Luchtkwaliteit in Vlaanderen
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
DOCUMENTBESCHRIJVING Titel Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012 Samenstellers Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, VMM Dienst Lucht, Team Uitbating Semiautomatisch meetnet (USAM) Inhoud Dit rapport beschrijft de resultaten van het depositiemeetnet verzuring voor 2012. Het omvat een beschrijving van de methodiek en meetresultaten voor 2012, de trend door de jaren heen en modelberekeningen die de verzuring en vermesting over heel Vlaanderen in kaart brengen. Wijze van refereren VMM (2014), Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012 Verantwoordelijke uitgever Philippe D’Hondt, Afdelingshoofd Lucht, Milieu en Communicatie Vlaamse Milieumaatschappij Vragen in verband met dit rapport Vlaamse Milieumaatschappij A. Van de Maelestraat 96 9320 Erembodegem Tel: 053 72 62 10 Fax: 053 71 10 78 info@vmm.be Depotnummer D/2013/6871/048
2
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Samenvatting Verzuring is het gevolg van de emissie of uitstoot van verontreinigende stoffen – vooral zwaveldioxide (SO 2 ), stikstofoxiden (NO x ) en ammoniak (NH 3 ) – in de lucht. Hierdoor ontstaan verschillende stikstof- en zwavelverbindingen die in het milieu kunnen terechtkomen. Wanneer deze verbindingen na afzetting op de bodem of planten verzurend werken, spreekt men van verzurende depositie. Verzuring hangt nauw samen met andere milieuproblemen, zoals vermesting, fijn stof, … . Om de gevoeligheid van de ecosystemen voor verzuring en vermesting te berekenen, werd het concept ‘kritische last’ ontwikkeld. Dit is een waarde die uitdrukt hoeveel verzurende depositie een ecosysteem kan verdragen zonder dat er risico’s zijn op beschadiging op lange termijn. Dit rapport geeft een beschrijving van de methodiek en meetresultaten voor het jaar 2012 voor natte, droge en totale verzurende depositie. Ook trend- en modelberekeningen komen aan bod om een beter beeld over de evolutie van verzuring en vermesting in Vlaanderen te krijgen. De meetresultaten en de modelberekeningen worden getoetst aan internationale, Europese en Vlaamse normen. Tenslotte berekenen we ook de oppervlakte natuur met een overschrijding van de kritische last verzuring en vermesting. Polluent
Verzurende werking
Vermestende werking
X
X
Ammonium (NH 4 )
X
X
Stikstofdioxide (NO 2 )
X
X
Ammoniak (NH 3 ) +
-
X
X
Nitriet (NO 2 )
X
X
Zwaveldioxide (SO 2 )
X
Nitraat (NO 3 ) -
2-
Sulfaat (SO 4 )
X
De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) heeft 9 meetplaatsen en 8 extra voor ammoniak. Uit deze metingen kunnen we natte, droge en totale depositie berekenen. De jaargemiddelde NH 3 -concentraties tonen aan dat er één overschrijding van het kritieke niveau van 8 µg/m³ -bepaald door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) is, namelijk voor de meetplaats in Wingene. Dit is te verklaren doordat de meetplaats in een gebied met intensieve landbouw en veeteelt ligt. 2-
De hoge SO 4 concentraties en -deposities in Koksijde geven aan dat er een duidelijke relatie is met de afstand tot de kust. Het opstuivend zeewater brengt zeezout in de lucht, dat nadien via de neerslag mee gemeten kan worden. In Kapellen is dit verschijnsel deels te verklaren door de Schelde en deels door de industrie. De invloed van de Antwerpse haven zorgt dan weer voor verhoogde NO 2 -concentraties in Kapellen. Voor de indicatieve toetsing aan de Europese richtlijn 2008/50/EG liggen de berekende stikstofoxiden (NO x -concentraties) allemaal lager dan 30 µg/m³. De meetplaats Gent schommelt juist rond deze concentratie en dit omwille van verkeer, gebouwenverwarming en industrie. Voor SO 2 -concentraties wordt het kritieke niveau voor vegetatie van 20 µg/m³ voor alle meetplaatsen wel gehaald. Er is geen enkele meetplaats in Vlaanderen die voldoet aan de streefwaarden voor verzuring volgens het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning (VLAREM), behalve Tielt-Winge voor loofbos. Voor vermesting is er geen enkele meetplaats die voldoet aan de streefwaarden. Vermits de SO 2 -emissie de laatste twee decennia sterk daalde, is er een verschuiving van verzuring naar vermesting. Gezien het grote aandeel van stikstof in de verzurende depositie zal het verzuringsbeleid in Vlaanderen in de toekomst meer evolueren naar een landbouwbeleid en dus nauwer moeten aansluiten bij het mestbeleid. Vermits ook transport en industrie een grote invloed hebben op de NO x -
Samenvatting • 3
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
emissie, zal een emissie-daling in deze sectoren ook een positief effect hebben op de totale vermestende depositie. In Vlaamse bos- en natuurgebieden zijn er meer overschrijdingen van de kritische last voor vermesting dan voor verzuring. Een geĂŻntegreerde aanpak is nodig en maatregelen tegen verzuring en vermesting zijn daar een onderdeel van.
4 • Samenvatting
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
INHOUDSTAFEL Samenvatting ............................................................................................................ 3 1 Inleiding ............................................................................................................. 11 2 Een woordje uitleg ............................................................................................ 12 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3
Wat is verzuring? ................................................................................................................... 12 Oorsprong en bestemming .................................................................................................... 12 Verzuring via het VLOPS-model............................................................................................ 13 Link verzuring en andere milieuproblemen ........................................................................... 14 Kritische last: maat voor verzuring en vermesting................................................................. 14
Wetgeving ......................................................................................................... 15 3.1 Emissies ................................................................................................................................ 15 3.2 Immissies ............................................................................................................................... 15 3.2.1 Norm voor natte depositie ................................................................................................. 15 3.2.2 Norm voor concentratie in de lucht .................................................................................... 15 3.2.3 Normen voor totale depositie ............................................................................................. 16 3.2.3.1 VLAREM .................................................................................................................... 16 3.2.3.2 Milieubeleidsplan 2011-2015 ..................................................................................... 16 3.2.3.3 7de Europese Milieu Actieprogramma ...................................................................... 17
4
Methodiek .......................................................................................................... 18 4.1 Natte depositie ....................................................................................................................... 18 4.1.1 Wat meten we in de neerslag ............................................................................................ 18 4.1.2 Meetplaatsen in Vlaanderen .............................................................................................. 18 4.1.3 Hoe gebeurt de monsterneming ........................................................................................ 19 4.1.4 Analyse en berekening in het labo .................................................................................... 20 4.2 Droge depositie...................................................................................................................... 20 4.2.1 Verontreinigende stoffen ................................................................................................... 20 4.2.2 Meetplaatsen in Vlaanderen .............................................................................................. 21 4.2.3 Hoe gebeurt de monsterneming ........................................................................................ 22 4.2.3.1 Radiaaltype ................................................................................................................ 23 4.2.3.2 Batch type .................................................................................................................. 23 4.2.4 Analyse en berekening in het labo .................................................................................... 23 4.2.5 Berekeningen met het VLOPS-model ............................................................................... 23 4.3 Totale depositie ..................................................................................................................... 24 4.3.1 Meetplaatsen in Vlaanderen .............................................................................................. 24 4.3.2 Berekeningen totale verzurende depositie ........................................................................ 24 4.3.3 Berekeningen totale vermestende depositie ..................................................................... 24 4.4 Methodiek door de jaren heen ............................................................................................... 25 4.4.1 Meetplaatsen ..................................................................................................................... 25 4.4.2 Natte depositie ................................................................................................................... 25 4.4.2.1 Hoeveelheid neerslag ................................................................................................ 25 4.4.2.2 Samenstelling van de neerslag ................................................................................. 25 4.4.3 Droge depositie.................................................................................................................. 26 4.4.3.1 Luchtconcentratie ...................................................................................................... 26 4.4.3.2 Depositiesnelheid ...................................................................................................... 26
5
Resultaten ......................................................................................................... 28 5.1 Inleiding ................................................................................................................................. 28 5.1.1 Statistische berekeningen ................................................................................................. 28 5.1.2 Het VLOPS-model ............................................................................................................. 28 5.2 Natte depositie ....................................................................................................................... 28 5.2.1 Neerslaghoeveelheid ......................................................................................................... 28 5.2.2 Zuurtegraad ....................................................................................................................... 29 5.2.3 Concentratie in de neerslag en deposities ........................................................................ 31 5.2.3.1 Ammonium ................................................................................................................. 31 5.2.3.2 Nitriet en nitraat ......................................................................................................... 33 5.2.3.3 Sulfaat ........................................................................................................................ 35 5.2.4 Totale natte depositie ........................................................................................................ 37 5.2.5 Conclusies ......................................................................................................................... 38 5.3 Droge depositie...................................................................................................................... 38
5
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5.3.1 Concentraties en deposities .............................................................................................. 38 5.3.1.1 Ammoniak .................................................................................................................. 38 5.3.1.2 Stikstofdioxide ............................................................................................................ 43 5.3.1.3 Zwaveldioxide ............................................................................................................ 47 5.3.2 Totale droge depositie ....................................................................................................... 50 5.3.3 Regionale trend ................................................................................................................. 50 5.3.4 Conclusies ......................................................................................................................... 51 5.4 Totale depositie ..................................................................................................................... 52 5.4.1 Totaal verzurende depositie .............................................................................................. 52 5.4.1.1 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last verzuring ................................. 57 5.4.2 Totaal vermestende depositie ........................................................................................... 58 5.4.2.1 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last vermesting .............................. 60 5.4.3 Conclusies totale depositie ................................................................................................ 61
6
Besluit................................................................................................................ 62
Bijlage 1: Informatie over geaccrediteerde metingen (normen ISO/IEC 17025:2005) ............................................................................................................... 2 Bijlage 2: Het VLOPS-model .................................................................................... 3 Bijlage 3: Trends in natte depositie ...................................................................... 13 Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties ................................................................ 16 Bijlage 5: Trends in totale deposities ................................................................... 22
6
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
FIGUREN Figuur 1: Meetplaats verzuring .............................................................................................................. 11 Figuur 2: Oorsprong van verzurende stoffen uit emissiebronnen, de chemische omzettingen die deze stoffen kunnen ondergaan en de manier waarop deze verbindingen uiteindelijk neerslaan in de omgeving ............................................................................................................................................... 12 Figuur 3: Overzicht van de potentieel verzurende stoffen: afkomst, omzetting en depositie. De stoffen die de VMM meet zijn in blauw aangegeven ......................................................................................... 13 Figuur 4: Schematisch overzicht van de stappen die een verontreinigende stof aflegt nadat ze door emissie vrijkomt ..................................................................................................................................... 15 Figuur 5: Overzicht meetplaatsen natte depositie ................................................................................. 19 Figuur 6: Voorbeeld van een natte depositievanger of wet-only sampler ............................................. 19 Figuur 7: Voorbeeld van een pluviograaf .............................................................................................. 20 Figuur 8: Meetplaatsen voor NO 2 - en SO 2 -bemonstering .................................................................... 21 Figuur 9: Meetplaatsen voor NH 3 -bemonstering met vermelding van de Natura 2000-gebieden ........ 22 Figuur 10: Voorbeeld van passieve samplers ....................................................................................... 22 Figuur 11: Voorbeeld van een radiaaltype ............................................................................................ 23 Figuur 12: Voorbeeld van een batch type ............................................................................................. 23 Figuur 13: Overzicht meetplaatsen totale depositie .............................................................................. 24 Figuur 14: Overzicht van de neerslaghoeveelheden op de 9 meetplaatsen van het depositiemeetnet verzuring, inclusief vergelijking met de gemiddelde neerslag in Ukkel en het KMI-10-jaargemiddelde 29 Figuur 15: Overzicht van de pH-metingen voor de meetplaats Wingene in de periode januari 2012 – januari 2013. Voor de periode in maart en in november is er geen tweewekelijks staal omdat er te weinig neerslag was .............................................................................................................................. 30 Figuur 16: Overzicht van de jaargemiddelde pH-meting over verschillende meetplaatsen, 2012 ........ 31 + Figuur 17: Verzurende concentratie in de neerslag en depositie van NH 4 . In de rechtse as staat de + concentratie NH 4 uitgedrukt in mg/L. Na vermenigvuldiging met de neerslaghoeveelheid bekomt men de natte depositie, uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar), aangeduid op de linkse as ........................................... 32 Figuur 18: Gemodelleerde natte depositie van NH x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster ............................................................................................................................................................... 32 + Figuur 19: Natte depositie van NH 4 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is marginaal significant (P = 0,07) ... 33 Figuur 20: Totale stikstof uit NO 3 - en NO 2 in de neerslag .................................................................. 34 Figuur 21: Verzurende natte depositie van NO 3 en NO 2 in 2012........................................................ 34 Figuur 22: Natte depositie van NO 3 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,009) .................. 35 2Figuur 23: Verzurende concentratie in de neerslag en depositie van SO 4 in 2012. In de rechtse as 2staat de concentratie SO 4 uitgedrukt in mg/L. Na vermenigvuldiging met de neerslaghoeveelheid bekomt men de natte depositie, uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar), aangeduid op de linkse as ...................... 36 2Figuur 24: Natte depositie van SO 4 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) .................. 36 Figuur 25: Totale natte potentieel verzurende depositie per meetplaats .............................................. 37 Figuur 26: Totale natte depositie van N en S in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,001) ... 38 Figuur 27: Concentratieverloop van ammoniak in Waasmunster. Op de X-as staan de maandelijkse data, op de Y-as de concentratie van ammoniak in µg/m³ .................................................................... 39 Figuur 28: Concentratieverloop van ammoniak in Tielt-Winge. Op de X-as staan de data van de maandelijkse monsterneming uitgezet, op de Y-as de concentraties in µg/m³ ..................................... 40 Figuur 29: Gemodelleerd NH 3 -jaargemiddelde in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster .... 40 Figuur 30: Toetsing van de gemeten NH 3 -concentraties per meetplaats aan het huidige kritieke niveau voor vegetatie (rode lijn in grafiek) en het aanbevolen niveau (groene lijn in grafiek) .......................... 41 Figuur 31: Overzicht van de NH 3 -droge depositie in 2012 per aanwezig vegetatietype. De depositie wordt uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar) en is te zien op de Y-as ..................................................................... 42 Figuur 32: Gemodelleerde droge depositie van NH x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster ............................................................................................................................................................... 42 Figuur 33: Luchtconcentratie van NH 3 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,003) .................. 43 Figuur 34: NO 2 -jaargemiddelde in µg/m³ per meetplaats ..................................................................... 44 Figuur 35: Indicatieve toetsing van de omgerekende NO x -concentraties, afkomstig van de passieve samplers, aan het kritieke niveau voor vegetatie .................................................................................. 45
7
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 36: NO 2 -depositie in 2012 per vegetatietype. Op de linkse as de berekende droge depositie NO 2 uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar). Enkel het aanwezige vegetatietype wordt uitgezet op de grafiek. Vermits de depositiesnelheden niet verschillen per vegetatietype, kunnen we gelijke deposities waarnemen ............................................................................................................................................ 46 Figuur 37: Gemodelleerde droge depositie van NO y in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster ............................................................................................................................................................... 47 Figuur 38: Luchtconcentratie van NO 2 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is niet significant (P = 0,133) ........... 47 Figuur 39: SO 2 -concentratie en indicatieve toetsing van de met passieve samplers gemeten SO 2 concentraties, aan het kritieke niveau voor vegetatie ........................................................................... 48 Figuur 40: De gemiddelde SO 2 -depositie in 2012, uitgedrukt per aanwezig vegetatietype in Zeq/(ha.jaar). Omdat de depositiesnelheden verschillen per vegetatietype, verschillen ook de deposities............................................................................................................................................... 48 Figuur 41: Gemodelleerde droge depositie SO x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster .. 49 Figuur 42: Luchtconcentratie van SO 2 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) .................. 49 Figuur 43: Totale droge depositie .......................................................................................................... 50 Figuur 44: Jaargemiddelde luchtconcentraties van NH 3 , NO 2 en SO 2 op de negen meetplaatsen die sinds 2001 in gebruik zijn. De lijnen zijn niet-parametrische regressielijnen (regionale Kendall-test; P = 0,04 voor NH 3 , P = 0,71 voor NO 2 en P = 0,001 voor SO 2 ) ................................................................. 51 Figuur 45: Overzicht van de belangrijkste sectoren die bijdragen tot de totale verzurende depositie op basis van gegevens van 2010 ............................................................................................................... 52 Figuur 46: Aandeel van de droge depositie en de natte depositie in de totale depositie voor het vegetatietype gras ................................................................................................................................. 53 Figuur 47: Overzicht van de totale verzurende depositie in 2012 ......................................................... 54 Figuur 48: Gemodelleerde totale verzurende depositie in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster .................................................................................................................................. 54 Figuur 49: Overzicht van de meetnetgemiddelde totale verzurende depositie in de periode 2005-2012 en de daartoe behorende relatieve bijdrage van de belangrijkste polluenten ....................................... 55 Figuur 50: Totale verzurende depositie van N en S in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) ................................................................................................................................................. 56 Figuur 51: Gemiddelde Vlaamse verzurende deposities SO x , NO y en NH x in de periode 1990-2012 57 Figuur 52: Overzicht van de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor verzuring in de periode 1990-2012........................................................................................................................ 58 Figuur 53: Overzicht van de totale vermestende depositie in 2012 ...................................................... 58 Figuur 54: Totale vermestende depositie van N in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) ... 59 Figuur 55: Gemodelleerde totale vermestende depositie in 2012 in Vlaanderen. 1x1 km² receptorenrooster .................................................................................................................................. 60 Figuur 56: Gemiddelde Vlaamse vermestende deposities NO y en NH x in de periode 1990-2012 ...... 60 Figuur 57: Overzicht van de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting in de periode 1990-2012 ..................................................................................................... 61 Figuur 58: Niet-lineaire trend in natte verzurende depositie van 2001 tot 2012 ................................... 15 Figuur 59: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van NH 3 van 2001 tot 2012 ............................... 18 Figuur 60: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van NO 2 van 2001 tot 2012 ............................... 19 Figuur 61: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van SO 2 van 2001 tot 2012 ............................... 21 Figuur 62: Niet-lineaire trend in totale verzurende depositie voor gras van 2001 tot 2012 .................. 24 Figuur 63: Niet-lineaire trend in totale vermestende depositie voor gras van 2001 tot 2012 ................ 26
8
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
TABELLEN Tabel 1: Kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie (µg/m³) ............................................ 16 Tabel 2: VLAREM-streefwaarden voor verzurende depositie ............................................................... 16 Tabel 3: VLAREM-streefwaarden voor vermestende depositie ............................................................ 16 Tabel 4: Meetplaatsen en begindatum metingen natte en droge depositie .......................................... 25 Tabel 5: Kenmerken van passieve monstername van NH 3 , NO 2 en SO 2 ............................................ 26 Tabel 6: Droge depositiesnelheden per vegetatietype, uitgedrukt in cm/s, in 2001-2003 en vanaf 2005 ............................................................................................................................................................... 27 +
-
2-
Tabel 7: Trend in de natte depositie van NH 4 , NO 3 en SO 4 (Zeq/(ha.jaar)) van 2001 tot 2012 ...... 13 3 Tabel 8: Trend in de luchtconcentratie van NH 3 , NO 2 en SO 2 (µg/(m .jaar)) van 2001 tot 2012 ......... 16 Tabel 9: Trend in totale verzurende depositie (Zeq/(ha.jaar)) per vegetatietype van 2001 tot 2012 .... 22 Tabel 10: Trend in totale vermestende depositie (kg N/(ha.jaar)) per vegetatietype van 2001 tot 2012 ............................................................................................................................................................... 24
9
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Lijst met afkortingen BELAC EU HNO 2 HNO 3 H 2 SO 4 ISO KMI MAP MINA NEC NH 3 + NH 4 NH x NO 2 NO 2 NO 3 NO x NO y PAN pH SO 2 2SO 4 USAM VLAREM VLOPS VMM WGO WO
10
Belgische accreditatieinstelling Europese Unie Salpeterigzuur Salpeterzuur Zwavelzuur International Organization for Standardization Koninklijk Meteorologisch Instituut 7de Europese Milieu Actieprogramma Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen Europese Nationale Emissie Plafond richtlijn - National Emission Ceilings Ammoniak Ammonium + Gereduceerde stikstofverbindingen (NH 3 en NH 4 ) Nitriet Stikstofdioxide Nitraat Stikstofoxiden: NO en NO 2 samen Verzamelterm voor geoxideerde stikstofverbindingen (NO, NO 2 , NO 3 ,HNO 3 , ‌) Peroxyacetylnitraat Zuurtegraad Zwaveldioxiden Sulfaat Uitbating Semiautomatisch Meetnet Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning Vlaamse Operationeel Prioritaire Stoffen model Vlaamse Milieumaatschappij Wereldgezondheidsorganisatie Wet-only sampler: natte depositievanger
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
1
Inleiding
Heeft u zich ooit afgevraagd wat er wordt bedoeld met zure regen? Om het thema ‘zure regen’ of ‘verzuring’ beter in beeld te brengen, geeft dit rapport een beschrijving van de methodiek en meetresultaten voor 2012 en dit voor droge, natte en totale depositie. Ook trend- en modelberekeningen komen aan bod om een beter beeld over de evolutie van verzuring in Vlaanderen te krijgen. De meetresultaten en de modelberekeningen worden getoetst aan normen in internationaal, Europees of Vlaams verband. Verzuring is het gevolg van de emissie of uitstoot van verontreinigende stoffen – vooral zwaveldioxide (SO 2 ), stikstofoxiden (NO x ) en ammoniak (NH 3 ) – in de lucht. Hierdoor ontstaan verschillende stikstofen zwavelverbindingen die in het milieu kunnen terechtkomen. Wanneer deze verbindingen na afzetting op de bodem of planten verzurend werken, spreekt men van verzurende depositie. Verzurende depositie is een grensoverschrijdend probleem. Verontreinigende stoffen kunnen zich immers over een lange afstand in de lucht verplaatsen en verspreiden. Dit blijft echter niet zonder gevolgen: verzuring speelt een belangrijke rol in de verstoring van ecosystemen. Zo verliezen bossen aan vitaliteit, vergrast de heide, vermindert de diversiteit aan planten- en diersoorten, verzuren meren, worden visbestanden aangetast en raakt het grondwater verontreinigd. In eerste instantie heeft de natuur te lijden onder de verzurende deposities. Onrechtstreeks zal de bevolking ook de negatieve effecten van verzurende depositie ervaren. Zo tast de verzurende emissie gebouwen en monumenten aan. Daarnaast zal er door verzurende depositie, maar voornamelijk door vermestende depositie een overmaat aan stikstof in ons leefmilieu (bodem, oppervlaktewater en grondwater) terechtkomen. Nitraat verwijderen in de waterzuiveringsinstallaties en in drinkwaterwinningen is een dure aangelegenheid. Drinkwater uit eigen waterwinningen moet eveneens voldoen aan de norm voor de nitraatgehalten en dit kan een probleem vormen bij overmatige depositie. Een belangrijke indicator voor verzuring is de kritische last. Deze geeft aan waar de maximaal toelaatbare zwavel- en stikstofdeposities worden overschreden in Vlaanderen. In 2009 werd de kritische last voor verzuring overschreden op 32% van de totale oppervlakte terrestrische ecosystemen in Vlaanderen. Dit is een positieve evolutie ten opzichte van 2008, waar er nog 44% overschreden werd. Omwille van bovenstaande redenen baat de VMM het depositiemeetnet verzuring uit. Dit bestaat uit verschillende meetplaatsen verspreid over Vlaanderen. Zo bekomt men concentraties en deposities van verzurende stoffen. Naast metingen worden ook modelberekeningen gemaakt om deze concentraties en deposities in kaart te brengen. Hiervoor wordt het Vlaamse Operationeel Prioritaire Stoffen model (VLOPS) gebruikt. Dit model simuleert de luchtkwaliteit aan de hand van emissiegegevens, gegevens over landgebruik en jaarlijkse meteogegevens.
Figuur 1: Meetplaats verzuring
Inleiding • 11
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2
Een woordje uitleg
Dit hoofdstuk beschrijft, aan de hand van een aantal kernbegrippen en vakjargon, het onderwerp verzuring en al zijn deelaspecten.
2.1 Wat is verzuring? Verzuring wordt omschreven als zijnde de gezamenlijke effecten van luchtverontreinigende stoffen (afkomstig van emissies SO 2 , NO x en NH 3 ) die via de atmosfeer worden aangevoerd en waaruit zuren (zwavelzuur en salpeterzuur) kunnen gevormd worden. Verzuring kan via natte depositie (regen, sneeuw en hagel) of droge depositie (in gasvorm of neerslag als aerosoldeeltjes) of occulte depositie (mist, dauw en laaghangende wolken) rechtstreeks een invloed hebben op bodem, water, dieren, planten en materialen. De zogenaamde ‘occulte depositie’ is vooral belangrijk in bergachtige gebieden. De VMM houdt daarom geen rekening met deze vorm van depositie. Natte verzurende depositie kan gemeten worden door neerslag op te vangen en er de hoeveelheid en samenstelling van te bepalen. We meten dus de hoeveelheid neerslag en de concentratie van de ionen die stikstof en zwavel bevatten. Droge verzurende depositie is een complex proces dat moeilijk nauwkeurig te meten is. Een reden hiervoor is dat er veel stoffen bij betrokken zijn. Stikstof en zwavel komen allebei voor in de lucht als gas en als deeltje. Voor stikstof gaat het om meerdere vormen, waarvoor vaak geavanceerde meettoestellen nodig zijn. De VMM bepaalt enkel de concentraties van drie belangrijke gassen, namelijk ammoniak (NH 3 ), stikstofdioxide (NO 2 ) en zwaveldioxide (SO 2 ). De verzurende depositie door andere gassen en deeltjes bepaalt de VMM niet.
2.2 Oorsprong en bestemming Figuur 2 toont de oorsprong en bestemming van verzurende stoffen in de lucht.
Figuur 2: Oorsprong van verzurende stoffen uit emissiebronnen, de chemische omzettingen die deze stoffen kunnen ondergaan en de manier waarop deze verbindingen uiteindelijk neerslaan in de omgeving Emissies van zwaveldioxide (SO 2 ) zijn voornamelijk afkomstig van het verbranden van zwavelhoudende fossiele brandstoffen: industrie, elektriciteit, raffinaderijen, gebouwenverwarming,
12 • Een woordje uitleg
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
zeescheepvaart en verkeer. Zwaveldioxide (SO 2 ) wordt in de lucht deels omgezet tot zwavelzuur 2(H 2 SO 4 ), waarna het met water in sulfaten (SO 4 ) kan worden omgezet naar natte depositie. Voor het 2andere deel wordt het afgezet via droge depositie als gas (SO 2 ) of als deeltje (SO 4 ). Emissies van stikstofoxiden (NO en NO 2 : samen NO x ) worden veroorzaakt door het wegverkeer en andere verbrandingsprocessen zoals gebouwenverwarming en industriële processen. Stikstofoxiden (NO x ) worden deels in de lucht omgezet in salpeterzuur (HNO 3 ) en nitraten (NO 3 ). Via natte depositie (opgeloste NO 2 of NO 3 ) of droge depositie (NO x , NO 3 en andere vormen van geoxideerde stikstof) komen ze op de bodem en vegetatie terecht. Voor de emissies van ammoniak (NH 3 ) is, naast de industrie en het verkeer, vooral de land- en tuinbouw verantwoordelijk voor meer dan 90%: ammoniak ontsnapt uit de stallen en vervluchtigt van + pas bemest land. Ammoniak wordt deels in de lucht omgezet in ammoniumverbindingen (NH 4 ) en heeft, nadat het op de bodem neerslaat, een verzurende werking door omzetting onder invloed van micro-organismen.
2.3 Verzuring via het VLOPS-model +
-
2-
Het VLOPS-model berekent luchtconcentraties van NH 3 , NH 4 , NO x , NO 3 , SO 2 en SO 4 en deposities van NH x , NO y en SO x. Het model berekent de verzurende componenten dus zowel in de gasvormige als in de deeltjesfase en het houdt rekening met de atmosferische processen, zoals verspreiding, droge depositie, natte depositie en omzetting. Zowel de verspreiding en depositie van de primaire vormen van de verzurende stoffen (SO 2 , NO, NO 2 en NH 3 ) als de verspreiding en depositie 2+ van de secundaire vormen (SO 4 , NO 3 , en NH 4 ) worden in het VLOPS-model gebruikt. In de berekende NO 3 - en NO x -concentraties zijn tevens HNO 3 (salpeterzuur), salpeterigzuur (HNO 2 ) en peroxyacetylnitraat (PAN) inbegrepen. In Bijlage 2: Het VLOPS-model staat een meer uitgebreide beschrijving van het VLOPS-model. Onderstaande figuur geeft een overzicht van alle vermelde potentieel verzurende stoffen en maakt een duidelijk onderscheid tussen stoffen berekend met het model en gemeten in het depositiemeetnet verzuring.
Figuur 3: Overzicht van de potentieel verzurende stoffen: afkomst, omzetting en depositie. De stoffen die de VMM meet zijn in blauw aangegeven
Een woordje uitleg • 13
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2.4 Link verzuring en andere milieuproblemen Verzuring hangt nauw samen met andere milieuproblemen, onder andere met vermesting. We spreken van vermesting als er een overmaat is aan nutriënten, het betreft nitraten en fosfaten. De nutriënten die niet door de planten worden opgenomen, komen in onze oppervlakte- en grondwateren terecht. Stikstofoxiden (NO x ) spelen een dubbele rol: enerzijds als verzurende stof, anderzijds als ozonprecursor. Ze liggen als ozonprecursor ook aan de oorsprong van de vorming van ‘fotochemische zomersmog’, met ozon als belangrijkste component. De aanwezigheid van hoge concentraties zwaveldioxide (SO 2 ) tijdens koudere periodes speelt dan weer een rol bij de vorming van wintersmog. Zuren en ammoniak kunnen zorgen voor de vorming van ammoniumsulfaten en -nitraten. We spreken dan van ammoniumzouten. Deze zouten komen voor als aerosol en dragen voor een aanzienlijk deel bij aan de concentraties secundair fijn stof (PM 10 en PM 2,5 ) in omgevingslucht. Deze stoffen kunnen, nadat ze op de bodem of het oppervlaktewater zijn neergeslagen, ook zorgen voor verzuring of vermesting, maar hebben ook gezondheidseffecten voor de mens. Ten slotte heeft verzurende depositie negatieve gevolgen voor ecosystemen en de soortenrijkdom: verzuring zorgt algemeen voor een vermindering in biodiversiteit. Biodiversiteit is volgens het Europees Biodiversiteitsverslag 2020 essentieel voor alle leven op aarde. Verlies aan biodiversiteit vormt één van de grote mondiale bedreigingen.
2.5 Kritische last: maat voor verzuring en vermesting Om de gevoeligheid van de ecosystemen voor verzuring en vermesting te berekenen, werd het concept ‘kritische last’ ontwikkeld. Dit is een waarde die uitdrukt hoeveel verzurende depositie een ecosysteem kan verdragen zonder dat er risico’s zijn op beschadiging op lange termijn. We kunnen dit ook beschrijven aan de hand van een reëel probleem: bomen in een bos hebben bijvoorbeeld stikstof nodig om te groeien. Maar als er teveel stikstof uit de atmosfeer komt, kunnen bomen door toenemende verzuring problemen krijgen om bijvoorbeeld andere voedingsstoffen op te nemen. Zo kan er wortelschade optreden. Wanneer dit laatste het geval is, wil dit zeggen dat de verzurende depositie boven het niveau van de kritische last zit, met andere woorden, er is op termijn schade voor de natuur. De term ‘kritische last’ is een internationaal begrip. Elk land bepaalt de ‘kritische last’ van zijn eigen ecosystemen, op basis van modellen en studies. Voor Vlaanderen werden kritische lasten vastgelegd voor bos, heide en grasland. De kritische last voor verzuring is een norm voor stikstof- en zwaveldepositie. De kritische last voor vermesting is een norm enkel voor stikstofdepositie. Door de sterke daling in de laatste 2 decennia van het aandeel van de SO 2 -emissie tot de totale verzurende emissie, neemt het relatief belang van de vermesting toe.
14 • Een woordje uitleg
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
3
Wetgeving
Op internationaal en Europees niveau worden er regelgevingen en wetgeving ontwikkeld. Deze internationale en Europese visies worden in Vlaanderen verder aangevuld met de eigen beleidsvisie. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen emissies en immissies, zie Figuur 4.
Figuur 4: Schematisch overzicht van de stappen die een verontreinigende stof aflegt nadat ze door emissie vrijkomt
3.1 Emissies Emissie is de uitstoot of lozing van verontreinigende stoffen in de lucht. De Europese Nationale Emissie Plafond richtlijn 2001/81/EG, beter gekend als de NEC-richtlijn (National Emission Ceilings), legt voor de uitstoot van verzurende stoffen een aantal maxima op. De richtlijn verplicht de lidstaten om een programma op te stellen waarin ze vastleggen hoe ze de emissies kunnen beperken. 1 Meer informatie over emissies vindt u terug in het rapport ‘Lozingen in de lucht’ .
3.2 Immissies Immissies zijn concentraties van stoffen in de omgevingslucht. Bij het meten van immissies maakt de VMM onderscheid in natte, droge en totale depositie omdat voor deze aspecten verschillende regelgevingen gelden. 3.2.1 Norm voor natte depositie Om internationaal over vergelijkbare resultaten te beschikken, werden een aantal vereisten omtrent de keuze van de meetplaatsen gebundeld in een internationale norm, namelijk ISO-norm 5667-8. Een aantal van deze vereisten zijn: • geen bewegingen in de nabije omgeving. Beweging betekent immers het opwaaien van stof; • geen directe bronnen van verontreiniging in de omgeving; • geen industrie, stad of voorstad op minder dan 10 kilometer; • voldoende afstand van landbouwgebieden, veeteelt en stallen; • geen autosnelwegen, (verbrandings)ovens, rioleringen binnen 1 kilometer; • geen vervuilingsbronnen zoals vliegtuig- of boottransporten binnen de 100 meter; • ongestoord, vlak land als ondergrond om de invloed van de wind te beperken. 3.2.2 Norm voor concentratie in de lucht De Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa beschrijft kritieke niveaus voor de bescherming van ecosystemen voor SO 2 en NO x . Deze kritieke niveaus voor beide polluenten gelden op jaarbasis. Deze toetsing is echter indicatief, omdat er strikt 1
Lozingen in de lucht 2000-2011, VMM, 2012
Wetgeving • 15
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
genomen geen gebieden in Vlaanderen zijn die volledig voldoen aan de voorwaarden van inplanting van meetplaatsen, zoals opgelegd in de richtlijn. Tabel 1: Kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie (µg/m³) SO 2 NO x NH 3 Europese richtlijn 2008/50/EG WGO (2000)
20
30
-
-
-
8
Voor concentratie in de lucht houdt de VMM rekening met de internationale norm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). De WGO definieerde een kritiek niveau voor de bescherming van vegetatie en dit voor de verzurende stof ammoniak (NH 3 ). Het kritieke niveau bedraagt op dit moment 8 µg/m³. De wetenschappelijke literatuur geeft echter aan dat deze waarde te 2 hoog is en doet een aanbeveling van 3 µg/m³ voor hogere plantensoorten . Verder in dit rapport toetsen we het NH 3 -jaargemiddelde op verschillende meetplaatsen in Vlaanderen aan het huidige en het aanbevolen kritieke niveau. 3.2.3 Normen voor totale depositie Voor totale depositie houdt de VMM rekening met streefwaarden en doelstellingen op Vlaams niveau, namelijk: • VLAREM: Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning; • MILIEUBELEIDSPLAN 2011-2015. 3.2.3.1 VLAREM Het VLAREM is de wettelijke basis voor het voorkomen en de bestrijding van milieuverontreiniging door hinderlijke inrichtingen (= bedrijven) en activiteiten in Vlaanderen. Voor verzuring zorgt deze wetgeving specifiek voor de bescherming van gevoelige gebieden. Daarom bepaalt VLAREM II streefwaarden voor totale verzurende (zie Tabel 2) en vermestende (zie Tabel 3) depositie per vegetatie- en bodemtype. De totale verzurende depositie drukt men uit in zuurequivalenten per hectare per jaar (Zeq/(ha.jaar)) en de totale vermestende depositie in kilogram stikstof per hectare per jaar (kg N/(ha.jaar)). Tabel 2: VLAREM-streefwaarden voor verzurende depositie Streefwaarde Vegetatie- en bodemtype 1.400 Zeq/(ha.jaar) Naaldbossen en heide op zandgronden 1.800 Zeq/(ha.jaar)
Loofbossen op armere zandgronden
2.400 Zeq/(ha.jaar)
Loofbossen op rijkere gronden
Tabel 3: VLAREM-streefwaarden voor vermestende depositie Streefwaarde Vegetatie- en bodemtype 14 kg N/(ha.jaar)
Loofbossen
5,6 kg N/(ha.jaar)
Meer natuurlijke soortensamenstelling in naaldbos, heide op zandgrond en vennen
De VMM toetst de meetresultaten van 2012 aan bovenstaande streefwaarden. 3.2.3.2 Milieubeleidsplan 2011-2015 Het Milieubeleidsplan bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid die door het Vlaamse Gewest en ook door de provincies en gemeenten dient te worden gevoerd. In dit milieubeleidsplan, opgesteld door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MINA), zitten doelstellingen gebundeld, namelijk het MINA-plan 4 (2011-2015). Dit stelt als doel dat tegen 2015 nog maar op 20% van de oppervlakte
2
J.N. Cape, L.J. van der Eerden, L.J. Sheppard, I.D. Leith and M.A. Sutton, 2009. Evidence for changing the critical level for ammonia. Environmental Pollution 157, 1033-1037
16 • Wetgeving
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
natuur in Vlaanderen een overschrijding van de kritische last verzuring mag voorkomen en op 65% een overschrijding van de kritische last vermesting. 3.2.3.3 7de Europese Milieu Actieprogramma Het recente 7de Europese Milieuactieprogramma vormt de leidraad voor het milieubeleid van de EU tot 2020. EĂŠn van de prioriteiten binnen dit actieprogramma is de natuur beschermen en de ecologische veerkracht versterken.
Wetgeving • 17
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
4
Methodiek
Sinds 2011 is de dienst lucht van de VMM geaccrediteerd door de Belgische accreditatieinstelling (BELAC). Dit is een attest dat verklaart dat de bemonstering en analyses van de VMM voldoen aan strenge kwaliteitsvoorschriften. De specificaties over onder meer het meetprincipe en de meetonzekerheid staan in Bijlage 1: Informatie over geaccrediteerde metingen (normen ISO/IEC 17025:2005). De methodiek van het meetnet verzuring steunt op het principe van semiautomatische metingen. Dit wil zeggen dat de bemonstering op het terrein gebeurt en de analyse achteraf in het labo. De VMM bepaalt in Vlaanderen in 2012 op negen meetposten de natte en droge depositie van zowel NH x , NO y als SO x . Bij het bepalen van deze locaties is de afstand tot mogelijke verontreinigingsbronnen een belangrijke factor. Met dit meetnet wil de VMM geen individuele bronnen, maar de invloed van alle bronnen samen op de leefomgeving meten. Zo zijn er bijvoorbeeld geen stallen, bedrijven of snelwegen in de onmiddellijke omgeving van deze meetplaatsen. Op acht andere meetposten zijn er extra NH 3 -metingen. In Blankenberge, Torhout en Waasmunster gebeuren de metingen wel tussen akkers. Door de spreiding van de verschillende meetplaatsen proberen we een zo volledig mogelijk beeld van de NH 3 -problematiek in Vlaanderen te krijgen.
4.1 Natte depositie In dit onderdeel volgt meer uitleg over de methodiek rond natte depositie. Met andere woorden, de depositie die met neerslag – regen, sneeuw en hagel – uit de atmosfeer op een oppervlak terecht komt. 4.1.1 Wat meten we in de neerslag In de neerslag worden verschillende ionen geanalyseerd. In totaal meten we naast de zuurtegraad (pH) en geleidbaarheid 12 ionen, waarvan voor natte depositie onderstaande de belangrijkste zijn: • • • •
+
ammonium (NH 4 ); 2sulfaat (SO 4 ); nitriet (NO 2 ); nitraat (NO 3 ).
De andere ionen dienen als kwaliteitscontrole. 4.1.2 Meetplaatsen in Vlaanderen In 2012 meet de VMM, net zoals in 2011, op 9 verschillende plaatsen in Vlaanderen de concentratie in de neerslag. Voor de keuze van deze meetplaatsen houdt men rekening met de ISO-norm (zie 3.2.1). Onderstaande kaart geeft het overzicht van deze plaatsen in Vlaanderen. Om een duidelijk beeld te krijgen, werden industriegebieden, verkeersaders en Natura 2000-gebieden aangeduid. De Natura 2000-gebieden worden ook ‘speciale beschermingszones’ genoemd. Dat is de officiële naam voor een Natura 2000-gebied. Deze gebieden zijn aangeduid om bijkomende kansen te geven aan habitats en soorten die van levensbelang zijn voor de Europese biodiversiteit. Op Europees niveau is afgesproken dat de overheid ervoor moet zorgen dat die habitats en soorten duurzaam kunnen overleven. Dat wordt een ‘gunstige staat van instandhouding’ genoemd. Vlaanderen telt 62 Natura 2000-gebieden. Naast hele grote en bekende natuurgebieden zoals de Kalmthoutse Heide of het Zwin behoren ook minder gekende gebieden tot het Europese natuurnetwerk in Vlaanderen: het Dommeldal in Limburg en het West-Vlaamse Heuvelland bijvoorbeeld. Het grootste gebied meet 13.125 hectare, het kleinste amper 86 hectare.
18 • Methodiek
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 5: Overzicht meetplaatsen natte depositie 4.1.3 Hoe gebeurt de monsterneming De natte neerslag wordt opgevangen in een natte depositievanger of ‘wet-only sampler’ (WO).
Figuur 6: Voorbeeld van een natte depositievanger of wet-only sampler Het toestel heeft een trechter met een deksel, twee bemonsteringsflessen en een regensensor. Tijdens droge perioden is het deksel gesloten. Wanneer de sensor neerslag detecteert, opent het deksel automatisch. De neerslag komt dan via de trechter in één van de flessen terecht. Een fles kan maximaal vijf liter neerslag bevatten. Om het risico op overlopen te vermijden, is het aangeraden om in een fles niet meer dan de neerslag van één week op te vangen. Er is een rotatiesysteem voorzien waardoor na één week de fles doordraait naar de andere fles. Zo kan het toestel autonoom werken gedurende 14 dagen. De flessen staan in een gekoelde, donkere ruimte, zodat er geen chemische en biochemische omzettingen plaats grijpen. Ook algengroei is zo niet mogelijk.
Methodiek • 19
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Na monsterneming worden de flessen naar het labo getransporteerd voor analyse. De natte depositievanger is door zijn vorm en hoogte niet geschikt voor het bepalen van de exacte neerslaghoeveelheid. Dit omwille van windturbulentie rond het toestel. Om de exacte neerslaghoeveelheid te kennen, staan er pluviografen op onze meetplaatsen.
Figuur 7: Voorbeeld van een pluviograaf Deze toestellen wegen de neerslag. De lamellen rond het toestel zorgen voor een egale windverdeling. 4.1.4 Analyse en berekening in het labo In het labo worden de twee flessen van een bepaalde locatie bij elkaar gegoten, zodat er een resultaat beschikbaar is over 14 dagen. Volgende analyses gebeuren: • ionenanalyse; • pH-meting; • geleidbaarheidsmeting. De ionenanalyse gebeurt via de techniek van ionenchromatografie. De pH en geleidbaarheidsmetingen gebeuren door middel van een pH-meter en een geleidbaarheidsmeter. De natte depositie per meetplaats is dan de vermenigvuldiging van de neerslaghoeveelheid op die bepaalde meetplaats met de concentratie van een bepaald ion in de neerslag: natte depositie = concentratie in de neerslag x neerslaghoeveelheid Via deze formule kunnen natte deposities berekend worden per meetplaats. Om een vollediger beeld te krijgen van Vlaanderen zorgt het VLOPS-model voor een gebied dekkende inschatting.
4.2 Droge depositie In dit onderdeel volgt meer uitleg over de methodiek rond droge depositie. Met andere woorden de depositie die in gasvorm of als aerosoldeeltjes uit de lucht op een oppervlak terecht komt. 4.2.1 Verontreinigende stoffen De verontreinigende stoffen die we bespreken in dit onderdeel zijn: • stikstofdioxide (NO 2 ); • ammoniak (NH 3 ); • zwaveldioxide (SO 2 ). De VMM berekent enkel de gasvormige depositie en dus geen aerosolen.
20 • Methodiek
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
4.2.2 Meetplaatsen in Vlaanderen In 2012 meet de VMM deze drie verontreinigende stoffen op negen verschillende plaatsen in Vlaanderen, net zoals in 2011. Bovendien meet de VMM nog op acht extra plaatsen ammoniak, omdat deze stof op zeer korte afstand van de bron kan neerslaan. Door de grote variatie in ruimte is er nood aan een groter aantal meetplaatsen om een voldoende dekkingsgraad te bekomen over het Vlaamse grondgebied. Onderstaande kaarten tonen deze meetposten. Voor SO 2 en NO 2 (zie Figuur 8) met vermelding van de grote verkeersaders en industriezones, die de belangrijkste bron vormen. Voor NH 3 (zie Figuur 9) worden de Natura 2000-gebieden getoond, die schade ondervinden als gevolg van de verzurende en vermestende depositie die in belangrijke mate onder de vorm van NH x wordt aangevoerd.
Figuur 8: Meetplaatsen voor NO 2 - en SO 2 -bemonstering
Methodiek • 21
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 9: Meetplaatsen voor NH 3 -bemonstering met vermelding van de Natura 2000-gebieden 4.2.3 Hoe gebeurt de monsterneming De monsterneming maakt gebruik van passieve samplers als meetmethodiek.
Figuur 10: Voorbeeld van passieve samplers In Figuur 10 zijn enerzijds lange blauwe buisjes te zien en anderzijds platte ronde schijfjes. Dit zijn beide voorbeelden van passieve samplers. Bij de blauwe buisjes hebben we te maken met het radiaaltype en bij de schijfjes met het batch type. Alle samplers zijn beschermd tegen de neerslag door een kap erboven of errond. De oppervlakte van de sampler is diffuus en adsorbeert. Passieve samplers bevatten steeds een membraan en een filter met welbepaald adsorbens. Het adsorbens is een kleverige chemische stof waarop of waarin de te meten stof wordt gevangen. Na blootstelling aan de lucht gedurende een bepaalde periode, wordt deze sampler geanalyseerd in het laboratorium. Passieve samplers hebben als voordeel dat ze klein, licht en eenvoudig in gebruik zijn. Er is geen elektriciteit nodig en verzenden per post is mogelijk. Dit maakt de meetmethodiek een geschikte techniek voor grote of wijd verspreide netwerken, screening en kortere projecten.
22 • Methodiek
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
4.2.3.1 Radiaaltype Het kenmerk van deze sampler is de vorm, namelijk cilindrisch en coaxiaal. Op deze manier is er een groot diffusieoppervlak beschikbaar De VMM gebruikt dit type sampler voor de concentratiemeting van ammoniak in de lucht.
Figuur 11: Voorbeeld van een radiaaltype 4.2.3.2 Batch type Het batch type sampler heeft een ronde vorm. De VMM gebruikt dit type sampler voor de concentratiemeting van stikstofoxiden en zwaveldioxide in de lucht. Uit vroegere studies blijkt de batch-sampler de beste keuze voor NO 2 - en SO 2 -metingen.
Figuur 12: Voorbeeld van een batch type 4.2.4 Analyse en berekening in het labo In het labo worden de passieve samplers uitgeloogd in water. Door dit proces komen de gasvormige deeltjes terecht in een waterige oplossing en kan de concentratie bepaald worden met ionenchromatografie. De VMM gebruikt op elke meetplaats drie samplers per polluent. Hieruit komen drie concentraties waaruit een gemiddelde concentratie wordt berekend. De samplers hangen telkens voor een periode van 14 dagen op een meetplaats. De droge depositie per meetplaats is dan de vermenigvuldiging van de concentratie met de depositiesnelheid: droge depositie = concentratie in de lucht x depositiesnelheid De droge depositiesnelheid is afhankelijk van het soort oppervlak waarop de stof wordt afgezet. Voor de berekening van depositiesnelheden bestaan verschillende methoden. De VMM baseert zich hiervoor op literatuurwaarden. De depositiesnelheden voor de verschillende verzurende stoffen en types vegetatie zijn terug te vinden in de bijlage. 4.2.5 Berekeningen met het VLOPS-model Terwijl in het meetnet enkel de droge depositie van de primaire gasvormige stoffen SO 2 , NO 2 en NH 3 wordt bepaald, rekent het VLOPS alle verzurende polluenten in de gasvormige en de deeltjesfase
Methodiek • 23
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
door. Het model berekent eerst de concentraties van de gasvormige stoffen SO 2 , NO , NO 2 , HNO 2 , 2+ PAN (peroxyacetylnitraat), HNO 3 en NH 3 , en de deeltjes SO 4 , NO 3 en NH 4 . Vervolgens bepaalt het model voor elk van deze stoffen de droge depositiesnelheid aan de hand van gegevens over de meteorologische omstandigheden, het landgebruik en de terreinruwheid. Tenslotte berekent het model de droge deposities door de luchtconcentraties te vermenigvuldigen met de droge depositiesnelheden.
4.3 Totale depositie De totale depositie is de som van de natte en droge depositie. Dit wil zeggen de optelling van de + 2droge deposities, NH 3 , NO x en SO 2 , met die van de natte deposities, NH 4 , NO 3 , NO 2 en SO 4 . Merk op dat dit enkel de belangrijkste verzurende componenten zijn. De ‘totale depositie’ in het meetnet verzuring omvat dus niet alle mogelijke verzurende componenten (bijvoorbeeld droge + 2depositie van deeltjesvormig NH 4 , NO 3 en SO 4 ). Dat is wel het geval voor de totale depositie volgens het VLOPS-model. 4.3.1 Meetplaatsen in Vlaanderen Op negen plaatsen in Vlaanderen meet de VMM de totale verzurende depositie. Figuur 13 toont waar deze meetposten zich situeren in Vlaanderen. Ook de extra meetplaatsen voor de metingen van ammoniakconcentraties zijn hierop te zien.
Figuur 13: Overzicht meetplaatsen totale depositie 4.3.2 Berekeningen totale verzurende depositie De totale verzurende depositie wordt uitgedrukt in zuurequivalenten per hectare per jaar (Zeq/(ha.jaar)). Deze eenheid laat toe om de verschillende verzurende stoffen met elkaar te vergelijken en om de depositie te toetsen aan de VLAREM-regelgeving. 4.3.3 Berekeningen totale vermestende depositie De totale vermestende depositie is de som van droge en natte vermestende depositie. Hier spelen de zwavelverbindingen geen rol, het gaat over de stikstofdepositie. De polluenten die bij vermestende
24 • Methodiek
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
depositie een rol spelen, zijn NO y en NH x . De totale vermestende depositie wordt uitgedrukt in kilogram stikstof per hectare per jaar (kg N/(ha.jaar)).
4.4 Methodiek door de jaren heen De VMM meet verzurende depositie in Vlaanderen sinds 2001. Doorheen de jaren zijn de gebruikte methodes gedeeltelijk veranderd om de kwaliteit van de metingen nog te verbeteren. Dit overzicht bespreekt de methodes voor het bepalen van verzurende depositie en de belangrijkste veranderingen in de periode 2001-2012. 4.4.1 Meetplaatsen De metingen van natte en droge depositie startten in 2001 op tien meetplaatsen. Tabel 4 geeft de startdatum per meetplaats. In 2004 werd geen droge depositie gemeten. Vanaf 2008 werd op acht bijkomende meetplaatsen één component van de droge depositie gemeten, namelijk NH 3 . De metingen in Mol stopten op 10 februari 2004 omwille van een brand. Vanaf 2005 werden de metingen hernomen op een nabijgelegen plaats in Retie, op 10 kilometer afstand. In de verwerking van de tijdsreeksen worden Mol en Retie als één meetplaats beschouwd. Tabel 4: Meetplaatsen en begindatum metingen natte en droge depositie Meetplaats Natte depositie Droge depositie Bonheiden Januari 2002 Juni 2001 Borgerhout December 2001 Juni 2001 Gent Augustus 2001 Juni 2001 Kapellen Januari 2002 Juni 2001 Koksijde Augustus 2001 Juni 2001 Maasmechelen September 2001 Juni 2001 Mol Oktober 2001 Juni 2002 Retie Juli 2005 Januari 2005 Tielt-Winge September 2001 Juni 2001 Wingene April 2001 Juni 2001 Zwevegem September 2001 Juni 2001 Aalst Januari 2008 (enkel NH 3 ) Blankenberge Januari 2008 (enkel NH 3 ) Hechtel-Eksel Januari 2008 (enkel NH 3 ) Ieper Januari 2008 (enkel NH 3 ) Torhout Januari 2008 (enkel NH 3 ) Malle Januari 2008 (enkel NH 3 ) Tienen Januari 2008 (enkel NH 3 ) Waasmunster Januari 2008 (enkel NH 3 ) 4.4.2 Natte depositie 4.4.2.1 Hoeveelheid neerslag Vanaf 2001 werd de neerslaghoeveelheid (mm/uur) gemeten met een pluviometer van het type ‘tipping bucket’ met een diameter van 16 centimeter (C101 A, Lastem). Vanaf 2009 gebruikt de VMM pluviometers die de hoeveelheid neerslag bepalen door weging (zie 4.1.3). 4.4.2.2 Samenstelling van de neerslag Tot eind 2007 bepaalde de VMM de samenstelling van neerslag op wekelijkse basis. Vanaf 2008 bepalen we de samenstelling van de neerslag elke twee weken. Het regenwater wordt niet meer wekelijks geanalyseerd omdat deze wekelijkse data voor de natte depositie weinig meerwaarde hadden voor de interpretatie van de gegevens. De droge depositie is immers ook niet wekelijks gekend, zodat er geen totale depositie kan bepaald worden op wekelijkse basis. De VMM gebruikt twee types neerslagsensoren: • detectie van neerslag op basis van elektrische weerstand (RS85, Eigenbrodt); • optische detectie van neerslag (IRSS88, Eigenbrodt).
Methodiek • 25
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
De optische detectie gebruikt de VMM alleen op de meetplaats in Koksijde om corrosie van zout tegen te gaan, terwijl de detectie op basis van elektrische weerstand op alle andere meetplaatsen wordt gebruikt. Deze keuze werd gemaakt op basis van testen uitgevoerd door de VMM. 4.4.3 Droge depositie 4.4.3.1 Luchtconcentratie In de periode 2001-2012 waren er veranderingen in het type sampler, de duur van de meetperiode en de hoeveelheid samplers (één, twee of drie gelijktijdige metingen) per meetplaats. Deze wijzigingen hadden als bedoeling om de metingen zo kwalitatief mogelijk te maken. De wijzigingen worden samengevat in Tabel 5. • Type: voor NH 3 waren de passieve samplers tot 2003 van het merk Gradko, daarna van Radiello. Voor SO 2 en NO 2 gebruikten we gecombineerde samplers van Radiello tot 2003, daarna afzonderlijke samplers van IVL. • Duur: tot eind 2003 werden de luchtconcentraties gemeten op vierwekelijkse basis. Vanaf 2005 gebeurde dit tweewekelijks. • Aantal: de VMM gebruikte eerst twee samplers per meetplaats. Voor NH 3 steeg dit vanaf 2007 naar drie herhalingen per meetplaats, voor SO 2 en NO 2 gebeurde dit vanaf februari 2006. Tabel 5: Kenmerken van passieve monstername van NH 3 , NO 2 en SO 2 Component Kenmerk Periode 2001 - 2003 2005 - jan 2006 feb - dec 2006 NH 3 Type Gradko Radiello Radiello Duur (weken) 4 2 2 Herhalingen 2 2 2
2007 - 2012 Radiello 2 3
NO 2
Type Duur (weken) Herhalingen
Radiello 4 2
IVL 2 2
IVL 2 3
IVL 2 3
SO 2
Type Duur (weken) Herhalingen
Radiello 4 2
IVL 2 2
IVL 2 3
IVL 2 3
De metingen met passieve samplers zijn afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Voor NO 2 en SO 2 zijn altijd luchtconcentraties gerapporteerd die gecorrigeerd waren voor deze invloed. Voor NH 3 was er volgens de fabrikant van de Radiello samplers geen temperatuurafhankelijkheid. Uit een 3 experimentele validatiestudie bleek dat dit niet correct is. Sindsdien wordt ook voor NH 3 rekening gehouden met de temperatuur en zijn ook alle voorgaande data omgerekend. 4.4.3.2 Depositiesnelheid Om de droge depositie te berekenen op basis van luchtconcentraties maken we gebruik van droge depositiesnelheden die gebaseerd zijn op literatuurwaarden. Deze depositiesnelheden werden 4 geactualiseerd op basis van de toen beschikbare wetenschappelijke studie en zijn vanaf het meetjaar 2005 gebruikt. Tabel 6 geeft een overzicht van deze waarden voor en na de herziening.
3
Validatie van de Radiello NO2-SO2 passieve sampler, eindverslag, W. Swaans, E. Damen, E. Goelen, R. De Fré, 2005, VITO. Staelens J., Deschepper E., Verheyen K., Thas O. 2007. Statistische verwerking meetdata verzuring. Studie in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij. Eindverslag, Universiteit Gent.
4
26 • Methodiek
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Tabel 6: Droge depositiesnelheden per vegetatietype, uitgedrukt in cm/s, in 2001-2003 en vanaf 2005 Vegetatietype 2001-2003 Vanaf 2005 NH 3
NO 2
SO 2
NH 3
NO 2
SO 2
Gras
0,73
0,28
1,39
1,1
0,25
0,9
Heide
1,61
0,30
0,80
1,5
0,25
1,2
Loofbos
1,95
0,31
1,17
1,9
0,25
0,9
Naaldbos
3,06
0,24
1,98
2,9
0,25
1,0
Methodiek • 27
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5
Resultaten
5.1 Inleiding 5.1.1 Statistische berekeningen Om de depositietrends te bepalen zijn twee statistische technieken gebruikt: • Veralgemeende additieve modellen (GAM): gaan na of er een lange-termijn trend is in de twee- of vierwekelijkse data. De trend wordt op twee manieren berekend, namelijk door deze al dan niet lineair te veronderstellen. De lineariteit wordt getoetst met een F-test. Een nietlineaire trend kan moeilijk gekwantificeerd worden en stellen we daarom grafisch voor. • Kendall-testen: gaan na of er een continu stijgend of dalend verloop is in de jaarlijkse luchtconcentraties of deposities. De trend wordt bepaald via niet-parametrische regressie. Deze test kan ook uitgevoerd worden voor meerdere stations samen (regionale Kendall-test), waarbij de ruimtelijke afhankelijkheid van de stations in rekening wordt gebracht. P-waarden lager dan 0,05 beschouwen we als significant, p-waarden tussen 0,1 en 0,05 als marginaal significant, dus net niet significant. In dit rapport bespreken we enkel trends voor de negen meetstations die al sinds 2001 in het meetnet 5 actief zijn. Meer informatie over de statistische methodiek is te vinden in Staelens et al. . 5.1.2 Het VLOPS-model De in dit hoofdstuk gepresenteerde concentratie- en depositiekaarten zijn het resultaat van berekeningen met het VLOPS-model: • op een 1x1 km² receptorenrooster; 6 • met emissies van het meest recent beschikbare jaar, namelijk 2010 ; • met de meteo-invoer van het jaar 2012 van de Nederlandse zone Midden-Brabant, Veluwe, Twente. Dit wil zeggen dat het VLOPS-model de deposities van de verzurende stoffen voor Vlaanderen in 2012 berekent aan de hand van gekende emissiegegevens uit het verleden, in dit geval 2010, samen met de meteorologische gegevens van 2012. Dit geeft een vrij accuraat beeld, maar doordat er met emissiegegevens uit 2010 gerekend wordt, is deze kaart slechts een benadering. De modelresultaten van de NH 3 -concentratie en de natte depositie van NH x werden vervolgens gekalibreerd met de orthogonale regressie zoals beschreven in de bijlage. Door de lage ruimtelijke correlatie tussen meet- en modelresultaten is het niet mogelijk de berekende natte deposities van SO x en NO y te kalibreren. De resultaten van de droge depositie kan men niet kalibreren vermits in de meetmethode niet alle stoffen zijn opgenomen die bij het droge depositieproces betrokken zijn, zie 4.2.5.
5.2 Natte depositie In dit hoofdstuk bekijken we de natte depositie. We gaan dieper in op wat we meten en geven in de mate van het mogelijke een interpretatie van de meetresultaten van 2012. 5.2.1 Neerslaghoeveelheid Zoals eerder vermeld, wordt de natte depositie berekend door de concentratie van elke polluent met de neerslaghoeveelheid te vermenigvuldigen (zie 4.1.4). Logischerwijs is er dus meer natte depositie naarmate er meer neerslag valt. Deze stijging is echter niet lineair, omdat de concentratie meestal daalt bij grote neerslaghoeveelheden. Daarnaast beïnvloeden droge en natte periodes elkaar: na een 5 Staelens J., Wuyts K., Adriaenssens S., Van Avermaet P., Buysse H., Van den Bril B., Roekens E., Ottoy J.-P., Verheyen K., Thas O., Deschepper E. (2012). Trends in atmospheric nitrogen and sulphur deposition in northern Belgium. Atmospheric Environment 49, 186-196 6 Voor de VLOPS-berekeningen zijn zowel emissies van Vlaanderen nodig, als van buiten Vlaanderen. Vlaamse emissies zijn beschikbaar tot en met 2011, maar die van buiten Vlaanderen slechts tot en met 2010
28 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
droge periode zal de concentratie in de neerslag hoger zijn doordat er meer polluenten in de lucht zweven. Hetzelfde geldt omgekeerd: hoe meer neerslag er valt, hoe meer de aanwezige verontreiniging uitgewassen wordt. Daardoor zal er na een regenbui minder droge depositie zijn. Om de neerslaghoeveelheden te bepalen, registreren weegpluviografen per kwartier de hoeveelheid gevallen neerslag (zie 4.1.3). Daar maken we per meetplaats een jaartotaal van. We vergelijken met het KMI-station in Ukkel omdat dit het referentiestation voor Vlaanderen is. De vergelijking met het 10jaar gemiddelde is om te kunnen vaststellen of we met een eerder nat of droog jaar te maken hebben. In een nat jaar zullen de concentraties in het regenwater lager liggen omdat alle polluenten uitgewassen worden. Het omgekeerde geldt voor een droog jaar: in een periode dat het regent, zal de concentratie aan ionen in de neerslag hoog zijn, omdat deze reeds lang in de lucht zweven. Figuur 14 toont: • de neerslaghoeveelheden gemeten in 2012 in negen stations van het depositiemeetnet verzuring; • het KMI-neerslagtotaal, gemeten in Ukkel; • het KMI-10-jaar gemiddelde (2003-2012, gemeten in Ukkel). Uit deze figuur en aan de hand van de gegevens van het KMI kunnen we besluiten dat de 7 neerslaghoeveelheid voor het jaar 2012 abnormaal hoog is . Het neerslagtotaal gemeten in Ukkel in 2012 is immers hoger dan het KMI-10-jaar gemiddelde. Niet overal valt evenveel neerslag. Vooral in Retie en Tielt-Winge viel, relatief gezien, weinig neerslag. Het zijn de enige meetplaatsen met minder neerslag dan het KMI-10-jaargemiddelde. Op alle andere plaatsen, met uitzondering van Bonheiden, viel meer neerslag dan het KMI-10-jaargemiddelde.
1200
neerslag (mm)
1000 800 600 400 200
UKKEL
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
0
meetplaatsen neerslag
neerslag UKKEL
10 j gem. KMI
Figuur 14: Overzicht van de neerslaghoeveelheden op de 9 meetplaatsen van het depositiemeetnet 8 verzuring, inclusief vergelijking met de gemiddelde neerslag in Ukkel en het KMI-10-jaargemiddelde 5.2.2 Zuurtegraad De pH is de eenheid van zuurtegraad en varieert van 1, zeer zuur, tot 14, zeer basisch. Bij pH 7 is de vloeistof noch zuur noch basisch, met andere woorden neutraal. Regen is van nature licht zuur omdat
7 8
Meer informatie en definities rond abnormaal of uitzonderlijk natte of droge jaren zijn terug te vinden op www.kmi.be www.kmi.be
Resultaten • 29
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
CO 2 uit de lucht in het regenwater oplost en het zwak zure koolzuur (H 2 CO 3 ) vormt. Algemeen wordt regenwater als zuur beschouwd als de pH lager is dan 5,6. De pH van regenwater geeft dus aan hoe zuur de neerslag is, maar is geen geschikte parameter om de verzuring te meten. Ammoniak, wat op zich een base is, zorgt immers eerst voor een neutraliserende werking, maar wordt door nitrificatie in de bodem omgezet in een potentieel verzurende stof. Ammoniak maakt de regen zelf dus niet zuurder, maar heeft wel een verzurende werking na depositie. Hierdoor kunnen en mogen we enkel aan de hand van de pH geen conclusies trekken betreffende de potentiële verzurende (natte) depositie en is het nodig om andere stoffen mee te bekijken. Deze theorie kunnen we het best illustreren aan de hand van een voorbeeld. In Figuur 15 staan we even stil bij de verschillende pH-waarden doorheen het jaar voor de meetplaats Wingene. We zien dat de pH gemeten in februari, april en eind augustus de hoogst gemeten pH’s van 2012 zijn. Dit zou willen zeggen dat op dat moment de regen minder zuur is, maar dit is niet zo. Het zijn net de momenten dat er in Vlaanderen mest op het land wordt verspreid en er dus meer ammoniak in de lucht aanwezig is. Deze heeft als base een neutraliserend effect op de regen, maar heeft eens neergeslagen op de bodem, daar wel een verzurend effect.
6,5 6,0
pH
5,5 5,0 4,5 4,0
Wingene
januari 2013
december 2012
november 2012
oktober 2012
september 2012
augustus 2012
juli 2012
juni 2012
mei 2012
april 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
3,5
tweewekelijkse pH-meting
Figuur 15: Overzicht van de pH-metingen voor de meetplaats Wingene in de periode januari 2012 – januari 2013. Voor de periode in maart en in november is er geen tweewekelijks staal omdat er te weinig neerslag was Figuur 16 geeft een overzicht van de jaargemiddelde pH-waarden per meetplaats. Zo zien we dat de pH het hoogst (= minder zuur) is in gebieden met intensieve landbouwactiviteiten zoals Wingene en Zwevegem. Ook in Gent ligt het jaargemiddelde vrij hoog, hoewel dit niet meteen bekend staat als een gebied met intensieve landbouw. Hier moeten we vermelden dat in Gent de laatste 14 dagen van maart een extreem hoge pH werd gemeten, namelijk 6,88, die het gemiddelde naar omhoog trekt. Tijdens deze periode worden ook opmerkelijke waarden gemeten voor de luchtconcentraties van SO 2 , NO 2 en NH 3 in Gent. De reden hiervoor is onbekend.
30 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
6,0
pH
5,5
5,0
4,5
4,0
Tielt-Winge
Gent
Maasmechelen
meetplaatsen
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
3,5
Figuur 16: Overzicht van de jaargemiddelde pH-meting over verschillende meetplaatsen, 2012 5.2.3 Concentratie in de neerslag en deposities 5.2.3.1 Ammonium + Voor 2012 varieert de gemiddelde concentratie van NH 4 tussen 0,65 mg/L in Koksijde en 1,00 mg/L in Wingene. Deze waarden zijn gelijkaardig aan de waarden van vorige jaren. De depositie daarentegen heeft, met een gemiddelde depositie van 589 Zeq/(ha.jaar), een opvallende piek in Wingene. Deze piek is te verklaren door een hoge gemiddelde concentratie, in combinatie met een hoge neerslaghoeveelheid (zie Figuur 14). +
Verder is de depositie in Koksijde duidelijk hoger dan in Tielt-Winge, niettegenstaande de NH 4 concentratie in Koksijde (0,65 mg/L) lager is dan in Tielt-Winge (0,69 mg/L). Dit komt omdat er meer + neerslag is in Koksijde en de NH 4 -concentratie daalt bij hoge neerslaghoeveelheden.
Resultaten • 31
2,5
500
2,0
400 1,5 300 1,0 200
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Koksijde
Zwevegem
0,0
Wingene
0
Retie
0,5
Kapellen
100
concentratie (mg/L)
600
Bonheiden
natte depositie (Zeq/(ha.jaar))
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
meetplaatsen natte depositie
gemiddelde concentratie +
Figuur 17: Verzurende concentratie in de neerslag en depositie van NH 4 . In de rechtse as staat de + concentratie NH 4 uitgedrukt in mg/L. Na vermenigvuldiging met de neerslaghoeveelheid bekomt men de natte depositie, uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar), aangeduid op de linkse as In Figuur 18 zien we de gemodelleerde geografische spreiding van natte depositie van NH x in Vlaanderen. Deze spreiding werd berekend met het VLOPS-model. De hoogste depositie zien we in het centrum van West-Vlaanderen en het noorden van Antwerpen. Dit zijn landbouw intensieve gebieden. De hoogste gemeten depositie is terug te vinden in Wingene, gelegen in het oosten van de provincie West-Vlaanderen. De laagst gemeten deposities bevinden zich in Tielt-Winge, gelegen in Vlaams-Brabant.
Figuur 18: Gemodelleerde natte depositie van NH x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster
32 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
40 30 20 -20
-10
0
10
ND NHx (eq/ha/2 weken)
50
Wat de trend betreft, is er in de periode 2001-2012 algemeen een afname in de natte depositie van + NH 4 , maar volgens de gebruikte statistische technieken (zie 5.1.1) is er maar op 1 van de 9 meetplaatsen een aanwijzing voor een betekenisvolle afname, namelijk in Retie (Figuur 19, Tabel 7 in Bijlage 3: Trends in natte depositie). Hier zien we namelijk een marginaal significante daling (P = + 0,07). Deze trend kan lineair benaderd worden; jaarlijks daalde de natte depositie van NH 4 in Retie met 11,9 ± 6,6 Zeq/ha (gemiddelde ± standaardafwijking). Het is het eerste jaar dat op één van de + meetplaatsen een marginaal significante afname in de natte NH 4 -depositie wordt gevonden.
2002
2004
2006
2008
2010
2012
+
Figuur 19: Natte depositie van NH 4 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is marginaal significant (P = 0,07) 5.2.3.2 Nitriet en nitraat Figuur 20 toont de totale concentratie stikstof uit nitraat (NO 3 ) en nitriet (NO 2 ) in neerslag. Er is duidelijk te zien dat het aandeel van nitraat veel meer doorweegt dan dat van nitriet. Dit verschil komt ook terug naar voor in Figuur 21, die de deposities van nitriet en nitraat toont. Meetplaatsen met hoge concentraties hebben ook hoge depositiewaarden. Enkel in Wingene en Koksijde zien we een eerder lage concentratie, maar toch een hoge depositie. Dit is grotendeels te verklaren omdat de neerslaghoeveelheden in Wingene en Koksijde het hoogst zijn voor 2012.
Resultaten • 33
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
450
Totale stikstof (mg/L)
400 350 300 250 200 150 100 50
Meetplaatsen Totale stikstof uit NO3-
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
0
Totale stikstof uit NO2-
-
Figuur 20: Totale stikstof uit NO 3 - en NO 2 in de neerslag
natte depositie (Zeq/(ha.jaar))
250 200 150 100 50
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
0
meetplaatsen natte depositie NO3-
natte depositie NO2-
-
Figuur 21: Verzurende natte depositie van NO 3 en NO 2 in 2012 Voor NO y kunnen we geen figuur tonen die de gemodelleerde geografische spreiding van natte depositie weergeeft. De zeer lage ruimtelijke correlatie tussen meet- en modelwaarden (zie Bijlage 3: Trends in natte depositie) toont immers aan dat het model voor het jaar 2012 niet in staat is om een zinvolle ruimtelijke spreiding te berekenen voor NO y .
34 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012 -
20 10 -10
0
ND NOy (eq/ha/2 weken)
Als we de trend voor nitraat bekijken, stellen we vast dat de natte depositie van NO 3 significant daalt (P < 0,05) in de periode 2001-2012 op vijf meetplaatsen, namelijk: • Maasmechelen; • Retie, zie Figuur 22; • Tielt-Winge; • Wingene; • Zwevegem.
2002
2004
2006
2008
2010
2012
-
Figuur 22: Natte depositie van NO 3 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,009) Op deze meetplaatsen was er in de periode 2001-2011 ook al een significante afname in de natte NO 3 -depositie. Voor 2001-2012 blijft de trend lineair op de vijf plaatsen. De jaarlijkse afname in de natte depositie van NO 3 gaat van 5,8 ± 2,8 Zeq/ha in Tielt-Winge tot 8,5 ± 3,2 Zeq/ha in Retie (zie Tabel 7 in Bijlage 3: Trends in natte depositie). 5.2.3.3 Sulfaat 2De concentraties SO 4 in de neerslag variëren tussen 0,97 mg/L in Bonheiden en 1,54 mg/L in Kapellen. Een deel van deze concentraties zijn te verklaren doordat opstuivend zeewater zeezout in de lucht brengt, dat nadien via de neerslag mee gemeten kan worden. Dit zeezout beïnvloedt de sulfaatconcentraties. We weten uit het verleden dat hier een duidelijke correlatie is met de afstand tot de kust. Het aandeel van opstuivend zeezout is dan ook groter in Koksijde dan in Maasmechelen. De hoogste deposities zien we in Koksijde en Kapellen. De verhoogde sulfaatconcentraties en deposities in Kapellen worden voornamelijk veroorzaakt door de industrie gelegen ten zuidwesten van de meetplaats. De laagste depositie vinden we in Tielt-Winge.
Resultaten • 35
1
0
0 Maasmechelen
Koksijde
concentratie (mg/L)
100
Tielt-Winge
2
Gent
200
Zwevegem
3
Wingene
300
Retie
4
Kapellen
400
Bonheiden
natte depositie (Zeq/(ha.jaar))
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
meetplaatsen natte depositie
gemiddelde concentratie 2-
Figuur 23: Verzurende concentratie in de neerslag en depositie van SO 4 in 2012. In de rechtse as 2staat de concentratie SO 4 uitgedrukt in mg/L. Na vermenigvuldiging met de neerslaghoeveelheid bekomt men de natte depositie, uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar), aangeduid op de linkse as Ook voor SO x tonen we geen figuur met de gemodelleerde geografische spreiding. Net zoals bij NO y is er een zeer lage ruimtelijke correlatie tussen meet- en modelwaarden waardoor het model voor het jaar 2012 niet in staat is om een zinvolle ruimtelijke spreiding te berekenen voor SO x .
20 10 -10
0
ND SOx (eq/ha/2 weken)
30
Net zoals bij de andere polluenten, is ook hier de trend berekend. Hierbij kunnen we besluiten dat er in de periode 2001-2012 op de negen meetplaatsen een lineair dalende trend (P < 0,002) is in de 2natte depositie van SO 4 . Figuur 24 toont hiervan een voorbeeld voor de meetplaats Retie. De jaarlijkse afname ligt tussen 13,5 ± 4,3 Zeq/ha in Koksijde en 23,1 ± 4,8 Zeq/ha in Kapellen (zie Tabel 7 in Bijlage 3: Trends in natte depositie).
2002
2004
2006
2008
2-
2010
2012
Figuur 24: Natte depositie van SO 4 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001)
36 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5.2.4 Totale natte depositie
1200 1000 800 600 400 200
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
0
Bonheiden
totale natte depositie (Zeq/(ha.jaar))
Als we dan alle polluenten bij elkaar op één grafiek zetten, kunnen we zien waar de totale natte depositie het hoogst was in 2012. De meetplaatsen met de hoogste deposities zijn Wingene, Koksijde en Kapellen. In Wingene en Kapellen is dit logisch omdat deze meetplaatsen voor alle polluenten een hoge depositie hebben. In Koksijde is dit vooral te wijten aan de hoge sulfaatdepositie. De meetplaatsen Gent en Retie, die toch hogere NH x -deposities hebben, volgen. Uit deze figuur kunnen we ook besluiten dat het aandeel van NH x -depositie in de totale natte depositie 2012 het grootst is op alle meetplaatsen.
meetplaatsen NH4+
NO2-
NO3-
SO4 2-
Figuur 25: Totale natte potentieel verzurende depositie per meetplaats Voor zeven van de negen meetplaatsen nam de natte potentieel verzurende depositie significant af in de periode 2001-2012. Figuur 26 illustreert dit voor de meetplaats Retie. Enkel in Gent en Koksijde werd geen trend gevonden in de totale twee- of vierwekelijkse natte depositie (Bijlage 3: Trends in natte depositie, Tabel 7 en Figuur 58).
Resultaten • 37
60 40 20 -40
-20
0
ND N + S (eq/ha/2 weken)
80
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 26: Totale natte depositie van N en S in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,001) 5.2.5 Conclusies 2012 was een abnormaal nat jaar: de hoogste neerslaghoeveelheden werden in Wingene en Koksijde vastgesteld. De concentraties van potentieel verzurende stoffen in het regenwater liggen in dezelfde grootteorde + als vorige jaren. Voor NH 4 hebben we de hoogste gemeten concentratie en depositie in Wingene. De hoogste regenwaterconcentratie en natte depositie van NO 3 doet zich voor in Kapellen. Als we de 22natte depositie van SO 4 bekijken, zien we de hoogste regenwaterconcentraties van SO 4 in Kapellen en de hoogste depositie in Koksijde. Een deel van deze hoge depositie is afkomstig uit natuurlijke bronnen, namelijk zeezout. De hoogste totale natte depositie werd gemeten in Wingene. Voor de tijdtrends in de periode 2001-2012 zien we dit jaar voor het eerst een marginaal significante + afname in de natte NH 4 -depositie voor één van de meetplaatsen (Retie). De natte depositie van NO 3 2daalt in deze periode op vijf van de negen meetplaatsen. De natte depositie van SO 4 daalt op alle meetplaatsen van 2001 tot 2012. Een belangrijke conclusie uit het deel natte depositie is dat de polluent NH x de belangrijkste component blijft. Gezien dit grote aandeel zal het verzuringsbeleid in Vlaanderen in de toekomst nog meer landbouwbeleid moeten worden en nog nauwer moeten aansluiten bij het mestbeleid.
5.3 Droge depositie In dit hoofdstuk bekijken we de droge depositie. We gaan dieper in op wat we meten en geven een interpretatie van de meetresultaten van 2012. Door de gegevens meer in detail te bestuderen kunnen er resultaten worden gerapporteerd per vegetatietype op de verschillende meetplaatsen. 5.3.1 Concentraties en deposities Op de meetplaatsen worden de depositiewaarden berekend uit de gemeten luchtconcentraties. De volgende hoofdstukken geven daarom eerst de concentraties weer en daarna de deposities per polluent. 5.3.1.1 Ammoniak Om een duidelijk beeld te krijgen van de mogelijke fluctuaties in de ammoniakconcentraties doorheen het jaar maken we een vergelijking tussen een meetplaats in een agrarisch gebied, namelijk Waasmunster, en één in een achtergrondgebied, Tielt-Winge.
38 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 27 toont het verloop van de ammoniakconcentratie in Waasmunster over een jaar. In deze grafiek staan de gemeten maandelijkse ammoniakconcentraties. De concentraties liggen tussen 2,59 en 11,53 µg/m³, wat zeer hoog is. De ammoniakconcentratie piekt tussen eind februari en eind maart, ten gevolge van de mestuitspreiding die dan plaatsvindt in heel Vlaanderen. Het is toegelaten om dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest te spreiden tijdens de periode van 16 februari tot en met 31 augustus. In de polders mag dit nog op akkerland tot 14 oktober. Verder zijn er kleinere piekmomenten in de maanden augustus-september-oktober. Vermoedelijk zijn deze te wijten aan de opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond. Deze piekmomenten kunnen ieder jaar iets vroeger of later vallen en dit afhankelijk van de weersomstandigheden. Vanaf 15 november tot 15 januari is er 9 een verbodsperiode op deze opslag . Dezelfde hoge NH 3 -concentratie is terug te vinden op alle meetplaatsen met een vergelijkbaar omgevingskarakter, namelijk landbouwactiviteiten of veeteelt in de onmiddellijke omgeving. Dit zijn Blankenberge, Torhout, Wingene, Zwevegem en Ieper.
NH3-concentratie (µg/m³)
14 12 10 8 6 4 2
5/12/2012
7/11/2012
10/10/2012
12/09/2012
15/08/2012
18/07/2012
20/06/2012
23/05/2012
25/04/2012
28/03/2012
29/02/2012
1/02/2012
4/01/2012
0
Waasmunster
Figuur 27: Concentratieverloop van ammoniak in Waasmunster. Op de X-as staan de maandelijkse data, op de Y-as de concentratie van ammoniak in µg/m³ De meetplaats in Tielt-Winge bevindt zich daarentegen in achtergrondgebied. Hier zijn geen landbouwactiviteiten in de directe omgeving, maar wel extensieve begrazing van runderen. Het Walenbos waarin de meetplaats van de VMM zich bevindt, vormt bovendien een buffer. Desondanks is hier eenzelfde verloop van de concentraties in de tijd, met andere woorden we zien op deze meetplaats evengoed de piekmomenten. De concentraties liggen hier wel een stuk lager dan in Waasmunster (tussen 0,48 en 3,78 µg/m³).
9
Bron: het mestdecreet: Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.
Resultaten • 39
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
NH3-concentratie (µg/m³)
4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5
5/12/2012
7/11/2012
10/10/2012
12/09/2012
15/08/2012
18/07/2012
20/06/2012
23/05/2012
25/04/2012
28/03/2012
29/02/2012
4/01/2012
0,0
Tielt-Winge
Figuur 28: Concentratieverloop van ammoniak in Tielt-Winge. Op de X-as staan de data van de maandelijkse monsterneming uitgezet, op de Y-as de concentraties in µg/m³ Figuur 29 toont vervolgens de gemodelleerde geografische spreiding van het NH 3 -jaargemiddelde over Vlaanderen, berekend met het VLOPS-model. De concentraties zijn het hoogst in WestVlaanderen en ten noorden van de provincies Antwerpen en Limburg. Dit zijn gebieden met intensieve veeteelt zoals hierboven besproken.
Figuur 29: Gemodelleerd NH 3 -jaargemiddelde in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster Voor de concentratie in de lucht moet rekening gehouden worden met de internationale norm van de WGO. Het NH 3 -jaargemiddelde (zie Figuur 30) toont aan dat er één overschrijding van het kritieke niveau van 8 µg/m³ is, namelijk voor de meetplaats in Wingene. Zoals reeds aangegeven ligt deze meetplaats in een gebied met intensieve landbouw en veeteelt. Omdat het kritieke niveau slechts een advieswaarde is, zijn er aan deze overschrijdingen geen sancties gekoppeld.
40 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Momenteel voldoet geen enkele meetplaats aan de wetenschappelijke aanbeveling van 3 µg/m³ voor 10 hogere planten . Bijkomende inspanningen zijn dus aangewezen.
NH3-jaargemiddelde (µg/m³)
9 8 7 6 5 4 3 2 1
NH3
Kritiek niveau WGO
Tienen
Tielt-Winge
Maasmechelen
Hechtel-Eksel
Waasmunster
Gent
Aalst
Zwevegem
Wingene
Torhout
Koksijde
Ieper
Blankenberge
Retie
Malle
Kapellen
Bonheiden
0
Wetenschappelijke aanbeveling
Figuur 30: Toetsing van de gemeten NH 3 -concentraties per meetplaats aan het huidige kritieke niveau voor vegetatie (rode lijn in grafiek) en het aanbevolen niveau (groene lijn in grafiek) Als we dan kijken naar de deposities, toont Figuur 31 de berekende depositiewaarden voor NH 3 . De berekening geeft een verschillende depositie weer afhankelijk van het vegetatietype. De hoogste NH 3 deposities worden gemeten op de meetplaatsen in West-Vlaanderen (Torhout, Ieper en Wingene) en in de Noorderkempen (Malle). De gebieden met heide zijn het meest gevoelig en kennen een grote druk door de hoge deposities van N en NH 3 . De deposities in Tielt-Winge op grasland zijn het laagst met 298 Zeq/(ha.jaar), en die in Torhout op naaldbos het hoogst, 4.327 Zeq/(ha.jaar). In Tielt-Winge is dit te verklaren doordat de meetplaats ver van mogelijke verontreinigingsbronnen ligt. Bovendien ligt het Walenbos, dat de aangevoerde lucht filtert, ten zuidwesten van de meetplaats in de richting van de overheersende winden. De combinatie van deze twee factoren zorgt dan voor lage deposities. De hoge depositie in Wingene is te verklaren door de aanwezige landbouwactiviteiten in de onmiddellijke omgeving. De deposities van ammoniak dragen bij tot de overschrijding van kritische lasten voor verzuring en vermesting (zie 5.4.1.1 en 5.4.2.1).
10 Cape J.N., van der Eerden L.J., Sheppard L.J., Leith I.D., Sutton M.A. (2009) Evidence for changing the critical level for ammonia. Environmental Pollution 157, 1033-1037
Resultaten • 41
NH3-depositie (Zeq/(ha.jaar))
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 Tienen
Tielt-Winge
Maasmechelen
Hechtel-Eksel
Waasmunster
Gent
Aalst
Zwevegem
Wingene
Torhout
Koksijde
Ieper
Blankenberge
Retie
Malle
Kapellen
Bonheiden
0
meetplaatsen Gras
Heide
Loof
Naald
Figuur 31: Overzicht van de NH 3 -droge depositie in 2012 per aanwezig vegetatietype. De depositie wordt uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar) en is te zien op de Y-as De gemodelleerde geografische spreiding van de jaargemiddelde droge depositie NH x over Vlaanderen, berekend met het VLOPS-model, bevestigt bovenstaande resultaten.
Figuur 32: Gemodelleerde droge depositie van NH x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster Tot slot kunnen we nog iets vertellen over de trend. Op zeven van de negen meetplaatsen is er een significant dalende trend in de concentratie van NH 3 in 2001-2012. Figuur 33 illustreert dit voor de meetplaats Retie.
42 • Resultaten
4 -2
0
2
NH3 (µg/m3)
6
8
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
J
Figuur 33: Luchtconcentratie van NH 3 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P = 0,003) In Bonheiden is er een niet-significante daling voor NH 3 . In Maasmechelen stijgt de NH 3 -concentratie 3 van 2001 tot 2012 jaarlijks met gemiddeld 0,06 µg/m , maar deze stijging is onvoldoende om van een significante trend te spreken (P = 0,19). Deze resultaten van GAM-modellen met een lineair veronderstelde jaartrend zijn terug te vinden in Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties (Tabel 8). Volgens de benaderende F-test op de twee- of vierwekelijkse data wijken al deze trends af van een lineair verband. De afwijking van de lineariteit verschilt naargelang de meetplaats, zoals geïllustreerd door de niet-lineaire trendlijnen in Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties (Figuur 59). +
De depositie van NH 4 aerosol wordt door de VMM niet gemeten. Daardoor hangt de droge depositie van NH x , afgeleid uit de metingen, volledig af van de NH 3 -concentraties en de droge depositiesnelheid. Omdat er voor gekozen is om per vegetatietype een vaste depositiesnelheid te gebruiken, zijn de trends in NH x -deposities analoog aan deze in de NH 3 -concentraties. 5.3.1.2 Stikstofdioxide De onderstaande figuur geeft de gemeten concentraties weer van stikstofdioxide. In de grafiek is het jaargemiddelde uitgezet per meetlocatie. De concentraties variëren tussen 12,2 en 21,7 µg/m³. Industrie en verkeerswegen zijn de oorzaak van verhoogde stikstofdioxiden in de lucht, zo zorgt de invloed van de Antwerpse haven voor de verhoogde NO 2 -concentraties in Kapellen. De hoogste concentraties zijn terug te vinden in Gent, Kapellen en Bonheiden.
Resultaten • 43
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
NO2-concentratie (µg/m³)
25 20 15 10 5
Zwevegem
Wingene
Tielt-Winge
Retie
Maasmechelen
Koksijde
Kapellen
Gent
Bonheiden
0
Jaargemiddelde NO2
Figuur 34: NO 2 -jaargemiddelde in µg/m³ per meetplaats De Europese richtlijn bepaalt een kritiek niveau voor vegetatie voor NO x van 30 µg/m³. Om een indicatieve toetsing uit te voeren met de gemeten NO 2 -concentraties van de passieve samplers, moet er een omzetting naar NO x gebeuren. De gebruikte omzettingsfactor is bepaald aan de hand van de gemiddelde verhouding van NO x - en NO 2 -uurswaarden in 2012, afkomstig van 9 landelijke telemetrische achtergrondstations, en bedraagt 1,39. Uit Figuur 35 kunnen we vaststellen dat op de meetplaats in Gent en Bonheiden de 30 µg/m³ benaderd wordt en dat de waarden voor alle meetplaatsen onder het kritieke niveau voor vegetatie liggen.
44 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
NOx-jaargemiddelde (µg/m³)
35 30 25 20 15 10 5
NOx
Zwevegem
Wingene
Tielt-Winge
Retie
Maasmechelen
Koksijde
Kapellen
Gent
Bonheiden
0
Richtlijn 2008/50/EG
Figuur 35: Indicatieve toetsing van de omgerekende NO x -concentraties, afkomstig van de passieve samplers, aan het kritieke niveau voor vegetatie Door de relatief constante NO 2 -concentraties op de meetplaatsen verzuring blijft de NO 2 -depositie ook stabiel de laatste jaren. In 2012 varieert de NO 2 -depositie van 209 Zeq/(ha.jaar) in Tielt-Winge tot 373 Zeq/(ha.jaar) in Gent. Figuur 36 toont de depositie op de verschillende meetplaatsen, berekend uit de concentraties. Hier is te zien dat op de meetplaatsen waar hoge concentraties worden gemeten, ook hoge deposities zijn. De NO 2 -depositie op basis van de metingen is enkel afhankelijk van de gemeten NO 2 -concentraties (aangezien geen concentratie van andere NO y -componenten wordt gemeten) en de gebruikte depositiesnelheid voor NO 2 . Op basis van de literatuurgegevens wordt voor NO 2 voor elk van de vier beschouwde vegetatietypes dezelfde gemiddelde droge depositiesnelheid gebruikt, namelijk 0,25 cm/s (zie 4.4.3.2). Er zijn wel dagelijkse en seizoenale verschillen in de gerapporteerde depositiesnelheid van NO 2 , maar op jaarbasis is er volgens de wetenschappelijke literatuur weinig 11 invloed van het soort vegetatie op de depositiesnelheid van NO 2 . Vandaar dat de grafiek ook dezelfde deposities voor verschillende vegetatietypes toont.
11 Staelens J., Deschepper E., Verheyen K., Thas O. 2007. Statistische verwerking meetdata verzuring. Studie in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij. Eindverslag, Universiteit Gent
Resultaten • 45
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
300
200
100
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
0
Bonheiden
NO2-depositie (Zeq/(ha.jaar))
400
meetplaatsen Gras
Heide
Loof
Naald
Figuur 36: NO 2 -depositie in 2012 per vegetatietype. Op de linkse as de berekende droge depositie NO 2 uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar). Enkel het aanwezige vegetatietype wordt uitgezet op de grafiek. Vermits de depositiesnelheden niet verschillen per vegetatietype, kunnen we gelijke deposities waarnemen Figuur 37 toont de gemodelleerde geografische spreiding van de droge depositie van NO y over Vlaanderen, berekend met het VLOPS-model. De depositie piekt in Antwerpen, Gent en ten noorden van Brussel en op nagenoeg alle snelwegen rond Antwerpen, Gent en Brussel. Ook hier blijkt het verkeer de belangrijkste bron van stikstofoxiden. Industrie- en energiesector zijn andere belangrijke bronnen. De verkeerswegen en grote industriegebieden komen duidelijk in beeld op de onderstaande kaart. Let wel: de metingen hierboven betreffen NO 2 , deze gemodeleerde resultaten gaan over NO y .
46 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 37: Gemodelleerde droge depositie van NO y in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster
5 -10
-5
0
NO2 (µg/m3)
10
15
Voor de trends kunnen we stellen dat er voor geen enkele van de negen meetplaatsen van het meetnet verzuring een significante verandering is in de concentratie van NO 2 in de periode 20022012. Dit blijkt uit de GAM-modellen voor twee- of vierwekelijkse meetgegevens (Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties, Tabel 8 en Figuur 60) en wordt voor de meetplaats Retie getoond in Figuur 38.
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 38: Luchtconcentratie van NO 2 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is niet significant (P = 0,133) 5.3.1.3 Zwaveldioxide Figuur 39 toont de gemeten concentraties van zwaveldioxide. Dit jaargemiddelde varieert tussen 0,83 en 2,54 µg/m³. De hoogste concentraties zijn terug te vinden in Kapellen. Voor SO 2 concentraties wordt het kritieke niveau voor vegetatie van 20 µg/m³ voor alle meetplaatsen gehaald. De resultaten voor 2012 zijn gelijkaardig aan die van de vorige jaren. Algemeen daalt het SO 2 -jaargemiddelde sterk als we naar de evolutie kijken sinds 2003 (Jaarimmissieverslag Lucht 2012). De hogere concentratie in Kapellen en in beperktere mate in Gent, kunnen deels verklaard worden door de ligging van de meetplaats in de buurt van industrie. Deze Resultaten • 47
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
invloed is het grootst in Kapellen, omdat de Antwerpse haven ten zuidwesten ligt, de hoofdwindrichting van de meetplaats.
SO2-jaargemiddelde (µg/m³)
25 20 15 10 5
SO2 - winterseizoen
SO2-jaargemiddelde
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
0
Richtlijn 2008/50/EG
Figuur 39: SO 2 -concentratie en indicatieve toetsing van de met passieve samplers gemeten SO 2 concentraties, aan het kritieke niveau voor vegetatie Figuur 40 toont de droge depositie van SO 2 in 2012. De depositie is afhankelijk van het vegetatietype en varieert van 73 Zeq/(ha.jaar) op gras en loofbos in Tielt-Winge tot 300 Zeq/(ha.jaar) op heide in Kapellen.
300
200
100
Teilt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
0 Bonheiden
SO2-depositie (Zeq/(ha.jaar))
400
meetplaatsen Gras
Heide
Loof
Naald
Figuur 40: De gemiddelde SO 2 -depositie in 2012, uitgedrukt per aanwezig vegetatietype in Zeq/(ha.jaar). Omdat de depositiesnelheden verschillen per vegetatietype, verschillen ook de deposities 48 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 41 toont de gemodelleerde geografische spreiding van de droge depositie van SO x over Vlaanderen, berekend met het VLOPS-model. De depositie is het hoogst in de Antwerpse havenzone en de Gentse Kanaalzone, gevolgd door kleinere zones verspreid over het noorden van Vlaanderen.
Figuur 41: Gemodelleerde droge depositie SO x in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster
4 0
2
SO2 (µg/m3)
6
Tot slot nog iets over de trend. Op alle negen meetplaatsen van het meetnet verzuring daalt SO 2 significant in de periode 2001-2012 (P < 0,001 volgens de GAM-modellen, zie Tabel 8 in Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties). Volgens de benaderende F-test is deze daling nergens lineair. Figuur 42 toont het geschatte niet-lineaire verloop voor de meetplaats Retie. Figuur 61 in Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties toont het geschatte niet-lineaire verloop voor alle meetplaatsen. Ook op jaarbasis daalt SO 2 steeds significant (P < 0,004 volgens de Kendall-testen).
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 42: Luchtconcentratie van SO 2 in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001)
Resultaten • 49
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5.3.2 Totale droge depositie
totale droge depositie (Zeq/ha.j)
3500 3000 2500 2000 1500 1000 500
Maasmechelen
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Gent
Naald
Gras
Heide
Loof
Zwevegem
Naald
Gras
Wingene
Heide
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Koksijde
Naald
Gras
Heide
Loof
Retie
Naald
Gras
Heide
Loof
Kapellen
Naald
Gras
Heide
Loof
Bonheiden
Naald
Gras
Heide
0
Tielt-Winge
meetplaatsen SO2
NO2
NH3
Figuur 43: Totale droge depositie Figuur 43 toont de totale droge depositie op de verschillende meetplaatsen. Wat onmiddellijk opvalt is het grote aandeel van ammoniak. Ook de overmaat aan stikstofdepositie die verantwoordelijk is voor de verzuring en de vermesting komt zeer duidelijk naar voor. De resultaten komen overeen met de gemodelleerde kaart van de droge depositie: in de gemodelleerde kaarten zien we voor zwaveloxiden en vooral stikstofoxiden dat de hotspots liggen bij de grote steden. Voor ammoniak worden gebieden met hoge waarden ingekleurd in West-Vlaanderen en de Noorderkempen. Ter vergelijking tonen de resultaten van metingen en berekeningen aan dat de hoogste deposities voorkomen in het oosten van West-Vlaanderen (Wingene) en in de Noorderkempen (Kapellen en Retie). De kuststreek en de gebieden met weinig intensieve veeteelt zoals Koksijde en Tielt-Winge krijgen veel minder droge depositie te verwerken. De vegetatietypes, zoals heide en bos, die het meest gevoelig zijn aan verzuring en vermesting, krijgen de meeste droge depositie te verwerken. 5.3.3 Regionale trend Op de jaarlijkse data kan ook een regionale Kendall-test uitgevoerd worden. Deze test corrigeert voor de ruimtelijke afhankelijkheid tussen de meetplaatsen. Voor de negen meetplaatsen samen die 3 sinds 2001 in gebruik zijn, daalt de NH 3 -concentratie van 2002-2012 jaarlijks met 0,11 µg/m (P = 0,039). Voor NO 2 is er voor de negen meetplaatsen verzuring samen geen trend (P = 0,71) en voor 3 SO 2 bedraagt de mediane jaarlijkse afname 0,19 µg/m (P = 0,001). Figuur 44 toont de jaargemiddelde luchtconcentraties en de trendlijn volgens deze regionale Kendall-test.
50 • Resultaten
10
15
20
25
NO NO2 2 NH NH3 3 SO2 SO 2
0
5
Luchtconcentraties (µg/m3) Luchtconcentraties (µg/m3)
30
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Jaar Figuur 44: Jaargemiddelde luchtconcentraties van NH 3 , NO 2 en SO 2 op de negen meetplaatsen die sinds 2001 in gebruik zijn. De lijnen zijn niet-parametrische regressielijnen (regionale Kendall-test; P = 0,04 voor NH 3 , P = 0,71 voor NO 2 en P = 0,001 voor SO 2 ) 5.3.4 Conclusies Bij het bekijken van de verschillende verzurende stoffen zien we dat de ammoniakconcentraties voornamelijk pieken in de maanden maart en april. Verder kunnen we besluiten dat de concentraties van ammoniak veel hoger liggen in gebieden met intensieve landbouw en veeteelt. Dit weerspiegelt zich ook in de deposities. Op één meetplaats, namelijk Wingene, wordt de WGO norm van 8 µg/m³ niet gehaald. Als we kijken naar de wetenschappelijke aanbeveling van 3 µg/m³, stellen we vast dat dit op geen enkele meetplaats wordt gehaald. Bijkomende inspanningen zullen dus noodzakelijk blijven om de emissies te doen dalen. Stikstofoxiden stagneren met voorgaande jaren en we zien hier voornamelijk hogere concentraties en deposities aan industriegebieden en drukke verkeerswegen. Het kritieke niveau wordt niet overal gehaald. Voor zwaveldioxide wordt het kritieke niveau voor vegetatie overal gehaald en blijven de concentraties dalen in de tijd. In de periode 2001-2012 daalt de concentratie van NH 3 op zeven van de negen meetplaatsen en van SO 2 op alle meetplaatsen. Voor alle meetplaatsen samen is er een significante daling van 0,13 µg 3 3 NH 3 /m en van 0,19 µg SO 2 /m . De concentratie van NO 2 blijft stabiel. Daar waar hogere concentratieniveaus worden gemeten, krijgen we ook hogere depositiewaarden. Er is dus een inspanning nodig om gevoelige plaatsen – met grote bevolkingsdichtheid of natuurgebied – te bufferen van de brongebieden waar de emissies plaatsvinden. Resultaten • 51
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5.4 Totale depositie In dit hoofdstuk bekijken we de totale depositie. We gaan dieper in op wat we meten en geven een interpretatie van de meetresultaten van 2012. We bespreken de potentieel verzurende depositie aan de hand van stikstof en zwavel en de vermestende depositie alleen aan de hand van stikstof. 5.4.1 Totaal verzurende depositie De totale verzurende depositie is de som van de natte en de droge depositie. Op basis van de metingen binnen het depositiemeetnet verzuring kunnen we de totale verzurende depositie voor 9 meetplaatsen bepalen. Door de verspreiding van de meetplaatsen krijgen we dan een idee over de toestand in Vlaanderen. Zoals reeds eerder vermeld, zorgt een te hoge verzurende depositie voor een afname van de bodemkwaliteit, schade aan vegetatie en aantasting van de biodiversiteit. Binnen Vlaanderen is de voornaamste bron van verzurende depositie de import (47%), gevolgd door de landbouwsector (30%) en in mindere mate door transport (9,8%) en huishoudens (5,2%), zie Figuur 45. Bij landbouw bestaat de bijdrage hoofzakelijk uit NH x -depositie, bij transport is dit NO y -depositie en bij de industrie SO x depositie.
Totale verzurende depositie (2010)
huishoudens; 5,2%
industrie; 4,6% energie; 2,3%
import; 47%
landbouw; 30%
handel & diensten; 0,5%
transport; 9,8%
Modelberekeningen uitgevoerd met model VLOPS.13
Figuur 45: Overzicht van de belangrijkste sectoren die bijdragen tot de totale verzurende depositie op 12 basis van gegevens van 2010 Figuur 46 toont het aandeel van droge en natte depositie in de totale depositie. Omdat op alle meetplaatsen gras voorkomt, zijn deze berekeningen gemaakt op basis van het vegetatietype gras. Met uitzondering van de meetplaats in Koksijde is het aandeel totale droge depositie op elke meetplaats groter dan het aandeel van de totale natte depositie. Een verklaring voor de afwijking te 12
http://www.milieurapport.be/nl/feitencijfers/mira-t/milieuthemas/verzuring/verzurende-depositie/aandeel-doelgroepen-enimport-tot-de-verzurende-depositie/
52 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Koksijde is de afstand tot de kust/Noordzee, in combinatie met een grote neerslaghoeveelheid. Hierdoor regent het grootste deel van verontreiniging uit en zit het dus niet meer in de droge fractie.
totale depositie (Zeq/(ha.jaar))
4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500
Totaal droge depositie
Tielt-Winge
Maasmechelen
Gent
Zwevegem
Wingene
Koksijde
Retie
Kapellen
Bonheiden
0
Totaal natte depositie
Figuur 46: Aandeel van de droge depositie en de natte depositie in de totale depositie voor het vegetatietype gras Figuur 47 toont per meetplaats de totale depositie in 2012 voor alle vegetatietypes die aanwezig zijn in de onmiddellijke omgeving van de meetplaats. Duidelijk is dat de depositiewaarden sterk variëren over Vlaanderen. De hoogste depositiewaarden komen voor in Wingene (landbouw en intensieve veeteelt) en Kapellen (ten noordoosten van Antwerpen). Het grootste aandeel komt van de NH x component. Voor Wingene en Zwevegem moeten we de verzurende depositie voor loofbossen toetsen aan 2.400 Zeq/(ha.jaar) volgens de VLAREM-streefwaarden. De andere meetplaatsen hebben een zandige ondergrond, zodat de verzurende depositie niet hoger mag liggen dan: • 1.400 Zeq/(ha.jaar) voor heide en naaldbossen; • 1.800 Zeq/(ha.jaar) voor loofbossen. Tielt-Winge is de enige meetplaats waar de VLAREM-streefwaarde wordt gehaald. Op geen enkele andere meetplaats respecteren de gemeten waarden de VLAREM-streefwaarden.
Resultaten • 53
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5000
totale (natte+droge) depositie (Zeq/(ha.jaar))
4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500
Koksijde
Zwevegem
Maasmechelen
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Gent
Naald
Gras
Heide
Loof
Naald
Gras
Wingene
Heide
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Naald
Gras
Heide
Loof
Retie
Naald
Gras
Heide
Loof
Kapellen
Naald
Gras
Heide
Loof
Bonheiden
Naald
Gras
Heide
0
Tielt-Winge
meetplaatsen
NHx
NOy
SOx
VLAREM-streefwaarde
Figuur 47: Overzicht van de totale verzurende depositie in 2012 De vaststellingen over de ruimtelijke spreiding worden tevens bevestigd door het VLOPS-model. Figuur 48 toont de gemodelleerde geografische spreiding van de totale verzurende depositie over Vlaanderen. De totale verzurende depositie berekend door het VLOPS-model is de som van de droge en natte deposities van SO x , NO y en NH x . De natte NH x -deposities die hierbij werden gebruikt, zijn gekalibreerd met de metingen. Het aandeel NH x in de gemiddelde totale verzurende depositie in 2012 bedraagt 51%, dat van NO y 29% en dat van SO x 20%.
Figuur 48: Gemodelleerde totale verzurende depositie in 2012 in Vlaanderen, 1x1 km² receptorenrooster
54 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
We kunnen de totale verzurende deposities ook bekijken in functie van de tijd. Zo zien we in Figuur 49 de meetnetgemiddelde totale verzurende depositie, uitgedrukt in Zeq/(ha.jaar), voor de vier vegetatietypes sinds 2005. De relatieve bijdrage per polluent aan deze totale verzurende depositie wordt ook berekend en uitgedrukt in percentage (%) op de linkse as. Wat betreft de totale verzurende depositie, kunnen we besluiten dat tussen 2005 en 2007 de totale depositie min of meer stabiel blijft (groene lijn in Figuur 49), om dan jaarlijks af te nemen tot in 2012, met uitzondering van een stijging in 2011. De daling is het meest uitgesproken in 2008 en 2009. De relatieve bijdrage aan de verzurende depositie per polluent en per vegetatietype verandert ook in de periode 2005-2012. Gemiddeld over de verschillende vegetatietypes is er: • voor NH x een stijging van 57% naar 63%; • voor NO y een stijging van 19% naar 21%; • voor SO x een daling van 24% naar 15%. Hieruit kunnen we vaststellen dat de grootste bijdrage komt van NH x . De bijdrage van SO x is het laagst.
4000
90%
3500
80% 3000 70% 2500
60% 50%
2000
40%
1500
30% 1000 20%
Totale verzurende depositie (Zeq/ha)
Relatieve bijdrage aan de totale verzurende depositie
100%
500
10%
0
2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012
0%
gras
heide SOx
loofbos NOy
NHx
naaldbos totaal
Figuur 49: Overzicht van de meetnetgemiddelde totale verzurende depositie in de periode 2005-2012 en de daartoe behorende relatieve bijdrage van de belangrijkste polluenten In de periode 2001-2012 is er een significante afname (P < 0,005) in de totale verzurende depositie van zwavel en stikstof voor alle meetplaatsen, behalve Maasmechelen (zie Tabel 9 in Bijlage 5: Trends in totale deposities). Figuur 50 toont de geschatte niet-lineaire trend in de totale verzurende depositie op gras voor Retie. Figuur 62 in Bijlage 5: Trends in totale deposities toont deze trends voor alle meetplaatsen. Deze figuur illustreert hoe de depositie in Maasmechelen in de eerste helft van de jaren 2000 stijgt en dan weer afneemt. Voor de andere meetplaatsen daalt de depositie wel continue en significant, zodat de niet-lineaire trendlijnen de blauwe referentiebanden overschrijden.
Resultaten • 55
80 60 40 20 -40
-20
0
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 50: Totale verzurende depositie van N en S in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) Als we de trend lineair schatten, daalt de totale depositie voor het vegetatietype “gras” jaarlijks met 40 ± 14 Zeq/ha in Tielt-Winge tot 130 ± 23 Zeq/ha in Wingene. Voor de drie andere vegetatietypes daalt de depositie sterker dan voor gras omwille van de hogere depositiesnelheden (zie Bijlage 5: Trends in totale deposities). De totale verzurende depositie voor bijvoorbeeld naaldbos daalt in een lineaire benadering met 59 ± 21 Zeq/ha in Tielt-Winge tot 273 ± 54 Zeq/ha in Wingene. Voor de negen meetplaatsen samen en op basis van de jaarlijkse depositie (regionale Kendall-test), daalt de totale verzurende depositie op gras in de periode 2002-2012 jaarlijks met 91 Zeq/(ha.jaar) (P = 0,001). Om een nog betere kijk te hebben op de evolutie van de verzurende componenten berekende het VLOPS-model de gemiddelde Vlaamse verzurende depositie voor de jaren 1990, 2000, 2005, 2008, 2009, 2010 en 2012 (zie Figuur 51). Er is een duidelijk dalende trend tot 2009 waar te nemen. In 2010 zien we een lichte stijging van de totale deposities ten opzichte van 2009. Dit ligt in lijn met de hogere NO 2 -emissies in 2010. In 2012 zien we dan weer terug een lichte daling in de totale verzurende depositie, maar dit zijn voorlopige cijfers want de waarden van 2012 zijn berekend op de meteorologische gegevens van 2012 en de emissiegegevens van 2010. In tegenstelling tot de modelresultaten in bovenstaande kaarten werd voor de aanmaak van deze tijdreeks geen gekalibreerde natte NH x -deposities gebruikt. Wanneer we de trend in de totale verzurende depositie bekijken, zien we een klein verschil tussen de trend gebaseerd op metingen en de trend op basis van het VLOPS-model. Bij de metingen zien we gelijkblijvende tot licht stijgende deposities in 2012 ten opzichte van 2010, terwijl we bij de VLOPSdata een lichte daling zien. Mogelijk wordt het verschil tussen de twee trends kleiner wanneer de emissies van 2012 beschikbaar zijn.
56 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Verzurende depositie (Zeq/(ha.jaar))
6000
5000
4000
3000
2000
1000
0 NHx NOy SOx
1990
2000
2005
2008
2009
2010
2012*
1872 1053 2142
1401 873 1006
1102 869 844
1072 740 667
1029 659 519
1023 746 497
1068 693 480
* voorlopige cijfers: deposities 2012 werden berekend op basis van de verzurende emissies 2010 en de meteorologische gegevens van 2012
Figuur 51: Gemiddelde Vlaamse verzurende deposities SO x , NO y en NH x in de periode 1990-2012 5.4.1.1 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last verzuring Per vegetatietype zijn de kritische lasten voor verzuring bepaald als schadedrempel voor de verzurende depositie. In Figuur 52 wordt de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor verzuring getoond en uitgedrukt in percentage. Hiervoor werden depositieberekeningen uitgevoerd met het VLOPS-model voor verschillende jaren en landgebruikstypen. Uit de figuur kunnen we vaststellen dat de totale oppervlakte natuur (bos, heide en soortenrijk grasland) in overschrijding daalt tot 2009. In 2008 was er nog 38% van de oppervlakte natuur in overschrijding en in 2009 26%. In 2010 neemt dat percentage licht toe tot 28%. Deze resultaten tonen aan dat de druk op de ecosystemen daalt. Dit leidt evenwel niet direct tot een evenredig herstel van de bodem en biodiversiteit. Het herstel is een langzaam proces dat onder meer afhangt van de duur en de mate van de historische overschrijding. Er blijven dus nog inspanningen nodig voor de toekomst, zeker om de MINA 4-doelstellingen te behalen, namelijk het percentage oppervlakte natuur in Vlaanderen met overschrijding verzuring terugbrengen tot 20% tegen 2015.
Resultaten • 57
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
100 80
%
60 40 20 0 2000
1990 totaal
bos
2005 heide
2008
2009
soortenrijk grasland
2010
2012
doel 2015 voor totaal
Figuur 52: Overzicht van de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor verzuring in de periode 1990-2012 5.4.2 Totaal vermestende depositie Voor de totale vermestende depositie wordt er, in tegenstelling tot de verzurende, alleen gekeken naar de stikstofcomponent. De resultaten voor vermesting worden berekend uit zowel de natte als de droge depositiewaarden. 60
50
kg N/(ha.jaar)
40
30
20
10
Bonheiden
Zwevegem
Maasmechelen
loofbos
naaldbos
gras
heide
loofbos
naaldbos
gras
heide
loofbos
Gent
naaldbos
gras
heide
loofbos
naaldbos
gras
Wingene
heide
loofbos
naaldbos
gras
heide
loofbos
Koksijde
naaldbos
gras
heide
loofbos
Retie
naaldbos
gras
heide
loofbos
Kapellen
naaldbos
gras
heide
loofbos
naaldbos
gras
heide
0
Tielt-Winge
meetplaatsen NH3
NH4+
NO2
NOy
VLAREM-streefwaarde
Figuur 53: Overzicht van de totale vermestende depositie in 2012 Figuur 53 toont de totale vermestende depositie, uitgedrukt in kg N/(ha.jaar). Net zoals voor de verzurende depositie, tonen we enkel de aanwezige vegetatietypen rond de meetplaats. Het is duidelijk dat ook hier de NH x -component het belangrijkste aandeel in de vermesting vormt. Als we kijken naar de rode lijnen, die de VLAREM-streefwaarden vertegenwoordigen, kunnen we vaststellen dat er voor vermesting geen enkele meetplaats voldoet. 58 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
60 40 20 -20
0
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
In 2001-2012 daalt de N-depositie significant (P < 0,001) voor zeven van de negen meetplaatsen (Tabel 10 in Bijlage 5: Trends in totale deposities). In Bonheiden neemt de N-depositie af en in Maasmechelen neemt ze toe, maar de veranderingen zijn te klein om statistisch betekenisvol te zijn. De daling in N-depositie kan niet steeds lineair benaderd worden volgens de F-testen. Figuur 54 toont de totale vermestende depositie van N in Retie.
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 54: Totale vermestende depositie van N in Retie. De punten zijn gebaseerd op de metingen, de lijn is de geschatte niet-lineaire trend volgens een GAM-model. De trend is significant (P < 0,001) De trends in vermestende depositie voor de andere meetplaatsen worden getoond in Figuur 63 in Bijlage 5: Trends in totale deposities. De jaarlijkse afname voor bijvoorbeeld gras ligt tussen 0,50 ± 0,23 kg N/ha in Kapellen en 1,35 ± 0,29 kg N/ha in Wingene. Voor alle meetplaatsen samen daalt de N-depositie tussen 2002 en 2012 significant (P < 0,015 voor bijvoorbeeld gras). De totale vermestende depositie, berekend door het VLOPS-model, is de som van de droge en natte deposities van NO y en NH x . De natte NH x -deposities die hierbij werden gebruikt, zijn gekalibreerd met de metingen. Uit onderstaande VLOPS-kaart kunnen we vaststellen dat de hoogste vermestende deposities voorkomen in het centrum van West-Vlaanderen en het noorden van de provincie Antwerpen. Het aandeel NH x in de gemiddelde totale vermestende depositie bedraagt 63% en dat van NO y 37%. Verdere emissiereducties op basis van internationale akkoorden zijn noodzakelijk. In Vlaanderen betekent dat zowel NO x - als NH 3 -emissies verder naar beneden moeten.
Resultaten • 59
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Figuur 55: Gemodelleerde totale vermestende depositie in 2012 in Vlaanderen. 1x1 km² receptorenrooster
Vermestende depostie (kg N/(ha.jaar))
Naast 2012 berekende het VLOPS-model ook de gemiddelde Vlaamse vermestende depositie voor de jaren 1990, 2000, 2005, 2008, 2009 en 2010. Net zoals bij de verzurende depositie is er een duidelijk dalende trend tot 2009 waar te nemen. In 2010 zien we een lichte stijging van de totale vermestende deposities ten opzichte van 2009. Met name de NO y -depositie stijgt, dit ligt in lijn met de hogere NO 2 emissies in 2010. In 2012 zien we dan weer terug een lichte daling in de totale depositie, maar dit zijn voorlopige cijfers want de waarden van 2012 zijn evenwel berekend op de meteorologische gegevens van 2012 en de emissiegegevens van 2010. In tegenstelling tot de modelresultaten in bovenstaande kaarten werd voor de aanmaak van deze tijdreeks geen gekalibreerde natte NH x -deposities gebruikt. 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 NHx NOy
1990 26,21 14,74
2000 19,61 12,22
2005 15,43 12,17
2008 15,01 10,36
2009 14,41 9,23
2010 14,32 10,44
2012* 14,95 9,70
* voorlopige cijfers: deposities 2012 werden berekend op basis van de verzurende emissies 2010 en de meteorologische gegevens van 2012
Figuur 56: Gemiddelde Vlaamse vermestende deposities NO y en NH x in de periode 1990-2012 5.4.2.1 Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last vermesting Figuur 57 toont de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting, uitgedrukt in percentage. Hiervoor werden depositieberekeningen uitgevoerd met het VLOPS-model voor verschillende jaren en landgebruikstypen. Tegen 2015 mag nog op 65% van de oppervlakte
60 • Resultaten
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
natuur in Vlaanderen overschrijding voorkomen, volgens het MINA-plan 4 (2011-2015). In 2009 werd op 74% van de Vlaamse oppervlakte natuur (bos, heide en soortenrijk grasland) de kritische last voor vermesting overschreden. In 2010 en 2012 is dit 75%. De langdurige overschrijding van de kritische last voor vermesting leidt tot een accumulatie van stikstof in de bodem, waarvan niet alle effecten gekend zijn. Hierdoor is vermesting een veel grotere bedreiging voor het behoud van de biodiversiteit van verzuring. Ook hier blijven inspanningen voor verdere emissiereducties noodzakelijk voor de toekomst.
100 80
%
60 40 20 0 1990 totaal
2000 bos
2005 heide
2008
soortenrijk grasland
2009
2010
2012
doel 2015 voor totaal
Figuur 57: Overzicht van de oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting in de periode 1990-2012 5.4.3 Conclusies totale depositie Het aandeel totaal droge depositie is, met uitzondering van de meetplaats in Koksijde, hoger dan het aandeel totaal natte depositie. In de periode 2001-2012 daalt de totale verzurende depositie op acht van de negen meetplaatsen, enkel in Maasmechelen is geen trend merkbaar. De totale vermestende depositie neemt af op alle meetplaatsen behalve Maasmechelen en Bonheiden. Enkel voor loofbos in Tielt-Winge ligt de totale verzurende depositie in 2012 onder de VLAREMstreefwaarde. De totale vermestende depositie is in 2012 te hoog op alle meetplaatsen. De hoogste depositiewaarden en de meeste overschrijdingen komen voor in de omgeving van (grote) steden of industrie zoals de Antwerpse agglomeratie en het noorden van de provincie Antwerpen, voornamelijk voor SO x en NO y , en in landbouwgebieden met intensieve veeteelt zoals het centrum van West-Vlaanderen, voornamelijk voor NH x . Verzuring is slechts één van de verstorende factoren in de milieuproblematiek. Een geïntegreerde aanpak is nodig en maatregelen tegen verzuring en vermesting zijn daar een wezenlijk onderdeel van.
Resultaten • 61
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
6
Besluit
De laatste jaren zien we een verschuiving van verzuring naar vermesting. Ook in het meetjaar 2012 is dit zo. Dit komt door de sterke daling in de laatste twee decennia van het aandeel van de SO 2 emissie. Het kritieke niveau voor SO 2 voor de bescherming van vegetatie wordt hierdoor overal gehaald. Volgens de VLAREM-streefwaarden is de totale vermestende depositie te hoog op alle meetplaatsen. Verder zien we ook dat het aandeel droge depositie groter is dan het aandeel natte depositie. In de + tijdtrends voor de periode 2001-2012 zien we dat de natte depositie van NH 4 over het algemeen niet 2daalt. De natte depositie van NO 3 en SO 4 daalt wel in deze periode. Er komt dus meer depositie in gasvorm uit de lucht op een oppervlak terecht dan via regen, sneeuw en hagel. Waar we hoge concentratieniveaus meten, krijgen we hoge depositiewaarden. Er is dus een inspanning nodig om gevoelige plaatsen - met grote bevolkingsdichtheid of natuurgebied - te beschermen. Dit is ook een aspect dat de VMM verder zal bekijken in functie van de meetstrategie. Het zou goed zijn om meer toe te spitsen op de gevoelige, beschermde natuurgebieden, namelijk de Natura 2000 gebieden door het bekijken van de kritische last. Wanneer we de stikstofcomponent van dichtbij bekijken, kunnen we enerzijds stellen dat de bijdrage van transport en industrie een grote invloed heeft op de NO x -emissie. Anderzijds is er de bijdrage van de landbouw voor de NH 3 -emissies. Dit weerspiegelt zich ook in de resultaten. Het kritieke niveau voor de stikstofoxiden wordt niet overal gehaald. Dit is ook het geval voor de WGO-norm. Op één meetplaats, namelijk Wingene, wordt de NH 3 -concentratie van 8 µg/m³ niet gehaald. Als we kijken naar de wetenschappelijke aanbeveling van 3 µg/m³ wordt ze nergens gehaald. Positief is wel dat de 3 NH 3 -concentratie in de periode 2002-2012 jaarlijks daalt met 0,11 µg/m , terwijl voor NO 2 de concentratie stabiel blijft over de jaren heen en er dus geen trend kan vastgesteld worden. Toch zullen in beide sectoren bijkomende inspanningen noodzakelijk blijven. U vindt bijkomende informatie op: • De VMM website, www.vmm.be. • Het MIRA achtergronddocument, www.milieurapport.be. • De milieuverkenning 2030, www.milieuverkenning.be.
62 • Besluit
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
BIJLAGEN
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
7,48%
IC
4,47%
Wet only sampler
geleidbaarheidsmeter
EC 25 -
69601
uitbesteding
IC
Wet only sampler
onderaanneming
meetprincipe analyse
Wet only sampler
Zeq/ha
onder accreditatie
toesteltype bemonstering
Zeq/ha
69316
bepaling meetonzekerheid
eenheid
69314
-
Cl
volgens norm
SAROAD-code
2+
parameter Ca
meetonzekerheid
Bijlage 1: Informatie over geaccrediteerde metingen (normen ISO/IEC 17025:2005)
ja
nee nee
ja
nee nee
10,79%
ja
nee nee nee nee nee nee nee nee
idem
F + K 2+ Mg
69315 69312 69313
Zeq/ha Zeq/ha Zeq/ha
Wet only sampler Wet only sampler Wet only sampler
IC IC IC
9,38% 20,92% 5,49%
idem idem
ja ja ja
+
69318
Zeq/ha
Wet only sampler
IC
27,40%
idem
ja
nee nee
NO 2
-
69343
Zeq/ha
Wet only sampler
IC
11,78%
idem
ja
nee nee
NO 3 + Na
-
69321 69311
Zeq/ha Zeq/ha
Wet only sampler Wet only sampler
IC IC
9,53% 3,42%
idem idem
ja ja
nee nee nee nee
2-
69322 69301
Zeq/ha Zeq/ha
Wet only sampler Pluviograaf weegprincipe
IC gravimetrie
6,64% 0,01 mm
idem Fabrikant Ott
ja ja
nee nee nee nee
3-
69323
Zeq/ha
Wet only sampler
IC
15,21%
ja
nee nee
Wet only sampler
PH meter
13,23%
ja
nee nee
ja
nee nee
NH 4
SO 4 Volume PO 4 pH
69600
NH 3
42604
Zeq/ha
Passieve sampler
IC
27,40%
NO 2
42602
Zeq/ha
Passieve sampler
IC
10%
Fabrikant IVL
ja
nee
ja
SO 2
42401
Zeq/ha
Passieve sampler
IC
10%
Fabrikant IVL
ja
nee
ja
2 • Bijlage 1: Informatie over geaccrediteerde metingen
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bijlage 2: Het VLOPS-model Inleiding Naast het tonen van meetresultaten op de meetpunten in Vlaanderen, is het ook mogelijk om de verspreiding van de verzurende en vermestende depositie te berekenen met een atmosferisch transport- en dispersiemodel. Zo’n model heeft als voordeel de situatie voor heel Vlaanderen in kaart te kunnen brengen in plaats van enkel voor een aantal meetlocaties. Het VLOPS-model wordt gebruikt om onder andere de concentraties en deposities van verzurende stoffen in kaart te brengen. Het VLOPS-model staat voor Vlaamse versie Operationeel Prioritaire Stoffenmodel en berekent jaargemiddelden en deposities op basis van enerzijds emissiegegevens en anderzijds de jaarlijkse meteogegevens. De emissiegegevens worden aangeleverd door bedrijven of zijn gebaseerd op ramingen en/of emissiemodellen (bijvoorbeeld verkeer). De meteogegevens zijn afkomstig van meteomasten. Na validatie en eventueel kalibratie met meetgegevens, zet GIS-software de resultaten om tot kaartmateriaal. Voorstelling van het model Het VLOPS-model is een atmosferisch transport- en dispersiemodel dat de verspreiding en depositie van verzurende bestanddelen en onder meer zware metalen op lokale, maar vooral op regionale schaal modelleert. Het model werd oorspronkelijk ontwikkeld onder de naam OPS door het 13 Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) . De VITO werkte dit in opdracht van de VMM verder uit voor Vlaanderen en zorgde voor een gebruiksvriendelijke PC-versie met een functionele user interface waarin alle invoerparameters kunnen worden gekozen. Het VLOPS-model berekent concentraties en deposities uitgaande van: • emissiegegevens van puntbronnen en oppervlaktebronnen; • een meteorologische statistiek; • gegevens over het receptorgebied. In de huidige versie zijn de Vlaamse emissiegegevens gebaseerd op de meest recente cijfers van de 14 Emissie-Inventaris Lucht van de VMM . De gegevens voor bronnen buiten Vlaanderen zijn afkomstig van de EMEP- en CORINAIR-emissie-inventaris en worden gespreid met de emissie-preprocessor E15 MAP . De emissies worden opgedeeld in 45 sectoren voor Vlaanderen en 10 sectoren buiten 16 Vlaanderen . De gebruiker bepaalt voor welke receptoren de berekeningen gebeuren. Meestal is dit voor heel Vlaanderen, met een ruimtelijke resolutie van 1x1 km². Het VLOPS kan ook rekenen voor een door de gebruiker ingegeven lijst van puntlocaties. Zo is het mogelijk om de meetresultaten van het meetnet te vergelijken met VLOPS-berekeningen (zie verder bij validatie). Onderstaande figuur geeft een gedetailleerd schema van de gegevensstructuur rond het OPS-model.
13
Van jaarsveld, J.A. et al., 2012. Description of OPS 4.3.15, RIVM. Bilthoven Nederland VMM (2013), Lozingen in de lucht 1990-2012 Maes, J. et al. 2008. Nieuw concept voor de emissieprocessor van BelEUROS (E-map), VITO-rapport n° 2008/IMS/R/217 16 Veldeman, N. et al., 2011. Herwerken van de Vlaamse emissiedataset volgend de nieuwe sectorindeling en de nieuwe spreidingspatronen. Eindrapport. VITO, Mol 14 15
Bijlage 2: Het VLOPS-model • 3
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Voor wie meer wil weten… Het OPS model is een analytisch model dat voor de lokale schaal gebruik maakt van de Gaussische dispersieformule. Voor transport over grotere afstand werkt het model als een Lagrangiaans trajectoriemodel. Dit model verrekent alle fysico-chemische processen tijdens het transport in een assenstelsel dat meereist met de emissie. Een Euleriaans transportmodel daarentegen verrekent al die processen in een assenstelsel dat vastligt aan het modeldomein, wat de beschrijving van die processen moeilijker maakt omwille van het transport. Het model maakt gebruik van een statistisch klimatologisch bestand dat wordt aangemaakt op basis van enkele actuele meteorologische waarnemingen afkomstig van meteomasten (uurlijks gemeten waarden voor windrichting en windsnelheid, globale straling, temperatuur, relatieve vochtigheid, neerslagduur en neerslaghoeveelheid) en is statistisch in de zin dat voorkomende verspreidingssituaties vooraf in een preprocessor worden verdeeld over een aantal klassen (transportrichting, atmosferische stabiliteit, transportschaal) waarbij de bijbehorende verspreidingsparameters worden bepaald aan de hand van de eigenschappen van alle trajectorieën die binnen de klasse vallen. In de meteostatistiek wordt onderscheid gemaakt tussen zes verschillende stabiliteitsklassen met elk hun eigen menglaaghoogteverdeling. Verdere invoergegevens hebben betrekking op de receptoren (coördinaten, ruwheidslengte, landgebruik) en op de emissiebronnen (coördinaten, emissiesterkte, hoogte, warmteinhoud, horizontale afmeting indien oppervlaktebron, dagverloop en deeltjesgrootteverdeling) De chemische omzettingen worden beschreven met lineaire eerste orde vergelijkingen. De droge depositie wordt beschreven aan de hand van een hoogteonafhankelijke depositieflux. Deze wordt afgeleid uit de verticale depositiesnelheid op een bepaalde hoogte (50 meter) en de concentratie aan het oppervlak. Bij de berekening van de natte depositie worden twee processen onderscheiden: uitwassen en uitregenen. De natte depositie bij uitwassing wordt gemodelleerd met behulp van een uitwassingscoëfficiënt. Uitregenen gebeurt nadat de pluim de wolk is binnengedrongen en dus op grotere afstanden van de bron. Dit wordt ook gemodelleerd met behulp 17 van een coëfficiënt. Een gedetailleerde beschrijving van het programma vindt u in de voetnoot . Een verdere beschrijving van het OPS model is te vinden op: http://www.mnp.nl/ops/model/
Upgrade naar VLOPS.13 De voor dit rapport gebruikte modelversie bevat een aantal verbeteringen ten opzichte van VLOPS.12:
17
Van jaarsveld, J.A. et al.
4 • Bijlage 2: Het VLOPS-model
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012 •
• • •
Daar waar vroeger voor de emissies van de puntbronnen van de sectoren energie en industrie het spreidingspatroon van 2001 werd gebruikt voor alle jaren, wordt nu een jaarafhankelijk spreidingspatroon gebruikt. Voor alle jaren tot en met 2008 wordt het patroon van 2008 gebruikt en voor 2009 en 2010 wordt het patroon van 2009 gebruikt. Voor NH 3 is een nieuwe consistente tijdreeks van achtergrondconcentratiekaarten gemaakt. Hiervoor is het RIO NH 3 -model gebruikt. Voor NO 2 en SO 2 zijn achtergrondconcentratiekaarten toegevoegd voor 2010 en 2011. Invoering van nieuwe meteobestanden voor de Nederlandse regio 5 voor 2009 tot en met 2012, na correctie van een bug.
Gebruikte meteo-invoer Voor berekeningen met het VLOPS-model is geopteerd om steeds de Nederlandse meteo-invoer van de zone Midden-Brabant, Veluwe, Twente (zone 5 in onderstaande figuur) te gebruiken omdat deze het dichtste aansluit bij de gemiddelde Vlaamse meteo.
Betrouwbaarheid van de modelresultaten De modelonzekerheid is het resultaat van 3 mogelijke foutenbronnen, namelijk: • de onzekerheid op de correctheid van emissiegegevens; • de onzekerheid in de meteorologische invoergegevens; • de onzekerheid van de modelparametrisaties. Een modelvalidatie gaat na hoe groot de totale onzekerheid op een modelresultaat is. Dit gebeurt door een vergelijking uit te voeren met metingen, waarbij het model voor die meetplaats een berekening uitvoert. Bij dergelijke validatie dient dus ook nog met een vierde mogelijke foutenbron rekening te worden gehouden, met name de fout op de meting. De validatie gebruikt volgende parameters: • De vergelijking van de gemiddelde meet- en modelwaarden (systematische fout): Normalized Mean Bias (NMB)
NMB = •
M −1 O
De gemiddelde afwijking tussen meet- en modelwaarden (onzekerheid of random fout): Root Mean Square Error (RMSE) = absolute onzekerheid
RMSE = (Oi − Mi) 2 RMSE = relatieve onzekerheid, streefwaarde < 30% O Bijlage 2: Het VLOPS-model • 5
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
•
De ruimtelijke correlatie tussen meet- en modelwaarden
R² = (Correlatie(O1 ..On ; M 1 ..M n )) 2 met Mi = gemodelleerd jaargemiddelde op meetplaats i Oi = gemeten jaargemiddelde op meetplaats i n = aantal meetplaatsen Validatie NH 3 Voor 2012 werd het jaargemiddelde gebruikt van de 17 meetplaatsen met passieve samplers van het VMM-meetnet verzuring en de 4 meetplaatsen van het INBO meetnet waarvoor minstens 75% maandelijkse waarden beschikbaar zijn. Onderstaande figuur toont de orthogonale regressie tussen de meetwaarden en de modelwaarden op dezelfde locaties. Onderstaande tabel toont dat het VLOPS de NH 3 -concentraties gemiddeld met 5,7% onderschat. De orthogonale regressie wordt gebruikt om de NH 3 -kaart voor Vlaanderen te kalibreren zodat het eindresultaat geen systematische fout meer vertoont. Een onafhankelijke validatie van gekalibreerde modelwaarden is mogelijk door elke modelwaarde te kalibreren met een orthogonale regressie van alle dataparen uitgezonderd deze van de modelwaarde in kwestie. Onderstaande figuur toont de meetwaarden versus de gekalibreerde modelwaarden. Na kalibratie wordt een aanvaardbare relatieve onzekerheid van 25,96% bekomen, met een goede ruimtelijke correlatie van 74,36% (onderstaande tabel). Onderstaande tabel toont een overzicht van de gebruikte meetplaatsen, hun coördinaten, de meetwaarden, modelwaarden en gekalibreerde modelwaarden.
Orthogonale regressie tussen meet- en modelwaarden voor NH 3 in 2012 (voor kalibratie)
6 • Bijlage 2: Het VLOPS-model
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Meetwaarden versus gekalibreerde modelwaarden voor NH 3 in 2012 Validatieresultaten voor NH 3 in 2012 voor na kalibratie kalibratie NMB -5,7% 0,7% RMSE 1,21 μg/m³ 1,1 μg/m³
RMSE O R²
28,67%
25,96%
76,9%
74,36%
Bijlage 2: Het VLOPS-model • 7
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bij de validatie van NH 3 in 2012 gebruikte meetplaatsen en waarden Meetplaats
gekalibreerde meetwaarde modelwaarde modelwaarde (μg/m³) (μg/m³) (μg/m³)
X
Y
Bonheiden
160364
190774
2,29
1,78
2,41
Maasmechelen
237024
183722
2,35
1,70
2,33
Tielt-Winge
186469
181496
1,46
2,13
2,81
Tienen
191242
163735
5,39
2,68
3,03
Aalst
127497
179140
2,89
1,87
2,44
Ieper
49179
168819
7,08
7,78
7,42
Koksijde
30270
202583
2,37
1,64
2,28
Zwevegem
79838
164143
4,55
4,16
4,36
Hechtel-Eksel
219589
200174
1,82
1,95
2,61
Kapellen
158181
226446
2,69
2,51
3,03
Malle
177649
218166
6,69
3,05
3,31
Retie
197815
213657
3,51
3,88
4,17
63482
220489
5,08
4,01
4,20
101995
195333
3,54
3,06
3,45
58205
197064
8,04
9,41
8,98
131436
198950
4,87
4,50
4,64
Wingene
77532
197025
8,52
9,51
8,92
Gontrode
110172
185185
3,47
4,03
4,30
Ravels
198368
231461
4,86
5,38
5,41
Hoeilaart
153068
159480
1,32
1,39
2,18
56612
196069
6,01 4,23
7,34 3,99
7,15 4,26
Blankenberge Gent Torhout Waasmunster
Wijnendale Gemiddelde
Validatie natte deposite Voor de validatie van de natte depositie in 2012 werden de jaargemiddelde gemeten natte deposities van SO x , NO y en NH x gebruikt van de 9 meetplaatsen waarvoor minstens 75% veertiendaagse waarden beschikbaar zijn. Zowel voor SO x als NO y (zie onderstaande figuren en tabel) is er: • geen grote systematische afwijking tussen meet- en modelwaarden, zodat een kalibratie niet nodig is; • een aanvaardbare relatieve onzekerheid, namelijk 22,23% voor SO x en 14,4% voor NO y ; • een lage ruimtelijke correlatie, namelijk 30,94% voor SO x en 2,85% voor NO y . Voor NH x onderschatten de modelwaarden de metingen gemiddeld met 32,37% en is er dus wel een kalibratie nodig. Een onafhankelijke validatie van gekalibreerde modelwaarden is mogelijk door elke modelwaarde te kalibreren met een orthogonale regressie van alle dataparen uitgezonderd deze van de modelwaarde in kwestie. Na kalibratie is er een aanvaardbare relatieve onzekerheid van 11,11%. In tegenstelling tot SO x en NO y is er bij NH x een goede ruimtelijke correlatie, namelijk 85,28% voor kalibratie en 79,45% na kalibratie. Onderstaande tabellen tonen een overzicht van de gebruikte meetplaatsen, hun coördinaten, de meetwaarden, modelwaarden en gekalibreerde modelwaarden.
8 • Bijlage 2: Het VLOPS-model
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Meetwaarden versus modelwaarden voor de natte depositie van SO x in 2012
Meetwaarden versus modelwaarden voor de natte depositie van NO y in 2012
Bijlage 2: Het VLOPS-model • 9
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Orthogonale regressie tussen meet- en modelwaarden voor de natte depositie van NH x in 2012
Meetwaarden versus gekalibreerde modelwaarden voor de natte depositie van NH x in 2012
10 • Bijlage 2: Het VLOPS-model
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Validatieresultaten voor de natte depositie in 2012
-5,42%
2,65%
-32,37%
NH x na kalibratie 2,7%
48,41
30,77
137
45,45
22,23%
14,4%
33,48%
11,11%
30,94%
2,85%
85,28%
79,45%
SO x NMB (%) RMSE (Zeq/(ha.jaar))
RMSE O R²
NO y NH x voor kalibratie
Bij de validatie van de natte depositie SO x in 2012 gebruikte meetplaatsen en waarden meetwaarde modelwaarde Meetplaats X Y (Zeq/(ha.jaar)) (Zeq/(ha.jaar)) Bonheiden 160364 190774 173,96 212 Maasmechelen
237024
183722
206,92
180
Tielt-Winge
186469
181496
168,18
182
Koksijde
30270
202583
306,83
204
Zwevegem
79838
164143
204,47
167
Kapellen
158181
226446
289,39
350
Retie
197815
213657
184,09
200
Gent
101995
195333
205,04
188
77532
197025
221,37
171
Wingene
Bij de validatie van de natte depositie NO y in 2012 gebruikte meetplaatsen en waarden meetwaarde modelwaarde Meetplaats X Y (Zeq/(ha.jaar)) (Zeq/(ha.jaar)) Bonheiden 160364 190774 171,02 231 Maasmechelen
237024
183722
228,64
230
Tielt-Winge
186469
181496
201,54
229
Koksijde
30270
202583
227,74
188
Zwevegem
79838
164143
178,98
197
Kapellen
158181
226446
257,14
253
Retie
197815
213657
209,85
238
Gent
101995
195333
211,94
210
77532
197025
237,11
199
Wingene
Bijlage 2: Het VLOPS-model • 11
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bij de validatie van de natte depositie NH x in 2012 gebruikte meetplaatsen en waarden gekalibreerde meetwaarde modelwaarde Meetplaats X Y modelwaarde (Zeq/(ha.jaar)) (Zeq/(ha.jaar)) (Zeq/(ha.jaar)) Bonheiden 160364 190774 328,32 243 365,93 Maasmechelen
237024
183722
380,72
257
379,71
Tielt-Winge
186469
181496
311,35
241
367,06
Koksijde
30270
202583
369,14
205
282,66
Zwevegem
79838
164143
383,08
253
372,56
Kapellen
158181
226446
444,53
287
421,75
Retie
197815
213657
414,65
294
437,43
Gent
101995
195333
465,67
305
448,42
77532
197025
585,89
406
652,95
Wingene
Samenvatting Voor de concentratie van NH 3 in 2012 is een kalibratie nodig om een systematisch verschil tussen meet- en modelresultaten te corrigeren, maar na kalibratie wordt een aanvaardbare relatieve onzekerheid en ruimtelijke correlatie bekomen. De natte deposities van SO x en NO y in 2012 geven zonder kalibratie aanvaardbare relatieve onzekerheden maar vertonen een lage ruimtelijke correlatie. Voor de natte depositie van NH x in 2012 is er wel een kalibratie nodig, waarna een lage relatieve onzekerheid wordt bekomen en een goede ruimtelijke correlatie.
12 • Bijlage 2: Het VLOPS-model
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bijlage 3: Trends in natte depositie +
Tabel 7: Trend in de natte depositie van NH 4 , NO 3 + Meetplaats NH 4 NO 3 Bonheiden Geen trend Geen trend Gent Geen trend Geen trend Kapellen Geen trend Geen trend Koksijde Geen trend Geen trend Maasmechelen Geen trend -8.0 ± 3.8 Retie -11.9 ± 6.6 (*) -8.5 ± 3.2 Tielt-Winge Geen trend -5.8 ± 2.8 Wingene Geen trend -6.0 ± 2.9 Zwevegem Geen trend -6.6 ± 3.0
-
2-
en SO 4 (Zeq/(ha.jaar)) van 2001 tot 2012 2SO 4 Totaal -19.6 ± 3.6 *** -32.5 ± 11.9 ** -18.8 ± 3.8 *** Geen trend -23.1 ± 4.8 *** -31.9 ± 12.4 * -13.5 ± 4.4 ** Geen trend * -17.3 ± 3.5 *** -27.6 ± 12.3 * ** -23.0 ± 3.6 *** -43.3 ± 12.6 ** * -15.9 ± 2.3 *** -26 ± 8.7 ** * -20.8 ± 3.6 *** -34.6 ± 11.2 ** * -18.7 ± 3.1 *** -31.8 ± 10.4 **
Gemiddeldes ± standaardafwijking van de trends zijn bepaald via GAM-modellen met een lineair veronderstelde trendfactor, die opgesteld zijn op basis van de twee- of vierwekelijkse metingen. Significantieniveaus: (*) P < 0,1; * P < 0,05, ** P < 0,01 en *** P < 0,001.
De onderstaande figuren tonen niet-lineaire trends in de natte verzurende depositie (Figuur 58). Deze figuren tonen per meetplaats: • Punten gebaseerd op twee- of vierwekelijkse metingen, namelijk residuele verschillen tussen de metingen en modelwaarden; • Een geschatte trend: de additieve lange-termijn trend volgens een GAM-model met een nietlineair veronderstelde trendfactor; • Een referentieband (blauw): de zone waarin de trendlijn verwacht wordt als er geen trend is.
Gent
Bonheiden
Referentie band Geen lange termijn trend
100 50
ND N + S (eq/ha/2 weken)
150 100
0
50 0
ND N + S (eq/ha/2 weken)
Referentie band Geen lange termijn trend
2002
2004
2006
2008 Jaar
2010
2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Jaar
Bijlage 3: Trends in natte depositie • 13
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Kapellen
Koksijde 100 80 60 -40
-50
-20
0
0
20
40
ND N + S (eq/ha/2 weken)
100 50
ND N + S (eq/ha/2 weken)
Referentie band Geen lange termijn trend
2002
2004
2006
2008
2010
2002
2012
2004
2006
2008
2010
2012
2010
2012
2010
2012
Jaar
80 60 40 -40
-20
0
0
20
100
ND N + S (eq/ha/2 weken)
Retie
50
ND N + S (eq/ha/2 weken)
Maasmechelen
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2006
Jaar
0
0
50
100 50
100
Wingene ND N + S (eq/ha/2 weken)
Tielt-Winge ND N + S (eq/ha/2 weken)
2008 Jaar
2002
2004
2006
2008
2010
Jaar
14 • Bijlage 3: Trends in natte depositie
2012
2002
2004
2006
2008 Jaar
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
100 50 0
ND N + S (eq/ha/2 weken)
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Jaar
Figuur 58: Niet-lineaire trend in natte verzurende depositie van 2001 tot 2012
Bijlage 3: Trends in natte depositie • 15
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties 3
Tabel 8: Trend in de luchtconcentratie van NH 3 , NO 2 en SO 2 (µg/(m .jaar)) van 2001 tot 2012 Meetplaats NH 3 NO 2 SO 2 Bonheiden Geen trend Geen trend (-0,43 ± 0,05) *** Gent (-0,26 ± 0,06) *** Geen trend (-0,37 ± 0,06) *** Kapellen (-0,16 ± 0,06) * Geen trend (-0,49 ± 0,06) *** Koksijde (-0,24 ± 0,05) *** Geen trend (-0,33 ± 0,04) *** Maasmechelen Geen trend Geen trend (-0,17 ± 0,03) *** Retie (-0,20 ± 0,07) ** Geen trend (-0,23 ± 0,03) *** Tielt-Winge (-0,14 ± 0,05) ** Geen trend (-0,08 ± 0,02) *** Wingene (-0,36 ± 0,09) *** Geen trend (-0,16 ± 0,03) *** Zwevegem (-0,44 ± 0,10) *** Geen trend (-0,28 ± 0,03) *** Gemiddeldes ± standaardafwijking van de trends zijn bepaald via GAM-modellen met een lineair veronderstelde trendfactor, die opgesteld zijn op basis van de twee- of vierwekelijkse metingen. Significantieniveaus: * P < 0,05, ** P < 0,01 en *** P < 0,001. Haakjes wijzen op een niet-lineaire trend volgens een benaderende F-test.
De onderstaande figuren tonen niet-lineaire trends in de luchtconcentratie van NH 3 (Figuur 59), NO 2 (Figuur 60) en SO 2 (Figuur 61). Deze figuren tonen per meetplaats: • punten gebaseerd op twee- of vierwekelijkse metingen, namelijk residuele verschillen tussen de metingen en modelwaarden zonder lange-termijn trend; • een geschatte trend: de additieve lange-termijn trend volgens een GAM-model met een nietlineair veronderstelde trendfactor; • een referentieband (blauw): de zone waarin de trendlijn verwacht wordt als er geen trend is. Bonheiden
10
NH3 (µg/m3)
2 -1
0
0
5
1
NH3 (µg/m3)
3
4
15
Gent
2002
2004
2006
2008
2010
16 • Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties
2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Koksijde
4
NH3 (µg/m3)
2
4 -2
-2
0
0
2
NH3 (µg/m3)
6
6
8
8
Kapellen
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
2010
2012
2008
2010
2012
2008
2010
2012
Retie
4
NH3 (µg/m3)
-2
-2
0
0
2
2
NH3 (µg/m3)
6
4
8
Maasmechelen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
Wingene
5
NH3 (µg/m3)
-5
0
0
5
NH3 (µg/m3)
10
10
15
Tielt-Winge
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2006
Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties • 17
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
5 0
NH3 (µg/m3)
10
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 59: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van NH 3 van 2001 tot 2012 Bonheiden
10
NO2 (µg/m3)
5 -15
-10
-10
-5
0
0
NO2 (µg/m3)
10
20
15
Gent
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2010
2012
2008
2010
2012
15 5
NO2 (µg/m3)
10
10 5
-10
-10
-5
-5
0
0
NO2 (µg/m3)
2008
Koksijde
15
Kapellen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
18 • Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties
2012
2002
2004
2006
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Retie
5
NO2 (µg/m3)
-10
-10
-5
0
0
10
NO2 (µg/m3)
10
20
15
Maasmechelen
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
2010
2012
2008
2010
2012
Wingene
-10
10 -10
-5
-5
0
5
NO2 (µg/m3)
5 0
NO2 (µg/m3)
10
15
15
20
Tielt-Winge
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2010
2012
2002
2004
2006
10 -10
0
NO2 (µg/m3)
20
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
Figuur 60: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van NO 2 van 2001 tot 2012
Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties • 19
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Gent
SO2 (µg/m3)
5
6 4 -2
0
0
2
SO2 (µg/m3)
8
10
10
Bonheiden
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2010
2012
2008
2010
2012
2008
2010
2012
6 4
SO2 (µg/m3)
-2
0
0
2
5
SO2 (µg/m3)
2008
Koksijde
10
Kapellen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
Retie
4
SO2 (µg/m3)
-2
0
0
2
2
4
SO2 (µg/m3)
6
6
8
Maasmechelen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
20 • Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties
2012
2002
2004
2006
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Wingene
2
SO2 (µg/m3)
-1
-1
0
0
1
1
2
SO2 (µg/m3)
3
3
4
4
Tielt-Winge
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2010
2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2 -2
0
SO2 (µg/m3)
4
6
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
Figuur 61: Niet-lineaire trend in de luchtconcentratie van SO 2 van 2001 tot 2012
Bijlage 4: Trends in luchtconcentraties • 21
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Bijlage 5: Trends in totale deposities Tabel 9: Trend in totale verzurende depositie (Zeq/(ha.jaar)) per vegetatietype van 2001 tot 2012 Meetplaats Gras Heide Loofbos Naaldbos Bonheiden -55 ± 20 ** -71 ± 21 ** -56 ± 22 * -62 ± 28 * Gent -101 ± 18 *** -132 ± 21 *** -141 ± 23 *** (-194 ± 33) *** Kapellen -113 ± 21 *** -136 ± 24 *** -126 ± 28 *** -147 ± 39 *** Koksijde -73 ± 16 *** -95 ± 19 *** -96 ± 23 *** -128 ± 33 *** Maasmechelen Geen trend Geen trend Geen trend Geen trend Retie -126 ± 19 *** (-147 ± 22) *** (-151 ± 25) *** (-185 ± 36) *** Tielt-Winge -40 ± 15 ** -47 ± 15 ** -48 ± 17 ** -59 ± 21 ** Wingene -101 ± 19 *** (-129 ± 24) *** (-149 ± 30) *** (-211 ± 46) *** Zwevegem (-130 ± 23) *** (-170 ± 30) *** (-192 ± 36) *** (-273 ± 54) *** Gemiddeldes ± standaardafwijking van de trends zijn bepaald via GAM-modellen met een lineair veronderstelde trendfactor, die opgesteld zijn op basis van de twee- of vierwekelijkse metingen. Significantieniveaus: * P < 0,05, ** P < 0,01 en *** P < 0,001. Haakjes wijzen op een niet-lineaire trend volgens een benaderende F-test.
De onderstaande figuren tonen niet-lineaire trends in de totale verzurende depositie (Figuur 62) en de totale vermestende depositie (Figuur 63), telkens voor gras. Deze figuren tonen per meetplaats: • Punten gebaseerd op twee- of vierwekelijkse metingen, namelijk residuele verschillen tussen de metingen en modelwaarden zonder lange-termijn trend; • Een geschatte trend: de additieve lange-termijn trend volgens een GAM-model met een nietlineair veronderstelde trendfactor; • Een referentieband (blauw): de zone waarin de trendlijn verwacht wordt als er geen trend is.
100
150
Gent
0
50
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
150 100 50 -50
-50
0
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Bonheiden
2002
2004
2006
2008
2010
22 • Bijlage 5: Trends in totale deposities
2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
100 50
50
100
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Koksijde
-50
-50
0
0
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Kapellen
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
2010
2012
2010
2012
2010
2012
-50
80 60 40 -40
-20
0
0
20
100
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Retie
50
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Maasmechelen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
100 50 0
50
100
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Wingene
-50
0
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Tielt-Winge
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2006
2008
Bijlage 5: Trends in totale deposities • 23
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
100 50 -50
0
TD N + S (eq/ha/2 weken) Gras
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 62: Niet-lineaire trend in totale verzurende depositie voor gras van 2001 tot 2012 Tabel 10: Trend in totale vermestende depositie (kg N/(ha.jaar)) per vegetatietype van 2001 tot 2012 Meetplaats Gras Heide Loofbos Naaldbos Bonheiden Geen trend Geen trend Geen trend Geen trend Gent -0,72 ± 0,20 *** -1 ± 0,24 *** (-1,28 ± 0,29) *** (-1,97 ± 0,43) *** Kapellen -0,50 ± 0,23 * -0,62 ± 0,28 * -0,73 ± 0,34 * -1,02 ± 0,51 * Koksijde -0,60 ± 0,17 *** -0,83 ± 0,22 *** -1,05 ± 0,27 *** -1,61 ± 0,40 *** Maasmechelen Geen trend Geen trend Geen trend Geen trend Retie (-0,97 ± 0,22) *** (-1,16 ± 0,27) *** (-1,35 ± 0,32) *** (-1,83 ± 0,48) *** Tielt-Winge -0,54 ± 0,19 ** -0,68 ± 0,23 ** (-0,83 ± 0,28) ** (-1,18 ± 0,40) ** Wingene (-1,16 ± 0,26) *** (-1,53 ± 0,34) *** (-1,91 ± 0,42) *** (-2,86 ± 0,64) *** Zwevegem (-1,35 ± 0,29) *** (-1,79 ± 0,38) *** (-2,23 ± 0,47) *** (-3,32 ± 0,71) *** Gemiddeldes ± standaardafwijking van de trends zijn bepaald via GAM-modellen met een lineair veronderstelde trendfactor, die opgesteld zijn op basis van de twee- of vierwekelijkse metingen. Significantieniveaus: * P < 0,05, ** P < 0,01 en *** P < 0,001. Haakjes wijzen op een niet-lineaire trend volgens een benaderende F-test.
Gent 100 50
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
80 60 40 -20
0
0
20
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
100
Bonheiden
2002
2004
2006
2008
2010
24 • Bijlage 5: Trends in totale deposities
2012
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
Koksijde 100 50
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
60 40 20 -40
-20
0
0
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
80
Kapellen
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
2010
2012
2010
2012
2010
2012
Retie 60 40 20
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
-20
0
0
50
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
100
Maasmechelen
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2008
Wingene
50
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
100
0
50
-50
0
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
15
Tielt-Winge
2006
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2002
2004
2006
2008
Bijlage 5: Trends in totale deposities • 25
Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen – jaarrapport 2012
100 50 0
TD N (eq/ha/2 weken) Gras
Zwevegem
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Figuur 63: Niet-lineaire trend in totale vermestende depositie voor gras van 2001 tot 2012
26 • Bijlage 5: Trends in totale deposities