Skip to main content

M&L_19_1.pdf

Page 1

-FEBRU

mm

m

-^5

rfÉ

LJ

1, l i ' i S ?." &ri^i:-S i'


Bouiven

en

aan

samenleving

MILIEUTECHNIEKEN SPOORWERI

Denys N.V. • Industrieweg 124 • 9032 WONDELGEM (Gent) Belgium Tel.: 09/254.01.11 • Fax : 09/226.77.71 • E-mail: info@denys.be • Website: www.denys.be

DENYS


ISSN 0770-4948 19 jaargang Nr. 1 januari-februari 2000

M OM IJ M E N T E N

EN

LANDSCHAPPEN

Redactie Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert Il-laan20-bus7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 82 05 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns

Inlernct Corer; Mn-Baptist Bonnecmy, Stadspanorama van Brussel, 1664-1665 fVmamelmg Koning Boudewijnsiicbtingj

Abonnementsvoorwaarden 2000 België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: 1100 fr. Buitenland: 2000 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Emile Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 1999". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar.

Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be

Druk

Redactiecomité

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68

Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fiertafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch.Vanthillo, L Wylleman.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 82 05 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

1

ha

Onder het K o n i n g s p l e i n te Bmssei de h o f k a p e l van Karel V Dirk Van Eenhooge - Thierry Delcommune Marcel Celis

39

Van h a r i n g r o k e r i j naar w o o n p r o j e c t Mimi Debruyn - Peter Vermeulen

63

Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingMiiiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over welen, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

% —-

P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2, B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09

Kunstatelier

Cfw patrimonium,..

Gerard Thienpont

.ome zorg

bvba

Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen

Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten.

Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken

Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhfieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag

Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici

Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl.3, D21 kl 3, D24 kl 4

E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p

Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52

TT

Uw

>

r

r

Bouwchemie B.V.B.A.

partner

voor totale bouwbescherming Documentatie of gratis op aanvraag Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG

advies

tel. 015/24 19 68 fax 015/24 28 60

(met afhaaldepot te Lauwe (Kortrijk) - Vrijheidsboomplaats 7)


CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie

natuurlijke hydraulische kalk mortels voor binnen en buiten

)s/liniere /{ San %omedio BEAL Pare Industrie! de Noville-Les-Bois 8. rue de Tronquoy B-5380 Femelmont Tél.: 081/83.57.57 Fax: 081/83.57.67

A ..-X^

Arte

Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: 00.32.3/880.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70


fi Dirk Van Eenhooge Thierry Delcommune & Marcel M. Celis

ONDER HET KONINGSPLEIN TE BRUSSEL: DE HOFKAPEL VAN KAREL V

Nog voor de Dienst Monumenten werking

met de Koninklijke

bijdrage

actief zou worden,

oprichting

met een grondige

onderzoek en

van

Landschappen

campagne

aan de

Koningsplein.

bekend als 'refugiehuis'

Provincial

Brussels Hoofdstedelijk

Gewest, in samen-

Monumenten

was beperkt tot de niveaus -1 en -2 onder het gebouw

in 1776-1781

Lloyds fir National

leverde de eigen Afdeling

tot de kennis van de Brusselse ondergrond

rand van het ISde-eeuwse

Het onderzoeksgebied

van het Brussels Hoofdstedelijk

Musea voor Kunst en Geschiedenis, ook inzake archeologisch

het Brusselse bodemarchief nog een laatste

en Landschappen

van de abdij van Grimbergen,

Foreign Bank Ld., en vanaf 1984 bewoond

Gewest. Het omvat drie verschillende

wat volgt, eerst willen identificeren

en

definiëren.

Koningsplein

entiteiten

10, sinds

zijn

na 1920 zetel van de

door het Ministerie

van het

die we, voor een goed begrip

van


Tot de westvleugel van het voormalige Hof van de Hertogen van Brabant behoren twee monumentale gebouwen: de Aula Magna (Grote Zaal) enerzijds, die de Stad Brussel tussen 1452 en 1461 liet bouwen voor hertog Filips de Goede; de Hofkapelznderzijds, die in het verlengde van de Aula Magna door Karel V werd gebouwd tussen 1522 en 1538 en - na een onderbreking van 10 jaar — tussen 1 548 en 1553 werd voltooid. Het prestigieuze paleizencomplex van de Bourgondische hertogen werd in het westen begrensd door het Ingelantstraatje, dat na aanpassingswerken omstreeks 1620 bekend werd als de Isabellastraat. Volledigheidshalve vermelden we nog dat aan de overkant van de Isabellastraat een eveneens belangrijke residentie bewaard bleef, het Hof van Hoogstraten, toebehorend aan het eeuwenoude geslacht de Lalaing. Over dit gebouwencomplex is in dit tijdschrift al een uitvoerige studie verschenen (1). Van de drie voornoemde objecten is de Aula Magna slechts in kleine mate vertegenwoordigd in het onderzochte gebied: het gaat enkel om fragmenten van de noordelijke eindgevel en van de noordwestelijke hoektoren; de rest van het gebouw ligt immers bedolven onder het Koningsplein, waar het sedert 1995 wordt opgegraven door de Société royale d'Archéologie de Bruxelles en de dienst voor opgravingen van de Université libre de Bruxelles (2). De eigenlijke Hofkapel verdween volledig bij de aanleg van datzelfde Koningsplein en omgeving, maar was aangelegd bovenop twee kelderverdiepingen die wél gedeeltelijk aan de slopershamer ontsnapten. Van de Isabellastraat was ten tijde van ons onderzoek enkel het gedeelte langs de Hofkapel bereikbaar: het gedeelte ten zuiden ervan bevond zich eveneens onder het Koningsplein en werd daar in 1998 blootgelegd, terwijl het meer noordwaarts gelegen gedeelte verdween bij de bouw van het Paleis voor Schone Kunsten vanaf 1925. Een eerste archeologisch onderzoek van deze site vond plaats in 1984 door André Matthys voor de toenmalige Nationale Dienst voor Opgravingen. Dit onderzoek was vooral gericht op de Hofkapel, waar verscheidene architecturale elementen werden herontdekt en een eerste inzicht in de bouwgeschiedenis werd verkregen (3). Toen in 1991 op last van eerst het Federaal Ministerie van Openbare Werken, later dat van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een deel van het bovenliggende gebouw

temeer omdat terzelfder tijd de aanzet werd gegeven voor een restauratiedossier voor de ondergrondse overblijfselen. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Sectie Archeologie van de Afdeling Monumenten en Landschappen en duurde, met onderbrekingen die de vorderingen van de bouwwerken volgden, van 1991 tot 1994.

DF BOUWFASFN Het lastenkohier Onder meer bij het Algemeen Rijksarchief te Brussel bleven nog maar ten dele bestudeerde documenten bewaard met betrekking tot de verschillende bouwfasen van het paleis van de hertogen van Brabant. In het bijzonder het lastenkohier met het contract uit 1524 voor de bouw van de nieuwe Hofkapel blijkt voor ons onderzoek bijzonder verhelderend. Oorspronkelijk was dit lastenkohier aangevuld met verklarende tekeningen. Hiervan bleef helaas geen enkel grafisch document bewaard, met uitzondering van een uitvoeringspatroon op perkament voor de borstweringen van één van de zijgevels (4). Zowel het contract van 10 maart 1524 (5) als ordonnanties uit 1526 en 1528 geven een beschrijving van de werken voor de nieuw te bouwen kapel, met name: de afbraak van reeds bestaande constructies, mits recuperatie van het oude metselwerk voor de nieuwe funderingen; de bouw van het kelderniveau (eerste verdieping van de onderbouw) en van de dienkeukens (tweede verdieping van de onderbouw) tot aan het vloerniveau van de kapel (de latere verhoogde begane grond). Wat tot op heden behouden bleef onder het voormalig hotel van Grimbergen, stemt ontegensprekelijk overeen met wat als volgt beschreven staat in voormeld contract:

"Indien iesten soe hebben die voires. metsers aengenomen wel ende loffelyck te makene byder roeden dat hantgeda vander voirs. cappelle tot op die hoockde vanden vloer vander selver cappellen, dwelck hooghe zyn zal omtrent vier treden boven den vloer vender grooter salen, daer innebegrepen alle die fondementen beneden inde gront vouten offtcien naer zekere ordonn(ancie) diemen die selve aennemersgeven sal, gedaen by Rombout van Mansdale geheeten Keldermans als meester werckman vander selver cappellen, ende in — op de straatgevel na — werd gesloopt, bood zich zynder absentien meesteren Henricken van Pede, die welcke die voirs. metsers altyts onderwys doen sullen een unieke kans aan voor een grondiger onderzoek.


Grondplan en axonometne van de Hofkapel, en van de bewaarde gedeelten ten opzichte van het hotel van Grimbergen, op de hoek KoningsplemKoningsstraat (tekeningen Th. Delcommune)

van hoochden, dichten, breden, wyden ofte langden de selve wercke aengaende ten eynde dat die voirs. metsers die ordonn(ancie) vanden voirs. Rombout wel achtervolgen moeten. Ende es voerwaerde dat die voirs. metsers oick welven sullen alle die vouten vanden kelders, zende oyck die vouten van alle die officien alsmen die sal moegen welven insgelyck, alle diepaveyselspaveyen als die vouten gewelft zullen zyn. Ende die voirs. aennemers sullen moeten doen graven tot hueren coste alle huer fondementen ende insgelycx alle die oude metselrye afbreken moeten wordden ende bringhen die oude stoffe inde fondementen te besten prouffyte, vuytgeste-


ken die goede witte steenen die salmen op een zyde leggen omme te doen verhouden ende gebruycken die ten plaetsen daer zy dienen sullen. " (6) De voorbereidende werkzaamheden hebben dus wel degelijk betrekking op kelders, ongetwijfeld het tot op heden bewaarde niveau. Ook wordt het niveau van de officien vermeld, waar we verder in detail op zullen terugkomen.

De eerste bouwfase Naast het oorspronkelijk lastenkohier raadplegen wij nu ook de baanbrekende publicatie van architect-historicus Paul Saintenoy uit 1932-1935, Les Arts et les Artistes a la Cour de Bruxelles (7). Het bestaan van documenten zoals dit lastenkohier getuigt in elk geval van een zorgvuldige planning en voorbereiding. Het wijst op een vrijwel volledig op voorhand ontworpen architectuur die slechts weinig ruimte liet voor empirisme. Bepalend voor de oprichting van de kapel was vooreerst de aard van de bouwplaats. Aan de stadszijde van het paleis, palend aan de Warande met de Clutinckxvijver, kan een aanzienlijke terreinhelling vastgesteld worden: tussen de Ingelantstraat langsheen de toekomstige kapel en de binnenplaats van het paleis moet een denivellering bestaan hebben van een tiental meter. Daarenboven moest het nieuwe bouwwerk ingepast worden tussen bestaande gebouwen, opgetrokken ten tijde van Filips de Goede: de Aula Magna enerzijds, in het verlengde waarvan de toekomstige kapel gepland was, en de woonvleugel van het paleis, haaks op de te bouwen kapel en met uitzicht op de Warande; maar beide met een verschillend vloerniveau, wat een bijkomend probleem vormde.

Zoals beschreven in voormeld kohier had de eerste bouwfase betrekking op de bouw van de twee niveaus van de onderbouw, bedoeld om de vloer van de kapel op gelijke hoogte te brengen met die van de woonvleugel, hoewel "omtrent vier treden boven den vloer vendergrooter salen ". Bijkomende inlichtingen worden verstrekt door een ordonnantie van 22 december 1526 met betrekking tot de bouw van de officien, het tweede niveau van de onderbouw (8). Desbetreffende passus wordt duidelijker wanneer hij geconfronteerd wordt met een opmeting van architect Royet uit circa 1750 met het oog op de heropbouw van het paleis na de brand van 1731 (9). Lange tijd werd inderdaad gedacht dat dit plan van de begane grond van het paleis ter hoogte van de kapel overeenstemde met het laagste niveau van de onderbouw, dus dat van de huidige bewaarde kelders (10). Sindsdien kon echter worden aangetoond dat het document het niveau van de officien weergeeft (11). Het bestaan van dit tweede niveau blijkt immers niet alleen uit het kohier, maar wordt ook bevestigd door een andere opmetingstekening van Royet, met name een dwarsdoorsnede over de zuidelijke zone van de kapel (12). Deze doorsnede bevestigt dat het plan van Royet met het bijschrift rez-de-chaussée wel degelijk ter plaatse van de kapel het niveau van de officien weergeeft, met andere woorden: het tweede niveau van de onderbouw.

A. Royet, Ontwerp voor de heropbouw van het 'Verbrande Hof. Grondplan (deel). Gewassen inkt op papier, ca. 1750 (Brussel, ARA, Raarten en Plannen in Handschrift, 512 A8)

1VI&L


( Iniiilion

de la fii^/f/t

cfuPalau\

Roial•£&

dn rófi de Icnfrn avei (a loniu

dei

a/ff

^i^ iLnMJtM

r m rr r i l . I ilM!. i

T A. Royet, Ontwerp voor de heropbouw ïan het 'Verbrande Hof. Opstand ïan de gevels aan de

De ordonnantie van 22 december 1526 licht ons tegelijk in over de toewijzingsvoorwaarden en de herkomst van de materialen (13):

ingangszijde met doorsnede over de zijvleugels. Gewassen inkt op papier, ca. 1750 (Brussel, ARA, Raarten en Plannen m Handschrift, 5I2A)

" Ordinancie condicie ende voerwarde om te bestadene dwitwerck desmen desen toecomende somer behoeven sal te vermetsen tiende nieu begonnen cappelle int hoof van onsen genadighen heere den keyser alhier inder stadt van bruesel. Ende dat van goeden steene van ontr. Bruesele, als Dielbeke, Dielegem, Vlierbeke, Laken, Heembeke aft alzoe goeden. Ende dat byden voet hoogden sommich byden voete streckende, ende sommich byden stucke, in deverssche parseelen als hier nae volgt, daer af dat de berderen zijn geteykent metter letteren A B C D, van stucke te stucke. Inden iersten salmen bestaden byden voete hoogden VIIIgeheel rondepylaeren die dienen zullen inde officieen, die elck hooge gaen zullen tot daer die vouten sullen beginnen te welven, ontr. XIII voeten. Diegelevert moeten worden tusschen dit ende Scinxen nu nast comende, naer die berderen daer af geteykent metter lern. A. Die onderte lage dobbel gemeeten om dat baessche wyse gemackt moet worden. Ende moet gestoetvoegt worden UU duymen ende redelyck gestuckt ende gestert, alzoe dat behoort. " De acht volkomen ronde zuilen zouden kunnen overeenstemmen met de acht vrijstaande zuilen, die wij op het plan van Royet aanduiden met de letter X. "Item noch salmen bestaeden VIIIgelyck ronde pylaeren die huer mueren aen beyde zyden mede bringhende cort ende lanck tot goeden gehande. Alzoe en zal dese vorn. Pylaeren niet geheel ront zyn. Naer de berderen daer af geteykent metter lern. B. Ende moeten gemackt ivorden vander selver hoogden, gestuckt, gestert, ge-

M&L

stootvogt ende dobbel gemeeten als voeren gelevert ten voers. Tyde." Deze acht tegen de muren aanleunende zuilen zouden kunnen overeenstemmen met diegene die wij o p het plan van Royet aanduiden met de letter Y. "Item noch salmen bestaeden Ugelycke pylaeren, maer dese en zullen maer ontr. eenen halve voet meerder zyn dan halve pylaeren, huere mueren aen beyde zyden met bringende cort ende lanck. Naer de berderen daer af geteykent metter lern. C. Ende moeten gemackt worden vander selver hogden." Deze twee halfzuilen zouden kunnen overeenstemmen met die tegen de wanden van de gang naar de sacristie, die wij op het plan van Royet aanduiden met de letter Z. Tegelijk dient opgemerkt dat het plan van het niveau der ojficien zoals beschreven in het lastenkohier, eenzelfde schikking aanhoudt als die van het eerste niveau van de onderbouw. Een onverwacht tijdsdocument — ontwerpen voor wandtapijten - verschaft kostbare inlichtingen over de vordering van de bouwwerken. Een patroon voor de Maximiliaanse Jachten, toegeschreven aan Francois Borreman en Pieter Coecke en gedateerd rond 1539 (14), toont de kapel tijdens de bouwwerken, zonder nochtans uitsluitsel te geven over welk deel van de kapel nu precies in de 'steigers' staat. Gaat het om de kapel zélf, met inbegrip van de beuken, of veeleer om de dubbele onderbouw beschermd door een tijdelijke bedaking in stro?


Franpils Borreman (S Peeter Coecke). Maximiliaanse Jachten, de Maand Haan. Gewassen pentekening, ca. IS38 (Leiden. Prentenkabinet)

• Francois Borreman

ca. 1548-1552

& Peeter Coecke.

(door Pari|S toege-

Nationaux. Cabinet

Maximiliaanse

schreven aan

des Dessins.

Jachten, de Maand

Barend van Orlcy.

9IDE4783 «

Haart. Gewassen

1488-1541)

60058))

pentekening.

(Paris. Musées


• Jean Ghieteels, Wandtapijt, Haxlmiliaanse Jachten, de Maand Maart, ca. 1548-1552 (Pans, Musées Nationaux, 92DE3487 8 114372)

Een tweede patroon voor de Maximiliaanse Jachten, door dezelfde kunstenaars maar enkele jaren later - omstreeks 1553? - totstandgekomen, toont dan weer meerdere correcties, aangebracht ingevolge wijzigingen die intussen waren opgetreden in de architectuur van het paleis. De kapel wordt nu integraal weergegeven. De tijdelijke bedaking is vervangen door zijbeuken met ramen, een hoge bedaking dekt het schip af (15). De bepalingen van het lastenboek met betrekking tot het schip blijken ook nu weer uiterst kostbaar, ook al ontbreken de bijbehorende iconografische documenten. Een bijkomende moeilijkheid is dat de beschrijvingen zeer vaag blijven en nergens duidelijk maken of hier wel degelijk sprake is van het schip.

Het lastenkohier zal derhalve nuttig aangevuld worden met de Livres des Comptes waarnaar Paul Saintenoy verwijst, en die meer duidelijkheid verschaffen in de chronologie van de onderneming. Een ordonnantie van 2 juli 1528 (16) vermeldt het schip in opstand tot de hoogte van de zijbeuken; een stadium in de bouw dat inderdaad nog behoort tot de eerste fase. Dezelfde ordonnantie verschaft in het bijzonder nader inzicht in de bouw van de buitenmuren van de kapel, waaronder de steunberen. Een passage uit deze ordonnantie verduidelijkt hun constructiewijze én de volgorde van de steenlagen waaruit het parement zal worden opgetrokken:


om den commer wille die daer inne gemaect moet wordden als ghevels oft dier gelycke. Dies en sal men die rechte lyste die comen sal keerende tot teghens den muer vander cappellen nyet bezundert meeten, want den aennemer van desen dat mede maken moeten aenden oppersten gevel om dat men hem dat dobbel meeten sal. Welcke freyten gemaeckt moeten wordden tot goeden gebande, wel gestoetvogt, vol steens ende reyn gehouden als voeren. Ende moet altytgelevert wordden naer advenant vanden voergaende IIII articulen, als lichtmesse ofhalfmeerte te Paesschen. Ende volleveert goets tyts voer Sint-Janss. Nu naestcomende als voeren. " Ondanks de aanwezigheid van een huiskapel in het woongedeelte van het paleis, maakt een door Paul Saintenoy aangehaald document gewag van de moeilijke omstandigheden waarin tijdens de bouwwerken erediensten moesten worden gehouden in de grote zaal van Filips de Goede. Zo moest Maria van Hongarije er in februari 1531 natuursteen laten weghalen "estant a la place ou madame la Royne a fait son oratoirepour oyr Ie sermon en la grande salie". Of nog in maart 1537 wanneer Loys van Ophem "besogne a mettre hors du chemin et en bon ordre, les pierres taillées estans sur la grande salie pres de la chapelle pour avoir place convenable aux orateurs des sermons qui se font durant ceste susdite quaresme" (17). De stenen waarvan sprake waren wellicht bestemd voor de bouw van het schip. Het document brengt overigens tevens verslag uit over de organisatie van het dagelijkse leven tijdens de bouwwerken.

"Item noch salmen bestaeden byder voet hoogden vyve freyten ende een halve, die comen staen zullen buyten teghens myns heeren van Hoogstraten huys over, dien halven pylaer beghinnende aenden torre vander salen voirs. ende eyndende tot aen de huyve vande ommeghange. Ende sal beneden beghinnen gelyck den vloer vander capellen ende soe opgaende van dickten van laghen gelyck dat voerscr. binnen werck, van lagen tot laghen van eender dickten duer gaende. Ende zyn in al totten oppercant vanden scoote vande vensters XVII laeghen, die hooghe maken metten moertselXIII voet, {...). Die welcke pylaeren oft freyten breet zyn drye voeten ende lanck vuyten muere vander cappellen oyck drye voeten, naer die berderen daer af geteykent metter letteren O. Ende men sal die twee ierste laghen ende die drye leste laghen op dopperste lage naer dobbel meeten

De gewelven boven de galerijen van de zijbeuken werden opgetrokken uit witte steen aangevoerd uit Dielegem, onbehouwen {crue) geleverd met het oog op het belasten [tasses de charges) van de gewelven (18). In dit stadium van de bouwcampagne maken de rekeningen vanaf 1527 geregeld gewag van de tijdelijke afdekking van de kapel - ungfaulx ouvraige sur la machonnerie — met stro {estrain) teneinde het metselwerk te behoeden voor regen en vorst, en houten dakgoten (19). Een schilderij bewaard in het Stadsmuseum van Brussel, geeft een 'winter'beeld van het paleis vanuit de Warande. Het vormt één van de vroegste documenten voor de bouw van de kapel in de eerste fase, te weten tussen 1530 en 1539. De bouw heeft de hoogte bereikt van de zijbeuken; ze zijn afgedekt met een bedaking in stro. Stellingen ontbreken.


M&L

A

Rechts van de eerste

Het Coudenberg-

stadsomwalling.

paleis omstreeks

de Ingelantstraat en

1538. De bouw van

het Hof van Hoog-

de Holkapel is stil-

straten. Olie op

gevallen, de ruw-

paneel, anoniem

bouw lijkt afgedekt

(Brussel. Stads-

met stro.

musea. 1065)


Het Coudenbergpaleis omstreeks

De tijdelijke bedaking bleek niet bepaald stevig: bij stormweer in 1536 wordt zware schade toegebracht (20). In december 1538 ligt op het schip een nieuw dak uit stro. Wauters de Cort en Jan Houwens, maistres carpentiers, tekenen voor deze "faulse cappe avecq maistres Loys van Bueghem, Henry van Pede et aultres ouvriersgénéraux de Sa Majesté" (21). Pas in 1539 zal worden beslist die te vervangen door een meer duurzame dakconstructie (22). Meerdere iconografische documenten illustreren inderdaad de nieuwe toestand, onder meer een schilderij uit de tweede helft van de 16de eeuw, bewaard in het Stadsmuseum van Brussel, en een gravure uit dezelfde periode van Cornelius Visscher. De beëindiging van de eerste fase van de werken is nu nakend. Ook het aanbrengen van beglazing wijst hierop, onder meer in de ramen van de officien waarvoor verrier Ches van Coninxloo in 1530 werd vergoed (23).

De werken worden opgeleverd, de rekeningen afger o

D

O

anoniem

sloten. O p 31 december 1538 krijgen Louis van (Brussel, StadsBuedeghem en Henri van Pede hun saldo uitbe- """") taald (24).

De tweede bouwfase Na zowat tien jaar onderbreking, waarover inlichtingen ontbreken, worden de bouwwerken hervat op 28 augustus 1548. Ze zullen worden voortgezet tot 1553(25). O p 6 mei 1550 wordt Pierre van Wyenhove gelast met het uittekenen van de patronen voor de stenen ouvraiges met het oog op de afwerking van de keizerlijke kapel; dezelfde van Wyenhove die in 15341540 samen met Hendrik van Pede instond voor de bouw van de Sacramentskapel bij de Brusselse SintMichielskathedraal. We komen verder nog terug op de overeenkomsten tussen de netgewelven van beide bouwwerken.


A Bertholome de

Prentenkabinet,

Momper en Cornelius

S.II I N 4 5 ) . Door-

Visscher, Le Koert

gaans gedateerd

de Bruxelles,

1558-1560, maar

(in Curia Brabantiae

gelet op de vorde-

in celebn el popu-

ring van de werken

losa Urbe Bruxellis),

aan de Hofkapel

ets (Brussel. Konink-

veeleer te situeren

lijke Bibliotheek.

In 1539-1548.

Te vermelden is tevens Jehan van den Gheere, die samen met Van Wyenhoven de leiding van de werken waarnam. Beiden "prirent regard sur les massonneries et aultres ouvrages de la chapelle" (26). Maar ook andere meester-steenhouwers ontwierpen patronen op papier of tekenplanken [asselles) voor de stenen van het hoofdgewelf, zoals Willem Machiels en Hanz van den Bruelle (27). Paul Saintenoy haalt aan dat de gewelfhoeken opgevuld werden met steenslag herkomstig van het steenhouwen. Hieraan werd olie toegevoegd om het metselwerk van de extrados beter af te dichten tegen waterinfiltraties van de bedaking (28).

M&L


Een episode vestigt de aandacht op de introductie van de nieuwe renaissance-architectuur. Ingeniare Donas de Bovy zou op aandringen van Maria van Hongarije een nieuw ontwerp laten uittekenen voor de borstweringen van het dakterras, in renaissancestijl ter vervanging van de voorziene, nog gotische, bogen. Alvast deze beide plans bleven - als schaarse iconografische getuigen van de bouwgeschiedenis van de Hofkapel - bewaard (29). Het blijft vooralsnog moeilijk uit te maken hoe de borstweringen uiteindelijk werden uitgevoerd. Paul Saintenoy stelt dat "La gravure de Visscher indique un ornement courant évidé, tandis que d'autres documents montrent ou des arcatures, ou despUiers comme les voulaient la reine Marie" (30). Zelf menen we dat ze wel degelijk in renaissancestijl werden uitgevoerd, getuige onder meer de opmetingstekening van Jean-André Anneessens uit circa 1750, met het oog op de integratie van de kapel in het her op te bouwen paleis na de brand van 1731 (31). Het dakgebint en de dakbekleding werden aangebracht vanaf 1552, volgens de rekeningen voor de "carpentaige touchant la cappe etgrandt toys de la ditte chappelle" en later de "ouvraiges d'ardoyses, la livreson des plontz door cordornnier Martin Failly (32).

+ Y>>*lvir»4 «+ * « . » V> Co

••p-Pi

Anonlem, patroon voor de westgevel

T

van de hertogelijke

Anoniem, patroon

kapel, inkt op

voor de westgevel

perkament, ca. 1550

van de hertogelijke

(Brussel. ARA, Kaar-

kapel, inkt op per-

ten en Plannen In

kament, 290x475

Handschrift, 1727)

mm, ca. 1550 (Brussel, ARA,

Daarmee is de ruwbouw beëindigd. De rekeningen hebben verder hoofdzakelijk betrekking op de afwerking, waaronder het aanbrengen van beglazing in de ramen (33).

Raarten en Plannen in Handschrift, 1728)

DE KAPFI ZOALS GEBOUWD Behalve een poging tot - summiere - beschrijving van de kapel, willen we hier ook aandacht vragen voor enkele bijzondere aspecten, teneinde de kapel zo goed als mogelijk te plaatsen in haar architecturale context.

Algemeen Van het basilicale type, vertoonde de kapel met haar 22 bij 45 meter extra muros - zowat de omvang van een kathedraalkoor — indrukwekkende afmetingen, temeer omdat ze opgetrokken was bovenop twee niveaus onderbouw. Ze telde 6 traveeën, elk 4,50 meter breed, met een apsis van 7 traveeën. De 8 meter brede hoofdbeuk, rechtstreeks aanslui-

M&L


\

/(iHiiifi! dt !,i rtu<!.\ du nmtveau

Vahiü A ik ( am a

.7

/,'/,-'/( Ju fan

i)i3aiii''gBiMr-piia'i

'^••••••MHÉHHk.'' ':":'

i

tl M' R n

r r r r r

iiliiiii-lii if

n* •

n

M n

n

ïlllliiili . > « > • • * • *

qJbtL A .Mk Mk

ft

ü

A - A - . V

«

JA. Anneessens,

de Parkzijde.

Ontwerp voor de

Gewassen penteke-

heropbouw van het

nmg, ca. I?S0

A. Royet. Ontwerp

inkt op papier,

'Verbrande Hof.

(Wenen, Albertma,

voor de heropbouw

ca. 1750

Opstand van de

Archilektumlch-

van het 'Verbrande

(Brussel, ARA, Kaar-

meuwe gevels aan

nung, Inv. 7566)

Hof. Opstand van

ten en Plannen in

de gevels aan de

Handschrift, 512 F)

Parkii|de. Gewassen

1 li

( lirulnui

ili la Aii/ff/U

Ju

/Wi7/,f Rdldlihl

(dlr dn l'itli

pr

mmm

iiiifTnrii i l

tend bij de Grote Zaal van Filips de Goede, werd geflankeerd door om de apsis heen lopende zijbeuken. De kapel vertoonde aldus een breed middenschip van een aanzienlijke hoogte, aan weerszijden verlicht door twee rijen rondbogige ramen. De beuken werden van elkaar gescheiden door zuilen met prismatische ribben, verenigd tot bundels. Aan de buitenzijde werd ze opgevangen door steunberen, aan de dakrand liep een dubbele borstwering.

Architecturale onderdelen Tot stand gekomen in de eerste helft van de 16de eeuw, behoort de kapel onmiskenbaar tot de hoogdagen van de Brabantse gotiek. Stilistische criteria vormen onder meer het gebruik van de rondboogttx vervanging van het ogief, bundelzuilen in het schip

M&L

en in het koor en de aanwezigheid van netgewelven. We analyseren ze één na één. De documenten nr. 1727 en 1728, bewaard op het Algemeen Rijksarchief, tonen een detail van de gevel. De tekeningen geven ons enig inzicht in het tracé van de vensterramen, met name een rondboog. Naar het einde van de hooggotiek toe zal de boog inderdaad geleidelijk aan verbreden, tot hij opnieuw nauwelijks te onderscheiden is van de rondboog: " Celui-ci redeviendra ainsi, par une evolution toute naturelle, l'arc type de l'architecture de la renaissance, dans la seconde moitié du XVIe siècle" (34). Geen enkel iconografisch document met betrekking tot de kapel toont een accoladeboog, een gordijnboog of een kielboog, eigen aan deze periode. De tekening van Jan-Peter van Baurscheit waarin


Axonometrie van de kapel en van de centrale travee (westgevel) en de twee niveaus van de onderbouw (tekening Th. Delcommune)

M&L


^7

•v->-. TT J

Plan (/// nivinii'i FJaac

S.

• • • • • • • • . • • • a a i J" " Tf

v.•.HiLi-y'iiinf/ ; ,.

•»

;

i..4

J-ésfy

;

»

|S

*—' i

«J-L'•

de netgewelven van A. Royet, Ontwerp

de kapel.

voor de heropbouw

Gewassen Inkt op

van het 'Verbrande

papier, ca. 1750

Hof. Plan van de

(Brussel, ARA,

eerste verdieping,

Kaarten en Plannen

met weergave van

in Handschrift, 512 A9)

Maquette van de formelen voor het netgewelf (Th. Delcommune)

Jan-Peter van Baurscheit, "Cappel vant Hof tot Brussel 1720 ", getooid met rouwdoeken naar aanleiding van de rouwplechtlgheid voor keizerin Eleonora Magdalena Theresla. Gewassen inkt en potlood op papier (Brussel, Stadsmuseum, B243)

M&L


hij het interieur weergeeft van de kapel, toont bundelzuilen of -pijlers. Veeleer dan in de muur verwerkte bundelzuilen gaat het hier om vrijstaande bundels, die dienst doen als hoofdzuil: "L'architecte évite les assises horizontales et leur préféré des lignes verticales afin de donner a sa construction une impression de plus grande elevation. Dans ce systeme les colonettes moulurées, ou plutot les nervures groupées auteur d'unepile centrale, sélancent du soljusqu'a la voute ..." slechts onderbroken door een klein kapiteel "et même quelques unes d'entre-elles continuent leur course Ie long des arêtes de la voute jusqu'a la de' (35). Het gewelf boven de hoofdbeuk is een voorbeeld van een netgewelf of een gewelf met prismatische compartimentering, ingevoerd in Brussel in de 16de eeuw. Dit soort van gewelven is niet ontworpen in de ruimte maar op plan. Het bewijs wordt geleverd door het voorliggend gewelf waarvan de opbouw slechts duidelijk wordt in projectie. O p basis van de tekening van Jan-Peter van Bauerscheit, lieten wij ons vetleiden tot een restitutie in perspectief van deze gewelftekening. Veeleer dan de travee te verdelen in een eenvoudig ogiefkruis, blijken de ribben zich te vertakken en te kruisen in alle richtingen, aldus kleine ruitvormige compartimenten vormend, verenigd in een geometrie van hoofdzakelijk rechte lijnen waarvan de kruispunten opgehoogd worden met gebeeldhouwde sleutels, en dit variërend van travee tot travee. O f met de woorden van Louis Hautecoeur: "'Les architectes se plaisent a multiplier les formes, h montrer la fécondité de leur imagination en donnant aux voütes de chaque travee une figure différente" (36).

•4 Het hotel van Grimbergen (deel) tijdens de sloopwerken in 1991. Op de achtergrond het voormalige Rekenhof, voordien dienstgebouw van het hotel van Spangen, ter plaatse van het Hof van Hoogstraten (foto MMC)

tet niet duidelijk of deze vorm ook binnen het gebouw werd aangehouden; uit iconografisch materiaal is in ieder geval duidelijk dat de bovenbouw van de toren achthoekig was. Alle muurresten bestaan uit een kern van gemengd metselwetk waartegen een zandstenen parement is geplaatst.

Funderingen van de noordwestelijke hoektoren van de

HFT BODEM- FN MIJURWFRKnNDFRZOFK

Aula Magna, met de onderbroken riolering en. bovenaan, het afgewerkte

De Aula Magna

parement van de toren (foto DVE)

Zoals vermeld was slechts een minimaal deel van dit grote zaalgebouw voor onderzoek bereikbaar, namelijk die muurresten die dienst deden als fundering voor de laat-18de-eeuwse gevel die de noordwestelijke zijde van het Koningsplein begrenst: een 4,80 meter lang fragment van de buitenzijde van de noordelijke eindgevel (plans, nr. 13) en een deel van de imposante hoektoren (plans, nr. 19) op de noordwestelijke hoek van het gebouw. Van de veelzijdige torenbasis konden slechts twee zijden volledig worden opgemeten. Deze opmeting doet een twaalfhoekige basis veronderstellen; het is ech-

M&L


Toen in 1522 de bouw van de Hofkapel werd aangevat, werd het terrein ten noorden van de Aula Magna uitgegraven, waardoor een deel van de funderingen van het gebouw tijdelijk vrij kwam te liggen. Deze situatie herhaalt zich nu omdat de constructies van de Hofkapel die tegen de Aula Magna aanleunden, grotendeels verdwenen zijn. Hierdoor kwam een riolerings- of afwateringskanaal tevoorschijn (plans, nr. 20) dat was uitgespaard in de fundering van de toren. Dit kanaal, dat met een zandstenen parement is afgewerkt, is 30 cm bteed en 50 cm hoog en is voorzien van zandstenen vloer- en afdekplaten. Bij de bouw van de Hofkapel werd dit kanaal doorsneden en dichtgemetseld.

gebouw slechts enkele sporen en resten teruggevonden. Uit de opgravingsresultaten kan echter wel afgeleid worden dat beide verdiepingen waarschijnlijk een identiek grondplan hadden: de aanleg van de bovenliggende kapel, aangevuld met binnenmuren die de ruimte in kleinere vertrekken indeelden. Een centrale gang in de lengteas van de kelders verdeelde deze in een oostelijke en een westelijke helft. De opdeling werd vervolledigd door dwarsmuren die enerzijds het apsisvormige koor van de rest van het gebouw afsluiten, en anderzijds een dwarsgang omsluiten die het rechthoekige deel verder opdeelt in een noordelijke en een zuidelijke helft.

De bovenste kelderverdieping De Hofkapel In grondplan was deze monumentale kapel een op het noorden gericht U-vormig gebouw, binnen 37,30 meter lang en 16,90 meter breed. De middenbeuk was van de zijbeuken gescheiden door een doorlopende rij zuilen. Eenzelfde schikking ligt aan de basis van het grondplan van de twee kelderverdiepingen die de sokkel vormen waarop de kapel werd gebouwd. Deze sokkel was noodzakelijk om de niveauverschillen te overbruggen die het gevolg waren van de ligging van het gebouw op een helling van de Coudenberg. De onderste kelderverdieping (niveau -2) is grotendeels intact bewaard; van de bovenste (niveau -1) werden tijdens de sloop van het laat-18de-eeuws

Doordat slechts een gedeelte van het 18de-eeuwse gebouw werd gesloopt, kon enkel de zuidwestelijke hoek van deze verdieping worden onderzocht. Die omvat één vertrek dat door de centrale gang ten oosten, en door de dwarsgang ten noorden wordt omsloten (plan 2). De bakstenen (formaat 27 x

• Plan I. Niveau -I en de trappen van niveau 0 (verdwenen) naar niveau -2 (tekening DÏE)

HIIIISSi:!. - KiHiiiKJNplm» III HIIIUII|H'I : nhi. - I ma b i n i m i n m r -'J ll|lt||-:)Mlii|>>|)liiii


f - •

4

f

•

Hofkapel, niveau - 1 .

Hofkapel, niveau - 1 .

Bakstenen muur van

Fragment van de

de centrale gang;

bevloermg met

de versprmgmg in

zandstenen tegels

de muur en de mortelsporen op de

(of, indien dia. foto HMC)

vloerplaten van de gang (rechts) wijzen op een verdwenen parement (foto DVE)

i

i

i

12,5 x 5 cm) muren die dit vertrek van de gangen scheiden, zijn respectievelijk 50 en 40 cm dik. In een deel van de centrale gang die licht afhelt in zuidelijke richting, werden zandstenen vloerplaten teruggevonden (plan 2, nr. 6). Mortelsporen op deze platen, evenwijdig aan de bakstenen muren, suggereren een zandstenen parement dat dus op de voltooide vloer werd opgetrokken. In de dwarsgang werden eveneens sporen van een bevloering met grote vloerplaten aangetroffen, maar hier ging het enkel om het mortelbed waarin na zorgvuldig reinigen de afdrukken van de platen konden worden afgelezen (plan 2, nr. 2).

ten van de bevloering aangetroffen, hetzij als afdrukken in het mortelbed, hetzij als in situ bewaard gebleven zandstenen tegels (plan 2, nr. 11). Vanuit dit vertrek leidt een trap (plans, nr. 9) naar de onderliggende verdieping. Deze trap doorbreekt het gewelf op een zo onhandige manier dat betwijfeld kan worden of hij tot het originele concept behoort. Het bovenste gedeelte, waarvan enkel de bakstenen kern bewaard is, rust op een boogcon-

Hofkapel. niveau - I . Huur van de dwars-

De onderzochte ruimte is toegankelijk via een deuropening in de centrale gang (plan 2, nr. 24). In het vertrek moeten zich oorspronkelijk drie zuilen hebben bevonden; door latere ingrepen bleven echter slechts sporen van één zuil bewaard (plan 2, nr. la). Het gaat om een ronde bakstenen zuil (diameter 1,40 meter) waarvan niet helemaal duidelijk is of hij in verband met de muur is gemetseld: de zuil is slechts lichtjes ingewerkt in de muur waardoor de aanwezigheid van een metselverband niet evident is, althans niet in déze baksteenlaag. Opmerkelijk is ook dat deze muur is aangebouwd tégen het zandstenen parement van de buitenmuur. Deze ogenschijnlijk onbelangrijke details verwijzen naar een problematiek die nog herhaaldelijk aan bod zal komen, namelijk het chronologisch verband tussen het basisschema van buitenmuren en zuilen enerzijds, en de indeling van de kelderruimte door bijkomende muren anderzijds. O p verscheidene plaatsen in het vertrek werden res-

gang en ronde zuil; aan weerszijden van de muur resten van het mortclbed met afdrukken van verdwenen vloerplaten (of, indien dia, foto HHC)

M&L


imiJSSKIj : Kciiiiiujspluin UI [ifiriuip<!i 11 ;,|,|M'II van -1 Hilar

--

OpmMviiHl-splail : dfMirjiiiiMleli

A

lijke treden be-

In de herhaaldelijk

waard; de bovenste

De steektrap van -I

verbouwde trap tus-

trede is origineel

naar -2 kort na de

sen de niveaus -I

maar met 'In situ'

vrijlegging

en -2 bleven slechts

(foto DVE)

(foto MMC)

enkele oorspronke-

structie (plan 3, doorsnede). In het lagere gedeelte zijn vijf oorspronkelijke zandstenen treden bewaard, zij het niet alle even gaaf. Een tweede trap is vanaf niveau -1 bereikbaar via de centrale gang, en is tegen de Aula Magna aangebouwd. Deze trap leidt in feite van de Isabellastraat (niveau -2) naar de binnenplaats van het hertogelijk Hof (niveau 0), maar mondt halverwege uit in de centrale gang van niveau - 1 . Dit alles betekent dat de trap ónder de kapel doorliep en enkel de Isabellastraat, de bovenste kelderverdieping van de kapel en de binnenplaats van het hof met elkaar verbond. Enkel het onderste deel van de trap kon worden onderzocht. De ingang in de Isabellastraat

werd reeds door A. Matthys ontdekt en gedeeltelijk vrijgelegd, maar pas tijdens de recente sloopwerken was het mogelijk de tonnen puin waarmee deze ruimte was opgevuld, te verwijderen. De imposante trap, 2,30 meter breed, is gevat tussen twee muren waarvan enkel de bakstenen kern van de noordelijke (plans, nr. 8) relatief goed bewaard is. Van het zandstenen parement zijn nog slechts enkele lagen boven de traptreden aanwezig. De zuidelijke muur (plans, nr. 16) is bijna alleen in grondplan afleesbaar, maar biedt nog genoeg aanknopingspunten om de originele toestand te reconstrueren. Een deuropening in deze muur leidt naar een klein lokaal dat we, gezien zijn ligging, als een wachtlo-


Een beerput van het Hof van Hoogstraten Bij het graven van een diepe funderingssleuf voor de nieuwbouw Koningsplein 10 werd een beerput aangesneden die deel uitmaakte van een langs de Isabellastraat gelegen woonvleugel van het Hof van Hoogstraten. Aangezien de beerput noodgedwongen moest wijken voor de geplande nieuwbouw, was er slechts weinig tijd beschikbaar voor het onderzoek. De bovenste afvallaag bevatte aardewerk, majolica, steengoed en faience uit het eind van de 18de en het begin van de 19de eeuw. Door tijdsdruk moest deze laag echter grotendeels worden opgeofferd. Wel is duidelijk dat de beerput verbouwd werd tijdens de grote bouwcampagne uit het eind van de 18de eeuw toen het Koningsplein werd aangelegd. De oorspronkelijke beerput bleef ondanks deze verbouwing relatief goed bewaard, en het archeologisch materiaal dat hieruit werd geborgen behoort tot de meest glorierijke periode uit de geschiedenis van het Hof van Hoogstraten. De inhoud is globaal te dateren tussen het tweede kwart van de 16de en het begin van de 17de eeuw. Toch biedt de collectie een sterk vertekend beeld van de totaliteit van het toenmalige aanbod: voorwerpen uit metaal, hout, been en leder ontbreken volledig, er is een opmerkelijk groot aantal glazen voorwerpen, en binnen de ceramiekgroep valt vooral de ondervertegenwoordiging op van het in deze periode nochtans zeer gegeerde steengoed. O p een totaal van 183 voorwerpen bestaat 3 4 % uit glas; steengoed bedraagt slechts 4 , 5 % van het totaal; majolica (vooral zalfpotten) vormt met 6% een iets grotere groep, terwijl het witbakkend aardewerk met 2 , 5 % veruit de kleinste, en het roodbakkend aardewerk met 5 3 % veruit de grootste groep vormt. Ondanks het vertekend beeld dat de inhoud van de beerput biedt van de levensstandaard van de inwoners van het Hof van Hoogstraten, gaat het uiteindelijk toch om een belangrijke collectie die zeker zijn plaats zal opeisen in de studie van de Brabantse materiële cultuur in de 16de eeuw (*).

Waterkruik in roodbakkend aardewerk, begin 17de eeuw (foto DVE)

Kacheltegel versierd met vier grotesken, midden 16de eeuw (foto DVE)

Drlnkschaal In vetro a reticello of netglas waarin witte glasdraden zijn verwerkt, tweede helft 16de eeuw (foto DVE)

(*) VAN E E N H O O G E D., Grafelijk afval. Onderzoek van een beerput uit het Hof van Hoogstraten te Brussel, in Archeologie in Vlaanderen, V, 1995-1996, Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, p. 263-301.

M&L


kaal interpreteren (plans, nr. 15) en waarin een deel van de zandstenen vloertegels bewaard bleef. Dit wachtlokaal bevindt zich tegenover het kruispunt van de trap en de gang van niveau - 1 , en is aangebouwd tegen een massieve fundering (plans, nr. 14 en 18) die op dit niveau geen rol speelt maar enkel als basis dient voor een zuil van de bovenliggende Hofkapel. Ten westen hiervan is de ruimte tussen de trapmuur en de Aula Magna opgevuld met gemengd metselwerk waarin een kleine uitsparing (nr. 22) mogelijk een diepe nis vertegenwoordigt. De trap zelf bestaat uit een bakstenen kern, afgewerkt met zandstenen treden, en vloerplaten op de bordessen (plans, nr. 17 a-c). In het onderzochte gebied bevinden zich drie bordessen, telkens verbonden door vier treden. Een vierde bordes bevond zich op niveau -1 bij de kruising met de centrale gang.

Plan I. Hofkapel, omringende gebouwen en Isabellastraat. Reconstructie -

aan de hand ïan

bewaarde sporen -

Het onderste deel van de trap vernauwt in een onregelmatige trechtervorm die uitmondt in een portaal. Dat het portaal door een houten deur kon worden afgesloten, wordt aangeduid door resten van een ijzeren duim in de noordelijke muur.

De onderste kelderverdieping In tegenstelling tot niveau-1 dat in de 18de eeuw volledig werd gesloopt, is de onderste verdieping bijzonder goed bewaard gebleven. Zowel voor het bouwmateriaal als voor de betekenis moet een onderscheid worden gemaakt tussen het basisschema en de binnenmuren die de ruimte indelen. Alle bouwelementen zijn in baksteen uitgevoerd maar de massieve 2,30 meter dikke buitenmuren en de achthoekige zuilen zijn volledig met een zandstenen parement bekleed, terwijl de lichtere binnenmuren een bakstenen parement vertonen op een lage zandstenen sokkel. Verder gebruik van zandsteen is beperkt tot de omlijsting van de deuropeningen die met een korfboog zijn afgewerkt en de bevloering waarvan fragmenten in de gangen en in de westelijke vertrekken werden geregistreerd. In het rechthoekig gedeelte zijn alle zuilen bewaard, evenals de gordelbogen ertussen waarop gedrukte tongewelven rusten. In het apsisvormige

van de toestand ca. 1625.1

I

I iSiiriKlrp»

%

7ZZ&J&&JZ&

HHII.VSKL KomiMpiitait Ml IWFHAPKl. .miiniiijiMiil»' «(«tMHiwwi ra ISAIIKU.AS'IIIA M Nivii

-2

HHriiiistrtHrl». tiii-sUiid ca. HiiUi

I)

I 2

3 'i

«

«in

IH*' n a IHMMiSTItATKIV


I'.-iV-'1.)

het gedeelte dat schuin door de buitenmuur loopt een zandstenen parement voorkomt, kan in dezelfde richting wijzen. Anderzijds lijkt deze doorgang de enige oorspronkelijke toegang tot de onderste verdieping te zijn geweest; waarschijnlijk was deze ingang eertijds door een trap met de binnenplaats van het Hof verbonden, en werd hij pas in de 17de eeuw verbouwd tot een gelijkvloerse verbinding met de kelders van de nieuwe woonvleugel.

Tiii*'.-^

ij§S

f^^jg

vm Bs^a

rèa F^a j^^arav^ rssaisKia

n Bi

EffiaS r^.,d Ittv'J rssa ISïTHErai fB-l Liu'!

0

50

K/m

FïiritH r^i-q BSH ima raaaBEci IMA u o

100 tm

DVE

Het metselaarsteken - Sint-Andneskruls in de dwarsgang van de Hofkapel (tekening DVE)

deel verdwenen bij de 18de-eeuwse verbouwing alle zuilen, op kleine fragmenren na in de centrale gang en in het noordwestelijke vertrek. Hier bleef één zuil gedeeltelijk bewaard terwijl de andere nog afgetekend staat in de tegelvloer (rode en zwarte gebakken tegels) die hetzij oorspronkelijk is hetzij nog vóór 1731 de oorspronkelijke zandstenen vloer heeft vervangen. De gangen zijn overdekt met een tongewelf, ondersteund door zandstenen gedrukte spitsbogen; de kruising van de twee gangen is overdekt met een kruisribgewelf met zandstenen ribben. Alle vertrekken zijn enkel vanuit de centrale gang bereikbaar, met uitzondering van dat in de zuidwestelijke hoek, waar de deuropening naar de dwarsgang verband houdt met de aanwezigheid aldaar van de trap naar niveau - 1 . In één van de muren van de dwarsgang is een metselaarsteken aangebracht in de vorm van een Sint-Andrieskruis, uitgevoerd in zwarte baksteen. Het oostelijke deel van de dwarsgang is in tegenstelling tot het westelijke geen doodlopende gang, maar loopt verder door de buitenmuur heen en sluit aan bij de kelders van de woonvertrekken die ten oosten van de Hofkapel waren opgetrokken. Hierbij gaat het, gezien de ligging van de doorgang, hoogstwaarschijnlijk om de 17de-eeuwse woonvleugel, wat betekent dat het doortrekken van de gang een verbouwing is en niet tot het originele concept behoort. Ook het gegeven dat in de gang zelf een bakstenen parement aanwezig is terwijl in

Deze opmerking doet ons onrechtstreeks belanden bij de reeds geciteerde problematiek van het chronologisch verband tussen de basiselementen van het gebouw en de indeling door middel van binnenmuren. De vraag of het oorspronkelijke concept enkel de buitenmuren en de zuilen omvatte en pas in een latere fase werd aangevuld met een indeling in gangen en vertrekken, werd bevestigend beantwoord door A. Matthys, die na zijn onderzoek meende te kunnen stellen dat "...ii l'époque de Charles-Quint des caves sont aménagées dans Ie soubassement de la chapelle" (37). De probleemstelling heeft eigenlijk twee facetten. Enerzijds is er de soms aangehaalde hypothese dat het basisgebouw geïdentificeerd moet worden met de hofkapel van Johanna van Btabant, waarvan we weten dat zij die ergens op deze plaats heeft laten bouwen op het einde van de 14de eeuw. In die optiek zou de oude kapel dan gediend hebben als sokkel voor de nieuwe kapel van Karel V. Deze hypothese kan moeiteloos worden weerlegd, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de kelderverdieping is aangebouwd tegen de funderingen en het opgaand metselwerk van de Aula Magna (tweede helft 15de eeuw), en niet andersom. Ook de niveauverschillen, de omvang van het gebouw en zijn bouwstilistische kenmerken spreken deze mogelijkheid tegen. De tweede hypothese, die door A. Matthys wordt verdedigd, luidt dat het gebouw wel degelijk onder Karel V werd gebouwd ter vervanging van de oude hofkapel, maar dat nog tijdens zijn bewind werd beslist de kelderverdieping verder op te delen. We veronderstellen dat men hierbij denkt aan het onderbreken van de bouwcampagne tussen 1538 en 1 548, en dat de verbouwing dan in de tweede campagne zou kunnen worden gesitueerd. Zoals vermeld zijn er inderdaad elementen die een dergelijke hypothese ondersteunen. De problemen over de chronologische situering van de trap tussen de niveaus -2 en -1 hebben we reeds vermeld; bovendien is er het verschil in afwerking tussen de 'basiselementen' en de binnenmuren, evenals het toch wel belangrijke feit dat de binnenmuren tégen het


Plan 4. Westgevel ïan de Hofkapel. Bewaarde toestand, interpretatie en reconstructie (tekening OVE)

T

zandstenen parement van de buitenmuren zijn aangebouwd en enkel nabij het gewelf zijn ingenaaid.

Isabellastraat. Resten van het zuidelijk deel van het ingangsportaal naar de trap, aangebouwd tegen de hoektoren van de Aula Magna (foto DVE)

Toch menen wij deze nochtans aantrekkelijke hypothese niet te kunnen verdedigen. Daarvoor kunnen we verscheidene argumenten aanhalen: 1° waar de zuilen in de binnenmuren zijn ingewerkt, zijn het zandstenen parement van de zuilen en het bakstenen parement van de muren naadloos met elkaar verbonden; enkele halfzuilen zijn zelfs groter dan de 'oorspronkelijke' zuilen maar toch volledig met een zandstenen parement bekleed; 2° de verdeling en de grootte van de vensteropeningen in de buitenmuur (cf. infra) accorderen volledig met de indeling van de ruimtes binnenin; er werd geen enkele aanduiding gevonden die erop wijst dat de vensters verbouwd zouden zijn; 3° de aanwezigheid van een tweede kelderverdieping en de vaststelling dat ook daar eenzelfde indeling werd aangetroffen; het lijkt immers heel onwaarschijnlijk dat men twee verdiepingen tegelijk heeft verbouwd, wat immers ook het uitbreken van nagenoeg alle gewelven zou hebben betekend; 4° indien men in het centrale gedeelte de muren van de centrale gang wegdenkt, betekent dat een overspanning van 8 meter, die ofwel was overdekt met een balklaag - wat in deze context heel onwaarschijnlijk is - , ofwel door een gewelf- dat dan echter veel te hoog moest worden opgetrokken om de aanwezigheid van de tweede verdieping op het bestaande niveau mogelijk te maken; hetzelfde probleem duikt vanzelfsprekend ook op in de verhouding tussen niveau-1 en de eigenlijke kapel. Noodzakelijkerwijs hebben we ons tot hiertoe


enkel bekommerd om het interieur van de kelders. Na de 18de-eeuwse verbouwing waren de buitenmuren van niveau-1 volledig verdwenen, en was de straatgevel van niveau-2 grondig verbouwd, waarbij de meeste vensteropeningen of volledig verdwenen zijn, of geheel of gedeeltelijk dichtgemetseld werden. Tijdens het onderzoek leverden enig speurwerk en vooral een zorgvuldige opmeting van het parement langs de Isabellastraat toch voldoende gegevens op voor een reconstructie. Voor onze beschrijving dalen we de Isabellastraat af vanaf de hoektoren van de Aula Magna tot aan de apsisvormige afsluiting van de kapel, waar we stuiten op de muren van het Paleis voor Schone Kunsten. Onmiddellijk naast de hoektoren bevindt zich het ingangsportaal van de trap die naar de binnenplaats van het Hof leidt. Van het deel dat tegen de hoektoren werd aangebouwd bleef bijzonder weinig bewaard; de resten van de noordelijke dagkant van het portaal zijn gelukkig wat omvangrijker, maar toch blijft het moeilijk om een beeld te krijgen van de oorspronkelijke vormgeving. Vooral op basis van de profdering van de dagkanten, en naar analogie met de vormgeving van bogen en kruisribben in de onderste kelderverdieping, reconstrueerden wij een gedrukte spitsboog. O p de naderhand bekend geraakte 18de-eeuwse geveltekening uit de collectie d'Arenberg staat echter een portaal met een wat onverwachte trapeziumvormige latei, een hoog bovenlicht met een rondboog en gotische ornamenten. De straatgevel van het rechthoekig gedeelte van de onderste kelderverdieping was blijkbaar volledig in zandsteen uitgevoerd en is boven de sokkel ingedeeld in vijf ongeveer 60 cm diepe en gemiddeld 3,50 meter brede nissen die van elkaar gescheiden worden door 84 cm brede lisenen die uit de sokkel oprijzen. Tussen de lisenen gaat de sokkel via een profilering en een schuine helling over in de achterwand van de nissen, waarin telkens één rechthoekig venster met rijk geprofileerde dagkanten en een latei is aangebracht. De eerste twee vensters verlichtten het zuidwestelijke vertrek, maar verdwenen volledig aan de buitenzijde. De volgende drie vensters bevinden zich op een lager niveau dan de eerste, een gevolg van de sterke helling van de Isabellastraat. Het eerste is een breed bolkozijn dat de dwarsgang verlicht en waarvan de latei en de dagkanten nu schuilgaan achter een baksteenopvulling van de nis. De volgende vensters zijn opnieuw enkelvoudig en verlichtten het noord-

* • « «

• Isabellastraat. Resten van het noordelijk deel van het ingangsportaal naar de trap (foto DVE)

westelijke vertrek. Het eerste venster is goed bewaard, maar opnieuw verschuilen de profileringen zich achter een baksteenopvulling; na wat kapwerk konden de profielen toch worden ingetekend. Het tweede venster verdween volledig bij de aanleg van een brede hoge deuropening, waarvan vroeger werd aangenomen dat zij oorspronkelijk was, zij het in de 18de eeuw verhoogd. Nauwgezet onderzoek van het bouwmateriaal, de frijnslag op de zandsteenblokken rond de opening en de mortelsamenstelling toonden echter aan dat de deuropening volledig als een 18de-eeuwse verbouwing moet worden geïnterpreteerd. De overgang van de rechte gevel naar de apsis wordt gemarkeerd door een in grondplan driehoekige uitbouw van de sokkel, die via een aantal profileringen hogerop waarschijnlijk overging in een steunbeer. Een dergelijke constructie valt te ontwaren op sommige iconografische documenten, zoals het stadsplan van Braun & Hogenberg (1572) en dat van Martin de Tailly (1640). Uit het klein gedeelte van de gevel van de apsis dat voor onderzoek bereikbaar is, blijkt dat ook die door nissen en lisenen was geleed. De eerste, kleine nis die bij de steunbeer aansluit bevatte waarschijnlijk geen venster. In de tweede nis veronderstellen we wel een venster, hoewel aan de binnenzijde elk spoor verdwenen is bij de 18de-eeuwse verbouwing. In de derde nis bevond zich in ieder geval een venster, zoals nu nog valt af te lezen aan de binnen-

1VI&L


J?

Anoniem, Vue de la chapelle de la Cour du diii' de la rue d'lsabelle. Gewassen pentekening, 18de eeuw (Brussel, Sladsmuseum. Voormalige verzameling d'Arenberg, geveild in 1998)

V^ ^ ^

zijde. O p de plaats waar een vierde nis verondersteld zou kunnen worden, bevindt zich nu de doorgang naar de (later toegevoegde) sacristietoren. In de hypothetische vijfde nis bevond zich met zekerheid geen venster, zoals blijkt uit het op deze plaats intacte parement binnenin. Van een venster in de volgende nis zijn daarentegen wel sporen merkbaar. Of er zich hiernaast nog een venster bevond is door verbouwingen niet meer na te gaan. In het overblijvende gedeelte van de oostelijke buitenmuur wijst het intacte parement aan de binnenzijde op de afwezigheid van vensters; overigens bevinden we ons hier reeds op het niveau van de kelders van de woonvleugel van het Hof.

M&L

(i*r^^

£- &^

^-'^

De Isabellastraat

O p het stadsplan van Braun & Hogenberg uit 1 572 valt deze straat, toen nog Ingelantstraat genoemd, nog af te lezen als een straatje dat aan het Balieplein vertrekt, ten westen van de Aula Magna en de Hofkapel verder loopt, maar even voorbij de Hofkapel wordt afgesloten door het domein van de Grote Guide der kruisboogschutters, en daar aansluit bij de (huidige) Terarkenstraat. Vanaf het midden van de 16de eeuw bestonden reeds plannen om de Ingelantstraat verder door te trekken in de richting van de Sint-Michielskathedraal; maar pas op


Sc

• Stadsplattegrond van Brussel (detail) • Stadsplattegrond van Brussel (detail)

door Braun S Hogenberg, 1572 (Brussel, antiquariaat Van Loock)

door Hartin de Tailly, 1640/ heruitgave van 1748 (Brussel, Stads-

IKO

?' ^ ' ^ r ' ^ -

het stadsplan van Martin de Tailly uit 1640 treffen we de Isabellastraat aan die in de richting van de benedenstad is doorgetrokken, en aan de oostelijke zijde geflankeerd wordt door woningen die tegen de oude stadsmuur zijn aangebouwd. De straat ontleent nu haar naam aan het feit dat ze omstreeks 1620 op last van aartshertogin Isabella werd heraangelegd. Hiertoe moest het domein van de kruisboogschutters worden onteigend; als compensatie liet de aartshertogin aan weerszijden van de straat een reeks kleine huisjes bouwen die zowel voor de boogschutters van het Hof als voor de hellebaardiers van de Stad bestemd waren. Midden in deze huizenreeks verrees het Domus habellae, een presti-

gieus gebouw dat tegen de eerste stadsomwalling aanleunde (38). Ter gelegenheid van de huidige herschikking van het bewaard gebleven straatgedeelte werden vijf proefsleuven gegraven, om na te gaan welke informatie over deze oude straat kon worden verzameld. In de zuidelijke helft van de straat was door allerlei verbouwingen en nivelleringen het oorspronkelijke niveau volledig verloren gegaan; in de noordelijke helft daarentegen werden op drie plaatsen onder latere niveaus resten teruggevonden van een oude bestrating (zie plan 1). Die bestaat uit parallelle rijen langwerpige keien en kasseien; opvallend is de


^V^AïV.*' •-.f *

•*

-nV*

Isabellastraat. de ingangspoort van het Kruisboogschuttershof, omstreeks

-% 'l

't t

••,• .••,•

i^t Ï -e •••••;;i t

-t

<i t ^ï •% t

:•

•:•

1900 (Brussel, Stadsarchief, Iconografisch Fonds, C 3367)

Plan van Brussel,

verworden tot puin.

anoniem, ca. 1760 Hieraan palend: de (Brussel, Stads-

Hofkapel, de huisjes

archief). Het herto-

voor de kruisboog-

gelijk paleis en de

schutters tegen de

Aula Magna zijn

eerste stadsomwalling, en het Domus Isabellae

•4 Resten van de I7de-eeuwse bestrating In de Isabellastraat nabij het Hof van Hoogstraten (foto DÏE)

A De bestrating van de Isabellastraat uit 1625. Uiterst links de vrijliggende funderingen van de Hofkapel (foto DVE)

aanwezigheid nabij de Hofkapel van een smalle goot waarin de keien in de lengterichting van de straat zijn gelegd, in tegenstelling tot de rest van de bestrating. Voor een datering van deze vondst beschikken we over twee gegevens. Enerzijds werd de bestrating verstoord door — en soms weer aangepast aan — de laat-1 8de-eeuwse muren in de straat, zodat we met zekerheid kunnen stellen dat de aanleg van de straat vóór 1776 te dateren is. Anderzijds werd op twee plaatsen vastgesteld dat bij de aanleg van de straat

de funderingen van de Hofkapel gedeeltelijk werden vrijgelegd. Dit betekent bijna zeker dat de bestrating na de bouw van de kapel werd aangelegd, en dit naar aanleiding van het feit dat de niveaus in de straat op een lager dan het oorspronkelijke niveau moesten worden aangepast. Onvermijdelijk denkt men dan aan de herinrichting van de straat omstreeks 1620, toen het oude straatje werd doorgetrokken in de richting van de benedenstad en er hoogstwaarschijnlijk een aanpassing van de niveaus vereist was.


Een klein fragment van deze 17de-eeuwse bestrating is bij de recente restauratie bewaard en zichtbaar gebleven.

v^ ->

De 18de-eeuwse verbouwingen In de nacht van 3 op 4 februari 1731 werd het hertogelijk Hof grotendeels door brand verwoest; de Aula Magna en de woonvleugels brandden volledig uit, de Hofkapel daarentegen bleef relatief ongedeerd. Het Hof werd nooit heropgebouwd, en ruim 40 jaar lang bleven de ruïnes onaangeroerd, tot het plan werd opgevat om het oude Balieplein, ten zuiden van de Aula Magna, om te vormen tot een nieuw plein. Even werd eraan gedacht de Hofkapel te behouden, weliswaar met een nieuwe voorgevel, maar algauw werd beslist een volledig classicistisch plein te realiseren: het huidige Koningsplein. Het hertogelijk Hof werd nagenoeg volledig gesloopt; bij deze sloop- en nivelleringswerken die in 1774 werden aangevat, verdwenen de resten van de Aula Magna onder het Koningsplein. De Hofkapel, de Isabellastraat (en het Hof van Hoogstraten) kwamen aan de noordwestelijke hoek van het nieuwe plein te liggen. In tegenstelling tot andere oude constructies werden ze echter niet volledig gesloopt, maar gedeeltelijk behouden, aangepast, en waar nodig overwelfd om zodoende als kelderverdieping te fungeren voor de nieuwe gebouwen die er zouden worden opgericht. Deze werken startten in 1776 en werden vervolledigd door de bouw van het hotel van de abdij van Grimbergen op deze plaats. Het vroegere Hof van Hoogstraten werd opgekocht door graaf Corneel van Spangen, die er zijn nieuwe woning met bijgebouwen liet optrekken (39). Zoals vermeld, werden de eigenlijke Hofkapel en de bovenste kelderverdieping volledig gesloopt, maar bleef de onderste verdieping relatief ongeschonden. In eerste instantie werd de monumentale trap vanuit de Isabellastraat door middel van bijkomende steunbogen aan de nieuwe situatie aangepast, maar uiteindelijk werd de trap volledig uitgebroken, en werd de vrijgekomen ruimte met puin opgevuld. In het interieur beperkten de aanpassingen zich in hoofdzaak tot het toevoegen van nieuwe of het verzwaren van bestaande muren. In het zuidwestelijk vertrek werd de bestaande trap ingrijpend verbouwd en werd een gedeelte van de ruimte ingericht als waterreservoir. De meest ingrijpende ver-

•*£W' T -'*

*,-f

P.C. Popp, \m. Groot Plan van

Het Koningsplein Is

Brussel, anoniem,

aangelegd, de Isa-

ca. 1776 (Brussel,

bellastraat is tussen

Stadsarchief) / of:

de Terarken- en

Plan parcellairc de

Hofbergstraten ver-

la Vllle de Bruxelles,

dwenen.

anderingen gebeurden in de apsis, waar de gewelven en de zuilen werden gesloopt en vervangen door lagere gewelven; in de centrale gang werd in het noordelijk gedeelte eveneens een lager gewelf aangebracht. De Isabellastraat vitrd in zuidelijke richting afgesloten ter hoogte van de hoektoren van de Aula Magna. In noordelijke richting gebeurde de afsluiting bij de aanzet van de apsis waar de sokkel van de vroegere steunbeer werd ingewerkt in een monumentale ingangspoort, volledig uitgevoerd in zandsteen. Dicht hierbij werd in de buitenmuur van de kelders een nieuwe doorgang gecreëerd waarin een bakstenen trap vanuit de kelders omlaag leidde naar de vroegere straat. De straat zelf werd in de lengterichting in twee beuken verdeeld door het plaatsen van tussenmuren. Bijkomende muren dwars op deze verdeling delen de ruimte verder in. De muren zijn opgetrokken uit baksteen (formaat 26x13x5,5 cm) waarin zandstenen speklagen zijn verwerkt. De openingen in deze muren zijn overdekt met bakstenen segmentbogen waarin ook zandsteenblokken zijn opgenomen. Alle ruimtes werden met bakstenen tongewelven overdekt. Dit betekende helaas wel dat de straatgevel van de kelders van de Hofkapel grondig werd verbouwd: de nissen werden met baksteenmetsel-

M&L


/, /

• Plans, elevations, détails des contre-

/

forts du mur de soutènement de la rue Royale prés des •

entrees des souterrains de i'ancienne

^•^

chapelle de la Cour. signatuur onleesbaar, 1911-1912 (Brussel, Stads-

li

^ A j^m^

m ^ '

<ffM'-

mw

archief, Portefeuille Plans 2799)

Lodewi|k XVI-gevel

'~^<^

straat (links).

in de hoek van de

ca. 1900

Terarkenstraat

(Brussel, Stads-

(vooraan) en het

archief, Iconogra

behouden gedeelte

fisch Fonds,

van de Isabella-

C 5984)

A

werk opgevuld, de meeste vensters verdwenen en van de profileringen van sokkel, vensters en lisenen verdween bijna elk spoor. Het overdekte deel van de Isabellastraat had nu een lengte van bijna 30 meter, in het zuiden een breedte van 7 meter en bij de noordelijke ingangspoort een breedte van 10,30 meter. Deze verbouwingen situeren we omstreeks 1776. Kort daarop, waarschijnlijk reeds bij de bouw van het hotel van de abdij van Grimbergen in 1781, werd het reeds overwelfde deel van de Isabellastraat uitgebreid met nieuwe constructies. De nog vrijstaande buitenmuur van de apsis werd weggemoffeld achter een nieuwe gevel, waarbij zelfs een deel van de buitenmuur werd uitgebroken om een nieuwe ruimte te creëren. O p plan 5 worden al deze verbouwingen in grondplan weergegeven. Omdat het moeilijk bleek om de verbouwingen van 1776 en

M&L

De I8de-eeuwse

(Brussel, Stads-

ingangen naar de

archief, Iconogra-

overwelfde Isabella-

fisch Fonds, C 3350

straat, vanop de

en C 3352). Uiterst

bouwplaats van het

rechts de tummuur

Paleis voor Schone

van het Hof van

Kunsten

Hoogstraten.

1781 met zekerheid uit elkaar te houden, hebben we enkel de uitbreiding in noordelijke richting als behorend tot de bouwwerken van 1781 aangeduid. Latere verbouwingen brachten weinig verandering in de toen ontstane situatie. Wat vooral gebeurde was een verder opdelen van de ruimtes, zowel in de kelders als in de Isabellastraat, en het enkele malen ophogen van de straatniveaus. Het niet-overwelfde noordelijk gedeelte van de Isabellastraat bleef bewoond tot de straat volledig verdween bij de bouw van het Paleis voor Schone Kunsten in 1925-1928.


r

.

Nr. 102 Bijlage bij M&L 19/1 januarifehruari 2QQQ

• Rnstus Koningkerk Antwerpen


F

'

Tentoonstellingen Marjan

Buyle

inSHONORES. DF WANDTAPIITFN VAN KEIZER KAREL Als primeur pakt Mechelen uit met de tentoonstelling van de reeks wandtapijten Los Honores, in de 16dt' eeuw geweven voor Keizer Karel door een Brussels atelier. Brussel stond toen aan de top voor de vervaardiging van kunstige, fijne wandtapijten. De huidige eigenaar van de reeks van negen tapijten, de Patrimonio Nacional van Spanje, leent deze werken voor het eerst uit aan het buitenland. Deze tapijten zijn zeer waardevol om verschillende redenen: ze maken een volledige reeks uit en werden vervaardigd uit de meest kostbare materialen: wol, zijde, goud- en zilverdraad. De kartons zouden gemaakt zijn door verschillende kunstenaars uit die tijd, waaronder waarschijnlijk Barend van Orley en Jan Gossaert. Ze werden ver-

B 1 N N E N K R A N T

vaardigd tussen 1520 en 1523 in de ateliers van Pieter Coecke van Aalst in Brussel. De omgeving van Karel V bestelde deze reeks ter ere van de keizerskroning in Aken op 23 oktober 1520. De keizer kreeg deze tapijten uiteindelijk pas in 1526, ter gelegenehdi van zijn huwelijk met Isabelle van Portugal. Zoals toen gebruikelijk was, vergezelde deze tapijten hem bij zijn verplaatsingen en reizen. Los Honores zijn de allegorische uitbeelding van de deugden, die een keizer zou moeten bezitten en de zonden, die hij zou moeten vermijden. De tapijtenreeks werd zopas gereinigd en behandeld door de Koninklijke Manufactuur De Wit in Mechelen.

De tentoonstelling loopt van 26 mei tot 8 oktober 2000 in het Cultureel Centrum A. Spinoy, Minderbroedersgang 5 in Mechelen en is geopend elke dag van 10 tot 18u en op dinsdag van 10 tot 22u.

Marjan Buyle, Madeleine Manderyck, Jo Braeken

Binnenkrant HFT MFCHFLSE MFURFI iF.oo-?nnn De vijfhonderste verjaardag van de geboorte van keizer Karel is de aanleiding tot een boeiende tentoonstellingskalender in verschillende Vlaamse steden. Zo ook in Mechelen, dat uitpakt met een drieledige manifestatie over beeldsnijwerk in al zijn facetten: Mechels houtsnijwerk in de eeuw van Karel V in het museum Schepenhuis, Meubelen uit Mechelen 1820-1960 in het Cultureel Centrum A. Spinoy en tenslotte Hedendaags Design in de Garage, Onder den Toren. Het eerste luik van dit boeiend project kijkt terug naar de oorsprong van de Mechelse houtsnijdersstraditie, toen de stad Mechelen naast Antwerpen en Brussel één van de drie belangrijke Brabantse steden was die beelden leverden voor zowel de binnenlandse als de exportmarkt. Mechelen had zich gespecialiseerd in een zeer typische en herkenbare vorm van middeleeuwse gepolychromeerde beelden. Ze waren meestal vrij klein van afmetingen en stonden omwille van hun kleine ronde gezichten bekend als 'Mechelse popjes'. De productie van deze beelden komt goed op gang in het begin van de 16 dt eeuw, maar de laatgotische traditie blijft nog lang doorleven in deze vrij traditionele voorstellingen van vooral madonna's met kind. Nochtans waren in deze periode aan het hof van Margareta van Oostenrijk een groot aantal binnen- en buitenlandse renaissancekunstenaars aan het werk. In het tweede en derde kwart van de 16de eeuw is een grote ambachtelijke productie waarneembaar, waarbij men voortborduurt op de oude succesrijke modellen. Een specifiek Mechels produkt zijn de gekende Besloten Hofjes, waarin een aantal van deze kleine beelden verwerkt worden, aangevuld met

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T

derstellen dat voor een dergelijke prestigieuze tentoonstelling een post voorzien wordt voor prospectie en conserveringsbehandeling in situ, vooraleer degelijke fragiele beelden verplaatst worden. Enkele schoonheidsfouten dus van een overigens mooie tentoonstelling in een sobere opstelling.

relieken, textiel en andere decoratie. Ze hebben het uitzicht van kleine retabels, gesloten met geschilderde luiken, waarbinnen de visie van de moniale spiritualiteit wordt gevisualiseerd binnen een paradijselijk hofje, gesloten met een hek. Ze verwijzen naar het mystieke huwelijk, de maagdelijkheid en het geïdealiseerde liefdesleven. De tentoonstelling gaat ook in op het fenomeen van het aankleden van beelden, een gewoonte die haar intrede deed in de vroege middeleeuwen en die spijtig genoeg ook vaak aanleiding gaf tot aanpassingen en verminkingen van oudere, bestaande beelden. De stijlevolutie wordt getoond vanaf de laatgotiek tot in de vroege barok, waarbij de link wordt gelegd naar de bekende barokke beeldhouwer Lucas Faydherbe.

Het oude schepenhuis, waarin deze tentoonstelling doorgaat, was de zetel van de grote Raad van Mechelen, het hoogste gerechtshof van de Nederlanden, dat daar vergaderde ten tijde van Karel V. Dit fraaie gotische monument werd onlangs gerestaureerd en aangepast aan haar nieuwe functie. Men kan zich wel vragen stellen over de resistentie van de glazen vloeronderdelen in een tentoonstellingsruimte waar toch heel wat bezoekers verwacht worden. Nu alle archiefpapier uit het gebouw verwijderd is, worden ook de beide renaissancistische muurschilderingen weer zichtbaar. Hopelijk wordt het nu ook duidelijk dat dit belangrijk kunstwerk aan herwaardering toe is. Wat ons echter meer stoorde was de soms ronduit slechte bewaringstoestand van sommige beeldjes, met zware opstulpingen en afschilferingen van de polychromie. Men zou toch veron-

De catalogus telt een kleine tweehonderdtal bladzijden en bevat lezenswaardige bijdragen onder andere over de ambachtelijke organisatie van de beeldhouwkunst in Mechelen aan de hand van de 'rolle' van 1564 door Jaak Jansen en over het ontstaan en de betekenis van geklede beelden door Christina Ceulemans, beiden van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. De illustraties en de lay-out zijn bijzonder fraai en overzichtelijk. Waarom bij de prachtig gerestaureerde Besloten Hofjes van de Mechelse gasthuiszusters in het catalogusdeel systematisch de tentoonstelling en de catalogus van 1998 [800 jaar Onze-Lieve-Vrouwegasthuis) onvermeld blijft, is ons een raadsel. Op de kaft hadden we ook liever een mechels beeld met oorspronkelijke polychromie gezien, omdat dit toch eigenlijk voor een belangrijk deel het uitzicht van deze beelden bepaalt en bovendien zeer typisch Mechelse kenmerken vertoont.

Meubelen uit Mechelen 1820-1960 vormt het tweede luik van het project, in de bovenzalen van het Cultureel Centrum A. Spinoy. "Mechelen Meubelstacf' is vandaag nog een begrip, hoewel de activiteit zich na de Tweede Wereldoorlog verlegd heeft van de meubelproductie naar de meubelhandel. Zwaar gebeeldhouwde eikenhouten kasten opgesmukt met hermen en leeuwenkoppen krijgen vaak nog het etiket 'Mechels' opgeplakt, hoewel de neorenaissancestijl zeker geen exclusiviteit van de stad was. De tentoonstelling plaatst het stijlbegrip Mechels meubel in zijn juiste context: het was geen specifieke meubelsoort, maar een statement voor degelijkheid. Bovendien was die bedrijvigheid een belangrijk sociaal en economisch gegeven. De meubelnijver-

1VI&L


] ,-

• • N

B 1 N N E N K R A N T

manschap en artistiek-theoretische competentie maakten het mogelijk een brede internationale markt te bedienen met een kwaliteitsvolle massaproductie.

held evolueerde van handwerk naar grootindustrie in het interbellum wanneer Mechelen de belangrijkste meubelproducent van België werd. Mechelen had in de vroege 19^ eeuw een potentieel aan vakkundige houtbewerkers in de stoelenmakerij, een tak van de meubelnijverheid waarvoor Mechelen nog altijd bekendheid geniet. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ontstond er stilaan een massaproductie van burgerlijk meubilair om aan de groeiende vraag van een als maar groter en kapitaalkrachtiger middenklasse te voldoen. Het was daarbij niet toevallig dat in Mechelen vooral het gebeeldhouwde meubel in eik en notelaar ingang vond. De stedelijke beeldhouwerstraditie ging er terug tot in de 15de en 16de eeuw zoals in het eerste luik van de tentoonstelling getoond wordt. De meubelindustrie, in de 19de eeuw grotendeels handwerk, vanaf circa 1910 meer gemechaniseerd mar toch hoofdzakelijk ambachtelijk van karakter, speelde gretig in op de grote internationale vraag naar 'oude' stijlmeubelen. De nieuwe internationale contacten, geïntensifieerd door deelname aan Wereldtentoonstellingen, kwam uiteindelijk de kwaliteit en de stijlzuiverheid van de productie ten goede. De meeste Mechelse meubelbedrijven maakten niet alleen de bekende neorenaissance meubelen, maar vervaardigden ook stukken in alle neostijlen. De grotere bedrijven als Van den Brande, Horckmans Vander Voort en Teugels-Schippers beschikten over zeer goed opgeleide ontwerpers, sculpteurs en houtbewerkers die erin slaagden zowel precieze kopieën van oude meubelen als stijlzuivere nieuwe creaties in neostijlen te realiseren. Hoog ontwikkeld vak-

Aan de hand van meubelstukken en -ensembles uit burgerlijke interieurs wordt een stilistisch en gevarieerd overzicht getoond van wat de Mechelse meubelmakers in anderhalve eeuw produceerden. In een vijftal afdelingen met een zeer geslaagde opstelling komen achtereenvolgens de neogotiek, neorenaissance, neobarok, Franse en Engelse stijlen aan bod. Een aantal imposante pronkmeubels trekken daarbij de aandacht. Het aanbod wordt vervolledigd met ontwerptekeningen, bedrijfscatalogi en modellenboeken. Daarnaast worden ook het productieproces, het gereedschap, de neventechnieken en de aanvoerstoffen belicht. Ook de bekleding van zetels en stoelen krijgt ruime aandacht. Vaak gaat het hier om kostbare materialen zoals goudleer, fluweel, zijde en damast.

Het interbellum met meubelen in nieuwe stijl en bijhorende interieurelementen krijgt aandacht in een aparte afdeling. Hier wordt een ensemble kantoormeubilair getoond dat door Huib Hoste werd ontworpen voor de woning met kantoor van de Mechelse advocaat Joris Lens. Verder vallen onder meer de sobere meubels van de uit Nederland afkomstige Jan Kuper op, die in Mechelen een zaak voor woninginrichting in moderne stijl uitbaatte, naast de wat uitbundiger art deco ensembles van de Mechelse architect Alfons Roose. Ook in deze afdeling wordt een ruime keuze getoond van ontwerpen, foto's, boeken en tijdschriften uit de periode. De catalogus biedt in een tiental wetenschappelijke artikels een eerste synthese van de kennis rond het Mechelse meubel, en een neerslag van het bijkomend onderzoek dat voor deze tentoonstelling werd ondernomen. Achtereenvolgens worden behandeld: ontstaan en ontwikkeling van de Mechelse meubelindustrie in de 19de eeuw, de bedrijfscatalogi en

modellenboeken, de productie van de Mechelse meubelfabrikanten en de grote verscheidenheid in hun structuur in de periode 1900-1960, de sociaal-economische geschiedenis, de bekleding van zitmeubels, de architectuur van het meubel tijdens het interbellum. Het derde luik Hedendaags design is op zijn beurt tweeledig. Enerzijds wordt de periode 1940-1960 belicht, toen de Belgische markt zich kon ontworstelen van de provincialistische denkbeelden. Anderzijds is er de periode 1990-2000 waarin de Belgische ontwerpers een evidente plaats konden opeisen in het internationale design-panorama. Deze tentoonstelling toont de brug tussen verleden en heden en kijkt vooruit naar de volgende eeuw. In het midden van de 20ste eeuw was Mechelen niet het centrum van het 'moderne sociale meubel'. Toch profileerden een aantal Mechelse ontwerpers zich op de nationale scène. Alfred Hendrickx bijvoorbeeld, die met zijn ontwerpen voor het meubelbedrijf Belform/Van Fleteren in de jaren vijftig het Mechels meubel even boven zichzelf wist uit te tillen. De afdeling 1940-1960, in de kerkkoor van het Cultureel Centrum A. Spinoy, toont daarom zowel meubelen van belangrijke Mechelse als van Belgische ontwerpers. In de traditie van de toenmalige salons staan de meubels opgesteld in 'kijkappartementen' waarin ook designobjecten, werktekeningen, publicaties, publicitaire folders en affiches worden getoond.


B 1 N N E N K R A N T

Zij vormen een portrettengalerij van elf designers, zowel voltijdse meubelontwerpers als architecten voor wie het meubeldesign de aandacht nodig had van een architectuurontwerp. Na uitvoerige aandacht voor Hendrickx, opent de serie met Marcel-Louis Baugniet en Gaston Eysselinck, figuren uit het interbellum, die als peetvaders voor vele van de daarop volgende designers en architecten hebben gefungeerd: Willy Van Der Meeren en Tubax, het sociale meubel volgens Emiel Veranneman, het getemperd modernisme van Jos De Mey, de aristocratisch moderne meubels van Jules Wabbes, de ballerina's van Renaat Braem, de dansende meubels van Lucien Engels, LemobilierVKvan Lucien Kroll en Charles Vandenhove, en de andere moderniteit van Claude Laurens.

De catalogus, eens te meer een eerste verrassende en uitvoerig geïllustreerde synthese van het ftït/es-meubel in België, volgt dezelfde indeling, met een 'close reading'-analyse van oorspronkelijk bronnenmateriaal gevolgd door elf monografische artikels. Tentoonstelling en catalogus werden samengesteld door de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent. De tweede afdeling, in De Garage, Ruimte voor Actuele Kunst, 19902000 geeft een overzicht van het werk van de succesvolle Vlaamse ontwerper-architect-designer Maarten Van Severen. Het oeuvre van Van Severen is heel veelzijdig en getuigt zowel van vakmanschap als van een experimentele aanpak. Zijn internationale bekendheid blijkt uit belangrijke opdrachten, prijzen, publicaties in toonaangevende designtijdschriften en recent ook uit een tentoonstelling in het MOMA in New York. Naar aanleiding van de tentoonstelling in Mechelen schrijft Geert Bekaert en lijvig overzichtswerk van Van Severen.

Marjan

Buyle

Het Mechelse Meubel 1500-2000. Van Houtsnijwerk tot design Tentoonstelling 4 februari tot 7 mei 2000 woensdag tot zondag van 10 tot 18u, dinsdag van 10 tot 22u Schepenhuis, Steenweg 1 Cultureel Centrum A. Splnoy, Minderbroedersgang 5 De Garage, Ruimte voor Actuele Kunst, Onder den Toren Info Êt tickets: Dienst voor Toerisme 015/29.76.55 en 070/23.38.88

Catalogi Uitgave: Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen Prijs: 800,- BF per deel, 2000,- BF voor drie delen samen in foedraal Mechels houtsnijwerk In de eeuw van Keizer Karel Christina Ceulemans, Ria Fabri en Jaak Jansen 192 p. ISBN 90-76099-33-2 Meubelen uit Mechelen 1820-1960 Ria Fabri, Marcel Koeken, Wim Mertens, Bart Pluymers, Robert Van Santvoort, Jos Vandenbreeden en Ingrid Van Cauwenbergh 192 p. ISBN 90-76099-32-4 Hedendaags design, Alfred Hendrickx en het fifties-meubel in België Mil De Kooning, Fredie Floré en Iwan Strauven (red.) 160 p. ISBN 90-76099-31-6

TLJINFN V A N E D F N V A N K F I 7 F R KARFI TOT H F D F N Met originele werken van Vlaamse meesters, met plannen, gravures, foto's, bloemenboeken of florilegia, gespecialiseerde tuintijdschriften en levensechte taferelen wordt een intrigerende opstelling uitgebouwd, die vijfhonderd jaar overspant en voornamelijk de tuinen op het grondgebied België behandelt. Dit gebeurt vanuit de invalshoek van de geschiedenis van de hele samenleving. Elk land en elke eeuw heeft zijn eigen tuingeschiedenis. Interessant voor Vlaanderen en Gent is het teloorgaan in de 19de eeuw en de herontdekking op het einde van de 20ste eeuw van de winterharde Gentse azalea. Talrijke verloren gewaande variëteiten werden opnieuw opgespoord en terug in cultuur gebracht.

De tentoonstelling start start bij de laatmiddeleeuwse tuin. Dit model van besloten tuin kon de middeleeuwer de planten en bloemen, van dichtbij bekijken op een verhoogd plantbed of vanop de zodenbank. De christelijke symboliek is nooit veraf. In de periode van keizer Karel doet de renaissance met het humanisme haar intrede. Nieuwe plantvariëteiten worden aangevoerd door ontdekkingsreizigers en kolonisten. De boekdrukkunst ondersteunt het wetenschappelijk élan. Plantengeleerden zoals het Vlaamse trio Rembert Dodoens, Matthias de l'Obel en Charles de l'Escluse publiceren de eerste wetenschappelijke bevindingen en classificaties. De eerste renaissancetuinen worden aangelegd in Italië. De middeleeuwse geslotenheid wordt doorbroken en de tuin wordt een aparte entiteit naast het huis. De tuinen krijgen met beeldhouwwerk, grotten met verrassingselementen, waterpartijen en fonteinen. Oranjerieplaten komen op. In Vlaanderen en brabant blijven de tuinen stoelen op het vierkantig patroon en behouden een eigen

M&L


B 1 N 1 \ E N X R A N T

cachet. De publicatie van de modellen en ontwerpen van Jan Vredeman de Vries in de tweede helft van de 16dc eeuw versterken het renaissanceaspect van de tuinen in onze gewesten. Men vindt talrijke voorbeelden in de kasteeltuinen en lusthoven. De bekendste renaissancetuinen van bij ons zijn de tuin van bisschop Triest bij Gent, de tuin van de aartshertogen in Mariemont en de tuin van de heren van Arenberg in Edingen. De 17de eeuw kenmerkt zich door het kanaliseren van water in kanalen en bekkens, geometrisch aangelegde vijvers en fonteinen. De ideeën van de Franse tuinarchitect André Le Notre werden ook hier overgenomen in de 18dc-eeuwse tuinen van Beloeil en Freyr.

In Engeland ontwikkelt de landschapstuin zich als reactie op het strakke formalisme van de Franse tuinen. Deze stijl werkt in onze contreien door tot ver in de 19de eeuw. Niet alleen privé-parken (koninklijk domein van Laken), maarook vele stadsparken zijn in die stijl ontworpen. In de 19de eeuw moeten oude stadsomwallingen plaats maken voor promenades voor de burgerij. De industriële revolutie bevorderde de aanleg van parken als profylactische maatregel tegen besmettelijke ziekten en de bouw van serres met verwarming. Omstreeks 1900 wordt de tuin weer functioneel en sluit qua stijl aan bij het gebouw. De modernistische tuin met een sterk geometrisch karakter sluit aan bij de abstracte kunst.

De tentoonstelling loopt van 21 april tot 25 juni 2000 in het MIAT (Museum voor het leven van alledag), Minnemeers 9 in Gent. Dagelijks open van 9.30u tot 17u, behalve op maandag.

Madeleine

Manderijck

FOTOGRAFIE EN REALISME. IN DF 19DF FFilW. ANTWFRPFN: DE OUDSTE FOTO'S 1«47-1BBn. Onder deze titel loopt nog tot 27 februari een buitengewoon interessante fototentoonstelling in de galerij Ronny Van de Velde, Ijzerenpoortkaai 3 te Antwerpen. Tegelijk verzorgde prof. Herman Van Goethem een goedgedocumenteerde en prachtig geïllustreerde uitgave rond de uitzonderlijke fotocollectie, samengebracht door Walter Couvreur, een terechte hommage aan deze Antwerpse verzamelaar die overleed in 1996. Hoewel de expositie niet bedoeld is als een "documentaire" omtrent het historisch erfgoed, maar veeleer een overzicht biedt van de 19de-eeuwse fotografie in Antwerpen, vergast de tentoonstelling en ook het boek de bezoeker op een cultuur-historische wandeling door "Oud-Antwerpen". De stad, die in de 19de eeuw vecht om bevrijd te worden uit haar middeleeuws harnas wordt getoond in haar authentiek kader, veel minder in haar oude "glorie". Het is verrassend hoe pittoresk vele hoekjes wel waren, maar opvallend is ook hoe weinig al die oude, versleten gebouwen beantwoorden aan het ideale beeld dat wij vandaag hebben van onze monumenten, puntgaaf afgeleverd na restauratie. En nee, het was niet al rozengeur en maneschijn in het oude Antwerpen. Hoewel een foto geen geur kan tonen, suggereren de oude beelden zeer veel op dat vlak: de stank van de vele paarden en van de vele volksmensen die in ongelofelijk vuile en onhygiënische omstandigheden woonden en werkten. Het boek is in tijd en ruimte begrensd: het oude Antwerpen binnen de Spaanse vesten (het huidige tracé Italiëlei-Americalei) en dit voor het tijdvak van de collodiumfotografie, de natte-glastechniek. De Scheldekaaien zijn nog niet rechtgetrokken en de vlieten niet gedempt. Het Steen is

M&L


B 1 N N E N K R A N T

w^ ':9. ... Ï

ingebouwd en omgeven door eeuwenoude huizen, sommige nog met een houten gevel. De Spaanse omwalling omklemt de middeleeuwse stad. De Brusselaar Edmond Fierlants (1819-1869) bekleedt in de fotografiegeschiedenis een centrale plaats. Hij maakte in 1860 een fotoreeks van Antwerpen die mag gerekend worden tot een hoogtepunt van de Europese fotografiegeschiedenis. Het was een officiële opdracht die kaderde in de goedkeuring door de regering in 1859 van de Antwerpse stadsuitbreiding. De 16de-eeuwse omwalling met haar monumentale stadspoorten en vesten zou daarvoor verdwijnen. Bovendien stimuleerde de regering - na talrijke cholera-epidemieën - ook de sanering van de verkommerde middeleeuwse woningen in de volkse stadskernen. Reden te over dus om de oude stadsgezichten op de gevoelige plaat vast te leggen. Fierlants werkte daarvoor een voorstel uit dat aanvaard werd door minister Rogier die op zijn beurt, de provincie en de stad Antwerpen wist te interesseren voor het project. Tussen juli en oktober 1860 maakte Fierlants de foto's, die behoren tot de mooiste die de kunstenaar maakte. Grootse beelden vooral van de stadsomwalling, waaruit nostalgie spreekt want tegelijk met het tonen van de eerbiedwaardige grootsheid volgde de onvermijdelijke afbraak. Vandaag komt die afbraak als onbegrijpelijk over: een zo gigantisch bouwwerk als de stadsvesting met metersdikke muren, diepe grachten, groene wallen en bovenal schitterende renaissancepoorten steen per steen

afbreken! Een titanenwerk, door fotograaf Florent Joostens (1835-1888) poort na poort, wal na wal als een reportage vastgelegd. Het specifieke verhaal en de foto's rond de afbraak van de Kipdorppoort verklaren iets rond het mechanisme van de besluitvoering daaromtrent. Bij de start van de ontmanteling van de 16de-eeuwse stadsversterking in oktober 1864, nam het provinciaal comité van de Koninklijke Commissie voor Monumenten het voortouw voor het behoud van de Kipdorppoort, de Sint-Jorispoort en van de Blauwe Toren. Over de Kipdorppoort aan het uiteinde van de Sint-Jacobsmarkt tussen de Molenbergstraat en de Kipdorpvest waren de meningen verdeeld en er werd beslist de poort eerst vrij te maken om een juist oordeel te kunnen vellen over de waarde van het bouwwerk. Zo gebeurde het en in het voorjaar 1865 werd de aarden wal rond de toren weggehaald en werden de aanpalende huizen afgebroken. De Commissie vroeg vervolgens om een plattegrond en om foto's. De schilder Henri Leys zou daarvoor les points de vues aanduiden. In juni maakte Fierlants vier opnamen. Daarop zien we dat de Spaanse omwalling (uitgevoerd in 1542-1563) eigenlijk de vesterking was de oudere middeleeuwse omwalling. De Kipdorppoort was als "naakte" constructie echter een hybried gebouw: aan de linker zijde, gezien vanuit de omgrachting, stonden immers een hele en een halve toren afkomstig van een 14de-eeuwse stadspoort die ter hoogte van de Sint-Jacobskerk had gestaan

en in 1543-1565 afgebroken was. Deze torens waren dus in de 16de eeuw min of meer gerecupereerd en tegen de nieuwe poort aangebouwd. Op een iets eerder, door Florent Joostens gemaakte foto van het voorjaar 1865 is ook duidelijk te zien dat de nieuwe weg die de Carnotstraat rechtstreeks zou verbinden met de Sint-Jacobsmarkt eigenlijk al volop in aanleg was. De inspanningen van de Koninklijke Commissie waren dus tevergeefs, het monument stond "in de weg" en moest onherroepelijk verdwijnen opgeofferd aan het moderne verkeer! De geschiedenis lijkt zich nog steeds te herhalen. Het boek van Herman Van Goethem is niet alleen een schitterend kijkboek, een onmisbare nieuwe bron voor de iconografie van Antwerpen met een schat aan wetenswaardigheden over de geschiedenis de stad. De leefgewoonten en de mentaliteit van de Antwerpenaar in de 19de eeuw worden levendig en accuraat geschetst met de foto's als leidraad. Ook op de wisselwerking tussen de fotografie, de schilderkunst en de literatuur wordt uitgebreid ingegaan. De publicatie reikt tevens een wetenschappelijk instrumentarium aan voor de geschiedenis van de fotografie met een chronologisch overzicht van de foto's van Antwerpen vóór de rechttrekking van de Scheldekaaien, voltooid in 1885. In een derde deel wordt een handleiding gepresenteerd voor het dateren van de Antwerpse foto's en een oeuvrecatalogus van de fotografen in Antwerpen tot ca. 1880, wanneer het gebruik van de droge


•

'I

B 1 N N E N K R A N T

FOTOGRAME EN REALISME IN DE 19de EEUW Antwerpen; de oudsre foto's

Literatuur

1847-1880 HiMUH ^^^ G o n m ^

/ o Braeken

DF KFIJ7F V A N M F H

Das gotische Gewolbe Eine Geschichte seiner Form und Konstruktion Norbert Nussbaum en Sabine Lepsky München, Deutscher Kunstverlag, 1999, 430 p., ISBN 3-422-06278-5

gelatineplaat doorbreekt. Deze werd gebruiksklaar verkocht en liet veel kortere belichtingstijden toe. De weg lag open voor de amateurfotografie, maar betekende het einde van de collodiumfotografie, de natte-glasplaattechniek die onmiddellijk moest worden ontwikkeld en pareltjes van fotokunst had voortgebracht, die nog steeds kunnen wedijveren met de beste opnamen van vandaag.

Fotografie en realisme in de 19de eeuw. Antwerpen; de oudste foto's (1847-1880). Tentoonstelling; galerij Ronny Van de Velde, Ijzerenpoortkaai 3 te 2000 Antwerpen (03.216.30.47) tot 27 februari 2000. Openingstijden: dagelijks van 10 tot 18 uur. Gesloten op maandag. Publicatie: Herman VAN G0ETHEM, Fotografie en realisme in de 19de eeuw. Antwerpen; de oudste foto's 1847-1880, Antwerpen, Pondora Ü Ronny Van de Velde, 1999, 320 biz., gebonden in linnenkaft met kleuren stofwikkel, gedrukt op kunstdrukpapier van 170 gr., 181 full-page afbeeldingen in quadrichromie, 500 catalogusafbeeldingen in bichromie. Prijs; 1.950 BEF. Engelse versie beschikbaar.

M&L

Veelzijdig naslagwerk over de ontwikkeling van het gotische gewelf in Europees perspectief. Historiek, vorm en functie van het ruimtelijk hoofdbestanddeel van de gotiek, vanuit formeel esthetisch en constructief bouwtechnisch oogpunt, van het primitieve kruisribgewelf tot het flamboyante netgewelf, geïllustreerd met talloze voorbeelden.

Renaissance- en Barokarchitectuur in België RutgerTijs en Oswald Pauwels Tielt, Lannoo, 1999, 224 p., ISBN 90-209-3705-7 Zesde deel in de reeks Architectuur in België, gewijd aan de ontwikkeling van de bouwkunst in de Zuidelijke Nederlanden van renaissance tot barok, van Vredeman de Vries tot Rubens. De erfenis van Vitruvius en de verwerking en assimilatie ervan tot een eigen rinascimento, opnieuw geïnterpreteerd en verbluffend gevisualiseerd.

Het paleis van Hendrik lil graaf van Nassau te Breda G.W.C, van Wezel Zwolle, Waanders Uitgevers, 1999, 447 p., ISBN 90-4009257-5 Monografie over één van de vroegste gebouwen in hoogrenaissancestijl buiten Italië, een pallozo in fortezza dat in de jaren 1530 door Hendrik III werd aangevat, onvoltooid bleef en pas eind 17de eeuw door koning-stadhouder

Willem lil werd voltooid. Gedegen bouwhistorische studie in de reeks De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst.

Aspectus Populi Kirchenraume der katholischen Reform und Ihre Blldordnungen lm Blstum Würzburg Wolfgang Schneider Regensburg, Schnell £t Steiner, 1999, 343 p., ISBN 3-7954-1260-9 Studie naar plaats en betekenis van de groep katholieke kerken uit het begin van de contrareformatie in het bisdom Würzburg, aan de hand van een analyse van de visitatieberichten. Gekend als de "Echter-Gotild' vonden de principes van het Concilie van Trente hier een consequente toepassing, met name in de ruimtelijke en visuele gerichtheid op de Eucharistie.

The Triumph of the Baroque Architecture In Europe 1600-1750 Henry A. Millon (red.) Londen, Thames Et Hudson, 1999, 624 p., ISBN 0-500-34174-5 Catalogus van de prestigieuze tentoonstelling gewijd aan de Europese barokarchitectuur (Turijn, Montreal, Washington, Marseilles). In een 15-tal overvloedig geïllustreerde essays worden diverse aspecten van architectuur, stedenbouw en tuinkunst in de barokperiode belicht; ontstaan en evolutie, verschijningsvorm en typologie. Beschrijvende catalogus van de tentoongestelde voorwerpen in fine.

C.F. Hansen Hakon Lund en Anne Lise Thygesen Munchen, Deutscher Kunstverlag, 1999, 384 en 324 p., ISBN 3-42206247-5 Opulente, tweedelige monografie over leven en werk van Christian Frederik Hansen (1746-1845), protagonist van het noordse neoclassicisme, als 'Oberbaudirektor' in Kopenhagen auteur van zowel paleizen, kerken, en stadhuizen als gevangenissen, bruggen


B I N ^ E N K R A N T

en sluizen, met daarnaast een belangrijk oeuvre in Hamburg en SchleswigHolstein, het geheel nauwgezet geïllustreerd met onder meer een schat aan architectuurtekeningen.

Gotikbilder-Gotiktheorien Studiën zur Wahrnemung und Erforschung mittelalterlicher Architektur in Deutschland zwischen ca. 1750 und 1859 Klaus Niehr Berlijn, Gebr. Mann Verlag, 1999, 288 p., ISBN 3-7861-1878-7

John Soane Architect Master of Space and Light Margaret Richardson en MaryAnne Stevens (red.) New Haven, Yale University Press, 1999, 302 p., ISBN 0-300-08195-2

Interdisciplinaire analyse van de Gotikrezeption in de Duitse cultuur van omstreeks 1800 die mede toeliet de tot dan verguisde middeleeuwse bouwkunst als model voor de eigentijdse bouwpraktijk te accepteren. De visuele en lijfelijke ervaring van de gotische monumenten, via sleutelteksten van onder meer Goethe, Schlegel, Boisserée en Burckhardt en de eigentijdse iconografie, vormen het uitgangspunt.

Catalogus van een indrukwekkende tentoonstelling (Londen) gewijd aan leven en werk John Soane (1753-1837), exponent van het neoclassicisme in Engeland, wiens hoogst persoonlijke interpretatie van de klassieke vormentaal, na de afbraak van zijn levenswerk de Bank of England, nog slechts ten volle te beleven valt in de verbluffende microkosmos van zijn eigen woning.

Horta and after 25 Masters of Modern Architecture in Belgium Mil De Kooning (red.) Universiteit Gent, Departement Architectuur en Stedenbouw, 1999, 340 p., ISBN 90-76714-01-0

Leo von Klenze Leben, Werk, Vision Adrian von Buttlar Munchen, Verlag C.H. Beek, 512 p., ISBN 3-406-45315-5 Monografie over Leo von Klenze (1784-1864), naast Schinkel de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse neoclassicisme. Onder Ludwig I schepper van het'nieuwe' Munchen, auteur van heroïsche monumenten als het Walhalla bij Donaustauf en de overweldigende Nieuwe Hermitage in Sint-Petersburg. Analyse van leven, werk en theoretisch discours.

Het verleden herbouwd Charle-Albert en de restauratie van het Kasteel van Gaasbeek (1889-1898) Herman Van Dormael (red.) Gaasbeek, Gasebeca, 1999,170 p. Bescheiden studie over de laat 19deeeuwse restauratie van het kasteel van Gaasbeek door veelzijdig kunstenaar Charle-Albert, de transformatie van een romantische burchtruïne tot een renaissance lustslot die Viollet-leDuc's restauratie van Pierrefonds alle eer aandoet.

Siud;cfi ntr ttajirnchiniiiig

Erfbodna

tidw Mann Veris» Beriiii

miildjltfrl» Uw Vivhitdflur in DMSGHtaod /«TSClteii C l rSO UIKI 1K5«

Catalogus van de Vlaamse bijdrage aan de 4o Bienal Internacionalde Arquitetura de Sao Paulo, een tentoonstelling met een overzicht van de Belgische architectuur van deze eeuw aan de hand van het oeuvre van 25 protagonisten, van Horta tot Neutelings, telkens voorgesteld met een beknopte inleiding en enkele karakteristieke werken. Gepubliceerd als Wees en Beton 39-49.

Ernst Neufert Normierte Baukultur im 20. Jahrhundert Walter Prigge (red.) Frankfurt, Campus verlag, 1999, 464 p., ISBN 3-593-36256-2 Monografie over Ernst Neufert (1900-1986), vooral bekend als auteur van Bauentwurfslehre, één van de meest verspreide architectuurhandboeken dat sinds 1936 meer dan

M&L


B I N N E N K R A N T

dertig herdrukken kende en veelvuldig werd vertaald. Werfleider van het Bauhaus, toegespitst op de industrialisering van het bouwbedrijf onder het NS-regime, na de oorlog ontwerper van industriearchitectuur.

Madeleine 25 Masters of Modern Architectl

DOORfiFllfHT. fiir NR. 1

Egon Eiermann Der Berliner Zeit, Das architektonische Gesamtwerk bis 7945 Sonja Hildebrand Braunschweig, Vieweg, 1999, 389 p., ISBN 3-528-02424-0 Studie over het vooroorlogse werk van Egon Eiermann (1904-1970), auteur van het spraakmakende Duits paviljoen op Expo '58 en één van de meest prominente architecten in het naoorlogse Duitsland. Zijn vroege rationalistische industriearchitectuur en privéwoningen tonen de continuïteit van het modernistische ideaal, tegen het reactionaire klimaat van het NSregime in.

The Drive-In, the Supermarket, and the Transformation of Commercial Space in Los Angeles, 1914-1941 Richard Longstreth Cambridge, The MIT Press, 1999, 248 p., ISBN 0-262-12214-6 Bekroonde studie over de ontstaansgeschiedenis en de vroege ontwikkeling van de drive-in en de supermarkt in het Los Angeles van het interbellum, twee archetypes van de automobiele maatschappij, die vanaf de tweede eeuwhelft het winkelgedrag en het suburbane landschap blijvend zouden bepalen, eerst in de Verenigde Staten, het laatste kwarteeuw ook in Europa.

The Architecture of Science Peter Galison en Emily Thompson Cambridge, The MIT Press, 1999, 573 p., ISBN 0-262-07190-8 Bundel essays met interdisciplinaire speculaties over de interactie tussen architectuur en wetenschap. Hoe vormt de ruimte waar wetenschap bedreven wordt de identiteit

1VI&L

Manderijck

HORTA AND

van de wetenschapper, hoe geeft de wetenschap doorheen de tijd structuur aan de praktijk van de architect, hoe bepaalt de architectuur van laboratoria, ziekenhuizen en musea de publieke perceptie van de wetenschappelijke wereld.

Das irdische Paradies Bürgerliche Gartenkultur der Goethezeit Andrea van Duimen Keulen, Böhlau Verlag, 1999, ISBN 3-412-12598-9 Onderhoudende studie over de 'Gartenlust' van de modale burger en de kleine man in Duitsland in de periode 1770-1830, aan de hand van de eigentijdse tuinliteratuur en persoonlijke getuigenissen. Verschijningsvorm, plantgoed en tuinornamenten komen evenzeer aan bod als de belevingsgeschiedenis van de tuin en zijn rol in de vervulling van het burgerlijk ideaal.

Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantoruren)

Tel. 02/553.82.27 - fax: 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be

Het Glaskunst Informatie- en Documentatie Centrum (GIC) spant zich sinds 1994 in voor het deskundig behoud van ons glaskunsterfgoed. "Glasramen werden immers tot voor kort in hoge mate verwaarloosd en/of verkeerd behandeld. Deze situatie verandert langzaam en dankzij de groeiende interesse van restaurators, kunsthistorici en architecten voor een deskundige aanpak mogen wij hopen dat er een trendbreuk ten goede is ingezet" zo stelt Joost Caen, restaurator, docent Hogeschool Antwerpen en voorzitter GIC in zijn voorwoord. Het GIC poogt door het organiseren van activiteiten en studiedagen een kennis-netwerk op te bouwen, het kunsthistorisch onderzoek van ons glasramenpatrimonium te stimuleren en tevens de hele sector van de monumentenzorg te sensibiliseren voor een grotere zorg voor de glasramen. De voorzitter doet terecht een oproep om de opgebouwde kennis uit het internationale veld te implementeren in onze restauratie-ateliers en stelt dat de toezichthoudende overheden nog meer zouden moeten waken over de kwaliteitsvolle uitvoering ervan. Doorgelicht is de neerslag van een eerste (druk bijgewoonde) colloquium georganiseerd door het GIC op 10-11 oktober 1996 in Antwerpen en biedt een waaier aan bijdragen zowel op het kunsthistorisch als het restauratietechnisch vlak. Er werd een zeer praktische Leidraad bij het opmaken van bestekken voorde conservatie en/of restauratie van glasramen toegevoegd, een nieuwe stap na de publicatie van Glas in Lood, MEtL cahier 1 in 1992 door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Monumenten en Landschappen, bedoeld voor architecten en verantwoordelijken voor de erfgoedzorg. Hij omvat een systematische lijst van handelingen die een deskundige en ethisch verantwoorde interventie van bij de aanvang van de behandeling


B 1 N N E N K R A N T

van glasramen moet bevorderen. We benadrukken dat de leidraad gebaseerd is op de internationaal aanvaarde richtlijnen inzake het historisch gebrandschilderd glas opgesteld in 1989 door het Corpus Vitraerum Medii Aevi en door het Comité International du Vitrail van ICOMOS, met name de Guidelines for the conservation of ancient monumental stained and painted glass. Acht behandelingsstappen komen uitgebreid aan bod: 1. Bijzondere administratieve en contractuele bepalingen 2. Identificatiegegevens 3. Historisch-archivalisch onderzoek vóór interventie 4. Materiaal-technisch onderzoek vóór interventie 5. Evaluatie en voorstel(len) van behandeling 6. Motivatie voor één behandelingswijze 7. Behandeling en rapportering 8. Nazorg, passieve en preventieve conservering. Kunsthistoricus Jan Van Damme beschrijft gedetailleerd de organisatie van het Antwerpse glazeniersambacht vanaf de eerste vermelding in een keure van 1382, wanneer de Antwerpse goudsmeden, schilders, glazenmakers, borduurders, houtenbeeldensnijders en zilversmeden samen in een nieuw ambacht ondergebracht werden, tot de ontbinding van de gilde in 1795. Aandacht wordt gegeven aan de opeenvolgende ordonnanties, die vooral in de 15de, 16de en 17de-eeuw de kwaliteit van de geleverde glasramen moest garanderen. Een eerste verkennend historisch onderzoek door kunsthistorica-restaurator Aletta Rambaut van het familiearchief de Béthune in Marke geeft een beeld van de werking van het glazeniersatelier van Jean-Baptiste Béthune (1821-1876), Le Baron Béthune fondateur des Ecoles SaintLuc, zoals Jules Helbig deze gangmaker van de neogotiek in België noemde. Verschillende Engelandreizen, waar hij kennis maakte van de voorman van de gotic revival A.W.N. Pugin en met diens medewerker de glazenier John Hardman in

Birmingham hadden een belangrijke invloed bij de oprichting van zijn eigen atelier in 1854 in Brugge. Hij wenste de glasschilderkunst te doen heropleven via intensief speurwerk naar de samenstelling van glas en glasverven in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Dat het atelier in de beginperiode te kampen had met technische onvolkomenheden, waaronder het inbakken van glasverven, blijkt uit de notities in de bewaarde atelieragenda's. In 1859 werd het atelier overgebracht naar Gent, toen een bloeiende industriestad. Aan het Prinsenhof werd een woning met atelier ingericht, met op de verdieping een presentatieruimte, "de kapel" genoemd wegens het grote spitsboogvenster om glasramen aan opdrachtgevers te presenteren. Hier kwam zeer grote productie van kerkelijke kunst tot stand. Vanaf 1875 nam Béthune geen nieuwe opdrachten aan en werd het bedrijf overgenomen, door Arthur Verhaegen (1847-1917). Béthune bleef evenwel glasraamontwerpen maken. De Congregatiekapel te Zottegem, een ontwerp van Jean-Baptist Béthune die ook tekende voor de binneninrichting, toont de evolutie van zijn glasraamproductie. Behalve twee ramen die pas in 1884 door het atelier Verhaegen werden geplaatst, zijn ze namelijk alllemaal afkomstig uit het atelier Béthune en werden ze tussen 1856 en 1870 gemaakt. Glazenier-restaurator Armand Calders, die een gedeelte van het atelierarchief Stalins in zijn familie-archief bewaart als kleinzoon van Frans Calders

(1876-1947), leerling in het atelier Stalins en Janssens, geeft een boeiende historische schets van dit bekende Antwerpse glasatelier. August Stalins (1839-1906), een Antwerps schilderdecorateur richtte in 1863 een glazeniersatelier op, in 1865 in associatie met Alfons Janssens. Het atelier Stalins en Janssens, gevestigd aan de Lombaardenvest 38, kende een enorme productie niet alleen voor de Antwerpse kerken maar ook voor bijvoorbeeld Heist-op-den-Berg, terwijl ook in Nederland geleverd werd. Schilder Pieter Van der Ouderaa, schoonbroer van Auguste Stalins leverde vaak ontwerpen, evenals A. Mingaye, zoon van een Engelse glasschilder. Het atelier is ook bekend voor een groot aantal restauraties van oudere glasramen, waaronder de 16de-eeuwse ramen van de Kapel van Bourgondië aan de Lange Nieuwstraat te Antwerpen en de Onze-LieveVrouwekathedraal. Augustin, zoon van August Stalins zette vanaf 1905 het atelier verder aan de Damhouderestraat onder de naam "Stalins en zoon" tot in 1923. Het atelier Augustin Stalins realiseerde in beperkter atelierverband een hele reeks glasramen, waarbij hij sterk aanleunde bij het prestige van de vroegere atelierperiode. Herman Wauters en Patrick De Jager, glazeniers-restaurators lichten vervolgens de recente restauraties toe van twee glasramen in de Onze-LieveVrouwekathedraal te Antwerpen. Het betreft het grote noordtranseptraam van Albrecht en Isabella en het zogenaamde "Engels raam" in de SintAntoniuskapel. Het transeptraam, een ontwerp van Jan-Baptist vander Veken van 1615, uitgevoerd door Cornells Cussers. De leesbaarheid van het glasraam, gereduceerd door het verdwijnen van de emailverven en door het vroeger invullen van lacunes met recuperatiestukken, werd verbeterd, door de blauwe kleur terug aanwezig te maken, ondermeer door het doubleren, terwijl storende breukloden verwijderd werden door de glasstukken te verlijmen, mogelijk gemaakt door het plaatsen van een beschermende buitenbeglazing.

•


B 1 N M E N K R A N T

Er wordt kort ingegaan op de restauratie van het vroeg-16de-eeuws raam van Hendrik VII, het Engels raam, waarvan de restauratie in 1996 in uitvoering was. Daarbij werden drie koppen, gemaakt in de 17de eeuw opnieuw in het raam geïntegreerd nadat ze bij een vorige restauratie door Stalins en Janssens vervangen waren door kopieën. Het reinigen van historisch gebrandschilded glas is een delicate aangelegenheid. Recent wetenschappelijk onderzoek aan het Fraunhofer Institut für Silicatforschung in Duitsland wordt toegelicht door Dr. Hanelore Romich. Reinigen kan de trasparantie van het glas verbeteren, maar is voornamelijk van belang omdat vervuiling invloed heeft op het corrosie-proces van het glas. Er zijn droge (borsteltjes, scalpel, schuurmiddelen) en natte (organische solventen, water, EDTA) reinigingsmethodes. De restaurator kiest een methode omwille van de doeltreffendheid, maar de laatste jaren is bij onderzoek gebleken dat het reinigen op lange termijn oorzaak kan zijn van schade. Het artikel gaat in op het onderzoek dat het bekende Fraunhofer Institut deed naar de het reinigen met oxaalzuur, een sterk oplosmiddel dat - zo verdund mogelijk en gedurende zeer korte tijd - enkel in zeer gecontroleerde omstandigheden kan gebruikt worden. Zij verwijst naar een onderzoek dat door de afdeling Conservatie en Restauratie, Hogeschool Antwerpen onder leiding van Joost Caen werd uitgevoerd, waarbij dergelijke reinigingsmethode getest werd voor 19de-eeuws glas. Een team onderzoekers van de Universiteit Antwerpen, departement Scheikunde en van de Hogeschool Antwerpen, Conservatie en Restauratie, met name Olivier Schalm, Koen Janssens, Joost Caen en F. Adams stellen hun bevindigen voor betreffende de chemische en morfologische karakterisatie van de grisailles van Capronnier met behulp van EPXMA (Electron Probe X-ray Micro Analysis). Dergelijk multidisciplinair samenwerkingsverband tussen een onderzoeksdepartement van een universiteit enerzijds en een restauratieopleidingsinstituut van een

Hogeschool anderzijds blijkt bijzonder interessante onderzoeksresultaten op te leveren, zowel wat het materieelhistorisch aspect als het restauratietechnisch aspect. Doorgelicht kan dan ook niet ontbreken in de bibliotheek van elke betrokkene bij het historisch gebrandschilderd glas, van architect, restaurateur, kunsthistoricus tot wetenschapper.

De publikatie is te bekomen bij het GIC vzw., Lievekaai 2 te 9000 Gent door storting van 500 BEF (+ 150 BEF portkosten) op het rekeningnummer 416-3231931-79 met vermelding "Doorgelicht".

Marjan

Kockaert bekeken meer specifiek de geschilderde zijluiken en tenslotte reconstrueren Ria De Boodt en Jaak Jansen de moeizame en aarzelende geschiedenis van het restauratiedossier en de uiteindelijke opstelling van het retabel in de Koninklijke musea. Al lezend kan men het betreuren dat dit kunstwerk bijna toevallig eerst in Brussel en daarna in het museum beland is, omdat de gotische Genovevakerk van Oplinter een unieke locatie voor dit retabel was. Anderzijds heeft de aarzelende en voorzichtige houding vooral van de Koninklijke Commissie voor Monumenten er uiteindelijk toe geleid dat het retabel in de 19de eeuw niet ingrijpend gerestaureerd werd en onrechtstreeks hierdoor de originele polychromie bijna intact behouden bleef.

Buyle

HFT RETABEL V A N OPI INTER ( S r i F N T I A A R T I S , Heel 1) Het retabel van Oplinter is één van de grootste en belangrijkste van de bewaarde Antwerpse retabels. Het maakt thans deel uit van de collectie van de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis in Brussel. Deze studie verschijnt als eerste deel in de nieuwe reeks Sientia Artis, uitgegeven door het Koninklijk instituut voor het kunstpatrimonium. Verschillende auterus hebben vanuit hun specifieke invalshoek (kunsthistorisch, technologisch en historisch) het retabel binnenstebuiten gekeerd en bestudeerd. Ria De Boodt van de VUB gaat in op de iconografie, de geschiedenis en de stijlanalyse; Myriam Serck-Dewaide van het KIK bekijkt het retabel vanuit het standpunt van de restaurateur: de vervaardiging van Antwerpse retabels vanaf het maken van de retabelbak tot de definitieve montering en de polychromie. Jana Sanyova van het laboratorium onderzoek de verschillende monsters naar stratigrafie en gebruikte pigmenten en kleurstoffen. Nicole Goetghebeur en Leopold

Het retabel is een staalkaart van alle mogelijke Antwerpse versieringstechnieken: matte en glanzende vergulding, geschilderde boorden, sgraffito, gestempelde motieven, gebruik van takjes en metaalversieringen, transparante lakken. Spijtig dat het betreffende hoofdstuk hoofdzakelijk met zwart-wit foto's geïllustreerd is. Ook de vertaling van het Frans naar het Nederlands komt soms wat stroef over. Overigens is het voor een vrij gespecialiseerd publiek een lezenswaardige uitgave, met tal van wetenschappelijke details die een aanzet geven of vergelijkingsmateriaal aanreiken voor de bestudering van andere retabels. We kunnen maar hopen dat de andere onderzoeken, die door het Instituut in de loop der jaren uitgevoerd werden, ook hun neerslag zullen krijgen in een dergelijke wetenschappelijke uitgave. Ria De Boodt, Myriam Serck-Dewaide, Jana Sanyova, Nicole Goetghebeur, Leopold Kockaert en Jaak Jansen, ie retabel d'Oplinter/Het retabel van Oplinter(Sóentia Artis, 1), tweetalige uitgave, Brussel, 1999. Te verkrijgen op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Jubelpark 1, 1000 Brussel, tel. 02/739.67.11, aan de prijs van 900,-fr.


B1NNE1SJKRANT

EPFR DE H E R R F Z E N STAD Nog niet zolang geleden leek leper een slapende stad. Enkele nieuwe musea en tentoonstellingen, alsook een mooie reeks publicaties hebben het historische leper opnieuw levend gemaakt. Het In Flanders Fields Museum, het fonkelnieuwe museum dat ons de Eerste Wereldoorlog opnieuw laat beleven, was ongetwijfeld de aanleiding om nieuwe historische of kunsthistorische inzichten met betrekking tot de geschiedenis van de stad te publiceren. In 1998 verscheen het boek "leper, de verdwenen stad" van Jan Dewilde, een lijvig werk met veel interessant iconografisch materiaal over het leper van vóór 1914. Een ploeg, samengesteld uit museummedewerkers en specialisten begon eind 1998 met het onderzoek over het leper van na de oorlog. Het resultaat werd "leper, de herrezen stad. Het boek handelt over de heropbouw van leper en dat in de breedste zin: In een heel boeiend artikel van Koen Baert wordt de herbevolking van leper onder de loep genomen. Door de verwoesting en het constante beleg van leper was de burgerbevolking in 1915 verplicht de stad te verlaten. In 1918 werd de stad terug stilaan bevolkt. De auteur bekeek de leperse bevolkingsboeken vanaf 1919 en gaat na wie terugkeerde en wie niet, waar ze zich vestigden en waarvan ze leefden. Hij beschrijft de moeilijke leefomstandigheden van de vroege pioniers: zij die een hutje bouwden met wat ze vonden aan het front. In zijn artikel "Recht op herstel?" bekijkt Jean-Marie Bailleul de houding van de Belgische overheid in het dossier van de wederopbouw. Verkeerde beslissingen, onjuiste inschattingen en onhandige procedures zorgden voor een financiële en administratieve warboel. Het was hoofdzakelijk de dynamiek van de leperse bevolking die ervoor zorgde dat de wederopbouw zo snel voltooid werd. Architectuurhistoricus Hugo Constandt plaatst de wederopbouw, zoals die gestuurd werd door architect Coomans, in haar context. Coomans was in de periode voor de oorlog

IEPER Dl- H 1 BLREZEM s I \ n

stadsarchitect van leper en had er de leiding over een ambitieus restauratieprogramma van de leperse monumenten, dat nagenoeg voltooid was op het moment dat de eerste granaat viel. Tijdens en na de oorlog was hij de pleitbezorger van de integrale wederopbouw en voerde dit ook zo uit ondanks hevige polemieken. Annick Vandenbilke behandelt dan weer het werk van architect Raphael Speybrouck, die in tegenstelling tot Coomans voornamelijk particuliere opdrachten kreeg. In de bijdrage van Dominiek Dendooven wordt de Britse houding in het restauratiedossier van leper geschetst. Minister van Oorlog, Winston Churchill, zag het ruïneuze leper als één groot memoriaal. Vele ideeën werden besproken maar nooit geconcretiseerd en uiteindelijk werd de Menenpoort het belangrijkste Britse gedenkteken in de stad. Jan Dewilde diepte de briefwisseling tussen Coomans en symbolistische kunstschilder Jean Delville op en bespreekt de plannen voor de afwerking met wandschilderingen van de Delbeke-zaal (waar nu het In Flanders Field Museum gevestigd is). Samen met het overlijden van Coomans stierf echter ook het project een stille dood. Jean-Luc Vanhove heeft het in zijn artikel kort over de lotgevallen van de bibliotheek tijdens de wederopbouw. In een rijk geïllustreerd katern samengesteld door Koen Baert wordt aan de hand van foto's en krantenknipsels een chronologisch overzicht gegeven van het herstel van een veelzijdige samenleving.

Het boek wordt afgesloten met twee bijdragen die een hedendaagse reflectie zijn op het fenomeen van de herdenking van de oorlog. Piet Chielens ging daarvoor naar Oradour-surGlane, Rotterdam en Coventry. Net als leper werden deze steden verwoest en moesten zij wederopgebouwd worden. Dat gebeurde in elk van deze plaatsen op een andere manier. De auteur vergelijkt de verschillende scenario's. De architectuurstudente Rose Tzalmona uit Canada was geshockeerd toen zij voor het eerst in leper kwam. In een stad die wereldberoemd is omwille van het gruwelijke oorlogsverleden vond zij geen enkel spoor van die oorlog terug. In haar essay beschrijft zij hoe ze het idee opvatte om als eindwerk een groot herdenkingsproject voor de omgeving van leper te ontwerpen.

Alleen al omwille van de illustraties is het boek een echte aanrader. Maar tussen de illustraties staan ook degelijke artikelen die zowel historische als kunsthistorische informatie opleveren. Het naast elkaar plaatsen van fenomenen zoals de herbevolking van de stad, de bestuursdaden van de overheid en de visie van burgers en architecten over hun stad, geeft een ruimer beeld van die wederopbouw en stelt ons in staat om geschiedenis en architectuur beter te begrijpen.

Koen Baert, Jean-Marie Bailleul, Piet Chielens, Hugo Constandt, Dominiek Dendooven, Jan Dewilde, Rose Tzalmona, Annick Vandenbilke, JeanLuc Vanhove, Zeper, de herrezen stad, de wederopbouw van leper na 14 - 18, 1999, Uitgave: de klaproos, 254 p., prijs: 1495,- Bef.


B l N N E N K R A l ^ T

Buitenkrant

Marjan

bespraken de problematiek van grootschalige lacunes. Tenslotte werd door Madeleine Manderyck het aspect van de deontologie bij de restauratie van gebrandschilderd glas besproken. Buyle

STuniFDAn lACiJNF-INVULLINGEN FN RFTOUCHFS niC (GLAS INFORMATIE CFNTRUM) DRONGEN. ?R JANUARI ?000 De studiedag werd aangevat door Aletta Rambaut met een overzicht van het restaureren van glasramen door de eeuwen heen. Vervolgens werden door de diverse sprekers een aantal mogelijkheden van lacune-invulling voorgesteld aan de hand van voorbeelden van uitgevoerde werken. Warner Berckmans besprak de mogelijkheden van de retouches met koudverf. Carola Van den Wijngaert stelde de doubleringstechniek voor, een typische retouchetechniek die alleen in de glasraamschilderkunst gebruikt kan worden. Men kan hiervoor nieuwe doublures gebruiken of oude, kwaliteitsvolle doublures recupereren. Het gebruik van doubleerglazen is geen nieuwe techniek. In België vinden we voorbeelden van bijna systematische toepassingen van deze techniek terug rond 1950, waar hij gebruikt werd bij de restauratie van de historische glasramen van de St. Michiel en St. Goedelekathedraal in brussel. Het is een techniek van lacune-invulling die getuigt van groot respect voor het originele kunstwerk. Daarvoor was immers de enige mogelijke optie het herbrandschilderen van het originele kaliber. Doublureglazen worden ook gebruikt bij beschadigde schildering (bijvoorbeeld krassen), bij degradatie van de emaille-schildering of als kleurencorrectie. Het is natuurlijk ook mogelijk om gebrandschilderd invullingen van lacunes te gebruiken, zoals door Herman Wauters werd voorgesteld. Klaartje Peeters en Sofie Feys

1VI&L

(Deze gegevens zijn afkomstig uit de documentatiemap van deze studiedag. Met dank aan Carola Van den Wijngaert en Aletta Rambaut).

Na de lezingen ontstond er bij de talrijke deelnemers een geanimeerde discussie. Er bleek een zekere reserve te bestaan tegen gebrandschilderde invullingen en sommigen vonden ook bepaalde uitvoeringen van retouches in koudverf te verregaand, vooral wanneer een gedeelte van de tekening werd gereconstrueerd zonder over gegevens te beschikken van het originele uitzicht. Het publiek was eerder gewonnen voor de toepassing van doublureglazen, wanneer dit mogelijk was. Deze doublures kunnen zowel aan de voor- als aan de achterkant van het glasraam bevestigd worden. De vroegere problemen van condensatie worden thans vermeden door luchtcirculatie bij deze doublures te voorzien. Het hergebruik van oude doublures, indien deze een zekere kwaliteit hebben, werd gewaardeerd omdat op die manier ook de 'geschiedenis' van het glasraam wordt bewaard, hetgeen vergelijkbaar is met het bewaren van overschilderingen op schilderijen omdat ze deel uitmaken van de geschiedenis van het kunstwerk.

Goede conservering en bewaring van glasramen is in de huidige tijd niet meer denkbaar zonder het aanbrengen van een dubbele beglazing. Het Glas Informatie Centrum (GIC) werkt op dit ogenblik aan de redactie van een aantal aandachtspunten om de ontwerpen van glasraamrestauratie te kunnen stofferen. Bovendien beschikken de glasramenrestaurateurs over hun eigen gedetailleerde Guidelines, opgesteld door het Corpus Vitrearum Medii Aevi tesamen met de Comité Technique Icomos en de Comité International pour Ie vitrail: Guidelines for the Conservation of Ancient Monumental Stained and Painted Glass {1989).

Madeleine

Manderijck

EDELSMEEDWFRK IN DF SINT-FREDEGANDUSKFRK TE DEURNE

Naar aanleiding van de parochiedag werd voor de eerste maal in de geschiedenis van de Sint-Fredegandusparochie het liturgisch vaatwerk tentoongesteld. Een beveiligde toonkast werd hiervoor aangeschaft waardoor het kon bewonderd worden in zijn volle pracht.Dit edelsmeedwerk werd in het begin van dit jaar door medewerkers van het Provinciaal Museum Sterckshof - Zilvercentrum, samen met enkele vrijwilligers uit onze parochie, vakkundig gedemonteerd, gereinigd en opgepoetst. De kunstwerken dateren uit de 17de eeuw tot op heden. Natuurlijk hadden wij ook voor deze gelegenheid een deskundige terzake uitgenodigd. Wim Nys, wetenschappelijk medewerker van het Zilvercentrum, gaf ons in zijn voordracht een overzicht van de tentoongestelde kunstwerken. Hierbij zijn zowel belangrijke werken van kunstsmeden uit binnen- en buitenland. Ook van Antwerpse kunstsmeden werden er werken getoond. Op enkele kunstwerken konden we zien wie de schenker was en welke gebeurtenis de aanleiding van de schenking was. Aan de aanwezigen werd een folder met meer detailinformatie beschikbaar gesteld. Het was voor velen een aangename en leerrijke gebeurtenis. Wij, de Sint-FredegandusGezellen, kunnen met tevredenheid terug zien op een geslaagde namiddag met bijna honderd aanwezigen. Dat belooft voor de toekomst.


We kunnen ook nu reeds mededelen dat deze kunstwerken terug tentoongesteld worden op zondag 2 april in de namiddag. Diezelfde namiddag zal er ook een rondleiding georganiseerd worden in de kerk.

Verdere informatie wordt graag gegeven door Jan Oversteyns Tel. 03-324.35,96.

KADOCStudiedag DF I A R E N ' 3 0 IN A N T W E R P F N KATHOLIEKEN, K U N S T FN M O D E R N I T E I T In het kader van het KADOC-onderzoeksproject 'Katholieken, Kunst en Moderniteit' vindt op zaterdag 1 april 2000 de studiedag 'De jaren '30 in Antwerpen' plaats. Dit seminarie wil de vernieuwing in de religieuze kunst en architectuur in Antwerpen in de jaren 1930 voorstellen. Plaats van samenkomst is het Sint-Lievenscollege, een belangrijke Pelgrim-realisatie. Na een inleiding op de gehele studiedag wordt dit complex van Jef Huygh, J. Smits en Flor Van Reeth uit 1932 grondig voorgesteld en bezocht. In de namiddag wordt een bezoek gebracht aan enkele kerken: De Sint-Walburgiskerk van Van Reeth en Smits uit 1935-1938 en de Sint-Laurentiuskerk van Huygh uit 1932-1941, voltooid onder toezicht van Jos Smolderen. Deze laatste architect tekende ook de plannen voor de Christus Koningkerk uit 1928-1930 die ook op het programma staat. Ten slotte is er een ontvangst voorzien in het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen.

Sint-Laurentius

Wie interesse heeft voor deze studiedag, kan voor meer informatie en een inschrijvingsfolder terecht op het KADOC-Tel. 016/32.35.00

IVI&L


ii»\iMisi,i,i-:i\

imiissix l(iiiiiii(jN|itHiii 10 Nivn

-ï

iillirini(i'iiili- i|rtmii«fll

n

I^alx-lliisliMal

ItiM-tillsll-IK'lir ItH'^tiiiiil t a . ITr.l

viKrt- I77ti «».

ITTIi

n. m II I ï

4

Hui

Plan 5. Mofkapel, niveau -2. Reconstructie van de toestand ca. 1781 (tekening DVE)

De restauratie

Opeenvolgende gebruikers van het dubbel-hotel (met ingangen Koningsstraat 2 en Koningsplein 10) dat aan het einde van de 18de eeuw door de abdij van Grimbergen gebouwd werd, zouden onvermijdelijk hun sporen laten op de onderliggende kelderniveaus. De keldertrap van -1 naar -2, doorkruist door de nieuwe koetspoort, werd deels gedempt; de grote trap tussen de Isabellastraat en het paleis verdween onder bouwpuin. De nieuw gecreëerde ingang vanuit de Isabellastraat raakte al snel in onbruik bij de bouw van enkele Lodewijk XVI-huizen op de hoek met de Terarkenstraat, na 1925 definitief bij de oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten.

Plan des caves dans la me et les maisons de la Place & de la

/;;,,nMf'

me Royale. 1849 (Brussel. Stadsarchief. Portefeuille Plans, 1218)

WÊÊÊÊm

M&L


M&L

•

•

een overlangs

•

De centrale gang op

Mofkapel, niveau -2,

gehalveerde zuil in

Hofkapel, niveau -2,

tie in staaldraad

niveau -2 van de

hoeklokaal aan

de wand en, op de

centraal lokaal aan

van een verdwenen

Vooraan, de evoca-

Hofkapel, noord-

koorzijde/isabeila-

voorgrond, de

de paleiszijde.

gewelf

waarts,

straat, na restaura-

evocatie van een

na restauratie.

(foto 0. Pauwels)

na restauratie

tie. Een I8de-eeuws

verdwenen zuil

(foto 0. Pauwels)

bakstenen gewelf.

(foto 0. Pauwels)


A

Hofkapel met I8de-

De Isabellastraat,

ceuwse doorgang,

richting Paleis voor

links de I8de-eeuw-

Schone Kunsten

se steunmuren, op

(noord). Rechts de

de achtergrond de

De Isabellastraat, richting Koningsplein (zuid), na reconstructie van de bestrating. Aan de linkerzijde de buitenmuren van de Hofkapel (foto 0. Pauwcis)

opeenvolgende I8de-eeuwse mgangen (foto 0. Pauwels)

Delen van het niveau -2 en van de overwelfde Isabellastraat raakten in de loop van de 19de eeuw geleidelijk aan totaal van elkaar gescheiden door de inbreng van bakstenen dwarsmuren, getuige onder meer het verzoek uit 1866 van Eduard Dremel, uitbater van het Hotel de Belle-Vue aan de overzijde van de Koningsstraat, om zijn wijnkelders via de bewaarde gewelven onder de straat in verbinding te mogen stellen met die in de vroegere Isabellastraat: de anekdote - gestaafd door de vondst van enkele wijnflessen met een gepersonaliseerd etiket — verklaart en dateert tegelijk de kleine doorgang in de kapelmuur, ter hoogte van het 'waterreservoir'. De steile helling van de Isabellastraat werd trapsgewijze afgegraven tot vlakke, beloopbare keiderbodems.

M&L


De Isabellastraat, richting Koningsplein. Plaatselijk resten van de oude bestrating zichtbaar behouden. Rechts de 18deeeuwsc schoormuur in de lengteas van de straat (foto 0. Pauwels)

De verbindingstrap tussen de Isabellastraat. kelderniveau -I en het binnenplein van het hertogelijk paleis, huidige toestand (foto 0. Pauwels)

1VI&L


O p het niveau -2 van de kapel raakte elke logische samenhang verder zoek, door het weinig respectvol dichtmetselen van bogen en het slopen van muurpartijen, onverminderd nog de inbreng van metalen trappen, een lift, stookketels, stookolietanks en tal van oneigenlijke parafernalia. De renovatie van de bovenbouw en de restauratie van de — als monument beschermde - keiderniveaus werd door de bouwheer opgedragen aan de bureaus G+D Studiegroep - Dirk Bontinck, Gent, Projectarchitect W i m Govaerts. Voor de kelderniveaus was met instemming van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen geopteerd om de structureel ingrijpende 18de-eeuwse aanpassingen bouwhistorisch op gelijke voet te plaatsen met de originele 16deeeuwse elementen en ze dus te behouden. Alle latere, als onbelangrijk en storend beschouwde toevoegingen en verbouwingen (inclusief de lift) werden dan ook - in de mate van het mogelijke — ongedaan gemaakt.

Het meest ingrijpend was de reconstructie - met kasseien - van de helling van de Isabellastraat, ondanks de 18de-eeuwse overwelving, hierbij geleid door de funderingsniveaus van de aanpalende gebouwen: Hofkapel en Hof van Hoogstraten. De inpassing van sanitair — in een verdoken deel van de overwelfde Isabellastraat — en een aangepaste lichtvoorziening concretiseerden de intentie om het ensemble voortaan toegankelijk te maken voor publiek. Al dient te worden betreurt dat het recente, door de gebruiker ondoordachte opfokken van de lichtintensiteit, de aanvankelijk beoogde selectieve verlichting van de bewaarde 16de-eeuwse elementen vervangen heeft door een uniforme lichtzee. T Hofkapel. De keldertrap van -I naar -2, na gedeeltelijke reconstructie (foto 0. Pauwels)

Er volgde een algemene reiniging van de bak- en natuurstenen muren en gewelven met stoom. Gezien de paralleloptie om de site te benaderen als een archeologisch relict werden de fragmentarisch nog aanwezige pleisterlagen niet hersteld, tenzij plaatselijk, daar waar sporen van latere verminkingen de lectuur van het ensemble zouden vertroebelen. De nog slechts onvolledig bewaarde vloer in natuursteentegels werd met respect voor het eigenzinnige patroon vervolledigd in kalksteen, inzake kleur en textuur aansluitend bij de Lediaanse zandsteen maar tegelijk voldoende gedifferentieerd. Eenzelfde materiaal werd aangewend voor de gedeeltelijke reconstructie van beide natuurstenen trappen die, middels een nieuw ontworpen trappartij naar het Koningsplein, opnieuw hun oorspronkelijke functie zouden vervullen. Verdwenen zuilen en muren werden waar nodig aan de hand van aangetroffen sporen geëvoceerd met gemetselde, in de massa getinte betonblokjes (D.5/1). Verdwenen gewelven werden evenmin gereconstrueerd, maar ingevuld met geschilderde (RAL 1014) gewelfelementen in strekmetaal.

M&L


EINDNOTEN

(16) ARA, Brussel, Rekenkamer van Vlaanderen en Brabant, karton

(1)

VAN EENHOOGE D. & CELIS M.M., Het 'Hof van Hoog-

(17) SAINTENOY P., o.c, p. 252, noot 4 en p. 253.

straten', de Brusselse verblijfplaats van Antoine de Lalaing, in

(18) ARA, Brussel, Rekenkamer, Supplément, reg. 1, fol. 52, 23 au-

84.

M&L jaargang 7,1988, nr. 4, p. 36-62. Zie ook: CELIS M.M., L'Hotel

(2)

(3)

(4)

(5)

d'Antoine

de

Lalatng,

Comte

d'Hoogstraeten,

in

gustus 1538, in SAINTENOY P., o.c, p. 255, noot 2. (19) SAINTENOY P., o.c, p. 253-254.

SMOLAR-MEYNART A., VANRIE A., e.a., Le Quanier Royal,

(20) ARA, Brussel, n0 27399, fol. 75, vol. II.

CFC-Editions, Brussel, 1998, p. 81-95.

(21) ARA, Brussel, Rekenkamer, supplément I, fol. 85 r0.

BONENFANT P.-P., Les restes tangibles de l'aula magna de

(22) ARA, Brussel, Rekenkamer, fol. 63. vol.ll.

Philippe le Bon, in SiMOLAR-MEYNART A., VANRIE A., ca.,

(23) SAINTENOY P., o.c, p. 256.

Le Quanier Royal, CFC-Editions. Brussel, 1998, p. 97-113.

(24) ARA, Brussel, Rekenkamer, fol. VIIIxx XIV, vol. II.

MATTHYS A., Les ruines de la chapelle des Dues de Brabant sous

(25) SAINTENOY P., o.c, p. 258 en 265, vermeldt achtereenvol-

la Place Royale a Bruxelles, in Archaeologta Mediaevalis, 8, 1985,

gens: "Les travaux reprirent le 28 aoüt 1548 et se continu'erent jus-

p. 79-80. We danken hierbij dhr. A. Matthys voor inzage in de

qu 'au 8 aoüt 1550. (...) "Les comptes partent du 28 aoüt 1548 et

resultaten van zijn onderzoek.

vont jusqu'au 25 aoüt 1555. (...) Le 2 juillet 1553, le cardinal

Anoniem, westgevel hertogelijke kapel. Patroon op perkament,

Jérème Dandini, cardinal-prétre au titre de Saint-Mathieu,

ca. 1550 (ARA, Kaarten en Plannen in Handschrift, nrs. 1727 en

au nom depapeJules ILL, consacrer le templesomptueux ..."

vint,

1728).

(26) ARA, Brussel, reg. 291, fol, CCXXII.

ARA, Brussel, Rekenkamer van Vlaanderen en Brabant, karton

(27) ARA, Brussel, Rekenkamer, fol. CCLXXXVII.

84 (D5).

(28) SAINTENOY P., op. cit., p. 263: "AJan de Rubbe en ceste ville

(6)

Idem.

de Bruxelles, la somme de quatre livres, 18 sok pour avoir livré

(7)

SAINTENOY P., Les Arts et les Artistes a la Cour de Bruxelles. Le

quatorze giltes d'huyelle pour oingdre et planer la tirasse mise desseur

palais des dues de Bourgogne sur le Coudenberg a Bruxelles du r'egne d'Antoine de Bourgogne a celui de Charles-Quint, Mémoires de la

(8)

(9)

les voulsures des chappellettes et tout alentour de la ditte chappelle". (29) ARA, Brussel, nrs. 1727 en 1728, met bijschriften "i«/jr('«^f«f

Classe des Beaux-Arts, Académie royale de Belgique, Deuxième

etgens des comptes a Bruxelles et carpentage du parfait de la chapelle

série, tome V, Bruxelles, 1934, p. 235 e.v.

de l'empereur, en sa Court a Bruxelles laquelle sa Majesté a ordon-

ARA, Brussel, Rekenkamer van Vlaanderen en Brabant, katton

nê estrefaicte suyvant le patron ei dessus, en délaissant les voyes" en

84.

"Actendu que maistre Donas de Bovy, ingeniare a declare a ceulx des

A. Royet, Projet de reconstruction de la "Cour Brulée", ARA,

finances que les voyes que la Royne ne vouloit avoir faictes, selon le

Brussel. Kaarten en Plannen in Handschrift, nr. 512A.

premier patron cy attaché, ne se peuvent de tout délaisser, ceulx des

(10) COLONEL DE LA KETHULLE DE RYHOVE, Sept cents ans

comptes en suyveront ce nouveau patron, en rabattant aux ouvners

d'htstoire de Bruxelles. Les mysteneux souterrains de la Place Royale

tailleurs de pierre et machons la somme de 1200 livres du pris de

ont des slides de souvenirs, in Les Cahiers Historiques, série IV-N,

quarante gros, Faicts au bureau des finances a Bruxelles le !Xe de

Rossel, Brussel, 1967.

septembre XVC cincquante."

(11) DELCOMMUNE Th., Un signe a valoriser de la mémoire Européenne a Bruxelles. La Chapelle de Charles Quint, Eindejaars-

(30) SAINTENOY P., op. cit. p. 262. (31) J.A. Anneessens. Elevation de la Facade du nouveau Palais de la

verhandeling, ISA Saint-Luc, Brussel, 1988-1989, 2 delen. Zie

Cour a Bruxelles du cêté du Pare. en Elevation de la Facade du

ook: CELIS M.M., Les sous-sols de la chapelle de Charles Quint, in

nouveau Palais de la Cour a Bruxelles du cèté de l'Entrée,

SMOLAR-MEYNART A., VANRIE A., ca., Le Quanier Royal. CFC-Editions, Brussel, 1998, p. 115-127. (12) A. Royet, Projet de reconstruction de la "Cour Brulée". Elevation de

Albertina, Wenen, Architekturzeichnung, Inv. 7565 en 7566. (32) ARA, Brussel, Rekenkamer, P 38, rég. 27402. SAINTENOY P., o.c, p. 262.

la Eafade du palais Roial du cèté de l'entrée avec la coupe des aites,

(33) id. SAINTENOY P., o.c. p. 263-264.

ARA, Kaarten en Plannen in Handschrift, nr. 512A.

(34) DES MAREZ G., Traite d'architecture, Bruxelles, 1921, p. 168.

(13) Zie ook: MARCIPONT G., Etude géologique des pierres de construction de l'Aula Magna, in Bulletin de la Commission royale des Monuments et des Sites et Fouilles, Tome 16.1, 1997-1998, p. 97-106.

Maart.

(36) HAUTECOEUR L , Les origines du style classique au début du 16i'eme siècle, I, Parijs, 1963, p. 17. (37) MATTHYS A.. o.c, p. 80.

(14) Francis Borreman & Peeter Coecke, Maximiliaanse Jachten, Maand

(35) DES MAREZ G., o.c, p. 177.

Gewassen pentekening, ca. 1538, Leiden,

Prentenkabinet. (15) Francois Borreman & Peeter Coecke, Maximiliaanse Jachten, Maand Maart. Gewassen pentekening, ca. 1548-1552, Parijs, Musées Nationaux, Cabinet des Dessins.

(38) Op de plaats van het Domus Isabellae bevindt zich nu de Belliardtrap tussen de Ravenstein- en de Koningsstraat. Voor verdere gegevens over deze straat zie: CABUY Y., DEMETER St. & DE POORI ER \.

Atlas ran de archeologische ondergrond ran het

Gewest Brussel. 10.2. Brussel Vijfhoek, Brussel, 1997, p. 144-145. (39) VAN E E N H O O G E D. & CELIS M.M., o.c, p. 57-61.


Mimi Debruyn Peter Vermeulen

VAN HAR1NGR0XER1J NAAR WOONPROJECT

Sinds de eerste Open Monumentendag in 1989 hebben duizenden belangstellenden de voormalige Haringrokerij Van den Bemden bezocht, die zich uitstrekt tussen de Kronenburgstraat en de Scheldestraat op het 'Zuid' in Antwerpen. Vandaag is de Haringrokerij een gerenoveerd pand, waar sinds 1993 zes gezinnen wonen. Precies honderd jaar voordien, in 1893, begon de firma Van den Bemden hier met een vishandel, die later uitgebouwd werd tot een grote industriële rokerij. Na de ondergang van de firma omstreeks 1970, volgde een periode van meer dan twintig jaar leegstand en verval. Toen werd de industrieel-archeologische waarde van de Haringrokerij erkend: de bescherming als monument in 1987 kwam net op tijd. Het was de extra stimulans die nodig was om het initiatief van een groep gezinnen concreet gestalte te geven. De Haringrokerij kreeg een nieuwe bestemming als woonproject.


Het is er goed om te wonen (en te werken). Het project toont aan dat de stad talloze kwaliteiten biedt als woonomgeving, ook voor jonge gezinnen. Het komt erop aan die kwaliteiten te ontdekken en tot hun recht te laten komen, er sterk in te geloven en door te zetten. Het was veel eenvoudiger geweest om zes woningen te bouwen in een of andere verkaveling, maar de huidige bewoners zouden voor geen geld ter wereld nog willen ruilen. Recent werd het bouwhistorisch onderzoek dat vóór tien jaar aangevat werd, aangevuld en uitgediept, en waar nodig gecorrigeerd. In dit artikel worden het resultaat van dit onderzoek en het bewonersverhaal samengevoegd: het eerste deel beschrijft de vestiging, de opkomst, de ontwikkeling en de neergang van het bedrijf, het tweede gaat over de bescherming, de gedeeltelijke restauratie en renovatie van het complex en is, kortom, het verhaal van de huidige bewoners.

Algemeen gezicht op

geeft toegang tot

het magazijn, de

de voorgevel van de

de binnenplaats.

verbouwde ingang

Haringrokerij in de

De poort links

rechts naar de

Kronenburgstraat.

leidde eertijds naar

De middelste poort

(foto's 0. Pauwels)

fiFSCHIFDFNIS RDKFRII

VAN DF HARIIMG-

De verhuizing van de vishandel, een gevolg van openbare werken Het verhaal van de rokerij moet gezien worden tegen de achtergrond van de grote openbare werken die het uitzicht van Antwerpen in de tweede helft van de vorige eeuw grondig hebben gewijzigd: de sloop van de Spaanse omwalling enerzijds en de ontwikkeling van het Zuid en de rechttrekking van de Scheldekaaien anderzijds. In 1874 was begonnen met de afbraak van het Zuidkasteel, eens de bekroning van de Spaanse wallen rond de stad Antwerpen. Na lange discussies keurde de Sociétéanonyme du Sud d'Anvers het Plan d'appropriation de la Citadelle du Sudvzn ingenieur Th. Van Bever in 1875 goed. In 1876 startte de aanleg van 64 straten op het Zuid. Het oudst aangelegde gedeelte bevindt zich rond de Marnixplaats. De Kronenburgstraat kreeg haar naam in 1876 en ging open in 1880. De straat ligt op de grens tussen het Zuid en de oude wijk SintAndries. Het plan voorzag om op het voormalig militair ter-


rein van meer dan 100 hectare, drie dokken uit te graven en een hele nieuwe wijk te bouwen. Oorspronkelijk vermeldden de plannen voor de wijk hier enkel een woonfunctie, maar het vlotte niet echt met de verkoop van de percelen. De grond was hier namelijk merkelijk duurder dan in de gordel tussen de oude en de nieuwe wallen, waar minder geïnvesteerd moest worden in de infrastructuur, omdat er bijvoorbeeld geen dokken aangelegd moesten worden. Waarschijnlijk daarom ook werden deze straten opengesteld voor bedrijven, die er in eerste instantie niet echt gewenst waren. Wel werd extra gelet op de architecturale inpassing. De Société waakte er in samenwerking met de stad Antwerpen over dat nieuwe gebouwen un certain caractere architectural of een architecture convenable vertoonden (1). Daarom moest de geveltekening van elk gebouw eerst voorgelegd worden aan de maatschappij en goedgekeurd worden vooraleer de kandidaat-koper de grond kon kopen. Pas daarna kon de eigenaar een bouwvergunning van het Antwerpse stadsbestuur krijgen. Bovendien moest het gebouw binnen het jaar na de aankoop van de grond voltooid zijn. In 1890 nam het stadsbestuur het beheet van het terrein over, maar de spelregels werden gehandhaafd, wat ook terug te vinden is in de chronologie van de bouw van de rokerij (2). Bij gebrek aan kopers heeft de stad in de daaropvolgende jaren zelf gebouwen met openbare nutsfuncties in deze wijk opgericht. Ook de wereldtentoonstellingen van 1885 en 1894, die op deze terreinen georganiseerd werden, kaderden in de algehele promotie van de wijk. Zo werd ook in 1894 een nieuwe vismijn geopend in de Scheldestraat, vlakbij de Kronenburgstraat (3). De oude vismijn op de Werf vlakbij het Steen was immers gesloopt bij het rechttrekken van de Schelde tussen 1877 en 1885, net als het grootste gedeelte van de Zakstraat, waar onder meer de oude vishandel van Van den Bemden sinds 1700 gevestigd was. Het lag dan ook voor de hand dat deze firma zich vlakbij de nieuwe vismijn, op een plek waar voldoende ruimte beschikbaar was, zou gaan vestigen.

De bouw van de rokerij O p 8 februari 1893 diende Henri Thielens bij het College van Burgemeester en Schepenen een bouwaanvraag in voor de 'Bouwing eener woning, bureel, magazijnen en stalling in de 'Kroonenburgstraat over het Gazfabriek voor rekening van Mijnheer Henri Van den Bemden-De Bom en zijn broeder Edward Van den Bemden' (4). Hier waren een uitgewerkte

A 'Ontwerp tot het

bomen der bureelen en pakhuizen der firma Van den Bemden, Antwerpen, 8 lebruari 1891', getekend Henri Thielens (foto: Stadsarchief Antwerpen)

geveltekening en een schets van de plattegrond bijgevoegd: het is duidelijk dat het gevelontwerp en niet de functie van het gebouw de doorslag gaf bij het al dan niet toekennen van een vergunning. Reeds op 28 februari verleende het stadsbestuur de bouwvergunning, met vermelding van enkele technische bepalingen in verband met rioleringen, uitsprongen en dergelijke. O p 19 mei werd de verkoopsovereenkomst gesloten tussen de stad Antwerpen en de gebroeders Van den Bemden. Het ging om twee afzonderlijke 'verkoopingen'. Het eerste deel betrof de Kronenburgstraat, waar 751,35 m werd verkocht, met een gevelbreedte van 18 meter. Dit perceel bevatte de binnenplaats en het poortgebouw, de helft van de rechterzijvleugel aan de binnenplaats, de paardenstallen voor het magazijn en een deel van de magazijnen links. Het tweede deel van de koop omvatte het perceel aan de Scheldestraat, met een gevelbreedte van 7,5 meter en een totale oppervlakte van 754 m 2 .


wat nu overeenkomt met de voormalige woning van één van de bedrijfsvoerders, de tuin met het tuinhuisje en één van twee magazijnen die later in de tuin werden opgericht (5). De geveltekening is van de hand van de gebroeders Blomme, die in en om Antwerpen een zekere faam genoten (6).

Baksteenarchitectuur in neo-Vlaamse-renaissancestijl Het ontwerp voorzag de bouw van een complex bestaande uit verscheidene bedrijfsgebouwen in neo-traditionele stijl gelegen rond een binnenplaats. Het Antwerpse stadsbestuur volgde daarmee de nieuwste trend, die de baksteenarchitectuur in neo-Vlaamse-renaissancestijl hoger waardeerde dan het neoclassicisme met een gevelbepleistering (7). Deze laatste, vrij gestandaardiseerde bouwwijze, werd toen door de belangrijkste Belgische architectuurscholen als banaal beschouwd en bracht door haar standaardisatie zelfs het beroep van architect in het gedrang. De uitwerking van originele ornamenten werd daarom gestimuleerd, opdat deze negatieve evolutie voor de architecten zou ophouden. Zo kwam het dat Henri Thielens in 1893 voor de vishandel van de gebroeders Van den Bemden een gevel ontwierp in bak- en zandsteen, met een centrale trapgevel tussen twee gelijkvloerse vleugels, ter hoogte van het dak bekroond door kantelen (8). Een strakke doorlopende lijst in zandsteen onderstreept de horizontaliteit van de drie traveeën. De hoogvelden boven de vensters vertonen eenvoudig, ruitvormig siermetselwerk in gele en zwarte steen, wat tegemoetkomt aan de wensen van een meer ambachtelijke en regionaal geïnspireerde architectuur. Uit de bouwaanvraag en de bijbehorende plannen blijkt dat in die periode nog geen rookschouwen werden gebouwd. Het roken van haring kwam er pas later bij. Aanvankelijk beperkten de activiteiten zich tot 'den verkoop van verschen, gedroogden en gezouten visch' (9). De aanvraag vermeldde wel twee ruime verkoopplaatsen, waarvan één vooraan rechts, met daarachter drie pakhuizen, één achteraan links met daarnaast aan de overzijde van de binnenplaats, drie paardenboxen, een gang en een remise. Vooraan links van de ingang werd het kantoor van de bedrijfsvoerder ingericht met daarachter vrij primitieve sanitaire voorzieningen. Daarboven bevond zich de woning van de conciërge die doorliep naar de ruimte boven de ingang met daarnaast een traptoren. Zo hadden alleen de twee voorste ruimtes aan weerszijden van de ingang en de achterste verkoopplaats geen tweede bouwlaag. Die was er wel boven de pakhuizen en de achter-

vleugel en boven de paardenboxen, de gang en de remise. De gevels aan de binnenplaats werden soberder opgevat dan de straatgevel en bevatten minder sierelementen in zandsteen. Enkel de gevel van de achtervleugel, die toen nog gedeeltelijk zichtbaar was van op de straat, werd met speklagen in zandsteen gebouwd. De finishing touch verscheen eerst in 1895 naast de ingangspoort, nadat het stadsbestuur 'bij uitzondering en in acht genomen den kunstigen aard van het voorwerp' zijn goedkeuring hechtte aan een uithangbord 'visserssloep in hout, op een arm in ijzer van 30 mm diameter, hebbende een uitsteek van 1.40m, 3,80m boven het gaanpad' {\Q). Henri Van den Bemden, één van de zaakvoerders, had ondertussen met zijn gezin zijn intrek genomen in het pand aan de Scheldestraat nr. 63 (oorspronkelijk nr. 95) (11). Het uitzicht van deze neorenaissancistische gevel wordt bepaald door de erker op de bel-étage met een balkon erboven. O p de gelijkvloerse verdieping trekken de diamantkoppen op de bossages in blauwe hard- en zandsteen de aandacht in een gevel die voor het overige uit baken zandsteen opgetrokken is. Een verhoogde dakkapel en een vierkante toren met smeedijzeren leuning voltooien het leien dak. Dit pand moest contractueel ten laatste vóór 1 maart 1895 over een gevel van tenminste 10 meter hoog beschikken.

Uitbreiding van het visbedrijf In 1903 kocht de weduwe van Henri Van den Bemden, samen met haar bedrijfspartner, Eduard Van den Bemden, de twee percelen aan weerszijden van de vishandel in de Kronenburgstraat (12). Twee jaar later vroeg het bedrijf een exploitatievergunning aan 'tot het mogen benuttigen van een werkhuis met waterbakken tot het ontzouten van visch en eene rookschouw voor visch'(13). Deze eerste rookschouw werd achteraan in de tuin van de Scheldestraat tegen het bedrijfspand gebouwd. Het plan van deze rookschouw werd goedgekeurd op 23 februari 1906 en voorzag dat ze onderverdeeld werd in twee rookkamers met elk een rookkanaal en met twee vrijstaande rookrekken in hout (14). Deze vergunning van 8 maart 1906, die voor de duur van 30 jaar werd afgeleverd, specificeerde onder meer dat deze rookschouw minstens '2m boven de nok van het hoogste dak der buurt verheven' moest zijn, terwijl elke rookkamer met een 'plaatijzeren deur' afgesloten moest worden. De twee nieuwe percelen kregen een gelijkvloerse en een eerste verdieping. Daarmee werd de bestaande magazijnruimte uitgebreid met ruim 1060 m".


Vy E RK1MG_ VJ^N J L H A R LüaROKEEU Voor en na de Tweede Wereldoorlog kende de Haringrokerij haar grootste bloei. De werkwijze was zeer ambachtelijk. Elke dag opnieuw reden de rokers 's ochtends vroeg met paard en kar naar de haven om de verse vis af te halen. Die kwam in vaatjes vanuit Harwich, Engeland. De vis werd eerst vier uur lang in bakken met zout water gepekeld, dan in zuiver water schoongewassen, waarop de vrouwen de haringen aanspitten. Hiertoe werden de vissen door de ogen op houten stokken gestoken, twaalf haringen op een stok van ongeveer een meter lang, op gelijke afstand verdeeld om te voorkomen dat ze tijdens het roken aan elkaar zouden kleven.

Het bedrijf Van den Bemden verwerkte naast haring ook heilbot en zeepaling. Het had een internationaal karakter en was zeer actief op het vlak van import en distributie naar andere rokerijen, zoals in Mariekerke, Gent, Brugge en de streek van Charleroi.

De rookschouwen zijn huizenhoge kamers in metselwerk, kabuis genoemd, ongeveer zes meter diep, door balken aan weerszijden in vakken verdeeld. Over de balken liepen dwarslatten tot boven toe. Arbeiders klauterden in het want omhoog om de stokken met aangespitte haringen op te hangen. Drie vuren op de vloer van de 'kabuizen', gestookt met krullen van beukenhout (gemengd met andere houtsoorten), zorgden voor het drogen van de vis. Daarbij stonden de luiken bovenaan open, waardoor rook en waterdamp konden ontsnappen. Na een vijftal uur begon het eigenlijke roken. Luiken gingen halfdicht en de roker wierp zaagsel en krullen op het vuur. Het hele rookproces duurde ongeveer een werkdag. In topperiodes werd dag en nacht gewerkt en in twee cycli geproduceerd. De gewone werkwijze leverde een bruine haring. De bereiding van een kipper kwam op hetzelfde neer, maar hierbij werd de vis eerst van zijn ingewanden ontdaan. Voor een zoete (niet gepekelde) bakharing volstond het te drogen, zonder te roken, terwijl voor bokking stomen volgde met gesloten luiken, waardoor waterdamp in de ruimte bleef hangen. Een ruwe schatting geeft aan dat, verdeeld over elf schouwen, per dag ongeveer 400.000 vissen verwerkt konden worden: 12 vissen per stok, 67 achter elkaar, 25 boven elkaar, 8 dubbele en 3 enkele schouwen. Wanneer het bedrijfin volle bloeiperiode 24 uur op 24 draaide, werd de productie verdubbeld.

A

in de deuropening

Binnenzijde van één

van de eerste ver-

van de rookkamers

dieping werd veilig-

met houten want

heidshalve een leu-

om de haringen

mng aangebracht

aan op te hangen;

(foto H. Debruyn)


waardoor de opslagcapaciteit van het bedrijf meer dan verdubbelde. De verkoopplaats die vóór de rookschouwen lag, werd omgevormd tot atelierruimte met 'gemetselde bakken voor het ontzouten van visch\ die aan de volgende bouwvoorschriften moesten voldoen 'tenminste Om 10 <of 10cm> van alle scheidsmuren verwijderd zijn en binnenwaarts met cementmortel bezet... het lokaal waar de visch ontzouten wordt zal goed moeten verlucht worden en op zulke wijze dat de geburen er geen last van vinden (14). Enkele jaren later was er opnieuw nood aan uitbreiding: ditmaal werd een bouwaanvraag ingediend 'om eenen paardestal op te richten {X^). Deze stal had 20 paardenboxen, wat nogmaals wijst op de expansieve groei van het bedrijf. Het gebouw was opgedeeld in twee niveaus met een stalling op de gelijkvloerse en een opslagruimte op de eerste verdieping, die gedragen werd door gietijzeren zuilen met daarop stalen liggers en troggewelfjes van beton. Deze merkwaardige betonconstructie is typisch voor de overgang tussen traditioneel en modern bouwen, waarbij oude constructiewijzen gehandhaafd worden terwijl het materiaal geëvolueerd is. In het platte dak werden twee grote, vierkante luchtkoepels uitgespaard, die samen met een aantal luchtbuizen voor de luchtcirculatie zorgden. Ook dit gebouw werd in de tuin van de woning in de Scheldestraat opgetrokken. Daarvoor moest voor de tweede keer een klein, houten tuinpaviljoentje verplaatst worden, dat de familie Van den Bemden eerder al verhuisd had omdat het op de plaats stond waar de twee eerste rookschouwen moesten komen (16). Het bedrijf floreerde zodanig dat ook het briefpapier werd aangepast: 'Established 1700. Van den Bemden Brothers. Licensed Fishsalesmen. Antwerp (17). Pas in 1922 werd de naamloze vennootschap 'Etablissements Van den Bemden Freres gesticht (18).

Verand e rings werken Het lijkt erop dat voor de verdere uitbreiding van het aantal rookschouwen geen extra bouwvergunning aangevraagd hoefde te worden omdat de schouwen opgetrokken werden binnen de bestaande infrastructuur en omdat het bedrijf een principiële vergunning voor het roken van vis bezat voor de duur van 30 jaar. Een plan, gevoegd bij een akte uit 1922, laat vermoeden dat er toen waarschijnlijk twee of zelfs drie rookschouwen in gebruik waren met in totaal minimum acht en maximaal tien rookkamers en

evenveel rookkanalen (19). Deze schouwen werden gebouwd binnen de bestaande infrastructuur: zo werden achter de trapgevel van de linker middenachterbouw twee van de oorspronkelijk vier oude paardenstallen omgebouwd tot rookschouw met twee rookkamers. Het is niet duidelijk of deze rookschouw reeds in 1922 in gebruik was, maar dat was zeker het geval in 1934 (20). Het achterdeel van de uiterst rechtse vleugel was daarentegen reeds in 1922 tot rookschouw met vijf rookkamers verbouwd. Vast staat dat het aantal rookkamers voortdurend veranderde. Waarschijnlijk komt dat door de herhaalde schoorsteenbranden. Wanneer de rookschouw toch hersteld moest worden, kon meteen ook de indeling van de rookschouw veranderd worden. Zo waren er in de oudste schouw, waarin volgens het goedgekeurde plan van 1906 twee rookkamers waren (21), drie rookkamers in 1922 en vier ten laatste in 1934 (20). Waarschijnlijk was een brand in één van de drie bestaande rookschouwen de aanleiding dat Van den Bemden op 7 juli 1934 het provinciebestuur om een toelating vroeg voor de bouw van een vierde rookschouw in de rechterhelft van de middenachterbouw, waar de laatste twee van de vier oude paardenstallen overbleven. O p dat ogenblik had het bedrijf dertien rookkamers in gebruik (22). Uit vergelijkend onderzoek van de plannen uit 1927 en 1934 blijkt bovendien dat het zadeldak boven de eerste rechtervleugel voor de rookschouwen ten laatste in 1934 met meer dan één meter werd verhoogd (23); dat blijkt ook uit één van de zeldzame historische foto's uit deze periode, waarop af te lezen is dat de oorspronkelijke daklijst samenviel met de aanzet van de eerste trede van de trapgevel (24). Ook het feit dat de twee achterste helften van twee van de vijf rookkamers dichtgebouwd zijn, doet vermoeden dat deze rookkolommen extra verstevigd moesten worden. Al deze elementen lijken erop te wijzen dat waarschijnlijk in of kort voor 1934 een brand heeft gewoed in en naast de grote rookschouw in de rechtervleugel, niettegenstaande de architecten Cols en De Roeck hier in 1927 flink wat verbouwd hadden. Die waren echter vooral in de uiterste rechtervleugel uitgevoerd en niet in de vleugel aan de binnenplaats. Zo hadden Cols en de Roeck het voorste deel van het uiterst rechtse magazijn vervangen door een garage, met daarachter een nieuwe opslagplaats voor gedroogde en gezouten vis (25). Deze ruimte werd verlucht door een centrale, vierkante koepel op de eerste verdieping, en had vaststaande ramen in de buitenmuur, die de scheiding vormde met de speelplaats van de jongensschool. O m d a t deze ramen vast waren, was er


AMQEREJi' Vlakbij de Kronenburgstraat, in de Riemstraat 3 3 35, moesten de rookschouwen van 'De Antwerpse Vishandel' eveneens verhoogd worden. In plaats van het hele schouwblok te verhogen heeft men op elk rookkanaal een 4 meter hoge eternietbuis geplaatst. Deze schouwen werden nog tot in de jaren tachtig gebruikt, tot alle vergunningen werden ingetrokken omdat het ambachtelijk haringroken niet langer te verzoenen viel met de steeds strengere wetten op de volksgezondheid. Deze schouwen zijn nog intact en gebruiksklaar. Het visbedrijf werd intussen echter gesloten. Van de twee andere visrokerijen in de Riemstraat 17 (sinds 1905) en 19 (sinds 1936) is niets meer overgebleven. Niet minder imposant is het meer dan 20 meter hoge schoorsteenblok van de haringrokerij Peetermans in De Goede Hoopstraat 8, aan de achterzijde van de vismijn. De infrastructuur van deze voormalige haringrokerij werd reeds jaren geleden verwijderd, uitgezonderd de rookschouwen, die merkelijk hoger zijn dan die van Van den Bemden, zodat de kostprijs voor de sloop ervan de eigenaars steeds heeft afgeschrikt.

Heel anders is het gesteld met de kleine rokerij in de Hofstraat 5-7, waar geen vis maar vlees werd gerookt. Hier zijn de pekelbakken voor het inzouten van het vlees in de 17de-eeuwse kelder ondergebracht, terwijl de twee rookschouwen alleen op het niveau van de gelijkvloerse verdieping gebruikt werden. Opmerkelijk is dat de huidige bewoonster de inrichting van dit vleesbedrijf in zijn oorspronkelijke toestand behouden heeft, waardoor het belang en de aantrekkelijkheid van het geheel toegenomen zijn. Door de ruimte in gebruik te nemen als galerie voor beeldende en toegepaste kunst hoefde niet zo nodig zwaar ingegrepen te worden. Integendeel, het deels ambachtelijke karakter van de getoonde objecten en materialen onderstreept het ambachtelijk verleden van de rokerij, waardoor de impact van zowel de galerie als de rokerij versterkt worden.

N^AMDA/IRPIN •4 Rookschouw van Peetermans' haringrokerij in de Goede Hoopstraat 8, Antwerpen (foto: M. Debrujm)

Rookschouw van de Antwerpse haringhandel In de Riemstraat 33-35, Antwerpen (foto; M. Debruyn)

Rookkamers van de vleesrokerij In de Hofstraat 5-7, Antwerpen (foto: 0. Pauwels)


waarschijnlijk te weinig ventilatie, want kort daarna werd het bedrijf aangemaand om 'opengaande vensterramen aan te brengen in de in- en uitgangspoorten van uw werkhuis' {2(3). In 1929 tekenden dezelfde architecten de plannen voor drie telefooncabines tussen het kantoor van de directie en dat van de bedienden (27), en in 1931 voor de verbouwingswerken in het magazijn van de gebroeders Van den Bemden in de nabijgelegen Riemstraat 43 (28).

Klachten van de buren In 1927 registreerde de stedelijke administratie de eerste klachten van de buren. Na onderzoek ter plaatse trad de stedelijke gezondheidsdienst deze klachten bij: Ik heb bestatigd dat tegen den scheidsmuur achterbouw zoutputten bestaan, welke doorzijpelingen voortbrengen, en vuile pekel reuken verspreiden in de achterplaatsen der huizen Volkstraat 12-14' (29). Het bleek dat tussen de zoutbakken V« den scheidsmuur een ruimte van OmlO breedte bestaat, die bovenaan is dichtgemetseld. Verder grenzen de bakken voor het ontzouten van visch aan twee binnenmuren, die aan den scheidsmuur raken. Tevens zijn de bakken vooral op den bodem, niet meer degelijk gecementeerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zout water door capillariteit den scheidsmuur aantast, te meer daar langs die zijde de wand der gemetselde bakken slechts 112 steen dik is en op verschillige plaatsen door een steen, welke steunverbinding vormt, met den scheidsmuur in aanraking komt' (30). De oplossing van dit zoutprobleem vereiste drie maatregelen: het contact tussen de gemetselde bakken en de scheidsmuren moest verbroken worden, de bakken moesten opnieuw gemetseld worden op een dikte van een volle steen, en tenslotte weer met cementmortel bezet worden - ook op de bodem. De klachten uit 1934 zijn waarschijnlijk ontstaan uit de angst van de buurt voor een nieuwe, meer kwaadaardige brand dan diegene die kort tevoren had plaatsgevonden vanuit de rookschouwen in de rechtervleugel. De klachten gingen ook niet meer over zoutontwikkeling of kwalijke geuren, maar over de rookschouwen, eerst over de roetneerslag, later over de rookhinder. Deze klachten werden door de bedrijfsvoerders als onbestaande afgewimpeld: ... Feitelijk zijn deze schouwen bijzonders bestemd tot het droogen van visch en byhoorig tot het rooken. Wij verstaan door droogen het aansteken van heldere houtvuren, geheel rookvrij, die de haring droogen door de hitte en trek door deze vuren verwerkt. Rooken mogen deze vuren niet, daar dit aan de

haring een lichtgele kleur zou geven die hem van minder waarde maakt. Van tijd tot tijd, en dan alleen werkelijk bij nacht, gaan wij over tot rooken, 't is te zeggen het bereiden van visch met rook. De schouwen zijn van valluiken voorzien, welke gedurende het grootste gedeelte der bewerking de schouwen sluiten. Er schijnt in de buurt een gedacht te heerschen dat het roet welke den omtrek overdekt aan onze schouwen toeschrijft. Dit roet komt echter van de naburige fabrieken (Elektriekfabriek, Waalsche kaai?) en het is gemakkelijk te bewijzen dat het bewuste roet van steenkolen voortkomt. Trouwens moesten er deeltjes roet in onze schouwen vliegen zouden deze zich onvermijdelijk op den visch hechten waardoor hij onverkoopbaar werd (31). De buurt liet het er niet bij en diende opnieuw een klacht in wegens rookhinder. De Technische Dienst controleerde ter plaatse maar vond geen bewijzen van rookhinder (32). Wel constateerde hij dat de schouwen niet de voorgeschreven 2 meter boven de nok van het hoogste dak in de buurt uitstaken. Dat was dus wel een flagrante overtreding op de vergunning van 1906. Tegen de stedelijke en de provinciale aanmaning om deze tekortkoming binnen de maand op te lossen, tekenden de bedrijfsleiders verzet aan; 'Het probleem dat ons gesteld is, is van geene gemakkelijke oplossing. Verschillige projekten zijn grondelings onderzocht en hebben op industrieele gronden moeten verworpen worden. Wij zijn nu tot overtuiging gekomen dat het noodzakelijk zou zijn om aan uwe bepalingen te voldoen, van het geheele gebouw met iets van twee verdiepen op te trekken. Dit ontwerp is nu in handen van de Bestendige Deputatie... Het is dan toch wel te betreuren dat wij onder zulke condities op belangrijke kosten gejaagd worden. Daarenboven, wanneer wij ons zouden verplicht zien deze werken aanstonds aan te vangen, in het volle van onze zoo seizoenlijke nijverheid, is het onvermijdelijk dat wij het grootste deel van ons personeel, dat tijdelijk tot op een honderd man beloopt, zouden moeten afdanken. De vreemdeling - Hollandse autokamionleurders - waarvan er dagelijks verschillende in de omstreken van de vischmarkt hunne vracht afzetten, zouden de eenigen zijn om uit zulke toestand nut te trekken' {55) • O m te voldoen aan de opgelegde regels moesten de schouwen inderdaad met 9 meter verhoogd worden, omdat het hoogste magazijn in de buurt 20 meter en de rookschouwen gemiddeld 13 meter hoog waren. De bedrijfsleiders argumenteerden dat hun bedrijfin 1894 opgestart was met de goedkeuring van het stadsbestuur toen er nog geen andere bedrijven in de buurt gevestigd waren. Na heen-enweergelobby tussen het stads- en het provinciebe-


'Ontwerp voor het

ï7-% JSBTWOTII

glA/3t

VQQP ïirnKk

verhoogen van

DEP ^BEOEKP^ m m B£HPEH

S a M l e o-i». 1»»

rookséouwen ...,

V.C01A t J.St KOtQt' U W .

Antwerpen 11/4/1936; getekend V. Cols S J. De Roeck (kopie: Architectuurarchief van de provincie Antwerpen)

-flwn

stuur werd een compromisoplossing voorgesteld waarbij de rookschouwen slechts met 4 meter verhoogd moesten worden (34). De bouwaan vraag hiervoor werd in 1936 ingediend en goedgekeurd (35). In 1939 tenslotte werd een laatste bouwdeel — 'een bergplaats voor nieuw inpakgerief — toegevoegd achter de rechter rookschouwen (36). Dit was de derde hap uit de tuin van de Scheldestraat, na de oprichting van de rookschouwen (1906) en van de grote paardenstal (1910).

Mechanisering In de periode tussen de twee wereldoorlogen werd overgeschakeld van paarden- en mensenkracht op motoren, die werden aangedreven door elektriciteit, benzine of stookolie. Dat betekende onder meer dat de paardenstal omgevormd moest worden tot atelier voor de verwerking en de bewaring van

a«r

^ctiowwitg^gn.

visproducten. Dat proces was reeds in 1914 ingezet met een exploitatievergunning voor '2 elektrieke motors ieder van hoogstens 2PH... zij zullen elk een toestel bewegen om blikken dozen te sluiten' (37). Nadat het voorste magazijn heringericht was tot garage en de voorste valluiken gedicht waren, kwamen er in 1927 nieuwe valluiken bij achter de garage. Daarvoor werden twee elektromotoren van 2 H P aangevraagd om de ophaaltoestellen aan te drijven, die de gedroogde vis naar de opslagzolder en de gezouten vis naar de kelder hesen (38). Het oude bijstad achtet de kleine trapgevel was van dan af niet langet functioneel. Ook de inrichting van de garage veronderstelde de bouw van een benzinetank, een 'nafiaput'{l0))• Wanneer in 1936 de rookschouwen met 4 meter verhoogd werden, diende het bedrijf een aanvraag in om een elektrische motor te plaatsen, die kettingen zonder einde aan-


dreef, zodat de haring snel en efficiënt in de schouwen gehesen kon worden. (40). In 1939 tenslotte, nadat de principiële 30-jarige vergunning uit 1906 vervallen was, moest een nieuwe exploitatievergunning verkregen worden 'voor het droogen, rooken, inleggen, zouten en allerlei bereiding van haring en visch, ook tot den verkoop en opbewaring van deze waren (41). In totaal ging het om 9 bijkomende vergunningen namelijk voor vier elektromotoren van 2 HP, vier van 3 H P en één van 5 H P om een brandhoutzaag aan te drijven. Daarbovenop kwamen twee opslagplaatsen voor benzine en stookolie (42). Twee bezwaarschriften — één tegen dreigend brandgevaar en één tegen geurhinder - werden onontvankelijk verklaard en

een nieuwe principiële vergunning werd verleend voor de duur van 30 jaar. De weerzin van de buurtbewoners tegen de aanwezigheid van het bedrijf nam nog toe na de Tweede Wereldoorlog. Toch slaagden de bedrijfsleiders er telkens opnieuw in hun exploitatievergunning door het stadsbestuur, waarmee ze bijzonder goede betrekkingen onderhielden, te laten vernieuwen. Daarbij moesten ze wel hoe langer hoe meer aan bijkomende voorwaarden voldoen, die vooral door het Provinciebestuur werden opgelegd. Zo moest de visafval gescheiden van de rest van het afval 'bewaard worden in 1 of meerdere metalen vuilnisbakemmers met afgeronde hoeken en voorzien van een dichtsluitend deksel, waarop in duidelijke letters zal moeten geschilderd worden 'visafval' (43). De stedelijke en de provinciale bestuurders volgden het reilen en zeilen van het bedrijf met verschillende gevoelens. Misschien was het feit dat één van de vroegere Vanden Bemdens politiek kleur bekende als volksvertegenwoordiger daar niet vreemd aan (44).

Het verval Terwijl het bedrijf tijdens de Tweede Wereldoorlog nog op volle toeren draaide — vele mensen leefden immers op de bonnetjes die recht gaven op een 'droge haring' - zakte deze markt na de oorlog geleidelijk maar zeker in. De meeste mensen hadden tijdens de oorlog zoveel haring gegeten dat deze vis een wat negatief imago gekregen had als 'biefstuk van de arme man', met als gevolg dat de vraag sterk was verminderd. Door overbevissing op de Noordzee moesten toen bovendien de verder gelegen Scandinavische viswateren opgezocht worden, met een verhoging van de kosten als gevolg. In 1970 volgden bovendien visquota voor de Noorse wateren. Naast deze economische aspecten, speelden ook milieufactoren en materiële aspecten een steeds grotere rol. Volgens M. Vanden Bemden werkte de rokerij in die periode nog als een continubedrijf, wat wil zeggen dat ook 's nachts gerookt werd. Wellicht is het daaraan te wijten dat tweemaal een hevige brand uitbrak. Als de stokers 's nachts in slaap vielen, kon vuur ontstaan door verhitting van afdruipende oliën of vetten. Rond 1965 verwoestte een brand de werkplaatsen in de linkervleugel volledig. Ook de rekkenconstructies in de aanpalende schouwen aan de binnenplaats en in het magazijn liepen zware brandschade op. Dit deel werd niet meer hersteld. Nieuwe procédés om haring te roken bleken minder arbeidsintensief en niet zo gevaarlijk. Nieuwe investeringen waren niet meer haalbaar, mede door


Achterzijde van de

de eerste verdie-

voorbouw vóór en

ping. De traptoren

na de restauratie,

leidt naar de eerste

met één van de kantoren op de

verdieping van het magazijn en de

geli|kvloerse en de

conciéregewonmg

conciëregewoning op

(foto; 0. Pauwels)

problemen met de fiscus. Het einde naderde ... Bovendien verdwenen de havenactiviteiten uit de omgeving na de demping van de Zuiderdokken. Tot ongeveer 1974 werd er nog gerookt. Later werkte de firma verder in de Riemstraat, tot aan haar ontbinding rond 1979.

Plannen voor afbraak De voormalige directeurswoning aan de Scheldestraat — door een erfeniskwestie al enige tijd zonder bestemming - werd in 1961 verkocht aan het echtpaar De Laet, dat een tehuis voor kinderen had, maar dat al snel verhuisde (45). Het idee om er nadien appartementen in te richten werd nooit gerealiseerd. Sinds 1966 stond het pand leeg. In 1974 kocht de 'Handelsmaatschappij A. Vloebergh' het hele complex op, met inbegrip van de woning in de Scheldestraat. Deze handelsmaatschappij speculeerde op de vernieuwing van het Zuid. Na het dempen van de Zuiderdokken aan het einde van de jaren zestig voorzag men in deze wijk onder meer de massale oprichting van nieuwe kantoren voor de Rijksadministratie. Het was de bedoeling ook de rokerij te slopen en te vervangen door kantoren. Door het uitblijven van deze vernieuwing van het Zuid, onder meer door een onzekere economische situatie als gevolg van de petroleumcrisis, bleven ook deze plannen in de lade liggen. De maatschappij wilde het pand opnieuw verkopen en dacht onder andere aan een warenhuis. Ruime parkeermogelijkheid en een in- en uitgang in twee verschillende straten, leken belangrijke troeven. Ondertussen werd het pand verhuurd en onder meer gebruikt om papier en oud ijzer op te slaan. De gebruikers sloopten een aantal muren en drinkbakken om vlotter te kunnen circuleren met containers. Het verval zette zich door, ook als gevolg van aantasting door huiszwam, grote lekken in daken en verstopte rioleringen. De afbraak leek onafwendbaar ...


EEN

WOONPROJECT

IN

DE S T A D

Het opzet: samen wonen m de stad Wat zoeken jonge gezinnen met enkele kleine kinderen als ze hun appartement ontgroeien: een huis, ruimte, wat groen. In Vlaanderen blijkt een of andere verkaveling nog steeds het meest voor de hand liggende antwoord. Maar ook de stad biedt heel wat voordelen, zeker op iets langere termijn, als die kinderen opgroeien en als mobiliteit en een ruime keuze van activiteiten in de nabijheid een belangrijke rol gaan spelen. Het project van de Haringrokerij startte vanuit die keuze voor het 'wonen in de stad'. Alleen werd het iets breder opgevat. In plaats van die zoektocht naar een geschikt huis alléén, ontstond het idee om dat met enkele gezinnen samen te doen. De achterliggende filosofie was eenvoudig: door samen iets aan te pakken zijn er zoveel meer mogelijkheden, waardoor allerlei voordelen combineerbaar worden. Rust, groen en ruimte kunnen namelijk even goed in de stad, al moet je er soms even naar zoeken, maar door meerdere percelen samen te nemen ontstaat natuurlijk méér ruimte. Evidente voordelen als een gezamenlijke babysit of hulp wanneer iemand ziek is, versterkten de gedachte om samen te wonen. Na vele discussies over de vorm van samenwonen en het lange zoeken naar een geschikt pand, kwam het volgende lijstje met opties uit de bus: - tien tot vijftien volwassenen met hun kinderen; - ieder een woning naar eigen behoefte; - daarnaast een aantal gemeenschappelijke mogelijkheden; - geen overdreven verwachtingen naar elkaar toe; - maar vooral vertrouwen en betrokkenheid als basis voor verdere groei.

Een woonproject in de Haringrokerij Vanaf de eerste zoektocht naar een geschikt pand, die langs tientallen adressen leidde, kwam de Haringrokerij in beeld: oude industriële gebouwen rond een binnenplaats, een magazijn en een groot vervallen herenhuis achteraan, voldoende onbebouwde ruimte, enkele stukken rijp voor de sloop, en een goede ligging. Geleidelijk groeide de Haringrokerij uit tot een soort van referentie in de discussies: ligging, schaal, charme, verschillende sferen, verscheidenheid. Concrete onderhandelingen over een magazijn in Borgerhout konden deze vergelijking niet doorstaan. D e rokerij leek ideaal. Eén

De binnenplaats met een zicht op de middenvleugel vóór en na de restauratie: op de oude foto is in de uiterst linkse hoek de eerste en ook de oudste rook-

schouw nog te herkennen. De rookschouw achter de trapgevel was pas later in de bestaande structuur ingebouwd. Oorspronkelijk was deze vleugel uit-

sluitend als paar denstalling en bergruimte voorzien. (foto: 0. Pauwels

struikelblok bleek onoverkomelijk: de slechte staat van het complex en de daarbijbehorende kostprijs voor renovatie. Toen sijpelde informatie door over de lopende procedure voor de bescherming van de Haringrokerij als monument vanwege haar industrieel-archeologische waarde. Een bescherming en de bijbehorende subsidies voor restauratie (tot 90%!) betekenden dat het financieel mogelijk werd om de rokerij te verbouwen tot woonproject (46). Naar aanleiding van de inventarisatie van Antwerpen-Zuid startte inspecteur Jo De Schepper in 1983 het vooronderzoek om deze historische site te beschermen: 'Het gaat om het enige tot heden gekende voorbeeld van deze industrie. ... uniek zowel wat betreft de intaktheid van de inrichting, als wat de typische schaal, de ligging en de stilistische aankleding aangaat. ... Gelet op het eigen karakter van het gebouw kan een bestemming na restauratie enige moeilijkheid opleveren. Het gebouw is best geschikt voor een kleinschalige industrie die niet storend is in de buurt en die zich in het gegeven gebouw kan inpassen (47). O p die basis startte de procedure voor de bescherming van het pand als monument, vanwege het merkwaardig en uniek industrieel-archeologisch karakter. H e t magazijn, met een constructie van gietijzeren kolommen en stalen liggers, gewelven in gewapend beton, de rookschouwen zelf met bijbehorend alaam, het merkwaardige houten tuinhuisje met Scandinavische invloeden, de paardenstallen en de binnenplaats, vormden bijkomende elementen van de industrieel-archeologische waarde van het geheel. De woongroep won informatie in bij de betrokken diensten en kreeg meer zekerheid: het historische en monumentale karakter bleek een troef en vormde nergens een hinderpaal voor het woonproject. De inpassing van de nieuwe woonfunctie in het complex was uit stedenbouwkundig oogpunt zeker evident. Ook de vereiste verbouwing van het pand zelf was aanvaardbaar. Door dit initiatief zou de


. m

-

•

'-

1?

T-M

•

i - -

•

•

iS:- v

b

M&L


A Gezicht op de grootste rookschouw die gerestaureerd werd, gezien van op de binnenplaats en vanuit de tuin achter de middenvleugel, waarin acht ramen gestoken werden, (foto's 0. Pauwels)

rokerij immers van de ondergang gered worden. Enkele basisopties lagen vrij snel vast: bij de restauratie moesten de schouwen rechts hun industrieel karakter behouden, inclusief de typische rookgeur. Gekoppeld aan de gemeenschappelijke ruimtes vormde dat echter geen probleem. De volledig uitgebrande schouwen links konden in de woningen opgenomen worden. Samen met een grondige aanpak van het magazijn, met respect voor het constructieve aspect, konden woningen geconcipieerd worden met voldoende licht en ruimte.

De aankoop en de verdere procedure De Haringrokerij werd in januari 1986 aan de woongroep verkocht, ditmaal met het oog op een volledige renovatie en met plannen voor de realisatie van het woonproject. De prijs was zeer voordelig, want de vernieuwing van het Zuid was nog niet op gang gekomen. Eén jaar later, op 16 januari 1987, volgde de definitieve bescherming van de rokerij als

monument. De achtergevel van de woning in de Scheldestraat werd mee opgenomen als beschermd stadsgezicht. Hierdoor was deze renovatie niet onderhevig aan bijzondere administratieve procedures, zodat de werken voor de verdeling in twee woningen reeds in 1987 konden beginnen. De eerste bewoners verhuisden in 1988. De restauratie van het beschermde gedeelte aan de Kronenburgstraat verliep volgens de toen gangbare procedure van de Afdeling Monumenten en Landschappen, in de loop van 1989 werd het voorontwerp ingediend, dat in oktober door de Minister werd goedgekeurd. Eigenlijk ging het om een gelukkige samenloop van omstandigheden: een bescherming als monument, de afwending van de sloop, de verkoop, een nieuwe bestemming en de realisatie van een woonproject op vrij korte termijn. De puzzel paste mooi in elkaar. De charme van de oude industriële gebouwen bleek uitstekend te combineren met de hedendaagse wooneisen. De nieuwe bestemming maakte wel een grondige aanpassing van het gebouw noodzakelijk, waarbij de restauratie van originele delen sterke contrasten opleverde met grondig verbouwde stukken. Oud en nieuw werden in één geheel samengebracht. De realisatie verliep vlug, dat had veel te maken met de directe opvolging door de Afdeling Monumenten en Landschappen en met de aangehouden inspanning van de hele groep, die het dossier van dag tot dag opvolgde, alle mogelijke contacten legde en inspeelde op alle gelegenheden om het project in de kijker te stellen.


De eerste Open Monumentendag en de daaropvolgende steun door de Koning Boudewijnstichting waren eveneens van groot belang. Door deze externe steun werd het particuliere belang enigszins overstegen, het hielp om tijdig budgetten vast te leggen, handtekeningen binnen tijdslimieten te plaatsen en om het geheel binnen een haalbare termijn op gang te krijgen.

Ontwerp en restauratie Voor de restauratieplannen tekenden twee architecten. Peter Vermeulen en Peter Vande Sompele, beiden leden van de groep die het woonproject realiseerde. De restauratie door bouwonderneming Van Hekken startte in 1991, de oplevering vond plaats in 1993. In grote lijnen komt de verbouwing erop neer dat de gevel en het exterieur van het gedeelte rond de binnenplaats bewaard zijn, terwijl een groot gedeelte van het interieur verbouwd werd, evenals het magazijn achter de binnenplaats. Van de oudste rookschouwen kon jammer genoeg niets behouden worden. Een beknopt overzicht van de belangrijkste ingrepen levert volgend resultaat op: Voorbouw - exterieur, op de eerste verdieping werd achteraan een balkon toegevoegd. De bedaking van de voorbouw en de traptoren werd met natuurleien vernieuwd. Onder het afdak aan het linkerdeel van de voorbouw werden een fietsenbergplaats en een

opslagruimte voorzien, aansluitend op de tuin. Hier kan ook een auto binnenrijden om te laden of te lossen. Voorbouw - interieur, in het voormalige directeurskantoor (rechts van de ingang) werd de eiken lambrisering weer vervolledigd en werden de lichtkoepels vernieuwd overeenkomstig de oude detaillering. Van hieruit werd een verbinding gemaakt naar de voormalige garage, om de kantoren te vergroten. In dit uiterst rechtse deel van de voorgevel werd een verbinding gemaakt van de kelder tot de verdieping, met een eenvoudige industriële trap en een vide, dichtgelegd met loop-roosters, om een betere lichtinval in de kantoren te krijgen. O m dezelfde reden werd de poort vervangen door een glasconstructie. Het oude hijswiel achter de trapgevel werd bewaard. De kantoren van de bedienden, aan de overzijde van de doorgang, werden eveneens vernieuwd. Ook de telefooncabines werden hier bewaard. De oude toiletten aan de achterzijde werden evenwel verwijderd. Boven de doorgang, in de voormalige conciërgewoning, werd op de eerste en de tweede verdieping telkens een appartement ingericht met één slaapkamer. Rechtervleugel - exterieur, op de gelijkvloerse verdieping werd een terugspringende wand in de gevelwand van de binnenplaats gebouwd op de plaats


1

1

• '

't mimi o 'ij

Uhm •pp

a


•4 Werkhuis met pekelbakken voor de rookschouwen na

er een betere verhouding tussen bebouwing en open ruimte, wat belangrijk was voor de nieuwe bewoners.

de restauratie, (foto: 0. Pauwels)

van de twee voormalige poorten naar de werkplaatsen. Rechtervleugel interieur, vooraan werd een woning ingericht. O m genoeg licht in deze vrij ingesloten ruimte te brengen, werd een vide gemaakt naar de verdieping, aansluitend op een dakterras, dat uitgespaard werd achter de voormalige garage. In het overblijvend gedeelte van de rechtervleugel werd de rookschouw bewaard en gerestaureerd, evenals de werkplaatsen op de gelijkvloerse en op de eerste verdieping, die als gemeenschappelijke ruimte werden ingericht. De twee niveaus werden verbonden door een trap in één van de rookschouwen, zodat de bezoeker nog steeds geconfronteerd wordt met de sterke geur van het haringroken. O p de gelijkvloerse verdieping werden enkele pekelbakken behouden, evenals de rekken met alaam. Omdat de schouw zelf in goede staat bewaard was, moest ze tijdens de restauratie enkel schoongemaakt worden. De luiken werden gesloten zodat er geen duiven meer binnen zouden vliegen. Alleen werden de onderste gedeeltes van de muren hermetseld omdat ze door het jarenlange stoken volledig doorgebrand waren. Ook moesten de stalen deuren van de rookkamers op de benedenverdieping vernieuwd worden, terwijl ze op de eerste verdieping behouden konden blijven. De vloer tussen beide niveaus werd vervangen door een plaat in gewapend beton, nadat bleek dat de profielen tussen de gemetselde gewelven volledig doorgeroest waren. In de achtergevel werden ramen geplaatst in de gemeenschappelijke ruimte aan de tuin, zijde Scheldestraat, zowel op de gelijkvloerse als op de eerste verdieping. De spanten voor het vernieuwde zadeldak werden op de profielen van het voormalige betonnen dak geplaatst, om de stevigheid van het geheel tijdens de verbouwing niet in het gedrang te brengen en om een restant van de bewogen geschiedenis te bewaren. Een aantal oude vloertegels kon in dit achterste gedeelte gerecupereerd worden. De binnenplaats: de ruimtelijkheid van de binnenplaats werd hersteld door een pergola die de tuin afbakent. De oude werkplaatsen links van de binnenplaats werden verder afgebouwd: er waren nauwelijks enkele overblijfselen en op deze wijze ontstond

De middenvleugel: aan de kopzijde van de binnenplaats werden de twee oudste paardenstallen aan de rechterzijde bewaard. O p de verdieping, boven de stallen, de doorgang en de schouwen achter de trapgevel, werd een kleinere woning ingericht, bereikbaar van op de loopbrug, die ook vanuit de gemeenschappelijke ruimte bereikbaar is. Deze woning is via een metalen trap met de binnenplaats verbonden. De linkervleugel achter de binnenplaats — exterieur: de gevel van het oude magazijn — oorspronkelijk paardenstal - werd achteruitgeschoven om een rechtstreekse doorgang van de binnenplaats naar de tuin achteraan mogelijk te maken, en om de woningen minder diep te maken. De linkervleugel achter de binnenplaats — interieur: dit magazijn werd zeer verregaand verbouwd, omdat de omvorming tot twee gezinswoningen meer aanpassingen vergde dan voor een eengezinswoning. De structuur van de kolommen en de liggers met de betonnen gewelven, werd nochtans het uitgangspunt voor de verbouwing in cellenbeton, dat gebruikt werd om de overgang van de staalconstructie van binnen naar buiten op te vangen en om 'koude bruggen' te vermijden. Samen met interne koepels werd ook hier voldoende lichtinval gecreëerd. De verschillende niveaus werden met elkaar verbonden door tussenniveaus, zonder evenwel het gevoel van ruimte aan te tasten. In de eerste woning werd een doorgang gecreëerd tussen de oudste rookschouw en de schouw achter de trapgevel. De indeling van de vier rookkamers van de oudste schouw werd hergebruikt in de indeling van de woonruimte, de plaatsing van de ramen in de gevel en de balken in de betonnen vloerconstructie. O m deze ruimte bewoonbaar te maken werd een halve steen afgekapt, een isolatielaag geplaatst (tegen roetdoorslag) en een nieuwe halve steen gemetseld. In de tweede woning werd een tussenniveau aangebracht, waarbij een loopbrug in glas en staal de verbinding maakt tussen extra speel- en kantoorruimte en tegelijkertijd de circulatie naar de verdieping met twee afzonderlijke trappen organiseert. Deze trappen werden in de oude structuur van de betonnen gewelven ingepast. O p die manier bleef de ingreep beperkt en de circulatieruimte op de verdieping minimaal, terwijl alle slaapkamers rechtstreeks aansluiten op het centrale terras. De bad- en


douchekamer in de hoeken werd verlucht/verlicht door een dakkoepel. Het huis in de Scheldestraat 63: deze woning werd onderverdeeld in twee woningen die rechtstreeks in contact staan met de tuin. De eerste strekt zich uit over de gelijkvloerse en de tweede verdieping, de tweede over de eerste en de derde verdieping. De achtergevel werd opengewerkt en van een extra niveau voorzien zodat de beschikbare ruimte optimaal werd benut. Het tuinpaviljoen: dit is intussen aan zijn vierde locatie toe. Na de eerste verhuizing naar aanleiding van de bouw van de eerste schouwen, volgde een tweede bij de bouw van het magazijn achter de eerste schouwen, en nu dus een derde naar de andere zijde van de tuin, om meer licht binnen te laten in de woning. Het tuinhuis staat misschien symbool voor de flexibiliteit van het hele gebouw, dat een grondige aanpassing op een interessante manier overleefd heeft. Technische problemen: de verbouwing werd op een vrij traditionele manier uitgevoerd. Klassieke pro-

blemen, zoals huiszwam, werden opgelost. Het enige probleem dat onderschat werd, waren de zouten in het metselwerk. O p tal van plaatsen zijn na de renovatie zoutvlekken aan het licht gekomen, wellicht als gevolg van de vroegere activiteiten. Na wetenschappelijk onderzoek door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium naar de mogelijkheden om zouten te extraheren, werd uiteindelijk voor een pragmatische oplossing gekozen. Enkele oude muren werden uitgekapt en vervangen door nieuw metselwerk. Dit werk werd enkel uitgevoerd in de particuliere woningen. Een deel van het probleem blijft bestaan in de gemeenschappelijke ruimte en in de kelders.

Een eigen vorm van wonen Vanaf het begin werd geopteerd voor 'afzonderlijke woningen'. Daarnaast was er echter nog ruimte over om een aantal gemeenschappelijke voorzieningen uit te werken, die het wonen een extra dimensie geven. Het geheel werd over drie niveaus verdeeld. Het individuele niveau bevat ieders privé-woongelegenheid, met keuken, leef- en slaapruimtes, badkamer, terras. Hiervoor werd gekozen voor vol-


doende privacy. Bij de inrichting was iedereen vrij de vormgeving te bepalen vanuit eigen woonideeën en levensstijl. En omdat de bewoners van elkaar verschillen, zien de woningen er ook helemaal anders uit. Zo was de verbouwing geen confectie maar maatwerk. Met de directe buren werden praktische ruimtes gedeeld: een gezamenlijke kelder met diepvries, wasplaats, bergruimte. In het voormalige magazijn werd een deur geplaatst die de speelruimte van beide woningen met elkaar verbindt. O p het niveau van het hele project werden gemeenschappelijke voorzieningen gecreëerd zoals de tuin, een fietsenbetging, ruimte voor selectief sorteren van afval, kelders, speelruimte voor de kinderen, een polyvalente ruimte (met keuken) voor vergaderingen, feestjes ... O p termijn zijn andere mogelijkheden te onderzoeken, zoals onder meer car-sharing. Omdat de gemeenschappelijke ruimtes aansluiten bij de rookschouwen, is ook het bezoek van groepen niet hinderlijk. In de voorbouw - de voormalige kantoren en de conciërgewoning - zijn vandaag naast het architectenbureau Archi 3, ook nog 'Stramien, Atelier voor Stadsvernieuwing en Ruimtelijke Planning' en

Achterzijde van de

geschoven terwijl de

middenvleugel en

draagstructuur

magazijn achter de

behouden werd.

oudste rookschouw,

De rookschouw

vóór en na de

achter de trapgevel

restauratie. De

werd inwendig

gevel van dit maga-

verbouwd,

zijn werd achteruit

(foto: 0. Pauwels)

'Antwerpen Averechts, Organisatie voor Stadsbezoeken' gevestigd, met nog twee woongelegenheden erboven. Al deze structuren, gebouwen en voorzieningen garanderen een grotere betrokkenheid tussen alle bewoners, de basis van het hele project. Hier wonen betekent kiezen voor een grotere betrokkenheid naar anderen, met een intensiteit die niet vooraf kan worden vastgelegd, die niet voorspelbaar is en die evolueert in de loop van de tijd. "Liever dan hoge en irreële verwachtingen te koesteren, tasten we af, laten we ruimte voor de verdere uitbouw van gezelligheid, ontmoeting en gezamenlijke activiteiten. We zoeken een flexibele woonvorm die bij ons past, en waarin elk individu zich goed kan voelen. Wat is het ritme tussen 'privé' en 'samen'? Hoe springen we om met onderlinge verschillen? Hoe op eikaars kinderen reageren? De ondervinding leert het. Attent zijn, op tijd een rustig gesprek over wat ons gaande houdt, hoe we er tegenaan kijken, af en toe eens terugblikken en op tijd en stond eens goed doorfeesten,... tot vandaag werkt de formule uitstekend". Al van in het begin van de planningsperiode trok de hele groep jaarlijks een weekend naar de Ardennen. Al moest hier en daar een en ander uitgepraat worden, toch was de conclusie duidelijk: iedereen woont hier erg graag.

Interne werking / duidelijke afspraken O m deze woonideeën reëel te ondersteunen werd gekozen voor heldere, zakelijke, duidelijke en eenvoudige afspraken. Mede vanwege de uiterst gunstige subsidieregeling voor particulieren in vergelijking met deze voor rechtspersonen (90% tegenover 60%), kreeg een systeem van mede-eigendom de voorkeur. Het werd een juridische structuur die veel gebruikt wordt en ook aanpasbaar is aan eventuele toekomstige behoeften. Zo werden de grond en de gebouwen van de Haringrokerij gemeenschappelijk aangekocht en daarna pas verdeeld. Ieder koos een woning als privé-eigendom. De resterende gedeelten, zoals tuin, binnenplaats, kelders


•4 Gedeelte van het magazijn dat ontmanteld werd. uitgezonderd de draagstructuur (foto 0. Pauwels)

en rookschouwen,... bleven onverdeeld. Er werd een onderlinge overeenkomst uitgewerkt voor het beheer van het goed en de eventuele overdracht ervan bij overlijden of vertrek van één van de eigenaars. Deze overeenkomst regelde eveneens de verrekening van aankoop en verbouwingen tussen de eigenaars, aangezien de inbreng aanvankelijk nogal verschilde.

Externe werking / activiteiten Wonen in een monument heeft ook consequenties. Eén keer per maand zijn de rookschouwen met bijbehorende ruimten voor het publiek toegankelijk, maar wel volgens afspraak. Het verleden leert dat de gebouwen zo tot de verbeelding spreken dat ze uitnodigen tot meer. De bouwvallige rokerij leende zich al uitstekend voor culturele manifestaties en festiviteiten. Zo werd ze het decor van een voorstelling van de Antwerpse Mime-Studio en het buurtfeest van Opbouwwerk 't Zuid. In het kader van de Zomer van de Fotografie vond hier 'Rooking II' plaats, een project van J. VULTO. De eerste Open Monumentendag op 10 september 1989 lokte meer dan duizend driehonderd geïnteresseerden. Het bleek een initiatief dat voor herhaling vatbaar was. De Nacht van het Monument in 1993, het jaar dat de rokerij genomineerd werd als 'Vlaams Monument' van het jaar, en de Nacht van de Neus of 50 jaar KWB in Sint-Andries in 1995, bleken andere toppers. De Open Monumentendag 1998 bracht opnieuw 6.000 bezoekers over de vloer. Tussendoor was de gemeenschappelijke ruimte het decor voor verschillende tentoonstellingen, kleine

Interieur van het magazijn m de linkervleugel: de trappen in glas en staal zijn opgehangen tussen de troggewelfjes in beton (foto: 0. Pauwels)


muziekoptredens (o.a. met Wannes Van de Velde), andere voorstellingen en talloze vergaderingen. De betrokkenheid van één van de bewoners is een voorwaarde bij het afwegen, selecteren of aantrekken van dergelijke activiteiten. De weerslag op de privacy is één van de elementen in deze discussies.

SIDTBEDFNKING Ontegensprekelijk werd een waardevol industrieelarcheologisch complex voor de sloop behoed. Bovendien hebben jonge gezinnen de gelegenheid gekregen om tegen een haalbare prijs een interessant woonproject te realiseren, een woonproject dat een aantrekkelijk alternatief vormt voor de vrijstaande woning buiten de stad en op die wijze de stadsvlucht tegengaat. Men zou dus kunnen besluiten dat hier een maatschappelijk ideaal verwezenlijkt werd waarbij burgers en overheid op een verantwoorde en oordeelkundige manier ingespeeld hebben op eikaars behoeften. Het resultaat zou een stimulans moeten zijn voor soortgelijke burgerinitiatieven. Daarbij hoort de bedenking dat de huidige premieregeling minder gul is dan de oude subsidieregeling. Daardoor kan de overheid met dezelfde middelen meer projecten en initiatieven steunen dan vroeger, maar wordt het voor de initiatiefnemer financieel wel moeilijker een dergelijk grootschalig project te realiseren. Daar staat tegenover dat de publieke belangstelling voor de monumentenzorg over het algemeen is toegenomen. Bovendien leidt een te ruim budget vaak tot ingrijpende werken en is zuinigheid een belangrijkr stimulans tot behoud. Dit sluit dan weer goed aan bij de zich evoluerende de houding tegenover het monument, waarbij men steeds meer geneigd is het monument te bewaren en minder ingrijpende renovatiewerken door te voeren. Ondergetekenden zijn de gelukkige bewoners van De Haringrokerij: Gerda Van Tulder en Pol Van Steenvoort Els, An, Bart Betty De Wachter en Frederik Janssens Sara, Eva Hilde Kersschot en Peter Vermeulen Wietse, Floris, Hanne, Jonas Lieve Geerts Annelies Mathe en Erik Greeve Annabel, Jolien, Vincent Els Janssens en Peter Vande Sompele Lin, Senne


I

scheldestraat

bureel directeur burelen

kronenburgstraat

Vergelijkende schets

kronenburgstraat

oudste rookschouw

van de Haring-

met vermeld, maar

rokerij vóór en na

wei getekend: ze

de restauratie, naar

bevindt zich precies

tekeningen van

m de hoek links-

Peter Vermeulen en

onder het magazijn,

Peter Vande Sompele

achter de 'schou-

dan zijn naam- en tijdgenoot Emile Thielens, eveneens architect te Antwerpen en docent aan de Koninklijke Academie aldaar. Henri Thielens had zijn kantoor in de Lange Leemstraat 199: van hem zijn een aantal burgerwoningen in Antwerpen en Berchem

(1986-1993). Op de

wen' in de midden-

bekend. De hoekwoning met torentje uit 1895 in de Onze-Lieve-

linkse schets is de

vleugel

Vrouwestraat 1-3 te Berchem, sluit stilistisch het dichtst aan bij het ontwerp voor de Kronenburgstraat. (5) Bouwaanvraag van 24/8/1893 + geveltekening van 7/9/1893 Scheldestraat 63: SAA, Bouwdoss. 1893/1252, koopakte van 19/5/1893: Archief notaris Coppin, notaris Fiocco: 1893/2767.

FINDNOTEN

(6! De gebroeders Leonard Blomme (1840-1918), architect, en Henri Blomme (1845-1923), architect en beeldhouwer, werkten

Gebruikte afkortingen:

samen. Leonard Blomme was sinds 1868 professor aan de

A.P.A,: Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen

Academie te Antwerpen en sinds 1869 provinciaal bouwmeester.

PAA: Provinciaal Archief Antwerpen

Beide broers hadden hun kantoor in de Prinsesstraat 37-39 te

SAA: Stadsarchief Antwerpen

Antwerpen. Volgens de toen gangbare stijl bouwden zij kerken in neogotische

(1) Omtrent het Antwerpse 'Zuid', (Monumenten 'be'leven), Brussel: Koning Boudewijnstichting, 1993, p. 16. (2) Omtrent het Antwerpse 'Zutd', (Monumenten 'be'leven), Brussel: Koning Boudewijnstichting, 1993, p. 14, 24-27.

sancestijl. Tot hun belangrijkste neogotische realisaties in Antwerpen en omgeving behoren de Sint-Willibrorduskerk te Antwerpen (1886-1891) naar ontwerp van Leonard Blomme uit

(3) Bouwen door de eeuwen heen, 3nb, p. XXIV.

1875 en de Sint-Franciscuskerk te Merksem (1894-96) naar ont-

(4) Bouwaanvraag van 8/2/1893 + geveltekening van 8/2/1893

werp van Henri Blomme. Tot hun belangrijksre neorenaissancis-

Kronenburgstraat: SAA, Bouwdoss. 1893/140, koopakte van

M&L

stijl en scholen, kasteeltjes en voorname woningen in neorenais-

tische gebouwen behoren het gemeentehuis van Borgerhout

19/5/1893: Archief notaris Coppin, notaris Fiocco: 1893/2766.

(1886-1889), dat nu districtshuis is, en het voormalige jongens-

Henri Thielens overleed op 12 maart 1919 en is minder bekend

weeshuis in de Durletstraat 8-10 (1879-1881) te Antwerpen. Op


Zurenborg-Berchem staan de dubbelhmzen in de Transvaalstraat 41-43 (1892) en in de Cogels-Osylei 14-18 (1895) model de voor voorname burgerwoningen die zij bouwden.

SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31575; aanvraag van 12/7/1934, vergunning bekrachtigd op 15/9/1934. (23) Zie plannen SAA, Bouwdoss., 1927/27675 & PAA, Hinderlijke

(7) Omtrent het Antwerpse 'Zuid\ (Monumenten 'be'leven), Brussel:

Bedrijven, 1934/24. (24) Zie fotoarchief De Haringrokerij.

Koning Boudewijnstichting, 1993, p. 16-18. (8) Zie geveltekening: SAA, Bouwdoss. 1893/140.

(25)A.P.A. Archieffonds Cols-De Roeck. Vincent Cols (1898-1968),

In hoeverre Thielens' ontwerp beïnvloed werd door de architec-

ingenieur-architect, en Jules De Roeck (1887-1966), architect,

tuur van de vismijn in de vlakbij gelegen Riemstraat, die eveneens

hadden zich gespecialiseerd in de verbouwing van industriële

uit 1893 dateert, is niet duidelijk. Beide gebouwen vertonen

complexen, maar zij bouwden ook kantoren, tuinwijken, scholen

dezelfde basisstructuur: een grote ingangspoort met aan weerszij-

en kerken. De vennootschap Vincent Cols en Jules De Roeck

den één bouwlaag en kantoren vooraan. De conciërgewoning in

werd in 1912 gesticht en werd pas in het midden van de jaren

de Riemstraat werd naast de eigenlijke vismijn gebouwd, bij

zesrig ontbonden. (Met dank aan Dirk Laureys).

Thielens boven de centrale ingang. In beide gevallen gaat het om

Zie plan van 31/5/1927 in SAA, Bouwdoss., 1927/27675; aan-

een eenvoudige bak- en zandsteenarchitectuur, waarbij ook in de

vraag van 11811927, goedgekeurd op 26/8/1927, evenals de plan-

Riemstraat de gevelwand bekroond werd door een balustrade; het

nen van 31/5/1927 en 4/8/1927 in A.P.A. Archieffonds Cols-De

geheel is echter classicerend opgevat.

Roeck, nr. 94. Zie ook een ongedateerd plan van de kelders en van een deel van de eerste verdieping in PAA, Hinderlijke Bedrijven,

(9) Zie aanvraag exploitatievergunning; PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1894/15: aanvraag van 21/4/1894, plan van 17/7/1894, goedgekeurd door de Bestendige Deputatie op 12/10/1894.

1927/doss. 54. (26) SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31575; minuut van 23/2/1 & politierapport van 30/3/1928.

SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18919, doss. 12017; aanvraag van 17/7/1894. (10) SAA, Bouwdoss. 1895/1240. (11) RATINCKX, Adresboek, Antwerpen, dl. XXI, 1895, p. 251. (12) Henri Van den Bemden overleed op 14/4/1902: archief notaris Robeyns: notaris Wyns, 10/2/1922: aktenr. 73. Weduwe Henri-Van den Bemden, de kinderen uit haar huwelijk, en Eduard Van den Bemden kochten de twee betreffende bouwpanden op 29/12/1903; archief notaris De Beuckelaere; noraris Lauwers-Van den Weyngaert, 29/12/1903; aktenr. 1289. (13) Deze bouwaanvraag werd ingediend door de gebroeders 'Vanden Bemden, Brothers', zonder vermelding van de architect. PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1906/54; aanvraag van 29/9/1905, goedgekeurd op 23/2/1906 onder bepaalde voorwaarden. SAA, Bouwdoss., 1905/2353, aanvraag van 13/11/1905, goedgekeurd op 17/11/1905 onder bepaalde voorwaarden. SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18994, doss. 19575; aanvraag van 24/11 /1905, vergunning bekrachrigd op 8/3/1906. (14) Zie plan PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1906/54, goedgekeurd op 23/2/1906. (15) SAA, Bouwdoss., 1909/1841: aanvraag van 29/10/1909, goedgekeurd op 12/11/1909. SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 19021, doss. 22347: aanvraag van 11/2/1910,goedgekeurd op 15/2/1910. (16) Kadaster

Antwerpen,

Mutatieschetsen, 1904/194;

36431,

1907/23; 3643m, 1910/13; 3643p. (17) SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 19021, doss. 22347. (18) Archief notaris Robeyns; notaris Wyns, 10/2/1922; aktenr. 73. (19) Zie plan van 10/2/1922 in Archief notaris Robeyns; notaris Wyns, aktenr. 73. (20) Zie plan van 25/4/1934 in PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1934/24. (21) Zie plan van 23/2/1906 in PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1906/54. (22) PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1934/24: aanvraag van 7/7/1934, goedgekeurd op 29/8/1934.

M&L


(27) Zie plannen van 22/5/1928 en van 30/4/1929 in A.P.A. Archiejjvnds Cols-De Roeck, nr. 94: De Haringrokerij, evenals in SM, Bouwdoss., 1929/33657, aanvraag van 10/5/1929, goedgekeurd op 5/6/1929. (28)SAA, Bouwdoss., 1931/38720. aanvraag van 3/3/1931, goedgekeurd op 13/3/1931. (29)SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31362: rapport Gezondheidsdienst van 20/1/1928. (30)SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31362: rapport Technische Dienst van 13/2/1928. (31) PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1934/24: aanvraag van 7/7/1934. (32)SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31575: rapport Technische Dienst, van 5/10/1935. (33)SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31575: brief van 6/12/1935. (34) Zie plan van 29/11/1935 in A.P.A., Archieffonds Cols-De Roeck, nr. 94: De Haringrokerij, evenals in PAA, Hinderlijk Bedrijven, 1934/24, wijziging vergunning goedgekeurd op 29/1/1936 & SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31575, wijziging bekrachtigd op 25/2/1936. (35) SAA, Bouwdoss., 1936/4562: aanvraag van 20/2/1936, goedgekeurd op 18/3/1936. Zie plan van 21/4/1936'mK.VA.. Archieffonds Cols-De Roeck, nr.

(40) SAA, Hinderlijke Bedrijven. MA 18507, doss. 36646: aanvraag van 13/7/1936 goedgekeurd op 2/12/1936. (41) PAA, Hinderlijke Bedrijven. 1939/44: aanvraag van 7/6/1939, goedgekeurd op 20/9/1939: ... De eerste toelating tot uitbating is gedagtekend 17 juli 1894 en hernieuwd op 25 februari 1906. Sedertdien werd deze toelating vervolledigd op de volgende datums: 1 Mei 1914, 14 November 1927. 16April 1928, 29 Augustus 1934 en 2 December 1936. (42) Zie ongedateerd plan in SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 38224. (43) SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 38224: aanvullende voorwaarden opgelegd op 4/6/1948 en bekrachtigd op 4/3/1949. (44) RATINCKX, Adresboek, Antwerpen, dl. XIX, 1893, p. 239. (45) Verkoop Scheldestraat 63: archief notaris Steenackers, notaris Lemineur, akte van 5/4/1961. Verkoop Scheldestraat 63 & Kronenburgstraat 32-36: archief notaris De Groof, notaris Van Heurck, akte van 28/6/1974. (46) De subsidieregeling uit het verleden kon afhankelijk van het inkomen van de aanvrager tot 90% bedragen. De huidige premieregeling voorziet in een tussenkomst van 40% voor partikulieren. (47) ROHM Antwerpen, AM&L, doss. 0109: inspectieverslag van 19/9/1983.

94: De Haringrokerij. (36) Zie ongedateerd plan in SAA, Bouwdoss., 1939/12386: aanvraag van 24/4/1939, goedgekeurd op 12/5/1939, en A.P.A., Archieffonds Cols-De Roeck, nr. 94: De Haringrokerij. (37) SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 19048, doss. 25058: aanvraag van 11/3/1914 & PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1914/11. (38) Zie plan PAA, Hinderlijke Bedrijven, 1927/24: aanvraag van 6/9/1927, goedgekeurd op 19/10/1927 & SAA, Hinderlijke Bedrijven, MA 18507, doss. 31362: aanvraag van 5/10/1927, goedgekeurd op 14/11/1927. (39) Zie plan in PAA, Hinderlijke Bedrijven. 1928/102, aanvraag van 20/1/1928. goedgekeurd op 16/4/1928 en in SAA, Bouwdoss., 1928/29218, aanvraag van 10/2/1928, vergunning bekrachtigd op 4/5/1928.

Mimi Debruyn, bouwhistorisch onderzoeker, schreef het eerste deel van dit artikel. Peter Vermeulen, architect en bewoner van De Haringrokerij, schreef het tweede deel.


SUMMAE The herring smokehouse

Underneath the Royal Square in Brussels : The Court Chapel of Charles V In 1988, a report has been published in this journal by the archaeology section of the Monuments & Landscapes department. It concerned a building-historical survey of the Hof (Court) van Hoogstraten, the Brussels residence from Antoine de Lalaing, an important dignitary of Charles V. As a result of profound renovation works from 1991 until 1994, this research could be extended to the adjacent, 18th century vaulted Isabella street and - on the other side of the street - the monumental cellars of the court chapel, which Charles V had constructed here between 1522-1538 and 1548-1553. «nfronting the presetted elements and the 18th century survey drawings revealed new insights into the construction of the chapel. It had as a matter of fact been constructed on a high foundation, consisting of two basement levels. This was done in order to compensate the steep terrain and to bring the chapel on the same level as the existing dwellings and the 15th century Magna Aula. Before, researchers argued that the new court chapel had been built on top of the one that the Duchess Johanna of Brabant had built on the same spot in the late 14th century. Soil research as well as a thorough analysis of the preserved basement level (-2) were all in contradiction with this theory. Furthermore, study of the 16th century specifications proved that the construction had been preceded by the demolition of all previous constructions on the building site. A clear insight was gained into the use of the completely separate basement structure (cellars, offices), the circulation by means of two staircases on the one hand, and on the other hand a connecting passage to the palace's dwelling quarters. Here it appeared that the division of the cellars into smaller spaces might indicate a change of plans after the long suspension of the works between 1538 and 1548. As for the preparation of this archaeological site for visitors, the choice was made to consider the original 16th century elements as well as the 18th century changes as historically valuable. More recent modifications and damage have been removed whenever possible. The restoration works will be limited to a cleaning of the walls and vaults with steam, some local repairs, the evocation of elements now disappeared (walls, pilars, vaults) in modern materials and some illumination on the oldest preserved parts of the walls.

From 1880 on, the urbanization of the Antwerp South quarter attracted quite a few old fish firms which had moved away from the centre. With the straightening of the Scheldt river the old town centre had been redeveloped and cleaned up. As the rise in population was quite spectacular, trade and industry flourished, not in the least the food industry. Even more spectaculat than the growth of the fish industry - reaching its summit during world war II - was the collapse thereafter. The monotonous fish diet during the war and the following sudden rise of the living standard, led to other eating habits. In 1893, the Van den Bcrnden family's fish firm, dating as far back as 1700, moved from the Zakstraat to the Kronenburgstraat. In 50 years it developed from a shop in fresh fish and fishing tools, dried and smoked fish, into a diversified trade in fresh, dried, smoked, pickled and preserved fish in cans and glass containers. The company building which had been constructed in 1895 in a Flemish Neo-Renaissance style, reflects this evolution and its constant changes and modernization. There was a space for fish storage, a workshop with pickle baths for the cleaning and desalting of the fish and a shop with small office. Latge chimneys were soon to be added whete hetring was smoked. The first chimney dates from 1906; two separate chimneys, both divided into two smoke channels, formed one large chimney block. Wooden racks were attached to the wall of each channel, upon these iron skewers with each 12 herrings were hung to drie or smoke. Fires with little flames and lots of smoke were made mostly during the night. In the daytime the herrings were moved in and out the smoke channels. In 1934 three chimneys were in use with a total of 13 smoke channels. For the transport offish, there were originally stables fot a few horses, but already in 1910 a stable for 20 horses was built. With the rebuilding in 1928 of the warehouse into a garage with a subterranean fuel tank, the convetsion to motorized transport was definitely made. In 1914, the first electric engine came into operation; in 1939 there were 9 engines for winching barrels, closing glass containers and driving the saws for firewood. The first complaints from neighbours came in 1927. First it concerned mainly damage resulting from moisture and salt, but as of 1934 there was also the risk of fire as well as the smell. There had indeed been a few serious chimney fires. Together with these complaints, the health inspection became more strict, a development reflecting the legislation concerning public health as well as labour law. In 1974, the company was forced to close down, be it after 25 years of continuing decline. In 1987, the whole building complex was listed as a protected monument because of its industrial-archaeological value. It comprises the firm's dwellings in the Scheldestraat, designed by the Blomme brothers, as well as the actual company's buildings at the Kronenburgstraat, originally designed by Henri Thielens and the alterations by the architects Cols and De Roeck. The site was renovated by the resident architects Vande Sompele and Vermeulen, and turned into a residential block with communal conveniences and several private living quarters,. A few workshops with adjoining smoke chimneys and pickle baths have been preserved and can be visited by appointment.

^

^


PARK


D R Y

C L E A N I N G

S Y S T E M

Pasta voor droge interieurreiniging Voordelen

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG

• gebruiksvriendelijk - door afwezigheid van water geen risico op besmeuring

Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

- geen uitdeinende vochtvlekken of schimmelvorming -onderliggende kunstwerken lijden niet van wateroverlast • aanwezige zouten worden niet in de steenmassa opgelost • ook de poriën worden gereinigd • ook de diepe profileringen worden gereinigd • geen chemische nawerking • geen aantasting van gipsrestauraties Smt-Niklfiaskcrk Licdekvrke baksteen

• hoog rendement: machinaal verspuitbaar

Verkrijgbaar in 5 typen (1,11, I I I , IV & V )

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)

ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX

09/372 03/771 09/372 09/372

63 03 44 66 63 03 63 03

• afhankelijk van de ondergrond (marmer, natuursteen, baksteen, beton, cementering & bepleistering) en de graad van vervuiling

Enkele referenties • Sint-Martinusbasiliek Halle natuursteen, bepleistering • Slnt-Niklaaskerk Liedekerke baksteen, natuursteen, bepleistering • Sint-Pauluskerk Antwerpen

KIK-verslag Arte Mundif type I beschikbaar

VRAAG ONZE GRATIS CD-ROM, EEN COMPLETE LEIDRAAD IN UW PRO)ECTREALiSATIES.

De producent van kaarten, d a t a b a n k e n en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening, stadsrenovatie en leefmilieu.

FTB RESTORATION FTB Restoration bvba Vaartstraat 128 E3 - 2520 Ranst - België

(f+J/ Abdij ter Kameren 1 3 B 1000 Brussel

Nationaal Geografisch Instituut fax (02)629 82 83 tel. {02)629 82 82

• .

website: http://www.ngi.be e-mail: sales9>ngi.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_19_1.pdf by Vlaanderen-be - Issuu