Skip to main content

indicatorenboek_2011.pdf

Page 1

• DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAP EN INNOVATIE (VRWI) Koloniënstraat 56, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 212 94 10 Fax 32-(0)2 212 94 11 E-mail: info@vrwi.be E-mail: danielle.raspoet@ewi.vlaanderen.be Webstek: www.vrwi.be

• AGENTSCHAP VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWT) Ellipsgebouw Koning Albert II-laan 35, bus 16, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 432 42 00 Fax 32-(0)2 432 43 99 E-mail: info@iwt.be Webstek: www.iwt.be

• MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP DEPARTEMENT ECONOMIE, WETENSCHAP EN INNOVATIE (EWI) Ellipsgebouw Koning Albert II-laan 35, bus 10, B-1030 Brussel Tel. 32-(0)2 553 59 80 Fax 32-(0)2 553 60 07 E-mail: info@ewi.vlaanderen.be E-mail: Peter.viaene@ewi.vlaanderen.be Webstek: www.ewi-vlaanderen.be

• VLAAMSE INTERUNIVERSITAIRE RAAD (VLIR) Ravensteingalerij 27, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 792 55 00 Fax 32-(0)2 211 41 99 E-mail: administratie@vlir.be Webstek: www.vlir.be

• FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (FWO) Egmonstraat 5, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 512 91 10 Fax 32-(0)2 512 58 90 E-mail: Elisabeth.Monard@fwo.be Webstek: www.fwo.be

W E T E N S C H A P I N N O VAT I E T E C H N O LO G I E

• EXPERTISECENTRUM O&O MONITORING Waaistraat 6, PB 3536, B-3000 Leuven Tel. 32-(0)16 32 57 23 Fax 32-(0)16 32 57 99 E-mail: koenraad.debackere@econ.kuleuven.be Webstek: www.ecoom.be

• VLAAMSE HOGESCHOLENRAAD (VLHORA) Ravensteingalerij 27, bus 3, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 211 41 90 Fax 32-(0)2 211 41 99 E-mail: info@vlhora.be Webstek: www.vlhora.be

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 011

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 011

W E T E N S C H A P I N N O VAT I E T E C H N O LO G I E

NUTTIGE ADRESSEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM:


V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 011


2

COLOFON Het Vlaams Indicatorenboek 2011 is een uitgave van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap in opdracht van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding en van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel. Hoofdredactie:

Prof. dr.ir. Koenraad Debackere Prof. dr. Reinhilde Veugelers (Expertisecentrum O&O Monitoring)

ISSN:

1374-6294

Coรถrdinatie en tekstaanpassing:

Dani Vandepoel

Lay-out en druk:

Altera Grafische Vormgeving, Heverlee Drukkerij Van der Poorten, Kessel-Lo

Copyright 2011

Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35, bus 10 B-1030 Brussel


3

I N H O U D S O P G AV E COLOFON

2

WOORD VOORAF

10

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

11

HOOFDSTUK 1: HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING

13

1.1

Situering

14

1.2

Vlaanderen: enkele kerncijfers

17

1.3

De actoren in het Vlaams WTI-systeem

20

1.3.1

De universiteiten

20

1.3.2

De Vlaamse onderzoeksinstellingen

21

1.3.3

De collectieve centra

22

1.3.4

De bedrijven

22

1.3.5

De hogescholen

23

1.3.6

De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, 23

1.3.7

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie

25

1.3.8

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

25

1.3.9

De adviesorganen

26

1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

26

1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

27

1.3.12 Sensibilisering

27

Conclusie

27

HOOFDSTUK 2: HET MENSELIJKE POTENTIEEL IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

29

2.1

Inleiding

30

2.2

Instroom in het Vlaamse hoger onderwijs: kwantificatie en stratificatie

30

2.3

Overzicht van de uitgereikte diploma’s

36

2.4

Internationale vergelijking

45

2.5

Besluit

47

HOOFDSTUK 3: ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM VAN DOCTORAATSONDERZOEK

49

3.1

Evolutie van het onderzoekspotentieel in Vlaanderen

50

3.2

Ontwikkelingen in doctoraatsonderzoek en – productie

50

3.2.1 Instroom van onderzoekers

50

3.2.2 Doorstroom en het behalen van het doctoraat

54

3.2.3 De doctoraatsduur

58

Conclusie

58

3.3

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 I N H O U D S O P G AV E

1.4

Hercules, BOF en IOF


4

HOOFDSTUK 4: MOBILITEIT IN DE ONDERZOEKSCARRIÈRE 4.1

4.2

4.3

61

Internationale mobiliteit van onderzoekers

62

4.1.1 De internationale oriëntatie van Vlaamse onderzoekers

62

4.1.2 Het internationale profiel van onderzoekers in Vlaanderen

63

Intersectoriële samenwerking en mobiliteit van onderzoekers

65

4.2.1 Samenwerking met actoren uit andere sectoren

65

4.2.2 Mobiliteitsintentie naar andere sectoren

65

4.2.3 Effectieve mobiliteit naar andere sectoren

67

Conclusie

67

HOOFDSTUK 5: O&O-ACTIVITEITEN VAN DE VLAAMSE BEDRIJVEN

69

5.1

Inleiding

70

5.2

Methodologie

70

5.2.1

Populatie

70

5.2.2

Definities

71

5.2.3

Schattingen: inter- en extrapolatie

71

5.3

5.4

Resultaten voor de inventaris

72

5.3.1

Responsgraad

72

5.3.2

O&O-cijfers voor de inventaris

72

Resultaten voor de totale populatie

78

5.4.1

De totale uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven in 2008 en 2009

78

5.4.2

Historische evolutie van de uitgaven voor interne O&O van Vlaamse bedrijven

78

5.4.3

Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR

78

5.5

Conclusie

79

5.6

Referenties

79

Bijlage 1: Overzicht van de definities die gebruikt werden in de O&O-enquête van 2010

80

Bijlage 2: Belangrijkste etappes van de schattingsmethodologie van de O&O-gegevens bij de bedrijven

81

Bijlage 3: NACE-BEL 2008-classificatie

83

Bijlage 4: Top-50 bedrijven

84

HOOFDSTUK 6: ONDERZOEK EN ONTWIKKELING BINNEN DE NON-PROFIT SECTOR

85

6.1

Inleiding

86

6.2

Het O&O-personeel

87

6.3

De O&O-uitgaven geanalyseerd

93

6.4

Internationale vergelijking

97

6.5

Besluit

HOOFDSTUK 7 - DEEL 1: DE TOTALE O&O-UITGAVEN IN VLAANDEREN: GERD

100

101

7.1

De gebruikte indicatoren

102

7.2

GERD per uitvoeringssector

103

7.3

O&O-intensiteit: GERD als % van het BBPR voor Vlaanderen

105

7.4

Een internationale vergelijking

106

7.5

Totale O&O-uitgaven per financieringssector

107


5

7.6

Conclusies

108

7.7

Referenties

108

Appendix: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Non-profit Instellingen (PNP)

HOOFDSTUK 7 - DEEL 2: HET TOTALE O&O-PERSONEEL BINNEN VLAANDEREN

108

111

7.1

Totaalbeeld en internationale vergelijking

112

7.2

Besluit

116

HOOFDSTUK 8: DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

117

8.1

Inleiding

118

8.2

Vlaamse overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie

119

8.3

Overheidskredieten voor de Vlaamse universiteiten

123

8.4

Besteding van de middelen verdeeld via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO)

123

8.5

Overheidskredieten voor industrieel onderzoek

124

8.6

O&O-input voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT

126

8.7

O&O-input voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

127

8.8

O&O-uitgaven in de publieke sector in Vlaanderen: een internationale vergelijking

127

8.9

Overheidssteun voor eco-innovatie

127

8.10 Referenties

HOOFDSTUK 9: INNOVATIE-INSPANNINGEN VAN VLAAMSE ONDERNEMINGEN: KERNRESULTATEN VAN DE CIS-2009 ENQUĂŠTE

132

135

Inleiding

136

9.2

Methodologie

136

9.3

Analyse

137

9.4

Profiel van de respondenten

137

9.5

Product- en procesinnovatieactiviteiten in Vlaanderen

137

9.6

Oorsprong van innovatieactiviteiten in 2008

139

9.7

Onderzoek en ontwikkeling (O&O)

139

9.8

Publieke financiering van product- en procesinnovaties

140

9.9

Objectieven van de product- en/of procesinnovatieactiviteiten

141

9.10 Actoren in het innovatieproces van de onderneming

141

9.11 Informatiebronnen

143

9.12 Bescherming van innovatie

144

9.13 Historische vergelijking

144

9.14 Organisatorische innovaties

145

9.15 Marketinginnovaties

145

9.16 Totale innovatieactiviteiten in Vlaanderen

146

9.17 Ecologische aspecten van innovatie

146

9.18 Besluit

149

9.19 Referenties

149

BIJLAGE: NACE-afdelingen omvat in de beoogde doelpopulatie voor CIS2009 (NACE-BEL 2008-classificatie; cf. de methodologische richtlijnen van Eurostat)

150

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 I N H O U D S O P G AV E

9.1


6

HOOFDSTUK 10: BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS ONDERZOEK IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT 153 10.1 Inleiding

154

10.2 Bibliometrische studies en de bibliografische gegevensbestanden van het ISI

154

10.3 Databronnen en dataverwerking

155

10.4 Bibliometrische indicatoren

157

10.5 De evolutie van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en

technische wetenschappen 10.6 Het Vlaams publicatieprofiel in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

158 161

10.7 De citatie-impact van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en

technische wetenschappen

163

10.8 De internationale wetenschappelijke samenwerking van Vlaanderen

166

10.9 Slotbeschouwingen

169

10.10 Referenties

170

Bijlage

171

HOOFDSTUK 11: BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS UNIVERSITAIR ONDERZOEK IN DE SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN. DE EERSTE VERSIE VAN HET VABB-SHW

173

11.1 Inleiding

174

11.2 De opbouw van het VABB-SHW

174

11.3 Kenschetsing van de Vlaamse universitaire publicaties in de sociale en

humane wetenschappen

176

11.4 Kenschetsing van de onderscheiden disciplines

177

11.5 Een groei in publicaties

178

11.6 Verschuivingen in taalgebruik

181

11.7 Verschuivingen in publicatietype

182

11.8 Toekomstperspectieven

183

11.9 Besluit

183

11.10 Referenties

184

HOOFDSTUK 12: DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: ANALYSE AAN DE HAND VAN EPO-, USPTO- EN PCT-OCTROOIEN

185

12.1 Het belang van octrooistatistieken

186

12.2 Octrooien in België en Vlaanderen: EPO, USPTO en PCT

187

12.2.1 EPO toekenningen

188

12.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers

190

12.2.3 Internationale vergelijking

191

12.3 Technologieontwikkeling per type organisatie nader bekeken

192

12.4 Samenwerkingspatronen

194

12.5 Relatieve technologie-specialisatiepatronen

198

12.6 Conclusie

201

Bijlage A

202


7

HOOFDSTUK 13: DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT

203

13.1 Inleiding

204

13.2 Vlaamse deelname aan het Europese Kaderprogramma voor O&O

204

13.2.1 Inleiding

204

13.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende kaderprogramma’s

205

13.2.3 De voorlopige Vlaamse deelname aan het Zevende Kaderprogramma

206

13.2.4 Conclusies

211

13.3 ERA-NET

214

13.4 Nieuwe initiatieven van de Europese Commissie

215

13.5 Vlaamse deelname in het EUREKA- Programma

215

13.5.1 Situering

215

13.5.2 EUREKA-projecten

216

13.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2008-2010)

216

13.6 Conclusie

218

13.7 Referentielijst

219

HOOFDSTUK 14: CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN

221

14.1 Inspanningen voor O&O in Vlaanderen

222

14.2 Opleidingen: bachelor & master

222

14.3 Doctoraten

223

14.4 Resultaten: publicaties, octrooien en deelname aan internationale programma’s

224

14.5 Ter afronding

225

HOOFDSTUK 15: DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

227

O&O-intensiteit: GERD als % van BBPR

228

Kernindicator 2

Overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van BBPR

231

Kernindicator 3

Totaal O&O-personeel als ‰ van de beroepsbevolking

234

Kernindicator 4

Nieuwe W&T-gediplomeerden (t.o.v. leeftijdsgroep 20-29 jaar)

236

Aanvullende indicator: Percentage hoger onderwijsdiploma's in WWT t.o.v. totale aantal hoger onderwijsdiploma's Kernindicator 5 Kernindicator 6

Totaal aantal innoverende bedrijven (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensectoren)

240

Investeringen in ‘venture capital’ (risicokapitaal)

241

Aanvullende indicator: Early stage venture capital (in % BBP) Kernindicator 7

244

Aandeel van innovatieve producten in de omzet (nieuwe producten in % van de totale omzet)

Kernindicator 9

242

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder van betreffend land of regio per miljoen inwoners

Kernindicator 8

238

246

Tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie en diensten als % van de totale beroepsbevolking

248

Kernindicator 10

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

250

Kernindicator 11

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

251

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 I N H O U D S O P G AV E

Kernindicator 1


8

DOSSIERS DOSSIER 1: ANALYSE VAN HET VLAAMS INNOVATIENETWERK (VIN)

253 254

1.1

Inleiding

254

1.2

Methodologie

254

1.3

Vlaams innovatie netwerk (VIN)

255

1.3.1 Structuur van het VIN

255

1.3.2 Werking van het VIN

258

1.3.3 Aanbevelingen voor het IWT voor de toekomstige ontwikkeling van het VIN

259

DOSSIER 2: HET VABB-SHW: EERSTE VERSIE KLAAR, NU VERFIJNEN

260

2.1

Sociale en humane wetenschappen tellen mee

260

2.2

Het besluit op de bijzondere onderzoeksfondsen

260

2.3

Onderzoeksmiddelen verdelen tussen universiteiten

260

2.4

Van boeken tot proceedings

261

2.5

Algemene werkwijze

262

2.6

Werkwijze voor tijdschriften

262

2.7

Werkwijze voor uitgevers

263

2.8

Werkwijze voor proceedings

263

2.9

Plannen voor de toekomst

263

2.9.1 Gelijke behandeling van boeken, tijdschriften en disciplines

263

2.9.2 Individuele beoordeling van proceedings

264

2.9.3 Potentiële differentiatie binnen publicatietypes

264

2.9.4 Bijkomend publicatietype ‘geannoteerde corpora’

264

DOSSIER 3: OVER DE MOGELIJKHEDEN EN BEPERKINGEN VAN DE H-INDEX

265

DOSSIER 4: STRUCTURELE ANALYSE VAN INSTITUTIONELE ONDERZOEKSPROFIELEN

268

4.1

Belang van onderzoeksprofielen

268

4.2

Databronnen en dataverwerking

268

4.3

Clusters en classificatie op basis van onderzoeksprofielen

268

4.4

Sterke verschillen in onderzoeksgedrag

269

4.5

Internationale en lokale samenwerking

272

4.6

Referenties

273

DOSSIER 5: INTERNATIONALISERING ONDERZOEKSPROGRAMMA’S FWO 5.1

5.2

5.3

274

Internationalisering van FWO als organisatie

274

5.1.1 Toenemende internationalisering van de interne procedures

274

5.1.2 Lidmaatschap van ESF en EUROHoRCs

274

5.1.3 De Europese onderzoeksruimte (ERA) en het Europees onderzoeksbeleid

275

5.1.4 Vlaams aanspreekpunt voor Europese programma’s

276

Internationalisering van de onderzoeksprogramma’s

276

5.2.1 Overzicht van de gevestigde programma’s

276

5.2.2 Nieuwe programma’s

280

Toekomstplannen inzake internationale programma’s

281

5.3.1 Rationalisering

281

5.3.2 Groeipad programma bilaterale onderzoekssamenwerking

282


9

DOSSIER 6: VALORISATIE VAN ONDERZOEK IN DE HUMANE EN SOCIALE WETENSCHAPPEN

283

6.1

Situering

283

6.2

Onderzoeksvragen en onderzoeksdesign

283

6.3

20 Casestudies

284

6.4

Naar een typologie van valorisatie in de humane en sociale wetenschappen

288

6.5

Kwantitatieve analyse van de geldstromen

288

6.6

Het instrumentarium voor valorisatie

289

6.7

Algemene conclusies

290

DOSSIER 7: SECTORIËLE INNOVATIEPROFIELEN 7.1. 7.2.

7.3

7.4

7.5

292

Inleiding

292 292 292

7.2.2 Innovatieactiviteiten

294

7.2.3 Octrooien

294

Essenscia

295

7.3.1 O&O-activiteiten

295

7.3.2 Innovatieactiviteiten

296

7.3.3 Octrooien

296

Fedustria

297

7.4.1 O&O-activiteiten

297

7.4.2 Innovatieactiviteiten

298

7.4.3 Octrooien

298

Fevia

299

7.5.1 O&O-activiteiten

300

7.5.2 Innovatieactiviteiten

300

7.5.3 Octrooien

300

Referenties

301

AUTEURSLIJST

302

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN

304

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 I N H O U D S O P G AV E

Agoria 7.2.1 O&O-activiteiten


10

WOORD VOORAF

Het Expertisecentrum voert tevens voortdurend onderzoek uit

Vlaanderen in Actie en Pact 2020 hebben het pad uitgestippeld

systeem. Zo kreeg ECOOM een nieuwe kerntaak toebedeeld:

om van Vlaanderen tegen 2020 een kenniseconomie te maken

de ontwikkeling en het onderhoud van het “VABB” (Vlaams

die tot de Europese top behoort. Om innovatieve weten-

Academisch Bibliografisch Bestand) met in het bijzonder de

schappelijke en technologische ontwikkelingen te stimuleren

uitbouw van een bibliografische databank voor de Humane en

dienen we onze kennisinstellingen en onderzoekscentra van de

Sociale wetenschappen. Om over meer recente gegevens te

nodige (financiële) proviand te voorzien. Na enkele moeilijke

kunnen beschikken om O&O-ontwikkelingen op de voet te

naar nieuwe indicatoren en optimalisatie van het indicatoren-

jaren heeft de Vlaamse onderzoeksgemeenschap terug zicht

kunnen volgen, worden de O&O-uitgaven van de Vlaamse

op een groeipad voor O&O-middelen. Deze middelen alleen

bedrijven vanaf 2010 jaarlijks bevraagd in plaats van tweejaarlijks.

zijn echter niet genoeg. De resultaten die onderzoek oplevert, moeten geëvalueerd worden.

Met trots stellen we u het Vlaams Indicatorenboek 2011 voor, het vijfde in rij van een reeks excellente uitgaven, die de

Er zijn beleidsindicatoren nodig die enerzijds de ontwikkeling

indicatoren voor de ontwikkeling van het Vlaams O&O-potentieel

van het Vlaams potentieel inzake wetenschap, technologie en

voor een ruim publiek toegankelijk maken. Dankzij de samen-

innovatie waarheidsgetrouw kunnen meten en anderzijds een

werking tussen de onderzoekers van ECOOM, de verschillende

kosten/baten analyse kunnen verschaffen op het vlak van input

bevoegde administraties en de Vlaamse openbare instellingen

ten opzichte van output, outcome en impact. Een dergelijke

stellen we u een gevarieerd aanbod van indicatoren voor die

evaluatie en impactanalyse moet rekening houden met een

het mogelijk maken om het Vlaams beleid inzake wetenschap,

ruimere economische en maatschappelijke context, met een gericht

technologie en innovatie op een periodieke basis in kaart te

innovatiebeleid dat de grote maatschappelijke en economische

brengen en op te volgen in een internationaal perspectief.

uitdagingen helpt aanpakken, en een solide basis van nietgericht onderzoek. Om de economische en maatschappelijke

Wij wensen u veel professioneel genot toe met het O&O

hefboomeffecten in kaart te brengen, is gedegen monitoring

Indicatorenboek 2011.

noodzakelijk. De overheid heeft de taak om bij de besteding van de middelen uit te gaan van een wetenschappelijk gefundeerd ‘evidence based’ beleid, waarbij programma’s en

Ingrid Lieten

beleidsmaatregelen ‘bewezen werkzaam’ moeten zijn en evaluatie

Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams

aan belang wint.

minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding

De Vlaamse overheid kan sinds 2009 steunen op de kennis en ervaring van het interuniversitair Expertisecentrum O&O Monitoring (ECOOM) voor cijfermatige ondersteuning bij

Pascal Smet

beleidsvragen. Dankzij een uitgebreid en goed beheerd

Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel

indicatorensysteem kunnen de beleidsmakers beschikken over relevante en gevalideerde cijfergegevens op het vlak van kredieten en uitgaven, bibliometrische indicatoren, octrooien en menselijk potentieel en deelnames aan internationale programma’s inzake O&O. Met de gegevens die rond O&O en innovatie worden ingezameld, voldoet Vlaanderen aan de internationale rapporteringsverplichtingen terzake van de OESO en Eurostat.


11

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

De redactie en het schrijven van dit boek kwam dan ook tot stand onder impuls van een redactiegroep van experts

Wetenschap, technologie en innovatie worden onmiskenbaar

behorend tot de verschillende beleidsactoren uit het Vlaams

de voornaamste hefbomen tot economische welvaart en sociaal

Innovatiesysteem, die de staf van het Expertisecentrum O&O-

welzijn in de kenniseconomie van dit nieuwe millennium.

monitoring (ECOOM) van de Vlaamse overheid bijstond in zijn

De Vlaamse overheid heeft dan ook, naarmate ze door

opdracht dit Indicatorenboek te ontwikkelen. Elk van hen droeg

de regionalisering van de Belgische Staat over meer

bij tot de conceptie van dit werk. Wij willen hen dan ook van

bevoegdheden

harte danken voor de constructieve samenwerking om onder

inzake

wetenschaps-,

technologie-

en

innovatiebeleid beschikte, veel aandacht besteed aan de

hoge tijdsdruk dit document af te werken:

verdere ontwikkeling van de kwaliteit en de slagkracht van het Vlaams wetenschaps-, technologie- en innovatiesysteem.

• De Heren Bart Motmans en Bartel Vandewalle van het

Het brede spectrum van wetenschappelijk en technologisch

Kabinet van de Vlaamse Vice-minister-president en tevens

onderzoek werd hierbij verder vervolledigd met maatregelen

voorzitter en ondervoorzitter van het beheerscomité van het

om het innovatievermogen van ondernemingen te verhogen,

Expertisecentrum O&O-monitoring,

om de kleine en middelgrote ondernemingen meer innovatie-

• Mevrouw Linda De Kock van de Administratie Hoger Onderwijs,

kansen te bieden, en om het bredere publiek dichter bij

• Mevrouw Danielle Gilliot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad,

het wetenschaps- en innovatiegebeuren te betrekken.

• Mevrouw Pascale Dengis van het Departement Economie,

Het is dan ook nuttig en wenselijk om het geheel aan acties,

• De Heer Eric Sleeckx van het IWT,

en hun reeds meetbare resultaten, in een coherent, regelmatig

• De Heer Edwin Pelfrene van de studiedienst van de Vlaamse

Wetenschap en Innovatie,

te verschijnen indicatorenboek te bundelen. Dit is dan ook de

Gemeenschap,

doelstelling van dit vijfde Vlaams Indicatorenboek Wetenschap,

• Mevrouw Daniëlle Raspoet en Mevrouw Kristine Vercoutere

Technologie en Innovatie, dat de eerdere tijdsreeksen die in

van de Vlaamse Raad voor Wetenschaps- en Innovatiebeleid,

vorige Indicatorenboeken verschenen, verder actualiseert en

• De Heer Hans Willems van het FWO,

uitbreidt. Zo wordt het mogelijk, dankzij de inspanningen die

• De collega’s Tim Engels (ECOOM-Antwerpen), Wolfgang Glänzel

de laatste tien jaar op het vlak van dataverzameling en

(ECOOM-Leuven) en Karen Vandevelde (ECOOM-Gent),

regionalisering van wetenschaps-, technologie- en innovatie-

• Mevrouw Dani Vandepoel die het ganse opzet administratief

indicatoren op Vlaams niveau werden geleverd, een valide en

in goede banen heeft geleid,

internationaal vergelijkbaar overzicht te geven van de situatie in die samen de nodige expert-inzichten en inbreng geleverd

van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

hebben bij het tot stand komen van de Vlaamse O&O gegevens.

Na een overzicht van het wetenschaps-, technologie- en

Daarnaast danken we tevens alle auteurs die op basis van de

innovatie-systeem in Vlaanderen, worden de verschillende

inbreng van de redactiegroep, de verschillende hoofdstukken

actoren, programma’s en hun resultaten in de daaropvolgende

en dossiers hebben uitgewerkt, geschreven en gedocumenteerd

hoofdstukken in detail besproken en, waar mogelijk,

met relevant en betrouwbaar cijfermateriaal.

internationaal vergeleken. Alsdusdanig wordt een globaal overzicht bekomen van de respectievelijke actoren en hun

Zonder hun gezamenlijke inspanning was dit vijfde Indicatoren-

bijdrage tot de werking van het Vlaams Innovatie Systeem.

boek nooit tot stand kunnen komen!

Aan de hand van zeven dossiers, die dit boek afsluiten, worden bovendien een aantal recente studies inzake

Van harte dank!

wetenschap en innovatie samengevat die in opdracht van de Vlaamse overheid werden uitgevoerd sinds het verschijnen van de vorige editie van dit Indicatorenboek.

Prof. Koenraad Debackere en Prof. Reinhilde Veugelers Redacteurs Vlaams Indicatorenboek Wetenschap,

Uiteraard kan dergelijk Indicatorenboek slechts tot stand

Technologie en Innovatie

komen dankzij de bundeling van de inspanningen van vele enthousiaste medewerkers.

Leuven, september 2011

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011

Vlaanderen op vlak van de bestedingen voor en de resultaten


12


13

HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

01


14

1.1 SITUERING

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) fungeert als centraal adviesorgaan van de Vlaamse overheid inzake het

In dit inleidend hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van

WT&I-beleid en staat aldus tussen alle beleidsactoren in.

de voornaamste actoren in het Vlaams Wetenschap,

Daarnaast zijn er specifieke overlegorganen tussen actoren,

Technologie en Innovatie (afgekort als WT&I)-systeem en van

zoals de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse

hun rol hierin. Sinds het begin van de jaren 1990 heeft dit

Hogescholen Raad (Vlhora) die ook inzake WT&I-materies

Vlaams WT&I-systeem volop vorm gekregen. Als gevolg van

coördinerend en adviserend optreden tussen en voor hun leden,

de continu voortschrijdende federalisering van België werden

doch wiens activiteitenspectrum uiteraard ruimer is dan enkel

significante bevoegdheidspakketten inzake het WT&I-beleid

WT&I-materies. Beide raden werken sinds 2010 voor een aantal

en zijn implementatie ondergebracht bij de Gewesten en

materies samen in de Vluhr, de Vlaamse universiteiten en

Gemeenschappen. Bij de analyse van het Vlaamse WT&I-beleid

hogescholenraad. Tot slot vermelden we ook de Commissie voor

dient men dan ook rekening te houden met de specifieke

Federale Samenwerking (de CFS) en haar werkgroep CFS-STAT

Belgische federale staatsstructuur, die een onderscheid maakt

die instaat voor de coördinatie en de afspraken tussen federale

tussen gewest- en gemeenschapsmateries. Voor wat betreft de

en regionale overheden inzake indicatorontwikkeling en -

betrokkenheid van de “private” sector (bedrijfssector en

implementatie. Het is duidelijk dat dit landschap continu in

instellingen zonder winstoogmerk) en de Vlaamse overheid bij

beweging is. Zo lopen er via het instrument van de IWT-

het “meten” van de resultaten van het WT&I-beleid, wordt het

haalbaarheidsstudies, dat in de loop van de jaren 2007 en

Vlaams Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. Het hoger

2008 volledig operationeel werd, continu studies voor nieuwe

onderwijs is evenwel gemeenschapsmaterie. De politieke keuze

initiatieven inzake analyse en voorbereiding van mogelijke

van de Vlaamse Gemeenschap bestaat erin de Vlaamse publieke

strategische onderzoekscentra en competentiepolen.

middelen die worden toegekend aan onderwijsinstellingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd,

Sinds 1995 heeft de Vlaamse overheid een uitgesproken

bij Vlaanderen te tellen en dit zowel voor wat betreft de

stimuleringsbeleid

statistieken die worden opgemaakt per financieringsbron als

De zogenaamde “inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet,

voor wat betreft deze voor de uitvoering van het onderzoek.

heeft ervoor gezorgd dat sinds 1995, de Vlaamse overheids-

gevoerd

inzake

WT&I

activiteiten.

kredieten voor Onderzoek en Ontwikkeling (verder afgekort De sleutelactoren in de conceptie en de uitvoering van dit

als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft ertoe geleid

Vlaams WT&I-beleid zijn vandaag: het departement Economie,

dat Vlaanderen anno 2009 een ratio van 2,12% (berekend op

Wetenschap en Innovatie (EWI), het Vlaams Instituut voor de

Gewestniveau) of 2,18% (berekend op Gemeenschapsniveau)

bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek

van het Bruto Binnenlands Product per Regio besteedt aan

in de Industrie (IWT), het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek

O&O-activiteiten, waarbij deze laatste naast onderzoek en

Vlaanderen (FWO-Vlaanderen), de Hercules-Stichting ter

ontwikkeling uiteraard ook een belangrijke innovatiecomponent

financiering middelzware en zware onderzoeksapparatuur,

bevatten, zoals verder zal blijken uit de verschillende hoofdstukken

de grote Vlaamse strategische onderzoekscentra - de zogenaamde

van dit Indicatorenboek. Daarmee scoort Vlaanderen nog

SOC’s - (IMEC, VITO, VIB en IBBT), de Vlaamse universiteiten

steeds boven het Europees gemiddelde. Aan de kant van

en hun associaties (K.U.Brussel, K.U.Leuven met campus

de overheid merken we daarbij een continue en consistente

Kortrijk, Universiteit Hasselt met als zusteruniversiteit de tUL

stijging van de geleverde inspanningen. Aan de kant van

(transnationale Universiteit Limburg), U. Antwerpen, U. Gent

de bedrijfsuitgaven voor O&O is de trend eerder stagnerend.

en V.U.Brussel), drie autonome kennisinstituten (ITG - Instituut voor Tropische Geneeskunde, de Vlerick Leuven Gent

De Vlaamse overheid is er dus in geslaagd haar inspanningen

Management School en de AMS Management School), en de

op peil te houden, al blijkt verdere groei de laatste jaren niet

competentiepolen die de brug slaan naar de diffusie en toepassing

steeds evident gelet op de economische en financiële uitdagingen

van nieuwe technologieën in het bedrijfsleven. De hogescholen

waarmee ook de Vlaamse regio geconfronteerd wordt.

die heel belangrijke actoren zijn in het toegepast wetenschappelijk onderzoek zijn, via de vorming van de associaties, met hun respectievelijke associatie-universiteiten verbonden.


15

Niettegenstaande die uitdagingen, heeft de Vlaamse overheid

Ten tweede heeft het Vlaamse WTI-beleid op gezette

in 2011 beslist om het O&O-groeipad resoluut verder te zetten,

tijdstippen de nood herkend en erkend om voor bepaalde,

met een bijkomende stijging van de O&O-budgetten ten belope

toekomstgerichte speerpuntdomeinen een voldoende concentratie

van 65 miljoen euro reeds in 2011, gevolgd door engagementen

aan middelen te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er

van 60 miljoen euro in 2012, 70 miljoen euro in 2013 en nog

dus meer “top-down” gerichte interventies die de vrijheids-

eens 70 miljoen euro in 2014. Deze engagementen zijn recurrent

graden voor “bottom-up” onderzoek en ontwikkeling aanvullen,

en cumulatief! Er blijven duidelijk nog heel wat extra-inspanningen

integreren en bundelen tot meer slagkracht. Getuige hiervan

te leveren wil men de 3% norm halen die Europees Commissaris

zijn de vier grote strategische onderzoekscentra: IMEC (op het

Busquin in 2002 heeft geïntroduceerd, doch de Vlaamse overheid

vlak van nano- en micro-elektronica), VITO (op het brede vlak

is zich daarvan ten volle bewust en zet er zich voluit voor in.

van technologisch onderzoek), VIB (op het vlak van biotechnologie) en recent het IBBT (op het vlak van

Onderzoek, innovatie en welvaart zijn bijgevolg sleutelbegrippen

breedbandtechnologie). Deze concentratie is nagenoeg steeds

geworden in het beleid van elk land of regio. Innovatie wordt

het gevolg geweest van succesvolle “bottom-up” inspanningen

daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd als de succesvolle

én

transformatie van creativiteit en kennis in economische waarde.

onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële.

Innovatie is vandaag de centrale hefboom tot waardecreatie.

Recentelijk zijn in diezelfde sfeer ook de strategische

Waar het economisch weefsel in het Westen zich tot bijna

onderzoeksinitiatieven rond materialen en translationele

excellentie

qua

bereikte

resultaten

vanuit

de

het eind van de vorige eeuw kon handhaven door zich te

biomedische innovatie gestart. Meer bepaald door de oprichting

differentiëren op basis van productiviteit, kwaliteit en flexibiliteit,

in 2009 van het SIM (Strategisch Initiatief Materialen) en het

is dit vandaag zonder meer uitgesloten. Uiteraard zijn deze

CMI (Centrum voor Medische Innovatie), met de expliciete

drie sleutelfactoren nog steeds van groot belang, doch het zijn

steun van de Vlaamse overheid. Beide initiatieven zouden

nodige voorwaarden tot competitiviteit en groei geworden.

op termijn kunnen uitgroeien tot nieuwe strategische

Volstaan doen ze al een tijdje niet meer. Innovatie en

onderzoekscentra.

internationalisatie zijn de echte welvaartsdifferentiatoren Daarnaast zijn er de sterk vraaggedreven, innovatiegerichte

ook hard gewerkt aan het ondersteunen van deze transformatie-

middelenconcentraties en platformen, de zogenaamde

processen. Vandaag wordt daarom meer dan ooit de kritische

competentiepolen, met als doel het bedrijfsweefsel maximaal te

vraag gesteld of we niet nog “beter” kunnen met ons WTI-beleid.

ondersteunen met kennistoepassingen op een specifiek

Dit “beter” kent een eenvoudig maar belangrijk bijkomend

thematisch domein. We vermelden hier de lopende initiatieven

beoordelingscriterium: welke resultaten worden behaald?

van gerichte technologieontwikkeling voor de automobielindustrie

De tijd van “input-denken” is immers aan verdere actualisatie toe:

(Flanders’ Drive), voor de mechatronica-industrie (Flanders’

“output-denken” zal de komende jaren nieuwe inzichten brengen.

Mechatronics), voor het ondersteunen van de toepassing van

Bij dit “output-denken” staan zowel de economische als de

geavanceerde methodologieën voor materiaalkundig onderzoek

maatschappelijke finaliteit van het Vlaamse WT&I-beleid centraal.

(Flanders’ Materials Research Centre of FLAMAC, dat sinds 2009

Innovatietrajecten waarbij economische en maatschappelijke

werd geïntegreerd in het SIM-initiatief, zie vorige paragraaf),

finaliteit elkaar versterken, bieden immers duidelijk een sterke,

voor de voedingsindustrie (Flanders’ Food), voor de design

positieve wissel op de toekomst van de regio. Het Vlaamse

industrie (Flanders’ InShape), voor de kunststoffenindustrie

WTI-beleid wordt vandaag bij wijze van samenvattend

(PlasticVision), voor de logistieke sector (Vlaams Instituut voor

overzicht gekenmerkt door de volgende tendensen.

de Logistiek - VIL), voor de sector van de mobiliteit (Vlaams Instituut voor de Mobiliteit - VIM), op vlak van waterkwaliteit

Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte voor “bottom-up”

(VLAKWA), en voor de ontwikkeling van innovatieve

initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de onderzoekswereld

arbeidsorganisaties (Flanders’ Synergy). Tevens werd sinds

(op initiatief van de vorser) of vanuit het bedrijfsleven (eigen

2009 het concept van de proeftuinen geïntroduceerd waarbij

O&O-projecten) zelf ontstaan. Significante hoeveelheden

de verschillende kennisactoren rond een thematische

middelen zijn beschikbaar voor “bottom-up” projectfinanciering.

infrastructuurcomponent samenwerken, bijvoorbeeld de

We vinden deze in grote mate terug bij het IWT, het FWO-

proeftuin elektrische voertuigen.

Vlaanderen en het Bijzonder Onderzoeksfonds (het zogenaamde BOF) van de universiteiten.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

geworden. Vlaanderen heeft gedurende de laatste twintig jaar dan


16

De laatste jaren is, dankzij de oprichting de Hercules-Stichting,

Mobiliteit tussen de Vlaamse universiteiten, kenniscentra en

een gestructureerde aanpak ontwikkeld die het belang van

ook met het bedrijfsleven (via het Baekeland programma)

een goede onderzoeksinfrastructuur expliciet op de voorgrond

wordt eveneens structureel aangemoedigd. Het stimuleren

brengt. Deze onderzoeksinfrastructuur is zowel voor het

van diversiteit in de Vlaamse onderzoekspopulatie, door onder

bedrijfsleven als voor de kennisinstellingen van groot belang

andere het structureel stimuleren van de vervrouwelijking van

wil men onderzoeksmatig internationaal competitief blijven

de onderzoekspopulatie, staat ook duidelijk op de agenda van

meespelen. Het Herculesinitiatief ter financiering van

het WTI-beleid.

middelzware en zware apparatuur kent bijgevolg een gecombineerd aanbod- en vraaggericht karakter.

Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen.

Ten derde hebben de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de

De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via

publieke sector als uit de private sector, ruim aandacht besteed

de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige

aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die

financiële hefbomen te creëren onder de vorm van de

noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk

investeringsvehikels Arkimedes en VINNOF (i.e. het Vlaams

toegankelijk WTI-landschap (of Regionaal Innovatiesysteem) te

Innovatiefonds). Recent werd bovendien het SOC-fonds

creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de

opgericht, met als doel investeringsmiddelen ter beschikking te

nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus

stellen van de Strategische Onderzoekscentra om op die manier

van het WTI-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol.

hun spin-off beleid nog verder te stimuleren. Met de recente

De creatie (en verlenging in 2010) van 5 regionale innovatie-

goedkeuring van het Witboek Nieuw Industrieel Beleid, zal

centra, als een “joint-venture” tussen het IWT en het Agentschap

vanaf 2011 ook het TINA-fonds (het zogenaamde Transformatie

Ondernemen (AO) kadert in dit regionaal beleid, naast andere

en INnovatieAcceleratie fonds) 200 miljoen euro aan investerings-

vraaggedreven samenwerkings- en stimuleringsverbanden

middelen kunnen inzetten in het kader van een op innovatie

(de zogenaamde VIS-trajecten).

gestoeld industrieel transformatiebeleid. Op die manier zorgt de Vlaamse overheid voor een coherent en afgestemd geheel

Ten vierde kan een Vlaams WTI-beleid onmogelijk plaatsvinden

aan investeringskanalen ter bevordering van de economische

in een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse

dynamiek van de Vlaamse regio.

aanwezigheid in de Europese Kaderprogramma’s en sinds een aantal jaar ook bij de ERC-grants (naast de veelheid en diversiteit

Ten achtste, naast subsidiemaatregelen, is er de laatste tien jaar

aan andere EU-initiatieven), evenals in de verschillende acties en

ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli

programma’s van de Belgische federale overheid, zijn en blijven

voor onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient

dan ook een continu aandachtspunt van het Vlaams WTI-beleid.

de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven,

Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft

meer dan een gewone vermelding. Het is een maatregel met

qua WTI-performantie mede het gevolg van de significante

een significante financiële impact voor alle betrokken actoren.

bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector

Bovendien is de maatregel ook beleidsmatig heel cruciaal

in het Vlaams WTI-systeem mag dus helemaal niet worden

omdat hij aantoont dat de stimulering van onderzoek en

onderschat. Innovatie is en blijft immers een zaak van het

innovatie in de toekomst hoe dan ook zal evolueren naar een

bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die creativiteit en

mix van meer generieke fiscale stimuli en meer specifieke

kennis transformeren tot marktresultaten en economische waarde.

subsidiestimuli. Met andere woorden, de innovatie “policy mix” zal hierdoor mogelijks vrij ingrijpend veranderen. In die context

Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet

is het, naar het bedrijfsleven toe, eveneens relevant om te

veel aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit

verwijzen naar de fiscaal voordelige behandeling van het

en diversiteit in de onderzoekspopulatie. Zo zijn er gericht

economisch gebruik octrooien in ons land.

maatregelen genomen om beloftevolle, zeer performante onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen te halen (het Odysseus programma) en om excellente onderzoekers voldoende financiële armslag te geven (het Methusalem programma).


17

Ten negende, heeft de Vlaamse overheid ook voldoende oog

Het BBPR moet onderscheiden worden van het Bruto

voor de creatie van innovatieve beleidsinstrumenten ter

Regionaal Product (BRP), wat de tegenhanger is van het Bruto

stimulering van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de

Nationaal Product (BNP). Het BBPR is samengesteld uit de som

maatregelen die door de Vlaamse regering worden genomen

van de bruto toegevoegde waarden (tegen basisprijs, in

om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier,

werkelijke prijzen) van alle bedrijfstakken binnen de geografische

door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatie-

eenheid, vermeerderd met de BTW op de producten en met

gedrag van de Vlaamse ondernemingen verder te stimuleren.

de indirecte belastingen bij de invoer, en verminderd met subsidies bij de uitvoer. Verdiscontering van de BTW, de indirecte

Tot slot, en meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij

belastingen en de subsidies, geschiedt overeenkomstig de

de regionalisering snel oog gehad voor het opdrijven van de

verdeling van de bruto toegevoegde waarde over de gewesten,

O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een

wat maakt dat het aldus bepaalde BBPR een schatting betreft,

eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze werd

weliswaar volgens de bepalingen van Eurostat, het Europees

sindsdien continu en op significante wijze verder gezet en

Bureau voor de Statistiek. Tabel 1.1 en tabel 1.2 geven

geactualiseerd conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat

de geschatte waarden van het BBPR voor het Vlaamse Gewest

voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas

(en de andere gewesten) voor opeenvolgende jaren van

vermelde 3% O&O-norm moest onderbouwen. Gelet op deze

de periode 1980-2009 evenals de projecties tot en met 2015,

inhaalbeweging, gelet op de aanzienlijke middelen die door

in constante prijzen (met 2000 als referentiejaar) en in

de Vlaamse overheid worden ingezet in het kader van innovatie

lopende prijzen.

en economische ontwikkeling, en gelet op voorgaande beschouwingen over resultaatgerichtheid, zal de Vlaamse overheid

Een tweede gegeven, relevant voor de normalisering van

de komende jaren terecht expliciet aandacht besteden aan het

bepaalde WT&I-gegevens, betreffen de bevolkingsgegevens.

op een valide en transparante wijze in kaart brengen van de

De basisgegevens voor de bevolking woonachtig in het

resultaten of “outputs” van deze investeringen en inspanningen.

Vlaamse Gewest zijn afgeleid uit de tabellen van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) dat op zijn beurt aangewezen is op de registraties van de loop van de bevolking door het

de uitvoering van het Pact 2020 van de Vlaamse Regering

Rijksregister. Aangenomen wordt dat de bevolking van de

dat samen met het Vlaanderen-in-Actie programma een

“Vlaamse Gemeenschap” is samengesteld uit de bevolking van

toekomstbeleid voor Vlaanderen uittekent rond zes doorbraken

het Vlaamse Gewest en 20 procent van de bevolking van het

naar 2020 toe (de open ondernemer, de lerende Vlaming,

Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 1.3 geeft de

het medisch centrum Vlaanderen, het groen stedengewest,

bevolkingsgegevens weer per 1 januari 2010.

de slimme draaischijf Europa, en een slagkrachtige overheid).

1.2 VLAANDEREN: ENKELE KERNCIJFERS De federalisering van de Belgische staat heeft ervoor gezorgd dat een statistisch apparaat op Vlaams niveau werd gecreëerd. Dit leidt tot volgende belangrijke eerste-orde gegevens voor Vlaanderen, relevant voor verdere normalisatie van de WT&Igegevens. In de eerste tabellen wordt de evolutie van het Bruto Binnenlands Product per Regio weergegeven. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) is een maat voor de welvaart welke gecreëerd wordt binnen een afgebakend gebied. De maat laat zich het eenvoudigst berekenen voor nationale staten, maar ook het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR) voor regio’s of deelgebieden binnen nationale staten kan bepaald worden mits een aantal aannames.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

Dit alles is dan ook een belangrijk beleidsaandachtspunt in


18

Tabel 1.1:

Gewestelijke verdeling van het Bruto

Tabel 1.2:

Gewestelijke verdeling van het Bruto

Binnenlands Product per Regio, in constante

Binnenlands Product per Regio, in lopende

prijzen, 1980-2009, met projecties voor

prijzen, 1980-2009, met projecties voor

de periode 2010-2015, in miljoen euro en

de periode 2010-2015, in miljoen euro.

met referentiejaar 2000

1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

Brussels Gewest 35.085,4 36.172,8 35.684,9 35.141,4 35.828,6 35.816,2 36.099,9 37.046,3 37.918,4 38.746,8 40.647,8 40.057,8 40.634,7 39.883,9 41.313,2 41.649,2 42.610,8 43.572,6 44.452,9 46.422,9 48.055,5 48.959,1 50.316,5 50.366,5 51.583,8 52.832,2 54.148,2 55.078,6 55.992,5 54.769,3 55.705,3 56.627,5 57.824,0 58.953,5 60.308,7 61.572,6

Vlaams Gewest 86.356,7 85.458,3 86.822,1 87.610,3 90.829,2 92.980,1 94.410,2 97.666,1 103.617,8 109.707,9 113.366,1 115.476,1 117.044,3 116.314,6 120.909,9 124.699,9 126.232,4 132.171,4 134.499,1 139.592,9 144.783,2 145.323,6 147.043,8 148.203,0 153.356,3 155.971,0 160.693,9 166.616,2 168.004,8 162.929,8 166.105,2 169.202,6 173.267,3 177.339,8 181.601,4 185.858,5

Waals Gewest 41.767,2 42.023,1 41.682,5 41.811,2 42.046,7 42.376,5 42.970,9 43.855,5 45.897,9 47.572,2 48.486,1 50.699,7 51.096,6 50.694,4 51.669,2 52.739,8 53.327,9 54.743,9 55.980,9 57.244,2 59.376,9 59.916,0 60.313,3 61.128,5 63.154,1 64.031,4 65.539,1 66.916,2 67.616,8 65.900,7 67.018,8 68.033,9 69.624,9 71.019,4 72.531,6 74.085,0

1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

Brussels Gewest 18.690,3 20.201,3 21.409,0 22.412,1 24.312,0 25.467,9 26.744,2 27.867,1 28.919,2 30.387,9 32.683,8 33.440,9 35.242,1 36.244,9 37.890,8 39.619,6 40.557,0 41.707,4 43.439,9 45.347,0 48.055,5 49.820,2 52.121,0 53.192,3 55.512,5 57.953,3 59.922,3 62.563,1 64.541,0 63.677,2 65.598,3 67.912,4 70.616,5 73.343,9 76.369,4 79.419,4

Vlaams Gewest 46.989,0 48.676,0 53.294,3 56.687,0 61.736,3 66.313,0 69.447,8 72.505,4 78.500,9 86.279,0 91.782,1 96.090,2 100.793,7 103.940,4 110.255,2 118.176,9 120.141,7 126.917,5 131.357,1 136.904,4 144.783,2 148.725,5 153.549,3 158.082,7 167.303,8 174.011,8 183.646,3 194.422,0 199.654,6 195.563,5 202.786,4 210.888,8 220.843,7 231.112,0 241.691,0 252.606,3

Bron: HERMREG , december 2010 - Jaren 1980-1994: retropolatie door HERMREG-team (Fed. Planbureau en gewestelijke statistiekinstellingen); - 1995-2008: basismateriaal regionale rekeningen INR, waarbij bbp van het extraregionaal gebied (ambassades‌) verdeeld werd over de 3 gewesten; - Jaren 2009 en volgende: ramingen en prognoses door HERMREG-team (Fed. Planbureau en gewestelijke statistiekinstellingen).

Waals Gewest 22.607,3 23.687,2 25.461,4 27.017,4 28.599,8 30.153,8 31.438,4 32.400,8 34.640,1 37.373,3 38.875,0 41.589,1 43.653,4 44.881,4 46.893,5 49.854,2 50.695,8 52.577,5 54.892,9 56.317,2 59.376,9 60.887,5 62.585,7 64.441,2 68.008,6 70.880,2 74.624,7 77.962,8 80.480,1 79.543,6 82.196,7 85.134,4 89.008,6 92.802,8 96.771,5 100.944,5


19

Tabel 1.3:

Bevolking per Gewest per 1 januari 2010 Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Rijk

Duitstalige Gemeenschap

Stand op

Vlaams Gewest

Waals Gewest (incl. Duits. Gem.)

EU27 (miljoen)

01/01/2010

6.251.983

3.498.384

1.089.538

10.839.905

75.222

01/01/2009

6.208.877

3.475.671

1.068.532

10.753.080

74.540

01/01/2008

6.161.600

3.456.775

1.048.491

10.666.866

497,5

01/01/2007

6.117.440

3.435.879

1.031.215

10.584.534

495,1

01/01/2006

6.078.600

3.413.978

1.018.804

10.511.382

01/01/2005

6.043.161

3.395.942

1.006.749

10.445.852

72.512

491,0

01/01/2004

6.016.024

3.380.498

999.899

10.396.421

71.899

488,8

01/01/2003

5.995.553

3.368.250

992.041

10.355.844

486,6

01/01/2002

5.972.781

3.358.560

978.384

10.309.725

484,6

01/01/2001

5.952.552

3.346.457

964.405

10.263.414

483,8

01/01/2000

5.940.251

3.339.516

959.318

10.239.085

482,8

01/01/1999

5.926.838

3.332.454

954.460

10.213.752

01/01/1998

5.912.382

3.326.707

953.175

10.192.264

01/01/1997

5.898.824

3.320.805

950.597

10.170.226

01/01/1996

5.880.357

3.314.568

948.122

10.143.047

01/01/1995

5.866.106

3.312.888

951.580

10.130.574

01/01/1994

5.847.022

3.304.539

949.070

10.100.631

01/01/1993

5.824.628

3.293.352

950.339

10.068.319

01/01/1992

5.794.857

3.275.923

951.217

10.021.997

01/01/1991

5.767.856

3.258.795

960.324

9.986.975

01/01/1990

5.739.736

3.243.661

964.385

9.947.782

01/01/1989

5.722.344

3.234.767

970.501

9.927.612

01/01/1988

5.696.051

3.209.319

970.346

9.875.716

01/01/1987

5.685.601

3.205.651

973.499

9.864.751

01/01/1986

5.676.194

3.206.165

976.536

9.858.895

01/01/1985

5.669.879

3.207.646

980.196

9.857.721

01/01/1984

5.662.336

3.208.253

982.434

9.853.023

01/01/1983

5.654.964

3.213.176

989.877

9.858.017

01/01/1982

5.641.579

3.218.236

994.774

9.854.589

01/01/1981

5.634.152

3.229.001

1.000.221

9.863.374

01/01/1980

5.618.952

3.227.443

1.008.715

9.855.110

01/01/1979

5.600.903

3.225.041

1.015.710

9.841.654

01/01/1978

5.584.847

3.223.594

1.028.972

9.837.413

01/01/1977

5.565.991

3.215.259

1.042.052

9.823.302

01/01/1976

5.548.967

3.213.398

1.050.787

9.813.152

01/01/1975

5.527.094

3.206.184

1.054.970

9.788.248

493,0

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1


20

1.3 DE ACTOREN IN HET VLAAMS WT&I-SYSTEEM

Naast de werkingstoelagen om naast het onderwijs het wetenschappelijk onderzoek te financieren, dienen tevens de belangrijke inspanningen vermeld te worden die geleverd

Het Vlaams WT&I-systeem wordt gekenmerkt door een breed

worden op niveau van de betoelaging voor het Bijzonder

spectrum aan actoren die elk hun eigen bijdrage leveren tot

Onderzoeksfonds (BOF), het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF),

de implementatie van O&O- en innovatie-activiteiten. We vatten

het FWO-Vlaanderen, het Strategisch Basisonderzoek (SBO) bij

ze hierna kort samen.

het IWT en de specialisatiebeurzen van het IWT, met het oog op een versterking van het fundamenteel onderzoek. Daarnaast is

1.3.1 De universiteiten

er de werking van de Hercules-Stichting, die de financiering van middelzware en zware onderzoeksapparatuur voor haar

Zoals verder zal blijken spelen de Vlaamse universiteiten

rekening neemt. Via het FWO-Vlaanderen worden tevens

een cruciale rol in het Vlaams WT&I-systeem. Momenteel telt

belangrijke excellentieprogramma’s gefinancierd. Het betreft

Vlaanderen zes universiteiten: K.U.Brussel, K.U.Leuven, UHasselt,

het Odysseus-programma (dat excellente onderzoekers

Universiteit Antwerpen, UGent en V.U.Brussel. Deze universiteiten

terughaalt naar Vlaanderen) en het Methusalem-programma

zijn significante spelers in de wetenschapscreatie in Vlaanderen.

(dat Vlaamse excellente onderzoekers van een significante

Meer dan 85% van alle wetenschappelijke publicatie-output in

onderzoeksfinanciering voorziet).

Vlaanderen is immers afkomstig van deze zes universiteiten. Ook voor wat betreft de vertaling van academisch onderzoek

Voor wat betreft de Vlaamse universiteiten worden de voorbije

naar economisch relevante innovaties toe, wordt de rol van de

vijftien jaar niet enkel gekenmerkt door een significante

universiteiten in toenemende mate erkend en belangrijk geacht

toename van de onderzoeksintensiteit, doch tevens door een

door de Vlaamse overheid. De laatste tien jaar heeft ze daartoe

duidelijke aanpak inzake de kwaliteitsbewaking en -opvolging

een passend wettelijk kader gecreëerd dat onder andere de

van het uitgevoerde onderzoek. Dit kwaliteitsbeleid is en blijft

eigendomsrechten van vindingen gemaakt door universitaire

duidelijke een van de hoofdthema’s voor het management van

onderzoekers toewijst aan de universiteiten.

de Vlaamse universiteiten voor de komende jaren. Temeer daar vanaf het begrotingsjaar 2003 een gedeelte van de

Het Vlaamse universiteitslandschap heeft de laatste jaren nogal

onderzoeksmiddelen die toegewezen worden aan de Vlaamse

wat beweging gekend. Zo werd in de periode 2000-2002

universiteiten, met name van de middelen voor het Bijzonder

de fusie van de drie Antwerpse universiteiten (RUCA, UFSIA en

Onderzoeksfonds aan de universiteiten, verdeeld worden op

UIA) een feit met het ontstaan van de Universiteit Antwerpen

basis van de publicatie- en citatieoutput van de betreffende

(UA) als geïntegreerd geheel. Daarnaast heeft de UHasselt (UH)

instellingen. Waar de meting van deze publicatie-output zich in

een grensoverschrijdende samenwerking met de Universiteit

eerste instantie beperkte tot de Web-of-Science databanken

Maastricht in Nederland, waarbij de tUL of de transnationale

van Thomson-Reuters, en daardoor de Sociale en Humane

Universiteit Limburg werd gecreëerd. Tot slot werden, samen

wetenschappen minder aan bod kwamen in de publicatie-

met de Bachelor - Master hervormingen van het Hoger Onderwijs

tellingen, is de meting van de Vlaamse publicatie-output sinds

in de Europese Unie, samenwerkingsverbanden of associaties

2010 versterkt en uitgebreid door de ingebruikname van het

tussen de Vlaamse universiteiten en de Vlaamse hogescholen

Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand (het zogenaamde

gevormd die de komende jaren het landschap van het hoger

VABB). Het VABB is een uniek databestand dat, onder leiding

onderwijs in Vlaanderen drastisch verder zullen hertekenen

en kwaliteitstoezicht van het zogenaamde Gezaghebbende

en beïnvloeden.

Panel, de publicatie-output in de Sociale en Humane wetenschappen in Vlaanderen in kaart brengt.

De Vlaamse universiteiten hebben in de context van het Vlaamse WT&I-systeem een drievoudige opdracht, waarbij ze:

De Vlaamse overheid heeft verder via verschillende decretale

(1) wetenschappelijk onderwijs verstrekken, (2) wetenschappelijk

bepalingen op de valorisatie van academisch onderzoek sinds

onderzoek definiëren en uitvoeren, en (3) wetenschappelijke en

medio de jaren 1990 eveneens een aantal concrete

technologische dienstverlening verzorgen aan de maatschappij in

beleidslijnen uitgestippeld die het voor universiteiten mogelijk

al haar geledingen, zowel sociaal als economisch. Het onderzoek

maken om de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek

aan de universiteiten wordt daarbij via een veelheid aan

economisch te exploiteren.

kanalen gefinancierd.


21

Zeer concreet is het nu mogelijk voor de Vlaamse universiteiten

Het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC) werd

op een consistente wijze te investeren in spin-off bedrijven die

opgericht in 1985 in het kader van de DIRV-actie (Derde

universitaire wetenschappelijke kennis commercieel valoriseren.

Industriële Revolutie Vlaanderen). Inspirator en oprichter van

Verschillende Vlaamse universiteiten hebben daartoe, samen

IMEC was wijlen Prof. R. Van Overstraeten van het departement

met financiers, participatiefondsen opgericht: het Gemma Frisius

Elektrotechniek van de K.U.Leuven. Het is het “oudste” van

Fonds aan de K.U.Leuven samen met (BNP Paribas) Fortis

de vier onderzoekscentra en het is ondertussen geëvolueerd tot

Private Equity en KBC Private Equity (het eerste Fonds werd

het grootste, onafhankelijk micro-elektronica onderzoekscentrum

opgericht in 1997, het tweede Fonds werd opgericht in 2002,

in Europa. IMEC voert zowel industrieel basisonderzoek uit

en in 2009 werden ze samengevoegd), het Baekeland Fonds

als toegepast onderzoek. Een steeds toenemend gedeelte

aan de UGent samen met (BNP Paribas) Fortis Private Equity en

(meer dan 80% in 2010) van de inkomsten van IMEC ontstaat

GIMV (opgericht in 1998) en gevolgd door het Baekeland II

uit industriële samenwerkingen, waarvan de omvangrijke

Fonds dat met ARKIV-steun werd opgericht, het Wendelen

“Industriële Affiliatie Programma’s” (de zogenaamde IAPs)

Fonds aan de UHasselt samen met (BNP Paribas) Fortis Private

internationaal tot de verbeelding spreken. IMEC ligt eveneens

Equity en KBC (opgericht in 1998; in de loop van 2011 wordt

aan de basis van een 30-tal spin-off bedrijven.

samen met LRM een nieuw investeringsvehikel opgezet), het AIC aan de Universiteit Antwerpen (opgericht in 2001 samen

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is

met Anchis, (BNP Paribas) Fortis Private Equity, GIMV en KBC),

ontstaan in 1993 als een gevolg van de diversificatie van de

en het Brussels I3 Fund aan de V.U.Brussel (opgericht in 2002

activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie. De VITO

samen met de GIMB, Fortis Private Equity, KBC, Mercator en

is actief op de brede domeinen van materiaaltechnologie en

OMOB). In de loop van 2011 is door UGent en VUB een

-onderzoek, milieu-onderzoek en toepassingen, energie, proces-

nieuw, gezamenlijk ARKIV-initiatief opgestart. En, niet minder

technologie, teledetectie en atmosferische processen. De instelling

belangrijk, sinds 1998 heeft de Vlaamse overheid, zoals

richt zich daarbij zeer sterk op de noden van de industrie.

reeds aangehaald, een wettelijk kader gecreëerd waarbij de Vervolgens is er het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB)

worden toegewezen. Dit kader vormt het fundament waarop

dat in 1995 als een virtueel instituut werd opgericht waarin de

het valorisatiebeleid van de Vlaamse universiteiten is gestoeld.

krachten van verschillende uitmuntende biotechnologie

Met het oog op het verder stimuleren en versterken van het

laboratoria aan de Vlaamse universiteiten worden gebundeld.

valorisatiegericht onderzoek, werd door de Vlaamse overheid

Deze bundeling moet niet enkel strategisch basisonderzoek

sinds een vijftal jaar voor de universiteiten (en sinds 2006

verder versterken, doch eveneens de valorisatie van de

eveneens voor de hogescholen toegankelijk), het Industrieel

onderzoeksresultaten op een meer effectieve en efficiënte wijze

Onderzoeksfonds (IOF) opgericht. Het IOF financiert onderzoeks-

mogelijk maken. Het VIB is actief op acht toekomstgerichte

mandaten en -projecten die de kennistransfer naar het

onderzoeksdomeinen, met name moleculair biomedisch

bedrijfsleven toe moeten ondersteunen en verder uitbouwen.

onderzoek, plantgenetica, transgene technologie en gentherapie, humane genetica, immunologie en parasitologie, ontwikkelings-

1.3.2 De Vlaamse onderzoeksinstellingen

biologie, moleculaire genetica en medicinaal proteïne onderzoek.

Naast de universiteiten, die qua fundamenteel onderzoek

Verder werd, op basis van de studie en inzichten van Prof.

de voornaamste actor in het Vlaams WT&I-systeem zijn, heeft

Paul Lagasse, het IBBT opgericht (2004), het Instituut voor

de Vlaamse overheid eveneens geopteerd voor een concentratie

Breedbandtechnologie, dat als een vierde, vraaggedreven

van middelen in een aantal strategische domeinen voor

innovatie-instituut in het Vlaamse landschap van onderzoeks-

wetenschappelijk en technologisch innovatieonderzoek. Dit heeft

instellingen opereert. Het IBBT richt zich als virtueel

geleid tot het ontstaan van vier grote Vlaamse onderzoekscentra.

kennisinstituut op economisch relevante toepassingen van

Dit zijn de zogenaamde SOC’s of Strategische Onderzoeks-

breedbandtechnologie, zoals e-media en e-health toepassingen

centra. Gemeenschappelijke kenmerken van deze centra zijn:

evenals medische beeldverwerking. Op die manier wil de

hun financiering door de Vlaamse overheid op basis van

Vlaamse overheid zich volop inschakelen in de belangrijke

vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en hun oriëntatie naar

digitale evoluties van de 21ste eeuw. De complementaire rol

de industrie toe. Zowel inhoudelijk als qua opdracht en

van het Vlaamse bedrijfsleven en kenniscentra op dit domein

concrete werking verschillen de vier centra van elkaar.

staat daarbij centraal.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

eigendomsrechten op academische vindingen aan de universiteit


22

Door de Vlaamse overheid werden sinds 2009 nog twee

(Flanders’ Materials Research Center of FLAMAC, sinds 2009

nieuwe initiatieven opgestart, het Strategisch Initiatief

geïntegreerd in het SIM-initiatief), het kennisinitiatief op vlak

Materialen (SIM) en het Centrum voor Medische Innovatie

van voedingstechnologie (Flanders’ Food), op vlak van

(CMI), met focus op materialenonderzoek enerzijds en

productontwikkeling en -ontwerp (Flanders’ Inshape), op vlak van

translationeel biomedisch onderzoek (met inzonderheid de

kunststofverwerking (PlasticVision), op vlak van mobiliteit (VIM

creatie van een Vlaamse biobank) anderzijds, die op termijn

- Vlaams Instituut voor de Mobiliteit), op vlak van waterkwaliteit

zouden kunnen uitgroeien tot twee nieuwe strategische

(VLAKWA) en op het vlak van innovatieve arbeidsorganisatie

onderzoekscentra.

(Flanders’ Synergy). Het betreft hier steeds publiek-private partnerships die voor een belangrijk technologisch toepassings-

Naast deze vier “grote” onderzoekscentra, beschikt Vlaanderen

domein een complementaire krachtenbundeling nastreven tussen

nog over vier instellingen die eerst opgericht werden op basis

industriële partners en academische onderzoeksgroepen.

van het Koninklijk Besluit van 1961 op de wetenschappelijke instellingen. Hun opdracht bestaat erin wetenschappelijk

Het is duidelijk dat dit landschap continu in beweging is.

onderzoek op hun domein op te volgen, de resultaten ervan

Zo lopen er via het instrument van de IWT-haalbaarheids-

in beleidsgerichte aandachtspunten te vertalen en eveneens

studies, dat in de loop van de jaren 2007 en 2008 volledig

zelf beleidsgericht onderzoek uit te voeren. Deze centra zijn:

operationeel werd, continu studies voor nieuwe initiatieven

(1) het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE),

inzake analyse en voorbereiding van mogelijke onderzoeks-

(2) het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO),

centra en competentiepolen.

(3) het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en (4) het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen

1.3.3 De collectieve centra

(KMSKA). Deze centra (met als prominente spelers: BIL, Centexbel, CRM, Daarnaast beschikt Vlaanderen nog over drie autonome

OCW, SIRRIS, WTCB, WTOCD) werden opgericht door de

kennisinstellingen die nauwe banden hebben met een aantal

Belgische bedrijfsfederaties, meestal onder de vorm van vzw’s,

Vlaamse universiteiten. Het ITG, Instituut voor Tropische

en doen in de eerste plaats aan toegepast onderzoek dat

Geneeskunde, is een wereldleider op het domein van HIV- en

relevant is voor de bedrijven uit hun sector. Daarnaast nemen

AIDS-onderzoek. Met de twee managementscholen, de Vlerick

zij vaak deel aan Europese, federale en Vlaamse onderzoeks-

Leuven Gent Management School en de AMS - Antwerp

programma’s en - of voeren zij zelf onderzoek uit om hun

Management School, is Vlaanderen ook in de wereld van het

kennisniveau op peil te houden. Meer specifiek, in het kader

managementonderwijs en –onderzoek prominent aanwezig in

van steunverlening via het IWT kunnen deze centra dergelijk

Europa en de wereld.

onderzoek definiëren en uitvoeren. Tevens voeren zij, op vraag van individuele bedrijven, contractonderzoek uit.

Verder dient vermeld dat sinds 2001 het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) tenvolle operationeel werd, met als doel het

1.3.4 De bedrijven

aanzienlijk potentieel op het gebied van zeewetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen verder te bundelen en internationaal

De bedrijven zijn niet weg te denken uit het Vlaams WT&I-

te valoriseren door participatie aan belangrijke programma’s

systeem. Zij nemen een vooraanstaande plaats in voor wat

van Europese en multinationale organisaties te faciliteren.

betreft hun aandeel in het totaal aan WT&I-uitgaven in

Het VLIZ omvat eveneens het Vlaamse Maritiem Data Centrum.

Vlaanderen. Meer bepaald, staan de bedrijven in voor afgerond 70% van de O&O-financiering in het Vlaams Gewest. Het dient

Tot slot dienen ook de steeds vaker voorkomende en op

echter wel gezegd dat ze een zeer heterogene groep vormen.

innovatie gerichte platformen (de zogenaamde “competentiepolen”) te worden vermeld, zoals deze op het vlak van

De meeste grote ondernemingen zijn duidelijk innovatie-actief.

technologieontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders’

Sommige onder hen hebben aanzienlijke onderzoeksbudgetten.

Drive), voor de mechatronica- industrie (Flanders’ Mechatronics),

Echter, gelet op de industriële textuur in Vlaanderen, behoort

voor het ondersteunen van kennisopbouw op vlak van logistiek

het merendeel van deze grote ondernemingen tot multinationale

(VIL - Vlaams Instituut voor de Logistiek), voor de toepassing

groepen zodat hun onderzoeksbeleid niet enkel in en vanuit

van geavanceerde methodologieën voor materiaalonderzoek

Vlaanderen wordt bepaald.


23

Naast de grote, innovatie-intensieve ondernemingen, is de

Ook de Vlaamse kennisinstellingen en intermediairen zijn

laatste jaren een groep van hoog-technologische kleine en

hierin belangrijke partners en ontvangen daartoe de nodige

middelgrote ondernemingen ontstaan die gestadig aangroeit,

financiële steun. Het IWT speelt daarnaast ook een centrale

niettegenstaande de tegenslagen (en bijhorende falingen) die

rol bij het toekennen van specialisatie-beurzen voor doctoraats-

zich hebben voorgedaan in de periode 2000-2001 die volgde

opleidingen en post-doctorale vorsers in wetenschappelijk en

op het barsten van de “internet-bubble” evenals het moeilijke

technologisch onderzoek aan de universiteiten. Verder ondersteunt

economische klimaat van de laatste twee jaar. Daarnaast is er

het IWT het bedrijfsleven inzake deelname aan internationale

een grote meerderheid van kleine en middelgrote ondernemingen

technologische programma’s, inzake de overdracht van

die zelf niet aan onderzoek doet, doch waarvan sommigen

technologie en het zoeken naar partners, evenals inzake

tot op zeker hoogte onderzoek uitbesteden, of nog, waarvan

(eerste lijns)begeleiding. Het IWT coördineert bovendien

een aantal zeker innovatiegericht kan worden genoemd.

de werkzaamheden van de technologische adviseerdiensten onder andere bij de sectoriële collectieve onderzoekscentra.

1.3.5 De hogescholen

Via haar eenheid Monitoring & Analyse speelt het IWT tevens een rol bij het waarnemen en het beleidsgericht evalueren

In 1997 werd in opdracht van de Vlaamse regering door het

van tendensen op het domein van technologische evolutie en

IWT de actie “HOBU-Fonds” gelanceerd. Het HOBU-fonds

innovatie in Vlaanderen.

werd ondertussen geactualiseerd en omgevormd tot Sinds 2008 zijn, conform de Europese kaderregeling, nieuwe

de opwaardering en de valorisatie van het technologisch

steunregels van kracht. Deze bouwen verder op de regels

onderzoek aan de Vlaamse hogescholen. Anderzijds wil men

die op 5 oktober 2001 door de Vlaamse regering werden

via de hogescholen (vooral kleinere) bedrijven de mogelijkheid

goedgekeurd. Dit laatste financieringsbesluit verving het

bieden om op de hoogte te blijven van de mogelijkheden die

zogenaamde FIOV-besluit van 23 oktober 1991. Naast de

geboden worden door technologische ontwikkelingen. Op die

administratieve vereenvoudigingen en de verruiming van de

manier worden de hogescholen verder gestimuleerd in hun

subsidieerbare kosten die opgenomen werden in de

opdracht om naast onderwijs, ook actief met toegepast

steunregelgeving, wordt tevens aandacht besteed aan het

technologisch onderzoek bezig te zijn. De Associaties

economisch valorisatiepotentieel in Vlaanderen van de

universiteiten-hogescholen vormen een geschikt kader om in

goedgekeurde projecten. De nieuwe steunregels die sinds

de volgende jaren het onderzoekspotentieel van de hogescholen

2008 van kracht zijn, leggen de basissteunpercentages

verder uit te bouwen. Ook de ontwikkeling van het Industrieel

vast op respectievelijk 15% (experimentele ontwikkeling)

Onderzoeksfonds (IOF) op niveau van de associaties en hun

en 40% (basisonderzoek). Daarbovenop zijn er verschillende,

hogescholen, moet hun rol in het toegepast onderzoek verder

cumuleerbare, additionaliteitsbonussen voorzien, die het

ondersteunen en vormgeven.

steunpercentage tot maximaal 80% kunnen doen oplopen.

1.3.6 De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen,

Ontwikkelingsobjectieven van de Vlaamse overheid (DTO,

De bonussen betreffen, onder andere, de Duurzame Technologie FWO-Vlaanderen, Hercules, BOF en IOF

operationeel sinds 2002), KMO-additionaliteit, additionaliteiten voor samenwerkingsformules en in het bijzonder samenwerking

Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de Aanmoediging van

met kennisinstellingen.

Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) is de operator voor het technologiebeleid in Vlaanderen. Het instituut

Belangrijke evoluties in de activiteitenportfolio van het IWT,

bestaat sinds 1991. De basisfilosofie bestaat erin op te treden als

betreffen de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

“één loket voor de Vlaamse bedrijven.” Het staat in voor de

(VIS). Dit mechanisme wil actief innovatietrajecten te steunen.

financiering van het onderzoek met een economische finaliteit.

Deze trajecten kunnen ingediend worden door een vereniging

Dit betreft zowel onderzoek dat op initiatief van een bedrijf

van bedrijven en kennisinstellingen (federaties, vzw’s, consortia

wordt aangevraagd als de definitie en de implementatie van

of gelijkgestelde collectieve centra en subregionale actoren).

instrumenten die gebruikt worden voor het stimuleren van

Voor de uitvoering van het project kunnen zij een beroep doen

technologische innovatie.

op een brede waaier van kenniscentra (Collectieve Centra, hogescholen, universiteiten en grote onderzoeksinstellingen).

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

het TETRA-fonds. Het wil enerzijds een impuls geven aan


24

Met het VIS wordt het VIN, het Vlaams Innovatie Netwerk dat

Het FWO-Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek -

door het IWT wordt gecoördineerd, gevoed. In het kader van

Vlaanderen) verdeelt de middelen voor fundamenteel onderzoek

het VIN verwijzen we eveneens naar de Innovatiecentra die per

aan de universiteiten en dit vooral onder de vorm van

provincie worden georganiseerd en die zich vooral richten op

(1) beurzen voor doctoraats- en post-doctorale onderzoekers,

het stimuleren van innovatie in het aanwezige KMO-weefsel.

(2) de financiering van onderzoeksprojecten, en (3) de steun aan congressen en symposia. Daarnaast financiert het FWO

Tevens wordt het KMO-programma continu bewaakt en

onderzoeksgemeenschappen waarin Vlaamse en buitenlandse

verbeterd zodat een steeds betere dienstverlening naar de

onderzoekers in een bepaalde discipline elkaar in een

Vlaamse KMO-populatie mogelijk wordt. Sinds 2008 werden

gestructureerd verband kunnen ontmoeten en onderzoeks-

de verschillende instrumenten in dit programma nog verder

ervaringen uitwisselen. Dergelijke netwerken laten de

gestroomlijnd en vereenvoudigd zodat de drempel voor KMO’s

deelnemende onderzoekseenheden toe aan te sluiten bij grote,

om de weg naar het IWT te vinden nog transparanter wordt.

prestigieuze internationale netwerken, die onder meer door de

Het succes van het programma kan worden afgeleid uit het aantal

European Science Foundation worden opgezet. Via het FWO-

projectvoorstellen dat steeg tot meer dan 400 per jaar, te vergelijken

Vlaanderen worden tevens belangrijke excellentieprogramma’s

met een jaarlijks gemiddelde van afgerond 100 de jaren daarvoor.

gefinancierd. Het betreft het Odysseus-programma (dat excellente onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen) en het

Verder werd als “opvolger” van het STWW programma

Methusalem-programma (dat Vlaamse excellente onderzoekers

(Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart) en het

van een significante onderzoeksfinanciering voorziet).

GBOU-programma (Generisch Basisonderzoek aan de Universiteiten), in 2002-2003 het SBO-programma opgestart

De duidelijke groei vanaf 1996 in de financiële middelen voor

(Strategisch Basisonderzoek). In het kader van het SBO-

het fundamenteel niet-gericht onderzoek vanwege de Vlaamse

programma kunnen Vlaamse onderzoeksgroepen (zowel uit

overheid, heeft het FWO een bijzondere impuls gegeven.

de kennisinstellingen als uit het bedrijfsleven) projecten voor

Het onderzoekersbestand werd zowel op niveau van de aspirant-

strategisch technologisch en maatschappelijk onderzoek indienen

doctorandi als op niveau van de postdoctorale onderzoekers

waarvan de resultaten op termijn een duidelijke toegevoegde

substantieel versterkt. Ook het aantal onderzoeksprojecten

waarde creëren op economisch of maatschappelijk vlak.

werd gevoelig opgetrokken. Deze groei is de laatste jaren

Een basisdoelstelling is het realiseren van een brugfunctie

consequent verder gezet.

tussen de onderzoekswereld enerzijds en de economie en maatschappij anderzijds. Het onderzoek wordt gekwalificeerd

Tevens werden de krachten ter ondersteuning van de

als “strategisch basisonderzoek.” Dit houdt in dat het kwalitatief

financiering van middelzware en zware onderzoeksapparatuur

hoogwaardig onderzoek is, gericht op langere termijn, met een

gebundeld in de Hercules-Stichting. De Hercules-Stichting

uitgesproken origineel, creatief en grensverleggend karakter.

investeert via geëigende advies- en beslissingsorganen aanzienlijke hoeveelheden middelen in onderzoeksapparatuur. De Stichting

Tot slot vermelden we naast deze verschillende maatregelen

operereert als een autonome instelling, echter met sterke banden

en steunmechanismen ook nog de betrokkenheid (samen met

met zowel IWT als FWO, zowel op niveau van het bestuur van

EWI) bij de steun aan de universitaire interfacediensten ter

de Stichting als op niveau van haar operationele werking.

ondersteuning van de exploitatie van het onderzoek aan de Vlaamse universiteiten, de Eureka-steunregeling, de

Naast het FWO-Vlaanderen, dat een belangrijk financierings-

betrokkenheid van het IWT bij de doorlichtingen betreffende

instrument is voor het academisch wetenschappelijk onderzoek

meer omvangrijke subsidies voor de ondersteuning van

op initiatief van de vorser, dient tevens het Bijzonder

technologische innovatie (zoals Flanders’ Drive, KMO-IT

Onderzoeksfonds (of BOF) te worden vermeld. Het BOF is

Centrum, Flanders’ Mechatronics, SIM en FLAMAC, Flanders’

een interuniversitair verdelingsmechanisme dat aan de Vlaamse

Food, Flanders’ Inshape, CMI en PlasticVision). Om dit alles

universiteiten een significant onderzoeksbudget ter beschikking

continu en recurrent te optimaliseren, worden er door het IWT

stelt, het welk de universiteiten vervolgens intern kunnen

op regelmatige tijdstippen effectmetingen gedaan van de

verdelen aan grote (de zogenaamde GOA’s) en kleinere

betreffende maatregelen en gehanteerde instrumenten.

onderzoeksprojecten (projecttoelagen) op basis van een eigen,

Op die manier worden de effectiviteit en de “outputs” van de

intern selectieproces dat steeds op “peer-review“ van een

instrumenten bewaakt en waar nodig en wenselijk bijgestuurd.

competitieve projectindiening gebaseerd is.


25

De middelen van het BOF zijn in de periode 1995-2007

De kerndoelstellingen van het economisch beleid betreffen de

nagenoeg vervijfvoudigd. Tot en met 2002 werden de BOF-

proactieve ontwikkeling van het Vlaams economisch weefsel en

middelen interuniversitair verdeeld op basis van drie criteria,

het stimuleren van ondernemersactiviteit. Wat het wetenschaps-

met name het aandeel in het aantal afgeleverde tweede

en innovatiebeleid betreft, zijn de aandachtspunten:

cyclusdiploma’s over een vier jaar tijdsvenster (35%), het aandeel in het aantal afgeleverde doctoraten over een vier jaar

l

het uitbouwen en implementeren van instrumenten voor

tijdsvenster (50%) en het aandeel in de werkingsmiddelen van

effectmeting van het wetenschaps- en technologiebeleid en

de betreffende universiteiten (15%). Sinds de verdeelsleutel

de bijdrage van dit beleid tot innovatie;

voor 2003, werden deze drie criteria aangevuld met een

l

criterium dat het aandeel van elke Vlaamse universiteit in

systeem van wetenschaps-, technologie- en innovatie-

de totale Vlaamse academische publicatie- en citatie-output in de Science Citation Index (geëxtraheerd uit de Expanded Web-

indicatoren en het organiseren van de gegevensverzameling; l

of- Science, ISI-Thomson) gedurende een tien jaar voortschrijdend tijdsvenster weergeeft. Voor 2003 telden de drie originele

het uitbouwen en onderhouden van een geïntegreerd

de federale en bilaterale internationale samenwerking op vlak van wetenschap en innovatie;

l

de coördinatie van het beleid inzake wetenschappelijk

criteria hierbij voor 90% mee, terwijl de SCIE-output voor 10%

onderzoek intern in het Ministerie van de Vlaamse

in de verdeelsleutel meetelde. De verhouding niet-bibliometrische

Gemeenschap, met de andere Vlaamse instellingen en met

componenten versus bibliometrische componenten evolueert

de supranationale en internationale instellingen;

ondertussen verder naar een 64/36 verhouding tegen 2012

l

de opvolging van de evoluties inzake wetenschap,

conform het in 2008 aangepaste en goedgekeurde BOF-besluit.

technologie en innovatie op Vlaams, Belgisch en

Tevens werden de databestanden sinds BOF-begrotingsjaar 2008

internationaal niveau en de terugkoppeling van deze

uitgebreid met de Social Science Citation Index (SSCI),

opvolging naar het beleid van de Minister;

de Arts&Humanities Citation Index (AHCI) en de ISI

l

de voorbereiding van het beleid van de Minister.

Conference Proceedings publicatiedata (Science & Technology evenals Social Sciences & Humanities Proceedings). In 2008 werd

De structuur en uitbouw van EWI opgebouwd laten toe deze

tevens een aanvang gemaakt met de ontwikkeling van het Vlaams

veelheid aan opdrachten op een efficiënte manier uit te voeren.

Academisch Bibliografisch Bestand (VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen. Het VABB moet zorgen voor de betere

1.3.8 De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

in de BOF-tellingen. Het is ondertussen operationeel.

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) is het hoogste adviesorgaan voor elke aangelegenheid rond

Tot slot vermelden we het IOF (Industrieel Onderzoeksfonds)

wetenschaps- en innovatiebeleid, zowel voor de Vlaamse

dat onderzoeksmiddelen verdeelt aan de Vlaamse universiteiten

regering als voor het Vlaams Parlement. De wettelijke basis is

en hogescholen, op basis van een verdeelsleutel die rekening

het decreet van 15 december 1993. Dat versterkte de juridische

houdt met hun valorisatieresultaten (gebaseerd op gerealiseerde

basis van de Raad, die al in 1985 werd opgericht bij besluit van

inkomsten uit industrieel onderzoek, inkomsten uit Europese

de Vlaamse regering. Sinds 2009 werd de vroegere VRWB

samenwerkingsprogramma’s, grootte van de octrooiportefeuilles

(de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid) omgevormd tot

evenals spin-off aantallen). Het IOF wil op die manier het

de VRWI (Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie) om

strategisch basisonderzoek en de valorisatie ervan aan de

aldus de nadruk op wetenschap én innovatie ten volle duidelijk

Vlaamse associaties stimuleren en financieel onderbouwen.

te maken.

1.3.7 Het departement Economie, Wetenschap en

Deze structuur vormt een uniek forum, waar vooraanstaande

Innovatie

actoren uit de academische en uit de sociaal-economische wereld zich als een “raad van wijzen” beraden over de

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie maakt

algemene krachtlijnen van het wetenschaps- en innovatiebeleid

deel uit van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

in Vlaanderen. De VRWI is bevoegd om (op eigen initiatief of

Het staat in voor de geïntegreerde ondersteuning van

op verzoek) aanbevelingen te formuleren, onderzoek te

het economisch beleid en het wetenschaps- en innovatiebeleid

verrichten en advies uit te brengen.

van de Vlaamse overheid.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

vertegenwoordiging van de sociale en humane wetenschappen


26

Jaarlijks analyseert en bespreekt de Raad het Vlaams

Voor wat de relatie tussen technologie en economie betreft,

begrotingsbeleid voor wetenschap en innovatie. De begrotings-

dienen ook de activiteiten van de SERV (de Sociaal

adviezen zijn inmiddels een begrip geworden. De Vlaamse

Economische Raad voor Vlaanderen) met de Stichting

regering is verplicht de VRWI vooraf te raadplegen over alle

Technologie Vlaanderen (STV) te worden vermeld, die zich

decreten en besluiten, die algemene aangelegenheden inzake

vooral richten op het uitvoeren van studies naar het Vlaamse

wetenschapsbeleid regelen en die instellingen betreffen die

socio-economisch weefsel, inclusief technologievraagstukken

instaan voor de betrokken materies. Ook alle belangrijke acties

die zich daarbij kunnen stellen.

en initiatieven op het vlak van wetenschaps- en innovatiebeleid moeten aan de VRWI voor advies worden voorgelegd.

1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

Bij zijn adviesverlening en om de gestelde problemen uit te

Met de oprichting van de steunpunten voor beleidsrelevant

diepen, doet de VRWI beroep op permanente commissies.

onderzoek verzekert de Vlaamse overheid zich van een grotere

Voor bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van

stabiliteit in het beleidsondersteunend onderzoek en, hiermee

onderzoeksopdrachten worden ad hoc werkgroepen en

gepaard gaand, van de gestadige opbouw van een kritische

externe deskundigen ingeschakeld. Sinds zijn ontstaan heeft de

kennismassa omtrent een aantal prioritaire beleidsthema’s.

Raad zich continu verder ontplooid en ontwikkeld. Hij groeide

De werking van de steunpunten wordt opgevolgd door het

inmiddels uit tot een volwaardig adviesinstrument voor het

departement EWI, telkens in samenspraak met de Minister

beleid. Naast de talrijke expliciet gevraagde adviezen,

bevoegd voor het beleidsdomein waarop het betreffende

nam de VRWI zelf tal van initiatieven voor studiedagen,

Steunpunt actief is.

onderzoeksstudies en analyses. Daarbij heeft de VRWI steeds een grote belangstelling aan de dag gelegd voor toekomstgerichte

De veertien Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek

vraagstukken van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

worden gevormd door één of meer onderzoeksgroepen uit één of meer universitaire instellingen die samen gedurende

Getuige daarvan zijn het onderzoek naar betere deflatoren

een 5-jaar periode wetenschappelijke ondersteuning bieden

voor O&O-uitgaven en bestedingen, naar de problematiek van

aan de Vlaamse overheid:

“science sharing” en naar methodologieën voor wetenschaps- en technologieverkenning evenals het in kaart brengen van voor

l

Fiscaliteit en Begroting;

Vlaanderen belangrijke wetenschaps- en technologie-evoluties

l

O&O Indicatoren (vanaf 1 januari 2009 omgevormd tot het

aan de hand van verkenningsstudies. Vermeldenswaard is

Expertisecentrum O&O Monitoring);

zeker ook de VRWI studiereeks die een regelmatige output van

l

Ondernemen en Internationaal Ondernemen;

gedegen studies en analyses inzake wetenschaps- en

l

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

innovatiebeleid garandeert. In deze context verwijzen we

l

Werk en Sociale Economie;

naar de recente studies aangaande samenwerking universiteit

l

Milieu en Gezondheid;

- industrie, wetenschapscommunicatie, de relatie tussen onderwijs

l

Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen;

en innovatie, het translationeel biomedisch onderzoek,

l

Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie;

en de valorisatie van het onderzoek in de sociale en humane

l

Studie en Schoolloopbanen;

wetenschappen.

l

Cultuur, Jeugd en Sport;

l

Mobiliteit en Openbare Werken;

l

Ruimte en Wonen;

l

Duurzame Ontwikkeling;

l

Gelijkekansenbeleid.

1.3.9 De adviesorganen De

Koninklijke

Vlaamse

Academie

van

België

voor

Wetenschappen en Kunsten fungeert als de ontmoetingsplaats voor uitmuntende Vlaamse wetenschappers en is het

In de loop van 2011 wordt een nieuwe vijfjarige periode van het

aanspreekpunt voor verschillende gelijkaardige organisaties

steunpuntenbeleid voorbereid en uitgerold.

overal ter wereld. De Academie vervult alsdusdanig de rol van een Vlaams Kennis- en Cultuurforum, een rol die in de loop van 1998 werd vastgelegd.


27

1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

Deze centrale beleidsoptie komt heel zichtbaar tot uiting in de waaier aan stimuleringsmaatregelen (bvb. competentiepolen, provinciale-regionale innovatiecentra, …) die vandaag het

Naast de hoger beschreven actoren, wordt het Vlaams WT&I-

Vlaams WT&I-beleid en het resultaat ervan in de vorm van

systeem gekenmerkt door een hoge mate van bekommernis

het VIN (het Vlaams Innovatie Netwerk dat door het IWT

om de resultaten van wetenschappelijk en technologisch

wordt gecoördineerd), kenmerken.

onderzoek evenals de innovatieve aanwendingen van deze resultaten, zo goed mogelijk te laten doorstromen naar zoveel

1.3.12 Sensibilisering

mogelijk actoren in Vlaanderen. Daarom wordt vanuit de Vlaamse Regering en vanuit het IWT ruime aandacht besteed

Tot slot, de laatste jaren werd eveneens op een gestructureerde

aan transfer en diffusie van technologie.

wijze aandacht besteed aan het opzetten van een brede publiekssensibilisatie omtrent wetenschap, technologie en

Daartoe werden verschillende mechanismen in het leven

innovatie. De Stichting “Flanders Technology International”

geroepen, die hierna kort worden toegelicht. Sinds 1998 wordt

(FTI), Technopolis (een “doe-centrum” voor wetenschap en

door de Vlaamse overheid een subsidie toegekend aan de

technologie dat in het najaar 1999 zijn deuren opende en werd

universitaire interfacediensten met de bedoeling op deze wijze

voorbereid door FTI), de wetenschapsweek, en diverse

de valorisatie-activiteiten van de universiteiten een duw in

communicatiecampagnes omtrent innovatie kaderen in die

de rug te geven. Aan de Collectieve Centra zijn technologische

brede sensibilisatie activiteit. De campagne “jij bent Flanders’

adviesfuncties verbonden. Hun taak bestaat erin KMO’s te

Future” was daarvan een voorbeeld. Ook mediaprogramma’s

sensibiliseren voor nieuwe of vernieuwende technologische

zoals “Jongens en Wetenschap” kaderden in die sensibilisatie-

ontwikkelingen en het daarbij horend eerstelijnsadvies.

aanpak. In 2004 ging tot slot het initiatief Flanders’ Districts of

De Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden (zie hoger)

Creativity (Flanders DC) van start dat de creativiteit en

geven aan deze advisering en ondersteuning sinds 2001 een

innovativiteit van de Vlaamse economie regionaal en

nieuwe en verruimde impuls.

internationaal moet ondersteunen. Gelet op de nood aan degelijke wetenschapscommunicatie, voorziet de Vlaamse overheid sinds een aantal jaren eveneens in de structurele

1995-1997 een tiental clusters in het leven geroepen.

ondersteuning van wetenschapscommunicatie in en door

Clusters werden daarbij gedefinieerd als een netwerk van

het hoger onderwijs.

bedrijven die onderling samenwerken of samenwerken met onderzoeksinstellingen op één of meerdere domeinen (zoals wetenschappelijk onderzoek, productontwikkeling of opleiding).

1.4 CONCLUSIE

Conform de beleidsopties van de Vlaamse Regering, werd naderhand beslist deze specifieke steunvorm niet verder te

In dit inleidend hoofdstuk werd een overzicht gegeven van

verlengen, maar de bestaande initiatieven de kans te geven

de voornaamste actoren en instrumenten van het Vlaams

zich in te schakelen in het ruimer mechanisme van de Vlaamse

WT&I-systeem en WT&I-beleid. Dit overzicht, dat in de

Innovatie Samenwerkingsverbanden. Deze evolutie werd in

volgende hoofdstukken verder wordt gedetailleerd, illustreert

de periode 2001-2002 met goed gevolg volop in beweging

de inspanningen die in Vlaanderen de laatste jaren werden

gezet en heeft vandaag geleid tot een brede portfolio aan

geleverd om het WTI-beleid op een internationaal vergelijkbaar

goedgekeurde en werkende samenwerkingsverbanden die

en competitief niveau te brengen. In de volgende hoofdstukken

momenteel hun continuïteit krijgen in het aangepaste instrument

worden de resultaten van dit beleid verder besproken en wordt,

van de VIS-trajecten en de VIS-haalbaarheidsstudies.

waar mogelijk, eveneens de Vlaamse aanwezigheid in een internationale onderzoeks- en innovatiecontext bekeken.

Bij deze veelheid aan acties die ondernomen worden op het vlak van transfer en diffusie valt tot slot nog te vermelden dat de Vlaamse overheid steeds meer belang hecht aan valorisatie, kennistransfer en samenwerking tussen de verschillende actoren in het Vlaams WT&I landschap.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 1

Verwant aan de Collectieve Centra werden in de periode


28

NOOT l

BIL: Belgisch Instituut voor Lastechniek

l

Centexbel: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid

l

CRM: Centrum voor Research in de Metallurgie

l

OCW: Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw

l

WTCB: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf

l

SIRRIS: Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor de Agoriasectoren

l

WTOCD: Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant


29

H ET M E N S E LI J K E POTE NTI E E L IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Linda De Kock (Departement Onderwijs en Vorming) en Danielle Gilliot (VLIR)

02


30

2.1 INLEIDING

Zeker vanaf het academiejaar 2004-2005 is deze toename van het aantal generatiestudenten opvallend. Dit is het

Dit hoofdstuk schetst met statistieken en grafieken een beeld

academiejaar dat de bachelor-masterstructuur werd

van de aantrekkingskracht van het Vlaamse hoger onderwijs.

ingevoerd in het Vlaamse hoger onderwijs. Verdere analyse

Hoe ziet de huidige situatie eruit en welke tendensen tekenen

is nodig om na te gaan of hier een - en zo ja, welk -

zich af? In een eerste deel komt de instroom in het hoger

oorzakelijk verband bestaat tussen de introductie van deze

onderwijs aan bod. Vervolgens besteedt dit hoofdstuk aandacht

nieuwe structuur en de toegenomen instroom in het

aan de gerealiseerde output, in de vorm van uitgereikte

universitair onderwijs.

diploma’s van het hoger onderwijs. Op deze manier geeft het hoofdstuk een overzicht van de ‘kennis’rijkdom waaruit

l

Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse

Vlaanderen nu en in de nabije toekomst zal kunnen putten om

achttienjarigen aan het universitair onderwijs, dan stelt men

het potentieel in wetenschap, technologie en innovatie (WTI)

grosso modo vast dat vanaf het academiejaar 2000-2001

te realiseren.

deze participatie toeneemt. Terwijl in het academiejaar 2000-2001 slechts 17,1% van de potentiële doelgroep was

De cijfergegevens van de universiteiten en de hogescholen

ingeschreven aan een Vlaamse universiteit, was in het

komen uit de Databank Tertiair Onderwijs (DTO) en vanaf het

academiejaar 2009-2010 dit percentage gestegen tot 19,9%.

academiejaar 2008-2009 uit de Databank Hoger Onderwijs

De eerste jaren was deze stijging hoofdzakelijk te wijten

(DHO), beheerd door het Vlaamse ministerie van Onderwijs

aan de daling van het aantal achttienjarigen, vanaf het

en Vorming. De gegevens in hoofdstuk 2.4. (Internationale

academiejaar 2004-2005 nam ook het aantal achttienjarigen

vergelijking) zijn afkomstig van de stafdiensten van het

toe en is de relatief sterke toename van het aantal

Departement Onderwijs en Vorming, van de OESO (Education

generatiestudenten aan de universiteiten grotendeels

at a glance) en van Eurostat.

verantwoordelijk voor de toegenomen participatie. Aan de hogescholen spelen er twee verschillende evoluties.

2.2 INSTROOM IN HET VLAAMSE HOGER ONDERWIJS: KWANTIFICATIE EN STRATIFICATIE

l

Bij de professionele bacheloropleidingen nam het aantal generatiestudenten tijdens de beschouwde periode quasi onafgebroken toe: van 20.592 generatiestudenten in het academiejaar 2000-2001 tot 23.934 in het academiejaar

In het academiejaar 2009-2010 telde het Vlaamse hoger

2009-2010. In dezelfde periode groeide de relatieve deelname

onderwijs 44.793 generatiestudenten. Meer dan de helft van

globaal genomen van 27,9% naar 30,6%.

deze generatiestudenten (53,4%) startte een professioneel gerichte bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten

l

De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de

en de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen

relatieve participatie in de academische hogeschoolopleidingen

trokken respectievelijk 34,8% en 11,8% aan van het totale

vertoont een ander beeld. Het aantal generatiestudenten

aantal generatiestudenten.

aan de academische hogeschoolopleidingen nam continu af van 6.174 studenten in 2000-2001 naar 5.020 generatie-

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten

studenten in 2005-2006. De laatste academiejaren nam het

over de laatste 10 jaar evolueert op deze manier (tabel 2.1):

aantal generatiestudenten globaal genomen toe tot 5.290 in het academiejaar 2009-2010. De participatiegraad daalde

l

Met uitzondering van de academiejaren 2002-2003 en

van 8,4% in 2000-2001 tot 6,8% in 2009-2010.

2003-2004 kenden de universiteiten in de beschouwde aantal

In algemene termen waagt meer dan de helft van de Vlaamse

generatiestudenten. In het academiejaar 2009-2010 werden

jongeren een kans in het hoger onderwijs: in het academiejaar

15.569 generatiestudenten geteld, dit zijn er 2.967 meer

2009-2010 startte 57,3% van de potentiële doelgroep een

dan bij de start van de beschouwde periode, namelijk het

opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het academiejaar

academiejaar 2000-2001.

2000-2001 bedroeg dit aandeel 53,4%.

periode

een

gestage

toename

van

het


31

Tabel 2.1:

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2000-2001 t.e.m. 2009-2010) in verhouding tot het globaal aantal Vlaamse achttienjarigen Generatiestudenten Universiteiten

18 jarigen

Hogescholen

Relatieve deelname aan hoger onderwijs (%) Universiteiten

Academiejaar

ABA (kan)

Totaal

PBA (HO1C)

ABA (HO2C)

2000-2001

12.602

26.766

20.592

6.174

2001-2002

12.953

26.552

20.851

2002-2003

12.801

25.627

2003-2004

12.423

2004-2005

Hogescholen

ABA (kan)

Totaal

PBA (HO1C)

ABA (HO2C)

73.688

17,1

36,3

27,9

8,4

5.701

72.417

17,9

36,7

28,8

7,9

20.253

5.374

70.750

18,1

36,2

28,6

7,6

25.860

20.600

5.260

69.641

17,8

37,1

29,6

7,6

13.175

26.438

21.199

5.239

71.447

18,4

37,0

29,7

7,3

2005-2006

13.808

27.160

22.140

5.020

71.830

19,2

37,8

30,8

7,0

2006-2007

14.461

27.725

22.609

5.116

73.305

19,7

37,8

30,8

7,0

2007-2008

14.748

28.160

22.752

5.408

74.247

19,9

37,9

30,6

7,3

2008-2009

15.087

28.375

23.099

5.276

77.072

19,6

36,8

30,0

6,8

2009-2010

15.569

29.224

23.934

5.290

78.172

19,9

37,4

30,6

6,8

Wanneer de instroom van studenten in het hoger onderwijs wordt geanalyseerd, komt meestal de term ‘generatiestudent’ ter sprake. De definitie van generatiestudent is in de beschouwde periode 2000-2010 gewijzigd. Vanaf het academiejaar 1999-2000 is de volgende definitie in gebruik: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor de eerste maal inschrijft in het eerste jaar van een basisopleiding van het Vlaamse hoger onderwijs.’ Vanaf de invoering van de bachelor/masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs - academiejaar 2004-2005 - wordt een generatiestudent als volgt gedefinieerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven.’ Enige voorzichtigheid is dan ook geboden bij de interpretatie van de gegevens over de evolutie van de generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Relatieve deelname aan hoger onderwijs: deze berekening geeft een indicatie voor de vermoedelijke participatiegraad in het hoger onderwijs. Afwijkingen zijn mogelijk onder meer omdat geen statistisch materiaal voorhanden is over het evenwicht tussen de instroom van studenten uit Franstalig België en uit het buitenland, en de uitstroom naar Franstalige en buitenlandse universiteiten. Ook kunnen dubbeltellingen voorkomen. De cijfers over het aantal achttienjarigen woonachtig in Vlaanderen zijn afkomstig van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Zij omvatten het aantal achttienjarigen woonachtig in het Vlaams Gewest + 20% van het aantal achttienjarigen woonachtig in het Brussels Gewest. Vanaf het academiejaar 2004-2005 werd in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Dat gebeurde geleidelijk, namelijk jaar na jaar. Vanaf het academiejaar 2004-2005 worden dan ook de generatiestudenten in de nieuwe bacheloropleidingen (de professioneel gerichte en de academisch gerichte bacheloropleidingen) geteld.

In het academiejaar 2009-2010 maakten de vrouwelijke

Deze grotere deelname van vrouwen geldt voor zowel de

generatiestudenten 54,9% uit van het totaal aantal generatie-

hogeschoolopleidingen als voor de universiteiten. Toch zijn er

studenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk

verschillen. Met uitzondering van het academiejaar 2003-2004,

overwicht komt ook sterk tot uiting in de participatiegraad:

groeide het aantal vrouwelijke generatiestudenten aan de

64,5% van de potentiële doelgroep (achttienjarige vrouwen

universiteiten onafgebroken. Bekeken over de globale periode

wonende in het Vlaams Gewest +20% van de achttienjarige

van 10 jaar, nam het aantal vrouwelijke generatiestudenten aan

vrouwen wonende in het Brussels Gewest) startte in het

de universiteiten toe met 21,8%. Bij de hogescholen valt de

academiejaar 2009-2010 een opleiding in het hoger onderwijs.

onafgebroken toename van het aantal vrouwelijke generatie-

Bij de mannen bedroeg dit percentage 50,5%.

studenten op vanaf het academiejaar 2003-2004. Vergeleken met de start van de beschouwde periode - academiejaar 2000-2001 telde men in het academiejaar 2009-2010 9,6% meer vrouwelijke generatiestudenten aan de hogescholen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

Gebruikte afkortingen: ABA: academische bacheloropleidingen Kan: kandidatuursopleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen HO1C: hogeschoolopleidingen van 1 cyclus HO2C: hogeschoolopleidingen van 2 cycli


32

Tabel 2.2:

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2000-2001 t.e.m. 2009-2010) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen, uitgesplitst naar geslacht Mannen

Academiejaar

Generatie studenten

18 j. Vl.

2000-2001

5.598

37.741

2001-2002

5.841

36.804

2002-2003

5.623

2003-2004

Vrouwen %

Generatie studenten

18 j. Vl.

%

14,8

7.004

35.947

19,5

15,9

7.112

35.613

20,0

36.138

15,6

7.178

34.612

20,7

5.550

35.444

15,7

6.873

34.197

20,1

2004-2005

5.888

36.669

16,1

7.287

34.778

21,0

2005-2006

6.247

36.753

17,0

7.561

35.077

21,6

2006-2007

6.512

37.374

17,4

7.949

35.931

22,1

2007-2008

6.530

37.956

17,2

8.218

36.291

22,6

2008-2009

6.658

39.438

16,9

8.429

37.634

22,4

2009-2010

7.039

40.075

17,6

8.530

38.097

22,4

Universiteiten

Hogescholen

2000-2001

12.120

37.741

32,1

14.646

35.947

40,7

2001-2002

11.942

36.804

32,4

14.610

35.613

41,0

2002-2003

11.617

36.138

32,1

14.010

34.612

40,5

2003-2004

11.433

35.444

32,3

14.427

34.197

42,2

2004-2005

11.932

36.669

32,5

14.506

34.778

41,7

2005-2006

12.265

36.753

33,4

14.895

35.077

42,5

2006-2007

12.261

37.374

32,8

15.464

35.931

43,0

2007-2008

12.599

37.956

33,2

15.561

36.291

42,9

2008-2009

12.652

39.438

32,1

15.723

37.634

41,8

2009-2010

13.171

40.075

32,9

16.053

38.097

42,1

Tot en met het academiejaar 2003-2004 nam het aantal

Uit tabel 2.3 blijkt dat de evolutie van het aantal generatie-

mannelijke generatiestudenten aan de universiteiten globaal

studenten in de beschouwde periode zich duidelijk verschillend

genomen af: van 5.598 generatiestudenten in het academiejaar

manifesteert in de diverse studiegebieden. Bij de universiteiten

2000-2001 tot 5.550 generatiestudenten in 2003-2004.

springen de volgende tendensen in het oog:

Vanaf 2004-2005 kent het universitair onderwijs een relatief sterke stijging van het aantal mannelijke generatiestudenten

l

(7.039 mannelijke generatiestudenten in 2009-2010).

De studiegebieden Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen en Economische en toegepaste economische wetenschappen oefenen de grootste aantrekkingskracht uit

De evolutie van het aantal generatiestudenten aan de hoge-

op de generatiestudenten. Met respectievelijk 2.259 en 2.010

scholen kent een meer wisselend verloop: periodes van aangroei

generatiestudenten in het academiejaar 2009-2010 trekken

en periodes van afname van het aantal generatiestudenten volgen

zij meer dan ĂŠĂŠn vierde (27,4%) van de instromende

elkaar op. Over het algemeen kent het hogeschoolonderwijs

studenten aan. Opvallend is de continue toename van het

een aangroei van het aantal mannelijke generatiestudenten

aantal generatiestudenten in het studiegebied Rechten,

over de beschouwde periode (12.120 generatiestudenten in

notariaat en criminologische wetenschappen van 1.630 in

2000-2001 en 13.171 generatiestudenten in 2009-2010).

2000-2001 naar 2.259 in 2009-2010, een stijging van 38,6%. Ook het aantal generatiestudenten in het studiegebied

Dit alles weerspiegelt zich ook in de evolutie van de

Economische en toegepaste economische wetenschappen

participatiegraad. Bij de universiteiten nam in de beschouwde

neemt globaal genomen toe van 1.711 in 2000-2001 tot

periode de relatieve deelname van de achttienjarige mannen

2.010, een stijging van 17,5%.

toe van 14,8% naar 17,6%. Bij de hogescholen steeg dit percentage licht van 32,1% naar 32,9%. Bij de universiteiten

l

Het studiegebied Psychologische en pedagogische weten-

groeide de vrouwelijke participatie van 19,5% naar 22,4%,

schappen blijft ook in het academiejaar 2009-2010 de derde

bij de hogescholen van 40,7% naar 42,1%.

plaats innemen (1.431 generatiestudenten). Het relatieve aandeel van dit studiegebied daalt licht tot 9,2%.


33

Tabel 2.3:

Aandeel van de studiegebieden in de inschrijvingen van generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

Academiejaar

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

08-09

09-10

Studiegebied

N

N

N Hogescholen

N

N

N

N

N

N

N

Architectuur

421

534

546

580

533

559

543

559

483

29

39

40

25

52

46

48

47

53

44

259

253

268

407

462

476

473

490

492

524

Gezondheidszorg

2.398

2.175

2.293

2.502

2.695

3.138

3.478

3.691

3.487

3.828

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

7.332

7.026

6.436

6.073

6.170

6.705

6.578

6.744

6.761

6.617

Industriële wetenschappen en technologie

2.646

2.724

2.837

2.709

2.946

2.959

3.167

3.132

3.209

3.370

15

20

12

9

10

12

16

20

49

64

21

37

60

53 5.609

PBA/Opleidingen van één cyclus

Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek

Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen

478

Onderwijs

5.307

5.796

5.463

5.604

5.584

5.300

5.042

4.964

5.045

Sociaal-agogisch werk

2.185

2.284

2.358

2.691

2.747

2.945

3.243

3.068

3.460

3.347

Totaal PBA/één cyclus

20.592

20.851

20.253

20.600

21.199

22.140

22.609

22.752

23.099

23.934

ABA/Opleidingen van twee cycli

Architectuur

380

416

514

558

566

547

526

557

570

574

Audiovisuele en beeldende kunst

895

898

854

896

856

896

886

979

865

891

56

56

60

56

84

85

66

61

93

62

312

262

119

166

211

178

204

257

222

296

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1.294

1.179

1.066

952

1.006

895

876

960

931

883

Industriële wetenschappen en technologie

2.061

1.781

1.660

1.577

1.425

1.380

1.363

1.469

1.492

1.514

305

246

272

236

267

267

298

303

274

272

97

106

95

112

Biotechniek Gezondheidszorg

Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen Produktontwikkeling

113

82

77

80

64

82

85

74

82

73

Toegepaste taalkunde

758

781

752

739

760

690

715

642

652

613

6.174

5.701

5.374

5.260

5.239

5.020

5.116

5.408

5.276

5.290

26.766

26.552

25.627

25.860

26.438

27.160

27.725

28.160

28.375

29.224

198

213

152

142

163

146

129

151

171

Totaal ABA/twee cycli Totaal hogescholen

Universiteiten

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

193

31

34

46

46

51

33

45

34

105

83

Taal- en letterkunde

787

796

796

773

905

956

1.026

1.000

900

955

Geschiedenis

465

534

542

508

486

581

551

534

466

515

Archeologie en kunstwetenschappen

268

298

256

238

252

277

288

237

233

238

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

1.630

1.719

1.798

1.813

1.841

1.840

2.030

2.199

2.214

2.259

Psychologie en pedagogische wetenschappen

1.411

1.432

1.485

1.407

1.439

1.360

1.473

1.450

1.367

1.431

Economische en toegepaste economische wetenschappen

1.711

1.732

1.587

1.499

1.554

1.849

1.887

1.914

2.085

2.010

Politieke en sociale wetenschappen

1.183

1.122

1.208

1.128

1.101

1.207

1.240

1.278

1.166

1.166

80

87

89

108

120

148

144

160

174

147

695

588

550

556

605

525

544

556

836

917

1.405

1.254

1.080

1.042

1.088

1.018

1.106

1.178

1.161

1.200

Toegepaste wetenschappen

687

1.036

860

821

964

1.032

1.004

1.156

1.124

1.089

Toegepaste biologische wetenschappen

523

451

439

416

408

400

414

464

503

503

Geneeskunde

358

345

404

531

612

686

668

556

553

742

Tandheelkunde

26

47

43

48

53

91

88

39

72

65

Diergeneeskunde

286

322

358

339

371

324

304

342

360

377

Farmaceutische wetenschappen

269

250

261

290

361

352

481

491

535

509

Biomedische wetenschappen

426

501

486

404

526

554

634

734

792

859

48

35

17

22

18

13

Sociale gezondheidswetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Wetenschappen

Verkeerskunde 163

192

320

304

248

377

371

275

272

320

12.602

12.953

12.801

12.423

13.175

13.808

14.461

14.748

15.087

15.569

Gecombineerde studiegebieden Totaal universiteiten

De studiegebieden in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer ‘Gecombineerde studiegebieden’ ressorteren opleidingen aan de universiteiten die niet in één studiegebied thuis te brengen zijn. De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen aan de hogescholen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie. Gebruikte afkortingen

ABA: academische bacheloropleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht


34

Tabel 2.3:

Procentueel aandeel van de studiegebieden in de inschrijvingen van generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

Academiejaar

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

08-09

09-10

Studiegebied

%

%

% Hogescholen

%

%

%

%

%

%

%

Architectuur

1,6%

2,0%

2,1%

2,2%

2,0%

2,1%

2,0%

2,0%

1,7%

1,6%

Audiovisuele en beeldende kunst

0,1%

0,1%

0,2%

0,1%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

Biotechniek

1,0%

1,0%

1,0%

1,6%

1,7%

1,8%

1,7%

1,7%

1,7%

1,8%

Gezondheidszorg

9,0%

8,2%

8,9%

9,7%

10,2%

11,6%

12,5%

13,1%

12,3%

13,1%

PBA/Opleidingen van één cyclus

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

27,4%

26,5%

25,1%

23,5%

23,3%

24,7%

23,7%

23,9%

23,8%

22,6%

Industriële wetenschappen en technologie

9,9%

10,3%

11,1%

10,5%

11,1%

10,9%

11,4%

11,1%

11,3%

11,5%

Muziek en podiumkunsten

0,1%

0,1%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

Nautische wetenschappen

0,1%

0,1%

0,2%

0,2%

0,1%

0,1%

0,2%

0,2%

19,8%

21,8%

21,3%

21,7%

21,1%

19,5%

18,2%

17,6%

17,8%

19,2%

Sociaal-agogisch werk

8,2%

8,6%

9,2%

10,4%

10,4%

10,8%

11,7%

10,9%

12,2%

11,5%

Totaal PBA/één cyclus

76,9%

78,5%

79,0%

79,7%

80,2%

81,5%

81,5%

80,8%

81,4%

81,9%

Onderwijs

ABA/Opleidingen van twee cycli

Architectuur

1,4%

1,6%

2,0%

2,2%

2,1%

2,0%

1,9%

2,0%

2,0%

2,0%

Audiovisuele en beeldende kunst

3,3%

3,4%

3,3%

3,5%

3,2%

3,3%

3,2%

3,5%

3,0%

3,0%

Biotechniek

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

0,3%

0,3%

0,2%

0,2%

0,3%

0,2%

Gezondheidszorg

1,2%

1,0%

0,5%

0,6%

0,8%

0,7%

0,7%

0,9%

0,8%

1,0%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

4,8%

4,4%

4,2%

3,7%

3,8%

3,3%

3,2%

3,4%

3,3%

3,0%

Industriële wetenschappen en technologie

7,7%

6,7%

6,5%

6,1%

5,4%

5,1%

4,9%

5,2%

5,3%

5,2%

Muziek en podiumkunsten

1,1%

0,9%

1,1%

0,9%

1,0%

1,0%

1,1%

1,1%

1,0%

0,9%

0,3%

0,4%

0,3%

0,4% 0,2%

Nautische wetenschappen Produktontwikkeling

0,4%

0,3%

0,3%

0,3%

0,2%

0,3%

0,3%

0,3%

0,3%

Toegepaste taalkunde

2,8%

2,9%

2,9%

2,9%

2,9%

2,5%

2,6%

2,3%

2,3%

2,1%

Totaal ABA/twee cycli

23,1%

21,5%

21,0%

20,3%

19,8%

18,5%

18,5%

19,2%

18,6%

18,1%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

Totaal hogescholen

Universiteiten

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

1,6%

1,6%

1,5%

1,2%

1,1%

1,2%

1,0%

0,9%

1,0%

1,1%

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

0,2%

0,3%

0,4%

0,4%

0,4%

0,2%

0,3%

0,2%

0,7%

0,5%

Taal- en letterkunde

6,2%

6,1%

6,2%

6,2%

6,9%

6,9%

7,1%

6,8%

6,0%

6,1%

Geschiedenis

3,7%

4,1%

4,2%

4,1%

3,7%

4,2%

3,8%

3,6%

3,1%

3,3%

Archeologie en kunstwetenschappen

2,1%

2,3%

2,0%

1,9%

1,9%

2,0%

2,0%

1,6%

1,5%

1,5%

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

12,9%

13,3%

14,0%

14,6%

14,0%

13,3%

14,0%

14,9%

14,7%

14,5%

Psychologie en pedagogische wetenschappen

11,2%

11,1%

11,6%

11,3%

10,9%

9,8%

10,2%

9,8%

9,1%

9,2%

Economische en toegepaste economische wetenschappen

13,6%

13,4%

12,4%

12,1%

11,8%

13,4%

13,0%

13,0%

13,8%

12,9%

Politieke en sociale wetenschappen

9,4%

8,7%

9,4%

9,1%

8,4%

8,7%

8,6%

8,7%

7,7%

7,5%

Sociale gezondheidswetenschappen

0,6%

0,7%

0,7%

0,9%

0,9%

1,1%

1,0%

1,1%

1,2%

0,9%

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

5,5%

4,5%

4,3%

4,5%

4,6%

3,8%

3,8%

3,8%

5,5%

5,9%

11,1%

9,7%

8,4%

8,4%

8,3%

7,4%

7,6%

8,0%

7,7%

7,7%

Toegepaste wetenschappen

5,5%

8,0%

6,7%

6,6%

7,3%

7,5%

6,9%

7,8%

7,5%

7,0%

Toegepaste biologische wetenschappen

4,2%

3,5%

3,4%

3,3%

3,1%

2,9%

2,9%

3,1%

3,3%

3,2%

Geneeskunde

2,8%

2,7%

3,2%

4,3%

4,6%

5,0%

4,6%

3,8%

3,7%

4,8%

Tandheelkunde

0,2%

0,4%

0,3%

0,4%

0,4%

0,7%

0,6%

0,3%

0,5%

0,4%

Diergeneeskunde

2,3%

2,5%

2,8%

2,7%

2,8%

2,3%

2,1%

2,3%

2,4%

2,4%

Farmaceutische wetenschappen

2,1%

1,9%

2,0%

2,3%

2,7%

2,5%

3,3%

3,3%

3,5%

3,3%

Biomedische wetenschappen

3,4%

3,9%

3,8%

3,3%

4,0%

4,0%

4,4%

5,0%

5,2%

5,5%

Verkeerskunde

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,4%

0,3%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

Wetenschappen

1,3%

1,5%

2,5%

2,4%

1,9%

2,7%

2,6%

1,9%

1,8%

2,1%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

Gecombineerde studiegebieden Totaal universiteiten

De studiegebieden in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer ‘Gecombineerde studiegebieden’ ressorteren opleidingen aan de universiteiten die niet in één studiegebied thuis te brengen zijn. De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen aan de hogescholen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie. Gebruikte afkortingen

ABA: academische bacheloropleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen


35

l

Na de jarenlange continue afname van instroom in het

l

Het aantal generatiestudenten in het studiegebied

studiegebied Wetenschappen, neemt het aantal generatie-

Tandheelkunde vertoont een zeer grillig beeld met

studenten de laatste academiejaren licht toe: +39 studenten

een sterke toename in het academiejaar 2005-2006:

in 2009-2010. Met 1.200 generatiestudenten in 2009-2010

van 53 generatiestudenten in 2004-2005 naar 91 generatie-

wordt het niveau van 2000-2001 nog niet bereikt (1.405

studenten in 2005-2006. Daarna neemt het aantal

generatiestudenten). Eenzelfde evolutie vindt men terug in

generatiestudenten globaal genomen af tot 65 in 2009-2010.

het studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen: vanaf het academiejaar 2000-2001 kende dit studiegebied

In het academiejaar 2009-2010 volgden in het hogeschool-

een continue daling van het aantal generatiestudenten.

onderwijs 82,0% van de generatiestudenten een professioneel

Vanaf het academiejaar 2006-2007 groeide het aantal

gerichte bacheloropleiding en 18,0% een academisch gerichte

generatiestudenten terug aan tot 503 in 2009-2010 en

bacheloropleiding. Het aantal generatiestudenten in de

bereikt hiermee bijna het aantal generatiestudenten in

professioneel gerichte opleidingen blijft toenemen. De academisch

2000-2001 (523).

gerichte hogeschoolopleidingen kenden een afnemende instroom tot het academiejaar 2005-2006. Daarna neemt het

l

Het studiegebied Toegepaste wetenschappen kende een

aantal generatiestudenten toe.

sterke toename tot 2007-2008 tot 1.156 generatiestudenten. Daarna volgde een lichte daling tot 1.089 generatiestudenten

De tendensen die het meest in het oog springen bij de

in 2009-2010. In de beschouwde periode nam het aantal

hogescholen (tabel 2.3):

generatiestudenten globaal genomen toe met 58,5%. l

Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde

Eenzelfde positieve evolutie kenmerkt het studiegebied

blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken:

Biomedische wetenschappen: van 426 generatiestudenten

6.617 generatiestudenten in de professioneel gerichte

in 2000-2001 naar 859 in 2009-2010, iets meer dan een

bacheloropleidingen in het academiejaar 2009-2010 en 883

verdubbeling.

generatiestudenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen. Hoewel het aantal generatiestudenten het

l

laatste jaar afneemt, trekt dit studiegebied nog altijd meer

studenten in de exacte en toegepaste wetenschappen

dan een kwart aan van het totale aantal generatiestudenten

(studiegebieden Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen,

van de hogescholen (25,7%).

Toegepaste biologische wetenschappen, Farmaceutische en Biomedische wetenschappen), dan stelt men in het

l

Op de tweede plaats komt het studiegebied IndustriĂŤle

academiejaar 2004-2005 een kentering vast: na een quasi

wetenschappen en technologie (3.370 generatiestudenten in

onafgebroken daling van het aantal generatiestudenten

de professioneel gerichte bacheloropleidingen, 1.514 generatie-

vanaf 2000-2001, neemt de instroom in de volgende

studenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen).

academiejaren toe (van 2.973 generatiestudenten in 2003-2004

Terwijl de professioneel gerichte opleidingen binnen dit

naar 4.160 generatiestudenten in 2009-2010). Deze stijging

studiegebied hun generatiestudenten aanzienlijk zagen

is vooral te wijten aan de toegenomen populariteit van de

toenemen in de beschouwde periode, kenden de

studiegebieden Biomedische wetenschappen, Farmaceutische

academisch gerichte opleidingen vanaf het academiejaar

wetenschappen en Toegepaste wetenschappen.

2000-2001

een

gestage

afname

van

het

aantal

generatiestudenten. In het ‘topjaar’ 2000-2001 startten nog l

Door een versoepeling van de slaagvoorwaarden van het

2.061 generatiestudenten in een academisch gerichte

toelatingsexamen arts/tandarts steeg vanaf het academiejaar

opleiding. In het academiejaar 2006-2007 was dit aantal al

2002-2003 het aantal generatiestudenten in de opleiding

afgenomen tot 1.363. Mogelijke verklaringen van deze

Geneeskunde. Na een toename tot 686 generatiestudenten

verminderde instroom zijn: 1) de versoepeling en 2) de

in 2005-2006, daalde het aantal generatiestudenten in

afschaffing van het toelatingsexamen voor burgerlijk

het studiegebied Geneeskunde opnieuw tot 553 generatie-

ingenieur aan de universiteiten. De laatste academiejaren

studenten in 2008-2009. Het laatste jaar kende de opleiding

groeide het aantal generatiestudenten opnieuw aan.

Geneerskunde plots een sterke stijging tot 742 studenten.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

Bekijkt men globaal de evolutie van het aantal generatie-


36

l

Bij de professioneel gerichte opleidingen blijft het studiegebied

In 2008-2009 werden de eerste diploma’s uitgereikt van

Onderwijs het tweede grootste studiegebied met 5.609

de masteropleidingen van 120 studiepunten. Een aantal

generatiestudenten. Na een continu dalende instroom van

masteropleidingen zijn vroeger gestart, namelijk de master-

2004-2005 tot 2007-2008, kent het studiegebied Onderwijs

opleidingen aan de tUL, de masteropleidingen volgend op een

vooral het laatste academiejaar een sterke groei (+564).

professionele bacheloropleiding (de master in het toerisme, de master in het sociaal werk en de master in de verpleegkunde

l

Vermeldenswaardig bij de professioneel gerichte opleidingen

en de vroedkunde) en een beperkt aantal Erasmus Mundus

is de evolutie van het aantal generatiestudenten in het

masters. De overeenkomstige masterdiploma’s werden vóór

studiegebied Gezondheidszorg: terwijl in het academiejaar

het academiejaar 2007-2008 uitgereikt.

2001-2002 slechts 2.175 generatiestudenten instroomden in dit studiegebied, telde het academiejaar 2009-2010

De gegevens in de volgende figuren en tabellen gaan tot en

3.828 generatiestudenten (+59,6%).

met het academiejaar 2009-2010. In dat academiejaar hebben de hogeronderwijsinstellingen naast de nieuwe bachelor- en

l

Bij de professioneel gerichte bacheloropleidingen zagen

masterdiploma’s nog een aantal diploma’s uitgereikt van

twee andere studiegebieden in de beschouwde periode het

opleidingen in afbouw (vooral van die opleidingen met een

aantal generatiestudenten aanzienlijk toenemen. Het studie-

langere studieomvang zoals geneeskunde, diergeneeskunde,

gebied Biotechniek ging van 259 generatiestudenten in

tandarts, …). Deze diploma’s zijn opgenomen in de gegevens.

het academiejaar 2000-2001 naar 524 generatiestudenten in 2009-2010 (+102%) en het studiegebied Sociaal-agogisch

In het volgende deel wordt in hoofdzaak de bachelor-

werk van 2.185 generatiestudenten naar 3.347 generatie-

masterterminologie gehanteerd. Dit impliceert het volgende:

studenten in 2009-2010 (+53%). l l

Onder de diploma’s van de professioneel gerichte

Bij de academisch gerichte opleidingen valt - ondanks de

bacheloropleidingen zijn ook de diploma’s van de vroegere

schommelingen - de afname van het aantal generatie-

eencyclusopleidingen begrepen (academiejaar 2005-2006

studenten in het studiegebied Toegepaste taalkunde op:

en in de latere jaren de nog resterende diploma’s uitgereikt

van 789 generatiestudenten in 2000-2001 naar 613 generatie-

in deze opleidingen in afbouw);

studenten in 2009-2010 (-19,1%). l l

Onder de masterdiploma’s zijn ook de diploma’s begrepen

De toename van het aantal generatiestudenten in het studie-

van de tweede cyclus van de vroegere tweecycliopleidingen

gebied Architectuur is ook vermeldenswaardig: van 380

(zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten)

generatiestudenten in 2000-2001 tot 574 in 2009-2010 (+51,0%).

(de academiejaren 2005-2006 en 2006-2007, en in de latere jaren de nog resterende diploma’s uitgereikt in deze opleidingen in afbouw);

2.3 OVERZICHT VAN DE UITGEREIKTE DIPLOMA’S

l

Onder de diploma’s van de master-na-masteropleidingen zijn ook de uitgereikte diploma’s van de voortgezette academische opleidingen (VAO’s) begrepen;

Dit hoofdstuk focust op de uitstroom hoger onderwijs en staat stil bij de kwantificatie en de stratificatie van de diploma’s uitgereikt in het Vlaamse hoger onderwijs.

l

Onder de diploma’s van de Specifieke lerarenopleiding (SLO) zijn ook de diploma’s van de vroegere academische

Vanaf het academiejaar 2004-2005 werd in het Vlaamse hoger

initiële lerarenopleiding (AILO) begrepen.

onderwijs de bachelor/masterstructuur geleidelijk, dit is jaar na jaar, ingevoerd. De hogescholen en universiteiten hebben in

De volgende gegevens en grafieken moeten omzichtig

het academiejaar 2006-2007 de eerste bachelordiploma’s

geïnterpreteerd worden. De omvorming naar de bachelor-master-

uitgereikt. De meeste masteropleidingingen zijn gestart in het

structuur heeft - zeker voor wat betreft de masterdiploma’s -

academiejaar 2007- 2008. In datzelfde jaar werden de eerste

een aantal veranderingen meegebracht die een vergelijking

masterdiploma’s uitgereikt (voor die masteropleidingen met

met het verleden bemoeilijken.

een studieomvang van 60 studiepunten).


37

Ook toekomstige prognoses zijn op dit moment niet evident,

In het academiejaar 2009-2010 hebben de Vlaamse

gelet op het korte tijdskader (eerste masterdiploma’s werden

hogescholen 18.466 professionele bachelordiploma’s uitgereikt.

pas in 2007-2008 afgeleverd). De volgende elementen moeten

Ten opzichte van het vorige academiejaar geeft dit een stijging

ten minste meegenomen worden bij een analyse van de gegevens:

van 176 diploma’s; ten opzichte van het academiejaar 20002001 neemt het aantal diploma’s van de professioneel gerichte

l

Bij de omvormingsoperatie naar de bachelor-master-

hogeschoolopleidingen toe met 9%.

structuur hebben de universiteiten een aantal voortgezette academische opleidingen omgevormd naar een initiële

Het aantal diploma’s uitgereikt door een hogeschool in een

masteropleiding of laten indalen in een initiële master-

academische opleiding neemt in de beschouwde periode toe

opleiding. Deze operatie heeft mede tot gevolg dat het

van 4.536 tweede cyclusdiploma’s in 2000-2001 tot 4.981

aantal uitgereikte diploma’s in de voortgezette opleidingen

in 2003-2004, om daarna quasi continu te dalen tot 4.265

- de vroegere VAO’s en de huidige Ma-na-masteropleidingen -

masterdiploma’s in 2009-2010. Ten opzichte van het

in de beschouwde periode sterk is afgenomen.

academiejaar 2000-2001 betekent dit een daling van het aantal diploma’s met ongeveer 6%.

l

In het studiegebied Wetenschappen en Biomedische wetenschappen is de studieomvang van de master-

Het aantal uitgereikte diploma’s door de universiteiten in de

opleidingen van 60 studiepunten naar 120 studiepunten

initiële basisopleidingen daarentegen kent globaal genomen

gebracht. In het academiejaar 2007-2008 hebben de

over de beschouwde periode een sterke toename: van 9.368

universiteiten in deze studiegebieden quasi geen diploma’s

licentiaatsdiploma’s in 2000-2001 tot 12.023 masterdiploma’s

uitgereikt. Het aantal diploma’s dat in de volgende tabellen

in 2009-2010 (dit is een stijging met ongeveer 28%).

naar voor komt, slaat op diploma’s uitgereikt aan studenten die vroeger - voor de invoering van de nieuwe master-

Vanaf het academiejaar 2004-2005 kent het aantal diploma’s

opleidingen - hun opleiding gestart zijn. Gelijktijdig met deze

in de voortgezette opleidingen een onafgebroken daling.

verlenging van de studieomvang hebben de universiteiten

Deze evolutie is des te opvallender vanaf het academiejaar

een aantal voortgezette opleidingen laten indalen in deze

2007-2008 (3.825 uitgereikte diploma’s in 2006-2007

nieuwe masteropleidingen van 120 studiepunten.

tegenover 2.778 in 2007-2008 en 1.883 in 2009-2010).

Eén van de neveneffecten van de omvorming naar de

uitgereikt door de hogescholen meegeteld. Zoals reeds vermeld,

bachelor-masterstructuur is dat de keuzemogelijkheden

spelen een aantal elementen mee die verband houden met de

voor studenten met een bachelordiploma sterk zijn

omvorming naar de bachelor-masterstructuur: de omvorming

toegenomen. Voorbereidingsprogramma’s maken het

van een aantal voortgezette opleidingen naar initiële masters,

mogelijk dat studenten een masteropleiding volgen met een

de indaling van een aantal voortgezette opleidingen in initiële

andere specificatie/ binnen een ander studiegebied dan dat

masteropleidingen en een ruimer aanbod van deze laatste

van de initiële bacheloropleiding. Studenten met een

opleidingen. Rekening houdend met al deze elementen is een

diploma van een professionele bacheloropleiding kunnen

mogelijke verklaring voor deze evolutie dat studenten eerder

doorstromen naar een masteropleiding als zij met succes

een tweede initiële masteropleiding zullen volgen dan een

een schakelprogramma afgerond hebben. De populariteit

master-na-masteropleiding. Verder onderzoek om deze

van deze schakelprogramma’s is de laatste jaren sterk

veronderstelling hard te maken is nodig.

Nochtans worden vanaf dan het aantal master-na-masterdiploma’s

gegroeid (van 705 inschrijvingen in het academiejaar 2004-2005 tot 6.822 in het academiejaar 2009-2010).

Voor de Specifieke lerarenopleiding springt de sterke daling

Deze ontwikkelingen verklaren mee dat binnen een aantal

van het aantal diploma’s in de academiejaren 2008-2009

studiegebieden de evolutie van het aantal uitgereikte

(-16%) en 2009-2010 (-22%) in het oog. Een mogelijke

diploma’s niet altijd/ niet langer de evolutie van het aantal

verklaring is de hervorming van de lerarenopleiding, die een

generatiestudenten volgt.

verzwaring van de opleiding met zich meebracht en leidde tot een vermindering van het aantal inschrijvingen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

l


38

Figuur 2.1: Universiteiten en hogescholen: diploma’s per type diploma (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

n PBA

n Ba-na-Ba

n HO master

n Ma-na-Ma

n UO master

n SLO

n Totaal master

n Doctoraat

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

Bij de gegevens over de master-na-masteropleidingen (Ma-na-Ma) wordt vanaf het academiejaar 2007-2008 ook het aantal diploma’s Ma-na-Ma’s uitgereikt door de hogescholen, opgenomen. Dit aantal is beperkt: 76 uitgereikte diploma’s in het academiejaar 2007-2008, 20 in 2008-2009 en 71 in 2009-2010. Vanaf het academiejaar 2007-2008 is voor de “Specifieke lerarenopleiding SLO” ook het aantal diploma’s uitgereikt door de hogescholen opgenomen in de gegevens. In het academiejaar 2007-2008 hebben de hogescholen 356 diploma’s SLO (AILO) uitgereikt, in 2008-2009 207 en in 2009-2010 190. Gebruikte afkortingen

PBA: professionele bacheloropleidingen HO: hogescholen UO: universiteiten Ba-na-Ba: bachelor-na-bachelor Ma-na-Ma: master-na-master SLO: specifieke lerarenopleiding

Het aantal uitgereikte doctoraten aan de universiteiten kent

Gelijklopend hiermee is de sterke afname van het aantal

een onafgebroken stijging in de beschouwde periode: van

diploma’s in de voortgezette opleidingen. Onder meer in dit

723 uitgereikte diploma’s in 2000-2001 naar 1.385 in 2009-

studiegebied (ETEW) zijn er bij de omvormingsoperatie naar de

2010. Dit is bijna een verdubbeling van het aantal uitgereikte

bachelor-masterstructuur een aantal voortgezette opleidingen

doctoraten (+92%).

omgevormd tot / ingedaald in een initiële masteropleiding.

De universiteiten hebben in het academiejaar 2009-2010 het

Het beperkte aantal initiële masterdiploma’s in de studie-

grootste aantal initiële masterdiploma's uitgereikt in de

gebieden Wetenschappen en Biomedische wetenschappen in

studiegebieden Economische en toegepaste economische

het academiejaar 2007-2008 is te verklaren door de invoering

wetenschappen

van masteropleidingen met een studieomvang van 120 studie-

(2.018),

Psychologie

en

pedagogische

wetenschappen (1.247), Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (1.241) en Politieke en sociale wetenschappen (1.167). Opvallend in de tabel 2.4 is de sterke toename van het aantal diploma’s in het studiegebied Economische en toegepaste economische wetenschappen (van 1.126 tweedecyclusdiploma’s in 2005-2006 naar 2.018 masterdiploma’s in 2009-2010).

punten in dat jaar.


39

Tabel 2.4:

Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2005-2006 t.e.m. 2009-20010)

Diploma

2005-2006 M

V

2006-2007 T

M

V

2007-2008 T

M

V

2008-2009 T

M

V

2009-2010 T

M

V

T

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 106

69

175

91

59

150

85

61

146

93

49

142

65

41

106

Ma-na-Ma

26

14

40

12

10

22

18

6

24

13

2

15

17

5

22

SLO

32

26

58

25

16

41

12

20

32

12

14

26

2

6

8

doctoraat

25

6

31

17

11

28

15

10

25

16

2

18

16

6

22

master

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht master

41

27

68

50

23

73

55

40

95

67

45

112

70

41

111

Ma-na-Ma

29

22

51

32

19

51

37

15

52

27

21

48

31

20

51

6

20

26

5

13

18

3

4

7

2

8

10

17

2

19

16

4

20

23

4

27

28

6

34

27

6

33 632

SLO doctoraat

Taal- en letterkunde master

145

429

574

133

391

524

129

431

560

145

495

640

144

488

Ma-na-Ma

42

102

144

43

113

156

29

75

104

20

63

83

23

71

94

SLO

73

291

364

67

249

316

58

209

267

44

188

232

21

89

110

doctoraat

23

14

37

22

23

45

26

28

54

16

22

38

17

26

43

Geschiedenis 187

155

342

174

182

356

243

162

405

191

151

342

201

144

345

Ma-na-Ma

21

17

38

16

19

35

9

9

18

15

9

24

12

11

23

SLO

66

74

140

54

87

141

42

73

115

34

39

73

14

15

29

doctoraat

12

3

15

11

7

18

10

7

17

7

9

16

12

7

19 179

master

Archeologie en kunstwetenschappen 36

144

180

59

121

180

62

167

229

48

144

192

55

124

Ma-na-Ma

8

10

18

3

11

14

3

8

11

3

7

10

3

5

8

SLO

5

27

32

6

43

49

4

28

32

8

32

40

4

13

17

doctoraat

8

7

15

5

2

7

5

7

12

16

5

21

5

3

8

master

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen master

448

795

1.243

522

827

1.349

544

837

1.381

473

837

1.310

436

805

1.241

Ma-na-Ma

222

302

524

201

274

475

225

277

502

224

259

483

236

303

539

SLO

13

44

57

9

51

60

11

45

56

15

28

43

doctoraat

12

10

22

14

10

24

19

9

28

23

17

40

3

27

14

41 1.247

Psychologie en pedagogische wetenschappen 165

927

1.092

184

960

1.144

181

1.133

1.314

213

1.111

1.324

178

1.069

Ma-na-Ma

41

98

139

32

102

134

19

69

88

11

37

48

12

28

40

SLO

11

232

243

25

272

297

19

268

287

33

261

294

22

124

146

20

27

47

21

31

52

14

35

49

26

36

62

master

28 27 55 Economische en toegepaste economische wetenschappen

doctoraat master

624

502

1.126

652

509

1.161

827

683

1.510

982

795

1.777

1.097

921

2.018

Ma-na-Ma

470

322

792

523

317

840

273

203

476

114

66

180

90

66

156

20

73

93

20

86

106

12

51

63

5

15

20

6

15

21

doctoraat 31 Politieke en sociale wetenschappen

25

56

33

25

58

37

15

52

46

30

76

33

25

58

master

340

507

847

354

556

910

476

690

1.166

467

609

1.076

480

687

1.167

Ma-na-Ma

194

308

502

208

253

461

121

168

289

73

104

177

83

103

186

37

98

135

28

77

105

20

55

75

18

38

56

12

17

29

doctoraat 27 Sociale gezondheidswetenschappen

8

35

13

19

32

16

19

35

18

16

34

16

28

44

master

18

141

159

15

140

155

20

214

234

40

281

321

56

291

347

Ma-na-Ma

37

41

78

14

34

48

22

23

45

4

9

13

8

3

11

2

49

51

7

53

60

4

45

49

1

32

33

2

15

17

1

3

4

2

6

2

3

5

1

1

2

3

6

9

281

472

213

272

485

6

2

3

5

SLO

SLO

SLO

doctoraat 2 Bewegings- en revalidatiewetenschappen 163

268

431

171

242

413

182

232

414

191

Ma-na-Ma

15

45

60

15

26

41

24

35

59

6

SLO

75

106

181

86

94

180

48

83

131

44

48

92

22

25

47

7

11

18

4

13

17

6

6

12

9

8

17

12

11

23

master

doctoraat

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

3


40

Tabel 2.4:

Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2005-2006 t.e.m. 2009-20010)

Diploma

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2009-2010

V

T

M

V

T

M

Wetenschappen master

441

276

717

500

268

768

124

Ma-na-Ma

140

100

240

137

93

230

86

74

127

201

71

92

163

42

138

105

243

147

109

256

master

612

173

785

553

168

Ma-na-Ma

177

105

282

185

116

16

17

33

7

8

15

7

7

14

11

6

17

1

143

56

199

180

28

208

166

39

205

187

55

242

SLO doctoraat

V

2008-2009

M

T

M

V

T

M

V

T

33

157

374

274

648

395

281

75

161

29

22

51

15

8

23

98

140

25

25

50

5

9

14

138

132

270

149

97

246

174

105

279

721

631

148

779

634

176

810

712

191

903

301

135

65

200

104

49

153

106

55

161

196

53

249

676

Toegepaste wetenschappen

SLO doctoraat

1

Toegepaste biologische wetenschappen master

189

167

356

180

189

369

184

179

363

236

188

424

237

195

432

Ma-na-Ma

121

100

221

101

105

206

56

51

107

8

4

12

9

9

18

SLO

15

46

61

15

38

53

7

29

36

2

20

22

4

5

9

doctoraat

66

45

111

57

38

95

85

58

143

60

58

118

78

64

142

237

381

618

237

437

674

203

349

552

196

423

619

229

491

720

34

64

98

37

53

90

69

90

159

59

133

192

63

117

180

Geneeskunde master Ma-na-Ma

4

25

29

2

19

21

1

8

9

5

6

11

2

6

8

doctoraat Tandheelkunde

64

65

129

67

70

137

81

85

166

87

95

182

99

120

219

master

26

46

72

29

40

69

21

48

69

25

50

75

38

62

100

5

12

17

7

11

18

8

11

19

10

20

30

8

9

17

2

1

3

2

2

2

1

1

2

1

3

SLO

Ma-na-Ma SLO doctoraat

2

Diergeneeskunde 54

111

165

39

118

157

44

151

195

33

161

194

50

132

182

Ma-na-Ma

6

4

10

1

7

8

2

6

8

1

5

6

2

4

6

SLO

3

10

13

4

6

10

1

1

2

4

6

doctoraat

9

13

22

12

8

20

11

14

25

10

21

31

master

3

3

15

29

44

Farmaceutische wetenschappen 41

174

215

47

158

205

53

181

234

63

208

271

61

260

321

Ma-na-Ma

9

42

51

15

43

58

20

39

59

19

52

71

17

54

71

SLO

1

13

14

1

10

11

1

2

3

1

7

8

19

17

36

24

22

46

13

26

39

9

18

27

8

54

151

205

1

1

master

doctoraat

1

1

16

24

40

54

153

207

Biomedische wetenschappen 55

211

266

68

206

274

Ma-na-Ma

3

3

6

3

1

4

SLO

2

25

27

2

29

31

doctoraat

6

9

15

4

16

20

master

9

17

1

1

3

22

25

12

34

46

26

39

65

11

12

23

9

18

27

11

22

33

10

7

17

22

6

28

2

2

3

1

4 576

Verkeerskunde master Ma-na-Ma SLO doctoraat

1

1

Gecombineerde studiegebieden 59

142

201

77

112

189

95

232

327

218

343

561

232

344

313

347

660

297

336

633

158

162

320

67

66

133

100

101

201

SLO

7

25

32

3

13

16

22

78

100

54

164

218

117

333

450

doctoraat

2

3

5

2

3

5

6

4

10

5

2

7

5

4

9

master Ma-na-Ma

Audiovisuele en beeldende kunsten doctoraat

2

2

1

1


41

Tabel 2.4:

Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2005-2006 t.e.m. 2009-20010)

Diploma

2005-2006

Totaal master Ma-na-Ma SLO doctoraat Gebruikte afkortingen

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

3.987 1.913 462 642

5.645 2.058 1.328 428

9.632 3.971 1.790 1.070

4.135 1.882 437 654

5.706 1.943 1.256 437

9.841 3.825 1.693 1.091

4.167 1.314 316 693

5.980 1.388 1.126 511

10.147 2.702 1.442 1.204

4.753 807 328 711

6.779 929 969 517

11.532 1.736 1.297 1.228

5.025 837 260 794

6.998 975 718 591

12.023 1.812 978 1.385

Ma-na-Ma: master-na-master SLO: specifieke lerarenopleiding

De globale daling van het aantal diploma’s in de voortgezette

Het grootste aantal doctoraten in de periode 2005-2006 tot

opleidingen doet zich niet voor in het studiegebied Rechten,

2009-2010 werd uitgereikt in de studiegebieden Wetenschappen

notariaat en criminologische wetenschappen. Integendeel, ten

(1.294), Toegepaste wetenschappen (1.103), Geneeskunde (833)

opzichte van het vorige academiejaar is het aantal uitgereikte

en Toegepaste biologische wetenschappen (609). Deze vier

master-na-masterdiploma’s gestegen van 483 naar 539 in het

studiegebieden samen hebben 64,2% van het totale aantal

academiejaar 2009-2010. Daarmee worden in dit studiegebied

doctoraten in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd.

het grootste aantal master-na-masterdiploma’s uitgereikt.

Voor de meeste studiegebieden werd in de voorbije vijf academie-

De studiegebieden Politieke en sociale wetenschappen en

jaren een stijging van het aantal doctoraten waargenomen.

Geneeskunde volgen met respectievelijk 186 en 180 uitgereikte

De grootste toename van het aantal doctoraten (in absolute

diploma’s in het academiejaar 2009-2010.

cijfers, vergelijking uitgereikte diploma’s 2009-2010 ten opzichte van 2005-2006) vindt men terug in de studiegebieden

De voorbije vijf academiejaren kende het aantal diploma’s

Geneeskunde (+90) en Toegepaste wetenschappen (+50).

Specifieke lerarenopleiding uitgereikt door de universiteiten een onafgebroken daling: van 1.790 diploma’s in 2005-2006

Bij de initiële masteropleidingen is het aantal vrouwelijke

naar 978 diploma’s in 2009-2010. Door een registratiewijziging

gediplomeerden aanzienlijk groter dan het aantal mannelijke

in de Databank Hoger Onderwijs vindt men een groot aantal

gediplomeerden. In het academiejaar 2009-2010 werd 58% van het aantal masterdiploma’s uitgereikt aan vrouwelijke studenten. De laatste jaren blijft deze verhouding quasi constant.

te analyseren.

Figuur 2.2: Universiteiten: masterdiploma’s per geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

8.000 7.000

Aantal Ma-diploma’s

6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2000-2001

n Mannen n Vrouwen

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

Academiejaar

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

van deze diploma’s terug in de gecombineerde studiegebieden. Dit maakt het onmogelijk om de evoluties per studiegebied


42

De man-vrouw verhouding bij de uitgereikte masterdiploma’s

Ook in de studiegebieden Archeologie en kunstwetenschappen

verschilt sterk van studiegebied tot studiegebied. In het

(69,3%), Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

academiejaar 2009-2010 was er een sterk vrouwelijk overwicht in

(64,9%), Politieke en sociale wetenschappen (58,9%), Bewegings-

de studiegebieden Taal- en letterkunde (77,2%), Psychologische

en revalidatiewetenschappen (56,1%), Geneeskunde (68,2%),

en pedagogische wetenschappen (85,7%), Sociale gezondheids-

Tandheelkunde (62,0%) en in de gecombineerde studie-

wetenschappen (83,9%), Diergeneeskunde (72,5%), Farma-

gebieden (59,7%) behaalden meer vrouwen dan mannen

ceutische wetenschappen (81,0%) en Biomedische wetenschappen

een masterdiploma in een basisopleiding.

(73,9%).

Figuur 2.3: Universiteiten: master-na-masteropleidingen - diploma’s per geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

2.500

Aantal Ma-na-Ma diploma’s

2.000

1.500

1.000

500

0 2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

Academiejaar

n Mannen n Vrouwen

Figuur 2.4: Universiteiten: doctoraatsdiploma’s per geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

900 800

Aantal doctoraatsdiploma’s

700 600 500 400 300 200 100 0 2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

Academiejaar

n Mannen n Vrouwen

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010


43

Een duidelijk mannelijk overwicht was er in het studiegebied

ondanks de sterke globale afname van het aantal diploma’s in

Toegepaste wetenschappen (78,9%). Ook in de studiegebieden

de voortgezette opleidingen. In het academiejaar 2009-2010

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen (61,3%), Godgeleerdheid,

zijn 975 vrouwelijke studenten afgestudeerd in een master-na-

godsdienstwetenschappen

masteropleiding en 837 mannen. Dit geeft een verhouding

en

kerkelijk

recht

(63,1%),

Economische en toegepaste economische wetenschappen

van 53,8% vrouwen tegenover 46,2% mannen.

(54,4%), Geschiedenis (58,3%), Wetenschappen (58,4%), Toegepaste biologische wetenschappen (54,9%) en Verkeers-

Het grootste onevenwicht tussen mannen en vrouwen vindt

kunde (78,6) reikten de universiteiten verhoudingsgewijs meer

men nog steeds terug bij het aantal uitgereikte doctoraats-

masterdiploma’s uit aan mannelijke studenten.

diploma’s: 53,8% mannelijke doctorandi in 2009-2010 tegenover 46.2% vrouwelijke doctorandi. Nochtans hebben

Vanaf het academiejaar 2005-2006 hebben de universiteiten

de vrouwelijke studenten in de beschouwde periode een sterke

voor het eerst meer diploma’s in voortgezette academische

inhaalbeweging gekend: het aantal doctoraatsdiploma’s

opleidingen uitgereikt aan vrouwelijke studenten, namelijk

uitgereikt aan vrouwen is in deze periode meer dan

51,8% tegenover 48,2% aan mannelijke studenten. Dit kleine

verdubbeld van 233 diploma’s in het academiejaar 2000-2001

vrouwelijke overwicht is de laatste academiejaren nog versterkt,

naar 591 in 2009-2010.

Tabel 2.5:

Hogescholen: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2005-2006 t.e.m. 2009-2010)

Academiejaar Studiegebied

2005-2006 M

V

2006-2007 T

M

V

2007-2008 T

M

2008-2009

2009-2010

V

T

M

V

T

M

V

T

229

418

152

270

422

157

282

439

PBA/één cyclus Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

202

292

494

181

255

436

189

12

16

28

19

23

42

22

21

43

20

18

38

14

25

39

Biotechniek

195

182

377

196

213

409

216

226

442

204

199

403

195

193

388

Gezondheidszorg

2.335

2.718

335

2.358

2.693

347

2.383

2.730

339

2.392

2.731

402

2.549

2.951

2.638

3.038

5.676

2.647

2.901

5.548

2.461

2.856

5.317

2.609

2.873

5.482

2.686

2.939

5.625

Industriële wetenschappen en technologie

1.835

263

2.098

1.882

296

2.178

1.893

261

2.154

2.041

298

2.339

2.020

285

2.305

Muziek en podiumkunsten

2

9

11

1

5

6

4

8

12

13

13

4

13

17

Nautische wetenschappen

13

1

14

20

1

21

16

2

18

14

14

17

Onderwijs

945

3.437

4.382

1.001

3.372

4.373

914

2.997

3.911

850

2.973

3.823

934

2.904

3.838

Sociaal-agogisch werk

437

1.873

2.310

458

2.038

2.496

500

2.116

2.616

563

2.462

3.025

482

2.365

2.847

6.662

11.446

18.108

6.740

11.462

18.202

6.562

11.099

17.661

6.792

11.498

18.290

6.911

11.555

18.466

419

149

238

387

Totaal diploma's PBA/ één cyclus

17

Masters/tweede cyclus Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

99

160

259

127

199

326

142

282

424

162

257

280

327

607

240

324

564

215

269

484

207

234

441

183

278

461

Biotechniek

45

21

66

38

27

65

16

31

47

46

63

109

53

55

108

Gezondheidszorg

60

80

140

68

93

161

48

73

121

33

37

70

29

28

57

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

555

474

1.029

530

458

988

570

466

1.036

519

443

962

495

428

923

Industriële wetenschappen en technologie

1.546

260

1.806

1.444

224

1.668

1.353

195

1.548

1.289

166

1.455

1.288

165

1.453

Muziek en podiumkunsten

147

143

290

130

155

285

123

176

299

141

158

299

103

119

222

Nautische wetenschappen

32

10

42

38

8

46

40

8

48

29

7

36

21

5

26

Produktontwikkeling

35

21

56

40

12

52

25

23

48

47

13

60

28

9

37

Toegepaste taalkunde

106

395

501

106

436

542

121

407

528

117

390

507

117

400

517

35

50

85

24

33

57

51

57

108

23

46

69

32

42

74

Gecombineerd studiegebied Totaal masters/ tweede cyclusdiploma's

2.940

1.941

4.881

2.785

1.969

4.754

2.704

1.987

4.691

2.613

1.814

4.427

2.498

1.767

4.265

Algemeen totaal

9.602

13.387

22.989

9.525

13.431

22.956

9.266

13.086

22.352

9.405

13.312

22.717

9.409

13.322

22.731

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

383

Handelswetenschappen en bedrijfskunde


44

Vlaanderen scoort ook uitzonderlijk hoog voor wat betreft het aantal uitgereikte 2de graadsdiploma’s. Een verklaring hiervoor is wellicht dat hier ook de master-na-masterdiploma’s opgenomen zijn, waardoor dubbeltellingen mogelijk zijn. Globaal genomen kan men op basis van deze cijfers toch stellen dat de jonge generatie twintigers meer dan gemiddeld geschoold is in internationaal perspectief. In het academiejaar 2009-2010 hebben de hogescholen het grootste aantal diploma’s van professionele bacheloropleidingen uitgereikt in de studiegebieden Handelswetenschappen en bedrijfskunde (5.625), Onderwijs (3.838) en Gezondheidszorg (2.951). De voorbije vijf academiejaren werd de grootste toename van het aantal gediplomeerden in absolute cijfers (vergelijking uitgereikte diploma’s 2009-2010 t.o.v. 2005-2006) gemeten bij Sociaal-agogisch werk (+537), Gezondheidszorg (+233) en Industriële wetenschappen en technologie (+207). Het studiegebied Onderwijs daarentegen werd geconfronteerd met de sterkste daling van het aantal gediplomeerden: -544 afgestudeerden. Het dieptepunt lag in het academiejaar 2008-2009. In het laatste academiejaar werd een lichte stijging opgetekend: +15 uitgereikte diploma’s. De hogescholen hebben het grootste aantal masterdiploma's in 2009-2010 uitgereikt in de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie (1.453), Handelswetenschappen en bedrijfskunde (923) en Toegepaste taalkunde (517). De studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie (-353 diploma’s), Audiovisuele en beeldende kunst (-146 diploma’s) en Handelswetenschappen en bedrijfskunde (-106 diploma’s)

kenden in de voorbije vijf academiejaren de grootste daling in het aantal uitgereikte tweedecyclusdiploma’s /masterdiploma’s. Een toename van het aantal diploma’s werd enkel opgetekend in de studiegebieden Architectuur (+128 diploma’s), Biotechniek (+42 diploma’s) en Toegepaste taalkunde (+16 diploma’s). Bij de professionele bacheloropleidingen is het aantal vrouwelijke gediplomeerden groter dan het aantal mannelijke gediplomeerden. In het academiejaar 2009-2010 reikten de Vlaamse hogescholen 62,6% van de professionele bachelordiploma’s (of 11.555 diploma’s) uit aan vrouwelijke afgestudeerden, tegenover 37,4% (of 6.911 diploma’s) aan mannelijke afgestudeerden. Bekeken over de beschouwde periode - 2000-2010 - is deze verhouding nagenoeg constant gebleven. Kijkt men naar de man-vrouw verhouding per studiegebied (tabel 2.5), dan merkt men op dat de Vlaamse hogescholen in de meeste studiegebieden - met uitzondering van de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie, Nautische wetenschappen en Biotechniek - meer diploma’s uitreikten aan vrouwelijke dan aan mannelijke studenten. In het academiejaar 2009-2010 waren de studiegebieden met het sterkste vrouwelijk overwicht de studiegebieden Onderwijs (75,7%), Sociaal-agogisch werk (83,1%), Gezondheidszorg (86,4%) en Muziek en podiumkunsten (76,5%). De studie gebieden Industriële wetenschappen en technologie (87,6%) en Nautische wetenschappen (100%) telden meer mannelijke gediplomeerden. In het studiegebied Biotechniek is de man/vrouw verhouding quasi gelijk: 50,3% mannelijke afgestudeerden tegenover 49,7% vrouwelijke gediplomeerden.

Figuur 2.5: Hogescholen: professionele bachelordiploma’s per geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

16.000 14.000

Aantal PBA-diploma’s

12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2000-2001

n Mannen n Vrouwen

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

Academiejaar

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010


45

Figuur 2.6: Hogescholen: masterdiploma’s per geslacht (periode 2000-2001 t.e.m. 2009-2010)

3.500

Aantal Ma-diploma’s

3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

n Mannen

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

Academiejaar

n Vrouwen

In de masteropleidingen van de hogescholen studeren

De programmatypes zijn:

overwegend meer mannelijke studenten af dan vrouwelijke studenten, in tegenstelling tot de professionele bachelordiploma’s.

l

type B - tertiair onderwijs (ISCED 5B), wat in Vlaanderen

In het academiejaar 2009-2010 was de man-vrouw verhouding

correspondeert met de professioneel gerichte bachelor-

58,6% tegenover 41,4%. Deze verhouding is quasi constant

opleidingen, de bachelor-na-bacheloropleidingen en de

gebleven in de beschouwde periode.

HOSP-opleidingen (Hoger onderwijs voor sociale promotie);

Bij de masterdiploma’s uitgereikt door de hogescholen zijn

l

type A - tertiair onderwijs (ISCED 5A), zijnde de academische gerichte opleidingen aan de hogescholen, de universiteiten,

studiegebieden merkbaar. Het grootste verschil tussen het

de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische

aantal vrouwelijke en het aantal mannelijke gediplomeerden

Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee en het

in het academiejaar 2009-2010 werd opgetekend in de

Instituut voor Tropische Geneeskunde. In deze categorie

studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie

wordt een onderscheid gemaakt naar de 1ste graad, zijnde

(88,6% mannelijke gediplomeerden), Nautische wetenschappen

de academische bachelordiploma’s en de 2de graad, zijnde

(80,8% mannelijke afgestudeerden), Productontwikkeling

de mastergraden (zowel voor de initiële masteropleidingen

(75,7% mannelijke gediplomeerden) en de Toegepaste

als voor de master-na-masteropleidingen).

taalkunde (77,4% vrouwelijke afgestudeerden). l

Voortgezette onderzoeksprogramma’s (doctoraat of equivalent) (ISCED 6), zijnde de doctoraten.

2.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING De cijfers in tabel 2.6 moeten met de nodige voorzichtigheid Tabel 2.6 toont de percentages afgestudeerden in het hoger

geïnterpreteerd worden. Zo is onder meer de gehanteerde

onderwijs ten opzichte van de referentiepopulatie op typische

classificatie niet dezelfde in alle landen. Vlaanderen scoort hoog

leeftijd van afstuderen voor het academiejaar 2007-2008. De

voor wat betreft het aantal uitgereikte diploma in de ISCED

tabel maakt een onderscheid naar het type programma dat

5B-categorie. Dit is voor een deel te wijten aan het gegeven dat

doorlopen wordt.

in een aantal landen opleidingen die te vergelijken zijn met de Vlaamse professionele bacheloropleidingen opgenomen zijn in categorie ISCED 5A. Dit vertaalt zich uiteraard ook in het lage cijfer voor Vlaanderen in categorie 5A – 1ste graad.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

eveneens verschillen in de man-vrouwverhouding tussen de


46

Tabel 2.6:

Percentage afgestudeerden hoger onderwijs in verhouding tot de referentiepopulatie op de typische leeftijd van afstuderen, naar type programma en duur – internationale vergelijking (2007-2008)

Ierland Frankrijk Spanje Verenigd Koninkrijk Duitsland Denemarken Zweden Finland Italië Portugal Oostenrijk Nederland België Vlaamse Gemeenschap OESO-gemiddelde

Type B - tertiair onderwijs 1ste graad (ISCED 5B) M+V 26,0 25,0 14,2 16,5 10,1 11,8 6,0 n 0,7 2,4 7,8 n 29,3 29,9 12,2

Type A - tertiair onderwijs 1ste graad (ISCED 5A) M+V 46,1 35,4 29,8 40,1 25,5 46,5 39,2 82,0 32,8 45,3 25,0 44,7 19,1 19,2 38,2

Type A - tertiair onderwijs 2de graad (ISCED 5A) M+V 19,2 14,0 2,2 22,2 2,2 16,9 4,3 0,8 m 6,7 4,6 15,8 23,7 28,2 10,6

Doctoraat of equivalent (ISCED 6) M+V 1,3 1,4 0,9 2,0 2,5 1,5 3,0 2,3 m 3,0 1,9 1,6 1,3 1,5 1,4

Typische leeftijd van afstuderen: - type B: 21 jaar - type A - 1ste graad: 21 jaar - type A - 2de graad: 22-25 jaar Voor de Vlaamse Gemeenschap verwijzen de data naar het totale aantal behaalde diploma’s. Deze gegevens kunnen dubbeltellingen bevatten – studenten die meerdere diploma’s behalen worden meerdere malen in de data opgenomen. Gebruikte afkortingen

m: data niet beschikbaar n: grootte is verwaarloosbaar of nul

De gegevens in dit hoofdstuk kunnen niet vergeleken worden met de voorgaande jaren, door de beschikbaarheid van internationale data. Voor wat betreft het percentage afgestudeerden, is de vroegere onderverdeling naar aantal jaren studie in ISCED 5A voor het academiejaar 2007-2008 niet beschikbaar.

Tabel 2.7:

Procentuele verdeling van de diploma’s in het hoger onderwijs naar studiedomein (2007-2008)

Land België Vlaamse Gemeenschap Denemarken Duitsland Ierland Spanje Frankrijk Italië Nederland Oostenrijk Portugal Finland Zweden Verenigd Koninkrijk

Humane wetenschappen, kunst en onderwijs

Sociale wetenschappen, economische en handelswetenschappen, recht en diensten

25,3

33,6

5,8

10,7

2,9

21,6

4,9

26,4

34,2

6,1

12,4

2,2

18,6

0,0

20,9

34,6

7,1

12,4

2,5

22,5

26,6

26,9

13,2

13,2

1,7

18,3

0,5

29,3

34,6

13,9

10,5

0,7

11

0,2

22,2

34,8

9,3

16,5

1,7

15,4

0,3

12,4

45,4

10,6

15,6

1,5

14,5

26,8

36,0

6,5

13,8

1,8

15,2

6,7

23,8

42,5

6,4

7,7

1,4

18,2

0,4

19,6

38,3

10,8

17,8

2,4

11,2

0,1

16,0

32,4

12,1

17,9

2,1

19,6

25,0

30,9

11,7

15,1

2,3

15,1

23,9

26,7

7

16,7

1,2

24,6

0,1

27,6

31,7

12,8

8,7

0,9

18,4

1

Wetenschappen, wiskunde en computerwetenschappen

Ingenieurswetenschappen en industriële wetenschappen

Landbouw en diergeneeskunde

Gezondheid en welzijn

Onbekend

De gegevens in deze tabel hebben betrekking op de opleidingen van ISCED 5 en ISCED 6. De gegevens zijn afkomstig van Eurostat (en niet langer van de OESO zoals de vorige jaren).


47

Tabel 2.8:

Percentage diploma’s in wiskunde,

Tabel 2.8 geeft internationaal het percentage diploma’s in

wetenschappen en technologie in het hoger

wiskunde, wetenschappen en technologie ten opzichte van

onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in

alle diploma’s uitgereikt in de categorieën ISCED 5 en 6.

het hoger onderwijs academiejaar 2007-2008

Voor Vlaanderen zijn dit de diploma’s uitgereikt in de professionele en academische bachelors en masters (zowel de initiële masters

Europese Unie (27 landen) België Denemarken Duitsland Ierland Spanje Frankrijk Italië Nederland Finland Zweden Verenigd Koninkrijk Noorwegen Zwitserland Verenigde Staten Japan Vlaamse Gemeenschap

2007 - 2008 21,9 16,6 19,4 26,4 24,4 25,7 26,2 20,4 14 26,8 23,6 21,5 15,2 20,6 15,4 22 18,5

De gegevens in deze tabel hebben betrekking op de opleidingen van ISCED 5 en ISCED 6. De gegevens zijn afkomstig van Eurostat (en niet langer van de OESO zoals de vorige jaren).

als de master-na-masters) en de doctoraten. In vergelijking met het Europese gemiddelde (21,9%) scoort Vlaanderen (18,5%) laag. Het percentage voor Vlaanderen ligt wel hoger dan voor België als geheel (16,6%). Enkel de volgende landen scoren slechter dan Vlaanderen: Denemarken, Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten.

2.5 BESLUIT In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de kwantificatie en de stratificatie van de Vlaamse studentenbevolking. Kenmerkend zijn de hoge graad van participatie van de Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke vervrouwelijking van het hoger onderwijs, in het bijzonder in de professionele bacheloropleidingen en de universitaire opleidingen. De laatste academiejaren kent het hoger onderwijs een sterke toename van het aantal generatiestudenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte opleidingen aan

aantal uitgereikte 2de graadsdiploma’s. Een verklaring hiervoor is

de hogescholen als voor de academisch gerichte opleidingen aan

wellicht dat hier ook de master-na-masterdiploma’s opgenomen

de hogescholen en de universiteiten. Deze versterkte toename

zijn, waardoor dubbeltellingen mogelijk zijn. Globaal genomen

valt grotendeels samen met de invoering van de bachelor-

kan men op basis van deze cijfers toch stellen dat de jonge

masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs. Ook het aantal

generatie twintigers meer dan gemiddeld geschoold is in een

uitgereikte diploma’s neemt toe in de beschouwde periode.

internationaal perspectief.

Dit is zeker het geval bij de masteropleidingen aan de universiteiten. Anderzijds neemt het aantal diploma’s in

Bekijken we in internationaal perspectief de procentuele verdeling

voortgezette opleidingen sterk af. Een mogelijke verklaring is dat

van de diploma’s hoger onderwijs over de verschillende

door de invoering van de bachelor-masterstructuur studenten

studiedomeinen (tabel 2.7), dan valt op dat deze verdeling in

eerder opteren voor een tweede masteropleiding dan voor een

Vlaanderen grotendeels de verdeling in de andere opgenomen

master-na-masteropleiding. Dit vereist evenwel verder onderzoek

landen volgt. Het grootste aandeel van de uitgereikte diploma’s

naar de effecten van de invoering van deze bachelor-

situeert zich in de categorieën Sociale wetenschappen,

masterstructuur. Opvallend is ook de sterke toename van het

economische en handelswetenschappen, recht en diensten en

aantal uitgereikte doctoraten aan de universiteiten in de

humane wetenschappen, kunst en onderwijs. Wat wel opvalt is

beschouwde periode. Dit aantal is meer dan verdubbeld.

- in vergelijking met de meeste andere landen - het erg lage

Het aantal diploma’s in de Specifieke lerarenopleiding

percentage voor Vlaanderen in het domein Wiskunde en

daarentegen kent een sterke daling.

computerwetenschappen. Dit is ook het geval - zij het in mindere mate - in het domein van de ingenieurswetenschappen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 2

Vlaanderen scoort ook uitzonderlijk hoog voor wat betreft het


48


49

ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM IN D O C TO R A ATS O N D E R ZO E K

Door Hanne Derycke (UGent), Hans Groenvynck (UGent) en Ronan Van Rossem (UGent)

03


50

3.1 EVOLUTIE VAN HET ONDERZOEKS POTENTIEEL IN VLAANDEREN

In figuur 3.2 wordt de ratio van het aantal doctoraten tegenover het aantal tweede cyclus diploma’s per studiegebied weergegeven voor het academiejaar 2008-2009. De richtingen

Het aantal afgestudeerden dat een voortgezet academisch

Wetenschap en Technologie waar het grootste innovatiepotentieel

traject volgt doorheen een doctoraatsonderzoek steeg gestaag

wordt verwacht, voorzien ook de grootste doorstroming naar

de voorbije decennia. In figuur 3.1 valt de evolutie op van

onderzoekscarrières. Binnen de sociale wetenschappen is het

het (stijgend) aantal hogere diploma’s op jaarbasis zowel op

aantal uitgereikte doctoraatstitels minder dan 1/20ste van het

master- als op doctoraatsniveau. De stijging van het aantal

aantal tweede cyclusdiploma’s die worden uitgereikt, terwijl dit

doctoraten op jaarbasis zette zich vooral rond de eeuwwisseling

voor de exacte en toegepaste wetenschappen een verhouding

sterk door en blijft jaar na jaar toenemen. In het academiejaar

van meer dan één op vier inhoudt.

2008-2009 werden 1.228 doctoraten afgeleverd, waar dit er tien jaar eerder minder dan de helft (595 doctoraten) waren.

3.2 ONTWIKKELINGEN IN DOCTORAATSONDERZOEK EN – PRODUCTIE

Tegelijk zien we over die periode ook een toename van het aantal mastergediplomeerden aan de Vlaamse universiteiten. In verhouding zijn er steeds meer mastergediplomeerden die ook een doctoraatsdiploma behalen. Aangezien hier geen

3.2.1 Instroom van onderzoekers

rekening wordt gehouden met de tijd die nodig is om een doctoraatsdiploma te halen is het werkelijke percentage dat

Uit figuur 3.3 blijkt dat de stijgende instroom van het aantal

doorstroomt naar een doctoraatstraject, nog hoger.

onderzoekers op predoctoraal niveau niet gevolgd wordt door een even sterke stijging van het aantal aanstellingen op

De doorstroom van mastergediplomeerde naar doctoraathouder

ZAP-niveau. Wel is de toename in het postdoctoraal kader

verschilt ook van discipline tot discipline. Het aantal afgeleverde

opvallend.

doctoraten moet uiteraard ook gezien worden als een functie van het potentieel aantal doctorandi, d.w.z. van het aantal afgestudeerden in de tweede cyclus binnen hetzelfde studiegebied.

Figuur 3.1: Ratio (doctoraten / tweedecyclusdiploma’s) aan Vlaamse universiteiten, 1994-1995 tot en met 2008-2009

14.000

14%

12.000

12%

10.000

10%

8.000

8%

6.000

6%

4.000

4%

2.000

2%

0

0% 19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

n 2de cyclus n Doctoraten n Ratio doc/2de cyclus

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs

19992000

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

20072008

20082009


51

Figuur 3.2: Ratio (doctoraten / tweedecyclusdiploma’s) aan Vlaamse universiteiten naar studiegebied, 2008-2009

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wetenschappen Geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheidswetenschappen Diergeneeskunde Biomedische wetenschappen Farmaceutische wetenschappen Geschiedenis, kunsten, letteren en wijsbegeerte Economische en toegepaste economische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Politieke en sociale wetenschappen Gecombineerde studiegebieden (afbouw B&V) 0

200

400

600

800

1.000

1.200

1.400

1.600

1.800

2.000

n 2de cyclus n Doctoraten n Ratio doc/2de cyclus

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2009-2010 (diploma’s 2008-2009)

Naar wetenschapscluster. Wanneer we de instroom van jonge

doctoraat hebben en die via diverse statuten en financierings-

onderzoekers in de academische sector bekijken naargelang

bronnen (postdoctoraal assistent, postdoctoraal bursaal,

van de wetenschapscluster waartoe ze behoren (zie figuur 3.4),

postdoctoraal onderzoeker, wetenschappelijk medewerker met

merken we op dat de toename in de instroom van

een doctoraat) in de meeste gevallen een tijdelijke aanstelling

doctoraatsonderzoekers in alle wetenschapsclusters plaatsvond,

aan de universiteit opnemen. Nieuwe doctores hebben

vooral vanaf academiejaar 1994-1995. Deze stijging is echter

weliswaar meer kansen dan vroeger om als postdoctoraal

niet voor alle wetenschapsclusters even groot; bovendien

onderzoeker hun academische werkervaring verder uit te

hebben niet alle wetenschapsclusters deze trend even sterk

breiden, maar hun kansen om een langetermijnscarrière uit

volgehouden: de instroomcijfers van junior onderzoekers in

te bouwen liggen voornamelijk in de niet-academische arbeids-

de humane wetenschappen bereikten een piek in 1999-2000

markt, nationaal of internationaal.

en zijn de laatste jaren nauwelijks nog gestegen. In verhouding tot de andere disciplines starten er dus minder junior

In de volgende figuren bekijken we vooral indicatoren die de

onderzoekers in de humane wetenschappen dan vroeger het

instroom in de vroege academische carrière of het doctoraats-

geval was en is hun aantal in de laatste tien jaar zelfs gedaald.

traject betreffen – niet alle junior onderzoekers beogen immers

Het aantal instromers in onderzoek in de sociale wetenschappen

een doctorstitel op het ogenblik dat ze zich voor wetenschappelijk

is de laatste jaren daarentegen wel blijven stijgen. De grootste

onderzoek engageren.

instroom is toe te schrijven aan de cluster medische wetenschappen, met als grootste wetenschapsdomeinen geneeskunde, biomedische wetenschappen en farmacie.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 3

In deze groep zit een brede waaier van onderzoekers die een


52

Figuur 3.3: Evolutie van het totale aantal predoctorale onderzoekers, postdoctorale onderzoekers en ZAP'ers in voltijdse eenheden, 1992-2010

9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992

1994

1996

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

n Predoc n Postdoc n ZAP

Bron: Vlir-personeelstelling

Figuur 3.4: Instroom in onderzoekscarrières naar wetenschapsclusters, 1990-1991 tot en met 2008-2009

700 600 500 400 300 200 100 0 1990- 1991- 1992- 1993- 1994- 1995- 1996- 1997- 1998- 1999- 2000- 2001- 2002- 2003- 2004- 2005- 2006- 2007- 20081991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

n Medische Wetenschappen n Humane Wetenschappen n Sociale Wetenschappen n Toegepaste Wetenschappen n Exacte Wetenschappen

Bron: ECOOM-HRRF-2


53

Figuur 3.5: Instroom in onderzoekscarrières naar gender, 1990-1991 tot en met 2008-2009

1.200 1.000 800 600 400 200 0 1990- 1991- 1992- 1993- 1994- 1995- 1996- 1997- 1998- 1999- 2000- 2001- 2002- 2003- 2004- 2005- 2006- 2007- 20081991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

n Man n Vrouw

Bron: ECOOM-HRRF-2

Tot en met academiejaar 2004-2005 vertoonden de clusters

Vooral de financiering voor niet-fundamentele onderzoeks-

toegepaste en exacte wetenschappen een gelijkaardig

projecten blijft sinds 1992-1993 de belangrijkste introductie tot

groeipatroon als de medische wetenschappen; daarna bleef het

wetenschappelijk onderzoek voor nieuwe junior onderzoekers.

aantal instromers voor medische wetenschappen in grote mate

Een niet onbelangrijk aandeel stroomt later nog door naar andere

toenemen, in tegenstelling tot die voor de exacte en toegepaste

financieringsstatuten voor doctoraatsonderzoek. Het aantal

wetenschappen.

nieuwe onderzoekers dat begon als assistent of met een

Naar gender. De genderverschillen bij de instroom van junior

agentschappen FWO en IWT bleef in de jaren ‘90 ongeveer

onderzoekers blijken de laatste jaren ongeveer te zijn

stabiel. Vanaf academiejaar 2000-2001 daalde het aantal

weggewerkt (zie figuur 3.5): was er in 1990-1991 nog een

onderzoekers dat een academische carrière begon als

duidelijk overwicht aan mannen die met doctoraatsonderzoek

assistent sterk, terwijl de instroom van doctoraatsbursalen en

begonnen (57,3% mannen), dan is deze ongelijkheid in 2005-

wetenschappelijk medewerkers op FWO-, IUAP of BOF-

2006 bijna verdwenen (50,6% mannen).

projecten bleef toenemen, alsook die van houders van een BOF-doctoraatsmandaat (na competitieve selectie verworven).

Naar statuut. Met de waaier aan financieringskanalen voor

De daling van nieuwe aanstellingen als assistent had vooral

doctoraatsonderzoek hangen ook verschillende personeels- en

een impact op de onderzoekscapaciteit in de humane en

studentenstatuten samen, waarvan zowel de selectiecriteria als

sociale wetenschappen, waar een groot percentage assistenten

de werkcondities een impact kunnen hebben op het welslagen

wordt tewerkgesteld. De instroom van junior onderzoekers

van een doctoraatstraject. Wat de instroom in een bepaald

gefinancierd met projectmiddelen voor niet-fundamenteel

statuut betreft, vonden er een aantal noemenswaardige

onderzoek kende ook een terugval van 2000-2001 tot

verschuivingen plaats over de tijd heen (zie figuur 3.6). Begin

2002-2003, maar bleef desalniettemin voor de grootste

de jaren ’90 startten junior onderzoekers hun academische

aanvoer van junior onderzoekers zorgen.

carrière vooral als assistent en in steeds toenemende mate als medewerker op een project.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 3

competitief verworven mandaat van de Vlaamse financierings-


54

Figuur 3.6: Instroom in onderzoekscarrières naar statuut, 1990-1991 tot en met 2008-2009

900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 1990- 1991- 1992- 1993- 1994- 1995- 1996- 1997- 1998- 1999- 2000- 2001- 2002- 2003- 2004- 2005- 2006- 2007- 20081991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

n Assistent n Comptetitief mandaat (FWO, IWT) n Comptetitief mandaat (BOF) n FWO- IUAP en BOF project n Project andere financiering n Overige n Geen statuut instroomjaar

Bron: ECOOM-HRRF-2

Het aantal afgestudeerden dat een onderzoekscarrière

Deze figuur toont aan dat er in de beginjaren een groot

aanvangt met een competitief verworven mandaat van het

overwicht was aan doctoraten in de exacte wetenschappen (meer

FWO en IWT neemt lichtjes af, ondanks het stijgende aantal

dan één op drie doctoraten in 1997-1998). Dit overwicht wordt

beurzen: vele jonge onderzoekers versterken hun slaagkansen

steeds kleiner en verdwijnt zelfs tijdens twee academiejaren

voor zo’n mandaat door eerst onderzoekservaring in een ander

waarin meer doctoraten in zowel de toegepaste als de medische

financieringsstatuut op te doen.

wetenschappen worden uitgereikt, namelijk in 2005-2006 en 2008-2009. Het aandeel doctoraten dat door humane en

3.2.2 Doorstroom en het behalen van het doctoraat

sociale wetenschappers wordt behaald, stijgt lichtjes.

Evolutie van het aantal doctoraatsdiploma’s. Het aantal

Voor alle instromers in wetenschappelijk onderzoek kan een

behaalde doctoraten aan Vlaamse universiteiten op jaarbasis is

succesgraad voor doctoreren worden gemeten. Deze graad

sterk gestegen. Het relatieve aandeel tijdens deze periode

wordt bepaald door acht jaar na instroom het aantal behaalde

verschilt wel sterk tussen de verschillende wetenschapsclusters.

doctorstitels van een cohorte te vergelijken met het totaal aantal

De sterkste stijging van het aantal behaalde doctoraten vinden

instromers in dezelfde cohorte. In die cohortes bevinden zich

we terug in de sociale wetenschappen (een stijging van 26 naar

zowel onderzoekers die van bij de start de intentie hebben om

143 behaalde doctoraten). In de exacte wetenschappen is de

een doctoraat te behalen, als onderzoekers die mogelijks pas

relatieve stijging het minst groot. Deze ongelijke stijging uit zich

gaandeweg, of nooit, de ambitie voor een doctoraat overwegen.

ook in de verdeling van het aandeel behaalde doctoraten naar wetenschapscluster (zie figuur 3.7).


55

Figuur 3.7: Evolutie van het aantal uitgereikte doctoraten in vijf wetenschapsclusters in Vlaanderen 1997-1998 tot en met 2008-2009

35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 19971998

19981999

19992000

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

20072008

20082009

n Medische Wetenschappen n Humane Wetenschappen n Sociale Wetenschappen n Toegepaste Wetenschappen n Exacte Wetenschappen

Bron: ECOOM-HRRF-2

Onderzoekers in de humane en vooral de sociale

kans van 36,5% tot 50,5%, berekend voor alle onderzoekers met

wetenschappen behalen de laagste succesgraden, maar ook

een academische aanstelling of bursaalstatuut (niet weergegeven

hun slaagkansen vertonen een stijgend patroon. Zo namen de

in de grafiek). Beperken we deze berekening tot onderzoekers van

slaagkansen van onderzoekers in de humane wetenschappen

wie we kunnen verwachten dat ze ook werkelijk in een doctoraats-

sterk toe: van 18,2% voor het instroomjaar 1990-1991 tot

traject zitten, dan halen we voor de meest recente volledige cohorte

31,2% voor onderzoekers uit het instroomjaar 2000-2001.

een succesratio van 62,3% (niet weergegeven in de grafiek).

Onderzoekers in de sociale wetenschappen zagen hun succesratio’s zelfs verdubbelen tussen het eerste instroomjaar

Doctoraatssucces naar wetenschapscluster. De succesgraad

van de analyses en het laatste instroomjaar met een volledig

ligt over de hele periode berekend het hoogst bij onderzoekers

tijdsvenster. We kunnen hieruit besluiten dat de algemene

in de exacte wetenschappen (alle instromers) (zie figuur 3.8).

stijging van de succesgraad vooral het gevolg is van een

Opvallend is wel dat de slaagkans van deze exacte

inhaalbeweging in doctoraatsefficiĂŤntie bij onderzoekers in de

wetenschappers over de jaren heen geleidelijk afneemt,

toegepaste, medische, sociale en humane wetenschappen.

maar recent opnieuw stijgt (64,8% voor het instroomjaar 20002001). Op de tweede plaats komen onderzoekers uit de medische

Doctoraatssucces naar gender. Hoewel het aantal behaalde

en de toegepaste wetenschappen. Hun slaagpercentages lopen

doctoraten in absolute aantallen iets sterker gestegen is bij

door de jaren heen sterk gelijk. Bovendien vertonen beide een

vrouwen dan bij mannen, waren de mannen tijdens het

stijgend patroon. In de medische wetenschappen steeg de

academiejaar 2008-2009 nog steeds in de meerderheid bij de

succesgraad van 38,3% voor onderzoekers ingestroomd tijdens

behaalde doctoraten (591 doctoraten behaald door mannen en

het academiejaar 1990-1991 tot 53,7% voor diegenen die

451 door vrouwen). Het genderevenwicht in de instroom van

begonnen tijdens het academiejaar 2000-2001. In de toegepaste

nieuwe onderzoekers is dus duidelijk nog niet vertaald naar de

wetenschappen steeg de succesgraad in dezelfde periode van

succesvolle uitstroom van het doctoraatstraject.

32,7% naar 59,0%.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 3

Tussen de instroomjaren 1990-1991 en 2000-2001 steeg de slaag-


56

Figuur 3.8: Evolutie van de succesgraden in doctoraatsproductie naar wetenschapscluster, voor onderzoekers ingestroomd in 1990-1991 tot en met 2000-2001

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 19901991

19911992

19921993

19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

n Medische Wetenschappen n Humane Wetenschappen n Sociale Wetenschappen n Toegepaste Wetenschappen n Exacte Wetenschappen

Bron: ECOOM-HRRF-2

Figuur 3.9: Verdeling in doctoraatsproductie naar gender, voor doctoraten verdedigd in 1995-1996 tot en met 2008-2009

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 19951996

n Man n Vrouw

Bron: ECOOM-HRRF-2

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

20072008

20082009


57

Het is pas sinds het academiejaar 2005-2006 dat vrouwen

Indien een onderzoeker bijvoorbeeld zowel een aanstelling als

meer dan 40% van alle uitgereikte doctoraten in Vlaanderen

assistent heeft gehad als een korte aanstelling op een

voor hun rekening nemen (zie figuur 3.9). Hun aandeel bereikt

onderzoeksproject, zal de ‘succesgraad’ worden toegewezen

(tot nog toe) een piek in 2007-2008 met 44,6% maar het blijft

aan het assistentschap, ook al heeft de onderzoekservaring als

onevenwichtig verdeeld. In termen van succesratio betekent dit

projectmedewerker mogelijks ook bijgedragen tot dit succes.

dat mannen die in 2000-2001 met onderzoek begonnen aan een Vlaamse universiteit, 57% kans hadden om een doctorstitel

Figuur 3.10 geeft duidelijk weer dat de succesgraad

te behalen, terwijl dit voor vrouwen slechts 40,3% was (niet

(gegroepeerd naar instroomjaar) het hoogst ligt bij junior

weergegeven in de grafiek). Veel heeft te maken met het feit dat

onderzoekers met als dominant statuut “FWO-aspirant” of

vrouwen sterker vertegenwoordigd zijn in wetenschapsgebieden

“IWT-bursaal”. Het percentage dat een doctoraat behaalt,

die gekenmerkt worden door een lagere succesgraad.

fluctueert bij hen tussen 74% en 85%. Op de tweede plaats staan junior onderzoekers met een competitief verworven

Doctoraatssucces naar het belangrijkste statuut tijdens het

mandaat van de eigen universiteit (BOF-doctoraatsmandaten).

doctoraatstraject. Het statuut waarop onderzoekers werkzaam

De slaagkans van onderzoekers die tijdens hun onderzoeks-

zijn heeft een sterke invloed op de doctoraatskansen van junior

carrière van dit statuut konden genieten, bereikte voor de

onderzoekers. Indien een junior onderzoeker diverse aanstellingen

instromers van het academiejaar 1995-1996 een piek van

heeft gehad, wordt voor deze analyses een beslissingsboom

87,5%. De doctoraatskans van onderzoekers werkzaam op

gevolgd om aan al deze aanstellingsstatuten één dominant

projecten voor fundamenteel onderzoek (FWO, BOF en IUAP)

statuut toe te wijzen. Deze hiërarchie van beslissingen houdt

vertoont een gestage, opvallende stijging van 30,6% voor

enerzijds rekening met de duur van de aanstelling en

onderzoekers ingestroomd tijdens het academiejaar 1990-1991

anderzijds met de verwachting dat binnen dat statuut aan een

tot 57,3% voor de starters van het academiejaar 2000-2001.

doctoraat kan worden gewerkt.

Figuur 3.10: Evolutie van de succesgraden in doctoraatsproductie naar statuut, voor onderzoekers ingestroomd in 1990-1991 tot 2000-2001

90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 19901991

19911992

19921993

19931994

n Assistent n Comptetitief mandaat (FWO, IWT) n Comptetitief mandaat (BOF) n FWO- IUAP en BOF project n Project andere financiering

Bron: ECOOM-HRRF-2

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 3

100%


58

Bij assistenten fluctueert het slaagpercentage over de jaren en

Tijd tot het doctoraat naar statuut. Hier zijn heel wat grotere

vertoont een lichte stijging. Hun ‘werkelijke’ succesgraad ligt wel

verschillen op te tekenen tussen financieringsstatuten dan naar

iets hoger dan in deze berekeningen is weergegeven, aangezien

wetenschapsclusters of naar geslacht (zie figuur 3.13). In het

deze onderzoekers er vaak iets langer over doen om een

begin van de jaren ’90 zijn het de competitief verworven

doctoraat te behalen dan hun collega’s met andere financiering.

mandaten van IWT en FWO die de kortste doctoraatsduur hebben. Deze cijfers zijn ongeveer stabiel over de gehele

De laagste succesgraden vinden we terug bij onderzoekers met

periode (4,88 jaar). De tijdsduur voor junior onderzoekers met

als dominant statuut “tewerkgesteld op projecten met andere

competitief verworven mandaten van het BOF varieert meer,

financiering”. Dit zijn personen die tijdens hun carrière nooit

en is gemiddeld 4,72 jaar. Bij assistenten daarentegen worden

een competitief verworven mandaat (assistent, FWO, IWT of BOF),

heel wat hogere doctoraatstermijnen vastgesteld met een

noch een tewerkstelling op een fundamenteel onderzoeksproject

gemiddelde van 6,61 jaar. Dit is echter niet verwonderlijk,

hebben gehad. Velen van hen hebben ook geen doctoraats-

aangezien zij normaalgezien een mandaat voor zes jaar krijgen

verplichting, of bij sommigen ontwikkelt de ambitie voor een

en slechts deeltijds onderzoek verrichten. We noteren ook

doctorstitel zich slechts gaandeweg. Hun slaagkans fluctueert

sterke verschillen voor junior onderzoekers die op projecten

over de jaren heen tussen de 10% en 20%.

werken, al naargelang ze als doctoraatsbursaal of als wetenschappelijk medewerker zijn aangesteld (niet weer-

3.2.3 De doctoraatsduur

gegeven in de grafiek). Wetenschappelijke medewerkers doen er gemiddeld langer over om hun doctoraat af te werken dan

Tijd tot het doctoraat naar wetenschapscluster. De kortste tijd

bursalen. Samen doen ze er meer dan vijf jaar over: 5,43 jaar

tot doctoreren vinden we terug bij de exacte wetenschappen

voor junior onderzoekers op FWO-, BOF-, IUAP-projecten en

(zie figuur 3.11). Dit is de duurtijd tussen de start van het

5,13 jaar voor onderzoekers met andere projectfinanciering.

doctoraatsonderzoek (inschrijving voor het doctoraat of aanstelling op een junior wetenschappelijk statuut) en het behalen van de doctorstitel. Over alle instroomjaren heen

3.3 CONCLUSIE

(1990-1991 tot 2000-2001) doet een junior onderzoeker uit de exacte wetenschappen er gemiddeld 5,02 jaar over. Iets langer

De instroom van junior onderzoekers is gedurende de

is dat in de toegepaste wetenschappen (5,41 jaar) en medische

afgelopen twee decennia niet even sterk gestegen voor alle

wetenschappen (5,47 jaar). Junior onderzoekers in de humane

wetenschapsclusters. In de humane wetenschappen is deze

en sociale wetenschappen doen er gemiddeld langer over dan

stijging het minst uitgesproken, in de medische wetenschappen

in andere wetenschapsclusters (resp. 5,99 en 6,33 jaar) maar,

het sterkst. Ook het statuut waarin onderzoekers hun eerste

hun gemiddelde doctoraatsduur is sinds het begin van de jaren

stappen naar een academische carrière zetten, is steeds meer

’90 gedaald van zeven jaar of langer tot minder dan zes jaar.

een aanstelling in het kader van een project – of dit nu

Bij deze cijfers over doctoraatsduur in de sociale en humane

fundamenteel,

wetenschappen moet men wel rekening houden met het feit

basisonderzoek betreft.

toegepast,

beleidsgericht

of

strategisch

dat het aandeel assistenten in de sociale en humane wetenschappen groter is dan in andere wetenschapsclusters,

De sterke toename van de onderzoekspopulatie heeft

en dat zij gemiddeld een langere periode financiering krijgen

bijgedragen tot een sterke stijging in het aantal behaalde

om hun doctoraat af te werken (zes jaar in plaats van vier,

doctoraten aan de Vlaamse universiteiten in alle wetenschaps-

zie ook verder “Tijd tot het doctoraat naar statuut”).

clusters. De slaagkans om een doctoraat te behalen – hoewel bijna overal gestegen – verschilt sterk tussen wetenschaps-

Tijd tot het doctoraat naar gender. De genderverschillen in de

disciplines. De hoogste succesgraden worden opgetekend bij

tijd tot doctoreren zijn niet bijzonder groot (zie figuur 3.12).

onderzoekers uit de exacte wetenschappen, gevolgd door

Gemiddeld doen mannen er 5,35 jaar over, terwijl dit bij

onderzoekers uit de medische en toegepaste wetenschappen.

vrouwen een aantal maanden meer is (5,66 jaar – niet weer-

De succesgraden van de humane en de sociale wetenschappers

gegeven in de grafiek). Belangrijk om op te merken is dat bij deze

liggen lager maar vertonen een stijgend patroon.

tijdsmeting geen rekening werd gehouden met eventuele afwezigheden wegens moederschapsrust.


59

Figuur 3.11: Evolutie in de “tijd tot het doctoraat�, naar wetenschapscluster, instroomjaren 1990-1991 tot 2000-2001

8,00 7,00 6,00 5,00 4,00 3,00 2,00 1,00 0,00 19901991

19911992

19921993

19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

n Medische Wetenschappen n Humane Wetenschappen n Sociale Wetenschappen n Toegepaste Wetenschappen n Exacte Wetenschappen

Bron: ECOOM-HRRF-2

Figuur 3.12: Evolutie in de tijd tot het doctoraat, naar gender, instroomjaren 1990-1991 tot 2000-2001

6,00 5,00 4,00 3,00 2,00 1,00 0,00 19901991

n Man n Vrouw

Bron: ECOOM-HRRF-2

19911992

19921993

19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 3

7,00


60

Figuur 3.13: Evolutie in de “tijd tot het doctoraat”, naar statuut, voor onderzoekers ingestroomd in de academiejaren 1990-1991 tot 2000-2001

10,00 9,00 8,00 7,00 6,00 5,00 4,00 3,00 2,00 1,00 0,00 19901991

19911992

19921993

19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

n Assistent n Comptetitief mandaat (FWO, IWT) n Comptetitief mandaat (BOF) n FWO- IUAP en BOF project n Project andere financiering

Bron: ECOOM-HRRF-2

Het statuut waarop onderzoekers werkzaam zijn tijdens hun

Terwijl er in de jaren ’90 nog duidelijk sprake was van een

doctoraatstraject is op zijn minst een even belangrijke factor in

gender gap bij de start van doctoraatsonderzoek, is deze kloof

de slaagkans. Die is het hoogst bij onderzoekers die een

bijna weggewerkt aan de instroomkant maar nog zichtbaar bij

competitief mandaat verworven hebben bij het FWO, IWT of

doctoraatssucces.

BOF en het laagst bij onderzoekers tewerkgesteld op projecten met andere financiering dan van het FWO, BOF en IUAP.

De stijgende instroom van het aantal beginnende doctoraats-

De hogere slaagkans naar wetenschapscluster en statuut

onderzoekers en het stijgend aantal doctorstitels zet zich verder

verloopt in tandem met een kortere doctoraatsduur voor

onder de vorm van extra aanstellingen aan de Vlaamse

dezelfde disciplines en aanstellingsstatuten.

universiteiten op het postdoctoraal niveau. Deze evolutie contrasteert echter fel met de status quo in aanstellingen op ZAP-niveau.


61

MOBILITEIT IN DE ONDERZOEKSCARRIÈRE

Door Annik Leyman (UGent), Katrien De Boyser (UGent) en Karen Vandevelde (UGent)

04


62

Zoals in diverse andere sectoren van de arbeidsmarkt, is de

Naarmate men zich verder in de academische loopbaan (en

carrière van onderzoekers veel mobieler dan vroeger. Terwijl het

hoger op de academische ladder) bevindt, neemt het aandeel

doctoraat voor de vorige generaties onderzoekers veelal een

onderzoekers met één of meerdere mobiliteitservaringen sterk

diploma was dat toegang verschafte tot een academische carrière

toe. Zo heeft 40% van alle postdoctorale onderzoekers reeds

aan dezelfde instelling, veranderen onderzoekers nu veel vaker

een buitenlandse ervaring achter de rug; bij het professoren-

van sector, van instelling en van verblijfplaats. Push-factoren kunnen

korps is dit 57%.

hierbij een rol spelen (b.v. beperkte carrièremogelijkheden aan de eigen instelling), maar meer nog dan deze zijn het de pullfactoren die onderzoekers tot andere carrièreambities aansporen.

Figuur 4.1: Aandeel predoctorale (2008) en postdoctorale

In sommige wetenschapsdisciplines, bijvoorbeeld, leidt samen-

onderzoekers (2010) en ZAP-leden (2010) met en

werking met andere sectoren tot een sterke doorstroom van

zonder internationale mobiliteitservaring(en)

doctoraathouders naar bedrijfssectoren zoals de industrie of de gezondheidssector aangezien de loonsvoorwaarden, carrière-

100%

mogelijkheden of inhoudelijke uitdagingen er interessanter

90%

blijken dan aan de universiteit. Deze doctoraathouders spelen

80%

een belangrijke rol in het verwezenlijken van de innovatie-

70%

doelstellingen van Europa.

60% 50%

Naast cross-sectoriële mobiliteit, die de kenniseconomie versterkt, moedigen diverse overheden ook de internationale mobiliteit

40% 30% 20%

van onderzoekers aan. De confrontatie met internationale

10%

collega’s en de onderdompeling in een andere instelling

0%

werken immers verrijkend voor de onderzoeker zelf en ze

Predoc

Postdoc

versterken de samenwerkingsbanden. Bovendien is het in

n Geen internationale mobiliteitservaring

een globale kenniseconomie een vereiste dat elke onderzoeker

n Internationale mobiliteitservaring

ZAP

zich op het internationale terrein profileert, van welke aard deze internationale mobiliteit ook moge zijn.

Bron: ECOOM-UGent, Survey of Junior Researchers (2008); Survey of Senior Researchers (2010)

4.1 INTERNATIONALE MOBILITEIT VAN ONDERZOEKERS

Wanneer we kijken naar de mobiliteitsbestemming van Belgische doctoraathouders (tabel 4.1) zien we dat de Verenigde Staten de meest populaire bestemming is. Doctoraathouders die binnen

4.1.1 De

internationale

oriëntatie

van

Vlaamse

onderzoekers

Europa blijven, kiezen vooral voor landen met een sterke onderzoekstraditie zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland. Deze landenrangschikking van

ECOOM-UGent beschikt over diverse surveyresultaten waarbij

Belgische mobiele onderzoekers is vergelijkbaar met die van

gepeild werd naar de mobiliteitservaringen en intenties van

onderzoekers in andere West-Europese landen.

onderzoekers in Vlaanderen. Hoewel gemeten op basis van verschillende data en op verschillende tijdstippen (Survey of Junior Researchers, 2008; Survey of Senior Researchers, 2010), toch verschaffen ze een goed zicht op de algemene mobiliteitservaring van pre- en postdoctorale onderzoekers en professoren. Zo blijkt uit figuur 4.1. dat bij de predoctorale onderzoekers bijna negen op tien op het ogenblik van de bevraging nog geen internationale mobiliteitservaring als onderzoeker achter de rug had – begrijpelijk aangezien een groot deel van de respondenten zich nog in de beginfase van het onderzoek bevond.


63

Tabel 4.1:

Tussen 2003 en 2010 traden in de personeelsstatistieken van

Top-tien van landen van bestemming van Belgische mobiele doctoraathouders

de VLIR in nagenoeg alle statuten en niveaus van de academische

tussen 1997 en 2006

loopbaan nationaliteitsveranderingen op. Deze zijn het minst uitgesproken bij de AAP-populatie, maar vooral sterk bij het

1

Verenigde Staten

2

Frankrijk

3

Verenigd Koninkrijk

terugliep van 87,3% in 2003 tot 68,5% in 2010. Deze post-

4

Nederland

doctorale onderzoekers komen iets vaker uit andere EU-landen

5

Canada

(18,3%) dan uit niet-EU landen (13,2%). Ook op doctoraal niveau is

6

Duitsland

7

Zwitserland

WP-postdoc kader waar het aandeel Belgische onderzoekers

er een sterke vermindering in het aandeel Belgische onderzoekers van 89,4% in 2003 tot 74% in 2010; deze niet-Belgische onder-

8

Italië

9

Spanje

zoekers komen bovendien iets vaker uit niet-EU landen dan uit

10

Zweden

landen binnen de EU. Bij de ZAP-leden is de internationalisering minder sterk uitgesproken. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn

Bron: Careers of Doctorate Holders (OESO/UNESCO/Eurostat)

dat de tendens tot internationale rekrutering zich pas recent doorzette in de vaste benoemingen (en dat een groot deel 4.1.2 Het internationale profiel van onderzoekers in

van het ZAP-korps reeds langer aan de slag is) en dat de lesopdrachten vandaag grotendeels in het Nederlands (moeten)

Vlaanderen

gebeuren, wat een barrière kan zijn voor internationale rekrutering Het profiel van onderzoekers in Vlaanderen is onderhevig aan

van zowel ZAP als AAP-onderzoekers.

verschillende veranderingen. In het vorige hoofdstuk merkten we reeds de verschuivingen in personeelsstatuten op, maar opvallend in de context van het huidige hoofdstuk is de factor “nationaliteit”.

Figuur 4.2: Evolutie van het aandeel buitenlandse onderzoekers naar statuut (ZAP, AAP, WP-doc, WP-postdoc), 2003-2010

100%

60%

40%

20%

0% 2010

2003

2003

ZAP

2010

2003

AAP

2010

2003

WP Doctoraal

2010

WP Postdoctoraal

n Belg n Andere EU n Niet EU

Statuut

ZAP

AAP

WP Doctoraal

WP Postdoctoraal

2003

2010

2003

2010

2003

2010

2003

2010

94,8%

92,3%

95,7%

95,2%

89,4%

74,0%

87,3%

68,5%

Andere EU

4,3%

6,6%

3,1%

3,5%

5,6%

12,0%

7,7%

18,3%

Niet EU

0,9%

1,1%

1,2%

1,3%

5,0%

14,0%

5,0%

13,2%

Belg

Bron: VLIR personeelstelling

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 4

80%


64

Wanneer we op basis van de HRRF-databank van ECOOM-

Het feit dat assistenten vaak een Nederlandstalige lesopdracht

UGent inzoomen op de meest voorkomende nationaliteiten bij

hebben en dat er voor het aanvragen van een FWO-aspirantschap

doctoraatsonderzoekers aan Vlaamse universiteiten, zien we

en IWT-beurs tot voor kort een aantal nationaliteitsbeperkingen

ook daar een daling van het (weliswaar nog steeds grote)

golden, kan de lage vertegenwoordiging van buitenlanders op

aandeel Belgische onderzoekers (figuur 4.3). De toename bij de

deze statuten voor een groot deel verklaren. Het overgrote deel

internationale populatie manifesteert zich bij het predoctorale

van de internationale doctoraatsstudenten is werkzaam op een

onderzoekerskorps vooral in een toename van onderzoekers

project. Daarnaast zien we zowel bij de Belgen als bij de

uit andere EU-lidstaten en uit Aziatische landen. Opvallend is

buitenlanders een sterke daling van het aandeel onderzoekers

ook het zeer beperkte aandeel van Noord-Amerikaanse

op persoonsgebonden mandaten ten voordele van het aandeel

predoctorale onderzoekers aan Vlaamse universiteiten.

onderzoekers dat met projectmiddelen wordt gefinancierd.

Figuur 4.3: De meest voorkomende nationaliteiten (naar

Figuur 4.4: Buitenlandse predoctorale onderzoekers

academiejaar 2003-2004 tot 2008-2009

2003-2004 en 2008-2009

100% 90%

79,1%

90%

naar nationaliteit en statuut, academiejaar

86,7%

100%

werelddeel) van predoctorale onderzoekers,

80%

80%

0,2%

1,1%

1,4%

0,6%

0,1%

1,1%

6,6%

20%

10%

1,2%

30%

20%

9,8%

40%

30%

3,1%

50%

40%

0,7%

50%

3,0%

60%

0,5%

70%

60%

4,8%

70%

10% 0%

0% 2003-2004

2008-2009

Niet-Belg

Belg

Belg

2003-2004

n België

Niet-Belg 2008-2009

n EU

n Assistenten

n Europa niet EU

n Persoonsgebonden mandaten FWO & IWT

n Noord-Amerika

n Persoonsgebonden mandaten BOF

n Zuid-Amerika

n Projecten FWO, BOF en IUAP

n Azië/Oceanië

n Andere projecten

n Afrika n Onbekend

Bron: ECOOM-HRRF2

Bron: ECOOM-HRRF2

Figuur 4.5 toont aan dat de verhouding tussen buitenlandse onderzoekers van andere EU-landen en onderzoekers van

Figuur 4.4 geeft de statuten weer waarin Belgische en buiten-

buiten de EU verschilt tussen de wetenschapsclusters. Van de

landse doctoraatsonderzoekers ingestroomd zijn tijdens de

buitenlandse onderzoekers uit de exacte en toegepaste weten-

academiejaren 2003-2004 en 2008-2009. De figuur toont

schappen is iets meer dan de helft afkomstig van een niet-EU

duidelijk aan dat twee statuten op doctoraatsniveau bijna

land. In de biomedische en vooral in de sociale en humane

exclusief bevolkt worden door Belgische onderzoekers:

wetenschappen ligt het aandeel buitenlandse onderzoekers van

assistentenschappen en persoonsgebonden mandaten van het

buiten de EU een heel stuk lager.

FWO en IWT.


65

Figuur 4.5: Buitenlandse onderzoekers (ZAP, AAP,

Voor wat de samenwerking met de industrie betreft valt de

WP-doc, WP-postdoc) naar nationaliteit

kloof op tussen toegepaste en exacte wetenschappers enerzijds

(EU en niet-EU) en wetenschapscluster, 2010

en de andere wetenschapsgebieden anderzijds (tabel 4.2). Ongeveer een kwart van de toegepaste wetenschappers en

100%

een tiende van de exacte wetenschappers verklaart het meeste

90%

samen te werken met de industrie, terwijl dit voor de overige

80%

wetenschapsclusters minder dan 5% bedraagt. Hoewel in het

70%

algemeen de samenwerking met de industrie dus vrij laag ligt

60%

(9%), wordt er in de toegepaste wetenschappen wel relatief

50%

vaak samengewerkt met deze sector. Het omgekeerde patroon

40%

geldt voor de samenwerking met de non-profit sector: hier zijn

30%

het vooral onderzoekers uit de humane, sociale en biomedische

20%

wetenschappen die een hogere samenwerkingsgraad vertonen.

10%

We kunnen veronderstellen dat sociale (en humane) weten-

0% Toegepast en exacte wet

Biomedische wet

Sociale en humane wet

Totaal

schappers binnen de non-profit sector vooral samenwerken met partners in de sociale/maatschappelijke dienstverlening,

n EU

en biomedische wetenschappers vooral met instellingen in de

n Niet-EU

gezondheidszorg (bv. ziekenhuizen). Tot slot werkt meer dan de helft van de humane (56,9%) en exacte (67,7%) wetenschappers met geen enkele andere sector buiten het

Bron: VLIR personeelstelling

(hoger) onderwijs samen.

4.2 INTERSECTORIËLE SAMENWERKING EN MOBILITEIT VAN ONDERZOEKERS

4.2.2 Mobiliteitsintentie naar andere sectoren Uit de resultaten van de bevraging bij predoctorale onderzoekers

4.2.1 Samenwerking met actoren uit andere sectoren

blijkt duidelijk dat de universiteit de meest populaire sector van tewerkstelling blijft voor jonge onderzoekers (figuur 4.6). Driekwart van de respondenten wil in de toekomst graag aan

actoren in andere sectoren hangt in belangrijke mate samen

een universiteit blijven werken. De resultaten van de survey bij

met de activiteiten van de onderzoekseenheid waarin ze zich

senior onderzoekers (niet weergegeven in de tabel) tonen aan

bevinden alsook met de contacten van hun promotor. Op basis

dat ook bij postdocs de wens om binnen de academische sector

van de Survey van Junior Researchers uit 2008 werd ook

te blijven groot is (77,1% wil graag tot heel graag aan een

duidelijk dat de mate van externe samenwerking (op basis van

universiteit of een onderzoeksinstelling van de overheid werken).

de vraag met welke sector het meest wordt samengewerkt)

Het liefst van al willen ze zelfs aan hun eigen instelling blijven

sterk verschilt naar wetenschapsgebied.

werken (80,4%).

Tabel 4.2:

Procentuele verdeling naar sectoren waarmee door junior onderzoekers het meest wordt samengewerkt naar wetenschapsclusters Humane Wetenschappen

Sociale Wetenschappen

Exacte Wetenschappen

Toegepaste Wetenschappen

Biomedische Wetenschappen

Totaal

Overheid

24,4

26,4

13,8

15,3

15,9

18,3

Non-profit sector

11,2

21,2

5,6

5,2

24,4

13,3

Industrie

1,5

0,7

8,5

23,6

4,4

8,8

Dienstverlenende sector

4,6

5,9

2,9

4,9

1,5

3,8

Primaire sector

0

0

0,6

5,8

3,5

2,3

Vrije beroepen

1,5

0,7

0,9

1,4

4,1

1,8

Geen van deze

56,9

45

67,7

43,8

46,2

51,7

Bron: ECOOM-UGent, SJR (2008)

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 4

De mate waarin predoctorale onderzoekers samenwerken met


66

Figuur 4.6: Mobiliteitsintentie van junior onderzoekers naar sectoren van tewerkstelling

100%

80%

75,3%

60%

54,3% 48,6%

40% 31,6% 24,9%

24,5% 20,3%

20%

6,2%

0% Universiteit

Overheid

Hogeschool

Non profit

Dienstverlenende sector

Industrie

Vrije beroepen

Primaire sector

Bron: ECOOM-UGent SJR (2008)

Figuur 4.7: Verdeling van de doctoraatshouders over de verschillende arbeidsmarktsectoren in hun eerste job na doctoreren naar wetenschapsgebied, 2006

100%

80%

60%

40%

20%

0% Exacte Wetenschappen

Toegepaste Wetenschappen

n Hoger onderwijs n Ondernemingssector n Publieke sector n Middelbaar onderwijs n Private non-profit sector n Zelfstandig beroep n Andere

Bron: Careers of Doctorate Holders (OESO/UNESCO/Eurostat)

Biomedische Wetenschappen

Sociale Wetenschappen

Humane Wetenschappen


67

Bij de predoctorale onderzoekers zien we daarnaast ook een

4.3 CONCLUSIE

sterke voorkeur voor de overheidssector en niet-universitaire onderwijsinstellingen. Verder is er een duidelijke kloof met

Diverse databronnen tonen aan dat internationale mobiliteit

de minder populaire sectoren: de non-profit sector, de industrie,

steeds vaker een onderdeel uitmaakt van een academische

de vrije beroepen en de primaire sector. Een vergelijkbare ranking

carrière. Zo toont een bevraging bij senior onderzoekers in

van sectoren waar onderzoekers in de toekomst willen werken,

2010 aan dat 40% van de postdocs en 57% van de professoren

vinden we ook bij postdocs terug (niet weergegeven in de tabel).

in het verleden reeds voor zijn of haar onderzoek naar het

De resultaten van deze bevraging bevestigen dat andere

buitenland is geweest. Daarnaast hebben er zich de laatste

sectoren voor veel onderzoekers slechts een tweede keuze zijn

jaren ook belangrijke verschuivingen voorgedaan in de

– althans toch op het moment dat ze nog tewerkgesteld zijn

internationale samenstelling van het personeel aan de Vlaamse

aan de universiteit.

universiteiten. Deze internationaliseringstrend is vooral merkbaar bij het WP-postdoctoraal en WP-doctoraal kader. Hier waren in

4.2.3 Effectieve mobiliteit naar andere sectoren

2010 respectievelijk 31% en 26% buitenlandse onderzoekers tewerkgesteld. De internationalisering van het professoren- en

Op basis van de Careers of Doctorate Holders Survey kunnen

assistentenkorps gaat maar zeer langzaam vooruit.

we tot slot nagaan in welke sectoren doctoraathouders effectief terechtkomen tijdens hun professionele carrière. In figuur 4.7

Samenwerking met andere sectoren tijdens het doctoraats-

worden deze resultaten opgesplitst naar doctoraatsdiscipline.

proces hangt sterk samen met het wetenschapsgebied waarin

Het aandeel onderzoekers dat na het behalen van hun

junior onderzoekers werkzaam zijn. Samenwerking met

doctoraatsdiploma uiteindelijk aan de universiteit werkt, ligt een

industriële partners komt het vaakst voor in de toegepaste

heel stuk lager dan het aandeel onderzoekers dat aangaf graag

wetenschappen. Biomedische en sociale wetenschappers werken

aan de universiteit te willen blijven (zie figuur 4.6). Het beperkt

dan weer opvallend vaker samen met de non-profit sector dan

aantal postdoctorale posities en nog beperkter aantal

hun collega-onderzoekers in andere wetenschapsgebieden.

professorenplaatsen aan Vlaamse universiteiten spoort

Tot slot zien we dat junior onderzoekers en postdocs vooral

onderzoekers aan om buiten de academische wereld of in het

dromen van een academische carrière of van een job in de

buitenland een gepaste job te zoeken. Een postdoctorale

overheidssector. Het aandeel onderzoekers dat effectief terecht

aanstelling na het behalen van een doctoraat komt het vaakst

komt in deze sectoren is echter heel wat kleiner.

Respectievelijk 62,2% en 51,9% blijft hier tewerkgesteld aan de universiteit terwijl dit bij biomedische, exacte en toegepaste wetenschappers slechts 40,2%, 34,7% en 33,2% is. Ook de tewerkstelling in de andere sectoren vertoont duidelijke verschillen naar wetenschapsgebied waarin het doctoraat behaald werd. De grootste verschillen zien we voor de ondernemingssector. Terwijl ongeveer 35% van de exacte en toegepaste wetenschappers na hun doctoraat terecht komt in deze sector ligt dit aandeel bij biomedische en sociale wetenschappers rond de 15%. Bij de humane wetenschappers start slechts 5% in de ondernemingssector.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 4

voor bij onderzoekers in de humane en sociale wetenschappen.


68


69

O & O - AC T I V I T E I T E N VA N DE VLAAMSE BEDRIJVEN

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Anneleen Bruylant (K.U.Leuven), Julie Delanote (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven) en Susanne Thorwarth (K.U.Leuven).

05


70

5.1 INLEIDING

Vervolgens komt het O&O-personeel van deze bedrijven aan bod, met dezelfde opsplitsing. De grootste O&O-spelers in

Het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling (O&O) en

Vlaanderen zijn vaak grote bedrijven. Toch zijn er ook heel wat

innovatie neemt een centrale plaats in in het Vlaamse overheids-

kleinere bedrijven die in termen van absolute grootte van

beleid. Vlaanderen heeft zich in 2003 met het Innovatiepact

budgetten en personeel minder O&O-actief zijn dan de grote

geschaard achter de Europese Lissabon-strategie en de

spelers, maar relatief tegenover hun eigen activiteiten zeer

Barcelona-doelstelling om de O&O-uitgaven te verhogen tot

intens betrokken zijn bij O&O-activiteiten. Daarom bespreken

3% van het bruto binnenlands product van de regio (BBPR).

we ook de O&O-intensiteit.

De ambitie deze norm te behalen werd herbevestigd bij de ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in

In een volgende sectie worden de totale O&O-cijfers gegeven,

Hasselt. Dit houdt een formeel engagement in van alle betrokken

voor de hele populatie van bedrijven actief in Vlaanderen.

actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid,

Hier wordt ook de link naar het verleden gelegd. Daarna wordt

bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door

de verhouding van de totale O&O-uitgaven van de Vlaamse

gezamenlijke en complementaire inspanningen tegen 2014

bedrijven versus het Vlaamse Bruto Binnenlands Product

de 3%-norm te halen. Het implementeren van de 3%-norm

berekend. In deze sectie worden enkel de uitgaven voor interne

impliceert in eerste instantie dat goede O&O-gegevens

O&O besproken, aangezien deze cijfers de basis vormen voor

beschikbaar moeten zijn op Vlaams niveau.

de Vlaamse BERD-cijfers. De cijfers voor O&O-personeel worden in meer detail besproken in hoofdstuk 7 van dit

De bedoeling van dit hoofdstuk is een inzicht te geven in de

Indicatorenboek.

O&O-cijfers die verzameld werden met de meest recente O&O-enquête bij de Vlaamse bedrijven en in de trends ten

In een laatste sectie worden de belangrijkste conclusies van

opzichte van de historische O&O-cijfers.

dit hoofdstuk betreffende de O&O-enquête van 2010 bij de Vlaamse bedrijven kort samengevat.

Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks van 2008 en 2009 weergeven (BERD: Business Expenditures on Research &

5.2 METHODOLOGIE

Development). Immers, conform de afspraken inzake de gehanteerde methodologie, moeten ook de O&O-uitgaven van

De O&O-cijfers zijn gebaseerd op enquêtes bij bedrijven over

de collectieve onderzoekscentra nog in rekening gebracht

hun O&O-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze oefening wordt

worden bij de berekening van de totale BERD voor Vlaanderen.

zo dicht mogelijk aangesloten bij de internationale standaarden

In hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers

en de nationale implementatie hiervan. In de federale overleg-

samengebracht tot de volledige BERD-reeks. In dit hoofdstuk

groep CFS-STAT worden methodologische afspraken gemaakt

wordt enkel de bedrijvencomponent van de BERD besproken.

rond de O&O-statistieken voor België. De daar gemaakte afspraken liggen aan de basis van de O&O-cijfers die in dit

Vooreerst worden de methodologische aspecten van de O&O-

hoofdstuk gepresenteerd en gerapporteerd worden.

enquête toegelicht. Daarna volgt een sectie volledig gewijd aan het cijfermateriaal dat verzameld werd. We concentreren

5.2.1 Populatie

ons hierbij enkel op de kernvariabelen, O&O-uitgaven en O&O-personeel.

Ook voor de O&O-enquête van 2010 werd gewerkt met een inventaris van bedrijven waarvan geweten is - of toch sterk

Eerst worden voor de inventaris van O&O-actieve bedrijven de

vermoed wordt - dat ze aan O&O doen. De keuze voor deze

totale cijfers voor interne O&O gegeven, zowel inzake O&O-

inventarisatieopzet is gerelateerd aan de scheve verdeling

uitgaven als inzake O&O-personeel. Vervolgens worden de

van het O&O-gebeuren in Vlaanderen. Met deze methode

uitgaven voor interne O&O van deze bedrijven van naderbij

worden de O&O-inspanningen van de grote ondernemingen

bekeken, opgesplitst per sector en per grootteklasse. Zoals zal

en de bedrijven die als onderzoeksintensief bekend staan,

blijken,

sterk

geregistreerd. Zoals ook uit dit rapport zal blijken, zijn net

geconcentreerd bij een beperkt aantal bedrijven. Er wordt dan

is

het

O&O-gebeuren

in

Vlaanderen

zij verantwoordelijk voor de overgrote meerderheid van de

ook aandacht besteed aan de O&O-concentratie.

O&O-uitgaven.


71

In de inventaris zitten twee groepen: de bedrijven met

Het totale bedrag voor interne O&O voor Vlaanderen bestaat

permanente O&O-activiteiten versus de bedrijven met

uit het totale bedrag voor interne O&O voor de inventaris-

occasionele O&O-activiteiten, verder respectievelijk aangeduid

bedrijven (zowel P- als O-inventaris), opgehoogd met een

als de P-inventaris en de O-inventaris. Meer precies bevat

schatting voor bedrijven buiten de inventaris om eventuele

de P-inventaris de volgende bedrijven:

ontbrekende gegevens op te vangen. Voorbeelden van ontbrekende gegevens buiten de inventaris zijn nieuwe

l

l

l

bedrijven die in de O&O-enquête van 2010 geantwoord

bedrijven, verschuivingen van uitgaven in bestaande bedrijven

hebben dat ze permanent aan O&O doen;

over de Vlaamse grenzen, opstarten van O&O in bestaande

1

bedrijven die in de CIS 2009 geantwoord hebben permanent

bedrijven, ... Voor de schatting van het aandeel van deze bedrijven

aan O&O te doen;

buiten de inventaris van gekende O&O-spelers werd gewerkt

bedrijven uit de vorige P-inventaris die niet geantwoord

met een gestratificeerde steekproef van 1.732 bedrijven uit een

hebben op de O&O-enquête van 2010, maar waarvan uit

totale populatie van 11.372 bedrijven die (nog) niet behoorden

andere bronnen geweten is of toch sterk vermoed wordt

tot de inventaris en die 10 of meer werknemers hadden en vielen

dat ze permanente O&O-activiteiten hebben.

in de NACE-sectoren 05-46, 49-53, 58-66, 69-74, 78-822.

Daarnaast is er de O-inventaris, die deels wordt aangehouden

5.2.2 Definities

als een sluis om tot de P-inventaris te komen. De groep van bedrijven met occasionele O&O-status bevat immers ook

De definities van interne en externe O&O-activiteiten werden

bedrijven die mogelijk aan O&O doen met een permanent

niet gewijzigd tegenover de vorige enquêtes en zijn de toepassing

karakter, maar die daarover nog geen uitsluitsel gegeven

van de Frascati Manual (OECD, 2002). Ze worden kort

hebben, d.w.z. bedrijven die nog geen O&O-enquête invulden

opgesomd in bijlage 1.

in het verleden of bedrijven die meldden dat zij op occasionele (= onregelmatige) wijze aan O&O doen. Het afzonderen

5.2.3 Schattingen: inter- en extrapolatie

van de O-inventaris is belangrijk voor de extrapolatie-oefening (cf. infra). Voorbeelden van criteria waarop bedrijven

De totale uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven,

geselecteerd werden om in de O-inventaris opgenomen te

alsmede het corresponderende totale aantal O&O-personeels-

worden, zijn:

leden, bevatten de volgende componenten:

l

bedrijven die in de O&O-enquête van 2010 of in de vorige

budgetten en O&O-personeel van de bedrijven die

O&O-enquête verklaard hebben occasioneel O&O-activiteiten

geantwoord hebben;

te verrichten; l

niet-geïnventariseerde bedrijven die bij de CIS 2009 verklaard hebben occasioneel aan O&O te doen;

l

de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris met historische observaties;

niet-geïnventariseerde bedrijven die geïdentificeerd zijn als

C) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

bedrijven die subsidies en openbare O&O-contracten

de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris zonder

genieten (lijsten afkomstig van de Gewesten) of belasting-

bruikbare historische observaties;

vrijstellingen genieten voor bijkomend aan onderzoek toegewezen personeel; l

B) geïnterpoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

niet-geïnventariseerde bedrijven die op andere lijsten voorkomen, zoals bv. spin-offs, of die door welke bron ook

D) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven uit de O-inventaris; E) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven buiten de inventaris.

(media, ...) werden geïdentificeerd als bedrijven die O&O verrichten.

In bijlage 2 worden de belangrijkste etappes van de gegevensverzameling en schattingen van de O&O-enquête van 2010 kort weergegeven.

1 De Community Innovation Survey (CIS) is een enquête die momenteel tweejaarlijks wordt uitgevoerd bij alle EU-lidstaten en die peilt naar de innovatieactiviteiten bij de bedrijven. De CIS 2009 werd uitgevoerd in 2009. 2 In de O&O-enquête van 2010 werd de NACE-BEL-2008-codering gevolgd, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. Meer informatie hierover is te vinden in publicaties van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/ nl/statistieken/gegevensinzameling/nomenclaturen/nacebel/index.jsp.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

A) gerapporteerde en - waar nodig - gecorrigeerde O&O-


72

5.3 RESULTATEN VOOR DE INVENTARIS

De verschillen in de resultaten van deze scenario’s voor de geëxtrapoleerde gegevens, tonen aan hoe gevoelig deze schattingen zijn en legitimeren de keuze voor deze

5.3.1 Responsgraad

sensitiviteitsanalyse. Een hoge responsgraad is zeer belangrijk voor de betrouwbaarheid van de cijfers. De uiteindelijke responsgraad van de

5.3.2.1

bedrijven in de inventaris van O&O-actieve bedrijven in de

De totale uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris

O&O-enquête van 2010 bedraagt 59%: 1.606 van de 2.703

In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van

ondernemingen in deze inventaris hebben geantwoord.

de totale uitgaven voor interne O&O van de bedrijven in de inventaris volgens de verschillende scenario’s. Zoals aan-

De verwachte concentratie van de O&O-budgetten bij een

gegeven in sectie 5.2.3 en bijlage 2 van dit hoofdstuk werden

beperkt aantal spelers impliceert dat we bij de opvolging van

verschillende schattingsmethodes gevolgd voor de verschillende

de respondenten een differentiële strategie gevolgd hebben.

groepen in de inventaris (P-inventaris versus O-inventaris).

Bij de enquête van 2010 werd getracht om een zo hoog

De schattingen en geobserveerde gegevens worden daarom

3

mogelijke respons te halen bij de belangrijkste O&O-spelers

ook opgesplitst weergegeven.

in Vlaanderen. Van de top-50 O&O-bedrijven uit de vorige O&O-enquête was er één onderneming waarvan de belangrijkste

Het eerste scenario dat gerapporteerd wordt (tabel 5.1),

activiteiten, inclusief de O&O-activiteiten, ondertussen waren

gebruikt alle bedrijven voor de extrapolatie en is eerder

overgegaan in een ander btw-nummer. Van de resterende

voorzichtig. Het tweede scenario (tabel 5.2), dat het basis-

49 bedrijven heeft 88% geantwoord. Van de top-200

scenario is en dat ook in het verleden gebruikt werd,

belangrijkste O&O-bedrijven uit de vorige O&O-enquête

is optimistischer. Voor de extrapolatie voor de bedrijven in de

waren er 5 ondertussen gefuseerd, overgenomen, overgegaan

P-inventaris werden in dit scenario alleen cijfers van bedrijven

in een ander btw-nummer… Van de resterende 195 bedrijven

met interne O&O gebruikt; P-bedrijven die zeggen niet

heeft 78% geantwoord. Daarvan hebben 8 bedrijven geen

aan interne O&O te doen zijn dus verwijderd uit de

O&O-activiteiten (meer) in Vlaanderen. Dat er in de inventaris

extrapolatiebasis. De verschillen tussen beide scenario’s voor

van O&O-actieve bedrijven toch een aanzienlijk aantal

de totale cijfers zijn evenwel klein. In beide scenario’s zien we

bedrijven antwoordt niet aan O&O te doen, geeft aan dat

een daling van de totale budgetten tussen 2008 en 2009.

de samenstelling van de inventaris nauwgezet dient opgevolgd

Dit is geen verrassing aangezien de financiële en economische

te worden. Dit is dan ook een betrachting die in de O&O-

crisis zich in deze periode doorzette.

enquête van 2010 werd nagestreefd. 5.3.2.2 In de volgende secties worden de cijfers besproken. We geven

Het totaal voor eigen O&O-personeel binnen de inventaris

eerst de totaalcijfers voor interne O&O weer voor de

Voor het totale O&O-personeel werden eveneens beide

inventarisbedrijven, zowel voor O&O-uitgaven als voor O&O-

scenario’s gevolgd. De resultaten zijn weergegeven in tabellen

personeel. Vervolgens worden beide van naderbij bekeken.

5.3 en 5.4. Net als bij de uitgaven voor interne O&O zien we

Ook de O&O-intensiteit van deze bedrijven wordt bekeken.

een lichte daling van het totale O&O-personeel, uitgedrukt als voltijdse equivalenten (VTE), tussen 2008 en 2009 en dit in

5.3.2 O&O-cijfers voor de inventaris

beide scenario’s.

De totaalcijfers voor interne O&O bevatten zowel de

Gezien de relatief kleine verschillen tussen beide scenario’s,

geobserveerde gegevens als de inter- en extrapolaties voor

worden in wat volgt enkel de resultaten van het basisscenario,

de bedrijven in de P- en O-inventaris. Omdat schattingen in

scenario 2, in aanmerking genomen.

se altijd onzeker zijn, werden verschillende scenario’s gevolgd, vooral met betrekking tot de extrapolaties, toch de meest gevoelige component.

3 De rangschikking van de bedrijven in termen van ‘belangrijkheid’ gebeurde hier op basis van de O&O-cijfers die verzameld werden in de vorige O&O-enquête. De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2006 en 2007.


73

Tabel 5.1: Inventaris

Totale uitgaven voor interne O&O (in duizend euro) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 1 Extrapolaties

Intrapolaties

Observaties

Totaal

%

14.599 104.225 118.824 5

8.802 557.494 566.296 22

21.802 1.926.362 1.948.164 74

45.202 2.588.081 2.633.283 100

2 98 100

17.526 103.719 121.245 5

7.541 543.834 551.375 22

23.523 1.840.547 1.864.070 73

48.590 2.488.100 2.536.690 100

2 98 100

2008

O P Totaal % 2009 O P Totaal %

Tabel 5.2: Inventaris

Totale uitgaven voor interne O&O (in duizend euro) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 2 Extrapolaties

Intrapolaties

Observaties

Totaal

%

14.599 110.130 124.728 5

8.802 557.494 566.296 21

21.802 1.926.362 1.948.164 74

45.202 2.593.986 2.639.188 100

2 98 100

17.526 109.814 127.339 5

7.541 543.834 551.375 22

23.523 1.840.547 1.864.070 73

48.590 2.494.195 2.542.785 100

2 98 100

2008

O P Totaal % 2009

O P Totaal %

Tabel 5.3: Inventaris

Totaal O&O-personeel (in VTE) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 1 Extrapolaties

Intrapolaties

Observaties

Totaal

%

2008

177 1.485 1.662 9

33 4.892 4.924 25

229 12.517 12.747 66

439 18.894 19.333 100

2 98 100

219 1.516 1.735 9

22 4.804 4.826 25

286 12.410 12.696 66

527 18.730 19.257 100

3 97 100

2009

O P Totaal %

Tabel 5.4: Inventaris

Totaal O&O-personeel (in VTE) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 2 Extrapolaties

Intrapolaties

Observaties

Totaal

%

2008

O P Totaal %

177 2.214 2.391 12

33 4.892 4.924 25

229 12.517 12.747 64

439 19.623 20.062 100

2 98 100

219 2.274 2.493 12

22 4.804 4.826 24

286 12.410 12.696 63

527 19.488 20.015 100

3 97 100

2009

O P Totaal %

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

O P Totaal %


74

Tabel 5.5:

Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de NACE-sectoren

Sector

2008

2009

Voeding en tabak

NACE-codes 10-12

4%

4%

Textiel, kleding en leder

13-15

1%

1%

16-18,31

1%

1%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

39%

38%

Metaal en producten in metaal

24-25

4%

4%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

18%

17%

Papier, drukwerk en meubels

28-30

12%

11%

01-09,23,32-43

5%

5%

Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen

61,6201,71,74909

11%

12%

Overige diensten

45-60,62-70,73-99

5%

5%

Machines en transport Overige industrie

Tabel 5.6:

Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de grootteklassen

Aantal werknemers: 2008 2009

Tabel 5.7:

10 tot 49 8% 9%

50 tot 249 25% 25%

250 tot 499 10% 11%

500 of meer 54% 51%

Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de types inventarisbedrijven

Type inventarisbedrijf: 2008 2009

5.3.2.3

1 tot 9 2% 3%

Top-50 P 64% 62%

Overige P 34% 36%

O 2% 2%

Uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris

Wanneer we de voedingssector apart bekijken (NACE 10)

nader bekeken

dan bedraagt hun aandeel 3%, zowel voor 2008 als voor

De uitgaven voor interne O&O van de inventarisbedrijven

2009. Voor de farmaceutische sector (NACE 21) bedraagt

worden eerst opgesplitst volgens sector en grootteklasse.

hun aandeel 23%, zowel voor 2008 als voor 2009.

We sluiten deze sectie af met de verdeling over de verschillende types inventarisbedrijven om de sterke

l

concentratie aan te geven.

Grootte Tabel 5.6 geeft de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de grootteklassen. Het is duidelijk dat

l

Sector

de grootste bedrijven het meest spenderen aan O&O,

Uit de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over

zeker als we het kleine aantal bedrijven dat hiervoor

de verschillende sectoren4 in tabel 5.5 blijkt duidelijk op

verantwoordelijk is in het achterhoofd houden.

welke sectoren de O&O-activiteiten in Vlaanderen gericht zijn: het betreft de high-tech sectoren van de chemie,

l

O&O-grootte en concentratie

raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en

Tabel 5.7 geeft de verdeling van de uitgaven voor interne

kunststoffen (NACE 19-22); informatica-, elektronische,

O&O over de verschillende types inventarisbedrijven.

optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27);

We zien dat de uitgaven voor interne O&O sterk

machines en transport (NACE 28-30); alsook de tele-

geconcentreerd zijn bij een kleine groep van bedrijven.

communicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

Dit bevestigt de validiteit van de keuze voor een

en technische testen en toetsen (NACE 61, 6201, 71 en 74909).

inventarisbenadering.

4 Om deze nota niet onnodig te verzwaren, worden in de tabellen enkel de NACE-codes weergegeven. De volledige omschrijving van de NACE-sectoren is terug te vinden in bijlage 3. In deze bijlage wordt een beknopte versie van de NACE-classificatie gegeven. De uitgebreide versie is te raadplegen in een publicatie van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/nl/statistieken/gegevensinzameling/nomenclaturen/ nacebel/index.jsp. Merk op: vanaf 2008 volgen wij de NACE-BEL 2008, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2.


75

Tabel 5.8:

Verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren

Sector

2008

2009

Voeding en tabak

NACE-codes 10-12

5%

5%

Textiel, kleding en leder

13-15

2%

2%

16-18,31

2%

2%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

27%

27%

Metaal en producten in metaal

24-25

5%

5%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

18%

16%

Papier, drukwerk en meubels

28-30

13%

13%

01-09,23,32-43

5%

5%

Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen

61,6201,71,74909

17%

17%

Overige diensten

45-60,62-70,73-99

7%

7%

Machines en transport Overige industrie

Tabel 5.9:

Verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen

Aantal werknemers: 2008 2009

1 tot 9 3% 3%

10 tot 49 12% 13%

50 tot 249 28% 28%

250 tot 499 13% 12%

500 of meer 45% 44%

Tabel 5.10: Verdeling van het O&O-personeel over de types inventarisbedrijven Type inventarisbedrijf: 2008 2009

Top-50 P 50% 49%

Overige P 47% 48%

O 2% 3%

De top-50 bedrijven met de hoogste uitgaven voor interne

Verder hebben ook hier de sectoren informatica-,

O&O5 vertegenwoordigen 64%, respectievelijk 62% van de

elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

uitgaven voor interne O&O in 2008 en 2009. De permanente

(NACE 26-27), de sectoren telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en

eens 34%, respectievelijk 36%, van de budgetten voor interne

toetsen (NACE 61, 6201, 71 en 74909) en de sector

O&O in 2008 en 2009. De occasionele O&O-besteders

machines en transport (NACE 28-30) een relatief hoger

vertegenwoordigen 2% van deze budgetten.

aandeel in het totaal. Wanneer we de voedingssector apart bekijken (NACE 10) dan bedraagt hun aandeel 4%, zowel

O&O-personeel binnen de inventaris nader bekeken

voor 2008 als voor 2009. Voor de farmaceutische sector

Eerst bespreken we de opsplitsingen van het O&O-personeel

(NACE 21) bedraagt het aandeel 12%, zowel voor 2008 als

volgens sector en grootteklasse. Afsluitend volgt de verdeling

voor 2009.

5.3.2.4

over de verschillende types inventarisbedrijven. l l

Grootte

Sector

Bij de verdeling van het O&O-personeel over de grootte-

In tabel 5.8 zien we dat de verdeling van het O&O-personeel

klassen (zie tabel 5.9) worden de vroegere conclusies

over de NACE-sectoren grotendeels gelijkaardig is aan

bevestigd: het merendeel van de O&O-personeelsleden is

de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over

actief in een beperkt aantal grote bedrijven.

de sectoren. Het aandeel van de sector chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en

l

O&O-grootte en concentratie

kunststoffen (NACE 19-22) ligt lager dan bij de verdeling

Tabel 5.10 toont de sterke concentratie van het O&O-

van de O&O-uitgaven, wat wijst op een relatief kapitaal-

personeel in de top-50 bedrijven. De concentratie is echter

intensief O&O-proces in deze sector6.

minder uitgesproken dan voor de O&O-uitgaven.

5 De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2008 en 2009 zoals afgeleid uit de huidige enquĂŞte. 6 De vierde fase van de klinische tests wordt niet meegerekend als O&O, volgens de richtlijnen van de Frascati Manual (OECD, 2002) rond O&O-enquĂŞtes.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

O&O-besteders buiten deze top-50, vertegenwoordigen nog


76

5.3.2.5

Dit kan erop duiden dat onze Vlaamse bedrijven - zelfs in

O&O-intensiteit

De O&O-intensiteit van de bedrijven wordt in dit hoofdstuk

tijden van financiĂŤle en economische crisis - het belang van

bekeken vanuit twee dimensies. Enerzijds wordt de verhouding

O&O inzien.

uitgaven voor interne O&O omzet

l

Sector De O&O-intensiteiten zijn in tabel 5.12 en tabel 5.13

berekend. De tweede dimensie betreft de verhouding

opgedeeld volgens sector. We zien in tabel 5.12 dat volgens de verhouding

O&O-personeel totaal personeel

uitgaven voor interne O&O omzet

In deze berekeningen worden enkele de O&O-actieve inventarisbedrijven meegeteld. Eerst wordt de totale O&O-

de sector telecommunicatie, computerprogramma's,

intensiteit gegeven en daarna volgen de opsplitsingen volgens

ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen

sector en grootteklasse.

(NACE 61, 6201, 71 en 74909) het meest O&O-intensief is, gevolgd door de sectoren informatica-, elektronische,

l

Totaal

optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-

Tabel 5.11 geeft de totale O&O-intensiteiten.

27) en chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten,

De O&O-intensiteit berekend als

rubber en kunststoffen (NACE 19-22)8.

uitgaven voor interne O&O

Voor de dimensie

omzet

O&O-personeel

bedroeg 2,5% in 20087. In 2009 was dat 2,7%.

totaal personeel

Volgens de dimensie,

zijn het dezelfde drie sectoren in dezelfde volgorde die de

O&O-personeel

hoogste intensiteiten vertonen, zij het dat de percentages

totaal personeel

hier iets hoger liggen9.

was de O&O-intensiteit 7,1% in 2008 en 7,3% in 2009. l

We zien dat zowel

Grootte In tabellen 5.14 en 5.15 wordt de opsplitsing van de O&O-

uitgaven voor interne O&O omzet

intensiteiten per grootteklasse gegeven. Voor de eerste dimensie uitgaven voor interne O&O omzet

als O&O-personeel totaal personeel

zijn de erg kleine bedrijven, met minder dan 10 werknemers, relatief het meest O&O-intensief. Wanneer we de O&O-

licht stijgen in de beschouwde periode. Deze tendensen

intensiteit bekijken op basis van het personeel, zien we dat

kunnen verklaard worden als we de onderliggende

ook hier de kleinste bedrijven (1-9 werknemers) een

basisgegevens bekijken (zie tabel 5.11). We zien in alle

hogere O&O-intensiteit hebben dan de andere spelers.

cijfers een daling van 2008 naar 2009, maar de daling is

Het is duidelijk dat deze kleine bedrijven in absolute termen

telkens minder uitgesproken voor de O&O-cijfers

kleine O&O-spelers zijn, vergeleken met de top-50 bedrijven,

vergeleken met de cijfers voor omzet en totaal personeel.

maar dat ze intensief met O&O bezig zijn.

7 Bij het relateren van de O&O-uitgaven aan de omzet werd enkel gewerkt met de subset van bedrijven waarvoor de omzet beschikbaar was, zo’n 78% van de inventarisbedrijven in 2008 en 80% in 2009. Met name kleine bedrijven met minder dan 50 werknemers voldoen wel eens aan de criteria waarbij het hen toegelaten is een verkorte jaarrekening neer te leggen. Bijgevolg is voor hen geen omzet beschikbaar in de publiek consulteerbare bronnen. Van middelgrote en grote bedrijven is nagenoeg steeds hun omzet bekend. 8 Wanneer we binnen de twee laatste groepen nog verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26) dan zien we dat hun individuele intensiteiten nog hoger zijn: respectievelijk 16,9% en 7,1% voor farmaceutische producten en ICT in 2008, en 16,5% en 7,8% in 2009. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2009. 9 Wanneer we hier verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26), dan krijgen we ook hier voor beide hoge intensiteiten: respectievelijk 24,4% en 22,3% voor farmaceutische producten en ICT in 2008, en 25,9% en 22,3% in 2009. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2009.


77

Tabel 5.11: Totale O&O-intensiteit

Omzet*

2008

2009

Groei

122.041

106.217

-13,0%

3.030

2.883

-4,9%

Uitgaven voor interne O&O* uitgaven voor interne O&O omzet

2,5%

2,7%

9,3%

Totaal personeel

283.688

274.815

-3,1%

O&O-personeel

20.062

20.015

-0,2%

7,1%

7,3%

3,0%

O&O-personeel totaal personeel * In miljoen euro

uitgaven voor interne O&O Tabel 5.12: O&O-intensiteit:

per NACE-sector

omzet

Sector

NACE-codes

2008

2009

Voeding en tabak

10-12

0,7%

0,6%

Textiel, kleding en leder

13-15

1,0%

1,1%

16-18,31

0,9%

1,0%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

3,1%

3,8%

Metaal en producten in metaal

24-25

1,3%

1,6%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

5,7%

6,5%

Machines en transport

28-30

1,4%

1,7%

01-09,23,32-37,41-43

1,5%

1,6%

61,6201,71,74909

8,0%

7,5%

45-53,58-60,62-70,73-99

0,5%

0,6%

Papier, drukwerk en meubels

Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

O&O-personeel totaal personeel

per NACE-sector

Sector

NACE-codes

2008

2009

Voeding en tabak

10-12

3,2%

3,3%

Textiel, kleding en leder

13-15

2,5%

2,8%

16-18,31

3,4%

3,3%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

10,2%

10,7%

Metaal en producten in metaal

24-25

4,5%

5,1%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

16,8%

16,7%

Papier, drukwerk en meubels

Machines en transport Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

28-30

5,3%

5,8%

01-09,23,32-37,41-43

4,4%

4,4%

61,6201,71,74909

26,2%

25,8%

45-53,58-60,62-70,73-99

3,0%

3,1%

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

Tabel 5.13: O&O-intensiteit:


78

uitgaven voor interne O&O Tabel 5.14: O&O-intensiteit: Aantal werknemers: 2008 2009

omzet 1 tot 9 7,5% 10,7%

per grootteklasse 10 tot 49 3,2% 3,5%

50 tot 249 2,2% 2,4%

250 tot 499 1,4% 1,6%

500 of meer 2,0% 2,2%

50 tot 249 8,3% 8,5%

250 tot 499 4,9% 4,6%

500 of meer 6,4% 6,6%

O&O-personeel Tabel 5.15: O&O-intensiteit: totaal personeel per grootteklasse Aantal werknemers: 2008 2009

1 tot 9 29,0% 28,5%

10 tot 49 11,3% 12,1%

Tabel 5.16: Schatting van de O&O-bedragen buiten

Tabel 5.17: Totale uitgaven voor interne O&O van

de inventaris van bekende O&O-spelers

de Vlaamse bedrijven (in duizend euro;

(in duizend euro)

exclusief de collectieve onderzoekscentra)

2008

112.870

2009

126.752

Scenario 1 Scenario 2

2008 2.746.154 2.752.058

2009 2.663.442 2.669.537

5.4 RESULTATEN VOOR DE TOTALE POPULATIE

5.4.2 Historische evolutie van de uitgaven voor interne

5.4.1 De totale uitgaven voor interne O&O bij de

Bij de O&O-enquête van 2008 werden inspanningen geleverd

Vlaamse bedrijven in 2008 en 2009

O&O van Vlaamse bedrijven

om de historische reeks van O&O-cijfers te valideren. De gegevens van de O&O-enquête van 2010 kunnen dus in het kader van

Zoals aangegeven in sectie 5.2.3 en nader omschreven in

deze gecorrigeerde historische reeks bekeken worden. We zien

bijlage 2, worden de O&O-uitgaven van de bedrijven in de

in tabel 5.18 dat de dalende trend die sinds 2002 werd

inventaris opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten

geobserveerd, sinds 2005 was omgekeerd. Terwijl deze stijging

de inventaris om eventueel ontbrekende gegevens op te vangen.

zich nog doorzette in 2008, merken we een lichte daling in

In de O&O-enquête van 2010 werd hiervoor gewerkt met een

2009, te wijten aan de financiële en economische crisis.

gestratificeerde steekproef. Van de 1.732 aangeschreven bedrijven antwoordden er 923, ofwel 53%. Deze antwoorden werden gewogen om op die manier de bekomen resultaten te

5.4.3 Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR

extrapoleren tot de beoogde populatie. Tabel 5.16 geeft de resulterende bedragen voor de populatie van niet-inventaris-

Vertrekkende van tabel 5.18 kunnen we de evolutie van de

bedrijven weer. Tabel 5.17 geeft de totale cijfers voor uitgaven

uitgaven voor interne O&O bij bedrijven als % van het BBPR

voor interne O&O van de bedrijven in Vlaanderen weer,

(Bruto Binnenlands Product van de Regio) voor 2008 en 2009

inclusief de opgehoogde bedragen. Belangrijk om op te merken

berekenen. Ten opzichte van de rapportering betreffende de

is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige

O&O-enquête van 2008 werd een extra update gemaakt,

BERD-reeks voor 2008 en 2009 weergeven. Immers, ook de

namelijk de verrekening van de meest recente cijfers voor het

uitgaven voor interne O&O van de collectieve onderzoekscentra

Vlaamse BBP van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.

moeten nog in rekening gebracht worden bij de berekening

(zie tabel 5.19)10.

van de totale BERD. In hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers samengebracht tot de volledige BERD-reeks. 10 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat het BBPR voor 2007 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 5.20 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.


79

Tabel 5.18: Historische evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven (in miljoenen euro; volgens scenario 2; exclusief de collectieve onderzoekscentra) 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Tabel 5.19: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (in miljoen euro) 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

118.177 120.142 126.917 131.357 136.904 144.783 148.726 153.549 158.083 167.304 174.012 183.646 194.422 199.655 195.564

Bron: HERMREG, december 2010

Tabel 5.20: Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR (volgens scenario 2; exclusief de uitgaven van de collectieve onderzoekscentra) 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

1,25%

1,34%

1,42%

1,44%

1,55%

1,68%

1,79%

1,57%

1,48%

1,38%

1,40%

1,33%

1,34%

1,38%

1,37%

De ratio’s worden weergegeven in tabel 5.20. Deze ratio

De stijgende trend in O&O-uitgaven bij onze Vlaamse

bedraagt in het basisscenario (scenario 2) 1,38% voor 2008 en

bedrijven die in vorige jaren werd vastgesteld, zet zich verder

1,37% voor 2009. Hier laat de historische vergelijking zien dat

in 2008, maar daalt weer licht in 2009. De ratio van de

deze percentages hoger zijn dan in 2007. De daling van de

uitgaven voor interne O&O bij de bedrijven als % van het

uitgaven voor interne O&O in 2009, wordt zo goed als

BBPR bedraagt 1,38% voor 2008 en 1,37% voor 2009.

gecompenseerd door de daling van het BBPR in dat jaar. Daardoor is de ratio van de uitgaven voor interne O&O bij

In hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers

de bedrijven als % van het BBPR vrijwel stabiel in de periode

verwerkt in de totale BERD (inclusief de collectieve onderzoeks-

2008-2009.

centra) en GERD (“Gross Expenditures on Research and de onderwijsinstellingen, de non-profitinstellingen, ... vervat.

5.5 CONCLUSIE Dit hoofdstuk geeft een eerste inzicht in de voorlopige

5.6 REFERENTIES

resultaten van de O&O-enquête van 2010 op basis van de Vlaamse enquête-resultaten. Naarmate de Belgische gegevens

l

OECD, Proposed Standard Practice for Surveys on Research

beschikbaar worden, kunnen de extrapolaties van de O&O-

and Experimental Development: Frascati Manual: The

gegevens nog verder geoptimaliseerd worden. In verdere

Measurement of Scientific and Technological Activities

publicaties van het Expertisecentrum O&O Monitoring zal

Series, Paris, OECD, 2002.

deze analyse nog verder verfijnd worden en zullen de resultaten met betrekking tot de extrapolaties verder op punt gesteld worden. De huidige resultaten zijn gebaseerd op uitgebreide controles en validatie van de onderliggende gerapporteerde brondata.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

Development”). Hierin zitten ook de uitgaven van de overheid,


80

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN DE DEFINITIES DIE GEBRUIKT WERDEN IN DE O&O-ENQUÊTE VAN 2010

l

het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software;

l

onderzoek gericht op (esthetische) vormgeving en andere niet-technologische veranderingen (geur, kleur, smaak,...).

‘Onderzoek en ontwikkeling’ (O&O) l

Interne (intramurale/eigen) O&O wordt uitgevoerd binnen de eigen onderneming.

O&O omvat alle creatieve activiteiten die door de onderneming op een systematische manier ondernomen worden met het oog

op

KENNISUITBREIDING

OF

KENNISCREATIE

l

Uitgaven voor interne O&O zijn alle uitgaven die hiervoor

(ONDERZOEK), evenals het gebruik van deze kennis om

gemaakt zijn, ongeacht de financieringsbron. Uitgaven die

NIEUWE TOEPASSINGEN te ontwikkelen (ONTWIKKELING).

buiten de onderneming gemaakt worden ter ondersteuning

Kenmerkend voor O&O is het ‘nieuwheidskarakter’.

van de interne (eigen) O&O (bv. voor de aanschaf van O&O-uitrusting), worden meegeteld.

Ook het wegwerken van onzekerheden op wetenschappelijk of

Zowel lopende uitgaven (personeelskosten en algemene

technisch vlak (zowel op bedrijfs- als op marktniveau) behoort

kosten) als investeringen (grond, gebouwen, instrumenten

tot de O&O-activiteiten van een onderneming. O&O omvat

en apparatuur) zijn inbegrepen.

drie activiteiten: fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek

De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven

en experimentele ontwikkeling.

worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in rekening

O&O is creatief werk en omvat dus geen aankoop van

gebracht worden.

technologie onder de vorm van octrooien en licenties, maar wel

De uitgaven voor O&O omvatten publieke interventies

alle uitgaven die het bedrijf gemaakt heeft om kennis te

(vb. subsidies, premies, vrijstelling van douanerechten,

ontwikkelen die kan resulteren in de aanvraag van octrooien of

tegemoetkomingen in de loonkost van onderzoekers of in de

het generen van licentie-inkomsten.

investeringskosten van O&O (en octrooien), vermindering van de bedrijfsvoorheffing, contracten, ...). Gelieve in de mate van

Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden:

het mogelijke dit allesomvattende bedrag te rapporteren.

de uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd

l

Externe (extramurale/uitbestede) O&O wordt uitgevoerd

als O&O; de fasen die daarop volgen (design, testproductie,

door derden ten behoeve van de onderneming (op niveau

commercialisering…) niet meer. In geval van twijfel is het

van uw BTW-nummer).

belangrijk het hoofddoel van de desbetreffende activiteiten te

Uitgaven voor externe O&O zijn alle uitgaven die hiervoor

evalueren. Indien de voornaamste doelstelling erin bestaat om

voor rekening van uw onderneming gemaakt zijn.

technologisch nieuwe of sterk verbeterde producten, diensten

De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven

of processen tot stand te brengen, moet men deze activiteiten

worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de

beschouwen als O&O.

resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in rekening gebracht worden.

Worden niet tot O&O gerekend: metingen of controles met een routinematig karakter en

Voor ondernemingen van de farmaceutische sector (NACE 21)

marktonderzoeken;

moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3), met uitzondering

l

scholingen en training;

van de commercialisatiefase (fase 4), deel uitmaken van

l

werkzaamheden i.v.m. het aanvragen van octrooien en

de interne of externe uitgaven voor O&O.

l

licenties; l

het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-)apparatuur;


81

BIJLAGE 2: BELANGRIJKSTE ETAPPES VAN DE SCHATTINGSMETHODOLOGIE VAN DE O&O-GEGEVENS BIJ DE BEDRIJVEN

5. Interpolatie voor niet-respondenten uit de P-inventaris l

Interpolatie aan de hand van een previsiecijfer. Voorwaarde: gegevens voor 2008 ontbreken, het previsiecijfer is

1. Samenstelling van de inventaris

beschikbaar voor 2008 (uit de vorige enquête) en de groei/ l

Enquêtes van de inventaris van het wetenschappelijk

afname van de previsie voor 2008 ten opzichte van het

potentieel van België, uitgevoerd in 1994, 1996, 1998, 2000,

gerapporteerde getal voor 2006 of 2007 is geen outlier

2002, 2004, 2006 en 2008 - luik privé-ondernemingen;

vergeleken met de groeicijfers van de andere bedrijven in

l

CIS-enquêtes 1, 2, 3, 4, 2007 en 2009;

die sector.

l

Jaarverslagen van de ondernemingen (Nationale Bank van België, Belfirst, enz.);

l

l

l

Interpolatie aan de hand van historische data + groeivoet.

Andere bronnen zoals toekenningen van octrooien en van

Voorwaarde: vorige regel niet van toepassing, historische

fiscale attesten voor O&O-personeel,… ;

gegevens beschikbaar en de groei/afname van de historische

Opsplitsing bedrijven die permanent dan wel occasioneel

gegevens van het bedrijf vormt geen outlier vergeleken met

aan O&O doen (P- versus O-inventaris).

die van de andere bedrijven binnen die sector. Het gebruikte groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector

2. Consolidatie van de inventaris

waartoe het bedrijf behoort (voor 2008-2009), of enkel l

BTW-nummer, naam van de ondernemingen, adressen;

de laatste wanneer voor het bedrijf maar één historische

l

Koppeling aan Belfirst (BTW-nummer, oprichtingsdatum,

observatie beschikbaar is.

juridische toestand, werkgelegenheid, omzet, activiteitensector, contactgegevens).

l

Interpolatie aan de hand van gegevens van de CIS 2009. Voorwaarde: beide vorige regels zijn niet van toepassing.

3. Logische en coherentiecontroles van de enquêteantwoorden

6. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit de P-inventaris

van de boekjaren, de ratio O&O-uitgaven/O&O-personeel,

Wanneer er geen bruikbare historische data beschikbaar zijn

de opsplitsing van de O&O-personeelsaantallen volgens functie

voor de niet-respondenten uit de P-inventaris, wordt er

en kwalificatieniveau, de gerapporteerde omzet/personeel

geëxtrapoleerd. Voor elk bedrijf wordt bepaald tot welke cel

ten opzichte van de Belfirst-omzet/Belfirst-personeel, het aantal

het behoort, op basis van zijn NACE-sector en grootteklasse.

O&O-personeelsleden in voltijdse equivalenten ≤ het aantal O&O-personeelsleden in fysieke eenheden,…

l

Voor het schatten van het O&O-personeel voor 2008 wordt de verhouding

4. Aanvulling van gedeeltelijke antwoorden

O&O-personeelgem_cel * Totaal personeelbedrijf Totaal personeelgem_cel

Wanneer een bedrijf de O&O-gegevens slechts gedeeltelijk heeft ingevuld, gebeurt de schatting aan de hand van de

gebruikt. Als O&O-personeelgem_cel en Totaal personeelgem_cel

antwoorden bij de vorige twee enquêtes, of wanneer die niet

worden respectievelijk het gemiddeld aantal O&O-

beschikbaar zijn, op basis van sectorgemiddelden. De hoeveelheid

personeelsleden

O&O-uitgaven per O&O-personeelslid is hierbij een

personeelsleden berekend van de bedrijven uit de cel

veelgebruikte ratio.

waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2008.

en

het

gemiddeld

totaal

aantal

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

Coherentietests en logische controles waaronder de controle


82

l

Hierna worden de geschatte O&O-uitgaven berekend voor 2008 aan de hand van de verhouding: O&O-uitgavengem_cel * Omzetbedrijf Omzetgem_cel Als O&O-uitgavengem_cel en Omzetgem_cel worden respectievelijk de gemiddelde O&O-uitgaven en de gemiddelde omzet berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2008.

l

Voor de O&O-gegevens van 2009 wordt een groeicijfer toegepast op de geschatte gegevens van 2008. Dit groeicijfer bestaat uit het gemiddelde van de groei van het bedrijf (afgeleid uit data van deze en de twee vorige enquĂŞtes) ĂŠn van de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort. Indien de groei van een bedrijf niet berekend kan worden, wordt enkel de gemiddelde groei van de sector genomen.

7. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit de O-inventaris l

Voor de bedrijven die occasioneel aan O&O doen (O-inventaris) wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel waartoe het bedrijf behoort.11 Elk bedrijf behoort tot een specifieke cel op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.

8. Extrapolatie van de bedrijven buiten de inventaris l

Voor de schatting van het aandeel van de bedrijven buiten de inventaris in de O&O-cijfers werd gebruik gemaakt van een gestratificeerde steekproef van deze bedrijven. De bekomen steekproefresultaten worden gewogen om op die manier te kunnen veralgemenen naar de beoogde populatie van bedrijven buiten de inventaris van bekende O&O-spelers.

11 Voorlopig worden enkel de Vlaamse cijfers gebruikt om celgemiddelden te berekenen. In een later stadium, wanneer de Belgische cijfers beschikbaar zijn, kunnen voor de cellen waar er weinig Vlaamse observaties zijn, Belgische celgemiddelden gebruikt worden.


83

BIJLAGE 3: NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE Beschrijving

Code

Primaire sector

Landbouw, jacht, bosbouw en visserij Winning van delfstoffen

01, 02 en 03 05 tot 09

Verwerkende nijverheid

Voedingsmiddelen, dranken en tabak Voedingsmiddelen

10

Dranken

11

Tabaksproducten

12

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid Textiel

13

Kleding en bontnijverheid

14

Leernijverheid en schoeisel

15

Hout, papier, drukkerijen Hout en kurk (exclusief meubels)

16

Papier en kartonnijverheid

17

Drukkerijen en reproductie van opgenomen media

18

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen Cokes en geraffineerde aardolieproducten

19

Chemische producten (exclusief farmaceutische producten)

20

Farmaceutische grondstoffen en producten

21

Rubber en kunststoffen

22

Niet-metaalhoudende minerale producten

23

Metallurgie

24

Vervaardiging van producten in metaal, machines, materialen, werktuigen en transport Producten in metaal (exclusief machines en werktuigen)

25

Informaticaproducten, elektronische en optische producten

26

Elektrische apparatuur

27

Machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.

28

Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers

29

Andere transportmiddelen

30 31, 32

Meubels

31

Overige industrie

32

Reparatie en installatie van machines en apparaten Productie en distributie van elektriciteit, gas, gekoelde lucht en water Recuperatie van recycleerbaar afval Bouwnijverheid

33 35, 36 37, 38 en 39 41, 42, 43

Dienstensector

Handel in en onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen

45

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen

46

Detailhandel, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen Vervoer, opslag, posterijen en koeriers Hotels en restaurants Uitgeverijen Productiehuizen, programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma’s Telecommunicatie Computerconsultancy en aanverwante activiteiten Ontwerpen en programmeren van computerprogramma’s Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie Financiële instellingen (inclusief verzekeringen) Immobiliën en verhuur Overige zakelijke dienstverlening Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen Onderzoek en ontwikkeling Openbaar bestuur, sociale en collectieve diensten, ... * n.e.g.: niet eerder genoemd.

47 49, 50, 51, 52, 53 55, 56 58 59, 60 61 62 excl. 6201 6201 63 64, 65, 66 68, 77 69, 70, 73, 74, 78 tot 82 71 72 75, 84 tot 99

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 5

Meubels, industrie n.e.g.*


84

BIJLAGE 4: TOP-50 BEDRIJVEN

Bedrijven in top-50 voor de O&O-enquête van 2008 en van 2010 op basis van de gemiddelde uitgaven voor

De volgende tabel bevat 36 bedrijven die zowel in de O&O-

interne O&O voor 2006-2007, en voor 2008-2009

enquête van 2008 als die van 2010 tot de top-50 van grootste O&O-spelers in Vlaanderen behoorden. Deze lijst werd samen-

• ABLYNX

gesteld op basis van de gerapporteerde O&O-uitgaven die in

• AGFA GRAPHICS

de O&O-enquête van 2010 verzameld werden, en de historische

• AGFA-GEVAERT

cijfers beschikbaar van de vorige O&O-enquête. Voor de

• ATLAS COPCO AIRPOWER

O&O-enquête van 2008, werden de bedrijven gerangschikt op

• BARCO

basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de

• BASF ANTWERPEN

jaren 2006 en 2007. Voor de O&O-enquête van 2010, werden

• BAYER ANTWERPEN NV

de bedrijven gerangschikt op basis van hun gemiddelde

• BAYER BIOSCIENCE

uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2008 en 2009. De

• BOSAL RESEARCH

doorsnede van de top-50 bedrijven voor beide edities wordt

• CARGILL HAUBOURDIN SAS

hieronder weergegeven in alfabetische volgorde.

• CNH BELGIUM N.V. • CYTEC SURFACE SPECIALTIES • DU PONT DE NEMOURS (BELGIUM) • EXXONMOBIL CHEMICAL EUROPE INC • GALAPAGOS • HANSEN TRANSMISSIONS INTERNATIONAL • HUNTSMAN (EUROPE) • INNOGENETICS • JANSSEN PHARMACEUTICA • LMS INTERNATIONAL • LABORELEC • MICHEL VAN DE WIELE • N.V. BEKAERT • NEWTEC CY • ONDERZOEKSCENTRUM VOOR AANWENDING VAN STAAL • ON SEMICONDUCTOR BELGIUM • OPTION • PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS • PICANOL • PROCTER AND GAMBLE EUROCOR • RECTICEL • SIEMENS • ST-ERICSSON BELGIUM • TECHNICOLOR_THOMSON TELECOM BELGIUM • UMICORE • VAN HOOL


85

ONDERZOEK EN ONTWIKKELING B I N N E N D E N O N-P R O F IT S E CTO R

Door Peter Viaene (EWI)

06


86

6.1 INLEIDING

Bij de berekening van de Vlaamse O&O-inspanningen wordt

De Vlaamse cijfers uit deze analyse zijn afkomstig van de

structuur die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt.

tweejaarlijkse OESO O&O-enquête non-profit (editie 2010 met

Het hoger onderwijs is immers een gemeenschapsmaterie wat

referentiejaren 2008 en 2009) waarin alle instellingen uit deze

toch wel van belang is in dit verhaal. Bij de gemeenschaps-

sector bevraagd worden naar hun inspanningen voor onderzoek

benadering worden de O&O-inspanningen van alle instellingen

rekening gehouden met de specifieke Belgische federale staats-

1

en ontwikkeling (O&O) . Deze enquête wordt georganiseerd

binnen het hoger onderwijs – ook de Vlaamse instellingen

door het Departement Economie, Wetenschapen Innovatie (EWI)

gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest – opgeteld.

en omvat alle instellingen waarvoor de Vlaamse gemeenschap

Bij de gewestbenadering daarentegen, geldt de territoriale

bevoegd is en/of die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn.

opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen in rekening

Deze bevraging gebeurt in nauw overleg en samenwerking met

gebracht voor de instellingen uit het hoger onderwijs gelegen

de andere bevoegde overheden (federaal, gemeenschappen

in het Vlaamse Gewest. Met het oog op de internationale

en gewesten) met het oog op het hanteren van een uniforme

vergelijking wordt meestal enkel het gewestcijfer opgenomen

methodologie voor de verschillende beleidsniveaus. Door alle

voor het hoger onderwijs bij de analyses. In sommige gevallen

instanties wordt erover gewaakt dat deze enquête opgesteld

worden toch beide cijfers (gewest- en gemeenschapscijfer)

wordt volgens internationaal vastgelegde definities uit de

opgenomen naast het totaalcijfer voor de totale non-profit

Frascati Manual.

sector. De territoriale opdeling is uiteraard wel van toepassing op de overige sectoren uit de non-profit sector: de publieke

De POD Wetenschapsbeleid is de eindverantwoordelijke wat

onderzoekscentra en de particuliere non-profit organisaties.

de aggregatie van de Belgische cijfers voor de non-profit sector én de profit sector betreft en zorgt voor de aanlevering van de

In de verdere analyse van de non-profit sector worden ook

cijfers aan internationale organisaties. De geaggregeerde data

de statistische O&O-gegevens voor de collectieve onderzoeks-

uit deze enquête worden onder meer gebruikt voor Eurostat en

centra (met inbegrip van de competentiepolen) opgenomen.

voor internationale publicaties van de OESO zoals de ‘Main

De collectieve onderzoekscentra vormen een onderdeel van

Science and Technology Indicators’.

de profit sector en worden bijgevolg ook in de totaalcijfers voor het O&O-personeel en de O&O-uitgaven van de bedrijven

De non-profit sector binnen Vlaanderen bestaat uit drie grote

opgenomen. Door hun economische finaliteit (meestal

uitvoeringssectoren. De grootste sector wordt gevormd door

opgericht en voor het overgrote deel gefinancierd door de

het hoger onderwijs samengesteld uit de universiteiten,

bedrijven zelf) zijn ze nauw verbonden met de ondernemingen

de autonome universitaire onderzoekscentra en de hogescholen.

en worden ze in de internationale statistieken bij de bedrijven

De twee andere subsectoren worden gevormd door de

en de BERD-gegevens opgenomen. Deze collectieve centra

publieke Vlaamse onderzoekscentra enerzijds en de Vlaamse

worden gekenmerkt door het statuut van een non-profit organisatie

publieke en particuliere non-profitorganisaties anderzijds.

en streven niet onmiddellijk winstoogmerk na. De bevraging

Voorbeelden van publieke Vlaamse onderzoekscentra zijn de

van deze instellingen gebeurt dan ook volgens de methodiek

vier grote onderzoeksinstellingen (VIB, VITO, IMEC en IBBT) en

van de OESO O&O-enquête non-profit. Dit verklaart waarom

de Vlaamse wetenschappelijke instellingen die in het Vlaamse

de

Gewest gelokaliseerd zijn zoals het ILVO. Een voorbeeld van

volledigheidshalve toch opgenomen worden in dit hoofdstuk.

resultaten

voor

de

collectieve

onderzoekscentra

een Vlaamse publieke en particuliere non-profitorganisatie is de KMDA (beter gekend als de Zoo). Het grote kenmerk

De bevraging van de profit sector en de non-profit sector

van de non-profit sector is zeker en vast de diversiteit, doordat

gebeurt door verschillende instanties zodat de analyse ook

die naast de universiteiten en hogescholen, ook publieke

verspreid wordt over twee hoofdstukken. Deze analyse

onderzoeksinstellingen bevat die sterk gespecialiseerd zijn op

concentreert zich op de resultaten van de O&O-enquête non-

één of meerdere onderzoeksdomeinen. Deze sector omvat

profit terwijl de resultaten uit de profit enquête, uitgevoerd door

ook enkele kleinere onderzoeksinstituten, die slechts in geringe

het Expertisecentrum O&O Monitoring, terug te vinden zijn

mate O&O-activiteiten verrichten naast andere kernactiviteiten.

onder hoofdstuk 5.

1 Definitie O&O: Het onderzoek en de experimentele ontwikkeling omvatten het creatieve werk dat systematisch plaatsvindt om de kennisvoorraad te vergroten, met inbegrip van die van de mens, de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te ontwikkelen (OECD, 2002, Frascati Manual p.30)


87

Het totaalbeeld voor Vlaanderen (profit en non-profit) wordt

Figuur 6.1 toont de spreiding van de O&O-actoren uit het

verder in hoofdstuk 7 deel 1 en deel 2 bestudeerd. De bestaande

Vlaamse publieke onderzoekslandschap. Voor de volledigheid

tijdsreeks 1993-2007 uit het Vlaams Indicatorenboek WTI

wordt ook een referentiecijfer van het aantal collectieve centra

2009 wordt zo verder uitgebreid naar 2008 en 2009. Dit laat

(behoren wel tot de profit sector) weergegeven. Deze groep is

een vergelijking toe met eerdere cijfers uit vroegere versies van

vrij omvangrijk op het vlak van aantal instellingen maar qua

het Vlaams Indicatorenboek WTI.2

onderzoeksgewicht zijn vooral het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra dé kernspelers.

6.2 HET O&O-PERSONEEL

Tabel 6.1 geeft de evolutie weer van het totale O&O-personeel (in voltijdse eenheden) in de non-profit sector tussen 1993 en

Menselijk potentieel blijft een sleutelelement met het oog op

2009. In 2009 waren er ongeveer 15.500 voltijdse eenheden

het versterken van de huidige kennismaatschappij. De OESO

(VTE) actief aan O&O in de non-profit, een stijging van

Canberra Manual omschrijft en definieert twee benaderingen

ongeveer 1.600 VTE ten opzichte van 2007. Het hoger

voor het meten van menselijk potentieel in ‘Science &

onderwijs neemt hiervan 1.300 extra voltijdse eenheden voor

Technology (S&T)’. De eerste benadering beklemtoont de

onderzoek in en de publieke onderzoekscentra verhoogden

opdeling aan de hand van de formele kwalificaties of het

hun onderzoeksinspanning met 300 extra VTE. Voor de

opleidingsniveau van het O&O-personeel.

periode 2004-2009 nam het cijfer voor het O&O-personeel in de non-profit met ongeveer 24% toe, een minieme daling ten opzichte van het vorige tijdsvenster 2002-2007 (+26%).

Figuur 6.1: Verdeling van de O&O-actoren over

Het hoger onderwijs blijft wél het sterkst verankerd als subsector met een aandeel van ruim 78%.

de non-profit sector

Binnen het hoger onderwijs is het luik universiteiten nog steeds

35

het belangrijkste onderdeel (aandeel in O&O-personeel van 30

89%), opnieuw een lichte daling ten opzichte van 2007. De hogescholen verhogen dan weer hun aandeel in het totaalcijfer van het hoger onderwijs. In 2009 vertegenwoordigde

20 34

het O&O-personeel uit de hogescholen 9,2% van het O&O-

15 26 10

17

2007). De procentuele stijging over de periode 2004-2009 van

5

het O&O-personeel (+193%) is vrij indrukwekkend, al blijft het

5 Collectieve onderzoekscentra

Publieke en particuliere non-profitorganisaties

Publieke onderzoekscentra

0 Hoger onderwijs

personeel uit het hoger onderwijs (+2.6% ten opzichte van

numerieke overwicht van de universiteiten in de absolute cijfers uiteraard wel opmerkelijk. Het totale O&O-personeel binnen de publieke onderzoekscentra is tussen 2004 en 2009 met een kwart gestegen. De Vlaamse onderzoeksinstellingen gelegen in het Vlaams gewest (categorie 220, zie tabel 6.1), waartoe onder andere de vier grote strategische onderzoekscentra (IMEC, VITO, VIB en

Zo wordt het O&O-personeel opgedeeld naar universitaire

IBBT) behoren, verhogen nog steeds hun O&O-inspanningen

diploma’s of masters, diploma’s hoger onderwijs één cyclus of

aanzienlijk (+23,4% over het tijdsvenster 2004-2009 tegenover

bachelors en andere kwalificaties. Een tweede opdeling van

+13,5% voor 2002-2007).

menselijk potentieel is gebaseerd op het beroep of de functie van het O&O-personeel en deelt personeel op naar onderzoekers, technisch personeel en administratief/overig personeel. 2 Een aandachtige lezer merkt verschillen op met de gegevens rondom O&O-personeel, O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit gepubliceerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2009. Die zijn te wijten aan nieuwe aggregaties op Belgisch niveau (personeel en uitgaven) en nieuwe berekeningen van het BBPR (Vlaams Gewest) aangeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse regering (O&O-intensiteit).

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

Aantal

25


88

Tabel 6.1:

200 210 220 270 300 320 330 510 400 410 420 490 400 410 420 490

130

Evolutie van het O&O-personeel in de non-profit sector en de collectieve centra tussen 1993 en 2007

Publieke onderzoekscentra (gewest) Federale overheid (Vlaams Gewest) Vlaamse Gemeenschap/Gewest Lagere overheden Publieke en particuliere non-profitorganisaties (gewest) Semi-publieke instellingen Particuliere centra Internationale instellingen in BelgiĂŤ Hoger onderwijs (gewest) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Hoger onderwijs (gemeenschap) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Totaal non-profit met hoger onderwijs gewest Totaal non-profit met hoger onderwijs gemeenschap Collectieve onderzoekscentra*

1993

1998

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

1.152,8

1.767,7

2.415,0

2.388,4

2.471,2

2.540,9

2.669,1

2.753,7

2.988,9

476,7

471,6

148,8

147,0

145,0

168,7

164,2

191,3

220,6

674,0

1.294,0

2.260,2

2.233,8

2.318,1

2.361,8

2.494,5

2.553,6

2.757,1

2,1

2,1

6,0

7,6

8,1

10,4

10,4

8,8

11,3

294,6

347,4

364,3

374,2

368,5

360,1

360,4

368,9

369,8

0,0

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

5,0

8,4

27,0

36,9

31,2

22,8

23,1

18,6

18,5

289,6

339,0

337,0

337,0

337,0

337,0

337,0

350,0

351,0

5.975,3

6.624,2

8.610,7

9.759,8

9.987,3

10.385,4

10.894,6

11.560,5

12.195,1

5.842,9

6.401,0

7.998,7

9.124,3

9.281,0

9.503,7

9.879,5

10.456,4

10.823,2

132,3

151,1

187,3

251,5

263,2

278,5

294,4

231,9

248,2

0,0

72,1

424,7

384,0

443,1

603,2

720,7

872,2

1.123,7

7.132,3

7.774,4

9.773,0

11.031,0

11.338,0

11.748,0

12.322,0

13.095,3

13.784,7

7.000,0

7.523,0

9.078,2

10.274,5

10.485,4

10.750,8

11.144,3

11.779,2

12.181,5

% groei 20042009 25,1%

-1,2%

25,0%

25,0%

132,3

151,1

187,3

251,5

263,2

278,5

294,4

231,9

248,2

0,0

100,4

507,5

505,0

589,4

718,7

883,3

1.084,2

1.355,0

7.422,6

8.739,2

11.390,0

12.522,4

12.827,0

13.286,4

13.924,0

14.683,1

15.553,8

24,2%

8.579,6

9.889,4

12.552,3

13.793,6

14.177,7

14.648,9

15.351,4

16.217,9

17.143,4

24,3%

311,9

429,6

474,1

325,1

361,3

407,5

417,2

421,3

424,2

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid + eigen berekeningen voor 2008 en 2009 * Als onderdeel van de bedrijven

Tabel 6.2:

O&O-personeel naar geslacht en uitvoeringssector (in VTE) - 2009 Mannen Abs.

Vrouwen Rel.

Abs.

Totaal Rel.

% Mannen

% Vrouwen 46,9%

Abs.

Hoger onderwijs (gewest)

6.475,5

74,9%

5.719,5

82,8%

12.195,1

53,1%

Universiteiten (gewest)

5.736,5

88,6%

5.086,7

88,9%

10.823,2

53,0%

47,0%

114,4

1,8%

133,8

2,3%

248,2

46,1%

53,9%

Zelfstandige universitaire centra (gewest) Hogescholen (gewest) Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

624,6

9,6%

499,0

8,7%

1.123,7

55,6%

44,4%

1.960,3

22,7%

1.028,6

14,9%

2.988,9

65,6%

34,4% 43,8%

207,8

2,4%

162,0

2,3%

369,8

56,2%

8.643,6

100,0%

6.910,1

100,0%

15.553,8

55,6%

44,4%

424,2

71,2%

28,8%

302,2

122,0

* NPO = non-profit organisaties ** Als onderdeel van de bedrijven

De meest recente cijfers voor 2008 en 2009 tonen aan dat het

Tot slot toont tabel 6.1 het effect van de gewest- en de

O&O-personeel binnen de federale onderzoeksinstellingen

gemeenschapbenadering voor het O&O-personeel in het hoger

(categorie 210: ten gevolge de Lambertmontakkoorden werd

onderwijs. Bij het gebruik van de gemeenschapsbenadering ligt

landbouw een gewestbevoegdheid) opnieuw licht stijgt.

het totale O&O-personeel ongeveer 1.600 voltijdse eenheden hoger (correspondeert met ongeveer 9% van het totaal) dan bij

De stijging van het O&O-personeel bij de collectieve centra,

de gewestbenadering, die de basis vormt voor de internationale

na de oprichting van de competentiepolen lijkt zich te

vergelijking.

consolideren na 2007.


89

Tabel 6.2 deelt het O&O-personeelscijfer (in voltijdse eenheden)

Tabel 6.4 gaat dieper in op het opleidingsniveau van het O&O-

op naar geslacht en/of uitvoeringssector. De verhouding mannen/

personeel. Bijna 82 % van het O&O-personeel had in 2009

vrouwen bedraagt afgerond opnieuw 56/44 voor 2009.

minimaal een universitair diploma of een masterdiploma.

Ondanks een stijging van het vrouwelijk aandeel, wijken deze

In vergelijking met 2007 is dit een stijging met ongeveer 1,7%

cijfers nauwelijks af van de cijfers uit 2007 en 2005. Bij het

en dit cijfer lag ook al 1,5% hoger dan in 2005. Bij de vrouwen

hoger onderwijs ligt het aandeel van vrouwelijke O&O-

ligt het percentage met een masterdiploma nog altijd lager

personeelsleden met ongeveer 47% het hoogst (46,6% in 2007).

maar ook dit cijfer stijgt (76% en een stijging van 2,1% ten

Bij de publieke onderzoekscentra ligt dat aandeel met 34,4%

opzichte van 2007). Ruim 41% van het O&O-personeel met een

(+1,1% ten opzichte van 2007) heel wat lager. De collectieve

masterdiploma zijn vrouwen en dit cijfer is licht gestegen in

onderzoekscentra tenslotte scoren met 29% (27,3% in 2007)

vergelijking met 2007. Meer dan twee kwart van O&O-personeel

het laagst maar de representativiteit van dit cijfer ligt ook lager.

met een bachelordiploma (het vroegere diploma hoger

Wanneer vrouwen O&O-activiteiten uitvoeren, gebeurt dit

onderwijs één cyclus) zijn vrouwen in de non-profit, een lichte

meestal (meer dan 80% van het totale O&O-cijfer) onder de

stijging ten opzichte van twee jaar geleden.

koepel van het hoger onderwijs. Wanneer de cijfers voor 2009 geanalyseerd worden voor de Het O&O-personeel voor 2009 wordt in tabel 6.3 opgesplitst

verschillende subsectoren, valt op dat meer mannen dan

naar functie en naar geslacht. Uit deze cijfers blijkt dat 75,6%

vrouwen een masterdiploma in de publieke onderzoekscentra

van het O&O-personeel binnen de non-profit sector

hebben en dat vrouwen er vaker een bachelordiploma hebben.

onderzoekers zijn. Dit aandeel is maar beperkt toegenomen (75,0% voor 2007 en 73,3% voor 2005). Bij de vrouwen stijgt

Tabel 6.5 geeft de verdeling weer van het totale O&O-personeel

het aandeel onderzoekers lichtjes tot 69,4% in 2009 (ten

voor het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra naar

opzichte van 68,7% voor 2007 en 65,6% voor 2005). Uit de

wetenschapsdomein. Bij de publieke onderzoekscentra worden

verdeling van onderzoekers naar geslacht blijkt ook dat

alle O&O-personeelsleden aan één wetenschapsdomein3

ongeveer 41% van de onderzoekers vrouwen zijn voor 2009.

toegewezen op basis van de O&O-activiteiten die aan de

Wanneer nu gekeken wordt naar de opsplitsing over de diverse

onderzoeksinstelling uitgevoerd worden. Zo is het mogelijk om

subsectoren voor 2009 blijkt het aandeel onderzoekers het

toch een beeld te krijgen in welke groepen van onderzoeks-

grootst te zijn voor het hoger onderwijs (80% en een beperkte

domeinen de publieke onderzoekscentra actief zijn.

centra bedraagt het aandeel onderzoekers ongeveer 60%, ook

De kern van de onderzoeksactiviteiten ligt voor de publieke

een lichte stijging ten opzichte van 2007.

onderzoekscentra vooral bij de toegepaste wetenschappen met een aandeel van 63,3% in het O&O-personeel (een lichte

Zowel bij het technisch personeel als bij het overig personeel

stijging in vergelijking met 2007). Samen met de natuur- en

(vaak administratief personeel) is er een meerderheid van de

exacte wetenschappen (19,9%) en de landbouwwetenschappen

vrouwen in de verhouding mannen/vrouwen voor de non-

(13,2%) zijn dit de belangrijkste onderzoeksdomeinen bij de

profit sector. Het aandeel van het mannelijk technisch

publieke onderzoekscentra. Ten opzichte van de cijfers uit 2007

personeel binnen de non-profit sector blijft gelijk ten opzichte

zijn verschuivingen tussen de diverse wetenschapsdomeinen

van 2007. Toch vallen enkele verschillen op naar subsector.

beperkt. Enkel de toegepaste wetenschappen noteren een

Bij de publieke onderzoekscentra zijn er zowel bij het technisch

lichte stijging ten koste van de landbouwwetenschappen. Bij de

personeel als bij het overig personeel meer mannen dan vrouwen

vrouwen (publieke onderzoekscentra) stijgt het aandeel van

tewerkgesteld. Het aandeel van het mannelijke technisch

de toegepaste wetenschappen van 50,5% in 2007 tot 53,9%

personeel stijgt vooral binnen de publieke onderzoekscentra.

in 2009 en daalt het aandeel van de exacte wetenschappen van 29,5% tot 25,9% in 2009, terwijl de andere aandelen zich op hetzelfde niveau blijven handhaven.

3 De O&O-activiteiten worden bij de publieke onderzoekscentra per instelling aan een van de zes FOS (fields of science)-domeinen toegewezen voor de hele instelling en er wordt in tegenstelling tot het hoger onderwijs geen opdeling over de zes FOS-domeinen gemaakt.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

stijging ten opzichte van 2007). Bij de publieke onderzoeks-


90

Tabel 6.3:

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens functie in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Totaal

Vrouwen

Onderzoekers

Technisch en gelijkgesteld personeel

Hoger onderwijs (gewest)

9.755,6 80,0%

1.621,0 13,3%

818,6

6,7%

Universiteiten (gewest)

8.506,8 78,6%

1.531,6 14,2%

784,9

7,3%

165,5 66,7%

80,9 32,6%

1,8

0,7%

31,9

2,8%

Zelfst universit. centra (gewest)

Overig personeel

Totaal

Overig personeel

Totaal

Onderzoekers

Technisch personeel

Overig personeel

%V

%V

%V

Onderzoekers

Technisch en gelijkgesteld personeel

12.195,1

4.155,6 72,7%

1.033,9 18,1%

530,0

9,3%

5.719,5

42,6%

63,8%

64,7%

10.823,2

3.602,3 70,8%

981,7 19,3%

502,7

9,9%

5.086,7

42,3%

64,1%

64,0%

248,2

85,3 63,8%

46,7 34,9%

1,8

1,3%

133,8

51,5%

57,7%

100,0%

1.123,7

468,0 93,8%

25,5

5,1%

499,0

43,2%

64,7%

79,9%

Hogescholen (gewest)

1.083,3 96,4%

Publieke onderzoekscentra

1.791,3 59,9%

762,4 25,5%

435,3 14,6%

2.988,9

564,2 54,8%

252,6 24,6%

211,9 20,6%

1.028,6

31,5%

33,1%

48,7%

205,1 55,5%

103,7 28,0%

61,0 16,5%

369,8

74,4 45,9%

53,5 33,0%

34,1 21,0%

162,0

36,3%

51,6%

55,9%

11.751,9 75,6%

2.487,1 16,0%

1.314,9

8,5%

15.553,8

4.794,2 69,4%

1.340,0 19,4%

776,0 11,2%

6.910,1

40,8%

53,9%

59,0%

120,0 28,3%

271,5 64,0%

32,7

7,7%

424,2

28,0 23,0%

81,3 66,6%

12,7 10,4%

122,0

23,3%

29,9%

38,8%

Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

0,8%

5,5

1,1%

Hoger onderwijs (gewest) Universiteiten (gewest) Zelfst universit. centra (gewest)

Vrouwen

Andere kwalificaties

Totaal

Universitaire diploma's/ Masters

Diploma's één cycli/ Bachelors

Andere kwalificaties

Totaal

Andere kwalificaties

Totaal

Diploma's één cycli/ Bachelors

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens kwalificatieniveau in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Universitaire diploma's/ Masters

Tabel 6.4:

8,5

%V

%V

%V

Universitaire diploma's/ Masters

Diploma's één cycli/ Bachelors

10.425,1 85,5%

1.343,9 11,0%

426,1

3,5%

12.195,1

4.513,4 78,9%

989,1 17,3%

217,0

3,8%

5.719,5

43,3%

73,6%

50,9%

9.162,3 84,7%

1.242,7 11,5%

418,2

3,9%

10.823,2

3.938,9 77,4%

935,3 18,4%

212,5

4,2%

5.086,7

43,0%

75,3%

50,8%

211,5 85,2%

32,8 11,0%

3,9

1,6%

248,2

109,2 81,6%

23,1 17,3%

1,5

1,1%

133,8

51,6%

70,4%

38,5%

68,4

4,0

0,4%

1.123,7

465,3 93,2%

30,7

3,0

0,6%

499,0

44,3%

44,9%

75,0%

Hogescholen (gewest)

1.051,3 93,6%

Publieke onderzoekscentra

2.065,2 69,1%

477,6 16,0%

446,1 14,9%

2.988,9

653,9 63,6%

260,3 25,3%

114,4 11,1%

1.028,6

31,7%

54,5%

25,6%

227,6 61,5%

103,2 27,9%

39,0 10,5%

369,8

86,1 53,1%

51,3 31,7%

24,6 15,2%

162,0

37,8%

49,7%

63,1%

12.717,9 81,8%

1.924,6 12,4%

5,8%

15.553,8

5.253,4 76,0%

1.300,7 18,8%

356,0

5,2%

6.910,1

41,3%

67,6%

39,1%

237,1 55,9%

119,0 28,0%

68,1 16,1%

424,2

64,1 52,5%

47,8 39,2%

10,1

8,3%

122,0

27,0%

40,2%

14,8%

Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

6,1%

911,3

6,2%

* NPO = non-profit organisaties ** Als onderdeel van de bedrijven Noot: % V = percentage vrouwen

Tabel 6.5:

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens wetenschapsdomein (in VTE) - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

Hoger onderwijs (gewest)

22,0%

17,1%

Publieke onderzoekscentra VROUWEN

19,9%

63,3%

23,7%

6,7%

19,4%

11,1%

0,1%

13,2%

0,3%

3,1%

Hoger onderwijs (gewest)

16,8%

8,9%

Publieke onderzoekscentra

25,9%

53,9%

31,2%

7,8%

23,0%

12,2%

0,2%

15,0%

0,4%

4,5%

TOTAAL

Bij het hoger onderwijs blijven de verhoudingen min of meer

Er is ook nog een opsplitsing mogelijk bij de universiteiten en

stabiel. De medische wetenschappen blijven het belangrijkste

de hogescholen naar wetenschapsdiscipline: zowel de exacte-

onderzoeksdomein (-0,7% tot 23,7%). De sociale wetenschappen

en natuurwetenschappen als de medische wetenschappen zijn

stijgen het sterkst (+1,0% tot 19,4%), terwijl de exacte

verantwoordelijk voor een kwart van het O&O-personeel bij de

wetenschappen het meest dalen (-1,5% tot 22% in 2009).

universiteiten. Bij de hogescholen is de top-drie van het onderzoekspersoneel de volgende: toegepaste wetenschappen (38,7%), sociale wetenschappen (25,3%) en humane wetenschappen (23%).


91

Tabel 6.6:

O&O-personeel en onderzoekers in fysieke personen (totaal en naar geslacht) voor 2009

Uitgedrukt in fysieke personen

Onderzoekers (totaal)

O&O-personeel totaal

Onderzoekers (mannen)

O&O-personeel (mannen)

Onderzoekers (vrouwen)

O&O-personeel (vrouwen)

Hoger onderwijs (gewest)

15.372

21.798

9.290

11.712

6.082

10.086

Hoger onderwijs (gemeenschap)

17.956

25.257

10.965

13.720

6.991

11.537

2.085

3.556

1.438

2.315

647

1.241

230

399

154

229

76

170

17.687

25.753

10.882

14.256

6.805

11.497

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's (gewest)

Figuur 6.2: Verdeling van het O&O-personeel binnen de non-profit sector (in VTE voor 2009)

Ter vergelijking de % verdeling van de O&O-uitgaven

2,4%

over de subsectoren (2009) 19,2% 3,0%

33,9% 78,4%

63,1%

n Overheid

n Non-profit organisatie

n Hoger onderwijs

Hiervan zijn er ongeveer 17.700 onderzoekers (ongeveer +1.800

hoger onderwijs is actief in de medische wetenschappen

ten opzichte van 2007), de ongeveer 8.000 (+400 in vergelijking

(+0,4% ten opzichte van 2007), gevolgd door 23,0% (+0,8%)

met 2007) overige personeelsleden zijn technisch en overig

van het O&O-personeelseffectief dat onderzoek verricht in de

personeel. Dit cijfer kan verder opgedeeld worden naar

sociale wetenschappen. De natuur- en exacte wetenschappen

6.805 (ongeveer +865) vrouwelijke onderzoekers en 10.880

verlagen opnieuw hun aandeel (-2,3% ten opzichte van 2007

(ongeveer +920) mannelijke onderzoekers. Tabel 6.6 toont ook

tot 16,8%) en dit nadat het cijfer in 2007 ook al 2,2% daalde

de spreiding van de onderzoekers naar geslacht en naar

ten opzichte van 2005). Dit verlies wordt over quasi over alle

subsector binnen de non-profit. Ongeveer 38,5% van de

andere wetenschapsdomeinen verdeeld.

fysieke personen die O&O doen binnen de non-profit zijn vrouwen. Meer in detail bestudeerd, varieert het percentage

Tabel 6.6 drukt de onderzoeksinspanningen uit in fysieke personen

vrouwelijke

onderzoekers

van

31%

in

de

voor de non-profit sector voor 2009. Ongeveer 25.700 personen

onderzoekscentra tot 39,6% in het hoger onderwijs.

publieke

(ongeveer 2.200 meer dan in 2007) werkten in 2009 volledig of gedeeltelijk aan O&O-activiteiten. Dit cijfer correspondeert

Figuur 6.2 geeft de verdeling weer van het O&O-personeel

voor 2009 met 15.500 voltijdse equivalenten (zie tabel 6.1).

over de drie uitvoeringssectoren voor 2009 en legt ook de link met de O&O-uitgaven (zie punt 6.3) per uitvoeringssector voor 2009. Ongeveer 78,4% van het O&O-personeel is actief binnen het hoger onderwijs tegenover ongeveer 19% bij de publieke onderzoekscentra.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

Iets meer dan 31% van het vrouwelijk O&O-personeel uit het


92

Tabel 6.7:

Overzicht van de totale O&O-uitgaven in de non-profit sector en de collectieve centra (1993-2009)

Lopende prijzen (x 1000 EUR) 200 GOVERD 210 Federale overheid (Vlaams Gewest) 220 Vlaamse Gemeenschap/Gewest 270 Lagere overheden 300 PNP 320 Semi-publieke instellingen 330 Particuliere centra 510 Internationale instellingen in BelgiĂŤ 400 HERDgewest 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekcentra 490 Hogescholen 400 HERDgemeenschap 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekcentra 490 Hogescholen Totaal non-profit met HERDgewest Totaal non-profit met HERDgemeenschap 130 Collectieve onderzoekscentra*

1993

1998

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

% groei 20042009

95.691

192.131

260.821

335.331

379.713

382.799

418.735

458.213

485.042

44,6%

23.326

27.821

16.647

17.192

17.901

19.422

19.956

24.640

31.688

71.572

163.400

243.320

316.424

360.042

360.845

396.384

431.095

450.772

793

910

853

1.715

1.769

2.533

2.395

2.477

2.583

29.084

32.360

36.225

36.881

38.125

38.579

40.038

41.787

42.828

0

0

71

83

92

94

95

100

100

308

248

1.344

1.314

1.342

1.241

1.664

1.168

1.511

28.775

32.112

34.810

35.483

36.690

37.244

38.279

40.519

41.217

311.321

437.930

600.367

624.288

667.078

689.556

740.226

819.189

902.985

302.180

423.378

555.866

581.057

619.723

631.443

668.211

738.947

809.025

9.142

10.902

19.248

21.922

23.757

25.365

29.001

28.994

29.334

0

3.649

25.254

21.308

23.598

32.747

43.015

51.249

64.626

44,6%

362.415

500.377

666.994

691.694

737.940

740.821

796.164

913.392 1.012.472

353.232

483.692

617.197

640.463

681.287

673.325

712.870

824.734

9.183

10.950

19.248

21.922

23.757

25.365

29.001

28.994

29.334

0

5.735

30.549

29.308

32.896

42.131

54.293

59.664

75.159

436.096

662.421

897.413

487.190

724.868

964.039 1.063.906 1.155.778 1.162.199 1.254.937 1.413.392 1.540.343

22.380

43.125

46.812

36.681

44.486

42.793

49.472

44.374

48.149

31,3%

196.519

245.668

309.126

341.911

336.940

360.171

386.637

404.879

31,0%

33.099

34.120

33.998

34.329

33.958

34.438

35.259

35.750

5,2%

447.932

565.488

575.501

600.668

606.948

636.698

691.227

753.747

31,0%

511.805

628.244

637.640

664.476

652.071

684.812

770.715

845.139

32,5%

677.550

845.277

918.626

976.908

977.845 1.031.307 1.113.124 1.194.376

30,0%

44.110

44.093

33.815

40.057

Constante prijzen op prijsniveau 2000 (x 1000 EUR) 104.336 200 GOVERD 300 PNP 31.711 400 HERDgew 339.446 400 HERDgem 395.156 Totaal non-profit met HERDgewest 475.493 130 Collectieve onderzoekscentra* 24.402

996.499 1.084.915 1.110.934 1.198.999 1.319.189 1.430.855

37.667

42.553

37.443

46,4%

907.980

40.191

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid, MSTI-deflator OECD 2010/2 + eigen berekeningen 2008 en 2009 * Als onderdeel van de bedrijven; HERD = Higher Education Expenditures on R&D, GOVERD = Government Expenditures on R&D, PNP = Non-Profit Expenditures on R&D

Tabel 6.8: O&O bestedingen volgens kostensoort als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Personeelskosten

Werking en uitrusting

Investeringen

HERDgew

65,2%

33,6%

1,2%

Universiteiten (gewest)

64,2%

34,7%

1,1%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)

57,1%

42,1%

0,8%

Hogescholen (gewest)

81,5%

15,4%

3,0%

GOVERD

48,4%

33,7%

17,9%

PNP

62,2%

34,5%

3,2%

Vlaamse NPO's (gewest)

59,4%

33,7%

7,0%

Collectieve onderzoekscentra*

65,3%

27,8%

6,9%

* Als onderdeel van de bedrijven (BERD)

16,1%

43,6% 44,8%

18,9%


93

De aandelen van de subsectoren op het vlak van personeel

Wanneer de absolute cijfers gecorrigeerd worden voor inflatie

wijken nauwelijks af in vergelijking met de resultaten uit 2007

en op het prijsniveau 2000 gebracht worden, krijgt men de

voor de diverse sectoren. Wanneer verder gekeken wordt

volgende resultaten. De stijging binnen de non-profit beloopt

naar de spreiding van de O&O-uitgaven over de uitvoerings-

dan nog altijd 30% (stijging over het tijdsvenster 2002-2007

sectoren voor 2007, vallen toch wel enkele conclusies op.

was ongeveer 25%). In detail bestudeerd, bedraagt de stijging

Het hoger onderwijs vertegenwoordigt ongeveer 63,1%

van de O&O-uitgaven binnen de publieke onderzoekscentra

(+1,3% ten opzichte van 2007) van de O&O-uitgaven en de

én het hoger onderwijs de vorige vijf jaar in beide gevallen

publieke onderzoekscentra 33,9% (-1% ten opzichte van 2007).

31%. Alle onderzoeksinstellingen uit de non-profit blijven hun

De aandelen van de subsectoren wijken niet significant af

onderzoeksbudget de voorbije jaren dus nog aanzienlijk

in vergelijking met de resultaten uit 2007 voor de diverse

verhogen.

sectoren. Hoe dan ook blijft er een aanzienlijke discrepantie tussen personeelsinspanningen en bestede middelen over de

De O&O-uitgaven kunnen verder opgedeeld worden naar

verschillende subsectoren.

kostensoort (zie tabel 6.8). In 2009 waren 59,4% van de O&O-uitgaven personeelskosten, 33,7% uitgaven voor werking en uitrusting en ongeveer 7% investeringsuitgaven.

6.3 DE O&O-UITGAVEN GEANALYSEERD

De opdeling van de kostenstructuur varieert ook per subsector. Bij het hoger onderwijs is het aandeel van de personeelskosten

De O&O-uitgaven vormen ook een cruciaal element voor het

met 65,2% beduidend hoger dan dit van de publieke

meten van de O&O-inspanningen. Bij de O&O-intensiteit drukt

onderzoekscentra (48,4%). Het aandeel van de investeringen

men de totale uitgaven voor interne O&O uit in % van het Bruto

ligt bij de publieke onderzoekscentra met 17,9% heel wat

Binnenlands Product (BBP). De Europese lidstaten spraken in

hoger dan bijvoorbeeld in het hoger onderwijs met 1,2%.

2000 af om tegen 2010 hun jaarlijkse O&O-uitgaven te Uit de vergelijking met de cijfers uit 2007 zijn dit de

derde of 1% zou gefinancierd worden door de publieke sector

belangrijkste wijzigingen. Het aandeel van de personeelskosten

en overige 2% door de private sector. De meeste lidstaten

neemt licht toe (+1,6%), net als het aandeel van werking en

halen deze resultaten vandaag helemaal niet. Het Pact 2020 wil

uitrusting (+1,7%), terwijl het investeringsaandeel afneemt

Vlaanderen tegen 2014 tot 3% loodsen en de investeringen

(-3,3% ten opzichte van 2007). Bij de publieke onderzoeks-

daarna nog verder laten groeien. Ook internationaal blijft dit

centra verhoogt het aandeel van de personeelskosten tot

een belangrijk topic. Deze norm is dan ook hét financiële

48,4% in 2009 (+3%) en daalt het investeringsaandeel (-3,5%

beleidsinstrument van de Europese kenniseconomie en werd

ten opzichte van 2007). Het investeringsaandeel bij het hoger

nog maar eens bekrachtigd in de nieuwe toekomstagenda

onderwijs daalt van 4,5% in 2007 naar 1,2% in 2009 terwijl

EU2020 van de Europese Commissie. Alleen met belangrijke

werking en uitrusting, 33,6% (+2,7%) uitmaakt in 2009 bij het

investeringen in O&O kan Europa de strijd met China, Japan

hoger onderwijs.

en de USA aangaan. Tabel 6.9 deelt de O&O-uitgaven uit 2009 op naar financieringsTabel 6.7 geeft een overzicht van de O&O-uitgaven in de

bron. Vijf grote bronnen kunnen hierbij onderscheiden worden:

periode 1993-2009 voor de non-profit sector. Hieruit blijkt dat

de bedrijven (quasi allemaal middelen van binnenlandse bedrijven),

de O&O-uitgaven de laatste vijf jaar met 43,6% gestegen zijn.

de overheden (federaal, Vlaams en gedecentraliseerde overheid),

Uit dezelfde tabel blijkt ook dat de O&O-uitgaven zowel

non-profit organisaties, het hoger onderwijs (zoals het Bijzonder

binnen de publieke onderzoekscentra als bij het hoger

Onderzoeksfonds (BOF) en het TETRA-fonds) en het buitenland

onderwijs met 44,6% stegen tussen 2004 en 2009. Zowel de

(buitenlandse bedrijven en Europese en internationale

O&O-uitgaven voor de publieke onderzoekscentra als die voor

organisaties). De overheid is de grootste financieringsbron met

het hoger onderwijs stegen heel wat sneller dan dat het O&O-

een aandeel van ongeveer 54,6%, gevolgd door het buitenland

personeel steeg tussen 2004 en 2009 (beide +25%).

met 21,6% en de bedrijven met een aandeel van 13,2%, een status quo in vergelijking met 2007. In vergelijking met 2007 verliest het buitenland licht aan aandeel (-1,9%) en wordt de overheid nog duidelijker dé grootste financieringsbron (+2,6%).

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

verhogen tot 3 procent van het BBP. Ze spraken ook af dat één


94

Tabel 6.9:

O&O bestedingen volgens financieringsbron als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Bedrijven

Overheden

PNP's

Hoger Onderwijs

Buitenland

HERDgew

16,1%

61,0%

0,7%

15,8%

6,3%

Universiteiten (gewest)

17,1%

61,3%

0,6%

15,2%

5,8%

Zelfstandige univ onderzoekscentra (gewest)

21,8%

19,4%

48,5%

4,9%

5,4%

Hogescholen (gewest)

2,6%

62,7%

0,7%

28,9%

5,2%

GOVERD

8,7%

46,9%

0,3%

0,0%

44,2%

PNP

2,7%

6,4%

1,4%

0,0%

89,5%

Non-profit sector in Vlaanderen (gewest)

13,2%

54,6%

0,6%

10,0%

21,6%

Collectieve onderzoekscentra*

35,1%

57,1%

0,2%

0,2%

7,5%

* Als onderdeel van de bedrijven (BERD)

Tabel 6.10: O&O-bestedingen volgens wetenschapsdomein als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2009 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

HERD (gewest)

18,4%

15,1%

32,6%

10,6%

15,8%

7,7%

GOVERD

18,9%

72,8%

0,1%

6,1%

0,2%

1,8%

Tabel 6.11: Evolutie van de O&O-intensiteit van de non-profit sector en de collectieve onderzoekscentra tussen 1993-2009 en de opsplitsing voor de HERD voor 2009

HERDgew

1993

1998

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

O&O-intensiteit voor 2009 opgesplitst voor HERDgew en HERDgem

0,30%

0,33%

0,38%

0,37%

0,38%

0,38%

0,38%

0,41%

0,46%

Universiteiten (gewest)

0,41% 0,01%

HERDgem

0,35%

0,38%

0,42%

0,41%

0,42%

0,40%

0,41%

0,46%

0,52%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)

GOVERD

0,09%

0,15%

0,16%

0,20%

0,22%

0,21%

0,22%

0,23%

0,25%

Hogescholen (gewest)

0,03%

PNP

0,03%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

Non-profit Vlaams gewest

0,42%

0,50%

0,57%

0,60%

0,62%

0,60%

0,62%

0,66%

0,73%

Universiteiten (gemeenschap)

0,46%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gemeenschap) Hogescholen (gemeenschap)

0,01% 0,04%

Non-profit Vlaamse gemeenschap

0,47%

0,55%

0,61%

0,64%

0,66%

0,63%

0,65%

0,71%

0,79%

Collectieve onderzoekscentra*

0,02%

0,03%

0,03%

0,02%

0,03%

0,02%

0,03%

0,02%

0,02%

Bron: CFS/STAT, POD Wetenschapsbeleid, Vlaamse overheid - SVR (BBP-Vlaanderen, cijfers dec 2010) + eigen berekeningen * Als onderdeel van de bedrijven (BERD)

Wanneer gekeken wordt naar detailgegevens uit de non-profit

Bij het hoger onderwijs liggen het overheidsaandeel met 61%

vallen enkele evoluties op in vergelijking met 2007. Bij de

(in 2007 bedroeg dit aandeel nog 59,7%) en het aandeel van het

publieke onderzoekscentra verliest het buitenland zijn plaats als

hoger onderwijs (BOF & TETRA-fonds) met 15,8% aanzienlijk

dĂŠ belangrijkste financieringsbron (44,2%) (-1,7%) en dit ten

hoger dan het cijfer voor de gehele publieke sector. Ook de

nadele van de overheid als financieringsbron, die nu een

binnenlandse bedrijven blijven met 16,1% een belangrijke

aandeel van 46,9% (+4,3%) haalt. Ook het aandeel van de

financieringsbron voor het hoger onderwijs. In vergelijking met

binnenlandse bedrijven is in vergelijking met de gegevens uit

2007 is dit aandeel nog licht toegenomen (+0,8%).

2007 gedaald met 2,4% tot 8,7% in 2009. Bij de collectieve centra verliezen de bedrijven (35,1%) aan belang als financieringsbron (-7,6%), terwijl de overheid (57,1%) verder aan belang (+6,2%) wint. Er blijft dus een belangrijke band tussen de collectieve centra en de overheid zowel inhoudelijk als financieel.


95

Tabel 6.10 bestudeert voor 2009 de O&O-uitgaven uit de

Tabel 6.11 toont naast de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven

publieke onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs

uitgedrukt als % van het BBPR) voor de totale non-profit sector,

(gewestbenadering – HERDgew) naar wetenschapsdomein.

de collectieve centra en de detailgegevens per subsector tussen

Bij de GOVERD blijft de dominante positie van het onderzoeks-

1993 en 2009. Op basis van de gewestberekening werd in

domein toegepaste wetenschappen overduidelijk (72,8%),

2009 door het hoger onderwijs (HERD) 0,46% van het BBPR-

ondanks een licht verlies van -2,9% in vergelijking met 2007.

Vlaanderen besteed aan O&O. Volgens de gemeenschaps-

Voor het overige zijn de wijzigingen beperkt, enkel het aandeel

benadering bedraagt dit cijfer 0,52% voor het hoger onderwijs.

van de natuur- en exacte wetenschappen steeg met 3,1%

De publieke onderzoekscentra vallen samen met de GOVERD

tot 18,9%.

noteren voor 2009 een O&O-intensiteit van 0,25%. De totale O&O-intensiteit voor de non-profit sector bedraagt 0,73%

In het hoger onderwijs blijven de medische wetenschappen

(gewestbenadering) en 0,79% (gemeenschapsbenadering).

het belangrijkste onderzoeksdomein met 32,6% (+2,5% ten

De O&O-intensiteit voor de collectieve centra, als onderdeel

opzichte van 2007), gevolgd door de exacte en natuur-

van het totaalcijfer voor de BERD, blijft ongeveer constant op

wetenschappen met 18,4% (+0,2% ten opzichte van 2007)

0,02% van het BBPR net zoals de O&O-intensiteit van de PNP,

en de sociale wetenschappen met 15,8% (-0,2% ten opzichte

die stabiel blijft op 0,02%.

van 2007) als nummer twee en drie. Volgende wetenschapsdomeinen verliezen ook licht aandeel in de O&O-uitgaven:

In vergelijking met 2007 (0,62%) is de O&O-intensiteit van de

de toegepaste wetenschappen (-2,4% ten opzichte van 2007)

non-profit voor 2008 (0,66%) en 2009 (0,73%) sterk gestegen.

en de humane wetenschappen (-1,2% ten opzichte van 2007).

De O&O-intensiteit (GOVERD) steeg van 0,21% in 2007 tot

De landbouwwetenschappen verhogen hun aandeel licht tot

0,25% in 2009. De stijging van de O&O-intensiteit HERD was

10,6% in 2009.

nog groter: van 0,38% in 2007 tot 0,46% in 2009. Deze groei weerspiegelen vast en zeker aanzienlijke stijgingen van de

Voor het hoger onderwijs kunnen de gegevens voor 2009 ook

O&O-uitgaven in de non-profit. In 2008 werd ongeveer 85 miljoen euro extra besteed aan O&O tegen opzichte van 2007 en in 2009 lag dit bedrag al ongeveer 163 miljoen euro

wetenschappen (46,9%) en de sociale wetenschappen (23,9%).

hoger dan in 2007 (teller). Daarenboven was er ook nog het

De meeste O&O-uitgaven bij de universiteiten zijn dan weer bij

effect van de economische crisis die in 2009 volop woedde.

de medische wetenschappen (33,1%) gevolgd door de exacte-

Dit vertaalde zich in 2009 in het dalend BBP voor het Vlaamse

en natuurwetenschappen (20,5%).

Gewest (noemer). Beide elementen samen vertalen zich in een sterke stijging van de O&O-intensiteit voor 2009.

Wanneer de link met tabel 6.5 (de opsplitsing van het O&Opersoneel) bestudeerd wordt, valt op dat vooral de medische

Tabel 6.12 gaat dieper in op de herkomst van de O&O-

wetenschappen bij de HERD een groter aandeel (32,6%)

uitgaven. De financiële middelen zijn niet enkel afkomstig van

hebben in de O&O-uitgaven dan bij het O&O-personeel (23,7%).

binnen- of buitenlandse bronnen, maar deze bronnen kunnen

Bij de andere wetenschapsdomeinen is dat verschil meestal ook

nog verder opgesplitst worden. Met binnenlandse private

aanwezig maar minder uitgesproken. Bij de GOVERD is het

financiering worden de binnenlandse bedrijven bedoeld terwijl

overwicht van de toegepaste wetenschappen in de O&O-uitgaven

met binnenlandse publieke financiering alle overheidsfinanciering,

nog opvallender ten opzichte van het aandeel in het O&O-

de non-profit organisaties en het hoger onderwijs binnen

personeel met 72,8% versus 63,3%. Het personeelseffectief

Vlaanderen en België gedefinieerd wordt. Met buitenlandse

aan O&O-personeel in de landbouwwetenschappen beloopt

private financiering worden de buitenlandse bedrijven bedoeld

13,2% van het totaal maar neemt slechts 6,1% van de

en met buitenlandse publieke financiering alle Europese en

O&O-uitgaven voor haar rekening.

internationale organisaties. Ongeveer 74,3 % (+1,1%) van alle O&O-middelen uit de non-profit in 2009 zijn publieke middelen, de overige zijn van private oorsprong (25,7%).

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

nog meer in detail bestudeerd worden. De meeste O&O-uitgaven bij de hogescholen concentreren zich op de toegepaste


96

Tabel 6.12: Private versus publieke financiering in de non-profit sector voor 2009

Totale O&O-uitgaven GOVERD PNP

Binnenlandse herkomst (belgische bedrijven + overheid + pnp + hoger onderwijs)

Buitenlandse herkomst

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

Privaat

44,8%

55,2%

15,5%

84,5%

81,8%

Publiek 18,2%

7,7%

92,3%

26,0%

74,0%

5,5%

94,5%

HERDgew

16,3%

83,7%

17,2%

82,8%

3,3%

96,7%

Vlaamse NPO's (gewest)

25,7%

74,3%

16,8%

83,2%

57,9%

42,1%

Collectieve onderzoekscentra*

35,5%

64,5%

37,9%

62,1%

6,3%

93,7%

* Als onderdeel van de BERD

Tabel 6.13: Private versus publieke financiering & O&O-uitgaven (non-profit) voor 2009

O&O-uitgaven non-profit (gewest) O&O-uitgaven non-profit (gemeenschap)

Publiek gefinancierd 0,54% 0,60%

Privaat gefinancierd 0,19% 0,19%

Totale O&O-intensiteit 0,73% 0,79%

* Als onderdeel van de BERD

De binnenlandse O&O-middelen zijn hoofdzakelijk afkomstig

Het cijfer voor de O&O-intensiteit uit tabel 6.11 is een

van publieke instanties (83,2% en 0,7% hoger dan in 2007),

belangrijke bron om na te gaan hoe het staat met de afspraken

terwijl de buitenlandse O&O-middelen voor meer dan de helft

dat de publieke sector 1% van het BBPR zal financieren en de

(57,9% of 1,1% meer dan in 2007) afkomstig zijn van de

private sector 2%. De totale O&O-intensiteit bedraagt 0,73%

ondernemingen. Het belang van private financiering

van het BBPR of 0,79% naargelang de berekeningswijze

(binnenlandse ĂŠn buitenlandse) als financieringsbron in de

gewest of gemeenschap is. Wanneer die dan verder opgesplitst

HERD is in 2009 licht gestegen (van 15,6% in 2007 tot 16,3%

worden naar de herkomst (privaat/publiek) levert dit het volgende

in 2009, of dus +0,7%). Deze cijfers tonen dat de reeds sterke

resultaat (zie tabel 6.13) op. De publieke inspanningen binnen

interactie tussen het hoger onderwijs en de ondernemingen

de non-profit sector bedragen 0,54% van het BBPR (volgens

nog aan belang wint. Het belang van private onderzoeks-

de gewestbenadering) en 0,60% (volgens de gemeenschaps-

middelen in de GOVERD daarentegen is gedaald (-3,8% tot

benadering). De private inspanningen voor O&O binnen de

44,8%). Bijna 82% van de buitenlandse onderzoeksmiddelen

non-profit belopen 0,19% van het BBPR. In vergelijking met

bij de publieke onderzoekscentra zijn afkomstig van

2007 is het aandeel van de publieke inspanningen in de totale

buitenlandse ondernemingen wat zowel in absolute en relatieve

O&O-intensiteit voor de publieke sector (van 0,46% naar

cijfers aanzienlijke bedragen zijn. Uit de detailcijfers per sector,

0,54%) veel sterker toegenomen dan de private (van 0,17%

blijkt duidelijk dat de private sector (zowel binnenlandse als

naar 0,19%) . Het spreekt voor zich dat dit slechts voor een deel

buitenlandse bedrijven) duidelijk minder belangrijk werd als

toelaat om de private en publieke inspanningen te evalueren

financieringsbron voor de publieke onderzoekscentra (35,5%

omdat dezelfde oefening moet gebeuren voor de profit sector.

in 2009 in plaats van 42,8% in 2007).

Daarom wordt verwezen naar hoofdstuk 7 waarin de resultaten van de O&O-enquĂŞte voor de bedrijven ook geanalyseerd worden naar herkomst van de financiering. Voor een totaalbeeld kan ook verwezen worden naar de 3% nota van het Expertisecentrum O&O Monitoring, die de totale O&O-intensiteit opdeelt naar private en publieke financiering.


97

Tabel 6.14: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor het hoger onderwijs Hoger onderwijs Onderzoekers (VTE)

Totaal O&O-personeel (VTE)

% aandeel onderzoekers

9.756

12.195

80,0%

Vlaanderen (2009) (gemeenschap)

11.029

13.785

80,0%

BelgiĂŤ* (2009)

16.637

21.453

77,6%

Nederland* (2009)

19.534

34.384

56,8%

Frankrijk (2008)

68.897

104.961

65,6%

Duitsland (2008)

76.831

106.712

72,0%

-

-

-

Japan (2007)

159.512

215.269

74,1%

EU-27*** (2008)

Vlaanderen (2009) (gewest)

VS**

612.218

813.653

75,2%

Denemarken (2008)

10.954

15.723

69,7%

Finland (2009)

12.304

16.490

74,6%

Zweden (2007)

14.840

17.525

84,7%

8.771

11.341

77,3%

Noorwegen (2008) Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Voorlopige cijfers ** Geen cijfers beschikbaar *** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

6.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

Tabel 6.15 vergelijkt Vlaanderen op internationaal vlak voor O&O-personeel en onderzoekers binnen de publieke

In dit derde deel worden enkele Vlaamse kengetallen voor de

onderzoekscentra. Vlaanderen scoort lager dan Finland en

publieke onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs

Noorwegen bij de vergelijking van het totale O&O-personeel.

(HERD) internationaal vergeleken. De volgende variabelen komen

Het aandeel onderzoekers voor Vlaanderen ligt hoger dan

aan bod: het aantal onderzoekers, het totale O&O-personeel,

de buurlanden en het EU-27 gemiddelde. Het percentage

de O&O-uitgaven, de O&O-intensiteit en gender en O&O.

onderzoekers voor de publieke onderzoekscentra ligt wĂŠl hoger bij de Scandinavische landen.

onderwijs (onderzoekers en O&O-personeel). Het percentage

Tabel 6.16 vergelijkt de O&O-uitgaven binnen de publieke

onderzoekers voor Vlaanderen (80,0%) is hoger dan de grote

onderzoekscentra (GOVERD) en binnen het hoger onderwijs

buurlanden Frankrijk, Duitsland, het EU-27 gemiddelde en

(HERD) op internationaal vlak in miljoen (PPP $). Dit laat een

het cijfer voor enkele Scandinavische landen (Noorwegen,

meer objectieve vergelijking toe. De uitgaven voor de

Denemarken en Finland). De Scandinavische landen die qua

GOVERD liggen hoger voor Vlaanderen (de Vlaamse cijfers

grootte en bevolking vaak als vergelijkingsbasis gebruikt

tonen opnieuw een duidelijke stijging) dan voor Denemarken

worden tellen wel meer O&O-personeel (met uitzondering

en Zweden maar de kloof met de andere Scandinavische

van Noorwegen) dan Vlaanderen in het hoger onderwijs.

landen blijft bestaan. Wat de HERD betreft valt op dat het cijfer

Voor Vlaanderen werden zowel de gewest- als gemeenschaps-

voor Vlaanderen gestegen is (zowel bij de gewest- als

cijfers weergegeven bij de vergelijking, omdat dit duidelijk

gemeenschapsbenadering). De kloof met de Scandinavische

aantoont dat het (in absolute cijfers) een verschil uitmaakt welke

landen en Vlaanderen op het vlak van de absolute O&O-

basis gebruikt wordt voor een internationale vergelijking, terwijl

uitgaven voor het hoger onderwijs neemt echter verder toe.

dit relatief gezien geen verschil uitmaakt.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

Tabel 6.14 toont de internationale vergelijking voor het hoger


98

Tabel 6.15: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor de overheidssector (publieke onderzoekscentra)

Vlaanderen (2009) (gewest) BelgiĂŤ* (2009) Nederland** (2008) Frankrijk*** (2008) Duitsland (2008) VS Japan (2008) EU-27* (2008) Denemarken (2008) Finland (2009) Zweden****(2008) Noorwegen***** (2008)

Onderzoekers (VTE) 1.791 2.848 7.000 27.372 45.342 32.050 188.136 1.159 4.505 1.770 3.930

Publieke onderzoekscentra Totaal O&O-personeel (VTE) 2.989 4.328 12.182 52.055 83.066 61.901 340.149 1.544 6.787 2.937 5.643

% aandeel onderzoekers 59,9% 65,8% 57,5% 52,6% 54,6% 51,8% 55,3% 75,1% 66,4% 60,3% 69,6%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Voorlopige cijfers voor BelgiĂŤ, voor EU schatting door secretariaat ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Defensieonderzoek uitgesloten voor Frankrijk **** Nationale schatting ***** Universitaire diploma's in plaats van onderzoekers

Tabel 6.17 vergelijkt de O&O-intensiteit voor de HERD en de

Ook binnen de GOVERD vormen de bedrijven (binnenlandse)

GOVERD. Tabel 6.16 toont aan dat het gebruik van de

voor Vlaanderen internationaal gezien een belangrijke

gemeenschaps- of gewestbenadering toch wel van belang is bij

financieringsbron met 8,7%. Het EU-27 gemiddelde bedraagt

een internationale vergelijking van de HERD (hoger onderwijs).

8,2%, wat vergelijkbaar is. Nederland scoort het hoogst voor

Op basis van de gemeenschapsbenadering ligt de O&O-intensiteit

financiering door de bedrijven in de GOVERD, gevolgd door

van de HERD (0,52%) hoger dan het cijfer voor Frankrijk,

Finland, Noorwegen en Duitsland. Voor Japan ligt het

Duitsland en het EU-27 gemiddelde. Wanneer men de gewest-

percentage van de GOVERD dat door de bedrijven wordt

benadering (0,46%) gebruikt voor Vlaanderen, scoort Vlaanderen

gefinancierd het laagst.

gelijklopend met Duitsland en boven het niveau van Frankrijk en het EU-27 gemiddelde. Finland (0,75%) en Zweden

Tabel 6.19 vergelijkt het percentage vrouwelijke onderzoekers

(0,90%) kennen een veel hogere O&O-intensiteit voor de

binnen de publieke onderzoekscentra en het hoger onderwijs

HERD. Samengevat Vlaanderen versterkt zijn internationale

op internationaal vlak. Vlaanderen scoort met 39,6% voor het

positie, in vergelijking met de cijfers uit 2007 voor de HERD.

hoger onderwijs niet zo slecht in vergelijking met Duitsland,

De O&O-intensiteit van de publieke onderzoekscentra

Nederland en Frankrijk. In vergelijking met de Scandinavische

(GOVERD) ligt hoger dan die van Zweden, Nederland en

landen (met uitzondering van Denemarken) ligt het percentage

Denemarken. Vlaanderen scoort hier ongeveer gelijklopend

vrouwelijke onderzoekers voor het hoger onderwijs in

met het EU-27 gemiddelde en Noorwegen, maar lager dan

Vlaanderen wel lager. Ook bij de publieke onderzoekscentra

Duitsland, Finland en Frankrijk. De O&O-intensiteit van de

scoort Vlaanderen behoorlijk (vergelijkbaar met Duitsland en

GOVERD steeg (in vergelijking met 2007) zowel voor

Nederland maar iets lager dan Frankrijk). De cijfers voor

Vlaanderen als internationaal gezien lichtjes.

Vlaanderen liggen hier wel nog een stuk onder die voor Noord-Europa. Vlaanderen volgt wel de internationale trend

Tabel 6.18 vergelijkt de financiering van de GOVERD en HERD

met een stijgend aandeel vrouwelijke onderzoekers zowel bij

op internationaal vlak. Vlaanderen kent het hoogste percentage

de publieke onderzoekscentra als bij het hoger onderwijs.

voor de HERD qua financiering door de binnenlandse bedrijven (16,1%) en dit cijfer is nog licht gestegen in vergelijking met 2007 (15,3%). Enkel Duitsland kent een enigszins vergelijkbaar cijfer. Het Europese gemiddelde bedraagt 7,0% wat een heel stuk lager is dan het Vlaamse cijfer.


99

Tabel 6.16: Internationale vergelijking van de HERD

Tabel 6.17: Internationale vergelijking van de O&O-

en GOVERD (in lopende prijzen)

intensiteit voor de GOVERD en HERD

(uitgaven in miljoen PPP $)

HERD

GOVERD

O&O-intensiteit

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2007) (gewest)

1.068,7

574,1

Vlaanderen (2007) (gemeenschap)

1.198,3

Vlaanderen (2009) (gewest)

0,46%

0,25%

Vlaanderen (2009) (gemeenschap)

0,52%

België* (2009)

1.745,5

664,5

Nederland** (2008)

4.916,4

1.488,8

België* (2009)

0,45%

0,17%

Nederland** (2008)

0,67%

Frankrijk (2008)

9.272,0

7.374,5

0,21%

Frankrijk (2008)

0,42%

Duitsland** (2008)

13.670,6

0,34%

11.498,2

Duitsland** (2008)

0,45%

VS*,*** (2008)

0,38%

51.163,0

42.225,0

VS*** (2008)

0,36%

0,30%

Japan***** (2008)

17.306,1

12.387,0

Japan**** (2008)

0,40%

0,29%

EU-27**** (2008)

68.804,2

37.968,6

EU-27***** (2008)

0,43%

0,24%

Denemarken (2008)

1.692,2

162,2

Denemarken (2008)

0,78%

0,07%

Finland (2009)

1.409,7

678,4

Finland (2009)

0,75%

0,36%

Zweden (2009)

3.121,1

554,9

Zweden* (2009)

0,90%

0,16%

Noorwegen (2008)

1.491,5

688,5

Noorwegen (2008)

0,52%

0,24%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Schattingen voor Zweden (HERD), België, voor VS geen 'grote investeringen' bij HERD ** Bevat ook ander instellingen dan publieke onderzoekscentra *** Enkel federale overheid (GOVERD), geen lokale overheden **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen **** Knik in de gegevensreeks

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Voorlopige cijfers voor België, Zweden (HERD) ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra (GOVERD) *** Enkel federale overheid voor VS, voor de VS geen 'grote investeringen' bij de HERD **** Voor Japan knik in tijdsreeks (HERD) ***** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

Tabel 6.18: Internationale vergelijking van de financiering

Tabel 6.19: Internationale vergelijking van het % aandeel

van de HERD en GOVERD door de bedrijven % door de bedrijven gefinancieerd

HERD

GOVERD

vrouwelijke onderzoekers (headcount) % aandeel vrouwelijke onderzoekers

HERD

GOVERD 31,0%

16,10%

8,70%

Vlaanderen (2009) (gewest)

39,6%

België (2007)

11,10%

9,60%

België (2007)

37,8%

30,9%

7,50%

17,10%

Nederland* (2007)

34,7%

30,1%

Nederland* (2007)

2,20%

6,80%

Frankrijk** (2008)

34,5%

34,7%

15,10%

9,30%

Duitsland (2008)

34,1%

31,3%

VS**,*** (2008)

5,70%

0,00%

VS***

-

-

Japan (2007)

3,00%

0,80%

Japan (2008)

23,3%

14,1%

EU-27**** (2008)

7,00%

8,20%

EU-27***

Denemarken**** (2009)

4,40%

1,90%

Finland (2009)

6,40%

Zweden*** (2009)

4,50%

Noorwegen***** (2007)

4,00%

10,10%

Frankrijk (2008) Duitsland* (2008)

-

-

Denemarken**** (2007)

37,4%

35,7%

13,60%

Finland (2008)

46,6%

42,9%

5,10%

Zweden (2007)

44,1%

40,4%

Noorwegen***** (2008)

43,1%

41,0%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra ** Enkel federale overheid, geen lokale overheden *** VS: geen 'grote investeringen' bij de HERD, voorlopige cijfers (HERD-Zweden) **** EU-27 schatting door secretariaat (GOVERD) - Denemarken (nationale schatting - HERD/GOVERD) ***** Knik in gegevensreeks voor Noorwegen (HERD en GOVERD)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2 * Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra ** Defensieonderzoek uitgesloten bij GOVERD *** Geen recente gegevens voor VS en EU-27 **** Knik in tijdsreeks bij Denemarken (GOVERD en HERD) en Zweden (GOVERD) ***** Universitaire diploma's ipv onderzoekers bij GOVERD

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 6

Vlaanderen (2009) (gewest)


100

6.5 BESLUIT

De stijging van het buitenland als financieringsbron in de nonprofit is stilgevallen en de overheid wint weer aan belang als

Zowel het opleidingsniveau van het O&O-personeel als het

financieringsbron. Bij de publieke onderzoekscentra wordt de

percentage onderzoekers binnen de non-profit sector nemen

overheid opnieuw de belangrijkste financieringsbron ten koste

licht toe. Uit de opsplitsing naar geslacht blijkt dezelfde

van het buitenland. De bedrijven winnen nog verder aan

stijgende tendens, ook al blijft er een genderkloof zichtbaar

belang als financieringsbron bij het hoger onderwijs (16,1%) en

zowel naar opleidingsniveau als naar functieopdeling.

dit terwijl er al een grote interactie bestond.

Er zijn ook duidelijke verschillen merkbaar per subsector.

Binnen de publieke onderzoekscentra situeren de O&O-uitgaven

In de publieke onderzoekscentra hebben minder mensen

zich vooral binnen de toegepaste wetenschappen maar het

een masterdiploma en ligt het percentage onderzoekers ook

aandeel is licht afgenomen ten voordele van de exacte en

lager dan bij het hoger onderwijs. Het percentage vrouwen

natuurwetenschappen in vergelijking met 2007. Voor het

ten opzichte van het O&O-personeel ligt er ook lager.

hoger onderwijs versterken de medische wetenschappen hun

Vrouwen hebben vaker een bachelordiploma binnen de

positie als belangrijkste onderzoeksdomein op basis van de

publieke onderzoekscentra. Het aandeel van de vrouwen in

O&O-uitgaven ten opzichte van 2007.

het totale O&O-personeel stijgt licht maar de grootte-orde verhouding blijft op het niveau van 2007, ongeveer 44%.

De O&O-intensiteit binnen de non-profit is sterk gestegen ten opzichte van 2007, tot 0,73% volgens de gewestbenadering

Wat de verdeling van het O&O-personeel naar wetenschaps-

en 0,79% volgens de gemeenschapsbenadering. Wanneer de

gebied (hoger onderwijs) betreft, valt de daling op voor de

O&O-intensiteit opgedeeld wordt naar publiek en private

natuur- en exacte wetenschappen en de stijging van de sociale

financiering is 0,54% afkomstig van publieke financiering en

wetenschappen. De medische wetenschappen blijven het

0,19% afkomstig van private financiering. Het aandeel en

belangrijkste onderzoeksdomein, globaal en bij het vrouwelijk

belang van de publieke financiering zijn toegenomen ten

O&O-personeel. De toegepaste wetenschappen vormen hĂŠt

opzichte van 2007.

onderzoeksdomein binnen de publieke onderzoekscentra, globaal en ook bij het vrouwelijk O&O-personeel (aandeel

De internationale vergelijking toont aan dat Vlaanderen in

stijgt). Voor het overige zijn de verschuivingen voor de publieke

veel gevallen iets beter presteert voor GOVERD en HERD in

onderzoekscentra per wetenschapsdomein eerder beperkt.

vergelijking met 2007. De overheid investeerde de voorbije jaren aanzienlijk meer in O&O maar ook andere factoren zijn

Het totale O&O-personeel binnen het hoger onderwijs en

van belang bij de betere internationale resultaten. De economische

de publieke onderzoekscentra is tussen 2004 en 2009 met

crisis heeft uiteraard ook een effect op de stijgende O&O-

ongeveer een kwart toegenomen. De O&O-uitgaven stegen de

intensiteit (door een verlaagde groei en/of zelfs een daling van

afgelopen vijf jaar sterker: zowel bij de publieke onderzoeks-

het BBPR). Een krimpende noemer versterkt naast een stijgende

centra als bij het hoger onderwijs stegen die met ongeveer 45%.

teller uiteraard de stijging van de O&O-intensiteit. Het blijft dus afwachten wat de verder impact van de economische crisis na

Wat de O&O-uitgaven naar kostensoort voor de non-profit betreft

2009 zal zijn, als ook de teller nauwelijks of minder zou stijgen

voor 2009, verhogen de werkingskosten en de personeelskosten

door dalende beschikbare middelen voor O&O. Het is duidelijk

hun aandelen ten opzichte van 2007. De personeelskosten

dat de geleverde inspanningen zeker en vast gehandhaafd

vormen de grootste kostensoort met 59,4%, gevolgd door

(zoniet verder versterkt) moeten worden als de O&O-intensiteit

de werkingskosten met een aandeel van 33,7% en tenslotte

verder moet groeien volgens de afspraken uit Pact 2020.

de investeringen met een aandeel van 7%. Bij de publieke onderzoekscentra ligt het investeringsaandeel met 17,9% merkbaar hoger maar ook hier valt een daling op te tekenen.


101

DEEL 1 D E TOTA L E O & O - U I TG AV E N IN VLAANDEREN: GERD

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Anneleen Bruylant (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Machteld Hoskens (K.U.Leuven)

07


102

7.1 DE GEBRUIKTE INDICATOREN

Het gaat hierbij telkens om de O&O-activiteiten die worden uitgevoerd binnen de statistische eenheid. Enkel de uitgaven

Vlaanderen heeft zich ten volle geëngageerd in de Europese

voor interne (intramurale) O&O worden in rekening genomen,

Lissabon-ambitie en vertaalde die voor het eerst naar de Vlaamse

ongeacht de herkomst van de middelen. De gezamenlijke

context via het Innovatiepact. Dit pact werd ondertekend in

inspanningen van alle sectoren leveren de totale bruto uitgaven

maart 2003 en houdt een formeel engagement in van alle

voor O&O in een beschouwd geografisch gebied, de GERD:

betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door

GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP

gezamenlijke en complementaire inspanningen de 3%-norm voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) te realiseren. De ambitie

De O&O-intensiteit drukt de GERD uit relatief ten opzichte

deze norm te behalen werd herbevestigd bij de ondertekening

van het Bruto Binnenlands Product van de Regio (BBPR).

van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in Hasselt. De 3%-norm

Deze indicator schakelt de invloed van de grootte van een

specificeert dat de uitgaven voor O&O-activiteiten in Vlaanderen

gebied uit en is dus geschikt voor internationale vergelijkingen.

over alle actoren heen, op termijn (2020) ten minste 3% van het Bruto Binnenlands Product vande Regio (BBPR) moeten

De internationale afspraken specifiëren dat de allocatie naar regio’s

bedragen, verdeeld over zowel publieke als private actoren.

gebeurt via de geografische locatie van de antwoordende

In het kader van deze 3%-norm voor O&O wordt vandaag

entiteit. In de eigen Belgische context dient men evenwel

algemeen aanvaard dat de diverse Europese overheden ernaar

rekening te houden met de specifieke federale staatsstructuur,

streven om 1% van de financiering voor hun rekening te

die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt. Bij het

nemen, terwijl het bedrijfsleven ernaar streeft 2% van de

toepassen van de internationale definities voor de verschillende

financiering voor zijn rekening te nemen. Dit streven heeft in

regio’s in België werd de volgende procedure afgesproken

verschillende Europese landen en regio’s geleid tot het afsluiten

binnen CFS-STAT, dat de coördinatie tussen het federale en

van zogenaamde innovatiepacten of innovatieplatformen

het regionale niveau voor zijn rekening neemt. Voor de BERD,

tussen publieke en private O&O-actoren.

de GOVERD, de PNP en het BBPR wordt het Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. De HERD, de uitgaven in het hoger

Ter ondersteuning van deze beleidsoptie, is een continue

onderwijs, zijn echter een gemeenschapsmaterie. De O&O-

opvolging van de toestand aan de hand van recent en

activiteiten van de Vlaamse gemeenschapsinstellingen die in

internationaal vergelijkbaar cijfermateriaal nodig. Dit hoofdstuk

het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd horen bijgevolg

levert de meest recent beschikbare cijfers over de totale

bij de Vlaamse Gemeenschap.

O&O-uitgaven in Vlaanderen. De Gewestbenadering is de internationaal gehanteerde De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (Gross

procedure om alle componenten van GERD en BBPR op

Expenditures on Research and Development) worden volgens

éénzelfde eenheid, in casu het Gewest, toe te passen. In de

de richtlijnen van de Frascati Manual (OECD, 2002)

hierna volgende analyses hanteren we deze internationale

geanalyseerd per uitvoeringssector, waarbij de uitgaven

procedure. Desondanks rapporteren we ter vergelijking ook

geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit, met name:

de Gemeenschapsbenadering. Het verschil tussen beide benaderingen, zijnde de uitgaven in Vlaamse instellingen uit

l

Bedrijven: BERD: Business enterprise expenditure on R&D: de

het hoger onderwijs gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk

bedrijvencomponent en de Collectieve Onderzoekscentra

gewest, geeft aldus een licht verschil voor de totale GERD-cijfers.

(COC); l l

Overheden: GOVERD: Government expenditure on R&D; Hoger Onderwijs: HERD: Higher education expenditure on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten, als hogescholen);

l

Instellingen zonder winstoogmerk: PNP: Private non-profit expenditure on R&D (private, maar ook semi-publieke en internationale organisaties).


103

7.2 GERD PER UITVOERINGSSECTOR

Om een correcte vergelijking over de tijd mogelijk te maken en aldus reële trends te identificeren, drukken we in tabel 7.2

In een eerste onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle

de GERD-cijfers uit in constante prijzen (met als basis het jaar

componenten van de GERD voor Vlaanderen. Het betreft

2000). De deflator die binnen de overleggroep CFS-STAT

hier de BERD (met enerzijds de bedrijvencomponent

gebruikt wordt om de O&O-uitgaven te herrekenen in

BERDbedrijven en anderzijds de collectieve onderzoekscentra

constante prijzen is de OESO MSTI-deflator, specifiek voor

BERDcollectieve centra), de GOVERD (O&O-uitgaven van de overheid)1, de HERD (Hoger Onderwijs) en de PNP

O&O-uitgaven (Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2)2.

(Instellingen zonder winstoogmerk). De berekening van de HERD kan, zoals eerder aangegeven, op twee manieren

Waar voor BERDbedrijven de stijging van 2007 zich nog

gebeuren: volgens Gewest en volgens Gemeenschap. Tabel 7.1

doorzette in 2008, merken we ook in reële cijfers een zekere

geeft de internationaal vergelijkbare gewestbenadering in lopende

daling in 2009 tot op het niveau van 2007. Ook voor de

prijzen. We merken op dat de BERDbedrijven, in lopende prijzen, nog steeg in 2008, maar daarna licht daalde in 2009.

BERDcollectieve centra is er een lichte daling ten opzichte van 2007. Echter, zowel de GOVERD, de HERD, als de PNP

Dit brengt de BERDbedrijven in 2009 nog net iets boven

vertonen in constante prijzen voor het jaar 2009 een verdere

het niveau van 2007. Zowel de GOVERD, de HERD, als

stijging ten opzichte van 2007.

de PNP zetten hun stijgende trend verder tijdens de periode 2008-2009.

Tabel 7.1:

GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (lopende prijzen)* 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

BERD-bedrijven

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

44

48

GOVERD

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

382

418

458

485

HERDgew

343

367

400

438

460

482

524

541

600

624

667

689

739

819

903

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

42

43

1.979

2.190

2.427

2.603

2.875

3.235

3.525

3.317

3.276

3.346

3.571

3.597

3.847

4.116

4.149

Collectieve centra

PNP GERD

Tabel 7.2:

GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*

(in miljoen euro)

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

BERD-bedrijven

1.553

1.696

1.880

1.940

2.161

2.426

2.605

2.317

2.197

2.132

2.198

2.153

2.237

2.322

2.228

25

33

33

44

44

60

58

45

44

34

40

38

42

37

40

GOVERD

115

154

166

197

224

232

243

270

246

309

342

336

359

387

405

HERDgew

362

386

416

448

469

482

513

519

565

576

601

606

636

691

754

33

33

33

33

33

34

34

35

34

34

34

34

34

35

36

2.088

2.302

2.528

2.662

2.932

3.235

3.454

3.186

3.086

3.084

3.215

3.166

3.309

3.473

3.463

Collectieve centra

PNP GERD

* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT 3

1 De instellingen IMEC en VIB worden voor de gehele periode 1995-2009 ingedeeld bij GOVERD en niet bij HERD, zoals in het verleden het geval was. 2 Deze MSTI deflator is evenwel niet specifiek voor Vlaanderen. De door de VRWI ontwikkelde specifieke O&O-deflator voor Vlaanderen is niet beschikbaar voor de meest recente jaren. Specifiek voor Vlaanderen en beschikbaar voor de gehele tijdsperiode is de BBPR deflator, maar deze is niet specifiek voor O&O. 3 Zoals aangegeven in hoofdstuk 5 van dit Indicatorenboek, bevatten de BERDbedrijven-cijfers voor 2008 en 2009 voor Vlaanderen extrapolaties bij de ontbrekende cijfers die enkel gebaseerd zijn op Vlaamse gegevens. Wanneer later op het jaar de cijfers voor België beschikbaar zullen zijn, kunnen de extrapolaties verder verfijnd worden, wat nog een lichte verandering in de BERDbedrijven tijdsreeks kan geven, conform met de Belgische BERDbedrijven tijdsreeks. Deze laatste aanpassing is de zogenaamde top-down aanpassing van de tijdsreeks, in aanvulling op de bottom-up extrapolaties die nu gebeurd zijn.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

(in miljoen euro)


104

Tabel 7.3:

GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (lopende prijzen)*

(in miljoen euro)

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

BERD-bedrijven

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

44

48

GOVERD

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

382

418

458

485

HERDgem

402

412

469

500

516

550

588

609

667

692

738

741

796

913

1.012

Collectieve centra

PNP GERDgem

Tabel 7.4:

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

42

43

2.038

2.234

2.496

2.665

2.931

3.302

3.589

3.385

3.343

3.413

3.641

3.650

3.904

4.210

4.258

GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*

(in miljoen euro)

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

BERD-bedrijven

1.553

1.696

1.880

1.940

2.161

2.426

2.605

2.317

2.197

2.132

2.198

2.153

2.237

2.322

2.228

25

33

33

44

44

60

58

45

44

34

40

38

42

37

40

GOVERD

115

154

166

197

224

232

243

270

246

309

342

336

359

387

405

HERDgem

424

432

488

512

526

550

576

585

628

638

664

652

685

771

845

33

33

33

33

33

34

34

35

34

34

34

34

34

35

36

2.150

2.348

2.601

2.726

2.989

3.302

3.516

3.252

3.149

3.146

3.279

3.212

3.358

3.552

3.554

Collectieve centra

PNP GERDgem

Tabel 7.5:

Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen)*

(in miljoen euro) BERD non-BERD GERD

1995 1.496 484 1.979

1996 1.645 545 2.190

1997 1.835 591 2.427

1998 1.940 662 2.603

1999 2.162 713 2.875

2000 2.486 748 3.235

2001 2.718 807 3.525

2002 2.459 858 3.317

2003 2.379 897 3.276

2004 2.349 996 3.346

2005 2.486 1.085 3.571

2006 2.488 1.109 3.597

2007 2.650 1.197 3.847

2008 2.796 1.319 4.116

2009 2.718 1.431 4.149

BERD/GERD non-BERD/GERD

0,76

0,75

0,76

0,75

0,75

0,77

0,77

0,74

0,73

0,70

0,70

0,69

0,69

0,68

0,66

0,24

0,25

0,24

0,25

0,25

0,23

0,23

0,26

0,27

0,30

0,30

0,31

0,31

0,32

0,34

Tabel 7.6:

Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (gebaseerd op lopende prijzen)*

(in miljoen euro) BERD non-BERD GERDgem

BERD/GERDgem non-BERD/GERDgem

1995 1.496 542 2.038

1996 1.645 589 2.234

1997 1.835 660 2.496

1998 1.940 725 2.665

1999 2.162 769 2.931

2000 2.486 816 3.302

2001 2.718 870 3.589

2002 2.459 926 3.385

2003 2.379 964 3.343

2004 2.349 1.064 3.413

2005 2.486 1.156 3.641

2006 2.488 1.161 3.650

2007 2.650 1.254 3.904

2008 2.796 1.413 4.210

2009 2.718 1.540 4.258

0,73

0,74

0,74

0,73

0,74

0,75

0,76

0,73

0,71

0,69

0,68

0,68

0,68

0,66

0,64

0,27

0,26

0,26

0,27

0,26

0,25

0,24

0,27

0,29

0,31

0,32

0,32

0,32

0,34

0,36

* Bron: Eigen berekeningen in coĂśrdinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT

Voor de volledigheid wordt in tabel 7.3 de gemeenschaps-

van de totale O&O-uitgaven gerealiseerd in de bedrijven.

benadering4 weergegeven in lopende prijzen. In tabel 7.4 volgt

De universiteiten en hogescholen (HERD) zijn de tweede grootste

dezelfde benadering in constante prijzen (met opnieuw als

uitvoerder met (voor 2009) 22% van de totale GERD op

basisjaar 2000).

gewestniveau (ten opzichte van 19% in 2007).

Hoewel hun aandeel lichtjes afneemt ten opzichte van 2007

Tabel 7.5 splitst de GERD op in twee categorieĂŤn van uitvoerders:

(67,6% in 2007), blijkt uit tabel 7.2 dat de bedrijven nog steeds

privaat versus publiek. De eerste categorie omvat de BERD

het overgrote deel van de totale O&O-uitgaven voor hun rekening

(bedrijvencomponent en collectieve onderzoekscentra). De tweede

nemen: in 2009 werden volgens de gewestbenadering 64%

categorie omvat de GOVERD, de HERD en de PNP.

4 Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD zijn de instellingen gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Vrije Universiteit Brussel, de HUBrussel (K.U.Brussel en EHSAL), Erasmushogeschool Brussel, de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, en het Universitair Instituut voor het Jodendom. Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap.


105

De O&O-uitgaven van beide categorieën worden eerst in

Deze daling was natuurlijk te verwachten gezien de economische

absolute getallen weergegeven en daarna procentueel ten

crisis. Tabel 7.7 geeft het BBPR weer voor Vlaanderen in

opzichte van de totale GERD. De ratio BERD/GERD wordt als

lopende prijzen.

één van de belangrijke indicatoren continu opgevolgd binnen de EU, in het kader van de Lissabon- en Barcelona-

Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als

doelstellingen, zowel in de “European Innovation Scoreboard”

% van het BBPR bekomen we voor 2009 een percentage van

van DG Enterprise als in het “3% Action Plan” van DG

2,12% voor de GERD op gewestniveau en 2,18% voor de GERD

Research. Deze ratio geeft aan wat de bijdrage is van de private

op gemeenschapsniveau. De volledige historische reeksen worden

sector als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven. Typisch ligt

weergegeven in tabel 7.8 en 7.95. We zien dat de stijging van

deze private bijdrage (als sector van uitvoering) in de EU lager

de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR in 2007,

dan in de VS en Japan. Uit de resultaten blijkt dat het aandeel

zich verder doorzet in 2008 en 2009. Dit is deels te wijten aan de

van de BERD in Vlaanderen de laatste 10 jaar is afgenomen ten

stijging in O&O-uitgaven, en deels aan de daling van het BBPR.

voordele van het aandeel van de non-BERD. Ter vergelijking geeft tabel 7.6 de gemeenschapsbenadering.

In tabel 7.8 worden ook de twee componenten van de GERD (namelijk het BERD- en het non-BERD-gedeelte) voorgesteld als percentage van het BBPR. De BERD/BBPR-ratio blijft vrij

7.3 O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN HET BBPR VOOR VLAANDEREN

constant in de periode 2008-2009. De non-BERD/BBPR-ratio vertoont daarentegen een duidelijke stijging in de periode 2008-2009. Zo krijgen we, op gewestniveau, voor 2009 een

Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van

percentage van 1,39%, uitgevoerd door de private sector en

een regio weer te geven, is de O&O-intensiteit: het percentage

0,73% uitgevoerd door de publieke sector. De O&O-

van het BBPR dat besteed wordt aan O&O. Het BBPR voor

inspanningen uitgevoerd in de publieke sector waren in 2009

Vlaanderen in lopende prijzen bedroeg 199.654,6 miljoen euro

dus beduidend hoger dan in 2007, terwijl de O&O-

in 2008, en 195.563,5 miljoen euro in 2009.

inspanningen uitgevoerd in de private sector vrij stabiel bleven.

Tabel 7.7:

Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen) 1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

118.177 120.142 126.918 131.357 136.904 144.783 148.726 153.549 158.083 167.304 174.012 183.646 194.422 199.655 195.564

Bron: HERMREG, december 2010

Tabel 7.8:

BERD, non-BERD en GERD als percentage van het BBPR voor het Vlaams Gewest

(in %) BERD/BBPR non-BERD/BBPR GERD/BBPR

Tabel 7.9:

1995 1,27 0,41 1,67

1996 1,37 0,45 1,82

1997 1,45 0,47 1,91

1998 1,48 0,50 1,98

1999 1,58 0,52 2,10

2000 1,72 0,52 2,23

2001 1,83 0,54 2,37

2002 1,60 0,56 2,16

2003 1,50 0,57 2,07

2004 1,40 0,60 2,00

2005 1,43 0,62 2,05

2006 1,35 0,60 1,96

2007 1,36 0,62 1,98

2008 1,40 0,66 2,06

2009 1,39 0,73 2,12

2006 1,35 0,63 1,99

2007 1,36 0,65 2,01

2008 1,40 0,71 2,11

2009 1,39 0,79 2,18

BERD, non-BERD en GERD als percentage van het BBPR voor de Vlaamse Gemeenschap

(in %) BERD/BBPR non-BERD/BBPR GERD/BBPR

1995 1,27 0,46 1,72

1996 1,37 0,49 1,86

1997 1,45 0,52 1,97

1998 1,48 0,55 2,03

1999 1,58 0,56 2,14

2000 1,72 0,56 2,28

2001 1,83 0,59 2,41

2002 1,60 0,60 2,20

2003 1,50 0,61 2,11

2004 1,40 0,64 2,04

2005 1,43 0,66 2,09

5 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat het BBPR voor 2005 en 2007 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 7.8 en 7.9 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

(in miljoen euro)


106

7.4 EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

buurlanden Nederland, Frankrijk en VK. Maar dit is nog beduidend lager dan in de EU-toplanden: Finland en Zweden.

Om de Vlaamse resultaten naar waarde te kunnen schatten,

Ook zitten we ook nog ver onder de ratio voor de VS. Bij de

is een internationale vergelijking noodzakelijk. We vergelijken

vergelijking moeten we er wel rekening mee houden dat

6

Vlaanderen met andere Europese landen en de VS .

de cijfers voor sommige landen betrekking hebben op het

De internationale vergelijking moet wel met de nodige

referentiejaar 2008 in plaats van 2009 (zie tabel 7.10).

voorzichtigheid gebeuren. Voor de meeste landen zijn er nog geen cijfers beschikbaar uit de O&O-enquête voor 2008-2009

Daarnaast kunnen ook de O&O-uitgaven in publieke

en zijn de cijfers gebaseerd op (predicties uit) de vroegere

instellingen in een internationale context geplaatst worden.

enquêtes. Wanneer cijfers beschikbaar zijn voor 2009, zijn

Voor Vlaanderen wordt de non-BERD/BBPR-ratio in 2009:

deze vaak nog provisioneel of geschat.

0,73% (zie tabel 7.8). Hiermee zitten we exact op het gemiddelde van de EU-27 (zie tabel 7.11).

In eerste instantie vergelijken we internationaal de grootste GERD-component, zijnde de BERD (de bedrijvencomponent

Wanneer we beide ratio’s per land samentellen, verkrijgen we

en de collectieve onderzoekscentra). Om het grootte-effect uit

de totale O&O-uitgaven GERD/BBPR per land (zie tabel 7.12).

te schakelen, drukken we de BERD uit als % van het BBP.

Dit maakt duidelijk dat de Vlaamse ratio (2,12% in de internationaal

We herhalen de procedure voor het non-BERD-gedeelte (wat

vergelijkbare gewestbenadering) nog steeds hoger ligt dan

overeenkomt met de GOVERD, de HERD en de PNP).

het EU-gemiddelde (voor 27 landen), maar toch beduidend lager dan de Scandinavische landen. Ook blijven de Vlaamse

De ratio BERD/BBPR komt voor Vlaanderen op 1,39% voor

percentages onder deze van de VS.

2009 (zie tabel 7.8). Wanneer we dit vergelijken met het gemiddelde van de EU-27 (1,18%) blijkt dat Vlaamse bedrijven relatief meer investeren in O&O, ook in vergelijking met onze

Tabel 7.10:

Internationale vergelijking van de BERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

VLA

BERD/BBPR

2,02 (c)

1,92 (c)

0,72

1,32

1,17 (p)

0,65 (p)

0,88 (p)

2,76

2,55 (p)

1,16 (p)

2,02 (jp)

1,18 (bp)

1,32 (p)

1,39

Referentiejaar

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2008

2009

2009

2009

Tabel 7.11:

Internationale vergelijking van de non-BERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)*

non-BERD/BBPR Referentiejaar

Tabel 7.12:

DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

VLA

1,00 (c)

0,90 (c)

0,66

0,79

0,6 (p)

0,62 (p)

0,96 (p)

0,96

1,07 (p)

0,71 (p)

0,77 (jp)

0,73 (bp)

0,64 (p)

0,73

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2008

2009

2009

2009

Internationale vergelijking van de GERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

VLA

GERD/BBPR

3,02 (c)

2,82 (c)

1,38

2,11

1,77 (p)

1,27 (p)

1,84 (p)

3,72

3,62 (p)

1,87 (p)

2,79 (jp)

1,91 (bp)

1,96 (p)

2,12

Referentiejaar

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2009

2008

2009

2009

2008

2009

2009

2009

* Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2008/1 b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel

6 Een vergelijking met ander regio’s zou voor Vlaanderen meer relevant zijn. Maar internationaal vergelijkbare regionale cijfers zijn nog in ontwikkeling, en voorlopig nog niet voldoende gestandaardiseerd en regulier beschikbaar.


107

7.5 TOTALE O&O-UITGAVEN PER FINANCIERINGSSECTOR

De totale opsplitsing van de GERD op Vlaams gewestniveau naar private versus publieke financiering voor 2009 wordt 71% voor de private financiering versus maar liefst 29% voor de

De procentuele verdeling per financieringsbron zoals

publieke financiering:

gerapporteerd in de O&O-enquêtes geeft een benadering van het aandeel van de publieke en private sector in de financiering 7

van de O&O-uitgaven . We gebruiken de ratio’s voor 2008 en

95,51% * 2.670 + 35,54% * 48 + 16,31% * 903 + 44,81 * 485 + 7,65% * 43 0,71 = (2.670 + 48 + 903 + 485 + 43)

2009 (bekomen aan de hand van de schattingen en extrapolaties op basis van de gegevens uit de O&O-enquête voor 2008-20098) zoals weergegeven in tabel 7.13. We passen ze

toe

op

de

meest

recente

O&O-uitgaven

4,49% * 2.670 + 64,46% * 48 + 83,69% * 903 + 55,19% * 485 + 92,35% * 43 0,29 = (2.670 + 48 + 903 + 485 + 43)

per

uitvoeringssector voor 2008 en 2009 (Vlaams Gewest), uitgedrukt in lopende prijzen (zie tabel 7.1).

Ter vergelijking: in het verleden werd voor 2007 een percentage van 74% private financiering gerapporteerd versus 26% publieke financiering (zie Andries et al., 2009).

Tabel 7.13:

BERD, HERD, GOVERD en PNP Private versus Publieke financiering,

Als we Vlaanderen internationaal vergelijken voor wat betreft

voor 2008 en 2009 (in %)

de private financiering van de O&O-uitgaven, blijkt Vlaanderen ver boven het EU-gemiddelde te scoren (54,3% voor EU-27

2008

2009

in 2008), en zelfs boven andere koplopers zoals Duitsland

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

BERD (uitgez. collectieve centra)

95,66

4,34

95,51

4,49

BERD (inclusief collectieve centra)

40,22

59,78

35,54

64,46

HERDgew

15,28

84,72

16,31

83,69

Het privaat en publiek gefinancierd deel van de totale O&O-

GOVERD

49,96

50,04

44,81

55,19

uitgaven wordt in tabel 7.14 en tabel 7.15 afgewogen ten

7,25

92,75

7,65

92,35

opzichte van het BBPR. We krijgen voor 2009 een percentage

PNP

(67,3% in 2008), Finland (68,1% in 2009), en Zwitserland (68,2% in 2008).

van 1,50% van het BBPR gefinancierd door de private sector en 0,62% door de publieke sector. Ter vergelijking: voor 2007

naar private versus publieke financiering voor 2008 wordt op

bedroegen de privaat gefinancierde uitgaven voor O&O ook

die manier 73% voor de private financiering versus 27% voor

1,50% van het BBPR, en de publiek gefinancierde uitgaven 0,53%

de publieke financiering:

van het BBPR (zie Andries et al., 2009). Terwijl de financiering van O&O door de private sector stabiel is gebleven, werd er

95,66% * 2.752 + 40,22% * 44 + 15,28% * 819 + 49,96% * 458 + 7,25% * 42 0,73 = (2.752 + 44 + 819 + 458 + 42)

duidelijk vooruitgang geboekt inzake publieke financiering. De 1%-norm ligt echter nog niet binnen bereik.

4,34% * 2.752 + 59,78% * 44 + 84,72% * 819 + 50,04% * 458 + 92,75% * 42 0,27 = (2.752 + 44 + 819 + 458 + 42)

7 Een tweede benadering die de financiering door de publieke sector weergeeft, is de bepaling van de overheidsinspanningen aan de hand van de GBAORD (Government Appropriations or Outlays for R&D). Deze benadering wordt gevolgd in hoofdstuk 8 van dit Indicatorenboek. Beide benaderingen komen tot een verschillend resultaat, aangezien het bij de GBAORD over budgetten gaat, terwijl de benadering in dit hoofdstuk uitgaat van de reëel gerapporteerde uitgavenpatronen. 8 Voor 2008 werden gewogen schattingen gemaakt op basis van 186 volledige en 455 gedeeltelijke antwoorden; voor 2009 op basis van 457 volledige en 211 gedeeltelijke antwoorden.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

De totale opsplitsing van de GERD op Vlaams gewestniveau


108

Tabel 7.14:

GERDgewest --- Private versus Publieke financiering, 2008

Als we de onderliggende streefnorm van 2/3e private financiering versus 1/3e publieke financiering evalueren, zien we dat het Vlaamse percentage van de O&O-uitgaven door

GERDgewest 2008

% GERDgewest/BBPR 2008

Privaat gefinancierd

3.008

73%

1,51%

Publiek gefinancierd

1.108

27%

0,55%

private financiering ver boven het EU-gemiddelde ligt. Toch is er nog steeds een lange weg te gaan. De private financiering zit onder de doelstelling van 2% van het BBPR. De publiek gefinancierde uitgaven stegen (op basis van de schattingen en

Tabel 7.15:

GERDgewest --- Private versus Publieke

extrapolaties vertrekkend van de gerapporteerde gegevens van

financiering, 2009

de O&O-enquête over de periode 2008-2009) tot 0,62% van het BBPR. Ondanks deze significante inspanningen, wordt de

GERDgewest 2009

% GERDgewest/BBPR 2009

Privaat gefinancierd

2.935

71%

1,50%

Publiek gefinancierd

1.214

29%

0,62%

norm van 1% van het BBPR nog niet gehaald.

7.7 REFERENTIES 7.6 CONCLUSIES

• ANDRIES, P., HOSKENS, M., CZARNITZKI, D. en DEBACKERE, K., 3% nota, ECOOM, 2009.

Waar we in de periode 2001-2004 een dalende trend in GERD

• OECD, Proposed Standard Practice for Surveys on Research

konden observeren, zagen we in 2005 een stijging in de totale

and Experimental Development: Frascati Manual: The

O&O-uitgaven. Na een beperkte daling in 2006, zien we dat

Measurement of Scientific and Technological Activities

de stijging van het jaar 2007 zich verder doorzet in 2008

Series, Paris, OECD, 2002.

en 2009. Zowel de GOVERD, de HERD, als PNP zetten hun stijgende trend verder in 2008-2009. De uitgaven (in constante prijzen) in de bedrijven lagen in 2009 lager dan in 2008 en komen daarmee ongeveer terug op het niveau van 2007. Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als % van het BBPR bekomen we voor 2009 een percentage van 2,12% voor de GERD op gewestniveau en 2,18% voor de

APPENDIX: OVERZICHT VAN DE COLLECTIEVE ONDERZOEKSCENTRA (BERD COLLECTIEVE CENTRA), PUBLIEKE ONDERZOEKSCENTRA (GOVERD), EN PARTICULIERE NON-PROFIT INSTELLINGEN (PNP)

GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU, zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde

Collectieve Onderzoekscentra

(1,91%), maar toch nog een stuk verwijderd van de 3%-norm voor O&O, de doelstelling voor 2014. De stijging die in 2007

De groep van collectieve onderzoekscentra bevat zowel

merkbaar was, zet zich dus door in 2009.

sectorale centra (die uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra als competentiepolen.

De BERD/BBPR-ratio blijft vrij constant in de periode 20082009 (1,39% in 2009 ten opzichte van 1,40% in 2007).

• Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische

Vlaanderen scoort hiermee boven het EU27-gemiddelde.

Textielnijverheid (CENTEXBEL) - Vlaams Gewest

De niet-BERD of publieke component van O&O-bestedingen

• Collectief Centrum van de Belgische Technologische

als % van het BBPR bedraagt in Vlaanderen 0,73% voor 2009 (ten opzichte van 0,62% in 2007), wat het EU27-gemiddelde evenaart. De O&O-inspanningen uitgevoerd in de publieke sector waren in 2009 dus beduidend hoger dan in 2007, terwijl de O&O-inspanningen uitgevoerd in de private sector vrij stabiel bleven. Ondernemingen staan nog steeds in voor het leeuwenaandeel van de O&O in Vlaanderen.

Industrie (Sirris) - Vlaams Gewest • Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekcentrum voor Diamant (WTOCD)


109

• Centrum voor Research in de Metallurgie (CRM) Vlaams Gewest • Belgisch Instituut voor Lastechniek (B.I.L.) • Proefcentrum Fruitteelt

• Studiecentrum voor Kernenergie - Mol • Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen • Departement MOW- Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek (WLH)

• Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering v/d Biet (KBIVB)

• Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO)

• Proefcentrum voor de Sierteelt (PCS)

• Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde

• Proefstation voor de Groententeelt

• VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek)

• Belgisch Centrum voor Technologisch Onderzoek van

• IMEC (Interuniversitair Microelektronica Centrum)

Leidingen en Toebehoren (BECETEL) • Provinciaal Onderzoeks- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw (POVLT) • Provinciaal Proefcentrum voor de Groententeelt Oost-Vlaanderen (PCG)

• VIB (Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie) • UNU_CRIS (United Nations University) • IBBT (Interuniversitair Instituut voor Breedbandtechnologie) • Provinciaal Centrum voor opsporing van metabole aandoeningen

• Proefbedrijf voor Witloof

• Hooibeekhoeve

• Vlaams Centrum voor de Bewaring van

• Proefbedrijf voor de veehouderij

Tuinbouwproducten (VCBT) • Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt Oost-Vlaanderen (PCA) • Vlaams Kunststofcentrum (VKC)

• Pro memorie: SIM – Strategisch Initiatief Materialen (pas actief sinds 2009-2010) • Pro memorie: CMI – Centrum voor Medische Innovatie (pas actief sinds 2010 – 2011)

• Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) • Flanders’ Food (FF)

Onderstaande Vlaamse onderzoekinstellingen worden niet

• Flanders' DRIVE Netwerk

meegerekend voor de Vlaamse O&O-cijfers, aangezien zij in

• Flanders in Shape

het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn:

• Flanders’ Mechatronics Technology Centre (FMTC) • Studiedienst Vlaamse Regering

• Flanders’ District of Creativity (Flanders DC)

• Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)

• Cluster van Staalproducenten en -verwerkers (Clusta)

• Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

• Vlaams Instituut voor de Mobiliteit (VIM)

• Departement MOW - Afdeling technische ondersteuning

• Pro memorie: Flanders’ PlasticVision (PlasticVision)

• Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België

(pas actief sinds 2009-2010) • Pro memorie: Flanders’ Synergy (pas actief sinds 2009-2010)

• Stichting Technologie Vlaanderen • VRWI • Instituut Samenleving & Technologie

Publieke Onderzoekscentra Particuliere Non-profit Instellingen De groep van publieke onderzoekscentra omvat de vier 'grote' onderzoekscentra, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

De groep van particuliere non-profit instellingen bevat semi-

gelegen in het Vlaams Gewest, de federale onderzoek-

publieke instellingen, particuliere instellingen en internationale

instellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn, en de lokale

instellingen uit het Vlaams Gewest.

onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn. • Vlaamse compostorganisatie (VLACO) • Departement Toegepaste Elektronika - Landmacht

• Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde

• Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën -

• Mobiel 21 vzw

Vlaams Gewest • Koninklijk Museum voor Midden-Afrika • Nationale Plantentuin van België

• Von Karman Institute for Fluid Dynamics • Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

• Flanders’ Materials Center (FLAMAC)


110


111

DEEL 2 H E T TOTA L E O & O - P E R S O N E E L BINNEN VLAANDEREN

Door Peter Viaene (EWI)

07


112

7.1 TOTAALBEELD EN INTERNATIONALE VERGELIJKING

Lichte aanpassingen aan de historische cijfers uit het Vlaams Indicatorenboek

WTI

2009

duiden

op

gewijzigde

geaggregeerde Belgische cijfers van de regionale resultaten. Menselijk potentieel (zowel de aanwezigheid als de kwaliteit) is

Het totale O&O-personeel voor Vlaanderen (2009) wordt

van groot belang in de verdere economische en technologische

vervolgens verder opgesplitst naar geslacht, functie, opleiding,

ontwikkeling van een land of regio. In de huidige globale

de combinatie functie én geslacht enerzijds en de combinatie

kenniseconomie staat kennis(ontwikkeling) centraal, zeker bij

opleidingsniveau én geslacht anderzijds. Voor de bedrijven

innovatie en economische groei. Daarom vormen zowel

(profit) gebeurt dit op basis vande geobserveerde ratio’s van de

investeringen in menselijk potentieel als kennisontwikkeling

steekproefgegevens en nietop basis van alle gegevens voor alle

belangrijke elementen in een omgeving waar concurrentie

ondernemingen.

1

meer dan ooit geldt. De OESO Canberra Manual onderscheidt voor het meten van menselijk potentieel twee benaderingen.

Tabel 7.1 biedt een evolutieoverzicht van het O&O-personeel

De eerste benadering kijkt naar het hoogste behaalde

voor Vlaanderen tussen 1993 en 2009 voor de vier subsectoren:

opleidingsniveau van het O&O-personeel. Deze benadering is

de ondernemingen (BERD), de publieke onderzoekscentra

minder bruikbaar omdat er geen rekening gehouden wordt

(GOVERD), het hoger onderwijs – gewestbenadering – (HERD)

met onderzoekservaring, zelfontwikkeling en kennisuitbouw via

en de publieke en particuliere non-profit organisaties (PNP).

bijvoorbeeld netwerking. De andere benadering voor het meten van menselijk potentieel vertrekt vanuit de functie van

Voor het hoger onderwijs binnen de Belgische staatsstructuur

het personeelslid. Hierbij wordt gekeken naar het type werk

bestaan er twee benaderingen voor het meten van het

dat het O&O-personeel uitoefent. Het gaat hierbij om de

O&O-personeel. Bij de gemeenschapsbenadering worden de

volgende categorieën: onderzoekers, technisch personeel en

O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het hoger

overig personeel (administratief personeel).

onderwijs – ook de Vlaamse instellingen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest – verrekend. Bij de gewestbenadering geldt

In dit hoofdstuk worden de Vlaamse cijfers afkomstig van twee

de territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen

grote informatiebronnen geaggregeerd tot een totaalcijfer voor

van het hoger onderwijs uit het Vlaamse Gewest opgeteld.

het Vlaamse Gewest. Enerzijds is er de bevraging die tweejaarlijks door de Vlaamse overheid, Departement Economie, Wetenschap

Voor de internationale vergelijking van het hoger onderwijs

en Innovatie (EWI) georganiseerd wordt in samenwerking met

wordt hier enkel het gewestcijfer gebruikt. Bij de trendbreuk in

de POD Wetenschapsbeleid over de O&O-inspanningen uit de

de cijfers voor de bedrijven tussen 2001 en 2002 is enige

non-profit (zie hoofdstuk 6). Anderzijds is er een bevraging,

toelichting vereist. Er was een reële daling van het O&O-personeel

uitgevoerd door het Expertisecentrum O&O Monitoring, die

(voltijdse eenheden) bij de bedrijven voor 2002 en 2003 vast

tweejaarlijks de O&O-inspanningen van de bedrijven analyseert

te stellen.

(zie hoofdstuk 5).

Tabel 7.1:

Overzicht van het totale O&O-personeel over de verschillende sectoren (1993-2009)

O&O-personeel Vlaanderen Ondernemingen Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's* Hoger onderwijs (gewest) Totaal met hoger onderwijs gewest

1993 13.206 1.153 295 5.975 20.628

1998 18.609 1.768 347 6.624 27.348

2003 20.454 2.415 364 8.611 31.844

2004 20.663 2.388 374 9.760 33.186

2005 21.360 2.471 368 9.987 34.187

2006 21.420 2.541 360 10.385 34.706

2007 22.038 2.669 360 10.895 35.962

2008 21.824 2.754 369 11.561 36.507

2009 21.954 2.989 370 12.195 37.508

%-groei 2004-2009 6,2% 25,1% -1,2% 25,0% 13,0%

* NPO’s: non-profit organisaties

1 De OESO Canberra Manual ‘The Measurement of Human Resources in Science and Technology” opgemaakt in samenwerking met de EU (Eurostat en DG Onderzoek).


113

Daarnaast werden ook correcties aangebracht voor bedrijven die

Figuur 7.1: Het O&O-personeel in het Vlaams Gewest

op basis van de O&O-enquête 2004 geen O&O-activiteiten

opgedeeld voor 2009

meer bleken uit te oefenen. De cijfers voor 2001 bevatten uiteraard wel deze gegevens en verklaren de trendbreuk met 2002. Vanaf 2004 tot 2009 steeg het totale Vlaamse O&O-personeelscijfer opnieuw. Het totaal O&O-personeel voor het Vlaamse Gewest, is de voorbije vijf jaar toegenomen met

32,5%

13% tot ongeveer 37.500 voltijdse equivalenten (VTE) in 2009. Daarenboven stegen de personeelsinspanningen zowel voor de ondernemingen als voor de publieke sector. Tussen 2004 en 2009 bedroeg de stijging zowel bij het hoger onderwijs als bij publieke onderzoekscentra een kwart. De stijging bij de

1,0%

58,5%

ondernemingen lag met 5,6% een stuk lager. Zeker voor de meeste recente jaren, lijkt de stijging wat stil te vallen.

8,0%

In figuur 7.1 wordt de verdeling van het O&O-personeel over de verschillende O&O-actoren weergegeven. Hieruit blijkt dat ongeveer 58,5% (-2,8% ten opzichte van 2007) van het

n Ondernemingen

O&O-personeel actief is binnen de ondernemingen of de privé

n Publieke onderzoekscentra

sector. Ongeveer 32,5% (+2,2% ten opzichte van 2007) oefent

n Publieke en particuliere NPO’s*

O&O-activiteiten uit onder de koepel van het hoger onderwijs.

n Hoger onderwijs (gewest)

De publieke onderzoekscentra noteren een O&O-aandeel van 8% (+0,6% ten opzichte van 2007) en de particuliere

* NPO’s: non-profit organisaties

non-profitorganisaties tekenen het kleinste aandeel (1,0%) op. De O&O-activiteiten concentreren zich nog altijd bij de

Bij de ratiogegevens uit tabel 7.3 tot en met tabel 7.7 zijn enkele

bedrijven en het hoger onderwijs en in mindere mate bij de

verduidelijkingen noodzakelijk. De procentuele cijfers voor de

publieke onderzoekscentra.

instellingen uit de publieke sector en de collectieve centra zijn

In tabel 7.2 wordt de internationale vergelijking van het O&O-

op alle instellingen uit de diverse sectoren. De vergelijkingsbasis

personeel voor Vlaanderen (2009) gemaakt samen met de

voor de bedrijven is op een andere manier opgebouwd.

verhouding ten opzichte van de totale bevolking. Het is

Enkel volledige (ingevulde) antwoorden uit de beperkte steekproef

duidelijk dat deze cijfers enkel richtinggevend zijn om de

bij de ondernemingen werden in de analyseresultaten

prestaties van Vlaanderen internationaal te meten. Het gaat hier

opgenomen. Dit verklaart het verschillende aantal antwoorden

immers om een vergelijking van verschillende landen met elk

per variabele (geslacht, functie, opleidingsgraad en de combinatie

hun eigen omvang (bevolking, onderwijssysteem) en hun

tussen meerdere variabelen). Het aantal observaties waarop de

specifieke wetenschappelijke structuur. Uit de vergelijking blijkt

bedrijfsresultaten gebaseerd zijn, is wel sterk toegenomen in

dat het O&O-personeel voor 2009 lager ligt in Vlaanderen dan

vergelijking met 2007, wat de representativiteit enkel verder

vergelijkbare landen zoals Finland, Zweden en Denemarken.

kan verhogen. Niettemin werd de afspraak gemaakt met het

Wanneer deze ratio van het O&O-personeel in verhouding tot

Expertisecentrum O&O Monitoring, dat bij elke variabele

de bevolkingscijfers internationaal vergeleken wordt, levert dit

uitdrukkelijk vermeld wordt op hoeveel bedrijven de

volgende resultaten op. Vlaanderen scoort met 0,60% een

geanalyseerde cijfers betrekking hebben.

stuk boven het Europese gemiddelde en ongeveer gelijklopend met de cijfers voor Frankrijk, maar lager dan Duitsland. De Scandinavische landen scoren heel wat hoger en het verschil is vrij aanzienlijk.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

niet gebaseerd op steekproeven maar hebben telkens betrekking


114

Tabel 7.2:

Internationale vergelijking van het O&O-personeel Totale O&O-personeel (in VTE)

Totale bevolking

Aandeel in de totale bevolking

Vlaanderen (2009) (gewest)

37.508

6.208.877

0,60%

België* (2009)

60.005

10.753.080

0,56%

Nederland (2008)

93.369

16.341.000

0,57%

Frankrijk (2008)

384.513

64.141.000

0,60%

Duitsland (2008)

522.688

82.120.000

0,64%

-

304.831.000

VS (2008)

912.202

127.771.000

2.472.483

498.504.000

0,50%

Denemarken* (2009)

57.507

5.522.000

1,04%

Finland (2009)

56.069

5.339.000

1,05%

Zweden* (2008)

77.549

9.256.000

0,84%

Noorwegen (2008)

35.945

4.768.000

0,75%

Japan (2007) EU-27** (2008)

0,71%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2010/2+ Studiedienst Vlaamse Regering (bevolking-Vlaams Gewest) * Voorlopige cijfers voor België, eigen schatting door Denemarken en Zweden ** Schattingen gemaakt door het secretariaat

Tabel 7.3:

O&O-personeel naar functie voor 2009 (%-verdeling naar sector)

O&O-personeel 2009

Onderzoekers

Technisch personeel

Overig personeel

Bedrijven*

50,5%

38,4%

11,1%

Collectieve centra

28,3%

64,0%

7,7%

Hoger onderwijs (gewest)

80,0%

13,3%

6,7%

Publieke onderzoekscentra

59,9%

25,5%

14,6%

Publieke non-profit organisaties

55,5%

28,0%

16,5%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 511 bedrijven

Tabel 7.4:

O&O-personeel naar diploma voor 2009 (%-verdeling per sector)

O&O-personeel 2009

Doctoraat + Master

Bachelor

Andere kwalificaties

Bedrijven*

54,9%

27,7%

17,4%

Collectieve centra

55,9%

28,0%

16,1%

Hoger onderwijs (gewest)

85,5%

11,0%

3,5%

Publieke onderzoekscentra

69,1%

16,0%

14,9%

Publieke non-profit organisaties

61,5%

27,9%

10,6%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 512 bedrijven

De berekende ratio’s voor de bedrijven (voor tabel 7.3 tot en

In tabel 7.3 wordt het O&O-personeel (publiek en privaat) voor

met 7.7) kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden op het

2009 opgesplitst naar functie. Het hoogste percentage

totale personeelscijfer voor O&O zoals vermeld in tabel 7.1

onderzoekers (80%) is voor rekening van het hoger onderwijs.

voor 2009. Dit zou immers leiden tot statistische vertekeningen

Het aandeel onderzoekers bij de bedrijven (gebaseerd op meer

van de analyseresultaten. Daar de grootte van de verschillende

observaties) bedraagt bijna 50,5%, een pak lager dan de

steekproeven toegenomen is, neemt de representativiteit van

resultaten voor 2007. Het aandeel technici bij de bedrijven ligt

de analyseresultaten wel toe.

merkbaar hoger dan de enquêteresultaten voor 2007.


115

Tabel 7.5:

O&O-personeel naar geslacht voor 2009 (%-verdeling per sector)

O&O-personeel 2009

Mannen

Vrouwen

Bedrijven*

73,9%

26,1%

Collectieve centra

71,2%

28,8%

Hoger onderwijs (gewest)

53,1%

46,9%

Publieke onderzoekscentra

65,6%

34,4%

Publieke non-profit organisaties

56,2%

43,8%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 652 bedrijven

Tabel 7.6:

O&O-personeel naar functie en geslacht voor 2009 (%-verdeling per sector)

O&O-personeel 2009

Onderzoekers

Technisch personeel

Ander personeel

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven*,**,***

81,1%

18,9%

70,8%

29,2%

63,1%

36,9%

Collectieve centra

76,7%

23,3%

70,1%

29,9%

61,2%

38,8%

Hoger onderwijs (gewest)

57,4%

42,6%

36,2%

63,8%

35,3%

64,7%

Publieke onderzoekscentra

68,5%

31,5%

66,9%

33,1%

51,3%

48,7%

Publieke non-profit organisaties

63,7%

36,3%

48,4%

51,6%

44,1%

55,9%

Private sector

Publieke sector

* Onderzoekers gebaseerd op antwoorden van 468 bedrijven ** Technisch personeel gebaseerd op antwoorden van 486 bedrijven *** Overig personeel gebaseerd op antwoorden van 522 bedrijven

In de private sector is er op basis van de enquĂŞteresultaten veel meer mannelijk O&O-personeel actief (73,9%). In vergelijking

onderzoekers bij de publieke onderzoekscentra en het hoger

met 2007 is het aandeel van het vrouwelijk O&O-personeel voor

onderwijs wijzigden ook nauwelijks ten opzichte van 2007.

de bedrijven licht gedaald. In 2007 was hier wel nog een stijging ten opzichte van 2005. In de publieke sector ligt het

Tabel 7.4 geeft een opdeling van het O&O-personeel naar

aandeel van de vrouwen hoger met ruim 34% bij de publieke

diploma voor alle private en publieke deelsectoren. Bijna 55%

onderzoekscentra (een lichte stijging ten opzichte van 2007) tot

van het O&O-personeel uit de private sector heeft een

bijna 47% bij het hoger onderwijs.

masterdiploma. Dit cijfer varieert van ongeveer 61,5% bij de publieke en particuliere non-profit organisaties en ongeveer

Tabel 7.6 combineert voor alle uitvoeringssectoren van de

69,1% bij de publieke onderzoekscentra tot ongeveer 85,5%

publieke en private sector twee variabelen: functie en geslacht.

bij het hoger onderwijs. Het feit dat heel wat studenten na

Bij de bedrijven ligt het aandeel vrouwelijk O&O-personeel

hun masteropleiding een doctoraatsopleiding starten, verklaart

zowel bij de onderzoekers als bij het technisch personeel lager.

zeker en vast mee het hoge percentage masterdiploma’s bij

Het percentage vrouwelijke onderzoekers bedraagt voor de

het hoger onderwijs. Ten opzichte van 2007 ligt het percentage

bevraagde bedrijven slechts 18,9%, een behoorlijke daling in

hooggeschoolden (masterdiploma) hoger in de non-profit sector

vergelijking met 2007 toen dit aandeel nog 24% bedroeg.

maar lager in private sector.

Het aandeel van de vrouwen (technisch personeel), op basis van de steekproefgegevens bij de bedrijven, is gestegen van 27,7% in

Een andere invalshoek voor het vergelijken van de non-profit

2007 tot 29,2% in 2009. Bij de publieke sector varieert het

en de profit sector vormt de opdeling naar geslacht (tabel 7.5).

aandeel van de vrouwelijke onderzoekers van 31,5% voor de publieke onderzoekscentra tot 42,6% voor het hoger onderwijs.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 7

Bij de publieke sector blijft het aandeel van het technisch personeel nagenoeg constant ten opzichte van 2007. Het percentage


116

Tabel 7.7:

O&O-personeel naar opleiding en geslacht voor 2009 (%-verdeling naar sector)

O&O-personeel 2009

Doctoraat + master

Bachelor

Andere kwalificaties

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven*,**,***

78,9%

21,1%

65,0%

35,0%

76,6%

23,4%

Collectieve centra

73,0%

27,0%

59,8%

40,2%

85,2%

14,8%

Hoger onderwijs (gewest)

56,7%

43,3%

26,4%

73,6%

49,1%

50,9%

Publieke onderzoekscentra

68,3%

31,7%

45,5%

54,5%

74,4%

25,6%

Publieke non-profit organisaties

62,2%

37,8%

50,3%

49,7%

36,9%

63,1%

Private sector

Publieke sector

* Universitaire diploma's gebaseerd op antwoorden van 468 bedrijven ** Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus gebaseerd op antwoorden van 500 bedrijven *** Andere kwalificaties gebaseerd op antwoorden van 501 bedrijven

Tabel 7.7 kijkt naar de variabelen geslacht én opleidingsniveau

Uit de internationale vergelijking blijkt dat Vlaanderen minder

voor het O&O-personeel. Slechts 21,1% (een lichte daling ten

goed scoort in vergelijking met de Scandinavische landen wat

opzichte van 2007) van de universitair geschoolde O&O-

het O&O-personeel en de verhouding ten opzichte tot de

personeelsleden bij de bevraagde bedrijven zijn vrouwen.

bevolking betreft. Vlaanderen scoort verhoudingsgewijs eerder

Uit de vergelijking voor alle sectoren is dit het laagste cijfer.

gelijklopend met de buurlanden en hoger dan het EU-27

Het hoger onderwijs scoort met 43,3% geschoolde vrouwen

gemiddelde.

met minstens een masterdiploma het best. Er is hier ook een stijging merkbaar in het percentage vrouwelijke

Op basis van de geanalyseerde enquêtegegevens blijkt

masterdiploma’s voor O&O. Het percentage vrouwelijke

duidelijk dat vrouwelijk O&O-personeel, en zeker vrouwelijke

gediplomeerden hoger onderwijs 1 cyclus of bachelordiploma’s

onderzoekers, toch nog altijd ondervertegenwoordigd blijven in

bij de bedrijven daalde ten opzichte van 2007 op basis van de

de private sector. De genderkloof bij de bedrijven neemt

steefproefresultaten van 40% naar 35%. Bij de publieke

opnieuw licht toe, terwijl dit de voorbije enquêtes niet het geval

onderzoekscentra en het hoger onderwijs, steeg het

was. In tegenstelling tot in 2007, wordt voor 2009 immers

percentage vrouwelijke bachelordipoma’s licht in vergelijking

een afname vastgesteld voor het percentage vrouwen bij de

met 2007.

ondernemingen. Ook wat het aandeel onderzoekers betreft die tewerkgesteld zijn in de bedrijven is er ook een lichte daling merkbaar ten opzichte van 2007. Beide vaststellingen staan wat

7.2 BESLUIT

in tegenstelling met het publieke onderzoeksluik in Vlaanderen, waar vrouwen en vrouwelijke onderzoekers toch talrijker worden.

De positieve trend die tot uiting kwam uit de analyse van de personeelsgegevens sinds 2004 & 2005, krijgt voor 2008 en

De vaststelling, dat vrouwen nog steeds ondervertegen-

2009 grotendeels een positief vervolg. Het O&O-personeel

woordigd zijn , blijft extra aandacht verdienen. Globaal blijven

is op twee jaar tijd met ongeveer 1.500 voltijdse eenheden

alle verhoudingen inzake opleidingsniveau, functie en

(correspondeert ruim 4% van het totaal) toegenomen. Al moeten

gendersamenstelling voor de publieke sector relatief stabiel

er toch enkele kanttekeningen gemaakt worden. Deze stijging

(al is er een lichte stijging ten opzichte van 2007).

is vooral van toepassing op de publieke (sub)sector(en). Voor de

Hoe dan ook, tussen het hoger onderwijs en de publieke

private component is de tendens meer richting stagnatie van

onderzoekscentra bijvoorbeeld, blijven bepaalde verschillen op

het O&O-personeelscijfer.

het vlak van geslacht en functie van het O&O-personeel overeind.


117

DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Koen Waeyaert (EWI)

08


118

8.1 INLEIDING

De term “wetenschappelijke activiteiten”, zoals gedefinieerd in

De Vlaamse overheid maakt jaarlijks op systematische wijze

of Statistics on Science and Technology” – UNESCO, 1978

het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid

(Canberra-Manual – OESO, Parijs, 1995, p. 67) omvat:

de “Recommendation concerning the International Standardisation

(HBPWB) op. Het HBPWB geeft een globaal overzicht van alle budgettaire kredieten die in de verschillende beleidsdomeinen

l

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “Op stelselmatige

bestemd zijn voor activiteiten van wetenschap, technologie en

wijze uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel

innovatie. Het geeft de bestemming van de middelen aan en

het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur

welke de betrokken actoren zijn. Dit overzicht van de kredieten

en maatschappij, te vergroten en deze kennis te gebruiken

per jaar, toont de inspanningen van de Vlaamse overheid

om nieuwe toepassingen te ontwerpen” (Frascati-Manual,

om wetenschappelijke activiteiten in Vlaanderen te financieren.

OESO, 2002, p. 30). Het is m.a.w. elke wetenschappelijke

Er blijkt meteen ook uit welke accenten worden gelegd binnen

activiteit die tot doel heeft wetenschappelijke kennis te

het globale wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid.

ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te

Door de systematische, jaarlijkse opmaak van het HBPWB kan

maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen

ook de evolutie opgevolgd worden van de kredieten die aan

(ontwikkeling).

de verschillende grote indelingen binnen het wetenschappelijke en

technologische

innovatiebeleid

worden

toegekend.

l

Onderwijs en Vorming (O&V): “Alle activiteiten in het kader

Ondertussen werd een tijdreeks van negentien jaar (1993-2011)

van het gespecialiseerd niet-universitair hoger onderwijs,

opgebouwd. De in dit hoofdstuk weergegeven budgetten voor

het universitair onderwijs, het post-universitair onderwijs en

2011 betreffen die uit de begrotingscontrole (BC) van de

verdere bijscholing en het georganiseerd, continu onderwijs

uitgavenbegroting, in de tijdreeksen aangeduid met 2011BC.

ten behoeve van wetenschappers en ingenieurs” (Canberra

Tenzij anders vermeld, worden voor de voorgaande jaren

Manual, OESO, Parijs, 1995, p. 67). Het betreft dus de

steeds de definitieve begrotingskredieten vermeld.

financiering van de wetenschappelijke opleiding, bijvoorbeeld het deel van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten,

Jaarlijks wordt ook een bestedingsanalyse voor wetenschapsbeleid

dat wordt aangewend voor universitair onderwijs.

uitgevoerd. Deze meet de daadwerkelijk benutte middelen voor wetenschap en innovatie. Dit betekent dat wordt nagegaan in

l

Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening

hoeverre de geplande wetenschapskredieten werden besteed

(W&T): “activiteiten met betrekking tot onderzoek en

en waaraan. De uitgevoerde bestedingsanalyses van het

ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden

wetenschapsbudget geven aan dat het geplande budget ook

en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis”

daadwerkelijk voor praktisch 100% werd benut en bovendien

(Canberra-Manual, OESO, Parijs, 1995, p. 68). Dit gaat

in grote mate in overeenstemming is met wat er gepland was.

om elke vorm van dienstverlening, zoals het uitvoeren

In de EWI-Speurgids 2010 werd de tijdreeks 1997-2008

van routinemetingen (zoals medische routineanalyses),

behandeld.

wetenschappelijke en technologische informatieverstrekking (bijv. door bibliotheken of informatiecentra) en gegevens-

OESO en EUROSTAT nemen de middelen voor O&O in hun

verzameling van algemeen belang (o.a. verzamelen van

statistieken op om de inspanningen van overheid en bedrijven

gegevens

in de verschillende landen te kunnen vergelijken. Een goed

Beleidsgerelateerde studies en de werkzaamheden van

gestructureerd en correct samengesteld HBPWB is dus van

administratieve entiteiten rond de analyse, evaluatie en

cruciaal belang om op het internationale niveau correcte gegevens

monitoring van externe fenomenen zijn hierin begrepen.

te verspreiden aangaande de Vlaamse inspanningen voor wetenschap, technologie en innovatie. Om een internationale vergelijking mogelijk te maken, maakt men bij de opmaak van het HBPWB gebruik van internationale definities.

over

sociaal-economische

fenomenen).


119

De analyse naar O&O, O&V en W&T wordt systematisch uitgevoerd op het HBPWB. Binnen O&O is er een verdere indeling volgens het type van onderzoek: l

8.2 VLAAMSE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

Fundamenteel onderzoek: ‘experimentele of theoretische

Figuur 8.1 en tabel 8.1 geven de evolutie van de HBPWB’s

werkzaamheden die in de eerste plaats tot doel hebben om

vanaf 1993 weer, samen met de verdeling naar het type

nieuwe kennis te vergaren over de fundamenten die aan

activiteit: O&O, O&V en W&T. Er was een aanzienlijke stijging

verschijnselen en waarneembare feiten ten grondslag

in de periode 1996 tot en met 1999 en tussen 2000 en 2006.

liggen, zonder daarbij een specifieke toepassing of een

In 2007 was er een daling, omdat de eenmalige, niet-structurele

specifiek gebruik op het oog te hebben’;

toekenning in 2005 en 2006 van telkens 75 miljoen euro voor het Vinnof (Vlaams Innovatiefonds) niet werd herhaald.

l

Toegepast onderzoek: ‘oorspronkelijk onderzoek dat in de eerste plaats is gericht op een specifiek praktisch doel’;

Dankzij een structurele toename van de beleidskredieten met 75 miljoen euro, in uitvoering van het Innovatiepact, naast

l

Experimentele ontwikkeling: ‘systematische werkzaamheden

belangrijke eenmalige financiële injecties (meer bepaald

op basis van bestaande, door onderzoek of praktische

45,1

ervaring opgedane kennis, die tot doel hebben nieuwe of

Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU) en

aanzienlijk verbeterde processen, systemen of diensten in

25,5 miljoen euro na ‘schrapping van encours’), namen de

te voeren’.

kredieten in 2008 weer toe.

miljoen

euro

uit

het

Financieringsfonds

voor

Binnen de O&O-kredieten wordt nog verder aangegeven welke

In 2009 was er initieel een structurele toename van het Vlaamse

de verdeling is over de verschillende onderzoeksdomeinen,

overheidsbudget voor wetenschap, technologie en innovatie

zoals die zijn geklasseerd volgens de NABS1-classificatie. Op het

met 29 miljoen euro, naast een eenmalige kapitaalinjectie in

HBPWB wordt derhalve ook een volledige NABS-analyse

IMEC via een herinvestering van de participatie in Finindus,

doorgevoerd.

ten bedrage van 35 miljoen euro. Ten gevolge van een eerste besparingsronde in 2009, daalden de middelen voor het wetenschapsbeleid met 1,5% (-27 miljoen) en die specifiek

Wetenschapsbeleid (HBPWB) en de evolutie ervan over de

voor O&O eveneens met 1,5% (-17 miljoen euro) ten opzichte

periode 1993-2011 voorgesteld. De verdeling van de Vlaamse

van de initiële kredieten 2009.

overheidskredieten over O&O, O&V en W&T, over de verschillende grote indelingen van het wetenschaps- en

Grotere besparingen waren noodzakelijk bij de begrotings-

technologisch innovatiebeleid wordt aangegeven.

opmaak 2010: ten opzichte van de definitieve kredieten 2009 was er een daling van de middelen voor het wetenschaps-

Vervolgens worden kerncijfers gegeven uit de analyse-input

en innovatiebeleid met 66 miljoen euro (-3,7%), in hoofdzaak

(bestedingen, personeel), onder meer van de Vlaamse

te wijten aan de daling van de O&O-kredieten: -64 miljoen

universiteiten, de strategische onderzoekscentra en de Vlaamse

(-5,7%). In de loop van 2010 verhoogde het budget voor

wetenschappelijke instellingen.

wetenschapsbeleid wel nog aanzienlijk, dankzij de middelen voor het TINA-fonds (Transformatie, Innovatie en Acceleratie

Er wordt ook verwezen naar de Speurgidsen WTI 1996-2006

Fonds: 100 miljoen) en Vinnof (20 miljoen), voor de opstart

en de EWI-Speurgidsen 2007-2010, Speurgids Ondernemen &

van een zaaikapitaalfonds in het kader van Flanders’ Care

Innoveren 2011 en de website www.speurgids.be.

(20 miljoen euro) en middelen vanuit het FFEU (20 miljoen euro) voor de Proeftuin Elektrische Voertuigen, de archivering van audiovisueel materiaal, bodemsanering en het Vlaams Supercomputer Centrum.

1 Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

In dit hoofdstuk wordt het Horizontaal Begrotingsprogramma


120

Tabel 8.1:

Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2011 (in miljoen euro) 1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

O&O

326,783

575,120

595,685

625,073

711,258

770,687

820,666

898,638

967,954

952,670 1.121,429 1.130,072 1.224,024 1.231,308

2007

2008

2009

2010

2011BC*

O&V

365,132

443,820

454,097

463,811

482,408

497,541

504,049

517,914

532,915

531,169

580,390

566,593

567,392

578,810

W&T

31,875

88,039

77,275

76,785

75,135

66,968

68,158

72,278

75,103

77,518

80,169

80,260

78,753

70,050

723,790 1.106,979 1.127,056 1.165,668 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.575,972 1.561,357 1.781,988 1.776,925 1.870,168 1.880,168

Totaal

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

Tabel 8.2:

Verdeling van het totale budget van het HBPWB 1993-2011 (in miljoen euro)

1. Niet-gericht onderzoek

1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC*

70,737

139,936

156,420

164,279

172,699

177,768

200,235

213,090

234,783

253,336

280,518

296,844

293,032

305,672

2.1 Werkingstoelagen universiteiten

401,471

489,009

500,975

512,265

539,532

561,284

577,947

594,462

615,590

636,374

682,729

690,341

692,305

706,816

2.2 Andere toelagen universiteiten

75,700

83,944

88,260

88,058

88,506

89,112

83,855

85,543

87,927

62,664

68,333

67,546

67,087

67,884

2.3 Andere instellingen

9,649

11,902

11,225

12,455

13,822

14,382

14,362

14,724

14,968

17,129

19,548

21,087

20,761

21,165

3. Industrieel onderzoek

127,003

235,237

231,685

243,410

311,011

347,891

396,659

453,760

487,204

450,310

572,556

555,443

654,703

637,380

4. Wet. instellingen, dep. diensten en VOI's

15,113

45,813

54,372

52,917

48,983

71,795

65,300

69,029

72,741

74,491

86,489

80,175

79,992

80,880

5. Sectorale initiatieven beleidsondersteunend onderzoek

17,337

39,338

43,771

68,867

67,338

50,500

31,201

33,857

36,434

37,070

42,182

34,545

32,528

32,992

6,780

61,800

40,348

23,417

26,911

22,465

23,314

24,365

26,325

29,982

29,632

30,943

29,760

27,379

6. Globaal wetenschapsbeleid Totaal

723,790 1.106,979 1.127,056 1.165,668 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.575,972 1.561,357 1.781,988 1.776,925 1.870,168 1.880,168

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

In 2011 was er bij de begrotingsopmaak een budget voor het wetenschaps- en innovatiebeleid voorzien van 1,807 miljard euro, waarvan 1,163 miljard voor O&O. Naar aanleiding van de begrotingscontrole (BC) 2011 nam de Vlaamse Regering de beslissing meer te investeren in wetenschap en innovatie. De beleidskredieten voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) die rechtstreeks ressorteren onder de minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid werden verhoogd met 65 miljoen euro. Het bijkomende budget dient onder andere om te investeren in onderzoekers en basisonderzoek, onderzoekscentra, onderzoeksprojecten van bedrijven en maatschappelijk belangrijke onderzoeksprojecten. Zo is er na de begrotingscontrole in 2011 over alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid heen een totaal wetenschaps- en innovatiebudget van 1,880 miljard euro beschikbaar, waarvan 1,231 miljard euro voor O&O. Zoals in 2010, is er ook in 2011 een budget voor het TINA-fonds, ten bedrage van 100 miljoen euro.

Na de begrotingscontrole 2011 is er ten opzichte van 2010 (definitieve kredieten) een toename met 10 miljoen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid, waarvan 7 miljoen euro voor O&O. Ten opzichte van het initiële budget 2009, de situatie vóór de besparingen, is er in 2011 een toename met 84 miljoen euro voor O&O. Vergelijkt men enkel de recurrente middelen, dan is er in 2011 67 miljoen euro meer beschikbaar voor O&O dan in 2010 en 19 miljoen euro meer dan vóór de besparingen. Wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T) neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 was het aandeel Onderwijs en Vorming (O&V) nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996 kwam hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O- en het O&V-aandeel nagenoeg gelijk. Van dan af stijgen de O&O-kredieten. In 1996 was het procentueel aandeel van O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2011 is het O&O-aandeel gestegen tot 65%. O&V maakt 31% uit van het HBPWB en W&T 4%.


121

Figuur 8.1: Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2011 (in miljoen euro)

2.000 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010 2011BC*

n O&O: Onderzoek en ontwikkeling n O&V: Onderwijs en vorming n W&T: Wetenschappelijke en technologische dienstverlening

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

Een doorsnede doorheen het HBPWB kan gemaakt worden volgens zes grote indelingen:

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s en is een EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O

1. Niet-gericht onderzoek aan de universiteiten

kredietvolume is ook in 2011 voor “industriële productie en

2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen

technologie”. Dan volgen het niet-gericht onderzoek (NABS 13)

3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe

en de algemene universiteitsfondsen (NABS 12). Dit zijn

technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s

meteen ook de twee grote polen van het wetenschapsbeleid: het fundamenteel onderzoek als basis voor het verdere technologische innovatiebeleid.

5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies 6. Allerhande uitgaven i.v.m. het algemene wetenschapsbeleid

De NABS-indeling toegepast op de Vlaamse O&O-overheidskredieten houdt echter ook een belangrijke beperking in. Met de globale subsidies of dotaties voor de strategische

Tabel 8.2 toont de verdeling van het totale budget van het

onderzoekscentra, wetenschappelijke instellingen, departementale

HBPWB over deze zes grote indelingen. Over de hele tijdreeks

diensten en Vlaamse openbare instellingen verricht men in

beschouwd, situeren de sterkste stijgingen zich ter hoogte van

vele gevallen onderzoek dat thuis hoort in meerdere

het niet-gericht onderzoek en de werkingsuitkeringen van de

NABS-domeinen (b.v. milieu, energie, industriële productie en

universiteiten enerzijds en ter hoogte van het industrieel

technologie, …). Omdat deze opsplitsing niet steeds eenduidig

onderzoek anderzijds.

vast te stellen is, wordt aan één kredietlijn ook één NABS-code toegekend. Het niet voorkomen van energieonderzoek (NABS

De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de

5) in figuur 8.2 betekent met andere woorden geenszins dat er

NABS-codes voor 2011 wordt weergegeven in figuur 8.2.

door de Vlaamse overheid geen onderzoek in dat domein

NABS staat voor nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

wordt gefinancierd.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

onderverdeelt naar sociaal-economische doelstellingen. Het grootste


122

Figuur 8.2: De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de NABS-codes

0,3% 1,6% 2,5%

n 1. Exploratie en exploitatie van het aardse milieu (0,3%) n 2. Milieu (1,6%)

24,5%

n 4. Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur (2,5%) n 6. IndustriĂŤle productie en technologie (46,4%) n 7. Gezondheid (0,9%) n 8. Landbouw (2,5%) n 9. Onderwijs (0,5%) 46,4%

n 10. Cultuur, recreatie, religie en media (0,4%) n 11. Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen (2,0%)

18,6%

n 12. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen (18,6%)

2,0% 0,4% 0,5% 2,5% 0,9%

n 13. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit andere bronnen (24,5%)

Tabel 8.3:

Werkingsuitkeringen aan de universiteiten 1993-2011 (in miljoen euro)

KUBrussel K.U.Leuven UHasselt

1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010 2011BC*

4,351

4,960

4,968

4,742

4,984

5,068

5,177

5,259

5,349

5,450

8,571

2,168

1,449

1,315

164,115

189,688

192,370

194,544

200,420

204,136

207,890

211,105

214,659

218,715

234,856

241,666

242,859

247,344

11,619

16,889

17,236

17,625

14,535

14,661

15,047

15,289

15,828

16,383

24,338

25,471

25,707

27,506

0,087

5,202

5,898

6,174

6,620

7,106

7,717

0,668

0,034

0,006

0,004

tUL UGent UA

104,271

142,695

147,846

154,058

161,344

166,422

171,482

176,804

182,460

191,847

206,462

210,869

212,304

217,914

75,899

78,177

80,096

81,251

83,048

84,760

89,030

89,920

89,840

91,185

58,437

69,286

71,544

72,748

RUCA

16,872

21,029

21,718

22,067

UFSIA

18,709

20,964

21,465

21,715

UIA

22,856

27,293

28,361

28,966

58,679

65,491

67,011

68,461

70,551

72,044

73,388

74,524

75,777

77,211

79,916

81,642

81,623

82,380

401,472

489,009

500,975

512,265

532,935

546,406

559,254

570,852

584,227

602,083

643,839

651,771

653,787

667,649

6,597

7,425

7,531

12,225

12,574

12,196

8,562

8,785

14,189

14,495

14,905

15,026

15,017

15,332

2,600

2,600

2,600

2,600

2,600

2,000

5,000

VUB Totaal werkingsuitkeringen Aanvullende werkingsmiddelen BAMA Enveloppe hogescholenonderwijs academiseringsgelden (2 cycli) + elektrongelden

7,453

LRM impulsfinanciering tUL Onderzoeksbetrokkenheid academische opleidingen aan de hogescholen

11,799

15,754

15,729

15,901

Toelage associaties

0,510

0,520

0,520

0,531

Aanvullende werkingsmiddelen voor het versterken van het onderzoek in de humane wetenschappen

1,019

1,039

1,039

1,060

Rationalisatiefonds

5,000

Aanvullende werkingsmiddelen aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten Algemeen totaal

401,472

489,009

500,975

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

512,265

539,532

561,284

577,947

594,462

615,590

636,374

3,057

6,231

6,213

6,344

682,729

690,341

692,305

706,816


123

8.3 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN

Het Herculesfinancieringsmechanisme heeft als doelstelling aan Vlaamse onderzoekers performante onderzoeksinfrastructuur ter beschikking te stellen. Er wordt daarbij via financiĂŤle incentives

De overheidskredieten voor de universiteiten bestaan uit de

gestreefd naar een maximale samenwerking tussen de

eerste en tweede geldstroom.

Vlaamse publieke kennisinstellingen onderling en met derden. Het Herculesbesluit bepaalt dat vanuit alle wetenschappelijke

De eerste geldstroom bevat de werkingsuitkeringen van

disciplines aanvragen kunnen worden ingediend en dat zowel

de universiteiten. De werkingsuitkeringen zijn de middelen die

voor grensverleggend onderzoek als voor basisonderzoek kan

de universiteiten ontvangen voor hun gewone werking voor

worden gesubsidieerd. Conform de bepalingen van het

academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en

Herculesbesluit is twee derden van de dotatie bestemd voor de

wetenschappelijke dienstverlening.

subsidiĂŤring van middelzware onderzoeksinfrastructuur en een derde voor zware infrastructuur. De Herculesmiddelen worden

Tabel 8.3 geeft een overzicht van de universitaire werkings-

voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere

toelagen voor de jaren 1993-2011. Van het totaal van de

helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt.

kredieten voor wetenschapsbeleid nemen de werkingstoelagen

Een wijziging ten opzichte van het vorige Indicatorenboek is

voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening.

dat de IWT-specialisatiebeurzen bij het gericht onderzoek

Voor 2011 is dit 706,8 miljoen euro (38%). Van dit bedrag is

worden ondergebracht. Deze wijziging werd retroactief over de

75% bestemd voor Onderwijs en Vorming (O&V), terwijl 25%

hele tijdreeks toegepast.

gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). Figuur 8.3 toont de evolutie van de middelen voor het niet-gericht De tweede geldstroom omvat de middelen voor het

onderzoek verdeeld via FWO, BOF en de Herculesstichting

fundamenteel, niet-gericht onderzoek.

(1993-2011).

Tabel 8.4 geeft de evolutie (1993-2011) van de middelen bestemd voor het niet-gericht onderzoek aan de universiteiten - m.a.w. het onderzoek op vrij initiatief van de vorser. In 2011 is dit budget 305,7 miljoen euro, na begrotingscontrole. gaan rechtstreeks naar de universiteiten en worden door de onderzoeksraad verdeeld in functie van het universitaire

De evolutie van de Vlaamse overheidskredieten voor het FWO,

onderzoeksbeleid. De middelen voor de mandaten en

evenals de verdeling van de kredieten over de verschillende

projecten van het FWO worden indirect verdeeld door deze

luiken (de individuele kredieten en mandaten, de projecten en

intermediairen, volgens vastgelegde kwaliteitscriteria en een

de diversen) is terug te vinden in tabel 8.5; de evolutie en

evaluatie op basis van peer review.

verdeling van het globale mandatenbestand volgens wetenschapsgebied in figuur 8.4; de evolutie en verdeling van de projectkredieten over de wetenschapsgebieden in figuur 8.5.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

De middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF)

8.4 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK VLAANDEREN (FWO)


124

Tabel 8.4:

Middelen voor het niet-gericht onderzoek 1993-2011 (in miljoen euro)

FWO-Vlaanderen

1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

50,736

90,960

90,969

80,883

82,408

84,784

92,514

103,922

120,288

112,874

117,909

122,513

120,063

130,939

11,712

11,700

11,712

11,712

11,712

11,501

11,463

11,463

0,750

1,502

2,281

2,317

2,201

2,124

12,171

12,402

12,600

12,600

9,684

FWO-Vlaanderen (Nationale Loterij) FWO-Vlaanderen internationale onderzoeksfaciliteiten FWO-Vlaanderen Odysseus-programma FWO-Vlaanderen internationale wetenschappelijke samenwerking

2010 2011BC*

2,200

2,200

2,088

1,976

Totaal FWO-Vlaanderen

50,736

90,960

90,969

80,883

82,408

84,784

104,226

115,622

132,750

138,259

146,504

151,131

148,415

156,186

BOF - subsidie

20,000

48,976

65,451

83,396

90,291

92,984

96,009

97,468

99,033

100,726

105,140

107,138

107,130

111,677

3,000

10,051

15,242

20,532

20,076

19,402

1,500

3,029

4,587

4,348

4,196

2,800

5,653

5,645

8,961

112,277

126,211

137,910

137,199

144,236

2,800

7,803

7,803

7,418

5,250

253,336

280,518

296,844

293,032

305,672

BOF - Methusalem-programma BOF - ZAP-mandaten BOF - Tenure Track 20,000

Totaal BOF

48,976

65,451

83,396

90,291

92,984

96,009

97,468

102,033

Hercules (50%*) 70,736

Algemeen totaal

139,936

156,420

164,279

172,699

177,768

200,235

213,090

234,783

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011 50% van de middelen voor de financiering van (middel)zware onderzoeksinfrastructuur (Herculesmiddelen) wordt bij het niet-gericht onderzoek gerekend, de andere helft bij het strategisch basisonderzoek

Tabel 8.5:

Evolutie van de toelagespreiding over de actiemiddelen van het FWO 1992-2010 (in miljoen euro)

Uitgaven

1992

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Mandaten

28,06

49,26

53,72

55,57

44,55

49,66

51,53

56,33

57,23

60,19

67,59

76,48

83,89

88,25

45%

46%

48%

48%

42%

42%

40%

44%

41%

40%

41%

41%

43%

43%

Wetenschappelijke contacten

2,08 3%

2,33 2%

2,48 2%

2,20 2%

3,41 3%

2,66 2%

2,68 2%

2,94 2%

3,41 2%

3,59 2%

3,59 2%

4,03 2%

4,81 2%

5,31 3%

Kredieten aan navorsers

1,07

0,97

1,66

1,77

1,67

2,24

1,70

1,57

2,08

1,71

1,86

2,22

2,11

1,47

2%

1%

1%

2%

2%

2%

1%

1%

2%

1%

1%

1%

1%

1%

28,28 45%

50,72* 47%

50,07* 45%

50,93 44%

53,02 49%

58,44 50%

67,27 53%

63,54 49%

70,61 51%

78,24 52%

85,73 52%

97,32 52%

99,6 51%

105,84 51%

2,85

4,51

4,51

4,59

4,67

4,66

4,87

4,94

5,08

5,58

5,59

5,69

6,09

5,77

5%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

3%

3%

62,34 100%

107,79 100%

112,44 100%

115,05 100%

107,32 100%

117,67 100%

128,05 100%

129,31 100%

138,41 100%

149,31 100%

164,36 100%

185,72 100%

196,50 100%

206,64 100%

Onderzoeksprojecten Diversen Totaal

De kostprijs van de permanente onderzoekers is continu opgenomen bij mandaten, terwijl die eertijds boekhoudkundig bij de onderzoeksprojecten hoorde. Vanaf 1/10/2000 zijn deze onderzoekers echter naar het ZAP overgeheveld. * Gelden voor het Max-Wildiersfonds worden besteed vanaf 2000 e.v.

8.5 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR INDUSTRIEEL ONDERZOEK

basisonderzoek en de aandacht voor het onderzoek in de hogescholen. Vanaf 2003 zijn er extra middelen voor de Vlaamse excellentiepolen en zijn ook door de defederalisering

Tabel 8.6 toont de verdeling en de evolutie van de middelen

van de beleidspost Landbouw de kredieten voor het

voor industrieel onderzoek over de periode 1993-2011. De evolutie

landbouwonderzoek ingeschreven in de Vlaamse begroting.

van de onderscheiden beleidsinitiatieven en van de bijhorende

In 2011 bedraagt het IWT-krediet ten behoeve van het

kredieten kan gevolgd worden over verschillende jaren.

initiatief bedrijven en innovatie-samenwerkingsverbanden

Een constante zijn de IWT-kredietlijnen en de strategische

136,423 miljoen euro.

onderzoekscentra IMEC, VITO, VIB en IBBT. De meest markante wijzigingen zijn de opkomst van het strategisch


125

Figuur 8.3: De evolutie van de middelen voor het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF en Herculesstichting (1993-2011) (in miljoen euro)

160 140 120

EUR

100 80 60 40 20 0 1993

n FWO

1994

1995

n BOF

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010 2011BC*

n Hercules (50%)

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

Figuur 8.4: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapsgebied 1998-2009 (FWO)

500

400

Aantal mandaten

350 300 250 200 150 100 50 0 1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

n Exacte wetenschappen

n Toegepaste wetenschappen

n Biologische wetenschappen

n Cultuur- en taalwetenschappen

n Medische wetenschappen

n Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2009

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

450


126

Figuur 8.5: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2009 (FWO) (in miljoen euro)

35.000

30.000

KEUR

25.000

20.000

15.000

10.000

5.000

0 1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

n Wetenschap en Technologie n Biologische wetenschappen n Medische wetenschappen n Interdisciplinair n Cultuur- en Taalwetenschappen n Gedrags- en Maatschappijwetenschappen

8.6 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE ONDERZOEKSINSTELLINGEN IMEC, VITO, VIB EN IBBT

Zo worden er technologische oplossingen ontwikkeld die relevant zijn voor de industrie. IMEC’s onderzoeksactiviteiten zijn toegespitst op vijf domeinen: chipverkleining, heterogene integratie, biologie en elektronica samenbrengen voor een

Tabel 8.7 toont de input van middelen en personeel en de

beter leven, slimme systemen en energie.

evolutie over de periode 1992-2009 voor de strategische onderzoekscentra IMEC (Interuniversitair Centrum voor Micro-

VITO wil op een innoverende en klantvriendelijke wijze

elektronica), VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch

technologische oplossingen verschaffen en onafhankelijke

Onderzoek), VIB (Vlaams Interuniversitair Instituut voor

wetenschappelijk onderbouwde adviezen en ondersteuning

Biotechnologie) en IBBT (Interdisciplinair instituut voor

verstrekken die het economisch en maatschappelijk weefsel in

BreedBand Technologie).

Vlaanderen versterken en een essentiële bijdrage tot duurzame ontwikkeling leveren. Vanuit de dotatiemiddelen start VITO

IMEC genereert diverse inkomsten uit voornamelijk contract-

eigen onderzoek. Dit onderzoek is georganiseerd binnen een

onderzoek, waarbij onderzoeksprojecten met regionale en

achttal technologieprogramma’s die steunen op een minimaal

internationale partners worden uitgebouwd. De jaarlijkse

aantal technologieplatformen. Hierbij is het de bedoeling om

overheidstoelage stelt IMEC in staat om het basisonderzoek op

middels maximaal gebruik en hergebruik van technologie-

lange termijn te financieren, waarmee de strategische

platformen een zo groot mogelijke toegevoegde waarde

‘background know-how’ wordt ondersteund, los van de

(hefboom) te creëren. De technologieprogramma’s vormen de

specifieke samenwerkingsverbanden. IMEC verricht onderzoek

concrete omzetting van de strategische drivers in het extern

in het domein van nano-elektronica en koppelt zijn innovatieve

gefinancierd onderzoek.

kracht aan wereldwijde partnerships in ICT, gezondheidszorg en energie.


127

VIB is een ondernemend onderzoeksinstituut, actief in de meest

Tabel 8.9 geeft vooreerst een overzicht van de overheids-

uiteenlopende domeinen van de biotechnologie. Wetenschappers

kredieten die in Vlaanderen voor O&O beschikbaar zijn

en technici verrichten er basisonderzoek naar de moleculaire

(Vlaamse kredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten

mechanismen die instaan voor de werking van het menselijk

+ het Vlaams aandeel in de EU-overheidskredieten) als %

lichaam, planten en micro-organismen. In samenwerking met

BBP-Vlaanderen – ofwel het bruto binnenlands product per

haar universitaire partners wil VIB de basis leggen voor een

regio (BBPR).

betere levenskwaliteit en ontplooit daartoe drie complementaire

Tabel 8.10 geeft een vergelijking van Vlaanderen met de

kernactiviteiten: het verwerven van nieuwe kennis via strategisch

belangrijkste EU-landen, aangevuld met de Verenigde Staten

basisonderzoek, het vertalen van kennis naar nuttige

en Japan. Er dient hier opgemerkt dat men als Vlaams aandeel

toepassingen en het informeren van de Vlaamse bevolking over

van de federale O&O-kredieten de ESA-kredieten aan 35,49%

de ontdekkingen en ontwikkelingen in de levenswetenschappen.

meerekent (bron: VRWI) en de rest aan 56%.

IBBT richt zich op onderzoek in Informatie- en Communicatie-

Het is duidelijk dat de cijfers voor O&O-overheidsuitgaven

technologie (ICT) in het algemeen, en de ontwikkeling van

(GBAORD), uitgedrukt als % BBP, niet overal jaar na jaar

breedbandtoepassingen in het bijzonder. Dit onderzoek is

stijgen. In sommige landen stagneert het, in andere is er zelfs

interdisciplinair en vraaggedreven en vindt plaats in nauwe

een daling merkbaar over meerdere jaren. Weinig landen laten

samenwerking met zowel bedrijven als de overheid. Het heeft

de laatste jaren een sterke stijging van de O&O-overheids-

tot doel oplossingen te bieden voor complexe problemen en zo

inspanningen zien. Vergelijken we Vlaanderen internationaal

tegemoet te komen aan toekomstige uitdagingen van de

voor 2009, het meest recente jaar met cijfers voor de meeste

maatschappij. Toepassingen van IBBT-onderzoek zijn er binnen

landen, dan is vast te stellen dat Vlaanderen gemiddeld scoort.

een breed gamma aan domeinen zoals gezondheidszorg, mobiliteit en logistiek, cultuur & nieuwe media en green ICT.

8.9 OVERHEIDSSTEUN VOOR ECO-INNOVATIE 8.7 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE WETENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN

Om de uitvoering van de doorbraken uit het plan Vlaanderen in Actie (ViA) te verzekeren, ondertekenden in Brussel op 17 april 2009 meer dan 80 organisaties en verenigingen het

evolutie over de periode 1992-2009 voor de Vlaamse

Pact 2020. Zij engageren zich om samen 20 doelstellingen met

wetenschappelijke instellingen.

concrete streefcijfers te realiseren, verdeeld over vijf centrale thema’s. Eén indicator is “overheidssteun voor eco-innovatie (inclusief onderzoek)”. Met dit type overheidssteun wil Vlaanderen

8.8 O&O-UITGAVEN IN DE PUBLIEKE SECTOR IN VLAANDEREN: EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

tegen 2020 in de top-5 van de Europese regio’s staan. Hieronder volgen de eerste cijfers over de overheidssteun voor eco-innovatie en aanverwant onderzoek. Meer info over deze nulmeting is te vinden in de EWI-Speurgids 2009. Voor resultaten

Door de OESO worden de uitgaven voor O&O als een

over inspanningen van Vlaamse bedrijven voor milieu-innovatie

bijzonder belangrijke indicator beschouwd voor het meten van

wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van dit Indicatorenboek.

de O&O-intensiteit en innovatie. Deze uitgaven kunnen

In de CIS-2009 enquête werd met name over dit type innovatie

worden uitgedrukt in een percentage van het regionale BBP en

een luik aan de vragenlijst toegevoegd.

worden gerelateerd aan het aantal inwoners.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

Tabel 8.8 toont de input aan middelen en personeel, en de


128

Tabel 8.6:

De evolutie van de financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieĂŤn ten behoeve van het bedrijfsleven 1993-2011 (in miljoen euro)

IWT - Initiatief Vlaamse Regering IWT - Initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden IWT - Innovatieve mediaprojecten IWT - Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) IWT - Strategisch basisonderzoek SBO IWT - Specialisatiebeurzen en Baekeland-programma IWT - Landbouwonderzoek IWT - TETRA-Fonds IWT - Toegepast biomedisch onderzoek (TBM) IWT - Vlaamse deelname aan de Europese programma's (VCP-werking) IWT - werking IMEC IMEC - herinvestering participatie in Finindus VITO VITO - Beleidsdomein LNE VITO - FFEU VIB IBBT NERF Deelnemingen in de spin-offs van de SOC's Innovatie (Hermesfonds) Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) PWO Hercules (50%) Interfacediensten Stichting Innovatie & Arbeid Flanders DC FFEU Vlaamse excellentiepolen Participaties O&O via PMV PMV - VINNOF Zaaikapitaalfonds Flanders’ Care Participaties in het kader van innovatie: PMV - TINA-Fonds Onderzoek Staalindustrie EFRO - Hermes Totaal

1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC

31,854

54,321

29,435

32,848

37,744

11,048

6,186

13,750

8,751

24,464

42,113

40,087

35,078

50,630

37,184

54,289

77,777

82,734

82,484

101,503

96,863

98,213

119,275

125,765

153,334

138,249

126,423

136,423

5,445

13,457

11,839

10,901

7,837

4,407

9,607

10,319

10,319

0,814

0,829

0,846

0,846

0,673

0,673 36,674

6,130

16,192

10,139

10,139

16,840

15,791

15,486

16,247

4,358

5,935

5,949

16,840

37,488

37,488

38,604

38,604

38,604

38,604

36,674

18,265

17,786

18,053

20,269

21,729

22,918

27,018

30,343

30,183

33,160

9,265

10,794

9,602

9,602

9,602

9,602

9,602

9,602

9,122

10,122

5,949

5,949

5,949

5,949

6,999

7,399

9,214

8,899

8,454

8,454

5,000

5,000

6,000

6,000

5,700

5,700

0,220

0,335

0,361

0,363

0,338

3,966

7,095

8,042

8,215

9,581

10,811

11,012

11,090

11,601

11,453

11,453

12,800

11,110

11,474

22,065

27,618

28,245

28,659

33,652

34,308

34,481

35,033

35,625

39,016

44,171

44,730

42,616

45,712

24,274

27,499

27,772

29,353

29,934

31,263

33,501

33,101

37,754

35,236

42,171

42,629

43,491

43,739

2,103

2,168

2,065

35,000

8,000 24,921

25,669

26,034

27,817

28,595

29,453

30,366

31,334

38,198

38,962

39,456

37,598

40,778

17,000

17,287

23,098

23,592

23,891

22,767

24,767

0,926

0,938 10,000

3,000

1,530

30,000

30,000

30,000

30,000

30,000

30,000

25,000

2,000

10,030

11,341

11,535

16,754

17,072

17,022

16,722

3,000

11,500

9,000

9,000

9,500

9,500

9,025

10,708

2,800

7,803

7,803

7,418

5,250 2,869

1,257

1,269

1,289

0,327

1,326

1,345

1,365

2,087

2,723

2,775

2,828

2,819

1,896

1,916

1,943

1,973

1,973

2,002

2,165

2,200

2,238

2,281

2,423

2,457

2,181

2,300

2,374

2,421

2,610

2,298

2,675

37,180

37,250

14,278

30,000

30,000

30,100

20,000

17,989 75,000

75,000

20,000 20,000 100,000

100,000

654,703

637,380

30,000 11,100 127,003

235,237

231,685

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011

243,410

311,011

347,891

396,659

453,760

487,204

450,310

572,556

555,443


129

Tabel 8.7:

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT

Onderzoeksinstelling

Contractonderzoek (mln. EUR)

21,02 22,05

16,06 5,61

0,64 0,66

292 145

103 188

24,32 26,46 22,81

29,15 9,72 0,70

2,82 1,36 0,62

375 173 138

132 207 136

27,59 24,45 25,18

38,70 16,14 4,34

6,52 6,58 1,17

464 212 169

163 212 165

28,25 27,77 25,67

70,48 17,72 5,41

4,13 0,17 0,42

542 233 199

191 216 164

27,42 29,35 26,03

87,71 19,04 5,63

3,43 0,18 0,35

622 253 175

218 212 173

33,65 29,93 27,81

103,39 21,88 5,19

1,36 0,48

738 247 219

259 204 214

34,31 31,26 28,60

108,93 24,30 5,80

2,07 1,14

754 264 228

263 201 193

34,48 33,50 29,45

118,14 26,64 8,11

6,29 2,11

790 261 261

261 201 193

35,03 33,10 30,37 17,00

157,24 29,11 9,28 1,06

4,35 2,27 -

814 271 297 8

274 199 205 -

35,63 37,75 31,33 17,29

186,22 32,19 9,86 1,64

5,12 2,77 0,27

809 291 253 25

274 213 173 -

39,02 35,24 38,20 23,10

199,35 25,99 11,20 2,96

6,07 2,92 0,37

832 304 286 43

295 200 177 1

44,17 42,17 38,96 23,59

218,98 26,73 20,66 4,01

7,00 9,70 2,69 1,75

898 324 329 83

315 193 157 16

44,73 42,63 39,46 23,89

212,13 30,63 12,20 4,85

9,91 11,00 3,22 1,01

962 372 334 101

336 211 176 26

* Doctor, burg. ir., licentiaat, ind. ir. ** Het VIB werd opgericht in 1995 en werd operationeel in 1996 *** Globale basistoelage, recente referentietaken en doelfinanciering inbegrepen

Diverse (mln. EUR)

Personeel hoger geschoold*

**** Personeel IMEC: alleen payroll (koppen) ***** Personeel IBBT centrale functies

Personeel ander

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

1992 IMEC VITO 1996 IMEC VITO*** VIB** 1998 IMEC VITO VIB 2000 IMEC VITO VIB 2001 IMEC VITO VIB 2002 IMEC VITO VIB 2003 IMEC VITO VIB 2004 IMEC VITO VIB 2005 IMEC VITO VIB IBBT**** 2006 IMEC VITO VIB IBBT 2007 IMEC VITO VIB IBBT 2008 IMEC VITO VIB IBBT 2009 IMEC VITO VIB IBBT

Vlaamse overheid (toelage) (mln. EUR)


130

Tabel 8.8:

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

Wetenschappelijke instelling 1992 IN IBW VIOE CBGS KMSKA 1998 IN IBW VIOE CBGS KMSKA 1999 IN IBW VIOE CBGS KMSKA 2000** IN IBW VIOE CBGS KMSKA 2001 IN IBW VIOE CBGS KMSKA 2002 IN IBW VIOE CBGS KMSKA 2003 IN IBW VIOE CBGS KMSKA CLO CLE 2004 IN IBW VIOE CBGS KMSKA CLO CLE 2005 IN IBW VIOE CBGS*** KMSKA CLO CLE

Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

0,75 0,55 0,45 0,27

0,05 0,35 0,23 0,35

25 11 17 17 17

9 20 43 9 64

1,89 2,33 0,94 0,30 1,53

1,16 0,59 0,03 0,03 1,08

38 31 18 17 25

20 44 55 9 75

2,85 2,40 0,82 0,31 1,79

0,82 0,69 0,03 0,03 0,98

54 31 20 17 25

16 50 55 9 75

3,84 3,02 2,56 1,59 4,23

0,83 0,64 0,03 0,03 0,29

61 41 31 20 25

28 70 73 9 75

4,36 3,84 3,60 1,62 4,74

0,97 1,02 0,03 0,03 1,02

96 44 60 21 25

28 66 84 9 75

4,84 4,73 4,37 1,87 5,58

1,04 0,68 0,23 0,06 0,00

104 52 61 21 27

31 68 55 6 72

5,14 4,93 4,81 1,66 4,85 12,57 2,92

1,26 0,86 0,24 0,05 0,00 9,30 0,00

80 56 52 19 26 130 22

29 72 53 7 68 402 51

4,44 5,15 4,27 1,85 4,75 15,03 3,33

1,00 1,04 0,18 0,07 0,00 10,10 0,34

83 53 34 22 29 121 27

36 78 73 6 72 348 56

4,66 6,1 4,83 1,88 4,64 14,35 2,31

1,09 0,58 0,19 0,09 0,00 10,97 0,53

85 58 54 22 30 121 21

49 84 80 7 68 342 50


131

Tabel 8.8:

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen (vervolg)

Wetenschappelijke instelling 2006 INBO**** ILVO***** VIOE****** KMSKA******* 2007 INBO ILVO VIOE KMSKA 2008 INBO ILVO VIOE KMSKA 2009 INBO ILVO VIOE KMSKA

Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

12,55

2,08

143

129

16,44

11,06

174

309

5,42

0,23

55

74

6,52

0,00

36

73

12,39

2,12

143

129

17,28

10,77

183

312

6,04

0,29

63

92

6,54

0,00

31

74

12,42

2,06

140

129

17,68

13,28

218

305

6,81

0,57

73

81

6,78

0,00

30

83

14,09

3,42

153

128

18,02

12,74

223

308

6,39

0,92

77

77

6,78

0,00

31

81

* **

Doctor, burg. ir., bio-ingenieur, licentiaat, ind ir. Vanaf 2000 worden de salarissen en toelagen van het personeel voor de wetenschappelijke instellingen (behalve voor het IBW) vermeld als onderdeel van de middelen van de Vlaamse overheid. Deze informatie is gebaseerd op de O&O-uitgaven zoals vermeld in de OESO O&O-enquête en wordt toegevoegd aan de middelen afkomstig van de Vlaamse overheid. *** CBGS werd in 2006 opgeheven. **** Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het resultaat van een fusie van IBW en IN. ***** Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) is het resultaat van een fusie van CLE en CLO. ****** Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed (VIOE) ******* Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen (KMSKA)

De steun vanuit de Vlaamse overheid verloopt via financierende

“Onder Eco-innovatie worden alle innovatie-activiteiten begrepen

agentschappen en programma’s uit de beleidsdomeinen

die resulteren in of streven naar een significante verbetering op

Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI), Leefmilieu, Natuur

het gebied van milieubescherming. Eco-innovatie omvat nieuwe

en Energie (LNE), Landbouw en Visserij (LV) en ook Onderwijs

productieprocessen, nieuwe producten of diensten, en nieuwe

en Vorming (OV) voor een beperkt aantal BOF-projecten.

management- en bedrijfsmethoden die waarschijnlijk de risico’s voor het milieu, de verontreiniging en elke andere negatieve

De steunregeling Duurzame Technologische Ontwikkeling,

impact van het gebruik van natuurlijke rijkdommen doorheen

in beheer van IWT, richt zich op zeven innovatiedoelstellingen

de levenscyclus van gerelateerde activiteiten voorkomen of

die het milieu ten goede komen. De DTO-steunregeling komt

substantieel verminderen.” (vertaald uit het Engels)

bovenop de andere subsidiemaatregelen van het IWT. Bijgevolg werd de totale subsidie meegeteld van de projecten

Voor deze nulmeting werd als tijdvenster 2007-2009 gekozen.

met DTO-label. Verder werd ook de ecologiesteun en

Tabel 8.11 laat zien dat de Vlaamse overheid in de periode

de cofinanciering van cleantechprojecten in beschouwing

2007-2009 jaarlijks ongeveer 180 à 190 miljoen euro aan

genomen, onder beheer van het Agentschap Ondernemen.

middelen besteedde aan eco-innovatie en aanverwant

Daarnaast verrichten de strategische onderzoekscentra VITO

onderzoek. Dit is afgerond 0,1% van het BBPR of, vergeleken

en IMEC een aanzienlijk aandeel van hun overheidssteun aan

met het Vlaamse overheidsbudget voor O&O, 16 à 19%.

eco-innovatie gerelateerd onderzoek.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

De gehanteerde definitie van de Europese Commissie luidt:


132

Het departement Landbouw en Visserij financiert eco-innovatie

8.10 REFERENTIES

op verschillende vlakken en door het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) wordt onderzoek in dat kader verricht.

• Speurgidsen WTI 1996-2006, EWI-Speurgidsen 20072010, Speurgids Ondernemen & Innoveren 2011 en

Ten slotte werden onderzoeksprojecten gefinancierd via het MIP (Milieu- en energietechnologie Innovatie Platform) die hierin kaderen opgenomen, naast enkele projecten uit het programma

www.speurgids.be • ‘Main Science and Technology Indicators’, OESO, Volume 2010/2

TWOL (Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

Tabel 8.9:

O&O-overheidskredieten als percentage BBP-Vlaanderen (kredieten in miljoen euro)

VLAAMSE OVERHEID (stricto sensu)

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011BC*

O&O-kredieten 356,106 429,501 479,624 518,639 575,120 595,685 625,071 711,258 770,687 820,666 898,638 967,954 952,670 1.121,429 1.130,072 1.224,024 1.231,308

% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,30 0,36 0,38 0,39 0,42 0,41 0,42 0,43 0,46 0,46 0,47 0,48 0,49 0,53 0,56 0,52 0,54

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE OVERHEID

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011BC*

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale O&O-kredieten** 560,943 635,777 700,282 746,675 801,221 831,317 859,410 946,757 1.023,271 1.069,527 1.132,220 1.219,950 1.215,642 1.403,281 1.390,345 1.504,835 1.512,120

% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,47 0,53 0,55 0,57 0,59 0,57 0,58 0,62 0,65 0,64 0,65 0,66 0,63 0,70 0,71 0,74 0,72

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE + VLAAMS AANDEEL EU-OVERHEID

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011BC*

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale + EU O&O-kredieten *** 624,666 700,499 766,004 813,397 868,944 900,040 929,132 1.017,479 1.111,343 1.157,600 1.220,293 1.308,023 1.303,714 1.549,281 1.536,345 1.650,835 1.658,120

% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,53 0,58 0,60 0,62 0,63 0,62 0,62 0,66 0,70 0,69 0,70 0,71 0,67 0,78 0,79 0,81 0,79

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011 ** Verdeelsleutel ESA aan 28,5% Vlaams (1991-1996) en 35,49% Vlaams (vanaf 1997 en aangehouden) (Bron: VRWI) en de rest van de federale O&O-kredieten aan 56% Vlaams (IMCWB-verdeelsleutel). *** Geraamd volgens berekende returns van het Vierde Kaderprogramma (1994-1998), Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) en Zesde Kaderprogramma (2002-2006) en raming op basis van tussentijds resultaten van het Zevende Kaderprogramma (2007-2013).


133

Tabel 8.10: Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt in % BBP(R) 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC*

Vlaanderen**

0,58%

0,62%

0,65%

0,64%

0,65%

0,66%

0,63%

0,70%

0,71%

0,74%

0,72%

BelgiĂŤ

0,58%

0,60%

0,61%

0,59%

0,59%

0,61%

0,60%

0,68%

0,68%

geen data

Denemarken

0,75%

0,73%

0,73%

0,71%

0,71%

0,72%

0,79%

0,85%

0,99%

0,99%

Duitsland

0,78%

0,78%

0,79%

0,77%

0,77%

0,76%

0,77%

0,79%

0,87%

0,90%

Finland

0,97%

0,97%

1,00%

1,01%

1,03%

1,02%

0,97%

0,98%

1,13%

1,15%

Frankrijk

0,99%

1,00%

0,99%

0,96%

0,97%

0,81%

0,74%

0,74%

0,78%

0,78%

Ierland

0,32%

0,33%

0,37%

0,43%

0,46%

0,45%

0,49%

0,53%

0,58%

geen data

ItaliĂŤ

0,68%

geen data

geen data

geen data

0,67%

0,61%

0,64%

0,63%

0,64%

0,59%

Nederland

0,75%

0,74%

0,74%

0,73%

0,69%

0,71%

0,69%

0,70%

0,79%

0,76%

Portugal

0,58%

0,64%

0,59%

0,62%

0,70%

0,70%

0,75%

0,86%

0,92%

1,02%

Spanje

0,66%

0,74%

0,73%

0,80%

0,84%

1,00%

1,07%

1,00%

0,78%

geen data

Verenigd Koninkrijk

0,66%

0,75%

0,74%

0,69%

0,67%

0,66%

0,65%

0,65%

0,71%

geen data

Zweden

0,81%

0,87%

0,91%

0,87%

0,86%

0,84%

0,79%

0,80%

0,91%

geen data

EU-25

0,73%

0,75%

0,74%

0,74%

0,72%

0,70%

0,70%

0,70%

geen data

geen data

EU-27

0,72%

0,74%

0,73%

0,73%

0,71%

0,69%

0,69%

0,69%

geen data

geen data

Japan

0,70%

0,72%

0,73%

0,72%

0,71%

0,70%

0,68%

0,71%

0,75%

0,74%

Verenigde Staten

0,89%

0,97%

1,04%

1,07%

1,04%

1,02%

1,01%

1,01%

1,18%

geen data

* 2011BC: kredieten na begrotingscontrole uitgavenbegroting 2011 ** Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten + Vlaams aandeel EU-overheid (35,5% ESA en de rest aan 56%)

Tabel 8.11: Overzicht van de Vlaamse overheidssteun voor eco-innovatie, incl. onderzoek 2007-2009 (in miljoen euro) 2008

2009

121,93

128,79

Departement LV

36,98

29,01

30,16

IWT: DTO

14,24

15,07

13,64

VITO

8,49

8,45

12,32

IMEC

3,00

3,48

2,86

BOF en FWO

1,03

1,41

1,79

ILVO

1,00

1,03

1,95

MIP

0,28

1,15

0,97

Departement LNE: TWOL

0,21

0,09

0,07

Totaal

185,23

181,61

192,55

O&O-overheidsbudget (GBAORD)

952,67

1.121,43

1.130,07

Overheidssteun voor eco-innovatie t.o.v. GBAORD

19,4%

16,2%

17,0%

194.421,95

199.654,60

195.563,50

0,10%

0,09%

0,10%

BBPR Overheidssteun voor eco-innovatie t.o.v. BBPR

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 8

2007 120,00

Agentschap Ondernemen: Ecologiesteun en EFRO-cleantechprojecten


134


135

I N N OVAT I E - I N S PA N N I N G E VLAAMSE ONDERNEMI K E R N R E S U LTAT E DE CIS2009-EN

N N N Q

VA N GEN: VA N UÊTE

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Anneleen Bruylant (K.U.Leuven), Julie Delanote (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven) en Susanne Thorwarth (K.U.Leuven)

09


136

9.1 INLEIDING

9.2 METHODOLOGIE

In 2000 heeft de Europese Raad te Lissabon de lat voor de

De methodologische aanbevelingen die Eurostat uitschreef

toekomst zeer hoog gelegd: de Europese Unie wil “de meest

voor het afnemen van de enquête in alle EU-lidstaten werden

concurrerende economie ter wereld worden die in staat is tot

nagenoeg volledig gevolgd op het niveau van de Vlaamse regio.

duurzame economische groei, met meer en betere banen en

Merk op dat het huidige rapport niet volledig vergelijkbaar is

een hechtere sociale samenhang” (Commissie van de Europese

met dat voor de CIS4 die in 2005 afgenomen werd in Vlaanderen

Gemeenschappen, september 2000).

(Aerts et al., 2007). In CIS4 werden ook de industriële sectoren bouwnijverheid, verkoop, onderhoud en reparatie van

Doorheen de decennia heeft men verschillende factoren als

motorvoertuigen en motorrijwielen, kleinhandel en overige

drijfveer van het concurrentievermogen beschouwd. Zo lag in

zakelijke dienstverlening (met uitzondering van architecten,

de jaren ’60 en ’70 van de 20ste eeuw de klemtoon op

ingenieurs en aanverwante technische adviesbureaus, alsook

efficiëntie. Tijdens de jaren ’70 verschoof de focus naar

technische testen en toetsen) bevraagd (codes 45, 50, 52, 74.1,

kwaliteit, terwijl in de volgende decennia flexibiliteit de nieuwe

en 74.4-74.8 volgens de oude NACE-Bel-2003-codering).

kracht werd. Vanaf de jaren ’90 is men innovatie gaan

Deze bijkomende sectoren waren in CIS4 goed voor bijna

beschouwen als dé ultieme competitieve kracht (Debackere,

30% van de populatie. Gezien de innovatiegraad in deze

2002, blz. 2). De Europese Unie is tot diezelfde conclusie

bijkomende sectoren eerder laag is, werden zij niet meer

gekomen en doet dan ook heel wat inspanningen om het

bevraagd in CIS2007, en ook niet in de bevraging van

innovatiepeil in de Unie op te krikken, om zo haar ambitieuze

CIS2009 die we hier bespreken. Net als bij CIS2007 volgde

doelstelling te realiseren.

de datavoorbereiding van CIS2009 de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot de steekproeftrekking, de gegevens-

Een krachtig meetinstrument om de innovatieactiviteiten te

opkuis, de imputatie van ontbrekende waarden, de behandeling

meten is hierbij een basisbehoefte. Sinds de jaren ’80 werd

van de non-respons, en het berekenen van de gewichten voor

hard gewerkt aan een instrumentarium om innovatie te meten.

de extrapolatie van steekproef- naar populatieresultaten.

Hieruit ontstond de “Oslo manual” (OECD, 1992), een rapport van de OECD met richtlijnen voor de verzameling en de

Voor de Vlaamse CIS2009 werd een steekproef getrokken uit

interpretatie van gegevens i.v.m. technologische product- en

de populatie van Vlaamse ondernemingen op basis van grootte

procesinnovatie in industriële productie. In 1997 kwam een

(minstens 10 werknemers) en sector. Een recente versie van

tweede editie (OECD/Eurostat, 1997) uit die ook de diensten-

het werkgeversbestand van de Belgische Rijksdienst voor Sociale

sectoren in rekening nam. De laatste jaren is het bewustzijn

Zekerheid, namelijk de versie van 31 december 2008, fungeerde

gegroeid dat innovatie breder is dan technologische innovatie

als referentiepopulatie. Deze data werden verfijnd op basis van

en in 2005 kwam een nieuwe versie van deze handleiding uit

informatie van het internet, de Algemene Directie Statistiek en

(OECD/Eurostat, 2005), waarin er ook expliciete aandacht voor

Economische Informatie, en de Nationale Bank van België via

organisatorische en marketinginnovatie was.

de Belfirst-databank van Bureau Van Dijk. Uit de resterende populatie van 10.197 bedrijven werden er uiteindelijk 4.969

Op basis van de principes beschreven in deze Oslo manual

geselecteerd voor bevraging. De steekproeftrekking gebeurde

worden de innovatie-inspanningen in de Europese Unie

op basis van twee centrale dimensies: bedrijfsgrootte en NACE-

systematisch gemeten aan de hand van een enquête:

code. Enkele van de bedrijven hadden weliswaar hun hoofd-

de Community Innovation Survey (CIS). De Europese

kwartier in Brussel maar belangrijke activiteiten in Vlaanderen,

Commissie (Eurostat) is de opdrachtgever. De eerste Vlaamse

en werden daarom ook mee bevraagd vanuit Vlaanderen.1

CIS-enquête werd gehouden in 1993, gevolgd door een tweede en derde in 1996 en in 2000. Vanaf 2005 werd de

In totaal beantwoordden 2.202 bedrijven de vragenlijst, wat een

CIS-enquête om de twee jaar gelanceerd door het huidige

responsgraad oplevert van 44%.

Expertisecentrum O&O Monitoring. Dit gebeurde in opdracht van de federale en regionale overheden. In dit Indicatorenboek worden de belangrijkste resultaten van de CIS2009-enquête beschreven. Na een korte schets van de methodologische aspecten gaan we over tot de kernresultaten.

1 Er werden ook een aantal bedrijven met minder dan 10 werknemers alsook bedrijven die buiten de kernsectoren vielen bevraagd, maar dit was louter voor onderzoeksdoeleinden. De resultaten voor deze bijkomende bedrijven worden hier verder buiten beschouwing gelaten.


137

9.3 ANALYSE

De overgrote meerderheid (68%) van de respondenten heeft exportactiviteiten. Ondernemingsgrootte is gerelateerd aan

Bij het rapporteren van de resultaten, worden in hoofdzaak de

exportgedrag: 63% van kleine bedrijven, 74% van middelgrote

twee centrale dimensies van de steekproeftrekking - in een

bedrijven, en 78% van grote bedrijven exporteert. De sectoren

meer geaggregeerde vorm, met oog op maximale validiteit van

ICT/Elektronica en Chemie/Plastics zijn het meest export-

de gegevens - verwerkt in de tabellen. De grootteklassen zijn:

gericht.

kleine bedrijven (10 tot 49 werknemers), middelgrote bedrijven (50 tot 249 werknemers) en grote bedrijven (vanaf 250 werknemers). De NACE-sectoren worden ondergebracht in elf geaggregeerde categorieën. Deze worden weergegeven in

9.5 PRODUCT- EN PROCESINNOVATIEACTIVITEITEN IN VLAANDEREN

tabel 9.1. In eerste instantie wordt de innovativiteit van een onderneming In een eerste sectie wordt een profiel geschetst van de

getoetst op vier dimensies. Een onderneming is innovatief als

respondenten. Daarna worden de innovatieactiviteiten van de

ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria:

respondenten besproken. Voor deze laatste analyses wordt steeds gewerkt met gewogen resultaten omdat op die manier

l

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

de resultaten bekomen met de steekproef veralgemeend

producten (goederen of diensten) op de markt gebracht

kunnen worden naar de beoogde populatie.

(tussen begin 2006 en eind 2008); l

Tabel 9.1:

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om

Aggregaten van NACE-sectoren*

producten en diensten te leveren (tussen begin 2006 en Voeding/Tabak

10, 11, 12

Textiel

13, 14, 15

Papier/Hout

16, 17, 18

Chemie/Plastics

19, 20, 21, 22

Metaal

24, 25

(inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O) om nieuwe

Machines/Voertuigen

28, 29, 30

of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of

ICT/Elektronica

26, 27

processen te ontwikkelen of op de markt te brengen,

Andere Industrieën

5, 6, 7, 8, 9, 23, 31, 32, 33, 35, 36, 37, 38, 39

maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment

Groothandel

46

van bevraging;

Transport/Financiële Diensten/Druk

49, 50, 51, 52, 53, 58, 64, 65, 66

Informatiediensten

61, 62, 63, 71, 72

l

l

de onderneming was eind 2008 bezig met activiteiten

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen begin 2006 en eind 2008).

9.4 PROFIEL VAN DE RESPONDENTEN Uit de resultaten blijkt dat 52% van de Vlaamse Meer dan de helft (55%) van de respondenten maakt deel uit

ondernemingen in deze zin innovatief is, dit voor de periode

van een ondernemingsgroep. Van ongeveer 49% van deze

2006-2008. In Figuur 9.1 wordt de groep van innovatieve

bedrijven is de hoofdzetel in België gevestigd. Daarna volgen

ondernemingen verdeeld over de verschillende dimensies van

bedrijven met hoofdzetel in Nederland (13%), de V.S. (10%),

innovativiteit. Deze dimensies zijn niet mutueel exclusief.

Duitsland (7%), Frankrijk (5%) en Groot-Brittannië (3%).

Procesinnovatie komt het vaakst voor bij de Vlaamse bedrijven.

Andere landen zijn o.a. Zwitserland en Zweden.

Ongeveer 36% van hen deed aan procesinnovatie, wat betekent dat 69% van alle innovatieve Vlaamse bedrijven in de periode 2006-2008 een procesinnovatie introduceerde.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

* De bijlage bevat een overzicht en uitgebreidere omschrijving van de NACE-afdelingen die in elk van deze aggregaten omvat zitten.

eind 2008);


138

Figuur 9.1: Ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovaties in Vlaanderen

75%

50%

67%

69%

58%

25%

0%

Niet-innovatief: 48%

0%

Innovatief: 52%

20%

40%

60%

n Product

n Proces

80%

100%

n Lopend/Afgebroken

Met een innovatiegraad van 52% doet Vlaanderen het in

In tabel 9.2 wordt de innovatiegraad gegeven per sector en

Europa duidelijk heel goed, doch deze 52% is wel een zekere

grootteklasse. De grote bedrijven zijn meer innovatief dan

daling ten opzichte van de resultaten van CIS2007 (toen

de middelgrote en kleine bedrijven (80% versus 64% en 48%).

bedroeg hij nog 56%). De daling is misschien niet echt

De meest innovatieve sector is nog steeds de ICT-/Elektronica-

dramatisch te noemen, maar verdient duidelijke aandacht gelet

sector, aangezien 84% van de bedrijven in deze sector aangeeft

op het steeds toenemend belang van innovatie voor de

(al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

competitiviteit van onze bedrijven.

gehad te hebben in de periode 2006-2008. Tabel 9.3 werpt een licht op het type innovatie dat door de

Tabel 9.2:

Ondernemingen met (al dan niet voltooide)

Vlaamse bedrijven geïntroduceerd werd. Ook hier zien we dat

product- en/of procesinnovaties in Vlaanderen,

de grote bedrijven en middelgrote bedrijven meer innovatief

opgedeeld volgens grootte en sector (%)

zijn: zij introduceerden meer product- en procesinnovaties dan de kleine ondernemingen.

Voeding/Tabak Textiel Papier/Hout Chemie/Plastics Metaal Machines/Voertuigen ICT/Elektronica Andere Industrieën Groothandel Transport/Financiële Diensten/Druk Informatiediensten Totaal

Enige vorm van product- en/of procesinnovatieactiviteit 51% 62% 37% 70% 52% 68% 84% 50% 50% 40% 66% 52%

Kleine bedrijven

48%

Middelgrote bedrijven

64%

Grote bedrijven Totaal

80%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie

52%

Bij innovatieactiviteiten heerst er altijd een grote mate van onzekerheid: niet alle innovatie-inspanningen leiden effectief tot een innovatie. Daarom loont het de moeite om ook te kijken naar bedrijven die zich geëngageerd hebben in innovatieactiviteiten, maar (nog) geen succesvolle innovaties geïntroduceerd hebben. Het profiel van deze ondernemingen is weergegeven in de laatste kolom van tabel 9.3. Hieruit blijkt dat heel wat bedrijven actief innovatie-inspanningen leveren, maar dat dit niet noodzakelijk gereflecteerd wordt in de introductie van een product- of procesinnovatie. Ook hier hangt de mate van innovatieactiviteiten samen met de grootte van de bedrijven.


139

Tabel 9.3:

Vlaamse bedrijven die een innovatie geïntroduceerd hebben (percentage van ondernemingen) Nieuw of duidelijk verbeterd product geïntroduceerd

Nieuw of duidelijk verbeterd proces geïntroduceerd

Lopende / afgebroken innovatieactiviteiten

Kleine bedrijven

33%

34%

26%

Middelgrote bedrijven

43%

41%

43%

Grote bedrijven

63%

56%

62%

Totaal

35%

36%

30%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

Tabel 9.4:

Innovatieactiviteiten, opgedeeld naar ondernemingsgrootte (percentage van ondernemingen)

Interne O&O

Externe O&O

Aankoop van machines

Verwerving externe kennis

Training

Marktintroductie van innovaties

Andere voorbereidingen

Kleine bedrijven

54%

31%

62%

21%

55%

27%

27%

Middelgrote bedrijven

69%

41%

66%

27%

70%

42%

40%

Grote bedrijven

86%

63%

71%

39%

80%

59%

55%

Totaal

59%

35%

63%

24%

59%

32%

31%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Tot nu toe werden in de analyses alle bedrijven betrokken. In de volgende secties (9.6 t.e.m. 9.12) zullen we de eigenschappen

9.7 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING (O&O)

van de groep van ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovaties (52%) verder onderzoeken.

Van de innovatieve ondernemingen die intern aan O&O doen,

Daarna keren we terug naar de totale beoogde populatie van

doet gemiddeld 48% slechts occasioneel aan O&O en 52%

ondernemingen en bekijken we hun evolutie qua innovatie-

permanent. Grote bedrijven doen op meer systematische wijze aan O&O dan middelgrote bedrijven, en deze op hun beurt

alsook het voorkomen van niet-technologische innovaties zoals

meer dan kleine bedrijven. Hightech bedrijven doen gemiddeld

organisatorische innovaties (sectie 9.14), marketinginnovaties

vaker continu aan O&O ten opzichte van de lowtech bedrijven.

(sectie 9.15) en ecologische innovaties (sectie 9.17). In sectie 9.18

De industriesector doet ook vaker permanent aan O&O dan

vatten we de belangrijkste resultaten kort samen.

bedrijven in de dienstensector. Tabel 9.5 geeft meer cijfers. Deze cijfers liggen in lijn met die van CIS2007.

9.6 OORSPRONG VAN INNOVATIEACTIVITEITEN IN 2008

Tabel 9.5:

Karakter van de O&O-activiteiten van de innovatieve ondernemingen

Activiteiten voor product- en procesinnovaties omvatten een brede waaier van engagement, gaande van O&O (intern of extern) tot aankoop van uitrusting en kennis. Deze verschillende activiteiten en het belang ervan zijn terug te vinden in tabel 9.4.

Permanent

Occasioneel

Kleine bedrijven

46%

54%

Middelgrote bedrijven

58%

42%

Grote bedrijven

84%

16%

Wat opvalt, is dat zelfs binnen de populatie van innovatieve

Lowtech

45%

55%

Vlaamse bedrijven, er grote verschillen in activiteiten bestaan;

Hightech

65%

35%

meer bepaald zijn grote bedrijven veel meer actief in de

Industrie

56%

44%

verschillende innovatieactiviteiten dan kleine bedrijven.

Diensten

47%

53%

Grote bedrijven zijn bijvoorbeeld zeer actief in interne

Totaal

52%

48%

O&O-activiteiten. Het O&O-gebeuren in Vlaamse bedrijven is met andere woorden scheef verdeeld. Dit wordt verder besproken in de volgende sectie.

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van O&O-actieve bedrijven

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

graad over de verschillende CIS-bevragingen heen (sectie 9.13),


140

Tabel 9.6:

Publieke financiering van innovatieve ondernemingen (percentage van ondernemingen) Regionale overheid

Belgische overheid

EU

Europees Kaderprogramma

16%

5%

4%

3%

Textiel

9%

7%

0%

0%

Papier/Hout

0%

15%

1%

0%

Chemie/Plastics

24%

15%

6%

4%

Metaal

13%

13%

1%

0%

Machines/Voertuigen

20%

8%

1%

1%

ICT/Elektronica

30%

17%

9%

6%

Andere Industrieën

7%

4%

3%

1%

Groothandel

4%

6%

3%

2%

Transport/Financiële Diensten/Druk

8%

2%

0%

0%

Informatiediensten

25%

8%

9%

7%

Totaal

12%

7%

3%

2%

Kleine bedrijven

10%

5%

2%

2%

Middelgrote bedrijven

13%

10%

4%

3%

Grote bedrijven

31%

21%

11%

8%

Totaal

12%

7%

3%

2%

Voeding/Tabak

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Tabel 9.7:

Objectieven van de product- en/of procesinnovatieactiviteiten (percentage van ondernemingen)

Uitbreiding van het goederen- of dienstenaanbod

41%

Vervanging van verouderde producten/processen

33%

Introductie op nieuwe markten

20%

Groei van het marktaandeel

37%

Betere kwaliteit van de aangeboden goederen/diensten

45%

Verbeterde flexibiliteit van de productie van goederen/diensten

29%

Verhoogde productiecapaciteit van goederen en diensten

26%

Verbeterde gezondheid en veiligheid van de werknemers

16%

Lagere arbeidskosten per eenheid output

22%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

9.8 PUBLIEKE FINANCIERING VAN PRODUCT- EN PROCESINNOVATIES

Deze percentages worden in tabel 9.6 verder opgesplitst naar sector en grootte. De sectoren van ICT/Elektronica, Informatiediensten en Chemie/Plastics worden relatief sterker

Van de Vlaamse ondernemingen met (al dan niet voltooide)

ondersteund door de regionale overheid. De Europese

product- en/of procesinnovatieactiviteiten kon gemiddeld 12%

overheid financiert ook vooral bedrijven in de sectoren

in de periode 2006-2008 een beroep doen op financiële

ICT/Elektronica en Informatiediensten. We zien ook dat grote

ondersteuning van de regionale overheid in de vorm van

ondernemingen meer fondsen ontvangen dan kleinere

beurzen en leningen (inclusief subsidies en leningsgaranties

bedrijven. Ook deze resultaten liggen goed in lijn met die

maar exclusief overheidsbestellingen). De nationale overheid

van CIS2007.

ondersteunde 7% van de innovatieve ondernemingen. Ongeveer 3% van de Vlaamse innovatoren ontving financiële steun van de Europese overheid; twee derde hiervan via het Zesde of Zevende kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese Unie.


141

9.9 OBJECTIEVEN VAN DE PRODUCTEN/OF PROCESINNOVATIEACTIVITEITEN

9.10 ACTOREN IN HET INNOVATIEPROCES VAN DE ONDERNEMING

Om een vollediger inzicht te verkrijgen in het innovatieprofiel

Uit vele analyses van het innovatiesysteem blijkt dat

van Vlaamse bedrijven, is het nuttig om niet alleen de input-

ondernemingen steeds vaker samenwerken met andere

zijde, maar ook de output-zijde te bestuderen: wat verhopen

organisaties voor hun innovatieactiviteiten. Daarom wordt in de

innoverende ondernemingen te bereiken met hun innovatie-

CIS-enquête ook gepeild naar de actoren die betrokken zijn bij

inspanningen? Tabel 9.7 somt de verschillende doelstellingen

de ontwikkeling van een innovatie. De actoren die betrokken

op die bedrijven zich stellen wanneer zij product- en/of proces-

waren bij de product- en procesinnovaties worden opgelijst in

innovaties introduceren. Maar liefst 45% van de innoverende

tabellen 9.8 en 9.9. De cijfers duiden op het belang van andere

bedrijven streeft een betere kwaliteit van de aangeboden

organisaties in het innovatieproces. Bij procesinnovaties wordt

goederen of diensten na. Dit vormt dan ook meteen het

duidelijk meer samengewerkt (32%) dan bij productinnovaties

belangrijkste doel voor innoverende ondernemingen, gevolgd

(23%). Bedrijven introduceren ongeveer evenveel proces-

door het doel het huidige goederen- of dienstenaanbod uit te

innovaties die door andere organisaties werden ontwikkeld

breiden (41%). Andere belangrijke doelstellingen zijn: groei in

als productinnovaties die door andere organisaties werden

het marktaandeel (37%), de vervanging van verouderde

ontwikkeld (9% versus 8%).

producten of processen (33%) en een verbeterde flexibiliteit van de productie van goederen of diensten (29%).

Tabel 9.8:

Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde producten ontwikkeld? (percentage van ondernemingen)

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 67% 73% 84% 69%

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 24% 21% 15% 23%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 9% 6% 0% 8%

Tabel 9.9:

Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde processen ontwikkeld? (percentage van ondernemingen)

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 58% 59% 64% 59%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van procesinnovatoren

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 32% 33% 32% 32%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 10% 8% 4% 9%

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van productinnovatoren


142

Tabel 9.10: Percentages innovatieve ondernemingen met

In deze samenwerkingsverbanden worden leveranciers (27%) en klanten/afnemers (21%) het vaakst genoemd als partners.

samenwerkingsverbanden

Daarna volgen consultants/commerciële laboratoria/O&OVoeding/Tabak

41%

Textiel

46%

Papier/Hout

32%

Chemie/Plastics

57%

verdeling weergegeven van het belang van elke partner in

Metaal

27%

samenwerkingsverbanden van Vlaamse bedrijven voor

Machines/Voertuigen

49%

innovatieactiviteiten. De verdeling en de intensiteit van deze

ICT/Elektronica

57%

Andere Industrieën

32%

Groothandel

36%

Transport/Financiële Diensten/Druk

43%

Informatiediensten

47%

Totaal

40%

Kleine bedrijven

37%

Middelgrote bedrijven

46%

de Verenigde Staten, China of India, en in andere landen.

Grote bedrijven

69%

We zien dat alle bedrijven met product- en/of processinnovatie-

Totaal

40%

activiteiten - onafhankelijk van hun grootte - vooral samen-

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

bedrijven, andere bedrijven in de groep (18%) en universiteiten/ instellingen hoger onderwijs (16%). In tabel 9.11 wordt de

samenwerkingsverbanden liggen in lijn met de bevindingen van CIS2007. Tabel 9.12 geeft weer hoeveel innovatieve bedrijven samenwerkingspartners hebben in België, de Europese Unie,

werkingspartners binnen België hebben. Grote innovatieve ondernemingen (250 werknemers of meer) werken echter ook zeer veel samen met Europese partners. Zij hebben ook

Gemiddeld werkt iets minder dan de helft (40%) van de

duidelijk meer samenwerkingsverbanden buiten Europa dan

innovatieve bedrijven voor innovatieprojecten samen met een

kleinere bedrijven. Wanneer we naar de sectoren kijken, zien

partner. Bij grote bedrijven ligt dit gemiddelde veel hoger (69%).

we dat Chemie/Plastics, Textiel, en ICT/Elektronica relatief

Bedrijven in de sectoren Chemie/Plastics en ICT/Elektronica

veel samenwerkingsverbanden met Europese partners hebben.

(57%), Machines/Voertuigen (49%), Informatiediensten (47%) en

De ICT-/Elektronica-sector werkt voor haar innovatie-inspanningen

Textiel (46%) zijn ook relatief meer geneigd tot samenwerking.

relatief veel samen met partners in de V.S. China en India

De percentages worden voorgesteld in tabel 9.10.

leveren relatief weinig samenwerkingspartners. Chinese en Indische partners komen het meest voor in de sectoren ICT/Elektronica en Chemie/Plastics.

Tabel 9.11: Type partners in samenwerkingsverbanden (percentage van ondernemingen) Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software

27%

Klanten of afnemers

21%

Andere bedrijven in de groep

18%

Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs

16%

Consultants / Commerciële laboratoria / O&O-bedrijven

18%

Publieke onderzoeksinstellingen

12%

Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

12%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten


143

Tabel 9.12: Belang van partners in samenwerkingsverbanden volgens geografische locatie (percentage van ondernemingen) Belgium

EU

Voeding/Tabak

38%

17%

USA 5%

China/India 2%

Andere landen 5%

Textiel

41%

38%

14%

7%

9%

Papier/Hout

31%

1%

0%

0%

0%

Chemie/Plastics

50%

39%

15%

9%

8%

Metaal

21%

19%

7%

5%

3%

Machines/Voertuigen

44%

32%

9%

5%

4%

ICT/Elektronica

51%

36%

23%

10%

16%

Andere Industrieën

31%

24%

2%

1%

3%

Groothandel

28%

25%

7%

5%

7%

Transport/Financiële Diensten/Druk

33%

22%

1%

3%

9%

Informatiediensten

44%

27%

14%

6%

6%

Totaal

34%

25%

8%

4%

6%

Kleine bedrijven

31%

22%

5%

4%

6%

Middelgrote bedrijven

39%

28%

13%

5%

7%

Grote bedrijven

63%

48%

25%

16%

15%

Totaal

34%

25%

8%

4%

6%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Tabel 9.13: Informatiebronnen voor de innovatieactiviteiten (percentage van ondernemingen)

51% 34% 29% 12% 5% 6% 5% 10% 6% 9%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

9.11 INFORMATIEBRONNEN

Naast deze actoren die rechtstreeks aan de onderneming verbonden zijn, spelen ook een aantal indirecte bronnen een

De informatiebronnen die aan de basis liggen van de product-

rol, zoals beurzen en tentoonstellingen (10%), professionele

en procesinnovatieactiviteiten werden ook bevraagd in

associaties (9%), universiteiten/andere instellingen van hoger

CIS2009. Uit de antwoorden blijkt dat de meeste informatie uit

onderwijs en tijdschriften/publicaties (6%). Consultants en

interne bronnen (51%) gehaald wordt. Andere belangrijke

publieke of particuliere non-profit instellingen (5%) zijn iets

bronnen zijn leveranciers (34%), en klanten of afnemers (29%).

minder belangrijk. Tabel 9.13 vat deze informatie kort samen.

In mindere mate zijn ook concurrenten en andere bedrijven uit

Ook deze resultaten liggen goed in lijn met die van CIS2007.

dezelfde industriële sector (12%) een bron van informatie.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

Interne bronnen Onderneming zelf en andere bedrijven binnen de groep (voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep) Marktbronnen Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector Institutionele bronnen Consultants Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Publieke of particuliere non-profit instellingen Andere bronnen Beurzen, tentoonstellingen, conferenties Tijdschriften, publicaties Professionele associaties


144

Tabel 9.14: Bescherming van innovaties: verschillende methoden (percentage van ondernemingen) Octrooien

Industriële designs

Handelsmerken

Copyright

7%

2%

21%

0%

21%

9%

18%

1%

9%

3%

19%

1%

Chemie/Plastics

26%

9%

24%

2%

Metaal

11%

7%

10%

2%

Machines/Voertuigen

22%

10%

12%

3%

ICT/Elektronica

30%

13%

24%

7%

Andere Industrieën

7%

5%

12%

5%

Groothandel

4%

5%

12%

2%

Transport/Financiële Diensten/Druk

0%

0%

9%

9%

Informatiediensten

20%

4%

19%

9%

Totaal

10%

5%

14%

4%

6%

3%

13%

5%

Middelgrote bedrijven

18%

7%

16%

2%

Grote bedrijven

37%

15%

31%

5%

Totaal

10%

5%

14%

4%

Voeding/Tabak Textiel Papier/Hout

Kleine bedrijven

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

9.12 BESCHERMING VAN INNOVATIE

9.13 HISTORISCHE VERGELIJKING

Innovatie-inspanningen zijn zeer belangrijk, maar het is ook

Zoals reeds aangegeven, omvatte CIS4 meer sectoren dan

belangrijk dat bedrijven de geleverde inspanningen voldoende

CIS3, CIS2007 en de hier besproken CIS2009. We kunnen

kunnen afschermen om zo de maximale opbrengst uit de

een historische vergelijking maken door voor de CIS4 deze

investering te realiseren. Een zeer belangrijke - maar zeker niet

extra sectoren buiten beschouwing te laten. Zoals blijkt uit

steeds waterdichte - manier is de aanvraag van een octrooi.

tabel 9.15, blijft het percentage ondernemingen dat (al dan niet

In eerste instantie kijken we in deze sectie naar de octrooi-

voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten rapporteert

aanvragen. Deze geven een indicatie van de innovatieoutput

vrijwel stabiel. Er is een trage daling merkbaar, maar of dit

die bedrijven proberen te beschermen. In de tweede kolom

een trend is die nog verder zal evolueren, of een correctie van

van tabel 9.14 wordt het percentage van bedrijven dat

een ongebruikelijk hoge innovatiegraad in het verleden, moet

minstens één octrooiaanvraag ingediend heeft, weergegeven.

de toekomst nog uitwijzen. In elk geval moet deze evolutie

Gemiddeld is dat slechts 10%. Grote bedrijven en bedrijven

nauwgezet worden opgevolgd.

in de sectoren ICT/Elektronica en Chemie/Plastics, zijn duidelijk het meest actief in octrooiaanvragen. Tabel 9.15: Evolutie percentage ondernemingen met Naast octrooiaanvragen wordt er nog een hele waaier andere

(al dan niet voltooide) product- en/of

beschermingsmethoden toegepast. Tabel 9.14 geeft ook drie

procesinnovatieactiviteiten

andere mogelijkheden: het registreren van industriële ontwerpen, handelsmerken, en auteursrechten. We zien dat de handels-

CIS3 (2001) CIS4 (2005)

CIS2007

CIS2009 52%

Alle bedrijven

58%

59%

56%

KMO's

58%

57%

54%

51%

sectoren ICT/Elektronica en Chemie/Plastics. Ook het registreren

Grote bedrijven

83%

88%

82%

80%

van industriële ontwerpen blijkt enigszins relevant in de ICT/

Lowtech

55%

55%

53%

49%

Elektronicasector. Het registreren van auteursrechten blijkt dan

Hightech

71%

78%

71%

70%

weer het meest van belang voor de Informatiedienstensector

Industrie

69%

64%

64%

56%

en de sector Transport/Financiële Diensten/Drukkerijen.

Diensten

49%

54%

49%

49%

merken het belangrijkst zijn, en dan vooral voor bedrijven in de

Grote ondernemingen zijn duidelijk meer actief in drie van de vier beschermingsmethoden die werden bevraagd.

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie


145

9.14 ORGANISATORISCHE INNOVATIES

Het belangrijkste doel dat via organisatorische innovaties wordt nagestreefd, is de capaciteit om sneller te reageren op de

Naast product- of procesinnovaties, kunnen ook organisatorische-

behoeften van klanten of leveranciers (64%). Een betere kwaliteit

of marketinginnovaties een significante impact hebben op de

van goederen of diensten is ook een belangrijke doelstelling

performantie van een onderneming. Organisatorische innovatie

bij organisatorische innovatoren (56%), alsook een betere

werd in de CIS2009 gedefinieerd als het implementeren van

communicatie of informatiedeling binnen het bedrijf, of met

“een nieuwe - nog niet eerder door de onderneming gebruikte -

andere bedrijven of openbare instellingen (40%). Tabel 9.17

organisatiemethode in de bedrijfspraktijken (inclusief het

geeft meer details.

kennisbeheer), in de arbeidsorganisatie of in de externe relaties met andere bedrijven of openbare instellingen. Deze nieuwe organisatiemethode moet het gevolg zijn van strategische

9.15 MARKETINGINNOVATIES

beslissingen genomen door het management.” De implementatie van een nieuw marketingconcept, of van In de beschouwde periode, 2006-2008, werden organisatorische

een nieuwe marketingstrategie die significant verschillend is

innovaties door 35% van de bedrijven ingevoerd (tabel 9.16).

van de binnen het bedrijf bestaande marketingmethodes,

Vooral de grote bedrijven voerden dergelijke innovaties in,

en die nog nooit eerder door het bedrijf werd gebruikt, wordt

namelijk 55% van de grote bedrijven, ten opzichte van

als een marketinginnovatie beschouwd in CIS2009. Dit vereist

45% en 32% voor de middelgrote en kleine bedrijven.

“significante veranderingen in design, verpakking, promotie of

Hightechbedrijven realiseerden opmerkelijk meer organisatorische

prijszetting van het product. Seizoenveranderingen, regelmatige

innovaties (49%) dan lowtechbedrijven (32%). Een dergelijk

veranderingen of andere routinematige veranderingen in de

verschil vindt men echter niet terug tussen de diensten-

marketingtechnieken vallen hier niet onder.”

en industriesector. Volgens deze definitie heeft 32% van de bevraagde bedrijven aan marketinginnovatie gedaan in de periode 2006-2008. Tabel 9.16: Organisatorische innovaties naar grootte, diensten vs. industrie en high- vs. lowtech

De verschillen tussen lowtech- en hightechbedrijven, of tussen de industrie- en de dienstensector, zijn hier veel minder uitgesproken dan voor organisatorische innovaties. Wel dient

32%

Middelgrote bedrijven

45%

Grote bedrijven

55%

Lowtech

32%

Hightech

49%

de aanwezigheid van marketinginnovaties vindt u terug in

Industrie

34%

tabel 9.18.

Diensten

35%

Totaal

35%

opgemerkt te worden dat opnieuw grote bedrijven heel wat actiever zijn in dit soort innovatie (51%) dan middelgrote (39%) of kleine (30%) bedrijven. Een volledig overzicht van

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

Tabel 9.17: Objectieven van organisatorische innovaties (percentage van ondernemingen) Snellere reactie op behoeften van klanten of leveranciers

64%

Verbeterd vermogen om nieuwe producten of processen te ontwikkelen

29%

Betere kwaliteit van goederen of diensten

56%

Lagere kosten per eenheid output

30%

Verbeterde communicatie/informatiedeling binnen bedrijf of met andere bedrijven/openbare instellingen

40%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van organisatorische innovatoren

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

Kleine bedrijven


146

Tabel 9.18: Marketinginnovaties naar grootte, diensten vs.

l

de onderneming was eind 2008 bezig met activiteiten (inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O) om nieuwe

industrie en high- vs. lowtech

of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) Kleine bedrijven

30%

Middelgrote bedrijven

39%

Grote bedrijven

51%

Lowtech

31%

Hightech

38%

Industrie

34%

Diensten

31%

om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of

Totaal

32%

diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te

of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment van bevraging; l

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht

brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

begin 2006 en eind 2008); Uit tabel 9.19 blijkt dat deze marketinginnovaties in eerste

l

instantie worden uitgevoerd met het oog op het vergroten of

de onderneming heeft nieuwe organisatiemethodes geïntroduceerd (tussen begin 2006 en eind 2008);

handhaven van het marktaandeel (55%). Ook het introduceren van de producten bij nieuwe klantengroepen is een belangrijk

l

de onderneming heeft nieuwe marketingconcepten of

objectief van marketinginnovaties (43%). Nieuwe geografische

marketingstrategieën geïmplementeerd (tussen begin

markten worden door minder dan een derde van de bedrijven

2006 en eind 2008).

die marketinginnovaties doorvoerden als een doel gezien. Uit de resultaten blijkt dat 62% van de Vlaamse ondernemingen in deze zin innovatief is, dit voor de periode 2006-2008.

9.16 TOTALE INNOVATIEACTIVITEITEN IN VLAANDEREN

Ongeveer 10% van de Vlaamse bedrijven deed dus niet aan product- en/of procesinnovatie, maar introduceerde echter wél nieuwe organisatiemethodes of marketinginnovaties.

Recent heeft Eurostat de definitie van innovatie herzien om ook rekening te houden met organisationele en marketinginnovaties. Volgens deze herziene definitie is een onderneming innovatief als ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria: l

9.17 ECOLOGISCHE ASPECTEN VAN INNOVATIE

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

De CIS2009-enquête bevatte een speciale module rond

producten (goederen of diensten) op de markt gebracht

milieu-innovatie. Een milieu-innovatie werd hierbij gedefinieerd

(tussen begin 2006 en eind 2008);

als de introductie van een productinnovatie (goed of dienst), proces-, organisatorische of marketinginnovatie die een

l

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

positieve bijdrage levert voor het milieu in vergelijking met

productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om

de alternatieven. Deze positieve bijdragen kunnen het

producten en diensten te leveren (tussen begin 2006 en

hoofdobjectief zijn van deze innovatie, maar kunnen eveneens

eind 2008);

het resultaat zijn van andere objectieven.

Tabel 9.19: Objectieven van marketinginnovaties Groter of gehandhaafd marktaandeel

55%

Introduceren van producten bij nieuwe klantengroepen

43%

Introduceren van producten op nieuwe geografische markten

28%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van marketinginnovatoren


147

Bij analyse van de antwoorden op deze module, bleek dat

Tabel 9.20: Ondernemingen met milieu-innovaties (in %)

de respondenten in Vlaanderen - net als in de rest van België Totaal

37%

Voeding

41%

correct hadden begrepen. In principe kan men volgens de in

Textiel

45%

CIS2009 gehanteerde definitie van milieu-innovaties enkel

Papier/Hout

35%

over een milieu-innovatie spreken wanneer het bedrijf een

Chemie/Plastics

61%

Metaal

39%

Machines/Voertuigen

50%

marketinginnovatie heeft geïntroduceerd, die een positieve

ICT/Elektronica

60%

bijdrage levert voor het milieu. In realiteit blijkt dat heel wat

Andere Industrieën

44%

bedrijven de vragen inzake milieueffecten en redenen voor het

Groothandel

35%

Transport/Financiële Diensten/Druk

26%

Informatiediensten

31%

rest van de CIS2009-enquête aangaven geen enkele product-,

Kleine bedrijven

32%

proces-, organisatorische of marketinginnovatie te hebben

Middelgrote bedrijven

52%

doorgevoerd. Uit telefonisch contact met een aantal van deze

Grote bedrijven

71%

Industrie

45%

Diensten

31%

milieu-innovaties dachten aan het beter sorteren van afval,

Hightech

43%

het vervangen van traditionele lampen door spaarlampen, enz.

Lowtech

36%

en in alle andere Europese landen - deze definitie niet altijd

productinnovatie (goed of dienst), proces-, organisatorische of

introduceren van milieu-innovaties invulden, alhoewel zij in de

bedrijven bleek dat zij bij het invullen van de vragen rond

Overeenkomstig Europese afspraken, gebruiken wij hieronder

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

enkel de consistente antwoorden voor onze analyses. Tabel 9.21 geeft weer in welke mate de verschillende voordelen

een milieu-innovatie introduceerden in de periode 2006-2008.

van milieu-innovaties werden aangehaald door de milieu-

De grote bedrijven engageerden zich meer in innovaties

innovatoren. Van alle bedrijven die een milieu-innovatie

ten behoeve van het milieu dan de middelgrote en kleine

introduceerden, introduceerde 92% zulke innovatie met een

bedrijven. Ook deed de industrie het met 45% beter dan

voordeel voor het bedrijf zelf. Slechts 62% van hen voerde

de dienstensector (31%). De sectoren van Chemie/Plastics en

een milieu-innovatie door met enig voordeel voor de gebruiker.

ICT/Elektronica leidden ten opzichte van de andere sectoren;

De recyclage van afval, water of materiaal was duidelijk het

respectievelijk 61% en 60% van de bedrijven in deze sectoren

belangrijkste bedrijfsvoordeel (55%), terwijl minder vervuiling

introduceerden tussen 2006 en 2008 milieu-innovaties.

van grond, water, lucht of minder geluidshinder bij de eind-

Hightech-bedrijven introduceerden ietwat meer milieu-innovaties

gebruiker het minst werden aangehaald (35%). De gebruikers

dan hun lowtech tegenhangers.

hadden dan wel weer een lager energieverbruik als belangrijkste voordeel (45%).

De eigenlijke milieubijdragen van de geïntroduceerde innovatie kunnen tot uiting komen tijdens de productiefase van de goederen of de diensten ofwel tijdens het gebruik ervan na aankoop door de eindgebruiker. Milieuvoordelen van de productie van goederen en diensten kunnen zijn: lager materiaal- of energieverbruik per eenheid output, kleinere CO2-voetafdruk van het bedrijf, vervanging van materialen door minder vervuilende of minder gevaarlijke substituten, minder vervuiling van grond, water, lucht of minder geluidshinder en ten slotte recyclage van afval, water of materiaal. De milieuvoordelen voor gebruikers kunnen tot uiting komen door een lager energieverbruik van het product, minder vervuiling van grond, water, lucht of minder geluidshinder of ten slotte een betere recyclage van het product na gebruik.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

Uit tabel 9.20 blijkt dat 37% van alle Vlaamse bedrijven


148

Tabel 9.21: Eindvoordeel van milieu-innovaties (percentage van ondernemingen) Milieuvoordelen van de productie van goederen en diensten binnen het bedrijf

92%

Lager materiaalverbruik per eenheid output

40%

Lager energieverbruik per eenheid output

48%

Kleinere CO2-voetafdruk van het bedrijf (totale CO2-uitstoot door productie, vervoer, enz.)

44%

Vervanging van materialen door minder vervuilende of minder gevaarlijke substituten

48%

Minder vervuiling van grond, water, lucht of minder geluidshinder

50%

Recyclage van afval, water of materiaal

55%

Milieuvoordelen van het gebruik van de goederen of diensten na aankoop door de eindgebruiker

62%

Lager energieverbruik

45%

Minder vervuiling van grond, water, lucht of minder geluidshinder

35%

Betere recyclage van het product na gebruik

39%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van milieu-innovatoren

Tabel 9.22: Redenen voor het introduceren van milieu-innovaties (percentage van ondernemingen) Kleine bedrijven

Middelgrote bedrijven

Grote bedrijven

Totaal

Reeds bestaande milieureglementeringen of -taksen

28%

42%

52%

33%

Verwachte milieureglementeringen of -taksen

24%

31%

43%

27%

Beschikbaarheid van toelagen, subsidies of andere openbare financiële premies voor milieu-innovaties

13%

17%

22%

15%

Bestaande of geanticipeerde vraag vanwege de klant

22%

29%

29%

24%

Vrijwillige gedragscodes of akkoorden ter bevordering van goede milieupraktijken in de bedrijfstak

37%

45%

54%

40%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van milieu-innovatoren

Tabel 9.22 geeft een betere kijk op de redenen van bedrijven

In het algemeen valt op dat grote bedrijven die een milieu-

om aan milieu-innovaties te doen. Van alle bedrijven die een

innovatie introduceerden hiervoor meer redenen aanhaalden

milieu-innovatie introduceerden, gaf 40% aan dat vrijwillige

dan KMOs die een milieu-innovatie introduceerden (tabel 9.22).

gedragscodes of akkoorden ter bevordering van goede milieu-

We zien echter dat het relatieve belang van verschillende

praktijken in de bedrijfstak hiervoor de aanleiding vormden.

redenen hetzelfde is voor kleine, middelgrote en grote

Ook bestaande reglementering vormden een belangrijke

bedrijven.

drijfveer voor 33% van de bedrijven die een milieu-innovatie

bevordering van goede milieupraktijken in de bedrijfstak

introduceerden. In 27% van de gevallen waren verwachte

blijken in elke grootteklasse de belangrijkste drijfveer voor het

Vrijwillige

gedragscodes

of

akkoorden

ter

milieureglementeringen of -taksen het motief voor de innovaties,

introduceren van milieu-innovaties. De beschikbaarheid van

terwijl 24% van de bedrijven die een milieu-innovatie

toelagen, subsidies of andere openbare financiële premies werd

introduceerden, dit deden om in te gaan op een bestaande of

door elke grootteklasse het minst aangehaald als reden om

geanticipeerde vraag vanwege de klant. De beschikbaarheid

milieu-innovaties door te voeren.

van toelagen, subsidies of andere openbare financiële premies werd het minst aangehaald als reden om milieu-innovaties door te voeren (15%).


149

9.18 BESLUIT

Bij de objectieven voor organisatorische innovatie kwam opnieuw het belang van kwaliteit van goederen en diensten

In dit overzicht werden de CIS2009-resultaten samengevat in

naar voor, samen met de noodzaak sneller te kunnen reageren

een aantal kerntabellen. De innovatiegraad inzake product-

op veranderende klantenbehoeften. Bij het invoeren van

en/of procesinnovatie van de Vlaamse bedrijfswereld bedraagt

marketinginnovaties kwamen het introduceren van producten

52%, wat vergelijkbaar is met cijfers voor de voorbije jaren,

bij nieuwe klantengroepen (43%) en het vergroten of

alhoewel een lichte daling ten opzichte van CIS2007 zich laat

handhaven van het marktaandeel dan weer sterk naar voor

optekenen. De meeste Vlaamse innovatieve bedrijven zijn

(55%) als belangrijke objectieven.

procesinnovatoren (36%), maar productinnovatie komt nagenoeg even vaak voor (35%). Ongeveer 30% van de

Ongeveer 37% van alle Vlaamse bedrijven introduceerden in

innovatieve bedrijven heeft in de periode 2006-2008 product-

de periode 2006-2008 een milieu-innovatie. Van alle bedrijven

of procesinnovatieactiviteiten stopgezet of afgebroken.

die een milieu-innovatie introduceerden, introduceerde 92% zulke innovatie met een voordeel voor het bedrijf zelf.

Product- en procesinnovaties blijken in de eerste plaats

Slechts 62% van hen voerde een milieu-innovatie door met

uitgevoerd te worden met het oog op betere kwaliteit van

enig voordeel voor de gebruiker. Zowel vrijwillige gedragscodes

goederen en diensten (45%), gevolgd door uitbreiding van het

of akkoorden in de bedrijfstak als verwachte of bestaande

goederen- of dienstenaanbod.

milieureglementeringen blijken een belangrijke drijfveer voor het introduceren van milieu-innovaties. De beschikbaarheid van

Van de Vlaamse bedrijven die aan product- en/of proces-

toelagen, subsidies of andere openbare financiële premies blijkt

innovatie doen, ontving in de periode 2006-2008 gemiddeld

de minst belangrijke reden om milieu-innovaties door te voeren.

12% financiële ondersteuning van de regionale overheid, 7% van de nationale overheid, en 3% van de Europese overheid.

9.19 REFERENTIES

Samenwerkingverbanden voor deze innovatieprojecten blijken

• AERTS, K., ANDRIES, P., CZARNITZKI, D. en HOSKENS,

zeer belangrijk. Leveranciers, klanten en consultants/commerciële

M., Hoofdstuk 7: Innovatie-kenmerken van Vlaamse

laboratoria/O&O-bedrijven zijn de belangrijkste partners.

ondernemingen: kernresultaten van de CIS-4 enquête,

Ook andere bedrijven binnen de groep evenals universiteiten

pp. 117-130, in: Vlaams Indicatorenboek 2007, Steunpunt

zijn belangrijke partners. Naast de bedrijven van de eigen groep vormen leveranciers en klanten een belangrijke bron van informatie voor innovatieactiviteiten.

O&O Indicatoren, 2007 (ISBN 1374-6294) • Commissie van de Europese Gemeenschappen, Innovatie in een kenniseconomie, Brussel September 2000. • DEBACKERE, K., Universities as Incubators, Science Alliance

Het gebruik van verschillende beschermingsmethoden voor

Conference, Den Haag, 2002.

product- en/of procesinnovatie is sectorafhankelijk. Wel blijkt

• OECD, Proposed Guidelines for Collecting and Interpreting

dat grote bedrijven meer actief zijn in het beschermen van hun

Technological Innovation Data -- Oslo Manual, Paris, OECD,

innovaties dan KMOs.

1992. • OECD/EUROSTAT, Proposed Guidelines for Collecting and

Naast product- en procesinnovatie vormen ook organisatorische

Interpreting Technological Innovation Data: Oslo Manual,

innovatie en marketinginnovatie belangrijke bronnen van

second edition: The Measurement of Scientific and

vernieuwing in het bedrijf. Ongeveer 35% van de Vlaamse

Technological Activities Series, Paris, OECD, 1997.

bedrijven voerde in de periode 2006-2008 een organisatorische

• OECD/EUROSTAT, The Measurement of Scientific and

innovatie door, terwijl 32% van de bedrijven in die periode een

Technological Activities. Guidelines for Collecting and

marketinginnovatie invoerde. Ongeveer 10% van de Vlaamse

Interpreting Innovation Data: Oslo Manual, third edition:

bedrijven deed niet aan product- en/of procesinnovatie, maar

The Measurement of Scientific and Technological Activities

introduceerde daarentegen wél nieuwe organisatiemethodes of

Series, Paris, OECD, 2005.

marketinginnovaties.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

Vooral de grote ondernemingen ontvingen dergelijke fondsen.


150

BIJLAGE: NACE-AFDELINGEN OMVAT IN DE BEOOGDE DOELPOPULATIE VOOR CIS2009 (NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE; CF. DE METHODOLOGISCHE RICHTLIJNEN VAN EUROSTAT) Primaire sector Winning van delfstoffen 5

Winning van steenkool en bruinkool

6

Winning van aardolie en aardgas

7

Winning van metaalertsen

8

Overige winning van delfstoffen

9

Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw

Verwerkende nijverheid Voedingsproducten, dranken en tabak 10

Vervaardiging van voedingsmiddelen

11

Vervaardiging van dranken

12

Vervaardiging van tabaksproducten

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid 13

Vervaardiging van textiel

14

Vervaardiging van kleding

15

Vervaardiging van leer en van producten van leer

Hout, papier, drukkerijen 16

Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk

17

Vervaardiging van papier en papierwaren

18

Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen 19

Vervaardiging van cokes en van geraffineerde aardolieproducten

20

Vervaardiging van chemische producten

21

Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten

22

Vervaardiging van producten van rubber of kunststof

Niet-metaalhoudende minerale producten 23

Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten

Metallurgie 24

Vervaardiging van metalen in primaire vorm

Vervaardiging van producten in metaal, exclusief machines en apparaten 25

Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparaten

ICT/Elektronica 26

Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten

27

Vervaardiging van elektrische apparatuur

Machines, voertuigen 28

Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.

29

Vervaardiging en assemblage van auto's, aanhangwagens en opleggers

30

Vervaardiging van andere transportmiddelen

Meubels, overige industrie 31

Vervaardiging van meubelen

32

Overige industrie


151

Reparatie en installatie van machines en apparaten 33

Reparatie en installatie van machines en apparaten

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht 35

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht

Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering 36

Winning, behandeling en distributie van water

37

Afvalwaterafvoer

38

Inzameling, verwerking en verwijdering van afval; terugwinning

39

Sanering en ander afvalbeheer

Dienstensector Groothandel 46

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorfietsen

Vervoer en opslag 49

Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen

50

Vervoer over water

51

Luchtvaart

52

Opslag en vervoersondersteunende activiteiten

53

Posterijen en koeriers

Uitgeverijen 58

Uitgeverijen

Informatie- en communicatietechnologiediensten 61

Telecommunicatie

62

Ontwerpen en programmeren van computerprogramma's, computerconsultancy-activiteiten en aanverwante activiteiten

63

Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

FinanciĂŤle activiteiten en verzekeringen FinanciĂŤle dienstverlening, exclusief verzekeringen en pensioenfondsen

65

Verzekeringen, herverzekeringen en pensioenfondsen, exclusief verplichte sociale verzekeringen

66

Ondersteunende activiteiten voor verzekeringen en pensioenfondsen

Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen 71

Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen

Onderzoek en ontwikkeling 72

Speur- en ontwikkelingswerk op wetenschappelijk gebied

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 H O O F D S T U K 9

64


152


153

B I B L I O M E T R I S C H E A N A LY S E VA N H E T V L A A M S O N D E R ZO E K I N D E L E V E N S - , N AT U U R - E N TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven) en Bart Thijs (K.U.Leuven)

10


154

10.1 INLEIDING

Daarom kan men de wetenschap bestuderen aan de hand van de wetenschappelijke literatuur zelf, die tot op zekere hoogte

Bij het concipiëren, het opvolgen en het evalueren van het

een weerspiegeling vormt van de activiteiten.

O&O-beleid van de overheid maar ook van universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven, groeit de nood aan

De diverse wetenschappelijke domeinen hebben wel een eigen

kwantitatieve informatie. Hoewel kwantitatieve gegevens nooit

typische onderzoeks- en publicatiecultuur. Zo spelen in de

toelaten de werkelijkheid volledig te omschrijven, vormen ze

natuur- en levenswetenschappen tijdschriften een essentiële rol

wel onmisbare achtergrondinformatie.

in de communicatie tussen vakgenoten. Voor de technische wetenschappen nemen conferentieproceedings en rapporten

Naast informatie over onder meer de O&O-bestedingen door

daarnaast een belangrijke plaats in. De natuur- en levens-

de verschillende actoren en de verdeling van deze middelen over

wetenschappen en ook de basisdisciplines in de technische

de verschillende domeinen, hebben beleidsmakers ook behoefte

wetenschappen zijn bovendien sterk internationaal gericht

aan gegevens over de wetenschappelijke en technologische

– waarbij het Engels dominant is bij de informatieuitwisseling.

output. Bibliometrische analyses, die gebaseerd zijn op de bibliografische gegevens van publicaties vormen een van de

In deze disciplines kan dan ook een onderscheid worden

methoden om het onderzoekspotentieel in kaart te brengen.

gemaakt tussen de ‘centrale’ en de meer ‘perifere’ tijdschriften. De eerste zijn grosso modo de internationaal toonaangevende

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de omvang

publicaties, met een goed functionerend referee-systeem.

en de impact van het Vlaams onderzoek in de natuur-, levens-

De andere zijn wat minder toonaangevend en vaak meer

en technische wetenschappen zoals dat kan worden zichtbaar

nationaal georiënteerd.

gemaakt aan de hand van publicaties verschenen in tijdschriften die worden verwerkt voor de Science Citation Index en aan

Bibliometrische macro- en meso-analyses zijn vandaag de dag

de hand van papers voorgesteld op internationale/nationale

dan ook ondenkbaar zonder te vertrekken van een

conferenties en opgenomen in de ISI Proceedings databank.

veelomvattende, multidisciplinaire bibliografische databank. Voor de bibliometrische analyse van de onderzoeksprestaties van landen, regio’s, instituten en onderzoeksgroepen is

10.2 BIBLIOMETRISCHE STUDIES EN DE BIBLIOGRAFISCHE GEGEVENS BESTANDEN VAN HET ISI

bovendien de recurrente beschikbaarheid van een citatie-index een noodzakelijke voorwaarde. De bibliografische databestanden van het Amerikaanse Instituut voor Wetenschappelijke Informatie (ISI, Philadelphia, PA, USA – nu onderdeel van Thomson

Bibliometrische analyses van publicaties laten toe onderzoeks-

Reuters) vormen in deze optiek een onmisbaar vertrekpunt

prestaties in kaart te brengen. Voor de wetenschapsbeoefening

voor om het even welke bibliometrische analyse. Tijdens de

wordt hierbij een model gebruikt, waarvan we hier even de

voorbije dertig jaar is de Science Citation Index (SCI®), en later

krijtlijnen schetsen. Fundamenteel onderzoek leidt tot nieuwe

ook zijn uitgebreide versie Science Citation Index Expanded

inzichten in de mens en zijn omgeving. De praktische

(SCIE) en het Web of Science® (onderdeel van Thomson

toepassing van de resultaten van dit soort onderzoek zijn echter

Reuters Web of Knowledge), een van de meest geaccepteerde

zelden onmiddellijk duidelijk en vragen vaak nog belangrijke

en onderzochte bronnen voor bibliometrische analyses

investeringen. Fundamenteel onderzoek wordt dan ook

geworden. Hoewel er ook kritische bedenkingen te geven zijn

grotendeels gefinancierd met publieke middelen. De resultaten

(bijvoorbeeld voor wat betreft de tijdschriftendekking en de

ervan vormen een quasi-publiek goed. Ze maken deel uit van

aanpak van het ISI in verband met de dataverwerking bij de

het cultureel en maatschappelijk patrimonium.

ontwikkeling en invulling van de SCI), zijn de unieke kenmerken van de SCI tegenwoordig algemeen aanvaarde

Publicaties in de open literatuur vormen de meest gebruikte maar niet enige manier om deze resultaten bekend te maken. Het is daarbij gebruikelijk dat onderzoekers door vermeldingen in voetnoten of in een referentielijst aangeven op welke wijze ze voortbouwden op eerder werk.

onderdelen geworden van de bibliometrische technologie.


155

Van deze kenmerken zijn vooral de volgende het vermelden

10.3 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

waard: Alle bibliometrische gegevens die in dit hoofdstuk gebruikt l

Multidisciplinariteit: De SCI(E) is uniek door zijn brede

worden, zijn gebaseerd op de bibliografische ‘ruwe’ data

dekking. Alle wetenschapsgebieden in de levens-

geëxtraheerd uit de 1998-2009 cumulatieve databestanden

wetenschappen, de natuurwetenschappen evenals de

van de Science Citation Index Expanded® (SCIE). Om de

basisdisciplines van de technische wetenschappen zijn in

literatuurdekking verder uit te breiden wordt als bijkomende

het gegevensbestand aanwezig.

databron de Science & Technology Edition van de ISI Proceedings (STP) gebruikt. Omdat conferentiebijdragen ook in

l

Selectiviteit: alle wetenschappelijke tijdschriften die in de

tijdschriften worden gepubliceerd is de overlap van de twee

SCI(E) opgenomen zijn, werden op grond van kwantitatieve

databronnen aanzienlijk. Bij de bijkomende publicaties gaat het

criteria (impactmaatstaven) gekozen en de selectie door ISI

echter om conferentiebijdragen die niet reeds – bijv. in het

wordt in het algemeen ook door de opinie van experten in

kader van speciale journal issues – in het WoS zijn opgenomen.

de betreffende disciplines gevalideerd en aanvaard.

Bij de “zuivere” proceedingsliteratuur kan echter enkel een publicatie-analyse gebeuren en geen citatie-analyse daar er

l

Volledige dekking: alle publicaties in tijdschriften die in

met ISI nog geen overeenstemming bestaat over de juiste

de SCI(E) opgenomen zijn, worden ook geïndexeerd.

wijze waarop de impact moet berekend worden in geval van de Proceedings. Bovendien zijn niet alle adressen door

l

Volledigheid van adressen: de werkadressen van alle auteurs

de uitgevers van de proceedings volledig vermeld zodat voor

worden vermeld. Dit kenmerk maakt dus de analyse van

deze periode ook geen analyse van wetenschappelijke

wetenschappelijke samenwerking en de toepassing van een

samenwerking kan worden uitgevoerd op deze literatuur.

volledig of een gefractioneerd telschema (waarbij een publicatie geheel of gedeeltelijk aan bijvoorbeeld elke

De bibliometrische analyse die in het vervolg van dit hoofdstuk

auteur, instelling of land wordt toegewezen) mogelijk.

wordt weergegeven, is gebaseerd op de vier zogenaamde ‘relevante’ of ‘citeerbare’ documenttypes, namelijk (1) articles

l

(met inbegrip van proceedings papers in tijdschriften),

worden ook hun referenties verwerkt. De herdefinitie van

(2) letters, (3) notes en (4) reviews. De publicaties van de laatste

deze referenties als brondocumenten maakt het mogelijk

veertien jaar, d.w.z. van de periode 1998-2009, werden voor

om citatiepatronen te onderzoeken en citatie-indicatoren te

deze analyses geselecteerd.

construeren. Sinds het verschijnen van de laatste editie van het indicatorenl

Beschikbaarheid: De databank is elektronisch beschikbaar ®

boek (Debackere en Veugelers, 2009), heeft Thomson – ISI

als onderdeel van het Web of Science (WoS ). De volledige

regelmatig bestanden met correcties aangeleverd. Deze gegevens

Web of Science bevat naast de SCIE ook nog de SSCI

corrigeren niet alleen bibliografische of citatiegegevens maar

(Social Science Citation Index), de A&HCI (Arts&Humanities

tevens worden ook volledige issues aan vorige jaarlijkse

Citation Index) en de ISI Proceedings.

volumes toegevoegd of in vroegere updates verwijderd. Door deze aanpassingen is het nu mogelijk de ECOOM gegevens

Er zijn zonder twijfel enkele kritische bedenkingen te

met de actuele versie van het WoS in overeenstemming te

formuleren over de databestanden van het ISI. Naast de twee

brengen. Door deze aanpassingen kunnen zowel de Vlaamse

reeds genoemde aspecten (dekkingsgraad en verwerking bij

indicatoren alsook de kencijfers van de referentielanden lichtjes

aanmaak) moet ook nog de oververtegenwoordiging van

veranderen. Wij raden dus aan daarom telkens de actuele

publicaties afkomstig uit Engelstalige landen, in het bijzonder

versie van het indicatorenboek te raadplegen.

van publicaties uit de Verenigde Staten, vermeld worden. Ondanks deze bedenkingen is de SCIE momenteel de meest geschikte

bibliografische

bron

voor

uitgebreide,

vakgebieden omvattende, bibliometrische analyses.

alle

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Bibliografische referenties: Samen met de documenten


156

Aan de basis van de toewijzing van publicaties aan Vlaanderen

De toewijzing van publicaties aan wetenschapsgebieden is

en aan de referentielanden lagen de werkadressen. De nationaliteit

gebaseerd op een disciplinetoekenning vertrekkend van het

van een auteur was dus niet doorslaggevend maar wel zijn of

door het ISI ontwikkelde Subject Category System waarbij

haar adres van institutionele affiliatie. Er is verder een ‘volledig’

tijdschriften worden gegroepeerd in cognitief logische

telschema toegepast, met andere woorden, indien een

disciplinegroepen. Het hier toegepaste disciplinestelsel is een

publicatie co-auteurs met werkadressen in verschillende landen

verdere groepering van de afgerond 200 disciplinecodes van

heeft, dan wordt deze publicatie aan alle betrokken landen

het ISI en bevat 60 deelgebieden en 12 hoofdgebieden. In het

als één volledige publicatie toegewezen. Er wordt dus

kader van deze studie werd het Vlaams onderzoek op niveau

niet gefractioneerd tussen de landen. Doch in het geval een

van de hoofdgebieden geanalyseerd. Deze hoofdgebieden zijn:

publicatie meer dan één werkadres in hetzelfde land vermeldt, dan wordt dit document enkel één keer aan het betrokken land

1. Agronomie en omgevingswetenschappen

toegewezen. Anderzijds kan ook één publicatie van één auteur

2. Biologie (op het organisme- en het supraorganismeniveau)

wel als afkomstig van twee landen en dus als een internationale

3. Biowetenschappen (algemene, cellulaire en subcellulaire

co-publicatie beschouwd worden, indien deze auteur werkadressen in twee verschillende landen heeft vermeld.

biologie; genetica) 4. Biomedisch onderzoek 5. Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en

De bepaling van Vlaamse publicaties was iets ingewikkelder

interne geneeskunde)

dan die van de Europese referentielanden. Een document werd

6. Experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken)

beschouwd als afkomstig van Vlaanderen op voorwaarde dat

7. Neuro- en gedragswetenschappen

tenminste één (co)auteur een Vlaams werkadres heeft.

8. Chemie

Verder werden 20% van het aantal publicaties en citaties van

9. Fysica

alle brondocumenten die enkel een Brussels doch geen Vlaams

10. Aard- en ruimtewetenschappen

werkadres hebben, bij de berekening van de Vlaamse basis-

11. Technische wetenschappen

indicatoren gevoegd. Dit betekent concreet dat 20% van

12. Wiskunde

alle instellingen met een Brussels werkadres aan Vlaanderen werden toegewezen. Uitzonderingen vormen de Nederlandstalige

De citatiegegevens werden bepaald via een op een speciale

Vrije Universiteit Brussel (VUB) die aan Vlaanderen wordt

identificatiesleutel gebaseerd koppelingsalgoritme. Hierbij worden

toegewezen en ULB/UCL met toekenning aan Wallonië.

de individuele bronpublicaties gekoppeld met de individuele

Verder werden alle bijkomende Brusselse gegevens manueel

bestanddelen van de referentielijsten van alle bronpublicaties.

geverifieerd en aan de betreffende gemeenschap toegekend.

Het aantal citaties dat een bronpublicatie in elk jaar na het jaar

Enkel op de federale en andere niet onmiddellijk toekenbare

van zijn publicatie krijgt is natuurlijk niet constant. Het is aan

instellingen werd dus de 20/80 regel toegepast. Deze allocatie-

veranderingen onderworpen die eigen zijn aan het proces van

regel werd reeds in het Indicatorenboek 2005 toegepast.

veroudering van (wetenschappelijke) informatie. Het citatieproces is dus niet homogeen. De keuze van een geschikt citatievenster

Voor de vergelijkende analyses werden, net als in het Indicatoren-

is daarom van groot belang. Het in dit hoofdstuk gekozen

boek 2009, de volgende elf Europese referentielanden in

venster is in overeenstemming met de resultaten van recente

aanmerking genomen: België, Denemarken, Duitsland, Finland,

methodologische studies en met de praktische ervaring die

Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Spanje, Verenigd Koningrijk

gangbaar is in het bibliometrisch onderzoek (bijv. Glänzel en

en Zweden. Ten gevolge van de enorme groei van de Chinese

Schoepflin, 1995, van Raan, 2006). Er werd op basis van deze

economie en China’s wetenschaps- en technologiesysteem

inzichten een vast tijdvenster van drie jaar, beginnend met het

werd in deze editie van het Indicatorenboek ook China als

jaar van publicatie, toegepast. Aldus werden bijvoorbeeld voor

referentieland opgenomen.

publicaties die in de jaargang 2007 van het SCI Expanded bestand opgenomen zijn, alle citaties gedurende de periode 2007-2009 geteld. Dankzij dit citatievenster konden alle tussen 1998 en 2007 gepubliceerde en in het SCIE geïndexeerde documenten in aanmerking genomen worden voor de citatieanalyse.


157

In het geval van enkele figuren werd de laatste deelperiode tot

De neutrale waarde van deze indicator is 1. AI > 1 betekent dus

2008 uitgebreid waarbij de citatietelling van het jaar 2008 tot

publicatieactiviteit boven de wereldstandaard, AI = 1 betekent

twee jaar beperkt is. Dit telschema voor 2008 werd op alle

een publicatiepatroon overeenkomstig de wereldstandaard en

landen en regio’s alsmede op de wereldstandaard toegepast.

AI < 1 drukt uit dat de activiteit van het land in het betrokken onderzoeksgebied beneden de wereldstandaard ligt.

10.4 BIBLIOMETRISCHE INDICATOREN

Drie indicatoren werden toegepast om verschillende aspecten van de impact van het Vlaams wetenschappelijk onderzoek in

Een basismaatstaf van de wetenschappelijke output is het aantal

de Europese context te kenmerken.

publicaties, of om precies te zijn, het aantal publicaties in het gebruikte bibliografisch databestand. De dekkingsgraad en het

De eerste indicator is de gemiddelde geobserveerde citatie-

profiel van de SCIE is onderworpen aan jaarlijkse wijzigingen

frequentie (Mean Observed Citation Rate: MOCR). Deze indicator

en aanpassingen. Daarom moet het meten van de regionale of

is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal citaties

nationale publicatieoutput altijd in samenhang met de

geobserveerd in een bepaalde periode (bijv. drie jaar

ontwikkeling van het gegevensbestand als geheel beschouwd

beginnend met het jaar van publicatie) en het aantal aan de

worden. Een logische consequentie hiervan is dat voor het

basis liggende publicaties. De MOCR weerspiegelt de feitelijke

onderzoek van publicatietrends, het nationale aandeel in het

impact van een onderzoeksgroep, instituut, regio of land.

totaal van de wereld-output gemeten wordt in plaats van de nationale publicatieoutput als dusdanig.

De gemiddelde verwachte citatiefrequentie (Mean Expected Citation Rate: MECR) geeft een vergelijkingswaarde voor de

Het institutionele, regionale of nationale onderzoeksprofiel voor

feitelijke citatie-impact op basis van de impactmaatstaven van

een gegeven systeem van wetenschapsgebieden kan door de

de tijdschriften. Het verwachte aantal citaties van een publicatie

zogeheten Activiteitsindex (AI) uitgedrukt worden. Frame heeft

is gedefinieerd als de gemiddelde citatiefrequentie van alle

deze indicator 1977 als een bibliometrische versie van de

publicaties die in hetzelfde tijdschrift in hetzelfde jaar verschenen

‘Comparative Advantage Index’ ingevoerd. De Activiteitsindex

zijn. Om een compatibele verwachtingswaarde te kunnen

voor landen wordt op de volgende manier gedefinieerd:

definiëren, moeten natuurlijk de citatievensters gehanteerd voor beide indicatoren (MOCR en MECR) overeenstemmen.

AI =

, Wi / W

verschenen in de twee voorafgaande jaren (t–1) en (t–2) (zoals gehanteerd in de definitie van de impact factor in de Journal Citation Reports uitgegeven door het ISI), zal in dit hoofdstuk

waarbij Ci /C het aandeel nationale publicaties in een gegeven

eveneens een venster van drie jaar toegepast worden. Voor een

gebied i in de nationale publicaties over alle gebieden aangeeft

verzameling van publicaties die aan een bepaalde onderzoeks-

en Wi /W het aandeel publicaties van de wereld in hetzelfde

groep, instituut, regio of land wordt toegekend is deze indicator

gebied i over de publicaties van de wereld in alle gebieden is.

dus de verhouding van alle individuele verwachte citatie-

In eerdere studies konden de volgende vier verschillende

frequenties tot alle publicaties in de beschouwde verzameling.

‘paradigmatische’ patronen in nationale publicatieprofielen onderscheiden worden (bijv. REIST-2, 1997):

De derde indicator is de zogeheten relatieve citatiefrequentie (Relative Citation Rate: RCR). Deze indicator wordt gedefinieerd

1. Het ‘westerse’ model met biowetenschappen en medische wetenschappen als overheersende gebieden,

als het quotiënt van de gemiddelde geobserveerde en gemiddelde verwachte citatiefrequentie, dus RCR = MOCR/MECR. RCR drukt

2. De typische patronen van de voormalige socialistische

uit of de publicaties van een onderzoeksgroep, instituut, regio

landen met overheersende activiteit in chemie en fysica,

of land meer of minder citaties hebben aangetrokken dan

3. Het ‘bio-omgevingsmodel’ met biologie en aard- en

verwacht op basis van de citatiefrequenties van de tijdschriften.

ruimtewetenschappen op de voorgrond en, 4. Het ‘Japans’ model met overheersende oriëntatie in de richting van technische wetenschappen en chemie.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

In plaats van het citatievenster van één jaar t voor publicaties

Ci / C


158

Omdat de citatiescores van de artikelen relatief ten opzichte

Het aantal publicaties per 10.000 inwoners splitst Vlaanderen

van de citatiestandaard van de opgenomen tijdschriften

en de referentielanden in drie groepen op: Landen met relatief

gemeten worden, is deze indicator veel minder gevoelig voor

lage output per capita – zoals Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië

de grote verschillen die tussen de citatiepraktijken in de

en Spanje, landen met hoge activiteit per capita – zoals de

verschillende wetenschapsgebieden optreden.

Scandinavische referentielanden, België en het Verenigd Koninkrijk, en tot slot, China met een publicatieoutput per

RCR = 0 reflecteert ‘ongeciteerdheid’, RCR < 1 betekent dat de

capita die één orde van grootte onder degene van de eerste

betrokken eenheid (onderzoeksgroep, instituut, regio of land)

groep ligt. De regio Vlaanderen maakt deel uit van de groep

lager dan de wereldstandaard presteert, RCR > 1 betekent

met een hoge output per capita. Het aantal publicaties per

hoger dan de wereldstandaard en RCR = 1 drukt uit dat de

capita neemt in alle referentielanden en in Vlaanderen toe

betrokken eenheid gemiddeld evenveel citaties heeft gekregen

– maar niet overal in dezelfde mate. De groei in Vlaanderen en

als werd verwacht op basis van de citatiepatronen van de

België is duidelijk sterker dan in Duitsland en Frankrijk: terwijl

tijdschriften.

hun per capita activiteit in 1998 nog op hetzelfde niveau was, is er vanaf 2005 een uitgesproken verschil waarneembaar.

De drie indicatoren werden geïntroduceerd door Schubert

In de voorbije jaren heeft de per capita productie van Vlaanderen

et al. (1983) en worden sindsdien regelmatig toegepast in

al het niveau van Nederland bereikt en in 2007 en 2008 zelfs

vergelijkende meso- en macrostudies. Versies van deze

overschreden (zie tabel 10.2). Enkel de Scandinavische

indicatoren, namelijk Citations per Paper (CPP strookt met

landen zijn nog productiever dan Vlaanderen. De opvallende

MOCR), Mean Citation Rate of Journal Packet (JCSm komt

schommelingen in de Proceedings-gegevens hebben gedeeltelijk

overeen met MECR) en CPP/JCSm (komt overeen met RCR)

met de ongelijkmatige organisatie van conferenties en bijgevolg

worden ook aan het CWTS in Leiden gebruikt (bijv. Moed

met de sporadische opname van conferentiemateriaal, te maken.

et al., 1995). Tabel 10.3 en 10.4 geven de evolutie van de publicatieoutput weer op basis van het procentuele aandeel van Vlaanderen en

10.5 DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

de elf referentielanden in het wereldtotaal in alle wetenschapsgebieden samen. Het Vlaamse aandeel in het wereldtotaal is vanaf 1998 tot 2009 met een kleine 19% gestegen. Hoewel de groei in de jaren 1990 en het begin van het nieuwe millennium

Zoals in de derde sectie van dit hoofdstuk beschreven, waren

vergelijkbaar met die van Finland is, lijkt de ontwikkeling van

de werkadressen doorslaggevend bij de toewijzing van

beide landen vanaf 2005 uiteen te lopen. Vanaf ongeveer

publicaties aan Vlaanderen en aan de referentielanden. Er werd

2005 begint het aandeel van de meeste Europese landen in

een ‘volledig’ telschema gebruikt, d.w.z. indien een publicatie

het wereldtotaal te dalen. Enkel België, Nederland, Ierland en

co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan

Spanje zijn uitzonderingen. De ontwikkeling van Italië is

werd deze aan alle betrokken landen als één volledige

onduidelijk en vertoont vanaf 2004 een eerder stagnerend

publicatie toegewezen. Om de toename van publicaties en de

patroon. De Vlaamse groeidynamiek wordt enkel door die van

wijzigingen aan de tijdschriftendekking van het SCI-Expanded

Ierland en Spanje overtroffen. Op de oorzaken van de groei in

bronbestand te kunnen compenseren, werden het Vlaamse en

die laatstgenoemde landen werd op verschillende plaatsen

het nationale aandeel in het wereldtotaal tijdens de periode

gewezen (bijv. Cano en Julian, 1992, Román en Méndez, 1994,

1998-2009 berekend. Tabel 10.1 geeft de evolutie van de

Gómez et al., 1995, REIST-2, 1997). De ononderbroken stijging

publicatieoutput weer op basis van de publicatie-activiteit van

van deze landen kan namelijk in grote mate als een gevolg van

Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners in

de integratie van deze landen in de organisaties en de

alle wetenschapsgebieden samen.

kaderprogramma’s van de Europese Gemeenschap beschouwd worden. Opmerkelijk is daarentegen de enorme groei van

De berekening van de Vlaamse publicatieoutput, rekening

China. Deze ontwikkeling is zonder weerga. Terwijl China’s

houdend met Brusselse publicaties, is hoger beschreven.

aandeel in 1998 nog op hetzelfde niveau van Nederland was,

De bevolkingstallen zijn gebaseerd op openbare informatie

heeft China in 2004 Frankrijk en in 2006 Duitsland en het VK

gepubliceerd door EUROSTAT.

qua aandeel in het wereldtotaal ingehaald.


159

Tabel 10.1: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de twaalf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

1998 1999

10,30

9,83

14,69

13,41

8,51

8,29

7,07

5,49

12,23

0,15

5,50

17,09

12,16

10,67

10,08

14,65

14,06

8,56

8,28

7,08

5,57

12,05

0,19

5,75

17,37

12,25

2000

10,58

9,83

14,81

14,47

8,31

8,27

7,17

5,57

12,09

0,23

5,76

16,96

12,37

2001

11,20

10,25

15,08

14,88

8,49

8,46

7,32

5,93

12,31

0,27

6,06

18,10

12,16

2002

11,19

10,35

14,55

14,39

8,10

8,23

7,52

6,00

12,20

0,30

6,21

17,39

11,71

2003

12,66

11,63

16,41

15,80

8,90

8,90

8,31

6,76

13,57

0,37

6,65

18,55

12,58

2004

12,62

11,36

15,47

15,05

7,94

8,41

8,66

6,63

13,06

0,42

6,60

17,51

12,08

2005

14,75

13,07

17,45

16,47

9,01

9,62

10,42

7,42

15,19

0,56

7,48

19,80

13,46

2006

14,71

12,79

17,10

16,45

8,70

9,34

10,69

7,35

15,05

0,63

7,74

18,94

13,19

2007

15,17

12,85

17,31

16,18

8,46

9,18

11,04

7,57

14,94

0,68

7,73

19,01

13,19

2008

17,10

14,72

19,26

17,80

9,94

10,43

12,90

8,58

16,93

0,84

9,13

20,27

14,30

2009

17,35

15,13

19,57

17,88

9,96

10,68

13,43

8,68

17,71

0,94

9,42

20,52

14,27

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT en National Bureau of Statistics of China

Tabel 10.2: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de twaalf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

1998

11,71

11,07

15,95

15,35

9,49

9,43

7,67

6,36

13,88

0,19

6,05

18,78

13,47

1999

11,96

11,21

15,80

15,70

9,48

9,25

7,59

6,29

13,26

0,23

6,21

18,99

13,32

2000

11,84

10,93

16,00

16,20

9,12

9,23

7,69

6,28

13,33

0,26

6,18

18,51

13,47

2001

12,59

11,41

16,01

16,49

9,28

9,40

8,03

6,69

13,55

0,33

6,54

19,57

13,33

2002

12,88

11,66

15,78

16,80

9,16

9,37

7,52

6,95

13,68

0,39

6,86

19,20

13,07

2003

14,21

12,80

17,56

17,99

9,80

9,94

8,31

7,72

14,95

0,47

7,27

20,05

13,66

2004

14,21

12,56

16,48

16,87

8,82

9,44

9,60

7,50

14,28

0,52

7,20

18,93

13,09

2005

16,73

14,60

18,84

19,13

10,00

10,73

12,40

8,53

16,65

0,73

8,27

21,55

14,61

2006

16,35

13,95

18,01

18,29

9,54

10,25

11,99

8,24

16,32

0,83

8,43

20,36

14,12

2007

17,44

14,36

18,57

18,82

9,59

10,34

12,73

8,67

16,41

0,95

8,72

20,67

14,41

2008

19,85

16,59

21,12

21,34

11,50

12,08

15,44

10,13

19,00

1,27

10,50

22,46

15,95

2009

19,10

16,55

20,91

20,21

11,11

11,99

15,19

9,76

19,27

1,32

10,47

22,05

15,50

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT en National Bureau of Statistics of China

Opmerkelijk is ook dat het aandeel van de Vlaamse publicaties

Opvallend is de sterke groei in NEUR en GEOS. Het Vlaamse

in het Belgisch geheel duidelijk gestegen is, van om en bij de

aandeel in de neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) is

63% in 1998 tot ruim 68% in 2009 (vgl. tabel 10.3 en 10.4).

praktisch verdubbeld. Maar ook de klinische en experimentele geneeskunde, die tevoren eerder stagneerde, vertoont vanaf

In tabel 10.5 en 10.6 is de ontwikkeling van de Vlaamse

2004 weer een opmerkelijke groei. De natuurwetenschappen

publicatieoutput uitgesplitst naar twaalf wetenschapsgebieden

(CHEM en PHYS) vertonen eerder stagnerende patronen.

(zie sectie 3 van dit hoofdstuk) weergegeven. Uit deze tabel

Algemeen kan men stellen dat de groei sterker is in die

blijkt dat het Vlaams aandeel in het wereldtotaal in alle

gebieden waar Vlaanderen iets minder actief is. Anderzijds is de

vakgebieden tussen 1998 en 2009 is gestegen, maar dat de

stijging het langzaamst in die gebieden (BIOS, BIOM, CLI1),

ontwikkeling en de groei in enkele levenswetenschappen,

waar de activiteit in 1998 duidelijk boven het Vlaams aandeel

vooral in de biowetenschappen (BIOS) en het biomedisch

in alle gebieden samen (0.80%) was (vgl. tabel 10.5 en 10.6).

onderzoek (BIOM), eerder stagneert.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Jaar


160

Tabel 10.3: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaanderen, elf Europese referentielanden en China in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

1998

0,80

1,28

0,99

0,88

6,34

8,70

0,33

4,04

2,45

2,48

2,78

1,93

9,18

1999

0,82

1,30

0,98

0,91

6,31

8,56

0,33

4,05

2,39

3,03

2,88

1,94

9,17

2000

0,82

1,27

1,00

0,95

6,17

8,60

0,34

4,07

2,43

3,76

2,91

1,90

9,33

2001

0,85

1,30

1,00

0,95

6,19

8,60

0,35

4,24

2,43

4,22

3,02

1,99

9,00

2002

0,86

1,32

0,97

0,93

5,96

8,42

0,36

4,30

2,44

4,89

3,15

1,92

8,68

2003

0,89

1,36

1,00

0,93

5,99

8,30

0,37

4,43

2,48

5,42

3,12

1,87

8,54

2004

0,92

1,38

0,98

0,92

5,75

8,11

0,41

4,48

2,48

6,42

3,26

1,84

8,42

2005

0,94

1,39

0,96

0,88

5,73

8,06

0,44

4,41

2,52

7,48

3,27

1,81

8,21

2006

0,95

1,37

0,95

0,88

5,60

7,88

0,46

4,42

2,51

8,47

3,46

1,75

8,15

2007

0,98

1,39

0,96

0,87

5,47

7,71

0,49

4,57

2,49

9,16

3,51

1,77

8,18

2008

0,95

1,37

0,92

0,82

5,55

7,48

0,50

4,46

2,42

9,78

3,61

1,62

7,63

2009

0,95

1,39

0,92

0,82

5,49

7,50

0,51

4,46

2,50

10,85

3,70

1,63

7,52

Tabel 10.4: Evolutie van het procentuele procentuele aandeel van Vlaanderen, elf Europese referentielanden en China in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

1998

0,78

1,23

0,92

0,86

6,04

8,45

0,31

4,00

2,37

2,65

2,61

1,81

8,69

1999

0,81

1,26

0,92

0,89

6,10

8,35

0,31

3,99

2,30

3,14

2,72

1,85

8,70

2000

0,81

1,25

0,95

0,94

5,98

8,46

0,32

4,04

2,36

3,74

2,76

1,83

8,96

2001

0,83

1,26

0,92

0,92

5,90

8,33

0,33

4,17

2,33

4,53

2,85

1,87

8,60

2002

0,83

1,25

0,88

0,91

5,66

8,05

0,31

4,18

2,30

5,26

2,92

1,78

8,14

2003

0,85

1,28

0,92

0,91

5,66

7,95

0,32

4,33

2,34

5,91

2,92

1,74

7,95

2004

0,88

1,31

0,89

0,88

5,47

7,80

0,39

4,34

2,32

6,86

3,05

1,70

7,82

2005

0,91

1,32

0,88

0,87

5,42

7,67

0,44

4,32

2,35

8,27

3,08

1,68

7,60

2006

0,91

1,29

0,86

0,85

5,30

7,46

0,45

4,27

2,35

9,74

3,26

1,63

7,53

2007

0,93

1,28

0,85

0,84

5,13

7,18

0,46

4,33

2,26

10,67

3,27

1,59

7,39

2008

0,88

1,23

0,80

0,79

5,12

6,91

0,47

4,20

2,17

11,83

3,31

1,43

6,79

2009

0,89

1,29

0,83

0,78

5,17

7,11

0,49

4,24

2,30

12,80

3,47

1,48

6,90

Tabel 10.5: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1998

0,89

1,04

1,10

1,03

1,02

0,84

0,58

0,69

0,75

0,47

0,74

0,85

1999

0,89

1,11

1,11

0,97

1,00

0,85

0,57

0,73

0,85

0,49

0,76

0,89

2000

0,92

1,17

1,02

0,98

1,01

0,89

0,58

0,71

0,80

0,46

0,80

0,78

2001

0,98

1,19

1,08

0,98

0,98

0,88

0,71

0,77

0,88

0,49

0,83

0,91

2002

1,03

1,19

1,04

0,99

0,99

0,88

0,72

0,72

0,89

0,57

0,87

0,87

2003

1,07

1,20

1,01

0,93

1,00

0,88

0,80

0,75

0,91

0,61

0,94

0,99

2004

1,10

1,20

1,04

1,03

1,05

0,99

0,84

0,70

0,97

0,65

0,96

1,01

2005

1,23

1,28

1,08

1,02

1,12

0,95

0,99

0,76

0,91

0,69

0,94

0,94

2006

1,26

1,25

1,03

0,97

1,13

1,02

1,01

0,74

0,86

0,73

1,01

1,02

2007

1,14

1,32

0,99

0,96

1,24

1,04

1,02

0,77

0,94

0,79

1,08

1,09

2008

1,10

1,26

1,05

1,10

1,10

1,09

1,11

0,75

0,83

0,77

1,04

1,03

2009

1,08

1,28

1,05

0,98

1,17

1,10

1,18

0,72

0,84

0,85

0,95

0,93


161

Tabel 10.6: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1998

0,86

1,04

1,08

1,00

1,03

0,83

0,56

0,68

0,76

0,42

0,70

0,82

1999

0,94

1,12

1,09

0,93

0,99

0,86

0,56

0,72

0,82

0,52

0,71

0,86

2000

0,95

1,17

1,01

0,96

1,01

0,90

0,57

0,70

0,78

0,50

0,75

0,78

2001

1,02

1,20

1,06

0,98

0,97

0,87

0,69

0,77

0,85

0,48

0,76

0,91

2002

0,99

1,17

1,03

0,93

0,98

0,87

0,71

0,72

0,82

0,55

0,75

0,90

2003

1,02

1,15

1,00

0,89

0,99

0,86

0,79

0,74

0,87

0,55

0,78

0,91

2004

1,12

1,21

1,04

0,99

1,04

0,98

0,82

0,71

0,91

0,61

0,81

0,94

2005

1,25

1,27

1,07

0,97

1,12

0,94

0,96

0,76

0,90

0,62

0,84

0,91

2006

1,20

1,24

1,01

0,94

1,13

1,02

1,00

0,74

0,86

0,65

0,85

0,96

2007

1,13

1,30

0,98

0,90

1,23

1,04

1,02

0,77

0,95

0,78

0,84

0,95

2008

1,02

1,24

1,04

1,04

1,09

1,08

1,10

0,75

0,80

0,67

0,73

0,84

2009

1,03

1,25

1,04

0,93

1,17

1,09

1,15

0,71

0,81

0,78

0,72

0,81

De analyse van de Vlaamse activiteit in de individuele gebieden

Private instellingen en ziekenhuizen dragen met respectievelijk

zal in het volgende deel van dit hoofdstuk aan de orde komen.

rond de 7% en de 5% tot het Vlaamse totaal bij (hierbij merken we op dat de publicaties van de universitaire ziekenhuizen

De trends in de ontwikkelingen op basis van tijdschriftenliteratuur

bij de universiteiten zelf werden geteld). Vooral het aandeel

en van tijdschriftenpublicaties plus conferentiemateriaal komen

van de universitaire sector is continu lichtjes gestegen.

goed overeen. Opmerkelijke discrepanties tussen de betrokken

Bovenstaande gegevens stemmen nauw overeen met de

indicatoren konden niet worden geobserveerd.

resultaten van de vorige uitgaven van dit Indicatorenboek (vgl. Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005, 2007, 2009), maar lijken meer algemeen ook goed op de situatie in andere Europese landen (bijv. Katz en Hicks, 1998). De specialisatie van het Vlaams onderzoek tijdens de perioden 1998-2003 en 2004-2009 wordt in figuur 10.2 op basis van

Vooraleer de specialisatieprofielen van het Vlaams onderzoek

de Activiteitsindex grafisch weergegeven. Deze indicator werd

te beschouwen, komt eerst een ander aspect van dit

reeds vroeger besproken. De wereldstandaard is in het

publicatieprofiel aan de orde. Figuur 10.1 geeft voor twee

diagram door een regelmatige twaalfhoek aangeduid. Er dient

deelperioden van de periode 1998-2009 het procentuele aandeel

op gewezen dat de Activiteitsindex, de relatieve activiteit met

van de verschillende organisatietypes weer in de Vlaamse

betrekking tot de wereldstandaard, een evenwichtsindicator is,

publicatieoutput over alle gebieden samen. Ook hierbij werd

d.w.z. als de activiteit van een land in enkele gebieden boven

een volledig telschema toegepast, d.w.z. indien een publicatie

de wereldstandaard ligt, moet de activiteit in andere gebieden

werkadressen van meer dan één organisatietype had, werd

noodzakelijkerwijs beneden de standaard liggen.

deze aan elk type als een volledige publicatie toegewezen. De procentuele aandelen kunnen dus op grond van deze

Het uurwerkdiagram beschrijft het profiel van Vlaanderen

meervoudige toekenning niet tot 100% opgeteld worden.

eenduidig als Type 1, dit is het westers model met bio- en medische wetenschappen als overheersende gebieden. Wel is

Het aandeel van instellingen voor hoger onderwijs, dus van

het profiel van de tweede periode enigszins veranderd en wel

universiteiten en hogescholen, met meer dan 85% overheerst

in de richting van de wereldstandaard, maar het ‘paradigmatische’

dit resultaat. Ruim 10% van alle Vlaamse SCIE-documenten

basistype van het Vlaams profiel is onveranderd gebleven.

worden door medewerkers van publieke onderzoeksinstellingen of administraties gepubliceerd.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

10.6 HET VLAAMS PUBLICATIEPROFIEL IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN


162

Figuur 10.1: Verdeling per organisatietype van de Vlaamse publicaties op basis van de SCIE brongegevens (boven: 1998-2003, beneden: 2004-2009)

0,7%

V

4,4%

IV

6,8%

III

12,1%

II

86,7%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0,8%

V

4,8%

IV

6,9%

III

11,2%

II

87,3%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

(I Instelling voor hoger onderwijs, II Publieke onderzoeksinstelling of administratie, III Private instelling, IV Ziekenhuis, V Andere)

Figuur 10.2: Het publicatie profiel van het Vlaams onderzoek in de perioden 1998-2003 en 2004-2009 op basis van de Activiteitsindex AI (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1

n 1998-2003 CHEM

CLI2

n 2004-2009 n Wereldstandaard

NEUR

95%


163

Desondanks valt de sterke groei op van enkele vakgebieden

Zij weerspiegelen de acceptatie en de erkenning van

zoals vooral agronomie en omgevingswetenschappen (AGRI),

gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke

neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) en wiskunde

gemeenschap. Hoewel het aantal citaties niet rechtstreeks als

(MATH), waarop in het vorige deelhoofdstuk al gewezen werd

kwaliteitsmaat kan beschouwd worden, drukt een groot aantal

(vgl. figuur 10.2). Samenvattend kan gesteld worden dat het

ontvangen citaties per publicatie wel een bepaalde impact uit.

Vlaamse publicatieprofiel gekenmerkt wordt door significant

Met andere woorden, “indien een publicatie 5 of 10 citaties

boven de wereldstandaard liggende activiteiten in de gebieden

ontvangt gedurende enkele jaren na de publicatie, dan is het

biologie (BIOL), biowetenschappen (BIOS), biomedisch

waarschijnlijk dat de inhoud van deze publicatie geïntegreerd

onderzoek (BIOM) en klinische en experimentele geneeskunde I

zal worden in de kennisbasis van dat onderzoeksdomein;

(CLI1) en door beneden de wereldstandaard liggende activiteiten

indien echter, na 5 of 10 jaar geen enkele referentie naar deze

in de gebieden chemie (CHEM) en aard- en ruimtewetenschappen

publicatie verwijst, dan zullen de bevindingen in die publicatie

(GEOS). Opmerkelijk is dat neuro- en gedragswetenschappen

niet bijdragen tot de hedendaagse wetenschappelijke

(NEUR) van een gebied met relatief geringe activiteit ten

paradigma’s van het onderzoeksdomein in kwestie.” (Braun et

opzichte van de wereldstandaard tot een domain met hogere

al., 1985).

activiteit is geëvolueerd. De methodologische achtergrond van de citatieanalyses is reeds beschreven. Tabel 10.7 geeft de evolutie van de gemiddelde

10.7 DE CITATIE-IMPACT VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

geobserveerde citatiefrequentie (MOCR) en de gemiddelde verwachte (MECR) citatiefrequentie weer voor Vlaanderen, voor elf Europese referentielanden, voor China en voor de wereld in alle vakgebieden samen. Omdat beide citatiegemiddelden voor

Het bibliometrische middel bij uitstek om de impact van publicaties

het wereldtotaal op het volledige gegevensbestand gebaseerd

te meten is de citatie. Citaties zijn primair een belangrijke indicator

zijn, geldt voor het wereldtotaal de identiteit MOCR = MECR

van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke

(vgl. laatste kolom van tabel 10.7).

informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie.

elf Europese referentielanden en China (alle vakgebieden samen; bron SCIE) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

Wereld

1998

MOCR MECR

4,92 4,08

4,64 4,01

5,33 4,41

4,91 4,07

4,29 4,04

4,55 4,04

3,97 3,39

4,28 4,07

5,31 4,55

1,79 2,16

3,51 3,69

5,05 4,35

4,80 4,34

3,79

1999

MOCR MECR

5,09 4,35

4,88 4,34

5,48 4,68

4,89 4,39

4,30 4,14

4,78 4,29

4,39 3,59

4,41 4,32

5,66 4,85

1,93 2,20

3,67 3,82

5,07 4,47

4,88 4,46

3,91

2000

MOCR MECR

5,03 4,39

4,85 4,38

5,57 4,72

5,17 4,45

4,50 4,29

4,86 4,35

3,92 3,63

4,49 4,41

5,64 4,94

2,10 2,36

3,98 3,93

5,28 4,60

5,01 4,53

3,95

2001

MOCR MECR

5,31 4,51

5,27 4,57

6,24 5,11

5,23 4,58

4,76 4,53

5,18 4,56

5,31 3,83

4,63 4,54

5,92 5,09

2,46 2,59

4,00 4,07

5,43 4,81

5,29 4,83

4,17

2002

MOCR MECR

5,46 4,65

5,33 4,65

5,96 5,06

5,57 4,69

4,87 4,64

5,35 4,72

4,80 4,10

4,92 4,64

6,06 5,32

2,54 2,66

4,12 4,14

5,61 4,91

5,69 5,07

4,23

2003

MOCR MECR

6,06 4,91

5,86 4,91

6,79 5,41

5,42 4,88

5,02 4,78

5,57 4,96

5,04 4,36

4,90 4,89

6,65 5,56

3,05 2,99

4,38 4,36

6,02 5,21

5,83 5,30

4,47

2004

MOCR MECR

5,99 5,14

5,91 5,16

6,94 5,62

5,62 4,95

5,37 5,06

5,93 5,24

5,22 4,68

5,23 5,06

6,98 5,88

3,21 3,14

4,90 4,66

6,33 5,41

6,20 5,57

4,65

2005

MOCR MECR

6,49 5,32

6,44 5,35

7,08 5,69

5,75 5,09

5,40 5,10

6,08 5,31

5,33 4,65

5,45 5,21

6,92 5,95

3,24 3,15

4,88 4,73

6,29 5,51

6,26 5,61

4,63

2006

MOCR MECR

6,54 5,27

6,49 5,32

7,27 5,90

6,01 5,23

5,67 5,23

6,20 5,48

6,46 5,01

5,60 5,27

7,14 6,15

3,41 3,35

5,15 4,80

6,68 5,70

6,46 5,77

4,74

2007

MOCR MECR

7,26 5,92

7,25 5,99

8,04 6,40

6,74 5,81

6,49 5,86

6,90 6,05

6,58 5,41

6,08 5,67

7,91 6,73

3,94 3,84

5,83 5,40

7,11 6,25

7,03 6,26

5,12

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Tabel 10.7: Evolutie van de gemiddelde geobserveerde (MOCR) en verwachte (MECR) citatiefrequentie voor Vlaanderen,


164

Allereerst moet erop gewezen worden dat de rechtstreekse

Figuur 10.3: Relatieve citatiekaart van Vlaanderen,

vergelijking tussen de indicatorwaarden van Vlaanderen en de

elf Europese referentie landen en China

referentielanden mogelijkerwijze tot verkeerde interpretaties

(alle vakgebieden samen; bron: SCIE),

kan leiden omdat grote verschillen tussen de citatiepraktijken in

1998-2002 (boven) en 2004-2008 (beneden)

de verschillende wetenschapsgebieden en deelgebieden optreden die door afwijkende nationale publicatieprofielen ook de nationale gemiddelde citatiefrequentie in alle vakgebieden (1998-2002)

samen kunnen beïnvloeden. Op basis van het citatievenster

7.0

van drie jaar dat in deze studie werd gebruikt, konden alleen de jaren 1998-2007 in aanmerking genomen worden.

6.0

tussen 1998 en 2007 met meer dan één derde gestegen.

MOCR

NL DKNL

De citatie-indicatoren met betrekking tot het wereldtotaal zijn

SE VL FI UK BE DE

5.0

FRIT

IE

De MOCR-waarden van Vlaanderen en alle referentielanden

4.0 ES

(behalve misschien Frankrijk en Zweden) stijgen sneller dan het wereldtotaal. De groeisnelheid van de Franse citatie-impact

3.0

stemt ongeveer met de globale groei overeen. De relatieve daling van de Zweedse impact in de vroege jaren 1990 werd

CN

2.0

in de literatuur al meermaals opgemerkt (bijv. Glänzel, 2000,

2.0

3.0

4.0

Glänzel et al., 2003). Blijkbaar heeft de Zweedse wetenschap

5.0

6.0

7.0

6.0

7.0

MECR

zich tegen het eind van het oude millennium hersteld, want de impact begint vanaf 2000 krachtig te groeien.

(2004-2008) 7.0 DK NL

De enorme stijging van de citatie-impact in Spanje en Ierland van 6.0

meer dan 60% stemt overeen met de bovengenoemde algemene Vlaanderen heeft een ietwat lagere groeivoet, maar die groei

FI

MOCR

groei van het wetenschappelijk onderzoek in deze landen.

VL BE DE IE

5.0

FR IT

ES

begint op een zeer hoog niveau in 1998 dat onder de referentielanden alleen met Zweden, Denemarken en Nederland

SE UK

4.0

vergelijkbaar is. Bovendien ligt de groei van de Vlaamse impact duidelijk boven die van de wereldstandaard (47,5% vs. 35%).

3.0

CN

De evolutie en het niveau van de citatie-impact van Nederland en Denemarken zijn ongetwijfeld indrukwekkend. Ook op dit feit werd in de literatuur al meermaals de nadruk gelegd

2.0 2.0

3.0

4.0

5.0

MECR

(bijv. Tijssen et al., 2000, Glänzel, 2001). De citatie-impact van China is het sterkst gestegen (meer dan verdubbeld) maar startte op een heel laag niveau. Ook vandaag heeft China’s impact noch de wereldstandaard noch de standaard van de

De twee rasterlijnen en de diagonale lijn in de relatieve

Europese referentielanden bereikt.

diagrammen geven drie standaarden aan en verdelen dus de map in zes sectoren. De verticale rasterlijn geeft aan of

De verwachte citatie-impact van Vlaanderen en van alle andere

de gemiddelde verwachte citatiefrequentie van een land

referentielanden is gestegen en wel ongeveer in gelijke mate

beneden (links) of boven (rechts) van de wereldstandaard ligt.

als de MOCR. De geobserveerde waarde ligt voor Vlaanderen

De horizontale lijn geeft de afwijking van de gemiddelde

en alle referentielanden (behalve Spanje en, in het begin van

geobserveerde citatiefrequentie van een land weer ten opzichte

de periode, ook China) steeds ver boven de verwachte waarde.

van de wereldstandaard. Uiteindelijk toont de bissectrice de

In overeenstemming met beide citatie-indicatoren kan men stellen

identiteit RCR = 1. De door de voorwaarden MECR < 1, MOCR

dat Vlaanderen eenduidig tot de wetenschappelijke top binnen

< 1 en RCR < 1 gedefinieerde sector stemt overeen met een

de gekozen referentielanden behoort. Dit wordt door de relatieve

uiterst ongunstige situatie.

positie kaarten in figuur 10.3 aanschouwelijk geïllustreerd.


165

De diametraal tegenoverliggende sector, die door de voorwaarden

Figuur 10.4 geeft de relatieve citatiefrequentie voor twee

MECR > 1, MOCR > 1 en RCR > 1 wordt bepaald, weerspiegelt

deelperioden van telkens vijf jaar (1998-2002 en 2004-2008).

in tegenstelling daartoe de meest gunstige situatie qua de

De relatieve citatiefrequentie van Vlaanderen is in alle

citatie-impact. Twee observaties vallen op in figuur 10.3: het

wetenschapsgebieden boven of tenminste gelijk aan de

uiteendrijven van de landencoördinaten langs de bissectrice

wereldstandaard. Vooral de levenswetenschappen hadden voor

en de positieve evolutie van Spanje en vooral Ierland, wat de

alle deelperioden een zeer hoge score. De indicatorwaarde van

enorme stijging van hun geobserveerde citatiegemiddelde

scheikunde stemt met de wereldstandaard overeen of bevindt

weerspiegelt. Zoals figuur 10.3 visualiseert, bevindt Vlaanderen

zich enigszins boven de neutrale waarde van 1.0. De relatieve

zich samen met Zweden, Denemarken en Nederland voor

citatiescores in de overige disciplines zijn – vooral in het

beide deelperioden in de topgroep van de referentielanden

klinische onderzoek – toch iets hoger dan in de

hoewel de afstand tussen Denemarken en Nederland enerzijds

natuurwetenschappen. Opmerkelijk is ook de gestegen impact

en de andere referentielanden continu groeit. China ligt nog

in de aard- en ruimtewetenschappen.

veraf van de positie van Vlaanderen en de overige referentielanden.

Figuur 10.4: Relatieve citatiefrequentie voor Vlaanderen in twaalf vakgebieden (1998-2002 en 2004-2008; bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4

BIOM

0.0

PHYS

CLI1

n 1998-2002 CHEM

CLI2

n 2004-2008 n Wereldstandaard

NEUR

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

0.2

GEOS


166

10.8 DE INTERNATIONALE WETENSCHAPPELIJKE SAMENWERKING VAN VLAANDEREN

Dit aandeel is in de ‘grote’ landen zoals het Verenigd Koningrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje overeenkomstig met de verwachtingen, kleiner dan in de andere referentielanden. De ontwikkeling van de Vlaamse indicatorwaarden lijkt (onder

Belangrijke onderzoeksresultaten, die een gevolg van

de referentielanden van vergelijkbare grootte) vooral op die van

internationale samenwerking zijn, worden in het kader van

Denemarken. Het percentage van duidelijk meer dan 50% in

gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie meestal

de periode 2001-2009 ligt duidelijk hoger dan dat van Finland,

ook in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Op die

Ierland, Nederland en Zweden.

manier wordt wetenschappelijke samenwerking gereflecteerd door het ermee overeenstemmend co-auteursschap dat met

Figuur 10.5 geeft het publicatieprofiel van de internationale

behulp van bibliometrische methoden gemeten en geanalyseerd

co-publicaties van Vlaanderen over twee deelperioden weer.

kan worden. Meerdere studies (bijv. Gómez et al., 1995, Glänzel

De vergelijking van dit profiel met het profiel van alle Vlaamse

et al., 1999, Glänzel en Schubert, 2004) hebben aangetoond

publicaties toont een duidelijke polarisatie ten gunste van

dat internationale wetenschappelijke samenwerking tijdens

biowetenschappen en fysica en ten nadele van de technische

de voorbije twintig jaar sterk is toegenomen. Een eenvoudige

wetenschappen en niet-interne geneeskunde. Deze waarneming

maar duidelijke indicator voor het bibliometrisch meten van

stemt overeen met de resultaten van de vorige Vlaams

internationale samenwerking is het aandeel van internationale

Indicatorenboeken. De daling van de relatieve samenwerkings-

co-publicaties in het nationale totaal. Men beschouwt een

activiteit in biowetenschappen wordt gecompenseerd door

publicatie als internationaal indien tenminste één co-auteur met

de groeiende co-publicatieactiviteit in de neuro- en gedrags-

een werkadres van een ander land heeft meegewerkt aan de

wetenschappen (vgl. figuur 10.5). Het profiel ligt net zoals in het

publicatie. Grote landen worden door een lager, kleine landen

geval van de set van alle Vlaamse publicaties (vgl. figuur 10.2)

door een groter, aandeel van internationale co-publicaties in

in de tweede deelperiode iets dichter bij de wereldstandaard

hun totale publicatieoutput gekenmerkt. Een rechtstreekse

dan tijdens de eerste deelperiode tussen 1998 en 2003.

vergelijking is dus alleen zinvol tussen landen van ongeveer

De relatieve activiteit van samenwerking in de niet-interne

gelijke grootte.

geneeskunde komt in de tweede periode wel overeen met de wereldstandaard.

Tabel 10.8 geeft de evolutie weer van het aandeel aan internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in alle vakgebieden samen. Het aandeel van internationale copublicaties in Vlaanderen is net als in alle referentielanden in aanzienlijke mate gestegen.

Tabel 10.8: Evolutie van het procentueel aandeel internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron: SCIE) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

1998

45,1

46,5

47,6

39,0

35,8

34,7

44,0

34,9

39,8

26,2

31,3

41,7

31,3

1999

48,3

49,6

49,0

41,4

37,2

36,4

43,7

35,6

41,2

24,7

32,3

43,7

32,6

2000

48,8

50,3

49,5

43,3

39,5

37,7

45,6

35,8

44,1

23,6

33,4

44,8

33,7

2001

50,4

51,7

50,8

42,1

40,9

39,8

45,8

36,8

44,6

24,4

34,5

46,2

35,9

2002

52,4

53,6

51,4

43,5

42,4

41,4

47,9

37,0

46,1

23,6

34,9

48,1

38,2

2003

50,8

53,3

51,3

45,7

43,8

43,1

49,3

37,4

47,3

24,1

36,5

48,7

39,2

2004

51,7

53,7

52,4

44,6

45,4

44,1

49,5

37,9

48,0

23,1

37,0

49,2

41,2

2005

53,3

55,3

53,2

46,1

46,3

44,7

49,7

39,2

47,7

21,8

38,5

50,0

42,4

2006

54,4

56,0

55,7

47,1

47,4

45,7

51,6

39,3

49,4

21,9

38,9

51,5

43,8

2007

55,7

57,3

57,3

49,9

49,4

47,9

52,2

40,3

50,7

21,9

40,2

54,3

45,5

2008

56,9

58,3

58,5

51,1

48,2

47,4

54,3

41,0

51,0

22,1

40,6

55,8

47,9

2009

58,0

60,0

60,0

52,8

50,7

49,4

54,8

42,3

53,3

23,1

42,3

57,5

50,0


167

Figuur 10.5: Het publicatieprofiel van de internationale co-publicaties van Vlaanderen, 1998-2003 en 2004-2009

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1

n 1998-2002 CHEM

n 2004-2008

CLI2

n Wereldstandaard NEUR

In de bibliometrische analyse wordt dan in plaats van op basis

co-publicaties gemiddeld meer citaties ontvangen dan

van co-publicaties op basis van links gewerkt. Om de sterkte

‘binnenlandse’ publicaties (vgl. Glänzel, 2001). Figuur 10.6

van de links tussen bepaalde landen te kunnen meten wordt

geeft de evolutie van de relatieve citatiefrequentie van de

een geschikte similariteitsmaat toegepast. De in deze optiek

internationale copublicaties in Vlaanderen voor de tijd kort

meest gebruikte maat is de zogeheten cosinusmaat volgens

voor en na de millenniumwissel weer. Hier kan de dezelfde

Salton of Salton-maat (r). Hij is op de volgende manier

trend vastgesteld worden die ook bij alle Vlaamse publicaties

gedefinieerd:

(vgl. figuur 10.4) waarneembaar was, maar in het geval van

pij

de copublicaties wordt deze trend nog veel duidelijker.

r =

,

√ pi • pj

Een heel belangrijk aspect van internationale samenwerking is de analyse van de links tussen partners. In de bibliometrische praktijk is de volgende methode daarbij gebruikelijk geworden.

waarbij pij het aantal links tussen de landen i en j en pi (pj ) het

Eerst worden de werkadressen van elke publicatie naar partner-

totaal aantal publicaties van het land i (j) is. De belangrijkste

paren (in dit geval landen) opgesplitst. Daarna kunnen dan de

co-publicatielinks van Vlaanderen en hun ontwikkeling in

bibliometrische kenmerken van deze paren als copublicatielinks

de jaren rond de millenniumwissel en erna zijn in figuur 10.7

geanalyseerd worden. Dus bepalen bijvoorbeeld twee Vlaamse

gevisualiseerd.

publicaties waarbij één publicatie nog werkadressen in Nederland en Duitsland en de andere een werkadres in Nederland heeft, uiteindelijk vier links: twee tussen Vlaanderen en Nederland, een tussen Vlaanderen en Duitsland en uiteindelijk ook een link tussen Duitsland en Nederland.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Het is bijna een bibliometrische gemeenplaats dat internationale


168

Figuur 10.6: De relatieve citatiefrequentie van de internationale copublicaties in Vlaanderen, 1998-2002 en 2004-2008 (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1

n 1998-2002 CHEM

CLI2

n 2004-2008 n Wereldstandaard

NEUR

De algemene intensiteit van Vlaamse co-publicatielinks is beduidend

De relaties met deze Afrikaanse landen nemen naar het einde

toegenomen. Deze waarneming is in overeenstemming met de

van de observatieperiode duidelijk iets toe (vgl. figuur 10.7) maar

globale trend die voor vele landen een duidelijke intensivering

blijven met ruim 0,01 aan de bescheiden kant. In tegenstelling

van samenwerkingsrelaties weerspiegelt (vgl. Glänzel, 2001).

tot deze ontwikkeling werden de Vlaamse co-publicatielinks

Desondanks is de evolutie van enkele Vlaamse co-publicatielinks

met Europese landen, vooral met leden van de Europese

opmerkelijk. Opvallend maar niet verbazend is vooral de sterke

Gemeenschap, intensiever. Naast de EU-relatie is de versterkte

link met Nederland. De link met Nederland is in beide

samenwerking met Noord-Amerika (naast de VS met r = 0,022,

deelperioden verreweg de sterkste internationale band. Deze

ook Canada met r = 0,013 in de laatste deelperiode), maar ook

band is de enige link boven de drempelwaarde van r = 0,05.

met voormalig socialistische landen in Oost-Europa, zoals

Figuur 10.7 geeft de geografische kaart van de belangrijkste

Hongarije, Polen, Tsjechië, Bulgarije, Roemenië en Rusland en

co-publicatielinks van Vlaanderen met andere landen weer.

ook Vietnam met middelsterke samenwerkingsintensiteit in

Enkel landen met minstens 50 co-publicaties met Vlaanderen in

2004-2009, vermeldenswaard. Samenvattend kenmerkt

de beschouwde periode zijn opgenomen. Drie verschillende

de kaart in figuur 10.7 Vlaanderen als een in het Europees

categorieën zijn afgebeeld: middelsterke links (0,01 ≤ r < 0,025)

wetenschappelijke systeem volledig geïntegreerde Europese

zonder lijn, sterke links (0,025 ≤ r < 0,05) met stippellijn en

regio met sterke internationale bindingen, vooral tot zijn

zeer sterke links (0,05 ≤ r) met volle lijn. De opvallende relatie

buurlanden.

met enkele Afrikaanse landen, vooral met Congo, heeft een historische achtergrond en kan tenminste gedeeltelijk door de aanwezigheid van een neokoloniale binding gekenmerkt worden (vgl. Nagtegaal en de Bruin, 1994).


169

Figuur 10.7: De geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van Vlaanderen op basis van de SCIE, 1998-2003 (links), en 2004-2009 (rechts)

SWE

SWE

FIN NOR

NOR RUS

RUS

IRL DNK

DNK

CAN

GBR

USA

NLD VL

GBR

CAN

NLD

POL

DEU LUX

FIN

CZE

CHE AUT FRA

CZE

LUX

SVK HUN

FRA

POL

DEU

VL

USA

CHE AUT HUN ROU

ESP

ESP PRT

BGR

PRT

ITA

ITA GRC

GRC KEN

VNM

KEN

COG

ZAF

ZMB

VNM

AUS

n r ≥ 0,05 n 0,025 ≤ r < 0,05 n 0,015 ≤ r < 0,025

10.9 SLOTBESCHOUWINGEN

De Vlaamse universiteiten staan in voor ongeveer 85%-90% van de Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft

De omvang en de impact van het Vlaams potentieel in de

niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

natuur-, levens- en technische wetenschappen werd zichtbaar

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de

gemaakt aan de hand van één erg relevante set van

open literatuur, aan de Vlaamse universiteiten wordt verricht.

indicatoren: de bibliometrische analyse van de publicaties, verschenen in de internationale wetenschappelijke literatuur.

Het aandeel van de wetenschappelijke instellingen neemt toe in

Het aantal Vlaamse wetenschappelijke publicaties in deze

de loop van de jaren 1990, om vervolgens te stabiliseren rond

disciplines is in de beschouwde periodes duidelijk gegroeid.

de 10%. Hierbij moeten we ook rekening houden met de rol

Ook qua zichtbaarheid van de wetenschappelijke output behoort

van het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC),

Vlaanderen zonder meer tot de Europese top. Men kan dan

de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en

ook duidelijk stellen dat de Vlaamse en Belgische onderzoekers

ook het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare middelen

(VIB). Ook het meer recente Interuniversitair Instituut voor

hebben aangewend. De productiviteit van Vlaanderen in

Breedbandtechnologie (IBBT) wordt meer en meer zichtbaar.

de natuur-, levens- en technische wetenschappen is immers

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich rond de

spectaculair toegenomen.

7%, een lichte afname ten opzichte van de 8% die in de jaren 1980 werd waargenomen (zoals blijkt uit de vorige edities van het Vlaams Indicatorenboek).

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Bron geografische map: University of Alabama, Cartographic Research Lab


170

De verdeling van deze publicaties is echter erg vertekend, omdat

10.10

REFERENTIES

een beperkt aantal bedrijven, zoals Janssen Pharmaceutica en een beperkt aantal jonge biotech bedrijven, het leeuwenaandeel voor hun rekening nemen.

• BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., Scientometrics indicators. A 32-country comparative evaluation of publishing performance and citation impact. World Scientific. Singapore

De vergelijking van de relatieve verdeling van de Vlaamse publicaties over de grote wetenschapsdomeinen met deze van andere landen (-groepen) en met de gegevens van de volledige

* Philadelphia. 1985. • CANO, F., JULIAN, S., Some Indicators in Spanish Scientific Production, Scientometrics, 24 (1), 1992, pp. 43-59.

databank, geeft informatie over de specialisatie van het Vlaams

• DEBACKERE, K. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap,

onderzoek. Zowel in vergelijking met het profiel van de volledige

Technologie, Innovatie, AWI en IWT, Depotnummer D/1999/

SCIE als met het profiel van de Europese Unie, hebben de

3241/087, 1999.

publicaties in de klinische geneeskunde en de biowetenschappen

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatoren-

een relatief groter gewicht t.o.v. de globale Vlaamse publicatie-

boek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O

output. Het aandeel van de technische wetenschappen is

Statistieken, Depotnummer D/2003/3241/173, 2003.

daarentegen eerder klein, doch het heeft enkele positieve evoluties doorgemaakt.

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Statistieken, Depotnummer D/2005/3241/150, 2005.

Meer dan andere landen, heeft het Vlaams onderzoek een

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatoren-

internationale component en deze sterke internationalisering

boek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O

lijkt nog verder te gaan. Er kunnen hiervoor een aantal

Indicatoren, ISSN 1374-6294, 2007.

verklaringen worden aangereikt. België is een partner in diverse

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatoren-

internationale onderzoeksinstellingen, zoals CERN, ESO,

boek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O

EMBO en ESRF. Daarnaast neemt Vlaanderen erg actief deel

Indicatoren, ISSN 1374-6294, 2009.

aan multinationaal onderzoek, met voorop de Europese

• GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., A bibliometric study on

Kaderprogramma’s en de ERC-werking. Bovendien leiden de

ageing and reception processes of scientific literature, Journal

voortschrijdende specialisatie en het toenemend interdisciplinair

of Information Science, 21 (1), 1995, pp. 37-53.

karakter van de wetenschap ertoe dat Vlaamse onderzoekers

• GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., CZERWON, H.-J., A

niet steeds nog geschikte collega's binnen Vlaanderen vinden,

Bibliometric Analysis of International Scientific Cooperation

met wie ze kunnen samenwerken. Ze zullen zich dan ook op

of the European Union (1985-1995), Scientometrics, 45,

een natuurlijke manier richten op een buitenlandse partner.

1999, 185-202.

Bovendien overstijgen bepaalde actuele wetenschappelijke

• GLÄNZEL, W., Science in Scandinavia: A Bibliometric

problemen de landsgrenzen - men denke maar aan de studie

Approach, Scientometrics, 48, 2000, pp. 121-150. (Correction:

van klimatologische veranderingen. De snelle ontwikkeling van de informatie- en telecommunicatie-technologieën bevorderen zeker ook deze internationalisering.

Scientometrics, 49 (2), 2000, 357). • GLÄNZEL, W., National Characteristics in International Scientific Coauthorship, Scientometrics, 51 (1), 2001, pp. 69-115. • GLÄNZEL, W., DANELL, R., PERSSON, O., The decline of

De citaties die publicaties in de internationale wetenschappelijke

Swedish neuroscience – decomposing a bibliometric national

literatuur oogsten, laten toe de internationale zichtbaarheid ervan

science indicator, Scientometrics, 57 (2), 2003, pp. 197-213.

te analyseren. Het onderzoek, verricht in Vlaanderen tijdens de

• GLÄNZEL, W. SCHUBERT, A., Analyzing scientific networks

tweede helft van de jaren 1990 en verder na de millenniumwissel,

through co-authorship, In: H.F.M. Moed, W. Glänzel, U.

wordt beduidend meer geciteerd dan het wereldgemiddelde.

Schmoch (Eds), Handbook of Quantitative science and

Wanneer het gemiddelde aantal citaties per publicatie wordt

Technology Research. The use of Publication and patent

gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor van de gebruikte

statistics in studies on S&T Systems. Kluwer Academic

tijdschriften, ligt deze score voor Vlaanderen even hoog of zelfs

Publishers, Dordrecht, The Netherlands, 2004, pp. 257-276.

hoger dan voor de meeste andere Europese landen.


171

• GÓMEZ, I., FERNÁNDEZ, M.T. AND MÉNDEZ, A.,

BIJLAGE

Collaboration patterns of Spanish scientific publications in Code

Vlaanderen

VL*

the Biennial Conference of the International Society for

Australia

AUS

Scientometrics and Informetrics (ed. by M.E.D. Koenig and A.

Bulgarije

BGR

Bookstein), Learned Inf., Medford, NJ, 1995, pp. 187-196.

Canada

CAN

Congo

COG

Denemarken

DNK

Duitsland

DEU

Finland

FIN

Frankrijk

FRA

Griekenland

GRC

Hongarije

HUN

Italië

ITA

• NAGTEGAAL, L.W., DE BRUIN, R.E., The French connection

Ierland

IRL

and other neo-colonial patterns in the global network of

Kenya

KEN

Luxemburg

LUX

Nederland

NLD

Noorwegen

NOR

Oostenrijk

AUT

Polen

POL

Portugal

PRT

Roemenië

ROU

Indicators 2003, Third Edition. EUR 20025. European

Russische Federatie

RUS

Commission, Brussels, 2003.

Slovakije

SVK

Spanje

ESP

Tsjechië

CZE

democracy seen through the Spanish database ISOC,

Verenigd Koninkrijk

GBR

Scientometrics, 30, 1994, pp. 201-212.

Verenigde Staten van Amerika

USA

Volksrepubliek China

CHN

Vietnam

VNM

Zambia

ZMB

Publications. In: D. Tomov, L. Dimitrova (Eds.), Proceedings

Zuid-Afrika

ZAF

of the 1st National Conference with International Participation

Zweden

SWE

on Scientometrics and Linguistic of the Scientific Text, Varna

Zwitserland

CHE

• KATZ, J. S., HICKS, D. Indicators for systems of innovation, IDEA paper series, No. 12, Oslo: STEP Group, 1998. • MOED, H. F., DE BRUIN, R.E., VAN LEEUWEN, TH. N., New bibliometric tools for the assessment of national research performance: database description, overview of indicators and first applications, Scientometrics, 33, 1995, pp. 381-422.

science, Research Evaluation, 4 (2), 1994, pp. 119-127. • REIST2. The European Report on Science and Technology Indicators 1997, Second Edition. EUR 17639. European Commission, Brussels, 1997. • REIST3. The European Report on Science and Technology

• ROMÁN, A., MÉNDEZ, A., The Spanish transition to

• SCHUBERT, A., GLÄNZEL, W., BRAUN, T., Relative Citation Rate: A New Indicator for Measuring the Impact of

1983, pp. 80-81. • TIJSSEN, R.J.W., VAN LEEUW, Th. N, HOLLANDERS, H., VERSPAGEN, B., Het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie. Wetenschaps- en TechnologieIndicatoren 2000. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 2000. • VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index with standard bibliometric indicators and with peer judgment for 147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006, pp. 491-502.

* Vlaanderen heeft geen standaard ISO-code

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 10

Land/regio

different research areas and disciplines, In: Proceedings of


172


173

B I B L I O M E T R I S C H E A N A LY S E VA N H E T V L A A M S U N I V E R S I TA I R ONDERZOEK IN DE SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN. D E E E R S T E V E R S I E VA N H E T VA B B - S H W

Door Truyken Ossenblok (Universiteit Antwerpen), Nathalie Stevens (Universiteit Antwerpen), Eric Spruyt (Universiteit Antwerpen) en Tim Engels (Universiteit Antwerpen en Hogere Zeevaartschool Antwerpen)

11


174

11.1 INLEIDING

Na twee jaar voorbereidingen en opbouw werd op 22 december 2010 de eerste versie van het VABB-SHW plechtig ingehuldigd

In het Decreet betreffende de financiering van de universiteiten

aan de Universiteit Antwerpen. In deze bijdrage beschrijven we

in de Vlaamse gemeenschap (decreet van 14 maart 2008) en

hoe het bestand werd opgebouwd en welke de eruit af

het gewijzigde Besluit betreffende de financiering van de

te leiden kenmerken van de publicaties van aan Vlaamse

Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF-besluit van 12 december

universiteiten verbonden onderzoekers in de sociale en

2008) werd de wettelijke basis gelegd voor de opbouw van het

humane wetenschappen zijn.

Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW). Met de invoering van het VABB-SHW werd een verdere verfijning van de monitoring

11.2 DE OPBOUW VAN HET VABB-SHW

van het Vlaams onderzoek mogelijk. Reeds sinds de eerste wijziging van het BOF-besluit in 2003 wordt het onderzoek in

De doelstelling bij de opbouw van het VABB-SHW was het

de levens-, natuur- en technische wetenschappen nauwkeurig

creëren van een bestand dat de bibliografische referenties

gemonitord en wordt erover gerapporteerd in de opeenvolgende

verzamelt van de wetenschappelijke publicaties afkomstig van

Vlaamse indicatorenboeken. Gezien het belang van publicaties

onderzoekers verbonden aan Vlaamse universiteiten en

in de innovatieketen, gezien hun toenemend belang bij de

hogescholen en werkzaam in de sociale en humane

verdeling van onderzoeksmiddelen over de universiteiten en

wetenschappen. Conform de bepalingen van het BOF-besluit

gezien het blijvend tekortschieten van het Web of Science (WoS)

dienen opgenomen publicaties te voldoen aan een aantal

in het representatief indexeren van de publicaties in de sociale

minimale criteria. Ze moeten:

en humane wetenschappen (Spruyt & Rons, 2008), hoeft het niet te verbazen dat de decreetgever opdracht gaf om, althans

(a) publiek toegankelijk zijn,

voor de sociale en humane wetenschappen, ook de publicaties

(b) op een ondubbelzinnige manier identificeerbaar zijn via

die niet in het WoS worden geïndexeerd in kaart te brengen.

een ISBN- of ISSN-nummer, (c) een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe

De overheid is op die manier tegemoet gekomen aan de vraag

inzichten of aan de toepassing ervan

van onderzoekers, vakbonden en universiteiten om in het

(d) voor verschijnen beoordeeld zijn in een aantoonbaar peer-

kader van de verdeling van onderzoeksmiddelen over de

reviewproces door wetenschappers die expert zijn in de

universiteiten ook rekening te houden met de specificiteit van

betrokken (deel)discipline(s). Peer review moet uitgevoerd

de sociale en humane wetenschappen, in het bijzonder het feit

worden door een editorial board, door een vast leescomité,

dat vaak in boeken en/of in het Nederlands wordt gepubliceerd,

door externe referees of door een combinatie van die

terwijl het WoS quasi uitsluitend Engelstalige tijdschrift- en

typen.

conferentieliteratuur verwerkt (Engels, Spruyt, Glänzel, & Debackere, 2009). Het VABB-SHW laat nu toe dat ook de

Verder bepaalt het BOF-besluit dat voor de eerste versie van

niet in WoS geïndexeerde publicaties van aan Vlaamse

het VABB-SHW volgende vijf publicatietypen in aanmerking

universiteiten verbonden onderzoekers uit de sociale en

komen:

humane wetenschappen bijdragen aan de verdeling van de BOF-middelen. En hoewel het gewicht van deze publicaties

(a) artikelen in tijdschriften;

in de BOF-sleutel 2011 beperkt blijft tot 2,6%, is, gelet op het

(b) boeken als auteur;

gebruik van de BOF-sleutel bij de verdeling van de universitaire

(c) boeken als editor;

werkingsmiddelen

(d) artikelen of gedeelten in boeken;

en

andere

onderzoeksfinanciering

(Industrieel Onderzoeksfonds, Hercules financiering, Odysseus financiering, Methusalem financiering en Interuniversitaire Attractiepolen), het effect van dit nieuwe instrument allicht verder reikend dan doorgaans wordt vermoed.

(e) artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn.


175

De Vlaamse Regering besliste de opbouw van het VABB-SHW

Met het oog op het faciliteren van de werking van het GP

toe te vertrouwen aan het interuniversitair Expertisecentrum

werden in de databank de publicatiebeschrijvingen zo vaak als

Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM), en binnen

mogelijk op basis van de affiliatie(s) van de auteur(s)

het beheerscomité van ECOOM werd de daadwerkelijke

toegewezen aan een of meer disciplines, te weten:

opbouw van het bestand toegewezen aan het team van de Universiteit Antwerpen. ECOOM-Antwerpen kreeg de

• Archeologie;

verantwoordelijkheid voor de technische realisatie van

• Communicatiewetenschappen;

de databank en coördineerde in nauwe samenwerking met

• Criminologie;

de collega’s van andere universiteiten, in het bijzonder

• Economie, handelswetenschappen en bedrijfskunde;

ECOOM-Leuven, de verschillende stappen van de opbouw.

• Geschiedenis; • Godgeleerdheid,

Tegelijk besliste de Vlaamse Regering tot de installatie van een

theologie,

bijbel-

en

godsdienst-

wetenschappen;

Gezaghebbend Panel (GP), dat de inhoudelijk-wetenschappelijke

• Kunstgeschiedenis, architectuur en kunsten;

verantwoordelijkheid over het VABB–SHW kreeg toegewezen.

• Letterkunde;

Het GP werd bij Besluit van de Minister samengesteld uit

• Pedagogie en didactiek;

18 leden, afkomstig uit elk van de vijf associaties met

• Politieke wetenschappen;

een vertegenwoordiging uit de universiteiten en hogescholen

• Psychologie;

en gespreid over de voornaamste disciplines van de sociale

• Rechtswetenschappen en notariaat;

en humane wetenschappen (zie voor nadere toelichting

• Sociologie, met inbegrip van gezondheidssociologie en

Ghesquière, Van Bendegem, Gillis, Willems, & Cornelissen,

(aspecten van) eerstelijnsgeneeskunde;

2011). De administratief-secretariële ondersteuning van het GP

• Taalkunde;

kon dankzij de financiële ondersteuning van het Departement

• Wijsbegeerte, (wetenschaps)filosofie en moraalwetenschappen.

Onderwijs door de VLIR worden opgenomen. De publicatiebeschrijvingen die niet (eenduidig) aan een of Nadat eind 2008 de toenmalige stuurgroep van het Steunpunt

meer van voorgaande disciplines konden worden toegewezen

Onderzoek en Ontwikkelingsindicatoren (SOOI) de door de

(bijvoorbeeld publicaties van antropologen), werden toegewezen

interuniversitaire

aan een van volgende drie algemene categorieën:

werkgroep

VABB-SHW

voorbereide

de associaties – in het bijzonder de universiteiten, maar,

• Sociale wetenschappen algemeen;

desgewenst, ook de hogescholen – een intensief proces van

• Humane wetenschappen algemeen;

voorbereiding op de eerste data-aanlevering aan ECOOM-

• Andere.

Antwerpen per 1 september 2009. Aan de hand van de geleverde publicatiebeschrijvingen van de publicaties 2000 tot

Door deze toewijzing van publicaties aan disciplines konden de

en met 2008 voorzag ECOOM eind 2009 het GP voor het

leden van het GP met het oog op het toetsen van de criteria

eerst van lijsten van tijdschriften, lijsten van uitgevers en lijsten

van het BOF-besluit aan de slag met zogenaamde ‘disciplinaire’

van proceedingsbijdragen. Na de tweede data-aanlevering

lijsten. Naast de criteria van het BOF-besluit, besloot het GP

door de associaties aan ECOOM per 1 april 2010 werden de

een minimum van vier pagina’s vereist te stellen alvorens

lijsten per 1 juni 2010 vervolledigd aan de hand van de

een publicatie voor opname in het VABB-SHW in aanmerking

bijkomend geleverde records tot en met de publicaties

kon komen.

verschenen in 2009.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 11

architectuur van de database had goedgekeurd, startte voor


176

In de lijsten waarvan het GP werd voorzien, werd ook

Deze publicaties zijn wel terug te vinden in de publiek toegankelijke

aangeduid welke tijdschriften en proceedingsbijdragen deels of

online versie van het VABB-SHW. Voor de analyse van de data

volledig in het WoS werden geïndexeerd. Het GP besloot alle

beperken we ons omwille van de onvolledigheid van de door de

betreffende tijdschriften en proceedingsbijdragen te erkennen

hogescholen aangeleverde data tot de publicaties van de hand van

als beantwoordend aan de criteria van het BOF-besluit,

onderzoekers die verbonden zijn aan een Vlaamse universiteit.

aangezien de erin gepubliceerde artikelen sowieso voor de verdeling van de BOF-middelen in aanmerking worden

Figuur 11.1 geeft een overzicht van de aard van de publicaties

genomen voor zover zij inderdaad in het WoS werden

die in het VABB-SHW zijn opgenomen. Het betreft enerzijds

geïndexeerd, een adres van een Vlaamse universiteit dragen en

18.946 publicaties (63,3%) die niet in het WoS werden

van het type article, letter, note of review zijn. Deze beslissing

geïndexeerd en die voldeden aan de criteria van het BOF-

van het GP was echter wel van belang aangezien op die manier

besluit, de tijdschriften- en uitgeversselectie van het GP en

alle artikelen verschenen in tijdschriften die in de loop van

de minimumdrempel van vier pagina’s bepaald door het GP.

de periode 2000-2009 aan het WoS werden toegevoegd op

Anderzijds betreft het 10.975 publicaties (36,7%) die wel in het

gelijke voet werden behandeld.

WoS werden beschreven en overeenkomstig het BOF-besluit voldoen aan de criteria om in aanmerking te worden genomen bij

Op 1 oktober 2010 maakte de voorzitter van het GP dan de lijst

de bepaling van de BOF-sleutel. Verder in deze bijdrage verwijzen

van de voor de eerste versie van het VABB-SHW in aanmerking

we naar beide delen met de afkortingen VABB-GP en VABB-WoS.

te nemen tijdschriften en uitgevers over aan ECOOM. Ook de criteria voor de selectie van proceedingsbijdragen en het minimum aantal pagina’s werd via een schrijven overgemaakt

Figuur 11.1: Aard en type van de publicaties opgenomen

(Ghesquière et al., 2011). Aan de hand van deze beslissingen

in de eerste versie van het VABB-SHW

filterde ECOOM-Antwerpen het geheel van de initieel

(VABB-GP en VABB-WoS)

aangeleverde publicatiebeschrijvingen. Per 15 oktober 2010 ontving iedere associatie dan de vraag om het tegen die tijd

3.390

beschikbaar gestelde overzicht van alle voor de eerste versie

335

671

van het VABB-SHW in aanmerking komende publicaties te

404 6.188

controleren en zo nodig gedocumenteerde aanvullingen in te zenden tot uiterlijk 15 november 2010. Op die manier kon ECOOM op 1 december 2010 het resultaat van de eerste versie van het VABB-SHW aan de overheid overmaken en de lijsten van tijdschriften en uitgevers samen met de publieke versie van het bestand via de website www.ecoom.be/vabb

14.146

bekendmaken.

3.413 975

11.3 KENSCHETSING VAN DE VLAAMSE UNIVERSITAIRE PUBLICATIES IN DE SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN

399

VABB-WoS n Artikelen SCIE n Artikelen SSCI

In de eerste versie van het VABB-SHW werden 29.921

n Artikelen AHCI

publicaties opgenomen. Het betreft publicaties die verschenen

n Proceedings CPCI-S & CPCI-SSH

in de periode 2000 tot en met 2009 en waarvan de auteur of

VABB-GP

minstens een van de co-auteurs verbonden is aan een Vlaamse

n Artikelen in tijdschriften

universiteit. Overeenkomstig het BOF-besluit konden de

n Boeken als auteur

publicaties van aan hogescholen verbonden onderzoekers

n Boeken als editor

immers in 2010 reeds door de associaties voor het VABB-SHW

n Hoofdstukken in boeken

worden aangeleverd, maar werden zij nog niet voor de BOF-

n Proceedings

sleutel in aanmerking genomen.


177

De 18.946 VABB-GP publicaties kunnen worden ingedeeld

Als voorbeeld van een dergelijke aanpak kunnen we verwijzen

naar publicatietype. Het betreft 14.146 artikelen in tijdschriften,

naar Noorwegen waar alle tijdschriften en uitgevers die in

404 boeken als auteur, 671 boeken als editor, 3.390

aanmerking worden genomen voor het nationale publicatie-

hoofdstukken in boeken en 335 proceedingsbijdragen (zie ook

meetmodel zijn ingedeeld in twee niveaus, waarbij het tweede

Tabel 11.1). De 10.975 VABB-WoS publicaties kunnen op hun

niveau, level 2, de meest prestigieuze en selectieve internationale

beurt nader worden gekenmerkt aan de hand van de

tijdschriften en uitgevers bevat (Sivertsen, 2010). Hoe dan ook

deeldatabank(en) van het WoS waarin ze zijn beschreven.

heeft het GP het voornemen om vanaf de tweede versie van

Met name zijn 6.188 van deze publicaties beschreven in de

het VABB-SHW de boekpublicaties van meer uitgevers voor

Science Citation Index Expanded (SCIE), de grootste deel-

opname in aanmerking te nemen (Ghesquière et al., 2011),

databank die de publicaties in de levens-, natuur- en technische

waardoor het aantal boekpublicaties en hun impact op de

wetenschappen dekt. Deze publicaties zijn ook mee besproken

BOF-sleutel vermoedelijk zal toenemen en het percentage

in het voorgaande hoofdstuk (Debackere, Glänzel, & Thijs,

boekpublicaties meer in lijn kan komen met het aandeel dat in

2011). Ruim de helft (3.313) van deze publicaties is niet enkel

de literatuur wordt vermeld (Hicks, 2006).

in de SCIE beschreven, maar ook in de Social Science Citation Index (SSCI) en/of de Arts and Humanities Citation Index (AHCI), beide minder omvangrijke deeldatabanken van het WoS. Een tweede deelverzameling wordt gevormd door de 3.413

11.4 KENSCHETSING VAN DE ONDERSCHEIDEN DISCIPLINES

publicaties die in de SSCI (en in 479 gevallen ook in de AHCI) zijn geïndexeerd en een derde door de 975 publicaties 1

Tabel 11.1 geeft een overzicht van het aantal publicaties per

die enkel in de AHCI werden verwerkt . Tot slot zijn

discipline en publicatietype in de eerste versie van het VABB-

399 proceedingsbijdragen opgenomen in een van beide

SHW. Men krijgt een beeld van het aantal publicaties binnen

proceedingsdatabanken, te weten de Conference Proceedings

elke discipline en hoe deze publicaties verdeeld zijn over de vijf

Citation Index-Sciences (CPCI-S) en de Conference Proceedings

publicatietypen. Het totaal aantal publicaties per publicatietype

Citation Index-Social Sciences & Humanities (CPCI-SSH).

bevat, naast de publicaties toegewezen aan een of meer van de 15 in het VABB-SHW onderscheiden disciplines, ook de publicaties die aan een van de drie algemene categorieën

auteur, boeken als editor en hoofdstukken in boeken samen

(sociale wetenschappen algemeen, humane wetenschappen

slechts 14,9% van de publicaties in het VABB-SHW uitmaken.

algemeen, andere) werden toegewezen.

Bij de bepaling van de BOF-sleutel wegen deze boekpublicaties evenwel meer door, aangezien aan boeken als auteur een

In tabel 11.1 valt op dat de overgrote meerderheid van de

gewicht 4 en aan boeken als editor een gewicht 2 wordt

publicaties in het bestand artikelen in tijdschriften zijn (82,6%),

toegekend, terwijl de artikelen in tijdschriften die niet in het WoS

op ruime afstand gevolgd door bijdragen in boeken (14,9%),

zijn opgenomen en hoofdstukken in boeken een gewicht 1

terwijl de databank momenteel slechts een heel beperkt aantal

krijgen en proceedingsbijdragen een gewicht 0,5. De artikelen

bijdragen in proceedings bevat (2,4%). Op het niveau van

in tijdschriften die in het WoS zijn opgenomen worden

de verschillende disciplines stellen we vast dat de rechts-

gewogen met behulp van de impactfactor van het tijdschrift of

wetenschappen en economie samen goed zijn voor bijna een

krijgen, indien geen impactfactor van het tijdschrift ter

derde van alle publicaties in het bestand (resp. 15,6% en

beschikking is, eveneens een gewicht 1. Het BOF-besluit

14,9%). Sociologie en psychologie volgen samen als tweede

voorziet in de mogelijkheid dat het GP voorstellen doet om

belangrijkste groep (resp. 10,3% en 9,0%). De disciplines met

deze gewichten in de toekomst te wijzigen en/of te differentiëren

het kleinste aandeel aan publicaties zijn kunstgeschiedenis

rekening houdend met kwaliteit van tijdschriften of uitgevers.

(2,3%) en archeologie (1,3%).

1 In totaal dragen, voor de periode 2000 tot en met 2009, 5.643 SSCI en/of AHCI geïndexeerde publicaties bij aan de verdeling van de BOF-middelen. Het aantal per jaar is gestaag gestegen: 283 in 2000, 344 in 2001, 339 in 2002, 402 in 2003, 465 in 2004, 552 in 2005, 589 in 2006, 735 in 2007, 933 in 2008 en 1001 in 2009.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 11

Opvallend in figuur 11.1 is dat de publicatietypen boeken als


178

Tabel 11.1:

Aantal publicaties opgenomen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS) per discipline en per publicatietype Artikelen in tijdschriften

Discipline

VABB-GP

VABB-WoS

Boeken als auteur

Boeken als editor

Hoofdstukken in boeken

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

VABB-WoS

Proceedingsbijdragen

Totaal

%

VABB-SHW

Archeologie

176

133

11

6

40

18

12

396

Communicatiewetenschappen

425

170

3

16

94

1

19

728

1,3% 2,4%

Criminologie

741

95

2

1

24

1

2

866

2,9%

1.472

2.379

52

32

297

53

157

4.442

14,9%

Geschiedenis

773

193

28

52

233

19

0

1.298

4,3%

Godgeleerdheid

610

85

53

85

410

4

1

1.248

4,2%

Kunstgeschiedenis

295

150

12

38

135

28

22

680

2,3%

Letterkunde

631

143

36

87

376

31

0

1.304

4,4%

Pedagogie

626

530

8

7

63

16

7

1.257

4,2%

Politieke wetenschappen

781

217

21

33

204

3

1

1.260

4,2%

Psychologie

617

2.085

5

5

84

24

18

2.838

9,0%

Rechtswetenschappen

4.018

144

55

89

320

20

11

4.657

15,6%

Sociologie

1.211

1.701

7

10

123

10

8

3.070

10,3%

Taalkunde

908

457

59

135

511

83

54

2.207

7,4%

Wijsbegeerte

786

603

30

42

279

9

36

1.785

6,0%

14.146 47,3%

10.576 35,3%

404 1,4%

671 2,2%

3.390 11,3%

335 1,1%

399 1,3%

29.921 100,0%

Economie

Totaal (incl. algemene categorieën) %

Bij de interpretatie van deze gegevens mag men evenwel niet

11.5 EEN GROEI IN PUBLICATIES

uit het oog verliezen dat niet elke discipline aan elk van de vijf Vlaamse universiteiten wordt beoefend. Zo wordt de

Internationaal wordt vastgesteld dat vorsers jaarlijks aan een

studierichting archeologie enkel aan K.U.Leuven, UGent en

groter aantal publicaties meewerken (Martin et al., 2010). Uit de

VUB ingericht, terwijl elke Vlaamse universiteit een faculteit

bepaling van de BOF-sleutel 2011 valt af te leiden dat het aantal

rechtswetenschappen

economische

publicaties geïndexeerd in SCIE met een co-auteur van een

wetenschappen telt. Verder is het belangrijk te weten dat niet

Vlaamse universiteit in de periode 2000 tot en met 2009

elke faculteit evenveel doctorandi en staf heeft. De vermelde

toenam van 5.515 naar 9.941, oftewel met 80,2%. Het VABB-

aantallen en percentages geven dus enkel informatie over het

SHW laat ons toe na te gaan of de publicatieoutput van de

gewicht van een discipline in het geheel van de Vlaamse

vorsers uit de sociale en humane wetenschappen, verbonden

publicaties in het brede domein van de sociale en humane

aan een Vlaamse universiteit, eveneens is toegenomen over de

wetenschappen. Hiermee wordt geen aanduiding gegeven

afgelopen 10 jaar.

en

een

faculteit

over de gemiddelde productiviteit van vorsers binnen een bepaalde discipline.

Figuur 11.3 geeft de evolutie van het aantal publicaties per jaar opgenomen in VABB-SHW, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen publicaties opgenomen in het VABB-GP en het

Figuur 11.2 geeft per discipline het aandeel VABB-GP publicaties

VABB-WoS. De grafiek toont dat de internationale trend om

en het aandeel VABB-WoS publicaties in het VABB-SHW.

steeds meer te publiceren ook geldt voor de sociale en humane

We stellen vast dat voor de meeste disciplines het aandeel

wetenschappen in Vlaanderen. De sterke stijging van het aantal

VABB-GP publicaties groter is dan het aandeel VABB-WoS

publicaties per jaar wordt voornamelijk veroorzaakt door de

publicaties. Opvallende koplopers met meer dan 80% VABB-GP

bijna verdrievoudiging van het aantal publicaties opgenomen in

publicaties zijn rechtswetenschappen (96,7%), godgeleerdheid

het VABB-WoS. Het gegeven dat sinds 2007 een groot aantal

(93,1%), criminologie (88,8%), letterkunde (89,0%), geschiedenis

tijdschriften bijkomend in het WoS wordt geïndexeerd is hier

(85,1%) en politieke wetenschappen (82,7%). De disciplines

ongetwijfeld mede debet aan (Moed et al., 2009). Hoe dan ook

psychologie (25,9%), economie (42,9%) en sociologie (44,3%)

kunnen we, rekening houdend met het gegeven dat het WoS

hebben daarentegen een kleiner aandeel publicaties in het

voornamelijk internationaal georiënteerde tijdschriften verwerkt,

VABB-GP dan in het VABB-WoS.

stellen dat de trend om zich steeds meer op een internationaal publiek te richten (Fry et al., 2009) ook voor de Vlaamse vorsers uit de sociale en humane wetenschappen van toepassing is.


179

Figuur 11.2: Aandeel VABB-GP en VABB-WoS publicaties in het VABB-SHW per discipline

Archeologie 100%

Wijsbegeerte

Communicatiewetenschappen

80%

Taalkunde

Criminologie 60% 40%

Sociologie

Economie 20% 0%

Rechtswetenschappen

Geschiedenis

Psychologie

Godgeleerdheid

Politieke wetenschappen

Kunstgeschiedenis Pedagogie

n VABB-GP

Letterkunde

n VABB-WoS

Figuur 11.3: Aantal publicaties per jaar opgenomen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS)

4.000 3.500

3.604

2.373

1.712

2.942

2.052

1.981

2.499

2.074

1.500

2.838

3.073

1.789

1.948

2.019

1.505

2.111

2.092

1.737

1.698

1.683

2008

2009

1.493

1.000

1.125 661

710

786

569 2000

2001

2002

2003

1.289

961

0

n VABB-GP

n VABB-WoS

n VABB-SHW

2004

2005

2006

2007

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 11

2.500

500

3.420

3.308

3.000

2.000

3.790


180

Tabel 11.2: Groeipercentage van het gewogen aantal publicaties per discipline voor het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS)

Discipline Archeologie Communicatiewetenschappen Criminologie Economie Geschiedenis Godgeleerdheid Kunstgeschiedenis Letterkunde Pedagogie Politieke wetenschappen Psychologie Rechtswetenschappen Sociologie Taalkunde Wijsbegeerte Totaal (incl. algemene categorieĂŤn)

2000 23,0 46,0 53,0 295,5 114,5 132,5 47,0 95,0 81,0 69,0 153,0 379,5 189,5 157,0 163,0 2.207

2003 38,5 61,5 61,0 401,0 115,5 119,5 70,5 161,0 111,0 156,0 212,5 545,0 264,5 250,5 174,0 2.967

2006 35,5 83,0 94,5 533,0 161,0 128,5 96,5 152,0 143,0 143,0 355,0 579,0 324,5 273,0 227,0 3.402

2008 61,5 94,0 126,0 577,5 191,0 229,0 88,0 163,0 164,5 210,5 445,0 506,5 377,0 313,5 257,5 4.000

2009 54,5 107,0 120,0 552,5 186,5 169,0 79,0 169,5 188,0 173,5 416,0 385,0 396,5 246,0 168,0 3.558

Groeipercentage 2000-2008 167,4% 104,3% 138,7% 95,4% 66,8% 72,8% 87,2% 71,6% 103,1% 205,1% 190,8% 33,5% 98,9% 99,7% 45,7% 81,2%

De vaststelling dat het aantal publicaties in 2009 voor nagenoeg

Indien we, rekening houdende met het voorgaande, het aantal

alle disciplines lager ligt dan het aantal publicaties in 2008, kan

publicaties in 2000 vergelijken met het aantal publicaties in

vermoedelijk worden verklaard door het feit dat de gegevens

2008, stellen we voor alle 15 onderscheiden disciplines een

voor het publicatiejaar 2009 op 1 april 2010 nog niet volledig

duidelijke toename van het aantal publicaties vast. De kleinste

door de associaties konden worden aangeleverd omdat niet alle

groei observeren we bij rechtswetenschappen (+33,5%),

auteurs tegen die datum de gegevens over hun meest recente

maar op wijsbegeerte na (+45,7%), kennen alle andere

publicaties in de lokale academische bibliografie hadden

disciplines een groei van meer dan 60%, waarbij de helft van

ingebracht. Verwacht kan worden dat het aantal publicaties 2009

de disciplines een groei laat optekenen van meer dan 100%.

nog zal oplopen in de volgende versie van het VABB-SHW,

Duidelijk opwaartse uitschieters zijn archeologie (+167,4%),

aangezien de associaties bij de data-aanlevering aan ECOOM

psychologie (+190,8%) en politieke wetenschappen (+205,1%).

per 1 april 2011 niet enkel nieuwe publicaties verschenen in 2010 maar ook aanvullingen en correcties bij voorgaande jaren

Onderzoek naar de onderliggende oorzaken van deze snelle

kunnen indienen.

groei zou kunnen uitwijzen of er objectiveerbare redenen zijn

Tabel 11.2 geeft een overzicht van het gewogen aantal in het

disciplines (van 33,5% tot 205,1%). Is er voor sommige

VABB-SHW opgenomen publicaties per discipline in de jaren

disciplines een verschuiving van het groeipatroon over de tijd?

2000, 2003, 2006 en 2009, alsook in het jaar 2008 omwille

Is bijvoorbeeld de groei in de publicatiecultuur binnen de

van de eerder vermelde vermoede onvolledigheid van het jaar

rechtswetenschappen al vroeger doorgezet, of kunnen we

2009. Bij de berekening van de gewogen aantallen in deze

die in de komende periode nog verwachten? Ook zonder dit

voor de toch grote verschillen in groeiratio tussen de verschillende

tabel, werden de VABB-GP publicaties gewogen conform het

bijkomend onderzoek kan echter worden gesteld dat de vorsers

BOF-besluit (zie paragraaf 11.3). Artikelen opgenomen in het

uit de sociale en humane wetenschappen in Vlaanderen samen

WoS kregen een gewicht 1 - er werd dus geen rekening

en per discipline jaarlijks meer publicaties afleveren.

gehouden met de impactfactor van een tijdschrift - en proceedings opgenomen in het WoS een gewicht 0.5. Wanneer we de aantallen voor de vijf opgenomen jaren vergelijken, stellen we vast dat de gewogen publicatieoutput in de sociale en humane wetenschappen in Vlaanderen de afgelopen 10 jaar bijna is verdubbeld. Ook hier toont de tabel een kleine daling in het aantal publicaties 2009.


181

Figuur 11.4: Evolutie van het gebruik van het Engels, Nederlands en andere publicatietalen binnen het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS)

100% 90% 80% 76%

70% 60%

65% 60%

62%

35%

36%

30%

30%

67%

60%

61%

33%

35%

34%

35%

32%

31%

31%

32%

27%

26%

27%

26%

68%

70%

37%

39%

31%

31%

73%

50% 40% 30% 20%

47%

25%

26%

26%

23%

42% 31%

30%

20%

18%

10% 9%

8%

9%

8%

7%

6%

7%

6%

7%

5%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

0%

n Engels

n Engels VABB-WoS

n Engels VABB-GP

11.6 VERSCHUIVINGEN IN TAALGEBRUIK

n Nederlands

n Andere talen

In figuur 11.4 is verder ook te zien dat het aandeel Engelstalige VABB-GP publicaties afneemt van 35,0% naar 29,6% terwijl

Naast een groei van het aantal publicaties, worden in de

het aandeel Engelstalige VABB-WoS publicaties toeneemt van 25,5% naar 46,9%. De vraag stelt zich in hoeverre deze laatste stijging positief correleert met de sterke stijging van het aantal

publicaties (Kyvik, 2003; Prpic, 2007). Ook in het VABB-SHW

publicaties in het VABB-WoS (figuur 11.3). Tabel 11.3 toont dat

stellen we vast dat Engels steeds belangrijker wordt als

de VABB-WoS publicaties over het hele tijdsvenster in grote

wetenschapstaal, ook in de sociale en humane wetenschappen.

meerderheid (~95%) Engelstalig zijn. De stijging van het aantal

Zoals figuur 11.4 illustreert, steeg het percentage Engelstalige

Engelstalige publicaties in het VABB-SHW gaat met andere

publicaties die werden opgenomen in de eerste versie van

woorden hand in hand met de toename van het aantal VABB-

het VABB-SHW, over alle publicatietypes heen, in de loop van

WoS publicaties. Tegelijk blijkt uit tabel 11.3 eveneens een

de periode 2000 tot 2009 van 60,4% naar 76,5%, terwijl

stijging tot meer dan 50% van het aandeel Engelstalige VABB-

andersom het aantal Nederlandstalige publicaties afnam van

GP publicaties.

30,3% naar 18,3%. Parallel kende ook het aandeel van publicaties in andere talen een daling van 9,3% naar 5,2%.

Tabel 11.3: Evolutie van het gebruik van het Engels als publicatietaal binnen het VABB-GP en het VABB-WoS Engels in VABB-GP VABB-WoS

2000 48,2% 92,8%

2001 49,4% 93,2%

2002 45,8% 94,5%

2003 48,1% 93,4%

2004 50,3% 95,6%

2005 51,0% 95,9%

2006 50,1% 95,7%

2007 52,8% 94,6%

2008 55,4% 94,7%

2009 58,3% 95,3%

Totaal Totaal 51,0% 51,0% 94,8% 94,8%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 11

literatuur ook verschuivingen in publicatiegedrag gerapporteerd, in het bijzonder een toename van het aantal Engelstalige


182

Figuur 11.5: Aandeel publicaties in het Engels, in het Nederlands en in andere talen per discipline voor het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-Wos)

Archeologie Wijsbegeerte

100%

Communicatiewetenschappen

80%

Taalkunde

Criminologie 60% 40%

Sociologie

Economie 20% 0%

Rechtswetenschappen

Geschiedenis

Psychologie

Godgeleerdheid

Politieke wetenschappen

Kunstgeschiedenis Pedagogie

Letterkunde

n Engels n Nederlands n Andere talen

Figuur 11.5 geeft een overzicht van het aandeel publicaties in

11.7 VERSCHUIVINGEN IN PUBLICATIETYPE

het Engels, in het Nederlands en in andere talen per in het VABB-SWH onderscheiden discipline. Globaal genomen zien

Op basis van de voorgaande paragrafen kan worden vermoed

we dat het Engels de belangrijkste plaats inneemt als publicatie-

dat ook de vorsers uit de sociale en humane wetenschappen in

taal binnen het VABB-SHW. Uitschieters zijn de disciplines

Vlaanderen zich de afgelopen 10 jaar op andere, meer

psychologie en economie met respectievelijk 88,9% en 88,7%

internationaal georiënteerde tijdschriften zijn gaan richten.

Engelstalige publicaties. De disciplines waarin vaakst in het

Meer en meer werd de voorkeur gegeven aan internationale

Nederlands wordt gepubliceerd zijn rechtswetenschappen

tijdschriften die worden verwerkt door het WoS. In deze

(64,5%) en criminologie (63,2%). In de overige disciplines

paragraaf richten we ons niet op verschuivingen binnen één

wordt meer in het Engels dan in het Nederlands gepubliceerd.

publicatietype maar bekijken we of we eveneens evoluties over de verschillende publicatietypes heen kunnen vaststellen. In de

Binnen de disciplines letterkunde en taalkunde zien we het

literatuur werd immers reeds bijna een decennium geleden,

belang van publicaties in andere talen dan het Nederlands of

althans voor de humane wetenschappen, een toenemend

het Engels: respectievelijk 30,4% en 21,6% van de publicaties

gebruik van het tijdschriftartikel als publicatiemedium

werden in andere talen dan het Nederlands of het Engels

geponeerd (Thompson, 2002). In het Vlaamse debat rond het

geschreven. Dit toont aan dat binnen het VABB-SHW

financieringsdecreet uitten humane wetenschappers eveneens

verschillende forumtalen vertegenwoordigd zijn.

de vrees dat de mede op publicaties gebaseerde BOF-sleutel onderzoekers zou ontmoedigen nog tijd te investeren in het publiceren van boeken en hen zou stimuleren om zich toe te leggen op kortere, maar volgens sommigen ook minder diepgaande, artikelen in tijdschriften (Willaert, 2007).


183

Tabel 11.4: Evolutie van het aandeel van publicatietypen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS) Discipline

Artikelen in tijdschriften VABB-GP

2000-2002 % 2003-2005 % 2006-2008 %

VABB-WoS

Totaal artikelen in tijdschriften

Boeken als auteur

Boeken als editor

Hoofdstukken in boeken

Totaal boeken

Totaal

VABB-SHW VABB-SHW

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

VABB-SHW

3.873

1.852

5.725

113

148

794

1.055

6.946 6.946

55,8%

26,7%

82,4%

1,6%

2,1%

11,4%

15,2%

97,6% 97,6%

4.579

2.726

7.305

106

191

988

1.285

8.853 8.853

51,7%

30,8%

82,5%

1,2%

2,2%

11,2%

14,5%

97,0% 97,0%

4.523

4.347

8.870

157

242

1.200

1.599

10.702 10.702

42,3%

40,6%

82,9%

1,5%

2,3%

11,2%

14,9%

97,8% 97,8%

Tabel 11.4 geeft de evolutie weer van het aandeel tijdschrift-

Meerdere buitenlandse studies alsook de hier gerapporteerde

artikelen en boekpublicaties over alle disciplines heen. Bij de

analyse van de eerste versie van het VABB-SHW tonen immers

studie van de publicatiegegevens van vorsers uit de sociale en

aan dat de wetenschappelijke communicatie in de sociale en

humane wetenschappen in Vlaanderen van de afgelopen 10 jaar,

humane wetenschappen in volle evolutie is. Zullen vorsers

opgenomen in het VABB-SHW, valt meteen de stabiliteit van

steeds meer blijven publiceren? Zal het belang van het Engels

het aandeel tijdschriftpublicaties en, bijgevolg, het aandeel

als publicatietaal nog toenemen? Zal in de toekomst wel een

boekpublicaties op. Binnen Vlaanderen stellen we dus voor het

verschuiving naar tijdschriften of boeken als publicatiemedium

geheel van de sociale en humane wetenschappen in de periode

waarneembaar zijn? Tot slot kan ook verder onderzoek naar

2000-2008 geen verschuiving naar het tijdschriftartikel als

het typische publicatiegedrag van bepaalde disciplines meer

publicatiemedium vast.

inzicht bieden in de specifieke dynamieken die de ontwikkeling van de wetenschappelijke communicatie beĂŻnvloeden.

11.8 TOEKOMSTPERSPECTIEVEN 11.9 BESLUIT Het BOF-besluit voorziet in een jaarlijkse actualisering van het Het Vlaamse wetenschapslandschap kende de afgelopen jaren

publicatietypen en een aanpassing van het VABB-telschema.

een aantal ingrijpende wijzigingen. Zo besloot de overheid in

Om de toekomstige verdere opbouw van het VABB-SHW

2003 en in nog sterkere mate in 2008 om een outputgericht

te verzekeren zal elk jaar op 1 april een nieuwe levering van

financieringssysteem in te voeren waarbij onder meer het

bijkomende publicaties uit het voorgaande kalenderjaar door de

aantal publicaties dat vorsers van elke Vlaamse universiteit

bevoegde diensten van de associaties aan ECOOM plaatsvinden.

jaarlijks publiceren een belangrijke invloed heeft op de

Het GP onderzoekt parallel of er een verfijning of aanpassing van

verdeling van de financieringsmiddelen, in het bijzonder voor

de tijdschriften- en uitgeversselectie nodig is, of geannoteerde

wetenschappelijk onderzoek. Om de berekeningen die gepaard

corpora als bijkomend publicatietype kunnen worden erkend en

gaan met het nieuwe financieringssysteem zo billijk mogelijk te

of het VABB-telschema dient te worden aangepast ten einde te

laten verlopen door de gegevens van zoveel als mogelijk

voorzien in een meer gedifferentieerde weging per publicatietype.

disciplines hierbij te betrekken, werd besloten tot de opbouw van een databank met de publicatiegegevens van de vorsers

Daarnaast blijft het VABB-SHW ook een voorwerp van en bron

actief in Vlaanderen binnen de sociale en humane

voor wetenschappelijk onderzoek over diverse aspecten van

wetenschappen, het VABB-SHW.

het publicatiegedrag in de sociale en humane wetenschappen in Vlaanderen en de evolutie hiervan. Op die wijze levert het VABB-SHW ook informatie die toelaat om evoluties in het publicatiegedrag van Vlaamse onderzoekers internationaal te vergelijken.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 11

VABB-SHW alsook in een mogelijkheid tot uitbreiding van de


184

De VABB-SHW databank maakt het niet alleen mogelijk

• GHESQUIÈRE, P., VAN BENDEGEM, J.-P., GILLIS, S.,

publicaties uit deze wetenschapstakken, die door hun beperkte

WILLEMS, D., & CORNELISSEN, K. Het VABB-SHW:

indexering in het WoS anders goeddeels over het hoofd zouden

eerste versie klaar, nu verfijnen. In K. DEBACKERE & R.

worden gezien, toch in rekening te brengen in de parametrisch

VEUGELERS (Eds.), Vlaams Indicatorenboek 2011 (p. 260).

gestuurde verdeelmodellen, maar biedt ook de gelegenheid evoluties vast te stellen in het communicatiepatroon van de sociale

Brussel: Expertisecentrum O&O Monitoring, 2011. • HICKS, D. The Dangers of Partial Bibliometric Evaluation in

en humane wetenschappen. Zo stelden we in dit hoofdstuk vast

the Social Sciences. Economia Politica, 23, 2006, pp.145-162.

dat Vlaamse vorsers in de sociale en humane wetenschappen

• KYVIK, S. Changing trends in publishing behaviour among

het voorbije decennium jaarlijks beduidend meer gingen

university faculty, 1980-2000. Scientometrics, 58, 2003, pp.

publiceren. We noteerden eveneens een duidelijke stijging van

35-48.

het aantal en aandeel Engelstalige publicaties en konden die deels

• MARTIN, B., TANG, P., MORGAN, M., GLÄNZEL, W.,

verklaren door een zeer uitgesproken stijging van het aantal en

HORNBOSTEL, S., LAUER, G. et al. Towards a Bibliometric

aandeel in het WoS geïndexeerde publicaties. We constateerden

Database for the Social Sciences and Humanities - A European

echter geen verschuivingen naar publicatietype. Hoewel met

Scoping Project: A report produced for DFG, ESRC, AHRC,

andere woorden wel meer wordt gepubliceerd, vaker in het

NWO, ANR and ESF. Sussex: Science and Technology Policy

Engels en vaker in tijdschriften die in het WoS worden verwerkt,

Research Unit, 2010.

zijn er geen aanwijzingen dat er vandaag naar verhouding

• MOED, H. F., LINMANS, A. J. M., NEDERHOF, A.,

meer in tijdschriften en minder in boeken wordt gepubliceerd.

ZUCCALA, A., LÓPEZ ILLESCAS, C., & DE MOYA ANEGÓN, F. Options for a Comprehensive Database of Research Outputs in Social Sciences and Humanities.

11.10 REFERENTIES

Research report to the Project Board of the Scoping Study "Towards a bibliometric database for the Social Sciences and

• DEBACKERE, K., GLÄNZEL, W., & THIJS, B. Bibliometrische

Humanities". Leiden & Madrid: CWTS & CSIC, 2009.

analyse van het Vlaams onderzoek in de levens-, natuur-

• PRPIC, K. Changes of scientific knowledge production and

en technische wetenschappen. Het Vlaams onderzoek in

research productivity in a transitional society. Scientometrics,

Europese context. In K. DEBACKERE & R. VEUGELERS (Eds.),

72, 2007, pp. 487-511.

Vlaams Indicatorenboek 2011 (p. 153). Brussel: Expertisecentrum O&O Monitoring, 2011. • ENGELS, T. C. E., SPRUYT, E. H. J., GLÄNZEL W. &

• SIVERTSEN, G. A performance indicator based on complete data for the scientific publication output at research institutions. ISSI Newsletter, 6, 2010, pp. 22-28.

DEBACKERE, K. Het Vlaams Academisch Bibliografisch

• SPRUYT, E. H. J. & RONS, N. Belonend Onderzoek

Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen:

Financieren: De BOF-sleutel, een staaltje sleutelkunde.

instrument ten dienste van een optimaal wetenschaps-

Delta, 5, 2008, pp. 25-32.

beleid? Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 2008-09, 2009, pp. 395-403. • FRY, J., CREASER, C., BUTTERS, G., CRAVEN, J.,

• THOMPSON, J. W. The death of the scholarly monograph in the humanities? Citation patterns in literary scholarship. Libri, 52, 2002, pp. 121-136.

GRIFFITHS, J., & HARTLEY, D. Communicating knowledge:

• WILLAERT, F. Waar zijn de professoren? In P. LOOBUYCK,

How and why researchers publish and disseminate their

G. VANHEESWIJCK, W. VAN HERCK, E. GRIETEN, & K.

findings. Supporting paper 4: Literature review. London:

VERCAUTEREN (Eds.), Welke universiteit willen wij (niet)?

Research information Network, 2009.

Gent: Academia Press, 2007, pp. 157-162


185

DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: A N A LY S E A A N D E H A N D VA N E P O - , U S P TO - E N P C T- O C T R O O I E N Door Julie Callaert (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Mariëtte Du Plessis (K.U.Leuven), Xiaoyan Song (K.U.Leuven) en Bart Van Looy (K.U.Leuven)

12


186

12.1 HET BELANG VAN OCTROOISTATISTIEKEN

Het is ook duidelijk dat octrooigegevens een inzicht kunnen geven in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij zijn ze een van de indicatoren die kunnen gebruikt worden om een

Alvorens de analyse van de Vlaamse octrooigegevens aan te

beeld te krijgen van de mate van innovatie binnen een

vatten, schetsen we kort de achtergrond van octrooien en

organisatie, regio of innovatie-systeem. Hierbij dient opgemerkt

octrooisystemen. De Amerikaanse econoom Zvi Griliches (Journal

dat niet alle uitvindingen worden geoctrooieerd of nog, dat niet

of Economic Literature, 1990) geeft een duidelijke omschrijving

alle innovaties berusten op geoctrooieerde uitvindingen.

van wat het doel is van het proces van octrooieren.

Echter, zoals de daarnet geciteerde Griliches verder stelt: “In this desert of data, patent statistics loom up as a mirage of wonderful

“A patent is a document, issued by an authorized governmental

plentitude and objectivity”. Met andere woorden, voor wie

agency, granting the right to exclude anyone else from the

technologische vooruitgang wil meten, vormen octrooien een

production or use of a specific new device, apparatus or process

unieke en zeer betrouwbare bron van statistisch materiaal,

for a stated number of years. The grant is issued to the inventor

ook al vormen ze slechts één van de benaderingen (naast

of this device or process after an examination that focuses on

bijvoorbeeld de rechtstreekse bevraging van onderzoeks-

both the novelty of the claimed item and its potential utility.

instellingen en ondernemingen) die voor dergelijke meting

The right embedded in the patent can be assigned by the

mogelijk zijn. Dankzij hun betrouwbaarheid en hun beschik-

inventor to somebody else, usually to his employer, a corporation

baarheid zijn octrooianalyses en octrooistatistieken de laatste

and/or sold to or licensed for use by somebody else. This right can

jaren dan ook uitgegroeid tot een basisonderdeel van alle

be enforced only by the potential threat of or an actual suit in

indicatorenstelsels voor Wetenschap, Technologie en Innovatie,

1

the courts for infringement damages”.

zowel op Europees niveau als op OESO-niveau. Deze vaststelling wordt mee ingegeven door ettelijke jaren van econometrisch

Het octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te

onderzoek waarin wordt aangetoond dat technologie en kennis-

beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie aan

creatie significante productiefactoren zijn in het economische

de uitvinder, verzekert men voldoende vruchten uit innovatieve

gebeuren. Met andere woorden, economische vooruitgang wordt

inspanningen voor de uitvinder. Dit moet ervoor zorgen dat de

in sterke mate bepaald door technologische vooruitgang.

prikkels om te innoveren voldoende hoog zijn en dat er bijgevolg

Voldoende reden dus om de nodige aandacht te besteden aan

voldoende innovatieve inspanningen ondernomen worden,

de topografie van het octrooilandschap in Vlaanderen.

die de technologische vooruitgang van ondernemingen, regio’s en landen ten goede komen. In ruil voor het toekennen van

Hierbij richten we ons op de twee ‘grote’ octrooisystemen in de

een monopolie wordt wel geëist dat de informatie betreffende

wereld: het Amerikaanse octrooisysteem (op basis van de data

de vinding publiek wordt gemaakt. M.a.w. de informatie vervat

van het U.S. Patent and Trademark Office, USPTO) en het Europese

in het octrooidocument wordt publiek toegankelijk en leidt zo

octrooisysteem (op basis van de data van het European Patent

tot een grotere diffusie van technologische innovaties. De rol

Office, EPO). Daarnaast wordt een analyse verricht van aan-

die het octrooisysteem vervult in het verstrekken van informatie

gevraagde octrooien die via de PCT (‘Patent Cooperation Treaty’)

is belangrijk, aangezien dit het nutteloos dupliceren van O&O-

procedure lopen. Deze procedure laat toe om een octrooi-

inspanningen kan vermijden en zo tot snellere technologische

aanvraag in te dienen bij de 142 sinds december 2009

vooruitgang kan bijdragen. Tenslotte kan men stellen dat de

aangesloten landen. Binnen de procedure wordt in een eerste fase

aanwezigheid van duidelijk afgelijnde eigendomsrechten dankzij

een internationaal onderzoek uitgevoerd dat resulteert in een

het octrooisysteem, het makkelijker maakt om technologische

rapport inzake ‘prior art’, inclusief een eerste advies inzake

kennis te verhandelen. Dit laatste wordt weerspiegeld in het

octrooieerbaarheid. In een volgende fase heeft men twee opties.

ontstaan van zogenaamde “markets for technology.”2

Ofwel vraagt men een grondige internationale analyse inzake octrooieerbaarheid binnen het PCT protocol ofwel start men met de uiteindelijke toekenningsprocedure die verder wordt afgehandeld door de gemachtigde regionale autoriteiten (USPTO, EPO, JPO,…) waarvoor de aanvrager uiteindelijk bescherming vraagt.

1 Grilliches, Z. (1990), ‘Patent Statistics as Economic Indicators: A Survey’, Journal of Economic Literature, 28, pp. 1661-1707. 2 Arora, A., Fosfuri, A. en A. Gambardella (2004), Markets for Technology, Cambridge, MA: The MIT Press.


187

In het tweede geval wordt een aanvraag gepubliceerd na 18 maanden; in het eerste geval verlengt men de termijn

12.2 OCTROOIEN IN BELGIË EN VLAANDEREN: EPO, USPTO EN PCT

voorafgaandelijk aan publicatie tot 30 maanden. Zoals blijkt uit figuur 12.1, is de trend voor het aantal aangevraagde Bij de hierna gerapporteerde analyses moet steeds het onderscheid

EPO-octrooien met Belgische zowel als Vlaamse aanvrager of

gemaakt worden tussen het Amerikaans en het Europese

uitvinder, duidelijk stijgend. Tegelijkertijd zien we in de periode

octrooisysteem, te meer daar beide systemen niet steeds dezelfde

2001-2002 een zekere stagnatie optreden in het aantal

procedures hanteren. Zo werden Amerikaanse octrooien tot

aangevraagde octrooien zowel voor Belgische als voor Vlaamse

voor kort (d.i. 2000) pas bekendgemaakt na toekenning,

octrooien. Vanaf 2003 stijgen de cijfers opnieuw. Deze evolutie

terwijl Europese octrooien 18 maanden na aanvraag al publiek

valt samen met een analoog patroon inzake R&D uitgaven,

worden gemaakt via publicatie in de ‘European Gazette’.

zoals elders in deze publicatie wordt gerapporteerd. Voor de

Bovendien stelt men vast dat de data die betrekking hebben op

cijfers na 2007 dient men rekening te houden met de EPO-

aanvragen binnen het Amerikaans octrooisysteem erg

publicatiepraktijk waarbij octrooiaanvragen pas bekendgemaakt

onvolledig zijn op het vlak van informatie die betrekking heeft

worden 18 maanden na de aanvraag van het octrooi.

op de aanvrager. Voor de meerderheid ontbreekt adres-

Dit verklaart de daling in aantallen die zich manifesteert in

informatie, wat een allocatie naar landen en regio’s bemoeilijkt

2008 en vooral in 20093.

of onmogelijk maakt. Bovendien stelt men vast dat tal van deze aanvragen in een eerste fase worden ingediend door

Inzake PCT-aanvragen met Belgische aanvrager wordt een

professionele dienstverlenende bedrijven en wordt de ‘reële’

duidelijk stijgende trend vastgesteld; van een honderdtal

aanvrager pas bekend bij toekenning. In die zin is het creëren

aanvragen bij het begin van de jaren ’90 tot meer dan duizend

van betrouwbare statistieken op land of regio niveau aan de

aanvragen naar 2009 toe. Deze groei is beduidend hoger dan

hand van USPTO-aanvragen nog steeds niet mogelijk. De hier

wat geobserveerd wordt in het EPO-systeem en duidt als

volgende analyses, betreffen dan ook indicatoren gebaseerd op

dusdanig op een toenemend belang van internationale

het Europese systeem waarbij we gebruik kunnen maken van

octrooiaanvragen.

zowel aangevraagde als toegekende octrooien, terwijl we in het Amerikaanse systeem enkel zinvol kunnen rapporteren op

Zoals reeds gesignaleerd in de inleiding, bevat de meerderheid

het niveau van toegekende octrooien.

van de beschikbare PCT-aanvragen geen adresinformatie,

Inzake PCT-aanvragen dient opgemerkt dat zich een analoog

Voor de 11% van de PCT-aanvragen waar adresinformatie

probleem stelt op het niveau van adresinformatie. Enkel land-

beschikbaar is, kan de helft toegewezen worden aan Vlaanderen.

codes zijn systematisch beschikbaar; meer gedetailleerde adresgegevens die toelaten om een regionale distributie (op het niveau Vlaanderen, Brussel, Wallonië) uit te werken ontbreken in regel. Ten slotte, voor ieder octrooi zijn twee onderscheiden hoofdanalyses mogelijk: de analyse naar aanvrager en de analyse naar uitvinder. De uitvinders zijn zij die het intellectuele vaderschap van het octrooi kunnen opeisen. De aanvragers zijn zij die de eigendomstitel van het octrooi dragen. Uitvinders zijn steeds individuen; aanvragers zijn vaak organisaties, in het bijzonder ondernemingen. Als regel – en tenzij anders vermeld – hanteren we hier de logica dat een octrooi wordt toegewezen aan een regio of land indien uitvinder of aanvrager deel uitmaakt van de regio of het land. In het geval van co-uitvindingen of co-aanvragen waarbij verschillende landen of regio’s betrokken zijn, worden deze octrooien geteld voor alle betrokken entiteiten (het zogenaamde ‘full count’ principe). 3 De data voor deze analyses hebben betrekking op octrooiaanvragen gepubliceerd tot en met december 2009.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

wat een betrouwbare allocatie naar regio’s in de weg staat.


188

Figuur 12.1: Aangevraagde EPO-octrooien met Belgische of Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1980-2009)

2.500

100% 90% 80%

2.000

60%

1.500

50% 40%

1.000

Aandeel

Aantal octrooien

70%

30% 20%

500

10% 0% 2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2001

2002

1999

2000

1997

1998

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1987

1988

1986

1985

1984

1983

1981

1982

1980

0

Jaar van aanvraag

n BE n VL n Aandeel Vlaanderen

Figuur 12.2: Aangevraagde PCT octrooien met Belgische aanvrager of uitvinder (periode 1991-2009)

2.500

Aantal octrooien

2.000

1.500

1.000

500

0 1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Jaar van aanvraag

12.2.1

EPO toekenningen

Voor wat Vlaanderen betreft stellen we vast dat 10.607 van de 22.529 EPO-aanvragen met Vlaamse aanvrager of uitvinder

Bovenstaande EPO-analyses betreffen aangevraagde octrooien.

- dus ook 47% - werd toegekend (zie figuur 12.3). Merk op dat,

Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien

tot 1999, de verhouding tussen aantal toegekende en

(al) toegekend. Van de 32.612 EPO-aanvragen met Belgische

aangevraagde octrooien ongeveer 55 Ă 70% bedroeg4. Dit cijfer

aanvrager of uitvinder werden er op het ogenblik van de analyses

daalt systematisch in de jaren nadien omwille van de

voor dit Indicatorenboek 15.196 toegekend. Afgerond komt dit

aanzienlijke tijdsperiodes nodig voor het definitief toekennen

neer op een toekenningsratio van 47%.

van een octrooi.

4 Deze proportie is gelijkaardig aan wat men observeert voor de referentielanden (zie infra), waaronder Duitsland, UK, US, Frankrijk, Nederland, Finland en Zweden.


189

Figuur 12.3: Distributie van toegekende EPO-octrooiaanvragen voor BelgiĂŤ en Vlaanderen over de periode 1980-2009. Verhouding toegekende/aangevraagde EPO octrooien

1.000

80%

900

70%

800 60% 50%

600 500

40%

400

30%

300

Verhouding

Aantal octrooien

700

20%

200 10%

100

0% 2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2001

2002

1999

2000

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1991

1992

1990

1989

1987

1988

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

0

Jaar van aanvraag

n Aantal toegekende octrooien voor BE n Aantal toegekende octrooien voor VL n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor BE n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor VL

Figuur 12.4: Aantal toegekende USPTO-octrooien met Belgische versus Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1980-2007)

1.200

90%

60%

800

50% 600 40% 30%

400

20% 200 10% 0%

Jaar van aanvraag

n BE n VL n Aandeel Vlaanderen

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2001

2002

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1987

1988

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

0

Aandeel Vlaanderen

Aantal octrooien

70%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

80% 1.000


(een) Belgische uitvinder(s) exclusief in handen van buitenlandse aanvragers.

13 3 20 4 2 16 11 17 14 21 15 12 5 19 8 6 1

41,8

6,2 18,8

76,8 117,5

13,3 3,3

15,1 102,5

9,3 40,4

166,5 309,1

49,6 5,0

31,3

13,9

7

9,9

10

32,2

116,2 88,1

118,6

113,3

112,5 159,2

166,3 330,9

341,5 33,8

36,3 243,4

239,9 328,4

328,6 805,6

767,0 81,7

87,4

262,2 210,1

260,9

262,9 215,2

241,6

116,5 165,8 340,9 34,5 244,7 316,8 754,1 85,6 265,8 212,5

233,6

114,6

115,0 160,4

154,7 304,2

325,1 28,0

26,3 221,4

228,6 304,0

298,6 671,9

706,4 83,4

75,6

225,7 197,0

227,8

216,2 185,3

221,2

117,7 149,8 346,5 26,5 212,2 300,1 664,2 72,0 195,1 170,6

208,0

120,3

128,0 148,0

144,6 343,4

371,0 24,1

21,3 195,7

206,4 304,5

293,0 601,6

651,6 74,0

74,3

191,3 172,4

201,1

197,6 175,0

178,0

98,4

108,1 134,7

126,4 241,9

284,3 19,7

17,6 150,1

178,2 268,0

243,0 514,9

543,0 61,6

55,8

199,1 164,8

159,1

192,5 157,4

154,7

89,9 112,5 200,3 13,8 141,0 210,7

81,5 99,5 163,2 10,8 115,0

77,1 95,7 151,8 11,3 110,2 168,4

177,2 389,1

466,6 42,7 126,4

18

26,4

95,4 44,0

10,3 3,8

35,4

173,3

163,5 83,3

89,0 128,3

108,5

181,5 87,5 111,2

178,2

166,0 82,0

84,3 100,6

104,2

162,5 78,6 115,1

176,6

156,6 72,2

76,5 95,2

99,8

127,2

136,4 65,2

62,4 64,7

82,8

118,4 55,7 58,8

104,8 49,3 49,5

92,1 44,2 42,0

91,7

92,0 42,8

42,3 39,8

36,6 72,5

71,3 89,4

92,3 127,8

114,7 9,0

11,0 99,1

88,6 153,2

156,3 346,7

361,7 32,4

36,3 114,2

9

7,0

41,1 114,2

11,7 0,8

5,0 108,0

11,9 38,5

279,0

133,0

118,6 333,5

397,4 13,2

14,2 346,4

346,4 620,4

705,6

127,6

130,9 362,5 10,2 364,3 691,6

127,2 318,4

346,4 8,1

6,4 364,5

359,8 600,1

620,1

128,1

123,2 330,3 5,8 339,6 551,7

127,3 339,4

350,6 5,8

5,3 281,5

307,2 492,0

512,0

111,9

121,1 312,1

289,1 3,9

5,6 239,3

221,2 421,8

521,8

93,8

85,3

79,6

99,6 256,7 3,7 201,6 347,8

214,9 2,7 178,7 286,7

184,1 3,6 164,3 219,4

VS

77,5 136,3

150,5 2,7

2,0 151,3

154,7 342,3

195,1

125,8

SE PT

2,5 151,8

NL LU

KR 4,5 5,5 8,2 9,2 11,1 12,0 15,9 22,8 25,6 30,5 37,9 51,8 72,4 97,3 111,4 103,3 54,5 12,5 JP

98,0 45,2

IT IE

GR 3,6 3,1 2,6 3,5 3,4 4,2 7,2 6,3 6,5 7,5 8,0 9,7 10,0 7,2 12,3 9,4 5,0 1,3 GB FR FI

167,0

USPTO octrooien. Hier is 52% van de octrooien met

135,9

Deze cijfers liggen enigszins anders voor de toegekende

139,6

identiek, zowel op Belgisch als op Vlaams niveau.

108,3

De patronen voor toegekende EPO octrooien zijn

112,9

en 17%), Nederland (11%) en Zwitserland (3%).

132,1

de VS (34%); dan volgen Duitsland en Frankrijk (resp. 19

104,1

weerspiegeling van de Belgische cijfers. Koploper is

364,1

betrokken landen zijn de Vlaamse cijfers een

28,5

buitenlandse aanvragers betrokken zijn. Ook qua

25,9

stelt men vast dat in 35% van de gevallen enkel

99,5

Zwitserse (3%). Ook voor de Vlaamse octrooiaanvragen

96,3

en Duitse (elk 17%) en tenslotte Nederlandse (11%) en

123,7

Amerikaanse aanvragers (37%), gevolgd door Franse

114,2

Het grootste aandeel van deze octrooiaanvragen betreft

99,0

36%, zonder nog een verdere trend te vertonen.

90,4

jaren beschouwt, dan schommelt dit aandeel rond de

ES

aanvrager betrokken. Indien men enkel de laatste tien

DK

aanvragen met Belgische uitvinder(s) is geen Belgische

DE

boeken bevestigd. Bij 35% van alle EPO-octrooi-

CH

Belgische/Vlaamse dan wel buitenlandse aanvrager(s) hebben, dan worden de trends vanuit vorige Indicatoren-

CA

(een) Belgische en/of Vlaamse uitvinder(s) ook (een)

AT

Wanneer men nagaat hoeveel van de octrooien met

VL

aanvragers

99,7

12.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse

BE

dan binnen het EPO-systeem. Het verschil in investeringen tussen beide systemen speelt hier ongetwijfeld een rol.

83,4

Vlaamse octrooiactiviteit is binnen het USPTO-systeem

Jaar 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 RANG 2006

duidelijk dat er de laatste jaren meer Belgische en

Tabel 12.1: Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

het USPTO-systeem pas op rond 2004. Daarnaast wordt

26,5

laten zien, zie figuur 12.1), treedt deze afname binnen

71,9

vanaf 2000 (terwijl de aanvragen een stijgende trend

94,7

Daar waar men binnen EPO een afname waarneemt

89,9

bestrijkt dan die binnen het Amerikaanse systeem.

9,0

het Europese octrooisysteem een langere tijdsperiode

218,2

het licht dat de gemiddelde toekenningsperiode binnen

86,0

Een vergelijking van de figuren 12.3 en 12.4 brengt aan

152,9

de duur van de USPTO toekenningsprocedure.

352,6

trend merkbaar vanaf 2004, die te verklaren is door

27,1

toegekende USPTO octrooien. Ook hier is een dalende

103,5

In figuur 12.4 kan men analoge trends vaststellen voor de

77,0

Gemiddelde 91,6 93,4 103,3 105,0 115,7 136,4 156,1 173,0 189,1 197,3 200,7 206,7 213,8 229,3 231,2 227,8 93,6 15,5

190


19,8

0,9

2

5,4

0,1

7

0

0,1

21 9 5

0

0,1

78,1 25,1 0,8

0,6

4

0,8

1 18 20 17 16 10

0,1 0,0 0

19 14 8

0,1 0,2 0,4

op het eerste zicht als ‘middelmatig’ kan overkomen, referentielanden samen instaan voor 95% van de octrooibehouden België en Vlaanderen deze positie. Inzake toegekende octrooien binnen het USPTO systeem dertiende en een elfde plaats. Koplopers zijn hier Japan,

3 6

laat Vlaanderen o.m. Frankrijk, het VK, Ierland, Italië en Spanje achter zich. Wat PCT-aanvragen betreft bekleedt België een elfde

12

0

0,4

0,2

3,7

12,5 11,1

2,4 8,3

16,7 2,3

0,4 3,8

12,7

20,7

6,2

71,4

8,3

plaats. De rangschikking wordt hier aangevoerd door

11 13

0

Zwitserland, Zweden, Finland, Nederland, Luxemburg,

0,2

3,4 4,1

25,2 18,3

3,6

18,1

34,1

28,7

26,4

58,7 62,8

27,1 61,3

150,9 10,1

4,3 33,7

84,3

151,5

63,9

266,6

69,8 42,9 54,6

101,4 78,2

40,6

76,3

106,8

133,1

78,9 80,9 217,1 11,1 104,5 330,1 94,4

117,9

93,7

142,3

163,7

81,7 79,0 253,9 11,2 104,8 337,9 103,2

126,8

98,5

150,8

160,1

90,3 84,4 267,2 11,0 122,4 371,8 103,8

117,7

108,3

162,3

179,5

92,5 88,1 288,5 12,1 139,3 384,9 104,1

130,4

97,4

160,8

177,7

93,8 95,9 280,2 10,5 123,5 379,2 109,1

123,6

91,8

170,2

174,4

90,8 91,0 239,2 9,2 123,5 345,9 162,1 109,8

129,7

90,2

319,3

165,3

83,5 82,1 179,5 8,3 112,2

en Oostenrijk (positie 9). Waar deze positie van België

de VS, Zwitserland, Korea en Luxemburg. Binnen Europa

155,6 81,0 119,2 102,2

Nederland. Finland vervolledigt de top-5. Vlaanderen

bekleden België en Vlaanderen respectievelijk een

309,7

142,6

83,0 79,8 182,4 8,9 109,4

De rangschikking wordt aangevoerd - in respectievelijke

activiteiten; m.a.w. in een mondiale rangschikking

143,6 72,7 108,7 95,0

Vlaanderen een zevende plaats voor wat betreft het

dient men voor ogen te houden dat de gekozen

265,1

139,1

71,2

74,0 72,3

68,4 160,1

126,3 7,1

7,7 84,2

112,5

doorheen de tijd worden weergegeven. Binnen de

en Vlaanderen - in het midden van de referentiegroep -

289,2

119,5

de tabellen 12.1, 12.2 en 12.3. waar voor alle

situeert zich hier in de buurt van Denemarken (positie 8)

118,0

118,3

als

volgorde - door Zwitserland, Luxemburg5, Zweden en

122,1

63,2

67,6 112,7

104,8 87,0

PCT-aanvragen

aantal EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2006.

256,3

90,8

EPO-octrooiaanvragen,

referentiegroep bekleedt België een tiende plaats en

15

0

0,0

9,1

6,2

45,4

21,0 1,3 4,8

21,6

6,1

81,0

60,9

4,9

64,0

25,1

251,2

162,2

156,8 2,2

1,2 105,5

81,0

153,6

167,2 12,9 30,4

65,5

27,0

283,1

145,3

63,2

201,3 2,5 171,8 69,5

34,6

310,0

233,0

160,9

350,7

308,4

196,5 2,4 148,0 74,2

35,3

306,1

252,1

200,1

378,9 214,2 3,1 123,5 88,2

35,7

315,1

315,3

140,1

386,8 240,9 2,6 103,1 80,6

38,1

338,7

339,4

185,1

388,8 270,6 2,8 92,9 77,6

37,0

315,9

364,4

222,7

378,5 258,9 1,9 83,5 67,5

34,8

281,5

227,0

183,4

360,7 249,0 2,1 89,6 66,9

31,9

274,4

241,7

149,4

367,1 233,1 2,1 87,5 50,6

33,1

295,0

215,9

120,7

314,3 164,8 1,5

129,8

331,9 156,9 1,0

111,4 81,2

194,4

49,5

253,8 29,3 39,6

37,3

29,3

239,7

160,2

104,6

249,5

278,2

109,3

133,8

0,4

0,9 89,4

83,7 124,1 25,0

38,1 61,1

52,5 55,9

60,7 105,0

81,3 4,9

6,0 70,0

56,0

wat

referentielanden de octrooivolumes per miljoen inwoners

227,6

92,6

octrooigedrag voor nagenoeg alle voor Vlaanderen en België relevante ‘referentie’-landen, en dit zowel voor

90,9

103,4

Internationale vergelijking

Ook internationaal blijkt een significante toename van

185,1

189,9

12.2.3

100,0 58,6

50,4 62,3

83,1 70,7

52,9

Het Vlaamse en Belgische patroon valt hier opnieuw nagenoeg samen.

215,5 25,2

22,9 23,5

41,6

VS

237,5

SE

95,0

PT NL LU

128,3

KR

22,0

JP

188,0 24,4

IT IE

23,1

Frankrijk (9%), en tenslotte het Verenigd Koninkrijk (2%).

USPTO-octrooien betreft. Dit wordt weergegeven in

GR 1,9 1,5 2,3 2,3 2,2 2,6 3,9 3,8 3,5 3,1 3,7 2,9 3,9 3,8 1,8 0,7 0,3 0 47,2

GB FR

55,2 76,0

FI ES

5,0 42,0

DK DE

94,0

CH

229,1

CA

79,8

AT

47,2 53,7

VL BE

(56%), gevolgd door Nederland (12%), Duitsland (10%),

Jaar 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 RANG 2006

44,8

Het merendeel betreft opnieuw Amerikaanse aanvragers

Denemarken, Duitsland, Japan, Oostenrijk en de VS.

5 Inzake de positie van Luxemburg dient opgemerkt te worden dat Luxemburg gekenmerkt wordt door een populatie van minder dan een half miljoen inwoners. De indicator octrooien/miljoen inwoners impliceert voor Luxemburg als enige land in de vergelijking dan ook een vermenigvuldiging van de absolute cijfers met een factor > 1 (+/-2). In absolute aantallen liggen de cijfers voor Luxemburg m.a.w. lager dan de wat de tabel op het eerste gezicht suggereert.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

Tabel 12.2: Internationale vergelijking USPTO-octrooitoekenningen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

80,0

0,6

Gemiddelde 75,0 78,7 94,8 109,8 111,5 130,9 134,6 144,9 161,4 163,4 156,3 143,6 141,4 113,3 60,3 28,4 6,5 0,2

191


85,5

88,8

85,9

92,5

100,7

111,4

126,3

125,9

47,1

16

129,8

128,6

151,7

163,7

179,6

202,6

202,0

181,8

74,8

9

97,2

95,2

115,6

132,0

164,2

173,2

183,2

175,4

73,5

11

52,9

80,4

71,0

71,4

44,3

58,6

54,3

55,2

37,2

56,1

47,0

93,0

33,0

51,6

40,0

107,7

29,2

40,0

34,0

94,3

24,4

38,1

29,2

81,5

CA

24,9

AT

34,6

BE

23,9

CH

1

248,8

647,1

599,3

569,9

523,7

467,5

448,5

430,0

381,2

313,4

269,8

218,6

208,0

183,4

142,3

107,3

97,3

70,6

DE

7

97,4

262,9

252,6

235,6

221,2

204,8

191,5

189,5

183,2

163,0

138,2

120,7

101,9

81,7

67,8

54,6

46,3

40,9

DK

6

113,8

286,7

259,8

253,5

242,3

223,8

214,2

207,7

192,7

164,5

157,1

132,8

129,5

120,5

109,9

103,5

88,8

75,0

ES

18

14,6

35,4

37,1

34,4

31,7

24,0

22,6

22,4

18,8

15,7

14,1

12,2

10,3

8,4

6,4

4,5

4,1

2,9

FI

3

164,8

405,1

407,1

373,3

375,8

332,0

306,6

352,1

342,8

312,7

263,8

223,6

173,6

139,0

139,8

115,0

108,6

70,8

FR

14

55,7

138,8

135,1

126,6

120,1

106,6

102,7

99,1

91,8

79,0

67,9

60,3

50,6

41,3

34,5

30,1

25,8

24,6

Noot: wegens ontbrekende adresinformatie werd geen uitsplitsing naar Vlaanderen gedaan

Jaar 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 RANG 2006 13

55,5

138,5

143,7

133,4

128,3

125,8

122,1

120,7

121,7

109,0

92,4

81,0

74,9

66,0

62,0

57,2

52,2

46,1

GB

19

GR 3,1 2,6 2,7 2,5 3,3 4,7 4,7 5,6 5,7 7,0 8,2 9,4 9,5 7,0 10,9 11,1 12,4 4,7 12

57,1

145,6

139,6

135,2

111,5

101,0

94,1

90,0

73,6

65,1

51,4

47,1

39,9

40,1

32,5

28,8

26,9

15,8

IE

17

21,7

55,5

62,4

57,2

50,5

45,8

43,3

41,4

36,2

30,7

24,6

21,3

19,0

14,5

12,2

10,6

8,6

7,8

IT

8

90,6

217,6

222,8

217,4

199,7

162,0

138,4

113,6

96,9

78,4

61,5

50,5

41,6

32,8

23,3

19,4

16,4

14,7

JP

15

KR 2,1 2,9 4,3 4,5 6,8 7,2 11,3 19,0 32,5 47,3 51,8 59,2 73,5 95,3 118,8 140,1 147,5 48,5 5

194,5

502,3

382,2

279,3

294,9

285,7

269,9

308,5

332,6

302,1

346,3

267,7

230,3

128,8

128,2

129,9

83,6

61,6

LU

Tabel 12.3: Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager NL

4

151,2

346,8

343,9

339,3

343,3

320,0

315,5

281,5

247,3

218,2

180,3

150,4

140,2

120,6

103,3

60,7

48,1

29,3

PT

20

7,5

13,0

14,0

10,3

6,3

6,3

4,8

4,7

5,3

3,0

3,1

1,4

1,6

1,5

1,0

1,7

0,8

0,5

SE

2

138,9

434,5

463,5

424,3

365,4

352,3

320,0

367,5

416,5

369,9

366,5

377,5

325,1

256,9

225,9

154,0

128,4

107,2

VS

10

69,6

180,2

195,1

190,0

174,9

161,1

151,7

153,3

159,8

140,5

118,7

106,8

93,0

79,9

66,7

58,1

50,2

45,8

Gemiddelde 35,1 44,2 52,3 64,4 73,3 90,4 104,6 120,5 133,9 153,4 157,7 158,4 169,5 186,8 199,8 216,0 222,6 86,5

192

12.3 TECHNOLOGIEONTWIKKELING PER TYPE ORGANISATIE NADER BEKEKEN

van de samenstelling van het weefsel qua organisatie-

In de tabellen 12.4 en 12.5 wordt een overzicht geboden

type voor wat betreft het aantal aangevraagde EPO-

octrooien en dit voor BelgiĂŤ en Vlaanderen. In deze

tabellen is tussen de categorieĂŤn niet gefractioneerd

geteld, wat betekent dat octrooien met meerdere

(types) aanvragers worden toegewezen aan elke type aanvrager. Type-overschrijdende co-aanvragen zijn,

als proportie van alle co-aanvragen (zie verderop

tabel 12.7), echter eerder uitzonderlijk. Deze tabellen

beschouwen alle aanvragers van octrooien met een

inclusief internationale aanvragers van deze octrooien

Belgische/Vlaamse aanvrager en/of uitvinder, dus

(voor een inschatting van de ordegrootte van dit

fenomeen: zie sectie 12.2.2.). Een gelijkaardige tabel

waarbij enkel octrooien met Belgische/Vlaamse

aanvragers worden beschouwd, is weergegeven in

bijlage A. De tabellen 12.4 en 12.5 tonen dat onder-

nemingen het merendeel van de octrooiaanvragen

voor hun rekening nemen (gemiddeld 86%).

Daarnaast stelt men vast dat het aandeel van

octrooiaanvragen afkomstig van universiteiten

IMEC en VIB) stelselmatig groeit. Een belangrijke (inclusief de interuniversitaire onderzoekscentra

breuklijn betreft 1996, waarin het aandeel van de octrooien van universiteiten verdubbelde van 2 naar 4%.

Voor de laatste jaren bedraagt het aandeel van

universiteiten 8 tot 9%. Binnen Europa behoren we

hiermee tot de koplopers. Bovendien tonen de

gegevens gerapporteerd in Bijlage A aan dat,

wanneer men het aandeel octrooiaanvragen afkomstig

van universiteiten relateert aan het aantal octrooien

met uitsluitend Belgische of Vlaamse aanvragers,

dit aandeel dan duidelijk boven de 10% uitstijgt, zoals

in vorige edities van het Indicatorenboek ook reeds

universiteitsaandeel aldus berekend in 2007 zelfs 14%.

werd gerapporteerd. Voor Vlaanderen bedroeg het


193

Tabel 12.4: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - BelgiĂŤ - EPO octrooiaanvragen Applicatiejaar

Bedrijf

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Gemiddelde

87,44% 88,22% 89,76% 90,51% 86,88% 85,70% 86,95% 84,94% 86,06% 86,83% 84,12% 83,09% 84,72% 84,63% 82,94% 84,84% 83,84% 83,59% 85,40%

Overheid/ Non-Profit 3,74% 3,18% 2,72% 2,27% 4,62% 3,02% 3,05% 2,88% 2,72% 2,31% 3,57% 3,53% 2,77% 4,25% 3,61% 3,43% 3,92% 3,77% 3,31%

Ziekenhuis

Individu

Universiteit

Onbekend

0,00%

6,28%

2,09%

0,60%

0,00%

7,07%

1,30%

0,24%

0,11%

5,12%

2,18%

0,22%

0,00%

5,53%

1,38%

0,30%

0,09%

5,91%

2,59%

0,28%

0,00%

6,84%

4,26%

0,18%

0,07%

5,25%

4,33%

0,50%

0,06%

6,24%

5,75%

0,18%

0,06%

4,63%

6,25%

0,35%

0,00%

4,23%

6,59%

0,38%

0,05%

5,66%

6,70%

0,11%

0,06%

6,72%

6,50%

0,44%

0,00%

4,99%

7,21%

0,50%

0,00%

3,97%

6,87%

0,56%

0,00%

5,13%

8,31%

0,30%

0,08%

4,53%

6,90%

0,42%

0,09%

3,45%

8,44%

0,81%

0,00%

3,57%

9,07%

0,51%

0,04%

5,16%

5,92%

0,40%

Tabel 12.5: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - Vlaanderen - EPO octrooiaanvragen Bedrijf

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Gemiddelde

89,06% 91,58% 92,69% 92,19% 88,93% 87,66% 90,06% 84,76% 86,01% 86,20% 85,17% 84,59% 85,37% 85,30% 83,43% 85,77% 84,27% 85,58% 86,40%

Overheid/ Non-Profit 3,22% 1,72% 1,49% 1,37% 2,64% 2,02% 0,70% 1,54% 1,47% 1,75% 2,54% 1,91% 1,41% 3,09% 2,94% 2,10% 2,90% 2,43% 2,11%

Ziekenhuis

Individu

Universiteit

Onbekend

0,00%

4,51%

2,79%

0,64%

0,00%

5,15%

1,37%

0,17%

0,15%

3,58%

2,09%

0,00%

0,00%

4,66%

1,37%

0,41%

0,00%

5,91%

2,52%

0,25%

0,00%

5,10%

5,10%

0,12%

0,10%

4,37%

4,47%

0,30%

0,09%

6,25%

7,28%

0,17%

0,00%

4,99%

7,20%

0,33%

0,00%

4,74%

7,32%

0,25%

0,00%

5,42%

7,12%

0,00%

0,00%

6,55%

6,71%

0,41%

0,00%

5,05%

8,09%

0,22%

0,00%

3,94%

7,38%

0,42%

0,00%

4,92%

8,64%

0,30%

0,12%

4,26%

7,45%

0,54%

0,00%

3,25%

9,40%

0,77%

0,00%

2,83%

9,03%

0,67%

0,03%

4,74%

6,56%

0,35%

De resultaten voor Vlaanderen laten een analoog beeld zien:

Belangrijkste organisaties

ook hier valt de stijging op van het aandeel van de octrooiaanvragen door universiteiten, vooral vanaf 1996. Dit is

Wanneer we vervolgens kijken naar de grootste spelers (in BelgiĂŤ/

de periode na de invoering van de decreten betreffende de

Vlaanderen) op het vlak van octrooiportefeuilles, wekt het geen

dienstverlenende opdracht van de universiteiten (inclusief de

verwondering dat ondernemingen hier de dominante rol spelen.

bepaling van de vermogensrechten op vindingen). Wat betreft

Onder de bedrijven die een aanzienlijke portfolio aan octrooi-

het aandeel van academische octrooien scoort Vlaanderen erg

activiteit hebben opgebouwd, treffen we onder meer Agfa Gevaert,

hoog (zelfs het hoogste aandeel in vergelijking met de groep

GlaxoSmithKline (GSK), Janssen Pharmaceutica, Electrolux

van referentielanden).

Home Products Corporation, Bekaert, Solvay, en Totalfina.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

Applicatiejaar


194

Daarnaast profileren een aantal kenniscentra, waaronder IMEC

12.4 SAMENWERKINGSPATRONEN

en VIB, alsook een aantal Vlaamse en Franstalige universiteiten zich als octrooiaanvragers met een aanzienlijke schaalgrootte

Octrooi-informatie kan ook gebruikt worden om patronen inzake

(meer dan 90 octrooiaanvragen voor de periode 1990-2009).

samenwerking in technologieontwikkeling te onderzoeken;

In tabel 12.6 wordt het overzicht gegeven van de grootste spelers

specifiek door het fenomeen van meerdere aanvragers of

voor wat EPO octrooiaanvragen betreft (een analoge lijst wordt

uitvinders, vermeld per octrooi, te analyseren. Zowel voor EPO-

bekomen aan de hand van toegekende USPTO-octrooien).

als voor USPTO-octrooien is er een duidelijk verschil tussen het voorkomen van co-aanvragerschap en co-uitvinderschap: terwijl co-uitvinderschap in het merendeel van de gevallen voorkomt,

Tabel 12.6: Belangrijkste organisaties (gebaseerd op EPO

blijven co-aanvragen beperkt tot een minderheid van de octrooien.

octrooiaanvragen sinds 1990) Co-aanvragerschap in Vlaanderen schommelt rond de 10% Aanvrager AGC GLASS EUROPE / AGC FLAT GLASS EUROPE AGFA-GEVAERT / AGFA HEALTHCARE / AGFA GRAPHICS ALCATEL BELL ATLAS COPCO AIRPOWER BARCO BAYER ANTWERPEN BEKAERT CENTRE DE RECHERCHES METALLURGIQUES CNH BELGIUM CROPDESIGN CYTEC SURFACE SPECIALTIES DOW CORNING CORPORATION ELECTROLUX HOME PRODUCTS CORPORATION ESSELTE GLAXOSMITHKLINE BIOLOGICALS HERAEUS ELECTRO-NITE INTERNATIONAL IMEC INEOS MANUFACTURING BELGIUM INERGY AUTOMOTIVE SYSTEM RESEARCH INNOGENETICS ION BEAM APPLICATIONS JANSSEN PHARMACEUTICA K.U.LEUVEN RESEARCH & DEVELOPMENT NEW HOLLAND BELGIUM NV MICHEL VAN DE WIELE PICANOL SOFITECH SOLVAY / SOLVAY POLYOLEFINS EUROPE - BELGIUM SOREMARTEC TECHSPACE AERO TOTAL PETROCHEMICALS RESEARCH FELUY / FINA RESEARCH / ATOFINA RESEARCH TYCO ELECTRONICS RAYCHEM / RAYCHEM CORPORATION UCB / UCB PHARMA UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN UNIVERSITE DE LIEGE UNIVERSITE LIBRE DE BRUXELLES UNIVERSITEIT GENT VLAAMS INTERUNIVERSITAIR INSTITUUT VOOR BIOTECHNOLOGIE (VIB) VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO) VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL

(ten opzichte van totaal aantal octrooien met Vlaamse aanvrager) voor aangevraagde EPO-octrooien in de periode 2000-2009 (zie tabel 12.7). Analoge cijfers worden bekomen voor toegekende USPTO-octrooien. Wanneer we enkel kijken naar internationale samenwerking (tabel 12.8), stellen we vast dat een meerderheid van deze samenwerkingen een internationaal karakter heeft. Voor België heeft 64,2% van de co-aanvragersrelaties een internationale dimensie. Voor Vlaanderen is dit 56,6%. Wanneer we voor EPO een vergelijking maken met de referentielanden op het vlak van internationale samenwerking gemeten via co-aanvragerschap, stelt men vast dat België en Vlaanderen dicht aanleunen bij de top-5 (met name: Luxemburg, Zwitserland, Nederland, het VK en Denemarken). Voor Nederland en het VK kan opgemerkt worden dat deze cijfers in belangrijke mate worden gedragen door de aanwezigheid van enkele multinationale ondernemingen die frequent kiezen voor co-octrooieren, waarbij telkens twee vestigingen van dezelfde onderneming optreden als aanvrager (o.m. Unilever en Shell). In het geval van Shell en Unilever betreft het bovendien Nederlands-Britse ondernemingen met een heel eigen tweelanden bestuursstructuur. De cijfers in verband met co-aanvragen, dienen met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De plaats (en dus het land) van aanvraag kan verschillend zijn van de locatie van de uitvinding, zeker in multinationale ondernemingen die het beheer van intellectuele rechten centraliseren of hun aanvragen indienen vlakbij de locatie van octrooibureaus of advocatenkantoren (bijvoorbeeld Den Haag voor EPOoctrooien). Om diezelfde reden wijst een co-aanvraag niet noodzakelijkerwijze op een daadwerkelijke samenwerking tussen verschillende organisaties.


10,0%

9,1%

10,2%

10,6%

9,2%

10,5%

13,4%

14,1%

9,1%

10,7%

11,5%

10,1%

11,1%

12,1%

8,7%

10,4%

13,3%

14,1%

9,0%

11,0%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Gemid.

AT

16,6%

9,1%

5,5%

13,3%

15,1%

18,2%

22,7%

24,4%

19,8%

20,5%

17,9%

CA

7,7%

5,3%

7,1%

10,1%

7,2%

6,7%

6,6%

7,4%

8,2%

8,7%

9,6%

CH

11,8%

8,1%

9,7%

12,5%

12,7%

13,3%

13,6%

13,7%

12,9%

12,6%

9,2%

DE

6,3%

3,3%

5,3%

7,2%

7,5%

7,5%

6,8%

6,3%

6,6%

6,2%

5,8%

DK

5,7%

0,0%

5,5%

6,7%

4,5%

5,7%

6,9%

5,5%

7,4%

6,9%

8,4%

ES

10,7%

8,0%

13,3%

14,3%

10,2%

11,0%

8,8%

11,6%

10,7%

9,2%

9,9%

FI

3,0%

3,4%

3,5%

3,4%

2,9%

2,4%

3,0%

2,7%

2,6%

2,9%

2,8%

12,7% 10,5% 12,3% 10,4% 5,7% 11,6%

10,5% 11,5% 8,8% 4,3% 9,8%

12,8%

11,7% 13,1%

12,3%

10,6% 11,1%

12,4%

10,0%

10,5%

GB 13,8%

FR 8,9%

GR

21,8%

7,1%

34,9%

26,0%

26,7%

16,7%

17,1%

22,0%

24,2%

27,6%

15,2%

IE

10,6%

7,1%

11,4%

9,9%

14,4%

11,6%

12,7%

8,3%

8,1%

8,8%

13,5%

IT

6,9%

5,8%

6,1%

7,6%

7,6%

7,3%

6,2%

7,6%

7,6%

6,5%

7,0%

JP

7,6%

3,5%

6,3%

8,6%

8,9%

8,7%

8,5%

8,5%

7,8%

7,8%

7,5%

KR

6,3%

4,7%

5,0%

4,9%

6,2%

5,7%

5,8%

5,7%

6,7%

7,9%

10,8%

LU

4,6%

0,0%

1,9%

5,4%

3,0%

8,7%

4,3%

7,1%

3,4%

8,9%

2,9%

NL

14,8%

11,0%

16,3%

16,9%

16,4%

14,8%

14,5%

13,4%

14,8%

14,6%

15,5%

PT

13,4%

14,3%

17,6%

10,0%

14,0%

19,7%

11,3%

11,8%

7,7%

10,9%

17,1%

SE

3,6%

1,1%

5,1%

3,9%

4,3%

4,1%

3,3%

3,1%

3,9%

3,6%

3,8%

VS

4,7%

1,6%

4,0%

5,4%

5,1%

5,2%

5,0%

5,2%

4,8%

5,2%

5,1%

9,5%

5,8%

9,8%

10,3%

9,9%

9,9%

9,7%

10,0%

9,5%

10,1%

9,8%

Gemiddelde

VL

61,9%

51,7%

68,9%

55,6%

60,5%

56,5%

62,7%

57,3%

58,1%

33,3%

56,6%

BE

66,0%

66,7%

69,9%

66,7%

70,5%

60,2%

67,9%

63,6%

67,4%

42,9%

64,2%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Gemid.

AT

68,9%

10,5%

57,9%

66,7%

76,3%

81,4%

79,1%

82,3%

78,6%

79,5%

76,7%

CA

53,0%

0,0%

66,7%

46,9%

50,4%

59,3%

57,1%

57,5%

66,1%

63,1%

62,9%

CH

88,8%

76,9%

91,3%

93,6%

93,7%

91,1%

91,3%

91,6%

86,1%

89,8%

82,7%

DE

49,6%

29,3%

48,9%

56,9%

55,8%

55,8%

55,9%

55,8%

50,5%

46,1%

41,5%

DK

70,3%

0,0%

60,0%

71,8%

72,3%

75,8%

64,3%

74,1%

74,2%

71,0%

69,4%

ES

30,8%

10,0%

45,7%

46,6%

40,0%

24,6%

31,1%

34,4%

22,8%

26,2%

26,2%

FI

45,3%

0,0%

47,4%

66,7%

28,9%

51,3%

46,8%

56,4%

58,1%

56,0%

41,3%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

Jaar

GB 79,1% 78,7% 75,5% 77,8% 78,2% 78,6% 75,9% 75,4% 78,9% 81,3% 77,9%

FR 42,2% 50,3% 50,3% 53,5% 49,3% 48,4% 47,1% 48,8% 47,0% 20,8% 45,8%

24,9%

0,0%

40,0%

31,6%

41,7%

25,0%

7,7%

30,8%

6,7%

37,5%

28,6%

GR

60,5%

0,0%

64,3%

55,6%

69,0%

65,8%

69,2%

80,0%

80,8%

66,7%

54,1%

IE

33,0%

11,8%

29,2%

39,1%

34,7%

35,5%

40,4%

37,0%

35,7%

37,9%

28,3%

IT

17,1%

12,7%

20,2%

18,8%

19,1%

15,7%

15,7%

20,4%

15,9%

15,9%

16,8%

JP

LU 78,6%

80,0%

93,3%

20,2%

3,6%

94,7%

0,0%

21,7% 100,0%

14,5%

25,2% 100,0%

24,8% 100,0%

26,2% 100,0%

31,1% 100,0%

7,8% 100,0%

18,3%

28,5%

KR

88,2%

66,7%

79,9%

91,0%

92,7%

92,3%

93,5%

94,3%

94,4%

89,1%

88,2%

NL

SE

56,1%

77,9%

78,1%

71,4%

62,9%

60,3%

56,7%

53,2%

55,1%

33,7%

67,2%

0,0% 100,0%

0,0%

37,5%

41,7%

41,7%

42,9%

50,0%

33,3%

40,0%

50,0%

PT

49,0%

65,6%

54,0%

47,9%

45,4%

47,1%

45,9%

47,3%

45,3%

47,2%

43,8%

VS

53,1%

28,8%

53,1%

56,9%

57,3%

57,1%

55,7%

59,7%

54,7%

55,0%

52,4%

Gemiddelde

Tabel 12.8: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen met aanvragers uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 2000-2009) (%)

VL

10,9%

BE

9,2%

Jaar

Tabel 12.7: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 2000-2009) (%)

195


74,3%

72,5%

72,8%

73,4%

72,0%

74,4%

75,9%

73,9%

50,0%

71,5%

71,2%

71,1%

71,4%

71,8%

71,1%

73,0%

76,4%

71,7%

50,0%

70,0%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Gemid.

AT

58,3%

53,3%

56,6%

59,3%

61,7%

61,6%

60,6%

59,5%

58,2%

60,6%

52,1%

CA

75,6%

75,6%

75,6%

76,4%

76,0%

76,1%

76,4%

75,4%

76,5%

72,8%

75,4%

CH

65,9%

62,8%

64,4%

69,9%

69,7%

68,0%

66,5%

66,9%

65,5%

63,7%

61,9%

DE

66,3%

58,6%

64,0%

68,9%

68,7%

67,9%

67,9%

68,4%

67,2%

66,6%

64,9%

DK

59,9%

50,0%

58,2%

63,2%

60,4%

62,1%

62,8%

62,0%

65,2%

59,2%

56,1%

ES

58,5%

50,7%

58,4%

67,5%

62,3%

60,4%

58,5%

57,0%

60,3%

58,5%

51,9%

FI

64,2%

55,2%

65,7%

68,7%

64,1%

68,6%

66,8%

64,5%

65,8%

63,1%

59,2%

FR

67,0%

63,0%

67,4%

70,7%

69,5%

69,0%

68,4%

67,6%

66,6%

64,4%

63,4%

GB

64,5%

53,0%

64,2%

66,8%

67,8%

67,2%

66,1%

66,5%

66,1%

63,9%

63,8%

GR

50,8%

33,3%

56,6%

44,2%

49,6%

56,3%

53,2%

56,6%

45,5%

55,6%

57,4%

IE

71,5%

78,6%

59,7%

79,7%

71,7%

70,1%

71,1%

77,0%

73,1%

63,8%

70,6%

IT

49,3%

33,4%

46,4%

51,1%

53,1%

52,8%

52,3%

52,5%

53,6%

49,5%

48,3%

JP

71,2%

62,3%

66,8%

71,3%

71,8%

71,9%

72,0%

73,8%

74,8%

73,1%

74,2%

KR

68,7%

77,2%

70,3%

71,1%

70,1%

67,7%

69,0%

68,4%

65,6%

64,0%

63,7%

LU

68,1%

66,7%

68,5%

70,0%

69,9%

71,2%

60,0%

74,8%

72,3%

68,8%

58,6%

NL

64,8%

46,2%

63,8%

71,3%

70,1%

68,6%

68,9%

67,6%

65,1%

64,5%

62,3%

PT

61,3%

50,0%

72,9%

75,9%

60,6%

58,9%

56,8%

67,2%

62,2%

45,3%

63,6%

SE

60,2%

45,8%

62,9%

64,3%

64,7%

63,3%

61,5%

61,2%

60,6%

59,4%

58,8%

VS

75,3%

71,7%

76,5%

77,4%

76,6%

76,2%

76,0%

75,1%

75,1%

74,6%

74,0%

64,9%

56,5%

65,0%

68,6%

66,9%

66,7%

65,7%

67,0%

65,8%

63,7%

63,2%

Gemiddelde

VL

47,7%

45,4%

47,8%

45,6%

48,6%

46,4%

46,7%

42,7%

42,4%

40,0%

45,3%

BE

49,4%

48,8%

50,5%

49,1%

51,9%

51,0%

51,6%

48,5%

46,9%

43,2%

49,1%

Jaar

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Gemid.

43,0%

38,8%

40,8%

42,9%

39,4%

42,0%

43,1%

45,7%

47,9%

43,5%

45,4%

AT

38,3%

30,5%

39,0%

39,8%

35,4%

33,1%

35,4%

40,2%

43,7%

44,6%

40,8%

CA

50,1%

45,7%

51,1%

53,4%

53,7%

52,9%

49,6%

48,1%

49,3%

49,1%

47,8%

CH

17,7%

10,4%

15,8%

19,9%

20,3%

20,1%

18,8%

19,2%

18,1%

17,8%

16,8%

DE

32,2%

38,1%

31,6%

30,4%

27,7%

32,0%

31,5%

33,4%

34,8%

29,6%

33,3%

DK

34,0%

23,0%

31,3%

33,5%

33,6%

35,0%

37,0%

39,2%

36,6%

34,3%

36,3%

ES

21,9%

8,1%

26,7%

25,7%

26,7%

20,6%

20,8%

24,6%

22,5%

24,2%

18,6%

FI

23,1%

8,1%

19,8%

26,1%

27,6%

25,7%

25,9%

24,9%

25,2%

25,2%

22,1%

FR

35,0%

26,6%

35,7%

36,9%

38,2%

38,1%

35,7%

35,0%

36,3%

34,7%

32,4%

GB

55,3%

20,0%

60,0%

58,7%

49,3%

57,8%

53,4%

60,0%

52,5%

66,7%

74,4%

GR

45,9%

54,5%

33,8%

41,9%

50,4%

44,8%

46,4%

49,3%

46,5%

41,4%

50,0%

IE

17,8%

7,8%

16,6%

19,9%

19,3%

20,2%

18,7%

17,5%

19,4%

20,6%

18,5%

IT

3,7%

1,5%

2,7%

3,8%

4,5%

4,2%

3,9%

4,7%

4,0%

3,6%

4,4%

JP

LU

78,4%

83,5%

76,0%

80,8%

75,3%

77,9%

71,6%

78,7%

88,2%

6,6%

81,0%

1,1% 100,0%

4,8%

5,2%

6,0%

6,0%

6,9%

7,5%

7,5%

8,7%

12,8%

KR

26,5%

32,1%

26,0%

26,5%

26,2%

26,0%

29,0%

26,1%

23,0%

23,8%

25,8%

NL

42,8%

0,0%

34,3%

46,4%

45,0%

44,6%

31,0%

41,5%

64,3%

50,0%

71,4%

PT

30,0%

45,5%

29,1%

31,2%

29,6%

28,4%

26,8%

25,5%

28,6%

28,1%

26,9%

SE

16,3%

12,9%

17,2%

17,3%

16,8%

17,1%

16,7%

16,2%

16,7%

16,4%

15,1%

VS

32,7%

26,6%

31,3%

33,8%

32,9%

33,1%

31,9%

33,5%

34,1%

33,7%

35,8%

Gemiddelde

Tabel 12.10: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen met uitvinders uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-uitgevonden octrooien per land (aangevraagd in de periode 2000-2009) (%)

VL

75,6%

BE

72,0%

Jaar

Tabel 12.9: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 2000-2009) (%)

196


197

Het kan gaan om verschillende afdelingen van eenzelfde

Figuur 12.5: Salton–map met Belgische internationale

organisatie, wat zowel kan duiden op een effectieve

co-uitvindersrelaties (periode 2000-2009)

samenwerking als op een strategische of praktische beslissing van de organisatie om de aanvraag (ten dele) door een andere afdeling te laten afhandelen. Vanuit dit perspectief biedt een analyse aan de hand van co-uitvinderschap een complementair beeld (zie tabellen 12.9 en 12.10). SE

FI

Co-uitvinderschap komt veel frequenter voor dan coaanvragerschap; zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien. Co-uitvinderschap in Vlaanderen schommelt rond de 72% voor aangevraagde

EPO-octrooien

(telkens

voor

octrooien

aangevraagd in de periode 2000-2009, en telkens ten opzichte

DK

CA

GB

DE

BE LU

van het totale aantal octrooien met Vlaamse uitvinder). Voor België liggen de cijfers doorheen de jaren enkele procenten lager. Vlaanderen en België behoren hier samen met Canada, de VS, Ierland en Japan tot de koplopers.

NL

US

AT

CH

FR PT ES

IT

Wanneer we voor EPO een systematische vergelijking maken

GR

inzake internationale samenwerking - gemeten aan de hand van co-uitvinderschap - stellen we opnieuw vast dat België en Vlaanderen hoge ratio’s behalen (tabel 12.10). Gemiddeld over

n >=0.01

de beschouwde periode zijn bij 45% van de octrooiaanvragen

n 0.005 =< r <0.01

in Vlaanderen uitvinders van verschillende landen betrokken.

n 0.0025 =< r <0.005

Om een kartografie te maken van de belangrijkste landen waarmee internationaal wordt samengewerkt tussen uitvinders

Figuur 12.6: Salton-map met Vlaamse internationale

werd gekeken naar het aantal aangevraagde EPO-octrooien

co-uitvindersrelaties (periode 2000-2009)

Vlaanderen en minstens één uitvinder uit een ander land. Op basis daarvan blijkt dat Vlaamse uitvinders samenwerken met aanvragers uit 56 landen. De belangrijkste landen waarmee Vlaamse uitvinders samenwerken zijn de VS (27%), Duitsland SE

(25%), Nederland (19%), Frankrijk (15%), het VK (10%) en Italië

FI

(3%). Voor België liggen deze cijfers enigszins anders: de meest intensieve samenwerking situeert zich hier met de VS (26%), Duitsland (24%), Frankrijk (21%), Nederland (15%) en het VK (9%). Een meer systematisch beeld van samenwerkingspatronen aan de hand van geografische verdeling wordt geboden in

DK CA

GB

NL

US

DE

VL

de figuren 12.5 en 12.6. Deze figuren geven de Salton maten weer, berekend op het aandeel co-uitvindingen tussen FR

de betreffende landen, volgens de formule:

AT

ES

rij

IT

r =

√ ni • nj

GR

In de teller staat het aantal co-applicaties met uitvinders afkomstig

n >=0.01

uit land i en j (rij). Deze worden genormaliseerd aan de hand

n 0.005 =< r <0.01

van de vierkantswortel van het product van de applicaties van

n 0.0025 =< r <0.005

betreffende landen (ni . nj).

CH

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

(in de periode 2000-2009) met minstens één uitvinder uit


198

12.5 RELATIEVE TECHNOLOGIESPECIALISATIEPATRONEN

Deze index geeft het aandeel van land j in technologiedomein i weer, ten opzichte van het aandeel van alle landen in technologiedomein i, rekening houdend met alle octrooien van

Octrooien worden doorgaans geklasseerd op basis van de

land j en met alle octrooien over alle landen en categorieën

technologiedomeinen waartoe ze behoren. Voor deze analyses

heen. Als referentiegroep worden in deze analyse de EU-15

hebben we de nomenclatuur en de bijbehorende IPC-klasse

alsook de VS, Canada, Zwitserland, Japan en Korea opgenomen.

(d.i. de ‘International Patent Classification’-indeling) aggregaten

Deze index vergelijkt m.a.w. het aandeel van Belgische/Vlaamse

gebruikt zoals die ontwikkeld werden door het Fraunhofer

octrooien in een bepaald technologiedomein met het aandeel

Gesellschaft - Institut für Systemtechniek und Innovations-

dat dit domein heeft in andere landen. De waarde van deze

forschung (FhG-ISI, Duitsland) in samenwerking met het Franse

relatieve specialisatie-indices varieert van [0;+∞]. Een waarde

Octrooibureau (INPI) en het Observatoire des Sciences et

kleiner dan 1 betekent dat land j een relatief nadeel heeft in de

Technologies (OST, Parijs). Deze klassificatie werd geactualiseerd

betreffende categorie i. Waarden gelijk aan 1 stemmen overeen

naar aanleiding van de introductie van de achtste herziening

met de neutrale positie van de index, terwijl waarden groter

van de IPC-klassificatie (ingevoerd in 2006). Deze aanpassingen

dan 1 duiden op een relatief voordeel. De index corrigeert voor

leiden tot een klassificatie in 19 technologiedomeinen. De relatieve

de ‘grootte’ van het technologiedomein. Deze indicator is dus

verdeling van EPO-octrooiaanvragen voor Vlaanderen en België

erg geschikt voor het maken van vergelijkingen en het in kaart

over deze 19 technologiedomeinen is weergegeven in tabel 12.11.

brengen van veranderingen over tijdsperiodes net als voor het

Octrooien die binnen meerdere technologiedomeinen gesitueerd

aangeven van de veranderingen in niveaus van specialisaties

zijn, werden toegewezen aan elk domein volgens het

van een land of een groep van landen. De RTA-analyses

zogenaamde ‘full count’ principe.

gerapporteerd in deze sectie, werden uitgevoerd op EPOaanvragen en op toegekende USPTO-octrooien. Gezien beide

De belangrijkste technologiedomeinen waarin Vlaamse en

databronnen tot analoge conclusies leiden, rapporteren we hier

Belgische EPO-octrooiaanvragen zich situeren zijn chemie,

enkel de EPO-resultaten.

farmacie en polymeren. Analoge patronen komen naar voor wanneer de USPTO data als uitgangspunt worden genomen

Uit de RTA-analyses in tabel 12.13 blijkt dat Vlaanderen vooral

(zie tabel 12.12).

een relatief sterke technologische positie (RTA > 1,5) heeft opgebouwd in Polymeren, Chemische domeinen, en Niet-polymeer

Een volgend belangrijk aandachtspunt betreft de relatieve

materialen. Ook in het farmaceutische domein vertoont

sterkte of zwakte van de beschouwde technologiedomeinen in

Vlaanderen een sterke relatieve specialisatie, zij het iets minder

Vlaanderen en België, ten opzichte van belangrijke referentie-

uitgesproken dan voor de drie voornoemde.

landen. Om deze te meten, wordt gebruik gemaakt van relatieve specialisatie-indexen op niveau van technologieklassen (op basis

In figuur 12.7 vergelijken we de relatieve technologische

van de geaggregeerde IPC--indeling zoals voorgeschreven

specialisatie (de RTA-maten) voor Vlaanderen met de

door de eerder bediscussieerde Fraunhofer-nomenclatuur).

economische specialisatie. Deze laatste wordt gemeten aan de

Deze relatieve specialisatie-indexen worden als volgt berekend:

hand van exportgegevens, hetgeen resulteert in een analoge ‘Relative Commercial Advantage’ of RCA-index: een RCA-

RTAij= Relatieve Technologiespecialisatie in technologieklasse voor land j = (Pij /∑ i Pij ) / (∑ j Pij /∑ ij Pij )

i

waarde > 1 duidt op een relatief grotere exportintensiteit van de betreffende sector in het totaal van onze export in vergelijking met de landen uit de referentiegroep. Een RCA-waarde < 1

• met i = 1 ... N (N = het aantal klassen in de studie: Fraunhofertechnologiedomeinen);

duidt dan op een relatief mindere exportintensiteit van de betreffende sector in het totaal van onze export in vergelijking

• met j = 1 ... M (M = het aantal landen in de studie);

met de landen uit de referentiegroep. We stellen vast dat,

• met Pij = het aantal octrooien in domein i in land j.

voor de meeste domeinen, technologische en economische performantie in elkaars verlengde liggen. Toch zijn er enkele domeinen waar minder overeenstemming is tussen economische (export-) en technologische (octrooi-) performantie.


199

Tabel 12.11: Distributie van Belgische en Vlaamse EPO-octrooiaanvragen over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 2000-2009 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)

Aandeel - BelgiĂŤ

Aandeel - Vlaanderen

1,28%

1,78%

12,65%

11,94%

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

4,82%

5,82%

Electrical machinery, apparatus, energy

2,07%

2,16%

Electronic components (including micro-structural technology)

2,99%

3,62%

Energy machinery

1,86%

1,84%

General machinery

2,94%

2,84%

Machine-tools

0,93%

0,91%

Measurement, control

4,63%

4,40%

Medical equipment

4,46%

3,90%

Metal products

2,09%

2,07%

Non-polymer materials

6,89%

5,67%

Optics

2,22%

2,63%

Pharmaceuticals (and cosmetics)

12,08%

12,03%

Polymers, rubber, man-made fibres

Audio-visual electronics Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

12,73%

10,44%

Special machinery

7,15%

8,01%

Telecommunications

4,73%

5,73%

Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food

9,21%

10,99%

Transport

4,28%

3,20%

Tabel 12.12: Distributie van Belgische en Vlaamse USPTO-octrooien over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 2000-2009 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)

Aandeel - BelgiĂŤ

Aandeel - Vlaanderen 1,81%

15,61%

14,64%

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

6,42%

7,45%

Electrical machinery, apparatus, energy

2,25%

2,44%

Electronic components (including micro-structural technology)

5,94%

7,16%

Energy machinery

1,68%

1,73%

General machinery

2,40%

2,12%

Machine-tools

1,09%

1,14%

Measurement, control

5,22%

5,42%

Medical equipment

4,00%

3,28%

Metal products

0,79%

0,75%

Non-polymer materials

5,83%

5,26%

Optics

3,17%

3,75%

Pharmaceuticals (and cosmetics)

12,60%

12,34%

Polymers, rubber, man-made fibres

Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

11,25%

9,14%

Special machinery

7,54%

8,37%

Telecommunications

5,12%

5,68%

Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food

4,76%

5,11%

Transport

2,91%

2,39%

Het betreft met name het domein farmacie, maar ook pulp en

De domeinen motorvoertuigen, kleding, en tabak neigen

papierproducten: de relatieve technologische performantie in

naar een omgekeerd profiel waarbij de relatieve export-

Vlaanderen is hier aanzienlijk, maar lijkt zich niet in dezelfde

specialisatie contrasteert met een relatief beperkte specialisatie

mate te vertalen naar een relatieve export-specialisatie.

op technologisch gebied. Tenslotte is de positie van cokes, aardolieproducten en nucleaire brandstoffen manifest: naast een sterke relatieve technologische specialisatie, kenmerkt dit domein zich ook door een sterke relatieve export-specialisatie.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

1,44%

Audio-visual electronics


0,50

0,64

0,83

0,44

0,77

0,91

0,71

2,03

0,47

2,93

0,99

0,27

0,90

0,89

1,85

0,49

0,51

0,76

0,57

0,87

0,49

0,75

0,75

0,91

1,51

0,90

1,25

1,94

1,38

0,56

1,53

0,65

Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

Electrical machinery, apparatus, energy

Electronic components (including microstructural technology)

Energy machinery

General machinery

Machine-tools

Measurement, control

Medical equipment

Metal products

Non-polymer materials

Optics

Pharmaceuticals (and cosmetics)

Polymers, rubber, man-made fibres

Special machinery

Telecommunication

Textiles, wearing, leather wood, paper, domestic appliances, furniture, food

Transport

1,32

0,39

0,25

2,19

VL

0,08

BE

0,45

Audio-visual electronics

RTA

1,16

1,46

0,54

1,42

1,09

1,08

0,65

1,72

2,18

0,72

0,84

1,84

1,45

1,03

0,76

1,05

0,51

0,73

0,39

AT

0,68

0,81

1,88

0,81

0,76

1,42

0,67

0,81

0,68

0,94

1,11

0,62

0,79

0,68

0,56

0,98

1,25

0,86

0,72

CA

0,45

1,32

0,40

1,39

1,31

1,45

0,69

1,01

1,18

1,59

1,47

1,27

1,27

0,79

0,47

0,89

0,51

1,07

0,48

CH

1,67

1,05

0,66

1,36

1,06

0,76

0,69

1,10

1,66

0,73

1,06

1,57

1,29

1,62

0,76

1,24

0,55

1,02

0,43

DE

0,39

1,52

0,68

1,18

0,85

1,94

0,62

1,05

1,37

1,45

0,94

0,55

1,45

1,39

0,20

0,82

0,43

0,92

1,05

DK

1,27

1,86

0,61

1,17

1,08

1,56

0,54

1,15

2,29

0,68

0,59

0,91

1,33

1,01

0,30

0,94

0,48

1,06

0,35

ES

0,34

0,94

3,52

1,28

0,81

0,35

0,45

1,00

0,68

0,50

0,86

0,68

1,39

0,40

0,36

0,72

1,24

0,49

1,44

FI

1,44

1,06

1,18

0,93

1,16

1,06

0,75

1,00

1,24

0,64

0,86

0,78

1,01

1,00

0,69

1,12

0,83

0,92

1,10

FR

0,73

1,16

0,97

1,00

0,91

1,44

0,81

0,73

1,06

1,07

1,16

0,67

0,89

0,89

0,66

0,66

1,01

1,26

0,87

GB

0,80

1,04

0,94

0,98

0,90

1,27

0,74

1,39

2,64

1,14

1,01

1,54

1,07

0,83

0,65

0,91

0,59

0,99

0,67

GR

0,33

1,11

1,07

1,11

0,84

1,64

0,45

1,13

0,78

2,24

0,89

0,96

0,79

0,49

0,69

0,65

1,09

0,70

0,38

IE

1,20

2,04

0,45

1,98

1,42

0,75

0,52

1,16

2,24

0,86

0,65

1,73

1,61

1,32

0,53

0,97

0,38

0,72

0,21

IT

1,13

0,72

1,05

0,65

0,88

0,56

1,68

1,13

0,48

0,58

0,87

1,04

0,85

1,02

1,69

1,35

1,44

0,89

1,73

JP

0,32

1,46

2,01

0,32

0,49

0,52

1,27

0,52

0,42

0,36

0,46

0,32

0,94

0,54

1,93

1,20

1,96

0,53

3,42

KR

2,48

0,99

0,27

0,68

2,29

1,00

0,35

2,56

1,01

0,48

0,71

0,63

1,54

1,33

0,38

0,99

0,39

0,59

0,35

LU

0,39

1,31

0,99

1,07

1,04

0,78

1,60

0,72

0,71

0,95

0,95

0,42

0,85

0,38

1,41

0,75

1,41

1,18

1,91

NL

0,92

2,16

1,08

1,01

0,97

1,73

0,70

0,93

2,33

0,88

0,61

0,48

1,34

0,98

0,36

0,22

0,30

1,15

0,50

PT

SE

1,18

0,85

1,92

1,16

0,70

1,04

0,55

0,99

1,13

1,28

0,98

1,75

1,04

1,14

0,42

0,69

0,72

0,57

0,68

Tabel 12.13: RTA-waarden voor EPO-aanvragen voor de periode 2000-2009 op basis van 19 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van de referentiegroep VS

0,65

0,79

1,06

0,82

0,92

1,31

1,01

0,87

0,66

1,54

1,12

0,71

0,79

0,76

1,04

0,77

1,15

1,09

0,87

200


201

Figuur 12.7: Vlaamse technologische versus export performantie* per economische sector (label: RTA waarde; RCA waarde) 3

Coke, refined petroleum products and nuclear fuel (1,56; 2,25)

RCA (export) Vlaanderen

n

n

2

Tobacco products (0,30; 1,12) n

1

Chemicals excluding pharmaceuticals (1,24; 2,05)

n Textiles (1,52; 1,62) n Basic metals (1,03; 1,46)

Motor vehicles, trailers and semi-trailers (0,49; 1,28) n

n Food products and beverages (1,98; 1,57)

n Rubber and plastic products (1,26; 1,27)

n Wearing apparel, dressing and dyeing of fur (0,47; 1,14)

n Other non-metallic mineral products (1,32; 1,02)

n

n Wood and products of wood and cork (1,42; 0,89) Leather, leather products n Fabricated metal products, except machinery and footwear Electrical machinery and equipment (0,93; 0,79) (0,24; 0,60) and apparatus, n.e.c. n (0,53; 0,62) n Office, accounting and computing n Pulp, paper and paper products (1,77; 0,51) Machinery and equipment, n Pharmaceuticals (1,78; 0,44) machinery (0,60; 0,46) n n.e.c. (1,21; 0,55) Radio, television and communication equipment (0,74; 0,33) n Medical, precision and optical instruments (0,76; 0,28) n Other transport equipment (0,43; 0,20) n

0

0

1

2

3

RTA (EPO aanvragen) Vlaanderen

* Brongegevens export Vlaanderen: Nationale Bank van België Brongegevens export referentielanden: OECD STAN databank

De sterke concentratie van octrooiactiviteit bij een aantal multinationale ondernemingen suggereert dat extra aandacht

De stijgende trend die zich sinds enkele decennia manifesteert

en middelen bij de andere spelers, vooral kleine en middelgrote

in de Vlaamse octrooivolumes, blijkt zich volgens de huidige

ondernemingen, erg effectief kunnen zijn om de positie van

gegevens gestaag verder te zetten, en dit zowel in het

Vlaanderen als Europese topregio nog meer te bevorderen.

EPO-systeem, het USPTO-systeem, en het PCT-systeem.

Voor een aantal domeinen blijkt ook dat er nog verdere

Internationale statistieken tonen aan dat deze stijgende trend in

opportuniteiten liggen in een betere afstemming van

octrooigedrag een wereldwijd fenomeen is. De octrooivolumes

technologische en economische performantie. De voorgestelde

voor Vlaanderen zijn sinds het begin van de jaren negentig tot

statistieken tonen aldus een robuuste Vlaamse technologische

aan de recente jaren gegroeid met een factor 2,6 (tot meer dan

textuur, waar evenwel ruimte blijft voor verbetering om de

260 EPO octrooien per miljoen inwoners); wat ertoe heeft

technologische positie van Vlaanderen in en buiten Europa

geleid dat Vlaanderen vandaag tot de meer performante

nog te versterken.

Europese regio’s behoort. Wanneer we de octrooiactiviteit van de academische sector in Vlaanderen nader beschouwen, behoort Vlaanderen duidelijk tot de koplopers. De toegenomen mate waarin universitaire instellingen in Vlaanderen zich over de laatste decennia actief hebben getoond bij het aanvragen van octrooien ter bescherming en valorisatie van hun onderzoek, wordt ook weerspiegeld in de nationale cijfers, met België aan de Europese top wat betreft academische octrooiactiviteit.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 12

12.6 CONCLUSIE


202

BIJLAGE A

Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - BelgiĂŤ - EPO octrooiaanvragen (Alleen Belgische aanvragers) Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

83,03%

3,90%

9,17%

3,21%

0,92%

1992

84,56%

2,94%

10,48%

1,65%

0,37%

1993

86,85%

2,19%

7,93%

3,20%

0,00%

1994

87,74%

1,43%

8,60%

1,91%

0,32%

1995

84,86%

2,62%

8,88%

3,49%

0,29%

1996

81,47%

1,47%

10,59%

6,32%

0,15%

1997

82,54%

2,27%

8,01%

6,58%

0,60%

1998

79,29%

2,65%

9,52%

8,34%

0,20%

1999

81,19%

2,02%

6,72%

9,79%

0,38%

2000

80,32%

2,16%

6,47%

10,68%

0,56%

2001

76,92%

3,97%

8,59%

10,62%

0,18%

2002

76,97%

3,37%

9,65%

10,01%

0,35%

2003

78,26%

2,85%

7,74%

10,83%

0,41%

2004

79,45%

3,56%

5,99%

10,61%

0,68%

2005

77,23%

3,48%

7,37%

11,65%

0,40%

2006

80,84%

3,08%

6,63%

9,19%

0,46%

2007

79,57%

3,42%

4,73%

11,70%

0,92%

2008

78,82%

3,03%

5,14%

12,56%

0,45%

Gemiddelde

80,35%

2,90%

7,59%

8,88%

0,45%

Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - Vlaanderen - EPO octrooiaanvragen (Alleen Vlaamse aanvragers) Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

84,27%

2,62%

7,87%

4,12%

1,12%

1992

87,78%

2,22%

7,78%

1,94%

0,28%

1993

90,87%

1,44%

5,53%

2,16%

0,00%

1994

89,98%

0,49%

7,82%

1,47%

0,24%

1995

86,07%

1,23%

9,02%

3,48%

0,20%

1996

82,77%

1,26%

8,19%

7,56%

0,21%

1997

85,63%

0,19%

7,18%

6,81%

0,19%

1998

77,17%

1,22%

10,20%

11,11%

0,30%

1999

78,53%

1,07%

7,67%

12,42%

0,31%

2000

76,83%

1,19%

8,52%

12,95%

0,51%

2001

75,50%

3,02%

9,73%

12,08%

0,00%

2002

79,33%

1,61%

9,68%

9,53%

0,00%

2003

79,65%

1,49%

7,82%

10,92%

0,12%

2004

79,49%

3,18%

6,37%

10,70%

0,51%

2005

77,44%

3,13%

7,32%

12,11%

0,20%

2006

79,88%

2,40%

6,81%

10,61%

0,50%

2007

77,81%

2,89%

4,58%

14,03%

1,09%

2008

80,90%

1,57%

4,49%

12,58%

0,45%

Gemiddelde

80,60%

1,93%

7,49%

9,73%

0,36%


203

DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN I N E E N I N T E R N AT I O N A L E C O N T E X T

Door Donald Carchon (IWT), Alain Deleener (IWT), Pascale Dengis (EWI) en Monica Van Langenhove (EWI)

13


204

13.1 INLEIDING

De nieuwe strategie is dus toegespitst op de gebieden waar actie

In dit hoofdstuk behandelen we de meest recente gegevens met

hoge werkgelegenheid en sociale insluiting.

nodig is: kennis en innovatie, een duurzamere economie, een betrekking tot de Vlaamse aanwezigheid in de internationale WTI-context. Meer bepaald hebben we hierbij bijzondere

Het Zevende Kaderprogramma dat loopt van 2007 tot 2013 is

aandacht voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese

in belangrijke mate afgestemd op de Europa 2020 strategie en

Kaderprogramma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma.

ondersteunt, met een eigen focus, de verschillende EU2020-

De deelname aan de betreffende programma’s wordt

doelstellingen.

permanent opgevolgd door de betrokken entiteiten van de Vlaamse Gemeenschap.

In een eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt de evolutie geschetst van de Vlaamse deelname aan de laatste Europese Kaderprogramma’s voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling

13.2 VLAAMSE DEELNAME AAN HET EUROPESE KADERPROGRAMMA VOOR O&O

en Demonstratieactiviteiten (hierna afgekort tot KP). Het Vierde Kaderprogramma (KP4) liep van 1994 tot 1998, het Vijfde Kaderprogramma (KP5) liep van 1998 tot 2002, het Zesde Kaderprogramma (KP6) liep van 2002 tot 2006 en het huidige

13.2.1

Inleiding

Zevende Kaderprogramma (KP7) dat loopt van 2007 tot 2013.

Het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek, Technologische

Vervolgens worden meer gedetailleerde, voorlopige resultaten

Ontwikkeling en Demonstratieactiviteiten, een belangrijk

weergegeven van het Zevende Kaderprogramma.

financieringsinstrument voor onderzoek binnen de Europese Unie (EU), is een meerjarig onderzoeks- en stimuleringsprogramma

De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende

waarbinnen de activiteiten van de EU op het vlak van onderzoek

categorieën:

en technologische ontwikkeling op middellange termijn worden uitgezet. De achtereenvolgende kaderprogramma’s hebben tot

l

bedrijven;

doel de wetenschappelijke en technologische grondslagen

l

universiteiten en hogescholen;

van de Europese industrie te versterken, de ontwikkeling van

l

onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse

de internationale concurrentiepositie van de EU te bevorderen,

Strategische Onderzoekscentra – SOC’s (IBBT, IMEC, VIB

en tegemoet te komen aan de onderzoeksbehoeften van andere

en VITO), de collectieve centra (bvb. Centexbel en SIRRIS)

beleidsdomeinen van de EU.

en de “andere wetenschappelijke instellingen” (bvb. ITG, VKI en VLIZ). Tot deze laatste groep worden ook de Vlaamse

Met haar mededeling van 3 maart 20101 gaf de Europese Commissie het startsein voor de Europa 2020 strategie, de opvolger

competentiepolen (bvb. FMTC) gerekend; l

overige instellingen, waaronder overheidsinstellingen, non-profit

van de Lissabonstrategie, die afliep in 2010. De nieuwe strategie

organisaties, EEI’s, internationale organisaties, GCO’s en andere

van de Europese Unie voor jobs en slimme, duurzame en

instellingen die niet in de voorgaande categorieën thuishoren.

inclusieve groei zal Europa helpen de crisis te boven te komen en de Europese economie voorbereiden op de komende 10 jaar.

Naast deze categorieën worden de begrippen “Vlaanderen”, “Wallonië” en “Brussel” gehanteerd. Deze begrippen worden

De Europa 2020 strategie is gebaseerd op drie samenhangende

afgebakend zoals hieronder aangegeven.

en elkaar versterkende prioriteiten: slimme groei – voor een economie op basis van kennis en innovatie; duurzame groei –

Bij “Vlaanderen” horen:

voor een koolstofarme, concurrerende economie waarin zuinig wordt omgesprongen met hulpbronnen; en groei voor iedereen

l

de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest;

– voor een economie met veel werkgelegenheid en sociale en

l

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de

territoriale cohesie.

Vlaamse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die zich bevinden in het Brusselse Gewest;

1 www.vlaandereninactie.be/nlapps/data/docattachments/1_NL_ACT_part1_v1.pdf


205

l

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest;

De toewijzing van de deelnames aan de respectievelijke gewesten

l

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich

gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.

bevinden in het Vlaamse Gewest, daarbij inbegrepen de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks

13.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de

onder Vlaamse bevoegdheid vallen.

opeenvolgende kaderprogramma’s

Bij “Wallonië” horen:

13.2.2.1

Algemene cijfers

In tabel 13.1 zijn de kerncijfers weergegeven van de Vlaamse l

de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest;

deelname aan de laatste kaderprogramma’s. Wanneer men de

l

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de

financiële return die Vlaanderen uit elk Kaderprogramma wist

Franse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die

te halen, vergelijkt over de opeenvolgende Kaderprogramma’s,

zich bevinden in het Brusselse Gewest;

dan kan een licht dalende tendens van het Vierde tot en met

l

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Waalse Gewest;

het Zesde Kaderprogramma worden vastgesteld, die zich

l

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

voorlopig omzet naar een stijgende tendens naar het Zevende

zich bevinden in het Waalse Gewest, daarbij inbegrepen de in

Kaderprogramma2 (KP7).

het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks onder Waalse bevoegdheid vallen.

13.2.2.2 De Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorieën

Bij “Brussel” horen:

Bekijken we de relatieve deelname van de Vlaamse deelnemerscategorieën onderling (zie figuur 13.1 en figuur 13.2), dan zien

l

de bedrijven met hun zetel in het Brusselse Gewest;

we dat de categorie “universiteiten en hogescholen” in het

l

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Brusselse Gewest;

Zevende Kaderprogramma de leidende positie behoudt wat

l

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

betreft het aantal deelnames (bijna 41%) en zodoende haar positie aanhoudt ten opzichte van het Zesde Kaderprogramma

zich bevinden in het Brusselse Gewest.

(42%). Ook de bedrijven en de onderzoekscentra behouden hun aandeel van het Zesde naar het Zevende Kaderprogramma wat

gerekend, uitgezonderd:

betreft het aantal deelnames, met voor beide ongeveer 27%.

(1) de deelnemers uit de categorie “universiteiten en hogescholen”:

De meest significante verschillen vallen te noteren wanneer we

die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend; (2) de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die onder

de relatieve Vlaamse deelname bekijken volgens deelnemerscategorie in deelnametoelage.

Vlaamse resp. Waalse bevoegdheid vallen: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend.

Tabel 13.1: Algemene cijfers over de Vlaamse deelname aan de Europese Kaderprogramma’s

Aantal deelnames Aantal projecten Aantal instellingen Aantal deelnames als coordinator (in %) Deelnametoelage (in miljoen euro) Totaal EU-KP-budget besteed aan contracten (in miljard euro) Financiële return** (in %) Verwachte return (in %)

KP4 1.972 1.567 495 17,6 273,4 11,5

KP5 1.575 1.304 444 21,4 278,8 12,7

KP6 1.342 1.051 422 15,2 352,3 16,6

KP7* 1.102 870 248 17,9 386,3 15,8

2,38 2,1 – 2,3

2,19 2,1 – 2,2

2,12 ±2,2

2,44 2,2 – 2,3

* Tussentijdse status van de databank op 29/10/2010 waarbij op dat moment 31% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend ** Het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen

2 Tussentijdse status van de databank op 29 oktober 2010 waarbij op dat moment 31% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Bij “Brussel” worden dus alle deelnemers uit het Brusselse Gewest


206

Figuur 13.1: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

Figuur 13.2: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

de Europese Kaderprogramma’s volgens

de Europese Kaderprogramma’s volgens

deelnemerscategorieën (aantal deelnames in %)

deelnemerscategorieën (deelnametoelage in %)

KP4

KP4

KP5

KP5

KP6

KP6

KP7*

KP7*

0%

20%

40%

60%

80%

100%

0%

20%

Aantal deelnames (relatief)

40%

60%

80%

100%

Deelnametoelage (in miljoen euro) (relatief)

n Universiteiten en hogescholen

n Universiteiten en hogescholen

n Bedrijven

n Bedrijven

n Onderzoekscentra

n Onderzoekscentra

n Overige instellingen

n Overige instellingen

* Tussentijdse status van de databank op 29/10/2010 waarbij op dat moment 31% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend

* Tussentijdse status van de databank op 29/10/2010 waarbij op dat moment 31% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend

Enkel de categorie “universiteiten en hogescholen” zien hun

Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan

aandeel toenemen in vergelijking met het Zesde Kader-

het Zevende Kaderprogramma ligt voorlopig bij de thematische

programma (van 41% in KP6 naar 45% in KP7). Alle andere

prioriteit ICT, die Vlaanderen 31,4% van zijn totale toelage

categorieën, en dan vooral de onderzoekscentra, leveren een klein

voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma oplevert

deel van hun relatieve Vlaamse deelnametoelage in ten opzichte

(zie figuur 13.3). De Vlaamse deelnametoelage voor ICT komt

van het Zesde Kaderprogramma (van meer dan 21% in KP6

voor 48% op rekening van de onderzoekscentra, waarvan 77,6%

naar bijna 20% voor wat betreft de bedrijven en van 34% in KP6

op rekening van IMEC. De Vlaamse universiteiten en bedrijven

naar bijna 32% in KP7 voor wat betreft de onderzoekscentra).

halen respectievelijk 32% en 20% van de Vlaamse ICT-toelage naar zich toe. Bij de bedrijven zijn Agilent Technologies

13.2.3 De voorlopige Vlaamse deelname aan het Zevende Kaderprogramma

Belgium NV en Alcatel-Lucent Bell NV sterk aanwezig in ICT. De K.U.Leuven is budgettair gezien veruit de sterkste universitaire vertegenwoordiger in deze thematische prioriteit.

13.2.3.1

Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit en per deelnemerscategorie

Ook in Health scoort Vlaanderen voorlopig budgettair goed:

In figuur 13.3 wordt de participatie van de verschillende

deze thematische prioriteit levert Vlaanderen 12,1% van zijn totale

categorieën in de specifieke onderdelen (thematische prioriteiten

toelage voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma op.

en horizontale activiteiten) aan de hand van (voorlopige) deelnametoelage van het Zevende Kaderprogramma weergegeven.

In Health zijn, net zoals in het programma Lifescihealth uit KP6, vooral de categorie universiteiten en hogescholen aan zet: zij zijn in dit kaderprogramma goed voor 73,5% van de Vlaamse deelnametoelage voor deze thematische prioriteit.


207

Figuur 13.3: Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie

HEALTH

n Universiteiten en hogescholen

FOOD

n Bedrijven

ICT

n Onderzoekscentra

NMP

n Overige instellingen

ENERGY ENVIRONMENT TRANSPORT SSH SPACE SECURITY GENERAL ERC MARIE CURIE INFRASTRUCTURES SME REGIONS POTENTIAL SOCIETY POLICIES INCO FUSION FISSION 0

20

40

60

80

100

120

140

Deelnametoelage (in miljoen euro)

De Vlaamse deelnametoelage voor NMP gaat voorlopig

budgettaire speler, met ongeveer 50% van de Vlaamse deelname-

voor 39% naar de universiteiten en hogescholen, voor 32%

toelage voor deze thematische prioriteit. De onderzoekscentra

naar de bedrijven en voor bijna 27% naar de onderzoekscentra.

halen momenteel 15,7% van de Vlaamse Health-toelage naar

In dit programma is de K.U.Leuven de sterkste universitaire

zich toe, en die middelen gaan bijna volledig naar het VIB.

vertegenwoordiger, met bijna 55% van de Vlaamse deelnametoelage in deze categorie. De toelage die de Vlaamse bedrijven

De specifieke onderdelen NMP en ERC vertegenwoordigen elk

voor hun deelname aan NMP ontvangen, is zeer verspreid

ongeveer een tiende van de totale Vlaamse deelnametoelage

over de deelnemende bedrijven. De toelage die de Vlaamse

voor het Zevende Kaderprogramma.

onderzoekscentra voor hun deelname aan NMP ontvangen, ging bijna volledig naar IMEC (77%) en VITO (20%).

De Vlaamse ERC-toelage gaat voorlopig voor 82% naar de universiteiten en hogescholen. Binnen deze categorie is

Figuur 13.4 geeft aan welke financiĂŤle return Vlaanderen uit

de K.U.Leuven budgettair gezien de sterkste universitaire

de verschillende onderdelen van het Zevende Kaderprogramma

vertegenwoordiger. UGent volgt op de tweede plaats.

behaalt en welk aandeel de verschillende deelnemerscategorieĂŤn

De overige 18% van de Vlaamse ERC-toelage gaat naar de

hierin hebben.

onderzoekscentra, waarbij VIB budgettair gezien de sterkste onderzoeksinstelling is, met bijna 80% van de Vlaamse ERCtoelage in deze categorie.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Binnen deze categorie is opnieuw de K.U.Leuven de sterkste


208

Figuur 13.4: Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie

HEALTH

n Universiteiten en hogescholen

FOOD

n Bedrijven

ICT

n Onderzoekscentra

NMP

n Overige instellingen z

ENERGY ENVIRONMENT

Verwachte return

TRANSPORT SSH SPACE SECURITY GENERAL ERC MARIE CURIE INFRASTRUCTURES SME REGIONS POTENTIAL SOCIETY POLICIES INCO FUSION FISSION 0

1

2

3

4

5

6

7

8

Return (%)

Rekening houdend met een gemiddelde verwachte return van

De deelnemerscategorie “universiteiten en hogescholen” laat

2,2% - 2,3% (de verticale band in figuur 13.4), kunnen we de

voorlopig een opvallend aandeel (meer dan 2/3) in de Vlaamse

voorlopige prestatie van Vlaanderen in de specifieke onderdelen

return optekenen bij de specifieke programma’s SSH (98%),

van het Zevende Kaderprogramma als volgt beoordelen:

ERC (82%) en Health (73,5%). Verder haalt deze categorie ook ongeveer de helft (of iets meer dan de helft) van de Vlaamse

l

l

l

“sterk tot zeer sterk” in Fission (5,7%), Food (3,5%) en ICT

return uit Food (65%), Marie Curie (61%), Regions (52%),

(3,4%);

Infrastructures (51%), Fusion (51%) en Security (51%). In de hoge

“boven verwachting” in NMP (2,8%), SSH (2,7%), Energy

financiële return die de categorie “universiteiten en hogescholen”

(2,6%) en Health (2,5%);

uit SSH weet te halen, speelt vooral de K.U.Leuven een

“(ongeveer) volgens verwachting” in Environment (2,3%)

belangrijke rol.

en ERC (2,2%); l

“minder dan verwacht” in Policies (2,1%) en Transport (2,1%);

De bedrijven leveren een opvallende bijdrage in de Vlaamse

l

“zwak tot zeer zwak” in Space (1,9%), Marie Curie (1,9%),

return in de programma’s SME (70%), Transport (48%),

SME (1,9%), Fusion (1,8%), Society (1,2%), Regions (1,1%),

Security (45%), Energy (38%), NMP (32%) en Space (32%).

Security (0,7%), Infrastructures (0,6%), General Activities (0,2%), INCO (0,1%) en Potential (0,0% wegens geen deelnames).


209

De onderzoekscentra staan haast volledig in voor de Vlaamse

13.2.3.3 Vlaamse topdeelnemers

return uit Fission (84%), wat bijna volledig aan het SCK mag

De K.U.Leuven is momenteel de grootste Vlaamse deelnemer.

worden toegeschreven. Verder staat deze categorie ook nog in

IMEC volgt op de tweede plaats, UGent volgt op de derde plaats

belangrijke mate in voor de Vlaamse return uit Society (50%),

(zie tabel 13.2).

Fusion (49%), Space (46%), Infrastructures (43%) en Environment (42%).

Alcatel Bell NV, dat zich voorlopig tevreden moet stellen met de tiende plaats, is het enige bedrijf in de Vlaamse top-10.

De overige instellingen tenslotte staan volledig in voor de

Opvallend is wel dat Alcatel Bell NV met slechts 10 deelnames

Vlaamse return in het programma Policies. Deze categorie

toch een relatief grote deelnametoelage naar zich toe weet te

heeft voor de rest bij de meeste onderdelen van het Zevende

halen. In vergelijking met het finale rapport over de Vlaamse

Kaderprogramma een eerder beperkt aandeel in de Vlaamse

deelname aan het Zesde Kaderprogramma valt op dat UA in

return. De overige instellingen hebben echter wel een

het Zevende Kaderprogramma VIB en VUB momenteel inhaalt

significant aandeel in de Vlaamse return van Regions (34%),

en zodoende op een vierde plaats eindigt (in plaats van op de

SME (26%) en Transport (25%).

zesde plaats in het Zesde Kaderprogramma).

13.2.3.2 Vlaamse deelname per projecttype en per

13.2.3.4 Vlaanderen binnen België In tabel 13.3 wordt de deelname van Vlaanderen, Brussel en

deelnemerscategorie We kunnen vaststellen in figuur 13.5 dat de Vlaamse universiteiten

Wallonië in de Belgische context geplaatst. België neemt

en hogescholen voorlopig relatief het meest prominent aanwezig

momenteel 2.051 keer deel aan 1.397 projecten en haalt

zijn in de projecttypes in het kader van de European Research

daarmee momenteel een deelnametoelage van 601,23 miljoen

Council (ERC) en de Marie Curie acties (MC). De Vlaamse

euro naar zich toe. Uitgaande van een verwachte Belgische

deelnames aan de Collaborative Projects (CP) zijn voorlopig

return van 4,03% kan worden gesteld dat België tot nog toe

ongeveer gelijk verdeeld tussen de deelnemerscategorieën

met een return van 3,80% onder de verwachting heeft

“universiteiten en hogescholen”, “bedrijven” en “onderzoeks-

geparticipeerd in het Zevende Kaderprogramma. België gaat er

centra”. In het projecttype “Research for the benefit of SME’s

op achteruit ten opzichte van het Zesde Kaderprogramma

(BSG-SME)”, dat specifiek gericht is op KMO’s, zijn de meeste

(3,98%) en blijft met dit cijfer een stuk onder de return die het

Vlaamse deelnames afkomstig van de bedrijven, gevolgd door

uit het Vijfde Kaderprogramma wist te halen (4,42%).

voorlopig in voor de meeste deelnames in de topnetwerken (Networks of Excellence – NoE), op de voet gevolgd door de universiteiten en hogescholen.

Figuur 13.5: Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie (voorlopig aantal deelnames in KP7)

BSG-SME

n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven

CP

n Onderzoekscentra

CSA

n Overige instellingen

ERC MC NOE 0%

20%

40%

60%

Aantal deelnames (relatief)

80%

100%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

de universiteiten en hogescholen. De onderzoekscentra staan


210

Tabel 13.2: Vlaamse topdeelnemers Instelling

Aantal deelnames

Deelnametoelage (meuro)

K.U.Leuven

218

91,4

IMEC

108

59,7

UGent

102

40,6

UA

49

17,0

VIB

43

17,8

VUB

43

16,2

IBBT

29

12,3

VITO

27

11,8

SCK

24

6,6

Alcatell Lucent Bell NV

10

5,1

Tabel 13.3: Deelname van België aan het Zevende Kaderprogramma volgens regio (deelnametoelage in miljoen euro)

Vlaanderen Brussel Wallonië Niet toegewezen Totaal België

Aantal deelnames 1.102 567 381 1 2.051

%1 54% 28% 19% 0% 100%

Aantal deelnemers 248 268 79 1 596

Aantal projecten 870 452 322 1 1.397

Aantal coördinatoren 198 91 60 0 349

%2 18% 16% 16% % 17%

Deelnametoelage 386,28 106,70 107,84 0,41 601,23

%1 64% 18% 18% 0% 100%

Return (%)3 2,44% 0,67% 0,68% 0,00% 3,80%

1 Procentueel aandeel van de waarde in de voorgaande kolom ten opzichte van het totaal uit die kolom. 2 Procentueel aandeel van het aantal coördinatoren (kolom 6) ten opzichte van het aantal deelnames (kolom 2). 3 Procentueel financieel aandeel van de deelnametoelage in de totale toegekende Europese middelen voor contractonderzoek

Vlaanderen staat voorlopig in voor iets meer dan de helft van

Het deelnamebudget van de Brusselse bedrijven is net iets

de Belgische deelnames aan het Zevende Kaderprogramma

groter dan dat van de Waalse bedrijven. De deelnametoelagen

en haalt daarmee ook meer dan 60% van de Belgische

voor de onderzoekscentra zijn overwegend uit Vlaanderen

deelnametoelage voor dit kaderprogramma naar zich toe.

afkomstig. De deelnametoelagen van de overige instellingen

Brussel haalt, net zoals in het Zesde Kaderprogramma, bijna 1/3

tenslotte, komen voorlopig overwegend uit de Brusselse regio.

van de Belgische deelnames en krijgt daarvoor voorlopig 18% van de Belgische deelnametoelage in dit kaderprogramma.

13.2.3.5

In vergelijking met het Zesde Kaderprogramma haalt Wallonië

Vlaanderen wordt in wat volgt vergeleken met de grootste

voorlopig een pak minder deelnames (25% in KP6, 19% in

deelnemende landen aan het Zevende Kaderprogramma.

KP7) en ook een kleinere deelnametoelage (24% in KP6 en

De deelnametoelage wordt in deze oefening gerelateerd aan

18% in KP7) naar zich toe. Vlaanderen neemt tot nog toe ook

resp. het Bruto Binnenlands Product (BBP) en het aantal

relatief gezien net iets vaker de rol van projectcoördinator op

inwoners in het desbetreffende land (of regio). Hierbij wordt

zich dan Brussel en Wallonië.

gekeken naar de landen met minstens 600 deelnames en

Vlaanderen in de Europese rangschikking

een BBP3 groter dan 100 miljard euro. Bekijken we de deelname van België aan het Zevende Kaderprogramma volgens deelnemerscategorie (zie figuur 13.6),

Wanneer we de deelnametoelage relateren aan het BBP (figuur

dan blijkt dat de resultaten van de afzonderlijke regio’s erg

13.7a), zien we dat Vlaanderen zeer goed scoort en op een

uiteenlopen, zoals ook al het geval was in het Zesde

derde plaats eindigt in deze benchmarkoefening. België moet

Kaderprogramma. De deelnametoelage van de universiteiten

naast Zwitserland, Finland, Zweden en Griekenland ook

en hogescholen is verdeeld tussen Vlaanderen en Wallonië,

Nederland laten voorgaan en eindigt dus op een zevende

met een overwicht voor Vlaanderen. De deelnametoelage van

plaats. In vergelijking met KP6 valt op dat het opnieuw enkele

de bedrijven is voorlopig vooral aan Vlaanderen toe te schrijven.

Scandinavische landen zijn die hoge toppen scheren.

3 Er werd gebruik gemaakt van de BBP cijfers van Eurostat, voor het jaar 2008 voor alle EU27-landen met een BBP > 100 miljard euro. Voor het BBP van Vlaanderen werd gebruik gemaakt van de cijfers van SVR, jaar 2008.


211

Figuur 13.6: Deelname van de Belgische regio’s in KP7 volgens deelnemerscategorie (in deelnametoelage)

n Vlaanderen

Universiteiten en hogescholen

n Brussel n Wallonië Bedrijven

Onderzoekscentra

Overige instellingen

0

25

50

75

100

125

150

175

200

225

250

Deelnametoelage (in miljoen euro)

Noorwegen doet het in KP7 voorlopig minder goed en zakt,

Hierbij dient opgemerkt dat de Zwitserse federale universiteiten

ten opzichte van KP6, van de 10de naar de 18de plaats.

(ETH en EPFL) niet gerangschikt werden in KP6. Wat de

Hierbij moet wel opgemerkt worden dat Ierland, in tegenstelling

deelnametoelage betreft stond K.U.Leuven in KP6 nog op een

tot KP6, nu ook in de ranking wordt opgenomen, waardoor

zesde plaats, in KP7 gaat de universiteit een plaatsje achteruit.

het aantal landen in de ranking uitbreidt van 19 naar 20. Ook Denemarken moet zijn tweede plaats uit KP6 afstaan

In vergelijking met KP6, werden in de huidige internationale

voor een voorlopige achtste plaats in KP7, achter België.

HES-ranking de deelnames van “the University of London” anders

Zwitserland scoort in deze benchmarkoefening voorlopig veel

berekend. Daar waar in KP6 de deelnames van de afzonderlijke

beter dan in KP6 en eindigt voorlopig op de eerste plaats.

19 colleges, behorende tot “the University of London”, werden opgeteld bij deze overkoepelende universiteit, werden deze

4

deelnames in de huidige rangschikking in KP7 niet meer

inwoners (figuur 13.7b), eindigt Vlaanderen voorlopig op een

verbonden aan deze universiteit. Het gevolg hiervan is dat

zesde plaats, België net daaronder op de zevende plaats.

“the University of London” niet langer op de eerste plaats

Opnieuw zijn het Zwitserland en enkele Scandinavische landen

eindigt in de rangschikking, maar dit keer is dat “the University

die de rangschikking domineren.

of Cambridge”. Bovendien neemt “the University College London” daardoor nu een zesde plaats in wat betreft de

In figuur 13.8 wordt de deelname van de Vlaamse universiteiten

deelnametoelage.

bekeken in een internationale HES-ranking, waarbij HES staat voor ‘Higher Education Services’. Enkel de top-10 van universiteiten

13.2.4 Conclusies

of hogescholen werd opgenomen in de vergelijking. Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan Opmerkelijk is dat de Vlaamse universiteiten in het Zevende

het Zevende Kaderprogramma ligt voorlopig bij de thematische

Kaderprogramma, niettegenstaande hun versterkte return,

prioriteit ICT die Vlaanderen 31,4% van zijn totale toelage

enkele plaatsen inboeten in de internationale rangschikking.

voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma oplevert.

Waar de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) wat betreft

Ook in Health scoort Vlaanderen voorlopig budgettair goed:

het aantal deelnames nog op de vierde plaats eindigde in het

deze thematische prioriteit levert Vlaanderen 12,1% van zijn totale

Zesde Kaderprogramma, moet de universiteit zich nu voorlopig

toelage voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma op.

tevreden stellen met een zesde plaats met 218 deelnames.

4 Bron populatie (*1.000) Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering – Jaar 2008 Bron populatie (* 1.000) andere landen opgenomen in de ranking: Eurostat Databank – Jaar 2008

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Wanneer de deelnametoelage wordt gerelateerd aan het aantal


212

Figuur 13.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking

Zwitserland Finland Vlaanderen Zweden Griekenland Nederland Belgie Denemarken Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Ierland Hongarije Duitsland Portugal Frankrijk Spanje Italie Noorwegen TsjechiĂŤ Polen 0

500

1.000

1.500

2.000

2.500

3.000

100

120

Figuur 13.7a: Deelnametoelage (in duizend euro) / BBP (in miljard euro)

Zwitserland Finland Zweden Nederland Denemarken Vlaanderen Belgie Noorwegen Oostenrijk Ierland Griekenland Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Spanje Italie Portugal Hongarije TsjechiĂŤ Polen 0

20

40

60

80

Figuur 13.7b: Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners


213

Figuur 13.8: Top-10 van de universiteiten in een internationale ranking, gesorteerd volgens aantal deelnames

300

140

250

120 100

200

80 150 60 100 40 50

Deelnametoelage (in mio euro)

Aantal deelnames

en/of volgens deelnametoelage (in miljoen euro)

20

0 Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen

The university of Edinburgh

Karolinska Institutet

Katholieke Universiteit Leuven

University College London

Imperial Eidgenössische University of Ecole University of college of Technische Oxford polytechnique Cambridge science, Hochschule federale de technology Zürich lausanne and medecine

0

n Aantal deelnames l Deelnametoelage (in mio euro)

Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse

De K.U.Leuven is, net zoals in het Zesde Kaderprogramma,

return uit het Zevende Kaderprogramma van 2,2% - 2,3%

nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. IMEC volgt op

kunnen we stellen dat Vlaanderen sterk tot zeer sterk scoort in

de tweede plaats, UGent volgt op de derde plaats. Het eerste

Fission (5,7%), Food (3,5%) en ICT (3,4%); boven verwachting

en enige bedrijf dat zich een plaats in de Vlaamse top-10 mag

scoort in NMP (2,8%), SSH (2,7%), Energy (2,6%) en Health

toeschrijven is Alcatel Bell NV op de tiende plaats.

(2,5%); en ongeveer volgens verwachting scoort in Environment Vlaanderen staat voorlopig in voor iets meer dan de helft van de Belgische deelnames aan het Zevende Kaderprogramma en Vlaanderen scoort onder de verwachting in de thematische

haalt daarmee ook meer dan 60% van de Belgische

programma’s Policies (2,1%) en Transport (2,1%) en zwak tot

deelnametoelage voor dit kaderprogramma naar zich toe.

zeer zwak in Space (1,9%), Marie Curie (1,9%), SME (1,9%),

Brussel haalt bijna 1/3 van de Belgische deelnames en krijgt

Fusion (1,8%), Society (1,2%), Regions (1,1%), Security (0,7%),

daarvoor voorlopig 18% van de Belgische deelnametoelage.

Infrastructures (0,6%), General Activities (0,2%), INCO (0,1%)

In vergelijking met het Zesde Kaderprogramma haalt Wallonië

en Potential (0,0% wegens geen deelnames).

voorlopig een pak minder deelnames (25% in KP6, 19% in KP7) en ook een kleinere deelnametoelage (24% in KP6 en

De Vlaamse universiteiten en hogescholen behouden hun

18% in KP7) naar zich toe.

eerste positie in het Zevende Kaderprogramma wat betreft het aantal deelnames, maar versterken hun positie zelfs wat betreft

In de Europese rangschikking, waar de deelnametoelage wordt

de ontvangen Vlaamse deelnametoelage. De bedrijven en

bekeken ten opzichte van het BBP en het aantal inwoners,

onderzoekscentra behouden hun aandeel wat betreft het aantal

situeert Vlaanderen zich respectievelijk op een 3de en 6de

deelnames maar leveren een klein deel in van hun relatieve

plaats. België eindigt bij beide rangschikkingen telkens op de

Vlaamse deelnametoelage.

7de plaats.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

(2,3%) en ERC (2,2%).


214

De

Vlaamse

universiteiten

verliezen

enkele

plaatsen,

De

projectuitvoerders

zijn

overheidsorganisaties

die

niettegenstaande hun versterkte return, in de internationale

verantwoordelijk zijn voor de financiering of het beheer van

rangschikking. Waar de K.U.Leuven wat betreft het aantal

onderzoeksprogramma’s op nationaal of regionaal niveau

deelnames nog op de vierde plaats eindigde in het Zesde

(ministeries, agentschappen, ...) en organisaties die op Europees

Kaderprogramma, moet de universiteit zich nu voorlopig

niveau werkzaam zijn en onder meer instaan voor de pan-

tevreden stellen met een zesde plaats met 218 deelnames.

Europese coördinatie van nationaal gefinancierd onderzoek.

Wat de deelnametoelage betreft stond K.U.Leuven in KP6 nog

In het totaal werden tot nu toe in KP6 en KP7 meer dan

op een zesde plaats, in KP7 gaat de universiteit een plaatsje

100 ERA-NET projecten opgestart, waarvan er momenteel nog

achteruit. Daarbij dient wel verwezen naar de opname van

67 lopen. Vlaanderen neemt, hoofdzakelijk via EWI, IWT,

Zwitserse universiteiten vanaf KP7.

en FWO, actief deel aan meerdere ERA-netten (zie tabel 13.4). De meeste ERA-netten wisselen informatie uit met de bedoeling om gemeenschappelijke oproepen tot transnationale

13.3

ERA-NET

projectvoorstellen te organiseren. De deelnemers aan de projecten geselecteerd in het kader van de gemeenschappelijke oproepen

Het ERA-NET schema, is een initiatief dat werd opgestart binnen

krijgen steun via de financieringsprogramma's van hun eigen

het Zesde Kaderprogramma (KP6) en wordt verder gezet

land of regio. Het aantal projectvoorstellen dat in het kader van

binnen KP7. Het wenst de samenwerking en coördinatie tussen

de gezamenlijke oproepen, waaraan het IWT deelneemt, wordt

de verschillende onderzoek- en innovatieprogramma’s van de

ingediend neemt stelselmatig toe.

lidstaten en de geassocieerde staten te bevorderen.

Tabel 13.4: Vlaamse deelname in ERA-NET projecten (stand van zaken 2010) Organisatie

ERA-NET project

EWI

HY-CO

Co-ordination Action to Establish a Hydrogen and Fuel Cell ERA-Net

EWI

MARIN-ERA

A partnership of the leading marine RTD funding organisations in 13 member states

EWI

PLANT GENOMICS

European Research Area Plant Genomics

EWI

PV-ERA-NET

Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of Photovoltaic

EWI

VISION

Shared knowledge base of sustainable innovation policies

CLO - Dep. Zeevisserij

Mari-Fish

Coordination of European marine fisheries research

IWT

COMPERA

ERA-NET on national and regional Programmes and initiatives dedicated to the creation and support of Competence Research Centres

IWT

CORNET

ERA-Net on national and regional programmes and initiatives to promote research, and the dissemination of the results of that research, to the benefit of large communities of SMEs: Collective Research

IWT

CROSSTEXNET

IWT

ECO-INNOVERA

IWT

ELECTROMOBILITY

IWT

ERACOBUILD

Strategic networking of RDI Programmes in construction and operation of buildings

IWT

EraSME

ERA-NET on National and Regional Programmes to promote innovation networking and co-operation between SME’s and research organisations

IWT

EUROTRANS-BIO

European network of transnational collaborative RTD for SME projects in the field of biotechnology

IWT

ERA-IB

IWT

MATERA & MATERA-Plus ERA-NET Materials

FWO

ASPERA

Implementation of European Coordination in Astroparticle Physics

FWO

ASTROPHYSICS

Paving the way to a EuropeanAstrophysical Research Cycle that will ensure sustained co-operation between national/regional/European research and innovation programmes in the field of astrophysics

FWO

ERA-CHEMISTRY

Implementation of joint bottom-up European Programmes in Chemistry

FWO

EUROPOLAR

The European Polar Consortium: Strategic Coordination and networking of European Polar RTD Programmes

FWO

HERA

Humanities in the European Research Area

OVAM

SNOWMAN

Sustainable management of soil and groundwater under the pressure of soil pollution and soil contamination

Waterbouwkundig Laboratorium

CRUE

Flooding ERA-NET

ILVO

EUPHRESCO

Coordination of European Phytosanitary Research


215

Zo werd in 2010 door 35 projectvoorstellen voor 10,7 miljoen

Het programma wil het gezamenlijke financieren van sterk

euro steun aangevraagd. Hiervan werden 23 projectvoorstellen

marktgerichte en hoogtechnologische projecten, die door

geselecteerd voor een totale steun van 6,5 miljoen euro (zie

dergelijke KMO’s worden gestuurd, vlotter laten lopen.

figuren 13.5 en 13.6). Met ARTEMIS, ENIAC, IMI en Fuel Cells and Hydrogen, vier zogenaamde Joint Technology Initiatives’ (JTI), wil de EC

13.4 NIEUWE INITIATIEVEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE

grootschalige publiek-private samenwerking opzetten tussen de EC en de (geïnteresseerde) lidstaten enerzijds en de bedrijven anderzijds. De initiatieven behandelen respectievelijk ‘embedded

Naast ERA-NET en INNO-NET heeft de Europese Commissie

systems’, micro- en nanoelectronica, innovatie in de farmaceutische

(EC) de ambitie om via zgn. art. 185 (Commissie en lidstaten)

sector, en brandstofcellen.

en art. 187 (Commissie en bedrijven en eventueel lidstaten) de samenwerking op het vlak van innovatie te bevorderen.

In al deze initiatieven zijn de eerste selecties van projectvoorstellen

Het is de bedoeling om via al deze acties de fragmentatie binnen

in 2008 opgestart.

de EU tegen te gaan en bij te dragen tot de uitbouw van een Europese Onderzoeksruimte (European Research Area, ERA). Vlaanderen neemt via het IWT actief deel aan 2 art. 185

13.5 VLAAMSE DEELNAME IN HET EUREKA- PROGRAMMA

initiatieven, respectievelijk AAL en EUROSTARS, en 2 art. 187 initiatieven, ARTEMIS (Advanced Research and Technology for

13.5.1

Situering

Embedded Intelligence and Systems) en ENIAC (European Nanoelectronics Initiative Advisory Council). In al deze

EUREKA is een intergouvernementeel initiatief voor de

initiatieven worden de projecten grotendeels gefinancierd

bevordering van de internationale samenwerking op het vlak

via de IWT-programma’s. Zie tabel 13.5

van toegepast en marktgericht industrieel Onderzoek & Ontwikkeling. Het EUREKA netwerk omvat actueel 38 lidstaten

Daarnaast is Vlaanderen ook betrokken in 2 andere art. 187

en de Europese Unie.

initiatieven, zijnde IMI (Innovative Medicines Initiative) en Fuel EUREKA hanteert, in tegenstelling tot het Kaderprogramma van

AAL (‘Ambient Assisted Living’) heeft tot doel via het gebruik

in een O&O project bepalen zèlf de inhoud, het samenwerkings-

de Europese Commissie, het ‘Bottom Up’ principe: de partners van ICT-middelen ruimere mogelijkheden te bieden om oudere

verband, en de timing van hun project. Het netwerk verleent,

en/of zieke mensen zo lang mogelijk comfortabel in hun gewone

na een internationale evaluatieprocedure, aan de goedgekeurde

leefomgeving te laten blijven. Los van het economisch doel

projecten een kwaliteitslabel. Voor cofinanciering kunnen de

dient dit initiatief dus een belangrijk maatschappelijk doel.

individuele partners terecht bij de eigen nationale of regionale overheden, en dit op basis van de plaatselijke modaliteiten.

EUROSTARS is een art. 169 initiatief, opgezet vanuit EUREKA. Het programma heeft geen thematische afbakening, maar een

Bedrijven, en hiermee samenwerkende universiteiten en

specifieke doelgroep: onderzoek uitvoerende KMO’s (“Research

onderzoeksinstellingen, uit het Vlaams Gewest kunnen voor

Performing SME’s”).

hun deelname in een project beroep doen op het IWT.

Tabel 13.5: Aantal projecten met Vlaamse partners in de nieuwe initiatieven 2008

AAL (art. 185) EUROSTARS (art. 185) ARTEMIS & ENIAC (JTI) Totaal

Aantal 2 8 10

2009 Toegekende steun (meuro) 0,2 5,4 5,6

Aantal 0 2 6 8

2010 Toegekende steun (meuro) 0,0 0,3 3,1 3,4

Aantal 0 2 7 9

Toegekende steun (meuro) 0,0 0,4 4,4 4,8

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Cells and Hydrogen.


216

Het aanvragen van steun in het kader van EUREKA-projecten,

In 2008 valt een belangrijke terugval van het aantal individuele

en de evaluatie van deze aanvragen, gebeurt in overeen-

projecten vast te stellen en in 2010 wordt bovendien een sterke

stemming met de gebruikelijke procedures van het IWT, en dit

achteruitgang van het aantal clusterprojecten waargenomen.

volgens de modaliteiten voor O&O bedrijfssteun of KMOInnovatieprojecten. In aanvulling op de basissteun hanteert het

13.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in

IWT, ter stimulering van de internationale industriële

EUREKA (2008-2010)

samenwerking, een toeslag van 10% op kostenbasis. De volgende tabellen en figuren leveren meer detail over de projecten met door IWT gesteunde Vlaamse partners. Hierbij is

13.5.2 EUREKA-projecten

de categorie ‘Cluster’-projecten verder opgesplitst. In de periode Het EUREKA-programma maakt een onderscheid tussen

2008-2010 waren de volgende Cluster-organisaties actief:

projecten die op individueel initiatief van de betrokken bedrijven tot stand komen, en projecten die gegenereerd worden in door

l

de Europese grootindustrie opgezette "Clusters". De projecten van het eerste type, waar we naar verwijzen met de term

CELTIC (2003-2011) “Cooperation for a European sustained Leadership in Telecommunications”.

l

EURIPIDES. (2006-2013): “Eureka Initiative For Packaging

‘INDIVIDUELE’-projecten, verkrijgen het EUREKA-label na een

And Integration Of Micro-Devices And Smart Systems”;

evaluatie door de betrokken Nationale of Regionale overheden

is een samenvoeging van EURIMUS II en PIDEA+

op basis van een uniforme en internationaal geaccepteerde

l

procedure.

ITEA II (2006-2014): “Information Technology for European Advancement”.

l

De EUREKA-Clusters oriënteren zich op een specifiek

Technology Research in Europe on NanoElectronics”;

onderzoeksterrein of een industriële sector. De onderzoeksdoelstellingen worden geformuleerd in een “Road Map”,

opvolger van Medea +(2001-2008). l

en hieraan wordt invulling gegeven via de initiatie van “subprojecten”. Deze subprojecten verkrijgen het EUREKA-label

CATRENE (2008-2016): “Cluster for Application and

EUROGIA+ (2008-2013): “Eureka Strategic Initiative For Low Carbon Energy Technologies”.

l

ACQUEAU (2010-2015): “Cluster for Water”

na een evaluatie door het Technisch Comité van de Cluster. Gedurende de periode 2007 – 2010 werden in 52 EUREKADe aanvragen voor cofinanciering worden door de betrokken

projecten de Vlaamse partners door IWT gesteund. De totale

overheden (i.c. voor Vlaanderen: IWT) behandeld synchroon

investering van de Vlaamse bedrijven in deze projecten

met, of aansluitend op, de evaluaties voor het EUREKA-label.

bedraagt 108,2 miljoen euro, hierin is begrepen 50,2 miljoen

De beschrijvingen van de projecten en deelnemende partners

euro steun vanwege IWT. Het jaargemiddelde voor steun aan

worden na verlening van de EUREKA-label publiek gemaakt

EUREKA-projecten is 13 miljoen euro, het gemiddelde

door de opname in databases welke toegankelijk zijn via de

steunpercentage bedraagt 46%. Dit gemiddelde percentage

EUREKA website (http://www.eureka.be).

vertoont weinig variatie tussen de projecttypes, maar wel tussen afzonderlijke projecten: een gevolg van de impact van de aard

Tabel 13.6 toont het aantal nieuwe projecten waarin Vlaamse

van het onderzoekstype (industrieel onderzoek of ontwikkeling)

partners actief zijn (2007-2010). Ze omvat voor deze periode

en de mate van KMO-deelname. De omvang van de projecten

een gemiddelde deelname aan 14 projecten per jaar (t.o.v. 22

verschilt sterk naargelang het type.

voor de periode van 2000-2007).

Tabel 13.6: Aantal nieuwe projecten met Vlaamse partners

Individuele Projecten Cluster Projecten Totaal

2007 10 15 25

2008 4 11 15

2009 2 11 13

2010 4 1 5

Totaal 20 38 58


217

Tabel 13.7: Aantal gesteunde projecten, met projectbudget van de Vlaamse partners, en steuntoelagen van IWT 2007

2008

2009

2010

Totaal

Aantal Projecten

9

MEDEA CATRENE ITEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

3

2

14

4 6

7 1

1

5

4

20

15

26,0

7,1

4

3

1

17

2

4

15

12

5

52

2

Budget (in miljoen euro)

MEDEA CATRENE ITEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

1,8

34,9

18,5 7,5

13,5

7,2

1,9

1,6

9,2

3,7

42,7

26,2

11,3

3,1

18,5 3,9

32,1

3,7

2,6

19,2

32,8

6,5

108,2

3,5

Steun (in miljoen euro)

MEDEA CATRENE ITEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

0,7

15,1

9,3

9,3

4,0

6,0

3,6

1,0

14,6

1,2

0,6

3,6

2,0

2,2

1,6

9,4

18,9

12,3

16,4

2,6

50,2

1,8

Figuur 13.9: Aantal EUREKA-projecten met IWT-steun aan Vlaamse partners

30

20

15

10

5

0 2000

n Individueel n Pidea n Medea n Itea n Eurimus n Celtic n Catrene

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Aantal projecten

25


218

Figuur 13.10: Projectbudgetten van de Vlaamse partners, per deelprogramma

70.000.000

60.000.000

50.000.000

40.000.000

30.000.000

20.000.000

10.000.000

0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

n Individueel n Pidea n Medea n Itea n Eurimus n Celtic n Catrene

13.6 CONCLUSIE

Internationaal vergeleken scoort Vlaanderen nog steeds zeer goed binnen de top-10 van de sterkst deelnemende landen.

Vlaanderen is en blijft nadrukkelijk aanwezig in de belangrijke

De Vlaamse universiteiten moeten echter, niettegenstaande

Europese programma’s voor wetenschappelijk onderzoek.

hun versterkte return, toch enkele plaatsen prijsgeven in de internationale HES-ranking.

In het EUREKA-programma neemt Vlaanderen internationaal gezien een prominente positie in. Vlaamse partners zijn daarnaast niet onaardig vertegenwoordigd in ERANET door deelname aan meer dan een kwart van alle door de Europese Commissie opgezette projecten. Met een voorlopige return aan het 7de Kaderprogramma van 2,44% scoort Vlaanderen boven de verwachting en is er een duidelijke

stijging

ten

opzichte

van

de

voorgaande

Kaderprogramma’s. In KP7 heeft de categorie “universiteiten en hogescholen” nog steeds de leidende positie, zowel wat betreft het aantal deelnames als deelnametoelage.


219

Figuur 13.11: IWT steunbedragen aan de Vlaamse partners, per deelprogramma

30.000.000

25.000.000

20.000.000

15.000.000

10.000.000

5.000.000

0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

n Pidea n Medea n Itea n Eurimus n Celtic n Catrene n Individueel

13.7 REFERENTIELIJST

• IWT: Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en

• Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor

• K.U.Leuven: Katholieke Universiteit Leuven

Onderzoek (2002-2006); Van Langenhove M., Dewallef E.

• O&O: Onderzoek en Ontwikkeling

en Dengis P., 2009, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

• SCK: Studiecentrum voor Kernenergie

Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.

• SIRRIS: Collectief centrum van de technologische industrie • UA: Universiteit Antwerpen

Gebruikte afkortingen

• UGent: Universiteit Gent

• EEI: European Economic Interest Group (Europees Economisch

• VIB: Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

Samenwerkingsverband)

• VKI: von Karman Institute for fluid Dynamics

• FMTC: Flanders Mechatronics Technology Centre

• VLIZ: Vlaams Instituut voor de Zee

• GCO: Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

• VUB: Vrije Universiteit Brussel

• IBBT: Interdisciplinair instituut voor BreedBand Technologie

• VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

• IMEC: Interuniversitair Micro-elektronica Centrum VZW

• KP4: Vierde Europese Kaderprogramma

• ITG: Instituut voor Tropische Geneeskunde

• KP5: Vijfde Europese Kaderprogramma • KP6: Zesde Europese Kaderprogramma

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 13

Technologie


220

Thematische prioriteiten: • Lifescihealth: Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de gezondheid uit het Zesde Kaderprogramma • Health: Gezondheid • Food: Voedsel, Landbouw en Visserij, en Biotechnologie • ICT: Informatie – en communicatietechnologieën • NMP: Nanowetenschappen, Nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën • Energy: Energie • Environment: Omgeving (inclusief klimaatveranderingen) • Transport: Transport (inclusief luchtvaart) • SSH: Socio-economische wetenschappen en menswetenschappen • Space: Ruimtevaart • Security: Veiligheid • General: Coördinatie van onderzoeksactiviteiten • ERC: European Research Council • Marie Curie: Marie Curie acties • Infrastructures: Onderzoeksinfrastructuur • SME: Onderzoek ten voordele van de KMO’s • Regions: Kennisregio’s • Potential: Onderzoekspotentieel van convergentieregio’s • Society: Wetenschap in de samenleving • Policies: Steun voor de coherente ontwikkeling van het onderzoeksbeleid • INCO: Internationale samenwerking • Fusion: Euratom - kernfusie • Fission: Euratom - kernsplijting en stralingsbescherming


221

CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN

Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

14


222

Dit vijfde Indicatorenboek biedt een bundeling van de inzet en

In 2009 zien we een stijging tot 2,12%. Bij de interpretatie van

de resultaten die de laatste vijftien jaar door de verschillende

deze cijfers dient wel rekening te worden gehouden met

actoren in het Vlaams Wetenschaps-, Technologie- en

de evolutie van het BBPR tussen 2005 en 2009.

Innovatielandschap zijn gerealiseerd. Het geeft een overzicht van de sterke punten van dit landschap, maar ook van de

Ondernemingen staan - zoals verwacht - in voor het leeuwen-

aandachtspunten die verdere inspanningen noodzaken. In elk

aandeel van de uitgaven voor O&O in Vlaanderen. De uitgaven

geval tonen de resultaten aan dat inspanningen op vlak van

van de bedrijven voor O&O, als % van het BBPR, bedragen

wetenschap, technologie en innovatie voldoende continuïteit en

in 2009 1,39% (ten opzichte van 1,43% in 2005), waarmee

niveau van inspanning vergen vooraleer zich te vertalen in

Vlaanderen boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD

relevante output en de eruit volgende welvaartscreatie.

of de publieke component van O&O bestedingen als % van

De resultaten van al deze inspanningen worden immers pas

het BBPR, bedraagt in Vlaanderen (gewestniveau) 0,73% voor

zichtbaar met een behoorlijke tijdsvertraging. Vandaar het

2009 (ten opzichte van 0,62% in 2005), wat het EU27-

belang om, in Vlaanderen, de investeringen in wetenschap,

gemiddelde benadert. Dit aandeel is dus positief geëvolueerd

technologie en innovatie consequent verder te zetten én hun

gedurende de laatste jaren. We verwijzen tot slot expliciet naar

resultaten op te volgen. Zeker met het oog op het streven naar

het aandeel van de bedrijven in de O&O-uitgaven van het hoger

de realisatie van de 3% O&O-norm, zoals vooropgesteld door

onderwijs: met 16,1% van de O&O uitgaven in het hoger

de Europese Commissie op de top van Lissabon.

onderwijs gefinancierd door het bedrijfsleven, haalt Vlaanderen de absolute top onder de OESO-landen.

14.1 INSPANNINGEN VOOR O&O IN VLAANDEREN

14.2 OPLEIDINGEN: BACHELOR & MASTER

Waar historisch de totale uitgaven voor O&O een opwaartse

In het academiejaar 2009-2010 telde men in het Vlaamse

trend vertoonden en 2001 een piekjaar was, constateerden we

hoger onderwijs 44.793 generatiestudenten. Meer dan de helft

een dalende trend voor de periode 2001-2003. Deze daling

van deze generatiestudenten (53,4%) startte een professioneel

stabiliseerde in 2004. Voor 2005 merkten we dat de totale

gerichte bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten

uitgaven voor O&O opnieuw stegen. In de cijfers voor de

en de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen

laatste vijf jaar zien we een beperkte daling in 2006 ten

trokken respectievelijk 34,8% en 11,8% aan van het totale

opzichte van 2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007

aantal generatiestudenten.

die zich doorzet tot 2009. Zowel de O&O-uitgaven van de bedrijven, de collectieve onderzoekscentra, de overheid, het

Een analyse van de evolutie van het aantal generatiestudenten

hoger onderwijs, en de non-profit sector vertonen in constante

aan de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft

prijzen voor het jaar 2008 een verdere stijging ten opzichte

het volgende beeld. Met uitzondering van de academiejaren

van 2006. Voor 2009 dalen evenwel de O&O-uitgaven van

2002-2003 en 2003-2004 kenden de universiteiten in de

de bedrijven licht ten opzichte van 2008, terwijl de andere

beschouwde periode een gestage toename van het aantal

sectoren hun stijging aanhouden (in constante prijzen).

generatiestudenten. In het academiejaar 2009-2010 werden 15.569 generatiestudenten geteld, dit zijn er 2.967 meer dan

Wanneer we de totale uitgaven voor O&O uitdrukken als %

bij de start van de beschouwde periode, namelijk academiejaar

van het BBPR bekomen we voor 2009 een percentage van

2000-2001. Zeker vanaf het academiejaar 2004-2005 is deze

2,12% voor de GERD op gewestniveau en 2,18% voor de

toename van het aantal generatiestudenten opvallend. Dit is het

GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU, zit

academiejaar dat de bachelor-masterstructuur werd ingevoerd

Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde,

in het Vlaamse hoger onderwijs. Verdere analyse is nodig om

maar is het toch nog een stuk verwijderd van de 3% O&O-

na te gaan of hier een - en zo ja, welk - oorzakelijk verband

norm, de doelstelling voor 2020. Na een stijging in 2005, zien

bestaat tussen de introductie van deze nieuwe structuur en

we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR

de toegenomen instroom in het universitair onderwijs.

in 2006 daalden tot 1,96% (op gewestniveau).


223

Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse

Deze grotere deelname van vrouwen geldt voor zowel de

achttienjarigen aan het universitair onderwijs, dan stelt men

hogeschoolopleidingen als voor de universiteiten. Toch zijn er

grosso modo vast dat vanaf het academiejaar 2000-2001 deze

verschillen. Met uitzondering van het academiejaar 2003-2004,

participatie toeneemt. Terwijl in het academiejaar 2000-2001

groeide het aantal vrouwelijke generatiestudenten aan de

slechts 17,1% van de potentiële doelgroep was ingeschreven

universiteiten onafgebroken. Bekeken over de globale periode

aan een Vlaamse universiteit, was in het academiejaar

van 10 jaar, nam het aantal vrouwelijke generatiestudenten

2009-2010 dit percentage gestegen tot 19,9%. De eerste jaren

aan de universiteiten toe met 21,8%. Bij de hogescholen valt

was deze stijging hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het

de onafgebroken toename van het aantal vrouwelijke

aantal achttienjarigen; vanaf het academiejaar 2004-2005 nam

generatiestudenten op vanaf het academiejaar 2003-2004.

ook het aantal achttienjarigen toe en is de relatief sterke toename

Vergeleken met de start van de beschouwde periode - academie-

van het aantal generatiestudenten aan de universiteiten

jaar 2000-2001 - telde men in het academiejaar 2009-2010 9,6%

grotendeels verantwoordelijk voor de toegenomen participatie.

meer vrouwelijke generatiestudenten aan de hogescholen.

Aan de hogescholen spelen er twee verschillende evoluties.

Kortom, kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de

Bij de professionele bacheloropleidingen nam het aantal

Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke

generatiestudenten tijdens de beschouwde periode quasi

vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de

onafgebroken toe: van 20.592 generatiestudenten in het

professionele opleidingen. De laatste academiejaren kent

academiejaar 2000-2001 tot 23.934 in het academiejaar

het hoger onderwijs een toename van het aantal generatie-

2009-2010. In dezelfde periode groeide de relatieve deelname

studenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte

globaal genomen van 27,9% naar 30,6%.

opleidingen aan de hogescholen als voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen en de universiteiten.

De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de relatieve participatie in de academische hogeschoolopleidingen vertoont een ander beeld. Het aantal generatiestudenten aan

14.3 DOCTORATEN

de academische hogeschoolopleidingen nam continu af van Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt naar

in 2005-2006. De laatste academiejaren nam het aantal

een positie als junior onderzoeker, is gedurende de laatste 10

generatiestudenten globaal genomen toe tot 5.290 in het

jaar sterk toegenomen. De stijging van het aantal doctoraten

academiejaar 2009-2010. De participatiegraad daalde van

nam een vlucht rond de eeuwwisseling. De trendbreuk begon

8,4% in 2000-2001 tot 6,8% in 2009-2010.

in feite reeds in het midden van de jaren ‘90. Deze evolutie bevestigt het resultaat dat reeds kon worden waargenomen in

In algemene termen waagt meer dan de helft van de Vlaamse

de VRWB-studie over de doctoraatsproductie in Vlaanderen

jongeren een kans in het hoger onderwijs: in het academiejaar

van 2006. In het academiejaar 2008-2009 werden 1.228

2009-2010 startte 57,3% van de potentiële doelgroep een

doctoraten afgeleverd, waar dit er tien jaar eerder minder dan

opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het academiejaar

de helft (595 doctoraten) waren.

2000-2001 bedroeg dit aandeel 53,4%. De instroom van junior onderzoekers is gedurende de In het academiejaar 2009-2010 maakten de vrouwelijke generatie-

afgelopen twee decennia niet even sterk gestegen voor alle

studenten 54,9% uit van het totaal aantal generatiestudenten in

wetenschapsclusters. In de humane wetenschappen is deze

het Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk overwicht komt

stijging het minst uitgesproken, in de medische wetenschappen

ook sterk tot uiting in de participatiegraad: 64,5% van de

het sterkst. Ook het statuut waarin onderzoekers hun eerste

potentiële doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het

stappen naar een academische carrière zetten is steeds meer

Vlaams Gewest + 20% van de achttienjarige vrouwen wonende

een aanstelling in het kader van een project - of dit nu

in het Brussels Gewest) startte in het academiejaar 2009-2010

fundamenteel,

een opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg

basisonderzoek betreft.

dit percentage 50,5%.

toegepast,

beleidsgericht

of

strategisch

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 14

6.174 studenten in 2000-2001 naar 5.020 generatiestudenten


224

De sterke toename van de onderzoekspopulatie heeft bijgedragen

De introductie van het Vlaams Academisch Bibliografisch

tot een sterke stijging in het aantal behaalde doctoraten aan de

Bestand (VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen

Vlaamse universiteiten in alle wetenschapsclusters. De slaagkans

heeft bovendien de hoge productiviteit van de onderzoekers in

om een doctoraat te behalen - hoewel bijna overal gestegen -

deze disciplines duidelijk gemaakt (met een output van

verschilt echter sterk tussen wetenschapsdisciplines. De hoogste

29.921 publicaties over de tijdsperiode 2000-2009, waarvan er

succesgraden worden opgetekend bij onderzoekers uit de exacte

10.975 waren opgenomen in de Web-of-Science). Ook qua

wetenschappen, gevolgd door onderzoekers uit de medische

ontvangen citaties scoort het Vlaams wetenschappelijk

en toegepaste wetenschappen. Die van de humane en de sociale

onderzoek bijzonder goed en behoort het tot de Europese top.

wetenschappers liggen lager maar vertonen een stijgend patroon. De aanwezigheid van de wetenschappelijke instellingen in de Het statuut waarop onderzoekers werkzaam zijn tijdens hun

publicatie-output nam de laatste jaren verder toe tot ruim 11%

doctoraatstraject is op zijn minst een even belangrijke factor in

vandaag, vaak in samenwerking met een of meerdere Vlaamse

de slaagkans. Die is het hoogst bij onderzoekers die een

universiteiten. Deze evolutie wordt verklaard doordat het

competitief mandaat verworven hebben bij het FWO, IWT of

Interuniversitair Micro-electronica Centrum (IMEC), de Vlaamse

BOF en het laagst bij onderzoekers tewerkgesteld op projecten

Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito), het Vlaams

met andere financiering dan van het FWO, BOF en IUAP.

Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), en ook

De hogere slaagkans naar wetenschapscluster en statuut

het Instituut voor Breedband Technologie (IBBT) nu op volle

verloopt in tandem met een kortere doctoraatsduur voor

snelheid meedraaien in het Vlaams onderzoekslandschap.

dezelfde disciplines en aanstellingsstatuten.

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich afgerond op 7%. De verdeling van deze bedrijfspublicaties is bovendien

Terwijl er in de jaren ’90 nog duidelijk sprake was van een

erg scheef, omdat een beperkt aantal bedrijven een significant

gender gap bij de start van doctoraatsonderzoek, is deze kloof

deel van deze output voor hun rekening nemen.

bijna weggewerkt aan de instroomkant maar nog zichtbaar bij doctoraatssucces. De stijgende instroom van het aantal

Er is de laatste jaren eveneens een duidelijke en continu

beginnende doctoraatsonderzoekers en het stijgend aantal

stijgende trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in

doctorstitels zetten zich verder onder de vorm van extra

Vlaanderen. Recente Europese statistieken bevestigen deze trend.

aanstellingen aan de Vlaamse universiteiten op het post-

Vlaanderen is sinds begin de jaren 1990 sterk opgeklommen

doctoraal niveau. Deze evolutie contrasteert echter fel met

in de Europese rangschikkingen van octrooiaantallen, met

de status quo in aanstellingen op ZAP-niveau.

262 EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2007. Vandaag situeert Vlaanderen zich dan ook bij de meer performante technologische regio’s in Europa.

14.4 RESULTATEN: PUBLICATIES, OCTROOIEN EN DEELNAME AAN INTERNATIONALE PROGRAMMA’S

Vermeldenswaard is tevens de beduidende toename van het octrooigedrag aan de Vlaamse universiteiten. Wel zijn (net zoals in de ons omringende landen) de kleine en middelgrote

De Vlaamse en Belgische onderzoekers hebben in de periode

ondernemingen eerder afwezig in het octrooilandschap.

1992-2009 op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare

Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest

middelen aangewend. De wetenschappelijke productiviteit van

‘productieve’ ondernemingen inzake octrooinames, ook

Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen is

internationaal sterke competitieve posities hebben weten uit te

zoals blijkt spectaculair toegenomen. De Vlaamse universiteiten

bouwen. Globaal genomen blijft het echter ook voor

zijn mede verantwoordelijk voor afgerond 87% van de

Vlaanderen, net zoals voor de meeste Europese landen,

Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te

van prioritair belang om de kloof tussen technologische sterktes

verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

en economische voordelen verder te dichten: in sommige

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de

sectoren is hij immers nog steeds (erg) groot.

open literatuur, aan universiteiten wordt verricht.


225

Ten slotte dient gewezen op de sterke aanwezigheid van internationale samenwerking in het Vlaamse O&O-landschap. De analyse van de Vlaamse deelnames aan diverse internationale programma’s (zoals de Kaderprogramma’s, Eureka en zijn diverse programmatorische assen, het ERA-NET, evenals de nieuwe initiatieven van de Europese Commissie) wijzen alvast in die richting.

14.5 TER AFRONDING Ter afronding willen we wijzen op het belang dat aan de veelheid en de verscheidenheid aan actoren in het Vlaams WTIsysteem moet worden gehecht. Alhoewel dit niet tot uiting komt in de ‘traditionele’ WTI-indicatoren, zijn er op Vlaams niveau gedurende de laatste vijftien jaar significante inspanningen geleverd om de toegankelijkheid van het WTIinstrumentarium voor de verschillende geledingen van het bedrijfsleven zo goed en zo transparant mogelijk te maken. In die optiek dienen zeker de inspanningen vermeld te worden om waar mogelijk en nuttig ook de kleine en middelgrote ondernemingen bij het innovatiegebeuren te betrekken. De eigenheid van het Vlaams industrieel weefsel zorgt ervoor dat ook op het vlak van WTI-inspanningen de complementariteit tussen de verschillende geledingen van de ondernemingspopulatie (multinationaal versus regionaal, groot versus klein en middelgroot) moet worden in rekening gebracht. Er is nu dan complementariteiten rekening houdt. Naarmate al deze inspanningen worden volgehouden, zal uiteraard ook het statistisch apparaat waarover Vlaanderen beschikt om de resultaten van deze inspanningen te meten en in een internationale context te evalueren, verder evolueren en verfijnd worden. Dit Indicatorenboek vormt dan ook een tastbaar resultaat van die inspanningen, dat op recurrente wijze verfijnd en geactualiseerd wordt. Aldus hopen we met dit Indicatorenboek een geïntegreerd en consistent beeld te geven van de inspanningen en de resultaten van het WTI-beleid in Vlaanderen. Dit beleid moet Vlaanderen helpen zijn vooraanstaande plaats in de kenniseconomie van de 21ste eeuw verder te consolideren en uit te bouwen.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 14

ook een instrumentarium ontwikkeld dat met die eigenheid en


226


227

D E 11 V L A A M S E K E R N I N D I C ATO R E N VOOR WETENSCHAP, T E C H N O LO G I E E N I N N OVAT I E Door Kristien Vercoutere (VRWI) en Danielle Raspoet (VRWI)

15


228

DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE De 11 kernindicatoren Wetenschap, Technologie en Innovatie die door de VRWB, de voorganger van de VRWI, geselecteerd werden voor de opvolging van het Vlaamse Innovatiepact zijn weergegeven in de volgende tabel: KERNINDICATOREN I

GERD: Gross Expenditures on R&D (of BUOO: Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling), uitgedrukt als % van het BBPR (ook wel de O&O-intensiteit genoemd). De 3%-norm vooropgesteld tijdens de Raad van Barcelona (maart 2002) slaat op deze maatstaf.

II

GBAORD: Government Budget Appropriations or Outlays on R&D (of de overheidskredieten voor O&O), uitgedrukt als % van het BBPR

III

Totaal O&O-personeel in â&#x20AC;° van de beroepsbevolking

IV

Nieuwe W&T-gediplomeerden (tov leeftijdsgroep 20-29 jaar)

V

Totaal aantal innoverende bedrijven (% van het aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)

VI

Investering van risicokapitaal in hightech-sectoren (% van het BBP)

VII

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners

VIII

Nieuwe producten (als % van de totale omzet van de innovatieve bedrijven)

IX

Tewerkstellingsgraad - in medium-hightech en hightech industrie - in hightech diensten (uitgedrukt als % van de totale beroepsbevolking)

X

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

XI

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

KERNINDICATOR 1: O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN BBPR Tabel 15.1: Totale uitgaven voor interne O&O als % van het BBPR in Vlaanderen, in lopende prijzen (1999-2009) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

GERDgew/%BBPR

2,10%

2,23%

2,37%

2,16%

2,07%

2,00%

2,05%

1,96%

1,98%

2,06%

2,12%

GERDgem/%BBPR

2,14%

2,28%

2,41%

2,20%

2,11%

2,04%

2,09%

1,99%

2,01%

2,11%

2,18%

Bron: ECOOM (3% nota 1995-2009, 15 februari 2011)


229

Tabel 15.2: Internationale vergelijking van de O&O- intensiteit 1999-2009 1999 2,10% 1,94% 2,18% 2,40% 3,17% 2,16% 1,18% 1,02% 1,96% 1,90% 0,86% 1,82% 3,58% 1,72% 0,76% 3,59% 3,02% 2,17% 1,00% 2,64%

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Oostenrijk Spanje VK Zweden EU-27 China Israël Japan Korea Rusland VS

2000 2,23% 1,97%

2001 2,37% 2,07% 2,39% 2,46% 3,32% 2,20% 1,10% 1,09% 1,80% 2,07% 0,91% 1,79% 4,13% 1,75% 0,95% 4,61% 3,12% 2,47% 1,18% 2,72%

2,45% 3,35% 2,15% 1,12% 1,05% 1,82% 1,94% 0,91% 1,81% 1,74% 0,90% 4,32% 3,04% 2,30% 1,05% 2,71%

2002 2,16% 1,94% 2,51% 2,49% 3,37% 2,23% 1,10% 1,13% 1,72% 2,14% 0,99% 1,79%

2003 2,07% 1,88% 2,58% 2,52% 3,44% 2,17% 1,17% 1,11% 1,92% 2,26% 1,05% 1,75% 3,80% 1,76% 1,13% 4,33% 3,20% 2,49% 1,28% 2,61%

1,76% 1,07% 4,59% 3,17% 2,40% 1,25% 2,62%

2004 2,00% 1,86% 2,48% 2,49% 3,45% 2,15% 1,23% 1,10% 1,93% 2,26% 1,06% 1,68% 3,58% 1,73% 1,23% 4,25% 3,17% 2,68% 1,15% 2,54%

2005 2,05% 1,83% 2,46% 2,49% 3,48% 2,10% 1,25% 1,09% 1,90% 2,45% 1,12% 1,73% 3,56% 1,74% 1,34% 4,41% 3,32% 2,79% 1,07% 2,57%

2006 1,96% 1,86% 2,48% 2,53% 3,48% 2,10% 1,25% 1,13% 1,88% 2,46% 1,20% 1,75% 3,68% 1,77% 1,42% 4,42% 3,40% 3,01% 1,07% 2,61%

2007 1,98% 1,90% 2,58% 2,53% 3,47% 2,07% 1,29% 1,18% 1,81% 2,52% 1,27% 1,78% 3,40% 1,77% 1,44% 4,77% 3,44% 3,21% 1,12% 2,67%

2008 2,06% 1,96% 2,87% 2,68% 3,72% 2,11% 1,45% 1,23% 1,76% 2,67% 1,35% 1,77% 3,70% 1,84% 1,54% 4,66% 3,44% 3,36% 1,03% 2,79%

2009 2,12% 1,96% 3,02% 2,82% 3,96% 2,21% 1,77% 1,27% 1,84% 2,75% 1,38% 1,87% 3,62% 1,92% 4,27%

1,24%

Bron: Vlaanderen: ECOOM (3% nota 1995-2009, 15 februari 2011); Internationaal OECD MSTI-2010/2

Figuur 15.1: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (GERD in % BBP) (2009)

Israël

4,27%

Finland

3,96%

Zweden

3,62% 3,44%

Korea*

3,36%

Denemarken

3,02%

Duitsland

2,82%

VS*

2,79%

Oostenrijk

2,75%

Frankrijk

2,21%

Vlaanderen

2,12%

België

1,96%

EU-27

1,92%

VK

1,87%

Nederland

1,84%

Ierland

1,77%

China*

1,54%

Spanje

1,38%

Italië

1,27%

Rusland 0,00%

1,24%

1,00%

2,00%

Bron: Vlaanderen: ECOOM (3% nota 1995-2009, 15 februari 2011); Internationaal OECD MSTI-2010/2 Voor landen met een * is de waarde voor 2008 opgenomen.

3,00%

4,00%

5,00%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Japan*


230

Figuur 15.2: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit (GERD in % BBP) in de periode 1999-2009

5%

België Denemarken Duitsland

4%

EU-27 Finland Frankrijk 3%

Ierland Israël Italië

2%

Japan Korea Nederland Oostenrijk

1%

Rusland Spanje VK

0% 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Vlaanderen VS Zweden China

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); Internationaal: OESO MSTI 2010/2

AANVULLENDE INDICATOR Tabel 15.3: Opsplitsing van GERD (in % BBPR) op Vlaams Gewestniveau, naar private versus publieke financiering, op basis van enquêtegegevens

Privaat gefinancierd Publiek gefinancierd Totaal % GERDgew/BBPR

2001 1,83 0,60 2,43

2003 1,57 0,57 2,14

Bron: ECOOM (3% nota 1993-2007 voor 2001-2007, 3% nota 1995-2009 voor 2009)

2005 1,48 0,61 2,09

2007 1,50 0,53 2,03

2009 1,50 0,62 2,12


231

KERNINDICATOR 2: OVERHEIDSKREDIETEN VOOR O&O (GBAORD) ALS % VAN BBPR GBAORD (Government Budget Appropriations or Outlays on Research and Development) Tabel 15.4: Benaderende berekening van de overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen als % van het BBPR (1999-2011) Overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen (in miljoen euro) 1999 2000 2001 2002 Vlaamse overheid stricto sensu1

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC

575,12

595,68

625,07

711,26

770,69

820,67

898,64

967,95

952,67

1.121,43

1.130,07

1.224,02

1.231,31

53,12 172,98

53,73 181,90

55,97 178,37

56,50 179,00

46,18 206,40

59,03 189,83

43,99 189,59

59,16 192,84

65,93 197,04

87,08 194,77

48,93 211,34

56,65 224,16

56,65 224,16

226,10

235,63

234,34

235,50

252,58

248,86

233,58

252,00

262,97

281,85

260,27

280,81

280,81

Europese kaderprogramma's3

67,72

68,72

69,72

70,72

88,07

88,07

88,07

88,07

88,07

146,00

146,00

146,00

146,00

Totale overheidskredieten

868,94

900,04

929,13

1.017,48

1.111,34

1.157,60

1.220,29

1.308,02

1.303,71

1.549,28

1.536,34

1.650,84

1.658,12

136.904,36

144.783,19

148.725,52

153.549,33

158.082,74

167.303,75

174.011,80

183.646,26

194.421,95

199.654,60

195.563,50

202.786,40

210.888,80

Federale overheid2 ESA Overige Vlaams aandeel Federale overheid

BBPR4

Overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen in % BBPR Vlaamse overheid stricto sensu

0,42%

0,41%

0,42%

0,46%

0,49%

0,49%

0,52%

0,53%

0,49%

0,56%

0,58%

0,60%

0,58%

Vl + Federale overheid

0,59%

0,57%

0,58%

0,62%

0,65%

0,64%

0,65%

0,66%

0,63%

0,70%

0,71%

0,74%

0,72%

Vl + Fed + EU

0,63%

0,62%

0,62%

0,66%

0,70%

0,69%

0,70%

0,71%

0,67%

0,78%

0,79%

0,81%

0,79%

Tabel 15.5: Internationale vergelijking en evolutie van de overheidskredieten voor O&O als % van het BBP (1999-2009) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC

Vlaanderen

0,65%

0,64%

0,58%

0,62%

0,65%

0,64%

0,65%

0,66%

0,63%

0,70%

0,71%

0,74%

0,72%

België

0,58%

0,57%

0,58%

0,60%

0,61%

0,59%

0,59%

0,61%

0,60%

0,68%

0,68%

Denemarken

0,79%

0,76%

0,75%

0,73%

0,73%

0,71%

0,71%

0,72%

0,79%

0,85%

0,99%

0,99%

Duitsland

0,81%

0,79%

0,78%

0,78%

0,79%

0,77%

0,77%

0,76%

0,77%

0,79%

0,87%

0,90%

Finland

1,04%

0,98%

0,97%

0,97%

1,00%

1,01%

1,03%

1,02%

0,97%

0,98%

1,13%

1,15%

Frankrijk

0,94%

0,96%

0,99%

1,00%

0,99%

0,96%

0,97%

0,81%

0,74%

0,74%

0,78%

0,78%

Ierland

0,27%

0,30%

0,32%

0,33%

0,37%

0,43%

0,46%

0,45%

0,49%

0,53%

0,58%

Italië

0,54%

0,64%

0,68%

0,67%

0,61%

0,64%

0,63%

0,64%

0,59%

Nederland

0,78%

0,77%

0,75%

0,74%

0,74%

0,73%

0,69%

0,71%

0,69%

0,70%

0,79%

0,76%

Oostenrijk

0,65%

0,62%

0,66%

0,67%

0,65%

0,66%

0,66%

0,66%

0,65%

0,70%

0,78%

0,85%

Spanje

0,56%

0,60%

0,66%

0,74%

0,73%

0,80%

0,84%

1,00%

1,07%

1,00%

0,78%

VK

0,68%

0,69%

0,66%

0,75%

0,74%

0,69%

0,67%

0,66%

0,65%

0,65%

0,71%

Zweden

0,72%

0,70%

0,81%

0,87%

0,91%

0,87%

0,86%

0,84%

0,79%

0,80%

0,91%

0,72%

0,74%

0,73%

0,73%

0,71%

0,69%

0,69%

0,69%

EU27 0,64%

0,89%

0,97%

1,04%

1,07%

1,04%

1,02%

1,01%

1,01%

1,18%

Japan

0,63%

0,65%

0,70%

0,72%

0,73%

0,72%

0,71%

0,70%

0,68%

0,71%

0,75%

Korea

0,62%

0,65%

0,72%

0,75%

0,77%

0,78%

0,83%

0,85%

0,90%

VS

0,84%

0,86%

0,89%

0,97%

1,04%

1,07%

1,04%

1,02%

1,01%

1,01%

1,18%

Zwitserland

Bron: Speurgids 2011, cijfers 1999, 2000 (en Zwitserland en Korea) VRWI

0,74%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Bron: Speurgids 2011 2011BC: gegevens op basis van de begrotingscontrole 2011 1 Vlaamse overheid: zoals vastgelegd in het HBPWB - O&O-aandeel. 2 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O van de federale overheid - Commissie Federale Samenwerking, Overleggroep CFS/STAT; berekeningen federaal wetenschapsbeleid. Als verdeelsleutel voor de ESA-kredieten wordt een ongewogen returnpercentage van 35,49% gehanteerd voor Vlaanderen (berekeningen van het Technisch Comité voor Ruimtevaartonderzoek van de VRWB). De rest van de federale kredieten worden berekend aan 56% voor Vlaanderen volgens de vastgestelde IMCWB-verdeelsleutel van 56%N/44%F. De definitieve cijfers voor 2009 en 2010 zijn recent en wijken af van de cijfers die werden gebruikt voor de prognoses 1% norm. 3 Voor de EU-Kaderprogramma’s wordt de return voor Vlaanderen geraamd volgens het berekende returnpercentage 2,19% voor het 5de Kaderprogramma (1998-2002), 2,12% voor het 6de Kaderprogramma (2003-2006). Vanaf 2008 worden de gegevens voor de eerste ramingen van het 7de Kaderprogramma gebruikt. Deze worden in de daaropvolgende jaren aangehouden. 4 Bruto Binnenlands Product per regio (BBPR) in lopende prijzen (gegevens verzameld of geraamd door de Studiedienst van de Vlaamse Regering - SVR) (Hermreg, cijfers december 2010).


232

Figuur 15.3: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de GBAORD als % BBP (2009)

Zwitserland

1,18%

Verenigde Staten

1,18%

Finland

1,13%

Denemarken

0,99%

Zweden

0,91%

Duitsland

0,87%

Nederland

0,79%

Oostenrijk

0,78%

Frankrijk

0,78%

Spanje

0,78%

Japan

0,75%

Vlaanderen

0,71%

VK

0,71%

EU-27*

0,69%

BelgiĂŤ

0,68%

ItaliĂŤ

0,64%

Ierland 0,00%

0,58%

0,20%

0,40%

Bron: Speurgids 2011 Voor landen met een * is de waarde voor 2008 opgenomen. OPM: voor internationale vergelijking worden de EU-KP niet meer meegerekend

0,60%

0,80%

1,00%

1,20%


233

Figuur 15.4: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O als % van het BBP (1999-2011)

1,2%

Vlaanderen BelgiĂŤ 1,0%

Frankrijk Duitsland Nederland

0,8%

Denemarken Finland Zweden

0,6%

Ierland ItaliĂŤ 0,4%

Japan Korea Spanje

0,2%

Zwitserland VK 0,0%

VS 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011BC

EU27

Bron: Speurgids 2011, cijfers 1999, 2000 (en Zwitserland en Korea) VRWI

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15


234

KERNINDICATOR 3: TOTAAL O&O-PERSONEEL ALS ‰ VAN DE BEROEPSBEVOLKING Tabel 15.6: Totaal O&O-personeel (‰ van de beroepsbevolking) (1999-2009) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Vlaanderen

11,38

12,40

13,34

12,11

12,07

12,32

12,49

12,63

12,84

12,93

13,22

België

11,29

12,02

12,76

11,73

11,69

11,48

11,49

11,90

12,16

12,49

12,30

Denemarken

12,72

13,21

13,94

14,88

14,60

14,81

15,12

15,45

16,21

20,02

19,67

Finland

19,63

20,16

20,34

20,93

21,83

22,28

21,76

21,82

20,87

20,80

20,78

Frankrijk

12,00

12,37

12,51

12,60

12,68

12,94

12,76

13,26

13,64

13,74

Duitsland

12,11

12,26

12,11

12,11

11,96

11,78

11,61

11,78

12,18

12,54

12,69

Ierland

6,99

7,24

7,37

7,34

7,66

8,10

8,18

8,21

8,21

9,09

9,56

Italië

6,06

6,33

6,44

6,81

6,68

6,73

7,17

7,79

8,43

9,52

9,58

Nederland

10,93

10,84

10,78

10,37

10,65

11,22

10,95

11,33

10,68

10,53

9,96

Noorwegen

10,89

11,46

11,49

12,22

12,49

12,71

12,98

13,60

13,88

14,01 9,37

Portugal

4,05

4,19

4,31

4,48

4,68

4,67

4,64

5,46

6,29

8,51

Spanje

5,83

6,67

6,95

7,15

7,75

8,02

8,37

8,76

9,06

9,44

9,58

Zweden

14,67

15,70

15,52

16,50

16,52

15,39

15,83

15,42

VK

15,64

10,17

10,04

10,40

10,64

10,80

10,86

10,81

10,95

11,19

11,01

10,57

EU-27

8,76

8,92

9,04

9,16

9,26

9,35

9,48

9,77

10,02

10,38

10,38

Japan

13,56

13,26

12,87

12,47

12,89

13,14

13,49

13,68

13,68

13,27

Korea

6,36

6,24

7,37

7,52

8,11

8,29

9,07

9,91

11,13

12,09

China Rusland

1,14

1,27

1,30

1,39

1,46

1,52

1,78

1,95

2,23

2,51

13,67

13,84

14,09

13,64

13,45

13,04

12,52

12,36

12,14

11,48

11,17

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen op basis van gegevens ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering; Internationaal: OECD, MSTI 2010/2

Figuur 15.5: Internationale positionering van Vlaanderen inzake totaal O&O-personeel (‰ van de beroepsbevolking)(2009)

20,78

Finland 19,67

Denemarken 15,42

Zweden 14,01

Noorwegen

13,74

Frankrijk*

13,55

Oostenrijk

13,27

Japan*

13,22

Vlaanderen

12,69

Duitsland

12,30

België

12,09

Korea* 11,17

Rusland

10,57

VK

10,38

EU-27

9,96

Nederland

9,58

Spanje Italië

9,58

Ierland

9,56

China* 0,00

2,51

5,00

10,00

15,00

20,00

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen op basis van gegevens ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering; Internationaal: OECD, MSTI 2010/2 Voor landen met een * wordt de waarde voor 2008 opgenomen.

25,00


235

Figuur 15.6: Internationale vergelijking van het totaal O&O-personeel (‰ van de beroepsbevolking (1999-2009))

25%

Vlaanderen België Denemarken

20%

Finland Frankrijk Duitsland 15%

Ierland Italië Japan

10%

Korea Nederland Noorwegen

5%

Spanje Zweden VK

0%

EU-27 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

China Rusland

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen op basis van gegevens ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering; Internationaal: OECD, MSTI 2010/2

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15


236

KERNINDICATOR 4: NIEUWE W&T-GEDIPLOMEERDEN (T.O.V. LEEFTIJDSGROEP 20-29 JAAR) Tabel 15.7: Evolutie van het aandeel hoger afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie in Vlaanderen t.o.v. leeftijdsgroep van 20 t.e.m. 29 jaar (%) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

9,3

10,3

10,6

10,9

12,3

11,8

12,0

11,9

15,6

14,0

14,2

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs en Vorming (MVG) Opmerking: Op het einde van het academiejaar 2006-2007 werden zowel in de "oude" als in de "nieuwe" structuur (BAMA) diploma's uitgereikt. Dit zorgt voor een stijging van het aantal afgestudeerden (vooral ISCED 5A). Het betreft hier concreet de impact van het in rekening brengen van de diploma's academische bachelor. Vergelijkingen met andere academiejaren zijn daarom niet eenduidig.

Tabel 15.8: Internationale vergelijking van het aandeel hoger afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie t.o.v. leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (%) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

9,3

10,3

10,6

10,9

12,3

11,8

12,0

11,9

15,6

14,0

14,2

Ierland

23,8

24,2

22,9

20,5

24,2

23,1

24,5

21,4

18,7

19,5

17,2

Frankrijk

19,0

19,6

20,1

22,5

20,7

20,8

20,2

20,2

Finland

17,8

16,0

17,2

17,4

17,4

17,7

17,9

18,8

24,3

19,0

VK

16,0

18,5

20,0

20,3

21,0

18,1

18,4

17,8

17,6

17,6

17,5

15,1

14,1

14,6

16,1

16,8

17,9

17,4

18,1 13,0

Vlaanderen

Zwitserland

22,0

9,7

11,6

12,4

13,3

13,9

15,9

14,4

15,1

13,6

13,2

12,6

12,6

12,8

13,0

13,2

13,4

13,7

14,4

14,4

14,3

14,2

Denemarken

8,2

11,7

12,2

11,7

12,5

13,8

14,7

13,8

16,4

15,5

15,2

EU-27

9,3

10,0

10,6

11,1

12,1

12,5

13,2

13,0

13,8

13,9

Portugal

6,1

6,3

6,6

7,4

8,2

11,0

12,0

12,6

18,1

20,7

Spanje

9,5

9,9

11,2

11,9

12,6

12,5

11,8

11,5

11,2

11,6

12,5

Oostenrijk

6,9

7,2

7,3

7,9

8,2

8,7

9,8

10,8

11,1

11,8

14,0

Duitsland

8,6

8,2

8,0

8,1

8,4

9,0

9,7

10,7

11,4

12,5

13,5

9,7

10,1

10,5

11,0

11,2

10,9

10,6

14,0

11,6

12,0

Zweden Japan

BelgiĂŤ

14,6

VS

9,3

9,7

9,9

10,0

10,9

10,2

10,6

10,3

10,1

10,1

10,3

Noorwegen

7,2

7,9

8,6

7,7

9,3

9,0

9,0

9,3

9,3

9,2

9,0

ItaliĂŤ

5,5

5,7

6,2

7,4

9,1

10,8

12,4

9,1

11,4

11,3

Nederland

5,8

5,8

6,1

6,6

7,3

7,9

8,6

9,0

8,9

8,8

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs & Vorming (MVG); Internationaal Eurostat (mei 2011), Vlaanderen = Vlaamse Gemeenschap

8,9


237

Figuur 15.7: Internationale postitionering van Vlaanderen inzake het aandeel hoger afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologie t.o.v. leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (2009) (%)

Frankrijk

20,2

Finland

19,0

Zwitserland

18,1

VK

17,5

Ierland

17,2

Denemarken

15,2

Portugal

14,6

Japan

14,2

Vlaanderen

14,2

Oostenrijk

14,0

EU-27*

13,9

Duitsland

13,5

Zweden

13,0

Spanje

12,5

BelgiĂŤ

12,0

ItaliĂŤ*

11,3

VS

10,3

Noorwegen

9,0

Nederland

8,9

0,0

5,0

10,0

15,0

20,0

25,0

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs & Vorming (MVG); Internationaal: Eurostat (mei 2011) Voor de landen met een* wordt de waarde voor 2008 opgenomen

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15


238

AANVULLENDE INDICATOR: PERCENTAGE HOGER ONDERWIJSDIPLOMA'S IN WWT T.O.V. TOTALE AANTAL HOGER ONDERWIJSDIPLOMA'S Tabel 15.9: Evolutie van het percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (1999-2009) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

19,80%

20,7%

20,5%

19,8%

20,5%

20,05%

20,32%

19,02%

2007

2008

2009

18,54%

19,00%

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs en Vorming (MVG)

Tabel 15.10: Internationale vergelijking percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (%) (1999-2009)

Vlaanderen*

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

19,8

20,7

20,5

19,8

20,5

20,1

20,3

19,0

18,9

18,9

18,8

19,3

19,0

18,5

17,8

België

2007

2008

2009

18,5

19,0

18,4

16,6

16,9 19,6

Denemarken

18,1

21,7

22,2

18,9

19,8

19,4

18,9

18,1

20,0

19,4

Duitsland

27,4

26,6

25,9

26,2

26,4

26,9

27,3

25,1

25,6

26,4

24,8

Finland

29,6

28,0

29,5

28,7

29,1

30,0

29,4

28,7

26,8

28,2

Frankrijk

30,4

30,5

29,9

26,9

25,8

26,7

26,2

26,2

Ierland

32,6

34,5

31,9

30,2

29,9

28,3

28,2

25,9

23,7

24,4

21,9

Italië

23,9

23,1

22,3

22,9

23,3

22,7

22,4

22,7

20,0

20,4

22,2

Nederland

16,5

15,7

15,5

15,8

16,3

16,7

15,9

15,1

14,2

14,0

14,1

Noorwegen

16,4

16,8

17,1

16,0

18,3

16,4

15,9

15,7

14,9

15,2

Oostenrijk

29,9

30,1

27,5

29,7

28,4

28,8

30,5

32,2

31,7

Portugal

19,0

18,6

17,7

18,3

19,0

22,1

23,0

22,6

27,4

Spanje

23,5

25,0

26,8

27,2

28,1

27,9

27,0

26,6

26,6

25,7

25,6

VK

25,8

27,9

27,3

26,8

25,8

23,1

22,4

22,0

22,6

21,5

21,9

Zweden

28,0

30,6

32,1

31,9

30,5

28,8

25,8

25,8

23,9

23,6

24,2

23,4

22,0

21,9

23,0

22,4

21,8

20,6

21,7

Zwitserland

29,4

15,3 28,7 26,6

EU 27

24,8

24,8

24,3

24,2

24,1

23,5

22,7

22,4

22,3

21,9

VS

17,1

17,2

17,5

17,4

18,5

16,5

16,8

16,1

15,7

15,4

15,3

Japan

25,2

25,2

22,7

23,2

23,1

22,8

22,6

22,2

22,0

22,0

21,9

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs & Vorming (MVG); Internationaal: Eurostat (mei 2011), Vlaanderen = Vlaamse Gemeenschap * Voor Vlaanderen zie opmerking bij tabel 15.7


239

Figuur 15.8: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie t.o.v. alle diploma’s in het hoger onderwijs (2009)

Oostenrijk

28,7

Finland

28,2

Portugal

26,6

Frankrijk

26,2

Spanje

25,6

Duitsland

24,8

Zweden

24,2

Italië

22,2

EU 27*

21,9

Ierland

21,9

VK

21,9

Japan

21,9

Zwitserland

21,7

Denemarken

19,6

Vlaanderen

19,0

België

16,9

Noorwegen

15,3

VS

15,3

Nederland

14,1

0

5

10

15

25

30

35

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Bron: Vlaanderen: Dept. Onderwijs & Vorming (MVG); Internationaal: Eurostat (mei 2011) Vlaanderen = Vlaamse Gemeenschap * Voor landen van EU27 wordt de waarde voor 2008 opgenomen

20


240

KERNINDICATOR 5: TOTAAL AANTAL INNOVERENDE BEDRIJVEN (IN % VAN AANTAL BEDRIJVEN IN DE INDUSTRIE- EN DIENSTENSECTOREN) Tabel 15.11: Totaal aantal innoverende bedrijven (% van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector) Totaal aantal bedrijven met afgewerkte, lopende, en/of afgebroken product- en/of procesinnovatie (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensectoren)

Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten

CIS-3 (2000) 58% 58% 83% 55% 71% 69% 49%

CIS-4 (2005) 59% 57% 88% 55% 78% 64% 54%

CIS-5 (2007) 56% 54% 82% 53% 71% 64% 49%

CIS-6 (2009) 52% 51% 80% 49% 70% 56% 49%

Bron: ECOOM (mei 2011) resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

Tabel 15.12: Totaal aantal innoverende bedrijven (% van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector) Totaal aantal bedrijven met product-, proces-, marketing- of organisatorische innovatie (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensectoren)*

Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten

CIS-6 (2009) 62% 61% 85% 58% 78% 64% 60%

Bron: ECOOM (mei 2011) resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie * Het is niet zinvol een historische reeks op te stellen voor deze indicator, gezien de grote verschillen in bevraging van marketing- en organisatorische innovatie in vroegere enquêtes


241

KERNINDICATOR 6: INVESTERINGEN IN ‘VENTURE CAPITAL’ (RISICOKAPITAAL) Tabel 15.13: Internationale vergelijking van 'venture capital' investeringen als % BBP (1999-2010) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

België

0,252%

0,205%

0,118%

0,084%

0,042%

0,063%

0,038%

0,169%

0,099%

0,034%

0,045%

0,023%

Denemarken

0,050%

0,088%

0,165%

0,128%

0,106%

0,146%

0,401%

0,082%

0,093%

0,081%

0,040%

0,030%

Duitsland

0,130%

0,184%

0,131%

0,064%

0,033%

0,044%

0,056%

0,041%

0,044%

0,045%

0,027%

0,028%

Finland

0,109%

0,184%

0,157%

0,205%

0,131%

0,067%

0,096%

0,094%

0,210%

0,065%

0,054%

0,055%

Frankrijk

0,118%

0,209%

0,088%

0,076%

0,091%

0,109%

0,083%

0,107%

0,076%

0,060%

0,044%

0,038%

Ierland

0,090%

0,184%

0,108%

0,080%

0,060%

0,042%

0,064%

0,054%

0,060%

0,086%

0,050%

0,028%

Italië

0,049%

0,124%

0,085%

0,069%

0,049%

0,036%

0,031%

0,067%

0,019%

0,006%

0,004%

0,004%

Nederland

0,242%

0,330%

0,216%

0,191%

0,096%

0,084%

0,098%

0,092%

0,107%

0,067%

0,029%

0,025%

Noorwegen

0,123%

0,166%

0,118%

0,093%

0,124%

0,100%

0,137%

0,089%

0,134%

0,057%

0,046%

0,055%

Oostenrijk

0,028%

0,073%

0,060%

0,053%

0,045%

0,052%

0,043%

0,035%

0,018%

0,017%

0,026%

0,015%

Spanje

0,085%

0,118%

0,134%

0,105%

0,127%

0,157%

0,085%

0,095%

0,094%

0,051%

0,016%

0,011%

VK

0,203%

0,376%

0,167%

0,154%

0,163%

0,209%

0,292%

0,506%

0,238%

0,082%

0,049%

0,042%

Zweden

0,191%

0,219%

0,368%

0,214%

0,143%

0,228%

0,305%

0,226%

0,223%

0,113%

0,073%

0,068%

Zwitserland

0,158%

0,071%

0,058%

0,094%

0,052%

0,042%

0,107%

0,133%

0,144%

0,052%

0,064%

0,039%

Europa

0,130%

0,215%

0,127%

0,098%

0,083%

0,098%

0,113%

0,145%

0,096%

Bron: EVCA (mei 2011)

Figuur 15.9: Internationale positionering van België inzake venture capital investeringen als % BBP (2010)

Zweden

0,068%

Noorwegen

0,055%

Finland

0,055%

VK

0,042% 0,039%

Frankrijk

0,038%

Denemarken

0,030%

Duitsland

0,028%

Ierland

0,028%

Nederland

0,025%

België

0,023%

Oostenrijk

0,015%

Spanje Italië 0,000%

Bron: EVCA (mei 2011)

0,011% 0,004%

0,020%

0,040%

0,060%

0,080%

0,100%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Zwitserland


242

Figuur 15.10: Internationale vergelijking van venture capital investeringen (als % BBP) (1999-2010)

0,6%

België Denemarken 0,5%

Duitsland Finland Frankrijk

0,4%

Ierland Italië 0,3%

Nederland Noorwegen Oostenrijk

0,2%

Spanje VK

0,1%

Zweden Zwitserland Europa

0,0% 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Bron: EVCA (mei 2011)

AANVULLENDE INDICATOR: EARLY STAGE VENTURE CAPITAL (IN % BBP) Tabel 15.14: Internationale vergelijking van early stage venture capital investeringen (als % BBP) (1999-2010) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

België

0,090%

0,103%

0,039%

0,042%

0,014%

0,017%

0,021%

0,012%

0,033%

0,018%

0,027%

0,018%

Denemarken

0,019%

0,019%

0,084%

0,075%

0,050%

0,085%

0,051%

0,015%

0,047%

0,035%

0,031%

0,017%

Duitsland

0,051%

0,080%

0,056%

0,027%

0,014%

0,016%

0,014%

0,011%

0,018%

0,016%

0,017%

0,017%

Finland

0,056%

0,100%

0,104%

0,071%

0,059%

0,027%

0,044%

0,027%

0,040%

0,032%

0,036%

0,037%

Frankrijk

0,039%

0,079%

0,038%

0,026%

0,025%

0,028%

0,028%

0,030%

0,017%

0,023%

0,016%

0,016%

Ierland

0,046%

0,097%

0,033%

0,021%

0,025%

0,019%

0,023%

0,015%

0,017%

0,027%

0,025%

0,017%

Italië

0,013%

0,044%

0,024%

0,005%

0,005%

0,002%

0,002%

0,002%

0,001%

0,003%

0,003%

0,003%

Nederland

0,091%

0,087%

0,043%

0,045%

0,008%

0,008%

0,004%

0,012%

0,022%

0,020%

0,019%

0,017%

Noorwegen

0,022%

0,059%

0,034%

0,272%

0,029%

0,016%

0,028%

0,013%

0,064%

0,028%

0,028%

Oostenrijk

0,007%

0,029%

0,020%

0,013%

0,013%

0,007%

0,012%

0,003%

0,006%

0,012%

0,017%

0,006%

Spanje

0,016%

0,031%

0,017%

0,015%

0,008%

0,009%

0,013%

0,027%

0,011%

0,010%

0,006%

0,005%

VK

0,020%

0,099%

0,058%

0,036%

0,039%

0,047%

0,047%

0,227%

0,031%

0,031%

0,024%

0,017%

Zweden

0,111%

0,089%

0,097%

0,097%

0,064%

0,084%

0,053%

0,058%

0,086%

0,066%

0,039%

0,038%

Zwitserland

0,086%

0,022%

0,027%

0,045%

0,032%

0,021%

0,026%

0,024%

0,055%

0,034%

0,045%

0,028%

Europa

0,040%

0,073%

0,044%

0,029%

0,021%

0,023%

0,022%

0,049%

0,021%

Bron: EVCA (mei 2011)


243

Figuur 15.11: Internationale positionering van België inzake early stage venture capital investeringen als % BBP (2010)

Zweden

0,038%

Finland

0,037%

Noorwegen

0,028%

Zwitserland

0,028%

België

0,018%

Ierland

0,017%

Denemarken

0,017%

Nederland

0,017%

VK

0,017%

Duitsland

0,017%

Frankrijk

0,016%

Oostenrijk

0,006%

Spanje

0,005%

Italië

0,003%

0,000%

0,005%

0,010%

0,015%

0,020%

0,025%

0,030%

0,035%

0,040%

Bron: EVCA (mei 2011)

Figuur 15.12: Internationale vergelijking van early stage venture capital investeringen als % BBP (1999-2010)

0,30%

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk

0,20%

Ierland Italië 0,15%

Nederland Noorwegen Oostenrijk

0,10%

Spanje VK 0,05%

Zweden Zwitserland Europa

0,0% 1999

Bron: EVCA (mei 2011)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

0,25%


244

KERNINDICATOR 7: AANTAL AANGEVRAAGDE EPO-OCTROOIEN MET UITVINDER VAN BETREFFEND LAND OF REGIO PER MILJOEN INWONERS Figuur 15.13: Aangevraagde EPO-octrooien in Vlaanderen, met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners (1999-2007)

250

200

150

100

50

0 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Bron: berekeningen ECOOM Opmerking: Deze cijfers verschillen van deze opgenomen in het hoofdstuk 10 rond patentaanvragen van het Vlaams Indicatorenboek. In dit hoofdstuk houdt men immers rekening met de octrooiaanvragen met Vlaamse uitvinder en/of Vlaamse aanvrager.

Tabel 15.15: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met lokale uitvinder/miljoen inwoners (2007) VLA

BEL

EU-27

DEN

DUI

FIN

FRA

IER

ITA

LUX

NED

208,4

171,7

120,3

214,2

304,3

258,1

141,9

72,1

82,0

273,0

249,8

OOS

SPA

ZWE

VK

ZWI

VS

JAP

VS

KOR

JAP

237,8

32,7

270,6

102,8

486,6

108,5

157,9

114,3

89,9

168,9

Bron: berekeningen ECOOM


245

Figuur 15.14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder/miljoen inwoners (2007)

Zwitserland

486,6

Duitsland

304,3

Luxemburg

273,0

Zweden

270,6

Finland

258,1

Nederland

249,8

Oostenrijk

237,8

Denemarken

214,2

Vlaanderen*

208,4

BelgiĂŤ

171,7

Japan

157,9

Frankrijk

141,9

EU 27

120,3

VS

108,5

VK

102,8

ItaliĂŤ

82,0

Canada

77,1

Ierland

72,1

Spanje

32,7

0,0

100,0

200,0

300,0

400,0

500,0

Bron: berekeningen ECOOM * Vlaams Gewest

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15


246

KERNINDICATOR 8: AANDEEL VAN INNOVATIEVE PRODUCTEN IN DE OMZET (NIEUWE PRODUCTEN IN % VAN DE TOTALE OMZET) Tabel 15.16: Aandeel van innovatieve producten in de omzet van Vlaamse product- en procesinnovatoren (omzet van nieuwe of significant verbeterde producten die ook nieuw zijn voor de markt t.o.v. de totale omzet van Vlaamse bedrijven met afgewerkte, lopende, en/of afgebroken product- en/of procesinnovatie) (%) (2008) 2008 8,8% 8,3% 9,7%

Alle bedrijven Industrie Diensten Bron: ECOOM

Figuur 15.15: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor alle product- en/of procesinnovatoren) (%) (2008)

Denemarken

12,3%

Spanje

11,0%

Frankrijk

10,2%

Vlaanderen

8,8%

Nederland

8,5%

Italië

8,3%

Finland

8,0%

Alle bedrijven Zweden

7,9%

België

7,8%

Ierland

7,6%

Oostenrijk

7,5%

Duitsland

3,8%

Noorwegen

2,9%

0%

2%

4%

Bron: Vlaanderen: ECOOM; Internationaal: Eurostat (mei 2011)

6%

8%

10%

12%

14%


247

Figuur 15.16: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor product- en/of procesinnovatoren uit de industrie (%) (2008)

Spanje

13,4%

Denemarken

12,8%

Zweden

11,9%

Frankrijk

11,1%

Nederland

10,5%

Oostenrijk

10,4%

Finland

Industrie

10,1%

Italië

9,6%

Vlaanderen

8,3%

België

7,9%

Ierland

6,4%

Noorwegen

5,9%

Duitsland

5,8%

0%

2%

4%

6%

8%

10%

12%

14%

Bron: Vlaanderen: ECOOM; Internationaal: Eurostat (mei 2011)

Figuur 15.17: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor product- en/of procesinnovatoren uit de dienstensector (%) (2008)

Denemarken

12,7% 10,2%

Vlaanderen

9,7%

Spanje

9,6%

Italië

9,3%

België

9,1%

Ierland

9,1%

Nederland

Diensten

7,0%

Finland

5,1%

Oostenrijk

4,9%

Zweden

4,5%

Noorwegen

3,2%

Duitsland

2,3%

0%

2%

4%

Bron: Vlaanderen: ECOOM; Internationaal: Eurostat (mei 2011)

6%

8%

10%

12%

14%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Frankrijk


248

KERNINDICATOR 9: TEWERKSTELLINGSGRAAD IN MEDIUM-HIGHTECH EN HIGHTECH INDUSTRIE EN DIENSTEN ALS % VAN DE TOTALE BEROEPSBEVOLKING Tabel 15.17: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2008-2009) 2008 5,87% 3,24% 6,83% 4,67% 5,46% 10,02% 4,73% 4,09% 5,31% 5,98% 3,03% 4,97% 3,06% 6,04% 5,51% 4,53% 6,47% 5,95%

België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Ierland Spanje Frankrijk Italië Nederland Oostenrijk Portugal Finland Zweden VK Zwitserland EU 27

2009 5,23% 2,65% 6,07% 4,28% 5,06% 10,18% 4,99% 3,71% 4,96% 6,04% 2,66% 4,97% 3,09% 5,54% 4,95% 3,80% 6,31% 5,67%

Bron: Eurostat (mei 2011)

Figuur 15.18: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2009)

Duitsland

10,18%

Zwitserland

6,31%

Vlaams Gewest

6,07%

Italië

6,04%

EU 27

5,67%

Finland

5,54%

België

5,23%

Denemarken

5,06%

Ierland

4,99%

Oostenrijk

4,97%

Frankrijk

4,96%

Zweden

4,95%

Waals Gewest

4,28%

VK

3,80%

Spanje

3,71%

Portugal

3,09%

Nederland

2,66%

Brussels HG

2,65%

0,00%

Bron: Eurostat (mei 2011)

2,00%

4,00%

6,00%

8,00%

10,00%

12,00%


249

Tabel 15.18: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2008-2009) 2008 2,98% 5,07% 2,88% 2,56% 3,60% 2,47% 3,32% 2,45% 2,59% 2,28% 3,41% 2,41% 1,62% 4,15% 4,12% 3,65% 2,92% 2,58%

België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Ierland Spanje Frankrijk Italië Nederland Oostenrijk Portugal Finland Zweden VK Zwitserland EU 27

2009 3,29% 4,92% 3,23% 2,92% 3,69% 2,54% 3,73% 2,99% 2,85% 2,26% 3,30% 2,62% 1,71% 4,04% 4,23% 3,10% 3,03% 2,62%

Bron: Eurostat (mei 2011)

Figuur 15.19: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2009)

Brussels HG

4,92%

Zweden

4,23%

Finland

4,04% 3,73%

Denemarken

3,69%

Nederland

3,30%

België

3,29%

Vlaams Gewest

3,23%

VK

3,10%

Zwitserland

3,03%

Spanje

2,99%

Waals Gewest

2,92%

Frankrijk

2,85%

Oostenrijk

2,62%

EU 27

2,62%

Duitsland

2,54%

Italië

2,26%

Portugal

1,71%

0%

Bron: Eurostat (mei 2011)

1,00%

2,00%

3,00%

4,00%

5,00%

6,00%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

Ierland


250

KERNINDICATOR 10: GROEI VAN HET BRUTO BINNENLANDS PRODUCT PER REGIO (BBPR) Tabel 15.19: Evolutie van het bruto binnenlands product voor Vlaanderen, respectievelijk in lopende prijzen en in volume, en van het reële groeipercentage van het Vlaamse BBPR BBPR lopende prijzen (in miljoen euro) 131.357,1 136.904,4 144.783,2 148.725,5 153.549,3 158.082,7 167.303,8 174.011,8 183.646,3 194.422,0 199.654,6 195.563,5 202.786,4 210.888,8

1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011

Volume (kettingeuro's met referentiejaar 2000, in miljoen euro) 134.499,1 139.592,9 144.783,2 145.323,6 147.043,8 148.203,0 153.356,3 155.971,0 160.693,9 166.616,2 168.004,8 162.929,8 166.105,2 169.202,6

Reële groeipercentage BBPR 3,79% 3,72% 0,37% 1,18% 0,79% 3,48% 1,70% 3,03% 3,69% 0,83% -3,02% 1,95% 1,86%

Bron: Studiedienst Vlaamse Regering • 1995-2008: basismateriaal regionale rekeningen INR, waarbij bbp van het extraregionaal gebied (ambassades…) verdeeld werd over de 3 gewesten; • jaren 2009 en volgende: ramingen en prognoses door HERMREG-team (Fed. Planbureau en gewestelijke statistiekinstellingen).

Figuur 15.20: Internationale vergelijking van de reële groeivoet van het BBP(R) (%) (1999-2010)

11%

Vlaanderen België Denemarken 6%

Duitsland Finland Frankrijk Ierland

1%

Italië Nederland Oostenrijk Spanje

-4%

VK Zweden Zwitserland -9% 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

EU 27

VS Japan

Bron: Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering (cijfers december 2010); Internationaal: Eurostat (mei 2011)


251

KERNINDICATOR 11: EXPORTAANDEEL VAN DE HIGHTECH SECTOREN IN VLAANDEREN Tabel 15.20: Internationale vergelijking van de hightech export t.o.v. de totale export (in %) (1999-2006) 1999 Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Oostenrijk Spanje VK Zweden Zwitserland EU 27 VS Japan China (excl. HK) Rusland

2000 7,20%

2001 8,70%

2002 6,70%

2003 6,30%

2004 6,40%

2005 6,50%

2006 5,90%

2007

2008 5,6%

7,85%

8,69%

8,98%

7,49%

7,42%

7,12%

7,05%

6,64%

6,63%

6,80%

13,88%

14,43%

13,99%

15,02%

13,45%

13,32%

14,86%

12,75%

11,69%

10,75%

14,19%

16,08%

15,80%

15,15%

14,76%

15,36%

14,79%

14,06%

12,99%

12,44%

20,69%

23,48%

21,14%

20,90%

20,58%

17,77%

21,34%

18,12%

17,52%

17,33%

23,96%

25,47%

25,60%

21,88%

20,74%

20,07%

19,07%

17,88%

15,57%

16,37%

39,40%

40,54%

40,80%

35,35%

29,91%

29,08%

29,54%

29,01%

25,73%

24,28%

7,51%

8,53%

8,58%

8,21%

7,10%

7,08%

6,94%

6,35%

6,00%

5,95%

21,86%

22,82%

22,28%

18,74%

18,81%

19,10%

20,25%

18,27%

18,28%

16,16%

11,89%

14,05%

14,66%

15,74%

15,33%

14,76%

12,81%

11,17%

11,11%

10,84%

5,94%

6,37%

6,11%

5,71%

5,91%

5,70%

5,65%

4,92%

4,24%

4,16%

27,35%

28,90%

29,80%

28,64%

24,43%

22,80%

22,14%

26,48%

16,17%

15,11%

17,83%

18,71%

14,23%

13,71%

13,12%

14,14%

14,23%

13,39%

13,84%

13,54%

20,34%

19,99%

21,20%

20,39%

21,58%

21,13%

21,19%

20,35%

20,15%

20,77%

20,41%

21,39%

21,23%

18,89%

18,57%

18,49%

18,74%

16,65%

15,97%

15,36%

30,08%

29,95%

28,71%

27,99%

27,00%

26,82%

26,15%

26,13%

20,34%

19,19%

25,13%

27,00%

24,73%

23,09%

22,75%

22,37%

21,15%

20,04%

17,96%

16,26%

15,23%

16,78%

18,60%

21,30%

24,83%

27,49%

28,35%

28,20%

28,13%

26,61%

3,95%

4,25%

3,28%

4,73%

4,37%

3,03%

1,60%

1,62%

1,23%

1,17%

2009 6,6%

2010 5,6%

Bron: Vlaanderen1999-2006: SERA-rapport 2008; Vlaanderen 2008-2010: SERV; Internationaal: Eurostat (mei 2011)

Figuur 15.21: Internationale postitionering van Vlaanderen met betrekking tot het aandeel van de hightech export in totale export (%) (2008)

26,61%

Ierland

24,28%

Zwitserland

20,77%

VS

19,19%

Finland

17,33%

Frankrijk

16,37%

Japan

16,26%

Nederland

16,16%

EU 27

15,36%

VK

15,11%

Zweden

13,54%

Duitsland

12,44%

Oostenrijk

10,84%

Denemarken

10,75%

België

6,80%

Italië

5,95%

Vlaanderen

5,60%

Spanje Rusland 0,00%

Bron: Eurostat (mei 2011)

4,16% 1,17%

5,00%

10,00%

15,00%

20,00%

25,00%

30,00%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 11 H O O F D S T U K 15

China


252

Figuur 15.22: Internationale vergelijking van het aandeel van de hightech export in totale export (%) (1999-2008)

45%

Vlaanderen BelgiĂŤ

40%

Denemarken 35%

Duitsland Finland

30%

Frankrijk Ierland

25%

ItaliĂŤ Nederland

20%

Oostenrijk 15%

Spanje

10%

Zweden

VK Zwitserland 5%

EU 27 VS

0% 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Japan China (excl. HK) Rusland

Bron: Eurostat (mei 2011) OPM: voor Vlaanderen en Nederland (kleine landen met wereldhavens) wordt het nationaal concept toegepast; dwz dat er gecorrigeerd wordt voor transit.


253

DOSSIERS


254

D O S S I E R 1 : A N A LY S E VA N H E T V L A A M S I N N OVAT I E N E T W E R K ( V I N ) Door Annie Renders (IWT)

1.1 INLEIDING

In de studie wordt een antwoord gegeven op de tweeledige onderzoeksvraag: (i) wat is de structuur, dynamiek binnen,

“De meerwaarde van samenwerking in het VIN moet uiteindelijk neerslaan bij bedrijven. Bedrijven zijn uiteindelijk de gebruikers.”

en werking van het VIN als innovatieondersteunend systeem, en (ii) hoe kan IWT vanuit haar coördinatieopdracht de performantie van het VIN verbeteren? Het volledig rapport is beschikbaar op

Het IWT is verantwoordelijk voor de uitvoering en monitoring

www.iwt.be/publicatie/vlaams-innovatienetwerk-structuur-werking-

van innovatiestimulerende regelingen in Vlaanderen. Vanuit die

en-toekomstige-inrichting.

regelingen worden met name Vlaamse bedrijven (in het bijzonder KMO’s) geholpen bij de inrichting en verbetering van de effectiviteit van hun innovatieprocessen. Dat wordt gedaan via

1.2 METHODOLOGIE

strategisch en toegepast onderzoek (bijvoorbeeld VIS-Collectief Onderzoek, Strategisch Basisonderzoek), gericht advies (zoals

Antwoorden op de onderzoeksvraag zijn gevonden door het

VIS-Technologische Dienstverlening) en informatievoorziening

onderzoek langs vijf lijnen uit te voeren:

(onder andere VIS-Thematische Innovatiestimulering). Een groot aantal onderzoekers en adviseurs dragen bij aan deze activiteiten,

l

Ten eerste is desk research uitgevoerd. Beschikbaar materiaal

allen werkzaam bij erkende (publieke) onderzoeksinstellingen

is geanalyseerd, zoals interne beschrijvingen van programma-

(inclusief strategische onderzoekscentra), Vlaamse innovatie-

doelstellingen van het IWT, reeds uitgevoerde IWT-studies

samenwerkingsverbanden, universiteiten en hogescholen,

en cijfers over het gebruik van www.innovatienetwerk.be.

federaties of andere clusterorganisaties. l

Ten tweede zijn administratieve data van het IWT – over

Het IWT ziet meerwaarde in de samenwerking van deze

projecten en de daarbij aangesloten organisaties – op een

betrokken organisaties; de facto samenwerking van de

netwerkanalytische manier verwerkt. Zo is inzichtelijk

betrokken personen. Meerwaarde moet uiteindelijk neerslaan

gemaakt hoe de structuur van het VIN is opgebouwd: welke

bij de bedrijven. Bedrijven zijn uiteindelijk de gebruikers.

organisaties werken met elkaar samen aan de uitvoering van

Betere samenwerking tussen de organisaties levert namelijk

onderzoeks- en valorisatieprojecten? Hoe ontwikkelen die

theoretisch het volgende resultaat op: (i) nieuwe combinaties

relaties zich door de jaren heen? Zijn er verschillende

van kennis en kunde die leiden tot innovatieve en creatieve

netwerkconstructen voor de verschillende programmatypes?

projecten, (ii) het bundelen van doelgroepen waardoor per project het bereik onder bedrijven toeneemt, (iii) hogere

l

Ten derde is een uitgebreide interviewronde georganiseerd.

kwaliteit van onderzoeksprojecten omdat partijen met

In totaal zijn 25 interviews afgenomen (van gemiddeld 1,5 uur)

kerncompetenties worden betrokken, (iv) een infrastructuur

met 29 betrokkenen: IWT (inclusief directie) en onderzoekers/

voor efficiënte en adequate doorverwijzing van bedrijven

adviseurs die onderdeel uitmaken van het VIN.

met een nood, en (v) een betere schakeling tussen onderzoek en advies waardoor opgebouwde kennis snel en wijd verspreid worden.

l

Ten vierde is een elektronische vragenlijst over de werking van het VIN verstuurd aan onderzoekers en adviseurs die betrokken zijn (geweest) bij de uitvoering van projecten die

Om een beter beeld te krijgen van de samenwerking tussen

onderdeel uitmaken van het VIN. Deze vragenlijst is ingevuld

partijen en, in essentie, de vraag te beantwoorden in welke mate

door 266 personen.

dit Vlaams Innovatienetwerk (VIN) zich als ‘netwerk’ gedraagt, werd een studie uitgevoerd. Het IWT heeft aan het bureau Dialogic gevraagd de structuur en werking van het VIN te onderzoeken.


255

l

Ten slotte zijn bedrijven tijdens vijf rondetafelsessies

Daarnaast: ook al zijn er 340 organisaties geïdentificeerd,

gevraagd naar hun bevindingen over het innovatielandschap

een veel beperktere groep VIN-leden zorgt voor de meeste

in Vlaanderen. Deze rondetafelsessies waren georganiseerd

activiteit. Er is een onderscheid te maken tussen organisaties

in het kader van de evaluatie van Vlaamse innovatiecentra.

‘in de kern van het VIN’ en organisaties daarbuiten.

Hoewel de nadruk tijdens deze sessies lag op het functioneren van die centra, is ook gesproken over hun rol

Hoe ziet het VIN eruit:

binnen het VIN en de wisselwerking tussen innovatiecentra

In figuur 1.1 is de netwerkstructuur weergegeven van alle

en andere kennisleveranciers en intermediairen die samen

organisaties die in de periode 2000-2010 hebben deelgenomen

het VIN vormen.

in de verschillende typen IWT-projecten. Voor het weergeven van de actoren en relaties is gebruik gemaakt van verschillende

De inhoud van het rapport is diverse malen besproken met de

kleuren en presentatievormen, om zo respectievelijk de

externe begeleidingsgroep van deze studie. Zo zijn de tussentijdse

verschillende types organisaties en de waarden van relaties

resultaten besproken en werd een workshop georganiseerd

weer te geven. Een legenda is opgenomen in tabel 1.1.

over de toekomstige ontwikkeling van het VIN en de rol van IWT daarbij. Tijdens die workshop heeft de externe begeleidings-

Het totale Vlaamse Innovatienetwerk bestaat uit 340 organisaties

groep van deze studie haar reactie gegeven op het VIN van

en 1.394 relaties. De verdeling naar type organisatie en

de toekomst. Deze groep bestond uit de volgende personen:

de intensiteit van de samenwerkingsrelaties is beschreven in tabel

Peter Antonissen (CLUSTA), Johan Bil (Universiteit Gent),

1.2 en tabel 1.3.

Bart De Caesemaeker (Kabinet van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoede-

Groei van het netwerk:

bestrijding), Herman Derache (Sirris), Maka De Lameillieure

De netwerkdichtheid van het VIN groeit (cijfers van 2003,

(Flanders InShape), Annie Renders (IWT), Tania De Roeck

2006 en 2009 vergeleken). Kortom, VIN-leden werken in de

(IWT), Chris de Roock (Fedustria), Bas Sturm (Innovatiecentrum

uitvoering van, door het IWT gefinancierde, onderzoeks- en

Vlaams-Brabant), Eric Sleeckx (IWT) en Johan Vyncke (WTCB).

innovatieprojecten méér en méér met elkaar samen. Groei van het netwerk tussen 2003 en 2006 werd nog voor een groot deel veroorzaakt door toename van het aantal VIN-leden.

1.3 VLAAMS INNOVATIE NETWERK (VIN)

De groei tussen 2006 en 2009 ligt daarentegen niet zozeer aan uitbreiding van het aantal actoren, maar vooral aan meer

1.3.1 Structuur van het VIN

samenwerkingsrelaties daartussen (herhaling van bestaande

“De organisaties in het netwerk zijn steeds meer met elkaar verbonden.”

Subnetwerken: In plaats van één VIN, herkennen respondenten eerder

Wat is het VIN:

subnetwerken of clusters. Een deel van het totale VIN waar zij

Het VIN is technisch af te bakenen op basis van de verschillende

sterk in participeren. Die subnetwerken zijn heel verschillend van

IWT-subsidieprogramma’s (VIS-programma, SBO, TETRA, TBM

aard (omvang, inhoudelijke focus, regionale schaal, diversiteit van

en LO) en de projectmatige samenwerking van intermediaire

deelnemers, etc). Daardoor ontstaat er ook overlap: VIN-leden

organisaties en kenniscentra daarbinnen. Vanuit dat perspectief

zitten in meerdere subnetwerken. Surveyrespondenten noemen

bestaat VIN uit 340 organisaties en 1.394 relaties tussen die

de volgende thematische clusters: voeding, energie & milieu,

organisaties; er is sprake van een relatie als de organisaties ten

design, materialen, textiel, manufacturing, ICT, coatings,

minste één keer samen in een IWT-project hebben geparticipeerd.

landbouw, mechatronica, (bio)medisch en bouw.

Veel van die relaties blijken ook te zijn gebaseerd op slechts één project. Interviewrespondenten hebben echter geen eenduidig beeld van het VIN, omdat er geen duidelijke doelstelling is geformuleerd voor het netwerk (wel voor de onderliggende programma’s). Bovendien, samenwerking tussen mensen is sociale interactie. Dat is continue in beweging.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

relaties en opbouw van nieuwe relaties).


1 Om de visualisatie van de netwerkstructuur van het gehele VIN (2000-2010) te verduidelijken, zijn in deze afbeelding onderwijsinstellingen weergegeven op niveau van de organisatie en niet op het niveau van faculteiten. In Figuur 30 in bijlage 1 van het volledig rapport is dezelfde afbeelding weergeven waarin onderwijsinstellingen wel op faculteitsniveau zijn meegenomen.

Figuur 1.1: Structuurweergave Vlaams Innovatienetwerk 2000-20101 (Legenda: zie tabel 1.1)

256


257

Tabel 1.1:

Legenda netwerkvisualisaties

Tabel 1.3:

Intensiteit van samenwerkingsrelaties â&#x20AC;&#x201C; Aantal gezamenlijke uitvoeringen van goed-

Actoren

gekeurde IWT-projecten tussen 2 organisaties

n Overheid n Bedrijf

Aantal gezamenlijk uitgevoerde IWT-projecten 1.0 2.0 3.0 4.0 5.0 6.0 7.0 8.0 9.0 10.0 11.0 12.0 13.0 14.0 15.0

n Groep van bedrijven n Onderwijsinstelling n Onderzoeksinstelling n Collectief centrum n Vereniging/federatie n Clusters n Onbekend Lijnen Samenwerking in 1 project Samenwerking in 2 projecten Samenwerking in 3-4 projecten Samenwerking in 5-7 projecten Samenwerking in 8-10 projecten Samenwerking in >10 projecten

Tabel 1.2:

# organisaties in het netwerk2

Aantal organistatie koppels 1.041 187 64 46 17 11 9 7 1 6 1 1 1 1 1

Figuur 1.2: Zicht op expertise en aanbod binnen het VIN (N =230 respondenten van bevraging)

Actoren n Overheid n Bedrijf n Groep van bedrijven

7 583

n Onderwijsinstelling

864

n Onderzoeksinstelling

32

n Collectief centrum

13

n Vereniging/federatie

57

n Clusters n Onbekend

33,0%

1

18,3%

5 81

27,0%

n Goed globaal overzicht van gehele netwerk n Vooral goed zicht op expertise binnen de subnetwerken n Tot op zekere hoogte zicht op expertise binnen de subnetwerken, daarbuiten nauwelijks n Geen goed overzicht van expertise in het netwerk

2 De typologie is bepaald aan de hand van de administratieve data (bron: IWT). 3 Het is voor bedrijven niet toegestaan om deel te nemen aan IWT-projecten uit het VIN (met uitzondering van SBO). Dat er toch 58 bedrijven deelnemen aan het VIN heeft diverse redenen. Allereerst waren de regels voor deelname van bedrijven tot 2003 anders (in oudere projecten kunnen derhalve wel bedrijven meegenomen zijn). Daarnaast participeren nog steeds bedrijven in IWT-projecten uit het VIN, maar deze bedrijven zijn veelal private onderzoekscentra (zoals OCAS), voorlichtingscentra (zoals Proefcentrum Hoogstraten) en entiteiten opgericht door een groep van bedrijven die als zodanig participeren in IWT-projecten (zoals Benelux Game Initiative vzw). 4 Faculteiten zijn geteld als losse entiteiten.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

21,7%


258

Binnen het VIN zijn er organisaties die een centrale rol innemen.

Als belangrijkste aandachtspunt wordt de actualiteit van de site

Uit de survey, netwerkanalyse en interviewronde komen de

genoemd; dat is nu nog veelal afhankelijk van input van alle

volgende partijen naar voren: de innovatiecentra, de K.U.Leuven

afzonderlijke VIN-leden (in plaats van een rechtstreekse

en Universiteit Gent, KaHo St. Lieven, Agoria, WTCB, Sirris

koppeling van databases).

en Centexbel, IMEC en VITO, CLUSTA, VEI en VKC, FMTC en Flanders’ Food. Centraliteit van actoren kan door meerdere

Samenwerking:

(niet altijd samenhangende) factoren worden verklaard:

Samenwerking binnen het VIN is voor de meeste organisaties

door karakteristieken van de organisatie (o.a. omvang, taak,

een bewuste keuze; zij doen dit niet, omdat het een vereiste is.

specialisatie, afhankelijkheid van IWT-financiering) en persoonlijke

Belangrijkste redenen voor het partneren in de uitvoering van

karakteristieken van de directeur of business development

IWT-projecten, is het combineren van additionele kennis en

manager (één gezicht, open houding, persoonlijk netwerk en ‘klik’).

expertise. De winsten die daardoor ontstaan, wegen op tegen de ‘kosten’ van samenwerking (projecten waar meerdere organisaties aan deelnemen, worden als minder efficiënt

1.3.2 Werking van het VIN

gezien). Ook nemen projectoverschrijdende activiteiten toe. “De website en nieuwsbrief worden niet alleen het meest gebruikt,

Soms komt samenwerking niet van de grond. Dat ligt met name

respondenten zijn over die tools ook het meest tevreden.”

aan: het gebrek aan een open houding van één of beide partijen, het gebrek aan zicht op elkaars competenties en onduidelijke functies van sommige organisaties in het VIN als geheel.

Tools: Het IWT biedt diverse tools aan, ter ondersteuning van de VINleden bij hun actieve samenwerking met anderen; o.a.

Contacteren andere VIN-leden:

de website (www.innovatienetwerk.be), een nieuwsbrief,

Intermediaire organisaties en kenniscentra zouden met

bemiddeling, training en de organisatie van evenementen

verschillende vragen bij hun ‘collega’s’ van het VIN terecht

(inhoudelijk en voor het organiseren van ‘ontmoeting’). VIN-leden

kunnen. We zien echter dat zij vooral – via de structuur van het

maken het meest gebruik van www.innovatienetwerk.be en

VIN – zoeken naar aanvullende technologische kennis of samen-

waarderen die tool ook het hoogst. Op die site kan gezocht

werkingspartners. Er wordt minder beroep gedaan op andere

worden naar profielen van andere VIN-leden, zijn projecten

VIN-leden voor het delen van (onderzoeks)faciliteiten of

uitgezet en kunnen (technische) vragen worden gesteld.

organisatorische vraagstukken (informatie over intellectuele

Opvallend is dat de website vooral gebruikt wordt door

eigendom, juridische zaken, marketing en valorisatiemanagement).

de ervaren onderzoekers en adviseurs binnen het VIN, terwijl ook onervaren personen van deze informatiebron zouden kunnen profiteren.

Figuur 1.3: Contacteren van andere VIN-leden: waar is men naar op zoek? (N =230 respondenten van bevraging)

Technologische kennis Partner search Delen van faciliteiten Marketing en promotie Informatie over subcontracting Kennis over IPR of juridische zaken Agendasetting Kennis over valorisatiemanagement 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%


259

Doorverwijzing:

Het IWT kan dit primair aanjagen door sterk in te zetten op

De structuur van het VIN leent zich voor doorverwijzing van

communicatie; zowel richting VIN-leden als richting bedrijven.

vragen. Als een VIN-lid een vraag van een bedrijf krijgt,

De website (www.innovatienetwerk.be) dient als centrale kennis-

maar zelf het antwoord niet of onvoldoende kan geven,

database en hoort zo volledig en up-to-date mogelijk te zijn.

dan kan hulp van een collega VIN-lid worden ingeschakeld. Dat gebeurt relatief vaak (86% van de surveyrespondenten

Profilering organisaties en netwerkleden:

zegt wel eens door te verwijzen). De innovatiecentra zijn daarin

Voor het intern functioneren van de back-office, en aansluiting

het meest actief (ongeveer 1000 verwijzingen per jaar).

tussen back- en front-office, is er nood aan betere profilering van

De belangrijkste redenen voor het niet doorsturen van een

deelnemende organisaties. Het gaat daarbij niet alleen om het

(technische) vraag: gebrek aan zicht op beschikbare expertise

presenteren van up-to-date gegevens op www.innovatienetwerk.be

binnen het netwerk en tijdsgebrek.

(die deels te koppelen zijn vanuit verschillende databronnen). Men zal ook het juiste niveau moeten kiezen om informatie te

De uiteindelijke meningen van interviewrespondenten over de

presenteren (en bijvoorbeeld samenhang tussen expertises van

werking van het VIN zijn verdeeld. Grofweg zijn er 3 varianten.

verschillende vakgroepleden), contactpersonen en –gegevens

Het eerste deel van de respondenten geeft aan dat het VIN

kenbaar te maken, een omschrijving van het soort dienst,

goed werkt, zich uitbreidt, duidelijke hubs (centrale actoren)

expertise en track record en eventueel automatisch prestatie-

heeft, er goede ondersteuning via tools is en nog volop

indicatoren te koppelen (zoals het aantal afgeronde projecten

ontwikkelpotentieel bezit. Een tweede groep herkent het VIN

en het aantal succesvolle doorverwijzingen).

niet als één netwerk. Activiteit komt volgens hen vooral voor binnen clusters en zien potentie voor het VIN met name in

Binnen het VIN zouden bovendien clusters meer zichtbaar

de betere ondersteuning van die clusters. Een derde groep

mogen zijn. Nu zijn die subnetwerken impliciet onderdeel van

respondenten is wat kritischer en vraagt zicht af wat

het VIN. Profilering van clusters schept duidelijkheid: ten eerste

onderscheidend is aan het VIN; volgens hen verandert er niets

stimuleert dat samenwerking binnen het subnetwerk, ten tweede

in de samenwerking en het aanbod van activiteiten met de

verstevigt dat het profiel zodat ook partijen (andere VIN-leden;

invoering van het label ‘VIN’.

primair voor doorverwijzing of partnering op cross-sectorale projecten) van buiten het cluster weten te vinden. Het IWT kan

1.3.3 Aanbevelingen voor het IWT voor de toekomstige ontwikkeling van het VIN

hier aan bijdragen door tools voor de afzonderlijke clusters te ontwikkelen en bovendien in te zetten op clusteroverstijgende activiteiten en interactie tussen clusters te stimuleren. Het IWT treedt op als ‘enabler’ en legt relaties niet op.

kunnen ontwikkelen naar een overzichtelijk netwerk, waarin iedere organisatie een duidelijke toegevoegde waarde heeft.”

Voortgang VIN: Voortgang van het VIN kan het IWT op verschillende manieren

Back-office en front-office:

monitoren. Momenteel ligt monitoring, in het kader van

Het VIN kan verder verbeterd worden door zowel de back-

de afzonderlijke IWT-programma’s, op het projectniveau.

office als de front-office door te ontwikkelen. De back-office is

Ontwikkeling van het VIN is echter project- en programma-

de interactie tussen VIN-leden; front-office de zichtbaarheid naar

overstijgend. Het gaat om interactie tussen actoren.

klanten (bedrijven) en interactie met hen. Het totaalconcept

Dynamiek van relaties kan op een netwerkanalytische manier

van het VIN, de aansluiting tussen back-office en front-office,

onderzocht worden. Dat is bureaustudie; het IWT gebruikt

kan dan getypeerd worden als ‘no wrong door, no single door’.

daarvoor administratieve data. Voor een volledig beeld meet

Bedrijven kunnen bij alle VIN-leden terecht met vragen over

men echter ook tussentijds meer zachte kanten van

organisatorische of technische ondersteuning; zowel bij hun

samenwerking. Informatie daarover wordt verzameld via

vertrouwde partner (bijv. een collectief centrum waar zij lid van

interactie met de VIN-leden en hun klanten. Dat sluit echter

zijn) of via één van de regionale knooppunten (innovatiecentra).

subjectiviteit niet altijd uit (sociaal wenselijke antwoorden),

Het VIN functioneert zo, dat vragen direct of indirect (via

maar maakt het anderzijds mogelijk om het gedrag van VIN-

doorverwijzing) snel en accuraat worden behandeld. Dat vraagt

leden te beïnvloeden (men gaat zich gedragen naar zaken

om goede afstemming tussen de intermediaire organisaties

waar op wordt gelet).

en de kenniscentra.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

“De back-office van het VIN zal zich in de komende jaren verder


260

D O S S I E R 2 : H E T VA B B - S H W : EERSTE VERSIE KLAAR, NU VERFIJNEN Door Pol Ghesquière (K.U.Leuven), Jean Paul Van Bendegem (VUB), Steven Gillis (Universiteit Antwerpen), Dominique Willems (UGent), Kirsten Cornelissen (VLIR)

2.1 SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN TELLEN MEE

De academische publicaties in de sociale en humane wetenschappen zijn diverser van aard, met voor bepaalde disciplines een groter aandeel van boeken, boekbijdragen en

Sinds augustus 2009 werken achttien Vlaamse onderzoekers –

van publicaties in andere talen dan het Engels. Deze publicaties

onder de naam ‘het Gezaghebbende Panel’ (GP) – aan de opbouw

zijn niet of ondervertegenwoordigd in de databanken van

van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale

Web of Science.

en Humane Wetenschappen (VABB-SHW). Dit doen ze in samenwerking met het Expertisecentrum O & O Monitoring (ECOOM)

Het nieuwe financieringsdecreet voor de universiteiten en het

en binnen de krijtlijnen van het BOF-besluit.

gewijzigde Besluit op de Bijzondere Onderzoeksfondsen legden in 2008 de regelgevende basis voor de opbouw van

Het VABB-SHW brengt niet alleen een brede waaier aan

het VABB-SHW. De inhoud werd voorbereid door de VLIR-

tijdschriftpublicaties, maar ook boekpublicaties en andere in

commissie Kwaliteitszorg Onderzoek in de Humane en Sociale

rekening. Het bestand moet ervoor zorgen dat de humane

Wetenschappen. Het regelgevend kader van het VABB-SHW,

en sociale wetenschappen op een volwaardige manier kunnen

het BOF-besluit, is raadpleegbaar via www.ond.vlaanderen.be

bijdragen tot de verdeling van onderzoeksmiddelen tussen

(‘edulex’). Hoofdstuk Iter en hoofdstuk II, §8 beschrijven het

de Vlaamse universiteiten.

concept van het VABB-SHW en de opdracht van het GP, dat binnen het BOF-besluit opereert.

De eerste versie van het bibliografisch bestand staat vanaf december 2010 online, op www.ecoom.be/vabb. Door de strakke timing en de voorwaarden van het BOF-besluit, heeft het VABB-SHW na het eerste werkingsjaar van het GP een

2.3 ONDERZOEKSMIDDELEN VERDELEN TUSSEN UNIVERSITEITEN

voorlopig karakter. Het GP werkt momenteel aan een verfijning van het bestand.

Het aantal publicaties in het VABB-SHW is een parameter van de BOF-sleutel en bepaalt mee de verdeling van de onderzoeksmiddelen tussen de Vlaamse universiteiten. Het geheel van

2.2 HET BESLUIT OP DE BIJZONDERE ONDERZOEKSFONDSEN

publicaties in het VABB-SHW die niet geïndexeerd zijn in Web of Science telt in het begrotingsjaar 2011 mee voor 2,625 % van de BOF-middelen. Het VABB-SHW biedt louter een instrument om

Sinds 2003 speelt de wetenschappelijke productie van Vlaamse

onderzoeksmiddelen te verdelen tussen universiteiten. Het bestand

universiteiten een belangrijke rol in de verdeling van de

is NIET geschikt om onderzoekers individueel, groepsmatig of

middelen voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Met het

disciplinair, en zeker niet crossdisciplinair, te vergelijken.

groeiende belang van het aantal publicaties en citaties per universiteit, steeg ook de vraag naar erkenning en waardering

ECOOM becijferde het resultaat voor de verdeling van

van publicaties uit de sociale en humane wetenschappen.

de BOF-middelen op basis van de eerste versie van het

De databanken van Web of Science verwerken immers

VABB-SHW. De tweede tabel op de volgende pagina werd

maar een beperkt deel van de publicaties uit de sociale en

gebruikt om het aandeel van de associaties te bepalen voor

humane wetenschappen. Daardoor hadden vooral de exacte

de parameter 'publicaties' van de BOF-verdeelsleutel 2011.

en biomedische wetenschappen een grote impact op

Antwerpen gaat, dankzij het VABB-SHW, licht vooruit in

de interuniversitaire verdeling van de onderzoeksmiddelen.

de telling, in tegenstelling tot Gent en Hasselt. Voor Leuven

Die ongelijke impact vindt zijn verklaring in een verschillend

en Brussel is er ongeveer een status quo. De roze balk van

publicatiegedrag.

de tabel geeft alle aangeleverde publicaties weer.


261

Figuur 2.1: Ongewogen publicaties 2000-2009 per associatie

Een herziening van het BOF-besluit en de BOF-sleutel is aan de orde vanaf BOF 2013. Het (relatief kleine) aandeel van het VABB in de parameter ‘publicaties’ (nu 15 %) is alvast onderwerp

35.000

van discussie. 30.000 25.000

2.4 VAN BOEKEN TOT PROCEEDINGS

20.000 15.000

Het VABB-SHW bestaat uit de referenties van wetenschappelijke

10.000

publicaties door onderzoekers aan Vlaamse universiteiten en hogescholen. De auteurs situeren zich binnen het domein van

5.000

de sociale en humane wetenschappen en/of hebben een bijdrage gepubliceerd die hun instelling toekent aan een humane of

0 Antwerpen

Brussel

Gent

Hassselt

Leuven

sociale discipline.

n niet VABB n in VABB

De lijsten van het VABB-SHW hebben dus een retrospectief karakter: ze bevatten enkel tijdschriften, uitgevers en proceedings waar(in) wetenschappers van Vlaamse universiteiten gepubliceerd

(Bron: ECOOM)

hebben in de afgelopen tien jaar. De volledigheid van het VABB-SHW is dan ook de verantwoordelijkheid van de associaties Figuur 2.2: Gewogen publicaties 2000-2009 per associatie

en hun onderzoekers: dienen zij van bepaalde publicaties geen of onvolledige bibliografische gegevens in, dan kunnen deze niet opgenomen worden in het VABB-SHW.

45.000 40.000

Het VABB-SHW onderscheidt twee categorieën van publicaties:

35.000 l

30.000

categorie 1: publicaties die zijn opgenomen in Web of Science en die bijdragen aan de verdeling van de BOF-middelen. Het GP heeft deze publicatiekanalen niet beoordeeld.

20.000

De opname van een tijdschrift in Web of Science gebeurt door de aanbieder ervan, Thomson-Reuters.

15.000

l

categorie 2: publicaties die voldoen aan de criteria van het BOF-besluit en die niet zijn geïndexeerd in Web of Science.

10.000

Over de opname van publicaties in deze categorie beslist

5.000

het GP. 0 Antwerpen

Brussel

Gent

Hassselt

Leuven

Concreet bevat het VABB-SHW: n niet VABB n in VABB

l

een lijst van ingediende tijdschriften die aan de minimumcriteria van het BOF-besluit voldoen. Ook de tijdschriften

(Bron: ECOOM)

die in Web of Science verwerkt zijn, werden opgenomen. Een differentiatie tussen tijdschriften met de daaraan

De groene balk geeft de publicaties weer die door het Panel geselecteerd werden. De publicaties van de hogescholen zitten niet vervat in de groene balk, aangezien niet alle hogescholen data hebben aangeleverd en ook omdat het BOF niet telt voor de hogescholen.

gekoppelde gewichten werkt het GP in de komende jaren uit.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

25.000


262

l

l

een lijst van uitgevers van boeken. Om pragmatische redenen

Het GP is dubbel representatief, zowel in zijn vertegenwoordiging

gebruikte het GP voorlopig de restrictieve Noorse lijst (meer

van instellingen als van disciplines. Het Panel bestaat uit

bepaald het hoogste niveau – level 2: internationale

achttien onderzoekers verbonden aan Vlaamse universiteiten

wetenschappelijke uitgevers) om te bepalen welke boeken

en hogescholen, die werkzaam zijn in de sociale en humane

verrekend worden in de eerste telling. Het GP werkt

wetenschappen en die in hun onderzoeksdomein een inter-

momenteel aan een selectieve uitbreiding van deze lijst, met

nationale erkenning genieten. De leden werden voorgedragen

onder meer ook uitgeverijen uit Vlaanderen en Nederland.

door de associaties en aangesteld door de Vlaamse overheid.

een lijst van individuele bijdragen in conference proceedings

Experts van ECOOM staan het GP bij tijdens het beslissings-

met een ISSN-nummer of gepubliceerd door een uitgever

proces. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) biedt het

die opgenomen is in de uitgeverslijst.

beslissingsproces logistieke en administratieve ondersteuning. Buitenlandse experts, ten slotte, gaven het GP advies aan de

Het GP volgt het telschema van het huidige BOF-besluit, dat de

hand van hun buitenlands model voor bibliometrie.

volgende weging voorschrijft: Het GP toetst tijdschriften, uitgevers en proceedings aan de ondergrenscriteria van het BOF-besluit (art. 1quater):

l

artikelen in tijdschriften: gewicht 1

l

boeken als auteur: gewicht 4

l

boeken als editor: gewicht 2

l

Ze zijn publiek toegankelijk.

l

artikelen of gedeelten in boeken: gewicht 1

l

Ze zijn op een ondubbelzinnige manier identificeerbaar via

l

artikelen in proceedings die geen themanummers van tijdschriften of geredigeerde boeken zijn: gewicht 0,5

een ISSN- of ISBN-nummer. l

Ze leveren een bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten of de toepassing ervan.

l

2.5 ALGEMENE WERKWIJZE

Ze worden voor verschijnen beoordeeld in een aantoonbaar peer-reviewproces door wetenschappers die expert zijn in de betrokken (deel)discipline(s).

Het wetenschappelijke beheer van het VABB-SHW verloopt volgens de regelgeving van het BOF-besluit.

Aan deze criteria voegde het GP een extra voorwaarde toe:

De opbouw van het bestand gebeurt in vier stappen:

l

l

l

De publicaties zijn minstens vier pagina’s lang.

Onderzoekers bezorgen aan hun associatie alle bibliografische

Dit extra ondergrenscriterium laat toe om publicaties met een

gegevens van hun wetenschappelijke publicaties. Voor het

minder wetenschappelijk karakter (bijvoorbeeld editorialen)

begrotingsjaar 2011 waren dat de publicaties binnen het

zoveel mogelijk uit te filteren zonder de publicaties individueel

tijdsvenster 2000-2009.

te moeten beoordelen.

Deze gegevens gaan naar ECOOM, dat op basis hiervan lijsten maakt van wetenschappelijke tijdschriften, uitgevers en proceedings waarin gepubliceerd werd. Deze lijsten

2.6 WERKWIJZE VOOR TIJDSCHRIFTEN

bezorgt ECOOM aan het GP. l

l

Het GP beoordeelt de tijdschriften, uitgevers en proceedings

De lijst van weerhouden tijdschriften is niet geïnspireerd door

in het licht van de criteria in het BOF-besluit (art. 1quater,

andere lijsten. De European Reference Index in the Humanities

zie ook infra). Het GP stelt dus geen exhaustieve lijsten op,

(ERIH), bijvoorbeeld, dekt niet alle disciplines en staat nog niet

maar vertrekt van de ingeleverde gegevens.

op punt. Voor de beoordeling van de tijdschriften liet het GP

Op basis van de beslissingen van het GP, bepaalt ECOOM

zich bijstaan door disciplinaire subpanels, die hun advies gaven

het geheel aan telbare publicaties en hun gewicht per

in het licht van de ondergrenscriteria van het BOF-besluit

universiteit.

(zie supra). Het GP baseerde zijn oordeel op de informatie die op dat moment beschikbaar was. Deze beoordeling doet geen uitspraak over de intrinsieke kwaliteit van publicaties. In het selectieproces streefde het GP naar intradisciplinaire consensus over de instellingen heen. Het GP weerhield 49% of 2.521 van de 5.150 beoordeelde tijdschriften.


263

2.7 WERKWIJZE VOOR UITGEVERS

Naast deze nadelen, heeft de Noorse lijst ook twee grote voordelen:

Het BOF-besluit (art. 1decies §5) schrijft voor om een lijst van

l

De selectieve criteria van het internationale niveau garanderen

uitgevers op te stellen op basis waarvan boeken en

in sterke mate dat boeken voldoen aan de criteria in het

boekbijdragen geselecteerd worden. De ondergrenscriteria,

BOF-besluit. Tot het internationale niveau behoort ten hoogste

beschreven onder punt 5, zijn echter alleen van toepassing op

20% van de uitgeverijen waarbij onderzoekers in Noorwegen

individuele records. Dit plaatste het GP voor een moeilijke

gepubliceerd hebben. In Vlaanderen gaat het om 17,4% van

opgave. Nemen we het criterium peer review en zijn moeilijke

de uitgeverijen waarbij onderzoekers gepubliceerd hebben.

vertaling naar het uitgeversniveau: er bestaat niet zoiets als

l

De Noorse lijst kent een interne maar ook internationale

‘wetenschappelijke uitgevers’ die exclusief boeken met peer

draagkracht. Ze wordt onder meer ook gebruikt in Denemarken

review publiceren. Peer review was in het verleden geen sterke

en Zweden. Volgens het GP is deze lijst de best bruikbare

gewoonte voor boeken en betrof vaak enkel het boekvoorstel.

optie voor multidisciplinaire doeleinden.

Dan maar individuele boeken evalueren? Zo’n individuele beoordeling van 14.435 boeken paste niet binnen de krappe tijdsspanne waarover het GP beschikte voor de opbouw van

2.8 WERKWIJZE VOOR PROCEEDINGS

de eerste versie. Gegevens over de kwaliteitsbeoordeling voor boekreeksen waren dan weer niet systematisch beschikbaar.

Het GP diende een lijst van individuele proceedingbijdragen op te maken volgens de ondergrenscriteria van het BOF-besluit.

Ondanks de moeilijkheid van de opdracht, pleitte het GP voor

Voor de periode 2000 - 2009 bezorgde ECOOM aan het GP

de opname van boeken in de eerste versie van het VABB-SHW.

2700 referenties van proceedingbijdragen. Het GP besliste om

Boeken zijn immers een belangrijk publicatietype voor de

voor de periode 2000 - 2009 alleen proceedingbijdragen in het

sociale en humane wetenschappen. Het GP koos voor de best

VABB-SHW op te nemen die voldoen aan de volgende criteria:

haalbare kaart op korte termijn en sloot om pragmatische redenen aan bij een functionerend systeem: de uitgeverslijst

l

Ze hebben een ISSN-nummer;

gebruikt door de Noorse overheid, en meer bepaald uitgevers

l

of zijn verschenen bij een uitgever van het internationale

met de hoogste kwalificatie (niveau 2). Dit zijn internationale wetenschappelijke uitgevers. De volledige Noorse lijst staat op

niveau (zie uitgeverslijst); l

en tellen minimum vier pagina’s.

het internet: http://dbh.nsd.uib.no/kanaler/?search=advanced. De huidige uitgeverslijst van het VABB-SHW is de doorsnede

2.9 PLANNEN VOOR DE TOEKOMST

Vlaamse instellingen gepubliceerd hebben. 2.9.1 Gelijke behandeling van boeken, tijdschriften De uitgeverijen uit het internationale niveau van Noorwegen:

en disciplines

l

richten zich voornamelijk tot een wetenschappelijk lezerspubliek;

De eerste prioriteit van het GP is om de beoordeling van

l

werken met een externe, onafhankelijke peer review;

tijdschriften en uitgeverijen in overeenstemming te brengen.

l

publiceren in de internationaal erkende forumtaal voor het

Bij de vorming van het huidige VABB-SHW werden uitgevers

betreffende onderzoeksdomein;

strenger beoordeeld dan tijdschriften. Voor de uitgeverijen

publiceren werken van internationale onderzoekers, waarvan

geldt in de startfase van het VABB-SHW immers het criterium

minder dan 2/3e afkomstig is van hetzelfde land.

van internationale allure, dat niet van toepassing is op de

l

tijdschriften. Het GP is zich ervan bewust dat de praktijk van Het uitgangspunt van het GP heeft beslist tekortkomingen.

internationaal publiceren sterk verschilt van discipline tot

De Noorse lijst is in zekere zin artificieel want ze vertrekt niet

discipline. Bepaalde disciplines zijn door hantering van het

vanuit het Vlaamse publicatiegedrag. Bovendien zijn de evaluatie-

criterium beduidend minder vertegenwoordigd (schommeling

criteria waarop de selectie gebaseerd is, strenger dan de

tussen 4% en 40%). Vanuit het perspectief van de doelstelling

ondergrenscriteria vooropgesteld in het BOF-besluit.

van het VABB-SHW, namelijk de interuniversitaire verdeling van fondsen, is dit niet zo’n probleem, want het criterium treft alle universiteiten op dezelfde wijze.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

van deze Noorse lijst en de uitgeverijen waar onderzoekers aan


264

Ook de methode van opbouw verschilt: de uitgeverslijst vertrekt niet van de publicaties afkomstig van Vlaamse instellingen, in tegenstelling tot de lijst van tijdschriften. Om de selectie van boeken en boekbijdragen te optimaliseren, werkt het GP verder aan een beoordelingssysteem van uitgevers. Dit systeem moet toelaten om, zoals bij tijdschriften, de ondergrenscriteria van het BOF-besluit te garanderen. Bijkomende gegevens over wetenschappelijke reeksen kunnen hieraan tot op zekere hoogte tegemoet komen. ECOOM zal met de instellingen aanvullende afspraken maken over de aan te leveren bibliografische gegevens (zoals bijvoorbeeld reekstitels). 2.9.2 Individuele beoordeling van proceedings Om de criteria van het BOF-besluit nog nauwgezetter toe te passen, zal het GP in de toekomst de proceedingbijdragen individueel beoordelen. 2.9.3 Potentiële differentiatie binnen publicatietypes Binnen publicatietypes wenst het GP een verschillend gewicht toe te kennen aan niveaus van tijdschriften en uitgeverijen. Deze differentiëring impliceert dat het globale telschema aangepast wordt. Voor het begrotingsjaar 2011 wordt het VABB-SHW-telschema toegepast zoals het staat gestipuleerd in het BOF-besluit. Het GP streeft ernaar een aangepast telschema uit te werken. 2.9.4 Bijkomend publicatietype ‘geannoteerde corpora’ Het BOF-besluit legt vijf categorieën vast om opgenomen te worden in VABB-SHW. Conform het BOF-besluit (art. 1 quarterdecies) deed het GP het voorstel om ook ‘geannoteerde corpora’ met een ISBN-nummer op te nemen. De voogdijministers keurden de uitbreiding goed. Onder ‘geannoteerde corpora’ vallen een survey databank voor secundair gebruik, een geannoteerd wetboek, geannoteerde multimediale corpora, etc. Zoals een vakpublicatie vereist de publicatie van een geannoteerd corpus specialistische vakkennis. Bovendien is de impact van corpora meetbaar en in dit opzicht vergelijkbaar met die van tijdschriftartikelen en monografieën. De geannoteerde corpora kunnen ten vroegste tegen 2015 opgenomen worden in het VABB-SHW. Het GP zal deze individueel evalueren volgens de ondergrenscriteria in het BOF-besluit.


265

DOSSIER 3: OVER DE MOGELIJKHEDEN E N B E P E R K I N G E N VA N D E H - I N D E X 1

Door Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven)

Het traditionele bibliometrische indicatoren instrumentarium is

De voordelen van deze index zijn duidelijk. De h-index kan

gebaseerd op eenvoudige statistische maten en functies zoals

uiteraard toegepast worden op alle soorten verzamelingen van

gemiddelden, relatieve frequenties en kwantielen. Deze publicatie-

artikels. Aangezien de h-index het aantal onderliggende artikels

en citatie-gebaseerde statistieken bleken robuuste en nuttige

niet kan overschrijden, kan zelfs h = 0 worden gedefinieerd

maatstaven om de activiteit en prestatie van wetenschappelijk

voor volledig inactieve auteurs. In het volgende wordt een

onderzoek te meten. Vooral genormaliseerde indicatoren hebben

samenvatting gegeven van de belangrijkste kenmerken van

hun sterkte getoond in vergelijkende studies op meso- en macro-

de h-index waarvan sommige al in het originele artikel door

niveau. De evaluatie op microniveau, vooral dan de beoordeling

Hirsch zijn opgenomen.

van de onderzoekprestaties van individuele onderzoekers, bleef daarentegen het meest problematisch. De reden daarvoor

l

De h-index is een extreem eenvoudige en verstaanbare

is tweevoudig. Enerzijds moet de publicatieoutput in een relatief

indicator die op verschillende vlakken van aggregatie, maar

korte tijdsperiode groot genoeg zijn om statistisch betrouwbare

bij voorkeur voor de beoordeling van onderzoekprestaties van individuele onderzoekers, toegepast kan worden.

indicatoren te verkrijgen. Anderzijds zijn wetenschappelijke productiviteit en citatie-impact niet noodzakelijk gecorreleerde

l

De h-index combineert citatie-impact met publicatie-activiteit.

variabelen. Indien deze statistische methodes worden

l

De h-index is een robuuste, cumulatieve indicator.

toegepast, moet dus nog onderzocht worden hoe lage/hoge

Toename van publicaties alleen heeft geen onmiddellijke

publicatieactiviteit verbonden is met lage/hoge citatie impact.

effect op deze index.

Om deze tekortkomingen te overbruggen heeft Jorge E. Hirsch

l

De h-index meet duurzame prestatie, niet alleen enkele pieken.

(2005) recentelijk een nieuwe indicator voorgesteld voor

l

Alle document types kunnen worden opgenomen aangezien

de beoordeling van de onderzoeksprestaties van individuele

de h-index niet verandert door de toevoeging van niet-

onderzoekers. Deze indicator – h-index genaamd – is ontwikkeld

geciteerde publicaties.

voor toepassingen op microniveau en voor metingen van zowel

l

De h-index correleert met andere bibliometrische prestatieindicatoren.

Jorge E. Hirsch heeft een onderzoeker een index h waarbij h het aantal van zijn/haar N publicaties is die telkens minstens h

Naast deze voordelen zijn er ook verscheidene tekortkomingen

citaties ontvangen hebben.

die hierna samengevat worden.

Hirsch’s idee heeft onmiddellijk grote publieke belangstelling

l

gekregen (Ball, 2005) en ontving positieve reacties van de natuurkundigen (Diniz Batista et al. 2005; Povov, 2005) en de

De h-index benadeelt nieuwkomers omdat zowel hun publicatie-output als het aantal citaties nog relatief gering is.

l

De h-index zorgt ervoor dat wetenschappers op hun

scientometrici (Bornmann en Daniel, 2005; Braun et al., 2005).

lauweren kunnen rusten (‘jouw artikels doen het werk voor

De laatste twee artikels toonden aan dat de h-index gecorreleerd

jou’) omdat het aantal citaties kan toenemen zelfs als er geen nieuwe artikels worden gepubliceerd.

is aan andere bibliometrische prestatie-indicatoren. Dit werd ook bevestigd door van Raan (2006) maar hij had wel benadrukt

l

Deze indicator is gebaseerd op vrij lange observatieperiodes

dat de wetenschappelijke prestaties nauwelijks door één indicator

waardoor een eventuele terugloop in de carrière van een

alleen kunnen uitgedrukt worden.

wetenschapper niet zal worden weergegeven omwille van dezelfde reden als hierboven.

1 Verschenen in Science Focus, 1 (1), 2006, 10–11, in het Chinees. De Engelse vertaling is toegankelijk via: http://eprints.rclis.org/bitstream/10760/9378/1/H_Index_opprtunities.pdf

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

publicatieactiviteit alsook citatie-impact. Volgens de definitie van


266

l

De h-index is niet onafhankelijk van het vakspecifieke

REFERENTIES

communicatiegedrag en kan niet op dezelfde manier genormaliseerd worden als andere publicatie- of citatiegebaseerde indicatoren. l

l

Een belangrijk probleem is het vinden van geschikte referentie-

• BORNMANN, L., DANIEL, H.-D., Does the h-index for ranking of scientists really work? Scientometrics, 65 (3), 2005,

De h-index is geschikt voor analyses op micro-niveau, toepasbare indicatoren. Het gebruik van een gepaste

pp. 391–392. • BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., A Hirsch-type index for journals. The Scientist, 19 (22), 2005, p. 8.

indicatorenset, in plaats van één enkele maatstaf, kan een

• DINIZ BATISTA, P. GUIMARAES CAMPITELI, M., KINOUCHI,

meer adequaat en veelzijdig beeld van de realiteit weergeven.

O., SOUTO MARTINEZ, A., A complementary index to

Volgens zijn definitie kan de h-index het aantal publicaties

quantify an individual's scientific research output. 2005,

niet overschrijden. Hierdoor krijgen kleine, maar uiterst hoog geciteerde verzamelingen van artikels, een nadelige h-index toebedeeld (‘small is not beautiful’). l

2005, p. 900.

standaarden voor vergelijking, zelfs in hetzelfde vakgebied. maar op hogere aggregatieniveaus zijn er meer veelzijdig

l

• BALL, P., Index aims for fair ranking of scientists. Nature, 436,

Volgens mijn ervaring is de h-index wel degelijk bruikbaar

Toegankelijk via http://arxiv.org/abs/physics/0509048 . • GLÄNZEL, W., PERSSON, O., A Hirsch-type index for Price Medallists. ISSI Newsletter, 1 (4), 2005, pp. 15-18. Toegankelijk via http://www.issi-society.info/newsletter.html.

om uitstekende prestaties te identificeren maar lijkt hij te

• GLÄNZEL, W., On the H-index – A mathematical approach

falen bij de beoordeling van redelijke tot goede prestaties.

to a new measure of publication activity and citation impact.

De reden hiervoor is de scheve rang-frequentie verdeling

Scientometrics, 67 (2), 2006, pp. 315-321.

met een extreem lange staart (Glänzel en Persson, 2005; Glänzel, 2006).

• HIRSCH, J.E., An index to quantify an individual's scientific research output. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America,

Wij kunnen hieruit concluderen dat de h-index beslist een interessante indicator is wiens sterkte ligt in de potentiële toepassing om kleine publicatie verzamelingen te beoordelen, daar waar andere traditionele indicatoren falen of waar hun toepassing problematisch blijkt te zijn. Het feit dat het aantal

102 (46), 2005, pp. 16569-16572. Toegankelijk via http://arxiv.org/abs/physics/0508025). • POPOV, S.B., A parameter to quantify dynamics of a researcher's scientific activity.

2005,

Accessible

via

http://arxiv.org/abs/physics/0508113.

nadelen groter is dan de voordelen betekent niet noodzakelijk

• VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index

dat de nadelen overheersen. Het betekent alleen dat zich in

with standard bibliometric indicators and with peer

bepaalde toepassingen problemen kunnen voordoen. De h-index

judgment for 147 chemistry research groups. Scientometrics,

is een cumulatieve indicator die noch met de dynamiek van de

67 (3), 2006, pp. 491-502.

publicatie-activiteit, noch met de verandering van de citatie-impact rekening houdt en die de multidimensionele ruimte van de bibliometrie reduceert tot één dimensie. Zowel het theoretisch onderzoek naar de mathematisch-statistische achtergrond van de h-index als het systematisch onderzoek over de toepassing van deze maatstaf zijn noodzakelijk om meer perspectieven en/of beperkingen te onthullen. Ik ben er bijgevolg van overtuigd dat de h-index een nuttige aanvullende indicator is, een verrijking voor het bibliometrische instrumentarium, maar hij is zeker niet geschikt om bestaande geavanceerde indicatoren te vervangen die al sinds lange tijd standaardtoepassingen zijn in het bibliometrisch onderzoek.


267

AANVULLING Sinds deze nota is verschenen als mijn eerste reactie op de voorgestelde nieuwe indicator, is de h-index uitgegroeid tot een erg populaire indicator. Hij is bijvoorbeeld opgenomen in de grote multidisciplinaire databanken Web of Science (Thomson Reuters) en SCOPUS (Elsevier). Zijn wiskundige eigenschappen en zijn correlatie met andere bibliometrische indicatoren werden ondertussen uitvoerig bestudeerd. Veel inspanningen en talrijke pogingen werden gedaan om de h-index te verbeteren en zijn nadelen te compenseren. Mijns inziens komen niet alle pogingen en oplossingen overeen met Hirsch’s originele intenties. Vaak boeten deze afgeleiden ook in aan reproduceerbaarheid, duidelijkheid, eenvoud en robuustheid. In deze context verdient Hirsch’s tweede maatstaf, de ~h-index, eveneens vermelding. Hirsch heeft herkend dat onderzoekers door co-auteurschap met vooraanstaande collega’s onterecht hun h-index positief kunnen beïnvloeden. Zijn nieuwe h-index (Hirsch, 2010) is zo geconcipieerd dat de uitwerking van dit effect grotendeels opgeheven wordt. Op die manier krijgt de ‘senior’-auteur de volle erkenning maar de ‘junior’ auteur minder of geen erkenning. Maar, in vergelijking met de originele h-index is deze indicator vrij ingewikkeld en een stuk moeilijker te berekenen. Waarschijnlijk zal hem dan ook niet dezelfde populariteit als de originele h-index te beurt vallen. Welke rol de h-index en zijn afgeleiden in de toekomst werkelijk zullen spelen, blijft dus nog verder af te wachten.

• HIRSCH, J.E., An index to quantify an individual's scientific research output that takes into account the effect of multiple co-authorship. Scientometrics, 85 (3), 2010, pp. 741-754.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

REFERENTIE


268

DOSSIER 4: STRUCTURELE A N A LY S E VA N I N S T I T U T I O N E L E ONDERZOEKSPROFIELEN Door Bart Thijs (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven) en Koenraad Debackere (K.U.Leuven)

4.1 BELANG VAN ONDERZOEKSPROFIELEN

De structurele analyse vertrekt van de vakgebiedsprofielen van de instellingen. Deze profielen beschrijven het aandeel van

Naast het toenemend belang van kwantitatieve evaluatie-

elk van 16 domeinen in de totale output van de instelling.

mechanismen voor het beoordelen van wetenschappelijk

Omwille van mogelijke meervoudige toekenning van publicaties

onderzoek, neemt ook het besef toe dat zich problemen kunnen

aan verschillende vakgebieden, zal de som van de aandelen

voordoen bij hun toepassing. Bij het gebruik van kwantitatieve

voor de meeste instellingen boven de honderd procent uitkomen.

methoden voor het beschrijven van de performantie en de

Deze profielen van de set van Europese instellingen worden

receptie van wetenschappelijke activiteit, is het erg belangrijk

gebruikt om clusters of groepen te vormen van organisaties

om steeds voor ogen te houden dat wetenschap een activiteit

met een gelijkaardig profiel, en dus actief in gelijkaardige

van en tussen mensen is, waarbij creativiteit een cruciale rol speelt.

vakgebieden. Kleine instellingen of instellingen met een geringe

Dit houdt onder meer in dat voor de communicatie tussen actoren

wetenschappelijke output worden in eerste instantie uitgesloten

- binnen verschillende gemeenschappen of ‘communities’ van

van de analyse. Door de kleine aantallen zullen de aandelen per

wetenschappers - specifieke gedragingen en gedragsregels

vakgebied voor hen immers ongebruikelijk hoog (dichtbij of

gelden. Dit resulteert onder meer in verschillen in publicatie-

gelijk aan 1) of ongebruikelijk laag (dichtbij of gelijk aan 0) zijn.

en citatie-gedrag. Het effect van disciplinespecifiek gedrag en bijgevolg de nood aan standaardisering van indicatoren, is reeds

Omdat de resultaten die hier gepresenteerd worden uit

uitvoerig beschreven. In dit dossier wordt een structurele analyse

verschillende reeds eerder gepubliceerde artikels zijn

van institutionele publicatieprofielen voorgesteld waarbij groepen

samengebracht, ligt niet steeds dezelfde set van publicaties aan

van instellingen gecreëerd worden met een gelijkaardig

de basis van de gerapporteerde gegevens. Voor de

onderzoeksprofiel. Deze meer homogene groepen laten dan

verschillende onderzoeken zal het gehanteerde tijdsvenster

een onderlinge vergelijking toe. Ook kunnen voor elk van deze

duidelijk vermeld worden.

groepen aparte, specifieke benchmarks gedefinieerd worden.

4.2 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

4.3 CLUSTERS EN CLASSIFICATIE OP BASIS VAN ONDERZOEKSPROFIELEN

Alle gegevens die in dit dossier gebruikt worden zijn gebaseerd

Zoals hierboven reeds beschreven, zal het creëren van deze

op ‘ruwe’ data geëxtraheerd uit de jaarlijkse updates van de

meer homogene groepen ons in staat stellen om meer accuraat

Web of Science databank van Thomson Reuters (Philadelphia,

een vergelijking van prestaties tussen instellingen uit te voeren.

PA, USA). Enkel papers van het documenttype “article”, “letter”,

In een eerdere publicatie (Thijs en Glänzel, 2008) hebben we

“proceedings paper” en “review” geïndexeerd in de jaarlijkse

een methodologie ontwikkeld om op basis van de boven-

volumes, werden geselecteerd. Publicaties werden toegekend

beschreven onderzoeksprofielen een cluster-analyse uit te voeren.

aan landen en instellingen op basis van de adressen vermeld in

Deze methode gebruikt Ward’s hiërarchisch cluster algoritme

de hoofding van het artikel. Nationale thesauri ontwikkeld aan

met kwadratische Euclidische afstanden om tot acht verschillende

de K.U.Leuven op basis van de institutionele adresgegevens,

groepen te komen. De Je(2)/Je(1) index, geïntroduceerd door

zijn gebruikt om publicaties aan Europese instellingen toe te

Duda en Hart (1973), werd gebruikt om de optimale oplossingen

kennen. Alle publicaties zijn ook toegewezen aan ten minste

te vinden. Naast het bijna triviale geval met twee clusters

één van de zestien hoofdgebieden van de wetenschapen,

(met name, instellingen met medische onderzoekscentra versus

sociale wetenschapen en humane wetenschappen, ontwikkeld

alle andere instellingen), hebben we acht clusters gevonden als

aan de K.U.Leuven en ISSRU-Boedapest (Glänzel et al., 2003).

het tweede optimum.


269

De aldus bekomen classificatie is weergegeven in tabel 4.1. De omschrijving van de cluster verwijst telkens naar het

4.4 STERKE VERSCHILLEN IN ONDERZOEKSGEDRAG

vakgebied met het grootste publicatie-aandeel in de cluster. We willen dan ook benadrukken dat de activiteiten in de clusters

Om uitdrukking te geven aan de meetbare verschillen in het

zich niet beperken tot de vakgebieden die vermeld staan in de

onderzoeksgedrag en in onderzoeksprestaties maken we gebruik

omschrijving. Tabel 4.2 geeft de gemiddelde aandelen per vak-

van een selectie van indicatoren uit het brede bibliometrische

gebied of de gemiddelde onderzoeksprofielen voor de acht clusters.

instrumentarium. Onderstaande lijst geeft een overzicht van de indicatoren die gerapporteerd worden per cluster

Tabel 4.1:

Omschrijving en code voor de acht clusters

Publicaties: Totaal aantal publicaties dat aan de instelling kan

l

toegewezen worden. Cluster 1 2 3 4 5 6 7 8

Omschrijving Biologie Landbouw Multidisciplinair Aard- & Ruimtewetenschappen Technische en Natuurwetenschappen Scheikunde Algemene en onderzoeksgeneeskunde Gespecialiseerde geneeskunde

Code BIO AGR MDS GSS TNS CHE GRM SPM

Citaties: Totaal aantal citaties die in een tijdsvenster van drie jaar

l

verwijzen naar de relevante verzameling van publicaties van een instelling. Aandeel zelf-citaties (% zelf-citaties) verwijst naar het aandeel

l

die zelf-citaties innemen in het totaal aantal citaties van een instelling. Een citatie is een zelf-citatie als ten minste één auteur

In een volgende stap werd een classificatie-model ontwikkeld

van de citerende publicatie ook auteur is van de geciteerde

dat toelaat om andere instellingen die niet in de oorspronkelijke

publicatie.

set waren opgenomen, toe te kennen aan één van de acht verschillende groepen. Het model is ontwikkeld door

Aandeel internationale publicaties (% Int. Pubs) verwijst naar

l

toepassing van discriminantanalyse. Dit model laat ook toe om

het aandeel dat internationale publicaties innemen in het

instellingen op basis van een onderzoeksprofiel berekend over

totaal aan publicaties van een instelling. Een publicatie wordt

een ander tijdsvenster toe te wijzen aan één van de acht

beschouwd als een internationale samenwerking als er ten

groepen. Op die manier kan ook de dynamiek binnen een

minste naar twee verschillende landen verwezen wordt in

instelling in kaart gebracht worden.

de adresvelden van de publicatie.

Gemiddeld onderzoeksprofiel van de acht verschillende clusters (in %) (publicaties 2001-2003)

Vakgebied

Cluster code BIO

AGR

MDS

GSS

TNS

CHE

GRM

SPM

Agronomie

20,0

66,7

6,0

6,2

4,9

4,6

0,2

0,6

Biologie

57,2

25,1

9,6

1,8

2,3

1,6

4,1

5,2

7,2

5,2

11,2

0,1

1,5

1,2

9,3

9,8

14,6

5,2

15,5

0,5

2,6

2,1

7,0

5,9

Scheikunde

5,5

14,3

16,8

2,9

27,8

86,6

0,6

1,1

Technische wetenschappen

1,4

5,1

9,0

4,0

35,0

7,3

0,6

0,7

Algemene en interne geneeskunde

9,0

1,2

12,7

0,2

0,8

0,1

64,8

31,2

Aard- en Ruimtewetenschappen

7,1

5,5

4,5

87,4

7,7

1,3

0,0

0,1

Wiskunde

0,8

0,7

5,7

0,5

6,9

0,7

0,1

0,2

Neuro- en gedragswetenschappen

1,8

0,5

9,1

0,0

1,1

0,1

2,6

4,8

Niet-Interne geneeskunde en specialisaties

7,7

4,0

16,8

0,3

2,5

0,9

33,5

61,9

Natuurkunde

1,4

3,1

10,5

4,7

37,0

10,8

0,4

0,6

Algemene, regionale en gemeenschapsproblematiek

0,6

0,3

1,7

0,1

0,4

0,0

0,7

1,5

Economische en politieke wetenschappen

0,3

0,5

1,3

0,0

0,3

0,2

0,0

0,1

Humane wetenschappen

0,0

0,0

0,3

0,0

0,2

0,1

0,1

0,1

Biomedisch onderzoek Biowetenschappen

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Tabel 4.2:


270

Tabel 4.3:

Gemiddelde waarde voor geselecteerde indicatoren over de verschillende clusters (publicaties 2001-2003)

Indicator Publicaties Citaties % Zelf-citaties % Int. Pubs MOCR RCR NMCR NMCR / RCR

l

BIO

AGR

MDS

GSS

TNS

248,50

113,80

1226,40

150,80

528,10

1.159,70

387,00

7.065,20

1.026,80

2.140,90

32%

33%

28%

37%

37%

44%

34%

39%

65%

44%

4,41

3,21

5,41

5,41

3,27

1,04

1,09

1,07

1,04

1,07

1,08

1,04

1,12

1,16

1,11

1,03

0,96

1,02

1,10

1,02

CHE 87,30 305,00 32% 36% 3,07 0,97 0,90 0,93

GRM

SPM

120,30

209,40

927,80

1.200,20

19%

19%

29%

23%

6,55

4,68

1,14

1,13

1,10

1,01

0,95

0,88

De Gemiddelde Geobserveerde Citatie Ratio (MOCR) wordt

Daar staat tegenover dat zij ook de minste internationale

gedefinieerd als de citatie- over publicatie-ratio.

publicaties hebben. De andere citatie-indicatoren wijzen er ook op dat er anders wordt omgegaan met publiceren en citeren in

l

De Genormaliseerde Gemiddelde Citatie Ratio (NMCR).

de laatste twee groepen. Zij halen hoge scores voor MOCR en

Deze indicator wordt gedefinieerd als de ratio van de

RCR wat betekent dat hun onderzoek vrij veel citaties aantrekt,

geobserveerde en domeingebaseerde verwachte citatie-

zeker meer dan men mag verwachten op basis van de

impact. De NMCR peilt naar de citatiegraad van de publicaties

tijdschriften waarin ze publiceren, maar ook dat het onderzoek

tegenover de standaarden van de specifieke subdomeinen.

aan de medische instellingen zeker niet altijd in de toptijdschriften verschijnt. Instellingen actief in Aard- en

l

De Relatieve Citatie Ratio (RCR). De RCR wordt gedefinieerd

Ruimtewetenschappen halen dan weer wel een hoog

als de ratio van de geobserveerde en de tijdschriftgebaseerde

percentage internationale publicaties en tegelijk verschijnt hun

verwachte citatie-impact. Deze indicator meet of de publicaties

werk ook in de tijdschriften die beter scoren dan verwacht in

van een eenheid in de studie meer of minder citaties

het vakgebied. Hier moeten we uiteraard ook opmerken dat

aantrekken dan verwacht op basis van de impactmetingen

instellingen uit verschillende groepen kunnen publiceren in

van de tijdschriften waarin ze verschenen.

hetzelfde vakgebied. Zo zien we onder meer dat 64% van de publicaties van de zevende groep (GRM) zich bevindt in

l

De verhouding van de twee vorige indicatoren (NMCR/RCR),

“Algemene en interne geneeskunde”, maar dat ditzelfde

die uitdrukt of de eenheid in de studie gemiddeld in hogere

vakgebied ook staat voor 12,7% van de derde groep. Als we

(lagere) impacttijdschriften publiceert dan verwacht op basis

dan rekening houden met het gemiddelde aantal publicaties

van de subdomeinen waarin de eenheid actief is.

per cluster, dan zien we snel dat de derde groep (MDS) meer in dit domein publiceert dan de zevende (GRM).

Tabel 4.3 geeft de gemiddelde waarden voor de geselecteerde indicatoren over de verschillende clusters weer. Deze worden

Daarom is het ook interessant om verder te analyseren en

berekend door de gemiddelde waarde te nemen over alle

naar de verschillen binnen een specifiek vakgebied te kijken.

instellingen binnen een bepaalde cluster.

Als voorbeeld lichten we de Scheikunde eruit. We zien dat er één groep is met een heel duidelijk profiel; de zesde groep

Uit significantietesten blijkt dat de acht groepen over alle

(CHE) publiceert bijna uitsluitend in dit vakgebied (86,6%).

indicatoren onderling sterk verschillen. Zo produceren de instellingen uit de derde groep (MDS) gemiddeld zes keer

In eerste instantie kijken we naar de prestaties van de

meer publicaties dan het gemiddelde van de instellingen uit

instellingen binnen dit specifiek vakgebied. Opnieuw gebruiken

de laagste groep (SPM), of acht keer meer dan de instellingen

we daartoe de hierboven beschreven indicatoren. Tabel 4.4

in groep 4 (GSS) gemiddeld publiceren. Bij de zelf-citaties zien

geeft een overzicht.

we dat vooral de twee medische clusters sterk verschillen van de andere groepen. Zij hebben opmerkelijk minder zelf-citaties.


271

Tabel 4.4:

Gemiddelde waarde voor geselecteerde indicatoren over de verschillende clusters binnen het vakgebied Scheikunde (publicaties 2001-2003) BIO

AGR

MDS

GSS

TNS

CHE

GRM

SPM

33,6%

33,4%

36,2%

34,3%

37,3%

31,7%

30,3%

30,1%

MOCR

4,10

2,96

4,32

3,96

3,75

3,40

4,28

4,04

RCR

1,02

0,98

1,01

1,40

1,06

1,01

0,94

0,97

NMCR

1,13

1,00

1,14

1,22

1,17

1,07

0,88

0,89

NMCR/RCR

1,10

1,02

1,14

0,87

1,11

1,06

0,94

0,92

% Zelf-citaties

Tabel 4.5:

Aandeel van de subdomeinen van Scheikunde in de output van de acht clusters (in %) (publicaties 2001-2003)

Subdomein

MDS

TNS

CHE

GRM

SPM

Total

C0

13,1

8,5

8,9

18,9

17,3

13,8

C1

25,0

18,3

12,5

40,2

40,5

21,8

C2

10,4

12,1

17,3

5,4

8,0

12,0

C3

18,2

6,1

9,2

42,6

24,2

14,4

C4

22,5

23,9

22,1

4,1

7,6

21,4

C5

5,9

8,0

13,1

3,0

4,2

6,6

C6

23,0

39,5

36,0

2,4

10,0

27,2

Als we de scores van de CHE groep bekijken, valt onmiddellijk

Tabel 4.5 geeft een overzicht van de aandelen van de

op dat de prestaties in dit vakgebied zeker niet lager liggen

verschillende subdomeinen in de totale output voor scheikunde

dan de gemiddelde prestaties in de andere groepen. Ook de

voor de acht groepen. Hieruit blijkt duidelijk dat er ook binnen

gestandaardiseerde indicatoren (RCR, NMCR en NMCR/RCR)

de subdomeinen belangrijke verschillen tussen de groepen zijn

vertonen voor deze groep prestaties die zeker naast de andere

te observeren.

groepen mogen staan. Ook hier zien we voor GRM en SPM een eerder lage score op de laatste indicator, wat weer wijst op

Op basis van de bovenstaande resultaten kunnen we duidelijk

het publiceren in tijdschriften die zich eerder in de lagere

stellen dat een opsplitsing van instellingen naar acht verschillende groepen op basis van hun onderzoeksprofiel gerechtvaardigd is

Daarnaast is er ook de opmerkelijke score van de vierde groep

en zelfs waardevol kan zijn bij het onderling vergelijken van hun

(GSS), met een RCR gelijk aan 1,4, maar wel een NMCR/RCR-

prestaties. Daarnaast tonen de resultaten ook aan dat er duidelijke

waarde van slechts 0,87.

verschillen zijn in de manier waarop de wetenschappelijke activiteiten plaatsvinden in de individuele instellingen. Zo zien

Het vakgebied kan echter nog verder opgesplitst worden in

we bijvoorbeeld in de medische instellingen niet enkel een veel

subdomeinen, met name:

lager aandeel van internationale samenwerkingen, maar ook een systematisch andere keuze van tijdschriften waarin

• C0: Multidisciplinaire scheikunde

gepubliceerd wordt. Deze observatie ondersteunt de stelling

• C1: Analytische, anorganische en nucleaire scheikunde

dat het bij de evaluatie van instellingen niet aangewezen is om

• C2: Toegepaste scheikunde en chemische ingenieurstechnieken

terug te vallen op één enkele of een zeer beperkte set van

• C3: Organische en medische scheikunde

indicatoren, maar dat een multidimensionale aanpak vereist is.

• C4: Fysische scheikunde • C5: Polymeren • C6: Materiaalkunde

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

regionen van het impactspectrum van het vakgebied bevinden.


272

4.5 INTERNATIONALE EN LOKALE SAMENWERKING

De verschillende types van samenwerking sluiten elkaar niet uit. Zo kan er naast binnenlandse ook Europese samenwerking geobserveerd worden voor een en dezelfde publicatie.

Een andere manier om de verschillen in wetenschapsbeoefening in kaart te brengen, bestaat erin te kijken naar de manier

Tabel 4.6 geeft de gemiddelde aandelen van de verschillende

waarop instellingen samenwerken en dan in het bijzonder naar

types samenwerking weer over de acht verschillende groepen.

wie er samenwerkt. Hierbij is het vooral interessant om na te gaan

De percentages voor internationale samenwerking verschillen

of instellingen al dan niet eerder samenwerken met andere

licht van tabel 4.3 omdat er een andere tijdsperiode ten

organisaties met een gelijkaardig profiel. De classificatie die we

grondslag ligt aan deze tabel.

eerder ontwikkelden, laat nu toe om gelijkaardige instellingen duidelijk te omschrijven (ze behoren immers tot dezelfde cluster).

Het valt op dat de aandelen samenwerking binnen of buiten Europa voor alle groepen ongeveer gelijk zijn. Dit betekent

In deze sectie willen we aantonen dat ook wat samenwerking

dat voor de keuze van buitenlandse partner de nabijheid

betreft, er aanzienlijke verschillen kunnen geobserveerd worden

van Europese instellingen minder van belang is. We zien

tussen de acht groepen. Om de resultaten juist te kunnen

daarentegen wel een aanzienlijk verschil met de binnenlandse

kaderen, geven we eerst de verschillende types van institutionele

samenwerkingen. Die is in elke groep hoog (op zijn minst

samenwerking die gebruikt worden in de analyses:

40%). Enkel voor de groep GSS is die beduidend lager dan de internationale samenwerkingen. Deze observatie ligt

l

Internationale samenwerking: Er staan ten minste twee

volledig in lijn met wat men van dit vakgebied verwacht,

verschillende landen vermeld in het adresveld van de publicatie.

mede gelet op de frequente internationale samenwerking rond specifieke apparatuurplatformen. Het grote aandeel

l

Samenwerking binnen Europa: Ten minste twee Europese

binnenlandse publicaties in de twee medische groepen valt

landen zijn vermeld in het adresveld van de publicatie.

eveneens op. Samen met de keuze van tijdschriften in deze groepen, wijst dit op een heel specifiek patroon. De medische

l

Samenwerking buiten Europa: Het adresveld bevat naast

groepen richten zich veel meer op thema’s met ook lokale

een Europees land ook ten minste één niet-Europees land.

relevantie, waarbij vooral binnenlandse partners gezocht worden voor het uitvoeren van onderzoek.

l

Binnenlandse samenwerking: De adressen van een publicatie kunnen toegewezen worden aan twee verschillende instellingen die binnen hetzelfde land gevestigd zijn.

l

Geen samenwerking: De adressen op de publicatie kunnen enkel aan één instelling in één land toegewezen worden.

Tabel 4.6:

Aandeel van de verschillende types samenwerking voor elk van de acht clusters (in %) (publicaties 2003-2005) Samenwerking (in%) Internationaal

Binnen Europa

Buiten Europa

Extramuraal Nationaal

Geen Extramuraal

BIO

46,5

28,3

28,1

46,8

25,3

AGR

37,5

23,2

21,4

46,3

30,6

MDS

39,5

22,7

24,3

41,3

34,4

GSS

67,2

47,1

46,7

46,4

16,2

TNS

43,3

26,2

25,9

41,9

30,7

CHE

33,7

21,3

16,0

42,8

33,7

GRM

31,8

23,1

18,0

61,3

26,2

SPM

24,0

15,5

14,4

56,6

33,0


273

4.6 REFERENTIES • GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., A new classification scheme of science fields and subfields designed for scientometric evaluation purposes, Scientometrics, 56 (3), 2003, 357–367. • THIJS, B., GLÄNZEL, W., A structural analysis of publication profiles for the classification of European research institutes, Scientometrics, 74 (2), 2008, 223–236. • THIJS, B., GLÄNZEL, W., A structural analysis of benchmarks on different bibliometric indicators for European research institutes based on their research profile, Scientometrics, 79 (2), 2009, 377-388. • THIJS, B., GLÄNZEL, W., A structural analysis of collaboration between European research institutes, Research Evaluation, 19 (1), 2010, 55-65 • DUDA, R.O., HART, P.E., Pattern Classification and Scene Analysis. New York: Wiley, 1973.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S


274

D O S S I E R 5 : I N T E R N AT I O N A L I S E R I N G O N D E R ZO E KS P R O G R A M M A’ S F W O Door Stijn Verleyen (FWO) en Elisabeth Monard (FWO)

Wetenschappelijk onderzoek is per definitie een internationaal

Deze stijgende trend is duidelijk zichtbaar in figuur 5.1 waar

gegeven. Het Fonds Wetenschappelijke Onderzoek - Vlaanderen

het aandeel buitenlandse onderzoekers voor zowel het

(FWO) beschouwt internationalisering dan ook niet als een doel

aspirantenbestand als het postdoctorale mandatenbestand

op zich, maar als een hefboom om wetenschappelijke excellentie

wordt weergegeven. In de periode van 2005-2010 groeide

te bereiken. FWO internationaliseert op twee manieren die

het aandeel aan buitenlandse onderzoekers in het FWO

nauw met elkaar verbonden zijn, en die achtereenvolgens

mandatenbestand van 2% tot 12% voor het aspirantenbestand

worden besproken: enerzijds is het FWO als organisatie meer

en op postdoctoraal niveau van 4% tot 12%. Het FWO heeft

en meer actief op de internationale fora, anderzijds streeft

aanzienlijke

het FWO ernaar om op het niveau van de FWO-onderzoeks-

buitenlandse onderzoekers naar Vlaanderen te brengen.

programma’s, internationale mobiliteit en samenwerking tussen

Er werd dan ook een open beleid gevoerd waarbij aan de

onderzoekers maximaal te stimuleren.

kandidaten geen enkele nationaliteitsbeperking werd opgelegd.

inspanningen

geleverd

om

kwaliteitsvolle

In de toekomst verwacht het FWO dat deze stijgende trend zich zal voort zetten, temeer omdat vanaf 2011 het Pegasus-

5.1 INTERNATIONALISERING VAN FWO ALS ORGANISATIE

buitenlandse onderzoekers naar Vlaanderen te halen (zie 5.2.2.2).

5.1.1 Toenemende internationalisering van de interne

Tenslotte bouwt het FWO ook steeds meer een internationaal

procedures

programma van start gaat dat specifiek als doel heeft

netwerk uit, met name onder de vorm van bilaterale contacten met zusterinstellingen en ministeries over de hele wereld.

Zoals hierboven aangegeven wordt wetenschappelijke

Regelmatig worden internationale delegaties op het FWO

excellentie naar internationale normen gedefinieerd. Daarom is

ontvangen en wegwijs gemaakt in de werking van het FWO.

het noodzakelijk om bij de selectie en evaluatie van onderzoeksvoorstellen, expertise buiten Vlaanderen op te

5.1.2 Lidmaatschap van ESF en EUROHoRCs

zoeken. Deze noodzaak vertaalt zich bij het FWO in een stijgende internationalisering van onze expertpanels die instaan

Om Europese samenwerking in onderzoek te bevorderen

voor de evaluatie van de honderden aanvragen voor onderzoeks-

en de eigen beleidsprocedures te kunnen aftoetsen aan de

financiering die het FWO jaarlijks ontvangt. Ook wat betreft het

Europese standaard, is het FWO lid van de European Science

systeem van externe peer review is er een duidelijke beweging

Foundation (ESF), dat 78 leden telt uit 30 Europese landen.

naar meer buitenlandse input, wat de objectiviteit van de beslissingsmechanismen alleen maar ten goede komt.

Het FWO participeert in verschillende instrumenten van ESF. Bijzonder nuttig zijn de zogenaamde “Member Organisation

Daarnaast impliceert internationalisering ook het wegwerken van

Fora”, waarin over bepaalde thema’s die belangrijk zijn voor

nationaliteitsvereisten. Hiertoe werden significante inspanningen

de leden (peer review, onderzoekerscarrières, evaluatie van

geleverd, met als resultaat een duidelijke stijgende trend in het

onderzoeksprogramma’s, …) good practices uitgewisseld worden

aantal buitenlandse FWO-mandaathouders, dat nu om en bij

tussen de leden, en ook overgegaan wordt tot het opstellen van

de 12% bedraagt.

rapporten met aanbevelingen inzake deze thema’s. Ook aan het EUROCORES-programma en de Research Networking

Het aantal niet-Belgen onder de mandaathouders wordt weergegeven in tabel 5.1 Het aantal buitenlandse mandaathouders, zowel van pre- als postdoctorale mandaten, kent elk jaar een duidelijke stijging.

Programmes (RNP) wordt deelgenomen.


275

Tabel 5.1:

Percentage buitenlandse onderzoekers 2005

2006

2007

2008

2009

2010 747

Aspiranten 608

650

694

706

745

Buitenlands

12

16

30

50

76

97

% buitenlands

1,9

2,4

4,1

6,6

9,3

11,5

Totaal

620

666

724

756

821

844 685

Belg

Postdoctorale Onderzoekers 508

567

631

637

671

Buitenlands

20

22

32

41

65

93

% buitenlands

3,8

3,7

4,8

6,0

8,8

12,0

Totaal

528

589

663

678

736

778

Belg

Figuur 5.1: Percentage buitenlandse onderzoekers

14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2005

n Aspiranten

2006

2007

2010

onderzoeksorganisaties

verenigt.

5.1.3 De Europese onderzoeksruimte (ERA) en het Europees onderzoeksbeleid

Beide

organisaties vertonen veel gelijkenissen in zowel lidmaatschap

De ontwikkelingen rond het tot stand komen van ERA worden

als werking. Teneinde het Europees onderzoek een sterker

nauw opgevolgd binnen FWO, zowel op autonome basis als via

beleidsplatform te bieden en de globale competitiviteit van

de diverse Vlaamse gremia die het Europese niveau monitoren

Europees onderzoek in de wereld te versterken, zal

en de link met Vlaanderen verzekeren. Het FWO participeert

waarschijnlijk een nieuwe efficiënte Europese instelling

ook in een aantal ERA-netten, die het coördineren van de

voorgedragen worden. Het FWO heeft intussen onderdak

nationale onderzoeksagenda’s in verschillende domeinen

geboden aan het pilot secretariat dat de uitbouw van deze

moeten bevorderen.

nieuwe organisatie, Science Europe, moet voorbereiden. Een belangrijk thema in het Europees beleid betreft de problematiek van onderzoekers en hun carrière. Europese beleidsmakers zien immers terecht in dat Europa een aanzienlijk aantal bijkomende onderzoekers zal moeten aantrekken, wil het de concurrentie met de Verenigde Staten en straks ook met de opkomende grootmachten China en India (en de andere BRIClanden) blijvend aangaan.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

samensmelten met EUROHORCs, de associatie die hoofden Europese

2009

n Postdoctorale Onderzoekers

Begin 2010 werd het idee gelanceerd om ESF te doen van

2008


276

Een

belangrijk

argument

voor

het

aantrekken

van

toponderzoekers, is het aanbieden van aantrekkelijke loopbaan-

5.2 INTERNATIONALISERING VAN DE ONDERZOEKSPROGRAMMA’S

perspectieven. Daarom werd verschillende jaren geleden al het initiatief genomen voor een Europees handvest van

Het FWO besteedt jaarlijks bijna 10 miljoen euro aan programma’s

de onderzoeker, en een bijhorende gedragscode voor de

en initiatieven die specifiek op de internationalisering van

rekrutering van onderzoekers, inmiddels beter bekend

het Vlaamse onderzoeksgebeuren zijn gericht.

als “Charter & Code” (http://ec.europa.eu/euraxess/index.cfm/ rights/index). Later kwam het “Europees partnerschap voor

l

Door het hefboomkarakter van deze financiering (‘zaaigeld’)

onderzoekers”, een top-down initiatief van de Europese

kan met vrij bescheiden middelen de grondslag gelegd

Commissie waarbij nationale actieplannen gevraagd worden van

worden voor ruimere samenwerkingsverbanden die op

de lidstaten inzake het bevorderen van onderzoekerscarrières.

termijn leiden tot grotere financiële return.

Beide initiatieven werden door het FWO rechtstreeks ondersteund. l

Internationalisering zit per definitie verweven in al de FWO-

Het FWO is nog een stap verder gegaan, door het opstellen

kanalen. De meeste onderzoekers en onderzoeksgroepen

van een duidelijke HR-strategie, met het oog op de verdere

die steun krijgen, zijn dan ook reeds geïntegreerd in

implementatie van Charter & Code. Deze strategie werd

internationale netwerken en kunnen middelen uit de

eind 2010 door de Europese Commissie goedgekeurd.

reguliere kanalen (mandaten en projecten) inzetten om

Het FWO mag op dit moment dan ook het label “HR excellence

internationaal samen te werken. Zo is bij een aanzienlijk

in Research” voeren.

deel van de FWO-onderzoeksprojecten minstens één buitenlandse partner betrokken, en hebben heel wat mandaat-

5.1.4 Vlaams aanspreekpunt voor Europese programma’s

houders een buitenlandse co-promotor. Een belangrijke evolutie op dit vlak is de zogenaamde Lead Agency

Het FWO droeg in het verleden reeds bij tot de informatie-

Procedure (LAP). Hierbij sluit het FWO een overeenkomst af

doorstroming in verband met Europese financieringskanalen

met een buitenlandse zusterinstelling, die bepaalt dat

voor onderzoek. Met name wat betreft de European

Vlaamse onderzoekers samen met hun buitenlandse partner

Research Council (ERC), wiens missie nauw aansluit bij die

een project kunnen aanvragen in de open competitie.

van het FWO, werden heel wat vragen aan het FWO gericht.

Het Lead Agency neemt daarbij de volledige evaluatie-

Het instrumentarium van het FWO werd trouwens ingezet om

procedure in handen. Indien het project wordt toegekend,

in te spelen op ERC, met opvangprojecten voor onderzoekers

financiert de andere partner automatisch de eigen

die het net niet gehaald hadden in deze prestigieuze competitie.

onderzoekers. Het FWO heeft momenteel een dergelijke overeenkomst met Luxemburg (FNR), waarbij het zelf als

De functie van aanspreekpunt zal naar verwachting nog

lead agency optreedt, en met Nederland (NWO), waar

versterkt worden door het onderbrengen van een deel van

afwisselend NWO en FWO als lead agency fungeren.

de NCP-werking (National Contact Point) bij het FWO. Het gaat met name om de componenten Ideas, People en Socio-economic sciences and Humanities

binnen

5.2.1 Overzicht van de gevestigde programma’s

KP7.

Daarnaast zal wellicht ook een stuk van de opvolging van

5.2.1.1

COST (European Cooperation in Science and Technology)

Het FWO biedt zoals bekend ruime mogelijkheden aan

voortaan door het FWO verzorgd worden.

individuele onderzoekers om internationaal mobiel te zijn.

Het FWO participeert verder actief aan het Vlaams Europa-

bestemming en onderzoeksthema door de onderzoeker.

Internationale mobiliteit

Dit gebeurt grotendeels bottom-up, met een vrije keuze qua platform, dat enerzijds opgericht werd om de informatiedoorstroming van Europa naar Vlaanderen te optimaliseren,

Er worden kredieten aangeboden voor deelname aan

en anderzijds om proactief aan standpuntbepaling te doen

internationale congressen, aan workshops of cursussen in het

naar het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid toe.

buitenland, en voor korte of lange verblijven in het buitenland.


277

Tabel 5.2:

Reiskredieten per type verblijf (aantallen) 2005

2006

2007

2008

2009

818

892

698

685

779

896

Lang verblijf

85

89

109

135

198

198

Workshop/summerschool

24

35

34

8

0

35

Mobiliteitstoelage

32

29

32

41

41

53

959

1.045

873

869

1.018

1.182

Congressen en kort verblijf

Totaal

2010

Figuur 5.2: Aangevraagde vs toegekende reiskredieten (aantallen)

2.000 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 2005

2006

2007

2008

2009

2010

n Aangevraagd n Toegekend

De cijfers tonen aan dat deze kanalen gegeerd blijven bij de

5.2.1.2

Vlaamse onderzoekers. Tabel 5.2 toont het aantal reiskredieten

Naast het nieuwe programma bilaterale onderzoeks-

per type. In figuur 5.2 ziet men een overzicht van het aantal

samenwerking in de strikte zin (zie verder), heeft het FWO in

aangevraagde vs toegekende reiskredieten gedurende de

de loop van de jaren een reeks uitwisselingsakkoorden met

voorbije jaren1.

buitenlandse partners getekend. Hierin zijn twee categorieĂŤn

Uitwisselingsakkoorden

kijken, dan zijn de VS met voorsprong de leider: ruim 1 op 5 lange

l

verblijven vinden daar plaats.

De landen en instellingen waarmee op meer projectmatige basis wordt samengewerkt (BraziliĂŤ, Japan, ArgentiniĂŤ, Taiwan, Polen, ...)

De belangrijkste recente aanpassing wat betreft de open mobiliteitskanalen is de fusie van de vroegere mobiliteits-

l

De landen en instellingen waarbij vooral op individuele

toelagen voor postdoctorale onderzoekers van het FWO, en de

basis uitwisselingen mogelijk zijn. Meestal betaalt de

lange verblijven voor alle Vlaamse onderzoekers. Beide kanalen

zendende partij in dat geval de verplaatsingskosten en

hadden grotendeels dezelfde functie en modaliteiten, maar

de ontvangende partij de verblijfskosten.

waren historisch naast elkaar gegroeid. Bovendien bracht de fusie meer flexibiliteit in de aanvraagprocedure voor postdoctorale onderzoekers van het FWO.

1 De daling in 2007 wordt verklaard door het invoeren van de bench fee, waarmee FWO-mandaathouders een deel van hun mobiliteit zelf kunnen bekostigen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

te onderscheiden: Wanneer we naar de bestemmingen voor lange verblijven


278

Tabel 5.3:

Reiskredieten - korte en lange verblijven - landen van bestemming (aantallen)

Land van bestemming

2005

2006

2007

2008

2009

2010

%*

VSA

45

51

75

98

127

112

26,5

Verenigd Koninkrijk

18

21

30

25

42

39

9,2

Duitsland

14

12

15

17

23

24

5,7

Australië

7

9

11

9

14

22

5,2

Frankrijk

17

16

22

16

19

20

4,7

Nederland

7

13

9

11

16

18

4,3

Canada

8

6

5

8

9

16

3,8

Spanje

2

9

4

8

9

12

2,8

Zweden

5

2

5

4

6

11

2,6

21

13

16

7

20

10

2,4

Zwitserland

5

6

8

4

7

9

2,1

Zuid Afrika

3

4

3

3

3

8

1,9

Congo

1

1

1

0

12

7

1,7

Denemarken

1

3

2

2

4

7

1,7

Japan

5

5

3

5

8

7

1,7

Chili

0

1

5

0

2

5

1,2

2

2

4

4

5

1,2

4

3

2

Italië

Griekenland 2

Kenia Madagaskar

3

Portugal

2

4

1

2

5

1,2

0

5

1,2

1

5

1,2

* Aandeel van dat land in alle korte en lange verblijven over de periode 2005-2010.

Tabel 5.4: Land

Overzicht uitwisselingsovereenkomsten Instelling

Vlaamse onderzoekers

Buitenlandse onderzoekers

Algemeen totaal

Aantal projecten

Bedrag in euro

Aantal projecten

Bedrag in euro

Aantal projecten

Bedrag in euro

30

37.726

31

45.403

61

83.130

5

8.626

4

6.823

9

15.449

37

12.129

68

91.874

105

104.003

0 1 0 3

686 1.750

0 5 0 4

11.754 4.817

0 6 0 7

12.440 6.566

Argentinië

MINCyT

Brazilië

CNPq

Bulgarije

BAS

China

CAS CASS CAMS NSFC

Ecuador

SENACYT

4

5.548

4

6.790

8

12.338

Hongarije

HAS

10

1.524

24

31.563

34

33.087

Japan

JSPS JSPS (Postdoctoral Fellowship)

10 3

24.798 -

4 0

14.937 -

14 3

39.734 -

Korea

KOSEF

7

7.221

4

6.720

11

13.941

Mexico

CONACYT

0

-

2

2.069

2

2.069

Polen

PAN

14

4.432

76

81.400

90

85.832

Roemenië

Romanian Academy

2

476

55

79.131

57

79.607

Rusland

Siberian Branch of the Russian Academy of Sciences

0

-

0

-

0

-

Slovakije

Slovak Academy of Sciences

1

303

19

23.300

20

23.603

Slovenië

Slovenian Academy of Sciences

0

-

0

-

0

-

Taiwan

NSC

1

1.185

3

5.260

4

6.444

Tsjechië

Czech Academy of Sciences

Totaal

4

2.186

13

14.328

17

16.514

132

108.589

316

426.169

448

534.758

Tabel 5.4 biedt een overzicht van de voornaamste landen waarmee wordt samengewerkt, en het aantal toegekende aanvragen per land de voorbije jaren.


279

5.2.1.3

Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschappen

5.2.1.5

(WOG)

Het FWO stelt zich met dit financieringskanaal tot doel om

Internationale coördinatie-actie

Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschappen zijn bestemd

coördinatieacties van internationale samenwerkingsverbanden

voor de coördinatie van nationale en internationale samen-

te ondersteunen met financiële middelen, bestemd voor de

werking inzake wetenschappelijk onderzoek op postdoctoraal

algemene wetenschappelijke coördinatie en het administratief

niveau. Deze virtuele onderzoeksgroepen geven postdoctorale

beheer van het samenwerkingsverband (met uitsluiting van het

onderzoekers meer ontplooiingskansen en plaatsen het

wetenschappelijk onderzoek zelf).

onderzoek van individuele en complementaire onderzoekseenheden in een ruimer kader wat een meerwaarde voor het

Het gaat hier om samenwerkingsverbanden die ingesteld

onderzoek schept. Op dit ogenblik zijn er 60 WOG’s in functie.

worden in het kader van multilaterale en supranationale

Dit aantal is de laatste jaren stabiel gebleven.

instanties zoals onder meer EU, VN, OESO, UNESCO, WHO.

De toegekende kredieten dekken de werkingskosten ten

5.2.1.6

bedrage van 12.500 EUR per jaar gedurende vijf jaar,

Het Odysseus-initiatief, gestart in 2006, heeft tot doel

eventueel verlengbaar.

eminente onderzoekers, die in het buitenland een carrière

Odysseus

hebben uitgebouwd, naar Vlaanderen (terug) te halen. Op middellange termijn worden deze hechte samenwerkings-

Toponderzoekers en onderzoekers met hoog potentieel krijgen

verbanden, die een optimale en stimulerende omgeving vormen

een aanstelling in een Vlaamse universiteit en het FWO zorgt

voor onderzoekers en onderzoeksgroepen, de hefboom bij

voor een belangrijke startfinanciering voor een periode van

het tot stand brengen van interdisciplinair onderzoek,

vijf jaar. Met deze financiering kunnen de onderzoekers in

van complementaire samenwerking en zwaartepuntvorming.

kwestie een eigen onderzoeksgroep uitbouwen of een nieuwe

De financiering voor WOG’s is dus bedoeld als ‘zaaigeld’

onderzoekslijn opzetten.

om bredere en meer ambitieuze samenwerkingsverbanden uit te bouwen.

De wedde van de toponderzoekers wordt betaald door de universiteit en dus staan de middelen die het FWO ter

5.2.1.4

Big Science

beschikking stelt volledig in functie van de wetenschap:

Met het Big Science programma ondersteunt het FWO de

de oprichting, uitbreiding of het opnieuw samenstellen van de

operationele, institutionele en logistieke kosten van Vlaamse

onderzoeksgroep, noodzakelijke apparatuur, e.d. De onderzoekers

onderzoeksconsortia verbonden aan grote internationale

beslissen zelf hoe zij die middelen willen aanwenden.

de Belgische Federale of Vlaamse Overheid.

De doelgroep wordt opgesplitst in twee niveaus.

Vanaf 2006 verleent de overheid deze bijzondere toelage

Niveau I: bestaat uit topwetenschappers die internationaal

voor de institutioneel-logistieke ondersteuning van projecten

erkend worden als toonaangevend en in die hoedanigheid

die worden doorgevoerd aan CERN, ESRF-DUBBLE en de

reeds een aanstelling aan een buitenlandse universiteit hebben.

Mercatortelescoop. Het bedrag werd stelselmatig verhoogd, maar

Ze leiden een eigen onderzoeksgroep met een vaste staf,

is te beperkt om meer initiatieven te omsluiten. De problematiek

meerdere postdocs en een aantal doctoraatsstudenten.

zal onder invloed van ESFRI-deelnames worden herzien.

(Toelage tussen de 2.000.000 EUR en 7.500.000 EUR voor een periode van vijf jaar).

Het FWO kent deze middelen toe via vijfjarige programmaprojecten, waardoor voldoende tijdsperspectief en zekerheid wordt geboden. De toelage in 2011 bedraagt 2,113 miljoen euro.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

onderzoeksfaciliteiten waarvan het lidgeld betaald wordt door


280

Niveau II: Onderzoekers met het potentieel om door te groeien

De keuze werd gebaseerd op wetenschappelijke, economische

tot internationaal toonaangevende status. Deze wetenschappers

en strategische criteria. Vijf partners werden geselecteerd:

moeten minimaal 3 jaar postdoctorale evaring in het buitenland hebben en vooraanstaande vakgenoten moeten ervan overtuigd

• China (MOST)

zijn dat ze het potentieel hebben om door te groeien tot

• Vietnam (NAFOSTED)

een internationale vooraanstaande positie. (Toelage tussen

• Québec (MDEIE)

de 500.000 EUR en 1.000.000 EUR voor een periode van

• Ecuador (SENACYT)

vijf jaar).

• Zuid-Afrika (NRF)

De universiteiten zorgen voor de selectie van de kandidaten.

In de loop van 2009 en 2010 werden er kaderovereenkomsten

Vervolgens worden de kandidaturen ingediend bij het FWO.

gesloten met de bevoegde instanties in deze landen en ook

Die stelt een internationale, multidisciplinaire jury aan die

een eerste oproep tot voorstellen gelanceerd. Momenteel lopen

per discipline wordt aangevuld met referenten. Het is die jury

er een 25-tal projecten.

die evalueert of een wetenschapper kan worden toegelaten tot het programma.

Tabel 5.5 geeft een overzicht van het aantal aangevraagde vs. gefinancierde voorstellen per land/regio, en het toegekende

Het FWO kreeg in 2006 voor het eerst 12 miljoen euro ter

budget de volgende jaren.

beschikking ter financiering van dit initiatief. De toelagen worden geïndexeerd en zijn voor een eerste periode van vijf

Opvallend is de enorme belangstelling voor Zuid-Afrika,

jaar verzekerd. Om de zekerheid te hebben dat de allerbeste

in vergelijking met een relatief geringe interesse voor China.

kandidaat ook kan worden aangesteld, kan de Raad van

We zien dus een sterk fluctuerende slaagkans per land/regio,

Bestuur van het FWO 20% van de Odysseus-middelen zelf

met bijna 50% voor China, tegen 9% voor Zuid-Afrika. Recent

toewijzen. Voor de overige 80% krijgen de universiteiten een

werden door de bevoegde commissie bilaterale onderzoeks-

trekkingsrecht op basis van de gemiddelden voor de BOF-

samenwerking de eerste oproepen gunstig geëvalueerd.

sleutel voor de laatste vijf jaar.

Voor de meeste landen kan er verder gegaan worden op de ingeslagen weg. Bij de tweede oproep met NAFOSTED

Op dit ogenblik worden er 28 Odysseusonderzoekers

(Vietnam), gesloten op 1 april 2011, werden opnieuw maar liefst

gefinancierd. In 2010 werd een nieuwe oproep uitgeschreven,

39 voorstellen ingediend.

waarvan de evaluatie nog voor de zomer van 2011 moet afgerond zijn.

5.2.2.2

PEGASUS

Een van de vier grote pijlers van het Zevende Kaderprogramma 5.2.2 Nieuwe programma’s:

is People. Zoals de naam aangeeft, gaat het hier in wezen om investeren in de onderzoeker, het menselijk kapitaal dat een

5.2.2.1

Bilaterale onderzoekssamenwerking

basisvereiste is voor kwalitatief wetenschappelijk onderzoek.

Vanaf 2008 werd aan het FWO een jaarlijkse geoormerkte financiering toegekend van 1,5 miljoen euro, bedoeld voor

Binnen People is het Marie Curie-programma één van de

het ondersteunen van bilaterale onderzoeksprojecten met

belangrijkste speerpunten. Het betreft hier deels de bekende

niet-Europese landen of regio’s.

individuele fellowships die rechtstreeks bij de Europese Commissie aangevraagd moeten worden.

Het betreft hier samenwerking op vlak van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, waarbij het initiatief - zoals bij alle FWO-kanalen - door de onderzoeker wordt genomen, en waarbij de betrokken partners als gelijkwaardig worden aanzien. Capaciteitsopbouw valt expliciet buiten de actieradius van dit programma.


281

Tabel 5.5:

Bilaterale onderzoekssamenwerking (aantallen) Aangevraagd 1e call

Vietnam Quebeq China Zuid-Afrika Ecuador Totaal

30 16 14 66 13 139

Toegekend 1e call 5 4 6 6 3 24

Daarnaast wordt er ook in co-financiering voorzien voor nieuwe of aangepaste nationale financieringsprogramma’s die zich

2010 306.050 218.637 76.000 600.687

bedragen in euro 2011 2012 305.550 278.766 267.016 442.500 412.500 456.660 456.660 254.500 169.500 1.737.976 1.305.676

2013 66.129 379.500 445.629

5.3 TOEKOMSTPLANNEN INZAKE INTERNATIONALE PROGRAMMA’S

achter de Europese onderzoeksfilosofie scharen. Het idee daarbij is dat de 40% cofinanciering die men voorziet een

5.3.1 Rationalisering

hefboomeffect zal hebben en nationale onderzoeksinstanties ertoe zal aanzetten om bij te dragen tot de realisatie van de

Het FWO-instrumentarium is zeer divers. In de loop van de

Europese Onderzoeksruimte (ERA).

jaren werden tal van uitwisselingsakkoorden gesloten, elk met hun specifieke modaliteiten, die op een specifieke manier

Het Marie Curie-programma situeert zich zo op het snijpunt

geïntegreerd zijn in het instrumentarium van financierings-

van twee assen die voor het FWO van levensbelang zijn:

kanalen van het FWO. Om het instrumentarium verder te

de carrière- en ontplooiingsmogelijkheden van jonge onder-

optimaliseren worden volgende specifieke maatregelen

zoekers, enerzijds, en het aantrekken van buitenlands

voorgesteld:

onderzoekstalent, anderzijds. Het FWO diende daarom een aanvraag voor co-financiering in bij de Europese Commissie,

l

Afbouwen

van

minder

productieve

akkoorden.

die eind 2010 in een succesvol resultaat uitmondde. In het

Onderzoekers hebben immers nog steeds de mogelijkheid

voorjaar van 2011 werd de onderhandelingsprocedure

om op individuele basis reiskredieten aan te vragen,

beëindigd en kon het financieringscontract ondertekend worden.

met vrije keuze van bestemming. Dit zal de FWO-kanalen

De Europese Commissie zal uiteindelijk bijna 5 miljoen euro

nog overzichtelijker maken en de transparantie voor de

over een periode van 4 jaar in dit FWO-programma investeren.

onderzoeker bevorderen. l

Oog voor geografische spreiding bij afweging welke

omvat 30 klassieke 3-jarige postdoctorale mandaten voor

akkoorden te behouden en welke in de toekomst af te

niet-Belgische onderzoekers (1 oproep), en daarnaast ook

sluiten. Er zou kunnen geopteerd worden om in de

een zestigtal korte visiting postdocs van 1 jaar, gespreid over

toekomst te focussen op grote Europese spelers (met name

6 oproepen. Deze laatste kunnen ook aan Belgische

voor Frankrijk en Duitsland is er grote interesse vanuit

onderzoekers toegekend worden, op voorwaarde dat zij lang

de onderzoeksgemeenschap).

genoeg in het buitenland actief geweest zijn. Het bestaande programma voor Visiting Postdoctoral Fellowships zal inkantelen

l

Optimaliseren van de aanvraag- en toekenningprocedure,

in het schema van de reguliere postdocs, waardoor het aan

bijvoorbeeld via een uniform aanvraagformulier voor alle

dezelfde hoge standaarden getoetst wordt.

uitwisselingsakkoorden. In een latere fase moeten nog meer internationaal gerichte financieringskanalen via een online

De externe communicatie over dit programma zal op veel

aanvraagprocedure kunnen verlopen.

grotere schaal moeten gebeuren dan nu het geval is voor de klassieke postdoctorale mandaten. Er wordt een

l

Gerichte communicatie-acties rond het internationaal

communicatiestrategie uitgewerkt, waarin onder meer een

instrumentarium, om de Vlaamse onderzoekers nog

lanceringsevenement gepland wordt eind oktober 2011.

vertrouwder te maken met de bestaande kanalen en mogelijkheden.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Het Programma PEGASUS (‘Giving wings to your career’)


282

5.3.2 Groeipad programma bilaterale onderzoekssamenwerking Het FWO wil het programma bilaterale onderzoekssamenwerking stelselmatig uitbreiden, met name in de richting van de BRIC-landen en andere opkomende economieën. Daarmee zal het FWO zich ook inschakelen in de algemene buitenlandstrategie van Vlaanderen. De bevoegde commissie heeft in eerste instantie geopteerd voor een uitbreiding van het programma met Brazilië, waarmee het FWO via het agentschap CNPq een reeds lang lopende samenwerking heeft. Gezien het toenemende internationale gewicht van Brazilië, zowel op wetenschappelijk, economisch als politiek vlak, is het aangewezen om effectief naar een sterkere samenwerking met Brazilië te gaan. Het land vertoont een sterke groei in het aantal publicaties en heeft stevige banden met een aantal van onze buurlanden (NL, FR, DU), zoals blijkt uit het aantal gemeenschappelijke publicaties in de afgelopen jaren.


283

D O S S I E R 6 : VA LO R I S AT I E VA N ONDERZOEK IN DE HUMANE EN SOCIALE WETENSCHAPPEN Door Kristien Vercoutere (VRWI) en Danielle Raspoet (VRWI)

6.1 SITUERING

De toegevoegde waarde die hierdoor gecreëerd wordt, kan zowel economisch, sociaal of cultureel zijn, of zich situeren

Wetenschappelijk onderzoek speelt een belangrijke rol in het

op het gebied van het fysisch of psychisch welbevinden, of een

kennis- en innovatiesysteem dat gericht is op welvaarts- en

combinatie ervan.

welzijnsgroei in de samenleving. Met de discussie over de Europese innovatieparadox, vertaald in de Lissabonstrategie

Om de aard, de omvang en het belang van valorisatie in

en vandaag in de EU2020-strategie, krijgt de notie ‘valorisatie’

de humane en sociale wetenschappen in kaart te brengen,

van wetenschappelijk onderzoek bovendien toenemende

eventuele knelpunten, uitdagingen en opportuniteiten te

aandacht. In Europa wordt weliswaar veel onderzoek van hoge

detecteren en hieruit aanbevelingen te formuleren, zette de

kwaliteit verricht, maar we schijnen er onvoldoende in te slagen

voorganger van de VRWI - de VRWB - een verkennende

deze kennis optimaal in te zetten en te benutten.

studie op.

In het licht van deze innovatieparadox en het streven naar

Deze onderzoeksopdracht werd toevertrouwd aan een

de 3% norm voor O&O, wordt valorisatie van wetenschappelijk

consortium van onderzoekers onder het promotorschap van

onderzoek vaak louter gezien als de bijdrage aan economische

HIVA–K.U.Leuven. ECOOM, de UA (Legal Theory Research

bedrijvigheid. Deze eerder beperkte kijk op valorisatie spitst

Group) en de VUB (Department Research and Development)

zich dan ook voornamelijk toe op technologische innovatie die

maakten deel uit van het onderzoeksteam.

meestal voortvloeit uit (delen van) de exacte, toegepaste en biomedische wetenschappen. In deze benadering wordt de

Binnen de VRWI werd het project begeleid door een

bredere maatschappelijke bijdrage van wetenschappelijke kennis

stuurgroep onder het voorzitterschap van prof. Filip Abraham,

onvoldoende gevat en zichtbaar gemaakt. Vergeleken met

vice-rector humane wetenschappen K.U.Leuven.

krijgen de humane en sociale wetenschappen minder aandacht innovatie en in teksten over wetenschapsbeleid.

6.2 ONDERZOEKSVRAGEN EN ONDERZOEKSDESIGN

Indien Vlaanderen in 2020 tot de top-5 van de innovatiegerichte

Om een antwoord te kunnen formuleren op de onderzoeks-

regio’s in Europa wil behoren, mogen we ons niet blindstaren

vragen

op dit ene - economische - aspect. Technologische innovaties

onderzoeksmethoden:

en zijn ze ook minder prominent aanwezig in het debat over

combineerden

de

onderzoekers

verschillende

alleen volstaan immers niet om Vlaanderen in de spits te brengen van het Europese innovatiepeloton. Valorisatie moet

l

breder worden bekeken en de vraag naar valorisatie stelt zich evenzeer voor de humane en sociale wetenschappen.

buitenlandse beleidsdocumenten); l

exploratieve kwantitatieve analyse van de geldstromen;

l

20 casestudies (documentanalyse en interviews met sleutel-

Valorisatie van onderzoek in de bredere betekenis van het woord verwijst naar de processen van het geschikt en bruikbaar

figuren uit het onderzoekers- en gebruikersveld); l

maken van wetenschappelijke kennis opdat ze zou kunnen gebruikt worden door derden.

literatuurstudie (wetenschappelijke literatuur, Vlaamse en

interviews met vertegenwoordigers van alle Interface diensten van de Vlaamse associaties;

l

internationale exploratieve studie van het valorisatiebeleid;

l

workshops met een ruimere groep van stakeholders.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

de transfer vanuit de exacte en toegepaste wetenschappen,


284

Ze beperkten zich hierbij tot valorisatie van onderzoek aan

Het ligt voor de hand dat in de casestudies niet exhaustief kon

de universiteiten en hogescholen, en zoomden in op andere

worden tewerk gegaan; een twintigtal cases leek tegelijk een

vormen van valorisatie dan onderwijs en wetenschaps-

noodzakelijk minimum als een haalbaar maximum. Het spreekt

communicatie. Figuur 6.1 stelt het onderzoeksdesign

eveneens voor zich dat deze cases zeer zorgvuldig moesten

schematisch voor.

worden gekozen om het domein van de humane en sociale wetenschappen en het werkveld zo goed mogelijk af te dekken.

Op een aantal van de onderdelen uit dit onderzoeksdesign Aan de basis van de selectie van de cases lag de brede

wordt in dit dossier dieper ingegaan.

AWT-definitie van valorisatie “een proces dat ervoor zorgt dat wetenschappelijke kennis gebruikt kan worden in de praktijk.

6.3 20 CASESTUDIES

Meer precies gaat het bij valorisatie om het geschikt en bruikbaar maken van onderzoeksresultaten, opdat de kans groter wordt

De 20 casestudies vormden de spil van het onderzoeksopzet.

dat derden deze kunnen gebruiken.”1

Ze moesten toelaten een diepte-zicht te krijgen op de valorisatieprocessen en praktijken in de humane en sociale

Verder lieten de onderzoekers zich leiden door de empirische

wetenschappen en op mogelijke knelpunten en uitdagingen.

valorisatietypologie die ze in de literatuurstudie hadden

Meer bepaald stelden zij de onderzoekers in staat om:

teruggevonden en op basis waarvan ze een lijst van categorieën van valorisatiepaden opstelden:

l

l

l

l

de verschillende types van valorisatie in verschillende disciplines van de humane en sociale wetenschappen

l

publicaties, presentaties, producties, performances,

zichtbaar te maken;

l

spin-offs / patenten / licenties,

de ervaringen van onderzoekers én gebruikers op vlak van

l

contractonderzoek en collectief onderzoek,

valorisatie naar boven te halen;

l

uitwisseling van mensen,

ervaren knelpunten en uitdagingen op het terrein op het

l

training en opleiding,

spoor te komen en te expliciteren;

l

consultancy,

mogelijke verbetervoorstellen op te lijsten.

l

andere?

Figuur 6.1: Onderzoeksdesign

Literatuurstudie

Iteratieve beweging

Exploratieve analyse geldstromen Vlaamse Universiteiten

Analyse programma’s en instrumenten Vlaanderen

Vergelijking

Analyse initiatieven en ervaringen van de interfacediensten

Analyse programma’s en instrumenten buitenland

Casestudies

Actuele valorisatie in de Humane en Sociale Wetenschappen in Vlaanderen • typologie • verwezenlijkingen • onderbenutte assets • knelpunten en drempels • disciplinaire verschillen

1 AWT (2007), Alfa- en gammastralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en Gammawetenschappen. Rijswijck: Quantes, p.17.

Workshops

Beleidsaanbevelingen


285

De selectie moest een evenwichtige spreiding van de cases

Tabel 6.1 beschrijft kort de 20 geselecteerde en onderzochte

over deze paden verzekeren, maar eveneens rekening houden

cases en geeft hun verdeling over de verschillende

met een evenwichtige verdeling over de verschillende

valorisatiepaden weer. In tabel 6.2 wordt de verdeling over

disciplines in de humane en sociale wetenschappen en over

de disciplines gegeven.

de verschillende universiteiten en hogescholen in Vlaanderen.

Tabel 6.1:

Korte omschrijving van de cases en hun verdeling over de valorisatiepaden

Titel

Valorisatiepad

Korte omschrijving

01

Beestig gezond

Publicaties, presentaties, producties, performances

Ontwikkeling van een interventie om in het kleuteronderwijs aan een gezondheidsbeleid op vlak van voeding en beweging te werken.

02

Cyberbullying

Publicaties, presentaties, producties, performances

Fundamenteel en toegepast onderzoek naar pestgedrag op internet. Meerdere publicaties en conferenties werden gerealiseerd. De onderzoeker is tevens lid van het Management Committee van COST actie IS0801 "Cyberbullying: coping with negative and enhancing positive uses of new technologies, in relationships in educational settings".

03

(In)site

Publicaties, presentaties, producties, performances

Binnen dit onderzoeksproject wordt de oude relatie tussen fotografie en archeologie theoretisch en praktisch onderzocht en hertaald naar een hedendaagse beeldtaal. Door fotografie als â&#x20AC;&#x2DC;mode of engagementâ&#x20AC;&#x2122; te hanteren, als praktijk waarbij een foto gemaakt wordt en niet als techniek waarbij een foto genomen wordt, kunnen met input vanuit de kunstpraktijk nieuwe presentatieen interpretatiemodellen ontwikkeld worden, die zowel relevant zijn binnen de archeologie als binnen de beeldende kunsten. Naast publicatie van het theoretisch onderzoek zal het praktisch onderzoek tentoongesteld worden in partnerschap met de stad Leuven en het Fotomuseum van de provincie Antwerpen.

04

Schumann: de dansende dichter

Publicaties, presentaties, producties, performances

05

"Interface Our Space"

Contractonderzoek & collectief onderzoek

Onderzoek naar de interpretatie van de pianowerken van Schumann (1838-1839) op een authentieke pianoforte van het type Streicher door Piet Kuijken. Het resultaat van dit onderzoek is de realisatie van een dubbel CD bij het label Fuga Libera. Om deze CD voor te bereiden heeft de onderzoeker dit repertoire gebracht in verschillende culturele centra, op internationale festivals en heeft hij er lezingen over gegeven. In dit project wordt er via verschillende media een mappingsysteem ontwikkeld om te onderzoeken hoe participatieve mediakunst en design projecten evolueren. Deze mapping faciliteert observatie en analyse van hoe individuen en organisaties zich gedragen in een participatief proces. Omdat er geen kant en klare ontologische set van elementen kon worden gevonden die het participatieve artistieke en het design productie proces voldoende kan beschrijven, heeft het team zelf een 'mapping set' ontwikkeld.

06

Minimumbudgettenonderzoek

Contractonderzoek & collectief onderzoek

In het aanvankelijke onderzoek werden budgetten opgesteld die mensen in Vlaanderen in staat moeten stellen om gezond te leven en autonoom te handelen. In het vervolgproject zal een Waalse partner experts en lage inkomensgezinnen bevragen met het oog op het checken (en aanpassen) van de minimumbudgetten, met het oog op aanvaardbaarheid en relevantie in de Waalse en Brusselse samenleving. Eveneens een doelstelling van dit project vormt de evaluatie van de Belgische minimuminkomensbescherming in het licht van de ontwikkelde budgetstandaard.

07

Steunpunt Mobiliteit & Openbare Werken. Spoor Verkeersveiligheid.

Contractonderzoek & collectief onderzoek

Van 2002 tot en met 2006 voerde het voormalige Steunpunt Verkeersveiligheid met succes beleidsrelevant, wetenschappelijk onderzoek uit. Ruim 100 onderzoeksrapporten werden afgeleverd. Deze activiteiten worden verder gezet binnen het nieuwe Steunpunt Mobiliteit & Openbare Werken, spoor Verkeersveiligheid 2007-2011. Dit nieuwe Steunpunt telt een 18-tal onderzoekers die verbonden zijn aan de onderzoeksgroepen van de partner-instellingen: de Universiteit Hasselt (coĂśrdinator), de Provinciale Hogeschool Limburg, de Vrije Universiteit Brussel, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek en de Universiteit Gent.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Nr


286

Tabel 6.1:

Korte omschrijving van de cases en hun verdeling over de valorisatiepaden

Nr 08

Titel FLEET - FLEmish E-publishing Trends

Valorisatiepad Contractonderzoek & collectief onderzoek

Korte omschrijving Multidisciplinair onderzoeksproject naar Vlaamse e-publishing trends. Centraal staat de veranderende rol van aanbieders en ontvangers van informatie in een gedigitaliseerde netwerkmaatschappij (uitgevers, journalisten, gebruikers). Het project zal een grondige analyse geven van het medialandschap in Vlaanderen en over de grenzen, om zo te komen tot een duurzame strategie voor de Vlaamse media-industrie. Het project combineert onderzoekers uit verschillende disciplines, zoals journalistiek, mediastudies, economie, rechten, informatica en informatiekunde.

09

ABOP- Automatische Bijsluiter Optimalisator

Contractonderzoek & collectief onderzoek

Ontwikkeling auteursomgeving (software-prototype) die auteurs van bijsluiters helpt bij het leesbaar formuleren van bijsluiterteksten voor geneesmiddelen.

10

MELC - Monitoring quality of End-of-Life Care

Contractonderzoek & collectief onderzoek

End of Life Care: bio-ethisch onderzoek naar de kwaliteit van ondersteunende zorg bij het levenseinde. Adviezen aan medische wereld en middenveld.

11

GATE -Gent Archaeological Team (spin off)

Spin-offs/patenten/ licenties

Ghent Archaeological Team (GATE) werd in januari 2010 opgericht als spin-off vanuit de onderzoeksgroep Noordwest-Europese archeologie van de UGent. GATE legt zich in hoofdzaak toe op preventief archeologisch onderzoek (vooronderzoek, opgravingen en rapportage) met betrekking tot de prehistorie, protohistorie en historische periode in Vlaanderen en Noordwest-Europa.

12

TextKernel (spin-off)

Spin-offs/patenten/ licenties

Opgericht in 2001. Ontwikkeling en ter beschikking stelling van nieuwe technologie voor geavanceerde informatie-extractie uit teksten, intelligente content management systemen en oplossingen voor de verwerking van grote tekstvolumes. (Textkernel is a privately held commercial R&D spin-off from research in Natural Language Processing and Machine Learning of the ILK group at the University of Tilburg, the CNTS group at the University of Antwerp, and the Computational Linguistics group at the University of Amsterdam. Textkernel was founded in 2001.)

13

ISW Limits (spin-off)

Spin-offs/patenten/ licenties

ISW Limits is een spin-off bedrijf van de Katholieke Universiteit Leuven en de UniversitĂŠ Catholique de Louvain en is gespecialiseerd in het optimaliseren van menselijke relaties binnen organisaties en welzijn op het werk.

14

Bind-Kracht

Training & opleiding

Doel van het project is een kwaliteitsverbetering van de hulpverlening aan mensen in armoede. Het ontwikkelen van krachtgerichte hulpverleningsrelaties, omgaan met afhankelijkheid in de hulpverlening, werken aan duurzame resultaten inzake autonomieverhoging en integratie, werken aan inspraak, participatie en empowerment zijn daarbij kernthemaâ&#x20AC;&#x2122;s. De vormingen zijn bedoeld voor hulpverleners en vrijwilligers die mensen in armoede begeleiden.

15

Opleidingen aan Vlaamse ambtenaren (via Interuniversitair centrum voor wetgeving (ICW))

Training & opleiding

Het Interuniversitair Centrum voor Wetgeving vzw (ICW) werd opgezet als een overkoepelende structuur voor het wetenschappelijk onderzoek over wetgeving. Het centrum is samengesteld uit academici van alle Vlaamse universiteiten. Aangezien wetgeving in zeer grote mate een overheidsproduct is, wordt het centrum ook gekenmerkt door structurele banden met een aantal overheidsinstellingen die zich inlaten met wetgeving. Het ICW kan fungeren als aanspreekpunt voor (overheids)instellingen met het oog op wetenschappelijke dienstverlening, het uitvoeren van onderzoeksprojecten inzake wetgeving en het geven van vormingsseminaries inzake wetgeving. Het onderhoudt eveneens contacten met buitenlandse organisaties en instellingen. Om als aanspreekpunt te kunnen fungeren en om de doorstroming van informatie te bevorderen, houdt het permanent contact met relevante overheidsinstellingen inzake wetgeving via corresponderende leden.


287

Tabel 6.1:

Korte omschrijving van de cases en hun verdeling over de valorisatiepaden

Nr

Titel

Valorisatiepad

Korte omschrijving

16

Katholieke identiteit in een post-christelijke en post-seculiere samenleving: on-line instrumenten voor analyse en vorming

Consultancy

Ontwikkeling van online-instrumenten om de identiteitsstructuur van katholieke organisaties empirisch in kaart te brengen. Na interpretatie van de resultaten kunnen we gegronde aanbevelingen doen omtrent de beleidsstappen gericht op het verder door ontwikkelen van de katholieke identiteit. Deze empirische instrumenten zijn inzetbaar op drie niveaus: ze kunnen gebruikt worden door individuen, door groepen of door organisaties als geheel. De instrumenten worden geïntegreerd in een volledig geautomatiseerd webplatform, waarmee eenieder op lange termijn zelfstandig empirisch onderzoek zal kunnen uitvoeren naar katholieke identiteit.

17

‘Onderzoek naar innovatieve arbeidsorganisatie’

Consultancy

Consultancy & workshops op basis van kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, nieuwe tendensen op de arbeidsmarkt, nieuwe productieconcepten, werkorganisatie, teamwerk, werkbelasting, competentieprofielen, reorganisatie van de arbeid, flexibiliteit, welzijn op het werk, de informatiesamenleving.

18

Agressie in de welzijnssector

Uitwisseling mensen

Een orthopedagoog uit een begeleidingstehuis bijzondere jeugdbijstand, werkte gedurende enkele jaren halftijds als onderzoeker aan een onderzoeksproject over agressie in de welzijnssector.

19

Kindvriendelijk ziekenhuis

Andere

Onderzoek naar het belang van interieurvormgeving en kunst op de ziekenhuisbeleving van kinderen, met gedeeltelijke inrichting van een ziekenhuis.

20

FARO- Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed vzw

Andere

Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed: een dienstverlenende organisatie die een intermediaire rol vervult tussen het cultureelerfgoedveld en de overheid.

Tabel 6.2:

Verdeling van de cases over de verschillende

Ten eerste werden de 20 cases onder de vorm van ‘vignetten’

disciplines in de humane en sociale

gereconstrueerd en aan de lezer voorgesteld. In het kort wordt

2

het verloop van de cases geschetst en worden dié elementen

wetenschappen

weergegeven die voor dit project als betekenisvol naar voor Discipline

Aantal

komen. De vignetten geven een eerste zicht op de grote

2

Psychologie

1

variatie en de complexiteit van valorisatieprocessen in de humane

Communicatiewetenschappen

2

en sociale wetenschappen.

Sociologie

3

Economie

1

Rechten

3

Linguïstiek

2

Historische wetenschappen

2

van deze cases in zijn verschillende onderdelen en werden

Theologie en godsdienstwetenschappen

1

de verzamelde data over de verschillende cases heen geënt op

Kunsten en kunstwetenschappen

3

een ideaaltypisch chronologisch caseverloop: van het idee voor

2 Volgens de nieuwe FWO-disciplinecodes en op basis van de discipline van waaruit zij werden aangebracht

Vervolgens

werd

een

cross-case

analyse

uitgevoerd.

Hiervoor ontrafelde het onderzoeksteam het valorisatieproces

het project tot de nazorg, continuering en proliferatie ervan. Deze cross-case analyse levert heel wat bruikbare informatie op over mogelijke knelpunten en geeft mogelijke aanknopings-

Per case werden betrokkenen uit zowel het onderzoeksveld als het gebruikersveld geïnterviewd, aan de hand van een gestandaardiseerde interviewleidraad. De verzamelde informatie werd vervolgens als volgt verwerkt.

punten voor verbetervoorstellen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Pedagogiek


288

6.4

NAAR EEN TYPOLOGIE VAN VALORISATIE IN DE HUMANE EN SOCIALE WETENSCHAPPEN

Elk van deze drie niveaus werd vervolgens nader bekeken. Zo konden bv. op basis van de 14 projectgebonden valorisatiecases voor niveau 1, twee dimensies voor typologieconstructie worden weerhouden: de oorsprong van de onderzoeks-

Een derde analyse die op het casestudie materiaal werd

vraag (de vraagsturing) en de gebruikersparticipatiegraad.

uitgevoerd - en die mede gebaseerd is op de literatuurstudie -,

Binnen deze dimensies kunnen verschillende categorieën

geeft een aanzet tot het opstellen van een valorisatietypologie

worden onderscheiden, bv. voor de oorsprong van de

waarbij ‘types’ van valorisatie in de humane en sociale

onderzoeksvraag kan het gaan om aanbodgestuurd tot vraag-

wetenschappen worden onderkend.

gestuurd; bij de gebruikersparticipatiegraad om niet-participatief tot hoog participatief.

Hiervoor werden de verschillende cases naar mogelijke relevante analysedimensies en criteria onderling vergeleken op

Het onderzoeksproject liet niet toe om voor elk van de drie

betekenisvolle overeenkomsten en verschillen. Zodoende

niveaus een volledig uitgewerkte typologieconstructie door te

werden types van valorisatie geconstrueerd die intern

voeren. Wel was het mogelijk om een aantal voorzichtige

homogeen zijn (de cases ervan zijn onderling zo gelijkend

conclusies te trekken en aanbevelingen voor het beleid en voor

mogelijk) en extern heterogeen (de verschillen tussen de types

verder onderzoek te formuleren. De typologie van dimensies

zijn zo groot mogelijk).

(oorsprong van de vraag en de samengestelde indicatoren voor de participatiegraad) van valorisatieprojecten is ook informatief

Een eerste vaststelling waartoe deze analyse leidde, is dat

en bevat heel wat stof voor de ontwikkeling van tools en

valorisatie op verschillende niveaus kan gebeuren (figuur 6.2).

handleiding voor het opzetten van valorisatie-initiatieven.

Valorisatie kan gebeuren op projectniveau (1). We zien daarnaast ook vaak dat op basis van deze projecten bredere onderzoekslijnen of -programma’s worden uitgebouwd, gecentreerd rond het valorisatiethema (2). Er wordt dan gezocht naar

6.5 KWANTITATIEVE ANALYSE VAN DE GELDSTROMEN

opeenvolgende, aanvullende, complementaire, verruimende projecten, financieringen en (potentiële) gebruikersgroepen.

De exploratieve kwantitatieve analyse van de geldstromen

En soms krijgt valorisatie een structurele verankering in nieuwe

kwam niet in het oorspronkelijk onderzoeksopzet voor, maar

op valorisatie gerichte entiteiten (3).

drong zich gaandeweg op. De onderzoekers kwamen namelijk bij het literatuuroverzicht tot de vaststelling dat een groot deel van de literatuur rond valorisatie in de humane en sociale

Figuur 6.2: Drie verschillende valorisatieniveaus

wetenschappen gebaseerd is op kwalitatieve onderzoeksmethoden, zoals interviews en gevalstudies. Vooralsnog is er weinig kwantitatieve empirische evidentie beschikbaar over

Niveaus van valorisatie

de omvang en eigenheid van valorisatie in de humane en sociale wetenschappen. Dat is enerzijds begrijpelijk vanuit de moeilijke meetbaarheid

Projecten

Onderzoekslijnen en -programma’s

Structurele verankering in nieuwe entiteiten

van het concept valorisatie in de humane en sociale wetenschappen, waar de traditioneel gebruikte technologiegerelateerde valorisatiemaatstaven - zoals octrooi- en spin-off gegevens - heel wat minder relevant blijken.

© Steenssens, K. en Gijselinckx, C., 2011


289

Maar anderzijds kan hierdoor geen antwoord worden gegeven

Terzelfdertijd is het belang gebleken van een beschouwing op

op vragen zoals:

het niveau van disciplines. De analyses op dit niveau tonen aan dat er voor verschillende disciplines binnen de humane en

l

l

De problematiek van de ‘onzichtbaarheid’ van valorisatie

sociale wetenschappen geen sprake is van een deficit wat

in de humane en sociale wetenschappen. Nu hebben we

betreft de derde en vierde geldstroomfinanciering; ook niet in

enkel anekdotisch bewijsmateriaal dat er binnen de H&SW

vergelijking met sommige disciplines binnen de domeinen van

wél heel wat gebeurt.

medische en exacte & toegepaste wetenschappen.

Is de problematiek discipline gebonden? Zijn de geldde toegepaste en biomedische wetenschappen?

6.6 HET INSTRUMENTARIUM VOOR VALORISATIE

Zijn er ook binnen de H&SW zelf nog verschillen waar

Hoewel financiering een bijzonder belangrijk en noodzakelijk

te nemen?

instrument is ter ondersteuning van valorisatie, dekt de term

stromen bv. van een andere grootteorde dan die bij

l

‘valorisatie-instrumentarium’ in feite een veel ruimere lading. Via het in kaart brengen van de verdeling van de verschillende

Het valorisatie-instrumentarium in de brede zin van het woord

geldstromen over disciplines in de Vlaamse universiteiten,

refereert volgens de onderzoekers naar een geheel van

werd gepoogd een zekere cijfermatige context te bieden

instrumenten die ter ondersteuning van valorisatie kunnen

waarbinnen deze vragen kunnen gekaderd worden, nl. of

worden ingezet, waaronder:

de humane en sociale wetenschappen verschillen qua financieringsgraad ten opzichte van andere disciplines voor

l

Financieringsinstrumentarium;

toegepast of ‘valorisatie-relevant’ onderzoek.

l

Personeelsbeleid in de kennisinstellingen met adequate waarderingsmechanismen voor valorisatie van onderzoek;

De gegevens werden geput uit de gedetailleerde jaarverslagen

l

Valorisatie-ondersteunende diensten en mandaten;

van de universiteiten en werden genormaliseerd aan de hand

l

Vormings- en opleidingsbeleid gericht op de bevordering

van het aantal VTE-ZAP-leden om te corrigeren voor

van valorisatie.

schaaleffecten. Om hierin knelpunten te ontdekken en mogelijkheden voor verbetering voor te kunnen stellen, zoomden de onderzoekers

de drie domeinen bleek dat de verschillende geldstromen

in eerste instantie in op het in Vlaanderen aanwezige

eerder complementair zijn. Een deficit in één van de

financieringsinstrumentarium voor onderzoek en ontwikkeling.

financieringsbronnen (bv. die voor toegepast onderzoek) wordt

Meer bepaald de generieke onderzoeksprogramma’s van de

met andere woorden niet gecompenseerd door een andere,

Vlaamse overheid die gericht zijn op valorisatie en een aantal

beter gevulde financieringsbron (bv. die voor fundamenteel

overige in Vlaanderen beschikbare financieringskanalen voor

onderzoek). Dit bestendigt het beeld dat fundamenteel en

valorisatie van onderzoek.

toegepast onderzoek elkaar aanvullen en mutueel versterken. De interfacediensten van de associaties vormden het voorwerp De resultaten van deze kwantitatieve analyse wijzen ook op

van een afzonderlijk luik in het project. In interviews met

significante domeineffecten. Van de drie domeinen vertonen

vertegenwoordigers van de interfacediensten werd ingegaan

de humane en sociale wetenschappen de laagste financiering;

op hoe zij valorisatie als opdracht van de associatie zien,

wat geenszins dient te verwonderen gezien de kostenstructuur

welke valorisatie ze reeds waarnemen in de humane en

binnen dit domein aanzienlijk verschilt van die in de twee

sociale wetenschappen, welke drempels en hinderpalen zij

andere domeinen. Onderzoek kost aanzienlijk minder in de

ondervinden, welke initiatieven ter facilitering van valorisatie

humane en sociale wetenschappen, omdat hier doorgaans

in de humane en sociale wetenschappen ze nemen en welke

minder dure infrastructuur nodig is: geen gespecialiseerde

aanbevelingen voor het beleid ze zouden formuleren.

laboratoria, geen zware en hoogtechnologische apparatuur, geen reagentia, proefdieren,…

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Uit een analyse naar de relaties tussen de geldstromen voor


290

Aanknopingspunten voor verbetervoorstellen vonden de

l

Allerhande schotten tussen betrokken partijen en een tekort

onderzoekers ook in het buitenland. De exploratieve studie van

aan tijd(middelen) bemoeilijken de netwerking onder

beleid ten aanzien van valorisatie in de humane en sociale

onderzoekers. Ze bemoeilijken ook netwerking tussen

wetenschappen in Nederland, Finland, Canada en het VK bood

onderzoekers, gebruikers en opdrachtgevers. Deze vormen

voldoende inspiratie voor voorstellen voor de versterking van

van netwerking zijn nochtans van primair belang om te

een Vlaams valorisatiebeleid voor de humane en sociale

komen tot maatschappelijk relevant en innovatief onderzoek.

wetenschappen. l

Samenwerking (interdisciplinair, tussen hogescholen en universiteiten, met gebruikers) biedt een grote meerwaarde

6.7 ALGEMENE CONCLUSIES

voor het realiseren van valorisatie van onderzoek, maar is tevens een grote uitdaging op organisatorisch en inhoudelijk

De verschillende luiken uit het onderzoek resulteerden in

vlak waaraan voldoende tijd moet kunnen worden besteed.

volgende conclusies:

In het bijzonder blijkt de meervoudige meerwaarde die een participatief engagement van de (potentiële) gebruikers kan

l

l

Valorisatie van onderzoek in de humane en sociale

bieden. Toch zijn gebruikers niet altijd voldoende toegerust

wetenschappen dient breed te worden opgevat.

om een participatief engagement aan te gaan.

Maatschappelijke valorisatie van humaan en sociaal

l

wetenschappelijk onderzoek bestaat! Door de klein-

Ten aanzien van gebruikers uit het beleid komen een aantal specifieke uitdagingen en knelpunten in het vizier.

schaligheid van veel valorisatie-initiatieven en de moeilijke meetbaarheid van valorisatie in brede zin, zitten de humane

l

l

In de culturele en welzijnssector stelt zich een ander

en sociale wetenschappen evenwel gevangen in een

specifiek knelpunt: hier is het gebruikersveld te weinig

‘paradox van alomtegenwoordigheid en onzichtbaarheid’.

kapitaalkrachtig.

Valorisatie kan op drie niveaus gebeuren (projectgebonden

l

valorisatie, valorisatie op niveau van een onderzoeks-

Onderzoekers, gebruikers en opdrachtgevers beschikken niet altijd over voldoende valorisatiekennis en -kunde.

programma of onderzoekslijn, structurele verankering van valorisatie in nieuwe entiteiten) en laat zich verder

l

Omwille van de formulering van hun opdracht en het

structureren in een typologie op basis van onderliggende

financieringsmechanisme zien interfacediensten zich genood-

dimensies.

zaakt sterk de nadruk te leggen op economische valorisatie van wetenschappelijk onderzoek. Hierdoor worden de

l

Met als basisvoorwaarde de (h)erkenning van het belang

humane en sociale wetenschappen verhoudingsgewijze

van valorisatie van onderzoek in de humane en sociale

minder ondersteund door de interfacediensten dan die

wetenschappen door alle betrokken partijen, is een

wetenschappen die sterk op economische valorisatie en

stimulerend valorisatiebeleid een beleid dat gericht is

samenwerking met industriële partners gericht zijn.

op de motivering, responsabilisering, ondersteuning, en verbinding van alle betrokkenen op alle niveaus.

l

Contractonderzoek blijft onderbenut door onderfinanciering in specifieke gebruikerssectoren van de humane en sociale

l

Zowel op het niveau van het Vlaams wetenschaps- en

wetenschappen en door schotten tussen de verschillende

innovatiebeleid als op de niveaus van de kennisinstellingen

beleidsdomeinen.

en van de onderzoekers wordt de basisvoorwaarde van (h)erkenning van het belang van valorisatie van onderzoek

l

Problematisch is de financiering van spin-offs met een minder

in de humane en sociale wetenschappen in het kennis- en

sterke groeivoet. De consulting spin-offs uit de humane en

innovatiesysteem slechts in beperkte mate gerealiseerd.

sociale wetenschappen zijn typisch van deze aard.


291

l

Algemeen kan over het bestaande generieke overheids-

Hoewel deze analyse focuste op valorisatie van onderzoek in

instrumentarium voor financiering van valorisatie van

de humane en sociale wetenschappen, worden processen en

onderzoek worden gesteld dat er nog heel wat ruimte is

factoren bloot gelegd die niet beperkt zijn tot dit domein.

voor het meer toegankelijk en geschikt maken ervan voor

Voortbouwend op de conclusies doen de onderzoekers in hun

de humane en sociale wetenschappen. Belangrijke deel-

eindrapport al een eerste aanzet tot aanbevelingen. Tal van

aspecten hier zijn:

de aanbevelingen gelden dan ook voor de valorisatie van

• de communicatie aangaande mogelijke financierings-

onderzoek in het algemeen.

kanalen is vaak gebrekkig en ondoorzichtig. • financieringskanalen voor valorisatie van onderzoek zijn te

Een stimulerend valorisatiebeleid is bovendien een beleid dat

sterk op de economische finaliteit en industriële actoren

gericht is op het motiveren, responsabiliseren, ondersteunen en

gericht.

verbinden van alle betrokkenen op alle niveaus. De aanbevelingen

• waar financieringskanalen ook opengesteld worden voor

richten zich dus niet enkel tot de Vlaamse overheid, maar ook

projecten die op ‘maatschappelijke valorisatie’ gericht zijn,

tot de kennisinstellingen, de onderzoeker zelf en de gebruikers.

zijn de handleidingen en criteria onvoldoende vertaald en doorgedacht voor de humane en sociale wetenschappen.

Ze laten zich structureren in vijf punten:

• het uitwerken van kwalitatief hoogstaande onderzoeksvoorstellen is vaak (te) tijdsintensief in verhouding tot

1. Valorisatie breed conceptualiseren

de mogelijke personeelsinzet ervoor.

2. Valorisatie operationaliseren en zichtbaar maken

• er zijn geen middelen voor ‘nazorg’ terwijl valorisatie

3. Valorisatie waarderen

grotendeels pas na afloop van het project op gang komt

4. Valorisatie ondersteunen

en er vaak middelen nodig zijn in functie van kennis- en

5. Samenwerking ruimte geven en ondersteunen

productbeheer of voor verdere doorvertaling of herwerking van de valorisatieoutput om het valorisatiepotentieel

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie werkt deze

te realiseren.

aanbevelingen nu verder uit in een advies. Samen met het eindrapport van het hierboven toegelichte onderzoek, dat als

l

Specifieke overheidsinstrumenten voor financiering van

nummer 22 in de VRWI-studiereeks is verschenen, moet dit

valorisatie van onderzoek worden in wisselende mate als

advies een bijdrage leveren om valorisatie in de humane en

toegankelijk of geschikt ervaren voor de humane en sociale

sociale wetenschappen ‘zichtbaarder’ te maken, maar vooral

wetenschappen.

ook nog te versterken en op die manier de eerder genoemde

l

Projectproliferatie, als succesvolle strategie van onderzoekers voor het creëren van een breder financieel draagvlak voor valorisatie, noodzaakt het organisatorisch uitbouwen van een voldoende grote onderzoeksgroep met aanwezigheid en ondersteuning van alle nodige competenties.

l

In het geheel van het instrumentarium stellen we grijze zones vast: • tussen enerzijds valorisatie van onderzoek en anderzijds commercialisering, • tussen enerzijds de spin-off als vorm van commercialisering en anderzijds onderzoek.

l

In het licht van al het voorgaande, stelt zich ten slotte de vraag of er nood is aan institutionele hervormingen en of er bijzondere aandacht nodig is voor de humane wetenschappen.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

paradox op te heffen.


292

D O S S I E R 7: S E CTO R I Ë LE I N N OVAT I E P R O F I E L E N Door Petra Andries (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Pascale Dengis (EWI), Mariette Du Plessis (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven), Xiaoyan Song (K.U.Leuven), Peter Viaene (EWI) en Koen Waeyaert (EWI)

7.1 INLEIDING

7.2 AGORIA

De Vlaamse Regering organiseert in het kader van het Nieuw

De sectorfederatie Agoria vertegenwoordigt bedrijven in de

Industrieel Beleid een vernieuwend sectorbeleid dat inzet op

sectoren metaalproducten (NACE 25), informatica, elektronica,

de vernieuwing van het economische weefsel, zoals bepaald in

optica, en elektrische apparatuur (NACE 26-27) en machines,

het toekomstplan Vlaanderen in Actie en Pact 2020. Vlaanderen

motorvoertuigen en andere transportmiddelen (NACE 28-30).

heeft zich immers voorgenomen om tegen 2020 een sterke

Deze sectoren stelden in 2008 in Vlaanderen 140.701 personen

regio te worden met een hoge performantie op een aantal

tewerk in 7.095 ondernemingen (zie tabel 7.1). De totale omzet

domeinen. Hiervoor zijn in samenwerking met de sector-

in deze sectoren bedroeg 39,05 miljard euro in 2008, met een

federaties Rondetafels georganiseerd die actieplannen voor

toegevoegde waarde van 11,27 miljard euro. De bedrijven in

innovatiegedreven transformatie uitwerken en uitvoeren.

deze sector ontvingen in de periode 2004-2010 samen 15,9%

Deze strategische plannen worden gebaseerd op een SWOT-

van de EWI-steun (330 miljoen euro).3

analyse van het innovatiepotentieel. 7.2.1 O&O-activiteiten Voor vier sectoren vond er in 2010 reeds een strategieoefening plaats in het kader van de Staten-generaal voor de Industrie.

We zien in tabel 7.2 dat de uitgaven voor O&O4 inzake

Het gaat hier om de technologische industrie (Agoria),

metaalproducten (O&O-NACE 25), informatica, elektronica,

de chemiesector (Essenscia), de textiel-, hout- en meubel-

optica, en elektrische apparatuur (O&O-NACE 26-27) en

industrie (Fedustria), en de voedingsindustrie (FEVIA). Om een

machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen

inhoudelijke discussie te onderbouwen werden cijfers ingezameld.

(O&O-NACE 28-30) ongeveer 30% uitmaken van de totale

Het departement EWI zorgde voor een kort economisch

O&O-uitgaven

overzichtsprofiel per sectorfederatie op basis van de Belfirst-

Ongeveer 90% van deze O&O gebeurt door producenten van

gegevens. Daarnaast werden door het Expertiscentrum O&O

metaalproducten (hoofdactiviteit-NACE 25), van informatica,

Monitoring (ECOOM) op basis van NACE-codes ook innovatie-

elektronica, optica, en elektrische apparatuur (hoofdactiviteit-

1

2

door

Vlaamse

O&O-actieve

bedrijven.

gegevens (interne O&O , ruimere innovatieactiviteiten en

NACE 26-27) of van machines, motorvoertuigen en andere

octrooien) berekend. Dit dossier groepeert de belangrijkste

transportmiddelen (hoofdactiviteit-NACE 28-30) en 10% door

resultaten voor deze vier sectoren, uitgaand van de NACE-BEL

bedrijven met een andere hoofdactiviteit.

2008 classificatie, die conform is aan de Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2.

Tabel 7.1:

Evolutie activiteiten in de voor Agoria relevante sectoren

Aantal ondernemingen Omzet (miljoen euro) Gemiddeld aantal werknemers

2002 5.957 27.876 132.956

2003 6.219 28.431 130.307

2004 6.434 32.109 130.118

2005 6.618 33.087 130.672

2006 6.824 35.354 133.508

2007 7.020 40.060 139.279

2008 7.095 39.054 140.701

Bron: Belfirst 1 Cijfers afkomstig van de O&O-enquête van 2008. 2 Cijfers afkomstig van de CIS-enquête van 2007. 3 Data voorjaar 2011 op basis van gegevens Agentschap Ondernemen (Ecologiepremie 2004-2010 en KMO-portefeuille 2009-2010); IWT (KMO-programma 2004-2010 en O&O-bedrijfssteun 2004-2010) en PMV (Waarborgregeling 2005-2010). 4 De beschouwde O&O betreft hier enkel interne O&O, uitgevoerd binnen de eigen onderneming. Dit om mogelijke overlap in de cijfers te vermijden. Een bepaald O&O-project kan immers zowel de interne O&O van één bedrijf als de uitbestede O&O van een ander bedrijf zijn.


293

Tabel 7.2:

Uitgaven en tewerkstelling voor O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen (O&O-NACE 25-30) als % van de totaalcijfers voor interne O&O van de Vlaamse O&O-actieve bedrijven

Uitgaven van producenten met hoofdactiviteit-NACE 25-30 voor O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen Uitgaven van andere bedrijven (niet NACE 25-30) voor O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen Totale uitgaven voor O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen Tewerkstelling bij producenten met hoofdactiviteit-NACE 25-30 in O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen Tewerkstelling bij andere bedrijven (niet NACE 25-30) in O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen Totale tewerkstelling in O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur en machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen

Tabel 7.3:

2006

2007

25%

27%

4%

3%

28%

30%

27%

30%

4%

3%

32%

33%

Top-10 bedrijven op basis van uitgaven voor interne O&O inzake metaalproducten, informatica, elektronica, optica; elektrische apparatuur en machines; en motorvoertuigen en andere transportmiddelen (O&O-NACE 25-30)

Bedrijf

HoofdactiviteitNACE

AGFA GEVAERT

26

ALCATEL-LUCENT BELL NV

26

AMI SEMICONDUCTOR BELGIUM

26

ATLAS COPCO AIRPOWER

28

BARCO

26

CNH BELGIUM

28

NV BEKAERT SA

24

PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS

27

TENNECO AUTOMOTIVE EUROPE

29

THOMSON TELECOM BELGIUM

26

Voor bedrijven met O&O-uitgaven inzake metaalproducten

O&O-actieve bedrijven onderzoek naar metaalproducten

(O&O-NACE 25), informatica, elektronica, optica, en elektrische

(O&O-NACE 25), naar informatica, elektronica, optica,

apparatuur (O&O-NACE 26-27) en machines, motorvoertuigen

en elektrische apparatuur (O&O-NACE 26-27) of naar

en andere transportmiddelen (O&O-NACE 28-30), bedragen

machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen

deze uitgaven ongeveer 2,8% van hun omzet. Ongeveer 8,9%

(O&O-NACE 28-30). Het leeuwendeel van dit O&O-personeel

van hun medewerkers doen onderzoek op dit vlak (zie tabel 7.4).

wordt tewerkgesteld bij producenten van metaalproducten (hoofdactiviteit-NACE 25), van informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur (hoofdactiviteit-NACE 26-27) of van

Tabel 7.4:

O&O-intensiteit van bedrijven met interne O&O

machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen

inzake metaalproducten, informatica, elektronica,

(hoofdactiviteit-NACE 28-30) en een klein gedeelte bij

optica, elektrische apparatuur, machines,

bedrijven met een andere hoofdactiviteit (zie tabel 7.2).

motorvoertuigen of andere transportmiddelen (O&O-NACE 25, 26, 27, 28, 29 en/of 30)

Tabel 7.3 geeft de 10 Vlaamse bedrijven met de hoogste uitgaven voor O&O inzake metaalproducten (O&O-NACE 25), informatica, elektronica, optica, en elektrische apparatuur (O&O-NACE 26-27) of machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen (O&O-NACE 28-30). De bedrijven werden alfabetisch gerangschikt.

2006

2007

Uitgaven voor interne O&O Omzet

2,7%

2,8%

O&O-personeel Totaal personeel

8,6%

8,9%

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Tevens doet ongeveer 30% van het O&O-personeel in Vlaamse


294

Figuur 7.1: Genormaliseerde EPO-octrooiaanvragen per land van aanvrager en/of uitvinder over alle voor Agoria relevante NACE-codes (per miljoen inwoners)

EPO octrooiaanvragen per miljoen inwoners

350

300

SE

250

FI NL DE

200 VL DK JP BE FR US GB

150

100

50

0 1992

n BE

1993

n DE

1994

n DK

1995

n FI

1996

1997

n FR

1998

n GB

1999

n JP

7.2.2 Innovatieactiviteiten

2000

n NL

2001

n SE

2002

n US

2003

2004

2005

2006

n VL

Om te controleren voor de grootte van een land dienen de octrooiaantallen gedeeld te worden door het populatieaantal

Een analyse van de innovatieactiviteiten biedt een ruimer beeld

van het land. Uit de resultaten (zie figuur 7.1) blijkt dat

op de sector. Van de Vlaamse producenten van metaalproducten

Zwitserland, Luxemburg, Finland en Zweden hoge octrooi-

(hoofdactiviteit-NACE 25), van informatica, elektronica, optica,

aantallen per jaar hebben over de periode 1992-2006.

en elektrische apparatuur (hoofdactiviteit-NACE 26-27) of van

België komt in 2005 op de elfde plaats tussen de referentie-

machines, motorvoertuigen en andere transportmiddelen

landen en Vlaanderen staat op de zevende plaats.

(hoofdactiviteit-NACE 28-30) was ongeveer 63% in de periode

Meer gedetailleerde analyses geven aan dat Vlaanderen vooral

2004-2006 innovatief, wat betekent dat zij ofwel nieuwe of

hoge octrooiaantallen (genormaliseerd voor populatiegrootte)

sterk verbeterde producten/diensten of nieuwe of sterk verbeterde

heeft in volgende deelsectoren:

processen introduceerden, ofwel innovatieactiviteiten hadden

• Vervaardiging van machines voor de landbouw en de bosbouw;

die in 2006 (nog) niet tot nieuwe producten/processen hadden

• Vervaardiging van overige machines voor specifieke

geleid.

doeleinden; • Vervaardiging van huishoudapparaten;

7.2.3 Octrooien

• Vervaardiging van elektronische onderdelen; • Vervaardiging van optische instrumenten en van foto- en

Het ECOOM heeft toegang tot alle octrooien die opgenomen

filmapparatuur.

zijn in de PATSTAT-databank (versie oktober 2009). Door gebruik te maken van de relevante IPC-klassen voor elk van de NACE-

Voor België hebben vooral de volgende deelsectoren hoge

codes (zie Schmoch et al., 2003) kunnen alle relevante

genormaliseerde octrooiaantallen ten opzichte van de meeste

octrooien over verschillende jaren geëxtraheerd worden.

andere referentielanden:

Onderstaande bespreking focust op de octrooiaanvragen bij

• Vervaardiging van machines voor de landbouw en de bosbouw

het Europees Patenbureau (EPO) die relevant zijn voor de

• Vervaardiging van wapens en munitie

economische sectoren vertegenwoordigd door Agoria.

• Vervaardiging van huishoudapparaten


295

Tabel 7.5:

Evolutie activiteiten in de voor Essenscia relevante sectoren

Aantal ondernemingen Omzet (in miljoen euro) Gemiddeld aantal werknemers

2002 1.301 38.269 71.152

2003 1.330 39.728 70.168

2004 1.380 45.966 70.556

2005 1.403 56.784 70.355

2006 1.432 62.459 71.367

2007 1.462 63.792 72.142

2008 1.477 68.878 71.260

Bron: Belfirst

Tabel 7.6:

Uitgaven en tewerkstelling voor O&O inzake chemie (O&O-NACE 20-22) als % van de totaalcijfers voor interne O&O van de Vlaamse O&O-actieve bedrijven

Uitgaven van chemiebedrijven (NACE 20-22) voor O&O inzake chemie

2006

2007

26%

29%

9%

8%

Totale uitgaven voor O&O inzake chemie

35%

37%

Tewerkstelling bij chemiebedrijven (NACE 20-22) in O&O inzake chemie

17%

20%

8%

7%

25%

26%

Uitgaven van andere bedrijven (niet NACE 20-22) voor O&O inzake chemie

Tewerkstelling bij andere bedrijven (niet NACE 20-22) in O&O inzake chemie Totale tewerkstelling in O&O inzake chemie

Tabel 7.7:

Top-10 bedrijven op basis van uitgaven voor interne O&O inzake chemie (O&O-NACE 20-22)

Bedrijf

HoofdactiviteitNACE 26 20 20 22 72 72 21 21 70 72

AGFA GEVAERT AGFA GRAPHICS N.V. BAYER ANTWERPEN NV. CYTEC SURFACE SPECIALTIES GALAPAGOS NV INNOGENETICS JANSSEN PHARMACEUTICA PFIZER MANUFACTURING BELGIUM PROCTER AND GAMBLE EUROCOR TIBOTEC-VIRCO VIROLOGY

7.3.1 O&O-activiteiten

De sectorfederatie Essenscia vertegenwoordigt bedrijven in de

We zien in tabel 7.6 dat de uitgaven voor O&O6 inzake chemie

chemiesector (NACE 20-22). Deze sector stelde in 2008 in

(O&O-NACE 20-22) ongeveer 37% uitmaken van de totale

Vlaanderen 71.260 personen tewerk in ongeveer 1.477 onder-

O&O-uitgaven

nemingen (zie tabel 7.5). De totale omzet in deze sector

Ongeveer drie vierde van deze O&O gebeurt door

bedroeg 68,88 miljard euro in 2008, met een toegevoegde

chemiebedrijven (hoofdactiviteit-NACE 20-22) en een vierde

waarde van 10,2 miljard euro. De export in de chemiesector

door bedrijven met een andere hoofdactiviteit.

door

Vlaamse

O&O-actieve

bedrijven.

bedroeg ongeveer 51 miljard euro in 2008. De bedrijven in deze sector ontvingen in de periode 2004-2010 samen 8,8%

Tevens doet ongeveer 26% van het O&O-personeel in Vlaamse

van de EWI-steun (183 miljoen euro).5

O&O-actieve bedrijven onderzoek inzake chemie. Ongeveer drie vierde van dit O&O-personeel wordt tewerkgesteld bij chemiebedrijven (hoofdactiviteit-NACE 20-22) en een vierde bij bedrijven met een andere hoofdactiviteit (zie tabel 7.6).

5 Data voorjaar 2011 op basis van gegevens Agentschap Ondernemen (Ecologiepremie 2004-2010 en KMO-portefeuille 2009-2010); IWT (KMO-programma 2004-2010 en O&O-bedrijfssteun 2004-2010) en PMV (Waarborgregeling 2005-2010). 6 De beschouwde O&O betreft hier enkel interne O&O, uitgevoerd binnen de eigen onderneming. Dit om mogelijke overlap in de cijfers te vermijden. Een bepaald O&O-project kan immers zowel de interne O&O van ĂŠĂŠn bedrijf als de uitbestede O&O van een ander bedrijf zijn.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

7.3 ESSENSCIA


296

Tabel 7.7 geeft de 10 Vlaamse bedrijven met de hoogste uitgaven

7.3.2 Innovatieactiviteiten

voor O&O inzake chemie (O&O-NACE 20-22). De bedrijven Een analyse van de innovatieactiviteiten biedt een ruimer beeld

werden alfabetisch gerangschikt.

op de sector. Van de Vlaamse chemiebedrijven (hoofdactiviteitVoor bedrijven met O&O-uitgaven inzake chemie (O&O-

NACE 20-22) was ongeveer 79% in de periode 2004-2006

NACE 20-22), bedragen deze uitgaven ongeveer 3,5% van

innovatief, wat betekent dat zij ofwel nieuwe of sterk verbeterde

hun omzet. Ongeveer 12,2% van hun medewerkers doen

producten/diensten of nieuwe of sterk verbeterde processen

onderzoek op dit vlak (zie tabel 7.8).

introduceerden, ofwel innovatieactiviteiten hadden die in 2006 (nog) niet tot nieuwe producten/processen hadden geleid.

Tabel 7.8:

O&O-intensiteit van bedrijven met interne O&O

7.3.3 Octrooien

inzake chemie (O&O-NACE 20-22) Het ECOOM heeft toegang tot alle octrooien die opgenomen 2006

2007

Uitgaven voor interne O&O Omzet

3,3%

3,5%

O&O-personeel Totaal personeel

11,1%

zijn in de PATSTAT-databank (versie oktober 2009). Door gebruik te maken van de relevante IPC-klassen voor elk van de NACEcodes

12,2%

(zie Schmoch et al., 2003) kunnen alle relevante

octrooien over verschillende jaren geĂŤxtraheerd worden. Onderstaande bespreking focust op de octrooiaanvragen bij het Europees Patenbureau (EPO) die relevant zijn voor de chemiesector.

Figuur 7.2: Genormaliseerde EPO-octrooiaanvragen per land van aanvrager en/of uitvinder over alle voor Essenscia relevante NACE-codes (per miljoen inwoners)

EPO octrooiaanvragen per miljoen inwoners

150

125 VL BE DK NL SE DE

100

75

FI FR JP US GB

50

25

0 1992

n BE

1993

n DE

1994

n DK

1995

n FI

1996

1997

n FR

1998

n GB

1999

n JP

2000

n NL

2001

n SE

2002

n US

2003

2004

n VL

2005

2006


297

Om te controleren voor de grootte van een land dienen de

Voor de deelsector farmacie (NACE 21) staan Vlaanderen en

octrooiaantallen gedeeld te worden door het populatieaantal

België respectievelijk op een vijfde en negende plaats

van het land. Uit de resultaten (zie figuur 7.2) blijkt dat

betreffende genormaliseerde octrooiaantallen.

Zwitserland, Luxemburg, Vlaanderen, Nederland en Duitsland hoge octrooiaantallen per jaar hebben over de periode 1992-2006. België komt in 2005 op de vijfde plaats tussen de referentie-

7.4 FEDUSTRIA

landen en Vlaanderen staat op de derde plaats in de rangorde. Meer gedetailleerde analyses tonen aan dat Vlaanderen vooral

De sectorfederatie Fedustria vertegenwoordigt bedrijven in

hoge octrooiaantallen (genormaliseerd voor populatiegrootte)

de textiel-, hout- en meubelsector (NACE 13, 16, 31, 32).

heeft in volgende deelsectoren:

Deze sector stelde in 2008 in Vlaanderen 32.088 personen

• Vervaardiging van chemische basisproducten (derde plaats)

tewerk in ongeveer 2.638 ondernemingen (zie tabel 7.9).

• Vervaardiging van verdelgingsmiddelen en van andere

De totale omzet in deze sector bedroeg 9,1 miljard euro in

chemische producten voor de landbouw (derde plaats) • Vervaardiging van zeep, wasmiddelen, poets- en reinigingsmiddelen, parfums en cosmetische artikelen (tweede plaats)

2008, met een toegevoegde waarde van 2 miljard euro. De bedrijven in deze sector ontvingen in de periode 20042010 samen 1,5% van de EWI-steun (30 miljoen euro).7

• Vervaardiging van overige chemische producten (tweede plaats) 7.4.1 O&O-activiteiten Voor België hebben vooral de volgende deelsectoren hoge genormaliseerde octrooiaantallen ten opzichte van de meeste

We zien in tabel 7.10 dat de uitgaven voor O&O8 inzake

andere referentielanden:

textiel-, hout- en meubelactiviteiten (O&O-NACE 13, 16, 31, 32)

• Vervaardiging van chemische basisproducten (vierde plaats)

1% uitmaken van de totale O&O-uitgaven door Vlaamse

• Vervaardiging van zeep, wasmiddelen, poets- en reinigings-

O&O-actieve bedrijven. Het overgrote deel van deze O&O

middelen, parfums en cosmetische artikelen (derde plaats)

gebeurt door textiel-, hout- en meubelbedrijven (hoofd-

• Vervaardiging van overige chemische producten (vierde plaats)

activiteit-NACE 13, 16, 31, 32) en een zéér klein gedeelte door

• Vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels

bedrijven met een andere hoofdactiviteit.

(derde plaats)

Tabel 7.9:

Evolutie activiteiten in de voor Fedustria relevante sectoren 2002 2.468 9.060 34.847

2003 2.537 8.846 33.780

2004 2.597 9.241 32.979

2005 2.625 9.440 32.301

2006 2.636 9.367.369 32.203

2007 2.661 9.782 32.891

2008 2.638 9.094 32.088

Bron: Belfirst

Tabel 7.10:

Uitgaven en tewerkstelling voor O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten (O&O-NACE 13, 16, 31, 32) als % van de totaalcijfers voor interne O&O van de Vlaamse O&O-actieve bedrijven 2006

Uitgaven van textiel-, hout- en meubelbedrijven (NACE 13, 16, 31, 32) voor O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Uitgaven van andere bedrijven (niet NACE 13, 16, 31, 32) voor O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Totale uitgaven voor O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Tewerkstelling bij textiel-, hout- en meubelbedrijven (NACE 13, 16, 31, 32) in O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Tewerkstelling bij andere bedrijven (niet NACE 13, 16, 31, 32) in O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Totale tewerkstelling in O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten

2007

1%

1%

<1%

<1%

1%

1%

2%

2%

<1%

<1%

2%

2%

7 Data voorjaar 2011 op basis van gegevens Agentschap Ondernemen (Ecologiepremie 2004-2010 en KMO-portefeuille 2009-2010); IWT (KMO-programma 2004-2010 en O&O-bedrijfssteun 2004-2010) en PMV (Waarborgregeling 2005-2010). 8 De beschouwde O&O betreft hier enkel interne O&O, uitgevoerd binnen de eigen onderneming. Dit om mogelijke overlap in de cijfers te vermijden. Een bepaald O&O-project kan immers zowel de interne O&O van één bedrijf als de uitbestede O&O van een ander bedrijf zijn.

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Aantal ondernemingen Omzet (in miljoen euro) Gemiddeld aantal werknemers


298

Tabel 7.11:

Top-10 bedrijven op basis van uitgaven voor interne O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten (O&O-NACE 13, 16, 31, 32)

Bedrijf

HoofdactiviteitNACE

ASSOCIATED WEAVERS EUROPE

13

BRUSTOR

13

CONCORDIA TEXTILES

13

DESSO N.V.

13

DOMO ZELE

13

LANO

13

MARCEL LIEBAERT

13

MECAM

31

MILLIKEN EUROPE

13

UTEXBEL

13

Tabel 7.12:

O&O-intensiteit van bedrijven met interne O&O

7.4.2 Innovatieactiviteiten

inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten Een analyse van de innovatieactiviteiten biedt een ruimer beeld

(O&O-NACE 13, 16, 31, 32)

op de sector. Van de Vlaamse textiel-, hout- en meubel2006

2007

Uitgaven voor interne O&O Omzet

0,5%

0,6%

O&O-personeel Totaal personeel

1,9%

2,1%

bedrijven (hoofdactiviteit-NACE 13, 16, 31, 32) was ongeveer 64% in de periode 2004-2006 innovatief, wat betekent dat zij ofwel nieuwe of sterk verbeterde producten/diensten of nieuwe of sterk verbeterde processen introduceerden, ofwel innovatieactiviteiten hadden die in 2006 (nog) niet tot nieuwe

Tevens doet ongeveer 2% van het O&O-personeel in Vlaamse

producten/processen hadden geleid.

O&O-actieve bedrijven onderzoek inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten. Het overgrote deel van dit O&O-personeel

7.4.3 Octrooien

wordt tewerkgesteld bij textiel-, hout- en meubelbedrijven (hoofdactiviteit-NACE 13, 16, 31, 32) en een zéér klein gedeelte bij bedrijven met een andere hoofdactiviteit (zie tabel 7.10).

Het ECOOM heeft toegang tot alle octrooien die opgenomen zijn in de PATSTAT-databank (versie oktober 2009). Door gebruik te maken van de relevante IPC-klassen voor elk van de NACE-

Tabel 7.11 geeft de 10 Vlaamse bedrijven met de hoogste

codes

uitgaven voor O&O inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten

octrooien over verschillende jaren geëxtraheerd worden.

(O&O-NACE 13, 16, 31, 32). De bedrijven werden alfabetisch

Onderstaande bespreking focust op de octrooiaanvragen bij

gerangschikt.

het Europees Patenbureau (EPO) die relevant zijn voor de

(zie Schmoch et al., 2003) kunnen alle relevante

economische sectoren vertegenwoordigd door Fedustria. Voor bedrijven met O&O-uitgaven inzake textiel-, hout- en meubelactiviteiten (O&O-NACE 13, 16, 31, 32), bedragen deze

Om te controleren voor de grootte van een land dienen

uitgaven ongeveer 0,6 % van hun omzet. Ongeveer 2,1% van

de octrooiaantallen gedeeld te worden door het populatieaantal

hun medewerkers doen onderzoek op dit vlak (zie tabel 7.12).

van het land. Uit de resultaten (zie figuur 7.3) blijkt dat Zwitserland, Luxemburg, Oostenrijk, Duitsland en Zweden hoge octrooiaantallen per jaar hebben over de periode 19922006. België komt in 2005 op de elfde plaats tussen de referentielanden en Vlaanderen staat op de zevende plaats. Meer gedetailleerde analyses tonen aan dat Vlaanderen vooral met betrekking tot textiel hoog in de rangorde staat, namelijk op een vierde plaats (genormaliseerd voor populatiegrootte). België staat inzake textiel op de zesde plaats in de rangorde.


299

Figuur 7.3: Genormaliseerde EPO-octrooiaanvragen per land van aanvrager en/of uitvinder over alle voor Fedustria relevante NACE-codes (per miljoen inwoners)

EPO octrooiaanvragen per miljoen inwoners

15

10 SE DE DK NL VL BE FI FR JP GB US

5

0 1992

n BE

Tabel 7.13:

1993

n DE

1994

1995

n DK

1996

n FI

1997

n FR

1998

n GB

1999

n JP

2000

n NL

2001

n SE

2002

n US

2003

2004

2005

2006

n VL

Evolutie activiteiten in de voor Fevia relevante sectoren

Aantal ondernemingen Omzet (in miljoen euro) Gemiddeld aantal werknemers

2002 2.575 18.213 46.478

2003 2.694 18.815 46.832

2004 2.777 18.732 46.417

2005 2.872 19.797 47.895

2006 2.974 20.779 49.505

2007 3.050 23.190 50.418

2008 3.080 26.123 51.201

Bron: Belfirst

Uitgaven en tewerkstelling voor O&O inzake voeding (O&O-NACE 10) als % van de totaalcijfers voor interne O&O van de Vlaamse O&O-actieve bedrijven 2006

2007

Uitgaven van voedingsbedrijven (NACE 10) voor O&O inzake voeding

3%

2%

Uitgaven van andere bedrijven (niet NACE 10) voor O&O inzake voeding

1%

1%

Totale uitgaven voor O&O inzake voeding

3%

3%

Tewerkstelling bij voedingsbedrijven (NACE 10) in O&O inzake voeding

4%

4%

Tewerkstelling bij andere bedrijven (niet NACE 10) in O&O inzake voeding

1%

1%

Totale tewerkstelling in O&O inzake voeding

5%

5%

7.5 FEVIA

De totale omzet in deze sector bedroeg 26,1 miljard euro in 2008, met een toegevoegde waarde van 4,1 miljard euro.

De sectorfederatie Fevia vertegenwoordigt bedrijven in de

De bedrijven in deze sector ontvingen in de periode 2004-

voedingsector (NACE 10). Deze sector stelde in 2008 in Vlaanderen

2010 samen 1,9% van de EWI-steun (40 miljoen euro).9

51.201 personen tewerk in ongeveer 3.080 ondernemingen (zie tabel 7.13).

9 Data voorjaar 2011 op basis van gegevens Agentschap Ondernemen (Ecologiepremie 2004-2010 en KMO-portefeuille 2009-2010); IWT (KMO-programma 2004-2010 en O&O-bedrijfssteun 2004-2010) en PMV (Waarborgregeling 2005-2010).

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S

Tabel 7.14:


300

Tabel 7.15:

Top-10 bedrijven op basis van uitgaven voor interne O&O inzake voeding (O&O-NACE 10)

Bedrijf

HoofdactiviteitNACE

ALPRO

10

AVEVE

10

BARRY CALLEBAUT BELGIUM NV

10

CARGILL R&D CENTRE EUROPE

71

FRIESLAND FOODS PROFESSIONAL BELGIUM

10

PURATOS

10

SYRAL

10

TESSENDERLO CHEMIE

20

TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ

10

VANDEMOORTELE IZEGEM

10

7.5.2 Innovatieactiviteiten Tabel 7.16:

O&O-intensiteit van bedrijven met interne O&O Een analyse van de innovatieactiviteiten biedt een ruimer beeld

inzake voeding (O&O-NACE 10)

op de sector. Van de Vlaamse voedingsbedrijven (hoofdactiviteit2006

2007

Uitgaven voor interne O&O Omzet

0,6%

0,6%

O&O-personeel Totaal personeel

3,2%

NACE 10) was ongeveer 65% in de periode 2004-2006 innovatief, wat betekent dat zij ofwel nieuwe of sterk verbeterde

3,2%

producten/diensten of nieuwe of sterk verbeterde processen introduceerden, ofwel innovatieactiviteiten hadden die in 2006 (nog) niet tot nieuwe producten/processen hadden geleid.

7.5.1 O&O-activiteiten 7.5.3 Octrooien We zien in tabel 7.14 dat de uitgaven voor O&O10 inzake voeding (O&O-NACE 10) 3% uitmaken van de totale O&O-uitgaven door

Het ECOOM heeft toegang tot alle octrooien die opgenomen

Vlaamse O&O-actieve bedrijven. Ongeveer een drie vierde van

zijn in de PATSTAT-databank (versie oktober 2009). Door gebruik

deze O&O gebeurt door voedingsbedrijven (hoofdactiviteit-NACE

te maken van de relevante IPC-klassen voor elk van de NACE-

10) en één vierde door bedrijven met een andere hoofdactiviteit.

codes (zie Schmoch et al., 2003) kunnen alle relevante

Tevens doet ongeveer 5% van het O&O-personeel in Vlaamse

octrooien over verschillende jaren geëxtraheerd worden.

O&O-actieve bedrijven onderzoek inzake voeding. Ongeveer

Onderstaande bespreking focust op de octrooiaanvragen bij

vier vijfde van dit O&O-personeel wordt tewerkgesteld bij

het Europees Patenbureau (EPO) die relevant zijn voor de

voedingsbedrijven (hoofdactiviteit-NACE 10) en één vijfde

economische sectoren vertegenwoordigd door Fevia.

bij bedrijven met een andere hoofdactiviteit (zie tabel 7.14). Om te controleren voor de grootte van een land dienen de Tabel 7.15 geeft de 10 Vlaamse bedrijven met de hoogste uitgaven

octrooiaantallen gedeeld te worden door het populatieaantal

voor O&O inzake voeding (O&O-NACE 10). De bedrijven

van het land. Uit de resultaten (zie figuur 7.4) blijkt dat

werden alfabetisch gerangschikt.

Zwitserland, Denemarken, Nederland, Vlaanderen en België hoge octrooiaantallen per jaar hebben over de periode 1992-

Voor bedrijven met O&O-uitgaven inzake voeding (O&O-

2006. België komt in 2005 op de vijfde plaats tussen de

NACE 10), bedragen deze uitgaven ongeveer 0,6 % van hun

referentielanden en Vlaanderen staat op de vierde plaats in

omzet. Ongeveer 3,2% van hun medewerkers doen onderzoek

de rangorde (telkens genormaliseerd voor populatiegrootte).

op dit vlak (zie tabel 7.16).

10 De beschouwde O&O betreft hier enkel interne O&O, uitgevoerd binnen de eigen onderneming. Dit om mogelijke overlap in de cijfers te vermijden. Een bepaald O&O-project kan immers zowel de interne O&O van één bedrijf als de uitbestede O&O van een ander bedrijf zijn.


301

Figuur 7.4: Genormaliseerde EPO-octrooiaanvragen per land van aanvrager en/of uitvinder over alle voor Fevia relevante NACE-codes (per miljoen inwoners)

EPO octrooiaanvragen per miljoen inwoners

20

15

DK NL

10

VL BE FI DE FR GB US SE JP

5

0 1992

n BE

1993

n DE

1994

n DK

1995

n FI

1996

1997

n FR

1998

n GB

1999

n JP

2000

n NL

2001

n SE

2002

n US

2003

2004

2005

2006

n VL

REFERENTIES â&#x20AC;¢ SCHMOCH, U., LAVILLE, F., PATEL, P.,FRIETSCH, R., Linking Technology Areas to Industrial Sectors. Final report to the European Commission, DG research. Karlsruhe, Paris, Brighton, November 2003. V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011 D O S S I E R S


302

AUTEURSLIJST

• Dr.ir. Pascale DENGIS, EWI, is als hoofd van de afdeling Kennisbeheer verbonden aan het departement Economie,

• Dr. Petra ANDRIES, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker

Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Hanne DERYCKE, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Mevrouw Anneleen BRUYLANT, K.U.Leuven, is als

de Vlaamse Gemeenschap.

administratief medewerker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Ir. Mariëtte DU PLESSIS, K.U.Leuven, is als medewerker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Dr. Julie CALLAERT, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker

de Vlaamse Gemeenschap.

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Dr. Tim ENGELS, Universiteit Antwerpen, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O

• De Heer Donald CARCHON, IWT, is als adviseur verbonden

Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie.

• Prof. Dr. Pol GHESQUIÈRE, K.U.Leuven, is voorzitter van het Gezaghebbende Panel voor het VABB-SHW.

• Mevrouw Kirsten CORNELISSEN, VLIR, is als stafmedewerker onderzoeksbeleid verbonden aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad.

• Mevrouw Danielle GILLIOT, VLIR, is als senior stafmedewerker onderzoeksbeleid verbonden aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad.

• Prof. dr. Dirk CZARNITZKI, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse

• Prof. Dr. Steven GILLIS, Universiteit Antwerpen, is gewoon

Gemeenschap en is hoofd van de onderzoeksgroep

hoogleraar en lid van het Gezaghebbende Panel voor het

Innovatie van het Expertisecentrum O&O Monitoring van

VABB-SHW.

de Vlaamse Gemeenschap. • Prof. dr. Wolfgang GLÄNZEL, K.U.Leuven, is hoogleraar en • Prof. dr.ir. Koenraad DEBACKERE, K.U.Leuven, is gewoon hoogleraar en promotor-woordvoerder van het Expertise-

co-promotor - directeur van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

centrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Hans GROENVYNCK, UGent, is als senior onderzoeker • Drs. Katrien DE BOYSER, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Machteld HOSKENS, K.U.Leuven, is als senior • Mevrouw Linda De KOCK, Departement Onderwijs en Vorming, is adviseur bij de Afdeling Hoger Onderwijs.

onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Julie DELANOTE, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker

• Drs. Annik LEYMAN, UGent, is als doctoraatsonderzoeker

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

de Vlaamse Gemeenschap.

de Vlaamse Gemeenschap.

• De Heer Alain DELEENER, IWT, is als adviseur Europrogramma’s verbonden aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie.

• Dr.ir. Elisabeth MONARD, FWO, is secretaris-generaal van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen.


303

• Drs. Truyken OSSENBLOK, Universiteit Antwerpen, is als

• Prof. dr. Ronan VAN ROSSEM, UGent, is hoofddocent aan

doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum

de UGent en is co-promotor van het Expertisecentrum

O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Dr. Daniëlle RASPOET, VRWI, is secretaris van de Vlaamse

• Prof. dr. Reinhilde VEUGELERS, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse

Raad voor Wetenschap en Innovatie.

Gemeenschap. • Dr. Annie RENDERS, IWT, is als VIN-coördinator verbonden aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en

• Dr. Kristien VERCOUTERE, VRWI, is als navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie.

Technologie. • Mevrouw Xiaoyan SONG, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Dr. Stijn VERLEYEN, FWO, is beleidsadviseur bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen.

de Vlaamse Gemeenschap. • De Heer Peter VIAENE, EWI, is als beleidsmedewerker • Dr. Eric SPRUYT, Universiteit Antwerpen, is departementshoofd van het Departement Onderzoek van de Universiteit

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

Antwerpen. • De Heer Koen WAEYAERT, EWI, is als beleidsmedewerker • Mevrouw Nathalie STEVENS, Universiteit Antwerpen, was als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Prof. Dr. Dominique WILLEMS, UGent, is lid van het • Dr. Bart THIJS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker

Gezaghebbende Panel voor het VABB-SHW.

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Susanne THORWARTH, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Prof. Dr. Jean Paul VAN BENDEGEM, VUB, is lid van het Gezaghebbende Panel voor het VABB-SHW.

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Mevrouw Monica VAN LANGENHOVE, EWI, is als beleidsmedewerker verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid. • Prof. dr. Bart VAN LOOY, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap

en

hoofd

van

Technometrie van het Steunpunt.

de

onderzoeksgroep

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011

• Dr. Karen VANDEVELDE, UGent, is als senior onderzoeker


304

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM:

CWTS

Centre for Science and Technology Studies Leiden

DTO

Duurzame Technologische Ontwikkeling

AAP

Assisterend Academisch Personeel

EFRO

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

ABA

Academische bacheloropleidingen

EMBO

European Molecular Biology Organisation

ABOP

Automatische Bijsluiter Optimalisator

ENGN

Ingenieurswetenschappen

AGR

Agronomy - Landbouw

EPO

European Patent Office

AGRI

Agronomie en omgevingswetenschappen

ERA

European Research Area

A&HCI

Arts & Humanities Citation Index

ERC

European Research Council

AI

Activiteitsindex

ESA

European Space Agency

AILO

Academische Initiële Lerarenopleiding

ESF

Europees Sociaal Fonds

AWT

Nederlandse Adviesraad voor Wetenschaps-

ESF

European Science Foundation European Syncrotron Radiation Facility

en Technologiebeleid

ESRF

BAMA

Bachelor - Master

ESFR-DUBBLE European Syncrotron Radiation Facility –

BBP

Bruto Binnenlands Product

BBPR

Bruto Binnenlands Product per Regio

BECETEL

Belgian Research Centre for Pipes and Fittings

BERD

Business Expenditures on R&D

ESO

European Southern Observatory

BIO

Biology - Biologie

EU

Europese Unie

BIOL

Biologie

EUR

Euro

BIOM

Biomedisch onderzoek

EUROSTAT

Europees Statistisch Bureau

BIOS

Biowetenschappen

EWI

Departement Economie, Wetenschap en

BOF

Bijzonder Onderzoeksfonds

BRIC

Brazilië, Rusland, India en China

CBGS

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën

CENTEXBEL Wetenschappelijk en Technisch Centrum van

Dutch-Belgian beamline ESFRI

European Strategy Forum on Research Infrastructures

Innovatie van de Vlaamse Gemeenschap FFEU

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven

FhG-ISI

de Belgische Textielnijverheid

Fraunhofer Gesellschaft – Institut für Systeemtechniek und Innovationsforschung

CERN

Centre de Recherche Nucléaire

FLAMAC

Flanders’ Materials Research Centre

CFS-STAT

Werkgroep Statistiek voor de Commissie

Flanders’ DC

Flanders’ Districts of Creativity

Federale Samenwerking

FLEET

FLEmisch E-publishing Trends

CHE

Chemistry - Scheikunde

FMTC

Flanders’ Mechatronics Technology Centre

CHEM

Chemie

FNR

Fonds National de la Recherche

CIS (I, II, III)

Community Innovation Survey

FWO

Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –

CLE

Centrum voor Landbouweconomie

CLI

Klinische en experimentele geneeskunde

GATE

Gent Archeological Team

CLO

Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek

GBAORD

Government Budget Appropriations or

CMI

Centrum voor Medische Innovatie

CNPq

Conselho Nacional de Desenvolvimento

GERD

Gross Expenditures R&D

Científico e Tecnológico

GEOS

Aard- en ruimtewetenschappen

European Cooperation in the field of Scientific

GOVERD

Government Expenditures on R&D

and Technical Research

GP

Gezaghebbende Panel voor SHW

Conference Proceedings Citation Index -

GRM

General and Research Medicine - Algemene

COST CPCI-S

Vlaanderen

Outlays on R&D

Sciences CPCI-SSH

en Onderzoeksgeneeskunde

Conference Proceedings Citation Index -

GSK

GlaxoSmithKline

Social Sciences & Humanities

GSS

Geo and Space Sciences - Aard- en

CPP

Citations per Paper

CRM

Centrum voor Research in de Metallurgie

Ruimtewetenschappen HBPWB

Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid


305

HERD

Higher Education Expenditures on R&D

MIP

Milieu- en energietechnologie Innovatie Platform

HIVA

Onderzoeksinstituut voor Arbeid en

MOCR

Mean Observed Citation Rate

Samenleving

MOST

Ministry of Science and Technology

HO

Hogescholen

MOW

Mobiliteit en Openbare Werken

IBBT

Interdisciplinair Instituut voor BreedBand

MSTI

Main Science and Technology Indicators

Technologie

NABS

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

IBW

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

ILVO

Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

IMCWB

Interministeriële Conferentie voor

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s NACE

Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie

NAFOSTED

Wetenschapsbeleid

National Foundation for Science and Technology Development

IMEC

Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum

NCP

National Contact Point

IN

Instituut voor Natuurbehoud

NERF

Neuroelectronics Research Flanders

INBO

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

NEUR

Neuro- en gedragswetenschappen

INPI

Institut National de la Propriété Industrielle

NIS

Nationaal Instituut voor de Statistiek

IOF

Industrieel Onderzoeksfonds

NMCR

Normalised Mean Citation Rate

IPC

International Patent Classification

NPO

Non-Profit Organisatie

ISBN

Internationaal Standaard Boeknummer

NRF

National Research Foundation

ISCED

International Standard Classification of

NWO

Nederlandse Organisatie voor

Education

Wetenschappelijk Onderzoek

ISI

Institute for Scientific Information

O&O

Onderzoek en Ontwikkeling

ISSN

Internationaal Standaard Serienummer

OCW

Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw

IUAP

Interuniversitaire attractiepolen

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking

IWT

Instituut voor de aanmoediging van Innovatie

en Ontwikkeling

door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen

OST

Observatoire des Sciences et Technologies

JCSm

Mean Citation Rate of Journal Packet

OV of O&V

Onderwijs & Vorming

JPO

Japanese Patent Office

PBA

Professionele bacheloropleidingen

PBO

Programma Beleidsgericht Onderzoek

PCA

Interprovinciaal Proefcentrum voor

KMDA (Zoo) Koninklijke Maatschappij voor Dierenbescherming Antwerpen Kleine en Middelgrote Ondernemingen

de Aardappelteelt

KMSKA

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten –

PCT

Patent Cooperation Treaty

Antwerpen

PHYS

Fysica

KP

Kaderprogramma’s

PMV

Participatiemaatschappij voor Vlaanderen

KUBrussel

Katholieke Universiteit Brussel

PNP

Not-for-Profit Organisations Expenditures

KULeuven

Katholieke Universiteit Leuven

LAP

Lead Agency Procedure

LNE

Leefmilieu, Natuur en Energie

LO

Landbouwonderzoek

PWO

Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek

LRM

Limburgse Reconversie Maatschappij

RCA

Relative Commercial Advantage

LUC

Limburgs Universitair Centrum

RCR

Relative Citation Rate

LV

Landbouw en Visserij

RTA

Relatieve Technologiespecialisatie

MATH

Wiskunde

RUCA

Universitair Centrum Antwerpen

MDEIE

Ministère du Développement Economique,

SBO

Strategisch Basis Onderzoek

on R&D POD

Programmatorische federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling

Innovation et Exportation

SCI

Science Citation Index

MDS

Multidisciplinary Sciences - Multidisciplinair

SCIE

Science Citation Index Expanded

MECR

Mean Expected Citation Rate

SENACYT

Secretaría Nacional de Educación, Ciencia,

MELC

Monitoring quality of End-of-Life Care

Tecnologia e Innovación

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011

KMO


306

SHW

Sociale en Humane Wetenschappen

VKC

Vlaams kunststofcentrum

SIM

Strategisch Initiatief Materialen

VLACO

Vlaamse compostorganisatie

SLO

Specifieke lerarenopleiding

VLIR

Vlaamse Interuniversitaire Raad

SOC

Strategische Onderzoekscentra

VOI

Vlaamse Openbare Instellingen

SPM

Specialized Medicine - Gespecialiseerde

VRWI

Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

Geneeskunde

VS

Verenigde Staten

SSCI

Social Science Citation Index

VTE

Voltijds Equivalent

S&T

Science & Technology

VUB

Vrije Universiteit Brussel

STWW

Strategische Technologieën voor Welzijn

WHO

World Health Organisation

en Welvaart

WLH

Waterbouwkundig Laboratorium en

SVR

Studiedienst van de Vlaamse Regering

TBM

Toegepast Biomedisch Onderzoek

TINA-fonds

Transformatie, INnovatie & Acceleratie fonds

TETRA

Technologietransfer

TNS

Technical and Natural Sciences - Technische en

Hydrologisch onderzoek W&T

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening

WOG

Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschappen

Natuurwetenschappen

WoS

Web of Science

tUL

transnationale Universiteit Limburg

WP-doc

Wetenschappelijk Personeel – doctoraal

TWOL

Toegepast Wetenschappelijke Onderzoek Leefmilieu

onderzoeker WP-postdoc

Wetenschappelijk personeel – postdoctoraal

UA

Universiteit Antwerpen

UCL

Université Catholique de Louvain

UFSIA

Universitaire Faculteiten St.-Ignatius Antwerpen

UGent

Universiteit Gent

WTI

Wetenschap, Technologie en Innovatie

UHasselt

Universiteit Hasselt

WTOCD

Wetenschappelijk en Technisch

UIA

Universitaire Instelling Antwerpen

ULB

Université Libre de Bruxelles

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNU

United Nations University – Universiteit van de Verenigde Naties

USPTO

United States Patent and Trademark Office

VABB

Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand

VAO

Voortgezette Academische Opleiding

VCBT

Vlaams Centrum voor Bewaring van Tuinbouwproducten

ViA

Vlaanderen in Actie

VEI

Vlaams Elektro Innovatiecentrum

VIB

Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

VIL

Vlaams Instituut voor de Logistiek

VIN

Vlaams Innovatienetwerk

VINNOF

Vlaams Innovatiefonds

VIOE

Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

VIS

Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

VITO

Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

VK

Verenigd Koninkrijk

onderzoeker WTCB

Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid

Onderzoekscentrum voor Diamant ZAP

Zelfstandig Academisch Personeel


307

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 011


308


• DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAP EN INNOVATIE (VRWI) Koloniënstraat 56, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 212 94 10 Fax 32-(0)2 212 94 11 E-mail: info@vrwi.be E-mail: danielle.raspoet@ewi.vlaanderen.be Webstek: www.vrwi.be

• AGENTSCHAP VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWT) Ellipsgebouw Koning Albert II-laan 35, bus 16, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 432 42 00 Fax 32-(0)2 432 43 99 E-mail: info@iwt.be Webstek: www.iwt.be

• MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP DEPARTEMENT ECONOMIE, WETENSCHAP EN INNOVATIE (EWI) Ellipsgebouw Koning Albert II-laan 35, bus 10, B-1030 Brussel Tel. 32-(0)2 553 59 80 Fax 32-(0)2 553 60 07 E-mail: info@ewi.vlaanderen.be E-mail: Peter.viaene@ewi.vlaanderen.be Webstek: www.ewi-vlaanderen.be

• VLAAMSE INTERUNIVERSITAIRE RAAD (VLIR) Ravensteingalerij 27, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 792 55 00 Fax 32-(0)2 211 41 99 E-mail: administratie@vlir.be Webstek: www.vlir.be

• FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (FWO) Egmonstraat 5, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 512 91 10 Fax 32-(0)2 512 58 90 E-mail: Elisabeth.Monard@fwo.be Webstek: www.fwo.be

W E T E N S C H A P I N N O VAT I E T E C H N O LO G I E

• EXPERTISECENTRUM O&O MONITORING Waaistraat 6, PB 3536, B-3000 Leuven Tel. 32-(0)16 32 57 23 Fax 32-(0)16 32 57 99 E-mail: koenraad.debackere@econ.kuleuven.be Webstek: www.ecoom.be

• VLAAMSE HOGESCHOLENRAAD (VLHORA) Ravensteingalerij 27, bus 3, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 211 41 90 Fax 32-(0)2 211 41 99 E-mail: info@vlhora.be Webstek: www.vlhora.be

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 011

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 011

W E T E N S C H A P I N N O VAT I E T E C H N O LO G I E

NUTTIGE ADRESSEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM:


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
indicatorenboek_2011.pdf by Vlaanderen-be - Issuu