Skip to main content

SERV_20220909_Werk_Zorgtrajecten_ADV.pdf

Page 1

BVR WERK- EN ZORGTRAJECTEN


Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be

Adviesvraag

Voorontwerp van besluit houdende de uitvoering van het decreet over de werk- en zorgtrajecten

Adviesvrager

Jo Brouns - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw

Ontvangst adviesvraag

26 juli 2022

Decretale opdracht

SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)

Goedkeuring raad

9 september 2022

Contactpersoon

Niels Morsink

nmorsink@serv.be

Nele Vanheeswijck

nvanheeswijck@serv.be


De heer Jo Brouns Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Ellipsgebouw Koning Albert-II laan 35 1030 Schaarbeek

BVR werk- en zorgtrajecten Mijnheer de minister De sociale partners hebben uw adviesvraag over het voorontwerp van besluit houdende de uitvoering van het decreet over de werk- en zorgtrajecten goed ontvangen. Ze geven hieronder een gezamenlijk advies en zijn steeds bereid hierover met u van gedachten te wisselen. Hoogachtend Pieter Kerremans

Hans Maertens

administrateur-generaal

voorzitter


Inhoud Krachtlijnen

5

Advies

6

1.

Advies op het decreet

6

2.

Financiering

6

3.

Activeringstrajecten

7

4.

Arbeidsmatige activiteiten

8

5.

Geïntegreerd Breed Onthaal

9

4


Krachtlijnen •

De sociale partners wensen met aandrang te verwijzen naar verschillende punten in het advies op het decreet die ze nog steeds onderschrijven en waar nog geen antwoord op is geboden.

•

Het is positief dat de vergoeding van de netwerkcoördinator en de begeleider AMA WVG wordt verhoogd, maar doordat het geheel budgetneutraal blijft, vrezen de sociale partners dat dit mogelijk ten koste gaat van het aanbod aan dienstverlening, met name het aantal activeringstrajecten en het aantal begeleiders binnen AMA WVG.

•

Voor een groot aantal dienstverleners binnen Zorg en Welzijn is de nieuwe indeling niet evident, omdat hun werking momenteel niet georganiseerd is op basis van de referentieregio’s (bijvoorbeeld de VAPH en GGZ). Bovendien strekt de omvang van deze regio’s tot bezorgdheid. Daarom dient de nodige tijd te worden voorzien om dit op een goede manier tot stand te brengen.

•

De sociale partners vragen er nauwlettend op toe te zien dat de nabijheid en bereikbaarheid van de dienstverleners voor alle inwoners van het werkingsgebied wordt gegarandeerd, gelet op de beperkte mobiliteit van de doelgroep.

•

De sociale partners vragen dat de netwerkcoördinator op een laagdrempelige manier beroep kan doen op dienstverleners buiten het netwerk en hen kan toevoegen aan het netwerk om de juiste expertise te kunnen binnenhalen.

•

Om de overgang tussen deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie en stappen naar betaald werk te vergemakkelijken wordt in de mogelijkheid voorzien om de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie tijdelijk te combineren met een aantal activerende maatregelen. Niet al deze instrumenten lenen zich echter voor deze doelgroep waarvoor begeleiding en competentieversterking van groot belang zijn.

•

De sociale partners herhalen hun vraag naar een afgelijnd en uniform kader met betrekking tot een onkostenvergoeding voor de deelnemers in functie van een logische opbouw met andere werkplekleerinstrumenten.

•

Het is van belang dat er bij de inwerkingtreding van het BVR wordt op toegezien dat de overgang naadloos verloopt en met name dat de begeleiding binnen AMA WVG wordt gegarandeerd.

•

Het decreet kantelde tot slot de onthaaltrajecten in het GBO in, maar de financiering volgt niet. Dat hypothekeert meer proactieve en outreachende dienstverlening. 5


Advies 1. Advies op het decreet De sociale partners wensen met aandrang te verwijzen naar verschillende punten in het advies op het decreet die ze nog steeds onderschrijven en waar nog geen antwoord op is geboden, met name herhalen de sociale partners hun vraag uit Iedereen aan Boord dat voor werkzoekenden die deelnemen aan langlopende trajecten van werkplekleren met het oog op tewerkstelling (inbegrepen arbeidszorgactiviteiten, arbeidsmatige activiteiten, activeringstrajecten, GBO en wijkwerken als opstap naar werk) de degressiviteit van de werkloosheidsuitkering wordt bevroren. Daarnaast herhalen de sociale partners dat om succesvolle doorstroom te realiseren het, naast competentieversterking en kwalitatieve begeleiding, ook belangrijk is dat er op elke trede voldoende plaatsen zijn voor de doelgroep.

2. Financiering Het is positief dat de vergoeding van de netwerkcoördinator en de begeleider AMA WVG wordt verhoogd. Door het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg twee maal per jaar voor de afgeronde trajecten uit te betalen (Ter vergelijking BVR 20181: 60% na registratie van trajectplan en resterende 40% bij eindverslag) zal er nu een grotere voorfinanciering zijn. Doordat het geheel echter budgetneutraal blijft, vrezen de sociale partners dat dit mogelijk ten koste gaat van het aanbod aan dienstverlening, met name het aantal activeringstrajecten en het aantal begeleiders binnen AMA WVG. De Inspectie van financiën stelt ook dat ‘het budget van de meerjarenbegroting voor de subsidies voor de begeleiders voor arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid voor de komende jaren niet verandert waardoor het maximale aantal begeleidingen wordt aangepast aan de beschikbare kredieten’. Het is belangrijk dat het departement WSE en departement Welzijn voldoende middelen vrijmaken zodat meer niet-werkende werkzoekenden met cognitieve, medische, psychische, psychiatrische en/of sociale problemen kunnen uitstromen naar werk. Het huidige financieringsniveau laat niet toe om contextgericht te werken en het sociale netwerk van de cliënt meer te betrekken. De

1

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten van 2 februari 2018

6


nazorg, die volgens de procesevaluatie activeringstrajecten 2 noodzakelijk is, wordt door de beperkte financiering onder druk gezet. Het is positief dat het BVR voorziet in een verhoging van de budgetten voor de tussenkomsten van de AMA-trajecten. Voor de AMA Zorg stijgt de tussenkomst van 70 euro per maand naar 88,3 euro per maand. Deze tussenkomst is evenwel niet kostendekkend. Voor de vergoeding AMA WSE gaat men uit van de personeelskost van de begeleider, die te beperkt wordt ingeschat. Het is van belang dat de organisaties die de arbeidsmatige activiteiten aanbieden, ook voldoende ondersteund worden. Daarnaast dient er zoals vermeld in het advies op het decreet voldoende groeimarge te worden voorzien in het contingent. Het is tot slot van belang dat het aantal activeringstrajecten ook na 2025 in verhouding is met het aantal personen die naar deze maatregel worden toegeleid. Zowel voor de persoon zelf als de arbeidsmarkt zou het zonde zijn dat hij/zij moet wachten tot er plaatsen vrij zijn om in een activeringstraject te kunnen stappen.

3. Activeringstrajecten Vandaag worden voor de werkingsgebieden de zorgregio’s – regionale stad gehanteerd. De Vlaamse Regering wenst deze voor de werking van de activeringstrajecten te herorganiseren naar de referentieregio’s3. Voor een groot aantal dienstverleners binnen Zorg en Welzijn is deze nieuwe indeling niet evident, omdat hun werking momenteel niet georganiseerd is op basis van de referentieregio’s (bijvoorbeeld de VAPH en GGZ). Een herverkaveling over beleidsdomeinen heen richting referentieregio’s is een interessant theoretisch idee, maar de realiteit is weerbarstiger. Indien dit in een BVR wordt gebetonneerd, haalt dit alle flexibiliteit weg. Bovendien strekt de omvang van deze regio’s tot bezorgdheid. Zeker voor de mandatering van de netwerkcoördinator en de uitwerking van het ‘netwerk van dienstverleners’ kunnen deze grotere regiogebieden een drempel vormen. Daarom dient de nodige tijd te worden voorzien om dit op een goede manier tot stand te brengen. De sociale partners vinden het positief dat in het besluit (o.a. de subsidieoproep tot mandatering, de tenderopdracht) aan de kandidaat-dienstverleners in het kader van de afbakening van de werkingsgebieden het belang van het lokale karakter van de activeringstrajecten zal worden beklemtoond en dat de nabijheid en bereikbaarheid als criteria zullen worden meegenomen. Ze vragen er nauwlettend op toe te zien dat vooral wanneer een werkingsgebied meerdere referen-

2

Juchtmans, G. et al. (2021). De procesevaluatie activeringstrajecten voor personen met een medische, mentale, psychische, psychiatrische en/of sociale problematiek. HIVA. Onderzoek in opdracht van het departement Werk & Sociale Economie.

3

In dit BVR wordt reeds verwezen naar deze regio-indeling uit het Regiodecreet, dat op het moment van dit advies enkel principieel werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 1 april 2022.

7


tieregio’s omspant, de nabijheid en bereikbaarheid van de dienstverleners voor alle inwoners van het werkingsgebied wordt gegarandeerd, gelet op de beperkte mobiliteit van de doelgroep. Dit vereist ook binnen de regio een goede spreiding van de dienstverleners. De sociale partners staan positief ten aanzien van de termijn van 5 jaar voor het samenwerkingsverband zorg, al lijkt artikel 25 de indruk te wekken dat de termijn van de casemanager werk mogelijks niet zou kunnen samenvallen met deze van het samenwerkingsverband zorg. Voor het ‘netwerk van dienstverleners’ lijkt de vijfjarentermijn minder evident, vooral omdat het ‘netwerk van dienstverleners’ op voorhand moet uitgetekend en afgesproken zijn binnen de gestelde referentieregio’s. Dit beperkt de flexibiliteit van het netwerk. De sociale partners vragen dat de netwerkcoördinator op een laagdrempelige manier beroep kan doen op dienstverleners buiten het netwerk en hen kan toevoegen aan het netwerk om de juiste expertise te kunnen binnenhalen. De bisnota (art. 26) stelt dat het casemanagementteam de meest geschikte dienstverleners uit het netwerk identificeert. Het casemanagementteam bepaalt welke opdrachten/begeleidingen moeten worden opgezet, maar het is aan de netwerkcoördinator om te bepalen welke dienstverlener deze moet voorzien. De SERV vraagt dat dit wordt uitgeklaard. De organisatie van de activeringstrajecten is complex. Deze complexiteit mag de deelnemer niet hinderen in zijn traject. Daartoe moet de administratie voor de deelnemer beperkt worden gehouden.

4. Arbeidsmatige activiteiten Het is positief dat de nota expliciet vermeldt dat arbeidsmatige activiteiten betaalde arbeid niet mogen verdringen en dat erover moet worden gewaakt dat onze arbeidsmarkt ook kansen biedt aan personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt door het inzetten van hun competenties ook te verlonen. Het is belangrijk dat hier in de praktijk ook voldoende aandacht naar gaat. Deelnemers binnen AMA WSE die klaar zijn om door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt of de sociale economie moeten de kans krijgen om met de nodige ondersteuning in betaalde duurzame statuten aan de slag te gaan. Daartoe biedt de krapte op de arbeidsmarkt een opportuniteit. Het Persoonlijk Ontwikkelingsplan is in dat kader een cruciaal instrument. Daarom is het van belang dat dit jaarlijks wordt opgevolgd en aangepast. Omgekeerd moeten werknemers uit de sociale economie indien nodig ook een overstap naar AMA kunnen maken. Deze piste kan echter niet gebruikt worden als uitstroomkanaal voor (oudere) werknemers. Om de overgang tussen deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie en stappen naar betaald werk te vergemakkelijken wordt in de mogelijkheid voorzien om de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie tijdelijk te combineren met een aantal activerende maatregelen, zoals alle opleidings-, begeleidings-, en bemiddelingsacties die nuttig kunnen zijn voor een integratie op de arbeidsmarkt, een actie op het vlak van competentieontwikkeling, zoals de werkplekinstrumenten (IBO,..), Tijdelijke werkervaring, wijk-werken of deeltijdse tewerkstelling als doelgroepwerknemer collectief maatwerk. Niet al deze instrumenten 8


lenen zich echter voor deze doelgroep waarvoor begeleiding en competentieversterking van groot belang zijn. Daarom stellen de sociale partners voor om de toegelaten activerende maatregelen te beperken tot de werkervaringsstage, de beroepsverkennende stage en deeltijdse tewerkstelling in een volwaardig arbeidscontract als doelgroepwerknemer collectief maatwerk. Vandaag betalen sommigen werkposten onkosten terug, terwijl anderen dit niet doen. De sociale partners herhalen hun vraag naar een afgelijnd en uniform kader met betrekking tot een onkostenvergoeding voor de deelnemers in functie van een logische opbouw met andere werkplekleerinstrumenten. De nota aan de VR stelt inzake art. 43 dat “bij arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid het gaat om mensen met een nul- of negatieve productiviteit.” De sociale partners erkennen dat het een doelgroep betreft met een zeer geringe productiviteit maar vragen aandacht voor een positievere terminologie ten aanzien van de doelgroep, die vertrekt vanuit competenties en talenten. De overheid heeft op dat vlak een voorbeeldrol te spelen. Een goede toeleiding is essentieel. Indien er onvoldoende toeleiding is, kan dit (bij minder dan 80% invulling) leiden tot verlies van subsidies en van contingent, waarop de AMA WSE organisatie geen impact heeft. Dit kan op zijn beurt een rem betekenen op het (zo snel mogelijk) laten doorstromen van mensen: Maatwerkbedrijven die snelle doorstroom realiseren, maar die onvoldoende nieuwe toeleiding krijgen, kunnen nu afgestraft worden met verlies van niet-ingevuld contingent. Daarom is het noodzakelijk dat er een goede afstemming is tussen GTB die zicht heeft op de invulling van het contingent en de plaatsen die moeten worden ingevuld en VDAB, die de adviezen AMA WSE geeft. Tot slot is het van belang dat bij de inwerkingtreding van het BVR er wordt op toegezien dat de overgang naadloos verloopt en met name dat de begeleiding binnen AMA WVG wordt gegarandeerd.

5. Geïntegreerd Breed Onthaal Het decreet kantelde de onthaaltrajecten in het GBO in, maar de financiering volgt niet. Dat hypothekeert meer proactieve en outreachende dienstverlening. Bijgevolg moeten er voldoende middelen worden vrijgemaakt zodat de doelstellingen van het GBO ten volle kunnen gerealiseerd worden.

9


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SERV_20220909_Werk_Zorgtrajecten_ADV.pdf by Vlaanderen-be - Issuu