Skip to main content

AR-AR-ADV-1920-008.pdf

Page 1

Algemene Raad 21 februari 2020 AR-AR-ADV-1920-008

Themazetting voor beleidsgericht onderwijsonderzoek Advies met thema’s en kennisvragen voor de tweede cyclus van SONO

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Algemene Raad op 21 februari 2020 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: commissie Onderwijsonderzoek op 11 februari 2020 onder voorzitterschap van Inge Van Trimpont Werden geconsulteerd: Raad Basisonderwijs op 15 januari 2020; Raad Secundair Onderwijs op 23 januari 2020; Raad Hoger Onderwijs op 14 januari 2020; Raad Levenslang en Levensbreed Leren op 4 februari 2020; Commissie Onderwijs-Arbeidsmarkt op 14 januari 2020; Commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen op 14 januari 2020; Commissie voor Onderwijs aan lerenden met specifieke noden op 7 november 2019; Overlegplatform Welbevinden en preventie van pesten op school op 28 januari 2020 Dossierbeheerder: Marleen Colpin

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


1 Situering In mei 2019 droeg de Vlor met een advies bij aan de evaluatie van de eerste cyclus van het steunpunt SONO1 (2016-2020).2 De Vlor wacht al enige tijd op de adviesvraag voor de themazetting voor de volgende cyclus. Omdat we die vraag nog niet ontvangen hebben, en omdat de tijd begint te dringen voor een oproep voor het vervolg van SONO na 31 augustus 2020, brengt de raad op eigen initiatief advies uit. We stellen in dit advies de thema’s voor, die volgens het onderwijsveld deel moeten uitmaken van een nieuw meerjarenprogramma voor beleidsgericht onderwijsonderzoek. Bij elk thema formuleren we de kennisvragen van het onderwijsveld.

2 Meerwaarde van SONO en verwachtingen van de Vlor Alvorens de thema’s voor te stellen, hernemen we de krachtlijnen uit het advies van mei 2019, waar de Vlor nog steeds achter staat. We verwijzen naar het advies zelf voor meer onderbouwing van de krachtlijnen. Meerwaarde van SONO De Vlor ervaart het huidige steunpunt voor beleidsgericht onderwijsonderzoek (SONO) als een meerwaarde. Beleid moet altijd gestoeld zijn op onderzoek. Met een consortium van onderzoekers, een structuur en een meerjarenplanning wordt de expertise voor dat onderzoek opgebouwd en kruisbestuiving gegarandeerd. SONO levert kwaliteitsvolle en bruikbare resultaten op voor evidence-informed onderwijsbeleid en dus ook voor het advieswerk van de Vlor. Het is goed dat er meer wordt ingezet op de vertaalslag van de onderzoeksresultaten naar alle stakeholders in het onderwijsveld. De raad vraagt dan ook dat de nieuwe Vlaamse Regering ervoor kiest om een volgende cyclus beleidsgericht onderwijsonderzoek op te starten. Toekomstgerichte verwachtingen De Vlor verwacht dat de overheid zich expliciet engageert om in de beleidsvoorbereiding aan de slag te gaan met de resultaten van SONO. Het is logisch dat de themazetting geënt is op de beleidsnota, maar ze moet kunnen uitgebreid worden naar meerdere onderwijsniveaus en actoren uit de beleidsnota én met vragen die leven in het onderwijsveld. Er moet ook een duidelijk zicht komen op wat buiten SONO nog mogelijk is voor onderzoek in de eigen context. Naast SONO moet systematische monitoring altijd voorzien worden bij de implementatie van onderwijsvernieuwingen.

SONO is het Steunpunt Onderwijsonderzoek, door de Vlaamse Regering erkend als Steunpunt voor Beleidsrelevant Onderzoek voor de periode 2016-2020, zie http://steunpuntsono.be/ (geraadpleegd op 4 februari 2020). 2 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meerwaarde van steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek en verwachtingen voor de toekomst, 23 mei 2019. 1

1


Een goede rolafbakening van iedereen die bij SONO betrokken is, is nodig. Het evenwicht tussen de actoren en ieders autonomie moet daarin gerespecteerd worden. Onderzoeksresultaten en de daaruit volgende beleidsaanbevelingen van de onderzoekers kunnen nooit rechtstreeks sturend zijn voor beleid. Ze vormen de aanleiding voor reflectie, discussie en debat om draagvlak te creëren voor beleidsmaatregelen. Zowel onderzoekers als gebruikers van onderzoek hebben belang bij een systematische, transparantere én snellere vrijgave van onderzoek. Om optimaal zijn rol in het beleidsproces en de vertaalslag naar het werkveld te kunnen spelen, wil de Vlor een duidelijk zicht hebben op wanneer rapporten vrijgegeven worden. Naast beleidsgericht onderwijsonderzoek, moet er ook ruimte zijn voor onderzoek naar kennisvragen vanuit de klaspraktijk. De Vlor dringt aan op een apart fonds voor praktijkgericht onderwijsonderzoek in de nieuwe legislatuur.

3 Onderzoek aangekondigd in de beleidsnota In zijn beleidsnota kondigt minister Weyts enerzijds beleidsvoorbereidend onderzoek aan (zoals over de invoering van duaal leren in aso, alternatieve financiering van schoolinfrastructuur) en anderzijds een reeks beleidsevaluaties (bv. basisgeletterdheid, decreet volwassenenonderwijs, decreet leerlingenbegeleiding, uitrol nieuw inschrijvingsdecreet). De Vlor steunt die thema’s en evaluaties in functie van evidence-informed onderwijsbeleid, maar geeft wel een aantal aandachtspunten mee. ¬ De focus van de beleidsevaluaties moet voldoende breed zijn. Voor het decreet leerlingenbegeleiding mag die zich bijvoorbeeld niet beperken tot de omkadering van de CLB’s. ¬ De systematische monitoring van hervormingen mag niet koste gaan van ander onderzoek.3 ¬ De tijd tussen de opstart van een evaluatie en de structurele verankering van de vaststellingen moet redelijk zijn. We wijzen er nogmaals op dat de nieuwe eindtermen basisonderwijs (al dan niet incl. eindtermen basisgeletterdheid) al moeten ingaan op 1 september 2023, terwijl de evaluatie van basisgeletterdheid in de eerste graad SO pas start in 2022. De conclusies van de evaluatie moeten kunnen meegenomen worden bij de ontwikkeling van de eindtermen basisonderwijs.4

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meerwaarde van steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek en verwachtingen voor de toekomst, 23 mei 2019, § 2.2. 4 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de beleidsnota Onderwijs 2019-2024, 28 november 2019, § 3.2. 3

2


4 Thema’s en kennisvragen Hierna volgen de thema’s en kennisvragen van de Vlor. We hebben ze geclusterd per onderwijsniveau en verwijzen telkens tussen haakjes naar het operationeel doel (OD) uit de beleidsnota waarbij het thema aansluit.5 Het zijn nog geen onderzoeksvragen: het is aan de onderzoekers om die te formuleren. We zien daarbij ook een rol voor de opvolgingsgroepen zoals we die kennen in het huidige SONO.

4.1 Basisonderwijs 4.1.1

Taalintegratietrajecten voor kleuters (OD 1.1)

Aanleiding: ¬ In de beleidsnota (OD 1.1) lezen we dat kinderen die het Nederlands onvoldoende beheersen (op basis van de resultaten van de taalscreening), een actief taalintegratietraject zullen moeten volgen. Kennisvragen: ¬ Welke vormen van taalintegratietrajecten bevorderen de taalvaardigheid van kleuters in de instructietaal? Welke niet? ¬ Welke factoren en randvoorwaarden (bv. leeftijd kleuters, groepsgrootte, lerarenkenmerken, aantal uur intensieve taalondersteuning, …) spelen een rol bij de implementatie van die taalintegratietrajecten? ¬ Wat weten we wel op basis van internationaal wetenschappelijk onderzoek en wat niet? 4.1.2

Personeelsgroepen die niet permanent op één school aanwezig zijn (OD 1.7)

Aanleiding: ¬ In de beleidsnota (OD 1.7) lezen we dat de minister voor de directies in het basisonderwijs zal voorzien in extra administratieve, pedagogische en beleidsondersteuning. ¬ Rekening houdend met de schaalgrootte van basisscholen, zijn er deels personeelsgroepen ‘zonder vaste werkplek’. Denk aan ICT-coördinatoren, beleidsondersteuners, zorgcoördinatoren, preventie-adviseurs, administratief medewerkers enzovoort die in verschillende scholen van de scholengemeenschap of scholengroep werken. ¬ Er is weinig onderzoek gericht op deze personeelsgroepen, de expertise die ze binnenbrengen en de wijze waarop ze verbindend kunnen werken met verschillende schoolteams. Kennisvragen: ¬ Hoe beleven onderwijsprofessionals die in verschillende scholen werken, hun job en professionele ontwikkeling en wat zijn daarvoor bepalende factoren? ¬ Wat zijn praktijken, randvoorwaarden en succesfactoren voor de samenwerking van schoolteams met onderwijsprofessionals die niet permanent op school aanwezig zijn?

5

https://www.vlaanderen.be/publicaties/beleidsnota-2019-2024-onderwijs (geraadpleegd op 31 januari 2020)

3


(succesfactoren zowel op het vlak van goed onderwijs voor de leerlingen als op het vlak van het schoolteam als bron voor professioneel leren en werken)

4.2 Secundair onderwijs 4.2.1

Leerlingenstromen in het gemoderniseerd secundair onderwijs (OD 1.8)

Aanleiding: ¬ De modernisering SO wordt progressief uitgerold, jaar na jaar, met een vernieuwd studieaanbod en nieuwe eindtermen. Duaal leren is al aan het uitrollen en het stelsel van leren en werken zou moeten inkantelen. De onderwijspartners verwachten dat de leerlingenstromen in het secundair onderwijs (finaliteit doorstroom, dubbele finaliteit en finaliteit arbeidsmarkt) zullen evolueren als gevolg van de modernisering. Dat moet goed gemonitord worden, met aandacht voor kwetsbare groepen. ¬ We moeten zicht hebben op de onderwijs- en arbeidsmarktuitkomsten van grootschalige onderwijshervormingen zoals de modernisering. Nieuw onderzoek kan afgezet worden tegen het onderzoek dat in de huidige onderzoekslijnen 1.1 (LiSO) en 1.7 (onderwijsarbeidsmarkt) van SONO gebeurd is. Via LiSO werd de onderwijsloopbaan van een cohorte leerlingen gedurende zes jaar gevolgd.6 Hetzelfde kan gebeuren voor de eerste cohorte leerlingen in de modernisering vanaf de tweede graad (september 2021). De data van LiSO kunnen als vergelijkingsbasis dienen. ¬ De minister kondigt in de beleidsnota (OD 1.8) aan verder in te zetten op duaal leren als volwaardige leerweg. Het is belangrijk om de uitrol van duaal leren over meerdere jaren heen te monitoren en na te gaan of de doelstellingen gerealiseerd worden. Duaal leren is niet opgenomen in de lijst met beleidsevaluaties. Het gevraagde onderzoek moet inhaken op de evaluatie van de proeftuinen duaal leren. 7 Kennisvragen: ¬ Hoe verlopen de leerlingenstromen in het secundair onderwijs voor en na de uitrol van de modernisering, incl. duaal leren? Hoe evolueert de instroom en doorstroom in de finaliteit doorstroom (aso), dubbele finaliteit (tso), arbeidsmarktgerichte finaliteit (bso), duaal leren en leren en werken? Hoe evolueert de ongekwalificeerde uitstroom? Hoe evolueert de groep jongeren ‘not in education, employment or training’ (NEET)? ¬ Wat is de impact van het nieuwe studieaanbod en de nieuwe eindtermen op de keuzes die ouders en leerlingen maken en de oriëntering doorheen hun traject? (zie ook thema ‘evaluatie van de eindtermen’) ¬ Specifiek voor bso: wat zijn de gevolgen van o.a. de gewijzigde instroom in 1B door koppeling aan het niet-behalen van een getuigschrift basisonderwijs, de instroom van leerlingen met het profiel ‘leren en werken’ die niet de overstap kunnen maken naar duaal leren, de doorstroom van arbeidsrijpe leerlingen naar duaal leren, de verwachte verzwaring van de basisvorming?

Het onderzoek ‘Loopbanen in het Secundair Onderwijs’ (LiSO) beschrijft de schoolloopbanen en de ontwikkeling van leerlingen doorheen het secundair onderwijs. LiSO maakt deel uit van SONO. Zie https://lisoproject.be/ (geraadpleegd op 12 februari 2020) 7 Zie https://data-onderwijs.vlaanderen.be/onderwijsonderzoek/default.aspx?nr=381 (geraadpleegd op 12 februari 2020) 6

4


¬

¬

Specifiek voor duaal leren: • Worden de doelstellingen van duaal leren gerealiseerd, o.a. minder ongekwalificeerde uitstroom, meer kwalitatieve instroom op de arbeidsmarkt en doorstroom naar een professionele bachelor vanuit de dubbele finaliteit? Waar komen de leerlingen vanuit duaal leren terecht en met welk perspectief? • Wanneer is duaal leren aangewezen? In welke omstandigheden (profiel leerling, sector, context, …) wel en in welke niet? Kunnen we tot een duidelijker definiëring van duaal leren (als middel) komen? (Die vraag geldt ook voor hoger- en volwassenenonderwijs.) • Wat is nodig om succesvol duaal leren te realiseren in bso, tso en aso? Welke succesfactoren zien we al? Welke knelpunten? • Hoe kunnen inclusieve trajecten vormkrijgen in duaal leren? Welke stromen van vroegtijdig schoolverlaters of ongekwalificeerde uitstroom gaan naar levenslang leren, tweedekansonderwijs, examencommissie, VDAB, … en welke drijfveren zitten daarachter?

4.3 Leerplichtonderwijs (niveau-overstijgend) 4.3.1

Evaluatie van de eindtermen (OD 1.2)

Aanleiding: ¬ In de beleidsnota (OD 1.2) wordt de verdere vernieuwing van de eindtermen aangekondigd, met o.a. aandacht voor het samenspel van eindtermen en beroepskwalificaties in secundair onderwijs, en ambitieuze herschrijving van de eindtermen basisonderwijs. ¬ De beleidsnota vermeldt eveneens de invoering van basisgeletterdheid in het basisonderwijs op de leeftijd van tien jaar, na een eerste evaluatie van basisgeletterdheid in het secundair onderwijs. Bij gebrek aan wetenschappelijke inzichten is er nood aan onderzoek in de volle breedte en diepte, zowel van het concept ‘basisgeletterdheid’ als van het toetsen van basisgeletterdheid op leerlingniveau. ¬ De nieuwe eindtermen zijn al gestart in de eerste graad SO. De Vlor is vragende partij voor een globale monitoring van meerdere aspecten van de invoering van de nieuwe eindtermen zoals de impact op het schoolbeleid, de studeerbaarheid van opleidingen en de werkdruk op leraren. De scope van de evaluatie mag niet gelijkgesteld worden aan leerwinstmetingen en basisgeletterdheid. 8 Kennisvragen: ¬ Wat is de impact van de vernieuwde eindtermen op meerdere aspecten van het onderwijssysteem (leerlingen, leraren, schoolbeleid)? ¬ Zijn de eindtermen in hun totaliteit haalbaar in relatie tot de onderwijstijd? (Hoe) kan de studiebelasting in kaart gebracht worden? (De Vlor wijdt aan dat thema ook een van zijn seminaries rond de eindtermen.)9

8 9

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de beleidsnota Onderwijs 2019-2024, 28 november 2019, § 3.2. https://www.vlor.be/activiteiten/verslagen/eindtermen-omzien-en-vooruitkijken

5


¬

4.3.2

Basisgeletterdheid in de eerste graad SO: wat zijn de (bedoelde en onbedoelde) gevolgen op micro-, meso- en macroniveau? Wat leren we daaruit voor het basisonderwijs? (zie ook aandachtspunt in 3 daarover) Meer diversiteit in lerarenteams (OD 2.1)

Aanleiding: ¬ De minister stelt in zijn beleidsnota (OD 2.1) dat het lerarenkorps een betere afspiegeling moet worden van de maatschappij, zowel naar achtergrond als naar geslacht. De Vlor deed diezelfde aanbevelingen ook in zijn memorandum en advies over gelijke onderwijskansen.10 ¬ Dit thema moet zich zeker richten op potentiële leraren met migratieachtergrond, maar ook op andere vormen van diversiteit en andere ondervertegenwoordigde groepen (bv. mannelijke leraren). Hieronder spreken we in het algemeen van ‘diverse achtergronden’. ¬ Naar ‘de leraar’ is al waardevol onderzoek verricht in onderzoeksdomein 2 van het huidige SONO. Nieuw onderzoek met de focus ‘diversiteit’ kan daarop voortbouwen. Kennisvragen: ¬ Welke factoren dragen bij tot het aantrekken en behouden van leraren met diverse achtergronden in de lerarenopleiding en in het onderwijs? ¬ Wat zijn drempels voor het aantrekken en behouden van leraren met diverse achtergronden in de lerarenopleiding en in het onderwijs? ¬ Welk soort initiatieven en interventies (van overheid, lerarenopleidingen, scholen, …) kunnen de drempels verlagen? (goede praktijken) ¬ Wat zijn de noodzakelijke randvoorwaarden opdat die initiatieven en interventies bijdragen tot sterke schoolteams, zowel op het vlak van goed onderwijs voor alle leerlingen als op het vlak van onderwijs als aantrekkelijke werkplek voor alle leden van het schoolteam? ¬ Wat is de impact van meer diversiteit voor de rollen en de dynamiek in een lerarenteam? Wat betekent het voor leerlingen? ¬ Hoe verhoudt de diversiteit in een team zich tot het diversiteitsbeleid van de school? 4.3.3

De aantrekkelijkheid van het lerarenberoep (OD 2.1)

Aanleiding: ¬ De minister kondigt in zijn beleidsnota (OD 2.1) aan het lerarenberoep weer aantrekkelijk te maken en de uitstroom te verminderen. Hij zal ook laten onderzoeken of er voor de lerarenopleiding een bindende toelatingsproef kan gemaakt worden. ¬ De Vlor wil zicht krijgen op alle actuele factoren die, binnen onderwijs en daarbuiten, de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep beïnvloeden. Ook dat onderzoek kan inhaken op het onderzoek dat er al is.11 Kennisvragen: ¬ Welke factoren bepalen de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep? Op welke factoren heeft onderwijs zelf vat? Wat is de impact van het maatschappelijk discours en debat?

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Memorandum voor de nieuwe Vlaamse Regering, 29 november 2018 en Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Spots op gelijke onderwijskansen. Advies met beleidsvoorstellen voor krachtig GOK-beleid, 21 februari 2020. 11 O.a. dit onderzoek uit 2002: Nick Matheus, Jessy Siongers & Inge Van den Brande (m.m.v. Liesbet Maes). De roeping tot leerkracht. Een onderzoek naar de aantrekkelijkheid van het leerkrachtenberoep in Vlaanderen anno 2002. Onderzoeksproject in opdracht van de Vlaamse minister van werk, onderwijs en vorming (OBPWO 01.02). 10

6


¬ ¬ ¬ ¬ ¬ 4.3.4

Waarom kiezen jongeren of volwassenen (zij-instromers) voor de lerarenopleiding en het lerarenberoep? Wat is de impact van de hervorming van de lerarenopleiding (o.a. voor zij-instromers)? Waarom kiezen leraren ervoor om uit het onderwijs te stappen of er juist te blijven? Wat kunnen de (positieve en negatieve) effecten zijn van een bindende toelatingsproef voor startende leraren? Welke maatregelen hebben andere landen/andere onderwijssystemen genomen en wat kunnen we daarvan leren? Beroepsprocedures (juridisering) (OD 2.3)

Aanleiding: ¬ In de beleidsnota (OD 2.3) lezen we het voornemen om, in het kader van de maatregelen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken, de toenemende juridisering aan te pakken. Ook lezen we dat de minister terug het respect en vertrouwen wil geven aan de leraren, de klassenraad en de directie om beslissingen te nemen over de studievoortgang van de leerlingen. ¬ De Vlor wil meer inzicht verwerven in het waarom en hoe van beroepsprocedures, vanuit het perspectief van de leerling, de ouders en het schoolteam. Dat onderzoek moet aanvullend zijn op bestaand onderzoek. Kennisvragen: ¬ Waarom kiezen leerlingen en ouders er wel of niet voor om de stap te zetten naar een beroepsprocedure? Wat zijn de bepalende factoren? Kennen ze hun rechten en mogelijkheden? Welke factoren of kenmerken van schoolleiderschap zorgen ervoor dat beroepsprocedures al dan niet vermeden worden? ¬ Als een beroepsprocedure niet te vermijden is, hoe kan die dan zo goed mogelijk aangepakt worden opdat iedereen (de leerling, de ouders en het schoolteam) zich in zijn rechten en rol gerespecteerd voelt? 4.3.5

Evaluatie van het participatiedecreet (OD 2.3)

Aanleiding: ¬ De minister kondigt aan het decreet participatie en leerlingenrechten te evalueren (zie beleidsnota, OD 2.3). We vinden dat echter niet terug in het overzicht van de beleidsevaluaties. ¬ De laatst voorziene evaluatie van het participatiedecreet is niet doorgegaan. De meest recente evaluatie dateert dan ook al van 2009. Kennisvragen: ¬ Hoe staat het met de participatieve cultuur op school? Wat is de ervaren meerwaarde? ¬ Welke factoren dragen bij aan een participatieve cultuur en wat zijn drempels? ¬ Wat is de rol van de directie en van andere actoren? ¬ In welke mate kan een participatieve cultuur beschermen tegen juridisering?

7


4.3.6

Beleid van scholen tegen (cyber)pesten (OD 3.3)

Aanleiding: ¬ In de beleidsnota (OD 3.3) lezen we dat de minister scholen zal ondersteunen en versterken bij het ontwikkelen en uitvoeren van een antipestbeleid. ¬ Het thema sluit ook aan bij de prioriteiten van de minister omtrent kwaliteitsverhoging (SD 1) en kwaliteitsvolle professionals (SD2). Kennisvragen: ¬ Hoeveel scholen beschikken over een uitgewerkt en effectief (cyber)pestbeleid? Is het een preventief of curatief beleid? ¬ Wat zijn de noden bij de uitbouw van zo’n beleid? ¬ Waaraan moet een kwaliteitstoetsingskader ter screening van antipestprogramma’s door scholen voldoen? Kan zo’n kader via onderzoek ontwikkeld worden? ¬ In welke mate voelen leraren zich competent om met een pestbeleid aan de slag te gaan en waar kunnen ze terecht voor ondersteuning? Wat hebben zij nodig om een pestprobleem aan te pakken? Beschouwen zij het als onderdeel van hun job? ¬ Wat is de rol van andere actoren? Doen scholen een beroep op ouders en leerlingen? Wat kan hun rol zijn? Wat is de rol van de pedagogische begeleidingsdiensten en de centra voor leerlingenbegeleiding (in het kader van hun consultatieve begeleiding)? ¬ Hebben scholen voldoende middelen om het beleid uit te rollen? (Denk aan nascholingen, tijd voor gesprekken met leerlingen en hun ouders, …) 4.3.7

GOK in buitengewoon onderwijs (OD 1.5 en SD 3)

Aanleiding: ¬ Er is geen recent onderzoek over GOK in buitengewoon onderwijs. 12 Dat is nodig opdat voor de GOK-financiering in het buitengewoon onderwijs ook een eenduidig en transparant mechanisme uitgewerkt kan worden.13 Kennisvragen (meer uitgewerkt in advies ‘Spots op gelijke onderwijskansen’ 14): ¬ Waar bevinden de leerlingen die aantikken op SES- en GOK-indicatoren, zich in het buitengewoon onderwijs (in alle types en opleidingsvormen)? ¬ Welke indicatoren zijn relevant voor gelijke kansenbeleid in buitengewoon onderwijs? ¬ Op welke domeinen heeft buitengewoon onderwijs nood aan extra financiering om gelijke kansen te realiseren? (omkadering, werking, …) ¬ Worden de huidige middelen ingezet voor de doelen van GOK-beleid? Waar kan de inzet efficiënter/effectiever? ¬ Wat is de impact van wijzigende contextfactoren?

12 Het

laatste onderzoek dateert uit 2007: Ghesquière, P., Mercken, I., Avau, G. & Petry, K. (2007). Onderzoek over mogelijke extra inspanningen van scholen in het buitengewoon onderwijs ten gevolge van de aanwezigheid van GOKkenmerken bij de leerlingenpopulatie. Eindrapport. Onderzoek in opdracht van het Vlaamse Ministerie van Werk, Onderwijs en Vorming. Leuven: KU Leuven. 13 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019. 14 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Spots op gelijke onderwijskansen. Advies met beleidsvoorstellen voor krachtig GOK-beleid, 21 februari 2020.

8


4.4 Hoger onderwijs 4.4.1

Deelname en doorstroom van kansengroepen in het hoger onderwijs (OD 5.3)

Aanleiding: ¬ De Vlor is van mening dat de samenstelling van de studentenpopulatie in het Vlaamse hoger onderwijs idealiter een weerspiegeling moet zijn van de maatschappij. Het is een maatschappelijke noodzaak constructief om te kunnen gaan met de superdiversiteit van de moderne samenleving. Bovendien is het noodzakelijk dat het hoger onderwijs, met het oog op de realisatie van de kennismaatschappij, meer hoger opgeleiden aflevert. De Vlor vindt daarom de instroom, doorstroom en uitstroom van kansengroepen in het hoger onderwijs een belangrijk thema. ¬ Een betere doorstroom en uitstroom van kansengroepen is een van de maatregelen die kan bijdragen aan de versterking van het studierendement in hoger onderwijs (zie beleidsnota, OD 5.3). Kennisvragen: ¬ Waarom stromen studenten uit kansengroepen minder door naar het hoger onderwijs? ¬ Welke factoren beïnvloeden hun keuze? ¬ Welke instrumenten kunnen een bijdrage leveren (flexibele trajecten, oriënteringsproeven, studiekeuzebegeleiding, …)? ¬ Welke drempels ervaren zij? Om een beter zicht te krijgen op de instroom, doorstroom en uitstroom van doelgroepstudenten, adviseert de Vlor de instellingen hoger onderwijs om die studenten eenvormig en transparant te registreren. De Vlor werkte daartoe al eerder een registratiesysteem uit dat hij in april 2015 actualiseerde.15 4.4.2

Waarom studenten in het hoger onderwijs weinig heroriënteren (OD 5.3)

Aanleiding: ¬ De Vlor brengt in mei 2020 een advies uit over een wendbaar hoger onderwijs. 16 Daarin wordt de nood aan onderzoek over deze vraag gesignaleerd. Vastgesteld wordt immers dat studenten erg weinig oriënteren. De oorzaken daarvoor zijn nog weinig gekend.

4.5 Levenslang leren (volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs) Aanleiding: ¬ Er wordt sterk gehamerd op het belang van levenslang leren, zo ook in de beleidsnota, waarin de minister aankondigt het levenslang en levensbreed leren te zullen versterken (OD 1.9). Onderliggende onderzoeksthema’s en -vragen: ¬ Geïntegreerd leren houdt in dat een cursist gelijktijdig een NT2-traject en (modules uit) een andere opleiding volgt. Die vorm van leren wordt steeds meer naar voren geschoven.

15 16

https://www.vlor.be/registratie-van-kansengroepen-het-hoger-onderwijs Vlaamse Onderwijsraad, Raad Hoger Onderwijs. Advies over een wendbaar hoger onderwijs, 12 mei 2020.

9


¬ ¬

¬

Dat moet onderbouwd worden. Wat is het resultaat en wat is de meerwaarde ten opzichte van andere manieren van leren? Wat is het profiel van cursisten die stagneren of uitvallen in de basiseducatie en het volwassenonderwijs? Wat zijn hun perspectieven? Hoe lang duurt het vooraleer mensen een certificaat of diploma behalen in de basiseducatie en het volwassenenonderwijs? De doorlooptijd van een opleiding hangt ongetwijfeld samen met het profiel van de cursisten (leeftijd, al dan niet combinatie met (vrijwilligers)werk, …). Maar wat is precies de impact van die achtergrondkenmerken en hoe lang duurt een traject gemiddeld per doelgroep? Dat onderzoek kan deel uitmaken van de voorziene evaluatie van het decreet volwassenenonderwijs, maar het is niet duidelijk of het daarin inbegrepen is. Wat kunnen we leren uit internationale vergelijking? Welke principes passen andere landen toe om levenslang leren te bevorderen en wat werkt wel of niet?

Specifiek voor deeltijds kunstonderwijs: ¬ Hoe worden de nieuwe onderwijsdoelen geïmplementeerd? Welk didactisch materiaal wordt daartoe ingezet?

5 Tot slot De Vlor is zich ervan bewust dat we met deze voorstellen ook een beroep doen op de betrokkenheid van het veld. Scholen, instellingen en centra zullen moeten bijdragen aan de dataverzameling, om voldoende kwalitatief onderzoek te garanderen. Maar ze worden op dat vlak al sterk bevraagd, en niet alleen voor SONO. We herhalen daarom de vraag om in de volgende cyclus de inspanningen te maximaliseren om geclusterd data te verzamelen en bestaande datasets te gebruiken en te koppelen. 17 Het zal in veel gevallen ook niet nodig zijn om nieuwe data te verzamelen omdat er zo veel mogelijk moet voortgebouwd worden op het bestaande (SONO-)onderzoek of omdat de inzichten vooral uit internationale vergelijking kunnen gehaald worden. De Vlor is bereid om het overleg op te starten waarnaar we in het vorige advies gevraagd hebben. In dat overleg moeten onderzoekers en scholen samen zoeken naar manieren om enerzijds de dataverzameling voor beleidsgericht onderzoek alle kansen te geven, maar anderzijds de belasting voor scholen haalbaar te houden, o.a. opdat zij ook ruimte houden voor hun eigen praktijkonderzoek. De structuur van SONO (consortium, themalijnen) maakt onderlinge kruisbestuiving en gezamenlijke expertiseontwikkeling mogelijk en dat is een pluspunt voor de Vlor. 18 We stellen echter vast dat die kruisbestuiving pas na verloop van tijd op gang komt en pleiten daarom voor continuïteit in de samenstelling van het steunpunt over cycli heen. Anderzijds mag die samenstelling niet beperkend zijn voor wat er kan onderzocht worden. Ze moet ingegeven zijn door de kennisvragen en sowieso interdisciplinair zijn. Zo nodig moet het

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meerwaarde van steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek en verwachtingen voor de toekomst, 23 mei 2019, § 3.3. 18 Idem, § 2.4. 17

10


consortium niet-aanwezige expertise kunnen aanboren, ook in de looptijd van het steunpunt. In die looptijd moet er voldoende vrije ruimte zijn voor onderzoeksvragen die door de actualiteit ingegeven worden.19 De Vlor kijkt uit naar een gunstige beslissing over het vervolg van SONO.

19

Idem, ยง 2.3.

11


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
AR-AR-ADV-1920-008.pdf by Vlaanderen-be - Issuu