Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Januari 2012 Finaal Uitgave Nr. 2 43641496 / 43641496-02
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
BEPERKINGEN URS heeft dit rapport uitsluitend opgemaakt voor gebruik door Vlaamse Landmaatschappij in overeenstemming met de overeenkomsten waaronder de werken werden uitgevoerd. Geen andere garantie, uitgedrukt of ingesloten, wordt gegeven, dan op het professionele advies bevat in dit rapport of eender welke andere dienst door ons geleverd. Op dit rapport mag niet gesteund worden door eender welke andere partij zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toelating van URS. Tenzij anders vermeld in dit rapport, gelden de gemaakte berekeningen enkel wanneer de sites en faciliteiten hun huidig gebruik blijven behouden, zonder significante verandering. De besluiten en aanbevelingen bevat in dit rapport, zijn gebaseerd op door anderen aangeleverde informatie en in de veronderstelling dat alle relevante informatie werd voorzien door die partijen van wie ze werd gevraagd. De informatie verkregen van derden werd niet onafhankelijk door URS gecontroleerd, tenzij dit anders wordt vermeld in het Rapport. Daar waar veldonderzoek werd verricht, werd dit beperkt tot het detailniveau nodig om de gestelde doelen of diensten te bereiken. De resultaten van gedane metingen kunnen zowel in de ruimte als de tijd variëren en bijgevolg moeten verdere bevestigende metingen uitgevoerd worden na elke significante vertraging in het gebruik van dit Rapport. AUTEURSRECHTEN © Dit Rapport valt onder het auteursrecht van URS Belgium BVBA. Elke niet geautoriseerde reproductie of elk gebruik door iemand anders dan de geadresseerde is strikt verboden.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
INHOUD Sectie
Pagina Nr.
Niet-technische samenvatting – Non technical summary 1.
INLEIDING ....................................................................................................................... 6
2.
BEPALEN BIOTOOPKWALITEIT ................................................................................... 7
2.1. 2.1.1. 2.1.2. 2.2.
Algemene biotoopkwaliteit ............................................................................................... 7 Methode - uitvoering ........................................................................................................ 7 Locatie – beschrijving 2008 – inrichtingsmaatregel – beschrijving 2011 ......................... 7 Resultaat - bespreking ..................................................................................................... 1
3.
MEETNET VEGETATIE ................................................................................................... 2
3.1. 3.2. 3.3. 3.3.1. 3.3.2.
Oppervlakte en ligging doelsystemen .............................................................................. 2 Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden .................................................................... 3 Soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden .................................................. 3 Methode - uitvoering ........................................................................................................ 3 Resultaat - bespreking per permanent kwadraat ............................................................. 7
4.
MACROFAUNA ............................................................................................................. 39
4.1. 4.1.1. 4.1.2. 4.2. 4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3. 4.3.1. 4.3.2. 4.3.3. 4.4. 4.4.1. 4.4.2. 4.5. 4.5.1. 4.6. 4.6.1. 4.6.2. 4.6.3.
Situering van het onderzoek .......................................................................................... 39 Opdracht ......................................................................................................................... 39 Inhoud ............................................................................................................................ 39 Materiaal en methoden .................................................................................................. 40 Veldwerk ......................................................................................................................... 40 Onderzoek ...................................................................................................................... 44 Verdere verwerking ........................................................................................................ 44 Resultaten met bespreking ............................................................................................ 46 IJsevijvers Groot............................................................................................................. 46 IJsevijver Klein ............................................................................................................... 57 Langerodevijver .............................................................................................................. 59 Bespreking ..................................................................................................................... 70 Evolutie van de BBI in vergelijking met vorige studie. ................................................... 70 Beheerkeuzen ................................................................................................................ 71 Besluit ............................................................................................................................. 73 Resultaten ...................................................................................................................... 73 Geraadpleegde werken .................................................................................................. 75 Algemeen ....................................................................................................................... 75 Identificatie macrofauna ................................................................................................. 75 Identificatie vissen en amfibieën .................................................................................... 79
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) NIET-TECHNISCHE SAMENVATTING – NON TECHNICAL SUMMARY
Het doel van het monitoringsprogramma is het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in het kader van het natuurinrichtingsproject “Dijlevallei” werden uitgevoerd. Specifiek in deze studie zullen voor de tweede keer na de ingrepen (jaar +3) de effecten op hydrologie en ecologie worden geëvalueerd. Er kunnen 3 belangrijke studieonderdelen onderscheiden worden: •
Deel 1 : Bepalen biotoopkwaliteit
•
Deel 2: meetnet vegetatie
•
Deel 3: BBI
1) Bepalen biotoopkwaliteit In 7 vijvers worden enkele parameters gemeten om de biotoopkwaliteit (abiotisch milieu en aanwezigheid waterplanten) te bepalen. De inrichtingsmaatregelen hebben een duidelijk effect en evolueren meestal in de beoogde richting: Langrodevijver heeft een goed ontwikkelde rietkraag. Verder maaibeheer in de winter kan overwogen worden om het riet te versterken; Ijsevijvers hebben open water maar de verlanding in Ijsevijver Noord evolueert sneller dan in andere vijvers (zuid en midden). Als beheer kan het gefaseerd inklinken/mineraliseren van de sliblaag en afvoeren van verlandingsvegetatie overwogen worden; Kliniekvijver Zuid is voor het grootse oppervlak verland en indien we streven naar open water moeten hier intensief de helofyten verwijderd worden; en Kliniekvijver Noord heeft een dikke sliblaag ( +/- 50 cm) en hier is het droogleggen van vijver om de sliblaag te laten inklinken/mineraliseren noodzakelijk.
2) Meetnet vegetatie In vergelijking met het vorige rapport kan vastgesteld worden dat urbaan gebied (weekendzone) volledig verdwenen is. De oppervlakte naaldhoutaanplanten en moerasspirearuigte zijn afgenomen. De trend is duidelijk: vermindering urbaan gebied, vermindering moerasspirearuigte, vermindering naaldhoutaanplant. De voornaamste toename is te zien bij rietland. Op het terrein werden in 2007 een aantal permanente kwadraten (PQ’s) uitgezet. Deze PQ’s werden zodanig verdeeld over het gebied dat een goede opvolging van de natuurstreefbeelden mogelijk is, maar vooral is gezocht naar de relevantie m.b.t. de uitvoeringsmaatregelen. Elk kwadrant werd apart besproken. De uitgevoerde beheermaatregelen leiden in vele gevallen naar het natuurstreefbeeld of naar een biotoop dat zich kan ontwikkelen richting natuurstreefbeeld. Voor enkele PQ’s is het echter duidelijk dat de vooropgestelde natuurstreefbeelden niet gehaald zullen worden.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 3) BBI De macrofauna werd bemonsterd op 11 april 2011 in de drie IJsevijvers Groot en in de Ijsevijver Klein en op 14 april 2011 in de Langerodevijver. Op basis van de aangetroffen ongewervelden bedragen de Belgische biotische indexen (B.B.I.) in de IJsevijver Groot Noord 6, de IJsevijver Groot Midden 5, de IJsevijver Groot Zuid 7, de IJsevijver Klein 7 en de Langerodevijver 8. Dit wijst op een matige (B.B.I. 5-6) tot goede biologische kwaliteit (B.B.I. = 7-8). Aanvullend is ook de nieuwe, strengere multimetrische macroinvertebraten index Vlaanderen (MMIF) gecalculeerd geweest. De MMIF of EKC bedragen in de IJsevijvers Groot resp. 0,55, 0,45, 0,7, in de IJsevijver Klein 0,5 en in de Langerodevijver 0,75. De ecologische kwaliteit varieert van ontoereikend (0,30-0,49) over matig (0,50-0,69) tot goed (0,70-0,89). De basiskwaliteitsnorm is 0,7. Het uitgevoerde hydrobiologische onderzoek leidt tot volgende conclusies: De Belgische biotische indexen leiden in de IJsevijvers Groot tot volgende biologische kwaliteitsbeoordelingen: IJsevijver Groot Noord: een alvast matige biologische kwaliteit (B.B.I. = 6) ; IJsevijver Groot Midden: een gelijkaardigeituatie als in de noorde- lijke vijver (B.B.I. = 5), IJsevijver Groot Zuid: een duidelijk goede biologische kwaliteit (B.B.I. = 7). De strengere Multimetrische Macroincvertebraten Indexen Vlaanderen (MMIF) leveren als resultaten: IJsevijver Groot Noord: een matige ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,56), - IJsevijver Groot Midden: een ontoereikende ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,45), IJsevijver Groot Zuid: een goede ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,7). Voor de IJsevijver Klein wijst een B.B.I.-score van 7 op een goede biologische kwaliteit. Een MMIF of EKCmacroinvertebraten van 0,5 geeft aan dat de ecologische kwaliteit er matig is. In de Langerodevijver Klein zijn zowel de biologische kwaliteit (B.B.I. = 8) als de ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,75) goed. De IJsevijver Groot Zuid, de IJsevijver Klein en de Langerodevijver beantwoorden tijdens dit onderzoek aan de vroegere basiskwaliteits-norm B.B.I. 7. De IJsevijver Groot Zuid en de Langerodevijver voldoen bovendien aan de nieuwe basisnorm, EKCmacroinvertebraten 0,7 voor een ‘ionenrijk, alkalisch meer (Ai)’. De IJsevijver Groot Midden en de Langerodevijver halen tijdens dit onderzoek dezelfde B.B.I.-scores (resp. 5 en 7) als tijdens het onderzoek in oktober 2007. Wegens de verschillende onderzoeksperioden moeten deze ‘overeenkomsten’ met enig voorbehoud worden behandeld. Afgaande op de nu en vroeger aangetroffen taxa, mag men verwachten dat alvast enkele van de vijvers in de (nabije) toekomst nog beter zullen scoren. Mogelijk geldt dit op sommige plaatsen in de vijvers nu reeds. Voorwaarde voor nog gunstigere scores zijn voldoende gevarieerde biotopen.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) The objective of the monitoring program is to oversee the effectivity of the measures that were taken in the project “nature design Dijlevallei”. Especially, for the second time since the intervention (year +3), the effects on hydrology and ecology were evaluated. The report is divided in three parts: •
Part 1: Determination of biotope quality
•
Part 2: Vegetation monitoring
•
Part 3: Belgian Biotic Index
1) Determination of biotope quality To determine biotope quality (abiotic environment and water vegetation), a number of parameters were measured in 7 ponds. The conclusion is that the measures taken clearly have a positive effect and the biotopes mostly evolve in the desired direction: Langerode pond has a well developed reed vegetation. Mowing in winter might be considered in order to strengthen the reed; The IJsevijver ponds are mostly open waters, but in the Nordic pond the hydrosere is moving the fastest compared (to south and middle). A good solution for this is probably to mineralise the sludge layer and to remove the upcoming vegatation. In the southern pond ‘Kliniek’, the hydrosere is the biggest. If open water stays the aim, the helophytes must be removed each year; and The northern pond ‘Kliniek’ has a silt layer of +/- 50 centimetres. Mineralising after land reclamation should be considered necessary.
2) Vegetation monitoring In comparison to the previous report we can see that the urban area has entirely disappeared. Coniferous wood and fallow land with meadow sweat have decreased. The trend is obvious: decreasing urban area, decreasing fallow land with meadow sweat, decreasing of coniferous wood. The most important increase can be seen for reed. In 2007, a number of permanent vegetation plots were placed at the site. These plots were placed in such a way to provide relevant information about the evolution of the ecosystem and the influence of the measures taken. Each plot is separately analysed in the study. The measures have in general a positive effect on the evolution of the ecosystem. The nature goals are almost accomplished. Nevertheless it is clear that for some plots the anticipated nature goals cannot be reached within the measures taken so far. 3) Belgian Biotic Index The macrofauna was sample don April 11, 2011 in the 3 Ijseverijvers Groot and in the Ijsevijver Klein and on April 14, 2011 in the Langerodevijver. Based on the captured invertebrates, the Belgian Biotic Index (BBI) is of 6 (Ijsevijver Groot Noord,) 5 (Ijsevijver Groot Midden), 7 (Ijsevijver Klein, Ijsevijver Groot Zuid) en 8 (Langerodevijver). This leads to a “reasonable” (5-6) to “good” (7-8) BBI. In addition, the new multimetric
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) macroinvertebrates Index Vlaanderen (MMIF) was calculated. The MMIF in the Ijsevrijver Groot was respectively 0.55, 0.45, 0.7, in the Ijsevijver Klein 0.5 and in the Langerodevijver 0.75. The ecological quality varies from insufficient (0.30-0.49) to reasonable (0.50-0.69) and good (0.70-0.89). The basic quality standard is 0.7. The investigation lead to the following conclusions: The BBI leads to the following quality statements in the Ijseververs Groot: IJsevijver Groot Noord: nearly a reasonable quality (B.B.I. = 6) ; IJsevijver Groot Midden: situation to the Northern Ijsevijver (B.B.I. = 5), IJsevijver Groot Zuid: a clear good biological quality = 7).
a
similar (B.B.I.
The more severe MMIF show the following results: IJsevijver Groot Noord: a reasonable ecological quality (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,56), IJsevijver Groot Midden: an insufficient ecological quality (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,45), IJsevijver Groot Zuid: a good ecological quality (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,7). For the Ijsevijver Klein we observed a BBI score of 7 (good biological quality). A MMIF of EKCmacroinvertebraten of0,5 shows that the ecological quality is reasonable. In the Langerodevijver Klein are both the biological quality (B.B.I. = 8) and the ecological quality (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,75) good. The IJsevijver Groot Zuid, the IJsevijver Klein and the Langerodevijver fulfill to the former basic quality standard.B.I. 7. The IJsevijver Groot Zuid and the Langerodevijver also meet the nieuw basic standard , EKCmacroinvertebraten 0,7 for a ‘highly ionic alkaline lake (Ai)’. Thee IJsevijver Groot Midden and the Langerodevijver reach during this study the same B.B.I.-scores (resp. 5 en 7) a in the study of October 2007. Because of the different investigation periods, these observations must be considered with precautions. In view of the taxa present now and before, one can expect that some of the lakes will in a (near) future reach higher scores. Possibly this may already be the case in some places in the lakes. The conditions for higher scores are sufficiently varied biotopes.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
1.
INLEIDING
Het doel van het monitoringsprogramma is het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in het kader van het natuurinrichtingsproject “Dijlevallei” werden uitgevoerd. Specifiek in deze studie zullen voor de tweede keer na de ingrepen (jaar +3) de effecten op hydrologie en ecologie worden geëvalueerd. Er kunnen 3 belangrijke studieonderdelen onderscheiden worden: •
Deel 1 : Bepalen biotoopkwaliteit
•
Deel 2: meetnet vegetatie
•
Deel 3: BBI
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
2.
BEPALEN BIOTOOPKWALITEIT 2.1.
Algemene biotoopkwaliteit
2.1.1. Methode - uitvoering In 7 vijvers worden enkele parameters gemeten om de biotoopkwaliteit (abiotisch milieu en aanwezigheid waterplanten) te bepalen: Doorzicht met Secchischijf pH, temperatuur, conductiviteit en opgeloste zuurstof werden gemeten met de multimeter. watervegetatiestructuur : aanwezigheid, bedekking en soorten helofyten, ondergedoken en drijvende waterplanten. 2.1.2. Locatie – beschrijving 2008 – inrichtingsmaatregel – beschrijving 2011 Een situering van deze vijvers is terug te vinden op kaart 1 • Langerodevijver Aan de rand van het onbeheerd rietland in vijver. Er ligt een groen drab in het water. maatregel V35: de vegetatie wordt verwijderd om riet te vitaliseren Brede rietkraag goed ontwikkeld. • IJsevijver klein, groot zuid, groot midden en groot noord: deels verlande vijvers zonder watertoevoer (zelfs met struweel) maatregel V17: De watertoevoer en -afvoerconstructies worden hersteld. De dijken worden deels verlaagd. De verlandingsvegetatie wordt verwijderd om open water te bekomen. Openwater met enkel in Ijsevijver Noord verlandings vegetatie, struwelen zijn verwijderd. • Kliniekvijver uiterst zuid grotendeels verlande vijver (zelfs met struweel) maatregel V100: De verlandingsvegetatie wordt verwijderd om open water te bekomen. Enkel een kleine zone is openwater rest is verland. Hier blijkt de beheermaatregel slechts beperkt uitgevoerd. • Kliniekvijvertje uiterst noord volledig verlande vijver (zelfs met struweel) maatregel V102: De verlandingsvegetatie wordt verwijderd om open water te bekomen. Ondiepe vijver met een zeer dikke sliblaag, geen verlandingsvegetatie. Het droogleggen van deze vijver en mineraliseren (inklinken) van de sliblaag is hier aangewezen.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Tabel 1: Resultaten biotoopkwaliteit vijvers locatie Langerodevijver
IJsevijver klein
IJsevijver groot zuid
IJsevijver groot midden
IJsevijver groot noord
Kliniekvijver uiterts zuid
Kliniekvijvertje uiterts noord
maatregel V35
maatregel V17
maatregel V17
maatregel V17
maatregel V17
maatregel V100
maatregel V102
15/08/2011
15/08/2011
15/08/2011
15/08/2011
15/08/2011
15/08/2011
15/08/2011
45
15
20
15
40
45
5,00
8,94
7,06
8,77
7,38
7,55
7,03
9,98
25,2
14,2
16,1
16,4
16,5
14,6
14,4
300
332
331
321
295
516
327
1,86
10,68
12,19
12,84
3,81
3,71
doorzicht cm
pH
temperatuur °C
conductiviteit mS
O2 mg/l 13,9 mg/l helofyten (bedekking en soorten) 2m rondom riet
770 m² = 50% Grote Lisdodde
Liesgras
230 m² = 6%
262 m³ = 6%
Liesgras
Liesgras
Grote lisdodde
Grote lisdodde
Grote lisdodde
1246 m² = 30% Riet
16990 m² = 92 % grote lisdodde
100 m² = 2% riet
Liesgras
liegras
liesgras
Grote Lisdodde
riet
rietgras
rietgras
lisdodde
onderwaterplanten (bedekking en soorten) Grootnimfkruid 0,5%
schedefonteinkruid 2%
Schedefonteinkruid 5%
grof hoornblad 18 %
schedefonteinkruid 0,5%
grof hoornblad 50 %
recent uitgebaggerd
schedefonteinkruid 1%
schedefonteinkruid 0,5%
groot nimfkruid 1% stijve waterranonkel 0,5% drijvende waterplanten (bedekking en soorten) 100% Klein en veelwortellig kroos
3% Klein en veelwortellig kroos
1% Klein kroos
5% Klein kroos
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
2.2.
Resultaat - bespreking
In de tabel 1 worden de resultaten weergegeven. Het doorzicht in het ‘kliniekvijvertje noord’ is het laagst. Het doorzicht voor de Ijsevijver Noord is duidelijk hoger dan de 3 andere ijsevijvers. Langrodevijver, Kliniekvijver zuid en Ijsevijver Noord hebben een vergelijkbaar doorzicht. Het zuurstofgehalte is in de Kliniekvijvers en Ijsevijver klein beduidend lager. De Kliniekvijver Zuid is sterk verland (90 %) met helofyten en Ijsevijver Noord heeft een verlanding van 30 %. De Kleinste IJsevijver is voor 50% begroeid met Grote lisdodde met lage densiteit waardoor het kroos duidelijk zichtbaar is. Bij de andere vijvers is de emergente zone zeer gering. Het verlandingsproces is in de Ijsevijver Noord na de ingrepen al terug duidelijk zichtbaar. Door de grootte van de Langerode - meer dan 17ha – is enkel de zuidelijke lob bekeken en om een beeld te kunnen weergeven geven we hier de breedte van de emergente zone. Enkel in Ijsvijver Klein en Klieniekvijver Zuid (recent gebaggerd) komen geen ondergedoken waterplanten voor. Algen werden sporadisch waargenomen in alle vijvers. De inrichtingsmaatregelen hebben een duidelijk effect en evolueren meestal in de beoogde richting: Langrodevijver heeft een goed ontwikkelde rietkraag. Verder maaibeheer in de winter kan overwogen worden om het riet te versterken. Ijsevijvers hebben open water maar de verlanding in Ijsevijver Noord evolueert sneller dan in andere vijvers (zuid en midden). Als beheer kan het gefaseerd inklinken/mineraliseren sliblaag en afvoeren verlandingsvegetatie overwogen worden. Kliniekvijver Zuid is voor het grootse oppervlak verland en indien we streven naar openwater moet hier intensief de helofyten verwijderd worden. Kliniekvijver Noord heeft een dikke sliblaag ( +/- 50 cm) en hier is het droogleggen van vijver om de sliblaag te laten inklinken/mineraliseren noodzakelijk.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
3.
MEETNET VEGETATIE 3.1.
Oppervlakte en ligging doelsystemen
Zie kaart 2 en tabel 2. De basis waarop de verdere kartering is uitgevoerd is de vegetatiekaart opgenomen in het monitoringsrapport 2009. In vergelijking met het vorige rapport kan vastgesteld worden dat urbaan gebied (weekendzone) volledig verdwenen is. De oppervlakte naaldhoutaanplanten en moeraspirearuigte zijn afgenomen. Een deel van de veranderingen die in de tabel gevisualiseerd worden is te wijten aan een verschillende interpretatie of beoordeling van BWK-types. De onderliggende trend is echter duidelijk: vermindering urbaan gebied, vermindering moerasspirearuigte, vermindering naaldhoutaanplant. De voornaamste toename is te zien bij Rietland. Tabel 2: Oppervlakte doelsystemen en natuurstreefbeelden / vegetatietypes doelsysteem
BWK
opp. T+3 (ha)
Opp T-1
stilstaande waters
AE
1.82
0.8
graslanden
Hu
0,42
0.35
Hp*
0.58
1.21
Hub
0.32
0
Hu + hp
0.36
0
voedselrijke ruigten
Hx
0.76
0
Hp
0,24
0.14
Hc
2,82
1.87
Hr
0,03
1.77
Hf
3,4
11.89
1.04
0
4.29
1.9
0.55
0
Mc
0
0.22
Mrb
1.69
0
Mr+Mc
0.65
0
Voedselrijke ruigten met Hf + se boomopslag moerassen Mr Mrb + Mc
Verlandingsveg struwelen
0
3.03
Se
1,39
0.37
Sf
0,80
0.08
Vn
0,13
0.34
Geml
1,69
1.69
Se + ku loofbossen
loofhoutaanplant
0
Va
0.17
0
Vf
0.71
0
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Lhi
1.08
Hf/L
0
2.87
Va/L
0
0.17
Qa/L
0
1.64
Vm/L
0
0.44
Vn/L
0,31
0.1
Va
0.17
0
Hf/L
0.82
2.87
Khw
0.07
0
Hfb
0.82
0
Mr/L
1,29
1.73
P
0.29
1.68
P/Hr
0.18
0
boomgaarden
Kj
0,49
0.2
urbaan gebied
U
0
0.60
37,85
37.85
naaldhoutaanplant
3.2.
0
Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden
Zie kaart 2 en tabel 2.
3.3.
Soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden 3.3.1. Methode - uitvoering
Op het terrein werden in 2007 een aantal permanente kwadraten (PQ’s) uitgezet. Deze PQ’s werden zodanig verdeeld over het gebied zodat een goede opvolging van de natuurstreefbeelden mogelijk is (zie kaart 3) maar vooral is gezocht naar de relevantie m.b.t. de uitvoeringsmaatregelen. We hebben gekozen voor die locaties waar we sterk geïnteresseerd zijn in de resultaten van bepaalde maatregelen. Per PQ wordt onder locatie het maatregelnummer gegeven (verwijst naar een specifiek perceel op de kaart met maatregelen van het eerste projectuitvoeringsplan). De coördinaten (Lambert-coördinaten) worden weergegeven per besproken PQ. De oppervlakte van het PQ is afhankelijk van het vegetatietype in het natuurstreefbeeld. Onder inrichting en beheer worden de inrichtingsmaatregelen en beheersactiviteiten gespecificeerd. Onder vegetatie wordt een beschrijving gegeven van de vegetatie en de naam van het huidig vegetatietype (+ BWK) en tenslotte het beoogde natuurstreefbeeld (+ BWK) dat zou moeten resulteren uit inrichtings- en beheersactiviteiten. Op de bijhorende figuur wordt het PQ gesitueerd.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Tabel 3: Oppervlakte doelsystemen en natuurstreefbeelden / vegetatietypes doelsysteem
BWK
stilstaande waters
AE
1.82
graslanden
voedselrijke ruigten
Hu
0,42
Hp*
0.58
Hub
0.32
Hu + hp
0.36
Hx
0.76
Hp
0,24
Hc
2,82
Hr
0,03
Hf
3,4
Voedselrijke ruigten met Hf + se boomopslag moerassen Mr
struwelen
opp. T+3 (ha)
1.04 4.29
Mrb + Mc
0.55
Mrb
1.69
Mr+Mc
0.65
Se
1,39
Sf
0,80
Se + ku loofbossen
loofhoutaanplant
Vn
0,13
Geml
1,69
Va
0.17
Vf
0.71
Vn/L
0,31
Va
0.17
Hf/L
0.82
Khw
0.07
Hfb
0.82
Mr/L
1,29
naaldhoutaanplant
P
0.29
P/Hr
0.18
boomgaarden
Kj
0,49
urbaan gebied
U
0.60 37,85
Per PQ werd een vegetatieopname gemaakt (ruwe data, terug te vinden onder opname PQ): er werd een soortenlijst opgesteld en per soort werd een abundantie toegekend op basis van de Londo-schaal (zie tabel 4).
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Tabel 4: Londo schaal Londo r1 r2 r4 p1 p2 p4 a1 a2 a4 m1 m2 m4 1 11+ 2 3 4 5 55+ 6 7 8 9
Aantal individuen sporadisch 1-3 (rarum) sporadisch 1-3 (rarum) sporadisch 1-3 (rarum) weinig talrijk 4-20 (paulum) weinig talrijk 4-20 (paulum) weinig talrijk 4-20 (paulum) talrijk 21-100 (amplum) talrijk 21-100 (amplum) talrijk 21-100 (amplum) zeer talrijk >100 (multum) zeer talrijk >100 (multum) zeer talrijk >100 (multum) Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig
Bedekking <1% 1-3 % 3-5 % <1% 1-3 % 3-5 % <1% 1-3 % 3-5 % <1% 1-3 % 3-5 % 5-15 % 5-10 % 10-15 % 15-25 % 25-35 % 35-45 % 45-55 % 45-50 % 50-55 % 55-65 % 65-75 % 75-85 % 85-95 %
Deze opnames werden vegetatiekundig geanalyseerd met Turboveg 2.0 en Associa (synsystematisch systeem Pg-01-43, default instellingen o.a. reference 3 combined, normalised incompl. & weird species). Associa rangschikt de resultaten van de analyse van de opname op basis van de waarde voor de combined index, een maat voor de gelijkenis van een opname met de “doorsnee” opname van een syntaxon uit de Vegetatie van Nederland (Schaminée et al.). Hoe kleiner de index, hoe groter de gelijkenis en hoe hoger in de rangschikking. Om te komen tot een uiteindelijke keuze van vegetatietype/syntaxon waarmee de opname correspondeert, wordt vooral belang gehecht aan de incompleteness en de weirdness. De incompleteness is best maximum 1, hoe kleiner hoe beter. Het aantal “weird” soorten is tevens best kleiner dan 0, hoe negatiever, hoe beter. Dit betekent dat de eerst vermelde associatie door Associa niet noodzakelijk de beste hoeft te zijn. Wanneer Associa moeilijk of niet interpreteerbare resultaten geeft, werd het niet gevolgd. Dan is de keuze van vegetatietype op basis van deskundigenoordeel gebeurd.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Bij resultaat vegetatie-analyse worden de eerste 3 resultaten van Associa weergegeven (met laagste combined index) en daarna een uiteindelijke syntaxon-keuze die hiervan kan afwijken om hierboven toegelichte redenen. De nummering en naamgeving van de syntaxa verwijzen naar De Vegetatie van Nederland. Een beschrijving van deze vegetatietypes is ook daar terug te vinden.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
3.3.2.
Resultaat - bespreking per permanent kwadraat
PQ 1 Locatie : Maatregel V105 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 171702,49 171709,98 171716,60 171709,11
Y 172188,47 172195,09 172187,60 172180,97
Inrichting en beheer voor opname 2011 Bosomvorming: kappen populieren en andere exoten. Ondergroei wordt afgezet om nadien weer snel tot bosvorming te kunnen leiden. Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 11/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Ruigte na kaalkap van populierenbestand. Boomoplslag van populier,esdoorn,wilg,es,zwarte els en iep. Huidig vegetatietype: natte moerasspirearuigte met boomoplsag hfb (alluviaal essen-olmenbos Va .) Natuurstreefbeeld : eiken-haagbeukenbos Qa
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 38AA02B
Associa_02
: 33DG02
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Associa_03
: 43AA05
Syntaxon: 38AA02B lissen-ooibos met elementen van 33DG02 nitrofiele zomen Toelichting. Dit gebied heeft de potentie om te ontwikkelen naar een Alluviaal essen-olmenbos (va) of Nitrofiel alluviaal elzenbos (vn). De aanwezigheid of afwezigheid van geophyten is hiervoor bepalend. Opname PQ 1 Naam Nl Gewone smeerwortel Dagkoekoeksbloem Akkerdistel Grote brandnetel Koninginnenkruid Riet Pitrus Boswilg Schietwilg Zwarte Els Ruwe iep Braam (G) Hop Populier (G) Gewone Es Akkervergeet-mij-nietje Kleefkruid Bosandoorn Speenkruid Hondsdraf Aronskelk (G) Moesdistel Vogelmuur
bedekking (Londo) p2 a2 7 7 m4 a1 r1 1+ p4 p2 r2 p2 p1 p4 r2 r1 p1 a2 m2 m1 p1 r1 p1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ 2 Locatie : Maatregel V104 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 171515,16 171519,15 171528,32 171524,33
Y 171947,56 171956,73 171952,74 171943,57
Inrichting en beheer voor opname 2011 Bosomvorming: kappen populieren en andere exoten. Ondergroei wordt afgezet om nadien weer snel tot bosvorming te kunnen leiden. Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 11/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Ruigte na kaalkap populieren met weinig boomopslagopen. Huidig vegetatietype: natte moerasspirearuigte hf met mogelijkheid evolutie naar dottergrasland hc. Natuurstreefbeeld : alluviaal essenolmenbos va
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32RG01
Associa_02
: 32BA02A
Associa_03
: 38AA02B
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Syntaxon: Natte strooiselruigte verbond van harig wilgenroosje 32BA02A met elementen van lissen-ooibos 38AA02B Toelichting Va en hc zijn beiden mogelijk. We zien een beperkte boomopslag na de beheermaatregelen en daarom is het overwegen van een aanpassing in beheer en natuurstreefbeeld aangewezen. Met maaibeheer kan deze natte strooiselruigte evolueren naar dottergrasland. Opname PQ 2 Naam Nl Zachte berk Gewone smeerwortel Riet Gele lis Braam (G) Pitrus Moesdistel Kleefkruid Grote Brandnetel Echte Koekoeksbloem Hondsdraf Akkervergeet-mijnietje Boswilg Koninginnenkruid Kruipend zenegroen Dagkoekoeksbloem Moerasandoorn Gevleugeld hertshooi
bedekking (Londo) r1 5 1+ a2 r4 p1 p2 m1 a2 r1 2 p1 p1 a2 p1 r1 p1 p1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ 3 locatie : Maatregel V37 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 170262,93 170264,56 170263,41 170261,78
Y 170214,42 170213,26 170211,63 170212,78
Inrichting en beheer voor opname 2011 Struweel kappen en ontstronken met bosfrees, populierenstronken wegfrezen. Cyclisch maaibeheer.
Datum opname : 13/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10 m
Vegetatie beschrijving vegetatie: Verwaarloosd grasland met boomoplslag. Huidig vegetatietype: Natte ruigte met moerasspirea hf. Ontwikeling naar hc door beheer. (bosbies waargenomen op 10-tal meter van PQ) Natuurstreefbeeld : riet- en grotezeggenvegetatie : Mc Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32RG02
Associa_02
: 38AA01B
Associa_03
: 32AA01C
Syntaxon: Moerasspirea – verbond met RG van Rietgras
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Toelichting In de zone noordelijk van de PQ is een evolutie naar mc waarschijnlijk. De noordelijke zone is vochtiger. In de zone van de PQ zien we een evolutie naar hc. Daarom is het aangewezen dat het beheer in de zuidelijke zone wordt behouden maar in de noordelijke tijdelijk geen beheer zodat de ontwikkeling van mc zich verder kan doorzetten. Opname PQ 3 Naam Nl Moesdistel Harig Wilgenroosje Ridderzuring Zwarte Els Rietgras Bijvoet Kruipende Boterbloem Gewone smeerwortel Schietwilg Pitrus Haagwinde Hondsdraf Grote Brandnetel Gevleugeld Hertshooi Krulzuring Witbol Witte Dovenetel Moerasspirea Wikke (G) Bosandoorn Moerasrolklaver Kleefkruid Boerenwormkruid Gewone Berenklauw Kropaar Grote Vossenstaart Glanshaver Watermuur
bedekking (Londo) p4 a2 m4 r1 6 a2 m2 p2 p2 m2 p1 a1 a1 r1 r1 m2 r1 r1 p1 r1 m2 p1 p1 r1 a1 r1 p1 a4
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ4 Locatie : Maatregel L1 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 170745,74 170750,69 170759,38 170754,42
Y 170538,09 170546,78 170541,82 170533,14
Inrichting en beheer voor opname 2011 populieren kappen + ander onderhout en ontstronken Cyclisch maaibeheer.
Datum opname : 27/06/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Ruigte met boomopslag van zwarte els en wilg tussen oever en populierenbestand. Huidig vegetatietype: moerasspirearuigte met uitgesproken boomopslag hfb. (sf) Natuurstreefbeeld : moerasspirearuigte Hf
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 38AA02A
Associa_02
: 38AA02B
Associa_03
: 36AA02B
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Syntaxon: Wilgenbroekstruwelen – associatie van grauwe wilg 36AA02B Toelichting Maaibeheer werd niet uitgevoerd en een struweel is ontwikkeld. Indien er word gekozen voor hf is een dringende ingreep nodig. Anders nulbeheer en opvolging bosontwikkeling. Opname PQ 4 Naam Nl
bedekking (Londo)
Zwarte Els Schietwilg Grauwe wilg Haagwinde Koninginnenkruid Riet Grote brandnetel Gele lis Akkerdistel Kleefkruid Pitrus Moerasrolklaver Zegge (G) Moesdistel Munt Moerasandoorn Grote kattenstaart Geoord helmkruid Bitterzoet Harig wilgenroosje Braam (G)
5+ 3 5+ m2 1m4 m2 a4 m4 a1 8 p1 m4 p4 a1 p1 p1 p1 r1 p1 1-
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ5 Locatie : Maatregel V9 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169832,02 169837,98 169846,01 169840,04
Y 169778,29 169786,31 169780,35 169772,32
Inrichting en beheer voor opname 2011 Bosomvorming: kappen populieren en andere exoten. Ondergroei wordt afgezet om nadien weer snel tot bosvorming te kunnen leiden. In een volgende fase zal deze zone vernat worden. Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 13/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: pad tussen (doornstruweel en moerasruigte onder afgestorven populieren bestand Huidig vegetatietype: zeer moeilijk de definiëren. PQ is een samenstelling van doornstruweel, verstoringsvegetatie en zeer vochtige ruigte. Houtkant is goed ontwikkeld en een punt van aandacht in het beheer. Natuurstreefbeeld : wilgenstruweel Sf Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
:
Associa_02
:
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Associa_03
:
Syntaxon: Toelichting Moerasruigte onder dode populierenbestand heeft de potentie om uit te groeien tot een grote oppervlakte van mc. De houtkant is goedontwikkeld maar dient in beheer te komen.Afzetten houtkant met cycli van 8 jaar. Opname PQ 5 Naam Nl Rode Kornoelje Grote Brandnetel Moesdistel Dagkoekoeksbloem Ruw Beemdgras Harig Wilgenroosje Pitrus Biezenknop Gewone Engelwortel Boerenwormkruid Zomereik Ruwe Iep Braam (G) Bijvoet Wikke (G) Moerasspirea Kruipende Boterbloem Gelderse roos Kruisbladwalstro Watermunt Watermuur Koninginnenkruid Bitterzoet Gewone smeerwortel Eenstijlige meidoorn Gewone vlier Wilde kardinaalsmuts Echte Koekoeksbloem Grote Lisdodde Sleedoorn Moerasandoorn Rietgras Gestreepte witbol Waterpeper
bedekking (Londo) r2 1 p2 a1 m2 a2 2 2 r1 r1 r1 r1 p2 p1 a2 a2 m4 p4 p1 2 r1 a2 r1 r1 r2 r2 1r1 p1 r1 r1 1 a1 p1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ6 Locatie : Maatregel V28 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169622,04 169622,81 169620,96 169620,19
Y 169720,35 169718,50 169717,73 169719,58
Inrichting en beheer voor opname 2011 populieren kappen en ontstronken. Maaien met eventueel nabegrazing.
Datum opname : 13/05/2011
Oppervlakte PQ : 2x2m, 4m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Opslag van wilg in rietgras ruigte Huidig vegetatietype: rietland met RG van rietgras (mr) Natuurstreefbeeld : dottergrasland Hc
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32RG05
Associa_02
: 38RG01
Associa_103
: 32RG02
Syntaxon: 32RG5 RG Klasse der natte strooiselruigte met rompgemeenschap van rietgras.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Toelichting Intensiever maaibeheer (startbeheer) moeten worden overwogen. Opname PQ 6 Naam Nl Schietwilg Wilg (G) Rietgras Riet Grote Lisdodde Pitrus Biezenknoppen
bedekking (Londo) 2 1+ 6 p2 r1 1 a1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ7 Locatie : Maatregel V29 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169739,60 169741,91 169745,99 169743,67
Y 170015,92 170019,18 170016,28 170013,02
Inrichting en beheer voor opname 2011 populieren kappen en ontstronken. Maaien met nabegrazing.
Datum opname : 17/05/2011
Oppervlakte PQ : 4x5m, 20m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: grasland (weide) Huidig vegetatietype: kamgrasland Hp, PQ ligt in zelfde weide als PQ 8 maar droger/hoger. Natuurstreefbeeld : glanshaver/kamgrasland Hu+Hp*
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 33AA05B
Associa_02
: 12BA01A
Associa_03
: 33RG01
Syntaxon: 16RG01 Klasse der vochtige graslanden met RG van Gestreepte witbol
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Toelichting Evolutie naar natuurstreefbeeld is duidelijk en daarom is het verder aanhouden van het beheer (maaien/begrazing) aangewezen. Men kan overwegen enkel maaibeheer uit te voeren om de evolutie te versnellen. Intensievere opvolging is nodig om de overschakeling naar onderhoudsbeheer te bepalen. Opname PQ 7
Naam Nl
bedekking (Londo)
Kropaar Zachte Dravik s.l. Ruw beemdgras Grote Brandnetel Moerasbeemdgras Kruipende Boterbloem Gestreepte witbol Geknikte vossenstaart
4 p1 2 p2 1+ p1 p1 p1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ8 Locatie : Maatregel V2 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169897,61 169899,02 169897,59 169896,19
Y 169890,68 169889,26 169887,86 169889,28
Inrichting en beheer voor opname 2011 populieren kappen en ontstronken. Cyclisch maaibeheer.
Datum opname : 17/05/2011
Oppervlakte PQ : 2x2m, 4m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: grasland (weide), uitgedroogde modder na overstroming van gracht, erosie en vermesting door runderen. Huidig vegetatietype: Door zware verstoring van PQ geen typering mogelijk. Maar de soortenrijkdom van de onbetredenzones gaan naar hu+hp*. Knolsteenbreek waargenomen aan west kant van grasland. Natuurstreefbeeld : rietland Mr
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
:
Associa_02
:
Associa_03
:
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Syntaxon: Toelichting. De vegetatie in de niet verstoorde zones en rand van weide duiden op een grote potentie naar hu met daarin een zone hc ( natuurstreefbeeld mr is moeilijk bereikbaar) . Aanpassing beheer naar enkel maaien en geen betreding tijdens natte periodes is aangewezen. Opname PQ 8
Naam Nl
bedekking (Londo)
Mannagras
5+
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ9 Locatie : Maatregel L27 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169370,68 169374,44 169376,16 169372,40
Y 168231,22 168232,60 168227,90 168226,53
Inrichting en beheer voor opname 2011 Plaatsen raster. begrazingsbeheer.
Datum opname : 17/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Moerasspirearuigte onder jong open zomereiken bestand. Huidig vegetatietype: moerasspirearuigte Hf Natuurstreefbeeld : kamgrasland Hp*
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32AA01C
Associa_02
: 32AA01B
Associa_03
: 16AB06
Syntaxon: 32A Moerasspirea verbond Toelichting
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Begrazing als omvormingsbeheer is onvoldoende en maaibeheer is aangeraden. Er is een grotere potentie naar hc ipv hp. Echter deze moerasspirea ruigte is goed ontwikkeld en toont een groot potentieel om te evolueren naar een hf zone van grote waarde. (oppervlakte en soortensamenstelling) Opname PQ 9
Naam Nl Dagkoekoeksbloem Moerasspirea Akkerdistel Gewone smeerwortel Moesdistel Hondsdraf Grasmuur Wikke (G) Akkervergeet-menietje Heermoes Gewone Engelwortel Moeraszegge Grote vossenstaart Ruw beemdgras Harig wilgenroosje Kleefkruid Biezenknoppen Adderwortel
bedekking (Londo) a4 8 a4 p2 p4 m4 a2 p2 r1 r1 r1 a4 7 4 p2 a1 p1 a2
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ10 Locatie : Maatregel V25 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169473,38 169472,91 169470,97 169471,43
Y 166362,62 166360,68 166361,14 166363,09
Inrichting en beheer voor opname 2011 Fijnspar kappen Extensieve begrazing (onderdeel van groot begrazingsblok), mogelijk met cyclisch maaibeheer
Datum opname : 12/09/2007
Oppervlakte PQ : 2x2m, 4m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Ruigte na kaalkap vochtig. Huidig vegetatietype: duidelijke kaalkapruigte met lage densiteit Se Natuurstreefbeeld : rietland/rietruigte Mr
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32RG05
Associa_02
: 33RG01
Associa_03
: 32RG02
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Syntaxon: Klasse der natte strooiselruigte 32RG en elementen van Klasse der nitrofiele zomen 33 RG Toelichting Geen duidelijke evolutie maar de aangrenzende gebieden typeren we als hf met een rompgemeenschap van smeerwortel. Opname PQ 10
Naam Nl
bedekking (Londo)
Rietgras Grote Brandnetel Hondsdraf Pitrus Gewone Engelwortel Kruipende Boterbloem Eenstijlige Meidoorn Ridderzuring Biezenknoppen Harig Wilgenroosje Kleefkruid
2 2 p4 2 r4 p4 r2 r2 p1 p4 r1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ11 Locatie : Maatregel V17 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 168674,83 168707,15 168751,25 168720,21
Y 167264,00 167353,05 167340,21 167261,43
Inrichting en beheer voor opname 2011 Herinrichting van de vijvers: verwijderen strooisellaag en plantengroei in verlandingszone, herstel constructies voor watertoevoer en afvoer Jaarlijks (meermaals) bijvullen van water, cyclisch (om de paar jaren) droogleggen van vijvers.
Datum opname : 19/05/200
Oppervlakte PQ : +/- 45x90m, 4000m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: open water met emergente oeverplanten.Oevervegetatie en jong wilgenopslag Huidig vegetatietype: open water met emergente vegetatie Ae Natuurstreefbeeld : open water Ae Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 05RG04
Associa_02
: 05RG03
Associa_03
: 08AB02
Syntaxon: 05 Fonteinkruid-klasse met elementen van Riet-klasse
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Toelichting. Natuurstreefbeeld is hier goed ontwikkeld maar in de grote vijver Noord is het verlandingsproces reeds goed zichtbaar. Het maaien van helofyten in de zomer is aangewezen. (Beheer zie 2.2 resultaat bespreking) Opname PQ 11
Naam Nl
bedekking (Londo)
Grote Lisdodde Liesgras Riet Harig Wilgenroosje Blauwe waterereprijs Beekpunge Schedefonteinkruid Grof hoornblad
1+ m4 m2 m1 r1 m1 4 4
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ12 Locatie : Maatregel V42 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 168617,92 168626,24 168631,79 168623,47
Y 167048,07 167053,61 167045,29 167039,75
Inrichting en beheer voor opname 2011 Herstellen reliëf met grond van naastliggende dijk, spontane verbossing Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 19/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Hoge densiteit van boomopslag op uitgedroogde vijver. Huidig vegetatietype: Vochtig wilgenstruweel op permanent uitgedroogde vijverbodem so Natuurstreefbeeld : essen-olmenbos Va
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 32AA01C
Associa_02
: 39RG04
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Associa_03
: 39AA02B
Syntaxon: 39A Elzen-verbond met elementen van 38A Wilgen-verbond Toelichting Natuurstreefbeeld is in ontwikkeling. Een dichte boomopslag van Zwarte Els is ontstaan en een eerste dunning zal moeten worden uitgevoerd binnen een termijn van 6 à 7 jaar. Opname PQ 12
Naam Nl
bedekking (Londo)
Zwarte Els Schietwilg Katwilg Koninginnenkruid Moesdistel Pitrus Rietgras Haagwinde Braam (G) Ridderzuring Boerenwormkruid Gewone engelwortel Kleefkruid Akkerdistel Veldzuring Reuzenzwenkgras Gevleugeld hertshooi Geoord helmkruid Hop Grote Brandnetel Walstro (G) Kruipende Boterbloem
9 r1 r1 m2 a2 8 a1 m2 3 p2 p2 p1 a1 a2 m2 m4 m2 p1 r1 p2 r1 p1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
PQ13 Locatie : Maatregel V102 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169034,43 169033,17 169031,61 169032,87
Y 167470,66 167469,11 167470,36 167471,92
Inrichting en beheer voor opname 2011 verwijderen strooisellaag en plantengroei Cyclisch maaibeheer.
Datum opname : 26/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10 m
Vegetatie beschrijving vegetatie: Open water Huidig vegetatietype: Open water Ae Natuurstreefbeeld : grote-zeggenvegetatie Mc
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 02AA01
Associa_02
: 05CA04
Associa_03
: 05AA01
Syntaxon: 05 Fonteinkruid-klasse
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Toelichting Na de maatregelen is de vijver ontwikkeld naar een open water en is het natuurstreefbeeld onwaarschijnlijk. Zone ten ooste van PQ kan men typeren als mc. Opname PQ 13
Naam Nl
bedekking (Londo)
Gevleugeld sterrenkroos Schedefonteinkruid
a1 1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ14 Locatie : Maatregel V7 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169369,82 169379,10 169382,83 169373,55
Y 168937,10 168940,82 168931,54 168927,82
Inrichting en beheer voor opname 2011 Bosomvorming: kappen fijnspar en andere exoten. Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 23/05/2011
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: Ruigte na kaalkap. Huidig vegetatietype: Duidelijke kaalkapruigte met matige densiteit en grote soorten rijkdom Se Natuurstreefbeeld : mesotroof elzenbroekbos Vm
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 33AA05B
Associa_02
: 18AA02
Associa_03
: 31CA01B
Syntaxon: Klasse der nitrofiele zomen 33 RG met elementen van Klasse der natte strooiselruigte 32RG Toelichting
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Geen duidelijke evolutie Opname PQ 14
Naam Nl
bedekking (Londo)
Gewone vlier Grote Brandnetel Moesdistel Pitrus Bitterzoet Gewone meerwortel Dagkoekoeksbloem Gewone margriet Grasmuur Hondsdraf Ruwe Berk Rietgras Akkerdistel Krulzuring Bijvoet Kruipende Boterbloem Bosandoorn Gestreepte witbol Mannetjes Varen Wilg (G) Vlasbekje Grote Vossenstaart Ruw beemdgras Kropaar Moerasspirea Wikke (G) Klein Hoefblad
r1 1a4 m1 p1 r1 p1 a1 p1 a2 p2 1 a2 r1 p1 p1 p1 a1 r1 r1 1+ a1 p1 p1 r1 p1 r1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) PQ15 Locatie : Maatregel V46 Coördinaten PQ (Lambert 72) Hoekpunt 1 2 3 4
X 169147,45 169157,26 169159,20 169149,38
Y 168093,88 168095,82 168086,01 168084,07
Inrichting en beheer voor opname 2011 Spontane verbossing Nulbeheer, opvolging bosontwikkeling.
Datum opname : 19/09/2007
Oppervlakte PQ : 10x10m, 100m²
Vegetatie beschrijving vegetatie: ruigte langs pad op voormalige akker en ruimingsafval van beek in PQ Huidig vegetatietype: verlaten mesofiel grasland. Ruderale vegetaties op verlaten akkers ku Natuurstreefbeeld : elzen-essenbos Vc
Resultaat vegetatie-analyse Associa_01
: 31CA03B
Associa_02
: 33AA05B
Associa_03
: 31CA03A
Syntaxon: 31CA03B Bijvoet-klasse Boerenwormkruid-verbond Toelichting
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Evolutie onduidelijk maar alluviale bos minerale bodem zijn mogelijk (va,vn,vc) Opname PQ 15
Naam Nl
bedekking (Londo)
Rode Klaver Braam (G) Gewone Berenklauw Kruipende Boterbloem Gewone smeerwortel Gestreepte witbol Glanshaver Witte klaver Koninginnenkruid Bijvoet Wikke (G) Wilgenroosje Boerenwormkruid Grote Vossenstaart Kropaar Dagkoekoeksbloem Heermoes Rietgras Moesdistel Dolle Kervel Klein Hoefblad Rood Zwenkgras s.s. Gewone Melkdistel Kompassla
p1 2 p2 1p4 m4 1m2 a1 p1 111 p1 p1 p1 p1 p1 r1 r1 p2 a1 p1 r1
Bijzondere plantensoorten In totaal werden in de 15 PQ’s 104 plantensoorten aangetroffen. Gezien deze opnames slechts plaatsvonden over een fractie van de totale oppervlakte van de Dijlevallei, geeft dit getal geen idee van de totale soortenrijkdom aan planten, die alleszins veel groter is. Volgende waarnemingen vielen buiden de PQ’s: Knolsteenbreek (ten westen van PQ 8) Bosbies (ten noorden van PQ3) Reuzenbalsemien in verschillende natte zones en oeverruigtes.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Literatuurlijst VLINA, 2000. Verslag van VLINA project 97/02: Ecologische typologie en onderzoek naar een geïntegreerde evaluatiemethode voor stilstaande wateren op regionale schaal: hoekstenen voor ontwikkeling, herstel en opvolging van natuurwaarden Schaminée, Weeda en Westhoff, 1995. De Vegetatie van Nederland. Deel 2. Lyon en Roelofs, 1986. Waterplanten in relatie tot de waterkwaliteit en bodemgesteldheid.
Paelinckx,D, et al.,2001. Biologische waarderingskaart van het Vlaamse Gewest. De Blust,G.,Froment,A.,Kuijken,E.,Nef,L.,&Verheyen,R.,1985. Biologische Waarderingskaart van België Van der Meijden,R. 1983.Heukels’ Flora van Nederland Pot Roelf 2003.Veldgids Water-en oeverplanten Phillips R.1980. Grassen,Varens,mossen en korstmossen Hermy M.,de Blust G.,Slootmaekers M., 2004 Natuurbeheer . Uitg. Davidsfonds i.s.m. Argus vzw, Natuurpunt vzw en het IN, Leuven. Cornelis J.,Hermy M., Roelandt B.,De Keersmaeker L. & Vandekerhove k. 2009. Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen, een typologie gebasserd op de kruidlaag. INBO.M.2009.5. Vermeulen H. 2010 Sleutelen met grassen, cypergrassen en russen. Natuurpunt vzw Vermeulen H. 2008 Sleutelen met Planten Natuurpunt vzw. Aichele / Schwegler 2002. Grassengids, Tirion Uitgevers Declerck, S., Van de Meutter, F. & L. De Meester (2006). Ondiepe vijvers en meren. Ecologische achtergronden en beheer. Natuur.Focus 5 (1): De Becker P., Jochems H. & Hybrechts W., 2004. Onderzoek naar de abiotische standplaatsvereisten van verschillende beekbegeleidende Alno-Padion & Alnion incanae-gemeenschappen – Rapport IN.O.2004.17. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. DE WILDE, M.; DE BECKER, P.; HUYBRECHTS, W. 1999. Ecohydrologische studie van het Vinne. Rapport IN 99.13, Instituut voor Natuurbehoud iov Provincie Vlaams Brabant. HENNEKENS, S.M., 1995. TURBOVEG. Programmatuur voor de invoer; verwerking en presentatie van vegetatiekundige gegevens. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen Nederland. SCHAMINÉE, J.H.J.; A.H.F. STORTELDER; E.J. WEEDA. 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3: Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Uppsala-Leiden. SCHAMINÉE, J.H.J.; A.H.F. STORTELDER; V. WESTHOFF. 1995. De vegetatie van Nederland. Deel 1: grondslagen, methoden, toepassingen. Opulus Press, Uppsala-Leiden. SCHAMINÉE, J.H.J.; E.J. WEEDA; V. WESTHOFF. 1995. De vegetatie van Nederland. Deel 2: Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. Opulus Press, Uppsala-Leiden. SCHAMINÉE, J.H.J.; E.J. WEEDA; V. WESTHOFF. 1998. De vegetatie van Nederland. Deel 4:
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Plantengemeenschappen van de kust en van binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Uppsala-Leiden. STORTELDER, A.H.F.; SCHAMINÉE, J.H.J.; HOMMEL, P.W.F.M. 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala-Leiden. STUYFZAND P.J., 1986. Een nieuwe hydrochemische klassificatie van watertypen - met Nederlandse voorbeelden van toepassing. WEEDA, E.J. 1973. Het Myriophyllo verticillati – Nupharetum bij Denekamp. Gorteria 6: 131-136. Weeda, EJ.; R. Westra; C. Westra; T. Westra. 1991-1995. Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties (5 delen), IVN.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
4.
MACROFAUNA
De macrofauna werd bemonsterd op 11 april 2011 in de drie IJsevijvers Groot en in de Ijsevijver Klein en op 14 april 2011 in de Langerodevijver. Op basis van de aangetroffen ongewervelden bedragen de Belgische biotische indexen (B.B.I.) in de IJsevijver Groot Noord 6, de IJsevijver Groot Midden 5, de IJsevijver Groot Zuid 7, de IJsevijver Klein 7 en de Langerodevijver 8. Dit wijst op een matige (B.B.I. 5-6) tot goede biologische kwaliteit (B.B.I. = 7-8). Aanvullend is ook de nieuwe, strengere multimetrische macroinvertebraten index Vlaanderen (MMIF) toegepast, waarbij deze niet getypeerde vijvers zoals voorgeschreven in Vlarem II zijn gelijkgesteld met ‘alkalisch, ionenrijk water/meer (Ai)’. De MMIF of EKC bedragen in de IJsevijvers Groot resp. 0,55, 0,45, 0,7, in de IJsevijver Klein 0,5 en in de Langerodevijver 0,75. De ecolo-gische kwaliteit varieert van ontoereikend (0,30-0,49) over matig (0,50-0,69) tot goed (0,70-0,89). De basiskwaliteitsnorm is 0,7.
4.1.
Situering van het onderzoek
4.1.1. Opdracht In opdracht van URS Belgium BVBA, Holsbeek werd de biologische kwaliteit onderzocht in een aantal vijvers in de Ijsevallei te Neerijse. Het onderzoek kadert in een monitoringsprogramma ten behoeve van het natuurinrichtingsproject Dijlevallei van de Vlaamse Landmaat-schappij.
4.1.2. Inhoud Het onderzoek beoogt op de eerste plaats een beoordeling van de biologische kwaliteit gebaseerd op grotere ongewervelde zoetwater-dieren (macro-invertebraten, macrofauna) door middel van de Belgische biotische index in: - de IJsevijvers Groot Noord en Zuid, - de IJsevijver Klein, - de Langerodevijver. Aangezien bij een vorige monitoring de IJsevijver Groot Midden werd onderzocht, werd deze zonder kostenvermeerdering aan het onder-zoeksprogramma toegevoegd. Aanvullend wordt ook volgende informatie geleverd: 1) de multimetrische macro-invertebraten index voor Vlaanderen (MMIF). Deze index is ontwikkeld om te voldoen aan de ver- eisten van de Europese kaderrichtlijn water (KRW) (Gabriels, 2007) en is recent opgenomen in de basiskwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren (Vlarem II, Bijlage 2.3.1). 2) een overzicht van de aangetroffen taxa, waarbij de identificaties voor een aantal groepen meer gedetailleerd zijn dan vereist voor de bepaling van de B.B.I. of MMIF.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
4.2.
Materiaal en methoden
4.2.1. Veldwerk Het veldwerk gebeurde op 11 april 2011 in de IJsevijvers en op 14 april 2011 in de Langerodevijver (figuren 1-3). Het omvatte telkens: a.
een beschrijving van de plaats en de biotoop in een veld- protocol, aangevuld met foto’s,
b.
veldmetingen van temperatuur, pH, geleidbaarheid en zuurstofgehalte,
c.
de bemonstering van de macrofauna Figuur 1: Situering van de monsterplaatsen. (kaart: Nationaal Geografisch Instituut, Brussel)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Figuur 2: Bemonsteringsplaatsen in de IJsevijvers. (foto’s & schema’s: T. Vercauteren/PIH Antwerpen)
OOSTOEVER (noordelijk deel) aanwezig in diepere zone: hoornblad
3
4
1 2
grote lisdodde
kale bedding met verspreid wilgeroosje
±3,7m
±3,6m
monster
uitlaat kaal
±4,5m
"# $ % & '
!
liesgras
(' ' * '
±4,5m
) $
+$
)
±45 m
liesgras
M
liesgras
±90 m
"# $ % & '
!
(' ' * '
) , - $$ )
overlaat IJse
±45 m
ijle lisdodde open ijl liesgras monsters
liesgras
12 3 6, 5
!
4
6
7,2 m
OOSTOEVER ±90 m
"# $ % & '
(' ' * '
) .# $
+#
$ )
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
grote lisdodde op bedding
doorlaat
OOST
veel detritus,
monster
!
"# $ % & '
(' ' ) * ' +#
$ )
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Figuur 3: Bemonsteringsplaatsen in de Langerodevijver. (foto & schema: T. Vercauteren/PIH Antwerpen)
riet, afwisselend
1
zachthellend,
met open stukkenzegge
kaal, lemig slijk
3
2 deelmonsters
"# $ % & '
!
/ 1# $
$ ' + #
. $ 0) .# $
)
De macrofauna werd verzameld door met een handnet schoksgewijs over vegetatie, bedding en oevers te bewegen (figuren 2-3, tabel 1). Het bemonsterde materiaal werd per deelmonster opgeslagen in plastieken emmers en potten en gefixeerd met F-solv 10%. Een aantal opmerkelijke ongewervelden werd afzonderlijk opgeborgen in potjes met alcohol. Tabel 5: Bemonsteringsgegevens Meetpunt IJSGN10
Datum - uur 11.04.2011 – 11.45
IJSGM20
TOTAAL 11.04.2011 – 12.45
IJSGZ30
11.04.2011 – 13.20
IJSKL40
TOTAAL 11.04.2011 – 13.40
LANG50
14.04.2011 – 11.45
TOTAAL
Macrohabitat 1. oostoever, liesgras 2. oostoever, kale zone bij uitlaat 3. oostoev., kaal, verspreide vegetatie (wilgeroosje) 4. oostoever, grote lisdodde 5 = M, diepere zone trajectlengte: ± 15m oostoever, liesgras en kale zone; trajectlengte: ± 20 m 1. oostoever, ijl liesgras 2. oostoever, kale zone 3. oostoev., liesgras trajectlengte: ± 25m oostoever, ijle lisdodde, bedding bedekt met detritus; trajectlengte: ± 10 m 1. zuidoever, riet met kale zones 2. zuidoever, zegge 3. zuidoever, kaal, lemig slijk trajectlengte: ± 40m
Methode handnet handnet handnet handnet handnet handnet handnet handnet handnet handnet
handnet handnet handnet
Duur(min) 2 1,5 1,5
Opp.(m2) ± 2,1 ± 1,8 ± 1,5
1 0,5 6,5 5
± 0,9 ± 0,9 ± 7,2 ±6
1,5 1,5 2,5 5,5 2,5
± 1,2 ± 2,1 ± 1,5 ± 4,8 ± 2,7
2 1 1,5 4,5
± 1,5 ± 1,05 ± 0,9 ± 3,45
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 4.2.2. Onderzoek Elk deelmonster werd in het laboratorium verwerkt als volgt: het materiaal werd gezeefd in fracties > 2 mm, > 1 mm en > 0,3 mm (d.i. de maaswijdte van het net), b. grotere ongewervelden werden uitgezocht onder een loupe voor de grootste fractie en met de stereomicroscoop voor de overige fracties, c. de aangetroffen macro-invertebraten werden geidentificeerd, hun respectievelijke aantallen berekend en minstens een aantal exemplaren opgeslagen voor verdere bewaring in de collecties van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuur-wetenschap pen in Brussel (inventarisnummer IG 31833).
Figuur 4: Ondanks het verwijderen van ontel-bare paddenlarven (Bufo bufo) op het veld, bevat de fractie >2,0 mm van één van de deelmonsters uit IJsevijver Groot Zuid toch nog massa’s lar-ven. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 5: Enkele ongewervelden uit de kleine-re fractie > 0,3 mm. De ‘grotere’ watervlooien (Cladocera), roeipootkreeftjes (Copepoda) en mosselkreeftjes (Ostrocoda) worden niet tot de macrofauna gerekend, in tegenstelling tot de kleine muggenlarven, gelede wormpjes en vlokreeftjes (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
4.2.3. Verdere verwerking Het eerste doel van dit onderzoek is een bepaling van de biologische kwaliteit door middel van de Belgische biotische index (B.B.I.). Voor de aanvullende bepaling van de Multimetrische Macroinverte- bratenindex Vlaanderen is ervan uitgegaan dat de bemonsterde vijvers (voorlopig) mogen worden gelijkgesteld met het watertype ‘ionenrijk, alkalisch meer (Ai)’. De reden hiervoor is de volgende: tot op heden heeft de Vlaamse overheid de meeste (kleinere) gesloten watersys-temen nog niet ingedeeld in typen en Art. 2 van Bijlage 2.3.1 van Vlarem II vermeldt ‘18° voor de oppervlaktewateren van het type ionenrijk, alkalisch meer (Ai), evenals voor de niet in de stroomgebied-beheer- of bekkenbeheerplannen afgebakende meren, …’. De bepaling van de beide kwaliteitsindexen wordt meer uitgebreid beschreven in bijlagen 1 en 2.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Tabel 6: Overzicht van het onderzoek van macrofauna en biologische kwaliteit ! & 23' 2' /
"#!
#$%
'4 5 $ "+#! ,&! -
&( 9 1 =
- 8 0 #
" : - @= 8 $ $ A 6 ' : -)@* 8F A 6 $.# ' @" #$ A G +$ @; #'8 A ; !8F
@?8 A $ @I #' 8 A
" 0 @( F ! @ /% @*$ G ' @" ! + @; !8F @= 5 ' @I =: # IF -$ ? $ & 6 8FD8
A 8 A A A 8F A @
'8F %
A A
; G' 8
.& #! ,&! 6
A
' ( ) ) * " $ % - ' ) " $ 8- 9 ; 8 0 # 6 - ' ' $ % - ' $ 8- - ': $ -+ 7. % ! " ' ( ) ) * 9 ' ) ' < ; 8 0 # 1 - ' ' $ : 1 7 - ': $ -; 8 0 # 8 > -- 7 # / # @ 9A ; 8 0 # ? $ 0 8 '7 ' - 8 '8 ! - 8 '8 @ 9A @B $ 0) 7 . 4 $ $ : + A #: C B * $ 0 -) D $' C E # 4 #' ! 6 +F# ' ! % = --) ! '8F C " & ' C & #% ! 4 H C; 6 + 3 8+ : 8. 4 % ) ! 4 H 5 ) ) )) "#: C +' C ) ( 'C; ' ! B 8 # CG # ' (' ( C "#- '8F ! ) )) ! " $ C ! $ %#'8F ! & ' ! = - - C " ! ) )) " G C4 0 G 8 ) ) ! ' ) ) ' ) !
#
'8F 2 $ 9
% / ) ) #: C B #: C B
B
$##+ C ;
& '' & ''
' D )")/)
# /0 + & # # ' &6& = @ A J6 '8F +: 6 $ % '8F $ 9 ' # % J @62& A)
;# - '8F - 8 4 % % $ 9B $ , "- " &"#! ,&! &&! ' ? 6 : * $ 2 ') I 8 '8F F 5 +
4 )!
$ : $
) K# '8F
-) 4 #' -) 4 #'
- 8
' " 11 ! -# " ! ) 8 F ) 8F 5 )6 ) & ## : '8F) + 6 '8F 2 ' ##
?8 F
& ## :
'8F
<
$ F
#-- 24
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
4.3.
Resultaten met bespreking
4.3.1. IJsevijvers Groot 4.3.1.1.
IJsevijver Groot Noord
Veldwaarnemingen
Algemene vorm
Rechthoekige kom met vrij regelmatige, zwak (oost-zijde) tot duidelijk (± 45°, elders) hellende oevers.
Bemonsterde traject IJSGN10
± 15 m in het noordelijk deel van de zwak hellende oostoever met kale zones en massieven van groot liesgras en grote lisdodde (figuur 6).
Figuur 6: IJsevijver Groot Noord: noordelijk deel van de oostoever, t.h.v. de deelmonsters 3 en 4 (zie figuur 2). (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Water Kleur Doorzichtigheid Fysisch-chemisch
Op het moment van de bemonstering: grijsbeige, troebel, o.a. door zwevende algen alkalisch, met aanzienlijke oververzadiging aan zuurstof. = ## LI
"
$ ' M! 8-
.## ' 0 F - *
.## ' 0 . $ <
Bedding
Fijn lemig materiaal plaatselijk vermengd met slib en detritus op lemig (en kleiig?) zand.
Vegetatie
Langsheen de waterlijn massieven van vooral groot liesgras (Glyceria maxima) en grote lisdodde (Ty-pha latifolia). Ondergedompelde watervegetatie niet zichtbaar, maar tijdens de bemonstering zijn stukken gewoon hoornblad (Ceratophyllum demersum) opgehaald.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Macrofauna
De aangetroffen macrofauna is weinig talrijk en matig verscheiden (tabellen 3 en 4 op blz. 20 e.v.). Opvallende ongewervelden zijn een volgroeide larve van de schietmot Limnephilus rhombicus (figuur 7) en van een libel, de paardenbijter (Aeshna mixta). Verder bevatten de deelmonsters vooral zeer algemeen voorkomende bewoners van stilstaande wateren: larven van de eendagsvlieg Cloeon dipterum en het lantaarntje (Ischnura elegans), waterwantsen (platte zwemwants Ilyocoris cimicoides, dwergbootsmanne-tje Plea minutissima, ge-wone sigaar Sigara striata) en waterkevers (watertre-der Haliplus flu-viatilis, watertor Enochrus affinis). Naast verschillende soortengroepen dansmuggenlarven (Chironomidae), Figuur 7: Larve van de schietmot Limnephilus waaronder een enkele rhombicus. Boven: larve met koker uit dwars of vedermug (Chironomus gr. tangentieel geordende plantendelen, onder: kop en halsschild. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.) thummi-plumosus), zijn er ook larven van discusmuggen (Dixidae) en steltmuggen (Limoniidae) verzameld. Tot de ‘exoten’ behoren de gelede worm Branchiu-ra sowerbyi, de vlokreeft Crangonyx pseudogracilis en, weliswaar een visje, de blauwband (Pseudora-bora parva). C. pseudo-gracilis Figuur 8: De exotische vlokreeft Crangonyx blijkt sinds zijn vondst in pseudogracilis. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.) Vlaanderen alge-meen voor te komen in stilstaande wateren (Vercauteren & Wouters, 1999) (figuur 8).
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Kwaliteits bepaling Belgische Biotische Index
Multimetrische Macroinvertebraten Index Vlaanderen
Aantal taxa
16 taxa waarvan 11, met 2 of meer exemplaren.
Richtgroep = Laagste tolerantieklasse
Eendagsvliegenlarve C. dipterum, tolerantieklasse 3 (indien alle taxa meetellen, wordt de richtgroep: de kokerjufferlarve L. rhombicus, tolerantieklasse 2).
Biotische index
B.B.I. = 6 (B.B.I. = 8 als alle taxa meetellen).
Biologische kwaliteit
Minstens middelmatig (cf. aanwezige kokerjufferlar-ve) (zie ook 3.1.4 Algemene bespreking).
Maatlatten
Aantal taxa Aantal EPT-taxa Aantal AGT-taxa Shannon-Wiener diversit. SPT
MMIF = EKCm-inv.
0,56.
Ecol. kwal.
Middelmatig.
meetwaarde 16 2 3 1,43 4,7
score (0->4) 2 2 2 2 3
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 4.3.1.2.
IJsevijver Groot Midden
Veldwaarnemingen
Algemene vorm
Rechthoekige kom met vrij regelmatige, zeer zwak (oostzijde) tot schuin (± 45°, elders) hellende oe-vers.
Bemonsterde Traject IJSGM20
± 20 m, rond het midden van de zwak hellende oostoever met kale zone en massieven groot liesgras (figuur 9).
Figuur 9: IJsevijver Vercauteren/P.I.H.)
Water Kleur Doorzichtigheid Fysisch-chemisch
Groot
Midden:
oostoever
(foto:
T.
Op het moment van de bemonstering: groenbeige, troebel, o.a. door zwevende algen alkalisch, met aanzienlijke oververzadiging aan zuurstof. = ## LI
"
$ ' M! 8-
.## ' 0 F - *
.## ' 0 . $ <
Bedding
Fijn lemig materiaal plaatselijk vermengd met slib en detritus op lemig (en kleiig?) zand.
Vegetatie
Langsheen de waterlijn massieven van groot liesgras (Glyceria maxima).
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Macrofauna
De verzamelde macrofau-na lijkt op deze in de noor-delijke vijver, maar is min-der talrijk en minder ver-scheiden (tabellen 3 en 4 op blz. 20 e.v.). Behalve eendagsvliegenlarven (C. dipterum) (fi-guur 10), larven van het lantaarntje en platte wa-terwantsen (figuur 11) is er ook een zeer jonge kokerjufferlarve (Limnephilus sp.) gevonden. Ook worden hier zoetwaterpissebedden (het waterezeltje, Asellus aqua-ticus) en meer slakken (puntige blaashorendeslak Haitia acuta, leverbotslak Galba truncatula) gevon-den.
Figuur 10: Larve van de eendagsvlieg Cloeon dipterum. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 11: Platte waterwants Ilyocoris cimicoides. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.)
Kwaliteits bepaling Belgische Biotische Index
Multimetrische Macroinvertebraten Index
Aantal taxa
12 taxa (= identificatieniveaus, vereist voor de kwaliteitsbepaling) waarvan 9, vertegenwoordigd door 2 of meer exemplaren.
Richtgroep = Laagste tolerantieklasse
Eendagsvliegenlarve C. dipterum, tolerantieklasse 3 (indien alle taxa meetellen, wordt de richtgroep: de kokerjufferlarve Limnephilus sp., tolerantieklasse 2).
Biotische index
B.B.I. = 5 (B.B.I. = 7 indien alle taxa meetellen).
Biologische kwaliteit
Minstens middelmatig (cf. aanwezige kokerjuffer-larve) (zie ook 3.1.4 Algemene bespreking).
Tendens
De Belgische biotische index was in oktober 2007 gelijk aan 5 (Devolder, 2009). Een vergelijking van beide scores verdient enig voorbehoud, omdat de bepalingen zijn uitgevoerd in verschillende pe-rioden.
Maatlatten
Aantal taxa Aantal EPT-taxa Aantal AGT-taxa
meetwaarde 12 2 1
score (0->4) 1 2 1
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Shannon-Wiener diversit. SPT
Vlaanderen
4.3.1.3.
MMIF = EKCm-inv.
0,45.
Ecologische kwaliteit
Ontoereikend.
1,1 4,3
2 3
IJsevijver Groot Zuid
Veldwaarnemingen
Algemene vorm
Rechthoekige kom met vrij regelmatige, zeer zwak (oostzijde) tot duidelijk schuin (± 45°, elders) hellende oevers.
Bemonsterde traject IJSGZ30
± 35 m langsheen het zuidelijk deel van de zwak hellende oostoever met afwisselend kale zones en (ijle) massieven groot liesgras en grote lisdodde (figuur 12).
Figuur 12: IJsevijver Vercauteren/P.I.H.)
Water Kleur Doorzichtigheid Fysisch-chemisch
Groot
Zuid:
oostoever
(Foto:
T.
Op het moment van de bemonstering: grijsbeige, troebel, o.a. door zwevende algen alkalisch, met zéér aanzienlijke oververzadiging aan zuurstof. = ## LI
"
$ ' M! 8-
.## ' 0 F - *
.## ' 0 . $ <
Bedding
Fijn lemig materiaal plaatselijk vermengd met slib en detritus op lemig (en kleiig?) zand.
Vegetatie
Langsheen de waterlijn (ijle) massieven van groot liesgras (Glyceria maxima) en grote lisdodde (Ty-pha latifolia).
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Macrofauna
De deelmonsters leveren een opvallend talrijkere en rijkere macrofauna op dan in de twee andere Ijsevij-vers Groot (tabellen 3 en 4 op blz. 20 e.v.). Tot de meest opvallende ongewervelden behoren de libellenlarven van de platbuik (Libellula depressa) en de gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) (figuur 13). Interessante vondsten zijn de oostelijke sigaar (Siga-ra iactans), een duiker-wants, en de zoetwaterpis-sebed Proasellus coxalis (figuur 14). Enkel de man-netjes van de oostelijke si-gaar zijn te onderscheiden van deze van de breed-handsigaar (S. falleni), vandaar dat de vrouwtjes worden samengevoegd als S. gr. falleni (cf tabellen 3 en 4). Recent lijkt de oos-telijke sigaar de breed-handsigaar op vele plaat-sen te vervangen. De zoetwaterpissebed P. coxalis is pas recent in ons land ‘herkend’ (Vercau-teren & Wouters, 2008). Hun vondst helpt om de verspreiding van beide soorten te actualiseren. De weekdieren zijn hier meer verscheiden met o.a. vijverpluimdragers (Valva-ta piscinalis) en grote grote diepslakken (Bithy-nia tentaculata).
Figuur 13: Larve van de gewone oeverlibel Orthetrum cancellatum. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 14: Zoetwaterpissebedden (Isopoda, Asellidae). Links: het waterezeltje (Asellus aquaticus) met duidelijk de twee witte , scherp afgelijnde kopvlekken; rechts: de kleinere Proasellus coxalis met één onscherp afgelijnde, veeleer grillig verlopende witte kopvlek. Overigens is de koptekening géén afdoende grond voor het soortonderscheid. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 15: Larve van de meest algemene waterjuffer, het lantaarntje Ischnura elegans. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Kwaliteits bepaling Belgische Biotische Index
Multimetrische Macroinvertebraten Index Vlaanderen
4.3.1.4.
Aantal taxa
29 taxa (= identificatieniveaus, vereist voor de kwaliteitsbepaling), waarvan 21, vertegenwoordigd door 2 of meer exemplaren.
Richtgroep = Laagste tolerantieklasse
Eendagsvliegenlarve C. dipterum, tolerantieklasse 3.
Biotische index
B.B.I. = 7
Biologische kwaliteit
Duidelijk goed. (zie ook 3.1.4. Algemene bespreking)
Maatlatten
Aantal taxa Aantal EPT-taxa Aantal AGT-taxa Shannon-Wiener diversit. SPT
meetwaarde 29 2 6 1,59 4,5
score (0->4) 4 2 3 2 3
MMIF = EKCm-inv.
0,7.
Ecologische kwal.
Goed. Deze vijver voldoet aan de nieuwe basiskwaliteits-norm voor dit watertype (EKCm-inv. = 0,7).
Algemene bespreking
Overeenkomstige macrofauna’s
De aangetroffen ongewervelden wijzen niettegenstaande de verschillen (zie verder) op gelijkaardige macrofauna’s in de drie vijverkommen. Een opvallende uiting is hiervan dat in de twee vijvers met de minste verscheidenheid kokerjufferlarven, weliswaar van een als meer tolerante aanziene soort, L. rhombicus, voorkomen. De vastgestelde ‘kwaliteitsverschillen’ lijken daarom veeleer gebon-den aan toeval en de werkmethode. Indien er in de IJsevijvers Groot Noord en Midden telkens twee kokerjufferlarven waren gevonden of de eenmalige vondsten (zoals voor de MMIF) wel meetelden zouden de indexscores hoger en de eruit afgeleide kwaliteitsbeoordelingen gunsti-ger zijn.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Figuur 16: IJsevijver Noord vanaf de oostoever. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Opvallende verschillen: wél of niet betekenisvol?
Het voorgaande neemt niet weg dat de noordelijke en middenste IJsevijvers Groot duidelijk afwijken van de zuidelijke vijverkom door de zeer lage aantallen en een veeleer beperkte verscheidenheid. Opvallend zijn o.a. de ongewoon lage dichtheden van slingerwormen (Tubificinae) en dansmuggenlarven (Chironomidae) en de afwezigheid of kleine aantallen bij bloedzuigers, weekdieren en zoetwaterpisse-bedden. Aan de vaststelling kunnen verschillende vragen worden gekoppeld: 1) Zijn de lage dichtheden ook opgemerkt tijdens het eerder onderzoek en dus wellicht structureel of is dit veeleer een tijdsgebonden gegeven? 2) Zijn de verschillen bepaald door de keuze van de bemonsterde trajecten? De macroscopische structuren, nl. een afwisseling van kalere zones met massieven van liesgras en lisdodde, leken afgezien van de onderlinge verhoudingen dezelfde op de drie monsterplaatsen. Het enige opgemerkte verschil is de kortere afstand tussen de monsterplaats in de zuidelijke waterkom en hoog opgaande vegetatie (in dit geval: bomen en struiken). 3) Zijn de vangresultaten beïnvloed door de ongewoon hoge temperaturen in het voorjaar? Zijn de levenscycli van bepaalde water- dieren versneld, zodat bepaalde waterinsecten als imago vroeger zijn uitgevlogen en andere zoals slakken zich vroeger hebben voortgeplant,waarna vele afsterven, of naar diepere waterlagen zijn gemigreerd? De monsters bevatten alvast grote aantallen lege poppenhuidjes van dansmuggen, vervellingshuidjes van eendags- vliegen en lege slakkenhuisjes (vooral puntige blaashorenslak). Anderzijds wijzen de metingen tijdens de bemonstering geen opvallende temperatuurs- en andere verschillen aan tussen de drie vijvers. 4) Hangen de verschillende dichtheden en verscheidenheid samen met een uiteenlopende voorgeschiedenis van de drie vijvers? Kon de levensgemeenschap in de zuidelijke kom zich reeds langer ongestoord ontwikkelen dan in de andere vijvers? 5) Houdt de rijkere levensgemeenschap in de zuidelijke vijver verband met de verbinding met de IJsevijver Klein? Noch de beschikbare informatie, noch dit onderzoek laten toe hierop afdoende antwoorden te formuleren. Alleen een goed gestructureerd, gedetailleerd onderzoek gedurende een langere termijn kan hierop betekenisvolle antwoorden produceren.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Figuur 17: Langerodevijver vanuit het zuiden. (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 4.3.2. IJsevijver Klein Veldwaarnemingen
Algemene vorm
Min of meer rechthoekige kom met duidelijk (± 45° - 60°) hellende oevers.
Bemonsterde traject IJSKL40
± 10 m, oeverzone in oostelijk uiteinde, langs weerszijden van verbinding met IJsevijver Groot Zuid, met grote lisdodde (deels verspreid en in groep) en een detritusrijke bedding (figuur 18).
Figuur 18:: IJsevijver Klein ter hoogte van monsterplaats (zie figuur 2). (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Water Kleur Doorzichtigheid Fysisch-chemisch
Op het moment van de bemonstering: grijs, troebel, o.a. door zwevende algen alkalisch, met lichte oververzadiging aan zuurstof. = ## LI
"
$ ' M! 8-
.## ' 0 F - *
.## ' 0 . $ <
Bedding
Dik pakket twijgen, bladeren en fijne detritus/slib op (?) lemig zand.
Vegetatie
Langsheen de oever grote lisdodde, verspreid ten oosten van verbinding met IJsevijver Groot Zuid en in een massief, langsheen de noordoostzijde ten westen ervan. Verspreide eendekroos (Lemna sp.) op het water, vooral nabij verbinding.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Macrofauna
Macrofauna
De weinig talrijke en matig verscheiden macro-fauna (tabellen 3 en 4 op blz. 20 e.v.) bevat o.a. diverse slakken, erwtenmossels (Pisidium ? mi-lium) (figuur 19), twee soorten zoetwaterpisse-bedden (A. aquaticus, P. coxalis), larven van twee soorten eendagsvlie-
Figuur 19: Erwtenmossel (Pisidium ? milium) (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
gen (C. dipterum, Caenis horaria), watertreders (H. fluviatilis) (figuur 20), twee soorten kokerjuffer-larven (Limnephilus luna-tus, L. rhombicus) en meerdere soorten dans-muggen.
Figuur 20: Watertreder Haliplus fluviatilis. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.)
Kwaliteits bepaling Belgische Biotische Index
Multimetrische Macroinvertebraten Index Vlaanderen
Aantal taxa
14 taxa (= identificatieniveaus, kwaliteitsbepaling).
Richtgroep = Laagste tolerantieklasse
Kokerjufferlarven (Limnephilidae), tolerantieklasse 2.
Biotische index
B.B.I. = 7
Biologische kwaliteit
Goed.
Maatlatten
Aantal taxa Aantal EPT-taxa Aantal AGT-taxa Shannon-Wiener diversit. SPT
MMIF = EKCm-inv.
0,5.
Ecologische kwaliteit
Matig.
meetwaarde 14 3 1 1,38 4,6
vereist
voor
score (0->4) 2 2 1 2 3
de
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) De strengere MMIF leidt tot een minder gunstige kwaliteitsbepaling. Deze beoordeling spruit vooral voort uit de beperkte verscheidenheid en het lage aantal gevoelige taxa (in het bijzonder libellen en gevoelige weekdieren).
Toelichting
4.3.3. Langerodevijver Veldwaarnemingen
Algemene vorm
Onregelmatig vierhoekige vijver met inhammen. Oevers zeer zwak tot duidelijk hellende.
Bemonsterde traject LANG50
± 40 m, oeverzone langs zuidzijde van meest zuidelijke uitloper (figuur 21).
Figuur 21: Langerodevijver ter hoogte van monsterplaats (zie figuur 2). (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Water Kleur Doorzichtigheid Fysisch-chemisch
Op het moment van de bemonstering: licht beige (leem), licht troebel alkalisch. = ## LI
"
$ ' M! 8-
.## ' 0 F - *
.## ' 0 . $ <
Bedding
Lemig slijk met plaatselijk ophopingen van half vergane plantendelen (riet, zegge, bladeren (detritus)
Vegetatie
Langsheen de oever ijl massief van riet (Phragmites australis), moeraszegge (Carex acutiformis) en verspreid drijvende eendenkroos (Lemna sp.) en algenconcentraties.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Macrofauna
De macrofauna biedt een opvallende verscheiden-heid (tabellen 3 en 4 op blz. 20 e.v.). De grootste aantallen worden geleverd door de gelede wormen, dansmuggenlarven en weekdieren. Bij deze laatste valt de aanwezigheid op van een puntige moerasslak (Viviparus contec-tus), platte pluimdragers (Valvata crista), diverse soorten schijfhorens (Planorbidae) (figuur 22), mutsslakken (Acroloxus lacustris) (figuur 23) en grote aantallen erwtenmossels (P. ? milium). Als libellenlarven worden exemplaren van het lantaarntje, een waterjuffer (wellicht de azuurwaterjuf-fer Coenagrion puella) en de platbuik aangetrof-fen. Behalve twee soorten kokerjufferlarven (L. luna-tus, L. rhombicus) komt hier ook een kokerbouwende soort dansmug, Zavreliella marmorata (figuur 24) voor. De muggenlarven zijn trouwens overwegend dansmuggen, maar daarnaast zijn er ook knijten (Ceratopogonidae), steltmuggen en motmug-gen (Psychodidae).
Figuur 22: Vlakke schijfhoren (Hippeutis complanata). (foto: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 23: Mutsslak (Acroloxus lacustris). (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.)
Figuur 24: Larve en koker van de dansmug Zavreliella marmorata. (foto’s: T. Vercauteren/P.I.H.)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Kwaliteits bepaling Belgische Biotische Index
Multimetrische Macroinvertebraten Index Vlaanderen
Aantal taxa
33 taxa (= identificatieniveaus, vereist voor de kwaliteitsbepaling), waarvan 24, vertegenwoordigd door 2 of meer exemplaren.
Richtgroep = Laagste tolerantieklasse
Kokerjufferlarven (Limnephilidae), tolerantieklasse 2.
Biotische index
B.B.I. = 8).
Biologische kwaliteit
Goed.
Tendens
De Belgische biotische index was in oktober 2007 8 (Devolder, 2009). Een vergelijking is moeilijk want de bepalingen zijn uitgevoerd in andere perioden.
Maatlatten
Aantal taxa Aantal EPT-taxa Aantal AGT-taxa Shannon-Wiener diversit. SPT
meetwaarde 33 2 10 1,56 4,8
score (0->4) 4 2 4 2 3
MMIF = EKCm-inv.
0,75
Ecologische kwal.
Goed. Deze vijver voldoet aan de nieuwe basiskwaliteits-norm voor dit watertype (EKCm-inv. = 0,7).
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Tabel 7: Overzicht van de aangetroffen macrofauna !"
! # $%
&
$
=*=??/ ??&=?/ = 2I/? 2 ? # '$
/?=G* ;(&
*/24*I"?(=? /#-% 8# $
6* !=(/? ;( G* ;(& % . ' +: -
& $$ & $ ' # 0: ' ) $) =#% 0 8
'
: -
' ) $) - F ' ) $) . $ F ' ) $) @ # ) % )A "2 2&(? 4 '' F $
6/*( 1 24( ! $
. 8F
8
'
' ) (
%$
$ 8F
%
$
' ) ;*// !I?7 4?!= * * ? B $ B
G((5 2( (&7 !/?55(& '' ++ ' ' '' + # -$ ' # -$ # -$ $ ' ++ $ ' + % 'F ' # % 'F ' ++ % ' + : 0 ' + ' + '' +
$
6 FD $ FD' $ /D-
$
! !
" " ' )
%$ "
# ?8
9$ "
;*// !I?7 62B?/B2?
'8F 0F ' ++ $ + +'8F 0F : '8F 0F ++ '8F 0F 'F ' + -# '' ++ -# '' + G((5 )7 =G((5/(
24(&
'8F
'8F
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) !" ! F
! # $%
&
$
: # #
- '' '
$ ' )
I !=?I(?7 2!* * ? ?' $
!I"??/ )7 2!!(6( :
% # ' ) $) I I
$
(&
.
"
!=?I(?7 ?; "2 * ? D8 $
!I"??/ )7 B/*5 (( =(& &
"
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
!"
! # $%
&
$
I*//(;6*/? $# $
! #
2&4!=?? =(&
%
( "(;( * =( ? 6 $
((& ?4!B/2(4(& &
I
$ &
* *&?=?7 1E4* =( ? I $
/26(//(&7 G?=( 3 : #00 ' : #00
' )
& ' ' ) $) * *&?=?7 ?&2!* =( ? ? 'F $
/26(//(&7 . - + ' $ % + % # %# + : % * ( B/?5=(G?&=!(& ' : '8F ' $ ' . '8F ' $ G?=( G?&=!(& .: -: ' .: -: ' $: % '' $: % '$# + : ' $: $# +
" /% # $
"(=( * =( ?7 4( "D$ - $ 4
*;*
"?
$
"(=( * =( ?7 &( *;* & #8 $
"? '
$ # I 9$ (
) @NNA
)* @
' : 5(B( :
I*/(* =( ? " $ * ' )@
+ ' ' ! $ '
A
D '8 $
:
0+
'
$ :
'
O "D$ "D$
' )@
F $
A
**
= 2I"* =( ? /-
F $
( !
!I"2(=;*==(&
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) !"
! # $%
&
$ ' )@
' ) $)
A
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
!"
! # $%
&
$
2 =( ?7 &(;?=*I( ? I $
=G((B/( 4(/)7 ; 44(& + ' ) 7+ ' 7
IF -$ IF I) ) F#--
+ + $ '-#
#- '#'
$ -# ' ) $)
IF
- 7 ) + ' ) $)
= D ' 80) , ' ) $)
' )
* F 8 $ ' ) $) = D $ ' ) $) @80) ; 8 I
8 $
A
D $ &
; 8 ' )
( 8 $
' ) ' )
# 80) , 9$
$ '8#'-# "
/-
' )
$
'
-#
80) ' ' ) $) 'D8F $ $
- -# ' ) $)
2 =( ?7 6 ?I"EI( ? ;#'8 $
=G((B/( 4(/)7 B/2(4(& ' ) $)
!
-D $ ' ) $)
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Tabel 8: Overzicht van de geïdentificeerde taxa (identificatieniveuas vereist voor kwaliteitsbepaling) en de eruit voortvloeiende scores en kwaliteitsbepalingen ' ) +
(
,
) &-
.
*%
//
#
= 2I/? 2 ? /?=G* ;(& # ' */24*I"?(=? 6* !=(/? ;( G* ;(& /#-% 8# $ & $$ 7& $ & $ $ 7 =#% 0 8 "2 2&(? 6/*( 1 24( ! ?% '' F ( %$ % $ @= Q Q A ;*// !I?7 4?!= * * ? "
0
)12 0
0
0
0
(
P
I
? ( (
P 6 6 P
OP 6
/
6 I
6 ?
OP 6 6
(
I
I
6 6
6 (
I I
6
? I
6 6
# # #
!=?I(? !I"??/ 2( (& ?' $ I D8 $ ( "(;( * =( ? ((& ?4!B/2(4(& & & % $ @= Q Q A /(I* =( ? !=((&B/2(4(& % $ @= Q Q A * *&?=? /26(//(&
I ( I
6
/
-
0
?
6 -. #
)12 0
6 ? 6 6 ? ( 6 ( 6 6 ( ?
I
6
OP
6 P
6
P
O
P ? ?
& I '
$
@= Q
Q A
O 6
-# / @=Q Q A "(=( * =( ? G?&=!(& I 9$ ' ) @=Q
OP OP
OP 6
I ? 6
P
6 ? P
Q A
P 6 ?
' ( -0 #
6 A 6
?
? 6
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) ' ) +
,
(
) &-
.
//
*% #
0
)12 0
0
0
? ;(4?/* =( ? 4??!B/2(4(& / I*/(* =( ? 5(B( ! D '8 $ " $ "D$ F $ = 2I"* =( ? !I"2(=;*==(& /- F $
0
)12 0
6
0
? P
6 6 ? ?
P
6
?
I 6 ?
6
6
P
? 6
6
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
' ) +
(
)
,
&-
.
2 =( ? =G((B/( 4(/24(& I $ IF - $ 7 &) ) IF -$ @ A 9$ /- $ ;#'8 $ 'D8F $ $ ! -D $ 6 '8F 6 '8F 2 $ 9 9 @Q @
'
$
9
6 ?
;#
; 8
2
=
'A @ + $
9 @ + Q A-
A
2 $ 9B
#2
1
2
3
'8
+18
P P
0
I ( 6
@ A
@ A
@ A
@ A
@ A
@ A
@ A
@ A
@ A
,4.
,5.
,5.
,5.
,4.
@4A
@4A
@4A
@4A
@4A
5
5
4
4
;
4
4
4
4
:
:
:5
:
:5
;
*
4
;
4
; $
:
;
$ @
: '8
@
'8
@ :
'8 '8
9
A $ A $
@ :
@4=!A
A $
:
9
' $ 9 @!G A
$ - 2
@ A
@;;2 A '8
( = = 9 @Q ( F 8 = 8F A @( =A ? $ @ '8 R A @?4=A
4 - $$ $
I (
6 ?
7
'
6 ? (
)12 0
@ R A
'+ ''
%
$
( 6
0
Q A
?
G
0
I
9 @=?PA
!F
0
?
.
-6 + '8F +:
)12 0
?
+ '' A
+3
0
P
@6 '8F +: '+ '' A ? !D' - '8F ( F $ / ' + '' ? !)() + ''
/ 6
#
1
08
+) '
@? ,
'
*%
//
A $
@
A
B.B.I.: gevoeligheids- of tolerantieklassen, zoals weergegeven in De Pauw & Vannevel (1991) MMIF: gevoeligheids- of tolerantieklassen zoals weergegeven in Gabriels (2007) (zie bijlage 2) Devolder (2009) vermeldt geen abundanties. X: verondersteld aantal: 2 of meer; ? X: verondersteld Aantal: 2 of meer, maar onzekerheid over status van vermeld taxon Abundantieklassen, vermeld in De Pauw & Vannevel (1991): + = <1, A = 1, B = 2-9, C = 10-50, D = 51-100, E = >100-999, F = >1000-9999, G = >10000
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
4.4.
Bespreking
4.4.1. Evolutie van de BBI in vergelijking met vorige studie. Tabel 8 bevat een vergelijking van de resultaten van het onderzoek van oktober 2007 met dat van april 2011.De beschikbare resultaten van beide onderzoeken niet toelaten méér aan te tonen. Zij zijn te beperkt om op een zinvolle manier verschillen, evoluties of tendensen aan te geven. Inzake gegevens beschikken we over: a) Een eerste set, verzameld op een bepaald traject in oktober 2007 b) Een tweede set, verzameld op een bepaald traject, overeenkomstig dat van oktober 2007, maar in een uitzonderlijk warm voorjaar, nl. april 2011. We missen voorlopig volgende inzichten: 1. In welke mate kunnen of mogen herfst- en voorjaargemeenschappen als onderling vergelijkbaar worden beschouwd? Sommige ongewervelden zijn als larve enkel aanwezig in bepaalde perioden: wat is hiervan de weerslag op de biotische index (b.v. de aan- of afwezigheid van steenvliegenlarven kan de biotische index ingrijpend veranderen: zie verder). Dit inzicht bepaalt of men data van het voorjaar en het najaar al dan niet met elkaar kan vergelijken. De ervaring leert dat dit vaker lukt in stromende wateren dan in stilstaande. 2. Het is onduidelijk welke weerslag of invloed de ongewone warme periode in het voorjaar 2011 heeft gehad op de macrofauna. 3. Volstaan de bemonsterde trajecten om tendensen voor een ganse vijver aan te geven? In de Grote IJsevijver Midden b.v. beantwoorden de gelijke indexwaarden (nl. B.B.I. = 5) aan vergelijkbare samenstellingen van de macrofauna. Inzake interpretatie leidt dit voorlopig tot volgende vragen: •
Is dit toeval?
•
Is deze uitkomst bepaald door het ongewoon warme voorjaar van 2011?
• Is de diversiteit en de opbouw van de macrofauna min of meer dezelfde in voorjaar en najaar? • Is het bemonsterd traject niet gewijzigd sinds 2007 of zouden de gelijkende resultaten erop kunnen wijzen dat de biotoop plaatselijk na 4 jaar volledig is hersteld naar de toestand vóór 2007? In de Langerodevijver daarentegen zijn de gelijke indexen (B.B.I. = 8) gekoppeld aan zeer verschillende macrofauna’s. In oktober 2007 steunt de bekomen index op de aanwezigheid van steenvliegen en een vrij beperkte diversiteit: zonder steenvliegen daalt de index tot 6. In april 2011 wordt de B.B.I. geleverd door kokerjuffers en een grotere
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) diversiteit: zonder kokerjuffers daalt de index tot 7. De gegevensbasis in april 2012 is dus stabieler dan in oktober 2007. De invloed van de warme voorjaarsperiode lijkt hier duidelijk minder, althans afgaande op de gemeten variabelen. Maar: is de vastgestelde verscheidenheid eigen aan de voorjaarsperiode of is er ook een toename van diversiteit in de herfst of m.a.w. in hoever bestaan er overeenkomsten tussen de levensgemeenschappen in de lente en in de herfst? Het is zeer begrijpelijk dat de opdrachtgever ervan uitging na een periode van 5 jaar, met diverse ingrepen (vnl. het verwijderen van vegetatie en ruimingen), door middel van o.a. dit hydrobiologisch onderzoek een (gunstig) bilan te kunnen opmaken. Men zou de verkregen gegevens zonder meer aan elkaar kunnen koppelen (in dit geval zou men kunnen gewagen van een ‘stabiele toestand in de IJsevijver Groot Midden’ en over ‘een vergelijkbare goede biologische kwaliteit met een sterk toegenomen diversiteit in de Langerodevijver’), maar dit zou op zijn minst voorbarig en in sé niet geheel correct zijn. Het resultaat en de interpretatie lijken dan weliswaar zeer éénduidig, maar steunen in feite op veronderstellingen of visies die onvoldoende zijn onderbouwd door feiten. De kans is groot dat een dergelijke aanpak op langere termijn zal leiden tot verkeerde conclusies of niet in te lossen verwachtingen. Stel bv. dat men een nieuw monster neemt op dezelfde plaats in de IJsevijver Groot Midden in april eerstkomend en men verkrijgt een index van 7. Dan lijkt het dat de biologische kwaliteit sinds april 2012 opvallend is verbeterd, maar misschien hebben ‘meer normale’ weersomstandigheden ervoor gezorgd dat in april 2012 meer taxa nog als larve aanwezig waren … Om duidelijke en betekenisvolle evoluties te kunnen aangeven zou men zodoende bijkomende onderzoeken moeten (laten) uitvoeren zodat men kan beschikken over diverse sets van gegevens: a)
uit overeenkomstige perioden
b) van verschillende plaatsen, waar er wél en niet bepaalde beheerwerken zijn uitgevoerd of regelmatig worden uitgevoerd. Men zou kunnen stellen dat men ‘eerst een tijdje achterom moet kijken, om te kunnen vergelijken en vooruit te kunnen kijken’. Een mogelijke en interessante optie in dit verband is om een gedetailleerd onderzoeksprogramma uit te werken met onderzoekers van de Leuvense Universiteit, bv. in het kader van eindwerken of zelfs doctoraten?
4.4.2. Beheerkeuzen Op basis van de beschikbare data is het moeilijk om beheerkeuzen toe de lichten omwille van de volgende redenen: a) Het uitgevoerde hydrobiologische onderzoek en de verkregen informatie (rapport Devolder, 2009) leidden niet tot de vaststellingen van opvallende tekorten in de biotopen, waarvoor duidelijke beheeradviezen kunnen worden gegeven. Twee argumenten, bij wijze van voorbeeld:
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) In geen enkele vijver waren er tijdens het veldwerk duidelijke aanwijzingen (vervuiling, eentonige biotopen) voor een verminderde biotoopkwaliteit en dus minder rijke macrofauna’s. Concreet waren er in de vijvers met de laagste scores telkens taxa, in casu kokerjufferlarven, die wezen op een betere situatie dan de uiteindelijke resultaten doen uitschijnen. In de IJsevijver Klein leek een ruiming van de met bladeren en detritus bedekte bedding vanzelfsprekend, tot we er kokerjufferlarven aantroffen. De toestand was duidelijk minder ongunstig dan aanvankelijk aangenomen b) Twee vijvers krijgen in de nieuwe beoordeling een ecologische coëfficient van 0,7, wat staat voor een goede ecologische kwaliteit. Bij een dergelijke score, die in vijvers niet vaak wordt vastgesteld, is men veeleer geneigd te kiezen voor ‘zo weinig mogelijk beïnvloeding. Elke ingreep zal hier kleinschalig en aftastend moeten zijn. c) Het versterken, in casu het streven naar meer verscheidenheid, van de macrofauna veronderstelt dus veeleer kleinschalige ingrepen. Concrete adviezen hiervoor vereisen uitgebreidere informatie en terreinkennis, dan tijdens de onderzoeksopdracht is verworven. Volgende voorbeelden maken dit duidelijk: •In het rapport Devolder (2009) wordt voor de bemonsterde vijvers aangegeven dat ondergedoken planten ontbreken. Alvast in de IJsevijver Groot Noord werden weliswaar geen onderwaterplanten gezien maar wel stukjes hoornblad verzameld. De vraag rijst dan: zijn er wel of geen onderwaterplanten? Het heeft geen zin om de inbreng van onderwaterplaten te adviseren indien ze op natuurlijke wijze verschijnen of indien zij zich toch niet handhaven. Een afdoend advies in deze materie veronderstelt dus duidelijk bijkomende informatie. •De beddingen van vooral de IJsevijvers waren alvast ter hoogte van de bemonsterde trajecten telkens bedekt door fijn siltig materiaal. Veel, in het bijzonder hoog gewaardeerde taxa vertonen een voorkeur voor zandiger materiaal. Maar in hoever is de aanvoer en de instandhouding van zandige partijen realiseerbaar? Weerom, het heeft weinig zin om zand aan te voeren dat op vrij korte tijd terug wordt overdekt met silt. •Meer waterbeweging brengt meer dynamiek, meer verschillende habitats en dus verhoogde kansen op meer diversiteit. Maar in hoever is een voortdurende of minstens frequente doorstroming realiseerbaar? •Harde substraten (hout, stenen) dragen bij tot meer diversiteit. Maar het heeft wellicht weinig zin om te adviseren om enkele stukken boomstam of losse stenen in de IJsevijvers te deponeren. Zeker de steenafval zal afbreuk doen aan de beoogde natuurlijkheid. In de Langerodevijver met meer diversiteit heeft men deze harde substraten wél! d) Daarenboven zijn het vooral lokale terreinbeheerders, die op basis van hun terreinkennis en -ervaringen het nut, de efficiëntie en vooral de praktische uitvoerbaarheid van kleinschalige maatregelen het best kunnen inschatten. Een oplossing voor de ene plaats kan niet of averechts werken op een andere! In dit lokale proces zal ‘proberen, slagen en mislukken’ een grote rol spelen. Dit spruit voort uit het feit
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) dat onze kennis over de ecologie van vele van deze organismen gering is en meestal beperkt tot macroschaal. Lichte nuances in de ecologische vereisten van een soort manifesteren zich wel tijdens daadwerkelijk beheer, maar worden niet vaak als zodanig herkend.
4.5.
Besluit
4.5.1. Resultaten Het uitgevoerde hydrobiologische onderzoek leidt tot volgende conclusies 4.5.1.1.
Ijsevijvers Groot
De Belgische biotische indexen leiden in de IJsevijvers Groot tot volgende biologische kwaliteitsbeoordelingen: IJsevijver Groot Noord: een alvast matige biologische kwaliteit (B.B.I. = 6), waarbij de aanwezigheid van een kokerjufferlarve wijst op een wellicht zelfs goede kwaliteit, IJsevijver Groot Midden: een gelijkaardige situatie als in de noorde- lijke vijver (B.B.I. = 5, vondst van een kokerjufferlarve), -
IJsevijver Groot Zuid: een duidelijk goede biologische kwaliteit (B.B.I. = 7).
De strengere Multimetrische Macroincvertebraten Indexen Vlaanderen (MMIF) leveren als resultaten: IJsevijver Groot Noord: een matige ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,56), IJsevijver Groot Midden: een ontoereikende ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,45), IJsevijver Groot Zuid: een goede ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,7).
4.5.1.2.
Ijsevijver Klein
Voor de IJsevijver Klein wijst een B.B.I.-score van 7 op een goede biologische kwaliteit. Een MMIF of EKCmacroinvertebraten van 0,5 geeft aan dat de ecologische kwaliteit er matig is. 4.5.1.3.
Langerode-vijver
In de Langerodevijver Klein zijn zowel de biologische kwaliteit (B.B.I. = 8) als de ecologische kwaliteit (MMIF of EKCmacroinvertebraten = 0,75) goed. 4.5.1.4.
Normen
De IJsevijver Groot Zuid, de IJsevijver Klein en de Langerodevijver beantwoorden tijdens dit onderzoek aan de vroegere basiskwaliteits-norm B.B.I. 7. De IJsevijver Groot Zuid en de Langerodevijver voldoen bovendien aan de nieuwe basisnorm, EKCmacroinvertebraten 0,7 voor een ‘ionenrijk, alkalisch meer (Ai)’.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 4.5.1.5.
Tendensen
De IJsevijver Groot Midden en de Langerodevijver halen tijdens dit onderzoek dezelfde B.B.I.-scores (resp. 5 en 7) als tijdens het onderzoek in oktober 2007. Wegens de verschillende onderzoeksperioden moeten deze ‘overeenkomsten’ met enig voorbehoud worden behandeld. t 4.5.1.6.
Prognoses
Afgaande op de nu en vroeger aangetroffen taxa, mag men verwach-ten dat alvast enkele van de vijvers in de (nabije) toekomst nog beter zullen scoren. Mogelijk geldt dit op sommige plaatsen in de vijvers nu reeds. Voorwaarde voor nog gunstigere scores zijn voldoende gevari-eerde biotopen.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
4.6. 4.6.1.
Geraadpleegde werken Algemeen
BIN – 1984 NBN T92-402. Biologische kwaliteit van waterlopen. Bepaling van de biotische index steunende op aquatische macro-invertebraten. Belgisch Instituut voor Normalisatie, Brussel. 11 p. De Knijf G., Anselin A., Goffart P & Tailly M. (Eds.) - 2006 De Libellen (Odonata) van België: verspreiding – evolutie – habitats. Libellenwerkgroep Gomphus i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bos-onderzoek, Brussel. 368 p.. De Pauw N. & Vannevel R. (Red.) - 1991 Macro-invertebraten en waterkwaliteit. Dossiers Stichting Leefmilieu 11. Stichting Leefmilieu, Antwerpen. Devolder, D. - 2009 Monitoringsrapport Dijlevallei. Projectuitvoeringsplan 1e fase. T = -1 & T = 0. Vlaamse Landmaatschappij, Vlaams Brabant. 45 p. + 6 krtn + 1 bijl. EU - 2000 RICHTLIJN 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 327 (22.12.2000). 1-72 Gabriels W. - 2007 Multimetric assessment of freshwater macroinvertebrate communities in Flandres, Belgium. PhD thesis, Faculty of Bioscience Engineering, Ghent University, Belgium Vercauteren T. & Wouters K. - 1999. Gammarus trigrinus Sexton, 1939 en Crangonyx pseudogracilis Bousfield, 1958: twee nieuwe vlokreeften (Crustacea, Ostracoda) in de Provincie Antwerpen (België): aanwinst of bedreiging? Ankona Jaarboek, 1998. 73-85. Vercauteren T. & Wouters K. - 2008. Proasellus coxalis sensu auctorum (Crustacea, Isopoda) in de bovenloop van de Raambeek te Heist-op-den-Berg: eerste vaststelling van deze zoetwaterpissebed in België. Antenne, 2(4). 12-16.
4.6.2.
Identificatie macrofauna
Brinkhurst R.O. - 1971 A Guide for the Identification of British Aquatic Oligochaeta. Scientific Publication n° 22. Freshwater Biological Association. Ambleside. United Kingdom. Brinkhurst R.O. & Jamieson B.G.M. - 1971 The Aquatic Oligochaeta of the World.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Oliver & Boyd, Edinburgh. United Kingdom. Cranston P.S., Ramsdale C.D., Snow K.R. & White G.B. - 1987 Keys to the Adults, Male Hypopygia, Fourth-Instar Larvae and Pupae of the British Mosquitoes (Culicidae), with Notes on their Ecology and medical Importance. Scientific Publication n° 48. Freshwater Biological Association, Ambleside. 152 p.. De Pauw N. & Vannevel R. (Red.) - 1991 Macro-invertebraten en waterkwaliteit. Dossiers Stichting Leefmilieu 11. Stichting Leefmilieu, Antwerpen. Disney R.H.L. - 1999 British Dixidae (Meniscus Midges) and Thaumaleidae (Trickle Midges): Keys with Ecological Notes. Scientific Publication n° 56. Freshwater Biological Association, Ambleside. 129 p. Dresscher TH.G.N. & L.W.G. Higler - 1982 De Nederlandse bloedzuigers – Hirudinea. Wetenschappelijke Mededeling nr 154. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hoogwoud. Nederland. 64 p.. Drost B. & M. Schreijer M. – 1978 Waterkevertabel. Jeugdbondsuitgeverij. 's Graveland. Nederland. Drost M.B.P., Cuppen H.P.J.J, Van Nieukerken F.J. & Schreijer M. (Red) - 1992 De waterkevers van Nederland Natuurhistorische bibliotheek van de K.N.N.V. n° 55. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhististorische Vereniging, Utrecht. Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden. Nederland. 280 p.. Eggers T.O. & Martens A. - 2001 Bestimmungsschlüssel der Süßwasser-Amphipoda (Crustacea) Deutschlands. Lauterbornia 42. 1-68. Eggers T.O. & Martens A. - 2004 Ergänzungen und Korrekturen zum ”Bestimmungsschlüssel der Süßwasser-Amphipoda (Crustacea) Deutschlands”. Lauterbornia 50. 1-13. Eiseler B. - 2005 Bildbestimmungsschlüssel für die Eintagsfliegenlarven der deutschen Mittelgebirge und des Tieflandes. Lauterbornia 53. 1-112. Elliott J.M. - 2009 Freshwater Megaloptera and Neuroptera of Britain and Ireland: Keys to Adults and Larvae, and a Review of their Ecology. Scientific Publication n° 65. Freshwater Biological Association, Ambleside.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) 71 p.. Elliott J.M. & Humpesch U.H. - 2010 Mayfly Larvae (Ephemeroptera) of Britain and Ireland: Keys and a Review of their Ecology. Scientific Publication n° 66. Freshwater Biological Association, Ambleside. 152 p.. Gittenberger E., Janssen A.W., Kuijper W.J., Kuiper J.G.J., Meijer T., van der Velde G., de Vries J.N. & Peeters G.A. - 1998 De Nederlandse zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. Nederlandse Fauna 2. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EISNederland, Leiden. 288 p., 12 pl. Gloër P. - 2002. Die Süßwassergastropoden Nord- und Mitteleuropas. Bestimmungsschlüssel, Lebensweise, Verbreitung. Die Tierwelt Deutschlands, 73. ConchBooks, Hackenheim. 327 p. (2nd rev. ed.). Gloër P. & Meier-Brook C. - 2003 Süßwassermollusken. Deutscher Jugendbund für Naturbeobachtung, Hamburg, Deutschland, 13. erweiterte Aufl.. Heidemann H. & Seidenbusch R. - 2002. Odonata II. Die Libellenlarven Deutschlands. Handbuch für Exuviensammler. Die Tierwelt Deutschlands, 72. Verlag Goecke & Evers, Keltern. 328 p. Higler B. - 2005 De Nederlandse kokerjufferlarven. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 159 p.. Huwae P. & Rappé G. - 2003 Waterpissebedden. Een determineertabel voor de zoet-, brak- en zoutwaterpissebedden van Nederland en België. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Wetenschappelijke Mededeling 226. 55 p. Jackiewicz, M. – 1993 Die Mantelpigmentation als Diagnosemerkmal bei Schlammschnecken (Gastropoda, Pulmonata: Lymnaeidae). Malakologische Abhandlungen Staatliches Museum für Tierkunde Dresden, 16, Nr. 19: 165172 Killeen I., Aldridge D. & Oliver G. – 2004 Freshwater Bivalves of Britain and Ireland. AIDGAP. Field Studies Council, Preston Montford, Shrewsbury. Langton P.H. – 1991 A key to pupal exuviae of West Palaearctic Chironomidae P.H. Langton.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Moller Pillot H.K.M. - 1984a De larven der Nederlandse Chironomidae (Diptera). (Inleiding, Tanypodinae & Chironomini) Nederlandse Faunistische Mededelingen 1A. Stichting EIS-Nederland. Rijksmuseum Nat. Historie. Leiden. Nederland. Derde druk. Moller Pillot H.K.M. & R.P.M. Buskens R.P.M. - 1990 De larven der Nederlandse Chironomidae (Diptera). Deel C : Autoekologie en verspreiding. Nederlandse Faunistische Mededelingen 1C. Stichting EIS-Nederland. Rijksmuseum Nat. Historie. Leiden. Nederland. Moller Pillot H.K.M., Vallenduuk H.J. & bij de Vaate A. - 2000 Bijdrage tot de kennis der Nederlandse Chironomidae (vedermuggen): de larven van het genus Glyptotendipes in West-Europa. Rijkstinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer & Afvalwaterbehandeling, Lelystad. Rapport nr. 97.052 Neubert E. & Nesemann H. - 1999 Annelida, Clitellata. Branchiobdellida, Acanthobdellea, Hirudinea. Süsswasserfauna von Mitteleuropa 6/2, Spektrum Akademische Verlag, Heidelberg. VII + 178 p.. Nieser N. - 1982 De Nederlandse water- en oppervlaktewantsen (Heteroptera : Nepomorha en Gerromorpha). Wetenschappelijke Mededeling nr 155. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hoogwoud. Nederland. 78 p.. Nilsson A. (Ed.) - 199 Aquatic Insects of North Europe. Apollo Books, Stenstrup. Volume 1 & 2. Pinkster S. & Platvoet D. - 1986 De vlokreeften van het Nederlandse oppervlaktewater. Wetenschappelijke Mededeling nr 172. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hoogwoud. Nederland. Reynoldson T.B. & Young J.O. - 2000 A key to the Freshwater Triclads of Britain and Ireland with notes on their ecology. Scientific Publication n° 58. Freshwater Biological Association. Ambleside. 72 p.. Savage A.A. - 1989 Adults of the British Aquatic Hemiptera Heteroptera: a Key with Ecological Notes. Scientific Publication n° 50. Freshwater Biological Association, Ambleside. 173p..
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011) Sperber C. - 1950 A guide for the determination of European Naididae. Zool. Bidr. Upps. 29 : 45-78, pl. I-III Tempelman D. & Van Haaren T. - 2009 Water- en oppervlaktewantsen van Nederland. Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht. 116 p. Timm, T. - 2009 A guide to the freshwater Oligochaeta and Polychaeta of Northern and Central Europe. Lauterbornia, 66: 1-235 Vallenduuk H.J. & Moller Pillot H.K.M. – 2007 Chironomidae Larvae of the Netherlands and Adjacent Lowlands. General ecology and Tanypodinae. KNNV Publishing, Zeist. 144 p.. Vallenduuk H.J., Moller Pillot H.K.M., van der Velde J.A., Wiersma S.M. & bij de Vaate A. - 1999 Bijdrage tot de kennis der Nederlandse Chironomidae (vedermuggen): de larven van het genus Chironomus. Rijkstinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer & Afvalwaterbehandeling, Lelystad. Rapport nr. 97.053 Wallace I.D., Wallace B. & Philipson G.N. - 1990 A key to the case-bearing caddis larvae of Britain and Ireland. Scientific Publication n° 51. Freshwater Biological Association, Ambleside. 259 p.. Waringer J. & Graf W. - 1997 Atlas der Österreichischen Köcherfliegenlarven unter Einschluß der angrenzenden Gebiete. Facultas Universitätsverlag, Wien. 286 p. Waringer J. & Graf W. - 2004 Ergänzungen und Berichtigungen zum “Atlas der Österreichischen Köcherfliegenlarven unter Einschluß der angrenzenden Gebiete”. Beilage zum “Atlas der Österreichischen Köcherfliegenlarven”. Facultas Universitätsverlag, Wien. 28 p. Wilson, R.S. - 1996 A practical key to the genera of pupal exuviae of the British Chironomidae (Diptera, Insecta) with an account of the CPET method of water quality monitoring. University of Bristol, Department of Zoology, England. Fully revised ed. February 1996.
4.6.3.
Identificatie vissen en amfibieën
Pinder A.C. - 2001 Keys to larval and juvenile stages of coarse fishes from fresh waters in the British isles. Scientific Publication n° 60. Freshwater Biological Association, Ambleside. 136 p. van Diepenbeek A. & Creemers R. - 2009 Herkenning amfibieën en reptielen. Stichting RAVON, Nijmegen. 2e herziene druk.144 p.
Natuurinrichtingsproject Dijlevallei Uitvoering PUP fase 1, jaar+3 (2011)
Kaarten
langerodevijver
kliniekvijvers uiterst noord
Ijsevijver noord
Ijsevijver midden
Ijsevijver zuid
ijsevijver klein zuid kliniekvijvers uiterst zuid
Kaart 1: Situering vijvers 0
80
160
320 Meters
Hx Hu
Geml
Hfb
Hf
Kaart 2a: Biologische waarderingskaart 0
60
120
240 Meters
Geml Hr P
Mr Hfb
Mr
Mrb
mru
Hub Hfb
Mrb + Mc Mr + Mc
Hp Sf
Kaart 2b: Biologische waarderingskaart 0
60
120
240 Meters
Mrb
Hub
U Mrb + Mc Mr + Mc
Mr/L
Hu Se
Hp
Va Sf Mr Hu + hp*
Khw
Mr
Hp+ Kj
Kaart 2c: Biologische waarderingskaart 0
60
120
240 Meters
Khw Mr
Hp+ Kj
P / Hr
Se
Kaart 2d: Biologische waarderingskaart 0
60
120
240 Meters
Hf + So Hf + So
Mr P
Se
Vn/LVn/L
Mrb
Vf
Kaart 2e: Biologische waarderingskaart 0
60
120
240 Meters
PQ 1
PQ 2
PQ 4
PQ 3 PQ 7 PQ 8 PQ 5 PQ 6
Kaart 3a: locatie PQ's 0
190
380
760 Meters
PQ 3 PQ 7 PQ 8 PQ 5 PQ 6
PQ 14
PQ 9 PQ 15
PQ 13 PQ 11
PQ 12
Kaart 3b: locatie PQ's 0
190
380
760 Meters
ERROR: ioerror OFFENDING COMMAND: image STACK: -mark-savelevel-