Skip to main content

b_Voorwoord.pdf

Page 1

Voorwoord Wie oog heeft voor wat zich in onze leefomgeving afspeelt, zowel in de open ruimte als in de stedelijke sfeer, zal zich bewust zijn van de precaire toestand waarin ‘de natuur’ zich bevindt. De meeste biotopen, habitats of leefgebieden van planten en dieren nemen in oppervlakte af en geraken steeds verder versnipperd, vervuild, verdroogd, verstedelijkt. De groeiende druk van diverse ontwikkelingen doet velen zelfs vrezen dat het behoud en herstel van natuurgebieden en van wilde flora en fauna in Vlaanderen niet meer haalbaar is. Elke maatschappij die zichzelf respecteert moet zorg dragen voor de zwakste geledingen, die geen stem hebben om voor zichzelf op te komen. Ook de natuur behoort daartoe, met alle elementen en dragers eraan verbonden.Vanuit dit besef werden de laatste jaren belangrijke inspanningen geleverd om de verdere aftakeling af te remmen. Middelen en wettelijke instrumenten werden ingezet en een verruimd maatschappelijk draagvlak werd bereikt om meer krachtdadig dan in het verleden uiteenlopende maatregelen te treffen en uit te voeren. In het decreet Natuurbehoud van 1997 werd aan het Instituut voor Natuurbehoud opgedragen op geregelde tijdstippen te rapporteren over de toestand van de natuur in Vlaanderen en daarbij ook de trends en toekomstverwachtingen te analyseren, evenals het voorbije natuurbehoudsbeleid te evalueren. De publicatie van dit eerste Natuurrapport wil hiervoor de aanzet geven en objectieve gegevens samenbrengen over de actuele toestand van de natuur in Vlaanderen. Cijfers voor het beleid ten behoeve van de verantwoordelijke instanties op alle niveaus. Niet alleen de overheid zal zich hiervoor interesseren. Er is immers een groeiende schare van zowel professionele als vrijwillige natuuronderzoekers, er zijn leerprogramma’s en naschoolse natuuractiviteiten en tal van andere educatieve initiatieven, er zijn de goed georganiseerde natuur- en milieuverenigingen en de individuele natuurliefhebbers. Dit geheel vormt een snel toenemend segment van de bevolking dat de natuur opzoekt, waardeert en beleeft in de vrijetijdsbesteding, in de zoektocht naar rust of als intellectuele bevrediging.Wil het natuurbehoud dit maatschappelijk gebeuren verder tot ontplooing laten komen dan is onder meer een objectieve maar kritische informatiedoorstroming een belangrijk hulpmiddel. Dit rapport hoopt hieraan constructief bij te dragen. Het eerste deel schetst de toestand en evolutie van biotopen, van flora- en fauna-elementen en van de kerngebieden in Vlaanderen waar de biologische verscheidenheid nog het rijkst aanwezig is (de z.g. biodiversiteits ‘hot spots’). De opname van de gedetailleerde Rode lijsten voor diverse soortengroepen maakt van dit rapport een bruikbaar vademecum bij evaluaties van gebieden en te nemen maatregelen. Naast de gekende Biologische Waarderingskaart wil het Instituut hiermee een bijkomend referentiekader aanreiken. In het tweede deel komen nog meer cijfers aan bod, gegevens over de bereikte of (nog) niet-bereikte resultaten van het beleid inzake ruimtelijke planning, internationale bescherming, reservaatverwerving,Vlaams Ecologisch Netwerk en dies meer. Deze analyses moeten toelaten de overheid te evalueren. Opnieuw cijfers voor het beleid : een (on)voldoende, een gewone, een grote of grootste onderscheiding? De lezer en gebruiker van dit werk kan en zal voor zichzelf de uitspraak doen. Gezien twee belangrijke en ingrijpende wettelijke instrumenten van eerder recente datum zijn (Decreet Natuurbehoud en Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen) en gezien de uitwerking ervan pas goed gestart is, was het weinig billijk om de hoge verwachtingen van dit beleid nu reeds te evalueren. In de volgende Natuurrapporten zullen uitspraken hierover meer zinvol en haalbaar zijn. Dit neemt niet weg dat nu reeds een aantal krachtige waarschuwende signalen en aanbevelingen worden geformuleerd. Deze willen vooral een aansporing zijn voor het beleid om versneld door te gaan met de invulling van de actuele mogelijkheden en het voorzien van voldoende middelen om de beleidsvoornemens van het MINA-plan 2 (Milieubeleidsplan 1997-2002) en de politiek afgesproken taakstellingen te realiseren. In deze zin vormt het Natuurrapport een tweelingrapport met de MIRA-rapportering, die traditioneel vooral de nadruk legt op bredere milieuaspecten. Het Natuurrapport wil ook een aansporing geven aan al diegenen die in onderzoek rond biodiversiteit en natuurlijk milieu een bijdrage kunnen leveren door aanvullend veldwerk, monitoring, gerichte studies en meldingen allerhande. Ook een verdere en geïntensiveerde samenwerking met instellingen zoals de Universiteiten, het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, de Nationale Plantentuin van België en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, moet het Instituut voor Natuurbehoud toelaten de decretale opdracht niet enkel voor het Vlaamse gewest, maar ook voor grensoverschrijdende rapportering toepasbaar te maken. Ook hier is er immers grote nood aan cijfers voor het beleid. In Wallonië en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verschenen reeds vergelijkbare overzichten over de toestand van natuur en milieu. Zoals in andere landen sluit deze rapportering trouwens aan bij de vragen die gesteld worden vanuit de OESO en de bepalingen van het Verdrag inzake Biodiversiteit (1992) waar de lidstaten dit soort informatie dienen te leveren. Dit eerste Natuurrapport richt zich niet enkel tot de beleidsinstanties en administraties, maar wil uitdrukkelijk een breed publiek overtuigen van de concrete mogelijkheden die tot op vandaag voor natuurbeheer bestaan. De basisgegevens die hieraan ten grondslag liggen, evenals de conclusies en aanbevelingen zullen hopelijk vele personen en organisaties aanzetten om met vernieuwde energie en binnen de eigen mogelijkheden een ecologisch gefundeerd en maatschappelijk gedragen natuurbehoud te helpen realiseren.

Eckhart Kuijken algemeen directeur

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

I


Dankwoord bij de eindredactie van dit rapport Dit eerste Natuurrapport is het resultaat van de gezamenlijke kennis en inzet van vele medewerkers van het IN en van een aantal geraadpleegde externe deskundigen. De concepten van een eerste ‘blauwdruk’ werden door Geert De Blust opgesteld en mede onder stimulans van Dirk Bauwens binnen het IN besproken en op de sporen gezet. Ook met het kabinet leefmilieu en de administraties milieu en ruimtelijke planning, evenals met diverse externe collega’s werden onderdelen besproken en op haalbaarheid beoordeeld. Oriënterend vooroverleg werd gepleegd met Rudi Verheyen,Aviel Verbruggen en Pieter Leroy in verband met de relatie tussen dit nieuwe Natuurrapport en de gekende Milieu-en Natuurrapporten (MIRA). Het eerste deel met gegevens over habitats, soorten en populaties werd gecoördineerd en grotendeels geredigeerd door Dirk Bauwens; het werd uiteindelijk tot een samenhangend geheel met tal van figuren en kaarten afgewerkt door vnl. Dirk Maes (soorten, fauna) en Wouter Van Landuyt (flora, biotopen). De namen van de auteurs worden steeds bij elk tekstonderdeel vermeld, wat voor vragen naar verdere informatie en voor het citeren van de deelreferenties duidelijkheid wil bieden. De inbreng over de behandelde habitats kon rekenen op de ervaring van Desiré Paelinckx en de medewerkers in het raam van de Biologische Waarderingskaart (BWK). Dank zij de uitgebreide BWK-databank resulteerden deze paragrafen in een aantal gedetailleerde verpreidingskaarten en oppervlakteschattingen van het natuurlijk milieu. Belangrijke GIS-support (ook voor het tweede deel) werd daarbij geleverd door de cel-BWK (Christian Dubois, Luc Callebert, Tony Van Tilborgh) aangevuld met gegevensverwerking door Johan Peymen, Wim Mertens en Nico Boone. De basisbespreking van de ecodistricten en geografische regio’s werd voornamelijk door Geert De Blust opgesteld. Het tweede deel van dit rapport over het gebiedsgericht beleid, kwam tot stand onder redactie van Kris Decleer, die zelf instond voor de basisteksten van vier hoofdstukken, samen met diverse co-auteurs. Hierbij kon beroep worden gedaan op de medewerking van An Cliquet (RUG) voor juridische aspecten en van AMINAL Afdeling Natuur (Koen De Smet en medewerkers), AMINAL Afdeling Bos en Groen (Roel Vanhaeren en medewerkers) en AROHM Afdeling Ruimtelijke Planning voor het bijeenbrengen van planologische en andere kwantitatieve, beleidsrelevante gegevens. De definitieve indeling van dit eerste Natuurrapport kreeg gestalte in overleg met kabinetsmedewerker Hugo Abts, die tevens een aantal basisteksten van waardevolle kritische commentaren heeft voorzien. De finale afwerking tot slot werd grotendeels onder stimulans van Dick van Straaten gerealiseerd, in overleg met de auteurs en medewerkers op het Instituut voor Natuurbehoud; Joost Sturtewagen heeft de teksten taalkundig nagezien; de lay-out werd door de firma Enschedé verzorgd. Aan al deze personen willen wij hierbij onze oprechte erkentelijkheid en dank betuigen: zonder hun engagement en inbreng was dit rapport met feiten en cijfers, met een wetenschappelijke en beleidsgerichte uitwerking nooit tot stand gekomen. Een speciale dank verdienen ook de talrijke vrijwillige veldwaarnemers, die door het verzamelen van verspreidingsgegevens voor tal van soortengroepen permanent mee aan de basis liggen van de kennis over de natuur en de onderbouwing van het natuurbehoud.

Eckhart Kuijken.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

III


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
b_Voorwoord.pdf by Vlaanderen-be - Issuu