Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2003_4_onveiligheidsgevoel_in_Vlaanderen.pdf

Page 1

Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: B E D RE I G D , K WE T S B A A R

E N

H U L P E L O O S :

onveiligheidsgevoel in Vlaanderen, O NVE I L I G H E I D S GEVO E L

I N

V L A A N D E RE N ,

1998-2002 1 9 9 8 - 2 0 0 2

Mark Elchardus • Wendy Smits • m.m.v. Toon Kuppens Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel

1

| Inleiding

In het publieke en politieke debat worden onveiligheidsgevoelens overwegend beschouwd als een reactie op criminaliteit en slachtofferschap. Sociologen en criminologen gingen daarin voor. Toeval wil dat het Engels geen uitdrukking heeft voor onveiligheidsgevoelens. Angelsaksische onderzoekers spreken over “fear of crime” en bij het speuren naar de oorzaken van de onveiligheidsgevoelens, werd hun aandacht door de taal geconditioneerd. Gedurende lange tijd ging de belangstelling eenzijdig uit naar misdaad en slachtofferschap. Die eenzijdigheid reikte ook ver buiten de Angelsaksische wereld. De Nederlandse onderzoekers Steinmetz en Van Dijk (1983) bijvoorbeeld, stelden twintig jaar geleden voor het begrip “onveiligheidsgevoelens” op te bergen en enkel nog te spreken van “reacties op criminaliteit”. Het liep anders. Onder invloed van de herhaaldelijke vaststelling dat onveiligheidsgevoelens vele verschillende oorzaken hebben, groeide de overtuiging dat die gevoelens niet alleen, zelfs niet hoofdzakelijk (zie verder 4.2) aan criminaliteit en slachtofferschap kunnen worden toegeschreven. Daarenboven werd het mettertijd duidelijk dat onveiligheidsgevoelens, ongeacht hun oorsprong, verschillende en overwegend onwenselijke gevolgen hebben (Carcach, Frampton et al., 1995), gaande van negatieve effecten voor de gezondheid, een verhoogd risico op depressie en moeilijk handelbare stress (Liska en Baccaglini, 1990) over een gebrek aan algemene levenstevredenheid (Adams en Serpe, 2000) tot maatschappelijk wantrouwen en radicale politieke verrechtsing (Elchardus en Smits, 2002). Die vaststellingen leidden tot een grondige verschuiving in de benaderingswijze. Onveiligheidsgevoelens op zich werden als maatschappelijk probleem erkend. Daardoor werd ook breder, zonder al te

99


Vlaanderen gepeild ! veel vooringenomenheid betreffende de rol van criminaliteit, naar hun oorzaken gespeurd (Williams en Dickinson, 1993). In deze bijdrage stellen we ten eerste een begripsvorming voor die, zonder beroep te doen op een a-priori classificatie van gevoelens van de bevolking als rationeel of irrationeel, aansluit bij de gangbare onderzoekstradities en de bestaande empirische bevindingen1. Een aantal implicaties van die begripsvorming worden vervolgens getoetst. Ten derde worden op basis van die begripsvorming de onveiligheidsgevoelens in Vlaanderen gemeten. Ten vierde, wordt nagegaan hoe die gevoelens evolueerden tussen 1998 en 2002. Dit vormt de kern van deze bijdrage. Daarna wordt een poging ondernomen om de onveiligheidsgevoelens te verklaren. We maken eerst een bondig overzicht van de literatuur en proberen dan een aantal van de geïnventariseerde verklaringen te toetsen. Dat laatste gebeurt op basis van secundaire analyse, dat wil zeggen door gebruik te maken van gegevensbanken die niet verzameld werden met de bedoeling de onveiligheidsgevoelens te verklaren. Daarom kunnen niet alle plausibele hypothesen worden getoetst. Gestreefd wordt naar een eerste exploratieve toetsing die vooral wil bijdragen tot het ontwerp van een instrument waarmee de surveys over culturele veranderingen van de administratie Planning en Statistiek in de toekomst de (on)veiligheidsgevoelens beter kunnen monitoren. Enig zicht op en toelichting bij de oorzaken van de onveiligheidsgevoelens is overigens broodnodig voor een duiding en juist begrip van deze laatste.

2

| Begripsvorming

Heel wat onderzoek naar onveiligheidsgevoelens meet deze aan de hand van welgeteld één uitspraak, ontleend aan de Amerikaanse National Crime Survey: How safe do you feel walking alone in your neighboorhood after dark. Vooral het oudere en internationaal vergelijkende onderzoek gebruikte die al te simpele vraagstelling (Carcach, Frampton et al., 1995)2. Grote delen van de beschikbare empirische bevindingen steunen op de reacties op dat ene item. Omwille van de continuïteit van het onderzoek is het aangewezen de connotatie van die uitspraak te bewaren als kern van breder uitgebouwde meetinstrumenten. Die connotatie verwijst zowel naar een bedreiging en de ervaren kwetsbaarheid als naar een impliciet gelaten verwijzing 1.

Rond het einde van de jaren tachtig en in de jaren negentig proberen een aantal onderzoekers zich nog tegen de gesignaleerde begripsverruiming te verzetten door een onderscheid te maken tussen rationele en irrationele onveiligheidsgevoelens. Die gevoelens zouden enkel rationeel zijn als ze volledig in functie staan van ervaren slachtofferschap (Moore en Trojanowicz, 1988). Het etiket irrationeel werd bv. frequent gebruikt om de onveiligheidsgevoelens van vrouwen en ouderen te kenmerken, groepen die zich, althans volgens talrijke onderzoekers, onderscheiden door een relatief lage kans op slachtofferschap en een hoog onveiligheidsgevoel (Parker en Ray, 1990; Greve, 1998; Farrall, Bannister et al., 2000; Tulloch, 2000; Kury, Obergfell-Fuchs et al., 2001) (zie kritiek bij Young, 1992; Turgeon en Rinfret-Raynor, 1993; Greve, 1998; Walklate, 1998; Tulloch, 2000; Kury, Obergfell-Fuchs et al., 2001). Het lijkt ons onmogelijk redelijkheid te hanteren als een criterium om de oorzaken van gevoelens van onveiligheid te classeren en te waarderen. 2. Voor nadelige gevolgen ervan, zie bijvoorbeeld Greve (1998)

100


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

naar misdaad. Wie schrik heeft om s avonds, als het donker is, in zijn buurt te wandelen, heeft hoogstwaarschijnlijk schrik om overvallen te worden, niet om overreden te worden of in hondenpoep te trappen3. De nadruk op kwetsbaarheid en bedreiging, alsook hulpeloosheid ten opzichte van de ervaren bedreiging, sluit overigens etymologisch mooi aan bij de notie van veiligheid of securitas. We volgen daarom de auteurs die onveiligheidsgevoelens interpreteren als een gevoel van kwetsbaarheid en bedreiging en van hulpeloosheid ten opzichte van die bedreiging (Garofalo, 1981; Van der Wurff, Van Stallduinen et al., 1989). De relatie tussen bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid enerzijds, en misdaad anderzijds, kan ons inziens niet louter in termen van oorzaak en gevolgrelaties worden begrepen. Verschillende ervaringen en condities dragen bij tot de vermelde gevoelens. Als dergelijke gevoelens in een samenleving een bepaalde mate van verspreiding kennen, zal die samenleving zoeken naar verklaringen van die gevoelens en naar voorstellingen van die verklaringen. (Elchardus, 2002). Voor de verklaring van het gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid kiezen hedendaagse maatschappijen blijkbaar voor criminaliteit. Dat blijkt overduidelijk uit het discours van politici alsook uit de fear of crime-onderzoekstraditie. De voorstelling die daaruit voortvloeit, neemt de vorm aan van misdaaddrama, misdaadnieuws en andere communicatie over misdaad (zie verder 3.5). De ervaren onveiligheidsgevoelens worden op die manier, en tot op zekere hoogte ongeacht hun oorzaak, op misdaad geprojecteerd (deze stelling wordt ook verdedigd door o. m. Lagrange, 1993; Ditton, Bannister et al., 1999; Sparks, Girling et al., 2001). Die projectie is geen louter individueel, laat staan irrationeel verschijnsel. Zij is in de eerste plaats een gevolg van de maatschappelijke voorstelling die wordt opgevoerd om de ervaren gevoelens van kwetsbaarheid, hulpeloosheid en bedreiging te verklaren, toe te wijzen aan een oorzaak en op die manier mentaal enigszins onder controle te krijgen. Angst die een naam heeft is al iets minder beangstigend. De manier waarop het onveiligheidgevoel wordt gemeten, dient rekening te houden met zowel de aard van het gevoel – de bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid – als met de projectie ervan op misdaad en de kans op slachtofferschap. Verschillende auteurs (Fattah en Sacco, 1989; Hale, 1996; Greve, 1998; Adams en Serpe, 2000; Tulloch, 2000; Kury, Obergfell-Fuchs et al., 2001) onderscheiden in de onveiligheidsgevoelens twee of drie verschillende componenten: (1) de angst of het emotionele gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid, (2) de cognitieve component of de geschatte kans dat men slachtoffer wordt van onderscheiden soorten criminaliteit en (3) een gedragscomponent die weergeeft wat men (preventief) doet om slachtofferschap te vermijden. Kury, Obergfell-Fuchs en Ferdinand (2001) ondernamen een poging om de drie componenten empirisch te onderscheiden. Zij vinden

3. Die betekenis weerspiegelt zich overigens in de empirische bevindingen. Heel wat van de geobserveerde determinanten van onveiligheidsgevoelens worden beschouwd als indicatoren van kwetsbaarheid ten opzichte van geweld en misdaad: hoge leeftijd, vrouwelijk geslacht, laag inkomen, laag onderwijspeil… (Carcach, Frampton et al., 1995).

101


Vlaanderen gepeild ! slechts twee dimensies, de cognitieve of geschatte kans op slachtofferschap enerzijds, de emotionele component die tevens het preventieve gedrag weergeeft anderzijds. Hale (1996) wees er al eerder op dat men die twee dient te onderscheiden en dat onveiligheidsgevoelens eigenlijk iets anders zijn dan de geschatte kans op slachtofferschap. We beperken het begrip onveiligheidsgevoelens hier tot de emotionele en preventieve aspecten4 .

3

| Het onveiligheidgevoel gemeten

Om het beschreven gevoel te meten werd in 1996 een schaal ontwikkeld bestaande uit acht items (zie tabel 1). De items werden ontleend aan gesprekken en geschriften over onveiligheid. Zij werden geselecteerd omdat ze verschillende relevant geachte aspecten op een zeer duidelijke en verstaanbare wijze formuleren. TABEL 1

Onveiligheidgevoelens in Vlaanderen, 1998-2002, voor de bevolking 18-75 (n=8732) Oneens Midden Het is vandaag de dag te onveilig om kinderen alleen op straat te laten Uit angst dat ik word overvallen sluit ik altijd onmiddellijk mijn wagen als ik instap ’s Avonds moet je op straat extra voorzichtig zijn De laatste 10 jaar zijn de straten onveiliger geworden De politie en rijkswacht zijn niet meer in staat om ons nog te beschermen tegen criminelen ’s Avonds en ’s nachts doe ik de deur niet open als er gebeld wordt In deze tijd is een alarmsysteem geen overbodige luxe Als ik op vakantie ga, durf ik mijn huis niet onbewaakt achter laten

Eens

13.3

16.7

70.0

49.3 14.7

16.3 16.6

34.4 68.8

10.1

13.7

76.2

19.8

25.8

54.3

40.8 17.4

18.5 21.0

40.8 61.6

36.4

20.5

43.2

Alle items geven verschillende soorten van bedreigingen en kwetsbaarheid weer. In vijf van de acht items (2, 5, 6, 7 en 8) wordt de oorzaak duidelijk bij criminaliteit gelegd. Vier van de items belichten in het bijzonder het gevoel van hulpeloosheid (4, 5, 6 en 8). Vijf van de items verwijzen naar preventief gedrag (1, 2, 6, 7 en 8). De andere drukken eerder angst uit. Na een paar pre-toetsen werd de op punt gestelde schaal voor het eerst in 1998 gebruikt bij een toevallig staal van de Vlaamse bevolking. Inmiddels werd ze al in vijf onderzoeken bij de volwassen Vlaamse bevolking 4. Op basis van een uitgebreid literatuur onderzoek kwam Hale (1996) tot het besluit dat men die aspecten duidelijk dient te onderscheiden van de cognitieve component of de geschatte kans op slachtofferschap.

102


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

afgenomen, waaronder de surveys van de administratie Planning en Statistiek van 1999, 2000 en 2002. In de volgende sectie bespreken we de schaaleigenschappen. Dan toetsen we een belangrijke implicatie van de voorgestelde begripsvorming. In sectie 3.3 gaan we in op de omvang en de recente evolutie van de aldus gemeten onveiligheidsgevoelens in Vlaanderen.

3.1

| Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos

Om de schaalbaarheid van de uitspraken te toetsen werden de 5 databanken gekoppeld en vervolgens gewogen volgens dezelfde criteria5. Bovendien werden enkel de respondenten tussen 18 en 75 jaar in de analyses opgenomen opdat elke databank een vergelijkbare populatie zou vertegenwoordigen. FIGUUR 1

Confirmatorische factoranalyse met de oorspronkelijke 8 items

e8 .19 .12

.03

e7 e6

.36 .39 .45

v8 v7 v6

.60 .63 .67

.11

e5

v5

.58

.23

-.19

Onveiligheid e4

-.18 .35 .07

.33

-.07

e3

.34 .50

v4 v3

.59 .71

.21 .15

e2

-.07

e1

.57 .25

v2 v1

.75 .50

p=.129; agfi=.998; χ2=11.232; df=7; Hoelters’N=9981.000

De confirmatorische factoranalyse in Figuur 1 toont dat het model zeer goed bij de data past. Ook als we het model toetsten aan 2 toevallig getrokken steekproeven van 50% van het oorspronkelijk aantal respondenten, blijft het model passen6. 5. De databanken werden gewogen naar dezelfde standaardverdeling van leeftijd en onderwijsniveau. De gebruikte wegingscoefficiĂŤnten varieerden van 0.52 tot 2.9.

103


Vlaanderen gepeild ! We gingen ook na of het model invariant is naar opleidingsniveau. Het is immers niet uitgesloten dat de gebruikte uitspraken, ondanks alle inspanningen, verschillend worden geïnterpreteerd door of een verschillende affectieve lading hebben voor hoog- en laaggeschoolden. De steekproefbevolking werd in twee verdeeld. Tot de eerste groep behoorden de respondenten die ten hoogste hoger secundair onderwijs in het BSO of TSO volgden; de tweede groep omvat personen die minimum hoger secundair onderwijs ASO volgden. Voor alle parameters werd getoetst of deze al dan niet significant verschillend zijn voor de twee groepen. Het strenge model dat overeenkomstige parameters in de twee groepen identiek maakt, bleek bij de gegevens te passen (p=0.07; agfi=0.996; χ2=28.73; df=19; Hoelters ’N=7856) We kunnen dus aannemen dat de uitspraken op een gelijkaardige manier door hoog- en laaggeschoolden worden begrepen en dat de gehanteerde schaal voor zowel laag- als hooggeschoolden kan worden gebruikt. Uit de analyse blijkt verder dat de zogeheten emotionele en de gedragscomponent van de onveiligheidsgevoelens niet kunnen onderscheiden worden. Zij hangen onderling heel nauw samen.

3.2

| Onveiligheid en onbehagen

Als de onveiligheidsgevoelens inderdaad een gevoel van bedreiging en kwetsbaarheid weergeven, waartegen men zich relatief hulpeloos voelt, en die op misdaad wordt geprojecteerd, kunnen we verwachten dat onveiligheidsgevoelens onderdeel zijn van of alleszins sterk samenhangen met een meer algemeen gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid, hulpeloosheid, onzekerheid, gebrek aan houvast, kortom onbehagen (Elchardus en Smits, 2002). In de gebruikte databanken zijn twee meetschalen beschikbaar die dat algemene gevoel van onbehagen uitdrukken: negatieve en onzekere toekomstverwachtingen7 en anomie of het gevoel dat men de werkelijkheid niet meer aankan (Billiet, Carton et al., 1990). De pertinentie van de gekozen begripsvorming en benaderingswijze kan daarom worden getoetst door na te gaan of er grote verwantschap bestaat tussen de gemeten onveiligheidsgevoelens, de gevoelens van anomie en de onzekere, negatieve toekomstverwachtingen.

6. Steekproef 1: p=0.46; agfi=0.998; χ2=5.67; df=6; Hoelters ’N=8820. Steekproef 2: p=0.17; agfi=0.997; χ2=8.99; df=6; Hoelters ’N=5536. 7. Voor een beschrijving van de schaal, zie Elchardus & Smits (2002)

104


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

TABEL 2

Correlatie van onveiligheidsgevoelens met toekomstbeeld en anomie

TOR1998 APS1999 APS2000

Negatief toekomstbeeld 0.49 0.30 0.34

Anomie -0.41 --

Toekomst SZ -0.38 0.34

Dat blijkt inderdaad het geval te zijn (zie tabel 2). In drie van de databanken kunnen we de correlatie tussen de onveiligheidsgevoelens en het toekomstbeeld schatten. Zij varieert van .30 tot .49. In twee databanken zit een vraag betreffende specifiek de toekomst van de sociale zekerheid8. Die specifieke toekomstverwachting correleert .34 en .38 met de onveiligheidsgevoelens. Anomie werd gemeten in één van de databanken. De correlatie met de onveiligheidsgevoelens bedraagt .41. Onveiligheidsgevoelens, negatieve toekomstverwachtingen en gevoelens van anomie hangen duidelijk sterk samen. De correlaties zijn zelfs voldoende hoog om te gewagen van één complex dat we onbehagen kunnen noemen9. Als we bereid zijn de onveiligheidsgevoelens te beschouwen als een gevolg van een negatief toekomstbeeld, van gevoelens van anomie en van de vrees dat de verzorgingsstaat aftakelt, kunnen we meteen een groot deel van dat gevoel verklaren. Zo’n verklaring lijkt ons echter iets te gemakkelijk (en waarschijnlijk misleidend) omdat er ongetwijfeld wederzijdse beïnvloeding is tussen die verschillende ervaringen. De vaststelling wijst wel op de mogelijkheid het onderzoek naar de oorzaken van de onveiligheidsgevoelens te vervangen door onderzoek naar de oorzaken van het onbehagen (zoals geïndiceerd door gevoelens van onveiligheid, anomie én de toekomstbeelden). Dat laatste zou wel eens veel beter kunnen aansluiten bij de ervaringen van de respondenten. We zullen die piste in deze bijdrage niet bewandelen, maar aansluiten bij een brede stroming in de onderzoeksliteratuur die de aandacht specifiek op de onveiligheidgevoelens richt. De gerapporteerde vaststellingen sterken ons in de overtuiging dat onveiligheidgevoelens een algemeen gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid weergeven, die geheel of gedeeltelijk op criminaliteit worden geprojecteerd.

8. Deze geeft weer of men al dan niet een crisis van de verzorgingsstaat, toenemende uitsluiting en ongelijkheid verwacht. 9. In het onderzoek van 1999 zijn vier schalen voorhanden (onveiligheid, algemeen toekomstbeeld, toekomst van de sociale zekerheid en anomie). Een principale componentenanalyse brengt slechts één component met een eigenwaarde groter dan 1 aan het licht (2.0) die 49.6% van de variatie verklaart (de ladingen zijn: onveiligheid .66, negatief toekomstbeeld .74, anomie .72, toekomst sociale zekerheid .70). In het onderzoek van 2000 zijn 3 schalen voorhanden (onveiligheidsgevoel, negatief toekomstbeeld en toekomst van de sociale zekerheid). Een principale componentenanalyse brengt slechts één component met een eigenwaarde groter dan 1 aan het licht (1.7). De component verklaart 56,5% van de variatie, met ladingen voor onveiligheidsgevoelens .74, negatief toekomstbeeld .76 en toekomst sociale zekerheid .76.

105


Vlaanderen gepeild ! TABEL 3

Evolutie van de onveiligheidgevoelens per item (alle databanken gewogen volgens zelfde standaard)

Het is vandaag de dag te onveilig om kinderen alleen op straat te laten

Bron TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

Oneens Midden 13.7 11.1 13.2 16.3 10.4 13.8 14.9 21.0 11.7 14.1 13.3 16.7

Eens 75.3 70.6 75.8 64.1 74.2 70.0

Uit angst dat ik word overvallen sluit ik altijd onmiddellijk mijn wagen als ik instap

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

52.7 61.0 51.4 44.1 45.9 49.3

11.4 12.4 13.5 21.2 14.5 16.3

35.9 26.6 35.1 34.7 39.6 34.4

’s Avonds moet je op straat extra voorzichtig zijn

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

12.1 19.8 14.3 13.5 15.3 14.7

9.8 16.5 17.3 19.5 14.9 16.6

78.1 63.7 68.4 67.0 69.8 68.8

De laatste 10 jaar zijn de straten onveiliger geworden

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

10.2 13.0 8.8 9.5 9.3 10.1

8.9 15.5 13.2 15.1 13.6 13.7

80.9 71.5 78.0 75.4 77.1 76.2

De politie en rijkswacht zijn niet meer in staat om ons nog te beschermen tegen criminelen

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

20.6 26.5 21.4 17.7 16.3 19.8

24.8 28.9 29.6 24.4 23.9 25.8

54.6 44.6 49.1 57.8 59.8 54.3

106


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

’s Avonds en 's nachts doe ik de deur niet open als er gebeld wordt

Bron TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

Oneens Midden 44.7 14.0 50.9 15.2 43.4 17.0 35.1 22.5 38.7 17.0 40.8 18.5

Eens 41.3 33.8 39.6 42.4 44.3 40.8

In deze tijd is een alarmsysteem geen overbodige luxe

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

20.2 25.4 15.8 13.9 17.1 17.4

17.0 22.8 20.1 21.8 21.6 21.0

62.8 51.8 64.1 64.3 61.2 61.6

Als ik op vakantie ga, durf ik mijn huis niet onbewaakt achter laten

TOR1998 APS1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

40.4 45.6 38.9 31.2 34.3 36.4

15.1 17.5 18.2 24.7 19.3 20.5

44.5 36.9 42.9 44.1 46.4 43.2

3.3

| Hoe onveilig voelt de Vlaming zich?

Omdat de onveiligheidsgevoelens tussen 1998 en 2002 niet sterk variëren (zie tabel 3), kunnen we de verdeling geaggregeerd over de vijf datapunten bekijken. De Vlamingen, 18 tot 75 jaar oud, voelen zich behoorlijk onveilig. Meer dan drie kwart meent dat de straten de laatste 10 jaar onveiliger zijn geworden. Bijna 70% durft kinderen niet alleen op straat te laten en is van oordeel dat je ’s avonds extra voorzichtig moet zijn. Meer dan de helft meent dat de politie hen niet meer tegen criminelen kan beschermen. 40% en meer doet ’s avonds niet meer open als wordt aangebeld en durft de woning tijdens de vakantie niet onbewaakt achterlaten. Meer dan een derde sluit na het instappen de wagen uit angst te worden overvallen10. Vlamingen voelen zich zeer sterk bedreigd en kwetsbaar. De ruim verspreide opvatting dat de politie niet meer in staat is ons nog te beschermen tegen criminelen wijst daarenboven op een groot gevoel van hulpeloosheid. Preventief gedrag is ruim verspreid of wordt alleszins door velen overwogen of wenselijk geacht: kinderen binnen houden (70%), ’s avonds op straat extra voorzichtig zijn (69%), alarmsystemen

10. Bij de interpretatie van deze gegevens dient men er daarenboven rekening mee te houden dat niet iedereen op vakantie gaat of een wagen heeft.

107


Vlaanderen gepeild ! installeren (62%), het huis niet onbewaakt voor langere tijd achterlaten (43%), de deur van de wagen sluiten ook als men er in zit (34%). Angst heeft deze maatschappij in haar greep, wat waarschijnlijk meteen verklaart waarom er via een intense aandacht voor criminaliteit gezocht wordt naar een verklaring van de onveiligheidsgevoelens en gesnakt wordt naar een oplossing. TABEL 4

Onveiligheidgevoelens (8 items) naar meetpunt

TOR1998 TOR1999 APS2000 DS2001 APS2002 Totaal

Mean -0.03 -0.25 0.00 0.10 0.01 0.00

N 1152 1208 1048 3358 1204 7970

Std. Deviation 0.89 0.89 0.94 1.10 0.89 1.00

Significantie 1998-1999 *** 1999-2000 *** 2000-2001 ** 2001-2002 *

* p < 0.05 ** p < 0.01 *** p < 0.001

Omdat we de gegevens in elke databank hebben beperkt tot de zelfde leeftijdsgroep (18 tot 75) en op alle databanken dezelfde weging (naar leeftijd en onderwijsniveau) hebben doorgevoerd, is het verantwoord te kijken naar de evolutie van de onveiligheidgevoelens (zie tabel 4). De verschuivingen zijn nooit echt groot, maar in vier van de vijf vergelijkingen tussen opeenvolgende jaren wel statistisch significant. Het onveiligheidgevoel daalt betrekkelijk sterk van 1998 naar 1999. Daarna begint het te klimmen, van 1999 naar 2000 en van 2000 naar 2001. Tussen 2001 en 2002 is er nog een verdere toename, die echter niet statistisch significant is. Als we 2000 als een scharnierjaar hanteren, blijken de onveiligheidgevoelens groter na 2000 dan voor 2000. Kijkt men naar de individuele items (tabel 3), dan lijkt de toename van het onveiligheidgevoel vooral twee vormen aan te nemen. Enerzijds is er het groeiend aantal mensen dat meent dat de politie hen niet meer tegen criminelen kan beschermen. Dat steeg van 45% in 1999 naar 60% in 2002! Anderzijds neemt ook het preventieve gedrag toe. Zo stijgt bijvoorbeeld de proportie die stelt meteen na het instappen de wagen te sluiten, van 27% in 1999 naar 40% in 2002. Net zoals een alarmsysteem lijkt onderzoek naar de omvang en de oorzaken van het onveiligheidgevoel geen overbodige luxe.

4

| Onveiligheidgevoelens verklaren

In het licht van de gekozen begripsvorming en theorie is het evident de verklaring van de onveiligheidgevoelens te zoeken in alle factoren die de gevoelens van

108


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid verhogen. Bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid zijn, met andere woorden, de ongemeten theoretische begrippen die we hanteren om ervaringen en condities in verband te brengen met de onveiligheidgevoelens (Van der Wurff, Van Stallduinen et al., 1989). In de literatuur vindt men talrijke hypothesen en waarnemingen betreffende die ervaringen en condities. We beperken ons hier tot factoren waarvan een daadwerkelijke invloed al empirisch werd vastgesteld11. Er werden al verschillende pogingen ondernomen om die invloeden overzichtelijk te ordenen (bv. Taylor en Hale, 1986). De volgende classificatie lijkt ons handig. 1. Fysieke bronnen van kwetsbaarheid 2. â&#x20AC;&#x2DC;Objectieveâ&#x20AC;&#x2122; mate van bedreiging: risico op slachtofferschap, ervaring met criminaliteit 3. MateriĂŤle condities van de omgeving 4. Sociale kenmerken van de omgeving 5. Persoonlijke sociale inbedding, betrokkenheid, sociale integratie 6. Massacommunicatie en massamedia 7. Sociaal-economische onzekerheid 8. Algemene culturele invloeden

4.1

| Fysieke bronnen van kwetsbaarheid

Bijna alle empirische studies stellen vast dat oudere mensen zich onveiliger voelen dan jongeren, terwijl de frequentie van slachtofferschap net het tegengestelde laat vermoeden (Toseland, 1982; Mugford, 1984; Rossini, 1988; Young, 1992; Turgeon en Rinfret-Raynor, 1993; Carcach, Frampton et al., 1995; Greve, 1998; Pain, 2001). Volgens verschillende auteurs dienen de hogere onveiligheidsgevoelens van de oudere mensen verklaard door hun grotere kwetsbaarheid, gekoppeld aan de zware consequenties (bijvoorbeeld, permanent verlies van mobiliteit of blijvende functionele beperkingen) bij slachtofferschap (Greve, 1998; Adams en Serpe, 2000; Tulloch, 2000; Klinenberg, 2001; Kury, Obergfell-Fuchs et al., 2001). Dat leidt tot grotere voorzichtigheid en frequenter preventief gedrag. Daarenboven worden oudere mensen ook dikwijls in de media als slachtoffer voorgesteld, wat het gevoel van kwetsbaarheid kan vergroten en de kans van projectie op misdaad in de hand werkt (zie verder 4.5). Die argumenten, evenals empirische veralgemening laten vermoeden dat hoge leeftijd gepaard gaat met onveiligheidsgevoelens. Ook van vrouwen wordt vastgesteld dat zij zich onveiliger voelen dan mannen, ondanks een lager slachtofferschap. Dat wordt door een aantal auteurs toegeschreven aan vormen van kwetsbaarheid (zoals verdoken geweld en de vrees voor ver-

11. We nemen daarbij ook de resultaten op van onderzoek naar de cognitieve component van de onveiligheidsgevoelens.

109


Vlaanderen gepeild ! krachting) die niet meteen uit slachtofferschapsratio’s blijken (bv. Young, 1992; Turgeon en Rinfret-Raynor, 1993; Walklate, 1998). Als de fysieke conditie op zich het gevoel van kwetsbaarheid en hulpeloosheid vergroot, kan men ook verwachten dat gevoelens van onveiligheid groter zijn bij zieken en bij mensen die vrezen ernstig ziek te worden. Al die implicaties van de kwetsbaarheidthese zullen worden getoetst.

4.2

| Slachtofferschap en criminaliteit

In het licht van de “fear of crime”-onderzoektraditie leek het evident de onveiligheidsgevoelens in verband te brengen met criminaliteitsstatistieken. Dat bleek echter moeilijk omdat die statistieken (gerechts- of politiestatistieken) bar slecht zijn. Vandaar dat onderzoekers, waar mogelijk, werkten met slachtoffer-enquêtes. De resultaten van dat onderzoek zijn verre van eenduidig. Sommige onderzoekers vinden sterke effecten van het slachtofferschap (Parker en Ray, 1990; Zani, Cicognani et al., 2001). Anderen vinden zwakke tot matige effecten (Kury, Obergfell-Fuchs et al., 2001). Een niet onaardig aantal onderzoekers stelt zeer zwakke, soms zelfs verwaarloosbare effecten vast (Taylor en Hale, 1986; Liska en Baccaglini, 1990; Covington en Taylor, 1991; Anselme, 1993; Carcach, Frampton et al., 1995; Kury en Ferdinand, 1998)12. Duidelijk is alvast dat slachtofferschap niet kan worden beschouwd als de hoofdoorzaak van de onveiligheidsgevoelens. Verder is verdeeldheid troef, hoewel de balans van de waarnemingen overhelt naar een matig tot zwak effect van het slachtofferschap. Kury en Ferdinand vatten hun bevinding als volgt samen: “…the broad fear of crime in cities is due in only small measure to the actual experience of becoming a victim” (1998: 97). De effecten van slachtofferschap die zij vinden zijn zwakker dan die van gender, omvang van de gemeente en leeftijd. Zij spreken dan ook van de “…the well founded but still small connection between victimization and anxiety about crime’” (1998: 97). Het bescheiden effect van het slachtofferschap op het onveiligheidgevoel maakt het in elk geval heel onwaarschijnlijk dat veranderingen in het slachtofferschap veel effect zullen hebben op het onveiligheidgevoel (Skogan en Maxfield, 1981). Spijtig genoeg beschikken we in geen enkele van de gebruikte databanken over slachtofferschapgegevens. Dit kan tot twee soorten vertekeningen leiden. Het eerste, en minst storende, is dat het onveiligheidgevoel daardoor minder goed wordt verklaard. Het tweede storender risico, is dat het effect van sommige kenmerken verkeerd wordt ingeschat omdat zij verband houden met het slachtofferschap. Omdat 12. Carcach et.al. (1995) vonden dat niet het actuele slachtofferschap, maar de vermeende kans op slachtofferschap een effect heeft op het onveiligheidsgevoel. Deze gepercipieerde of vermeende kans op slachtofferschap kan echter zelf door een meer algemeen onbehagen of onveiligheidsgevoel in de hand worden gewerkt. Het kan even goed gevolg als oorzaak zijn van onveiligheidsgevoelens. Sommige auteurs beschouwen het veeleer als een component dan als een verklaring van die gevoelens (Greve, 1998; Kury et.al, 2001; Adams & Serpe, 2000; Tulloch, 2000).

110


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

de meeste analyses een bescheiden tot zwak effect vinden, kunnen we een kleine tot verwaarloosbare vertekening vermoeden.

4.3

| De omgeving

In de praktijk van het onderzoek, en ten gevolge van een invloedrijke oriënterende theorie, is het moeilijk de materiële en sociale kenmerken van de omgeving van elkaar te onderscheiden. We behandelen ze daarom samen. Toonaangevend voor het onderzoek naar criminaliteit en onveiligheidsgevoelens op buurtniveau was (en is) de sociale desintegratietheorie van Shaw en McKay (1942/1969). Daarin worden materiële kenmerken meteen aan sociale cohesie gekoppeld. Een hoge residentiële mobiliteit, etnische heterogeniteit en een lage sociaal-economische status van de buurt werden beschouwd als oorzaken van een gebrekkige sociale cohesie. Deze laatste leidde volgens de voorgestelde verklaring tot criminaliteit (Sampson en Groves, 1989; Sampson, Raudenbush et al., 1997). De factoren die volgens het model van Shaw en McKay een invloed hebben op de spreiding van de criminaliteit, lijken op een vrij gelijkaardige manier de onveiligheidsgevoelens te bevorderen (zie Hale, 1996 voor een overzicht)13. Heel wat onderzoeken toonden al aan dat het onveiligheidgevoel lager is in buurten met een sterkere sociale cohesie (Taylor, Gottfredson et al., 1984; Covington en Taylor, 1991; Warner en Rountree, 1997; Adams en Serpe, 2000; Ross en Yang, 2000; de Hart, 2002) (zie ook Anselme, 1993; Carcach, Frampton et al., 1995; Walklate, 1998). De grote verscheidenheid aan indicatoren die voor het meten van sociale cohesie wordt gehanteerd, bemoeilijkt een precieze interpretatie van dat effect, maar versterkt wel het geloof in de validiteit van het verband tussen sociale cohesie en onveiligheidsgevoelens. Ook van de etnische heterogeniteit van buurten werd herhaaldelijk vastgesteld dat zij het onveiligheidgevoel aanzwengelt (Covington en Taylor, 1991; Quillian en Pager, 2001; Maas-de Waal en Wittebrood, 2002). Er zijn verder ook heel wat aanwijzingen dat verloedering, zowel van de fysieke omgeving (verkrotting, zwerfvuil) als van de sociale relaties (onbeschoftheid, overlast) de onveiligheidgevoelens vergroot (Wilson en Kelling, 1982; Dussich, 1985; Smith, 1989; Covington en Taylor, 1991; Vrij en Winkel, 1991; Lagrange, Ferraro et al., 1992; Perkins, Meeks et al., 1992; Ross en Yang, 2000; Quillian en Pager, 2001). De gegevens die we gebruiken, laten weinig directe, precieze metingen toe op het niveau van de buurt14. Wat de fysieke kenmerken van de omgeving betreft, zijn

13. Soms wordt tussen de kwaliteit van de buurt en de onveiligheid een wederzijdse relatie geponeerd. Radicaal en origineel, maar niet gesubstantiveerd, is de stelling van Wilson en Kelling (1982) dat onveiligheidsgevoelens en angst voor misdaad de mensen wegdrijft uit de publieke ruimte van hun buurt, daardoor gemeenschappen atomiseert, wat dan leidt tot misdaad, onbeschoftheid en verloedering en grond geeft voor de gevoelens van onveiligheid. 14. Heel wat van de geciteerde bevindingen (Hough en Mayhew, 1985; Liska en Baccaglini, 1990) steunen op analyse op geaggregeerd niveau en niet op multilevel analyse, wat de bevindingen hypothekeert.

111


Vlaanderen gepeild ! we aangewezen op proxy indicatoren: verstedelijking, de beleving van de buurt, de mate waarin men van oordeel is dat de eigen buurt goed onderhouden is en, tenslotte, de sociaal-economische status van de respondent. Het is duidelijk dat een groot aantal van de gesignaleerde problemen meer kans hebben voor te komen in stedelijke omgevingen (Adams en Serpe, 2000; Zani, Cicognani et al., 2001; Maas-de Waal, 2002). Men kan ook vermoeden dat heel wat van de gesignaleerde probleemtoestanden een grotere kans hebben zich te manifesteren in arme buurten, met een concentratie sociaal-economisch zwakke bewoners (Sampson en Groves, 1989). Uit onderzoek blijkt overigens dat een lage gemiddelde sociaal-economische status van de bewoners van een buurt, gepaard gaat met hogere onveiligheidsgevoelens (Covington en Taylor, 1991; Maas-de Waal, 2002). De individuele sociaal-economische status is weliswaar een zwakke indicator van de status van de buurt, maar sociaaleconomisch zwakke mensen hebben toch veel meer kans te leven in arme buurten. Men kan ook verwachten dat de gesignaleerde problemen leiden tot een negatief oordeel over de eigen buurt (Carcach, Frampton et al., 1995), hetzij een globaal oordeel, hetzij een oordeel geveld via de indruk dat de eigen buurt is achtergesteld en minder goed wordt onderhouden dan andere buurten. Voor de effecten van de fysieke en sociale kwaliteit van de omgeving zullen we enkel via deze indicatoren (verstedelijking, oordeel over de buurt en sociaal-economische status van de respondent) kunnen controleren. De gebruikte datasets bevatten geen indicatoren van sociale cohesie gemeten op buurtniveau15. We benaderen het thema sociale cohesie daarom via indicatoren van de mate van sociale geĂŻntegreerdheid, betrokkenheid en participatie van de individuele respondenten. De beschikbare literatuur geeft niet echt uitsluitsel over de gepastheid van die aanpak. Bijna al het onderzoek over buurteffecten op criminaliteit en onveiligheidgevoelens werkt op geaggregeerd niveau en houdt derhalve een zeer groot risico op ecological fallacy in. Rovers (1997) vindt in een ecologische regressie dat geaggregeerde buurtkenmerken als economische deprivatie, gebrekkige sociale controle en een sterke aanwezigheid van jongeren, een betekenisvol effect hebben op jeugdcriminaliteit. Getoetst in een multilevelmodel waarin buurtkenmerken van individuele gegevens worden onderscheiden, blijkt er echter bitter weinig variatie op buurtniveau te bestaan en kan de variatie die er is niet aan de opgesomde kenmerken worden toegeschreven. In dat geval gaat het om onderzoek naar criminaliteit. Multilevelonderzoek naar de invloed van buurtkenmerken op onveiligheidgevoelens is nog schaarser. Het enige ons bekende voorbeeld is dat van Maas-de Waal en Wittebrood (2002). De auteurs vinden dat een goede kwaliteit van de relaties in de buurt (gemeten als een geaggregeerde variabele) inderdaad gepaard gaat met zowel een lagere slachtofferkans als lagere onveiligheidgevoelens16. In dit overigens zeer

15. Dat wil zeggen gemeten onafhankelijk van de individuele waarnemingen of als een aggregaat van de individuele kenmerken. 16. Buurtkenmerken als SES, etnische heterogeniteit en residentiĂŤle mobiliteit bleken geen effect te hebben op de onveiligheidsgevoelens.

112


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

verhelderende model wordt echter niet gecontroleerd voor de individuele mate van integratie of de individuele perceptie van de relaties in de buurt. Die analyse zegt ons, met andere woorden, nog niets over het relatieve belang van sociale cohesie als buurtkenmerk en sociale integratie als individueel kenmerk.

4.4

| Sociale integratie, betrokkenheid en middenveldparticipatie

Verschillende studies komen tot het besluit dat de mate waarin mensen sociaal geïntegreerd zijn hun onveiligheidsgevoelens drukt (Adams en Serpe, 2000; Ross en Yang, 2000; Elchardus, Huyse et al., 2001; Klinenberg, 2001). In de vermelde onderzoeken worden verschillende indicatoren van sociale integratie gehanteerd. Soms laat dat een specificatie van de effecten toe. Zo stellen Ross en Jang (2000) dat informele sociale integratie (in primaire netwerken) veiligheidgevoelens meer bevordert dan participatie in middenveldorganisaties en verenigingen17. De hoeveelheid aan indicatoren maakt het wenselijk deze enigszins te systematiseren om alzo te proberen het relatieve belang van verschillende aspecten van sociale integratie, betrokkenheid en middenveldparticipatie te schatten. We onderscheiden de volgende aspecten: • de aanwezigheid van een levensgezel; • de beschikbaarheid van arbeid en van de contacten die daarmee doorgaans gepaard gaan; • de inbedding in een primair netwerk van persoonlijke contacten (beschikt men over een sociaal netwerk waarop men bij problemen kan terugvallen, hoe frequent praat men met de buren, heeft men vrienden, ontmoet men leden van de familie?). • de buurtbetrokkenheid (zet men zich in om problemen in de buurt aan te pakken); • de mate van middenveldparticipatie en participatie aan het verenigingsleven; • het verrichten van vrijwilligerswerk, het helpen van zieken en bejaarden, als een bron van contacten en betrokkenheid • cultuurparticipatie buitenshuis.

4.5

| Media

Uit het onderzoek over slachtofferschap (zie 4.2) bleek dat heel wat mensen die nooit slachtoffer of getuige waren van een misdaad zich toch onveilig voelen (Liska en Baccaglini, 1990; Williams en Dickinson, 1993). Onveiligheidsgevoelens nemen soms ook overhand toe bij schijnbaar lage en zelfs dalende criminaliteit 17. Volgens die auteurs leidt de confrontatie met onbeschoftheid minder snel tot onveiligheidsgevoelens bij mensen die beter sociaal geïntegreerd zijn in een primair netwerk.

113


Vlaanderen gepeild ! (O'Connell, 1999). Dat alles laat vermoeden dat die gevoelens zich niet alleen via ervaringen en beleefde condities verder planten, maar ook via communicatieprocessen (Hollander, 2001). Het kan daarbij gaan om face-to-face communicatie met vrienden, buren en familie die slachtoffer werden (Covington en Taylor, 1991; Hale, 1996) maar ook om processen van massa-communicatie. Deze laatste leveren trouwens niet zelden de stof voor persoonlijke communicatie en vervangen op die manier ervaring. Talrijke onderzoekers komen tot de vaststelling dat mediaconsumptie de onveiligheidgevoelens op de ene of andere manier verhoogt (Heath en Gilbert, 1996; Altheide, 1997; Chiricos, Eschholz et al., 1997; O'Connell, 1999; Vergeer, Lubbers et al., 2000)18. Men zoekt de verklaring voor die invloed dikwijls in het formaat van het nieuws (o. m. Gilliam en Iyengar, 2000). Heel wat auteurs onderkennen daarin een script dat zich als het ware aan journalisten en mediamensen opdringt: • Het nieuws kan de werkelijkheid niet voorstellen en richt de aandacht op exemplarisch geachte evenementen in de plaats van op trends (Elchardus, 2002). Door de herhaling van gelijkaardige evenementen krijgt de lezer, luisteraar of kijker echter de indruk dat er zich in de werkelijkheid een duidelijke trend, eventueel zelfs een ware misdaadgolf voordoet (Chiricos, Eschholz et al., 1997). Die indruk is volgens sommigen systematisch verkeerd (Williams en Dickinson, 1993). Eens de berichtgeving een bepaald patroon heeft gezet, gaat dit immers dienst doen als een matrijs of sjabloon waarmee de journalist verdere feiten omwille van nieuwswaardigheid selecteert. • Bij de berichtgeving gaat de aandacht gemakkelijk naar extreme, schokkende evenementen (Liska en Baccaglini, 1990; Williams en Dickinson, 1993). Maar precies de selectie en spectaculaire voorstelling van die gebeurtenissen, verhoogt de angst en de onveiligheidsgevoelens (Kury en Ferdinand, 1998). Massamedia worden volgens sommige nagenoeg tot deze sensationalisering gedwongen. Angst verkoopt goed (Lichtenstein, Slavic et al., 1978). Het is overigens zeer functioneel aandacht te hebben voor wat bedreigend is, maar via de psychologische en culturele mechanismen die daarvoor werden opgebouwd, kan men ook aandacht trekken door iets als bedreigend voor te stellen. Op die manier worden de ervaring van bedreiging en het gevoel van kwetsbaarheid verhoogd. • Onderzoek wijst ook uit dat de media niet zelden de aandacht richten op kwetsbare slachtoffers (Adams en Serpe, 2000). Mensen die zich met de opgevoerde en voorgestelde slachtoffers kunnen identificeren, voelen zich, ten gevolge van die aandacht, nog kwetsbaarder en hulpelozer (Chiricos, Eschholz et al., 1997). De impact van dat script blijkt afhankelijk van de condities waarin mensen zich bevinden en het laat zijn invloed ook op een onrechtstreekse wijze gelden (Chiricos, Eschholz et al., 1997). Zo blijkt nieuws stereotypen over misdadigers te versprei-

18. Op basis van die bevindingen verwerpen een aantal auteurs resoluut het zogeheten realistische perspectief op criminaliteit (Chiricos, Padgett et al., 2000: 779). Dat perspectief (Young, 1987) stelt dat materiële condities uiteindelijk doorslaggevend zijn. Chiricos et al. (2000) stellen daarentegen vast dat precies de mediainvloed tot de belangrijke invloeden behoort en veel andere invloeden overschaduwt.

114


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

den (“het zijn altijd Marokkanen” bijvoorbeeld), wat leidt tot vooroordelen tegenover en angst voor bepaalde minderheden (Vergeer, Lubbers et al., 2000). De verspreiding van dergelijke stereotypen kan dan in gemengde buurten, ook zonder verdere aanleiding, angst en onveiligheidgevoelens doen toenemen. Er schuilt in de relatie tussen massamedia en onveiligheidsgevoelens misschien ook een zelfaanzwengelend karakter. Minnebo (2000) argumenteert in elk geval dat mensen die zich onveilig voelen gemakkelijker naar misdaaddrama en misdaadnieuws kijken en op die manier hun gevoelens van onveiligheid nog verhogen. Het is echter heel onwaarschijnlijk dat dit script op dezelfde manier wordt verwezenlijkt, ongeacht het specifieke medium waarlangs het wordt voorgesteld. De zorgvuldige studie van Chiricos, Eschholz en Gertz (1997), vindt na controle voor andere relevante variabelen (o.m. geslacht, etnie en slachtofferschap) dat mediacontact een significante bijdrage levert aan het onveiligheidgevoel. Dat geldt volgens die onderzoekers echter enkel voor het aantal uren dat gekeken wordt naar televisienieuws en geluisterd naar radionieuws, niet voor de informatieverwerving die via de kranten verloopt (zie ook Gilliam en Iyengar, 2000). Williams en Dickinson (1993) die dan weer het effect van kranten nader onderzoeken, stellen een verschil vast tussen de invloed van tabloids en broadsheets (zowat het verschil tussen meer commerciële en meer elitaire kranten). Zij vinden, net als Gilliam en Iyengar (2000), dat de meer populaire berichtgeving sterker bijdraagt tot onveiligheidgevoelens. Liska en Baccaglini (1990) vinden in de V.S. dat lokaal televisienieuws meer bijdraagt tot gevoelens van onveiligheid dan nationaal televisienieuws (zie ook Chiricos, Eschholz et al., 1997). Los van de vastgestelde verschillen tussen woord en beeld (impact van de geschreven en de audiovisuele pers) is het waarschijnlijk misleidend zich bij het speuren naar de oorzaken van de gevoelens van onveiligheid, te beperken tot nieuws. Het gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid kan immers via een veel bredere waaier van onderwerpen en vormen van massacommunicatie en entertainment worden verhoogd. Een samenleving stelt zich voor, met inbegrip van haar zorgen en angsten, via onder meer het geheel van de symbolische productie die langs de massamedia worden verspreid (Elchardus, 2002; Elchardus en Glorieux, 2002). Precies omdat de aandacht van de kijker, luisteraar en lezer gemakkelijker getrokken wordt door problemen wil die zelfvoorstelling van de samenleving wel eens problematiserend zijn (Altheide, 1997). De invalshoek is de nieuwswaardige, belangwekkende, maar daarom dikwijls schokkende en bedreigende gebeurtenis. Om de impact van de media te meten bieden de gebruikte datasets een aantal interessante mogelijkheden. We kunnen in bijna alle sets de invloed nagaan van het aantal uren dat televisie wordt gekeken. Een aantal datasets laten toe de relatieve impact van het televisiekijken af te zetten tegen die van radio beluisteren en het kranten lezen. In één dataset kan ook worden nagegaan of televisiekijken in het algemeen, dan wel het volgen van het televisienieuws een effect heeft op de onveiligheidsgevoelens. Daarnaast kan in twee datasets ook worden gekeken naar de mediavoorkeur. Dat lijkt ons een geschikte manier om na te gaan of meer populaire, meer

115


Vlaanderen gepeild ! sensationele televisie en berichtgeving andere effecten heeft dan minder populaire of sensationele berichtgeving. Van de mediavoorkeur in Vlaanderen werd al herhaaldelijk vastgesteld dat hij deel uitmaakt van meer omvattende smaakdimensies, waarin een voorkeur voor amusement en gevoeligheid voor macho-themas gepaard gaat met een voorkeur voor commerciële media, terwijl een voorkeur voor de overheidszenders nauwer aanleunt bij wat een cultureel correcte smaak kan worden genoemd (Elchardus en Siongers, 2002; Mestdag en Siongers, 2002; Siongers en Stevens, 2002). De invloed van de zendervoorkeur kan zich op verschillende manieren realiseren. Hij kan een gevolg zijn van het kijkgedrag en de stijl van de commerciële televisie. In dat geval zou die invloed worden verklaard via een stimulus-respons model en stelt men zendervoorkeur nagenoeg gelijk aan kijkgedrag. Dat model kan worden genuanceerd door te stellen dat er voorselectie is met betrekking tot de zendervoorkeur: mensen met bepaalde opvattingen hebben een voorkeur voor bepaalde zenders en via het kijken naar die zenders worden de gevolgen van die voorkeur versterkt. De invloed van de zendervoorkeur kan echter ook op een heel andere manier worden verklaard. Hij kan het gevolg zijn van de bredere media- en smaakvoorkeur waarin de zendervoorkeur is ingebed. Uitgaande van de stelling dat de kijker een actief interpreteerder is van wat hij of zij ziet, kan men de zendervoorkeur beschouwen als een afbakening van interpretatieve gemeenschappen (Jensen, 1990) die, ten dele onafhankelijk van wat wordt uitgezonden, bepaalde dingen zullen zien. In dit complexere model heeft de persoon met een voorkeur voor commerciële zenders als het ware een andere interpretatieve bril op, die maakt dat, ook als hij naar niet-commerciële zenders kijkt, andere dingen zal zien dan een persoon met een andere zendervoorkeur.

4.6

| Sociaal-economische onzekerheid

In de sociaal wetenschappelijke literatuur worden onveiligheidgevoelens zelden of nooit voorgesteld als een projectie van sociaal-economische onzekerheid. In het politieke en journalistieke discours des te meer. Dominant is daar de stelling dat sociaal-economische onzekerheid wordt vertaald in gevoelens van onveiligheid. Die stelling is in het licht van de hier voorgestelde conceptualisering overigens niet onwaarschijnlijk. Daarom toetsen we ze aan de hand van een aantal indicatoren van sociaal-economische onzekerheid: onzekerheid met betrekking tot het arbeidscontract, dreigende werkloosheid, negatieve financiële vooruitzichten, vrees voor economische achteruitgang.

116


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

4.7

| Algemene culturele invloeden en kwetsbaarheid

Aangezien de onveiligheidgevoelens, volgens de hier voorgestelde conceptualisering en theorie, worden bevorderd door alles wat een gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid in de hand werkt, kan geloofsafval eveneens een rol spelen. Het tanen van geloof en levensbeschouwelijk engagement, soms ook omschreven als detraditionalisering, blijkt voor velen een bron van onzekerheid (Giddens, 1990; Misztal, 1996). In eerder onderzoek werd vastgesteld dat levensbeschouwelijke onverschilligheid tot wantrouwen leidde, maar geen rechtstreeks effect had op onbehagen (toen gemeten als een metafactor van negatieve toekomstverwachtingen en gevoelens van onveiligheid, Elchardus en Smits, 2002:44). De stelling kan hier echter opnieuw worden getoetst. Verschillende auteurs gebruiken zowel geslacht als leeftijd als indicatoren van kwetsbaarheid (zie 3.1). Voor de hogere onveiligheidgevoelens van vrouwen stelt Hollander (2001) een specifiek culturele verklaring voor. Volgens haar zijn de hogere onveiligheidgevoelens van vrouwen een gevolg van traditionele beeldvorming en rollen. Vrouwen zijn als het ware cultureel gecodeerd als kwetsbaar, mannen als brutaal. Vandaar een hoger slachtofferschaprisico bij mannen, maar hogere onveiligheidsgevoelens bij vrouwen. Chiricos, Eschholz en Gertz (1997) stellen vast dat vooral bij blanke vrouwen het televisiekijken naar onveiligheidsgevoelens leidt. Volgens hen is dat het gevolg van de frequente voorstelling (codering) van blanke vrouwen in de slachtofferrol. Van laaggeschoolden in de kennismaatschappij wordt beweerd dat zij zich onbehaaglijk en onveilig voelen omdat ze het gevoel hebben door deze samenleving te worden voorbij gehold (Elchardus en Smits, 2002). Die stelling impliceert dat lage scholing onveiligheidsgevoelens in de hand werkt, los van de sociaal-economische status waarmee lage scholing geassocieerd is.

5

| Een exploratieve en secundaire toetsing

Het literatuuroverzicht levert een groot aantal plausibele hypothesen op, waarvan vele daarenboven in ĂŠĂŠn of meer van de gebruikte datasets kunnen worden getoetst. Als de relevante variabelen per rubriek (indicatoren van kwetsbaarheid, buurtkenmerken, sociale integratie, media, sociaal-economische onzekerheid en culturele verklaringen) worden getoetst, blijken ze daarenboven nagenoeg allemaal een significante invloed op het onveiligheidgevoel uit te oefenen. Als exploratieve toetsingsstrategie werden de variabelen van de verschillende rubrieken daarom cumulatief ingevoerd19. We schatten de modellen eerst zonder de verwante houdingen (anomie, toekomstverwachtingen) in te voeren. 19. Daarbij werd nog geen rekening gehouden met mogelijke interactie-effecten die in de literatuur worden gerappporteerd.

117


Vlaanderen gepeild ! TABEL 5

Overzicht van de resulaten Variabelen TOR1998 Kwetsbaarheid Geslacht + Onderwijsniveau + Kans op ziekte O Gezondheidstoestand O Omgevingsfactoren SES Prestige Tevredenheid met buurt Statuut Buurt (stad, platteland,â&#x20AC;Ś) Onderhoud straat Sociale cohesie Al dan niet werken Buurtbetrokkenheid Netwerk Vrijwilligerswerk Helpen zieken, bejaarden, Lidmaatschap Cultuurparticipatie Praten met buren Vrienden ontmoeten Familie ontmoeten Leefsituatie Soc. Econ. Onzekerheid Soort contract Economisch toek. Beeld Werkloosheidsrisico FinanciĂŤle vooruitzichten

118

APS1999

APS2000

DS 2001

APS2002

+ + O O

+ + O O

+ + + +

+ + O O

O O

+ O

O O +

O O O +

O O O +

O O

O O

O O

O O

+

+ + + + + O O O +

+ O O O O O O +

+ O O O O +

O O O O O O O O O +

O O + O O + + -

O O

O + O

O O O

O O -

O O O

O

O

O

+

O


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Variabelen TOR1998 Media Aantal uur tv kijken + Mediavoorkeur + Freq nieuws volgen radio O Freq krant lezen O Freq nieuws kijken op tv O

APS1999

APS2000

DS 2001

APS2002

O + O O O

O O O O

O + O O O

O -

Levensbeschouwing

+

+

+

+

+

Leeftijd (covariaat)

+

+

+

+

+

24.6%

16.6%

17.2%

23.3%

20.6%

24.9% (2)

28.5% (3)

R2 R2 met verwante

houdingen 34.2% (1) (1) (2) (3) (4)

29.2% (4)

met negatief toekomstbeeld met anomie, negatief toekomstbeeld en toekomst sociale zekerheid met negatief toekomstbeeld en toekomst sociale zekerheid met toekomst sociale zekerheid

Een overzicht van de resultaten wordt gegeven in Tabel 5. Een plusteken betekent dat de variabele significant blijft na controle voor de andere variabelen, een minteken impliceert dat de variabele statistisch onbetekenend wordt na controle voor de andere variabelen, een 0 geeft aan dat de variabele in de dataset niet beschikbaar is. In drie van de vijf datasets stijgt de verklaarde variatie uit boven de 20%. We zullen die datasets (1998, 2001 en 2002) voor de verdere interpretatie gebruiken. Variabelen die niet significant zijn na controle voor de andere factoren, wijzen op een gefalsifieerde hypothese. Alle hypothesen afgeleid uit de kwetsbaarheidthese worden bevestigd. De modellen voor 1998, 2001 en 2002 zijn opgenomen in bijlage. Vrouwen en ouderen voelen zich merkelijk onveiliger dan mannen en jongere mensen. Wie zich omschrijft als ziek of meent een groot risico op ziekte te lopen, voelt zich ook onveiliger. Al die effecten zijn consistent met de stelling dat kwetsbaarheid omwille van een fysieke toestand leidt tot gevoelens van onveiligheid die op criminaliteit worden geprojecteerd. De persoonlijke sociaal-economische status (die we moesten gebruiken als een ongetwijfeld gebrekkige benadering voor de status van de buurt) heeft geen effect. Dat geldt eveneens voor buurtkenmerken als de tevredenheid met de buurt en de verstedelijkingsgraad van de woongemeente. Mensen die het gevoel hebben dat hun buurt minder goed onderhouden is dan andere buurten, voelen zich daarentegen wel onveiliger. Buurtkenmerken komen uit deze analyse niet als belangrijk naar voor, maar dat dient waarschijnlijk ten dele op rekening van een gebrekkige operationalisering geschreven. Het enige vastgestelde effect is vrij sterk. Het onveiligheidge-

119


Vlaanderen gepeild ! voel van mensen die van oordeel zijn dat hun buurt beter onderhouden is dan andere buurten ligt netto .32 standaardafwijkingen lager dan van mensen die menen dat hun buurt slechter onderhouden is dan andere. De fysieke verloedering van de buurt verschijnt alvast als een relevante factor in de verklaring van onveiligheidgevoelens. Wat de sociale integratie betreft blijkt het lidmaatschap van verenigingen, het helpen van bejaarden en zieken en het kunnen terugvallen op een (primair) sociaal netwerk in noodgevallen, geen effect te hebben na controle voor de andere indicatoren van sociale integratie. Belangrijk blijken buurtbetrokkenheid, het verrichten van vrijwilligerswerk, cultuurparticipatie en contact met de buren. De stelling van Ross en Jang (2000) dat vooral het primaire netwerk het veiligheidsgevoel bevordert, dient in het licht van onze bevindingen toch genuanceerd. Mensen die frequent contact hebben met vrienden en vrijwilligerswerk verrichten, voelen zich veiliger. Blijkbaar helpt persoonlijk contact en is vereenzaming een bron van onveiligheidgevoelens, maar de relevante contacten komen niet enkel uit de primaire of informele omgeving. Het merendeel van het vrijwilligerswerk geschiedt in de context van verenigingsleven of vindt daar zijn oorsprong. Dat laatste speelt dus blijkbaar wel een rol indien het actief en intens genoeg is. De aanwezigheid van een levenspartner lijkt niet zo belangrijk. In vier van de vijf databanken blijken de onveiligheidgevoelens wel merkelijk hoger bij gehuwde personen die geen of slechts ĂŠĂŠn kind hebben dan bij personen in andere gezinssituaties. Een verklaring daarvoor hebben we niet meteen en vinden we niet in de literatuur. Overigens is het moeilijk de effecten van de leefsituatie te interpreteren omdat deze in de verschillende onderzoeken op een verschillende en inconsistente wijze werd bevraagd. De rol van arbeid is niet duidelijk. Werkloosheid en huisvrouw/huisman zijn is in sommige databanken maar niet in alle geassocieerd met hogere onveiligheidgevoelens. De status van gepensioneerde of bruggepensioneerde is, ondanks een controle op het effect van de leeftijd, wel altijd verbonden met hogere onveiligheidgevoelens. Cohabitie en arbeid als mogelijke bronnen van contact, spelen dus geen belangrijke rol. Actieve cultuurparticipatie speelt wel een belangrijke rol. Wie geregeld een culturele activiteit meemaakt breed gedefinieerd van hoogcultureel ballet tot populaire muziek, met de uitsluiting van sport voelt zich veiliger. Misschien gaat het hier om een wederzijdse invloed. Mensen die zich veilig voelen zullen allicht gemakkelijker de woning en het televisietoestel verlaten om in een schouwburg, een cinemazaal of op een festivalweide iets mee te pikken. De mensen die dat geregeld doen, stellen misschien vast dat ze niet elke keer worden overvallen en dat de wereld niet zo onherbergzaam is als hij op televisie lijkt. Het vermoeden dat indicatoren van sociale integratie en het onveiligheidgevoel elkaar wederzijds beĂŻnvloeden, wordt ook bevestigd door de frequentie van het praten met de buren. Zowel degenen die heel weinig als degenen die heel veel contact hebben, voelen zich onveiliger dan de mensen met een matig niveau van contact. Dat mensen met weinig contact zich onveilig voelen is consistent met de stelling dat sociale isolatie bang maakt. De relatie tussen zeer intens contact (dagelijks) en onvei-

120


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

ligheid kan echter niet op die manier worden verklaard. Zij wijst er misschien op dat onveiligheidgevoelens de aanleiding vormen voor burencontact. Een gedeeld gevoel van bedreiging integreert groepen en schept een gevoel van samenhorigheid. Het waargenomen effect van de buurtbetrokkenheid geeft plausibiliteit aan die verklaring. Buurtbetrokkenheid wijst op de mate waarin men begaan is met de buurt en zich samen met de andere buurtbewoners, actief wil inzetten voor het oplossen van buurtproblemen. Matige en hoge niveaus van buurtbetrokkenheid zijn verbonden met hogere niveau van onveiligheidgevoelens dan lage buurtbetrokkenheid. Heel frequent contact met de buren en een grote mate van buurtbetrokkenheid blijken verbonden met hogere niveaus van ervaren onveiligheid. Het is mogelijk dat in een samenleving met hoge gevoelens van onveiligheid de intense gesprekken die gepaard gaan met een grote buurtbetrokkenheid en frequent contact met de buren, de onveiligheidgevoelens aanzwengelt. Waarschijnlijker lijkt ons een sociaal mobiliserende en integrerende rol van de onveiligheidsgevoelens. Deze maakt de relatie tussen sociale cohesie en integratie aan de ene kant, onveiligheidsgevoelens aan de andere, bijzonder complex. Sociale isolatie baart angst, en angst brengt samen. Het politieke en journalistieke discours waarin gevoelens van sociaal-economische onzekerheid worden voorgesteld als een belangrijke bron van onveiligheidgevoelens dient sterk genuanceerd en bijgesteld. Een onzeker arbeidscontract en een gepercipieerd werkloosheidsrisico blijken niet bij te dragen tot onveiligheidgevoelens. Misschien heeft dit te maken met de soliditeit van het sociaal zekerheidsstelsel dat dergelijke risico minstens ten dele opvangt. De verwachting dat men het in de toekomst financieel slechter zal hebben, draagt wel bij tot onveiligheidgevoelens. Wie vreest in de toekomst geconfronteerd te worden met een deterioratie van zijn financiële situatie voelt zich onveiliger. Dat effect wordt in het model voor 2001 ook bevestigd door het arbeidsmarktstatuut waarin een categorie wordt onderscheiden van werklozen zonder uitkering. Het gaat slechts om 31 personen, maar zij voelen zich bijzonder onveilig. De onveiligheidsgevoelens weerspiegelen ook financiële onzekerheid. Wat de media betreft blijkt het aantal uren dat men televisie kijkt, de frequentie waarmee men het nieuws volgt (ongeacht het medium), de frequentie waarmee men de krant leest, noch de frequentie waarmee men het nieuws op de televisie volgt, een significant effect te hebben op het onveiligheidgevoel. Er blijkt wel een sterke samenhang te bestaan tussen de mediavoorkeur (commerciële versus openbare omroep) en de onveiligheidsgevoelens. Een voorkeur van commerciële media verhoogt het onveiligheidsgevoel. Deze reeks vaststellingen is consistent met een interpretatie van de relatie tussen media en onveiligheidgevoel in termen van het begrip interpretatieve gemeenschap. Zij is niet compatibel met een stimulus-respons model. De variabelen die vanuit een cultuursociologisch perspectief aan de modellen werden toegevoegd, blijken allemaal significante effecten te hebben, echter niet altijd in de vooropgestelde richting. Vrouwen voelen zich inderdaad onveiliger. Vol-

121


Vlaanderen gepeild ! gens sommigen dient dit te worden toegeschreven aan een hogere kwetsbaarheid, volgens anderen aan de traditionele genderrol die vrouwen frequent in de rol van slachtoffer cast en op die manier de onveilgheidgevoelens aanzwengelt. Laaggeschoolden voelen zich onveiliger dan hooggeschoolden. Dat verschil blijft bestaan, ook in modellen waar voor sociaal-economische verschillen en beroepsprestige wordt gecontroleerd, variabelen die overigens zelf geen significante bijdrage leveren aan de verklaring. Het lijkt daarom plausibel het effect van het onderwijsniveau toe te schrijven aan een projectie van de onzekere positie van de laaggeschoolden in de kennismaatschappij op een externe dreiging zoals criminaliteit. Het effect van de levensbeschouwing is niet eenduidig, maar lijkt in elk geval wel tegengesteld aan wat een aantal auteurs voorstellen (Giddens, 1990; Misztal, 1996). De ongelovigen en levensbeschouwelijk onverschilligen voelen zich, althans volgens twee van de drie beschouwde datasets, merkelijk veiliger dan de kerkse en niet kerkse katholieken en christenen. Een verklaring voor deze vaststelling hebben we niet meteen. Overigens dient vermeld dat de levensbeschouwing zowat het zwakste van de significante effecten is. Misschien moet daarom ook niet zo zwaar worden getild aan de interpretatie ervan. Als aan die modellen de maten voor anomie en toekomstverwachtingen worden toegevoegd, stijgt de verklaarde variatie verder met ongeveer 10 procentpunten tot bij de 30 Ă 35%. Dit maakt duidelijk dat gevoelens van anomie en negatieve toekomstverwachtingen niet alleen ten dele dezelfde oorzaken hebben als de onveiligheidsgevoelens, maar dat die verschillende opvattingen en gevoelens elkaar ook sterk bevorderen, los van hun gemeenschappelijke voedingsbodem.

6

| Besluit

Onveiligheidgevoelens blijken ingebed in een meer omvattend gevoel van onbehagen dat zich ook uit in anomie en negatieve toekomstverwachtingen. Het lijkt daarom pertinent ze te beschouwen als een ervaring van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid, die verschillende oorzaken kan hebben, maar op criminaliteit en slachtofferschap wordt geprojecteerd. De Vlaamse volwassenen voelen zich erg onveilig. Over de laatste vier jaar namen de onveiligheidsgevoelens daarenboven nog toe. Die gevoelens zijn veel hoger bij oudere dan bij jongere mensen. Aangezien we ook hogere onveiligheidgevoelens vinden bij zieken en mensen die vrezen binnen afzienbare tijd ziek te worden, lijkt het plausibel dit toe te schrijven aan een gevoel van fysieke kwetsbaarheid. De literatuur suggereert ook dat oudere mensen zich onveiliger voelen omdat ze in de media frequenter in de rol van slachtoffer worden gecast.

122


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Het gevonden effect van de zendervoorkeur, waarbij de meer op sensatiegerichte interpretatieve gemeenschap van de commerciële media zich onveiliger voelt, is consistent met die interpretatie. De onveiligheidgevoelens zijn ook veel hoger bij de vrouwen dan bij de mannen. Daarvoor worden in de literatuur ook twee verschillende verklaringen aangedragen: grotere fysieke kwetsbaarheid enerzijds, culturele codering van vrouwen als kwetsbaar anderzijds. De stelling dat de onveiligheidsgevoelens ten dele voortvloeien uit een ervaren fysieke kwetsbaarheid is in elk geval consistent met de vaststellingen. De onveiligheidgevoelens zijn merkelijk lager bij mensen met een hoge graad van cultuurparticipatie. Dit sluit aan bij de vaststelling dat sociale isolatie het gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid vergroot. De onveiligheidgevoelens zijn immers ook lager bij mensen die frequent contact hebben met vrienden en/of aan vrijwilligerswerk doen. Toch lijkt het ons waarschijnlijk dat het effect van de cultuurparticipatie op een complexere en wederzijdse invloed wijst. Angst houdt binnen, terwijl de cultuurparticipatie buitenshuis de mensen waarschijnlijk ook duidelijk maakt dat de wereld minder bedreigend is dan de televisie suggereert. De onveiligheidsgevoelens zijn hoger bij laaggeschoolden. Dat kan niet aan hun sociaal-economische conditie worden toegeschreven. Financiële onzekerheid speelt daarentegen wel een rol: wie vreest inkomen te verliezen, voelt zich onveiliger. Het is mogelijk dat dit effect te maken heeft met de reële kans op slachtofferschap. Mensen in een financieel moeilijke of onzekere situatie wonen misschien in buurten waar het risico op slachtofferschap hoger ligt. Het kan ook gaan om een projectie. Onze gegevens laten niet toe dat na te gaan. In elk geval blijft het effect van het onderwijsniveau bestaan, ook na controle op de financiële vooruitzichten en de sociaal-economische status. Dit maakt het waarschijnlijk dat het onveiligheidgevoel van de laaggeschoolden een vertaling is van hun ervaren kwetsbaarheid in de kennismaatschappij. De onveiligheidgevoelens zijn ook merkelijk hoger bij de mensen met een voorkeur voor de commerciële televisiezenders. Aangezien het televisiekijken en de belangstelling voor het nieuws (vanuit onderscheiden soorten media) geen effecten hebben, lijkt het plausibel dit te interpreteren via het concept van de interpretatieve gemeenschap. De mensen met een voorkeur voor de commerciële zenders vormen waarschijnlijk een interpretatieve gemeenschap die meer belangstelling heeft voor de sensationele en angstinducerende berichtgeving over veiligheid en criminaliteit (waar en onder welke vorm ze die ook zien, lezen of horen). Het gevoel dat de eigen buurt slechter onderhouden is dan andere buurten draagt ook bij tot de onveiligheidgevoelens. Dit dient waarschijnlijk te worden geïnterpreteerd als een effect van de ervaren verloedering van de buurt. Terwijl verschillende vaststellingen erop wijzen dat sociale isolatie bijdraagt tot gevoelens van onveiligheid, blijkt de relatie tussen die laatste en de meer algemene processen van sociale cohesie en sociale integratie veel complexer. Verschillende vaststellingen wijzen erop dat onveiligheidgevoelens de mensen ook samen-

123


Vlaanderen gepeild ! brengt, zorgt voor intensere contacten met de buren en grotere buurtbetrokkenheid. Angst mobiliseert. Dat wijst, aan de ene kant, op de veerkracht van de bevolking. Rond problemen die als reëel worden ervaren schept men sociale banden. Aan de andere kant vergroot op die manier het risico dat gevoelens van bedreiging en kwetsbaarheid, ongeacht hun oorsprong, op criminaliteit worden geprojecteerd. Een proces waarbij via burencontact en buurtbetrokkenheid de angst verder wordt aangezwengeld. De vergrijzing van de bevolking, de ontplooiing van de kennismaatschappij en de komst van de commerciële televisie hebben het gevoel van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid over de tijd waarschijnlijk doen toenemen. Wie fysiek kwetsbaar is, in verloederde buurten woont, sociaal geïsoleerd is en tot de interpretatieve gemeenschap van de commerciële zenders behoort, is bijzonder vatbaar voor het onveiligheidgevoel. Deze bevindingen sluiten goed aan bij de oorzaken van dat gevoelen die de internationale literatuur aan het licht brengt. Het secundaire karakter van onderhavige analyse mag echter niet uit het oog worden verloren. Onderzoek waarin kan worden gecontroleerd voor de rol van slachtofferschap en de buurtkenmerken beter in kaart worden gebracht, dringt zich op en zal de hier geformuleerde conclusies misschien wel bijstellen.

124


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

BIJLAGEN

BIJLAGE 1

Beschrijving van de databanken TOR1998 Surveydata verzameld in het kader van het onderzoeksproject Tussen burger en overheid: een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen door de TOR-onderzoeksgroep in 1998. De survey is gebaseerd op een geblokte, toevallige steekproef van 1500 Belgische inwoners van het Vlaams Gewest tussen 18 en 75 jaar. Na controle bleek bij een aantal enquêtes de vervangprocedure niet correct te zijn gevolgd zodat de analyses steunen op 1341 geldige interviews. Dit komt neer op een respons van 56 à 62% afhankelijk van de gehanteerde berekeningswijze. Het onderzoek kreeg de steun van de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden (DWTC). Meer informatie over de data vindt u bij Smits, Elchardus en Hooghe (1998) en bij Elchardus, Huyse en Hooghe (2001). DS2001 Surveydata verzameld in het kader van het onderzoeksproject Draagvlak Solidariteit door de TOR-onderzoeksgroep in 2001 aan de hand van een postenquête. Zuiver toevallige steekproef op het Rijksregister bij inwoners van het Vlaamse Gewest tussen 18 en 75 jaar oud. Van de 7000 verzonden enquêtes werden na 2 herinneringen- 3679 enquêtes ingevuld terug verstuurd, wat neerkomt op een brutorespons van 49%. Een aantal van deze enquêtes moest worden geëlimineerd omdat ze onzorgvuldig waren ingevuld, zodat uiteindelijk 3616 respondenten in de analyse werden opgenomen. Het onderzoek kreeg de steun van de Diensten van de Programmatie van het Wetenschapsbeleid, de onderzoeksraad van de VUB en de verzekeringen P&V. Voor meer informatie over deze data verwijzen we naar Elchardus en Tresignie (2002). APS1999, APS2000 en APS2002 Sinds 1996 organiseert de administratie Planning en Statistiek jaarlijks een burgerbevraging of survey over waarden, houdingen en gedragingen. Deze surveys zijn gebaseerd op toevallige steekproeven van Vlamingen tussen 16 en 75 jaar. Meer informatie over deze data vindt men bij Bral (1998) en bij Van Geel (2001).

125


Vlaanderen gepeild ! GOA2002 Surveydata verzameld in het kader van het onderzoeksproject Effecten van langdurige pensionering door de TOR-onderzoeksgroep in 2002. De survey is gebaseerd op een geblokte, toevallige steekproef van 1500 75-jarige Belgische inwoners van het Vlaams Gewest. Na de kwaliteitscontrole dienden een aantal enquĂŞtes te worden verwijderd zodat de analyses steunen op 1456 geldige interviews. Dit komt neer op een respons van 60 Ă 67% afhankelijk van de gehanteerde berekeningswijze. Dit project is een samenwerkingsverband (GOA19) tussen de onderzoeksgroep TOR, de onderzoeksgroep Ontwikkelings- en Levenslooppsychologie en de vakgroep Menselijke Ecologie van de VUB. Voor meer informatie verwijzen we naar het technisch verslag van deze data (Elchardus en Faelens, 2003).

126


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

BIJLAGE 2

Eindmodellen

1

| Eindmodel op basis van TOR1998

TABEL 6

MCA-analyse ter verklaring van onveiligheidsgevoelens (TOR1998)

Geslacht Onderwijsniveau

Leefsituatie

Netwerk Buurtbetrokkenheid

Vrijwilligerswerk Cultuurparticipatie

Elitaire mediavoork

tv-kijken : uur/dag

Levensbeschouwing

Man Vrouw Laag Midden Hoog Met partner zonder kinderen Met partner en kinderen Alleen Met ouders Met kind zonder partner Andere Ja Nee Laag Midden Hoog Ja Nee Laag Midden Hoog Populair Midden Elitair Weinig/0-1.89uur midden/2-3.17uur Veel/3.33-14.83uur Vrijzinnig Bep zelf/onversch/ ongelovig

N (1)a (2)b 571 -0.16 -0.17 535 0.15 0.16 438 0.26 0.09 373 -0.02 -0.01 295 -0.40 -0.17

(3)c Sign -0.17 *** 0.16 0.04 ** 0.02 -0.13

349 483 78 144 36 16 813 294 370 320 417 220 887 371 393 343 352 375 380 378 371 357 95

0.12 -0.06 -0.16 -0.26 0.41 0.60 -0.09 0.21 0.01 0.00 -0.04 -0.23 0.04 0.29 0.00 -0.35 0.24 0.09 -0.34 -0.24 -0.06 0.28 -0.12

-0.07 -0.02 -0.17 0.17 0.16 0.43 -0.04 0.06 -0.10 0.03 0.03 -0.12 0.02 0.07 0.04 -0.17 0.10 0.03 -0.16 -0.09 -0.05 0.11 0.05

203

-0.22 -0.15 -0.12

0.02 -0.04 -0.12 -0.06 0.24 0.51 -0.06 0.11 -0.11 0.04 0.04 -0.12 0.01 0.12 0.03 -0.20 0.07 0.04 -0.14 -0.12 -0.04 0.12 0.02

127

*

** *

* ***

**

***

**


Vlaanderen gepeild ! Christ, kath/kerkelijk Christ, kath/ niet kerkelijk

(1)a (2)b (3)c Sign 0.11 0.12 0.03 0.03 -0.03 0.00 *** 24.1

N 261 548

Leeftijd R2 a. b. c.

Bruto-effecten Netto-effecten: gecontroleerd voor andere factoren Netto-effecten: gecontroleerd voor andere factoren en covariaat (=leeftijd)

* p < 0.05 ** p < 0.01 *** p < 0.001 R2=33.8% met negatief toekomstbeeld

TABEL 7

Effectparameters (TOR1998)

Geslacht Educatie in 3 categorieën Leefsituatie Netwerk Buurtbetrokkenheid Vrijwilligerswerk Cultuurparticipatie Elitaire mediavoorkeur TV-kijken : uur/dag Levensbeschouwing

2

η (1) 0.18 0.29 0.19 0.15 0.03 0.12 0.29 0.27 0.24 0.13

β (2) 0.19 0.12 0.10 0.08 0.08 0.06 0.15 0.10 0.11 0.10

β (3) 0.19 0.08 0.12 0.05 0.07 0.06 0.12 0.12 0.09 0.06

| Eindmodel op basis van DS2001

TABEL 8

MCA-analyse ter verklaring van onveiligheidsgevoelens (DS2001)

Geslacht Onderwijsniveau

Gezondheid

128

Man Vrouw Laag Midden Hoog Goed Gaat wel Slecht

N 1458 1499 1289 997 671 2348 508 101

(1) -0.07 0.28 0.46 0.00 -0.41 0.02 0.44 0.51

(2) -0.07 0.28 0.30 0.11 -0.25 0.08 0.20 0.33

(3) Sign. -0.08 *** 0.29 0.29 *** 0.11 -0.24 0.08 * 0.19 0.33


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Kans op ziekte

Statuut

Leefsituatie

Zendervoorkeur

Financieel slechter?

Levensbeschouwing

Nu ziek Klein Niet groot, niet klein Groot Tewerkgesteld Werkloos zonder uitkering Werkloos met uitkering (brug)gepensioneerd Ziek invalide Student Huisvrouw huisman Loopbaanonderbreking Ongehuwd Gehuwd, geen kinderen Gehuwd, kinderen Weduwe Gescheiden Voor TV1-tg commercieel Midden Tegen TV1-voor commerc. Geen kans Klein Tussen beide Groot Ongelovig/onversch/zelf Vrijzinnig Kath/christ nkerk Kath/christ kerk

N 105 994 1603 255 1634 31 127 591 86 211 256 21 772 825 1031 107 222 1158 844 954 51 1173 1318 415 844 195 947 970

(1) 0.19 -0.09 0.14 0.62 -0.10 0.80 0.26 0.66 0.20 -0.47 0.49 -0.20 -0.19 0.50 -0.01 0.53 0.05 -0.18 0.27 0.31 0.02 -0.07 0.14 0.53 0.05 -0.27 0.19 0.15

(2) -0.24 0.09 0.12 0.24 0.04 0.67 0.01 0.47 0.01 -0.37 0.13 -0.07 0.06 0.25 0.07 0.03 -0.05 -0.07 0.19 0.25 -0.01 0.01 0.11 0.37 0.12 -0.16 0.14 0.12

Leeftijd R2

(3) Sign. -0.24 ** 0.10 0.12 0.22 0.06 *** 0.71 0.01 0.39 0.00 -0.28 0.10 -0.04 0.11 *** 0.22 0.07 -0.01 -0.06 -0.07 *** 0.18 0.26 -0.02 *** 0.01 0.12 0.36 0.13 *** -0.16 0.14 0.11 ** 23.3

* p < 0.05 ** p < 0.01 *** p < 0.001

TABEL 9

Effectparameters (DS2001)

Geslacht Onderwijsniveau Gezondheidstoestand Kans op ziekte

η (1) 0.16 0.32 0.16 0.18

β (2) 0.16 0.19 0.06 0.07

β (3) 0.17 0.19 0.05 0.07

129


Vlaanderen gepeild ! Statuut Leefsituatie Commerciele zendervoorkeur Kans dat het financieel slechter zal gaan Levensbeschouwing

3

η (1) 0.33 0.26 0.21 0.18 0.11

β (2) 0.21 0.09 0.13 0.11 0.07

β (3) 0.17 0.07 0.14 0.10 0.07

| Eindmodel op basis van APS2002

TABEL 10

MCA-analyse ter verklaring van onveiligheidsgevoelens (APS2002)

Geslacht Onderwijsniveau

Statuut

Onderhoud straat

Vrijwilligerswerk Contact buren

Contact vrienden

130

Man Vrouw Laag Midden Hoog Arbeider Bediende Zelfst, ondernemer, vrijberoep Pensioen Huisvrouw Werkloos Dagonderwijs Ander statuut,nwerk Straat beter onderhouden Tussen beide Minder goed onderhouden Ja Nee Hoogstens 1,2x per maand 1 à 2 x per week Dagelijks Hoogstens 1,2x per maand 1 à 2 x per week Dagelijks

N 490 501 402 328 260 202 332 92 175 94 52 6 38 639 134 218 178 813 306 377 308 559 349 83

(1) -0.10 0.15 0.27 -0.01 -0.31 -0.02 -0.27 -0.15 0.49 0.33 -0.01 -0.07 0.49 -0.08 -0.02 0.36 -0.20 0.07 0.03 -0.08 0.15 0.13 -0.08 -0.23

(2) -0.06 0.11 0.14 0.05 -0.19 -0.02 -0.13 -0.09 0.32 0.10 -0.08 -0.04 0.50 -0.05 -0.02 0.29 -0.15 0.06 0.07 -0.07 0.09 0.10 -0.03 -0.26

(3) Sign. -0.07 ** 0.12 0.12 *** 0.06 -0.17 0.05 *** -0.08 -0.07 0.17 0.05 -0.06 0.16 0.48 -0.05 *** -0.02 0.28 -0.16 ** 0.07 0.08 * -0.06 0.08 0.09 *** -0.02 -0.22


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Levensbeschouwing Ongelovig Vrijzinnig Kath/christ nkerk Kath/christ kerk R2 Leeftijd R2

N 83 78 527 302

(1) -0.38 -0.14 0.02 0.19

(2) -0.20 -0.08 0.00 0.16

(3) Sign. -0.16 ** -0.07 0.01 0.13 19.9 ** 20.6

* p < 0.05 ** p < 0.01 *** p < 0.001 R2=29.2 met toekomst sociale zekerheid

TABEL 11

Effectparameters (APS2002)

Geslacht Onderwijsniveau Statuut Onderhoud buurtstraten Vrijwilligerswerk Frequentie praten met buren frequentie vrienden ontmoeten Levensbeschouwing

η (1) 0.14 0.26 0.33 0.20 0.12 0.10 0.14 0.17

β (2) 0.09 0.15 0.21 0.16 0.09 0.08 0.12 0.12

β (3) 0.10 0.13 0.14 0.15 0.10 0.07 0.10 0.09

131


Vlaanderen gepeild ! BIBLIOGRAFIE

Adams, R. E. en Serpe, R. T. (2000), "Social Integration, Fear of Crime, and Life Satisfaction", Sociological Perspectives, 43, 4, 605-629. Altheide, D. L. (1997), "The news media, the problem frame, and the production of fear", The Sociological Quarterly, 38, 4, 647-668. Anselme, M. (1993), "Le Lien sĂŠcuritaire: mettre en ordre le desordre quotidien", Revue internationale d'action communautaire, 30, 70, 29-38. Billiet, J., Carton, A. en Huys, R. (1990), Onbekend of onbemind? Een sociologisch onderzoek naar de houding van Belgen tegenover migranten. Leuven: Departement Sociologie, Katholieke Universiteit Leuven. Bral, L. (red.) (1998), Vlaanderen gepeild! De Vlaamse Overheid en waardeonderzoek. Brussel: Administratie Planning en Statistiek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Carcach, C., Frampton, P., Thomas, K. en Cranich, M. (1995), "Explaining Fear of Crime in Queensland", Journal of Quantitative Criminology, 11, 3, 271-287. Chiricos, T., Eschholz, S. en Gertz, M. (1997), "Crime, news and fear of crime: Toward an identification of audience effects", Social Problems, 44, 3, 342-357. Chiricos, T., Padgett, K. en Gertz, M. (2000), "Fear, TV News, and the Reality of Crime", Criminology, 38, 3, 755-785. Covington, J. en Taylor, R. B. (1991), "Fear of Crime in Urban Residential Neighborhoods: Implications of Between- and Within-Neighborhood Sources for Current Models", Sociological Quarterly, 32, 2, 231-249. de Hart, J. (red.) (2002), Zekere banden. Sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ditton, J., Bannister, J., Gilchrist, E. en Farrall, S. (1999), "Afraid of Angry? Recalibrating the "Fear" of Crime", International Review of Victimology, 6, 2, 83-99. Dussich, J. P. J. (1985), New Perspectives in Control Theory: Social Coping of Youth under Supervision. Keulen: Heymans. Elchardus, M. (2002), De dramademocratie. Tielt: Lannoo. Elchardus, M. en Faelens, A. (2003), Technisch verslag bij het onderzoek naar effecten van langdurige pensionering. Veldwerk en responsanalyse. Onderzoek gevoerd in het kader van GOA19. Brussel: Onderzoeksgroep TOR, Vakgroep Sociologie, Vrije Universiteit Brussel. Elchardus, M. en Glorieux, I. (red.) (2002), De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo. Elchardus, M., Huyse, L. en Hooghe, M. (2001), Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch burgerschap. Brussel: VUBPress. Elchardus, M. en Siongers, J. (2002), "Cultuurpraktijk van de ouders en de schoolloopbaan van de kinderen", in Elchardus, M. en Glorieux, I., De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo.

132


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Elchardus, M. en Smits, W. (2002), Anatomie en oorzaken van het wantrouwen. Brussel: VUBPress. Elchardus, M. en Tresignie, C. (2002), Het draagvlak van de solidariteit, TOR/ DS2001. Deelrapport 1: Technisch verslag van opzet en verloop van de dataverzameling. Brussel: Onderzoeksgroep TOR, Vakgroep Sociologie, Vrije Universiteit Brussel. Farrall, S., Bannister, J., Ditton, J. en Gilchrist, E. (2000), "Social Psychology and the Fear of Crime: Re-examining a Speculative Model", British journal of criminology, 40, 3, 399-413. Fattah, E. A. en Sacco, V. F. (1989), Crime and Victimization of the Elderly. New York: Springer-Verlag. Garofalo, J. (1981), "The Fear of Crime: Causes and Consequences", Journal of Criminal Law and Criminology, 72, 2, 839-857. Giddens, A. (1990), The Consequences of Modernity. Cambridge: Polity Press. Gilliam, F. D. en Iyengar, S. (2000), "Prime Suspects: The influence of Local Television News on the Viewing Public", American Journal of Political Science, 44, 3, 560-573. Greve, W. (1998), "Fear of Crime among the Elderly: Foresight, Not Fright", International Review of Victimology, 5, 3-4, 277-309. Hale, C. (1996), "Fear of Crime: A Review of the Literature", International Review of Victimology, 4, 79-150. Heath, L. en Gilbert, K. (1996), "Mass Media and Fear of Crime", American Behavioral Scientist, 39, 4, 379-386. Hollander, J. A. (2001), "Vulnerability and Dangerousness: The Construction of Gender through Conversation about Violence", Gender and Society, 15, 1, 83-109. Hough, M; en Mayhew, P. (1985), Taking account of crime. Londen: HMSO. Jensen, K. B. (1990), "Television futures: A social action methodology for studying interpretive communities", Critical Studies in Mass Communication, 7, 2, 129-146. Klinenberg, E. (2001), "Dying Alone: The Social Production of Urban Isolation", Ethnography, 2, 4, 501-531. Kury, H. en Ferdinand, T. (1998), "The Victim's Experience and Fear of Crime", International Review of Victimology, 5, 2, 93-140. Kury, H., Obergfell-Fuchs, J. en Ferdinand, T. (2001), "Aging and the Fear of Crime: Recent Results from East and West Germany", International Review of Victimology, 8, 1, 75-112. Lagrange, H. (1993), "La pacification des moeurs a l'épreuve", Dévience et Société, 17, 3, 279-289. Lagrange, R. L., Ferraro, K. F. en Supancic, M. (1992), "Perceived Risk and Fear of Crime: Role of Social and Physical Incivilities", Journal of Research in Crime and Delinquency, 29, 3, 311-334. Lichtenstein, S., Slavic, P., Fischoft, B., Layman, M. en Combs, B. (1978), "Judged Frequency of Lethal Events", Journal of Experimental Psychology: Human Learning and Memory, 4, 6, 551-578. Liska, A. E. en Baccaglini, W. (1990), "Feeling Safe by Comparison: Crime in the Newspapers", Social Problems, 37, 3, 360-374.

133


Vlaanderen gepeild ! Maas-de Waal, C. (2002), "Veiligheid, ontwikkelingen en stand van zaken", in de Hart, J., Zekere banden. Sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Maas-de Waal, C. en Wittebrood, K. (2002), "Sociale cohesie, fysieke buurtkenmerken en onveiligheid in de grote(re) steden", in de Hart, J., Zekere banden. Sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Mestdag, I. en Siongers, J. (2002), "Cultuur met de paplepel ingegoten? Over de overdracht van media- en smaakvoorkeuren tussen ouders en kinderen", in Elchardus, M. en Glorieux, I., De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo. Minnebo, J. (2000), "Fear of Crime and Television Use: A Uses and Gratifications Approach", Communications, 25, 2, 125-142. Misztal, B. A. (1996), Trust in Modern Societies: The Search for the Bases of Social Order. Cambridge: Polity Press. Moore, M. H. en Trojanowicz, R. C. (1988), Policy and the Fear of Crime (in Perspectives on Policy, vol 3). Washington: U. S. Department of Justice. Mugford, S. (1984), "Fear of Crime: Rational or Not", Australia and New Zealand Journal of Criminology, 17, 267-275. O'Connell, M. (1999), "Is Irish Public Opinion towards Crime Distorted by Media Bias?" European Journal of Communication, 14, 2, 191-212. Pain, R. (2001), "Gender, Race, Age and Fear in the City", Urban Studies, 38, 5-6, 899-913. Parker, K. D. en Ray, M. C. (1990), "Fear of Crime: An Assessment of Related Factors", Sociological Spectrum, 10, 1, 29-40. Perkins, D. D., Meeks, J. W. en Taylor, R. B. (1992), "The Physical Environment of Street Blocks and Resident Perceptions of Crime and Disorder: Implications for Theory and Measurement", Journal of Environmental Psychology, 12, 1, 21-34. Quillian, L. en Pager, D. (2001), "Black Neighbors, Higher Crime? The Role of Racial Stereotypes in Evaluations of Neighborhood Crime", American Journal of Sociology, 107, 3, 717-767. Ross, C. E. en Yang, S. J. (2000), "Neighborhood Disorder, Fear, and Mistrust: The Buffering Role of Social Ties with Neighbors", American Journal of Community Psychology, 28, 4, 401-420. Rossini, G. (1988), Victims of Crime: An Overview of Research and Plicy. Adelaide: Office of Crime Statistics. Rovers, B. (1997), De buurt een broeinest? Een onderzoek naar de invloed van woonomgeving op jeugdcriminaliteit. Nijmegen: Ars Aequi Libri. Sampson, R. J. en Groves, B. W. (1989), "Community Structure and Crime: Testing Social-Disorganization Theory", American Journal of Sociology, 94, 4, 774-802. Sampson, R. J., Raudenbush, S. W. en Earls, F. (1997), "Neighborhoods and Violent Crime: A Multilevel Study of Collective Efficacy", Science, 277, 5328, 918- 924. Shaw, C. R. en McKay, H. D. (1942/1969), Juvenile delinquency and urban areas. Chicago: University of Chicago Press.

134


Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel.

Siongers, J. en Stevens, F. (2002), "Esthetica voor gevorderden. Over smaken en mediavoorkeuren", in Elchardus, M. en Glorieux, I., De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo. Skogan, W. G. en Maxfield, M. G. (1981), Coping with Crime. Individual and Neighborhood Reactions. Beverly Hills, CA: Sage. Smith, S. J. (1989), "Social Relations, Neighbourhood Structure and Fear of Crime in Britain", in Evans, D. J. en Herbert, D. T., The Geography of Crime. Londen: Routledge. Smits, W., Elchardus, M. en Hooghe, M. (1998), Technisch verslag bij de survey TOR98. 1. Veldwerk en responsanalyse. Brussel: Onderzoeksgroep TOR, Vakgroep Sociologie, Vrije Universiteit Brussel. Sparks, R., Girling, E. en Loader, I. (2001), "Fear and Everyday Urban Lives", Urban Studies, 38, 5-6, 885-898. Steinmetz, C. H. J. en Van Dijk, J. J. M. (1983), Meningen over criminaliteit. Wie hebben een mening over criminalteit en waar is deze op gebaseerd. Lezing op het bezinningsweekend van de Nederlandse Vereniging van Criminologie. Taylor, R. B., Gottfredson, S. D. en Brower, S. (1984), "Block Crime and Fear: Defensible Space, Local Social Ties, and Territorial Functioning", Journal of Research in Crime and Delinquency, 21, 4, 303-331. Taylor, R. B. en Hale, M. (1986), "Testing Alternative Models of Fear of Crime", The Journal of Criminal Law and Criminology, 77, 1, 151-189. Toseland, R. W. (1982), "Fear of Crime: Who is most vulnerable?" Journal of Criminal Justice, 10, 3, 199-209. Tulloch, M. (2000), "The Meaning of Age Differences in the Fear of Crime: Combining Quantitative ans Qualitative Approaches", British journal of criminology, 40, 3, 451-467. Turgeon, J. en Rinfret-Raynor, M. (1993), "La Peur du crime chez les femmes et les differentes formes de violence qu'elles subissent", Revue internationale d'action communautaire, 30, 70, 107-115. Van der Wurff, A., Van Stallduinen, L. en Stringer, P. (1989), "Fear of Crime in Residential Environments: Testing a Social Psychological Model", Journal of Social Psychology, 129, 2, 141-160. Van Geel, H. (red.) (2001), Vlaanderen gepeild! De Vlaamse Overheid en burgeronderzoek. Brussel: Administratie Planning en Statistiek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Vergeer, M., Lubbers, M. en Scheepers, P. (2000), "Exposure to Newspapers and Attitudes toward Ethnic Minorities: A Longitudinal analysis", Howard Journal of Communications, 11, 2, 127143. Vrij, A. en Winkel, F. W. (1991), "Characteristics of the Built Environment and Fear of Crime: A Research Note on Interventions in Unsafe Locations", Deviant Behavior, 12, 2, 203-215. Walklate, S. (1998), "Excavating the Fear of Crime: Fear, Anxiety or Trust?" Theoretical Criminology, 2, 4, 403-418. Warner, B. D. en Rountree, P. W. (1997), "Local Social Ties in a Community and Crime Model: Questioning the Systemic Nature of Informal Social Control", Social Problems, 44, 4, 520536.

135


Vlaanderen gepeild ! Williams, P. en Dickinson, J. (1993), "Fear of Crime: Read All about It?: The Relationship between Newspaper Crime Reporting and Fear of Crime", British journal of criminology, 33, 1, 33-56. Wilson, J. Q. en Kelling, G. L. (1982), "Broken Windows: The Police and Neighborhood Safety", The Atlantic Monthly, 249, 3, 29-38. Young, J. (1987), "The Tasks facing a Realist Criminology", Contemporary Crises: Law, Crime and Social Policy, 11, 4, 337-356. Young, V. D. (1992), "Fear of Victimization and Victimization Rates among Women: A Paradox?" Justice Quarterly, 9, 3, 419-441. Zani, B., Cicognani, E. en Albanesi, C. (2001), "Adolescents' Sense of community and Feeling of Unsafety in the Urban Environment", Journal of Community and Applied Social Psychology, 11, 6, 475-489.

136


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2003_4_onveiligheidsgevoel_in_Vlaanderen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu