ONDERWIJS IN VLAANDEREN
Een brede kijk op het Vlaamse onderwijslandschap / 2005
2/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
ONDERWIJS IN VLAANDEREN Een brede kijk op het Vlaamse onderwijslandschap
COLOFON TEKST: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Informatie en Documentatie Onderwijs in samenwerking met de andere administraties en afdelingen van het departement Onderwijs EINDREDACTIE EN PRODUCTCOÖRDINATIE: Afdeling Informatie en Documentatie Onderwijs VERANTWOORDELIJKE UITGEVER: Ludy Van Buyten, wnd. secretaris-generaal Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel ONTWERP: Brussels Lof, www.brusselslof.be ILLUSTRATIES: Judith Vanistendael DRUK: Drukkerij Van In WETTELIJK DEPOT: D/2005/3241/054
INHOUD 1.
Situering van Vlaanderen
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Vlaanderen in België en Europa Vlaanderen als deelstaat Maximale armslag, ook voor onderwijsmateries Vlaams onderwijs ingebed in regio, continent en wereld Een kleine regio met een grote schoolbevolking
2.
Onderwijs in Vlaanderen
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.1.7
Algemene principes Leerplicht voor alle kinderen van zes tot achttien jaar Vrijheid van onderwijs Onderwijsnetten Financiering van het onderwijs Autonomie Rechtspositie van het personeel Organisatie van het school- en academiejaar
9 9 10 10 12 12 13 14
2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5
Onderwijsniveaus Onderwijsstructuur Basisonderwijs Secundair onderwijs Hoger onderwijs Permanente vorming
15 15 16 20 23 27
2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4
Ondersteuning en kwaliteitscontrole Centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) Informatie- en communicatietechnologie (ICT) Communicatie Kwaliteitsbewaking en -bevordering
32 32 32 34 36
2.4 2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.4.8 2.4.9
Actua Studietoelagen en studiefinanciering Meer kansen voor iedereen Voorrangsbeleid in Brussel Participatie Talentontwikkeling Modularisering Levenslang leren Erkenning eerder verworven competenties en kwalificaties Professionalisering onderwijspersoneel
38 38 39 41 41 43 44 45 46 47
2.5
Nuttige adressen
48
5 5 6 6 7
1.
6/
SITUERING VAN VLAANDEREN
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
1.1
Vlaanderen in België en Europa
Vlaanderen is het noordelijke deel van België. Het is centraal gelegen te midden van de belangrijkste West-Europese industriegebieden. Er wonen bijna zes miljoen mensen in Vlaanderen. Hun voertaal is het Nederlands. Brussel is de hoofdstad van Vlaanderen, maar ook van België en van Europa. 1.2
Vlaanderen als deelstaat
De naam Vlaanderen dekt eigenlijk twee ladingen. Vlaanderen staat zowel voor de Vlaamse Gemeenschap als voor het Vlaams Gewest. •
•
Het Vlaams Gewest omvat het Nederlandse taalgebied met de provincies West-Vlaanderen, OostVlaanderen, Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant. Het Vlaams Gewest is bevoegd voor de zogenaamde grondgebonden materies. Dit zijn beleidsdomeinen zoals economie, infrastructuur, landbouw, leefmilieu en werkgelegenheid. De Vlaamse Gemeenschap verzamelt de inwoners van het Nederlandse taalgebied en de Nederlandstaligen in Brussel. De Vlaamse Gemeenschap is bevoegd voor de zogenaamde persoonsgebonden materies. Dit zijn beleidsdomeinen waarbij de dienstverlening aan de bevolking nauw samenhangt met de taal waarin dat moet gebeuren. Concreet gaat het bijvoorbeeld over onderwijs, welzijn, volksgezondheid en cultuur.
Vlaanderen koos ervoor het parlement en de regering van het Vlaams Gewest én de Vlaamse Gemeenschap
Noordzee
samen te voegen tot één Vlaams Parlement en één Vlaamse Regering. Dit betekent dat één en dezelfde overheid zowel de gewestbevoegdheden als de gemeenschapsbevoegdheden uitoefent. Dankzij die ingreep zit de politieke besluitvorming voor de Vlamingen eenvoudiger in elkaar dan voor de Franstaligen in het zuiden van het land. Zij hebben wél een afzonderlijke gewest- en gemeenschapsoverheid. De instellingen zijn aan Vlaamse zijde dus anders gestructureerd dan aan Franstalige zijde. Daarom wordt het Belgische federale model ook wel een asymmetrisch model genoemd. Naast de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest zijn er in de Belgische federale structuur nog twee gemeenschappen en twee gewesten: •
•
•
•
het Waals Gewest dat het Franse en Duitse taalgebied omvat met de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Namen en Luxemburg het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat samenvalt met het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, waar beide talen volgens de grondwet op gelijke voet moeten worden behandeld de Franse Gemeenschap die de inwoners van het Franse taalgebied en de Franstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest groepeert de Duitstalige Gemeenschap die de circa 70.000 inwoners van het Duitse taalgebied verzamelt.
De federale (= Belgische) overheid is bevoegd voor alle materies van nationaal belang en oefent ook controle uit over een aantal belangrijke instrumenten en sectoren. Deze bevoegdheden omvatten onder meer financiën, binnenlandse en buitenlandse zaken, sociale zekerheid en werkloosheid.
NEDERLAND
DUITSLAND
Vlaanderen
FRANKRIJK
Brussel Wallonië Duitstalige Gemeenschap
LUXEMBURG
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /7
1.3
Maximale armslag, ook voor onderwijsmateries
Het federaliseringsproces is een langzaam proces van politiek overleg geweest dat bijna een kwarteeuw heeft geduurd. Tussen 1970 en 1993 keurde het federale parlement vier staatshervormingen goed. In die periode kregen de deelstaten stap voor stap een eigen regering, een eigen parlement en een eigen administratie. Ook de bevoegdheden van de deelstaten breidden stelselmatig uit. Bij de federalisering streefde men naar homogene bevoegdheidspakketten die een helder en rechtlijnig beleid mogelijk maken. Voor elk beleidsdomein treedt dus één overheid op als wetgever met een maximale autonomie, waardoor inmenging door een andere overheid in principe uitgesloten is. De federale (= Belgische) bevoegdheden staan naast de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten. Dit betekent dat wetten (van de federale overheid), decreten (van de gemeenschappen en gewesten) en ordonnanties (van het Brussels Gewest) juridisch gelijkwaardig zijn. Dit systeem maakt de kans op conflicten tussen de verschillende overheden vrij klein en is een belangrijke factor in de politieke stabiliteit van België. De bevoegdheden inzake onderwijs berusten bij de gemeenschappen. Zowel de Vlaamse, Franse als Duitstalige Gemeenschap hebben dus een eigen educatief systeem. Binnen de Vlaamse Regering is de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming verantwoordelijk voor bijna alle aspecten van het onderwijsbeleid, van het kleuteronderwijs tot en met het universitair onderwijs. De minister staat aan het hoofd van het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap1. Hoewel onderwijs gefederaliseerd is, behoudt de federale overheid nog enkele bevoegdheden. Zo bepaalt deze overheid het begin en einde van de leerplicht, de minimumvoorwaarden voor het behalen van een diploma en de pensioenen van het onderwijspersoneel. 1.4
Vlaams onderwijs ingebed in regio, continent en wereld
Vlaanderen hecht veel belang aan het deelnemen aan internationale programma’s. We onderscheiden twee categorieën: • •
bilaterale of multilaterale samenwerking met andere landen participatie aan de onderwijs- en opleidingsprogramma’s van de Europese Unie (Socrates, Leonardo da Vinci).
We geven een toelichting bij beide categorieën. Het Klavertje Drieprogramma is een voorbeeld van bilaterale samenwerking. Samen met het Prins Filipfonds ondersteunt Klavertje Drie de uitwisseling van leerlingen in basis- en secundaire scholen uit de drie gemeenschappen van België. Via de GENT-akkoorden (1990) werkt Vlaanderen op onderwijskundig vlak nauw samen met Nederland door o.a. seminaries in te richten en samenwerking tussen onderwijsinstellingen te stimuleren. Sinds 1995 slaan Vlaanderen en Nederland de handen in elkaar via het project Grensoverschrijdende Onderwijssamenwerking (GROS). Vlaamse en Nederlandse basis- en secundaire scholen kunnen op die manier klassen uitwisselen. GROS voor het basisonderwijs werd nadien opgenomen in het bredere Buurlandenbeleid (sinds 1999). Verder is er ook bilaterale samenwerking in het kader van culturele akkoorden en samenwerkingsakkoorden. Op dit ogenblik lopen er ongeveer veertig dergelijke akkoorden. Ze hebben betrekking op alle onderwijsniveaus en omvatten onder meer specialisatie- en onderzoeksbeurzen en uitwisseling van experts, ambtenaren of hoogleraren. Het departement Onderwijs werkt in verschillende projecten samen met Rusland, Marokko en Zuid-Afrika. Vlaanderen stimuleert ook de deelname aan twee specifieke onderwijs- en opleidingsprogramma’s van de Europese Unie: • het Socrates-programma2 (tweede fase) loopt tot 2006 en ondersteunt in de eerste plaats de mobiliteit van leerlingen, studenten, leraren en docenten tussen de verschillende landen, maar ook de uitwisseling van ervaring en informatie inzake het onderwijsbeleid en de verschillende onderwijssystemen • het Leonardo da Vinci-programma dat de ontwikkeling van de Europese dimensie in het beroeps- en technisch onderwijs beoogt en de verbetering van de kwaliteit, het innoverend vermogen en de toegankelijkheid van de beroepsopleidingsystemen en -voorzieningen in de deelnemende landen wil stimuleren. Binnen dit programma worden transnationale partnerschappen, uitwisselingen, onderzoeken en analyses gesubsidieerd. In het kader van de Raad van Europa neemt het departement Onderwijs deel aan de activiteiten van het ‘Comité Directeur pour l’Education’ en het ‘Comité Directeur pour l’Enseignement Supérieur et la Recherche’. Er is vooral aandacht voor thema’s zoals mensenrechten, democratie en tolerantie.
1
2
8/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
Door het vernieuwingsproject Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) van de Vlaamse Overheid zal de onderwijsadministratie de nieuwe naam ‘Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming’ krijgen. Het Socrates-programma omvat verschillende actiegebieden waaronder Comenius, Erasmus, Grundtvig, Lingua, …
In de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is het departement Onderwijs vertegenwoordigd in het ‘Education Committee’, het ‘Institution for Management of Higher Education’ en het ‘Centre for Educational Research and Innovation’, waar het aan verschillende projecten rond onderwijsindicatoren en levenslang leren deelneemt. Vlaanderen volgt ook de verschillende internationale initiatieven van de UNESCO op. Deze VN-organisatie voor Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur organiseert om de drie jaar een internationale onderwijsconferentie met deelnemers uit de hele wereld. De laatste conferentie vond plaats in september 2004 met als thema ‘Kwaliteitsonderwijs voor alle jongeren: uitdagingen, tendensen en prioriteiten’. Van 2005 tot 2014 loopt het VN-decennium ‘Onderwijs voor Duurzame Ontwikkeling’.
1.5
Een kleine regio met een grote schoolbevolking
In onderstaande grafieken vindt u gegevens over de schoolbevolking in het voltijds onderwijs per onderwijsniveau en in de permanente vorming. Binnen de jonge Vlaamse bevolkingsgroep (25- tot 34jarigen) heeft 81 % minstens een diploma secundair onderwijs behaald. Hiermee scoort het Vlaams Gewest in 2002 beduidend beter dan het gemiddelde OESOland, waar 75 % van deze leeftijdsgroep het secundair onderwijs voltooid heeft. Gedurende de jaren ‘90 van de vorige eeuw is er op dat vlak heel wat vooruitgang geboekt. De achterstand die Vlaanderen had inzake scholingsgraad werd in snel tempo opgehaald. Terwijl in 1990 55 % van de Vlaamse 25- tot 34-jarigen minstens een diploma secundair onderwijs bezat, was dit cijfer in 1994 al gestegen tot 69 % en bereikte het in 2002 81 %. Toch beëindigen nog steeds te veel jongeren de leerplicht zonder getuigschrift of diploma. Met het project modularisering probeert men deze tendens om te buigen (zie 2.4.6).
GRAFIEK 1: Schoolbevolking in het voltijds onderwijs per onderwijsniveau (schooljaar 2003-2004)
GRAFIEK 2: Schoolbevolking permanente vorming (schooljaar 2003-2004) 300 000
270.919 250 000
500 000
426.567
444.714
400 000
200 000
300 000
150 000
153.551
236.671 100 000
200 000
100.178
100 000
150 000
56.839
27.688 24.662 29.158
0
0 BASISONDERWIJS
3 4
5 6 7 8
SECUNDAIR ONDERWIJS
HOGER ONDERWIJS3
VOLWASSENENONDERWIJS
DEELTIJDS KUNSTONDERWIJS
kleuteronderwijs
onderwijs voor sociale promotie (secundair) 5
lager onderwijs
onderwijs voor sociale promotie (hoger)6
secundair onderwijs
basiseducatie7
hogescholenonderwijs 4
BIS (Begeleid Individueel Studeren)8
universitair onderwijs
deeltijds kunstonderwijs
Alleen basisopleidingen. Vanaf het academiejaar 1999-2000 worden in het hogescholenonderwijs alleen de hoofdinschrijvingen geteld. Aantal cursisten in de periode 1/02/2003 - 31/01/2004. Aantal cursisten in de periode 1/02/2003 - 31/1/2004. De gegevens van basiseducatie hebben betrekking op het werkjaar 2002 - 2003. De gegevens van BIS hebben betrekking op het kalenderjaar 2003.
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /9
2.
10/
ONDERWIJS IN VLA ANDEREN
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
2.1 2.1.1
Algemene principes
Leerplicht voor alle kinderen van zes tot achttien jaar
De Belgische grondwet bepaalt dat iedereen recht heeft op onderwijs, met eerbied voor de fundamentele rechten en vrijheden. Om dit leerrecht voor alle kinderen te garanderen, is er leerplicht. De leerplicht begint op 1 september van het jaar waarin een kind zes jaar wordt en duurt in principe twaalf volle schooljaren. Een leerling is voltijds leerplichtig tot vijftien of zestien jaar. Nadien geldt enkel nog de deeltijdse leerplicht (= een combinatie van deeltijds leren en werken). De meeste jongeren blijven echter voltijds secundair onderwijs volgen. De leerplicht eindigt op de achttiende verjaardag of op 30 juni van het kalenderjaar waarin de jongere achttien wordt. Effectief stoppen op de achttiende verjaardag en het lopende schooljaar niet afmaken, betekent wel dat hij/zij geen recht heeft op een studiebewijs of diploma van de gevolgde richting. Voor jongeren die vóór hun achttiende het diploma secundair onderwijs behalen, stopt de leerplicht op dat ogenblik. De leerplicht geldt voor alle kinderen die in België verblijven, dus ook voor kinderen met een vreemde nationaliteit. Vanaf de zestigste dag na hun inschrijving in de gemeente moeten deze kinderen ingeschreven zijn in een school en regelmatig de lessen volgen. Scholen mogen (het ontbreken van) een verblijfsvergunning niet gebruiken om leerlingen de toegang tot de school te weigeren. Vanaf het ogenblik van inschrijving zijn deze kinderen voor de overheid subsidieerbaar in de gewone basisfinanciering en in eventuele bijkomende financiering van de scholen. Leerlingen die met succes een opleiding voltooien, krijgen een diploma. Om het recht op onderwijs te vrijwaren, maakte Vlaanderen afspraken met het federale ministerie van Binnenlandse Zaken en de federale politie over het oppakken van illegale vluchtelingenkinderen. Een federale rondzendbrief bevestigt dat het niet toegestaan is leerplichtige kinderen van illegalen tijdens schooltijd af te halen op school. De leerplicht is in België niet gelijk aan schoolplicht. Kinderen moeten dus niet noodzakelijk naar school om te leren. Huisonderwijs is ook mogelijk. Ouders die hiervoor kiezen (in de praktijk zijn dit er weinig) moeten dit mee-
algemene principes
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /11
delen aan het departement Onderwijs. De overheid controleert namelijk of alle leerplichtige leerlingen effectief onderwezen worden. Indien uit deze leerplichtcontrole blijkt dat dit niet zo is, kan een rechtbank ouders hiervoor straffen. Kinderen die onmogelijk onderwijs kunnen volgen, omwille van een zware handicap, kunnen vrijstelling van leerplicht krijgen. De Belgische grondwet bepaalt ook dat de toegang tot het onderwijs kosteloos is tot het einde van de leerplicht. Basis- en secundaire scholen die door de overheid gefinancierd of gesubsidieerd worden, mogen dus geen inschrijvingsgeld vragen. Ook de toegang tot het Vlaamse kleuteronderwijs is gratis, al valt dit niet onder het leerplichtonderwijs. • In het basisonderwijs is het uitgangspunt dat de ouders niet moeten betalen voor schoolbenodigdheden en activiteiten die essentieel zijn voor het bereiken van de eindtermen. • In het secundair onderwijs kan de school een bijdrage aan de ouders vragen voor didactisch materiaal en voor bepaalde activiteiten. De gevraagde bijdrage moet verantwoord worden. Over deze bijdrage hebben ouders vooraf inspraak via de schoolraad. Voor ouders met een laag inkomen bestaat in het secundair onderwijs een stelsel van studietoelagen. Voor het hoger onderwijs spreekt men over studiefinanciering. Om voor een studietoelage/studiefinanciering in aanmerking te komen, moet de leerling/student voldoen aan de nationaliteitsvereiste en aan een aantal pedagogische en financiële voorwaarden. Een aanvraag voor een studietoelage/studiefinanciering moet ten laatste op 30 juni van het school- of academiejaar ingediend zijn (zie 2.4.1). 2.1.2
Vrijheid van onderwijs
Vrijheid van onderwijs is een grondwettelijk recht in België. Dit maakt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht heeft onderwijs te organiseren en daarvoor instellingen kan oprichten. De overheid mag geen preventieve maatregelen nemen om de oprichting van vrije scholen te verbieden. Ten slotte is de overheid grondwettelijk verplicht neutraal onderwijs in te richten. Het begrip inrichtende macht (of schoolbestuur) is een sleutelbegrip in de organisatie van het onderwijs in Vlaanderen. De inrichtende macht is verantwoordelijk voor één of meerdere scholen. Ze is een beetje te vergelijken met een raad van bestuur in een bedrijf. De inrichtende macht kan de vorm aannemen van een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon/rechtspersonen.
12/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
De inrichtende machten beschikken over een ruime autonomie. Ze zijn bijvoorbeeld totaal vrij in de keuze van hun onderwijsmethoden en kunnen hun onderwijs op een bepaalde levensbeschouwing of pedagogische opvatting baseren. Ze kunnen ook hun eigen leerplannen en lesroosters vastleggen en stellen zelf hun personeel aan. Scholen die erkend of financieel gesteund willen worden door de overheid, moeten wel de eindtermen bereiken, voldoende uitgerust zijn en beschikken over genoeg didactisch materiaal. Ze moeten gevestigd zijn in gebouwen die bewoonbaar, veilig en voldoende net zijn, enz. De grondwet waarborgt ook de keuzevrijheid van de ouders. Ouders en kinderen moeten over een school naar keuze kunnen beschikken op een redelijke afstand van de woonplaats. Recente wetgeving expliciteert en beschermt verder deze keuzevrijheid. Scholen mogen geen leerlingen weigeren, met uitzondering van een aantal welbepaalde gevallen (zie 2.4.2). 2.1.3
Onderwijsnetten
Vaak nemen de onderwijsnetten, als representatieve vereniging van inrichtende machten, bepaalde verantwoordelijkheden van de inrichtende macht over; ze stellen eigen leerplannen en lesroosters op. Hierdoor staan de betrokken inrichtende machten een deel van hun autonomie af aan de netten. Traditioneel worden er drie onderwijsnetten onderscheiden: • het gemeenschapsonderwijs (GO) wordt door de openbare instelling ‘het Gemeenschapsonderwijs’ georganiseerd in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap. Het gemeenschapsonderwijs is door de grondwet verplicht tot neutraliteit. Dit wil zeggen dat de religieuze, filosofische of ideologische overtuiging van de ouders en de leerlingen gerespecteerd moet worden • het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO) omvat het gemeentelijk onderwijs, georganiseerd door de gemeentebesturen, en het provinciaal onderwijs, georganiseerd door de provinciebesturen. De inrichtende machten van dit onderwijs zijn verenigd in twee koepels, het Onderwijssecretariaat van de Steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG) en het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) • het gesubsidieerd vrij onderwijs (VGO) wordt door een privé-persoon of privé-organisatie ingericht. De inrichtende macht is vaak een vereniging zonder winstoogmerk (vzw). Het vrij onderwijs bestaat hoofdzakelijk uit katholieke scholen. Zij zijn verenigd in de koepel Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO). Daarnaast zijn er ook protestantse, joodse, orthodoxe, islamitische, … scholen.
algemene principes
Naast deze confessionele scholen zijn er ook scholen die niet aan een godsdienst gebonden zijn. Voorbeelden zijn de methodescholen (op basis van de inzichten van Freinet, Montessori of Steiner) die specifieke pedagogische methoden toepassen. Een klein aantal scholen in Vlaanderen is niet erkend door de overheid. Dit zijn de zogenaamde privéscholen die de overheid niet financiert of subsidieert. Het onderwijs dat voor en door de overheid wordt georganiseerd (het gemeenschapsonderwijs en het gemeentelijk en provinciaal onderwijs), wordt officieel onderwijs genoemd. Erkend onderwijs uit privé-initiatief heet vrij onderwijs.
algemene principes
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /13
Onderstaande tabel bevat een verdeling van de leerlingen over de verschillende onderwijsnetten. Hieruit blijkt dat de meeste Vlaamse leerlingen naar het gesubsidieerd (vrij) onderwijs gaan. DIAGRAM 1: Verdeling van de leerlingen over de netten in het basis- en secundair onderwijs (schooljaar 2003 2004) gesubsidieerd vrij onderwijs (VGO): 68,30 % gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO): 16,52 % gemeenschapsonderwijs (GO): 15,18 %
2.1.4
Financiering van het onderwijs
De Vlaamse onderwijsbegroting sensu stricto, uitgedrukt in beschikbare beleidskredieten, bedroeg voor 2004 7,86 miljard EUR. Dit komt neer op 42,64 % van de totale Vlaamse begrotingsmiddelen en betekent sinds 1989 een gemiddelde nominale stijging met 4 % per jaar. De begroting 2004 kent een stijging met 3,6 % ten opzichte van 2003. DIAGRAM 2: Het onderwijsbudget per onderwijsniveau (2004) basisonderwijs: 32,38 % secundair onderwijs: 41,04 % hogescholenonderwijs: 7,81 % universitair onderwijs: 9,56 % permanente vorming: 4,78 % niet-onderwijsniveaugebonden: 4,44 %
14/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
DIAGRAM 3: Onderwijsbegroting per uitgavencategorie (2004) salarissen: 69,99 % werking: 15,95 % hoger onderwijs: 9,47 % investeringen: 2,04 % andere: 2,55 %
Het gemeenschapsonderwijs, georganiseerd voor de Vlaamse Gemeenschap, ontvangt jaarlijks een dotatie. Daarnaast subsidieert de Vlaamse Gemeenschap de provincies, (verenigingen van) gemeenten of andere publiekrechtelijke personen of private personen die onderwijs organiseren volgens de wettelijke normen. De Vlaamse Gemeenschap neemt de personeelskost voor haar rekening. Via financiering of subsidiëring ontvangt de inrichtende macht financiële middelen voor de werking van de scholen en internaten. 2.1.5
Autonomie
De Vlaamse beleidsvoerders hebben het onderwijs een nieuwe impuls willen geven door de verantwoordelijkheid meer bij de onderwijsverstrekkers te leggen en de leerlingen, studenten en ouders zoveel mogelijk mee verantwoordelijk te maken. Het proces van lokale responsabilisering is op alle onderwijsniveaus ingezet. De hogescholen en universiteiten zijn reeds verder gevorderd dan de basis- en secundaire scholen. We overlopen de evolutie per studieniveau: • het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 laat aan de schoolbesturen toe, mits inachtname van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, zélf leerplannen, handelings- en schoolwerkplannen op te stellen. Ook de didactische werkvormen of pedagogische methodes kiezen scholen vrij. Er blijven wel strikte voorwaarden waaraan scholen moeten voldoen m.b.t. de financiering, de betoelaging van salarissen, het werkingsbudget en de investeringsmiddelen • het proces van decentralisatie in het secundair onderwijs begon in de jaren ‘80 van de vorige eeuw. Terwijl de autonomie van het gesubsidieerd onderwijs eerder historisch gegroeid was, is dit in het gemeenschapsonderwijs door een bijzonder decreet van 1988 ingezet. Hierin verkregen de lokale raden beslissingsbevoegdheid over personeelsbeleid, financieel en materieel beleid. De decentralisatie
algemene principes
•
kreeg een vervolg in het bijzonder decreet van 1998 het universiteitsdecreet van 12 juni 1991 kent aan de universiteiten een grote autonomie toe. De overheid geeft de vereiste financiële middelen en stelt de universiteiten verantwoordelijk voor het aanwenden ervan. Voor het personeelsbeleid legt de overheid enkel het kader vast. De invulling van de curricula is eveneens de verantwoordelijkheid van elke universiteit. Ook voor de hogescholen werd de lijn van deregulering doorgetrokken, met het hogescholendecreet van 1994. De hogescholen dragen de verantwoordelijkheid voor de financiële enveloppe die hen jaarlijks wordt toegekend. De overheid verwacht van de hogescholen een resultaatgericht management: het ontwikkelen van een visie, het formuleren van een meerjarenstrategie, het geven van duidelijke werkrichtlijnen en het ontwikkelen van curricula. De universiteiten en hogescholen staan onder controle van de Inspectie van Financiën en van de regeringscommissaris die het beleid toetsen aan de wettelijke voorschriften. De instellingen zijn tevens verplicht interne kwaliteitszorg door te voeren en mee te werken aan externe controle. Via de jaarrekeningen en de jaarverslagen lichten de universiteiten en hogescholen de Vlaamse overheid in over hun financieel beheer en de mate waarin ze de (onderwijs)werkzaamheden behoorlijk hebben uitgevoerd.
Als gevolg van diezelfde tendens werd in 1989 de inrichting van het gemeenschapsonderwijs aan het rechtstreekse gezag van de overheid onttrokken. Autonome bestuursorganen kregen deze taak toevertrouwd. In 1998 werd die weg verder ingeslagen door nog ruimere verantwoordelijkheden aan de scholen en scholengroepen toe te kennen. 2.1.6
De rechtspositie garandeert de personeelsleden rechtszekerheid en biedt hen een zekere stabiliteit van betrekking. Ze bevat de basisregels voor aanwerving, benoeming, selectie, bevordering en tucht. Dit betekent dat de invulling van de onderwijsloopbaan voor de personeelsleden van het basis-, secundair, buitengewoon, deeltijds kunstonderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, de CLB’s en de internaten moet verlopen binnen de grenzen die door de decreten rechtspositie van 27 maart 1991 van het gesubsidieerd onderwijs en van het gemeenschapsonderwijs afgebakend zijn. De personeelsleden van de hogescholen en universiteiten kregen een aparte rechtspositie. Eens aangesteld, kan een personeelslid onder bepaalde voorwaarden vastbenoemd worden in een betrekking. Een vaste benoeming garandeert werk- en loonzekerheid. Ze geeft ook recht op een hele reeks verlofstelsels, ziekteverlof en een overheidspensioen. Dit pensioen is voordeliger dan een pensioen in het privé-stelsel omdat het beschouwd wordt als een uitgesteld loon. Vlaamse scholen krijgen steeds meer autonomie om een eigen personeelsbeleid te voeren. Zij worden aangemoedigd een HRM-beleid te voeren dat stoelt op begeleiding, aanmoediging en bijsturing. Een voorbeeld van dit beleid is de invoering van functiebeschrijvingen en de weerslag daarvan op de taakinvulling en de prestatieregeling van de leraren. Zo wordt voor het basisonderwijs de opdracht niet meer uitsluitend in lestijden uitgedrukt, maar is er sprake van een totale schoolopdracht.
Rechtspositie van het personeel
algemene principes
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /15
Vlaanderen past het algemeen beginsel van inspraak van personeelsleden toe: • de publiekrechtelijke onderwijsinstellingen kennen een syndicaal overleg dat de regels volgt van het overleg tussen de overheid en haar personeel • voor de privaatrechtelijke onderwijsinstellingen is in de regelgeving een aangepaste inspraakregeling vastgelegd die schoolbesturen ertoe verplicht beslissingen die het personeel aanbelangen vooraf te overleggen. In beide stelsels krijgen de vertegenwoordigers van het personeel een ontslagbescherming en faciliteiten om hun functie in volle onafhankelijkheid te kunnen uitoefenen. De inspraakregeling werd aangepast aan de schaalvergroting. Op Vlaams niveau nemen de representatieve vakverenigingen deel aan het overleg met de Vlaamse Regering bij alle hervormingen die de personeelsleden aanbelangen. Dit overleg is dus niet beperkt tot de arbeidsvoorwaarden, maar vindt plaats bij elk wetgevend initiatief dat het personeel raakt. De arbeidsvoorwaarden worden vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO’s) na onderhandelingen tussen de overheid en de representatieve vakbonden.
2.1.7
Organisatie van het school- en academiejaar
Voor het basis- en secundair onderwijs begint het schooljaar op 1 september en eindigt het in theorie op 31 augustus. Omwille van de zomervakantie (van 1 juli tot en met 31 augustus) eindigt het schooljaar in de praktijk op 30 juni. • In het basisonderwijs krijgen de leerlingen per week 28 lestijden van 50 minuten onderwijs- en opvoedingsactiviteiten. De lessen zijn gelijkmatig gespreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag. De woensdagnamiddag is vrij. • Secundaire scholen moeten per week minimaal 28 lesuren van 50 minuten organiseren; maximaal mogen dit 36 wekelijkse lesuren zijn. De verschillen worden bepaald door de leerjaren en de onderwijsvormen. In de praktijk volgen bijna alle leerlingen minstens 32 lesuren per week. De lessen zijn verspreid over negen halve dagen, van maandag tot en met vrijdag. De school kan zélf bepalen wanneer de leerlingen een vrije halve dag hebben. De lessen beginnen ten vroegste om 8 uur ’s morgens. Het einde van de lessen is ten vroegste voorzien om 15 uur, ten laatste om 17 uur. De middagpauze duurt minstens 60 minuten. In het hoger onderwijs start het academiejaar tussen 1 september en 1 oktober. Het academiejaar eindigt op de dag vóór het begin van het volgende academiejaar. Hogescholen en universiteiten beslissen autonoom over de concrete organisatie van het academiejaar, zoals de organisatie van onderwijs- en andere studieactiviteiten, de examenregeling en de verlofperiodes voor de studenten. Tot en met het academiejaar 2004 - 2005 geldt in het hoger onderwijs het studiejaarsysteem, waarbij één academiejaar overeenkomt met één studiejaar. De studieomvang van één studiejaar bedraagt 60 ECTS9studiepunten en kan men beschouwen als een ‘all in’ studieomvang. Vanaf het academiejaar 2005 - 2006 stapt men af van dit studiejaarsysteem. Dit heeft alles te maken met de flexibilisering van het hoger onderwijs. Dit betekent dat de student zich vanaf dan inschrijft voor één of meerdere autonome opleidingsonderdelen10. Hij/zij kiest per academiejaar voor het vroeger reeds bestaande traject van 60 studiepunten, of voor een flexibele combinatie van opleidingsonderdelen (= minder dan 60 studiepunten per academiejaar).
9 10
16/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
ECTS = European (Course) Credit Transfer System. Elk opleidingsonderdeel bedraagt minimum 3 studiepunten. Eén studiepunt komt overeen met 25 à 30 uren onderwijs- en andere studieactiviteiten.
algemene principes
Onderwijsniveaus
2.2
min. 120 ECTS
Onderwijsstructuur11
2.2.1
Doctor
min. 60 ECTS
theoretische leeftijden
Professioneel gerichte bachelor
lprogr
Master
amma Academisch gerichte bachelor
18
HOGER PROFESSIONEEL ONDERWIJS
ACADEMISCH ONDERWIJS
7 Algemeen
16
Kunst
6 5
7 6 5
Technisch
6 5
Beroeps
deeltijds
5 Algemeen
4 3
Kunst
4 3
4 3
Technisch
4 3
Beroeps
2de graad
14
12
6 5
7
3de graad
16
14
7
Beroeps (1)
A
2 1
Beroepsvoorbereidend B
1ste graad leerjaren
BASISONDERWIJS
12
6
6 5 4 3 2 1
LAGER ONDERWIJS
6
2,5
2 1
3 2 1
KLEUTERONDERWIJS
(1) Iedereen die het tweede leerjaar van de 3de graad met vrucht heeft beëindigd of geslaagd is in een toelatingsexamen, heeft toegang tot de 4de graad beroepsonderwijs. (2) Het modulair onderwijs wordt niet in graden en leerjaren ingedeeld en is bijgevolg niet in het schema opgenomen.
11
BUITENGEWOON ONDERWIJS
SECUNDAIR ONDERWIJS (2)
4de graad
18
min. 180 ECTS
schake
min. 60 ECTS
min. 60 ECTS
Bachelor-na-bachelor
min. 180 ECTS
HOGER ONDERWIJS
Master-na-master
Naast de onderwijsniveaus die in het schema opgenomen zijn, bestaan er ook nog onderwijsvormen in het kader van permanente vorming (deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs met het onderwijs voor sociale promotie, Begeleid Individueel Studeren (BIS) en basiseducatie).
/17
2.2.2 2.2.2.1
Basisonderwijs
Structuur en organisatie
Het basisonderwijs omvat het kleuteronderwijs en het lager onderwijs. In een basisschool wordt kleuter- én lager onderwijs gegeven, in een autonome kleuterschool alleen kleuteronderwijs, in een autonome lagere school alleen lager onderwijs. Hoewel kleuter- en lager onderwijs structureel gezien los van elkaar staan, tracht men tussen beide een vloeiende overgang te realiseren. Daarom moeten nieuwe scholen voor gewoon onderwijs zowel kleuter- als lager onderwijs inrichten. Sinds 1 september 2003 kent het basisonderwijs een nieuwe structuur, nl. de scholengemeenschap. Dit is een samenwerkingsverband tussen meerdere scholen. Scholengemeenschappen leiden tot een bestuurlijke schaalvergroting in het basisonderwijs. De scholen van één scholengemeenschap tellen samen ten minste 900 leerlingen. Deze structuurhervorming draagt bij tot een efficiënter beheer van middelen en het verhogen van het draagvlak van de afzonderlijke scholen.
Er is gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het kleuteronderwijs is toegankelijk voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar. In het gewoon kleuteronderwijs kunnen kinderen tussen 2,5 en 3 jaar slechts op zes momenten tijdens het schooljaar starten: op de eerste schooldag na elke vakantieperiode en op de eerste schooldag van februari. Eens een kleuter 3 jaar is, kan hij/zij elk moment van het schooljaar instappen. Voor het buitengewoon kleuteronderwijs gelden geen instapdagen. In het gewoon kleuteronderwijs waren er in het schooljaar 2003 - 2004 234.951 kleuters ingeschreven. De jongens vormen net de meerderheid (50,95 %). 64 % van de kleuters loopt school in het gesubsidieerd vrij onderwijs. In het gewoon kleuteronderwijs kunnen kinderen die op 6-jarige leeftijd nog niet rijp zijn om naar het lager onderwijs over te stappen, nog een jaar langer in de kleuterklas blijven. In het buitengewoon kleuteronderwijs kan de overstap naar het lager onderwijs twee jaar uitgesteld worden. Het gewoon lager onderwijs is bedoeld voor kinderen van 6 tot 12 jaar en omvat meestal zes aaneensluitende leerjaren.
18/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
basisonderwijs
Het begin van het lager onderwijs valt meestal samen met het begin van de leerplicht (= 6 jaar). Dit is ook de leeftijd waarop de weinige kinderen die geen kleuteronderwijs volgden, (gewoonlijk) instappen in de lagere school. Een kind kan minimaal vier en maximaal acht jaar in het gewoon lager onderwijs doorbrengen. In uitzonderlijke gevallen kan de overheid een afwijking op de minimumduur toestaan. Het aantal leerlingen in het gewoon lager onderwijs bedroeg in het schooljaar 2003 - 2004 399.615. De schoolbevolking kende er een stijging tot en met het schooljaar 2000 - 2001. Sindsdien daalt het aantal leerlingen. De jongens vormen hier nog net de meerderheid (50,22 %). Het gesubsidieerd vrij onderwijs neemt bijna 64 % van de leerlingen voor zijn rekening. Het buitengewoon basisonderwijs is bedoeld voor kinderen die tijdelijk of permanent specifieke hulp nodig hebben. Dit kan zijn omwille van een lichamelijke of geestelijke handicap, omwille van ernstige gedrags- of emotionele problemen of omwille van ernstige leerstoornissen. Er zijn acht types in het buitengewoon basisonderwijs, aangepast aan de opvoedings- en onderwijsbehoeften van een bepaalde groep kinderen: • type 1: kinderen met een lichte mentale handicap • type 2: kinderen met een matige of ernstige mentale handicap • type 3: kinderen met ernstige emotionele en/of gedragsproblemen
type 4: kinderen met een fysieke handicap type 5: kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium • type 6: kinderen met een visuele handicap • type 7: kinderen met een auditieve handicap • type 8: kinderen met ernstige leerstoornissen. Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan één of meer types organiseren. Type 1 en type 8 worden niet ingericht in het buitengewoon kleuteronderwijs. • •
In het schooljaar 2003 - 2004 volgden 1.720 kleuters les in het buitengewoon kleuteronderwijs. Van alle kleuters (gewoon en buitengewoon onderwijs samen) volgt 0,73 % buitengewoon onderwijs. Het buitengewoon lager onderwijs duurt in principe zeven jaar. De normale overgang naar het secundair onderwijs is in het buitengewoon lager onderwijs dus voorzien op 13 jaar, maar een kind kan maximaal negen jaar in het buitengewoon lager onderwijs doorbrengen. Kinderen die 15 jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar kunnen geen lager onderwijs meer volgen. Het leerlingenaantal in het buitengewoon lager onderwijs neemt elk jaar toe. In het schooljaar 2003 - 2004 waren er 26.952 leerlingen ingeschreven. In het lager onderwijs volgt momenteel 6,32 % van de leerlingen buitengewoon onderwijs. Het geïntegreerd basisonderwijs is een samenwerking tussen gewoon basisonderwijs en buitengewoon onderwijs. Dit onderwijs is bedoeld om kinderen met een
basisonderwijs
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /19
handicap of met leer- en opvoedingsmoeilijkheden de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, mits hulp vanuit het buitengewoon onderwijs. Dit kan tijdelijk of permanent zijn en het kan gaan om een gedeelte van de lessen of om alle lessen. Net zoals bij andere maatregelen (zorgverbreding, speciale onderwijsleermiddelen,…) is de bedoeling van het geïntegreerd onderwijs om zoveel mogelijk leerlingen de kans te geven gewoon onderwijs te volgen. In het schooljaar 2003 - 2004 volgden 773 leerlingen geintegreerd onderwijs in het kleuteronderwijs en 1.445 leerlingen in het lager onderwijs. Het aantal leerkrachten in het basisonderwijs is afhankelijk van het lestijdenpakket. Het lestijdenpakket is het totaal aantal lestijden dat een school gefinancierd of gesubsidieerd krijgt van de overheid. Dit pakket bestaat uit lestijden die berekend worden op basis van het aantal leerlingen op een bepaalde teldatum, en aanvullende lestijden. Er zijn aanvullende lestijden voor godsdienst en niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing, voor de opvang van anderstalige nieuwkomers, voor het voeren van een gelijke kansenbeleid en voor lichamelijke opvoeding (gewoon kleuteronderwijs). In het buitengewoon basisonderwijs kunnen daar lestijden bijkomen voor geïntegreerd onderwijs, voor permanent onderwijs aan huis (voor kinderen die niet naar school kunnen gaan) en voor scholen die zich in een bijzondere situatie bevinden (bv. een specifieke expertise rond zwaar of meervoudig gehandicapten). In het buitengewoon basisonderwijs is er naast de onderwijskundige omkadering (lestijden/leerkrachten) ook een paramedische, medische, sociale, psychologische en orthopedagogische omkadering (uren). Daarnaast kunnen er nog bijkomende lestijden gegeven worden voor scholen die vrijwillig gefuseerd zijn en voor tijdelijk onderwijs aan huis voor langdurig zieke kinderen. Naast het lestijdenpakket krijgen de scholen met gewoon kleuteronderwijs een urenpakket voor kinderverzorgers. Zij ondersteunen de kleuteronderwijzers en optimaliseren op die manier de opvang van het jonge kind. Ten slotte kent de overheid aan elke school een puntenenveloppe toe voor beleids- en ondersteunend personeel. Deze puntenenveloppes zijn bestemd voor zorgbeleid (enkel voor gewoon basisonderwijs), de coordinatie van het ICT-beleid en de uitbouw van een administratieve omkadering.
2.2.2.2
Hoewel het kleuteronderwijs niet verplicht is, wordt het in Vlaanderen door bijna alle kinderen gevolgd. Dat in Vlaanderen, in vergelijking met andere landen, kleuters heel vroeg naar school kunnen gaan, is vooral een stimulans voor kinderen uit kansarme milieus. Sinds 1 september 2001 staat een kinderverzorger de kleuteronderwijzer een aantal uren per week bij (enkel in het gewoon kleuteronderwijs). In het kleuteronderwijs werkt men aan de veelzijdige vorming van de kinderen en stimuleert men de spontane groei naar rijpheid voor de lagere school. Het kind krijgt er vaardigheden (zoals taalverwerving, ontwikkeling van de motoriek, sociale vaardigheden, …) en de eerste wereldverkennende inhouden aangeleerd. Het lager onderwijs bouwt hierop verder. De volgende leergebieden komen minimaal aan bod: • lichamelijke opvoeding • muzische vorming • Nederlands • wereldoriëntatie • wiskundige initiatie • Frans. Waar mogelijk wordt gezocht naar samenhang tussen de verschillende leergebieden. Sinds 1 september 1998 zijn de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs van kracht. In het gewoon lager onderwijs hanteert men dezelfde leergebieden als in het gewoon kleuteronderwijs, eveneens in samenhang waar mogelijk. Wiskundige orientatie is er wel vervangen door wiskunde. Er is ook aandacht voor leergebiedoverschrijdende thema’s zoals ‘leren leren’ en ‘sociale vaardigheden’. Sinds 1 september 1998 zijn de eindtermen voor het gewoon lager onderwijs van kracht. Voor het buitengewoon basisonderwijs gelden ontwikkelingsdoelen. Momenteel zijn er reeds ontwikkelingsdoelen uitgewerkt voor type 1, 2, 7 en 8. Aan het einde van het basisonderwijs krijgen de leerlingen die de doelen van het leerplan bereikt hebben een getuigschrift basisonderwijs. Ook in het buitengewoon basisonderwijs kunnen kinderen in bepaalde gevallen een getuigschrift behalen dat dezelfde waarde heeft als dat van het gewoon basisonderwijs.
De overheid legt geen minima of maxima op inzake het aantal leerlingen per klas. Scholen beslissen zelf hoe ze de leerlingen in groepen verdelen. De meeste basisscholen werken met een jaarklassensysteem, hoewel ook andere indelingen mogelijk zijn. Vaak heeft elke klas een eigen (kleuter)onderwijzer.
20/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
Inhoud
basisonderwijs
2.2.2.3
Rechten van ouders
Ouders beschikken in het basisonderwijs over een aantal uitdrukkelijke rechten i.v.m. de schoolloopbaan van hun kinderen. Deze rechten zijn decretaal vastgelegd. Zo kunnen ouders bijvoorbeeld vrij de school voor hun kind kiezen. Ouders kunnen ook op elk moment van het schooljaar hun kind van school laten veranderen. Verder bepaalt het schoolreglement de verhouding tussen school en ouders.
De overheid wil dat alleen kinderen die het echt nodig hebben in het buitengewoon onderwijs terechtkomen. Daarom is voor elke toelating tot dit onderwijs een inschrijvingsverslag vereist, waaruit blijkt dat buitengewoon onderwijs voor het kind noodzakelijk is en welk type geschikt is. Zonder dergelijk inschrijvingsverslag kunnen ouders hun kind niet in het buitengewoon onderwijs inschrijven. Anderzijds kunnen ouders waarvan het kind verwezen wordt naar het buitengewoon basisonderwijs, beslissen om hun kind toch gewoon basisonderwijs te laten volgen.
basisonderwijs
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /21
22/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
secundair onderwijs
2.2.3
Secundair onderwijs
•
Het secundair onderwijs is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar. In het secundair onderwijs zijn in principe alle scholen gemengd. Een school mag immers geen leerlingen weigeren op basis van geslacht. •
2.2.3.1
Inhoud, structuur en organisatie
Het secundair onderwijs wordt gevolgd door 444.714 leerlingen (schooljaar 2004 - 2005). Jongens vormen de meerderheid (51,15 %). Sinds het schooljaar 2001 2002 neemt het aantal leerlingen toe. Driekwart van de leerlingen volgt les in het gesubsidieerd vrij onderwijs. Het voltijds secundair onderwijs is sinds 1989 volgens de eenheidsstructuur georganiseerd. De eenheidsstructuur omvat graden, onderwijsvormen en studierichtingen. De definitieve studiekeuze wordt uitgesteld tot de tweede graad zodat de leerlingen eerst met zoveel mogelijk vakken kunnen kennismaken. Het grootste deel van de lesuren gaat in de eerste graad naar de basisvorming en bestaat uit: • Nederlands • Frans en eventueel Engels • wiskunde • geschiedenis • aardrijkskunde • artistieke opvoeding • wetenschappen • technologische opvoeding • lichamelijke opvoeding • godsdienst of zedenleer. Vanaf de tweede graad onderscheiden we vier verschillende onderwijsvormen: het algemeen, technisch, kunst- en beroepssecundair onderwijs. De leerling kiest binnen één van deze onderwijsvormen voor een bepaalde studierichting. Een aantal studierichtingen gaat pas van start in de derde of zelfs in de vierde graad. We geven een woordje uitleg bij de vier onderwijsvormen: • het algemeen secundair onderwijs (ASO) legt de nadruk op een ruime algemene vorming die vooral een stevige basis biedt voor het volgen van hoger onderwijs. 39,1 % van de leerlingen volgt ASO (schooljaar 2003 - 2004) • in het technisch secundair onderwijs (TSO) gaat de aandacht vooral naar algemene en technisch-theoretische vakken. Na het TSO kan de jongere een beroep uitoefenen of overstappen naar het hoger onderwijs. Bij deze opleiding horen ook praktijklessen. 31,71 % van de leerlingen volgt TSO (schooljaar 2003 2004)
het kunstsecundair onderwijs (KSO) koppelt een algemene, ruime vorming aan een actieve kunstbeoefening. Na het KSO kan de jongere een beroep uitoefenen of overstappen naar het hoger onderwijs. 1,94 % van de leerlingen volgt KSO (schooljaar 2003 - 2004) het beroepssecundair onderwijs (BSO) is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. 27,25 % van de leerlingen volgt BSO (inclusief de leerlingen in de vierde graad BSO en het modulair onderwijs) (schooljaar 2003 - 2004).
In de tweede en de derde graad is er een gemeenschappelijk en een optioneel deel. In het optionele gedeelte wordt de basisvorming aangevuld met een brede waaier van studiemogelijkheden. In de derde graad kan de specifieke vorming nog verfijnd worden met het oog op de uiteindelijke beroepskeuze of de eventuele studieplannen in het hoger onderwijs. In de vierde graad die voornamelijk verpleegkundige opleidingen omvat, wordt - omwille van de specificiteit - geen basisvorming opgelegd. Een leerling behaalt het diploma secundair onderwijs na het met vrucht beëindigen van zes jaar ASO, TSO of KSO of zeven jaar BSO12. Met een diploma secundair onderwijs, in om het even welke school, onderwijsvorm of studierichting behaald, heeft de jongere onbeperkt toegang tot het hoger onderwijs. De delibererende klassenraad beslist of een leerling al dan niet slaagt m.a.w. of een leerling in voldoende mate de doelstellingen heeft bereikt die in het leerplan zijn opgenomen. De klassenraad bestaat uit de directeur en alle leraren die aan de betrokken leerling lesgeven. Alle leerjaren worden bekrachtigd door een oriënteringsattest, een getuigschrift, een studiegetuigschrift of een diploma. De inrichtende machten kunnen zelf hun evaluatiemethodes kiezen. De overheid legt, met uitzondering van enkele basisregels, geen normen op het vlak van leerlingenbeoordeling op. De inspectie oefent via de doorlichting wel controle uit op de kwaliteit van de evaluatie. Jongeren waarvan de fysieke, psychologische, sociale of intellectuele ontwikkeling belemmerd wordt door een handicap, leer- of opvoedingsmogelijkheden kunnen terecht in het buitengewoon onderwijs. Deze jongeren hebben tijdelijk of permanent speciale hulp en aangepast onderwijs nodig. Het is de bedoeling, de leerling via een geïndividualiseerd pedagogisch en didactisch aanbod zo optimaal 12
Voor meer details: zie schema onderwijsstructuur (p.15).
secundair onderwijs
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /23
mogelijk te integreren in het onderwijsmilieu en de maatschappij. De leerjaren in het buitengewoon secundair onderwijs (BuSO) komen zelden overeen met de schooljaren in het gewoon secundair onderwijs. Een leerling gaat immers pas over naar een volgende ‘leerfase’ als hij/zij daar klaar voor is. De onderwijstypes van het buitengewoon basisonderwijs (zie 2.2.2.1) gelden ook voor het secundair onderwijs. Uitzondering is type 8 dat niet op secundair niveau georganiseerd wordt. In het buitengewoon secundair onderwijs worden opleidingsvormen georganiseerd volgens het type en volgens de mogelijkheden van de leerling: opleidingsvorm 1 geeft een sociale vorming met het oog op de integratie in een beschermd leefmilieu • opleidingsvorm 2 geeft een algemene en sociale vorming en een arbeidstraining met het oog op integratie in een beschermd leef- en arbeidsmilieu • opleidingsvorm 3 geeft een algemene sociale en beroepsvorming met het oog op integratie in een gewoon leef- en werkmilieu • opleidingsvorm 4 geeft een voorbereiding op een studie in het hoger onderwijs en op integratie in het actieve leven. Binnen iedere opleidingsvorm is de organisatie en het aanbod aangepast aan de specifieke onderwijs- en opvoedingsbehoeften van elke leerling afzonderlijk. •
In het voltijds secundair onderwijs volgt 3,78 % van de leerlingen buitengewoon onderwijs. Net zoals voor de andere onderwijsvormen trekt ook hier het vrije net de meeste leerlingen aan, nl. 64,59 %. Via geïntegreerd onderwijs (GON) kunnen jongeren met een handicap ook naar een school voor gewoon secundair onderwijs. Ze krijgen daarbij hulp van deskundigen uit het buitengewoon onderwijs. In het schooljaar 2003 - 2004 volgden 908 leerlingen geïntegreerd secundair onderwijs. Vanaf de leeftijd van 15 of 16 jaar kan de leerling overstappen naar een deeltijds onderwijssysteem. Jongeren kunnen hiervoor een opleiding volgen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Ze kunnen ook ingaan op het aanbod van de leertijd van het VIZOSyntranetwerk of op een initiatief van de erkende deeltijdse vorming. DBSO wordt in een centrum voor deeltijds onderwijs ingericht. De leerlingen volgen 15 lesuren per week. Het is de bedoeling de opleiding aan te vullen met een werkervaring die aansluit bij de opleiding in het centrum. Via deze onderwijsvorm is het mogelijk een kwalificatiegetuigschrift te behalen. Dit getuigschrift is echter niet gelijkwaardig met het diploma dat wordt uitgereikt aan het einde van het voltijds beroepssecundair onderwijs. Leerlingen die een praktische opleiding wensen
24/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
voor een beroep als zelfstandige of werknemer, kunnen een leerovereenkomst afsluiten met een ondernemingshoofd-opleider. De leerovereenkomst voorziet in vier dagen praktijkopleiding bij een kleine of middelgrote onderneming (KMO) of zelfstandige en in één dag theoretische vorming per week. Wie op het einde van de opleiding slaagt, ontvangt een getuigschrift ‘leertijd’. In de centra voor deeltijdse vorming zijn persoonlijke ontwikkeling en individuele hulpverlening de specifieke invalshoek. Dit systeem is dan ook gericht op jongeren voor wie onderwijs of werk tijdelijk niet aan de orde zijn. In het schooljaar 2003 - 2004 waren 5.693 leerlingen (15 tot 18 jaar) in het DBSO ingeschreven. Het DBSO voor 18 tot 25-jarigen werd gevolgd door 649 leerlingen. 6 leerlingen volgen deeltijds zeevisserijonderwijs. 2.2.3.2
Inspraak van leerlingen en ouders
Vanaf het schooljaar 2004 - 2005 is een school verplicht een pedagogische raad en een ouderraad op te richten. Voorwaarde is dat respectievelijk 10 % van de leraren/ ouders erom vraagt. Secundaire scholen moeten ook een leerlingenraad oprichten, behalve als ze de leerlingen op een andere manier bij het schoolbeleid betrekken. Als 10 % van de leerlingen er uitdrukkelijk om vraagt, moet de school sowieso een leerlingenraad oprichten. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad duiden elk vertegenwoordigers aan voor in de schoolraad. Via deze schoolraad participeren personeel, ouders, leerlingen en leden van de lokale gemeenschap aan het schoolbeleid. (zie 2.4.4) De voorbije jaren is de rechtspositie van de leerling heel wat verbeterd. Sinds 1991 bijvoorbeeld moet elke secundaire school voor gewoon onderwijs een schoolreglement hebben. Het schoolreglement is een document dat de wederzijdse rechten en plichten regelt van ouders en leerlingen enerzijds en het schoolbestuur anderzijds. Ook de regels voor orde en tucht en de beroepsprocedure betreffende examenresultaten staat hierin vermeld. De schoolraad bespreekt dit reglement vooraf.
secundair onderwijs
2.2.4.
Hoger onderwijs
Het structuurdecreet van 4 april 2003 heeft het hoger onderwijs in Vlaanderen grondig hervormd. Het decreet bevat drie grote krachtlijnen: de invoering van de bachelor-masterstructuur, de associatie van een universiteit met een of meer hogescholen en de accreditatie van de opleidingen. Hieronder lichten we de eerste twee krachtlijnen toe. De accreditatie van de opleidingen wordt besproken in punt 2.3.4.2 (kwaliteitsbewaking en -bevordering). 2.2.4.1
Associaties
Een associatie is een institutionele samenwerking tussen een universiteit en één of meer hogescholen. Associaties maken een betere wisselwerking mogelijk tussen onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in de academische bacheloropleidingen en de masteropleidingen aan de hogescholen. Er zijn vijf associaties in Vlaanderen: • • • • •
de associatie Katholieke Universiteit Leuven de associatie Universiteit Gent de associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen de universitaire associatie Brussel de associatie universiteit-hogescholen Limburg.
2.2.4.2
Invoering van de bachelor-masterstructuur
De hogescholen en de universiteiten voeren vanaf het academiejaar 2004 - 2005 gradueel de bachelor-masterstructuur in. De vroegere structuur van het hoger onderwijs, namelijk basisopleidingen van één cylus, basisopleidingen van twee cycli en academische opleidingen, wordt verlaten. Het hoger onderwijs volgens de bachelor-masterstructuur kent nog twee soorten onderwijs: • •
het hoger professioneel onderwijs het academisch onderwijs.
Het hoger professioneel onderwijs bevat alleen bacheloropleidingen en wordt enkel georganiseerd aan de hogescholen. Het academisch onderwijs bevat bacheloropleidingen en masteropleidingen. Het academisch onderwijs wordt georganiseerd aan de universiteiten en aan de hogescholen binnen het kader van een associatie.
hoger onderwijs
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /25
Overzicht van de opleidingen die de hogescholen en universiteiten kunnen organiseren en waarvoor ze een graad kunnen verlenen.
Onderwijsniveau
Instelling
Graad
Studiegebieden
Hoger professioneel
Hogeschool
Bachelor
•
Architectuur
•
Gezondheidszorg
•
Industriële wetenschappen en technologie,
onderwijs
en nautische wetenschappen
Academisch onderwijs
Hogeschool
Bachelor en Master
(in het kader van een associatie)
•
Audiovisuele en beeldende kunst
•
Muziek en podiumkunsten
•
Biotechniek
•
Onderwijs
•
Sociaal-agogisch werk
•
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
•
Architectuur
•
Gezondheidszorg
•
Industriële wetenschappen en technologie,
en nautische wetenschappen
Academisch onderwijs
Universiteit
Bachelor en Master
•
Biotechniek
•
Productontwikkeling
•
Toegepaste taalkunde
•
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
•
Audiovisuele en beeldende kunst
•
Muziek en podiumkunsten
•
Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
•
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen
en kerkelijk recht •
Taal- en letterkunde
•
Geschiedenis
•
Archeologie en kunstwetenschappen
•
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
•
Psychologie en pedagogische wetenschappen
•
Economische en toegepaste economische
wetenschappen •
Politieke en sociale wetenschappen
•
Sociale gezondheidswetenschappen
•
Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen
en kinesitherapie
26/
•
Wetenschappen
•
Toegepaste wetenschappen
•
Toegepaste biologische wetenschappen
•
Geneeskunde
•
Tandheelkunde
•
Diergeneeskunde
•
Farmaceutische wetenschappen
•
Biomedische wetenschappen
Het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs wordt vastgelegd in het Hogeronderwijsregister. Dit register wordt jaarlijks geactualiseerd. Het hoger onderwijs omvat vanaf het academiejaar 2004 - 2005 de volgende opleidingen: • de bacheloropleidingen, die leiden tot de graad van bachelor • de masteropleidingen die leiden tot de graad van master • de doctoraatsopleidingen die leiden tot de graad van doctor • postgraduaatopleidingen • permanente vorming. Hieronder lichten we deze opleidingen toe. Er zijn twee soorten bacheloropleidingen: de professioneel gerichte en de academisch gerichte bacheloropleiding. Enkel hogescholen bieden professioneel gerichte bacheloropleidingen aan. Deze opleidingen zijn in de eerste plaats gericht op de beroepspraktijk. Ze willen studenten algemene en specifieke kennis bijbrengen en competenties aanleren die nodig zijn voor de zelfstandige uitoefening van één specifiek of een groep van beroepen. De professioneel gerichte bachelor kan zich onmiddellijk aanbieden op de arbeidsmarkt. Studenten die een professioneel gerichte bacheloropleiding beëindigen, kunnen nadien een bachelor-na-bacheloropleiding volgen. Deze vervolgopleiding is gericht op de verdieping of specialisatie van de competenties, verworven tijdens de bacheloropleiding. Zowel hogescholen (binnen het kader van de associatie) als universiteiten bieden academisch gerichte bacheloropleidingen aan. Deze opleidingen zijn erop gericht de studenten te laten doorstromen naar de masteropleiding. De studieomvang van een bacheloropleiding is tenminste 180 ECTS-studiepunten. Dit komt overeen met drie jaar voltijds studeren. De studieomvang van een bachelor-na-bacheloropleiding is tenminste 60 ECTS-studiepunten. Dit is het equivalent van één jaar voltijds studeren. Om te starten met een bacheloropleiding gelden de volgende toelatingsvoorwaarden: • in het bezit zijn van een diploma van secundair onderwijs • of een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan • of een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid
of een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. Ontbreekt een dergelijke erkenning, dan kan de hogeschool of universiteit toch beslissen de student toe te laten. Dit is het geval als de student in een land buiten de Europese Unie een diploma of getuigschrift heeft behaald dat hem/haar daar toegang verleent tot het hoger professioneel of academisch onderwijs. Hogescholen en universiteiten hebben bovendien de vrijheid om kandidaten die niet voldoen aan de bovenstaande toelatingsvoorwaarden, toch tot een bacheloropleiding toe te laten, omwille van: • humanitaire redenen • medische, psychische of sociale redenen • het algemeen kwalificatieniveau, de verdiensten of competenties van de kandidaat. •
Bovenop de algemene en afwijkende toelatingsvoorwaarden geldt een artistieke toelatingsproef voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en podiumkunsten. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze artistieke toelatingsproef af. Voor de universitaire opleidingen geneeskunde en tandheelkunde moet een toelatingsexamen afgelegd worden. De toegang tot een bachelor-na-bacheloropleiding vereist minimaal een diploma hoger onderwijs. De hogescholen beslissen autonoom welke diploma’s hoger onderwijs toelating verlenen tot een welbepaalde bachelor-na-bacheloropleiding. Een bacheloropleiding en een bachelor-na-bacheloropleiding worden bekrachtigd met een diploma. De masteropleidingen worden aangeboden aan de universiteiten en hogescholen, binnen het kader van een associatie. Ze zijn altijd academisch gericht, hoewel sommige masteropleidingen ook professioneel kunnen georiënteerd zijn. De masteropleidingen willen studenten tot een gevorderd niveau van kennis en competenties brengen die eigen zijn aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder. Deze kennis en competenties zijn noodzakelijk voor het zelfstandig beoefenen van de wetenschappen of kunsten of voor het zelfstandig uitoefenen van een beroep of groep beroepen. Aansluitend op een masteropleiding kan als vervolgopleiding een master-na-masteropleiding georganiseerd worden. Deze opleiding is gericht op de verdieping of
hoger onderwijs
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /27
de specialisatie van de competenties die verworven werden tijdens de masteropleiding. De studieomvang van een masteropleiding is tenminste 60 ECTS-studiepunten. Dit is het equivalent van één jaar voltijds studeren. Dit geldt ook voor een masterna-masteropleiding. Als algemene toelatingsvoorwaarde voor een masteropleiding geldt het diploma van een academische bacheloropleiding. Een professioneel gerichte bachelor kan een masteropleiding volgen na het voltooien van een schakelprogramma. De hogescholen en universiteiten stellen dit opleidingsprogramma autonoom op. Een schakelprogramma bedraagt minimum 45 studiepunten en maximum 90 studiepunten. Eerder verworven kwalificaties en competenties kunnen het schakelprogramma reduceren tot 30 of zelfs minder dan 30 studiepunten. Het instellingsbestuur oordeelt hier autonoom over. De toegang tot een master-na-masteropleiding vereist minimaal een diploma van een masteropleiding. De hogescholen en universiteiten beslissen zélf welke masterdiploma’s toelating verlenen tot een bepaalde master-na-masteropleiding. Een masteropleiding en een master-na-masteropleiding worden bekrachtigd met een diploma. De doctoraatsopleiding is gericht op de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift. Deze opleiding wordt bekrachtigd met een getuigschrift. Het doctoraat op proefschrift (na de openbare verdediging van het proefschrift) wordt bekrachtigd met de academische graad van ‘doctor’. Enkel universiteiten kunnen deze doctorsgraad toekennen. Een masterdiploma uitgereikt door een universiteit geeft rechtstreeks toegang tot de doctoraatsopleiding. Ook specifieke masterdiploma’s uitgereikt door hogescholen kunnen rechtstreeks toegang verlenen. Houders van andere masterdiploma’s uitgereikt door een hogeschool kunnen via een toelatingsexamen de toegang verwerven. De postgraduaatopleidingen beogen een verdieping of specialisatie van de competenties, verworven in de bachelor- of masteropleiding. De studieomvang van een postgraduaatopleiding bedraagt tenminste 20 studiepunten. Dit komt overeen met een derde van één jaar voltijds studeren. Zowel de hogescholen als de universiteiten kunnen postgraduaatopleidingen organiseren. Om toegelaten te worden tot een postgraduaatopleiding is een bachelordiploma of een masterdiploma vereist. De instellingen beslissen autonoom welke diploma’s toelating verlenen tot een bepaalde postgraduaatopleiding.
28/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
Een postgraduaatopleiding wordt bekrachtigd met een getuigschrift. De permanente vorming bevat een brede waaier van nascholings- en bijscholingscursussen binnen de context van levenslang leren. De studieomvang van deze cursussen is niet vastgelegd. De instellingen beslissen daar autonoom over, net zoals over de toelatingsvoorwaarden. De permanente vorming wordt bekrachtigd met een getuigschrift. Momenteel is een nieuw decreet voor de lerarenopleiding in voorbereiding. In afwachting van het nieuwe decreet, ziet de situatie er als volgt uit. De vroegere driejarige ééncyclusopleidingen kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs groep 1 aan de hogescholen, zijn omgevormd tot professioneel gerichte bacheloropleidingen. Studieduur en bekrachtiging van deze lerarenopleidingen komen overeen met wat algemeen geldt voor de professioneel gerichte bacheloropleidingen. Sommige voortgezette lerarenopleidingen, die een studieomvang hadden van tenminste 60 studiepunten zijn omgevormd tot een bachelor-na-bacheloropleiding. Studieduur en bekrachtiging van deze opleidingen komen overeen met andere bachelor-na-bacheloropleidingen. De hogescholen met academische bachelor- en masteropleidingen in handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en podiumkunsten kunnen op deze opleidingen een lerarenopleiding laten aansluiten. Dit kan gelijktijdig of na de masteropleiding. De studieomvang van deze lerarenopleiding bedraagt ongeveer 35 ECTS-studiepunten. Dit komt ongeveer overeen met een half jaar voltijds studeren. Deze lerarenopleiding leidt tot het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs groep 2. Dit diploma verleent onderwijsbevoegdheid in de tweede, derde en vierde graad van het secundair onderwijs. Volgens hetzelfde concept bieden ook universiteiten lerarenopleidingen aan. Deze lerarenopleidingen kunnen aansluitend bij alle opleidingen van alle studiegebieden georganiseerd worden.
hoger onderwijs
2.2.5 2.2.5.1
Permanente vorming Deeltijds kunstonderwijs (DKO)
Het deeltijds kunstonderwijs beoogt de kunstzinnige vorming van kinderen en volwassenen en wil zo bijdragen tot hun persoonlijkheidsvorming. Deelnemers leren kunst in al zijn uitingsvormen kritisch benaderen en beleven en deze kunstvormen ook zélf beoefenen. Dit gebeurt individueel of in groep (bv. in een orkest, een dansgroep of een toneelgezelschap).
permanente vorming
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /29
Daarnaast bereidt het deeltijds kunstonderwijs jongeren grondig voor die kiezen voor een professionele artistieke loopbaan in het hoger kunstonderwijs. Ten slotte draagt het deeltijds kunstonderwijs bij tot de kwaliteit van het sociaal-cultureel leven in Vlaanderen. Het DKO is aanvullend onderwijs en richt zich zowel tot kinderen, jongeren, als volwassenen. Deelnemers schrijven zich op vrijwillige basis in en betalen hiervoor inschrijvingsgeld. In het deeltijds kunstonderwijs zijn er vier verschillende studierichtingen: • beeldende kunst • muziek • woordkunst • dans. Elke studierichting heeft een eigen structuur met graden en opties die wettelijk vastgelegd zijn. Kinderen kunnen vanaf 6 jaar starten in de studierichting dans en beeldende kunst. Voor de studierichtingen muziek en woordkunst is de beginleeftijd 8 jaar. Elke studierichting bestaat uit verschillende graden: een lagere graad, een middelbare graad en een hogere graad. Enkel in de studierichting beeldende kunst bestaat ook nog een specialisatiegraad. Bij het succesvol beëindigen van elke graad ontvangt men een getuigschrift dat aangeeft welk niveau men bereikt heeft. Het deeltijds kunstonderwijs wordt aangeboden in 79 % van de gemeenten in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze onderwijsvorm is dus goed verspreid. De sector omvat momenteel 166 instellingen, waarvan 100 voor muziek, woordkunst en dans en 66 voor beeldende kunst. 88 % van de instellingen behoort tot het stedelijk en gemeentelijk onderwijs. Ongeveer 156.000 cursisten13 volgen DKO. De meeste cursisten zijn jonger dan 18 jaar. In tegenstelling tot de andere onderwijsniveaus bestaat er in het DKO geen formeel forum voor samenwerking tussen de instellingen. Dit wordt een van de uitdagingen voor de toekomst. Om dit forum tot een zinvolle structuur te laten uitgroeien, zal men in het bijzonder oog moeten hebben voor de eigenheid van het deeltijds kunstonderwijs. Op die manier kan de samenwerking geleidelijk, van onder uit groeien en daadwerkelijk iets opleveren voor elke academie afzonderlijk.
13
30/
2.2.5.2
Volwassenenonderwijs
In Vlaanderen zijn er uiteenlopende onderwijs-, opleidings- en vormingsvoorzieningen voor volwassenen die de overheid financiert. Binnen het volwassenenonderwijs onderscheidt men drie verschillende actoren: • het onderwijs voor sociale promotie (OSP) • begeleid individueel studeren (BIS) • basiseducatie. Met een bereik van ruim 250.000 cursisten is het onderwijs voor sociale promotie de grootste poot binnen het volwassenenonderwijs. Het OSP staat naast of los van de initiële onderwijsloopbaan en wil cursisten kennis, vaardigheden en attitudes bijbrengen. Dit kan nuttig zijn voor het maatschappelijk functioneren, deelname aan verder onderwijs, uitoefening van een beroep of beheersing van een taal. De cursist kan door onderwijs voor sociale promotie te volgen een erkend diploma, getuigschrift of certificaat behalen. Deelnemers aan het OSP moeten hun voltijdse leerplicht beëindigd hebben. Voor bepaalde cursussen gelden meer specifieke toelatingsvoorwaarden. De cursist betaalt inschrijvingsgeld. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van het aantal uren opleiding. In bepaalde gevallen is vrijstelling van inschrijvingsgeld mogelijk. Naast het inschrijvingsgeld kunnen de centra ook kosten voor cursusmateriaal aanrekenen. Het onderwijs voor sociale promotie wordt verstrekt in centra voor volwassenenonderwijs, die erkend en gefinancierd zijn door de overheid. Inrichters zijn zowel het gemeenschapsonderwijs, steden en gemeenten, provincies als vzw’s. Momenteel zijn er 121 centra voor volwassenenonderwijs gespreid over Vlaanderen en het Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Het aanbod van het onderwijs voor sociale promotie is zeer divers en ruim. Het wordt georganiseerd op het niveau secundair onderwijs (33 studiegebieden) en hoger onderwijs van het korte type (8 categorieën). Er zijn: • lineaire opleidingen: deze opleidingen zijn ingedeeld in leerjaren. De lessen zijn gespreid over 32 tot 40 weken in de periode van begin september tot einde juni • modulaire opleidingen: de leerstof wordt onderverdeeld in een aantal modules waar theorie en praktijk geïntegreerd gegeven worden. Een verdere opdeling in eenheden stelt de cursist in staat zelf zijn/haar studiepakket te bepalen. De cursist heeft op die manier de duur van zijn/haar studie in handen. Een modulaire opleiding kan over een heel jaar
Cijfer berekend op basis van de telling van 1/10/2004, rekening houdend met een uitvalpercentage van 4 %.
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
permanente vorming
of een gedeelte ervan gespreid worden. Elk centrum voor volwassenenonderwijs is vrij de spreiding van deze opleidingen te bepalen. Sinds de hervorming van 1999 moet het volwassenenonderwijs vlotter en accuraat kunnen inspelen op de individuele noden en behoeften van het bedrijfsleven in elke regio. Het decreet leidde reeds tot een belangrijk aantal fusies van instellingen, zodat een eerste stap gezet is op weg naar schaalvergroting. Hierdoor kunnen centra voor volwassenenonderwijs zich steeds meer als volwaardige partners opstellen in relatie tot de andere onderwijsverstrekkers en het bedrijfsleven in de regio. De hervorming van het onderwijs voor sociale promotie had tot nu toe hoofdzakelijk betrekking op het secundair niveau. Momenteel onderzoekt men hoe het hoger volwassenenonderwijs zich in het hervormde hogeronderwijslandschap moet positioneren. Op inhoudelijk vlak wordt in het onderwijs voor sociale promotie verder gewerkt aan de uitbouw van de modu-
laire structuur. Op termijn komt er een dergelijke structuur in het volwassenenonderwijs die (voor het analoge aanbod) volledig compatibel zal zijn met de modulaire structuur in het voltijds secundair onderwijs. Een andere belangrijke vernieuwing is het gecombineerd onderwijs. Dit is een combinatie van contactonderwijs en afstandsonderwijs. Er lopen momenteel een aantal projecten. In de toekomst zal dit gecombineerd onderwijs wellicht een sterke uitbreiding kennen. Begeleid Individueel Studeren (BIS) maakt individueel studeren mogelijk. Dit type onderwijs is op maat gesneden voor een volwassene. De cursist moet zich niet verplaatsen: het onderwijs komt a.h.w. naar hem/haar toe. BIS overbrugt afstanden, is spreidbaar in de tijd en vooral zeer flexibel. De cursist heeft zijn/haar studietempo zelf volledig in handen. De BIS-opleiding maakt in hoofdzaak gebruik van een schriftelijke onderwijsformule, gedrukte cursussen aangevuld met het nodige didactische materiaal. Sinds
permanente vorming
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /31
oktober 2003 biedt BIS ook cursussen aan via het internet. Momenteel geldt dit reeds voor de cursussen Spaans, Frans, Engels, NT2 en aardrijkskunde. Een BIS-cursus bestaat uit een aantal lespakketten en huistaken. De huistaken worden verbeterd door een mentor, die waar nodig ook nog extra uitleg geeft. De tijd die nodig is om een cursus af te werken is afhankelijk van verschillende factoren: het aantal lespakketten per cursus, het volume per lespakket, de moeilijkheidsgraad van de leerstof, de studietijd waarover de cursist beschikt, … De maximumtermijn bedraagt echter drie jaar. De toegang tot het afstandsonderwijs is volledig vrij. Er zijn geen speciale voorwaarden qua leeftijd of behaalde diploma’s. Er moet alleen een bescheiden inschrijvingsgeld betaald worden. Dit bedrag is afhankelijk van het aantal lespakketten waaruit de cursus is opgebouwd. In
32/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
bepaalde gevallen is vrijstelling mogelijk. BIS omvat momenteel zeven studiegebieden: • vreemde talen • Nederlands • informatica • economie • recht • menswetenschappen • techniek. Daarnaast zijn er nog enkele cursussen die niet behoren tot één van deze studiegebieden.
permanente vorming
De laatste jaren onderging het afstandsonderwijs een gedaanteverwisseling waardoor deze vorm van onderwijs een nieuwe dynamiek kreeg. Speerpunten zijn: •
•
•
een sterk uitgebreid aanbod. BIS heeft tientallen nieuwe cursussen zoals webdesign, Office XP, elektriciteit voor de doe-het-zelver, psychologie, praktisch beleggen, enz. Bestaande cursussen werden dan weer vernieuwd: Frans, Engels, Duits, ECDL XP, ... de cursist krijgt meteen de volledige cursus, in plaats van pakket per pakket. Taken maken is niet meer verplicht. Vanaf nu studeert men alleen nog wat men zélf nuttig en interessant vindt een snellere begeleiding via e-taken. De meeste cursussen hebben nu taken die men elektronisch kan maken en opsturen naar de mentor. Met e-taken kan men veel makkelijker en sneller een beroep doen op de begeleiding.
Nogal wat mensen in Vlaanderen hebben problemen met lezen, schrijven of rekenen. Of ze hebben andere basisvaardigheden te kort om het in onze veeleisende samenleving te kunnen redden. Basiseducatie richt zich tot alle volwassenen die een basisvorming nodig hebben om maatschappelijk beter te functioneren of om een verdere opleiding te volgen. Door de geringe of beperkte schoolopleiding beschikken deze mensen immers over onvoldoende basiskennis, -vaardigheden en -attitudes. De overheid wil op deze manier een bijdrage leveren in het bestrijden van de dualisering van de samenleving. Vlaanderen heeft de jongste jaren een degelijk netwerk voor basiseducatie uitgebouwd. De 29 centra voor basiseducatie streven naar een breed en gevarieerd aanbod met de volgende opleidingen: • taal: de cursist verwerft of verbetert lees- en schrijfvaardigheden, spreek- en luistervaardigheden in het Nederlands als moedertaal of als tweede taal. Zo spelen de centra een belangrijke rol bij het leren van Nederlands aan allochtonen • wiskunde: de cursist verwerft of verbetert rekenvaardigheden voor het dagelijkse leven, in functie van een beroep of verder leren • maatschappelijke oriëntatie: de cursist verwerft competenties die nuttig zijn voor de verschillende rollen die hij/zij in het sociale leven opneemt en die elementair zijn om als redzame en weerbare volwassene te functioneren • ICT: geeft cursisten de basisvaardigheden op vlak van informatie- en communicatietechnologie om zich verder te vervolmaken in een vervolgopleiding • opstap Frans en Engels: bereidt de cursisten voor op een opleiding Frans of Engels bij een centrum voor volwassenenonderwijs • daarnaast zijn er nog activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten. Dit zijn educatieve programma’s die de educatieve behoeften willen verkennen. Ze vor-
men een eerste kennismaking met de inhoud en de manier van werken in de basiseducatie en stimuleren deelnemers om zich verder te vervolmaken of door te stromen in het onderwijs. De basiseducatie bereikt momenteel ca. 25.000 cursisten. Ongeveer evenveel Belgen als niet-Belgen participeren in de basiseducatie. De meerderheid van de deelnemers (ca. 60 %) zijn vrouwen. Vooral cursussen taalvaardigheid kennen een groot succes (80 % van het aantal deelnemersuren). In tegenstelling tot het onderwijs voor sociale promotie en BIS, worden de cursussen in de basiseducatie gratis aangeboden. Sinds september 2004 zijn er in Vlaanderen acht Huizen van het Nederlands actief. Er is een Huis van het Nederlands in elke Vlaamse provincie én in de steden Antwerpen, Brussel en Gent. De Huizen van het Nederlands organiseren zélf geen cursussen Nederlands tweede taal (NT2), maar zijn samenwerkingsverbanden tussen de aanbodverstrekkers NT2, de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), de onthaalbureaus en lokale overheden. Anderstalige volwassenen kunnen bij de Huizen van het Nederlands terecht voor informatie over het cursusaanbod NT2. Daarnaast staan ze in voor de coördinatie van intake, testing en oriëntering naar het aanbod dat best past bij de cursist. Recent kregen de Huizen van het Nederlands een specifieke opdracht in het kader van het Vlaamse inburgeringsbeleid. Samen met de Onthaalbureaus en de VDAB staan de Huizen van het Nederlands in voor een efficiënte dienstverlening aan anderstalige nieuwkomers.
permanente vorming
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /33
2.3
2.3.1
Ondersteuning en kwaliteitszorg
2.3.2
Centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s)
Het centrum voor leerlingenbegeleiding of CLB is een door de overheid gefinancierde dienst waarop leerlingen, ouders, leraren en schooldirecties een beroep kunnen doen voor informatie, hulp en begeleiding. Het CLB bewaakt het welbevinden van de leerlingen. Het speelt ook een belangrijke rol bij de contacten tussen de leerlingen, ouders, school en welzijns- en gezondheidsinstellingen. De CLB-begeleiding die gratis is, steunt op vier belangrijke pijlers: • het leren en studeren • de schoolloopbaan • de preventieve gezondheidszorg • de sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij de begeleiding staat de leerling centraal. Alles gebeurt in een sfeer van vertrouwen en dialoog. Het initiatief gaat in principe altijd uit van de vraagsteller. Een begeleiding start dus pas nadat een leerling of een ouder daartoe het initiatief neemt. Vraagt een school het CLB om een leerling te begeleiden, dan zal het centrum altijd eerst de uitdrukkelijke toestemming vragen aan de ouders (voor een leerling jonger dan 14 jaar) of aan de leerling zélf (vanaf 14 jaar). De begeleiding door het CLB is multidisciplinair en vooral gericht op leerlingen die leerbedreigd zijn door hun sociale achtergrond en leefsituatie. Het CLB staat in voor de geheimhouding van de gegevens en werkt onafhankelijk. Begeleiding door een CLB is enkel verplicht bij spijbelgedrag en sommige medische onderzoeken. Naast het medisch onderzoek doet het CLB aan preventieve jeugdgezondheidszorg. Hiermee wil men de gezondheidstoestand van leerlingen bewaken, behouden of bevorderen. De samenwerking tussen school en CLB wordt vastgelegd in een beleidsplan of -contract. Om de kwaliteit te waarborgen, moet een CLB een kwaliteitshandboek en een kwaliteitsplan uitwerken. Een onafhankelijke CLBinspectie kijkt toe op de uitvoering hiervan.
De samenleving evolueert steeds meer naar een kennismaatschappij waarin processen van kennisverwerving, -beheer en -verwerking een centrale plaats innemen. Dit vereist nieuwe vaardigheden van kinderen en volwassenen en heeft ook invloed op de manier van leren en onderwijzen. De Vlaamse overheid koos voor een stimuleringsbeleid inzake ICT in het onderwijs (sinds 1996). Dit betekent dat de overheid aan de hand van informatie- en sensibiliseringscampagnes, nascholing, subsidiëring van infrastructuur en projectfinanciering scholen ertoe wil aanzetten ICT in hun concrete lespraktijk te integreren. De klemtoon ligt op het pedagogisch gebruik van de nieuwe media. De belangrijkste acties en initiatieven van het ICT-beleid zijn: • ICT-competenties: de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) ontwikkelde ter ondersteuning van het onderwijsveld ICT-competenties die nuttig en haalbaar zijn op het einde van de basisschool. De klemtoon ligt niet op instrumenteel-technische vaardigheden, maar wel op competenties die nauw aansluiten bij de visie op de eindtermen, zoals samenwerken, exploreren, omgaan met informatie, communiceren • ICT-coördinatie: sinds het schooljaar 2002 - 2003 krijgen scholen middelen voor ICT-coördinatie. Bij de berekening van deze middelen wordt uitgegaan van een ‘rugzak’ per leerling. Aangezien er per onderwijsniveau andere noden zijn, wordt er een wegingsfactor ingebouwd. De berekening gebeurt dus door per instelling het aantal leerlingen te vermenigvuldigen met de wegingsfactor. De ICT-coördinator is verantwoordelijk voor technische en pedagogische ICT-ondersteuning op schoolniveau • vorming via REN14 Vlaanderen: om ICT succesvol te integreren, is het belangrijk dat leraren grondig gevormd zijn in het pedagogisch gebruik van ICT. Daarom werd het expertisecentrum REN Vlaanderen opgericht. De kerntaak van dit regionaal expertisenetwerk is het aanbieden van zowel aanbod- als vraaggestuurde nascholing. Daarnaast moet REN Vlaanderen de aanwezige expertise voor technische en organisatorische ondersteuning aanwenden • softwarebeleid: om de hardware ten volle te gebruiken voor educatieve doeleinden moeten scholen beschikken over voldoende en kwaliteitsvolle programmatuur en educatieve software. De overheid onderneemt de volgende acties om dit te stimuleren: 14
34/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
REN = Regionaal Expertise Netwerk - zie: www.renvlaanderen.be
ondersteuning en kwaliteitszorg
•
•
•
•
15
de programmamatrix. Dit is een online raadpleegbare koopwijzer met Nederlandstalige educatieve softwarepakketten. Didactici, leraren en onderwijsdeskundigen beschrijven deze softwarepakketten op vlak van inhoud, gebruiksvriendelijkheid, … raamovereenkomsten met een aantal softwarebedrijven (Microsoft, IBM). Het sluiten van dergelijke raamovereenkomsten maakt het mogelijk om belangrijke besturings- en applicatiesoftware gratis of tegen gunsttarief naar scholen te verspreiden het freewareproject. Een viertal auteurs groepeerden op het internet beschikbare educatieve freewareprogramma’s en lesmateriaal rond thema’s uit de officiële leergebieden van het basisonderwijs. Vervolgens werd de educatieve software beschreven in didactische lesfiches en gepubliceerd in een brochure. De scholen kregen deze brochure toegestuurd vanaf 2005 neemt de overheid een aantal initiatieven om vrije software (open source software)
•
•
in het onderwijs te introduceren. Zo vindt er in het najaar 2005 een conferentie plaats over de mogelijkheden van vrije software en komt er ook een leermiddelendatabank op de educatieve portaalsite Klascement goedepraktijkvoorbeelden - European Network of Innovative Schools (ENIS): in het kader van de overeenkomst met European Schoolnet werd in Vlaanderen een European Network of Innovative Schools (ENIS) opgericht. Dit netwerk brengt in de deelnemende landen een aantal scholen met veel ervaring in educatief ICT-gebruik samen. Momenteel participeren 30 Vlaamse scholen aan dit project. De ENIS-scholen leveren input voor diverse sensibiliseringscampagnes educatieve portaalsite: samen met Klascement werd een eerste bescheiden aanzet gegeven tot het ondersteunen van een educatieve portaalsite. Klascement15 ontwikkelt in opdracht van het departement Onderwijs specifieke ICT-dossiers en ontsluit de resultaten van overheidsprojecten voor een ruimer onderwijspubliek.
www.klascement.net
ondersteuning en kwaliteitszorg
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
35
2.3.3
Communicatie
Kwaliteitsvol onderwijs mogelijk maken, dat lukt enkel als ook leraren, directies, ouders en leerlingen sterk betrokken zijn. Het departement Onderwijs neemt heel wat initiatieven om de verschillende groepen te informeren. Deze communicatie gebeurt steeds vaker via elektronische weg. We geven enkele voorbeelden. •
36/
De website onderwijs.vlaanderen.be vormt een portaal naar alle on line informatie en diensten van het departement Onderwijs. De site voldoet duidelijk aan een informatiebehoefte: in 2004 waren er dagelijks gemiddeld 10.000 bezoekers. Een van de onderdelen van de portaalsite is Edulex. Via Edulex blijft het onderwijsveld en het grote publiek op de hoogte van de onderwijsregelgeving en kan het die snel opzoeken. Bovendien houdt een gratis abonnement op de e-mailattendering de gebruiker op de hoogte van elke wijziging in de regelgeving. De ‘Gids voor leraren’ is een website bedoeld voor leraren van alle onderwijsniveaus. Ze vinden er informatie over het lerarenberoep. De site werd vraaggestuurd opgebouwd: interviews met de doelgroep gaven aan welke vragen en thema’s bij hen leven. Troeven van de website zijn: informatie in een eenvoudige en heldere taal, veel doorklikmogelijkheden naar andere websites (van het departement en extern) en een uitgebreide zoekfunctie.
•
Het departement maakt heel wat publicaties. Deze publicaties verschijnen niet alleen in ‘papieren’ vorm, maar meestal ook elektronisch. Brochures en folders kunnen ook elektronisch besteld worden via de on line catalogus. Sommige doelgroepen kunnen moeilijk rechtstreeks bereikt worden. Daarom focust het departement ook meer op communicatie via intermediairs. Zo werd in samenspraak met het veld een vereenvoudigde en aangepaste brochure gemaakt voor kansarmen over gelijke onderwijswijskansen.
•
Klasse is een veelluik. Het zijn vier tijdschriften die door het departement Onderwijs worden uitgegeven en elke maand gratis verspreid bij leraren, ouders en leerlingen. Daarnaast zijn er ook de bijhorende
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
websites die een onlosmakelijk deel van het project vormen en ook e-brieven, lerarenkaart en leerlingenkaart, … (zie schema). Elke Klasse heeft een specifieke doelgroep en leidt een eigen leven. Toch worden er voortdurend verbanden gelegd. Elk thema (bv. drugs, studiekeuze, leren leren, agressie) vraagt immers een specifieke benadering van alle betrokkenen. Door informatie uit te wisselen, verhoogt de betrokkenheid van iedereen bij de wereld van opvoeding en onderwijs. Alle initiatieven van Klasse werken samen met een breed netwerk van organisaties. Elektronische communicatie heeft heel wat troeven omdat ze informatie snel en 24 op 24 uur beschikbaar maakt. De inhoud kan relatief gemakkelijk up-to-date gehouden worden en doelgroepen zoals slechtzienden kunnen makkelijker bereikt worden. Toch blijft rechtstreeks contact met het onderwijsveld en het grote publiek belangrijk. Het departement blijft daarom informatie-evenementen organiseren waarbij zij zelf naar haar doelgroepen gaat en waar directe interactie mogelijk is. Voorbeelden daarvan zijn de Studie-informatiedagen voor de laatstejaars secundair onderwijs en de rondes van Vlaanderen voor directies en schoolsecretariaten.
ondersteuning en kwaliteitszorg
Titel
Doelgroep
Bereik
Klasse
Maandblad voor onderwijs in Vlaanderen dat verstuurd wordt naar leraren, directies, CLB-medewerkers, administratief personeel, studenten in de lerarenopleiding
100 % (= 189.000 expl.)
Maandelijkse nieuwsbrief die bezorgd wordt (via de scholen) aan ouders met kinderen tussen 2,5 en 14 jaar
95 % (= 700.000 expl.)
Tienermagazine (verspreid via de scholen) voor leerlingen tussen 10 en 12 jaar (= derde graad lager onderwijs)
96 % (= 143.000 expl.)
Maks! (Klasse voor jongeren)
Jongerenkrant (verspreid via de scholen) voor leerlingen tussen 14 en 18 jaar (= tweede en derde graad secundair onderwijs)
91 % (= 200.000 expl.)
www.klasse.be
Deze website informeert over onderwijsactualiteit, nodigt uit tot discussie en geeft tips en hotlinks naar andere onderwijssites. Ook recent verschenen Klassenummers, archieven, mailinglist, gastenboek, ... zijn hier te vinden
Gemd. 200.000 bezoekers per maand
Klasse voor ouders Yeti
E-brieven
• Schooldirect geeft directies elke week rechtstreeks en systematisch overzichtelijke, praktische informatie • Lerarendirect levert elke week overzichtelijke informatie met het belangrijkste onderwijsnieuws voor leraren
alle directies + 4.000 gratis abonnementen
•
•
18.000 leraren
Lerarenkaart: officiële legitimatiekaart voor leraren waarmee ze gratis toegang of flinke reductie kunnen krijgen wanneer ze prospectie doen voor hun lessen en buitenschoolse activiteiten in musea, theaters, natuurparken, culturele centra, …
•
180.000 expl.
• Leerlingenkaart: kaart voor leerlingen SO waaraan acties en voordelen verbonden zijn
•
300.000 expl.
• De elektronische nieuwsbrieven Klasse Xtr., OudersXTR, Y-brief en PUSH and PULL geven extra informatie aan de lezers van de verschillende Klassebladen
Lerarenkaart en Leerlingenkaart
•
/37
2.3.4
Kwaliteitsbewaking en -bevordering
2.3.4.1
Kwaliteitszorg in het basis-, secundair, deeltijds kunstonderwijs, volwassenenonderwijs en de CLB’s
Kwaliteitsbewaking en -bevordering in het Vlaamse onderwijs steunt op drie pijlers: de eindtermen die een duidelijk maatschappelijk verankerd referentiekader voor kwaliteit vormen • de inspectie die fungeert als een professioneel extern toezichtsapparaat • de pedagogische begeleiding die zorgt voor professionele interne ondersteuning van scholen en centra. We lichten de drie pijlers hieronder toe. •
Met de eindtermen geeft de Vlaamse Gemeenschap duidelijk aan wat ze minimaal verwacht van het basis- en secundair onderwijs. Zo kan Vlaanderen zijn inwoners kwalitatief onderwijs garanderen. Eindtermen zijn minimumdoelstellingen die de scholen bij een meerderheid van de leerlingen van een bepaald studieniveau en -richting moeten nastreven en bereiken. Concreet gaat het over kwaliteiten inzake kennis, inzicht, attitudes en vaardigheden. Er bestaan zowel vakgebonden als vakoverschrijdende eindtermen.
38/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
Voor het kleuteronderwijs, het buitengewoon onderwijs en het eerste leerjaar B (secundair onderwijs) spreken we niet over eindtermen, maar over ontwikkelingsdoelen. Dit zijn vaardigheden die een school moet nastreven, maar niet noodzakelijk moet bereiken. Elke inrichtende macht of schoolbestuur moet de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in leerplannen verwerken. Een leerplan bevat een systematische inventaris van de doelstellingen en inhouden die men in een vak of leergebied wenst te bereiken en beschrijft de pedagogische methode die hiervoor aangewend wordt. De onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap bestaat uit vijf niveaukorpsen: • inspectie basisonderwijs • inspectie secundair onderwijs • inspectie deeltijds kunstonderwijs • inspectie volwassenenonderwijs en basiseducatie • inspectie centra voor leerlingenbegeleiding. Daarnaast bestaat er een inspectie van de levensbeschouwelijke vakken. De controle van de onderwijskwaliteit en de erkenning van onderwijsinstellingen en CLB’s vormen de kerntaken van de inspectie. Om deze kerntaken te realiseren, onderzoekt zij of de eindtermen en ontwikkelingsdoelen effectief gerealiseerd worden en of de andere organieke verplichtingen correct worden nageleefd (bv. het volgen van een minimumlesrooster). Dit doet zij aan de hand van een schooldoorlichting of centrumdoorlichting (voor CLB’s
ondersteuning en kwaliteitszorg
en volwassenenonderwijs). Bij een doorlichting treedt de inspectie als team op en licht ze in één keer de werking van de hele school/centrum door. Alle instellingen worden in principe eens om de zes jaar doorgelicht. Hiervoor gebruikt de inspectie het CIPO-instrument16, telkens aangepast per onderwijsniveau. Dankzij dit instrument komt men tot een vrij genuanceerd beeld van de school/centrum, met sterke en zwakke punten. De resultaten worden gepubliceerd in een verslag dat openbaar is. Na de doorlichting geeft de inspectie een advies aan de minister in verband met de verdere erkenning van de instelling. Regelmatig gaat het om een erkenning onder bepaalde voorwaarden, waardoor scholen/centra gestimuleerd worden in hun groei naar kwaliteit. Jaarlijks rapporteert de inspectie haar bevindingen in een uitgebreid verslag (Onderwijsspiegel) aan het Vlaams Parlement, zodat het beleid de kwaliteitsevaluaties kan opvolgen. Elk onderwijsnet beschikt over een eigen pedagogische begeleiding. Scholen kunnen hierop beroep doen voor pedagogische en methodologische begeleiding (innovatieprojecten, zelfevaluatieprojecten, ondersteuningsinitiatieven). Jaarlijks dienen de pedagogische begeleidingsdiensten een rapport en begeleidingsplan in om zich ten opzichte van de overheid te verantwoorden.
2.3.4.2
Kwaliteitszorg in het hoger onderwijs
In het hele hoger onderwijs bestaat één systeem van interne en externe kwaliteitszorg. De hogescholen en universiteiten staan zélf in voor interne kwaliteitszorg op basis van zelfevaluatie. Daarnaast is er regelmatig een visitatie van hun opleidingen door een commissie van externe deskundigen die uitmondt in een openbaar rapport. De visitatie peilt zowel naar de kwaliteit van het onderwijs als van de onderzoeksactiviteiten. Het betreft één opleiding of een cluster van verwante opleidingen. Ook verwante opleidingen in hogescholen en universiteiten kunnen gezamenlijk gevisiteerd worden. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) spelen een belangrijke rol in de coördinatie van deze visitatiecommissies. Het structuurdecreet (4/04/2003) verleent een bijkomende dimensie aan de kwaliteitszorg, nl. de accreditatie. Dit is een formele erkenning dat een opleiding beantwoordt aan minimale internationale kwaliteitsnormen. Deze accreditatie is nodig om opleidingen het label hoger onderwijs te laten dragen en de graden van bachelor en master te kunnen uitreiken. Voor Vlaanderen treedt het Nederlands-Vlaams Accreditatieorgaan (NVAO) op. Deze onafhankelijke instantie van deskundigen verleent accreditaties o.a. op basis van de visitatierapporten van de opleidingen. De accreditatie kan eventueel ook gebeuren door een accreditatieorgaan dat door het NVAO erkend is. Vanaf het academiejaar 2004 - 2005 verloopt kwaliteitszorg bij de hogescholen en universiteiten dus volgens een driefasenproces: • interne kwaliteitszorg die resulteert in zelfevaluatie • externe visitatie die resulteert in een openbaar rapport • accreditatie die resulteert in erkenning dat een opleiding voldoet aan de minimale internationale kwaliteitsnormen om het label bachelor of master te mogen dragen. Het structuurdecreet verleent aan de omgevormde opleidingen (zie 2.2.4) een tijdelijke overgangsaccreditatie, die uiterlijk op het einde van het academiejaar 2012 2013 vervalt. Dit houdt in dat alle opleidingen tegen dan met succes bovengaand direfasenproces moeten hebben doorlopen. De VLIR en VLHORA stelden respectievelijk voor de universiteiten en hogescholen een tijdpad voor visitatie op. Ze ontwikkelden ook een gezamenlijk protocol als leidraad voor de visitatie van alle opleidingen hoger onderwijs.
16
CIPO: Context - Input - Proces - Output.
ondersteuning en kwaliteitszorg
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /39
2.4 2.4.1
Actua
•
Studietoelagen en studiefinanciering
Elk jaar geeft de Vlaamse Gemeenschap financiële steun aan leerlingen en studenten uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben. De studietoelagen (voor het secundair onderwijs) en studiefinanciering (voor het hoger onderwijs) zijn maatregelen ter bevordering van de democratisering van het onderwijs. Ze willen een bijdrage leveren om alle jongeren volledige kansen te bieden op vorming en intellectuele ontplooiing, ongeacht hun afkomst, financiële mogelijkheden of sociaalcultureel milieu. Jaarlijks ontvangt het departement Onderwijs ca. 160.000 aanvragen waarvan zo’n 110.000 voor het secundair onderwijs en een kleine 50.000 voor het hoger onderwijs. De overheid geeft per jaar ongeveer 77 miljoen euro aan financiële steun voor studies. Hiervan gaat ongeveer 60 miljoen euro naar de studiefinanciering voor het hoger onderwijs. De toelagen liggen in het hoger onderwijs aanzienlijk hoger dan in het secundair onderwijs omwille van de hogere studiekost. Afhankelijk van het gezinsinkomen en het aantal personen ten laste varieert de financiële steun in het secundair onderwijs van 93 euro tot 618 euro (voor de vierde graad van het secundair onderwijs bedraagt de maximale toelage 1.403 euro). Voor het hoger onderwijs bedraagt de minimum studiefinanciering 201,68 euro. De maximale studiefinanciering bedraagt 3.121,17 euro voor een kotstudent en 1.873,31 euro voor een niet-kotstudent. De regelgeving voor het bekomen van een studietoelage (SO) of studiefinanciering (HO) verschillen van elkaar. Recent wijzigde er nog heel wat voor het hoger onderwijs als gevolg van het structuurdecreet. Toch blijven er drie constanten waarrond beide regelgevingen zijn opgebouwd: de nationaliteitsvoorwaarde, de pedagogische voorwaarden en de financiële voorwaarden.
40/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
actua
•
De nationaliteitsvoorwaarde stelt dat de studietoelagen en studiefinanciering toegekend worden aan alle studenten van de Belgische nationaliteit. Buitenlandse studenten die in België wonen, komen ook in aanmerking, maar een zekere duurzaamheid van verblijf is vereist. Het belangrijkste onderscheid tussen de wetgevingen voor het secundair en hoger onderwijs situeert zich op het vlak van de pedagogische voorwaarden. In het secundair onderwijs voldoen minderjarige leerplichtige leerlingen sowieso aan de pedagogische voorwaarden, zelfs als ze niet geslaagd waren tijdens het vorige schooljaar. Eens ze meerderjarig (en dus niet meer leerplichtig) zijn, moeten ze wel het voorgaande jaar geslaagd zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een studietoelage. In het hoger onderwijs hanteert men sinds kort het studiefinancieringskrediet. Dit betekent dat iedereen die in aanmerking komt voor studiefinanciering twee bachelors, één master, een voorbereidingsprogramma, een schakelprogramma en een lerarenopleiding als vervolgopleiding kan volgen met financiele ondersteuning. Gelet op de flexibilisering van de studietrajecten in het hoger onderwijs, wordt ook de studiefinanciering geflexibiliseerd. Waar in het verleden gewerkt werd met studiejaren, wordt vanaf nu gewerkt met studiepunten. Het bedrag van de studiefinanciering wordt gekoppeld aan het aantal studiepunten waarvoor de student is ingeschreven. Het decreet stimuleert zoals in het verleden nog steeds studievoortgang, onder meer door te vragen dat de student zich inschrijft voor een minimum aantal studiepunten in een opleiding die leidt tot het behalen van een diploma. Indien de student niet slaagt of zich heroriënteert, kan hij/zij geen ‘gewone’ studiefinanciering meer krijgen. In dat geval kan de student wel nog beroep doen op het jokerkrediet. Ook dit krediet wordt in studiepunten uitgedrukt. Tot slot wordt door het nieuwe decreet hoger onder-
•
wijs de meeneembaarheid van de studiefinanciering naar de Europese Hogeronderwijsruimte uitgebreid. Vroeger was meeneembaarheid enkel mogelijk indien de studies die in het buitenland werden gevolgd niet aangeboden werden in Vlaanderen. Dit is nu niet meer het geval, behalve voor studenten die buiten de Europese Hogeronderwijsruimte gaan studeren. De financiële voorwaarden bepalen dat het inkomen de basis is voor het toekennen van een studietoelage of studiefinanciering. Overschrijdt het inkomen een bepaalde maximumgrens, dan komt de leerling/ student niet meer in aanmerking. De basis om het inkomen te bepalen, is nog steeds de fiscaliteit. Voor het hoger onderwijs zijn de inkomstengrenzen gunstiger dan voor het secundair onderwijs, gezien de hogere studiekosten.
2.4.2
Meer kansen voor iedereen
In 1996 keurde de Vlaamse Regering een Strategisch Plan Minderhedenbeleid goed. Met dit strategisch plan trok men definitief de kaart van een inclusief17 en gecoordineerd beleid. Binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ging de voorkeur uit naar beleidsmaatregelen die de kern van het onderwijssysteem raakten en aanleiding gaven tot structurele onderwijsvernieuwing. In de jaren ’90 van de vorige eeuw moedigde de Vlaamse overheid basis- en secundaire scholen reeds aan om oog te hebben voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen. Scholen kregen hiervoor extra middelen, begeleiding en ondersteuning. Zo zagen projecten rond onderwijsvoorrang, zorgverbreding, bijzondere noden, zigeuners en trekkende bevolking het licht. Ze hadden echter allemaal een tijdelijk karakter. Sinds 1 september 2002 maken al deze tijdelijke projecten plaats voor één geïntegreerd ondersteuningsaanbod met speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus. Op die manier krijgen alle kinderen de beste kansen om te leren en zich te ontwikkelen en wordt uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengegaan. 17
Het gelijke onderwijskansendecreet bevat drie belangrijke krachtlijnen: • elke leerling heeft principieel het recht zich in te schrijven in de school van zijn/haar (ouders) keuze. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen kan een school een inschrijving weigeren of overgaan tot een doorverwijzing van een nieuw ingeschreven leerling naar een andere school. De inrichtende macht of het schoolbestuur moet de weigering of doorverwijzing schriftelijk motiveren. Daarnaast responsabiliseert de overheid het lokale niveau door de installatie van lokale overlegplatforms met bemiddelingsbevoegdheid. Leerlingen of ouders die van mening zijn dat zij onterecht worden geweigerd of doorverwezen, kunnen een klacht indienen bij de Commissie Leerlingenrechten • de oprichting van lokale overlegplatforms met een drieledige opdracht: de lokale overlegplatforms waken over het inschrijvingsrecht, bemiddelen bij conflicten en werken mee aan de realisatie van een lokaal gelijke onderwijskansenbeleid. Het platform brengt de verschillende actoren - in het bijzonder de vertegenwoordigers van de doelgroepen - samen die op lokaal vlak (in beginsel de gemeente) betrokken zijn bij het realiseren van meer gelijke onderwijskansen. Alle scholen en centra voor leerlingenbegeleiding in het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform zijn verplicht constructief mee te werken aan het overleg. Deelnemen aan en samenwerken binnen een overlegplatform is immers een financierings- en subsidiëringsvoorwaarde • bijkomende ondersteuning die scholen moet toelaten een zorgbrede werking te ontwikkelen gericht op kansarme kinderen. Het gaat hier om scholen die vrij veel leerlingen tellen die beantwoorden aan bepaalde indicatoren, vooral sociaal-economisch van aard. De bijkomende ondersteuning bestaat uit extra lestijden of extra uren-leraar. De school kiest de doelstellingen waaraan zij wil werken op basis van een beginsituatieanalyse, legt vast op welke wijze zij die doelstellingen wenst te bereiken en hoe zij zichzelf in de loop van het tweede schooljaar zal evalueren.
Inclusief beleid staat voor een integrale aanpak op verschillende beleidsdomeinen tegelijkertijd.
actua
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /41
De overheid voorziet in bijkomende personeelsleden bij de pedagogische begeleidingsdiensten van de onderwijsnetten. Deze pedagogische begeleiders ondersteunen scholen bij de uitwerking van het gelijke onderwijskansenbeleid. Zowel de pedagogische begeleidingsdiensten als de centrale organisaties met vertegenwoordigers in de lokale overlegplatforms ontvangen extra personeelsleden en werkingsmiddelen om de scholen en de lokale mandatarissen aan te sturen en te begeleiden bij hun functioneren in het lokaal overlegplatform. Er zijn aparte middelen voor scholen, academies voor deeltijds kunstonderwijs en culturele organisaties om via projecten ‘kunstinitiatie’ de deelname van kansarme en/of allochtone minderjarigen aan het deeltijds kunstonderwijs te stimuleren.
bevorderen. Er zijn ruime mogelijkheden voor hogescholen en universiteiten om buitenlandse diploma’s te erkennen en om elders verworven competenties te erkennen via afwijkende toelatingsvoorwaarden en studieduurverkorting. Hogescholen en universiteiten hebben ook de opdracht hun toegankelijkheid voor studenten uit bepaalde bevolkingsgroepen, waarvan de deelname aan het hoger onderwijs beduidend lager is dan bij andere bevolkingsgroepen, te waarborgen in materiële en immateriële zin. In het Vlaamse onderwijs bestaat een systeem van onthaalonderwijs voor minderjarige anderstaligen. Het onthaalonderwijs richt zich tot leerlingen die ingeschreven zijn in een school van de Vlaamse Gemeenschap en die aan de volgende voorwaarden voldoen: geen 18 jaar oud zijn niet de Belgische of Nederlandse nationaliteit bezitten • niet in België of Nederland geboren zijn • niet het Nederlands als moedertaal hebben • onvoldoende de onderwijstaal beheersen om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen • nog geen volledig schooljaar onderwijs gevolgd hebben in een school met het Nederlands als onderwijstaal. Binnen een onthaalperiode van één schooljaar krijgen deze leerlingen specifiek onderwijs om de nodige taalvaardigheid en kennis van ons onderwijssysteem op te doen. Nadien moeten deze leerlingen in reguliere klas•
Inhoudelijk verbonden met het gelijke onderwijskansenbeleid is de opdracht van de steunpunten Nederlands Tweede Taal en Intercultureel Onderwijs en van het expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs. Deze steunpunten doen aan onderzoek, vorming en materiaalontwikkeling in opdracht van de onderwijsoverheid. Niet alleen kunnen scholen (meestal gratis) op hun expertise beroep doen. De organisaties trachten ook hun verdere expertiseontwikkeling in zeer nauwe en rechtstreekse samenwerking met scholen te ontplooien. In het hoger onderwijs zijn eveneens een aantal maatregelen genomen om gelijke kansen bij studenten te
42/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
actua
•
sen kunnen integreren. Scholen die onthaalonderwijs organiseren, ontvangen hiervoor aanvullende lestijden en werkingsmiddelen. In het basisonderwijs beslaat het intensieve leeraanbod Nederlands slechts een gedeelte van de schooltijd. Kinderen dienen een groot gedeelte van de schooltijd door te brengen met hun leeftijdsgenoten in de reguliere klas om de sociale integratie te bevorderen. In het secundair onderwijs is het onderwijsaanbod wél zeer sterk en bijna uitsluitend gericht op het verwerven van het Nederlands. Integratie in de verschillende vakgebieden is immers pas mogelijk wanneer een redelijke taalvaardigheid in het Nederlands verworven is. Meerderjarige anderstaligen kunnen terecht in het volwassenenonderwijs (zie 2.2.5.2). 2.4.3
Voorrangsbeleid in Brussel
Eveneens inhoudelijk verwant met de principes van het gelijke onderwijskansenbeleid, maar toegespitst op de specifieke Brusselse onderwijssituatie, is het project van de vzw Voorrangsbeleid Brussel (VBB). Dit project wil via intensieve begeleiding leraren en scholen leren op een professionele manier om te gaan met leer- en ontwikkelingsachterstanden bij leerlingen. Daarnaast wil het voorrangsbeleid in Brussel ook de samenwerking en coördinatie tussen de verschillende onderwijsparticipanten optimaliseren en het coördinerend vermogen van de scholen verhogen. Concreet wordt in elke school geïnvesteerd in vier werkdomeinen: • taalvaardigheidsonderwijs • omgaan met diversiteit (intercultureel onderwijs) en differentiatie • samenwerking met ouders • samenwerking en coördinatie met andere onderwijsparticipanten. Om dit te realiseren gebruikt de vzw VBB middelen en methodieken die afgestemd zijn op de schoolspecifieke situatie van directie, leraren en team.
2.4.4
Participatie
Zowel op het centrale als op het lokale vlak neemt de overheid initiatieven om de participatie in het onderwijsveld te stimuleren. We geven een overzicht. Op het centrale vlak functioneert sedert 1991 de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). De Vlaamse Onderwijsraad kan op eigen initiatief, op vraag van de minister van Onderwijs of de Vlaamse Regering studies uitvoeren, overleg plegen en advies geven inzake onderwijsmateries. De VLOR adviseert alle ontwerpdecreten en beleidsteksten in verband met onderwijs. De Vlaamse Onderwijsraad omvat een Algemene Raad en een aantal afzonderlijke raden per onderwijsniveau en onderwijsvorm. De Algemene Raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van: • de inrichtende machten • het onderwijspersoneel en de centra voor leerlingenbegeleiding • de representatieve ouderverenigingen • de economische en sociale organisaties, voorgedragen door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) • deskundigen (ambtenaren van het departement Onderwijs en deskundigen voorgedragen door de universiteiten). Om de inspraak van jongeren te bevorderen, kregen ook de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK) en de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS) een zitje in de VLOR. In het decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad van 2 april 2004 wordt de VLOR omgevormd tot de strategische adviesraad van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. De VLOR krijgt hierdoor ook een vernieuwde samenstelling. Naast de bestaande geledingen zullen er ook rechtstreeks verkozen directies en gecoöpteerde leraren zetelen. Deze bepalingen treden in werking op een door de regering nog nader te bepalen datum. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) adviseert en doet voorstellen aan de minister met betrekking tot het universitair onderwijs. De VLIR doet zélf aan onderzoek of besteedt onderzoek uit. Elke universiteit is in deze raad door maximaal twee personen vertegenwoordigd. De Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) heeft een analoge taak als de VLIR, maar dan voor het hogescholenonderwijs. Sterke lokale structuren zijn noodzakelijk om de grote autonomie en de verantwoordelijkheid voor de onderwijsinstellingen te kunnen dragen. We overlopen eerst de lokale participatiestructuren in
actua
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /43
het basis- en secundair onderwijs. Lokaal wordt voor het gemeenschapsonderwijs de participatie van alle onderwijsbetrokkenen geregeld via de schoolraad. Deze schoolraad heeft een algemeen informatierecht en een welomschreven advies- en overlegbevoegdheid. De schoolraad bestaat uit: • drie leden rechtstreeks verkozen door de ouders • twee leden gecoöpteerd uit de lokale sociale, economische en culturele milieus • drie leden rechtstreeks verkozen door en uit het personeel. De directeur woont de vergaderingen van de schoolraad bij met raadgevende stem. Per scholengroep is er in het gemeenschapsonderwijs een raad van bestuur waarin eveneens ouders, personeel, directie en lokale sociale, economische en culturele milieus vertegenwoordigd zijn. Zij beslissen mee over het materiële en financiële beheer van een school zowel op onderwijskundig als op personeelsvlak.
in een basis- of secundaire school kunnen vragen om respectievelijk een pedagogische raad, een leerlingenraad en een ouderraad op te richten in de school. De oprichtingsvoorwaarden zijn de volgende: • een pedagogische raad is verplicht als tenminste 10 % van de personeelsleden erom vraagt • een ouderraad moet opgericht worden als minstens 10 % van de ouders erom vraagt • in het lager onderwijs moet een leerlingenraad opgericht worden als tenminste 10 % van de regelmatige leerlingen uit de leeftijdsgroep 11 tot 13-jarigen erom vraagt • in een secundaire school is een leerlingenraad in principe verplicht. Men kan hier slechts van afwijken: als de betrokkenheid van de leerlingen via het schoolreglement op een andere wijze verzekerd is én er geen 10 % van de regelmatige leerlingen om de oprichting van een leerlingenraad vraagt. Deze drie raden hebben een ruime adviesbevoegdheid en worden samengesteld via verkiezingen.
Inspraak en overleg realiseert men in het gesubsidieerd onderwijs via de participatieraad. Vanaf 1 april 2005 vormt deze participatieraad zich om tot schoolraad. Deze raad is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers18 van: • de ouders • de gesubsidieerde personeelsleden van de betrokken scholen • de lokale gemeenschap gecoöpteerd door de bovengenoemde geledingen • de leerlingen (enkel in het secundair onderwijs). Het is ook mogelijk vertegenwoordigers uit de pedagogische raad, leerlingenraad of ouderraad af te vaardigen naar de schoolraad. Duiden deze drie raden geen vertegenwoordigers voor de schoolraad aan of bestaat één van deze raden niet, dan wordt de schoolraad samengesteld via daartoe georganiseerde verkiezingen.
De verschillende actoren op school organiseren ook vaak apart informele comités. In de meeste basis- en secundaire scholen groeperen ouders zich in een oudervereniging die op vrijwillige basis schoolgebonden activiteiten organiseert, meestal van lucratieve aard. Momenteel bestaat binnen deze comités een grote diversiteit in de visie of strekking, aanpak en activiteiten. Een oudercomité mag en kan naast een ouderraad blijven bestaan. Anderzijds staat het decreet niet in de weg dat een oudercomité zich omvormt tot een ouderraad op voorwaarde dat het de bepalingen i.v.m. de oprichting van een ouderraad respecteert (bv. alle ouders de kans geven zich verkiesbaar te stellen, samenstelling via verkiezingen, …). Om de competentie van ouders inzake participatie aan het schoolbeleid aan te scherpen, subsidieert de overheid ouderkoepelverenigingen.
De schoolraad heeft een algemeen recht op informatie, een ruime adviesbevoegdheid, een welomschreven overlegbevoegdheid t.a.v. het schoolbeleid en een communicatieplicht t.a.v. al de personeelsleden, leerlingen en ouders over de wijze waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen. De directeur woont de vergaderingen van de schoolraad van rechtswege bij met raadgevende stem. Het overleg vindt plaats in een gezamenlijke vergadering van inrichtende macht en schoolraad. Sinds het participatiedecreet van 2 april 2004 geldt voor alle basis- en secundaire scholen dezelfde regeling voor pedagogische raden, ouderraden en leerlingenraden, en dit ongeacht het net. Personeelsleden in een basis- of een secundaire school, leerlingen in een basisschool of ouders van kinderen 18
44/
Drie tot vijf vertegenwoordigers.
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
actua
In het hoger onderwijs zien de lokale participatiestructuren er als volgt uit. Personeelsleden en studenten zijn vertegenwoordigd in alle bestuursorganen en medezeggenschapsorganen van de Vlaamse hogescholen en universiteiten. De stemgerechtigde studenten in het bestuur worden verkozen via rechtstreekse of getrapte verkiezingen. Indien er geen stemgerechtigde studenten in het bestuur zetelen, dan bespreekt het bestuur minstens éénmaal per jaar de algemene organisatie en werking met de studentenraad. Daarnaast zijn er specifieke participatieorganen: • studenten aan de hogescholen en universiteiten hebben een eigen verkozen studentenraad. Deze
2.4.5
•
•
raad functioneert op het niveau van de instelling of associatie. De studentenraad heeft adviesrecht, kan beraadslagen met het bestuur (bv. over de rechtspositieregeling van de student, internationale studentenmobiliteit, …) en kan door het bestuur geraadpleegd worden (bv. over interne kwaliteitszorg, taalcode, …). De studentenraad is gemachtigd om participatiecommissies op te richten op het niveau van onderdelen van de hogeschool of universiteit in de hogescholen bestaat er een hogeschoolonderhandelingscomité en een departementaal onderhandelingscomité waarbinnen vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur en vertegenwoordigers van het personeel zetelen voor de universiteiten gebeurt het overleg met het personeel/de vakorganisaties overeenkomstig de regels van het statuut van de universiteit.
Het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen heeft de participatie van studenten verder uitgebouwd en verfijnd. De regeringscommissarissen aan de hogescholen en universiteiten evalueren de studentenparticipatie vijfjaarlijks, op basis van de bevindingen van de studentenkoepelvereniging(en). Het evaluatierapport wordt aan de Vlaamse Regering voorgelegd.
Talentontwikkeling
De motivatie om te leren hangt nauw samen met de mate waarin leerlingen het zinvol en boeiend vinden om te leren. Reeds vanaf de basisschool probeert men de betrokkenheid van kinderen bij het leren te verhogen door hun talenten aan te spreken en hen meer succeservaringen te bezorgen. In het secundair onderwijs kan de afzwakking van beschotten tussen de onderwijsvormen ASO, TSO, BSO en KSO maken dat leerlingen de leerweg vinden die het best bij hun talenten aansluit. Dit is echter geen eenvoudige opdracht. Het watervaldenken, dat inhoudt dat het ASO beter is dan het TSO en het TSO beter is dan het BSO, zit diep geworteld in de Vlaamse onderwijsstructuren, de organisatie van de maatschappij en in de hoofden van vele ouders en leraren. In de periode 2003 - 2007 wil men onder de noemer ‘Accent op Talent’ via projecten experimenteren. Deze experimenten zouden antwoord moeten geven op de volgende vragen: • hoe kunnen basis- en secundaire scholen met méér vrije ruimte in het lessenrooster samen talenten van leerlingen ontdekken en ontwikkelen? • hoe kunnen scholen samen met bedrijven en de andere opleiders het technisch en beroepssecundair onderwijs op een moderne manier gestalte geven? • welke resultaten leveren de flexibilisering van leertrajecten en de afbouw van beschotten in het secundair onderwijs op? • waar kunnen scholen hefbomen vinden om in te grijpen in het traditionele keuzegedrag van leerlingen en ouders?
actua
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /45
2.4.6
Modularisering
Het experiment modularisering biedt leerlingen uit beroepsgerichte opleidingen (BSO, DBSO, BuSO OV3) de kans om een leerweg in welomlijnde gehelen of modules af te werken. Modulair onderwijs wordt in het secundair onderwijs per studiegebied georganiseerd, los van graden of leerjaren. De leerling kiest binnen een studiegebied uit verschillende door de overheid vastgelegde leertrajecten. Die opleiding bestaat uit één of meerdere modules. Per beeindigde module krijgt de leerling een door de overheid erkend deelcertificaat. Een afgeronde opleiding wordt afgesloten met een certificaat. In het secundair onderwijs richt het experiment zich in de eerste plaats naar beroepsopleidingen met een duidelijke finaliteit. De inhouden van de modules worden afgeleid van beroepsprofielen, aangereikt door de sociale partners. De uitwerking van de modulaire beroepsopleidingen is een eerste stap in de afbouw van de beschotten tussen de onderwijsvormen. Dit betekent dat zij identiek zijn voor alle onderwijsvormen en voor alle onderwijsverstrekkers. Het project modularisering wordt eveneens gekoppeld aan de integratie van nieuwe onderwijsvisies en onderwijsmethodes zoals geïntegreerd werken, gedifferentieerd werken en team teaching. Om het watervaleffect tegen te gaan, wordt geen topdown-benadering, maar een bottom-up-strategie aangewend. Dit houdt enerzijds het inbouwen van een getrapt successysteem in door middel van step by step learning, waarbij leerlingen kunnen doorgroeien naar het hoogst haalbare niveau. Anderzijds houdt dit een streven naar een betere oriëntering aan de basis in door een meer adequate invulling van het opleidingenaanbod. Dit verhoogt de transparantie en een flexibele afstemming op de arbeidsmarkt. Door de leerjaren en graden te vervangen door leertrajecten die voor lerenden in alle onderwijsvormen identiek zijn, creëert men een doorzichtig onderwijsaanbod. De basismodules aan de start van de leertrajecten bieden leerlingen de kans om zich te oriënteren en een gefundeerde trajectkeuze te maken. In die modules kunnen competenties niet alleen verdiept, maar ook verbreed worden. Een modulaire opbouw maakt het mogelijk om de tussentijdse succeservaringen van de leerlingen om te zetten in (deel)certificaten waardoor zij hun kansen op de arbeidsmarkt verhogen. Zo wordt gepoogd de ongekwalificeerde uitstroom tegen te gaan en bij de leerlingen succeservaring te stimuleren. Dit laatste geeft niet alleen een impuls tot een leven lang leren, het draagt bovendien ook bij tot een attitudevorming hieromtrent.
46/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
actua
Het is een wezenlijke opdracht van onderwijs om naast de beroepsgerichte component, de nodige aandacht te besteden aan de persoonlijke ontwikkeling van de leerling en de samenleving in haar geheel. Daarom wordt erover gewaakt dat ook in het modulair ingerichte onderwijs de eindtermen worden behaald of nagestreefd. In het experiment modularisering integreert men elementen van algemene vorming zoveel mogelijk in de beroepsgerichte context. Alle leerlingen hebben de mogelijkheid om naast de beroepsgerichte certificering een diploma secundair onderwijs te behalen. De Dienst Beroepsopleiding (DBO) van het departement Onderwijs heeft als taak dit experiment te coördineren en te ondersteunen. Het project loopt af in het schooljaar 2006 - 2007. Tegen eind 2005 zal een stuurgroep het experiment evalueren. Op basis van deze evaluatie en andere onderzoeken zal het beleid daarna beslissen over de verderzetting van de modularisering in het secundair onderwijs.
2.4.7
Levenslang leren
Levenslang en levensbreed leren is een continu proces waarbij lerenden de nodige kennis en competenties verwerven om hun professionele, sociale en culturele taken in een snel veranderende samenleving beter aan te kunnen. Levenslang en levensbreed leren is ingebed in het leven zélf en sluit aan bij de ervaringen, vragen en educatieve behoeften van personen, organisaties en ondernemingen. De overheid kan leergierigheid stimuleren door van het basisonderwijs tot en met het hoger onderwijs leerinhouden en lessituaties aan te bieden die de vaardigheden om een leven lang te leren aanscherpen. Denken we maar aan zelfgestuurd leren en probleemoplossend denken. Dit vereist uitdagende eindtermen, soms vakoverschrijdend, en basiscompetenties. Belangrijk in dit opzicht is bv. ook dat jongeren ICT gericht leren gebruiken in hun zoektocht naar informatie en kennis en om zelf informatie te verspreiden en uit te wisselen. Om een positieve attitude t.o.v. het levenslang en levensbreed leren te verkrijgen en te behouden is de opbouw van tussentijdse succesbelevingen een must. Daarom wordt concrete aandacht besteed aan de verdere modularisering (zie 2.4.6) van het onderwijs op alle niveaus.
19 20 21 22
Op 31 maart 2003 ging de Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA) van start. DIVA coördineert het educatieve aanbod voor volwassenen in Vlaanderen. Het is een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Cultuur en Economie. DIVA heeft als partners de onderwijsnetten, de VDAB19, VIZO20 en SoCiuS21. Deze partners vertegenwoordigen respectievelijk het volwassenenonderwijs (inclusief de voortgezette opleidingen hoger onderwijs, OSP, basiseducatie, BIS en DKO), de opleidingen ingericht door de VDAB, de Syntra-opleidingen en het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Afstemmings- en samenwerkingsprojecten tussen deze partners, ook op lokaal vlak, vormen een belangrijke opdracht voor DIVA. Het betreft overleg in verband met logistiek, financiën, HRM en ICT dat voor meer transparantie en eenduidigheid naar de gebruiker toe moet zorgen (bv. i.v.m. de kostprijs van een cursus, de uitwisseling van opleiders/leraren, het cursusaanbod, een specifieke opleiding voor opleiders van volwassenen, ...). Via een sensibilisatieprogramma met als slogan ‘Word wat je wil’, probeert DIVA een positief leerklimaat te creëren en de participatie van de volwassen burger aan vorming en opleiding te verhogen. Het project Leerwinkel wil de burger de weg wijzen in het vormingsaanbod en vormingstrajecten via een website-databank22. De website zal tevens wegwijs maken in het aanbod van stageplaatsen via de stagedatabank.
VDAB = Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. VIZO = Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen. SoCiuS = Steunpunt voor Sociaal-cultureel Werk. www.wordwatjewil.be
actua
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /47
Ook in het hoger onderwijs wordt het levenlanglerenperspectief steeds uitdrukkelijker naar voren geschoven met een flexibele organisatie van het onderwijs als gevolg. De belangrijkste kwesties waar de volgende tien jaar binnen de Europese hogeronderwijsruimte zal aan gewerkt worden zijn: • flexibele leerwegen voor iedereen • herdefiniëring van onderwijs en vorming om volwassenen toe te laten hun participatie aan leren te combineren met andere verantwoordelijkheden • manieren vinden om niet formele leerervaringen te laten valoriseren • maatregelen treffen om minder sociaalbevoorrechte groepen aan te zetten hoger onderwijs te volgen. In Vlaanderen zijn reeds heel wat vormen van flexibilisering decretaal mogelijk (overgangen tussen opleidingen via schakel- of doorstroomprogramma’s, het in aanmerking nemen van eerder verworven competenties, afstandsonderwijs, integratie ICT, avondonderwijs, mobiliteitsprogramma’s, duale leerwegen, …). Instellingen nemen ook meer en meer initiatieven om het onderwijs meer flexibel in te richten. Een van de hoofddoelstellingen van open afstandsonderwijs bv. is het maximaal toegankelijk maken van onderwijsvoorzieningen voor volwassenen door zoveel mogelijk rekening te houden met hun leefpatroon en ervaringswereld. Het open afstandsonderwijs is dus zeer flexibel georganiseerd. In Vlaanderen heeft de VLIR hiertoe een overeenkomst gesloten met de Open Universiteit Nederland. Vlaamse studenten krijgen hierdoor de kans het Nederlands aanbod te volgen onder Vlaamse begeleiding in zes verschillende studiecentra van Vlaanderen. Allerlei combinaties van leren en werken, in deeltijdse of alternerende vorm, kunnen de overgang van leren naar werken en omgekeerd ook vergemakkelijken. Enkele Vlaamse onderwijsinstellingen namen concrete initiatieven om duale leerwegen te introduceren in hun studieaanbod bv. in de masteropleiding informatica. Dit nieuwe leertraject bestaat uit een brede vakinhoudelijke academische vorming gekoppeld aan een behoorlijke portie relevante werkervaring. Studenten werken en studeren tegelijkertijd. In afspraak tussen de student, het bedrijf en de opleiding kunnen de prestaties in het bedrijf worden gevaloriseerd voor het behalen van het diploma. Daarnaast moet de student nog een beperkt aantal examens afleggen. Een dergelijk leertraject heeft als voordeel dat de afgestudeerde een hoog instapniveau bereikt en veel meer in staat is om direct op academisch niveau aan het werk te gaan. Er zijn ook andere waardevolle experimenten ontwikkeld waarbij deeltijdse trajecten, in combinatie met de erkenning van eerder verworven kwalificaties en competenties, leiden tot een volwaardig diploma in onderwijs, verpleegkunde of maatschappelijk werk.
48/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN
actua
2.4.8
Erkenning eerder verworven competenties en kwalificaties
Jongeren en volwassenen kunnen leerervaringen opdoen en competenties ontwikkelen buiten de formele opleidingsstelsels, o.a. via concrete werkervaring. In de toekomst kunnen deze competenties gevaloriseerd worden via een Titel van Beroepsbekwaamheid. De Vlaamse ontwikkelingen binnen EVC kaderen in een Europees perspectief. Naast deze valorisatie, werkt men aan een eenduidige kwalificatiestructuur waarin de opleidingen van VDAB, VIZO, OSP, basiseducatie en deze van het leerplichtonderwijs in elkaar passen. De kwalificaties die de verschillende opleidingsverstrekkers uitreiken, zouden daardoor één samenhangend geheel kunnen vormen. Het flexibiliseringsdecreet in het hoger onderwijs voorziet in de mogelijkheid om studietrajecten op maat van elke student te ontwerpen en in een decretaal kader waarbinnen de instellingen een procedure moeten uitwerken om de erkenning van eerder verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK) te laten valoriseren in het hoger onderwijs. De mogelijkheid tot erkenning van eerder verworven competenties wordt een recht van iedere toekomstige student. Studenten die op grond van hun beroepservaring of eerder behaalde kwalificaties (bv. HOSP-opleiding, buitenlandse diploma’s, getuigschriften, ...) van oordeel zijn dat zij over hogere onderwijscompetenties beschikken, kunnen deze laten testen door een ‘validerende instantie’ opgericht in de schoot van de associaties van universiteit en hogescholen. Het decreet spreekt van het doorlopen van een bekwaamheidsonderzoek. Een aantal opleidingen van het huidige hoger onderwijs voor sociale promotie zijn in het kader van de bachelor-masterhervormingen geïntegreerd in het hoger onderwijs, wat de waarde van deze studiebewijzen ten goede komt. Door de integratie zullen de hogescholen hun opdracht om op niveau te fungeren als leercentrum voor permanent leren beter kunnen waarmaken. Het flexibiliseringsdecreet maakt ook mogelijk dat HOSP-opleidingen die niet geïntegreerd zijn, via eerder verworven kwalificaties (EVK) in aanmerking komen voor het verlenen van vrijstellingen van opleidingsonderdelen in het hogeronderwijsaanbod van de hogescholen.
2.4.9
Professionalisering onderwijspersoneel
Goede leraren vormen de spil van het onderwijs en zijn de beste garantie voor onderwijskwaliteit. Het Vlaamse onderwijs staat immers bekend om zijn kwaliteit. Dit is in eerste instantie het resultaat van de vakkennis en de inzet van het onderwijzend personeel. Daarom moeten leraren hun job in goede omstandigheden kunnen uitoefenen. Het zijn professionals, die bovendien goed moeten opgeleid worden. Met de op stapel staande hervorming van de lerarenopleiding zal die professionalisering versterken, onder meer door praktijkervaring en begeleiding van de kandidaat- en beginnende leraren. Het is belangrijk dat leraren zich met lesgeven en hun leerlingen kunnen bezighouden. Overdreven papierwerk en taken die niet tot hun kerntaken behoren moeten daarom vermeden worden. Ook een aantrekkelijk loopbaanperspectief en verdere professionalisering is noodzakelijk. De jobinhoud van leraren zou moeten kunnen variëren. Dergelijke onderwerpen zullen centraal staan in het debat over de loopbaan van leraren dat de overheid in 2005 met de sociale partners zal voeren. Het idee leeft momenteel
nog dat het onderwijs enkel een vlakke loopbaan te bieden heeft en de leraar zijn gehele loopbaan altijd hetzelfde zou moeten doen. Dat hoeft niet zo te blijven. Onderwijs kan een veel dynamischer perspectief van loopbaanontwikkeling bieden. Dit kan door de klasopdracht, dit is het aantal lesuren dat een leraar moet lesgeven, te vervangen door de schoolopdracht. Zo kan men evolueren naar interne taakdifferentiatie in de school en leraren waarderen en aanspreken op hun specifieke competenties en interesses. De mogelijke pistes waaraan gedacht wordt, zijn o.a. differentiatie in didactische en pedagogische taken, zoals vakkenintegratie, begeleid zelfstandig leren, coaching, enz. Andere mogelijkheden zijn opdrachten die het klasniveau of zelfs het schoolniveau overstijgen, zoals vakverantwoordelijke, graadcoördinator, stagebegeleider, mentor van jonge leraren, … Bij deze differentiatie binnen een schoolopdracht is het belangrijk rekening te houden met de principes van interne billijkheid. Het onderwijs zou ook aantrekkelijker moeten worden voor werknemers uit andere sectoren. Om deze zij-instromers perspectief te bieden, zijn echter aanpassingen nodig aan het administratieve en geldelijke statuut.
actua
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /49
2.5
Nuttige adressen
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Onderwijs website www.ond.vlaanderen.be Administratie Basisonderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 93 76 - fax +32 2 553 93 75 e-mail scholen.basisonderwijs@vlaanderen.be Administratie Secundair Onderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 89 01 - fax +32 2 553 89 05 e-mail scholen.secundaironderwijs@vlaanderen.be Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 98 32 - fax +32 2 553 98 05 e-mail hogescholen@vlaanderen.be universiteiten@vlaanderen.be
Klasse Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 96 86 - fax +32 2 553 96 85 e-mail nieuwsredactie@klasse.be Afdeling Studietoelagen Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel 0800 30 201 (voor algemene info) en 078 15 78 70 (voor info over stand dossier) - fax + 32 2 553 86 65 e-mail studietoelagen@vlaanderen.be Dienst Beroepsopleiding Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 87 00 - fax + 32 2 553 88 45 e-mail dbo@vlaanderen.be Dienst Informatie, Vorming en Afstemming Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 98 90 - fax + 32 2 553 96 45 e-mail diva@vlaanderen.be Coördinerend Inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 88 07 - fax + 32 2 553 88 05 e-mail onderwijsinspectie@vlaanderen.be
Administratie Permanente Vorming Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 98 61 - fax +32 2 553 98 65 e-mail deeltijdskunstonderwijs@vlaanderen.be volwassenenonderwijs@vlaanderen.be
Inspectie Basisonderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 94 74 - fax + 32 2 553 94 15 e-mail inspectie.basisonderwijs@vlaanderen.be
Afdeling Begroting en Gegevensbeheer Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 95 46 - fax +32 2 553 95 45 e-mail begrotingengegevensbeheer@ond.vlaanderen.be
Inspectie Secundair Onderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 88 62 - fax + 32 2 553 88 75 e-mail inspectie.secundaironderwijs@vlaanderen.be
Afdeling Beleidscoördinatie Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 95 64 - fax +32 2 553 95 65 e-mail beleid@ond.vlaanderen.be
Dienst voor Onderwijsontwikkeling - Informatiecel Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 88 29 - fax + 32 2 553 88 35 e-mail eindtermen@vlaanderen.be
Cel CLB Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel + 32 2 553 86 94 - fax + 32 2 553 86 85 e-mail clb@vlaanderen.be
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Keizerslaan 11 - 1000 Brussel tel +32 2 506 15 11 - fax + 32 2 506 15 90 e-mail vdab@vdab.be
Cel Publicaties Onderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel +32 2 553 66 53 - fax +32 2 553 66 54 e-mail onderwijspublicaties@vlaanderen.be Vlaamse Infolijn - Onderwijs Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel tel 0800 30 201 of vanuit het buitenland +32 2 553 50 70 - fax +32 2 553 96 55 e-mail via www.ond.vlaanderen.be/infolijn
Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Kanselarijstraat 19 - 1000 Brussel tel + 32 2 227 63 93 - fax + 32 2 217 46 12 e-mail info@vizo.be Steunpunt voor Sociaal-cultureel Volwassenenwerk Gallaitstraat 86 bus 4 - 1030 Brussel tel + 32 2 215 27 08 - fax + 32 2 215 80 75 e-mail info@socius.be
Naast deze brochure, geeft het departement Onderwijs ook tal van andere publicaties uit. V0or een overzicht kan u terecht op de website van het departement: www.ond.vlaanderen.be/publicaties
50/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN /51
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Onderwijs
52/
ONDERWIJS IN VL A ANDEREN