Skip to main content

ASSELS_INFRABEL_rapport_2013.pdf

Page 1

Inrichtings- en beheermaatregelen voor natuur en landschap in functie van de verbreding spoorlijn L50A tussen Drongen station en Ringvaart

VLM Regio West, mei 2013


Spoorverbreding Drongen

INHOUD 1. Inleiding ...............................................................................................................................................3 1.1. Kader ...........................................................................................................................................3 1.2. Doelstelling ..................................................................................................................................3 2. Bouwvergunning ..................................................................................................................................4 2.1. Partners .......................................................................................................................................4 2.2. Adviezen bij de bouwvergunning als bouwsteen voor landschapsecologische maatregelen .....5 2.2.1. Milderende maatregelen .........................................................................................................5 2.2.2. Natuurcompensatie ................................................................................................................6 3. Inrichtingsmaatregelen ........................................................................................................................7 3.1. Milderende maatregelen ..............................................................................................................7 3.2. Natuurcompensatie ................................................................................................................... 25 4. Beheer .............................................................................................................................................. 28 4.1. Maaibeheer ............................................................................................................................... 28 4.1.1 Algemene richtlijnen ............................................................................................................ 28 4.1.2 Verschralend maaibeheer ................................................................................................... 28 4.1.3 Ruigtebeheer ....................................................................................................................... 30 4.1.4 Grazige paden ..................................................................................................................... 30 4.1.5 Rietvegetatie ........................................................................................................................ 30 4.2. Beheer houtige gewassen ........................................................................................................ 30 4.2.1. Jaarlijkse controle ................................................................................................................ 30 4.2.2. Algemene richtlijnen ............................................................................................................ 31 4.2.3. Beheer hoogstambomen ..................................................................................................... 32 4.2.4. Knotbomen .......................................................................................................................... 34 4.2.5. Houtsingel ............................................................................................................................ 35 4.3. Samenvattend beheerschema .................................................................................................. 36 4.4. Hoeveelheden en beheerder .................................................................................................... 37

FIGUREN Figuur 1: Grazige berm met clusters meidoorn ......................................................................................8 Figuur 3: Behoud steile wand voor ijsvogel ............................................................................................9 Figuur 4: Voorbeeld oeverinrichting .................................................................................................... 23 Figuur 5: Situering percelen natuurcompensatie ................................................................................ 25 Figuur 6: Gedurende lange tijd heeft een boom een “tijdelijke kroon� ................................................ 33 Figuur 7: Opkronen ............................................................................................................................. 34 Figuur 8: Knotboom ............................................................................................................................. 35

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

1


Spoorverbreding Drongen

1. INL E IDING 1.1.

K ader

Tussen Gent en Brugge is Infrabel sinds 1994 bezig met de verdubbeling van het aantal sporen (van 2 naar 4). In 2006 werden nieuwe spoorbruggen over de Ringvaart gebouwd voor spoor 3 en 4. Momenteel worden deze extra sporen (3 en 4) doorgetrokken tot Drongen station. Dit heeft als gevolg dat er in het gebied de Assels stroken van minstens 15 meter breed, aan beide kanten van de bestaande spoorwegberm, worden ingenomen door infrastructuur. De belangrijkste werken zijn: – – – – – – –

de verlenging van de onderbrugging Oude Leie (met faunapassage en wandelpad voor voetgangers); de onderbrugging van de Asselsstraat; de bouw van 2 metalen spoordekken over de Leie; de bouw van geluidswanden; het verplaatsen van de Pontstraat; de aanleg van fietspaden de aanleg van de nieuwe spoorbeddingen met sporen en bovenleidingen.

Volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 14 september 1977, is de site gelegen in woongebied, zone voor gemeenschaps- en openbare voorzieningen, natuurgebied en zone voor verblijfsrecreatie. De geplande verbreding aan de zuidzijde van de bestaande sporenbundel tussen de Ringvaart en de Leie is vervat in het gemeentelijk ruimtelijke uitvoeringsplan (GRUP) Assels/ Piereput. Het tracé ligt deels in het gezichtsveld van een beschermd monument (Oude Abdij van Drongen, beschermd bij Ministerieel Besluit van 9 juni 1998). De spoorlijn ligt in de onmiddellijke omgeving van het VEN-gebied “De vallei van de Benedenleie”. De werken hebben een grote impact op dit gebied. Vanwege het landelijk karakter, de groene bestemmingen en de landschapsecologische waarden is een inrichting nodig die het effect kan milderen.

1.2.

Doels telling

Verschillende landschappelijke maatregelen zijn gewenst om de impact van de infrastructuurwerken te milderen. Naast landschappelijke maatregelen (milderende maatregelen) is er ook een verplichting om minstens 2,5 hectare verloren gegane natuurwaarden te compenseren met nieuwe natuur.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

3


Spoorverbreding Drongen

2. B OUWV E R G UNNING De inrichting, beheer en natuurcompensaties in de Assels zijn het gevolg van de stedenbouwkundige vergunning voor de ontdubbeling van de sporen tussen de Ringvaart en Drongen station, en aansluitend van de fietsverbinding langs de Asselsstraat. (stedenbouwkundige vergunning van 23.12.2010 ref. SV/BP/4071/459, resp. van 07.06.2012 ref. 8.00/44021/39328.1. Via de bouwvergunning van Infrabel (bouwvergunning SV/BP/4071/459) wordt bepaald welke milderende effecten nagestreefd moeten worden, welke voorwaarden aan de natuurcompensatie gekoppeld worden en wie de partners zijn die erbij betrokken moeten worden.

2.1.

P artners

Vijf partners worden betrokken bij de uitwerking van maatregelen: Infrabel Infrabel is initiatiefnemer van de spoorverbreding en treedt op als bouwheer. De verplichtingen die aan de bouwvergunning gekoppeld zijn, vallen onder hun verantwoordelijkheid. Vlaamse Landmaatschappij (VLM) Infrabel doet voor de inhoudelijke uitwerking een beroep op de VLM. Hiervoor werd een overeenkomst opgemaakt tussen beide instanties, waarin bepaald wordt dat de VLM een inrichtingsplan dient voor te leggen (dit is het voorliggend rapport). In het inrichtingsplan worden landschapsecologische inrichtingsmaatregelen opgenomen, inclusief een voorstel voor de 2,5 hectare natuurcompensatie. Het inrichtingsplan dient conform de bepalingen van de bouwvergunning te zijn, overlegd met alle betrokken partners en (private) belanghebbenden, en afgetoetst op praktische en financiĂŤle haalbaarheid. Via het inrichtingsplan Assels (landinrichtingsproject Leie en Schelde) heeft de VLM veel gebiedskennis en contacten en speelt de VLM plaatselijk ook een actieve rol in het gebied. Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) De werken vinden plaats op gronden met groene bestemmingen en voor een klein deel in VEN-gebied. In de bouwvergunning werd een bindend advies opgenomen van ANB. Hierin worden de voorwaarden bepaald in verband met de natuurcompensatie. ANB wordt dan ook bij het overleg betrokken. ANB bepaalt of de voorgestelde natuurcompensatie al dan niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. Natuurpunt vzw De natuurvereniging is de terrein beherende vereniging in de Assels. Bovendien zijn ze de grootste grondeigenaar in het gebied. Verder zijn ze via hun project “Levende Leieâ€? erg actief in de Leievallei. Om deze redenen vormen ze een belangrijke gesprekspartner. Als terreinbeherende vereniging kunnen ze eventueel een belangrijke rol spelen in het toekomstig beheer van de door Infrabel heringerichte zones.

4

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Stad Gent Het ruimtelijk beleid in de Assels wordt mede bepaald door de stad Gent. Ten zuiden van de spoorlijn ligt het stedelijk RUP Piereput – Assels. Via structuurplannen worden langetermijndoelstellingen geformuleerd door de stad Gent. Het beheer van de vele wegen en paden (bestaande en nieuwe) en de aansluitende openbare ruimte ligt in handen van de stad. Daarbovenop zullen zij via het landinrichtingsproject eigenaar worden van enkele grondstroken die kruisen met de spoorwegberm. Daarom is het belangrijk dat zij in het overleg betrokken zijn.

2.2.

Adviezen bij de bouwvergunning als bouws teen voor lands c haps ec ologis c he maatregelen

Basis voor de voorziene maatregelen zijn de voorwaarden zoals omschreven in de bouwvergunning. De voorwaarden opgelegd in de adviezen dienen strikt te worden nageleefd. Advies werd verleend door: – – – – – 2.2.1.

de stad Gent; de Vlaamse Milieumaatschappij; het Agentschap Ruimte en Erfgoed; het Agentschap voor Natuur en Bos; de Vlaamse Bouwmeester. Milderende maatregelen

Het verlies aan positief beeldbepalende kleine landschapselementen dient te worden hersteld. De herinrichting en de beplanting van alle groene zones gebeurt grotendeels in reeds biologisch waardevol tot zeer waardevol milieu. Dit houdt in dat de heraanleg geen enkele vermindering van deze biologische waarde mag meebrengen. Belangrijkste aandachtspunten in het kader van de uitwerking van de milderende maatregelen zijn: – – – – – – –

aanplant inheemse soorten; uitbouw faunapassage – amfibieënpassage Asselsstraat (wordt na overleg niet uitgevoerd); reconstructie Asselskerkweg; natuurgericht beheer steile taluds met niet-ingezaaide kokosmatten; groenbuffering: aanplant knotwilgen en houtkanten; beplanting restgronden; aanleg nieuwe grachten > zo breed en natuurlijk mogelijk, geen oeververharding.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

5


Spoorverbreding Drongen

2.2.2.

Natuurc ompens atie

Het dossier moet worden aangevuld met een natuurcompensatiedossier. Er worden hiervoor extra zones onteigend die als natuurcompensaties zullen dienen naast de andere maatregelen. De goedkeuring van dit dossier is de verantwoordelijkheid van het Agentschap voor Natuur en Bos. Natuurpunt en de groendienst van de stad Gent werd betrokken bij de uitwerking van dit dossier aangezien de aan te leggen natuur aansluit op het landinrichtingsproject Assels. Ongeveer 2,5 ha waardevol biotoop, waaronder verboden te wijzigen vegetatie, verdwijnt. De oppervlakte compenserende te ontwikkelen natuur bedraagt bijgevolg minimum 2,5 ha, vlakvormig en bij voorkeur aaneensluitende natuur. Verspreide compensaties verminderen de biologische waarde. De compensatie moet zo nauw mogelijk aansluiten op dit bouwproject, zodat de maatregelen ten goede komen aan hetzelfde natuurgebied. Enkel gronden die biologisch minder waardevol zijn, komen in aanmerking. Door inrichting en beheer moet de biologische waarde toenemen tot ten minste biologisch waardevol.

6

–

oppervlak: 2,5 hectare

–

aaneensluitend

–

aansluitend bij het bouwproject

–

biologisch minder waardevol omzetten in biologisch waardevol

–

waterrijke biotopen en grasland

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

3. INR IC HT ING S MAAT R E G E L E N Hieronder worden de verschillende inrichtingsmaatregelen en het beheer ervan beschreven. Het volledig tracé wordt opgesplitst in verschillende deelgebieden. De locatie van de deelgebieden is terug te vinden op het plan met inrichtingsmaatregelen.

3.1.

Milderende maatregelen

Deelgebied 1 – Zone tussen station Drongen en de Leie (noord)

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

grazige berm (245 m x 10 m = 2,450 m²), grasland en ruigte, ruderaal

–

dicht struweel op verstoorde grond (250 m²)

–

houtkant (270m): esdoorn, eik, els, meidoorn, lijsterbes, haagbeuk

BWK: K(Hr)+Kbq+Khco° 2. Inrichting Beplantingsclusters Verspreide aanplant van kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 20 60/80 1,5 m 1000 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

7


Spoorverbreding Drongen

F iguur 1: G razige berm met c lus ters meidoorn

3. Beheer Beheerobject

Beheer

Beplantingsclusters

― Extensief maaibeheer spoorwegtalud

Grazige zones (spoorwegtalud) Grazige zones (bermen)

Extensief maaibeheer bermen

(Maai)frequentie ― 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer) 2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer)

(Maai)tijdstip ― Oktober november 15 juni – 15 september

Beheerdoelstelling ―

Opmerking ―

Structuurrijke ruigte Structuurrijk grasland

Afvoeren maaisel

Deelgebied 2 – Zone tussen station Drongen en Leie (zuid)

Situering

8

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

1. Beschrijving toestand vóór werken – –

soortenrijke berm, homogener dan noordkant, brede gracht met riet (breedte: 14 – 24 m/lengte: 340 m) enkele bomen: wilg, esdoorn, notelaar

BWK: K(Mr) 2. Inrichting Herinrichten moeraszone Behoud resterend struweel + afgraven gronddepot tot op oorspronkelijk maaiveld van de moeraszone. Na afgraven wordt de grond afgevoerd en kan de vegetatie opnieuw spontaan ontwikkelen. De oever langs de Leie (Leiedijk) ter hoogte van de moeraszone dient onaangetast te blijven als broedplaats voor de ijsvogel.

F iguur 2: B ehoud s teile wand voor ijs vogel

Oppervlakte afgraving

ca. 1.250 m²

3. Beheer Beheerobject

Moeraszone

Rietvegetatie (spoorwegtalud)

Beheer

Spontane ontwikkeling

Cyclisch maaibeheer

(Maai)frequentie

(Maai)tijdstip

―

1x/8jaar (indien noodzakelijk) (cfr. beheer4.1.5. rietvegetatie)

―

Decembermaart

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Beheerdoelstelling

Moeras struweelruigte

Rietvegetatie

Opmerking Rekening houden met broedperiode van de ijsvogel > geen werken uitvoeren in de broedperiode (niet werken tussen 1 maart en 15 juni) Afvoeren maaisel + eventueel gefaseerd maaien

9


Spoorverbreding Drongen

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

Oktober november

Structuurrijke ruigte

Afvoeren maaisel

Deelgebied 3 – Zone tussen Leie en Asselsstraat (noord)

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

talud met gemengde houtkant, waterhoudende gracht (breedte 18 m / lengte 190 m)

BWK: Sz 2. Inrichting Aanplant houtsingel Aanplant gemengde houtsingel langs fietspad.

Soorten Totaal aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Lengte houtkant Plantverband

10

50% éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna): 100 ex. 10% gelderse roos (Viburnum opulus): 20 ex. 20% hondsroos (Rosa canina): 40 ex. 20% spork (Alnus frangula): 40 ex. 200 ex. 60/80 0,5 m (in de rij) 100 m Ongelijke groepen van minimum 3 en maximum 8 stuks van dezelfde soort

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Gemengde houtsingel Beplantingsclusters Verspreide aanplant kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 25 60/80 1,5 m 1000 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

3. Beheer Beheerobject

Beheer

(Maai)frequentie

(Maai)tijdstip

Beplantingsclusters

― Dunning indien noodzakelijk Extensief maaibeheer spoorwegtalud

―

―

Beheerdoelstelling ―

Cfr beheer 4.2.5. Houtsingel

―

―

Gemengde houtsingel Grazige zones (spoorwegtalud) Grazige zones (bermen)

Extensief maaibeheer bermen

1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer) 2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer)

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Oktober november 15 juni – 15 september

Opmerking ― ―

Structuurrijke ruigte Structuurrijk grasland

Afvoeren maaisel

11


Spoorverbreding Drongen

Deelgebied 4 – Asselsstraat

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

Autoweg

2. Inrichting Aanleg amfibieënoversteekplaats Een faunapassage ter hoogte van de Asselsstraat is opgenomen in de bouwvergunning. Voorwaarden voor de aanleg van een oversteekplaats is de aanwezigheid en/of het creëren van voldoende habitat aan beide zijden van de amfibieëntunnel. Aangezien dit niet het geval is werd in overleg met Infrabel en de partners beslist om geen amfibieënoversteekplaats aan te leggen. De kosten wegen immers niet op ten opzichte van de baten. Natuurpunt kan hier jaarlijks met tijdelijke maatregelen de paddentrek in goede banen leiden. Bij het terreinbezoek op 09.04.2013 kon bovendien worden vastgesteld dat de geplande amfibieëntunnel het grootste gedeelte van het jaar onder water zou staan en dat er op die locatie geen andere mogelijkheden zijn om een tunnel aan te leggen die niet onder water komt te staan. Volgens het advies van het INBO heeft een dergelijke tunnel weinig nut: het is weinig waarschijnlijk dat grote aantallen amfibieën, in het bijzonder kikkers en padden, gebruik zullen maken van een tunnel die geheel onder water staat. Het budget voor deze ingreep wordt op een andere locatie aangewend in functie van natuur-technische graafwerken. Om te voldoen aan de bindende voorwaarden naar remediëring t.b.v. de aangetaste natuurwaarden in het gebied worden extra inspanningen genomen in deelgebied 11 (herprofilering oevers).

12

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Deelgebied 5 – Zone tussen Leie en Asselsstraat (zuid)

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

talud met gemengde dichte houtkant, brede gracht met riet (breedte 8 – 12 m, lengte 190 m)

BWK: K(Hr) + Sz 2. Inrichting Beplantingsclusters Verspreide aanplant kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 30 60/80 1,5 m 1000 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

3. Beheer Beheerobject

Beheer

Beplantingsclusters

―

Grasland

Extensief maaibeheer grasland

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

(Maai)frequentie ― 2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

(Maai)tijdstip ―

Beheerdoelstelling ―

15 juni + 15 sep

structuurrijk grasland

Oktober november

Structuurrijke ruigte

Opmerking ― Maairegime aanpassen aan evolutie grasland Afvoeren maaisel

13


Spoorverbreding Drongen

Deelgebied 6 – Zone tussen Asselsstraat en Asfilstraat

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

gesloten houtkant op talud, brede gracht, lage oever, dienstweg bovenaan (breedte 12 m (zonder dienstweg), lengte 210 m

BWK: K(Hr) (?) 2. Inrichting Beplantingsclusters Verspreide aanplant kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 50 60/80 1,5 m 1250 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

Aanplant knotwilgen Aanplant knotwilgen in berm langs perceelsgrens. Soort Aantal Tussenafstand Plantsoen Lengte berm

14

Schietwilg (Salix alba) 21 10 m Pootstokken bij voorkeur afkomstig van gezonde knotbomen in de omgeving 210 m

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

3. Beheer Beheerobject Beplantingsclusters

Beheer ―

Knotbomen

Cyclisch knotten

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

(Maai)frequentie ― 1x/6-8jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

(Maai)tijdstip ―

Beheerdoelstelling ―

November maart Oktober november

Opmerking ―

― Structuurrijke ruigte

― Afvoeren maaisel

Deelgebied 7 – Inrichten struinzone met boomgaard (Asselsstraat - Ganzerikstraat)

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken – – –

driehoekig grazig perceel (8.200 m²) verruigd hoekje (540 m²) kleine houtkant (125 m)

BWK: Hp*+ K(Hf)+Kbs - Sz - Mr +Hf 2. Inrichting Boomgaard Op het driehoekig perceel wordt een gemengde hoogstamboomgaard aangeplant. Soorten

Notelaar: - Buccaneer - Axel Appel: - Keuleman - Boskoop - Transparent Blanc

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

1 1 2 1 1

15


Spoorverbreding Drongen

Aantal Tussenafstand bomen Plantverband Maat bomen Oppervlakte perceel

16

- Jacques Lebel 2 - Trezeke Meyers 1 Peer: - Clapp’s Favourite 1 - Bruine Kriekpeer 1 - Jefkenspeer 1 - Saint Rémy 1 - Triomphe de Vienne 1 - Burré Hardy 1 Pruim: - Reine claude d'Oullins 1 - Monsieur Hâtif 1 - Bleue de Belgique 1 - Reine Claude d’Althan 1 - Opal roze 1 - Mirabel de Nancy 1 Kers: - Early Rivers 2 - Bigarreau Cardinaels 1 - Bigarreau Esperen 1 - Montmorency Kortsteel 1 - Montmorency Langsteel 1 - Sint Antoniuskers 1 28 15 m De bomen worden gemengd aangeplant in een raster (15 x 15) 10/12 + kluit incl. drie boompalen, kastanjehout en lattenverbinding 6.200 m²

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Aanplant houtsingel Aanplant gemengde houtsingel langs zijde van de Asselsstraat.

Soorten Totaal aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Lengte houtkant Plantverband

50% éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna): 90 ex. 10% gelderse roos (Viburnum opulus): 30 ex. 30% hondsroos (Rosa canina): 60 ex. 10% spork (Alnus frangula): 30 ex. 180 ex. 60/80 0,5 m (in de rij) – plantafstand perceelsrand: min.1,5m 90 m Ongelijke groepen van minimum 3 en maximum 8 stuks van dezelfde soort

Zitbanken Er worden zitbanken geplaatst langs het grazig pad (op aanduiden van leidend ambtenaar). Aantal

Specificaties (= standaardtype stad Gent)

4 Lengte: 200 cm Zithoogte: 45 cm Een eenvoudig model met twee zitplanken in een houtsoort met duurzaamheidsklasse 1 Voeten in gewapend trilbeton en ingewerkt in de bodem Verankering: minimaal 30 cm Hout: fsc-gelabeld of gelijkwaardig

3. Beheer Beheerobject Gemengde houtsingel

Beheer

(Maai)frequentie

(Maai)tijdstip

Beheerdoel stelling

Opmerking

Indien noodzakelijk dunning

Cfr beheer 4.2.5. Houtsingel

―

―

―

Begeleidingssnoei

Jaarlijks (eerste 5-10 jaar)

―

―

Onderhoudssnoei

Indien nodig

November maart - in zomer: kers en pruim - winter: appel en peer

―

―

Hoogstamfruitbomen

Grazige zones (bermen en struinzone)

Extensief maaibeheer

Grazig wandelpad

Intensief maaibeheer

2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer) 3x/jaar (breedte van 1m maaien)

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

15 juni + 15 sep ―

structuurrijk grasland ―

Afvoeren maaisel ―

17


Spoorverbreding Drongen

Deelgebied 8 – Zone tussen Asfilsstraat en Oude Leie (noord)

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken – –

brede gracht met lage oevers, houtkant op talud, enkele knotbomen op noordoever lengte 220 m, breedte 16 m

BWK: Sz + K(Hr) 2. Inrichting Beplantingsclusters Verspreide aanplant kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 40 60/80 1,5 m 1600 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

Aanplant knotwilgen Aanplant knotwilgen in berm langs perceelsgrens. Soort Aantal Tussenafstand Plantsoen Lengte berm

18

Schietwilg (Salix alba) 22 10 m Pootstokken bij voorkeur afkomstig van gezonde knotbomen in de omgeving 225 m

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

3. Beheer Beheerobject

Beheer ―

Beplantingsclusters Knotbomen

Cyclisch knotten

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

(Maai)frequentie ― 1x/6-8jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

(Maai)tijdstip ― November maart Oktober november

Beheerdoelstelling ― ― Structuurrijke ruigte

Opmerking ― ― Afvoeren maaisel

Deelgebied 9 – Boomgaard tot Oude Leie

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken – –

nat permanent grasland, verspreide oude knotwilgen rietkraag in baangracht (lengte 280 m)

BWK: Hp* - Hp + Kbs*+Khs 2. Inrichting Aanplant knotwilgen Aanplant knotwilgen in berm langs perceelsgrens. Soort Aantal Tussenafstand Plantsoen Lengte berm

Schietwilg (Salix alba) 30 10 m Pootstokken bij voorkeur afkomstig van gezonde knotbomen in de omgeving (beschermen tegen grazers) 320 m

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

19


Spoorverbreding Drongen

3. Beheer Beheerobject

Beheer

Knotbomen

Cyclisch knotten

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

(Maai)frequentie 1x/6-8jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

(Maai)tijdstip November maart Oktober november

Beheerdoelstelling

Opmerking

―

Beschermen tegen begrazing

Structuurrijke ruigte

Afvoeren maaisel

Deelgebied 10 – Asselskerkweg

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

–

populierendreef met karrenspoor, zeer brede waterpartij die ontwikkelt naar moerasbos, natte bermen, knotwilgen, ondergroei van struiken en andere boomsoorten (lengte 260 m, breedte 24 m) smal onverhard pad op talud, kleine groepjes struiken, opschietende wilgen, gedeeltelijk verruigd met braam e.a. (lengte 210 m, breedte 12 m)

BWK: Vn + sf + pop + kz

20

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

2. Inrichting Aanplant van hoogstambomen Heraanplanten dreef. Soort Aantal Tussenafstand bomen Maat plantsoen Boompalen Lengte berm

steeliep (Ulmus laevis) 80 => 70 (lengte dreef 350m) + 10 (verbinding dreef – R4) 10 m in de rij – 5 m tussen de rijen 10/12 Twee boompalen/boom (diameter 8 – 10 cm, lengte van 2,50 m), kastanjehout 500 m (350m + 150m)

Beplantingsclusters Verspreide aanplant kleine groepjes éénstijlige meidoorn op grazig spoorwegtalud. Soort Aantal Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Oppervlakte talud Plantverband

éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 75 60/80 1,5 m 4100 m² Groepen van wisselende aantallen: minimum 3 en maximum 5 stuks

Zitbanken Er worden zitbanken geplaatst in de bermen van de dreef (op aanduiden van leidend ambtenaar). Aantal

Specificaties (= standaardtype stad Gent)

2 Lengte: 200 cm Zithoogte: 45 cm Een eenvoudig model met twee zitplanken in een houtsoort met duurzaamheidsklasse 1 Voeten in gewapend trilbeton en ingewerkt in de bodem Verankering: minimaal 30 cm Hout: fsc-gelabeld of gelijkwaardig

Grazig pad De Asselskerkweg dient te worden voorzien van een onverhard wegdek. Op het nieuwe tracé wordt een grazig pad voorzien met een maximale breedte van 1,5 m zonder fundering. Het pad wordt bekomen door een intensiever maaibeheer. Lengte pad Breedte pad

360 m 1,5 m

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

21


Spoorverbreding Drongen

3. Beheer Beheerobject

Beheer

(Maai)frequentie

(Maai)tijdstip

Beplantingsclusters

― Opsnoeien in de beginfase indien nodig Extensief maaibeheer spoorwegtalud

― 1x/jaar (cfr. beheer – 4.2.3. hoogstambomen) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer) 2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer) 3x/jaar (breedte van 1m maaien)

―

Hoogstambomen Grazige zones (spoorwegtalud) Grazige zones (bermen)

Extensief maaibeheer bermen

Grazig wandelpad

Intensief maaibeheer

November maart Oktober november 15 juni – 15 september ―

Beheerdoelstelling ― ―

Opmerking ― ―

Structuurrijke ruigte Structuurrijk grasland ―

Maaisel afvoeren

―

Deelgebied 11 – Pontstraat

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken – –

natte weilanden met perceelsgrachten en microreliëf lengte straatzijde: 120 m

BWK: Hpr° Hp*+ K(Mr) + Kbp + Kbs Hr

22

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

2. Inrichting Aanplant knotwilgen Aanplant knotwilgen in berm langs perceelsgrens. Soort Aantal Tussenafstand Plantsoen Lengte berm

Schietwilg (Salix alba) 18 10 m Pootstokken bij voorkeur afkomstig van gezonde knotbomen in de omgeving 190 m

Verbinding wandelpad – Pontstraat Het wandelpad langs Oude Leie sluit aan de zuidzijde van de sporen via een trap aan op de Pontstraat, zoals beschreven in de bouwvergunning. Aanleg natuurlijke oeverzone Oude Leie Langs de oever van de Oude Leie wordt lokaal een stuk oeverzone natuur-technisch ingericht (locatie zie inrichtingsplan) naar analogie van de bestaande inhammen langs de Oude Leie en ter compensatie van de verdwenen paaiplaatsen door de spoorverbreding. Oeverinrichting kan hier plaatsvinden door het creÍren van zwak hellende waterbodems waar zich spontaan vegetatie kan ontwikkelen. Bij de werken wordt, naast het verwijderen van de opgehoogde grond, speciale aandacht besteed aan het natuurvriendelijker inrichten van de oevers. Na de afgraving van de opgehoogde gronden worden de oevers geprofileerd onder een flauw talud om kansen te geven aan de vestiging van een interessantere vegetatie.

F iguur 3: Voorbeeld oeverinric hting

Alle uitgegraven gronden moeten worden afgevoerd. Indien grondverzet plaatsvindt, moet dit gebeuren overeenkomstig de regels m.b.t. het gebruik van de uitgegraven bodem (Hoofdstuk XIII van het nieuw VLAREBO). Als Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

23


Spoorverbreding Drongen

algemeen principe geldt dat voor iedere partij reeds uitgegraven bodem die groter is dan 250 m³ en die niet ter plaatse wordt gebruikt, een technisch verslag opgemaakt moet worden. Deze verplichting geldt ook voor een partij samengesteld uit verschillende partijen uitgegraven bodem kleiner dan 250 m³ waarvoor er geen verplichting tot technisch verslag was, en ook voor een partij groter dan 250 m³ die in verschillende partijen kleiner dan 250 m³ wordt afgevoerd en gebruikt (artikel I73, §2). Raming kostprijs wegvoeren grond (excl. BTW, analyses grondverzet): 1. 2. 3.

wegvoeren niet vervuilde grond zonder steenfragmenten: 4 €/m³; wegvoeren vervuilde grond: 200 €/m³; wegvoeren niet vervuilde grond met steenfragmenten (> 20% van de grond): 16 €/m³.

Grondverzet

1.000 m³ (+ afvoeren grond)

3. Beheer Beheerobject

Beheer

Knotbomen

Cyclisch knotten

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

24

(Maai)frequentie 1x/6-8jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer)

(Maai)tijdstip November maart Oktober november

Beheerdoelstelling

Opmerking

―

―

Structuurrijke ruigte

Afvoeren maaisel

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

3.2.

Natuurc ompens atie

Het dossier wordt aangevuld met een natuurcompensatiedossier. De natuurcompensatie van min. 2,5 ha is een voorwaarde van de bouwvergunning. De compensatie dient te voldoen aan deze voorwaarden: – – –

–

zo dicht mogelijk gelegen bij de uitgevoerde werken; zoveel mogelijk één aaneengesloten blok; de biologische waarde van de percelen moet worden omgezet van minder waardevol naar (minimum) biologisch waardevol (dus niet op percelen die nu al biologisch waardevol zijn). percelen gelegen bij de huidige natuurgebieden.

De natuurcompensatie wordt gerealiseerd op de percelen gelegen ten zuiden van de spoorweg: de kadastrale percelen gelegen te Gent, 28ste afdeling sectie B nrs. 859B, 859C, 858C, 658D, 857E, 856 en 855. Totale oppervlakte is 2,5 ha.

F iguur 4: S ituering perc elen natuurc ompens atie

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

25


Spoorverbreding Drongen

Deelgebied 12 – omvormen akker naar grasland

Situering 1. Beschrijving toestand vóór werken –

Akker

2. Inrichting Omvorming akker naar grasland De verworven akkers worden ingezaaid met een grasmengsel. Om een (snellere) verhoging in biologische waarde te bekomen, is het aangewezen in de eerste jaren overgangsmaatregelen te voorzien. Door bepaalde teelten regelmatig te oogsten, kan de initiële toestand worden verbeterd. De eerste 3 jaar wordt maïs geteeld. In de winter kunnen de resten van de geoogste maïs blijven staan voor akkervogels. Kennis van de chemische toestand van de bodem is een eerste noodzaak, dan kan bepaald worden hoe overtollige nutriënten kunnen afgevoerd worden, zonder afgraven van de bouwvoor. In te zaaien soorten (na overgangsmaatregelen) Hoeveelheid Oppervlakte

Lolium multiflorum (Italiaans raaigras): 70% Trifolium repens (klaver): 30% 80 kg/ha (= +/- 200 kg) 2,6 ha

Aanplant houtsingel Er wordt een brede, gemengde houtsingel aangeplant langs de randen van de percelen. De houtsingel is op verschillende plaatsen onderbroken.

Soorten Totaal aantal

26

gelderse roos (20%) = 155 hondsroos (25%) = 195 spork (25%) = 195 éénstijlige meidoorn (30%) = 233 778

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Maat bosplantsoen Tussenafstand bosplantsoen Breedte houtkant Lengte houtkant Plantverband

60/80 1,5 m tussen de rijen - 1,5 m in de rij (afstand perceelsrand min.1,5m) 5m 350 m, 3 rijen Ongelijke groepen van minimum 5 en maximum 20 stuks

Aanplant knotwilgen Aanplant knotwilgen in berm langs perceelsgrens. Soort Aantal Tussenafstand Plantsoen Lengte berm

Schietwilg (Salix alba) 20 10 m Pootstokken bij voorkeur afkomstig van gezonde knotbomen in de omgeving (beschermen tegen grazers) 200 m

3. Beheer Beheer

(Maai)frequentie

(Maai)tijdstip

Beheerdoelstelling

Opmerking

Houtsingel

Indien noodzakelijk dunning

Cfr beheer - 4.2.5. Houtsingel

―

―

―

Knotwilgen

Cyclisch knotten

1x/6-8 jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen)

November maart

―

―

3x/jaar (eerste jaren)

15 mei - 15 augustus – 15 oktober

Beheerobject

Grasland

Maaien

2x/jaar, afhankelijk van evolutie (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer) 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer) > strook tussen grasland en houtsingel

15 juni – 15 september

Oktober november

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Structuurrijk grasland

Ontwikkeling van brede structuurrijke ruigte tussen grasland en houtsingel (wisselende breedte tussen 5 en 10 m)

Afvoeren maaisel

27


Spoorverbreding Drongen

4. B E HE E R Na inrichting van natuur en landschap is een goed uitgevoerd beheer noodzakelijk om de uiteindelijke doelstellingen van de inrichting te bekomen. Heel wat realisaties kunnen op vrij korte termijn verloren gaan indien een goed beheer achterwege blijft. Hieronder worden enkele algemene beheerprincipes mee gegeven.

4.1.

Maaibeheer

4.1.1

Algemene ric htlijnen

•

Bij elke maaibeurt dient het maaien van de bermen steeds zoveel mogelijk te gebeuren vanaf de wegverharding.

•

Maaien gebeurt steeds met afvoer van het maaisel binnen 10 dagen. Het maaisel dient bij elke maaibeurt grondig te worden afgevoerd volgens de maaiselnorm. Minimaal 70% van het maaisel moet worden verwijderd.

•

Zoals het Vlaamse afvalstoffenwetgeving het voorschrijft, wordt maaisel naar een erkende composteerinstallatie gevoerd.

•

Er worden geen herbiciden gebruikt bij het beheer van de bermen.

4.1.2

V ers c hralend maaibeheer

Door de toepassing van een verschralend maaibeheer zal de soortenrijkdom, de botanische waarde en de bloemenrijkdom groter worden en zal de totale biomassaproductie van de bermen of andere grazige zones dalen, onafhankelijk van het bodemtype. Maaien met afvoer heeft als doel bepaalde graslandtypes in stand te houden of om te verschralen, met de bedoeling de vegetatie te laten evolueren naar een ecologisch waardevoller type. a) Normale onderhoudswerken De normale onderhoudswerken van permanent grasland zijn 1: – geen gebruik van bestrijdingsmiddelen; – niet scheuren, frezen, of doorzaaien; – niet branden of plaggen; – geen wijziging van de waterhuishouding (noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks) door drainage, ontwatering, dichten van grachten; – het behoud van het microreliëf en het reliëf van het graslandperceel.

1

28

Code van goede natuurpraktijk, kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. Deze code is een bijlage aan de omzendbrief LNW/98/01 van 10 november 1998 betreffende algemene maatregelen inzake natuurbehoud en de voorwaarde voor het wijzigen van vegetatie en kleine landschapselementen volgens het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998. Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

b) Maatregelen in functie van verschraling Om van slechts enkele, zeer algemene (gras)soorten te evolueren naar gevarieerde, soortenrijkere graslanden met grassoorten is een variabel beheer in de tijd nodig. In dit beheer worden 6 fasen onderscheiden, elk met een specifiek graslandtype (zie onderstaand schema). Hoe men deze diverse fasen en graslandtypen kan herkennen, welke kruiden erin aanwezig zijn, hoeveel bemesting elk type krijgt, wat het gangbaar beheer is, etc., wordt beschreven in het boek “Veldgids – Ontwikkeling van botanisch waardevol grasland in West-Vlaanderen” van A. Zwaenepoel en uitgegeven door het provinciebestuur van West-Vlaanderen in 2000. De fase waarin de huidige graslanden zich bevinden, is fase 0 of fase 1. Het doel van het te voeren beheer is minstens fase 3 (“gras-kruidenmix”), liefst fase 4 (“bloemrijk grasland”).

Met maaien en afvoeren van maaisel is een omvorming van een botanisch arm grasland (voormalig cultuurgrasland) naar een bloemrijk grasland, meer bepaald fase 3 “graskruidenmix” en fase 4 “bloemrijk grasland” mogelijk. In fase 0 en 1 wordt twee of drie maal maaien als optimaal beschouwd. Bij twee maaibeurten wordt de eerste in de 2de helft van mei en de tweede in de 2de helft van september uitgevoerd. Vanaf fase 2 worden twee maaibeurten aangehouden, waarvan de eerste in juni uitgevoerd wordt en de tweede in september. De maaihoogte wordt het best afgesteld op 5 tot 8 cm. Lagere maaihoogtes beschadigen de bodem te veel en leiden vaak tot ongewenste uitbreiding van akkerdistel en andere ongewenste kruiden. Bij maaien en direct afvoeren wordt het maaisel het best afgevoerd naar een erkende composteerinstallatie. c) Tijdsduur van een specifiek beheer i.f.v. de vegetatie De exacte ontwikkelingsduur gaande van een fase 0 (raaigrasweide) naar een fase 3 (“graskruidenmix”) bereiken is mede afhankelijk van factoren als grondsoort, vochttoestand en zaadaanwezigheid.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

29


Spoorverbreding Drongen

4.1.3

R uigtebeheer

Door het niet jaarlijks maaien van een grazige berm ontstaat er een hogere en structuurrijkere vegetatie. Om de 2 à 5 jaar maaien, met afvoer van het maaisel, voorkomt te sterke verruiging en verbossing. Een verhoging van de structuurvariatie bevordert het aandeel insecten in een vegetatie. Onrechtstreeks beïnvloedt dit de botanische samenstelling. Een andere reden om enkele niet-gemaaide stroken te behouden, is dat gerijpte zaden zich in de vroeger gemaaide stroken verspreiden waardoor er geen gebrek aan kruiden zal optreden. Een ruigte langs houtige bosplanten verzacht de overgang van kort grasland naar struweel. De optimale breedte voor een zoomvegetatie bedraagt tussen de 2,5 en 5 m. Gefaseerd en gezoneerd maaibeheer is ideaal. Afweging tussen verschralend maaibeheer en ruigtebeheer Op sommige steile taluds en nauwelijks te bereiken plaatsen is het moeilijker om te maaien. Vooral het verwijderen van het maaisel blijkt op deze plaatsen niet altijd realiseerbaar. Ruigtebeheer wordt op deze plaatsen aangeraden. De ruigten worden best in het najaar (oktober/november) gemaaid omdat de meeste ruigtekruiden slecht bestand zijn tegen maaien tijdens de groei. Ook hier is het verwijderen van de maaispecie erg belangrijk. 4.1.4

G razige paden

In bepaalde zones binnen het projectgebied worden grazige wandelpaden voorzien. Om de paden een groenere aanblik te geven worden ze grazig gehouden. Grazige paden worden minstens 3 x per jaar gemaaid. 4.1.5

R ietvegetatie

Het is aangewezen om het riet (indien nodig) te maaien om de vorming van wortelstokken en knopen te stimuleren en dus te zorgen voor een verjonging van het riet. Het maaien dient altijd in de winterperiode te gebeuren en in elk geval een 10-tal cm boven de waterlijn. Voor fauna en flora is – bij grotere rietpartijen – een gefaseerd onderhoudsbeheer aan te bevelen. Frequentie maaien Tijdstip maaien Opmerkingen

4.2.

periodiek maaien van het riet  circa om de 8 jaar indien noodzakelijk; afzetten wilgenopslag indien nodig winterperiode: 1 december tot 1 maart 10-tal cm boven waterlijn; gefaseerd maaibeheer (bij grotere oppervlaktes); afzetten wilgenopslag indien nodig

B eheer houtige gewas s en

4.2.1. J aarlijks e c ontrole Tijdens de jaarlijkse controle dient voor de aanplantingen een lijst te worden opgemaakt van de in te boeten beplanting. Wil men voorkomen dat de jonge aanplantingen ten gevolge van natuurlijke sterfte, ziekte of vernieling degraderen of verdwijnen, dan is de jaarlijkse opmaak, 30

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

zeker de eerste vijf jaar, van een lijst van te vervangen begroeiing een noodzaak. Kleine aantallen afgestorven struiken moeten niet steeds onmiddellijk worden vervangen, omdat dit de biologische variatie kan vergroten door spontane vestiging van kruiden of houtige gewassen. Natuurlijk mag het voortbestaan van het beplantingselement niet in het gedrang komen. De controle gebeurt liefst op het einde van het groeiseizoen (midden augustus tot midden september) omdat op dat ogenblik goed beoordeeld kan worden welke begroeiing afgestorven is. Het is aangeraden de afgestorven bomen of de struiken te merken, zodat in het daaropvolgende plantseizoen de vervangingen vlot kunnen verlopen. Tijdens de controle wordt ook nagegaan of: – – – – – – – – – – –

afsluitingen van aanpalende percelen of bescherming voor het jonge bosplantsoen hersteld moeten worden; boompalen vervangen moeten worden; boombanden aangebonden of vervangen dienen te worden; boompalen of boombanden verwijderd moeten worden (de boomband mag niet in de stam groeien); zwerfvuil of sluikstorten opgeruimd moeten worden; jonge loten op de stam van knotbomen moeten worden weggesnoeid; gebroken of afgestorven takken dienen te worden weggesnoeid; stambeschadigingen verzorgd moeten worden; dunnen noodzakelijk is; hinderlijke opslag in aanplant of nabij poelen en oeverzones verwijderd moet worden; het maaisel is opgeraapt en ook afgevoerd.

De eerste vijf jaar na de aanplanting kan het nodig zijn om de bosgoedaanplantingen in de beplantingsstroken vrij te stellen. Het vrijstellen beperkt zich tot het bestrijden van kruidachtige of houtachtige gewassen (bv. distels, brandnetels, bramen) die de gewenste jonge beplanting dreigen te overwoekeren. Bij het vrijstellen kan men zich beperken tot de onmiddellijke omgeving van het plantsoen dat overgroeid dreigt te worden. Het vrijstellen moet in het groeiseizoen (mei-juni) gebeuren, het best voordat de hinderlijke planten (bv. distels) in het zaad komen. Het vrijstellen gebeurt in de praktijk met mechanische maaitoestellen (bv. bosmaaier). 4.2.2. Algemene ric htlijnen –

Het onderhoud van houtige gewassen dient te gebeuren op basis van de “code van goede natuurpraktijk”.

–

Waar mogelijk wordt dood hout niet verwijderd.

–

Het hout dat niet kan blijven liggen, moet worden afgevoerd. Versnipperd hout mag niet in de beplanting worden gedeponeerd.

–

Aanplanten gebeurt bij voorkeur met streekeigen materiaal en indien voorradig bij voorkeur zelfs met autochtoon plantmateriaal.

–

Bij spontane ontwikkeling wordt niet meer gemaaid.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

31


Spoorverbreding Drongen

Er wordt gestreefd naar een goede groei of instandhouding van de vegetatie met een minimum aan ingrepen. Het beheer is gericht op het vergroten van de diversiteit in de opbouw van de houtachtige vegetaties en op het in stand houden van een bepaald ecosysteem. Het dunnen van houtige beplanting betekent het omzagen van bomen of struiken ten gunste van andere exemplaren of soorten. Bepaalde bomen in een aanplanting worden aangeduid en vervolgens afgezaagd tot tegen het maaiveld. Welke bomen men verwijdert, hangt af van het gewenste resultaat. Indien men dichte groepsgewijze aanplantingen niet dunt, krijgt men hoog opgeschoten bomen met vrij dunne stammen. Als men op een bepaald ogenblik dan toch dunt, vallen de overgebleven bomen vaak om. Daarom moeten de goed en snel groeiende houtachtige gewassen worden gedund. 4.2.3. B eheer hoogs tambomen Indien nodig worden hoogstambomen opgesnoeid, maar men laat de bomen in principe uitgroeien en enkel bij gevaar voor de weggebruiker en bij het vrijmaken van het gabarit hoeft men te snoeien. Hoe langer men wacht met de eerste snoeibeurt hoe dikker de takken zullen zijn. Intensief (vorm)snoeien in de levende kroon moet worden vermeden. Het is aangewezen om te snoeien om de 5 à 6 jaar (indien noodzakelijk). Afgestorven of zieke bomen die de veiligheid van de weggebruiker in gevaar brengen, worden gerooid. Frequentie opsnoeien in tijdelijke kroon Tijdstip snoeien Doel Opmerkingen

één keer om de 5 – 6 jaar, indien nodig winterperiode (1 november tot 1 maart) creëren takvrije stam van ongeveer 5 m 3 à 5 takken per snoeibeurt; probleemtakken wegsnoeien

Voor de instandhouding van het architectonisch karakter van de bomenrijen langs de wegen is het van groot belang om zieke, afgestorven, vernielde of beschadigde bomen zo snel mogelijk te vervangen. De belangrijkste beheermaatregel is het opsnoeien in de tijdelijke kroon. Dit betekent dat de onderste takken op de stam worden weggesnoeid.

32

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

F iguur 5: G edurende lange tijd heeft een boom een “ tijdelijke kroon”

Pas als de boomhoogte gelijk is aan de takvrije stamlengte die in de toekomst wenselijk is, begint de ontwikkeling van de blijvende kroon. Het opkronen van een boom is het regelmatig opsnoeien van de boom met het doel een takvrije stam te krijgen van minimaal 6 meter. Voor het opkronen zijn volgende snoeiregels van belang: – begin tijdig met snoeien; – snoei weinig (maximaal 3 à 5 takken per snoeibeurt) om de vorming van te veel waterloten te voorkomen; – werk altijd naar een verhouding stam/kroon van 1:2 en later 1:3; – snoei regelmatig (om de 3 jaar) en verwijder takken die een directe concurrent vormen voor de top; – voorkom grote snoeiwonden; – het snoeien gebeurt best in de winterperiode wanneer de boom in rust is.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

33


Spoorverbreding Drongen

a. wat moet er gebeuren…

b. de kroon omhoog brengen…

c. of takken inkorten…

d. en de probleemtakken wegnemen

F iguur 6: Opkronen

Het inkorten van takken en het zagen van stamhout zijn uit den boze. Zodra de takvrije stamlengte bereikt is, heeft de boom een blijvende kroon (alle takken staan boven het stamgedeelte dat bij de volwassen boom takvrij moet zijn). De kroonverzorging beperkt zich dan tot het weghalen van gebroken of afgestorven takken. Bij het wegsnoeien van zware takken worden eerst de te verwijderen tak op “stomp” gezaagd om het gewicht van de tak te verminderen en het inscheuren van de stam te voorkomen. Daarna wordt de tak op 1 à 2 cm van de stam afgezaagd. Bij lichte beschadigingen wordt het beschadigd hout weggesneden tot op het levend hout door een ovale wond verticaal uit te snijden, de randen van de wond schuin weg te snijden en de wond met een afdekmiddel in te smeren. De wonden worden elk jaar gecontroleerd en zo nodig bijgewerkt. 4.2.4. K notbomen De belangrijkste beheermaatregel bij knotbomen is knotten. Als knotbomen niet meer geknot worden, groeit de kroon sterk uit, waarbij veel uitlopers afsterven en er slechts een beperkt aantal takken overblijven die zo zwaar worden dat ze afscheuren. De takken worden zo dicht mogelijk tegen de knot afgezaagd. Het zaagvlak dient schuin aangebracht te worden om rotten te voorkomen. Bij achterstallig onderhoud laat men bij takken dikker dan 20 cm ongeveer een decimeter zitten om het uitlopen te bevorderen. Het knotten gebeurt tussen 1 december en 1 maart.

34

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Schietwilg moet men ongeveer om de 6 jaar opnieuw knotten. Na enkele knotcycli is het aangewezen om 2 tot 3 jaar na het knotten de jonge pruik te snoeien zodat er een 8 à 10 tenen overblijven. Indien het dunnen in de pruik achterwege blijft, wordt na het knotten een vitale hergroei bemoeilijkt. Bovendien vergemakkelijkt het “stikken” het onderhoud.

F iguur 7: K notboom

Frequentie knotten Tijdstip knotten Opmerkingen

circa om de 5-6 jaar voor wilg (Salix sp.) tussen 1 december tot 1 maart zo dicht mogelijk tot tegen de knot zagen; schuin zaagvlak creëren; na enkele knotcycli om de 2 à 3 jaar de pruik dunnen (stikken)

4.2.5. Houts ingel Bij een houtsingel is vooral het visueel-ruimtelijk aspect in het landschap van belang. Een houtsingel als onderdeel van een netwerk van kleine landschapselementen vormt een belangrijk onderdeel van de ecologische infrastructuur. De belangrijkste beheeringreep bij een houtsingel is het dunnen. De dunning kan gebeuren zodra de struiken in sluiting komen. Doel van het dunnen is de struiken voldoende groeiruimte te geven, zodat ze laag vertakt blijven. In geval van een “overkokende” houtsingel (na verwaarlozing, waarbij de takken topzwaar worden en buigen naar buiten of afbreken) worden de buitenste rijen struiken het best in hun geheel afgezet en de binnenste rijen gedund. Meidoorn wordt het best niet volledig afgezet, maar ingekort tot op 1 m, omdat na het afzetten deze struiken nog moeilijk uitlopen. De stobbenopslag wordt dan na 1 à 2 jaar selectief gedund. Het gefaseerd(!) afzetten gebeurt ca. 15-jaarlijks. Teveel dunnen is niet aan te raden. Indien dunnen niet noodzakelijk is, hoeft dit ook niet te gebeuren.

Frequentie dunnen Tijdstip dunnen Opmerkingen

als de struiken in sluiting komen; gefaseerd afzetten 15-jaarlijks (of vroeger indien noodzakelijk) bij overkokende struikenrij: buitenste rijen afzetten, binnenste dunnen tussen 1 november tot 1 maart meidoorn niet volledig afzetten maar inkorten tot op 1m; aangeplant bosplantsoen in beginfase vrijstellen (maaien) indien nodig

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

35


Spoorverbreding Drongen

4.3.

S amenvattend beheers c hema

Hieronder wordt een samenvattend overzicht gegeven van het beheer van de verschillende beheerobjecten, met aansluitend de vermoedelijke hoeveelheden en een voorstel van de partners/beheerders. De definitieve taakverdeling van en afspraken omtrent het beheer tussen de partners dienen via een overeenkomst tussen de verschillende instanties worden vastgelegd. Hierna wordt enkel een aanzet gegeven. Beheerobject

Beheer

Grazige zones (spoorwegtalud)

Extensief maaibeheer spoorwegtalud

Grazige zones (bermen)

Extensief maaibeheer bermen

Moeraszone

Spontane ontwikkeling

Rietvegetatie (spoorwegtalud) Beplantingsclusters Gemengde houtsingel

Cyclisch maaibeheer

(Maai)frequentie 1x/2-5 jaar (cfr beheer - 4.1.3. ruigtebeheer) 2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer)

Oktober november 15 juni – 15 september

― 1x/8jaar (indien noodzakelijk) (cfr. beheer4.1.5. rietvegetatie)

―

December maart

Beheerdoelstelling

Opmerking

Structuurrijke ruigte Structuurrijk grasland Moeras struweelruigte

Afvoeren maaisel

―

Rietvegetatie

Afvoeren maaisel + eventueel gefaseerd maaien

structuurrijk grasland

Maairegime aanpassen aan evolutie grasland

― Cfr beheer - 4.2.5. Houtsingel

Grasland

Extensief maaibeheer grasland

Knotbomen

Cyclisch knotten Begeleidingssnoei

2x/jaar (cfr. beheer - 4.1.2. verschralend maaibeheer) 1x/6-8jaar (cfr beheer – 4.2.4. Knotbomen) Jaarlijks (eerste 5-10 jaar)

Hoogstamfruitbomen Onderhoudssnoei

Indien nodig

Hoogstambomen

Opsnoeien in de beginfase indien nodig

1x/jaar (cfr. beheer – 4.2.3. hoogstambomen)

Grazig pad

Maaien

3x/jaar (cfr. beheer - 4.1.4. grazige paden)

36

(Maai)tijdstip

15 juni + 15 sep November maart

―

―

November maart - in zomer: kers en pruim - winter: appel en peer

―

―

―

―

November maart

―

―

―

―

Afvoeren maaisel

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

4.4.

Hoeveelheden en beheerder

Initiatiefnemer Infrabel voert alle voorgestelde maatregelen uit. Hieronder worden de vermoedelijke hoeveelheden van de verschillende te beheren objecten weergegeven alsook de mogelijke toekomstige beheerder. Beheerobject Milderende maatregelen Grazige zones (spoorwegtalud) Grazige zones (bermen) Rietvegetatie (spoorwegtalud) Moeraszone Beplantingsclusters Gemengde houtsingel Grasland (perceel Natuurpunt) Knotbomen

Hoeveelheid 1,7 ha Ca. 2.000 m 250 m 190 m 0,6 ha 74 ex.

Beheerder *

Hoogstamfruitbomen

28 ex.

Grazige zones (struinzone boomgaard)

0,6 ha

Hoogstambomen (Asselskerkweg) Grazig pad (in boomgaard) Grazig pad (Asselskerkweg) Natuurcompensatie Omvorming akker naar grasland Gemengde houtsingel Knotbomen

80 ex. 100 m 350 m

Infrabel Stad Gent / Infrabel Infrabel Stad Gent / Natuurpunt Natuurpunt Natuurpunt Natuurpunt (eventueel i.s.m. buurtbewoners) Natuurpunt (eventueel i.s.m. buurtbewoners) Stad Gent Natuurpunt Stad Gent

2,6 ha 350 m 20 ex.

Natuurpunt Natuurpunt Natuurpunt

* Taakverdeling van en afspraken omtrent het beheer tussen de partners dienen via een overeenkomst tussen de verschillende instanties definitief te worden vastgelegd.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

37


Spoorverbreding Drongen

BIJLAGEN 1. Beschrijving bestaande toestand 2. Opmerkingen bij (het verslag van) de vergadering d.d. 04.02.2013 en de VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ 3. VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ (INFRABEL): antwoord bij de vraag m.b.t. de fauna-onderdoorgang aan de Asselstraat

38

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

BIJLAGE I Bestaande toestand 2011 NR Beschrijving 1 Soortenrijke bermvegetatie (grasland/ruigte, ruderaal) K(Hr) + Kbq + Khco° esdoorn, eik, els, meidoorn, lijsterbes, haagbeuk

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

afmeting Berm 245m x 10m = 2.450m² Houtkant 270m

39


Spoorverbreding Drongen

2

Dicht struweel op verstoorde gronden Meidoorn, wilg, hoge ruigtekruiden

250m²

3

Soortenrijke berm + rietgracht: K(Mr) Homogener dan noordkant Wilg, esdoorn, notelaar

Breedte 14m-24m Lengte 340m

4

Talud met gemengde houtkant / waterhoudende gracht Sz

Breedte 18m Lengte 190m

40

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

5

Talud met gemengde houtkant / brede gracht met riet Hogere ecologische kwaliteit / Broedplaats bosrietzanger K(Hr) + Sz

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Breedte 8-12m Lengte 190m

41


Spoorverbreding Drongen

6

42

Dienstweg, brede gracht, gesloten houtkant op talud Zonder dienstweg: K(Hr) (?) Breedte 12m Vraag van Mvr. De Lepeleire om geen (tijdelijk) afval te Lengte 210m laten liggen langs de oprit.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

7

Driehoekje gras (Hp*+K(Hf)+Kbs) Houtkant (Sz) Verruigend hoekje (Mr+Hf) Vraag van buurtcomité Functie natuur

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Houtkant 125m Driehoek gras 8.200m² Ruigte 540m²

43


Spoorverbreding Drongen

8

Nat grasland met plaatselijke knotwilgen Hp* Hp+Kbs*+Khs Verruigde rietkraag langs de berm

280m zijde langs de baan

9

Zij-greppels van oude Leie Hc+Mr

Volledig: 2.300m² Deel dat verdwijnt: 665m² waarvan 210m² open water

44

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

10

Brede gracht + gesloten houtkant op talud + knotten Sz+K(Hr) Aansluitend : Hp+Hp*+Hc°+Mc

11

Asselskerkweg: populierendreef (karrespoor) + brede Breedte 24m waterpartij, natte bermen + knotwilgen, struiken en Lengte 265m plaatselijk andere boomsoorten Vn+Sf+pop

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

Lengte 220m Breedte 16m

45


Spoorverbreding Drongen

46

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

12

Smal pad onverhard halfweg talud + kleine Breedte 12m houtkant/struiken + verruiging op de taluds + gracht Lengte 210m Kz

13

Kleine natte weilanden, oostelijk deel verruigd, gedeeltelijk Straatzijde 120m biologisch waardevol Hpr° Hp*+K(Mr)+Kbp+Kbs Hr Grachtjes K(Mru)

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

47


Spoorverbreding Drongen

14

48

Berm langs fietspad + grachtje Kz

Lengte 90m Breedte 4-9m

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

BIJLAGE II: Opmerkingen bij (het verslag van) de vergadering d.d. 04.02.2013 en de VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ (INFRABEL) Aan Evelyne Goemaere/ Wouter Pattyn VLM Ganzendries 149 9000 Gent

uw kenmerk

ons kenmerk

bijlagen

ANB/AVES/VVB/AVES/GEN/13.

vragen naar / e-mail viviane.vandenbil@lne.vlaanderen.be

telefoonnummer 09/265 45 79

datum

Betreft : Opmerkingen bij (het verslag van) de vergadering d.d. 04.02.2013 en de VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ (INFRABEL)

Beste, Het voorstel van de inrichting in functie van landschap en natuur werd besproken in juni 2012, en opnieuw in februari 2013. Dit voorstel is een gevolg van de stedenbouwkundige vergunning voor de ontdubbeling van de sporen tussen de Ringvaart en Drongen station, en aansluitend van de fietsverbinding langs de Asselstraat. In het uiteindelijke voorstel moet duidelijk verwezen worden naar de voorwaarden bij de verleende stedenbouwkundige vergunningen. De nieuwe voorstellen mogen niet afwijken van (de voorwaarden bij) deze vergunningen. Dit is niet altijd het geval. Door de werken is de aanwezige natuurwaarde op sommige plaatsen aangetast, hier dient INFRABEL dan ook de nodige herstelmaatregelen te nemen. Dit herstel kan uiteraard niet dienen als inrichting zoals voorzien in de vergunningsvoorwaarden. De herinrichting en de beplanting van alle groene zones gebeurt grotendeels in reeds biologisch waardevol tot zeer waardevol milieu. De inrichting mag geen enkele vermindering van deze biologische waarde meebrengen. In feite gaat het om een compensatie in situ. Een aantal voorgestelde inrichtingsmaatregelen biedt weinig of geen meerwaarde en wordt dan ook best beperkt. Het gaat om ( de omvang van) sommige plasdraszones. Er wordt beter een afweging gemaakt, waar de middelen best ingezet worden om een zo groot mogelijk ecologische meerwaarde te realiseren. Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

49


Spoorverbreding Drongen

. Het gebruik van fijnmazige schapendraad is enkel wenselijk als er schapenbegrazing plaatsvindt, zo niet is dit af te raden. In de Bourgoyen waar dezelfde problematiek aanwezig is, is evenmin schapendraad…. De noodzaak van het gebruik van fijnmazige schapendraad langs deze wandelpaden is niet aangetoond. Dit gebruik kan dan ook niet toegestaan worden Wie het beheer zal uitvoeren wordt niet toegelicht in de nota. De afspraken daar over moeten vastgelegd worden in het definitieve document: inrichting zonder aangepast beheer is niet duurzaam. 1. Inrichting en beheer deelgebieden: opmerkingen Deelgebied 1, 2, 3, 6, 8, 9: geen opmerkingen Deelgebied 4: amfibieëntunnel te behouden als definitieve oplossing, als dit een voorwaarde bij bouwvergunning is. Deelgebied 5: de breedte van de herprofilering naar plas-draszone kan beperkt worden. Deelgebied 7: op dit perceel worden heel wat inrichtingsmaatregelen voorgesteld op een beperkte oppervlakte: boomgaard, houtkant, plas-draszone, gefundeerd grazig pad, zitbanken, grazige zones. Het wandelpad moet ongefundeerd zijn. De plas-draszone langsheen de Ganzerikstraat biedt hier weinig of geen meerwaarde. Deelgebied 10: Hier wordt voorzien in een gefundeerd grazig pad van 3m breed. Dit is in tegenspraak met de voorwaarden bij de bouwvergunning: een ongefundeerd aarden pad, 1m breed, met brede bermen. Wat de boomsoortenkeuze betreft, kan bij het INBO geïnformeerd worden naar selecties van boomvormende wilgen. Deelgebied 11: De huidige onderdoorsteek van de Oude Leie voor wandelaars stopt momenteel zonder aansluiting met de Pontstraat. De in juni voorgestelde oplossing, te werken met een trap in het talud, is afgewezen door INFRABEL. Er moet nagekeken worden of dit aspect vermeld staat in de voorwaarden bij de bouwvergunning. De nieuw voorgestelde oplossing, het wandelpad door te laten lopen op de percelen van Natuurpunt, is geen probleem. Het is echter de bedoeling dit pad af te schermen voor loslopende honden door het aanbrengen van fijnmazige schapendraad over de gehele lengte, met een hoogte van 1,20m.

50

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

Dit heeft een landschappelijke (visuele) impact, en is ook versnipperend voor kleine zoogdieren. Bovendien wordt het wandelpad afgescheiden van het perceel, waardoor het feitelijk onttrokken wordt aan natuurbeheer. Wie dit pad zal onderhouden is niet duidelijk. Er worden twee ‘paaiplaatsen’ voorzien, op een perceel in eigendom bij Natuurpunt langsheen de Oude Leie. Hier is blijkbaar een slibstort aanwezig, dus wellicht is een relatief diepe en dus brede afgraving nodig, te realiseren in mogelijk vervuilde grond. Als maatregel tot natuurherstel kan beter overwogen worden dit slibstort volledig af te graven en het perceel te herstellen in oorspronkelijke toestand. Hierbij kan evt. het vroegere geulenpatroon hersteld worden. Geslaagde voorbeelden van deze aanpak zijn te vinden in de natuurinrichtingsprojecten van de Merelbeekse Scheldemeersen en van de Bourgoyen. Het budget voor de hoger besproken plas-draszones (deelgebieden 5 en 7) kan beter hier besteed worden: de gerealiseerde ecologische meerwaarde zal een stuk hoger liggen.

2. Natuurcompensatie De voorgestelde omvorming van 2,6ha akker naar grasland voldoet aan de opgelegde voorwaarden bij de stedenbouwkundige vergunning. Om een (snellere) verhoging in de biologische waarde te bekomen, is het aangewezen in overgangsmaatregelen te voorzien. Kennis van de chemische toestand van de bodem is een eerste noodzaak, dan kan bepaald worden hoe overtollige nutriënten kunnen afgevoerd worden, zonder afgraven van de bouwvoor. Door bepaalde teelten, al dan niet gecombineerd met specifieke bemesting, regelmatig te oogsten kan de initiële toestand verbeterd worden t.o.v. de huidige. Ook hier wordt fijnmazige schapendraad voorzien langsheen het wandelpad: zie bespreking hier boven. Het gebruik van fijnmazige schapendraad is niet wenselijk. Er is geen visie op het recreatief netwerk in de Assels, dit is echter nodig om de toegankeljikheid van het hele gebied te bepalen Op dat moment kan ook beslist worden hoe omgegaan wordt met de problematiek van loslopende honden. Systematisch de wandelpaden uitrasteren d.m.v. fijnmazige schapendraad lijkt geen goede oplossing. Ook het kostenplaatje ontbreekt: aanbrengen van een dgl. afsluiting is niet goedkoop, bovendien vergt dit ook onderhoud. 3. Conclusie:

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

51


Spoorverbreding Drongen

Het voorstel tot inrichting wordt grotendeels goedgekeurd. Een onderdelen moet aangepast worden a.d.h.v. bovenstaande opmerkingen.

aantal

Op die manier wordt vermeden dat bij de bouwaanvraag negatief advies gegeven wordt. Dit is van groot belang voor de opdrachtgever (INFRABEL). Voor verdere bespreking kan u steeds contact opnemen.

Hoogachtend

Thomas Defoort Provinciaal Directeur

52

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Spoorverbreding Drongen

BIJLAGE III: VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ (INFRABEL): antwoord bij de vraag m.b.t. de fauna-onderdoorgang aan de Asselstraat

Aan Evelyne Goemaere/ Wouter Pattyn VLM Ganzendries 149 9000 Gent

uw kenmerk

ons kenmerk

bijlagen

ANB/AVES/VVB/AVES/GEN/13. 682 bis

vragen naar / e-mail viviane.vandenbil@lne.vlaanderen.be

telefoonnummer 09/265 45 79

datum

Betreft : VLM-opdracht ‘Spoorverbreding Drongen’ (INFRABEL): antwoord bij de vraag m.b.t. de fauna-onderdoorgang aan de Asselstraat Geachte, De inrichting, beheer en natuurcompensaties in de Assels zijn het gevolg van de stedenbouwkundige vergunning voor de ontdubbeling van de sporen tussen de Ringvaart en Drongen station, en aansluitend van de fietsverbinding langs de Asselsstraat. (stedenbouwkundige vergunning van 23.12.2010 ref. SV/BP/4071/459, resp. van 07.06.2012 ref. 8.00/44021/39328.1

INFRABEL stelde ons de vraag m.b.t. het nut van het uitvoeren van de faunaonderdoorgang t.h.v. de Asselsstraat. De aanleg hiervan was voorzien als bindende voorwaarde bij voormelde stedenbouwkundige vergunningen. Bij het terreinbezoek op 09.04.2013 kon worden vastgesteld dat de geplande amfibieëntunnel het grootste gedeelte van het jaar onder water zou staan en dat er op die locatie geen andere mogelijkheden zijn om een tunnel aan te leggen die niet onder water komt te staan. Het ANB heeft ondertussen ook inlichtingen ingewonnen over het functioneren van een tunnel als die onder water staat. Volgens het advies dat we van het INBO kregen, heeft een dergelijke tunnel weinig nut: het is weinig waarschijnlijk dat grote aantallen amfibieën, in het bijzonder kikkers en padden, gebruik zullen maken van een tunnel die geheel onder water staat. Mogelijk kunnen watersalamanders wel door zo’n tunnel zwemmen.

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap

53


Spoorverbreding Drongen

Ook in de leidraad faunavoorziening bij infrastructuur uit Nederland (http://www.mjpo.nl/publicaties/leidraad_faunavoorzieningen_bij_infrastructuur/) wordt aangegeven dat een tunnel die onder water staat niet geschikt is als amfibieĂŤnpassage. Dit advies werd reeds aan INFRABEL als aan de VLM overgemaakt. Er werd eveneens contact genomen met de vergunningverlenende overheid (Ruimte Vlaanderen). Om alle problemen inzake de bindende voorwaarden bij de bouwvergunningen te vermijden is het aangewezen dat INFRABEL contact opneemt met Ruimte Vlaanderen (OVL, contactpersoon Marc Odou). Ter vervanging van de aanleg van de faunapassage als milderende maatregel stelt het ANB voor dat de inspanningen t.b.v. de natuurwaarden (bindende voorwaarden bij beide bouwvergunningen) uitgebreid worden binnen de afgebakende zone. Hiervoor is bij de VLM een ontwerp van inrichting, beheer en natuurcompensatie in opmaak Een mogelijkheid bestaat er in, het perceel van deelgebied 11 in voormeld ontwerp dat in de loop der jaren opgehoogd werd, te herstellen in de oorspronkelijke toestand. Hierbij kan evt. het vroegere geulenpatroon hersteld worden. Geslaagde voorbeelden van deze aanpak zijn te vinden in de natuurinrichtingsprojecten van de Merelbeekse Scheldemeersen en van de Bourgoyen.

3. Conclusie: De faunapassage dient niet aangelegd te worden. Om te voldoen aan de bindende voorwaarden naar remediĂŤring t.b.v. de aangetaste natuurwaarden in het gebied stelt het ANB voor een opgehoogd perceel te herstellen naar de oorspronkelijke toestand. Dit past binnen het ontwerp van de VLM. Voor verdere bespreking kan u steeds contact opnemen. Hoogachtend

Thomas Defoort Provinciaal Directeur

cc. Tom Vandendriessche INFRABEL cc. Marc Odou, Ruimte Vlaanderen

54

Inrichtingsmaatregelen in functie van natuur en landschap


Inrichtings- en beheermaatregelen voor natuur en landschap in functie van de verbreding spoorlijn L50A tussen Drongen station en Ringvaart

Colofon Studie in opdracht van:

uitgevoerd door:

NV Infrabel Marcel Broodthaeresplein 2 1060 Brussel

VLM Regio West Oost- en West-Vlaanderen Vestiging Gent Ganzendries 149 9000 Gent Tel. 09 244 85 00 Fax 09 244 85 99 www.vlm.be

VLM Regio West, mei 2013


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ASSELS_INFRABEL_rapport_2013.pdf by Vlaanderen-be - Issuu