Skip to main content

SERV_Raad_20220613_Incentives_werkplekleren_ADV.pdf

Page 1

INCENTIVES WERKPLEKLEREN


Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be

Adviesvraag

Voorontwerp van decreet over de premie kwalificerend werkplekleren voor ondernemingen en de leerlingenpremie alternerende opleiding

Adviesvrager

Hilde Crevits - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw

Ontvangst adviesvraag

4 mei 2022

Decretale opdracht

SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)

Goedkeuring raad

13 juni 2022

Contactpersoon

Niels Morsink

nmorsink@serv.be

2


De heer Jo Brouns Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Ellipsgebouw Koning Albert-II laan 35 1030 Schaarbeek

Incentives werkplekleren Mijnheer de minister De sociale partners waarderen de vereenvoudiging van de incentives omtrent het werkplekleren; het behoud van een premie voor de lerende en de uitbreiding naar eenmanszaken, maar vrezen de impact van het afschaffen van de RSZ-korting voor mentoren op de aangeboden plaatsen in het werkplekleren. Daarom vragen ze een uitbreiding van de premie kwalificerend werkplekleren naar verplichte (stages) en intensieve vormen van kwalificerend werkplekleren. Daarnaast vragen ze een grondige simulatie van de impact op de loonkost, met name in functie van de bedrijfsgrootte. Hoogachtend Pieter Kerremans

Hans Maertens

administrateur-generaal

voorzitter


Inhoud Krachtlijnen

5

Advies

6

1.

Situering

6

1.1

Huidige maatregelen

6

1.2

Nieuwe maatregelen

6

2.

Algemene appreciatie

7

3.

Nood aan voldoende en kwalitatieve stageplaatsen

7

4.

Simulaties

8

4


Krachtlijnen •

De sociale partners vragen dat de hervorming uitgaat van het belang van de maatregel in plaats van de budgetneutrale contouren.

•

De sociale partners vragen dat er in aanloop naar het BVR een grondige simulatie van de impact op de loonkost van deze transitie wordt voorzien, met name in functie van de bedrijfsgrootte.

•

De sociale partners vragen een uitbreiding van de premie kwalificerend werkplekleren naar verplichte (stages) en intensieve vormen van kwalificerend werkplekleren. De sociale partners vinden het positief dat er een uitzondering wordt voorzien voor de opleidingen binnen het duaal leren secundair onderwijs waar niet aan het criterium van 50% op de werkvloer wordt voldaan en vragen dat aan de hand van eenzelfde oefening per opleiding eventueel bepaalde uitzonderingen worden voorzien. Dat betekent niet dat alle stagevormen moeten worden meegenomen. Als maatstaf moet zowel een aanzienlijke intensiteit van het werkplekleren als bepaalde voorwaarden voor leerling en organisatie worden gehanteerd.

•

De sociale partners vragen ook dat het werkplekleren niet moet plaatsvinden op één en dezelfde werkplek om in aanmerking te komen voor de premie kwalificerend werkplekleren.

•

Het is van belang dat de hoogte van de premie voor ondernemingen minimaal in dezelfde lijn ligt als de bestaande financiële stimulansen voor werkgevers.

•

De sociale partners vragen dat de uitzondering volgens dewelke de opleidingen maximaal naar niveau 4 mogen toeleiden ook naar andere HBO5 opleidingen met een gelijkaardige werkplekcomponent als de HBO5-opleiding verpleegkunde wordt uitgebreid.

•

Ze vinden het positief dat de premie kwalificerend werkplekleren wordt uitgebreid naar eenmanszaken en zijn tevreden dat een premie voor de lerende (voorheen de startbonus) wordt behouden.

5


Advies 1. Situering 1.1 Huidige maatregelen De lerende ontvangt een startbonus die tijdens de opleiding twee keer 500 euro en een keer 750 euro bedraagt. Daarnaast zijn er vandaag vier incentives om ondernemingen, die een stageplaats aanbieden in het kader van een initiële opleiding en/of een werkleerplek in het kader van alternerend leren en DBSO financieel te ondersteunen. •

Ten eerste is er de mentorkorting, deze is een RSZ-korting voor de werkgever die een mentor tewerkstelt die kan oplopen tot 800 euro per kwartaal. Ze ondersteunt het werkplekleren in brede zin, maar is momenteel niet toegankelijk voor eenmanszaken en heeft een leeftijdsvoorwaarde voor de lerende. Ze wordt vandaag vooral ingezet om de begeleiding bij langdurige (veelal verplichte) stages in opleidingen secundair onderwijs en HBO5-verpleegkunde alsook IBO te ondersteunen.

•

Ten tweede is er de stagebonus voor het duaal en alternerend leren in het secundair onderwijs. Deze bedraagt twee keer 500 euro en één keer 750 euro. Ook voor de stagebonus is er een leeftijdsvoorwaarde.

•

Ten derde is er de RSZ-doelgroepvermindering voor leerlingen in een alternerende opleiding. Deze is gericht op het duaal leren secundair onderwijs en bedraagt maximaal 1000 euro per kwartaal. De leerling moet minstens 20 uur op de werkvloer doorbrengen.

•

Ten vierde is er voor werkgevers de RSZ-doelgroepvermindering voor leerlingen uit DBSO met een deeltijdse arbeidsovereenkomst van minder dan 20 uren per week die ook maximaal 1000 euro per kwartaal bedraagt.

1.2 Nieuwe maatregelen Dit decreet vervangt deze vijf verschillende incentives voor werkgever en lerende door twee incentives. De premie kwalificerend werkplekleren voor de onderneming zou verschillen naargelang de leerling een leervergoeding ontvangt. Net als de start-en stagebonus kan deze premie maximaal drie keer per individuele lerende worden uitgekeerd. De scope zal alle kwalificerende opleidingstrajecten (maximaal niveau 4) omvatten waar de werplekcomponent van de opleiding minstens 50% van de totale opleidingstijd omvat. De Vlaamse regering bepaalt welke opleidingen aan de voorwaarden voldoen en kan uitzonderingen formuleren. De Vlaamse regering voorziet enkel de premie voor stages in het kader van de opleiding HBO5-verpleegkunde. 6


De leerlingenpremie alternerende opleiding zal maximaal drie schooljaren kunnen worden uitgekeerd. De leerling moet minstens vier maanden op de werkvloer hebben doorgebracht en studievoortgang boeken.

2. Algemene appreciatie Door de automatische toekenning van de premie wanneer de overeenkomst van de alternerende opleiding of het duaal volwassenenonderwijs wordt geregistreerd, wordt onderbenutting tegen gegaan en administratief vereenvoudigd wat de sociale partners sterk ondersteunen. Voor de beroepskwalificatietrajecten en de opleidingen HBO5 verpleegkunde moet de onderneming wel nog de premie aanvragen. De sociale partners vragen dat deze aanvraag gebruiksvriendelijk en eenvoudig kan gebeuren en dat er breed wordt gesensibiliseerd. De sociale partners vinden het positief dat een premie voor de lerende (voorheen de startbonus) wordt behouden. Ze vinden het ook positief dat de nieuwe premie kwalificerend werkplekleren toegankelijk wordt gemaakt voor eenmanszaken. Ondernemingen bereiden zich momenteel voor op het volgend schooljaar. Het zou ongunstig zijn om deze te doorkruisen met een plotse wijziging. Daarom vinden de sociale partners het goed dat de hervorming begint met het schooljaar 2023-2024 zodat iedereen tijdig kan worden geïnformeerd. De sociale partners vragen een overgangsperiode waarbij leerlingen die voor 1 september 2023 een opleiding starten en de onderneming waar ze werkplekleren voor de volledige duur van de opleiding van de huidige incentives kunnen genieten.

3. Nood aan voldoende en kwalitatieve stageplaatsen De sociale partners vinden de vereenvoudiging van de diverse incentives voor ondernemingen naar één premie voor ondernemingen om zo kwalitatieve leerwerkplekken te stimuleren een goede zaak. Toch waarschuwen de sociale partners om in het kader van deze vereenvoudiging het kind niet met het badwater weg te gooien. Zo zullen werkgevers die vandaag recht hebben op een RSZ-vermindering mentorkorting uit de boot vallen wanneer ze bv. leerlingen begeleiden in het kader van hun verplichte stage. Bij verplichte (stages) en intensieve vormen van kwalificerend werkplekleren is het van cruciaal belang dat er voldoende stageplaatsen worden gevonden en dat de kwalitatieve begeleiding ervan gegarandeerd blijft. Dit is met name van belang gelet op de grote krapte op de arbeidsmarkt. Een verbreding voor verplichte (stages) en intensieve vormen van kwalificerend werkplekleren past in de doelstelling om ondernemingen aan te moedigen een engagement voor 7


leerwerkplekken op te nemen. De sociale partners vinden het positief dat er een uitzondering wordt voorzien voor de opleidingen binnen het duaal leren waar niet aan het criterium van 50% op de werkvloer wordt voldaan. Zij vragen dat per opleiding eenzelfde oefening wordt gedaan en dat eventueel bepaalde uitzonderingen worden voorzien zodat leerlingen in het regulier voltijds onderwijs voldoende stageplaatsen kunnen vinden. Dat betekent niet dat alle stagevormen moeten worden meegenomen. Als maatstaf moet zowel een aanzienlijke intensiteit van het werkplekleren als bepaalde voorwaarden voor leerling en organisatie worden gehanteerd. Ook positief is dat de kwaliteitsvoorwaarde voor de mentor is behouden. Eén van de voorwaarden om de premie te ontvangen is dat de mentor in de onderneming een mentoropleiding heeft gevolgd. Hierbij stellen de sociale partners zich wel de vraag op welke wijze mentoren/begeleiders van (verplichte) stages waarvoor werkgevers in dit ontwerpdecreet geen stimulans meer ontvangen, nog zullen aangespoord worden om te voorzien in mentoropleidingen. De sociale partners vragen ook dat het werkplekleren niet moet plaatsvinden op één en dezelfde werkplek om in aanmerking te komen voor de premie kwalificerend werkplekleren. Indien binnen één opleidingstraject meerdere werkplekken bij meerdere werkgevers worden voorzien, kan de premie proportioneel worden verdeeld. Vandaag kunnen meerdere werkgevers voor dezelfde leerling een premie ontvangen in eenzelfde schooljaar wanneer de leerling tijdens hetzelfde schooljaar met meerdere werkgevers een overeenkomst afsluit. Het is van belang dat de hoogte van de premie voor ondernemingen minimaal in dezelfde lijn ligt als de bestaande financiële stimulansen voor werkgevers. Daarbij dient er rekening te worden gehouden met het feit dat de eerste leerling de grootste investering met zich meebrengt. De sociale partners begrijpen dat er een uitzondering wordt voorzien op de voorwaarde dat de opleidingen maximaal naar niveau 4 mogen toeleiden, met name voor de HBO5 opleiding verpleegkunde, en vragen dat deze uitzondering ook naar andere HBO5 opleidingen met een gelijkaardige werkplekcomponent wordt uitgebreid. Dit kan deze opleidingen ook stimuleren om meer in werkplekleren te voorzien. Globaal zou de hervorming moeten uitgaan van het belang van de maatregel in plaats van de budgetneutrale contouren.

4. Simulaties Het is vandaag nog onduidelijk wat de omvang van de impact is op de begunstigden van de verschillende instrumenten die vandaag gebruik kunnen maken van de mentorkorting alsmede de impact op de instrumenten zelf. De sociale partners vragen dat er in aanloop naar het BVR een

8


grondige simulatie van de impact van deze transitie op de loonkost wordt voorzien, met name in functie van de bedrijfsgrootte 1. Ze wijzen ook op het belang van monitoring van de toekomstige maatregel om onder andere een vollediger zicht te krijgen op de take-up van de maatregel. Deze monitoring zou elke semester op het partnerschap duaal leren moeten worden toegelicht.

1

De sociale partners vragen de gemiddeldes ook te berekenen op basis van de grootte van de onderneming. Indien mogelijk graag volgende verdeling: 0 werknemers; 1-4; 5-19; 20-49; 50-199; 200-249; 250-499; 500-999; 1000+

9


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SERV_Raad_20220613_Incentives_werkplekleren_ADV.pdf by Vlaanderen-be - Issuu