WERK- EN ZORGTRAJECTEN
Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be
Adviesvraag
Voorontwerp van decreet over de werk- en zorgtrajecten
Adviesvragers
Wouter Beke - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Hilde Crevits - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw
Ontvangst adviesvraag
24 januari 2022
Decretale opdracht
adviesfunctie
Goedkeuring
Intersectorale kamer op 24 februari 2022
Contactpersoon
Annemie Nys
anys@serv.be
Inhoud Advies
4
Situering
4
1.
Algemeen
5
1.1
Proces van evaluatie en bijsturing is positief
5
1.2
Wachten op uitvoeringsbesluiten
5
1.3
Weinig oplossingen voor structurele problemen
6
2.
Werk – en zorgtrajecten
8
2.1
Doelgroep
8
2.2
Onthaaltrajecten
9
2.3
Activeringstrajecten
10
2.4
Arbeidsmatige activiteiten
13
Advies Situering Het decreet over de werk- en zorgtrajecten voorziet in een aanbod voor personen die niet, niet meer of nog niet betaald aan het werk kunnen omwille van medische, mentale, psychische, psychiatrische of sociale problemen (MMPPS). Dit aanbod bevat (1) activeringstrajecten als een voorbereiding op betaald werk, (2) arbeidsmatige activiteiten (AMA) op een continuüm van participatie naar activering en (3) onthaaltrajecten via het Geïntegreerd Breed Onthaal (GBO) om onderbescherming tegen te gaan. Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 formuleerde de ambitie om het aantal werk- en zorgtrajecten uit te breiden in functie van de noodzaak, binnen een welbepaald groeipad. Met dit nieuwe decreet zullen een aantal wijzigingen en verbeteringen worden aangebracht om de uitvoering van de werk- en zorgtrajecten te optimaliseren. Onderzoek in het kader van Viona en binnen het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin heeft deze wijzigingen voorbereid. De Vlaamse Raad WVG (hierna: de raad) ontving een adviesvraag van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding, Wouter Beke en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, Hilde Crevits over dit voorontwerp van decreet over de werk- en zorgtrajecten. Deze adviesvraag is binnen de raad behandeld door de Intersectorale kamer die het voorliggende advies in consensus goedkeurde op 24 februari 2022.
4
1. Algemeen 1.1 Proces van evaluatie en bijsturing is positief De raad is tevreden dat de Vlaamse overheid het decreet van 25 april 2014 houdende de werken zorgtrajecten, op basis van wetenschappelijk onderzoek, evalueert en bijstuurt. Zulk evaluatieproces creëert kansen en mogelijkheden om meer in de richting van de oorspronkelijke doelstelling te komen en de sector-overschrijdende samenwerking tussen welzijn en werk te stimuleren en te faciliteren. Een aantal van de bezorgdheden uit het evaluatieonderzoek zijn correct opgevangen in het voorontwerp van decreet: de procedurele vereenvoudiging, alsook de expliciete aandacht om de gegevensdeling tussen de diverse actoren mogelijk te maken en juridisch te verankeren, zijn zeker positieve evoluties. De raad merkt wel op dat er in het nieuwe decreet geen verwijzing meer wordt gemaakt naar de ‘participatiegraad’ van een deelnemer (artikel 8 in het decreet van 25 april 2014). De argumenten daarvoor staan in de Memorie van Toelichting, maar deze schrapping maakt het moeilijker om te zien welk breder kader de Vlaamse Regering voor ogen heeft met dit geheel aan afzonderlijke maatregelen. Artikel 8 duidde namelijk het globale kader waarbinnen elk van de maatregelen zich situeert. Daarnaast mist de raad ook een expliciete omschrijving van de doelstelling in het decreet, met name ‘komen tot een toegankelijk en inclusief aanbod aan arbeidsmatige activiteiten voor de doelgroep op het continuüm “participatie-activering”, met respect voor de expertise van beide doelstellingen en invalshoeken’. Ook de actieve participatie van de deelnemer in het proces en principes zoals verder bouwen op persoonlijke interesses en krachten van de deelnemers ontbreken momenteel. De raad vindt het belangrijk om deze fundamentele elementen in te schrijven in het decreet. Er blijven ook nog andere structurele uitdagingen en bekommernissen onbeantwoord, waardoor het potentieel van deze herziening (nog) niet ten volle benut wordt. Voor de raad mocht deze decreetwijziging dan ook verder gaan. Hoewel niet alle bekommernissen – die blijken uit de evaluatiestudies – noodzakelijkerwijs een antwoord in dit nieuwe decreet behoeven, vraagt de raad wel dat de Memorie van Toelichting of de toelichtende nota op zijn minst de richting aangeeft: hoe zullen de uitvoeringsmodaliteiten deze bekommernissen ondervangen of welke andere beleidsinitiatieven, buiten dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten om, heeft de minister voor ogen om tegemoet te komen aan de aanbevelingen uit de evaluatieonderzoeken.
1.2 Wachten op uitvoeringsbesluiten Een direct gevolg van het minder gedetailleerd decreet is dat er veel bepalingen nog uitgewerkt moeten worden door de Vlaamse regering. Het is begrijpelijk dat in functie van een flexibele regelgeving niet alles wordt vastgelegd in het decreet, maar de raad begrijpt niet waarom één 5
maatregel (met name de activeringstrajecten) wel uitgebreid verankerd wordt in het decreet terwijl voor de andere twee trajecten maximaal doorverwezen wordt naar de uitvoeringsbesluiten. De raad pleit voor evenwicht in de uitwerking van de verschillende maatregelen met minstens een nauwere omschrijving van de doelgroep, de activiteiten en de werkingsprincipes in het decreet. De raad wenst ook maximaal betrokken te worden bij de uitvoeringsbesluiten om te komen tot een optimale en werkbare concretisering.
1.3 Weinig oplossingen voor structurele problemen De raad kan – op basis van het voorliggende voorontwerp van decreet – te weinig oplossingen terugvinden voor de structurele problemen. Het is daarom erg belangrijk dat de uitvoeringsmodaliteiten het potentieel van deze herziening nog terdege zullen invullen. De raad doelt dan vooral op:
1.3.1
Statuut en uitkering
Zowel met betrekking tot het statuut als de uitkering van de doelgroep blijven er grote bezorgdheden. Het blijft voor de raad cruciaal dat de rechtenopbouw en –bescherming van deze kwetsbare doelgroep gegarandeerd wordt bij deelname aan het aanbod dat binnen het decreet wordt vormgegeven. De raad vindt het zeer positief dat het statuut van de persoon geen voorwaarde vormt om gebruik te kunnen maken van het aanbod dat binnen het decreet wordt vormgegeven. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de VDAB in september 2011 alvast 16.201 niet-werkende werkzoekenden met MMPPS problemen kende, waarvan ruim 65% een advies ‘Welzijn’ kreeg. Deze doelgroep zou in principe beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt, maar via het bemiddelingsadvies ‘Welzijn’ wordt duidelijk aangegeven dat deze personen momenteel niet inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt. Hoewel de doelgroep tijdens de deelname de uitkering of het leefloon behoudt, wordt de degressiviteit van de werkloosheidsuitkering tot op heden niet opgeschort. De raad dringt aan om deze ambigue uitkeringssituatie snel uit te klaren en de dialoog hierover met de federale overheid verder te zetten. Met betrekking tot de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten (sociale economie) stelt de raad vast dat – net als bij een traject tijdelijke werkervaring – betaalde tewerkstelling (al dan niet met ondersteuning) de doelstelling is. Ook in deze gevallen dient het probleem van de degressiviteit van de werkloosheidsvergoeding tijdens de duurtijd van het activeringstraject te worden opgelost. Bijkomend vraagt de raad dat de Vlaamse Regering in samenspraak met de federale overheid een aantal technische aspecten inzake de Dimona-aangifte uitklaart. Tot slot is AMA een onbezoldigd traject, waarbij de doelgroep zelf moet instaan voor eventuele bijkomende kosten zoals kinderopvang of woon-werkverkeer. De raad vraagt daarom een afgelijnd en uniform kader met betrekking tot een onkostenvergoeding voor de deelnemers AMA in functie van een logische opbouw met andere werkplekleerinstrumenten.
6
1.3.2
Afstemming en overgang
De raad stelt vast dat de maatregelen in het voorontwerp van decreet afzonderlijk worden bekeken en gewijzigd, maar dat een totaalvisie ontbreekt die ook de interactie tussen de maatregelen goed duidt en kadert. Op die manier geeft het voorontwerp van decreet geen antwoord op de vraag naar afstemming en continuïteit tussen maatregelen en dienstverlening – zowel naar boven, als naar beneden op de participatieladder.
1.3.3
Perspectief, investering en uitbreiding
Er is onvoldoende aandacht voor het lange termijn perspectief en de duurzaamheid van de trajecten. De deelnemer heeft momenteel geen duidelijkheid over wat er gebeurt na afloop van het traject. Hoe zal de Vlaamse regering zorgen voor terugvalposities voor deelnemers die na het doorlopen van een activeringstraject niet klaar zijn voor het normaal economisch circuit of voor de sociale economie? Of hoe zal zij de overstap naar duurzame tewerkstelling na afloop van een traject (bv. In het geval van een “advies betaalde tewerkstelling normaal economisch circuit”) mogelijk maken? Ook wanneer doorstroom naar betaalde tewerkstelling niet meer mogelijk is, blijft de decreetgever stil over een toekomstperspectief voor de deelnemer. Voor de raad zijn, naast competentieversterking en kwalitatieve begeleiding, voldoende geschikte (werk)plaatsen op elke trede van de participatieladder een conditio sine qua non voor succesvolle werk- en zorgtrajecten. Die plaatsen zijn zowel in de sociale economie, in de reguliere economie als in de andere werk- en zorgtrajecten nodig. In de sociale economie zijn er echter reeds wachtlijsten en ook in de reguliere economie zijn er niet altijd geschikte plaatsen beschikbaar. De raad vraagt dan ook om bij de uitvoering van het decreet werk te maken van bijkomende contingenten binnen de sociale economie, investeringen in bijkomende plaatsen in de trajecten en bijkomende financiering binnen AMA WVG te voorzien. Ook een sterkere focus op inclusie en werkbaar werk binnen het normaal economisch circuit is noodzakelijk om op lange termijn de duurzaamheid van deze trajecten te verzekeren. Er moeten daarnaast ook voldoende garanties worden ingebouwd zodat de deelnemers, ook na de overgangsmaatregelen, een passende ondersteuning en begeleiding krijgen. Hierbij mag geen draaideureffect worden gecreëerd, waardoor de doelgroep nadien snel (opnieuw) in werkloosheid of inactiviteit terechtkomt. Een goede afstemming en vlotte overgang (in beide richtingen) tussen de activeringstrajecten, AMA WVG, AMA WSE, onthaaltrajecten is daarbij van groot belang. Tot slot moet het beleid ook toekomstperspectief kunnen bieden wanneer doorstroom naar betaalde tewerkstelling niet meer mogelijk is.
1.3.4
Samenwerking
Het is erg belangrijk dat de Vlaamse overheid met dit decreet sector-overschrijdend te werk gaat. Gelet op de multiproblematiek waarmee de doelgroep vaak geconfronteerd wordt, is dit immers de enige manier om resultaten te boeken. Toch is het niet duidelijk wat de plaats is van dit voor7
ontwerp van decreet binnen het globale beleid dat de kansen op doorstroming naar andere treden van de participatieladder ondersteunt en dat de latente functies van arbeid ook voor mensen zonder vooruitzicht op doorstroming waarborgt. Het is voor de raad belangrijk dat er linken worden gelegd met beleidsontwikkelingen die quasi dezelfde doelgroep viseren. De raad doelt dan bv. op het decreet ‘Individueel maatwerk’ en de conceptnota ‘Gemeenschapsdienst’ van de Vlaamse regering, maar zeker ook op federale ontwikkelingen (o.a. “terug naar werk” coördinatoren) en internationale wetgeving (o.a. het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap). Ook met de andere Vlaamse beleidsdomeinen mogen sterkere linken worden gelegd. De raad denkt dan bv. aan het departement onderwijs waar voor bepaalde onderwijsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs een quasi naadloze overgang van onderwijs naar werk- en zorgtrajecten mogelijk zou moeten zijn.
1.3.5
Monitoring, kennisontsluiting en evaluatie van het systeem
De raad gaat er van uit dat het voorliggende decreet niet het eindpunt is, maar wenst dat de werk- en zorgtrajecten continu gemonitord en verbeterd zullen worden. Er wordt momenteel verwezen naar de armoedetoets en de betrokkenheid van het Netwerk tegen Armoede bij de verdere uitwerking en evaluatie, maar de raad pleit ervoor om ook een inclusietoets te voorzien (eventueel via NOOZO – de Vlaamse adviesraad Handicap). Het is verder ook van belang dat deze trajecten continu afgestemd worden op de evolutie van de ruimere arbeidsmarkt en dat er voorzien wordt in een eenvoudige manier om kennis en expertise te ontsluiten. Een goede registratie van alle relevante gegevens (inclusief geslacht en leeftijd van de deelnemers in de artikels 25, 26 en 37) is dan ook belangrijk in functie van verder (evaluatie)onderzoek en van het maken van (gebruik)statistieken.
2. Werk – en zorgtrajecten Met betrekking tot de specifieke trajecten geeft de raad volgende bedenkingen mee:
2.1 Doelgroep De ruime definiëring in de Memorie van Toelichting– i.e. “personen voor wie betaalde beroepsarbeid niet, niet meer of nog niet mogelijk is door een of meer belemmeringen van medische, mentale, psychische, psychiatrische of sociale aard, kunnen deelnemen aan werk- en zorgtrajecten” – laat terecht toe om een zeer heterogene doelgroep met complexe problematieken en een grote afstand tot de arbeidsmarkt te vatten. De raad merkt wel op dat de keuze van het woord “mentaal” in de definitie van de doelgroep niet correct is. Het gaat immers over mensen met een verstandelijke handicap.
8
De raad wijst er ook op dat het voorontwerp van decreet de Vlaamse regering het mandaat geeft om de bepalingen van de doelgroep verder in te vullen. Door de procedures van inschatting en beslissing tot deelname voor de onthaaltrajecten en de arbeidsmatige activiteiten nog niet te bepalen, blijft er in de praktijk ruimte om de doelgroep in te perken (zelfs op willekeurige gronden). Voor de raad is het cruciaal dat de volledige gedefinieerde doelgroep maximaal wordt bereikt. Hij dringt er dan ook op aan om oftewel de procedures van inschatting en beslissing tot deelname voor elk traject te voorzien in het decreet, oftewel in de Memorie van Toelichting handvaten aan te reiken over hoe de uitvoeringsmodaliteiten deze procedures zullen bepalen.
2.2 Onthaaltrajecten Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat er in Vlaanderen ongeveer 10.538 niet-werkende werkzoekenden met een bemiddelingsadvies ‘Welzijn’ zijn. Deze mensen hebben MMPPS problemen die maken dat de VDAB van oordeel is dat ze, zelfs mits intensieve begeleiding, niet inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt. De raad is tevreden dat de Vlaamse Regering deze bijzonder kwetsbare doelgroep de nodige ondersteuning op maat wil blijven bieden en dat de pijler “maatschappelijke oriëntatie” vervangen wordt door de onthaaltrajecten. De VDAB en het Geïntegreerd Breed Onthaal (GBO) bundelen via deze trajecten de krachten om onderbescherming van deze doelgroep tegen te gaan en een gepast hulpverleningsaanbod te realiseren. Binnen het voorliggende voorontwerp van decreet wordt de decretale basis gelegd voor de noodzakelijke gegevensuitwisseling tussen de betrokken actoren. Toch heeft de raad een aantal bedenkingen: 1.
De VDAB kan personen met een bemiddelingsadvies ‘Welzijn’ doorverwijzen naar het GBO. Het GBO zal vervolgens op 2 luiken inzetten: (1) op vraagverheldering en rechtenverkenning met aandacht voor het statuut en de uitkering van de persoon en (2) op doorverwijzing naar de gepaste hulpverlening en/of arbeidsmatige activiteiten. De raad erkent de meerwaarde die het GBO heeft met betrekking tot de vraagverheldering en rechtenverkenning en meent dat een goede communicatie tussen beide partners, VDAB en het GBO, hierbij cruciaal is zodat een warme overdracht voor de persoon in kwestie kan gegarandeerd worden. Gelet op de kwetsbaarheid van de doelgroep is het van groot belang dat deelnemers op een continue en afgestemde manier ondersteund worden door de juiste instanties1.
2.
De pilootprojecten van GBO zijn nog in volle ontwikkeling. De raad vraagt om tijdig te evalueren en indien nodig bij te sturen zodat deze kwetsbare groep op optimale ondersteuning kan rekenen.
3.
Een cruciaal element in de onthaaltrajecten is de structurele uitrol van het GBO over heel Vlaanderen. Deze uitrol is voorzien in het kader van het decreet Lokaal Sociaal Beleid en vormt het sluitstuk van deze hervorming. De raad vraagt dan ook aan de Vlaamse overheid om hier verder werk van te maken.
1
Boost, D., Elloukmani, S., Hermans, K. Raeymaeckers, P. (2018). Een beschrijvend en evaluerend onderzoek naar het Geïntegreerd Breed Onthaal. Leuven: Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
9
4.
Het GBO brengt een niet te onderschatten caseload met zich mee voor zowel onthaalmedewerkers als VDAB-medewerkers. De raad onderschrijft dan ook de aanbeveling uit het evaluatieonderzoek2 van het Steunpunt WVG dat er “om de kwaliteit van de dienst- en hulpverlening niet in het gedrang te brengen, [] voldoende middelen [moeten] worden vrijgemaakt zodat de doelstellingen van het GBO ten volle kunnen gerealiseerd worden”.
5.
Het is cruciaal dat op beleidsvlak wordt uitgeklaard hoe het advies niet-toeleidbaar zich verhoudt ten opzichte van arbeidsongeschiktheid.
2.3 Activeringstrajecten Het pakket van werk-, welzijns- en zorgbegeleiding wordt uitgestippeld, gecoördineerd (in samenwerking met de netwerkcoördinator) en opgevolgd door een casemanagement team bestaande uit één casemanager werk en één casemanager zorg. De raad vindt het goed dat de opdrachten aan beide casemanagers samen worden toegewezen en dat beide casemanagers als gelijkwaardig worden beschouwd en als team optreden. De gedeelde verantwoordelijkheid over het gehele traject bevordert de werkelijke samenwerking. Ook het expliciet opnemen van de expertise van deze actoren als uitgangspunt in de mandaat-voorwaarden kan de dienstverlening bijkomend bevorderen. De raad stelt wel vast dat de kracht van de activeringstrajecten deels ligt in de nabijheid en continuïteit die kan geboden worden aan de deelnemers. De beperkte financiering van deze trajecten heeft er in het verleden voor gezorgd dat vooral het engagement en de drive van de betrokken actoren tot succesverhalen hebben geleid. Ook het samenspel van verschillende actoren die flexibel konden inspelen op elkaar om het vooropgestelde traject uit te voeren, heeft bijgedragen tot het succes. De raad vreest dan ook dat drempelverhogende wijzigingen dit engagement negatief kunnen beïnvloeden en formuleert in de volgende secties een aantal bedenkingen met betrekking tot de beperking van de mandaten, het werkingsgebied, de vergoeding en de samenhang tussen deze voorgestelde wijzigingen.
2.3.1
Casemanager Werk en casemanagers Zorg
Het casemanagementteam zal gedurende een vastgestelde termijn een – tot op heden ongedefinieerd – werkingsgebied moeten bedienen. Met betrekking tot de casemanager zorg worden het aantal erkende mandaten beperkt tot drie actoren.
2
Boost, D., Elloukmani, S., Hermans, K. Raeymaeckers, P. (2018). Een beschrijvend en evaluerend onderzoek naar het Geïntegreerd Breed Onthaal. Leuven: Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
10
Met betrekking tot de beperking van het aantal erkende mandaten De raad leest dat “het aantal spelers per werkingsgebied worden beperkt zodat men naar een standvastig en gekend team kan gaan”. Teveel wisselende spelers zou de kwaliteit van dienstverlening niet ten goede komen. De raad vindt het een goede zaak dat men tot een gekend en standvastig team wil komen, maar de beperking van het aantal organisaties die een mandaat kunnen krijgen, leidt voor de raad niet noodzakelijk tot een beperking van het aantal personen die de rol van casemanager opnemen. Een mandaat toekennen aan één organisatie betekent niet dat slechts één medewerker dit mandaat zal opnemen. De mate waarin deze beperking daadwerkelijk tot een beperkter aantal casemanagers zal leiden, hangt sterk af van de definiëring die aan de werkingsgebieden zal worden gegeven (zie volgende sectie). Voor de raad is het ook belangrijk dat er voldoende garanties naar continuïteit van de dienstverlening worden ingebouwd zodat bij uitval van een casemanager zorg niet het gehele traject verloren gaat. Het per definitie beperken van het mandaat tot één medewerker brengt deze continuïteit volgens de raad in het gedrang. De raad vreest daarnaast dat een beperking van het aantal erkende mandaten het risico creëert dat er nieuwe tussenstructuren nodig zullen zijn, die ook de nodige tijdsinvestering voor overleg en afstemming met zich zullen meebrengen. Dit heeft ongetwijfeld een direct gevolg voor de kwaliteit van de trajecten. Tot slot vraagt de raad om consequent te zijn en alle drie de verplichte actoren van het GBO, dus ook de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, in deze trajecten te vermelden. De diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen verliezen in dit voorontwerp hun rol van casemanager zorg, terwijl hun opname als mogelijk eerste actor geen numerieke uitbreiding van het team betekent. Het kan perfect dat per werkingsgebied de drie actoren onderling afspreken wie de rol van casemanager zorg opneemt. Zowel numeriek als naar standvastigheid van het team dat de activeringstrajecten begeleidt, maakt dit geen verschil. Het geeft de actoren wel de flexibiliteit om in onderling overleg de meest haalbare oplossing uit te werken. Met betrekking tot de werkingsgebieden Artikels 13, 14 en 18 van het decreet stellen dat de Vlaamse Regering zal bepalen wat onder werkingsgebied van respectievelijk de casemanager werk, de casemanager zorg en netwerkcoördinatoren zal worden verstaan. Dit laat theoretisch de mogelijkheid open dat de Vlaamse regering een andere invulling geeft aan het werkingsgebied voor de casemanager zorg, de casemanager werk en/of het netwerk, wat geenszins leidt tot een efficiënte werking aangezien zij moeten optreden als team dan wel in nauwe samenwerking met een netwerk om de trajecten te realiseren. De raad pleit dan ook voor één gemeenschappelijke definiëring. Daarnaast is het tot op heden ook onduidelijk op welke schaalgrootte de Vlaamse Regering mikt om de activeringstrajecten te realiseren. De keuze van schaalgrootte heeft echter verstrekkende gevolgen aangezien (1) elke actor het volledige werkingsgebied moet dekken en het mandaat van 11
casemanager zorg per werkingsgebied wordt toegekend aan slechts 1 CAW/OCMW, 1 VAPH-voorziening en 1 GGZ-voorziening. Indien men een werkingsgebied afbakent op niveau van een referentieregio of regionale zorgzone, dan stelt de raad vast dat er vandaag geen VAPH-voorzieningen noch GGZ-voorzieningen actief zijn die het hele gebied kunnen dekken. Het kan niet de bedoeling zijn om deelnemers te verplichten zich te verplaatsen naar één centraal punt in het werkingsgebied. De nabijheid en continuïteit van de dienstverlening is namelijk cruciaal in deze trajecten en dit vereist dan ook werkingsgebieden die niet te groot zijn. Het beperken tot 1 VAPHen 1 GGZ-voorziening is dan ook onhaalbaar tenzij men samenwerkingsverbanden toelaat, die dan wel gebiedsdekkend zijn. Dit geldt eveneens voor de OCMW’s waar ook zulke samenwerkingsverbanden mogelijk zouden moeten zijn. Inzetten op een efficiëntere werking van het casemanagementteam is belangrijk, maar er mag niet voorbij worden gegaan aan de realiteit van het werkveld en het draagvlak van de betrokken actoren. De werkingsgebieden mogen geen kunstmatige grenzen aannemen. Om te verzekeren dat er voldoende draagvlak en engagement is, pleit de raad ervoor om in samenspraak met het werkveld te komen tot een werkbare en efficiënte definiëring van de werkingsgebieden. Met betrekking tot de vergoeding De raad pleit bij de verdere uitvoering voor een compensatievergoeding die voldoende hoog is om de gemaakte kosten te dekken, rekening houdende met de gevraagde expertise. Het kan geenszins de bedoeling zijn dat actoren moeten bijpassen vanuit hun reguliere toeleiding-/begeleidingsfinanciering om deze bijkomende opdrachten als casemanager op te nemen. Daarnaast vraagt de raad ook om, in functie van continuïteit van begeleiding, en gelet op de variabele aanwezigheid van de doelgroep, de vergoedingen persoonsvolgend en niet per actie uit te werken.
2.3.2
Netwerkcoördinator en netwerk van dienstverleners
Met betrekking tot het netwerk In de Memorie van Toelichting leest de raad dat er in het netwerk aan dienstverleners een aantal aanpassingen en verbeteringen worden doorgevoerd bij de verplichte samenstelling van het netwerk. De organisaties die niet langer een verplichte partner in het netwerk zijn, kunnen wel ad hoc bij bepaalde acties in het activeringstraject of structureel binnen het netwerk worden opgenomen. De raad meent dat het consequenter zou zijn om ook hier de drie actoren die aan elkaar verbonden zijn in het GBO als verplichte partner in het netwerk van dienstverleners op te nemen, en dus ook de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen aan artikel 18 toe te voegen. Hij geeft ook mee dat de in de Memorie van Toelichting (p.26) aangehaalde argumentatie voor de schrapping van de centra ambulante revalidatie (“CAR worden niet langer vermeld … gelet op de dienstverlening die ze aanbieden”) in tegenspraak is met de correcte vermelding dat niet verplichte partners ad hoc bepaalde acties in het activeringstraject kunnen opnemen als dat om specifieke 12
redenen nodig is. Het is voor de raad namelijk zeer belangrijk – in functie van het maximaal inzetten van beschikbare expertise in trajecten – dat de blik steeds open wordt gehouden om alle beschikbare partners te kunnen betrekken wanneer en indien nodig. Dit moet een blijvend aandachtspunt en reflex zijn voor alle netwerken van dienstverleners die zullen ontstaan. Met betrekking tot de vergoeding De compensatievergoeding moet voldoende zijn om de gemaakte kosten te dekken, rekening houdende met zowel de uitvoering van de coördinatierol als de uitvoering van onderdelen van het individueel trajectplan door de dienstverleners. Het kan geenszins de bedoeling zijn dat de netwerkcoördinator of de dienstverleners moeten bijpassen vanuit hun reguliere toeleiding/begeleidingsfinanciering om deze bijkomende opdrachten op te nemen.
2.4 Arbeidsmatige activiteiten De Memorie van Toelichting vermeldt op p. 2 dat de maatregelen ontwikkeld worden om ‘personen [te] ondersteunen in de optimale participatie aan de samenleving, indien mogelijk ook naar participatie op de arbeidsmarkt’. Dit impliceert dat ook personen die omwille van hun MMPPS problemen verhinderd zijn om – met of zonder ondersteuning – betaald werk te vinden, binnen de doelgroep van het decreet vallen. De raad gaat er van uit dat deze mensen binnen de arbeidsmatige activiteiten een aanbod zullen krijgen, maar stelt vast dat het voorontwerp van decreet hierover geen duidelijkheid biedt. In tegenstelling tot de activeringstrajecten, wordt er geen enkel basisuitgangspunt beschreven over de arbeidsmatige activiteiten. Er wordt enkel gesteld dat de bevoegde ministers de regelgeving inzake de doelgroep, de activiteiten, de subsidiëring en de rapportering nader bepalen. De raad pleit voor een evenwichtige uitwerking van de drie trajecten in het decreet en minstens een nauwere omschrijving van de doelgroep, de activiteiten en de werkingsprincipes te voorzien. Meer overleg tussen het beleidsdomein WSE en het beleidsdomein WVG over een geïntegreerd kader voor de arbeidsmatige activiteiten in beide domeinen is daarbij noodzakelijk. Art 31 stelt verder dat de “ De Vlaamse regering […] de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden [bepaalt]”. De raad vraagt om voorafgaand aan het BVR te onderzoeken of er in de praktijk met de voorziene budgetten vanuit het beleidsdomein WVG voldoende begeleiding kan worden voorzien bij de arbeidsmatige activiteiten binnen WVG. De raad meent dat het nodig is om tot één afgestemde regelgeving en een volwaardige, op de voorziene taken afgestemde financiering van AMA te komen. De subsidie moet voldoende hoog zijn om de bijkomende opdrachten die begeleiders opnemen, te financieren, en moet – in tegenstelling tot het decreet van 2014 – ook aandacht hebben voor de daadwerkelijke begeleiding op de werkvloer. De financiering moet hierbij maximaal naar dienstverlening gaan en minimaal naar het vervullen van administratieve bepalingen. De raad hoopt dat deze extra financiering de mogelijkheid van inclusieve trajecten op externe werkposten zal faciliteren en rekent erop dat ze hand in hand zal gaan met een beleid dat organisaties in profit en non-profit ondersteunt als externe werkpost voor arbeidsmatige activiteiten.
13