BIJLAGEN
Bijlage 1. Gebruikte bronnen en definities Het Belgische statistiekbureau Statbel publiceert gegevens over de wettelijke bevolking. Deze steunen op gegevens uit het Rijkregister van de natuurlijke personen en geven de stand van de bevolking weer op 1 januari van het kalenderjaar. Deze stand wordt – mits bijkomende controles door Statbel – afgeleid uit de inschrijvingen in het bevolkingsregister (Belgen en buitenlanders die gemachtigd zijn tot vestiging in België) en het vreemdelingenregister (buitenlanders die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan 3 maanden in België voor bepaalde of onbepaalde duur). Bepaalde categorieën buitenlanders (bijvoorbeeld diplomatiek en consulair personeel) zijn vrijgesteld van inschrijving in de bevolkingsregisters. In sommige gevallen kunnen zij op eigen vraag wel ingeschreven en dus meegerekend worden in de bevolkingscijfers. De wettelijke bevolking verschilt van de feitelijke bevolking. Hiertoe behoren ook personen ingeschreven in het wachtregister en personen die niet bij de gemeenten zijn ingeschreven. De afbakening van (de leden van) een huishouden is gebaseerd op het officieel ingeschreven zijn in het Rijksregister op eenzelfde hoofdverblijfplaats. Informatie over de huishoudens wordt verzameld via IT140 (de referentiepersonen van het huishouden) en IT141 (de relatie van elk huishoudlid met de referentiepersoon). IT141 bevat eveneens informatie die aangeeft of het een privaat huishouden of een collectief huishouden betreft. De referentiepersoon van het huishouden wordt omschreven als de persoon die het huishouden vertegenwoordigt bij de contacten met de overheid. Statbel heeft vertrekkend van de LIPRO-typologie (Lodewijckx & Deboosere, 2008) een algoritme ontwikkeld dat op basis van deze informatie (a) het type huishouden en (b) de positie van elk lid binnen het huishouden bepaalt. De relatie tussen elk lid van het huishouden en de referentiepersoon wordt afgebakend aan de hand van de volgende categorieën: Echtgenoot / echtgenote zoon of dochter stiefzoon / -dochter grootvader / -moeder vader of moeder broer of zus kleinzoon / -dochter achterkleinzoon / -dochter
schoonzoon / -dochter schoonvader / -moeder schoonbroer / -zus oom of tante neef of nicht (3de graad) neef of nicht (4de graad)
andere verwant niet-verwant partner wettelijk samenwonende meemoederschap gemeenschappen, tehuizen
De huishoudpositie is afhankelijk zowel van het type van het huishouden waarin de persoon leeft, als van de plaats die hij/zij inneemt binnen dat huishouden. Binnen eenzelfde huishoudtype nemen de leden andere huishoudposities in: Types van huishoudens Alleenwonende of 1-persoonshuishouden Gehuwd paar zonder inwonende kinderen
Huishoudposities van personen Alleenwonende - Gehuwd samenwonend met partner zonder inwonende kinderen - Inwonende andere persoon - Gehuwd samenwonend met partner met inwonend(e) kind(eren) - Kind bij een gehuwd paar - Inwonende andere persoon - Niet-gehuwd samenwonend met partner zonder inwonende kinderen - Inwonende andere persoon
Gehuwd paar met inwonend(e) kind(eren)
Ongehuwd* samenwonend paar zonder inwonende kinderen
1
Ongehuwd* samenwonend paar met inwonend(e) kind(eren)
- Niet-gehuwd samenwonend met partner met inwonend(e) kind(eren) - Kind bij een ongehuwd* samenwonend paar - Inwonende andere persoon - Alleenstaande ouder - Kind bij een alleenstaande ouder - Inwonende andere persoon - Lid van overig huishoudtype - Bewoner van collectief huishouden
Eenoudergezin
Overig huishoudtype Collectief huishouden
*Strikt genomen niet-gehuwd (met burgerlijke staat ongehuwd, gescheiden of verweduwd of niet-gekend).
Een voorbeeld: in een huishouden bestaande uit een gehuwd paar met 3 kinderen en de moeder van de echtgenote nemen beide echtgenoten de huishoudpositie ‘gehuwde partner met inwonende kinderen’ in, de 3 inwonende kinderen zijn ‘kind bij een gehuwd paar’ en de inwonende moeder van de echtgenote krijgt de huishoudpositie ‘inwonende andere persoon’. Bij een scheiding kan de vader een ‘alleenwonende’ worden en kan de echtgenote een ‘alleenstaande moeder’ worden, de kinderen die bij haar blijven wonen worden ‘kind bij alleenstaande ouder’ en de moeder die bij haar blijft wonen blijft een ‘inwonende andere’. Voor kinderen die bij hun (stief-)ouders of hun alleenstaande ouder inwonen speelt hun leeftijd en hun economische afhankelijkheid geen rol. Een man van 55 jaar die bij zijn moeder van 85 jaar inwoont die de referentiepersoon van het huishouden is, is een ‘kind van een alleenstaande ouder’. Als de man van 55 jaar zelf de referentiepersoon is, vormt hij samen met zijn moeder een ‘overig huishoudtype’ en zijn zij beiden ‘lid van een overig huishoudtype’. De typologie onderschat het aantal volwassenen dat bij ouder(s) inwoont, omdat ze enkel de verwantschap met de referentiepersoon van het huishouden in rekening brengt. In het voorbeeld hierboven woont de volwassen vrouw als dochter bij een moeder en wonen ook haar 3 kinderen bij hun moeder. Met andere woorden, in dit huishouden wonen 4 personen als kind bij hun ouder, terwijl de typologie enkel de 3 kinderen van de moeder als een ‘kind bij ouder(s)’ aangeeft. Tot op heden is niet te achterhalen of beide ouders effectief ook de biologische ouders zijn van het kind. Het kan ook gaan om een biologische ouder en een (nieuwe) partner van die ouder. Toch wordt in de tekst de term ‘kind bij ouderpaar’ vaak vervangen door ‘kind bij ouders’. In de toekomst wordt dat op basis van afstammingsgegevens wel mogelijk. In deze studie wordt niet in rekening gebracht of er naast de partner en/of kinderen nog ‘inwonende andere personen’ in het huishouden zijn. Zo kan bij een gehuwde partner met inwonende kinderen de moeder van die partner als ‘inwonende andere’ wonen. In principe kan deze partner dan niet terugkeren naar het ouderlijke huis. Een beperkt deel van de inwoners heeft de huishoudpositie ‘inwonende andere persoon’. Dat kunnen ouders zijn die als inwonend bij hun volwassen (schoon)kind geregistreerd staan (Lodewijckx & Luyten, 2016). Deze volwassen (schoon)kinderen die met hun (schoon)ouder(s) samenwonen, blijven in deze studie buiten beschouwing. Statbel stelt de gegevens over de wettelijke bevolking zoals waargenomen op 1 januari van elk jaar ook beschikbaar voor analyse. Het gebruik van Rijksregisterdata om veranderingen in de huishoudposities na te gaan, heeft zowel voordelen als nadelen. Het grote voordeel is dat het Rijksregister informatie omvat van alle inwoners die behoren tot de wettelijke bevolking in België. Men is dus niet aangewezen op resultaten van survey-onderzoek die op basis van een beperkte steekproef slechts een schatting kunnen maken van de veranderingen van huishoudposities bij de Vlaamse bevolking (zie Corijn & Van Peer 2013; Mortelmans e.a., 2011). Het nadeel van het gebruik van Rijksregisterdata is dat dit register enkel informatie bevat omtrent de officieel geregistreerde positie van een persoon in een huishouden en niet over zijn/haar feitelijke positie. Een jongvolwassene kan bijvoorbeeld officieel bij de ouders ingeschreven zijn, maar feitelijk bij zijn/haar (officieel alleenwonende) partner wonen. 2
Voor personen die op beide tijdstippen in het België wonen kan een eventuele verandering van huishoudpositie worden vastgesteld. Bij personen die ‘kind wonend bij ouder(s)’ zijn, kan een onderscheid worden gemaakt tussen het verlaten van de kindpositie (bijvoorbeeld om alleen te gaan wonen) en een wijziging binnen de kindpositie (bijvoorbeeld van kind bij gehuwd paar naar kind bij alleenstaande ouder). Ook bij personen die ‘samenwonend met partner’ (ongehuwd, gehuwd, zonder of met inwonende kinderen) zijn, kan een onderscheid worden gemaakt tussen de partnerpositie verlaten en de partnerpositie wijzigen. Voor personen die op het einde van het jaar niet meer in het Vlaamse Gewest aanwezig zijn kan, door een koppeling aan de gegevens over overlijdens en over emigraties, worden nagegaan of dit komt door een overlijden of door een verhuis naar het buitenland. Als er meerdere kinderen bij een alleenstaande ouder zijn, kunnen zij bij het overlijden van die ouder in principe een huishouden van samenwonende broers/zussen vormen. Analoge veranderingen ontstaan als beide ouders naar het buitenland emigreren en het kind niet. De beperking van de gegevens tot de huishoudpositie (of toestand) op 1 januari van 2 opeenvolgende jaren impliceert dat er geen informatie is over de datum van de verandering van de huishoudpositie en over eventuele tussentijdse veranderingen in de loop van een jaar. Een volwassen kind dat bij de ouders woont kan in een bepaald kalenderjaar officieel met een partner gaan samenwonen en in datzelfde jaar na een scheiding opnieuw bij de ouders gaan wonen. Deze persoon heeft zowel bij het begin van jaar x als bij het begin van jaar x+1 de positie van ‘kind bij ouders’. Deze koppeling van de gegevens van 2 opeenvolgende jaren biedt de best mogelijke benadering van veranderingen inzake huishoudposities op jaarbasis. De mate van ruis op de resultaten door tussentijdse veranderingen in de loop van het jaar is niet gekend. Een dergelijke koppeling van Rijksregistergegevens werd eerder gebruikt om veranderingen van huishoudposities te schetsen (Audenaert e.a., 2010; Corijn & Pickery, 2020a, 2020b; Lodewijckx & Schockaert, 2016). Voor wie effectief in de loop van 2019 het ouderlijke huis verliet en dus de kindpositie verliet, wordt aangegeven welke nieuwe huishoudpositie men had op 1.1.2020. De LIPRO-typologie laat niet toe een onderscheid te maken tussen personen die alleen (zonder partner of kind) het ouderlijke huis verlieten en in de loop van het hetzelfde jaar gingen samenwonen met partner (en kind) en personen die met partner (en/of kind) het ouderlijke huis verlieten om een eigen huishouden te vormen. Minderjarigen die het ouderlijke huis verlaten komen in dit rapport niet ter sprake. In 2019 verlieten weliswaar ongeveer evenveel 17-jarigen als 18-jarigen het ouderlijke huis, maar bij de 19- en 20-jarigen ligt dat aantal meteen veel hoger. Bij volwassenen van 40 jaar en ouder die bij de ouder(s) wonen kan een zorgafhankelijkheid een rol spelen en speelt het verlies van de ouder(s) door overlijden of een verhuis naar een woonzorgcentrum een veel grotere rol. Het verlaten van het ouderlijke huis is niet gebaseerd op gegevens over verhuisbewegingen, het kan uitzonderlijk ook de ouder zijn die de woning verlaat. In deze eerste verkennende analyse wordt niet nagegaan of het om een eerste dan wel een volgende vertrek uit of terugkeer naar het ouderlijke huis gaat. Kinderen van wie de ouders uit elkaar gaan behouden doorgaans een kindpositie maar het soort kindpositie verandert. Indien de ouders uit elkaar gaan en indien de ouder waarbij het kind verblijft in hetzelfde jaar met een andere partner gaat samenwonen, behoudt het kind de positie van ‘kind bij ouderpaar’. Kinderen van wie 1 van de 2 ouders overlijdt/emigreert behouden doorgaans ook een kindpositie. Indien men het ouderlijke huis van een ouder en de partner van die ouder verlaat om in hetzelfde jaar bij de andere ouder en partner van die ouder te gaan wonen behoudt men de positie van kind bij een ouderpaar. Zowel kindposities die identiek blijven als deze die veranderen betekenen niet altijd dat men bij dezelfde ouder(s) blijft wonen. In Bijlage 4 staan de details over deze meer uitzonderlijke veranderingen van ouder(s). De kenmerken geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, nationaliteit en woonplaats zijn niet onafhankelijk van elkaar. In deze verkennende analyse wordt niet gecontroleerd voor de onderlinge samenhang van deze kenmerken. In Bijlage 2 staan meer details over deze kenmerken en hun samenhang. 3
Bijlage 2. Kenmerken van volwassenen die bij ouder(s) wonen Tabel 2.A. Volwassenen die bij ouder(s) wonen per kenmerk Vlaams Gewest, 1.1.2019, aantal en %
Kind bij gehuwd paar Kind bij ongehuwd paar Kind bij alleenstaande ouder
Bij ouder(s) wonend Aantal % 419.155 65,2 51.410 8,0 171.909 26,8
Volwassenen % bij ouder(s) Totaal 7,9 1,0 5.311.613 3,2
Mannen Vrouwen
365.519 276.955
56,9 43,1
14,0 10,2
2.606.177 2.705.436
18-24 jaar 25-29 jaar 30-34 jaar 35-39 jaar 40-49 jaar 50-59 jaar 60 jaar en ouder
411.355 112.908 37.495 21.874 58.842 30.332 28.175
64,0 17,6 5,8 3,4 4,7 3,4 1,0
80,1 27,6 9,3 5,1 6,9 3,2 1,6
513.683 408.443 402.298 425.643 853.881 949.959 1.757.706
Ongehuwd Gehuwd Gescheiden Verweduwd
612.641 15.540 13.826 467
95,4 2,4 2,1 0,1
35,5 0,6 2,4 0,1
1.727.602 2.625.012 569.276 389.723
Belg Niet-Belg
607.561 34.913
94,6 5,4
12,5 7,4
4.842.445 469.168
Antwerpen & Gent Overige centrumsteden Overige gemeenten
66.997 79.617 495.860
10,4 12,4 77,2
10,8 11,2 12,4
619.029 708.309 3.984.275
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen De leeftijd betreft de exacte leeftijd zijnde de leeftijd die men bij de laatste verjaardag had (en dus niet het aantal jaren sinds het geboortejaar of de leeftijd die men zal krijgen in het jaar). In het Vlaamse Gewest zijn er 13 centrumsteden: Antwerpen, Gent, Mechelen, Turnhout, Leuven, Brugge, Kortrijk, Oostende, Roeselare, Aalst, Sint-Niklaas, Genk, Hasselt. Antwerpen en Gent worden afzonderlijk genomen omdat in deze steden veel meer inwoners wonen dan in de overige centrumsteden.
4
5
Bijlage 3. Veranderen van huishoudpositie bij volwassenen
6
7
Bijlage 4. Veranderen van kindpositie en van ouders bij 18- tot 39-jarigen
In 2019 veranderden 14.131 18- tot 39-jarigen van de ene kindpositie naar een andere kindpositie. Dit betreft 2,4% van alle personen van die leeftijd die bij ouder(s) woonden. Dit soort verandering is doorgaans het gevolg van het gedrag of een gebeurtenis bij de ouder(s), maar het kan ook berusten op een keuze van het kind (bijvoorbeeld wanneer een kind vertrekt bij zijn alleenstaande ouder en bij zijn andere ouder gaat wonen die samenwoont met een partner) (figuur 4.A.). Binnen de groep die een verandering van kindpositie meemaakte, kwam dit voor 7.868 jongvolwassen (55%) doordat ze niet langer bij 2 ouders maar bij 1 ouder woonden (door (echt)scheiding of overlijden van de ouder(s)). Daarnaast maakten 4.479 jongvolwassen (32%) mee dan hun alleenstaande ouder met een nieuwe partner ging samenwonen. 1.323 (9%) maakte mee dat hun ongehuwde ouders (huwden en) gehuwde ouders werden. Een kleine groep (361 of 3%) veranderde van gehuwde ouders naar ongehuwde ouders. In dit geval kan worden verondersteld dat de gehuwde ouders uit elkaar zijn 8
gegaan en dat de ouder waarbij men bleef wonen hetzelfde jaar met een andere partner ongehuwd is gaan samenwonen. Het kan ook voorkomen als men van de gehuwde ouder (met partner) verhuist naar de andere ouder (die ongehuwd met een partner samenwoont). De oudste groep (35-39 jaar) maakte in 2019 vooral mee dat ze (door echtscheiding of overlijden van een ouder) niet meer bij 2 ouders maar bij 1 ouder woonden. De jongste groep (18-24 jaar) maakte vaker mee dat hun ouders gingen huwen. Niet-Belgen maakten iets vaker dan Belgen mee dat er een ouder bijkwam of dat hun ouders huwden. Volwassen kinderen uit Antwerpen en Gent maakten vaker mee dat hun alleenstaande ouder met een partner ging samenwonen. Het veranderen van kindpositie gaat soms gepaard met een verandering van ouder(s). In figuur 4.B. wordt geschetst welke veranderingen er in 2019 samengingen met een verandering van ouder(s). Wie veranderde van 2 ouders naar 1 ouder bleef doorgaans (95%) bij één van de ouders (bij scheiding) of bij de overlevende ouder (bij overlijden) wonen. Wie via de nieuwe partner van de ouder bij een ouderpaar terechtkwam bleef doorgaans (90%) bij die ouder wonen. Wie veranderde van kind van een ongehuwd ouderpaar naar kind van een gehuwd ouderpaar bleef doorgaans (91%) bij diezelfde 2 ouders wonen. De kleine groep die in 2019 veranderde van kind bij een gehuwd paar naar kind bij een ongehuwd paar bleef soms bij 1 dezelfde ouder wonen en ging soms bij 1 andere ouder wonen. In deze gevallen kan het gebeuren dat men van de ene ouder naar de andere ouder gaat wonen of dat de ouder binnen het jaar met een nieuwe partner gaat samenwonen. Indien men toch bij dezelfde 2 ouders bleef gaat het wellicht om een administratieve fout.
Ook bij de groep 18- tot 39-jarigen die in de loop van 2019 een identieke kindpositie behield, betekent dit toch bij 1.246 personen dat ze bij 1 of 2 andere ouders gingen wonen. Zoals hieronder aangegeven, gingen vooral kinderen van alleenstaande ouders bij hun andere alleenstaande ouder wonen.
Tabel 4.A. Identieke kindpostie met andere ouder(s) Vlaams Gewest, 1.1.2019 en 1.1.2020, aantal Op 1.1.2019 Kind bij ouderpaar Kind bij alleenstaande ouder
Op 1.1.2020 1 andere ouder 2 andere ouders 202 193 851
/
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
9
Bijlage 5. Veranderingen vanuit de kindpositie bij 18- tot 39-jarigen Tabel 5.A. Veranderingen vanuit de kindpositie bij 18- tot 39-jarigen per type verandering Vlaams Gewest, 2019, aantal
Op 1.1.2019 Mannen Kind bij ouderpaar Kind bij alleenstaande ouder Totaal Vrouwen Kind bij ouderpaar Kind bij alleenstaande ouder Totaal
Alleenwonend 3.630
Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2020 na het verlaten van het ouderlijke huis Inwonende Gehuwde Ongehuwde andere of Lid Alleenpartner Gehuwde partner Ongehuwde overig staande zonder partner met zonder partner met huishoudouder kinderen kind(eren) kinderen kind(eren) type 38 228 175 3.021 554 1.703
9.939
83
1.174
633
11.559
1.581
3.549
122
13.569
121
1.402
808
14.580
2.135
5.252
219
2.591 6.925
338 659
315 1.409
163 584
3.619 12.763
514 1.409
1.329 2.948
29 54
9.516
997
1.724
747
16.382
1.923
4.277
83
Kind bij gehuwd paar / 1.323 976
Kind bij ongehuwd paar 461 / 3.503
Totaal
9.446 28.640 38.086 8.898 26.751 35.649
Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2020
Gewijzigde kindpositie op 1.1.2020 Op 1.1.2019 Kind bij gehuwd ouderpaar Kind bij ongehuwd ouderpaar Kind bij alleenstaande ouder
Bewoner collectief huishouden 97
Kind bij alleenstaande ouder 5.246 2.622 /
5.645 1.119 2.723
Noot: omdat bij de nieuwe huishoudposities de aantallen gering zijn worden ‘inwonende andere’, ‘lid van ander type huishouden’ en ‘bewoner van collectief huishouden’ in bepaalde figuren samengenomen als ‘Overig’.
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
10