Skip to main content

20091009_eindverslag monitoring herpetofauna rvk woesten.pdf

Page 1

Ruilverkavelingsproject Woesten

Uitvoering monitoringprogramma herpetofauna, jaar +2 (2009)

Vlaamse Landmaatschappij

Grontmij Vlaanderen Gent, oktober 2009


Colofon Deze inventarisatie werd opgesteld door: Grontmij-Econnection Meersstraat 138A 9000 Gent 09/241.59.20 e-mail: paul.durinck@grontmij.be

in samenwerking met

in opdracht van :

Vlaamse Landmaatschappij Gulden-Vlieslaan 72 1060 BRUSSEL

VLM West-Vlaanderen Velodroomstraat 28 8200 BRUGGE

Projectleider:

Paul Durinck

Projectverantwoordelijke:

Catherine Vanden Bussche

Auteur(s): Inventarisatie: Verwerking data: GIS: Relationele databank:

Dominique Verbelen, Paul Durinck Dominique Verbelen Dominique Verbelen Bert Meskens Bert Meskens

Illustraties: Fotografie: Foto voorkaft: Kaarten:

Grontmij-Econnection Natuurpunt, Grontmij-Econnection poel W3 Molenstraat Grontmij-Econnection

Publicatiedatum: oktober 2009 Oplage: 11 exemplaren Deze publicatie is eveneens digitaal beschikbaar als Word-bestand en pdf-file.


Inhoud Colofon.................................................................................................................................................... 2 Inhoud...................................................................................................................................................... 3 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 5 2. Methode............................................................................................................................................... 7 2.1 Methodiek inventarisatie............................................................................................................... 7 2.1.1 Fuikenvangst adulten ............................................................................................................. 7 2.1.2 Schepnetvangst larven ........................................................................................................... 8 2.1.3 Auditieve waarneming........................................................................................................... 9 2.1.4 Waarnemingsformulier ........................................................................................................ 10 2.1.5 Veldwerk ............................................................................................................................. 14 2.1.5.1 Periode.......................................................................................................................... 14 3. Resultaten .......................................................................................................................................... 16 3.1 Selectie van de bemonsterde poellocaties ................................................................................... 16 3.2 Beschrijving van poellocaties ..................................................................................................... 16 3.3 Waargenomen amfibieĂŤn ............................................................................................................ 25 4. Literatuur........................................................................................................................................... 27 5. Bijlagen ............................................................................................................................................. 28 5.1. Tussentijdse verslagen ............................................................................................................... 28 5.1.1 Tussentijds verslag eerste inventarisatieronde 06 - 08 april 2009 ....................................... 28 5.1.2 Tussentijds verslag tweede inventarisatieronde 25 - 27 mei 2009 ...................................... 30 5.1.3 Tussentijds verslag derde inventarisatieronde 22 - 23 en 31 juli 2009................................ 32 5.2 Datastructuur digitale bestanden ................................................................................................. 35 5.3 Situeringskaart ............................................................................................................................ 36

3


4


1. Inleiding Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het toenmalig Instituut voor Natuurbehoud (nu: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, werd een gericht monitoringprogramma opgemaakt. Dit monitoringprogramma werd goedgekeurd door de bevoegde minister op 22 februari 2002. Het monitoringprogramma heeft als doel de effectiviteit na te gaan van de maatregelen die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd voor het behoud of een verhoging van de actuele en potentiële natuurwaarden. Het beoogt een afwegingskader te creëren waaraan kan worden getoetst of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Aan de hand hiervan kan worden onderzocht of een bijstelling van het gevoerde beheer zich opdringt. Ook voor de ruilverkaveling Woesten, gelegen op de grens van de West-Vlaamse Polders en Zandlemig Vlaanderen, werd in het voorjaar 2002 een monitoringprogramma opgestart. Deze ruilverkaveling werd nuttig verklaard op 09 juni 1999 en verscheen in het Belgisch Staatsblad op 20 november 1999. De monitoring voor dit specifieke ruilverkavelingsproject bestaat o.a. uit een herhaaldelijk en gestandaardiseerd opvolgen van een aantal biotische parameters (flora, herpetofauna en een aantal ecologische broedvogelgroepen). De natuurdoelstellingen in dit project zijn vooral gericht op de ontwikkeling van halfnatuurlijke vochtige graslanden. Met betrekking tot het luik herpetofauna wordt hoofdzakelijk gestreefd naar de ontwikkeling en de verbetering van het leef- en voortplantingsgebied van de Kamsalamander. Het behoud van bestaande en aanleg van nieuwe amfibieënpoelen is hierbij van cruciaal belang.

Figuur 1:situering van het projectgebied binnen een ruimere omgeving

5


Het voorliggend rapport geeft de resultaten weer van een geselecteerd aantal poelen die op gestandaardiseerde wijze werden bemonsterd. Voor een situering van het projectgebied in een ruime context verwijzen we naar figuur 1. In 2002 werd een eerste monitoringronde uitgevoerd in zes poelen (jaar -1). In 2009 werden deze poelen opnieuw bemonsterd en werden bijkomend twee nieuw aangelegde poelen bemonsterd (jaar +2).

6


2. Methode 2.1 Methodiek inventarisatie Elke inventarisatieronde wordt uitgevoerd volgens een vooraf bepaalde methodiek. Er bestaan immers meerdere technieken om amfibieën te inventariseren: ● rechtstreekse zichtwaarneming van adulten: ’s avonds, ’s nachts of overdag ● rechtstreekse zichtwaarneming van legsels: overdag ● rechtstreekse auditieve waarnemingen: ’s avonds, ’s nachts of overdag ● vangst met fuik: ‘s nachts ● vangst met schepnet: overdag

schepnetvangst larven

schepnetvangst adulten

fuikvangst larven

fuikvangst adulten

zichtwaarneming adulten

zichtwaarneming eitjes

auditieve waarneming

Voor een uitvoerige beschrijving van elk van deze technieken, verwijzen we naar de handleiding voor de monitoring van reptielen en amfibieën (Groeneveld, 1997). De gekozen methodes zijn in sterke mate afhankelijk van de soort die men wenst te inventariseren. In figuur 2 wordt voor elke soort die potentieel in het studiegebied zou kunnen voorkomen, weergegeven welke inventarisatiemethodes tijdens dit onderzoek werden weerhouden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de voorkeursmethode (die de meest betrouwbare informatie geeft over de aanwezigheid van een soort) en aanvullende methodes. Vaak levert de combinatie van meerdere methodes het beste resultaat op.

INVENTARISATIEMETHODE Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 2: gebruikte inventarisatiemethodes met onderscheid tussen de meest efficiënte methode (zwart) en aanvullende methodes (grijs). In onderstaande alinea’s worden de meest efficiënt geachte methodes meer in detail toegelicht.

2.1.1 Fuikenvangst adulten Deze methode is optimaal geschikt om de aanwezigheid van adulte exemplaren van watersalamandersoorten in de waterbiotoop vast te stellen en wordt uitgevoerd met behulp van speciaal ontworpen amfibieënfuiken. In elke poel, ongeacht de oppervlakte, wordt één fuik geplaatst in de loop van de namiddag of de avond. De fuikmond moet steeds naar het zuiden gericht staan omdat de kans op aanwezigheid van herpetofauna in de warmste (zuidgerichte en dus meest zonbeschenen) delen van een poel het grootst is. Indien er langsheen deze oever door amfibieën geprefereerde vegetatie aanwezig is (bv. Mannagras of Liesgras), wordt de fuik tussen deze waterplanten geplaatst.

7


Figuur 3: tijdens de eerste en tweede inventarisatieronde werden de poelen bemonsterd met amfibieënfuiken (foto: Robert Jooris). Een deel van de fuik steekt altijd boven water uit zodat gevangen amfibieën zich permanent van zuurstof kunnen voorzien De fuiken moeten voldoende stabiel staan zodat ze niet door bv. hevige wind dieper in de poel kunnen wegzakken waardoor ze volledig onder water kunnen komen, de gevangen amfibieën niet langer zuurstof kunnen happen en sterven. Aangezien de gebruikte fuiken relatief duur zijn (± 220 euro per stuk), wordt het (inox, blinkend en opvallend) gedeelte van de fuik dat boven water uitsteekt, steeds bedekt met waterplanten of bladeren zodat het niet opvalt voor toevallige voorbijgangers of spelende kinderen. Het is aan te raden om geen fuiken te plaatsen in het weekend of tijdens de schoolvakanties. Wanneer deze veiligheidsvoorschriften worden gerespecteerd, wordt de kans op diefstal of vandalisme klein. Bij controle worden alle gevangen volwassen salamanders gedetermineerd, de geslachtsratio bepaald en worden alle exemplaren teruggeplaatst. Ook gevangen larven van Bruine kikker en Gewone pad worden geteld, genoteerd en teruggeplaatst.

2.1.2 Schepnetvangst larven Deze methode heeft als hoofddoel de aanwezigheid van larven van watersalamanders vast te stellen. Een poel wordt best op larven bemonsterd met behulp van een schepnet. De bemonstering gebeurt steeds vanaf de oever waarbij het schepnet over een afstand van ± twee meter (= lengte van de stok) vanuit het centrum van de poel naar de oever wordt toegetrokken, bij voorkeur over de bodem heen (om bladafval of ander dood plantenmateriaal in te zamelen) of doorheen de watervegetatie (omdat de meeste amfibieënlarven zich in de waterkolom tussen waterplanten ophouden). De watervegetatie wordt op de oever gedeponeerd, nauwkeurig en voorzichtig doorzocht. Alle vastgestelde larven worden, indien mogelijk, op soort gedetermineerd, geteld en onmiddellijk teruggeplaatst. Omdat salamanderlarven soms nog in het begin van het ontwikkelingsstadium verkeren en dus heel klein zijn, kan een beperkt aantal onopgemerkt blijven tussen de bovengehaalde vegetatie. Daarom wordt alle vegetatie, inclusief bladafval, na onderzoek opnieuw in de poel teruggeplaatst om te vermijden dat onopgemerkte larven tussen de bovengehaalde vegetatie op het land zouden achterblijven en sterven. Een dergelijke manier van inventariseren kan, wanneer ze niet oordeelkundig wordt uitgevoerd, een grondige verstoring van de waterbiotoop betekenen. Om de watervegetatie niet drastisch te verstoren en om een representatieve staalname over de hele poel te bekomen, wordt éénmaal geschept per twee meter poelomtrek met een maximum van 30 scheppen per poel. 8


Figuur 4: tijdens de derde inventarisatieronde werden alle locaties op een gestandaardiseerde manier met een schepnet bemonsterd (foto: Robert Jooris). In de databank van Hyla, de reptielen- en amfibieënwerkgroep van Natuurpunt, werd voor elke waterpartij het totaal aantal bemonsteringen ingevoerd. Door dit getal te linken aan de poelomtrek bekomt men een benadering tot inspanningsstandaardisatie. In een beperkt aantal gevallen kan de staalname niet gestandaardiseerd worden uitgevoerd. Soms bemoeilijkt de dichte randvegetatie of de diepte van de poel een gestandaardiseerde bemonstering. Dergelijke beperkende omstandigheden kunnen als opmerking op de technische fiche worden genoteerd.

2.1.3 Auditieve waarneming Bastaardkikker laat zich niet gemakkelijk door één van de vorige inventarisatiemethodes in kaart brengen. Eitjes worden afgezet dicht onder het wateroppervlak, vaak tussen een dicht kluwen van Gedoornd hoornblad, Gekroesd fonteinkruid, Canadese waterpest, Aarvederkruid, kranswieren of andere onderwaterplanten. Bij afwezigheid van waterplanten zakken de legsels naar de bodem van de waterpartij. Legsels zoeken is dan een onbegonnen zaak. Volwassen Bastaardkikkers laten zich bijna nooit in fuiken vangen. Ook deze methode is dus ongeschikt. Aangezien deze soort een uitgesproken voorkeur heeft voor grote, diepe wateroppervlaktes met een sterk ontwikkelde onderwatervegetatie ligt het niet voor de hand om larven met een schepnet te vangen: larven foerageren vooral op de bodem van de waterpartij, vaak tussen dichte plantengroei. Bovendien zijn het zeer snelle zwemmers. De combinatie van bovenstaande factoren bemoeilijkt een schepnetbemonstering van larven. Ook adulten laten zich niet goed met een schepnet vangen. Enkel visuele en auditieve waarnemingen van adulten resten. Daarom werd bij elk terreinbezoek extra aandacht besteed aan auditieve waarnemingen. Mannetjes van Bastaardkikker produceren zes verschillende roepen: één paringsroep, twee territoriumroepen, twee bevrijdingsroepen en één stressroep. Van alle roepen is de paringsroep de 9


meest opvallende. Deze roep is echter slechts tijdens een vrij korte periode van het jaar hoorbaar en de meeste roepactiviteit is waar te nemen in volle voortplantingsperiode, wanneer roepende mannetjes zich in paarkoren verzamelen. Deze periode situeert zich vooral tussen eind april en eind mei, begin juni. De roepfrequentie en de periode van roepen is dan sterk afhankelijk van het weer en vooral van de lucht- en watertemperatuur. Bastaardkikkers roepen vooral bij warm weer en wanneer de watertemperatuur tussen 17 en 22 °C schommelt. Bij temperaturen beneden 10 tot 12 °C stopt de roepactiviteit. Ook de periode van het jaar beïnvloedt de roepactiviteit. Zo is het roepgedrag in de periode kort voor de copulatie meer afhankelijk van de weersomstandigheden dan in volle paringsperiode. Bastaardkikker kan doorgaans best worden geïnventariseerd tijdens de laatste twee decades van mei, op warme avonden, tussen een uur voor en een uur na zonsondergang. Om de roepactiviteit van aanwezige exemplaren te stimuleren, kan de paringsroep worden afgespeeld. Mannetjes reageren hierop immers vrij goed. Goede opnames zijn in de handel beschikbaar (Jooris, 2002). Wanneer zonder geluidsopnames wordt geïnventariseerd, kunnen mannetjes ook door andere geluiden tot paringsroep worden aangezet. Niet zelden reageren groene kikkers immers op plotse geluiden zoals overvliegende vliegtuigen, voorbijrijdende treinen, autodeuren die worden dichtgeklapt, handgeklap. Een bijkomende manier om de aanwezigheid van groene kikkers vast te stellen, is het ‘plonzen tellen’. Bastaardkikkers zonnen vaak in de oeverzone. Wanneer ze worden verstoord, plonzen ze in het water, op zoek naar een veilige schuilplaats. Bruine kikker en Gewone pad vertonen dit gedrag niet of nauwelijks waardoor er met quasi zekerheid kan worden van uitgegaan dat plonzen steeds afkomstig zijn van groene kikkers. In het plangebied komt Meerkikker vooralsnog niet voor en kan elke plons dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden toegeschreven aan Bastaardkikker.

2.1.4 Waarnemingsformulier Voor elke bezochte poellocatie werd een technische fiche ingevuld. Hiervoor werd het standaardformulier gebruikt dat is opgemaakt in het kader van een project van het Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling (VLINA) dat tot doel had de recente veranderingen in de status van amfibieën en hun biotopen in het landelijk gebied te kwantificeren (Colazzo et al., 2002). Dit waarnemingsformulier fungeerde als leidraad voor een éénvormige en volledige inventarisatie van elke bezochte waterpartij. Het formulier werd volledig ingevuld bij het eerste poelbezoek. Alle gegevens werden ingevoerd in de centrale Hyla databank en een selectie van deze gegevens werd weerhouden in de beschrijving van elke poel die in dit rapport wordt weergegeven. Gegevens over de ligging en de kenmerken van elke waterpartij leveren vaak cruciale informatie op over hoe een poellocatie zich verhoudt tot de omgevende landbiotoop, aan welke bedreigingen de poel onderhevig is, welke biotische en a-biotische factoren kunnen verklaren waarom een waterpartij al dan niet een geschikte voortplantingsplaats vormt voor amfibieën. Opdat alle onderzochte poelen in het studiegebied ook in de toekomst op een gestandaardiseerde wijze zouden kunnen worden gemonitord, wordt in onderstaande paragrafen bij elk van de genoteerde kenmerken enige toelichting gegeven. Ook voor nieuw te onderzoeken poelen moet deze manier van gegevensopname worden gevolgd. ● poelnummer: aan elke poel wordt een identificatienummer toegekend. Dit unieke volgnummer bestaat steeds uit zes cijfers waarbij de eerste drie verwijzen naar het kaartbladnummer van de topografische kaart, opgemaakt door het Nationaal Geografisch Instituut. De volgende drie cijfers zijn de volgcijfers van elke poel binnen het kaartblad. De totale cijfercombinatie (bv. 205.080) vormt het unieke identificatienummer waaronder elke onderzochte poel in de Hyla databank is opgenomen. ● gemeente, deelgemeente, plaatsnaam: voor elke poel wordt op de technische fiche aangegeven in welke gemeente en welke deelgemeente deze is gelegen.

10


● waarnemer: de naam van de persoon die de inventarisatie uitvoert, moet steeds op het inventarisatieformulier worden ingevuld. In de databank worden ook de volledige coördinaten van die persoon opgenomen zodat in geval van onduidelijkheid, de waarnemer kan worden gecontacteerd. In het kader van het voorliggend project werden alle poelen geïnventariseerd door Dominique Verbelen, Torrekensstraat 41, 9820 Munte, GMS 0484 119 899, e-mail: dominique.verbelen@natuurpunt.be. ● datum: voor elk bezoek wordt dag, maand en jaar opgegeven. ● aanwezigheid poel: hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën. Deze opsplitsing is vooral van belang wanneer gegevens ook later nog worden gebruikt in het kader van een opvolgingsstudie. 1: verdwenen: de opgegeven poellocatie is niet terug te vinden. Indien gekend, wordt genoteerd wanneer de poel is verdwenen. Indien gekend wordt ook de reden van verdwijnen (gedempt, bebouwd, verkaveling,…) genoteerd. 2: aanwezig: de poellocatie wordt teruggevonden op de plaats waar ze op het door de VLM aangeleverde kaartmateriaal werd aangeduid. Ook hier is het interessant om, indien mogelijk, het jaar van aanleg op te geven. Deze informatie is nuttig om bv. uitspraak te doen over de snelheid waarmee pas aangelegde poelen door amfibieën worden gekoloniseerd. 3: nieuw: een nieuw aangelegde poel. Ook hier wordt het jaar van aanleg steeds opgegeven indien deze informatie voorhanden is. Alle aanwezige of nieuwe waterpartijen worden verder omschreven aan de hand van volgende kenmerken: ● uitzicht: deze algemene beoordeling is eerder subjectief maar wordt verder toegelicht aan de hand van een meer gedetailleerde onderverdeling. 1: goed: een ‘goede’ poel, met helder water, een typische oever- en watervegetatie, geen eutrofiëring of andere zichtbare vormen van vervuiling, geen verlanding. 2: middelmatig: tussen 1 en 3. 3: slecht: een verwaarloosde poel met geëutrofieerd water (algenbloei), verregaande vorm van verlanding en/of andere zichtbare vervuiling. Bovenstaande beoordeling wordt genuanceerd onder de volgende categorie: ● poelstatus: deze categorie geeft meer detail over de mate waarin de poel negatief wordt beïnvloed en wordt dus vooral ingevuld wanneer het algemeen uitzicht als ‘middelmatig’ of ‘slecht’ wordt beoordeeld. 1: droog: de poellocatie bevat op het ogenblik van het bezoek geen water. 2: verlanding: de poel verlandt stilaan door sedimentatie (bv. opstapeling van organische plantenresten) en begroeiing (bv. dichtgroeien door opslag van wilg, els, grassen, …). 3: stortafval: aanwezigheid van huishoudelijk afval, inerte materialen of ander stortafval (plastic blikjes, oude autobanden, andere auto-onderdelen, huisvuilzakken, bouwafval, ijskasten, …). 4: vervuild: er zijn zichtbare sporen van chemische vervuiling aanwezig. Meestal wordt deze categorie genoteerd wanneer een duidelijke, grote olieachtige vlek op het wateroppervlak aanwezig is die niet afkomstig is van natuurlijke, ijzerhoudende kwel. Ook wanneer huishoudelijk afvalwater van woningen die niet op het rioleringsnetwerk zijn aangesloten, via een lozingspunt in een waterpartij (meestal een sloot of beek) wordt afgevoerd, wordt ‘vervuild’ als poelstatus opgegeven. 5: bemest: er zijn zichtbare sporen van (opzettelijke) bemesting, door kunst- of door drijfmest. Dit is meestal het geval wanneer een poel grenst aan een akker en de mest van de akker in de poel insijpelt. Vaak zijn er dan mestsporen op de oever zichtbaar en is het water sterk geëutrofieerd. Ook wanneer de drain-off van een nabijgelegen mestvaalt in de poel komt, wordt de poel als ‘bemest’ getypeerd. 11


6: geen: er zijn geen opvallende tekenen van negatieve invloed waarneembaar. ● beheer en gebruik van de poel: onder deze rubriek wordt vooral informatie gegeven over de mate waarin de poel wordt onderhouden. 1: betreding/begrazing: wanneer vee het water kan bereiken, wordt deze categorie weerhouden. Hierbij gaat het enkel om viervoeters. Betreding of begrazing door ganzen, eenden en kippen wordt hier niet onder verstaan. Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen de graad van betreding/begrazing: geen deels: enkel een deel van de oever kan worden betreden. volledig: de oever ligt volledig vrij en wordt aan alle zijden betreden. 2: opgeschoond: een poel waaruit de vegetatie (regelmatig) wordt verwijderd om verlanding tegen te gaan. Indien gekend, wordt het jaar van de laatste schoning genoteerd. 3: geruimd/ uitgediept: deze categorie is van toepassing wanneer bodemsediment uit een poel werd verwijderd. Recente ruiming is doorgaans merkbaar aan de aanwezigheid van baggerspecie op de oever. Indien gekend, wordt het jaar van de laatste ruiming of uitdieping opgegeven. ● poeltype: deze categorie beschrijft het type van de waterhabitat in meer detail. Onderstaand worden enkel de types weerhouden die potentieel in het plangebied kunnen voorkomen. Vennen, groeveplassen, kreken, duinpannen en dergelijke worden dus niet in deze selectie besproken. 1: bron/bronpoel: een waterpartij ontstaan door opwelling van bronwater. Dit type wordt enkel als dusdanig genoteerd wanneer opwelling duidelijk zichtbaar is. Wordt de aanwezigheid van een opwellende bron vermoed (bv. omwille van een aantal kwelindicatoren) maar is de opwelling niet zichtbaar, dan wordt de locatie als ‘poel’ getypeerd. 2: poel: een waterpartij van geringe oppervlakte (in een weide, bos, moeras, broek, …) die meestal op natuurlijke of toevallige wijze is ontstaan. Ook veedrinkpoelen worden als ‘poel’ gedefinieerd. 3: bomkrater: een depressie ontstaan door de inslag van een ontplofte bom of landmijn. 4: vijver: een waterbekken aangelegd op natuurlijk substraat (uitgegraven of aangepast), al dan niet gebruikt voor viskweek of hengelsport. Hiertoe behoren ook siervijvers, park- en tuinvijvers, kasteel- en molenvijvers, zwem- en recreatievijvers, waterbekkens voor tuinbouwirrigatie. 5: kunstmatig: een bak of geul in beton of kunststof (bv. een opstaande of gelijkgrondse betonnen veedrinkbak in een weide), tuinvijvertjes aangelegd op kunstmatig substraat (betoniet, polyester, …). Om welk type van kunstmatige waterkom het gaat, wordt op de technische fiche geduid. 6: ondergelopen terrein: een tijdelijke plas, veelal ontstaan na hevige of langdurige regenval of door overstroming van een nabijgelegen waterloop. 7: greppel: deze term wordt voorbehouden aan ondiepe watergangen die minder dan één meter breed zijn. Het onderscheid tussen een greppel en een sloot is niet altijd even duidelijk. 8: sloot: kunstmatige, smalle afwateringskanalen, breder dan één meter, die niet of slechts tijdelijk uitdrogen en waarin de stroming van het water kan variëren van stilstaand tot snelstromend. 9: beek: een lijnvormig, meanderend landschapselement (voor zover het niet door menselijk handelen werd beïnvloed) met stromend water. In de meeste gevallen zijn bestaande namen een goede indicatie om waterpartijen tot deze categorie te rekenen (bv. Poperingse Vaart, Zandvoordebeek, …). 10: wal: een ringvormige plas, doorgaans rond een oude hoeve of een kasteel, met vrijwel stilstaand water, die hoogstens in verbinding staat met greppels of sloten om in afwatering te voorzien. ● stroming: hierbij wordt de stroming van het water opgedeeld in twee ruwe klassen: ● stilstaand ● stromend 12


● beschaduwing: schatting van de procentuele beschaduwing van het wateroppervlak. Deze categorie wordt verder onderverdeeld in slechts twee ruwe klassen aangezien de beoordeling van dit criterium afhankelijk is van een veelheid aan factoren (variatie naargelang het seizoen, het moment van de dag, weersomstandigheden, …): ● < 33%: minder dan één derde van het wateroppervlak wordt beschaduwd. ● > 33%: meer dan één derde van het wateroppervlak wordt beschaduwd. ● dood plantenmateriaal: schatting van de hoeveelheid dood plantenmateriaal dat zich op de bodem van de waterpartij bevindt. Hiertoe rekent men afgestorven waterplanten (bv. Liesgras, Mannagras, Riet, Grote lisdodde of zegges) en/of afgevallen bladeren (van bomen in de omgeving) die nog duidelijk als dusdanig kunnen worden herkend. Deze parameter kan het best worden ingeschat door met een schepnet over de bodem van de waterpartij te slepen. Opnieuw wordt een ruwe onderverdeling gemaakt in drie categorieën: ● weinig of geen dood plantenmateriaal ● kleine hoeveelheid dood plantenmateriaal: een dunne laag bedekt enkel een deel van de bodem. ● grote hoeveelheid dood plantenmateriaal: een vaak dikke laag komt verspreid over de ganse bodem voor. ● vegetatie: hierbij wordt de procentuele bedekking van het wateroppervlak ingeschat. De vegetatieve bedekking varieert naargelang het seizoen. Het getal dat in de centrale Hyla databank wordt opgenomen, geeft een aanduiding van de procentuele bedekking die werd vastgesteld tijdens de eerste inventarisatieronde. De vegetatieve bedekking wordt opgesplitst in: ● ondergedoken vegetatie: alle levende blad- en stengelachtige structuren die zich onder het wateroppervlak bevinden. In hoofdzaak wordt hiermee een aantal soortgroepen bedoeld als kranswier, hoornblad, vederkruid, waterranonkel, waterpest, sterrenkroos: planten die bijna niet boven het wateroppervlak uitsteken. ● drijvende vegetatie: alle waterplanten waarvan de bladeren op het water drijven. Hierbij gaat het voornamelijk om soorten als Kikkerbeet, Gele plomp, Witte waterlelie, sommige fonteinkruiden, kroos, … ● verticale vegetatie: stengelachtige structuren waarvan de bladeren grotendeels boven water staan (bv. Riet, Grote lisdodde, Grote waterweegbree, Liesgras, Mannagras, Kalmoes, Grote egelskop, …). ● algen: algen die op of in het water drijven, al dan niet vastgehecht. Er kan een zeer rudimentair onderscheid worden gemaakt tussen enkele grote groepen. De hiernavolgende benamingen refereren naar populair gebruikte termen en groeperen vaak zeer uiteenlopende wiersoorten: algenbloei: ook wel bekend als ‘erwtensoep’, veroorzaakt door de groei en bloei van plankton. De kleur varieert van groen tot bruin, naargelang de algensoort. Hierdoor is het water in meerdere of mindere mate ondoorzichtig. ‘slijmmatten’: een mengeling van algen en bacteriën die slijmachtig aanvoelt en op het wateroppervlak drijft. De kleur kan, naargelang de algensoort en het stadium van verrotting, variëren tussen wit, groen, bruin of blauwig. ‘flap’: groene draadwieren die vastzitten tussen waterplanten of vrij drijven. ● predatoren: de aan- of afwezigheid van soorten die amfibieën prederen, wordt genoteerd. Aandacht gaat vooral uit naar: ● ongewervelden: vooral de aanwezigheid van libellenlarven, kokerjuffers, waterwantsen (bv. Waterschorpioen, Staafwants) bootsmannetjes, …) en (larven van) waterroofkevers (bv. Geelgerande watertor) wordt genoteerd. ● vissen: door vangst in fuiken en met de schepnet, kon een aantal vissen tot op soortniveau worden gedetermineerd (Driedoornige stekelbaars, Tiendoornige stekelbaars, Blauwbandgrondel). Alle exemplaren werden ter plaatse op naam gebracht en teruggezet. Ook

13


visuele waarnemingen van vissen waarvan de soort niet kan worden bepaald (meestal karpersoorten), worden genoteerd. ● wilde watervogels: bijzondere aandacht wordt besteed aan soorten die vooral adulte amfibieën als voedsel gebruiken (Blauwe reiger, IJsvogel, Fuut, …) maar ook andere soorten worden genoteerd (Meerkoet, Waterhoen, Kuifeend, …). ● tamme watervogels ● schildpadden: meestal blijft deze categorie beperkt tot de exotische Roodwangschildpad maar ook andere soorten als Geelwangschildpad en bijtschildpadden kunnen worden genoteerd. In het projectgebied werden echter geen waterschildpadden opgemerkt. ● poelomtrek: de poelomtrek, uitgedrukt in m, wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt bij uitdrogende poelen dit getal sterk af. Indien de poel op de digitale versie van de meest recente topografische kaarten en/of orthofoto’s staat aangegeven, kan de maximale poelomtrek exact digitaal worden bepaald. Er werd dan ook geen moeite gedaan om een ruwe schatting van de poelomtrek te maken tijdens het terreinbezoek. ● poeloppervlakte: de poeloppervlakte, uitgedrukt in m², wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt het wateroppervlak bij uitdrogende poelen sterk af. Indien de poel op de digitale versie van de meest recente topografische kaarten en/of orthofoto’s staat aangegeven, kan de maximale poeloppervlakte exact digitaal worden bepaald. Er werd dan ook geen moeite gedaan om een ruwe schatting van de poeloppervlakte te maken tijdens het terreinbezoek. ● poeldiepte: de poeldiepte, uitgedrukt in cm, wordt bij elk bezoek op het standaardformulier genoteerd. Naarmate het seizoen vordert, neemt de poeldiepte bij uitdrogende poelen sterk af. De poeldiepte wordt doorgaans gemeten met een gegradeerde stok. In het voorliggend rapport werd hier geen aandacht aan besteed. Wel werd in september nagegaan of de poel nog waterhoudend was en hoeveel water deze bevatte (geen, weinig, matig, veel).

2.1.5 Veldwerk 2.1.5.1 Periode In totaal werden drie inventarisatierondes uitgevoerd. Een eerste en tweede inventarisatieronde, de ‘fuikenrondes’, werden uitgevoerd op 22 april 2009 en 27 mei 2009. Tijdens deze rondes werden alle poelen geïnventariseerd met fuiken waarbij het vaststellen van adulte watersalamanders als voornaamste doel werd vooropgesteld. Op 4 september 2009 werden alle poelen nogmaals bezocht. Dit vierde bezoek had tot reden om vast te stellen of de poelen blijvend waterhoudend zijn. Normaal staan de grondwaterstanden tijdens de periode eind augustus – begin september het diepst onder het maaiveld. Dit was zeker zo tijdens 2009 waar een lange periode van weinig neerslag oorzaak was van zeer lage grondwaterstanden. Dit was dan ook een ideaal controlemoment. De periode waarin de fuiken werden geplaatst, viel samen met de maximale aanwezigheid van adulten van alle watersalamandersoorten in de waterbiotoop (figuur 5). Aanvullend werd (op de dag dat de fuik werd gelicht) elke poel bemonsterd met een schepnet waarbij (indien praktisch haalbaar) gestandaardiseerd één keer werd geschept om de twee meter poelomtrek met een maximum van 30 bemonsteringen per poellocatie. Aangezien beide rondes samenvielen met de ideale periode om de aanwezigheid van larven van Bruine kikker en Gewone pad vast te stellen, konden beide soorten tijdens dit project ook optimaal worden geïnventariseerd. Ook zichtwaarnemingen en auditieve waarnemingen (i.c. van Bastaardkikker) werden genoteerd.

14


ongeschikte periode

geschikte periode

beste periode MAAND jun jul aug

FUIKENRONDE

jan feb maa apr mei sep okt nov Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 5: periode waarin adulte amfibieën in de waterbiotoop kunnen worden aangetroffen.

dec

De derde inventarisatieronde, ‘de larvenronde’, ging door op 22, 23 en 30 juli 2009. Hierbij werden alle poelen op een gestandaardiseerde manier met een schepnet bemonsterd om de aanwezigheid van amfibieënlarven in kaart te brengen. De periode waarin de poelen met een schepnet werden bemonsterd, viel samen met de maximale aanwezigheid van larven van alle watersalamandersoorten in de waterbiotoop (figuur 6). Voor larven van Bruine kikker en Gewone pad viel de datum van deze larvenronde te laat. LARVENRONDE jan feb

maa apr

mei

MAAND jun jul aug

sep okt nov Alpenwatersalamander Kamsalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Figuur 6: periode waarin amfibieënlarven in de waterbiotoop kunnen worden aangetroffen.

dec

15


3. Resultaten 3.1 Selectie van de bemonsterde poellocaties De opdrachtgever bezorgde de opdrachthouder een selectie van acht poellocaties die moesten worden bemonsterd binnen het plangebied van de ruilverkaveling Woesten. Bij een eerste terreinbezoek bleek dat poellocatie Woesten 7 (nog) niet werd aangelegd. Hierdoor kon dus één poel van de aanvankelijk selectie niet worden bemonsterd.

3.2 Beschrijving van poellocaties Elke bemonsterde locatie wordt volgens een vast stramien besproken. Onder beschrijving van de omgeving wordt de poellocatie in een ruimer kader gesitueerd. Hoe ziet het omgevend landschap er uit? Is de landbiotoop geschikt voor amfibieën? Zijn er voldoende schuilmogelijkheden in de directe omgeving? Hoe wordt de poel van water voorzien? Wat is de afstand tot andere waterpartijen die door amfibieën worden gebruikt? Zijn er voldoende migratiemogelijkheden? Hoe zit het met omgevend het grondgebruik? Onder vegetatie komt dan vooral de vegetatie in en op de oevers van de poel aan bod. Bijzondere aandacht gaat uit naar verlandingssoorten, planten die een duidelijke aanwijzing geven over de voedselrijkdom van het water, soorten die door amfibieën vaak worden gebruikt om eitjes op af te zetten. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen ondergedoken, drijvende en verticale vegetatie en wordt de bedekkingsgraad van een aantal soorten in dit tekstdeel opgenomen. De Nederlandse plantennamen die in dit rapport worden gebruikt zijn afkomstig uit Lambinon et al., 1998. Bij knelpunten en beheer worden de factoren opgelijst die de poellocatie negatief beïnvloeden als waterbiotoop voor amfibieën. De knelpunten die in kaart werden gebracht, zijn veelvuldig: insijpeling van meststoffen, een te sterke beschaduwing, aanwezigheid van vis, intense betreding van de oevers door vee, verlanding, akkers als aangrenzende biotoop, droogvallen van de poel, isolatie van de poel t.o.v. andere waterbiotopen, enz. Er worden voorstellen gedaan om aan deze knelpunten te verhelpen. Een aantal van de beheersvoorstellen kan op korte termijn en goedkoop worden uitgevoerd. Een aantal beheersingrepen is éénmalig (bv. aanleg van een bufferstrook tussen een poel en een aangrenzende akker), een aantal moet periodiek worden herhaald (bv. ruiming van organisch materiaal). Hoe het ook zij: vaak kan met een geringe inspanning een merkbare verbetering worden gerealiseerd. Bij alle poelen wordt ook het belang geduid. Vaak gaat het over het voorkomen van amfibiesoorten, grotere aantallen (zowel van larven als adulten) of de rol die een bepaalde poel speelt binnen elk van de deelgebieden als belangrijkste voortplantingsplaats of als stapsteen naar andere poelen toe. Ook de aanwezigheid van minder algemene vissoorten (bv. Bermpje, Bittervoorn) kan hierbij worden aangehaald. Tot slot worden de aanwezige soorten amfibieën opgelijst die tijdens deze opdracht werden aangetroffen. Poellocatie Woesten 1 (identificatienummer Hyla-databank: 205.307) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

16


Beschrijving Deze poel ligt langsheen de Burgweg en ligt in openbaar domein. Aan de oostkant word de poel begrensd door een soortenarm permanent cultuurgrasland. De van de zuidwestzijde van dit grasland wordt afgezoomd met een ecologisch waardevolle omgeving houtkant op basis van meidoorn. Hierin werd een zangpost van Zomertortel vastgesteld. Het noordelijk deel van deze houtkant werd in de winter van 2008 door de grondgebruiker van het oostelijk aangrenzend weiland geklepeld, naar eigen zeggen ‘omdat het niet meer te doen was’. Het lijkt ernaar alsof de vitaliteit van de houtkant hierdoor werd aangetast. Rond de poel komen een drietal oude knotwilgen voor.Ten zuiden wordt de poel begrensd door een akker op lemige bodem. Volgens de gebruiker van het oostelijk aangrenzend grasland, werd een deel van de Vegetatie waterplanten ingebracht door een buurtbewoner. Dit werd ook reeds opgemerkt tijdens een terreinbezoek in 2002 toen o.a. Aarvederkruid, Grote boterbloem en Glanzig fonteinkruid werd genoteerd (Econnection, 2002). Tijdens de inventarisatierondes van 2009 nam Glanzig fonteinkruid een aanzienlijk percentage van het open water in. Glanzig fonteinkruid is een robuuste bewoner van (matig) carbonaat- en voedselrijk, zoet water met een ruime tolerantie t.a.v. diverse standplaatsfactoren (Weeda et al., 1994, deel 4). Zowel in horizontale als in verticale richting kan de soort fors uitdijen en met zijn vlak onder de waterspiegel zwevende bladeren laat het zich niet gemakkelijk door waterplanten met echte drijfbladeren verdringen. Mooi ontwikkelde planten, zoals in deze poellocatie, zijn typerend voor helder water; bij matige vervuiling houdt de plant wel stand maar wordt vaak onooglijk. Vooral voor ammoniak blijkt de soort erg gevoelig. In 2009 werden hier ook drie plantjes Waterdrieblad opgemerkt. Een brede gordel van Grote lisdodde, Gele lis en Scherpe zegge, nemen een aanzienlijk deel van de poel in. Door de afstervende plantendelen van deze laatste drie, is er een grote hoeveelheid dood organisch materiaal in de poel aanwezig. In de oeverzone staat o.a. nog Blaartrekkende boterbloem, Grote waterweegbree en Watermunt. Knelpunten Grote lisdodde is een moerasplant die vooral goed gedijt in milieus die aan ingrijpende veranderingen onderhevig zijn. De plant groeit bij voorkeur op beschutte plaatsen, in en beheer wateren van beperkte omvang of in moerassen die al vrijwel geheel verland zijn. Vooral vestigt zij zich op luwe plekken in ondiep water waar veel slib en/of organisch afbraakmateriaal wordt afgezet en die aldus met een weke moddermassa gevuld raken. Vallen zulke plaatsen dan ook nog droog, dan ontstaat het ideale milieu voor Grote lisdodde. De massa’s organische resten komen dan met zuurstof in contact en worden geoxideerd. Onder zulke omstandigheden kan de plant massaal kiemen en/of zich met haar uitlopers zeer snel uitbreiden zodat ze niet zelden hoofdbestanddeel van de begroeiing wordt, mits de grond niet uitdroogt (Weeda et al., 1994 deel 5). Grote lisdodde laat in de winter wel zelf een hoeveelheid strooisel achter, wat verdere verlanding in de hand werkt. De diepste zones van de poel zijn vermoedelijk permanent waterhoudend waardoor Grote lisdodde op de plaatsen alvast minder goed gedijt. Deze waterhoudendheid werd bevestigd tijdens de najaarscontrole. De poel bevatte toen nog veel water. Om ook de vestiging in de ondiepe stukken enigszins onder controle te houden, wordt voorgesteld Grote lisdodde te maaien in de zomer en het strooisel af te voeren. Maaien in de zomer (bij voorkeur in juli, eventueel gevolgd door een tweede maaibeurt in de nazomer) grijpt drastisch in op de planten: door het afmaaien in volle groei kan er minder fotosynthese plaatsvinden. Dit leidt tot een verzwakking van de dominante soort (Hermy et al., 2004). Het is van belang de soort onder water te maaien, zodat het resterende deel a.h.w. wordt verzopen. Bovendien zou de poel op termijn ook nog verder kunnen dichtgroeien door spontane opslag van wilg. Naast maaien van de oevervegetatie is ruimen van de poel zeker aangewezen. Vooral langs de zuidkant kan dit uitgevoerd worden. Tegelijkertijd kan eventueel de poel vergrooot worden in noordwestelijke richting. Volgens de landbouwer die het oostelijk aangrenzend grasland gebruikt, werd hier in het verleden ook vis uitgezet maar dit kon tijdens geen van de drie bemonsteringsrondes worden bevestigd. Dit is de enige locatie waarin twee soorten watersalamanders werden aangetroffen. Belang Belangrijk: het is bovendien de enige poel waarin succesvolle voortplanting van 17


Aanwezige soorten

Alpenwatersalamander kon worden aangetoond. De dichtheid aan larven van Alpenwatersalamander is hoog (40 larven op zeven bemonsteringen). Hoewel tijdens de eerste en de tweede ronde telkens twee mannetjes Kleine watersalamander werden gevangen, lijkt de soort zich hier niet meer voort te planten. Het herpetologisch belang lijkt door de jaren heen te zijn afgenomen In 1998 en 2002 werd hier nog succesvolle voortplanting van Alpenwatersalamander en Kleine watersalamander vastgesteld. Een larve van Kamsalamander werd gevangen tijdens een bemonstering op 11 juni 2004. Aangezien het landhabitat in de onmiddellijke omgeving sindsdien vermoedelijk niet ingrijpend is gewijzigd, lijkt de kans reĂŤel dat de soort ook nu nog in de buurt aanwezig is, zeker gezien de hoge dichtheid aan poelen in de directe omgeving. Een intensieve monitoring van alle poellocaties in een straal van 1.000 m omheen deze poel dringt zich op om na te gaan of hier nog een populatie Kamsalamanders voorkomt. Door een hoge bedekkingsgraad aan drijvende en verticale vegetatie kan de poel niet optimaal worden bemonsterd met schepnet. Tijdens het onderzoek werden Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander en Bastaardkikker vastgesteld.

Poellocatie Woesten 2 (identificatienummer Hyla-databank: 205.308) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Deze poel ligt in een akker langsheen de Nieuwstraat en wordt aan de zuidkant afgeboord met Italiaanse populier. Net ten noorden, aan de overzijde van de van de Nieuwstraat, ligt een bouwvallige boerderij met restanten van een meidoornhaag, oude omgeving knotbomen, inkomlinde en twee poelen. De poel is particuliere eigendom. Een aantal van de knotwilgen is er door een gebrek aan regulier beheer echter recent gesneuveld en op het terrein ligt een grote hoop gestapeld kruinhout die kan fungeren als schuilplaats voor kleine zoogdieren en amfibieĂŤn. Het omgevend grondgebruik wordt in hoge mate bepaald door intensief bewerkte akkers op een lemige bodem. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Een kleine hoeveelheid algen werd door de wind samengedreven in de noordoosthoek. Vegetatie In de oeverzone valt vooral Gele lis en Rietgras op. Knelpunten Door de steile oevers is het zeer moeilijk om deze locatie goed te bemonsteren met schepnet. Zoals wel vaker het geval is, wordt de aangrenzende akker tot zeer dicht en beheer tegen de poel aan omgeploegd en is er geen buffer tussen poel en akker. Instroming van pesticiden kan hierdoor een knelpunt vormen. Gezien de poelkarakteristieken (diep, volledig omgeven door akker, vis, geen onderwatervegetatie, geen drijvende vegetatie, â&#x20AC;Ś) lijkt het niet opportuun om te proberen deze poellocatie op te waarderen. Het herpetologisch belang van deze poel is zeer gering. Belang Aanwezige Gewone pad. soorten

18


Poellocatie Woesten 3 (identificatienummer Hyla-databank: 205.203) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Deze poel ligt aan de westkant van de Molenstraat en wordt aan de westrand begrensd door een maĂŻsakker. De poel is particuliere eigendom. De poel ligt in een soortenarm van de permanent cultuurgrasland. Uit de poel wordt door de gebruiker van het aangrenzend omgeving weiland water betrokken voor het vee. De weide wordt in het noorden deels afgeboord door een houtkant met meidoorn en een oude knoteik. In de omgeving, binnen de dispersieafstand van watersalamanders, ligt nog een aantal andere veedrinkpoelen. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Bij de eerste en tweede inventarisatieronde lag er enkel kroos in de oeverzone maar bij Vegetatie de derde ronde was het ganse wateroppervlak ingenomen door een dik kroosdek. De volledige poel heeft een brede gordel van oevervegetatie met o.a. Gele lis, Grote waterweegbree, Veerdelig tandzaad, Krulzuring, veel Grote egelskop en enkele jonge lage knotwilgen. Een aantal wilgen op de oever zijn goed onderhouden en zorgen slechts voor een zeer geringe mate van beschaduwing. Knelpunten Deze poel behoeft eigenlijk nog geen beheer. Wel zou moeten worden onderzocht wat de reden is van de hoge trofiegraad zodat aan de het dikke kroosdek kan worden en beheer verholpen. Deze poellocatie werd uitvoerig bemonsterd omdat dit in het verleden de enige locatie Belang was waar (herhaaldelijk) Kamsalamander werd aangetroffen. Ondanks intensieve bemonstering met schepnet en fuik, werd de soort hier niet meer terug gevonden. Er moet worden opgemerkt dat bij de voorgaande uitvoering van het monitoringprogramma herpetofauna binnen de ruilverkaveling van Woesten (2002), een door de opdrachthouder geplaatste fuik door onbekenden centraal in de poel werd gegooid. Kamsalamanders in de fuik konden niet meer voorzien in hun zuurstofbehoefte en werden bij controle dood in de fuik aangetroffen (Econnection, 2002). Voor een lokale populatie met een beperkt aantal reproductieve exemplaren, kan het verlies van een enkele individuen al een ingrijpende, negatieve impact hebben. Tijdens een terreinbezoek op 11 juni 2004 werden door de VLM nog 8 larven van Kamsalamander waargenomen. Nadien werd de soort er niet meer aangetroffen. Zoals ook werd voorgesteld bij andere poellocaties waarvan historische waarnemingen van Kamsalamander voorliggen (poellocatie Woesten 1), wordt aangeraden om alle poelen in een straal van 1.000 m omheen deze poellocatie te bemonsteren met fuik en schepnet. De dichtheid aan poelen rond deze poel is nog steeds aanzienlijk waardoor de kans op een herontdekking van Kamsalamander in dit deel van het plangebied reĂŤel lijkt. Het is meer aangewezen om de ruime omgeving van beide historische vindplaatsen te bemonsteren dan om nogmaals alle poelen te inventariseren die het onderwerp vormen van voorliggend rapport. Op figuur 7 staan alle gekende historische waarnemingen van Kamsalamander uit het noordoostelijk deel van Woesten. Er bevindt zich duidelijk een cluster aan waarnemingen in de omgeving van de Beukmolenstraat, de Vlasbloemstraat, Omloop-Noord en de Molenstraat. Hierbij moet worden opgemerkt dat het weiland met de kamsalamanderpoel ten noorden van het oostelijk deel van Omloop-Noord recent werd gescheurd waardoor deze locatie

19


Aanwezige soorten

mogelijk niet langer fungeert als geschikte voortplantingsplaats. Alpenwatersalamander en Gewone pad.

Figuur 7: aanduiding van alle gekende waarnemingen van Kamsalamander in het noordoosteljik deel van Woesten (bron: databank Hyla) Poellocatie Woesten 4 (identificatienummer Hyla-databank: 281.309) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Het omgevend grondgebruik wordt gedomineerd door intensief gebruikte akkers op een lemige of kleiige bodem. De weinige graslanden in de buurt zijn soortenarme van de permanente cultuurgraslanden of zeer soortenarme (vaak tijdelijk) ingezaaide omgeving graslanden met een zeer geringe ecologische waarde. Op enkele veedrinkpoelen na, zijn er nauwelijks kleine, geleidende landschapselementen aanwezig. De poel zelf ligt als een desolaat restant in een akker die in 2009 werd bepoot met aardappelen en is omringd door 16 knotbomen (wilg, populier en els). Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog vrij veel water. De poel is particuliere eigendom. Watervegetatie is door de sterke beschaduwing ontbrekend. Op de oever staat enige Vegetatie ruderale vegetatie met vooral Wolfspoot, Harig wilgenroosje, Gele lis en Grote waterweegbree.

20


Knelpunten Deze locatie heeft alles tegen. De omgevende landhabitat bestaat grotendeels uit een intensief gebruikt akkercomplex en biedt geenszins een geschikt landhabitat voor en beheer amfibieën. De akker wordt tot aan de poelrand omgeploegd en de poel is geenszins gebufferd tegen negatieve invloeden van de aangrenzende akker (uitspoeling van sediment, pesticiden, …). De oevervegetatie wordt behandeld met herbiciden. Omheen de poel staan zestien relatief jonge knotwilgen die zorgen voor een hoge mate van beschaduwing. De oevers zijn steil en bij een chemische analyse in 2002 lag de PHwaarde op 9,1 (Econnection, 2002)! Uit de poel wordt water onttrokken voor het beregenen van de omliggende velden. Er werden geen macro-invertebraten aangetroffen tijdens de drie bemonsteringsrondes van voorliggend project. Eerdere inventarisatiecampagnes hadden hier ook al geen amfibieën opgeleverd Belang (Econnection, 2002) en sinds de ruilverkaveling werd geen maatregel genomen om de omgevende landhabitat of de poel interessanter te maken voor amfibieën. Gezien de vele knelpunten lijkt dit ook niet opportuun. Aanwezige Geen. soorten Poellocatie Woesten 5 (identificatienummer Hyla-databank: 281.310) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Deze poel ligt langsheen de Elverdingseweg op particuliere eigendom. In het noorden wordt de poel begrensd door een grasland dat recent werd gescheurd en werd omgezet van de tot akker. In het zuiden, aan de overkant van de Elverdingseweg, ligt een omvangrijke omgeving hopplantage. Het omgevend landhabitat is weinig geschikt voor amfibieën. Enkel een vlakbij gelegen klein struweelbosjes vormt hier een uitzondering op. Rond de poel staan een vijftal oude knotwilgen. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog water. Tijdens de eerste twee inventarisatierondes haalde kroos een zeer geringe Vegetatie bedekkingsgraad (1%) maar tijdens de derde inventarisatieronde was de ganse poel bedekt door een dikke kroosmat. Dit is eigen aan water met een hoog voedingsstoffengehalte. Naarmate het trofieniveau toeneemt, verschijnen steeds meer planten die niet in sediment wortelen maar vrij in het water zweven. Bij de hoogste trofiegraad komen zelfs bijna alleen maar drijvende soorten voor met een zeer uitgesproken horizontale groeistrategie (Bloemendaal & Roelofs, 1988). Ze vormen in kleine, beschutte en zeer voedselrijke wateren - zoals bij deze poellocatie het geval is een gesloten kroosdek dat vrijwel geen licht doorlaat. Bij een toenemende mate van voedselrijkdom verplaatst het plantenleven zich duidelijk naar het wateroppervlak, waar voldoende licht is. Dit zorgt er echter voor dat planten met een horizontale groeistrategie hier nog nauwelijks kansen krijgen. In de oeverzone staat weinig Mannagras, Pitrus, Rietgras, Watermunt, Grote waterweegbree, Harig wilgenroosje en Heelblaadjes. Knelpunten De hoge bedekkingsgraad van kroos bemoeilijkt een succesvolle voortplanting van amfibieën doordat het water minder (snel) opwarmt en licht niet (optimaal) tot in de en beheer waterkolom kan doordringen. Mogelijk kan hierdoor ook de quasi afwezigheid van macro-invertebraten (op waterpissebedden na) worden verklaard. Ook vis is slechts in

21


Belang

Aanwezige soorten

geringe mate aanwezig (vooral Tiendoornige stekelbaars, weinig Driedoornige stekelbaars). In hoeverre de hoge trofiegraad wordt veroorzaakt door nutriënten die vanaf de noordelijk aangrenzende, recent gescheurde akker in de poel uitspoelen, is niet duidelijk. Twee knotwilgen op de westelijke oever zorgen nog voor bijkomende beschaduwing van het wateroppervlak. Omdat de poel wordt omgeven door ongeschikt landhabitat, lijkt het weinig zinvol om te proberen de poel via beheerwerken (aanleggen bufferstrook tussen poel en akker, knotten van wilgen, …) te verbeteren. De poel kan eventueel wel geruimd worden van eertijds gestort afval (autobanden). Het herpetologisch belang van deze poel is gering. De poel zou misschien nog een functie kunnen vervullen als stapsteen alleen: waarheen? Alle omliggende percelen worden gebruikt als akker of hopplantages en zelfs het noordelijk aangrenzend perceel dat tijdens de eerste uitvoering van het monitoringprogramma in 2002 nog werd gekarteerd als een soortenarm permanent cultuurgrasland, werd recent gescheurd en moet nu worden gekarteerd als een akker op lemige bodem. Kleine watersalamander.

Poellocatie Woesten 6 (identificatienummer Hyla-databank: 281.043) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Woesten in 2006 en ligt binnen openbaar domein. De locatie ligt in een heel smalle beekvallei en maakt van de deel uit van een soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke omgeving graslanden. Vermoedelijk was hier in het verleden reeds een poel aanwezig gezien op oude stafkaarten een poel op deze plaats staat aangeduid. Jammer genoeg wordt deze beekvallei aan beide zijden begrensd door intensief gebruikte akkers op lemige en kleiige bodem. Het hooiland staat grote delen van het jaar plasdras en wordt aan de oostkant gebufferd tegen afspoelend regenwater van de hoger gelegen akkers door een recent aangeplante houtkant. Tijdens de najaarscontrole bevatte de poel nog veel water. Op de oevers staat weinig Pitrus, Liesgras, Scherpe zegge, Moerasspirea, Gele Vegetatie waterkers, Grote lisdodde en Waterpunge. Er is geen drijvende watervegetatie aanwezig maar onderwater komen kranswieren talrijk voor, een verschijnsel dat wel vaker voorkomt bij recent aangelegde poelen. Enkel in de oosthoek neemt Grote lisdodde en Riet enkele m² in. Knelpunten De hooilandvegetatie was op 30 juli 2009 gemaaid en alle maaisel werd afgevoerd. Het beheer moet optimaal worden afgesteld op het behoud van soorten als Pinksterbloem, en beheer Moerasspirea, Moerasrolklaver, Veldzuring, … om te vermijden dat soorten als Rietgras de bovenhand zouden halen. Aangezien de grasmat enige tekenen van vervilting vertoont (werd hier eerder gemaaid zonder dat het maaisel werd afgehaald?) is dit zeker een aandachtspunt. In de oeverzone werd Pitrus gemaaid en werd het maaisel achtergelaten. Aangezien de verticale vegetatie op de oevers momenteel nog een zeer lage bedekkingsgraad haalt, is het aangewezen om die Pitruspollen niet te maaien. In de oevervegetatie werd een nest van Canadese gans gevonden. Indien de soort in hoge aantallen aan de rand en op de poel zou aanwezig zijn, kan dit de

22


Belang

Aanwezige soorten

waterkwaliteit negatief beĂŻnvloeden. Vooralsnog is dit hier niet het geval: de aanwezigheid van larven van glazenmaker indiceren eerder een goede waterkwaliteit. Toch zal exotenbeheer een aandachtspunt moeten vormen (i.e. schudden van legsels, euthanaseren van adulten tijdens de volledige handpennenrui). De aanwezigheid van Tiendoornige stekelbaars en (veel) Driedoornige stekelbaars maar ook Blauwbandgrondel beperkt de kansen op een succesvolle voortplanting bij kolonisatie door watersalamanders. Door de hoge mate van isolatie, verliezen het hooiland en de poel voor een deel hun ecologische waarde. Vermoedelijk is de beekvallei op zich te klein in oppervlakte om te kunnen voorzien in voldoende geschikt land- en waterhabitat om duurzame amfibieĂŤnpopulaties in stand te houden en vervult de site dus in hoofdzaak een stapsteenfunctie. De faunistische waarde van deze omgeving moet eerder worden gezocht in de aanwezigheid van minder algemene akkervogels. Patrijs (koppel met twee pulli), een zangpost van Kwartel, meerdere zangposten van Gele kwikstaart, Veldleeuwerik en Kneu en zangpost van Grauwe Gors zijn belangwekkende waarnemingen. De aanleg van akkerranden, braakstroken of houtkanten zou deze soorten zeker ten goede kunnen komen. Misschien kan de Vlaamse Landmaatschappij onderzoeken of een aantal passende beheerovereenkomsten kan worden afgesloten voor deze soorten. Gewone pad en Bastaardkikker.

Poellocatie Woesten 8 (identificatienummer Hyla-databank: 281.042) Foto

poel in het voorjaar

poel in het najaar

Beschrijving Deze poel werd nieuw aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Woesten in 2006 en ligt binnen openbaar domein. De locatie ligt in een heel smalle beekvallei die aan van de beide zijden wordt begrensd door intensief gebruikte akkers kleiige bodem. Tijdens de omgeving najaarscontrole bevatte de poel nog vrij veel water. Op enkele kleine vlakjes kranswier na, is er geen vegetatie in de poel aanwezig. Langs Vegetatie de oostzijde liggen algen samengewaaid. In de oeverzone staat weinig Mannagras, Grote kattenstaart, Gele waterkers, Geknikte vossenstaart en Rietgras. In de noordhoek van deze eivormige poel stond Riet maar bij de derde inventarisatieronde bleek dit minirietveldje weggemaaid. Knelpunten De poel is niet uitgerasterd maar vermoedelijk wordt het aangrenzend weiland niet door vee begraasd waardoor betreding van de oevers geen knelpunt lijkt te zullen vormen. en beheer Volgens de eigenaar van de noordelijk aangrenzende paardenmanege spoelen sedimenten (en vermoedelijk dus ook pesticiden) van de hoger gelegen akkers uit in de poel. Op de bodem van de poel ligt in elk geval een (plaatselijk dikke) kleiige modderlaag die mogelijk zou kunnen worden verklaard door erosie vanaf de aangrenzende akkers. Misschien moet worden gekeken hoe de poel nog beter kan worden gebufferd t.o.v. deze akkers. Bovendien meldt deze persoon dat de beek die aan de oostkant langsheen de poel loopt sporadisch overstroomt. Ook dit kan de waterkwaliteit van de poel negatief beĂŻnvloeden. Op dit ogenblik oogt het water echter

23


Belang

Aanwezige soorten

zeer helder en de aanwezigheid van (weinig) larven van glazenmaker laat vermoeden dat de waterkwaliteit zeker behoorlijk goed is. In de poel zit vrij veel vis, vooral Tiendoornige stekelbaars maar ook Driedoornige stekelbaars en Blauwbandgrondel. Deze laatste is een exoot die in Vlaanderen voor het eerst werd aangetroffen in het Demerbekken in 1992. Tien jaar later had de soort heel Vlaanderen gekoloniseerd (Vandelannoote et al., 1998). Het succes van Blauwbandgrondel kan worden toegeschreven aan een opportunistische levenswijze: korte generatietijd, klein lichaam, hoge reproductie en tolerantie t.o.v. extreme waarden van omgevingsvariabelen (bv. laag zuurstofgehalte, hoge graad van vervuiling). De soort heeft een breed voedselspectrum (zoöplankton, zoöbenthos, detritus en perifyton) maar foerageert bij gebrek aan zoöplankton ook op algen en waterslakken. Blauwbandgrondel heeft de eigenschap om schubben en spierweefsel van vissen en amfibieën los te rukken (facultatief parasitisme) en kan op die manier de herpetologische waarde van een poel negatief beïnvloeden. Er kan worden overwogen om een aantal poelen periodiek (om de vijf jaar) leeg te pompen (tussen 15 september en 15 november) om het visbestand opnieuw op nul te zetten. Zeker voor kleinere poelen lijkt dit een haalbare optie. Hoewel geen voortplanting van watersalamanders kon worden vastgesteld, konden tijdens de eerste inventarisatieronde wel negen Kleine watersalamanders worden gevangen. Onderzoek in West-Vlaanderen toont aan dat Kleine Watersalamander in de polders en in zandig Vlaanderen op 25 jaar in ca. 90% van de historische vindplaatsen verdween (Bauwens et al., 2006). Elke vindplaats van deze soort wordt dus almaar belangrijker. Goed beheer van het hooiland waarin deze poel is gelegen, is belangrijk. Net als bij poellocatie Woesten 6 werd ook hier herhaaldelijk een koppel Patrijs opgestoten en zong een Kwartel in het zuidelijk aangrenzend akkerperceel. Ook hier zou dus door de Vlaamse Landschappij kunnen worden onderzocht of met de plaatselijke landbouwers beheerovereenkomsten voor akkervogels zouden kunnen worden afgesloten. In elk geval lijkt het raadzaam om het hooiland, dat nu al in het publiek domein werd opgenomen, pas na 15 juli te maaien. In dit perceel werd tijdens het eerste en het derde terreinbezoek een zangpost van Graszanger vastgesteld, een zeldzame waarneming in deze regio van West-Vlaanderen. Kleine watersalamander en Gewone pad.

24


3.3 Waargenomen amfibieën In onderstaande tabel worden voor elk van de bemonsterde poellocaties alle gekende amfibiewaarnemingen weergegeven. De weerhouden poellocaties worden gerangschikt volgens de nummering die door de VLM werd opgegeven (W1, W2, W3, …). Voor elk van deze locaties wordt ook aangegeven onder welk uniek identificatienummer de poel staat geregistreerd in de databank van Hyla, de herpetologische werkgroep van Natuurpunt. Alle beschikbare gegevens werden opgevraagd uit deze databank. Voor elk van de bemonsteringen wordt aangegeven wanneer deze bemonstering plaatsvond en welke soorten werden aangetroffen, met onderscheid tussen de geslachten (man, wijf) en de leeftijd (adult, larve). Indien geen nadere specificaties omtrent aantal, geslacht of leeftijd bekend zijn, werden de gegevens ingevoerd als een onbekend aantal (-999) onder de rubriek onbekend (?). Ook adulten waarvan het geslacht niet kon worden bepaald, werden in deze categorie ondergebracht. Er moet worden opgemerkt dat alle waarnemingen van groene kikkers werden weerhouden als Bastaardkikker. In een beperkt aantal gevallen steunt deze soortspecifieke determinatie op diagnostische kenmerken die werden waargenomen (vorm en lengte van de metatarsusknobbel, roep). Meestal werden deze kenmerken echter niet waargenomen. De kans dat een groene kikker in deze regio echter betrekking zou hebben op één van de twee andere taxa van het groene kikker-synklepton (i.e. Poelkikker of Meerkikker) is echter verwaarloosbaar klein. Meer details zijn voorhanden in de Hyla-databank. 205.307

Alpenwatersalamander

W1 11.06.1998 26.04.2002 11.06.2004 22.04.2009 27.05.2009

♂

♀

?

2

4

1

1 1

1 2

larve 4 1 4

Kleine watersalamander ♂

♀

?

4 2 2

larve 2 1 2

Kamsalamander ♂

♀

?

Gewone pad

larve 1

♂

♀

?

Bruine kikker larve

♂

♀

?

Bastaardkikker larve

♂

♀

?

larve

1

1

1

40

22.07.2009 205.308

Alpenwatersalamander

W2

♂

♀

?

larve

Kleine watersalamander ♂

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker larve

♂

♀

?

Bastaardkikker larve

♂

♀

?

larve

3

25.04.2002 11.06.2004 22.04.2009 27.05.2009

15

5

1

5

22.07.2009 205.203

Alpenwatersalamander

W3

♂

♀

27.04.2001 23.06.2001

3 1

2

?

larve

Kleine watersalamander ♂

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker larve

♂

♀

?

Bastaardkikker larve

♂

♀

?

larve

1

25


205.203

Alpenwatersalamander

W3

♂

♀

25.04.2002 26.06.2002 11.06.2004 22.04.2009 27.05.2009

?

larve

3

7

Kleine watersalamander ♂

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

2

1

Gewone pad

larve

1

♂

♀

?

Bruine kikker larve

♂

♀

?

Bastaardkikker larve

♂

larve

♂

larve

♂

larve

♂

♀

?

larve

8 1

1

23.07.2009 281.309

Alpenwatersalamander

W4

♂

♀

?

larve

Kleine watersalamander ♂

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker larve

♂

larve

♂

larve

♂

♀

?

Bastaardkikker ♀

?

larve

25.04.2002 22.04.2009 27.05.2009 30.07.2009 281.310

Alpenwatersalamander

W5

♂

♀

?

larve

Kleine watersalamander ♂

26.04.2002 22.04.2009 27.05.2009

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker ♀

?

Bastaardkikker ♀

?

larve

1

30.07.2009 281.043

Alpenwatersalamander

W6

♂

♀

?

larve

Kleine watersalamander ♂

♀

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker ♀

?

Bastaardkikker ♀

500 3

22.04.2009 27.05.2009

?

larve

1 1

30.07.2009

281.042

Alpenwatersalamander

W8

♂

22.04.2009 27.05.2009

♀

?

larve

Kleine watersalamander ♂

♀

5

4

?

larve

Kamsalamander ♂

♀

?

larve

Gewone pad ♂

♀

?

Bruine kikker larve 50

♂

♀

?

Bastaardkikker larve

♂

♀

?

larve

1 1

30.07.2009

26


4. Literatuur Bauwens D. Jooris R., Verbelen D. & Dochy O., 2006. Poelen en amfibieën in West-Vlaanderen. Resultaten van een grootschalig poelenonderzoek door vrijwilligers in 2000 - 2005. Provincie WestVlaanderen, Brugge i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel en Hyla, amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt, Mechelen. Bloemendaal F.H.J.L & Roelofs J.G.M. (red.), 1988. Waterplanten en waterkwaliteit. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Colazzo S., Baert P., Valck F. & Bauwens D., 2002. Kwantificeren van recente veranderingen in status van amfibieën en hun biotopen in het landelijk gebied. VLINA 00/02. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Econnection, 2002. Ruilverkavelingsproject Woesten. Uitvoering monitoringprogramma herpetofauna jaar -1 (2002). Econnection, Gent. Groeneveld A., 1997. Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland. Stichting Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland. Werkgroep Monitoring, Centraal Bureau voor de Statistiek, Amsterdam. Hermy M., De Blust G. & Slootmaekers M. (red.), 2004. Natuurbeheer. Uitgeverij Davidsfonds i.s.m. Argus vzw, Natuurpunt vzw en het IN, Leuven. Jooris R., 2002. Pelophylax. De groene wachters aan de waterkant. Natuurhistorische reeks 2002/1, Natuurpunt, Mechelen. Lambinon J., De Langhe J-E., Delvosalle L. & Duvigneaud J., 1998. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten). Derde druk. Nationale plantentuin van België, Meise. Vandelanoote A., Yseboodt R., Bruylants B., Verheyen R., Coeck J., Maes J., Belpaire C., Van Thuyne G., Denayer B., Beyens J., De Charleroy D. & Vandenabeele P., 1998. Atlas van de Vlaamse Beek- en Riviervissen. Vzw Water-Energik-vLario, Wijnegem. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T., 1994. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 4. Uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de Vara en de Vewin. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T., 1994. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 5. Uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de Vara en de Vewin.

27


5. Bijlagen 5.1. Tussentijdse verslagen 5.1.1 Tussentijds verslag eerste inventarisatieronde 06 - 08 april 2009 Elk van de poelen werd bemonsterd volgens de methodiek die werd weerhouden in de ingediende offerte. De weersomstandigheden waren gunstig met hoge dagtemperaturen (max. 22 °C) waardoor amfibieën behoorlijk mobiel zijn en de vangstkans aanzienlijk toeneemt. Algemene opmerking: heel wat poelen (zowel bestaande als nieuw aangelegde) grenzen gedeeltelijk aan intensief akkergebied. De kans dat deze locaties vanuit het omgevend landhabitat kunnen worden gekoloniseerd is eerder gering. Voor soorten met een grote actieradius (Gewone Pad) is de afstand poel - geschikt landbiotoop minder problematisch maar voor soorten met een geringere mobiliteit (o.a. Alpenwatersalamander, Kleine Watersalamander, Kamsalamander) is een aantal poelen moeilijk bereikbaar. Elke poel die nieuw wordt aangelegd of elke bestaande poel die wordt behouden en optimaal wordt beheerd is positief, maar voor poelen die worden aangelegd midden intensieve landbouwteelten, is de kans op een succesvolle kolonisatie door amfibieën toch eerder klein. Enkele opmerkelijke resultaten. In elk van de onderzochte poelen van ruilverkaveling Reninge (n = 11) werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in negen poelen, Bruine Kikker in drie, Bastaardkikker in twee, Alpenwatersalamander in twee en Kleine Watersalamander in één. Voor amfibieën scoorde vooral R7 goed met 37 Alpenwatersalamanders, 13 Kleine Watersalamanders, twee subadulte Bastaardkikkers en larven van Gewone Pad. Vermoedelijk is de aanwezigheid van de omvangrijke waterlocaties in de noordelijk aangrenzende tuin hier niet vreemd aan. Ook R11 was goed voor 14 Alpenwatersalamanders. Hoewel door bemonstering met één fuik de aanwezigheid van watersalamanders niet steeds kan worden vastgesteld, lijkt het er toch op dat het plangebied voor watersalamanders ongeschikt is geworden. Vissen werden aangetroffen in negen poelen. Tiendoornige Stekelbaars was vaak zeer talrijk aanwezig. Verder werden ook Driedoornige Stekelbaars, Rietvoorn, Blauwbandgrondel, Bittervoorn en Bermpje gevangen. Vooral de aanwezigheid van Bermpje (R13) en Bittervoorn (R14) is opmerkelijk aangezien beide soorten zeldzaam zijn. Bermpje is bekend uit het stroomgebied van de IJzer (en kan er plaatselijk zeer algemeen zijn) en wordt doorgaans beschouwd als een goede indicator voor zuiver water. De soort wordt momenteel volledig beschermd door de Riviervisserijwetgeving en is opgenomen in bijlage III van de Conventie van Bern. Het lijkt niet uitgesloten dat de soort hier werd uitgezet aangezien hier ook veel Blauwbandgrondel werd aangetroffen. Hoe het ook zij: de aanwezigheid van vis in het merendeel van de onderzochte poel is negatief voor een succesvolle en duurzame kolonisatie door Alpenwater- en Kleine Watersalamander. Heel wat vissoorten (zoals stekelbaars) voeden zich immers met de eitjes en larven van watersalamanders. Opvallend: R1 en R2 werden recent (?) gedempt. Het voormalig grasland werd gescheurd en in de akker is de poel nog herkenbaar als een vochtige steengruisdepressie. De nieuwe poel ten westen van voornoemde locatie was de enige waarin Bittervoorn werd gevangen. Op de eerste set aan veldkaarten die werd aangeleverd, was sprake van een nieuw aangelegde poel ten noorden van R3. Deze poel staat ingetekend aan de oostzijde van de weg. Op deze locatie werd enkel een sterk verlande, oude weidepoel aangetroffen. Een nieuw aangelegde poel kon hier niet worden terug gevonden. Na navraag bij de VLM bleek dat de poel de andere kant van de weg zou moeten gelegen hebben. Het betreft een depressie die verbonden is met grachten. R4 werd niet bemonsterd aangezien een heftige stier de toegang tot het weiland onmogelijk maakte. In deze poel werden rond 2000 vele honderden liters mest geloosd en de kans op een volledig hersteld ecologisch evenwicht, is dan ook eerder gering. Voor een aantal poelen werden beheervoorstellen genoteerd die in het rapport zullen worden opgenomen.

28


In Ruilverkaveling Woesten werden alle poelen (n = 7) bemonsterd volgens de voorgeschreven methodiek. W7 - volgens de aangeleverde kaarten een nieuw aangelegde poel - kon op terrein niet worden gevonden. Bij navraag bleek deze poel niet te zijn aangelegd. In vier poelen werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in twee poelen, Bastaardkikker in twee, Alpenwatersalamander in één en Kleine Watersalamander in drie. Vooral de noordelijk nieuw aangelegde poel in de vallei van de Poperingse Vaart was opmerkelijk met negen Kleine Watersalamanders. Samen met W6, ligt deze poel in een zeer smalle depressie midden in een uitgestrekt akkergebied. Het areaal aan potentieel geschikt landhabitat is beperkt maar lijkt voldoende om een populatie Kleine Watersalamander in stand te houden. De aanplant van houtkanten langsheen deze vallei kan mogelijk positief zijn voor één van de laatste zangposten van Grauwe Gors in de regio. Deze soort is in de Westhoek sterk achteruit gegaan en wordt er met uitsterven bedreigd. Misschien kan vanuit de Vlaamse Landmaatschappij worden gepoogd om hier een aantal beheerovereenkomsten ‘weidevogels’ af te sluiten met o.a. aanleg van trioranden aangezien Gele Kwikstaart, Veldleeuwerik, Patrijs, Graspieper en Grauwe Gors er tijdens de bemonstering van beide poelen werden vastgesteld. In de oevervegetatie van W6 werd een nest van Grote Canadese Gans (met drie eieren) geschud. In vergelijking met de eerste bemonstering, voor de uitvoering van de ruilverkaveling, is vooral W1 er sterk op achteruitgegaan. Hoewel Bastaardkikker, Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander er nog konden worden vastgesteld, is de poel al sterk verland door een sterke toename van Grote Lisdodde, Scherpe Zegge en Gele Lis. Het lijkt aangewezen om de verlanding tegen te gaan door passende beheermaatregelen. W3 werd uitvoerig bemonsterd omdat dit in het verleden de enige locatie was waar (herhaaldelijk) Kamsalamander werd aangetroffen. Ondanks intensieve bemonstering met schepnet en fuik, werd de soort hier niet meer aangetroffen. Er moet worden opgemerkt dat bij de voorgaande ronde monitoring herpetofauna RVK Woesten, een fuik door onbekenden centraal in de poel werd gegooid. Kamsalamanders in de fuik konden niet meer voorzien in hun zuurstofbehoefte en werden bij controle dood in de fuik aangetroffen. Voor een lokale populatie met een beperkt aantal reproductieve exemplaren, kan het verlies van een aantal individuen een ingrijpende, negatieve impact hebben. Verdere bemonstering moet aantonen of de soort hier nog voorkomt. Algemeen kan worden gesteld dat een aantal poelen geïsoleerd ligt middenin ongeschikt landhabitat. Gewone Pad plant zich voort in de meerderheid van de poelen maar voor watersalamanders lijkt de toestand in de regio dramatisch. Een volgende ronde wordt gepland midden mei. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be

29


5.1.2 Tussentijds verslag tweede inventarisatieronde 25 - 27 mei 2009 Elk van de poelen werd bemonsterd volgens de methodiek die werd weerhouden in de ingediende offerte. De weersomstandigheden waren gunstig maar de maximadagtemperatuur lag aanzienlijk lager dan tijdens de eerste ronde (17 °C). Dit kan de mobiliteit van amfibieën negatief hebben beïnvloed. Omdat voor de nacht van 25 op 26 mei heftige onweders werden voorspeld, werden de fuiken iets minder diep geplaatst dan normaal om te verhinderen dat door een snel stijgend waterniveau de fuiken onder de waterspiegel zouden verdwijnen en gevangen amfibieën zich nier meer van voldoende zuurstof zouden kunnen voorzien. In tegenstelling tot de eerste ronde werden ook de nieuw aangelegde poel tegen de Poperingse Vaart en de oude poel ten westen van de Rijsdreef bemonsterd. Enkele opmerkelijke resultaten. In tien van de onderzochte poelen van ruilverkaveling Reninge (n = 12) werden amfibieën vastgesteld. Gewone Pad werd aangetroffen in vier poelen, Bruine Kikker in drie, Bastaardkikker in vijf, Alpenwatersalamander in twee en Kleine Watersalamander eveneens in twee. Voor amfibieën scoorde vooral R7 goed met 24 Alpenwatersalamanders (eerste ronde: 34), 7 Kleine Watersalamanders (eerste ronde: 13), 1 subadulte Bastaardkikker (eerste ronde: 1) en larven van Gewone Pad. Verder werden watersalamanders enkel nog in R11 aangetroffen: 6 Alpenwatersalamanders (eerste ronde: 14) en twee Kleine Watersalamanders (eerste ronde: 0). De bezettingsgraad voor watersalamanders ligt opvallend laag. Mogelijke verklaringen werden in het eerste tussentijds verslag al aangehaald maar het lijkt raadzaam om hier verder op in te gaan. Hoewel een uitgebreide studie vereist is om meer onderbouwde uitspraken te kunnen doen, lijkt de inplanting van de poelen de geringe bezettingsgraad deels te kunnen verklaren. Een aantal poelen wordt grotendeels omgeven door akkers waardoor een potentieel geschikte voortplantingslocatie wordt omgeven door een uitermate ongeschikt landhabitat. Voor amfibieën (en zeker voor watersalamanders) is de aanwezigheid van een geschikt landhabitat een absolute vereiste. Meer nog: een gunstig landhabitat moet beschikbaar zijn in de onmiddellijke omgeving van een (nieuw aangelegde) poel aangezien de dispersiecapaciteiten van watersalamanders beperkt zijn (400 à 600 m). Hoewel de aanplant van houtkanten de ecologische infrastructuur van het projectgebied ten goede komt, kan dit de voortschrijdende habitatdegradatie en -fragmentatie niet compenseren. Van de nieuw aangelegde poelen die in het kader van deze opdracht werden bemonsterd, lijkt de inplanting van R7, R8, R9, R10 en R12 niet optimaal omdat deze in te hoge mate worden omgeven door akkerbouw. Op zich is dit betreurenswaardig omdat hierdoor het ecologisch rendement van deze compenserende maatregelen (te) laag ligt. Ook bij de inplanting van de nieuw aangelegde houtkanten, kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Zo werd bij R5 een houtkant aangeplant die dit jaar al gedeeltelijk moest worden verwijderd omdat anders de aangrenzende sloot niet kon worden geruimd. De landbouwer zegt dit probleem reeds bij de aanplantfase bij de VLM te hebben aangekaart. Het onderhoud van de nieuw aangelegde poelen (en de omgevende landbiotopen) moet in de toekomst zeker een belangrijk aandachtspunt vormen. Twee voorbeelden. R11 is één van de twee poelen met een goede bezettingsgraag aan watersalamanders. Vanaf de oostzijde, rukt boomopslag snel op waardoor de kans bestaat dat de ganse poellocatie op korte termijn volledig zal verlanden en deze locatie niet langer geschikt zal zijn voor amfibieën. Het verwijderen van deze opslag dringt zich op. De nieuw aangelegde poel net ten oosten van de Poperingse Vaart is gesitueerd in één van de ecologisch meest waardevolle hooilandblokken uit het plangebied. De inplanting is dus uitstekend maar het beheer van het aangrenzend perceel liet te wensen over. Het hooiland was eind mei gemaaid maar het maaisel werd (nog) niet afgehaald. Aangezien dit maaisel tijdens de tweede inventarisatieronde al grotendeels was ingegroeid, lijkt het weinig aannemelijk dat dit alsnog in een latere fase zal worden verwijderd. Hierdoor zal dit hooiland verruigen wat zowel vanuit landbouwkundig als vanuit ecologisch standpunt kan worden betreurd.

30


Eén van de negatieve factoren waaraan veel moeilijker zal kunnen worden verholpen, is de aanwezigheid van vis in de bemonsterde poelen. Tijdens de tweede inventarisatieronde werd vis vastgesteld in acht poelen. Bermpje werd tijdens de tweede inventarisatieronde gevangen in R6, R13 en de nieuwe poel nabij de Landdijkgracht. Bittervoorn (een Habitatrichtlijnsoort) werd deze keer vastgesteld in R6, R13, de nieuwe poel nabij de Poperingse Vaart en de nieuwe poel nabij de Landdijkgracht. In een aantal poelen is vis zo abundant dat een succesvolle voortplanting van amfibieën (in casu watersalamanders) sterk in het gedrang komt. Elektrisch afvissen lijkt voor de meeste locaties geen optie aangezien de poelen zich situeren in overstromingsgebieden of via een wijd vertakt slotenpatroon in verbinding staan met visrijke wateren. Afvangen zou de bezettingsgraad tijdelijk kunnen verlagen maar een nieuwe kolonisatie door vis zou (zelfs op korte termijn) niet kunnen worden verhinderd. Indien de nieuw aangelegde poelen vooral salamanders als doelsoorten beoogden, kan de inplanting van een aantal poellocaties dus ook omwille van (snelle en onvermijdelijke) kolonisatie door vis worden in vraag gesteld. Frappant voorbeeld: in de nieuw gegraven poel nabij de Poperingse Vaart werden met één fuik na één nacht 314 vissen (verdeeld over drie soorten) gevangen. In Ruilverkaveling Woesten werden alle poelen (n = 7) bemonsterd volgens de voorgeschreven methodiek. Gewone Pad werd aangetroffen in drie poelen, Bastaardkikker, Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander telkens in één. Net als tijdens de eerste bemonsteringsronde valt op dat in W3 geen watersalamanders meer werden vastgesteld. Aangezien hier vroeger bijna elke keer Kamsalamander werd gevangen, zijn de resultaten uit voorliggende studie verontrustend. Nochtans worden volgens de aangrenzende landbouwers nog vaak salamanders op het erf waargenomen. Een meer intensieve bemonstering volgend voorjaar lijkt aangewezen. Mogelijk kan de aanwezigheid van Kamsalamander, Alpenwatersalamander en Kleine watersalamander tijdens de derde ronde alsnog worden vastgesteld aan de hand van larven. Zoals ook al werd aangehaald in het eerste tussentijds verslag, is de ligging van alle poelen die voor deze bemonstering werden weerhouden binnen het plangebied van Ruilverkaveling Woesten, ongunstig voor amfibieën. Recent werden graslanden nog gescheurd en omgezet naar akker (bv. bij W5) en ook de twee nieuw aangelegde poelen werden ingeplant in smalle hooilandvalleitjes die aan beide zijden geprangd liggen tussen een omvangrijk akkerareaal. Opmerkelijk: in de houtkant bij W1 werd een zangpost van Zomertortel vastgesteld, in W1 werd een Waterschorpioen gevangen en in het hooiland nabij de nieuwe poel ten oosten van de Poperingse Vaart zong een Graszanger. De eerder gemelde zangpost van Grauwe Gors kon dit keer echter niet meer worden bevestigd. Een derde en laatste ronde wordt gepland tussen 15 en 30 juni. In deze ronde zullen de poelen uitsluitend met schepnet worden bemonsterd om de aanwezigheid van amfibielarven vast te stellen. Een poel met adulte amfibieën wint immers aanzienlijk aan herpetologische waarde wanneer ook succesvolle voortplanting kan worden vastgesteld. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be

31


5.1.3 Tussentijds verslag derde inventarisatieronde 22 - 23 en 31 juli 2009 In onderling overleg tussen de opdrachtgever en de opdrachthouder werd besloten om de methodiek voor de derde ronde aan te passen. Initieel werd gesteld dat tijdens de derde ronde alle poelen opnieuw zouden worden bemonsterd met fuiken. Deze inventarisatiemethode is zeer efficiënt wanneer wordt gepoogd om de aanwezigheid van volwassen watersalamander in poellocaties aan te tonen. De derde ronde heeft echter als doel om te bepalen of amfibieën zich ook in de weerhouden locaties voortplanten en richt zich dus vooral op het in kaart brengen van larven van watersalamanders en (in mindere mate van) groene kikkers. Larven van Bruine Kikker en Gewone Pad zijn op dit moment al volledige gemetamorfoseerd en hebben de waterhabitat al verlaten. Omdat larven van watersalamanders niet of zeer slecht kunnen worden bemonsterd met fuiken, werd geopteerd voor een intensieve bemonstering met schepnet. Deze methodiek zal uitgebreid worden toegelicht in het eindrapport. Een larvenronde is interessant omdat hiermee ook kan in kaart worden gebracht of de geïnventariseerde poelen enkel als stapsteen of ook als reproductieplaats worden gebruikt. De ecologische waarde van een succesvolle voortplantingspoel is voor het in stand houden van een lokale, duurzame populatie immers aanzienlijk hoger dan de ecologische waarde van een ‘stapsteenpoel’ In de ruilverkaveling Reninge leverde de derde ronde een genuanceerd beeld op t.o.v. de resultaten van de twee vorige rondes. Tijdens de bemonsteringsrondes voor adulte watersalamanders werd Kleine Watersalamander vastgesteld in drie poelen, Alpenwatersalamander in twee. Eén van de beste poelen bleek toen poellocatie R11. In de eerste ronde werden hier 14 adulte Alpenwatersalamanders gevangen. Zoals werd gemeld in vorige tussentijdse verslagen, is deze locatie sterk verland. Op 22 juli 2009 stond de poel volledig droog waardoor mag worden vermoed dat larven niet tijdig konden metamorfoseren en deze locatie (althans dit jaar) niet succesvol was als voortplantingsplaats. In verhouding tot de oppervlakte, doen de hoge aantallen adulte watersalamanders uit de eerste ronde vermoeden dat dit één van de weinige poelen is uit de omgeving die geschikt is voor Alpenwatersalamander en Kleine Watersalamander. Het is dan ook jammer dat deze poel niet tot midden augustus waterhoudend is. Een beheeringreep (o.a. uitdiepen tot op de minerale bodem, verwijderen van spontane boomopslag) dringt zich op. De andere ‘salamanderpoel’ R7 beantwoordde wel aan de verwachtingen. Tijdens de eerste bemonsteringsronde werden hier 37 Alpenwatersalamanders en 13 Kleine Watersalamanders vastgesteld. Ondanks de zeer geringe oppervlakte, leverden vier bemonsteringen met schepnet 41 larven op van Alpenwatersalamander en zeven van Kleine Watersalamander. Deze dichtheid aan larven is hoog en de poel is zondermeer de meest succesvolle van alle poelen die nieuw werden aangelegd in het plangebied van de ruilverkaveling van Reninge. Voor alle andere poellocaties binnen dit plangebied kon de vermoedelijke afwezigheid van watersalamanders opnieuw worden bevestigd. Van de twaalf bemonsterde poellocaties kon dus in slechts één poel succesvolle voortplanting van watersalamanders worden aangetoond. Alluviale vlaktes van grote rivieren (bv. IJzer) zijn doorgaans vrij arm aan watersalamanders maar een dergelijk lage bezettingsgraad is wel extreem laag, zeker wanneer in overweging wordt genomen dat de nieuwe poelen net met een herpetologisch doel werden aangelegd. Er kan worden vermoed dat een aantal van de weerhouden locaties niet als stapsteen of als voortplantingsplaats door amfibieën wordt gebruikt omdat de omgevende landbiotoop niet geschikt is. Aangezien de dispersiecapaciteit van amfibieën (en zeker van watersalamanders) beperkt is (ca. 400 à 600 m) is de aanwezigheid van een duurzame populatie op geringe afstand van de geïnventariseerde poelen een noodzakelijke voorwaarde opdat deze zouden kunnen worden gekoloniseerd. In een aantal gevallen worden de bemonsterde poelen omgeven door intensieve akkerbouw, een ongunstig landhabitat voor kikkers, padden en salamanders. Bij de uitbouw van een ecologische infrastructuur in toekomstige ruilverkavelingen, wordt aangeraden om - zeker voor nieuw aan te leggen poelen - voorafgaand advies in te winnen van Hyla, de reptielenen amfibieënwerkgroep van Natuurpunt. Op basis van een uitgebreide databank kan worden bepaald waar al amfibieën aanwezig zijn zodat de situering van de nieuw aan te leggen poelen hier maximaal kan worden op afgesteld. Vaak werd de plaatskeuze binnen het plangebied van de ruilverkaveling Reninge in grote mate bepaald door de praktische overwegingen (waar kan welke grond gemakkelijk 32


worden verworven voor de aanleg van een poel?) eerder dan door herpetologische overwegingen (waar zou een poel optimaal renderen voor amfibieën?). Een algemene beschouwing (die voor heel wat van de weerhouden poellocaties opgaat) is dat een duurzaam beheer een noodzakelijke voorwaarde is om poellocaties ecologisch optimaal te laten renderen. Een poel in een hooiland met een vervilte grasmat en een zeer ruderale, dichte vegetatie is minder interessant dan een poel in bv. een voedselarm hooiland met een hoge bedekkingsgraad aan laagproductieve grassen. Deze opmerking wordt in dit derde tussentijds verslag opgenomen omdat tijdens de inventarisatie herhaaldelijk kon worden vastgesteld dat de vegetatie in de onmiddellijke omgeving van de poel wel werd gemaaid maar dat het maaisel (nog) niet werd afgehaald. Hierdoor wordt de bodem verder aangerijkt en krijgen stikstofminnende soorten de bovenhand. Een ecologisch optimaal beheer van de omliggende landhabitat is van cruciaal belang om ook de poel als een volwaardige stapsteen of voortplantingsplaats te kunnen laten functioneren. In het eindrapport kunnen per poellocatie een aantal meer gedetailleerde beheerrichtlijnen worden opgenomen. Het uitrasteren van R6, de poellocatie in de Brabanthoek, willen we hier toch al meegeven aangezien de oevers van deze poel (vooral aan de westzijde) volledig worden vertrappeld door vee. Zoals ook al eerder werd aangegeven, mag de ecologische waarde van een poel niet enkel worden afgemeten aan de aan- of afwezigheid van amfibieën. Succesvolle voortplanting van Bermpje in R13 en de enige weerhouden poel in Noordschote (ten oosten van de Landdijkgracht) is zeker vermeldenswaardig. Bermpje is een bodembewonende soort. Het meest komt hij voor in stromend water maar er zijn ook vindplaatsen uit stilstaande wateren bekend. De soort is volgens de literatuur een goede indicator voor zuiver water, alhoewel hij toch enige vervuiling lijkt te kunnen verdragen. De aanwezigheid van Bermpje in het stroombekken van de IJzer is bekend. De soort wordt momenteel volledig beschermd door de Riviervisserijwetgeving en is opgenomen in Bijlage III van het Verdrag van Bern. In de grote poel in Vleteren werd opnieuw Bittervoorn gevangen. Deze soort is gebonden aan wateren waar zoetwatermossels van het geslacht Unio of Anodonta voorkomen. Plassen met goed ontwikkelde waterplantenvegetatie en oeverzones met een goede tot vrij goede waterkwaliteit zijn een vereiste. De visjes zoeken de beschutting van waterplanten op, waar ze vooral van plantaardig plankton leven. De eitjes ontwikkelen tussen de kieuwen van een zoetwatermossel. De aanwezigheid van de soort in de IJzer en polderwaterlopen uit het plangebied (Boezingegracht, Landdijkgracht) is bekend. Toch blijft elke nieuwe vindplaats in poelen vermeldenswaardig, zeker omdat kleine, stilstaande wateren niet vaak elektrisch worden bemonsterd en er verhoudingsgewijs relatief weinig data voorliggen van Bittervoorn in poelen. Vooral de snelheid waarmee Bittervoorn sommige nieuwe poellocaties heeft gekoloniseerd, is opmerkelijk. De poellocatie die werd weerhouden aan de oostzijde van de Rijsdreef, blijft voor enige verwarring zorgen. Tijdens de twee vorige inventarisatierondes, kon hier geen nieuwe poellocatie worden gevonden. Op 23 juli 2009 werd echter vastgesteld dat op de sloot recent een verbreding werd uitgegraven. Deze werken zijn vermoedelijk pas zeer recent uitgevoerd aangezien alle baggerspecie nog op de oevers van deze ‘zwaaikom’ op twee grote hopen lag gestort. Dit is niet gewenst. Doordat deze locatie in rechtstreekse verbinding staat met een watervoerende sloot, is een zeer snelle kolonisatie door vis gegarandeerd. Bovendien werd deze poel (nog) niet uitgerasterd en werden de oevers op zeer korte tijd al intens betreden door het vee dat op het aangrenzend weiland graast. Goed voor stekelbaars, koe, Meerkoet en muggenlarven maar geenszins van nut voor amfibieën. Jammer. De poelen die werden bemonsterd in het plangebied van ruilverkaveling Woesten, vertonen in hoge mate gelijkenis met de poellocaties uit het plangebied van de ruilverkaveling Reninge. Ook al ligt dit gebied niet in de invloedsfeer van de IJzer of polderwaterlopen, toch werden ook hier de meeste nieuwe poelen op heel korte termijn gekoloniseerd door vis, meestal door Tiendoornige stekelbaars. Opvallende vaststelling: ondanks een intensieve bemonstering, kon ook nu weer in W3 de aanwezigheid van Kamsalamander niet worden vastgesteld. De kans dat de soort in 2009 deze poel als stapsteen of als voortplantingslocatie heeft gebruikt, lijkt dan ook eerder gering. In tegenstelling tot bij 33


de twee vorige bemonsteringen, werd de poel op 23 juli 2009 volledig bedekt door kroos, wat een indicatie kan zijn voor een (te) hoog nutriëntgehalte. Een hoge abundantie aan kroos, is vaak negatief voor voortplanting van salamanders. Positief: terwijl de twee eerdere bemonsteringen met fuiken geen salamanders opleverden, kon nu wel de aanwezigheid van Alpenwatersalamander worden vastgesteld. Mogelijk zijn de biotische en a-biotische kenmerken van deze poel de voorbije jaren gewijzigd waardoor de herpetologische waarde ervan sterk is gedaald. Omdat kan worden vermoed dat in de omgeving nog wel Kamsalamander aanwezig is, dringt de aanleg van een aantal nieuwe poellocaties in de onmiddellijke omgeving zich op. De omgeving van de twee nieuwe poelen net ten oosten van de Poperingse Vaart, vraagt om een aantal maatregelen in functie van akkervogels. Patrijs met zeven pulli, twee zangposten van Kwartel en een zangpost van Grauwe Gors en Graszanger is voor drie terreinbezoeken een goede indicatie voor de hoge avifaunistische waarde van deze zone. Aanleg van brede trioranden en aanplant van (meer) houtkanten langsheen de Poperingse Vaart zouden kunnen in overweging worden genomen. Volgens aangelanden worden beide poellocaties sporadisch overstroomd met water uit de Poperingse Vaart. In hoeverre dit de waterkwaliteit van deze nieuwe poelen negatief beïnvloedt, is onbekend. De noordelijke poel (nabij de paardenmanege) ontvangt afstromend spoelwater van de hoger gelegen akkers. Hier zou kunnen worden overwogen om nog bredere bufferstroken aan te leggen. Ook al werden hier tijdens de eerste inventarisatieronde negen Kleine Watersalamander gevonden, toch leverde een intensieve bemonstering met schepnet geen larven op. Van de vier poellocaties waar eerder adulte watersalamanders konden worden vastgesteld, werden enkel in W1 larven gevonden (n = 40 op zeven bemonsteringen). Op zich kan dit eigenlijk niet als een verdienste van de ruilverkaveling worden beschouwd aangezien deze poel er al lag vóór de ruilverkaveling en sinds de ruilverkaveling niet meer werd beheerd. Nochtans dringt ook hier een beheer (gespreid in tijd en ruimte) zich op aangezien de poel steeds verder verlandt. Algemeen kan worden gesteld dat een aantal van de nieuw aangelegde poelen eerder ongelukkig werden ingeplant, beheer van de aangrenzende landhabitat vaak niet (optimaal) gebeurt, de keuze van de weerhouden te bemonsteren locaties niet steeds logisch is, twee poelen intussen werden gedempt, succesvolle voortplanting van watersalamander beperkt blijft tot twee locaties en de belangrijkste poel die tijdens de vorige monitoringronde nog Kamsalamander opleverde, is gedegradeerd. Al bij al toch een vrij negatief resultaat, met uitzondering van de snelle kolonisatie van nieuw aangelegde poelen waardoor toch enige hoop op de toekomst kan worden gesteld. Met vriendelijke groet, Dominique Verbelen, projectmedewerker, dominique.verbelen@natuurpunt.be Paul Durinck, projectleider, paul.durinck@grontmij.be

34


5.2 Datastructuur digitale bestanden Rapport (*.doc-bestanden) Dit bevindt zich onder D (dit is de letter van uw CD-ROM-drive):\rapport Hieronder bevinden zich ook de waarnemingsformulieren. Figuren (*.PDF) Deze bestanden bevinden zich onder D/\PDF Shapefiles (*.shp, *.dbf, *.shx, *.sbn, *.sbx) Deze bestanden bevinden zich onder: - D:\GIS_poelen (dit bevat de poelen met bijhorende buffers) - D:\GIS_grondgebruik (dit bevat de bestanden met het grondgebruik) ArcMap bestanden (*.mxd) Deze bestanden bevinden zich onder D:\ArcGis en kunnen gebruikt worden om de kaarten te reconstrueren.

35


5.3 Situeringskaart Kaart met ligging van de poelen en het omgevende grondgebruik

36


Ruilverkavelingsproject Woesten Situering poelen en aanpalend grondgebruik

W2

Legende ( !

Bestaande poel

( !

Nog te graven (Knot)bomenrij/haag/struweel Waterloop Nog te graven

W3

W7

Poel Akker Grasland Bebouwing (Knot)bomenrij/haag/struweel

W1

W4

W8

W6

500

250

Bronnen : NGI

W5

Versie: 23 september 2009

0

500 m

Âą


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
20091009_eindverslag monitoring herpetofauna rvk woesten.pdf by Vlaanderen-be - Issuu