Skip to main content

Mobiliteitsrapport_2009.pdf

Page 1

MOBILITEITSRAPPORT VAN VLAANDEREN 2009

MORA

MOBILITEITSRAPPORT VAN VLAANDEREN

MORA


MOBILITEITSRAPPORT VAN VLAANDEREN 2009

—1


COLOFON Samenstelling Secretariaat van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen Verantwoordelijke uitgever Daan Schalck, voorzitter Mobiliteitsraad van Vlaanderen Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T 02 20 90 111, F 02 21 77 008 MORA-secretariaat@serv.be www.serv.be/mora Layout www.magelaan.be Druk Gevaert Printing Depotnummer D/2009/4665/15

—2


INHOUD Voorwoord

4

Inleiding 5 1.

Omgevingskader 7

1.1

Demografisch

8

1.2 Economisch 9 1.3 Ruimtelijk 13 1.4 Sociaal, cultureel en technologisch 14 1.5 Prijs voor de gebruiker 17 2.

Kerncijfers Vlaamse mobiliteit 19

2.1 Wegverkeer 2.2 Fiets

22

25

2.3 Openbaarvervoer 26 2.4 Goederenvervoer 28 3.

Vlaams mobiliteitsnetwerk

3.1 Wegverkeer

33

34

3.2 Fiets en te voet

54

3.3 Openbaar vervoer 56 3.4 Het woon-werkverkeer 61 3.5 Goederenvervoer – weg

62

3.6 Goederenvervoer – spoor

64

3.7 Goederenvervoer – binnenvaart 67 4.

Economische poorten 73

4.1 Sociaal-economische impact van de poorten 74 4.2 De internationale luchthaven van Zaventem 75 4.3 De Vlaamse zeehavens 78 5.

Verkeersveiligheid 81

5.1 Evolutie verkeersongevallencijfers 83 5.2 Handhaving 86 5.3 Maatschappelijke kosten 87 5.4 Onveiligheidsgevoel

88

5.5 Gevaarlijke punten 89 5.6 Zone 30 schoolomgeving 90 5.7 Aanvullende reglementen 91 6.

Milieu

93

6.1 Eco-efficiëntie 94 6.2 Europees beleid bepalend voor emissiereducties 95 6.3 Klimaat 96 6.4 Fijn stof 98 6.5 Geluid 101 6.6 Milieukenmerken voertuigenpark 102 7.

Aanbevelingen voor het mobiliteitsbeleid 107

7.1

Monitoring als basis voor het mobiliteitsbeleid 108

7.2 Afstemming tussen mobiliteit en ruimtelijke ordening 110 7.3 Integraal vervoersysteem volgens comodaliteit

111

7.4 Naar een performant investeringsbeleid voor Mobiliteit en Openbare Werken 114 7.5 Personenvervoer met de focus op woon-werkverkeer 116 7.6 Een beleid gericht op verkeersveiligheid 117 7.7 Duurzaam transportbeleid

118

Referentielijst 120 Dankwoord

126

Lijst met tabellen, figuren en kaarten

—3

127


VOORWOORD Beste lezer, Met enige trots stel ik u hierbij het eerste Mobili-

De MORA is van oordeel dat comodaliteit zal

teitsrapport van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen

leiden tot een evenwichtiger en alomvattend

voor, goedgekeurd door de MORA op 19 juni 2009.

goederenvervoerbeleid. De invoering tegen 2012

Van bij de aanvang is de Mobiliteitsraad op zoek

(3,5 ton MTM) is een geschikt instrument om de

gegaan naar een Vlaamse mobiliteitsvisie die

bestaande belastingen te variabiliseren en die

het gemeenschappelijk draagvlak bij onze leden

gebruikers rechtvaardiger te responsabiliseren.

van een kilometerheffing voor vrachtwagens

weergeeft. Dankzij de inzet van onze leden, en niet in het minst van de bijzondere MORA-commissies

Voor de realisatie van een performant verkeers- en

goederenvervoer en personenvervoer, maar ook

vervoerssysteem vindt de MORA dat de Vlaamse

door de dynamiek waarmee mobiliteitsverenigin-

Regering de ambitie uit het Vlaams Regeerakkoord

gen en sociale partners het debat voerden, zijn we

2004–2009 moet waarmaken en verder werk moet

erin geslaagd een rapport af te leveren dat een

maken van een performant investeringsbeleid

goede basis vormt voor een verder geobjectiveerd

voor Mobiliteit en Openbare Werken.

debat over het Vlaamse mobiliteitsbeleid. Ik wens ook alle Vlaamse en federale organisaties

Een transparanter en sneller beleidsproces,

en instellingen te bedanken voor hun positieve

inclusief een sociaal-economische evaluatie van

medewerking en het aanleveren van gegevens

de voorgenomen investeringen, moet er mee toe

voor dit rapport.

leiden dat de engagementen voor het wegwerken van de missing links in het vervoersnetwerk effec-

Als laatste hoofdstuk van dit rapport vindt u de

tief gerealiseerd worden.

aanbevelingen van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen voor het toekomstige Vlaamse mobiliteits-

Het Mobiliteitsrapport geeft duidelijk aan dat het

beleid. Als voorzitter ben ik zeer blij dat het, gezien

huidige woon-werkverkeer onvoldoende duurzaam

de rijke diversiteit in onze raad, mogelijk was een

verloopt. De focus van het mobiliteitsbeleid

ruime consensus te bereiken over de belangrijkste

moet op het woon-werkverkeer komen te liggen,

conclusies uit ons rapport. Aan het begin van een

zoniet bereikt men nooit de doelstelling van 40%

nieuwe legislatuur is het belangrijk te weten dat

van de woon-werkverplaatsingen met duurzaam

de aanbevelingen geen vrijblijvende lijst van de

vervoer.

samengestelde wensen van onze leden is geworden. Er worden integendeel weldoordachte keuzes

De MORA heeft in een eerder advies het Vlaamse

gemaakt, die het aanwezige draagvlak reflecteren.

Verkeersveiligheidsplan als een goed plan omschreven. De MORA dringt dan ook aan op een

De MORA stelt onomstotelijk vast dat er een groot

onverkorte uitvoering en het inzetten van presta-

gebrek aan relevante gegevens over het Vlaamse

tie-indicatoren om de efficiëntie van het verkeers-

mobiliteitsbeleid is. Dit is niet enkel een handicap

veiligheidsbeleid te ondersteunen.

voor de onderbouwing van een regionaal mobiliteitsbeleid, maar het verhindert vooral een objec-

De milieuprestaties van de transportsector gaan

tivering van het mobiliteitsdebat. We dringen er

er sterk op vooruit, maar de grote groei van het

dan ook op aan om samen met de minister en alle

verkeer en vervoer maakt dat de vooropgestelde

andere actoren overeenstemming te vinden over

doelstellingen voor meer duurzaamheid in het ge-

een uniforme lijst van indicatoren om het mobili-

drang komen. Een milieuperformante transport-

teitsbeleid verder structureel te onderbouwen.

sector blijft volgens de MORA een van de grootste uitdagingen van het toekomstige regeringsbeleid.

De MORA waarschuwt voor een verdere verkokering van de beleidsdomeinen Mobiliteit en Open-

Daan Schalck

bare Werken en Ruimtelijke Ordening en pleit voor

voorzitter MObiliteitsRAad van Vlaanderen

een gericht locatiebeleid als hefboom voor het aanpakken van de congestie- en de bereikbaarheidsproblemen.

—4


INLEIDING Het decreet van 7 juli 2006, dat de oprichting van

Het eerste hoofdstuk beschrijft de stuwende en

de Mobiliteitsraad van Vlaanderen regelt, bepaalt

sturende krachten in het Vlaamse mobiliteitsveld.

dat de MORA een vijfjaarlijks mobiliteitsrapport

In de volgende hoofdstukken wordt, voor zover er

opstelt, dat een analyse bevat van de mobiliteits-

voldoende regionale cijfers beschikbaar zijn, een

problematiek op middellange en lange termijn.

beschrijving gegeven van het Vlaamse verkeers-

Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april

en vervoersnetwerk, met verkeersveiligheid en

2009 geeft verder concrete invulling aan de moda-

milieu als belangrijke afgeleiden.

liteiten van het rapport.

In hoofdstuk 7 doet de MORA op basis van de

Zo moet het rapport alle relevante gegevens met

voorgaande hoofdstukken aanbevelingen aan de

betrekking tot de mobiliteit in Vlaanderen bevatten

Vlaamse Regering. Over deze aanbevelingen werd

over de laatste vijf jaar. Op basis van de vastge-

een volledige consensus in de MORA bereikt.

stelde trends moet de Mobiliteitsraad ook een

De MORA is ervan overtuigd dat de strategische

beschouwing geven over het mobiliteitsbeleid in

adviesraad en het maatschappelijk mobiliteitsveld

Vlaanderen.

hierin vertegenwoordigd op een nog krachtiger en

Het eerste Mobiliteitsrapport wordt meer in detail

efďŹ ciĂŤntere manier het beleid met adviezen zou

ondersteund door een aantal themarapporten, die

kunnen ondersteunen indien de huidige hiaten in

het resultaat zijn van de werkzaamheden die bin-

informatie en data op een structurele wijze worden

nen de MORA, of de bijzondere MORA-commissies

opgevuld.

goederenvervoer en personenvervoer, hebben

De MORA hoopt dat dit rapport een aanleiding

plaatsgevonden sinds de oprichting in september

kan zijn om met beleidsmakers, wetenschappers,

2007. Deze thematische rapporten bevatten nog

ambtenaren en middenveld rond de tafel te zitten

meer onderbouwende cijfers en zullen vanaf sep-

om klare afspraken te maken over de broodnodige

tember 2009 op de website consulteerbaar zijn:

data voor het Vlaamse mobiliteitsbeleid.

www.serv.be/mora. De MORA maakt zelf geen wetenschappelijke studies of analyses, maar is afhankelijk van wat er in het mobiliteitsveld aan cijfermateriaal te vinden is. Dat maakt dat het voorliggende rapport het resultaat is van vele mensen, ook van buiten de Mobiliteitsraad.

—5


—6


1

OMGEVINGSKADER

—7


1.1

DEMOGRAFISCH

De afgelopen decennia heeft de bevolkingsgroei een stuwend effect gehad op de mobiliteit. Volgens het Federaal Planbureau zal de bevolking in Vlaanderen ook de komende decennia blijven groeien. Op 1 januari 2008 bedroeg het bevolkingsaantal in Vlaanderen 6.161.600. Dit bevolkingsaantal zal tot 2020 jaarlijks met gemiddeld zo’n 40.000 inwoners toenemen. Dit betekent in 2020 dagelijks 1,3 miljoen extra verplaatsingen, goed voor 15 miljoen extra personenkilometer per dag.1 Bovendien zal deze bevolkingstoename leiden tot een bijkomende vraag naar goederen en diensten, waardoor ook het goederenvervoer indirect zal toenemen.

1 Uit cijfers OVG2 (cijfers 2001) blijkt dat het aantal verplaatsingen per persoon per dag gemiddeld 2,76 bedraagt, waarbij circa 30 km per dag wordt afgelegd.

—8


1.2 ECONOMISCH

Figuur 1: evolutie van het BBP en verkeer en vervoer in Vlaanderen (2002 = 100) 114 112 110 108 106

Economie en vervoer zijn nauw met elkaar verbon-

104

den. Economische parameters beïnvloeden mee

102

de vraag naar en het aanbod van vervoer. Daar

100

tegenover staat dat het vervoer ook een impact

98

heeft op de economie.

2002

2003

2004

tonkm (alle modi)* BBP Vl. In constante prijzen

De meeste cijfergegevens in dit rapport gaan tot

2005

2006

voertuigkilometer reizigerskilommeter

2007–2008. Sinds eind 2008 vertraagt echter de groei van de wereldeconomie. Meer en meer

* geen data beschikbaar voor 2007 Bron: Studiedienst Vlaamse Regering + FOD MOB

dringen de gevolgen van de economische recessie ook in Vlaanderen door. Stilaan worden ze ook

Sinds 2008 vertraagt de groei van de wereld-

zichtbaar in de (nog beperkt) beschikbare cijfers.

economie. De economische groeivertraging laat

Bij de interpretatie van de data die de recessie nog

zich ook in onze regio meer en meer voelen.

niet illustreren, omdat er nog geen recente cijfers

Deze evolutie weerspiegelt zich onder meer in de

beschikbaar zijn, moet deze evolutie evenwel mee

evolutie van het BBP. In het laatste kwartaal van

in overweging worden genomen.

2008 is het BBP (voor België) met 1,7% gedaald ten opzichte van 2007.

1.2.1

Evolutie van het BBP

De economie in Vlaanderen (uitgedrukt in BBP)

Nederlands onderzoek wijst op een gevoelige da-

kent tussen 2002 en 2007 een permanente groei.

ling van de mobiliteit en de filedruk op de snel-

Het BBP in constante prijzen (dus met neutralisatie

wegen (-14% in januari 2009 t.o.v. januari 2008).

van bijvoorbeeld de prijsstijgingen in de petro-

Volgens de Nederlandse onderzoekers verklaart

leumsector) steeg tussen 2002 en 2007 met 11%

de verslechterde economische situatie dit voor

(van 147 miljard euro in 2002 naar 163 miljard euro

een groot deel. Volgens het Vlaams Verkeerscen-

in 2007).

trum heeft zich vanaf 2008 ook in Vlaanderen een lichte daling van de filedruk ingezet, die zich lijkt door te zetten in 2009. Omdat nog geen nader

Tabel 1: BBP in constante prijzen (prijzen van 2000) (miljard euro)

onderzoek is verricht naar de oorzaken van deze Vlaanderen

2002

2003

2004

2005

2006

2007

147,03

148,79

152,51

154,34

159,44

163,42

evolutie kunnen geen uitspraken worden gedaan over de correlatie tussen de daling van de filedruk en de economische recessie.

Bron: Studiedienst Vlaamse Regering (SVR)

De evolutie van de mobiliteit, uitgedrukt in voer-

Het Federaal Planbureau berekende modelmatig

tuigkilometer en reizigerskilometer, verloopt zo

de impact van een lagere economische groei op

goed als parallel met de evolutie van het BBP. Dit

verkeer en vervoer in België tot 2030. Het scena-

is een indicatie voor de koppeling tussen econo-

rio van lagere economische groei werd vergeleken

mie en welvaart enerzijds en verkeer en vervoer

met een referentiescenario. Volgens het referen-

anderzijds.

tiescenario stijgt het aantal reizigerskilometer tegen 2030 met 30% en het goederenvervoer (in tonkilometer) met 60%. Het scenario met lagere economische groei geeft een afzwakking van de vervoersgroei ten opzichte van het referentiescenario aan. Vooral voor het goederenvervoer is deze afzwakking uitgesproken.

—9

2007


In het scenario met lagere economische groei

Wat de impact van de werkgelegenheidsevolutie

(waarbij de reële jaarlijkse groeivoet van het BBP

op de evolutie van de mobiliteit betreft (zowel

0,5% lager is vanaf 2009), wordt tegen 2030 een

naar goederen- als personenvervoer) konden geen

daling met 4,4% van het totaal aantal reizigers-

data worden gevonden. In de langetermijnvooruit-

kilometers in België ten opzichte van het referen-

zichten voor transport in België stelt het Federaal

tiescenario vastgesteld (spoor -10,9%, auto solo

Planbureau dat in een modelmatig scenario van la-

-7,7%, fiets/te voet -17,6%, auto pool +3%, bus,

gere economische groei de voorspelde stijging van

tram, metro +12,8%). Voor het goederenvervoer

het aantal reizigerskilometers vertraagt met 4,4%

wordt een daling van 16,1% van het totaal aantal

in 2030 ten opzichte van het referentiescenario.

tonkilometers ten opzichte van het referentie-

Deze neerwaartse evolutie wordt onder meer

scenario vastgesteld tegen 2030 (vrachtwagen

verklaard door een daling van het aantal werkende

-14,4%, bestelwagen -13,6%, binnenvaart -20,2%,

personen (tegenover het referentiescenario), wat

spoor -20,2%). Uit deze evoluties concludeert het

de vraag naar pendeltrips zou verminderen.

Planbureau dat een lagere economische groei leidt De economische recessie weerspiegelt zich in de

tot een lagere transportvraag.

evolutie van het aantal faillissementen. Het totaal Let wel, het gaat hier alleen om een afzwakking

aantal faillissementen in België steeg tussen 2008

van de voorspelde groei, en niet om een daling van

en 2009 (periode januari tot en met mei) met 22%

verkeer en vervoer in absolute termen. Zelfs in een

(van 3.374 naar 4.118 faillissementen). Tussen 2005

scenario met lagere economische groei zal volgens

en 2007 bleef het aantal faillissementen (periode

het Planbureau het personenvervoer tegen 2030

januari-mei) nagenoeg constant.

nog stijgen met 25,6% en het goederenvervoer met bijna 44%.

1.2.4 Plaats van verkeer en vervoer en van de logistieke sector

1.2.2 De toegevoegde waarde

1.2.4.1 Verkeer en vervoer

De totale toegevoegde waarde in Vlaanderen steeg

De sector verkeer en vervoer (goederen + perso-

van 136,4 miljard euro in 2001 tot 162,8 miljard

nen)2 heeft met een toegevoegde waarde van bijna

euro in 2006. Dit is een stijging van 19% over vijf

13 miljard euro een aanzienlijk aandeel (8%) in de

jaar (voor België steeg de toegevoegde waarde

totale toegevoegde waarde in Vlaanderen en levert

met 17,9%).

hiermee een belangrijke bijdrage in onze economie. De evolutie van de toegevoegde waarde van de sector verkeer en vervoer volgt grosso modo

Tabel 2: BTW tegen lopende prijzen (mio euro)

de evolutie van de totale toegevoegde waarde in Vlaanderen

2002

2003

2004

2005

2006

136.439

140.670

147.931

154.196

162.835

Bron: NBB – INR Regionale Rekeningen

Vlaanderen, maar kent in de periode 2003–2006 een snellere stijging t.o.v. 2002. Figuur 2: evolutie toegevoegde waarde in Vlaanderen en in verkeer en vervoer (in lopende prijzen, 2002 = 100)

1.2.3 De werkgelegenheid

140

Werkgelegenheid is nauw verbonden met de

135

economische evolutie. Met een zekere vertraging

130

werken de schommelingen van de economische activiteit door in het werkgelegenheidsverloop.

125

In de periode 2003–2008 steeg de totale werk-

120

gelegenheid van loontrekkenden in Vlaanderen

115

volgens de RSZ-gegevens met 7% (van 1,9 miljoen

110

naar iets meer dan 2 miljoen). Recentelijk weerspiegelt de economische recessie zich echter ook in de werkgelegenheidscijfers (de NBB raamt een

105 100

2002

2003

2004

2005

2006

daling van de werkgelegenheid van -0,6% in 2009 TW vervoersector Vlaanderen (goed. + pers.)

t.o.v. 2008).

Bron: NBB – INR Regionale Rekeningen 2 Inclusief post en telecomsector.

— 10

TW Vlaanderen


Figuur 3: evolutie van de toegevoegde waarde van de logistieke sector in België (2001 = 100)

Het sociaal-economisch belang van verkeer en vervoer uit zich ook in de werkgelegenheid. Met ruim 160.000 werknemers in 2008 heeft de ver-

135

keers- en vervoersector (in brede zin en inclusief

130

telecommunicatie) een aandeel van bijna 8% in de 125

totale werkgelegenheid in Vlaanderen.

120

De economische recessie weerspiegelt zich in de

115

sector verkeer en vervoer duidelijk in de evolutie van het aantal faillissementen. Voor de totale

110

vervoersector in België (volgens NACEclassificatie,

105

goederen + personen) bleef tussen 2005 en 2008 100

het aantal faillissementen min of meer constant,

2001

2002

2003

2004

met zelfs een neerwaartse knik in 2007 (130 failTW totaal weg + spoor + binnenvaart TW totaal logistieke cluster TW België

lissementen in de periode jan-mei). Vooral tussen 2008 en 2009 is er een uitgesproken stijging: van

Bron: NBB

156 in jan-mei 2008 naar 223 in jan-mei 2009, of +43%3. Deze stijging is groter dan de stijging van

Voor 2006 wordt de toegevoegde waarde van de

het totaal aantal faillissementen (+22%).

logistieke sector in België op 9,66 miljard euro geraamd. Ten aanzien van 2001 is dit een stijging

1.2.4.2 De logistieke sector

van 36%.

Onder meer wegens zijn centrale ligging trekt Vlaanderen sinds enige tijd de kaart van de logis-

De evolutie van het goederenvervoer (weg, spoor,

tiek. Met het toekomstproject Vlaanderen in Actie

binnenvaart), uitgedrukt in tonkilometer, kende

(VIA) wil de Vlaamse Regering Vlaanderen tegen

in periode 2002–2007 een sterkere stijging dan

2020 naar de top-vijf van Europese regio’s leiden

deze van het BBP. Het goederenvervoer op Vlaams

via vijf doorbraakpistes. Een van de doorbraak-

grondgebied steeg tussen 2002 en 2006 met 13%,

pistes is het uitbouwen van een performante

terwijl het BBP steeg met 8%.

logistieke sector met focus op hoge toegevoegde waarde, multimodaliteit en ICT.

De NBB berekende op Belgisch niveau de werkgelegenheid binnen de logistieke cluster. Met 131.870

De logistieke sector (het vervoer en behande-

voltijdse equivalenten in 2006 vertegenwoordigt

len van goederen in zijn ruime betekenis) heeft

de logistieke sector bijna 4% van de totale werk-

een aanzienlijke sociaal-economische impact in

gelegenheid in België. Voor meer gedetailleerde

Vlaanderen. De Nationale Bank van België raamt

informatie over de economische impact van de

4

de toegevoegde waarde van de logistieke sector

logistieke sector en de bijdragen van de verschil-

in Vlaanderen op circa 6,1 miljard euro of 7,1 miljard

lende modi en subsectoren wordt verwezen naar

euro, afhankelijk van de gebruikte verdeelsleutel.

het achtergronddocument.

Met 6,1 miljard euro toegevoegde waarde (in lopende prijzen) heeft de logistieke sector in Vlaanderen

1.2.5 De internationale handel

een aandeel van bijna 4%. De toegevoegde waarde

Zowel de import als export van goederen kende

van de logistieke cluster (gegevens voor België)

in Vlaanderen een gestage groei tussen 2003 en

kent in de periode 2001–2005 een aanzienlijk for-

2007 (met een iets sterkere groei van de import):

sere stijging dan de totale toegevoegde waarde.

+43% import en +31% export. In 2007 bedroeg de import van goederen in Vlaanderen 194 miljard euro en de export 190,5 miljard euro. Tot en met het derde kwartaal van 2008 hield de uitvoer goed stand. In het derde kwartaal van 2008 nam de Vlaamse export met 10,0% toe op

3 Op basis van de gegevens van Graydon over de evolutie van de faillissementen. De waarden die worden weergegeven gaan per jaar over een periode van januari tot mei. Op die manier konden ook de recentste cijfers voor 2009 worden meegenomen. 4 De NBB bakent hiervoor een logistieke cluster af.

— 11

2005


jaarbasis (in werkelijke prijzen). Maar op basis van (Belgische) gegevens voor het vierde kwartaal van 2008 blijkt dat de Belgische export met 5,8% is gedaald tegenover het vierde kwartaal 2007, als gevolg van de economische recessie. De Belgische uitvoer naar de drie buurlanden en het Verenigd Koninkrijk viel nominaal met 2,8% terug5.

De logistieke sector heeft een aanzienlijke sociaal-economische impact

5 Op basis van SVR – Conjunctuurnota “Recente ontwikkelingen in Vlaanderen”. April 2009.

— 12


1.3 RUIMTELIJK

winkelapparaat in stedelijke centra en anderzijds een verdere ontwikkeling op perifere concentraties met baanwinkels en shoppingcentra. Beleid: spreiding tegengaan en multimodale knooppunten ontwikkelen De Vlaamse overheid heeft met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in 1997 een beleid

Ruimtelijke structuren zijn een belangrijke drager

uitgestippeld om verdere spreiding van activitei-

voor sociale en economische ontwikkelingen in een

ten tegen te gaan. Het Stedenbeleid is bovendien

regio. Bij locatiekeuze blijkt mobiliteit een belang-

ontwikkeld om stadsvlucht tegen te gaan en een

rijke keuzefactor, maar mobiliteit wordt zelf ook

duurzame ontwikkeling te bevorderen. Het beleid

sterk bepaald door ruimtelijke inplanting van acti-

richt zich in hoofdzaak op de twee grootsteden

viteiten. Kortom, mobiliteit speelt een belangrijke

Antwerpen en Gent en de elf regionale steden.

ondersteunende en bovendien zichzelf verster-

Ook het mobiliteitsbeleid gaat ervan uit dat een

kende rol bij de spreiding van woningen, bedrijven,

verdere spreiding niet gewenst is. Er werd daarbij

recreatieve voorzieningen en andere functies. De

bepaald dat ontwikkelingen vooral rond multimo-

groei van het personen- en vrachtwagengebruik de

dale knooppunten moeten worden ondersteund.

afgelopen decennia ging dan ook hand in hand met

De Vlaamse Regering heeft dan ook, via het

ruimtelijke fenomenen zoals spreiding en schei-

Stedenfonds en het Fonds Stationsomgevingen, de

ding, suburbanisatie en schaalvergroting. Flexibili-

afgelopen jaren geïnvesteerd in stadvernieuwings-

teit, comfort, betaalbaarheid en snelheid van deze

projecten in en rond stations. Tussen 2007 en 2015

modi zijn daarin bepalende factoren.

wordt hiervoor jaarlijks 56,1 miljoen euro vanuit de meerjarenbegroting Mobiliteit en 18 miljoen euro

Suburbanisatietrend neemt af

vanuit de algemene begroting voorzien.

Het onderzoek van stadsgewesten op basis van

Momenteel zijn onvoldoende gegevens beschik-

de Sociaal-Economische Enquête stelt nog steeds

baar om te kunnen inschatten of in Vlaanderen de

suburbanisatie vast. De stadsvlucht van jonge ge-

beoogde concentratie van activiteiten rond multi-

zinnen met kinderen is nog niet gekeerd, maar er

modale knooppunten zich effectief doorzet.

doet zich ook een tegenbeweging voor, waarbij het inwonersaantal in de stad de laatste jaren opnieuw stijgt door de komst van migranten en jongeren. Ruimtelijke scheiding van activiteiten Het aantal bedrijven en de werkgelegenheid blijven nog steeds sterk geconcentreerd in steden. Desondanks vindt er een lichte verschuiving plaats richting stadsrand. Bovendien wordt een herstructurering vastgesteld, waarbij industriële en ruimte-extensieve bedrijven de stad verlaten en dienstverlenende activiteiten zich steeds sterker concentreren in stedelijke gebieden. Hierbij ontstaat een arbeidsmarktparadox: in de stad worden steeds meer hoogopgeleide functies aangeboden, terwijl er een relatief hoog aantal laaggeschoolde arbeidskrachten wonen. Buiten de stad is er een relatief groter aanbod aan jobs voor laaggeschoolden, maar heeft men een relatief grotere populatie hogeropgeleiden. Er treedt eveneens een polarisering van winkelgebieden op, met enerzijds een groei van het

— 13


1.4 SOCIAAL, CULTUREEL EN TECHNOLOGISCH

de vorige eeuw. Door het ouder worden van deze omvangrijke groep zal een verdere groei van het verkeersvolume wellicht gedempt worden. Modale keuze De babyboomgeneratie was de eerste generatie met een hoog rijbewijsbezit en hoog autobezit. Naar verwachting zullen deze mensen meer dan

1.4.1

Differentiatie leefstijl

de huidige ouderen gebruik willen blijven maken

Verplaatsingsgedrag wordt in sterke mate bepaald

van de auto. Toch zal met het groter worden van

door de socio-economische achtergrond van per-

de groep ouderen en van mobiele oude ouderen

sonen (met name inkomen en opleiding). Toch ont-

het stappen, het openbaar vervoer en aangepast

staan binnen de verschillende socio-economische

vervoer in belang toenemen.

groepen ook steeds meer uiteenlopende leefstijlen. Aangezien een leefstijl samen gaat met een

Type verkeersstromen

bepaalde houding tegenover vrijetijdsbesteding,

Het woon-werkverkeer zal relatief minder belang-

afweging gezin-werk, woonplaatskeuze en dage-

rijk worden dan de verplaatsingen voor vrije tijd en

lijkse activiteitenpatronen, leidt dit ook tot een

huishouden.

alsmaar gedifferentieerder mobiliteitsgedrag. Voor mobiliteitsbeleid betekent dit dat een gerichte

Verkeersveiligheid

aanpak met aandacht voor de specifieke eisen per

Onderzoek van huidige verkeersveiligheidscijfers

doelgroep meer dan ooit belangrijk is geworden.

toont aan dat ouderen (65+) een grotere kwetsbaarheid kennen en per afgelegde kilometer een verhoogd risico hebben op een ernstig letsel.7

Door de vergrijzing worden 65-plussers een belangrijke doelgroep in het mobiliteitsbeleid

Toegankelijkheid en vervoersarmoede De verkeersinfrastructuur en voertuigen zullen in toenemende mate aangepast moeten worden in functie van de fysieke beperkingen van ouderen.

1.4.2 Vergrijzing

Met het groter worden van de groep mensen met

Vergrijzing

fysieke beperkingen verhoogt ook het aantal per-

De veroudering van de bevolking, met name het

sonen dat afhankelijk is van derden. Indien onvol-

op pensioengerechtigde leeftijd komen van de ba-

doende ingespeeld kan worden op hun specifieke

byboomers, heeft nu al belangrijke invloed op het

noden kan dit leiden tot vervoersarmoede.

activiteitenpatroon en verplaatsingsgedrag en dit zal zich in de toekomst wellicht sterker doorzetten.

Om de gevolgen van de vergrijzing te kunnen

Het aandeel van 65-plussers stijgt tussen 2007 en

opvangen zullen meer mensen langer aan het

2020 van 17,8% naar 20,5%. Dit betekent dat in

werk moeten. Vlaanderen stelt zich tot doel om

2020 ongeveer 1,35 miljoen Vlamingen 65+ zijn.

tegen 2020 een werkzaamheidsgraad8 van 70% te

Dit zijn er 250.000 meer dan in 2007. Prognoses

behalen. In 2008 kwam de werkzaamheidsgraad in

geven aan dat in 2060 zelfs 28% van de bevolking

Vlaanderen uit op 66,5%. De verdere stijging van

ouder dan 65 zal zijn.

de werkzaamheidsgraad zal gepaard gaan met een

De invloed van vergrijzing op mobiliteit manifes6

teert zich op verschillende domeinen.

groei van de bevolking. Dat betekent dat er tegen 2020 250.000 werkenden meer zullen zijn dan in 2007 (+ 9%). Dit resulteert meteen ook in een

Verkeersvolume

bijkomende vraag in woon-werkverkeer.

De babyboomgeneratie is voor een groot stuk verantwoordelijk voor de groei in mobiliteit die zich in Vlaanderen doorzet sinds de jaren ’60 van 6 Zie o.a. Harms, 2008; Jorritsma et al., 2008; Van Hout et al., 2009. 7 Zie onderzoek Steunpunt Verkeersveiligheid. 8 De werkzaamheidsgraad meet het aandeel werkenden in de beroepsbevolking op arbeidsleeftijd (15–64 jaar). ‘Werkenden’ staat voor: iedereen die in een bepaalde referentieweek minstens één uur betaalde arbeid heeft verricht (definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie).

— 14


1.4.3 Gezinsverdunning

vorige generaties was het rijbewijsbezit niet alleen

Het samenwonen van twee volwassen (al dan niet

lager, maar bovendien was het verschil tussen

met kinderen) is anno 2007 nog steeds de norm in

beide geslachten opmerkelijk groter. Zo is bij de

Vlaanderen. Toch treedt er een trend van gezins-

huidige 65-plussers slechts 50% van de vrouwen

verdunning op. Vooral door vergrijzing komen

in het bezit van een rijbewijs, tegenover 89% van

er steeds meer eenpersoonshuishoudens. De

de mannen.

samenstelling van het gezin is bepalend voor de

Desondanks hebben vrouwen anno 2007 nog

beschikbaarheid van vervoermiddelen en het acti-

steeds een lager gemiddeld aantal verplaatsingen

viteitenpatroon.9 Door huishoudenverdunning zijn

per dag (3,02) dan mannen (3,26). Bovendien gaat

voor de behoeftebevrediging van hetzelfde aantal

het bij vrouwen vaker om winkelen, boodschappen

personen meer externe contacten nodig.

doen of iemand wegbrengen, terwijl mannen meer zakelijke en werkverplaatsingen maken. Maar de

1.4.4 Intensivering dagelijks leven

trend naar een meer gelijk verplaatsingsgedrag

Meer vrouwen (deeltijds) aan het werk met

lijkt in elk geval ingezet.

drukker takenpakket De afgelopen decennia zijn steeds meer vrouwen

Intensief bestede vrije tijd

buitenshuis aan het werk gegaan. Ondanks deze

Vrije tijd speelt een steeds belangrijker rol in ons

toegenomen arbeidsparticipatie blijven er aan-

leven. Hierdoor wordt de vrije tijd ook steeds

zienlijke verschillen bestaan in de arbeidsduur en

intensiever beleefd. Bezoek aan pretparken,

taakverdeling tussen vrouwen en mannen. Vooral

bioscoop, stadions, expo’s, kerstmarkten, citytrips

vrouwen werken deeltijds en combineren werk

en verre reizen behoort tot de tijdsbesteding van

met huishoudelijke taken, boodschappen en het

vele Vlamingen. Men stelt niettemin een afname

brengen/halen van kinderen. Wat betreft de ver-

van de werkelijke vrije tijd vast. Doordat deze vrije

plichte activiteiten (arbeid, huishouden, educatie)

tijd door vele uiteenlopende uithuizige activi-

zal men zich steeds minder exclusief houden aan

teiten wordt ingevuld, ontstaat als het ware een

één hoofdtaak, maar steeds vaker twee of meer

vrijetijdshectiek of vrijetijdsstress.10 Door de vele

taken combineren. Dit drukker takenpakket heeft

uithuizige vrijetijdsactiviteiten is mobiliteit een

gevolgen voor de mobiliteit. Het aaneenschakelen

belangrijk onderdeel van de vrijetijdsbesteding.

van verschillende bestemmingen (werk, winkel,

Snelheid, comfort en prijs zijn daarin bepalend.

kinderen halen/brengen…) in één verplaatsingsmogelijk met gebruik van de auto. De combinatie

1.4.5 Informatisering: belang van ICT in de mobiliteit neemt toe

van andere activiteiten met werk verdient dan ook

Een belangrijke maatschappelijk trend is de verdere

de nodige aandacht in de benadering van de woon-

integratie van informatie- en communicatietechno-

werkproblematiek.

logie (ICT) in alle geledingen van de maatschappij.

keten is door de tijdsdruk in vele gevallen maar

Dit uit zich zowel in de wijze waarop bedrijven zich Door de toegenomen arbeidsparticipatie van

organiseren, goederen produceren en distribueren,

vrouwen is hun verplaatsingsgedrag steeds meer

alsook in wijze waarop mensen zich organiseren en

gaan lijken op dat van mannen. Er heeft zich dan

sociale contacten onderhouden.

ook een emancipatie voorgedaan wat betreft rij-

Enerzijds biedt ICT de mogelijkheid fysieke ver-

bewijsbezit, autobezit, autogebruik en toegenomen

plaatsingen te vervangen door virtuele reizen.

verplaatsingsafstanden.

Anderzijds kan gebruik van ICT er net toe leiden

Een goede indicator van het toegenomen be-

dat transport en afstanden toenemen, doordat

lang van de auto in de mobiliteit van vrouwen is

consumenten en bedrijven goederen en diensten

het rijbewijsbezit. Recente cijfers uit Onderzoek

bestellen van over de hele wereld. Totnogtoe lijkt

Verplaatsingsgedrag Vlaanderen (OVG) geven

de introductie van ICT-voorzieningen niet tot een

aan dat in 2007 bij vrouwen van 25–34 jaar het

demping van de mobiliteit te leiden. Een onder-

rijbewijsbezit nagenoeg even hoog ligt dan bij hun

zoek van het Nederlandse Ruimtelijk Planbureau11

mannelijke leeftijdsgenoten (87% versus 90%). Bij

toont aan dat de ‘e-handel’ in een toename van de

9 Harms, 2008; VIWTA, 2007; Vleugels, 2005. 10 Harms, 2008. 11 Weltevreden, 2007.

— 15


mobiliteit resulteert, doordat bijvoorbeeld de online aankopen een substitutie van personen- door goederenverplaatsingen veroorzaken. Een gekende toepassing van ICT in het kader van mobiliteit is telewerken. Telewerken is in de Vlaamse ondernemingen met minstens 10 werknemers (33%) beter ingeburgerd dan in de EU15 (23%). Het percentage bedrijven met werknemers die regelmatig buiten het bedrijf werken en van daaruit toegang hebben tot het IT-systeem verschilt sterk naargelang de grootte van het bedrijf: van 15% voor bedrijven tot 10 werknemers tot 78% voor bedrijven met meer dan 250 werknemers. Telewerk kan zeker een bijdrage leveren in de aanpak van de woon-werkproblematiek, maar toch is enig voorbehoud geboden wat betreft positieve mobiliteitseffecten als gevolg van terugkoppeleffecten. Ook voor andere ICT-toepassingen moet men steeds waakzaam zijn voor de mogelijke neveneffecten. Niettemin biedt ICT heel wat potentieel om mobiliteit en transport en logistiek in het bijzonder, efďŹ ciĂŤnter, veiliger en comfortabeler te laten verlopen.

Telewerk kan zeker een bijdrage leveren in de aanpak van de woon-werkproblematiek, maar toch is enig voorbehoud geboden wegens terugkoppeleffecten

— 16


1.5 PRIJS VOOR DE GEBRUIKER

Figuur 4: prijsevolutie collectief vervoer 125 120 115 110 105

Ook de kostprijs van de verschillende modi zijn bepalend voor het mobiliteitsveld en de modale

100

keuze. Het aandeel van het gezinsbudget dat aan 95

vervoer wordt gespendeerd is de laatste vijf jaar

2004

2005

2006

2007

2008

2009

12

vrij constant rond de 13% gebleven. In absolute termen zijn de uitgaven echter wel gestegen, wat vermoedelijk verband houdt met het stijgende wagenbezit.

tarief biljet De Lijn VVK

index

tarief biljetten NMBS

tarief Lijnkaart 1 zone

omnipas De Lijn

prijs gemiddelde taxirit

Voor het collectief vervoer is het interessant de tarief abonnementen NMBS

evolutie weer te geven van enkele referentietarieven, zoals de kostprijs van biljetten en abon-

Bron: eigen berekening

nementen. Een evolutie van alle tarieven zegt weinig, omdat de operator bepaalde keuzes kan

Voor het privé vervoer wordt de kostprijs van

maken zoals het fors verhogen van de verkoop van

benzine en dieselprijzen getoond ten aanzien

biljetten op het voertuig.

van een berekende jaarkostprijs voor het bezit en gebruik (20.000 km) van een personenwagen,

In bijgaande grafiek wordt aangetoond dat in de

respectievelijk met benzine of dieselmoter. Deze

voorbije jaren de tarieven voor het collectief ver-

kostprijs schommelt uiteraard meer als gevolg van

voer in grote mate de evolutie van de consumptie-

de volatiele benzineprijzen.

index blijven volgen. Voor de taxitarieven is de grafiek gebaseerd op de

Figuur 5: evolutie brandstofprijzen en gebruik personenwagen

maximumtarieven voor een standaardrit vastge-

155

legd door de FOD Economie. De werkelijk gehan-

145

teerde tarieven kunnen in nominale termen lager

135

liggen, maar zullen wellicht deze trend volgen.

125 115 105 95 85

2004

2005

2008

2009

kostprijs benzineauto 20.000 km

benzine Euro 95

kostprijs dieselauto 20.000 km

Bron: eigen berekening

— 17

2007

diesel

index

12 Levenstandaard – verbruik van goederen en diensten FOD Economie 1998–2000.

2006


— 18


2

KERNCIJFERS VLAAMSE MOBILITEIT

— 19


De eerste, weliswaar voorlopige, resultaten uit het

Eurostat berekent jaarlijks de zogenoemde modal

recentste Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG3)

split van het personenvervoer13 gebaseerd op

geven aan dat de mobiliteit van de Vlaming in

het aantal afgelegde reizigerskilometers van drie

2007 is toegenomen, zowel voor het aantal ver-

modi (personenwagens, autobussen en autocars,

plaatsingen als voor de afgelegde afstanden.

treinen). Volgens deze cijfers is het autogebruik

Zo maakt de Vlaming in 2007 gemiddeld 3,14

in Vlaanderen sinds 2002 jaarlijks gedaald met

verplaatsingen per dag, terwijl dat er in 2001 nog

0,58%, tot 81,1%, terwijl het gemiddelde auto-

2,76 waren. De gemiddelde afstand die hierbij

gebruik in de totale Europese Unie gelijk blijft of

werd afgelegd is toegenomen van 32,7 km in 2001

lichtjes toeneemt.14 Belangrijk is ook te vermelden

naar 41,6 km in 2007. De gemiddelde afstand per

dat dit samenvalt met een groei van het vervoer

verplaatsing bedraagt nu 13,1 km.

per bus en per trein, respectievelijk met 1,3% en

Het grootste deel van onze dagelijkse verplaatsin-

0,9%.

gen zijn lokale verplaatsingen, een trend die zich

Dit geldt voor heel België, want deze trend wordt

heeft doorgezet in 2007. 54,6% van de verplaat-

doorgezet in Wallonië en Brussel. België doet

singen zijn korter dan 5 km en slechts 11,5% zijn

het hiermee opvallend beter dan de buurlanden

langer dan 25 km. 74% van onze verplaatsingen

Nederland, Frankrijk en Duitsland, met respectie-

duurt korter dan 20 minuten.

velijke cijfers van 84,7%, 85,4% en 85,7%.

Winkelen blijft het belangrijkste motief (21,4%) in aantal verplaatsingen, maar wordt op de voet gevolgd door zakelijke of woon-werkverplaatsingen

Het aandeel van de auto in de modal split is weliswaar gedaald, maar de auto blijft het dominante vervoermiddel

(samen 20,5%). De gemiddelde afstand die we afleggen voor het woon-werkverkeer is dan weer lichtjes gedaald van 19 naar 18,6 kilometer. Beduidend is ook dat inmiddels bijna de helft (48,4%) van het aantal afgelegde kilometers

De auto blijft nog steeds het dominante ver-

gebeurt voor vrijetijdsactiviteiten (bezoekjes afleg-

voermiddel15, zowel in het aantal verplaatsingen

gen, wandelen of rondrijden, ontspanning, sport en

(64,7%) als in het aantal afgelegde kilometers

cultuur).

(71,1%). 62% van de autoverplaatsingen wordt alleen gedaan. 14,1% van het aantal verplaatsingen

Modale verdeling:

in Vlaanderen gebeurt met de fiets en 13,3% te

Figuur 6: modale verdeling personenvervoer over de drie voornaamste modi (personenwagens, bussen-autocars, treinen), volgens personenkm in % 100 90

voet. Deze vervoerwijzen worden voornamelijk gebruikt voor korte afstanden. 5,7% van het totaal aantal afgelegde kilometers wordt met de fiets of te voet gedaan. Een vierde van de Vlamingen

10,2

11,0

11,1

11,3

11,5

6,5

6,5

6,7

7,2

7,4

gebruikt de fiets dagelijks.

80

Het openbaar vervoer wordt gebruikt voor bijna

70

4,2% van de verplaatsingen en is goed voor 10,3%

60

van het totaal aantal afgelegde kilometers. Voor

50

83,3

82,5

82,1

81,5

81,1

het openbaar vervoer betekent dit, in vergelijking

40

met OVG2, een stijging van de gemiddelde afgeleg-

30

de afstand van 2,58 kilometer naar 4,29 kilometer

20

per persoon per dag.

10 0

2002 auto

2003 trein

2004

2005

2006

bussen-autocars

Bron: EC DG TREN, FOD MV, Algemene Directie Statistiek, NMBS (België en gewesten)

13 Modale verdeling personenvervoer drie voornaamste modi, volgens personenkm, ongeacht het land van registratie, in % Ruimte: België en gewesten, Europese Unie; Tijd: 1995 – 2006; Modi: personenwagens, bussen-autocars, treinen; EC DG TREN, FOD MV, Algemene Directie Statistiek, NMBS (België en gewesten). 14 Afhankelijk van de vergelijking EU15, EU25 of EU27. 15 Bron: OVG 3.

— 20


Tabel 3: de toekomstige evolutie van het personenvervoer tussen 2005 en 2030 – referentiescenario

Figuur 7: verdeling van het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag volgens hoofdvervoerwijze 0,9 1,7

1,7

autobestuurder

3,5

2005

2030

stijging

34

40

18%

8

10

29%

83

112

35%

125

163

30%

auto met 1 inzittende

52%

58%

auto met minstens 2 inzittenden

32%

26%

reizigerskm in België (miljard)

autopassagier

14,1 46,9 13,3

te voet

woon-werk

fiets

woon-school

bus/tram/metro

17,8

andere motieven

trein brom-/snor-/motorfiets andere/onbepaald

aandeel van de vervoermiddelen in de reizigerskm in België

Bron: OVG3

Figuur 8: verdeling van het aantal afgelegde kilometers per persoon per dag volgens hoofdvervoerwijze 12,1

0,7 3,3 4,2 1,5

7,0

totaal

autobestuurder

trein

6%

8%

autopassagier

bus/tram/metro

6%

4%

te voet/fiets

2%

2%

motor

1%

1%

te voet 50,4 20,7

fiets bus/tram/metro trein

Bron: Federaal Planbureau PP107

brom-/snor-/motorfiets andere/onbepaald Bron: OVG3

Om naar de toekomst te kijken, kunnen we enkel teruggrijpen naar Belgische cijfers. Volgens de prognoses van het Federaal Planbureau16 groeit het aantal reizigerskilometer in België met 30% tegen 2030. De auto is nog steeds het dominante vervoermiddel. Het aandeel blijft met 84% constant, maar alleenrijdende automobilisten nemen er een groter deel van in. Het aandeel van de trein stijgt licht, terwijl dat van het overig openbaar vervoer daalt. Het Planbureau vermoedt dat vooral bus en tram relatief zwaar getroffen worden door de verwachte daling van de snelheid op de weg: 31% tijdens de spitsuren en 17% tijdens de daluren.

16 Federaal Planbureau: Langetermijnvooruitzichten in België: referentiescenario. Februari 2009.

— 21


2.1 WEGVERKEER

Figuur 9: evolutie van het wegverkeer in voertuigkilometer in Vlaanderen (2003 = 100) 114 112 110 108 106

Het gebruik van de weginfrastructuur en de verkeerssituatie op deze infrastructuur kunnen

104

afgeleid worden op basis van een verkeersvolume,

102

uitgedrukt in voertuigkilometer en personen- of 100

reizigerskilometer.

2.1.1

2003

Voertuigkilometers

In 2003 genereerde het totale wegennet in Vlaanderen 53,7 miljard voertuigkilometer. Op het

2004

2005

2006

2007

autosnelwegen

gemeentewegen

totaal

gewest- + prov. wegen

Bron: FOD MOB

autosnelwegnet werd bijna 20 miljard voertuigkilometer gereden. Tegen 2007 is het totaal aantal

Terwijl het aantal voertuigkilometers op het totale

voertuigkilometers opgeklommen tot 57 miljard

wegennet tussen 2003 en 2007 groeit met 6%,

(of +6%).

bedraagt de verkeersgroei op de autosnelwegen bijna 13%. In 2007 bedroeg het verkeer op de autosnelwegen 22,3 miljard voertuigkilometer.

Tabel 4: evolutie van het wegverkeer in Vlaanderen (in miljard voertuigkilometer) 2003

2004

2005

2006

2007

53,67

54,36

54,53

55,47

56,96

1,29

0,31

1,72

2,69

De opdeling van het wegverkeer in voertuigkilometer per voertuigtype is als volgt:

totaal jaarlijkse groei % autosnelwegen

19,80

20,27

20,46

21,27

22,33

gewest- + provinciewegen

21,69

21,79

21,73

21,78

22,05

gemeentewegen

12,18

12,30

12,34

12,42

12,58

Tabel 5: evolutie van het verkeer in voertuigkilometer per voertuigtype in Vlaanderen x miljoen voertuigkm

2003

2004

2005

2006

2007

53.670

54.360

54.530

55.470

56.960

604,1

620,5

631,8

649,3

673,1

42.359,2

42.652,9

42.540,3

42.990,3

43.857,0

autobus en autocars

359,2

371

379

392

409,1

bedraagt 1,50%. Tussen 2006 en 2007 steeg het

lichte vrachtwagens17

4.998,6

5.233,9

5.422,6

5.684,3

6.009,0

verkeer met 2,7%.

vrachtwagens/ trekkers

5.187,1

5.307,0

5.368,2

5.542,6

5.780,6

39,2% van het verkeer wordt op de autosnelwegen gegenereerd en 38,7% op de gewestwegen.

speciale voertuigen

159,3

176,1

191,9

208,6

227,0

totaal motorrijwielen

Bron: FOD MOB

personenwagens

De gemiddelde jaarlijkse groei van het verkeer (in voertuigkilometer) over de periode 2003–2007

Bron: FOD MOB

Het verkeer groeide het snelst op de autosnelwegen. Onderstaande grafiek geeft de evolutie van

Met bijna 44 miljard voertuigkilometer hebben

het verkeer per wegtype.

de personenwagens het grootste aandeel in het wegverkeer (77%) in Vlaanderen. Tussen 2003 en 2007 steeg het aantal voertuigkilometers voor personenwagens met 3,5%.

17 De FOD MOB definieert lichte vrachtwagens als voertuigen opgevat voor het vervoer van zaken waarvan de MTM 3.500 kg niet overschrijdt.

— 22


Tabel 6: voertuigkilometer per wegtype en voertuigtype (miljoen voertuigkilometer)

De laatste vijf jaar stijgt het verkeer met lichte vrachtwagens (≤ 3,5 ton) fors De vrachtwagens (+ trekkers) genereerden in

2003

2007

2003– 2007 (%)

aandeel 2007 (%)

14.608,0

16.145,3

10,5

72,3

autosnelwegen

2007 5,8 miljard voertuigkilometer. Dit is een stijging van 11% tegenover 2003. De vrachtwagens

personenauto

vertegenwoordigen circa 10% van het totaal aantal

vrachtwagen/trekker

3.279,3

3.799,2

15,9

17,0

lichte vrachtwagen

1.677,2

2.105,8

25,6

9,4

voertuigkilometers in 2007. Opvallend is de evolutie van de lichte vrachtwagens. In 2003 genereerden ze 4,9 miljard voertuigkilometer. Tegen 2007

autobus/car

122,8

136,7

11,3

0,6

is dit opgelopen tot meer dan 6 miljard voertuigki-

motor

112,5

146,0

29,8

0,7

17.481,2

17.450,0

-0,2

79,2

vrachtwagen/trekker

1.514,0

1.464,0

-3,3

6,6

lichte vrachtwagen

2.201,4

2.576,9

17,1

11,7

autobus/car

181,6

218,3

20,2

1,0

motor

270,2

302,9

12,1

1,4

10.270,0

10.261,0

-0,1

81,6

393,8

516,5

31,2

4,1

1.120,0

1.326,0

18,4

10,5

54,8

54,1

-1,3

0,4

221,4

224,2

1,3

1,8

lometer, of een stijging van 20%. De lichte vracht-

gewestwegen (+prov.)

wagens hebben in 2007 het op één na grootste personenauto

aandeel in de totale voertuigkilometers (10,5%). Figuur 10: evolutie van het verkeer in voertuigkilometer naar voertuigtype (2003 = 100) 125

120

gemeentewegen 115

personenauto vrachtwagen/trekker

110

lichte vrachtwagen 105

autobus/car motor

100 2003

2004

2005

2006

2007

Bron: FOD MOB + eigen verwerking

lichte vrachtwagens

vrachtwagens/trekkers

De personenwagens zijn verantwoordelijk voor

autobus en autocars

totaal

72% van het verkeer in voertuigkilometer op

motorrijwielen

personenwagens

de Vlaamse autosnelwegen. Het aandeel van de vrachtwagens bedraagt 17% en van de lichte

Bron: FOD MOB

vrachtwagens 9,4%. Tussen 2003 en 2007 steeg

De combinatie van het verkeer in voertuigkilo-

het verkeer van personenwagens op de autosnel-

meter per wegtype en per voertuigtype geeft de

wegen met 10,5%. Maar de vrachtwagens en voor-

volgende resultaten:

al de lichte vrachtwagens kenden een nog grotere groei, met respectievelijk +15,9% en +25,6%. Op het gewestwegennet daalt het verkeer met personenwagens en vrachtwagens licht tussen 2003 en 2007: -0,2% voor personenauto’s en -3,3% voor vrachtwagens. De lichte vrachtwagens en ook de autobussen en -cars kenden daarentegen een aanzienlijke stijging: +17,1% voor de lichte vrachtwagens en +20,2% voor de autobussen. Op de gewestwegen hebben de personenwagens een aandeel van 79,2%. De vrachtwagens hebben hier een duidelijk kleiner aandeel met 6,6%. De lichte

— 23


Figuur 11: evolutie van het personenvervoer in reizigerskilometer over de weg (2003 = 100)

vrachtwagens vertegenwoordigen bijna 12% van het verkeer op het gewestwegennet.

116

Op de gemeentewegen genereren vooral de

114

personenwagens het verkeer, met een aandeel van

112

81,6%. De lichte vrachtwagens hebben een aan110

deel van 10,5%, de vrachtwagens 4,1%. Aandachtspunt is de toename van het aantal voertuigkilo-

108

meter van vrachtwagens en lichte vrachtwagens

106

tussen 2003 en 2007 op het gemeentewegennet:

104

+31,2% voor de vrachtwagens en +18,4% voor de

102

lichte vrachtwagens. Volgens de prognoses van het Federaal Planbureau

100 2003

2004

2005

2006

2007

zou het aantal voertuigkilometers op de weg tegen bussen en autocars

2030 sterk toenemen: +37% voor de vrachtwa-

perswagens + motors

Bron: FOD MOB + SVR

gens, +67% voor de bestelwagens en +38% voor de auto’s.

Uitsplitsing van het aantal reizigerskilometer18

2.1.2 Reizigerskilometers

voor personenwagens naar het type wegennet

In 2003 werden op het Vlaams wegennet 72,9 mil-

waarop het verkeer wordt gegenereerd leert dat

jard reizigerskilometer gepresteerd. Ruim 12% van

vooral op de autosnelwegen het verkeer drastisch

de reizigerskilometer is afkomstig van de bussen

toeneemt in de periode 2003–2007.

en autocars. Figuur 12: evolutie van het personenvervoer (personenwagens) (2003 = 100) Tabel 7: evolutie van het personenvervoer in miljard reizigerskilometer 112

2003

2004

2005

2006

2007

61,1

61,8

61,7

62,3

63,7

8,1

8,3

8,5

8,8

9,2

1,37

0,10

1,28

2,55

110

pers.wagens + motors

108

bussen en autocars jaarlijkse goei %

106 104

Bron: FOD MOB + SVR

102

Tussen 2003 en 2007 steeg het personenverkeer

100

met 5,4%. Het aantal reizigerskilometer via bus en 98

autocar steeg evenwel sneller dan het verkeer met

2003

2004

2005

2006

2007

personenwagens en motors. De gemiddelde jaarlijkse groei van het aantal

autosnelwegen

gemeentewegen

reizigerskilometer voor de periode 2004–2007 be-

totaal wegennet

gewest- + prov. wegen

droeg 1,3%. Tussen 2006 en 2007 steeg het aantal

Bron: FOD MOB

reizigerskilometer evenwel met 2,5%.

18 Gegevens over de verdeling van de reizigerskilometer per wegtype zijn exclusief autobussen en -cars.

— 24


2.2 FIETS

Volgens OVG3 gebeurt 14,1% van de dagelijkse verplaatsingen in Vlaanderen met de fiets. 19,4% van de Vlamingen gebruikt de fiets dagelijks. Van het totaal aantal afgelegde kilometers doen we bijna 4,2% met de fiets. Voor afstanden tot 5 km gebruikt bijna een kwart van de Vlamingen de fiets. Dat in Nederland het aandeel van de fietser voor de verplaatsingen tot 7,5 km inmiddels is opgelopen tot 34,3%19 bewijst dat dit nog veel beter kan. 36% van het woon-schoolverkeer gebeurt met de fiets en 12,9% van de Vlaamse werknemers fietst naar het werk.20 Het fietsbezit ligt hoog in Vlaanderen. In het OVG geeft meer dan 81,4% van de huishoudens aan over minstens één fiets te beschikken.

Het fietsbezit is toegenomen, maar het fietsgebruik kan nog veel beter

19 Onderzoek Verplaatsingsgedrag (CBS) en Mobiliteitsonderzoek Nederland (AVV). 20 (Zwerts en Nuyts, 2002). SEE2001.

— 25


2.3 OPENBAAR VERVOER

Tabel 8: aantal reizigerskilometer Vlaams Gewest (miljoen) 2002

2003

2004

2005

2006

2007

biljetten

2.118

2.125

2.122

2.326

2.320

2.294

treinkaarten

2.127

2.188

2.475

2.593

2.846

3.074

rzgkm klassiek internatiaal verkeer

248

217

187

198

212

214

rzgkm hogesnelheidsverkeer

245

232

248

259

260

267

kilometers gereden door De Lijn en exploitanten is gestegen met 19,1%, of een toename met 33,5

totaal

4.738

4.762

5.032

5.376

5.638

5.848

rzgkm binnenlands verkeer

2.3.1 Stedelijk en regionaal vervoer Vlaanderen zag de jongste vijf jaar een fenomenale stijging van de vervoersprestaties van het stedelijk en regionaal vervoer. Het aantal voertuig-

miljoen voertuigkilometer tegenover 2003. Ook het reizigersaantal steeg met 33,4% tegen-

Bron: NMBS

over 2003. In 2007 vervoerde De Lijn 483 miljoen passagiers.

Tabel 9: aantal reizigers per trein

De provincie Vlaams-Brabant deed het hierbij 2002

2003

2004

2005

2006

2007

evolutie 03/07 (%)

Vlaams Gewest

114

114

119

127

131

134

17,5

nationaal

107

107

111

118

123

125

16,8

het best, met een toename van het aantal voertuigkilometer met 33,8%. Inmiddels heeft De Lijn bekendgemaakt dat het aantal reizigers in 2008 is toegenomen tot 508 miljoen.

Bron: NMBS

2.3.2 Spoor De bijdrage van het spoorvervoer aan het Vlaamse mobiliteitsbeleid is moeilijk in te schatten. Zo

Figuur 13: evolutie van het personenvervoer per spoor

voorziet het nieuwe beheerscontract van de

130

NMBS-groep niet in het publiceren van regionale gegevens, hoewel deze gegevens in de databanken

125

beschikbaar zijn. Voor het systematisch onderbou-

120

wen van het regionale mobiliteitsbeleid zou het

115

nuttig zijn de Vlaamse overheid te voorzien van de nodige data. Deze data zijn ook relevant voor de

110

verdere uitbouw van een duurzame mobiliteit.

105

Ook de spoorwegen hebben een vrij succesvolle

100 95

vijf jaar achter de rug. In Vlaanderen vervoerden

2003

2004

2005

2006

ze 28,3% of bijna 13 miljoen meer reizigers en werden 24,5% meer reizigerskilometer afgelegd.

aantal reizigers

De stijging is bijna volledig te wijten aan reizigers

aantal zitplaatsen

met abonnementen.

Bron: NMBS

— 26

aantal treinkm

2007


— 27


2.4

GOEDERENVERVOER deze trafiek in vervoer over het Belgische grondgebied. Slechts een deel van deze goederen wordt aan- en afgevoerd over land. Het is noch voor de havens, noch voor de luchthavens mogelijk te bepalen over hoeveel goederen dit gaat. Via de luchthavens in Vlaanderen24 (Zaventem, Deurne en Oostende) werd bijna 750.000 ton

2.4.1 De vraag naar goederenvervoer in België

vervoerd in 2008. In 2004 bedroeg dit ongeveer 766.000 ton.

Om een volledig beeld van het goederenvervoer over alle modi te krijgen worden cijfers voor België

De maritieme trafiek25 kende in de periode 2003–

in ton weergegeven.

2007 een stijging met 26%. In 2007 werd in de Vlaamse zeehavens 258 miljoen ton geladen en

De vraag naar goederenvervoer in België21 nam in

gelost.

de periode 2002–2006 toe. Enkel het vervoer via Voor de drie belangrijkste modi, weg, spoor en bin-

2.4.2 Evolutie van het goederenvervoer in Vlaanderen

nenvaart, steeg tussen 2002 en 2006 de vervoer-

Vanuit mobiliteitsperspectief is de evolutie van

de tonnage in België met 5% tot 713 miljoen ton.

de tonkilometers belangrijker dan deze van de

Dit betekent dat de vervoerde tonnage een gemid-

tonnages. In vergelijking met de vervoerde ton-

delde jaarlijkse groei gekend heeft van 1,34%.

nages geven de tonkilometers een ander beeld.

De vervoerde tonnage via de weg is het grootst

De gegevens over tonkilometer zijn bovendien wel

en is in vergelijking met het jaar 2002 in absolute

beschikbaar voor Vlaanderen.

de lucht kende een afwijkende evolutie.

waarde stabiel gebleven (484 miljoen ton). De vervoerde tonnage via het spoor22 is gestegen met

Het totale goederenvervoer voor de drie belang-

9%, tot 62 miljoen ton in 2006, met een gemiddel-

rijkste vervoersmodi in Vlaanderen bedraagt 39,74

de jaarlijkse groei van 2,11%. De tonnage vervoerd

miljard26 tonkilometer in 2006. Dit betekent een

via de binnenvaart kent de grootste groei met

toename met 13% voor de periode 2002–2006.

23%, tot 166 miljoen ton. Dit betekent een gemid-

Deze groei wordt opgevangen door de drie modi,

delde jaarlijkse groei van 5,35%.

die elk een groei kennen. Het spoorvervoer groeide in deze periode het sterkst (+20%). De

De verschillende groeipercentages van de ver-

groei van het wegvervoer volgde de groei van het

voerde tonnages over het Belgische grondgebied

totale goederenvervoer (+13%). De binnenvaart

uiten zich in een gewijzigde modal split. In 2002

kende een beperktere groei met 3%.

vertegenwoordigden de marktaandelen voor de weg, het spoor en de binnenvaart respectievelijk

Voor de drie modi nemen de tonkilometers toe.

72%, 8% en 20%. In 2006 is dit 68%, 9% en 23%.

Deze toename van de mobiliteit is een aandachtspunt voor de beleidsmakers. De verschillende

23

Het vervoer via pijpleidingen is een vierde modus

groeipercentages in tonnage en tonkilometer

voor het vervoer te land. Voor deze modus zijn

geven aan dat er op het vlak van efficiëntie grote

geen tonnagecijfers beschikbaar. In België blijft

verschillen optreden tussen de modi.

het vervoer via pijpleiding al meer dan vijf jaar constant op 1,5 miljard tonkilometer. Naast de trafiek over land vindt ook goederenvervoer via de lucht en over zee plaats. Via deze laatste modi wordt nagenoeg geen binnenlands vervoer uitgevoerd. Bovendien resulteert niet al

21 Bron: FOD Economie, ADSEI. 22 Enkel gegevens van de NMBS goederenvervoeroperator B-Cargo. 23 Bron: EC DG TREN via Studiedienst van de Vlaamse Regering.

24 Bron: Luchthavenautoriteiten via Studiedienst van de Vlaamse Regering. 25 Bron: VHC, Jaaroverzicht 2007. 26 Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering.

— 28


Figuur 14: de evolutie van het aantal tonkilometers vervoerd in Vlaanderen in de periode 2002–2006 (miljard)

Figuur 15: modale verdeling van het goederenvervoer in Vlaanderen in tonkilometer in 2002 en 2006

45

100%

40

90%

35

80%

12,6

11,5

9,7

10,3

77,7

78,2

70%

30

60%

25

50% 20

40%

15

30%

10

20%

5

10%

0

2002 weg

2003 spoor

2004

2005

0%

2006

2002 weg

binnenvaart

spoor

2006 binnenvaart

Bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek, NMBS, PBV via Studiedienst van de Vlaamse Regering

Bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek, NMBS, PBV via Studiedienst van de Vlaamse Regering

Dit zijn de enige overzichtscijfers voor het goede-

De MORA besluit hieruit dat het Europese, Belgi-

renvervoer die voor Vlaanderen beschikbaar zijn.

sche en Vlaamse beleid de doelstelling van een

Bovendien zijn deze cijfers een bewerking van Bel-

modale verschuiving naar een duurzamere mobili-

gische cijfers door de Studiedienst van de Vlaamse

teit nog niet hebben bereikt. De alternatieve modi

Regering en zijn ze gebaseerd op onderstellingen;

hebben wel een voldoende groei gekend om hun

ze zijn niet rechtstreeks afkomstig van statistieken.

marktaandeel te behouden. Omdat het beleid zijn

Om het Vlaamse beleid goed te kunnen opvolgen en

doelstelling niet bereikt heeft, vraagt de MORA de

onderbouwen zijn gedetailleerde en betrouwbare

Vlaamse overheid haar goederenvervoerbeleid te

cijfers nodig die een volledig beeld geven van het

herzien met als kader de comodaliteit.

goederenvervoer over het Vlaamse grondgebied. Om een beeld te krijgen van de afstanden waarop deze modi worden ingezet, kan modelmatig27 per modus de gemiddelde triplengte berekend worden. Voor het wegvervoer is dit 100 km, voor het

De verschuiving van het goederenvervoer over de weg naar de alternatieve modi werd niet gerealiseerd

spoorvervoer. waarden zijn afgerond om geen schijnnauwkeu-

2.4.4 Modal split volgens goederencategorie

righeid te wekken. Vrachtwagens worden vooral

Naast de modal split in tonkilometer geeft ook de

gebruikt voor kortere afstanden en het spoor voor

modale verdeling over de verschillende goederen-

de lange afstanden.

categorieën inzicht in wat er vervoerd wordt over

400 km en voor de binnenvaart 200 km. Deze

het Belgische grondgebied. Deze verdeling over de

2.4.3 Modale verdeling in Vlaanderen

goederencategorieën is evenmin beschikbaar voor

Voor de verdeling van het goederenvervoer in

Vlaanderen, vandaar dat deze paragraaf opnieuw

Vlaanderen wordt enkel naar de drie belangrijkste

cijfers voor België gebruikt.

vervoersmodi gekeken: weg, spoor en binnenvaart. Iedere goederencategorie wordt gekenmerkt door De verdeling van het goederenvervoer over de

een andere modale verdeling. De kenmerken van

vervoersmodi is de laatste vijf jaar ongewijzigd

de producten zijn hierbij vaak doorslaggevend. Bij

gebleven. In deze modale verdeling neemt de

de voedingsproducten wordt 87% vervoerd over

weg 78% voor zijn rekening, het spoor 10% en de

de weg. De transporttijd is voor verse producten

binnenvaart 12%. Deze modale verdeling is een

zeer belangrijk. De belangrijkste modus voor de

indicator in het Pact van Vilvoorde voor de bereik-

vaste brandstoffen is dan weer de binnenvaart, die

baarheid van de economische poorten.

instaat voor 76% van het vervoer.

27 Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaanderen van het Vlaamse Verkeerscentrum (cijfers voor het basisjaar 2004).

— 29


Figuur 16: modal split per goederencategorie in ton voor 2006 (België) landbouwproducten en levende dieren

82

voedingsproducten en veevoeders

87

vaste brandstoffen

28

ertsen en metaalresiduen

21

producten van metaalindustrie

32

ruwe mineralen en fabrikaten daarvan, bouwmaterialen

72

meststoffen

49

chemische producten

60

machines, voertuigen, diversen,…

62

15 3

17

7

aardolie en distillatieproducten daarvan

0%

3

76 5

66 28

51 46

22 2

49

2

49 8

32 16

10%

10

20%

weg

30% spoor

40%

50%

60%

70%

23

80%

90%

100%

binnenvaart

Bron: FOD Economie, ADSEI

Het spoorvervoer28 heeft een groot marktaandeel (46%) bij het vervoer van de producten van de metaalindustrie.

Figuur 17: belang van de goederencategorieën voor de verschillende modi in ton voor 2006 100%

Bij de verdeling valt op dat voor iedere modus

18

23

andere categorieën belangrijk zijn. Voor het weg-

33

80%

vervoer vertegenwoordigen de ruwe materialen

10

en bouwmaterialen een derde van de vervoerde

9

tonnage (34%). Voor het spoorvervoer zijn de pro-

2

ducten van de metaalindustrie met iets meer dan

4 6 1 6

60%

een derde (35%) het belangrijkste. Het vervoer via

26 34

de binnenvaart toont een diverser beeld. Met 26% zijn de ruwe mineralen en bouwmaterialen ook

40%

voor de binnenvaart de belangrijkste categorie.

6 35 5

Voor de drie modi is de tweede belangrijkste cate-

4 1 3

gorie die van de machines, voertuigen en diversen. Deze categorie omvat ook het containervervoer.

17

20% 14

Voor alle modi nemen containers een belangrijk

7 4

8

9

4 2 2

3 3

weg

spoor

binnenvaart

deel van de trafiek in. 0% machines, voertuigen, diversen,… meststoffen

producten van metaalindustrie

— 30

ertsen en metaalresiduen

aardolie en distillatieproducten daarvan

vaste brandstoffen

voedingsproducten en veevoeders

landbouwproducten en levende dieren

Bron: FOD Economie, ADSEI

28 Voor spoorvervoer: enkel cijfers van de NMBS Goederenvervoeroperator B-Cargo.

chemische producten

ruwe mineralen en fabrikaten daarvan, bouwmaterialen


2.4.5 Prognoses

De verwachte groei uit zich op de transportnetwer-

Toekomstprognoses uit verschillende bronnen ver-

ken in een groei van het aantal voertuigkilometers.

wachten een blijvende toename van het goederen-

Zo verwacht het Federaal Planbureau dat tussen

vervoer, weliswaar met een verminderde groei dan

2005 en 2030 het aantal voertuigkilometers over

deze die zich recent voordeed. Voor Vlaanderen

de weg zal stijgen met 37% voor vrachtwagens en

zijn momenteel geen toekomstprognoses voor

met 67% voor bestelwagens. Voor vrachtwagens is

mobiliteit voorhanden. Om toch een inschatting

de stijging in voertuigkilometer lager dan deze in

te kunnen maken van de groei van het goederen-

tonkilometer, omdat verwacht wordt dat de gemid-

vervoer, wordt geopteerd om de prognoses van

delde beladingsgraad zal toenemen.

het Federaal Planbureau voor België te gebruiken, omdat deze het best aansluiten bij de Vlaamse

De infrastructuurnetwerken van weg, spoor en bin-

situatie.

nenvaart zullen in staat moeten zijn om deze groei op te vangen. Capaciteitsknelpunten op deze ver-

Het Federaal Planbureau29 verwacht een toename

keersnetwerken kunnen een belemmering vormen

van het goederenvervoer in tonkilometer met 60%

voor de economische groei.

voor de periode 2005–2030. Het toepassen van deze groei op de Vlaamse cijfers betekent dat in 2030 bijna 62 miljard tonkilometer afgelegd zal worden in Vlaanderen.

Verwacht wordt dat het goederenvervoer fors zal toenemen tegen 2030 Uit de groeiprognoses per modus kan ook de verwachte modale verdeling voor 2030 in Vlaanderen afgeleid worden. Deze bedraagt 74% voor de weg, 13% voor het spoor en 13% voor de binnenvaart. Deze wijziging in modal split in vergelijking met 2005 vraagt van de alternatieve modi een zeer sterke groei.

Tabel 10: prognoses van het Federaal Planbureau toegepast op Vlaanderen (miljard tonkilometer) 2005

evolutie 2005–2030

tonkm in 203030

modal split 2030

30,23

+51%

45,79

74%

spoor

3,94

+100%

7,88

13%

binnenvaart

4,57

+72%

7,87

13%

38,74

+60%

61,98

100%

weg

totaal

Bron: Federaal Planbureau 2009 en eigen berekeningen

29 Hertveldt, B., Hoornaert, B., Mayeres, I., 2009, Langetermijnvooruitzichten voor transport in België: referentiescenario, Federaal Planbureau, Brussel, 87 p. 30 De som komt niet overeen met totaal wegens afrondingsfouten.

— 31


— 32


3

VLAAMS MOBILITEITSNETWERK

— 33


3.1 WEGVERKEER

Figuur 18: evolutie van het motorvoertuigpark en het verkeer en vervoer 2003–2007 (2003 = 100) 114 112 110 108 106

3.1.1

Het motorvoertuigpark

3.1.1.1

Evolutie van het totale motorvoertuig-

104

park per voertuigtype – Vlaanderen

102

Het totaal wagenpark (zowel voor personenver100

voer als voor goederenvervoer) bedroeg in 2008

2003

ruim 3,8 miljoen voertuigen. Het voertuigpark is in de periode 2003–2008 permanent blijven groeien, met 8,5% over de beschouwde periode.

2004

2005

2006

aantal personenwagens

aantal motors

verkeer in vtg-km

totaal wagenpark

verkeer in reizigers-km

Het motorvoertuigpark in Vlaanderen telt in 2008

Bron: SVR op basis van FOD MOB

3,049 miljoen personenwagens. Het aandeel van

Het personenwagenpark groeide tussen 2003 en

de personenwagens in het totale motorvoertuig-

2007 met 4,8%. Het park van de bedrijfsvoertuigen

park bedraagt 79%. Het aantal vrachtwagens en

kende een grotere groei, namelijk +13,6%. Het au-

trekkers bedraagt 441.663, of 11% van het totale

tobuspark en het motorpark groeiden met respec-

motorvoertuigpark.

tievelijk 12,7% en 17,6%. Binnen de categorie van de

De verschillende voertuigcategorieën evolueerden

bedrijfsvoertuigen zijn het vooral de lichte vracht-

niet in dezelfde mate. Volgende grafiek geeft de

wagens (tot en met 3,5 ton) die een explosieve groei

evolutie weer van het motorvoertuigpark, op-

kenden. Tussen 2003 en 2007 groeide hun aantal

gedeeld naar voertuigtype. De evolutie van het

met 21%, van 272.921 naar 331.305 voertuigen.

wagenpark wordt daarbij getoond tegenover de evolutie van het verkeer en vervoer in reizigerski-

Het totale motorvoertuigpark blijft in de periode

lometer en voertuigkilometer32.

2003–2007 gestaag groeien (+6%). Vanaf 2004

Tabel 11: evolutie van het motorvoertuigpark in Vlaanderen 2003

2004

2005

2006

2007

2008

2.863.443

2.896.606

2.927.065

2.963.916

3.000.869

3.049.789

496.154

514.086

533.084

548.080

563.450

579.826

333.643

349.463

367.283

380.451

393.236

406.586

vrachtwagen-trekkers

32.424

33.165

32.943

33.016

33.982

35.077

landbouwtractors

96.784

97.912

98.946

100.090

101.287

102.509

werktuigmachines en speciale voertuigen

33.303

33.546

33.912

34.523

34.945

35.654

8.254

8.523

8.575

8.730

9.010

9.302

motors

188.827

195.831

202.437

208.046

214.952

221.989

totaal

3.556.678

3.615.046

3.671.161

3.728.772

3.788.281

3.860.906

personenwagens bedrijfsvoertuigen31 (goederenvervoer), waaronder: vrachtwagens

autobussen en -cars

Bron: SVR op basis van ADSEI

31 De bedrijfsvoertuigen slaan op het goederenvervoer en bevatten de categorieën vrachtwagens (lichte vrachtwagens, tankwagens, zware vrachtwagens), trekkers, landbouwtractors en werktuigmachines + speciale voertuigen. 32 Verkeer op het Vlaams wegennet, ongeacht land van registratie van de voertuigen.

— 34

2007

aantal bedrijfsvoertuigen


is er een ontkoppeling tussen de stijging van het

De verdieselijking van het voertuigpark is groten-

totaal aantal motorvoertuigen in Vlaanderen en

deels te verklaren door de prijsverschillen van de

de evolutie van het wegverkeer op het wegennet,

brandstoffen en door de forse vooruitgang van de

zeker wat het aantal reizigerskilometers betreft.

technologie, waardoor dieselwagens steeds beter

De groei van het voertuigpark is groter dan het ge-

presteerden op het vlak van comfort en perfor-

bruik ervan. Er is met andere woorden een verschil

mantie.

ontstaan tussen voertuigbezit en voertuiggebruik33. Figuur 19: aandeel van dieselwagens in het personenwagenpark

3.1.1.2 Evolutie van het motorvoertuigpark

60

(personenwagens) per brandstoftype De cijfers van de evolutie van het motorvoertuigpark naar brandstoftype tonen een duidelijke

50 40

trend. Het aantal benzinewagens daalde van 1,5 miljoen in 2003 naar 1,2 miljoen in 2008. De

30

dieselwagens daarentegen kenden een grote toename: van 1,3 miljoen dieselwagens in 2003 naar 1,7 miljoen in 2007. De evolutie van het aantal

20 10

personenwagens op basis van het brandstoftype 0

wordt in onderstaande tabel weergegeven.

1980*

Dieselwagens hebben in 2008 een aandeel van 57% van het personenwagenpark in Vlaanderen. Uit de tabel blijkt ook dat wagens op LPG en elektriciteit de jongste jaren niet doorbreken. Het

1990

2000

2003

2004

2005

2006

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels H. Gewest

België

*Voor Brussel is geen cijfer beschikbaar omdat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest nog geen eigen gewest was in 1980. Bron: Federaal Planbureau – FOD

aantal benzinewagens daalde tussen 2003 en

De stijging van het aantal dieselwagens heeft zich

2008 met 14%, terwijl het aantal dieselwagens in

doorgezet in alle gewesten, maar het aandeel van

deze periode met 30% toenam. Er kan met andere

dieselwagens is in Vlaanderen opvallend groter

woorden gesproken worden van een echte verdie-

(circa 2% hoger dan in de andere regio’s in 2007).

selijking van het voertuigenpark in Vlaanderen.

Een Europese benchmark wijst uit dat Vlaanderen,

Deze trend is evenwel niet van recente datum,

in vergelijking met de ons omringende landen, het

maar is al meer dan 30 jaar aan de gang. Onder-

hoogste aandeel dieselwagens heeft.

staande grafiek illustreert deze evolutie in de laatste decennia, voor de verschillende gewesten.

Bij de ontwikkeling van een beleid met het oog op een vergroening van het motorvoertuigpark zal de Vlaamse Regering rekening moeten houden met deze hoge verdieselijkingsgraad.

Het Vlaamse voertuigpark kent een sterke verdieselijking Tabel 12: evolutie van het aantal personenwagens naar brandstoftype in Vlaanderen 2003

2004

2005

2006

2007

2008

benzine

1.467.265

1.431.105

1.398.408

1.350.054

1.308.350

1.264.683

diesel

1.347.148

1.419.648

1.485.359

1.572.975

1.654.546

1.749.711

42.563

39.393

36.846

34.528

31.618

29.022

7

10

7

6

3

5

6.460

6.450

6.445

6.353

6.352

6.368

2.863.443

2.896.606

2.927.065

2.963.916

3.000.869

3.049.789

LPG elektriciteit niet nader bepaald totaal Bron: SVR op basis van ADSEI

33 Opmerking: het gaat hier om indicaties aangezien de gegevens voor voertuigkilometer en reizigerskilometer slaan op het totale verkeer en vervoer op ons wegennet, ongeacht het land van herkomst van de voertuigen, terwijl de gegevens over het wagenpark betrekking hebben op Vlaamse voertuigen. De nodige voorzichtigheid bij de interpretatie van de gegevens is dus geboden.

— 35

2007


Figuur 20: Europese vergelijking van het aandeel van diesel in het personenwagenpark

Figuur 21: Europese vergelijking van het aandeel dieselwagens in de nieuw ingeschreven personenwagens

60

90 80

49

50

45

44,4

42,2

40

36

76,8 71,6

70

36,9

60 47,2

50

30

44,2

40 20

13,3

15,3

18

31,5

30

23,4

12,6

20

10

10 0

Vlaams Gewest 2000

BHG

Waals Gewest

Nederland

0

Verenigd Koninkrijk

België 2005

2004

Europa (15) 2008

Frankrijk

Duitsland

UK

2009*

*periode januari – april 2009 Bron: Febiac

Bron: Federaal Planbureau (op basis van Eurostat)

Recentere data geven eveneens aan dat België het grootste aandeel van dieselwagens heeft in het

3.1.1.3 De firmawagens

nieuw ingeschreven personenwagenpark, namelijk

De gegevens over de opsplitsing van het voertuig-

79% in 2008 en 76,8% in januari-april 200934. Het

park naar eigenaar geven onder meer een beeld

Europees gemiddelde ligt in 2008 op 52,9% en

van het firmawagenpark en van het wagenpark

daalde in de periode januari-april 2009 naar 47,2%.

voor zelfstandigen en vrije beroepen.

34 Deze cijfers slaan op heel België.

— 36

Nederland


Tabel 13: evolutie van het wagenpark (personenwagens) naar type eigenaar in Vlaanderen ingeschreven op naam van

2003

2004

2005

2006

2007

2008

344.919

354.148

367.702

387.425

409.758

437.652

148.453

145.837

148.450

154.454

162.655

174.306

187.375

186.705

188.743

188.716

190.432

191.031

particulieren

2.322.804

2.344.984

2.358.412

2.377.907

2.393.890

2.404.358

totaal

2.855.098

2.885.837

2.914.857

2.954.048

2.994.080

3.033.041

ondernemingen waarvan leasing zelfstandig + vrij beroep

Bron: Febiac

Figuur 22: evolutie van het motorvoertuigpark naar type eigenaar in Vlaanderen (2003 = 100)

De tabel maakt een onderscheid tussen personenwagens ingeschreven op naam van ondernemingen, op naam van zelfstandigen en op naam

130

van particulieren. Binnen de categorie wagens

125

op naam van ondernemingen zijn ook de leasing-

120

wagens opgenomen: dat zijn wagens ingeschreven

115

op naam van leasingmaatschappijen.

110

Het wagenpark op naam van ondernemingen is 105

goed voor 14% van het totale wagenpark in Vlaanderen. Daarvan gaat het in 2008 voor bijna 40%

100

om leasingwagens. Bijgevolg maken leasingwagens

95

5,7% uit van het totale wagenpark in Vlaanderen.

2003

Hierbij hoort enige nuance. Heel wat leasebedrij-

2004

2005

2006

2007

2008

ondernemingen

particulieren

waarvan leasing

zelfstandig + vrij beroep

ven zijn in Vlaanderen gevestigd (ten bewijze: in 2008 telde het Waalse leasewagenpark 409 voertuigen!), terwijl de leasewagens zelf mogelijk

totaal

door Brusselse of Waalse bedrijven en werknemers

Bron: Febiac

worden gebruikt en allicht minder vaak op Vlaamse wegen rijden (hierover zijn echter geen cijfers

Tussen 2003 en 2008 is er een duidelijke stijging

bekend). Het wagenpark op naam van zelfstan-

(+27%) van het aantal wagens ingeschreven op

digen (+vrije beroepen) is goed voor 6% van het

naam van ondernemingen. Het aantal leasewa-

totale personenwagenpark in Vlaanderen.

gens steeg met 17,4%, dat van particulieren met

Volgende grafiek geeft de evolutie van het aantal

3,5%. Alles samen groeide het totale wagenpark in

wagens op naam van ondernemingen en particu-

Vlaanderen met 6%.

lieren. Hoewel er geen precieze cijfers beschikbaar zijn, vormt een deel van de wagens op naam van een onderneming – allicht in sterkere mate de leasewagens – een sociaal-economisch instrument (onderdeel van zowel het beroep/de functie als de verloning van werknemers). Deze wagens maken in toenemende mate deel uit van ons autoverkeer. Ongeveer de helft van de nieuw verkochte wagens zijn momenteel wagens op naam van een onderneming. Een recente studie in opdracht van BELSPO (Federaal Wetenschapsbeleid) “Professional mobility

— 37


and company car ownership” (PROMOCO) op basis

van de voertuigen en de manier waarop of waar-

van een bevraging wijst uit dat wie een bedrijfs-

voor de leasewagen wordt gebruikt. Hierbij kan

wagen heeft meer met de wagen rijdt dan andere

een instrument als een mobiliteitsportefeuille een

automobilisten. Enerzijds is dit te wijten aan het

mogelijke oplossing bieden.

feit dat met bedrijfswagens meer beroepsverplaatsingen worden gemaakt. Anderzijds gebruikt wie

3.1.1.4 Motorvoertuigpark naar leeftijdscategorie

over een bedrijfswagen beschikt doorgaans geen

De leeftijd van het wagenpark geeft een indicatie

andere vervoermiddelen en maakt hij of zij meer

van de milieuprestaties van de voertuigen. Een

privé verplaatsingen. Volgens de enquête zouden

verjonging van het voertuigenpark impliceert een

7 op 10 personen opteren voor vervoer met de ei-

grotere kans op een verbetering van de milieu-

gen wagen indien de bedrijfswagen zou wegvallen.

prestaties ervan en dus van een vergroening van

25% van de ondervraagden zou opteren voor een

het wagenpark. Van een echte verjonging van het

overstap naar een andere vervoersmodus. Deze

motorvoertuigpark is in Vlaanderen evenwel geen

resultaten moeten met de nodige nuancering wor-

sprake.

den gelezen, omdat het hier gaat om een enquête, waarbij 181 Belgische bedrijven werden bevraagd,

Personenwagens Vlaanderen

naast 237 personen mét en 213 personen zonder

Tabel 14: evolutie personenwagenpark naar leeftijdsklasse

bedrijfswagen, plus een staal van 720 Vlamingen 2003

2004

2005

2006

2007

t.e.m. 2 jaar

696.493

704.065

714.629

756.315

775.986

3 t.e.m. 5 jaar

689.209

683.065

660.859

634.836

645.102

6 t.e.m. 10 jaar

815.840

847.577

878.364

912.875

913.248

11 jaar en ouder

671.862

668.644

678.604

668.873

680.151

met een firmawagen.

De zogenaamde bedrijfswagens maken slechts 5,7% van het personenwagenpark uit

Bron: Federaal Planbureau – FOD35

In 2008 was slechts 28% van de wagens op naam

Het aantal personenwagens tot en met twee jaar

van een onderneming of zelfstandige, of 5,7% van

steeg in Vlaanderen van 696.493 in 2003 naar

het totale wagenpark in België, een leasewagen

775.986 in 2007, of +11%. Maar tegelijk steeg het

(174.306), waarschijnlijk voornamelijk gebruikt

aantal personenwagens in de categorieën 6 tot 10

door werknemers. 72% van de wagens zijn immers

jaar (+11%) en ouder dan 11 jaar (+1%) en daalde

ofwel op naam van zelfstandigen of vrije beroepen,

het aantal wagens in de categorie tussen 3 en 6

ofwel wagens op naam van ondernemingen maar

jaar (-6,4%).

noodzakelijk voor de werking van de onderneming. Met andere woorden, een sturend beleid ten

Het aandeel van de auto’s ouder dan 5 jaar be-

aanzien van de wagens op naam van ondernemin-

droeg in 2003 bijna 52%. In 2007 is dit aandeel

gen of zelfstandigen zal zich hoofdzakelijk kunnen

licht gestegen tot bijna 53%. Ongeveer 22,5% van

richten op de eerder beperkte doelgroep van de

de personenauto’s in 2007 is ouder dan 11 jaar.

leasingwagens, of 5,7% van het personenwagenpark. De resultaten van de PROMOCO-studie geven

Volgens het OVG is in 2008 ruim 42% van de per-

in die zin weinig voeding voor de uitwerking van

sonenwagens ouder dan 8 jaar. Het grootste aantal

concrete beleidsmaatregelen voor deze specifieke

personenwagens (bijna 28% van het personenwa-

nichemarkt.

genpark) is tussen 8 en 12 jaar oud.

Enige nuance is dus geboden bij de aanpak van de

In de periode 2003–2007 stijgt het aandeel van

problematiek van de leasewagens in uitwerking

de jongste personenvoertuigen in Vlaanderen

van een duurzaam mobiliteitsbeleid en een beleid

(maximum 2 jaar oud) licht: van 24,2% naar bijna

ten aanzien van het woon-werkverkeer. Het lijkt

26% van het totale personenwagenpark. Het

aangewezen daarbij niet te focussen op het aantal

aandeel van de oudste voertuigen (van 11 jaar en

wagens (bezit), maar wel op de milieuprestaties

ouder) daalt van 23,5% naar 22,5%. Het aandeel

35 De gegevens van de FOD verschillen van de data afkomstig van ADSEI (waarop de statistieken van de SVR zijn gebaseerd), omdat in de FOD-data zowel de tijdelijke (transit) als de definitieve kentekenplaten worden opgenomen.

— 38


Figuur 24: aandeel leeftijdscategorie in het voertuigpark voor vrachtwagens

van de wagens tussen 6 en 10 jaar stijgt evenwel van 38,4% naar 30,3%, terwijl dat van de wagens tussen 3 en 5 jaar daalt van 23,9% naar 21,4%.

100

Een verjonging van het personenwagenpark is met

90

andere woorden niet aan de orde.

80

48,4

47,7

46,5

45,6

44,7

19,9

20,4

22,0

22,9

24,3

16,7

18,1

16,3

15,5

13,8

15,0

13,9

15,2

16,0

17,2

2003

2004

2005

2006

2007

70

Figuur 23: aandeel leeftijdscategorie in het voertuigpark voor personenwagens

60 50 40

100 90

23,4

23,0

23,1

22,5

30

22,5

20

80

10

70 60

28,4

29,2

29,9

30,7

30,3

0

50 40

t.e.m. 2 jaar 24,0

23,5

22,5

21,3

21,4

24,2

24,2

24,4

25,4

25,7

20

0

6 t.e.m. 10 jaar

Bron: Federaal Planbureau – FOD (op basis van DIV)

30

10

3 t.e.m. 5 jaar

In 2003 was 48,4% van het vrachtwagenpark ouder dan 11 jaar. Dit aandeel daalde aanzienlijk

2003

2004

t.e.m. 2 jaar

2005

3 t.e.m. 5 jaar

2006 6 t.e.m. 10 jaar

naar 44,7% in 2007. Maar tegelijk steeg het aan-

2007

deel van de vrachtwagens tussen 6 en 11 jaar van

11 jaar en ouder

19,9% naar 24,2%. Tegenover een stijging van het

Bron: Federaal Planbureau – FOD (op basis van DIV)

aandeel van de jongste categorie vrachtwagens tot max. 2 jaar (van 14,9% in 2003 naar 17,2% in

36

2007) staat dan weer een daling van het aandeel

Vrachtwagens

Tabel 15: evolutie vrachtwagenpark naar leeftijdsklasse

van de vrachtwagens tussen 3 en 6 jaar (van 16,7%

37

naar 13,8%). Met andere woorden, ook voor het 2003

2004

2005

2006

2007

9.964

9.221

10.168

10.740

11.549

3 t.e.m. 5 jaar

11.102

11.989

10.857

10.347

9.256

6 t.e.m. 10 jaar

13.253

13.532

14.672

15.352

16.308

11 jaar en ouder

32.238

31.640

31.037

30.503

30.039

t.e.m. 2 jaar

vrachtwagenpark wordt geen uitgesproken verjonging vastgesteld.

De laatste vijf jaar wordt geen noemenswaardige verjonging van het voertuigpark vastgesteld

Bron: Federaal Planbureau – FOD

Het aantal vrachtwagens tot en met twee jaar steeg in Vlaanderen van 9.964 in 2003 naar 11.549

Data over de gemiddelde leeftijd38 wijzen even-

in 2007, of +11,5%. Maar tegelijk daalde het aantal

eens uit dat er geen algemene verjonging van het

vrachtwagens tussen 3 en 6 jaar met 16%.

vrachtwagenpark is. In 1993 bedroeg de gemid-

Het aantal vrachtwagens ouder dan 11 jaar daalde

delde leeftijd van het wagenpark in België 6 jaar,

met bijna 7%. Maar tegelijk steeg het aantal

4 maanden en 17 dagen. In 2000 bedroeg de

vrachtwagens tussen 6 en 11 jaar met 23%.

gemiddelde leeftijd 7 jaar, 7 maanden en 2 dagen. In 2007 is de gemiddelde leeftijd verder opgeklom-

Het aandeel van de vrachtwagens ouder dan 5 jaar

men naar 7 jaar, 10 maanden en 18 dagen.

bedroeg 68,3% van het totale vrachtwagenpark in 2003. In 2007 is dit aandeel gestegen tot 69%.

Uit internationale vergelijkingen blijkt dat het hier gaat om een algemene tendens die zich ook voordoet in onze buurlanden. Eurostat berekende voor de verschillende EU-lidstaten de evolutie van het personenwagenpark per leeftijdscategorie tussen

36 Voertuigen voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3500 kg overschrijdt. 37 Een overschatting van de gegevens over vrachtwagens is mogelijk aangezien de nummerplaten niet moeten worden ingeleverd en er een vermoeden is dat diverse vrachtwagens – vooral in de categorie 11 jaar en ouder – niet meer in gebruik zijn terwijl ze nog ingeschreven zijn. 38 Bron: Febiac.

— 39

11 jaar en ouder


2000 en 2005. Belangrijkste vaststelling is een

Sinds oktober 2008 moeten nieuwe vrachtwagens

daling van het aantal personenwagens jonger dan

aan de Euro5-norm voldoen. Vanaf 2014 zullen

2 jaar en een aanzienlijke stijging van het aantal

nieuwe vrachtwagens moeten voldoen aan de

wagens van 10 jaar en ouder, zowel in België als de

Euro6-norm. Euro6-vrachtwagens stoten nog eens

buurlanden (Nederland, Frankrijk en Duitsland).

80% minder stikstofdioxide uit dan Euro5-wagens.

3.1.1.5 Het motorvoertuigpark naar emissie-

stof emitteren. De tijdspanne tussen de toepassing

Daarnaast zullen de wagens tweederde minder fijn van de Euro4- en Euro5–norm bedraagt slechts 3

standaard (Euronorm) Alle voertuigen die in Europa op de markt komen,

jaar en is beduidend korter dan de periodes tussen

moeten voldoen aan de Euronormen. De Euro-

de andere Euronormen.

norm stelt maximumgrenzen voor de emissie van vervuilende emissies vast. De eerste Europese

Door vertragingen van technische aard bij de

milieunorm (Euro1) werd ingevoerd in juli 1992. De

contructeurs konden pas in de loop van 2005 de

Euronorm geeft evenwel geen totaalbeeld over de

eerste Euro4-vrachtwagens in gebruik worden

milieuprestaties en milieuvriendelijkheid van een

genomen.

voertuig. Zo worden CO2-emissies niet in rekening Evolutie Euronormen voor personenwagens

genomen.

De verdeling van het personenwagenpark naar De opeenvolgende Euronormeringen werden sinds

Euronorm toont in hoeverre de milieubelasting

1992 systematisch ingevoerd. Meestal wordt de

van het wagenpark is geëvolueerd en in hoeverre

invoering van de Euronorm voor alle nieuwe voer-

vergroening van dat wagenpark is gerealiseerd.

tuigen een jaar later verplicht gesteld dan voor de nieuwe voertuigtypes. De evolutie van de invoering van de Euronormen voor personen- en vrachtwa-

Figuur 25: evolutie van het aandeel van de Euronormen in het personenwagenpark (Vlaanderen) 100%

gens is als volgt:

14 28

90% 80%

Tabel 16: invoering Euronormen personenwagens (+ lichte bedrijfsvoertuigen) en vrachtwagens verplicht sinds

vrachtwagens

verplicht sinds

Euro1

1/7/1992

Euro1

1992

Euro2

1/1/1996

Euro2

10/1996

Euro4

Euro5

Euro6

nieuwe voertuigtypes

1/1/2000

alle nieuwe voertuigen

1/1/2001

nieuwe voertuigtypes

1/1/2005

alle nieuwe voertuigen

1/1/2006

nieuwe voertuigtypes

1/9/2009

alle nieuwe voertuigen

1/1/2011

nieuwe voertuigtypes

1/9/2014

alle nieuwe voertuigen

1/9/2015

29

50%

Euro3

38 14 100

30% 20%

37

Euro4

10/2005

Euro5

10/2008

Euro6

01/2014

1990

1995

2000

pre-Euro 1

Euro 1

Euro 2

Euro 3

Euro 4

Euro 5

16 34

14 30 12

2005

2006

Bron: VMM

tuigen (met voertuigtechnologie van eind jaren ‘80, begin jaren ‘90) in het totale voertuigpark sterk af. Voor personenwagens was hun aandeel in 2006 nog slechts 12%. Het aandeel van Euro1–

Sinds 2005 geldt voor de nieuwe voertuigmodel-

wagens is tussen 1995 en 2006 gehalveerd. Sinds

len de Euro4-norm. Vanaf 1 januari 2006 geldt die

de Euro4-norm voor personenwagens van kracht

voor alle nieuwe wagens en lichte bestelwagens. In

werd in 2005 is het aandeel gestegen van 11%

september 2009 wordt de nieuwe Euro5-norm van

in 2005 naar 20% in 2006. Het aandeel van de

kracht. De Euro6–norm moet van kracht worden in

pre-Euro1-, Euro1-, Euro2- en Euro3-voertuigen in

september 2014.

het personenwagenpark is duidelijk afgenomen tegen 2006. Hoewel de Euro3-voertuigen in 2006

— 40

18 8

15

Eind jaren ‘90 neemt het aandeel pre-Euro1-voer-

Bron: Administratie LNE

37 25

19 9

72 86 56

0%

27

27

10%

10/2000

3 20 34

24

40%

Euro3

11 30

70% 60%

personenwagens

12


— 41


met 37% het grootste aandeel hebben, is er tus-

voertuigen (en ook reeds Euro5-voertuigen) in

sen 2005 en 2006 een lichte daling en neemt het

de laatste jaren (in 2006 bedroeg het aandeel

aandeel Euro4-voertuigen (20% in 2006) aanzien-

van Euro4-vrachtwagens 3%). Door de laattijdige

lijk toe.

beschikbaarheid van Euro4-vrachtwagens en de

Op basis van de Euronormering kan dus worden

korte periode tussen de verplichtingstelling van

gesproken van een zichtbare vergroening van het

Euro4- en Euro 5-normering, zijn er in verhouding

personenwagenpark in Vlaanderen. Over de totale

momenteel zelfs meer Euro5-vrachtwagens in

milieubelasting door de personenwagens kunnen

omloop.

op basis van deze gegevens evenwel geen uitspraken worden gedaan, aangezien ook de omvang

Snellere publicatie van de data over de opdeling

van het wagenpark en het gebruik ervan hierbij in

van het voertuigpark naar Euronormering zou een

rekening moeten worden gebracht.

accurater beeld van de vergroeningsgraad van het wagenpark mogelijk maken. 3.1.1.6 De bezettingsgraad van de personen-

Het Vlaamse voertuigpark wordt geleidelijk aan milieuvriendelijker

wagens De bezettingsgraad van gemiddeld 1,364 passagiers per wagen op het totale wegennet is in

Evolutie Euronormen voor vrachtwagens

Vlaanderen de laatste vijf jaar nauwelijks gewij-

Ook wat de vrachtwagens betreft kan een dui-

zigd. Er is zelfs sprake van een lichte daling van

delijke verschuiving naar een milieuvriendelijker

de bezettingsgraad in 2007 tegenover 2003. Voor

voertuigpark worden vastgesteld.

een beleid dat inzet op een betere benutting van de capaciteit is dit ongetwijfeld een aandachts-

Figuur 26: evolutie van het aandeel van de Euronormen voor vrachtwagens en bussen (Vlaanderen) 100%

3

Figuur 27: evolutie van de gemiddelde bezettingsgraad van de personenwagens per wegtype, in aantal passagiers per wagen

34

1,450

25

1,400

14

90%

29

punt.

30

80% 70% 14

60% 50%

27

100 86

40%

9 56

30% 20%

8

1,350 34

30

10% 0%

1,300 1990

1995

2000

pre-Euro 1

Euro 1

Euro 2

Euro 3

Euro 4

Euro 5

2005

2006 1,250

Bron: VMM

Het aandeel van de pre-Euro1-vrachtwagens is

2003

2004

2005

2006

2007

autosnelwegen

totaal wegennet

andere genummerde wegen

gemeentewegen

gezakt van 86% in 1995 naar 30% in 2006. Het

Bron: SVR op basis van FOD MOB

aandeel van de Euro1-vrachtwagens zakte van 14%

De bezettingsgraad van de personenwagens op de

in 1995 naar 8% in 2006. In 2006 had de Euro3-

autosnelwegen ligt met 1,418 passagiers per wagen

technologie met 34% het grootste aandeel in het

(in 2007) hoger dan op de rest van het wegennet.

vrachtwagenpark.

Op de gemeentewegen is de bezettingsgraad het

Aangezien de recentst beschikbare gegevens

laagst, met 1,282 passagiers per wagen.

dateren van 2006 en aangezien pas in de loop van 2005 de eerste Euro4-vrachtwagens beschikbaar

3.1.1.7 Het taxipark

waren, weerspiegelen de gegevens in de grafiek

Vlaanderen telde in 2007 1.779 officieel geregis-

onvoldoende de (positieve) evolutie van de Euro4-

treerde taxi’s (personenauto’s, minibussen, speci-

— 42


ale personenauto’s). Tussen 2003 en 2007 steeg

Momenteel is in België het maximaal toegestane

het aantal taxi’s met 20%.

gewicht voor vrachtwagens vastgelegd op 44 ton en de maximale lengte op 18,75 meter voor vrachtwagens met aanhanger en 16,50 meter voor

Tabel 17: evolutie van het taxipark in Vlaanderen

vrachtwagens met oplegger. 2003

2004

2005

2006

2007

t.e.m. 2 jaar

783

807

917

955

977

Voor de eventuele proeftrajecten op het Vlaams

3 t.e.m. 5 jaar

334

404

426

408

417

wegennet zou mogelijk geopteerd worden voor de

6 t.e.m. 10 jaar

200

208

225

233

242

11 jaar en ouder

194

172

153

149

143

1.477

1.551

1.721

1.745

1.779

totaal

inzet van LZV’s van maximum 25,5 m lang en 60 ton zwaar. Volgens de MORA kan een proefproject alleen worden opgezet onder zeer stringente voorwaarden

Bron: Federaal Planbureau – FOD MOB (op basis van DIV)

en indien het duidelijk gekaderd is in de besluitvorming39.

Vooral de categorie van de jongere taxi’s steeg aanzienlijk. De categorie tot en met twee jaar steeg met meer dan 24%, evenals de categorie 3

3.1.2 Infrastructuur

tot en met 5 jaar. De oudere taxi’s (11 jaar en ou-

3.1.2.1 De wegeninfrastructuur

der) daalden van 194 in 2003 tot 143 (of -26%) in

De lengte

2007. Er is dus duidelijk sprake van een verjonging

Vlaanderen heeft een totaal wegennet van meer

van het taxipark.

de 70.500 km of 46% van het totale wegennet in België. De laatste jaren is de lengte van het totale

3.1.1.8 Autodelen

wegennet amper gestegen: +2,2% tussen 2003 en

Om de bezettingsgraad van de wagens te ver-

2007.

hogen en het aantal voertuigkilometers te doen dalen, heeft de Vlaamse Regering actief het auto-

Tabel 19: lengte van het Belgisch wegennet (km)

delen gepromoot. De in Vlaanderen aangeboden formules van autodelen (VZW Autopia en Cambio)

2005

2006

2007

Vlaams gewest

69.036

69.424

69.783

70.195

70.574

uiteraard maar een kleine fractie van het totaal

autosnelwegen

849

867

867

883

883

5.372

5.372

5.372

5.400

5.408

provinciewegen

635

635

635

635

635

gemeentewegen

62.180

62.550

62.909

63.277

63.648

– verhard

52.400

52.720

53.036

53.346

53.658

9.780

9.830

9.873

9.931

9.990

gewestwegen

de evolutie van het autodelen via de verschillende kanalen.

Tabel 18: autodelers en autodeelgroepen

autodelers autodeelgroepen

CAMBIO

2004

noteren beide een stijgend gebruik, maar vormen individueel vervoer. Hieronder een overzicht van

AUTOPIA

2003

autodelers

2004

2005

2006

2007

2008

3

11

261

390

650

18

32

52

69

85

176

433

1.039

1.500

1.922

Bron: Autopia VZW/Cambio

– onverhard Bron: FOD MOB

De lengte van het autosnelwegnet in Vlaanderen bedroeg in 2007 883 km. Ten opzichte van 2003 is dit een stijging van 4%. Het autosnelwegnet vormt echter maar een fractie (1,25%) van het totale

3.1.1.9 Langere en zwaardere vrachtwagens

wegennet. De gewestwegen beslaan in 2007 een

De Vlaamse Regering overweegt de inzet van

totale lengte van 5.408 km en hebben hiermee

langere en zwaardere vrachtwagens of LZV’s op

een aandeel van 7,6% in het totale netwerk. Veruit

welbepaalde routes en onder bepaalde voorwaar-

het grootste aandeel hebben de gemeentewegen,

den. Ze wil hiervoor eerst een proefproject opzet-

met 63.648 km in 2007. De provinciewegen telden

ten. Aan de MORA werd om advies gevraagd over

tot 2007 635 km, maar werden per 1 januari 2009

de wenselijkheid van dergelijk proefproject.

officieel aan de gewesten overgedragen.

39 Advies over het opzetten van een beperkt proefproject met LZV’s. MORA. 12 februari 2009.

— 43


Vlaanderen heeft momenteel geen tolwegen. Voor

Met andere woorden, de Vlaamse Ruit scoort

buitenlandse vrachtvoertuigen is het Eurovignet

minder goed dan vergelijkbare regio’s wat betreft

van toepassing op een deel van het wegennet:

de capaciteit van het autosnelwegnet (op basis van

over ongeveer 4.000 km in België, waarvan ruim

de dichtheid ervan).

1.800 km in Vlaanderen40. Voor Belgische vrachtvoertuigen geldt het Eurovignet voor het gebruik

De evolutie van het wegennet tegenover het

van alle wegen.

verkeer Het wegennet evolueert in de periode 2003–2007

De dichtheid

minder snel dan het vervoer dat op het wegennet

De dichtheid van het wegennet is belangrijk voor

wordt gegenereerd. Dit blijkt uit onderstaande

de bereikbaarheid en is ook een belangrijke factor

grafiek. Op min of meer dezelfde capaciteit (gere-

bij de vestiging van economische activiteiten. De

kend in aantal km) wordt steeds meer verkeer en

capaciteit van het net wordt voor een belangrijk

vervoer gegenereerd, met een groter wordende

deel verklaard door de dichtheid. De dichtheid

belasting van de capaciteit tot gevolg.

van het totale wegennet in Vlaanderen bedroeg Figuur 28: evolutie van het wegennet + verkeer en vervoer in Vlaanderen (2003 = 100)

52,19 km/1.000 km2 in 2007. Terwijl de dichtheid van het autosnelwegnet voor heel Vlaanderen

114

met 65,30 km per 1.000 km2 bedraagt. Dit is na 2

Brussel, met 69,75 km per 1.000 km , het dichtste

112

van Europa. De vergelijking van de Vlaamse Ruit met andere Europese regio’s geeft echter een

110

veel genuanceerder beeld.41 Wanneer de Vlaamse

108

Ruit (en dus niet het totale Vlaamse wegennet)

106

wordt vergeleken met de vergelijkbare regio’s Rijn-Ruhrgebied, de Randstad en de North-West-

104

regio van Engeland, dan is de dichtheid van het

102

autosnelwegnet (uitgedrukt in rijstrookkm/km2) aanzienlijk kleiner dan in de andere regio’s (Vlaam-

100 2003

2004

2005

2006

2007

2

se Ruit: 216 km/1.000 km , North-West Engeland:

goederenvervoer in tonkm*

433 km/1.000 km2, Rijn-Ruhr: 630 km/1.000 km2,

verkeer in vtg/km

Randstad: 901 km/1.000 km2). Ook voor de lengte

lengte wegennet Vlaams Gewest (km)

*geen data voor 2007 beschikbaar Bron: FOD MOB, ADSEI

van het autosnelwegnet per 1.000 inwoners scoort de Vlaamse Ruit lager dan de andere regio’s.

Met het oog op een verbetering van de wegcapaciteit en de optimalisering van het netwerk selecteerde het Ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen in

De dichtheid van het autosnelwegennet in de Vlaamse Ruit is kleiner dan in vergelijkbare regio’s

2001 25 prioritaire missing links (later werden nog

Tegelijk noteert de Vlaamse Ruit in vergelijking

werken. Ook het Pact van Vilvoorde, dat loopt tot

met de andere regio’s het grootst aantal met de

2010, stelt als doel om de bereikbaarheid van de

auto afgelegde kilometers per persoon per dag

economische en maatschappelijke activiteiten te

(23,9 km, ten opzichte van 14,1 in de Randstad, 19,4

verhogen, door onder meer het wegwerken van

in Rijn-Ruhr en 21,9 in North-West Engeland) en

belangrijke missing links.

2 projecten toegevoegd). Het was de ambitie van de Vlaamse Regering om tijdens de legislatuur 2004–2009 eenderde van de missing links weg te

het grootst aantal personenauto’s per 1.000 inwoners (534 ten opzichte van 424 in de Randstad,

De totale investeringskost van alle missing links,

507 in Rijn-Ruhr en 438 in North-West Engeland).

inclusief de Oosterweelverbinding, wordt geraamd op 3,95 miljard euro. Als de realisatie van een missing link wordt gedefinieerd als het volledig

40 Bron: FOD MOB. 41 Bron: Mobiliteitsbalans 2008. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid Nederland.

— 44


gebruiksklaar zijn van de infrastructuur, dan is het

die context is een evaluatie van de oorspronkelijk

ambitieniveau niet gehaald. Tot op heden werden

geselecteerde missing links aan de orde.

volgens deze benadering slechts twee missing link effectief gerealiseerd: de verbeterde aansluitingen

Het budget (AWV) voor investeringen in wegen-

op de A10 Brussel-Oostende te Jabbeke, in deze

infrastructuur (begrotingspost 73.1143), zonder re-

legislatuur, en de extra rijstrook op de E17 Kortrijk-

kening te houden met het noodzakelijke en weer-

Waregem in de vorige legislatuur.

kerend onderhoud ervan, evolueerde als volgt:

Tabel 20: evolutie van het budget voor infrastructuurinvesteringen (b.a. 73.11)

Slechts 2 van de 25 missing links uit het Mobiliteitsplan zijn nu gebruiksklaar

X 1.000 euro 73.11

Voor ongeveer eenderde van de missing links is

2004

2005

2006

2007

2008

191.371

169.785

209.192

257.935

283.860

Bron: AWV, op basis van de vastleggingen (2008 vastleggingskredieten)

evenwel vooruitgang geboekt. Twee daarvan zijn momenteel in uitvoering (de noorderlijke wegont-

Het jaarlijks budget voor investeringen in wegenin-

sluiting van de luchthaven van Zaventem en de

frastructuur steeg van 191 miljoen euro in 2004 tot

verkeerswisselaar in Lummen), voor de andere

284 miljoen euro in 2008 (+49%), maar is onvol-

projecten situeren de initiatieven zich in de admi-

doende om de geplande missing links (exclusief

nistratieve voorbereidings- en planningsfase. Voor

de PPS-projecten) op korte of middellange termijn

11 projecten kan echter geen timing van realisatie

(tegen 2014) te realiseren.

worden gegeven. Naast de infrastructuurinvesteringen is ook het De huidige totale kostenraming van de nog niet

onderhoud van de wegeninfrastructuur van pri-

effectief gerealiseerde projecten (pps-projecten

mordiaal belang.

inbegrepen) bedraagt momenteel ca. 3,9 miljard euro. Om budgettaire redenen werd beslist om een

Ondanks de verhoogde inspanningen ten aanzien

deel van de missinglinkprojecten te financieren via

van het structureel onderhoud van de wegen44,

alternatieve financiering (pps), namelijk 6 VIA-

wordt in het rapport over de toestand van het

invest projecten en de Oosterweelverbinding via

wegennet van AWV (afdeling Wegenbouwkunde)

de BAM42. De kost van de 7 pps–projecten wordt

vastgesteld dat de algemene toestand van ons

geraamd op 2,8 miljard euro (waarvan 1,85 miljard

wegennet onvoldoende is en we te kampen hebben

euro voor de Oosterweel). Een aandachtspunt hier-

met een substantiële onderhoudsachterstand. De

bij is dat hiervoor een beschikbaarheidsvergoeding

globale toestand qua goede wegvakken neigt naar

van 66 miljoen euro per jaar, indien op kruissnel-

een achteruitgang. Er is berekend dat over een

heid, moet worden voorzien. De eerste betaling

periode van 5 à 7 jaar een jaarlijks budget van 120

van een beschikbaarheidsvergoeding wordt

miljoen euro nodig is om de onderhoudsachter-

verwacht tegen 2012.

stand weg te werken (en het wegennet in stand te houden om geen verdere achterstand op te lopen)

Mobiliteit is echter een dynamisch gegeven, terwijl

De problematiek stelt zich niet alleen voor het

de missing links op een bepaald moment werden

autowegennet. Uit het rapport over de toestand

vastgelegd (in het Mobiliteitsplan Vlaanderen van

van de Vlaamse fietspaden van 2008 blijkt dat

2001). Ondanks twee toevoegingen gaat het dus

ongeveer 11% van de fietspaden zich in slechte

om een eerder statische lijst. Aangezien een nieuw

staat bevindt.

Mobiliteitsplan op stapel staat, zal bij de voorbereiding ervan met de dynamiek van mobiliteit (en de

Een bijkomend knelpunt is de lange doorlooptijd

knelpunten) rekening gehouden moeten worden. In

van grote infrastructuurprojecten zoals de missing

42 Europa lijkt evenwel niet te aanvaarden dat de investeringskosten van de BAM – die instaat voor de Oosterweelverbinding en andere grote mobiliteitsprojecten uit het Antwerpse Masterplan – buiten de Vlaamse begroting worden gehouden, hetgeen aanzienlijke budgettaire implicaties zou meebrengen. 43 B.a. 73.11: investeringsuitgaven voor structureel onderhoud van wegen en kunstwerken en ter structurele bestrijding van verkeersoverlast en omgevingshinder alsmede ter bevordering van de verkeersveiligheid, verbetering van de verkeersleefbaarheid en ter bevordeing van de multimodale bereikbaarheid (met inbegrip van fietspaden, elektro-mechanische uitrusting en studies. 44 Een verhoging van 30 miljard euro in 2004 naar 90 miljard euro in 2009.

— 45


— 46


links. Wanneer voor de missing links het Mobi-

De nieuwe infrastructuur is geplaatst over een

liteitsplan Vlaanderen (2001) als eerste ijkpunt

traject van 30 kilometer tussen Geel-Oost en Ranst

wordt genomen, is een gemiddelde realisatietijd

in de richting van Antwerpen.

van 10 jaar à 11 jaar eerder regel dan uitzondering. p Gent en omgeving Het beleidsproces met betrekking tot grote infra-

Op 16 juli 2008 heeft de Vlaamse Regering de

structuurprojecten voor de verschillende modi is

goedkeuring gegeven aan het oprichten van een

zeer complex, niet transparant en verloopt vaak

operationele eenheid van het Vlaams Verkeerscen-

heel moeizaam en traag. De timing van grote in-

trum voor de regio Gent, alsook het voorzien van

frastructuurprojecten zoals de missing links heeft

de Gentse regio met telematica-infrastructuur.

onder meer te maken met de doorlooptijd van de wettelijke procedures. Vooral het voorbereidings-

p Andere locaties

traject (studiefase, MER-procedure…) neemt echter

Op een aantal andere locaties in Vlaanderen, zoals

veel tijd in beslag. Een gebrek aan maatschappelijk

ter hoogte van de verkeerswisselaars in Lummen

draagvlak is vaak ook een vertragende factor.

en Zwijnaarde, werd reeds geïnvesteerd in meet-

Bovendien worden grote wegeninfrastructuur-

en detectiesystemen. Hier wordt met veranderlijke

projecten in de regel niet geselecteerd en geëva-

borden ingespeeld op een wisselende verkeers-

lueerd op basis van een ruimere sociaal-economi-

afwikkeling en optredende incidenten.

sche evaluatie, wat de kloof in het maatschappelijk draagvlak alleen maar doet toenemen. De achter-

De uitbouw van dynamisch verkeersmanagement

gronddocumenten van dit rapport brengen het

op R0 Brussel is niet op korte termijn voorzien.

beleidsproces voor grote infrastructuurprojecten

Het is de bedoeling om dit te combineren met de

uitvoerig in kaart.

geplande aanpassingswerken aan de Ring.

Dynamisch verkeersmanagement Ongebreidelde uitbreiding van de wegeninfrastructuur botst stilaan tegen maatschappelijke en ecologische grenzen. Daarom wordt sinds enkele jaren ingezet op initiatieven om de bestaande capaciteit van het infrastructuurnet beter te benutten en op

Recent is er toenemende aandacht voor dynamisch verkeersmanagement, maar bijkomende inspanningen zijn noodzakelijk

die manier de doorstroming, de bereikbaarheid en ook de verkeersveiligheid te bevorderen. Een van

Een performant verkeersmanagement vereist

de speerpunten van deze aanpak is het dynamisch

een grotere dekking door dynamische verkeers-

verkeersmanagement.

signalisatie dan momenteel het geval is. Om op termijn de Vlaamse ringwegen en autosnelwegen

In 1999 vatte de Vlaamse overheid het project

uit te rusten met dynamische signalisatie is naar

aan om een verkeerscentrum uit te bouwen voor

schatting een investering van 200 à 400 miljoen

Vlaanderen. Momenteel kan slechts een gedeelte

euro vereist.

van het wegennet worden gestuurd via variabele signalisatie:

3.1.2.2 De parkeerterreincapaciteit langs het

p Antwerpen

Naast de capaciteit van het wegennet, die de ver-

De agglomeratie Antwerpen (de Antwerpse ring

plaatsingen met het wagenpark mogelijk maakt,

en alle toekomende snelwegen) is sinds 2006

is ook de aanhorende infrastructuur van belang;

grotendeels uitgerust met verkeerstelematica, die

meer in het bijzonder de parkeerterreincapaciteit

wordt aangestuurd vanuit het Verkeerscentrum

en faciliteiten langs het autowegennet. Hierbij

Antwerpen.

kennen carpoolterreinen en park&rideterreinen

autowegennet

een toenemend succes. De bezettingsgraad van de p E313

parkeerterreinen langs de autosnelwegen wordt

Op 20/01/2009 zijn 20 dynamische verkeersbor-

niet gemeten.

den officieel in gebruik genomen op de E313.

— 47


De totale capaciteit van de carpoolterreinen in

Binnen deze faciliteiten worden diverse elementen

Vlaanderen bedraagt 6.584 personenwagens. De

geïnspecteerd. In 2009 kregen 11 parkeerterreinen

totale gemiddelde bezettingsgraad is 54%. De

het kwaliteitsmerk. Dit is een daling t.o.v. 2008,

bezettingsgraad van de carpoolterreinen neemt

2007 en 2006, toen respectievelijk aan 13, 17 en 17

jaarlijks toe. Er zijn wel belangrijke verschillen

parkeerterreinen een kwaliteitsmerk werd toege-

tussen de bezettingsgraad van de terreinen onder-

kend. De daling in 2009 wordt verklaard door een

ling. In 2008 bereikten of overschreden een 11-tal

toename van zwerfvuil en sluikstorten.

carpoolterreinen hun maximumcapaciteit. Wat de standplaatsen voor autodelers betreft, is In totaal zijn er 23 P+R-terreinen in de onmiddel-

er een onderscheid tussen particulier autodelen en

lijke omgeving van gewestwegen (beheerd door

het autodelen dat georganiseerd wordt door Cam-

AWV) met een totale capaciteit van 4.474 perso-

bio. In totaal gaat het over 13 vaste standplaatsen

nenwagens en 254 fietsen. De bezettingsgraad van

voor particulier autodelen en 26 standplaatsen

de P+R-terreinen is over het algemeen aanzienlijk,

voor Cambio.

hoewel er verschillen zijn tussen de provincies. Buiten deze P+R–terreinen zijn er nog andere

3.1.3 Zwaarte van de files

waarbij de Vlaamse overheid niet betrokken is,

De theoretische capaciteit van ons wegennet is

bijvoorbeeld bij de spoorwegstations.

aanzienlijk, maar komt op bepaalde locaties en tijdstippen meer en meer onder druk. Dit leiden we

Langs de autosnelwegen in Vlaanderen worden 72

af uit volgende vaststellingen:

parkeerterreinen geteld, met een totale parkeercapaciteit van 4.823 personenwagens, 1.701 vracht-

p Een toename van het wagenpark, gekoppeld aan

wagens en 165 bussen. De parkeerterreinen langs

een grote toename van het verkeer en vervoer

de E17 (16) hebben de grootste capaciteit voor

in zowel voertuigkilometer (+6% op het totale

vrachtwagens. De effectief gebruikte capaciteit

wegennet tussen 2003 en 2007 en +13% op de

van de parkeerterreinen langs de autosnelwegen

autosnelwegen) als reizigerskilometer (+5,4%

wordt momenteel niet op structurele basis geme-

op het totale wegennet en +11% op de autosnel-

ten. Nochtans zijn deze gegevens belangrijk in het

wegen). Het aantal voertuigen is toegenomen,

licht van de capaciteitsproblematiek voor vrachtvervoer op sommige parkeerterreinen.

maar er wordt ook meer afstand afgelegd. p De evolutie van het wegennet (in kilometer) neemt niet in dezelfde mate toe als het verkeer

Niet alleen de kwantiteit is belangrijk, ook de

en vervoer (+2% totaal wegennet en +4% auto-

kwaliteit van de parkeerterreinen. Sinds 2004 is een kwaliteitssysteem ingevoerd voor evaluatie

snelwegen). p De bestaande capaciteit wordt bijgevolg steeds

van de parkeerterreinen langs de autosnelwegen. Op basis van periodieke (onafhankelijke) visuele

zwaarder belast. p De prognoses van het Federaal Planbureau

inspectie worden jaarlijks sterren toegekend

wijzen op een substantiële toename van verkeer

(kwaliteitsmerk). Het gaat om 37 full-service

en vervoer tegen 2030 (+38% voertuigkm voor

parkeerterreinen en 13 parkeerterreinen die alleen

personenwagens, +37% voor vrachtwagens en

bestaan uit een zogenaamde kiosk (snelbuffet), zonder tankstation.

+67% voor bestelwagens). p De toenemende belasting van de capaciteit leidt

Het evaluatiesysteem onderzoekt 8 faciliteiten

tot een toename van de congestie. Om dit te

(via checklists):

meten werden een aantal indicatoren ontwik-

1 rusten

keld, zoals het aantal voertuigverliesuren, de

2 sanitair

filezwaarte (in kilometeruren) en de verzadi-

3 tanken 4 shop

gings- of saturatiegraad. p Deze indicatoren wijzen op een aanzienlijk (en

5 eten en drinken

groeiend) congestieprobleem.

6 telecommunicatie 7 motel

Een van de belangrijkste indicatoren om de pro-

8 kiosk

blematiek te duiden is de filezwaarte. Die wordt

— 48


berekend als het product van de lengte en de duur van de files en uitgedrukt in kilometeruren.

Figuur 29: gemiddelde filezwaarte (24u) op het hoofdwegennet (voortschrijdend jaargemiddelde) in km-uren/dag 250

Tabel 21: zwaarte van de files hoofdwegennet 2006–2009 – voortschrijdende jaargemiddelden in kilometeruren per dag

230 210 190

Dec 2006

Dec 2007

Dec 2008

Apr 2009

Vlaanderen

170,7

217,5

217,3

211,6

150

Antwerpen

64,8

91

92,8

92,1

130

Brussel

76,1

86,3

87,3

85

170

110 90 70

Bron: Verkeerscentrum

50

Deze tabel geeft op basis van de berekeningen

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 2 3 4 2007 2008 2009

van het Verkeerscentrum de evolutie weer van de filezwaarte op dagbasis (24u) voor het volledig

Vlaanderen

Brussel

Antwerpen

hoofdwegennet en voor de regio Antwerpen en Brussel. Het gaat hier om een voortschrijdend

Bron: Verkeerscentrum

gemiddelde op jaarbasis (bijvoorbeeld de waarde

De filezwaarte in Vlaanderen vertoont tot april

voor april 2009 is het gemiddelde over de periode

2008 een duidelijk stijgende trend. Tussen april en

mei 2008–april 2009)45.

september 2008 bleef ze eerder stabiel, waarna ze vanaf september 2008 een lichte daling inzette.

De gemiddelde filezwaarte op het hoofdwegen-

Tot oktober 2007 was de filezwaarte in de regio

net steeg van 170,7 kilometeruren per dag in de

Brussel hoger dan in de regio Antwerpen, daarna

periode januari 2006-december 2006 tot 211,6 ki-

was het omgekeerde het geval.

lometeruren per dag in de periode mei 2008-april 2009. Dit is een stijging met bijna 24%. In de regio

3.1.4 Situering van de structurele files

Antwerpen steeg de filezwaarte met 42%, in Brus-

De geografische spreiding van de structurele files

sel met 11%.

in Vlaanderen wordt weergegeven in onderstaande kaarten (versie mei 2009). Het gaat hierbij om

De volgende grafiek geeft een gedetailleerde

wegsegmenten waarop het zeer waarschijnlijk is

weergave van de evolutie van de gemiddelde

dat het verkeer op werkdagen tijdens de spitsuren

filezwaarte op het hoofdwegennet voor de periode

(onderscheid ochtendspits en avondspits) ver-

2006–2009.

traagd tot sterk vertraagd verloopt. De kaarten

Vóór december 2006 werd de huidige methodiek

geven een gemiddeld beeld: dat wil zeggen dat

om de filezwaarte te bepalen nog niet gebruikt.

schommelingen mogelijk zijn, onder meer ten

Voor de periode tot december 2006 zijn er

gevolge van het weer, ongevallen of verminderde

daardoor geen betrouwbare gegevens over de

economische activiteit, bijvoorbeeld tijdens vakan-

filezwaarte beschikbaar.

tieperiodes. De fileproblematiek stelt zich duidelijk scherper gedurende de ochtendspits dan in de avondspits. In de avondspits zijn de files meer verspreid (groter aantal wegvakken waar files worden genoteerd), maar de lengte van de files (qua afstand) is merkelijk groter in de ochtendspits.

45 De filezwaarte houdt geen rekening met de snelheid van het verkeer tijdens de file noch met het aantal voertuigen betrokken in de file.

— 49


Kaart 1: structurele files ochtendspits

Bron: Verkeerscentrum

Kaart 2: structurele files avondspits

Bron: Verkeerscentrum

— 50


De belangrijkste filegevoelige locaties, zowel tij-

aantal voertuigverliesuren op het Vlaamse hoofd-

dens de ochtendspits als in de avondspits, situeren

wegennet op jaarbasis (werkdagen 6:00–20:00

zich in de Vlaamse Ruit, meer bepaald op en in de

uur). Als de gemiddelde snelheid op het autosnel-

omgeving van de Antwerpse en Brusselse ring met

wegennet minder dan 95 km/u bedraagt, wordt dit

uitlopers op de E40 (tussen Brussel en Aalst en

als verliesuur gerekend.

tussen Brussel en Leuven), op de E19 (Antwerpen Noord + Mechelen–Brussel maar alleen tijdens de

Tabel 22: evolutie voertuigverliesuren

ochtendspits), de E313/E34 (Antwerpen Oost), en miljoen uur

de E17 (in Antwerpen West).

Vlaams hoofdwegennet

Voor de E19 is de file in de ochtendspits een terug-

2004

2005

2006

2007

2008

4,5

4,3

4,5

5,4

4,5

Bron: SVR op basis van Vlaams Verkeerscentrum

slaande file vanop de Brusselse ring, waar er een verzadigingsgraad46 is van 110%. Er staat dus wel

Het Verkeerscentrum raamt het aantal voertuig-

degelijk file, maar de oorzaak ligt niet op de E19

verliesuren in 2008 op weekdagen (van 6 tot 20

zelf. Dit is anders op de andere snelwegen, waar de

uur) op 4,5 miljoen uur. Dat is bijna 17% minder

oorzaak van de file op de snelweg zelf gesitueerd is.

dan 2007 (5,4 miljoen uur), maar evenveel als in 2006 (4,5 miljoen uur). De oorzaak voor de piek

De filekaarten noteren geen knelpunten voor de

van 5,4 miljoen voertuigverliesuren in 2007 is

A12, noch in de ochtendspits, noch in de avond-

onbekend.

spits. Op de A12 is er vooral file aan de knooppunten, voornamelijk aan de verkeerslichten.

Gelet op de onbetrouwbaarheid van de gegevens over voertuigverliesuren is het niet aangewezen

3.1.5 Voertuigverliesuren

de economische kostprijs van de files op basis van

Voertuigverliesuren geven aan hoeveel reistijd-

de voertuigverliesuren in te schatten.

verlies er opgetreden is in een bepaalde regio gedurende een bepaalde periode. De huidige

3.1.6 De verzadiging van het wegennet

methodiek voor het berekenen van de voertuig-

De belasting van de capaciteit van het wegennet

verliesuren in Vlaanderen kampt met een aantal

wordt vaak geduid op basis van de verzadigings-

knelpunten, waardoor de betrouwbaarheid van

graad. We vinden deze indicator terug in verschil-

de gegevens sterk gerelativeerd moet worden.

lende varianten.

Ze moeten daarom eerder als algemene indicatie beschouwd worden.

3.1.6.1 Intensiteit-capaciteit (I/C) verhouding Het Verkeerscentrum berekent op basis van

Het verkeersmeetnet op het hoofdwegennet is nog

provinciale multimodale modellen de index van het

niet voldoende dicht uitgebouwd om de voertuig-

aantal personenauto-equivalenten ten opzichte

verliesuren op een accurate manier in beeld te

van de capaciteit van de weg. Deze index geeft een

brengen. Daarenboven zijn de files op de R1 in

beeld van de verzadigingsgraad van het wegennet.

Antwerpen niet vervat in de cijfers (de nodige

Een I/C-verhouding van meer dan 80% wijst op

meetsystemen werden verwijderd ten gevolge de

sterk vertraagd verkeer en de kans op het ont-

heraanleg van de ring). Het Verkeerscentrum doet

staan van files. Een I/C-verhouding van meer dan

de berekeningen momenteel nog op basis van het

100% wijst op knelpunten waar de files ontstaan.

oudere meetnet. Omdat met deze detectoren de

Het model geeft niet weer hoe lang de files zijn

snelheid moet worden geschat, bestaat er een

die hierdoor ontstaan. Het gaat hierbij ook om

onzekerheid in de cijfers. Een nieuwe berekening-

een statisch model, waarbij de file niet terugslaat

methodiek wordt in de loop van 2009 uitgewerkt

naar de voorgaande wegvakken. Op basis van de

om de files te kwantificeren op de R1 en E31347.

I/C-verhouding kan de verzadigingsgraad van het wegennet in kaart worden gebracht op verschil-

Met deze beperkingen, werden in 2008 op het

lende tijdstippen.

Vlaams hoofdwegennet 4,5 miljoen voertuigverliesuren genoteerd. Onderstaande tabel geeft het

46 De verhouding tussen de intensiteit en de capaciteit of I/C verhouding. 47 Waar dergelijke detectoren recentelijk in gebruik werden genomen.

— 51


De wegvakken met kritische verzadigingsgraad be-

wordt met voertuigen per uur per rijrichting), ter-

rekend op basis van de I/C-verhouding correleren

wijl men er in de praktijk in de file kan staan.

grotendeels met de filekaarten, waarbij vooral de regio’s Brussel en Antwerpen en hun belangrijkste toevoerwegen een verzadigingsgraad van meer

Het wegennet raakt de laatste vijf jaar vaker en sneller verzadigd

dan 80% kennen. 3.1.6.2 Wegvakindex T&M Leuven stelde een regionale wegvaksindex48

De lengte van het autosnelwegennet met grote

op. Deze geeft aan hoeveel percent van de weg-

kans op files (want voor meer dan 75% gesatu-

vakken verzadigd is en is een maat voor de drukte

reerd) is volgens deze berekening min of meer

op het net.

stabiel sinds 2000 (tussen de 521 en 560 km). Sinds 2006 treedt evenwel weer een sterke stijging op, van 560 km in 2006 tot 755 km saturatie

Tabel 23: verzadigingsgraad autosnelwegen 2002–2005

per dag in 2007. Het gaat hier om de lengte van 2002

2003

2004

2005

Vlaams Gewest

27,8%

26,2%

26,4%

27,7%

Waals Gewest

1,3%

1,6%

2%

1,9%

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

42%

42%

42%

42%

14,6%

14%

14,3%

14,9%

België

de autosnelwegvakken, met onderscheid tussen de twee rijrichtingen en de ochtend- en avondspitsen. Een autosnelwegvak dat ’s morgens en ’s avonds in beide richtingen verzadigd is, wordt 4 maal in rekening gebracht.49 Onderstaande tabel geeft de 10 meest verzadigde

Bron: T&M Leuven

wegvakken volgens de verkeerstellingen van de Uit de tabel blijkt dat in 2005 op 27,7% van de

FOD MOB weer. Vooral de Ring rond Brussel kent

wegvakken op het hoofdwegennet in Vlaanderen

de grootste verzadigingsproblemen, evenals de

de maximale capaciteit wordt benaderd. Of deze

Antwerpse Ring en de verkeerswisselaar in Kort-

drukte tot vertragingen of ernstige congestie leidt,

rijk. Dit neemt niet weg dat op nog tal van andere

kan niet afgeleid worden uit de index.

wegvakken de saturatiedrempel van 75% wordt overschreden.

De verzadigingsgraad van de autosnelwegen in Vlaanderen ligt 14 maal hoger dan die in Wallonië.

Tabel 24: top 10 van de meest verzadigde wegvakken (autosnelwegen + Ringwegen) in 2007

Het verloop van de wegvakindex wordt bijgevolg bijna volledig bepaald door de evolutie in het

wegvak

saturatie in %

Vlaams Gewest. R0 Wemmel – Jette (ochtend en avondspits)

3.1.6.3 Saturatiegraad volgens de verkeerstellingen van de federale overheid

126 -120

R0 Zaventem – Zaventem Keiberg (ochtendspits)

117

A14 Kortrijk Zuid –Verkeerswisselaar Kortrijk Oost (avondspits)

114

De FOD MOB berekent de saturatiegraad van het 111 -106

autosnelwegnet. De saturatiegraad is een verzadi-

R0 Leonard – Tervuren – Vier Armen (ochtend en avondspits)

gingspercentage dat berekend wordt ten opzichte

R0 Anderlecht – Neerpede (ochtendspits)

111

Antwerpen Noord R1 – Merksem (avondspits)

110

van een conventionele drempel van 2.000 voertuigen per uur en per rijstrook, voor de gemiddelde werkdagen (exclusief juli en augustus). De gege-

R0 Woluwelaan Zuid – Diegem (ochtend en avondspits)

vens worden berekend op basis van de verkeerstel-

A4 Leonard krspnt – Jezus-Eik (avondspits)

lingen. Nuancering is noodzakelijk. Indien zich op

R0 Jette – Zellik (ochtend en avondspits)

109 -100 109 100 -105

een bepaald punt een knelpunt voordoet dat file R0 Astridlaan – Dilbeek (ochtendspits)

veroorzaakt, dan kunnen de wegvakken voorafgaand aan dit knelpunt volgens deze methodiek

Bron: Verkeerstellingen 2007 FOD MOB

een lage saturatiegraad hebben (omdat geteld

48 Bron: analyse van de mobiliteit op de Belgische autosnelwegen. Verkeersindices 2002–2005. T&M Leuven. Juni 2008. 49 Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn slechts zeer beperkte telgegevens beschikbaar waardoor de data hoofdzakelijk gebaseerd zijn op schattingen en sterk aan betrouwbaarheid inboeten.

— 52

105


3.1.7

Geen indicator “gewenste reistijd”

Aangezien de huidige indicatoren om de fileproblematiek correct te duiden (meer in het bijzonder de voertuigverliesuren) een aantal belangrijke hiaten vertonen, is de behoefte aan een bijkomende indicator reëel. Met een indicator gewenste reistijd op verschillende afgebakende trajecten kunnen de reistijden op trajecten van verschillende lengte met elkaar worden vergeleken via een streefwaarde voor een acceptabele reistijd. Op die manier kan worden berekend welke trajecten wel en niet voldoen aan de gewenste reistijd en verkrijgt men een accuraat beeld van de bereikbaarheid voor verschillende trajecten en op verschillende tijdstippen. Momenteel ontbreekt deze indicator voor Vlaanderen. Het is dan ook aangewezen een dergelijke bereikbaarheidsindicator te ontwikkelen.

— 53


3.2

FIETS EN TE VOET het ontwerp en de aanleg van de fietspaden. Module 12 voorziet in de mogelijkheid tot aanleg of verbetering van fietspaden van het BFF buiten het gewestdomein, als alternatief voor fietspaden langs gewestwegen. Het gewest betaalt hierbij 100% van de reële kostprijs van de nieuwe fietspaden en 80% indien het gaat om verbetering van de fietspaden buiten het gewestdomein. Module De MORA stelt vast dat er naast gegevens uit het

13 tenslotte voorziet de mogelijkheid tot aanleg

OVG zeer weinig cijfers zijn die de rol van het lang-

of verbetering van fietspaden langs gewestwegen

zaam verkeer in het mobiliteitsbeleid eenduidig

door de lokale overheid. De lokale overheid zorgt

kunnen omschrijven.

in deze voor het ontwerp en de aanleg van de fietspaden. Het gewest betaalt hierbij 100% van

3.2.1 Fiets

de reële kostprijs van nieuwe fietspaden en voor

Naast het wagenbezit ligt ook het fietsbezit hoog

de verbetering van de fietspaden indien het een

in Vlaanderen. In het OVG geeft meer dan 80%

schakel van het BFF betreft. In het andere geval

van de huishoudens aan over minstens één fiets

komt het Vlaams gewest voor 80% van de kosten

te beschikken. Het fietsbezit neemt overigens snel

tussen.

toe. In 2001 bezaten 78,1% van de huishoudens in Vlaanderen een fiets, tegenover 72,1% in 1991

In de periode 2002–2008 werden er 256 modules

(ADSEI, 2001). De stijging heeft wellicht te maken

ondertekend. Hiervan waren er 218 modules 13. Via

met de populariteit van de fiets voor recreatieve

deze module is in de periode 2003–2008 198,88

verplaatsingen, want voor de dagelijkse verplaat-

km fietspad gerealiseerd. Toch blijft nog 638,86

singen wint de fiets niet aan marktaandeel.

km fietspad te realiseren. Voor de module 11 en module 12-fietspaden zijn momenteel nog geen

Gegevens over de fietsinfrastructuur zijn erg

opvolgingsdata beschikbaar.

gefragmenteerd. Daarenboven worden data over de fietsinfrastructuur (in het bijzonder door de

In 2006 werd het Fietsfonds opgericht. Dit fonds

gemeenten) niet altijd systematisch bijgehouden.

voorziet in middelen om de realisatie van het BFF te ondersteunen. Het gaat hier specifiek om

De opvolging van de fietsinfrastructuur op Vlaams

nieuwe en te verbeteren fietspaden langs ge-

niveau gebeurt voor het Bovenlokaal Functioneel

meentewegen. In de periode 2007–2008 werden

Fietsroutenetwerk, verder BFF. Het gaat om 11.793

er 21 projecten en 48 km fietspad vastgelegd51. Er

km gewenste fietsroutes,50 waarvan 35% in beheer

zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar wat

van het Vlaams Gewest en 60% in beheer van de

betreft de openstelling of voorlopige oplevering

gemeenten. 4,5% was tot 1 januari 2009 in handen

van deze fietspaden.

van de provincies. In 2005 was 19% van het BFF uitgerust met conforme fietspaden. In 2008 is dat 23%. Dit komt overeen met een stijging van 517 km tegenover 2005. Om het BFF versneld te kunnen realiseren zijn er verschillende financieringskanalen opgericht. Zo

In Vlaanderen zijn te weinig gegevens beschikbaar om het belang van fietsers en voetgangers in het mobiliteitsbeleid te kunnen duiden

werden hiervoor in het mobiliteitsconvenantsbeleid een aantal modules voorzien. Via module 11

3.2.1.1 Fietsenstallingen

wordt de aanleg of verbetering van fietspaden

Het plaatsen van fietsenstallingen op openbaar

langs gewestwegen door het Vlaams Gewest

domein is een lokale aangelegenheid. Hoewel er

mogelijk gemaakt. Het gewest zorgt hierbij voor

op Vlaams niveau onder meer in het Vademecum

50 Wanneer over km fietspaden wordt gesproken dan worden fietspaden aan weerszijden afzonderlijk geteld. Wanneer cijfers over het netwerk worden meegedeeld is dit niet zo. 1 km gerealiseerd netwerk kan zo uitgerust zijn met 2 km fietspaden. 51 Omdat de vastlegging van een fietsfondsdossier gebeurt nadat de werken gegund werden, wordt er van uitgegaan dat de aanleg van het fietspad kort daarop van start gaat.

— 54


Fietsvoorzieningen52 aanbevelingen gedaan worden voor het plaatsen ervan, wordt geen informatie bijgehouden over het aantal fietsenstallingen. Enkel een systematische registratie van het aantal en het type van fietsenstallingen op het openbaar domein (vb. winkelstraten…) kan de toename van kwalitatieve fietsenstallingen beter in beeld brengen.

3.2.2 Voetpaden Het aantal kilometer voetpaden en het aantal voetgangerszones is moeilijk op te lijsten. De aanpak van de voetgangersvoorzieningen gebeurt voornamelijk op lokaal niveau. Voor de realisatie van voetgangersvoorzieningen dient gewerkt te worden volgens de inrichtingsprincipes en ontwerprichtlijnen opgenomen in het Vademecum Voetgangersvoorzieningen. Eveneens moet erop toegezien worden dat de verschillende wegbeheerders zich houden aan de toepassing van dit Vademecum.

52 In het Vademecum Fietsvoorzieningen worden naast kwaliteitseisen een aantal aanbevelingen gedaan met betrekking tot fietsparkeervoorzieningen ondermeer rond het aantal gewenste fietsenstallingen, het gewenste stallingsysteem, de vraag of fietsenstallingen al dan niet overdekt moeten zijn, al dan niet bewaakt, al dan niet gratis.

— 55


3.3 OPENBAAR VERVOER

3.3.1 Stedelijk en regionaal vervoer Aanbod van stedelijk en regionaal vervoer Mee door de invoering van basimobiliteit zien we de laatste 5 jaar een fenomenale stijging van de vervoersprestaties van het stedelijk en regionaal vervoer.53 De Lijn realiseerde bijna volledig het minimumaanbod aan openbaar vervoer, dat in 2001 decretaal werd vastgelegd in het decreet op de basismobiliteit. In 2008 voldeed 97% van de totale Vlaamse woonoppervlakte aan het afstandscriterium en 84% aan het frequentiecriterium. Slechts 9 gemeenten zijn voor minder dan 85% basismobiel op basis van het afstandscriterium. Een aanzienlijk aantal gemeenten (meer dan 100) blijft echter nog onder het voorziene frequentiecriterium. Om de belangrijke hiaten aan te vullen werd in 2008 besloten over te schakelen naar het vraaggericht netmanagement.

53 Voor de cijfers inzake het Openbaar Vervoer is de MORA genoodzaakt terug te grijpen naar de gegevens die worden aangeleverd in het kader van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de rapportering over het personenvervoer over de weg van 12 september 2003 (BS 2003–12–01).

— 56


Kaart 3: % woongebied van een gemeente dat een halte heeft binnen het afstandscriterium in 2008

95 tot 100 (269) 85 tot 95 (30) 75 tot 85 (8) 50 tot 75 (1) 0 tot 50 (0)

Bron: De Lijn

Kaart 4: % woongebied van een gemeente waar de frequentienorm volledig wordt behaald in 2008

95 tot 100 (127) 85 tot 95 (76) 75 tot 85 (53) 50 tot 75 (38) 0 tot 50 (14)

Bron: De Lijn

— 57


Het gerealiseerde aanbod komt in algemene ter-

duurzame voertuigen beschikt. De Lijn heeft 35

men tegemoet aan de ‘verplichte’ verplaatsingen

hybride bussen aangekocht.

naar het werk en de school. Ook de ‘noodzakelijke’ verplaatsingen naar commerciële en publieke

Wat de toegankelijkheid van het voertuigenpark

diensten dekken in

betreft, zal in 2014 zal het volledige eigen buspark

voldoende mate de noden en behoeften van de

van De Lijn rolstoeltoegankelijk zijn. De bussen van

‘modale’ burger in niet-stedelijke gebieden.54

de privé exploitanten zullen allemaal toegankelijk zijn in 2018.

Tabel 25: aanbod van De Lijn in Vlaanderen

Gebruik van het stedelijk en regionaal vervoer inwoners (x 1 mln) voertuigkm (x 1 mln) voertuigkm/inw index voertuigkm/inw

2003

2004

2005

2006

2007

6,01

6,03

6,04

6,08

6,12

175,30

193,40

200,20

203,00

208,80

29,17

32,07

33,15

33,39

34,12

100,00

109,96

113,64

114,47

116,97

Het reizigersaantal steeg met 33,4% tegenover 2003. In 2007 vervoerde De Lijn 483 miljoen passagiers, in het recente jaarverslag 2008 wordt deze gestage groei bevestigd en kondigde De Lijn een nieuwe groei van 5% aan tot 508 miljoen reizigers. Bij De Lijn zijn de afgelegde reizigerskilometers niet bekend. Evenmin is bekend wat de eventuele

De verhoging van het aanbod resulteerde in een

veranderingen in gemiddelde ritlengte zijn. Beide

stijging van het aantal voertuigkilometers gereden

elementen kunnen indicatief zijn voor het afstem-

door De Lijn en exploitanten, met 19,1%. Dit is een

men van vraag en aanbod.

toename van 33,5 miljoen voertuigkilometer ten Kwaliteit van het stedelijk en regionaal vervoer

opzichte van 2003.

De beheersovereenkomst voorziet dat De Lijn Over de verlenging van het netwerk worden geen

een tweejaarlijks klantentevredenheidsonderzoek

cijfers bijgehouden, maar er werden in de voorbije

uitvoert. De Lijn maakt hiervan gebruik om stra-

5 jaar wel 6.306 nieuwe haltes gecreëerd (+19%).

tegische beslissingen te onderbouwen. De steeds

In 2007 telde De Lijn 39.460 halteplaatsen. Er wer-

wijzigende methodologie maakt een trendanalyse

den 29% meer reizigers per kilometer vervoerd

echter moeilijk.

dan in 1997. Het globaal overzicht van het uitrus-

In 2008 gaat de totaaltevredenheid voor het eerst

tingsniveau van de haltes (waarin ook fietsinfra-

licht achteruit. Deze daling komt volgens De Lijn

structuur is opgenomen) is nog niet beschikbaar,

ondermeer omdat informatie en communicatie

zodat dat geen nulmeting beschikbaar is op vlak

aan belang heeft gewonnen en de reiziger hogere

van kwaliteit (inrichting en informatie), veiligheid

verwachtingen heeft.

en toegankelijkheid.

Opvallend is dat het thema comfort en ruimte aan belang verliest, maar dat het aantal ritten en

4.035 voertuigen rijden in opdracht van de

frequentie een strategische factor wordt. Reizigers

Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn, waarvan

blijven dus een groter aanbod verwachten.

2.610 in eigen beheer. Dit zijn er 18,1% meer dan 5

De reiziger verwacht ook dat elke wijziging in

jaar geleden. Opvallend hierbij is een verdubbeling

traject, prijs, nieuwe lijn of omleiding doeltreffend

van het aantal gelede bussen. Het totaal aantal

en bijna individueel gecommuniceerd wordt. Over-

beschikbare plaatsen op de voertuigen is er met

volle bussen leiden steeds meer tot frustratie en

20,3% op vooruitgegaan.

gevoelens van ontevredenheid. Ook in 2008 stellen we vast dat “capaciteitsbeperkingen” verweven

Ook de duurzaamheid van het voertuigenpark is

zit in vele factoren. In de perceptie van de reizi-

er op vooruitgegaan. 46,1% van het eigen voer-

ger blijven een aantal aspecten sterk met elkaar

tuigenpark beschikt over een roetfilter. Het doel is

verbonden en moeilijk los te beoordelen: comfort

om tegen 2010 alle bussen uit te rusten met een

en ruimte, chauffeurs, aantal en frequentie, drukte

roetfilter. Alle trams rijden op groene stroom.

op bus/tram. Deze groeiende ontevredenheid over

Bij de privé exploitanten rijdt nog geen 5% van de

overvolle bussen is aanwezig bij een selecte groep

voertuigen met een roetfilter, zodat het volledig

van reizigers, vooral jongeren, maar ook in het

ingezette wagenpark slechts over 23,5% echt

algemeen bij piekreizigers.

54 De sociale effecten van basismobiliteit, 2008, Prof. Dr. Ignace Glorieux.

— 58


Tabel 27: spoor treinkilometer

Bij dit alles dient aangestipt te worden dat de tarieven laag werden gehouden, zodanig dat de

jaar

2003

2004

2005

2006

2007

inwoners (x 1.000)

6.001

6.003

6.004

6.008

6.120

treinkm (x 1.000)

39.168

39.671

39.704

40.393

41.140

6,53

6,61

6,61

6,72

6,72

100,00

101,25

101,32

103,01

102,99

kostendekkingscoëfficient van De Lijn in de laatste 5 jaar is teruggevallen van 15,5% naar 13,7%.

treinkm/inw

De gestage groei van het aantal reizigers van De Lijn geeft aanleiding tot capaciteitsproblemen

index Bron: NMBS, APS

In de periode 2003–2007 zette de NMBS echter De keerzijde van dit succes zijn de capaciteits-

2,3% minder motorstellen en rijtuigen in, waar-

problemen. In 2007 kenden 94 lijnen capaciteits-

door het aantal aangeboden zitplaatsen in 2007

problemen.

terugliep tot 288.400 (-0,4%). Om tegemoet te

Gezien de toename van het verkeer en de druk

komen aan de sterke toename van het reizigers-

op de infrastructurele capaciteit, neemt ook het

verkeer moet tegen 2012 het aantal zitplaatsen

belang van een vlotte doorstroming van het open-

met 15% verhogen. De in 2008 door de NMBS

baar vervoer toe, als dat op congestiegevoelige

geplaatste bestellingen (M6-dubbeldekrijtuigen

locaties een aantrekkelijk vervoersalternatief wil

en Desiro-treinstellen) leveren minstens 100.000

zijn. Niet in het minst heeft een vlotte doorstro-

bijkomende zitplaatsen op tegen 2016.

ming ook een impact op de operationele efficiëntie.

Tabel 28: aantal aangeboden zitplaatsen (duizend)

Als indicator berekent De Lijn een zwaartegraad en impact van de congestie:

2002

2003

2004

2005

2006

2007

evolutie 03/07 (%)

289,2

289,6

287,7

284,2

283,4

288,4

-0,4

Gemiddelde vertraging per rit aan de eindhalte zitplaatsen

bedroeg in 2007 4,9 minuten. Voor heel Vlaanderen betekent dit een vertraging

Bron: NMBS

op dagbasis van 92.249 minuten. Het treingebruik in Vlaanderen De investeringsinspanningen door De Lijn evo-

Het gebruik van de trein steeg in Vlaanderen met

lueerden van 114,6 miljoen euro in 2003 naar

ongeveer 25% reizigerskilometer, veel sterker

165,8 miljoen euro in 2008. Dit is een stijging met

dan het aanbod dus. Deze stijging volgt de sterke

44,7%.

stijging in het stad- en streekvervoer en is vanuit een ketenbendadering hierdoor grotendeels te verklaren.

Tabel 26: investeringen De Lijn x 1.000 euro

2003

2004

2005

2006

2007

2008

infrastructuur

114.934

220.445

137.373

105.374

160.274

165.780

Tabel 29: spoor reizigerskilometer 2003

2004

2005

2006

2007

6,01

6,03

6,04

6,08

6,12

4.762

5.032

5.376

5.638

5.848

792,35

834,49

890,07

927,30

955,56

100

105,32

112,33

117,03

120,6

Bron: Vlaamse begroting

inwoners (x 1 mln)

In 2007 richtte de Vlaamse Regering ook een

reizigerskm (x 1 mln)

fonds op dat De Lijn in staat moet stellen om met reizigerskm/inw

haar infrastructuur optimaal in te spelen op de heraanleg van een 40-tal stationsomgevingen.

index reizigerskm/inw Bron: NMBS, APS

3.3.2 Spoor Aanbod trein in Vlaanderen Het aanbod in treinkilometers is de afgelopen vijf

Verdere uitbouw van het spoorvervoer

jaar in Vlaanderen met ongeveer 5% gestegen.

Het investeringsbudget voor de spoorinfrastructuur (zonder HST en rollend materieel) steeg van

— 59


Figuur 30: investeringen NMBS-groep

485,7 miljoen euro in 2003 tot 745,8 miljoen euro in 2007. Dit is een stijging met 53%

0,5% 5,9% 8,3%

Tabel 30: investeringen NMBS-Groep (in 1.000 euro) 2003

2004

2005

rollend materieel

5,7% 19%

capaciteitsbehoud

2006

16,8%

2007

stations en parkeerterreinen (buiten GEN) 43,9%

10j plan

infrastructuur

485.689

materieel

270.270

215.543

144.356

228.064

240.294

53.571

38.338

29.727

44.944

60.025

495.252

507.702

452.245

342.538

162.890

1.304.782

1.276.265

1.188.265

1.343.560

1.209.002

andere HST

HST

totaal

514.682

561.937

capaciteitsuitbreiding

728.014

745.793

ICT productiemiddelen diverse

Bron: NMBS

Bron: NMBS Holding

Het investeringsplan 2008–2012 van de NMBSgroep voorziet een investeringsbudget van 10,78 miljard euro, opgedeeld als weergegeven in onderstaande figuur.

— 60


3.4

HET WOON-WERKVERKEER

een aandeel van 33,5% (vergeleken met 43,6% voor de auto). 40% van het voortransport naar de trein gebeurt met de auto, hoewel meer dan de helft van de Vlamingen zegt binnen 5 km van een station te wonen. 12,5% van de Vlaamse werknemers fietst naar het werk. De trein en het regionaal stedelijk vervoer worden door respectievelijk 7,1% en 2,9% als

Woon-werkverkeer heeft een belangrijke invloed

hoofdvervoermiddel gebruikt, een stevige toename

op de mobiliteit in Vlaanderen. Niet alleen gaat het

ten opzichte van 2001.

om 33,2% van de totaal afgelegde kilometers, het

Deze cijfers uit het OVG alleen zijn onvoldoende

woon-werkverkeer heeft ook een belangrijk aan-

om een goed inzicht te geven van het werkelijk

deel in de congestieproblematiek, omdat we rond

belang van het collectief vervoer. Hoewel de

8 uur ’s ochtends met 12% Vlamingen onderweg

openbare vervoersmaatschappijen NMBS en De

zijn.

Lijn mobiliteitsmanagement of woon-werkverkeer

Ongeveer een derde van de Belgische werknemers

tot hun kernactiviteiten beschouwen, konden ze

werkt buiten het eigen woonarrondissement. Toch

bijzonder weinig gegevens bezorgen met betrek-

woont volgens het recentste OVG 82,1% van de

king tot hun prestaties hierrond.

werknemers op minder dan 30 kilometer van hun werk. 90% van de Vlaamse werknemers werkt bin-

Om de bezettingsgraad in het woon-werkverkeer

nen het eigen gewest. De anderen pendelen bijna

te verbeteren wordt carpoolen gepromoot. On-

allemaal naar Brussel. Voor Brussel en Wallonië

danks de groeiende populariteit van de carpoolda-

ligt de intergewestelijke pendel beduidend hoger,

tabank, blijkt uit OVG3 dat het woon-werkverkeer

respectievelijk 14,8% en 12,5%.

amper 3% autopassagiers telt.

De gemiddelde afstand voor woon-werk bedraagt 18,8 km. Deze afstand blijft stabiel sinds 2001,

Tabel 31: evolutie van de nieuwe inschrijvingen en aangesloten bedrijven op de carpooldatabank – Vlaanderen

maar in 1991 was dit nog 17,2 km. We kunnen dus stellen dat we steeds langere afstanden in het

2004

2005

2006

2007

2008

1.673

1.393

2.842

2.013

3.628

63

84

94

101

400

woon-werkverkeer afleggen. Lange pendelafstanden gaan meestal ook gepaard met lange

totaal nieuwe inschrijvingen

pendeltijden. Volgens het tijdsbudgetonderzoek

aantal aangesloten bedrijven

gaat de meeste tijd die men onderweg is naar de

Bron: Taxistop

woon-werkverplaatsingen (27% t.o.v. 20% vrije tijd), waarbij 11% van de bruto-werktijd (werktijd

Het totaal aantal inschrijvingen op de carpooldata-

met woon-werkverplaatsing in) naar verplaatsin-

bank kent een permanente stijging en evolueerde

gen gaat.

van 32.023 in 2004 tot 51.383 in mei 2009. Dit is een stijging van 60%.

De auto blijft veruit het belangrijkste vervoermiddel in het woon-werkverkeer in Vlaanderen Ongeveer 66,7% van de Vlaamse werknemers gaat met de auto naar het werk (70% in 2001). Bijna 90% van hen doet dit alleen. Carpoolen slaat alsnog niet aan (5,1% volgens de Federale diagnostiek). Terwijl in 2001 nog bijna de helft van de woonwerkverplaatsingen kleiner dan 5 km met de wagen werden afgelegd, wint de fiets aan terrein, met

— 61


3.5

GOEDERENVERVOER – WEG

Voor de periode 2003–2007 steeg het aantal vervoerde goederen in ton in België door Belgische en vreemde voertuigen met 1%55. Het binnenlands vervoer nam af met 4% tot 285 miljoen ton. De grootste groei kende het transitvervoer, dat met 50% toenam in de periode 2003–2007 (40 miljoen ton in 2007). De transit in ton maakt 8% uit van het totaal. Het binnenlands vervoer neemt het

Om de evolutie van het goederenvervoer over de

grootste aandeel voor zijn rekening met 58% in

weg in België na te gaan, bestaan er twee statisti-

2007. Tonnagecijfers op basis van statistieken zijn

sche cijferreeksen: het totaal vervoer op Belgisch

eveneens niet beschikbaar voor Vlaanderen.

grondgebied (vreemde en Belgische voertuigen) Figuur 31: vervoerde goederen in België (door Belgische en vreemde voertuigen) – in 1.000 ton

en het totaal vervoer door in België geïmmatriculeerde voertuigen ongeacht waar deze kilometers

600.000

worden afgelegd. De laatste cijferreeks is ook de basis voor meer gedetailleerde goederenver-

500.000

voerstatistieken waarmee de kenmerken van de goederenstromen in kaart worden gebracht.

400.000 300.000

Tabel 32: evolutie vervoer over de weg op Belgisch grondgebied en door in België geïmmatriculeerde voertuigen (in miljoen tonkilometer) 2002

2003

2004

2005

2006

2007

totaal op Belgisch grondgebied

44.037

44.501

48.628

46.613

48.251

n.b.

totaal door in België geïmmatriculeerde voertuigen

53.537

50.541

47.877

43.846

43.016

42.084

200.000 100.000 0

2002

2003 binnenlands

2004 aanvoer

2005

2006

uitvoer

doorvoer

Bron: FOD Economie, ADSEI, Vervoer – het goederenvervoer over de weg door Belgische voertuigen met minstens een ton laadvermogen, 2002–2003–2004– 2005–2006–2007

Bron: FOD Economie (Mobiliteitsportaal en brochure ‘Het goederenvervoer over de weg – 2007’)

Het goederenvervoer in België kent in de periode

Het aantal vrachtwagenkilometers en het aantal

2002–2006 een groei van bijna 10% uitgedrukt in

tonkilometers namen respectievelijk toe met 9,4%

tonkilometer. Het aantal afgelegde tonkilometer

en 9,5% voor de periode 2002–2006 voor België.

door Belgische voertuigen neemt af met bijna

Deze stijging is groter dan deze in tonnage. Hieruit

20%. Uit de statistieken is dus geen eenduidig

kan afgeleid worden dat de efficiëntie van het

beeld over de evolutie van het wegvervoer af te

vervoer afnam.

leiden. Voor het uitwerken van een beleid moet één van de cijferreeksen gekozen worden. Dit maakt

Een indicator voor deze efficiëntie is de beladings-

een degelijke onderbouwing voor het goederenver-

graad. Die wordt niet statistisch bepaald maar

voerbeleid moeilijk, zeker aangezien de meer gede-

via modellen en andere berekeningen. Op basis

tailleerde goederenstatistieken zijn gebaseerd op

hiervan kan een gemiddelde beladingsgraad wor-

de cijferreeks van de in België geïmmatriculeerde

den gegeven die, afhankelijk van de bron, varieert

voertuigen en bijgevolg een afname aantonen.

tussen 45% en 85%. Deze marge is echter te ruim om er een beleid op te baseren. Aangezien het ver-

Op basis van deze cijfers heeft de Studiedienst

hogen van de vervoersefficiëntie een belangrijke

van de Vlaamse Regering het aantal tonkilometers

maatregel is voor het beleid, vraagt de MORA om

vervoerd in Vlaanderen berekend. In Vlaande-

deze beladingsgraad ook statistisch te bepalen.

ren nam het goederenvervoer over de weg in de periode 2002–2006 toe met 14% tot 30,85 miljard

Het Vlaamse Verkeerscentrum berekent met het

tonkilometer. Deze Vlaamse cijfers zijn gebaseerd

Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaanderen

op berekeningen. Er bestaan geen rechtstreeks

de goederen- en verkeersstromen op basis van

verzamelde statistieken.

socio-economische gegevens, vervoersstatistieken

55 Ook hier is een afwijking vast te stellen met de cijferreeks “vervoer door in België geïmmatriculeerde voertuigen”. In deze reeks neemt het goederenvervoer af met 12% van 397 miljoen ton in 2002 tot 348 miljoen ton in 2006.

— 62

2007


en verkeerstellingen en wijst deze toe aan het verkeersnetwerk.

8% van het aantal vrachtwagens in Vlaanderen is transitverkeer

Kaart 5: vrachtwagenstromen op het wegennet in Vlaanderen en omgeving (2004) Aantal vrachtwagens per dag 50 – 500 501 – 1.000 1.001 – 5.000 5.001 – 7.500 7.501 – 10.000 10.001 – 24.684

Bron: Goederenvervoermodel MOW – Verkeerscentrum

Uit de belasting van het Vlaamse wegennet door

Het Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaande-

vrachtwagens op een gemiddelde weekdag vallen

ren kan voor het goederenverkeer door Vlaande-

enkele belangrijke goederencorridors af te leiden.

ren de herkomst en bestemming van het verkeer

In totaal rijden er dagelijks ongeveer 285.000

bepalen. Aangezien dit modeldoorrekeningen zijn,

vrachtwagens op de Vlaamse wegen. De grootste

wijken ze af van de resultaten die via statistieken

vrachtwagenstromen verbinden Nederland via

worden bekomen. Op jaarbasis wordt over het

Antwerpen met Noord-Frankrijk via de E19 Antwer-

Vlaamse wegennetwerk ongeveer 568 miljoen ton

pen-Rotterdam en de E17 Kortrijk-Antwerpen, en

goederen vervoerd (2004). Van het vervoer in ton

Antwerpen met het oosten via de E34 en E313. Op

is de helft (50%) binnenlands verkeer met her-

de E17 rijden gemiddeld ongeveer 12.000 vracht-

komst én bestemming in Vlaanderen. Uitgedrukt in

wagens per dag. Op de Antwerpse ring stijgt dit

vrachtwagens is dit 57%. Het transitverkeer door

tot 21.000. Op de E19 Antwerpen-Nederland rijden

Vlaanderen bedraagt 11% van de totale vervoerde

nog iets meer dan 10.000 vrachtwagens op een

tonnage en 8% van het aantal vrachtwagens.

gemiddelde weekdag. De Brusselse ring (R0) kent de grootste belasting tussen de E40 en de E19

Jaarlijks heeft ongeveer 9,2 miljoen ton van de

in de buurt van Zaventem. Hier rijden tot 15.000

goederen die door Vlaanderen worden vervoerd

vrachtwagens per dag. De rest van de R0 is minder

als bestemming de haven van Rotterdam en 9

belast.

miljoen ton het Ruhrgebied (2004). Van deze stromen heeft 60% als herkomst Vlaanderen, de rest

Voor het vaststellen van de capaciteitsknelpunten

komt uit Wallonië, Brussel of het buitenland. Deze

op het netwerk moet ook het personenvervoer

stromen vertegenwoordigen elk ongeveer 1,5%

meegenomen worden in de analyse.

van het jaarlijks vervoer in Vlaanderen.

— 63


3.6

GOEDERENVERVOER – SPOOR

Ondanks de liberalisering neemt de historische nationale vervoersmaatschappij NMBS (B-Cargogroep) momenteel nog ongeveer 90% van de over het spoor vervoerde tonnage voor zijn rekening. Buiten B-Cargo hebben nog zeven56 maatschappijen een spoorvergunning en een veiligheidscertificaat dat hen toelaat op het Belgische netwerk voor het goederenvervoer per spoor. Het vervoer per spoor kent een stijgende trend. Voor de periode 2002–2006 nam zowel het aantal vervoerde ton als het aantal tonkilometer over het Belgische grondgebied toe, respectievelijk met 11,6% en 17,5%. Het aantal tonkilometer nam sterker toe dan de vervoerde tonnage. Hierbij moet vermeld worden dat deze cijfers enkel de NMBS (B-Cargo) betreffen en niet de andere operatoren op het Belgische net.

Tabel 33: vervoer per spoor in België

1.000 ton

2002

2003

2004

2005

2006

57.198

55.732

58.454

60.976

62.189

7.298

7.293

7.691

8.130

8.572

miljoen tonkm

Het Belgische spoorwegnetwerk is sinds 1 januari Bron: FOD Economie, Mobiliteitsportaal

2007 toegankelijk voor alle goederenvervoeroperatoren die een licentie en een veiligheidscertificaat hebben voor het vervoer over dit netwerk.

Voor Vlaanderen kent het aantal afgelegde tonkilo-

Het vrijmaken van de markt gebeurde in uitvoering

meters een schommelend verloop tussen 2003 en

van richtlijn 91/440 van de Europese Commissie,

2007. Tussen 2003 en 2007 is er een stijging van

zoals gewijzigd door richtlijn 2001/14. Het Euro-

6%.

pese Witboek Transport 2001 voorziet dat deze richtlijn wordt uitgewerkt in drie Europese spoor-

Tabel 34: trafiekcijfers NMBS Goederenvervoer operator in Vlaanderen

wegpakketten. Voor het goederenvervoer zijn het eerste (2001) en tweede (2004) spoorwegpakket totaal aantal tonkm in miljoen

het belangrijkste. Het eerste spoorwegpakket uit 2001 voorziet de openstelling van het spoorwegnetwerk voor internationaal goederenvervoer

2002

2003

2004

2005

2006

2007

3.382

3.484

3.531

3.941

3.996

3.692

Bron: NMBS Holding

en de onafhankelijke uitvoering van essentiële functies (de toewijzing van capaciteit, de infra-

Met behulp van het Multimodaal Goederenvervoer-

structuurheffing, de toekenning van licenties en

model Vlaanderen kan het Vlaamse Verkeerscen-

de controle op de openbaredienstverplichtingen).

trum goederenstromen toedelen aan het netwerk.

De uitwerking van dit spoorwegpakket leidde tot

Volgens het goederenvervoermodel wordt jaarlijks

de splitsing van de historische NMBS in de NMBS

57 miljoen ton vervoerd over de spoorwegen op

Holding, de exploitatiemaatschappij NMBS en

Vlaams grondgebied (2004). Hiervan is 7% bin-

infrastructuurbeheerder Infrabel. De volledige

nenlands verkeer, 30% uitvoer, 25% invoer en

liberalisering van het goederenvervoer is voorzien

38% transit.

in het tweede spoorwegpakket.

56 Mei 2009 – Bron: NMBS Holding.

— 64


Kaart 6: aantal ton vervoerd per spoor in 2004 Aantal ton per jaar vervoerd per spoor 0 – 500.000 500.001 – 1.000.000 1.000.001 – 5.000.000 5.000.001 – 10.000.000 10.000.001 – 11.702.130 snelwegen

Bron: Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaanderen, Vlaams Verkeerscentrum, MOW

Voor het goederenvervoer per spoor zijn de havens de belangrijkste herkomst en bestemming.

Tabel 35: totaal aantal treinkm (x 1.000) NMBS voor goederenvervoer

57

63,8% van de trafiek in tonkilometer (2007) van B-Cargo over Vlaams grondgebied is recht-

in Vlaanderen

2003

2004

2005

2006

2007

9.306

9.329

8.057

7.855

7.580

16.750

16.622

14.320

14.759

14.308

streeks havengebonden. De hoogste tonnages via in België

het spoor worden vervoerd in de omgeving van Antwerpen.

Bron: NMBS Holding (Vlaanderen); FOD Economie, Vervoer maandstatistieken, januari 2009, p 27 (België)

Op het spoornetwerk uit dit vervoer zich in het

De bezettingsgraad van het spoorwegennetwerk

aantal treinkilometer. Daarbij is een dalende trend

door het goederenvervoer kent, net als het aantal

af te leiden. Het aantal treinkilometer voor het

tonkilometer, een schommelend verloop. De bezet-

goederenvervoer nam in de periode 2003–2007 af

tingsgraad in Vlaanderen en België ligt, uitgedrukt

met 18,5% tot 7,58 miljoen in 2007 in Vlaanderen.

in tonkilometer per kilometer spoorlengte, in de-

In België daalde in dezelfde periode het aantal

zelfde grootte-orde als deze in de EU27. Tussen de

treinkilometer met 15%.

verschillende lidstaten bestaan echter zeer grote verschillen in bezettingsgraad.

57 Bron: VHC, Jaaroverzicht Vlaamse havens, 2007.

— 65


Tabel 36: bezettingsgraad spoorwegennetwerk door het goederenvervoer (in honderdduizend tonkm per km spoorweg) 2002

2003

2004

2005

2006

2007

Vlaams Gewest

198

204

206

228

231

198

België

207

207

218

229

241

216

EU 27

178

181

194

192

204

213

De NMBS-groep beoogt een stijging van het goederenvervoer van 38% tegen 2012 Zoals bepaald in het beheerscontract voert Infrabel een studie uit over de infrastructuurbehoeften op lange termijn. Het zal uitgaan van de bestaande

Bron: EC DG TREN, NMBS, bewerking Studiedienst Vlaamse Regering

plannen voor bijkomende capaciteit en onderzoeOm de bezettingsgraad van het spoorwegennet als

ken welke infrastructuuraanpassingen en operati-

geheel te bekijken moet ook het personenvervoer

onele concepten van de infrastructuurbeheerder

meegenomen worden.

een betere benutting van het net toelaten met een grotere stiptheid bij stijgend gebruik. Verwacht

Infrabel verzorgt de verdeling van de rijpaden

wordt dat deze studie voor de periode 2013–2030

tussen het goederen- en het personenvervoer. Van

zal leiden tot een uitbreiding van de capaciteit.

de ruim 36.000 rijpaden58 die Infrabel wekelijks beschikbaar heeft in België, worden er meer dan

Op basis van de lengte en de tonnage van treinen

29.000 gebruikt voor passagierstreinen en een

kan een beladingsgraad bepaald worden. Deze ver-

kleine 7.000 voor goederenverkeer.

schilt naargelang het soort trein en de verbinding (nationaal – internationaal). Gemiddeld genomen

Voor 2007 bedroeg het aantal rijpaden voor

bedraagt deze beladingsgraad 64% in 2007. Deze

goederen voorzien in de geplande treindienst

waarde is echter theoretisch berekend en zegt

22.779.605 treinkilometer in België. Dit is het to-

weinig over de efficiëntie van het vervoer.

tale aantal gereserveerde treinkilometers voor het goederenvervoer. Dit aantal ligt ruim boven het

Een andere kwaliteitsindicator voor het goederen-

effectief aantal gereden treinkilometer.

vervoer is de gemiddelde commerciële snelheid van de geplande treinen. Deze bedraagt in België

Momenteel is de beschikbare capaciteit van de

43,7 km/h (2007).

spoorweginfrastructuur niet gekend. Om de vrije capaciteit van het spoorwegennetwerk nu en in

Het opnemen van de beschikbare wagons en

de toekomst te kennen, mag niet enkel naar het

locomotieven van B-Cargo in dit Mobiliteitsrapport

goederenvervoer gekeken worden maar moet ook

zegt weinig over de beschikbare capaciteit voor

rekening gehouden worden met het personenver-

rollend materieel voor het goederenvervoer per

voer.

spoor. Naast B-Cargo zijn er immers nog andere spoorwegvervoerders actief op het Belgische

Uit deze cijfers zijn niet rechtstreeks capaciteits-

spoorwegennet en een aantal bedrijven die goe-

knelpunten af te leiden. De belangrijkste

deren vervoeren via het spoor hebben zelf een

infrastructuurwerken die gepland zijn voor het

wagenpark in eigendom. Aangezien er momenteel

goederenspoorvervoer zijn gericht op een capa-

geen knelpunten bestaan qua beschikbaarheid

citeitsuitbreiding in en voor de toegang tot de ha-

wordt dit niet opgenomen in het rapport.

vens van Antwerpen en Zeebrugge. De doelstelling van de NMBS-groep is om tegen 2012 een stijging van het goederenvervoer in tonkilometer van 38% te realiseren ten opzichte van 200659. Het netwerk moet voldoende capaciteit hebben om deze groep op te vangen. In het beheerscontract met Infrabel staat dat het netwerk in staat moet zijn om tegen 2012 35% meer tonkilometer goederen te laten vervoeren op haar infrastructuur.

58 Bron: Nieuwsblad Transport – 30/7/2008. 59 Ondernemingsplan NMBS-Groep.

— 66


3.7

GOEDERENVERVOER – BINNENVAART

Tabel 37: investeringen t.b.v. de binnenvaart

Het Vlaamse binnenvaartnetwerk heeft een lengte van 1.354 km, waarvan 77% geschikt is voor de handelsvaart (1.055 km60). De lengte van dit net-

x 1.000 euro

2004

2005

totaal Investeringen Waterwegen en zeekanaal

76.022,70

64.194,86

investeringen + onderhoud De Scheepvaart

37.956

45.272

2006

2007

2008

80.161,15 134.149,43 148.357,94

32.896

52.428

82.071

Bron: Waterwegen & Zeekanaal, SERV

werk is al meer dan 10 jaar ongewijzigd. De helft van het netwerk (52%) is geschikt voor schepen

Het vervoer over de Vlaamse waterwegen neemt

met een laadvermogen vanaf 1.350 ton. Dit is de

in tonkilometer over de laatste zes jaar geleidelijk

vereiste om deel te kunnen uitmaken van het inter-

toe (2003–2008), met een lichte terugval in 2005.

nationale TEN-T netwerk. Aan dit netwerk worden

Deze terugval is verklaren wanneer de cijfers per

ook bijkomende vereisten zoals vrije doorvaart-

waterwegbeheerder worden bekeken. Vanaf mei

hoogte opgelegd. Het volledige netwerk vanaf

2005 vallen over het Albertkanaal belangrijke

klasse IV voldoet nog niet aan deze eisen maar de

ertsen- en kolentrafieken naar Arcelor (Luik) weg,

Vlaamse overheid werkt aan het wegwerken van

door het stilleggen van een hoogoven.

deze capaciteitsknelpunten. Voor de binnenvaart wordt de evolutie van de 48% van het Vlaamse netwerk zijn waterwegen

laatste zes jaar bekeken, dus voor de periode

die enkel geschikt zijn voor schepen met een gaba-

2003–2008. Dit is in tegenstelling met de andere

riet kleiner dan 1.350 ton. Deze kleine waterwegen

evolutiecijfers, waar de laatste vijf beschikbare

zorgen voor de fijnmazigheid van het netwerk.

jaren worden weergegeven. De reden voor dit verschil is dat het gebruik van 2004 als basisjaar

Voor het beheer van deze waterwegen staan de

voor het weergeven van een evolutie niet correct

waterwegbeheerders Waterwegen en Zeekanaal

zou zijn. 2004 is immers een piekjaar in de binnen-

en De Scheepvaart in. Zij staan eveneens in voor

vaarttrafiek. Met 2004 als basis zou een afname

de investeringen in de waterwegen. De investe-

van de trafiek uit de cijfers blijken. In werkelijkheid

ringskredieten voor de binnenvaartinfrastructuur

kent de binnenvaart over langere periode een

(Waterwegen en Zeekanaal) evolueerden van 76

groei die aftopt.

miljoen euro in 2004 naar 148,5 miljoen euro in 2008, of een stijging van 95%. De investeringen voor de NV De Scheepvaart (inclusief onderhoud

Tabel 38: evolutie aantal tonkm vervoerd over de Vlaamse waterwegen (in miljoen tonkm)

en aankoop materiaal) evolueerden van bijna

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

4.404

4.504

4.688

4.568

4.550

4.597

4.584

38 miljoen euro in 2004 naar 82 miljoen euro in totaal

2008, of een stijging van 116%.

Bron: Promotie Binnenvaart Vlaanderen

Wanneer de cijfers over een langere periode worden bekeken, valt de sterke toename vanaf het jaar 2000 op. In de periode 1997–2007 nam de trafiek in tonkilometer toe met bijna de helft (47%). Het opvallendst is de stijging met 16% tussen 1999 en 2000. Dit is te danken aan de liberalisering van de binnenvaart en het verlagen van de vaartrechten op het Vlaamse grondgebied. In de periode 2003–08 is de groei afgezwakt en neemt de trafiek toe met 2%. 60 Bron: Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart.

— 67


— 68


De stijging van de tonnage vervoerd over de waterwegen is groter dan deze in tonkilometer. Voor Waterwegen en Zeekanaal bedroeg deze stijging 10%, voor De Scheepvaart 3%61. Een grotere stijging in ton dan in tonkilometer geeft aan dat de efficiëntie van het vervoer toenoemt.

Tabel 39: verscheepte ton op de Vlaamse waterwegen 2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

W&Z

28.885.611

29.014.375

32.196.609

33.188.540

32.726.786

31.789.947

31.888.721

De Scheepvaart

37.786.004

38.360.485

39.275.942

37.891.848

38.781.224

39.736.797

39.593.180

Bron: Promotie Binnenvaart Vlaanderen

Voor de binnenvaart is de groei in de container-

In Vlaanderen werd in 2007 over de waterwegen

binnenvaart opvallend. In de periode 2003–08 nam

van De Scheepvaart 39,7 miljoen ton verscheept,

de overslag in de Vlaamse containerterminals toe

over deze van Waterwegen en Zeekanaal is dit 31,8

met 74% tot meer dan een half miljoen TEU.

miljoen ton. Met behulp van het Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaanderen van het Vlaamse Verkeerscentrum kunnen deze vervoerde tonnages

Tabel 40: evolutie van het aantal TEU op de Vlaamse waterwegen

toegedeeld worden aan het binnenvaartnetwerk. TEU

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

247.003

291.947

403.951

456.273

466.440

515.977

507.769

De toedeling aan het netwerk gebeurt door modeldoorrekeningen, waardoor de resultaten kunnen afwijken van deze vastgesteld in de statistieken.

Bron: PBV

Kaart 7: goederenstromen over de binnenvaart in ton in 2007 Aantal ton per jaar vervoerd via binnenvaart 0 – 500.000 500.001 – 1.000.000 1.000.001 – 10.000.000 10.000.001 – 30.000.000 30.000.001 – 52.649.905

Bron: Multimodaal Goederenvervoermodel Vlaanderen, Verkeerscentrum, MOW

61 Cijfers voor het totaal aantal vervoerde ton in Vlaanderen zijn niet beschikbaar. Om dubbeltellingen te vermijden mogen de cijfers van de waterwegbeheerders niet opgeteld worden.

— 69


Uit het Multimodaal Goederenvervoermodel

stijging van de bezettingsgraad met 12,5% voor de

Vlaanderen blijkt dat per jaar 142 miljoen ton62

periode 2000–2005, terwijl er een daling van 4,3%

wordt vervoerd via de binnenvaart op Vlaams

optreedt in de EU27. De bezettingsgraad volgt een

grondgebied (2007). Van deze trafiek is 8% binnen

andere trend dan deze van de EU27.

Vlaanderen, 33% heeft als herkomst Vlaanderen, 46% als bestemming Vlaanderen en 14% is door-

Tabel 41: bezettingsgraad van het binnenvaartnetwerk door het goederenvervoer (in miljoen tonkm per km binnenwater)

voerverkeer.

2000

2001

2002

2003

2004

2005

De belangrijkste binnenvaartverbinding is de verbinding van de haven van Antwerpen met

Vlaams Gewest

3,91

4,07

4,24

4,34

4,52

4,40

Nederland. Binnen Vlaanderen is de belangrijkste

EU 27

3,52

3,53

3,54

3,13

3,32

3,37

corridor het Albertkanaal. Ongeveer de helft van

Bron: Studiedienst Vlaamse Regering obv oa Eurostat

de tonnage vervoerd over de Vlaamse binnenwegen gaat over deze as. Belangrijk is eveneens de

Het totaal aantal schepen over de binnenvaart-

link met de havens van Gent en Antwerpen. De

wegen neemt licht toe tussen 2003 en 2007. De

Vlaamse zeehavens dienen voor de meeste trafie-

groei van het aantal schepen volgt de groei in ton

ken als herkomst of bestemming.

en tonkilometer niet. De grootste groei is terug te vinden bij de schepen met een laadvermogen hoger dan 2.000 ton. Het aantal schepen op de waterwegen met een laadvermogen minder dan

De helft van het binnenvaartvervoer in Vlaanderen gaat via het Albertkanaal

650 ton neemt af. Voor het netwerk beheerd door De Scheepvaart

Jaarlijks wordt via Vlaanderen bijna 11 miljoen ton

neemt het aantal schepen tussen 2003 en 2007

goederen naar de haven van Rotterdam gevoerd.

toe met 3% (36.307 in 2007). Het aantal schepen

91% van deze trafiek heeft als oorsprong Vlaan-

met laadvermogen hoger dan 2.000 ton nam in

deren. Naar het Ruhrgebied wordt jaarlijks 6,4

deze periode toe met 21%. In 2007 is dit goed voor

miljoen ton verscheept. 96% hiervan heeft als

32% van het aantal schepen.

oorsprong Vlaanderen. Op het netwerk van De Scheepvaart zijn in 2007 De goederenstromen uiten zich op het netwerk

59% van de schepen van de Belgische nationa-

in verkeersstromen die een vrij gelijkaardig beeld

liteit. De Nederlandse schepen zijn het tweede

geven als de goederenstromen. De verbindingen

belangrijkst, met 36%.

Antwerpen-Rotterdam en Gent-Nederland staan voor meer dan 100 schepen per dag. Het Albert-

In België waren 1.552 binnenschepen ingeschreven

kanaal, de Leie en de Bovenschelde zijn daarna het

op 31 december 2007. Het gaat zowel om schepen

drukst bevaren.

voor droge lading, vloeibare lading als duwboten.

Analoog aan de andere modi ontbreekt voor de

De evolutie van het laadvermogen van de schepen

binnenvaart een goede indicator van de efficiëntie

van de Belgische vloot vertoont een gelijkaardig

van het vervoer. Uit de statistieken kan de gemid-

beeld als deze van de schepen waargenomen op

delde lading van geladen schepen en het aantal

het netwerk. In de periode 2001–2005 nam het

lege en geladen schepen gehaald worden. Dit geeft

aantal schepen af met 1%. Het aantal schepen met

al een beeld van de trends in de efficiëntie van

laadvermogen tot 650 ton nam af met 13% voor

het vervoer, maar voor het ondersteunen van het

deze periode en het aantal schepen met laadver-

beleid zou dit beter moeten kunnen.

mogen vanaf 1.500 ton steeg met 17%.

De waterwegen in het Vlaamse Gewest kenden in

Voor de Vlaamse vloot volgens laadvermogen kan

2005 een bezettingsgraad van het goederenver-

geen evolutie weergegeven worden, enkel een

voer van 4,4 miljoen tonkilometer per km binnen-

beeld op 14 november 2008. Deze vloot omvat

water. Voor het Vlaamse Gewest betekent dit een

1.186 schepen. In Wallonië waren op deze datum

62 Op basis van brongegevens van De Scheepvaart, Waterwegen en Zeekanaal en Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.

— 70


336 schepen ingeschreven en 3 in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Figuur 32: aantal schepen naar laadvermogen voor de Vlaamse binnenvaartvloot op 14 november 2008 250

200

150

100

50

0

tot 249 t

250-399 t 400-649 t 650-999 t

10001499 t

15002999 t

3000 t en >

Bron: Instituut voor het transport over de binnenwateren

Gezien de schaalvergroting bij de binnenvaartvloot is beleidsmatig aandacht voor kleine schepen en de kleine kanalen nodig. Uit de prognoses van het Federaal Planbureau blijkt dat in het referentiescenario de binnenvaart in tonkilometer zal stijgen met 72%. De groei van het vervoer over de waterwegen moet opgevangen worden op het netwerk. Zoals reeds vermeld moeten in het binnenvaartnetwerk nog een aantal capaciteitsknelpunten opgelost worden op het TEN-T netwerk. Ook moet aandacht gaan naar onderhoud en baggerwerken om de diepgang van het netwerk te verzekeren. De knelpunten in het netwerk staan opgenomen in het Ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen van 2001. De waterwegbeheerders De Scheepvaart en Waterwegen en Zeekanaal hebben in 2009 een Infrastructuur Masterplan63 gepubliceerd, dat de nieuwe Vlaamse Regering een overzicht moet geven van de investeringen nodig om genomen beleidsbeslissingen uit te voeren. Ook geven de waterwegbeheerders aan welke nieuwe projecten volgens hen nodig zijn en welke de vereiste investeringen hiervoor zijn.

63 De Scheepvaart, Waterwegen en Zeekanaal, 2009. Infrastructuur Masterplan voor de Vlaamse waterwegen horizon 2014, Willebroek, Hasselt, 69 p.

— 71


— 72


4 ECONOMISCHE POORTEN

— 73


4.1

SOCIAAL-ECONOMISCHE IMPACT VAN DE POORTEN

Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) selecteert vijf poorten: de zeehavens Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende (in samenhang met de regionale luchthaven van Oostende) en de internationale luchthaven van Zaventem. Poorten zijn ruimtelijk en economisch structuurbepalend voor Vlaanderen, onder meer door de omvang, de concentratie en de dynamiek van de economische activiteiten. Het zijn strategische plaatsen in de

De impact van de Vlaamse zeehavens en de

economische structuur van Vlaanderen.

luchthaven van Zaventem als logistieke poorten op onze economie is substantieel.

Tabel 42: toegevoegde waarde (miljoen euro, lopende prijzen) en werkgelegenheid van de economische poorten (2006) directe TW

indirecte TW

directe werkgelegenheid

indirecte werkgelegenheid

13.997,60

13.615,4

108.379

155.241

haven Antwerpen

9.159,7

9.601,3

64.449

105.650

haven Gent

3.537,4

3.091,4

28.099

37.631

447

351,8

4.847

3.826

835,4

571

10.984

8.134

1.435,60

1.650,00

17.618

19.732

15.433,20

15.265,40

125.997

174.973

Vlaamse zeehavens

haven Oostende haven Zeebrugge luchthaven Zaventem totaal poorten % Vlaanderen

9,47%

6,20%

Bron: NBB + VHC

De directe toegevoegde waarde van de Vlaamse economische poorten (zeehavens + luchthaven Zaventem) bedroeg in 2006 15,4 miljard euro. Dit is 9,5% van de totale toegevoegde waarde gegenereerd in Vlaanderen. De luchthaven van Zaventem genereerde hiervan 1,4 miljard euro. Daarnaast leveren ook de andere Vlaamse logistieke poorten een belangrijke indirecte toegevoegde waarde op. Deze bedroeg in 2006 15,3 miljard euro (waarvan 13,6 miljard euro afkomstig van de havens). De directe werkgelegenheid in de economische poorten wordt geraamd op 125.997 werknemers (108.379 werknemers in de Vlaamse zeehavens en 17.618 in de luchthaven) in 2006. Dit is 6,2% van de Vlaamse werkgelegenheid. Voor de indirecte werkgelegenheid wordt uitgegaan van nog eens 174.973 werknemers.

— 74


4.2

DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN VAN ZAVENTEM

Brussels Airport daalde in het eerste kwartaal van 2009 immers met 48,5%.

4.2.3 Mobiliteit van en naar de luchthaven Passagiers vertegenwoordigen ongeveer de helft van de personenverplaatsingen van en naar de luchthaven, de andere helft zijn werknemers.

4.2.1 Evolutie van de passagiers

In 1997 maakte bijna 19% van de passagiers gebruik van gemeenschappelijk transport om zich te

Tabel 43: evolutie van het aantal passagiers (in miljoen)

verplaatsen van en naar Brussels Airport. In 2007 2000 totaal aantal passagiers

21,6

2001 2002 2003 19,7

14,4

15,2

2005

2006

15,6

16,1

16,6

2007 2008 17,8

steeg dat tot bijna eenderde (27%). Toch maken in

18,5

2007 de privé verplaatsingen via de weg nog 73% van het totaal aantal uit.

1,361 1,309 1,401 1,144

transit aantal zonder transit

2004

21,6

19,7

14,4

15,2

14,2

14,8

15,2

Figuur 33: evolutie model shift passagiers luchthaven

16,7

Bron: Brutrends + The Brussels Airport Company

81,28 74,74

73

Tussen 2000 en 2002 daalde het aantal passagiers op de luchthaven van 21,6 miljoen naar 14,4 miljoen. Sinds 2003 tekent zich een opwaartse beweging af, met 15,2 miljoen passagiers in 2003 tot 18,5 miljoen in 2008. Dit is een stijging

27

25,26 18,71

van 22%. Tegen eind 2008 laat echter de wereldwijde economische recessie zich meer en meer gevoelen op de luchthaven. Het passagiersaantal

1997

2004

2007

daalde in februari 2009 met 15% ten opzichte van privé-vervoer

februari 2008.

collectief vervoer

Bron: The Brussels Airport Company

4.2.2 Evolutie van het goederenvervoer op de luchthaven

Wat werknemers betreft, zijn geen recente cijfers

De luchthaven van Zaventem heeft ook een be-

inzake de gebruikte vervoersmiddelen beschikbaar.

langrijke cargoactiviteit.

Een onderzoek hiernaar is gestart in 2008. Uit de

Tabel 44: evolutie van het aantal ton vervoerde goederen via de luchthaven

tonnage

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

687.385

583.729

536.826

607.136

664.375

702.819

719.561

783.727

661.100

Bron: Brutrends

Tussen 2000 en 2002 daalde het goederenvervoer

gegevens van de Federale Diagnostiek (2005) kan

van 687.000 naar 536.000 ton. Daarna kende het

worden afgeleid dat ongeveer 81% van de werk-

cargovervoer tot 2007 een aanzienlijke stijging tot

nemers met de wagen naar het werk komt en 7%

bijna 784.000 ton. Tijdens het voorjaar van 2008

met de trein.

verplaatste DHL een belangrijk gedeelte van zijn activiteit naar Duitsland. Daardoor daalde de cargo

De laatste jaren werden aanzienlijke inspan-

in 2008 naar 661.100 ton, een daling van meer dan

ningen geleverd om de toegankelijkheid van de

15% ten opzichte van het jaar daarvoor. De eco-

luchthaven via trein en bus te verbeteren. Deze

nomische recessie laat zich in het vrachtvervoer

inspanningen hebben zich dan ook vertaald in een

blijkbaar nog harder voelen. Het vrachtvervoer op

stijging van het gebruik van het gemeenschap-

— 75


pelijk vervoer door de luchthavenpassagiers (van

kader van het START-programma. 13 nieuwe

19% aandeel in 1997 naar 27% in 2007).

buslijnen werden toegevoegd aan de bestaande busverbindingen, wat het totaal op 19 buslijnen brengt.

Gerichte initiatieven zorgen voor een modale verschuiving in het personenvervoer van en naar de luchthaven

p Dit netwerk, aangevuld met een shuttlebus naar afstandsparking P58, werd tevens gecoordineerd tot een intern shuttleconcept dat de ontsluiting van de belangrijkste werkgelegenheidspolen op Brussels Airport en de afstandsparking verzekert.

Voor het spoor speelden de volgende initiatieven hierin een rol:

Deze rechtstreekse treinverbinding tussen

4.2.4 De luchthaven en de mobiliteitsproblematiek: toenemende druk op de capaciteit

Leuven en de luchthaven van Zaventem verbindt

De regio rond de luchthaven van Zaventem kampt

de luchthaven met de lijn Brussel-Leuven-Luik

met een structureel mobiliteitsprobleem via de

(L 36).

weg. Hoewel de ruimere luchthavenregio in prin-

p Aanleg van de bocht van Nossegem in 2005.

cipe multimodaal is ontsloten via een knooppunt p Realisatie van het Diaboloproject, waarvan

van snelwegen (E19, E40, R0), spoorwegen (lijnen

de werken in uitvoering zijn. Blikvanger is de

27 en 36), een netwerk van openbaarvervoerlijnen

verbinding tussen het station van Brussel-Na-

(bus) en ook via de binnenvaart (Zeekanaal), was

tionaal met een nieuwe lijn op de middenberm

de ontsluiting van de luchthaven zelf, zowel voor

van de E19 tussen Brussel en Mechelen (L25N).

het personen- als het goederenvervoer, vooral

Dit maakt een directe treinverbinding naar een

gericht op de wegeninfrastructuur. Het grootste

aantal bijkomende belangrijke treinstations

deel van het verkeer van en naar de luchthaven

(bijvoorbeeld Mechelen en Antwerpen) en een

verloopt zowel voor het luchthavenpersoneel als

significante reistijdverkorting voor bestaande

voor de passagiers dan ook met de auto.

verbindingen mogelijk. Het wegennet in de directe omgeving van de p De infrastructuurwerken in het kader van GEN

luchthaven behoort tot het meest gesatureerde

(Gewestelijk Express Net) beogen een betere

van België. In volgende tabel staan enkele voor-

verbinding met de hoofdstad.

beelden van zwaar gecongesteerde wegvakken in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven:

p Daarnaast werden (en worden) ook andere projecten geïnitialiseerd die eveneens een impact

Tabel 45: gemiddelde dagintensiteit in 2004–2007 (van 6:00 tot 22:00 uur) voor beide rijrichtingen – uitgedrukt in aantal voertuigen

zullen hebben op de mobiliteit van en naar de luchthaven: bijvoorbeeld de afwerking van het

2004

2005

2006

2007

op vier sporen brengen van de lijn 36 BrusselLeuven, de bocht van Leuven, en de toekomstige

A3

Zaventem – Sterrebeek

121.500

122.500

123.400

123.300

tunnel Schuman-Josaphat, die moet bijdragen

R0

Zaventem – Zaventem Keiberg

146.000

146.000

147.200

150.800

R0

Woluwelaan Zuid – Diegem

168.300

167.700

170.000

171.500

R0

Wezembeek Oppem – Zaventem

84.200

83.700

80.000

80.200

R0

Diegem (A201) – Machelen

146.000

146.000

150.800

153.000

R0

Viaduct Vilvoorde

115.800

112.900

112.300

108.800

tot een verbetering van de toegankelijkheid van de luchthaven vanuit de Europese wijk. Ook voor het openbaar vervoer via de bus werden de inspannningen fors opgevoerd p Een uitgebreid regionaal busnetwerk van en naar Brussels Airport, complementair aan het treinnetwerk, werd in 2007 gerealiseerd in het

Bron: Verkeerstellingen 2006 FOD Mobiliteit & Vervoer

— 76


— 77


4.3

DE VLAAMSE ZEEHAVENS toegevoegde waarde werd gecreëerd. In de industrie steeg de toegevoegde waarde voor dezelfde periode met 17%. Figuur 34: toegevoegde waarde van de Vlaamse zeehavens (totaal – in miljoen euro)66 16.000 14.000

4.3.1 Poortfunctie

12.000

De havens van Antwerpen, Gent, Oostende en 10.000

Zeebrugge worden beschouwd als poorten wegens de hoeveelheden goederen en grondstoffen die

8.000

er worden aan- en afgevoerd. Het belang van

6.000

de Vlaamse zeehavens kan men afleiden uit het

4.000

marktaandeel in de Hamburg-Le Havre-range.

2.000

Deze range geeft een vergelijking weer van de

0

trafieken in de belangrijkste havens64 die gelegen

2002

zijn tussen Hamburg en Le Havre. De Vlaamse zee-

2003

maritieme cluster

havens nemen bijna een kwart van deze trafieken voor hun rekening.

2004

2005

2006

handel

andere logistieke diensten

vervoer over land

industrie

Bron: VHC, p. 77

De totale trafiek over deze range bedroeg bijna 1,1 miljard ton in 200765. Uit de cijfers blijkt dat het

4.3.3 Maritieme trafiek

marktaandeel van de Vlaamse havens de laatste

Figuur 35: aantal lossingen en ladingen in 1.000 ton in de Vlaamse zeehavens

jaren licht toeneemt. De groei van de Vlaamse

300.000

havens is dus groter dan deze in de range.

250.000

4.3.2 Toegevoegde waarde De toegevoegde waarde van de Vlaamse zeeha-

200.000

vens neemt jaarlijks toe (in lopende prijzen). Over 150.000

de periode 2002–2006 steeg deze toegevoegde waarde met 27% tot 13.997,6 miljoen euro. Ter ver-

100.000

gelijking: in diezelfde periode steeg de toegevoegde waarde in Vlaanderen met 19%. Het aandeel

50.000

van de zeehavens in de toegevoegde waarde van 0

Vlaanderen neemt dan ook toe van 8,05% in 2002 tot 8,60% in 2006.

2002

2003 Antwerpen

2004 Gent

2005 Zeebrugge

2006 Oostende

Bron: VHC

De industrie in het havengebied levert de grootste toegevoegde waarde. In 2006 staat de industrie in voor 53% van deze toegevoegde waarde, het mari-

Het maritieme verkeer in de Vlaamse zeehavens

tieme cluster staat in voor 25%. Tussen de havens

nam in de periode 2003–2007 toe met 26% tot

zijn er belangrijke verschillen in de aandelen van

258 miljoen ton ladingen en lossingen. De haven

de verschillende samenstellende categorieën voor

van Antwerpen neemt ruim 70% van dit totaal

de toegevoegde waarde.

voor haar rekening, Zeebrugge volgt met 16%, Gent 10% en Oostende 3%. Deze verdeling is de

De grootste groei doet zich voor in het maritieme

laatste vijf jaar nagenoeg constant gebleven.

cluster, waar tussen 2002 en 2006 58% meer 64 Het gaat om volgende havens: Antwerpen, Gent en Zeebrugge (Vlaanderen), Rotterdam en Amsterdam (Nederland), Hamburg en Bremen (Duitsland), Le Havre en Duinkerken (Frankrijk). Oostende behoort internationaal gezien niet tot de range omdat de haven te klein is. In de hier weergegeven cijfers wordt Oostende wel meegeteld. 65 Evolutie in de trafiek van de Hamburg-Le Havre range 2003–2007: +26% van 854 naar 1.078 miljoen ton. 66 De sectoren in het havengebied worden opgesplitst in het maritieme en het niet-maritieme cluster. Het niet-maritieme cluster omvat de handel, de industrie, het vervoer over land en de andere logistieke diensten.

— 78

2007


De groei van het aantal ladingen en lossingen is

De Vlaamse havens zijn multimodaal ontsloten en

sterk verschillend tussen de havens. De grootste

aangesloten op de diverse infrastructuurnetwer-

relatieve groei deed zich in de periode 2003–2007

ken. De toegang tot deze netwerken en het belang

voor in Zeebrugge met 38%, Antwerpen volgde

van de verschillende modi is echter verschillend

met 28%. In absolute cijfers was de groei het

tussen de havens. Bovendien is de modale verde-

grootst in Antwerpen: de overslag steeg er tussen

ling van de hinterlandtrafiek verschillend voor de

2006 en 2007 met 15,5 miljoen ton.

soorten goederen (containers, overige goederen of industrie) en naargelang het gaat om inkomende

4.3.4 Hinterlandtrafiek

of uitgaande goederenstromen. Meestal wordt een

Buiten de maritieme trafiek moet in de havens ook

gemiddelde modal split over deze verschillen heen

rekening gehouden worden met de hinterlandtra-

gepubliceerd. Bij het interpreteren en vergelijken

fiek. De grootte daarvan is minder duidelijk dan

van de modale verdeling tussen de verschillende

de maritieme trafiek. Niet alle geladen en geloste

havens moet met al deze elementen rekening

maritieme trafiek in de havens wordt ook naar het

gehouden worden.

hinterland vervoerd. Er is eveneens een deel dat enkel wordt overgeslagen en de haven opnieuw

Onderstaande grafiek toont de modal split voor

verlaat via zeevaart. Daarnaast zijn er ook goede-

het hinterlandvervoer van de Vlaamse zeehavens.

ren die de industrie in de havens verwerkt en de

Voor alle havens is het vervoer over de weg het

haven niet of in gewijzigde vorm verlaten.

belangrijkste. In de havens van Antwerpen en Gent nemen de alternatieve modi een belangrijk deel

Hinterlandtrafiek omvat zowel de aanvoer naar

van de modal split voor hun rekening. Voor Oos-

als de afvoer uit de havens. Deze trafiek is niet

tende en Zeebrugge is dit aandeel veel beperkter,

altijd gebonden aan de maritieme trafiek. Een deel

omdat de havens minder goed ontsloten zijn via de

van de aangevoerde en afgevoerde goederen is

binnenvaart.

verbonden met de industrie in het havengebied. Figuur 36: modal split over alle goederen voor het hinterlandvervoer in de Vlaamse zeehavens in ton in 2006 (Gent: 2004)

Er zijn eveneens stromen die noch aan de industrie noch aan de maritieme trafiek gelinkt zijn. Zo heeft de haven van Antwerpen een belangrijk vormingsstation voor het spoorvervoer; een aantal

100%

4

90%

goederenstromen worden naar dat vormings-

80%

station gevoerd om verder met de trein vervoerd

2 20

42

43

17

10

41

47

96

78

Antwerpen

Gent

Oostende

Zeebrugge

70%

te worden. De locatie van het vormingsstation

60%

is de enige link die de goederen hebben met het

50%

havengebied.

40% 30% 20% 10%

Een accuraat beeld van de hinterlandtrafiek van de havens is belangrijk voor het voeren van een mobiliteitsbeleid

Bron: Eigen berekeningen op basis van gegevens van de havenbedrijven

Het bepalen van de hinterlandtrafiek van een

Het belang van de verschillende goederencate-

haven is zeer complex en niet evident. Gezien de

gorieën in de maritieme trafiek verklaart mee

grootte – de Vlaamse Havencommissie schatte in

de verschillen in modal split. Zo is in de haven

1999 dat deze stromen in dezelfde grootte-orde

van Oostende roll-on-roll-off trafiek het sterkst

liggen als de maritieme stromen – is het voor het

vertegenwoordigd met 81% van de tonnage, wat

Vlaamse mobiliteitsbeleid belangrijk om hier een

het hoge percentage wegvervoer in de hinterland

duidelijk en volledig beeld op te krijgen.

modal split mee verklaart.

0%

weg

— 79

spoor

binnenvaart


— 80


5

VERKEERSVEILIGHEID

— 81


Mobiliteit heeft een duidelijk positief effect op het

Om deze ongewenste neveneffecten te bestrijden

functioneren van onze samenleving. Een vlotte

stelt het decreet mobiliteitsbeleid dat mobiliteit

bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijk

zich verder dient te realiseren binnen het stre-

voor de Vlaamse economie. Mensen hebben ook

ven naar duurzame ontwikkeling. Dit impliceert

nood aan verplaatsingen om in onderhoud en soci-

een mobiliteitsbeleid op verschillende vlakken.67

ale behoeften te kunnen voorzien. Maar mobiliteit

Naast bereikbaarheid gaat het om toegankelijke

genereert eveneens belangrijke negatieve sociale

mobiliteit voor iedereen, verkeersveiligheid,

en ecologische effecten.

verkeersleefbaarheid en het terugdringen van de impact van transport op milieu en natuur. Door de transversale bevoegdheidsverdeling kan enkel een gecoĂśrdineerde en geĂŻntegreerde aanpak het evenwicht tussen de sociale, culturele, ecologische en economische dimensies waarborgen. Zonder volledig te zijn, bespreekt de MORA hieronder enkele van de belangrijkste negatieve effecten die gepaard gaan met mobiliteit. Dit hoofdstuk bespreekt de verkeers(on)veiligheid. In het volgende hoofdstuk worden de milieu-effecten bekeken.

67 Voor het decreet mobiliteitsbeleid: zie ook adviezen van de MORA van 19 maart en 2008 van 24 oktober 2008.

— 82


5.1

EVOLUTIE VERKEERSONGEVALLENCIJFERS

68

Figuur 37: evolutie van de verkeersslachtoffers ten aanzien van Vlaamse doelstellingen (1999–2020) 120% 110% 100% 90% 80% 70% 60% 50%

Ongevallen, doden en gewonden

10% 0%

slachtoffers is tussen 2002 en 2007 nauwelijks gedaald. Het aantal doden 30-dagen, personen die

zwaar gewonden

overlijden bij een ongeval of binnen de dertig da-

doden en dodelijk gewonden

gen die daarop volgen, is wel blijven dalen in deze

doden en dodelijk gewonden per 1 miljoen jongeren onder 26 jaar licht gewonden per 100 miljoen vtgkm

periode. Na wat mindere jaren tussen 2003 en 2007, geeft de verkeersveiligheidsbarometer aan

Bron: eigen verwerking obv BIVV

dat in 2008 en begin 2009 de verkeersveiligheid opnieuw merkbaar verbetert. Als deze versnelde

doden bij jongeren en de doelstelling om het

vooruitgang zich verder doorzet, zijn de vooropge-

aantal lichtgewonden per 100 miljoen voertuig-

stelde doelstellingen van het Verkeersveiligheids-

kilometer terug te brengen zijn moeilijk haalbaar

plan Vlaanderen en Pact 2020 haalbaar.

in 2010. Beide doelstellingen werden geformuleerd in het Mobiliteitsplan Vlaanderen, maar werden

Wat betreft het aantal doden en dodelijk gewon-

niet behouden in het Verkeersveiligheidsplan en

den moet het aantal teruggeschroefd worden van

Pact 2020. Ongevallen zonder zware lichamelijke

respectievelijk 527 in 2007 naar 375 in 2010, 250

schade kunnen toch aanleiding geven tot aanzien-

in 2015, en 200 in 2020. Het aantal zwaargewon-

lijke maatschappelijke kosten. De MORA is daarom

den moet van 4.550 in 2007, naar 3.250 in 2010,

van mening dat het Vlaamse verkeersveiligheids-

2.000 in 2.015 en 1.500 in 2020. De doelstelling

beleid de ambitie moet hebben om ook deze

inzake het terugdringen van het aantal verkeers-

kosten terug te dringen.

Tabel 46: Vlaamse doelstellingen verkeersveiligheid max. aantal doden en dodelijk gewonden

max. aantal zwaar gewonden

max. aantal doden en dodelijk gewonden per 1 miljoen jongeren onder 26 jaar

max. lichtgewonden per 100 miljoen voertuigkilometer

1999

vertrekgetal

806

6.714

240

76,3

2007

aantal

527

4.550

148

66

2010

doelstelling Mobiliteitsplan Vlaanderen/Pact van Vilvoorde

375

3.250

55

57

2015

doelstelling Verkeersveiligheidsplan Vlaanderen

250

2.000

2020

doelstelling Pact 2020

200

1500

108.800

Bron: eigen verwerking obv FOD Mobiliteit en FOD Eco AD Stat en Eco Info / Infografie: BIVV

68 Cijfers BIVV, tenzij anders vermeld. 69 De registratie van aantal ongevallen en doden is nooit helemaal volledig. Hieraan is de laatste jaren gewerkt, maar de registratie kent nog onvolkomenheden. Bij het vergelijken van cijfers moet hier steeds rekening mee gehouden worden. Het aantal doden 30 dagen is de meest betrouwbare indicator. Zie ook MORA achtergronddocument Verkeersveiligheid.

— 83

2020

20%

ongevallen genoteerd. Het aantal ongevallen met

2015

30%

delijk gewonden, 4.550 zwaargewonden en 31.920

2010

40%

In 2007 werden in Vlaanderen 527 doden en do-

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

5.1.1

69


5.1.2 Internationale benchmark

5.1.3 Modus Bij ruim 8 op 10 ongevallen in 2007 in Vlaanderen is minstens één auto betrokken. In 1 op 5 onge-

Vlaanderen zit slechts op het Europees gemiddelde qua aantal verkeersdoden

vallen met letsels is een fietser betrokken. Voetgangers zijn betrokken in 7% van de ongevallen. De expositiegraad (uitgedrukt in ongevallen per

Het Verkeersveiligheidsplan Vlaanderen heeft als

afgelegde kilometer) voor de fietsers en voetgan-

doelstelling de achterstand inzake verkeersveiligheid

gers ligt dus beduidend hoger dan gemiddeld.

ten aanzien van de meest verkeersveilige landen in

Voor motorrijders en bromfietsers is het risico om

te halen. Momenteel zit Vlaanderen op het Europees

betrokken te geraken in een ongeval nog groter.

gemiddelde wat betreft het aantal doden per miljoen

Per afgelegde voertuigkilometer is de kans om om

inwoners (8,9 in 2006). Dit is beter dan de nieuwe

te komen 10 maal hoger op een motor dan in een

EU-landen (Oost-Europa), maar minder goed dan de

personenwagen: 87,6 versus 8,3 aantal doden 30

meeste West-Europese landen. In vergelijking met

dagen per miljard voertuigkilometer. Voetgangers

de best presterende landen (SUN-landen: Zweden,

en tweewielers (fiets, bromfiets, motor) blijven dus

Verenigd Koninkrijk en Nederland) is het zelfs een

nog steeds zwakke weggebruikers.

pak minder goed. In België doet Vlaanderen het toch heel wat beter dan Wallonië. In verhouding tot het

Bij ongeveer 7% van alle ongevallen is minstens

aantal personenkilometers met personenwagens

één vrachtwagen betrokken. Hiermee is – ondanks

zien we vergelijkbare resultaten. Wat betreft pro-

de perceptie – het risico op ongevallen bij vrachtwa-

centuele daling in het aantal verkeersdoden houdt

gens niet groter dan bij andere weggebruikers. Met

Vlaanderen gelijke tred met Nederland en Zweden.

circa 20% van de doden-30 dagen is de ernst van

In Frankrijk daalt het aantal verkeersdoden sterker.

de ongevallen wel hoger dan gemiddeld. Het risico

In het Verenigd Koninkrijk, dat tot de top behoort

dat iemand sterft in een ongeval met minstens één

inzake verkeersveiligheid, daalt het aantal dan weer

vrachtwagen (uitgedrukt in doden-30 dagen per

minder sterk. Inzicht in recente internationale cijfers

miljard afgelegde voertuigkilometers) bedraagt 18,0.

zijn nodig om na te gaan of de recente positieve

Vooral op snelwegen blijkt zich een probleem voor

tendens in Vlaanderen betekent dat de achterstand

te doen. 40% van de verkeersdoden op snelwegen

ten aanzien van de SUN-landen verkleint.

in Vlaanderen kwam om het leven na een ongeval met minstens één vrachtwagen. Toch leggen vrachtwagens slechts 17,4% van de totaal aantal voertuig-

Tabel 47: internationale benchmark verkeersveiligheid (2006)

kilometers op snelwegen af. Het aantal ongevallen verkeersdoden per 10 miljard personenkilometer afgelegd met personenwagens en motors

verkeersdoden per miljoen inwoners

aantal letselongevallen per miljard personenkilometer afgelegd met personenwagens, ongeacht herkomst

met vrachtwagens daalt in Vlaanderen, in een tempo gelijkaardig aan de algemene tendens. Een vrachtwagen heeft dan ook meer massa, waardoor ongevallen vaak ernstiger zijn.70 In 2007 kwamen 8 mensen om het leven na een

België

96

101,3

447,3

Vlaams Gewest

86

88,6

510,1

Waals Gewest

113

146,9

311,5

Zweden

45

49,0

186,8

Verenigd Kon.

48

54,4

283,0

Nederland

48

44,7

165,7

beduidend meer verkeersdoden: 79.

Duitsland

57

61,8

377,4

2007 is daarbij een slecht jaar met 9 doden onder

Frankrijk

64

76,8

111,0

75,9

280,3

met bussen en 1.838 met trams. Hierbij kwamen

87,3

277,8

respectievelijk 11 (van wie 2 reizigers) en 5 mensen

dodehoekongeval. Daaruit blijkt dat het beleid rond dodehoekspiegels geen merkbaar resultaat heeft geboekt. In de periode 2002–2007 kwamen in België 17

EU15 90

EU27 Bron: SVR (cijfers 2006)

treinreizigers om het leven. Aan overwegen zijn er

treinreizigers en 19 aan overwegen.71 De Lijn registreerde in 2007 bijna 6.911 ongevallen

(0 reizigers) om het leven.

70 Hierbij dient bovendien opgemerkt te worden dat de betrokkenheid van een vrachtwagen niet betekent dat de oorzaak van het ongeval bij de vrachtwagen(bestuurder) ligt. 71 Enkel verkeersongevallen werden meegenomen. Het aantal zelfdodingen werd niet opgenomen.

— 84


Openbaar vervoer is een veilige modus. Met ongeveer 2,7 doden per miljard personenkilometer scoort zowel de NMBS als De Lijn ruim dubbel zo goed als de personenwagen.

Tabel 48: aantal doden in het verkeer per modus en in verhouding tot de vervoersprestaties 2007

trein (België)*

De Lijn

personenwagen

motor

vrachtwagen

lichte vracht

0,08

0,2088

43,86

0,67

5,78

6,00

personenkilometer in miljard (bij benadering)

9,9

6

55

0,70

5,78

6,00

totaal doden

28

16

363

59

104

48

aantal doden/miljard voertuigkilometer

350,00

76,6

8,3

87,6

18

8

aantal doden/miljard personenkilometer

2,8

2,7

6,6

84,3

18

8

voertuigkilometer (miljard)

*voor trein zijn enkel Belgische gegevens beschikbaar Bron: NMBS, De Lijn, BIVV – eigen verwerking

5.1.4 Leeftijd en gender

ongevallen de groei van het aantal werkenden.

Per modus kan naargelang de leeftijd een aantal

In Vlaanderen waren er in 2004 12.727 arbeids-

risicogroepen afgebakend worden. Er is een duide-

wegongevallen, in 2007 13.941 (+9,5%). Hiervan

lijke piek in aantal doden en zwaargewonden voor

hadden in 2007 46 ongevallen een dodelijke

autobestuurders en autopassagiers van 18 tot 25

afloop, 1.462 resulteerden in blijvende arbeidson-

jaar. Voor bromfietsers is er een erg uitgesproken

geschiktheid, 7.175 in tijdelijke arbeidsongeschikt-

piek rond 16 jaar. Voor fietsers is er een piek rond

heid en 5.258 bleven zonder gevolgen. Hoewel

14 jaar en een verhoogd risico vanaf 40 tot 75 jaar.

wegongevallen slechts voor 12% van het totaal

Voor motorrijders zijn de slachtoffers meestal tus-

aantal arbeidsongevallen staan, maken ze in 2007

sen 20 en 45 jaar.

toch bijna de helft van de dodelijke arbeidsongevallen uit.

Voor alle leeftijden geldt dat vrouwen beduidend minder verkeersslachtoffers in hun rangen tellen

5.1.6 Type ongeval

dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Sinds 2000

Bij de meeste fatale ongevallen is slechts één weg-

daalt de mortaliteit bij zowel mannen en vrouwen.

gebruiker of voertuig betrokken. In 2007 vielen in

De grootste vooruitgang werd geboekt bij jonge-

dergelijke ongevallen bijna 200 doden-30 dagen te

ren. Toch blijven nog steeds jonge mannen tussen

betreuren, veelal door aanraking van een hinder-

15 en 35 jaar een duidelijke risicogroep. In 2000

nis buiten de rijbaan. Ruim 1 op 3 ongevallen is een

kende de groep vrouwen van 15 tot 30 ook nog een

zijdelingse aanrijding tussen twee voertuigen en

verhoogd risico, maar in 2006 was het risico ge-

één op vijf langs achter (of naast elkaar).

daald tot net boven het gemiddelde voor vrouwen. De ernst van ongevallen is groter op snelwegen

5.1.5 Arbeidsongevallen op de weg

dan op gewest-, provincie- of gemeentewegen.

Bedrijven zijn er de afgelopen jaren in geslaagd

Slechts 8% van alle ongevallen in 2007 deed zich

het aantal ongevallen op de werkvloer systema-

voor op snelwegen, maar daarbij vielen wel 14%

tisch terug te dringen. Eenzelfde veiligheidscultuur

van alle doden-30 dagen en ernstig gewonden.

op de weg zien we vooralsnog niet. Tussen 1996 en

55% van de ongevallen gebeurt binnen de bebouw-

2007 is het aantal ongevallen op de arbeidsplaats

de kom (bibeko) en 45% buiten de bebouwde kom

per 1.000 werknemers van 90 teruggevallen naar

(bubeko). Toch zijn er ongeveer 3 maal meer doden

64. Wat betreft arbeidsongevallen op de weg is

30-dagen buiten de bebouwde kom dan erbinnen.

er geen vooruitgang geboekt en volgt het aantal

— 85


5.2 HANDHAVING

Snelheid blijft nog steeds een belangrijke factor bij (ernstige) verkeersongevallen. De Vlaamse Regering heeft dan ook getracht via sensibilisatie, dynamische snelheidsaanduiding, weginrichting en controles via flitscamera’s meer aangepaste snelheden te bekomen. Momenteel hebben we nog geen gegevens om uit te maken of deze effect hebben. Uit een steekproef van het BIVV blijkt alvast dat, met uitzondering van 90 km/u-wegen, de gemiddelde snelheid ruim boven de toegestane maxima van iedere zone ligt. In zone 30 wordt zelfs vastgesteld dat nagenoeg geen enkele weggebruiker de maximumsnelheid naleeft. Ook op 50 km/u-wegen en 70 km/u wegen blijkt het aantal overtredingen groot.

Snelheid blijft nog steeds één van de belangrijkste factoren bij ernstige verkeersongevallen Ook het gedrag van weggebruikers inzake rijden onder invloed van alcohol is tussen 2005 en 2007 nagenoeg ongewijzigd gebleven. Vooral de nacht en het weekend blijven problematisch. De grootste groep weggebruikers die rijden onder invloed situeert zich nog steeds tussen 40 en 54 jaar.

— 86


5.3

MAATSCHAPPELIJKE KOSTEN

De totale maatschappelijke kosten van verkeersongevallen omvatten medische kosten, potentieel productieverlies, materiële kosten, afhandelingskosten, filekosten en immateriële of psychische schade. Het is niet eenvoudig om al deze kosten te monetariseren. Naargelang de verschillende methodieken die worden gebruikt, komt men tot zeer verschillende inschattingen. In 2002 waren aan ongevallen in België kosten verbonden van 12,5 miljard euro.72 Dit is 4,6% van het BBP. Ter vergelijking: in Nederland bedroegen de kosten van verkeersongevallen in 2003 12,3 miljard euro of 2,6% van het BBP.73 Een studie van het Steunpunt Mobiliteit en Openbare Werken spoor Verkeersveiligheid geeft aan dat per dodelijk slachtoffer in Vlaanderen kosten van ongeveer 5,6 miljoen euro verbonden zijn. Dit cijfer werd berekend op basis van een enquête naar de betalingsbereidheid en drukt de waarde uit van een vermeden dodelijk slachtoffer. Het Europese handboek voor externe kosten (kosten die de verzekering niet dekt) komt voor België uit op 1,64 miljoen euro voor een dodelijk slachtoffer, 249.000 voor een zwaargewonde en 16.000 voor een lichtgewonde. Deze cijfers zijn geschatte waarden voor een vermeden slachtoffer, inclusief directe en indirecte economische kosten die eraan verbonden zijn (factorprijzen 2002).

72 De Brabander en Vereeck, 2005. 73 SWOV, 2008.

— 87


5.4

ONVEILIGHEIDSGEVOEL

Uit de verkeersveiligheidsmonitor van de federale politie74 blijkt dat verkeer als de belangrijkste bron van onveiligheid wordt ervaren. Als buurtprobleem zijn dit met name onaangepaste snelheid in het verkeer en agressief verkeersgedrag. De Vlamingen schatten het risico om slachtoffer te worden van een verkeersongval in 2006 lager in dan in 2000. Het onveiligheidsgevoel kan ertoe leiden dat mensen geremd worden in hun mobiliteit. Dit probleem blijkt zich zeker te stellen bij kinderen en ouderen.

74 Federale politie, 2006.

— 88


5.5

GEVAARLIJKE PUNTEN Bij het opstellen van de jaarprogramma’s van de gevaarlijke punten werd tot 2006 rekening gehouden met de recentst beschikbare ongevallenstatistieken. Vanaf 2006 werd de lijst met 800 gevaarlijke punten bevroren en worden de gevaarlijke punten systematisch weggewerkt, via de daartoe voorziene specifieke FFEU-budgetten. Eind 2002 werd het project ‘wegwerken van

Mobiliteit en de daarmee gepaard gaande proble-

gevaarlijke punten en wegvakken in Vlaanderen’

matiek van de verkeersveiligheid is een dynamisch

aangevat. Dit project voorzag om, gespreid over

gegeven, waarbij nieuwe gevaarlijke punten kun-

vijf jaar, 800 gevaarlijke kruispunten aan te pak-

nen ontstaan, terwijl de “bevroren” lijst van 800

ken. In 2008 werden daarvan 292, of 37% effec-

gevaarlijke punten niet wordt aangevuld. Naast

tief, uitgevoerd. De oorspronkelijke doelstelling om

de oorspronkelijke lijst wordt daarom een actuele

over 5 jaar alle gevaarlijke punten weg te werken

lijst van gevaarlijke punten opgemaakt. Deze wordt

is niet gehaald. De “bijgestelde” doelstelling was

bepaald op basis van de meest recente ongeval-

om eind 2008, 40 tot 45% van de gevaarlijke

lengegevens. Gevaarlijke punten die niet op de

punten volledig af te werken. Met 37% afgewerkte

oorspronkelijke lijst voorkomen, kunnen via het re-

projecten begin 2008 lijkt deze gehaald. Een

gulier investeringsprogramma aangepakt worden

75

stand van zaken van februari 2009 leert dat 391

(dus buiten het project van 'wegwerken gevaarlijke

gevaarlijke punten (of 48% van het totaal) zijn

punten' met FFEU middelen).

weggewerkt. Momenteel wordt onderzocht hoe de verkeersveiligheid evolueerde na heraanleg op 150

Begin 2009 zouden zo’n 1.100 gevaarlijke punten

van de afgewerkte gevaarlijke punten (Steunpunt

opgelijst zijn (de oorspronkelijke 800 + de geactu-

MOW spoor Verkeersveiligheid).

aliseerde). De actuele lijst van gevaarlijke punten is evenwel niet raadpleegbaar. De gevaarlijke punten die uit deze lijst worden uitgevoerd kunnen via het regulier investeringsprogramma worden getra-

292 van de 800 gevaarlijke punten uit het gevaarlijke puntenprogramma zijn effectief aangepakt

ceerd. Maar over de procedures, waarom, wanneer en op welke manier deze gevaarlijke punten al dan niet in het regulier investeringsprogramma worden opgenomen is geen duidelijkheid. Dit bemoeilijkt een gedegen evaluatie van het beleid ter zake. Met het oog op een grotere transparantie en eenvormigheid in de aanpak kan daarom worden gepleit voor één geïntegreerde en consulteerbare lijst van gevaarlijke punten, die op basis van objectieve criteria wordt samengesteld en waarbij een duidelijke timing van uitvoering wordt vooropgesteld.

75 Antwoord van de Vlaamse minister van Openbare Werken een schriftelijke vraag vanuit het Vlaams Parlement (vraag nr 92 van 12 november 2008).

— 89


5.6

ZONE 30 SCHOOLOMGEVING

Aan de 460 schoolomgevingen aan gewestwegen worden zones 30 aangegeven door middel van variabele borden. Momenteel zijn eenderde van de zones 30 rond schoolomgevingen aangegeven met vaste borden. In 2009 wordt 5 miljoen euro voorzien voor uitrusting met dynamische borden. Bovendien is het ‘Vademecum Schoolomgeving’ opgemaakt om knelpunten rond scholen aan te pakken in afwachting van infrastructurele aanpassingen. De reden is dat het wegbeeld vaak niet aangepast is aan het snelheidsregime van 30 km/u.

— 90


5.7 AANVULLENDE REGLEMENTEN

Vanaf 1 januari 2008 zijn de voogdij en het toezicht op de aanvullende reglementen die de gemeenten uitvaardigden overgedragen van de federale naar de Vlaamse overheid. Hiervoor werd een decretale regeling uitgewerkt. De MORA werd hierover om advies gevraagd.76 De aanvullende reglementen hebben een bijzonder toepassingsgebied en strekken ertoe de verkeersreglementering aan te passen aan de plaatselijke of bijzondere omstandigheden. De aanvullende reglementen zijn dus reglementen waarbij aan de weggebruikers een bepaald verbod of gebod wordt opgelegd. Voor de aanvullende reglementen die de gemeenten nemen van kracht worden, moeten de voogdijoverheid die eerst goedkeuren.

76 Advies over het voorontwerp van decreet en en het voorontwerp van besluit betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer. MORA. 19 december 2007 en 21 november 2008.

— 91


— 92


6 MILIEU

— 93


6.1

ECO-EFFICIËNTIE aantal tonkilometers (+81%) en een lichte toename van het aantal personenkilometers (+10%). Niettemin is in die periode een aanzienlijke daling van de vervuilende emissies gerealiseerd. Voor CO, SO2 en NMVOS zijn absolute emissiereducties bereikt van -80%. Ook voor zwevend stof (NOX en PM) daalden de emissies respectievelijk met 40% en 55%. Voor broeikasgassen (CO2-eq) werd echter geen De eco-efficiëntie van de transportsector is er

reductie, maar een emissietoename van 12% vast-

sinds 1990 sterk op vooruit gegaan. De laatste 10

gesteld. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit

jaar wordt een ontkoppeling vastgesteld tussen

duidelijk minder is dan de groei in ton- en voer-

economische groei en stijgende mobiliteitsvolume

tuigkilometers. Bovendien kwam deze toename

enerzijds en de milieu-impact anderzijds.

tussen 1990 en 1995 tot stand. Sindsdien blijven de

Sinds 1990 kende de transportsector een opmer-

emissies nagenoeg gelijk.

kelijke groei met vooral een sterke stijging van het

Figuur 38: evolutie eco-efficiëntie van transportsector in Vlaanderen

200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 1990

1995

2000

2001

2002

2003

2004

2005

BBP

perskm personenwagen

PM2,5

tonkm vrachtwagen

CO2 personen weg

NMVOS

CO2 goederen weg

NOX

CO

CO2

PM10

SO2

Bron: VMM, 2009 – kernsetdata; SVR,2009 – eigen verwerking

— 94

2006

2007


6.2

EUROPEES BELEID BEPALEND VOOR EMISSIEREDUCTIES

schillende tendensen in emissies kunnen dan ook in grote mate teruggebracht worden tot het gevoerde Europese beleid. Strikte normen leiden tot sterkere reducties dan niet-bindende afspraken. Transport is er de afgelopen jaren voor een groot aantal componenten in geslaagd zijn aandeel in de totale Vlaamse emissies drastisch terug te bren-

Omdat luchtvervuiling tot ernstige milieu- en ge-

gen (zie grafiek). Enkel voor NH3 en CO2 is dit niet

zondheidsproblemen kan leiden, werden Europese

gelukt.

grenswaarden vastgesteld. De NEM-richtlijn legt Figuur 39: evolutie aandeel transport in totale Vlaamse uitstoot per component in de periode 1990–2007

per lidstaat emissieplafonds op (voor SO2, NOX, VOS, NH3). De kaderrichtlijn luchtkwaliteit stet bo-

60%

vendien grenzen aan de concentraties aan vervuilende componenten (fijn stof, NO2 en ozon) in de

50%

lucht. Opdat Europese lidstaten deze doelstellingen zouden kunnen bereiken werden via Europese

40%

richtlijnen normen opgelegd waaraan brandstoffen 30%

en voertuigen moeten voldoen.

20% 10%

Algemeen is de milieu-impact van de transportsector drastisch gedaald, maar bijkomende inspanningen blijven noodzakelijk

0%

CO

NH3

NMVOS

SO2

NOx

PM10

PM2,5

1990

1995

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Zo zijn de emissies van SO2 en Pb sterk gedaald

Bron: VMM, 2009 – eigen verwerking

als gevolg van normering van brandstoffen. Ook de

Het Europees beleid heeft dus zeker al enkele suc-

emissies van CO en NMVOS kenden een sterke da-

cessen behaald. Toch zullen bijkomende incentives

ling als gevolg van Europese richtlijnen die normen

en normering vanuit Europa en flankerend beleid

opleggen voor voertuigen. Voor deze componen-

op alle beleidsniveaus noodzakelijk zijn om de mi-

ten is de transportsector erin geslaagd de impact

lieu- en gezondheidsdoelstellingen te halen. Zeker

voor het milieu drastisch te verminderen.

in Vlaanderen als belangrijk verkeersknooppunt in

Voor fijn stof en NOX zijn eveneens sterke reduc-

Europa, met een dicht wegennet en hoge bevol-

ties bekomen door de Euronormen voor voertui-

kingsdensiteit, zijn extra maatregelen noodzakelijk.

gen. Voor beide componenten blijft er niettemin een probleem bestaan doordat Vlaanderen er

Naast fijn stof en klimaat vormt ook geluid een be-

vooralsnog niet in slaagt de vooropgestelde doel-

langrijk thema. We bespreken hieronder voor deze

stellingen te halen. Voor fijn stof (PM10 en PM2.5)

drie thema’s kort de belangrijkste vaststellingen.

en NOX (wat aanleiding geeft tot secundair fijn

Voor een uitgebreide bespreking van de uitdaging

stof, ozonvorming en verzuring) blijft ondanks de

voor de transportsector inzake de problema-

inspanningen op voertuigniveau het aandeel van

tiek van fijn stof en klimaat verwijzen we naar de

transport in de emissies hoog (respectievelijk 30%

achtergronddocumenten.

en 50%). Wat betreft CO2 is het transportaandeel in de totale Vlaamse emissies lager (18%), maar het aandeel groeit. Op Europees niveau werden voor broeikasgasemissies geen strikte normen opgesteld, maar werd gekozen voor een vrijwillig akkoord. De ver-

— 95

CO2

Pb


6.3 KLIMAAT

In het goederenvervoer zien we daarentegen een gestage groei in emissies. De broeikasgasuitstoot van het goederenvervoer in 2007 ligt daardoor zo’n 32% hoger dan in 1990. De groei in broeikasgasemissies in transport is dan ook nagenoeg volledig toe te wijzen aan de enorme groei van het goederenvervoer over de weg. De emissies per voertuigkilometer zijn weliswaar gedaald als

De transportsector is met 18% de derde belang-

gevolg van de introductie van zuiniger voertuigen,

rijkste bron van broeikasgassen in Vlaanderen, na

maar dit is ruimschoots onvoldoende om de volu-

de industrie (aandeel van 39%) en de gebouwen

megroei op te vangen.

(20%). Door de fikse groei van de transportemisFiguur 40: totale uitstoot broeikasgassen in transport volgens subsector in Vlaanderen (1990–2007)

sies is het relatieve aandeel van de sector transport in de totale CO2-uitstoot sinds 1990 gestegen van 14% naar 18%. In vergelijking met 1990 kenden enkel de sectoren transport en gebouwen een toename van de broeikasgasemissies. Deze groei kwam voornamelijk begin jaren ’90 tot stand. Daarna blijven de emissies min of meer stabiel. De uitdaging voor Vlaanderen in het kader van Kyoto is 5,2% minder broeikasgasemissies te realiseren in de periode 2008–2012 ten aanzien van referentiejaar 1990. De transportsector is in 2007 goed voor een uitstoot van 14,9 Mton CO2-eq. Dit is onder het (weliswaar bijgestelde) streefdoel van

14.000 13.000 12.000 11.000 10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0

het Vlaams Klimaatbeleidsplan van 15,3 Mton CO2-

1990

1995

2000

weg personen

2001

2002

weg goederen

2003

2004

2005

andere modi*

eq in 2010 (VORA08). Aanvankelijk was het de am*andere modi: spoor goederen en personen, scheepvaart in en tussen Noordzeehavens, binnenscheepvaart en inlandse vluchten Bron: VMM – Kernsetgegevens,2009

bitie om in 2010 te komen tot een stabilisatie van de uitstoot van CO2 door verkeer, ten opzichte van het referentiejaar 1990.77 Dit wordt niet gehaald.

Hoewel ze in de totale uitstoot slechts een zeer beperkt aandeel hebben, is er toch een opmerkelijke

Wegverkeer is in Vlaanderen met 96% (58%

groei van broeikasgasemissies in de binnenscheep-

personen, 38% goederen) bijna alleen verantwoor-

vaart (+54%) en scheepvaart tussen Vlaamse

delijk voor de broeikasgasemissies van de trans-

Noordzeehavens (+25%) als gevolg van de sterke

portsector. Er is evenwel een duidelijk verschil in

stijging van de trafiek. Voor (binnen)scheepvaart is

de evolutie van broeikasgassen tussen goederen

de energie-efficiëntie van de voertuigen verbeterd,

en personen. Terwijl de emissies van personenver-

zodat per tonkilometer minder CO2 wordt uitge-

voer in Vlaanderen begin jaren 1990 nog stegen, is

stoten.

er sinds 1995 een lichte daling. Hierdoor zitten de

Bij luchtvaart was er aanvankelijk een sterke groei

emissies in 2007 opnieuw op het niveau van 1990.

van trafiek en emissies, maar na de terugval in

De beperkte groei van de personenkilometers

2003 treedt er een stabilisatie op. De emissies lig-

werd opgevangen door de inzet van iets zuiniger

gen in 2007 toch 31% hoger dan in 1990.

voertuigen.

Het spoorverkeer kent dan weer een fikse daling in emissies (-32% tussen 1990 en 2007). Het spoorvervoer kende slechts een beperkte groei qua treinkilometers en bovendien werd geïnvesteerd in

De groei van de broeikasemissies in de transportsector wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een toename van het wegverkeer

energie-efficiëntie (o.a. vervanging van diesellocomotieven door elektrische).

77 Zie ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen en Klimaatbeleidsplan.

— 96

2006

2007


Figuur 41: evolutie van de broeikasgasemissies in transport per deelsector

-20% broeikasgasemissies voor 2020 aangenomen. Tegen 2050 zullen zelfs reducties tot -80%

170%

vereist zijn. Zonder een sterke emissiedaling in de

160%

transportsector is dit wellicht niet haalbaar.

150%

Transportbeleid kan vat hebben op de modale

140%

verdeling, voertuigefficiëntie en doorstroming. Om

130%

effectief sterke reducties in de transportsector te

120%

bekomen zal ook de vraag naar transport beperkt moeten worden en dient steeds schonere aandrijf-

110%

technologie geïntroduceerd te worden.

100%

De vraag naar transport wordt sterk gestuurd

90%

door globale economische ontwikkelingen. Om de

80%

transportvraag wezenlijk te beïnvloeden zal een coherente aanpak in vele andere beleidsdomeinen

70%

vereist zijn. Binnen de transportsector kan een

60%

sterker sturend prijsbeleid via fiscaliteit en slimme

50%

kilometerheffing wel matigend werken.

40%

Ook op de ontwikkeling van koolstofarme aandrijftechnologieën heeft mobiliteitsbeleid slechts be-

30% 1990

1995

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

perkt invloed. Verschillende technologieën bieden

2007

zich aan. Het is noodzakelijk vanuit verschillende

inlandse vluchten

scheepvaart in en tussen Noordzeehavens

weg goederen

spoor personen

introductie van deze systemen te stimuleren en

weg personen

spoor goederen

faciliteren.

beleidsdomeinen de verdere ontwikkelingen en

binnenscheepvaart Bron: VMM – kernsetgegevens,2009

De oorspronkelijke doelstellingen die werden vooropgesteld in het Klimaatbeleidsplan 2006–2012 werden niet gehaald doordat de groei van transport sneller steeg dan verwacht en het voertuigenpark minder snel verbeterde dan vooraf ingeschat. De groei in het goederenvervoer is een internationaal fenomeen en ook de normering van de uitstoot van voertuigen is een Europese bevoegdheid. Op beide fenomenen heeft het Vlaamse beleid weinig vat. Toch kan gesteld worden dat Vlaanderen onvoldoende ingezet heeft op flankerend beleid. Heel wat van de vooropgestelde structurele maatregelen in het Klimaatsbeleidsplan liepen vertraging op of werden niet uitgevoerd. De Vlaamse Regering is er niet in geslaagd haar ambities om te zetten in effectieve maatregelen. Het is vooral door Europees beleid (inzet van zuiniger voertuigen) dat de transportsector in Vlaanderen er de laatste jaren in geslaagd is de broeikasgasemissies te stabiliseren. In de toekomst zal echter ook een emissiereductie noodzakelijk zijn. Europa heeft immers als algemene doelstelling

— 97


6.4 FIJN STOF

centratie aan fijn stof een belangrijke aandeel afkomstig is uit het buitenland. Toch verdient verkeer de nodige aandacht in de problematiek van fijn stof. De impact van emissies door verkeer, en dan vooral wegverkeer, op de gezondheid is immers groter dan de bijdrage tot de algemene fijnstofconcentraties doet vermoeden. Ten eerste is in stedelijk gebied, in drukke, nauwe

Vlaanderen behoort tot de zwaarst getroffen

verkeersstraten en langs snel- en ringwegen het

regio’s in Europa wat betreft fijnstofvervuiling. Fijn

aandeel van het verkeer in stofconcentratie tot

stof is in Vlaanderen dan ook het belangrijkste

30 à 40% hoger dan enkele honderden meter er

78

milieugerelateerde gezondheidsprobleem. Fijn

vandaan. Ten tweede doorsnijdt verkeer woon- en

stof kan rechtstreeks worden uitgestoten in de

verblijfgebieden, waardoor mensen direct blootge-

atmosfeer (primaire deeltjes) of ontstaan in de

steld worden aan de emissies. Ook verkeersdeel-

atmosfeer door chemische reacties uit gasvormige

nemers komen rechtstreeks in contact met vaak

componenten zoals ammoniak (NH3), zwavel-

onverdunde emissies. Net in deze gebieden komen

dioxide (SO2), stikstofoxiden (NOX) of organische

veel korte ritten of ritten met veel optrekken en

verbindingen (secundaire deeltjes).

remmen voor. Ten derde, blijkt dat het fijn stof uit

De grotere stofdeeltjes (>PM2,5) bestaan voor-

de verbranding van fossiele brandstoffen meer

namelijk uit mechanisch gevormde deeltjes. De

toxisch is dan deze van andere bronnen. Kortom,

stofdeeltjes kleiner dan PM2,5 (ultrafijne stofdeel-

de transportsector draagt slechts voor een klein

tjes) bestaan vooral uit deeltjes die ontstaan door

deel bij in de algemene totale concentratie, maar

condensatie van verbrandingsproducten of door

in stedelijk gebied en langs weginfrastructuur

reactie van gasvormige polluenten tot secundair

hebben de transportemissies toch een belangrijke

aerosol. Gemiddeld 40% van de PM2,5-concen-

impact op milieu en gezondheid.

tratie wordt niet rechtstreeks uitgestoten maar

Bovendien blijkt dat in het totaal van de Vlaamse

ontstaat door omzetting van de voorloperstoffen

emissies het verkeer een aandeel heeft van 25%

NH3, NOX, SO2 en VOS.

voor PM10, 31% voor PM2,5 en 50% voor NOX. Indien men de gezondheidseffecten van fijn stof

De stofconcentraties in een bepaalde omgeving

wil aanpakken zijn dus inspanningen in de trans-

bestaan uit bijdragen van lokale bronnen en verder

portsector onontbeerlijk.

afgelegen bronnen. Het zwevend stof verspreidt zich na uitstoot in de lucht. Afhankelijk van hun

Personenvervoer over de weg is in 2007 verant-

eigenschappen (o.m. deeltjesgrootte) en van de

woordelijk voor 53% van de PM10-uitstoot en 51%

meteorologische omstandigheden, kunnen zwe-

van de PM2,5-uitstoot van transport. Goederen-

vende deeltjes enkele uren tot maanden in de

vervoer over de weg is goed voor respectievelijk

atmosfeer verblijven. Hoe kleiner en lichter de

31% en 35%. De weg (goederen en personen) is

stofdeeltjes hoe verder deze getransporteerd kun-

daarmee in 2007 goed voor 85% van de PM10-

nen worden.

en 86% van de PM2,5-uitstoot van transport. De binnenvaart is goed voor ongeveer 6% van PM10 en PM2,5 en het spoor voor 8% PM10 en 7% PM2.5. Voor het spoor blijkt vooral grover stof

Het aandeel van het Vlaamse verkeer in de totale fijnstofconcentratie is beperkt, maar een aanpak van de emissies door verkeer blijkt toch zinvol

door slijtage van remmen en bovenleidingen niet onbelangrijk.

De algemene bijdrage van Vlaamse verkeer aan de totale fijnstofconcentratie bedraagt in Vlaanderen slechts 3,5% voor PM10 en 5% voor PM 2,5. Dit komt doordat er in de Vlaamse achtergrondcon78 MIRA, 2007.

— 98


Figuur 42: evolutie emissies van NOX, PM10 en PM2,5 in transport in Vlaanderen (1995–2007)

se daggemiddeldenorm voor PM10 niet. In drukke stedelijke straten (streetcanyons) haalt Vlaanderen

14.000

deze norm zelfs wellicht ook niet in 2015. Ook de

12.000

jaargemiddelde norm voor PM2,5 wordt in 2015 niet gehaald in streetcanyons. Voor NO2 wordt de

10.000

norm noch in 2010 noch in 2015 gehaald. Bovendien is er ook een probleem met het halen van het

8.000

NOX-emissiesplafond in 2015.79

6.000

Met het fijnstofplan en NEC-plan heeft Vlaanderen

4.000

nochtans een maatregelenpakket uitgetekend

2.000

voor een duurzame aanpak van het probleem van luchtvervuiling. Wat betreft transport stelt de

0

1995

2001 2007 NOX (10ton)

1995

2001 2007 PM10 (ton)

1995

MORA vast dat de vooropgestelde (structurele)

2001 2007 PM2,5 (ton)

maatregelen slechts in beperkte mate werden

weg goederen

weg personen

uitgevoerd. Net als voor klimaatbeleid blijkt dat in

water

spoor

het sterk verstedelijkte Vlaanderen het Europese beleid rond voertuigtechnologie essentieel, maar

Bron: VMM, 2009 Kernsetgegevens; eigen verwerking

op zich onvoldoende is. Bijkomende maatregelen De sterkste daling is vast te stellen bij de kleinste

op Europees, Vlaams en lokaal niveau zijn noodza-

stofdeeltjes. Dit is een positieve tendens omdat

kelijk om de emissies van verkeer verder terug te

fijnere stofdeeltjes schadelijker zijn dan grotere.

dringen.

Fijnere stofdeeltjes worden voornamelijk via de uitlaatgassen de lucht ingestuurd. Via voertuigtechnische verbeteringen als gevolg van de Euronormering en de plaatsing van filters worden per voertuigkilometer aanzienlijke emissiereducties gerealiseerd. De uitstoot van de niet-uitlaatemissies van wegverkeer bleef echter de afgelopen jaren min of meer gelijk per gereden kilometer. Ook de aanpak van de grotere stofdeeltjes verdient de nodige aandacht. Ondanks de fijnstofreducties die in Vlaanderen reeds gerealiseerd werden, blijkt met name het personenvoertuigenpark in Vlaanderen minder goed te scoren in vergelijking met de ons omliggende landen en regio’s. Hiervoor is de verdieselijking van het wagenpark verantwoordelijk. 77% van de nieuw geregistreerde wagens in 2007 was een dieselwagen. Bovendien werden in vergelijking met Nederland heel wat minder wagens uitgerust met roetfilter. De verdieselijking van het wagenpark zorgt er bovendien voor dat de NOX-emissies in Vlaanderen minder snel dalen dan in onze buurlanden. Op basis van observaties en modelberekeningen wordt ingeschat dat het onwaarschijnlijk is dat Vlaanderen de doestellingen voor 2010 inzake luchtkwaliteit en emissieplafonds haalt. Vlaanderen haalt in 2010 in stedelijke gebieden de Europe79 TML, 2008 – Auto en gezondheid.

— 99


— 100


6.5 GELUID

Uit Vlaamse geluidsbelastingkaarten81 kan afgeleid worden dat langs de geselecteerde 2.500 km gewestwegen ongeveer 300.000 inwoners worden blootgesteld aan Lden van meer dan 65 dB(A). Geluidsbelastingkaarten geven enkel knelpunten weer op de drukste verkeersaders. Ook op het onderliggend wegennet bestaat geluidshinder. Het MIRA Achtergronddocument Lawaaihinder (2007)

Uit het Schriftelijk Leefomgevingsonderzoek

geeft aan dat in 2006 ongeveer een derde van de

(SLO-2)80 blijkt dat verkeerslawaai als de belang-

bevolking blootgesteld wordt aan een geluidsni-

rijkste hinderbron wordt ervaren. Ongeveer 27%

veau van 65 dB(A). Een proportioneel iets sterkere

van de Vlamingen geeft aan minstens tamelijk

groei van de verkeersintensiteit, maar vooral een

gehinderd te zijn, 10% van de ondervraagden blijkt

groei van het aandeel vrachtwagens op de drukste

zelfs ernstig of extreem gehinderd. De belangrijk-

wegen verklaart de toename van het percentage

ste bron van hinder is straatverkeer.

van de bevolking blootgesteld aan LAeq hoger dan 65 dB(A). Zo is de doelstelling om het percentage van de bevolking blootgesteld aan wegverkeergeluid boven 65 dB(A) te beperken tot 20% tegen

Verkeerslawaai wordt ervaren als de belangrijkste bron van hinder in onze leefomgeving

2007 (MIRA-S 2000 en het Mobiliteitsplan Vlaan-

Men ziet hierin een licht dalende trend, maar daar-

Ook door spoorverkeer komt geluidshinder voort.

voor heeft men geen sluitende verklaring, vooral

Gezien er minder kilometer spoor dan weg zijn in

omdat metingen uitgevoerd in het kader van MIRA-

Vlaanderen, blijken duidelijk minder Vlamingen

rapporten aangeven dat de geluidsbelasting van

hierdoor gehinderd. Volgens het MIRA Achtergrond-

het wegverkeer nog steeds toeneemt. Uit bereke-

document Lawaaihinder (2007) wordt ongeveer

ningen blijkt dan weer dat het aantal potentieel ge-

1,3% van de Vlaamse bevolking blootgesteld aan

hinderden de voorbije 10 jaar nagenoeg constant

geluidsniveaus LA,den hoger dan 65 db(A) door

blijft. In 2007 zou het potentieel aantal gehinder-

spoorverkeergeluid. Volgens de geluidsbelasting-

den 18% van de bevolking bedragen, terwijl de

kaarten zijn ruim 50.000 mensen langs de drukste

doelstelling in het Milieubeleidsplan bepaalt dat

280 km spoor gehinderd door verkeerslawaai.

deren) niet gehaald. Ook de doelstelling van 15% tegen 2020 (milieubeleidsplan) is nog ver af.

het aantal potentieel gehinderden tegen 2020 tot 10% van de bevolking moet worden teruggebracht.

Beleidsmatig is de laatste jaren in Vlaanderen

Vooral in stedelijke gebieden en in de Vlaamse Ruit

nauwelijks geïnvesteerd om geluidshinder van ver-

is de hinder groot.

keer terug te dringen. Op Europees niveau werden normen opgelegd waaraan voertuigen moeten voldoen. Het Vlaamse beleid heeft de laatste jaren

Tabel 49: blootstellingscijfers op basis van geluidsbelastingkaarten

de opmaak van geluidskaarten afgewacht om zowegverkeer (2.500 km gewestweg)

spoorverkeer (280 km spoorweg)

doende op basis van prioriteiten een gericht actieplan te kunnen opmaken. De afgelopen jaren zijn

Lden

>55

>65

>75

>55

>65

>75

km2

1.158

327

87

160

50

14

681.800

298.200

33.600

139.200

52.100

7.200

personen

er gemiddeld circa 6 km geluidschermen geplaatst. Voor 2009 wordt het budget fiks verhoogd tot 20 miljoen euro (16 miljoen Vlaams Gewest en 4,5 miljoen lokale overheid), waardoor er zo’n 16 km

Bron: LNE, 2009

extra bijkomen. Daarnaast zal AWV ook investeren in stille wegverharding. Eind 2009 komt er wellicht een eerste tussentijds actieplan voor geluidshinder langs wegen. 80 De SLO-2 enquête in 2008 gebeurde bij 5.293 Vlamingen (responsgraad 56%). Om representativiteit te waarborgen werden wegingen uitgevoerd naar provincie, leeftijd, geslacht en opleidingsniveau. 81 Via de Europese richtlijn 2002/49/EG van 25 juni 2002 is Vlaanderen verplicht geluidsbelastingkaarten op te maken om vervolgens op basis van prioriteiten een actieplan op te stellen om de hinder aan te pakken. De geluidskaarten moesten klaar zijn op uiterlijk 18 juli 2008. Vlaanderen liep vertraging op en pas op 27 maart 2009 keurde de Vlaamse Regering de kaarten goed.

— 101


6.6

MILIEUKENMERKEN VOERTUIGENPARK

Personenwagenpark82 In België en zeker ook in Vlaanderen treedt een verdieselijking op van het wagenpark. 77% van de nieuw geregistreerde wagens in 2007 was een dieselwagen. In Duitsland is dit 50%, in Nederland slechts 30%. Dieselwagens verbruiken relatief minder brandstof, maar stoten meer stikstofoxiden en fijn stof uit. Hierdoor scoren dieselwagens

Het beleid om de milieu-impact van transport

wat betreft milieu algemeen genomen slechter

te verminderen richt zich sterk tot de verbete-

dan benzinewagens. Met ingebouwde roetfilter in

ring van milieukenmerken van de voertuigen en

nieuwe wagens kan tot meer dan 90% van het fijn

brandstoffen. Met name door het Europese beleid

stof opgevangen worden, met achteraf geplaatste

hierrond is in de transportsector een ontkoppeling

filters tot 50%. Het aandeel wagens uitgerust met

gekomen tussen voertuigkilometers en emissies.

een roetfilter blijft in Vlaanderen tot op heden

Toch blijkt minder milieuwinst gehaald dan aan-

eerder beperkt. Van deze nieuw verkocht diesel-

vankelijk gedacht. Enerzijds door de groei van het

wagens werden in 2006 slechts 24% uitgerust met

verkeersvolume en anderzijds omdat de milieu-

roetfilter, en 30% in 2007. In Nederland heeft elke

kenmerken van het voertuigenpark er minder snel

nieuw verkochte personenauto een roetfilter.83

op vooruitgingen. Bovendien blijkt dat de emissies

Vanaf september 2009 zullen echter alle nieuw

van voertuigen in praktijk beduidend hoger liggen

verkochte modellen en vanaf 2011 alle nieuw ver-

dan de officiële emissies uit testcycli.

kochte auto’s een roetfilter moeten hebben door de verplichte intrede van de Euro5-norm.

Om de globale milieuprestatie van het wagenpark te beoordelen dienen we met name te kijken naar

België scoort door de verdieselijking iets beter dan

de CO2-emissies, luchtvervuiling en lawaai. Via

het Europese gemiddelde wat betreft CO2. De CO2-

Europese richtlijnen werden voor voertuigen en

uitstoot ligt in Vlaanderen wel beduidend hoger

brandstoffen normen opgelegd aan vervuilende

dan in Wallonië. De gemiddelde CO2-uitstoot in

emissies. Ook wat betreft geluid zijn er bindende

Vlaanderen van een nieuw ingeschreven benzine-

normen vastgelegd. Voor de emissie van broeikas-

wagen is 155,2 g/km en van een dieselwagen

gassen heeft Europa enkel een vrijwillig akkoord

153,8 g/km. De gemiddelde CO2-uitstoot van per-

gesloten met de constructeurs.

sonenwagens ligt in Vlaanderen zo’n 9 g/km hoger dan in Wallonië. De hogere CO2-uitstoot in Vlaanderen valt te verklaren door krachtiger en zwaardere auto’s. De cilinderinhoud, het CO2-verbruik en de voertuigmassa zijn in sterke mate gecorreleerd.

Tabel 50: evolutie gemiddeld verbruik en CO2-uitstoot van het personenwagenpark in België

verbruik (l/100 km)

CO2-uitstoot (g/km)

1995

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

benzine

8,4

7,7

7,6

7,5

7,3

7,2

7,2

7

6,9

diesel

6,8

6

6

5,9

5,8

5,7

5,7

5,7

5,7

benzine

199

182

180

178

173

171

171

166

164

diesel

180

159

159

156

154

151

151

151

151

Bron: FEBIAC; FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie; eigen verwerking

In een vrijwillig akkoord dat ACEA (Europese autofabrikanten) met de Europese Commissie aanging, werd een CO2-streefcijfer vooropgesteld van 140 g/ km voor het gemiddelde van nieuwe auto’s in 2008 verkocht in de EU. De afgelopen jaren werd de ge82 Bron: Vanderschaeghe e.a., 2008 en Sergeant e.a., 2008. 83 VAB, 2008.

— 102


middelde nieuw verkochte personenwagen echter

Vrachtwagenpark

systematisch zwaarder en krachtiger. Dit heeft

We verwijzen naar hoofdstuk 3 voor de bespre-

tot gevolg dat het verbruik en de CO2-uitstoot van

king van het Vlaamse vrachtwagenpark volgens

wagens minder snel daalde dan aanvankelijk voor-

Euronorm. Voor de CO2-uitstoot van vrachtwagens

opgesteld. De introductie van niet-conventionele

zijn momenteel geen statistieken voor België en

milieuvriendelijke aandrijvingen zoals LPG, aardgas

Vlaanderen beschikbaar.

en elektriciteit komt in Vlaanderen nauwelijks van de grond. In de periode 2002–2006 is de gemid-

Om de verschoning van het voertuigenpark te

delde CO2-emissie van nieuw verkochte personen-

versnellen heeft de Vlaamse overheid een ecologie-

wagens in België dan ook slechts met 4% gedaald.

premie in het leven geroepen. De ecologiepremie voor vrachtwagens kent echter een beperkt succes:

De Vlaamse overheid heeft voor de algemene

er werden slechts een beperkt aantal vrachtwagens

milieukwaliteit van de voertuigen een samenvat-

aangekocht die voldeden aan Euro5 en er werden

tende indicator ‘ecoscore’84 ontwikkeld. Omdat

enkele roetfilters geplaatst op voertuigen die reeds

voertuigen algemeen genomen milieuvriendelijker

in roulatie waren. Voor 2009 zijn tot en met maart

worden, is de ecoscore van voertuigen de afgelo-

4 dossiers of in totaal 9 roetfilters gesubsidieerd

pen jaren geleidelijk gestegen. Niettemin nam de

via de ecologiepremie. Ter vergelijking: in Neder-

gemiddelde ecoscore van nieuw verkochte wagens

land werden al meer dan 23.000 roetfilters ge-

in Vlaanderen af tussen 2006 en 2007, ondanks

plaatst op oudere, vervuilende vrachtwagens.

de toename van het aantal wagens uitgerust met roetfilter. De gemiddelde ecoscore van dieselwa-

De ondersteuning van de Vlaamse overheid

gens is in 2007 49, terwijl deze van benzinewagens

heeft nagenoeg geen effect, zodat slechts een

56 bedraagt. In Vlaanderen is de ecoscore van een

normale instroom aan Euro5 wordt vastgesteld.

personenwagen gemiddeld lager dan in Wallonië

De sector geeft aan dat de wedstrijdformule, de

(52 versus 54).

administratieve lasten en de te beperkte financiële ondersteuning maken dat bedrijven geen interesse hebben voor de aanvraag van de ecologiepremie. Bovendien werd de financiële ondersteuning voor

De milieuwinst door het personenwagenpark is minder groot dan verwacht

aankoop van Euro5 al in oktober 2008 gestopt. In onze buurlanden is de ondersteuning hoger en nog steeds beschikbaar. Hierdoor blijkt het voertuigenpark in Vlaanderen minder snel te verschonen dan onze buurregio’s.

Door de verdieselijking van het wagenpark en doordat de CO2-uitstoot van wagens slechts vertraagd daalt, is de milieuwinst in Vlaanderen

Tabel 51: aantal dossiers aangevraagd via de ecologiepremie (2008–2009)

de afgelopen 10 jaar minder groot dan verwacht. aantal dossiers

Bovendien hebben de Belgische en Vlaamse

2008

overheden slechts in beperkte mate financieel sturende initiatieven genomen om het voertui-

2009

elektrisch aangedreven vaartuig of voertuig met vier wielen of meer

8

1

genpark versneld te verschonen. Hierdoor scoort Vlaanderen wat betreft de milieuprestaties van het

voertuig op biobrandstof (ethanol 95 percent)

0

0

hybride aangedreven vaartuig of voertuig met vier wielen of meer

0

2

voertuig op aardgas

0

2

109

4

4

0

personenwagenpark niet goed.

Euro5 motor voor zware voertuigen roetfilter voor bestaande zware voertuigen met euro 1, 2 of 3 motor Bron: Vlaamse overheid (LNE, maart 2009)

84 De ecoscore laat toe om de milieuprestaties van een voertuig in te schatten door rekening te houden met de belangrijkste milieu-impacten die het voertuig veroorzaakt. Aan elk voertuig kan een ecoscore toegekend worden tussen 0 en 100. Hoe dichter een voertuig bij 100 komt, hoe milieuvriendelijker (www.ecoscore.be).

— 103


De Lijn

Spoor

Nieuwe voertuigen die De Lijn aankoopt, dienen

Door de elektrificatie en de modernisering van

te voldoen aan Euro5-norm. De reeds aange-

de dieselmotorwagens en de diesellocomotieven

kochte bussen worden alle tegen 2010 uitgerust

werd een belangrijke vermindering van de emis-

met filters (behalve Euro2, die versneld worden

sies bereikt. In 2007 werden 93% van de trein-

vervangen).

kilometers voor personenvervoer en 77% van de

Daarnaast worden ook proefprojecten opgezet

treinkilometers voor goederenvervoer elektrisch

met alternatieve aandrijvingen. In 2008 bestelde

aangedreven. In 1980 waren deze percentages

De Lijn 35 hybride bussen, die in Gent, Leuven en

respectievelijk 64% en 36%. De vervanging van

Brugge zullen rijden. In 2009 werd een extra be-

dieseltractie door elektrische tractie is de laatste

stelling geplaatst van 44 hybride bussen, die tegen

5 jaar nagenoeg stabiel gebleven en zal ook in

2010 ingezet zullen worden in Leuven, Antwerpen

de komende jaren niet beduidend wijzigen.85 Het

en Hasselt.

aandeel van de oude diesellocomotieven blijft wel

Het project met een lijnbus op waterstof werd

verder afnemen, waardoor ook de uitlaatemissies

in 2007 begonnen in Antwerpen en sinds mei

verder zullen dalen.

2008 ook in Leuven. Verder koopt De Lijn groene elektriciteit aan. Het proefproject met plantaardige olie is naar aanleiding van de controverse over de duurzaamheid van biobrandstoffen stopgezet. De Lijn investeert bovendien in opleidingen ecodriving voor haar buschauffeurs.

85 Op sommige delen van het spoornet zoals in havengebieden is op korte termijn geen verdere elektrificatie mogelijk.

— 104


Figuur 44: energie-efficiëntie van vervoermodi (kWh/perskm) – personenvervoer 1

100%

0,9

90%

0,8

80%

0,7

70%

0,61

0,6

0,53

0,5

0,43 0,37

0,4 0,3

2007

CO2 (g/tonkm) goederenvervoer

PM (kg) personen en goederen

CO2 (g/rzgkm) personenvervoer

CH (kg) personen en goederen

NOX (kg) personen en goederen

CO (kg) personen en goederen

familiewagen

2006

HST

2005

0,08

motorfiets

0,0 1990

0,06

dieseltrein

0,1

0,19

0,13

electrische trein

10%

0,09

piekuurtrein

0,2

metro

20%

0,25 0,18

tram

30%

stadsbus

40%

0,32

reisbus

50%

stadswagen

60%

0%

0,95

stedelijk

terreinwagen

110%

vliegtuig

Figuur 43: evolutie van emissies van goederen- en reizigersverkeer over het spoor in België

lange afstand

Bron: MIRA-T, 2007

Bron: NMBS, milieurapport 2007; eigen verwerking

Binnenvaart

Bij goederenvervoer blijkt een vrachtwagen on-

Ook voor binnenvaart worden via Europese nor-

geveer twee tot drie keer minder milieuefficiënt

mering van brandstoffen en CCR-normering voor

te zijn dan vervoer via spoor of binnenvaart. Ook

vaartuigen limieten opgesteld voor wat betreft

hier geldt dat cijfers voorzichtig geïnterpreteerd

vervuilende emissies.

moeten worden, gezien ze gebaseerd zijn op ver-

In 2007 werd het Vlaams impulsprogramma voor

onderstellingen qua belading, type motoren, type

emissiearme motoren voor binnenvaartschepen

traject, enz.

opgestart. In totaal werden 95 aanvraagformulieFiguur 45: energie-efficiëntie van vervoermodi (kWh/tonkm) – goederenvervoer

ren ontvangen, waarvan 75 in aanmerking komen voor subsidie. Momenteel worden deze subsidiedossiers uitbetaald. Recent is ook het ‘3E Convenant voor een milieuvriendelijke binnenvaart’ opgestart. Vergelijking energie-efficiëntie van transportmodi In het personenvervoer zijn wandelen en fietsen het milieuvriendelijkst. Uit berekeningen opgemaakt voor MIRA-T blijkt dat ook de elektrisch aangedreven voertuigen zoals tram, metro en trein vrij goed scoren als we kijken naar energie-efficiëntie. Deze modi doen het een factor 6 tot 10 beter dan de per-

2,6 2,4 2,2 2,0 1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2 0,0

2,51

0,27 0,11

0,13

0,15

elektrische trein

dieseltrein

binnenschip

vrachtwagen

Bron: MIRA-T, 2007

sonenwagen. Een stadsbus presteert twee tot drie keer beter dan een personenwagen. Wat betreft

Hoewel bovenstaande cijfers zeker met de nodige

personenwagens is er een opmerkelijk verschil in

voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden,

energieverbruik naargelang het type wagen.

kunnen we niettemin stellen dat bij het terug-

Deze cijfers moeten voorzichtig geïnterpreteerd

dringen van de milieu-effecten van transport een

worden, omdat ze opgemaakt zijn op basis van

modal shift naar alternatieven voor het gemotori-

bepaalde veronderstellingen qua bezetting, type

seerd wegverkeer belangrijke winst kan opleveren.

traject, enz.

— 105

vliegtuig


— 106


7

AANBEVELINGEN VOOR HET MOBILITEITSBELEID

— 107


7.1

MONITORING ALS BASIS VOOR HET MOBILITEITSBELEID

In de voorgaande hoofdstukken heeft de MORA, zoals decretaal opgedragen, een analyse gemaakt van de mobiliteitsproblematiek op middellange en lange termijn. Dit deel geeft een beschouwing over concrete thema’s die de Mobiliteitsraad de voorbije werkingsjaren uitgebreid heeft besproken en waarover een ruime consensus is gegroeid. Aangezien het MORA-rapport wordt uitgebracht bij de prille aanvang van een nieuwe legislatuur vormen de mobiliteitsdoelstellingen van Pact 2020, om tegen 2020 over een van de performantste verkeers- en vervoerssysteem te beschikken, de krijtlijnen van de aanbevelingen. Het draagvlak dat de MORA hierover bereikte, zal zeker bijdragen tot de verwezenlijking van deze ambitieuze doelstellingen.

— 108


Ondanks het belang van mobiliteit voor ons maat-

Voor het verkeersveiligheidsbeleid:

schappelijk functioneren, heeft de MORA bij de

p Indicatoren voor het verkeersveiligheidsplan.

opmaak van zijn rapport vastgesteld dat er, zeker

p De effecten van de weggewerkte gevaarlijke punten op de verkeersveiligheid.

in vergelijking met het buitenland, een duidelijk gebrek is aan relevante gegevens voor het Vlaamse mobiliteitsbeleid. De bestaande gegevens zijn erg

Voor het ruimtelijk inpassen van het mobiliteits-

versnipperd, vaak onvolledig en bijna nooit regi-

beleid:

onaal. Ook met identieke bronnen zijn de cijfers

p De locatie van grootschalige winkel- en recreatiegebieden en de impact op mobiliteit.

dikwijls niet eenduidig. Dit maakt een analyse van

p Evoluties in woon- en werk-/schoollocatie en

het mobiliteitsveld moeilijk. De beleidsondersteu-

mobiliteitseffecten.

nende studies worden zeer vaak op ad hoc basis

p Nieuw ontwikkelde kantorenzones en de impact

aangevat, wat systematische vergelijkingen in de

op mobiliteit.

tijd moeilijk of onmogelijk maakt.

p Ontwikkeling van bedrijventerreinen en logistieke centra en de mobiliteitseffecten.

Hieronder wil de MORA in een niet-exhaustieve lijst aangeven welke data ontbreken als goede regio-

De Mobiliteitsraad wil op basis van zijn bevindin-

nale onderbouwing van het mobiliteitsbeleid.

gen samen met de minister en de belangrijkste Voor het personenvervoer:

actoren in het veld afspraken maken over een

p Actuele gegevens met betrekking tot het ver-

uniforme lijst van cijfers en indicatoren die het mobiliteitsbeleid structureel kunnen onderbouwen.

plaatsingsgedrag. p Uniforme cijfers over wegcapaciteit, bereikbaarheid, files. p Een bereikbaarheidsmonitor, met de gemiddelde reistijd voor alle modi, binnen en buiten de spits, op punten die cruciaal zijn voor de Vlaamse economie, zoals de economische centra en poorten. p Oorsprong en bestemmingsgegevens van het openbaar vervoer. p Capaciteit en performantiegegevens van het stedelijk en regionaal vervoer. p Accurate gegevens met betrekking tot de fietsinfrastructuur. p Gerichte informatie over het gebruik van bedrijfswagens. Voor het goederenvervoerbeleid: p Specifiek voor het wegvervoer en het spoor is er nood aan algemene en gedetailleerde cijfers voor het Vlaamse grondgebied. Voor de binnenvaart bestaan wel Vlaamse cijfers, maar een belangrijk aantal gegevens worden per waterwegbeheerder gepubliceerd en niet voor het hele grondgebied. Specifieke kenmerken en performantie van het goederenvervoer (beladingsgraad, trajectsnelheden, corridorgegevens, multimodaal vervoer, …) ontbreken, net als een duidelijk beeld van de grootte, samenstelling en modal split van de goederenstromen van en naar de Vlaamse zeehavens.

— 109


7.2

AFSTEMMING TUSSEN MOBILITEIT EN RUIMTELIJKE ORDENING

De MORA dringt aan op een afstemming van het mobiliteitsbeleid met het ruimtelijk ordeningsbeleid en op een gericht locatiebeleid. In het advies over het mobiliteitsdecreet heeft de MORA reeds gewezen op het gevaar van een verdere verkokering van de verschillende beleidsdomeinen zoals Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit. De krachtlijnen van een nieuw Mobiliteitsplan Vlaanderen zullen niet alleen afgestemd moeten worden met alle agentschappen en departementen binnen het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, maar ook met andere betrokken beleidsdomeinen. Dit kan enkel door een nieuwe beleidscultuur, gericht op verticale en horizontale integratie. Om de congestie- en bereikbaarheidsproblemen efficiënt aan te pakken is locatiebeleid cruciaal: het afstemmen van woon- en werkplaatsen, het multifunctioneel gebruik van gebouwen en de mix van activiteiten. Hiervoor is een grondige afstemming tussen de beleidsdomeinen Mobiliteit en Ruimtelijke Ordening nodig. Het doen aansluiten van projectontwikkelingen op een hoogwaardig multimodaalvervoersnetwerk is essentieel. Aangezien de steden nog steeds werkgelegenheidspolen zijn, moet ook het aantrekkelijk maken van stedelijk wonen sterk ondersteund worden.

— 110


7.3

INTEGRAAL VERVOERSYSTEEM VOLGENS COMODALITEIT

een economisch, sociaal, ecologisch en logistiek oogpunt moet steeds de meest optimale modus worden ingezet. Ook verkeersveiligheidsaspecten en efficiënt ruimtegebruik moeten afgewogen worden bij de moduskeuze. Deze comodaliteit is in het Pact 2020 opgenomen als het basisprincipe om een performant verkeers- en vervoerssysteem te verwezenlijken. De MORA vraagt de regering

Het mobiliteitsbeleid moet een integrale benade-

om haar mobiliteitsbeleid te ontwikkelen volgens

ring ontwikkelen, met het oog op een hiërarchisch

het principe van comodaliteit ondersteund door

systeem van knooppunten, waarbij de verschil-

een modal shift. Deze modal shift is nodig om de

lende aangesloten vervoersmodi niet afzonderlijk

verkeersstromen over de weg vlot te krijgen en zo

maar als onderdeel van het totale mobiliteits-

het transportsysteem in balans te krijgen.

systeem worden beschouwd. Comodaliteit houdt voor de MORA in dat er een

7.3.1

Naar comodaliteit in het goederenvervoer

evenwichtiger, alomvattend goederenvervoerbeleid gevoerd moet worden over alle modi heen,

Het goederenvervoer heeft de laatste jaren ook in

rekening houdend met de vervoerskenmerken (zo-

Vlaanderen een sterke groei gekend. Bovendien is

als beperkte markt voor alternatieve modi op korte

de verdeling over de vervoersmodi de laatste vijf

afstand, geschiktheid van goederen voor vervoer

jaar ongewijzigd gebleven. De MORA besluit hieruit

via een bepaalde modus, noodzaak voor bundeling

dat het Europese, Belgische en Vlaamse beleid

van vervoersstromen voor spoor en binnenvaart,

de doelstelling van een modale verschuiving naar

verhogen van milieuefficiëntie voor alle modi).

duurzame vervoersmodi nog niet bereikt heeft. De MORA erkent wel dat de alternatieve modi een

Bij het uitwerken van de beleidsmaatregelen moet

voldoende groei hebben gekend, die hen in staat

rekening gehouden worden met dit principe van

stelde om hun marktaandeel te behouden.

comodaliteit. Naast eerlijke beprijzing, performant infrastructuurbeleid voor alle modi en een gericht

Volgens prognoses zal het vervoer van zowel

locatiebeleid zijn specifiek voor het goederen-

goederen als personen blijven toenemen, welis-

vervoer ook onderstaande maatregelen van belang

waar met een verminderde groei. Zo verwacht het

voor de MORA:

Federaal Planbureau volgens het referentiesce-

p Promotie van de alternatieve modi om de gebruikers in staat te stellen de meest geschikte

nario een groei van 30% van het aantal reizigers-

modus te kiezen voor hun transport.

kilometers en 60% van het aantal tonkilometers tussen 2005 en 2030. Deze verwachte toename

p Het wegwerken van modusinterne knelpunten,

van het goederen- en personenvervoer zal zich

zoals het verhogen van de beladingsgraad in het

uiten in toenemende verkeersstromen, waardoor

wegvervoer, het uitbreiden van de bedienings-

de verschillende verkeersnetwerken capaciteits-

tijden voor de binnenvaart waar nodig tot

problemen zullen kennen. Om de economische

24h/24h – 7d/7d, het verbeteren van de dienst-

groei niet te belemmeren moeten deze capaciteits-

verlening en de betrouwbaarheid van het spoor-

problemen opgevangen worden. Mobiliteit moet

vervoer. De MORA vraagt de Vlaamse Regering

een goed functionerende economie ondersteunen

om hiervoor een flankerend beleid uit te werken.

en mag hiervoor geen beperkende factor zijn. De van het goederenvervoer op te vangen binnen een

7.3.2 Beprijzing van het goederenvervoer86

duurzaam kader.

Binnen het principe van comodaliteit vraagt de

MORA pleit er daarom voor om de verwachte groei

MORA een eerlijke beprijzing van alle vervoersOm deze groei op te vangen moet het beleid inzet-

modi van het goederenvervoer. De MORA vraagt

ten op alle modi. De drie belangrijkste modi (weg,

de Vlaamse Regering om een nieuw systeem te

spoor en binnenvaart) moeten kansen krijgen

ontwikkelen voor de variabilisering van verkeers-

op de voor hen meest geschikte markten. Vanuit

gerelateerde belastingen.

86 MORA, 2009, Advies over standpunt van de Vlaamse Regering tot invoering van een kilometerheffing, 30 maart 2009.

— 111


Voor goederenvervoer over de weg pleit de Mobili-

de externe kosten voor alle modi). De subsidies

teitsraad voor de invoering van een kilometerhef-

mogen ingezet worden om trafieken efficiënter te

fing voor vrachtwagens vanaf 3,5 ton tegen 2012.

maken en op de meest geschikte modus in het ka-

Deze kilometerheffing moet de gebruikers/vervui-

der van comodaliteit te zetten, maar mogen geen

lers aanzetten tot een grotere responsabilisering.

trafieken tegen de markt in leefbaar houden.

De MORA vindt de kilometerheffing een geschikt seren en om dit doel te bereiken. Een andere reden

7.3.3 Comodaliteit in het personenvervoer

om een systeem van kilometerheffing op te zetten

De Vlaamse Regering moet er op toezien dat de

zijn de internationale ontwikkelingen op dat vlak,

verschillende vervoersmodi voor het personenver-

waarbij Vlaanderen moeilijk kan achterblijven.

voer op de meest duurzame wijze in één vervoers-

instrument om bestaande belastingen te variabili-

systeem worden ingeschakeld. Uit het rapport Dit systeem van kilometerheffing mag niet van

blijkt dat het ontbreken van een kwalitatief voor-

toepassing zijn op alle Vlaamse wegen, maar

en natransport vaak het cruciaal argument is om

enkel op een aangepast Eurovignetwegennetwerk.

collectief vervoer niet als volwaardig alternatief

Voor de MORA bestaat de kilometerheffing uit

voor de auto te zien. Één zwakke schakel, is een

een infrastructuurheffing, waarin ook luchtvervui-

zwakke keten.

lende emissies en geluid opgenomen mogen zijn. De luchtvervuilende emissies en geluid kunnen

Het huidige wegennet is onvoldoende gestructu-

enkel doorgerekend worden zodra de Europese

reerd. Lokaal en bovenlokaal zit verweven. Het

wetgeving dit toestaat. Belangrijk voor de MORA

wegennet laat onvoldoende scheiding toe van een

is dat de kilometerheffing gekaderd is in een ruim

verschillend type stromingen (verbinden, verzame-

mobiliteitsbeleid.

len, toegang geven).

Bij dit systeem van kilometerheffing formuleert

De MORA dringt aan op:

de MORA strikte randvoorwaarden wat betreft

p De verdere realisatie van vraaggericht aanbod

hoogte, samenstelling en variatiemogelijkheden

collectief vervoer.

voor de tarieven. De MORA dringt erop aan om de

p Het optimaal benutten van capaciteit van trein,

opbrengsten van het systeem aan te wenden voor

tram en bus in functie van de vervoerstromen in

de optimalisering van het verkeerssysteem als

woon-werkverkeer.

geheel. De MORA vraagt om de eventuele netto-

p Het ontwikkelen van hoogwaardig voor- en

opbrengsten te gebruiken voor investeringen in

natransport per fiets, taxi, bedrijfsvervoer,

mobiliteit en infrastructuur voor alle vervoers-

deelauto, etc.

modi, zowel voor personen- als goederenvervoer.

p Het verder promoten van carpoolen.

Samenwerking is een andere belangrijke topic.

p Het investeren in fietsbeleid voor verplaatsingen

De MORA gaat ervan uit dat er in België slechts

op korte afstanden en als voor- en natransport

één systeem met eenzelfde tariefstructuur wordt

(aansluiten op andere modi).

ingevoerd. Hiervoor is een samenwerkingsover-

p Het voldoende uitwerken van het parkeerbeleid,

eenkomst met de andere gewesten noodzakelijk.

ook in woon-werk situatie.

Ook ziet de MORA kansen in een samenwerking in

p Doorstromingsmaatregelen voor iedere modus

Benelux-verband en met zoveel mogelijk andere

(groene golf, busbanen, dynamische snelheids-

landen.

regimes, toeritdosering). p Het verder multimodaal ontwikkelen van de

De MORA is voorstander van een eerlijke beprij-

stationsomgevingen op een kwalitatieve manier.

zing van alle goederenvervoermodi. Dit sluit een subsidiebeleid echter niet uit. Deze subsidies moeten voor de MORA aan een aantal voorwaarden voldoen: de doelstellingen moeten duidelijk afgelijnd zijn, de subsidies moeten steeds bekeken worden in een intermodaal kader en moeten beperkt zijn in tijd (in afwachting van de internalisering van

— 112


— 113


NAAR EEN PERFORMANT INVESTERINGSBELEID VOOR MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN

7.4

7.4.1

Een nieuw beleidsproces voor infrastructuurinvesteringen voor alle modi

De investeringen in verkeers- en vervoerssystemen moeten beleidsmatig worden ondersteund door een sociaal-economische evaluatie. Een verhoogde transparantie en een nauwere betrokkenheid van de stakeholders zal een kwalitatieve besluitvor-

In het Vlaams Regeerakkoord 2004–2009 heeft de

ming in de hand werken.

Vlaamse Regering zichzelf voor het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken een investerings-

De MORA pleit ervoor dat in uitvoering van het

programma met een hoog ambitieniveau opgelegd:

Pact 2020 jaarlijks door de Vlaamse Regering

p Het realiseren van de missing links in het

wordt gerapporteerd over de geplande uitvoering

wegen-, waterwegen- en spoorwegnet zoals

van het infrastructuurbeleid voor de wegeninfra-

voorzien in het mobiliteitsplan Vlaanderen.

structuur (inclusief fietspaden), de binnenvaartinfrastructuur, de openbaar vervoerinfrastructuur en

p Het verhogen van de verkeersveiligheid door infrastructuuringrepen, het verder wegwer-

de spoorinvesteringen.

ken van de gevaarlijke punten, de aanleg van

De voorgelegde uitvoeringsprogramma’s voor

schoolomgevingen en investeringen in onbe-

infrastructuurinvesteringen worden budgettair

mande camera’s.

onderbouwd en zijn begeleid van een maatschappelijke kosten baten analyse, waarvoor op termijn

p Een inhaaloperatie voor de aanleg van veilige

best een gestandaardiseerde methodiek wordt

fietspaden.

uitgewerkt. Dergelijk proces moet de uitvoering

p Een betere doorstroming van het openbaar

van de infrastructuurprojecten versnellen.

vervoer, de ontwikkeling van de voorstedelijke vervoersnetten rond Antwerpen, Gent en Brus-

werken die essentieel zijn voor de ontwikke-

7.4.2 De doorlooptijd van infrastructuurprojecten minimaliseren

ling van Vlaanderen zoals de IJzeren Rijn, het

De planning en uitvoering van belangrijke infra-

diabolo–project en Gewestelijke Expresnetten.

structuurprojecten is zeer complex en verloopt

sel en de uitvoering van het Spartacusconcept. p Wegen op de realisatie van de infrastructuur-

mede daardoor vaak moeizaam en traag. DaarenDe MORA stelt vast dat vele van deze investerings-

boven is het proces dat infrastructuurprojecten

projecten nog niet gerealiseerd zijn.

moeten doorlopen, niet transparant noch eenduidig.

Indien er – zoals in Pact 2020 wordt vooropgesteld –

De MORA pleit daarom voor de oprichting van

tegen 2020 een verkeers- en vervoerssysteem

een specifieke taskforce die binnen het jaar aan

moet komen dat tot de performantste van Europa

de Mobiliteitsraad oplossingen voorstelt voor de

behoort, vindt de MORA dat er dringend werk

versnelling van infrastructuurprojecten. Hiervoor

gemaakt moet worden van een performant investe-

verwijst de MORA naar de werkzaamheden van de

ringsbeleid voor Mobiliteit en Openbare Werken.

Commissie Versnelling Besluitvorming Infrastructurele Projecten in Nederland die in 2008 geleid

De MORA vindt dat de Vlaamse Regering hiervoor

hebben tot het advies “Sneller en beter” en dat

moet werken op 4 assen:

door de Nederlandse Regering doorvertaald werd

p Een modern beleidsproces voor infrastructuur-

naar het Actieplan Sneller en Beter.

investeringen. p Een kortere doorlooptijd van infrastructuurprojecten. p Het effectief realiseren van investeringen in het vervoersnetwerk. p De inzet van dynamisch verkeersmanagement.

7.4.3 Engagementen voor investeringen in het brede vervoersnetwerk effectief realiseren Momenteel situeert de congestieproblematiek zich voornamelijk op het wegennet. De ambitie om tijdens de legislatuur 2004–2009 één derde van

— 114


de missing links weg te werken is niet gehaald87. De

7.4.4 Dynamisch verkeersmanagement

MORA dringt aan dat de nieuwe Vlaamse Regering

Naast het optimaliseren van het infrastructuur-

hiervoor een inhaaloperatie doet en dringt aan op

netwerk via een aanbodsgerichte aanpak (bijv. de

de effectieve realisatie van tweederde van de mis-

realisatie van missing links), zal het succes van een

sing links tegen 2014.

performant verkeers- en vervoersysteem ook mee bepaald worden door een zo optimaal mogelijke

Deze ambitie kan pas worden waargemaakt als de

benutting van het netwerk. In de doelstellingen van

projecten waarvoor financiering via PPS-formules

Pact 2020 wordt hiervoor het dynamisch beheer

wordt voorzien effectief worden gerealiseerd

van de vervoersstromen als prioriteit gesteld.

(daarbij moet rekening gehouden worden met een beschikbaarheidsvergoeding van 66 miljoen euro

Vlaanderen hinkt op het vlak van dynamisch

per jaar, indien op kruissnelheid) en tegelijk meer

verkeersmanagement (DVM) achterop. Daarom zet

middelen worden voorzien voor de uitvoering

het beleid sinds enige tijd meer en meer in op de

van de overige missing link projecten. Het huidig

toepassing van dynamisch verkeersbeheer op het

investeringsbudget a rato van ca. 150 miljoen euro

wegennet. De beleidsinspanningen om in Vlaande-

per jaar is hiervoor onvoldoende.

ren op het vlak van dynamisch verkeersmanagement een inhaalbeweging te realiseren kunnen

Ook de andere engagementen uit het Vlaams Re-

alleen maar worden aangemoedigd maar moeten

geerakkoord 2004–2009 moeten zo snel mogelijk

nog worden geïntensifieerd.

geconcretiseerd worden: Recente ontwikkelingen op het vlak van ICT maken p De realisatie van tweederde van het bovenlokaal

dat dynamisch verkeersmanagement steeds meer

functioneel fietsroutenetwerk (BFF) tegen 2014

mogelijkheden biedt om zowel naar congestiebe-

(eind mei 2009 was slechts 23% van het BFF

strijding, verkeersveiligheid als leefbaarheid een

aangelegd).

bijdrage te leveren. Het inzetten van dynamisch snelheidsmanagement mag zich dan ook niet

p De realisatie van een performant netwerk openbaar vervoer, dat aangesloten is op weg-

beperken tot de aanpak van congestie op het snel-

en spoorvervoer, de in het beheerscontract

wegennet alleen.

aangegane verbintenissen rond doorstroming en De MORA vraagt het verkeersnetwerk integraal

verkeerslichtenbeïnvloeding.

te benaderen met afstemming tussen hoofd- en

p De realisatie van de prioritaire infrastructuurwerken voor de binnenvaart zoals geformuleerd

onderliggend wegennet én met andere vervoers-

in het Mobiliteitsplan Vlaanderen.

modi. De MORA pleit ook voor de inzet van DVM met het oog op verkeersveiligheid en leefbaarheid.

p De realisatie van de tweede spoortoegang tot de haven van Antwerpen, de IJzeren Rijn en de

Dit betekent dus dat uitgegaan moet worden van

Vlaamse infrastructuurprojecten die gedefini-

een netwerkaanpak met aandacht voor:

eerd worden in het investeringsplan 2008–2012 p Doorstroming op het hoofdwegennetwerk via

van de NMBS-groep met bijzondere aandacht voor de projecten die in het kader van de pre-

snelheidsmanagement en routegeleiding.

financiering door het Vlaams Gewest werden

p Doorstromingsmanagement op het onderlig-

vooropgesteld (Liefkenshoekspoorverbinding,

gend wegennetwerk via verkeersafhankelijke

modernisering spoorinfrastructuur haven van

verkeerslichtenbeïnvloeding.

Zeebrugge). De MORA beseft dat dit budgettaire consequenties heeft, maar verwijst hier graag naar het draagvlak in het advies over de kilometerheffing om de eventuele meerinkomsten afkomstig van de invoering van de kilometerheffing in te zetten voor de investeringen in het Vlaamse Vervoerssysteem.

87 Het ambitieniveau is niet gehaald wanneer de realisatie van een missing link wordt gedefinieerd als het volledig gebruiksklaar zijn van de infrastructuur. Tot op heden zijn 2 van de 27 geselecteerde missing links effectief gebruiksklaar.

— 115


7.5

PERSONENVERVOER MET DE FOCUS OP WOON-WERKVERKEER

p De uitvoering van het plan Stationsomgevingen voor 2014, waarbij bijzondere aandacht moet gaan naar de multimodale ontsluiting en voldoende ruimte voor economische ontwikkeling. p Het actiever opnemen van de centrale rol als mobiliteitsmanager die De Lijn in het decreet van 2001 kreeg, in samenwerking met de wegbeheerder en met de NMBS. Totnogtoe wordt die rol te weinig waargemaakt voor het woon-

Het Mobiliteitsrapport geeft duidelijk aan dat het

werkverkeer.

huidige woon-werkverkeer onvoldoende duurzaam

p Het oprichten van een aanspreekpunt in elke

verloopt. Daarom wenst de MORA dat de nieuwe Vlaamse Regering in haar mobiliteitsbeleid meer

provincie waar op een pro-actieve wijze mobi-

focust op het woon-werkverkeer. De afspraken in

liteitsmanagement wordt aangeboden aan be-

het Pact 2020 om in het woon-werkverkeer het

drijven of groepen van bedrijven. Een evaluatie

aantal per auto afgelegde kilometer per persoon

geeft aan of Slimweg hiervoor in aanmerking komt.

drastisch te verlagen en 40% van de woon-werkverplaatsingen door collectief vervoer of te voet

p Het verder promoten en faciliteren van carpoolen.

of per fiets te laten verlopen wil de MORA hiervoor als leidraad nemen.

Uit de praktijk blijkt dat een bedrijfsvervoerplan een effectief instrument kan zijn om een verduur-

Het rapport geeft een duidelijk inzicht in de struc-

zaming van de woon-werkstromen te realiseren.

turele files. De knelpuntlocaties zijn dus duidelijk

In het licht van de doelstelling van het Pact 2020

gekend. Daarom pleit de MORA voor een gebieds-

om in het woon-werkverkeer naar een modal

gerichte aanpak van het Vlaams pendelbeleid. Op

split te gaan van 60% personenwagens en 40%

zijn minst is een gerichte aanpak voor Antwerpen

alternatieve modi zijn o.a. maatregelen op het

en Brussel op zijn plaats. Dit kan onder meer door

ondernemingsniveau onontbeerlijk. Daarom vraagt

de integratie van de woon-werkmaatregelen in het

de MORA aan de Vlaamse Regering een kader uit

Masterplan en door de integratie van de realisa-

te werken dat stimulansen biedt aan bedrijven

tie van het Gewestelijk Expresnet in het Vlaamse

om kwaliteitsvolle bedrijfsvervoerplannen op te

mobiliteitsbeleid.

maken. De MORA stelt vast dat de Federale Diagnostiek er

Verder pleit de MORA voor:

tot nog toe onvoldoende in geslaagd is om aan de

p Een specifiek actieprogramma voor mensen die

hand van de geleverde informatie concrete resul-

op minder dan 5 km van hun werk wonen maar

taten te boeken. Bovendien wordt deze informatie

toch de auto gebruiken.

onvoldoende benut als opstap naar maatregelen

p Een locatiebeleid gericht op een maximale af-

inzake woon-werkverkeer.

stemming tussen woon- en werkplaatsen, zodat

De MORA vraagt dan ook dat de gegevens inzake

bij de ontwikkeling van nieuwe (grootschalige)

woon-werkverkeer optimaal worden aangeleverd,

bedrijventerreinen of kantorenzones de bereik-

geanalyseerd en beschikbaar worden gesteld aan

baarheid via duurzame verplaatsingswijzen op

de bedrijven die de informatie aanleveren.

voorhand wordt voorzien. p Het optimaal inzetten van capaciteit van trein, tram en bus in functie van de vervoerstromen in woon-werkverkeer en het ontwikkelen van hoogwaardig voor- en natransport per fiets, taxi, bedrijfsvervoer, deelauto. Hiervoor moeten performantiecriteria worden opgenomen in het beheerscontract van De Lijn en NMBS. p Het toegankelijk maken van alle collectieve vervoersmodi via een 1-ticketsysteem.

— 116


7.6

EEN BELEID GERICHT OP VERKEERSVEILIGHEID

7.6.1

Gericht beleid op risicogroepen en -factoren

Uit de beschikbare verkeersveiligheidsdata blijkt dat risicogroepen en –factoren duidelijk afgelijnd kunnen worden. De MORA vraagt dan ook een gericht doelgroepenbeleid te voeren volgens modus, type ongeval, leeftijd en gender. Hiervoor is volgens de MORA het Verkeersveiligheidsplan Vlaanderen het geschikte kader. Om de ambities

mance Indicators (SPI’s), maar met aanpassing aan

van het plan waar te maken moeten voldoende

de specifiek Vlaamse context.

financiële middelen worden ingebracht. De ingezette middelen moeten daarbij afgewogen worden

7.6.3 Betere afstemming tussen actoren

ten opzichte van de resultaten op het terrein. Om

Gezien de versnipperde bevoegdheidsverdeling

dit te kunnen doen zijn beleidsondersteunende in-

inzake verkeersveiligheid zijn duidelijke afspraken

dicatoren noodzakelijk. Naast algemene verkeers-

tussen de verschillende beleidsniveaus noodzake-

ongevallencijfers waarover we vandaag beschik-

lijk. Dit geldt ook specifiek voor de ontwikkeling

ken, dienen bijkomende prestatie-indicatoren en

en het beheer van indicatoren voor de opvolging

ongevallenanalyse ingezet te worden.

van het Verkeersveiligheidsplan Vlaanderen. De MORA vraagt de Vlaamse Regering duidelijk aan

7.6.2 Inzetten van beleidsondersteunende prestatie-indicatoren88

te duiden welke instantie instaat voor de selectie

De MORA pleit voor een efficiënte invulling van het

indicatoren.

en het aanleveren van de beleidsondersteunende

verkeersveiligheidsbeleid door een doelmatig monitoringbeleid. Dit vraagt een optimalisering van de beschikbare indicatoren en de integratie ervan in het beleidsproces. De recentste verkeersveiligheidsdata geven aan dat Vlaanderen na enkele mindere jaren opnieuw opmerkelijke vooruitgang boekt, waardoor de vooropgestelde doelstellingen in 2010 opnieuw haalbaar lijken. Het blijft echter erg onduidelijk of en in welke mate de maatregelen uit het Verkeersveiligheidsplan hiertoe bijgedragen hebben. De MORA vindt dan ook dat het Verkeersveiligheidsplan beter gemonitord en bijgestuurd moet worden op basis van beleidsondersteunende prestatieindicatoren en onderzoek. De geselecteerde indicatoren dienen voor de belangrijkste uitdagingen en maatregelendomeinen een evolutie weer te geven en moeten een internationale benchmark mogelijk maken. Hierbij kan men volgens de MORA vertrekken van de Europese lijst van zeven Safety Perfor88 Zie ook advies MORA van 9 november 2007.

— 117


7.7

DUURZAAM TRANSPORTBELEID

De transitie naar een duurzamer mobiliteit vereist evenwel de nodige middelen. Het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen, het Vlaams Klimaatbeleidsplan, het Actieplan Fijn Stof en het NEM-plan (Nationale Emissie Maxima) waren wat betreft transport ambitieus in doelstellingen, maar niet in de middelen om deze te bereiken. De investeringen in een efficiënter en milieuvriendelijk transport

7.7.1

Milieumaatregelen integraal opnemen in mobiliteitsbeleid

betalen zich maatschappelijk terug: minder files betekent minder emissies, minder verliesuren en

De eco-efficiëntie van de transportsector89 gaat

minder brandstofverbruik; efficiëntere voertui-

er sterk op vooruit. Vooral dankzij het Europees

gen zijn niet enkel milieuvriendelijker, maar ook

beleid inzake normering van voertuigen en brand-

energiezuiniger, waardoor de energiekosten dalen;

stoffen is er een ontkoppeling vastgesteld tussen

schonere voertuigen zullen leiden tot minder

het stijgende mobiliteitsvolume als gevolg van de

ziektekosten; etc.

economische groei enerzijds en de milieu-impact vervuilende emissies als fijnstof (PM) en NOX uit-

7.7.2 Versneld verschonen voertuigenpark

gestoten; per afgelegde vrachtwagenkilometer en

In Vlaanderen, met zijn hoge verkeersintensiteit in

personenkilometer wordt minder CO2 uitgestoten.

een dichte bebouwing, is een versnelde verscho-

Niettemin blijft de sector transport in belangrijke

ning van het voertuigenpark volgens de MORA een

mate verantwoordelijk voor vervuilende emissies

efficiënte maatregel om op korte en middellange

(met name fijn stof en NOX), broeikasgasemissies

termijn de emissies van verkeer te verminderen

(CO2) en verkeerslawaai. De milieudoelstellingen

en zo de luchtkwaliteit te verbeteren. De milieu-

voor deze stoffen worden in Vlaanderen niet

kenmerken van het voertuigenpark bepalen in

gehaald. Dit komt doordat de groei van mobiliteit

sterk mate de finale milieu-impact van de trans-

minder beheersbaar en de modal shift moeilijker

portsector. Europese normering is hierbij bepalend,

realiseerbaar bleek dan aanvankelijk gedacht,

maar toch kunnen andere overheden een snellere

maar ook omdat andere maatregelen niet het

verschoning van het wagenpark op hun grondge-

beoogde effect hadden, de implementatie ervan

bied stimuleren door bijkomende incentives.

anderzijds. In absolute termen worden minder

vertraging opliep of maatregelen niet werden De Mobiliteitsraad stelt vast dat het voertuigen-

uitgevoerd.

park in Vlaanderen de afgelopen jaren minder snel De MORA stelt vast dat een combinatie van de ver-

verschoonde dan in onze buurregio’s (Brussel,

schillende leefmilieuproblemen maakt dat inves-

Wallonië en Nederland). De MORA vraagt daarom

teren in een milieuperformanter transport zinvol

zowel maatregelen voor het bestaande wagenpark

is. Een coherent maatregelenpakket is vereist

als voor de nieuwe voertuigen.

opdat de verdere groei in mobiliteitsvraag toch gepaard kan gaan met een verdere daling van de

Specifiek voor fijn stof en NOX moeten dringend

milieu-impact. De MORA is ervan overtuigd dat een

maatregelen genomen worden om de Europese

dergelijke win-win enkel bekomen kan worden wan-

normen inzake luchtkwaliteit te kunnen halen.

neer de milieuaspecten integraal deel uitmaken

Daarom vraagt de MORA dat de Vlaamse Regering

van het transportbeleid. Aandachtspunten daarbij

samen met haar federale en gewestelijke collega’s

zijn volgens de MORA de afweging van maatschap-

met spoed een conherent beleid ontwikkelt dat

pelijke kosten en baten en de afstemming van

de consument stimuleert om bij aankoop van een

kortetermijninspanningen met langetermijndoel-

wagen, het type wagen beter af te stemmen op het

stellingen. In 2010 zal de Vlaamse Regering een

type gebruik. In een tweede fase moet er een be-

nieuw Mobiliteitsplan Vlaanderen goedkeuren. Dit

leid gevoerd worden dat differentieert op basis van

biedt de mogelijkheid om een nieuw kader voor

de milieukenmerken van het voertuig. Dit vereist

duurzame mobiliteit uit te werken.

voor personenwagens zowel een fiscale bijsturing

89 De transportsector in zijn geheel voor Vlaanderen: personenvervoer (weg en OV) en goederenvervoer (weg, spoor en binnenvaart).

— 118


als een communicatietraject om bedrijven en burgers te begeleiden in hun voertuigkeuze. Voor bedrijfsvoertuigen vanaf 3,5 ton moet een actieprogramma opgemaakt worden waarbij sneller dan de Europese verplichting de meest milieuperformante voertuigen worden aangekocht. Deze aanpak met het oog op een verbeterde luchtkwaliteit moet eveneens gekaderd worden in een langere termijnvisie rond verduurzaming waarbij een transitiepad moet uitgetekend worden voor niet-conventionele aandrijftechnieken zoals hybride wagens, elektrische voertuigen, etc. De MORA vindt bovendien dat de Vlaamse overheid het goede voorbeeld moet geven door zelf haar vloot systematisch te vergroenen. Alle overheidsdiensten in Vlaanderen moeten hun veel gebruikte, vervuilende voertuigen versneld uit roulatie nemen en bij aankoop van nieuwe voertuigen extra aandacht besteden aan milieukenmerken.

— 119


REFERENTIELIJST p Buck Consultants in samenwerking met VUB MOSI-T

p Agentschap Wegen en Verkeer (2000). De behoefteanalyse van AWV – Prioriteitenmanagement. Toelich-

en Randstad (2008). Logistieke Poort Vlaams-Brabant.

ting Vlaams Parlement 20 januari 2000. Brussel.

Zaventem. p C.E. Delft (2008) Handbook on estimation of external

p Agentschap Wegen en Verkeer (2003). Vademecum Voetgangersvoorzieningen - Administratie Wegen

costs in the transport sector version 1.1, Produced

en Verkeer (AWV) Afdeling Vekeerskunde Ministerie

within the study Internalisation Measures and Policies

Vlaamse Gemeenschap.

for All external Cost of Transport (IMPACT), European Commission.

p Agentschap Wegen en Verkeer (2006). Vademecum Fietsvoorzieningen – Administratie Wegen en Verkeer

p Commissie Versnelling Besluitvorming Infrastructurele

(AWV) Afdeling Vekeerskunde Ministerie Vlaamse

Projecten (Commissie Elverding) (2008). Sneller en

Gemeenschap.

beter. Advies van de Commissie. Ministerie van Verkeer

p Agentschap Wegen en Verkeer (2008). Beheersover-

en Waterstaat. Den Haag. p Cornelis E., Malchair A., Asperges T., Ramaekers K.,

eenkomst tussen de Vlaamse Regering en AWV 20082010. Brussel.

COCA COmpany Cars Analysis. Rapport final, Service

p Agentschap Wegen en Verkeer. Jaarverslagen. Brussel.

public fédéral, Mobilité et Transports. Politique, Poli-

p Agentschap Wegen en Verkeer. Verkeerstellingen. Ver-

tique scientifique federale, Brussel, april 2007.

keerstellingen in Vlaanderen 2007 en vorige. Afdeling

p Cornillie I., Macharis C., De drijvende krachten achter

Verkeerskunde. Brussel.

de evolutie van tonkilometers, 2005.

p Allaert G., Pisman A., van Acker V., Witlox F. (2008).

p De Brabander B., Vereeck L., De waardering van dode-

Leefstijlen en impact naar wonen en mobiliteit.- In:

lijke verkeersslachtoffers in Vlaanderen. Resultaten van

Duurzame mobiliteit Vlaanderen: de leefbare stad.

een contingente waardering in Vlaanderen, Onder-

Allaert, G. et al. (eds.) Zelzate, Nautilus, 2008, p. 229-

zoekslijn Handhaving en Beleid, Steunpunt Verkeers-

259.

veiligheid, Diepenbeek, 2007. p De Brabander B., Vereeck L., Verkeersongevallen in

p ASSESS – Assessment of the contribution of the TEN

België kosten jaarlijks 12.5 miljard, Verkeersspelicalist

and other transport policy measures to the midterm

122, november 2005.

implementation of the White Paper on the European Transport Policy for 2010 – final report, European Com-

p de Geus B. en Meeusen R., Waarom (niet) fietsen naar

mission, Transport & Mobility Leuven, 2005.

het werk, Fietsverkeer nr. 18, 2008.

p Belgisch Staatsblad. Besluit van de Vlaamse Regering

p De Scheepvaart, Waterwegen en Zeekanaal, 2009. In-

betreffende de basismobiliteit in het Vlaamse Gewest,

frastructuur Masterplan voor de Vlaamse waterwegen

29 november 2002.

horizon 2014, Willebroek, Hasselt, 69 p.

p BELSPO (2009). Professional Mobility and Company

p De Vlieger I., Cornelis.E., Schrooten L., Govaerts L.,

Car Ownership (PROMOCO – project). GRT,IMOB,MOSI.

Pelkmans L., Logghe S. Vanherle K., Vanhove F., De

Brussel.

Ceuster G., Macharis C., Festraets T., Pekin E., Turcksin

p Beuthe M., Jourquin B., Geerts J.–F., Ch. Koul à Ndjang’

L., Van Bladel K., de Jong M., Van Mierlo J., Matheys

Ha, Freight Transportation Demand Elasticities: a geo-

J. Timmermans J.-M., De Geest C., van Walsum E.,

graphic multimodal transportation network analysis,

Milieurapport Vlaanderen MIRA. Achtergronddocu-

Transportation Research – E, 37, pp. 253-266, 2001.

ment Sector Transport, Vlaamse Milieumaatschappij,

p BIAC. Brutrends 2005 – 2008. Brussel.

december 2007.

p BIVV, Evolutie van de verkeersveiligheid in Vlaanderen

p Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Evalu-

– Rapport Vlaams Gewest (2000-2006), Observatorium

atierapport Basismobiliteit - Basismobiliteit :De basis

voor de verkeersveiligheid, 2008.

voor een adequaat openbaar vervoernet in Vlaanderen.

p BIVV, Evolutie van de verkeersveiligheid in Vlaanderen

Juli 2008.

(2007), Observatorium voor de verkeersveiligheid,

p Desmedt B., Een bedreiging voor duurzame mobiliteit.

2009. (niet gepubliceerd).

Invloed van bedrijfswagens op verplaatsingen, Ver-

p Bourdeaud’hui R., Vanderhaeghe S., Technische nota. Is er een verband tussen de verplaatsingstijd van en naar

keersspecialist n° 133, december jaargang 2006. p Despontin M., Macharis, C. (eds.), Mobiliteit en (groot) stedenbeleid. 27ste Vlaams Wetenschappelijk Econo-

het werk en de werk-privé balans en werkstress van werknemers? SERV-STV Innovatie & Arbeid, Brussel, maart 2008.

misch Congres Brussel, VUBPress, 2006. p DGTP. ICT in Transport en Logistiek, KPMG Consulting NV, Rotterdam, januari 2000.

— 120


p Glorieux I., Debusscher M., De sociale effecten van

p Diagnostiek woon-werkverkeer van 30 juni 2005. Eindverslag, FOD Mobiliteit en Vervoer, Brussel, 2007.

basismobiliteit in niet-stedelijke gebieden. Onderzoeksgroep TOR, VUB, Brussel, 2008.

p Een creatief en solidair België, regeringsverklaring en regeerakkoord, Federale regering, 2003.

p Glorieux I., Koelet S., Mestdag I., Minnen J., Moens M.

p European Energy and transport – trends tot 2030 – up-

en Vandeweyer J., De 24 uur van Vlaanderen. Het da-

date 2007, European Commission, Directorate-General

gelijkse leven van minuut tot minuut, LannooCampus,

for Energy and Transport, 2008.

Leuven, 2006.

p Europese Commissie (2008) Naar 20-20 in 2020

p Graydon (2009). De evolutie van de faillissementen

– Kansen van klimaatverandering voor Europa

en gerechtelijke akkoorden in België 1998 Ð 2009. Berchem.

(COM(2008)30). p Europese Commissie (2008). Richtlijn Luchtkwaliteit

p Handelingen plenaire vergadering – middagvergadering, 22 september 2008, plenaire 2, Vlaams Parle-

(2008/50/EG). p Europese Commissie Directoraat-Generaal Energie en

ment, 2008.

Transport. EU energy end transport in figures (2008).

p Harms L., Overwegend onderweg. De leefsituatie en

Statistical pocketbook 2007/2008. Luxemburg.

de mobiliteit van Nederlanders, Sociaal en Cultureel

p Europese Commissie, 2001. Witboek Het Europese

Planbureau, Den Haag, juli 2008.

vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen,

p Heffingssystemen voor het goederenvervoer over

COM (2001)370.

de weg in de EU-lidstaten en Zwitserland, Commissie

p Europese Commissie, 2006. Europa duurzaam in

vervoer en Toerisme van het Europese Parlement,

beweging : duurzame mobiliteit voor ons continent,

IP/B/TRAN/FWC/2006-156/lot7/C1/SC2 – PE 408.929:

Tussentijdse evaluatie van het Witboek Vervoer van

Directoraat Structuurbeleid en Cohesie, 2008.

2001 van de Commissie, COM(2006)314.

p Hertveldt, B., Hoornaert, B., Mayeres, I., 2009, Langetermijnvooruitzichten voor transport in België: referen-

p Europese Raad en Europees Parlement (2001) Europese

tiescenario, Federaal Planbureau, Brussel, 87 p.

Richtlijn Nationale Emissiemaxima (2001/81/EG). p Eurostat (2009). Panorama of Transport. European

p Hoe het vooruit gaat/2. Vlamingen en hun verplaat-

Commission. Luxemburg.

singsgedrag: de stand in 2000, Ministerie van de

p FEBIAC (2007). Datadigest.

Vlaamse Gemeenschap, Dep. Leefmilieu en Infrastruc-

p Federaal Planbureau (2008), Bevolkingsvooruitzichten

tuur, Mobiliteitscel, 2005.

2007-2060, Planning Paper 105, Federaal Planbureau,

p Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2007). Verslag

Brussel.

2006. Deel II: De Arbeidsmobiliteit, HRW -, Brussel.

p Federaal Planbureau (2008). Satellietrekeningen Trans-

p Hubert J.-P. en Toint Ph., La mobilité quotidienne des Belges, Collection «Mobilité et Transports», n° I, Facul-

port in 2000. Activiteiten ter ondersteuning van het federale mobiliteits- en vervoersbeleid. Brussel.

tés universitaires Notre-Dame de la Paix, Namur 2002.

p Federaal Planbureau (2009). Langetermijnvooruit-

p ICB (2008) Woon-werkverkeer en de rol van het collectief personenvervoer over de weg, ICB – Instituut voor

zichten voor transport in België : referentiescenario. Brussel.

de autoCar en de autoBus vzw, Brussel, augustus 2008.

p Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (2008).

p IDEA-consult (2006). Langetermijnvisie luchthaven Zaventem 2025. Brussel.

Verkeerstellingen 2007 nr. 44. DGMVV - Directie Mobiliteit. Brussel.

p Instituut Nationale Rekeningen (2008). Regionale

p Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer/fede-

rekeningen. Brussel.

raal Wetenschapsbeleid (2007). Company Cars Analysis

p Jaarboek Personenvervoer 2007. Rapportering over

(COCA-project). Brussel.

het personenvervoer over de weg, Vlaamse overheid,

p Federale Politie, Verkeersveiligheidsmonitor, 2006

Departement Mobiliteit en Openbare Werken - Beleid

p FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Dienst Demografie.

Mobiliteit en Verkeersveiligheid, Brussel, 2008. p Jaaroverzicht Vlaamse havens 2007, Vlaamse Haven-

p FOD Economie, ADSEI, Vervoer – het goederenvervoer

commissie SERV, Brussel, 132 p., 2008.

over de weg door Belgische voertuigen met minstens

p Jaarverslag 2007, De Lijn, Mechelen, 2008.

een ton laadvermogen, 2002-2003-2004-2005-2006-

p Jorritsma P., Korteweg J.A., Vrijetijdsverkeer in

2007.

perspectief. De relatieve economische waarde van het

p FOD Economie, Algemene directie statistiek, diverse

vrijetijdsverkeer, Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid

bronnen.

(KiM), Den Haag, 2008.

— 121


p Jorritsma P., Olde Kalter M.-J., Grijs op reis. Over de

p Nationale Bank van België (2008). Economic Impor-

mobiliteit van ouderen, Kennisinstituut voor Mobili-

tance of Belgian Transport Logistics. Working Paper

teitsbeleid (KiM), Den Haag, 2008.

Document nr 125. Brussel.

p Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (2008). Mobi-

p Nationale Bank van België (2008). Economisch belang

liteitsbalans 2008 – congestie in perspectief. Den Haag.

van de Belgische havens: Vlaamse zeehavens, Luiks

p Lodewijckx E., Veranderende leefvormen in het

havencomplex en haven van Brussel – verslag 2006. Working Paper Document nr 134. Brussel.

Vlaamse Gewest, 1990-2007 (en 2021). Een analyse van gegevens uit het Rijksregister, Studiedienst van de

p Nationale Bank van België (2009). Economic Impor-

Vlaamse Regering, SVR-Rapport 2008/3.

tance of Air Transport and Airport Activities in Belgium.

p Luyten S., Van Hecke E., Instituut voor sociale en economische geografie, KULeuven, De Belgische stadsgewes-

Working Paper Document nr 158. Brussel. p NMBS-Groep (2008). Beheerscontract 2008-2012.

ten 2001, FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Statistcs Belgium Working Paper nr. 14, Brussel, 2007.

Brussel. p NMBS-Groep (2008). Duurzame groei. Geconsolideerd

p Macharis C., Pekin E., Caris A. en Jourquin B., A Deci-

ondernemingsplan 2008-2012. Brussel. p NMBS-Groep (2008). Investeringsplan 2008-2012.

sion Support System for Intermodal Transport Policy, VUBPRESS Brussels University Press, Brussels, 2008.

Brussel.

p Marissal P., Medina Lockhart P., Vandermotten C.,

p NMBS-Groep (2008). Milieurapport 2007. Brussel.

Van Hamme G., De socio-economische structuren van

p Noppe J., Vanderleyden L. en Callens M., De Sociale

België. Exploitatie van de gegevens over de werkgele-

Staat van Vlaanderen 2009.

genheid van de socio-economische enquête van 2001,

p Notteboom T, The relationship between seaports and

FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Brussel,

the intermodal hinterland in light of global supply

2006.

chains: European challenges, Discussion Paper no

p Mayeres I., Langetermijn vooruitzichten van transport

2008-10, Joint transport research centre, OECD, International Transport Forum, 2008.

in België: referentiescenario en twee beleidsscenario’s, Federaal Planbureau, Working paper 12-08, juni 2008.

p NV De Scheepvaart, Jaarverslag 2006, Hasselt, 2007.

p Mayeres I., Proost S., Een beter prijsbeleid voor de

p NV De Scheepvaart, Jaarverslag 2007, Hasselt, 2008.

Belgische transportsector in 15 stellingen, Katholieke

p NV De Scheepvaart, Statistiek, Hasselt, 2002-2003-

Universiteit Leuven, Departement Economie, 2004.

2004-2005-2006-2007.

p Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement

p NV De Scheepvaart, Trafiek, Hasselt, 2002-2003-2004-

Leefmilieu en Infrastructuur (2001). Ontwerp Mobili-

2005-2006-2007. p Ontwerp Vlaams Totaalplan Fiets, Ministerie van de

teitsplan Vlaanderen. Naar een duurzame mobiliteit en Vlaanderen. Brussel.

Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu &

p Mobiliteitscel. 2001, Ontwerp Mobiliteitsplan Vlaan-

Infrastructuur – Mobiliteitscel, Brussel, oktober 2002. p Our Common Future, Verenigde Naties, Wereld Com-

deren – naar een duurzame mobiliteit in Vlaanderen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, 380 p.

missie voor Milieu en Ontwikkeling, 1987. p Pans M., Fiscaliteit m.b.t. het woon-werkverkeer, Soci-

p Mobiliteitscel. 2003, Mobiliteitsplan Vlaanderen – be-

aaleconomische nieuwsbrief, juni 2007.

leidsvoornemens, versie oktober 2003, Ministerie van

p Pans M., Mobiliteit en gezinsleven: een Europese studie,

de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, 2003.

Sociaaleconomische Nieuwsbrief, december 2008. p Pendelplan, Vlaamse Overheid, 2006.

p Mobiliteitsraad van Vlaanderen (2009). Advies over het

p Polydoropoulou A., Baker M., Ben-Akiva M., Kitrinou E.,

opzetten van een beperkt proefproject met langere en

Mindali O., Rahman A., Salomon I., Factors affecting the

zwaardere vrachtwagens van 30 maart 2009. Brussel.

impact of e-economy on transport, Aegean Working

p Moreas M.-A., ICT in Vlaanderen internationaal vergeleken, Studiedienst van de Vlaamse Regering, SVR-Web-

Papers, Issue 1, December 2003. p Projectdirectie Versnelling Besluitvorming Infrastructurele

publicatie 2009/1. p NAR (2008) Fiches techniques, Destinées à alimenter

Projecten (2008). Actieplan Sneller en Beter. Den Haag. p Publiek-Private Samenwerking voor de bouw van

et faciliter les futures négociations de la sous-commis-

laad- en losinstallaties. Evaluatierapport 1998-2005,

sion mixte Ðcartes trainÐ au sujet de la problématique

opgemaakt door de Commissie kaaimuren, Promotie

de la mobilité dans son ensemble, CRB-NAR (2008),

Binnenvaart Vlaanderen, Waterwegen en Zeekanaal NV

Brussel, CRB-CCE 2008-1504, 31 octobre 2008.

en NV De Scheepvaart, augustus 2006.

— 122


p TESG (2008). Dossier: ICTs and the decoupling of

p Publiek-Private Samenwerking voor de bouw van laad- en losinstallaties. Handleiding voor de aanvrager,

everyday activities, space and time, Tijdschrift voor

Waterwegen en Zeekanaal NV en NV De Scheepvaart,

economische en sociale geografie, Utrecht, Volume 99,

augustus 2006.

nr. 5, december 2008. p Torfs R., Deutsch F., Schrooten L., Broekx S., Vanker-

p Regelmatig fietsen naar het werk leidt tot lager ziekteverzuim. Mogelijk voordeel werkgevers: 27 miljoen

kom J., Matheeussen C., Roekens E., Fierens F., Dumont

euro per jaar, Onderzoeksresultaten, TNO/Kennis voor

G., Bossuyt M., Milieurapport Vlaanderen MIRA. Achter-

zaken, Leiden, januari 2009.

gronddocument Thema Verspreiding van zwevend stof, Vlaamse Milieumaatschappij, december 2007.

p Regionalisatie van de energievooruitzichten voor Bel-

p Transport & Mobility Leuven (2008). Analyse van de

gië tegen 2030: resultaten voor het Vlaamse Gewest, working paper 7-07, Federaal Planbureau, 2007.

mobiliteit op de Belgische autosnelwegen. Verkeersin-

p Reizigerstellingen 2007, Verzamelde Statistieken, NMBS Reizigers Nationaal – Reizigerstellingen, Brussel, 2008.

dices 2002-2005. Leuven. p Transport & Mobility Leuven (2008). Analyse van de

p Rekenhof, Evaluatie basismobiliteit – Verslag van het

verkeerscongestie in België. Leuven.

Rekenhof aan het Vlaams Parlement. Brussel, januari

p Tritel (2001). Luchthaven Brussel-Nationaal. Mobili-

2009.

teitsstudie werknemers. BIAC Zaventem.

p Résumé des principales mesures, Grenelle environne-

p VAB (2008) VAB-dossier: Automobilist wil roetfilter op

ment, 2009.

nieuwe dieselwagen.

p Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Loontrekkende

p Van Brempt K., Beleidsbrief 2008-2009 Mobiliteit, p

tewerkstelling 2003-2008 kwartaalgegevens. Brussel.

74-76, 2008.

p Rijkswaterstaat Dienst Verkeer en Scheepvaart (2008).

p Van Hout K., Brijs T. Ouderen en verkeersveiligheid in

Nationale Mobiliteitsmonitor 2008. Den Haag.

Vlaanderen. Een stand van zaken. Steunpunt Mobili-

p Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, gecoördineerde

teit en Openbare Werken – spoor Verkeersveiligheid,

versie (april 2004), Ministerie van de Vlaamse Ge-

Diepenbeek, 2009.

meenschap, Brussel, 2004.

p Van Steertegem M., MIRA-T 2008 Milieurapport Vlaan-

p Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, gecoördineerde

deren. Indicatorrapport, Vlaamse Milieumaatschappij,

versie (april 2004), Ministerie van de Vlaamse Ge-

2009.

meenschap, Brussel, 2004.

p Van Zeebroeck B., Nawrot T., Auto en gezondheid.

p Schouppe E. (2008) Algemene beleidsnota van de

Eindrapport, i.o. ViWTA Vlaams Parlement, Transport &

staatssecretaris voor Mobiliteit, 28 april 2008, doc 52

Mobility Leuven, rapportnummer 07.21, januari 2008.

0995/025, Belgische kamer van volksvertegenwoor-

p Vanderschaeghe M., Denys B., Guisson R., Govaerts L.,

digers.

Analysis of the Belgian car fleet – Final report. Decem-

p Sergeant N., Rombaut H., Wynen V., Van Mierlo J.,

ber 2008.

Indicatoren nieuw verkochte personenwagens – Finaal

p Vanneste D., Thomas I., Goossens L., Woning en

rapport. September 2008.

woonomgeving in België, Sociaal-Economische Enquête

p Steunpunt Goederenstromen (2007). Indicatorenboek

2001, monografieën, FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Brussel, 2007.

Duurzaam goederenvervoer Vlaanderen.

p Vennix, S., Economisch belang van de Belgische havens:

p Studie naar de effecten van een toename van de scheepvaart op de capaciteit van de waterwegen in

Vlaamse zeehavens, Luiks havencomplex en haven

Vlaanderen. Eindrapportage, ECORYS Transport/IDEA

van Brussel, verslag 2006, reeks ‘Working paper

Consult, Rotterdam/Brussel, 12 november 2003.

documents’, Nationale Bank van België, Brussel – in

p Studiedienst van de Vlaamse Regering - VIA (2008).

Jaarverslag 2007, Vlaamse Havencommissie, 2008.

Vlaanderen vergeleken. Benchmarking van Vlaanderen

p Verbeke A., Dooms M., Illegems V., Haezendonck E., De

2008. Brussel.

impact van telewerken op de verkeersexternaliteiten in

p Studiedienst van de Vlaamse Regering (2008). Vlaam-

Vlaanderen. Eindrapport, VUB, Vakgroep Bedrijfseco-

se Regionale Indicatoren - VRIND 2008. Brussel.

nomie en Strategisch Beleid, Brussel, juli 2006.

p Studiedienst van de Vlaamse Regering (2009). SVR

p Verhetsel A., Thomas I., Van Hecke E., Beelen M.

Conjunctuurnota - Recente ontwikkelingen in Vlaande-

(2007), Pendel in België. Deel I: de woon-werkverplaat-

ren. Halfjaarlijkse analyse. Brussel.

singen, FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie,

p SWOV, Factsheet: Kosten-batenanalyse van verkeersveiligheidsmaatregelen, Leidschendam, juni 2008.

— 123

Statistics Belgium Working Paper nr. 15, Brussel.


p Vlaamse Regering (2009). Decreet betreffende het

p Verhetsel A., Vanelslander T., Sellekaerts N., (2007)

mobiliteitsbeleid, 11 maart 2009.

Onderzoek naar de relatie tussen locatiebeleid en

p Vleugels, I., Verbruggen H., Beyst V., Asperges T.,

duurzame mobiliteit voor woonwerkverplaatsingen, TPR-Universiteit Antwerpen.

Steenbergen T., Vande Walle S., Cornelis E. en Castaigne M., Determinanten van modale keuze in ketenver-

p Verkennende studie naar prijs- en inkomenselastici-

plaatsingen, DWTC, Brussel, 2005.

teiten van milieugerelateerde goederen en diensten in Vlaanderen, Ecolas, Transport & Mobility Leuven, Ehsal,

p VMM Kernset Milieudata MIRA-T 2008 .

VMM, 2006.

p Walrave, M. en De Bie, M., Teleworking @ home or

p VESOC (2009). Pact 2020: een nieuw toekomstpact

closer to home, Brussel: ESF-Agentschap Vlaanderen,

voor Vlaanderen. Brussel.

2005.

p Vlaams Instituut voor de Logistiek (2009). Extended

p Weltevreden J., (2007). Winkelen in het internettijd-

Gateway Vlaanderen. Antwerpen.

perk, Ruimtelijk Planbureau, Rapport, 200704044.

p Vlaams Parlement (2004 – 2009). Schriftelijk vragen

p Wijzer (2008), Fonds Stationsomgevingen. Wijzer,

en antwoorden, verslagen en handelingen van de Com-

ruimte voor ideeën, maart 2008.

missie Openbare Werken, Mobiliteit en Energie. Brussel.

p Willems P. (2008), Migratiebewegingen in het Vlaamse

p Vlaamse Milieumaatschappij (2007). Milieurapport

Gewest in de periode 1997-2006, Studiedienst van de Vlaamse Regering, SVR-Rapport 2008 nr 2.

Vlaanderen MIRA. Achtergronddocument sector transport. Erembodegem.

p Witlox F., e.a. (2005), Assessment of quality differences

p Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en

between freight transport modes, Scientific Support

Gelijke Kansen. Beleidsbrieven en Beleidsnota 2004-

Plan for a sustainable development policy, Belgian

2009. Brussel.

Science Policy.

p Vlaamse minister van Openbare werken, Energie,

p Zwerts E. en Nuyts E., Onderzoek verplaatsingsge-

Leefmilieu en Natuur. Beleidsbrieven en Beleidsnota

drag Vlaanderen (januari 2000-januari 2001). Deel 2:

2004-2009. Brussel.

Analyse huishouden vragenlijst, Onderzoek in opdracht

p Vlaamse minister van Openbare werken, Energie, Leef-

van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dep.

milieu en Natuur (2008). Nota ‘Alternatieve financie-

Leefmilieu en Infrastructuur, Mobiliteitscel, PHL; Dep.

ring missing links’. Nota opgemaakt in voorbereiding op

Architectuur, Onderzoekscel Architectuur Mobiliteit Omgeving, Diepenbeek, Brussel, januari 2004.

de gedachtewisseling met de commissie Financiën d.d. 27 februari 2008. Brussel.

p Zwerts E. en Nuyts E., Onderzoek verplaatsingsgedrag

p Vlaamse Overheid, Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-

Vlaanderen (januari 2000-januari 2001). Deel 3B: Bijla-

2012 – Het klimaat verandert. U ook?, oktober 2006.

ge analyse personenvragenlijst, Onderzoek in opdracht

p Vlaamse Overheid, Voortgangsrapport 2008 van het

van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dep.

Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-2012, mei 2009

Leefmilieu en Infrastructuur, Mobiliteitscel, PHL; Dep.

p Vlaamse Overheid. Departement Mobiliteit en open-

Architectuur, Onderzoekscel Architectuur Mobiliteit

bare Werken. Agentschap Infrastructuur afdeling

Omgeving, Diepenbeek, Brussel, januari 2004.

Wegenbouwkunde (2007). Toestand van het Wegennet. 10 september 2007. Brussel. p Vlaamse Overheid. Departement Mobiliteit en openbare Werken. Jaarboeken Personenvervoer over de weg 2003 – 2008. Brussel. p Vlaamse Regering (2002). Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 18 december 2002. Brussel. p Vlaamse Regering (2004). Regeerakkoord 2004-2009. Brussel. p Vlaamse Regering (2007). Besluit betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma’s van 12 oktober 2007 in uitvoering van het MER-decreet van 27 april 2007. Brussel. p Vlaamse Regering (2008). Vlaanderen in Actie. Doorbraken 2020. Brussel.

— 124


Digitale bronnen p Agentschap Wegen en Verkeer. http://wegen.vlaanderen.be/ p Databank statistieken ADSEI. www.statbel.fgov.be p Databank statistieken Eurostat. http://epp.eurostat. ec.europa.eu/portal/page/portal/eurostat/home/ p Databank statistieken Febiac. www.febiac.be p Databank statistieken Federale Overheidsdienst Economie – Ecodata. http://ecodata.mineco.fgov.be/ p Databank statistieken Nationale Bank van België – INR. www.nbb.be p Databank statistieken Studiedienst Vlaamse Regering. www.vlaanderen.be/dar/svr/Cijfers/Pages/Excel.aspx p Dienst MER Vlaanderen. www.mervlaanderen.be p Ecoscore www.ecoscore.be p Europese Commissie DG TREN: http://ec.europa.eu/transport p Fonds voor Arbeidsongevallen – Jaarlijkse statistische tabellen 2007: http://www.faofat.fgov.be/ p LNE – diverse thema’s http://www.lne.be/themas p Mobiel Vlaanderen. www.mobielvlaanderen.be p Observatorium voor de Verkeersveiligheid – Verkeersveiligheidsbarometer: http://bivvweb.ipower.be/baro/Baro_NL_Main.htm p Promotie Binnenvaart Vlaanderen: www.binnenvaart.be p Schriftelijk Leefomgevingsonderzoek (SLO): http://www.lne.be/themas/hinder-en-risicos/milieuhinder-en-klachten/slo p Studiedienst van de Vlaamse Regering: www.vlaanderen.be/dar/svr p Thuis in de stad. www.thuisindestad.be p Transportdatabank Federaal Planbureau – Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. www.plan.be p Vlaamse Arbeidsrekening http://www.werk.be/c-en-o/cijfers/arbeidsrekening/ p Vlaanderen In Actie (VIA). www.vlaandereninactie.be

— 125


DANKWOORD De samenstelling van het eerste Mobiliteitsrapport is enkel maar mogelijk door de vele mensen instellingen en organisaties die bereidwillig hun informatie ter beschikking gesteld hebben. Het is bijna onmogelijk om elkeen individueel op te noemen, maar toch willen we de erkentelijkheid uitdrukken voor de organisaties die ze vertegenwoordigen: Agentschap Wegen en Verkeer B-Cargo BIVV Centrale Raad voor het Bedrijfsleven De Lijn De Scheepvaart NV Departement LNE, Afdeling Lucht, Hinder, Milieu en Gezondheid – Cel Lucht Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid Febiac Federaal Planbureau FOD Mobiliteit Infrabel Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren Instituut wegTransport & Logistiek België Nationale Bank van België NMBS Groep Promotie Binnenvaart Vlaanderen SERV Steunpunt Mobiliteit en Openbare Werken – Spoor Goederenstromen Steunpunt Mobiliteit en Openbare Werken – Spoor Verkeersveiligheid Stichting Innovatie & Arbeid VITO Vlaams Verkeerscentrum Vlaamse Havencommissie Vlaamse Luchthavencommissie Vlaamse Milieumaatschappij Waterwegen en Zeekanaal NV

— 126


LIJST MET TABELLEN, FIGUREN EN KAARTEN p Figuur 17: belang van de goederencategorieën voor de

p Tabel 1: BBP in constante prijzen (prijzen van 2000) (miljard euro)

verschillende modi in ton voor 2006 30

9

p Figuur 1: evolutie van het BBP en verkeer en vervoer in

p Tabel 10: prognoses van het Federaal Planbureau toegepast op Vlaanderen (miljard tonkilometer) 31

Vlaanderen (2002 = 100) 9 p Tabel 2: BTW tegen lopende prijzen (mio euro)

p Tabel 11: evolutie van het motorvoertuigpark in

10

Vlaanderen 34

p Figuur 2: evolutie toegevoegde waarde in Vlaanderen

p Figuur 18: evolutie van het motorvoertuigpark en het

en in verkeer en vervoer (in lopende prijzen, 2002 = 100)

verkeer en vervoer 2003–2007 (2003 = 100) 34

10

p Tabel 12: evolutie van het aantal personenwagens naar

p Figuur 3: evolutie van de toegevoegde waarde van de

brandstoftype in Vlaanderen 35

logistieke sector in België (2001 = 100) 11

p Figuur 19: aandeel van dieselwagens in het

p Figuur 4: prijsevolutie collectief vervoer 17

personenwagenpark 35

p Figuur 5: evolutie brandstofprijzen en gebruik

p Figuur 20: Europese vergelijking van het aandeel van

personenwagen 17 p Figuur 6: modale verdeling personenvervoer over de

diesel in het personenwagenpark 36

drie voornaamste modi (personenwagens, bussen-

p Figuur 21: Europese vergelijking van het aandeel dieselwagens in de nieuw ingeschreven

autocars, treinen), volgens personenkm in % 20

personenwagens 36

p Figuur 7: verdeling van het gemiddeld aantal

p Tabel 13: evolutie van het wagenpark (personenwagens)

verplaatsingen per persoon per dag volgens

naar type eigenaar in Vlaanderen 37

hoofdvervoerwijze 21 p Figuur 8: verdeling van het aantal afgelegde kilometers

p Figuur 22: evolutie van het motorvoertuigpark naar type eigenaar in Vlaanderen (2003 = 100) 37

per persoon per dag volgens hoofdvervoerwijze 21

p Tabel 14: evolutie personenwagenpark naar

p Tabel 3: de toekomstige evolutie van het

leeftijdsklasse 38

personenvervoer tussen 2005 en 2030 –

p Figuur 23: aandeel leeftijdscategorie in het

referentiescenario 21

voertuigpark voor personenwagens 39

p Tabel 4: evolutie van het wegverkeer in Vlaanderen (in

p Tabel 15: evolutie vrachtwagenpark naar

miljard voertuigkilometer) 22

leeftijdsklasse 39

p Figuur 9: evolutie van het wegverkeer in voertuigkilometer in Vlaanderen (2003 = 100) 22

p Figuur 24: aandeel leeftijdscategorie in het

p Tabel 5: evolutie van het verkeer in voertuigkilometer per voertuigtype in Vlaanderen

voertuigpark voor vrachtwagens 39

22

p Tabel 16: invoering Euronormen personenwagens

p Figuur 10: evolutie van het verkeer in voertuigkilometer naar voertuigtype (2003 = 100) 23

(+ lichte bedrijfsvoertuigen) en vrachtwagens 40 p Figuur 25: evolutie van het aandeel van de Euronormen

p Tabel 6: voertuigkilometer per wegtype en voertuigtype (miljoen voertuigkilometer) 23

in het personenwagenpark (Vlaanderen)

p Tabel 7: evolutie van het personenvervoer in miljard reizigerskilometer 24

voor vrachtwagens en bussen (Vlaanderen) 42 p Figuur 27: evolutie van de gemiddelde bezettingsgraad

p Figuur 11: evolutie van het personenvervoer in

van de personenwagens per wegtype, in aantal

reizigerskilometer over de weg (2003 = 100) 24 p Figuur 12: evolutie van het personenvervoer (personenwagens) (2003 = 100) 24 p Tabel 8: aantal reizigerskilometer Vlaams Gewest (miljoen) 26

passagiers per wagen 42 p Tabel 17: evolutie van het taxipark in Vlaanderen 43 p Tabel 18: autodelers en autodeelgroepen 43 p Tabel 19: lengte van het Belgisch wegennet (km) 43 p Figuur 28: evolutie van het wegennet + verkeer en

p Tabel 9: aantal reizigers per trein 26 p Figuur 13: evolutie van het personenvervoer per

vervoer in Vlaanderen (2003 = 100)

44

p Tabel 20: evolutie van het budget voor infrastructuurinvesteringen (b.a. 73.11) 45

spoor 26 p Figuur 14: de evolutie van het aantal tonkilometers

p Tabel 21: zwaarte van de files hoofdwegennet 2006–2009 – voortschrijdende jaargemiddelden in

vervoerd in Vlaanderen in de periode 2002–2006

kilometeruren per dag 49

(miljard) 29 p Figuur 15: modale verdeling van het goederenvervoer

p Figuur 29: gemiddelde filezwaarte (24u) op het hoofdwegennet (voortschrijdend jaargemiddelde) in

in Vlaanderen in tonkilometer in 2002 en 2006 29

km-uren/dag 49

p Figuur 16: modal split per goederencategorie in ton voor 2006 (België)

40

p Figuur 26: evolutie van het aandeel van de Euronormen

30

p Kaart 1: structurele files ochtendspits 50

— 127


p Tabel 42: toegevoegde waarde (miljoen euro, lopende

p Kaart 2: structurele files avondspits 50 p Tabel 22: evolutie voertuigverliesuren 51

prijzen) en werkgelegenheid van de economische

p Tabel 23: verzadigingsgraad autosnelwegen

poorten (2006) 74

2002–2005

p Tabel 43: evolutie van het aantal passagiers

52

(in miljoen)

p Tabel 24: top 10 van de meest verzadigde wegvakken

goederen via de luchthaven

p Kaart 3: % woongebied van een gemeente dat een

75

p Figuur 33: evolutie model shift passagiers

halte heeft binnen het afstandscriterium in 2008 57

luchthaven 75

p Kaart 4: % woongebied van een gemeente waar de frequentienorm volledig wordt behaald in 2008 57

p Tabel 45: gemiddelde dagintensiteit in 2004–2007

p Tabel 25: aanbod van De Lijn in Vlaanderen 58

(van 6:00 tot 22:00 uur) voor beide rijrichtingen –

p Tabel 26: investeringen De Lijn 59

uitgedrukt in aantal voertuigen 76

p Tabel 27: spoor treinkilometer 59

p Figuur 34: toegevoegde waarde van de Vlaamse zeehavens (totaal – in miljoen euro)66

p Tabel 28: aantal aangeboden zitplaatsen (duizend) 59 p Tabel 29: spoor reizigerskilometer 59

78

p Figuur 35: aantal lossingen en ladingen in 1.000 ton in de Vlaamse zeehavens 78

p Tabel 30: investeringen NMBS-Groep (in 1.000 euro) 60 p Figuur 30: investeringen NMBS-groep 60

p Figuur 36: modal split over alle goederen voor het hinterlandvervoer in de Vlaamse zeehavens in ton in

p Tabel 31: evolutie van de nieuwe inschrijvingen en

2006 (Gent: 2004) 79

aangesloten bedrijven op de carpooldatabank –

p Figuur 37: evolutie van de verkeersslachtoffers ten

Vlaanderen 61

aanzien van Vlaamse doelstellingen (1999–2020) 83

p Tabel 32: evolutie vervoer over de weg op Belgisch grondgebied en door in België geïmmatriculeerde

p Tabel 46: Vlaamse doelstellingen verkeersveiligheid 83

voertuigen (in miljoen tonkilometer) 62 p Figuur 31: vervoerde goederen in België (door

p Tabel 47: internationale benchmark verkeersveiligheid (2006) 84

Belgische en vreemde voertuigen) – in 1.000 ton 62 p Kaart 5: vrachtwagenstromen op het wegennet in

p Tabel 48: aantal doden in het verkeer per modus en in verhouding tot de vervoersprestaties 85

Vlaanderen en omgeving (2004) 63 p Tabel 33: vervoer per spoor in België

64

p Figuur 38: evolutie eco-efficiëntie van transportsector in Vlaanderen 94

p Tabel 34: trafiekcijfers NMBS Goederenvervoer operator in Vlaanderen 64

p Figuur 39: evolutie aandeel transport in totale Vlaamse uitstoot per component in de periode 1990–2007 95

p Kaart 6: aantal ton vervoerd per spoor in 2004 65 p Tabel 35: totaal aantal treinkm (x 1.000) NMBS voor goederenvervoer

75

p Tabel 44: evolutie van het aantal ton vervoerde

(autosnelwegen + Ringwegen) in 2007 52

p Figuur 40: totale uitstoot broeikasgassen in transport volgens subsector in Vlaanderen (1990–2007) 96

65

p Tabel 36: bezettingsgraad spoorwegennetwerk door

p Figuur 41: evolutie van de broeikasgasemissies in transport per deelsector 97

het goederenvervoer (in honderdduizend tonkm per km spoorweg) 66

p Figuur 42: evolutie emissies van NOX, PM10 en PM2,5 in

p Tabel 37: investeringen t.b.v. de binnenvaart 67

transport in Vlaanderen (1995–2007) 99

p Tabel 38: evolutie aantal tonkm vervoerd over de

p Tabel 49: blootstellingscijfers op basis van

Vlaamse waterwegen (in miljoen tonkm) 67 p Tabel 39: verscheepte ton op de Vlaamse

geluidsbelastingkaarten 101 p Tabel 50: evolutie gemiddeld verbruik en CO2-uitstoot

waterwegen 69 p Tabel 40: evolutie van het aantal TEU op de Vlaamse

van het personenwagenpark in België 102 p Tabel 51: aantal dossiers aangevraagd via de

waterwegen 69 p Kaart 7: goederenstromen over de binnenvaart in ton in 2007

ecologiepremie (2008–2009) 103 p Figuur 43: evolutie van emissies van goederen- en

69

p Tabel 41: bezettingsgraad van het binnenvaartnetwerk

reizigersverkeer over het spoor in België 105 p Figuur 44: energie-efficiëntie van vervoermodi

door het goederenvervoer (in miljoen tonkm per km binnenwater) 70

(kWh/perskm) – personenvervoer 105 p Figuur 45: energie-efficiëntie van vervoermodi

p Figuur 32: aantal schepen naar laadvermogen voor de

(kWh/tonkm) – goederenvervoer 105

Vlaamse binnenvaartvloot op 14 november 2008 71

— 128


MOBILITEITSRAPPORT VAN VLAANDEREN 2009

MORA

MOBILITEITSRAPPORT VAN VLAANDEREN

MORA


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook