partners voor het Vlaamse onderwijsbeleid. Belangrijke thema’s waarrond wordt samengewerkt, zijn talenonderwijs, de follow-up van de Verklaring van Bologna en de (her)waardering van de leraren. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de keuze van de andere landen op basis van criteria zoals bijdragen tot de internationale solidariteit of duurzame ontwikkeling.

267


Vlaams Eurydice rapport 2003

11.4.1.1. Culturele akkoorden Samenwerking is ook mogelijk in het kader van culturele akkoorden en samenwerkingsakkoorden. Sommige akkoorden werden nog door België afgesloten, maar worden door de regio’s ingevuld. Andere akkoorden zijn door Vlaanderen afgesloten, nadat deze de bevoegdheid om verdragen af te sluiten heeft verkregen. Ongeveer 30 akkoorden werden in 2003 in uitvoering gesteld. Een dergelijke samenwerking heeft betrekking op alle onderwijsniveaus, maar het meest intens op het vlak van hoger onderwijs. Het omvat specialisatie- en onderzoeksbeurzen voor studenten uit een post-academische opleiding in het hoger onderwijs, de uitwisseling van hoogleraren en docenten, de organisatie van lessen vreemde talen aan de Vlaamse universiteiten,... 11.4.1.2. Vlaamse verdragen In 2000 werd het samenwerkingsverdrag tussen Vlaanderen en Zuid-Afrika – dat bestond sinds 1996 – vernieuwd en uitgebreid tot alle beleidsdomeinen waarvoor Vlaanderen bevoegd is. De drie provincies Vrijstaat, KwaZulu-Natal en Limpopo werden als geografisch prioritaire gebieden aangeduid. Het departement onderwijs concentreert zich voor een aantal projecten op deze prioritaire gebieden. Momenteel

lopen

er

projecten

rond

ondernemerschapsvaardigheden,

life

skills,

autismespectrumstoornissen in het onderwijs en een geïntegreerd schoolbeleid voor het verzekeren van waarden in het onderwijs. 11.4.1.3. Onderwijsakkoorden Deze paragraaf betreffende bilaterale samenwerking van het Departement Onderwijs met partnerlanden gebaseerd op onderwijsakkoorden, gaat meer specifiek in op de samenwerking met Nederland, het Akkoord met Rusland, en het Akkoord met Marokko. 11.4.1.3.1.

Samenwerking met Nederland

Sinds 1990 wordt de ambtelijke samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland in het onderwijsveld georganiseerd onder de zogenaamde ‘GENT-akkoorden’. De eerste Gent-akkoorden (Gent-1 en Gent-2) hadden enkel betrekking op het hoger onderwijs. Sinds het Gent-3 akkoord zijn alle onderwijsniveaus betrokken.

De

acties

bestaan

uit

seminaries,

de

ontwikkeling

van

samenwerking

tussen

onderwijsinstellingen, gezamenlijke studies en publicaties, uitwisseling van goede onderwijskundige praktijken en informatie. De thema’s die meestal aan bod komen zijn: ICT, mobiliteit, verhogen van de samenwerking tussen instellingen, kwaliteitscontrole, lerarenbeleid, administratieve vernieuwing en doelgroepenbeleid. Voor een aantal van deze onderwerpen is goede informatie nodig. Daarom wordt er sinds het schooljaar 1995-1996 jaarlijks en vanaf 1998-1999 tweejaarlijks, een speciale “grensverkeertelling” georganiseerd met het oog op het situeren van de wederzijdse onderwijsmobiliteit. Ook de inspectie van beide landen werken nauw samen; zo is er onder meer een vergelijkende studie gemaakt over de methodiek van de schooldoorlichting.


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

Na de positieve evaluatie van het Gent-5 akkoord, is op 13 oktober 2003 het Gent-6 akkoord ondertekend door de Nederlandse en Vlaamse minister van onderwijs. Het Nederlandse ministerie OCW en het Vlaamse departement Onderwijs richten zich voortaan op beleidsuitwisseling op alle terreinen waar zij dat van belang achten. Daarnaast zullen zij de posities in multilaterale organen zoals de EU en OESO waar mogelijk – gezamenlijk voorbereiden. In 1995 is het GROS (Grensoverschrijdende samenwerking)-project met Nederland van start gegaan op het niveau van het basis en secundair onderwijs . Sinds 1995 liet zoals gezegd het GROS-programma (Grens Overschrijdende Samenwerking) tussen Vlaanderen en Nederland de Vlaamse en Nederlandse lagere scholen toe om klassen uit te wisselen op basis van samenwerkingsakkoorden. In dit kader ontvangen leerkrachten subsidies van de Vlaamse Gemeenschap om deze uitwisselingen voor te bereiden en te realiseren. Om een aantal aangelegenheden betreffende de Nederlandse taal, waaronder taalvorming en -onderwijs gezamenlijk aan te pakken, hebben Nederland en de Vlaamse Gemeenschap de Nederlandse Taalunie opgericht. Dit supranationaal orgaan geeft de mogelijkheid om op internationaal niveau als één taalgemeenschap te handelen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1996a). Concretere info over wat er op dit vlak binnen de verschillende onderwijsniveaus wordt gedaan, is te vinden bij paragraaf 11.3. 11.4.1.3.2.

Akkoord met Rusland

Sinds 1991 werden diverse samenwerkingsakkoorden en –protocols gesloten tussen de Vlaamse en Russische ministers van onderwijs. In uitvoering hiervan zijn - tientallen projecten opgezet. De terreinen waarop wordt samengewerkt zijn o.a. onderwijs aan kinderen met speciale noden, leerlingenbegeleiding, het beroepsonderwijs,. Over een verlenging van de samenwerking wordt onderhandeld. 11.4.1.3.3.

Akkoord met Marokko.

Belangrijke aanwezigheid van Marokkaanse kinderen in de Vlaamse scholen was één van de reden om in 2001 een samenwerkingsakkoord te sluiten met Marokko. Er wordt vooral gewerkt op volgende terreinen: versterking van het secundair technisch onderwijs en de afstemming ervan op de arbeidsmarkt; en partnerschappen tussen scholen uit de 2 landen. 11.4.1.4. Grensoverschrijdende samenwerking. In 1995 hebben Vlaanderen, Nederland en de aangrenzende Duitse Länder Nordrhein-Westfalen, Niedersachsen en Bremen een akkoord afgesloten om de wederzijdse samenwerking inzake hoger onderwijs te stimuleren met het oog op de inrichting van één grote open onderwijsruimte (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1996a). Dit werd het “Grenslandenbeleid” genoemd. Vanaf 1999 verdween GROS binnen het basisonderwijs en werden samenwerkingsprojecten tussen Vlaamse scholen en scholen uit Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Luxemburg gesubsidieerd in het kader van het Buurlandenbeleid.

269


Vlaams Eurydice rapport 2003

Sedert 1995 maakt het GROS-programma (Grensoverschrijdende samenwerking) het voor Vlaamse en Nederlandse secundaire scholen mogelijk klassen uit te wisselen. Vanaf het schooljaar 2004-2005 wordt dit programma opengesteld naar de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Elk jaar organiseert het departement Onderwijs in samenwerking met de Franse ambassade in-service trainingen in Frankrijk voor 40 leerkrachten Frans per schooljaar in het basisonderwijs. In samenwerking met de Franse autoriteiten worden er jaarlijks nascholingsopleidingen georganiseerd voor leerkrachten Frans van het secundair onderwijs. In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks diverse uitwisselings- en nascholingsactiviteiten: een zomercursus voor Vlaamse leerlingen in Duitsland en vice versa; 2 nascholingscursussen voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en 2 nascholingscursussen voor Duitse leerkrachten in Vlaanderen. Concretere informatie over wat er op dit vlak binnen de verschillende onderwijsniveaus wordt gedaan, is te vinden bij paragraaf 11.6. 11.4.2.

Multilaterale programma’s en initiatieven

Deze paragraaf heeft betrekking op de multilaterale programma’s en initiatieven, en meer concreet op de samenwerking in kader van de Raad van Europa (11.4.2.1), de samenwerking in het kader van de OESO (11.4.2.2), de samenwerking in het kader van de UNESCO (11.4.2.3), en de EU-programma’s (11.4.2.4). 11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa Wat de Raad van Europa betreft, participeert het departement Onderwijs in de activiteiten van het Onderwijscomité en het Comité voor Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek voor projecten met betrekking tot: mensenrechten, democratie en tolerantie; juridische hulp aan de landen van Centraal- en Oost-Europa. 11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO Binnen de OESO participeert het departement Onderwijs in het “Education Committee”, het IMHE (Institution for Management of Higher Education) en de CERI (Centre for Educational Research and Innovation). Het departement Onderwijs neemt reeds jaren deel aan de volgende projectlijnen van de OESO: onderwijs voor morgen; onderwijsindicatoren (INES); levenslang leren; doorlichting van aspecten van ons onderwijssysteem.


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

11.4.2.3. Samenwerking in het kader van UNESCO “Het internationaal Bureau of Education”, een gespecialiseerde Unesco-instelling, organiseert elke paar jaar een internationale onderwijsconferentie waar ministers van onderwijs en andere betrokkenen elkaar ontmoeten. De 46ste zitting van deze onderwijsconferentie vond plaats in september 2001 in Genève en had als hoofdthema: ‘Education for All for learning to live together’. In september 2004 zal de volgende Internationale onderwijsconferentie doorgaan, getiteld 'Kwaliteitsonderwijs voor alle jongeren: uitdagingen, tendensen en prioriteiten'. Aan iedere lidstaat werd gevraagd vooraf een nationaal rapport op te stellen over het onderwijssysteem en de laatste onderwijsontwikkelingen.

Voor België hebben zowel Vlaanderen als de Franstalige

Gemeenschap een rapport opgesteld. Dat werd gepubliceerd in het Nederlands, Frans en Engels. Sedert een aantal jaren verzet zetelen de gemeenschappen namens België in het Internationaal Bureau of Education.

De secretaris-generaal van het departement Onderwijs zetelt namens Vlaanderen in dit

Bureau. Verder nemen ambtenaren van het departement Onderwijs op regelmatige basis deel aan de algemene conferentie van Unesco (die dus niet alleen over onderwijs handelt) en aan specifieke bijeenkomsten (hoger onderwijs,…). 11.4.2.4. EU-programma’s De Europese Unie heeft een aantal onderwijs- en opleidingsprogramma's in gang gezet met het oog op het promoten van de Europese dimensie en het verbeteren van de onderwijskwaliteit door middel van samenwerking tussen de landen. De belangrijkste programma's zijn het SOCRATES-programma, het LEONARDO DA VINCI- programma, en het TEMPUS- programma.

11.5.

Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum

Burgerschap betekent dat iemand open staat voor het politiek, economisch, sociaal en cultureel leven van de maatschappij waarin hij leeft en waaraan hij wil participeren. Burgerschap betekent dat de burger een inzicht heeft in deze vier aspecten en kennis heeft van de basisregels die de basis vormen van ons rechtsen democratisch systeem. Een belangrijk element van burgerschap is omvat in de mensenrechten en vrijheden zoals ze vastgelegd zijn in de grondwet en in verschillende charters. Burgerschap veronderstelt: bewustzijn dat je deel bent van een gemeenschap van burgers met rechten en verplichtingen, inclusief de verantwoordelijkheden en taken; paraatheid om deze rechten te eren en deze in overeenstemming brengen met de verplichtingen; initiatief nemen om verantwoordelijkheid te dragen; paraatheid om attitudes te verwerven, zoals tolerantie, rechtsgevoel, een oog voor het algemeen welzijn en bereidheid om samen te werken en een rechtvaardigheidsgevoel.

271


Vlaams Eurydice rapport 2003

Het onderwijzen van burgerschap is bedoeld om jongeren tot kritische burgers te transformeren die bereid en competent zijn om constructief te denken en te handelen in een democratische constitutionele staat zoals deze tegenwoordig functioneert binnen een internationale gemeenschap. Onderwijs tot burgerschap, in de breedste betekenis van het woord, omvat in Vlaanderen: verschaffen van feiten en inzicht met relatie tot (1) de economische, sociale en culturele realiteit; (2) de mechanismen die tot deze realiteit leiden en die de realiteit bepalen; en (3) het politieke besluitnameproces dat kan gebruikt worden om te interveniëren in deze realiteit, en dit op alle niveaus van de gemeenschap; een gevoeligheid hebben voor de waarden van het democratisch systeem waarin we leven; vaardigheden beheersen om vorm te kunnen geven aan de hierboven vernoemde kennis, inzicht in en een gevoeligheid hebben voor waarden in je eigen leven. In het Vlaams onderwijssysteem (basis – en secundair) worden er eindtermen bepaald (zie paragraaf 9.4.3.). Het bijbrengen van burgerschap maakt deel uit van de vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs. Het ultieme doel van burgerschapsopvoeding is de verwerving van een aantal basisvaardigheden die de jongere in staat stellen om te participeren op een constructieve en kritische manier aan het sociale leven (brede betekenis). Kinderen en jongeren moeten vertrouwd zijn met bepaalde aspecten van: het politieke en rechtsdomein (met daarin inbegrepen macht, consultatie, vertegenwoordiging van standpunten, besluitvorming, instituties en procedures); het sociaal-economisch domein (met daarin arbeid, handel en welzijn); het sociaal-cultureel domein (met aspecten zoals opleiding, vrije tijd, familie- en groepsvorming). Deze 3 domeinen vormen het kader waarin keuzes worden gemaakt welke specifieke situaties of inhouden zullen aangeleerd worden. Per fase worden er andere inhouden aangeleerd. In de eerste fase (eerste graad van het secundair ) werd gekozen voor vier realiteiten, namelijk jongeren en school, de thuissituatie, de media en democratische administratievormen. In de tweede fase (tweede graad van het secundair) werd er gekozen voor twee sociaal gezien relevante thema’s: de mensenrechten en actief burgerschap & besluitvorming.

De

onderwerpen voor de derde fase (derde graad secundair) zijn: democratische parlementen, ‘sociale voorzieningen’ en wereldburgerschap. Een jongere heeft het onderwerp ‘wereldburgerschap’ van de derde fase van burgerschap onder de knie, als die jongere: de rol van de internationale instellingen kan illustreren; kan illustreren dat de globale dimensie van onze maatschappij meer en meer zichtbaar wordt, tussen de andere zaken op economisch, politiek en cultureel niveau. En zich ervan bewust zijn dat dit zowel tot problemen en conflicten als bijkomende mogelijkheden kan leiden; de complexiteit van de internationale samenwerking kan uitleggen;


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

kan illustreren dat er verschillende opinies zijn over voorspoed en over hoe deze welvaart moet herverdeeld worden; onderhevig is aan persoonlijke overtuiging om de welvaart en het welzijn van de wereld te verbeteren.

11.6.

Mobiliteit en uitwisseling

In heel wat bilaterale en multilaterale akkoorden die Vlaanderen mee geïnitieerd heeft of waarin Vlaanderen is ingestapt zijn er internationale mobiliteits- en uitwisselingacties begrepen. Deze acties werden dan ook toegelicht bij de paragrafen 11.1 tot 11.3. Daarnaast werd ook alle beschikbare statistisch materiaal met betrekking tot de mobiliteitsprogramma’s bij paragraaf 11.4 opgenomen. In dit stuk beperken we ons dan ook tot het luik ‘erkenning en validering van buitenlandse diploma’s en kwalificaties’. De procedures die gelden voor de verschillende onderwijsniveaus zijn gevat in verschillende besluiten en omzendbrieven. Deze zijn alle te vinden op de website van het departement (www.ond.vlaanderen.be). De afhandeling van de procedures is over de onderwijsniveaus heen grotendeels gelijklopend. De procedure bevat telkens 4 stappen: het indienen van een aanvraag, het administratief onderzoek op de volledigheid van het dossier, de adviesaanvraag en het besluit tot het al of niet verlenen van de gelijkwaardigheid. Ook het samenstellen van een aanvraagdossier komt over de onderwijsniveaus heen, neer op dezelfde 3 aspecten: het verschaffen van informatie over de inhoud van de gevolgde opleiding, het voorleggen van studiebewijzen, het meegeven van beëdigde vertalingen van documenten wanneer de documenten niet in het Nederlands, Frans, Duits of Engels zijn opgesteld. Bij elke procedure zijn oplossingen voorzien voor aanvragers die géén studiebewijzen kunnen voorleggen. In het nieuwe structuurdecreet dat het Vlaams hoger onderwijs hervormt in overeenstemming met de Europese Bolognaverklaring en door de Vlaamse regering is goedgekeurd, worden voor de erkenningen in Vlaanderen de principes van de "Lisbon Recognition Convention" gehanteerd. Het structuurdecreet stelt dat de Vlaamse regering een procedure voor erkenning zal uitwerken. 11.6.1.

Leerlingen en studenten

Wat uitwisseling van leerlingen betreft, maken we een onderscheid naar onderwijsniveau. 11.6.1.1. Basisonderwijs: Op het niveau van het basisonderwijs onderscheiden we enerzijds het buurlandenbeleid en anderzijds het programma ‘Klavertje drie’. BUURLANDENBELEID. Het buurlandenbeleid subsidieert contacten tussen Vlaamse scholen en scholen uit Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Luxemburg en Nederland. De subsidie geldt voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het doel is: de verbetering van de kennis van de culturen van de buurlanden,

273


Vlaams Eurydice rapport 2003

een confrontatie met de eigen cultuur, inhoudelijke bijdrage aan diverse leergebieden, leergebiedoverschrijdende vaardigheden verhogen, e.a. Er zijn twee soorten van samenwerking met scholen uit een buurland mogelijk: buiten het kader van een buurlandenonderwijsproject en met een buurlandenonderwijsproject. Het is de bedoeling dat de Vlaamse leerlingen in een school van het buurland actief deelnemen aan het schoolleven. Er is enkel een subsidie voor een bezoek aan een school van één van de vermelde buurlanden. De bezoeken duren minstens drie opeenvolgende dagen (twee overnachtingen). Een basisschool voor buitengewoon onderwijs ontvangt een hogere beurs. Het gaat om de verplaatsing- en verblijfkosten van leerlingen, onderwijzend personeel en (eventueel) ouders. Voor de ontvangst in Vlaanderen van een klas uit één van de buurlanden betaalt het departement Onderwijs een forfaitair bedrag. Voor de toekenning van deze subsidie zijn twee overnachtingen noodzakelijk. Het KLAVERTJE DRIE programma. Dit is een uitwisselingsprogramma binnen België dat samenwerkt met het “Prins Filipfonds” en opgericht werd als vorm van samenwerking tussen de drie gemeenschappen. Het programma regelt uitwisselingen van kinderen uit het vijfde en zesde leerjaar van de lagere school en in de drie verschillende Belgische gemeenschappen. Het programma van zo'n uitwisseling moet tenminste drie volledige dagen duren (met twee overnachtingen) Het is wenselijk dat alle leerlingen van de betrokken klas aan de uitwisseling deelnemen. In elk geval dient minstens 75% deel te nemen. 11.3.1.2. Secundair onderwijs: Op het niveau van het secundair onderwijs onderscheiden we de programma’s ‘GROS’, ‘Euroklassen’, en ‘Klavertje drie’. GROS. Dit programma voorziet klasuitwisselingen en voorbereidende bezoeken door directies, ouders en leerkrachten. De klassenuitwisselingen (waaraan in principe de volledige klas moet deelnemen) zijn gebaseerd op wederkerigheid en hebben bij voorkeur plaats tijdens hetzelfde schooljaar met een verblijf in Nederland met minimum 3 overnachtingen (4 volledige dagen). Voor leerkrachten, directies en ouderverenigingen is er minimum 1 volledige dag voorzien om de uitwisselingen inhoudelijk voor te bereiden. De beoogde samenwerking moet kaderen in een gemeenschappelijk onderwijsproject dat samen met de partnerschool gedefinieerd wordt qua doelstellingen methodes en verspreidingseffect. EUROKLASSEN.

Dit programma, open voor alle secundaire scholen, beoogt versterking van de

Europese dimensie in het onderwijs via uitwisseling van leerlingen in klasverband. Binnen de toepassingsfeer vallen de uitwisselingen van klassen of groepen van leerlingen vanaf het 4de jaar van het secundair onderwijs. De uitwisselingen worden georganiseerd in het kader van een project met een Europese dimensie tussen de eigen school en een buitenlandse school die behoort tot een land dat in aanmerking komt voor deelname aan het Socrates-programma.


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

KLAVERTJE DRIE . Dit programma is een uitwisselingsprogramma binnen België dat samenwerkt met het “Prins Filipfonds” en opgericht werd als vorm van samenwerking tussen de drie gemeenschappen. Het programma regelt uitwisselingen van leerlingen van het secundair onderwijs in de drie verschillende Belgische gemeenschappen. Wederkerigheid van de uitwisseling is niet noodzakelijk, wel een verblijf van minstens 4 opeenvolgende overnachtingen of 5 volle dagen. Het is wenselijk dat alle leerlingen van de betrokken klas aan de uitwisseling deelnemen. In elk geval dient minstens 75% deel te nemen. 11.6.1.3. Hoger onderwijs: Erasmus Belgica is een nieuw programma waardoor universiteitsstudenten of hogeschoolstudenten de mogelijkheid wordt gegeven om een gedeelte van hun opleiding aan een universiteit of een hogeschool in een andere Gemeenschap door te brengen. Het programma loopt volgens dezelfde principes als het Europese Erasmus programma. Het project werd gelanceerd in februari 2004 en de eerste uitwisselingen zijn voorzien vanaf het academiejaar 2004-2005. Het is bedoeling dat de drie Ministers bevoegd voor hoger onderwijs later een samenwerkingsakkoord uitwerken . Binnen de Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek is een erkenningscel werkzaam (NARIC-Vlaanderen: National Academic (& Professional) Recognition Information Centre). Deze cel maakt deel uit van het NARIC-Netwerk, een initiatief van de Europese Commissie, opgericht in 1984, dat de erkenning van diploma's en studieperiodes in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte wil bevorderen. NARIC-Vlaanderen verzorgt de academische erkenningsprocedure en vraagt ten minste twee adviezen van evenveel instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, vooraleer een beslissing te nemen. Een eventuele erkenning van gelijkwaardigheid gebeurt onder de vorm van een ministerieel gelijkwaardigheidsbesluit. Het nieuwe structuurdecreet van 4 april 2003 hervormt het Vlaams hoger onderwijs in overeenstemming met de Europese Bolognaverklaring en bevestigt dat de erkenning van buitenlandse hoger onderwijsdiploma's in Vlaanderen verloopt volgens de principes van de "Lisbon Recognition Convention”. 11.6.2.

Leerkrachten en academisch personeel

Wat de uitwisseling van leerkrachten betreft, wordt er opnieuw een onderscheid gemaakt naar onderwijsniveau. 11.6.2.1. Basisonderwijs Elk jaar organiseert het departement Onderwijs in samenwerking met de Franse ambassade in-service trainingen in Frankrijk voor 40 leerkrachten Frans per schooljaar in het basisonderwijs. In het kader van het Buurlanden-programma ondersteunt het departement Onderwijs de aanwezigheid van directies of leraren van een school uit Vlaanderen in een school van een buurland. Dit assistentschap kan zich situeren op het gebied van de taal of het management van de school. Er zijn geen bepalingen inzake

275


Vlaams Eurydice rapport 2003

duur: de betrokken scholen maken hierover afspraken. Bij voorkeur gaat het om enkele dagen. De subsidie bestaat uit de eventuele effectieve tekorten inzake reis- en verblijfkosten Er is in ditzelfde programma een subsidie voor grensoverstijgende werkgroepen met een programma rond onderwijskundige thema's van minstens één volledige dag. De subsidie gaat naar personeelsleden uit het Vlaams onderwijs die zich verplaatsen naar een buurland voor het bijwonen van de werkgroep. Het gaat over werkgroepen samengesteld uit personeelsleden van de scholen van de verschillende landen. Een andere vorm van mobiliteit zijn de personeelsbezoeken. Voor leerkrachten en directies zijn er bezoeken mogelijk als verkenning of als voorbereiding van een buurlandenonderwijsproject. Het bezoek duurt minstens één volledige dag. Per buurlandenbezoek ontvangt de school van het departement Onderwijs per persoon een subsidie, met een maximum van vier personen. Dit aantal kan acht bedragen als het een schoolteam betreft dat in een bepaalde regio intensief samenwerkt met meerdere basisscholen. Het departement Onderwijs subsidieert maximaal twee personeelsbezoeken per jaar. In principe zijn deze uitwisselingen van veldverantwoordelijken bedoeld als kennismaking van het onderwijssysteem van het bezochte land en de concrete schoolorganisatie van de partnerschool. Deze kennismaking moet drempelverlagend werken voor de organisatie van mogelijke onderwijsprojecten. Niet elke uitwisseling zal resulteren in een onderwijsproject. De school behoudt de subsidie ook in het geval er geen internationale samenwerking tot stand komt 11.6.2.2. Secundair onderwijs In samenwerking met de Franse autoriteiten worden er jaarlijks nascholingsopleidingen georganiseerd voor leerkrachten Frans van het secundair onderwijs. In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks 2 nascholingscursussen voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en 2 nascholingscursussen voor Duitse leerkrachten in Vlaanderen.

11.7.

Statistieken

Tabel 62: Socrates Comenius voor het basisonderwijs Actie 1.1. Schoolprojecten Jaar

Aantal projecten

Budget (euro)*

1999-2000

92

130.316,31

2000-2001

103

196.807,44

2001-2002

97

304.186,91

2002-2003

73

256.704,72

* budget dat effectief besteed werd (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

Tabel 63: Socrates Comenius voor het basis- en secundair onderwijs Actie 1.3. Schoolontwikkelingsprojecten (Socrates II) Jaar

Aantal projecten

Budget (euro)*

2001-2002

3 (basis); 11 (secundair)

59.976,15

2002-2003

6 (basis); 16 (secundair)

89.249,24

* budget dat effectief besteed werd (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004) Tabel 64: Socrates Comenius voor het basisonderwijs Actie 3.2.c (tot 1999), Actie 2.2c (vanaf 2000) Jaar

Studiebeurzen

1996

2

1997

3

1998

15

1999

3

2000

3

2001

14

2002

3

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004) Tabel 65: Socrates Comenius voor het secundair onderwijs Actie 1 Jaar

Aantal studiebezoeken

1995-1996

5

1996-1997

5

1997-1998

42

1998-1999

51

1999-2000

Aantal voorbereidende Aantal bezoeken

leerkrachten Aantal plaatsingen van

uitwisselingen 85

leerkrachten -

-

1

10

9

9

80

7

8

23

40

5

3

2000-2001

31

26

8

0

2001-2002

42

38

16

1

16 7 15 1

277


Vlaams Eurydice rapport 2003

2002-2003

13

28

14

2

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 66: Socrates Comenius voor het secundair onderwijs Actie 2.2c Bijscholingen Jaar

Aantal beurzen

2001-2002 46 2002-2003 32 (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004) Tabel 67: Evolutie in het aantal deelnemers aan het Erasmus-programma (1988-2002) Jaar

Studiebeurzen

Aantal maanden in het buitenland

1988-1989

254

1.126

1989-1990

469

2.163

1990-1991

777

4.022

1991-1992

1.049

5.712

1992-1993

1.336

7.542

1993-1994

1.712

9.885

1994-1995

2.024

11.614

1995-1996

2.370

13.174

1996-1997

2.438

13.119

1997-1998

2.708

13.484

1998-1999

2.694

14.666

1999-2000

2.700

14.528

2000-2001

2.574

14.005

2001-2002

2.728

14.433

2002-2003

2.675

14.088

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

Tabel 68: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-1 Aantal projecten

Jaar 1997-1998

13

1998-1999

13

1999-2000

9

2001

9

2002

5

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 69: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-2 Jaar 2001 2002

Aantal projecten 5 13

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 70: Deelname aan Socrates- Volwassenenonderwijs / Grundtvig-3 Jaar 2001 2002

Aantal projecten 28 25

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 71: Deelname aan Socrates- Minerva, open- en afstandsonderwijs Jaar

Aantal projecten

1997-1998

9

1998-1999

12

1999-2000 2001 2002

9 9 21

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

279


Vlaams Eurydice rapport 2003

Tabel 72: Deelname aan Lingua Actie C- hoger onderwijs (overgangsjaar met “ex-Lingua C” in 2001-2002, vanaf 2002-2003 Comenius 2.2.b “Taalassistenten”) Aantal stages

Jaar 1995-1996

8

1996-1997

12

1997-1998

15

1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003

15 13 6 18 16

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 73: Deelname aan Lingua Actie E- secundair en hoger onderwijs (overgangsjaar met “exLingua E” in 2000-2001, vanaf 2001-2002 Comenius 1.2. “Taalprojecten”)

Jaar

Aantal projecten

Leerlingen

Leerkrachten

Leerkrachten

die

deelnemen

aan

voorbereidende bezoeken Comenius 1

1994-1995

24

545

69

54

1995-1996

21

412

49

45

1996-1997

18

418

48

60

19997-1998

21

382

50

51

1998-1999 (schatting)

18

427

43

74

1999-2000

27

565

72

37

2000-2001

22

475

58

20

2001-2002

11

163

22

4

2002-2003

8

84

11

3

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 74: Deelname aan Euroklassen - secundair onderwijs Jaar

Scholen

Vlaamse

Leerkrachten

Buitenlandse

Budget (euro)


Hoofdstuk 11: Europese en internationale dimensie in het onderwijs

leerlingen

leerlingen

1995-1996

-

-

-

72.062,65

1996-1997

465

56

461

67.625,35

1997-1998

532

66

532

73.624,38

1998-1999

435

54

402

64.412,50

1999-2000

504

69

499

70.153,87

2000-2001

423

53

436

60.027,42

2001-2002

455

61

398

66.794,91

2002-2003

316

39

307

45.402,00

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 75: Deelname aan Gros- secundair onderwijs Jaar

Aantal projecten

Budget (euro)

1996-1997

16

24.789,35

1997-1998

10

12.022,84

1998-1999

18

20.637,14

1999-2000

15

17.228,60

2000-2001

11

12.270,73

2001-2002

14

17.104,65

2002-2003

12

13.640.00

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2004)

Tabel 76: Deelname aan Gros- Buurlandenbeleid (vanaf 1999) - Basisonderwijs Jaar

Aantal projecten

Budget (euro)

1998

10

6.445,23

1999 (tot 4/1999)

14

12.146,78

1999 – Buurlandenbeleid

6

3.619,25

2000 – Buurlandenbeleid

31

38.026,87

2001

32

32.727,55

281


Vlaams Eurydice rapport 2003

2002

34

31.403,33

(Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2003)


BIBLIOGRAFIE ARGO (2004). Nieuw decreet voor de ARGO: van twee naar drie sporen. [WWW] http://www.argo.be Auditcommissie Kwaliteitszorg in het Academisch Onderwijs in Vlaanderen (1998). Aandacht voor kwaliteit in de Vlaamse universiteiten. Tielt: Lannoo. Baert, H., M. Douterlungne & D. Van Damme (2000). Bevordering van deelnamekansen inzake arbeidsmarktgerichte permanente vorming (DIAP). K.U.Leuven, HIVA, Universiteit Gent. Belgische Federale Overheid (2002). België, een federale staat. [WWW], Brussel: Belgische Federale Overheid: http://belgium.fgov.be/pa/nla_frame.htm. Belgische Nationale Bank (2002). Gegevens van Belgostat. [WWW] www.nbb.be/belgostat Beuselinck, I. & J.C. Verhoeven (1998). ‘Postgraduate research training in Belgium’, European Journal of Education, 33 (2): 229-249. Bis (2004). Begeleid Individueel Studeren. [WWW] http://www.bisonline.be Bollens, J. & I. Fripont (2001). Studiekosten in het secundair onderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben. Leuven: Hoger Instituut voor de Arbeid. Bollens, J., H. De Vos & I. Vleugels (2000a). Studiekosten in het basisonderwijs: wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben. Leuven: Hoger Instituut voor de Arbeid. Bollens, J., S. Groenez & I. Vleugels (2000b). Studiekosten in het hoger onderwijs: wat het kost om deel te nemen aan het hogeschool- en universitair onderwijs. Leuven: Hoger Instituut voor de Arbeid. Broekaert, E., F. De Fever & W. Hellinckx (1993). Orthopedagogische werkvelden in kaart: Vlaanderen. Leuven-Apeldoorn: Garant. Bronders, M. (2001). ‘Externe kwaliteitszorg onderwijs. Het visitatiestelsel herbekeken’, Universiteit & Beleid, 15 (3): 8-12. Brouwers, J. (1996). De Europese Gemeenschap en onderwijs. Geschiedenis van de samenwerking en het communautair beleid op onderwijsgebied (1951-1996). Baarn: BKE. Centra voor basiseducatie (2004). Alles over basiseducatie. [WWW] http://www.basiseducatie.be Centre for Educational Research and Innovation (CERI) (1997). Education at a glance: OECD Indicators. Paris: Organisation for Economic Co-operation and Development. Coens, D. (1989). Met een nieuwe lei. Over de toekomst van het onderwijs in Vlaanderen. Brugge: String. D’hoker, M, (1997). Geschiedenis van het onderwijs en het onderwijsbeleid in België, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen - K.U.Leuven.


Vlaams Eurydice rapport 2003

De Groof, J. & P. Mahieu (1993). De school komt tot haar recht. De uitoefening van rechten in het onderwijs. Kessel-Lo: Garant. De Groof, J. & T. Van Haver (1995). Het Vlaams onderwijs in de kijker: een internationaal perspectief. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. De Groof, J. (1989). De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing. Brussel: E. Story Scientia. De Groof, J. (1990). De Schoolpactwet. Coördinatie en annotatie. Brussel: E. Story Scientia. De Groof, J. (1995). The Legal Status of Teachers in Europe. Mobility and Education. Leuven/Amersfoort: Acco. De Groof, J., T. Van Haver e.a. (1993). De school op rapport. Het Vlaams onderwijs in internationale context. Kapellen: Pelckmans. De Keyser, C.C. (1970). ‘Lager onderwijs en Vernieuwd lager onderwijs’, pp. 179-182 in A. De Block (ed) Standaard Encyclopedie voor Opvoeding en Onderwijs. Deel I. Antwerpen: Standaard Uitgeverij. De Keyser, C.C. (1970). ‘Voorschools Onderwijs’, pp. 177-179 in A. De Block (ed) Standaard Encyclopedie voor Opvoeding en Onderwijs. Deel I. Antwerpen: Standaard Uitgeverij. De Keyser, R. & M. D’hoker (1985). ‘De geschiedenis van het secundair onderwijs in België’, Nova et vetera, 1984-1985 (okt.): 15-40. De Maeyer, J. (1988). De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek: 1862-1914. Leuven: Universitaire Pers. De Meester, K. & P. Mahieu (2000). ‘Klachten, machten en gedachten. Het non-discriminatiebeleid in het Vlaams onderwijs’, Schoolleiding- en begeleiding, 2000 (31): 19-41. De Samblanx V. & L. Verstraete (1998). ‘Decreet betreffende het onderwijs IX’, Universiteit en Beleid, 1: 15-20. Deeltijds Onderwijs (2004). [WWW] http://www.deeltijdsonderwijs.be Deloitte & Touche (2001). Inkomsten en uitgaven van scholen in Vlaanderen: kwantificering van de objectiveerbare

verschillen.

[WWW]

http://www.ond.vlaanderen.be/berichten/

objectiveerbareverschillen.htm Denys, J. (1993). Minder winnaars, meer verliezers op de arbeidsmarkt: Dossier nr. 7. Leuven: Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid, Vorming (WAV). Devos, G. (1995). De flexibilisering van het secundair onderwijs in Vlaanderen. Een organisatiesociologische studie van macht en institutionalisering. Leuven/Amersfoort: Acco. Devos, G., J. Verhoeven, W. Opbrouck, B. Verbeeck (2000). Handboek zelfevaluatie in het secundair onderwijs. Diegem: Kluwer. Devos, G., J.C. Verhoeven, I. Beuselinck, H. Van den Broeck & R. Vandenberghe (1999). De rol van de schoolbesturen in het schoolmanagement. Leuven: Garant.


Bibliografie

Devos, G., P. Vandenberghe, P. Vandingenen & J.C. Verhoeven (1987). Het reglementair kader van lokaal onderwijsbeleid. Leuven: Acco. Dewaele, A., M. Douterlungne & H. Cossey (1985). Tussen school en werkbank. Deeltijds leren bij 1518-jarigen. Brussel: Ced. Samsom. Deweghe, L (2000). ‘Rectorale openingsredes. Academiejaar 2000-2001’. Universiteit en Beleid, 15 (1): 6-8. DIGO (1992), Bouwen met DIGO. Brussel: DIGO. DIVA (Dienst Informatie Vorming en Afstemming) (2004). Leergids. [WWW] http://www.leergids.be DVO, (2004). Over de DVO - Wie we zijn en wat we doen. www.dvo.be geraadpleegd op 15 maart 2003. European Commission (1995a). Pre-School Education in the European Union. Current thinking and provision. Brussels/Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities. European Commission (1995b). Structures of the Education and Initial Training Systems in the European Union. Luxembourg: Office for the Official Publications of the European Communities. European Commission (1996). Key data on education in the European Union. Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities. Europese Commissie (1996). SOCRATES. Leidraad voor Aanvragers 1997.

Brussel: Bureau voor

Technische Ondersteuning SOCRATES & JEUGD. Europese Unie (2001). Website Europese Unie. [WWW] Europese Unie: http//:europa.eu.int. Eurydice European Unit (1990). Administration and evaluation structures for primary and secondary schools in the twelve Member States of the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1991a). Regulations concerning compulsory schooling in the Member States of the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1991b). Initial teacher training in the Member States of the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1992a). Private/non-state education: forms and status in the Member States of the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1992b). The Teaching of Modern Foreign Languages in Primary and Secondary Education in the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1993a). Organisation of school time in the Member States of the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1993b). Administrative and Financial Responsibilities for Education and Training in the European Community. Brussels: Eurydice European Unit. Eurydice European Unit (1993c). Requirements for Entry to Higher Education in the European Community. Brussels: Eurydice European Unit.

285


Vlaams Eurydice rapport 2003

Eurydice European Unit (1993d). Basisonderwijs in de Europese Gemeenschap.

Brussel: Eurydice

European Unit. Working paper. Eurydice European Unit (1996a). Consultative Councils and other forms of social participation in education in the European Union. Brussel: Eurydice. Eurydice European Unit (1996b). School heads in the European Union. Brussel: Eurydice. Geers, F. & R. Van Weydeveldt (1994). Beroepsopleiding in België. Luxemburg: Bureau voor de Officiële Publicaties der Europese Gemeenschappen. CEDEFOP Dossier. Gemeenschapsonderwijs

(2004),

Lessentabellen

secundair

onderwijs

2003-2004.

[WWW]

Gemeenschapsonderwijs: http://www.argo.be Gemeenschapsonderwijs

(2004).

Website

van

het

Gemeenschapsonderwijs

[WWW]

Gemeenschapsonderwijs: http://www.gemeenschapsonderwijs.be. HayGroup (2001). Een nieuw integraal beloningsbeleid voor het onderwijspersoneel. Eerste fase: vergelijkende loonstudie en eerste aanbevelingen. HayGroup. HayGroup

(2003).

Samenvatting

van

de

resultaten

van

fase

2.

[WWW]

http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/Bijlagen/loonstudie.htm Heyvaert, J. & G. Janssens (red.) (2001). Onderwijszakboekje. 2001-2002. Diegem: Kluwer Editorial. Heyvaert, J. & G.Janssens (red.) (2003). Onderwijszakboekje 2003-2004. Mechelen: Wolters Plantyn Professionele Informatie. Inspectie Hoger Onderwijs (1995). Opleidingsdoorlichtingen. Beschrijvingen van het systeem. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Inspectie Hoger Onderwijs (1996). Verslag over de toestand van het onderwijs. Inspectie Hoger Onderwijs, 1996. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs - Inspectie Secundair Onderwijs. Inspectie Secundair Onderwijs (2000). Verslag over de toestand van het onderwijs. Inspectie Secundair Onderwijs 1999. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs - Inspectie Secundair Onderwijs. Jennes, A. (1997). Leonardo Da Vinci - artikel 10, rapport. Leuven: Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA). Kinderrechtencommissariaat (20.11.2001). Persbericht. Kinderrechtencommissaris stelt nieuw jaarverslag voor. Kinderen in Vlaanderen klagen over rechten in gezin en steeds meer over rechten op school. [WWW]

Kinderrechtencommissariaat:

http://www.kinderrechtencommissariaat.be/documenten/index.cfm. Laevers, F. (1987). Ervaringsgericht werken in de basisschool. Deel 1: Basisboek. Leuven: Departement Pedagogie, Projectgroep Ervaringsgericht Onderwijs – K.U.Leuven.


Bibliografie

Laevers, F. (s.d.). Ontwikkeling van een draaiboek voor de interne evaluatie in het licht van integrale kwaliteitszorg in het basisonderwijs. OBPWO-project 96.10 (niet gepubliceerd). Lammertyn, F., R. Brijs, J. Billiet & J.C. Verhoeven (1992). De democratisering van het hoger onderwijs buiten de universiteit: Deel 1 en 2: Onderzoeksresultaten.

Leuven: Departement Sociologie -

K.U.Leuven. Laridon, A. & J. Mertens (1988). Schoolstrijd en schoolpact. Oostende. Laumen, R. (1992). ‘Reorganisatie van de inspectie van het onderwijs’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2: 75-82. Maes, B. (1998). Bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijs, de opleiding en de vorming. Brussel: DVO (pm). Magits, M. & L. Veny (1993). ‘Het ARGO-Decreet, de lege referenda. Omtrent de bevoegdheids-, aansprakelijkheids- en toezichtsregeling’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 4: 124130. Mahieu, P. (1995). ‘De decretale weg naar de lerende organisatie’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2: 76-90. Masschelein, R., B. Maes & D. Serneels, e.a. (1996). Onderzoek naar de determinanten van de instroom en van de loopbaan van leerlingen in het geïntegreerd onderwijs: Eindrapport. Leuven: LIGO. Michielsens, P. (1992). ‘De werking van de gemeenschapsinspectie. Een stand van zaken, een perspectief en een antwoord op sommige mythen’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 4: 233-239. Michielsens, P. (1993). ‘De groei van een kwaliteitscultuur. Vragen over school en overheid, ervaringen met schooldoorlichtingen, uitdagingen voor kwaliteitszorg op school’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 3: 180-190. Michielsens, P. (1998). Schoolleiderschap. Op zoek naar identiteit. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Michielsens, P. (2002). Zelfevaluatie versus externe evaluatie: zinvolle beleidsaspiraties?

[10.10.2002,

Schooldirect: http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0201/ZE/michielsens.htm]. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1991a). Flanders. Fact Sheet. 5: From unitary state to federal cooperation. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Coördinatie, Administratie Externe Betrekkingen. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1991b). Flanders. The golden passport to Europe. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Coördinatie, Administratie Externe Betrekkingen. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1991c). Flanders. Fact Sheet. 8: Education in Flanders. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Coördinatie, Administratie Externe Betrekkingen. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1992). Flanders. Fact Sheet. 1: State Reform.

Brussel:

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Coördinatie, Administratie Externe Betrekkingen.

287


Vlaams Eurydice rapport 2003

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1999). Algemene Omgevingsanalyse - bijdrage bij het regeerakkoord. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (2001). Jaarlijkse verslaggeving van de Vlaamse regering aan het Vlaams Parlement en de Kinderrechtencommissaris omtrent de implementatie van het VN-verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind. [WWW] Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: http://www.wvc.vlaanderen.be/kinderrechten/index.htm. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (2003). Draaiboek van een schooldoorlichting. Brussel: Departement Onderwijs - Inspectie secundair onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Buitenlands Beleid (2002). Vlaanderen en het Belgisch EU-voorzitterschap. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie economie (2002). de internetsite van Access met informatie over de opleidingscheques [WWW] www.access.be/nieuws/algemeen/opleidingscheques Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, beleidsdomein Landbouw & Visserij (2004). [WWW] http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/nieuws/landvorm.html Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken (2000). Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND).

Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene

Zaken, Algemene Planningsdienst. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken (2001). Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) 2000, [WWW]. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken: http://fred.vlaanderen.be/statistieken/publicaties/vrind/vrind.htm. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken, Administratie Planning en Statistiek (2002). Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND)

van het Ministerie van de Vlaamse

Gemeenschap [WWW] www.vrind.be Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken, Administratie Planning en Statistiek - data van de administratie Planning en Statistiek 2002 [WWW] http://aps.vlaanderen.be Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs - Ontwerptekst “Resonantiegroep steunpunt ‘waardering leraar’ – Vier voorstellen” – mei 2002 Ministerie

van de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement Onderwijs (1995a). Verder

leren.

Afstandsonderwijs, thuis in bijleren. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1995b). Inspectie en Begeleiding. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1996a). Onderwijsontwikkelingen in Vlaanderen 1994-1996: Rapport voor de UNESCO van Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Afdeling Informatie en Documentatie.


Bibliografie

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1996b). Volwassenenonderwijs. 1996-1997. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1998c). ‘Vliegende leraars: En wie vervangt de afwezigen?’, Klasse. Maandblad voor onderwijs in Vlaanderen, 82: 32-33. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1998d). ‘De rekening van de ARGO’, Klasse. Maandblad voor onderwijs in Vlaanderen, 82: 14. Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

Onderwijs

(1998e).

Vlaamse

Onderwijsindicatoren in internationaal perspectief. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1998f). Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1998g). Zoveel ga ik leren. Wegwijs in de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het basisonderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1999b). Adult Education 99-00. It is never too late to learn. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Administratie Permanente Vorming. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (1999). Onderwijs [WWW]. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2000a). ‘Leerlingenraad’, Klasse. Maandblad voor onderwijs in Vlaanderen, 101: 38. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2000b). Levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen. [WWW] http://www.ond.vlaanderen.be/berichten/levenslang_leren/default.htm. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2000c). Naar een geïntegreerd kansenbeleid binnen het onderwijs. Visietekst ten behoeve van een discussie in het Vlaams Parlement. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

Onderwijs

(2000d).

Vlaamse

Onderwijsindicatoren in Internationaal Perspectief. Editie 2000. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001a). Onderwijsspiegel 2000-2001. Verslag over de toestand van het onderwijs.

[WWW] Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

Departement Onderwijs: http://www.onderwijsinspectie.be/alg/onderwijsspiegel.htm. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001b). Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs. Schooljaar 2000-2001. Brussel.

289


Vlaams Eurydice rapport 2003

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001c). Rapport hoger onderwijs 1999-2000.

[WWW]

Ministerie

van de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement Onderwijs:

http://www.ond.vlaanderen.be. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001d). Zittenblijven, schoolse vertraging en slaagcijfers in het Vlaams secundair onderwijs. [WWW] Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: Departement Onderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0201/ thema_SO.pdf. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001e). Vlaams Onderwijs in Cijfers. 2000-2001. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001f). Onderwijs in Vlaanderen. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001g). Deeltijds Kunstonderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2002a). Het statistisch Jaarboek van de afdeling Begroting en Gegevensbeheer2001-2002 Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2002b). Visietekst ICT in het onderwijs, 2002-2004. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2002c). Schooldoorlichtingen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Een informatie- en werkmap voor het schoolteam. Brussel: Departement Onderwijs - Inspectie basisonderwijs Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2003b). Infobrochure studietoelagen hoger onderwijs 2003-2004. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2004a). Gids voor de beginnende leerkracht.

http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren/

Brussel:

Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2004b). Onderwijs in Vlaanderen. Een brede kijk op het Vlaamse onderwijslandschap. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2004c). Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, vrijdag 11 februari 2004. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. [WWW] http://www.ond.vlaanderen.be Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs (2004d). Nascholing. Brussel: Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

http://www.ond.vlaanderen.be/nascholing/database/zoekscherm.asp

Onderwijs.

[WWW]


Bibliografie

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2004e). SIDIN 2004-2005, Brussel: Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

Onderwijs

[WWW]

http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2004f). Studie-informatiedagen (SIDIN) 2004-2005, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. [WWW] http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs (2004g). http://www.ond.vlaanderen.be Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs (2004h). Weddenschalen. Brussel: Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

Onderwijs.

[WWW]

http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, “Richtlijnen voor ICT-coördinatie voor de verschillende types onderwijs” – 19 augustus 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs,

Schooldirect - Samenvatting

“Visietekst ICT-beleid” – 4 september 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs,

Tekst

“Reorganisatie van het

beleidsaspect ‘Vorming’, operationalisering van de Interface” – 3 juli 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Afdeling Begroting en Gegevensbeheer (ABG) (2003a). Statistisch jaarboek. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Coördinatie van de Omzendbrieven. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, De stagedatabank. [WWW] www.stagedatabank.be Ministerie

van

de

Vlaamse

Gemeenschap,

Departement

onderwijs,

informatie

over

het

onderzoeksprogramma van OBPWO [WWW] www.ond.vlaanderen.be/obpwo Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, Mededeling Ba0/2002/05 Eindtermen wiskunde en begrijpend lezen gepeild, steekproef samengesteld in 200 scholen – 6 maart 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Officieuze Codificatie van de onderwijswetgeving. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, Schooldirect – Samenvatting ontwerpbesluit GOK I “Ontwerpbesluit inzake de oprichting en werking van de Commissie inzake leerlingenrechten” – 26 juni 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, Schooldirect - Samenvatting “Onderwijsbegroting 2003, permanente middelen inburgering (NT2)” – 25 september 2002 [WWW] www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL0203/begroting.htm

291


Vlaams Eurydice rapport 2003

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, Schooldirect - Samenvatting “Beleidsbrief 2002-2003 inzake het behalen van het diploma na 6 BSO” – 13 november 2002 [WWW] www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BLO2O3/beleidsbrief2002-2003_SO.htm Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs, Werkdocument “Hervorming lerarenopleidingen – Basisuitgangspunten – 2 oktober 2002 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Dienst voor Export Vlaanderen, (2001) en (2002) rapporten over de export in Vlaanderen [WWW] www.export.vlaanderen.be Nationaal Instituut voor de Statistiek (2000a). Bevolkingsstatistieken: Loop van de bevolking en migraties in 1999. Brussel: Ministerie van Economische Zaken. Nationaal Instituut voor de Statistiek (2000c). Enquête naar de arbeidskrachten 1999. Brussel: Ministerie van Economische Zaken. Nationaal Instituut voor de Statistiek (2001). Statistieken. [WWW] NIS, Ministerie van Economische Zaken: http://www.statbel.fgov.be/figures Nationaal Instituut voor de Statistiek (2002). Statistieken. [WWW] NIS, Ministerie van Economische Zaken, http://www.statbel.fgov.be Nationaal

Instituut

voor

de

statistiek

(2004a).

Structuur

van

de

bevolking.

[WWW]

http://www.statbel.fgov.be Nationaal Instituut voor de statistiek, (2004b). Berekeningen NIS op basis van gegevens van het FOD Financiën (Kadaster) en het NIS (Landbouwtelling). [WWW] http://www.statbel.fgov.be Nicaise, I. (1991). ‘Financiering van het onderwijs’, pp. 381-400 in Het educatief bestel in België: van convergentie naar divergentie (OESO: doorlichting van het educatief overheidsbeleid).

Brussel-

Bruxelles-Eupen: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs – Ministère de l’ Education, de la Recherche et de la Formation – Verwaltung der Deutschsprachigen Gemeinschaft, Abteilung Unterricht. Nicaise, I. (1996). Financiële drempels in het onderwijs afbouwen. Leuven: Hoger Instituut voor de Arbeid. OECD (2000). OECD Country Note. Early Childhood Education and Care Policy in the Flemish Community of Belgium [WWW] OECD: http://www.oecd.org OECD-OCDE (1993). Reviews of national policies for education. Belgium. Paris: OECD-OCDE. Offeciers, C. (1996). ‘De positie van het officiële secundaire en basisonderwijs binnen het Vlaams onderwijsaanbod en de (her)definiëring van het grondwettelijk gegarandeerd principe van de vrije keuze’, Tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid, 4: 199-218. Onderwijsinspectie (2000a). Onderwijsspiegel. Verslag over de toestand van het onderwijs 1999-2000. Deel A: Basisonderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Onderwijsinspectie.


Bibliografie

Onderwijsinspectie (2000b). Onderwijsspiegel. Verslag over de toestand van het onderwijs 1999-2000. Deel B: Het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB’s. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Onderwijsinspectie. Onderwijsinspectie, (2004). Onderwijsspiegel - Kwaliteit van het onderwijs 2000-2003 - Doorlichtingen 2002-2003. Brussel: MVG. Pauwels, S. (1999). ‘Noot: Recht op onderwijs, vrije keuze en leerlingenvervoer’, Tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid, 1998-1999 (4): 272-277. Peeters, K. (1992). Na scholing, nascholing! Naar een professionalisering van de nascholing voor leraren. Leuven-Apeldoorn: Garant. Peeters, K., A. Van Cauwenberghe, R. Schollaert & H. Coucke (1996). Spiegel-effecten. De Vlaamse decretale navorming doorgelicht. Leuven-Apeldoorn: Garant. Peeters, S., A. Blondeel & M Scheck (1994). ‘Het deeltijds kunstonderwijs - Ontmoeting tussen cultuuren onderwijsbeleid’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 4 (1993-1994): 54-63. Persconferentie Minister Vanderpoorten (20 september 2002). “Onderwijsbudget 2003”, Brussel. Persconferentie Minister Vanderpoorten (21 oktober 2002). “Onderwijs en inburgering”, Brussel. Persdienst Minister Vanderpoorten (15.06.2001). Persmededeling van het kabinet van Minister Marleen Vanderpoorten, Hervorming vervangingspool in onderwijs.

Brussel: Ministerie van de Vlaamse

Gemeenschap, departement Onderwijs. Platel, M. (1993). Het nieuwe België. Andere Belgen. 1830 - het Sint-Michielsakkoord. Knokke-Heist: Creart. Pletinck, B. (2000). ‘Naar een decretale verankering van het inschrijvingsgeld en de aanvaardingsplicht. Aandachtspunten m.b.t. de visietekst van de minister van Onderwijs over een geïntegreerd gelijkekansenbeleid’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 4 (2000-2001): 342-346. PSS

(Provinciale

Secundaire

School

-

Voeren)

(2004).

Leerkrachten:

Overlegstructuren.

http://pssvoeren.smartschool.be Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening – “Informatie van de RVA in verband met CAO nr. 77 inzake toepassing van de tijdskredietregel in het vrij onderwijs” – 30 januari 2002 Rottiers, J. (2001). ‘Kwaliteitszorg aan hogescholen, een zorgenkind?’, Brandpunt, 7 (28): 252-255. Sacré, P. (1993). Historiek van de PMS-Centra. Brussel: VUBPress. Schepers, R. (2000). ‘Functiebeschrijving en evaluatie. Convenant komt er niet tegen 1 september’. Brandpunt, 27 (8): 294-296. Schoofs, J. (1997-1998). ‘Projectgroep Ontwikkeling zelfanalyse (“PROZA”), instrument voor kwaliteitszorg aan de Provinciale Hogeschool Limburg’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 3-4: 300-306. SIDIN 2004-2005, [WWW] http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/ wnhso2004-2005.pdf

293


Vlaams Eurydice rapport 2003

Sociale Raad - Leuvense Overkoepelende Kringorganisatie (LOKO)(1996). Jaarverslag sociale raad 1995-1996. Leuven: Sociale Raad - Leuvense Overkoepelende Kringorganisatie (LOKO). Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek (2003). Vlaams indicatorenboek 2003. Steunpunt WAV (2001). De Arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek 2000. Leuven: Steunpunt WAV. Steunpunt WAV (2002). De Vlaamse kerncijfers 2002 [WWW] www.steunpuntwav.be Steunpunt WAV (Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming) (2004). Kernindicatoren over de Vlaamse arbeidsmarkt 2002. [WWW] http://www.steunpuntwav.be Stienlet, G., (1998). ‘Het verdelingsvraagstuk betreffende de financiering van het onderwijs of is artikel 39

van

de

Bijzondere

Financieringswet

uitvoerbaar?’,

Tijdschrift

voor

Onderwijsrecht

en

Onderwijsbeleid, 5-6 (1997-1998): 325-328. Syntra (2004) [WWW] http://www.syntra.be, Syntra Provincies Antwerpen en Vlaams Brabant vzw (2004) [WWW] http://www.syntra-ab.be Tavernier, J.P., & Rijmen, V. (1997). ‘Dat was wel iets voor u’. Een beeld van een kunstonderwijsinstelling in de beeldende kunsten. Caleidoscoop, 9(2), 12-16. Tegenbos, G. (2001). ‘In Kortessem ook ‘gemengd’ schooltje’, De Standaard, (05.01.2001). Tielemans, J. (1996). Onderwijs in Vlaanderen. Leuven-Apeldoorn: Garant. Tistaert, G. e.a. (1996). Praktijkopleiding van aanstaande leraren. Leuven-Apeldoorn: Garant. TORB (1995). ‘10 Jaar Leerplicht-verlenging: terugblik en toekomstperspectieven (themanummer)’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 5-6. Tweedekansonderwijs (2004). [WWW] http://www.tweedekansonderwijs.be, UNESCO (1994). Final report, World Conference on special needs education: accerss and quality. Paris: UNESCO. Universiteit Antwerpen, Commissie Studie-Informatie (2003). Studiegids academische lerarenopleiding 2003-2004. Antwerpen: Universiteit Antwerpen. Universiteit Gent (2004). Pi-online Vademecum, Onderwijs niet georganiseerd door het departement onderwijs,

[WWW]

http://allserv.rug.ac.be/~fsimon/vademecum/Onderwijs_niet_georganiseerd_door_het_departement_onder wijs/VDAB-opleidingen/ Van Craeymeersch, S. (1997). ‘Het decreet basisonderwijs, geen revolutie, wel een grondige vernieuwing’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid. 1996-1997 (4): 211-222. Van Damme, J. (1988). ‘Comprehensive secondary education and middle schools in Belgium’, International Journal of Educational Research, 12 ( 5): 507-521. Van Den Bossche, L. (1996). Het onderwijsaanbod in het Secundair Onderwijs. Discussienota. Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs.


Bibliografie

Van Ham, P. (red.) (1996). ‘De Cel Leerlingbegeleiding’, Jongeren en school, nr. 1. Leuven-Apeldoorn: Garant. Van Heddegem, I. & J.C. Verhoeven (1998-1999). ‘Gesubsidieerde oudervorming in Vlaanderen’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 5-6: 317-327. Van Petegem, P. (1996). ‘Gewikt en gewogen, en hoe bevonden? Zelfevaluatie als strategisch instrument voor schoolontwikkeling’, Impuls, 26 (2): 49-57. Van Petegem, P. (1998). Vormgeven aan schoolbeleid. Effectieve-scholenonderzoek als inspiratiebron voor de zelfevaluatie van scholen. Leuven: Acco. Vanderhoeven J.L. (red.) (1991). Education in Belgium: The Diverging Paths. OECD: Review of National Policies for Education. Brussel-Bruxelles-Eupen: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs-Ministère de l’Education, de la Recherche et de la Formation-Verwaltung der Deutschsprachigen Gemeinschaft, Abteilung Unterricht. Vanderhoeven, J.L. & J. Van Damme (1991). ‘Situating the issue of ‘Core curriculum for basic education’ in Belgian/Flemish education policy’, in G. Van den Brink & H. Hooghoff (eds.), Core curriculum

for

basic

education.

Perspectives

and

implications.

Enschede:

Stichting

Leerplanontwikkeling. Vanderhoeven, J.L. (1990). ‘De nieuwe structuur voor het Secundair Onderwijs in Vlaanderen. Een algemeen kader voor een bos zonder bomen?’, Bulletin LAPP, 29, 3-4: 139-156. Vanderhoeven, J.L. (1992). ‘Medezeggenschap: een duik in de lokale autonomie’, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 3: 157-172. Vanderpoorten, M. (2003a). Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2003-2004. Versie goedgekeurd op de ministerraad op 24 oktober 2003. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Vanderpoorten, M. (2002). Visienota basisonderwijs, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Vanderpoorten, M. (2003b). Tweede discussienota hertekening onderwijslandschap secundair onderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. Vanhove, L. (1985). Inleiding tot de wetgeving op het universitair onderwijs. Leuven-Amersfoort: Acco. VCOB (Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie) (2004), [WWW] http://www.VOCB.be VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling) (2004). Jaarverslag VDAB 2002. http://www.vdab.be VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling) (2004). Werkzoekendencijfers Vlaanderen. [WWW] http://www.vdab.be Veny, L. (1989). ‘Bedenkingen omtrent de wederzijdse doorstroming tussen het hoger onderwijs buiten de universiteit en de universiteit’, Persoon en Gemeenschap, 41 (6): 219-299.

295


Vlaams Eurydice rapport 2003

Veny, L. (1994). Wegwijs in de lokale raden van het Gemeenschapsonderwijs.

Antwerpen:

Oudervereniging voor de Moraal. Verhoeven, J.C. & I. Beuselinck (1996). Higher Education in Flanders (Belgium): A report for the OECD.

Brussels: Ministry of the Flemish Community, Education Department. Policy-directed

Coordination Division. Verhoeven, J.C. & I. Beuselinck (1999). ‘Belgium: diverging professions in twin Communities’, pp. 3557 in Farnham, D. (ed.) Managing Academic Staff in Changing University Systems: International Trends and Comparisons. Buckingham: Open University Press. Verhoeven, J.C. & M. Elchardus (2000). Onderwijs. Een decennium Vlaamse autonomie. Kapellen: Pelckmans. Verhoeven, J.C., M. Jegers & I. Van Heddegem (1997). Participatieraden en lokale schoolraden in Vlaanderen: De eerste jaren. Leuven-Apeldoorn: Garant. Vermeesch, F. (1998). Differentiatie op het vlak van de organisatie van het leeraanbod (p.m.). Brussel: DVO. VIZO (1996), Activiteitenverslag 1996. VIZO (1997), Activiteitenverslag 1997. VIZO (Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen) (2004), Brochure Wegwijs in Leertijd. [WWW] http://www.vizo.be Vlaams Economisch Verbond (2001). Website Vlaams Economisch Verbond [WWW] Vlaams Economisch Verbond: http://www.vev.be Vlaams Leonardo Da Vinci-agentschap (1998). Leonardo Da Vinci in Vlaanderen op kruissnelheid. Statistieken, tendenzen en projecten: een analyse van 3 jaar Leonardo Da Vinci Vlaanderen. Brussel: Vlaams Leonardo Da Vinci-agentschap. Vlaams Leonardo Da Vinci-agentschap (2002). Informatie over de projecten op de site www.vlleonardo.be. Vlaams Parlement (2002). Welkom bij het Vlaams Parlement. De mijlpalen. [WWW] Vlaams Parlement: http://www.vlaamsparlement.be. Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) (1997). Repertorium van het katholiek onderwijs. Brussel: VSKO. Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) (1998). ‘Schoolwerkplanning, de visie van het VSKO. Schoolwerkplanning door middel van een schoolwerkplan: een instrument bij de realisatie van het opvoedingsproject van de school’, Forum, nr. 3/4. Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs (1994), ‘Profiel en taken van de interne pedagogische begeleider in het katholiek secundair onderwijs’, Mededelingen (17.03.1994).


Bibliografie

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ( 2002). VDAB, De internetsite van de VDAB met informatie over de arbeidskrachten in Vlaanderen 2002 en de 18e longitudinale schoolverlatersstudie van de VDAB (2002) :

http://www.vdab.be

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (2000). VDAB. Samen sterk in werk. [WWW], VDAB: http://www.vdab.be. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) (2001-2002). Vlaamse Interuniversitaire Raad [WWW]. Vlaamse Interuniversitaire Raad: http://www.vlir.be. Vlaamse Onderwijsraad (1993). ‘Naar een duidelijker profiel voor de PMS-Centra. Advies van de Vlaamse Onderwijsraad. 19 januari 1993’, Cahier, nr. 2. Brussel: VLOR. Vlaamse Onderwijsraad (1995). ‘Onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten’, Cahier, nr. 8. Brussel: VLOR. Vlaamse Onderwijsraad (2000). Het Kunstsecundair Onderwijs. Leuven: Garant. Vlaamse Onderwijsraad (2001). Kunst Secundair Onderwijs (KSO) Brussel: VLOR [WWW] http://www.vlor.be Vlaamse Onderwijsraad (2003). Inspiratiehandboek zelfgestuurd leren. Brussel: VLOR en Garant. Vlaamse Regering (2002). Regeringsnota 3/7/02 “projecten levenslang leren 2002 onder de werktitel "Interface" VLEKHO, Brochure academische initiële lerarenopleiding handelswetenschappen. VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad) (2004). Brussel: VLIR. [WWW] http://www.vlir.be VLOHRA, (2001). Visitatie van de opleidingen - handleiding. Brussel: Vlaamse Hogescholenraad. VLOR (Vlaamse Onderwijsraad) (1998). Colloquium hoger kunstonderwijs 14 oktober 1998. verslagboek. Brussel: VLOR. VSK (Vlaamse Scholierenkoepel) (2004). Wat zijn de visie en de doelstellingen van VSK? [WWW] http://www.vsknet.be VSKO, (2004). Visietekst: de pedagogische begeleiding. www.vsko.be geraadpleegd op 11 maart 2003. Wielemans, W. & J.L.Vanderhoeven (1991). ‘Market impact and policy drift: Belgian higher education’, in: G. Neave & F. Van Vught (Eds.). Prometheus Bound. The changing relationship between government and higher education in Western Europe. Oxford: Pergamon Press. Wielemans, W. (1994). Het Onderwijs in België. Leuven-Apeldoorn: Garant.

297


OVERZICHT VAN DE WETGEVING

D18.03.38, Wet betreffende de Koninklijke Militaire School 20.09.48, Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven. Deze wet organiseert ondernemingsraden in alle bedrijven (in 1975 uitgebreid tot de non-profit privé-sector). 30.04.57 (a), Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op het technisch onderwijs B.S. 07/07/1957. 30.04.57 (b), Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op het middelbaar onderwijs B.S. 12/08/1957. 20.08.57, Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs B.S. 06/11/1957. 29.05.59, Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving B.S. 19/06/1959. Deze wet wordt de ‘Schoolpactwet’ genoemd. 01.04.60, Wet betreffende de Psycho-Medisch-Sociale Centra B.S. 18/05/1960. 13.08.62, Koninklijk Besluit tot regeling van de Psycho-Medisch-Sociale Centra B.S. 25/08/1962. 30.07.63, Wetgeving houdende taalregeling in het onderwijs B.S. 22/08/1963. Deze wet regelt het taalgebruik (van resp. het Nederlands, Frans en Duits) in de drie Belgische taalgebieden. Brussel en een beperkt aantal gemeenten rond de hoofdstad en de taalgrens hebben een speciaal (tweetalig) statuut. 21.03.64, Wet op het medisch schooltoezicht B.S. 15/04/1964. Deze wet organiseert de gezondheids- en medische controle van de schoolbevolking. Ook de PMS-centra hebben een bevoegdheid met betrekking tot bepaalde aspecten van gezondheidszorg: de preventie van sensorische en motorische problemen (beginnende vanaf de kleuterklas), de begeleiding van leerlingen die achterop zijn, de behandeling van pedagogische en sociale aanpassingsproblemen, preventieve gezondheidscontroles, enzovoort. Dit alles gebeurt in samenhang met het medisch schooltoezicht. 08.06.64, Wet waarbij de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens wordt gewijzigd, wat betreft de voorwaarden voor toelating tot de examens voor het behalen van de academische graden


B.S. 02/07/1964. Deze wet is gekend als de ‘Omnivalentiewet’ die een meer vrije en gelijke toegang tot het hoger onderwijs inhield (vervangen in 1984). 05.03.65, Wet op het schriftelijk onderwijs B.S. 23/10/1965. 27.10.66, Koninklijk Besluit tot de vaststelling van de schoolbevolkingsnormen in de kleuter- en lagere scholen B.S. 20/12/1966 (gewijzigd in B.S. 05/06/1984). Dit besluit dat gewijzigd is in 1984, verschafte meer lokale autonomie aan het basisonderwijs door de introductie van een pakket van lesperiodes voor scholen die afstapten van de oude regeling met vaste normen m.b.t. de klasgrootte. 15.07.69, Koninklijk Besluit tot vaststelling van de bevoegdheden van de beheerders, opvoedershuismeesters en directiesecretarissen in de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager-, secundair, technisch en normaalonderwijs B.S. 25/07/1969. 06.07.70, Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs B.S. 25/08/1970. Deze wet specificeert de verschillende types van bijzonder onderwijs die verwijzen naar de aard en graad van de handicap van de betrokken leerlingen en de toelatingsvoorwaarden tot de verschillende types. 07.07.70, Wet betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs B.S. 30/07/1970. 23.11.70, Koninklijk Besluit tot vastlegging van de ambtsbevoegdheden van de provisors en de onderdirecteurs bij de rijksonderwijsinrichtingen B.S. 31/01/1971. 19.07.71, Wet betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs B.S. 28/08/1971. Deze wet introduceerde de zogenaamde type I-structuur in het secundair onderwijs (tot 1990). De eerste poging om het secundair onderwijs te hervormen gaat terug naar het jaar 1969-1970. Ondanks de controverses die niet zijn gestopt na de goedkeuring van deze wet, werd er een nieuw type secundair onderwijs geïntroduceerd door deze wet van 1971. 23.08.74, Koninklijk Besluit betreffende de landbouwvorming B.S. 04/09/1974. 19.12.74, Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel B.S. 24/12/1974. 20.06.75, Koninklijk Besluit betreffende de rekrutering en opleiding van kandidaat-officieren opgeleid tot arts, apotheker, tandarts en dierenarts B.S. 28/06/1975.


Overzicht van de wetgeving

04.10.76, Koninklijk Besluit betreffende de middenstandsopleiding B.S. 11/11/1976. 28.06.78, Koninklijk Besluit houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs B.S. 29/08/1978. 28.06.83, Wet betreffende de leerplicht B.S. 07/07/1983. Deze wet schrijft voor dat minderjarigen, zowel Belgen als buitenlanders, onder de leerplicht vallen voor een periode van 12 jaar, beginnende in het jaar dat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt en eindigend op het einde van het schooljaar wanneer het de leeftijd van 18 jaar bereikt. 29.06.83, Koninklijk Besluit betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot de beroepsopleiding verstrekt in de onderwijsinstellingen, vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 124 en 125 van de Wet van 4 augustus 1978 B.S. 25/08/1983. Dit besluit is gebaseerd op een Europese richtlijn die een gemengd (secundair) onderwijs aanmoedigt en enkele uitzonderingen vastlegt. Dit besluit bevestigt het principe van gelijke toegang van mannen en vrouwen tot een beroepsopleiding. 20.03.84, Decreet houdende oprichting van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling. B.S. 12/05/1984. 20.03.84, Decreet houdende uitbreiding van de bevoegdheden van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling. B.S. 12/05/1984. 22.01.85, Herstelwet houdende sociale bepalingen B.S. 24/01/1985. 15.07.85, Wet tot organisatie van het maritiem hoger onderwijs en de studiĂŤn in de nautische wetenschappen B.S. 27/07/1985. Deze wet integreert het maritiem onderwijs in de hoger onderwijs-structuur. 23.07.85, Koninklijk Besluit tot uitvoering van afdeling 6 - toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers - hoofdstuk IV van de herstelwet 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen B.S. 10/08/1985. 30.07.85, Besluit van de Vlaamse Executieve betreffende de verplichtingen en de opdrachten inzake medisch schooltoezicht, en houdende de erkenningsvoorwaarden en subsidiĂŤring van equipes en centra voor medisch schooltoezicht

301


B.S. 15/11/1985. De wet van 1964 en het Besluit van de Vlaamse regering van 30.07.85 verduidelijken op gedetailleerde wijze de verschillende taken van het schoolgebonden medisch toezicht.

11.08.86, Koninklijk Besluit nr. 439 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. B.S. 30/08/1986. 01.10.86, Koninklijk Besluit nr. 467 betreffende de rationalisatie en programmatie en de normen inzake personeelsomkadering van de Psycho-Medisch-Sociale Centra en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot de Fondsen voor schoolgebouwen B.S. 18/10/1986. Dit besluit legt een aantal voorwaarden op voor subsidiÍring of financiering van de PMS-centra. 06.11.87, Koninklijk Besluit houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie volgens het modulair stelsel B.S. 28/01/1988. 19.12.88, Bijzonder Decreet betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs B.S. 29/12/1988. Dit decreet dat een nieuw autonoom orgaan als inrichtende macht voor het officieel onderwijs opricht. 21.12.88, Europese Richtlijn betreffende de equivalentie van diploma’s van het hoger onderwijs Europese Richtlijn. 16.01.89, Bijzondere Wet betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten B.S. 17/01/1989. 05.07.89, Decreet betreffende het onderwijs B.S. 25/08/1989. Dit decreet bevat verschillende stukken onderwijswetgeving waaronder een nieuw kader voor de organisatie van het secundair onderwijs. 29.07.89, Koninklijk Besluit betreffende de schoolgemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met voltijds leerplan B.S. 28/09/1989. 03.10.89, Koninklijk Besluit betreffende de rekrutering en opleiding van sommige kandidaat-officieren voor de Land-, Lucht- en Zeemacht en de Medische Dienst B.S. 19/10/1989. 20.11.89, Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind B.S. 13/07/1991


Overzicht van de wetgeving

27.06.90, Besluit van de Vlaamse Executieve tot vaststelling van de leer- en opvoedende activiteiten in het buitengewoon kleuter-, lager en basisonderwijs en in de opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs B.S. 04/01/1991 12.07.90, Decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen B.S. 04/10/1990. Dit decreet richt 28 lokale centra op voor het volwassenen-onderwijs en ĂŠĂŠn centrum voor ondersteuning. 18.07.90, Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. B.S. 04/10/1990. 31.07.90, Besluit van de Vlaamse Regering houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs. B.S. 26/09/1990. 31.07.90, Decreet betreffende het onderwijs II B.S. 18/08/1990. Vlaams decreet dat verschillende stukken wetgeving bundelt o.a. met betrekking tot de organisatie van het secundair onderwijs. 31.07.90, Omzendbrief - Het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO) wordt door deze omzendbrief ingericht op permanente basis na een experimentele periode van 6 jaar. 31.07.90, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans". B.S. 29/03/1991. 31.07.90, Besluit van de Vlaams Regering houdende de organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen Muziek, Woordkunst en Dans. B.S. 29/03/1991. 31.07.90, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende Kunst". B.S. 29/03/1991.

303


31.07.90, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs. B.S. 29/03/1991. 31.07.90, Besluit van de Vlaams Regering houdende de organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting Beeldende kunst. B.S. 29/03/1991. 23.01.91, Decreet betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandige en de kleine en middelgrote ondernemingen. B.S. 16/02/1991. 13.03.91, Besluit van de Vlaamse Executieve betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs B.S. 17/05/1991. 27.03.91,

Decreet

betreffende

de

rechtspositie

van

bepaalde

personeelsleden

van

het

Gemeenschapsonderwijs B.S. 25/05/1991. 27.03.91, Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding. B.S. 25/05/1991. 17.04.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het statuut en de graad van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 09/05/1991. 17.04.91, Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. B.S.11/07/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder sommige vastbenoemde ambtenaren van de vroegere Administratie voor Onderwijs en Permanente Vorming kunnen worden overgeplaatst naar de personeelsformatie van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 21/09/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende de benoeming van de Voorzitter en de leden van de raad van bestuur van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen B.S. 04/09/1991.


Overzicht van de wetgeving

05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering tot opname van de personeelsleden van de V.Z.W. Nederlandstalig Instituut voor Voortdurende Vorming in de personeelsformatie van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 04/09/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende benoeming van de Gemeenschapscommissarissen bij het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 04/09/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen. B.S. 04/09/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende de benoeming van de voorzitter en de leden van de praktijkcommissie van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 22/08/1991. 05.06.91, Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs. B.S.27/08/1991. 12.06.91, Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap B.S. 04/07/1991. 26.06.91, Bijzonder Decreet betreffende de universiteit Gent en het universitair centrum Antwerpen B.S. 29/06/1991. Dit Bijzonder Decreet verschaft het organisatorische kader voor publieke instellingen die universitair onderwijs verstrekken. 03.07.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de bijzondere voorwaarden waaronder bepaalde betrekkingen te begeven zijn in het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 17/07/1991. 03.07.91, Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de bijzondere voorwaarden waaronder de betrekkingen van bedrijfsadviseurs en pedagogische adviseurs te begeven zijn in het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen. B.S. 17/07/1991. 03.07.91, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen. B.S. 27/08/1991.

305


17.07.91, Decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten B.S. 31/08/1991. Dit decreet, gewijzigd in 1996, organiseert de structuur en werking van de inspectie voor alle onderwijsniveaus, uitgezonderd het universitair en het hoger onderwijs bestaande uit 2 cycli. 31.07.91, Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de werkvoorwaarden en de geldelijke regeling van de lesgevers in de leertijd, in de ondernemersopleiding, in de bijscholing, in de omscholing en in de opleiding tot bedrijfsbegeleider. B.S. 17/10/1991. 31.07.91, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen. B.S. 17/10/1991. 31.07.91, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de erkenningsvoorwaarden van de leersecretaris, de overeenkomst met de praktijkcommissie en de subsidie aan de erkende leersecretaris, verbonden met een overeenkomst B.S. 18/10/1991. 31.07.91, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de voorwaarden waaronder de bedrijfsbegeleiding, bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, wordt georganiseerd. B.S. 22/10/1991. 31.07.91, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de voorwaarden waaronder het bevorderen van de kunstambachten, bedoeld bij artikel 16 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, wordt georganiseerd. B.S. 29/10/1991. 23.10.91(a), Decreet betreffende de medezeggenschap in het gesubsidieerd onderwijs B.S. 14/11/1991. Dit decreet organiseert de participatie van ouders, leraars, inrichtende machten en de lokale gemeenschap op schoolniveau in gesubsidieerde scholen. 23.10.91(b), Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap B.S. 28/11/1991. 15.10.92, Omzendbrief Deze omzendbrief coĂśrdineert de bestaande wetgeving omtrent het Onderwijs voor Sociale Promotie. Het Ministerieel Besluit van 06.11.87 wordt in deze omzendbrief geĂŻntegreerd. 21.12.92, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de permanente vorming van de personen die in de landbouw werkzaam zijn. B.S. 14/05/1993.


Overzicht van de wetgeving

22.07.93, Besluit van de Vlaamse regering tot instelling van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs en tot vaststelling van hun samenstelling en werkingsvoorwaarden B.S. 12/10/1993. 01.07.93, Omzendbrief - Deze omzendbrief handelt over het Geïntegreerd Onderwijs, een vorm van samenwerking tussen het gewoon en het bijzonder (basis)onderwijs. 01.07.93, Omzendbrief Buitengewoon secundair onderwijs – spreiding van het curriculum opleidingsvorm 4 in de tijd, OND/II/2.3- BuSO. 01.12.93, Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken B.S. 08/02/1994. Dit decreet legt het kader vast voor de inspectie en begeleiding van levensbeschouwelijke vakken in het basis- en secundair onderwijs en de lerarenopleiding (buiten de universiteit). 17.01.94, Omzendbrief Deze omzendbrief handelt over de criteria voor de goedkeuring van de studie. 17.02.94, De gecoördineerde Grondwet De officiële Nederlandstalige versie van de Belgische Grondwet, alle wijzigingen sinds 1831 inbegrepen. 25.03.94, Omzendbrief Deze omzendbrief voorziet de mogelijkheid van tijdelijke projecten in de eerste graad van het secundair onderwijs. 13.07.94, Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap B.S. 31/08/1994. 20.07.94, Omzendbrief Deze omzendbrief voorziet bijkomende onderwijsvoorzieningen voor kinderen die niet vertrouwd zijn met de Nederlandse taal. 21.12.94, Decreet betreffende het onderwijs VI. B.S. 16/03/95. 22.02.95, Decreet tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon kleuter- en lager onderwijs B.S. 01/09/1994. 05.04.95, Decreet tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs B.S. 08/06/1995. 19.04.95, Decreet houdende een subsidiëring voor verenigingen voor volksontwikkelingswerk. B.S. 09/08/1995.

307


19.04.95, Decreet houdende een subsidieregeling voor instellingen voor volksontwikkelingswerk. B.S. 15/06/1995. 19.04.95, Decreet houdende een subsidieregeling voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen en houdende een wijziging van het decreet van 2 januari 1976 tot erkenning en subsidiëring van de Nederlandstalige koepelorganisaties voor beleidsvoorbereidend overleg in de sector van het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. B.S. 05/08/1995. 03.05.95, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 29/08/1995. 13.12.95, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1992 betreffende de permanente vorming van de personen die in de landbouw werkzaam zijn. B.S. 02/03/1996. 15.12.95, Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen B.S. 01/01/1996. 21.12.95, Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de universiteit van Antwerpen, B.S. 01/02/1996. Dit decreet richt een confederale structuur op voor de verschillende Antwerpse universiteiten. 10.01.96, Omzendbrief Deze omzendbrief handelt over de Vlaamse (financiële) steun voor internationale samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland. Naast de Europese financiële steun, voorziet deze omzendbrief een bijkomende Vlaamse financiering voor de activiteiten die kaderen binnen projecten van internationale samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland. 16.04.96, Decreet met betrekking tot de lerarenopleiding en nascholing B.S. 12/06/1996. 30.04.96, Omzendbrief- Deze omzendbrief handelt over ‘zorgbreedte’, een bijzonder programma dat de expertise uit het bijzonder onderwijs binnenbrengt in het gewoon onderwijs. 05.06.96, Decreet betreffende de subsidiëring van de ondersteuningscentra van ouderverenigingen en van erkende verenigingen die vorming voor ouders van schoolgaande kinderen organiseren B.S. 09/08/1996. 08.07.96, Decreet betreffende het onderwijs VII B.S. 05/09/1996. Dit decreet bevat een aantal stukken wetgeving met betrekking tot o.a. de controle op de leerplicht.


Overzicht van de wetgeving

24.07.96, Besluit van de Vlaamse regering houdende de samenstelling van raden en afdelingen van de Vlaamse Onderwijsraad. B.S. 06/12/1996. 24.07.96, Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs B.S.14/08/1996. 24.07.96 (a), Decreet tot vervanging van de artikelen 6 tot en met 6ter van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, tot opheffing van artikel 6quater van dezelfde wet en tot wijziging van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten B.S. 26/09/1996. Dit decreet houdt een wijziging in van de definities van Eindtermen en Ontwikkelingsdoelen, die door de Vlaamse Raad zijn aangenomen als minimumvoorwaarden bij de ontwikkeling van leerplannen. 24.07.96 (c), Decreet houdende wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, B.S. 19/09/1996. Dit decreet voorziet de mogelijkheid van ingangsexamens voor de medische richtingen op universitair niveau (geneeskunde en tandarts). 04.08.96, Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk B.S. 18/09/1996. 15.10.96, Besluit van de Vlaamse regering houdende de oprichting en samenstelling van de afdeling deeltijds kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad. B.S. 21/11/1996. 22.10.96, Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure voor de toewijzing van bijscholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Gemeenschap B.S. 22/12/1996. 24.10.96, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de wijze waarop er uitvoering moet worden gegeven aan het SOCRATES-besluit voor de Vlaamse Gemeenschap B.S. 13/12/1996. 26.11.96, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen voor het secundair onderwijs B.S. 06/02/1997. 25.02.97, Decreet basisonderwijs B.S. 17/04/1997. Dit decreet bundelt de bestaande wetgeving enerzijds en voert anderzijds nieuwe regelingen in omtrent het basisonderwijs.

309


06.05.97, Omzendbrief - Deze omzendbrief bevat maatregelen met betrekking tot het nondiscriminatiebeleid in het onderwijs. 27.05.97, Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs B.S. 28/08/1997. 17.06.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs B.S. 11/09/1997. 17.06.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de programmatie- en de rationalisatienormen in het gewoon basisonderwijs B.S. 19/07/1997. 17.06.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs B.S. 12/09/1997. 24.06.97(a), Besluit van de Vlaamse regering houdende de algemene voorwaarden inzake het organiseren van buitenschoolse opvang B.S. 09/09/1997. 24.06.97(b), Besluit van de Vlaamse regering over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs B.S. 17/09/1997. 15.07.97 (a), Decreet betreffende de afwijkingsprocedure voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen B.S. 29/08/1997. 15.07.97 (b), Decreet betreffende het onderwijs VIII B.S. 21/08/1997. Dit decreet bevat verschillende stukken wetgeving met betrekking tot o.a. het GeĂŻntegreerd Onderwijs op secundair en hoger niveau. 17.06.97, Omzendbrief Toelatingsvoorwaarden leerlingen in het buitengewoon onderwijs, BaO/97/14. 15.07.97, Decreet tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs B.S. 28/08/1997. 15.07.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 02/09/1997.


Overzicht van de wetgeving

15.07.97, Decreet houdende oprichting van een Kinderrechtencommissariaat en instelling van het ambt van Kinderrechtencommissaris B.S. 07/10/1997. 08.08.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de omvang van de voortgezette lerarenopleidingen in de hogescholen van de Vlaamse gemeenschap B.S. 02/09/1997. Dit besluit regelt de minimumomvang van de voortgezette opleidingen aan de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap. 16.09.97, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de controle op de inschrijving van leerlingen in het secundair onderwijs B.S. 31/10/1997. 10.03.98, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting “beeldende kunst” en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen “Muziek”, “Woordkunst” en “Dans” B.S. 10/06/1998. 28.04.98, Decreet inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden. B.S. 19/06/1998. 08.06.98, Omzendbrief De omzendbrief handelt over buitenlandse studenten die de Nederlandse taal niet volledig beheersen. 23.06.98, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de opleidingscheques B.S. 18/08/1998. 30.06.98, Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de salarisschalen van de lectoren van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 06/08/1998. 07.07.98, Decreet tot wijzigingen en opheffing van sommige bepalingen van decreten en wetten betreffende sommige Vlaamse openbare instellingen en tot opheffing van wettelijke bepalingen inzake prioritaire aanwerving bij de Vlaamse openbare instellingen. B.S. 20.10.1998. 14.07.98, Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs

311


B.S. 29/08/1998. Vlaams bijzonder decreet dat de hervorming van het gemeenschapsonderwijs regelt. 14.07.98, Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. B.S. 29/08/1998. 14.07.98 (a), Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijk project zorgverbreding in het gewoon basisonderwijs B.S. 20/10/1998. 14.07.98 (b), Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs B.S. 20/10/1998. 14.07.98 (b), Decreet betreffende het onderwijs IX B.S. 29/08/1998. Vlaams decreet dat verschillende stukken wetgeving bundelt o.a. met betrekking tot de organisatie van verschillende onderwijsniveaus. 14.07.98 (c.), Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering B.S. 11/09/1998. 14.08.98, Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs B.S. 29/08/1998. 19.08.98, Koninklijk Besluit tot vaststelling van het maximum van de leervergoeding dat van toepassing is op de leerlingen wier leerovereenkomst geregeld wordt door de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst B.S. 05/09/1998. 01.12.98, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 13/02/1999. 01.12.98 (a), Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s) B.S. 10/04/1999. Dit decreet regelt de integratie van de Psycho-Medisch-Sociale Centra (PMS) en de Centra voor Medisch Schooltoezicht (MST) in geïntegreerde Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s). 01.12.98 (b), Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2


Overzicht van de wetgeving

B.S. 18/05/1999. 15.12.98 (a), Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren B.S. 24/02/1999. 15.12.98 (b), Wet tot wijziging van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector en aan de in die sector tewerkgestelde werklozen B.S. 19/01/1999. 02.02.99 (a), Besluit van de Vlaamse regering betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd B.S. 01/04/1999. 02.02.99 (b), Besluit van de Vlaamse regering betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan B.S. 27/03/1999. 05.02.99, Omzendbrief - SO/60, Studieaanbod voltijds secundair onderwijs. 23.02.99, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de ondernemersopleiding, bedoeld in het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen B.S. 06/05/1999. 02.03.99 (a), Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs B.S. 21/08/1999. 02.03.99 (b), Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 B.S. 26/05/1999. 20.03.99, Decreet houdende de leerlingenraden in het secundair onderwijs B.S. 11/05/1999. 29.03.99, Omzendbrief Zorgverbreding in het basisonderwijs. Maatregelen voor de schooljaren 1998-1999 en 1999-2000. 30.03.99, Decreet houdende de subsidiĂŤring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen B.S. 15/09/1999. 13.04.99, Decreet tot wijziging van de decreten betreffende de inspectie en begeleidingsdiensten

313


B.S. 05/05/1999. 16.05.99, Ministerieel besluit tot bepaling van de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging

in

het

bestaande

studieaanbod

in

het

deeltijds

kunstonderwijs

en

de

infrastructuurvereisten voor de studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs. B.S. 11/08/1999. 18.05.99, Decreet betreffende het onderwijs X B.S. 20/09/1999. Vlaams decreet waarin verschillende zaken (o.a. personeel, evaluatieprocedures) voor de hogescholen en universiteiten worden geregeld. 18.05.99, Decreet betreffende het onderwijs XI B.S. 31/08/1999. Vlaams decreet waarin o.a. regelingen zijn opgenomen betreffende het personeel van het gemeenschapsonderwijs, het secundair onderwijs, de participatieraden. 25.05.99, Koninklijk Besluit tot vaststelling van de datum van de verkiezingen voor de aanwijzing van de afgevaardigden van het personeel bij de ondernemingsraden en bij de comités voor preventie en bescherming op het werk B.S. 30/06/1999. 08.06.99, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen “muziek”, “woordkunst” en “dans”, het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting “beeldende kunst” en het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1993 tot vaststelling van het inschrijvingsgeld in het deeltijds kunstonderwijs B.S. 28/09/1999. 25.06.99, Omzendbrief Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs, SO 64. 30.06.99, Omzendbrief Organisatie van het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO), SO 66. 09.07.99, Omzendbrief OSP/ORG: Organisatie Onderwijs voor Sociale Promotie. 19.07.99, Omzendbrief SO/99/4, Het opvoedend personeel, het administratief en het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs. 19.07.99, Omzendbrief SO/99/5, 19/7/1999 Wijziging van het besluit van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. 07.09.99, Besluit van de Vlaamse regering houdende de vaststelling van de modellen van de studiebewijzen in het onderwijs voor sociale promotie en de modaliteiten voor de uitreiking van deze studiebewijzen door de centra voor volwassenenonderwijs B.S. 03/02/2000. 10.12.99, Besluit van de Vlaamse regering houdende regeling van de procedure en voorwaarden voor het verzekeren van een nascholingsaanbod in het kader van het beleid rond nieuwe media


Overzicht van de wetgeving

B.S. 15/12/2000. 20.12.99, Omzendbrief 'Onderwijsbeleid voor migranten. Maatregelen voor het schooljaar 2000-2001 en het schooljaar 2001-2002' (BaO/99/3). 24.12.99, Wet ter bevordering van de werkgelegenheid B.S. 27/01/2000. 01.03.00, Omzendbrief over de leerplicht in het secundair onderwijs 17.03.00, Besluit van de Vlaamse regering houdende de vaststelling van de nadere regeling van de overdracht van studiegebieden tussen de centra voor volwassenenonderwijs B.S. 11/05/2000. 01.05.00, Omzendbrief BuSO/ 13CA/LV/VDP/CB, Deze omzendbrief gaat over het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3: richtlijnen i.v.m. de alternerende beroepsopleiding, schooljaar 2000-2001. 19.05.00, Ministerieel besluit betreffende de vaststelling van de nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering voor het schooljaar 2000-2001 B.S. 30/05/2000. 23.05.00, Wet tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, ยง2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten B.S. 30/05/2000. 08.06.00, Decreet houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt B.S. 25/08/2000. 23.06.00, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad gewoon secundair onderwijs B.S. 29/11/2000. 30.06.00, Besluit tot regeling van een aantal aangelegenheden van het begeleid individueel studeren B.S. 05/08/2000. 25.07.00, Omzendbrief SO/71, Deze omzendbrief gaat over het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, de richtlijnen betreffende de alternerende beroepsopleiding, schooljaar 2000-2001. 13.10.00, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding. B.S. 01/09/2000. 16.10.00, Omzendbrief Controle van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs, BaO/2000/10. 20.10.00, Decreet betreffende het onderwijs XII-Ensor

315


B.S. 16/12/2000. 12.01.01, Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijk project voor de informatisering van de centra voor leerlingenbegeleiding B.S. 22/03/2001. 20.04.01, Decreet houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs. B.S. 13/07/2001. 27.04.01, Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. B.S. 18/09/2001. 01.03.01, Omzendbrief over de indexering van het inschrijvingsgeld voor het academiejaar 2001-2002. 12.04.01, Ministerieel besluit betreffende de vaststelling van de nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering voor het schooljaar 2001-2002 B.S. 05/05/2001. 18.05.01, Bijzonder Decreet houdende wijziging van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen B.S. 05/07/2001. 12.06.01, Omzendbrief betreffende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. 13.07.01, Decreet betreffende het onderwijs XIII- MozaĂŻek B.S. 27/11/2001 15.06.01, Omzendbrief betreffende kinderverzorgsters in het gewoon basisonderwijs. 28.06.01.Omzendbrief betreffende de vakantieregeling in de centra voor leerlingenbegeleiding (13AD/CLB/P/01/2). 02.07.01, Omzendbrief over het actieprogramma PC/KD: Informatisering van scholen in het basis- en het secundair onderwijs. 02.07.01, Omzendbrief betreffende onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (BaO/2001/09). 13.07.01, Besluit van de Vlaamse regering houdende invoering van de verplichting tot opmaak van een kindeffectenrapport voor alle Vlaamse bevoegdheden B.S. 20/10/2001. 13.07.01, Decreet houdende goedkeuring van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van BelgiĂŤ inzake de transnationale Universiteit B.S. 08/08/2001. 13.07.01, Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt


Overzicht van de wetgeving

B.S. 22/08/2001. 23.07.01, Omzendbrief betreffende onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (SO 75). 26.07.01, Omzendbrief over experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. 10.08.01, Omzendbrief over de toelatingsvoorwaarden van leerlingen in het gewoon basisonderwijs. 14.08.01, Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijk project trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs B.S. 26/10/2001. 31.08.01, Besluit van de Vlaamse regering houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs B.S. 24/10/2001. 14.09.02, Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijk project trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs B.S. 26/10/2001. 23.11.01. – “Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1” B.S. 10/04/2002. 23.11.01, Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. B.S. 10/04/2002. 07.12.01, Decreet betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen B.S. 12/02/2002. 14.12.01, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de opleidingscheques. B.S. 25/05/2002. 11.01.02, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding B.S. 09/03/2002. 15.01.02, Koninklijk Besluit waarbij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 bis van 19 december 2001

algemeen

bindend

wordt

verklaard

tot

invoering

van

een

stelsel

van

tijdkrediet,

loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking B.S. 16/02/2002.

317


18.01.02, Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (1) B.S. 08/02/2002, err. 12/04/02 18.01.02, Decreet houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 B.S. 16/02/2002. 8.02.02, Besluit van de Vlaamse regering “Wijziging aan Besluit van 22.9.98 betreffende de toelage voor anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs” B. S. 9/04/2002. 22/02/02, “Besluit van de Vlaamse regering, betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.” 1/03/02, “Besluit van de Vlaamse regering betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel.” B.S. 19/06/2002 . 5/03/02, Besluit van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, “Besluit betreffende de aanduiding van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.” 06.03.02, Omzendbrief. Mededeling van de minister - Peilingen over heel Vlaanderen van de eindtermen wiskunde en begrijpend lezen zijn in aantocht - Oproep aan alle basisscholen. 22.03.02, Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. B.S. 27/04/2002. 05.03.02(a), Besluit van de Vlaamse minister betreffende de aanduiding van de centra voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO). B.S. 19/09/2002. 05.03.02(b), Besluit van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming betreffende de aanduiding van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. B.S. 19/09/2002. 19.04.02, Besluit tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. B.S. 26/07/02. 24.05.02, Besluit betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.


Overzicht van de wetgeving

24.05.02, Besluit inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs. B.S. 11/09/2002. 12.06.02, Ministerieel besluit betreffende de vaststelling van de nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering voor het schooljaar 2002-2003. B.S. 27/06/2002. 28.06.02, Besluit betreffende het percentage van aanwending van het extra lesurenpakket onderwijsvoorrang in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2002-2003. 28.06.02, Decreet betreffende gelijke onderwijskansen - I B.S. 14/09/2002. 28.06.02 – Memorie van toelichting bij decreet Gelijke kansenbeleid “Gelijke kansen op onderwijs in de basisschool” 28.06.02 - Vlaamse regering, “Besluit betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen.” 28.06.02 – Besluit van de Vlaamse regering betreffende de lokale overlegplatforms inzake Gelijke Onderwijskansen B.S. 24/09/2002. 28.06.02, “Wijziging aan de Belgische Wet van 29/05/59 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving” (gewijzigd door het GOK-decreet van 28 juni 2002 - art. 6 en 6quater) B.S.14/09/2002. 28.06.02, “Wijziging aan het Decreet basisonderwijs van 25/02/97” door het GOK-decreet van 28 juni 2002 B.S.14/09/2002. 7.07.02 – Koninklijk besluit inzake gebruik rijksregisternummer door departement onderwijs als uniek leerlingennummer. B.S. 17/09/2002. 10.07.02, Omzendbrief Bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs: wijzigingen vanaf 1 september 2002, PV/2002/07. 15.07.02, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs. B.S. 10/09/2002. 15.07.02, Wijziging aan het Besluit van de Vlaamse regering van 24/11/98 betreffende de regels voor het uitreiken van het getuigschrift van basisonderwijs en het vastleggen van de vorm ervan door het Besluit van de Vlaamse regering van 15/07/2002. B.S. 10/09/2002.

319


19.07.2002 - Vlaamse regering, “Besluit betreffende de programmatie in de centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2002-2003.” B.S. 11/09/2002. 19.07.02 - Vlaams Parlement, “Decreet tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.” B.S. 10/09/2002. 19.07.02 - Vlaamse regering, “Besluit houdende vaststelling van de kiesprocedure voor de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.” B.S. 30/08/2002. 19.07.02, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 betreffende de opleidingscheques. B.S. 19/11/2002. 19.07.02, Besluit betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs en gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse regering van 07.02.03. B.S. 4/12/2002. 19.07.02, Besluit betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs. B.S. 04/12/2002. 12.08.02, Omzendbrief betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen in de centra voor leerlingenbegeleiding vanaf 1 september 2002 (CLB/2002/07). 6.09.02, Besluit tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot

afwijking op de

eindtermen van de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs. B.S. 22/11/2002. 6.09.02, Besluit betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs.” B.S. 7/11/2002. 6.09.02, Besluit betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen. B.S. 6/11/2002. 13.09.2002, Besluit betreffende de ondersteuning van interfaceactiviteiten van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap B.S. 7/11/2002. 16.09.02, Omzendbrief Leerlingenstages en sociaal-maatschappelijke training in het buitengewoon secundair onderwijs(BuSO), SO/2002/11 16.09.02, Omzendbrief Leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs, SO/2002/09.


Overzicht van de wetgeving

20.09.02, Toevoeging van besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad BSO. B.S. 28/11/2002. 27.09.02, Besluit betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten. B.S. 31/10/2002. 27.09.02, Besluit betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur. B.S. 31/10/2002. 25.10.02, Besluit houdende maatregelen betreffende het prestatiestelsel, het jaarlijks vakantieverlof, sommige administratieve standen en de bezoldigingsregeling van het ondersteunend personeel tewerkgesteld in het gewoon voltijds secundair onderwijs. 08.11.02, Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van een aantal aangelegenheden van het Begeleid Individueel Studenten. B.S. 24/12/2002. 06.12.02, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. B.S. 06/02/2003. 13.12.02 – Vlaamse regering: goedkeuring van het “Voorontwerp van participatiedecreet” 20.12.02 – Decreet “Overgangsmaatregelen organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting ‘Beeldende kunst’, ‘Muziek’, ‘Woordkunst’, ‘Dans’”, B.S. 31/12/2002. 20.12.02 “Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs” Omzendbrief BaO/2002/01 – “Informatie bij eerste inschrijving en schoolreglement“ (08/02/02) Omzendbrief BaO/2002/03 “Zorgvuldig bestuur - specificaties inzake toepassing reglementering op het zorgvuldig bestuur” (21/02/02) Omzendbrief BaO/2002/04 “Overzicht subsidies en toelagen aan gewoon en/of buitengewoon gefinancierd en/of gesubsidieerd basisonderwijs” (26/02/02) Omzendbrief BaO/2002/09 “Administratieve ondersteuning in het basisonderwijs – uitvoering CAO VI – schooljaar 2002-2003 (16/08/02) Omzendbrief SO/2002/06 “Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs” (15/08/02) Omzendbrief SO/2002/07 “Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het deeltijds beroepssecundair Onderwijs” (15/08/02) Omzendbrief SO/2002/08 buso “Nieuwe structuur van opleidingsvorm 3” (15/06/02)

321


Omzendbrief SO/2002/37 “Toevoeging van industriële ICT en dierenzorgtechnieken aan TSO en landbouwdiversificatie BSO” en wijziging van de benaming ‘psychiatrische verpleegkunde BSO’ en ‘ziekenhuisverpleegkunde BSO’ door ‘verpleegkunde BSO’ in 4de graad BSO”. – toevoeging aan de omzendbrief van 01/09/94 Omzendbrief SO/2002/40 “Toevoeging electriciteit-elektronica TSO en landbouwdiversificatie; toevoeging electriciteit-elektronica TSO en landbouwdiversificatie” – toevoeging aan de omzendbrief van 17/03/95 Omzendbrief SO/2002/55 “Vaststelling van het pakket "uren-leraar" in het voltijdse SO” – toevoeging aan de omzendbrief van 31/07/98 Omzendbrief SO/2002/60 “Toevoeging van studierichtingen aan SO” – toevoeging aan de omzendbrief van 05/02/99 Omzendbrief SO/2002/ 68 “Leerplicht stopt op 18e verjaardag” – toevoeging aan omzendbrief van 01/03/2000 Omzendbrief PV/2002/03 “Nieuwe tarieven inschrijvingsgeld in het deeltijds kunstonderwijs (18/04/02) Omzendbrief PV/2002/06 “ Organisatie van het onderwijs voor sociale promotie (03/07/02) Omzendbrief Pers/2002/03 “Volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor de personeelsleden van het onderwijs en van de CLB’s” (TBS 58+) (29/03/02) Omzendbrief Pers/2002/04 “Vaststellen van een ambt met volledige prestaties van de leraars praktische vakken vanaf het schooljaar 2002 – 2003” (10/06/02) Omzendbrief Pers/2002/07 “Loonsverhoging directeurs gewoon basisonderwijs” (28/06/02) Omzendbrief GD/2002/06 “Actieprogramma informatisering van het onderwijs – begroting 2002” (15/07/02) Omzendbrief GD/2002/07 “ICT-coördinatie voor het schooljaar 2002-2003” (12/08/02) Omzendbrief 13/CC/Prest. CAO VI/GL “Administratief personeel vanaf 1/09/01 in een 36 urenwerkweek” Toevoeging aan de Omzendbrief ABC/TM/KH van 24 juni 1999 – “Recht op onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijfsstatuut”. Omzendbrief SOZ(81)4 : “Leerlingen uit den vreemde en/of houders van buitenlandse diploma’s en studiegetuigschriften” – toevoeging aan de omzendbrief van 01/06/81 B.S. 28/01/2003. 06.01.03, Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. 10.01.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de concordantie en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende de vaststelling van de vakken en de indeling


Overzicht van de wetgeving

van de vakken in algemene vakken, technische vakken en praktische vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie. B.S. 20/03/2003. 31.01.03, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de salarisschalen van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 11/04/2003. 14.02.03, Decreet betreffende het onderwijs XIV. B.S. 01/07/03. 21.01.03, Omzendbrief Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs, BaO/2003/01. 24.01.03, Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs. B.S. 11/04/2003. 31.01.03, Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7 B.S. 01/04/2003. 14.02.03, Decreet betreffende het Onderwijs XIV. B.S. 01/07/2003. 24.02.03, Omzendbrief Het recht op onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijfsstatuut, GD/2003/2003. 14.03.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. B.S. 09/07/2003. 14.03.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs. B.S. 09/07/2003. 14.03.03, Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 mei 2001 tot vaststelling van de salarisschalen van het assisterend academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. B.S. 16/07/2003. 04.04.03, Bijzonder decreet houdende opheffing van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, wat het Universitair Centrum Antwerpen betreft. B.S. 16/07/2003.

323


04.04.03, Decreet houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen B.S. 14/07/2003. 04.04.03, Decreet betreffende de Herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. B.S. 14/08/03. 04.04.03, Bijzonder Decreet houdende de deelname van gemeenschapsinstellingen aan de associaties in het hoger onderwijs. B.S. 06/07/2003. 04.04.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de voortgezette vorming, bedoeld in artikel 11 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen. B.S. 30/05/2003. 04.04.03, Decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. B.S. 28/05/2003. 14.05.03, Omzendbrief De vervangingspool voor het schooljaar 2003-2004, GD/2003/02. 23.05.03, Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7. B.S. 16/07/2003. 10.06.03, Omzendbrief jaarlijkse inlichtingen voor het schooljaar 2003-2004 – Schoolbeheer, PV/2003/01 (DKO). 02.07.03, Omzendbrief Organisatie van het Onderwijs voor Sociale Promotie, PV/2003/03. 04.07.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijk project “bevordering van de werkervaring in het deeltijds beroepssecundair onderwijs”. B.S. 03/09/2003. 10.07.03, Decreet betreffende het landschap basisonderwijs. B.S. 24/10/2003. 18.07.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004. B.S. 27/0820/03. 18.07.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers. B.S. 25/08/2003.


Overzicht van de wetgeving

18.07.03, Omzendbrief Mededeling betreffende ICT-coรถrdinatie voor het schooljaar 2003-2004, GD/2003/04. 05.09.03., Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de lijst van de controletaken van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de universiteiten. B.S.21/10/2003 05.09.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende peterschapsprojecten. B.S. 22/10/2003. 17.09.03, Omzendbrief Instellingen die attesten voor inschrijving in het buitengewoon onderwijs mogen afleveren. Schooljaar 2003-2004, CLB/2003/07. 10.10.03, Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de instellingsspecifieke regeling van de rechtspositieregeling van het personeel. B.S. 16/12/2003. 17.10.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende structuurwijzigingen in het hoger onderwijs voor sociale promotie. B.S. 13/11/2003. 21.11.03, Besluit van de Vlaamse regering betreffende het percentage van aanwending van het extra lesurenpakket onderwijsvoorrang in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 20032004. B.S. 21/01/2004. 12.12.03, Het voorontwerp van decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2003). [WWW] FAQ. http://www.ond.vlaanderen.be/hogescholen.

325


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook