1
RAAD VOOR BETWISTINGEN INZAKE STUDIEVOORTGANGSBESLISSINGEN
JAARVERSLAG Verslag over de werkzaamheden 2010
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
2
Inhoudstafel Inhoudstafel .............................................................................................................. 2 1. Inleidende beschouwingen ............................................................................... 3 1.1 Inleiding............................................................................................................. 3 1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding............................................................................ 3 1.3. Secretariaat ...................................................................................................... 7 2. Samenstelling van de Raad .............................................................................. 8 3. Statistische gegevens en toelichting............................................................... 9 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen ................................................................... 9 3.2. Verzoekende partijen................................................................................... 11 3.3. Voorwerp van het verzoekschrift ................................................................. 15 3.4. Uitspraken ................................................................................................... 17 3.5. Bijstand door een raadsman ........................................................................ 21 3.6. Schorsing der werkzaamheden ................................................................... 22 3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen ............................................................. 23 4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad .............................. 24 4.1. Ontvankelijkheid ............................................................................................. 24 4.1.1. Vormvereisten ............................................................................................. 24 4.1.2. De bevoegdheid van de Raad. .................................................................... 26 4.1.3. Een onregelmatig ingesteld intern beroep................................................... 28 4.1.4. Een onregelmatig ingesteld extern beroep .................................................. 31 4.1.5. Een gebrek aan belang ............................................................................... 35 4.1.6. De afstand van beroep – zonder voorwerp ................................................. 35 4.1.7. Voorwerp van het beroep ............................................................................ 36 4.1.8. De schending van het gezag van gewijsde ................................................. 39 4.2. Gegrondheid ................................................................................................ 40 4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing .................................................... 42 4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing ............................................ 64 4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling .................... 71 4.2.4. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking ................................................................................ 72 4.2.5. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakelprogramma en /of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgelegd ................................ 76 4.2.6. Het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich niet eerder heeft ingeschreven ................................................................... 77 4.2.7. Beroepen in verband met leerkrediet .................................................... 77 4.3. Cassatieberoep bij de Raad van State ..................................................... 81 4.4. Opvolging door de instellingen ................................................................ 88
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
3
1. Inleidende beschouwingen 1.1 Inleiding 1. Voorliggend document brengt verslag uit over de werking van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen1 gedurende het jaar 2010, het zesde werkjaar van de Raad. In dit verslag worden de zaken die ingeleid werden tijdens het werkjaar 2010 toegelicht. Tijdens het werkjaar 2010 werden 149 zaken ingeleid. Na behandeling van de zaken worden de uitspraken, zoals decretaal bepaald, geanonimiseerd gepubliceerd op de website van de Raad met aanduiding van het rolnummer. De besluiten waarnaar in voorliggend verslag worden verwezen, zijn dan ook te raadplegen op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/. Daarnaast wordt ook het jaarverslag op deze website gepubliceerd. 2. Het jaarverslag is opgebouwd uit vijf verschillende hoofdstukken. Het eerste inleidende hoofdstuk informeert over de reeds doorgevoerde bevoegdheidsuitbreiding van de Raad (1.2.) en de werking van het secretariaat (1.3.). Het tweede hoofdstuk behandelt de samenstelling van de Raad. Het derde hoofdstuk verstrekt statistische gegevens over de Raad met de nodige bijhorende toelichting. Het vierde hoofdstuk gaat ten slotte dieper in op ontvankelijkheid en de gegrondheid de besluiten van de Raad zelf. Het laatste hoofdstuk betreft de opvolging door de instellingen en de aanbevelingen van de Raad.
1.2. Bevoegdheid en –uitbreiding 3. Krachtens artikel II.1, 15°bis van het Aanvullingsdecreet2 kan de Raad uitspraak doen over betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De volgende studievoortgangsbeslissingen kunnen derhalve voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad: a) een examenbeslissing, dit is elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel;
1
Hierna Raad genoemd. Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 2
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
4 b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten; c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven; d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet3. g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven4. Eerder oordeelde de Raad van State5 al dat de Raad tevens bevoegd is ten aanzien van betwistingen over beslissingen op grond van artikel 51 van het Flexibliseringsdecreet. De Raad van State oordeelde dat de vraag tot rechtstreekse diplomering kan gezien worden als een examenbetwisting in de ruime zin van het woord. 4. Daarnaast kan de Raad krachtens artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet vanaf het academiejaar 2008-2009 eveneens uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het Structuurdecreet6. Artikel 113quater van het Structuurdecreet bepaalt dat de hoger onderwijsinstellingen en de stuurgroep een procedure moeten opstellen betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die de grondslag vormen voor een studievoortgangsbeslissing, een weigering tot inschrijving als vermeld in artikel 48 van het Financieringsdecreet7, of de vaststelling, vermeerdering of vermindering van het leerkrediet. Artikel 48 van het Financieringsdecreet stelt dan weer dat een hogeschool of universiteit de inschrijving van een student kan weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul. 3
Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, B.S. 12 oktober 2004. 4 Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009. 5 R.v.St. nr. 200.012 van 26 januari 2010. 6 Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 14 augustus 2003. 7 Decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, B.S. 26 juni 2008.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
5 Daarop bestaat een uitzondering: een instelling kan een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in de artikelen 11 tot en met 13 van het Flexibiliseringsdecreet, en nog niet eerder een masterdiploma behaalde. Ook in deze geschillen beoordeelt de Raad of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenreglementen. Naar het oordeel van de Raad moesten de relevante bepalingen van het Financieringsdecreet zo begrepen worden, dat de decreetgever niet gewild heeft dat een student zijn leerkrediet geheel of gedeeltelijk verliest wanneer hij ten gevolge van overmacht in de onmogelijkheid verkeerde zijn door de decreetgever gewilde verantwoordelijkheid op te nemen. De Raad verklaarde zich dan ook bevoegd om over dergelijke betwistingen te oordelen: “…De bevoegdheid van de Raad om kennis te nemen van betwistingen over het leerkrediet is bepaald in artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet, zoals ingevoegd door artikel 72 van het Financieringsdecreet van 14 maart 2008. De bevoegdheid van de Raad in deze aangelegenheid wordt in artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet omschreven als volgt: “ De Raad beoordeelt of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenregelingen. Naar het oordeel van de Raad moeten de relevante bepalingen van het Financieringsdecreet zo begrepen worden, dat de decreetgever niet gewild heeft dat een student zijn leerkrediet geheel of gedeeltelijk verliest wanneer hij ten gevolge van overmacht in de onmogelijkheid verkeerde zijn door de decreetgever gewilde verantwoordelijkheid op te nemen…”8 Echter, conform de bepalingen van Onderwijsdecreet XX, werd de bevoegdheid van de Raad inzake leerkrediet en overmacht duidelijk afgelijnd en dit vanaf 1 september 2010. Aan artikel 147 van het Financieringsdecreet werd een derde paragraaf toegevoegd: “§3. Een student die meent zich te bevinden in een overmachtsituatie, waardoor hij niet kan of kon deelnemen aan alle of een gedeelte van de examens voor de opleidingsonderdelen waarvoor hij in een academiejaar studiepunten opgenomen heeft, en waardoor hij meent in aanmerking te komen voor een wijziging van de stand van zijn leerkrediet, moet in eerste instantie een beroep doen op de maatregelen die voorzien zijn in de examenregeling van zijn instelling in uitvoering van artikel 78, 11°, van het Structuurdecreet. Als de instelling tot het besluit komt dat het onmogelijk is om tot een regeling te komen die niet bij voorbaat tot een verlies van leerkrediet leidt, dan maakt de instelling op verzoek van de student haar besluit, met de nodige overtuigingsstukken,
8
Besluit R.Stvb. nr. 2010-021.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
6 binnen een termijn van 15 kalenderdagen, over aan de Vlaamse Regering. Deze termijn gaat in op de dag na deze waarop de instelling tot haar besluit is gekomen. De Vlaamse Regering neemt binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen na de dag van ontvangst van het besluit een beslissing over het dossier. Als de Vlaamse Regering concludeert dat de student zich inderdaad in een situatie van overmacht bevond en het in het tweede lid bedoelde besluit van de instelling geheel of gedeeltelijk gegrond is, beslist de Vlaamse Regering om de studiepunten verbonden aan de opleidingsonderdelen waarvoor geen gepaste regeling mogelijk blijkt, opnieuw toe te voegen aan het leerkrediet van de student. De instelling kan in geen enkel geval eigenmachtig en zonder beslissing van de Vlaamse Regering de stand van het leerkrediet van een student wijzigen omwille van een overmachtsituatie.” De Raad is derhalve op dit moment niet bevoegd om te oordelen over geschillen inzake leerkrediet en de overmacht. Maar een wijziging is op komst: op 8 maart 2011 keurde de Vlaamse Regering principieel het Voorontwerp van decreet betreffende het Onderwijs XXI goed. In dit voorontwerp wordt een nieuwe bevoegdheidsuitbreiding voor de Raad uiteengezet. Studenten die wegens overmacht niet kunnen deelnemen aan examens en waarvoor de instelling om organisatorische redenen ook geen nieuwe examenregeling kan opstellen, verliezen op dit moment hun leerkrediet. Daarom is het nodig om in een procedure te voorzien zodat de studenten die in zo’n situatie verkeren hun leerkrediet terugkrijgen voor de opleidingsonderdelen waarover ze geen examen konden afleggen wegens een overmachtsituatie. De Raad zal dus over deze overmachtdossiers een uitspraak kunnen doen. Ook volgende beslissingen zouden onder de bevoegdheid van de Raad vallen: - een beslissing van een instellingsbestuur over de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma genomen in toepassing van artikel 69 § 3 van het Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; - een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma hoger onderwijs genomen krachten artikel 88 van het Structuurdecreet. 5. Onderwijs XXI zal tevens verduidelijken of een student dient ingeschreven te zijn om toegang te hebben tot de Raad. Op grond van artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet kan de student bij de Raad een beroep instellen waarbij ‘student’ wordt omschreven als ‘de persoon ingeschreven in een instelling’. Echter, door de inschrijving als voorwaarde te stellen kunnen de personen die niet ingeschreven zijn bij een hoger onderwijsinstelling zich niet richten tot de Raad. De Raad heeft zich in het werkjaar 2010 moeten onbevoegd verklaren omdat iemand - die niet ingeschreven was in de hoger onderwijsinstelling – een verzoek indiende bij de hoger onderwijsinstelling om vrijstellingen te verlenen op grond van eerder verworven kwalificaties9: “Uit artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet van 19 maart 2004 volgt dat de Raad bevoegd is om kennis te nemen van beroepen van studenten. Datzelfde 9
R. Stvb. nr. 2010/061.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
7 decreet omschrijft in artikel II.1, 15° een student als “de persoon ingeschreven in een instelling”. Vermits de verzoekende partij ten tijde dat de door haar bestreden beslissing werd genomen, geen student was van de verwerende partij, is de Raad niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen. “ Het Voorontwerp van decreet betreffende het Onderwijsdecreet XXI omschrijft het begrip ‘student’ nader: personen die op grond van EVK’s of een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling vragen of personen die een aanvraag doen voor het volgen van een schakel- of voorbereidingsprogramma. Dit zijn personen die niet ingeschreven zijn aan een hoger onderwijsinstelling maar toch toegang moeten krijgen tot de Raad aangezien deze beslissingen wel degelijk een invloed hebben op de studievoortgang van deze studenten. Deze personen zouden wel maar één keer een beroep kunnen instellen bij de Raad ingeval ze in een periode van vier jaar een aanvraag met dezelfde of vergelijkbare strekking hebben ingediend bij meerdere instellingen. Een dergelijk beroep dat een tweede keer is ingesteld, zou dan als onontvankelijk beschouwd worden. Niet alleen breiden de bevoegdheden van de Raad uit, maar ook de toegang tot de Raad kent een ruimere omschrijving.
1.3. Secretariaat 6. Karla Van Lint en Sandrine Killemaes (vanaf 1 maart) waren in 2010 aangesteld als secretarissen van de Raad. Het secretariaat werd praktisch ondersteund door Patricia Coekaerts. 7. Naast de eigenlijke ondersteuning van de Raad kreeg het secretariaat het afgelopen werkjaar eveneens verschillende informatievragen te verwerken via de telefoon of via elektronische weg. Dit jaar waren er heel wat vragen over de weigering tot inschrijving van de student. Ook vragen over de procedure en de kans op slagen werden vaak gesteld. De student weet soms niet hoe een verzoekschrift op te stellen en vraagt raad. Studenten vinden ook heel wat informatie op de site van de Raad.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
8
2. Samenstelling van de Raad 8.
Tijdens het werkjaar 2010 kende de Raad volgende samenstelling:
Voorzitter:
de heer Marc Boes
Plaatsvervangend Voorzitter:
de heer Jean Dujardin en mevrouw Kaat Leus
Werkend bijzitter:
de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans
Plaatsvervangend bijzitter:
mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens de heer Dani ël Cuypers
9. De samenstelling van een welbepaalde zitting - een voorzitter en twee bijzitters - wordt samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden van de Raad. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling, zetelt laatstgenoemde niet wanneer deze instelling één van de betrokken partijen is.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
9
3. Statistische gegevens en toelichting 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen 10. In het werkjaar 2010 heeft de Raad 149 verzoekschriften ontvangen en geregistreerd. De maanden juli, september en oktober waren de uitschieters met respectievelijk 45, 17 en 54. In tegenstelling tot vorig jaar bleef het tijdens de maanden april en november relatief rustig.
Aantal ingediende verzoekschriften per maand 54 45
17 9
8
6
de ce m be r
no ve m be r
ok to be r
se pt em be r
1
0 au gu st us
m ei
ap ril
m aa rt
0
ju li
3
ju ni
4
fe br ua ri
ja nu ar
i
2
11. Net zoals in het werkjaar 2009 kan ook dit jaar een groei van het aantal verzoekschriften vastgesteld worden. Deze groei is niet zo uitgesproken als in 2009 doch een stijgende lijn is opnieuw vast te stellen. Overzicht van het aantal verzoekschriften over de periode 2005-2010 160 140 120 100 80 60 40 20 0 aantal
2005
2006
2007
2008
2009
2010
48
43
89
77
130
149
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
10 12. De Raad behandelde in 2010 156 zaken in 28 zittingsdagen. Aangezien de Raad in 2009 124 dossiers behandelde in 33 zittingsdagen behandelde de Raad derhalve meer dossiers in minder zittingsdagen. Aangezien er ook meer verzoekschriften werden ingesteld dan vorig werkjaar, werden met het oog op een vlotte praktische organisatie meer zaken op één zitting geplaatst. In het begin van het werkjaar 2010 stonden nog zeven zaken van het werkjaar 2009 op de agenda. Aantal zittingsdagen en behandelde verzoekschriften per zittingsdag zittingsdag maandag 11 januari 2010 woensdag 3 februari 2010 woensdag 3 maart 2010 woensdag 17 maart 2010 donderdag 25 maart 2010 woensdag 12 mei 2010 donderdag 3 juni 2010 donderdag 22 juli 2010 donderdag 29 juli 2010 donderdag 5 augustus 2010 donderdag 12 augustus 2010 maandag 16 augustus 2010
rolnummers 2009/125, 126, 127, 128 en 129 2009/035, 130 en 2010/001 2010/002, 003 en 005 2010/004 en 006 2010/007, 008, 009, 010 en 011 2010/012, 013 2010/015 en 016 2010/017, 021 en 023 2010/028, 029, 031, 032 en 033 2010/036, 037, 041, 044 en 046 2010/014, 018, 025, 026, 030, 034 en 035 2010/024, 027, 039, 043, 047, 051, 053, 058 en 060 2010/022, 038, 040, 045, 048, 049, 050, 054, 057, donderdag 19 augustus 2010 059 en 061 donderdag 26 augustus 2010 2010/042, 052, 055 en 062 maandag 20 september 2010 2010/056, 063, 065 en 067 donderdag 30 september 2010 2010/064 vrijdag 1 oktober 2010 2010/019, 020, 068, 069, 070 en 071 vrijdag 22 oktober 2010 2010/072, 073, 076, 079, 080 en 090 woensdag 27 oktober 2010 2010/077, 086, 087 en 097 2010/078, 081, 082, 083, 084, 088, 089, 092, 094 en vrijdag 29 oktober 2010 095 donderdag 4 november 2010 2010/085, 091, 093, 098, 099 en 100 dinsdag 9 november 2010 2010/096 en 129 donderdag 18 november 2010 2010/075, 103, 105, 106, 107 en 109 woensdag 24 november 2010 2010/074, 101, 102, 104 en 110 2010/116, 113, 117, 118, 120, 121, 122, 123, 124, woensdag 1 december 2010 125 en 126 maandag 6 december 2010 2010/112, 114, 115, 119, 127, 128, 133, 135 en 139 2010/108, 111, 130, 131, 132, 134, 136, 137, 138, donderdag 9 december 2010 140, 141, 144, 142, 143, 145 en 146 en 147 woensdag 22 december 2010 2010/148, 149 en 150 28 zittingsdagen in 2010
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
aantal zaken 5 3 3 2 5 2 2 3 5 5 7 9 11 4 4 1 6 6 4 10 6 2 6 5 11 9 17 3 156
11
3.2. Verzoekende partijen 13. In 2010 hebben 125 studenten een verzoekschrift ingediend. Drie studenten hebben daarbij drie verzoekschriften ingediend en 18 studenten dienden twee verzoekschriften in. Dit betekent dat de student zich niet kan neerleggen bij het nieuw besluit van de instelling die werd genomen ter opvolging van het besluit van de Raad. Het is niet uitzonderlijk dat in deze gevallen de Raad de initiële beslissing van de instelling vernietigde op grond van de schending van het motiveringsbeginsel. De hoger onderwijsinstelling geeft bij haar nieuw genomen beslissing dan ook extra aandacht aan deze motivering zodat in se geen echte nieuwe beslissing wordt genomen maar wel beter wordt gemotiveerd. De verzoekschriften van drie studenten die drie verzoekschriften hebben ingediend, hebben niet altijd de toets van de ontvankelijkheid doorstaan. Een niet-ondertekend verzoekschrift, een niet tijdig ingesteld beroep bij de Raad, het niet instellen van een intern beroep hebben ertoe geleid dat de verzoekschriften onontvankelijk werden verklaard. Onderstaande tabel geeft een overzicht weer van de verzoekschriften die in 2010 werden ingediend door éénzelfde student. Telkens wordt verduidelijkt wat de opeenvolgende besluiten van de Raad waren.
rolnummers
beslissingen
1 002 - 003 - 005
driemaal niet gegrond
2 094 - 142 - 143
tweemaal onontvankelijk - éénmaal niet gegrond
3 107 - 141 - 144
éénmaal zonder voorwerp - tweemaal onontvankelijk
4 034 - 069
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
5 113 - 117
tweemaal niet gegrond
6 096 - 129
éénmaal gegrond- éénmaal onontvankelijk
7 072 - 147
tweemaal gegrond
8 017 - 053
éénmaal zonder voorwerp - éénmaal ongegrond
9 056 - 095
tweemaal gegrond
10 030 - 068
tweemaal gegrond
11 028 - 063
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
12 148 - 149
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
13 062 - 070
tweemaal gegrond
14 007 - 014
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
15 102 - 110
tweemaal niet gegrond
16 031 - 061
tweemaal onontvankelijk
17 019 - 109
éénmaal gegrond - éénmaal deels gegrond
18 040 - 067
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
19 023 - 064
éénmaal gegrond - éénmaal niet gegrond
20 059 - 074
tweemaal gegrond
21 039 - 071
éénmaal zonder voorwerp - éénmaal gegrond -
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
12 14. In 2010 werden 73 verzoekschriften ingediend door mannen (49 %) en 76 verzoekschriften door vrouwen (51 %). In 2009 lag de meerderheid nog bij de mannelijke studenten.
Verdeling man-vrouw
Man 49% Vrouw 51%
15. Geografisch gezien komen net als vorig jaar de meeste verzoekschriften uit de provincie Antwerpen. Een merkbare daling van de verzoekschriften is vast te stellen in de provincies West-Vlaanderen en Limburg terwijl zich een stijging in de provincie Oost-Vlaanderen voordoet.
Aantal verzoekschriften per provincie woonplaats student 60 50 40 30 20 10 0
A antal
A ntwerpen
B russels Ho o fdstedelijk gewest
West-Vlaanderen
Limburg
Oo st-Vlaanderen
Vlaams-B rabant
buitenland
55
5
10
6
49
23
1
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
13 16. Een merkbare evolutie is vast te stellen bij de verhouding verzoekschriften hogescholen (99 verzoekschriften) – universiteiten (50 verzoekschriften). Terwijl in 2009 de verhouding hogescholen-universiteiten nog ongeveer gelijklopend was, is nu wel duidelijk vast te stellen dat het merendeel van de studenten afkomstig is van een hogeschool. Terwijl de universiteiten in 2009 nog een hap van 47 % vertegenwoordigde was dat in 2010 nog maar 34 %.
Verhouding hogescholen - universiteiten
Universiteit 34%
Hogeschool 66%
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2010. De stijging blijft toenemen vanuit de hogescholen terwijl een daling kan vastgesteld worden vanuit de universiteiten. Overzicht van het aantal verzoekschriften ingediend door hogeschool- of universiteitsstudenten over de periode 2005-2010
120 100 80 60 40 20 0
hogescholen
universiteiten
2005
35
13
2006
33
10
2007
58
31
2008
51
25
2009
69
61
2010
99
50
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
14 17. In vergelijking met vorig werkjaar zijn er toch meer studiegebieden aan bod gekomen. Voor de hogescholen kwam er biotechniek bij terwijl er bij de universiteiten een groot aantal nieuwe studiegebieden zijn zoals archeologie en kunstwetenschappen, Taal- en letterkunde, Tandheelkunde, Wijsbegeerte en moraalwetenschappen. Overzicht verzoekschriften per studiegebied
studiegebied Hogeschool Architectuur
Audiovisuele en beeldende kunst
Biotechniek Gezondheidszorg
Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie
Onderwijs Productontwikkeling Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Sociaal-agogisch werk Zonder specifiek studiegebied
Universiteit Archeologie en kunstwetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Biomedische wetenschappen Diergeneeskunde Economische en toegepaste economische wetenschappen
Farmaceutische wetenschappen Gecombineerde studiegebieden Geneeskunde
Geschiedenis Politieke en sociale wetenschappen
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
soort opleiding
aantal
Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Bachelor na bachelor Master Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Master Toelatingsproef Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Bachelor na bachelor Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Schakelprogramma Professioneel gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Professioneel gerichte bachelor Cursus Professioneel gerichte bachelor Postgraduaat
1 6 1 3 7 1 5 1 1 1 9 1 1 23 1 2 4 1 2 11 1 1 12 1 1 1
Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 2e cyclus (afbouw) Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Basisopleiding 2e cyclus (afbouw) Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Master Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Master Academisch gerichte bachelor Specifieke lerarenopleiding Academisch gerichte bachelor
3 1 1 1 3 1 2 1 4 1 1 1 1 3 2 1
15
Psychologie en pedagogische wetenschappen
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Sociale gezondheidswetenschappen Taal- en letterkunde Tandheelkunde Toegepaste wetenschappen Wetenschappen Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
Master Academisch gerichte bachelor Master Schakelprogramma Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Schakelprogramma Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor/master Academisch gerichte bachelor Academisch gerichte bachelor Master
Net als vorig werkjaar zijn er bij de hogescholen uitschieters bij de professionele bacheloropleidingen Onderwijs en de Handelswetenschappen en bedrijfskunde. De stage zal daar niet vreemd aan zijn. Nieuw is wel dat er heel wat verzoekschriften werden ingesteld met betrekking tot beslissingen die genomen werden in het studiegebied Sociaal-agogisch werk waar de Beroepspraktijk een belangrijk opleidingsonderdeel van is. Voor de universiteiten blijft het studiegebied Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen problematisch en dan vooral in de academisch gerichte bachelor.
3.3. Voorwerp van het verzoekschrift 18. Net als vorig werkjaar blijft de daling van het aantal verzoekschriften rond stage zich voortzetten. Echter, een markante stijging doet zich voor bij de praktijk en het proefschrift en de volledige opleiding. De betwistingen rond de theoretische opleidingsonderdelen zijn dan weer afgenomen in tegenstelling tot vorig jaar waar een boost van verzoekschriften was waar te nemen. In het werkjaar 2010 heeft de Raad de eerste verzoekschriften met betrekking tot het leerkrediet en de overmachtsituatie geregistreerd. Heden is de Raad niet meer bevoegd voor dergelijke betwistingen doch zoals reeds vermeld zal Onderwijsdecreet XXI deze bevoegdheid exclusief aan de Raad toekennen. Aantal verzoekschriften per soort opleidingsonderdeel soort opleidingsonderdeel praktijk proefschrift stage theorie theorie + stage theorie + praktijk volledige opleiding leerkrediet overmacht
aantal 25 19 15 48 1 1 31 9
19. Onderstaand diagram toont aan welke soort beslissingen werd aangevochten. 60,4 % van de verzoekschriften hadden een examenbeslissing als voorwerp waarmee de trend van vorig jaar opnieuw wordt bevestigd. In het oog springt de Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
1 2 3 1 5 1 1 2 2 1 1 1 2
16 grote toename van betwistingen rond de maatregelen van studievoortgangbewaking en meer specifiek de weigering tot inschrijving van de student.
Betwistingen studievoortgangsbeslissingen 2010 6,0%
0,7%
0,7% 0,7% 0,7%
1,3% 3,4%
19,5%
60,4% 6,7%
examenbeslissing
examentuchtbeslissing
maatregel studievoortgangsbew aking/w eigering inschrijving
toekenning vrijstelling
art. 51 flex - EVC/EVK rechtstreeks diplomering
leerkrediet overmacht
leerkrediet - w eigering inschrijving
examenbeslissing + w eigering inschrijving
toelatingsproef
studieprogramma
Net als vorig jaar zijn de examenbeslissingen de “core business” van de Raad doch net als vorig werkjaar daalt dit aandeel. In 2008 was nog sprake van 76,6 % terwijl dit in 2009 nog 70,0 % was. In het werkjaar 2010 is dit aandeel gezakt naar 60,4 %. De stijging die zich vorig werkjaar voordeed op het vlak van examentuchtbeslissingen kende een lichte terugval (van 13,1 % naar 6,7 %) alsook de betwistingen rond het studieprogramma. De stijgingen doen zich vooral voor bij de maatregelen rond studievoortgangbewaking (van 9 % naar 29 %) en het leerkrediet. Meer specifiek wat leerkrediet betreft is dit te verklaren door een tiental gevallen van overmacht. Nieuwkomers zijn de betwistingen rond een toelatingsproef (waarvoor de Raad zich niet bevoegd heeft verklaard) en de combinatie van een examenbeslissing en een studievoortgangsbewakingsmaatregel maar in vergelijking met vorig jaar waar zich één geval voordeed, werd in 2010 geen enkele betwisting ingesteld met betrekking tot een schakel- en/of voorbereidingsprogramma.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
17
Verhouding soorten studievoortgangsbeslissingen over de periode 2005-2010 studievoortgangsbeslissing
2010 2010% 2009 2009% 2008 %2008 2007 %2007 2006 %2006 2005 2005%
één decretaal gedefinieerde studievoortgangsbeslissing Examenbeslissing
90
60,4%
91
70,0%
59
76,6%
68
76,4%
32
74,4%
38
79,2%
Examentuchtbeslissing Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex
10
6,7%
17
13,1%
3
3,9%
5
5,6%
1
2,3%
1
2,1%
29
19,5%
9
6,9%
4
5,2%
6
6,7%
4
9,3%
6
12,5%
Toekenning vrijstelling Toekenning bewijs van bekwaamheid (EVC) Schakel- en/of voorbereidingsprogramma
5
3,4%
5
3,8%
5
6,5%
8
9,0%
2
4,7%
2
4,2%
-
-
-
-
1
1,3%
-
-
1
0,8%
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
overige Art.51 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering
2
1,3%
3
2,3%
1
1,3%
-
-
1
2,3%
-
-
Studieprogramma
1
0,7%
2
1,5%
3
3,9%
-
-
-
-
-
-
Leerkrediet overmacht
9
6,0%
2
1,5%
-
-
-
-
-
-
-
-
Leerkrediet - weigering inschrijving
1
0,7%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Toelatingsproef meerdere studievoortgangsbeslissingen Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex + toekennen vrijstelling Examenbeslissing + examentuchtbeslissing Toekenning vrijstelling + examenbeslissing Toekennig vrijstelling + studieprogramma Examenbeslissing + weigering inschrijving
1
0,7%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
1,1%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
3
7,0%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
2,1%
-
-
-
-
1
1,3%
-
-
-
-
-
-
1
0,7%
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
149
99%
130
100%
77
100%
89
100%
43
100%
48
100%
Totaal aantal zaken
3.4. Uitspraken 20. In het werkjaar 2010 werden 149 zaken ingeleid. In het register werd tot rolnummer 150 opgegeven maar dit is het gevolg van een administratieve vergissing. Een beroep R.Stvb.nr. 2010/068 werd dubbel geregistreerd. Het rolnummer 2010/066 is derhalve niet bestaande. 21. 115 dossiers op een totaal van 149 dossiers werden ontvankelijk of deels ontvankelijk verklaard. Dit betekent in 77,18 % van alle dossiers die in het werkjaar 2010 werden behandeld. Van de volledig ontvankelijke verzoekschriften werden er 51 verzoekschriften (34,23 %) volledig gegrond verklaard en 5 verzoekschriften (3,36 %) gedeeltelijk gegrond. Van de gedeeltelijke ontvankelijke verzoekschriften werd één verzoekschrift volledig gegrond verklaard en één verzoekschrift gedeeltelijk gegrond.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
18
De Raad heeft in 2010 58 op de 149 dossiers volledig gegrond of gedeeltelijk gegrond verklaard wat overstemt met 39 % en dus bijna bij 4 op 10 dossiers. 22 dossiers of 14,8 % hebben de toets van de ontvankelijkheid niet doorstaan terwijl 12 dossiers of 8,1 % ofwel zonder voorwerp werden aangezien afstand werd gedaan van het beroep ofwel werden uitgesteld.
60
Ontvankelijkheid - gegrondheid 2010
50
40
30
20
10
0
aantal
volledig ontvankelijk - volledig gegrond
51
volledig ontvankelijk - niet gegrond
56
volledig ontvankelijk - deels gegrond
5
deels ontvankelijk - volledig gegrond
1
deels ontvankelijk - deels gegrond
1
deels ontvankelijk - niet gegrond
1
niet ontvankelijk
22
nvt - zonder voorw erp - afstand
12
Over de periode van 2005-2010 zijn de volledig ontvankelijke en gegronde verzoekschriften steeds in stijgende lijn gegaan (van 4,2 % naar 34,2 %) tenzij in het werkjaar 2008 waar een terugval kon vastgesteld worden (van 33,7 % naar 20,8 %). De aantal onontvankelijke verzoekschriften is ongeveer gelijk gebleven als in het werkjaar 2009. Terwijl dit percentage in 2009 15,4 % betrof was dit in het werkjaar 2010 14,8 %. Ook de verzoekschriften zonder voorwerp hebben een lichte sprong gemaakte van 6,9 % in 2009 naar 8,1 % in 2010. Net zoals alle andere vroegere werkjaren zijn deze gevallen steeds beperkt gebleven.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
19
Overzicht van de ontvankelijkheid en gegrondheid over de periode van 2005-2010 ontvankelijkheid gegrondheid volledig ontvankelijk - volledig gegrond volledig ontvankelijk - niet gegrond volledig ontvankelijk - deels gegrond deels ontvankelijk - gegrond deels ontvankelijk - deels gegrond deels ontvankelijk - niet gegrond niet ontvankelijk
2010
% 2010
2009
2008
% 2008
2007
% 2007
2006
% 2006
51 34,2%
45 34,6%
16 20,8%
30 33,7%
17 39,5%
56 37,6%
51 39,2%
29 37,7%
40 44,9%
15 34,9%
2005 2
% 2005 4,2%
26 54,2%
5
3,4%
3
2,3%
2
2,6%
4
4,5%
1
2,3%
7 14,6%
1
0,7%
0
0,0%
3
3,9%
0
0,0%
0
0,0%
0
0,0%
1
0,7%
1
0,7%
2
1,5%
5
6,5%
1
1,1%
0
0,0%
1
2,1%
17 22,1%
7
7,9%
6 14,0%
22 14,8%
niet van toepassing (zonder voorwerp - uitgesteld - afstand)
% 2009
20 15,4%
12
8,1%
9
6,9%
5
6,5%
7
7,9%
4
9,3%
149
100%
130
100%
77
100%
89
100%
43
100%
6 12,5% 6 12,5%
48
100%
22. Wat de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid betreft, bestaan de twee grootste blokken uit de volledige ontvankelijke en ongegronde verzoekschriften (49 %) en uit de volledige ontvankelijke en volledige gegronde verzoekschriften (44 %). De Raad heeft in het werkjaar 2010 50,4 % van de ontvankelijke verzoekschriften gegrond of gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit betreft een lichte stijging ten opzichte van vorig jaar toen het percentage 47,5 % bedroeg.
Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid 2010 1% 1%1%
44%
49%
4% volledig ontvankelijk - volledig gegrond
volledig ontvankelijk - deels gegrond
volledig ontvankelijk - niet gegrond
deels ontvankelijk - volledig gegrond
deels ontvankelijk - deels gegrond
deels ontvankelijk - niet gegrond
23. Over de periode 2005-2010 kende de volledige ontvankelijke en gegronde verzoekschriften al wat ups en downs. Terwijl dat in 2006 51,5 % bedroeg, was dat in 2008 29,1 % om dan in 2009 uit te komen op 44,6 %. Het werkjaar daarop toont ongeveer eenzelfde percentage (44,3 %).
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
20 De volledige ontvankelijke maar niet gegronde verzoekschriften kennen een daling sinds 2007. Dit percentage daalde van 53,3 % naar 48,7 % in 2010. De gedeeltelijke ontvankelijke verzoekschriften gingen erop vooruit in die zin dat ze vorig jaar 2,0 % bedroeg en dit jaar 2,7 %. Overzicht van de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid over de periode 2005 – 2010
60 50 40 30 20 10 0
volledig volledig ontvankelijk ontvankelijk - niet volledig gegrond gegrond
volledig ontvankelijk deels gegrond
deels ontvankelijk deels ontvankelijk deels ontvankelijk - gegrond - deels gegrond - niet gegrond
2005
2
26
7
0
0
1
2006
17
15
1
0
0
0
2007
30
40
4
0
0
1
2008
16
29
2
3
0
5
2009
45
51
3
0
0
2
2010
51
56
5
1
1
1
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
21
Overzicht van de ontvankelijke zaken en hun gegrondheid over de periode 2005 – 2010
60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
volledig volledig ontvankelijk - ontvankelijk - niet volledig gegrond gegrond
volledig ontvankelijk deels gegrond
deels ontvankelijk deels ontvankelijk deels ontvankelijk - gegrond - deels gegrond - niet gegrond
2005
5,6%
72,2%
19,4%
0,0%
0,0%
2,8%
2006
51,5%
45,5%
3,0%
0,0%
0,0%
0,0%
2007
40,0%
53,3%
5,3%
0,0%
0,0%
1,3%
2008
29,1%
52,7%
3,6%
5,5%
0,0%
9,1%
2009
44,6%
50,5%
3,0%
0,0%
0,0%
2,0%
2010
44,3%
48,7%
4,3%
0,9%
0,9%
0,9%
3.5. Bijstand door een raadsman 24. In 85 beroepen deed de student een beroep op een raadsman: 54 beroepen met een advocaat en 31 beroepen met een andere raadsman (vb. een familielid of een ander vertrouwenspersoon). De onderwijsinstellingen deden in 94 gevallen van de 149 zaken een beroep op een advocaat. Zoals werkjaar 2009 deden ongeveer 1/3de van de studenten beroep op een advocaat. Bij de instellingen merken we een gevoelig stijging. Terwijl in 2010 reeds in ongeveer de helft van de ingestelde beroepen men beroep deed op een advocaat, loopt dit op tot bijna 2/3de in 2010. Meer en meer instellingen doen derhalve beroep op externe juridische bijstand.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
22
Raadsman student
advocaat
andere raadsman
geen raadsman
54
31
64
aantal
Raadsman instelling
aantal
ja
neen
94
55
3.6. Schorsing der werkzaamheden 25. Op basis van artikel II.40 van het aanvullingsdecreet kunnen de hoger onderwijsinstellingen een schorsing van de werkzaamheden aanvragen omwille van een onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse zomervakantie van het personeel. Vaak betreft dit een collectief verlof. Het aanvullingsdecreet laat een schorsing van ten hoogste 21 kalenderdagen toe. Meer en meer hoger onderwijsinstellingen maken gebruik van deze aanvraag. De Raad kent de meeste aanvragen goed maar daarbij wordt uitdrukkelijk de melding gemaakt dat, gelet op de ordetermijn van 15 dagen om een uitspraak te doen, bij het vaststellen van de procedurekalender en de termijnen voor het indienen van een antwoord- en wederantwoordnota wel rekening wordt gehouden met de dagen die voor de schorsingsperiode vallen. Vorig jaar stelde de Raad vast dat gezien het grote aantal ontvangen verzoekschriften het zeer moeilijk was om al deze dossiers nog in
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
23 augustus te behandelen teneinde de tweede zittijd niet in het gedrang te brengen. Als oplossing denkt de Raad eraan de schorsingperiode toe te laten tot uiterlijk de laatste dag van juli.
3.7. Ordetermijn van 15 kalenderdagen 26. De Raad houdt de ordetermijn van 15 kalenderdagen goed in het oog van zodra een verzoekschrift wordt geregistreerd. Vermits het om een ordetermijn gaat, is het overschrijden van deze termijn zonder gevolg wat de geldigheid van de uitspraak betreft. Gezien het aantal verzoekschriften jaarlijks een stijging kent, is het niet altijd evident om alle beroepen binnen de termijn van 15 kalenderdagen af te handelen. Zeker in de piekperiodes, zoals in oktober zeker het geval was, wordt het organisatorisch moeilijker om dit bol te werken. De Raad doet er echter alles aan om een besluit te nemen binnen een redelijke termijn.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
24
4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad 4.1. Ontvankelijkheid 27. In het werkjaar 2010 werden 34 op 149 verzoekschriften onontvankelijk verklaard10. Dit betekent dat in 22,9 % van alle dossiers de ontvankelijkheidstoets niet werd gehaald. Hierin zijn ook begrepen de beroepen die zonder voorwerp zijn verklaard. Dit percentage is gestegen in vergelijking met het werkjaar 2009: toen werden 20 van de 130 beroepen onontvankelijk verklaard (15,4%). 3 beroepen werden dan weer deels ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat in 77, 1 % van alle verzoekschriften het beroep volledig ontvankelijk of deels ontvankelijk werden verklaard. Deze beroepschriften worden bijgevolg ten gronde behandeld. 28. Indien de Raad van oordeel is dat een verzoekschrift onontvankelijk is, wordt de zaak niet meer ten gronde behandeld. In het werkjaar 2010 werd de onontvankelijkheid uitgesproken op volgende gronden: -
het niet naleven van de vormvereisten de onbevoegdheid van de Raad een onregelmatig ingesteld intern beroep een onregelmatig ingesteld extern beroep een gebrek aan belang afstand van beroep het voorwerp schending van het gezag van gewijsde
4.1.1. Vormvereisten 29. De ondertekening van het verzoekschrift werd decretaal uitdrukkelijk voorgeschreven. Indien de verzoekende partij of de advocaat nalaat het verzoekschrift te ondertekenen, resulteert dit in de onontvankelijkheid van het verzoekschrift. Enkele verzoekschriften werden specifiek op die grond onontvankelijk verklaard11. 30. In het belang van de procedure dient de student ook een kopie van haar verzoekschrift naar de hoger onderwijsinstelling te sturen zodat ook laatstgenoemde haar rechten van verdediging gewaarborgd ziet. Ook de Raad stuurt volledigheidshalve steeds een kopie naar de verwerende partij12. Deze vormvereiste in tegenstelling tot de ondertekening niet op straffe van onontvankelijkheid 10
R.Stvb.nrs2010/001;017;029;031;036;039;047;049;054;060;061;065;081;082;083;084;085;092;093; 094;098;099;107;123;126;129;137;138;141;144;145;146;150 11 R. Stvb. nr. 2010/036, 123, 142-143. 12 R. Stvb. nr. 2010/072, 089.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
25 voorgeschreven. De Raad gaat in voorkomend geval na of de rechten van verdediging niet werden geschonden. “…Wat de verplichting betreft om telkens een kopie van het beroepsschrift te bezorgen aan de verwerende partij heeft de Raad in het verleden reeds benadrukt dat het tegelijkertijd overmaken van een kopie van het verzoekschrift bij aangetekend schrijven aan de onderwijsinstelling13 volgens de Raad tot doel heeft de verwerende partij onmiddellijk op de hoogte te brengen van het beroep en haar in de gelegenheid te stellen haar verweer voor te bereiden. Bovendien stelt de Raad dat rekening houdend met de korte termijn waarbinnen de procedure voor de Raad haar beslag moet krijgen, het van belang is dat in deze zo weinig mogelijk wordt afgedaan van de termijnen waarover de partijen moeten beschikken. Ten slotte is het de plicht van de verzoekende partij een kopie mee te delen aan de verwerende partij en bijgevolg niet de verantwoordelijkheid van de verwerende partij om een kopie aan de verzoekende partij te vragen.14 Toch oordeelt de Raad dat in casu, hoewel de verzoekende partij nagelaten had om tegelijkertijd een kopie van het verzoekschrift bij aangetekend schrijven over te maken aan de onderwijsinstelling, de verwerende partij wel tijdig heeft kunnen kennisnemen van het verzoekschrift dat haar door het secretariaat van de Raad reeds bij brief van 30 september 2010 is bezorgd. Bij gevolg heeft de verwerende partij zoals ook blijkt uit de op 15 oktober 2010 neergelegde antwoordnota haar naar behoren kunnen verdedigen.15 31. Het verzoekschrift kan summier opgesteld worden onder de voorwaarde dat de verzoekende partij een duidelijk aangegeven onregelmatigheid aanbrengt. De juridische kwalificatie van de aangegeven onregelmatigheden is daarbij niet noodzakelijk16: “…Verzoekende partij stuurde een kopie – zij het niet aangetekend - van haar verzoekschrift naar de verwerende partij. Verwerende partij werd tevens door de Raad in het bezit gesteld van een kopie van het verzoekschrift. De verwerende partij heeft derhalve tijdig kennis kunnen nemen van het verzoekschrift en zich naar behoren kunnen verdedigen. In de Memorie van Toelichting van het Aanvullingsdecreet17 staat duidelijk vermeld dat het volstaat dat verzoekende partij een eventueel summier doch duidelijk aangegeven onregelmatigheid aanbrengt, zonder dat deze beweerde onregelmatigheid juridisch moet worden gekwalificeerd.
13
Cf. art. II.24, § 3, eerste lid Aanvullingsdecreet. R. Stvb. nr. 2008/053. 15 R. Stvb. nr. 2008/006 en nr. 2008/053. 16 R. Stvb. nr. 2010/006. 17 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 14
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
26 Het is een feit dat het verzoekschrift summier is opgesteld, doch dit sluit niet uit dat verzoekende partij wel degelijk een aantal onregelmatigheden naar voren brengt. Verwerende partij heeft dit kennelijk ook vastgesteld. Dit blijkt uit het verweer dat – zij het in ondergeschikte orde – geformuleerd heeft ten aanzien van de door de verzoekende partij omschreven onregelmatigheden. Daarenboven heeft verzoekende partij een verklaring afgelegd omtrent zijn bezwaren…” 4.1.2. De bevoegdheid van de Raad. 32. Bevoegdheidskwesties raken de openbare orde. De Raad gaat bijgevolg ambtshalve na of het ingestelde beroep binnen zijn bevoegdheid valt. De Raad is op dit moment enkel bevoegd voor beroepen tegen studievoortgangsbeslissingen ingesteld door een student, waarbij student in artikel II.1, 15° van het Aanvullingsdecreet wordt gedefinieerd als de ‘persoon ingeschreven in een instelling’. Omwille van deze definitie heeft de Raad zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van een casus waarbij de persoon een aanvraag tot vrijstelling op grond van EVK’ s bij een hoger onderwijsinstelling had ingediend en deze persoon beroep wilde aantekenen tegen de genomen (ingetrokken) beslissingen. Deze persoon was niet ingeschreven bij de onderwijsinstelling zodat de Raad zich onbevoegd diende te verklaren18. Zoals reeds aangegeven zal Onderwijsdecreet XXI ervoor zorgen dat de definitie ‘student’ nader wordt omschreven: studenten zijn ook personen die op grond van EVK’s of een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling vragen of die een aanvraag indienen voor het volgen van een schakel- of voorbereidingsprogramma. Dit zijn personen die niet aan de hoger onderwijsinstelling ingeschreven zijn maar toch toegang moeten krijgen tot de Raad aangezien deze beslissingen een invloed hebben op de studievoortgang van de student. Deze personen zouden wel maar één keer beroep kunnen instellen bij de Raad ingeval ze in een periode van vier jaar een aanvraag met dezelfde of vergelijkbare strekking hebben ingediend bij meerdere instellingen. Eenzelfde redenering heeft ertoe geleid dat de Raad zich tevens onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van het beroep tegen een beslissing genomen over een toelatingsproef. Omdat dat persoon niet ingeschreven was, stond de onbevoegdheid van de Raad vast. De Raad is verder niet ingegaan op het nadere onderzoek over het feit of een toelatingsproef kan beschouwd worden als een studievoortgangsbeslissing19: “…In voorliggend beroep betreft het beroep de beslissing over het niet geslaagd zijn voor een toelatingsproef op basis waarvan de student niet wordt toegelaten tot de opleiding.
18 19
R. Stvb. nr. 2010/061 R. Stvb. nr. 2010/065
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
27 De Raad is enkel bevoegd voor het beoordelen van studievoortgangsbeslissingen, opgesomd in Artikel II.1, 15° bis genomen door een instelling ten aanzien van een student die ingeschreven is aan de instelling. Daargelaten de vraag of een beslissing over het geslaagd zijn voor een toelatingsexamen een examenbeslissing is in de zin van Artikel II.1, 15° bis: ‘elke beslissing die al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt voor het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel’ stelt de Raad vast dat verzoekende partij op het ogenblik van het nemen van de examenbeslissing niet ingeschreven was als student aan de instelling. Verzoekende partij was enkel geregistreerd als kandidaat voor het toelatingsexamen Artistieke proef ‘Film’. 32. Wanneer de student ingeschreven is aan een hoger onderwijsinstelling (een ambtshalve geregistreerde instelling20) is de Raad normaliter bevoegd om te oordelen over een gerezen betwistingen. Dit is tevens het geval als het gaat over de postgraduaatsopleiding ‘Energiedeskundige A’21: “De Raad is bevoegd voor beroepen van studenten ingeschreven aan een hogeschool wanneer het voorwerp een studievoorgangsbeslissing betreft zoals bepaald in artikel II.1,15bis° van het Aanvullingsdecreet. In voorkomend geval is de student ingeschreven aan de hogeschool en betreft de betwisting een examenbeslissing genomen door de Directeur Voortgezette opleidingen van de hogeschool in het kader van een door haar aangeboden postgraduaatsopleiding.” 33. De bevoegdheid van de Raad inzake leerkrediet en overmacht werd op 1 september 2010 stopgezet door artikel V.32 van het Onderwijsdecreet XX. Zij diende zich dan ook vanaf die datum onbevoegd22 te verklaren maar dit betekent ook dat zij tot die datum wel bevoegd was om te oordelen over betwistingen inzake leerkrediet en overmacht. “…Hoewel daaruit niet blijkt dat de Raad niet meer bevoegd zou zijn op grond van het niet opgeheven artikel 113quater van het Structuurdecreet, moet op zijn minst worden aangenomen dat de student die meent dat hij omwille van overmacht aanspraak kan maken op het behoud van zijn of haar leerkrediet, sedert 1 september 2010 beschikt over een georganiseerd administratief beroep via zijn onderwijsinstelling, bij de Vlaamse regering. In voorkomend geval kan de Raad enkel kennis nemen van beroepen die gericht zijn tegen beslissingen van de Vlaamse Regering in dit verband. Voorts merkt de Raad op dat de termijn van het beroep bij de Vlaamse Regering van 15 kalenderdagen pas ingaat wanneer en voor zover de onderwijsinstelling samen met haar besluit de beroepsmodaliteiten van dit beroep aan de student heeft ter kennis gebracht.
20
Artikel 7 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen 21 R. Stvb. nr. 2010/011. 22 R. Stvb. nr. 2010/082-083-084-085.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
28 In het licht van de voorgaande vaststellingen kan de Raad niet anders besluiten dan dat het beroep niet ontvankelijk is, ook al zijn de omstandigheden die de verzoekende partij aanvoert om de overmacht aan te tonen op zichzelf zeer overtuigend.” De bevoegdheid van de Raad inzake leerkrediet en overmacht betekent uiteraard niet dat de Raad ook bevoegd zou zijn om te oordelen over het betaalde studiegeld. De Raad stelde uitdrukkelijk dat een beroep tegen een beslissing over al dan niet terugbetaling van het studiegeld geen beslissing betreft in verband met het leerkrediet en betreft derhalve geen studievoortgangsbeslissing in de zin van artikel II.1, 15° van het Aanvullingsdecreet23. 34. Krachtens artikel II.1, 15°bis van het Aanvullingsdecreet kan de Raad uitspraak doen over betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen waaronder het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven. De Raad kan zijn appreciatie echter niet in de plaats stellen van de instelling en kan derhalve niet ingaan op de concrete vraag van verzoekende partij om haar een geïndividualiseerd traject toe te kennen zoals aangegeven in haar verzoekschrift24. 4.1.3. Een onregelmatig ingesteld intern beroep 35. Wanneer de student bij de proclamatie in kennis wordt gesteld van de studievoortgangsbeslissing en daarbij moet vaststellen dat het jaar niet zo succesvol is gebleken, is het voor de student van belang dat hij of zij een termijn van 5 kalenderdagen in het achterhoofd houdt. Doet de student dat niet, dan loopt hij/zij het risico dat er geen tijdig intern beroep meer kan ingesteld worden met alle gevolgen vandien. Dan komt immers een einde aan de rechtsbescherming van de student en zal de student niet meer het recht hebben een extern beroep bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in te stellen aangezien het uitputten van het intern beroep een ontvankelijksheidsvereiste inhoudt. De student is er derhalve toe gehouden om een interne beroepsprocedure aan te vatten wil hij/zij een ontvankelijk verzoekschrift bij de Raad indienen25. De student wordt sinds het academiejaar 2009-2010 op de goede weg gezet aangezien de instellingen ook op de initiële studievoortgangsbeslissingen verplicht de mogelijkheid tot een intern beroep en de daarbijhorende modaliteiten moeten vermelden26. In het Aanvullingsdecreet werd in artikel II.7 duidelijk gesteld dat het bestuur ten aanzien van de studenten optreedt als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De Raad stelt vast dat dit niet altijd even correct wordt opgevolgd27. “…De Raad stelt vast dat op het puntenrapport zoals meegedeeld op 2 februari de specifieke beroepsmodaliteiten noodzakelijk voor het instellen van 23
R. stvb. nr. 2010/057. R. Stvb. nr. 2010/140. 25 R. Stvb. nr. 2010/081, nr. 2010/093, nr. 2010/150. 26 Onderwijsdecreet XIX. 27 R. Stvb. nr. 2010/026, nr. 2010/094, nr. 2010/139. 24
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
29 een intern beroep niet zijn vermeld. Er wordt enkel verwezen naar het toepasselijke artikel van het examenreglement. Onderwijsdecreet XIX heeft inzake de procedure aan de instellingen de verplichting opgelegd om vanaf het academiejaar 2009-2010 ook bij de initiële studievoortgangsbeslissing de mogelijkheid tot het intern beroep bij de onderwijsinstelling en bijhorende modaliteiten te vermelden in de individuele examenbeslissing van de betrokken student28 . Een loutere verwijzing naar het reglement volstaat echter niet. Ingeval dit niet is gebeurd begint de interne beroepstermijn van vijf kalenderdagen niet te lopen. Het intern beroep van verzoekende partij ingesteld op 8 juli 2010 werd derhalve niet ontijdig ingesteld…” Het intern beroep werd derhalve niet terecht als onontvankelijk beschouwd. Instellingen vermelden niet altijd of onvolledig de beroepsmodaliteiten29. Dit is enigszins vreemd te noemen aangezien de Raad zich hier al meerdere malen heeft over uitgesproken. Volgende beroepsmodaliteiten dienen conform het Openbaarheidsdecreet vermeld te worden: de termijn van vijf kalenderdagen, de wijze waarop een intern beroep moet ingesteld worden (per aangetekend schrijven) en de gegevens van de instantie waartoe een student zich moet richten wanneer deze tot een intern beroep wil overgaan. De instelling moet beseffen dat wanneer deze modaliteiten niet allemaal op de studievoortgangsbeslissing worden vermeld, zij daar voor afgestraft wordt aangezien de termijn van vijf dagen niet ingaat en de student te allen tijde nog een intern beroep kan instellen30: “…De Raad merkt volledigheidshalve op dat de instelling in de kennisgeving van de initiële weigeringsbeslissing verstuurd per e-mail van 5 oktober 2010 en nadien per aangetekend schrijven van 1 december 2010 (nadat de verzoekende partij reeds een beroep bij de Raad d.d. 30 november 2010 heeft ingesteld) nergens heeft gewezen op zowel de interne als de externe beroepmogelijkheden en -modaliteiten. Verwerende partij heeft derhalve niet voldaan aan de decretale verplichting op grond van artikel II.7 van het Aanvullingsdecreet31, zoals vanaf 1 september 2009 gewijzigd door artikel V.52 van het Onderwijsdecreet XIX van 8 mei 2009. Dit betekent dat de beroepstermijn van vijf kalenderdagen om een intern beroep in te stellen niet is beginnen lopen en dat derhalve de verzoekende partij nog steeds de interne beroepsprocedure regelmatig kan uitputten waarna een nieuw extern beroep bij de Raad mogelijk is ingeval van een negatieve beslissing. Het voorliggend beroep van verzoekende partij is onontvankelijk wegens niet uitputten van het interne beroep…” 28
Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009 R. Stvb. nr. 2010/004; nr. 2010/009, nr. 2010/011, nr. 2010/012, nr. 2010/013, nr. 2010/030 en nr. 2010/ 058, nr. 2010/038 30 Besluit R. Stvb. nr. 2010/145. 31 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 29
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
30 Benadrukt dient te worden dat een verwijzing naar de bepalingen van het desbetreffende artikel in het onderwijs- en examenreglement van de hoger onderwijsinstelling niet voldoet aan de decretale vereisten. Uiteraard geldt het bovengaande ook voor de beslissing op intern beroep32. 36. Het instellen van een regelmatig intern beroep is niet als ontvankelijkheidsvereiste gesteld in het geval van leerkrediet en overmacht33. Beslissingen in uitvoering van artikel 113quater worden door de decreetgever niet als een studievoortgangsbeslissing beschouwd waarvoor op grond van artikel II.1, 15bis een beroep bij de Raad mogelijk is na uitputting van een interne beroepsprocedure34. Gezien de decreetgever deze verplichting tot uitputting van het intern beroep niet expliciet heeft opgelegd in het kader van de procedure op grond van artikel 113quater, was de student er niet toe verplicht de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer zij beroep aantekende bij de Raad. 37. De wijze waarop de student intern beroep dient in te stellen wordt vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement. Indien derhalve een student het verzoekschrift tot intern beroep dit conform het reglement diende te ondertekenen en naliet dit te doen, dan heeft de interne beroepsinstantie het verzoek terecht onontvankelijk verklaard35. Dit is tevens het geval wanneer de student zich niet hield aan de termijn van vijf kalenderdagen36:
“…Het onderwijs- en examenreglement van de instelling bepaalt in artikel 4.5.3 dat het intern beroep tegen een examenbeslissing moet worden ingesteld “binnen een vervaltermijn van vijf dagen die ingaat de dag na de proclamatie”. De beroepsmogelijkheid werd duidelijk vermeld op het puntenrapport. Daar in voorliggend geval de uitslag op 28 juni 2010 werd medegedeeld, diende het intern beroep te worden ingesteld uiterlijk op 3 juli 2010. Het intern beroep dat werd ingediend met een brief die ter post aangetekend werd verstuurd op 7 juli 2010, moet dus als laattijdig worden beschouwd. Indien de vormvereisten van het verzoekschrift tot het instellen van een intern beroep niet in het onderwijs- en examenreglement zijn opgenomen, dan kan dit niet gebruikt worden in het nadeel van de student37: “…De Raad stelt vast dat het intern beroep van 24 september 2010 tijdig (binnen de vijf kalenderdagen nadat de initiële beslissing van 21 september 2009 is genomen) is ingesteld zoals decretaal voorgeschreven. De reglementair aangegeven vormvereisten zijn niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven in het onderwijs- en examenreglement van de instelling. 32
Art. II.7 Aanvullingsdecreet juncto art. 35 Openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004. R. Stvb. nr. 2010/015. 34 Artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet. 35 E. Stvb. nr. 2010/033. 36 R. Stvb. nr. 2010/037. 37 Besluit R. Stvb. nr. 2010/108. 33
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
31 In geval verzoekende partij het beroep niet volgens de voorschriften van het reglement instelt dient zij zelf aan te tonen dat het beroep wel degelijk bij de bevoegde instantie en tijdig is aangekomen. In deze zaak blijkt dat de verwerende partij het schrijven van 24 september 2010 wel degelijk heeft beschouwd als een intern beroepschrift van verzoekende partij en tijdig binnen de 15 kalenderdagen een beslissing op intern beroep heeft genomen. Daaruit volgt dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat er geen regelmatig intern beroep werd ingesteld. De Raad dient dus het door de verzoekende partij ingeroepen middel te onderzoeken…” 4.1.4. Een onregelmatig ingesteld extern beroep 38. Wanneer de student een intern beroep instelt, dan heeft de hoger onderwijsinstelling 15 kalenderdagen om haar beslissing te nemen en aan de student ter kennis te brengen. De vervaltermijn van vijf kalenderdagen om een beroep in te stellen bij de Raad gaat in de dag na die van de kennisname van de beslissing op intern beroep of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat de dag na deze waarop het intern beroep wordt ingesteld38. 39. Echter, vooral het laatste geval bracht heel wat problemen teweeg. Immers, uit de praktijk is al gebleken dat de hoger onderwijsinstelling zich niet aan de termijn van vijftien kalenderdagen houdt terwijl de student intussen wacht op de beslissing van de interne beroepsinstantie. De student verliest daarbij de decretale termijn volledig uit het oog waarna de Raad het beroep onontvankelijk dient te verklaren. De Raad heeft in de vorige werkjaren dan ook impliciet aanvaard dat een beroep tegen een beslissing, waarbij de termijn van 15 kalenderdagen werd overschreden, ontvankelijk was voor zover het was ingesteld binnen vijf kalenderdagen na de kennisname van de beslissing op intern beroep. In 2009 zorgde er dit wel voor dat zaken langer aansleepten dan de decreetgever voor ogen had. Met het oog op rechtszekerheid en gezien het belang van het snel kunnen voorzetten van de studies is het de bedoeling dat de student zo snel mogelijk duidelijkheid heeft omtrent de bestreden beslissing. In 2009 werd de Raad teveel geconfronteerd met dergelijke dossiers zodat hij besloot één criterium toe te passen ten aanzien van de beroepen die vanaf 1 januari 2010 de Raad bereikten. Conform dit criterium dient naar het oordeel van de Raad een student bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen een beroep in te stellen bij de Raad, tenzij voor het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de termijn in de dag na die datum. Dit criterium werd in eerste instantie strikt toegepast39:
38 39
Art. II.24, eerste lid Aanvullingsdecreet. Besluit R. Stvb. nr. 2010/060, besluit 2010/0137
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
32 “…De termijn om een ontvankelijk beroep in te stellen bij de Raad gaat in vijf kalenderdagen ingaand de dag na kennisname van de beslissing op intern beroep of in voorkomend geval, na het verstrijken van de in artikel II.14, tweede lid van het Aanvullingsdecreet bedoelde termijn. Dit is de termijn van 15 kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld. In voorliggend geval verstreek deze op 16 juli 2010. De beroepstermijn van vijf kalenderdagen om een extern beroep in te stellen begint te lopen de dag nadien, in casu vanaf 17 juli 2010 en verstreek op 21 juli 2010. Het beroep van 26 juli 2010 werd derhalve niet tijdig ingesteld.” Maar het is niet altijd evident om het criterium in elk dossier strikt toe te passen. Wat als de student kennis neemt van een beslissing op intern beroep tijdens de lopende beroepstermijn. Vangt dan een nieuwe termijn aan of loopt de termijn gewoon verder? Deze vraag werd in een aantal dossiers beantwoord: een voorbeeld40: “…De Raad stelt in voorliggend geval vast dat verzoekende partij op 28 november 2010 kennis nam van de beslissing op intern beroep en dus tijdens de lopende beroepstermijn. De Raad is in een dergelijk geval van oordeel dat voor verzoekende partij een nieuwe beroepstermijn loopt van 29 november 2010 tot en met 3 december 2010, temeer daar de beslissing op intern beroep vermeldt dat het beroep dient ingediend te worden de vijfde dag na de dag van de kennisname van de beslissing…” 40. Doch in sommige gevallen heeft de Raad dit redelijkerwijze soepel geïnterpreteerd en dit afhankelijk van de eigenheid van het dossier. Een voorbeeld van deze soepele interpretatie wordt weergegeven in het besluit van de Raad nr. 2010/12141: “…Naar het oordeel van de Raad dient een student bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen de vervaltermijn van vijf kalenderdagen een beroep in te stellen bij de Raad, tenzij voor het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de termijn van vijf kalenderdagen voor het beroep bij de Raad in de dag na die datum. Bij e-mail d.d. 1 oktober laat de institutionele ombudspersoon, die belast is met de voorbereiding van de dossiers voor de Interne Beroepscommissie, aan verzoekende partij weten dat haar beroep niet binnen de decretale termijn van 15 dagen behandeld kan worden, maar dat ze een beslissing kan verwachten tegen 18 oktober, bij gebreke waarvan ze extern beroep kan instellen. De beslissing werd op 15 oktober 2010 genomen en per e-mail van 18 oktober 2010 werd de ongegrondheid van de beslissing ter kennis gebracht. De gemotiveerde beslissing werd pas op 20 oktober 2010 per e-mail en per aangetekend schrijven meegedeeld… 40 41
Besluit R. Stvb. nr. 2010/148. Besluit R. Stvb. nr. 2010/010, 2010/012
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
33 …De Raad neemt aan dat de verzoekende partij op 20 oktober 2010 heeft kennis gekregen van deze beslissing. De beroepstermijn van vijf kalenderdagen begint te lopen de dag na die van de kennisname, in casu vanaf 21 oktober 2010. Het beroep van 22 oktober 2010 werd derhalve tijdig binnen de vijf kalenderdagen na kennisname van de beslissing op intern beroep ingesteld.” Of “…Onverminderd het standpunt dat de Raad heeft ingenomen voor de beroepen die worden ingediend na 1 januari 201042, is de Raad in voorliggend geval van oordeel dat het niet onredelijk is dat verzoekende partij met het instellen van haar beroep heeft gewacht tot zij kennis had gekregen van de beslissing die, volgens de verwerende partij, spoedig zou volgen op de mondelinge mededeling van de beslissing. Gelet op de voormelde concrete omstandigheden, neemt de Raad derhalve aan dat de beroepstermijn van 5 kalenderdagen begint te lopen na de kennisname door de verzoekende partij van de aangetekende brief van 5 maart 2010 met de beslissing op intern beroep. In casu heeft de student kunnen kennis nemen van deze beslissing op 6 maart 2010 en begint de beroepstermijn te lopen vanaf 7 maart 2010…” 41. De praktijk wijst intussen uit dat het niet uitzonderlijk is dat de instelling haar beslissing pas na drie weken neemt zonder daarvan de student in te lichten. Dit is betreurenswaardig aangezien de Raad het criterium heeft gebruikt teneinde een oplossing te bieden aan alle partijen. Dat de kennisname van de beslissing op intern beroep door de student van groot belang is bij het berekenen van de termijn om een extern beroep in te stellen bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen hoeft weinig betoog. Vorige werkjaren heeft de Raad aangenomen dat de student kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op intern beroep de dag nadat de beslissing op intern beroep verstuurd is. Het was daarbij niet van belang te verwijzen naar een outprint van de website van de post waar de aangetekende brieven geregistreerd staan aan de hand van de barcode. De dag waarop het aangetekend schrijven door de postbode werd aangeboden was van belang. De Raad van betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen werd echter in 2010 door de Raad van State teruggefloten. Concreet betekent dit dat indien de postbode zich bij de student aanbiedt met het aangetekende schrijven en de student is op dat moment niet in de mogelijkheid om dit schrijven in ontvangst te nemen, de termijn niet ingaat. Deze termijn vat pas aan wanneer de student zich bij de postdiensten aanbiedt om dit schrijven in ontvangst te nemen en derhalve in de mogelijkheid is om ook effectief kennis te nemen van de beslissing op intern beroep43: “…De Raad stelt dat de decreetgever in het Aanvullingsdecreet artikel II.24 de ‘kennisname’ door de student als vertrekpunt beschouwd om een beroep in te 42 43
R.Stvb.2009/103. Besluit R. Stvb. nr. 2010/057, nr. 2010/059, nr. 2010/056, nr. 2010/112, nr. 2010/115, nr.2010/116
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
34 stellen. Het is derhalve niet de aanbieding van het aangetekend schrijven maar de effectieve kennisname door de verzoekende partij die de beroepstermijn doet lopen. De raad verwijst in dit verband naar een recent arrest van de Raad van State 44… 42. Na vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad vervalt de verplichting om bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep bij de Raad in te stellen45. In dat geval vat de beroepstermijn aan de dag na die van de kennisname van de beslissing van de hoger onderwijsinstelling in opvolging van een genomen besluit door de Raad46: “…Verzoekende partij diende een verzoekschrift in bij de Raad bij aangetekend schrijven van 5 mei 2010 tegen de beslissing van 30 april 2010. Vermits de beslissing per aangetekend schrijven van 30 april 2010 werd verstuurd, neemt de Raad aan dat de verzoekende partij kennis heeft kunnen nemen van deze beslissing op 3 mei 2010. De beroepstermijn van vijf kalenderdagen begint te lopen de dag na die van de kennisname, in casu vanaf 4 mei 2010…” Dat de decreetgever voor het begrip kennisname heeft gekozen, botst soms op onbegrip van de hoger onderwijsinstellingen. De kennisname van de beslissing op intern beroep ligt in feite in handen van de student. Gezien de korte beroeps ‘vervaltermijn’ van vijf kalenderdagen zou echter het doen lopen van de termijn op het moment dat de instelling beslist om de beslissing te versturen er toe leiden dat heel wat studenten gewoon de beslissing niet tijdig kunnen inzien binnen de lopende beroepstermijn. De wijze van verzenden van de beslissing is immers niet decretaal bepaald en hangt af van instelling tot instelling (aangetekend, afgifte tegen ontvangstbewijs, per e-mail…). Kennisgeving als aanvangspunt zou voor de student derhalve tot een grote onduidelijkheid leiden en tot heel wat - gezien de uitermate korte beroepstermijnen - onontvankelijke procedures. Het is niet aangewezen om ten aanzien van een zwakkere partij zoals een student de aanvang van de beroepstermijn te laten afhangen van de andere partij. Het is de wil van de decreetgever dat de aanvang van een vervaltermijn voor de student niet afhangt van de voltooiing van een handeling gesteld door toedoen van de andere partij ( verzending beslissing instelling) maar afhankelijk is van een daad die gesteld wordt door de adressant van die beslissing zelf, de student die kennis neemt (zie hieromtrent hoger vermeld arrest van de Raad van State). 43. Zoals reeds aangekaart, gaat de beroepstermijn niet in wanneer de hoger onderwijsinstelling nalaat de beroepsmodaliteiten te vermelden op de beslissing op intern beroep47: “…De Raad merkt op dat, ongeacht wanneer verzoekende partij de beslissing op intern beroep heeft ontvangen, de beroepstermijn voor verzoekende partij 44
Raad van State, Arrest nr.206.216 van 1 juli 2010 Decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, B.S. 28 augustus 2009. 46 Besluit R. Stvb. nr. 2010/014. 47 Besluit R. Stvb. nr. 2010/046, nr. 2010/013 45
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
35 niet is aangevangen omdat bij de kennisgeving van de beslissing geen melding wordt gemaakt van de beroepsmogelijkheid en van de modaliteiten van het beroep48…” Dit is echter niet het geval wanneer er een formele vergissing gebeurde bij het vermelden van de beroepsmodaliteiten49: “…De verzoekende partij betwist niet dat zij op 27 september 2010 op de hoogte werd gebracht van de voor haar ongunstige beslissing van de examencommissie. Die mededeling maakte ook melding van de mogelijkheid een beroep in te stellen bij de Raad. De verzoekende partij stelt evenwel dat deze vermelding een onjuistheid bevatte en dus de termijn voor het indienen van een beroep bij de Raad niet kon doen lopen. Die onjuistheid betreft de vermelding dat de beslissing van de departementale beroepscommissie kan worden aangevochten, daar waar het de beslissing van de examencommissie diende te zijn. De Raad is van oordeel dat het hier een zuiver formele vergissing betreft – normaal is het zo dat alleen een beslissing van de departementale beroepscommissie bij de Raad kan worden aangevochten, tenzij zoals hier het geval is, het gaat om een beslissing na intern beroep – vergissing die de verzoekende partij niet zodanig in de war kan hebben gebracht dat zij niet wist dat het de beslissing van de examencommissie was die moest worden aangevochten…” 4.1.5. Een gebrek aan belang 44. De Raad heeft geoordeeld dat een persoon geen belang heeft wanneer deze persoon niet is ingeschreven in de instelling en derhalve geen student is. Echter, zoals reeds eerder aangehaald, werd de toegang tot de Raad in Onderwijsdecreet XXI uitgebreid, zij het onder de nodige voorwaarden50. Het tegendeel geldt uiteraard ook: indien de persoon ingeschreven was op het moment dat de initiële evaluatiebeslissing werd genomen, dan is de Raad wel degelijk bevoegd om te oordelen over het geschil tussen de instelling en de student zelfs indien de student zich daarna heeft uitgeschreven51. 4.1.6. De afstand van beroep – zonder voorwerp 45. Elk jaar opnieuw zijn er studenten die tijdens de procedure afstand van hun beroep doen52. Afstand van beroep houdt niet in dat het ingestelde beroep wordt ingetrokken en de de procedure zonder meer wordt stopgezet. Dit gebeurt niet automatisch. De Raad dient alsnog een besluit te nemen waarbij zij doorgaans het beroep zonder voorwerp verklaart. De gebruikelijke beslissing luidt in dat geval: 48
Art. II.7 Aanvullingsdecreet juncto art. 35 Openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004. Besluit R. Stvb. nr. 2010/146. 50 Besluit R. Stvb. nr. 2010/031. 51 Besluit R. Stvb. nr. 2010/040. 52 Besluit R. Stvb. nr. 2010/017-029-049-054-092;098;099;107;126. 49
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
36 “Vermits verzoekende partij afstand doet van haar vordering en de Raad geen reden ziet om de afstand van het beroep niet in te willigen, is het voorliggend beroep zonder voorwerp gevonden.” Het gebeurt meermaals dat een intern genomen beslissing in de loop van de externe procedure voor de Raad wordt ingetrokken en vervangen door een nieuwe positieve studievoortgangsbeslissing. In voorkomend geval doet een student afstand van zijn beroep53. Hierbij moet opgemerkt worden dat in deze gevallen of ingeval er een nieuwe studievoortgangsbeslissing wordt genomen die negatief is de opgestarte procedure zo wie zo zonder voorwerp is gevallen. De eerste studievoortgangsbeslissing is immers uit het rechtsverkeer verdwenen. De student dient tegen de nieuwe beslissing ingeval hij dit wenst een nieuwe externe procedure op te starten binnen de vijf kalenderdagen nadat hij hiervan heeft kennis genomen. Het gebeurt dat een student pas in het kader van het extern beroep inzage krijgt in haar examen en bijgevolg beslist om afstand te doen van haar beroep. In die zin besliste de Raad: ‘Bij mailbericht van 6 augustus 2010 heeft de verzoekende partij laten weten dat zij, na inzage van een kopij van het bewuste examen, beslist heeft om de procedure tegen de verwerende partij stop te zetten. De verwerende partij neemt nota van de vraag tot afstand van het beroep en vraagt de Raad om het verzoek te willen inwilligen. De Raad neemt akte van de afstand van het beroep en stelt vast dat het bij de Raad ingestelde beroep derhalve zonder voorwerp is.”54 4.1.7. Voorwerp van het beroep 46. Het blijkt niet altijd duidelijk welke beslissing (de initiële studievoortgangsbeslissing of/en de beslissing op intern beroep) een student dient aan te vechten voor de Raad. Dit hangt in principe af van de aard van de intern georganiseerde beroepsprocedure. Ingeval deze interne beroepsinstantie volheid van bevoegdheid heeft en derhalve een beslissing neemt ten gronde die in de plaats komt van de eerder door bv. de examencommissie genomen beslissing, is het enkel deze laatste met name: de interne beroepsbeslissing die voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de Raad . In nog al wat beroepsprocedure is dit nog niet het geval en gebeurt de beroepsprocedure trapsgewijs. In dat geval zijn het beide beslissingen die voorwerp kunnen uitmaken van een extern beroep bij de Raad. De Raad zal de ingestelde beroepen wat deze aangelegenheid betreft in het voordeel van de student lezen: “Verwerende partij stelt dat verzoekende partij uitsluitend de beslissing op intern beroep d.d. 21 september 2010 betwist die het beroep tegen de initiële 53 54
Besluit R.Stvb.nr.2010/017;029;138 Besluit R.Stvb.2010/054
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
37 examenbeslissing van 9 september 2010 heeft afgewezen. Verwerende partij stelt dat het verzoekschrift gezien het zich beperkt tot deze beslissing op intern beroep bijgevolg onontvankelijk is. Zij steunt zich op art. II.1.15bis van het Aanvullingsdecreet dat stelt dat alleen de beslissingen worden aangevochten die in gemelde bepaling zijn aangehaald. De beslissing op intern beroep is geen studievoortgangbeslissing in de zin van art. II.1.15bis van het Decreet inzake de rechtspositieregeling van de student en kan dan ook als zodanig niet aanzien worden als een studievoortgangbeslissing. De Raad stelt dat de beslissing op intern beroep zoals bepaald in artikel II.13 van het Aanvullingsdecreet op zich geen studievoortgangsbeslissing is zoals opgesomd in II.1 15° bis maar samen met de initiële examenbeslissing voorwerp uitmaakt van het beroep bij de Raad. Dit is inherent aan de procedure zoals deze is uitgewerkt in het Aanvullingsdecreet. Voorliggend verzoek moet dus gelezen worden als een beroep tegen beide beslissingen.”55 47. Zoals hoger gesteld dient een student ingeval er een nieuwe interne studievoortgangsbeslissing wordt genomen die negatief is - waarbij de eerste aangevochten beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en de opgestarte procedure in principe zonder voorwerp is gevallen - tegen de nieuwe beslissing opnieuw een externe procedure opstarten binnen de vijf kalenderdagen nadat hij hiervan heeft kennis genomen. Dit kan tot heel wat onduidelijke situaties leiden voor de student waarvan de hierna gegeven rechtspraak getuigt: “… De Raad stelt ten tweede vast dat na het gedeeltelijk gegrond verklaren van het intern beroep tegen de beslissing van de examencommissie van 9 september 2010, de examencommissie op 22 september 2010 een nieuwe beslissing heeft genomen waarbij verzoekende partij opnieuw niet geslaagd werd verklaard voor het opleidingsonderdeel “Beroepspraktijk” met de quotering 7/20. De Raad is van oordeel dat de (tweede) beslissing van de examencommissie van 22 september 2010 in de plaats is gekomen van de (eerste) beslissing van de examencommissie van 9 september 2010 die als ingetrokken moet worden beschouwd en het beroep dat bij de Raad met het verzoekschrift d.d. 24 september 2010 werd ingediend derhalve geen voorwerp meer heeft. De Raad wijst erop dat het verdwijnen van het formeel voorwerp van het beroep niet in alle gevallen de onontvankelijkheid van het beroep meebrengt. De Raad van State is in dat verband van oordeel dat zulks o.m; niet het geval is wanneer de Raad van State vaststelt dat het bestuur de oorspronkelijke bestreden beslissing door een nieuwe heeft vervangen en wanneer die vervangende beslissing inhoudelijk niet wezenlijk van de eerste verschilt waardoor het materieel voorwerp van het beroep ongewijzigd is gebleven (R.v.St., Tück, nr. 140.646 van 15 februari 2005; R.v.St., Balduck, nr. 173.305 van 9 juli 2007 en R.v.St., De Schutter, nr. 190.743 van 23 februari 2009).
55
R.Stvb.nr.2010/072;079;080;090
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
38 In die gedachtegang is de Raad van oordeel dat het beroep moet beschouwd worden als gericht tegen de beslissing van de examencommissie van 22 september 2010. De examencommissie heeft binnen de termijn van 15 kalenderdagen op 22 september 2010 een nieuwe definitieve beslissing genomen die de interne beroepsprocedure definitief afsluit en derhalve rechtstreeks voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de Raad. Dit werd tevens als dusdanig aangegeven in de beroepsmodaliteiten vermeld in het begeleidende schrijven (e-mail van 27 september 2010). Het bij de Raad ingestelde beroep is ontvankelijk.”56 48. Een student kan in de loop van de procedure voor de Raad het voorwerp van zijn beroep niet uitbreiden ook niet naar middelen toe. Wanneer een student in beroep gaat omdat zij onvoldoende werd begeleid, is het tot stand komen van het resultaat zelf geen voorwerp van het ingestelde beroep. “Op de zitting stelde de verzoekende partij dat zij ook de evaluatie van haar prestatie ter discussie had gesteld en dat dit bleek uit stukken die gevoegd waren bij haar verzoekschrift. De Raad merkt op dat in het eigenlijke beroep op geen enkele wijze duidelijk wordt gemaakt dat ook de evaluatie zelf ter discussie wordt gesteld en wordt daar geen verwijzing gedaan naar die bijgevoegde stukken en verder werd deze klacht ook niet in het kader van het intern beroep geformuleerd. In zoverre de verzoekende partij thans ook de evaluatie zelf in vraag stelt, is het beroep niet ontvankelijk.”57 49. Middelen die voorheen niet op ontvankelijke wijze in het interne beroepschrift zijn opgenomen kunnen in principe niet voor het eerst in het kader van het extern beroepschrift worden opgeworpen. Ingeval de verwerende partij dit opwerpt zal de Raad dit onderzoeken en hierover al dan niet in het voordeel van de student oordelen. “Aangezien de middelen ook tijdens de interne beroepsprocedure aan bod zijn gekomen is de Raad van oordeel dat dit ook bij de behandeling van de procedure voor de Raad in aanmerking kan genomen worden.”58 “…Volgens de verwerende partij is het voorwerp van het beroep dan ook beperkt tot de kwestie van het examencijfer en de beslissing van de Interne Beroepscommissie definitief geworden is wat het slagen van het schakelprogramma betreft. De Raad stelt vast dat de verzoekende partij in haar weliswaar beknopt verzoeksschrift beroep aantekent tegen de examenbeslissing van 15 september 2010 en de beslissing op intern beroep van 13 oktober 2010. Eenzelfde argumenten werden tevens naar voren gebracht bij het instellen van het intern beroep waarbij de instelling deze argumenten ook beschouwde als een beroep tegen de beslissing om haar niet geslaagd te verklaren. In die zin beschouwt de Raad de beknopte argumenten als een beroep gericht tegen het examencijfer maar ook tegen het niet-
56
R.Stvb.nr.2010/079;090 R.Stvb.nr.2010/078 58 R.Stvb.nr.2010/080 57
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
39 geslaagd zijn. Derhalve is de beslissing van de Interne Beroepscommissie op geen enkel punt definitief.” 59 50. Ten slotte verduidelijkte de Raad in verschillende besluiten de grenzen van zijn bevoegdheid ten opzichte van het gevraagde in het verzoekschrift. De Raad is op grond van artikel II.22 Aanvullingsdecreet bevoegd om in geval van een vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing het bestuur te bevelen een nieuwe beslissing te nemen onder de door de Raad gestelde voorwaarden. De Raad stelde zich evenwel niet bevoegd voor een in algemene termen gesteld bevel zoals de vraag van een verzoekende partij om ingeschreven te worden; om toegelaten te worden of om geslaagd verklaard te worden. De Raad leest bv. in voorkomend geval ‘het beroep van de verzoekende partij als een vraag tot vernietiging van de weigeringsbeslissing van de interne beroepsinstantie’60 4.1.8. De schending van het gezag van gewijsde 51. De Raad heeft in het werkjaar 2010 een verzoekschrift gegrond verklaard omdat de onderwijsinstelling het gezag van gewijsde van een door de Raad eerder genomen besluit heeft geschonden61: “Verzoekende partij beklaagt er zich opnieuw over dat de vervangende taak geen volwaardige opdracht was die in de plaats kon komen van de nog resterende duur van de stage. Zoals gezegd, is de Raad van oordeel dat in geval van de vroegtijdige beëindiging van de stage, de onderwijsinstelling tot taak heeft zodanig te handelen dat een objectieve evaluatie mogelijk is. In voorliggend geval werd gekozen voor een vervangende taak als een equivalent van de nog resterende duur van de stage. De Raad stelt vast dat de evaluatie en de motivering ervan voor het opleidingsonderdeel ‘Stage 2 Maatschappelijk Werk’ van de tweede zittijd, nu mede is gebaseerd op de ongewijzigde vervangopdracht waarvan de Raad in zijn beslissing van 16 augustus 2010 heeft gezegd dat die opdracht niet als een volwaardig equivalent van de nog resterende stage-uren kan worden aangenomen. De Raad komt tot het besluit dat het gezag van gewijsde is geschonden en de beslissing niet naar behoren werd uitgevoerd. “
59
R.Stvb.2010/128 R. Stvb. nr. 2010/016;012;116;114. 61 Besluit R. Stvb. nr. 2010/071. 60
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
40
4.2. Gegrondheid 52. De Raad stelde een stijging vast van de gegronde zaken. In 39 % van alle ingediende en geregistreerde zaken en in 50,4 % van alle ontvankelijke verzoekschriften ging de Raad over tot het vernietigen van de betwiste studievoortgangsbeslissing. Van de in totaal 115 beroepen die in 2010 ontvankelijk verklaard werden, heeft de Raad er 52 gegrond en 6 deels gegrond verklaard. Zoals ook andere jaren het geval was, zijn de in de voetnoot aangeduide besluiten te raadplegen op basis van de rolnummers op de website van de Raad.62 53. Er is nog steeds onduidelijkheid bij de studenten over hoe ver de Raad kan gaan bij het nemen van een besluit. De decreetgever heeft de reikwijdte van de bevoegdheid van de Raad bij de beoordeling ten gronde van de studievoortgangsbeslissing echter duidelijk omlijnd63: De decreetgever bepaalt limitatief tot wat de behandeling van een verzoekschrift kan leiden en geeft ook uitdrukkelijk aan dat : “De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van de kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.” De Raad als administratief rechtscollege beperkt zich bij de behandeling van de verzoekschriften tot de legaliteitstoets, i.e. de conformiteit met de rechtsregels. Daarnaast toetst de Raad de opportuniteit van de bestuursbeslissing slechts marginaal. De Raad onderzoekt derhalve enkel of de beslissing regelmatig is tot stand gekomen en of ze niet kennelijk (on)redelijk is. De Raad kan zich ook niet in de plaats treden van de onderwijsinstelling en een nieuwe studievoortgangsbeslissing nemen.64 De Raad is wel bevoegd om in geval van een vernietiging de onderwijsinstelling te bevelen een nieuwe beslissing te nemen onder de door de Raad gestelde voorwaarden. Zo kan de Raad bijvoorbeeld voorwaarden inzake de organisatie van het examen of inzake de motieven die bij het nemen van de studievoortgangsbeslissing moeten worden betrokken, verbinden aan het nemen van een nieuwe beslissing. Bijgevolg neemt de Raad in verschillende besluiten overwegingen op in het licht waarvan een nieuwe beslissing moet worden genomen. Specifieke voorwaarden worden meestal in het dispositief van het besluit opgenomen. Bovendien stelt de Raad, indien een beslissing wordt vernietigd, telkens een vrij korte termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing moet worden genomen. De Raad kan in een vernietigingsbesluit, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, tevens aan de onderwijsinstelling bevelen om in afwachting van een nieuwe beslissing de student voorlopig in te schrijven, alsof er geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen. Dit laatste gebeurt niet zo veelvuldig. 62
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/raad/ Artikel II.22 en 21, tweede lid Aanvullingsdecreet. 64 R.Stvb. nr. 2010/023; R.Stvb. nr. 2010/079; R.Stvb. nr. 2010/080; R. Stvb. nr. 2010/114; R.Stvb. nr. 2010/115, e.a. 63
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
41 Doorgaans blijken de studenten reeds opnieuw ingeschreven te zijn meermaals in een andere instelling. Uit de hierna aangehaalde rechtspraak blijkt duidelijk dat de Raad meermaals zeer specifiek is wat deze voorwaarden betreft. Een greep uit de rechtspraak: “De beslissing van de algemeen directeur genomen in het kader van het intern beroep wordt vernietigd. De algemeen directeur zal een nieuwe beslissing nemen uiterlijk op 29 juli 2010, waarbij voor de berekening van het leerkrediet van de verzoekende partij geen studiepunten in mindering zullen worden gebracht voor die opleidingsonderdelen, waarvoor zij geen eerste en/of tweede examenkans heeft kunnen benutten.”65 “De beslissing van 7 juli 2010 genomen in het kader van het intern beroep wordt vernietigd. De bevoegde instantie zal een nieuwe beslissing nemen uiterlijk op 27 augustus 2010, in afwezigheid van de examinator van het opleidingsonderdeel Beroepspraktijk 1.”66 “De beslissing op intern beroep van 13 juli 2010 wordt vernietigd. De interne beroepsinstantie zal opnieuw beslissen uiterlijk op 14 september 2010, waarbij zij het beroep niet mag verwerpen wegens laattijdigheid, en evenmin omdat het niet gericht zou zijn tegen een studievoortgangsbeslissing.”67 “De bevoegde instantie van de verwerende partij zal een nieuwe beslissing nemen over het al dan niet geslaagd zijn van de verzoekende partij uiterlijk op 16 november 2010 en nadat de bevoegde examinator het antwoord op de vierde vraag van het examen voor het opleidingsonderdeel Programmeertechnieken 3 opnieuw zal hebben geëvalueerd in het licht van de hetgeen de Raad daaromtrent overwogen heeft.”68 “De bevoegde instantie van de verwerende partij zal een nieuwe beslissing nemen uiterlijk op 30 november 2010, in afwachting waarvan de verzoekende partij voorlopig zal worden ingeschreven als student, met ingang van 22 november 2010.”69 “De verzoekende partij moet de kans krijgen het examen voor het betwiste opleidingsonderdeel opnieuw af te leggen op een voor haar meest geschikte datum, met dien verstande dat het examen vergelijkbaar moet zijn qua vorm, omvang en moeilijkheidsgraad met het examen van 14 januari 2010.70
Ondergaand wordt een overzicht gegeven van de ingeleide betwistingen in 2010 volgens de aard van de studievoortgangsbeslissingen: 65
R.Stvb. nr. 2010/021. R.Stvb. nr. 2010/028. 67 R.Stvb. nr. 2010/038. 68 R.Stvb. nr. 2010/088. 69 R.Stvb. nr. 2010/103. 70 R.Stvb.nr.2010/010 66
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
42
-
een examenbeslissing; een examentuchtbeslissing; de toekenning van een vrijstelling; een maatregel van studievoortgangsbewaking; een beslissing over het leerkrediet
4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing 54. Huidig werkjaar werden 90 verzoekschriften die een examenbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid.71 De verschillende middelen die aanleiding hebben gegeven tot specifieke rechtspraak in 2010 worden hierna besproken. Het onderwijs- en examenreglement Het is van essentieel belang dat de onderwijsinstelling haar eigen examen- en onderwijsreglement nauwkeurig toepast. De niet correcte toepassing ervan wordt logischerwijze door de student aangekaart en betwist bij de Raad. De Raad stelde ook in 2010 vast dat de instellingen zich niet altijd houden aan hun eigen reglementen. Zo oordeelde de Raad als volgt: “Het stagereglement dat handelt over de schorsing en verbreking van de stageovereenkomst, stelt dat er steeds gestreefd zal worden naar een voorafgaande bespreking van de situatie met alle partijen. De strekking van deze bepaling is dat waar mogelijk alle partijen overleg moeten plegen vooraleer de overeenkomst geschorst of verbroken wordt. Dat is in dit geval niet gebeurd en de Raad ziet ook niet in waarom dit niet kon gebeuren. Dit heeft tot gevolg dat de onregelmatigheid van de verbreking van de stageovereenkomst met zich meebrengt dat de evaluatie “afwezig” niet in stand kan blijven. In het licht van de informatie verstrekt door de verzoekende partij zal de verwerende partij nagaan of in dit geval toepassing moet gemaakt worden van het artikel van het stagereglement dat bepaalt dat de examencommissie het voorstel van de titularis stage van de onderwijsinstelling of men de reeds gelopen stage al dan niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de onderwijsactiviteiten en beraadslaging. Bovendien zal de verwerende partij er zorg voor dragen dat alle documenten die betrekking hebben op de betwiste stage, met inbegrip van de door de verzoekende partij reeds aangemaakte delen van de scriptie, in het dossier worden opgenomen en bij de beoordeling worden betrokken.”72
71
R. Stvb. nrs. 2010/004, 007, 008, 009, 010, 011, 013, 014, 017, 018, 023, 024, 025, 026, 027, 029, 030, 032, 033, 034, 035, 036, 037, 038, 039, 040, 042, 044, 045, 046, 048, 049, 050, 051, 053, 054, 055, 056, 058, 059, 060, 062, 063, 064, 067, 068, 069, 070, 071, 072, 073, 074, 076, 078, 079, 080, 086, 088, 090, 091, 093, 094, 095, 096-129, 097, 098, 099, 100, 101, 102-110, 106, 107, 114, 115, 118, 123, 128, 130, 131, 135, 141-144, 146, 147. 72 R. Stvb. nr. 2010/040.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
028, 052, 077, 104,
43 “Conform de bepalingen van het departementaal onderwijs- en examenreglement stelt de Raad vast dat de samenstelling van de jury niet tijdig, d.w.z. twee weken voor het plaatsvinden van de evaluatie, werd meegedeeld aan de verzoekende partij. De verwerende partij verwijst naar de email van 2 juni 2010 met daarin een overzicht aan alle studenten van de verschillende jury’s op de verscheiden dagen van evaluatie. Hieruit komt niet tot uiting welke jury zou oordelen over de masterproef van de verzoekende partij. Los van de uitoefening van het stemrecht bleef het tot veertien dagen voorafgaand aan de verdediging van de masterproef en zelfs tijdens de verdediging voor de betrokken student onduidelijk hoeveel en welke externe juryleden zouden bijdragen tot de beoordeling van de masterproef van de verzoekende partij. De Raad acht het in die zin aannemelijk dat zij zich niet voldoende gericht heeft kunnen voorbereiden. De Raad oordeelt dat niet conform het departementaal onderwijs- en examenreglement werd gehandeld.”73 “In het derde onderdeel beklaagt verzoekende partij zich erover dat er geen schriftelijke voorbereidingstijd was voorzien voorafgaand aan het mondelinge examen terwijl het examenreglement voorziet in een schriftelijke voorbereiding van minstens 20 minuten. De Raad stelt vast dat uit niets blijkt dat verzoekende partij de mogelijkheid heeft gehad om het mondeling examen voor te bereiden gedurende de daarvoor voorziene tijd. Het schriftelijk werkstuk noch de casus-examenvraag kunnen als schriftelijke voorbereiding beschouwd worden conform het reglement.”74 55. Soms is het voor de student niet duidelijk of het Algemeen examenreglement van toepassing is dan wel een Handleiding met meer specifieke criteria. ‘Verzoekende partij beklaagt er zich in een eerste middel over dat voor het opleidingsonderdeel “Engineering Experience 5” (EES) de score 9,6175/20 werd afgerond naar 9/20 terwijl in het Algemeen Examenreglement als algemene regel wordt gesteld dat in een dergelijk geval de score naar 10/20 wordt afgerond, met dien verstande dat “de departementale raad (kan) beslissen dat voor een beperkt aantal vakken de weging van de deelvakcijfers op een andere manier gebeurt. De afwijkende manier wordt duidelijk vermeld in de betrokken studiewijzer en medegedeeld bij de aanvang van de colleges”. De Raad stelt evenwel vast dat het algemeen Examenreglement te dezen niet van toepassing is daar het niet om de evaluatie van deelvakken gaat. Voor de evaluatie gelden de evaluatiecriteria uit de Handleiding. Uit de Handleiding blijkt dat wanneer een student voor zijn individuele appreciatie van het dagelijks werk een onvoldoende heeft, verwerende partij de mogelijkheid heeft om de evaluatie voor het geheel aan te passen, onder meer door het hanteren van andere wegingcoëfficiënten. In voorliggend geval werd de globale evaluatie voor deze student vastgesteld op 9 op 20. 73 74
R. Stvb. nr. 2010/051. R. Stvb. nr. 2010/079, R. Stvb. nr. 2010/090.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
44 De Raad merkt op dat de transparantie van de individuele score vatbaar is voor verbetering maar dat uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt dat verwerende partij haar eigen reglementering heeft nageleefd en niet onredelijk heeft gehandeld.’75 De evaluatiemethodes 56. Het is noodzakelijk dat de onderwijsinstellingen bij de aanvang van het opleidingsonderdeel de studenten schriftelijk (al dan niet elektronisch), permanent en gedetailleerd in kennis stellen van de toegepaste evaluatievorm en de tijdstippen ervan. Hierdoor krijgen de studenten steeds de kans om deze evaluatievormen te raadplegen. De Raad diende vast te stellen dat sommige instellingen nalaten om de evaluatievormen voorafgaandelijk en permanent aan de studenten mee te delen: “Zoals de Raad reeds eerder heeft opgemerkt, is de berekeningswijze van de quotering voor het onderdeel onduidelijk en niet of onvoldoende bekendgemaakt aan de studenten. Bovendien heeft verwerende partij tot nog toe nog geen stukken voorgelegd waaruit een rechtsgrond zou blijken dat slechts punten worden gegeven in afnemende orde van 20 tot 7 en daarna onmiddellijk 0 op 20. Het valt de Raad op dat tijdens de hoorzitting van heden de verwerende partij voor de eerste maal beweert dat de evaluatiecriteria via blackboard aan de studenten werden medegedeeld. De Raad stelt vast dat het voorgelegde stuk weliswaar de puntenschaal voor zwemmen 400 meter bevat maar niet alle evaluatiecriteria voor het opleidingsonderdeel. Bovendien is het voor de Raad niet duidelijk of deze gedeeltelijke informatie voorafgaandelijk en op permanente wijze ter beschikking was van de studenten van het academiejaar 2008-2009. Er wordt evenmin een rechtsgrond aangegeven voor het feit dat “onderwater zwemmen” slechts voor een miniem percentage in verhouding tot de andere onderdelen in aanmerking komt. Voor zover de Raad heeft kunnen nagaan, is er geen reglementaire basis voor de toegepaste evaluatiecriteria.” 76 57. Het examenreglement moet bovendien voldoende duidelijk zijn en de evaluatie moet conform het reglement gebeuren. Zo oordeelde de Raad dat hoewel er wel een permanente evaluatie van de studenten was voorzien, de instelling geen stukken naar voor bracht waaruit deze permanente evaluatie van de prestaties blijkt. Hierdoor werd de examenbeslissing o.a. vernietigd.77 58. De Raad oordeelde tevens dat (aanvulling van) de bepalingen van het onderwijs- en examenreglement onder de toepassing van de bestuurstaalwetgeving vallen en derhalve in het Nederlands dienen te worden gesteld en bekendgemaakt: “Verzoekende partij betwist in een eerste middel de geldigheid van de afrondingsregels voor het opleidingsonderdeel “Werkcollege Français
75
R. Stvb .nr. 2010/044 R. Stvb. nr. 2010/013. 77 R. Stvb. nr. 2010/009. 76
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
45 Juridique” omdat ze in het inleidend hoofdstuk van de cursus in het Frans zijn gesteld. Uit het dossier en de toelichting tijdens de zitting is gebleken dat het specifieke afrondingsregels betreft voor het opleidingsonderdeel “Werkcollege Français Juridique”. De Raad is van oordeel dat deze afrondingsregels die door een bevoegde aangestelde van verwerende partij zijn vastgesteld, niet anders kunnen begrepen worden dan als een bepaling met een verordenend karakter en dus voor het betrokken opleidingsonderdeel moeten worden beschouwd als een aanvulling van de bepalingen van het onderwijs- en examenreglement, ongeacht of de tekst in het inleidend hoofdstuk van de cursus is opgenomen. Vanuit die vaststelling valt de betwiste bepaling onder de toepassing van de bestuurstaalwetgeving en moet dus door verwerende partij in het Nederlands worden gesteld en bekendgemaakt. Uit wat voorafgaat volgt dat de specifieke afrondingsregel in voorliggend geval buiten toepassing moet worden gelaten en de normale afrondingsregels gelden.”78
Begeleiding en feedback 59. De studenten klaagden ook in 2010 verschillende keren over een slechte begeleiding. De Raad diende zich dan ook in diverse zaken te buigen over dit middel. De rechtspraak van de Raad stelt duidelijk dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een gebrek in de begeleiding tot vernietiging van de beslissing aanleiding kan geven. Een gebrekkige begeleiding, als die al bewezen is, is op zich geen reden om een ongunstige evaluatie te wijzigen in een voor de student meer gunstige evaluatie (behoudens uitzonderlijke omstandigheden).79 “In haar eerste en enig middel klaagt de verzoekende partij erover dat de scriptiebegeleiding vanwege de verwerende partij gebrekkig was, met name laattijdig, te beperkt en zonder feedback. De Raad heeft reeds meermaals geoordeeld dat een gebrekkige begeleiding in principe niet kan leiden tot een nietigverklaring, noch tot gevolg kan hebben dat de student voor het betrokken opleidingsonderdeel een hogere quotering verdient tenzij in uitzonderlijke omstandigheden, die de Raad in voorliggend geval niet aanwezig acht en ook door de verzoekende partij niet zijn aangebracht.”80 “Wat betreft de gebrekkige begeleiding heeft de Raad al herhaaldelijk geoordeeld dat behoudens bijzondere omstandigheden de gebrekkige begeleiding geen reden is om een voor de student ongunstige evaluatie te wijzigen in een gunstige evaluatie. Er is wat dat betreft geen verschil tussen de beoordelingsmarge van de Raad en deze van de interne beroepsinstantie behoudens wat betreft de uitzonderlijke omstandigheden die door de interne beroepsinstantie vol en door de Raad marginaal worden getoetst.
78
R. Stvb. nr. 2010/068. R. Stvb. nr. 2010/018, R. Stvb. nr. 2010/048, R. Stvb. nr. 2010/052; R. Stvb. nr. 2010/053, R. Stvb. nr. 2010/055, R. Stvb. nr. 2010/073, R. Stvb. nr. 2009/078, R. Stvb. nr. 2010/086. 80 R. Stvb. nr. 2010/024. 79
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
46 In dit geval worden evenwel geen uitzonderlijke omstandigheden aan gevoerd zodat de Raad hier niet verder dient op in te gaan.”81 Het gelijkheidsbeginsel 60. Het gelijkheidsbeginsel is uitdrukkelijk verwoord in tal van grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen. Het Aanvullingsdecreet stipuleert zeer duidelijk dat studenten gelijk moeten behandeld worden. Een aantal studenten beroepen zich dan ook op een schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad stelt uitdrukkelijk dat een mogelijk schending uiteraard ook bewezen dient te worden, wat in verschillende gevallen niet het geval was: “In een tweede middel klaagt verzoekende partij over de schending van het gelijkheidsbeginsel omdat zij het Nederlands niet als moedertaal spreekt. Noch uit de voorgelegde stukken, noch uit de verklaringen ter zitting, blijkt dat verzoekende partij bij de evaluatie zou achtergesteld zijn t.o.v. andere studenten die het Nederlands wel als moedertaal hebben, maar de Raad is er zich van bewust dat het minder vlotte taalgebruik wel een weerslag kan hebben op de communicatie binnen de onderwijsinstelling en bij de uitoefening van de stage. Bij de evaluatie is van deze beweerde taalhandicap geen negatieve weerslag terug te vinden. Het middel is niet gegrond.”82 “Wat de ongelijke behandeling van verzoekende partij t.o.v. medestudenten betreft, brengt verzoekende partij geen elementen aan die deze bewering zouden kunnen staven behalve dat, naar eigen zeggen, vrouwelijke medestudenten die zoals verzoekende partij ook hun eerste ontwerp voor de tweede examenzittijd hebben ingediend, wel een betere quotering zouden hebben gekregen. Deze loutere bewering kan de Raad er niet van overtuigen dat er in voorliggend geval een vooringenomenheid zou zijn geweest in hoofde van de docent-examinator en het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden.”83 “Verwerende partij bekritiseert de toepassing van de tolerantieregeling in de overgangsbepalingen die werden vastgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Onderwijs- en Examenreglement voor het academiejaar 2009-2010, en ziet daarin een schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad stelt vast dat niet wordt betwist dat de overgangsregels rechtmatig zijn vastgesteld en dat die regels op verzoekende partij zijn toegepast zoals voor de andere studenten. Het gelijkheidsbeginsel wordt evenmin geschonden door in de overgangsregeling te voorzien dat de toleranties die in het verleden werden bekomen, voor eenieder behouden blijven en de nieuwe regeling enkel voor de toekomstige studietijd wordt toegepast. De Raad beseft dat er diverse uitgangspunten zijn voor het vastleggen van een overgangsregeling en neemt akte van de voorbeelden die verzoekende 81
R. Stvb. nr. 2009/131. R. Stvb. nr. 2010/058. 83 R. Stvb. nr. 2010/072. 82
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
47 partij aanhaalt en die, naar eigen zeggen, niet door de overgangsregeling gedekt zijn.”84 61. Het artikel II.6 van het Aanvullingsdecreet geeft wat de toepassing van het gelijkheidsbeginsel betreft ook aan dat instellingen maatregelen moeten nemen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen en dat zij maatregelen kunnen nemen van corrigerende ongelijkheid. De Raad oordeelde in dit verband ook in onderstaande beslissing dat de ondersteunende maatregelen voor studenten met een functiebeperking individuele maatregelen zijn die vanuit het gelijkheidsbeginsel onmisbaar zijn om deel te nemen aan het leerproces en om de leerstof te verwerken. “In het tweede onderdeel betreurt verzoekende partij de gebrekkige ondersteuning vanwege de verwerende partij. De Raad stelt vast dat verwerende partij geen globaal overzicht geeft van de ondersteunende maatregelen die in hoofde van verzoekende partij werden aangereikt of ter beschikking gesteld, behalve de contactmomenten met haar GON-begeleider. De Raad heeft enkel kennis van het activiteitenrapport van de ombudsdienst waaruit blijkt dat m.b.t. de problematiek van studeren met een functiebeperking slechts één infomoment voor docenten doorging. Tijdens de zitting is ook gebleken dat de gebarentolk slechts een beperkt aantal keren werd ingeschakeld omwille van de zogenaamde niet inpasbaarheid ervan in de interactieve leergroep. Voor zoveel als nodig doet de Raad opmerken dat de ondersteunende maatregelen voor studenten met een functiebeperking individuele maatregelen zijn die niets te maken hebben met een vorm van bevoordeling van de betrokken student, maar vanuit het gelijkheidsbeginsel onmisbaar zijn om deel te nemen aan het leerproces en om de leerstof te verwerken. In voorliggend geval is de Raad van oordeel dat verwerende partij de ondersteunende maatregelen onvoldoende heeft aangeboden of ter beschikking gesteld en deze handelwijze de prestaties van verzoekende partij negatief heeft beïnvloed.”85 De motiveringsplicht 62. Op grond van de wet van 29 juli 199186 dienen de individuele bestuurshandelingen formeel gemotiveerd te zijn. De bestreden studievoortgangbeslissingen zijn individuele bestuurshandelingen in de zin van de wet. Formele motivering vereist dat het bestuur de motieven van zijn beslissing, zowel in feite als in rechte, in de beslissing - voor zover op schrift gesteld - opneemt, of minstens in toegevoegde stukken die samen met de beslissing aan wie het behoort, wordt meegedeeld. De bedoeling van het opnemen van de motieven in de beslissing is om de lezer in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de redenen die het
84
R. Stvb. nr. 2010/101 R. Stvb. nr. 2010/070. 86 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991. 85
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
48 bestuur gehad heeft, om die beslissing te nemen, en met die kennis te beslissen of hij zich bij die beslissing neerlegt of niet. 87 Elke individuele studievoortgangsbeslissing dient niet enkel formeel maar ook materieel uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Of een motivering afdoende is en m.a.w. toelaat om na te gaan op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de beslissing is tot stand gekomen, hangt samen met de aard van de genomen beslissing. Zowel de schending van de formele als de materiële motiveringsverplichting wordt als middel naar voor gebracht in de meeste beroepschriften. Een paar voorbeelden van de schending van de motiveringsplicht: “Ook al kan worden aangenomen dat een eindevaluatie ongunstig is ondanks heel wat positieve deelevaluaties, omdat zelfs een beperkt aantal negatieve deelevaluaties tot gevolg kan hebben dat de vereiste competenties niet bereikt zijn, moet in dit geval worden vastgesteld dat de balans kennelijk niet in verhouding is: twee van de drie stages werden overwegend positief geëvalueerd door de mentoren en lectoren, en de meer uitgesproken negatieve elementen van de derde stage hebben blijkens de hiervoor genoemde nota van de mentor betrekking op één bepaalde periode, en hebben mogelijk een verklaring in de specifieke beroepssituatie van de verzoekende partij, zoals de nota aangeeft. In het licht van deze gegevens is de motivering van de eindevaluatie voor beide stages niet afdoende.”88 “In de wederantwoordnota wordt de wijze waarop de evaluatie is tot stand gekomen ter discussie gesteld. Het door de verwerende partij bijgebrachte stuk ”permanente evaluatie wegingen (naam verzoekende partij)” waarvan niet blijkt dat de verzoekende partij er eerder kennis van had, geeft een oorspronkelijk totaal van 499 punten op 1000 = 9,98/20. Volgens een handgeschreven aantekening is dit cijfer na predeliberatie teruggebracht tot 9,37 op 20. Het examenreglement van de verwerende partij bevat geen bijzondere bepalingen van afrondingen van examencijfer zodat dient te worden aangenomen dat afrondingen van 0,5 en hoger afgerond worden naar een hogere eenheid en daaronder naar de lagere eenheid. Er wordt door de verwerende partij geen motivatie bijgebracht noch over de personen die aan deze predeliberatie hebben deelgenomen noch over de redenen die tot deze aanpassing hebben geleid. De bestreden beslissing is derhalve niet afdoende gemotiveerd.”89 “De Raad wijst erop dat het niet abnormaal is dat een examen negatief wordt geëvalueerd wegens de onvolledigheid van de antwoorden maar dat deze onvolkomenheid moet blijken uit de verbetering van het examen en moet deel uitmaken van de motivering van het bekomen resultaat. In voorliggend geval wordt het intern beroep afgedaan met de zin “in uw antwoorden ontbraken elementen die essentieel van belang zijn om een hogere score op de vragen te krijgen”. Deze bewering is zeer summier en 87
R. Stvb. nr. 2010/050; R. Stvb. nr. 2010/059. R. Stvb. nr. 2010/045. 89 R. Stvb. nr. 2010/062. 88
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
49 vermeldt niet welke ontbrekende elementen “essentieel van belang zijn” en antwoordt evenmin op alle argumenten die verzoekende partij heeft aangehaald. In de antwoordnota en de bijgevoegde bijlage worden weliswaar een aantal minpunten in de antwoorden van verzoekende partij opgesomd maar wordt geen duidelijk antwoord gegeven op alle concrete argumenten van verzoekende partij. Naar het oordeel van de Raad, is de verwerende partij tekort gekomen aan de motiveringsplicht door het ontbreken van een antwoord op de concrete en gedetailleerde argumenten van verzoekende partij en het niet aantonen hoe zwaar de beweerde onvolledige antwoorden werden gepenaliseerd en het uiteindelijk examenresultaat hebben beïnvloed.”90 “De Raad stelt vast dat in de tweede examenperiode voor het ontwerp dezelfde quotering werd gegeven als voor de eerste examenperiode met als motivering “dat er geen gunstige evolutie is bij de evaluatie van de herkansing, dat verzoekende partij geen ruimtelijk inzicht heeft, geen besef van verhoudingen en geen aanzet tot inzicht op structureel vlak…”. Daar verzoekende partij in de tweede examenperiode hetzelfde ontwerp heeft mogen indienen als in de eerste examenperiode maar mits toevoeging van een aantal plannen, hoeft het, naar het oordeel van de Raad, niet te verwonderen dat er geen wezenlijke evolutie is vastgesteld evenmin als een verbetering m.b.t. het ruimtelijk inzicht, het besef van verhoudingen en de aanzet tot inzicht op structureel vlak. De motivering is in dat opzicht gebrekkig en kan niet dienen ter ondersteuning van de toegekende ongewijzigde quotering. De motivering van de examencommissie zoals die blijkt uit een niet gedateerd stuk is bovendien bijzonder summier en algemeen geformuleerd zodanig dat verzoekende partij niet kan weten waarom haar, niettegenstaande de gevraagde toevoegingen, dezelfde quotering werd toegekend. “91 “Wat betreft de inhoudelijke motivering dient te worden vastgesteld voor de prestaties doorheen het jaar gedetailleerd en precies zijn en de Raad ziet niet in dat deze motivering op onjuiste feiten of een onjuiste appreciatie zouden steunen. De motieven die in de bestreden beslissing gegeven worden voor de beoordeling van het ontwerp zijn eveneens gedetailleerd en relevant, maar geven niet aan waarom ondanks de door de verzoekende partij aangebrachte wijzigingen aan het ontwerp de prestatie niet beter was dan die van de eerste examenkans. Dit gebrek is des te ernstiger omdat elke verantwoording van de evaluatie van de eerste examenkans ontbreekt.”92 “Uit de meegedeelde examenkopij blijkt dat in de rand van vraag vier eerst de notatie 1/4 werd aangebracht, daarna de notatie 0,5/4. De verwerende partij ontkent niet dat de examinator deze notaties heeft aangebracht, en verantwoordt de wijziging doordat de examinator na een eerste beoordeling van alle examens deze een tweede keer beoordeeld heeft,
90
R. Stvb. nr. 2010/007. R. Stvb. nr. 2010/072. 92 R. Stvb. nr. 2010/131. 91
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
50 en daarbij de correcties heeft aangebracht die op grond van een inzicht in alle examens verantwoord waren. De Raad stelt vast dat op de examenkopij van de verzoekende partij voor vraag vier een antwoord voorkomt waarvoor de examinator initieel een van de vier te behalen punten toekende. Het valt niet te begrijpen waarom deze beoordeling, waarvan toch mag worden aangenomen dat ze werd toegekend met kennis van zaken, zonder enige overtuigende motivering gewijzigd werd naar 0,5/4. Als bij de initiële beoordeling een punt op vier werd toegekend, dan kan de vergelijking met de antwoorden van de andere studenten op zichzelf niet die wijziging verantwoorden. De evaluatie kan alleen maar gewijzigd worden als gemotiveerd wordt waarom het antwoord op zichzelf genomen bij nader inzien een half punt verdient, en tevens waarom begrijpelijk is dat voor ditzelfde antwoord bij vergissing eerst wel een vol punt werd toegekend.”93 “In het vijfde onderdeel beweert verzoekende partij dat er geen afzonderlijke evaluatie is gebeurd per onderdeel. Er werd, naar haar zeggen, enkel eenzelfde quotering gegeven voor de drie onderdelen. Uit het dossier blijkt dat voor vier van de vijf onderdelen eenzelfde quotering werd gegeven zonder enige motivering. De Raad is van oordeel dat het niet meer dan normaal is dat de quotering – ook voor opleidingsonderdelen die samen worden gequoteerd – op een transparante en gemotiveerde wijze.”94 ‘De Raad stelt vast dat de evaluatiematrix van de groep niet bij de beslissing op intern beroep was gevoegd. Er wordt in de beslissing ook geen nadere uitleg gegeven over de “onvoldoende inzet gedurende verschillende sessies” en er wordt evenmin verwezen naar een bijgevoegd document waaruit deze “onvoldoende inzet” moet blijken en waarop het orgaan van intern beroep zich heeft gesteund. “Uit de verklaringen ter zitting is duidelijk gebleken dat in de loop van het academiejaar aan de verzoekende partij geen signalen werden gegeven betreffende een onvoldoende individuele inzet en vooruitgang. Dit is inzonderheid van belang voor deze studenten die een onvoldoende hebben gekregen voor het groepswerk dat in globo als voldoende werd gequoteerd. In deze omstandigheden is het voor de Raad niet mogelijk om uit te maken of het gelijkheidsbeginsel al dan niet werd nageleefd en verwerende partij redelijk heeft gehandeld. ‘95” 63. De Raad is eveneens van oordeel dat de documenten die een beslissing dragen, bij deze beslissing dienen te worden gevoegd om te voldoen aan de motiveringsplicht. “De Raad stelt vast dat het proces-verbaal van de deliberatie van 21 januari 2010 bijzonder summier is voor de negatieve evaluatie van verzoekende partij voor de module 11 (stage). De vermelding dat “zowel de drie cases als de presentatie met verdediging van een te laag niveau (zijn)” beantwoordt niet 93
R. Stvb. nr. 2010/088. R. Stvb. nr. 2010/090. 95 R.Stvb.nr. 2010/044 en 046 94
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
51 aan wat de verzoekende partij als motivering mag verwachten. De uitnodiging om de documenten die de beslissing schragen te komen inzien, kan dit gebrek niet goedmaken. De verwerende partij is te dezen duidelijk tekort gekomen aan de motiveringsplicht door het niet bijvoegen van de documenten bij de bestreden beslissing.”96 “In deze zaak heeft de verwerende partij de motieven van de bestreden examenbeslissing pas aan de verzoekende partij meegedeeld als bijlage van de beslissing op intern beroep. Dat is niet in overeenstemming met de eisen die de voormelde wet stelt.”97 “Verzoekende partij bekritiseert in een tweede middel de motivering van de beslissing van de Interne beroepscommissie van 9 september 2010, die werd genomen ter uitvoering van de beslissing van de Raad nr. 2010/059 van 19 augustus 2010. Verzoekende partij haalt een aantal argumenten aan die, globaal genomen, betrekking hebben op het ontbreken van concrete gegevens en stukken die de neergeschreven motivering kunnen ondersteunen. Zoals gezegd, is de beslissing van de Interne beroepscommissie van 9 september 2010 genomen ter uitvoering van de beslissing van de Raad nr. 2010/059 van 19 augustus 2010 waardoor de beslissing van de Interne beroepscommissie van 12 juli 2010 wordt vernietigd wegens de schending van de motiveringsplicht en de Raad aan de bevoegde instantie van verwerende partij opdracht geeft een nieuwe beslissing te nemen “waarbij deze instantie oog zal hebben voor het bewijs van de feiten die in aanmerking genomen worden voor deze nieuwe beslissing”. De Raad merkt op dat de beslissing van de Interne beroepscommissie van 9 september 2010 in grote mate de tekst dupliceert van het niet-gedateerde “verslag van de examen jury” dat als bijlage 3 bij het “puntenbriefje” van 28 juni 2010 is gevoegd. Behalve de tussentijdse beoordeling van 16 december 2009 die door verzoekende partij wordt voorgelegd, zijn in het dossier geen nieuwe stukken voorhanden die de motivering van de beslissing kunnen ondersteunen. Uit niets blijkt dat er controle was op het opmaken van reflectieverslagen door de studenten – en dus ook door verzoekende partij – en welke de schriftelijke neerslag is van de permanente evaluatie. De bewering in het proces-verbaal van de zitting van de Interne beroepscommissie van 9 september 2010 dat er in de voorliggende stukken voldoende elementen aanwezig zijn tot motivering van de examenresultaten, wordt door niets gestaafd en uit niets blijkt welke bewijskrachtige stukken de beroepscommissie voor ogen heeft gehad. Deze vermelding kan naar het oordeel van de Raad niet anders begrepen worden als een verwijzing naar de stukken die ook hebben gediend voor de eerste beslissing van 12 juli 2010 en die door de Raad in zijn beslissing van 19 augustus 2010 als onvoldoende werden beschouwd ter ondersteuning van de motivering. Door aldus te handelen heeft de Interne beroepscommissie het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad nr. 2010/059 van 19 augustus 2010, geschonden.
96 97
R. Stvb. nr. 2010/009. R. Stvb. nr. 2010/059.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
52 De Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat verwerende partij geen rechtsgeldige motieven meer heeft om de bestreden beslissing te verantwoorden. In die gedachtegang blijft de motiveringsplicht geschonden.”98 “Dit middel kan zo begrepen worden dat de verzoekende partij daarmee aanvoert dat de onvoldoende voor het eindwerk delibereerbaar was. Dat blijkt ook uit de door haar neergelegde ECTS-fiche. De vermelding ‘delibereerbaar’ wil zeggen dat een student met een delibereerbaar tekort kan, maar niet moet geslaagd worden verklaard, maar dat de bevoegde instantie wel dient te motiveren waarom de student niet slaagt ondanks een delibereerbaar tekort. Uit de meegedeelde stukken blijkt niet dat de examencommissie zich over de vraag van de delibereerbaarheid heeft uitgesproken”99 De Raad oordeelde eveneens dat er afdoende moet worden gemotiveerd wanneer een student niet geslaagd wordt verklaard met een miniem tekort. Ingeval er bij een deliberatie ‘uitzonderlijke omstandigheden’ in oogschouw worden genomen betreft dit onder meer het gehele studietraject dat de betreffende student heeft afgelegd . Artikel 33 van het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 bepaalt dat een student die niet alle creditbewijzen heeft verworven kan geslaagd worden verklaard voor het geheel van de opleiding indien de instelling op gemotiveerde wijze van oordeel is dat de doelstellingen van de opleiding globaal verwezenlijkt zijn. Bij de beoordeling of een student kan geslaagd worden verklaard dient derhalve rekening te worden gehouden met de globale resultaten van deze studenten en de doelstellingen van de desbetreffende opleiding. “De verzoekende partij stelt terecht dat de vermelding ‘delibereerbaar’ wil zeggen dat een student met een delibereerbaar tekort kan, maar niet moet geslaagd worden verklaard, maar dat de bevoegde instantie wel dient te motiveren waarom de student niet slaagt ondanks een delibereerbaar tekort. De Raad stelt vast dat de examencommissie zich ertoe beperkt een reeks eindcompetenties, zoals die in de studiegids geformuleerd zijn, letterlijk over te nemen en zonder verdere toevoeging te stellen dat die competenties niet behaald zijn. Ook al kan er begrip voor worden opgebracht dat de motivering van de evaluatie van een artistieke prestatie niet gemakkelijk is, een loutere affirmatie dat de competenties niet bereikt zijn is onvoldoende. En ook al is het betrokken opleidingsonderdeel een zelfstandig en belangrijk opleidingsonderdeel, bij de beslissing of een student al dan niet geslaagd is voor de totale opleiding (‘gedelibereerd’ in het jargon) dient de examencommissie oog te hebben voor het geheel van de resultaten. Het spreekt vanzelf dat een delibereerbaar tekort anders beoordeeld moet worden wanneer de resultaten voor de andere opleidingsonderdelen goed zijn dan wanneer die middelmatig zijn.”100
98
R. Stvb. nr. 2010/074. R. Stvb. nr. 2010/106 100 R. Stvb. nr. 2010/095. 99
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
53 “In voorliggend geval is verzoekende partij als niet-geslaagd verklaard door de examencommissie van de faculteit TEW omdat zij voor opleidingsonderdelen van samen 18 studiepunten een tekort had van 3 punten (3 x 9/20). De Raad is van oordeel dat in een dergelijk geval de examencommissie rekening moet houden met het behalen van de globale doelstellingen van de opleiding. De Raad stelt vast dat de examencommissie “in beroep” in zijn motivering zich ertoe beperkt te stellen dat de competenties in de leerlijn Kwantitatieve vorming (i.c. tekorten voor Beslissingsondersteunende methoden en Kwantitatieve beleidsmethoden) en in een van de leerlijnen Functionele domeinen van de bedrijfseconomie (i.c. tekort voor Accountancy) niet heeft verworven. De Raad is van oordeel dat een tekort voor een opleidingsonderdeel binnen een welbepaalde leerlijn niet betekent dat de student voor de volledige leerlijn de competenties niet heeft verworven. Ook al zouden de betrokken opleidingsonderdelen zelfstandig en belangrijk zijn, dient bij de beslissing of een student al dan niet geslaagd is voor de totale opleiding (‘gedelibereerd’ in het jargon), de examencommissie oog te hebben voor het geheel van de resultaten. Het spreekt vanzelf dat een delibereerbaar tekort anders beoordeeld moet worden wanneer de resultaten voor de andere opleidingsonderdelen goed zijn dan wanneer die middelmatig zijn. Naar het oordeel van de Raad is de beslissing van de examencommissie “in beroep” te dezen onvoldoende gemotiveerd.”101 “Uit het OER blijkt dat de examencommissie zich uitspreekt over het gehele deliberatiepakket. Dit impliceert dat de examencommissie de eventuele bijzondere omstandigheden moet beoordelen niet alleen voor wat betreft het opleidingsonderdeel met een tekort maar voor het geheel van alle afgelegde examens. De examencommissie van het derde deliberatiepakket diende bij haar beoordeling ook rekening te houden met het feit dat de betrokken student reeds geslaagd was voor de twee eerste deliberatiepakketten. Het is in het licht van het geheel van deze factoren dat de examencommissie dient na te gaan of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die kunnen verantwoorden dat een student geslaagd wordt verklaard ondanks een of meer tekorten voor het betrokken deliberatiepakket. Diezelfde bevoegdheid komt ook toe aan de interne beroepsinstantie die in de plaats treedt van de examencommissie. Het blijkt niet dat de interne beroepsinstantie bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden het gehele deliberatiepakket in ogenschouw heeft genomen en het feit dat de verzoekende partij reeds geslaagd was voor de twee eerste deliberatiepakketten. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de interne beroepsinstantie kennis had van het feit dat de verzoekende partij 15/20 had behaald voor een opleidingsonderdeel waarvoor het opleidingsonderdeel dat hier ter discussie staat een begincompetentie uitmaakte. De interne beroepsinstantie motiveert wel waarom dit op zich geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt, maar dat neemt niet weg dat de interne beroepsinstantie in het kader van haar bevoegdheid en in de plaats tredend van de examencommissie ook dit 101
R. Stvb. nr. 2010/135.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
54 gegeven had moeten betrekken in het ruimer oordeel of er voor het betrokken deliberatiepakket sprake zou kunnen zijn van uitzonderlijke 102 omstandigheden.” “Maar de Raad kan er echter in voorliggend geval niet omheen te doen opmerken dat het niet-delibereerbaar tekort voor één opleidingsonderdeel een zeer grote weerslag heeft op de studieloopbaan van verzoekende partij. Zonder in te gaan op de kwestieuze quotering van 7/20 voor het opleidingsonderdeel, is de Raad van oordeel dat, ook al is het betrokken opleidingsonderdeel een zelfstandig en wellicht een belangrijk opleidingsonderdeel, de bevoegde instanties bij de beslissing over het al dan niet geslaagd zijn voor de totale opleiding, oog moeten hebben voor het geheel van de studieresultaten. In voorliggend geval is de Raad van oordeel dat het enige tekort, weliswaar voor de tweede examenperiode een ernstig tekort, niet ipso facto tot het niet-slagen moet leiden en het studieresultaat moet samengelezen worden met de totaliteit van de resultaten van verzoekende partij en met een gemotiveerde evaluatie of verzoekende partij de vereiste competenties van de opleiding heeft behaald. De specifieke situatie in voorliggend geval is, naar het oordeel van de Raad, een “uitzonderlijke omstandigheid” waarmee de bevoegde instanties rekening moeten houden bij de beraadslaging over het al dan niet slagen van de verzoekende partij.”103 64. De instelling schiet eveneens tekort aan de motiveringsplicht wanneer zij de motieven van de bestreden beslissing pas aan de verzoekende partij meedeelt in het kader van de procedure voor de Raad. Dat is uiteraard niet in overeenstemming met de eisen die de voormelde wet stelt. Deze tekortkoming volstaat om de bestreden beslissing te vernietigen, ook al lijkt het dat de verwerende partij een beslissing zal nemen met dezelfde draagwijdte indien de beslissing enkel wordt vernietigd op grond van de formele motiveringsplicht, dit keer met opgave van de motieven in de beslissing zelf. Volgens de Raad is een vernietiging op grond van ontbreken van een formele motivering voor studenten vaak frustrerend, als zij vaststellen dat achteraf dezelfde beslissing wordt genomen, temeer al omdat aanvaard moet worden dat een gebrek in formele motivering achteraf kan worden goedgemaakt in de beslissing na de vernietiging van de eerste beslissing. Anderzijds mag men niet uitsluiten dat een bestuur bij het nemen van de nieuwe beslissing zich niet zal vergenoegen met het hernemen van de beslissing zonder meer (met de enkele toevoeging van de eerder maar laattijdig meegedeelde motieven), maar de zaak helemaal opnieuw zal beoordelen.104 65. De motivering mag bovendien niet uit louter subjectieve beweringen bestaan, maar dient voldoende te worden geobjectiveerd.
102
R. Stvb. nr. 2010/130. R. Stvb. nr. 2010/114 104 R. Stvb. nr. 2010/050. 103
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
55 “De evaluatie van artistieke prestaties is uit de aard van de zaak moeilijker objectiveerbaar dan voor andere prestaties het geval is, maar dat betekent niet dat een zuiver subjectieve appreciatie aanvaardbaar is. Dergelijke motieven kunnen geobjectiveerd worden als ze in het verlengde liggen van opmerkingen en evaluaties die in de loop van het jaar gemaakt werden, of nog door de criteria waaraan de prestatie getoetst wordt zo duidelijk mogelijk weer te geven en, al is het maar bij wijze van voorbeeld, aan te geven waarom de prestatie voldoet of niet voldoet aan die criteria. Zonder daarin te worden tegengesproken stelt de verzoekende partij dat zij, nadat een eerste onderwerp niet goed was bevonden, een tweede onderwerp had voorgesteld – dat zij ook verder heeft uitgewerkt – waarover zij bij mail van 25 maart 2010 uitdrukkelijk vroeg eventuele bedenkingen mee te delen, mail waarop geen reactie is gekomen. Ook uit geen enkel ander stuk blijkt kritiek op de wijze waarop de verzoekende partij het deelopleidingsonderdeel Bachelorproject Illustratieve vormgeving, dat deel uitmaakt van het opleidingsonderdeel Atelier Illustratieve Vormgeving uitwerkte. Weliswaar is het het eindproduct dat beoordeeld wordt, maar als in de aanloop daarvan niet blijkt dat er problemen zijn, en de beoordeling van het eindproduct niet refereert naar duidelijke normen en de wijze waarop daaraan niet voldaan wordt, dan kan voor een dergelijke motivering niet volstaan worden met algemene en niet verder onderbouwde subjectieve beweringen.”105 Het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel De Raad oordeelde dat het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden indien een deel van een schriftelijk examen naderhand blijkt te ontbreken. De onderwijsinstelling is immers verantwoordelijkheid voor de organisatie van de examens en voor de bewaring van examens. De wijze waarop deze situatie het best kan hersteld worden kan verschillend zijn. Bij de keuze van een gepaste oplossing moet zo goed mogelijk rekening houden met de concrete omstandigheden en de gerechtvaardigde belangen van de student. “Een instelling staat in voor de organisatie van de examens. Dit houdt in dat bij schriftelijke examens erover gewaakt moet worden dat de studenten alle examenbladen (en alle kladbladen, als dit vereist is) daadwerkelijk afgeven. Wanneer, zoals in voorliggend geval, wel vaststaat dat een examenkohier ontbreekt, maar niet aangetoond wordt dat de student hiervoor verantwoordelijk is, dan moeten de gevolgen daarvan door de instelling gedragen worden. Het beweerde “vreemd gedrag” van verzoekende partij tijdens het examen en het negatieve resultaat van een controle op spiekbriefjes, doet niets af aan de voormelde zorgvuldigheidsplicht. De wijze van herstel die, naar het oordeel van de Raad, in dit geval het meest aangewezen is, bestaat erin de verzoekende partij de kans te geven het examen voor het betwiste opleidingsonderdeel opnieuw af te leggen op een voor haar meest geschikte datum, met dien verstande dat het examen vergelijkbaar moet zijn qua vorm, omvang en moeilijkheidsgraad met het examen van 14 januari 2010.”106 105 106
R. Stvb. nr. 2010/023. R. Stvb. nr. 2010/010.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
56
“De organisatie van de examens en de bewaring van schriftelijke examens is de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling. Het komt derhalve aan de onderwijsinstelling toe te controleren dat bij schriftelijke examens alle voor de evaluatie vereiste documenten worden afgegeven en vervolgens bewaard. De verwerende partij beweert noch bewijst dat de verzoekende partij in dit geval een onvolledig antwoord heeft afgegeven. Blijft de vraag welk gevolg aan het ontbreken van een deel van het examen moet worden gegeven. Niet kan worden aangenomen dat de student foutloos geantwoord heeft op de vragen waarvan het antwoord ontbreekt. Een dergelijke radicale oplossing zou niet alleen een aanmoediging zijn om te frauderen en te speculeren op eventuele mankementen in het verzamelen en bewaren van de antwoorddocumenten, zij zou ook onbillijk zijn tegenover de andere studenten van wie de antwoorddocumenten wel volledig bewaard zijn gebleven. Een zodanige sanctie staat in wanverhouding tot de tekortkoming van de onderwijsinstelling. Verschillende andere oplossingen zijn mogelijk, en de keuze daarvan moet zo goed mogelijk rekening houden met de concrete omstandigheden en de gerechtvaardigde belangen van de student. In dit geval heeft de verwerende partij ervoor gekozen om voor de ontbrekende antwoorden het gemiddelde te geven voor de equivalente antwoorden van het mondelinge examen, dat is de helft van de punten. Een dergelijke oplossing doet onvoldoende recht aan de gerechtvaardigde belangen van de student, daar het niet uit te sluiten valt dat, zoals de verzoekende partij beweert, de antwoorden op het schriftelijk examen beter waren dan dat gemiddelde. In de concrete omstandigheden van deze zaak zou een betere oplossing geweest zijn om de verzoekende partij de kans te geven opnieuw examen af te leggen over de materie waar de ontbrekende antwoorden betrekking op hadden, met dien verstande dat het dient te gaan om vragen van gelijke moeilijkheidsgraad en omvang, en dat de verzoekende partij voldoende tijd krijgt om zich voor te bereiden en het examen zelf opnieuw af te leggen. Door zonder meer het gemiddelde van de evaluatie van het mondeling examen te nemen, heeft de verwerende partij niet gehandeld met de vereiste 107 zorgvuldigheid.” 66. De Raad gaat in eerste instantie na of een beslissing regelmatig is tot stand gekomen. Hij kan een beslissing ook vernietigen ingeval hij van oordeel is dat de beslissing kennelijk onredelijk is .Heel wat verzoekschriften beroepen zich op de schending van het redelijkheidsbeginsel. Een vernietiging enkel op grond van de ‘kennelijke onredelijkheid’ van de beslissing komt niet veelvuldig voor. Doorgaans betreft het eerder een gebrek aan motivering waardoor de redelijkheid van de beslissing onvoldoende wordt aangetoond. In die gevallen wordt de beslissing vernietigd op grond van niet afdoende motivering. Voorbeelden uit de rechtspraak hiervan zijn hoger weergegeven. In het huidige werkjaar oordeelde de Raad dat het redelijkheidsbeginsel was geschonden in de volgende casus:
107
R. Stvb. nr. 2010/034.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
57 “De Raad stelt vast dat er nog minstens 17 stagedagen dienden te worden volbracht. Hetgeen tot gevolg had dat de instelling de termijn te kort achtte om tot een eindbeoordeling te komen. De 17 stagedagen konden niet worden volbracht wegens ziekte van de verzoekende partij. Tijdens de zitting kon worden vastgesteld met verwerende partij dat de ziekte als een geval van overmacht kon worden beschouwd; echter waar de Raad de verwerende partij niet volgt, is dat er onvoldoende evolutie mogelijk was tijdens de resterende stagetijd. Het is immers juist omdat die stage voor minstens een derde niet kon worden volbracht wegens ziekte dat een volledige evaluatie onmogelijk werd. De beoordeling dat het bereiken van de competenties onmogelijk zou zijn gedurende het academiejaar 2009-2010 kan ook niet worden aangetoond op basis van een toegekende 5/20 aangezien er ook een 11 en een 14/20 werd toegekend enerzijds en anderzijds het gegeven dat de stage niet kon worden volbracht wegens ziekte. De Raad meent derhalve dat de beslissing van de interne beroepsinstantie waarbij zij vaststelt dat uit de objectieve elementen blijkt dat er geen aanleiding bestaat om van de niet herkansbaarheid af te wijken onredelijk is en niet kan standhouden.”108 Onpartijdigheidsbeginsel 67. De samenstelling van de interne beroepscommissie hangt af van instelling tot instelling. Zeker in die gevallen waar de examencommissie in het kader van het intern beroep ook de beslissing neemt leidt dit middel meermaals tot een betwisting. De Raad stelde in een aantal dossiers ook vast dat de beslissing op intern beroep diende vernietigd te worden omdat ze aangetast was door een schijn van partijdigheid . De Raad stelt ook expliciet dat het principe van de continuïteit van de openbare dienst op de eerste plaats komt bij het bepalen van de samenstelling. “De toepasselijke regelgeving laat het aan de onderwijsinstellingen zelf over om de interne beroepsprocedure te organiseren, en een interne beroepsprocedure waarbij het initieel beslissend orgaan ook als interne beroepsinstantie optreedt is dus als zodanig niet in strijd met de regelgeving of met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Er is ook geen bezwaar in te brengen tegen de aanwezigheid van een examinator, lid van de examencommissie, wanneer die een initiële beslissing neemt ten aanzien van een student, ook al had de student bij die examinator een onvoldoende behaald. Maar wanneer de student een intern beroep instelt bij diezelfde examencommissie, en het beroep gericht is tegen de evaluatie van die examinator, dan wekt de aanwezigheid van die examinator bij de beslissing over dat interne beroep een zodanige schijn van partijdigheid dat de bestreden beslissing daardoor niet in stand kan blijven. Alleen wanneer de afwezigheid van de examinator of examinatoren ertoe zou leiden dat de interne beroepsinstantie niet zou kunnen beslissen omdat geen quorum bereikt wordt, dient het onpartijdigheidsbeginsel te wijken voor de continuïteit van de openbare dienst.
108
R. Stvb. nr. 2010/027.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
58 Nu blijkt dat de examinator, waarvan de evaluatie door de verzoekende partij betwist werd, deelgenomen heeft aan de beslissing op intern beroep, is de klacht gegrond.”109 “In een tweede middel klaagt de verzoekende partij erover dat een van de praktijklectoren deel uitmaakte van de interne beroepscommissie, zodat het onpartijdigheidsbeginsel werd geschonden. Wanneer de student een intern beroep instelt, dan wekt de aanwezigheid bij de beslissing over dat interne beroep van een examinator van wie de evaluatie betwist wordt in dat interne beroep, een zodanige schijn van partijdigheid dat de bestreden beslissing daardoor niet in stand kan blijven. Alleen wanneer de afwezigheid van de examinator of examinatoren ertoe zou leiden dat de interne beroepsinstantie niet zou kunnen beslissen omdat geen quorum bereikt wordt, dient het onpartijdigheidsbeginsel te wijken voor de continuïteit van de openbare dienst. Het middel is gegrond.”110 68. Verder oordeelde de Raad dat hij er van uit gaat dat aan de hoedanigheid van examinator of jurylid een vermoeden van deskundigheid en objectiviteit kleeft en dat het bewijs van vooringenomenheid en/of partijdigheid moeilijk kan geleverd worden.111 Stagebeoordelingen 69. De rechtspraak van de afgelopen werkjaren heeft reeds aangetoond dat de beoordeling van een stage niet altijd even transparant verloopt. Doordat meerdere actoren zijn betrokken zowel van de stageplaats als de hogeronderwijsinstelling leidt dit mogelijk tot tegenstrijdigheden in de beoordelingen. In zeventien zaken112 werd dit werkjaar de stagebeoordeling betwist. Al deze zaken waren ontvankelijk. Eén zaak werd zonder voorwerp verklaard. In zeven zaken heeft de Raad de beslissing gegrond verklaard113. De Raad oordeelde dat het inderdaad de docenten zijn, en niet de mentoren, die bevoegd zijn voor het evalueren van de studenten. De docenten dienen uiteraard wel de verslagen van de mentoren op te nemen in hun evaluatie. Het aantal uren stage dat werd afgelegd; het vroegtijdig stopzetten van een stage en de mogelijkheid van een vervangende opdracht; onduidelijke richtlijnen lijken verder belangrijke issues die in deze context aan bod komen. Ook het middel van de gebrekkige begeleiding wordt vaak aangebracht in de context van een stage. De vaste rechtspraak van de Raad geldt ook in de context van een stage. Een gebrekkige begeleiding op zich is geen reden om een slechte evaluatie te wijzigen in een voor de student gunstige zin. . Tevens blijkt meermaals dat ook de motivering van de score van de stage soms onvoldoende is. 109
R. Stvb. nr. 2010/028. R. Stvb. nr. 2010/032. 111 R. Stvb. nr. 2010/080. 112 R.Stvb.nr.2010/018;025;032;038;037;039;040;042;045;048;053;055;058;067;071;102;110 113 R.Stvb.nr.2010/032;038;040;042;045;058;071 110
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
59
Een greep uit de rechtspraak waar de Raad de stagebeoordeling heeft vernietigd: “De betwiste evaluatie voor het opleidingsonderdeel “Praktijk (Bis)” steunt op drie observaties van lessen door docenten van de verwerende partij en op de verslagen van de twee mentoren (een voor elke stageperiode). Het verslag van de mentor van de eerste stageperiode is uitgesproken positief, dat van de mentor van de tweede stageperiode is positief, met de opmerking dat de verzoekende partij moet werken aan haar zelfvertrouwen; De verwerende partij merkt terecht op dat het de docenten zijn, en niet de mentoren, die bevoegd zijn voor het evalueren van de studenten. Dat doet er niet aan af dat de verslagen van de mentoren een element zijn dat de docenten dienen te betrekken in hun evaluatie, en dat een negatieve evaluatie die niet mede ondersteund wordt door de verslagen van de mentoren dan duidelijk op andere beoordelingselementen moet steunen. In deze zaak brengt de verwerende partij de verslagen bij van drie lessen die door docenten werden bijgewoond en geëvalueerd. Samengevat bevatten de verslagen van de mentoren en van docenten voor het aspect ‘uitvoering’ geen elementen die een onvoldoende kunnen motiveren. Het tweede aspect, ‘reflectie’ wordt twee maal (didactisch atelier en leergroep) als ‘voldoende’ geëvalueerd. Het derde aspect ‘praktijkattitudes’ (stagevoorbereiding, stageklas, lessen) is geëvalueerd als onvoldoende voor EG basishouding, doelgerichte ingesteldheid en deskundigheid, als nipt voldoende voor zelfsturing en reflectie, en als voldoende voor verantwoordelijkheidszin. Bij het eindoordeel wordt gesteld dat er een tekort is aan de competenties handelend/zelfontdekkend leren, sterkere focus op beleving (in voorbereiding activiteiten); doelgerichter werken en voor voldoende diepgang zorgen, essentie beter bewaken; inpikken op hetgeen de kleuters aanbrengen, inspelen op de beleving van de kleuters; meer speelsheid inbrengen; variatie in mimiek. Die tekorten vinden steun in de schriftelijke commentaar bij de drie geobserveerde lessen, maar zoals hiervoor al aangegeven, voor geen van de daar beoordeelde aspecten heeft dat geleid tot een beoordeling ‘onvoldoende’, wel tot beoordelingen ‘voldoende/onvoldoende’. Op grond van die vaststellingen is de motivering dat er een niet onaanzienlijk aantal competenties niet bereikt is niet afdoende gemotiveerd. De schriftelijke commentaar bij de evaluaties ‘voldoende/onvoldoende’ is niet van die aard dat op grond daarvan zonder meer besloten kan worden dat de evaluatie ‘onvoldoende’ overweegt. Het kan zijn dat in de beoordeelde rubrieken verschillende competenties aan bod komen, waarvan dan sommige ‘voldoende’ zijn en ander ‘onvoldoende’, en het kan zijn dat de competenties die onvoldoende werden bevonden belangrijk genoeg zijn om een evaluatie van 9/20 te verantwoorden, maar de door de verwerende partij aangereikte gegevens brengen daarover onvoldoende duidelijkheid.”114
114
R. Stvb. nr. 2010/042.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
60 Verzoekende partij beklaagt er zich opnieuw over dat de vervangende taak geen volwaardige opdracht was die in de plaats kon komen van de nog resterende duur van de stage. Zoals gezegd, is de Raad van oordeel dat in geval van de vroegtijdige beëindiging van de stage, de onderwijsinstelling tot taak heeft zodanig te handelen dat een objectieve evaluatie mogelijk is. In voorliggend geval werd gekozen voor een vervangende taak als een equivalent van de nog resterende duur van de stage. De Raad stelt vast dat de evaluatie en de motivering ervan voor het opleidingsonderdeel ‘Stage 2 Maatschappelijk Werk’ van de tweede zittijd, nu mede is gebaseerd op de ongewijzigde vervangopdracht waarvan de Raad in zijn beslissing van 16 augustus 2010 heeft gezegd dat die opdracht niet als een volwaardig equivalent van de nog resterende stage-uren kan worden aangenomen. De Raad komt tot het besluit dat het gezag van gewijsde is geschonden en de beslissing niet naar behoren werd uitgevoerd.115 “De verzoekende partij heeft voldoende informatie verstrekt in verband met het verloop van de stage zodat de Raad zich over dit middel kan uitspreken. Artikel 9 van het stagereglement dat handelt over de schorsing en verbreking van de stageovereenkomst, stelt dat er steeds gestreefd zal worden naar een voorafgaande bespreking van de situatie met alle partijen. De strekking van deze bepaling is dat waar mogelijk alle partijen overleg moeten plegen vooraleer de overeenkomst geschorst of verbroken wordt. Dat is in dit geval niet gebeurd en de Raad ziet ook niet in waarom dit niet kon gebeuren. Dit heeft tot gevolg dat de onregelmatigheid van de verbreking van de stageovereenkomst met zich meebrengt dat de evaluatie “afwezig” niet in stand kan blijven. In het licht van de informatie verstrekt door de verzoekende partij zal de verwerende partij nagaan of in dit geval toepassing moet gemaakt worden van artikel 7 van het stagereglement dat bepaalt dat de examencommissie het voorstel van de titularis stage van de onderwijsinstelling of men de reeds gelopen stage al dan niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de onderwijsactiviteiten en beraadslaging. Bovendien zal de verwerende partij er zorg voor dragen dat alle documenten die betrekking hebben op de betwiste stage, met inbegrip van de door de verzoekende partij reeds aangemaakte delen van de scriptie, in het dossier worden opgenomen en bij de beoordeling worden betrokken.”116 “Ook al kan worden aangenomen dat een eindevaluatie ongunstig is ondanks heel wat positieve deelevaluaties, omdat zelfs een beperkt aantal negatieve deelevaluaties tot gevolg kan hebben dat de vereiste competenties niet bereikt zijn, moet in dit geval worden vastgesteld dat de balans kennelijk niet in verhouding is: twee van de drie stages werden overwegend positief geëvalueerd door de mentoren en lectoren, en de meer uitgesproken negatieve elementen van de derde stage hebben blijkens de hiervoor genoemde nota van de mentor betrekking op één bepaalde periode, en hebben mogelijk een verklaring in de specifieke beroepssituatie van de 115 116
R.Stvb.2010/071 R.Stvb.nr.2010/040
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
61 verzoekende partij, zoals de nota aangeeft. In het licht van deze gegevens is de motivering van de eindevaluatie voor beide stages niet afdoende.”117 “Verzoekende partij klaagt in een eerste middel over de gebrekkige motivering van de beslissing van de examencommissie en verwijst daarvoor o.m. naar een aantal geëvalueerde competenties waarvoor de cijfermatige scores niet of onvolledig zijn becommentarieerd. De Raad stelt vast dat noch uit de voorgelegde stukken, noch uit de verantwoording ter zitting van verwerende partij, blijkt hoe de eindscore van 7/20 voor de stage is tot stand gekomen, o.m. op welke wijze en eventueel met welke weging de competentiescores in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van de eindscore. Zo kan de Raad niet nagaan waarom in het document “stage-evaluatie 1 VPK” van 22 juni 2010 de competenties 1 en 2 als onvoldoende worden vermeld terwijl op het evaluatieformulier positieve quoteringen werden ingevuld De Raad is van oordeel dat de beslissing in die mate onvoldoende gemotiveerd is.”118 Openbaarheid van bestuur 70. Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur is eveneens van toepassing op de onderwijsinstellingen119. De openbaarheid van bestuur impliceert dat de hogeschool of universiteit als ‘bestuursinstantie’ gekwalificeerd kan worden ten aanzien van hun studenten. De openbaarheid van bestuur houdt onder meer in dat studenten een inzagerecht hebben.”120 Elke onderwijsinstelling legt autonoom in haar onderwijs- en examenreglement de procedure, termijn en tijdstip vast voor het inzagerecht. “In het tweede onderdeel klaagt de verzoekende partij erover dat zij niet in het bezit werd gesteld van de eindevaluatie van de stage. Het niet weersproken antwoord van de verwerende partij dat de verzoekende partij geen gebruik gemaakt heeft van haar recht inzage te nemen, niet aanwezig was op het contactmoment na de deliberatie, en evenmin het dossier is komen inzien in het kader van het intern beroep volstaat om te besluiten dat dit onderdeel ongegrond is”. 71. Wat de uitoefening van het hoorrecht betreft in het kader van de interne beroepsprocedure blijken studenten niet altijd tevreden met het verloop. De eerdere rechtspraak van de Raad waarin wordt gesteld dat het hoorrecht niet noodzakelijk meebrengt dat de student in persoon dient gehoord te worden op een zitting (tenzij dit expliciet in de reglementering van de instelling is voorzien), wordt bevestigd. “Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld, kan in de regel geen beslissing die voor de bestemmeling ervan bijzonder belastend is genomen worden zonder dat de betrokkene vooraf werd gehoord, maar kan het horen 117
R.Stvb.nr.2010/045 R.Stvb.nr. 2010/058 119 Artikel II.7 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student 120 R.Stvb. nr. 2010/025. 118
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
62 van de betrokkene achterwege blijven wanneer die vooraf alle nuttige gegevens en argumenten heeft kunnen bijbrengen, en vanzelfsprekend moet de betrokkene gehoord worden wanneer de regelgeving daar zelf in voorziet. In deze zaak kon de verzoekende partij in haar intern beroepsschrift alle nuttige en nodige gegevens en argumenten bijbrengen, en voorzag het toepasselijke reglement niet in het recht om gehoord te worden”.121 “De Raad heeft reeds meermaals beslist dat behoudens andersluidende regel de interne beroepsinstantie niet verplicht is een student te horen. In deze zaak wordt vastgesteld dat de verzoekende partij haar argumenten uitvoerig heeft kunnen toelichten in het kader van het intern beroep, en dient te worden aangenomen dat de beroepsinstantie voldoende voorgelicht was over alle relevante feiten. Ook al kan er begrip voor worden opgebracht dat het voor de verzoekende partij niet gemakkelijk was om alle aspecten van de familiale toestand schriftelijk uiteen te zetten, zij heeft zelf een keuze gemaakt én van de feiten én van de wijze waarop ze werden uiteengezet, en er mag verondersteld worden dat zij alle feiten, voor zover die in aanmerking zouden kunnen komen als bijzondere omstandigheden om toch een inschrijving toe te staan, op voldoende duidelijke wijze werden uiteengezet. Het examenreglement schrijft voor dat in gevallen als deze het adjunctdepartementshoofd een beslissing neemt in overleg met het Hoofd Studentenzaken. Uit de meegedeelde stukken blijkt niet dat dit overleg heeft plaatsgevonden en het middel is in de aangegeven mate dan ook gegrond.”122 72.
Betwistingen die de toepassing van tolerantieregels betreffen
Het gebeurt dat maatregelen van studievoortgang ten algemene titel aan alle studenten worden opgelegd los van de context van artikel 52. Ingeval deze maatregelen dan tot gevolg hebben dat een bepaalde student al dan niet geslaagd wordt verklaard kunnen deze ook aan de Raad worden voorgelegd om te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen. In een bepaalde zaak123stelde een student een beroep in tegen de studievoortgangsmaatregelen die in het OER staan vermeld en meer bepaald betrof het ‘het kunnen tolereren van bepaalde opleidingsonderdelen’. In de betreffende instelling werd vanaf het academiejaar 2009/2010 in een nieuw reglement voorzien op grond waarvan het aantal mogelijke toleranties dat werd toegestaan beperkt en afhankelijk werd gemaakt van voldoende cumulatieve studieefficiëntie. Er werd ook in een dwingende overgangsregeling voorzien. Bovendien werd het advies gegeven aan de examencommissies om op grond van bijzondere individuele omstandigheden beperkte afwijkingen toe te staan. Voor de betrokken student had de toepassing van deze regel zware gevolgen voor zijn studievoortgang. Hij stelde een beroep in op grond van het feit dat niet werd rekening gehouden met zijn bijzondere omstandigheden om een afwijking toe te staan en de schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde in dit geval - en enkele andere gelijkaardige gevallen die eenzelfde voorwerp hadden aangekaart binnen de betrokken instelling - niet in het voordeel van de student. De betrokken student stelde wel een cassatieberoep in bij 121
R. Stvb. nr. 2010/023. R. Stvb. nr. 2010/100. 123 R.Stvb.2010/097 122
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
63 de Raad van State. Ingeval de Raad van State overgaat tot vernietiging van het besluit van de Raad zal dit ongetwijfeld ook belangrijke implicaties hebben op de reglementering van de betrokken instelling. De Raad stelde ondermeer dat in casu het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden en bovendien de student niet tijdig de instelling had op de hoogte gebracht van de bijzondere omstandigheden. ‘Verzoekende partij kan niet worden gevolgd in haar kritiek dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Vooreerst is het zo dat de overgangsregeling op haar is toegepast zoals op de andere studenten. Evenmin schendt het de gelijke behandeling of de redelijkheid te voorzien in een overgangsregeling waarbij de rechten (lees: de toleranties) die in het verleden werden behouden voor eenieder behouden blijven en dat de nieuwe regeling enkel voor de toekomende studietijd wordt toegepast. Dat dit inhoudt dat het voor verzoekende partij en elke student die zich in zijn situatie bevond, betekende dat de te behalen studie-efficiëntie van 50% enkel kon worden berekend in het academiejaar 2009-2010 doet daaraan niets af, te meer nu studenten correct waren geïnformeerd en zij ook op de hoogte waren dat in behartenswaardige gevallen uitzonderlijk van de regeling kon worden afgeweken wat uiteraard veronderstelt dat de examencommissie door verzoekende partij ervan wordt ingelicht dat zijn geval bijzonder is hetgeen overigens had verondersteld dat hij reeds het statuut van student met beperkingen had aangevraagd en bekomen wat hij, jammer genoeg, pas achteraf blijkt te hebben gedaan…. ‘ In een aantal zaken ingeleid in 2010 worden studenten geconfronteerd met het feit dat zij hun diploma van master wegens een beperkt tekort op een opleidingsonderdeel uit het opleidingsprogramma van de bachelor niet behalen. Hierna volgt een voorbeeld uit de rechtspraak. ‘Ook al zouden de betrokken opleidingsonderdelen zelfstandig en belangrijk zijn, dient bij de beslissing of een student al dan niet geslaagd is voor de totale opleiding (‘gedelibereerd’ in het jargon), de examencommissie oog te hebben voor het geheel van de resultaten. Het spreekt vanzelf dat een delibereerbaar tekort anders beoordeeld moet worden wanneer de resultaten voor de andere opleidingsonderdelen goed zijn dan wanneer die middelmatig zijn124’. Samenvattend stelt de rechtspraak: Wanneer gedelibereerd wordt over het toekennen van een diploma/graad dient men oog te hebben voor het geheel van de resultaten. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen naast persoonlijke gebeurtenissen ook betrekking hebben over het gehele studietraject dat werd afgelegd.
124
R.Stvb.nr.2010/130
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
64
4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing 73. Huidig werkjaar werden 10 verzoekschriften die een examentuchtbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid.125 In 7 gevallen werd de examentuchtbeslissing vernietigd.126 74. De Raad gaat na of de besluitvorming van de instelling op rechtmatige wijze is gebeurd, en/of haar oordeel dat er fraude is gepleegd kan worden toegeschreven aan de student en binnen de grenzen van de redelijkheid ligt. De Raad gaat verder ook na of de naar aanleiding van de examenfeiten opgelegde sanctie, niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de feiten. Zoals de Raad reeds eerder heeft gesteld, moeten vanuit de zorg voor een goed bestuur belangrijke elementen van de examenverrichtingen met verstrekkende gevolgen voor de student(e), op een eenduidige wijze geformuleerd worden en zodanig aan alle studenten worden medegedeeld dat die elementen aan de studenten bekend zijn en permanent kunnen worden geraadpleegd. De Raad oordeelde dat een tuchtsanctie uitdrukkelijk dient te worden vermeld in de regelgeving van de onderwijsinstelling en dat het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden indien een combinatie van sancties wordt gemaakt die niet als dusdanig werd vermeld: “Uit het Studiecontract 2009-2010 blijkt dat in geval van een bewezen onregelmatigheid – zoals in voorliggend geval – de examencommissie aan de betrokken student een sanctie kan opleggen uit de lijst van 9 sancties die vastgesteld zijn in artikel 96 van het Studiecontract. De examencommissie heeft verzoekende partij volgende sanctie opgelegd: “de quotering van het door onregelmatigheid aangetaste opleidingsonderdeel en alle onderliggende quoteringen worden tot nul herleid en het recht op de volgende examenkans voor dit opleidingsonderdeel wordt ontnomen voor het academiejaar 2009-2010”. De Raad kan niet anders dan vaststellen dat deze sanctie op zich niet vermeld is in de lijst van de mogelijke sancties, maar een combinatie is van de tweede sanctie en een deel van de derde sanctie. De verwerende partij heeft ter zitting verklaard dat in haar lezing een combinatie van sancties wel mogelijk is op grond van de omschrijving van de negende sanctie, zijnde “elke sanctie die de examencommissie passend vindt”. De Raad is van oordeel dat de studenten er moeten kunnen vanuit gaan dat in geval van een inbreuk op de examentucht, zij zich bloot stellen aan een van de sancties die in het Studiecontract zijn opgenomen en dat de opgelegde sanctie deugdelijk gemotiveerd wordt. De Raad is de mening toegedaan dat in voorliggend geval verwerende partij het rechtszekerheidsbeginsel heeft 125
R. Stvb. nr. 2010/006; R. Stvb. nr. 2010/012; R. Stvb. nr. 2010/016; R. Stvb. nr. 2010/019; R. Stvb. nr. 2010/041; R. Stvb. nr. 2010/043; R. Stvb. nr. 2010/047; R. Stvb. nr. 2010/075; R. Stvb. nr. 2010/089; R. Stvb. nr. 2010/109. 126 R. Stvb. nr. 2010/012; R. Stvb. nr. 2010/016; R. Stvb. nr. 2010/019; R. Stvb. nr. 2010/043; R. Stvb. nr. 2010/075; R. Stvb. nr. 2010/089; R. Stvb. nr. 2010/109.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
65 geschonden door het opleggen van een sanctie die de combinatie is van straffen die niet voorkomt in de opsomming van de sancties in het Studiecontract.”127 75. De Raad heeft eveneens geoordeeld dat de instelling zich dient te houden aan het examenreglement bij het nemen van een examentuchtbeslissing (net zoals bij een examenbeslissing). “Uit het voorgelegde verslag dd. 18 februari 2010 van de vergadering van de fraudecommissie tijdens welke de sanctie van de afwijzing werd bekrachtigd, blijkt dat de commissie onvolledig was samengesteld en, in de voormelde gedachtengang, dus geen rechtsgeldige beslissing kon nemen. … Het examenreglement bepaalt dat de beperkte examencommissie de student hoort over elke beslissing over een begane onregelmatigheid. Het wordt niet ontkend dat verzoekende partij voor een hoorzitting werd uitgenodigd maar dat het voor haar onmogelijk was om op de gestelde datum naar België te komen. Precies daarom heeft zij gevraagd om via de telefoon haar argumenten te kunnen toelichten. Gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak is het voor de Raad aanneembaar dat verzoekende partij fysisch niet aanwezig kon zijn maar dat zij daardoor niet heeft verzaakt aan het recht om gehoord te worden. Wegens de zwaarte van de sanctie en de verregaande gevolgen voor verzoekende partij, ziet de Raad niet in waarom door verwerende partij geen antwoord is gegeven op de vraag van verzoekende partij om haar argumenten telefonisch te mogen toelichten. In dat opzicht is de hoorplicht miskend.”128 76. De examentuchtcommissie kan beschikken over een zeer ruime mate van appreciatie, maar het is wel noodzakelijk dat de gekozen tuchtstraf adequaat wordt gemotiveerd. “De Raad stelt nogmaals vast zoals zij reeds deed in eerdere beslissingen betreffende deze zaak dat het betrokken reglement (DOE) inderdaad zeer ruim is gesteld. Immers, wat betreft de schaal van examentuchtbeslissingen beperkt voormeld artikel van het departementaal onderwijs- en examenreglement zich tot het volgende: “Bij een vastgestelde onregelmatigheid tijdens een deelexamen wordt de student minimaal doorverwezen naar een volgende examenperiode voor het betrokken opleidingsonderdeel. De sanctie kan gaan tot volledige afwijzing.” Aangezien deze bepaling een zeer ruime mate van appreciatie aan de examentuchtcommissie laat, komt het de verwerende partij toe de (ernst van de) feiten te beoordelen en, in het licht daarvan, de strafmaat te bepalen en de weerhouden straf mede in het licht van de feiten, te motiveren, in fine opdat zou kunnen worden nagegaan of er geen disproportionaliteit bestaat tussen de gepleegde feiten en de opgelegde straf.”129
127
R. Stvb. nr. 2010/043. R. Stvb. nr. 2010/012. 129 R. Stvb. nr. 2010/019. 128
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
66 Zo heeft de Raad ook in volgend geval dienen vast te stellen dat de tuchtsanctie onvoldoende was gemotiveerd: “Uit de voorgelegde stukken, m.n. de beslissing van 11 maart 2010 waarbij uitspraak wordt gedaan over het intern beroep, blijkt dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd. De zin: “After ample deliberation we have decided that there are no sufficient reasons tot reconsider the decision of the examination committee” kan niet als een afdoende motivering worden aanvaard en geeft verzoekende partij geen inzicht in de redenen waarop de commissie zich heeft gesteund om de zwaarste sanctie op te leggen. … De Raad heeft wel kennis kunnen nemen van een aantal voorbeelden die door verwerende partij in haar verweerschrift en in het antwoord op de argumenten in de wederantwoordnota worden vermeld, maar de Raad is van oordeel dat die voorbeelden op zich onvoldoende zijn om de omvang van de beweerde onregelmatigheden te bepalen en om aldus de zwaarste tuchtsanctie te verantwoorden. … De Raad beseft dat de ten laste gelegde onregelmatigheden, die als plagiaat worden omschreven, een sanctie rechtvaardigen, maar de Raad is van oordeel dat de afwijzing wel een bijzonder zware sanctie is omdat daardoor alle examencijfers van de betrokken examenperiode vervallen. De fraudecommissie die de sanctie van de afwijzing heeft bekrachtigd, heeft de motieven beknopt verwoord en elk van de criteria als “zwaar” beoordeeld zonder precies aan te duiden waarom, in zijn geheel genomen, de zwaarste sanctie diende te worden opgelegd. Zoals eerder gezegd, is de Raad van oordeel dat hij een onvoldoende zicht heeft op de omvang van de onregelmatigheden die door verwerende partij in de tweede versie van de masterproef als plagiaat worden beschouwd en de zwaarste sanctie rechtvaardigen. Met de gegevens waarover hij thans beschikt, is de Raad van oordeel dat de straf van de afwijzing niet in redelijkheid kan worden verantwoord.”130 77. De instelling is er tevens steeds toe gehouden te voldoen aan de bewijslast inzake de beweerde fraude. Dat dit niet altijd evident is, blijkt uit de volgende besluiten van de Raad: “In tegenstelling met de gerelateerde verklaringen in het verslag dat op 10 mei 2010 is opgesteld, betwist verzoekende partij dat zij verklaard heeft dat de pennenzak zich bevond op de bank waaraan zij het examen heeft voorbereid. Dit argument wordt overigens niet ontkracht door vaststellingen van de betrokken lector en/of van het toezichthoudend personeel tijdens het examen. Uit de verklaringen en de stukken van het dossier blijkt dat de pennenzak met het latje en de markeerstift met notities die verwijzen naar de examenleerstof weliswaar op een bank stond maar dat niet onomstotelijk vaststaat dat de pennenzak op de bank stond waaraan verzoekende partij haar examen heeft voorbereid.
130
R. Stvb. nr. 2010/012.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
67 Uit de gegevens waarover de Raad thans beschikt, kan niet met zekerheid worden uitgemaakt of de pennenzak, waarin zich geannoteerde voorwerpen bevonden, binnen handbereik stond van verzoekende partij dan wel moet beschouwd worden als persoonlijke zaken die op een regelmatige wijze in het lokaal werden geplaatst. Bijgevolg kan de beweerde onregelmatigheid niet als bewezen worden aangenomen.”131 “Het komt de Raad niet toe om zelf de feiten die tot de bestreden beslissing hebben geleid vast te stellen en vervolgens te oordelen of die feiten tuchtfeiten zijn en zo ja een tuchtstraf dient te worden opgelegd. De Raad gaat wel na of het oordeel van de bevoegde instantie dat er tuchtfeiten zijn gepleegd steunt op feiten die zij redelijkerwijze als bewezen heeft beschouwd, of die feiten ook als tuchtfeiten kunnen worden bestempeld en of de opgelegde sanctie niet in kennelijke wanverhouding staat tot de ernst van de feiten. In deze zaak heeft de bevoegde instantie uit de frappante gelijkenis van een groot aantal foute antwoorden van drie studenten, waaronder de verzoekende partij, met als bijzondere omstandigheid dat de fouten zover van het juiste antwoord afweken dat een dergelijke gelijkenis geen toeval was, terecht kunnen afleiden dat er afgeschreven werd en heeft zij die feiten terecht als tuchtfeiten kunnen beschouwen. Blijft evenwel de vraag welke studenten hebben afgeschreven, en van welke student werd afgeschreven. Wat betreft die student, die dus bij veronderstelling niet zelf heeft afgeschreven, moet ook aannemelijk worden gemaakt dat hij op een of andere manier heeft meegewerkt aan de fraude van de afschrijvende studenten. Uit het verslag van de bijzondere zitting van de examencommissie blijkt dat de betrokken examinator opmerkt dat het volgens hem de beide andere studenten zijn die afgeschreven hebben van de verzoekende partij. Uit de meegedeelde stukken blijkt niet dat de verzoekende partij op enige wijze zijn medewerking heeft verleend aan het afschrijven van zijn antwoorden. De Raad beseft dat het bewijs van een dergelijke medewerking niet altijd gemakkelijk is, maar de loutere vaststelling dat de antwoorden van een student zijn afgeschreven is niet voldoende en het dossier bevat geen andere aanwijzingen dat de verzoekende partij zou hebben laten afschrijven. De Raad stelt overigens vast dat de beide andere studenten, aan wie een identieke tuchtstraf werd opgelegd, geen beroep bij de Raad hebben ingediend.”132 “Wat het deelopleidingsonderdeel ‘Practicum C#’ van het opleidingsonderdeel ‘2 programmeertalen’ betreft blijkt uit het door de verwerende partij meegedeelde stuk 7 dat het voor het examen over dit deelopleidingsonderdeel niet toegestaan is om van internet gebruik te maken, maar de verwerende partij spreekt niet tegen dat wel gebruik gemaakt mocht worden van MSDN van Microsoft binnen Visual Studio, en bovendien wordt geen bewijs bijgebracht van de bewering van de verwerende partij dat er ongeoorloofd gebruik van digitale informatie werd gemaakt. Nochtans staat in het hiervoor genoemde stuk 7 te lezen “Om je eerlijkheid na te gaan, maken we gebruik 131 132
R. Stvb. nr. 2010/016. R. Stvb. nr. 2010/075.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
68 van een soort van ‘spy-ware’. Diegene die tegen de regels van het vorige punt [waar onder meer het gebruik maken van internet verboden werd] wordt beschuldigd van fraude, met alle gevolgen die daarvoor van toepassing zijn.” Uit die vermelding blijkt dat het wel mogelijk was om aan te tonen dat de verzoekende partij gebruik heeft gemaakt van ongeoorloofde digitale informatie. Nu de verwerende partij in gebreke blijft het bewijs van ongeoorloofd gebruik op objectieve en meetbare wijze bij te brengen, is de evaluatie voor het deelopleidingsonderdeel ‘Practicum C#’ niet naar behoren gemotiveerd, omdat de verzoekende partij ten minste gedurende het deel van het examen geen toegang had tot de hulpschermen. Dit heeft als gevolg dat de student de kans moet krijgen dit examen opnieuw af te leggen.”133 78. De Raad heeft dit werkjaar ook moeten oordelen over het gebruik of verbod van elektronische toestellen. Het bijhebben of gebruiken van een GSM was in 2 gevallen het voorwerp van het beroep bij de Raad: “Het is niet onbegrijpelijk dat een surveillant vraagt om de inhoud van een Blackberry te controleren om na te gaan of er niet toegestane informatie in is opgenomen. De verzoekende partij heeft klaarblijkelijk de Blackberry vrijwillig overhandigd, en heeft evenmin gevraagd om de inhoud ervan samen met de surveillant te controleren. In de regel zal de Raad niet licht aanvaarden dat een student zijn recht op eerbiediging van zijn privé-leven opgeeft, maar in deze zaak ontwaart de Raad geen elementen om te besluiten dat de verzoekende partij de Blackberry niet vrijwillig heeft overhandigd en vrijwillig heeft ingestemd met de controle ervan. Het middel is dus niet gegrond, maar de Raad acht het wel aangewezen dat om discussies in de toekomst te vermijden, de verwerende partij in haar examenreglement het gebruik of verbod van elektronische toestellen uitdrukkelijk regelt. Het argument dat een student vorig jaar een lichtere straf heeft gekregen kan niet tot vernietiging leiden omdat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de feiten voldoende vergelijkbaar zijn. Het argument dat een andere student die zijn gsm bij zich had ongemoeid is gebleven, is niet gegrond, omdat de vraag of de verzoekende partij een examentuchtfeit heeft begaan niet alleen daarom negatief beantwoord moet worden omdat elektronische hulpmiddelen van andere studenten niet gecontroleerd werden.” 134 “Het Departementale onderwijs- en examenreglement bepaalt dat “het bijhebben van gsm, mp3 of pda tijdens het afleggen van het examen een vermoeden van fraude (is).” Het louter in het bezit hebben van een of meer van de vermelde apparaten, is voldoende om als onregelmatigheid te worden beschouwd ongeacht of gebruik werd gemaakt van deze apparaten en los van de intentie tot het plegen van fraude. Het is aan de student ervoor te zorgen dat hij/zij geen niet-toegelaten materiaal of apparaten in zijn/haar bezit heeft tijdens het examen. Ongeacht de reden van de laattijdige aankomst in het examenlokaal en het niet horen – bij wijze van herinnering – van de voorafgaande mededeling van het toezichtpersoneel, wordt niet ontkend dat verzoekende partij een GSM in 133 134
R. Stvb. nr. 2010/089. R. Stvb. nr. 2010/006.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
69 haar bezit had tijdens het examen tot op het moment dat het toezichtpersoneel uitdrukkelijk navraag heeft gedaan. Overeenkomstig het voormelde artikel van het Departementale Onderwijs- en examenreglement, heeft de examentuchtcommissie de minimale sanctie opgelegd van de doorverwijzing naar de volgende examenperiode (in voorliggend geval de tweede zittijd) voor het betrokken opleidingsonderdeel. De Raad komt er niet toe te besluiten dat de examentuchtcommissie het Departementale Onderwijs- en examenreglement onregelmatig zou hebben toegepast.”135 79. Tevens dienen de rechten van verdediging van de student ook bij het opleggen van een examentuchtsanctie steeds te worden gewaarborgd: “De Raad stelt vast dat het verslag over het gesprek op 4 mei 2010 met verzoekende partij en aangevuld met de gegevens van een telefoongesprek met een medestudent van verzoekende partij en met de betrokken lector, is gedateerd op 10 mei 2010 en dus ten vroegste op die dag – één dag voor de bijeenkomst van de examencommissie – bij het dossier is gevoegd en niet op het ogenblik dat verzoekende partij inzage heeft gekregen van het dossier. Naar de uiterlijke vorm is het verslag bijna de letterlijke weergave van het gesprek met verzoekende partij en van het telefoongesprek met de medestudent in aanwezigheid van verzoekende partij en met de lector. Hoe dan ook, de inhoud van het verslag wordt niet betwist met uitzondering van het tekstgedeelte waarin de verklaring van verzoekende partij wordt gerelateerd aan de plaats waar de pennenzak zich bevond. Gelet op de mogelijke doorslaggevende aard van de gerelateerde verklaring is de Raad van oordeel dat de rechten van de verdediging in deze zijn geschonden in hoofde van verzoekende partij.”136 80. De onderwijsinstelling heeft weliswaar een ruime discretionaire bevoegdheid wat betreft examentuchtbeslissingen, maar bij het toekennen van een sanctie mag zij niet terugkomen op reeds definitief toegekende credits: “De Raad herinnert in de eerste plaats aan het Hogeschoolonderwijs- en examenreglement dat als volgt bepaalt: “Een examentuchtbeslissing is elke sanctie opgelegd door de examencommissie naar aanleiding van examenfeiten. Elke exameninator/ toezichter informeert zo spoedig mogelijk (eventueel via de ombuds) de voorzitter van de examencommissie over elke door de student begane onregelmatigheid die de uiteindelijke beslissing van de examencommissie kan beïnvloeden. In afwachting van de uitspraak van de examencommissie mag de student de examenreeks verder afwerken. […] Op grond van een vastgestelde onregelmatigheid kan de commissie elke mogelijke maatregel nemen die zij nuttig acht.” In het betrokken DOE is bepaald: 135 136
R. Stvb. nr. 2010/041 R. Stvb. nr. 2010/016
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
70 “Bij een vastgestelde onregelmatigheid tijdens een deelexamen wordt de student minimaal doorverwezen naar een volgende examenperiode voor het betrokken opleidingsonderdeel. De sanctie kan gaan tot volledige afwijzing.” Deze ruime formulering die een verregaande discretionaire bevoegdheid laat aan de examencommissie maakt het in ieder geval mogelijk dat voor méér dan het opleidingsonderdeel tijdens de welke de onregelmatigheid werd gepleegd een score “0” wordt toegekend en maakt het mogelijk indien daar in het licht van de ernst van de gepleegde feiten redelijk aanvaardbare motieven voor kunnen worden ingeroepen, de student voor meerdere opleidingonderdelen af te wijzen of door te verwijzen naar een volgende zittijd; zelfs, zo is denkbaar, voor alle opleidingsonderdelen waarover nog geen definitieve uitspraak is gedaan of, nog, steeds in het licht van de feiten en/of recidive, om de betrokken student in de toekomst een inschrijving te weigeren. Ten dezen evenwel werden twee (en geen drie) feiten bewezen en weerhouden om de student te verwijzen naar het volgend academiejaar en met name, naast een verwijzing voor het betrokken opleidingsonderdeel, bovendien (1.) voor alle opleidingsonderdelen van de tweede zittijd en, bovendien (2.) voor alle opleidingsonderdelen waar in eerste zittijd 10/20 voor werd gehaald. Het betrof, wat (2.) betreft, zo blijkt uit de bestreden beslissing, wel degelijk “ontnomen credits”. Los van de vraag of die sanctie naar redelijkheid kon worden gerechtvaardigd voor alle reeds afgelegde en nog af te leggen opleidingsonderdelen van de tweede zittijd, is het kennelijk onredelijk – en overigens in strijd met de leer van de intrekking - om terug te komen op door de betrokken examencommissie reeds definitief toegekende credits waarbij voorts niet valt in te zien waarom een onderscheid zou (kunnen) worden gemaakt tussen een toegekende credit toegekend op grond van een examencijfer 10/20 enerzijds, en een credit toegekend op grond van een examencijfer 11/20 of meer. Immers een credit is een credit. De Raad wijst in dat verband nog op artikel 2, 8° van het Flexibiliseringsdecreet waarin het creditbewijs wordt omschreven als de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als "credits”. Artikel 31, § 1 van datzelfde decreet bepaalt nog dat een student een creditbewijs behaalt voor elk opleidingsonderdeel waarvoor hij (definitief) geslaagd is. Een student slaagt voor een opleidingsonderdeel wanneer hij ten minste 10 op 20 behaalt. Net zomin als de student aan een credit kan verzaken, blijft een definitief toegekend creditbewijs onbeperkt geldig binnen de betrokken opleiding aan de instelling waar dit werd behaald en kan daar niet meer retroactief op worden teruggekomen.”137
137
R. Stvb. nr. 2010/019.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
71
4.2.3. Beroep in verband met de toekenning van een vrijstelling Huidig werkjaar werden 5 verzoekschriften die een vrijstellingsbeslissing tot voorwerp hebben ingeleid.138 Dit aantal blijft opvallend laag (net zoals vorig jaar). Slechts in 1 geval werd de vrijstellingsbeslissing vernietigd.139 81. De Raad stelt vast dat studenten aankaarten dat hun vrijstellingsaanvraag onvoldoende wordt onderzocht. In dit verband roepen zij de schending in van de motiveringsverplichting. De toekenning of de weigering van een vrijstelling net als de motivering van een examenbeslissing wordt zeer vaak als niet afdoende beschouwd door de student. 140 Uit de rechtspraak blijkt eveneens dat de student zijn aanvraag zelf goed dient te stofferen. “In een tweede onderdeel beklaagt verzoekende partij er zich over dat de toekenning van deelvrijstelling onvoldoende werd onderzocht en daaromtrent geen afdoende motivering wordt gegeven. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft gezegd, komt het niet aan de Raad toe zijn appreciatie in de plaats te stellen van de bevoegde instanties van verwerende partij. De Raad mag enkel nagaan of de beslissing op een wettige wijze is tot stand gekomen en de bevoegde instanties binnen de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid, niet kennelijk onredelijk hebben gehandeld. De Raad is in voorliggend geval van oordeel dat verwerende partij niet onredelijk heeft geoordeeld dat de aanvraag voor vrijstelling en voor deelvrijstellingen onvoldoende was gedocumenteerd om een diepgaande vergelijking mogelijk te maken tussen de vakinhouden van de vroegere studies met de eindcompetenties die verbonden zijn aan de huidige opleidingsonderdelen waarvoor vrijstelling wordt gevraagd.”141 82. De Raad bevestigt zijn rechtspraak door te stellen dat bij de beoordeling van de toekenning van de vrijstelling tevens moet worden onderzocht of er eventueel deelvrijstellingen kunnen worden toegekend. De instelling die haar motivering om een vrijstelling te weigeren in hoofdzaak steunt op het feit dat de voorgelegde EVK’s niet langer actueel zijn moet ten minste ook aantonen dat zij het opleggen van een actualiseringsprogramma in overweging heeft genomen. “In voorliggend geval heeft de Interne Beroepscommissie een aantal vrijstellingen geweigerd vooral omdat niet of onvoldoende is aangetoond dat de inhoud van de vakken waarover verzoekende partij tijdens de academiejaren 1996-1997, 1997-1998 en 1998-1999 examen heeft afgelegd en geslaagd werd verklaard, tot dezelfde competenties leiden voor de opleidingsonderdelen waarvoor thans vrijstelling wordt gevraagd. De Raad merkt op dat de motivering van de weigeringsbeslissing hoofdzakelijk steunt op de lange tijd die verlopen is tussen het moment dat de vakken in het kader van de opleiding van kandidaat-arts werden gevolgd en waarover met succes examen werd afgelegd, en de eindcompetenties die 138
R. Stvb. nr. 2010/005; R. Stvb. nr. 2010/031; R. Stvb. nr. 2010/061; R. Stvb. nr. 2010/148; R. Stvb. nr. 2010/149. 139 R. Stvb. nr. 2010/148. 140 R. Stvb. nr. 2010/005, R. Stvb. nr. 2010/149. 141 R. Stvb. nr. 2010/149.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
72 thans verbonden zijn aan de opleidingsonderdelen waarvoor vrijstelling wordt gevraagd. Zoals gezegd, kan de Raad niet in de plaats treden van de Interne Beroepscommissie en kan hij de beoordeling niet overdoen. Uit de voorgelegde stukken is het voor de Raad niet mogelijk om uit te maken of de Interne Beroepscommissie heeft overwogen om deelvrijstellingen toe te staan. Uit de motivering van de beslissing op intern beroep blijkt dat de Interne Beroepscommissie niet onredelijk heeft gehandeld door bij het onderzoek over het al of niet verlenen van een volledige vrijstelling - en dus te oordelen of de leerresultaten voor het betrokken opleidingsonderdeel al dan niet bereikt zijn -, zich te steunen op het niet meer actueel zijn van de vroeger bereikte competenties. De Raad neemt aan dat de Interne beroepscommissie vooral oog heeft gehad voor het al dan niet verlenen van een volledige vrijstelling voor de betrokken opleidingsonderdelen, maar geen afdoend antwoord geeft op de vraag of al dan niet deelvrijstellingen zouden kunnen worden verleend en evenmin aandacht heeft gehad voor het feit of een actualiseringsprogramma zou kunnen worden opgelegd en dit conform artikel 2.1. van het Flexibiliseringsdecreet.”.142
4.2.4. Beroep in verband met het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking 83. Reeds bij de installatie is de Raad bevoegd om te oordelen over studievoortgangsbeslissingen die een studievoortgangsbewakingsmaatregel inclusief weigeren van inschrijving, bedoeld in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet tot voorwerp hebben. Daarnaast kan de Raad eveneens uitspraak doen over weigeringsbeslissingen als gevolg van onvoldoende leerkrediet (zie verder). Ook het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract behoort tot de bevoegdheid (zie verder) . Het is voornamelijk het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet dat tot beroepen leidt. 84. Naast de redelijkheidstoets ontsnapt de instelling ook inzake deze studievoortgangsbeslissingen niet aan de toets van de andere administratieve rechtsbeginselen waaronder de motiveringsplicht. Een instelling moet voldoende rekening houden met de bijzondere omstandigheden waarin de student zich bevond. 85. Huidig werkjaar werden 29 verzoekschriften die een maatregel voor studievoortgang tot voorwerp hebben ingeleid143. In 2009 werden 9 beroepen ingeleid die betrekking hadden op artikel 52. Kenmerkend voor het werkjaar 2010 betreft de grote stijging van de aan deze bevoegdheid van de Raad gerelateerde beroepen.
142
R. Stvb. nr. 2010/148. R.Stvb.nr.2010/020;087;092;100;103;105;108;111;112;113;116;117;119;120;121;122;124;125;126; 127;132;133;134;137;138;139;142;143;145 143
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
73 Deze beroepen worden doorgaans in de maand oktober ingeleid nadat de inschrijvingen zijn afgesloten. In de meeste gevallen betreft het dan ook een weigering van inschrijving. Pas wanneer een student geconfronteerd wordt met een weigering schiet hij in actie. Nochtans is het belangrijk om reeds op het moment van het opleggen van een bindende voorwaarde te ageren zoals blijkt uit de rechtspraak. De instellingen zijn intussen vertrouwd geraakt met artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet en hebben elk binnen hun instelling, vaak zelfs op facultair niveau een geëigende regeling uitgewerkt. We merken op naar aanleiding van de ingediende beroepen dat deze bepaling niet door alle instellingen op een zelfde wijze geïnterpreteerd en geïmplementeerd wordt. Ook de verhouding tussen enerzijds weigeringen ten gevolge van een onvoldoende leerkrediet en anderzijds weigering op grond van artikel 52 is niet altijd even glashelder. 86. De rechtspraak van 2010 leert ons het hiernavolgende. Van de 29 ingeleide beroepen werden er 8 beroepen ontvankelijk en gegrond verklaard144. Uit de reeds aan de Raad meegedeelde informatie blijkt dat de instelling vlot opvolging geven aan de besluiten van de Raad en de studenten toelaten om zich in te schrijven ingeval de Raad van oordeel is dat in casu er onvoldoende rekening werd gehouden met bepaalde bijzondere omstandigheden. Vaak blijkt immers dat instellingen om het systeem hanteerbaar te houden algemene regels vooropstellen in het OER145 op grond waarvan studenten - zo ze binnen de criteria vallen - automatisch geweigerd worden. Ingeval individuele omstandigheden dit verantwoorden kan afgeweken worden van deze vooropgestelde criteria. Doorgaans voorziet het OER in deze afwijkingsmogelijkheid. Vaak komen deze bijzondere omstandigheden echter pas aan bod naar aanleiding van de ingeleide beroepsprocedure. 87. Door het stijgend aantal beroepen heeft de Raad duidelijker kunnen stelling innemen over de door de decreetgever aan de instelling toegekende beoordelingsbevoegdheid in het kader van het weigeren van studenten en de bewijslast hieromtrent van student en instelling. De Raad heeft in deze een belangrijke controlefunctie. Het besluit R.Stvb.nr.2010/087 stelt in dit verband. De Raad vernietigde de beslissing in casu genomen door de instelling op grond van de schending van het redelijkheidsbeginsel. Vooreerst stelde de Raad algemeen wat de beoordelingsbevoegdheid betreft: ‘De door het decreet aan de instelling toegekende beoordelingsbevoegdheid om in de concrete gevallen die zich voordoen een inschrijving te weigeren, impliceert dat elk geval op zijn eigen merites moet worden onderzocht en beoordeeld, rekening houdende met de gegevens eigen aan de zaak. Dit veronderstelt enerzijds dat de verzoekende partij de gegevens aanreikt die haar inschrijving kunnen staven -waarbij vanwege de instelling enige informatie en begeleiding mag worden verwacht - en anderzijds dat de instelling ingeval van weigering in redelijkheid aantoont dat er inderdaad manifest sprake zou zijn van een geval waarin het opleggen van bindende voorwaarden geen soelaas brengt omdat zij geen positief resultaat zullen opleveren. 144 145
R.Stvb.nr.2010/087;100;103;105;119;120;125;127 Onderwijs en -examenreglementering
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
74 Het gegeven dat de betrokken instelling het beleid dat zij inzake het opleggen van bindende voorwaarden en/of het weigeren van inschrijvingen in beginsel zal voeren, verwoordt in richtlijnen en beleidsregels doet daaraan niets af.’ 88. Een weigering van inschrijving ingeval voorheen nog geen bindende voorwaarden werden opgelegd, kan pas indien uit de gegevens van het dossier manifest blijkt dat het opleggen van dergelijke bindende voorwaarden geen positief resultaat zal opleveren. Uit volgende rechtspraak van de Raad blijkt dat de motivering in dit verband die zich beperkt tot enkele algemene vaststellingen niet afdoende is. In casu oordeelde de Raad dat de betreffende instelling daarmee voorbij gaat aan een aantal feitelijke elementen die door verzoekende partij in het kader van de initiële aanvraag en, bijkomend, in het kader van het intern beroep door haar naar voor werden gebracht. ‘Er wordt enkel gesteld dat “Uit het dossier blijkt voldoende dat er geen redelijke kans op studiesucces zou bestaan in de opleiding architectuur. U behaalde immers zeer weinig voortgang in een gelijkaardige academische opleiding.”; dit terwijl artikel 52, § 1, 2° vereist dat inschrijving slechts kan worden geweigerd indien uit de gegevens van het dossier manifest blijkt dat het opleggen van dergelijke bindende voorwaarden geen positief resultaat zal opleveren. Het komt dan ook de instelling toe aan te tonen waarom manifest blijkt dat het opleggen van bindende voorwaarden geen positief resultaat zal opleveren rekening houdende met het jaar onderbreking dat er is geweest en de verzoekende partij tot betere inzichten kan hebben gebracht. Het komt te dezen als onredelijk voor enkel te verwijzen naar het gebrek aan voortgang in een gelijkaardige academische opleiding.’ 89. Verder achtte de Raad het evenmin redelijk dat: ‘om de regels die krachtens artikel [ ] van de onderwijsregeling worden opgelegd aan de “bisstudent”, met name het automatisch opleggen van studievoorwaarden die erin bestaan dat in het bisjaar (wil men een inschrijving als “trisstudent” bekomen) een studievoortgang dient te worden geboekt van minstens 50% (artikel[]), onderwijsregeling) zonder meer, toe te passen op de situatie van verzoekende partij die, zoals blijkt, fundamenteel verschillend is. In de lijn van deze zaak werd in het besluit R.Stvb.nr 2010/100 geoordeeld dat de instelling een te enge en onwettige invulling had gegeven aan het begrip ‘bijzondere omstandigheden’. ‘De beslissing op intern beroep stelt dat, voor wat betreft het opleidingsonderdeel dat de verzoekende partij wil trissen, omstandigheden enkel dan bijzonder zijn wanneer zij tot gevolg hebben dat de student fysiek niet in de mogelijkheid was aan een examen deel te nemen. Aldus geeft de verwerende partij aan het begrip “bijzondere omstandigheden” een te enge en onwettelijke invulling, doordat zij met name ook andere dan fysieke omstandigheden uitsluit van het begrip, terwijl niet valt in te zien waarom ook deze omstandigheden, en meer bepaald familiale of persoonlijke omstandigheden, een aanvaardbare verklaring kunnen zijn voor een slecht examen…’. 90. In haar besluit R.Stvb.nr. 2010/108 stelde de Raad dat bepaalde omstandigheden wel slechte resultaten gedeeltelijk kunnen verklaren maar echter
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
75 niet in die mate bijzonder zijn om ondanks het niet vervullen van de bindende voorwaarden toch nog toegelaten te worden. 91. Uit de beroepen blijkt verder dat niet alle reglementering in overeenstemming is met het gestelde in artikel 52. Het artikel 52 is gradueel opgebouwd en veronderstelt dat de instelling vooreerst de student die niet voldoet aan een studie-efficiëntie van 50 % een signaal geeft over een mogelijke weigering. Pas het academiejaar nadien kan een student effectief geweigerd worden indien aan de opgelegde studiemaatregel niet is voldaan. Beide partijen dragen in deze een gedeelde verantwoordelijkheid. Het weigeren voor een derde inschrijving werd in voorkomend geval zonder meer in de reglementering cumulatief gekoppeld aan een studie-inefficiëntie van minder dan 50 % en het niet slagen voor eenzelfde opleidingsonderdeel. 146. De Raad stelde in zijn besluit 2010/119 het hiernavolgende: ‘De Raad neemt akte van de zwakke resultaten die de verzoekende partij heeft behaald voor het schakelprogramma maar kan niet voorbijgaan aan de vaststelling dat bij de inschrijving voor het schakelprogramma geen bindende voorwaarden werden opgelegd, hoewel de verwerende partij kennis had van de resultaten die de verzoekende partij tijdens de academiejaren 2003-2004 tot het eerste semester van 2006-2007 heeft behaald. De Raad ziet in voorliggend geval niet in waarom die minder goede resultaten uit het verleden nu de basis zouden vormen voor de motivering van een manifeste weigering daar ze geen aanleiding hebben gegeven tot bindende voorwaarden bij de eerste inschrijving voor het schakelprogramma…..’ 92. In het kader van weigeringen op grond van artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet komen ook situaties van al dan niet voldoende leerkrediet al aan bod. De Raad heeft buiten de gevallen van leerkrediet en overmacht nog geen zaken te gronde behandeld waarbij een student wegens onvoldoende leerkrediet wordt geweigerd (zie verder). Het is dus nog even afwachten hoe ver de Raad effectief zijn bevoegdheid in deze zal invullen. Gezien de letterlijke bewoordingen van het decreet is dat eerder beperkt tot gevallen van onjuistheid bij de vaststelling, anderzijds is het zo dat in het Aanvullingsdecreet de relatie student-bestuur inzake studievoortgang als een reglementaire relatie wordt beschouwd waar onder meer de beginselen van ongelijkheid, motivering, openbaarheid, rechten van verdediging op van toepassing zijn. In zijn besluit R.Stvb.nr.2010/113-117 oordeelde de Raad wat de link betreft tussen beiden het volgende: ‘…Zelfs als de verzoekende partij nog over voldoende leerkrediet beschikt om de bacheloropleiding te kunnen voltooien, is dat op zich geen voldoende argument om de verzoekende partij opnieuw in te schrijven, zelfs niet onder bindende voorwaarde…. Het is aan de onderwijsinstelling om te beoordelen, onder de controle 146
R.Stvb.nr.2010/111
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
76 van de Raad, of de studieresultaten voldoende perspectief bieden voor een succesvol afronden van de studie, eventueel onder bindende voorwaarde. Dit is mede in het belang van de student zelf, die mogelijk het resterend leerkrediet met meer kansen van slagen kan inzetten in een andere opleiding, veeleer dan het nutteloos te verbruiken in de huidige opleiding….. ‘ In het tweede onderdeel klaagt de verzoekende partij erover dat bij de berekening van het percentage behaalde credits geen rekening werd gehouden met drie opleidingsonderdelen waarvoor zij zich uitgeschreven had…… De verwerende partij merkt terecht op dat deze uitschrijving, om effect te hebben, had dienen te gebeuren in overeenstemming met de termijnen …het onderwijs- en examenreglement. Die datum werd ruim overschreden zodat met die uitschrijving geen rekening kan worden gehouden om na te gaan of de bindende voorwaarde werd nageleefd……. Er is wel degelijk een link tussen de verplichtingen inzake uitschrijven voor studiepunten om geen leerkrediet te verliezen en het opleggen van maatregelen voor studievoortgangsbewaking. Als niet tijdig wordt uitgeschreven kan dit geen effect hebben op de beoordeling of de opgelegde maatregelen wel degelijk zijn vervuld. 93. Concluderend kan gesteld worden dat de weigeringsdossiers veelal feitendossiers zijn welke een beoordeling op dossier vergen en waarin instelling en student een gedeelde bewijslast hebben. Van de student kan verwacht worden dat hij een goed onderbouwd dossier aanbrengt waaruit eventuele uitzonderlijke omstandigheden blijken. De instelling dient in elk geval in redelijkheid aan te tonen waarom het dossier niet afdoende een afwijking van de gestelde regels verantwoordt. Zeker wanneer een student geweigerd wordt - zonder dat voorheen een bindende voorwaarde werd opgelegd - op grond van het ‘manifeste karakter’ vergt dit een zeer grondige geïndividualiseerde motivering van de instelling. Criteria en richtlijnen in de reglementering vooropstellen kan perfect maar weerhoudt de instelling er niet van om in elk individueel geval waar bijzondere omstandigheden zich stellen deze af te toetsen. In de reglementering een beperkte invulling geven aan het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ waardoor automatisch andere feitelijkheden niet in beschouwing kunnen genomen worden kan niet. Familiale en persoonlijke omstandigheden kunnen een aanvaardbare verklaring geven voor een slechte studievoortgang. Studenten echter die zoals voorgeschreven in de geest van artikel 52 vooreerst bindende maatregelen opgelegd krijgen en dus gewaarschuwd zijn zullen het niet zo eenvoudig hebben om te verantwoorden dat zij toch dienen toegelaten te worden.
4.2.5. Beroep tegen een beslissing waarbij het volgen van een schakelprogramma en /of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgelegd Deze bevoegdheid die de Raad reeds bij de aanvang in 2005 kreeg toebedeeld leidt tot opvallend weinig beroepen. Huidig werkjaar werd geen enkel beroep in dit verband ingeleid. Dit is des te opmerkelijk gezien meer en meer studenten in het Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
77 kader van de toelating tot een volgende stap in hun studieloopbaan inschrijven voor een voorbereidingsprogramma of een schakelprogramma (voor studenten die vanuit een professionele opleiding een master wensen te volgen). In drie gevallen werd wel een examenbeslissing betwist in het kader van een schakelprogramma147. Zie hieromtrent randnummer 58 en 63 In één geval werd een studievoortgangsmaatregel betwist in het kader van een schakelprogramma148. Zie hieromtrent randnummer 87.
4.2.6. Het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich niet eerder heeft ingeschreven Met betrekking tot deze relatief nieuwe bevoegdheid van de Raad werd slechts in één geval een beroep ingesteld dat ontvankelijk maar niet gegrond werd verklaard149. In deze zaak oordeelde de Raad dat de onderwijsinstelling niet onredelijk had gehandeld door het studieprogramma van de student te beperken. “…Tenslotte, in het licht van de vaststelling dat de verzoekende partij in geen enkel van de drie voorgaande jaren meer dan 37 credits behaald heeft en terecht werd geoordeeld dat de verzoekende partij na dit jaar zich toch nog een jaar zal moeten inschrijven, is het niet onredelijk om het traject voor het lopende jaar tot 42 studiepunten te beperken. Op die wijze kan verwacht worden dat de verzoekende partij alle of het grootste deel van deze studiepunten zal verwerven, wat haar kansen op het behalen van een diploma ten goede kan komen.”
4.2.7. Beroepen in verband met leerkrediet 94. De Raad behandelde in het werkjaar 2010 tien gevallen waar een betwisting over leerkrediet voorwerp van uitmaakt150. 95. In negen gevallen betrof het een situatie van overmacht op grond waarvan de student leerkrediet terugvorderde. Het eerste verzoekschrift151 dat de Raad in 2010 ontving betrof een beroep van een student gericht tegen een beslissing waarbij het verzoek tot verhoging van het leerkrediet werd verworpen. Bij de student werd een zware medische ziekte vastgesteld waardoor er niet kon worden deelgenomen aan de examens van zowel de eerste als de tweede zittijd. Elke student start in toepassing van artikel 46 § 1 van het Financieringsdecreet152 vanaf het academiejaar 2008-2009 bij inschrijving in een hogeschool of een universiteit zijn studieloopbaan met een individueel leerkrediet van 140 studiepunten. Op het ogenblik van de inschrijving wordt het aantal studiepunten waarvoor een student is ingeschreven afgetrokken van het individueel 147
R.Stvb.nrs. 044;046;128 R.Stvb.nr. 2010119 149 R.Stvb.nr.2010/140 150 R.Stvb.nr.2010/001;015;021;022;057;082;083;084;085;136 151 R. Stvb. nr. 2010/001. 152 Decreet van 14 maart 2008 “betreffende de financiering en de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, B.S. 26 juni 2008. 148
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
78 leerkrediet. Indien de student geen enkel creditbewijs behaalt door een overmachtsituatie, dan wordt 60 studiepunten van het totale leerkrediet van 140 studiepunten afgetrokken zodat de student nog beschikt over een leerkrediet van 80 studiepunten. Dit is uiteraard een onrechtvaardige regeling in hoofde van de student. In casu nam de hoger onderwijsinstelling de beslissing deze overmacht te aanvaarden en besliste om het leerkrediet van de student te verhogen. Deze beslissing werd door de hoger onderwijsinstelling onmiddellijk doorgegeven aan de Databank Hoger Onderwijs met het verzoek tot aanpassing van het leerkrediet. De student meende toch nog belang te hebben om een beroep in te stellen bij de Raad omdat de Stuurgroep DHO geen gevolg gaf aan dit verzoek. De Raad is van mening dat als de Stuurgroep DHO ofwel expliciet weigert gevolg te geven aan de beslissing van de onderwijsinstelling ofwel impliciet door gegevens in de databank niet binnen een redelijke termijn aan te passen, zowel de student als de onderwijsinstelling tegen deze expliciete of impliciete beslissing een beroep kunnen instellen bij de Raad. Maar wat indien de hoger onderwijsinstelling niet ingaat op het verzoek van de student tot teruggave van het leerkrediet wegens overmacht? De Raad heeft in het werkjaar 2010 vastgesteld dat de interne beroepscommissie zich niet bevoegd verklaart en dit op grond van artikel 113quater van het Structuurdecreet153. Dit artikel bepaalt dat “de hogeronderwijsinstellingen stellen een procedure op betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die de grondslag vormen voor een studievoortgangsbeslissing, een weigering tot inschrijving als vermeld in artikel 48 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen of de vaststelling, de vermeerdering, of vermindering van het leerkrediet overeenkomstig hoofdstuk IV van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen. De stuurgroep vermeld in artikel 113ter stelt een procedure op betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden, zoals vermeld in het vorige lid, die vastgesteld zijn na het afsluiten van de gegevens van het desbetreffende academiejaar.” De bevoegdheid van de Raad betreffende leerkrediet daarentegen staat heel duidelijk omschreven in artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet. De Raad kan in dat geval beoordelen of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en desgevallend met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenregelingen. Die bevoegdheidsomschrijving is enger dan wanneer de Raad studievoortgangsbeslissingen beoordeelt, in welk geval de Raad de aangevochten beslissing op grond van artikel 21, 2° van het Aanvullingsdecreet ook dient te toetsen aan de algemene administratieve beginselen. De aldus beperkte bevoegdheid van de Raad in geschillen omtrent leerkrediet sluit niet uit dat de Raad de relevante bepalingen van het Financieringsdecreet dient te interpreteren mede in het licht van de parlementaire voorbereiding. De memorie van toelichting stelt over het leerkrediet onder meer dat studiesucces een gedeelde verantwoordelijkheid is van de instelling en van de student en om de verantwoordelijkheid van de studenten voor studievoortgang in het hoger onderwijs uit te drukken, krijgt elke student een individueel leerkrediet154. In het werkjaar 2010 diende naar het oordeel van de Raad de relevante bepalingen van het Financieringsdecreet zo begrepen te worden, dat de 153
Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 14 augustus 2003. 154 Parl. St. Vl. Parl. 2007-08, 1468 nr. 1,15.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
79 decreetgever niet gewild heeft dat een student zijn leerkrediet geheel of gedeeltelijk verliest wanneer hij ten gevolge van een overmacht in de onmogelijkheid verkeerde zijn door de decreetgever gewilde verantwoordelijkheid op te nemen. Het is wel aangewezen dat de student die niet kan deelnemen aan de examens, eraan denkt zich tijdig uit te schrijven en dit conform het examen- en onderwijsreglement van de hoger onderwijsinstelling. Echter, zo eenvoudig is het niet. Zo besliste de Raad al dat de student die omwille van de medische toestand niet aan de examens van het academiejaar kon deelnemen en dit omwille van de aard van de ziekte, de student niet kon noch moest vermoeden dat zij aan die examens niet kon deelnemen vooraleer de termijn voor het uitschrijven uit de opleiding verstreken was. De Raad stelt dat overmacht wil zeggen dat het een voorval betreft dat buiten elk aanwijsbaar menselijk handelen voorkomt. Overmacht wordt door de Raad vastgesteld wanneer de nodige (vaak medische) stavingsstukken in het dossier te vinden zijn155: “…Op grond van het voorgelegde medisch dossier neemt de Raad aan dat de verzoekende partij omwille van haar medische toestand niet aan de examens heeft kunnen deelnemen, en dat zij, omwille van de aard van deze ziekte, niet kon noch moest vermoeden dat zij aan die examens niet kon deelnemen vooraleer de termijn voor het uitschrijven uit de opleiding (met het doel om het leerkrediet te behouden) verstreken was. Dit is ongetwijfeld een geval van overmacht, dat is een voorval dat buiten elk aanwijsbaar menselijk handelen voorkomt. Dit leidt tot de conclusie dat zij wegens overmacht geen leerkrediet verliest voor de opleidingsonderdelen waarvoor zij wegens de vastgestelde overmacht niet aan de examens heeft kunnen deelnemen…” De Raad stelt in zijn beschikkend gedeelte dan ook dat de hoger onderwijsinstelling bij het berekenen van het leerkrediet van de verzoekende partij de studiepunten verbonden aan de opleidingsonderdelen waarvoor de student geen eerste en/of tweede examenkans heeft kunnen benutten, niet in mindering te brengen van het globale leerkrediet. Uit de rechtspraak van de Raad blijkt ook impliciet dat de student er beter alles aan doet om tijdig en dus conform de bepalingen van het onderwijs- en examenreglement uit te schrijven en dit om verdere problemen te voorkomen. De bevoegdheid van de Raad inzake leerkrediet en overmacht betekent uiteraard niet dat de Raad ook bevoegd zou zijn om te oordelen over het betaalde studiegeld. De Raad stelde uitdrukkelijk dat een beroep tegen een beslissing over al dan niet terugbetaling van het studiegeld geen beslissing betreft in verband met het leerkrediet en betreft derhalve geen studievoortgangsbeslissing in de zin van artikel II.1, 15° van het Aanvullingsdecreet156. Ook de bevoegdheid van de Raad inzake leerkrediet en overmacht werd danig beperkt door artikel V.32 van het Onderwijsdecreet XX van 9 juli 2010: in artikel 47 van het financieringsdecreet van 14 maart 2008 werd een derde paragraaf toegevoegd dat luidt als volgt: 155 156
R. Stvb. nr. 2010/022. R. Stvb. nr. 2010/057.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
80
“ § 3. Een student die meent zich te bevinden in een overmachtsituatie, waardoor hij niet kan of kon deelnemen aan alle of een gedeelte van de examens voor de opleidingsonderdelen waarvoor hij in een academiejaar studiepunten opgenomen heeft, en waardoor hij meent in aanmerking te komen voor een wijziging van de stand van zijn leerkrediet, moet in eerste instantie een beroep doen op de maatregelen die voorzien zijn in de examenregeling van zijn instelling in uitvoering van artikel 78, 11°, van het Structuurdecreet. Als de instelling tot het besluit komt dat het onmogelijk is om tot een regeling te komen die niet bij voorbaat tot een verlies van leerkrediet leidt, dan maakt de instelling op verzoek van de student haar besluit, met de nodige overtuigingsstukken, binnen een termijn van 15 kalenderdagen, over aan de Vlaamse Regering. Deze termijn gaat in op de dag na deze waarop de instelling tot haar besluit is gekomen. De Vlaamse Regering neemt binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen na de dag van ontvangst van het besluit een beslissing over het dossier. Als de Vlaamse Regering concludeert dat de student zich inderdaad in een situatie van overmacht bevond en het in het tweede lid bedoelde besluit van de instelling geheel of gedeeltelijk gegrond is, beslist de Vlaamse Regering om de studiepunten verbonden aan de opleidingsonderdelen waarvoor geen gepaste regeling mogelijk blijkt, opnieuw toe te voegen aan het leerkrediet van de student. De instelling kan in geen enkel geval eigenmachtig en zonder beslissing van de Vlaamse Regering de stand van het leerkrediet van een student wijzigen omwille van een overmachtsituatie.”. Aangezien deze bepaling in werking is getreden op 1 september 2010, was de Raad ertoe gehouden de beroepschriften die vanaf deze datum ter zitting werden behandeld, onontvankelijk te verklaren. De Raad stelde echter dat uit deze wijziging eigenlijk niet blijkt dat de Raad niet meer bevoegd zou zijn op grond van het niet opgeheven artikel 113quater Structuurdecreet en op zijn minst moet worden aangenomen dat de student die meent dat hij/zij aanspraak kan maken op het behoud van zijn of haar leerkrediet, sedert 1 september 2010 beschikt over een georganiseerd administratief beroep via de onderwijsinstelling bij de Vlaamse Regering. In voorkomend geval kan de Raad enkel kennis nemen van de beroepen die gericht zijn tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering in dit verband157. Intussen zal zoals bij de inleidende beschouwingen reeds gesteld met ingang van 1 september 2011 alleen de Raad in de toekomst bevoegd zijn om nog te oordelen over geschillen inzake leerkrediet en overmacht. De decreetgever geeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het huidige voorontwerp van Onderwijsdecreet XXI bevoegdheid waarbij de negatieve studievoortgangsbeslissing erin bestaat dat de hoger onderwijsinstelling geen aangepaste examenregeling mogelijk acht. Het volgend werkjaar zal ongetwijfeld meer beroepen betreffen wat de terugvordering van leerkrediet betreft. Meerdere studenten komen immers in een situatie waarin zij door allerlei omstandigheden mogelijk reeds een tekort aan leerkrediet zullen hebben met het gevolg dat zij in de toekomst door de onderwijsinstelling kunnen geweigerd worden. 157
R. Stvb. nr. 2010/082.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
81 In één geval158 betrof het de toepassing van de bevoegdheid van de Raad in het kader van artikel II.15 van het Aanvullingsdecreet159 Vanaf het academiejaar 20082009 kan de Raad uitspraak doen over beslissingen in verband met het leerkrediet die door het instellingsbestuur of door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs genomen zijn op grond van de procedure, zoals vastgelegd in artikel 113quater van het Structuurdecreet. 160.. Verzoekende partij kaart in casu het systeem van leerkrediet aan voor studenten die een tweede masteropleiding willen volgen. Zij stelt dat dit niet als billijk kan beschouwd worden. Deze regeling heeft voor effect dat haar studievoortgang onnodig wordt verlengd en dat dit de student en de overheid heel wat kost. In casu achtte de Raad het niet onredelijk dat het studieprogramma van verzoekende partij werd beperkt rekening houdend met het resterende leerkrediet waarover zij nog beschikte. “….Dit doet er niet aan af dat de verzoekende partij de evaluaties als zodanig niet betwist, maar enkel het feit dat zij slechts toestemming krijgt om zich in te schrijven voor maximum 33 studiepunten, en niet voor de door haar gevraagde 51 studiepunten. De verzoekende partij betwist niet dat het saldo van haar leerkrediet 33 studiepunten bedroeg, en verder staat vast dat de verwerende partij de inschrijving mocht weigeren voor zover die het saldo van het leerkrediet overtreft, op grond van artikel 18 §10 van het reglement. Dat zij het afgelopen academiejaar zich heeft ingeschreven voor 63 studiepunten daar waar zij maar een leerkrediet van 60 studiepunten had, is niet van aard bij haar het gewettigde vertrouwen te wekken dat zij zich kon inschrijven voor een onbeperkt aantal studiepunten ongeacht haar leerkrediet. Daarvoor is de lichte overschrijding die de verwerende partij verleden jaar had aanvaard, niet toereikend. Het is niet onredelijk, noch onbillijk om aan een student geen toelating te geven om zich in te schrijven voor 51 studiepunten daar waar zijn leerkrediet nog maar 33 studiepunten bedraagt.”
4.3. Cassatieberoep bij de Raad van State 96. Tegen de besluiten van de Raad is een administratief cassatieberoep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad van State kan derhalve de in laatste aanleg gewezen beslissingen van het administratieve rechtscollege vernietigen wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten, zonder in de beoordeling van de feiten zelf
158
R.Stvb.nr. 2010/136 Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 10 juni 2004. 160 Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, B.S. 14 augustus 2003 159
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
82 te treden.161 97. In dit werkjaar werden 4 cassatieberoepen ingeleid bij de Raad van State. Dit is minder dan in het werkjaar 2009, waar er 7 werden ingesteld. Hieronder is een overzicht toegevoegd van de ingestelde cassatieberoepen de afgelopen werkjaren en de stand van de procedure. 98. Hierbij een overzicht van de cassatieberoepen en de stand van de procedure over de verschillende werkjaren van de Raad. Telkens wordt ook aangegeven of het cassatieberoep volgens de voorschriften bedoeld in artikel 20, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toelaatbaar is. Rolnummer
Toelaatbaarheid
Beslissing
2007/021 2007/046 2007/056
niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar
2007/083
toelaatbaar
2007/088
toelaatbaar
2007/048
toelaatbaar
2008/006 2008/010 2009/072 2009/094 2009/104 2009/110
toelaatbaar toelaatbaar niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar
2009/116 2009/120 2009/130
toelaatbaar niet-toelaatbaar toelaatbaar
---Arrest nr. 190.519 dd. 17-02-2009 / beroep verworpen Arrest nr. 190.521 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd Arrest nr. 190.520 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd Arrest nr. 190.520 dd. 17-02-2009 / besluit Raad wordt vernietigd Verzoekende partij doet afstand van de lopende procedure nog geen beslissing – opgeschorst – in behandeling nog geen beslissing – opgeschorst – in behandeling ----Arrest nr. 210.481 dd. 18-01-2011/ beroep verworpen Arrest nr. 210.195 dd. 30-12-2010/ beroep verworpen Arrest nr. 206.215 dd. 1-7-2010/ besluit Raad wordt vernietigd Nog geen beslissing
2010/002003-005 2010/014
toelaatbaar
2010/097
161
Verzoek tot schorsing en een beroep tot vernietiging toelaatbaar
Artikel 14, § 2 W.R.v.St.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
Arrest nr. 206.216 dd. 1-7-2010 / besluit Raad wordt vernietigd Afvoering van de rol (wegens overlijden verzoekende partij) Nog geen beslissing
Arrest nr. 215.282 dd. 22 september 2011 / besluit Raad wordt vernietigd
83 99. Tegen de zaak 2010/014 werd geen ‘cassatieberoep’ ingesteld maar een verzoekschrift tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de afdeling Administratie van de Raad van State tegen de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De Raad zelf werd als verwerende partij in het verzoekschrift aangeduid wat in het kader van een cassatieberoep niet aan de orde is (de initiële verzoekende partij en de verwerende partij zijn de partijen die het cassatiegeschil voeren). De Raad zelf wordt (met uitzondering van het bezorgen van het dossier) in deze procedure niet betrokken. In de brief van de griffie van de Raad van State werd niettemin verwezen naar een cassatieberoep en gevraagd om zoals deze procedure voorschrijft het dossier te bezorgen wat in casu is gebeurd. Intussen werd de Raad nog niet gebriefd over de verdere procedure evenmin werd een besluit genomen wat de toelaatbaarheid van het beroep betreft. 100. Een cassatieberoep heeft geen schorsende werking. Zo werd in opvolging van het besluit R.Stvb.nr.2010/104 de student een (hogere) graad van onderscheiding toebedeeld. De instelling heeft wel een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State die gelukkig in het voordeel van de student een arrest heeft genomen (zie verder onder randnummer …). 101. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeende onwettige beslissing van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het – anders samengesteld – rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger beslissing van dat rechtscollege. In het werkjaar 2010 oordeelde de Raad van State over drie besluiten die de Raad in het werkjaar 2009 nam (nrs. 2009/104; 2009/110 en 2009/130). In één van deze dossiers (nr. 2009/104/) kreeg de student gelijk en werd het beroep van de onderwijsinstelling verworpen (zie bespreking onder randnummer 105). De Raad van State heeft twee andere beroepen aanvaard waardoor eerdere uitspraken van de Raad werden vernietigd. Het cassatieberoep tegen de besluiten van de Raad nrs. R.stvb.nr 2009/110 en 2009/130 werd als gegrond bevonden. Gelet op artikel 51, tweede lid van het K.B. van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State wordt in geval van verwijzing de zaak van rechtswege aanhangig gemaakt bij het rechtscollege. Bijgevolg heeft het secretariaat deze zaken opnieuw geregistreerd en werd een schrijven gericht aan beide partijen. De Raad heeft in opvolging van de vernietigingsbesluiten van de Raad de volgende nieuwe beslissingen uitgesproken. 102. Bij arrest nr. 206.215 van 1 juli 2010 van de Raad van State werd het besluit R.Stvb.nr. 2009/110 van 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vernietigd. De Raad van State was van oordeel dat ten onrechte door de Raad werd gesteld dat het verzoekschrift laattijdig was ingediend. De Raad van State oordeelde dat de kennisgeving op het louter meedelen, de aanzegging van een beslissing duidt en de kennisname een stap verder gaat door te eisen dat de betrokkene zich ervan op de hoogte stelt. Hieruit volgt dat de vervaltermijn geen aanvang kent wanneer de aangetekende zending aan de
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
84 woonplaats van de bestuurde wordt aangeboden en de bestuurde de brief op dat ogenblik door afwezigheid niet in ontvangst kan nemen maar wel wanneer de betrokkene effectief kennis neemt van de beslissing. Artikel 15 van de R.v.St. Wet bepaalt dat de administratieve rechtscolleges waarnaar de Raad van State de zaak na een arrest van vernietiging heeft verwezen, zich moet gedragen naar dit arrest ten aanzien van het daarin beslechte rechtspunt. De Raad geeft derhalve gevolg aan het betreffende arrest van de Raad van State162 De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen registreerde bijgevolg van rechtswege de zaak nr. 2010/020 (in voortzetting van het verzoekschrift nr. 2009/110). De decreetgever heeft in het Aanvullingsdecreet artikel II.24 de ‘kennisname’ door de student als vertrekpunt beschouwd om een beroep in te stellen. Het is derhalve niet de aanbieding van het aangetekend schrijven maar de effectieve kennisname door de verzoekende partij die de beroepstermijn doet lopen. Het beroep werd ontvankelijk verklaard en de grond van de zaak werd behandeld. 103. Bij arrest nr. 206.216 van 1 juli 2010 van de Raad van State werd het besluit R.Stvb.nr. 2009/130 van 3 februari 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vernietigd. De Raad van State was van oordeel dat ten onrechte door de Raad werd gesteld dat het verzoekschrift laattijdig was ingediend. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen registreerde bijgevolg van rechtswege de zaak nr. 2010/019 (in voortzetting van het verzoekschrift nr. 2009/130). De Raad geeft gevolg aan het betreffende arrest van de Raad van State 163.. De decreetgever heeft in het Aanvullingsdecreet artikel II.24 de ‘kennisname’ door de student als vertrekpunt beschouwd om een beroep in te stellen. Het is derhalve niet de aanbieding van het aangetekend schrijven maar de effectieve kennisname door de verzoekende partij die de beroepstermijn doet lopen. In casu heeft verzoekende partij pas effectief kennis genomen van de bestreden beslissing op 17 december 2009, dag waarop de brief door de post aan haar effectief werd uitgereikt. Het beroep werd ontvankelijk verklaard en de grond van de zaak werd behandeld. 104. In 2010 werd ook een Arrest nr. 210.195 d.d. 30 december 2010 genomen waarbij het beroep van de onderwijsinstelling werd verworpen. Hierna volgt in dit verband een bespreking. In het besluit R. Stvb. nr. 2009/104 waartegen beroep was aangetekend staan twee artikelen van het Flexibiliseringsdecreet centraal: Artikel 29 van het Flexibiliseringsdecreet164 bepaalt dat ‘een student voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht heeft op twee examenkansen in de loop van een academiejaar’.
162
Raad van State, Arrest nr.206.215 van 1 juli 2010
163
Raad van State, Arrest nr.206.216 van 1 juli 2010 Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, B.S. 12 oktober 2004. 164
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
85 Verder bepaalt artikel 31 §1, lid 2 van hetzelfde decreet dat ‘een student kan niet kan verzaken aan een creditbewijs’. Samenlezing van beide bepalingen (artikel 29, §2 en artikel 31, §1) leidt tot toch wel verrassende vaststellingen en tegenstrijdigheden. Vooreerst wordt kort het betreffende besluit R. Stvb. nr. 2009/104 van 17 november 2010 van de Raad toegelicht: Voorliggende casus betrof een student die in het diplomajaar na de eerste zittijd als geslaagd was verklaard. De student vroeg om een bepaald opleidingsonderdeel waarvoor hij reeds een credit had behaald opnieuw af te leggen in de tweede zittijd met het oog op verbetering van de graad van verdienste. De student kreeg hiertoe de kans en behaalde een hoger cijfer. Na het afleggen van het examen verzocht de student om opnieuw te worden gedelibereerd over de graad van verdienste. De instelling stemde hiermee niet in. De student stelde beroep in en werd uiteindelijk door de Raad in het gelijk gesteld. Het standpunt van de student was dat er tegenstrijdigheid was tussen de verschillende bepalingen van het OER van de instelling Enerzijds bepaalde het reglement dat eens een graad van verdienste is vastgelegd, het niet meer mogelijk is om opleidingsonderdelen opnieuw af te leggen om deze graad te verbeteren. Anderzijds bepaalde het reglement dat dit wel mogelijk is als een student geslaagd is voor een opleidingsonderdeel maar er nog geen graad werd toegekend. M.a.w. studenten die zich in het diplomajaar bevinden en het gehele studiepakket hebben afgewerkt worden benadeeld tegenover studenten die in de loop van hun studietraject een tweede examenkans wensen uit te putten. Voor hen heeft een beter cijfer wel impact op de uiteindelijk toegekende graad. De student baseerde zich verder op artikel 29 van het Flexibiliseringsdecreet. De instelling stelde dat, in tegenstelling tot de jarenlange praktijk en het bepaalde in het OER, het toekennen van een tweede examenkans aan een student met een creditbewijs in strijd was met artikel 31, §1. Het besluit van de Raad luidde als volgt:165: “Uit de samenlezing van beide in het geding zijnde bepalingen van het onderwijs- en examenreglement blijkt een tegenstrijdigheid. Enerzijds bepaalt artikel 74, §4: “eens de student voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om opleidingsonderdelen opnieuw af te leggen ten einde de graad van verdienste te verbeteren.” Anderzijds bepaalt artikel 57 § 2 van datzelfde reglement: “De student heeft recht om over elk opleidingsonderdeel in volgende examenperiodes opnieuw geëxamineerd te worden, ook indien hij voor het betreffende opleidingsonderdeel is geslaagd en indien het deel uitmaakt van een deliberatiepakket waarvoor de student reeds is geslaagd. Dat gebeurt op eigen risico: de laatst behaalde examencijfers tellen mee bij de beoordeling 165
R. Stvb. nr. 2009/104.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
86 van het betrokken deliberatiepakket waarvoor de student al geslaagd is verklaard, en bij het toekennen van de graad van verdienste wanneer de student voor de opleiding is geslaagd.” Voorts bepaalt artikel 29 §2 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, zoals ingevoegd door het decreet van 16 juni 2006, “Een student heeft voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht op twee examenkansen in de loop van het academiejaar.” Het is juist, zoals de verwerende partij daartegenover stelt, dat artikel 31 § 1, laatste lid van datzelfde decreet bepaalt dat een student aan een creditbewijs niet kan verzaken, maar die regel moet begrepen worden als strekkende tot bescherming van de student, en betekent niet dat de student van dat recht geen afstand mag doen. In zoverre het onderwijs en examenreglement van de verwerende partij bepaalt dat de student een tweede examenkans krijgt ook al heeft hij bij zijn eerste examenkans reeds een credit verworven, is dus niet in strijd met het voormelde artikel 31. Het is verder ook terecht dat de verwerende partij opmerkt dat een student ook na het behalen van zijn diploma toch nog opnieuw examen mag afleggen om zijn creditcijfer te verbeteren (in die zin is het ook een oneigenlijk examencontract dat tot stand komt). Een praktisch verschil dat zich zeker voordoet wanneer men dit geval vergelijkt met het geval van de student die al bij zijn eerste examenkans dat betere resultaat zou geboekt hebben, lijkt te zijn dat zijn graad van verdienste niet wordt aangepast. Credits en rankings zijn de dag van vandaag allicht belangrijker dan de graad van verdienste, maar dat doet er niet aan af dat ook dat gevolg voor de betrokken student belangrijk kan zijn. Alles samen genomen ziet de Raad niet wat de reden kan zijn om een student wel de kans te geven om zijn tweede examenkans te benutten ook al behaalde hij een voldoende bij zijn eerste examenkans (en dus een credit) in alle gevallen behalve wanneer hij “voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld.” De Raad aanvaardt geen tegenstrijdigheden in de bepalingen van het OER. De tegenstrijdigheden in het examenreglement geven in casu aanleiding tot verschillende interpretaties van het reglement. In bovenstaand geval heeft de Raad geoordeeld dat wanneer een student slaagde voor een opleiding en toch zijn tweede examenkans benut, de instelling bij het bepalen van de graad rekening moet houden met dit resultaat en dat derhalve opnieuw moet gedelibereerd worden over de graad van verdienste. De Raad vernietigde de eerder genomen beslissing van de instelling. Voorliggend besluit van de Raad werd door de betrokken instelling opgevolgd. De student kreeg zijn (hogere) graad van onderscheiding toebedeeld. Zoals hoger aangehaald heeft de instelling intussen een cassatieberoep ingesteld bij de Raad
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
87 van State. De Raad van State verwierp in het arrest nr.210.195 van 30 december 2010 in de zaak A.194.978/XII-6069 het beroep van de instelling. Hoewel de Raad van State niet alle argumenten van de bodemrechter (de Raad) volgde werd de schending in casu van het gelijkheidsbeginsel als voldoende grond beschouwd om het cassatieberoep van de betrokken instelling niet in te willigen. Aldus de Raad van State kan in tegenstelling tot het gestelde in het besluit R. Stvb. nr. 2010/104 de student op grond van artikel 74, §4 van het OER geen aanspraak maken op een herdeliberatie over zijn graad van verdienste. Het betreffende artikel preciseert immers dat voor een student zoals in casu, een herdeliberatie niet meer mogelijk is. Het opnieuw afgelegde examen en het verbeterde creditbewijs staan los van het diploma. De volgende motivering van de bodemrechter werd wel bijgetreden: ‘Alles samen genomen ziet de Raad niet wat de reden kan zijn om een student wel de kans te geven om zijn tweede examenkans te benutten ook al behaalde hij een voldoende bij zijn eerste examenkans (en dus een credit) in alle gevallen behalve wanneer hij “voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld’. Ook de Raad van State ziet geen reden om dit te verantwoorden. De Raad van State stelde dat het gelijkheidsbeginsel tussen diplomastudenten en de andere studenten was geschonden. De motivering van de instelling dat de studenten zich niet in een zelfde situatie bevinden omdat in voorkomend geval dadelijk en tegelijk een graad van verdienste wordt vastgesteld kan niet als stelling worden aangenomen. De Raad van State stelt vooreerst dat het gelijktijdig beslissen over het slagen en het toekennen van een graad van verdienste het gevolg is van de keuze van de instelling en de interne procedures. Bijgevolg kan deze aangepast worden conform met een andere bepaling of in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel worden gebracht. Bovendien doet een latere aanpassing van een graad van verdienste in gunstige zin geen afbreuk aan zijn of derden hun rechten. Het verbod tot verbetering van de graad van verdienste kan in casu niet zonder schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat de samenlezing van de hoger vermelde artikelen betreft stelde de Raad van State het hiernavolgende. Het argument dat de bepaling ‘de student kan niet verzaken aan een creditbewijs’ moet begrepen worden als strekkende tot bescherming van de student, en betekent niet dat de student van dat recht geen afstand mag doen’ werd niet gevolgd door de Raad van State. De instelling verwijst in dat geval naar haar jarenlange praktijk waarbij studenten met een credit ook toegelaten werden tot de tweede examenperiode maar stelt dat dit wegens strijdigheid met artikel 31 buiten beschouwing moet gelaten worden. De Raad van State stelt echter dat het feit dat een student in dat geval zijn tweede kans benut, hij hierdoor niet verzaakt aan zijn creditbewijs of diploma. De Raad van State oordeelt dat door toe te staan om opnieuw een examen af te leggen in een tweede zittijd nadat al een credit werd behaald de instelling een invulling geeft aan het begrip examenkans die het artikel 29 niet miskent maar dat dit enkel in overeenstemming te brengen is met artikel 31 voorzover een eventueel slechter resultaat niet tot gevolg heeft dat de credit wordt teniet gedaan.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
88 Wat niet kan is stellen dat enkel het laatste behaalde examencijfer kan meetellen want toegepast op een student die reeds een creditbewijs heeft zou dit er toe leiden dat hij gedwongen wordt om te verzaken aan een creditbewijs.
4.4. Opvolging door de instellingen 105. De Raad verzoekt aan de instelling om haar op de hoogte te brengen van het gevolg dat aan de besluiten werd gegeven. De Raad acht het zeer belangrijk dat de rechtsbescherming van de student optimaal wordt gegarandeerd. Op die wijze kan de Raad ook nagaan of zij in bepaalde gevallen een goede beslissing heeft genomen die tot het gewenste resultaat voor beide partijen heeft geleid. Hierna vindt u een aantal voorbeelden van de gevolgen die de uitspraken van de Raad met zich meebrengen. De Raad stelt vast dat de instellingen doorgaans correct opvolging geven aan zijn besluiten hoewel dit niet altijd leidt tot een optimale beslissing voor de student. 106. In meerdere gevallen heeft het besluit geleid tot het geslaagd zijn van de betrokken student of tot de mogelijkheid om de stage verder te zetten. • In twee dossiers nam de examencommissie een nieuwe beslissing waardoor de student 10/20 behaalde i.p.v. 9/20, waardoor een creditbewijs voor het desbetreffende opleidingsonderdeel werd behaald; • De examencommissie nam een nieuwe beslissing: geslaagd; • De Interne Beroepsinstantie oordeelde dat de mogelijkheid moet worden geboden aan de verzoekende partij om de stage verder te zetten in vervanging van de niet gepresteerde stagedagen en dit binnen het academiejaar 2009-2010; 107. Het gebeurt uiteraard ook dat de instelling in opvolging van het besluit van de Raad voldoet aan de opgelegde voorwaarden en een duidelijk antwoord biedt in de nieuwe beslissing op de overwegingen die tot de vernietiging hebben geleid, zonder dat dit noodzakelijkerwijze tot gevolg heeft dat de student ook een positieve studievoortgangsbeslissing bekomt: • De examencommissie besliste om de quotering van 6/20 te handhaven vermits de stage en de vervangtaak ruim onvoldoende waren. De Raad had de eerste beslissing van de examencommissie vernietigd wegens een gebrekkige motivering wat door de tweede beslissing van de examencommissie recht werd gezet; • Er werd verder intern onderzoek gedaan waaruit bleek dat de verzoekende partij wel kon nagaan hoeveel oefeningen werden geregistreerd en dat zij wist hoe zij eventuele problemen kon rechtzetten. Het examenresultaat van 9/20 bleef derhalve gehandhaafd; • De examencommissie besliste in een ander dossier om de score van 7/20 te behouden. Er werd een uitgebreidere motivering gegeven die als volgt luidt. ‘De score wordt niet mathematisch berekend, doch er wordt gerekend vanuit een integratie van competenties. Een gepaste houding of attitude is een belangrijk ijkpunt om als toekomstige professional kwaliteitsvol en met aandacht voor de veiligheid van de zorgvrager op stage te kunnen functioneren. Een correcte attitude aanhouden is een aspect dat in elke
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
89 competentie aan bod komt omwille van het feit dat elke competentie per definitie kennis, vaardigheid en ook het aspect attitude in zich integreert;’ • Het plagiaat was bewezen, maar in eerste instantie werd een combinatie van 2 straffen gemaakt, wat werd vernietigd door de Raad. In de buitengewone zitting van de examencommissie werd een enkele sanctie opgelegd, namelijk “De student verliest het recht op een tweede examenkans voor het opleidingsonderdeel ‘podologisch onderzoek en behandeling van specifieke doelgroepen’, alsook het recht om zich opnieuw in te schrijven voor dit opleidingsonderdeel tijdens het academiejaar waarvoor de sanctie werd uitgesproken.” • De departementale examencommissie bevestigde de eerder genomen beslissing waarbij de verzoekende partij niet geslaagd werd verklaard en was van mening dat de studente op objectieve en gemotiveerde wijze was geëvalueerd; • De GIT commissie oordeelde dat geen vrijstelling noch een deelvrijstelling kon worden gegeven voor een welbepaald opleidingsonderdeel; • De onderwijsinstelling nam geen nieuwe beslissing ten gronde en stelde vast dat het plagiaat bewezen was. Er werd tevens expliciet verwezen naar alle passages waar het plagiaat kon worden vastgesteld; 108. Huidig werkjaar zijn er ook studenten die een tweede beroep instellen bij de Raad waarbij zij menen dat de instellingen de overwegingen van de Raad in een eerder besluit naast zich neerlegde. (nrs. 2010/063, 2010/064, 2010/067, 2010/069) De Raad oordeelde in al deze gevallen dat dit niet het geval was, zo o.a.: “In zijn besluit 2010/028 heeft de Raad gesteld dat de aanwezigheid in de beroepsinstantie van de praktijklector van wie de evaluatie betwist werd in strijd was met het onpartijdigheidsbeginsel, maar ook niet meer dan dat. De aanwezigheid van de andere praktijklectoren op de vergadering waar de thans betwiste beslissing werd genomen is dan ook niet in strijd met het besluit 2010/028 en schendt evenmin het onpartijdigheidsbeginsel. … De interne beroepsinstantie heeft elk van de negen deelcompetenties uitvoerig beoordeeld, en de verzoekende partij voert geen verifieerbare gegevens aan op grond waarvan de Raad zou kunnen concluderen dat de betwiste beslissing kennelijk onredelijk is.” (R.Stvb.nr.2010/063). 109. In een dossier oordeelde de Raad dat ook het tweede verzoek van de student ontvankelijk en gegrond was (R.Stvb.nr 2010/068): “Verzoekende partij betwist in een eerste middel de geldigheid van de afrondingsregels voor het opleidingsonderdeel “Werkcollege Français Juridique” omdat ze in het inleidend hoofdstuk van de cursus in het Frans zijn gesteld. Uit het dossier en de toelichting tijdens de zitting is gebleken dat het specifieke afrondingsregels betreft voor het opleidingsonderdeel “Werkcollege Français Juridique”. De Raad is van oordeel dat deze afrondingsregels die door een bevoegde aangestelde van verwerende partij zijn vastgesteld, niet anders kunnen begrepen worden dan als een bepaling met een verordenend karakter en dus voor het betrokken opleidingsonderdeel moeten worden
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.
90 beschouwd als een aanvulling van de bepalingen van het onderwijs- en examenreglement, ongeacht of de tekst in het inleidend hoofdstuk van de cursus is opgenomen. Vanuit die vaststelling valt de betwiste bepaling onder de toepassing van de bestuurstaalwetgeving en moet dus door verwerende partij in het Nederlands worden gesteld en bekendgemaakt. Uit wat voorafgaat volgt dat de specifieke afrondingsregel in voorliggend geval buiten toepassing moet worden gelaten en de normale afrondingsregels gelden. “ 110. Ook in dossier 2010/070 oordeelde de Raad dat het tweede verzoek van de student gegrond was en dat de instelling het eerste besluit van de Raad naast zich had neergelegd. “De Raad ziet nog steeds niet in waarom de oorspronkelijke quotering van 9,98/20 of 499/1000 precies werd teruggebracht naar 9,37/20 en niet werd afgerond naar 10/20. … Het gewogen gemiddelde van 9,37/20 en de handhaving van de quotering, na afronding, van 9/20 is om voormelde redenen niet afdoende gemotiveerd en de beslissing van de Raad van 26 augustus 2010 is in dat opzicht niet naar behoren uitgevoerd. … De Raad stelt vast dat verwerende partij geen globaal overzicht geeft van de ondersteunende maatregelen die in hoofde van verzoekende partij werden aangereikt of ter beschikking gesteld, behalve de contactmomenten met haar GON-begeleider. … In voorliggend geval is de Raad van oordeel dat verwerende partij de ondersteunende maatregelen onvoldoende heeft aangeboden of ter beschikking gesteld en deze handelwijze de prestaties van verzoekende partij negatief heeft beïnvloed.” 111. Doorgaans worden de beslissingen van de Raad correct opgevolgd. Indien de instellingen het besluit van de Raad niet correct opvolgen, zal de student noodgedwongen terug naar de Raad gaan om orde op zaken te stellen. Gelukkig zonder dat vooreerst nog intern beroep wordt ingesteld. Dit leidt echter tot een nodeloos trekken van procedures en verdergaande rechtsonzekerheid voor de student en de instelling. Een beslissing van de Raad heeft gezag van gewijsde en betreft een uitvoerbare titel waarmee in voorkomend geval een student ook naar de gewone rechtbank kan stappen om uitvoering te bekomen.
Jaarlijks verslagboek 2010 – R.Stvb.