Algemene Raad 22 oktober 2020 AR-AR-ADV-2021-009
Themazetting OBPWO 2021 Advies over de themazetting voor Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 2 oktober 2020 Uitgebracht door de Algemene Raad op 22 oktober 2020 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: commissie Onderwijsonderzoek op 13 oktober 2020 onder voorzitterschap van Mia Douterlungne (a.i.) Werden geconsulteerd: Raad Levenslang leren (6 oktober 2020), Raad Basisonderwijs (7 oktober 2020), Raad Secundair onderwijs (8 oktober 2020), Raad Hoger onderwijs (13 oktober 2020), commissie Specifieke noden (via schriftelijke procedure). Dossierbeheerder: Katrien Persoons
Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be
INHOUD 1 SITUERING
2
2 ALGEMENE OPMERKINGEN
2
2.1 PROCES
2
2.2 HET GEACTUALISEERDE OBPWO-KADER
3
2.2.1 Focus
3
2.2.2 Link met resultaten SONO-onderzoek
4
2.2.3 Tussentijdse oproepen
4
2.2.4 Valorisatie
4
2.3 THEMAZETTING
4
2.3.1 Leemtes
4
2.3.2 Belang van de thema’s over gecombineerd leren
5
3 OPMERKINGEN BIJ DE ACHT VOORGESTELDE THEMA’S
5
3.1 DOORLICHTING ALS HEFBOOM VOOR EEN BETERE ONDERWIJSKWALITEIT
5
3.2 EFFECTIVITEIT VAN ONDERSTEUNING VAN LERAREN(TEAMS): ONTWIKKELING VAN EEN BRUIKBAAR INSTRUMENTARIUM
6
3.3 EFFECTIEVE LEEROMGEVINGEN IN DE B-STROOM VAN DE EERSTE GRAAD VAN HET SECUNDAIR ONDERWIJS
7
3.4 VERSTERKEN VAN DE HANDELINGSBEKWAAMHEID VAN LERAREN INZAKE EVALUATIE VAN LEERLINGEN
7
3.5 STERK BUITENGEWOON ONDERWIJS DOOR IN TE ZETTEN OP KWALITEITSONTWIKKELING
8
3.6 EFFECTIEVE PRAKTIJKEN TER PREVENTIE EN AANPAK VAN SPIJBELEN EN VROEGTIJDIG SCHOOLVERLATEN 8 3.7 GECOMBINEERD LEREN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS: KENMERKEN, VORMEN EN RANDVOORWAARDEN 8 3.8 GECOMBINEERD LEREN AAN DE SPECIFIEKE DOELGROEP VAN LAAGGELETTERDE VOLWASSENEN EN NT2
9
1
1 Situering De Vlaamse Regering actualiseerde op 18 september 2020 het besluit van 7 september 1994 dat de procedure regelt voor het Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek (OBPWO).1 Dat besluit wordt vanaf 2021 opnieuw in gebruik genomen met het oog op de versterking van evidence-informed beleid en de ondersteuning van de school- en klaspraktijk. Van 2016 tot 2020 werden de middelen voor OBPWO ingezet voor het Steunpunt Onderwijsonderzoek (SONO).2 Een aantal overwegingen liggen ten grondslag aan het geactualiseerde OBPWO-kader.3 Het gaat uit van: ¬ een strategische inpassing in de beleidscyclus met een evenwichtige mix van beleids- en praktijkgericht onderzoek; ¬ meer gedragenheid door een grotere betrokkenheid van beleidsmakers en stakeholders; ¬ een versterking van de kwaliteit en duurzaamheid van het onderwijsonderzoek; ¬ een versterking van het benutten van kennis en inzichten uit onderzoek; ¬ efficiëntiewinsten voor een vereenvoudigde procedure. Naast een jaarlijkse themazetting kan de minister ook tussentijdse oproepen lanceren om flexibel in te spelen op nieuwe kennisvragen die een antwoord vragen op de korte termijn. De procedure schrijft voor dat een voorstel van prioritaire thema’s voor advies wordt voorgelegd aan de Vlor. Na verwerking van het Vlor-advies zal de Vlaamse Regering finaal beslissen over de themazetting. De minister hoopt om in de eerste helft van 2021 de eerste onderzoeken in het vernieuwd OBPWO-kader op te starten.
2 Algemene opmerkingen 2.1 Proces We stellen vast dat dat er geen rekening is gehouden met de thema’s en bijhorende kennisvragen die de Vlor naar voren schoof in zijn advies voor de tweede cyclus voor SONO.4 Het gaat om volgende thema’s: ¬ voor het basisonderwijs • Taalintegratietrajecten voor kleuters; • Personeelsgroepen die niet permanent op één school aanwezig zijn ¬ voor het secundair onderwijs • Leerlingenstromen in het gemoderniseerd secundair onderwijs ¬ voor het leerplichtonderwijs (niveau-overstijgend) Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, VR 2020 1809 DOC.1009/2BIS 2 De Vlor reageerde op het niet verlengen van het Steunpunt Onderwijsonderzoek in een brief aan de minister (8 juli 2020). De Vlor betreurt die beslissing ten zeerste. In zijn evaluatie van SONO had de Vlor nog sterk gepleit voor een volgende cyclus: Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meerwaarde van steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek en verwachtingen voor de toekomst, 23 mei 2019. 3 Zie nota (p. 3-5) aan de Vlaamse Regering bij het besluit tot wijziging van het besluit tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek van 7 september 1994 (VR 2020 1809 DOC.1009/1BIS). Deze overwegingen worden ook beschreven in de begeleidende brief bij de adviesvraag. 4 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Themazetting voor beleidsgericht onderwijsonderzoek, 21 februari 2020. 1
2
¬ ¬
• Evaluatie van de eindtermen; • Meer diversiteit in lerarenteams; • Aantrekkelijkheid van het lerarenberoep; • Beroepsprocedures (juridisering); • Evaluatie van het participatiedecreet; • Beleid van scholen tegen (cyber)pesten; • GOK in buitengewoon onderwijs voor het hoger onderwijs • Deelname en doorstroom van kansengroepen; • Waarom studenten in het hoger onderwijs weinig heroriënteren voor volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs • Geïntegreerd leren; • De doorlooptijd van een opleiding; • Waarom cursisten uitvallen of stagneren in het volwassenenonderwijs; • De implementatie van de nieuwe doelen in deeltijds kunstonderwijs
Op dat advies kreeg de Vlor geen antwoord. Het is dan ook onduidelijk hoe de minister tegenover de voorstellen staat. Dat is vreemd, gezien de ambitie van de Vlaamse Regering om participatief tot een inhoudelijke themazetting te komen. Ook het korte tijdspad om tot een themazetting te komen, strookt niet met die ambitie. De Vlor verwacht dat hij vanuit een participatieve visie op beleids- en praktijkgericht onderzoek in de toekomst ten volle de mogelijkheid krijgt om een actieve rol op te nemen om tot een gedragen themazetting te komen.
2.2 Het geactualiseerde OBPWO-kader 2.2.1
Focus
¬
Voldoende ruimte voor kennisvragen Dit geactualiseerde OBPWO-kader is meer dan vroeger strategisch ingepast in de beleidscyclus en sterk gealigneerd aan het huidige regeerakkoord en de beleidsnota. Zo kan vanuit wetenschappelijke onderbouwing nagegaan worden of bepaalde elementen uit de beleidsnota wel of niet uitgevoerd worden en op welke manier dat best kan gebeuren. De kennisvragen voor de onderzoeken zijn dan ook belangrijk. Die moeten een variatie aan onderzoeksbevindingen mogelijk maken. De Vlor heeft echter de indruk dat die kennisvragen soms ondergesneeuwd geraken. Dat kan een sterkte zijn om resultaten van onderzoek nog deze legislatuur te gebruiken, maar uit de verwachte output blijkt dat een aantal projecten vooral ontwikkelwerk inhouden. Ook de eerder korte looptijd van de onderzoekstrajecten5 kan de diepgang van het onderzoek onder druk zetten voor kennisvragen die tot nieuwe inzichten moeten kunnen leiden.
5
Drie onderzoeken kennen een looptijd van 12 maanden, twee onderzoeken van 18 maanden, twee van 24 maanden en één van 36 maanden.
3
¬
Ook onderzoek op lange termijn Naast het nuttige onderzoek binnen deze themazetting, moet er ook ruimte zijn om breder dan het huidige beleid te kijken en onderwijsbeleid op langere termijn te onderbouwen. 6 De Vlor is vragende partij voor longitudinaal onderzoek, bijvoorbeeld over de effecten van vormen van afstandsonderwijs of over de leerlingenstromen in het gemoderniseerd secundair onderwijs.7 2.2.2
Link met resultaten SONO-onderzoek
De onderzoeken van het Steunpunt Onderwijsonderzoek zijn een rijke bron aan resultaten om het beleid in deze legislatuur te voeden. De Vlor vraagt om de rapporten die nog niet vrijgegeven zijn, snel openbaar te maken, en om de onderzoeksbevindingen zeker mee te nemen en te benutten. 2.2.3
Tussentijdse oproepen
Het is onduidelijk hoe groot het budget is voor de tussentijdse oproepen om nieuwe kennisvragen te beantwoorden. Ook voor die onderzoeken beklemtoont de Vlor dat kwaliteitsvolle output voldoende tijd vraagt. 2.2.4
Valorisatie
Valorisatie van de onderzoeksresultaten is van wezenlijk belang. Binnen SONO was daar expliciet aandacht voor. De Vlor vraagt om dit ook in de OBPWO-projecten mee te nemen. De raad verwacht dat de onderzoeksprojecten tijd en ruimte krijgen om aandacht te hebben voor het gebruik van de resultaten in het onderwijsveld en dit ook mee ondersteunen.
2.3 Themazetting De Vlor kan zich globaal genomen vinden in de acht voorgestelde thema’s maar we wijzen op twee leemtes die we graag dit jaar opgestart zien. Daarnaast benadrukken we het belang van de twee thema’s rond gecombineerd leren die we maximaal ingevuld willen zien (zie ook 3.7 en 3.8). 2.3.1
Leemtes
Zoals reeds bij 2.1 aangegeven, betreuren we dat in deze themazetting geen enkel thema terug te vinden is uit ons eerdere advies. Verder merken we volgende twee leemtes op:
¬
Verdeling over de onderwijsniveaus De verschillende onderwijsniveaus zijn onvoldoende vertegenwoordigd in de verschillende thema’s. Zeven van de acht thema’s hebben immers betrekking op het leerplichtonderwijs. Nochtans zijn hier mogelijkheden. Zo zijn er enkele thema’s die ook relevant zijn voor de specifieke contexten van het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs, zeker in het licht van de conceptnota ‘De lerende samenleving’. Voor het hoger onderwijs schoof de Vlor eerder al deze thema’s naar voren: ‘deelname en doorstroom van kansengroepen’ en ‘heroriëntering van studenten’.8
¬
Lerarentekort
Zie ook brief aan minister Weyts op 6 juli 2020 over aandachtspunten voor onderwijsonderzoek. Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Themazetting voor beleidsgericht onderwijsonderzoek, 21 februari 2020. 8 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Themazetting voor beleidsgericht onderwijsonderzoek, 21 februari 2020. 6 7
4
Het lerarentekort wordt alsmaar nijpender. Daarom is het opvallend dat in de themazetting geen onderzoeksthema’s zijn opgenomen die hiermee verband houden. De Vlor denkt dan bijvoorbeeld aan volgende topics: • • •
Hoe kunnen we sterke studentenprofielen aantrekken in de lerarenopleiding? Hoe kunnen we leraren met migratie-achtergrond aantrekken en behouden? Op welk vlak kan de inhoud van de lerarenopleidingen versterkt worden? Die vraag sluit aan bij de doelstelling van de minister om te werken aan die inhoudelijke versterking, “zodat startende leraren beter gewapend zijn om met de vele uitdagingen die op hen af te komen, om te gaan.” (beleidsnota Onderwijs, p. 12). N.a.v. de ervaringen tijdens de huidige crisisperiode kan onderzocht worden of en op welke manier effectieve digitale didactiek een plaats krijgt in de lerarenopleidingen.9 We verwijzen hier ook naar de kennisvragen die we over dit thema oplijstten in ons eerder advies.10 2.3.2
Belang van de thema’s over gecombineerd leren
Twee thema’s hebben betrekking op gecombineerd leren, elk voor een andere doelgroep, resp. leerlingen secundair onderwijs (thema 7) en laaggeletterde volwassenen en NT2 (thema 8). De Vlor vindt deze thema’s belangrijk en zeer relevant. Het is nodig om de plaats van afstandsonderwijs, in een crisis en daarbuiten, verder te bekijken en de randvoorwaarden in kaart te brengen. Voor het hoger onderwijs is dit thema eveneens belangrijk, al hebben instellingen hoger onderwijs op dat vlak al meer expertise. Op initiatief van de minister is recent een werkgroep opgestart rond blended learning in het hoger onderwijs. De Vlor vraagt om de kennis die deze werkgroep verzamelt, te delen met de Vlor en publiek te stellen.
3 Opmerkingen bij de acht voorgestelde thema’s 3.1 Doorlichting als hefboom voor een betere onderwijskwaliteit De Vlor vraagt om de doorlichting niet als kapstok van dit thema te hanteren, maar onderwijskwaliteit te bekijken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid van school (realiseren), pedagogische begeleiding (ondersteunen en versterken) en inspectie (evalueren en controleren). Die kwaliteitsdriehoek, waarin ieder zijn rol heeft, moet het vertrekpunt voor het thema zijn. Er is geen exclusief eigenaarschap voor onderwijskwaliteit bij de ene of de andere actor. Dat geldt ook voor het OK-kader. Dat is een breed gedragen kader dat de inspectie, de overheid en de onderwijsverstrekkers ontwikkelden in samenwerking met het onderwijsveld. Het eigenaarschap ligt niet bij de inspectie. Het verbinden van het OK-kader met doorlichtingen is ook
9
Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Themazetting voor beleidsgericht onderwijsonderzoek, 21 februari 2020. Idem.
10
5
niet wenselijk. Het toezichtskader van de inspectie is een doorvertaling van het OK-kader vanuit een specifieke rol. De titel van dit thema kan dan worden: het OK-kader als hefboom voor een betere onderwijskwaliteit. Bij dit thema moeten alle actoren betrokken worden. Als hoofdvraag – en als alternatief voor kennisvragen 1 en 2 - stelt de raad voor om te onderzoeken hoe het OK-kader vandaag geïmplementeerd is, wie het gebruikt en op welke manier. Een vraag daarbij kan zijn of de kwaliteitsdriehoek vandaag nog overeind staat dan wel of er verschuivingen in gebeurd zijn. Dat is een relevante vraag waar het beleid zich achteraf toe kan verhouden. De derde kennisvraag uit het voorstel wenst de Vlor zeker te behouden, al is die van een andere orde. Deze vraag naar hoe de verschillende bronnen, die inzicht moeten geven in onderwijskwaliteit, zich tot elkaar verhouden, is nog niet grondig onderzocht. In eerdere adviezen11 verkende de Vlor dit reeds n.a.v. de resultaten van PIRLS en de peiling Frans in het basisonderwijs. Het is nuttig en belangrijk om dit voor het geheel aan bronnen te doen en de dialoog hierover aan te gaan met alle betrokken stakeholders. De raad vraagt om die dialoog in te bouwen. De verwijzing naar aanbevelingen over gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde toetsen is een voorafname op het beoogde onderzoek. De Vlor verkiest een open formulering waarbij onderzocht wordt in welke mate dergelijke toetsen kunnen bijdragen tot kwaliteitsgroei.
3.2 Effectiviteit van ondersteuning van leraren(teams): ontwikkeling van een bruikbaar instrumentarium Het is de ambitie van de Vlaamse Regering om de financiering van de pedagogische begeleidingsdiensten (pbd’s) te koppelen aan effectiviteit. Dan ligt het voor de hand dat er werk gemaakt wordt van een gemeenschappelijk kader dat die effectiviteit in kaart brengt. De Vlor steunt dit thema omdat het belangrijk zal zijn om de keuzes die gemaakt moeten worden, goed te onderbouwen. Bovendien zal het onderzoek in nauw overleg gebeuren met de pbd’s en andere ondersteunende diensten. Wel vraagt de Vlor om te verduidelijken en te concretiseren waarover het onderzoek precies hoort te gaan. De themazetting en de scopebepaling leiden immers tot heel wat vragen en bezorgdheden:
¬ ¬ ¬
Het is belangrijk om het begrip ‘effectiviteit’ te verbreden en het te koppelen aan de mate waarin de pbd’s scholen doeltreffend en performant ondersteunen. 12 Dat is niet altijd te vertalen naar direct meetbare effecten. Er moet binnen dit onderwijsonderzoek voldoende ruimte zijn voor de kennisvragen. Die moeten ook echt gesteld worden als kennisvragen en niet als ontwikkelvragen. Om tot kwaliteitsvolle resultaten te komen, zal het nodig zijn dat de onderzoekers goed de werking van de pbd’s leren kennen zodat ze een duidelijk beeld hebben van wat de begeleiders op de werkvloer doen.
Vlaamse Onderwijsraad, Raad Basisonderwijs. Advies naar aanleiding van de peiling Frans 2017, 10 oktober 2018. Vlaamse Onderwijsraad, Raad Basisonderwijs. Advies over begrijpend lezen (PIRLS 2016), 28 maart 2018. 12 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Onderwijskwaliteit in breed perspectief. Advies over versterken van interne kwaliteitszorg en leerlingenevaluatie, 20 december 2018. 11
6
¬
¬
¬
De Vlor vindt het belangrijk dat de onderzoekers die zullen werken aan een wetenschappelijke onderbouwing geen kader opgelegd krijgen. Bovendien twijfelt de raad of het kader van Merchie de juiste referentie is om op verder te bouwen. Dat kader gaat immers over professionaliseringsinitiatieven en gaat dus veel minder ruim dan wat de begeleiding dekt. Bovendien richt het beoogde resultaat van dit onderzoek zich niet enkel op leraars, maar ook op andere onderwijsprofessionals en onderwijsinstellingen. Door naar dit kader te verwijzen vraagt de Vlor zich af in welke mate er binnen dit onderzoek voorafnames zullen gebeuren op het debat over de kerntaken van de pbd’s. De pbd’s hebben n.a.v. hun visitatie ook al sterk werk gemaakt van hun interne kwaliteitszorg en het in kaart kunnen brengen van hun effecten. Ze hebben hierover samen overlegd en een gemeenschappelijke basis ontwikkeld. De Vlor vraagt om die inspanningen te valoriseren. Er moet voldoende ruimte zijn om de werking van de pbd’s aansluiting te laten blijven vinden bij de pedagogische projecten en de context van de school.
3.3 Effectieve leeromgevingen in de B-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs De Vlor kan zich grotendeels vinden in dit thema. Het beoogde onderzoek is zeer boeiend. Wel vindt de raad het niet evident dat het onderzoek aansluiting moet zoeken bij de peiling basisgeletterdheid Nederlands en wiskunde in 2022. Een peiling is een momentopname. Bovendien komt die peiling snel na de invoering van de nieuwe eindtermen. Het is essentieel om daar voorzichtig mee om te gaan.
3.4 Versterken van de handelingsbekwaamheid van leraren inzake evaluatie van leerlingen De Vlor staat positief tegenover dit thema. We hebben al eerder gewezen op het belang om scholen te ondersteunen in de kwaliteit van hun evaluatiebeleid en -praktijk.13 Dit onderzoeksthema haakt daarop in. In dit onderzoek zit de valkuil om vooral te kijken naar toetsen. Een kwaliteitsvol evaluatiebeleid is echter breed opgevat. Scholen spiegelen zich daarbij aan de kwaliteitsverwachtingen van het OK-kader. Daarnaast mag dit onderzoek niet louter een lijst met direct bruikbare didactische wenken vooropstellen. Uit de resultaten van het SONO-onderzoek over evaluatie14 blijkt dat in heel wat scholen een visie op evaluatie ontbreekt. Die visie moet ingebed zijn in een ruimere visie op onderwijs en leren. Er is vooral nood aan onderbouwde didactische inzichten zodat teams in de mogelijkheid zijn om zelf geïnformeerde keuzes te maken.
Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Onderwijskwaliteit in breed perspectief. Advies over versterken van interne kwaliteitszorg en leerlingenevaluatie, 20 december 2018. 14 Ysenbaert, J., Van Avermaet, P., & Van Houtte, M. (2018). Evaluatie & diversiteit in het basis- en secundair onderwijs. Steunpunt Onderwijsonderzoek, Gent. 13
7
3.5 Sterk buitengewoon onderwijs door in te zetten op kwaliteitsontwikkeling De Vlor vindt het belangrijk dat er in dit thema aandacht is voor de handelingsplanning omdat ook uit de Onderwijsspiegels van de onderwijsinspectie blijkt dat dit een verbeterpunt is. Daarnaast moet er in dit thema en bij de verschillende kennisvragen ook aandacht zijn voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) in scholen voor gewoon onderwijs. Bijkomend formuleert de raad volgende opmerkingen en suggesties bij de kennisvragen: ¬ A. Visie op kwaliteit van onderwijs We stellen voor om vraag 5 als volgt aan te passen: ‘Op welke wijze gaan scholen voor buitengewoon onderwijs na of de leerlingen de geselecteerde onderwijsdoelen halen, zowel op schoolniveau als op individueel niveau? Welke instrumenten worden hiervoor ingezet?’. Dat sluit beter aan bij de concrete situatie van leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Ook vragen we om CLB expliciet als partner te vermelden wat de handelingsplanning in het buitengewoon onderwijs betreft. ¬ B. Kwaliteitsbewaking in het buitengewoon onderwijs De koppeling met de leerwinstmeting roept heel wat vragen op. We vragen om volgende kennisvraag zeker toe te voegen: hoe verhoudt de leerwinstmeting zich tot handelingsplanning in het buitengewoon onderwijs en tot evaluatie als onderdeel van handelingsplanning?
3.6 Effectieve praktijken ter preventie en aanpak van spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten De Vlor benadrukt dat er al heel wat onderzoek over dit thema gebeurd is, maar begrijpt dat dit thema nu vooral een praktijkondersteunende insteek heeft door scholen op een wetenschappelijke onderbouwde manier concrete methodieken aan te bieden. Er moet vermeden worden dat er dubbel werk gebeurt, o.a. met het project ‘PEP TALK!’ dat loopt met financiële steun van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Er wordt best verduidelijkt dat de focus van dit thema op het secundair onderwijs ligt. Daarbij merken we op dat het aantal problematische afwezigheden ook in het basisonderwijs sterk toeneemt en dat een brede preventieve basiszorg en vroegdetectie belangrijk zijn. 15 De raad vraagt om een onderscheid te maken tussen de verschillende onderwijsvormen omdat die verschillende benaderingen vragen.
3.7 Gecombineerd leren in het secundair onderwijs: kenmerken, vormen en randvoorwaarden De titel van dit thema, waarin sprake is van ‘gecombineerd leren’, roept eerst en vooral de vraag op om de terminologie uit te klaren en op verschillende fora die terminologie gelijkgericht te gebruiken.
15
8
Vlaamse Onderwijsraad, Raad Basisonderwijs. Advies over problematische afwezigheden in het lager onderwijs, 18 april 2018.
De fundamentele vraag naar de wenselijkheid van gecombineerd leren maakt geen deel uit van de kennisvragen. Er wordt vooral een ontwikkelingsgericht project beoogd met de bedoeling om gecombineerd leren uit te rollen en dit vanuit de invalshoek van effectiviteit. Dat gaat voorbij aan het belang dat de Vlor hecht aan de vormende dimensie van onderwijs. Ook die moet meegenomen worden. De Vlor doet een oproep om de onderzoekers niet enkel vanuit het referentiekader van effectiviteit naar het thema te laten kijken, maar ook andere invalshoeken te laten hanteren en de blik open te trekken. Hierbij aansluitend stellen we een andere opbouw van de kennisvragen voor. Eerst moet de vraag gesteld worden wat de finaliteit is van het onderwijs. Daarna is de vraag aan de orde op welke manier vormen van gecombineerd leren kunnen bijdragen tot de realisatie van dat pedagogische project. Tot slot gaat het om de randvoorwaarden. Gecombineerd leren kan immers enkel betekenisvol en ook effectief zijn als het gerelateerd is aan het pedagogisch project. We vermoeden dan ook dat als de eerste kennisvraag van de thema-omschrijving behouden blijft dit vanuit de wetenschappelijke literatuur enkel zal leiden tot algemene antwoorden. Het is daarbij ook belangrijk om de vraag mee te nemen welke vormen van gecombineerd leren het fundamentele recht op onderwijs voor alle leerlingen maximaliseren. Bepaalde groepen worden immers moeilijk bereikt. Tot slot vraagt de Vlor zich af of twaalf maanden een realistische tijdsinschatting is om verkennend onderzoek te doen ĂŠn tegelijk te komen tot didactische wenken voor leraren.
3.8 Gecombineerd leren aan de specifieke doelgroep van laaggeletterde volwassenen en NT2 De eerdere opmerkingen bij thema 7 gelden ook bij dit thema. Aanvullend benadrukken we dat laaggeletterde volwassenen en NT2-cursisten inderdaad een moeilijke doelgroep is om te bereiken met afstandsleren. Het is daarbij belangrijk om werkelijk iedereen mee te hebben. De meest kwetsbare groep valt er vaak toch nog tussenuit. Er bestaan al heel wat inspirerende praktijken in het werkveld, ook praktijkonderzoeken. De Vlor vraagt om die mee te nemen.
9