DE MEERJARENPLANNEN 2020-2025 VAN DE VLAAMSE LOKALE BESTUREN Een blik op de (geraamde) financiële toekomst van de Vlaamse gemeenten 28 februari 2020
Deze analyse is een publicatie van het Agentschap Binnenlands Bestuur, afdeling Lokale FinanciĂŤn v.u. Jeroen Windey, administrateur-generaal Havenlaan 88, bus 70, 1000 Brussel bbcgop@vlaanderen.be D/2020/3241/067
Pagina 1 van 47
Inhoud 1.
INLEIDING .......................................................................................................................................................................................... 3
2.
GEMEENTEN EN OCMW ............................................................................................................................................................. 5 2.1. 2.1.1.
De totale uitgaven ..................................................................................................................................................... 5
2.1.2.
De investeringsuitgaven ........................................................................................................................................ 6
2.1.3.
De exploitatie-uitgaven .......................................................................................................................................... 8
2.1.4.
De responsabiliseringsbijdrage als onderdeel van de ‘pensioenfactuur” ............................. 12
2.2.
4.
5.
De ontvangsten............................................................................................................................................................... 15
2.2.1.
De totale ontvangsten .......................................................................................................................................... 15
2.2.2.
De fiscale ontvangsten..................................................................................................................................... 16
2.2.3.
De ontvangen werkingssubsidies ..............................................................................................................17
2.2.4.
De andere (exploitatie-)ontvangsten ..................................................................................................... 18
2.3.
3.
De uitgaven ......................................................................................................................................................................... 5
De financiële resultaten ............................................................................................................................................. 19
2.3.1.
De normen (AFM en ESR) ..................................................................................................................................... 19
2.3.2.
De schuldpositie .................................................................................................................................................. 22
AUTONOME GEMEENTEBEDRIJVEN ................................................................................................................................. 23 3.1.
De uitgaven ...................................................................................................................................................................... 23
3.2.
De ontvangsten.............................................................................................................................................................. 25
3.3.
De financiële resultaten ............................................................................................................................................ 26
WELZIJNSVERENIGINGEN ...................................................................................................................................................... 27 4.1.
De uitgaven ...................................................................................................................................................................... 27
4.2.
De ontvangsten.............................................................................................................................................................. 29
4.3.
De financiële resultaten ............................................................................................................................................ 29
GECONSOLIDEERDE GEGEVENS ......................................................................................................................................... 31 5.1.
De totale uitgaven ........................................................................................................................................................ 31
5.2.
De uitgaven per beleidsdomein .......................................................................................................................... 32
5.3.
De financiële resultaten: de geconsolideerde AFM .................................................................................. 34
6.
BESLUIT ........................................................................................................................................................................................... 35
7.
BIJLAGEN ........................................................................................................................................................................................ 36 Bijlage 1: De lokale besturen in Vlaanderen vanaf 2019 ........................................................................................37 Bijlage 2: De algemene werkingssubsidies van de Vlaamse overheid (2014-2025) ............................. 39 Bijlage 3: De BBC-beleidsvelden (beleidsdomeinen) ................................................................................................ 40 Bijlage 4: Voor wie meer wil weten ..................................................................................................................................47
Pagina 2 van 47
1. INLEIDING Na de lokale verkiezingen van 14 oktober 2018 en de installatie van de nieuwe gemeentebesturen op 01 januari 2019 maakten de gemeentebesturen hun meerjarenplannen 2020-2025 op. Het decreet over het lokaal bestuur (DLB) van 22 december 2017 bepaalt dat de Vlaamse lokale besturen een meerjarenplan moeten samenstellen in het eerste jaar van de lokale bestuursperiode volgens de principes van de beleids- en beheercyclus (BBC). Een BBC-meerjarenplan bestaat uit een eerder beschrijvende strategische nota, een financiële nota met verplichte schema’s en een toelichting. Onze analyse duidt enkele opvallende vaststellingen uit de financiële gegevens van de meerjarenplannen. Ze gaat niet in op de beleidsformulering van de lokale besturen zoals die blijkt uit de strategische nota, noch op elementen die de toelichting bevat. De analyse is mogelijk omdat de lokale besturen hun meerjarenplannen digitaal moeten bezorgen aan de toezichthoudende overheid: het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB).
We verduidelijken de methodologie om de cijfers correct te kunnen interpreteren: -
Deze nota gaat over de belangrijkste onderdelen van de Vlaamse lokale besturen: de gemeenten en OCMW’s én hun publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten (de autonome gemeentebedrijven en de welzijnsverenigingen). Een overzicht van het geheel van de Vlaamse lokale besturen en waarom we niet alle Vlaamse lokale besturen behandelen vind je in bijlage 1.
-
De cijfers baseren zich op de meerjarenplannen 2020-2025 zoals die op woensdag 19 februari 2020 beschikbaar waren. Op dat moment konden we 298 van de 300 digitale meerjarenplannen van de gemeenten inkijken. Enkel de meerjarenplannen van de gemeenten Herstappe en Meulebeke ontbraken. Van de autonome gemeentebedrijven (AGB) en de welzijnsverenigingen hadden respectievelijk 153 (van de 170) en 53 (van de 58) besturen hun digitale jaarrekeningen aan ABB bezorgd. De definitieve cijfers over alle meerjarenplannen 2020-2025 zullen dus (licht) hoger uitvallen.
-
ABB stelt de cijfers voor per soort bestuur: gemeenten en OCMW’s in hoofdstuk 2, AGB in hoofdstuk 3 en welzijnsverenigingen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat enkele geconsolideerde gegevens. Een rapportage op geconsolideerde basis kan aanvullende inzichten verschaffen in de financiële situatie van de lokale besturen.
-
De cijfers zijn dus ramingen over verwachte ontvangsten en uitgaven. Om de waarde van die ramingen te kunnen inschatten vergelijken we ze met: o de ramingen uit de originele meerjarenplannen 2014-2019; o de gerealiseerde ontvangsten en uitgaven uit de jaarrekeningen 2014 tot 20181.
-
Dat betekent dat we de uitvoeringscijfers van bijvoorbeeld de jaarrekening 2017 niet vergelijken met de cijfers van het budget 2017 maar wel met de ramingen voor het jaar 2017 uit de originele meerjarenplannen 2014-2019. We passen die logica enkel toe voor de
1
De jaarrekeningen 2019 zijn op dit moment (einde februari 2019) nog niet beschikbaar.
Pagina 3 van 47
gemeenten, niet voor de verzelfstandigde entiteiten omdat er te weinig van deze laatsten over BBC-meerjarenplannen beschikten eind 2013. -
Tot en met 2019 waren gemeente en OCMW aparte rechtspersonen met aparte beleidsrapporten (meerjarenplannen en jaarrekeningen)2. Vanaf 2020 vormen beide rechtspersonen één rapporteringsentiteit: gemeente én OCMW maken samen één meerjarenplan. Om de cijfers van de meerjarenplannen 2020-2025 te kunnen vergelijken met die van 2014-2019 voegden we de meerjarenplannen 2014-2019 van gemeente en OCMW samen. Die samenvoeging is geen loutere optelling. Het vergde enkele methodologische aanpassingen. Zo zuiveren we de werkingsdotatie van de gemeente aan haar OCMW uit als een uitgave bij de gemeente en als een ontvangst bij het OCMW. Dat verklaart waarom de cijfers over ontvangsten en uitgaven 2014-2019 van gemeenten en OCMW’s licht kunnen verschillen met de (opgetelde) ontvangsten en uitgaven van gemeenten en OCMW’s in oudere publicaties.3
ABB deed enkele ingrepen om de leesbaarheid te vergroten: -
Cijfers over de financiële situatie van het geheel van de Vlaamse lokale besturen gaan over miljoenen en miljarden euro’s. We ronden de cijfers meestal af tot op de miljoenen euro’s omdat we de evoluties willen duiden op een globaal niveau.
-
Lezers die de exacte cijfers willen kennen (of die eigen analyses willen maken) verwijzen we door naar de datatabellen bij deze nota die je kan raadplegen op de website van ABB. Die tabellen bevatten een overzicht van de totaalcijfers van alle ontvangsten- en uitgavencategorieën (de ‘economische verdeling’) en de totaalcijfers van alle uitgaven per ‘beleidsveld’ (de ‘functionele verdeling’)4.
-
De gemeente en haar OCMW vormen sinds 2020 één rapporteringsentiteit. Daarom spreken we hier verder over ‘gemeenten’ en ‘gemeentebesturen’ en hebben we het niet meer over ‘gemeenten/OCMW’s’ en ‘gemeente- en OCMW-besturen’. Enkel als daar een specifieke reden voor is, vermelden we ze expliciet als afzonderlijke rechtspersonen.
Enkele besturen waren in 2019 ‘pilootbestuur’ voor de toepassing van de vernieuwde BBC en hadden dus reeds vanaf het boekjaar 2019 gemeenschappelijke beleidsrapporten. 3 Zie bijvoorbeeld “De financiën van de Vlaamse lokale besturen 2007-2018. Een algemeen overzicht”, ABB, september 2019, 53 blz. 4 https://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/basisgegevens 2
Pagina 4 van 47
2. GEMEENTEN EN OCMW5 2.1.
De uitgaven
2.1.1. De totale uitgaven
De totale geraamde uitgaven van de Vlaamse gemeenten voor de periode 2020-2025 bedragen ongeveer 16,5 miljard euro per jaar. De exploitatie-uitgaven (ongeveer 13 miljard euro per jaar) zijn veruit het grootst, daarna volgen de investeringsuitgaven. De financieringsuitgaven (jaarlijkse aflossingen van leningen en toegestane leningen) bedragen ongeveer 1,1 miljard euro per jaar. Het valt op dat de geraamde uitgaven het grootst zijn in 2020 (17,4 miljard euro) en nadien stelselmatig dalen tot 16,0 miljard in 2025. Nochtans zou je het omgekeerde verwachten. Ongetwijfeld ligt de vreemde raming van de investeringsuitgaven aan de basis van deze evolutie.
In dit hoofdstuk gaat het over ontvangsten en uitgaven van de gemeenten én hun OCMW’s (dus zonder de gemeenten Herstappe en Meulebeke – zie inleiding) én van de districten van de stad Antwerpen. 5
Pagina 5 van 47
2.1.2. De investeringsuitgaven
Het bovenstaande staafdiagram illustreert een gekend fenomeen. In de meerjarenplanning schrijven de lokale bestuurders veel investeringsuitgaven in voor de eerste jaren van de planningsperiode en minder voor de latere jaren. Dat heeft te maken met gewenste ‘politieke zichtbaarheid’ en omdat plannen moeilijker wordt naarmate je verder in de toekomst moet kijken. De uitvoering verloopt meestal net andersom. In de eerste jaren van een gemeentelijke bestuursperiode investeren de gemeenten merkelijk minder dan in de latere jaren. Dat is de gekende investeringscyclus bij de lokale overheden. De eerste jaren dienen vooral om investeringsdossiers rijp te maken voor beslissing en uitvoering. Toch is de meerjarenplanning van investeringen relevant. Als we de in 2013 geraamde investeringsuitgaven6 van de Vlaamse gemeenten en OCMW’s voor de periode 2014-2019 optellen, bedragen die 12,1 miljard euro. De cijfers van de jaarrekeningen 2014 tot 2018 geven aan dat ze in die periode 9,5 miljard euro investeerden. De rekeningcijfers van 2019 zijn nog niet bekend, maar de budgetcijfers 2019 tonen voor 3,4 miljard euro geraamde investeringsuitgaven. Als de gemeenten de helft daarvan effectief realiseren (een voorzichtige schatting) zullen de investeringen voor de afgelopen bestuursperiode 2014-2019 11,2 miljard bedragen. Dat komt neer op 92,5% van het in 2013 geraamde bedrag. Het heeft weinig zin om de geraamde investeringsuitgaven jaar per jaar te evalueren. Een analyse per bestuursperiode is relevanter. De Vlaamse gemeenten ramen 14,169 miljard euro te investeren in de periode 2020-2025. Dat is 2 miljard euro of 16,8% meer dan in de vorige bestuursperiode. Op basis van de ervaringen van de vorige bestuursperiode geven de Vlaamse gemeenten hiermee een hoopvol signaal naar de Vlaamse economie.
Hier beschouwen we de investeringsuitgaven als het geheel van de investeringen in ‘materiële vaste activa’ en ‘toegestane investeringssubsidies’. Dus de ‘immateriële vaste activa’ en de ‘financiële vaste activa’, die bescheiden zijn in omvang, tellen we niet mee. 6
Pagina 6 van 47
Behalve de hoeveel-vraag is het ook interessant te bekijken in welke beleidsdomeinen de gemeenten willen investeren. De 149 beleidsvelden van het genormaliseerd stelsel van beleidsvelden clusteren we tot 9 beleidsdomeinen (zie ook bijlage 2)7. Als we de geraamde investeringsuitgaven in die beleidsdomeinen bekijken voor de periodes 2014-2019 en 2020-2025, geeft dat het volgende beeld:
Meerjarenplan 2014-2019
Meerjarenplan 2020-2025
De grootste investeringsambities van de lokale besturen situeren zich de komende bestuursperiode in de beleidsdomeinen ‘mobiliteit’ (30,6% van de investeringsuitgaven of ongeveer 4,5 miljard euro), ‘cultuur en vrije tijd’ (16,6% of meer dan 2,4 miljard euro) en ‘algemeen bestuur’ (15,7% of 2,5 miljard euro). De beleidsdomeinen ‘wonen en ruimtelijke ordening’ (8,1% of bijna 1,2 miljard euro) en ‘zorg en opvang’ (6,1% of ongeveer 900 miljoen euro) zijn minder prominent aanwezig dan in de plannen 2014-2019. Toch mogen we niet te snel conclusies trekken. In de inleiding schreven we dat ‘geconsolideerde informatie’ vaak een beter beeld verschaft over het lokale reilen en zeilen dan de loutere informatie over de gemeenten. Dat kan ook hier het geval zijn. De genoemde beleidsdomeinen zijn beleidsdomeinen die de gemeenten in toenemende mate hebben Die clustering hoeft niet dezelfde te zijn als diegene die een lokaal bestuur of een lezer wil maken. De instrumenten op de ABB-website laten toe om de (geraamde) investeringsuitgaven (en uiteraard ook de andere uitgaven) op te volgen per beleidsveld, en om zelf clusters te maken. 7
Pagina 7 van 47
verzelfstandigd (de welzijnsverenigingen nemen meer investeringen in ‘zorg en opvang’ op) of toevertrouwden aan intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (in dit geval de ‘streekontwikkelingsintercommunales’ actief in het beleidsdomein ‘wonen en ruimtelijke ordening’).8
2.1.3. De exploitatie-uitgaven De geraamde exploitatie-uitgaven evolueren van ongeveer 12,4 miljard euro in 2020 tot ongeveer 13,5 miljard euro in 2025. Dat stemt overeen met een gemiddelde jaarlijkse groei van bijna 1,7%. De totaalcijfers zijn iets minder relevant dan de analyse van de belangrijkste categorieën binnen de exploitatie-uitgaven. BBC onderscheidt daarbij: -
goederen en diensten; bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen; individuele hulpverlening door het OCMW; toegestane werkingssubsidies; andere operationele uitgaven; financiële uitgaven (vooral intresten verbonden aan leningen).
We bespreken hieronder de eerste vier categorieën. De ‘andere operationele uitgaven’ zijn relatief beperkt en de ‘financiële uitgaven (rentes)’ behandelen we in de paragraaf 2.3.
GOEDEREN EN DIENSTEN
De rubriek ‘goederen en diensten’ is de verzamelnaam voor aankopen van allerlei kantoor- en bureelbenodigdheden, energieproducten, huuruitgaven, verzekeringspremies, consultancyuitgaven, communicatie-budgetten, …. In 2020 ramen de gemeentebesturen merkelijk meer uit te geven (2,537 miljard euro) dan ze in 2018 uitgaven (2,167 miljard euro)9. Voor de jaren nadien verwachten ze geen verhogingen. Integendeel, de geraamde bedragen dalen elk jaar en komen pas in 2024 opnieuw op het niveau van 2020.
8 9
Zie ook hoofdstuk 5, onder meer met informatie over de ‘geconsolideerde’ uitgaven per beleidsdomein. De uitgaven voor goederen en diensten waren al behoorlijk gestegen sinds 2016.
Pagina 8 van 47
De geraamde uitgaven voor ‘goederen en diensten’ in 2020 bedragen overigens 20,4% van de exploitatie-uitgaven of 14,56% van de totale uitgaven. In hoeverre de Vlaamse gemeenten de kredieten 2020 helemaal zullen aanwenden blijft de vraag. Ook in het begin van de vorige bestuursperiode (2014 bijvoorbeeld) gaven ze merkelijk minder uit aan goederen en diensten (1,979 miljard euro) dan gepland (2,302 miljard euro). Maar misschien moeten we voorzichtig zijn met de voorafnames, want in die jaren verkeerden de lokale financiën in eerder moeilijk vaarwater en drongen besparingen zich op.10 Het is overigens een interessante hypothese dat de geraamde bescheiden terugloop van deze categorie van uitgaven in de jaren na 2020 te danken zou kunnen zijn aan de efficiëntieverbeteringen als gevolg van de verregaande integratie tussen gemeente en OCMW.
PERSONEEL
De Vlaamse gemeentebesturen verwachten de volgende jaren een toename van de personeelsuitgaven (de lonen inclusief de sociale lasten en de pensioenuitgaven). De personeelsuitgaven zijn in totaal goed voor 6,364 miljard euro in 2020. Ze vertegenwoordigen meer dan de helft (51,14%) van de geraamde exploitatie-uitgaven en meer dan een derde (36,54%) van de totale uitgaven. Het bovenstaande staafdiagram maakt abstractie van de deelrubriek ‘uitgaven voor het onderwijzend personeel’ binnen het totale personeelsbudget. De lonen van het onderwijzend personeel worden zo goed als volledig gesubsidieerd door de Vlaamse overheid (zie de rubriek ‘specifieke werkingssubsidies’ bij de exploitatie-ontvangsten) en vormen geen echt onderdeel van het gemeentelijk beleid. Die gesubsidieerde onderwijslonen ramen de lokale besturen op ongeveer 750 miljoen euro per jaar. De belangrijkste staven in het diagram zijn de personeelsuitgaven voor het vastbenoemd en het niet-vastbenoemd (contractueel) personeel. Hier zien we dat het personeelsbestand van de 10
Zie “De financiën van de Vlaamse lokale besturen 2007-2014: een algemeen overzicht”: p. 14 en p. 18.
Pagina 9 van 47
Vlaamse gemeenten de laatste jaren een verdere contractualisering heeft gekend11. Daar waar in 2014 de verhouding tussen statutairen en contractuelen ongeveer gelijk was (beide categorieën personeelsleden kosten ongeveer 2,5 miljard euro, met een lichte ‘voorsprong’ voor de statutaire medewerkers) is de verhouding in de jaarrekening van 2018 duidelijk overgeslagen naar de contractuele medewerkers: 3,2 miljard tegenover 2,3 miljard euro aan lonen en sociale bijdragen. De komende jaren ramen de gemeenten een gestage verhoging van die personeelsuitgaven van in totaal 5,087 miljard euro in 2020 tot 5,652 miljard euro in 2025. Dus een toename met 11,1% of een gemiddelde jaarlijkse toename met 2,2%. Merkbare verschuivingen tussen beide categorieën van personeelsleden liggen volgens de meerjarenplanning niet in het verschiet. De toenemende pensioenlasten van de voormalige statutaire personeelsleden van de gemeenteen OCMW-besturen verklaren vooral de stijgende uitgaven. Een eventuele verhoging van het aantal personeelsleden of de groei van de salarissen door een ouder wordend personeelsbestand speelt minder een rol. Paragraaf 2.1.4. biedt een extra kaderstuk waarin we die financieel belangrijke uitdaging voor de lokale besturen nader duiden. Naast de personeelsuitgaven voor de statutaire en contractuele medewerkers bevat de rubriek ‘bezoldigingen’ nog twee subcategorieën: -
-
de uitgaven voor het politiek personeel (de lonen en pensioenen voor de uitvoerende mandatarissen en de presentiegelden voor de raadsleden) worden geraamd op 227,5 miljoen euro in 2020 tot 243,9 miljoen euro in 2025; de rubriek ‘andere personeelsuitgaven’, geraamd om gemiddeld 210 miljoen euro per jaar, bevat een geheel van uitgaven bovenop het eigenlijke loon. Daaronder vallen onder meer: o de vergoedingen voor woon-werkverkeer; o dienstverplaatsingen; o maaltijdcheques; o bijdragen aan het Fonds voor vakbondspremies; o uitgaven verbonden aan het politiek verlof van medewerkers o andere extralegale voordelen voor het personeel.
INDIVIDUELE HULPVERLENING (DOOR HET OCMW)
Sinds midden 2016 is het voor de Vlaamse lokale besturen geen decretale verplichting meer om medewerkers principieel in vast dienstverband aan te stellen (en bij ‘uitzondering’ in contractueel dienstverband) – zie het decreet van 3 juni 2016 tot wijziging van het Gemeentedecreet. 11
Pagina 10 van 47
De uitgaven voor ‘individuele dienstverlening aan hulpbehoevenden door het OCMW’ bevatten de uitgaven voor leeflonen en aanverwante toelagen die het OCMW verstrekt. Die uitgavenpost kende een belangrijke stijging de afgelopen bestuursperiode: van 456 miljoen in 2014 over 520 miljoen in 2016 tot 581 miljoen in 2018. Hier speelde het effect van enkele maatregelen van de federale overheid uit 2012 een rol, vooral de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen. Die maatregelen leidden sinds 2015 tot minder werkloosheidsuitkeringen maar tegelijk ook tot meer mensen die zich moeten beroepen op de sociale dienst van het OCMW. Individuele hulpverlening is overigens een expliciet aan het OCMW toegewezen taak. Je kan het niet verzelfstandigen naar bijvoorbeeld een welzijnsvereniging. De gemeenten ramen ook voor de komende jaren een gestage stijging van die uitgavenpost: van 635 miljoen euro in 2020 naar 685 miljoen euro in 2025.
TOEGESTANE WERKINGSSUBSIDIES De gemeente vormt het kernbestuur van de lokale overheid maar vertrouwt een belangrijk deel van de beleidsuitvoering toe aan verzelfstandigde entiteiten en samenwerkingsverbanden. Het is belangrijk dat de gemeenten de werking van die entiteiten en hun besteding van de gemeentelijke subsidies goed opvolgen. De gemeentelijke uitgaven die daarmee samenhangen zijn groot. De totale toegestane werkingssubsidies worden geraamd op 2,586 miljard euro in 2020 tot 2,934 miljard euro in 2025. In 2020 vertegenwoordigen de toegestane werkingssubsidies 20,8% van de geraamde exploitatie-uitgaven en 14,8% van de totale uitgaven.
De meerjarenplannen tonen een grote mate van stabiliteit voor die uitgavenpost. De werkingssubsidies voor extern verzelfstandigde entiteiten in publiek- en privaatrechtelijke vorm blijven zo goed als constant. De werkingssubsidies voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden stijgen licht. Meest vermeldingswaardig zijn de geraamde werkingssubsidies voor de politie- en hulpverleningszones. De geraamde gemeentelijke werkingssubsidies voor de politiezones stijgen van ongeveer 932 miljoen euro in 2020 naar ongeveer 1.130 miljard euro in 2025. Dat is een globale stijging van bijna 21,2% of een gemiddelde jaarlijkse stijging van 4,2%. De geraamde werkingssubsidies voor de hulpverleningszones stijgen van 322 miljoen euro in 2020 naar 374 miljoen euro in 2025. Het komt neer op een globale stijging van 15,8% of een gemiddelde Pagina 11 van 47
jaarlijkse stijging van bijna 3,2%. Beide uitgavenposten behoren tot de sterkste stijgers in de meerjarenplannen 2020-2025 van de Vlaamse gemeenten.
2.1.4. De responsabiliseringsbijdrage als onderdeel van de ‘pensioenfactuur” Het wettelijke pensioen, de eerste pensioenpijler, wordt in België gefinancierd volgens het repartitiesysteem. De bijdragen op het loon van het actief personeel (persoonlijke bijdragen en werkgeversbijdragen) worden herverdeeld tot het wettelijk pensioen voor de gepensioneerden. De toepassing van dit stelsel op de lokale besturen is wettelijk zo geregeld dat de lokale besturen zelf integraal instaan voor de financiering van de pensioenen van hun statutair personeel. Het Pensioenfonds voor de Provinciale en Plaatselijke Besturen (‘het Pensioenfonds’) is een onderdeel van de Federale Pensioendienst (FPD). Het staat in voor de berekening van die pensioenen. Slechts een miniem aantal Vlaamse lokale besturen sloot hun personeel (nog) niet of (voorlopig) slechts voor een deel aan bij het Pensioenfonds. Nieuw opgerichte besturen zijn wettelijk verplicht om er zich bij aan te sluiten. Het Pensioenfonds werkt met een gesloten enveloppe, het zogenaamde omslagstelsel. Het maakt per jaar prognoses van de pensioenen die de FPD zal uitbetalen en van de loonmassa van het statutair personeel. Op basis van die prognoses wordt bepaald hoeveel de jaarlijkse bijdragen van de aangesloten besturen moeten bedragen.
RESPONSABILISERINGSBIJDRAGE: WAT? Tot en met 2011 bestonden die bijdragen uit de inhouding van de persoonlijke bijdragen van het statutair personeel en de patronale bijdragen voor de pensioenvorming van de lokale besturen. Tot dan gold het solidariteitsprincipe: het ene bestuur droeg meer bij en het andere bestuur droeg minder bij dan de pensioenen bedroegen op basis van de pensioenrechten opgebouwd bij het bestuur. Dat leidde tot een verstoring van de evenwichten en tot dreigende tekorten in het stelsel. Daarom voerde de wet van 24 oktober 2011 over de nieuwe financiering van de ambtenarenpensioenen vanaf 2012 een individuele responsabilisering in. Besturen die minder bijdragen aan de pensioenen op basis van de bij hen opgebouwde pensioenrechten moeten sindsdien een bijkomende bijdrage betalen: de responsabiliseringsbijdrage. De responsabiliseringsbijdrage wordt bepaald op basis van het verschil tussen de pensioenen toegerekend aan het bestuur en de som van de persoonlijke en patronale bijdragen van het bestuur. Wettelijk gezien kan ze niet lager liggen dan 50% van dat verschil. Naargelang de tekorten in de financiering van het Pensioenfonds oplopen, kan de responsabiliseringsbijdrage stijgen tot 100% van dat verschil.
RESPONSABILISERINGSBIJDRAGE: EVOLUTIE De pensioenmassa ten laste van de lokale besturen neemt voortdurend toe door de toename van het aantal gepensioneerden en omdat ze langer leven. Maar het aantal actieve statutaire personeelsleden daalt. Daardoor neemt de spanning toe tussen de aan bijdragen onderworpen loonmassa (die daalt) en de evolutie van de pensioenmassa (die stijgt). Dat noodzaakt tot aanzienlijke verhogingen van de patronale bijdragen. Omdat de verhoging van die basisbijdragen niet volstaat om de pensioenmassa volledig te financieren, wordt er een Pagina 12 van 47
aanzienlijke verhoging van de responsabiliseringsbijdrage in het vooruitzicht gesteld. Die verhoging bestaat uit de oplopende tekorten per bestuur en uit een hogere mate van responsabilisering via de toename van de zogenaamde responsabiliseringcoëfficiënt (het percentage waarmee het individuele tekort wordt vermenigvuldigd). De meest recente prognoses van de FPD over de responsabiliseringsbijdragen dateren van december 2019. Volgens die prognoses zou de responsabiliseringsbijdrage voor alle Vlaamse lokale besturen toenemen van 259 miljoen euro in 2019 tot 716 miljoen euro in 2025. Zo’n 177% meer over een periode van 6 jaar waarbij de stijging accumuleert in de tweede helft van de lokale bestuursperiode.
Miljoenen
Responsabiliseringsbijdrage: prognoses FPD van december 2019 800 700 600 500 400 300 200 100 0 2019
2020
2021
2022
2023
Gemeenten
OCMW's
AGB's
Welzijnsverenigingen
Politiezones
Hulpverleningszones
Ziekenhuizen
Havenbedrijven
Andere
2024
2025
RESPONSABILISERINGSBIJDRAGE: KORTING TWEEDE PENSIOENPIJLER De wet van 30 maart 2018, beter gekend als de wet op het gemengd pensioen, bracht een aantal wijzigingen teweeg aan de financiering van het Pensioenfonds. -
-
Die wet bepaalt dat er vanaf 2018 tot en met 2020 121 miljoen euro wordt overgeheveld van de sociale zekerheid naar het Pensioenfonds. Die middelen zijn afkomstig uit de loonmatigingsbijdrage die lokale besturen betalen op de lonen van de statutaire medewerkers. Daarnaast voorziet de wet in een stimulans voor de lokale besturen die een aanvullend pensioen (de zogenaamde tweede pensioenpijler) bieden aan hun contractueel personeel. Lokale besturen met een tweede pensioenpijler die voldoet aan de wettelijke voorwaarden kunnen vanaf 2019 een korting op de responsabiliseringsbijdrage bekomen. De korting bedraagt 50% van de bijdragen voor die tweede pensioenpijler.
Door het gesloten systeem mag die korting er niet toe leiden dat het Pensioenfonds minder middelen zou ontvangen. Daarom voorziet de wet compensaties voor die kortingen. De responsabiliseringscoëfficiënt verhoogt voor besturen die geen of een ontoereikende tweede pensioenpijler hebben voor hun contractueel personeel. Pagina 13 van 47
Besturen kunnen maximaal maar 100% geresponsabiliseerd worden. Maar bijna alle besturen hebben een toereikende tweede pensioenpijler en komen in aanmerking voor de korting. Daardoor zal het onmogelijk zijn om de korting volledig te compenseren. Die onmogelijkheid zal ervoor zorgen dat de besturen die wel voldoen aan de voorwaarden slechts een minimale korting, en mogelijk zelfs geen korting, zullen krijgen.
RESPONSABILISERINGSBIJDRAGE: DE RAMING DOOR DE LOKALE BESTUREN IN HUN MEERJARENPLANNEN De in deze nota besproken besturen (gemeenten, OCMW’s, AGB en welzijnsverenigingen) zouden in 2020 216 miljoen aan responsabiliseringsbijdragen moeten betalen. Dat bedrag zou toenemen tot 526 miljoen euro in 2025 (volgens de FPD-prognoses van december 2019). Toch stellen we vast dat die besturen opmerkelijk lagere responsabiliseringsbijdragen budgetteren: van 163,4 miljoen euro in 2020 tot 333,1 miljoen euro in 2025. Over de volledige periode van het meerjarenplan 2020-2025 voorzien ze in totaal 667 miljoen euro minder responsabiliseringsbijdragen dan er verschuldigd zijn.
Miljoenen
responsabiliseringsbijdrage: prognoses FPD en raming in de meerjarenplannen van de lokale besturen 600 500 400 300 200 100 0 2020
2021
2022 Prognoses
2023
2024
2025
Budgettering
Meerdere elementen verklaren dit verschil: -
De FPD-prognoses van december 2019 kwamen voor de meeste lokale besturen te laat om ze nog te kunnen verwerken in hun meerjarenplan 2020-2025. Ze hebben zich allemaal gebaseerd op de prognoses van mei 2019. Die prognoses reikten tot en met 2024. Heel wat besturen bouwen voor het boekjaar 2025 voort op de prognoses voor 2024. Bovendien liggen de responsabiliseringscoëfficiënten in de prognoses van december 2019 vanaf het boekjaar 2022 hoger dan in de prognoses van mei 2019: Responsabiliseringscoëfficiënt
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Prognoses mei 2019
50%
50%
62%
73%
75%
-
Prognoses december 2019
50%
50%
63%
74%
76%
79%
Op zich verschillen de prognoses december 2019 voor de jaren 2020-2024 in hun totaliteit niet substantieel met die van mei 2019, maar voor de gemeenten, OCMW’s, AGB en welzijnsverenigingen komen ze wel 29,4 miljoen euro hoger. Bovendien zijn de verschillen per individueel bestuur soms aanzienlijk.
Pagina 14 van 47
-
Sommige Vlaamse lokale besturen gebruiken actuariĂŤle berekeningen voor de raming van de responsabiliseringsbijdrage. Zo lieten de centrumsteden een studie opmaken door een gespecialiseerde consultant. Meerdere kleinere besturen met een pensioen- of bijdragenverzekeringsovereenkomst gebruikten de actuariĂŤle berekeningen van hun verzekeraar. Die berekeningen zijn maatwerk en houden rekening met de specifieke situatie van het bestuur. Daardoor zijn ze accurater dan de FPD-prognoses. Meestal komen de besturen zo tot lagere ramingen van de responsabiliseringsbijdragen.
-
Om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende pensioenlasten sloten heel wat besturen in het verleden een bijdragenverzekeringsovereenkomst met een verzekeringsonderneming. Daarmee wilden ze de (responsabiliserings-)bijdragen nivelleren over een langere periode. Met de overeenkomst kunnen de besturen reserves opbouwen om de toename van die lasten op te vangen. Die overeenkomsten stellen dat de besturen de opgebouwde reserves enkel en alleen voor dat doel kunnen gebruiken. Ze kunnen dus niet terugvloeien naar de besturen. De verzekeraar neemt de verplichtingen van het bestuur over voor de opgebouwde reserves. De reserves en het aanspreken ervan worden daarom niet meer opgenomen in de boekhouding van de besturen. Omdat meerdere besturen de responsabiliseringsbijdragen (gedeeltelijk) betalen vanuit die reserves, nemen die besturen daarvoor geen ramingen op in hun meerjarenplan.
-
Tot slot hielden een aantal besturen rekening met de korting voor de tweede pensioenpijler. Sommigen hebben die volledig verrekend in de raming van de responsabiliseringsbijdragen, anderen verrekenden dit gedeeltelijk. Verschillende besturen oordeelden ook dat die korting dode letter zou blijven en hielden er geen rekening mee.
-
2.2. De ontvangsten 2.2.1. De totale ontvangsten
De totale geraamde ontvangsten van de Vlaamse gemeenten voor de komende jaren bedragen gemiddeld ongeveer 16,240 miljard euro, waarvan het grootste deel exploitatie-ontvangsten. Pagina 15 van 47
De financieringsontvangsten zijn voornamelijk nieuwe leningen die de gemeenten plannen op te nemen: gemiddeld 1,6 miljard euro in de periode van 2020 tot 2022, nadien (merkelijk) minder. Die evolutie in de tijd hangt samen met de gelijkaardige evolutie van de geraamde investeringsuitgaven (zie paragraaf 2.1.2.). In de paragraaf 2.3.2. gaan we dieper in op de evolutie van de geraamde schulden en aflossingen van de Vlaamse gemeenten. De geraamde investeringsontvangsten vormen een nog bescheidener aandeel in de totale ontvangsten en vertonen een dalende lijn: van iets meer dan 1 miljard euro in 2020 naar nauwelijks 435 miljoen euro in 2025. Die ontvangsten bestaan vooral uit opbrengsten van de verkoop van onroerend goed (de kleine helft van dat bedrag) en investeringssubsidies van andere overheden, vooral van de Vlaamse overheid (de grote helft). Maar de exploitatie-ontvangsten vormen dus het gros van de ontvangsten. Twee categorieën, die elk ongeveer 1/3 van de totale ontvangsten vertegenwoordigen, zijn uitermate belangrijk. Vooreerst de ‘fiscale ontvangsten en boetes’, en dan vooral de aanvullende personenbelasting (APB) en de opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV). Daarnaast de ‘werkingssubsidies van de hogere overheden’, en dan vooral de algemene werkingssubsidies. Hieronder lichten we beide categorieën meer in detail toe. In hun meerjarenraming 2014-2019 waren de gemeenten behoorlijk accuraat in het ramen van de ontvangsten. De (minder omvangrijke) financierings- en investeringsontvangsten bleken in de praktijk vaak iets minder te bedragen dan initieel geraamd. Maar dit wordt gecompenseerd door de exploitatie-ontvangsten, die in de realiteit vaak iets hoger bleken te liggen dan geraamd einde 2013. De exploitatie-ontvangsten zijn relatief stabiel en goed te ramen, uiteraard voor zover de Vlaamse en federale regelgevers geen drastische wijzigingen aanbrengen in de regelgeving over de financieringsfondsen (Gemeentefonds en aanverwante fondsen) en in de fiscale regelgeving (personenbelasting en het kadastraal inkomen/onroerende voorheffing).
2.2.2. De fiscale ontvangsten
De Vlaamse gemeenten verwachten de komende jaren een stabiele, gematigde stijging van de fiscale ontvangsten. Pagina 16 van 47
-
-
De ontvangsten van de OOV zouden stijgen van 2,433 miljard euro in 2020 naar 2,682 miljard euro in 2025 (een totale stijging van 10,2% of een gemiddelde jaarlijkse stijging van 2%). De ontvangsten uit de APB zouden stijgen van 2,045 miljard euro in 2020 naar 2,212 miljard euro in 2025 (een stijging van 8,1% of een gemiddelde jaarlijkse stijging van 1,6%). De geraamde ontvangsten van de eigen belastingen stijgen nauwelijks: van 793 miljoen euro in 2020 naar 821 miljoen euro in 2025 (een totale stijging van nauwelijks 3,57% in 5 jaar).
De rubriek ‘fiscale ontvangsten en boetes’ bevat in 2020 in totaal bijna 5,4 miljard euro aan geraamde ontvangsten, hetzij één derde (33,3%) van de totale ontvangsten van de Vlaamse gemeenten. De evolutie van de opbrengst van de APB en de OOV is afhankelijk van: -
de economische groei (van belang voor de personenbelasting) en de evolutie van het kadastraal inkomen (van belang voor de onroerende voorheffing); de federale fiscale politiek over de personenbelasting en de Vlaamse fiscale politiek over de onroerende voorheffing; de hoogte van de tarieven die de gemeenten autonoom bepalen.
De gemeenten wijzigen hun tarieven nauwelijks. De gemiddelde aanslagvoet APB blijft in 2020 7,2% (evenveel als in 2019) en de gemiddelde aanslagvoet OOV 2020 stijgt licht (met 16,51 opcentiemen tot 896,85 opcentiemen). Dat is enigszins verrassend omdat de tarieven gewoonlijk omhoog gaan in het eerste jaar van een nieuwe lokale bestuursperiode. Verrassend ook omdat de lokale besturen sowieso geconfronteerd worden met een verminderde belastingbasis voor hun APB nadat de federale overheid de lasten op arbeid verminderde vanaf 201612.
2.2.3. De ontvangen werkingssubsidies Misschien kunnen de gemeenten hun fiscale tarieven ongewijzigd houden omdat de Vlaamse overheid de (algemene) werkingssubsidies op een hoog peil houdt. In de ABB-nota over de jaarrekeningen 2007-2018 van de Vlaamse lokale besturen wezen we er al op dat de Vlaamse overheid de algemene werkingssubsidies doet stijgen ten nadele van de specifieke werkingssubsidies. Algemene werkingssubsidies worden voorwaardenvrij verschaft: de gemeentebesturen hoeven geen verantwoording af te leggen over de besteding ervan. De specifieke werkingssubsidies daarentegen zijn subsidies voor een welbepaald doel die de besturen wel moeten verantwoorden (en die de Vlaamse overheid kan terugvorderen). Die versterking van de algemene werkingssubsidies is de financiële vertaling van de beleidslijn tot ‘meer vertrouwen in én een grotere autonomie voor de lokale besturen’. De huidige Vlaamse Regering trekt verder die kaart. De bestaande algemene werkingssubsidies (het Gemeentefonds en haar aanvullende dotaties én de dotatie ter compensatie van de afschaffing van de bijdrage voor de voormalige gesubsidieerde contractuelen) blijven
27 gemeenten wijzigden in 2020 hun APB-tarief. 9 gemeenten beslisten tot een hogere APB (en 5 daarvan verhoogden tegelijk hun OOV). 18 gemeenten verlaagden hun APB-tarief, al wordt die verlaging in 16 gemeenten gecompenseerd door een hogere OOV. Die 16 gemeenten lijken de meer onzekere inkomsten uit APB in te ruilen voor de traditioneel meer stabiele inkomsten uit de OOV. In totaal verhoogden 38 gemeenten hun OOV-tarief. 2 gemeenten verlaagden dit tarief. 12
Pagina 17 van 47
ongewijzigd bestaan. Ze worden nog aangevuld met extra dotaties (zonder dat, ter compensatie, specifieke werkingssubsidies worden geschrapt). -
-
-
Een dotatie die 50% bedraagt van de responsabiliseringsbijdragen van de Vlaamse gemeenten (zie kaderstuk in paragraaf 2.1.4.). Die dotatie groeit van 126 miljoen euro in 2020 tot 271 miljoen euro in 2025. Een dotatie voor alle Vlaamse gemeenten (behalve voor de centrumsteden) waarbij de graad van ‘open ruimte’ de verdelingsbasis vormt. Die dotatie moet de gemeenten stimuleren om de open ruimte te bewaren. Ze groeit van 31 miljoen euro in 2020 naar 128 miljoen euro in 2025. Enkele kleinere dotaties die steden moeten compenseren voor welbepaalde lasten waarmee ze kampen.
De tabel in bijlage 2 geeft een overzicht van de door de Vlaamse overheid verstrekte én geraamde algemene werkingssubsidies. De in het vooruitzicht gestelde algemene werkingssubsidies aan de Vlaamse gemeenten stijgen in totaal van 3,382 miljard euro in 2019 (het eerste jaar van de huidige lokale bestuursperiode) naar 4,430 miljard euro in 2025 (het eerste jaar van de volgende lokale bestuursperiode). Dat betekent een stijging van bijna 31% in 6 jaar of een belangrijke gemiddelde jaarlijkse stijging van 5,16%! Het belang van de algemene werkingssubsidies in de totale ontvangsten van de Vlaamse gemeenten stijgt dan ook van 22,6% in 2020 naar 27,3% in 2025. Het totaal van de ontvangen werkingssubsidies (inclusief de specifieke werkingssubsidies waaronder de subsidies voor het gemeentelijk onderwijzend personeel) worden in 2020 geraamd op 5,583 miljard euro of 34,5% van de totale ontvangsten van de gemeenten. Net als de fiscale ontvangsten bedragen ook de ontvangen werkingssubsidies ongeveer één derde van de totale ontvangsten van de Vlaamse gemeenten.
2.2.4. De andere (exploitatie-)ontvangsten De andere rubrieken binnen de categorie exploitatie-ontvangsten geven allemaal blijk van een zekere voorzichtigheid in de ramingen. -
De ontvangsten uit de werking bedragen 1,651 miljard euro gemiddeld. Ze stijgen in de beschouwde periode heel matig, net als de eigenlijke fiscale ontvangsten. De OCMW’s verwachten jaarlijks meer dan 120 miljoen euro te recupereren van eerder uitgekeerde individuele steunverlening. De restrubriek andere operationele ontvangsten schommelt de hele periode van het meerjarenplan rond de 340 miljoen euro. Ook de financiële ontvangsten behoren tot de cluster van de exploitatie-ontvangsten. Dit zijn voornamelijk opbrengsten uit financiële vaste activa: dividenden van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en soortgelijke organisaties. Deze ontvangsten, die tot en met 2018 nog boven de 400 miljoen euro per jaar bedroegen, gaan de komende tijd in dalende lijn: van een geraamde 396,9 miljoen euro in 2020 naar 362,4 miljoen euro in 2025.
Pagina 18 van 47
2.3. De financiële resultaten 2.3.1. De normen (AFM en ESR) De Vlaamse overheid legt in de BBC-regelgeving dwingende normen op waaraan elk lokaal bestuur (gemeente en OCMW samen) moet beantwoorden ter vrijwaring van de financiële gezondheid op korte en langere termijn: -
-
Het beschikbaar budgettair resultaat (een ‘toestandsevenwicht’) moet jaarlijks groter zijn dan nul. Dat houdt in dat de gecumuleerde totale ontvangsten elk jaar minstens even groot zijn als de gecumuleerde totale uitgaven, of het tekort wordt gedekt met overschotten uit het verleden. De autofinancieringsmarge – AFM (een structureel evenwicht) is het saldo dat overblijft van de exploitatie-ontvangsten als alle exploitatie-uitgaven én de periodieke aflossingen van de opgenomen leningen vereffend zijn. Het is de marge van een lokaal bestuur om zelf (auto) nieuw beleid te financieren. De AFM moet positief zijn op het einde van de planningsperiode (dus in 2025). Een negatieve AFM in de loop van de planningsperiode vormt niet noodzakelijk een probleem, maar waakzaamheid is in die gevallen wel geboden. Het wijst op een beperkt financieel draagvlak. Die besturen moeten uit de reserves putten om hun exploitatie-uitgaven en schulden te betalen (en kunnen uiteraard geen nieuwe investeringen doen of nieuwe leningen aangaan).
Ook de Europese regelgever legt financiële normen op aan de EU-lidstaten: het zogenaamde ESR-vorderingensaldo en de schuldgraad. De lidstaten moeten zelf bepalen hoe de verschillende overheidsniveaus (federaal, regionaal, lokaal) gezamenlijk die norm behalen. Dat gebeurt in België volgens een ‘intern Belgisch stabiliteitsprogramma’. De ESR-norm is dus een norm voor het geheel van de (lokale) overheid, niet voor elke individuele gemeente. De BBC-regelgeving is zo opgevat dat de Vlaamse toezichthouder in staat is om te voldoen aan de rapporteringsverplichtingen over de financiën van de lokale besturen in ESR-termen. Het ESR-vorderingensaldo is het verschil tussen alle ontvangsten en uitgaven van een overheid (dus ook de investeringsuitgaven) zonder de kapitaalverrichtingen. Aan de ontvangstenzijde worden de nieuwe leningen en de opbrengsten uit de verkoop van participaties (financieel vaste activa) niet meegeteld. Aan de uitgavenzijde tellen we de aflossingen van de leningen en de aankoop van participaties niet mee13. In zijn jongste rapport van maart 201914 adviseerde de Hoge Raad voor Financiën (HRF) dat de Belgische lokale besturen gedurende de periode 2019-2022 een nulsaldo moeten behalen in ESRtermen. Binnenkort verschijnt een nieuw advies van de HRF over het wenselijke begrotingstraject van alle overheidsniveaus in België. Het saldo van de exploitatie- en de investeringsverrichtingen in BBC-termen loopt grotendeels parallel met het ESR-vorderingensaldo, zo leert de ervaring van de afgelopen lokale Voor de vaststelling van het ESR-vorderingensaldo van de Vlaamse gemeenten wordt het berekende bedrag nog bijgestuurd door het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR), dat verantwoordelijk is voor de officiële rapportering van de financiën van de Belgische overheden aan de Europese verantwoordelijke instanties (Eurostat). Het gebeurt dat het INR van oordeel is dat bepaalde boekingen zoals die zijn gebeurd binnen de BBC-context niet sporen met de macro-economische logica van het ESR-systeem. Het INR voert dan correcties door. 14 https://www.hogeraadvanfinancien.be/nl/publication/advies-begrotingstraject-ter-voorbereiding-van-hetstabiliteitsprogramma-2019-2022 13
Pagina 19 van 47
bestuursperiode. Dat hoeft niet te verbazen. Het ESR-vorderingensaldo is precies het saldo van alle ontvangsten en uitgaven zonder de kapitaalverrichtingen. In die zin is het BBC-saldo van de exploitatie- en de investeringsverrichtingen een goede graadmeter voor het uiteindelijke ESRsaldo berekent door het INR.
De Vlaamse gemeenten schatten de financiĂŤle duurzaamheid van hun financiĂŤn hoger in dan in 2013, toen ze de meerjarenplannen 2014-2019 vaststelden. Toen raamden ze voor de jaren 20142019 een jaarlijkse AFM van gemiddeld 125,7 miljoen euro. In werkelijkheid, zo tonen de rekeningencijfers voor de periode 2014-201815, was de AFM voor de Vlaamse gemeenten jaarlijks gemiddeld boven het miljard euro (1.089 miljoen euro). Of meer dan 8 keer zoveel.
In de meerjarenplannen 2020-2025 evolueert de geraamde AFM van 339 miljoen euro in 2020 naar 442 miljoen euro in 2025. Het gemiddelde per jaar bedraagt 385,5 miljoen euro, of ruim 3 keer zo hoog als de raming in 2013 voor de jaren 2014-2019. De toekomst zal uitwijzen of de effectieve realisaties evenveel zullen afwijken van de ramingen (maal 8) dan wel of de ramingen nu accurater gebeurd zijn en de realisaties nauwer zullen aansluiten bij de ramingen. 15
De rekeningen van 2019, en dus het AFM-cijfer voor 2019, is nog niet bekend.
Pagina 20 van 47
Anders is het gesteld met het saldo van de exploitatie- en de investeringsverrichtingen, dat een graadmeter is voor het ESR-saldo. Het ESR-saldo is ‘strenger’ dan de AFM omdat ze de investeringsuitgaven volledig meerekent en niet enkel de periodieke leningslasten (zie hoger). Dat geraamde saldo is vooral in de eerste jaren van de gemeentelijke bestuursperiode (20202022) behoorlijk negatief omdat de besturen de geraamde investeringsuitgaven vooral tijdens die jaren plannen (zie paragraaf 2.1.2.).
Ook hier is een analyse op meerjarige basis relevanter. De meerjarenplannen 2014-2019 raamden een saldo van jaarlijks gemiddeld -427,9 miljoen euro. Vooral omdat er in de meerjarenplannen 2020-2025 meer investeringsuitgaven ingeschreven staan, is het jaarlijks geraamde gemiddelde voor die jaren (2020-2025) -703 miljoen euro. Maar de realiteit in de vorige lokale bestuursperiode was merkelijk beter dan de ramingen. Voor de jaren 2014-2018 kwam het jaarlijks gemiddelde van dat saldo positief uit op 425,8 miljoen euro volgens de jaarrekeningen. Vermoedelijk zal het cijfer voor 2019 dat jaarlijks gemiddelde voor de periode 2014-2019 nog naar beneden bijtrekken omdat we redelijk wat investeringsuitgaven verwachten in dat jaar. ABB verwacht dat de Vlaamse gemeenten tijdens de lopende lokale bestuursperiode iets minder exploitatie- en investeringsuitgaven zullen doen dan de meerjarenplannen ramen. Dat zal een positief effect hebben op het ‘saldo van de exploitatie- en investeringsverrichtingen’. Anders dan het ESR-vorderingensaldo, dat een macro-economische norm is, is de AFM dwingend van toepassing op ieder gemeentebestuur. Volgens de meerjarenplannen 2020-2025 is elke gemeente in Vlaanderen structureel in evenwicht. Ze beschikken allemaal over een geraamde positieve AFM op het einde van de planningsperiode (2025). Enkele tientallen gemeenten beschikken wel over een beperkt financieel draagvlak en kennen nog jaren een negatieve AFM tijdens de planningsperiode.
Aantal gemeenten met een geraamde negatieve AFM in het desbetreffende jaar
2020 54
2021 42
2022 30
2023 22
2024 20
2025 0
Pagina 21 van 47
2.3.2. De schuldpositie De gemeenten schrijven in hun meerjarenplannen 2020-2025 in totaal voor 8,2 miljard euro aan nieuwe leningen in. Volgens de planning zullen ze bijna 5 miljard euro daarvan opnemen in de periode van 2020 tot 2022. Dat ritme sluit aan op dat van de geplande investeringen, die in het begin van de bestuursperiode ook (te) hoog worden ingeschat. De geplande schuldaflossing voor de periode van 2020 tot 2025 bedraagt 5,813 miljard euro. Daardoor zou de financiĂŤle schuld van de gemeenten tussen 2020 en 2025 toenemen met 2,386 miljard euro. De geplande opname van 8,2 miljard euro nieuwe leningen door de Vlaamse gemeenten is, op basis van ervaringen van de vorige bestuursperiode, als een maximum te beschouwen. De meerjarenplannen 2014-2019 raamden het bedrag van de op te nemen leningen op 7,437 miljard euro. De jaarrekeningen 2014-2018 geven aan dat er in die jaren 4,583 miljard leningen zijn opgenomen. In het budget 2019 staat een bedrag van 1,998 miljard euro aan op te nemen leningen gepland. Indien deze allemaal worden opgenomen, zou het totaal van de opgenomen leningen in de periode 2014-2019 6,581 miljard euro bedragen. Dit is 88% van het ramingsbedrag van de meerjarenplannen 2014-2019.
Als we de totale geraamde bedragen van de meerjarenplannen 2020-2025 toevoegen aan de openstaande schuld op 31 december 2018 (8,416 miljard euro of 1.287 euro per inwoner) en aan de leningen en aflossingen uit de budgetten 2019, zou de gemeentelijke schuld tegen eind 2025 kunnen oplopen tot 11,98 miljard euro (of gemiddeld 1.773 euro per inwoner)16.
Dit scenario is niet alleen gebaseerd op de ramingen van de meerjarenplannen 2020-2025, maar ook op de ramingen van de leningen en de aflossingen van het budget 2019. De jaarrekeningen 2019 van de gemeenten zijn nog niet beschikbaar, maar de kwartaalrapporteringen over de 4 kwartalen van het boekjaar 2019 recent wel. Hieruit blijkt dat de gemeenten in 2019 1,449 miljard euro minder leningen zouden hebben opgenomen dan geraamd in hun budgetten 2019. Dit zou betekenen dat de geraamde schuld van bijna 12 miljard eind 2025 met bijna anderhalf miljard euro mag worden verminderd! 16
Pagina 22 van 47
3. AUTONOME GEMEENTEBEDRIJVEN Meerdere Vlaamse gemeenten verzelfstandigden een deel van hun activiteiten (vooral bepaalde investeringen en patrimoniumbeheer) in publiekrechtelijk autonome gemeentebedrijven (AGB). Dat gebeurde om tal van redenen, maar vaak uit fiscale overwegingen (BTW-regelgeving). Vandaag telt Vlaanderen 170 AGB. Op 19 februari 2020 hadden 153 van hen hun meerjarenplannen 2020-2025 digitaal aan ABB bezorgd. Hun cijfers lichten we hier toe. De uiteindelijke cijfers van alle meerjarenplannen van de AGB zullen licht hoger liggen, maar de trends blijven wel dezelfde.
3.1.
De uitgaven
De totaal geraamde uitgaven van de Vlaamse AGB bedragen 5,692 miljard euro of gemiddeld 948,7 miljoen euro per jaar. De gemeenten schatten in dat ze jaarlijks gemiddeld 16,538 miljard euro zullen uitgeven. Het uitgavenvolume van de AGB bedraagt daarmee iets minder dan 6% van dat van de gemeenten. Van de totaal geraamde uitgaven gaat 4,163 miljard euro (73,13%) naar de exploitatie, 1,022 miljard euro (17,94%) naar investeringen en 507,9 miljoen euro (8,92%) naar financieringsuitgaven (vooral aflossingen van leningen en leasings). Net als bij de gemeenten valt het op dat de geraamde uitgaven het hoogst zijn in 2020. Daarna dalen ze stelselmatig. Dat geldt vooral voor de investeringsuitgaven, maar in zekere mate ook voor de exploitatieuitgaven. Binnen de categorie van de exploitatie-uitgaven besteden de AGB hun middelen vooral aan de aankoop van goederen en diensten (gemiddeld 325,9 miljoen euro per jaar of 46,97% van de exploitatie-uitgaven) en personeel (gemiddeld 342,8 miljoen euro per jaar of 49,41% van de exploitatie-uitgaven).
Pagina 23 van 47
-
De rubriek ‘goederen en diensten’ vertoont een opvallende daling van de uitgaven tijdens de periode van de meerjarenplanning. Dat heeft ongetwijfeld te maken met enkele grote AGB die opereren als vastgoedbedrijf. Ze kopen onroerende goederen aan die ze verder ontwikkelen en verkopen. De aankoop van die onroerende goederen is de aankoop van een ‘goed’ binnen de categorie van de exploitatie-uitgaven. Hoe verder je in de toekomst kijkt, hoe moeilijker en onzekerder het wordt om projecten of aankopen te ramen. In die zin is het vergelijkbaar met het ramen van investeringsuitgaven door de gemeentebesturen, die ook dalen naar het einde van de planningsperiode toe.
-
De personeelsuitgaven stijgen van 328,2 miljoen euro in 2020 naar 357,9 miljoen euro in 2025. Meer dan driekwart van deze uitgaven (241,6 miljoen euro in 2020 en 261 miljoen euro in 2025) heeft betrekking op onderwijzend personeel ten laste van AGB, waarvoor die AGB werkingssubsidies van de Vlaamse overheid ontvangen. Het eigenlijke personeel van de AGB is eerder beperkt (1.724 VTE einde 2018).
De onderstaande grafiek illustreert dat de AGB, net als de gemeenten, hun investeringsplannen vooral in de eerste jaren van het meerjarenplan inschrijven. Voor 2020 en 2021 schrijven de AGB respectievelijk 256 en 248 miljoen euro in. Gemiddeld verwachten ze 170,2 miljoen euro per jaar te investeren. Ze doen dat vooral in terreinen en gebouwen, roerende goederen en vaste activa in leasing. Kijken we functioneel, dan zetten de AGB vooral in op de beleidsdomeinen cultuur en vrije tijd (21%), leren en onderwijs (17%) en wonen en ruimtelijke ordening (11%). Iets minder dan de helft van de middelen wijzen ze niet toe aan een specifiek inhoudelijk beleidsdomein en brengen ze onder in de beleidsdomeinen ‘algemene financiering’ en ‘algemeen bestuur’. Paragraaf 5.2. bevat meer precieze cijfers over de functionele verdeling van de uitgaven.
Pagina 24 van 47
3.2. De ontvangsten
De totale geraamde ontvangsten van de AGB bedragen 5,689 miljard euro of gemiddeld 948,3 miljoen euro per jaar. Meer dan 82% komt voort uit de exploitatie, vooral werkingssubsidies van de moederbesturen, de gemeenten, en ontvangsten uit de werking. Iets meer dan 9% van de ontvangsten zijn opgenomen leningen (financieringsontvangsten) en 8,6% zijn investeringsontvangsten (vooral investeringssubsidies en in beperkte mate de verkoop van activa).
Pagina 25 van 47
3.3. De financiële resultaten De AFM is voor de AGB een indicator en geen norm. AGB moeten op het einde van de planningsperiode geen positieve AFM halen. Niettemin is dat het geval: de geraamde AFM voor 2025 bedraagt 37,6 miljoen euro. De gemiddelde jaarlijkse AFM voor de periode 2020-2025 bedraagt 24,5 miljoen euro. De analyse per individueel AGB toont aan dat 29 AGB voor 2025 een negatieve AFM optekenen.
De AGB schrijven in totaal voor 442 miljoen aan nieuwe leningen in hun meerjarenplannen 2020-2025 in. Volgens de planning zullen ze bijna 350 miljoen euro daarvan opnemen in de periode van 2020 tot 2022. Net zoals bij de gemeenten sluit dat ritme ook hier aan op dat van de geplande investeringen. Voor de aflossing van de financiële schulden schrijven de AGB voor de periode van 2020 tot 2025 in totaal 491,5 miljoen euro in. Daardoor zou de financiële schuld van de AGB, die volgens de jaarrekeningen 2018 in totaal 1,384 miljard euro bedroeg, tussen 2020 en 2025 met zowat 50 miljoen euro dalen. Rekening houdend met de in 2019 gebudgetteerde opnames en aflossingen van leningen zou de uitstaande schuld op het einde van de planningsperiode 1,522 miljard euro zijn.
Pagina 26 van 47
4. WELZIJNSVERENIGINGEN Het decreet over het lokaal bestuur hield een verregaande integratie van gemeente en OCMW in. De Vlaamse overheid wou zo een beter en meer afgestemd lokaal (sociaal) beleid mogelijk maken. De integratiebeweging zorgde in sommige gemeentebesturen voor een ‘verzelfstandigingsreactie’: ze verkozen, als reactie op de komende integratie, grote delen van de OCMW-activiteiten onder te brengen in een aparte publiekrechtelijk verzelfstandigde entiteit, een welzijnsvereniging. Waren er in 2017 37 welzijnsverenigingen, dan zijn er vandaag 58.
ABB beschikte op 19 februari 2020 over de meerjarenplannen 2020-2025 van 53 van die welzijnsverenigingen. Die cijfers worden hier voorgesteld. Vooraf moet worden opgemerkt dat de cijfers in belangrijke mate beïnvloed worden door de grootste welzijnsvereniging, het Zorgbedrijf Antwerpen. Het Zorgbedrijf Antwerpen wil voor eind 2020 een herstructurering doorvoeren waarbij een zeer groot aantal activiteiten wordt overgedragen naar andere entiteiten die niet behoren tot de BBC-consolidatiekring. Het budgettaire gewicht van het geheel van de welzijnsverenigingen verkleint hierdoor beduidend vanaf 2021.
4.1.
De uitgaven
De totale geraamde uitgaven voor de welzijnsverenigingen gedurende de volledige periode van de meerjarenplanning bedragen 6,524 miljard euro of 1,09 miljard euro per jaar. Daarvan gaat het grootste deel naar exploitatie-uitgaven: 5,538 miljard euro of 84,89% van de totale uitgaven. De investeringsuitgaven bedragen 550,9 miljoen euro en 434,8 miljoen gaat naar de financieringsuitgaven.
De bezoldigingen vormen het grootste deel van de exploitatie-uitgaven (gemiddeld 620,3 miljoen per jaar euro of 67%) gevolgd door de uitgaven voor goederen en diensten (gemiddeld 245,6 miljoen euro of 27%). Pagina 27 van 47
In 2021 dalen de exploitatie-uitgaven ferm. Die daling is het gevolg van de geplande herstructurering van het Zorgbedrijf Antwerpen17 waar de exploitatie-uitgaven met 57,8% dalen ten aanzien van 2020.
Ook de welzijnsverenigingen ramen hogere investeringsuitgaven in de eerste jaren van de bestuursperiode. Liefst 56% van de investeringsuitgaven situeren zich in 2020 en 2021. Behalve het klassieke patroon van de te hoge ramingen voor investeringen in de eerste jaren (een patroon dat we ook vaststellen bij de gemeenten en de AGB) speelt ook hier het effect van het Zorgbedrijf Antwerpen. Vanaf 2021 gebeuren de zorginvesteringen in de stad Antwerpen door een entiteit die buiten de BBC-consolidatiekring valt.
De welzijnsverenigingen investeren uiteraard vooral in het beleidsdomein ‘zorg en opvang’. De helft van de totale middelen (54%) gaat naar het beleidsveld ‘ouderen’, gevolgd door het beleidsveld ‘overige zorg en opvang’ (17%). De beleidsdomeinen ‘algemene financiering’ en ‘algemeen bestuur’ kunnen op ongeveer een kwart van de middelen (27%) rekenen.
17
In 2020 is het zorgbedrijf Antwerpen goed voor 25% van de totale exploitatie-uitgaven.
Pagina 28 van 47
4.2. De ontvangsten De totale geraamde ontvangsten voor het geheel van de planningsperiode bedragen 6,492 miljard euro, of gemiddeld 1,082 miljard euro per jaar. De exploitatie-ontvangsten vormen het grootste deel van de ontvangsten (88%). Die bestaan uit de ontvangsten van de eigen werking (53%) en de werkingssubsidies (39%). De scherpe daling van de ontvangsten vanaf 2021 is toe te schrijven aan de herstructurering van het Zorgbedrijf Antwerpen: hun exploitatie-ontvangsten dalen van 269,8 miljoen euro in 2020 naar 85,8 miljoen euro in 2021.
4.3. De financiĂŤle resultaten De AFM is voor de welzijnsverenigingen geen dwingend te behalen norm. Een positieve AFM op het einde van de planningsperiode is geen vereiste. De AFM moet wel als indicator in de meerjarenplannen staan. De totale geraamde AFM voor het laatste jaar van de planningsperiode, 2025, bedraagt 3,6 miljoen euro. 9 (van de 53) welzijnsverenigingen hebben dan een negatieve waarde. De gemiddelde AFM voor het geheel van de periode 2020-2025 bedraagt 6,2 miljoen euro.
Pagina 29 van 47
De welzijnsverenigingen ramen het totaal aan nieuwe leningen in de komende planningsperiode op 433 miljoen euro. Iets meer dan de helft (229,8 miljoen euro of 53%) lenen ze in de eerste 2 jaar. Dit stemt overeen met het al besproken investeringsritme. De aflossingen tijdens de hele planningsperiode bedragen 375 miljoen euro. Tussen 2020 en 2025 zal de schuld stijgen met 58 miljoen euro. Op basis van de jaarrekeningen van 2018 bedroeg de schuld 624,1 miljoen euro. Door er de voor 2019 gebudgetteerde opnames en aflossingen van leningen aan toe te voegen zouden de financiĂŤle schulden tegen eind 2025 oplopen tot 759,4 miljoen euro.
Pagina 30 van 47
5. GECONSOLIDEERDE GEGEVENS Tot hiertoe presenteerden we de financiële gegevens van de lokale besturen per type bestuur: de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en de welzijnsverenigingen. Dit hoofdstuk biedt enkele financiële basisgegevens over de ‘consolidatie’ van de genoemde lokale overheden18. Een meer globale analyse kan tot aanvullende inzichten leiden. De investeringen die de publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten realiseren of de schulden die ze opbouwen zijn immers volledig voor rekening van het gemeentebestuur.
5.1.
De totale uitgaven
UITGAVEN (in euro) Exploitatie Gemeente/OCMW AGB Welzijnsvereniging Totaal exploitatie Eliminatie 'onderlinge' transacties Exploitatie geconsolideerd
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Totaal
12 443 603 277 726 507 942 990 857 101 14 160 968 321 -332 082 045 13 828 886 276
12 654 807 616 723 811 962 864 979 608 14 243 599 186 -340 190 751 13 903 408 434
12 866 169 046 702 867 058 888 231 764 14 457 267 868 -345 722 412 14 111 545 456
13 105 471 920 692 583 969 911 466 928 14 709 522 818 -352 833 851 14 356 688 967
13 334 831 667 657 036 040 932 207 510 14 924 075 217 -353 872 724 14 570 202 493
13 500 171 052 660 171 848 950 365 821 15 110 708 721 -353 273 041 14 757 435 680
77 905 054 578 4 162 978 820 5 538 108 733 87 606 142 131 -2 077 974 824 85 528 167 306
Investeringen Gemeente/OCMW AGB Welzijnsvereniging Totaal investering Eliminatie 'onderlinge' transacties Investeringen geconsolideerd
3 815 287 275 256 066 533 225 734 126 4 297 087 933 -82 680 829 4 214 407 104
2 988 079 986 247 996 698 82 323 256 3 318 399 940 -87 755 273 3 230 644 668
2 579 788 140 198 475 782 81 459 912 2 859 723 834 -81 415 413 2 778 308 421
2 251 749 817 128 058 219 63 308 412 2 443 116 448 -65 449 392 2 377 667 056
1 783 135 879 96 979 568 58 835 897 1 938 951 344 -52 830 711 1 886 120 633
1 397 172 483 93 910 568 39 266 016 1 530 349 067 -46 016 107 1 484 332 960
14 815 213 579 1 021 487 369 550 927 619 16 387 628 567 -416 147 726 15 971 480 842
Financiering Gemeente/OCMW AGB Welzijnsvereniging Totaal financiering Eliminatie 'onderlinge' transacties Financiering geconsolideerd
1 159 838 874 101 926 111 57 608 743 1 319 373 728 -233 442 773 1 085 930 955
1 008 646 919 84 961 833 78 768 967 1 172 377 719 -103 041 713 1 069 336 006
1 035 966 411 87 158 606 91 869 887 1 214 994 904 -103 373 690 1 111 621 214
1 119 390 328 79 094 562 62 765 308 1 261 250 197 -64 353 530 1 196 896 667
1 069 751 623 74 852 954 76 746 512 1 221 351 090 -70 153 079 1 151 198 011
1 113 633 603 79 898 869 67 080 443 1 260 612 914 -58 206 261 1 202 406 653
6 507 227 758 507 892 935 434 839 860 7 449 960 552 -632 571 047 6 817 389 506
Algemeen totaal (opgeteld) Algemeen totaal (geconsolideerd)
19 777 429 982 19 129 224 335
18 734 376 845 18 203 389 108
18 531 986 606 18 001 475 091
18 413 889 463 17 931 252 689
18 084 377 651 17 607 521 137
17 901 670 703 17 444 175 293
111 443 731 250 108 317 037 654
De totale geraamde uitgaven van de Vlaamse lokale besturen in de periode 2020-2025 bedragen 111,4 miljard euro. De besturen ramen wellicht te hoge investeringsuitgaven in de eerste jaren van de bestuursperiode, en te lage in de latere jaren. Dat verklaart de dalende tendens van de geraamde uitgaven de komende jaren. Relevanter is het jaarlijks gemiddelde; 18,574 miljard euro. De gemeenten staan in voor 9/10 van die uitgaven (iets meer dan 89%), de
De volgende Vlaamse lokale besturen behoren niet tot onze ‘consolidatiekring’, hoewel de gemeenten er wel belangrijke financiële relaties mee onderhouden: de extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de politie- en hulpverleningszones en de besturen van de eredienst. Bijlage 1 biedt hierover meer duiding. 18
Pagina 31 van 47
verzelfstandigde entiteiten voor 1/10 (bijna 11% waarvan 5,1% voor de AGB en 5,9% voor de welzijnsverenigingen). Die cijfers zijn de optelsom van de uitgaven van de overheden. ‘Onderlinge transacties’ vertekenen licht die cijfers. Dat zijn vooral werkings- en investeringssubsidies en toegestane leningen van de gemeenten aan de verzelfstandigde entiteiten. De gemeenten schrijven die in hun planningen in als een uitgave. In de planningen van de AGB en de welzijnsverenigingen zijn het ontvangsten die opnieuw (geplande) uitgaven mogelijk maken. Een loutere optelling van de uitgaven betekent zo een zekere mate van dubbeltelling. De eliminatie van die onderlinge transacties betekent een lichte daling van het totaal van de opgetelde uitgaven.
5.2. De uitgaven per beleidsdomein De onderstaande tabellen bieden een uitsplitsing van de geraamde uitgaven per beleidsdomein. We geven de functionele verdeling van de exploitatie-uitgaven, van de investeringsuitgaven en van het totaal van de exploitatie- en investeringsuitgaven. De financieringsuitgaven (voornamelijk het terugbetalen van aangegane leningen) laten we hier buiten beschouwing.
Exploitatie-uitgaven 2020-2025 (in euro) Gemeente en OCMW Algemene financiering 1 756 199 652 Algemeen bestuur 18 788 515 964 Zich verplaatsen en mobiliteit 2 970 099 360 Natuur en milieubeheer 4 991 084 477 Veiligheidszorg 9 738 930 384 Ondernemen en werken 1 328 873 729 Wonen en ruimtelijke ordening 3 581 893 891 Cultuur en vrije tijd 8 244 570 687 Leren en onderwijs 6 878 229 726 Sociaal beleid 8 072 951 498 Ouderen 5 882 532 263 Overige zorg en opvang 5 671 172 946 TOTAAL 77 905 054 578
AGB 1 652 639 729 412 363 451 154 692 607 12 592 160 3 027 955 35 341 713 427 061 988 897 325 570 560 240 877 1 450 666 6 242 104 4 162 978 820
WZV Totaal 2020-2025 Jaarlijks gemiddelde Aandeel in totale exploitatie-uitgaven 178 986 231 3 587 825 611 597 970 935 4,10% 979 542 139 20 180 421 554 3 363 403 592 23,04% 3 124 791 968 520 798 661 3,57% 5 003 676 637 833 946 106 5,71% 1 600 782 9 743 559 121 1 623 926 520 11,12% 69 580 840 1 433 796 282 238 966 047 1,64% 5 298 664 4 014 254 542 669 042 424 4,58% 9 141 896 257 1 523 649 376 10,44% 7 906 715 7 446 377 317 1 241 062 886 8,50% 45 849 925 8 118 801 423 1 353 133 571 9,27% 3 178 252 392 9 062 235 321 1 510 372 554 10,34% 1 071 091 047 6 748 506 097 1 124 751 016 7,70% 5 538 108 733 87 606 142 131 14 601 023 688 100%
Pagina 32 van 47
Investeringsuitgaven 2020-2025 (in euro) Gemeente en OCMW Algemene financiering 220 709 934 Algemeen bestuur 2 319 608 147 Zich verplaatsen en mobiliteit 4 523 297 104 Natuur en milieubeheer 1 434 626 314 Veiligheidszorg 507 198 996 Ondernemen en werken 325 218 675 Wonen en ruimtelijke ordening 1 193 876 223 Cultuur en vrije tijd 2 473 087 155 Leren en onderwijs 912 584 663 Sociaal beleid 120 880 906 Ouderen 492 466 315 Overige zorg en opvang 291 659 148 TOTAAL 14 815 213 579
Exploitatie- en investeringsuitgaven 2020-2025 (in euro) Algemene financiering Algemeen bestuur Zich verplaatsen en mobiliteit Natuur en milieubeheer Veiligheidszorg Ondernemen en werken Wonen en ruimtelijke ordening Cultuur en vrije tijd Leren en onderwijs Sociaal beleid Ouderen Overige zorg en opvang TOTAAL
Gemeente en OCMW
AGB 72 022 299 60 183 543 71 529 622 1 009 625 215 940 2 656 000 109 632 908 317 024 043 386 544 091 600 668 698 1 021 487 369
AGB
WZV Totaal 2020-2025 Jaarlijks gemiddelde Aandeel in totale investeringsuitgaven 4 066 000 296 798 233 49 466 372 1,81% 214 780 709 2 594 572 399 432 428 733 15,83% 4 594 826 726 765 804 454 28,04% 1 435 635 939 239 272 657 8,76% 15 000 507 429 936 84 571 656 3,10% 380 850 328 255 525 54 709 254 2,00% 105 000 1 303 614 131 217 269 022 7,95% 2 790 111 198 465 018 533 17,03% 10 500 1 299 139 254 216 523 209 7,93% 200 055 121 080 961 20 180 160 0,74% 294 896 023 787 362 938 131 227 156 4,80% 36 473 482 328 801 328 54 800 221 2,01% 550 927 619 16 387 628 567 2 731 271 428 100%
WZV
Totaal 2020-2025
Jaarlijks gemiddelde
Aandeel in totaal
1 976 909 586 21 108 124 111 7 493 396 464 6 425 710 791 10 246 129 380 1 654 092 404 4 775 770 114 10 717 657 842 7 790 814 389 8 193 832 405 6 374 998 578 5 962 832 094
1 724 662 028 472 546 994 226 222 229 13 601 785 3 243 895 37 997 713 536 694 895 1 214 349 613 946 784 968 1 451 266 6 910 802
183 052 231 1 194 322 847 1 615 782 69 961 690 5 403 664 7 917 215 46 049 980 3 473 148 415 1 107 564 529
3 884 623 844 22 774 993 953 7 719 618 694 6 439 312 576 10 250 989 057 1 762 051 807 5 317 868 673 11 932 007 455 8 745 516 571 8 239 882 385 9 849 598 259 7 077 307 425
647 437 307 3 795 832 325 1 286 603 116 1 073 218 763 1 708 498 176 293 675 301 886 311 445 1 988 667 909 1 457 586 095 1 373 313 731 1 641 599 710 1 179 551 238
3,74% 21,90% 7,42% 6,19% 9,86% 1,69% 5,11% 11,47% 8,41% 7,92% 9,47% 6,81%
92 720 268 157
5 184 466 189
6 089 036 352
103 993 770 698
17 332 295 116
100%
De besturen ramen dat ze ongeveer een kwart van de exploitatie- en investeringsuitgaven (25,64% of gemiddeld 4,443 miljard euro per jaar) aan de algemene beleidsdomeinen ‘algemene financiering’ en ‘algemeen bestuur’ zullen uitgeven. Het valt op dat de eerder ‘zachte’ beleidsdomeinen de meerderheid van de uitgaven van de lokale besturen vormen. -
Het beleidsdomein ‘zorg en opvang’ is goed voor een ander kwart (24,2% of bijna 4,2 miljard per jaar) van de uitgaven: 7,92% aan sociaal beleid, 9,47% aan ouderenzorg en 6,81% aan ‘andere zorg en opvang’. Een belangrijk deel van het ouderenbeleid is alvast
Pagina 33 van 47
-
-
verzelfstandigd: de welzijnsverenigingen besteden bijna 3,5 miljard euro van de bijna 10 miljard euro voor ouderenbeleid in de periode 2020-2025. Het beleidsdomein ‘cultuur en vrije tijd’ vertegenwoordigt 11,47% van de uitgaven of gemiddeld bijna 2 miljard euro per jaar. De AGB spelen hier een niet onbelangrijke rol: meer dan 1/10 van de uitgaven in dit domein gebeurt door hen; Het beleidsdomein ‘leren en onderwijs’ neemt 8,4% van de lokale uitgaven voor zijn rekening: iets meer dan 1,2 miljard euro exploitatie-uitgaven en iets meer dan 1,4 miljard euro investeringsuitgaven.
Toch zijn ook de eerder ‘harde’ beleidsdomeinen belangrijk. -
-
Bijna 10% van de uitgaven gebeurt binnen het beleidsdomen ‘veiligheidszorg’. Dat komt voor een belangrijk deel neer op de gemeentelijke dotatie aan de politie- en hulpverleningszones. De beleidsdomeinen ‘Mobiliteit’ en ‘Natuur en Milieu’ zijn goed voor respectievelijk 7,42 en 6,19% van de uitgaven, of jaarlijks gemiddeld 1,286 en 1,073 miljard euro geraamde uitgaven. De beleidsdomeinen ‘Wonen en Ruimtelijke Ordening’ en zeker ‘Ondernemen en werken’ bekomen, in financiële termen, het minste aandacht van de lokale besturen met respectievelijk 5,11 en 1,69% van de uitgaven. De AGB spelen binnen het domein ‘Wonen en Ruimtelijke Ordening’ een niet onbelangrijke rol: ongeveer 10% van de uitgaven gebeurt door die verzelfstandigde entiteiten.
5.3. De financiële resultaten: de geconsolideerde AFM De Vlaamse overheid legt de AFM op als dwingend te behalen norm voor elke gemeente (zie paragraaf 2.3.1.). Elk bestuur is ook verplicht om de ‘geconsolideerde AFM’ te vermelden in de beleidsrapporten, zij het als een indicator, niet als een norm. De ‘geconsolideerde’ AFM is de AFM op het niveau van de gemeente, haar OCMW én de eventuele AGB. De tabel hieronder geeft aan dat de geraamde geconsolideerde AFM van alle behandelde Vlaamse lokale besturen (dus inclusief AGB én welzijnsverenigingen) de komende jaren positief blijft en schommelt tussen de 292,94 miljoen euro en 483,3 miljoen euro.
AFM Gemeenten en OCMW AGB Welzijnsverenigingen Geconsolideerde AFM
2020 339 021 226 11 236 760 13 416 084 363 674 070
2021 299 363 356 -12 694 043 6 272 645 292 941 959
2022 319 792 774 43 219 234 4 955 173 367 967 181
2023 299 808 238 45 167 838 3 808 659 348 784 736
2024 380 180 790 34 489 302 4 785 110 419 455 202
2025 442 062 888 37 566 951 3 628 607 483 258 446
Pagina 34 van 47
6. BESLUIT Het lokale bestuursniveau is belangrijk, ook in financiële termen. In de komende jaren ramen de Vlaamse gemeenten en hun publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten samen gemiddeld 18,5 miljard euro per jaar uit te geven. Ter vergelijking, in 2019 bedroegen de totale overheidsuitgaven in België, inclusief de sociale zekerheid, ongeveer 246 miljard euro. De uitgaven van de Vlaamse lokale besturen vertegenwoordigen ongeveer 7,5% van de totale overheidsuitgaven. Aan de vooravond van de opmaak van hun meerjarenplannen 2020-2025 bevinden de gemeenten zich financieel in een redelijk gunstige uitgangspositie. De ABB-nota van september 2019 (‘De Financiën van de Vlaamse lokale besturen 2007-2018. Een algemeen overzicht’), gebaseerd op de cijfers van de jaarrekeningen, concludeert op pagina 10: “De financiën van de
Vlaamse gemeenten hebben zich na een dip gedurende de jaren 2011-2013 hersteld en zijn eind 2018 in algemene termen structureel in evenwicht.” De nieuwe Vlaamse Regering stelt extra financiële steun aan de gemeenten voorop vanaf het budgetjaar 2020 zodat die hun financiële uitdagingen kunnen aanpakken. De reeds hoge algemene werkingssubsidies aan de gemeenten groeien verder van 3,382 miljard euro in 2019 naar 4,430 miljard euro in 2025. Dit betekent een stijging van bijna 31% of een gemiddelde jaarlijkse stijging van 5,16%. Dat laat de gemeenten toe om financieel aantrekkelijke meerjarenplannen 2020-2025 voor te stellen. -
-
De fiscale tarieven stijgen niet. De gemeenten slagen er in om meer investeringsuitgaven in het vooruitzicht te stellen dan in de meerjarenplannen 2014-2019: 14,1 miljard euro ten opzichte van 12,1 miljard euro. Een stijging van 16,8%. Het duurzame financieel evenwicht blijft behouden en wordt misschien zelfs versterkt. De financiële schulden zouden stijgen van 8,4 miljard euro einde 2018 tot (maximaal) bijna 12 miljard euro eind 202519, maar de gemeente kunnen ze zonder grote moeilijkheden aflossen.
Let wel: deze nota schetst de grote lijnen van het geraamde financieel beleid voor het geheel van de Vlaamse lokale besturen. De situatie in elk individueel bestuur is uiteraard anders. Een bestuurder (of een geïnteresseerde inwoner) van een gemeente kan de financiële situatie van de eigen gemeente in ieder geval toetsen aan de globale evoluties die we in de nota schetsen.
19
Zie voetnoot 16 op pagina 22.
Pagina 35 van 47
7. BIJLAGEN
Pagina 36 van 47
Bijlage 1: De lokale besturen in Vlaanderen vanaf 2019 Recente evoluties en de inwerkingtreding op 01 januari 2019 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (DLB) hebben het landschap en de werking van de Vlaamse lokale besturen enigszins gewijzigd. -
Na 7 fusies van gemeenten telt Vlaanderen vanaf 01 januari 2019 nog 300 gemeenten, niet langer 308.
-
Het DLB zorgde vanaf 01 januari 2019 voor een verregaande politieke en ambtelijke samenwerking tussen de gemeente en haar OCMW, hoewel beide entiteiten formeeljuridisch nog steeds afzonderlijke rechtspersonen blijven. De gemeente en haar OCMW vormen voortaan één rapporteringsentiteit. Ze maken één gezamenlijke meerjarenplanning, voeren een gemeenschappelijke boekhouding, rapporteren met een gezamenlijke jaarrekening en de te behalen financiële normen zijn op hen samen van toepassing.
-
De oprichting van publiekrechtelijk verzelfstandigde entiteiten vertoont een gemengd beeld. Recent werden nauwelijks nog autonome gemeentebedrijven opgericht. We merken wel een verzelfstandigings- en samenwerkingstendens in de welzijnssfeer. Waren er in 2015 nog ‘maar’ 37 publiekrechtelijke welzijnsverenigingen (en 3 privaatrechtelijke woon- en zorgcentra), dan kennen de OCMW’s nu al 58 welzijnsverenigingen (en 7 privaatrechtelijke woon- en zorgcentra).
-
De intergemeentelijke samenwerkingsverbanden worden steeds belangrijker. We kennen vooral de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in de “nutssectoren” (energie, kabel, water) en de ‘streekontwikkelingsintercommunales’. Meerdere gemeenten verplaatsen sommige van hun (investerings-)activiteiten naar die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die hun activiteitenterrein uitbreiden. Voorbeelden zijn de gemeentelijke investeringen in de sportsector (zwembaden, voetbalterreinen, …) uitgevoerd door Farys, de overname van de gemeentelijke openbare verlichtingsnetten door Fluvius of de verdergaande overname van de rioleringen en containerparken door de betrokken intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
-
De nieuwe Vlaamse Regering schreef in haar regeerprogramma een belangrijke extra financiële ondersteuning voor de lokale besturen in. Naast de jaarlijkse groeivoet van 3,5% van het Gemeentefonds kunnen de gemeenten vanaf 2020 genieten van aanzienlijke extra dotaties die hen ondersteunen bij het aangaan van hun financiële uitdagingen (zie paragraaf 2.2.3. en bijlage 2).
-
Op intern-organisatorisch vlak werken de gemeenten sinds 2020 met de aangepaste regels over de ‘beleids- en beheercyclus’ (BBC). De BBC is het instrument dat de Vlaamse lokale besturen sinds 2014 gebruiken voor de vormgeving van hun beleid en hun financiële rapportering. De recente wijzigingen moeten onder meer de leesbaarheid van de beleidsdocumenten verbeteren. Zo is er geen apart jaarlijks budget meer, maar vormt dat een onderdeel van de meerjarenplannen.
Pagina 37 van 47
De ‘Vlaamse lokale besturen’ besproken in deze nota zijn de kernbesturen (gemeenten en OCMW’s) en hun publiekrechtelijke verzelfstandigingen (de AGB en de welzijnsverenigingen). Die besturen vormen niet het geheel van de Vlaamse lokale besturen uit het DLB, maar omvatten wel veruit het belangrijkste gedeelte ervan. Ook de Europese toezichthouder op de overheidsfinanciën, het statistisch bureau Eurostat, hanteert een eigen definitie van (lokale) overheid. Instellingen die door Eurostat tot de (lokale) overheid worden gerekend, moeten over hun financiële gegevens rapporteren volgens de standaarden van het ESR – Europees Systeem van Rekeningen. Die ‘andere’ lokale overheden behoren niet tot het onderwerp van deze nota omdat ze (1) niet tot de Eurostat-definitie van de ‘lokale overheid’ behoren, (2) BBC niet toepassen of (3) niet onder het toezicht van de Vlaamse overheid staan. Daardoor beschikken we niet over systematische en digitale BBC-gegevens van die besturen: -
de politie- en de hulpverleningszones, die onder het toezicht staan van de federale overheid. Zij gebruiken de ‘Nieuwe gemeenteboekhouding’ (NGB) als instrument voor de vormgeving van hun (financieel) beleid. De politie- en hulpverleningszones behoren volgens Eurostat tot de lokale overheid;
-
de extern verzelfstandigde agentschappen (EVA) in privaatrechtelijke vorm van de gemeente en van het OCMW. Het zijn meestal vzw’s of private woon-en zorgverenigingen. Die entiteiten passen de vzw-boekhouding toe en behoren niet tot de overheid in de Eurostatdefinitie;
-
de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die 5 verschillende verschijningsvormen kennen20. Ze hanteren de vennootschapsboekhouding als werkingsinstrument en behoren volgens de Eurostat-definitie meestal niet tot de overheidssector;
-
De besturen van de eredienst, die een kasboekhouding voeren en evenmin tot de Europese definitie van lokale overheid behoren. Juridische entiteit
aantal
Boekhouding
Overheid volgens Eurostat
Gemeente OCMW Autonoom gemeentebedrijf Publiekrechtelijke welzijnsvereniging
300 300 170 58
BBC BBC BBC BBC
Ja Ja Ja Ja
Gemeentelijke EVA (privaatrechtelijk) OCMW-zorgvereniging (privaatrechtelijk) Intergemeentelijke samenwerkingsverband Politiezone Hulpverleningszone Bestuur van de eredienst
xx 7 8021 107 20 1728
vzw vzw vennoot NGB NGB kas
Neen Neen Neen Ja Ja Neen
De 5 vormen zijn (1) de interlokale verenigingen, (2) de projectverenigingen, (3) de dienstverlenende vereniging, (4) de opdrachthoudende vereniging en (5) de verenigingen met private inbreng. Zie DLB, artikel 158 e.v. 21 Het betreft hier enkel de dienstverlenende en de opdrachthoudende intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De interlokale verenigingen (die geen rechtspersoonlijkheid kennen) en de projectverenigingen zijn niet in deze cijfers opgenomen. 20
Pagina 38 van 47
Bijlage 2: De algemene werkingssubsidies van de Vlaamse overheid (2014-2025) De tabel biedt een overzicht van de algemene werkingssubsidies van de Vlaamse overheid naar de in deze nota besproken lokale besturen (gemeenten, OCMW, AGB en welzijnsverenigingen). De bedragen vanuit sommige van deze financiële stromen (de ‘regularisatie vroegere contingentgesco’s’ en de ‘dotatie responsabiliseringsbijdrage’) naar andere lokale overheden (politie- en hulpverleningszones, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, ….) zijn niet begrepen in deze cijfers.
algemene werkingsdotaties naar soort Gemeentefonds - hoofddotatie aanvullende dotatie Eliacompensatie aanvullende dotatie sectorale subsidies aanvullende dotatie centrumsteden compensatie overdracht provinciale instellingen regularisatie vroegere contingentgesco's dotatie responsabiliseringsbijdragen dotatie open ruimte grootstedelijke problematiek centrumfunctie mobiliteit Totaal algemene financiering jaarlijkse evolutie
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2 246 693 2 324 545 2 404 861 2 496 291 2 583 662 2 674 091 2 767 685 2 864 554 2 964 814 3 068 583 3 175 984 3 287 144 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 83 000 130 391 130 391 131 010 131 010 131 010 131 010 131 010 131 010 131 010 131 010 146 378 151 502 156 805 162 294 167 975 173 855 179 940 186 238 192 757 23 820 23 919 23 919 23 919 23 919 23 919 23 919 23 919 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 313 892 126 278 140 972 187 923 242 866 271 145 271 145 31 198 62 960 89 440 108 559 123 713 128 043 4 500 4 500 4 500 4 500 4 500 4 500 2 500 2 500 2 500 2 500 2 500 2 500 2 329 693 2 407 545 2 932 144 3 169 952 3 286 886 3 382 717 3 639 276 3 788 282 3 967 853 4 151 769 4 308 901 4 430 910 103,34% 121,79% 108,11% 103,69% 102,92% 107,58% 104,09% 104,74% 104,64% 103,78% 102,83%
Pagina 39 van 47
Bijlage 3: De BBC-beleidsvelden (beleidsdomeinen)
Algemene financiering 0010
Algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus
0020
Fiscale aangelegenheden
0030
FinanciĂŤle aangelegenheden
0040
Transacties in verband met de openbare schuld
0050
Patrimonium zonder maatschappelijk doel
0090
Overige algemene financiering
Algemeen bestuur Politieke organen 0100
Politieke organen
0101
Officieel ceremonieel
Algemene diensten 0110
Secretariaat
0111
Fiscale en financiĂŤle diensten
0112
Personeelsdienst en vorming
0113
Archief
0114
Organisatiebeheersing
0115
Welzijn op het werk
0119
Overige algemene diensten
Administratieve dienstverlening 0130
Administratieve dienstverlening
Internationale samenwerking 0150
Internationale relaties
0151
Deelneming aan internationale organisaties en conferenties
Hulp aan het buitenland 0160
Hulp aan het buitenland
Binnengemeentelijke werking 0170
Binnengemeentelijke decentralisatie
Pagina 40 van 47
0171
Gemeentelijk/stedelijk wijkoverleg
Overig algemeen bestuur 0190
Overig algemeen bestuur
Zich verplaatsen en mobiliteit 0200
Wegen
0210
Openbaar vervoer
0220
Parkeren
0290
Overige mobiliteit en verkeer
Natuur en milieubeheer Afval- en materialenbeheer 0300
Ophalen en verwerken van huishoudelijk afval
0309
Overig afval- en materialenbeheer
Waterbeheer 0310
Beheer van regen- en afvalwater
0319
Overig waterbeheer
Vermindering van de milieuverontreiniging 0320
Sanering van bodemverontreiniging
0329
Overige vermindering van milieuverontreiniging
Bescherming van biodiversiteit , landschappen en bodem 0340
Aankoop, inrichting en beheer van natuur, groen en bos
0341
Erosiebestrijding
0349
Overige bescherming van biodiversiteit, landschappen en bodem
Klimaat en energie 0350
Klimaat en energie
Overige milieubescherming 0380
Participatie en sensibilisatie
0381
GeĂŻntegreerde milieuprojecten
0390
Overige milieubescherming
Veiligheidszorg 0400
Politiediensten
0410
Brandweer
Pagina 41 van 47
0420
Dienst 100
0430
Civiele bescherming
0440
Overige hulpdiensten
0450
Rechtspleging
0460
Kinderbescherming
0470
Dierenbescherming
0480
Bestuurlijke preventie (incl. GAS)
0490
Overige elementen van openbare orde en veiligheid
Ondernemen en werken Handel en middenstand 0500
Handel en middenstand
Nijverheid 0510
Nijverheid
Toerisme 0520
Toerisme - Onthaal en promotie
0521
Toerisme - Sectorondersteuning
0522
Toerisme - Infrastructuur
0529
Overige activiteiten inzake toerisme
Land-, tuin- & bosbouw 0530
Land-, tuin- & bosbouw
Visvangst 0540
Visvangst
Werkgelegenheid 0550
Werkgelegenheid
Overige economische zaken 0590
Overige economische zaken
Wonen en ruimtelijke ordening Ruimtelijke ordening 0600
Ruimtelijke planning
Gebiedsontwikkeling 0610
Gebiedsontwikkeling
Pagina 42 van 47
Woonbeleid 0620
Grondbeleid voor wonen
0621
Bestrijding van krotwoningen
0622
Woonwagenterreinen
0629
Overig woonbeleid
Watervoorziening 0630
Watervoorziening
Elektriciteitsvoorziening 0640
Elektriciteitsvoorziening
Gasvoorziening 0650
Gasvoorziening
Communicatievoorzieningen 0660
Communicatievoorzieningen
Straatverlichting 0670
Straatverlichting
Groene ruimte 0680
Groene ruimte
Overige nutsvoorzieningen 0690
Overige nutsvoorzieningen
Cultuur en vrije tijd Culturele instellingen 0700
Musea
0701
Cultuurcentrum
0702
Schouwburg, concertgebouw, opera
0703
Openbare bibliotheken
0704
Gespecialiseerde bibliotheken
0705
Gemeenschapscentrum
0709
Overige culturele instellingen
Evenementen 0710
Feesten en plechtigheden
0711
Openluchtrecreatie
Pagina 43 van 47
0712
Festivals
0719
Overige evenementen
Erfgoed 0720
Monumentenzorg
0721
Archeologie
0729
Overig beleid inzake het erfgoed
Overig kunst- en cultuurbeleid 0739
Overig kunst- en cultuurbeleid
Sport 0740
Sportsector- en verenigingsondersteuning
0741
Sportpromotie en -evenementen
0742
Sportinfrastructuur
0749
Overig sportbeleid
Jeugd 0750
Jeugdsector- en verenigingsondersteuning
0751
Gemeentelijke dienstverlening gericht op kinderen & jongeren
0752
Infrastructuur en faciliteiten ten behoeve van kinderen en jongeren
0759
Overige activiteiten met betrekking tot jeugd
Erediensten en niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen 0790
Erediensten
0791
Niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen
Leren en onderwijs Basisonderwijs 0800
Gewoon basisonderwijs
0801
Buitengewoon basisonderwijs
Secundair onderwijs 0810
Gewoon secundair onderwijs
0814
Leren en werken
0815
Buitengewoon secundair onderwijs
Deeltijds kunstonderwijs 0820
Deeltijds kunstonderwijs
Pagina 44 van 47
Volwassenenonderwijs 0830
Centra voor volwassenenonderwijs
Hoger onderwijs 0835
Hoger onderwijs
Ondersteunende diensten voor het onderwijs 0860
Centra voor leerlingenbegeleiding
0862
Huisvesting voor schoolgaanden
0869
Overige ondersteunende diensten voor het onderwijs
Algemeen onderwijsbeleid 0870
Sociale voordelen
0879
Andere voordelen
0889
Ondersteunende diensten voor het algemeen onderwijsbeleid
Zorg en opvang Sociaal beleid 0900
Sociale bijstand
0901
Voorschotten
0902
Integratie van personen met vreemde herkomst
0903
Lokale opvanginitiatieven voor asielzoekers
0904
Activering van tewerkstelling
0905
Dienst voor juridische informatie en advies
0909
Overige verrichtingen inzake sociaal beleid
Ziekte en invaliditeit 0910
Woningen voor personen met een handicap
0911
Diensten en voorzieningen voor personen met een handicap
0919
Overige activiteiten inzake ziekte en invaliditeit
Werkloosheid 0920
Werkloosheid
Sociale huisvesting 0930
Sociale huisvesting
Gezin en kinderen 0940
Jeugdvoorzieningen
Pagina 45 van 47
0941
Gezinsvervangende tehuizen
0942
Onderhoudsgelden
0943
Gezinshulp
0944
Preventieve gezinsondersteuning
0945
Kinderopvang
0946
Thuisbezorgde maaltijden
0947
Klusjesdienst
0948
Poetsdienst
0949
Overige gezinshulp
Ouderen 0950
Ouderenwoningen
0951
Dienstencentra
0952
Assistentiewoningen
0953
Woon- en zorgcentra
0954
Dagzorgcentra
0959
Overige verrichtingen betreffende ouderen
Dienstverlening inzake volksgezondheid 0980
Sociale geneeskunde
0982
Ziekenhuizen
0983
Andere verpleeg- en verzorgingsinrichtingen
0984
Ontsmetting en openbare reiniging
0985
Gezondheidspromotie en ziektepreventie
0986
Eerstelijnsgezondheidszorg
0989
Overige dienstverlening inzake volksgezondheid
Begraafplaatsen, crematoria en lijkbezorging 0990
Begraafplaatsen
0991
Crematoria
0992
Lijkbezorging
Pagina 46 van 47
Bijlage 4: Voor wie meer wil weten Op de website van het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) van de Vlaamse overheid vind je informatie over de hier besproken aangelegenheden: https://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/basisgegevens
•
Over de BBC-regelgeving bestaat een inleidende tekst zowel in het Nederlands als in het Engels, én een verwijzing naar het ‘Verslag aan de Vlaamse Regering bij het BBC-besluit’. Dat gaat gedetailleerd in op de regelgeving.
•
Over de financiële situatie van de lokale besturen op basis van de jaarrekeningen 2007-2018 publiceerde ABB in september 2019 een overzichtsnota: “De Financiën van de Vlaamse lokale besturen 2007-2018: een algemeen overzicht”.
•
De financiële basiscijfers van (het geheel van) de Vlaamse lokale besturen kan je raadplegen in overzichtelijke (excel-)tabellen. Er zijn tabellen met alle ontvangsten en uitgaven per soort (op basis van de algemene rekeningen) en tabellen met alle ontvangsten en uitgaven per beleidsveld (op basis van het rekeningenstelsel van de beleidsvelden – zie bijlage 2). Er bestaan overzichtstabellen over het verleden (de jaarrekeningen van 2007 tot 2018) en over de toekomst (de ramingen van 2020 tot 2025). En dit zowel voor de gemeenten/OCMW’s als voor de publiekrechtelijk verzelfstandigde entiteiten.
•
De enorme hoeveelheid financiële data van alle individuele lokale besturen in Vlaanderen kan je daar doorzoeken. Met behulp van bepaalde instrumenten kan je die massa gegevens bevragen, er de specifieke informatie uithalen die je zoekt én eigen rapporten maken.
Pagina 47 van 47