;
r^f?/i -*;' f'
^
' •
^Ó^^' i3«
• ^
: ^ ! f c
-v^-
MONUMENTEN & LAN
^:«t
TV,
•ai'
"BOUWSTIJLEN IN BRUSSEL" Een uitgave van de Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. in samenwerking met "School en Museum" (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement W.V.C., Administratie Kunst, Dienst Beeldende Kunst en Musea).
De evolutie van de bouwgeschiedenis te Brussel
Bijzonder geschikt voor scholen
64 Bladzijden
130 illustraties
Kostprijs: 295 frank
Te bestellen bij
Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. Bergstraat 72 1000 Brussel tel. : (02) 512 40 97 rek. nr.: 426-3141111-35
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948
•
10e jaargang Nr. 4
•
juli-augustus 1991
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1. 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : M.M. Celis + L. Tack.
Redactiecomlté Voorzitter: E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M. Celis. M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn. P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack. S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.
Inhoud Generiek Historisch-landschappelijke relictwaarden uit het kasteeldomein van Poeke: aandachtspunten voor een creatief parkbeheer Koen Himpe De wandtapijten van de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten een conserveringsbehandeling Roel De Ceulaer, Willem Aerts en Yvan Maes
28
De woontoren van Aynchon de Hognoul te Rutten op het einde van de 13de eeuw Frans Dopere en William Ubregts
36
Wij zullen het wel vrijleggen Walter Schudel
49
Summary
54
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel. (050) 36 25 89.
Jubileum-bijlage : "Het Belgische trekpaard. Levend cultureel erfgoed."
Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Abomementsvoorwaarden 1991 België : 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen : 950 fr. Buitenland : 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1991". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Kasteeldomein van Poeke (foto O. Pauwels)
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
WAH n.v VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.
Restauratie Sint-Laurentiuskerk te Lokeren
NATUURSTEEN
AMINCK NV
VAN AMSTELSTRAAT 63 GASSTRAAT 11 A 2100 ANTWERPEN 9100 LOKEREN TEL 03/325.03.83 TELEX 32158 NAVLAM TEL. 091/48,12.17 TELEFAX 03/325.68.66 TELEFAX 091/48.96.61
GENERIEK Heerlijke zijde en ...
... een "drydobbel dreve" vormden in de 18de eeuw slechts enkele meer opvallende tekenen van welstand van de baronnen van Poeke. Een kortstondig romantisch intermezzo en de terugkeer naar een vertrouwd neoklassiek patroon markeerden dan weer de late 19de eeuw en meteen ook de nieuwe eigenaars. Deze veelvuldige relicten stroomlijnen tot een respectvol parkbeheer lijkt voor Koen Himpe nochtans geenszins onoverkomelijk.
Dorsalia Reeds eerder kwamen Antoine de Lalaing en Elisabeth van Culemborg, het hertogenpaar uit Hoogstraten, hier ter sprake. Hun persoonlijk aandeel in 's lands 17de-eeuwse culturele bloei blijft dan ook verbazingwekkend. Nu twee reeksen rugtapijten na een heilzame behandeling de ateliers mochten verlaten van de Koninklijke Manufactuur Gaspard De Wit, geven Roel De Ceulaer en Willem Aerts, naast Yvan Maes, nadere details prijs over de historische achtergronden en de restauratieve aanpak.
"Une platte maison"
Vertrouwd raken met het 13de-eeuwse panopticum waar Frans Dopere en William Ubregts duidelijk vriend aan huis zijn, vergt net iets meer dan de gewone belangstelling. Wat uit deze onzekere tijden aan monumentaal patrimonium bewaard bleef is dan ook betrekkelijk miskend, zoniet bedroevend schaars. Neem nu bijvoorbeeld... de woontoren van Aynchon de Hognoul.
Bloot, maar eerlijk?
Oude witsellagen blijven in restauratie-middens, tegen beter weten in, de gemoederen verhitten. Terwijl nog steeds niet afdoend doorgedrongen is dat muren van oudsher ook van een afwerking werden voorzien, daagt het gevaar nu bij al te doortastende restaurateurs. Een zoveelste pleidooi van Walter Schudel voor meer deskundige schroom.
GTI KAARTEN 1
:
1 OO OOO
Deze kaart is de ideale streekkaart opl tl aardrijkskundig, kultureel en toeristisch gebied. Bedrukt op beide zijden, vormt zij een origineel geheel van topografische en vrijetijdsgegevens. De topografische voorzijde, is een samenvoeging en een generalisatie van de kaarten op schaal 1 : 50 000 en geeft een goed beeld van de geografische strukturen van het gekarteerde gebied. De toeristische en kulturele keerzijde is een interessante aanvulling van de topografische voorzijde en biedt benevens utilitaire gegevens, de mogelijkheid om de vrije tijd in een gekozen streek optimaal te gebruiken. Zijn ondermeer voorgesteld : de grote routepaden, de bewegwijzerde autocircuits, een selectie van de fietsroutes, natuurreservaten, ontspanningsoorden, merkwaardige gebouwen, enz. Het hoekvignet GTI (Geografie, Toerisme, Informatie) illustreert de verschillende aspecten van de kaart.
VERKOOPDIENST Louizalaan, 306 B-1050 BRUSSEL
HET NATIONAAL GEOGRAFISCH I N S T I T U U T
Tel: (02) 64S 52 82 FAX: (02) 646 25 18
— Zo kan de geschiedenis Zo treedt op een dag ons patrimo-
zich blijven
herhalen
speelt, is dit een steuntje voor een monument, een stukje verleden of een
nium uit de schaduw. Zo maken we op een dag kennis
kunstwerk. Zo komen elk jaar tientallen miljoe-
met ons verleden. Zo verruimen we op een dag onze
nen vrij om onze geschiedenis te bewaren. En betekent een kans met de
blik met kunst; Al die dagen komen er mede dank-
Nationale Loterij tegelijk een kans voor talrijke opgravingen, restauraties
zij de Nationale Loterij. Want telkens wanneer iemand
of ontdekkingen.
© De Nationale Loterij. Een kans hebben is tegelijk een kans geven.
Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N. V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75
XJX Toestand vóór restauratie
Toestand na restauratie
EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg • WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING
EXHYDRO® : goedkeuring
• DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT
EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie
• VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...
REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)
. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...
REMAL : - volledig gamma
RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58
PVBA
BUTGB ATG/H606
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-nlet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.
Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc -Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)
MAAR HET KAN Deplgeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer Informatie over Deplgeonal en gebouwenconservatie en -restauratie In het algemeen bij
Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
.
Solar
Kleine Breedstraat 33, 9100Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.
SchudelW. 091/2217 53
DekoninckL. 091/2531 72
Van MolleM. 016/2267 06
DEPIGEONALT
Van DijckL. 015/52 0932
Van Der Biest L 03/77144 66
HuetP, 03/233 0957
Vandenborre H, & Lauwers M.
091/7263 03
Smederij
IMPERPLEX De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25
C>
mu
RESTAURATIE
MOLENBAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • •
Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels
Gediplomeerd restaurateur
P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ ESLaan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091) 86 07 63 - 86 61 50 Fax: (091)86 04 15 Restauratie : 'De Vijf sterren' Gent
M&L
HISTORISCH-LANDSCHAPPELIJKE RELICTWAARDEN UIT HET KASTEELDOMEIN VAN POEKE: AANDACHTSPUNTEN VOOR EEN CREATIEF PARKBEHEER KOEN HIMPE
Het kasteeldomein wordt beheerst door een nagenoeg hermetische vormgeving Restanten van een 18de-eeuws rechtlijnig drevenpatroon doorkruisen letterlijk deze voelbare beslotenheid (foto O, Pauwels)
Het uitgestrekte kasteeldomein van
Oostvlaamse kasteeldomein een duur-
Poeke - goed voor een oppervlakte
zaam historisch profiel heeft bezorgd.
van om en bij de 56 ha - blijft in zijn
Een aantal unieke historisch-landschap-
huidige vorm herkenbaar als een laat
pelijke waarden - vooral dan op het
19de-eeuws adellijk landgoed met hier
vlak van het feodale domeinbeheer -
en daar een accent uit de 20ste eeuw.
zijn daarbij tot op vandaag als relict
Hoewel men voor de oorsprong van dit
voelbaar of zichtbaar gebleven.
belangrijke historische site tot hoog in
Aandacht voor deze opmerkelijke
de 12de eeuw moet opklimmen,
relictwaarden en hun vraag tot herstel
staat het buiten kijf dat vooral de
of herwaardering, vormt een uitdaging
18de-eeuwse cultureel-economische
voor een creatief en planmatig beheer
opleving in vorstelijk Vlaanderen dit
van het huidige kasteeldomein.
M&L
EEN DIEPGESLAGEN ADELLIJKE STEMPEL
Gasteel en Bascour vormden lange tijd het middelpunt van een bedrijvige Heerlijkheid. Origineel landboek van Poeke uit 1763 (RAG PdH nr, 54)
In de Vroege Middeleeuwen was het versterkte kasteel van Poeke een waar bolwerk van ridderlijke gezanten uit het Vlaamse Graafschap, dat steevast vanuit Brugge werd bestuurd. Het woonsite van de Heren van Poucke werd echter meermaals door strijdlustige Gentse opstandelingen bestookt, waardoor het na 1453 voor lange jaren in puin achterbleef. Het duurde bijna anderhalve eeuw vooraleer een vernieuwend adellijk initiatief de geschiedenis opnieuw in volle beweging zou zetten. De familie de Preudhomme d'Hailly uit Rijsel, die in 1597 de kasteelgoederen te Poeke van een zekere familie Delrye overnam, zou immers vanaf die datum de Heerlijkheid Poeke meer dan twee eeuwen lang besturen en het kasteeldomein uitbouwen tot het middelpunt van hun steeds aanwassende eigendommen. Reeds in 1597 voerden erfgenamen van dit adellijke geslacht de titel van Burggraven van Nieuwpoort. Hoewel hun culturele rijkdom aanvankelijk onderdrukt werd door de schermutselingen van 16de- en 17de-eeuwse oorlogen, leidden opeenvolgende generaties burggraven de Baronnie de Poucques tot een kort maar onbetwist hoogtepunt omstreeks 1765. In deze periode (1762-1774) was Karel Florent Idesbald de Preudhomme d'Hailly burggraaf van Nieuwpoort en Oombergen, Baron van Poeke, Heer van Axpoele, Kanegem, Neuville, Sint-Lievens-Esse, Velaines, enzovoort en bovendien ook kamerheer van de Oostenrijkse vorsten. De Nederlanden hadden toen, onder een relatief vredig Oostenrijks bewind, het uitzicht van een starre en hiërarchische maatschappij, waarin de adel haar voorrechten tot aan de Franse Revolutie (1789) kon handhaven. Ook na het ineenstorten van het Frans-Napoleontische Keizerrijk (1815) en daarna ook binnen de Belgische Staat (vanaf 1830) wist de adel haar positie als hoge sociale klasse op het Vlaamse platteland te behouden. De geïsoleerde ligging van Poeke, de gestadige afname van haar bevolkingsaantal en haar bestendig landbouwkarakter met voornamelijk pachthoven, waren er dan ook oorzaak van dat het adellijke machtssysteem tot na de Tweede Wereldoorlog (1945) vlot zou blijven functioneren (1). Het geslacht de Preudhomme d'Hailly was in de tweede helft van de 19de eeuw echter voorgoed over haar hoogtepunt heen en financiële moeilijkheden verzwakten haar positie zowel binnen als buiten het dorp, waardoor onder meer het kasteeldomein te Poeke in 1872 diende prijsgegeven.
De familie Pycke de Peteghem - in 1730 tot de adelstand verheven - kocht het kasteeldomein aan en domineerde van meetaf aan de kleine Oostvlaamse plattelandsgemeente. Hun politieke vertegenwoordiging richtte zich specifiek op het burgemeesterschap, een positie die zelden uit handen werd gegeven. Het kasteeldomein doorstond goeddeels beide Wereldoorlogen, maar de adellijke invloed tijdens de 20ste eeuw doofde uit met het overlijden van Inès Pycke de Peteghem, de laatste Barones van Poeke (1955). De eigendomsstructuur van het kasteeldomein wijzigde een laatste maal in 1977, toen Poeke als deelgemeente samensmolt met de fusiegemeente Aalter. Het kasteelgoed werd, als gemeentelijk eigendom, een openbaar domein en maakte vanaf dat ogenblik tot op heden deel uit van een heel bijzondere recreatievoorziening.
DRIJFVEREN VAN EEN TOMELOZE HEERLIJKHEID
Militaire tribulaties tijdens de 16de en 17de eeuw - vooral dan tijdens de opstand der Nederlanden tegen Spanje (1568-1648) - hadden voor Vlaanderen verstrekkende gevolgen waarbij ook de streek rond Poeke ten onder ging aan krijgsgeweld, besmettelijke ziekten, hongersnood en uitwijking. Bij de aanvang van de 18de eeuw wisten de Oostenrijkers het sociaal-economische leven echter opnieuw te stimuleren. Dit verklaart mede de heropbloei van de agrarische bedrijvigheid. In die tijd evolueerde het kasteeldomein van Poeke dan ook werkelijk tot het absoluut middelpunt van een bedrijvige Heerlijkheid. Vele zogenaamde lenen en achterlenen waren verbonden aan het kasteel dat zeker niet tot een louter residentieel verblijf was uitgegroeid:
10
Voor- en achtergevel van het 18de-eeuwse kasteel van Poeke; gave uivoering in sobere Lodewijk XV-stljl (opname 1872, Archief R, Defruyt - Aalter)
M&L
meer duidelijk waarom de kasteelheren belangrijke boerderijsites met molenbedrijven bij hun Heerlijkheid wilden annexeren. In 1762 kwam de Heerlijkheid Axpoele op Ruiselede in het bezit van Karel Florent Idesbald de Preudhomme d'Hailly. In de verkoopsakte werd het Goed te Acxpoele omschreven als "eene schoone welbebauwde en beplante hofstede ook daer onder eenen coorenwintmeulen met het huys, schuere ende omtrent 2 Bn landt ende meersch als mede eenen watermeulen dienende om olie te stampen ende graen te maelen" (3). Kapitaalkracht en invloedrijkheid lagen ongetwijfeld aan de basis van een opmerkelijk hoge welvaart die vanaf 1742 tot 1774 binnen de Heerlijkheid Poeke werd gecreëerd. Als Ghambellan actueel van de Keyserlijcke, Gonninglijke en Apostolijcke Majesteyten moet de Burggraaf van Nieuwpoort wel extreem goede connecties gehad hebben met de adellijke top van het Oostenrijkse Keizerrijk. Er zijn zelfs bevestigingen teruggevonden die wijzen op de mondaine relaties die hij met Karel Alexander van Lotharingen onderhield. De grenzeloze en geldverslindende experimenteerdrang van de gouverneurgeneraal heeft de Baron allicht geprikkeld tot een even passionele ondernemingslust ten aanzien van het nog feodale Poeke. "Alvooren een notabel leen (...) wesende Heerlijchede ende Baronnie van Poucques, ende RAGFIJNE LUXE-INDUSTRIE gonne van Lootenhulle, Caneghem, Aertsele, Ruysselede, Beveren by Audenaerde, Beveren by Cortrijcke, Aerelbeke, Nevel, Swijndrecht, Van deze passionele experimenteerdrang bestaat St. Gillis, Lande van Waestijne ende Huerne wellicht geen sprekender voorbeeld dan zijn eigen consisterende eerst in een fonchier groot dryenveer- initiatief om te Poeke een rendabele zijderupsteelt tigh Bn en drij Rn onder landt bosch ende meer- op het getouw te zetten. De stimulerende cultuurschen mitsgaeders diversche dreven volghens de politiek die Karel Alexander van Lotharingen denombrementen daarop sijnde. Wesende t selve tijdens zijn bewind (1744-1780) liet voeren, maakt fonchier bestaen met een seer schoon Gasteel duidelijk waarom een aantal edellieden voor deze rontomme in sijne wallen mitsgaeders met een fragiele bedrijfstak tot een wakkere belangstelling schoon nederhof, huysijnghen, schueren, stalling- werden gebracht. hen ende andere edifichen hovijnghen ende boomgaerden alles omrijngelt met sijne wallen Vanaf 1751 werd in de rekeningboeken van Pieter alsoock met diversche andere huijsen ende pacht- Beerens, rentmeester van de Baron van Poeke, hoven" (2). herhaaldelijk melding gemaakt van "leveringhen moerebesieboomkens van Orleans" (4). Uit sporadisch aangetroffen aantekeningen van de Ook de landbouwtechnische verbeteringen hingen rentmeester blijkt dat de baron zich kort na de in die tijd nauw samen met de gunstige economieerste moerbeiaanplantingen in Poeke, duidelijk sche omstandigheden in Vlaanderen. Buiten het liet inlichten over de zijderupscultuur. eigenlijke kasteeldomein uitte dit zich bijvoorbeeld Met een Brussels "transport van hautewerck in de aanwezigheid van een groot aantal molenbehoorende ende maeken deel van den aspel voor bedrijven. Deze inventieve constructies verzorgde syde" (5) en het oprichten van "een huys ende den toen de aandrijving van de enige uitgesproken erfve groot lOORn staende ten suytoost van het vorm van industrie binnen de Baronnie van Poucques. In dit opzicht was het dan ook zonder- Gasteel genaemt het sydewormen huys" (6) is het
M&L
11
duidelijk dat er verregaande voorzieningen werden getroffen voor de eigenlijke verwerking van later te produceren zijde. Volgens Pieter Beerens was de burggraaf van Nieuport "résolu de faire la preuve". Zijn uiteindelijke doel was "une manufacture d'un metier soit pour fabriquer des bas ou des rubans ou autre marchandise". Op één weefgetouw werd dus gepoogd om kousen, linten of strikken te vervaardigen. Beerens was er daarbij van overtuigd dat men in staat zou zijn een bedrijf te leiden "depuis la graine de ver a soie jusqua sa fin" (7).
Dat er van de geplande plaatselijke zijdeproduktie uiteindelijk weinig in huis is gekomen, lag vermoedelijk in het feit dat de baron zich in eigen initiatieven had vergallopeerd (9). Niettemin moet de gedurfde zijdenijverheid binnen het kasteeldomein in schril contrast gestaan hebben met de landelijke huisnijverheid, waar op het einde van de 18de eeuw de vlasbewerking centraal stond. Opmerkelijk is ook dat na het uiteindelijk mislukken van de zijdecultuur sporadisch enkele aantekeningen zijn teruggevonden van alweer nieuwe initiatieven binnen het kasteeldomein. Er werd meerdere malen "betaelt in het plaenten, messen en begiten van toeback" (10). Het is niet Of de zijderupsteelt te Poeke ooit het ware geraamte vormde van de industrieel-ambachtelijke duidelijk welke omvang deze tabaksaanplantingen ooit hebben gehad, dan wel of dit initiatief een bedrijvigheid binnen de bloeiende heerlijkheid, onderdeel vormde van een groter produktieis niet geheel duidelijk. Er werden alvast grote systeem. Vermoedelijk ging het om het verbouwen inspanningen gedaan om de experimenten tot een van een kleine hoeveelheid Boerentabak goed einde te brengen. Zo werd Martinus De Vos in 1773 "betaelt in het koeken en de cardoneeren (Nicotiana rustica L.), die na verwerking toegevan de sijde a thien stuyvers daeghs" en had Marie voegd werd bij geneesmiddelen voor alle mogelijke Lambrecht "ten jaere 1774 blaederen getrocken ziekten. Een systematische aanplant van Echte voor de sijde worms van seer Edelen heer burgh- tabak (Nicotiana tabacum L.) lijkt uitgesloten daar de verwerking van deze rooktabak tot graeve van Nieuport (...) ter kansen dat het ondermeer sigaren pas in het eerste kwart van de martinus de Vos met sijn huysvrauwe de selve sijdeworms niet meester en waeren om hun bij tijde 19de eeuw voor het eerst in Vlaanderen produktief werd ingeschakeld. blaederen te besorghen" (8).
Een plantage met "seyete woormen boomkens'vomde de basis voor de 18de-eeuwse zijdenijverheid te Poeke (RAG PD-dH nr, 54)
Bij de zijdenijverheid is het van belang een - in verhouding - voldoende voedselaanbod voor gekweekte zijderupsen te voorzien. Dit aanbod bestaat uit bladeren van de Witte moerbei (Morus alba L.), de voedselplant van de Zijderupsvlinder (Bombyx mori L.). Eenmaal zijderupsen zich uit een vlindereitje hebben ontwikkeld, beginnen deze larven massaal voedingsstoffen uit de sappige moerbeibladeren op te slaan. In deze groeiperiode zijn de rupsen meermaals aan vervelling toe en verkeren daarbij in een bijzonder kwetsbaar stadium. Vooraleer een laatste maal te gaan vervellen, treffen de larven van nature beschermende maatregelen door rondom zichzelf een isolerende cocon van zijde te spinnen, waarbinnen het verpoppen langzaam plaatsvindt. Tijdens deze belangrijke passage in de zijdecultuur, wordt de pop geoogst en een tijdlang in een droogoven geplaatst. De intact gebleven cocon wordt daarna van de dode, opgedroogde pop gescheiden en in heet water van de viskeuze zijdelijm losgeweekt.
Vervolgens worden de ragfijne draden op minutieuze wijze afgehaspeld en in droge toestand tot zijdestrengen samengebundeld. De zachte zijdeglans verkrijgt men door de strengen af te koken, in zeep te wassen en grondig te spoelen. Uiteindelijk leveren een laatste reeks van zorgvuldige verwerkingen een bruikklare zijdedraad op voor het weven van allerhande glanzend luxe-textiel.
il]<)ir,/n7fJ.1f/'
.1
Cmilon
.'/'j .'/!
tftl'.ii'/bnl
'j'
'T' °9
12
'Copie autentiicq vanden Caertebouck der Prochie Poucques', door landmeter Lemaieur in 1790 uitgebracht (Gemeentearchief Poeke)
Door kanalisatie slaagde men erin de waterpeilen in kasteel- en tulnomwallingen te handhaven. Bij deze ingrepen benutte men tevens de kans om de parkarchitecturale symmetrie verder u^ te bouwen (foto O, Pauwels)
M&L
PARKARCHITECTUUR ALS POLITIEKE PRENT
Uit het belichten van aantal bedrijfsambachtelijke aspekten is reeds gebleken dat de kasteelheren te Poeke tegen allen en iedereen hun immense rijkdom op een bijna uitdagende manier wilden bewijzen. De onmiskenbare aanpassingen van de •'l .i kasteeltuinen en het park in de tweede helft van J>X.... •'XJ.MTOM de 18de eeuw waren in alle geval een lucratieve ...:,<:bezigheid, want de rijkdom van Karel Florent Idesbald de Preudhomme d'Hailly werd spreekwoordelijk. Om dit te duiden heeft de baron met volgende zinsnede de grootschaligheid van zijn Bij werkzaamheden in die zin had men te Poeke denken laten illustreren: "comme tout connaisseur ongetwijfeld reeds een symmetrisch concept in het impartial doit admirer Ie génie qu'il a montré en achterhoofd. Uit wat volgt zal blijken dat de donant naissance au fameux parcq de Poucques qui eenheid tussen het kasteel en de gecreëerde perpétua sa familie" (11). tuinruimte slechts een aanzet vormde tot een verder reikend geheel. In grote trekken werd Terwijl aanbestedingen van allerhande bouwactivi- hierbij de symmetrie van het concept geërbiedigd. De grondslag voor de ordening van deze symmeteiten aan het toenmalige Rococo-kasteel van trie werd echter gezocht in duidelijk waarneemPoeke nog volop aan de gang zijn, duiken reeds bare elementen uit het omringende landschap. aantekeningen op die wijzen op de concrete Naar alle waarschijnlijkheid werd in 1752, in aanpak van tuinarchitecturale plannen. aanvulling op een eng en reeds gedeeltelijk aanwezig drevenbestand, een axiaal drevenpatroon ontworpen. Doorheen het gedeeltelijk beboste domein achter het kasteel werden in deze periode immers zichtassen opengewerkt waarvoor heel wat visuele barrières voor de bijl gingen: "item, (1752) aen joos Dhondt over sijnen intrest geleden door het uijtdoen van menighvuldighe bomen tot het doorsicht van de dreven achter het casteel" (12). In het radiale knooppunt van het drevenpatroon vervoegden zich blijkbaar tal van visuele relaties. Vanuit het knooppunt vertrok een brede centrale zichtas naar de achterzijde van het kasteel waar zich een uitgestrekt terras bevond. Andere dreven, die elkaar sneden in hetzelfde stervormige knooppunt, verschaften uitzicht op de omliggende dorpskerkjes van Poeke, Lotenhulle, Ruiselede en Aalter. De overige dreven in het kasteeldomein waren blijkbaar evengoed gericht op belangrijke artificiële elementen uit het omliggende landschap, zoals de korenwindmolen van Poeke en Lotenhulle en het Goed te Axpoele op Ruiselede, waar zich naast een windmolen ook een watermolen bevond. Er mag hierbij niet vergeten worden dat de silhouetten van torenspitsen en windmolens - deze laatste doorgaans opgetrokken op een molenwal -
M&L
13
uitpakte, ruimer dan een louter tuinarchitecturaal concept. to lev i 'iJ*
I
. J,
/
"'.
'1,1 '•'•'•
•• nU**,/**
TUIN, RUIMTE VOOR RUIME LEVENSSTIJL
/„.
~ , . . , • ' .;• •!r-u-i,iJ.a,JJ!l„./,l,,
J-
C ,.-,./.,,,„-,/
•"T i "'/".f.. H
r/„j,?
,'f,.,„,„,.'4„.',j-,d, •{ ,.',,,„
| . . . é ^ . . , „ A A , / , ,,., ,•„ „ „
t\„fu
^
/
r"'!y
^
J,, c L & a K . x
: •:^:>p.üt tu.
- .
Voor het aanleggen van een rechttioekige tuinruimte(1752) werden plannen opgevat om de Poekebeek plaatselijk te vergraven (RAG PdH nr. 271)
Schematische voorstelling van het 18de-eeuwse axlale drevenpatroon
• • " • ' • • '
• • " ' • ;
* :
^
$0^ •
over een relatief grote afstand in dit reliëfarme landschap zichtbaar waren. Deze duidelijk waarneembare elementen waren in de periode vóór de 19de eeuw als het ware signaturen, die naast hun eigenlijke functie ook de feodaliteit waarvan zij deel uitmaakten, in het omliggende landschap symboliseerden. Precies omdat aan deze bouwsels heerlijke rechten zoals tiendeheffing en recht van wind en stroom verbonden waren, mag gesteld worden dat het ordeningsprincipe van het kasteeldomein tot doel had deze feodale toestand nadrukkelijk te beklemtonen. Het zorgvuldig ordenen van de dreven in een uitgekiend patroon, liet de Baron van Poeke dan ook toe zijn allesomvattende macht op een luisterrijke en creatieve wijze te manifesteren. In die zin is het drevenconcept waarmee Karel Florent Idesbald de Preudhomme d'Hailly in 1752
Het landboek van Poeke uit 1763 en de herwerkte versie uit 1790 brachten samen het afgewerkte axiale drevenpatroon in beeld. De bouwaanpassingen aan het kasteel, uitgevoerd in een sobere Lodewijk XV-stijl, waren toen reeds afgewerkt en de Heerlijkheid Poeke bereikte stilaan het hoogtepunt van haar bestaan. In overeenstemming met deze overigens magnifieke bouwarchitectuur en in relatie tot het axiale drevenpatroon, werd in deze periode van culturele hoogconjunctuur ook de achtertuin verder ingericht. Uit bewaard gebleven kaartmateriaal, is duidelijk te zien dat het drevenconcept de vormgeving van deze achtertuin ondersteunde. Een uitgesproken perspectiefwerking door middel van een hoofdas met in het centrum een dwarsgelegen bassin en enkele parterres, waren duidelijke kenmerken van de klassieke tuinstijl naar Frans model (13). Op het kontinent zou een romantische stroming, onder invloed van filozofen als Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) en Bernardin Saint Pierre (1737-1814) inderdaad inspireren tot nieuwe tuinarchitecturale ideeën, die echter niet tot Poeke doordringen. De tuin was dus een voorbeeld van traditionele tuinkunst, die - hoewel het een bescheiden uitvoering betrof - toch nog heel wat raakvlakken vertoonde met de klassieke, geometrische tuinen uit de late 17de- en vroege 18de eeuw. Hoewel ontwerpersnamen en grond- noch zichtplannen werden teruggevonden, zorgen aantekeningen over aanschaf van select plantenmateriaal voor een inzicht van Poekes formele tuinarchitectuur. Aanplantingen van "hulst" (Ilex aquifolium L.), "spaensche haute plantsoenen" (Taxus baccata L.) "piramide spansche appelaeren enperreleiren" (Malus en Pyrus sp.) en "eirlairs plantsoen" (Carpinus betulus L.) (14) - planten die zich gewillig tot soms ingewikkelde meetkundige vormen snoeien - zullen de geometrie in het tuinontwerp enkel maar kracht hebben bijgezet. Ook stijlvolle tuinornamenten onder de vorm van stenen allegorische figuren, zonnewijzers, siervazen en boompotten, waren vervat in het carcan van de lusttuin. In rijke boedellijsten uit 1782 spreekt men over "alle de pedestaelen met de vaesen, figuren in den
14
M&L
hof, de pilasters met de heckens van wederskanten daardoor heel wat consequenties met zich mee. den hof en de zijdemeuren, een coppel volleren (...) Voor het onderhoud van de tuinen werd beroep de draybrugghe teynden den hof{...) het reservoir, gedaan op vakbekwame tuinmannen die ervoor ende de groote steenen brugge over de beke In moesten instaan dat de ordelijke symmetrie in alle 'tparcq (...) de oragnleboomen met eenige ander opzichten gehandhaafd bleef. Een assortiment van boomkens In potten In den hof' (15). eerder grootschalig tuingereedschap voorzag blijkbaar in de nood aan doeltreffende onderhoudstechnieken: Ook twee sfinxen, die elk op een zwaar voetstuk waren geplaatst, behoorden tot de meest klassieke - 1751: "item aen pieter van Laere smet tot vormelementen en waren op een typerende wijze Meulebeke over het maeken ploeg om de wegen met een kapmantel of steek gedrapeerd. Zij waren In de hof te zuyveren". het werk van vermaarde kunstenaars zoals de - 1753: "Item betaelt aen pannes Verplaetsen Gentse meesterbeeldhouwer Jacobus Martens die waegemaeker tot Poucques over het maeken van in 1762 "ten dienste van den heer Borchgraeve van scheyerwaegens, karren en ander getuygh totte Nieuw Port, Baron van Poucke, gesneen ende wercken van mijn heere". gelevert heeft, twee flnsen van witten steen" (16). - 1774: "betaelt In het maecken van eenen trap om Buiten de eigenlijke tuinruimtes trof men binnen In de plantene te gebrulcken met het kappen van het domein ook nog enkele behaagelijke attraktiede palllsaten". punten aan zoals een "dolhof", een "hermltaljse" - 1776: "betaelt tot het maecken van eenen heegde en een rustiek uitzichtpunt "maekende de vue op meteenen ruljselwaegen om In de hof te wlrcken" t Gasteel" (17). Daar namen de kasteelbewoners (18). en hun genodigden de tijd om zich op een geliefkoosde manier uit te leven. Van deze tuingereedschappen was de "scheyerwaegen " of de "waegen om d'haeghen te scheeren" wel de meest indrukwekkende. Boven een meer De natuur was in grote mate onderworpen aan de eenvoudige en statische ladderkonstruktie geometrie. Het nodige onderhoudswerk bracht Vereenvoudigde cartogrofische evolutieschets van het kasteeldomein van Poeke (1763-1989)
M&L
Illustratie van de neoklassieke voortuin met naakte engeNiguurtjes bij het begin van de 20ste eeuw (foto Koninklijke
Bibliotheek Albertina, Prentenkabinet)
15
verkoos men dit mobiele toestel tot het scheren van vertikale vormelementen. Het onderhoud van geschoren elementen zoals palissaden, bomenrijen en hagen, die in belangrijke mate de perspektiefwerking verhoogden en dus de relaties met het omliggende landschap aanknoopten, nam dus een bijzondere plaats in.
LANGDURIG ONDERHUIDSE ROMANTIEK De verlichte ideeën van Jean Jacques Rousseau, die als vonken in een romantische natuurstijl waren overgeslagen, evolueerden reeds in de 18de eeuw, onder Britse impuls, tot de kontinentale landschapsstijl. Toch duurde het tot de 19de eeuw vooraleer de landschapsstijl ten volle tot het vasteland doordrong. Net zoals in vele Vlaamse kasteeldomeinen en later in publieke parken, ging men ook te Poeke over tot het borduren op het thema van de landschapstuin. Pas met de aankoop van het kasteeldomein door de familie Pycke de Peteghem (1872) kreeg de romantiek, na een lange onderhuidse aanwezigheid, toch een kans in Poeke (19). Ondanks deze verschuivingen behield het kasteeldomein in grote lijnen zijn geometrisch opzet. Door extrapolatie van en door selectie uit het beschikbaar kaartenassortiment van het kasteeldomein van Poeke tussen 1763 en 1933 kon de evolutie van dit domein hier grafisch worden voorgesteld. Het meest kenmerkend is de blijvende overheersing van het verreikende axiale drevenpatroon dat halfweg de 18de eeuw was uitgebouwd. Het sublieme concept van dit patroon hield stand tot in het derde kwart van de 19de eeuw, waarna het, samen met een opmerkelijke reducering van het bosbestand (1863) gedeeltelijk leek weg te kwijnen. De verklaring ligt allicht in het feit dat het kasteel en het park bij de aanvang van de jaren 1870 verkocht werden aan de familie Pycke de Peteghem. Misschien wilde de familie De Preudhomme d'Hailly voor de verkoop geregeld door kaalkap een flink stuk bos te gelde maken en er meteen nieuwe stukken verpachtbare landbouwgrond aan overhouden (20). Met de uiteindelijke aankoop van het kasteeldomein (1872) werd zowel de inrichting van het kasteel als van het eigenlijke park grondig herzien. Bij de motivatie die de nieuwe kasteeleigenaars daarvoor aan de dag legden, moet de kapitaalkracht ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld hebben. De rechtlijnigheid die vroeger de aanleg
beheerste, werd doorbroken door de aanleg van enkele graslanden met gebogen omtreklijnen. Een zo landschapsgetrouw mogelijke entourage liet zich vertalen in een vloeiend concept, waarbij een aantal bosgordels het kasteeldomein als het ware gingen inkapselen. Een nagenoeg hermetische vormgeving beperkte zich hier tot het creëren van een aantal louter interne beeldrelaties. De bijna voelbare beslotenheid van het 'nieuwe' kasteeldomein werd mogelijk uitdrukkelijk versterkt door een gevoelige inperking van het stervormige drevenpatroon en een drastische uitbreiding van het bosareaal. Deze romantische stroming, die op het einde van de 19de eeuw het ganse kasteeldomein een nieuw uitzicht gaf, vervaagde gedeeltelijk door de opkomst van een verregaand eclecticisme bij de aanvang van de 20ste eeuw. De voortuin was in deze periode dan ook getransformeerd tot een typisch voorbeeld van een neo-stijl die teruggreep naar de regelmaat van het Franse classicisme. In de compositie van de tuin werd opnieuw een rechtlijnigheid gecreëerd en bij de detaillering kregen twaalf terracotta-putti een plaats gereserveerd. Het huidige kasteeldomein verraadt nog heel wat sporen van het nieuwe elan dat de rijke Victor Pycke de Peteghem op het einde van de 19de eeuw aan Poeke bezorgde. Naast het kasteel zelf, getuigen hiervan nog best een aantal andere bouwarchitecturale componenten, waaronder een koetshuis, een ommuurde moestuin, een tweetal broeikassen en een ruim hondehok. Vele stijlkenmerken van deze bouwconstructies refereerden aan de pittoreske trends die men voor het hernieuwde kasteel had aangehouden (21). Jachtpartijen maakten reeds eeuwenlang furore onder de adellijke kringen. Ook de familie Pycke de Peteghem, die maar al te graag liet merken dat er ruimte werd vrijgemaakt voor modieuze
n • * . ï**^
EVBU^K'mH^H
^ . .
ia^
^^m^ Si?
V . ^ /
"JiBO
^
a F^S»
V ^
^ W g ^ ^ y
M&L
17
Cirkelvormige kennel met fantasierijk jachthondehok, omstreeks 1881 gebouwd (foto 0, Pauwels)
•4 Eindpunten van een statig boomgewelf langsheen de kasteelomwaliing (foto O. Pauwels)
initiatieven die aan de grillen van de bourgeoisie waren aangepast, was gedreven door de jacht. Niet in het minst heeft zij haar jachthonden een warm hart toegedragen. Middenin een ruime cirkelvormige kennel die met een eenvoudig ijzeren hekwerk was omsloten, werd met vakmanschap een fantasierijk hondehok opgericht. De cirkel was gehalveerd door een dubbele muur die een nauwe toegang verleende tot het hok, waarin een bakhuis centraal stond. Het voortijdig verdwijnen van de jachtactiviteiten en het ambachtelijk broodbakken, luidde een regelrecht verval in van dit merkwaardige gebouwtje. Met de geplande volledige restauratie van het huidige kasteel - waarvan momenteel reeds belangrijke deeloperaties aan de gang zijn (22) ziet het er goed naar uit dat het kasteeldomein nog voor meerdere eeuwen aan de geschiedenis van het Oostvlaamse plattelandsdorp zal kunnen verder bouwen... Uit wat aan verwerkt historisch bronnenmateriaal kan worden aangetoond, blijkt hoe nadrukkelijk het kasteeldomein van Poeke tot op vandaag de
sporen toont van de creativiteit die haar vroegere bewoners en gebruikers aan de dag legden. Deze expressie uit zich het meest in de bouw- en parkarchitectuur. Precies om die reden meet dit eeuwenoud historisch geheel van kasteel, domein en dorp zich een uitzonderlijke belevingswaarde toe. Maar er is meer ... want deel uitmakend van een vrij gaaf gebleven en levensvatbaar beekdalsysteem, vormt het kasteeldomein van Poeke ook een uiterst vitale landschappelijke eenheid. Deze vaststelling spoort aan om zowel historische als landschappelijke relictwaarden nader te belichten en samen te voegen, om vervolgens aandachtspunten te ontdekken voor een creatief en planmatig parkbeheer.
LANDSCHAPPELIJK VERSCHEIDEN KADER
Het kasteeldomein van Poeke is centraal gelegen in de vallei van de Poekebeek, die op haar beurt vervat zit in een meer dan 110 km2 groot stroombekken met een omvangrijk waterlopenstelsel.
18
M&L
Het landelijke dorp Poeke is gesitueerd op de aanzet van het zandleemplateau van Tielt Centraal tegen de achtergrond ligt het kasteeldomein in een opgevulde uitloper van de Vlaamse Vallei (foto 0. Pauwels)
Dit dendritisch vertakt stelsel van laaglandbeken wordt door twee uitgestrekte heuvelruggen of interfluvia ingepalmd en helt af in Oostelijke richting. Tot iets stroomopwaarts van het kasteeldomein ligt de Poekebeekvallei in een diep ingesneden uitloper van de Vlaamse Vallei. In wezen dient men dit morfogenetisch belangrijke gebied te beschouwen als een erosiereliëf van fluviatiele oorsprong dat bovendien diepe geulen omvat die in het Tertiair substraat zijn ingesneden (23). Hiermee is meteen de sterke geologische geaardheid van het kasteeldomein verklaard. Samen met een heel omvangrijke bodemtextuurdifferentiatie geeft de historische site dan ook blijk van een sterke fysiografische verscheidenheid.
Reliêtkaart van het kasteeldomein (Nationaal Geografisch Instituut)
Naar analogie met de vereenvoudigde bodemkaart is duidelijk te zien dat zich op een relatief geringe afstand een volledig gamma van laaggelegen vochtige zandleemgronden tot hogergelegen droge zandgronden ontwikkelde (24). In de depressie van de weliswaar sterk vergraven Poekebeek zijn de bodems opgebouwd door sedimentatie van zandlemige en kleiige oppervlakte-afzettingen. Deze afzettingen corresponderen in belangrijke mate met zogenaamd recent alluvium dat zich tijdens de voorbije 10.000 jaar ophoopte en plaatselijk door zandlemig colluvium werd aangerijkt.
hoogteüjn in meter hoogtelijnenmterval: 1.25 m
Het is meer dan waarschijnlijk dat de gunstige afwisseling tussen natte en droge zandleemgronden de vroege occupatie van het aaneengesloten natuurlandschap in de regio rond Poeke sterk bevorderd heeft. Het is bovendien niet onmogelijk dat de huidige kasteelsite van Poeke, waarvan gesteld wordt dat zij ontstaan is uit een meerledig castraal motte-systeem, een belangrijke aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op de Middeleeuwse bewoningsgeschiedenis en ontginningsbeweging. Het mag dan ook duidelijk zijn dat dit in hoofdzaak agrarische landschap, nog steeds de geest van een (feodale) cultuur uitdrukt.
Vereenvoudigde bodemkaart van het kasteeldomein (naar H. Vandenhoudt en C, Thys centrum voor Bodemkartering)
i
pedologische grens zand iemigzMd licht zandleera zandleem klei zware klei
.d. .e, i.
matig nat nat; sterk gteyig zeeroatizeersterkgleyig
,..c ..p
met verbrokkelde tekstuur 8-honzont zonder profielontwikkeUng
droog matig droog
l... i...
kleisuhstraat op geringe diepte klei-zandsubstraat op geringe diepte
bebouwde zone vergravea; sterk antropogene invloed
FEODAAL FUNDAMENT Nagenoeg elk kasteeldomein vertoont nadrukkelijke sporen van een sterk gemanipuleerd cultuurlandschap; het kasteeldomein van Poeke vormt daar allerminst een uitzondering op. De huidige opbouw van bos-, grasland- en dreefbestanden laat nog steeds aanvoelen hoe sterk feodaal georganiseerde menselijke activiteiten (landbouw, houtteelt, jacht...) zich hebben laten weerspiege-
M&L
19
len in deze cultuurrijke bodemgebruiken. Elk bodemgebruik is trouwens strikt afhankelijk geweest van een specifiek beheer dat als een bijna noodwendige continuïteit werd uitgebouwd.
De boomen taille
net, zorgvuldig verdiept. Het strooisel - dat men als veevoeder benutte - werd steeds afgevoerd. Soms liet men vóór het einde van de zomer de hooilandpercelen éénmalig door koeien, paarden of schapen afgrazen: - 1773: "Joseph Predome heeft ghemaeijt in den mersch ghenaemt de vette wee den nomber van dry daegen voor de Seer Edelen heer burghgraeve van Nieuport, baron van Poucques etc, etc". - 1773: "Philippus van Gelder heeft ghevrocht... in het ophoyen van het gars in de vette wee ende het suyveren van den gracht" (26).
Vooral de relatief laaggelegen bosbestanden kenden een zorgvuldig hakhoutbeheer met zogenaamde korte omlooptijden. Bij deze techniek werd de bosbodem ongeveer om de acht jaar op een afdoende wijze verschraald door de gezonde houtopslag — die hoofdzakelijk als brandhout benut werd — af te zetten en te verwijderen: De drydobbel dreve Vooral de relatief laaggelegen bosbestanden Hoewel hier moeilijk als een perceelsgebonden kenden een zorgvuldig hakhoutbeheer met bodemgebruik te omschrijven, was ook het zogenaamde korte omlooptijden. Bij deze drevenstelsel uit de omgeving van het kasteeltechniek werd de bosbodem ongeveer om de acht domein aan een zorgvuldig beheer onderworpen. jaar op een afdoende wijze verschraald door de Het uitgebreide bomenrijenpatroon fungeerde gezonde houtopslag — dat hoofdzakelijk als immers niet alleen als ondersteuning van een brandhout benut werd — af te zetten en te creatief tuinordeningsprincipe, maar zorgde verwijderen: eveneens voor brand- en constructiehout: - 1757: "item over seven coopen boomen (...) de - 1752: "item betaeltaen jan baptist van Hove over welcke te meerderen deele sijn gemaeckt in van eenen eecken boom verbesight aen den branthaut voor de cleijne schouwen op het casteel ijskeldere". ende de bequaamste sijn by order van Sijne - 1775: "betaelt in 't vellen van drij boomen Edelheyt doen saegen in temmerhout." (25) omtrent d'hermitagie om de brugge te vermaecBovendien werden de bosgreppeltjes, die in de ken achter het kasteel" (27). nodige afwatering voorzagen, bij elke hakbeurt van bladafval geschoond, terwijl ook steeds het Tussen de vele vormen van agrarische bedrijfsdorre hout netjes werd opgeruimd. voering en de sociale geleding van het plattelandsdorp (pachter-landbouwer versus verpachter-landheer) bestond een onmiskenbare samenhang. De vette weede De uitbating van de heerlijkheid Poeke en het Van de laagstgelegen vochtige graslanden in het kasteeldomein van de adellijke grootgrondbezitkasteeldomein kan een bijna identiek verhaal ters was dus heel systematisch onderbouwd, verteld worden, maar in plaats van een hakhoutgezien de onderdanige pachters en de licht beheer paste men hier een zorgvuldig maaibeheer despotische kasteelheren via een bestuurlijke toe. Bij deze techniek werd de bodem op een lotsverbondenheid geharnast waren aan de afdoende wijze verschraald door het betreffende feodale verhoudingen. Gezien de uitgestrektheid perceel bij het begin van de zomer te hooien. van de adellijke eigendomsstructuur in Poeke en Bij elke maaibeurt werden de afwateringsslootjes, omgeving tijdens het Ancien Régime, overschreed die deel uitmaakten van een uitgebreid grachtende natuurlijke bedrijfsopbrengst doorgaans de eigen behoefte. Onregelmatig overstromend grasland, sinds eeuwen geëxploiteerd als hooiland (foto W. Labarque)
Door middel van een opgevijzelde politiek-economische wetmatigheid haalde de adel gretig profijt uit de opbrengstoverschotten die zij van haar uitgestrekte eigendommen oogstte. De kasteelheren puurden immers extra inkomsten uit notariële verkopingen (vendities) en verpachtingen van onder meer kaprijpe bomen(rijen), akkervruchten, vers hooi en plantgoed, voornamelijk uit het kasteeldomein zelf. Geregeld worden in het archief van de familie De Preudhomme
20
M&L
Item deghene eenige dreven gepacht hebben, sullen hunne passagie ofte repassagie met hunne beesten moeten nemen te naesten doenelijck sijnde ende ten minste schaede op pene als hier vooren, lederen pachter sal sijne dreven ofte coopen gers moeten suijveren en ruijmen van den uijtslagh van hout, doorens, destels, braemen ende biesen, alsmede van het gers dat de beesten nieten eten ofte laeten staen ende t'selve moeten afsneijden ofte maijen sonder eenighe schaede te doen aen boomstecken ofte aen haeghen" (29).
VAN VERVAGENDE ADELLIJKE TRADITIES TOT BREUKLIJNEN IN HET HUIDIGE PARKBEHEER
Laaggelegen begreppeld bosbestand, sinds eeuwen geëxploiteerd als hakhoutbos (foto 0, Pauwels)
• Bosanemoon, algemene voorjaarsbloeier in oude hakhoutbestonden (foto F, Lammertyn BVNO • • Verspreidbiadig goudveil, zeldzame ontdekking op zware kleibodem (foto F. Lammertyn BVNO
In de tweede helft van de 20ste eeuw is het onderhoud van het kasteeldomein steeds grotere financiële inspanningen gaan vergen. Ondermeer door de lager wordende rentabiliteit van de bosbestanden, het teloorgaan van talrijke d'Hailly aantekeningen teruggevonden over onder meer "verpachtinghen van het gers in de dreven pachtverhoudingen en de steeds hoger oplopende loonkosten, is dit een te zware last gebleken voor ende wercken van het casteel van Poucques" en "vercoopijnghen van maeygers in de vette wee (...) de kasteeleigenaars. Na het overlijden van de laatste barones van Poeke (1955) en daarmee het met den toemaet daer mede gaende" (28). Uit vele van dergelijk bewaard gebleven aanteke- volledig verdwijnen van de adellijke eigendomstoestand, is de levensvatbaarheid van het kasteelningen blijkt bovendien dat zowel pachters als domein zelfs herhaardelijk in vraag gesteld (30). kopers aan een resem voorschriften en verplichtinHet kasteel heeft - bij testament van de laatste gen onderworpen waren. Vele van deze nauwbarones - aanvankelijk nog de bestemming van keurig opgetekende bepalingen tonen duidelijk kinderkolonie gekregen, maar hoe dan ook kon aan dat het kasteeldomein en de naaste omgeving het behoud van het domein als familie-bezit niet tot in de details door een heel strikte menselijke langer meer worden volgehouden. Kort na de activiteit in banen was geleid: "Alvooren de pachters van eenighe gersverpachtin-samensmelting van Poeke met de fusiegemeente gen in de wercken van het casteel sullen gehouden Aalter in 1977, is uiteindelijk naar een nieuwe sijn het selve af te wachten met hunne coeijbeesten, bestemming gezocht en wijzigde de eigendomssonder t'selve af te maijen ende hunne beesten in toestand zich voor een laatste maal. Het kasteel en den handt ofte koorde te houden, om geene schaedehet uitgestrekte domein zijn toen gezamelijk en tegen symbolische prijs overgedragen aan deze te doen aen boomen ofte haeghen op pene van Oostvlaamse gemeente. schaede en interest te moeten betaelen.
M&L
21
Deze eigendoms- en beheerswisselingen - vaak door beleidsinitiatieven doorkruist - hebben echter niet kunnen beletten dat continu parkbeheer gaandeweg onderbroken is geworden. Parallel met deze omwentelingen hebben een reeks bedreigingen, die nauw bij de algehele milieuproblematiek in Binnen-Vlaanderen (33) aansluiten, in een duidelijke landschappelijke aantasting van het kasteeldomein geresulteerd. Deze problemen omvatten in belangrijke mate de water- en bodemverontreiniging en in mindere mate ook de luchtverontreiniging en de stijging van de geluidsoverlast. De recente wind- en droogteschade, respectievelijk in het voorjaar en het zomerseizoen van 1990, hebben eveneens hun tol geëist.
VEGETATIE IN VERSCHUIVING
Vegetatiepatronen binnen het kasteeldomein vertonen kenmerken van verruiging (foto 0, Pauweis)
Geie dovenetei, opvallend aanwezig in de directe omgeving van het oude drevenpatroon (foto F. Lammertyn BVNF)
Het kasteeldomein heeft volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde Gewestplan Eeklo-Aalter het statuut van parkgebied gekregen, een gebied dat in zijn staat bewaard moet worden en waarvan de bestemming zodanig moet zijn dat de sociale functie vervuld kan worden (31). Een bij wet van 29 maart 1982 goedgekeurd Bijzonder Plan van Aanleg bestempelt het kasteeldomein integraal als openbaar park voor passieve recreatie (32). Het beschermen van het kasteel als monument, bij koninklijk besluit van 13 oktober 1943 en het rangschikken van het resterende kasteeldomein als landschap, bij koninklijk besluit van 1 maart 1978, brengt eveneens bijkomende reglementaire bepalingen met betrekking tot het groengebied mee. Sinds 1981 tenslotte is op dit juridisch instrumentarium en vanuit de technische dienst van de gemeente Aalter een beheersplan geënt, dat telkens in een vijfjarige cyclus wordt uitgewerkt.
Binnen het globale vegetatiecomplex van het kasteeldomein is door de langdurige menselijke activiteit, een duidelijke bos-, grasland- en boraenrijenstruktuur met een karakteristieke plantenopbouw ontstaan. In een dergelijke half-natuurlijke en soms ook rest-natuurlijke opbouw heeft men tot voor kort duidelijk verschillende vegetatietypes kunnen onderscheiden (34). Het terugschroeven van de menselijke activiteit heeft echter tot een plaatselijke uniformisatie van het oude cultuurlandschappelijke beheerspatroon geleid. Samen met de funeste gevolgen van diverse bronnen van verontreiniging en oorzaken van verstoring en versnippering, brengt dit ondermeer vervaging van de oorspronkelijke variatie aan planten- en dierenleven met zich mee (35). Vele van de oorspronkelijke vegetatie types zijn bijvoorbeeld nog slechts rudimentair aanwezig. De laaggelegen bosbestanden met een goede strooiselvertering dragen duidelijke kenmerken van zogenaamde oude bossen, voortkomend uit voormalige hakhoutbestanden. Deze bossen bleven reeds meer dan 250 jaar met loofhout beplant en ontwikkelen zich dus op gerijpte maar weliswaar sterk vergraven bodemtypes. De kruidlagen worden echter hoe langer hoe meer gekoloniseerd door planten uit zogenaamde recente bossen. Het verdwijnen van tradities (1955) en de geringer wordende marktwaarde van het hout na de Tweede Wereldoorlog heeft immers ook te Poeke voor een dalende interesse in de hakhoutcultuur gezorgd. Hierdoor zijn de meeste hakhoutstobben sindsdien niet meer
22
M&L
ingeboet. Door deze vorm van achterstallig beheer is de bosbodem lichtarmer geworden, gezien de struiklaag steeds forser is gaan uitgroeien. De uitgeputte hakhoutstobben scheuren stilaan open waardoor de struktuuropbouw van het voormalige bosbestand vervalt en waarbij de oorspronkelijke kruidlaag wegkwijnt. Hierop spelen concurrentiekrachtige planten uit recente bossen in en treden er als storingsindicatoren in de onderbegroeiing op. De afwateringsgreppels en de vochtrijke zomen van de oude dreven die wèl nog een gewenste lichtintensiteit behalen, mogen als uitwijkplaats of refugium voor een aantal hakhoutrelicten worden aangezien (36). Enkele verwaarloosde hakhoutbestanden vertonen momenteel een duidelijk middelhout-aspekt, dat zich door een struweelachtig karakter met afwisselende kruidachtige en houtachtige structuurelementen met een bovenlaag van verspreide bomen kenmerkt. Deze uiterst gevarieerd opgebouwde percelen zijn erg gunstig voor een aantal typische zangvogels, waaronder de Nachtegaal (Luscinia megarhynchos L.). Het resterende drevenpatroon, de verwaarloosde achtertuin en de iets hogergelegen bosbestanden met fragmentaire concentraties aan Zomereik (Quercus robur L.), bieden dan weer unieke vestigingskansen voor vogelsoorten met een uitgesproken voorkeur voor oude, omvangrijke parken.
Indicatief verspreidingspatroon van enkele kruidachtige planten- en paddestoelsoorten (waarnemingen mei-oktober 1988)
De laaggelegen alluviale graslandbodems zijn steeds aangepast geweest aan episodisch voorkomende overstromingen. De regelmatigheid van deze overstromingen heeft akkerbouw op deze plaatsen erg onbetrouwbaar gemaakt, maar voor de exploitatie van zogenaamde meerschen bleken deze gedeeltes uiterst geschikt. Door de evolutie in de landbouwtechnieken zijn grote delen van deze graslanden kunstmatig ontwaterd en verbeterd tot permanente graasweiden. Dit neemt nochtans niet weg dat op deze plaatsen nog steeds overstromingen optreden. In tegenstelling tot vroeger gebeurt dit enkel nog tijdens het winterhalfjaar, wanneer de grondwatertafel boven het maaiveld komt te staan. Hoewel de laagwaterpeilen van de Poekebeek ter hoogte van het kasteeldomein niet al te drastisch zijn gedaald, treedt langs de beekoevers -aansluitend op de laaggelegen graslanden- een sterke doorluchting op. Dit heeft een sterke mineralisatie en een snelle opwarming van de graslandbodem voor gevolg. Deze situatie wordt plaatselijk in de hand gewerkt door een relatief intensieve scheikundige bemes-
ting. Een daarmee gepaard gaande bodemverrijking leidt automatisch tot frequent voorkomende vormen van eutrofiëring, die zich door een globale verruiging van de begroeiing laat kenmerken. De geleidelijke en langzaam inwerkende verruiging van het kasteeldomein ontstaat onder meer door het onbewust wijzigen van het hydrografisch net (37). Hierdoor treedt in de bovenste bodemlagen een sterke mineralisatie op, wat vaak gepaard gaat met lokale opstapeling van organisch materiaal. Een aanzienlijke bodemverrijking en een verhoogde beschikbaarheid aan stikstof biedt uitgelezen vestigingskansen aan planten die deze nutriëntenstroom optimaal kunnen benutten en zich ten koste van stikstofmijdende planten fors ontwikkelen. Specifieke degradatie van groeiplaatsen door onder meer het dempen, afvalstorten en het vaak onbewust ontwateren van grachten door het aanbrengen van riolering, uit zich in het verdwijnen en afsterven van relatief zeldzame planten.
DREVENPATROON ALS UITWIJKPLAATS VOOR KRUIDACHTIGE PLANTEN Er mag gerust gesteld worden dat het waardevolle 18de-eeuwse drevenstelsel als refugium fungeert voor een hele rist planten uit gedegradeerde hakhout- en hooilandbiotopen. De dreven vormen de nagenoeg enige overgebleven plaatsen waar
y
Dotterbloem / Caltha palustris L.
^
Echte koekoeksbloem / Lychnis flos-cuculi L.
0
Moerasspirea / Flipendula ulmaria Maxim.
*
Pijptorkruid / Oenanthe fistulosa L.
•
Gele dovenetel / Lamium galeobdolon (L.) L.
IJ
Kleibosrussula / Russuia pseudointegra Arn. & Goris
M&L
23
uitgeweken planten voet aan wal hebben gekregen. Hun vestigingskansen staan er steeds in verhouding tot de lichttoevoer, de betredingsdruk en de verschillen in bodemgesteldheid en waterhuishouding. Kruidachtige planten krijgen op deze plaatsen beslist géén optimale groeikansen, maar nemen bij gebrek aan betere standplaatsen blijkbaar genoegen met dergelijke condities (38). Conform de verscheidenheid aan planten, treft men in het kasteeldomein een in aantal bijna evenredige verzameling paddestoelen aan. De verspreiding van een aantal zeldzame paddestoelsoorten houdt meer dan waarschijnlijk verband met de interne fysiografische verscheidenheid van het kasteeldomein (39). Het zijn voornamelijk de bodemtypes met klei- en klei-zandsubstraat op geringe diepte, die in de herfst geschikte groeiplaatsen vormen. Het is hierbij bovendien opvallend dat, meer bepaald in het drevenbestand op deze bodemtypes, veel mycorrhiza-vormende paddestoelen zoals russuia's, melkzwammen, boleten en amanieten in kombinatie met Zomereik (Quercus robur L.) en Beuk (Fagus sylvatica L.) werden aangetroffen (40).
AANDACHTSPUNTEN VOOR INRICHTING EN BEHEER Door een grondige herwaardering en een weloverwogen herinbreng van vroegere bodemgebruiksvormen kunnen, weliswaar tegen gewijzigde cultuurhistorische achtergronden, inrichtings- en beheersinitiatieven gelanceerd worden. Deze initiatieven houden best rekening met behoud en/of optimalisering van de historischlandschappelijke relictwaarden. Gezonde beheersvoorstellen moeten leiden tot een aanvaardbaar compromis tussen de meerdere functies die het kasteeldomein moet vervullen. Het formuleren van beheersmodaliteiten zal daarom streven naar verweving van die verschillende functies, met name monumenten- en landschapszorg, natuurbehoud, recreatief medegebruik en agrarisch medegebruik. Vermits het huidige kasteeldomein, met centraal het kasteel, in hoofdzaak herkenbaar blijft als een laat 19de-eeuws adellijk landgoed met geïntegreerde 18de-eeuwse dreefbestanden, kunnen park-architecturale inrichtingsmogelijkheden best op de 19de-eeuwse vormgeving aansluiten. Binnen dit kader is de vooropgestelde reconstructie van het ISde-eeuwse klassieke drevenpatroon - momenteel slechts als relict aanwezig - aanvecht-
baar. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt sluit deze reconstructie immers niet aan bij de hogervermelde landschappelijke vormgeving uit vorige eeuw. Gezien de vastgestelde verwaarlozing van het huidige drevenpatroon, is een uitbreiding van het drevenbestand trouwens moeilijk te verantwoorden (41). Het is daarentegen wel aangewezen het resterende axiale drevenpatroon als relict te behouden en het, conform het vroegere beheer, aan een zorgvuldig maaibeheer te onderwerpen. Zodoende kan het bestaande drevenbestand borg staan voor de instandhouding van een duurzaam refugium voor kruidachtige plantesoorten en paddestoelen. Ook met het herstel van verwaarloosde afwateringsgrachten en het belang daarvan voor vochtminnende plantesoorten, amfibieën en talrijke insekten moet in deze context rekening worden gehouden. In het kader van een historisch-landschappelijk verantwoord parkbeheer kunnen voor een aantal hakhout - en hooilandbiotopen specifieke maatregelen getroffen worden. Het herwaarderen van deze overigens zeldzaam geworden biotopen kan op middellange termijn bijdragen tot het herstel van twee visueel - en cultuurlandschappelijk waardevolle elementen binnen het kasteeldomein. Het traditionele beheer van beide biotopen dient daarom op een zorgvuldige en complete manier hervat te worden. Kap- en maairegimes kunnen daartoe opnieuw aan het voormalige bodemgebruik worden aangepast. Oude gefragmenteerde hakhoutbestanden zijn omwille van hun onvervangbaarheid, hun natuurlijkheid, hun cultuurhistorische waarde en hun relatieve zeldzaamheid, van uitzonderlijk belang voor natuurbehoud. Hogergelegen bosbestanden op basis van Amerikaanse eik (Quercus rubra L.) en Tamme kastanje (Castanea sativa Mill.) kunnen op lange termijn deel uitmaken van bosbouwkundige omvormingsprogramma's, waarbij van gemengde loofboombossen op basis van Zomereik wordt uitgegaan (42). Ook het herintroduceren van inheemse boomsoorten met een goede bladvertering, zoals Winterlinde (Tilia cordata Mill.) en Hazelaar (Corylus avellana L.), verdient aandacht. Bepaalde delen van voormalige hooilanden - bij voorkeur deze die op waterlopen en/of bermen aansluiten - kunnen opnieuw als kenmerkend graslandtype in gebruik worden genomen. Een doelgericht beheer, conform het wegberm-
24
M&L
Het oude drevenpotroon biedt vervangende vestigingsplaatsen voor onder meer kruidachtige planten en paddestoelen (foto O, Pauwels)
Relict van het stervormige knooppunt van dreven, met nagenoeg verdwenen zlchtrelaties (foto O, Pauwels)
besluit van de Vlaamse Executieve (43), kan in hoge mate het toekomstig karakter van een bloemrijke vegetatie bepalen en kan gemakkelijk in tijd en ruimte aansluiten bij de revalorisatie van het hooilandbiotoop. Bij drastisch onderhoud door recente ruimingswerken zijn de beekprofielen in vele opzichten sterk gewijzigd en is op de oevers vaak verontreinigd bagger gedeponeerd. Afgezien van de water-
verontreiniging stelt zich dan ook het probleem van onaangepast onderhoud aan laaglandbeken, afwateringsgrachten en kleine kanalen. Maatregelen die de Poekebeekvallei ter hoogte van het kasteeldomein bevestigen als een structurele en plaatselijk functionele eenheid kunnen vanuit historische-landschappelijk oogpunt best aansturen op de waterbergende functie die de vallei als natuurlijk overstromingsgebied bezit.
M&L
Hakhoutbestand van Tamme kastanje met duidelijk middelhoutaspect en spaarzame kruidachtige onderbegroeiing (foto 0. Pauwels)
25
Om beheersvoorstellen uiteindelijk ook in geïntegreerde en gecoördineerde planningsprocessen te kunnen laten uitmonden, wordt hier gesuggereerd om beheersplannen voor het kasteeldomein met multidisciplinaire inspraak op te stellen en de resultaten daarvan gefaseerd in tijd en ruimte in praktijk om te zetten. In elke beheersfase zullen bijsturende maatregelen zoals kappen, maaien en het eventueel inzetten van dieren voor begrazing mogelijk moeten blijven. De onderhoudswerken moeten bovendien een continu verloop hebben, zoniet gaan de effecten ervan snel teniet. Het definitief beheersplan voor het kasteeldomein mag niet lukraak worden aangevat. Het moet uitmonden in een voorstel voor de fasering van de uitvoering, de te nemen maatregelen per fase en de daarmee gepaard gaande kostenberekening. Bovendien kan naar een gebieds- en tijdsindeling gezocht worden, zodat plotselinge veranderingen in het totaalbeeld van het kasteeldomein vermeden kunnen worden. Tenslotte moeten - via terugkoppeling - aanpassingen aan opgestelde beheersplannen mogelijk blijven. Planningsprocessen inzake creatief parkbeheer dienen met andere woorden steeds cyclisch te verlopen.
BEHEERSOVEREENKOMST, PACHWERBINTENIS NIEUWE STIJL
In latere fases, met name tijdens de opstelling van het beheersplan, zullen feitelijke uitvoeringsmodaliteiten moeten worden ingepast. Samen met het bereiken van een gewenste verwevenheid tussen monumenten- en landschapszorg, natuurbehoud, recreatief medegebruik en agrarisch medegebruik, moet tegelijk nog ruimte geboden worden aan het financieel-economische aspect.
Op basis van de geformuleerde inrichtingsvoorstellen kunnen landbouwers die gemeentelijke eigendomspercelen binnen het kasteeldomein pachten, op daarvoor aangewezen gronden beheersovereenkomsten afsluiten. Wanneer zij het dagelijkse gebruik van deze gronden afstemmen op een traditioneel bodemgebruik kan daarvoor een bepaalde vergoeding worden uitgekeerd. Tegen geldelijke compensatie kunnen de betrokken landbouwers dus medewerking verlenen aan een bedrijfsvoering die rekening houdt met de cultuur- en natuurhistorische waarde van het kasteeldomein. Bij deze situatie wordt een duidelijke verweving van verschillende facetten bereikt, terwijl het bedrijfseconomisch element behouden blijft.
26
Het eeuwenoude kasteeldomein straalt - a:s gebied voor passieve recreatie - heel wat toekomstwaarde uit (foto 0. Pauwels)
M&L
Een andere mogelijkheid bestaat in het pachtvrij verklaren van een aantal gemeentelijke eigendomspercelen binnen het kasteeldomein. Deze percelen kunnen daarna volgens een gewenst bodemgebruik beheerd worden, waardoor de kans geboden wordt om graslanden bijvoorbeeld door provinciale of gewestelijke instanties te laten beheren. Hierdoor kan inderdaad een intacte landschapsstructuur uitgebouwd worden, maar door de inbreng van onderhoudspersoneel en extra middelen wordt geen verzoening tussen verschillende facetten bereikt. Pogingen tot integratie van bijvoorbeeld landbouw- en natuurbehoudsdoelstellingen binnen het kasteeldomein dreigen dan wel te mislukken. Verpachting van gemeentelijke eigendomspercelen met zogenaamde beperkende bepalingen kan daarom meer prioritair gesteld worden dan het inschakelen van pachtvrije percelen. Bij beide mogelijkheden kan beroep gedaan worden op aan te knopen samenwerkingsverbanden met derden, zoals lokale instellingen of verenigingen die belangstelling vertonen in de intrinsieke waarden van het kasteeldomein. Het ontplooien van activiteiten op het gebied van vrijwillig en educatief landschapsbeheer biedt immers steeds meer mogelijkheden (44).
(10) (11) (12) (13)
De vele - in overleg gepleegde - intenties die uit beheersvoorstellen naar voor komen, kunnen tot slot samen gericht zijn op de vrijwaring van het kasteeldomein in zijn geheel en op het functionele behoud van specifieke cultuurhistorische en landschapsecologische relictwaarden in het bijzonder. (14) (15) (16) (17) (18) (19)
VOETNOTEN
Hoste I. en Stockman L., De geschiedenis van Poeke, Gemeentebestuur Aalter, 1985. p. 258. (2) Buntinx J., Inventaris van het archief der familie De Preudhomme d'Haüly en der aanverwante families, Brussel, 1950. Rijksarchief Gent (RAG), Fonds De Preudhomme d'Hailly (PdH), RAG PdH nr. 514. (3) RAG PdH nr. 737. (4) RAG PdH nr. 510. (5) RAG PdH nr. 510. (6) RAG PdH nr. 514. (7) Stroobants A., Enkele gegevens over de bouwgeschiedenis van het kasteel van Poeke en over de plaatselijke zijdeteelt in de 18de eeuw, in Appeltjes van het Meetjesland, 34, p.289 (1983). (8) RAG PdH nr. 515B. (9) Hierbij mag niet vergeten worden dat de baron van 1774 tot 1781, door rechterlijk vonnis, het vrije beheer van zijn goederen ontnomen was en dat het feodale regime onder een relatief vredig Oostenrijks bewind moeilijke tijden stond te wachten. (1)
RAG PdH nr. 270. RAG PdH nr. 49. RAG PdH nr. 6. Zie: Turner T., English Garden Design, History and Styles since 1650, Woodbridge, 1986, p. 37: "The changes in the use of the words 'nature' and 'landscape' were a key factor in the development of new styles of garden design. At the end of the seventeenth century garden plans were based on the primary geometrical forms, especially the circle and the square, which were believed to occupy the highest positions in the hierarchy of shapes. In the course of the eighteenth century there was a move towards serpentine and irregular lines, as the concepts of nature and landscape continued their path downwards from the world of the forms".
RAG PdH nrs. 510, 515B en 8B. RAG PdH nr. 514. RAG PdH nr. 52. RAG PdH nrs. 514 en 515B. RAG PdH nrs. 510, 6 en 515B. Een vierdelige reeks van uiterst waardevolle fotografische documenten uit 1872 geeft een duidelijk beeld van het kasteel vóór de aanpassingen aan de mode van de laat-19de eeuw. Bij nader toezicht blijkt hoe sterk de omgeving van het kasteel doorspekt is gebleven met restanten uit klassieke stijlperiodes. De documenten werden welwillend ter beschikking gesteld door Dhr. Defruyt uit Aalter. (20) Hoste I. en Stockman L., o.c, p.153. (21) Bij de verstrekkende verbouwingen die het kasteel omstreeks 1875 heeft ondergaan, zijn de bovenverdiepingen weggehaald, de gevels grondig vernieuwd en de torens omgevormd. Het resultaat is een beladen conglomeraat van onder meer Franse en Spaanse stijlen geworden. Slechts enkele relicten (rocailleconsole's en siervazen) zijn tot op vandaag blijven verwijzen naar de behaagzieke Rococo-stijl uit de 18de eeuw. (22) Op initiatief van de gemeente Aalter zijn vanaf 1990 verregaande restauratie-initiatieven gelanceerd. Dit resulteerde reeds in vakkundige zink-restauraties aan vier peervormige torenspitsen, dakdichtingswerken en volledige bestrijding van hardnekkige huiszwamaantastingen. Momenteel zijn eveneens uitgebreide dossiers rond gevelrestauratie in opmaak. In opeenvolgende fases zullen deeloperaties, steeds onder lokale, provinciale en gewestelijke betoelaging, uitgevoerd kunnen worden.
M&L
De Poekebeekvallei bezit een duuizame waterbergende functie, hier net stroomopwaarts het kasteeldomein (voorjaar 1988) (foto W. Labarque)
Het kasfeei van Poeke (foto O Pauweis)
27
(23) De Moor G., Bijdrage tot de kennis van de fysische landschapsvorming in Binnen-Vlaanderen, in Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies, 32, p.338 (1963). (24) Naar Sys C , Vandenhoudt H. en Thys C , Verklarende tekst bij het kaartblad Aalter (54W), Gent, Centrum voor Bodemkartering, 1967. De fysiografische verscheidenheid wordt goed duidelijk door de correlatie te maken tussen de bodemkaart en de reliëfkaart. Hierin stemmen de hoogste zone's (+ 16,25m en meer) overeen met de zandige tot lemig zandige afzettingen en de laagste zone's (+ 13,75m en minder) met de kleiige tot zandlemige afzettingen. In de tussenliggende zone's (van + 13,75m tot + 16,25m) rusten de resterende licht zandlemige afzettingen. (25) RAG PdH nr.507. (26) RAG PdH nr. 47. (27) RAG PdH nrs. 6 en 515B. (28) RAG PdH nr. 515B. (29) RAG PdH nr. 515A (30) Op het einde van de zestiger jaren zijn in Poeke de besprekingen aangaande het Gewestplan op gang gekomen. Er is voorgesteld de oppervlakte van het kasteeldomein, ingericht als recreatiegebied, te beperken tot een tiental hectare en de overige gronden als (residentiële) woonzone in te richten. (31) Staatssecretariaat voor Streekeconomie, Gewestplan Eeklo-Aalter21/3,1:25 000, Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening (1978). (32) Gemeente Aalter, Integrale Bestemming Bijzonder Plan van Aanleg • BPA nr.14. Technische Dienst Gemeente Aalter (1982). (33) Marchand P. en Waelput D., De Landschappen van het Benelux-gebied, de Vlaamse Vallei en Binnen-Vlaanderen, Gent, Onderzoekscentrum voor Landschapsecologie en Milieuplanning, ca.250 p., niet gepubliceerde nota's. (34) Bij deze interpretaties is het goed te beseffen dat de plantengroei slechts één aspekt vormt van een totaal ecosysteem. Voor een goed begrip van de half-natuurlijke vegetatie blijft het dan ook essentieel dat globaal inzicht in de natuurlijke kringloopprocessen van wezenlijk belang zijn om de huidige ecologische betekenis van het kasteeldomein te kunnen bepalen en om de effecten van allerlei vormen van landschapsdegradatie goed te kunnen inschatten.
(35) In vele gevallen vormt verontreiniging een directe hinderpaal voor de leefbaarheid van een groot aantal ongewervelde diersoorten, waarvan in het bijzonder de aërobe microfauna. Door het nagenoeg ontbreken van dergelijke 'schakels' in de totale voedselketens, worden primaire levenscycli bijna onherstelbaar verbroken. Deze trends zetten zich in het kasteeldomein met een moeilijk waarneembaar tempo verder. (36) De vestigingskansen van bedreigde plantesoorten staan, naast waterhuishouding en lichttoevoer, ook steeds in verhouding tot onder meer verschillen in bodemgesteldheid en betredingsdruk. (37) Tot dit net behoren bijvoorbeeld ondiepe afwateringssloten, bospoelen en rabatstrukturen. Met rabatten worden bosbodems bedoeld, die ontstaan zijn door laaggelegen gronden door middel van evenwijdige greppels in smalle, opgehoogde stroken te verdelen en nadien te beplanten. (38) Bij manier van spreken kunnen uitgeweken planten hier beschouwd worden als dissidenten van verschillende strekking, die op zoek gingen naar een land dat hen politiek asiel wil verlenen. Het drevenpatroon in het kasteeldomein kan daarbij beschouwd worden als het refugium (het land) waar de uitgeweken planten voet aan wal gekregen hebben. (39) zie voetnoot 24. (40) (ecto)mycorrhiza staat voor een symbiontische levensvorm van schimmels met wortels van bepaalde bomen. De mycelia of zwamvlokken leven in de bodem en omgeven de levende wortelpunten met een stevige mantel. Hierbij ontvangen de paddestoelen organische stoffen van de boom in ruil voor een efficiënte toevoer van water en mineralen en bescherming tegen ziekteverwekkers. (41) Een doeltreffend compromis kan erin bestaan het sublieme 18de-eeuwse concept van het axiale drevenpatroon in een permanente tentoonstelling -binnen het inmiddels in restauratie zijnde kasteel- educatief voor te stellen. (42) Standplaatsvreemde boomsoorten zoals Amerikaanse eik en Tamme kastanje brengen immers tot op zekere hoogte een plantenecologisch verarmende werking mee door de geringe afbraak van hun bladstrooisel. (43) Dit Executieve-besluit, bij wet van 27 juni 1984 vastgelegd, stelt dat op bedoelde bermen geen biociden gebruikt mogen worden, dat maaibeurten moeten gebeuren na 15 juni of 15 september en dat het maaistrooisel binnen de 10 dagen moet verwijderd worden. Bovendien mogen hout- en struweelopslag tijdens de maaibeurten niet beschadigd worden. (44) Een ander voorbeeld van mogelijke participatie bij beheersactiviteiten binnen kasteeldomeinen, heeft zich reeds in Nederland flink doorgezet. Daar draagt de provinciale overheid bij tot de uitbouw van stichtingen voor landschapsbeheer. Deze stichtingen houden zich onder meer bezig met de begeleiding en scholing van vrijwilligers die zich wensen in te zetten voor het beheer van landgoederen en buitenplaatsen.
28
M&L
DE WANDTAPIJTEN VAN DE SINT-CATHARINAKERK TE HOOGSTRATEN EEN CONSERVERINGSBEHANDELING ROEL DE CEULAER en WILLEM AERTS (Dienst Kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen) en YVAN MAES (Koninklijke Manutactuur G. DE WIT N.V.) ( 1 )
Een demon: detail van het bekoringstafereet uit de Antoniusreeks (copyright AC L-Brussel)
:MW
' • -
^
r**Ê f
Éfi ih M? ^f™ J*3* :
>iAfc -
, 'A 'v, . ^
r w $m k. -
éÊTf
< ' • • ' Êm-i
mm!
:!
- ••••• - "'
ff
^41
Wm
• • De drie wandtapijten uit de Elisabethreeks (copyright A,Ci.-Bmssel)
^^Pl^jM
SNs vtim&fÊÊÏ
Haar culturele ontwikkeling heeft
kerkgebouw: Jan Mone werkte aan het
Hoogstraten ongetwijfeld te danken
albasten praalgraf en Antonis Eversoen
aan de generositeit van Graaf Antoon
realiseerde de glasramen met de
de Lalaing (1480-1540) en gravin
zeven sacramenten in de koorsluiting.
Elisabeth van Culemborg (1475-1555).
De wandtapijten, die eveneens uit de
Dit adellijk paar liet tussen 1525 en
bouwperiode dateren, heeft men bizar
1550 onder meer het kasteel, het
genoeg nooit kunnen thuis wijzen in
stadhuis en de huidige kerk optrekken.
een 'gekend' atelier. Daarin is, na het
Door haar relaties met het hof van
vooronderzoek voorafgaand aan de
Margaretha van Oostenrijk te Mechelen
conserveringsbehandeling van de
was gravin van Culemborg vanuit een
tapijten in het voorbije Jaar, niets
geprivilegieerde positie in staat om
veranderd. Nog steeds blijft er onzeker-
gerenommeerde kunstenaars aan te
heid omtrent herkomst en zelfs datering.
trekken voor de aankleding van het
HET BELGISCHE TREKPAARD. LEVEND CULTUREEL ERFGOED
Jubileum-bijlage bij het tweemaandelijks tijdschrift M&L, 10e jaargang, nr. 4 juli-augustus 1991 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting
Bestuur Monumenten en Landschappen Afdeling Pers & Voorlichting Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. (02) 507 42 57
Eindredaktie : M.M. Celis Tekst: E. Goedleven Produktie : L. Tack Vormgeving : M.M. Celis + L. Tack Zetwerk : P. Vanlindt + D. Torbeyns
Kaft: Greefje van de Kanaalstraat (zwart) en Greta van Sint-Niklaas (wijnbruinschimmel) vóór de Hanswijckhoeve te Muizen bij Mechelen (foto O, Pauwels)
Bibliotheek van OE 902788
M&L
HET BELGISCHE TREKPAARD. LEVEND CULTUREEL ERFGOED EDGARD
GOEDLEVEN
De oudste afbeelding van een trekpaard (met eg) is te vinden op de beroemde Tapisserie de Bayeux (arrondissement Calvados, Normandlè) rechts onderaan op het tafereel met de gevlochten takken. Dit tafereel toont ook nog een ezel als trekdler, De Tapisserie de Bayeux Is het grootste (70 m lang en 0,50 m hoog) en best bewaarde borduurwerk uit de middeleeuwen. Het verhaalt In een reeks taferelen de gebeurtenissen die zich afspeelden In Normandié en Engeland tussen 1064 en 1066 en die hun hoogtepunt vonden In de ontscheping van Wiliem de Veroveraar, de latere koning van Engeland, en zijn overwinning In de slag van Hastings. Het borduurwerk werd gemaakt enkeie jaren na de veldslag door of met de medewerking van Mathilda van Vlaanderen, echtgenote van Willem de Veroveraar en dochter van Boudewljn, Graaf van Vlaanderen. (Centre Guillaume Ie conquérant Bayeux, Caivados, Frankrijk, tapisserie de Bayeux du Pommler gris)
Als er iets is waarover alle monumentenzorgers het eens zijn, dan is het wel over het standpunt dat het cultureel erfgoed niet als een "dood" gegeven mag beschouwd worden. Het moet integendeel op een dynamische en levendige wijze zijn plaats innemen in de maatschappij van vandaag en die van morgen. Bestaat er echter ook "levend cultureel erfgoed"? Of is dit een hersenschim(mel) van op hol geslagen monumentenzorgers?
TWEE EEUWEN GROEIENDE ZORG(EN)
A horse, a horse! My kingdom for a horse! (William Shakespeare, Richard III 1452-1485, 5de bedrijf, 4de tafereel)
De huidige zorg om het cultureel erfgoed vindt zijn oorsprong zowat twee eeuwen geleden, als een reactie tegen de verwoestingen van de Franse Revolutie. Het begin was erg bescheiden en had slechts betrekking op een beperkt werkterrein. Sindsdien is dit alsmaar uitgebreid en zijn steeds meer wettelijke en andere middelen ingezet om het cultureel erfgoed te beschermen en het behoud ervan te bevorderen.
2 -
M&L
Ook de binnenscheepvaart deed een beroep op trekpaarden. Langs vele waterwegen werd voor de trekpaarden een 7oogrpod" aangelegd. Op deze prent van Ph, Vandermaelen uit 1840, met een gezicht op Brussel vanaf de Nlnoofsesteenweg, trekt een paard een boot op de Inmiddels gedempte kleine Zenne (Ransfort Zenne) (Moorthaemers (Brussel) (geveild): Ph. Vandermaelen, extralt de la carte de la province du Brabant, ca, 1840)
De tweede helft van de 18de eeuw werd gekenmerkt door de Verlichting, een stroming die onder invloed van de Franse filosofen wilde afrekenen met het duistere verleden. De "verlichte" Oostenrijkse vorsten die toen onze gewesten bestuurden hadden alleen oog voor "klassieke" vormen. Waardering voor het oude cultureel erfgoed was hen vreemd. Ze schaften vele kloosterorden af en lieten er de gebouwen van verkopen, met inbegrip van het kunstbezit dat er zich in bevond. Toen de Franse revolutionairen in 1792 ons land binnenvielen en het bij Frankrijk inlijfden kreeg het cultureel erfgoed het nog erger te verduren. De revolutionairen verwoestten alles wat aan het ancien régime herinnerde en vernielden stelselmatig de bezittingen van de adel en van de kerk. Ze spaarden alleen het uiterst waardevolle kunstbezit, dat ze verzamelden in het Dépót des Petits-Augustins. Zo verzeilden onder meer het Lam Gods van Van Eyck en de Kruisoprichting van Rubens in Parijs. Vrij spoedig werd tegen dit blinde vandalisme gereageerd, ondermeer door de gewezen bisschop van Blois, Henri Grégoire, een vooraanstaand revolutionair. Zijn beroemde uitspraak geldt als één van de eerste grondslagen van de huidige monumentenzorg: "Les barbares et les esclaves détestent les sciences et détruisent les monuments des arts; les hommes libres les aiment et les conservent" (Barbaren en slaven der onwetendheid verfoeien de wetenschap en vernietigen de monumenten van kunst en cultuur; de vrije mens daarentegen koestert die met liefde). Toch gingen de vernielingen gewoon voort, tot Napoleon aan het bewind kwam. Toen hij in 1803 naar ons land kwam gaf hij 1500 goudfrank voor het herstel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen en een gelijkaardig bedrag voor de Sint-Baafs te Gent. Napoleon sloot een concordaat met de Paus, waarna hij op 30 december 1809 een keizerlijk decreet uitvaardigde in verband met de kerkbesturen. Het is voor ons land de eerste en oudste wettelijke regeling ten behoeve van het cultureel erfgoed. Ze is nog steeds van toepassing: de kerkbesturen moeten voortaan zorgen voor het onderhoud van de kerken; de kerkmeesters zijn verantwoordelijk voor alle nodige, deugdelijk en snel uit te voeren herstellingen; indien de inkomsten van de kerkbesturen niet volstaan om een kerk te onderhouden of te herstellen is de gemeente verplicht de kosten bij het passen. Met deze maatregel werden de kerken, een zeer belangrijk deel van het cultureel erfgoed, in bescherming genomen.
3 -
M&L
Met de nederlaag van Napoleon bij Waterloo in 1815 kwam een einde aan de Franse periode. Het latere België vormde voortaan samen met de noordelijke Nederlanden het Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem trof reeds op 6 oktober en 25 november 1815 besluiten om de door de Fransen geroofde kunstschatten terug te halen en ze opnieuw onder te brengen in de kerken of gebouwen waar ze vandaan kwamen. Het kunstbezit uit de verwoeste gebouwen dat niet kon worden teruggeplaatst vormde de basis voor de later opgerichte grote musea. Op 16 augustus 1824 vaardigde hij een nieuw besluit uit waarbij hij aan de kerkfabrieken verbood behoudens zijn toelating verbouwingen aan kerken uit te voeren of "uit de kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden de in de kerken geplaatste voorwerpen van kunst of geschiedkundige gedenkstukken van welke aard die ook zouden mogen zijn". Ook dit koninklijk besluit heeft thans nog kracht van wet. Koning Willem verruimde aldus de zorg van het cultureel erfgoed, die tot dan toe beperkt was gebleven tot kerkgebouwen, tot het kunstbezit der kerken. Tevens zorgde hij ervoor dat het oude erfgoed terug een plaats ging innemen in de lokale gemeenschappen. Toen in 1830 de Belgische Staat werd opgericht trachtte die zich onmiddellijk te profileren door maatregelen te treffen in verband met het cultureel erfgoed, met de bedoeling om aan de nieuwe staat een historische dimensie te geven. België was gedurende eeuwen bestuurd geweest door vreemde vorsten, vandaar dat het thans, nu het onafhankelijk was, de eigen grootheden wilde eren. Reeds op 7 januari 1835 verscheen een koninklijk besluit dat tot bedoeling had de herinnering te eren aan de Belgen die bijgedragen hadden tot de luister van het vaderland. De Minister van Binnenlandse Zaken werd er door de Koning mee gelast om door Belgische kunstenaars standbeelden te laten oprichten voor de grote figuren uit de Belgische geschiedenis. In de loop van de 19de eeuw verschenen dan ook alom deze standbeelden van Van Artevelde te Gent, Breydel en de Coninck te Brugge. Egmont en Hoorne te Brussel, Margaretha van Oostenrijk te Mechelen, Rubens te Antwerpen, Van de Weyer te Leuven, Ambiorix te Tongeren enzomeer. Eveneens op 7 januari 1835 verscheen het besluit om een nationaal museum op te richten tot meerdere faam van onze kunstenaars en tot lof en eer voor het land. Nog op deze voor het cultureel erfgoed zo belangrijke 7de januari 1835 werd een Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht "omdat het noodzakelijk is het behoud te verzekeren van de monumenten die van groot belang zijn omwille van hun ouderdom, van de herinneringen die ze oproepen of van hun artistieke kwaliteiten". Het jonge België gaf aan de zorg om het cultureel erfgoed een staatsburgerlijke en nationalistische dimensie; daarenboven werden benevens de kerken ook de burgerlijke monumenten erbij betrokken. Nog veelvuldige uitbreidingen zouden volgen. De gemeentewet van 30 maart 1836 verplicht de onderwerping aan het advies van de bestendige deputatie en de provincieraad en aan de goedkeuring van de Koning van alle gemeenteraadsbesluiten die voor doel hebben ouderwetse gebouwen af te breken of er de bouwtrant van te wijzigen. De provinciewet van 30 april 1836 geeft de provinciale besturen de macht om verordeningen uit te vaardigen, om de bewaring te verzekeren van kunstvoorwerpen die eigendom zijn van gemeenten, kerkfabrieken en openbare gestichten.
Het koninklijk besluit van 23 februari 1861 bepaalt dat de Koninklijke Commissie zich voortaan ook zal bezighouden met het inventariseren van het roerend kunstbezit en de oudheidkundige voorwerpen die toebehoren aan openbare instellingen, en waarvan het behoud van belang is voor de kunstgeschiedenis en de nationale oudheidkunde. De wet van 12 augustus 1911 voegt er op haar beurt een element bij, namelijk de terrils van de kolenmijnen : deze moeten bebost of beplant worden. Van groot belang is het koninklijk besluit van 29 mei 1912, waardoor de Koninklijke Commissie voortaan ook bevoegd werd voor de landschappen. Landschapszorg was nodig enerzijds om esthetische redenen, omwille van het natuurschoon en de schilderachtige plekjes, anderzijds moesten om wetenschappelijke redenen sommige gesteldheden van de bodem, aardkundige merkwaardigheden, inheemse planten en diersoorten en archeologische monumenten beschermd worden. Voor het eerst is hier sprake van "levend" cultureel erfgoed. De wet van 26 maart 1914, gestemd op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, beschermt het slagveld van Waterloo. Ook de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen zou nog maar eens het begrip cultureel erfgoed uitbreiden. Naast het historisch en artistiek of esthetisch belang worden nu ook de monumenten en landschappen met wetenschappelijk belang bij de zorg om het cultureel erfgoed betrokken. De oprichting van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg bij koninklijk besluit van 1972 verruimt het monumentenbeleid tot de "onder historisch, artistiek of wetenschappelijk oogpunt waardevolle kunstvoorwerpen of kunstwerken of instrumenten die horen bij een monument, zonder onderscheid of ze roerend dan wel onroerend zijn". De omzendbrief nr 69 van 1 september 1972 van de Minister van Openbare Werken betrekt bij de monumentenzorg de voorontwerpen van gebouwen, kunstwerken en tracés van wegen en waterwegen die gebeurlijk monumenten en landschappen (ook niet beschermde) raken of beïnvloeden of schade zouden kunnen berokkenen. Ook toen de monumenten- en landschapszorg geregionaliseerd werd, zette de tendens tot uitbreiding van het werkterrein zich verder door. Bij decreet van 6 juli 1973 doet de heraldiek haar intrede. Het volkslied en de vlag behoren voortaan officieel tot het cultureel erfgoed. Het decreet van 3 maart 1976 verruimt nog maar eens het begrip monument: het is "een onroerend goed, werk van de mens of de natuur of van beide samen". Tevens komen bij de vroeger vereiste "artistieke, wetenschappelijke en historische waarde" nieuwe begrippen als de "volkskundige, industrieelarcheologische of andere sociaal culturele waarde". Hetzelfde decreet voert ook een nieuw en voor het cultureel erfgoed zeer rekbaar gegeven in: het stads- en dorpsgezicht. Het decreet van 28 januari 1977 voegt het wapen en de vlag van de gemeenten toe aan het cultureel erfgoed en het decreet van 7 november 1990 het wapen van de Vlaamse Gemeenschap. Het decreet van 17 november 1982 houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium beschermt het roerend cultureel erfgoed dat zich niet in de musea bevindt en geen deel uitmaakt van het cultuurbezit van beschermde monumenten. Het decreet van 22 december 1986 tenslotte voert eveneens een nieuw begrip in, namelijk het memoriaal van de Vlaamse ontvoogding, zijnde het IJzermonument en het omringende domein te Diksmuide.
5
-
M&L
MEER ZORG, TOCH GROTERE ZORGEN Sinds de eerste overheidstussenkomst tot stand kwam voor de bescherming van het cultureel erfgoed, werd het werkterrein steeds groter en werden steeds meer middelen ingezet: oprichting van overheidsdiensten, stijging van budgetten, oprichting van verenigingen, vastlegging van reglementen, organisatie van opleidingen, fiscale tegemoetkomingen, sponsoring, animatie, publikaties, TV-uitzendingen, open monumentendagen enzomeer. Toch kan men niet beweren dat het cultureel erfgoed zelf er zoveel beter van geworden is. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de sociologische theorie van de "cultural lag", voor het eerst geformuleerd in 1921 door William F. Ogburn, waarbij hij vaststelde dat de cultuur achterblijft op de techniek. Het gaat volgens Ogburn vlugger en gemakkelijker om een atoombom te maken dan om de oorlogsdreiging af te wenden, de leefbaarheid van de steden te verzekeren, een wereldorde te creëren of... het gebruik van de atoombom te verbieden. Het verantwoordelijkheidsbesef van de mens en zijn politiek organisatievermogen houden geen gelijke tred met zijn macht over de natuur, vooral wat de mogelijkheid betreft om natuur en cultuur te vernietigen. Het is dan ook niet te verwonderen dat het begin van de monumentenzorg zich situeert in dezelfde periode als de eerste industriële revolutie, die vanaf het einde van de 18de eeuw een ongekende explosie veroorzaakte van de techniek.
FLANDERS TECHNOLOGY Gezien de razendsnelle evolutie van de techniek zou men kunnen verwachten dat het cultureel erfgoed ondanks de toenemende aandacht steeds meer en steeds grondiger door de oprukkende techniek zal onder de voet gelopen worden. Gelukkig tekent zich een kentering af in het technisch milieu waar men gedurende tweehonderd jaar elke nieuwe uitvinding of toepassing bijna automatisch als "vooruitgang" begroet heeft. Het is hoopgevend dat in het kader van de Dirv-actie (derde industriële revolutie) de Stichting FTI (Flanders technology international) voor haar technologiebeurs van 1991, de belangrijkste van Europa, als thema gekozen heeft "Technologie voor een betere wereld". Dit is volgens de programmabrochure "het thema dat het best het geheel van uitdagingen samenvat waarvoor de moderne technologieën zich in de jaren negentig geplaatst zien. Werden op dit vlak in het verleden weinig vragen gesteld, dan worden nu op korte termijn vele antwoorden verwacht, meer bepaald uit de hoek van de probleemoplossende technologieën die antwoord moeten verschaffen op steeds dringender wordende problemen".
Flanders technology 1991. De technologiebeurs van 1991 stond in het teken van de 'technologie vooreen betere wereld, gesymboliseerd door de bekende electronische arm die een natuur- en cultuurvriendelijke bloemenruiker aanbiedt. (Stichting Flanders Technology International, Brussef)
Dat voor het business-center van deze beurs gebruik gemaakt werd van de Art-Nouveau spanten van het Brusselse Volkshuis van Horta heeft een weloverwogen symbolische betekenis. Ondanks de hoopgevende verwachting dat technologie steeds meer een partner wordt in de cultuurzorg, zal deze zorg nog wel een tijdje moeten voortgaan met het uitbreiden van zijn actieterrein en het zoeken naar "beschermende maatregelen".
6
-
^
M&L
HET LEVENDE CULTUREEL ERFGOED
m>
J
iKv. -
te.
«^ ^
;
m
p • IIb^EIR *-
•' ^ M P M T T ^
-
*'ï i
| .vvtó-*"'
Twee araucaria's of apenbomen te Rijkevorsel, Ze zijn het eerste wettelijk beschermde levend cultureel erfgoed In ons land, "gerangschikt"a\% monument bij koninklijk besluit van 20 februari 1939 als behorend tot de merkwaardigste bomen van het land (foto O. Pauwels)
De idee om levend erfgoed te beschermen is niet zo nieuw. Reeds op 31 maart 1939 werden de twee apenbomen (araucaria's) vóór het gemeentehuis van Rijkevorsel wettelijk beschermd als landschap. Later kwamen er nog een 25 monumentale bomen bij, beschermd als monument, als landschap of als beide. Het betrof meestal lindebomen maar ook andere, zoals de paardekastanje in het gemeentepark te Zaventem (beschermd op 13 augustus 1933). Een restauratiesubsidie verzekerde het voortbestaan van de Japanse honingboom (beschermd op 15 oktober 1974) in de Naamsestraat te Leuven. Ook landschappen waar de plantengroei een zo belangrijk element van vormt worden sinds meer dan 50 jaar beschermd : de eerste belangrijke waren de duinen van de Westhoek in De Panne (beschermd op 1 maart 1935) het Peerdsbos op de grens van Brasschaat en Schoten (31 juli 1936) en de Kalmthoutse heide (18 oktober 1941). Men ging ook reeds vroeg over tot de bescherming van kasteelparken zoals dat van Beersel (beschermd op 28 maart 1934) en Gaasbeek (31 oktober 1956). Een bijzondere vermelding in dit verband verdient zeker de bescherming van de Dierentuin te Antwerpen (op 26 september 1974 als landschap en op 22 juni 1983 als monument). De forse restauratietoelage, toegekend in 1984 voor het bevloeiingssyteem, was van bijzonder belang om het uiterst waardevolle bomenbestand van de Antwerpse dierentuin te redden.
HET BELGISCHE TREKPAARD
De bescherming van levend cultureel erfgoed kent dus al een lange traditie. Tot nog toe maken levende dieren, diersoorten of rassen echter nog geen deel uit van de zorg voor het cultureel erfgoed. Zet het Belgische trekpaard hier de eerste stap?
De oudst bekende afbeelding van een Vlaams trekpaard uit de ISde-eeuwse Vieil Rentier, een prentenboek van Oudenaarde (Koninklijke Bibliotheek, Handschriften 1195)
Onze gewesten zijn sinds hun vroegste geschiedenis bekend om hun paarden. De allereerste geschreven bronnen over onze geschiedenis spreken er over. Gains Julius Caesar ondermeer, schreef in 52-51 vóór Christus in zijn De bello Gallico: "Hijzelf (Caesar) vertrok met vier slagvaardige legioenen naar het land der Trevieren. Deze stam heeft verreweg de sterkste ruiterij van gans Gallië" (boek V hoofdstuk 3). De Trevieren woonden in het Ardennerwoud. Een tijdgenooot van Caesar, Diodorus van Agurion (Sicilië) bevestigde het belang van de sterke paarden in onze gewesten: "Men liet ook veel tin overkomen van het Britse eiland naar het er tegenover gelegen Gallië; de handelaren laadden het op hun paarden en vervoerden het dwars door het land van de Kelten tot in Marseille en Narbonne" (Historion Bibliothèkè, boek V, hoofdstuk XXXVIII). Strabon van Amaseia (64 vóór Christus -19 na Christus), een bijzonder geloofwaardig historicus, verhaalt: "De Galliërs zijn van nature uit uitstekende soldaten. Hun ruiterij overtreft nog de grote kwaliteiten van hun infanterie. Het is inderdaad bij hen dat de Romeinen tegenwoordig hun beste paarden halen. Het is opmerkelijk dat hoe meer men naar het noorden gaat en hoe dichter men bij de zee komt, de Galliërs des te strijdlustiger worden. In dit opzicht komen de Belgen op de eerste plaats" (Geographica, boek IV, hoofdstuk IV). Tacitus in de 1ste en Florus in de 2de eeuw bevestigen het belang van de "Belgische paarden" voor de Romeinen. Kenners herkennen deze paarden in de beeldhouwwerken op de talloze Romeinse gedenkzuilen en triomfbogen.
7 -
M&L
De 'f/oDder'afgebeeld in het "Equile Joannis Ducis Austriaci Caroli Vut 1568 door Stradanus, alias Jan Van der Straet ufr Brugge (Brugge 1523 - Florence 1605). Het Vlaamse paard is veruit het indrukwekkendste en grootste uit deze reeks prenten (Koninklijke Bibliotheek Albertina Brussel, Prentenkabinet)
De oudst bewaarde (opgezette) paarden uit de geschiedenis zijn die welke bereden werden door de Aartshertogen Albrecht en Isabella tijdens hun blijde intrede te Brussel in juli 1599, De aartshertogen richtten een stoeterij op "de Peerdenbergh'in het Zoniénwoud bij Groenendaal, Zij kweekten er lichte luxe-paarden die fel gegeerd waren bij de Europese vorsten en de adel, Albrecht en Isabella schonken door hen gekweekte paarden aan de Keizer, de Spaanse Koningen Filips III en IV en de hertog van Orleans. Het harnas van Albrecht is gegraveerd en gedamasceerd met ingelegd goud op gebruineerd staal en heeft slechts bescheiden afmetingen. Door de gewijzigde voeding zijn zowel de mensen als de huisdieren thans veel groter dan in het verleden. De verhalen over de reusachtige Vlaamse paarden uit het verleden moeten dus wel met een korreltje zout genomen worden. Ook de veronderstelling dat ridder en wapenuitrusting tot tweehonderd kilo wogen en met een hijstoestel op het paard moesten worden getild is onjuist. Een wapenuitrusting woog 30 d 40 kilo en hijstoestellen werden slechts uiterst zeldzaam en dan nog alleen in tornooien gebruikt. Man, harnas en paard werden in veldslagen veelal gespaard omdat ze een belangrijk losgeld konden opbrengen of voor eigen gebruik konden worden ingezet door de overwinnaar. Sterke paarden waren tot de 16de eeuw belangrijk op het slagveld waar de ruiterij het in de regel haalde op het voetvolk. Dè uitzondering was de Guldensporenslag in 1302 waar het Vlaamse voetvolk het haalde op de Franse ruiterij en waar vele paarden en ruiters sneuvelden (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)
Het sterke, zware maar toch goed wendbare Vlaamse paard kwam vanaf de 7de eeuw tot ontwikkeling. Het was niet alleen nuttig in de landbouw maar het werd vooral het uitverkoren paard van de zwaar geharnaste middeleeuwse ridder, zowel voor de veldslagen als voor de vriendschappelijke tornooien. In 807 zond de toenmalige Kalief van Bagdad, de beroemde Haroen al Rachid, vele waardevolle geschenken aan Karel de Grote: zijden stoffen, reukwerken, zalven, balsem, artistieke kandelaars uit gedreven koper en een reusachtige tent die zo hoog was dat men er zelfs met een goed gespannen boog niet kon overheen schieten. In ruil zond Karel de Grote minder, maar daarom niet minder waardevolle geschenken: een koppel wilde honden, Vlaamse wol, Rijnlandse zwaarden.... en een paar "Belgische" trekpaarden. Uit dezelfde periode stamt het legendarische ros beiaard "dat zo sterk was dat het vier zwaar geharnaste ruiters kon dragen". Na de 3de kruistocht liet de Engelse koning Richard Leeuwenhart (1157-1199) Vlaamse hengsten invoeren in Engeland. Onder de regering van Jan zonder Land (1167-1216) werden niet minder dan 100 hengsten uit Vlaanderen naar Engeland overgebracht. Dit was het geval onder de Engelse koningen Edward II (1284-1327) en de roemruchte Hendrik VIII (1491-1547). Deze laatste zou zelfs in een grove bui Anna van Cleef, de vierde van zijn zes echtgenotes, vergeleken hebben met een Vlaamse merrie. Vlaamse paarden waren in Engeland zeer in trek. Schreef Walter Scott in 1824 niet dat Ivanhoe een Vlaamse hengst bereed? Vanaf het begin van de 14de eeuw begon echter het buskruit een rol te spelen in de krijgskunst. Zo kocht de Engelse Koning Edward III in 1346 alle voorraden salpeter en zwavel op om er buskruit van te laten maken, wat van doorslaggevende aard was voor de slag bij Crécy in hetzelfde jaar. Voortaan werd het belang van de zware paarden en de zwaar geharnaste ruiters in de veldslagen steeds kleiner. Het laatst speelden ze een rol in de roemrijke veldslagen bij Saint-Quentin (1557) en Grevelingen (1558), beide gewonnen door Graaf Lamoraal van Egmond.
M&L
Sindsdien is het zware paard niet meer in gebruik als krijgspaard maar bewijst het zijn nut voor het moeizame sleep- en landbouwwerk. Verschillende ordonnanties uit de 16de eeuw verbieden de uitvoer van paarden. Zo wordt volgens een ordonnantie van 1518 "In onzen landen van Vlaenderen grote menichte van meryen aangekocht, omme die uten zelven lande te voeren". Deze maatregel diende waarschijnlijk om te voorkomen dat ook vijandelijke troepen over goede Vlaamse paarden zouden beschikken. Officieel gaat het natuurlijk om de verdediging van het algemeen belang en om te beletten dat Vlaanderen "gespolyerd ende gheblood werd niet alleenlic van meryen maer van de volen ende jonghe perden ten scade van die welvaert". De vele oorlogen, van Karel de Stoute tot Keizer Karel en Filips II, waren rampzalig voor onze gewesten en dus ook voor hun paardenbestand, maar onder de Aartshertogen Albrecht en Isabella (1595-1621) kwam er terug verbetering, vooral in de landbouw en in de paardenfokkerij. Ze richtten paardenstoeterijen op, eerst in Mariemont, later in Groenendaal, met de bedoeling vooral lichte luxe-paarden te kweken. De opleving onder Albrecht en Isabella zou niet lang duren: de oorlogen van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV zouden opnieuw zorgen voor vernieling en ellende, tót in 1717 onze gewesten na de bloedige successie-oorlog in Oostenrijks bezit kwamen.
LICHTE CAVALERIE
Dit detail uit een lithografie (gezicht op Brussel) van Vinkeles uit 1827 (Hollandse periode) illustreert hoe het zware paard dat gedurende eeuwen de trots was geweest van onze gewesten, ingevolge ondeskundige kruising met lichtere paarden en ingevolge de moordende oorlogen van Napoleon, in het begin van de 19de eeuw was verschrompeld tot "een mager beestje" (Stedelijk Archief, Brussel: A. Vinkeles, Vue générale de Bruxelles, Lithografie 1827)
Tijdens de Oostenrijkse periode, in de 18de eeuw, nam Keizerin MariaTheresia maatregelen voor de bevordering van de paardenproductie. Als "verlichte" vorstin wilde zij afrekenen met het type van het traditionele zware paard uit het duistere verleden en streefde zij naar de productie van lichtere paarden die in de oorlogsstrategie beter aan bod zouden komen. Er werden stoeterijen opgericht in Aalst en hengstendepots in Gent en Sint-Niklaas. De inheemse fokkers weigerden echter hun merries door de ingevoerde hengsten uit de overheidsstoeterijen te laten dekken. Ze wilden immers zware en sterke paarden voor het werk op het land. Deze initiatieven kenden dan ook geen succes en werden ingetrokken door Keizer Jozef II.
9
-
M&L
De trekpaarden waren niet alleen van belang voor de landbouw. Ook in de industrie speelden ze een belangrijke rol (Koninklijke Maatschappij het Belgisch trekpaard, Brussel)
Tijdens de Franse periode wilde ook Napoleon oorlogspaarden laten kweken en richtte hij een stoeterij op in Tervuren. Ook hij slaagde er niet in de fokkers te doen meewerken. Napoleon was overigens vol lof over het Ardense trekpaard dat volgens hem onvermoeibaar was en bestand tegen ondervoeding. Hij gebruikte het voor het vervoer van zijn troepen. Het waren de Ardenners die het weinige terugbrachten van wat nog overbleef van het Franse leger na de veldtocht in Rusland. Zoals voor het cultureel erfgoed in het algemeen waren ook voor het trekpaard in het bijzonder het einde van de 18de eeuw en de oorlogen uit de periode van de Franse Revolutie rampzalig. Tijdens de Hollandse periode richtte koning Willem voor het kweken van lichte oorlogspaarden een stoeterij op in Walferdange (Luxemburg). Na de Belgische onafhankelijkheid werd ze overgebracht naar Tervuren en later naar Gembloers. Ook dit initiatief kende wegens gebrek aan medewerking van de fokkers geen succes. In 1835 reed de eerste trein op het vasteland van Mechelen naar Brussel. Dit was eens te meer een reden voor de overheid om de kweek van lichte paarden aan te moedigen. Men dacht immers dat alleen nog het lichte vervoer zou behoefte hebben aan paarden. Het omgekeerde was echter waar.
Orange I Oichtbruin)ls de onbetwiste stamvader van het Belgische trekpaard. Zijn voorvaderen waren de Oude Dikke van Wynhuizen, een bruine hengst (Herzele 1835-1858), de Dikke van Sint-Jans (1847-1858) en de Dikke van Onkerzeie (1856-1883). Orange i werd geboren in 1863 In Grimmingen bij Ninove. Als veulen krijgt hij de naam van Prins. Hij wordt verkocht aan de Waalse kweker A. Oriens uit de streek van Nijvel in Waals Brabant waar hij de naam krijgt van Gugusse. Kreupel geworden in 1875 belandt hij in Frankrijk. Jules Hazard een bijzonder deskundig kweker kan hem in 1878 terugkopen voor de beroemde stoeterij te Fosteau. Hij wordt in het stud-book ingeschreven onder de naam van Orange I. Hij stierf in 1885. Orange had twee beroemde zonen, Jupiter (yos), kampioen in 1889 en Briliant (vos), kampioen in 1880. Jupiter v/as een befaamde raceur waarvan nagenoeg alle, ttians goedgekeurde hengsten afstammen. Brin d'Or (bruin), kampioen in 1900, was zijn beroemdste zoon, die op zijn beurt de vader was van Indigene du Fosteau (vos) die van 1906 tot 1909 viermaal op rij Belgisch kampioen was. De voskleurige en bruine hengsten gekweekt uit Orange beheersten de fokkerij en de Belgische kampioenschappen in de eerste bloeiperiode van het Belgisch trekpaard, tot de Eerste Wereldoorlog (Koninklijke Bibliottieek Albertina Brussel, leeszaal: G. Hynderick de ïïieulegoet. Monografie du cheval de trait Beige)
Door de verbetering van het wegennet kon men grotere en zwaardere wagens bouwen die de goederen van de stations naar de verbruikers brachten. Die wagens moesten getrokken worden door sterke paarden. Handel en nijverheid namen toe, waardoor er behoefte kwam aan zware paarden, zoals de natiepaarden in de haven van Antwerpen en trekpaarden voor de sleepboten voor de binnenvaart. Het treinvervoer bracht ook meststoffen aan, waardoor meer voedsel kon geproduceerd worden om nog zwaardere paarden te kweken. Toch bleef de overheid tot circa 1865 aandringen op het kweken van lichtere paarden. De staat kocht hiervoor zelfs voor goed geld hengsten aan in het buitenland en stelde ze ter beschikking van de Belgische fokkers... die echter meestal hun medewerking weigerden.
GEEN GENETISCHE INNOVATIES Maatregelen om het eigen ras te beschermen en te verbeteren kwamen slechts laat op gang. Zo hadden de Kasselrijen van Veurne, het Brugse Vrije en Oudenburg in 1775 een reglement uitgevaardigd dat het aanwenden van vreemde hengsten verbood, in een eigen keuring voorzag en verbod oplegde om niet goedgekeurde hengsten te bezitten. Bij de annexatie van onze gewesten door Frankrijk werd deze maatregel afgeschaft omdat die strijdig was met het vrijheidsbeginsel van de revolutie. Tijdens het Hollands bewind werd door de landbouwvereniging van Gent in 1821, in 1826 gevolgd door die van Antwerpen, begonnen met maatregelen voor de verbetering van het inlandse paardenras. Deze pogingen werden op een bescheiden wijze vanaf 1841 gesteund door de Belgische staat die toch vooral het fokken van lichtere paarden en het kruisen met vreemde rassen bleef aanmoedigen. Ondanks pogingen van de Oostenrijkers, de Fransen, de Nederlanders en de Belgische Staat om door kruisingen met vreemde rassen nieuwe, lichte paarden te kweken waren de inheemse fokkers het zware paard trouw gebleven.
10 -
M&L
Brillanf (vos) Zoon von Orange I, geboren in Soignies (Zinnik, Waals Brabant), werd wereldberoemd door zijn overwinning op de internationale prijskamp tijdens de wereldtentoonstelling te Parijs in 1878. Hij werd nog kampioen in Londen (1879) en Amsterdam (1884) en Belgisch kampioen in 1890. Het succes van Brillanf ligt aan de basis van de geweldige opgang van het Belgische trekpaard en de oprichting van de Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard. Brillanf kon zijn kwaliteiten niet overbrengen op zijn nageslacht. Hij stierf in 1890 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel: Philogène-Charles Tschaggeny: De hengst Brillant (inventaris nr. 3285)
Toen tegen het einde van de 19de eeuw, onder Leopold II, België een enorme economische en agrarische opbloei kende, bleek dan ook dat de Belgische fokkers op het goede paard hadden gewed. Het succes en de erkenning van het Belgisch trekpaard kwam er vanaf 1874. Toen organiseerde de landbouwvereniging van Brabant een eerste nationale tentoonstelling in Brussel. Een zekere Jasme uit Petit-Roeulx reed aan het hoofd van een stoet van 32 Brabantse paarden door de Wetstraat en oogste hierbij een uitbundig succes. In 1878 had in Parijs een wereldtentoonstelling plaats met als één van de belangrijkste attracties een internationale paardententoonstelling. Het Belgische trekpaard Brillant kreeg de eerste internationale prijs. Deze niet geringe waardering maakte het wereldberoemd maar wekte ook heel wat jaloezie. In het bijzonder Eugène Gayot, de vermaarde Franse paardenkenner, kon het succes moeilijk verkroppen en schold de Belgische hengsten uit voor "infectes bestiaux". De opmars van het Belgische trekpaard was echter niet meer te stuiten. Brillant won in 1879 het kampioenschap in Londen, in 1881 in Hannover, in 1884 in Amsterdam. Rêve d'or bereikte de absolute top door op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs de titel van wereldkampioen in alle categorieën te verwerven.
11
-
M&L
De hengst Rêve d'Orfyos 1890-1909) werd het beroemdste trekpaard uit de geschiedenis, In 1898 werd hij Belgisch kampioen en op de legendarische wereldtentoonstelling van 1900 te Parijs werd hij wereldkampioen In alle categorieën. In datzelfde jaar 1900 moest hij de nationale titel evenwel aan zijn broer Brin cTO laten. In tegenstelling tot deze laatste bracht Rêve cTOgeen belangrijke afstammelingen voort (Koninklijke Bibliotheek Albertlna, Brussel, leeszaal: G. Hynderick de Theulegoet, L'espèce chevaline en Monografie du cheval de trait Beige)
DE VERWORVENHEDEN VEILIG STELLEN
Reeds in 1860 had M. Jacquet de verdediging van het inheemse trekpaard opgenomen, hierin in 1875 bijgestaan door J. Gérard en G. Hynderick de Theulegoet, stichter en eerste secretaris van het stud-book (stamboek) van het Belgische trekpaard. Het stud-book werd opgericht in 1886, bij de stichting van de "société nationale du cheval de trait beige" De bedoeling was om een afstammelingsregister op te stellen van de inheemse paarden, na zorgvuldige keuring en met de vermelding van de
Zoals deze prent van rond 1900 aantoont zijn trekpaarden altijd een toeristische attractie geweest op kermissen en bij processies, stoeten en optochten (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, afdeling folklore, Brussel, Lithografie Clarys)
w
•-"j^lWSP^^^ü.
n^ttSi
, ^ f R} ;'./•••. Ï
Hl
.
.
•
.
^p
ff*!*,
&K
mwa
'-^SK
\
:m
•*T§«
^ 7
.
* ^IH
•
lm! iliM
l'^
12 -
M&L
Vooral in de bosbouw zijn de trekpaarden nuttig, zeker als bonnen selectief verwijderd worden, zoals hier door Nico van hef Reenhof (bruin) in het als landschap beschermde Meerdaakvoud (eigen foto)
herkomst en de belangrijkste eigenschappen, waaronder de kleur. In de volgende jaren werden de stud-books, uitgegeven door verschillende verenigingen, samengevoegd. Dit was, gezien het grote individualisme van de kwekers, geen gemakkelijke zaak. Vanaf 1890 verschijnt er nog maar één stud-book, dat in 1891 officieel door de Minister van Landbouw wordt erkend onder de nieuwe naam Société nationale des éleveurs belges, korte tijd later gewijzigd in Société Ie cheval beige. In 1919 verkrijgt ze bij gunstmaatregel van Koning Albert haar definitieve naam: Société royale Ie cheval de trait beige - Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard. Het stud-book kende aanvankelijk drie categorieën: Vlaamse paarden, Brabanders en Ardense paarden. Wegens de grote terugval van het Vlaamse paard werd vanaf 1888 de benaming Vlaams paard geschrapt. Sindsdien zijn Brabants en Belgisch trekpaard synoniem en vermeldt het stud-book nog slechts het Belgische en Ardense trekpaard. Het stud-book werkt op 2 niveaus: een economisch verantwoorde produktie wordt gekoppeld aan een wetenschappelijk verantwoorde bescherming en verbetering van het ras. Het stud-book werkte ondermeer met massaselectie door middel van keuringen, tentoonstellingen en prijskampen, met inteelt uitgevoerd in grote fokstallen en door het bijhouden van een afstammingsregister. De goede trekpaarden waren aanvankelijk alleen te vinden in de streek tussen de Dender en de Schelde, rond Nijvel en aan de oevers van de Méhaigne. Door de werking van het stud-book vond men ze spoedig in heel het land. Het Belgische trekpaard werd het beste trekpaard ter wereld. Een trekpaard was het kostbaarste bezit van elk landbouwbedrijf en vormde een gegeerd exportartikel. Bij koninklijk besluit van 17 september 1901 werd dan ook een nationale bewaarpremie ingevoerd. De winnaars van wedstrijden kregen premies tot 6000,-fr. die ze moesten terugbetalen ingeval van uitvoer naar het buitenland.
Trekpaarden kunnen in de landbouw soms nog nuttige diensten bewijzen, zoals hier bij het uithalen van witloof (foto R. Piessens)
Due van Drongen (vos) verrichtte als enige goedgekeurde vosschimmel dekdienst tot hij op twaaHjarige leeftijd, in 1991, niet langer werd goedgekeurd. Sindsdien moet hij werken, zoals hier in het gezelschap van Nellie van de 'Nieuwe Kuyer" (vos) (foto R. Piessens)
Het trekpaard was in de Belgische economie van uitzonderlijk belang als goedkope energiebron en als exportprodukt: 30.000 exemplaren in 1913 uitgevoerd naar Frankrijk, Duitsland, Nederland, Italië, Engeland en Amerika. In de Eerste Wereldoorlog verloor België de helft van zijn paarden. Ondanks de opkomende concurrentie van de automobiel en de vrachtwagen kon tussen beide wereldoorlogen het verlies spoedig worden goedgemaakt. Albion d'Hor, Avenir d'Herse en Espoir de Quaregnon voerden het Belgische trekpaard naar nieuwe triomfen. Espoir de Quaregnon, in 1929 verkocht voor één miljoen, was ongetwijfeld het duurste trekpaard uit de geschiedenis (ter vergelijking: het dagloon van een landarbeider bedroeg toen 25,-fr.). De dekprijzen liepen op tot 10.000,-fr. Het trekpaard herstelde zich ook vrij snel van de zware verliezen geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De genadeslag kwam evenwel vanaf de jaren '50 toen alom de landbouwtractor het trekpaard ging vervangen. Waar het aantal landbouwpaarden in ons land gedurende meer dan 100 jaar op zowat 250.000 mag geschat worden, viel dit sinds het einde van de jaren '50 terug tot enkele duizenden. Niet alleen het aantal paarden verminderde, ook de rijke verscheidenheid aan kleuren dreigt thans te verdwijnen. Een honderd jaar geleden maakten bij de nationale prijskampen de voskleurige en de zwarte paarden elk ongeveer 15% van het totaal aantal deelnemers uit. Thans is er in België geen enkele zwarte of voskleurige hengst
13 -
M&L
Prijskampen en wedstrijden moedigden de kwekers aan de kwaieit van de trekpaarden steeds te verbeteren. De nationale kampioenschappen kregen steeds uitgebreid aandacht in de media. Koning Aibert was een groot bewonderaar van de trekpaarden en was dikwijls persooniijk aanwezig op de kampioenschappen, zoais hier in het gezelschap van Avenird'Herse, kampioen in 1925, één van de toppaarden van tussen de twee wereldoorlogen. Hij was de zoon van Albion d'Horeri de vader van Espoir de Quaregnon, alle drie bruinschimmels. Door het sukses van deze bruinschimmels werden de andere kleuren meer en meer verdrongen. Espoir de Quaregnon werd viermaal nationaal kampioen en kreeg zes jaar de grote prijs voor de hengsten die de beste paarden hadden voortgebracht. Hij was ook de duurste hengst. Hij werd in 1929 verkocht voor 1 miljoen (Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard, Brussel)
De appelschimmel, één van de zeldzaamste kleursoorten van het trekpaard, volgens een schilderij van Albert Verwee uit 1881 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Belgié, Brussel, Albert Verwee: Appelgrauwe Vlaamse hengst (inventaris nr. 4085))
meer goedgekeurd voor de dekdienst. Nederland telt nog slechts twee goedgekeurde voskleurige hengsten en geen enkele zwarte. Dit alles neemt niet weg dat het stud-book nog steeds, en dit sinds ruim honderd jaar, zijn activiteiten onverminderd voortzet. Nog elk jaar wordt een stud-book gepubliceerd en worden keuringen en prijskampen georganiseerd. Begin 1991 kreeg de bruine schimmel Ensor d'Elewijt de kampioenstitel. Ter herdenking van de internationale prijskamp voor paarden tijdens de wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1885, werd in 1985 een gedenkboek uitgegeven dat uitgegroeid is tot hèt standaardwerk over het Belgische trekpaard.
14
M&L
HET BELGISCHE TREKPAARD Volgens ridder G Hyndenck de Theulegoet is het Brabantee of Beigische trekpaard, het resultaat van de vermenging van het Ardense paard en het Vlaamse paard, verwant met het Friese paard. Het Ardense paard zou verspreid zijn in westelijke richting waar het door het gematigd vochtig klimaat en de rijke bodem aan kracht zou hebben gewonnen. Hierdoor zou zijn omvang en gestalte zijn vergroot. Dit alles zou nog in de hand zijn gewerkt door een vermenging met het bloed van het Vlaamse paard. Prof. J, Leyder gaf in 1905 volgende beschrijving van het Belgische trekpaard:
Vainqueur de Md. fokhengst aangekocht door de Vereniging voor het bevorderen van het Belgisch trekpaard. Hij staat ter dekking in de historische Augustijnenhoeve te Bertem, bij Robert De Prins. Vainqueur, een blauwschimmel, is de zoon van kampioen Costaudvan Wolvertemen Marva van de Boskant (eigen foto)
- het hoofd heeft een goede, trouwe expressie het is goed geproportioneerd en gebouwd, en iichf tegenover de massa van het paard. De oren zijn eerder kiein, rechtopstaand, iets naar voren heiiend en aandachtig gericht - de hais is sterk, vrij waar en goed en breed aan gezet. Hij iijkt daardoor wat korf ten overstaan van de gebiokte romp; - de korte, brede rug is iichfjes gebogen, en overgaand in een zwaar gesperde iendenpartij, kort en breed, - een ronde, brede borst, een korte, gesloten flank een massieve heup, gekloven en dubbel gesperd, belegd naar de lenden toe met zware spierkussens: - het kruis Is licht heiiend met laag Ingeplante staart. De broek is zwaar bespierd, overgaand naar zware dijen - een stevig beenwerk en ledematen met brede, droge gewrichten, eindigend op vrij korte pijpen, ietwat korte en elastische koten en brede, taaie hoeven. Iets minder hiel vooraan: - het lichaam is In verhouding laag bij de grond. Het trekpaard heeft een vrij lange levensduur van 20 jaar en meer. Een volwassen hengst weegt tot meer dan 1000 kg. Ondanks zijn omvang en kracht zijn de bewegingen van het trekpaard bijzonder sierlijk. Het heeft een gewillig karakter, is zachtmoedig en Is bijzonder werkzaam. Een Belgisch trekpaard kan een kar van 1500 kg, geladen met een last van 3.000 tot 5.000 kg gedurende een werkdag van 8 a 10 uur voorttrekken. Eén van de kenmerken waar de vereniging voor het bevorderen van het Belgische Trekpaard vee! belang aan hecht is de verscheidenheid aan kleuren. De haarkleuren van het Belgische trekpaard kunnen ingedeeld worden In twee groepen: de fundamentele haarkleuren vooreerst, de afgeleide haarkleuren vervolgens. Deze laatste worden afgeleid van de fundamentele kleuren door het bijkomen of het wegvallen van een element. De drie fundamentele kleuren zijn: bruin (in het Frans bai), zwart (noli) en vos {alezan). Wanneer, gemengd onder de bruine, zwarte of voskleurige haren, een voldoende hoeveelheid wiïte haren aanwezig is om de indruk te geven dat men met een andere kleur te maken heeft, verkrijgt men volgende afgeleide kleuren: bruin vermengd met wit wordt een bruinschimmei {rouan), zwart vermengd met wit wordt blauwschimmel {gris te) en vos met wit wordt vosschimmel (aubère). De manen en de uiteinden van de ledematen van de bruine en bruinschimmei zijn zwart of zwart gemengd met enkele witte haren. Het zwarte en blauwschimmel trekpaard heeft eveneens de uiteinden en de manen zwart of blauwschimmel. De vos en vosschimmel heeft de uiteinden en de manen vosachtig of bleker tot wit, Tenslotte is er nog het grijze paard, ook oppefec/5/mme/(gepommeieerd) genoemd.
De kleuren kunnen naargelang van de nuances onderverdeeld worden In vele klassen: Het bruin licht bruin, gewoon bruin, roodbruin, kastanjebruin en zwartbruin; bruinschimmei{atgeteki van bruin): lichf-bruinschimmei, gewoon bruinschimmei, wjnschlmmel, donkerschimmel, zeer donkerschimmei; zwart, koolzwart (maf), gitzwart (schierend), vuilzwart, blauwschimmel, moorkop; vos: bllchlvos, gewoon vos, donkeivos, kooivos (kleur van gebrande koffie, niet te verwarren met de donkerbruine vermits de vos altijd lichte manen heeft, de bruine zwarte manen); voschimmel. lichte vosschimmel, gewone vosschimmel, donker vosschimmel.
Demonstratie van het ploegen met een vierspan. Van links naar rechts; Rita, Bertha, Greetje van de Kanaalstraat en Connie van 'tCleihof (foto R. Plessens)
Naast de kleuren zijn er nog aftekeningen die het signalement aanvullen: - aan het oog: glasoog en ringoog (het hoornvlies omzoomd met een w i e rand); - aan het voorhoofd: witte vlekken, naargelang van de omvang en de vorm stipje, kolietje, kol, grote kol, ster of bles genaamd; - wit aan één of twee lippen, de neustop of de mondhoek; - witte haren aan het uteinde van de ledematen, naargelang van de omvang aangeduid ais witte kroon of zoom, sokje, sok, witvoet, halfwit-been of half gelaarsd, wBbeen of gelaarsd, hoogwifbeen, of hoog gelaarsd.
15 -
M&L
Kenmerken van het Belgische trekpaard. Afmetingen van het beroemde paard Brillant. Hoogte 1.67 m - schoft (1 tot 2) 1.53 m - rug (3-4) 1.63 m - kruis (5-6) 1.50 m - heup (7 - 8) 1.03 m - kniegewricht(lO-ll) 0.65 m - spronggewricht(lO-ll) - schoudergewricht (18-13) 125rr 0.55 m - voorknie (14-16) 1.00 m - elleboog (14-15) 0.82 m - borstbeen (14-17) Lengte: - kop (33-34) 0.67 m 1.74 m - romp (13-20) 0.75 m - schouder (13-2) 0.67 m -rug (21-8) 0.65 m - kruis (8-22) - keel (23-24) 0.52 m Omtrek: 2.18 m - borst 0.14 m - voorknie (30) 0.26 m -pijp (31) - spronggewricht(32) 0.51 m Alhoewel Brillant representatief bleef voor het Belgische trekpaard slaagden de kwekers er in om later nog sterkere en zwaardere paarden te fokken. Zo bedroeg de pijpomtrek (voorste scheenbeen of canon) bij Espoir de Quaregnon 30 cm waar die bij Brillant 26 cm bedroeg. (Koninklijke Bibliotheek Albertina Brussel, leeszaal: J. Leider, Le cheval Beige, 1905)
ALS DE NOOD HET HOOGST IS Het Belgische trekpaard heeft op dit ogenblik nog slechts een te verwaarlozen economisch belang. Daarom is zijn voortbestaan dan ook bedreigd. Alleen als er een nieuwe — bijvoorbeeld socio-culturele — waarde in onderkend zou worden krijgt het Belgische trekpaard nieuwe overlevingskansen. In 1968 werd in Muizen bij Mechelen de Hanswijkhoeve aangekocht door het Ministerie van Openbare Werken. Het was de bedoeling het gebouw te slopen en van het erf een overstromingsbekken of potpolder te maken. In het kader van het Sigmaplan, dat het overstromingsgevaar op nationaal vlak moest oplossen, werd dit project opgegeven. Uiteindelijk werden de dijken verhoogd, werd de potpolder niet aangelegd en bleef de Hanswijkhoeve gespaard. Ze werd opgekocht door enkele enthousiaste natuurbeschermers onder leiding van Prof. Ir. R. Piessens, in samenwerking met de Stichting Monumenten- en Landschapszorg. De hoeve werd gerestaureerd met subsidies onder leiding van architect W. Slock van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Na de restauratie kreeg de hoeve een natuur-educatieve functie. In dit kader werden enkele Belgische trekpaarden aangeschaft. Zo ontstond een feitelijke vereniging voor het behoud van het Belgische trekpaard, die in samenwerking met de Stichting Monumenten- en Landschapszorg door middel van fiscaal aftrekbare giften een 7-tal paarden in volle of gedeeltelijke eigendom kon verwerven. Op 12 november 1990 nam minister G. Geens, Voorzitter van de Vlaamse Executieve, de beslissing de Vereniging voor het bevorderen van het Belgische trekpaard op te richten.
De traditie van nationale en provinciale kampioenschappen en lokale wedstrijden wordt nog steeds in ere gehouden. Tijdens de wedstrijd te Bertem overhandigt Minister G, Geens, Voorzitter van de Vlaamse Executieve, de prijs van de Vlaamse Gemeenschap aan de winnaar Bruno van Stappershof (bruiri) (eigen foto)
De feitelijke vereniging werd door de nieuwe vereniging opgeslorpt en de paarden van de Stichting Monumenten- en Landschapszorg werden aan de nieuwe vereniging geschonken. De vereniging is vooralsnog vooral actief inzake animatie, stoeten, optochten en festiviteiten en nam in 1990 reeds deel aan de Christmas Jumping in Nekkerhal te Mechelen, de Ommegang te Brussel, de Sint-Paulusprocessie in Opwijk en de paardenkijkdag te Hasselt.
16
M&L
HET VLAAMSE LANDPAARD Overdadige uitvoer, een ontoereikende reglementering en ondeskundige kruising met andere rassen hebben voor gevolg gehad dat het Vlaamse paard omstreeks de eeuwwisseling is opgeslorpt door het Brabantee of Belgische trekpaard, De bijzonder aktieve vereniging Het Vlaamse Landpaardttadri door selectie en kruising met het Franse boulonnese ras, verwant aan het Vlaamse, dit ras van de grootste paarden die er ooit geweest zijn te restaureren. ,' Een bekend voorbeeld van poging tot restauratie van een uitgestorven ras Is die van het oerrund, meestal ten onrechte de oeros genaamd (Bos primigenius), Het ontstaan van het huismnd uit het oerrund omstreeks 6000 jaar voor Christus, Is wellicht de belangrijkste factor geweest bij het prille ontstaan van de eerste menselijke beschaving, waardoor de overgang van het primitieve Stenen Tijdperk naar een ontwikkelde akkerbouw-cuituur mogelijk werd, De oorsprong van het huisrund is dus van zeer groot belang voor de geschiedenis van de primitieve mens. Het oerrund zou ontstaan zijn in India maar was reeds 250.000 jaar geleden in Europa te vinden en verspreidde zich tenslotte massaal over de gehele oude wereld. Tussen 1200 en 1400 stierf het nagenoeg uit. In 1564 zouden er nog een 40 overgebleven zijn, nog 4 In 1602 en In 1620 nog slechts één dat stierf in 1627. De oerrunderen zijn bekend u^ prehistorische muurschilderingen zoals die van Lascaux. Zeer nauwkeurig is de afbeelding, 'Augsburger Urbild' dat vooral verspreid werd door een zwort-wit reproductie uit 1827. De stier van het oerrund was zwart en groot (3 m. lang en 1000 kg. zwaar). De koeien waren veel kleiner en bruin. In de dierentuin van Berlijn en München ondernamen de gebroeders Heek een poging om door het stelselmatig kruisen van primrtieve runderrassen, het oerrund te reconstrueren. Hiervoor werd gebruik gemaakt van Camargue-runderen, Spaanse vechtrunderen, Corsicaanse runderen, Engelse parkrunderen, Hongaarse steppewnderen, Schots hooglandvee, grijze en bruine bergrassen en zwartbonte Friezen. Hiermee konden uiteindelijk 'ftecfenctoogse'oerajnderen gekweekt worden. Het zijn dieren die, uiterlijk althans, wel sterk op die van de oude afbeeldingen lijken. De oeros volgens een oude ofbeelding en zoats hij thans "gereconstrueerd" ie bewonderen Is in de Antwerpse Dierentuin (Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde, Antwerpen, Grzimek, Het leven der dieren)
Tijdens de internationale paardententoonstelling van 1885 in München werd vastgesteld dat het Vlaamse paard uit Veume-ambacht het grootste paardenras ter wereld was. Dit paard, naar een afbeelding van Franz O'Stuckenberg, de befaamde anlmalier uit München, had een schofthoogte van 1,82 m. Het werd verkocht aan de Duitser Loebstein de Cannstadt (Koninklijke Bibliotheek Albertlna Brussel, leeszaal; Le Globe illustré: 1.11.1885 OH 99.469 C,fo), ook Illustration Européenne 6.7.1890 (IV 66.803 C, fo))
Hoe prachtig het Vlaamse paard ook moge geweest zijn, vanuit de zorg om het cultureel erfgoed Is de poging om een verdwenen ras te restaureren een riskante aangelegenheid. Vanuit biologisch standpunt is het vermoedelijk onmogelijk om een ras te herfokken. Het charter van Venetië uit 1964, dè bijbel voor de monumentenzorgers, waarschuwt al even zeen "Het restaureren houdt op waar de hypothese begint"
r ^
é
W- m
•
^
k
2^^»
> -,.,., ' fl
^m
mm
.;.rf'
i
1 B^ -m^. -.
*dL
t^HraBpft ''
f
i^k: A
i #
'
17 -
M&L
EEN DUWTJE IN DE RUG
Ook de Vlaamse Executieve heeft willen bijdragen tot het behoud van het Belgische trekpaard. Bij besluit van de Vlaamse Executieve van 26 april 1990 werd een premie toegekend van 5.000,-fr. voor de inschrijving van een merrieveulen of van een veulen in het Stamboek van het Belgische trekpaard. Aangezien het besluit slechts van toepassing is met de ingang van 1 juli 1990 en de meeste veulens geboren worden in juni zal dit besluit pas vanaf half 1991 zijn nut kunnen bewijzen. Het is alvast een goede aanmoediging voor de goede Vlaamse fokkers.
BESLUIT
Het Belgische trekpaard sluit aan bij een lange traditie die wil dat in ons land sterke en zware paarden van grote kwaliteit worden gekweekt. Het heeft in onze industriële geschiedenis een uitzonderlijk belangrijke rol gespeeld. De zorg voor het behoud van het levende cultureel erfgoed is derhalve van een totaal andere orde als die voor het behoud van uitstervende diersoorten, zoals bijvoorbeeld de Panda of — om het bij de paarden te houden — van het Przewalskipaard (steppepaard), een oerpaard waarvan onlangs enkele van de weinig overlevende exemplaren zijn uitgezet in de Gobiwoestijn.
Ondanks hun enorme kracht en grote omvang hebben de trekpaarden met een eigen aparte charme het grote publiek weten te vertederen, Dit biijkt onder meer uit de poëtische namen die ze kregen zoais, op bijgaande foto Greta van Sinf-Niklaas (wijnbruinschimmel) met haar veulen Epona van de Hanswijckhoeve (vosschimmel), Deze poëtische namen hebben een iange traditie, wat blijkt als men er de oude stud-booken op naslaat; Brillant, Rêve dor, Beau Lys, Belle fleur, Brln Het Brabantse trekpaard is ongetwijfeld in de eerste plaats een cultuurd'or, Espolr de Quaregnon, Bombardier de la vlellleprodukt dat door doelbewuste en vakkundige manipulatie en selectie van de cour. Deze traditie wordt tot op onze dagen in ere fokkers tot een uitzonderlijke graad van perfectie is gekomen. gehouden met namen als; Tullp van 't Cleihof, Het is nu maar de vraag of de actuele toenemende belangstelling voor het Barones van Leugenberg, Angela van de Mosfheuvel, Eva van 't Groenenbroek, Farra van 'f RMerenhof, Belgische trekpaard al dan niet een modeverschijnsel van voorbijgaande aard Linde van de Steenhoeve, Sarah van 't Hommelhof, is. Indien deze belangstelling zou bestendigd worden is ze wellicht het begin Monika van de Llndenhoeve, Juweel van de van een nieuwe tak in de zorg om het cultureel erfgoed. Klokbeek Petra van 't Blauwhot, Hilda van 't Ooievaarsnest, Frederlk van Welgelegen, Bart van De toekomst zal dan moeten uitwijzen hoe deze zorg er zal uitzien, hoe die Veldzicht, Tom van de reep, Bruno van de zal georganiseerd worden en of er hierbij ook voor de Overheid een taak is Merodedreef, Nico van 't Heieinde, Prins van de Helse weggelegd. Galop en vele andere (foto R. Piessens)
Ze stappen, hun bellen al klinken, de vrome twee horsen tegaar; ze zwoegen, ze zweten; en blinken doet 't blonde gelijm van hun haar. Ze stappen, ze stenen, ze stijven de stringen: en 't ronde gareel, het spant op hun spannende lijven: de voerman beweegt ze aan een zeel. De wagen komt achter. De rossen, gelaten in 't lastig geluid der schokkende, bokkende bossen, gaan, stil en gestadig, vooruit. Geen zweep en behoort er te zinken, geen snoer en genaakt er één haar: zo stappen, hun bellen al klinken de vrome twee horsen, tegaar. {Twee Horsen, Guido Gezelle, 28 januari 1897)
18
-
M&L
Prof, ir. R. Piessens bij de opleiding van Bza van Bkaert B I B L I O G R A F I E (vos) en Greep van de Kanaalstraat (zwart) bij het trekken van een landbouwwagen (eigen foto) A. Belgisch trekpaard Boeken en Brochures Berger P., Un grand organisme national. La société royale Ie cheval de trait beige, in La documentation de l'homme d'affaires, cahier nr. 4, Couillet, 1939. Bonnefont G., Elevage et dressage du cheval, Parijs, 1908. de Crombrugghe F., L'élevage du cheval de trait Beige et en Flandre, Kortrijk, 1888. De Loncey H.-V., Les races de chevaux de trait (France-Belgique-Angleterre), in Aux Bureaux de 'L'acclimatation', Parijs, 1886. Denayre J., Le cheval de trait beige, héredité et genealogie, Court-Saint-Etienne, 1913. De Puisbusque L.-G., L'éleveur de poulains, Parijs, 1834. Douterligne A.V., Des races chevalines de la Belgique, Brussel, 1850. Florent A. & Florent H., Le cheval de trait Braban^on et l'alimentation rationelle des animaux domestiques, Charleroi, 1913. Florent A., & Florent H., L'extérieur du cheval, Edingen-Ronse, 1909. Foelen M., Manuel de l'éleveur du cheval croisé en Belgique, Brussel, 1868. Galliër A., Le Cheval de Trait, Races Frangaises, Parijs, 1909. Gayot E., Atlas statistique de la production des chevaux en France, Parijs, 1850. Gayot E., Les chevaux de trait franqais, Parijs, 1888. Gayot E., Encyclopédie pratique de l'agriculture, tome V, Parijs, 1861. Gérard F., L'élevage du cheval croisé, Brussel, 1875. Gérard F., La production en Belgique des chevaux croisés, Brussel, 1874, 1875 & 1876. Gérard F., De la production en Belgique des chevaux croisés propres au service de nos troupes montés, de luxe et demi-luxe, Brussel, 1876. Gérard F., Des races chevalines belges, Brussel, 1871. Gérard F., Dissertation sur le cheval flamand, Brussel, 1884. Gratia E.. L'élevage de l'espèce bovine et de l'espèce chevaline, Izegem, 1903. Grzimek B., Het leven der dieren, Utrecht-Antwerpen, 1969. Hamoir J., Le cheval de trait. Namen, 1907. Yiax&y, De l'élevage du cheval croisé, réponsede M. Hardy a M. Leprofesseur Gérard, Brussel, 1875. Heek L., In wildernis en dierentuin. De uitgestorven Oeros opnieuw gefokt, Amsterdam, 1957.
— Hubert C , L exportation des chevaux beiges en Italië, in Journal de la société centrale d'agriculture de Belgique, februari 1924. — Hynderick de Theulegoet G., Le cheval de trait beige, Brussel, 1892. — Hynderick de Theulegoet G. & Tiberghien P., Le cheval de trait beige et le concours de 1886, Brussel, 1887. — Hynderick de Theulegoet G., L'espèce chevaline a travers le monde, Antwerpen, s.d. — Hynderick de Theulegoet G., Monographie des Belgischen Lastpferdes, Hannover, 1912. — Hynderick de Theulegoet G.. Monographie du cheval de trait beige, Brussel, 1911. — Hynderick de Theulegoet G., La société nationale des éleveurs belges, en Le cheval de trait beige, situation de l'élevage beige avant les règlements actuels, in Stud-book des Chevaux de trait belges, Brussel, 1890. Deze teksten verschenen ook in gewijzigde vorm in het volgende stud-book, Brussel, 1891. — Jacquet Ch., Amelioration de la race chevaline en Belgique, in Journal de la société centrale d'agriculture de Belgique, Brussel, 1854. — Jacquet Ch., Rapport de M. Jacquet au conseil supérieur d'agriculture sur l'élevage du cheval croisé, in Journal de la société centrale d'agriculture de Belgique, Brussel, 1876. — Kroon H.M., De fokkerij der landbouwhuisdieren in Nederland, Groningen, 1925. — Labouchère P.C., Geschiedenis van het Belgisch trekpaard en de invloed van Indigene du Fosteau op de Nederlandse paardenfokkerij, Maastricht 1927. — Lahaye J., Marq J. & Cordier E., Le cheval, Gembloers, 1943. — Lavalard E., Le cheval dans ses rapports avec l'économie rurale et les industries de transport, Parijs, 1894. — Legrand P., L'extérieur du cheval, in Encyclopédie agricole beige, tome II, Brussel, 1935. — Leyder J., Les animaux domestiques d l'exportation nationale de 1880, Brussel, 1881. — leyder J., Das Belgische Pferd, seine charakteristiek und Zuchtverhaltnisse, Berlijn, 1904. — Leyder J., Le cheval beige, sa caractéristique et les condition de son élevage, Brussel, 1905. — Leyder J., Le cheval Beige, son passé, son présent, son avenir, Ciney, 1897. — Leyder J., De huisdieren op de nationale tentoonstelling van 1880, Brussel, 1881. — Leyder J., La viande de boeufet la viande de cheval, Brussel, 1874. — Lincke E., Belgische und flandrische Landwirtschaft, Leipzig, 1843. — Lindemans P., De geschiedenis van de landbouw in België, 2 delen, Antwerpen 1952. — Lion G., De l'état de l'agriculture, sous le rapport de l'éducation des chevaux de trait dans les provinces méridionales et des moyens de l'améliorer, Brussel, 1894. — Maliepaard C.H.J., Trekpaarden, Amsterdam-Antwerpen, 1950 (met een bijdrage van Harmsen W., over de geschiedenis van Nederlandse trekpaardenstamboek, een van Labouchère P.C., over de trekpaardenfokkerij in Nederland, een van Rijssenbeek C.J.M., over de Overhelden de paardenfokkerij en een van Zwagerman C , over het werkpaard in het Nederlandse landbouwbedrijf). — Meuleman E., L'organisation des jurys dans les concours et expertises de chevaux reproducteurs, Brussel, 1908. — Meuleman E.,Le cheval de Flandre et le cheval flamand, in Chasse et Pêche, 7 en 21 augustus 1921. — Meuleman E., Le cheval du Hageland, in Chasse et Pêche, 8 januari 1922. — Meuleman E., Pages de l'histoire hippique de la Belgique, in Chasse et Pêche, 12 november, 10 en 31 december 1922, 11 februari 1922. — Meuleman E., Le cheval beige et non cheval brabanqon, in Chasse et Pêche, 2 juli 1922. — Meuleman E., Le cheval beige dans l'art, in Chasse et Pêche, 24 december 1922. — Ministère de l'agriculture. Amelioration de l'espèce chevaline règlements provlnciaux • surprime nationales, Brussel, 1889. — Ministère de l'intérieur, reglement general du Haras, Brussel, 1848. — Ministerie van landbouw, 100 jaar ministerie van landbouw, Brussel, 1984. — Parmentier J., Exposé succinct des produits du règne végétal et animal dans le canton d'Enghien, Brussel, 1819. — Pauchenne M., Nécessité de favoriser la production du cheval ardennais croisé, s.l., s.d. — Peters J., Das belgischen Pferd und seine Zucht, Leipzig, 1901. — Radcliff Th., A report on the agriculture of Eastern and Western Flanders, Londen, 1819. — Rasquin M., Le cheval de trait beige, son alimentation rationelle, Ronse, s.d. — Rasquin M., L'élevage du poulain, Ronse, 1913. — Rasquin M., Le cheval beige au grand concours national de Bruxelles, in Chasse et Pêche, 1 juni 1921. — Rasquin M., Le cheval de trait beige, son succes au XXXII concours national de reproducteurs. L'homogénité de sa race et de son avenir assure, in Chasse et Pêche, 19 juni 1922. — Rasquin M., Les debauches pour le cheval beige, in Chasse et Pêche, 9 juli 1922. — Rasquin M., Le passé, le présent et l'avenir du Cheval de trait beige, in Journal de la société centrale d'agriculture de Belgique, Brussel, 71e jaargang nr. 1, november 1923, 1-12. — Reul AA.,Avant-propos, in Stud-book des chevaux de trait, Brussel, 1888. Reul, Ad., Précis du cours d'ethnogénie & d"ethnographies des animaux domestiques, Brussel, 1902. — Reul Ad., Réponse aux attaques contre le studbook beige, Brussel, 1889. — Reul Ad., Précis du cours de zootechnle appliquée aux différentes espèces animales, Brussel, 1903. — Robien H. de, Le cheval ardennais en Lorraine et au pays d'Ardennes, Parijs, 1909. — Robien H. de, Le cheval de trait léger, Parijs, s.d. — Royer A., Les équidés, in Encyclopédie agricole beige, tome II, Brussel, 1935. — Royer A. & Zwaenepoel H., Technique de l'élevage du Poulain, Brussel, 1935. — Schwerz J.N., Anleitung der Belgischen Landwirtschaft, Halle, 1802. — Simons K., Die entwicklung der rheinischen Pferdezucht (Rheinisch-Belgisches Kaltblut), Berlijn, 1912. — Stanga I., // cavallo da Tiro Pesante, Agosta, 1905. — Tacquet J., Philipicca, ou haras de chevaux, Antwerpen, 1614. — Tulippe O., L'élevage du cheval en Belgique, Luik, 1932.
20 -
M&L
Een monument voor een monument: beeldhouwer Koen Tine! (vooraan) gezeten op het plaasteren model op ware grootte van het toekomstige bronzen standbeeld van het Belgisch trekpaard (4,02 m hoog) dat vanaf de zomer 1992 het dorpsplein van Sint-Kwintens-Lennik moet sieren (eigen toto)
Ulens R., Le Condroz, sa population agricole au XlXe siècle, Brussel, 1920. Van Aelbroeck, Landbouw van België, Gent, 1824. Van Autgaerden T. & Vernieuwe T., Notes sur l'élevage et le commerce du cheval de trait aux Etats-Unis d'Amérique, Brussel, 1906. Van Biesbrouck C , Paardenkweek in Vlaanderen, Brugge, 1902. Van Broekhuyzen A., Het Belgische trekpaard. Gent, 1907. Van Damme C , L'extérieur du cheval, Brussel, 1908. Vander Maelen Ph., Dictionnaire geographique de la Flandre Oriëntale, Brussel, 1834. Van der Mies A., Les règlements provinciaux. Les commissions d'expertise et les éleveurs belges. Luik, 1891. Van der Vaeren J., L'agriculture o l'exposition de Liège, Leuven, 1907. Van der Vaeren J., Het goudboek van den Belgischen landbouw, Brussel, 1939. Van der Vaeren J., De voornaamste feiten uit een eeuw geschiedenis van de Belgischen landbouw, 1930. Van Maldert, Histoire du cheval beige, Kortrijk 1891. Van Meldert L., Le Cheval croisé beige, in Chasse et Pêche, 31 juli 1921. Van Meldert L., Les gris du pays de Nivelles, in Chasse et Pêche, 3 oktober 1921. Van Meldert L., Z, 'ancien Haras de l'état beige et son influence sur le development de la race chevaline beige, Gembloers. 1948. Van Roven J., Buitenleven -paardenkweek, Oostakker, s.d. Van Snick O., e.a.. Brochures over de Paardenfokkerij in België, Brussel, 1961, 1963, 1965 (Ministerie van Landbouw dienst veeteelt) Van Wassenhove A., Bloedonderzoek bij het Belgisch trekpaard, 1949. Veenman, Agrarische Winkler Prins, 1954. Vliebergh E.& Ulens R., L'ardenne, la population agricole au XlXe siècle, Brussel, 1912. Vliebergh E., Beginselen van de niet-technische landhuishoudkunde. Leuven, 1920. Vliebergh E., De landelijke bevolking der Kempen gedurende de 19e eeuw, Brussel, 1906. Vliebergh E. & Ulens R., La population agricole de la Hesbaye au XlXe siècle, Brussel, 1909. Walravens, De Vamelioration des races chevalines en Belgique, in Journal de la société centrale d'agriculture de Belgique, Brussel, 1854. Warnants E., L'amelioration des animaux domestiques en Belgique 1880 d 1940, Leuven 1947. Warnant, E., Les étalonnieurs Braban^ons, Brussel, 1929. Willems A.E.R., Signalement van het paard, Antwerpen, 1949. Avant-propos, in Stud-book des Chevaux de trait, Brussel, 1887. Note sur I'amelioration et la propagation des races chevalines dans le canton d'Enghien, Edingen, 1854. Ondemgting voor de opkweking der peerden in Belgiën, Brussel, z.d. Reglement et la société beige d'encouragement pour l'élève du cheval indigene, Brussel, 1851. Reglement de la société beige pour l'encouragement de l'élève du cheval indigene, Brussel, 1848. Le cheval de trait beige aux Etats Unis, in Chasse et Pêche, 1921. La Société d'encouragement pour Vamelioration de la race des chevaux, Aarlen 1841. Studbook national de la race beige de trait. Luik, 1890.
Tijdschriften en periodieken — De akkerbouw, van 1849 tot 1892 — Belgisk Hesteavl, Denemarken, 1943-1949 — Bulletin du conseil supérieur de l'agriculture, sinds 1847. — Bulletin officiel de la société royale le cheval de trait beige, Brussel, 1923 tot 1954. — Cheval (Le), van 1903 tot 1914. — Cheval de Trait Beige (Le), revue internationale des éleveurs de chevaux de trait de Race beige, Brussel, 1911 - . — Elevage beige (L') van 1929 tot 1937. — Journal des Haras, van 1835 tot 1851. — Landbode (De), van 1881 tot 1914. — Landbouwleven, sinds 1951. — Le Sillon beige, sinds 1932. — Stud-book beige. Société royale le cheval de trait beige, Brussel, sinds 1890.
B. Geschiedenis van de Vlaamse monumentenzorg — Deloche B. & Leniaud J.-M., La culture des sans-culottes, le premier dossier du patrimoine, 1789-1798, Parijs, 1989. — De Naeyer A., Monumentenzorg, Antwerpen, 1975. — Léon P., Les monuments historiques, conservation restauration, Parijs, 1917. — Ostyn D., De Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen, een historische schets, in Bouwkundig Erfgoed in Vlaanderen nr. 30, oktober 1977. — Tillema i.K.C, Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, 's Gravenhage, 1975.
NUTTIGE
ADRESSEN
Ministerie van Landbouw, dienst Veeteelt. Hoofdbestuur: Manhattan Center - Office Tower Bolwerklaan 21 - 6de verdieping, 1210 BRUSSEL. S 02/211.72.11, fax. 02/211.72.16 Paardenhouderij: Eerst-aanwezend ingenieur J.P. Hachez Buitendiensten: paarden: Antwerpen: Ir. A. De Praeter, Sint-Lenaartsebaan 29, 2390 Malle. S 03/312.20.59 Brabant: Ir. A. De Praeter, Manhattan Center, Bolwerklaan 21, 15de verd. 1210 Brussel. S 02/211.75.58 West-Vlaanderen: Ir. J. Van de Velde, leperweg 93, 8800 Roeselare (Rumbeke). S 051/20.66.20 Oost-Vlaanderen: Ir. H. Pauwels, Van Thorenburghlaan 14, 9860 Oosterzele. S 091/63.92.07 Limburg: Ir. N. Vettenburg, T.T. Wijk, Torenplein 6, B9, 3500 Hasselt. S 011/22.17.85 Koninklijke maatschappij het Belgisch trekpaard Deze vereniging opgericht in 1885 is vooral bekend voor de jaarlijkse uitgave van het stud-book of stamboek van het Brabants trekpaard en dit sinds 1891. De Koninklijke maatschappij zet zich sinds meer dan honderd jaar in voor het behoud van het Belgische trekpaard en het organiseren van de nationale en provinciale officiële prijskampen. Voorzitter: Graaf E. de Liedekerke. Koninklijke Maatschappij het Belgisch trekpaard, Algemene Stemrechtlaan 49,1030 Brussel. Postrekening: 000-0100857-74. S 02/215.93.84. De Koninklijke Maatschappij geeft een informatieblad uit. Provinciale Maatschappijen Belgisch Trekpaard De Antwerpse Paardenfokkers: Voorzitter: Dr. O. Van den Abeele, Gloriantlaan 31, 2050 Antwerpen-West. S 03/314.73.96 De Brabantse Kwekers: Voorzitter: G. Van Doorselaer, Barbierstraat 8, 1861 Wolvertem. S 02/511.07.37 Paardenkwekersbond van West-Vlaanderen: Voorzitter: W. Persijn, Kapellestraat 30, 8750 Wingene. © 050/41.23.12 De Paardenkwekers van Oost-Vlaanderen: Voorzitter: G. De Kesel, Veldekenstraat 4, 9991 Adegem. S 091/63.92.08 De Limburgse Paardenkwekers: Voorzitter: J. Jonckmans, Steenweg 91, 3590 Diepenbeek. S 011/33.63.12 of 012/74.21.57 Nationaal Verbond der Hengstenhouders Voorzitter: J. Mechels, St.-Pietersstraat 121, 3630 Maasmechelen. Provinciale Beroepsverenigingen Antwerpen: Voorzitter: Dr. O. Van den Abeele, Gloriantlaan 31, 2050 Antwerpen-West. S 03/314.73.96 Brabant: Voorzitter: G. Van Doorselaer, Barbierstraat 8, 1861 Wolvertem. S 02/511.07.37 West-Vlaanderen: Voorzitter: A. Debaene, Oostendsesteenweg 232, 8000 Brugge. S 050/31.39.50 of 058/31.27.99 Oost-Vlaanderen: Voorzitter: A. Van Lancker, Munckbosstraat 4, 9620 Velzeke. S 091/28.11.96 Limburg: Voorzitter: J. Mechels, St.-Pietersstraat 121, 3630 Maasmechelen. S 011/22.17.85 Vereniging voor het Bevorderen van het Belgische Trekpaard v.z.w. Op 12 november 1990 werd de vereniging voor het bevorderen van het Belgische trekpaard opgericht. Het doel van de vereniging is: 1. Het Belgische trekpaardenras te bevorderen. 2. De oorspronkelijke verscheidenheid van de haarkleur in het Belgisch trekpaardenras te herstellen. 3. De internationale bekendheid en verspreiding van het Belgische trekpaard te bevorderen. De vereniging mag alle aktiviteiten ondernemen die dit doel kunnen dienen, zoals onder meer: houden, fokken en verspreiden van Belgische trekpaarden; wetenschappelijke studies uitvoeren of laten uitvoeren over de fokkerij, de vruchtbaarheid en de erfelijkheid van het Belgische trekpaard;
een informatiecentrum uitbouwen om het Belgische trekpaard beter bekend te maken bij het publiek; opleiding en vorming van fokkers en belanghebbenden stimuleren door het inrichten van voordrachten, studiedagen en vormingscycli; bevorderen van aangepaste land- en bosbouw, recreatieve, educatieve en promotionele aktiviteiten voor het Belgische trekpaard; landbouwaktiviteiten uitvoeren om, onder andere, de voedergewassen voor de paarden zelf te produceren; op nationaal en internationaal gebied samenwerken met verenigingen met gelijkaardige doelstellingen. De beheerders zijn : de Heer G. Geens, Voorzitter; Prof. ir. R. Piessens, ondervoorzitter; de Heer G. Stienlet, secretaris; de Heer E. Goedleven, penningmeester; de Heer V. Van den Balck, lid; de Heer L. Nuytten, lid; de Heer P. De Brouwer, lid. Vereniging voor het Bevorderen van het Belgisch Trekpaard v.z.w., Bergstraat 72, 1000 Brussel. S 02/512.40.97, fax: 02/512.36.67. rekeningnr.: 426-3166921-43.
BESLUIT VAN DE VLAAMSE EXECUTIEVE BETREFFENDE DE TOEKENNING VAN EEN PREMIE VOOR DE INSCHRIJVING VAN EEN MERRIEVEULEN OF VAN EEN VEULEN IN HET STAMBOEK VAN HET BELGISCH TREKPAARD De Vlaamse Executieve, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 1 § 3, en artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 20 maart 1990; Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister voor Begroting, gegeven op Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij wet van 9 augustus 1980; Overwegende de dringende noodzaak om onverwijld binnen het Vlaamse Gewest een premie in te stellen ter bevordering van de kweek van het Belgisch Trekpaard; Op voordracht van de Gemeenschapsminister van Economie, Middenstand en Energie; Na beraadslaging, BESLUIT: Artikel 1. — Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder: 1. "Fokker": de eigenaar van de merrie op het ogenblik van de geboorte van een merrieveulen of van een veulen; 2. "Gemeenschapsminister": de Gemeenschapsminister tot wiens bevoegdheid de suppletieve hulp aan de landbouw behoort. Artikel 2. — De Gemeenschapsminister verleent aan de fokkers waarvan het merrieveulen of het veulen in het Stamboek van het Belgisch trekpaard wordt ingeschreven een bijkomende premie naast de subsidies toegekend krachtens het koninklijk besluit van 29 oktober 1986 betreffende de verbetering van het paarderas. Die premies bedraagt 5000,-fr. per ingeschreven merrieveulen of veulen. De premie wordt aangerekend op art. 60.01.02, A, Sectie 62, Afdeling II van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Artikel 3. — "De premie wordt verleend tegen de volgende voorwaarden: 1. het merrieveulen of het veulen moet na 1 juli 1990 geboren worden en ingeschreven zijn in het Stamboek van het Belgisch trekpaard; 2. het ingeschreven merrieveulen of het veulen moet geboren zijn van dieren allebei ingeschreven in het Stamboek van het Belgisch trekpaard en de hengst moet toegelaten zijn voor zijn ras tot de openbare dekdienst; 3. de zetel van het bedrijf van de fokker moet in het Vlaamse Gewest gevestigd zijn. Artikel 4. — Worden alleen in acht genomen de premieaanvragen, binnen zes maanden na inschrijving van het merrieveulen of van het veulen in het stud-book, ingediend door de fokkers middels een aangetekende brief bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Economie en Werkgelegenheid. Die aanvragen moeten vergezeld zijn van een attest dat de inschrijving in het stamboek bewijst, opgemaakt door de Koninklijke Maatschappij "Het Belgische trekpaard". Een ontvangstbewijs met een ordenummer wordt afgegeven voor iedere aanvraag. Artikel 5. — De premies worden verleend volgens de indieningsorde van de aanvragen. Artikel 6. — De Gemeenschapsminister is belast met de uitvoering van dit besluit. Artikel 7. — Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1990. Brussel, 26 april 1990. De Voorzitter van de Vlaamse Executieve en Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, G. GEENS. De Vice-Voorzitter en Gemeenschapsminister van Economie, Middenstand en Energie, N. DE BATSEL1ER
Voor de redding van het Brabants Trekpaard, een levend monument van hier, geeft de Kredietbank graag wat financiële paardekracht.
Beter met de bank van hier.
HHHiHI
r«L» f
E T H TA,v
>-Ar •-• *TATE t AL M T SfQVE AM 0U>1 BUIT*
S ACWJ'
' 0iv
i
i.,^.». l1»'*' r i
„Êllltf?
. " r.
^
Uil -A-
www.
tmrzffï ^
^ i
f ^ ^ E T h mVPÉHES QVOS IAVERAI
r
3 1 pftG'Bcv&n.\DiT/q-cR,gnxi
a ir
VBTTOV fLEE STITVR
J 1
"X ^
4 jm-.
, ,
VW^ ,. .MJ
rMfixwm-M/i: füiym^ UIT'/ QV/t /, : itJ*.
i r *
i
j' i'lfr
30
Detail van de boord van het tweede tapijt i i de Elisabettireeks, met cherub, overvloedshoor,.... Let op het ingevoegde, nieuwe fragment (copyright A.C.L.-Brussel)
M&L
ICONOGRAFIE EN HISTORIEK VAN DE TAPIJTEN Van de oorspronkelijke reeks van zes zijn slechts vijf wandtapijten bewaard gebleven. Drie tapijten verhalen het leven van Elisabeth van Hongarije; de twee overige zijn gewijd aan episoden uit het leven van de heilige Antonius abt. Per tapijt zijn telkens drie taferelen te onderscheiden. Elke gebeurtenis wordt door een Latijnse tekstplaat toegelicht. De boorden zijn decoratief opgebouwd met cherubjes, overvloedshoornen en dolfijnen, afwisselend met schelpen, drietanden en toortsen. Medaillons met de initialen 'A' (Antoine) en 'T (Ysabeau), het wapenschild van de familie de Lalaing en cartouches met hun lijfspreuken "nulle plus" en "ne moy aultre" zijn op diverse plaatsen terug te vinden. De Elisabethreeks begint met de verloving: Elisabeth, dochter van koning Andreas van Hongarije, wordt als wiegekind verloofd met de landgraaf van Hessen. Vervolgens neemt Elisabeth afscheid van haar moeder Gertrudis die haar overlaadt met geschenken. De volgende scène stelt het huwelijk voor waarbij zij de landgraaf belooft onderdanig te zijn. Het tweede tapijt opent met de nederigheid: Elisabeth bekommert zich om de armen; ze treft in een visioen de gekruisigde Christus in haar bed aan. In het tafereel van de liefdadigheid wordt Elisabeth een gouden mantel omgehangen door een engel. In de voorstelling van de gastvrijheid wordt een groep ruiters door de landgraaf ontvangen.
Detaii van de boord van het tweede tapijt uit de Elisabettireeks, met de lijfspreuk 'Ne moy outlre' (copyright A.C.L.-Brussel)
Het derde tapijt toont vooreerst de boetvaardigheid: Elisabeth wordt berispt en nadien gekastijd omwille van haar onoplettendheid tijdens een kerkelijk sermoen. Daarop volgt de voorstelling van haar dood en het bezoek aan haar graf door een menigte die er heil en genezing zoekt.
M&L
Het kerkbezoek mn Antonius, eerste tafereel van de Antoniusreeks (copyright A.C,L,-BrusseO
31
De Antoniusreeks start met het kerkbezoek van Antonius als knaap aan een heiligdom. Het tweede tafereel is slechts fragmentarisch bewaard en stelt een in lompen gehulde man voor met een rugmand waarin een vrouw met spinrokken heeft plaatsgenomen. In de volgende episode wordt de heilige door demonen gekweld en mishandeld : de bekoring. Het tweede tapijt toont Antonius in gebed. De heilige neemt afscheid van zijn broeders en trekt zich terug in de woestijn. Het derde en laatste tafereel verhaalt zijn ontmoeting met Paulus van Thebe en zijn dood. Een notitie in een kerkinventaris van circa 1557 vermeldt "totten gestoelte sijn ses stucken tapisserye de drie metten legende van sint antonis ende die andere metten legende van sinte elisabet". Deze notitie bevestigt het bestaan van twee reeksen van drie tapijten. Eén tapijt, het tweede uit de reeks van de heilige Antonius, ging helaas op een onbekend tijdstip verloren. Door hun overeenkomst met de iconografie en gezien de afmetingen van het koorgestoelte (1532-1548), kan van de veronderstelling worden uitgegaan dat de wandtapijten oorspronkelijk bestemd waren als dorsalia (rugtapijten) van de koorbanken of als koortapijten boven de houten dorsalen van het gestoelte. Doorheen de tijd liepen enkele tapijten beschadigingen op. Zij werden op een primitieve manier hersteld met enkele textielfragmenten, afkomstig van een 16de-eeuws wandtapijt en van een jongere kelim. Bij de huidige behandeling werden deze ingenaaide stukken uitgenomen en werden de lacunes opnieuw ingeweven, hetgeen vanuit esthetisch standpunt te verantwoorden is. Gelet op de iconografie, de initialen, het wapenschild enzovoort is er weinig twijfel mogelijk dat het gravenpaar Antoon de Lalaing (t 1540) en
Elisabeth van Culemborg (t 1555) de opdrachtgever is van de tapijtenreeks. De twee reeksen tapijten werden bovendien geconcipieerd voor het hoogkoor en het koorgestoelte dat in 1532 werd begonnen en in 1548 werd voltooid. Ze worden daar circa 1557 voor het eerst vermeld. Wat de ontstaansdatum betreft, denkt men aan een datering in de jaren dertig van de 16de eeuw, niet alleen omwille van de relatie met het koorgestoelte en met de Lalaing-van Culemborg, maar ook op basis van onder meer de studie van de afgebeelde kostuums. De tapijtenreeks is in elk geval het produkt van een provinciaal atelier waarin de nieuwe renaissancestijl, tenzij in de decoratie, nog niet volledig is geassimileerd. Een onderzoek naar de iconografische traditie waarop de reeks voortgaat, zou wellicht kunnen helpen bij het scherper stellen van de datering.
PROCEDURE De initialen A-Yen het wapenschild van de familie de Lalaing (copyright A,C,L-BrusseO
Naar aanleiding van een vraag van de kerkfabriek en haar voorzitter A. Van den Bossche tot betoelaging van de restauratie van een aantal vaandels, die nog regelmatig in de Heilige Bloedprocessie te Hoogstraten gebruikt worden, werd in 1987 vastgesteld dat de waardevolle wandtapijten dringend aan restauratie toe waren. Het verslag van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium van 17 december 1987 meldde ondubbelzinnig de sterke graad van vervuiling, de
EAtHVC . A0T6/A WdfflIMIWBWr
"f *' g
»' i
f-'-mm.
NVUE-'VÏ
••V4
"^§3
mm 'r'S!'*'"'^
» « # ^.•••:i
T I p ^ h ^ j p ' '%^J N o w r TWWWM RIïPid '
•
-iU X 1 "
'9tir x
J K ^ i ^ = * •'•*-. K'
tesj^
^«—u£^j^
^
Jtfjr^ s^ s'%^M^*mm
?*-
d
;itx^
'^f^üjaüiïü^ ^ ^ ^ ^ ^ T i t e Ê l i ^ «OTJATRRt j
M&L
De bewaarde wandtapijten uit de Antonusreete (copynght ACL-Biussel)
33
slechte ophanging, de op talrijke plaatsen verdwenen of versleten inslag en de overdadige blootstelling aan het daglicht. Op basis van een behandelingsvoorstel van het K.I.K. werd er een bestek voor de restauratie opgemaakt door het Bestuur Monumenten en Landschappen. De kerkfabriek stemde in met het voorstel en deed in april 1988 een aanvraag tot betoelaging van de voorgenomen restauratie via spoedprocedure. Na een beperkte offerte-aanvraag op 11 april 1989 gunde de kerkfabriek de werken aan de Koninklijke Manufactuur van Wandtapijten Gaspard De Wit n.v. te Mechelen voor een bedrag van 680.000,-fr., exclusief BTW. De kosten werden als volgt verdeeld: 60 % Vlaamse Gemeenschap, 20 % provincie, 10 % gemeente Hoogstraten en 10 % kerkfabriek. In februari 1990 werden de tapijten naar het restauratieatelier in de réfugié van Tongerlo te Mechelen overgebracht en startte de restauratie onder toezicht van het K.I.K. De werken werden tot ieders voldoening beëindigd in oktober 1990. Ondertussen werd door het B.M.L. in samenspraak met het K.I.K. eveneens een dossier samengesteld voor het terugplaatsen en beveiligen van deze waardevolle tapijtenreeks. Omwille van de strenge klimatologische eisen en de verbetering van de zicht- en leesbaarheid van de reeks werd geopteerd voor een nieuwe opstelling in de zijkoren met een mechanische beveiliging : kasten uit staal met gelaagd glas. Op suggestie van de Dienst Kunstpatrimonium van de provincie werd, rekening houdend met de iconografische positie van de taferelen op het gestoelte, de Antoniusreeks in het noorderzijkoor en de Elisabethreeks in het zuiderzijkoor geplaatst.
RESTAURATIE-OPTIE
De wandtapijtkunst is uit ons cultuurpatrimonium niet meer weg te denken. Vermaard om hun artistieke en technische kwaliteit hebben de wandtapijten uit Brussel, Brugge, Oudenaarde enzovoort sinds eeuwen op wereldniveau een belangrijke plaats ingenomen. Om dit patrimonium in stand te houden en elke schending te voorkomen is een verantwoorde conservatie en restauratie noodzakelijk. Maar al te vaak moet men vaststellen dat restauraties, uitgevoerd door onbevoegden, destructieve gevolgen hebben op het object. Restauratie is niet
invullen of interpreteren wat verloren ging, maar beoogt een behandeling die zich beperkt tot het minimum aan interventie, met als doel de culturele en materiële instandhouding te verzekeren. De behandeling wordt geacht omkeerbaar te blijven om als zodanig het wandtapijt als object met zijn verschillende waarden te eerbiedigen en zijn authenticiteit voor toekomstige generaties te bewaren. De verscheidenheid in de problematiek van elk te restaureren wandtapijt is groot. Voor elke restauratie is een uitgebreide documentatie noodzakelijk. Elke behandeling wordt voorafgegaan door een kritische analyse op historisch, wetenschappelijk en technisch vlak. In de ateliers van het K.I.K. wordt het volgen van deze basisprincipes mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van een aantal specialisten in verschillende disciplines, zowel op wetenschappelijk als op technisch vlak. Door een intensieve samenwerking kan de meest bevredigende graad van interventie bepaald worden.
DE CONSERVERINGSBEHANDELING
De twee wandtapijten van de Antoniusreeks hingen in het koor op een hoogte van zowat 3 meter. Ze waren sterk vervuild en hun structuur was verstijfd. Het eerste stuk van deze reeks bestond uit twee delen plus stukken boord die aan elkaar waren genaaid. De drie wandtapijten van de Elisabethreeks hingen in het transept op een gelijkaardige hoogte, in omstandigheden met een al te hoge lichtintensiteit. Ook deze waren zeer vuil en stijf. Opvallend waren stukken weefsel die, heel grof ingenaaid, enkele lacunes opvulden. Een nauwkeurige analyse toonde aan dat, buiten deze ingenaaide stukken en verschillende grove ingrepen met dik naaigaren, de wandtapijten vrijwel ongerestaureerd waren bewaard. De inscripties bleven intact. Sommige kleurvariaties in de boorden bijvoorbeeld, blijken uiteindelijk origineel te zijn. Niettemin zijn er twee belangrijke opmerkingen te maken over vroegere interventies. Vooreerst kan men tal van retouches met rode en bruine verf noteren op verschillende zones van beide reeksen. Deze werden later op een vrij ongenuanceerde manier aangebracht om verlies van intensiteit van sommige rode tinten te compenseren. Deze retouches komen voor in de meeste gezichten (lippen), in decoratieve elementen (kolommen) en in andere details. Deze lopen echter niet
34
M&L
uit in water of white spirit en zijn na behandeling nog steeds zichtbaar. Een tweede probleem vormde de aanwezigheid van vroeger opgelijmde doeken, waarvan de lijm vrijwel onoplosbaar geworden is. Na de kleurtesten werden eerst de gelijmde doeken verwijderd. Nadien werd getracht de concentratie lijm te versoepelen met white spirit, wat slechts gedeeltelijk lukte. Voor de reiniging werd geopteerd voor een behandeling met water onder zuiging, die door de firma W. Jacobs werd uitgevoerd. Op deze manier werd het risico van spanningsverschillen tussen gelijmde en nietgelijmde delen verminderd.
De conservatie De methode van conservatie die hier werd toegepast is de methode met lijnen in de scheutsteek en in de voorsteek, beide in de richting van de inslag. De methode bestaat vooreerst uit de consolidatie van alle zones rond de lacunes. Hierrond worden korte lijnen van circa 4 cm genaaid in de scheutsteek die elkaar overlappen. Deze zijn genaaid door het consolidatiedoek in zuiver vlas, speciaal geverfd in een aangepaste tint. Deze doeken worden overlappend vastgenaaid met lange lijnen in de voorsteek. In de lacune zelf worden de blote kettingdraden eveneens gefixeerd op de consolidatiestof. De opengetrokken galen van het wandtapijt worden opnieuw dichtgenaaid. Het wandtapijt werd vastgemaakt op doeken in zuiver vlas, gebleekt en vooraf tweemaal gewassen op 90°. De voering werd aan het wandtapijt vastgehecht door voorsteken op een afstand van circa 1,5 cm die telkens één draad van de ketting opnemen. De steken volgen mekaar op in rijen van 45 cm die parallel naast mekaar liggen op een afstand van 15 cm. Deze lijnen alterneren onderling.
De niet bij-passende boord van het eerste tapijt uit de Antoniusreeks (copyright ACL-BrusseO
Tijdens de uitvoering stelden zich bovendien twee specifieke problemen. Vooreerst de nieuwe volgorde van de wandtapijten in functie van de presentatie in situ. De vraag bleef immers rijzen: hoort het tweede fragment van het eerste wandtapijt van Sint-Antonius wel tot het eerste wandtapijt of tot een tweede, verloren wandtapijt? Er werd geopteerd voor het tweede alternatief. Vooreerst draagt dit fragment een wapenschild van Lalaing, net als het derde wandtapijt. Dan lijkt het logisch dat het eerste en het tweede wandtapijt ook elk een schild dragen.
Vervolgens is er de iconografie. De verzoeking van Antonius sluit biografisch eerder aan bij het gebed van Antonius dan bij zijn opdracht in de tempel. Scènes die tussen de opdracht en de verzoeking kunnen uitgebeeld zijn, zijn onder meer de verzoeking van Antonius met de naakte vrouwen, het exorcismetafereel met het varken, de verrijzenis van een man die zijn moordenaar ontkent, en andere. Wat dan met de twee fragmenten die overbleven, waarbij op het ene een volledige zuil en op het andere een deel van een zuil zijn weergegeven? Onze eerste opmerking was dat deze twee fragmenten niet noodzakelijk deel uitmaken van deze reeks. Het begin van de serie is trouwens zonder boord, zo ook het begin van het derde stuk uit de reeks. Voor het overige zijn er geen linkerof rechterboorden in de reeks aanwezig. Mogelijk zijn beide fragmenten afkomstig van andere wandtapijten met gelijkaardige boorden. Het was trouwens gebruikelijk in ateliers om bepaalde tekeningen van boorden herhaaldelijk te gebruiken in diverse suites. Het is zeker ook niet uitgesloten dat deze boord deel uitmaakt van de reeks en geweven was op een
M&L
Detail van de herstelde boord van het tweede tapijt uit de Elisabethreeks (copyright ACL-Brusse^
35
plaats die nu niet kan bepaald worden. Beide mogelijkheden zijn dus aanvaardbaar. Daarom werd voorgesteld om de volledige boord op te hangen als een rustpunt tussen de twee eerste stukken van de Antoniusreeks, zodat in de presentatie een accent zou worden gelegd op het feit dat hier een tweede wandtapijt volgt uit een reeks van drie wandtapijten. Na reiniging bleken de ingenaaide stukken oud textiel een storend effect te hebben op het geheel. Vooral het tweede wandtapijt van de Elisabethreeks werd ingevuld met textilia die niet behoren tot het wandtapijt. Vijf grote lacunes werden hiermee opgevuld. Op de andere wandtapijten kwamen eveneens kleinere textielfragmenten voor. Het gaat hier om stukken kelim en delen van een ouder, eveneens 16de-eeuws wandtapijt met initialen. Om aan dit probleem tegemoet te komen werden drie alternatieven naar voren geschoven: — na het losmaken in functie van de reiniging, de stukken aanbrengen op hun vroegere plaats, wel meer haaks ingenaaid; — de fragmenten afzonderlijk conserveren en de lacunes vastmaken op gekleurde doeken; — de fragmenten afzonderlijk conserveren en vervangen door nieuw geweven partijen textiel die de tekening van de compositie zouden verder trekken. Op vraag van de kerkfabriek werd voor het laatste alternatief gekozen. Het weefatelier voerde een karton uit voor alle ontbrekende elementen.
Hoofdzakelijk ging het om delen van de boorden die vrij makkelijk konden ontworpen worden zonder interpretatieproblemen, gezien het steeds herhalend boordmotief. Deze fragmenten werden uitgeweven op een wollen ketting van dezelfde dichtheid als de originele stukken en met wollen en zijden inslagdraden die zoveel mogelijk het originele kleurenpalet benaderen. De omgeplooide randen van de lacunes werden plat gelegd en de nieuwe stukken werden eronder vastgenaaid en dienen zo als achtergrond voor de authentieke delen. De overgang tussen de nieuwe en de oude delen is op die manier duidelijk voor iedereen. Deze ingreep is vanzelfsprekend volledig omkeerbaar en de nieuwe stukken kunnen uiteraard later worden losgemaakt en vervangen naargelang de restauratievisies evolueren.
BIBLIOGRAFIE — De Ceulaer R. en Aerts W., De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten (Inventaris van het Kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen, 2), Gent, 1988, wandtapijten, p. 231-238.
VOETNOOT (1) R. De Ceulaer en W. Aerts verzorgden de historische omkadering m.tn.v. Vera Vereecken (K.I.K.), Madeleine Manderyck (B.M.L.), Rob Buelens (B.M.L.) en Ingrid De Meuter. Y. Maes nam de restauratieve behandeling voor zijn rekening.
36
M&L
DE WOONTOREN VAN AYNCHON DE HOGNOUL TE RUTTEN OP HET EINDE VAN DE 13DE EEUW FRANS DOPERE en W I L L I A M UBREGTS
In de voorbije zes jaar werden de middeleeuwse woontorens in Vlaanderen geïnventariseerd en vervolgens bestudeerd (1). Om in het onderzoek te kunnen worden opgenomen moest minstens een gedeelte van de opstand van het gebouw bewaard zijn. Het architecturaal onderzoek dat aan elk van deze torens werd gewijd heeft toegelaten een aantal algemene
Detail van de zuidoostgevel. Het razerend licht laat zeer goed het regelmatig parement, zowel van de basis als van de bovenbouw, tot zijn recht komen. De vensteromramingen in bruine ijzerzandsteen zijn verzonken ten opzichte van het wit-gele mergelstenen parement De puntgevel is grotendeels wederopgebouwd. Er zijn twee rijen steigergaten (foto O Pauwels)
kenmerken van dit merkwaardige type van middeleeuwse adellijke woning vast te leggen. Een vergelijking van de 54 gerepertorieerde gebouwen heeft uitgewezen dat de ruïne van de woontoren van Aynchon de Hognoul te Ruften één van de meest volledige exemplaren en tevens een zeer representatief voorbeeld is om de donjon als individuele wooneenheid te analyseren.
M&L
Het 'castrum'Mon Hamal in de lóde eeuw De grote vierkante toren links is de nog bestaande donjon C/erzameling graaf de Hemricourt de Grunne, kasteel van Hamal, Rutten)
37
He
Let is niet de eerste maal dat men deze torenburcht historisch en architecturaal heeft bestudeerd (2). Tegen de achtergrond van de gegevens uit genoemde inventaris kan men dit gebouw nu echter in een nieuw daglicht plaatsen, niet alleen voor wat betreft zijn betekenis voor de lokale geschiedenis, maar ook en vooral op gebied van inwendige organisatie en wooncultuur op het einde van de 13de eeuw.
DE FEODALE COMPLEXITEIT TE RUTTEN De gemeente Rutten ligt op 4 km ten zuiden van Tongeren op de scheiding tussen de vallei van de Jeker ten westen en die van de Ezelsbeek ten noordoosten. Deze laatste is voor dit betoog de belangrijkste aangezien zij het geografisch kader vormt van twee burchten, enerzijds van het "castrum" of burcht van Hamal en anderzijds van de hierna beschreven woontoren.
Topografische situatie van de woontoren te Rutten met: a) de woontoren; b) het kasteel van Hamal; c) de Sint-Martlnuskerk; d) de Sint-Evermaruskapel; e) de Motte van Rutten; f) de Jeker en g) de Ezelsbeek (NGI-kaart, schaal:: 1/10.000)
Het grondgebied van het huidige Rutten was in de middeleeuwen een complexe mozaïek van heerlijkheden, waar lenen van belangrijke suzereinen als de keizer van Duitsland, de hertog van Brabant en de prinsbisschop van Luik op een boogscheut van elkaar lagen en waar de woontoren van Rutten — of zijn eigenaar — een eigen rol heeft vervuld in de middeleeuwse geschiedenis van de streek.
De Brabantse Motte De motte van Rutten ligt tegenover de tot de 10de eeuw opklimmende Sint-Evermaruskapel en ten zuidoosten van de waarschijnlijk nog oudere Sint-Martinuskerk (3). Het gebied van RuttenNerem-Paifve was een keizerlijke bezitting, die de hertog van Brabant en andere leden van de familie
van Leuven vanaf 1204 in leen hadden. De verdwenen burcht op de motte van Rutten was waarschijnlijk hun residentie. De heerlijkheid hing af van het leenhof van Brabant (4).
De Luikse lenen Te Rutten lagen een dertigtal kleinere goederen, die afhingen van het leenhof van het prinsbisdom Luik. Eén daarvan bestond uit 3 bunder en 6 roeden land en omvatte tevens een "manoir en Ie justice de Riwechon" (Rutten). Dit goed werd in de eerste helft van de 14de eeuw in leen gehouden door Daniël Franckin, overleden in 1340 en vervolgens, vanaf 22 april van datzelfde jaar, verheven door zijn broer Frank, genaamd Bode (5). De plaats van dit leen en van de "manoir" is niet bekend. Baillien suggereert met een zeker voorbehoud dat men dit goed mogelijk met de woontoren van Rutten zou kunnen vereenzelvigen. Deze hypothese kan echter niet worden volgehouden aangezien J. de Hemricourt, zoals verder zal blijken, duidelijk laat verstaan dat de woontoren van Aynchon de Hognoul Brabants gebied was.
Het "castrum" van Hamal Hamal was een vrijheerlijkheid van het Keizerrijk, die ontstaan is door het uit elkaar vallen van het keizerlijk domein Herstal. Willem, genaamd de Rijke, is de oudst gekende vertegenwoordiger van het geslacht Hamal; hij leefde op het einde van de 12de eeuw. Zijn zoon, Daniël van Hamal, genaamd "senior (seigneur) de Castro", overleed in 1252. Vanaf 1349 waren de heren van Hamal ook erfvoogd van Rutten. Het woord "castrum" wijst zeker op een belangrijker versterking dan de donjon, waarvan het
38 ,
Het 18de-eeuwse kasteel van Hamal, met de nog bestaande donjon (foto 0, Pauwels) • • De woontoren te Rutten op een figuratieve kaart van de heerlijkheid Hamal uit 1731. Tegen de toren stond toen een laag gebouw met een deur zonder verdieping. Misschien zijn de kleine posterieure balkgaten tussen de twee deuren daar nog een overblijfsel van (Verzameling graaf de Hemncourt de Grunne, kasteel van Hamal, Rutten)
M&L
oorspronkelijk bouwvolume nog grotendeels bewaard is in het huidige 18de-eeuwse kasteel. Van dit castrum kent men nog een 16de-eeuwse voorstelling: het was een kleine burcht bestaande uit een rechthoekige omheining met drie hoektorens (waarvan één grotendeels afgebroken) de vierkante donjon als vierde hoektoren, woongebouwen en een poortgebouw met ophaalbrug, het geheel omringd door een brede gracht. Deze burcht wordt voor het eerst expliciet vermeld wanneer Frederik II op 27 augustus 1214 voor het kasteel van Hamal verschijnt en Hendrik I, hertog van Brabant, er zich met de keizer moet verzoenen (6). De nog bestaande donjon mag men waarschijnlijk situeren op het einde van de 12de eeuw of in de eerste helft van de 13de eeuw (7).
huis maar daarin een goede en veilige kelder (bome). En die uit Hamal durfden zijn woning niet in brand steken aangezien het dorp Rutten een Brabants leen was". Bij de beschrijving van het gebouw zullen we uitvoerig ingaan op zijn onversterkt karakter en ook nagaan waarom de Hemricourt de kelder zo naar waarde wist te schatten. Verder leert deze tekst ons dat Aynchon zeer dicht bij de Hamals moet gewoond hebben: de bestudeerde woontoren, op Brabants grondgebied, ligt inderdaad slechts op 350 m van die van het keizerlijke Hamal.
Deze Aynchon heeft deel genomen aan de oorlog tussen de Awans en de Waroux (1298-1335). Deze was ontstaan tengevolge van het huwelijk, in 1297, tussen Adela, een rijke wees uit Awans, De woontoren van Aynchon de Hognoul en Hanechon, een schildknaap uit Waroux. Het koppel was naar het kasteel van de Waroux Voor de identificatie van de bestudeerde woongevlucht omdat de voogd van Awans een ondertoren met die van Aynchon de Hognoul is de zoek had willen instellen en Willem van Awans de volgende beschrijving door J. de Hemricourt van ontbinding van deze misstap had geëist. groot belang: "Chis Aynchons adont meismes werioit a cheaz de Hamale, qui estoiient poissans De Awans begonnen de oorlog door het afbranden d'avoir et d'amis; et chis demoroit tout emmy leur van de gronden van de Waroux. De prinsbisschop, poissance, en la vilhe de Riwechons et n'avoit que Jean de Chalons, schaarde zich aan de zijde van de Waroux. Zij vernielden de kastelen van une platte maison; mais ilh avoit ens une bome, Hozémont en Hognoul in 1298 en belegerden het bonne et segure; il n'ozoient chilh de Hamale bouteir Ie feu, par tant que la dicte vilhe estoit des kasteel van Awans, dat zich overgaf. Aynchon de Hognoul, de eigenaar van de fiiez de Braibant" (8), in vertaling: woontoren van Rutten, was een onversaagde "Deze Aynchons (Heintje) voerde oorlog tegen die uit Hamal, sterk door hun bezit en hun vrienden. bastaard van de Awans, die in oorlog was met de Deze Aynchons verbleef midden in hun machtssfeer Hamals. Hij slaagde er trouwens in één van hen in het dorp Rutten; hij bezat slechts een onversterkt bij verrassing te doden.
M&L
39
Na een langdurige strijd, die bijna 40 jaar had geduurd, sloten de Awans en de Waroux dan in 1335 uiteindelijk vrede te Luik (9).
DE "PLATTE MAISON" IN DE MIDDELEEUWEN
J. de Hemricourt noemt de woontoren te Rutten een "platte maison". De vraag stelt zich dan ook onmiddellijk of dit begrip tevens op een toren kan slaan, iets wat van groot belang is als we de huidige ruïne identificeren met de "platte maison" van Aynchon de Hognoul.
Het 'castellum'te Opprebais, De voormalige poortdonjon. Deze ingang was in de 16de eeuw reeds gestoten en tot keider omgevormd: '...pour faire une huys (= deur) al cave delle plaifte tatf.,'(Stedelijk Archief Bergen-opZoom, Rekeningen van de ontvanger teWalhain,2691, 1537-1538) (foto O Pauwels)
In 1385 bezat Libert Bottart, "armiger" (schildknaap), gronden, waaronder een beemd in de buurt van de woontoren (10). In 1414 vindt men opnieuw een vermelding van "jonker Librecht Bottarts landt", gelegen bij de beek in de nabijheid van de toren (11). Nu is het niet verwonderlijk dat wie een bepaalde plaats bezittingen heeft, ook zal Het woord "platte", gevoegd bij "maison", in de trachten zijn eigendom geleidelijk te vergroten. betekenis die J. de Hemricourt eraan geeft, wil Misschien is de woontoren van Aynchon de zeggen onversterkt en staat in contrast met de Hognoul op een dergelijke manier in het bezit van termen "fortalicium", "fortresche", "maison-forte" de familie Bottart gekomen. Na het huwelijk van of versterkte woning. Tussen beide uitersten geeft Catharina Bottart, de zuster van jonker Librecht dezelfde auteur vaak nuances, die enerzijds het Bottart, met Radoux de Streelles stellen we in elk woord "platte" verbeteren of anderzijds de term geval vast dat een andere tak van de familie van "fortalicium" afzwakken. Hij kon dit doen omdat Streels in de 16de eeuw als eigenaar van de hij, zelf ridder zijnde, beter dan wie ook de woontoren van Rutten in de leenboeken van waarde van deze gebouwen als versterking kon Rutten voorkomt (12). aanvoelen (16). Niet alleen voor Rutten - "... une platte maison; mais ilh avoit ens une In 1527 wordt het goed in de leenregisters van het bome, bonne et segure..." - maar ook voor Brabantse Rutten als volgt beschreven; "een voll Vivegnis geeft hij enkele kenmerken die in de leen, eenen burch oft torn met landen, beemden term "platte maison" alleen niet tot uiting zouden ende andere toebehoirten, gelyck hij tot Rutten, bij gekomen zijn: Hamal gelegen is" (13). In 1663 ging het om "eenen sekeren bampt offt borch tot eenen vollen leene, gelegen omtrent Hamal in syne grachten, "Wilhelmes Cossens demoroit en Vengnis, deleis groot xxxiii groot royen min offt meer" (14) en in Liege, al desoz des vingnes, en Uu nomeit Bealveng1728 spreekt men van "den borghtoren binnen die nis, en une platte maison, mais ilh avoit bonne vrijheerlijkheid Rutten gelegen, groot 32 roeden, eawe altour et bon pon leviche" (17), in vertaling: reinende den weg gaende van Hamal naer Tonge- "Willem Cossens woonde te Vivegnis bij Luik, ren" (15). onder de wijngaarden, op een plaats genaamd Beauvegnis, in een onversterkte woning, maar hij had een goede gracht met water errond en een goede ophaalbrug", In onze ogen zouden deze twee elementen waarschijnlijk al vlug worden beschouwd als kenmerken van een versterkte woning; toch bleef het in de ogen van J. de Hemricourt nog steeds een onversterkt verblijf. Ook torens konden plat zijn. De rekeningen uit de 15de en de 16de eeuw van het nog bestaande "castellum" te Opprebais laten daaromtrent geen twijfel bestaan: "A Henry Englebert et son varlet couvereurs quy ont fait la grande platte tour dudit cheteau chascun vj iours au pris de Hij pattars ij pl(a)c(quens) les deux pour... monte a vij sous artois" (18). Deze "platte tour" komt meermaals voor in hetzelfde archief en dit tot in de 16de eeuw. Dit kan alleen terugslaan op de vierkante voormalige poortdonjon in het midden van de zuidmuur, aangezien de vier ronde hoektorens allemaal even groot zijn.
40
Het silexparement aan de binnenzijde van de blinde kelder en van de tweede "kelder" (noordoostmuur). Men bemerkt zeer duidelijk de voegen die in het lichte pleisterwerk zijn getrokken Boven, de vier baikgaten van het plafond van de tweede 'kelder"; achter deze gaten ligt de holte van een volledig in de muur verscholen verankeringsbalk (foto M, Ubregts)
T De woontoren te Ruften, Grondplannen van de drie bewaarde niveaus De reconstructies zijn in stippellijn weergegeven: a) verscholen balk; b) biindboog; c) posterieure deur; d) lichtspleet; e) oorspronkelijke ingang, f) breuksporen, g) baikgaten van het platform; h) plaats houten trap; f) klembalk; j) sponning; k) sporen van de keldertrap; I) plaats van de val; m) venster met zitbankjes; n) venster; o) lavaboms; p) latrine; q) lichtspleet; r) reconstructie trap; s) puntgevel, overblijfsel van slaapvertrek, T T De woontoren te Ruften, Boven: de voorgevel met de trap en de ingang; onder, van links naar rechts doorsnede AA, BB, CC, DD
M&L
De term "platte maison" heeft in de middeleeuwse geest dus helemaal niet de betekenis van een horizontaal gebouw en is zeker niet in tegenspraak met de torenvorm van het huis van Aynchon de Hognoul. Op het onversterkt karakter van de toren van Rutten komen we nog terug. Het onderzoek van de 54 gerepertorieerde woontorens in Vlaanderen heeft trouwens uitgewezen dat het merendeel nooit een echte militaire functie heeft gehad en in die tijd waarschijnlijk als onversterkt of plat huis overkwam (19). De donjons in het bestudeerde gebied beantwoorden alle aan de volgende algemene kenmerken: het zijn torens, stevige en veilige huizen dus, met een onafhankelijke circulatie tussen de op elkaar gestapelde vertrekken, waarbij men van onder naar boven kan onderscheiden: een halfondergrondse of een bovengrondse kelder, een ontvangstkamer-keuken, een residentieel niveau, een slaapkamer en tenslotte een zolder of defensief platform. Dit laatste is zeker niet essentieel.
op slechts 20 m van de Ezelsbeek, zodat we kunnen aannemen dat deze beek ook de verdwenen burchtgracht van water voorzag. Hij ligt buiten de dorpskom van Rutten op 1180 m van de parochiekerk Sint-Martinus. Deze laatste ligt op een heuveltop van 110,27 m en beheerst zowel de vallei van de Jeker (hoogte: 95 m) in het noordwesten als die van de Ezelsbeek (hoogte bij de woontoren: 100 m), die ontspringt op de
DE WOONTOREN TE RUTTEN Inplanting In het landschap De woontoren van Aynchon de Hognoul staat vlak bij het kasteel van Hamal (afstand 350 m).
•
O
BB
o
O
^ 2
fcfttóHH fc
cl 1
9b 1* X 'i
f T
i^r^ o
te
of j ni
J^d
i H i
!i ii J
il I j i
U4tU=L
n Bin
'
cl
p
^
n iJr-i
c
Ie
=E
r
'1 E
m 1
'1..J-, •" -s
3
r1
r
M&L
41
zuidoostelijke helling. J. de Hemricourt geeft deze situatie goed weer in zijn beschrijving: "... et chis demoroit tout emmy leur poissance (van de Hamals), en la vilhe de Riwechons... la dicte vilhe estoit des fiiez de Braibant".
Materialen en bouwtechnieken De aangewende materialen komen waarschijnlijk alle uit de omgeving van Rutten. Silex De kern van de muren bestaat uit onregelmatige blokken grijs silex. De mortel is licht roze en bevat brokjes silex en baksteen. Toch heeft men in dit onregelmatig beton een horizontale gelaagdheid willen creëren. Dit komt waarschijnlijk omdat men het binnenste samen met het regelmatig parement optrok en men de muurkern tijdens het opmetselen vlakstreek in lijn met de twee parementen in opbouw (20). Zowel het binnenparement tot aan de lichtspleet van de bovenste kelder als het buitenparement tot aan het cordon zijn in regelmatig vierkant gekapte blokjes silex (10 lagen buitenzijde: 1,14 m; binnen: 1,17 m). Het binnenparement is bovendien afgewerkt met een lichte bepleistering, waarin voegen zijn getrokken.
De oostelijke bmnengevels van de woontoren (O. Pauwels)
Oosttioek van de woontoren te Rutten Het cordon met afschulning in mergel scheidt de torenbasis in grijs silex van de mergelstenen bovenbouw. Het regelmatig parement in silex is verstevigd met hoekkettingen in ijzerzandsteen met vertikale bekapping (foto M, Ubregts)
Mergel De muurparementen boven het silex-metselwerk zijn in regelmatig gekapte mergelblokken van variabele dikte. Toch blijft de kern ook op die hoogte in silex. Men kan zich de vraag stellen naar het waarom van de tweeledigheid in de opbouw van de parementen, temeer daar het een verschijnsel is waarmee de donjon te Rutten niet alleen staat (21). Waarschijnlijk is het voornamelijk een kwestie van sterkte; mogelijk was metselwerk in silex ook beter bestand tegen opstijgend muurvocht dan mergel (22). Toch kunnen we ons niet
van de indruk ontdoen dat deze tweeledigheid nog de herinnering oproept van houten torens op stenen basis (23). Niettegenstaande het zeer verzorgd aspect van dit metselwerk komen hier en daar onvolkomenheden voor. Terwijl de rondboogvormige deuromlijsting naar de latrine perfekt is uitgevoerd, heeft men voor de segmentbogen van de deur, de vensters en aan de spitsboog van de lavabonis boogstenen van licht verschillende lengte gebruikt. De lavabonis heeft zelfs plaatselijk een verspringing van de voegen van het muurparement veroorzaakt. Uzerhoudende zandsteen Men heeft deze grijs-bruine gelaagde steensoort aangewend op plaatsen waar het materiaal steviger diende te zijn zoals voor de hoekkettingen van het buitenparement in silex, voor de blindboog in de noordwestelijke muur en voor de trap aan de ingang. Ook alle deur- en vensteropeningen aan de buitenzijde zijn in dit materiaal. Dit heeft waarschijnlijk minder te maken met sterkte dan met een zeker esthetisch effect, waarbij de anders nogal vlakke gevels door de donkerbruine kleur van deze steen worden verlevendigd. Bij de deur- en de vensteromramingen komen geen kettingen voor maar alleen monolieten. De twee stijlen van de latrine-
42
De woontoren te Rutten vanuit het westen. Links de enigmatische biindboog en een venster met ijzemndstenen kader van het ontvongst-Aesidentieei niveau, Boven dit venster de spieet die uitgaf op de overioop van de houten trap naar het grotendeeis verdwenen slaapvertrek, Rechts de sporen van de verdwenen houten latrine. Men bemerkt drie rijen steigergaten op beide gevels (foto F, Doperé)
M&L
deur aan de binnenzijde zijn eveneens monolieten in ijzerhoudende zandsteen. Ook de schouwwangen zijn in hetzelfde materiaal. Grijze kalksteen Geen van de hoger beschreven materialen zou voldoende sterk zijn om een belangrijke uitkraging te dragen. Vandaar dat men de twee kraagstenen voor de latrine in grijze kalksteen heeft gemaakt. Baksteen Men heeft de vuurvaste eigenschappen van bakstenen tegels aangewend voor de bekleding van de achterwand van de schouw. Hout Er was zeer veel hout in deze woontoren verwerkt. Gewelven waren er niet; alle niveaus waren van elkaar gescheiden door houten plafonds. De oriëntaties van de moerbalken van de twee boven elkaar liggende kelders stonden loodrecht op elkaar. Bovendien waren hun uiteinden vastgemaakt aan zwaardere balken, die verscholen lagen in de muurdikte. Deze laatste fungeerden dus als een anker voor het samenhouden van het metselwerk, en dit in twee richtingen. De in de muur verscholen balken zijn door mergelstenen omgeven (24). Verder wendde men hout aan voor de binnentrappen, gedeeltelijk ook voor de buitentrap, voor de latrine, de schouwbalk en vanzelfsprekend voor de deuren, de vensterluiken, de verdwenen bedaking en de steigers — er zijn drie rijen steigergaten — tijdens de opbouw van de toren.
De blinde kelder (niveau 0) De woontoren te Rutten heeft twee boven elkaar liggende "kelders". De onderste was oorspronkelijk volledig blind: het is ons inziens zeer onwaarschijnlijk dat de recentere kalkstenen deur een oudere spleet vervangt. De constructie van het houten plafond met verankering in de tegenoverliggende muren maakte er een hermetisch gesloten koffer van, alleen toegankelijk door een houten val. Deze val zal waarschijnlijk tussen de twee middenste balken gelegen hebben: de tussenafstand van 70 cm was iets groter dan tussen de andere en bovendien liet de geopende val het licht van de spleet met afzaat van de tweede kelder tot beneden doordringen. Deze praktisch ontoegankelijke kelder vormt een buitenbeentje tussen de andere in Limburg bestudeerde gevallen. Op een totaal van zestien gerepertorieerde torens zijn er minstens tien
waarvan de gelijkvloerse kelder nooit is overwelfd (25). De afwezigheid van een gewelf wordt te Rutten echter in belangrijke mate gecompenseerd door de speciale plafondconstructie, die de van buiten reeds zeer gesloten kelder omzeggens volledig verzegelt. Het is ongetwijfeld dit uitzonderlijk karakter dat de Hemricourt heeft aangezet om de kelder van Rutten een speciale vermelding te geven: "... une borne, bonne et segure...". Aan de buitenzijde vertoont de noordwestgevel een biindboog met dezelfde breedte als de kelder. Zijn functie blijft ons vooralsnog onbekend evenals waarom deze muur aan de binnenzijde extra dikker gebouwd is. Ontlastingsbogen of spaarbogen komen nog voor aan burchtomheiningen, aan stadsmuren of zelfs aan de vier zijden van woontorens, maar telkens vindt dit een verklaring in de natuur van de ondergrond (26). Voor de burchttoren te Rutten is het moeilijk aan te nemen dat het een ontlastingsboog zou zijn ter versteviging van de funderingen (alleen aan één zijde?) of om watertoevoer naar de toren te garanderen (water dat trouwens door een eventuele tegenstrever gemakkelijk kon vergiftigd worden).
De tweede "kelder" (niveau 1) Deze tweede voorraadruimte ligt boven de blinde kelder en was via een val toegankelijk van in de deuropening op de tweede verdieping: een
M&L
43
afgebrokkelde helling wijst er nog steeds op het bestaan van een stenen trap. Dit was zeker geen handige manier om naar de kelder te gaan; men moest immers steeds buiten gaan om gemakkelijk te trap te kunnen afdalen (27). De enige lichtspleet met afzaat, nu dichtgemetseld, is afgedekt met een strekse boog en staat op een ideale plaats voor de verlichting van de hogervermelde trap. Dit vertrek had dezelfde functie als de klassieke gelijkvloerse donjonkelder. Het plafond was op dezelfde wijze gebouwd als dat van de blinde kelder. Omwille van de val achter de deur was de afstand tussen de balken er groter: 75 cm tegen gemiddeld 50 cm tussen de andere. Deze twee balken rustten waarschijnlijk gedeeltelijk op één der treden in de deuropening. De ingang De oorspronkelijke ingang van de woontoren bevindt zich op de tweede verdieping. Aan de voet van dezelfde muur wijzen breuksporen op een stenen trap met treden in ijzerzandsteen. Deze liep echter niet door tot aan de drempel van de deur. Het is logisch te veronderstellen dat men gebruik heeft gemaakt van een houten trap. Dit had misschien een defensieve reden; toch mag men dit ook niet te zeer overdrijven. Deze houten
Detail van de ingang Rechts onder, de breuksporen van de verdwenen stenen trap (a) Boven links, de toreningang met mijtervomnige ontlasting in Ijzerandsteen; vlak onder de deuropening de twee balkgaten van het houten platform (b) boven de latei twee kleinere balkgaten (c) waarschijnlijk vooreen overhuiving. Tussen de stenen trap en het houten platform bevond zich een houten trap (d). De kalkstenen deuropening onderaan mondt uit in de blinde kelder en Is van latere datum (foto M. Ubregts)
•"'"^lii *
*
^ 2
1
te
•A-u -.
•1
1
trap steunde op de stenen trap en was vastgemaakt aan één van de balken van een platform. Onder de deurdrempel zijn inderdaad twee balkgaten: het linker (diepte: 3,30 m!) reikt praktisch tot in de helft van de zuidoostelijke muur; het rechter is gedeeltelijk dichtgemetseld doch heeft een diepte van 50 cm. Deze balken droegen het houten platform voor de deur. Dit laatste was overdekt: daarvan getuigen twee kleinere balkgaten boven de deur, die juist boven de onderste zijn aangebracht. De deuromlijsting is opgebouwd uit vier monolieten; één ervan vormt de mijtervormige latei. De linker stijl heeft in het midden een ijzeren oog terwijl er ook op de rechterstijl sporen zijn van verdwenen ijzerwerk. Het ontbreken van het platform en van de deur laat echter niet meer toe zijn juiste functie te achterhalen. Toch is een vergelijking met het ijzerwerk aan de deur van de donjon te Amay hier gerechtvaardigd: ook daar is er een oog op de linkerstijl, rechts is er een beugel met klem. Genicot (28) neemt aan dat het systeem gediend heeft voor het oplichten van het platform voor de deur, waarbij de aan het platform bevestigde koord door het oog gleed, vervolgens over de beugel en met de klem in deze laatste kon
M&L
Detail van de schouw tegen de noordwestmuur op het ontvangst-/ residentieel niveau De schouwwangen zijn in ijzerzandsteen, de licht uitgeholde achterwand is bekleed met platte bakstenen tegels. Aan beide zijden een vierkante wandnis, Uterst links het venster dat oorspronkelijk onder de houten trap uitgaf; erboven de spleet die de overloop verlichtte. Posterieure balkgaten (foto F, Doperé)
Rondbogige deur naar de verdwenen houten latrine vanuit het ontvangst-Zresidentieel niveau. Links en rechts een vierkante lampnis In de linker dagkant van de deur bemerkt men de voor een latrine typische vierkante lampnis Onder de deur de balkgaten van de oorspronkelijke vloer; boven de deur enkele recentere balkgaten (foto F Doperé)
-4 De woontoren te Ruften vanuft het oosten. Rechts de ingang met mijtervormige ontlasting op de tweede verdieping; links twee vensters met ijzerzandstenen kader van het ontvangst-Aesidentieel niveau (foto O. Pauwels)
45
vastgehouden worden. Dit liet toe om het platform in vertikale stand te houden. Het is echter niet uitgesloten dat deze mechanismen uit een later tijdstip dateren, vooral wegens het ontbreken van een sponning. De deur te Rutten hing aan twee duimen; er waren ook maximaal twee ijzeren grendels en één klembalk. Links is er een rechthoekige sponning. We kunnen deze deur best vergelijken met die van de toren te Vliermaalroot (derde kwart 14de eeuw): het platform rustte er op kraagstenen en de omlijsting met mijtervormige latei is in mergel.
Het ontvangst-Zresidentieel niveau (niveau 2) Aangezien de deur rechtstreeks toegang verschaft tot de tweede verdieping is dit ook de plaats waar Aynchon de Hognoul bepaalde bezoekers ontving: vandaar de benaming ontvangstniveau. Toch is het aantal details die wijzen op een zeker comfort zo groot dat men mag veronderstellen dat dit vertrek ook het permanent verblijf van de heer was. Voor de verlichting zorgen drie vensters. Twee daarvan, in de zuidoostmuur, zien uit op de nabij gelegen vijandige burcht van Hamal. Het grootste van de twee, vlak naast de deur, is uitgerust met twee zitbankjes in een segmentboogvormig afgedekte nis. Aan de binnenzijde kon het venster met twee luiken worden afgesloten. De ten opzichte van het parement verzonken ijzerzandstenen omlijsting heeft, juist zoals de deur, een mijtervormige latei. Van dit venstertype bestaan meerdere vergelijkbare voorbeelden in andere Maaslandse donjons, bijvoorbeeld te Amay (12de-13de eeuw), Batsheers (einde 13de eeuw), Fontaine (1200-1205), Jemeppe-sur-Meuse (1298), Millen (Eggertingen) (13de eeuw), Poulseur (ca. 1290), Tavier-en-Condroz (Sart) (tweede kwart 14de eeuw), Spontin (1270-1280), Voroux (1175-1180), Warsage (ca. 1215) (29). De kleine rechthoekige vensters, zonder zitbankje en met een gewone rechthoekige omlijsting aan de buitenzijde, liggen recht tegenover elkaar. De schouw is niet, zoals gewoonlijk, in het midden van de muur opgesteld. Hier laat ze de ruimte vrij, niet alleen voor een venster, maar vooral voor de trap naar het slaapvertrek. De ijzerzandstenen schouwwangen bestaan uit drie delen: een sokkel, een vierkante stijl en een console. Daarop liggen gemoulureerde tabletten. Daarboven rustte de grotendeels verdwenen mergelstenen schoorsteen-
boezem op twee houten balken, onderling verbonden door de schouwbalk. De latrine hing, eerder uitzonderlijk, ongeveer in het midden van de zuidwestmuur. Ze was toegankelijk door een rondboogdeur, die men van in de latrine met balkjes kon vergrendelen. Links bevindt zich de typische lampnis. De eigenlijke latrine rustte op nu grotendeels afgeslagen consoles en was in hout, wat wordt aangetoond door het ontbreken van breuksporen op het buitenparement rond de deur.
46
M&L
is er een uitstekende plaats voor een koffer; ook onder de trap was er een ruime en goed verlichte opslagruimte.
Het slaapvertrek (niveau 3) Het slaapvertrek is grotendeels verdwenen. Alleen tegen de noordwestelijke puntgevel is nog een deel van de afzonderlijke schouwpijp bewaard. Aan de buitenkant van dezelfde puntgevel markeert een tweede cordon met afschuining de basis van deze verdieping.
BESLUIT
Detail van de lavabonis en van een toegemetseid venster in de zuidoostmuur op het ontvangst-Aesidentieei niveau. Men bemerkt duidelijk de voegverspringing in het muurparement, veroorzaakt door de sptooog van de lavabonis. Posterieure balkgaten (foto F. Doperé) De latrine aan de buitenzijde. Men bemerkt duidelijk de resten van de twee kalkstenen consoles, die de houten latrinekooi ondersteunden. De twee posterieure gaten onder deze kraagstenen hebben mogelijk ook een functie gehad bij de ondersteuning van de latrine (foto M. Ubregts)
De grootste nis is de lavabo met rechtstreekse afvoer naar buiten; de aanwezigheid ervan wijst erop dat ook de keuken op deze verdieping gelokaliseerd was. Vierkante wandnissen bevinden zich aan weerszijden van de schouw en links en rechts van de latrinedeur. Hoewel deze nissen waarschijnlijk voor het bergen van de meest uiteenlopende voorwerpen kunnen gediend hebben, was die rechts van de latrine ongetwijfeld een echte lampnis om het bestijgen van de trap naar het slaapvertrek te vergemakkelijken. Deze houten trap had een overloop boven het venster links van de schouw en ontving daar bijkomend licht door een spleet boven ditzelfde venster. Deze spleet heeft trouwens alleen maar zin in functie van deze trap. Aangezien de trap en de latrinedeur aan dezelfde zijde van dit residentieel niveau zijn opgesteld, dringt de hypothese zich op dat dit gedeelte door een tussenschot van de rest van de kamer was afgeschermd. Posterieure balkgaten en ondiepe groeven wijzen erop dat zo'n wand in een latere periode zeker heeft bestaan. Deze trapgang en de deur naar de latrine zouden dan verlicht zijn door het kleine venster in de zuidoostmuur, de ruimte onder de trap door het tegenoverliggend venster. In die hypothese zou de leefruimte een breedte hebben van ongeveer 3,5 m, het trappenhuis zou 1,5 m breed zijn. Dan zou de schouw ongeveer in het midden van de muur staan en mogelijk verklaart dat ook waarom er maar één groot venster met zitbankjes op deze verdieping is. De aanwezigheid van dit tussenschot kwam uiteraard sterk de verwarming van de hoofdruimte ten goede. Links van de latrinedeur, en goed verlicht overdag (venster) en 's avonds (lampnis).
De woontoren te Rutten is een typisch adellijk, in hoofdzaak burgerlijk gebouw, dat alle elementen bevat die een naar middeleeuwse maatstaven comfortabel leven toelieten: een "platte maison". De nabijheid van het vijandige Hamal — "... chis demoroit tout emmy leur poissance..." — en de betrokkenheid van Aynchon de Hognoul in de oorlog tussen de Awans en de Waroux verklaren wellicht dat men toch op een aantal details heeft gelet om de veiligheid van de bewoner te verhogen: de hooggeplaatste deur met ervoor een wellicht opklapbaar houten platform; het grote
47
naar Hamal gerichte venster met zitbankjes en de zeer gesloten kelder, niet onder het ontvangstvertrek maar onder een tweede "kelder": de "borne, bonne et segure". Als het historisch kader dus wijst naar het einde van de 13de eeuw of kort daarvoor, dan wordt dit volkomen bevestigd door de architecturale details: de deur en het venster met mijtervormige latei, de vorm van de schouw, het gelijktijdig voorkomen van de rondboog en de spitsboog. Dit belangrijke gebouw kan, niettegenstaande zijn ruïneus aspect, nog een vrij getrouw beeld verschaffen van wat een eenvoudige adellijke woning in de middeleeuwen kan geweest zijn. Het belang van dit monument wordt nog beklemtoond door het bestaan van een historische tekst, waardoor we enerzijds de naam en de kwaliteiten van de eigenaar, waarschijnlijk zelfs van de opdrachtgever, leren kennen. Anderzijds laat diezelfde tekst toe de burgerlijke en militaire kenmerken van dit huis tegenover elkaar af te wegen, niet met de ogen van de 20ste eeuw, maar wel geleid door het waardeoordeel van J. de Hemricourt, zelf een ridder, die dus terzake een zeer genuanceerd oordeel kon uitbrengen. Daarom pleiten we sterk voor het behoud, de consolidatie en de valorizatie van deze woontorenruïne.
(7) (8)
(10) (11) (12) (13) (14) (15) (16) (17) (18)
(19)
VOETNOTEN (1)
(2)
(3)
(4) (5) (6)
Doperé F. en Ubregts W., De donjon in Vlaanderen, Een nieuwe benadering van architectuur en wooncultuur, Inventaris, Brussel, 1991 (in druk). Claassen A., Rutten, in Middeleeuwse burchten, Colloguium te Tongeren, 12 september 1970, Tongeren, 1972, p. 44-46; Claassen A. en Baillien H., De Torenburcht van Rutten, in Limburg, Lil (5), 1973, p. 193-207. Paquay h, Rutten, in Buil. Soc. Scient. & Litt. du Limbourg, XLVI, 1932, p. 147-193; Claassen A. en Baillien H., op. cit., p. 198; Schlusmans F., Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Deel 14nl, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Riemst-Tongeren, Turnhout, 1990, p. 309-310; 312-313; 320-322; 326-332. De huidige Sint-Evermaruskapel dateert van 1784; de Sint-Martinuskerk is hoofdzakelijk een neoclassicistisch gebouw uit 1844, doch de toren klimt op tot de 13de eeuw. Mogelijk houdt zijn oprichting verband met de stichting van het kapittel van kanunniken in 1281-82. Paquay J., op. cit., p. 149-162. Poncelet E., Le livre des fiefs de l'église de Liège, Brussel, 1898, p. 454; Claassen A. en Baillien H., op. cit., p. 198. Claassen A., Van mottoren tot kasteel. Tongeren, 1970, p. 73-75; de Borchgrave d'Altena J., Hamal de Borchgrave d'AltenaJ. et al.. Chateaux de Belgique,Uège-Brusse\, 1967, p. 102-107; de Borman C. en Poncelet E., Oeuvres de Jacques de Hemricourt, deel II, Le Miroir des Nobles de Hesbaye, Brussel, 1925, p. 236; De Dijn G., Gezicht op het kasteel en
(20)
(21)
(22)
de heerlijkheid van Hamal te Rutten in de zestiende eeuw, in Middeleeuwse burchten in Limburg (tentoonstellingscat.). Tongeren, 1970, nr. 126; de Hemricourt de Grunne, Histoire du chateau de Hamal, in Hel oude Land van Loon, XIII, 1958, p. 131-159; de Herckenrode L., Collection de tombes, épitaphes et blasons (anast. herdruk van de uitg. Gent, 1845), Leuven, s.d., p. 98; de Trazegnies O., Hamal, in De Woonstede door de eeuwen heen, 75,1987, p. 40-67; Lavigne E., Kroniek van de abdij van Sint-Truiden, deel II: 1138-1558, Leeuwarden-Maastricht, 1988, p. 172; Paquay J., La seigneurie de Hamal, in Buil. Soc. d'Art et d'Histoire du diocese de Liège, XXIII, 1931, p. 30-52; vn Caster E. en Op de Beeck R., De grafkunst in Belgisch Limburg, Assen, 1981, p. 46-48, 74-77. Doperé F. en Ubregts W., op. cit. de Borman C., Bayot A. en Poncelet E., Oeuvres de Jacques de Hemricourt, deel III, Le Traite des Guerres d'Awans et de Waroux, Brussel, 1931, p. 8. De Hemricourt schrijft tijdens de laatste jaren van de 14de eeuw en heeft het hier over een geschil uit het einde van de 13de eeuw. (9) Daris J., Histoire du diocese et de la principauté de Liège, deel II, XlIIe-XIVe siècle, Liège, 1891, p. 300-308. Stedelijk Archief Tongeren, Kapittel Onze-Lieve-Vrouw, 89, f35 v; Claassen A. en Baillien H., op. cit., p. 202. Stedelijk Archief Tongeren, Weldadige Instellingen, 2/a, f 98; Claassen A. en Baillien H., op. cit, p. 202-203. Claassen en Baillien H , op. cit., p. 203-207. Rijksarchief Hasselt, Schepenen Rutten, 85, f 79. ld., 87, f 157. Paquay J. op. cit., p. 161. Ubregts W., Quelques idees sur la castellologie lotharingienne, in Chdteau-Gaillard, VIII, 1976, p. 287-297. de Borman C , Bayot A. en Poncelet E., op. cit., p. 15-16. Stedelijk Archief Bergen-op-Zoom, Rekeningen van de domeinraad van de heren van Bergen-op-Zoom, Rekeningen van de ontvanger te Walhain, 3075, an 1497, f v r. DoperéF. enUbrectsW.,op. d(.; Doperé F. en Ubregts W., La fin du donjon rèsidentiel dans le nord de la Belgique, in Chateau Gaillard, XIV, 1990, p. 141-157. Alleen de torens van Brustem, Kolmont en Meise hebben een coherent uitgebouwd defensief systeem. Er moet wel aangestipt dat de term "fortallicium" in het Brabant van de 15de eeuw niet dezelfde lading schijnt te dekken als in het 14de-eeuwse prinsbisdom Luik: de donjons van Meldert en Horst krijgen dit appellatief respectievelijk in 1408, 1433 en in 1461 niettegenstaande hun overwegend burgerlijke kenmerken. De meeste verwijzingen naar woontorens in de Brabantse leenboeken beperken zich echter tot de termen "domus" of "huis". We hebben deze manier van werken ook bij andere gebouwen kunnen waarnemen, onder andere in de basis van de donjon van Brustem (voor 1171), aan de donjon van Noduwez (13de eeuw) (Doperé F. en Decossaux J., Analyse technique des ruines du donjon de Noduwez (Br), in Archaeologia Mediaevalis, 1, 1984, p. 15-17). Ook in oudere bouwerken, opgetrokken in "opus mixtum", onregelmatig metselwerk, voelde men de noodzaak aan om op regelmatige hoogten de reeds opgetrokken muren gelijk af te werken (o.a. de Sint-Lambertuskerk te Overlaar (9de-10de eeuw): Doperé F. en Praet W., De vroeg-middeleeuwse Sint-Lambertuskerk en het Van Dinter-orgel van Overlaar (Tienen), Zwijndrecht, 1990, p. 14. Andere Vlaamse donjons met een basis in silex en een bovenbouw in mergel vindt men te Brustem (voor 1171), Millen (Eggertingen) (13de eeuw) en Vliermaalroot (Wermerbosch) (derde kwart 14de eeuw); verder ook aan kerken (o.a. de Romaanse kerktoren van Overrepen) en aan hoevegebouwen. Dat men een parement in silex aanbracht als bescherming tegen klimatologische omstandigheden op gebouwen die overigens in een zachte steen (mergel of "tuffeau") waren opgetrokken toont de toren van de Romaanse kerk te Lincent: de binnenzijde, evenals de muur gekeerd naar het schip en de schipzolder, zijn in "tuffeau" van Lincent; het gedeelte dat boven het dak uitsteekt is echter in silex.
M&L
(23) De donjon van Groot-Gelmen (1342-80) heeft een basis in silex; de huidige bakstenen bovenbouw verbergt klaarblijkelijk een houten geraamte, zoals men bij verbouwingswerken heeft kunnen vaststellen. Misschien bestaat het houten "forte maison" of "blockhuys" van Groot-Gelmen dus nog als kern van de recentere bakstenen muren (Doperé F. en Ubregts W., op. cit.). (24) In het metselwerk verscholen balken zijn nog gesignaleerd in middeleeuwse constructies (Wilcox R., Timber Reinforcement in Medieval Castles, in Chateau Gaillard, V, 1972, p. 193-202; Binding, G., Holzankerbatken im Mauerwerk mitterlalterlicher Burgen und Kitchen, in Chateau Gaillard, VIII, 1977, p. 69-77).
(25) Doperé F. en Ubregts W., op. cit.. De volgende Limburgse torens hadden oorspronkelijk geen overwelfde kelder: Achel, Batsheers, Brustem, Leut, Millen (Eggertingen), Overrepen (Kolmont), Rutten. Ruften (Hamal), Tongeren (Betho) en Vliermaalroot. Te Diepenbeek, Groot-Gelmen, Rotem, Tongeren (Mulken), Wijer en Zolder komt wel een gewelf voor, hoewel we de gewelven te Diepenbeek, Groot-Gelmen en Zolder, tengevolge van de aanwezige bepleistering, mogelijk ten onrechte voor primitief hebben aangezien. Te Leut, Millen en Rutten (Hamal) kwam een mergelstenen gewelf in een latere faze het houten plafond vervangen. (26) Spaarbogen aan burchtomheiningen komen bijvoorbeeld voor te Opprebais en te Walhain; ook de stadsmuren van Brussel, Leuven en Tienen zijn er van voorzien. Voor deze laatste kon éénduidig de relatie met het type van ondergrond worden gelegd (Doperé F. en Lodewijckx M., Tienen, De middeleeuwse stadsmuur aan de Borggracht, in Jaarboek Gesch. Oudh. Kring Leuven en omg., XVIII, 1978, p. 57-116). De woontoren "Walenburg" in de omgeving van Utrecht (NI.) heeft vier spaarbogen (Canneman E.A., Kastelen aan de Langbroekerwetering, Alphen aan den Rijn, 1989, p. 11-12). (27) Ook de kelders van de donjons van Meldert en Nil-SaintVincent (Alvaux) waren toegankelijk via een val achter de deur (Doperé F., Meldert (Brabant), De gotische donjon van de heren van Meldert, Architecturaal onderzoek, in Jaarboek Gesch. Oudh. Kring Leuven en omg., XXI, 1981, p. 243-262; Ubregts W., Un donjon d'habitation de Tanden duché de Brabant, La tour des Sorrasins a Alvaux, in Wavriensia, XXII, 1973, p. 21-60. (28) Genicot L.-F., La "vieille tour" d'Amay, Maison forte de Tavoué du prince-évêque au Xlle siècle? in Buil. Comm. roy. Man. Sit, n.s.,3, 1973, p. 58-85. (29) Genicot L.-F., op. cit.; Doperé, F. en Ubregts W., op. cit.; Ubregts W. Les tours de Fontaine et de Voroux, Le "Donjon" de Warsage, in Buil. Comm. roy. Mon. SU., n.s., 4, 1974, p. 77-111; UBREGTS W., Un habitat noble a la fin du Xllle siècle: la tour Antoine a Jemeppe-sur-Meuse, in Buil. Comm. roy. Mon. Si(., n.s., 3,1973, p. 137-155; Ubregts W., Unfief luxembourgeois: Le chateau "Alle Cruppe" d Poulseur-surOurthe (Centre beige d'histoire rurale, publication n 48), Liège-Leuven, 1975; Ubregts W., La tour du Sart a Tavier-en-Condroz, in Buil. Soc. roy. Le Vieux-Liège, IX, 1976, p. 33-47; Javaux J.-L., La "maison" de Pierre de Spontin au Xllle siècle. Analyse archéologique, in Buil. Comm. roy. Mon. fö.,n.s., 10, 1981, p. 21-44.
M&L
49
WIJ ZULLEN HET WEL VRIJLEGGEN WALTER SCHUDEL
Met de beitel vrijgelegd tot aan de lijmverf, Uterst links werd deze laatste verwijderd met een mini-drill (fotoWSchude^
'^t^t^i
., ^,: rf*-^s^>.* 'I' •
^
{
In de praktijk van de restauratie van muurschilderingen moet men bovenstaande zin dikwijls aanhoren. Meestal wordt deze gevolgd door: "... en don doet U de echte restauratie". Men gaat er daarbij van uit dat de "echte restauratie" bestaat uit fixeren en vooral retoucheren: specialistenwerk
dus. Vrijleggen daarentegen - dat is het wegnemen van witsellagen die in de loop der tijden over muurschilderingen aangebracht zijn - kan even goed, èn goedkoper, door voorzichtige werklieden geschieden, zo luidt het. Dat misverstand uit de wereld helpen is het doel van deze bijdrage.
50
M&L
WITSELLAGEN
Dat binnenmuren en vaak ook buitenmuren van kerkelijke en burgerlijke architectuur oorspronkelijk voorzien waren van afwerkingslagen (bepleistering, kalei- of witsellagen, architecturale polychromie en muurschilderingen) vormt geen stof meer tot discussie. De in de 19de eeuw ontstane voorkeur voor het zogenaamde "eerlijke" materiaal, waarbij gebouwen van hun afwerkingslagen ontdaan werden en in de "blote" steen gezet werden, heeft een diepe invloed gehad en werkt tot in onze dagen nog na. Op die manier werden er veel muurschilderingen vernield, al werden enkele toen ontdekt en gerestaureerd. Tot in de 19de eeuw behoorde het witten van de gebouwen tot het periodieke onderhoud. De lagen werden over elkaar aangebracht. Zo kan men op sommige plaatsen pakketten vinden van wel vijfentwintig lagen. Muurschilderingen werden met een witsellaag bedekt wanneer ze om één of andere reden (beschadiging, verandering van stijl, ideologische redenen...) niet meer gewenst waren. In het voormalig abdissenkwartier van de cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode (Kuringen) en op een gewelfschildering in de zuiderbeuk van de
Aangezicht en rechter schouder zijn inde 19de eeuw, nadat het gat werd opgevuld, gereconstrueerd. 'Aanbidding', Groot-Vleeshuis, Gent, 15de eeuw (foto W, SchudeO
Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Anwerpen werd eerst een laag lijmverf en vervolgens een witsellaag aangebracht (1). Was het om te voorkomen dat de verf door de witsellaag heen zou slaan? Muurschilderingen worden onder witsellagen in het algemeen in bijna ideale omstandigheden bewaard. Omdat ze niet zichtbaar zijn, kunnen ze wel ongewild beschadigd raken. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het Groot Vleeshuis te Gent, waar men in het kader van een verbouwing balken in de muur bevestigde doorheen de witsellagen en de muurschildering. Het wegnemen van witsellagen is niet zonder meer een uitgemaakte zaak (2). Ze behoren tot het concept en de geschiedenis van het bouwwerk en zijn in die hoedanigheid eerder te restaureren dan weg te nemen. Indien men evenwel beslist om een deel of alle witsellagen te verwijderen, dan moet dat gebeuren zonder het onderliggende te beschadigen (3). Daar is het tenslotte om te doen. Helaas kan men veel schade zien aanrichten door architecten met sleutelbossen, commissieleden met zakmessen, aannemers met plooimeter en, helaas, onvoldoende geschoolde restaurateurs met beitels. Het vrijleggen van muurschilderingen is, zelfs met het geëigende instrumentarium, een uiterst moeilijke aangelegenheid en is veel delicater dan bijvoorbeeld het retoucheren. Dit laatste gebeurt immers enkel in lacunes, en vergissingen zijn derhalve herstelbaar. Fouten bij het wegnemen van witsellagen daarentegen zijn beschadigingen van het origineel en per definitie onherstelbaar, al kan men ze wel camoufleren. Vrijwel niemand die geen vakman is, zou het aandurven om een beschadigde muurschildering te retoucheren! Hoeveel meer terughoudendheid vergt bijgevolg het veel moeilijker proces van de vrijlegging. Het moge een algemene regel worden dat wie niet als deskundige om professionele redenen een kunstwerk moet aanraken, er zijn handen af houde!
VRIJLEGGEN = REINIGEN
Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen het wegnemen van witsellagen en het verwijderen van elke andere materie van de picturale laag. Typisch voor de operatie van het vrijleggen is dat het vrijwel uitsluitend mechanisch (met scalpel,
M&L
De picturale laag is 'verankerd'\nóe drager en de witsellaag, waardoor ze bij het
51
beitel...) kan gebeuren en dat de hoeveelheid te verwijderen materie eerder groot is. Vrijieggen is overigens een vorm van reiniging van de picturale laag (4).
vrijieggen gemakkelijk wordt gespirtst
Dat reinigen van een kunstwerk een ingewikkelde materie is, werd nog eens aangetoond op het laatste Congres van het International Institute of Conservation (IIC), gehouden te Brussel van 3 tot 7 september 1990, met als onderwerp Cleaning, Retouching and Coatings (Reiniging, retouchering en beschermlagen) (5). Of men nu de reiniging uitvoert met mechanischeof met oplosmiddelen of met de recentere zepen en gels, steeds betekent deze operatie een "shock" voor de muurschildering. Als men het gereinigde oppervlak nauwkeuring bekijkt, is dit al zichbaar: krasjes, zelfs veroorzaakt door zachte watteproppen, of "uitgewassen" moleculen of residuen. Geen enkele methode of product is specifiek genoeg om énkel het vuil weg te nemen en het origineel ongemoeid te laten. De "kunst" bestaat erin methode en produkt zó te kiezen en op elkaar af te stemmen dat men de ideale toestand zo dicht mogelijk benadert. Gelukkig wordt meer en meer een veiligheidsmarge in acht genomen, waarbij men liever een weinig vuil aanwezig laat om het origineel zoveel mogelijk te sparen. Voor dit soort van reiniging is een geschoolde, kritische geest en een sensibele hand een absolute noodzaak.
DE PICTURALE LAAG
Vermits het verwijderen van witsellagen mechanisch moet gebeuren is het belangrijk om op de adhesie (hechting van de schildering aan de drager) respectievelijk cohesie (hechting van de lagen onderling) van de verschillende lagen in te kunnen spelen. Men moet trachten, om eventueel in etappes, de mechanische actie te focussen juist boven de picturale laag. Men moet met andere woorden daar een breukvlak creëren. Vooreerst spelen de witsellagen een rol: ze kunnen dikker of dunner zijn, brosser of taaier, harder of zachter en minder of meer in aantal. Dit geeft op zichzelf reeds aanleiding tot verschillende benaderingswijzen. Deze worden op één of ander manier nog eens beïnvloed door de samenstelling en de stratigrafie van de picturale laag en van de preparatie. Op deze preparatielaag kan bijvoorbeeld de mechanische slag van een beiteltje geabsorbeerd worden door een bepleistering die
slecht op de muur hecht of die in se een onvoldoende interne samenhang vertoont. In plaats van een breukvlak te creëren tussen hetgeen men weg wil nemen en hetgeen moet blijven, gaat op die manier eerst de bepleistering stuk en dan de picturale laag. De preparatielaag bestaat meestal uit meer dan één laag. De picturale laag is meestal nog ingewikkelder van opbouw. Ze is niet enkel samengesteld uit verschillende lagen, maar ook uit bindmiddelen die van laag tot laag kunnen verschillen. Van onder naar boven kan zo een picturale laag bijvoorbeeld bestaan uit een imprimatura (onderlaag) onderschildering, lokaalkleur, velatura en/of glacis (gekleurde doorzichtige lagen...). Ook de bindmiddelen verschillen: zwart en blauw worden in de regel eerder mager, terwijl groen en rood eerder vet gebonden worden. Niet ieder pigment heeft bovendien evenveel bindmiddel nodig en niet elk pigment wordt even fijn gemalen. De picturale laag is dus per definitie niet homogeen. Door de verschillende manieren waarop de constituerende materialen veranderen wordt een dergelijke verflaag na een paar honderd jaar nog minder homogeen. Bijgevolg kunnen er in al die boven en naast elkaar liggende lagen potentieel heel veel zwakke punten ontstaan. Er is veel ervaring vereist om tussen al die mogelijke zwakke plekken juist deze te activeren die men nodig heeft om de schildering zonder noemenswaardige schade te kunnen vrijieggen. Werken op goed geluk is niet de juiste restauratiemethode.
52
M&L
toegeven dat men de situatie niet meester is en het vrijleggen opgeven is dan nog een andere zaak. Meestal wordt dus in stilte verder gewerkt, vooral omdat de resterende verf zich ongemeen intensief van kleur voordoet. Dit is ook niet te verwonderen: al het oppervlaktevuil, de patina en een deel van de schildering kleven aan de weggenomen witsellaag. Gelukkig wordt soms ingezien dat een ongeschonden schildering onder witsellagen te verkiezen is boven een vrijgelegde ruïne (of een ruïnerende vrijlegging?)
Resten van een muurschildering op een rode imprimatura, Antwerpen, Kathedraal, 15de eeuw (fotoW.SchudeO
Vermiljoen op een rode onderschildering, Antwerpen, Kathedraal, 16de eeuw (foto W, Schude^
WERKWIJZE EN INSTRUMENTEN
Literatuur over vrijleggen is zo goed als onbestaand: niet omdat het om een eenvoudige klus zou gaan of omdat het een weinig voorkomende bewerking zou zijn, maar wellicht uit eerlijke (?) schaamte. Niet zelden gaat het vrijleggen immers gepaard met een aanzienlijk verlies van originele substantie, hetgeen niet hoeft te verbazen gezien de beschreven problematiek van het heterogeen karakter van de picturale laag, de preparatie en de witsellagen.
Resten van de picturalelaag op de achterzijde van weggenomen kalkwitsel, Herkenrode, Abdij, 16de eeuw (foto W, Schudetl
Als men bovendien het oppervlak van een picturale laag met een eenvoudig vergrootglas (x 10) bekijkt, dan ziet dit er schrikwekkend uit: enorme kraters en sleuven dienen zich aan om al wat erop komt te verankeren. Dat is dan ook wat gebeurt met de witsellagen die nat werden aangebracht en door cappillaire werking bovendien als het ware wortel hebben geschoten in de picturale laag. Precies daarom blijven niet zelden hele stukken van deze originele laag aan de achterkant van weggenomen stukjes witsel kleven (6). De schildering wordt met andere woorden ongeveer in dikte gehalveerd. In dergelijk geval
Een andere reden voor het ontbreken van literatuur over dit onderwerp zou kunnen zijn dat onderzoek en vooruitgang in restauratie zelden spectaculaire vormen aannemen. Dikwijls gaat het alleen om kleine verbeteringen in het eindresultaat, met aan de debetzijde eventueel zelfs wat extra werk. Daar de werktijd al ruim 90 % van de totale kosten uitmaakt van restauratie (restaurateurs zijn dan ook niet zozeer eikaars concurrenten dan wel de concurrenten van zichzelf) wordt er met vrijleggen in het algemeen flink voortgedaan, misschien wat extra geretoucheerd (de "echte" restauratie?) en vooral gezwegen. Het instrumentarium - slijpertjes, schuurdertjes, mesjes, borsteltjes tot en met microzandstralers en ultrasoonapparatuur - waarmee vrijleggingen kunnen worden gepleegd, is schier onbeperkt (7). Wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze alle slechts min of meer geschikt zijn voor een min of meer wel bepaalde situatie. Ongewenste breuklijnen in de originele materie kan men in principe op twee manieren voorkomen. Enerzijds kan men proberen de originele verflaag te consolideren of te fixeren, al naar gelang de behoefte, vóór ze wordt vrijgelegd (8). Dat impliceert dat de consolidant of het fixatief doorheen de - eventueel vooraf in dikte gereduceerde - witsellaag moet dringen. Dit is geen
M&L
M II 2 II 3 1 1 4 II 5 || 6 ! 1. Het meest gangbare materieel: betel, scalpel, glasvezelborstettje 2, Met betel vrijgelegde achtergrond 3. Verdere reiniging met 'huishoudgerief en water 4, Graveerapparaat, aangepast om met scalpelblaadjes te kunnen werken 5. 1ste stap: vrijlegging met betel 6. 2de stap: fijn-vrijlegging met graveerapparaat (foto's W Schudel)
53
sinecuur en op dit gebied worden dan ook weinig successen gemeld. Fixeren van een nog niet vrijgelegde muurschildering wil nog wel eens lukken, op voorwaarde dat ook de witsellaag barsten met opstaande randjes vertoont. Daarvoor is een fixatie! nodig dat in contact met bepaalde compressen zacht gemaakt kan worden zonder op te lossen. De werkwijze is als volgt: een fixatief, bijvoorbeeld polyvinyl-acetaat in dispersie, wordt op de te fixeren plaatsen aangebracht en de schilfers aangedrukt. Na een droogperiode wordt een compres in gelvorm aangebracht (bijvoorbeeld Carboxymethylcellulose). De actieradius van een gel is beperkt en zal derhalve vooral de laag die ermee in contact staat beïnvloeden. Na een zekere tijd is zodoende de fixatief waarmee de witsellaag is vastgezet zacht geworden, terwijl het dieper liggend fixatief, dat de picturale laag op haar plaats moet houden, vrijwel onaangetast blijft. De witsellaag kan nu voorzichtig worden afgepeld. Anderzijds kan men proberen de krachten die op het origineel werken zo klein mogelijk te houden.
door de grootte van de weg te nemen stukjes zoveel mogelijk te reduceren.
Hierboven werd reeds melding gemaakt van de onmogelijkheid om bij het reinigen de kool en de geit te sparen, met andere woorden het gaat nooit zonder het origineel lichtjes te beschadigen en zonder wat vuil achter te laten. Het zijn precies deze twee zaken die, in niet onbelangrijke mate, mede het optisch aspect van de picturale laag bepalen. Indien twee reinigingsmethoden een kwalitatief dezelfde, aanvaardbare (hier ligt een belangrijk kritisch moment) "shock" aan het origineel teweegbrengen, dan verdient déze de voorkeur die het best past bij het optisch aspect van de verouderde picturale laag. Een minidrill met een tandartsenboortje bijvoorbeeld geeft een wat dieper, vettiger aspect dan een graveerapparaat met een erop gemonteerd scalpel, dat een wolliger aspect tot gevolg heeft, alhoewel het er ook nog vanaf hangt hoe dit laatste gebruikt wordt: haaks op het vlak of schuin, duwend of wegtrekkend, enzovoort.
54
M&L
Mini-drill met toebehoren: koperdraad- en natuurtiarenborsteltjes, diamantvijBje (foto W, Schudel)
er voor vrijleggen geen "gemakkelijke" methoden bestaan. Het is allemaal nogal elementair en berust in hoge mate op ervaring (die de problemen doet zien) en een geschikte hand (die ze moet oplossen); vrijleggen in essentie reinigen is, met alle, ook esthetische, problemen van dien; bijgevolg alleen een ervaren restaurateur, die zijn nieuwsgierigheid de baas kan en zijn beperkingen (er)kent, bevoegd is om vrijleggingen te doen.
Het 'huishoudgerief' (fotoWSchudeO
VOETNOTEN
BESLUIT
Wij hopen hiermee aangetoond te hebben dat: — vrijleggen, door de heterogene samenstelling van de verschillende lagen die in het spel zijn, niet zo eenvoudig is als het op eerste gezicht zou kunnen lijken;
(1) Seidler A.M., Les anciennes peintures murales. De la maniere d'enlever de badigeon qui les couvre et de les reslaurer, in Revue de l'art chrétien, deel 4, 1893, p. 366-371. (2) Kiesow G., Enführung in die Denkmalpflege, Darmstadt, 1982, p. 134. (3) Een waarschuwing nopens de organisatie van een werf is hier op zijn plaats: sonderingen mogen slechts worden gedaan als de mogelijkheid voorzien is om hetgeen men ev. vindt ook te kunnen restaureren en in optimale omstandigheden bewaren en genieten. (4) Moncrieff A., Weaver G., Science for conservators, book 2, London,1983. Philippot P., La notion de patine et Ie nettoyage des peintures, in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 1960, p. 138-143. (5) Cleaning, Retouching and Coatings, preprints of the contributions to the Brussels congres, 3-7 sept. 1990, London, 1990. (6) Horky J., Eine Abwandlung der Strappo-Methode zur Entfernung von Uebermalungen auf Wandbildern, in Arbeitsblatter für Restauratoren, 1971/1, p. 32-34. (7) Koller M. en Pursche J., Abnahme und Febertragung der fassadenmalerei eines Wiener Barockhauses, in Maltechnik, nr. 3, Miinchen, 1984, p. 33-39. Koller M. en Leitner H., Freilegung von Stukkaturen: Die Leim-Strappo Methode, in Maltechnik, nr. 3, Miinchen, 1982, p. 177-182. Wihr R., Der Einsatz von Stahlgeriiten u. Ultraschaltmeiseln in der Konservierungstechnik, in Arbeitsblatter fur Restauratoren, 1978/1, p. 18-24. (8) Emmenegger 0 . , Cemetery chapel of Sta. Maria, Pontresina, in Preprints, /com, 4th. triennal meeting, Venice, 1975.
SUMMARY THE CASTLE D O M A I N OF POEKE
In the present domain a duel full of contrasts is going on between the classical and the romantic-picturesque style.
For a long time the castle of Poeke and its domain were the governing centre of an important feudal manor. The family De Preudhomme d'Hailly brought the Barony de Poucques to a remarkable bloom around 1763 during the relatively peaceful Austrian reign. The immense richness is highlighted by the trade — represented by a luxury silk industry — as well as the design of the park, based on a classical axial pattern of alleys. The French revolution put an abrupt end to this cultural florescence. Only at the end of the 19th century the domain was reestablished in its glory by the family Pycke de Peteghem. After a long incubation period a Romantic design was finally developed. Nevertheless the geometrical plan was never really abandoned.
The feudally based structure of the castle domain has been partially affected by fading nobiliary traditions. Typical vegetation patterns, together with traditional cultivation of the soil, like timber- and hayland, were disturbed or disappeared systematically. Nevertheless some ecological elements in the landscape still show a remarkable link with remnants of the ancient landscape. Therefore these elements are exceptional remainders in the present domain. In order to obtain sound management propositions, a creative park management should strive for an interaction of different functions; monument and landscape care, as well as nature conservation and
55
agraric and recreational joint use. The creativity at the basis of this interaction will determine the durability of the actual domain's future.
THE TAPESTRY OF THE SAINT CATHERINE CHURCH IN HOOGSTRATEN In the St. Catherine church in Hoogstraten a series (5) of tapestry dating from the first half of the 15th century has been preserved. This series was commissioned by Count Antoon de Lalaing and his wife Countess Elisabeth van Culemborg, It was to be part of the furnishing of the new church they had constructed between 1525 and 1550.
entrance of the wooden cantilever-type latrine. It is not excluded that the wooden staircase to the bedroom and the door to the latrine were isolated from the rest of the room by a wooden screen. The bedroom has almost completely disappeared. The dating of this construction towards the end of the I3th century as deduced from the text of de Hemricourt is confirmed by the structural characteristics of the main entrance, the big window (framing composed of monolithic ironstone and covered by a mitre-lintel) and of the fire-place. The historical and architectural significance of the tower-house of Rutten can no longer be ignored and therefore it is to be hoped that the remains may be saved by intelligent conservation- and valorization-measures.
"JUST LET US EXPOSE IT..." Three pieces of tapestry tell the life of Elisabeth of Hungary (1. engagement/farewell/marriage; 2. humility/charity/hospitality; 3. penitence/death). Two other tapestries are on some episodes in the life of the Holy Anthony the Aboot (4. church-visit; temptation; 5. prayer/farewell/death). Under the supervision of the Brussels Royal Institute for the Art Patrimonium, the series has just been consolidated (cleaning/ conservation/new lining) by the Royal Manufacturer Gaspard de Witt from Malines. In consultation with the Administration for Monuments and Landscapes a museologically sound way of presentation with optimal security has been created. Special display cases have been designed for the aisles of the church.
In this article an attempt is made to show what an underestimated task exposing in restoration is. There is a short introduction on the meaning and importance of coats of whitewash followed by the explanation that exposing is essentially a way of cleaning. After this the controversial character of each cleaning is shown. Two elements are then confronted with each other: on the one hand the complex stratigraphy of the object to clean and on the other the rather rudimental ways — at least as far as the exposing is concerned — to separate "pollution" from painting. The only possible conclusion should be that exposing is a risky enterprise which should therefore be left to people familiar with the risks involved.
THE TOWER-HOUSE OF AYNCHON DE HOGNOUL IN RUITEN AT THE END OF THE 13TH CENTURY.
SUPPORT - SURFACE Medieval Rutten consisted of a complex of feudal territories belonging to the emperor of Germany, de duke of Brabant or the prince-bishop of Liège. The tower-house of Aynchon de Hognoul, at short distance from the imperial castle of Hamal. depended from the feudal registry of Rutten, itself belonging to the feudal court of Brabant.
RESTAURATIE
+
CONSERVATIE
The 14th-century description by J. de Hemricourt is of crucial importance for the identification of the existing ruins of the tower-house of Rutten as the house of Aynchon de Hognoul. The medieval recorder describes the war between the Awans and the Waroux (1298-1335): "Aynchon de Hognoul was in conflict with the Hamals although he lived under their influence in the village of Rutten; he had a non-fortified house, but inside was a good and safe cellar; the Hamals did not dear to burn it down because the village was Brabant domain". The studied tower-house is indeed situated nearly in front of the castle of Hamal; second, the architectural study has shown that this tower has almost no military characteristics; third, there is a blind cellar, covered with a wooden ceiling whose summers are anchored to bigger beams hidden in the masonry. This very closed and well protected cellar is exceptional and probably therefore drew de Hemricourt's attention. The tower-house of Rutten has actually two "cellars", the one described above and a second on the first floor. This store-room is illuminated by one slit, providing light, not only to the stairs descending from the main tower-entrance on the second floor, but also to the blind cellar through a hatch. The lord's hall was also the receptionroom and the kitchen of the house. This floor is particularly well preserved and may serve as an example in the study of the daily life of the medieval nobility. There is one large window with seats and two smaller ones. Multifunctional cupboard-niches are located besides the fire-place and close to the
Maatsch. zetel: Kortrijkse Steenweg 382. 9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel : Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97
• • • • • •
ALGEMENE BOUWONDi VERNIEUWBOUW i RESTAURATIEW GEVELWERKEN NATUURSTEEN BETONREPAR^ SPECIALE TECHN
MOREELS H Specialiteit restauratie historische gebouwen & kerken
Natuur & kunstleien - pannen & asfalt Restauratie van glasramen van kerken en partikulieren Eigen ontwerpen 43 Jerusalemstraat 9420 ERPE-MERE Fax 050/31 OJVB
D21 KLASSE
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n
H El
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteil van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
S
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en iniektiemortels van hoogwaardige kwa[ SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
(053) 83 01 54 ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Ilccft I / K I I .il LviLs afJuevraa^O IKK.* hei komt dai eeuwenoude houten moIen.s iiny steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel \.in de pr.khuue sim-Ronibouisk.iihedra.il /\\w tonnenzware beiaard torst? Solarm vernieuwt en versterkt rottend hout niet het Kenolors-Het.i systeem Voor (aaaren. Renofors-Hèta is een (ktxstenbesparend) alter* n.uiel voor (.lure en moeili|ke \er\.ingini'swerken. Kenofors-lièta is een j»e\%*ipentl kunstuirssystcem dat snel. doeltreffend en estlietisch eeuwenoude fon-
structies ivsiaureert. Vnui; nu vrijblijvend doc"unieniatie IJel (H " d O l d i
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VTRLIEZEN...
Solar Kleine Breedstraal 33.9) 00 SI -Niklaas
^
Solar K e ne Breedstraat 33 9100 Si -N'k aas
wor meer informatie belt u.' o^fjyó.pi. 6z
Ook sterk in gevelremiging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken • betonrestauratie houtbehandeling - brandremming
Eindelijk opnieuw beschikbaar! :ULTURE DE L'HABITAT LIVINGTPATTERNS
in de reeks BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN
Bouwen door de eeuwen heen inVlaanderen
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Stad Gent
Stad AnlMtrpt'n ' 3 » - » * >
,411 tl
I Nouvelles approches concernant
La Culture de l'habitat New approaches to
Living Patterns O.l.v. R. Baetens en B. Blonde Stad Gent: DE KUIP VAN GENT 4na 760 p. met meer dan 1800 foto's, prenten en schetsen.
Stad Antwerpen: DE STAD BINNEN DE MIDDELEEUWSE VESTEN 3na 572 p. met meer dan 1200 foto's, prenten en schetsen.
Prijs: 2.495 fr.
Prijs: 1.995 fr. Over de stad Gent verschenen nog volgende boeken: Stad Gent. De 16de-eeuwse stadsuitbreiding, noordelijk en oostelijk deel 726 p. - ref. 4NB - 1.695 fr. Stad Gent. De 16de-eeuwse stadsuitbreiding, zuidelijk en westelijk deel 724 p. - ref. 4NB - 1.695 fr.
Stad Antwerpen. De 16de-eeuwse stadsuitbreiding (tussen middeleeuwse en Spaanse vesten) 792 p. - ref. 3NB - 1.795 fr. Stad Antwerpen. De 19de-eeuwse stadsuitbreiding 688 p. -ref. 3NC - 1.995 fr.
Stad Gent. De 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreiding 536 p. - ref. 4NC - 1.495 fr. Gent: randgemeenten 520 p. - ref. 4ND
Over de stad Antwerpen verschenen nog volgende boeken:
1.595 fr.
Deze 5 boeken over de STAD GENT nu samen verkrijgbaar tegen de voordeelprijs van 7.695 fr. (i.p.v. 8.975 fr.)
Deze 3 boeken over de STAD ANTWERPEN nu samen verkrijgbaar tegen de voordeelprijs van 4.990 fr. (i.p.v. 5.785 fr.)
De geschiedenis van de wooncultuur staat momenteel volop in de belangstelling. Dat bleek nogmaals op 24 en 25 oktober 1989 toen diverse specialisten uit het binnen- en buitenland te Antwerpen de resultaten van hun lopend onderzoek aan een breder publiek voorstelden. Het colloquium, dat door het Centrum voor Antwerpse Cultuurgeschiedenis van de UFSIA en het Hoger Architectuurinstituut van het Rijk te Antwerpen werd georganiseerd, had een duidelijk internationaal en interdiciplinair opzet. Daarin leverden naast historici, ook kunsthistorici, architectuurspecialisten, archeologen, geografen, ... hun specifieke bijdrage. De veelzijdigheid van het colloquium weerspiegelt zich dan ook in deze bundeling teksten die het fenomeen "wonen" vanuit verschillende invalshoeken benaderen. De sociaal-economische omgeving van het woonhuis, het materiële aspect van het huis zelf, de culturele en praktische beleving van de woning en haar inhoud (in de ruimste betekenis) kregen dan ook de nodige aandacht. Het boek werd opgedeeld in drie delen. In een eerste deel werden de omgevingselementen van de wooncultuur bestudeerd. Een sterk accent viel daarbij onvermijdelijk op de ruimtelijke component van sociaal-economische processen. Het woonhuis zelf (architectuur, gebruikte materialen, ...) wordt ter sprake gebracht in het tweede gedeelte. In het derde luik werd een reeks teksten gerangschikt die de wooncultuur in eerder strikte betekenis behandelen. Een selectieve bibliografie over de wooncultuur in België sluit het werk af.
320 paginas - ± 100 illustraties 1.749 fr.
BREPOLS Baron F. du Fourstraat 8, 2300 Turnhout
RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT
N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken
OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
GROUP
MONUMENT