VERZAMELBESLUIT VII VIRTUAL REALITY DOOR HOGE ENERGIEPRIJZEN
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Ontwerp van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het Energiebesluit van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat betreft diverse bepalingen inzake de energie-efficiëntie en hernieuwbare energie
Adviesvrager
Zuhal Demir - Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
Ontvangst adviesvraag
25 februari 2022
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)
Goedkeuring raad
21 maart 2022
Contactpersoon
Annemie Bollen
abollen@serv.be
Julien Matheys
jmatheys@serv.be
Mevrouw Zuhal DEMIR Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Koning Albert II-Laan 7 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
Verzamelbesluit VII vergt een crisisupdate Mevrouw de minister Het verzamelbesluit VII, waarover u de SERV om advies vroeg, operationaliseert enkele klimaat- en energiebeslissingen uit het regeerakkoord en de visienota van de Vlaamse regering in het kader van Fit for 55 (FF 55) van 5 november 2021. Deze beslissingen zijn volgens de SERV deels virtual reality geworden door de huidige energieprijzencrisis. De hoge energieprijzen zullen wellicht nog een tijd aanhouden en veranderen de context zo drastisch dat een grondige bijsturing van de plannen nodig is. Concreet vraagt de SERV in het advies hierna om •
duidelijkere signalen dat structurele investeringen in energiebesparing én defossilisering bij gezinnen drastisch moeten versnellen. Dat impliceert •
een ambitieuzere renovatieverplichting bij transacties,
•
een versnelde defossilisering bij nieuwbouw én bij ketelvervanging,
•
aandacht voor de technische haalbaarheid van de aangepaste vereisten rond het minimum aandeel hernieuwbare energie voor gebouwen om te vermijden dat de interesse in ingrijpende energetische renovaties vermindert,
•
meer maatwerksteun via OCMW’s – en een middelenboost hiervoor - voor curatieve én preventieve maatregelen voor doelgroepen die het ondanks andere maatregelen moeilijk krijgen door de hoge energieprijzen,
•
een fors opgeschaalde ontzorging via energiehuizen, collectieve projecten e.d.,
•
de versnelde bouw, renovatie en defossilisering van sociale woningen en
•
een massaal opleidings-en mobilisatieprogramma voor werkkrachten in de bouw.
3
•
een toetsing van het realiteitsgehalte van de nieuwe regels voor ondernemingen, o.a. •
de combinatie van IRR-verstrengingen bij EBO-bedrijven en bij ondernemingen waarvoor het ontwerpbesluit nieuwe verplichtingen introduceert, met hoge energieprijzen en de impact op andere investeringen vooral de strategische,
•
de afhankelijkheid van de resultaatsverbintenis van de gedeeltelijke financiering van sectororganisaties voor begeleiding voor ondernemingen bij de implementatie van de energievereisten,
•
het tijdskader voor de implementatie van audit- en energieplanverplichtingen, en
•
de timing van de aanpassing van de bandingfactoren en de impact van de aangepaste WKK-steun op de elektriciteitsproductiecapaciteit.
De SERV hoopt dat het definitieve verzamelbesluit en het overige Vlaamse beleid rekening houden met de gemaakte suggesties en met de uitdagingen waarvoor de energieprijzencrisis Vlaamse gezinnen en bedrijven plaatst.
Hoogachtend Pieter Kerremans
Hans Maertens
administrateur-generaal
voorzitter
Advies Het verzamelbesluit VII operationaliseert enkele klimaat- en energiebeslissingen uit het regeerakkoord en de visienota van de Vlaamse regering in het kader van Fit for 55 (FF 55) van 5 november 20211. Deze beslissingen zijn volgens de SERV deels virtual reality geworden door de huidige energieprijzencrisis. De hoge energieprijzen zullen wellicht nog een tijd aanhouden en veranderen de context zo drastisch dat een grondige bijsturing van de plannen ten aanzien van gezinnen (deel 1) en de plannen ten aanzien van ondernemingen (deel 2) nodig is.
1. Aanbevelingen inzake gezinnen Het ontwerpbesluit maakt abstractie van de energieprijzencrisis die een forsere renovatieverplichting rechtvaardigt en die ook andere maatregelen voor energiebesparing en defossilisering dringend maakt. Het ontwerpbesluit operationaliseert de renovatieverplichting voor woningen met een label D-vereiste. Die labelvereiste lijkt los te staan van de huidige energieprijzencrisis die een drastische versnelling van en een hoger ambitieniveau voor de energierenovaties noodzakelijk maakt. Ook maakt het ontwerpbesluit geen werk van de eerder gevraagde uitfasering van fossiele ketels bij nieuwbouw en ketelvervanging, van een doeltreffend sociaal vangnet om wonen zeker nu betaalbaar te houden en van een massale mobilisatie om deze werken concreet te realiseren. Deze elementen worden nochtans door de huidige energiecrisis extra dringend. Stel duidelijk dat energiebesparing en defossilisering sneller moeten Benadruk dat energiebesparing en defossilisering drastisch en dringend moeten versnellen omwille van de aangescherpte klimaatdoelstellingen voor 2030 (Fit for 55) én de energieprijzencrisis. Structurele investeringen zijn nodig om de afhankelijkheid van (fossiele) energie(prijzen) te verminderen, liefst zoveel mogelijk tegen volgende winter. Structurele investeringen zijn nodig naast gerichte curatieve maatregelen die de factuur verlagen. Het belang van structurele maatregelen neemt toe omdat energieprijsstijgingen ongezien zijn, wellicht een lange tijd aanhouden en de mogelijkheden voor brede overheidstussenkomsten die de prijsstijgingen betekenisvol compenseren beperkt zijn, gezien hun impact op de reeds roodkleurende begrotingen van de diverse overheden. Naarmate de hoge energieprijzen aanhouden en spaargelden
1
Visienota aan de Vlaamse regering - Bijkomende maatregelen Klimaat. https://energiesparen.be/sites/default/files/atoms/files/VR%202021%200511%20DOC.12371%20Visienota%20VEKP%20Bijkomende%20maatregelen.pdf
5
uitgeput raken, zal het aandeel gezinnen dat in de problemen komt, verder toenemen, en verkleinen de mogelijkheden om investeringen uit te voeren. Maak gebruik van een tijdsvoordeel. Nu is er bij een significant deel van de gezinnen nog een zekere financiële ruimte (o.a. door coronaspaargelden) en tijd voor structurele ingrepen. De hoge energieprijzen raken nu heel wat gezinnen namelijk nog niet ten volle omdat ze •
niet op gas stoken (stookolie: 17%, en nog geen lege stookolietank hebben), beschikken over hout(bij)verwarming (14%), zonnepanelen (20%), een laag verbruik hebben, …
•
nog een vast contract hebben (ongeveer 60%), nog een voordelig commercieel tarief genieten, van het (uitgebreid) sociaal tarief kunnen genieten (20%), …
•
deels gecompenseerd (of zelfs overgecompenseerd) worden door de indexatiemechanismen en andere (tijdelijke) energieprijscrisismaatregelen2,
•
nog geen jaarafrekening of hogere voorschotfacturen kregen, of omdat de jaarafrekening nog rekening hield met de lage prijzen in de eerste helft van 2021. Er spelen vertragingseffecten en temperende effecten bij de doorvertaling van internationale prijzen naar eindfacturen.
•
… In dit kader vraagt de SERV de regulatoren en Statbel om dringend samen te bekijken in welke mate de maandelijkse energieprijsindicatoren goede indicatoren zijn van de reële gemiddelde energiefacturen, en om indien nodig, betere, aanvullende indicatoren hiervoor voor te stellen. Nu zijn er indicaties dat energieprijsindicatoren de reële gemiddelde facturen mogelijk overschatten en de impact van prijsschommelingen (naar boven en beneden) uitvergroten en vervroegen (Kader 1). Goede indicatoren zijn van belang omdat ze gebruikt worden om de gezondheidsindex te berekenen die bepalend is voor de indexatie van lonen en uitkeringen en om sociale tarieven, netbeheerderstarieven en voorschotfacturen te bepalen. Als inflatiecijfers de gemiddelde reële factuurstijgingen overschatten, zou de automatische indexatie een gemiddelde overcompensatie kunnen inhouden. Deels zou er nu al een overcompensatie zijn, bv. voor gezinnen met vaste contracten die (nog) geen prijsstijging voelen en voor hogere inkomensgroepen3 waarvoor een procentuele loonstijging een groter effect heeft, terwijl de energiekosten in hun bestedingen net een kleiner aandeel innemen.
2
Leuvense Economische Standpunten (14 maart 2022). We zitten allemaal in dezelfde storm, maar niet in hetzelfde schuitje. https://feb.kuleuven.be/research/les/pdf/LES%202022%20-%20192%20energieprijsschok.pdf
3
Leuvense Economische Standpunten (14 maart 2022). We zitten allemaal in dezelfde storm, maar niet in hetzelfde schuitje. https://feb.kuleuven.be/research/les/pdf/LES%202022%20-%20192%20energieprijsschok.pdf
Kader 1: Prijsindicatoren overschatten mogelijk de reële impact op gemiddelde facturen Vermoedelijk is de impact van de stijgende energieprijzen op de reële jaarfacturen voorlopig minder groot dan de maandelijkse energieprijzenindicatoren van de regulatoren en Statbel doen vermoeden. Die maandelijkse indicatoren zijn een (gedeeltelijke) weergave van de prijzen in een maand, verrekend naar een jaarfactuur alsof die maandprijzen 12 maanden gelden. Dat is vanuit het oogpunt van een prijzenobservatorium logisch, maar is niet noodzakelijk een goede indicatie van de reële gemiddelde (jaar)facturen. In de praktijk zijn jaarfacturen immers een resultaat van de geldende prijzen tijdens de laatste 12 maanden, inclusief bv. de maanden in de eerste helft van 2021 met lagere prijzen. In dat opzicht lijkt het voortschrijdend gemiddelde van de maandelijkse energieprijzenindicatoren een betere indicatie voor de reële impact op de gemiddelde jaarfacturen. Dit voortschrijdend gemiddelde stijgt ook, maar veel minder snel (Figuur 1). Zo bereikt het voortschrijdend gemiddelde pas het huidige maandelijkse prijsniveau over enkele maanden als de prijzen verder doorstijgen. Stabiliseren de prijzen op het huidige niveau, dan duurt het nog bijna een jaar eer het voortschrijdende gemiddelde dit niveau bereikt. Dalen de prijzen, dan wordt het huidige maandelijkse prijsniveau helemaal niet in de jaarfacturen bereikt.
Figuur 1: Gemiddelde jaarfactuur voor gas stijgt wellicht niet zo snel als maandelijkse prijsindicator4 6.000
Gas in €/jaar VL
5.000
4.000 Jaarfacturen bij blijvende stijging
3.000
Jaarfacturen bij stabilisatie
Prijsindicator 2.000
1.000
Jaarfacturen
2019
4
2020
2021
2022
2023
Gas voor ‘gemiddeld’ huishouden in Vlaanderen cijfers boordtabel CREG, gemiddelden van laatste 12 maanden worden gebruikt als indicatie van de gemiddelde jaarfacturen. Cijfers tot en met februari 2022, geconsulteerd op 16/3/2022. CREG rekent nu nog met 23.260 kWh maar zou binnenkort met 17.000 kWh gaan rekenen, als meer representatieve waarde, waardoor absolute stijgingen van de gemiddelde facturen zullen dalen.
7
Ook transactiegegevens (bv. uit Nederland5) bevestigen dat in de praktijk de impact op de reële facturen (nog) veel beperkter is dan inflatiecijfers doen vermoeden (ongeveer 30% en niet de vermelde 90%-stijging, Figuur 2). Dergelijke cijfers lijken voor Vlaanderen of België niet beschikbaar.
Figuur 2: Volgens Nederlandse analyses namen energiefacturen met 30% toe en niet met 90% (cf. index)6
Verder zijn er vragen •
•
•
inzake de prijsindicatoren, met name over • hoe de diverse prijsindicatoren omgaan met (slapende) vaste contracten die ondertussen variabel werden en wat dat betekent voor de cijfers over de aandelen vaste en variabele contracten, • de mate waarin prijzen van nieuw aangeboden producten doorwegen in de indicatoren, • de gebruikte parameters voor de indexen, • de gebruikte standaardverbruiken (en de evolutie ervan), inzake inflatieberekeningen, met name over • de gebruikte aandelen van de diverse verwarmingsbronnen door huishoudens, • de redenen waarom de prijsinflatie voor energieproducten in België dubbel zo hoog ligt als het Europese gemiddelde7, inzake facturatie, met name over • de evolutie van de voorschotfacturen, • de verwachte toekomstige evolutie van gemiddelde facturen rekening houdend met het moment waarop vaste contracten zullen verlopen,
...
5
ABN AMRO Economisch bureau. Inflatie minder heet gegeten als zij wordt opgediende. https://www.abnamro.com/research/nl/onze-research/inflatie-minder-heet-gegeeten-als-zij-wordt-opgediend
6
ABN AMRO (10 februari 2022). Economisch Bureau - Focus op inflatie en koopkracht. https://assets.ctfassets.net/1u811bvgvthc/SStSibH1wQcBUXTDAoKqY/53037ce29cecd91bad276df3e482f25c/220210__Inflatiecijfer_laat_een_vertekend_beeld_zien_voor_koopkracht.pdf
7
66% (B) versus 32% (EU), februari 2022, NBB.
Bied snel oplossingen voor gezinnen die door energieprijzenstijging in problemen komen. Recent komen er meer indicaties dat betaalbaarheidsproblemen voor gezinnen toenemen, o.a. door aflopende vaste contracten en contracten uit groepsaankopen en door de hoge gevraagde voorschotten. Het gaat dan over gezinnen die één of meerdere risicofactoren voor een grote impact van stijgende prijzen combineren, met name beperkte financiële middelen (laag inkomen, inkomensverlies door corona, weinig financiële, beperkte inkomensindexatie,…), hoge facturen (hoog verbruik, variabel tarief, duur tarief, …), hoge andere kosten (zoals geïndexeerde huurlasten, ….), etc. Juist omdat de combinatie van risicofactoren speelt, is de impact van de energieprijsstijgingen zeer verschillend en kan één enkele indicator deze kwetsbaarheid niet goed vatten. Dat maakt een gerichte aanpak op maat noodzakelijk (cf. infra), liefst ook structureel. Verbeter data over betaalbaarheidsproblemen om verfijnde prioriteiten te kunnen leggen. Betere en snellere data zijn dringend nodig voor een effectieve, efficiënte, verfijnde en gerichte aanpak van de energieprijzencrisis en voor de keuze van prioriteiten inzake energiebesparing en defossilisering. Precieze, maandelijkse en publieke data ontbreken over de evolutie van (risico’s op) betaalbaarheidsproblemen in Vlaanderen voor energiefacturen. Gedetailleerde data over wie wanneer met welke factuur geconfronteerd wordt, zijn niet voorhanden. De meeste energiearmoede-indicatoren en sociale indicatoren worden louter jaarlijks en vaak met veel vertraging gepubliceerd. Ook kruisingen van databanken worden gemist omdat juist een combinatie van risicofactoren een rol speelt (cf. supra). Het gaat dan bv. over kruisingen van data over verbruiken, aard van verwarmingssystemen, inkomens, financieel vermogen, gezinsprofiel, woonstatus, aard en resterende termijn van de contracten, etc. Scherp renovatieverplichting aan en defossiliseer bij nieuwbouw en ketelvervanging De SERV herhaalt hier het pleidooi voor meer ambitie bij de uitfasering van fossiele brandstoffen8. •
Ga door met renovatieverplichting. De stijgende energieprijzen vergroten het belang van een renovatieverplichting bij transacties verder. De SERV toonde zich al eerder vragende partij voor een dergelijke renovatieverplichting. Dat geeft potentiële eigenaars een duidelijk en tijdig signaal dat in energieverslindende woningen investeringen nodig zijn. Deze investeringen kunnen zo ingecalculeerd worden in de aankoopbeslissing. In het huidig kader van hoge energieprijzen wint dit aan belang om nieuwe eigenaars structureel en preventief te beschermen tegen hoge energieprijzen.
•
Verhoog de ambitie van de renovatievereiste. De SERV had al eerder een stevige opschaling van het ambitieniveau van de renovatieverplichting na transactie bepleit in het kader van het FF55-pakket en herneemt dit nu omwille van de huidige energiecrisis. De voor-
8
SERV (14 oktober 2021). Advies - Met Fit for 55 naar een fit Vlaanderen. Krachttoeren om de CO2-trends snel om te keren. https://www.serv.be/serv/publicatie/advies-fit-55-fit-vlaanderen. SERV (29 november 2021). Advies - Verzameldecreet energie III: Klimaatkader dat nog wacht op een kus. https://www.serv.be/serv/publicatie/adviesverzameldecreet-energie-iii-klimaatkader-nog-wacht-kus
9
liggende label-D-vereiste binnen de 5 jaar mist duidelijk ambitie. De renovatievereisten na transactie moeten nu al kaderen in een versneld en kostenefficiënt pad naar de lange termijn emissiereductiedoelstellingen voor het gebouwenpark in 2050. •
Als in uitvoering van de renovatieverplichting investeringen gebeuren, moeten die toekomstproof zijn en lock-ins vermijden. De huidige label-D-vereiste kan dat niet garanderen.
•
De label D-vereiste zorgt niet voor verregaande energiebesparing. Een label Dvereiste zal slechts een zeer beperkte energiebesparing en bijhorende CO2-reductie realiseren, met name 0,12 Mton in 2030, 1% van de gebouwgerelateerde CO 2emissies9 tegen 2030.
•
Een label D-vereiste maakt defossilisering niet noodzakelijk mogelijk. Het garandeert niet dat de woning warmtepompklaar is en creëert niet noodzakelijk de ideale omstandigheden voor de plaatsing van een warmtepomp.
•
Na label D-renovaties zullen nog verdergaande renovaties van hetzelfde gebouw voor 2050 nodig zijn, hetgeen vaak niet kostenefficiënt is en een onnodige belasting veroorzaakt van de reeds druk bevraagde bouwsector.
•
Door de timing betekenen de voorgestelde vereisten helemaal niets voor de vermindering van de energie-afhankelijkheid voor de komende winter(s).
•
Ga door met de promotie van warmtepompen. De aangekondigde verhoging van de premie voor warmtepompen is zeker voor bepaalde bevolkingsgroepen een goede zaak. Ook de aangekondigde intentie om de prijsverhouding tussen verwarmen met warmtepomp en verwarmen met gas of stookolie recht te trekken, is essentieel. De concrete initiatieven in dit verband betekenen echter vooralsnog te weinig om deze prijsverhouding daadwerkelijk en blijvend recht te trekken. Verdere initiatieven om de prijsverhouding gezond te maken, blijven dan ook prioritair.
•
Faseer fossiele energie ook versneld uit bij nieuwbouw en ketelvervanging. Door enkel in te grijpen bij transacties beperkt de Vlaamse regering haar bereik tot circa 70.000 woningen per jaar vanaf ongeveer 2028 (2023 inwerkingtreding + 5 jaar tijd voor investeringen). Door ook (meer) in te grijpen bij ketelvervanging en nieuwbouw zou het bereik van het Vlaams beleid drastisch verhogen en vervroegen met 100.000 resp. 30.000 woningen per jaar vanaf 2023. De snelle uitfasering van fossiele ketels bij ketelvervanging en nieuwbouw vermijdt ook dat gezinnen nu nog investeren in fossiele energie-installaties, die in feite stappen in de verkeerde richting zijn. Door sleutelmomenten zoals ketelvervangingen aan te grijpen voor de overschakeling naar warmtepompen worden bovendien de kosten van de overschakeling beperkt. Overigens sluit dit uitfaseringsritme aan bij de huidige ca-
9
SERV (29 november 2021). Advies - Verzameldecreet Energie III: Klimaatkader dat nog wacht op een kus https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20211129_verzameldecreetIII_renoplicht_aardgas_ADV.pdf
paciteit van de installatiemarkt. Omscholing van installatiedeskundigen van fossiele ketels naar warmtepompen zou zeer snel kunnen, misschien zelfs in amper 1 week tijd10. •
Vermijd dat aangepaste vereisten rond het minimum aandeel hernieuwbare energie ingrijpende energetische renovaties verminderen. Het ontwerpbesluit introduceert nieuwe vereisten omtrent het minimum aandeel hernieuwbare energie in gebouwen. Er moet nader bekeken worden in welke mate die realistisch zijn, ook om te vermijden dat de aard van de vereisten de interesse voor ingrijpende energierenovaties (IER) en dus de renovatiesnelheid vermindert. Volgens deskundigen in de sector zouden deze vereisten technisch niet allemaal haalbaar zijn en zouden de extra vereisten en bijkomende kosten ervoor zorgen dat er minder (ingrijpend energetisch) gerenoveerd wordt. •
Zo zou er soms onvoldoende fysieke ruimte zijn om de verplichtingen in de praktijk te brengen (bv. door bouwvoorschriften, door onvoldoende dakoppervlakte voor zonnepanelen of thermische panelen zeker bij appartementen, …).
•
Ook zou er een onvoldoende aanbod zijn aan goedgekeurde hernieuwbare energieprojecten zijn waarin geparticipeerd kan worden. Bovendien zou deze participatiepiste weinig interessant zijn omdat die niet bijdraagt aan de verbetering van de EPBprestaties, waardoor eerder de boete gekozen wordt.
Schaal gerichte preventieve steun op, o.a. maatwerksteun via OCMW’s Voorzie meer gerichte en preventieve steun, zeker omdat hoge energieprijzen naar verwachting lang zullen aanhouden. Enkel structurele maatregelen kunnen vermijden dat curatieve maatregelen lang volgehouden moeten worden en de begrotingen fel blijven bezwaren. Op dit moment zit de verhouding tussen curatieve steun en preventieve steun, met ruw geschat 85%/15%, scheef (situatie van vóór de federale en Vlaamse maatregelen van begin maart 2022) (Figuur 3). De verhouding tussen algemene steun (voor iedereen) versus gerichte steun voor bepaalde doelgroepen bedraagt ongeveer 60/40. Algemene steun (bv. een tijdelijke BTW-verlaging) heeft het voordeel van een breed bereik, maar het nadeel dat de verschafte tegemoetkoming omwille van de schaal noodgedwongen weinig betekenisvol is in verhouding tot de prijsstijgingen (en tijdelijk) en spillovereffecten heeft naar doelgroepen die steun niet echt nodig hebben.
10
A. Graf (9 maart 2022). https://twitter.com/andreasgraf/status/1501473848163770370?t=_wysdmKt2uewF7ctCKz7A&s=03
11
Figuur 3: Huidige energieprijsmaatregelen zijn vooral algemeen en curatief (zonder maatregelen week 14/3/’22)11 Fonds elektriciteit en gas
Gericht
Sociaal tarief
Scans
Energie-investering in sociale woningen Noodkoopfonds Renteloze lening SDIP
Uitgebreid sociaal tarief (2021-2022) SODV
Algemeen
Covid premie (2020)
Maatregelen tegen energiearmoede
BTW-verlaging (2022) Vlaamse korting (2022)
Energiepremies
Verwarmings premie (2022)
Curatief
Vlaams federaal tijdelijk bestaand, recent aangepast Bolgrootte in verhouding tot budget voor Vlaanderen
Preventief
Voorzie een krachtige maatwerkaanpak van OCMW’s, met voldoende middelen, als vangnet voor wie onvoldoende geholpen wordt door andere maatregelen. OCMW’s leveren al jaren maatwerk bij de begeleiding van mensen met betalingsproblemen. Ze bieden een totaalaanpak, omdat zij ook zicht hebben op de andere schulden, de woon- en werksituatie, e.d. Zij kunnen begeleiden naar een andere woning, naar het uitvoeren van energiebesparende investeringen o.a. samen met energiehuizen, naar schuldbemiddeling, naar andere contracten (cf. digitale kloof), etc. en zij kunnen ook financiële ondersteuning bieden. OCMW’s fungeren zo als een vangnet voor doelgroepen die tussen de mazen van de netten van overige maatregelen vallen. Dat kan bv. omdat het (uitgebreid) sociaal tarief slechts in beperkte mate inkomensgerelateerd werkt en niet alle kwetsbare groepen omvat, omdat het sociaal tarief ook stijgt en omdat een combinatie van risicofactoren ook middenklassegezinnen fors kan raken12. Een dergelijk vangnet is een antwoord op de zeer uiteenlopende impacts van stijgende energieprijzen en de beperkte tegemoetkomingen voor sommige doelgroepen.
11
Ruwe indicatieve schatting op basis van karakter van de maatregelen en ruwe inschatting van het financieel belang voor Vlaanderen. SODV (sociale openbare dienstverplichtingen) en energiescan zijn niet vol ingekleurd omdat ze niet noodzakelijk tot een voordeel voor de betrokken klanten leiden. Bollen werden zoveel mogelijk naast elkaar gezet. De recent aangekondigde federale en Vlaamse maatregelen (week van 14 maart zijn nog niet opgenomen in deze figuur).
12
Leuvense Economische Standpunten (14 maart 2022). We zitten allemaal in dezelfde storm, maar niet in hetzelfde schuitje. https://feb.kuleuven.be/research/les/pdf/LES%202022%20-%20192%20energieprijsschok.pdf
De beschikbare middelen voor de maatwerkaanpak van OCMW’s en energiehuizen zijn beperkt. •
Het Federaal Fonds Gas en Elektriciteit voorziet slechts beperkte middelen, met name 58 mio per jaar, recent vermeerderd met 16 mio € extra voor 2021. Ter vergelijking: Nederland maakt naar aanleiding van de energieprijzencrisis 150 mio euro vrij voor gemeenten voor de bestrijding van energiearmoede voor huishoudens met lagere inkomens 13. Ook de CREG vroeg in 2019 naar een herwaardering van dat fonds 14. Concreet betekenen de huidige budgetten bv. dat het OCMW van een stad als Leuven met ruim 100.000 inwoners slechts beschikt over een budget ongeveer 160.000 € voor curatieve én preventieve maatregelen.
•
Verder halen OCMW’s ook middelen uit andere bronnen. Vlaanderen voorziet bijvoorbeeld renteloze leningen via het noodkoopfonds waarop OCMW’s kunnen intekenen met ook de beperkte tegemoetkoming voor werkingskosten15. Extra Vlaamse tegemoetkomingen in een doeltreffend(er) format met een groter bereik kunnen zorgen voor een meer betekenisvolle werking van de OCMW’s (en energiehuizen) hierrond. Daarnaast zijn ook tegemoetkomingen mogelijk van lokale besturen.
Versnel de bouw, renovatie en vergroening van sociale woningen. Collectieve initiatieven zoals de bouw en renovatie van sociale woningen zijn nodig als tegenhanger voor bijkomende renovatieverplichtingen en energie-vereisten voor particulieren. Sociale woningen moeten een kwalitatief vangnet bieden voor de wooncrisis, het beperkte (en mogelijk nog slinkend) aanbod aan private huurwoningen, … Ze betekenen voor de bewoners ook een substantieel voordeel in de vorm van lagere woonlasten, hetgeen de kans op betalingsproblemen ook voor energiefacturen vermindert. Momenteel zijn er ruim 150.000 gezinnen die wachten op een sociale woning. Dat aantal zou kunnen toenemen door een slinkend aanbod aan private huurwoningen als gevolg van bijkomende energievereisten. Ook de opvang van vluchtelingen kan de behoefte aan sociale woningen vergroten. Verder zijn extra inspanningen nodig om de kwaliteit en de energetische prestaties van de sociale woningen sneller te verbeteren. Mobiliseer voor een massale defossilisering en energiebesparing Zet verder in op campagnes rond energiebesparing en defossilisering. De SERV verwelkomt campagnes rond de energietransitie zoals Mee met de stroom16. Er zijn namelijk heel wat winsten te halen via een brede campagne die overtuigt rond concrete mogelijkheden om de energiefac-
13
Nederlandse Rijksoverheid - Nieuwsbrief Bouwen met Kwaliteit februari 2022. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuwsbrieven/bouwen-met-kwaliteit/2022/nieuwsbrief-bouwen-met-kwaliteitfebruari-2022
14
CREG (2019). Persbericht: Minstens 400.000 huishoudens in energiearmoede. https://www.creg.be/sites/default/files/assets/Publications/Press/2019/PR191205NL.pdf ; CREG (2020). Nota: De federale bijdragen elektriciteit en aardgas. https://www.creg.be/sites/default/files/assets/Publications/Notes/Z2160NL.pdf
15
VEKA – Ondersteuning van noodkoopwoningen. https://www.energiesparen.be/noodkoopwoningen
16
Mee met de stroom. https://meemetdestroom.be/
13
tuur via gedragsaanpassingen en investeringen te verlichten. Toch blijven er heel wat knelpunten die een grootschalige en versnelde inzet op defossilisering en energiebesparing in de weg staan. Pak knelpunten en oververhitting van de markt aan. De nodige versnelling van renovatie- en hernieuwbare energie dreigt te botsen op een beperkt aanbod, op schaarste aan materialen, onderdelen, arbeidskrachten, etc. Die factoren kunnen de kosten van energie- en renovatieprojecten fors doen toenemen en de benodigde versnelling hinderen. Creatieve oplossingen zijn dringend nodig om deze problemen onder controle te houden en eventuele misbruiken aan te pakken. Ontzorg en schaal op om investeringen in energiebesparing en defossilisering in de praktijk te mobiliseren. Energiehuizen, energieloketten, maar ook lokale besturen kunnen energiebesparings- en defossiliseringsprojecten in de praktijk vorm geven en faciliteren via maatwerk en via collectieve renovatieprojecten, e.d. Positief in dit kader is dat de Vlaamse regering energiehuizen wil versterken en bekijkt hoe de collectieve renovatiedoelstelling vanuit lokale besturen binnen het LEKP verhoogd kan worden17. De voorziene middelen voor die energiehuizen lijken evenwel niet in verhouding tot de vereiste schaalvergroting en de verhoging van de collectieve renovatiedoelstelling voor lokale besturen en de omkadering hiervan lijkt nog niet concreet. Mobiliseer en herschool arbeidskrachten om de energie-investeringen in de praktijk te brengen. Daarvoor moeten innovatieve pistes bekeken worden (cf. advies FF55 18). Er moet bekeken worden hoe naast buitenlandse arbeidskrachten, ook anderen verleid kunnen worden tot een job in deze sector. Hoe kan misschien (het vooruitzicht op) een goede woning voor het eigen gezin mensen stimuleren om in de bouw te stappen, een opleiding te krijgen, … ? Hoe kan misschien de doe-het-zelf-cultuur ingezet en professioneel begeleid worden om de grote hoeveelheid werk kwaliteitsvol gedaan te krijgen en om de betaalbaarheid van de werken te verhogen? Hoe kan technologie, digitalisering en robotisering en innovatie helpen om werken in de bouw aantrekkelijker, en renovaties sneller en beter te maken? Welke rol is er voor coöperatieve projecten of samenwerkingsverbanden allerhande om lokale arbeidskrachten te mobiliseren? In dat kader vraagt de SERV ook in het bijzonder om verwarmingsdeskundigen met spoed om te scholen naar warmtepompspecialisten. Voldoende capaciteit is cruciaal voor een oordeelkundige plaatsing van de warmtepompen en om snel aan de groeiende vraag te kunnen beantwoorden.
17
Visienota aan de Vlaamse regering - Bijkomende maatregelen Klimaat https://energiesparen.be/sites/default/files/atoms/files/VR%202021%200511%20DOC.12371%20Visienota%20VEKP%20Bijkomende%20maatregelen.pdf
18
SERV (14 oktober 2021). Advies - Met Fit for 55 naar een fit Vlaanderen. Krachttoeren om de CO2-trends snel om te keren. https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20211014_Fitfor55_ADV.pdf
2. Aanbevelingen inzake ondernemingen Ondernemingen ondervinden impact van de stijgende energieprijzen die overigens niet getemperd wordt door crisismaatregelen. Stijgende energieprijzen kunnen bij ondernemingen zorgen voor problemen met cashflow, rendabiliteit, afzet, … en voor verminderingen van productie, investeringen, etc. De impact kan sterk verschillen van onderneming tot onderneming, o.a. afhankelijk van de energie-intensiteit, de afgesloten energie- en verkoopcontracten, de blootstelling aan concurrentie met regio’s met lagere energieprijzen, de mogelijkheden om hogere energieprijzen door te rekenen, de loonkostenmassa (gezien de impact van de inflatie op de loonindexatie), … De SERV vraagt om in dit kader omzichtig om te gaan met aanpassingen van energievereisten voor ondernemingen. Zo moet er getoetst worden of de voorgestelde aanpassingen in het voorliggend ontwerpbesluit in de gewijzigde context nog realistisch en wenselijk zijn. Let op met IRR-verstrengingen bij fors stijgende energieprijzen Hou rekening met impact van hoge energieprijzen op ruimte voor overige investeringen. Het ontwerpbesluit verlaagt de IRR voor uit te voeren energie-efficiëntiemaatregelen van 15% naar 13% waardoor meer maatregelen als rendabel beschouwd worden en uitgevoerd moeten worden door de betrokken bedrijven. Daarbij moet opgemerkt worden dat nu, door de hoge energieprijzen, sowieso energie-efficiëntie-investeringen veel rendabeler zijn, waardoor veel meer maatregelen uitgevoerd moeten worden (Kader 2). Beide effecten samen initiëren veel meer energie-investeringen dan in een BAU-scenario en kapen ruimte weg van overige investeringen. Bovendien knippen hoge energieprijzen mogelijk bijkomend ruimte weg voor investeringen, doordat ze bv. cashflowproblemen kunnen doen ontstaan. Dat kan verder interen op overige, productieve investeringsprojecten voor een verruimde groep bedrijven. De verlaagde IRR betekent overigens ook een voorafname op de EBO-onderhandelingen. De afstemming tussen de vereiste energie-efficiëntie-investeringen en lange termijn klimaatinvesteringen is hierbij ook een aandachtspunt. Bescherm essentiële investeringen en activiteiten, o.a. in de landbouw- en voedingssector. Er moet bekeken worden welke strategische investeringen en activiteiten gevrijwaard moeten blijven in het kader van de stijgende energieprijzen in combinatie met de energieefficiëntievereisten. Het kan dan bv. gaan over investeringen en activiteiten in de landbouw-, voedings- en meststoffensector, in het kader van bescherming tegen de voedselcrisis, maar ook voor andere sectoren en activiteiten, zoals de bouw(materialen)sector, de metaalsector, de houtsector, de machinebouw, de chemie, etc. bv. in het kader van de nood aan infrastructuurinvesteringen en investeringen in het kader van de energietransitie, etc .
15
Kader 2: Energiecrisis maakt energie-investeringen rendabeler maar vermindert andere investeringen •
De cash en de ruimte voor investeringen vermindert door de hogere energieprijzen en de hogere loonmassa als gevolg van de inflatie (rode pijl naar beneden). Ook de grote onzekerheden omtrent de energieprijzen, de evolutie van de situatie in Oekraïne, de grondstoffenprijzen, de handel, de rente, de aandelenkoersen, … kunnen investeringsruimte verkleinen. De situatie kan van bedrijf tot bedrijf sterk verschillen. Bedrijven kunnen door de meta-crisis ook in financiële problemen geraken. Ze kunnen gedwongen worden om productie (deels) stil te leggen. In deze context kunnen verstrengende eisen omtrent verplichte bijkomende investeringen zeer bedreigend zijn en kunnen bepaalde investeringen zelfs irrelevant worden.
•
EBO-bedrijven moeten meer energie-investeringen doen door hogere energieprijzen. De hogere energieprijzen maken energie-investeringen een pak sneller terug verdiend en rendabeler. Als investeringen met een bepaalde IRR uitgevoerd moeten worden, zullen met de hogere energieprijzen, meer energie-investeringen gerealiseerd moeten worden (groene pijlen van 1 naar 4). Dat wil zeggen dat er daardoor minder ruimte is voor overige (productieve) investeringen (blauwe pijlen van 1 naar 4).
•
Een verstrenging van de IRR zorgt voor meer uit te voeren energie-investeringen. Een lagere vereiste IRR (zwarte pijl) wil zeggen dat er meer energieprojecten moeten worden uitgevoerd. In een situatie voor de energieprijzencrisis betekent dit dat het aantal uit te voeren energie-investeringen stijgt van 1 naar 2 (groene pijl). Met de energieprijzencrisis verhoogt het ambitieniveau van 1 naar 3 (groene pijlen). Daardoor verkleint de ruimte voor overige investeringen van 1 naar 3 (blauwe pijlen).
Stijgende energieprijzen (en dalende IRR) knippen als een schaar in overige investeringen19 Investeringen
Investeringsruimte (precrisis) Investeringsruimte (crisis)
Overige investeringen (voorstel)
3
Energieefficiëntieinvesteringen (voorstel)
4
3
4
2
1 2 0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
1 14
15
16
17
18
19
20
IRR
Voorstel
19
Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. is louter een illustratie van de mechanismen. De precieze ligging en verloop van de curven zal van sector tot sector en zelfs van onderneming tot onderneming verschillen, net gezien de grote diversiteit aan impacts die de diverse ondernemingen ondervinden. Er kunnen ook knikken of drempels in de curve zijn.
Organiseer begeleiding voor alle ondernemingen en maak audittiming realistisch Ontzorg en begeleid ondernemingen. Ondernemingen en in het bijzonder kleinere, minder energie-intensieve ondernemingen die voor het eerst onder deze energie-efficiëntieregulering vallen, hebben nood aan ontzorging en begeleiding. De sectororganisaties zijn hier logische partners. Het is wel onlogisch en onwenselijk dat de ondersteuning aan sectorfederaties hiervoor afhangt van de gehaalde resultaten en van het feit of ondernemingen al dan niet verder gaan dan de verplichtingen, terwijl de sectororganisaties hiervoor afhankelijk zijn van de acties van hun leden. Herbekijk de timing van 1/1/2023 voor audit- en energiebalansverplichtingen. De timing voor de energie-audits en energiebalansen voor de nieuwe doelgroepen van ondernemingen met een beperkter energieverbruik lijkt bijzonder ambitieus. Er zijn een duizendtal extra ondernemingen die voor het eerst onder deze regeling vallen, die wellicht pas in september definitief in regelgeving verankerd zal zijn. Dat geeft de betrokken ondernemingen nog zeer weinig tijd om kennis te nemen van deze nieuwe regels, een energie-deskundige te zoeken, te bevragen, te contracteren én om de audit en energiebalansen op te maken. Bovendien dreigt voor de energieaudits een schaarste aan energiedeskundigen. Bekijk ook andere elementen in het licht van huidige energiecrisis •
Herbekijk eventueel de timing en frequentie van de herrekening van bandingfactoren. Bandingfactoren worden nu jaarlijks herberekend waardoor er langere tijd een te hoge bandingfactor kan zijn die mogelijk onvoldoende rekening houdt met stijgende energieprijzen en daardoor de lagere behoefte aan steun. Omgekeerd kan bij dalende energieprijzen de steun lange tijd onvoldoende zijn waardoor het bereiken van de hernieuwbare energie-doelstellingen bemoeilijkt wordt. In dat licht zou het in tijden van volatielere prijzen dan voorheen aangewezen kunnen zijn om herberekeningen van bandingfactoren terug om de 6 maanden uit te voeren i.p.v. om het jaar, tenzij het risico van onvoldoende gepaste steun niet reëel is en/of de administratieve lasten in dit verband niet in verhouding staan tot de baten van meer gepaste steun. Verder moet ook bekeken worden welke impact de verminderde certificatentoekenning als gevolg van de hogere energieprijzen heeft op de beschikbaarheid van certificaten op de certificatenmarkt, de evolutie van de certificatenprijzen en de haalbaarheid van de quota, ook in het licht van de opkoopregelingen en certificatensteunaanpassingen.
•
Bekijk de impact van de afbouw van WKK-steun op de beschikbare productiecapaciteit en op het energie-efficiëntiebeleid. De SERV vraagt te bekijken wat de impact van de uitfasering van WKK-certificaten is op de elektriciteitsproductiecapaciteit, op de elektriciteitsbevoorradingszekerheid en op de realisatie van de energie-efficiëntiedoelen.
•
…
17