INNOVATIE- EN KENNISDIFFUSIE
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Advies op eigen initiatief Goedkeuring raad
16 november 2021
Contactpersonen
Tim Buyse - tbuyse@serv.be Wim Knaepen - wknaepen@serv.be
Mevrouw Hilde Crevits Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Consciencegebouw Koning Albert II laan 15 1210 Sint-Joost-Ten Node
Innovatie- en kennisdiffusie Mevrouw de viceminister-president Om waarde te hebben voor de economie en samenleving moeten innovaties zich breed kunnen verspreiden zodat veel mensen en organisaties ze kunnen gebruiken. Bovendien maakt de noodzaak tot transities voor de grote maatschappelijke vraagstukken de verspreiding, acceptatie en het gebruik van nieuwe oplossingen nog belangrijker dan in het verleden. Een belangrijke voorwaarde tot die innovatieverspreiding is dat het ondernemingsweefsel een voldoende absorptiecapaciteit en innovatief vermogen heeft. Innovatie mag zich namelijk niet beperken tot een kleine groep O&O-actieve ondernemingen, maar moet ook een ruimere groep – bv. ook niet O&O-actieve ondernemingen – in staat stellen een stap vooruit te zetten. Een efficiënte verspreiding van innovatie moet daarnaast kunnen steunen op een goed geolied innovatie-ecosysteem waarin de diverse actoren van het innovatieproces, de zogenaamde quadruple helix, goed op elkaar zijn ingespeeld. De Vlaamse overheid is een belangrijke partner om de vraag naar innovaties te stimuleren, innovatiebelemmeringen weg te werken en zo betere condities te creëren voor innovatieverspreiding. De SERV doet in dit advies vijf aanbevelingen om innovatieverspreiding en kennisdiffusie te versterken: 1. Maak van kennis- en innovatieverspreiding een Vlaams beleidsspeerpunt 2. Creëer een transparant intermediair landschap 3. Stimuleer de vraag naar innovaties met een missiegericht instrumentarium dat maatschappelijke waarde genereert, zonder de bottom-up instroom uit het oog te verliezen 4. Zorg voor laagdrempelig toegankelijke innovatie-instrumenten en maak ze meer vraaggestuurd 5. Bouw een evaluatiecultuur gericht op additionaliteit. Hoogachtend Pieter Kerremans
Ann Vermorgen
administrateur-generaal
voorzitter
Inhoud Advies
5
Belang van duurzame innovatieverspreiding
5
Vlaanderen innovatieproducent
5
Wat met innovatieverspreiding?
5
Katalysatoren van innovatieverspreiding
7
Maak van kennis- en innovatieverspreiding een Vlaams beleidsspeerpunt
8
Creëer een transparant intermediair landschap
9
Stimuleer de vraag naar innovaties met een missiegericht instrumentarium dat maatschappelijke waarde genereert, zonder de bottom-up instroom uit het oog te verliezen
9
Zorg voor laagdrempelig toegankelijke innovatie-instrumenten en maak ze meer vraaggestuurd
11
Bouw een evaluatiecultuur gericht op additionaliteit
12
Rapport
13
Belemmeringen voor innovatieverspreiding
13
Ontbreken van een overkoepelende visie
13
Vooral nadruk op productie van O&O, te weinig op valorisatie en verspreiding 14 Gebrek aan levenslang leren remt innovatieve implementatie
19
Moeizame groei in totale factorproductiviteit
21
Een productiviteitskloof tussen de meest productieve en de minst productieve en tussen grote en kmo-ondernemingen
25
Nog marge bij absorptiecapaciteit kmo’s
30
Innovatiekloof tussen grotere en kleine ondernemingen
34
Blijvende drempels voor samenwerking en open innovatie
37
De moeilijke stap naar intellectuele eigendomsrechten
46
Vlaamse instrumenten voor samenwerking met het oog op innovatieverspreiding
58
Aanbodgedreven
58
Vraaggedreven
60
Innovatieverspreiding in de EU-lidstaten
64
Samenwerking en innovatieverspreiding in de EU-lidstaten
64
De belangrijkste beleidsinitiatieven voor kennisverspreiding
69
Advies Belang van duurzame innovatieverspreiding Vlaanderen innovatieproducent In de context van de digitale transformatie en de vierde industriële revolutie, waarbij digitale technologieën steeds belangrijker worden in productieprocessen, is innovatie één van de essentiële elementen geworden om een duurzame samenleving en economie te verzekeren. Innovatie is immers de drijvende kracht achter de transitie naar een meer duurzame, veerkrachtige samenleving en een verbetering van de levens- en werkkwaliteit. Innovatie is ook een cruciale driver van economische vernieuwing met als doel waarde te creëren, hetgeen leidt tot meer welvaart, welzijn en werkgelegenheid. Innovatie kan bovendien bijdragen aan oplossingen voor uiteenlopende maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatverandering, schaarste van natuurlijke hulpbronnen, vergrijzing, gezondheidszorg … Innovatie is dan ook van cruciaal belang voor alle duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. De beleidsnota van Vlaams minister voor Innovatie Hilde Crevits bevat de ambitie om Vlaanderen te laten doorstoten naar de top 5 van innovatieve regio’s in Europa, zoals gedefinieerd in de Regional Innovation Scoreboard (RIS) van de Europese Commissie. De laatste editie van dat scorebord toont dat Vlaanderen voor het eerst behoort tot de groep van innovatieleiders (27ste rang), als regio die zeer goed presteert op vlak van O&Obedrijfsuitgaven, de introductie van product- en procesinnovaties en samenwerking tussen innovatieve ondernemingen (onderling en/of met publieke onderzoeksinstellingen). Vlaanderen scoort dus goed op het produceren of de totstandkoming van innovaties.
Wat met innovatieverspreiding? Innovatie is een overkoepelend begrip en inherent heterogeen. Zo zijn er verschillende gradaties op het vlak van vernieuwingsgehalte en toepassingsmogelijkheden. Het betreft een bijzonder gevarieerde waaier aan zaken waarop kan ingezet worden en zeker niet alle innovaties zijn revolutionair. Maar dat hoeft ook niet. Belangrijk is dat innovatie meerwaarde kan bieden. Veelal wordt een opsplitsing gemaakt in een aantal grote categorieën van vernieuwingstypes: incrementele innovatie (verbeteringen), verschillende vormen van markt- en technologische doorbraken (nieuwe/substantiële innovaties) en radicale vernieuwing (breakthrough/disruptieve innovaties). Innovatie kent ook veel toepassingsvormen, aangezien het eigenlijk gaat over alles wat kan verbeterd of geoptimaliseerd worden en over mogelijke opportuniteiten. Het kan dus gaan over nieuwe of verbeterde producten, diensten, productieprocessen, structuren, (markt)strategieën, (arbeids)organisatieprocessen, businessmodellen …1 1
Ook andere indelingen worden gebruikt. Zo hanteert ESF-Vlaanderen sinds enkele jaren de projectindeling ‘innovatie door exploratie’ en ‘innovatie door adaptatie’. Bij die eerste gaat het om innovatieprojecten die vertrekken van een uitdaging waarvoor men nog geen geschikt antwoord gevonden heeft. Tijdens dit project wordt het probleem bestudeerd en een mogelijke dienstverlening uitgewerkt. Adaptatieprojecten starten daarentegen van een bestaand concept van dienstverlening dat potentieel heeft om een uitdaging
5
Een ander onderscheid, dat in het kader van dit advies cruciaal is, betreft het onderscheid tussen innovatief vermogen (innovative capacity) en absorptiecapaciteit (absorptive capacity). Dat onderscheid heeft in essentie te maken met de vraag of nieuwe producten, technologieën of kennis door de onderneming zelf ontwikkeld worden. Het innovatief vermogen van een onderneming is hoog wanneer men inzet op interne activiteiten van onderzoek en ontwikkeling (O&O). Men kan bijvoorbeeld een O&O-centrum uitbouwen of een samenwerking opzetten met kennisinstellingen en onderzoekscentra voor fundamenteel of toegepast onderzoek. Hoewel er geen garantie is dat elke vorm van O&O tot een innovatie leidt, is er toch een grotere kans op.2 De absorptiecapaciteit van een onderneming komt neer op het leren gebruiken of toepassen van externe, bestaande innovaties in de eigen bedrijfscontext. Het gaat daarbij om bewezen technologieën en praktijken die ingeburgerd zijn bij eerste gebruikers, maar nog niet bij vroege en late innovatievolgers. Men spreekt in die context ook over innovatieverspreiding. Innovatie dient dus niet door elke onderneming zelf ontwikkeld te worden en ondernemingen hoeven niet noodzakelijk zelf O&O-activiteiten uit te voeren om innovatief bezig te zijn. Het creëren van nieuwe kennis is immers een duur proces waarvan de baten slechts op langere termijn zichtbaar worden. Het detecteren en oppikken en vervolgens implementeren van goede ideeën en nieuwe oplossingen maakt ook onderdeel uit van het innovatieproces en zorgt ervoor dat ondernemingen een voorsprong op hun concurrenten uitbouwen ofwel vermijden dat er kloof ontstaat. In een innovatieve economie gaat innovatiecreatie en kennisontwikkeling hand in hand met innovatieverspreiding en vormen ze evenwaardige (beleids)aandachtspunten. Kennisontwikkeling vormt een voortdurende voedingsbodem voor kennisverspreiding en kennisverspreiding zorgt ervoor dat ontwikkelde kennis gevaloriseerd en omgezet wordt in economische en maatschappelijk meerwaarde. Hier knelt echter nog vaak het schoentje. Zo kan er in ons land een groeiende productiviteitskloof geïdentificeerd worden tussen voorlopers en achterblijvers, m.a.w. tussen de meest productieve en minst productieve ondernemingen. Dit kan erop wijzen dat de concurrentie tussen ondernemingen afneemt en de kennisdiffusie wordt afgeremd. Zorgwekkend is dat deze evolutie in België sterker is dan in andere landen, hetgeen het pijnpunt van verminderende technologie- en kennisdiffusie alleen maar onderstreept. Om waarde te hebben voor de economie en samenleving moeten innovaties zich breed kunnen verspreiden zodat veel mensen en organisaties ze kunnen gebruiken. Door verspreiding kunnen innovatieve spelers hun investeringen terugverdienen en herinvesteren in nieuwe innovaties en continue ontwikkeling. Verspreiding maakt ook schaalvoordelen mogelijk waardoor het mogelijk is de, inmiddels verbeterde, innovatie
op de Vlaamse arbeidsmarkt aan te pakken. Het concept wordt dan concreet uitgewerkt tijdens het project. Een laatste fase betreft opschaling (‘Scale’) waarbij die een succesvolle pilot uitvoerden en impact aantoonden om de ontwikkelde dienstverlening op te schalen en te verspreiden. 2
Hieraan gerelateerd is het belangrijk het onderscheid tussen strategisch basisonderzoek en praktijkgericht onderzoek voor ogen te houden. Strategisch basisonderzoek (niet de focus van dit advies) gebeurt aan onderzoeksinstellingen en betreft vernieuwend onderzoek dat in geval van wetenschappelijk succes een vooruitzicht biedt voor latere economische of maatschappelijke toepassingen (onder de vorm van een nieuwe generatie van producten, processen of diensten). In dit advies ligt de nadruk op het toegepast onderzoek, en de kennis- en innovatieverspreiding ervan. 6
tegen een lagere prijs en een hogere kwaliteit aan te bieden, waardoor ze zich nog verder kan verspreiden. Tevens kan innovatieverspreiding en een bredere toepassing van innovaties het draagvlak voor innovatie vergroten en voordelig zijn voor de innoverende ondernemingen en de maatschappij in haar geheel, indien de innovatie gericht inspeelt op maatschappelijke uitdagingen. Een goed functionerend innovatie-ecosysteem (internationaal nationaal, regionaal, profit én social profit, cross-industrieel overheen economische sectoren en technologiedomeinen) veronderstelt de aanwezigheid van een aantal randvoorwaarden die bepalend zijn voor het innovatief vermogen, zoals ondernemerschapscultuur, fysieke infrastructuur inzonderheid op het vlak van digitalisering, menselijk kapitaal, de regelgevende en administratieve omkadering, de financiële omgeving met inbegrip van risicokapitaal … Een belangrijke voorwaarde tot innovatieverspreiding is dat het ondernemingsweefsel een voldoende absorptiecapaciteit en innovatief vermogen heeft. Innovatie mag zich namelijk niet beperken tot een kleine groep O&O-actieve ondernemingen, maar moet ook een ruimere groep – bv. ook niet O&O-actieve ondernemingen – in staat stellen een stap vooruit te zetten. Wat dat betreft toont de eerder vermelde RIS-ranglijst dat Vlaanderen eerder matig scoort op het vlak van innovatie-uitgaven los van O&O. Die laatste geeft een indicatie van de absorptiecapaciteit van kmo’s.3 Vlaanderen scoort met andere woorden beter op het vlak van onderzoek en ontwikkeling dan op het vlak van de absorptiecapaciteit onder de vorm van aankoop van onder meer innovatieve kennis, technologieën, uitrustingen, software en licenties die niet door de kmo zelf zijn ontwikkeld. 4 Ook de aankoop van elders ontwikkelde technologie, machines, materiaal of kennis, is namelijk innovatie, net als sociale innovatie. Een efficiënte verspreiding van innovatie moet daarnaast kunnen steunen op een goed geolied innovatie-ecosysteem waarin de diverse actoren van het innovatieproces, de zogenaamde quadruple helix, goed op elkaar zijn ingespeeld. Zo worden bijvoorbeeld sociale ondernemingen (social profit) nog onvoldoende expliciet meegenomen in het promoten van innovatieverspreiding. Dergelijke quadruple-helix-benadering verzekert een betere inbedding binnen de samenleving en gebeurt de innovatieverspreiding nadien vlotter. Op die manier komt innovatie tot stand in open samenwerkingsverbanden en stromen ideeën, informatie en kennis vlot door binnen en tussen die actoren, kortom binnen het ecosysteem. Innovatieverspreiding is zowel belangrijk voor het verdienmodel van innovators als voor de competitiviteit van de ondernemingswereld en de maatschappij als geheel.
Katalysatoren van innovatieverspreiding De noodzaak tot transities voor de grote maatschappelijke vraagstukken maakt verspreiding, acceptatie en gebruik van nieuwe oplossingen nog belangrijker. Ook de coronacrisis heeft de urgentie van bepaalde uitdagingen, zoals de digitalisering, vergroot. Veel ondernemingen werden in de nasleep van de coronacrisis uitgedaagd om waardevoller te innoveren en creatiever in te spelen op maatschappelijke uitdagingen zoals de 3
De Europese Commissie omschrijft deze indicator als “non-R&D innovation expenditure in SMEs as percentage of turnover. Several of the components of innovation expenditure, such as investment in equipment and machinery and the acquisition of patents and licenses, measure the diffusion of new production technology and ideas.”
4
Zie ook UNIZO (2020) Innovatieve kmo’s: speerpunten voor het Vlaamse innovatiebeleid, februari. 7
klimaatproblematiek. Om de Europese klimaatdoelstellingen 2030 te halen, is het belangrijk dat duurzame technologische innovaties sneller hun weg naar de markt vinden. Onder meer onder impuls van de Green Deal en de Duurzame Ontwikkelingsdoeleinden kan een nieuwe dynamische wind waaien doorheen het Vlaamse innovatie-ecosysteem met duurzame strategieën en innovaties, kwaliteitsvolle(re) en duurzame producten en diensten, en nieuwe kennis, vaardigheden en stakeholders. Als Vlaanderen er in slaagt om deze duurzame innovaties te verspreiden en te laten renderen in de markt en maatschappij, dan kan het op langere termijn een concurrentiële voorsprong uitbouwen en de eigen competitiviteit veilig stellen. De SERV erkent dat niet enkel de Vlaamse overheid de verspreiding van innovaties kan stimuleren en realiseren. Andere overheidsniveaus, publieke en private partijen hebben eveneens een belangrijke rol. Desalniettemin kan de Vlaamse overheid een belangrijke partner zijn om de vraag naar innovaties te stimuleren, innovatiebelemmeringen weg te werken en zo betere condities te creëren voor innovatieverspreiding. De SERV doet in dat kader vijf aanbevelingen: 1. Maak van kennis- en innovatieverspreiding een Vlaams beleidsspeerpunt 2. Creëer een transparant intermediair landschap 3. Stimuleer de vraag naar innovaties met een missiegericht instrumentarium dat maatschappelijke waarde genereert, zonder de bottom-up instroom uit het oog te verliezen 4. Zorg voor laagdrempelig toegankelijke innovatie-instrumenten en maak ze meer vraaggestuurd 5. Bouw een evaluatiecultuur gericht op additionaliteit.
Maak van kennis- en innovatieverspreiding een Vlaams beleidsspeerpunt Betere kennisverspreiding doorheen het Vlaamse ecosysteem kan een bepalende rol spelen voor de internationale slagkracht van Vlaanderen in een omgeving die gekenmerkt wordt door snelle technologische en digitale ontwikkelingen. Hierbij zijn snelheid en wendbaarheid cruciaal. Samenwerking met andere ondernemingen, start- en scale-ups, kenniscentra, overheden en andere stakeholders is daarom een must. Het innovatie-ecosysteem moet daarom danig worden gesmeerd dat samenwerking tussen ondernemingen en met andere actoren soepel en vlot kan verlopen. Dit veronderstelt sensibilisering van alle stakeholders in het systeem, facilitering en ondersteuning van samenwerkingsverbanden, en het sterker inzetten op vraaggestuurde instrumenten. Ook de Vlaamse Regering is zich bewust van het belang innovatie- en kennisverspreiding aan ruimere groepen van ondernemingen en organisaties: ”Kennisverspreiding naar minder onderzoeksintensieve kmo’s blijft een belangrijk onderdeel van een impactvol innovatiebeleid, zeker in het licht van de uitdagingen die de relance na corona en de Brexit stellen. We beogen hiermee een ruimere groep van kleinere ondernemingen te ondersteunen om zich te wapenen
8
tegen de gevolgen van beide uitdagingen. Via VLAIO zetten we verschillende instrumenten in om een innovatieversnelling bij onze kmo’s tot stand te brengen.”5 In vergelijking met de top van innovatieve regio’s in Europa scoren Vlaanderen en België veel minder goed op de RIS-indicator innovatie-uitgaven los van O&O. Om Vlaanderen te laten aansluiten bij de top 5, en om van België een innovatieleider te maken, moeten de scores voor deze indicator sterk verhogen.
Creëer een transparant intermediair landschap Voor ondernemingen, en in het bijzonder voor innovatievolgers en kmo’s, blijft het van groot belang dat zij met hun onderzoeksvragen bij de juiste samenwerkingspartners terecht komen. Intermediaire structuren spelen in dat opzicht een sleutelrol: zij zorgen voor een vertaalslag van de onderzoeksvraag en staan in voor de verdere doorverwijzing van ondernemingen. Naast technische kennis beschikken intermediaire structuren over netwerktalenten om kennisinstellingen en ondernemingen samen te brengen. Intermediaire organisaties die een belangrijke rol kunnen spelen in het ondersteunen van samenwerking zijn onder meer de beroepsorganisaties en de kenniscentra, maar ook ondersteunende toeleiders zoals het Team Bedrijfstrajecten, de Lerende Netwerken of de TTO’s (Technology Transfer Offices) aan de associaties. Zowel het intermediaire landschap als de onderneming zijn ermee gebaat indien er duidelijkheid heerst over wie welke rol en opdracht vervult. Vlaanderen heeft hierin reeds stappen gezet maar dit kan nog verder versterkt worden. Transparantie in de organisatie en werking van de intermediaire structuur kan een cruciale rol spelen in de kennismaking en verdieping van diverse ondernemingen, inclusief de kmo, met het innovatie(samenwerkings)gebeuren. Dit veronderstelt een klaar zicht op de diverse organisaties met omschrijving van hun profiel en dienstenportfolio, de doelgroepen, het instrumentarium en de voorziene activiteiten. Transparantie wordt ook bevorderd door een efficiënte coördinatie van de Vlaamse innovatie-intermediairen met het oog op een zo groot mogelijk innovatiestimuleringseffect bij Vlaamse ondernemingen. Op die manier wordt een verfijnd gestructureerd netwerk uitgebouwd dat erin slaagt op het juiste moment, de juiste dienst op de juiste manier door de juiste innovatie-actor aan de onderneming aan te bieden6.
Stimuleer de vraag naar innovaties met een missiegericht instrumentarium dat maatschappelijke waarde genereert, zonder de bottom-up instroom uit het oog te verliezen Innovatie richt zich idealiter op het stimuleren van het aanbod en de vraag naar innovatie. Voor de SERV verdient vooral de vraagzijde bijkomende beleidsaandacht. De overheid heeft verschillende hefbomen en instrumenten om de vraag naar innovatie te stimuleren (innovatief aankopen, regelgeving, samenwerking tussen ondernemingen en innoverende partijen stimuleren, praktijkomgevingen en livinglabs stimuleren …)
5
Vlaams Parlement, Beleids- en begrotingstoelichting Economie, Wetenschap en Innovatie. Begrotingsjaar 2021, 13-E (2020-2021) – Nr. 1, 28 oktober 2020.
6
SERV (2013) Advies Open innovatie, Brussel, 12 november. 9
Een belangrijk instrument voor kennisverspreiding is het COOCK-instrument dat zich richt op de vertaling van onderzoeksresultaten naar concrete toepassingen en de implementatie van ontwikkelde oplossingen in bedrijven. COOCK-projecten hebben als doel het valoriseren van onderzoeksresultaten door het versnellen van de introductie van innovatieve technologie en/of kennis bij ondernemingen langsheen het ganse innovatiespectrum (trekkers, vroege gebruikers, vroege/late volgers). Hoewel het instrument jong is en een beperkte omvang heeft, is de intentie ervan relevant en moet worden opgevolgd hoe de vraag naar dit instrument vanuit het ondernemingsleven evolueert (d.i. de projectinstroom). Ook de piste om dit instrument om te vormen tot een regulier instrument waarop permanent kan ingetekend worden, moet bekeken worden. Ook de TETRA-projecten verdienen hier een specifieke vermelding, omwille van hun expliciete doel om recent beschikbare kennis te vertalen in concrete, nuttige informatie zodat de doelgroep (Vlaamse ondernemingen en/of social profit organisaties) sneller en efficiënter kan innoveren. De SERV stelt daarnaast vast dat de Vlaamse Regering begin 2021 de KMO-groeisubsidie hervormde tot een systeem met thematische oproepen waarbij nu ook steun verkregen kan worden voor bedrijfsinterne hervormingen die de onderneming klaarmaken voor een digitale of duurzame toekomst. Onderzocht moet worden hoe de effectieve implementatie van het ingehuurde advies meer ondersteund kan worden om de impact ervan te vergroten. Tevens is de SERV van oordeel dat bij de financiering van het hoger onderwijs, de strategische onderzoekscentra en de clusters in de parameters en KPI’s voldoende ruimte moet ingebouwd worden om ook de economische en maatschappelijke output en outcome in rekening te brengen. Daarbij moet uitgegaan worden van enerzijds de geëigende missie, doelstelling en taken van de verschillende instellingen en actoren en anderzijds de sociaaleconomische en maatschappelijke accenten in de beleidsdoelstellingen. Vandaag zijn nog tal van sturingscriteria aanbodgestuurd, of beperkt de outputmeting zicht tot makkelijker haalbare output KPI’s op het vlak van bijvoorbeeld licentieovereenkomsten, patentaanvragen, contractonderzoek en spinoffs. Ook de parameters voor de verdeling van de middelen voor kennisinstellingen zijn in dit opzicht sterk gericht op output vanuit de kennisinstellingen zelf (citaten, publicaties, doctoraten, octrooien) maar minder op de economische en maatschappelijke impact. 7 De SERV meent dat de verdere uitrol van een missiegedreven innovatiebeleid een bijzonder belangrijke drijvende kracht kan zijn om de innovatieverspreiding te versterken. In maart 2021 publiceerde de SERV referentiekader om het missiegericht innovatiebeleid effectief tot uitrol te brengen.8 Missies hebben een grote verwachte maatschappelijke en sociaaleconomische impact en vereisen een omvangrijk draagvlak om te leiden tot succes. Missiegericht innovatiebeleid vereist een vernieuwing van beleidsdoelen en -instrumenten waarbij de maatschappelijke inbedding van innovaties centraal staat. De SERV is van oordeel dat een missiegedreven innovatiebeleid een uitgelezen kans biedt om (sleutel)technologieontwikkeling en innovatie te stimuleren op basis van maatschappelijke inbedding. Deze nieuwe benadering moet kortweg samengevat uitgaan van:
7
Zo worden er in het financieringsmechanisme van het hoger onderwijs geen parameters meegenomen die de maatschappelijke of wetenschappelijke dienstverlening financieel belonen.
8
SERV (2021) Het klavertje 5 van een missiegedreven innovatiebeleid, Brussel, 3 maart. 10
•
•
•
•
open, flexibele en adaptieve manieren van beleid en financiering van onderzoek en innovatie om op korte termijn te kunnen werken aan de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoorde transitiepaden; ruimte voor experimenten in ontwikkeling en uitvoering van een missiegedreven innovatiebeleid, waarbij verkokering vermeden wordt en een betere samenwerking tussen verschillende overheidssegmenten; ruimte voor nieuwe kennispraktijken waarin kennisinstellingen, ondernemingen, gebruikers (professionals, consumenten), beleidsmakers, regelgevers, burgers en/of andere relevante maatschappelijke partijen gezamenlijk kunnen experimenteren met innovatieve oplossingen, zoals living labs en soortgelijke lokale experimenten; aandacht voor samenhang en continuïteit in de onderzoeks- en innovatieportfolio, zodat projecten op elkaar kunnen voortbouwen en lokale initiatieven kunnen opschalen.
Zorg voor laagdrempelig toegankelijke innovatie-instrumenten en maak ze meer vraaggestuurd De recente cijfers over de innovatiesteunverlening door VLAIO laten zien dat de voorbije drie jaren meer dan de helft van innovatiesteun naar ondernemingen met maximaal 250 werknemers ging. Er zijn volgens de SERV dan ook belangrijke stappen vooruit gezet in de laagdrempeligere toegang tot het innovatie-instrumentarium. De SERV doelt meer concreet op de verdere uitbouw van de VLAIO frontoffice met het Team Bedrijfstrajecten alsook van het digitaal loket voor ondernemers ‘e-loketondernemers.be’. Tevens meent de SERV dat de kmo’s, vooral de minder innovatieve die moeilijker aansluiting vinden bij het innovatieinstrumentarium, baat kunnen hebben bij het inschakelen van hun eerstelijnspartners (boekhouder, accountants, bedrijfsrevisoren, juridische raadgevers en advocaten, notarissen, beroepsfederaties …) voor informatie over, maar ook en vooral doorverwijzing naar, het (VLAIO-)instrumentarium en kennisinstellingen. Op die manier kunnen zij een brugfunctie naar het innovatielandschap vervullen. Om tegemoet te komen aan de mismatch tussen aanbod en vraag naar kennis is er nood aan meer vraaggestuurde instrumenten teneinde een betere kenniskruisbestuiving en een snellere marktintroductie te realiseren. De SERV dringt erop aan dat de Vlaamse overheid de ingeslagen weg naar meer vraagarticulatie in het instrumentarium verderzet. Als voorbeeld kan verwezen worden naar het clusterbeleid waarmee de overheid de betrachting had om in te spelen op de vraag van ondernemingen of meer recent nog naar het initiatief ‘Blikopener’ waarmee innovatievolgers toegang krijgen tot laagdrempelige kennis die aanwezig is in de hogescholen. Daarnaast zijn er volgens de SERV nog waardevolle vraaggestuurde instrumenten die echter een bredere toepasbaarheid behoeven. Zo is er bijvoorbeeld het ICON-programma waarmee ondernemingen met en via de SOC’s en de speerpuntclusters kunnen deelnemen aan vraaggedreven coöperatief onderzoek, en het COOCK-instrument (cf. supra). Belangrijk is ook dat kan geleerd worden van minder goede praktijkvoorbeelden: zo werd onlangs nog de Speerpuntcluster flanders.healthTech opgericht zonder enige betrokkenheid van praktijkdeskundigen of sociale ondernemingen actief in gezondheidszorg en welzijn. Verder is de SERV een believer van proeftuinen, in casu Industrie 4.0, omdat daarvan een grote wervende kracht uitgaat naar ondernemingen. Wel zou de reeds aanwezige kennis en bestaande technologieën uit de private sector meer 11
betrokken kunnen worden bij de uitrol van die proeftuinen. Wat de instrumenten betreft, blijft het ook zaak om eventuele hiaten te detecteren en beleidsmatig in te vullen. De SERV is tevreden dat ook het Belgische Herstel en Veerkrachtplan initiatieven omvat om de verspreiding van innovatie te bevorderen. “Het plan omvat een hervorming om de innovatiebasis in Vlaanderen te verbreden, met als doel de focus en de voorwaarden voor het gebruik van instrumenten ter ondersteuning van O&O te herzien en deze aan te passen om de deelname van de kmo’s te faciliteren.”9 Deze hervorming moet ervoor zorgen dat de bestaande instrumenten geen beperkingen opleveren voor kmo’s in hun toegang tot subsidies voor innovatie. Het is de bedoeling de bestaande instrumenten voor het stimuleren van innovatie te evalueren, deze laagdrempeliger te maken en aan te passen aan de behoeften van kmo’s, inclusief organisaties uit de social profit.
Bouw een evaluatiecultuur gericht op additionaliteit Er is géén eenduidige blauwdruk om de verspreiding van innovaties te versterken. Beleidsinstrumenten moeten dan ook maatwerk zijn en bestaan uit een juiste mix. Vandaag bestaan reeds verschillende instrumenten die samenwerking (en onrechtstreeks innovatieverspreiding) in de hand werken: COOCK, O&O&I-projecten …10 De SERV blijft hameren op het belang van een evaluatiecultuur waarbij systematisch de impact van innovatiesteuninstrumenten wordt gemeten en geëvalueerd. Additionaliteit is daarbij het belangrijkste criterium. Inputadditionaliteit (d.i. de vraag of het innovatieproject ook zonder steun zou doorgegaan zijn) is daarbij een eerste cruciale voorwaarde maar ook de additionaliteit inzake output en impact verdient de nodige aandacht. Voor de SERV is het bovendien van belang dat overlap tussen steuninstrumenten wordt vermeden. Instrumenten en/of initiatieven met gelijkaardige doelstellingen kunnen elkaar tot op zekere hoogte ‘beconcurreren’ of zorgen voor onduidelijkheid. Die analyse moet trouwens verder gaan dan de Vlaamse subsidies alleen, maar omvat best ook federale (vnl. fiscale maatregelen) en Europese maatregelen. Wel meent de SERV dat de onderzochte periode bij evaluaties voldoende lang moet zijn – de outcome en impact van innovatie-inspanningen worden immers maar duidelijk op voldoende lange termijn – en dat de inherente onzekerheid die gepaard gaat met innovatie-activiteiten in acht genomen moet worden.
9
Europese Commissie (2021) Analyse van het herstel- en veerkrachtplan van België bij het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor België, SWD(2021) 172 final, 23 juni 2021.
10
Voor een overzicht wordt verwezen naar het bijgevoegde rapport, deel ‘Vlaamse instrumenten voor samenwerking met het oog op innovatieverspreiding’. 12
Rapport11 Belemmeringen voor innovatieverspreiding Ontbreken van een overkoepelende visie Beleidsinitiatieven binnen het beleidsdomein van W&T&I zijn erg divers. Het kan gaan om financiële maatregelen (subsidie, belastingvoordeel …), een programma (bijvoorbeeld een milieutechnologieprogramma van een milieuagentschap, een grensoverschrijdend onderzoeksprogramma …), een wet of regulering (bijvoorbeeld ter introductie van een evaluatie of impact assessment in het domein van W&T&I …), een informeel kader (bijvoorbeeld een handleiding voor stakeholdersbevraging over onderzoeksprioriteiten …) of een ‘institutioneel’ event (bijvoorbeeld de oprichting binnen de laatste twee jaar van een agentschap of een high level W&T&I-raad …). Aan die beleidsinitiatieven zijn instrumenten of een instrumentenmix gekoppeld die moeten zorgen voor de implementatie. De link tussen beleidsinitiatieven en die instrumenten is één dimensie die inzicht geeft in de beleidscoherentie en instrumentenconsistentie. Sanz-Menéndez en Cruz-Castro (2020)12 analyseren de beleidsinstrumenten en de beleidsmix die acht landen inzetten om de kennisoverdracht en de relaties tussen wetenschap en de industrie te verbeteren. Eén van de conclusies is dat de meeste onderzochte landen wel het nodige doen en over tal van instrumenten beschikken, maar geen duidelijke beleidsdoelen of doelstellingen hebben, die dan ook niet te toetsen of te monitoren zijn. De auteurs onderscheiden vier patronen van integratie/coherentiegraden, waarbij patroon 1 de laagste en patroon 4 de hoogste coherentiegraad reflecteert.
11
Disclaimer Dit achtergronddocument werd opgemaakt door het SERV-secretariaat ter ondersteuning van het sociaal-economisch overleg en de beleidsadvisering door de sociale partners in de SERV. De bevindingen, interpretaties en conclusies in dit achtergronddocument vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat en kunnen op geen enkele wijze toegeschreven worden aan de raad, een organisatie vertegenwoordigd in de raad of een lid van de raad Bij gebruik van gegevens en informatie uit dit rapport wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld.
12
Sanz-Menéndez and Cruz-Castro (2020), Instruments and instrument mixes for knowledge transfer and science industry relations. A pilot analysis using STIP Compass database in selected countries, European Commission R&I Paper Series, European Commission, Working paper 2020/12, 2020. Voor het onderzoek werd beroep gedaan op de Science, Technology and Innovation (STI) Policy Compass Database van de Europese Commissie en de OESO. Deze databank omvat informatie over nationale STIbeleidsinitiatieven volgens 7 thema’s: governance, het publieke onderzoeksysteem, innovatie in ondernemingen en innovatief ondernemerschap, wetenschappelijk-industriële kennistransfer en -deling, menselijk kapitaal inzake R&D, en onderzoek en innovatie voor maatschappelijke doeleinden en nieuwe trends in STI-beleid. Het onderzoek focust op het vierde thema (wetenschappelijk-industriële kennistransfer en -deling) waarvoor op basis van socio-economische en beleidsindicatoren acht landen werden geselecteerd: Canada, Oostenrijk, Nederland, Frankrijk, Noorwegen, Hongarije, Spanje en Portugal. 13
Tabel 1 Patronen van de relatieve integratie/coherentie van kennistransfer beleidsinitiatieven
Verschillende initiatieven
Eén instrument initiatief
per Verschillende per initiatief
1. Fragmentatie Beperkt initiatieven
aantal Eén instrument initiatief
2. Non-coördinatie per Verschillende per initiatief
3. Schaarsheid/Gebrek aan intensiteit Eén instrument Bron:
instrumenten
instrumenten
4. Rationalisering Verschillende instrumenten
Sanz-Menéndez en Cruz-Castro (2020)
De stelling van de onderzoekers is dat de coherentie wordt versterkt door beleidsmixen die worden gekenmerkt door de combinatie van weinig of een beperkt aantal initiatieven met meerdere instrumenten (kwadrant 4). De eenvoudigere combinatie in kwadrant 3, waarin een beperkt aantal initiatieven beroep doet op telkens één instrument, kan ook coherent zijn, maar te schaars blijken of een gebrek aan intensiteit etaleren. De onderzoekers rapporteren heel wat beleidsacties op het vlak van kennistransfer en wetenschappelijk-industriële interacties. De initiatieven zijn vrij specifiek, maar of er sprake kan zijn van een duidelijke en consistente strategie is een andere kwestie. In het algemeen en voor de meeste van de geselecteerde landen was het moeilijk om duidelijke beleidsdoelstellingen of streefdoelen te identificeren buiten de algemene doelstelling van de toename van kennisdiffusie. Het beleidsdiscours gaat er nogal snel vanuit dat er een strategie achter de initiatieven schuilt maar vaak ontbreekt er een duidelijke koppeling van doelstellingen aan plannen. Of er al dan niet veel initiatieven worden ontplooid, doet niets af aan deze vaststelling. De meeste landen vertonen dan ook een gefragmenteerd landschap van beleidsinitiatieven (m.a.w. veel beleidsinitiatieven met een multi-instrumentele benadering). Hoewel bovenstaande studie betrekking heeft op 8 Europese lidstaten zonder België, is de door de onderzoekers naar voor geschoven conclusie inspirerend voor Vlaanderen. Met name is er nood aan een gedragen strategische koepelvisie die duidelijk maakt met welke instrumenten, met welke partners, met welke budgettaire middelen en voor welke finaliteit (en) de overheid kennisdiffusie en samenwerking doelmatig wil bevorderen. Dergelijke visie overschrijdt het louter opdrijven van de kennisdiffusie via de creatie van nieuwe beleidsinitiatieven en bijhorende instrumenten.
Vooral nadruk op productie van O&O, te weinig op valorisatie en verspreiding Een recent OESO-rapport13 stelt vast dat de huidige instrumenten voor het innovatiebeleid te eng zijn gericht op O&O en op maatregelen op het gebied van wetenschap en technologie waardoor het belang van een goed draaiend ecoysteem in het algemeen en van kennisverspreiding in het bijzonder ondergesneeuwd raakt. Dit gaat ten koste van innovatie
13
OECD (2020). Broad-based innovation policy for all regions and cities. 14
en productiviteitsgroei maar ondermijnt ook het aanpassingsvermogen en de veerkracht van landen en regio’s om het hoofd te beiden aan toekomstige uitdagingen. Een ruimere groep ondernemingen moet zich in de doelstellingen en het aanbod rond kennis- en innovatiediffusie herkennen en aangesproken voelen. Er is dus nood aan een ruime benadering en strategie van het innovatie ecosysteem om alle actoren en stakeholders van het innovatiegebeuren te bereiken en te betrekken. De 3 %-norm voor O&O-uitgaven overschreden Het innoverend vermogen van een land hangt af van de kwaliteit van een complex innovatie ecosysteem. Het volstaat daarin niet dat bedrijven en onderzoeksinstellingen investeren in onderzoek en ontwikkeling (O&O). Dit is een noodzakelijk, maar geen voldoende voorwaarde voor innovatie. Even belangrijk is de omzetting van O&O in succesvolle producten en diensten of in verbeterende productie- of managementprocessen. Samenwerking, knowledge flows tussen verschillende actoren en toegang tot kennis vormen allemaal belangrijke ingrediënten voor onderzoek, innovatie en de valorisatie ervan. Valorisatie van onderzoek komt erop neer dat onderzoek ook een waarde heeft bovenop de kennis en de inzichten waar het toe leidt, doordat de resultaten overdraagbaar zijn voor andere partijen. De gecreëerde kennis moet door een goede kruisbestuiving tussen wetenschapper en ondernemer de weg naar de ondernemingswereld vinden en kan daar in hoogwaardige producten en toepassingen voor de wereldmarkt worden omgezet. Deze toegevoegde waarde kan zowel economisch, maatschappelijk of cultureel zijn of een combinatie ervan. Kortom, valorisatie is cruciaal om economische waarde te creëren uit O&O activiteiten. Vaak wringt daar het schoentje. De transfer van kennis naar valorisatie vormt een moeilijke schakel in de verdere ontwikkeling van de kenniseconomie in Vlaanderen. De aanwezige kennis moet echter ook hier gevaloriseerd worden in economische activiteiten en maatschappelijke toepassingen om het draagvlak en de impact van die ontwikkelde kennis te maximaliseren. Uitgaven voor O&O zijn een voorwaarde maar zeker geen synoniem voor innovatiesucces. Door de Lissabon norm14 van 3 % bbp voor O&O-uitgaven – verdeeld in 2% voor de private sector en 1% voor de publieke sector – prominent op de voorgrond te plaatsen, is sedert 2002 eenzijdige nadruk gelegd op aanbodgedreven O&O en innovatie. Vlaanderen heeft zich veel budgettaire inspanningen getroost om die norm te bereiken en plukt daar nu de vruchten van. Reeds in 2019 heeft Vlaanderen met een totaal O&O-uitgavenniveau van 3,35% bbp de norm overschreden. Daarbij wordt vastgesteld dat 2,55 % van het bbp gefinancierd wordt door de private sector, en 0,80 % door de publieke sector. Dit leidt tot de conclusie dat de private financiering van O&O reeds voldoet aan de vooropgestelde 2 % norm, maar dat het vooropgestelde doel van 1% voor de publieke sector nog wat verdere groei behoeft. Binnen het wetenschaps- en innovatiebeleid ten belope van € 3,8 mld. is er € 2 mld. bestemd voor de financiering van O&O-uitgaven en € 1,7 mld. voor hoger onderwijsuitgaven (= werkingsmiddelen universiteiten en hogescholen voor hun onderwijsopdracht). Wil Vlaanderen de 1 % bbp-norm inzake overheidsinvesteringen 14
Op de Europese top van Barcelona in 2002 werd, in het kader van de in 2000 vooropgestelde Lissabonstrategie om van de Europese Unie de meest competitieve kenniseconomie ter wereld te maken, de doelstelling geformuleerd dat de Europese Unie 3% van haar bbp aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) zou uitgeven tegen 2010. Deze doelstelling werd door de EU‐lidstaten als nationale norm overgenomen. 15
bereiken aan het einde van de legislatuur – in 2024 – dan moeten de O&Ooverheidsmiddelen de volgende drie begrotingsjaren toenemen met € 633 mln., ofwel een jaarlijkse opstap van € 211 mln.15 Figuur 1 Evolutie van de R&D-uitgaven in % van bbp, 2009-2019 3,35
4
2,67
2,75
2013
2014
2015
2016
2,93
2,6
2012
2,88
2,56
2,35
2,08
2,5
2,23
3
2,54
3,5
2017
2018
2 1,5 1 0,5 0 2009
Bron:
2010
2011
2019
ECOOM
Figuur 2 Private versus publiek financiering van R&D-uitgaven in % bbp, 2011-2019, ECOOM 3 2,55 2,5 2
2,15
1,95
1,99
0,61
0,68
0,72
0,8
0,58
2011
2013
2015
2017
2019
1,77
1,5 1
0,5 0 Privaat
Bron:
Publiek
ECOOM
Hoewel O&O een belangrijke bron is en blijft voor innovatie, valt het er zeker niet mee samen. Innovatie is ruimer en overstijgt het proces van kennisontwikkeling. Innovatie impliceert eveneens dat ondernemingen nieuwe of beschikbare kennis absorberen en hiermee op zoek gaan naar duurzame en commercialiseerbare oplossingen op maat van de
15
Vlaamse overheid (2021) Speurgids Ondernemen & Innoveren 2021. Het Vlaamse overheidsbudget voor Economie, Wetenschap & Innovatie. 16
gedifferentieerde markt (de klant). Innovatie vindt niet enkel plaats in de onderzoeksafdeling maar kan repercussies hebben op de hele bedrijfsvoering (personeel, engineering en productie, aankoop, verkoop en marketing …). Vooruitgang in innovatie, achteruitgang in valorisatie Volgens het Global Competitiveness Report van het World Economic Forum (WEF)16 dat het algemene concurrentievermogen van landen meet, is België opnieuw gezakt op de rangschikking: van plaats 19 naar 21 in 2018 om in 2019 verder te zakken naar plaats 22. Wat betreft de Global Innovation Index17 (GII) strandde België in 2019 op de 23ste plaats, een stijging met twee plaatsten ten opzichte van 2018. In 2020 stootte België verder door naar de 22ste plaats. Er kunnen dus twee tegengestelde bewegingen vastgesteld worden: voor innovatie een stijging, voor valorisatie een daling. Globaal is de conclusie dat België te weinig de brug van innovatie naar valorisatie maakt, ondanks de aanwezigheid van topbedrijven. Tabel 2 Global Competitiveness Index, WEF, 2019 Rang Economie Score Verschil 2018 Rang Score 1 Singapore 84,4 +1 +1,3 2 VS 83,7 -1 -2,0 3 Hong Kong 83,1 +4 +0,9 4 Nederland 82,4 +2 5 Zwitserland 82,3 -1 -0,3 6 Japan 82,3 -1 -0,2 7 Duitsland 81,8 -4 -1,0 8 Zweden 81,2 +1 -0,4 9 VK 81,2 -1 -0,8 10 Denemarken 81,2 +0,6 11 Finland 80,2 12 Taiwan 80,2 +1 +1,0 13 Zuid-Korea 79,6 +2 +0,8 14 Canada 79,6 -2 -0,3 15 Frankrijk 78,8 +2 +0,8 22 België 76,4 -1 -0,2 Bron: World Economic Forum (2019)The Global Competitiveness Report 2019
16
De Global Competitiveness index is een jaarlijkse maatstaf gebaseerd op een set van twaalf pijlers, die beleidsmakers toelaat de vooruitgang te beoordelen op het vlak van productiviteit: instellingen, infrastructuur, ICT-adoptie, macro-economische stabiliteit, gezondheid, vaardigheden, productmarkt, arbeidsmarkt, financieel systeem, marktomvang, bedrijfsdynamiek en innovatievermogen.
17
De Global Innovation Index (GII) maakt het mogelijk innovatiefactoren op een permanente wijze te monitoren. De GII is samengesteld uit drie indices: de algemene GII, de Subindex Innovatie Input en de Subindex Innovatie Output. De algemene GII-score is het gemiddelde van de scores van de Input- en outputsubindexen. De Innovation Input Sub-Index bestaat uit vijf pijlers uit de nationale economie die enablers vormen voor innovatieve activiteiten: 1) instellingen, 2) menselijk kapitaal en onderzoek, 3) infrastructuur, 4) marktomgeving en 5) businessomgeving. De Subindex Innovatie Output geeft informatie over outputs die het resultaat zijn van de innovatieve activiteiten. Er zijn twee outputpijlers: 6) kennis en technologische output en 7) Creatieve output. Elke pijler omvat drie subpijlers en elke subpijler is samengesteld uit afzonderlijke indicatoren, 80 in totaal. Outputpijler 6 (kennis en technologische output) bevat de subpijlers kenniscreatie, kennisimpact en kennisdiffusie. 17
Tabel 3 Global Innovation Index, WIPO, 2020
Bron:
World Intellectuel Property Organization (2020) Global Innovation Index 2020. Who Will Finance Innovation?
Noot: donkerblauw betekent dat de betreffende economie behoort tot het best scorende vierde kwartiel, van rang 1 tot en met 32 op 131 landen. Groen geeft aan dat de betreffende economie zich situeert in het derde kwartiel, van rang 33 tot en met 65. Een meer gedetailleerde analyse van de Global Innovation Index verduidelijkt de bovenstaande vaststellingen. Zoals aangegeven, heeft België in de GII in 2020 nog een plaats gewonnen ten opzichte van 2019, waarin het op haar beurt twee posities had gewonnen ten aanzien van 2018. De GII-index meet de innovatieprestaties aan de hand van 80 indicatoren, die zowel betrekking hebben op de input als de output en die resulteren in een innovatie input sub-index respectievelijk een innovatie output sub-index. Uit de GII blijkt dat over de periode 2014-2020 de Belgische positie op de innovatie input index niet alleen stabieler maar ook beter is dan de output index. België dankt de verbetering van haar positie m.a.w. aan de betere positionering op de innovatie input index. Voor de output innovatie index, die gebaseerd is op indicatoren over octrooiering, wetenschappelijke publicaties, bbp-groei per werknemer, oprichting van nieuwe ondernemingen, ICT-aankopen, ISO 9001 certificaten, medium- en hoogtechnologische productieoutput, patentinkomsten, hoogtechnologische export, export van ICT-diensten, uitgaande FDI, de creatieve en culturele sector, de toekenning van internetdomeinnamen, de download van mobiele apps enz., kan sinds 2017 een verslechtering van de Belgische positie worden vastgesteld. Tabel 4 De input versus output ranking van België, 2014-2020, GII 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Globale Innovatie index 23 25 23 27 25 23 22 22 Innovatie input index 22 21 20 22 21 21 21 21 Innovatie output index 23 28 18 27 23 24 25 26 Bron: World Intellectual Property Organization (2020) Global Innovation Index 2020. Who Will Finance Innovation? World Intellectual Property Organization (2021) Global Innovation Index 2021. Tracking Innovation through the COVID-19 Crisis
18
In de Global Innovation Index wordt ook de efficiëntie van het innovatie-ecosysteem in kaart gebracht, oorspronkelijk door de input subindex tegenover de output subindex af te zetten. Omdat bij de berekening van subindexen gewerkt wordt met vaste gewichten per betrokken indicator, hetgeen eigenlijk een miskenning inhoudt van de respectieve interne sterktes en zwaktes van de verschillende ecosystemen, werd vanaf 2019 overgestapt naar de methodiek van Data Envelopment Analysis (DEA; zie ook verder 4.1.2) waarbij endogene gewichten door het model worden toegekend. Een voordeel van de DEA is dat de specifieke gewichten die de globale innovatiescore van een economie maximaliseren, endogeen bepaald worden door het DEA-model, gegeven een set van andere observaties. De DEA-score is dan het gewogen gemiddelde van alle zeven innovatiepijlerscores, waarbij de gewichten de economie-specifieke DEA-gewichten zijn, vergeleken met de beste prestaties van alle andere economieën met dezelfde gewichten. De DEA-score kan worden geïnterpreteerd als een maat voor de "afstand tot de efficiënte grens”. Op basis van de oorspronkelijke innovatieefficiëntie index blijkt dat België niet al te best scoort: in 2018 bezette het de 38 ste plaats op 113 landen. Op basis van de DEA-methodiek valt de ranking van België beter uit: in 2019 komt België uit op de 24ste plaats (DEA-score: 0,82), in 2020 op de 21ste positie (DEA-score: 0,83). Merk ook op dat op basis van de DEA-methodiek de ranking van België veel nauwer aansluit bij de algemene GII-positionering. Tabel 5 De Innovatie-efficiëntie indexpositie en de DEA-ranking vergeleken met de Globale Innovatie indexpositie, 201-2020, GII 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Globale 23 25 23 27 25 23 22 Innovatie index Innovatie21 59 27 47 38 efficiëntie index DEA score 24 21 Bron: World Intellectuel Property Organization (2020) Global Innovation Index 2020. Who Will Finance Innovation?
Gebrek aan levenslang leren remt innovatieve implementatie Een andere belangrijke structurele drempel is de deelname aan levenslang leren, hetgeen een nefaste invloed kan hebben op zowel het innovatievermogen zelf als op de kennisabsorptiecapaciteit van een onderneming. Immers, ondernemingen die hun processen, producten en diensten innoveren, moeten zorgen dat ook de werknemers mee blijven om tijdig in te spelen op nieuwe transities en uitdagingen, hun concurrentiepositie te vrijwaren en de (kwaliteit van de) werkgelegenheid te behouden. . Levenslang leren, continue opleiding en vorming, is m.a.w. cruciaal om vernieuwingen en innovaties te kunnen implementeren en cruciale transities te realiseren. Gepaste opleiding en vorming, een goede netwerk- en innovatiecultuur en een bedrijfsstrategie die inzet op menselijk kapitaal zijn sleutelvoorwaarden voor een goed innovatieverspreiding. Vlaanderen kampt met een achterstand inzake de participatie aan levenslang leren. In de Europese Unie (EU27) volgden in 2020 gemiddeld 9,2% van de inwoners een opleiding. Vlaanderen scoort met een participatiegraad van 7,7% (België 7%) onder het EU-gemiddelde. 19
Tegenover de Scandinavische landen (Zweden 29%, Finland 27% en Denemarken 20%), Nederland (19%), Estland (17%), Luxemburg (16%) en Frankrijk (13%) is de achterstand groot. Figuur 3 Opleidingsdeelname tijdens afgelopen 4 weken van de bevolking van 25 tot 64 jaar Belgische gewesten en EU-landen, 2020, in %
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen Noot: de gegevens in de figuur zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Bijgevolg moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. EU27: Europese Unie zonder Verenigd Koninkrijk.
Een van de oorzaken van de lage participatiegraad is het relatief grote aandeel van de bevolking dat niet geïnteresseerd is om deel te nemen aan levenslang leren: 82% in Vlaanderen tegenover gemiddeld 76% voor alle OESO-/PIAAC-landen. Vlaanderen hangt samen met Tsjechië, Italië, Griekenland, Polen, Slovakije en Turkije onderaan de ranglijst in termen van “leerbereidheid” van werknemers. Figuur 4: De bereidheid om deel te nemen aan formele en/of niet formele opleiding bij volwassenen, (cijfer voor 2012/2015, in %)
Bron:
OECD (2019), OECD Skills Strategy Flanders: Assessment and Recommendations, OECD Skills Studies, OECD Publishing, Paris.
20
Om een echte leercultuur te introduceren heeft de SERV gepleit voor de oprichting van een Partnerschap dat de regie van de uitrol van levenslang leren in Vlaanderen opneemt. Voor de vormgeving en invulling van het Partnerschap verwees de SERV naar inspirerende voorbeelden in het buitenland. Twee van deze voorbeeldlanden maken deel uit van de top vier EU-lidstaten op het vlak van levenslang leren, nl. Zweden (ENCELL, Nationaal Centrum voor Levenslang Leren) en Nederland (Actie-agenda Leven Lang Ontwikkelen).18
Moeizame groei in totale factorproductiviteit De Nationale Bank van België wijst erop dat Totale Factor Productiviteit (TFP)19-groei in België al sinds het begin van de 21ste eeuw verzwakt. Het gaat om een wijdverspreid verschijnsel dat zich ook voordoet in de rest van het eurogebied en in de VS. Deze globale structurele daling van de TFP-groei wordt verklaard door het uitdoven van gunstige factoren uit het verleden (onder meer dalende interesse voor handelsliberalisering en toename protectionistische reflex, onvoldoende vertaling van nieuwe technologieën zoals artificiële intelligentie in productiviteitsgroei, toenemende vergrijzing, geleidelijke verschuiving van productie- naar diensteneconomie, vertraging in de opbouw van additioneel menselijk kapitaal via een verbreding van het onderwijs …).
18
SERV (2020) Advies over Levenslang leren: visie en partnerschap, Brussel, 1 april.
19
Totale Factorproductiviteit (TFP) of multifactorproductiviteit is de zuiverste maatstaf van de stand van de technologie, aangezien het aangeeft hoe productief kapitaal en arbeid worden ingezet om toegevoegde waarde te creëren. Belangrijke determinanten van de TFP zijn het menselijk kapitaal en R&D, binnenlandse competitie, buitenlandse competitie via handel, technologische catching-up en ondernemerschap. Binnenlandse R&D-uitgaven zorgen niet alleen voor binnenlandse innovaties, maar zorgen er ook voor dat een land in staat is om te profiteren van kennis die ontwikkeld is in het buitenland. Een land heeft een zogenaamde ‘absorptiecapaciteit’ nodig om buitenlandse kennis te kunnen internaliseren in binnenlandse innovatieprocessen. De impact van buitenlandse R&D-activiteiten op innovatie door binnenlandse bedrijven hangt dus af van hun absorptiecapaciteit. 21
Figuur 5 Belgische potentiële groei en determinanten ervan
Bron:
Basselier, Langenus en Reusens (2017) De potentiële groei van de Belgische Economie, Economisch Tijdschrift, Nationale Bank van België, September 2017.
Figuur 6 Gemiddelde bijdragen aan de potentiële groei per gedefinieerde periode (in procentpunt)
Bron:
Basselier, Langenus en Reusens (2017) De potentiële groei van de Belgische Economie, Economisch Tijdschrift, Nationale Bank van België, September 2017. Noot: (1) gewogen gemiddelde van de drie belangrijkste buurlanden; (2) gegevens vanaf 1999.
22
Specifiek voor België zijn er enkele structurele factoren die de TFP-groei in de weg staan. Zo vertalen de – nochtans relatief hoge – O&O-uitgaven zich nog onvoldoende in de daadwerkelijke creatie van nieuwe winstgevende producten. In België komen de R&Duitgaven (2,9% bbp in 2019) ver boven de EU27 (2,2% bbp) uit, maar toch ligt het verkoopsaandeel van nieuwe innovaties, de uitvoer van medium- en hightech goederen en het aantal internationale octrooiaanvragen er aanzienlijk lager dan het EU-gemiddelde. Deze vaststelling wordt bevestigd in een OESO-rapport20 stellende dat “the return on public R&D support and the targeting of young innovative firms need to improve”. De stagnatie van de TFP is volgens de OESO zorgwekkend omdat het duidt op lage efficiëntiewinsten als gevolg van onder meer zwakke innovatie- en technologieverspreiding onder bedrijven en de aanwezigheid van spook- en zombiebedrijven. Zombiebedrijven zijn ondernemingen die minstens 10 jaar oud zijn en een bedrijfswinst hebben die gedurende minstens drie opeenvolgende jaren kleiner is dan de financiële lasten. Alleen Spanje en Portugal hebben gemiddeld volgens de OESO een groter aandeel zombiebedrijven dan België (5% van de ondernemingen) in de periode tussen 2007 en 2015.21 Die ondernemingen, die dus moeite hebben om hun rentelasten te betalen maar er toch in slagen actief te blijven, vertegenwoordigen niet minder dan 10% van alle Belgische ondernemingen. 22 In haar verslag 2020 geeft de NBB aan dat “terwijl enkele grote ondernemingen in de nasleep van de globale financiële crisis hun activiteiten in België hebben stopgezet of grote herstructureringen hebben doorgevoerd, echter ook werd vastgesteld dat een aanzienlijk deel van de ondernemingen waarvan de financiële positie structureel niet leefbaar was (tussen 7 en 10%, afhankelijk van de gehanteerde definitie1), actief bleef zonder dat hun financiële positie verbeterde. Volgens de OESO kwam dit bijzonder vaak voor in België, wat zowel economisch als maatschappelijk nadelig is. Op economisch vlak wordt het groeipotentieel van de gezonde ondernemingen er immers door afgeremd, omdat de structureel niet-levensvatbare bedrijven financiële middelen en productiemiddelen opslorpen ten nadele van (nieuwe) performantere actoren. Op maatschappelijk vlak zou de voortzetting van de activiteiten van die ondernemingen als goed nieuws kunnen worden beschouwd voor hun werknemers, maar hun vermogen om zich professioneel te heroriënteren neemt af omdat ze achterblijven in niet-performante en technologisch achtergebleven structuren.”23
20
OECD (2019) In-Depth Productivity Review of Belgium, OECD Publishing, Paris.
21
OECD (2019) In-Depth Productivity Review of Belgium, OECD Publishing, Paris.
22
NBB (2018) De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring, Economisch Tijdschrift, december.
23
NBB (2020) Verslag 2020 Economische en financiële ontwikkelingen. 23
Figuur 7 Het gebrek aan TFP-groei productiviteitsgroei van België
Bron:
is
de
belangrijkste
belemmering
voor
de
OECD (2019) In-Depth Productivity Review of Belgium, OECD Publishing, Paris.
De productiviteit van de Belgische industrie is vertraagd, maar bleef gemiddeld beter presteren dan de OESO, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Sinds 1998 is de arbeidsproductiviteit in de Belgische industrie met 3,2% per jaar gegroeid, tegenover 2,9% in de rest van de OESO en 2,3 % in de drie belangrijkste buurlanden. Dit is deels te verklaren door een relatief sterke multifactorproductiviteit. Ook in de bouwsector is de productiviteit sterker gestegen dan elders. Daarentegen was de groei van de arbeidsproductiviteit in de dienstensectoren lager en kende deze groei een scherpere daling dan in de rest van de OESO. Dit is in het bijzonder het geval voor de marktdiensten die een productiviteitsdaling kenden van 1,3% per jaar tussen 1980 en 1998 en van 0,6% per jaar tussen 1998 en 2015. De arbeidsproductiviteit in marktdiensten in de OESO daalde in diezelfde periodes gemiddeld van jaarlijks 1,5% naar 1%. In lijn met deze trends is de multifactorproductiviteit in de marktdiensten in België sinds 1995 gedaald, terwijl die in andere OESO-landen toenam. Dit duidt volgens de OESO op gebrekkige efficiëntiewinsten, een trager innovatietempo en zwakke verspreiding van technologieën bij ondernemingen in deze sector in België.
24
Figuur 8: Evolutie in de multifactorproductiviteit, opgedeeld naar industrie en marktdiensten
Bron:
OECD (2019) In-Depth Productivity Review of Belgium, OECD Publishing, Paris.
Een productiviteitskloof tussen de meest productieve en de minst productieve en tussen grote en kmo-ondernemingen Om waarde te hebben voor de economie en samenleving moeten innovaties zich breed verspreiden zodat veel ondernemingen en mensen ze kunnen gebruiken. Uit de Europese Semesterrapporten blijkt echter dat België op dat vlak met een structureel probleem kampt. Reeds in het Landverslag 201624 wijst de Europese Commissie erop dat de overgang naar een meer kennisintensieve en innovatiegerichte economie langzaam vordert: “De sterke punten van het onderzoeks- en innovatiesysteem van België komen niet zo doeltreffend tot uiting in de algemene economische prestaties als mogelijk zou zijn. De O&O van ondernemingen is geconcentreerd in een beperkt aantal hoogtechnologische industrieën.” In het landverslag 201725 hamert de Europese Commissie op dezelfde nagel door erop te wijzen dat de recente afzwakking van de totale groei van de arbeidsproductiviteit op een aantal belangrijke problemen wijst. Onder meer verwijst de Commissie naar investeringen in onderzoek en kennisgedreven kapitaalaccumulatie die grotendeels beperkt blijven tot een handvol sectoren: “Een betere verspreiding van de innovatie tussen de bedrijfssectoren zou kunnen bijdragen tot een opwaardering van de producten- en dienstenmix waarmee België concurreert op de wereldmarkten." En verder: “Deze hoge concentratie van O&O-investeringen
24
Europese Commissie (2016) Landverslag België 2016, SWD(2016) 71 final, 26 februari.
25
Europese Commissie (2017) Landverslag België 2017, SWD(2017) 67 final, 22 februari. 25
van het bedrijfsleven geeft aan dat ook een aanzienlijk deel van het op kennis gebaseerd kapitaal26 sterk geconcentreerd is in een beperkt aantal ondernemingen, aangezien O&O-investeringen een van de belangrijkste activa van dit soort kapitaal zijn (Biatur and Kegels, 2015), en dat op het vlak van O&O toonaangevende ondernemingen doorgaans ook meer investeren in andere vormen van immateriële activa (in het bijzonder ICT en vaardigheden). […] Investeringen in op kennis gebaseerd kapitaal zijn een belangrijke aanjager van productiviteit en groei, aangezien zij een steunpijler zijn voor innovaties en hun daaropvolgende uitvoering.” Volgens het landverslag van de Europese Commissie van 201827 is er sprake van toenemende productiviteitsverschillen tussen de meest en minst productieve bedrijven. Dat wijst op een ondermaatse kennis- en technologiediffusie: “De investeringen in onderzoek en innovatie en andere “immateriële” activa, die het grootste potentieel voor innovatie-output hebben, zijn hoog maar vrij eenzijdig gericht. Innovatie moet meer worden verspreid en de innovatiebasis moet worden verbreed. […] Een verruiming van de innovatiebasis om een grotere groep van ondernemingen in te sluiten zou helpen deze innovaties onder kmo’s te verspreiden en zou het systeem ook veerkrachtiger maken. De bestaande productiviteitskloof tussen de meest productieve ondernemingen en de rest van de bedrijven wordt wijder. Zoals in andere landen vertonen de meest productieve ondernemingen van België, met name de topondernemingen, aanzienlijk hogere groeicijfers wat productiviteit betreft dan de rest van de ondernemingen. Dit kan wijzen op belemmeringen die de verspreiding van innovatie in de weg staan. Investeringen in immateriële activa (het zogenoemde op kennis gebaseerd kapitaal, waaronder O&O, kunnen ook een belangrijke factor zijn waarmee ondernemingen die aan de top van de mondiale productiviteit staan, zich onderscheiden van achterblijvende ondernemingen.” In het landverslag 201928 herinnert de Europese Commissie aan een aantal structurele tekortkomingen waaronder de concentratie van innovatie in enkele bedrijfstakken en de belemmeringen voor de concurrentie en voor investeringen in product- en dienstenmarkten die wegen op de productiviteitsgroei: “Het feit dat slechts een beperkt aantal ondernemingen de drijvende kracht is achter de meeste geaggregeerde productiviteitswinsten, zou kunnen wijzen op belemmeringen die de verspreiding van innovatie in de weg staan.” Ook de OESO wijst erop dat de private uitgaven voor R&D in België aanzienlijk zijn maar geconcentreerd in enerzijds gevestigde grote ondernemingen, vaak dochterondernemingen van multinationals, en anderzijds in bepaalde sectoren zoals chemie en farmaceutica.29 Ten slotte wijst de Europese Commissie in het landverslag 202030 erop dat het aanpakken van tekorten aan vaardigheden, lage verspreiding van innovatie en belemmeringen voor de concurrentie op de product- en dienstenmarkt zal bijdragen tot het stimuleren van de productiviteitsgroei. De groeiende
26
Volgens de OESO omvat op kennis gebaseerd kapitaal alle activa zonder fysieke vorm. Net zoals fysiek kapitaal genereert op kennis gebaseerd kapitaal evenwel baten die door ondernemingen ten minste in zekere mate voor een periode van langer dan een jaar kunnen worden behouden. Er worden gewoonlijk drie grote categorieën van immateriële activa gemeten: computerised information (wat software en gegevensbanken omvat), innovative property (O&O, ontwerp, exploratie van minerale reserves, financiële innovaties en originele artistieke producties) en economic competencies (reclame, marktonderzoek, eigen maatschappelijk kapitaal en opleiding).
27
Europese Commissie (2018) Landverslag België 2018, SWD(2018) 200 final, 7 maart.
28
Europese Commissie (2019) Landverslag België 2019, SWD(2019) 1000 final, 27 februari.
29
OECD (2020) OECD Economic surveys – Belgium, 2020.
30
Europese Commissie (2020) Landverslag België 2020, SWD(2020) 500 final, 26 februari. 26
kloof tussen de best en de slechtst presterende bedrijven wijst volgens de Europese Commissie op een onvoldoende verspreiding van de technologische vooruitgang. Onderzoek31 van de OESO wijst uit dat er zich een groeiende productiviteitskloof aftekent tussen voorlopers en achterblijvers, m.a.w. tussen de meest productieve en minst productieve ondernemingen. Dit kan erop wijzen dat de concurrentie tussen ondernemingen afneemt en de kennisdiffusie wordt afgeremd. Zorgwekkend is dat deze evolutie in België sterker is dan in andere landen, hetgeen het pijnpunt van verminderende technologie- en kennisdiffusie alleen maar onderstreept. Zo zijn bijvoorbeeld de top performante industriële ondernemingen acht keer meer productiever dan de minst performante. In de dienstensectoren bedraagt de productiviteitskloof tussen de gemiddelde onderneming in het bovenste deciel en die in het onderste deciel 10:1. Figuur 9 Productiviteitskloof tussen voorlopers en achterblijvers
Bron:
OECD (2019) In-depth productivity review of Belgium, OECD Publishing, Paris.
Productiviteitswinsten worden volgens de NBB bovendien bijna volledig in de technologische grensbedrijven32 (de groep van technologische leiders) geboekt en vaak in dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven. Tussen 1996 en 2016 lag de Totale Factor Productiviteitsgroei in de grensbedrijven bijna 29 procentpunt hoger dan in de nietgrensbedrijven (bedrijven met een technologische achterstand). Bovendien werd de bijdrage van de grensbedrijven tot de TFP-groei gemiddeld voor 80% door buitenlandse 31
OECD (2019) In-depth productivity review of Belgium, OECD Publishing, Belgium.
32
De categorie van de grensbedrijven omvat alle ondernemingen met een productiviteitsniveau dat gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren hoger ligt dan het 90ste percentiel van de TFP-verdeling in hun bedrijfstak. M.a.w. ondernemingen die twee jaar tot de top tien procent van de meest productieve bedrijven per sector horen. 27
grensbedrijven geleverd. De verspreiding van technologie naar minder efficiënte bedrijven is ontoereikend. Dat is problematisch, want hoe groter deze kloof, hoe moeilijker ze nadien te overbruggen is. De verklaring hiervoor ligt in de steeds snellere technologische vooruitgang en kennisopbouw. Door die continue versnelling wordt het voor achterblijvers keer op keer moeilijker om de nieuwe kennis te absorberen en te implementeren. Drempels die het bijbenen verhinderen, zijn de nood aan specifiek en voldoende onderlegd personeel, de noodzakelijke investeringen in materiële en immateriële activa en voldoende absorptiecapaciteit.33,34 Ten slotte blijkt uit OESO-onderzoek35 dat grote ondernemingen in België een hogere productiviteit kennen dan kleinere ondernemingen. Het productiviteitsniveau van microondernemingen (1-9 werknemers) voor de gehele bedrijfseconomie (business economy) bedraagt in België 55% van dat van de grote ondernemingen. Voor kleine ondernemingen bedraagt deze verhouding 79%. Daarbij mag evenwel niet uit het oog verloren worden dat de grote Belgische ondernemingen tot de meest productieve behoren. Tevens moet voldoende genuanceerd worden. Algemeen kan gesteld worden dat naarmate grote bedrijven kunnen profiteren van toenemende schaalopbrengsten, de productiviteit meestal toeneemt met de bedrijfsgrootte. Echter, nieuwe kleine bedrijven blijken vaak de geaggregeerde productiviteitsgroei te stimuleren door de introductie van nieuwe technologieën waarmee ze productiviteitsverhogende hervormingen van gevestigde ondernemingen stimuleren. Vooral in de sector van zakelijke dienstverlening (business services sector) kunnen kleinere ondernemingen productiever zijn dan grotere, omwille van comparatieve voordelen in nicheactiviteiten, hoogwaardige merk- en IP-activiteiten en door het intensieve gebruik van betaalbare ICT-technologieën. De situatie varieert tevens van land tot land. In het Verenigd Koninkrijk bereiken micro-ondernemingen (1 tot 9 werknemers) in de industrie bijna 68 % van het productiviteitsniveau van de grote ondernemingen (> 250 werknemers), tegenover slechts 10 à 11 % in Griekenland en Mexico. Ook in België is het productiviteitsniveau van de micro-ondernemingen ten aanzien van grote ondernemingen eerder aan de lage kant (30,4%). In de sector van de zakelijke dienstverlening zijn vooral de Scandinavische en Britse micro-ondernemingen productiever dan hun grote tegenhangers (>250 werknemers). De Belgische micro-ondernemingen komen in deze sector ook beter voor de dag met een productiviteitsniveau dat bijna 74% bedraagt van dat van de grote ondernemingen.
33
Voka (2018) Innoverend ondernemen: Naar meer koopmansgeest in Vlaanderen, Voka Paper, oktober 2020;
34
NBB (2018) De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring, Economisch Tijdschrift, december.
35
OECD (2021) OECD compendium of productivity indicators, webbook 2021. 28
Figuur 10 Arbeidsproductiviteit in kmo’s en grote ondernemingen, de business economie36
Bron: OECD (2021) OECD compendium of productivity indicators. Noot: toegevoegde waarde per werkende, PPP USD, 2018 of laatste beschikbare jaar Figuur 11 Arbeidsproductiviteit in kmo’s en grote ondernemingen, industrie
Bron: OECD (2021) OECD compendium of productivity indicators. Noot: toegevoegde waarde per werkende, index: 250+=100, 2018 of laatste beschikbare jaar
36
De business economy omvat mijnbouw en steenwinning, industrie, elektriciteits-, gas-, stoom- en airconditioningsvoorziening, watervoorziening, riolering, afvalbeheer en sanering, bouw en zakelijke dienstverlening (exclusief financierings- en verzekeringsactiviteiten). De zakelijke dienstverlening (business services) omvat groot- en detailhandel, reparatie van auto's en motorfietsen, transport en opslag, accommodatie en voedseldiensten, informatieen communicatiediensten, onroerendgoedactiviteiten en professionele, wetenschappelijke, administratieve en ondersteunende activiteiten. 29
Figuur 12 Arbeidsproductiviteit in kmo’s en grote ondernemingen, zakelijke dienstverlening
Bron: OECD (2021) OECD compendium of productivity indicators. Noot: toegevoegde waarde per werkende, index: 250+=100, 2018 of laatste beschikbare jaar
In haar analyse van het Belgisch Herstel en Veerkrachtplan merkt de Commissie op dat hervormingen en investeringen in het plan erop gericht zijn sommige van de resterende tekortkomingen van het Belgische O&O&I-systeem aan te pakken. In het plan zijn met name initiatieven opgenomen om de verspreiding van innovatie te bevorderen, in het bijzonder voor kmo’s, aangezien innovatie momenteel geconcentreerd is in een vrij klein aantal sectoren die door multinationale ondernemingen worden gedomineerd: “Het plan omvat een hervorming om de innovatiebasis in Vlaanderen te verbreden, met als doel de focus en de voorwaarden voor het gebruik van instrumenten ter ondersteuning van O&O te herzien en deze aan te passen om de deelname van de kmo’s te faciliteren.”37 Deze hervorming moet ervoor zorgen dat de bestaande instrumenten geen beperkingen opleveren voor kmo’s in hun toegang tot subsidies voor innovatie. Het is de bedoeling de bestaande instrumenten voor het stimuleren van innovatie te evalueren, deze laagdrempeliger te maken en aan te passen aan de behoeften van kmo’s. Na de evaluatie zal een verslag worden gepubliceerd met een overzicht van nieuwe en herziene maatregelen vormgegeven in desbetreffende besluiten van de regering. De hervorming moet uiterlijk 31 december 2022 voltooid zijn.
Nog marge bij absorptiecapaciteit kmo’s De laatste editie van het Regionale Innovatie Scorebord38 reveleert dat Vlaanderen met een score van 130,5 voor het eerst tot de groep van innovatieleiders is (27 ste rang) is 37
Europese Commissie, Analyse van het herstel- en veerkrachtplan van België bij het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor België, SWD(2021) 172 final, 23 juni 2021.
38
Het Europese Innovatie Scorebord (EIS) en het Regionale Innovatie Scorebord (RIS) van de Europese Commissie zijn methodologieën om onder meer de Belgische en Vlaamse innovatieprestaties in kaart te brengen. De laatste editie dateert zowel voor het EIS als het RIS van 2021. Beide scoreborden onderscheiden vier groepen van innovatoren op basis van hun prestatie ten opzichte van het Europese gemiddelde: innovatieleiders (een score >125% ten opzichte van het Europees gemiddelde), sterke
30
doorgestoten, als regio die zeer goed presteert voor O&O-bedrijfsuitgaven en voor innovatieve samenwerking maar eerder matig scoort op het vlak van innovatie-uitgaven los van O&O. Die laatste geeft een indicatie van de absorptiecapaciteit van kmo’s. De Europese Commissie omschrijft deze indicator als “non-R&D innovation expenditure in SMEs as percentage of turnover. Several of the components of innovation expenditure, such as investment in equipment and machinery and the acquisition of patents and licenses, measure the diffusion of new production technology and ideas.” M.a.w. Vlaanderen scoort beter op het vlak van onderzoek en ontwikkeling dan op het vlak van de absorptiecapaciteit onder de vorm van aankoop van onder meer innovatieve kennis, technologieën, uitrustingen, software en licenties die niet door de kmo zelf zijn ontwikkeld (zie onderstaande spindiagram). 39 Ook de aankoop van elders ontwikkelde technologie, machines, materiaal of kennis, is namelijk innovatie, net als sociale innovatie40 Figuur 13 Vlaanderen vergeleken met het EU en Belgisch gemiddelde
Bron:
Regional Innovation Scoreboard (2021). innovatoren (tussen 100% en 125%), gematigde innovatoren (tussen 70% en 100%) en ontluikende innovatoren (<70%). Vergelijkingen met voorgaande edities van het EIS en RIS zijn niet mogelijk wegens gewijzigde methodologie. Aldus werd van sommige indicatoren (vijf in totaal) van, het EIS de definitie aangepast, werden nieuwe indicatoren (11 in totaal) toegevoegd om recente tendensen inzake digitalisering en verduurzaming beter te capteren en werden een aantal indicatoren geschrapt (vier in totaal). Het meten van de EIS-innovatieprestatie gebeurt aan de hand van 32 indicatoren die ingedeeld kunnen worden in vier categorieën: (1) kadervoorwaarden die extern zijn aan de onderneming (onderwijsniveau, wetenschappelijke publicaties, telecominfrastructuur), (2) publieke en private investeringen (in O&O, in ICT-opleidingen), (3) de innovatieactiviteiten van organisaties zelf (nieuwe producten/diensten, intellectueel eigendom, samenwerkingen) en (4) de impact van innovatie op verkoop en werkgelegenheid (export van hightechproducten, omzet door verkoop van nieuwe producten/ diensten, werkgelegenheid in hoogtechnologische en kennisintensieve sectoren). De methodologie achter de EIS wordt op een identieke manier gebruikt om een RIS te berekenen voor 240 regio’s in 22 Europese landen. Door beperkingen in de beschikbare data worden voor de regio’s wel slechts 21 indicatoren geanalyseerd in plaats van 32.
39
Zie ook UNIZO, Innovatieve kmo’s: speerpunten voor het Vlaamse innovatiebeleid, februari 2020.
40
Sociale innovatie betreft wijzigingen in het strategisch beleid van een organisatie of in de manier waarop het werk wordt georganiseerd, met het doel om, naast de verbetering van de bedrijfsperformantie, ook de kwaliteit van de arbeid te verbeteren en te zorgen voor meer gemotiveerde en productieve medewerkers. 31
Tabel 6 Overzicht scores Vlaanderen in de RIS, 2021
Bron:
Regional Innovation Scoreboard( 2021).
Ook op landenniveau wist België met een score van 127,5 door te stoten tot de kopgroep van ‘innovatieleiders’. Echter, valt voor deze indicator met een score van 94,1 en een tiende positie een lichte achterstand van België ten aanzien van het EU-gemiddelde (= 100) te noteren.
32
Figuur 14 Niet-O&O gebonden uitgaven voor innovatie
Bron:
Slovenië
Nederland
Luxemburg
Denemarken
Griekenland
Estland
0
Roemenië
0
7,6
29,7
42,2 Portugal
13,4
42,6 Bulgarije
56,9 Frankrijk
43
59,2 Hongarije
50
Oostenrijk
60,7 Ierland
66,7 Zweden
62
68,3 Finland
77,4 Pölen
71
91 Malta
Sapnje
93 Slovakije
94,1 België
107 Italië
97,3
107 Kroatië
100
Letland
109,6 Tsjechië
106,6
109,6
141,5 Duitsland
Cyprus
143,1
150
Litouwen
200
194,2
250
European Innovation Scoreboard (2021).
Niettemin is een belangrijke voorwaarde voor innovatieverspreiding dat er voldoende absorptiecapaciteit is bij ondernemingen die de nieuwe technologie, toepassing, applicatie, dienst of nieuw materiaal niet zelf hebben ontwikkeld. Er kunnen verschillende belemmeringen bestaan waardoor de verspreiding van innovatie achterblijft bij innovatievolgers: het personeel en/of de zelfstandige ondernemer heeft niet de juiste kennis en vaardigheden om de innovatie te begrijpen en te gebruiken, men heeft onvoldoende tijd, ruimte of prikkels om kennis op te doen, de organisatie is niet klaar voor verandering, er zijn te weinig financiële middelen … Vooral kmo’s worden geconfronteerd met die belemmeringen omdat het hen ontbreekt aan tijd en middelen voor opleiding, en om hun blik naar buiten gericht te houden en kennis te nemen van wat andere organisaties doen. Kmo’s kampen met andere woorden met kennisabsorptiedrempels (zie ook hoger). Heel wat familieondernemingen bijvoorbeeld zouden zich verder kunnen professionaliseren via het opnemen van onafhankelijke bestuurders in de Raad van Bestuur of het werken met een adviesraad hun blik te verruimen.
33
Innovatiekloof tussen grotere en kleine ondernemingen De CIS-enquête van 2019 onthult een innovatiekloof41 tussen de kleine ondernemingen en (middel)grote ondernemingen: de frequentie van innovatie-activiteiten loopt doorgaans op naarmate de ondernemingsgrootte toeneemt. Uit onderstaande figuur blijkt dat, globaal gezien, grote ondernemingen actiever zijn dan kleinere: 90% van de grote ondernemingen had (al dan niet voltooide) product- of bedrijfsprocesinnovaties in 2016-2018, tegenover 79% voor middelgrote ondernemingen en 67% voor kleine ondernemingen. Ondernemingen waren het meest actief in bedrijfsprocesinnovaties42 (61%) en minder in productinnovaties (29%). Figuur 15 Ondernemingen met een innovatie(activiteit) opgedeeld naar ondernemingsgrootte
Totaal
67
lopende/afgebroken innovatieactiviteiten
bedrijfsprocesinnovatie
0
10 GO
Bron:
20 MO
30
53
39
26 40
81
70
58
productinnovatie
80
62
44
90
79
50
60
70
80
90
KO
Community Innovation Survey (CIS) (2019).
Als we inzoomen op O&O, blijken vooral de grote bedrijven de meeste middelen aan O&O te spenderen. Uit het meest recente Vlaams Indicatorenboek blijkt dat kleine ondernemingen slechts 21,9% van de door ondernemingen gespendeerde O&O-middelen voor hun rekening, tegenover 21,6% voor de middelgrote en maar liefst 56,5% voor de grote. Dat heeft uiteraard te maken met de beschikbaarheid van grotere (vaak internationale) 41
42
Een onderneming wordt als innovatief beschouwd wanneer ze voldoet aan minstens één van volgende criteria: • de onderneming heeft nieuwe of aanzienlijk verbeterde producten of diensten op de markt gebracht (i.e. productinnovatie) • de onderneming heeft nieuwe of aanzienlijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om producten of diensten te leveren (i.e. bedrijfsprocesinnovatie) • de onderneming was bezig met activiteiten (inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O/R&D) om nieuwe of aanzienlijk verbeterde producten of diensten, of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment van bevraging (i.e. nog niet voltooide innovatie/lopende innovatieactiviteiten) • de onderneming heeft activiteiten (inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O/R&D) verricht om nieuwe of aanzienlijk verbeterde producten of diensten, of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze vroegtijdig stopgezet (i.e. afgebroken innovatieactiviteiten) Waar in de vorige CIS-enquêtes sprake was van vier types innovatie, nl. productinnovatie, (technologische) procesinnovatie, organisatorische innovatie en marketinginnovatie, is de CIS-editie 2019 gebaseerd op de vierde editie van de “Oslo Manual” waarin onderscheid wordt gemaakt tussen twee types van innovatie: productinnovatie enerzijds en een ruiler gedefinieerd begrip bedrijfsprocesinnovatie anderzijds. 34
onderzoeksbudgetten, de betere kennis van subsidie- en belastingmaat- regelen, schaalgrootte, een uitgebouwde R&D-afdeling ... Figuur 16 Uitgaven voor interne O&O in 2019 volgens ondernemingsgrootte
21,9
21,6 56,5
KO
Bron:
MO
GO
Vlaams indicatorenboek (2021)
Ook wat betreft interne en uitbestede O&O, het verwerven van externe kennis, training, marktintroducties en design scoren de grote ondernemingen beduidend beter. De middelgrote bedrijven hangen er opnieuw tussen. De resultaten tonen dat in het algemeen 45% van de innovatieve ondernemingen interne onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten had en 25% uitbestede O&O had in 2016-2018. De percentages lopen op met de grootteklasse.
35
Figuur 17 Aard van de innovatieactiviteiten bij innovatieve ondernemingen, opgedeeld naar ondernemingsgrootte 90
82
80 70
60
60 50 40
48
45 38
44
47
50
45
50 48
20
20
43
38
34
30
49
29
25
35
31
5 5 5 5
10 0
Interne O&O
Uitbestede O&O
Aankoop machines, apparatuur of gebouwen KO
Bron:
MO
Aankoop software
GO
Aankoop IP
Pverige
Totaal
Vlaams indicatorenboek (2021)
Ten slotte trekken de grote ondernemingen ook meer publieke middelen aan (periode 20162018). De kloof is tussen kleine en grote ondernemingen is voor elk van de drie bevoegdheidsniveaus (regionaal, federaal en Europees) groot. Figuur 18 Publieke financiering van innovatieve ondernemingen 70 58
60 50 40
33 28
30 20
20 13
15 11
17
11
10 1
3
1
4
2
2
1
0 KO Regionale overheid
Bron:
MO Belgische overheid
GO EU Horizon 2020
Totaal Overige EU-steun
Vlaams indicatorenboek (2021)
Kortom, er kan gesteld worden dat het zwaartepunt van innovatie bij de grote ondernemingen ligt. Nochtans zijn de kleine bedrijven met groeipotentieel noodzakelijk om 36
een duurzame, innovatieve economie te garanderen. Kleine ondernemingen en kmo’s in het algemeen zijn een essentiële bron van ondernemersvaardigheden en innovatie, die van cruciaal belang zijn voor het concurrentievermogen van de regio/land. In dat opzicht is het een hoopgevende vaststelling dat er een duidelijke groei merkbaar is in de opgenomen innovatiesteun door kmo’s, zowel in het aantal bedrijven, als in het totaalbedrag. De voorbije drie jaren ging meer dan de helft van innovatiesteun naar kmo’s. Bovendien waren ook meer dan de helft van de bedrijven die bij VLAIO steun aanvroegen nieuw, dat wil zeggen dat ze dat de voorbije vijf jaar of eerder niet deden. De steun voor kmo’s evolueerde van €42,9 miljoen in 2010 en €114,8 miljoen in 2019 naar €126 miljoen in 2020, en van 295 en 387 naar 529 kmo-ondernemingen. Bovenstaande cijfers moeten echter meteen genuanceerd worden. Ze zijn namelijk gebaseerd op de Europese definitie van kmo’s en niet de Belgische fiscale definitie. Naar Belgische normen bevatten deze cijfers dus ook heel wat grotere ondernemingen. Er zal daarnaast in de toekomst voldoende aandacht moeten gaan naar de absorptie van innovatie bij ondernemingen mede in functie van de door Europa vooropgestelde digitale en groene transitie van de economie. Alleszins moet worden vermeden dat de vastgestelde innovatiekloof tussen grote en kleine ondernemingen gepaard gaat met een groeiende absorptiekloof hetgeen op termijn een nefaste zaak zou zijn voor een grote groep kmo’s. Om dat te vermijden, is er verhoogde beleidsaandacht vereist voor de diffusie van innovatie en kennis.
Blijvende drempels voor samenwerking en open innovatie Samenwerkingscultuur van grote en kleine ondernemingen Het verschil in innovatie en O&O43 tussen kmo’s en grote bedrijven uit zich ook uitgesproken op het vlak van samenwerking met andere partijen zoals kennis- en onderzoeksinstellingen, leveranciers, consultants, gebruikers, klanten … Bij grote ondernemingen ligt dit gemiddeld op 73%. Bij de kleine en middelgrote ondernemingen ligt het gemiddelde op 35% respectievelijk 53%. Vlaamse kmo’s werken vooral samen met leveranciers, consultants, ondernemingen binnen de eigen groep en in mindere mate klanten uit de private sector. Dan volgen de samenwerking met de universiteiten/hogescholen en de publieke kennisinstellingen, alhoewel er zich hier toch een duidelijke kloof aftekent tussen de kleine (11%) en middelgrote ondernemingen (23%). De kloof met de grote ondernemingen (47%) is nog meer uitgesproken. Andere samenwerkingsvormen, in het bijzonder met concullega’s binnen dezelfde sector, scoren vrij matig. Slechts 4% van de kleine ondernemingen is geneigd om samen te werken met concurrenten en ondernemingen uit dezelfde sector, tegenover 13% van de grote ondernemingen. Nochtans is ook deze laatste vorm van samenwerken belangrijk om de doorstroom van innovatie en ontwikkeling te versnellen. Meer algemeen moeten samenwerking en kennisuitwisseling versterkt worden om álle ondernemingen op de innovatietrein te krijgen. Daartoe moeten nieuwe initiatieven zoals de Flipped Technoloy Transfer Offices worden uitgerold en bestaande instrumenten van kennisdoorstroming en 43
Nieuw in CIS 2019 is dat er niet alleen gevraagd wordt naar samenwerking voor innovatie-activiteiten maar ook voor O&O en andere bedrijfsactiviteiten. 37
verspreiding zoals de TETRA- en COOCK-initiatieven versterkt en geoptimaliseerd worden (zie verder). Figuur 19 Type samenwerkingspartners voor O&O- of innovatieactiviteiten
5
non-profit organisaties
1 6
klanten uit de openbare sector
2 31
overheids- of publieke onderzoeksinstellingen
6 47
universiteiten of hogescholen
11 16
andere ondernemingen
6
concurrenten, andere ondernemingen uit dezelfde sector
13 4 25
klanten uit de private sector
9 52
leveranciers
21
consultants, commerciële laboratoria,/onderzoeksinstellingen
47 18
52
ondernemingen binnen de eigen groep
14 0
Totaal
Bron:
GO
10 MO
20
30
40
50
60
KO
Vlaams indicatorenboek (2021)
De absorptiecapaciteit van ondernemingen en kmo’s in het bijzonder kan versterkt worden door hen via samenwerkingsverbanden nauwer te betrekken in het innovatie-ecosysteem. In zijn advies van 2013 heeft de SERV reeds gewezen op het belang van een open innovatiemodel dat ervan uitgaat dat ondernemingen zowel externe als interne ideeën en technologieën kunnen en moeten combineren met het oog op het vermarkten van de innovaties. In het licht van de slimme specialisaties en omwille van het positief effect op de innovatief-economische slagkracht van ondernemingen en regio’s, vormen open innovatieclusters een belangrijke troef voor de transformatie van industriële activiteiten. De overheid dient dit open innovatiemodel te optimaliseren, onder meer door te voorzien in een adequaat instrumentarium van sensibilisering, stimulering, facilitering en
38
ondersteuning.44 In meer recente adviezen45,46 bevestigt de SERV het belang van een open innovatiemodel, zij het in een quadruple helix context. Dit impliceert dat ook gebruikers en klanten in open innovatieprocessen en clusters een plaats moeten krijgen, naast ondernemingen, kennisinstellingen en overheden. Drempels voor ondernemingen, en in het bijzonder voor kmo’s en innovatievolgers Uit onderzoek van de Stichting Innovatie & Arbeid47, de Vario48 en literatuurstudie49 blijkt niettemin dat ondernemingen, in het bijzonder kmo’s en innovatievolgers, nog heel wat drempels ondervinden die een geslaagde samenwerking bemoeilijken. De belangrijkste worden hierna opgelijst: •
•
Uiteenlopende doelstellingen inzake onderzoek. Soms komt de samenwerking met kennisinstellingen tot een einde omwille van te zeer uiteenlopende doelstellingen die leiden tot herhaaldelijke bijstellingen van de onderzoeksactiviteiten. Ook de verkeerde keuze van samenwerkingspartners, een inadequate governanceen managementstructuur en een inefficiënte communicatie-uitwisseling kan leiden tot de beëindiging van de samenwerking. Oriëntatiegerelateerde en transactiegerelateerde drempels. Oriëntatiegerelateerde drempels hebben te maken met intrinsieke verschillen in normen en gedrag van de onderzoekers van enerzijds de ondernemingen en anderzijds de universiteiten. Bijvoorbeeld zijn ondernemingen meer gefocust op korte termijnresultaten terwijl de tijdshorizon van academisch onderzoek veel verder ligt (zie hierna). Ondernemingen beogen hun O&O-investeringen te beschermen door octrooiering van de resultaten of deze geheim te houden, terwijl academici de impuls hebben om hun bevindingen via publicatie wereldkundig te maken. Transactiegerelateerde drempels hebben te maken met intellectuele eigendom (zie verder) en de administratie en bureaucratie van de academische instellingen die ondernemingen als hinderlijk ervaren. De groeiende aandacht van universiteiten voor octrooiering en de exploitatie ervan met het oog op een financiële return kan tot conflicten leiden met hun private partners, in het bijzonder wanneer onrealistische verwachtingen over de commerciële waarde van hun onderzoek de boventoon voeren. De transactiegerelateerde drempels zijn dan ook moeilijker te verhelpen dan de
44
SERV (2013) Advies over open innovatie, Brussel, 12 november.
45
SERV (2019) Advies Beleidsnota Economie, Wetenschapsbeleid en Innovatie 2019-2024, 2 december.
46
SERV (2021) Advies over het klavertje 5 van een missiegedreven innovatiebeleid, 22 maart.
47
Stichting Innovatie & Arbeid (2011) Informatiedossier “Samenwerking bij technologische innovatie. Drempels en hefbomen voor bedrijven en kenniscentra Stichting Innovatie & Arbeid (2013) Informatiedossier “Steuninstrumentarium voor open innovatie in bedrijven in Vlaanderen Stichting Innovatie & Arbeid (2016) Rapport “Kennisdiffusie en innovatie bij Vlaamse kmo’s. Ervaringen inzake kennisdiffusie en innovatiebeleid in kaart gebracht bij zestien kleine tot middelgrote ondernemingen, 2016. Vario (2019) Advies Waardecreatie door samenwerking. . Danish Council for Research and Innovation Policy & The Think Thank DEA (2016) What lies beneath the surface? A review of academic and policy studies on collaboration between public research and private firms, August.
48 49
39
•
50
oriëntatiegerichte, bijvoorbeeld in de context van de onderhandelingen over de intellectuele eigendom. Andere domeinen waarbij zich een belangenkloof of -tegenstelling kan manifesteren, situeren zich op het niveau van - Cultuur en mismatch tussen aanbod van en vraag naar kennis. De cultuurkloof vindt zijn oorsprong in de verschillende marktprincipes van het onderzoek van de betrokken partijen en de plannings- en timingsproblemen. De persoonlijkheid van de ondernemer en onderzoeker speelt hierbij een rol. Niet-gericht onderzoek verloopt meestal over langere termijn, gericht onderzoek is direct probleemoplossend en veelal van korte termijn. Voor hogescholen en universiteiten is onderzoek één van de opdrachten, naast onderwijs en dienstverlening. Deze taken kunnen met elkaar in conflict komen als er prioriteiten moeten gesteld worden. Docenten en onderzoekers zullen zich laten leiden door de eigen evaluatiecriteria en zo kunnen onderzoeksvragen van bedrijven in concurrentie komen met bijvoorbeeld publicaties of onderwijsopdrachten. Bij onderwijsinstellingen zijn onderzoekers ook gebonden aan academiejaren en trimestersystemen. Strategische onderzoekscentra en sector- en technologiegebonden kenniscentra staan dichter bij de vraag naar gericht onderzoek van de bedrijven en zijn minder gebonden aan vaste planning en timing. De SOC’s hebben wel een belangrijke opdracht in het kader van niet-gericht onderzoek met internationale uitstraling en zijn wellicht mede daardoor minder bekend bij kleine bedrijven. Sector- en technologiegebonden kenniscentra zijn gelinkt aan één of aan een cluster van economische activiteiten en hebben naast niet-gericht onderzoek in functie van de sector of de cluster een grote(re) direct probleemoplossende rol. Hierdoor staan zij veelal dichter bij de bedrijven, hun activiteiten strekken zich uit van dienstverlening tot het brede gamma van onderzoek. Hier zijn de mogelijkheden om korter op de bal te spelen groter, al blijft het moeilijk om gisteren een oplossing te vinden voor de problemen van morgen. Om dit en vorige problemen te verzoenen is de rol van de ondernemer en van de onderzoeker cruciaal. Ondernemers, zeker van kleine bedrijven, hebben nog te dikwijls enige reserve om samen te werken met kenniscentra of staan te weinig open voor externen. Onderzoekers in kenniscentra focussen soms te uitsluitend op hun onderzoek en/of missen de nodige ondernemingszin om mee te denken met de vragen van de bedrijven. Dit kan onrechtstreeks in de hand gewerkt worden door de manier van onderzoeksplanning bij bijvoorbeeld de SOC’s. Bij de SOC’s (en de clusters) wordt via roadmaps een planning van de activiteiten op middellange termijn gemaakt. Niet bij alle roadmaps wordt de afstemming met het Vlaamse industriële weefsel afdoende doorgevoerd, zodat onvoldoende aansluiting wordt gevonden bij Vlaamse ondernemingen.50 - kennis. De kenniskloof kan zich voordoen op twee manieren: er is een verschil in kennisniveau of er is een gebrek aan transparantie waar de kennis zich bevindt. Het verschil in kennisniveau kan gaan om te gespecialiseerd zijn of om interdisciplinaire materie die niet door de partner te absorberen is. In principe kan het probleem zich zowel stellen bij de bedrijven als bij de kenniscentra. Onderzoeksgroepen aan universiteiten of strategische onderzoekscentra met weinig contacten in bepaalde segmenten van de economie zullen moeilijkheden ervaren om de problemen en VARIO (2019) Advies Waardecreatie door samenwerking. 40
-
-
51
vragen van die bedrijven te verstaan. Voor hogescholen is het moeilijk om alle ontwikkelingen op te volgen als de onderzoeksgroepen te klein zijn of als er te weinig tijd is naast de lesopdrachten. Strategische onderzoekscentra en sector- en technologiegebonden kenniscentra staan omwille van hun doelstellingen en gericht onderzoek dichter bij de vragen van de bedrijven, maar ook voor kleine bedrijven is de drempel soms nog hoog. Bedrijven die niet investeren in kennisborging krijgen problemen bij het absorberen van technologische evoluties in hun vakgebied. In de praktijk stelt dit laatste probleem zich meer bij de ondernemers van de relatief kleine bedrijven in minder innovatieve sectoren. Als bedrijfsleider zijn zij verantwoordelijk voor zowel product- en productietechnische aspecten als voor markstrategie en verkoop. Kleine bedrijven, maar ook andere zonder eigen onderzoek(-ers), vinden moeilijk de weg naar de kenniscentra omdat het landschap ervan weinig transparant is. Waar zit welke kennis? Bij wie kan men terecht? Is er iemand te vinden die het probleem verstaat? Zal de kennis verstaanbaar zijn? Hierbij kan het gaan om een reële kenniskloof, maar ook een foute perceptie ervan is een mogelijke drempel. financiering. Financiële obstakels vinden hun oorsprong in de financieringsmodi van de onderzoekstaken of -projecten van de kenniscentra en van hun samenwerking met de bedrijven. De kennisinstellingen worden op verschillende manieren en via diverse kanalen gefinancierd en dat heeft gevolgen voor de mogelijkheden om onderzoek in opdracht van of in samenwerking met derden te realiseren. Als er onvoldoende basisfinanciering is, is het opbouwen van interne specialisatie moeilijk. In het geval van de bedrijven moet er voldoende ruimte zijn om personeel en onderzoeksmiddelen vrij te maken en om de administratieve lasten van projectonderzoek te dragen. Projectfinanciering moet voldoende kosten dekken om als trigger werkzaam te kunnen zijn. Betalen voor onderzoek van kenniscentra stuit op weerstand als het onvoldoende duidelijk is waarom er moet betaald worden, bij gebrek aan inzicht in de financieringsmechanismen van de kenniscentra of wanneer de meerwaarde van het contractonderzoek voor het bedrijf niet duidelijk is. De bereidheid van ondernemingen om (contract)onderzoek mede te financieren is sterk gebonden door de inschatting van de kans op het realiseren van de beoogde onderzoeksresultaten. Financiering van de samenwerking op zich is soms nodig om bedrijven en kenniscentra te overtuigen om hun kennis te delen. Zowel de basis- als de projectfinanciering van de kennisinstellingen zijn dikwijls complex en bemoeilijken of belasten het onderzoekswerk. Kortetermijnonderzoek kan in concurrentie komen met het langetermijnonderzoek en daardoor financieel ongunstig zijn. Financiering van contract- en projectonderzoek voor probleemoplossend onderzoek wordt soms afgeleid naar niet-gericht onderzoek om de kennis te borgen en dit bij gebrek aan basisfinanciering.51 intellectuele eigendom. Intellectuele eigendom en patenten worden als een drempel ervaren in plaats van een hulp als er bij de samenwerking tussen kenniscentra en bedrijven een gebrek aan kennis en vertrouwen is. Voor de meeste situaties bestaat er duidelijke (Europese) regelgeving, maar is deze onvoldoende gekend. Vooral kleine bedrijven ervaren dit als een (te) complex verhaal. Het resultaat is een perceptieprobleem en wantrouwen. De mogelijkheden om rechten op dit vlak te Stichting Innovatie & Arbeid (2012) Paper ‘Samenwerking bij technologische innovatie. Drempels en hefbomen voor bedrijven en kenniscentra’. 41
-
-
-
regelen via een overeenkomst, worden nog weinig benut. Externe juridische expertise blijft een dure zaak. Intellectuele eigendom en patenten spelen een belangrijke rol bij het niet-gericht onderzoek en zijn dan ook een belangrijke zorg voor de universiteiten, strategische onderzoekscentra en sommige sector- of technologiegebonden kenniscentra. De problematiek is niet samen te vatten in enkele richtlijnen omdat de oplossingen moeten aangepast worden aan de aard van de activiteiten, de producten, de productieprocessen en de dienstverlening. Verder zijn patenten duur voor kmo’s en niet altijd evident. ondernemingsdimensie. Kmo’s, vooral de minder innovatie-actieve, vinden moelijker dan grotere bedrijven aansluiting bij het innovatie-instrumentarium van de overheid en kunnen baat hebben bij het inschakelen van hun eerstelijnspartners bij het tot stand brengen van contacten. Innovatie wordt in kleine ondernemingen, in het bijzonder zij die zich onderaan de innovatiepiramide bevinden, minder systematisch opgevolgd en alarmsignalen zoals kwaliteitsproblemen of dalende verkoop worden minder snel opgemerkt dan in grote ondernemingen. Knipperlichten die in grote ondernemingen door diverse ondersteunende diensten zoals de sales of de bedrijfsjuristen vaak snel gesignaleerd worden, worden veel minder snel opgemerkt door bedrijfsleiders van kmo’s. Verder concurreren een gebrek aan tijd en een gebrek aan interesse met elkaar als oorzaak van de afwezigheid van ondernemers op netwerkevenementen. Tijd en vooral het gebrek eraan is een belangrijke drempel voor ondernemingen om tot samenwerking te komen. De desinteresse kan samenhangen met de titel of het thema van netwerkevents dat te complex of te abstract wordt verwoord. thematisch focus. Het toenemend multidisciplinair karakter van onderzoek brengt met zich mee dat kennisinstellingen vanuit hun expertise een almaar uitdijend spectrum van onderzoeksthema’s opnemen. Het nadeel is dat het ook leidt tot een overlap in thematische focus waardoor universiteiten, SOC’s en clusters meer en meer in een concurrentiële positie terechtkomen, met als gevolg dat er een kenniskloof kan ontstaan in die zin dat langer duidelijk en transparant is waar zich welke kennis bevindt. Dit bemoeilijkt het vinden van de geschikte samenwerkingspartner. Verschillende actoren streven ook samenwerking met dezelfde ondernemingen na. Dit zorgt voor verwarring en onduidelijkheid bij de ondernemingen. Ondernemingen worden zo soms gedwongen een onderzoekspartner te kiezen, maar wensen zich eigenlijk neutraal op te stellen. Ze wensen soms liever geen parallelle samenwerkingsprojecten op te zetten. Een mogelijke bedreiging is dat ze dan eerder dan te moeten kiezen, het onderzoek in het buitenland laten uitvoeren. complexe randvoorwaarden. Een enge definitie van innovatie en ingewikkelde subsidiedossiers zijn drempels, vooral voor kmo’s. Het gevolg is dat ondernemingen nadien ook geen verdere pogingen meer doen. Voor grote ondernemingen is dit minder demotiverend dan voor kmo’s, zij zijn meestal overtuigd van de meerwaarde van samenwerkingsprojecten en zien ook zelf meer spontaan de voordelen.
Weinig vraaggestuurd innovatiebeleid Kmo’s kunnen dus ondersteuning gebruiken om hun absorptiecapaciteit op te krikken en aldus innovatie mee te helpen verspreiden. De overheid kan hier een belangrijke rol spelen. Het innovatiebeleid richt zich momenteel te eenzijdig op het aanbod van innovatie (O&O) en 42
moet meer en beter inzetten op het stimuleren van de vraag naar innovatie en op vraaggedreven instrumenten (zie ook punt 2.3). Te veel innovatie vertrekt immers van de technologie op zich en te weinig vanuit de behoeften van de klant. M.a.w. is er nog te weinig marktgerichte en klantgerichte innovatie, zowel bij de (kleine) ondernemingen als de universiteiten. Aldus kunnen er nog stappen vooruit gezet worden in de toepassingsgerichtheid van het onderzoek bij de universiteiten. Universiteiten moeten beschikken over een efficiënt detectienetwerk dat signalen kan opvangen over wat er leeft in de markt, zodat ze daar beter op kunnen inspelen met gericht onderzoek. Hiervoor beschikken zij over Tech Transfer Offices Flanders (TTO Flanders). TTO’s helpen onderzoekers om hun uitvindingen/bevindingen te dissemineren, staan in voor het beheer van de IP-portfolio van de universiteit, smeden banden en onderhandelen met zaaikapitaalinvesteerders en risicokapitaalverschaffers, en begeleiden en ondersteunen onderzoekers bij de oprichting van spinoffs.52 Als samenwerkingsverband van de universiteiten moet dat kmo’s naar de juiste onderzoekspartner binnen het universitaire doolhof leiden. Toch werkt dit systeem niet optimaal omdat men vanuit de kennisinstellingen te veel vertrekt vanuit de kennis of technologie zelf, en niet vanuit de noden van de markt. Ze is te technologiegedreven en te weinig vraaggericht. Dat versterkt de zogenaamde innovatieparadox, die inhoudt dat ondanks de aanwezigheid van veel hoogstaande, maar theoretische kennis, de valorisatie achterwege blijft. Daardoor worden er veel kansen gemist, zowel bij de bedrijven als de kennisinstellingen zelf. De TTO’s zouden daarom moeten evolueren naar zogenaamde Flipped TTO’s, die bedrijfsgerichter werken en een betere aansluiting bij de markt vinden. Dit idee wordt trouwens ook in het Vlaams regeerakkoord geopperd, maar voorlopig zonder veel gevolg. Zeker voor kmo’s is zo’n omgekeerd (‘flipped’) model van belang omdat zij doorgaans minder vertrouwd zijn met het academische milieu. Een laagdrempelig flipped TTO-model moet daarom snel uitgewerkt worden. Daarbij kunnen ook de parameters voor de financiering van de universiteiten geleidelijk aangepast worden om de kennisvalorisatie te bevorderen en de te grote focus op de opbouw van eigen intellectuele eigendom, licentieinkomsten, contractonderzoek … meer in proportie te brengen (zie verder). Dit alles impliceert geenszins dat het fundamenteel onderzoek moet verwaarloosd worden. Fundamenteel onderzoek blijft immers belangrijk, ook voor nieuwe producten, diensten en ontwikkelingen op de lange termijn. Ook de samenwerking tussen hogescholen en kmo’s dient onverdroten te worden gestimuleerd met het oog op een ruimere en efficiëntere kennisuitwisseling. In zijn advies van 2011 merkte de SERV reeds op dat de samenwerking tussen kennisinstellingen en ondernemingen niet noodzakelijk en uitsluitend dient plaats te vinden binnen onderzoeksafdelingen van universiteiten en gericht te zijn op de ontwikkeling van nieuwe producten of processen. Evengoed moet samenwerking met kenniscentra gestimuleerd worden vanuit de invalshoek van laagdrempelige innovatiedienstverlening en kennisdiffusie omdat hierdoor bestaande innovaties ingang kunnen vinden bij ondernemingen, in het bijzonder kmo’s, en het kennisabsorptievermogen wordt verhoogd. Dit moet toelaten dat ook kleine ondernemingen kennis- en onderzoeksresultaten kunnen benutten en meer dan
52
Danish Council for Research and Innovation Policy & The Think Thank DEA, What lies beneath the surface? A review of academic and policy studies on collaboration between public research and private firms, August 2016. 43
vandaag kunnen omzetten in innovatieve commerciële producten en diensten. Op die manier kan een belangrijke stap vooruit gezet worden in het verhelpen van de innovatieparadox. De match van de noden aan kennisondersteuning van ondernemingen, en van kmo’s in de onderste laag van de innovatiepiramide zeer in het bijzonder, verdient aldus een voortdurende en doorgedreven aandacht.53 In dat kader vormt het “Bikopener”initiatief een belangrijke stimulans. Verder hebben kmo’s blijvend nood aan ondersteuning bij het verwoorden en vertalen van hun innovatievragen richting mogelijke partners. Ook de Baekeland- en innovatiemandaten die doctoraatsstudenten en postdocs binnen bedrijven onderzoek laten verrichten, worden populairder. Het zijn dan ook goede instrument om universiteiten en ondernemingen dichter bij elkaar te brengen. Het is wenselijk om deze verder te promoten. Niet alleen de TTO’s hebben een brugfunctie tussen kennis en valorisatie, ook de vier Strategische Onderzoekscentra (SOC’s) - IMEC (nano- en digitale technologie), VITO (cleantech en duurzame ontwikkeling), VIB (levenswetenschappen) en Flanders Make (maakindustrie) - moeten die rol vervullen. In Vlaanderen spelen zij een belangrijke rol wat betreft kennis- en technologieverspreiding. Zo is Flanders Make binnen de maakindustrie van groot belang voor het aanreiken en implementeren van specifieke kennis en technologie voor Industrie 4.0 in de Vlaamse kmo’s. De rol van de SOC’s moet zich blijvend richten op state-of-the-art onderzoek. Gezien de snelle ontwikkelingen aan de aanbodzijde, moet er over gewaakt worden dat zij voldoende voorop blijven lopen en niet in concurrentie treden met de private dienstverleners. Dat is vaak een dunne lijn. Daar moet de overheid voldoende aandachtig voor zijn. Hun rol moet verder zeker behouden blijven en de samenwerking met de ondernemingswereld moet nog versterkt worden. Daarom moeten er inspanningen geleverd worden om specifieke kennis en technologieën bij de kmo’s te krijgen, bijvoorbeeld door hun aanbod voor de kleinere kmo’s en de mogelijkheden van oplossingsgericht samenwerken nog bekender te maken.54 Quadruple helix ontbreekt vooralsnog De Vlaamse overheid moet het innovatie-ecosysteem blijvend versterken. In dat opzicht kan verwezen worden naar een aantal SERV-standpunten inzake het quadruple helix innovatiemodel: •
Betrokkenheid van de burger. Betrokkenheid van de burger brengt technologie dichter bij de samenleving en leidt tot meer vertrouwen in het wetenschappelijk en bedrijfsonderzoek. Die vertrouwensband kan volgens de SERV mede gevoed worden door een goede wetenschapscommunicatie naar de burger toe, door goede voorbeelden van burgerinitiatieven in de schijnwerpers te zetten en door het continueren van citizen science oproepen. Ook Scivil, het Vlaamse kenniscentrum voor Citizen Science, kan een rol spelen door de citizen science community in Vlaanderen verder uit te bouwen en handvaten aan te bieden ter ondersteuning van burgerwetenschapsprojecten.
53
SERV (2011) Advies over ‘Samenwerking tussen kenniscentra en bedrijven bij technologische innovatie, 16 november.
54
Voka, Innoverend ondernemen: Naar meer koopmansgeest in Vlaanderen, Voka Paper, oktober 2020. 44
•
•
•
•
Samenwerking kennisinstellingen en Vlaamse industrie. De SERV pleitte ervoor om de wisselwerking tussen de kennisinstellingen en Vlaamse industrie omtrent industriële onderzoeksagenda’s te versterken via een betere betrokkenheid van de Vlaamse ondernemingen bij het strategisch basisonderzoek. Andersom bieden de Baekeland- en Innovatiemandaten aan individuele onderzoekers de kans om een doctoraats- of postdoctoraal onderzoek uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Intersoc-initiatieven. De SERV uitte zich voorstander van intersoc-initiatieven, onder meer rond digitale toepassingen en nieuwe productietechnieken gericht op de grote arbeidsmarktuitdagingen. Verder dienen de clusters goed afgestemd te worden met de werking van de strategische onderzoekscentra (SOC’s) en andere actoren in het innovatielandschap. De intersoc, intercluster en soc-clustersamenwerking is voor de SERV een belangrijk item. Aldus heeft de SERV gepleit voor meer samenwerking tussen de speerpuntclusters en tussen de SOC’s en tussen universiteiten. Interclusterwerking moet verder worden gestimuleerd en ondersteund met onder meer digitalisering als bindmiddel. Dat geldt ook voor de SOC’s (imec, VIB, VITO, Flanders Make). De onderlinge samenwerking moet als expliciete doelstelling naar voor worden geschoven. Daarnaast blijft de hechte band van de SOC’s met de industrie over sectoren heen en met kennisinstellingen essentieel voor de transformatie van (fundamenteel) onderzoek naar valoriseerbaar onderzoek voor de industrie. Er moet ook worden gezorgd voor meer samenwerking tussen de Vlaamse universiteiten. Toegankelijke kennis. De kennis van universiteiten, hogescholen, SOC’s en de wetenschappelijke instellingen moet via een vraaggedreven ‘Technology Transfer’ toegankelijker gemaakt worden, in het bijzonder voor kleinere bedrijven. Voor dergelijke ‘Flipped TTO’s’ vertrekt de vraag naar kennis vanuit ambitieuze ondernemers, vanuit de markt en vanuit maatschappelijke noden. De dienstverleners uit het VLAIO Netwerk die dicht bij de ondernemers staan, kunnen als spreekbuis voor de behoeften van die ondernemers optreden. Met het oog op de het versterken en de uitbouw van de valorisatie van kennis van de hogescholen naar kmo’s is het belangrijk dat de hoge scholen steun krijgen voor het ontwikkelen van een kennisdiffusie-instrument. Kennisverspreiding naar minder onderzoeksintensieve kmo’s. Conform zijn advies uit 201555 vindt de SERV dat de beleidsaandacht moet gaan naar de diverse segmenten van kmo’s, waarbij moet gedifferentieerd worden volgens de aandachtspunten, kenmerken en noden van elk segment. Een dergelijk segment vormen de zogenaamde innovatievolgers die in het model van open innovatie niet uit het oog mogen verloren worden56.
Aanvullend kan verwezen worden naar het belang van de rol van de sociale ondernemingen in het realiseren van de SDG’s waardoor ook zij deel uitmaken van het quadruple helixmodel. In het innovatie-ecosysteem kan het VLAIO Team Bedrijfstrajecten vzw (vroegere 5 Innovatiecentra; €5,21 miljoen) één van de sleutelactoren worden. Deze vzw is een fusie met de 5 gewezen innovatiecentra en werkt nauw samen met VLAIO. Team Bedrijfstrajecten functioneert als front office van het Vlaams Agentschap voor Innoveren & Ondernemen. Het is het eerste aanspreekpunt van elke Vlaamse kmo voor info, steun en advies. De taak van de adviseurs bestaat erin om bedrijven te begeleiden en te adviseren bij hun innovatie en 55
SERV, Advies “Naar een efficiënt en doeltreffend industrieel KMO-beleid”, Brussel, 19 januari 2015.
56
SERV, De transitie naar een digitale samenleving: Aanbevelingen en acties, Brussel, 4 juli 2018. 45
businesscase. Zo analyseren ze samen met de kmo de sterktes en zwaktes van het toekomstige businessmodel, zowel op technisch, financieel als commercieel vlak. Indien nodig, verwijzen ze verder door naar specifieke kennis- en onderzoeksinstellingen, gespecialiseerde dienstverleners (private aanbodzijde), clusters, netwerken en partners. Daarnaast verzorgen zij ook advies betreffende specifieke overheidsreglementering, zoals intellectueel eigendom, en gidsen ze (potentiële) dossierindieners door het steuninstrumentarium. In 2019 werden er zo meer dan 1.400 bedrijven begeleid, waarvan twee op drie voor de eerste keer. 88% was een kleine onderneming.
De moeilijke stap naar intellectuele eigendomsrechten Rol van intellectuele eigendom bij open innovatie Een octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie wordt de uitvinder ervan verzekerd om opbrengsten te puren uit zijn innovatieve inspanningen en de marktpositie te verstevigen. Octrooien vormen in die zin prikkels, een lokmiddel, om innovatieve inspanningen te leveren die de technologische vooruitgang van ondernemingen, regio’s en landen ten goede komen. In ruil voor de toekenning van een monopolie wordt wel geëist dat de informatie betreffende de vinding publiek wordt gemaakt. De publieke toegankelijkheid van informatie vervat in octrooidocumenten leidt tot een bredere diffusie van technologische innovatie en voorkomt dat nutteloze duplicaties van R&D-inspanningen. Tevens maken octrooisystemen het makkelijker om technologische kennis te verhandelen, omwille van de aanwezigheid van duidelijk afgebakende eigendomsrechten. Dit laatste wordt weerspiegeld in het ontstaan van zogenaamde “markets for technology”.57 In rubriek 2.9.1 werd duidelijk gemaakt dat er een sterke stijging waarneembaar is in het aantal aanvragen en toekenningen van Europese octrooien. En die sterke stijging zet zich ook wereldwijd door. In het huidige tijdperk van open innovatie, rijzen onvermijdelijk vragen op over intellectuele eigendom (IE). Decennialang deden ondernemingen immers elk voor zich aan onderzoek en ontwikkeling maar vandaag komt daar steeds meer verandering in. Er wordt almaar meer samengewerkt met externe of interne spelers. En daarmee duikt er een mogelijke tweespalt op tussen ‘exclusiviteit’ en ‘delen’ die moeilijk verzoenbaar lijkt. Intellectuele eigendom werd lange tijd gezien als een manier om de concurrentie vast te zetten en zich te verzekeren van een bevoorrechte positie op de markt. Deze eerder defensieve aanpak is echter op zijn retour. Innovatie is immers geen privilege meer voor de R&D-departementen van grote ondernemingen. Disruptieve startups bijvoorbeeld zorgen voor drastische veranderingen op het vlak van innovatie en verplichten ondernemingen tot een open aanpak. Cocreatie is eveneens terug te vinden binnen de onderneming, bij de klanten en zelfs bij de concurrentie. In die context draait intellectuele eigendom stilaan niet meer alleen rond exclusiviteit maar krijgt het zelfs een belangrijke rol van facilitator in het innovatieproces. Intellectuele eigendom wordt m.a.w. een voordeel in plaats van een barrière. Eén van de voornaamste troeven van IE is dat het de samenwerking en het innovatieproces helpt te verduidelijken. Iedere partner weet wat de andere kan aanbrengen, welke middelen 57
Vlaams indicatorenboek 2021. 46
worden gedeeld en gebruikt, hoe het zit met de governance, enz. Er worden dus in beginsel regels vastgelegd om misvattingen te vermijden: wie doet wat, wie brengt wat aan en wie heeft de controle en de eigendom. Ingeval van een duidelijk kader kan een echte samenwerking tot stand komen, waarbij de overdracht van technologieën en het delen van kennis tussen verschillende organisaties wordt bevorderd. Vertrouwen is daarbij één van de sleutelfactoren in het succes van open innovatie. Dat vertrouwen staat centraal en moet bewaard en zelfs versterkt worden via een optimaal beheer van de intellectuele eigendomsrechten. Voor kleinere spelers kunnen succesverhalen een belangrijke boost betekenen want met een minimum aan good practices inzake IE kunnen zij hun geloofwaardigheid verhogen en meer technologische of financiële partners aantrekken. Evident is dit zeker niet voor kleinere ondernemingen. Innovatieprocessen en dus ook het beheer van IE moeten kunnen terugvallen op een strategische visie en aanpak. Daarin moet aandacht worden besteed aan een analyse van de risico’s, het optimale gebruik van de resultaten van het partnership en het doeltreffend beheer van de intellectuele eigendomsrechten. Niet voor niets heeft de Europese Commissie in 2021 een nieuwe adviesdienst voor kmo’s gelanceerd, ‘the Horizon Intellectual Property Scan’.58 Deze op maat gemaakte, eerstelijns en gratis IE-ondersteuningsdienst is ontworpen om Europese kmo’s te helpen IE efficiënt te beheren en te valoriseren in gezamenlijke onderzoeks- en innovatieinspanningen. De Horizon IE-scan heeft een bijzondere focus op de door de EU gefinancierde Horizon 2020 of Horizon Europa-projecten. Voortbouwend op een uitgebreid netwerk van lokale IE-experts die alle EU- en Horizon-geassocieerde landen bestrijken, biedt het Horizon EI Scan-team een individuele en professionele beoordeling van de immateriële activa van kmo’s59 aan: hen laten zien hoe ze hun bestaande intellectuele eigendom kunnen beschermen wanneer ze met meerdere partners een onderzoeks- en innovatieproject beginnen hen bijstaan, bij het ontwikkelen van een gedeelde strategie met hun partners om nieuwe IE die gezamenlijk in hun project wordt gegenereerd, te beheren en te exploiteren. Toenemende belangstelling universiteiten voor patenten Uit het Vlaams Indicatorenboek 2021 blijkt dat het aandeel van EPO-octrooiaanvragen van universiteiten doorheen de jaren aan omvang heeft gewonnen. Voor de laatste jaren
58
https://intellectual-property-helpdesk.ec.europa.eu/horizon-ip-scan_en
59
Kmo’s die op het punt staan een Grant Agreement te ondertekenen of die er onlangs een hebben ondertekend (tot zes maanden na de ondertekening). De Grant Agreement is het contract tussen de deelnemers van het project en de Europese Commissie, met betrekking tot het uit te voeren project en de toegekende subsidie. Bovendien richt Horizon IP Scan zich op kmo’s die tijdens de eerste heft van het project zijn aangegeven door de Horizon Results Booster. Horizon Results Booster (HRB) is een pakket gespecialiseerde diensten om de impact van O&I-overheidsinvesteringen te maximaliseren en de toegevoegde waarde van de kaderprogramma's (KP's) te vergroten. Meer concreet wil de HRB een tastbare bijdrage leveren aan de verspreiding van resultaten en aanbevelingen van onderzoeksprojecten die verband houden met de prioriteitsdomeinen van de Europese Commissie. Tenslotte komen ook kmo’s die door het Enterprise Europe Network worden verwezen naar een Horizon IP Scan in verband met een geplande samenwerking met andere entiteiten aan een O&I-project in aanmerking voor de dienst tot zes maanden na de start van een project, maar bij voorkeur voordat een overeenkomst wordt ondertekend. 47
bedraagt het aandeel van universiteiten ongeveer 9% voor België en 10% voor Vlaanderen. Binnen Europa behoort België/Vlaanderen hiermee tot de koplopers. Figuur 20 Procentueel aandeel van Vlaamse universiteiten in EPO-octrooiaanvragen, 1999-2019 14 12 10 8 6 4 2
Bron:
2019
2018
2017
2016
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
0
Vlaams indicatorenboek (2021). Voor de cijfers na 2017 dient men rekening te houden met de EPO-publicatiepraktijk waarbij octrooiaanvragen pas 18 maanden na de aanvraag van het octrooi bekendgemaakt worden. Dit verklaart de daling in aantallen die zich manifesteert in 2018 en vooral in 2019.
Universiteiten hechten dus steeds meer belang aan de octrooiering van hun kennis en de mogelijke geldstromen die daaruit voortvloeien, hetgeen echter tot druk kan leiden op de samenwerking met ondernemingen. In het bijzonder kmo’s lijken in de praktijk te aarzelen om tot samenwerking over te gaan omdat ze vrezen voor het lekken van bedrijfsgeheimen, het verspelen van intellectueel eigendom, juridische drempels en te strikte contracten. Die aarzeling valt te begrijpen, maar mag geenszins een reden zijn om samenwerking te mijden. IP-overeenkomsten moeten vooral evenwichtig zijn voor beide partijen. Kennisinstellingen, onderzoekscentra, concurrenten en grote bedrijven houden best rekening met deze gevoeligheid als zij met kmo’s willen samenwerken. Onderzoek wijst uit dat IP-beleid van universiteiten dat gestoeld is op een billijke verdeling van inkomsten en royalty's van innovatieve resultaten en flexibel inspeelt op de noden van ondernemingen, leidt tot een grotere betrokkenheid en sterker engagement van ondernemingen en bijdraagt aan meer succesvolle samenwerkingsprojecten.60 De inkomstenstroom uit licenties van academische octrooien moet overigens niet overschat worden. Zo blijkt uit hetzelfde onderzoek dat licenties slechts goed zijn voor 3% van de totale inkomsten die Britse universiteiten weten te puren uit hun kennisuitwisselingsactiviteiten met de industrie. De belangrijkste inkomsten puren de universiteiten uit contractonderzoek 60
Danish Council for Research and Innovation Policy & The Think Thank DEA, What lies beneath the surface? A review of academic and policy studies on collaboration between public research and private firms, August 2016. 48
(30%), uit collaboratief onderzoek (29%), uit opleidings- en trainingsactiviteiten (17%), uit consultancy (11%) en uit infrastructuur- en apparatuurgerelateerde diensten (9%). Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat, naast het complexe commercialisatieproces via intellectuele eigendom, er tal van andere wegen door academische instellingen bewandeld worden om hun kennis te verspreiden, zoals onder meer: • • • • • • • • •
Collaboratieve R&D Contractonderzoek Consultancy (onderzoeks- en adviesdiensten in opdracht van ondernemingen) Samenwerking rond opleiding en training Sponsoring van onderzoek, giften, fondsen voor leerstoelen Informele meetings, workshops, conferenties Mobiliteit van onderzoekers Oprichting van spinoffs Andere verspreidingsactiviteiten zoals de terbeschikkingstelling van infrastructuur en apparatuur of de gezamenlijke ontwikkeling ervan.
Middelmatige positionering België en Vlaanderen
Binnen het Europese octrooisysteem Octrooigebaseerde indicatoren bieden een inzicht in het proces van technologische vooruitgang en de mate van innovatie binnen een organisatie, een regio of land. Ze vormen echter slechts één van de mogelijke benaderingen aangezien de meeste innovaties niet berusten op geoctrooieerde uitvindingen. In 2020 dienden Belgische bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen 2.400 octrooiaanvragen in bij het Europese Octrooibureau (European Patent Office, EPO)61, een lichte daling (-0,9%) ten aanzien van 2019 met 2.422 aanvragen. Ten aanzien van 2016 is het aantal octrooiaanvragen met 8,55% gestegen.
61
Europese aanvragen omvatten de rechtstreekse Europese aanvragen en de internationale PCT (Patent Cooperation Treaty) aanvragen die afgehandeld worden door het Europese Octrooibureau. 49
Figuur 21 Evolutie Europese octrooiaanvragen vanuit België 2450
2422 2400
2400 2348
2350 2300 2250
2211
2200 2152 2150 2100 2050 2000 2016
Bron:
2017
2018
2019
2020
European Patent Office
Bijna de helft van de octrooiaanvragers is afkomstig uit de Europese landen zelf. Daarnaast zijn ook de VS (24,6%), Japan (12,1%) en in mindere mate China (7,5%) en Zuid-Korea (5,1%) belangrijke motoren van technologische innovatie in Europa. Deze laatste twee landen zijn de laatste jaren doorgedrongen op de Europese markt om er hun innovaties strategisch te beschermen. China is bijvoorbeeld opgeklommen van de 22ste plaats in de rangorde van landen in 2000 tot de 4de plaats in 2020, wat wijst op de aanzienlijke technologische inhaalbeweging van dat land. Van de Europese indieners van octrooien is Duitsland de echte motor van de innovatie met een aandeel van 14,4% van alle Europese EPO-aanvragen, meer dan tweemaal zoveel dan Frankrijk dat met een aandeel van 5,9% de nummer twee is in Europa. Ook Zwitserland bezit een sterke positie inzake octrooien met een aandeel van 4,5%. Opmerkelijk is ook de goede positie (8ste) van Nederland met een aandeel van 3,5%. België had in 2020 een aandeel van 1,3% in de EPO-aanvragen en bezet daarmee de 13de rang. Wordt het aantal Europese octrooiaanvragen gerelateerd tot het aantal inwoners, dan bekleedt België de achtste positie met 205 aanvragen per miljoen inwoners. Koplopers zijn Zwitserland, Zweden, Denemarken, Nederland en Finland en Duitsland die elk meer dan 300 aanvragen per miljoen inwoners laten optekenen.
50
Figuur 22 Aantal Europese octrooiaanvragen per miljoen inwoners, 2020 Italy
73,8
Slovenia
78,5
United Kingdom
86,9
Puerto Rico
90,9
Singapore
99,3
Norway
118,2
United States
133,2
France
155,5
Japan
174,5
Korea, Republic of
176,6
Ireland
187,5
Israel
194,1
Belgium
205,0
Austria
260,0
Germany
324,1
Finland
340,1
Netherlands
369,1
Denmark
409,6
Sweden
434,2
Switzerland
965,9 0,0
Bron:
200,0
400,0
600,0
800,0
1000,0
1200,0
European Patent Office
Het aantal Belgische octrooiaanvragen voor medische technologie (+42,5%) en chemical engineering (+91,2%) schoot de hoogte in, terwijl traditionele sectoren als grondstoffen/metallurgie (-25,8%), meetapparatuur (-12,8%) en transport (-15,2%) een sterke daling lieten optekenen. Biotechnologie was in België de absolute nummer één op het gebied van technologie, met het hoogste aantal aanvragen (194), gevolgd door medische toepassingen, andere speciale machines en farmaceutica. We merken op dat de hoge cijfers voor Zwitserland inzake het aantal aangevraagde patenten per capita een jaarlijks terugkerend fenomeen is, en zich voornamelijk situeert in de sector van de meetinstrumenten, de medische en farmaceutische industrie, energie en robotica. Een handvol ondernemingen die erg veel patenten aanvragen (Hofmann-La Roche, ABB, Nestlé, Novartis) liggen mee aan de basis van deze cijfers.
51
Figuur 23 De belangrijkste technologiedomeinen in België inzake Europese octrooiaanvragen, 2020 macromolecular chemistry, polymers; 3% computer technology; 4% transport; 4%
textileand paper machines; 3%
biotechnology; 8% medical technology; 8%
materials, metallurgie; 4% other special machines; 7%
basic materials chemistry; 4% electrical machinery, aparatus, energy; 4% organic fine chermistry; 4% measurement; 4% Bron:
pharmaceuticals; 7% civil engeering; 5%
chemical engineering; 5%
European Patent Office
Het is ook interessant om na te gaan in welke technologieën België sterk staat in vergelijking met de andere economieën in welke mate er wordt ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen, onder meer op het vlak van digitalisering. Tabel 7
Voornaamste technologische domeinen waarvoor in 2020 octrooiaanvragen werden ingediend bij het EPO door alle wereldeconomieën en door België (en hun relatief aandeel in het totaal aantal aanvragen) Totaal % België % Microstructureel en nanotechnologie 8,0 Oppervlaktetechnologie, coating 7,6 Microstructureel en Basiscommunicatie 7,9 nanotechnologie 0,8 Analyse van biologische materialen 7,3 IT methoden voor management 3,6 Thermische processen en Milieutechnologie 6,3 apparaten 4,1 Voedingschemie 5,0 Chemische technologie 3,7 IT methoden voor management 4,8 Meubels, 7,4 Textiel en papier machines 4,8 Textiel en papier machines 4,3 Oppervlaktetechnologie, coating 4,0 Semiconductoren 8,1 Thermische processen en apparaten 3,5 Milieutechnologie 7,4 Semiconductoren 3,3 Control 4,2 Bron: European Patent Office
Buiten de sector van de medische technologie komen de voornaamste Belgische innovatiedomeinen niet overeen met die welke zich het snelst ontwikkelen op de Europese
52
markt als geheel, nl. die van de digitale communicatie, de computertechnologie en elektrische machines, apparaten en energie.62 Solvay was met 214 octrooiaanvragen opnieuw de actiefste aanvrager bij het EPO, gevolgd door imec (158), Umicore (96), Agfa (81), KUL (81) en UGent (62). In de Belgische top tien staan twee universiteiten en drie onderzoeksinstellingen, wat meer is dan in de meeste andere landen. De octrooiaanvragen worden gedomineerd door enkele grote Belgische entiteiten die actief zijn in een handvol bedrijfstakken: grosso modo staan de 10 grootste actoren in voor ongeveer 36 % van de Belgische octrooien bij het EPO. Tabel 8 Top 10 Belgische octrooiaanvragers, 2020 Aanvrager Aantal aangevraagde octrooien Solvay 214 Imec 158 Umicore 96 AGFA 81 K.U. Leuven 81 UGent 62 Melexis 51 Ontex 50 VIB 35 VITO 30 Bron: European Patent Office
Ondanks de stevige aanwezigheid van de kennisinstellingen in de Belgische top 10 voor EPOaanvragen, nemen de ondernemingen het merendeel van de aanvragen voor hun rekening: 83,5% op Belgisch niveau en 83,2% op Vlaams niveau. Niettemin neemt het aandeel van octrooiaanvragen afkomstig van universiteiten (inclusief de kennisinstellingen imec en VIB) stelselmatig toe (zie ook hoger). Vanuit Vlaanderen werden in 2020 1.580 octrooiaanvragen ingediend bij het EPO, goed voor een 11de positie in de top 20 van Europese regio’s voor octrooiaanvragen bij het EPO. Vlaanderen stond in voor 65,9% van alle Belgische octrooiaanvragen, gevolgd door het Waals Gewest (19,9%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (14,2%).
62
Zie ook NBB, Het innovatievermogen van België in het licht van de octrooigegevens, Economisch Tijdschrift, december 2020. 53
Tabel 9 Top regio’s voor octrooiaanvragen bij het EPO, 2020 Regio Land 2020 Bayern DE 7.204 Ile-de-France FR 6.507 Baden Württemberg DE 5.421 Nordrhein-Westfalen DE 5.047 Noord-Brabant NL 3.281 Stockholm SE 2.382 Londen UK 1.973 Niedersachsen DE 1.969 Hessen DE 1.851 Rheinland-Pfalz DE 1.820 Vlaanderen BE 1.580 Lombardije IT 1.538 Auvergne-RhôneFR 1.463 Alpes Helsinki-Uusimaa FI 1.460 Hovedstaden DK 1.402 Vaud CH 1.142 Zuid-Holland NL 1.017 Basel-Stadt CH 966 Zürich CH 953 Aargau CH 920 Zuid-Oost-Engeland UK 909 Västsverige SE 815 Oost-Engeland UK 799 Genève CH 780 Emilia-Romagna IT 771 Bron: European Patent Office
Verandering tav 2019 -7,6% -0,1% +0,9% -4,5% -12,6% -0,3% -3,3% +9,9% -9,2% +4,2% +1,7% +3,0% +10,2% +19,8% +3,3% +8,7% +0,8% +1,4% -9,2% -3,9% +2,0% +16,4% +3,9% +30,0% +3,6%
Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien (al) toegekend. Van de 2.400 in 2020 vanuit België aangevraagde EPO-octrooien, werden er 1.380 toegekend. Dit komt neer op een toekenningsratio van 57,5%. De toekenningsratio steeg van 34,8 in 2011 naar 57,5% in 2020.
54
Figuur 24 Toekenningsratio EPO-octrooien, 2011-2020 3000
70,0 60,0
2500
50,0
2000
40,0 1500 30,0
1000
20,0
500
10,0
0
0,0 2011
2012
2013
2014
Toekenningen
Bron:
2015
2016
aanvragen
2017
2018
2019
2020
toekenningsratio
European Patent Office
In het European en Regional Innovation Scoreboard Uit het European respectievelijk Regional Innovation Scoreboard blijkt dat België/Vlaanderen op het vlak van intellectueel kapitaal (patentaanvragen, merken en designregistratie) matig scoort, zeker wat betreft de aanvragen voor het beschermen van eigen design, te verstaan als de brede uiterlijke vormgeving van producten. België scoort in het EIS lichtjes beter dan het EU27-gemiddelde inzake PCT63 patent- en merkaanvragen en zwak inzake designregistratie. Voor Vlaanderen kan eenzelfde vaststelling gemaakt worden, zij het dat Vlaanderen dichter bij het Europese gemiddelde aanleunt wat betreft designregistratie.
63
Het betreft aangevraagde octrooien die lopen via de wereldwijde PCT (Patent Cooperation Treaty) procedure. Deze PCT procedure laat toe om een octrooiaanvraag in te dienen bij de 153 aangesloten landen. 55
Figuur 25 Scores België en Vlaanderen ten aanzien van het EU27-gemiddelde (= 100) voor de dimensie ‘intellectual assets’, EIS en RIS 2021 120 102,1
103
101
100
99
94 76,6
80
60
40
20
0 PCT-aanvragen
Merkaanvragen België
Bron:
Vlaanderen
Designregistratie EU27
European Innovation Scoreboard (2021) en Regional Innovation Scoreboard (2021)
Niet uniforme IE-regelingen Hoewel IE een troef voor samenwerking kan zijn, kunnen er drempels opduiken die een succesvolle aanwending in de weg staan. Eén daarvan is het gebrek aan uniforme IPregelingen. De verschillende visies en strategieën rond intellectuele eigendom bij de O&O&Iactoren kunne een rem zijn op samenwerking. Vaak beschikken organisaties over eigen interne IE-regelingen: •
• •
•
Voor de universitaire onderzoekers is de Codex Hoger Onderwijs van toepassing die voorziet in een billijke return voor de onderzoeker en voor zijn onderzoeksgroep. Deze billijke return verschilt tussen de universiteiten. Bij ondernemingen behoort de IE gegenereerd door haar onderzoekers volledig toe aan de onderneming. Bij de SOC’s zijn er sterke verschillen onderling; waar de ene SOC eerder het universitaire model volgt (met vergoeding voor de onderzoeker), volgt de andere SOC eerder een bedrijfsmodel (waar de IE aan de onderneming toebehoort). Speerpuntclusters nemen de rol als facilitator op tussen kennisinstelling en bedrijven. Niet elke speerpuntcluster heeft als doelstelling om eigen IE op te bouwen.
Discussie over IE in onderzoeksconsortia is onvermijdelijk en noodzakelijk om tot een gedragen regeling te komen. Verschillen in IE-strategieën (bv. exclusieve versus nietexclusieve licenties), verschillen in interne IE-regelingen, en de betrokkenheid van veel partijen zorgen voor moeilijke onderhandelingen. Voor ondernemingen kan deze complexiteit een obstakel zijn wanneer ze samenwerken met verschillende kenniscentra
56
waarbij telkens een andere regeling van toepassing is.64 Ook een gebrek aan adequate informatie en communicatie kan een spelbreker vormen. Als intellectuele eigendomsrechten beschermd worden met octrooien heeft dat in de eerste plaats de bedoeling om rechten te beschermen en belangenconflicten te voorkomen. Door gebrek aan informatie of door verkeerde informatie ontstaat er wantrouwen en verkeerde perceptie. In dat geval zijn intellectuele eigendomsrechten een rem op de samenwerking. Informatie en communicatie over intellectuele eigendomsrechten en de (Europese) octrooiregeling zijn elementen die het wantrouwen en de foute perceptie kunnen wegnemen. Een efficiënte informatiestroom over voor octrooien maakt immers deel uit van het kennisdiffusie- en absorptieproces. Sensibilisering van kmo’s voor het belang van deze thematiek is een belangrijk aandachtspunt, omdat zij veelal niet beschikken over de nodige ‘competenties’ (financieel, administratief, informatief) en de toegang tot internationale databanken en netwerken.65 Met professionele hulp waar nodig en samenwerkingsovereenkomsten als alternatief voor octrooien waar mogelijk, kunnen op dit vlak drempels tot samenwerking verlaagd worden.66 In het kader van samenwerkingsovereenkomsten, en meer algemeen van open innovatie, kan de bescherming van bedrijfsgeheimen een belangrijke factor zijn om kleinere ondernemingen over de streep te trekken.67 Wanneer ondernemingen en universiteiten samenwerken voor innovatieve doeleinden, kunnen er intellectuele eigendomsrechten ontstaan. In de vroege stadia van onderzoek, zullen er vaak slechts ideeën en hypotheses zijn. Deze zijn op dat moment nog niet te beschermen via het reguliere intellectueel eigendom, zoals octrooien, maar zijn wel al van grote waarde. In deze gevallen biedt het fenomeen bedrijfsgeheim de oplossing. Wanneer de informatie geheim wordt gehouden, behouden de samenwerkingspartijen hun voorsprong op de markt en zal de mogelijkheid tot aanvraag van een octrooi nog open staan. Een bedrijfsgeheim betreft knowhow en bedrijfsinformatie die waardevol is en dus een handelswaarde heeft, omdat ze geheim is, bedoeld is om vertrouwelijk te blijven, en waarvoor de houder maatregelen68 heeft genomen om deze geheim te houden. Het kan gaan om informatie over een klantenbestand, werkprocessen, technische kennis, een concept, software, onderzoeksgegevens, een strategie, contracten, formules en recepten, enz. Om voor bescherming van bedrijfsgeheimen in aanmerking te komen, is geen aanvraag en geen registratie nodig, in
64
VARIO, Waardecreatie door samenwerking, Advies nr. 6, maart 2019.
65
SERV, Advies over ‘Open Innovatie’, 12 november 2013.
66
StIA, Informatiedossier ‘Samenwerking bij technologische innovatie. Drempels en hefbomen voor bedrijven en kenniscentra’, augustus 2011.
67
Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan, PB L 157, 15 juni 2016. Deze richtlijn werd omgezet in Belgisch recht door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen (BS 14 augustus 2018).
68
Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn onder meer: fysieke beveiliging door bewaking van het bedrijf, een kluis of afgesloten archieven; digitale beveiliging door beveiliging van uw systeem met wachtwoorden, encryptie, beveiligingssoftware; het opslaan van uw bedrijfsgeheim in een digitale kluis, zoals het i-DEPOT van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BOIP); afspraken met werknemers door concurrentiebedingen en geheimhoudingsclausules in arbeidscontracten of werkprotocollen; afspraken met zakenpartners en nieuwe relaties door geheimhoudingsovereenkomsten. 57
tegenstelling met een octrooi. Een voorbeeld of een mogelijkheid die StIA in haar onderzoek opperde om bij kleine ondernemingen bij samenwerkingsverbanden de vrees weg te nemen is een duidelijk onderscheid te maken tussen het generieke deel van de knowhow en het bedrijfsspecifieke. Het generieke deel van de kennis – de zogenaamde achtergrondkennis: meer bepaald alle kennis, knowhow en expertise – blijft eigendom van de partij die ze inbrengt in de samenwerking (wordt wel specifiek in de contracten voorzien) en daarop wordt een gebruikrecht aan elkaar toegestaan. Het innovatieve deel dat specifiek is voor een kmo – al dan niet octrooieerbaar – kan voor de KMO worden geborgd in een geheimhoudingsovereenkomst. Alleszins moet de overheid er werk van maken om misverstanden die kunnen leven bij ondernemingen over samenwerkingsverbanden uit de wereld te helpen. Onderzoek van StIA bracht aan het licht dat (kleien) ondernemingen ervan uitgaan dat contacten – al dan niet met kenniscentra - automatisch leiden tot het prijsgeven van goed bewaarde bedrijfsgeheimen. De realiteit is echter dat er van bij de eerste contacten meestal geheimhouding wordt afgesproken met bijvoorbeeld een Non-Disclosure Agreement (NDA) of als het om materialenuitwisseling gaat een Material Transfer Agreement (MTA). Als het tot een effectieve samenwerking komt tussen een bedrijf en een kennisinstelling, wordt er standaard afgesproken wat wel en niet gepubliceerd mag worden. Zo mogen kennisinstellingen resultaten publiceren die zij voortgebracht hebben, terwijl bedrijfsgeheimen tot het vertrouwelijke domein behoren. In ieder geval krijgt het bedrijf altijd het recht het document na te lezen voor het publiek gemaakt wordt. Uit de praktijk van bijvoorbeeld de techtransferdiensten blijkt dat deze afspraken met de betrokken kmo’s goed verlopen, zeker wanneer voldoende informatie wordt gegeven. Kmo’s die hier niet mee vertrouwd zijn hebben wel nood aan extra informatie. Niettemin merkt StIA op dat het voor heel wat kmo’s niet evident is om voor deze thematiek over voldoende kennis van zaken te beschikken.69
Vlaamse instrumenten voor samenwerking met het oog op innovatieverspreiding Vlaanderen heeft een aantal instrumenten die inspelen op samenwerking inzake innovatie en zo innovatieverspreiding stimuleren. Die instrumenten kunnen ingedeeld worden naargelang het instrument enerzijds vraag (vanuit het bedrijfsleven)- dan wel aanbodgedreven (vanuit kennisinstellingen). Hierna volgt een overzicht. De vermelde budgetten hebben betrekking op 2021.
Aanbodgedreven •
69
COOCK (Collectief Onderzoek & Ontwikkeling en Collectieve Kennisverspreiding; €9,6 miljoen) die onderzoeksresultaten vertalen naar concrete toepassingen en de implementatie van ontwikkelde oplossingen in bedrijven. COOCK-projecten hebben als doel het valoriseren van onderzoeksresultaten door het versnellen van de introductie van innovatieve technologie en/of kennis bij ondernemingen langsheen Stichting Innovatie & Arbeid, Rapport ‘Kennisdiffusie en innovatie bij Vlaamse kmo’s. Ervaringen inzake kennisdiffusie en innovatiebeleid in kaart gebracht bij zestien kleine tot middelgrote ondernemingen, SERV, maart 2016. 58
•
•
•
•
70
het ganse innovatiespectrum (trekkers, vroege gebruikers, vroege/late volgers). Projecten kunnen ingediend worden in het kader van de jaarlijkse oproep COOCK, de oproepen van het Vlaams clusterbeleid of van een CORNET-oproep70. TETRA (TEchnologieTRAnsfer; € 9,6 miljoen) is een financieringskanaal voor praktijkgericht, innovatief onderzoek. De projectresultaten worden door ondernemingen gebruikt maar bieden ook een (deel)oplossing voor maatschappelijke uitdagingen in Vlaanderen. Bij TETRA-projecten wordt de beschikbare kennis uit praktijkgericht onderzoek bij Vlaamse hogescholen en Vlaamse universiteiten vertaald naar bruikbare innovatieve concepten of prototypes die nieuwe marktopportuniteiten bieden aan ondernemingen of social profit. ICON-projecten. ICON (Interdisciplinair Coöperatief vraaggedreven Onderzoek) is een projecttype waarin een ad hoc en evenwichtig samengesteld consortium van één of meerdere onderzoeksorganisaties en minstens drie onderling onafhankelijke Vlaamse ondernemingen nieuwe kennis ontwikkelen, die praktisch toegepast kan worden en zo bijdraagt tot economische en eventueel ruimere maatschappelijke toegevoegde waarde in Vlaanderen. Dit projecttype kan momenteel echter enkel ingediend worden via een Strategisch Onderzoekscentrum (SOC) of een Speerpuntcluster. Er bestaan ook thematische ICON-projecten. Met de thematische ICON-projecten artificiële intelligentie (AI-ICON) en cybersecurity (CS-ICON) wil VLAIO de brug slaan tussen onderzoeksresultaten op vlak van AI en CS en toepassingen hiervan in het Vlaamse bedrijfsleven. Binnen de AI-ICON oproep werd in 2021 in totaal voor € 5 mln. toegekend aan drie projecten, voor de CS-ICON oproep betrof het € 4,8 mln. aan eveneens 3 projecten. Strategische Onderzoekscentra (SOC’s; € 263 miljoen). SOC’s zijn ontstaan dankzij de excellente en relevante resultaten van het academisch wetenschappelijk onderzoek. In dat opzicht vervullen de SOC’s een noodzakelijke brugfunctie tussen het fundamenteel en het toegepast onderzoek met het oog op economische en maatschappelijke waarde. De strategische onderzoekscentra mikken op het dichten van de kloof tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en de valorisatie van de ontwikkelde kennis. Op dit vlak hebben ze drie gemeenschappelijke ambities: (i) top zijn in én wetenschappelijk onderzoek én de valorisatie van dit onderzoek, gesteund op een combinatie van niet-gericht basisonderzoek en gericht onderzoek in samenwerking met bedrijven (research excellence); (ii) duidelijke regionale economische impact in termen van spin offs, aantrekken investeringen, transformatie en modernisering van Vlaamse economie (regional economic impact); (iii) katalysator in aantrekken van middelen voor onderzoek in hun domein (EU en (internationale)- bedrijven), en genereren van leverage op subsidie die ze ontvangen van de Vlaamse overheid (leverage on funding). Vlaanderen kent vandaag 4 SOC’s: IMEC, VIB, VITO en Flanders Make. Programma Strategisch Basisonderzoek (SBO; € 76 miljoen). Het programma Strategisch Basis Onderzoek betreft vernieuwend onderzoek dat in geval van wetenschappelijk succes een vooruitzicht biedt voor latere economische of maatschappelijke toepassingen (in de vorm van een nieuwe generatie van producten,
Binnen een CORNET (COllective Research NETwork)-project wordt collectief onderzoek gedaan en kennis verspreid door een internationaal consortium waar ook niet-R&D intensieve kmo’s aan deelnemen (via een begeleidingsgroep). Het consortium bestaat uit minstens twee partners uit twee verschillende landen. 59
•
•
•
processen en/of diensten). Het SBO-programma is opgedeeld in twee finaliteitsdelen: een economisch programmadeel voor projecten met een primaire economische finaliteit en een maatschappelijk programmadeel voor projecten met een primaire maatschappelijke finaliteit. Landbouw- of LA-trajecten (€ 10,3 miljoen). Het doel van LA-trajecten is om vanuit een concrete vraag van een collectief van ondernemingen uit de primaire land- en tuinbouwsector, onderzoekers van Vlaamse universiteiten en hogescholen, onderzoeksinstellingen en erkende praktijkcentra, te ondersteunen om innovatieve oplossingen aan te bieden die op korte termijn toegepast kunnen worden en resulteren in zichtbare veranderingen met een duidelijke (economische) meerwaarde voor de ruime doelgroep (primaire sector en eventueel de toeleverings- en/of de verwerkende industrie). Industrieel Onderzoeksfonds (€ 52 miljoen). Dit is een intern bestemmingsfonds voor Universitaire Associaties waarvan de middelen worden aangewend voor toegepast wetenschappelijk en maatschappelijk onderzoek. De doelstellingen van een IOF zijn, op korte tot middellange termijn, de wisselwerking tussen de associatie en het bedrijfsleven stimuleren en een portefeuille van toepassingsgerichte kennis opbouwen. Op middellange tot lange termijn moet IOF-financiering resulteren in een vlotter inzetten van wetenschappelijke kennis ten dienste van industriële behoeften en zo leiden tot innovatie in het bedrijfsleven. Het IOF-beleid bepaalt dat ten minste 30% van de middelen besteed wordt aan mandaten van onbepaalde duur voor postdoctorale onderzoekers of kandidaten met gelijkwaardige kwalificaties. Ten hoogste 10% kan door de associatie aangewend worden voor overheadkosten. De overige IOF-middelen dienen voor de financiering van onderzoeksprojecten (strategisch basisonderzoek en toegepast onderzoek van de partners van de associatie). Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek Hogescholen (PWO; € 30 miljoen). Het beleidsdomein Onderwijs en Vorming is inzake wetenschapsbeleid in de eerste plaats de financierder van de werkingsuitkeringen voor de universiteiten en hogescholen. De hogescholen financieren met hun werkingsmiddelen hun drieledige opdracht van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening en projectmatig wetenschappelijk onderzoek. Voor die laatste opdracht krijgen ze een aparte dotatie via het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. De doelstellingen van het Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek zijn de versterking van de relatie onderwijs-onderzoek en de stimulering van de kennistransfer tussen de hogescholen en de economische actoren.
Vraaggedreven •
Baekeland- en Innovatiemandaten (€ 16,8 miljoen en € 5,6 miljoen). Met Baekeland-mandaten wil VLAIO onderzoekers de kans bieden een doctoraat uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Er wordt voorzien cofinanciering van de personeels- en werkingskosten die gepaard gaan met de projectuitvoering. Bij het Baekeland-mandaat is enerzijds een Vlaams bedrijf betrokken dat de strategische oriëntatie van het project bepaalt en zorgt voor cofinanciering. Anderzijds staat een Vlaamse universiteit in voor de begeleiding naar en de toekenning van een doctoraat volgens de gangbare kwaliteitsnormen. De 60
•
•
•
Innovatiemandaten (IM) zijn een steuninstrument voor postdoctorale onderzoekers die verder basisonderzoek willen uitvoeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, met het oog op een transfer van resultaten naar hetzij een bestaand bedrijf, hetzij een nieuw op te richten spin-off bedrijf met een industriële activiteit in Vlaanderen. Lerende netwerken (€ 22,5 miljoen). Op 26 juni 2020 besliste de Vlaamse regering dat de komende 4 jaar € 90 miljoen wordt geïnvesteerd om ondernemerschap en innovatie in Vlaanderen te stimuleren via “structurele partners ondernemerschap en innovatieversnelling binnen het VLAIO netwerk”. 11 geselecteerde organisaties zullen een waaier aan dienstverlening aan Vlaamse ondernemingen aanbieden. Zij engageren zich om ondernemers te sensibiliseren, te begeleiden en te ondersteunen op cruciale momenten in hun levenscyclus. Een selectie van 11 dienstverleners van VLAIO zal de komende 4 jaar jaarlijks € 22,5 miljoen steun krijgen om een sterk en enthousiasmerend aanbod te creëren voor het Vlaams ondernemerslandschap. Zij zullen zich tot 2024 toeleggen op: - Sensibilisering, bewustmaking en beeldvorming rond ondernemen en innoveren; - Begeleiding van ondernemers op kantelmomenten in hun werking; - Geïntegreerde selectieve begeleiding van ambitieuze starters en groeiers; - Creatie van lerende netwerken rond vernieuwing van de bedrijfsvoering en de versnelde adoptie van bewezen technologieën. Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (€ 129 miljoen en € 89 miljoen). De focus in onderzoeksprojecten ligt op het opbouwen van nieuwe kennis en het uitvoeren van hoog-risico onderzoek dat op termijn de basis vormt voor nieuwe of verbeterde producten, processen of diensten. De delen in het project die onderzoeksactiviteiten omvatten krijgen een basissteunpercentage van 50% en de delen die ontwikkeling omvatten krijgen een basissteunpercentage van 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is evenwel beperkt tot 60%. In ontwikkelingsprojecten ligt de focus op de ontwikkeling van een volledig nieuw of beduidend vernieuwend (verbeterd) product, proces, dienst of concept; dat op eerder korte termijn een belangrijke impact heeft op de prestaties van het bedrijf. Het basissteunpercentage bedraagt 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is beperkt tot 50%. Blikopener (€ 3 miljoen). ‘Blikopener’ moet kmo’s warm maken voor de vele laagdrempelige kennis die qua innovatie bij de hogescholen aanwezig is. De hogescholen verrichten veel praktijkgericht onderzoek en zijn gemakkelijk toegankelijk. Hun portfolio bestaat uit een brede waaier van onderzoeksthema’s gaande van de bouwsector over blockchain tot chemie. Blikopener richt zich expliciet op de innovatievolgers, de kmo’s die niet uit zichzelf innoveren, maar graag nieuwe kennis willen toepassen in hun bedrijf zonder deze zelf te moeten ontdekken. De hogescholen kunnen voor hen veel betekenen. Ze bieden immers ondersteuning bij het concreet formuleren van problemen, geven eerstelijnsadvies en brengen de kmo’s in contact met geschikte partijen. Samenwerking kan gebeuren via contractonderzoek (onderzoek op bestelling) of via de TETRA- of nieuwe COOCKprojecten die nog aan volume moeten winnen. Deze initiatieven (COOCK, TETRA, en 61
•
•
•
Blikopener) vormen een katalysator voor innovatie bij kmo’s. De evolutie ervan moet echter van nabij gemonitord worden om indien nodig tijdig aan de modaliteiten te sleutelen. Speerpuntclusters en Innovatieve Bedrijfsnetwerken (€ 95 miljoen). Om onbenut economisch potentieel te ontsluiten en de competitiviteitsverhogingen bij Vlaamse ondernemingen via een actieve en duurzame samenwerking te realiseren geeft het Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO) financiële ondersteuning voor innovatieve bedrijfsnetwerken en voor een beperkt aantal speerpuntclusters. Een cluster is een netwerk van bedrijven en andere partijen die openstaan voor samenwerking rond een bepaald thema of domein. De speerpuntclusters sluiten aan bij belangrijke strategische domeinen voor Vlaanderen en zijn grootschalige triplehelix-initiatieven die tot tien jaar financiering krijgen voor de uitrol van hun competitiviteitsprogramma (Catalisti, SIM, Flux50, VIL, Flanders’FOOD, Blauwe Cluster, flanders.healthTech). De innovatieve bedrijfsnetwerken zijn typisch kleinere bottom-up initiatieven die gedurende een periode van drie jaar ondersteuning krijgen om binnen een specifiek domein een dynamiek van samenwerking tot stand te brengen die tot een hogere competitiviteit van de bedrijven kan leiden. Het clusterbeleid maakte in 2019/2020 het voorwerp uit van een evaluatie door IDEA Consult. De IBN’s werden daarbij geprezen voor hun hoge relevantie, betrokkenheid en verwachte bijdrage aan de competitiviteit. Ook de bijdrage aan de samenwerkingsdynamiek is groot en aldus heeft het IBN-instrument een duidelijke meerwaarde als tijdelijke impuls van bottom-up clusterwerking. Tegelijk is drie jaar echter erg kort om een volwaardige duurzame clusterdynamiek op te bouwen: het wegvallen van de basisfinanciering kan dan een risico inhouden dat opgebouwd kapitaal verloren gaat.71 Proeftuinen Industrie 4.0 (€ 3,6 miljoen met inbegrip van City of Things). Een ander recent initiatief dat innovatie op een laagdrempelige manier naar kmo’s brengt, zijn de proeftuinen rond Industrie 4.0. Met de proeftuinen wil de overheid de digitalisering van de Vlaamse industrie versnellen. Via het opstarten van sprekende demoprojecten rond specifieke thema’s, zoals predictief onderhoud, drones voor de bouw en landbouw, cyberbeveiliging,... proberen ze de implementatie ervan te versnellen en industriële processen efficiënter te maken. De mogelijkheden van stateof-the-art technologieën worden in reële bedrijfssituaties getoond. Eind 2019 stond de teller voor concrete implementaties als rechtstreeks gevolg van de demo’s in de eerste zeven proeftuinen, op 88 implementaties en 286 adviezen. In totaal werden de voorbije twee jaar bijna 4.000 ondernemingen bereikt. Er gaat dus een grote wervende kracht van de proeftuinen uit. Digital Innovation Hubs. In het nieuwe Digital Europe Programme (DEP)72 voor de Europese meerjarenbegroting staat het netwerk van European Digital Innovation Hubs (EDIH) centraal. Een EDIH is een (groep van) organisatie(s) die bedrijven, voornamelijk kmo's, en/of de publieke sector ondersteunen in hun digitale transformatie. Het moet de digitale transformatie van bedrijven en andere organisaties versnellen door minstens volgende diensten aan te bieden: testen voor
71
IDEA Consult & Technopolis (2020) Een onderzoek naar clusterondersteuning in Vlaanderen, juni
72
Voor meer info zie: https://ec.europe.eu/digital-single-market/en/news/commission-welcomesagreementdigital-europe-programme-2021-2027 62
•
het investeren, vaardigheden en training, ondersteuning om investering te vinden, innovatie ecosysteem uitbouwen en netwerken. De Hubs moeten daarbij ook vraag en aanbod bij elkaar brengen en zo het Vlaamse en Europese ecosysteem versterken. Elke European Digital Innovation Hub heeft een bepaalde focus gelinkt aan de drie sleuteltechnologieën van het DEP, zijnde supercomputing, AI en cybersecurity. De zoektocht naar geschikte kandidaten voor de European Digital Innovation Hubs verliep in Vlaanderen via een Vlaamse preselectie. De Vlaamse Regering maakte in oktober 2020 de geselecteerde kandidaten op Vlaams niveau bekend: Artificial Intelligence (trekker imec), Digitale transformatie Scale ups (trekker Sirris), digitalisatie van de industrie en Industrie 4.0 (DII4.0, trekker Flanders Make), Creative BANG Flanders (trekker VRT), EDIH4Agrifood (trekker ILVO), EdTech Station @Hangar K (trekker Hangar K), Energie in de bebouwde omgeving (trekker Energyville), Gezondheid en zorg (trekker DSP Valley) en Smart Cities and Smart Port & Logistics (trekker The Beacon). De Commissie zal voor elke hub jaarlijks tussen € 0,5 en € 1 miljoen op tafel leggen. Lidstaten staan in voor minstens evenveel financiering. Het DEP voorziet een digital hub-subsidie voor een periode van 3 jaar met de mogelijkheid tot heraanvraag op het einde van de 3 jaar, voor een bijkomende periode van 4 jaar. Ook zijn er mogelijkheden tot verdere financiering via Digital Europe, EFRO, Horizon Europe, EIB-instrumenten en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Finaal zal Europa tussen 4 en 11 Belgische hubs selecteren. Innovatiesteun bij Europese samenwerking (thematisch). Via internationale netwerken tracht Europa de samenwerking en coördinatie te bevorderen tussen de verschillende onderzoek- en innovatieprogramma’s van de EU-lidstaten en de geassocieerde landen. Ook Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO) neemt deel aan een aantal thematische netwerken. Wie als Vlaamse partner deelneemt, krijgt steun via de bestaande innovatiesubsidies van VLAIO. Aldus zijn er bijvoorbeeld binnen EUREKA ook een aantal thematische clusters actief die jaarlijks calls organiseren om projecten in te dienen. Eurekaclusters zijn grote industriële netwerken die samenwerken rond bepaalde thema's. Vlaamse partners kunnen een beroep doen op steun van VLAIO in de vorm van een onderzoeksproject of een ontwikkelingsproject: ITEA (Information Technology for European Advancement) richt zich tot de brede thematiek van software-intensieve systemen, SMART richt zich tot ‘advanced manufacturing’, PENTA richt zich tot het domein van micro- en nanoelektronica en elektronische systemen, CELTIC Next richt zich tot telecommunicatietechnieken, -systemen en -diensten en EURIPIDES richt zich tot 'Smart Electronic Systems'.
Voor de volledige vermelden we dat ook de federale overheid de investeringen van ondernemingen in onderzoek en ontwikkeling stimuleert, en dit door het toekennen van verschillende belastingvoordelen. De federale belastingvoordelen bestaan uit (i) een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op het loon van bepaalde onderzoekers, (ii) een belastingkrediet voor O&O en (iii) een belastingaftrek voor innovatieinkomsten. Geen van deze maatregelen is specifiek gericht naar verspreiding of diffusie van innovatie. Een recente evaluatie van het Federaal Planbureau gaf aan dat de additionaliteit van het belastingkrediet voor O&O zeer beperkt is. 73
73
Federal Planbureau (2019) Tax incentives for business R&D in Belgium – Third Evaluation, April. 63
Innovatieverspreiding in de EU-lidstaten Samenwerking en innovatieverspreiding in de EU-lidstaten Benchmarking van de wetenschappelijk-industriële samenwerking S(cience)T(echnology)I(nnovation)P(ortal) Compass is een gezamenlijk initiatief van de Europese Commissie en de OESO met als doel kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over nationale trends in het wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid (WTI) op één portaal te verzamelen. De belangrijkste gegevensbron voor STIP Compass zijn de antwoorden van de (nationale) overheidsfunctionarissen van het WTI-beleid op de EC-OESO STI Policyenquête, die om de twee jaar wordt gehouden. De meest recente editie is eind 2019 afgenomen. De survey heeft een brede reikwijdte en omvat beleidskwesties rond publieke R&D, bedrijfsinnovatie en ondernemerschap, kennisoverdracht, innovatieskills, innovatie gericht op maatschappelijke uitdagingen en governance van het WTI-systeem. Aan de deelnemende landen wordt gevraagd de beleidsinitiatieven op te lijsten waarmee bepaalde uitdagingen worden aangepakt, zoals bijvoorbeeld de lacunes in kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven. Alle beleidsinitiatieven worden omschreven aan de hand van een standaardsjabloon. Dit sjabloon maakt gebruik van taxonomieën van beleidsinstrumenten en doelgroepen waardoor beleidsinitiatieven binnen en tussen landen kunnen worden vergeleken. STIP Compass koppelt bovendien onderzoeksgegevens aan andere open databronnen zoals statistieken en publicaties. Eén van de thema’s die in de survey aan bod komt, heeft betrekking op de wetenschappelijkindustriële kennistransfer en -deling. Deze hoofding wordt op haar beurt onderverdeeld in zes subthema’s. Voor het benchmarken van de respectieve landen ten opzichte van het OESO-gemiddelde worden een aantal statistische indicatoren gehanteerd: internationale couitvindingen als % van de totale PCT patentaanvragen, HERD74 gefinancierd door de business sector als % van de totale HERD, internationaal co-auteurschap als % van het totaal aantal wetenschappelijke artikelen en de publieke R&D-uitgaven gefinancierd door de industrie als % van de totale PSERD (Public Sector Expenditure on Research and Development). Voor dit SERV-rapport wordt er nog een indicator toegevoegd, nl. de GOVERD gefinancierd door de business sector als % van de totale GOVERD (publieke onderzoeksinstellingen). Hierna worden de prestaties van enkele buurlanden voor de genoemde indicatoren met België vergeleken.
74
Higher Education Expenditures on R&D, (zowel universiteiten als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten, als hogescholen) 64
Figuur 26 Internationaal co-uitvinderschap als % van totale PCT patentaanvragen, 2014 45
41,17
41,31
CH
BE
40 35 30 25 20 15
15,43
16,95
18,38
18,77
FR
NL
20,99
22
22,28
22,79
23,61
FI
OESO
SE
NO
DK
10 5 0 IT
Bron:
DE
STIP Compass (2019)
Figuur 27 HERD gefinancierd door de business sector als % van de totale HERD, laatst beschikbare jaar, Main Science and Technology Indicators 2020 16 13,5
14 11,71
12
10
8,7
8 6 4
2,27
2,66
2,83
3,08
NO
DK
FR
FI
6,02
6,18
IT
OESO
9,72
3,62
2 0 SE
NL
CH
BE
DE
Bron: OECD (2020) Main Science and Technology Indicators Noot: cijfers voor België, Denemarken, Zweden, Zwitserland zijn voor het jaar 2017. Cijfers voor Duitsland, Frankrijk, Nederland, Italië, Noorwegen en de OESO voor het jaar 2018 en het cijfer voor Finland is voor het jaar 2019:.
65
Figuur 28 Internationaal co-auteurschap als % van het totaal aantal wetenschappelijke artikelen, 2015 45
39,8
40 35 30
32,1 26,5
28,3
29,1
OESO
DE
33,7
33,9
FI
NO
35,3
35,5
35,9
NL
DK
SE
42,2
25
20 15 10 5 0 IT
Bron:
FR
BE
CH
STIP Compass (2019)
Figuur 29 GOVERD gefinancierd door de business sector als % van de totale GOVERD, laatst beschikbare jaar 12 10
9,17
8
SE
NO
7,38
7,96
5,41
6 4
6,8
7,05
9,89
3,49
3,82
3,86
3,87
IT
DK
CH
2 0 OESO
BE
FI
FR
NL
DE
Bron: OECD (2020) Main Science and Technology Indicators Noot: cijfers voor België, Denemarken, Zweden, Zwitserland zijn voor het jaar 2017. Cijfers voor Duitsland, Frankrijk, Nederland, Italië, Noorwegen en de OESO voor het jaar 2018 en het cijfer voor Finland is voor het jaar 2019:.
66
Figuur 30 PSERD gefinancierd door de industrie als % van de totale PSERD, 2014 14
12,89
12 10
9,45
9,66
NL
CH
10,26
8 6
4,77
4,9
4,97
FR
OESO
FI
5,73
3,74
4 2,19
2,52
IT
DK
2 0 SE
NO
BE
DE
Bron: STIP Compass (2019) Noot: cijfer voor België is voor het jaar 2013
Uit bovenstaande figuren kan afgeleid worden dat België samen met Zwitserland steevast de kop uitmaken, behalve voor de financiering van de publieke onderzoeksinstellingen door de business sector. Maar ook voor deze indicator doen beide landen beter dan het OESOgemiddelde. Duitsland is ook toonaangevend voor de private financiering van R&D door hoger onderwijsinstellingen en publieke onderzoeksinstellingen, maar scoort beduidend minder goed op het vlak van internationale samenwerking. Deze benchmarkoefening geeft dus aan in welke mate hoge onderwijs- en publieke onderzoeksinstellingen kunnen bogen op private financiering vanuit de business sector en in welke mate er internationale samenwerking plaatsvindt. Daarmee wordt echter geen beeld gecreëerd over de mate waarin inputvariabelen voor innovatie op efficiënte wijze met elkaar gemixt en gecombineerd worden teneinde een doelmatige en efficiënte verspreiding van innovatie te realiseren. Efficiëntie van de innovatieverspreiding in de EU-lidstaten Een onderzoek, terug te vinden op MDPI75, gaat na of de toename van innovatie zich vertaalt in een effectieve verspreiding van die innovatie. Eén van de conclusies van het onderzoek luidt dat naarmate een land meer innovatie nastreeft, het innovatievermogen stijgt, maar verder dat de efficiëntie van innovatieverspreiding sterk kan verschillen ongeacht de scores in innovatierankings. Dit is bijvoorbeeld het geval met Zweden dat geboekt staat als de meest innovatieve EU-lidstaat maar het sterk laat afweten als het om de efficiëntie van innovatieverspreiding gaat. Voor het onderzoek werd beroep gedaan op de data van de European Innovation Scoreboard (EIS) 2018 van de Europese Commissie, waarbij de indeling in innovatieleiders, sterke innovatoren, gematigde innovatoren en bescheiden innovatoren werd gevolgd. 75
Multidisciplinar Digital Publishing Institute is een uitgever van open access wetenschappelijke tijdschriften. H.J. Anderson and J. Stejskal, Diffusion efficiency of innovation among EU Member States: a data envelopment analysis, April 2019. 67
Volgende input-output variabelen uit de EIS werden voor het onderzoek geselecteerd, waarbij de onderzoekers opteerden om de werkgelegenheid in kennisintensieve diensten en omzet/verkopen van nieuw geproduceerde producten als outputvariabelen te hanteren voor het meten van de efficiëntie van innovatieverspreiding. Tabel 10 Input en outputvariabelen van het onderzoek Inputvariabelen
Outputvariabelen
Doctorate graduates per 1.000 population aged 25-37
Employment
in
knowledge-intensive
activities
(percentage of total employment) Lifelong learning, the share of population aged 25-64
Employment in fast-growing enterprises per total
enrolled in education or training aimed at improving
employment for enterprises with 10 or more
knowledge, skills and competences per total poulation of
employees
the same group Opportunity-driven entrepreneurship (degree to which
Sales of new-to-market and new-to-firm innovations
individuals pursue entrepreneurial activities as they see
as percentage of turnover
new opportunities R&D expenditures in the government sector (GOVERD) and the higher education sector (HERD) per Gross Domestic Product Venture capital investments – private funds raised investment in companies per GDP R&D expenditure in the business sector (percentage of GDP) Non-R&D
innovation
expenditures
(percentage
of
turnover)
Bron:
European Innovation Scoreboard (2018)
De resultaten van de Data Envelopment analyse76 laten zien dat slechts ongeveer de helft van de EU-lidstaten als relatief efficiënt kan beschouwd worden op het vlak van 76
Deze methodiek wordt ook toegepast in het Global Innovation Index (GII) rapport om de innovatieefficiëntie van betrokken landen in kaart te brengen. Deze methodologie vergelijkt verschillende zogenaamde Decision Making Units (DMU’s), bijvoorbeeld in de zorgsector een ziekenhuis, op basis van meerdere input- en outputindicatoren. In plaats van vaste gewichten toe te kennen aan elk van de indicatoren optimaliseert de DEA-methode zelf de gewichten die aan de verschillende input- en outputindicatoren hangen. Hierbij worden de gewichten voor elke DMU zodanig gekozen, dat het een zo gunstig mogelijke uitkomst voor dat land oplevert. Voor elke DMU wordt de relatieve efficiëntie ten opzichte van de andere DMU’s bepaald. Hierbij krijgen ze een score tussen 0 (inefficiënt) en 1 (efficiënt), gebaseerd op een gewogen gemiddelde van inputs en outputs. Hoe meer eenheden output worden geproduceerd per eenheid input, hoe efficiënter de DMU. Een voorbeeld met slechts één input en één output: als de input het aantal fte’s is en de output het aantal klinische opnames, dan is het ziekenhuis dat per fte meer klinische opnames realiseert, efficiënter. Het resultaat is een zogenaamde ‘efficiency frontier’, een doelmatigheidsgrens, waarop de DMU’s met de beste verhoudingen van geaggregeerde input en output terug te vinden zijn. De DMU’s die onder doelmatigheidslijn scoren, hebben een minder goede verhouding tussen input- en output. De DEA-techniek voegt aldus meerdere gegevens samen tot één overall score per DMU. Het voordeel van de DEA-techniek is dat het een verbeterpotentieel voor ieder niet optimaal presterend - in dit voorbeeld - ziekenhuis in % kan weergeven. Stel dat bij een vergelijking de input van het DEA-model het aantal fte’s is en de output het aantal opnames en het aantal polikliniekbezoeken. Ziekenhuis A is het meest efficiënt met een score van 100%, terwijl ziekenhuis B een efficiëntiescore van 70% heeft. Dit impliceert dat ziekenhuis B met 70% van het huidig aantal fte’s nog steeds dezelfde output zou kunnen behalen, indien dit ziekenhuis net zo efficiënt zou werken als ziekenhuis A. Dit verbeterpotentieel is realistisch omdat het gebaseerd is op de door de andere
68
innovatieverspreiding: twee daarvan zijn innovatieleiders (Nederland en Luxemburg), één is een sterke innovator (Slovenië), acht zijn gematigde innovatoren (Tsjechië, Griekenland, Hongarije, Letland, Malta, Polen, Slovakije en Spanje) en twee zijn bescheiden innovatoren (Bulgarije en Roemenië). Frankrijk leunt zeer dicht aan bij deze efficiënte groep. De overige lidstaten tonen zich minder efficiënt. Deze resultaten laten dus een mix van lidstaten zien met een aanzienlijke variatie in de scores, ondanks de innovatiescores en de ranking in de EIS (2018). Dit impliceert volgens de onderzoekers dat de efficiëntie van ondernemingen voor de verspreiding van gegenereerde innovatie geen link heeft met het innovatievermogen of de economische status van een lidstaat maar louter afhangt van de efficiënte aanwending van de inputvariabelen.
De belangrijkste beleidsinitiatieven voor kennisverspreiding Uit de EC-OECD STIP survey 2019 kan afgeleid worden dat binnen het beleidsthema “wetenschappelijk-industriële kennistransfer en -deling” drie thema’s de boventoon voeren. Collectief onderzoek en innovatie, dat programma’s omvat ter stimulering van partnerschappen of andere samenwerkingsvormen en-projecten tussen de publieke en private sector, staat met stip op nummer één (431 beleidsinitiatieven). Een tweede belangrijk thema (262 beleidsinitiatieven) vormt het clusterbeleid met inbegrip van de ondersteuning van thematische en/of plaatsgebonden clusters (zoals bijvoorbeeld de voorziening en implementatie van netwerkinfrastructuren), gevolgd door een derde frequent gemeld thema (257 initiatieven), nl. de commercialisering van publieke onderzoeksresultaten77, waarbij de transfer van academische uitvindingen via de verkoop, overdracht of licentie van intellectueel eigendom, vaak op exclusieve basis, aan bestaande of nieuwe ondernemingen wordt ondersteund. Beleid in verband met intellectuele eigendomsrechten in publiek onderzoek volgt op ruime afstand op de vierde plaats (153 initiatieven)78.
ziekenhuizen werkelijk gerealiseerde prestaties. Zoals gezegd, worden in een standaard DEA-methode de gewichten van de verschillende inputs en outputs niet van vooraf vastgelegd, maar door het model geoptimaliseerd. Indien in geval van het voorbeeld van ziekenhuizen een kwaliteitsindicator als output van een DEA-analyse wordt meegenomen, moet voorkomen worden dat deze component wordt weggecijferd (d.w.z. een laag gewicht krijgt toebedeeld), ten gunste van andere outputindicatoren, waardoor een ziekenhuis met lage kwaliteit van zorg toch als goed presterende unit uit de bus zou kunnen komen. Daarom wordt aan iedere indicator een minimum en een maximumgewicht toegekend. 77
Belangrijke beleidsinitiatieven kunnen betrekking hebben op een hervorming van universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen voor door de overheid gefinancierde onderzoeksresultaten, de oprichting of consolidering van TTO’s en licentieafdelingen aan universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen, een herziening van de performantiecriteria van instellingen en O&O-personeel, opleiding en begeleiding van academisch personeel, het creëren van spin-offs, incubators en accelerators, het verstrekken van nieuwe demonstrator- of proof-of-concept financiering, …
78
Beleid rond Intellectuele eigendomsrechten in publiek onderzoek omvat de hervorming van de IEwetgeving en/of herziening of versterking van de handhavingspraktijken, specifieke financiële en nietfinanciële regelingen, programma’s, stimulansen of instrumenten ter ondersteuning van IE in publiek onderzoek (subsidies, opleiding, informatiecampagne, enz.), en tenslotte speciale instanties ter ondersteuning van IE in publiek onderzoek. 69
Figuur 31 Beleidsinitiatieven als % van het totaal binnen het thema wetenschappelijkindustriële kennistransfer en -deling
Bron:
STIP Compass (2019)
Het beleid voor wetenschappelijk-industriële kennistransfer focust sterk op hoge onderwijsinstellingen maar is daarnaast evenwichtig gericht op de doelgroep van publieke onderzoeksinstellingen en ondernemingen. Ook individuele publieke onderzoeksactoren zoals gevestigde onderzoekers, postdoctorandi en andere beginnende onderzoekers worden vaak geciteerd als doelgroep omwille van hun mogelijke rol in kennistransfer en commercialisering. Deze actoren worden samen met ‘ondernemers’ vaak geciteerd als doelgroep van het academische spin-off beleid. Ook intermediaire organisaties die de linken tussen kennisinstelling en industrie ondersteunen, zoals incubatoren, acceleratoren, wetenschapsparken en technologieparken, TTO’s en industriële federaties zijn relatief belangrijke doelgroepen, vooral van slimme specialisatiestrategieën.
70
Figuur 32 Doelgroepen van de beleidsinitiatieven binnen het thema wetenschappelijkindustriële kennistransfer en -deling
Bron:
STIP Compass (2019)
Het beleid voor wetenschappelijk-industriële kennistransfer en -deling wordt gevoerd via een heterogene mix van instrumenten. Subsidies worden vaak toegekend aan ondernemingen of publieke onderzoeksinstellingen, waarbij samenwerking een voorwaarde is om voor steunverlening in aanmerking te komen. Evenzo ondersteunt het beleid publiekprivate netwerk- en samenwerkingsplatforms om regionale of thematische innovatieclusters te bevorderen. Technologie-uitbreiding en bedrijfsadviesdiensten worden vaak gebruikt om kennisoverdracht, commercialisering van onderzoek en academische spin-offs te ondersteunen. Steun wordt ook voorzien voor technologie-uitbreiding en bedrijfsadviesdiensten gericht op kennisoverdracht, commercialisering van onderzoek en academische spin-offs. Ook regulering en incentives op het vlak van intellectuele eigendom zijn relatief populaire beleidsinstrumenten en worden vaak gebruikt om de registratie- en licentiëringscapaciteit van openbare onderzoeksinstellingen te vergroten.
71
Figuur 33 Gerapporteerde beleidsinstrumenten voor het thema “wetenschappelijk-industriële kennistransfer en -deling
Bron:
STIP Compass (2019)
Een andere studie van de OESO79 rubriceert de beleidsinstrumenten voor kennisoverdracht in drie categorieën: •
•
79
Financiële instrumenten die gericht zijn op een financiële overdracht van de staat naar ondernemingen, universiteiten of publieke onderzoeksinstellingen en die afhankelijk wordt gesteld van een samenwerkingsvoorwaarde. Regelgevende instrumenten die incentives voorzien voor de verschillende betrokken partijen in de kennisdiffusie, met inbegrip van regelgeving met betrekking tot academische loopbanen, de financiering van universiteiten en de intellectuele eigendomsrechten.
OECD (2019) University-Industry collaboration: new evidence and policy options, OECD Publishing, Paris. 72
•
“Soft” instrumenten die eerder gericht zijn op het faciliteren van netwerken en partnerschappen, versterken van het vertrouwen en het mobiliseren van stakeholders.
Daarnaast verschillen beleidsinstrumenten ook naargelang de beoogde doelgroep, de vorm waarlangs de kennisoverdracht geschiedt en de aanbod- dan wel vraaggerichte oriëntering. Hierna worden de drie grote categorieën van beleidsinstrumenten met hun karakteristieken in kaart gebracht. Tabel 11: Taxonomie van beleidsinstrumenten ter ondersteuning van kennistransfer
73
Bron:
OECD (2019) University-Industry collaboration: new evidence and policy options, OECD Publishing, Paris.
Het type van beleidsinstrumenten is vrij gelijkaardig in de OESO-landen, maar het belang van het ene instrument tegenover het andere kan sterk verschillen, bijvoorbeeld in termen van budget of het aantal beleidsinitiatieven. Tevens zijn er grote verschillen in de detailuitwerking of implementatie van het instrument, bijvoorbeeld op het vlak van selectiecriteria, in aanmerking komende activiteiten of mogelijke begunstigden. Binnen subsidieprogramma’s bijvoorbeeld is het meest gebruikelijk een maximumsubsidie te voorzien van meer dan €1 miljoen (40% van de gevallen) over een periode van 25-36 maanden (75%). Daarnaast zijn er echter landen die lagere subsidies toekennen voor een kortere periode. Bij het bevorderen van de mobiliteit van onderzoekers tussen ondernemingen en universiteiten focussen sommige landen op de mobiliteit van ondernemingen naar universiteiten, andere op de uitwisseling van universiteiten naar ondernemingen en nog andere op een gedeelde mobiliteit. Sommige programma’s voorzien in een financiële ondersteuning waarbij het aandeel van het gesubsidieerde loon alsook de duur van de subsidie kan verschillen. Andere programma’s voorzien hoofdzakelijk richtlijnen en netwerkingdiensten.
74
Deze voorbeelden illustreren de verschillende implementatiestijlen en zijn volgens de OESO het resultaat van de specifieke context van een land, zoals het sociaaleconomische ontwikkelingsniveau, de omvang van het land, de O&O-intensiteit en andere structurele en institutionele factoren. Daartoe behoren onder meer de structuur van de ondernemingswereld (omvang van ondernemingen, sectoractiviteiten, technologisch vermogen, eigendomsstructuur), de karakteristieken van universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen (investeringsniveau inzake onderzoek, gerichtheid op basis- of toegepast onderzoek, kwaliteit van het onderzoek, incentives voor onderzoekers), de macroeconomische condities die van invloed zijn op de beschikbare overheidsbudgetten, de algemene strategieën van ondernemingen en de mobiliteit van onderzoekers, en de maturiteit van de wetenschappelijk-industriële netwerking. Gelet op deze contextuele verschillen mag ervan uitgegaan worden dat dezelfde instrumenten met dezelfde kenmerken niet in alle landen dezelfde effecten zullen sorteren en dat een meer gediversifieerde aanpak aangewezen is. Instrumenten maken vaak deel uit van een mix waarmee het beleid de kennisoverdracht wil stimuleren en ondersteunen. De OESO onderscheidt een aantal nieuwe trends in de uitwerking van deze beleidsmix: •
•
•
De ondersteuning van nieuwe vormen van wetenschappelijk-industriële co-creatie die de grenzen van de klassieke lineaire modellen van kennisoverdracht overstijgen. Co-creatie houdt in dat meer intense relaties tussen kennisinstellingen en ondernemingen worden opgebouwd waarbij kennis wordt ontwikkeld via gedeelde faciliteiten en gemengde teams. De directe betrokkenheid van de overheid en de burger/maatschappelijk middenveld is ook een nieuwigheid die bij een aantal ambitieuze co-creatie kennisstructuren terugkomt. Om dergelijke multistakeholdersprocessen van co-creatie succesvol te maken, is er nood aan experimenten met nieuwe fysieke en virtuele samenwerkingskanalen. Verder leidt co-creatie ertoe dat meer aandacht wordt besteed aan de mobiliteit van menselijk kapitaal tussen kennisinstellingen en ondernemingen. De aanpassing van het beleid voor kennisverspreiding aan de digitale context. De digitale transformatie heeft tot gevolg dat eco-innovatiesystemen meer open en divers zijn waardoor ondernemingen een omvangrijke pool van complementaire kennis en vaardigheden kunnen aanboren, gemakkelijker, vlotter en goedkoper toenadering tot andere actoren kunnen zoeken en de kosten en risico’s van investeringen kunnen delen. Online communities van experten, open calls, digitale samenwerkings- en open innovatieplatformen alsook crowdsourcing zijn voorbeelden van digitale open innovatie. Het beleid richt zich meer en meer op internationale samenwerking om aansluiting te krijgen met wereldwijde innovatienetwerken en de nodige kritieke massa op te bouwen in antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering. Overheden zijn zich ook meer bewust van het belang van het aantrekken van onderzoeksafdelingen van multinationals. Daartoe doen overheden inspanningen om het ecosysteem niet alleen voor lokale spelers attractief te maken, maar ook voor buitenlandse multinationale ondernemingen. Tevens worden buitenlandse universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen uitgenodigd om samen met de lokale kennisinstellingen en ondernemingen nieuwe onderzoekscentra op te zetten. 75