•
11
I
&
- JAARGANG 33 nr. 5
\uiiitm,
'-AHti S C H A P P E N
EN
AR
criEOLoari
rri
%
w ^•j
mmt
r
Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt- natuurlijke bindmiddelen vette kalk
Arte Constructo
+32 (0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be
33/5
L
M O N U M E N T E N, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E [ tijdschrift E N T van de Vlaamse overheid, Onroerend Erfgoed Tweemaandelijks ISSN 0770-4948 Jaargang 33 nr. 5 SEPT.-OKT2014
Inhoud Een zuster deelt drinkwater uit aan Belgische soldaten van de 4de Gemengde Brigade, na de strijd in Halen
(© Bibiiothéque nationale de France)
Voorzitter Kristien Verbraeken Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kernredactie Marjan Buyle Rudy DeGraef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans jo Braeken Marc De Borgher Anton Ervynck jos Gyselinck Catheline Metdepenninghen Dieter Nuytten Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman Ereleden Edgard Goedleven Marcel M. Celis jo De Schepper Suzanne Van Aerschot Hedwig Van den Bossche Christine Vanthlllo Het tijdschrift M&.L is opgenomen m het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bi) de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Redactiesecretariaat Nancy Van den Bossche nancy.vandenbossche@ rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € {losse nummers: 7 € ) Buitenland: 6 5 6 CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE48 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten & Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
Halen, 12 augustus 1914. Een vergeten strijd in een vergeten landschap? Peter Van den Hove
28
46
Een veldhospitaalbarak uit de Eerste Wereldoorlog op het domein De Lovie in Poperinge
Omgaan met een modernistisch gebouw: de provinciale tuinbouwschool in Mechelen
Dries Vanhove
Rudy De Graef
* Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Website www.menl.be Ad verte n tl ewe rv i ng info@onroerenderfgoed.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
M&LI
1
A. M. C O N S U L T
Restauratie en Monumentenzorg
AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a.m.consult@skynet.be www.amconsult.be
Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvorming Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopic Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo ifv de onderzoeksmethoden
Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem
B o u w o n d e r n e m i n g
STEENEN HUIS Restoratie & Renovatie
Sonck Frédéric • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Belasten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Gevelreiniging • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • • • •
Lijsten - Stuc - Fixeren van verpoederd pleisterwerk Eigen productie van gebluste kalkdeeg Vloer- en wandbetegeling Schilderwerken met silicaatverf (KEIM)
Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/282.93.26
DAVID & GOLIATH Fabrikant van artisanale tegels
CEMENTTEGELS GEGLAZUURDE TEGELS BOOMSE TEGELS KERAMISCHE PATROONTEGELS Ruime basiscollectie op stock maar ook reproductie van historische modellen
Boetiek: Gasthuisstraat 3 1000 Brussel zaakvoerder Pieter Ballegeer 0475/874864 www.davidgoliath.be
RELICTA MONOGRAFIEËN 8 Archeologie, Monumenten- en Landschopsonderzoek in Vlaanderen
Het archeologisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005
MueimwKt»t«!»
HdjrfhtotepxhoHdci'zotkmRjimtjde (Omlfttdr)mtltperntitiffi-2o^
Raversijde gaat terug tot een laatmiddeleeuwse vissersnederzetting met de naam 'Walraversijde'. Dit 8ste deel van de Relicta Monografieën behandelt chronologisch de resten en sporen uit de prehistorie, de Romeinse periode, de late middeleeuwen en de vroeg-moderne tijden. Deze publicatie is in de eerste plaats een opgravingsverslag: ze beschrijft, analyseert en interpreteert de belangrijkste sporen samen met een selectie van de aangetroffen mobiele resten en de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek.
TECHNISCHE AUTEURS MARNIX PIETERS. CECILE BAETEMAN. JAN BASTIAENS, A N BOLLEN, PHILIP CLOGG, BRIGITTE COOREMANS, MARC DE BIE. FRANS DE BUYSER, G U I D O DECORTE, KOEN DEFORCE, ANNELIES DE GROOTE, INE DEMERRE, HENDRIK DEMIDDELE, A N T O N ERVYNCK, GLENN GEVAERT, TITO GODDEERIS, A N LENTACKER, LIESBET SCHIETECATTE. MARIT VANDENBRUAENE, W I M VAN NEER, MARC VAN STRYDONCK. FRANS VERHAEGHE. A L A N VINCE (f), SARA WATZEELS & INGEZEEBROEK
GEGEVENS FORMAAT
iika ir~irniTioi.i
• t'L B,ll|t.ll| , , I M
BESTELADRES
Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55
ILLUSTRATIES
E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Prijs: 50 euro + verzendingskosten
AFWERKING VIERKLEURENDRUK, HARDE KAFT
PUBLICATIE1AAR 2014
U, U r
o
erf-i
goed
VLAAMSE OVERHEID
••.
Al
:
1
i
* " > .
Als oorlo
rfgoed wordt
-
O p 4 augustus van dit jaar was het 100 jaar geleden dat het Duitse leger België binnen viel. Wat in het oosten van ons land begon als een bewegingsoorlog, waarbij het Belgische leger gevecht na gevecht werd teruggeslagen, mondde enkele weken later in het westen van het land uit in een jarenlange stellingenoorlog.
Littekens die men aanvankelijk uit steden, dorpen en landschappen wilde wissen, onder andere tijdens de grote wederopbouw, werden langzaam relicten die men wou gaan behouden en beschermen; oorlog werd erfgoed, en dit erfgoed werd plots meer dan ooit geprofileerd als dé allerlaatste getuige van de Eerste Wereldoorlog.
Overal in het Vlaamse landschap heeft die Croote Oorlog sporen nagelaten, weliswaar met erg grote contrasten. Voor heel wat van die overblijfselen is de laatste decennia een bijzondere aandacht ontstaan.
In wat een bijzonder herdenkingsjaar belooft te worden wil de redactie van het tijdschrift MelL dan ook de nodige aandacht schenken aan de actuele Vlaamse erfgoedzorg rond Wereldoorlog I.
4
In iedere uitgave van dit jaar zijn bijdragen opgenomen over m o n u m e n t e n , landschappen en archeologie in relatie tot de Eerste Wereldoorlog. Verhalen die beginnen bij het in kaart brengen en inventariseren van oorlogserfgoed, verhalen die gaan over onderzoek, verhalen over de vele diverse pogingen o m te beschermen en te behouden, verhalen over hoe een o o r l o g na i o o jaar ons erfgoed werd, verhalen over hoe dit erfgoed als unieke getuige de herinnering aan de Croote Oorlog voor toekomstige generaties levend kan houden.
Gt^rkii De mythe van de zilveren helmen Aan het begin van de oorlog, in augustus 1914, probeerde het Belgische leger in Halen nog moedig de vijand tegen te houden met inzet van ruiters en ... karabinier-wielrijders, uitgerust met plooiflets en met machinegeweren gemonteerd op hondenkarren. Al spoedig bekend geworden als de Slag der Zilveren Helmen, omdat men ten onrechte dacht dat de helmen van de Duitse cavalerie verzilverd waren, betekende deze prille oorlogsepisode ook meteen het einde van de hopeloos verouderde igde-eeuwse oorlogsvoering. Peter Van den Hove wijst op tal van relicten in het landschap rond Halen die nog herinneren aan dit opmerkelijk gevecht en pleit met overtuiging voor de bescherming van dit fragiele oorlogserfgoed.
Een uitneembare
barak
De talloze gewonden tijdens Wereldoorlog I hadden nood aan voorlopige hospitaalaccommodaties dichtbij de frontzone. Houten barakken in handige bouwpakketten boden hier de perfecte oplossing. Na de oorlog werden sommige barakken hergebruikt of gedemonteerd en elders heropgebouwd, maar de meeste gingen verloren. Een veldhospitaalbarak van de Franse firma Hamon, nu opgesteld in het domein De Lovie in Poperinge, is één van de zeldzaam overgebleven relicten van deze efemere bouwsels, die de herinnering aan de Groote Oorlog levend houden. Ingenieur-architect Dries Vanhove bestudeerde de geschiedenis en de constructie van deze barakken en formuleerde op basis hiervan een weloverwogen restauratieplan.
Pito Mechelen De provinciale tuinbouwschool in Mechelen werd tussen 1928 en 1934 naar ontwerp van Jan Lauwers opgetrokken. De provincie Antwerpen beheert het gebouw. Het beheer evolueerde van onderhoud met ad-hoc herstellingen naar een meer systematische preventieve conservatie. Rudy De Craef schetst het verloop van dit proces en beschrijft de uitwerking van het masterplan en de resultaten van het onderzoek, proefrestauraties en de eerste restauratiefase. Deze casestudy is interessant voor lokale en regionale besturen die geconfronteerd worden met het beheer van monumentale bouwwerken.
Halen, 12 augustus 1914. Een vergeten strijd in een vergeten landschap? Peter Van den Hove
Negen dagen na de Duitse inval in België, vier dagen
Een gevarieerd landschap
vóór de val van de fortengordel rond Luik, kwam het in Halen (provincie Limburg) tot een opmerkelijke confrontatie tussen het cavaleriecorps van generaal von der Marwitz en de enige cavaleriedivisie van het Belgische leger, onder bevel van generaal De Witte. De strijd, beter bekend als de 'Slag der Zilveren Helmen', duurde een ganse dag en dreigde lange tijd uit te lopen op een drama voor de Belgen. Maar een late tussenkomst van infanterie deed de kansen keren en tegen valavond trok het Duitse leger zich - voor het eerst - enkele kilometers terug. Op het slagveld bleven tientallen dode en gewonde soldaten, en honderden dode paarden achter. En hoewel de strijd in Halen niet meer dan een voetnoot werd in de Belgische oorlogsgeschiedenis, is de locatie niet zonder belang. Een kleinschalige zelfstandige overwinning van het Belgische leger viel er immers samen met één van de laatste cavaleriecharges uit de Europese militaire geschiedenis. In Halen kwam aan de verouderde igde-eeuwse
Het landschap rond Halen is erg gevarieerd en dat beïnvloedde zowel de keuze van de locatie als het verloop van de strijd. Terwijl de stad Halen en de dorpen Zeik en Loksbergen officieel nog in Haspengouw liggen, sluit het heuvelachtige landschap geografisch reeds volledig aan bij het Hageland. Het meer noordelijk gelegen Zelem behoort geografisch al tot de Kempen. Op het grondgebied van Halen vloeien de rivieren Gete, Velp en Herk in de Demer. Op verschillende plaatsen heeft er zich een moerassige en ontoegankelijke alluviale vlakte ontwikkeld. Vanaf deze vlakte stijgt het gebied langzaam in westelijke richting. Hier liggen voornamelijk akkers die opklimmen tegen onder andere de Molenberg, de Mettenberg en de Bokkenberg. Deze zogenaamde getuigenheuvels, waarvan de ondergrond is opgebouwd uit ijzerzandsteen, vormen geografisch de grens tussen het Hageland en de Kempen. De stevige ondergrond zorgde in combinatie met de steile hellingen voor het ontstaan van heel wat holle wegen. Daarnaast hebben ook veel beekjes, zoals de Ijzerenbeek, zich diep in het landschap ingesneden (2).
oorlogsvoering abrupt een eind. In het open landschap tussen Halen en Loksbergen bevinden zich nog verschillende relicten die verwijzen naar dit uitzonderlijke gevecht. Maar het nog aanwezige oorlogserfgoed is er zo goed als onbeschermd en kwetsbaar. Maatregelen tot behoud en beheer dringen zich O p (T).
6
IA/IL
In Halen zelf bevinden er zich na elkaar bruggen over de Gete en de Velp, waarover ook de groote baan van Hasselt naar Diest loopt. Veel bruggen waren er in deze regio niet aan het begin van de Eerste Wereldoorlog en dit maakte van de stad een belangrijk strategisch punt, iets wat zowel de Belgische als de Duitse militairen niet was ontgaan. Ten slotte bevindt zich ten zuiden van de stadskern van Halen een opgehoogde spoorwegberm die in een grote boog van zuid naar noord doorheen het landschap loopt. Dit was de oude verbinding tussen
Het gedenkteken voor de karabinier-wielrijders aan de
IE
Betserbaan in Halen (foto O. Pauwels)
'Mill) \
Tienen en Diest, nog steeds prominent in het landschap aanwezig, en die voor een deel samenvalt met de huidige Sportlaan en Stadsbeemd en verderop is ontsloten als een toeristisch fietspad. Van het oude station van Halen is niets meer bewaard. Wielrijders, ruiters en kanonnen Het Belgische veldleger beschikte naast zes legerdivisies over slechts één cavaleriedivisie, onder leiding van generaal De Witte (3). Het belang van een cavaleriedivisie mag niet onderschat worden omdat zij zich, in tegenstelling tot de rest van het veldleger, veel sneller over grotere afstanden kon verplaatsen. En hoewel vliegtuigen al hun intrede
deden, voerden ruiters nog steeds het merendeel van de verkenningen uit. In tegenstelling tot wat de benaming doet vermoeden, bestond de cavaleriedivisie van het Belgische leger niet enkel uit ruiterij. Naast twee regimenten gidsen en twee regimenten lansiers (4), die samen elk een brigade vormden, maakte ook een bataljon karabiniers-wielrijders deel uit van deze legereenheid. Deze soldaten hadden een plooifiets die ze op de rug konden dragen en waren dus net als de ruiters mobiel. De wielrijders beschikten ook over een sectie machinegeweren, vaak gemonteerd op wagentjes en getrokken door honden. De verouderde Maxim en de modernere Hotchkiss machinegeweren waren geduchte
De Cetebrug in Halen kort na de gevechten. De onmiddellijke omgeving en een deel van de brug zijn tot op vandaag nog bewaard gebleven (© Museum Slag der Zilveren Helmen)
M&L
Het landschap tussen Halen en Loksbergen. Panoramische foto vanop de Mettenberg waar de Belgische artillerie stond opgesteld {foto O. Pauwels)
wapens. Daarnaast had de cavalerieafdeling ook een groep rijdende artillerie, opgedeeld in drie batterijen met in totaal twaalf 75 mm snelvuurkanonnen. Tenslotte waren er nog de genietroepen van de divisie: een compagnie pioniers-pontonniers. Kleurrijke uniformen
In tegenstelling tot het Duitse leger, waar de soldaten eenfeldgrau uniform droegen en daardoor ook veel moeilijker op te merken waren, was er in het Belgische leger nog een bonte verzameling aan uniformen in gebruik. Het is pas tijdens de
Uniformen van Belgische soldaten aan het begin van de Eerste Wereldoorlog: (a) een gids (b) een karabmier-wielrijder (c) een lansier (d) een liniesoldaat (collectie auteur, repro H. Denis)
8
I M&L
loopgravenoorlog dat men een kakikleurig uniform en een metalen helm zou invoeren. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog sloten de Belgische tenues de campagne nog volledig aan bij de 19deeeuwse oorlogsvoering, waarin camouflage geen rol speelde. De liniesoldaten (infanterie) droegen een donkerblauwe tuniek, een blauwgrijze broek en een sjafeo, een hoge klephoed gemaakt van vilt en leer. De karabiniers-wielrijders hadden een groene tuniek, een kepie met gele band en een blauwgrijze broek. De ruiterij hield, samen met het gebruik van lansen en sabels, het langst vast aan de kleurrijke
•flrmét Jielge
Carabiniers,
Cydiste.
uniformen. De gidsen droegen een groene tuniek, een rode broek en een kolbak (een zogenaamde berenmuts). De kledij van de lansiers bestond uit een donkerblauwe tuniek, een blauwgrijze broek en een czapka, een hoog hoofddeksel met een platte vierkante bovenkant. Beide ruiteruniformen waren ook voorzien van rode, groene, gele of witte naden en biezen (5). Waarom Halen?
Om Frankrijk zo snel mogelijk op de knieën te krijgen voorzag het Duitse aanvalsplan van Alfred
von Schlieffen en Helmuth von Moltke een snelle opmars door België om zo de Franse vestinggordels aan de grens met Duitsland te omzeilen. De snelle inname van Luik, een belangrijk verkeersknooppunt, was daarbij voor de Duitsers erg belangrijk (6). En hoewel de stad reeds viel op 7 augustus, hielden de forten rond de stad nog stand tot 16 augustus. Door de hevige weerstand rond Luik kwamen Oost-Brabant en de rivier de Gete al vlug in het vizier. Indien het Duitse leger ergens tussen Diest en Sint-Truiden kon doorstoten lag de weg naar Leuven en Brussel open en
(
3jlii> ARMEE BELGE , Ier kcgïfnent de ligne ^ Tenue de campagne
(c)
(d)
werd er een wig gedreven tussen de Belgische legerdivisies in het noorden en die in het zuiden {7). Sinds het uitbreken van de oorlog kreeg generaal De Witte verkennende opdrachten toebedeeld in de provincies Luik en Limburg en nam zijn cavaleriedivisie mee de verdediging op zich van de erg uitgestrekte en kwetsbare oostelijke flank van het Belgische leger (8). Op ii augustus kwam het tot vuurgevechten met verkenners aan de Halbeek in Herk-de-stad en aan de Getebrug in Halen (9). Het was van dan af duidelijk dat het cavaleriekorps van generaal von der Marwitz, op een ogenblik dat er nog steeds strijd werd geleverd om de forten rond Luik, zich ter hoogte van Halen zou ontplooien in een poging er de Gete over te steken en door te stoten richting Leuven en Brussel (10). In de nacht van 11 op 12 augustus namen generaal De Witte en zijn staf een beslissing die de kiem legde voor de Belgische overwinning: lansiers en gidsen zouden de volgende dag niet te paard vechten met lans en sabel, maar afgestegen met hun karabijn (11). Dat men niet zou vechten volgens een aloude traditie was te danken aan twee jonge officieren: commandant Tasnier en luitenant Van Overstraeten (12).
Een synthese van de strijd (13)
De barricade in Zeik. De woning (pijl links) en het huis met het vierkante daktorentje (cirkel rechts) bestaan nog steeds ( © Library of Congress, bew. H, Denis)
Pas in de vroege ochtend van 12 augustus besefte de Belgische legerleiding in Leuven dat er naast cavalerie ook heel wat Duitse infanterie onderweg was richting Halen. In allerijl werd om 7 uur 's ochtends aan de iste legerdivisie in Tienen het bevel gegeven om de 4de Gemengde Brigade ter versterking naar Halen te sturen (14).
Het gros van de Belgische troepen stond opgesteld ter hoogte van de IJzerwinningshoeve en ten zuiden ervan. Slechts één compagnie karabinierswielrijders (ongeveer 150 soldaten) verdedigde de brug over de Gete. Wanneer het 9de Bataljon Jagers gesteund door artillerie rond 8 uur de aanval op de brug inzette, werd de positie van de verdedigers al snel onhoudbaar en besliste men beide bruggen op te blazen en zich ten zuiden van Halen, achter de spoorwegberm, terug te trekken. Maar het opblazen van de bruggen mislukte grotendeels als gevolg van de slechte kwaliteit van het buskruit. Wanneer de Duitse bevelhebbers vernamen dat de strategisch belangrijke brug over de Gete snel was ingenomen reageerde de vijand euforisch. De cavalerie-eenheden trokken massaal Halen binnen. Tegelijk werd er ter hoogte van het kasteel van Landwijk in Donk een pontonbrug aangelegd om bijkomend troepen over de Gete te brengen en een aanval op de flank van de Belgische troepen in te zetten (15). De eerste aanvallen op het station van Halen en de spoorwegberm werden door twee compagnieën karabiniers-wielrijders met geweer- en mitrailleurvuur afgeslagen. Maar ook deze positie werd onder druk van de Duitse infanterie al vlug onhoudbaar en rond de middag trokken de soldaten zich te voet en door open veld verder terug, om aan te sluiten bij de hoofdmacht van de divisie. Op dat ogenblik trad de Belgische artillerie, die verdekt stond opgesteld, in actie. De officieren hadden de dagen ervoor tijd gehad om het landschap te verkennen en hun posities in te nemen. De kanonnen op de Mettenberg stonden perfect opgesteld (16). De granaten ontploften in het centrum van Halen waar heel wat Duitse troepen waren geconcentreerd. Dit zorgde voor paniek. Het uitschakelen van de Belgische kanonnen werd plots een absolute prioriteit. Aanvankelijk dachten de Duitsers dat dit artillerievuur van de Bokkenberg kwam. Kort na de middag stormden twee eskadrons van het 17de Regiment Dragonders via de Diestersteenweg, naar de voet van de Bokkenberg. In Zeik werden ze vanachter een barricade door lansiers en enkele pioniers-pontonniers onder vuur genomen. De met hagen en prikkeldraad begrensde steenweg verhinderde de dragonders om naar links of rechts uit te wijken en de ruiters voerden een frontale charge uit op de barricade. Velen sneuvelden of werden gewond en gevangen genomen. De Belgische kanonnen bleven onverminderd vuren en bijna onmiddellijk volgde een nieuwe charge van dragonders, ditmaal over de spoorweg richting Mettenberg. De Belgische karabinier-
^
IM L
geholpen door de diepe holle weg vóór hen, die een ernstig hindernis bleek te vormen voor de aanstormende ruiters. Ook de granaten van de Belgische artillerie bleven doel treffen en sloegen de cavalerieaanvallen uit elkaar. Toch werden de karabiniers-wielrijders door de opeenvolgende charges onder de voet gelopen. Hun officieren, commandant Van Damme en kapitein Panquin, sneuvelden. En eenmaal hun positie was doorbroken, kwamen ze in een kruisvuur terecht van de Belgische lansiers die vanuit de IJzerwinningshoeve het vuur openden op de aanstormende ruiters (19). wielrijders waren zich op dat ogenblik nog volop doorheen het open veld aan het terugtrekken. Ze bevonden zich al voorbij de Betserbaan, een erg diepe holle weg die van noord naar zuid doorheen het terrein loopt. Luitenant Van Overstraeten vreesde dat men zich te snel terugtrok en beval de karabiniers-wielrijders terug te keren naar deze holle weg en daar een nieuwe positie in te nemen (17). Maar dat gebeurde niet en kort daarna stormde de Duitse cavalerie het veld op. De komende twee uren zouden zowel regimenten dragonders, kurassiers als ulanen (18) - in de volgorde waarin ze de Gete waren overgestoken op het slagveld verschijnen en charges uitvoeren met lans en sabel. De karabiniers-wielrijders die zich zonder enige vorm van bescherming in het open terrein, tussen de Betserbaan en de IJzerwinningshoeve bevonden, verdedigden zich hevig. Ze werden daarbij
Een Belgische soldaat (gids) poseert bij gedode Duitse paarden aan de barricade in Zeik (fotoalbum ). Pecher, © Liberaal Archief Gent)
De verschillende charges van de Duitse cavalerie liepen dood op het geweer- en mitrailleurvuur. Men slaagde er niet in om de kanonnen op de Mettenberg te bereiken en evenmin om de IJzerwinningshoeve in te nemen. Gesteund door Duitse artillerie, die zich ondertussen had opgesteld aan het station van Halen en in het gehucht Velpen, zette de Duitse infanterie vervolgens de aanval in op de hoeve. Cavaleristen sloten zich bij hen aan en vochten te voet verder in plaats van te paard. De druk werd steeds groter. De hoeve viel uiteindelijk in Duitse handen. Met veel vertraging bereikte het slechte nieuws ook het hoofdkwartier in Leuven: "La division de cavalerie est en retraite sur Kersbeek-Miscom (...) il n'en est plus rien" (20). De gevreesde doorbraak op de oostelijke flank van het Belgische leger leek een feit en sommigen adviseerden koning Albert om meteen Leuven te verlaten.
Twee Belgische soldaten van de 4de Gemengde Brigade, gesneuveld langs de Liniestraat ten westen van de huidige militaire begraafplaats. Op de achtergrond vijf dode paarden van één van de laatste charges van Duitse cavalerie ( © Library of Congress)
IVI&L I n
Dode paarden en een vernielde hoeve langs de Liniestraat richting Velpen. Het huis aan de horizont is het nr. i in de
De Belgische troepen moesten wijken en de toestand zag er heel slecht uit. Maar tussen 14 uur en 15 uur verschenen de eerste soldaten van de 4de Gemengde Brigade op het strijdtoneel, na een voettocht van 17 kilometer vanuit Tienen. Hun artillerie werd in stelling gebracht op de Molenberg en in het centrum van Loksbergen en de infanteristen en de mitrailleursecties van de brigade werden meteen in de strijd geworpen. Er kwam ook steun vanuit Diest. Rond 17 uur werd door commandant Dujardin een gevechtseenheid samengesteld die in zes overvolle auto's van Diest naar Zeik reed. Van daaruit slaagde luitenant Van Dooren, van het 4de Regiment Jagers te Paard, er in om met enkele manschappen de Duitse artillerie uit te schakelen die stond opgesteld langs de steenweg naar Halen (21). Rond 19 uur werd de IJzerwinningshoeve heroverd. Generaal De Witte beval een tegenaanval op Velpen en Halen met als doel de vijand terug te werpen op de rechteroever van de Gete.
Velpenstraat en bestaat nog ( © Library of Congress)
Voor de reeks 's Lands Glorie maakte jean-Léon Huens deze geromantiseerde tekening. Hij baseerde zich duidelijk op een oude foto. Generaal De Witte werd erbij getekend (collectie auteur, repro H . Denis)
E
72 I M&L
Maar in tegenstelling tot de cavaleriedivisie bestond de 4de Gemengde Brigade hoofdzakelijk uit dienstplichtigen en was er een tekort aan officieren. De onervaren infanteristen bestormden het hoger gelegen gehucht Velpen, waar Duitse mitrailleurs zich in enkele huizen en boerderijen hadden verschanst. De tegenaanval mislukte volledig. Bij valavond stopten de gevechten. Onder indruk van de weerstand en de beperkte terreinwinst braken de Duitsers hun aanval definitief af en trokken zich terug. Om 23 uur bereikte een verlossend telegram van generaal De Witte het hoofdkwartier in Leuven: "(...) Les troupes allemandes ont été repoussées sur Haelen avec des pertes énormes en hommes et en chevaux (...)" (22).
Een slagveld in zwart-wit Velen wilden de Duitse nederlaag in Halen met eigen ogen zien en dat kon ook voor het eerst. Halen en Loksbergen waren immers nog steeds in Belgische handen en het Duitse leger had zich tot in Hasselt teruggetrokken (23). Ook journalisten uit binnen- en buitenland, die zich in Brussel en in Leuven bevonden om er het nieuws over de oorlog te verslaan, waagden hun kans en begaven zich richting Halen en Diest (24). In hun kielzog volgden ook heel wat plunderaars (25). Zowel in Amerikaanse, Franse als Engelse archieven zijn nog (glas)negatieven terug te vinden van opnamen die door oorlogscorrespondenten kort na de gevechten in Halen werden gemaakt (26). Ze werden gepubliceerd in buitenlandse kranten en tijdschriften en ook vaak gereproduceerd als postkaarten. Na de oorlog illustreerden de foto's publicaties van het Belgische leger (27), maar vormden ze ook de basis voor geromantiseerde tekeningen (28). Veel dode paarden, vernielde boerderijen, Belgische soldaten met oorlogssouvenirs, Duitse krijgsgevangenen... wat overbleef van de laatste grote cavaleriecharge in Europa werd in zwart-witfoto's vastgelegd en vormt nu een unieke bron van informatie.
De Amerikaanse diplomaat Hugh Gibson en de bekende oorlogscorrespondent Frederick Palmer (29) vernamen het nieuws van de overwinning in Diest, waar ze gevangengenomen Duitse soldaten zagen aankomen. Ze besloten om samen naar de frontzone te rijden. In Zeik werden er 'Pruisische' lansen, helmen en paardentuig te koop aangeboden door de lokale bevolking. Maar beide heren wilden liever eigenhandig iets vinden en op aanraden van een officier reden ze richting Loksbergen. Gibson beschreef hoe op de weg ernaartoe heel wat boerderijen waren afgebrand. Moeite om het slagveld te vinden hadden ze niet. Het graan was immers al geoogst en in schoven gebonden, terwijl
Een vernielde hoeve in de buurt van Halen. Een priesterbrancardier met een rode kruis armband praat met enkele Belgische soldaten ( © Bibliothèque nationale de France)
-
op de andere akkers vooral suikerbieten stonden geplant. De holle wegen en de uitgestrekte akkers waren bezaaid met stukken uitrusting, helmen en wapens en overal waren er graven: "Pil through the field were new-made graves. There was, of course, no time for careful burial. A shallow trench was dug every little way. Into this were dumped indiscriminately Germans and Belgians and horses, and the earth hastily thrown over them, just enough to cover them before the summer sun got in its work. (...) It is clear that the Germans were driven off with considerable losses, and that the Belgians still hold undisputed control of the neighbourhood" (30). Niet alleen journalisten maakten foto's of schreven getuigenissen neer. De Belgische korporaal Jean Pecher werd op 13 augustus 1914, een dag na de gevechten, met zijn mitrailleursectie vanuit Diest naar Halen gestuurd. In Diest fotografeerde hij Duitse krijgsgevangenen en in Zeik maakte hij foto's van dode paarden en van Belgische soldaten met hun oorlogssouvenirs. Lijken van soldaten lagen overal maar hij durfde ze niet te fotograferen. De gruwel van wat hij zag, schreef hij wel neer in een brief aan zijn ouders: "Ce quej'ai vu aujourd'hui, je nepourrais l'oublier, car je vous assure que la guerre de ces cötés n'est pas une farce. (...) Je n'ai pas osé tout photographier (...). J'ai pris Ie résultat d'une charge de la cavalerie oü les Allemands ont été littéralement écrasé ö la suite d'une ruse bien amenée des carabinierscyclistes. Tout est plein de chevaux morts; les cavaliers, je n'en parle pas, mais c'est effrayant et vous ne pouvez vous faire une idéé de ces spectacles" (31).
••
Het valt op dat ook alle andere gekende foto's - op één enkele uitzondering na - geen dode soldaten tonen. En van deze ene uitzondering zijn er twee versies: een foto mét gedode Belgische soldaten en exact dezelfde foto waarop de lichamen reeds zijn weggehaald (32). Men was aan het begin van de oorlog duidelijk nog niet klaar om de eerste contacten met de 'industriële dood', zoals historica Sofie De Schaepdrijver het treffend omschrijft, volledig in beeld te brengen (33).
Een zure overwinning De strijd rond Luik en het gevecht in Halen haalden in augustus 1914 de wereldpers en bij de publieke opinie in het buitenland ontstond veel sympathie voor het brave little Belgium. Ook onder de Belgische bevolking leefde nog steeds het geloof dat de weerstand die het leger bood de Duitsers uiteindelijk zou afschrikken, al dan niet met de hulp van Engeland en Frankrijk (34). De pers mocht dan wel euforisch reageren, de militairen maakten een andere balans op. Emile Galet, stafofficier en militaire raadgever van koning Albert, zag na de overwinning in Halen de toestand somber in. Het Belgische leger bleek in Halen in de onmogelijkheid om zelf een aanval uit te voeren of om de terugwijkende vijand zelfs maar te achtervolgen (35). Op het terrein kwam soldaat Pecher bijna tot eenzelfde conclusie: "Nous sommes tres forts en defense, car l'ingéniosité du génie cycliste et carabiniers est remarquable, mais en attaque cela ne va pas du tout" (36).
1VI L I 13
Twee Belgische soldaten poseren met hun oorlogsbuit: een zogenaamde 'zilveren' helm (fotoalbum ]. Pecher. © Liberaal Archief Gent)
Topografische kaart met de Duitse aanvallen (groen), de opeenvolgende Belgische stellingen (rood), de tegenaanval van de 4 de Gemengde Brigade (blauw) en de tegenaanval vanuit Diest (blauw). De belangrijkste locaties; i.
Cetebrug
2.
Barricade en geruimde begraafplaats in Zeik
3.
Locatie station
4.
Geruimde begraafplaats in Halen
5.
Gedenkplaat 4de Regiment Lansiers
6.
Monument karabiniers-wielrijders
7.
Ehrenfriedhof22$
8.
Ijzerwinningshoeve
9.
Belgische militaire begraafplaats en monument 4de Gemengde Brigade
10. Gedenkplaat 5de Regiment Lansiers en geruimde begraafplaats il.
Mettenberg
12. Bokkenberg 13. Molenberg 14. Geruimde begraafplaats in Loksbergen 15. Museum 16. Kasteel van Landwijk 17. Geruimde begraafplaatsen in Donk
m ^A^^^^-M^'--^M-^f-y••••'••• gp^i; !v
B/oerfmodaat
tnol. * t^- • -. Mariër\daliUp^Ab. Hve. ' « j ^ Vossenkot ;*,
v
•''
••• \
- •"' ^v^.^" \'v-
Toch was de strijd in Halen niet zonder belang. Volgens het Duitse aanvalsplan moest Frankrijk binnen enkele tientallen dagen op de knieën zijn gedwongen. Maar na de weerstand in Luik was er nu een oponthoud in Halen. En het verzet van het Belgische leger was nog lang niet voorbij. Duitsland moest tot de val van Antwerpen een aanzienlijk aantal troepen achter de hand houden die niet konden worden ingezet aan het Franse front. Het Schlieffen-Moltke plan zou uiteindelijk doodlopen in een loopgravenoorlog die 4 jaar zou duren (37). Ook tijdens het interbellum zou de nederlaag in Halen nog enigszins nazinderen. Duitse officieren uit vooraanstaande adellijke families waren in Halen gesneuveld of gewond geraakt. Een analyse van wat er verkeerd is gegaan, werd rond 1930 gemaakt door Heinz Guderian, in zijn boek Achtung-Panzer. Deze tankgeneraal en strateeg, algemeen aanzien als een van de architecten van de latere Blitzkrieg, heeft in zijn boek ruime aandacht voor het gevecht in Halen en het foutief inzetten van cavalerie tegenover machinegeweren (38).
Gulden sporen worden zilveren helmen De pastoor van Loksbergen, August Cuppens, schreef in november 1914 een lang gedicht over de gevechten, dat hij opdroeg aan Modest Jorissen, schepen van Loksbergen met wie hij goed bevriend was. Beiden hadden alles van zeer nabij meegemaakt en de ganse dag gewonden verzorgd en doden begraven. Het slot luidt als volgt: "En 'k sprak: wij hadden reeds de Slag der Gulden Sporen, doch ook van dezen kamp zal de eeuw na de eeuwe hooren. Voortaan, door alle tijden, zal tot België's Roem, met hoog geschal, de mare van "den Slag" weêrhelmen der zilv'ren Helmen" (39). Hij vergeleek het gevecht in Halen dus met de Guldensporenslag uit 1302, waar overwegend voetvolk het Franse ridderleger een verpletterende nederlaag toebracht. Op het slagveld werden toen 'gulden' sporen gevonden en volgens Cuppens lagen de velden in Halen bezaaid met 'zilveren' helmen. Maar in werkelijkheid werden op het slagveld geen zilveren helmen gevonden. Als de hoofddeksels van de Duitse cavalerie al uit metaal bestonden, zoals bij de kurassiers, dan waren ze uit staal vervaardigd. Bovendien wijst historicus Ruben Donvil er op dat cavalerieaanvallen steeds werden uitgevoerd met een stoffen kap over de helm, zodat men minder opviel. Enkel voor parades werden de helmen zonder bescherming gedragen (40). Desondanks was met het gedicht van pastoor Cuppens een mythe geboren en zou men voortaan over de 'Slag der Zilveren Helmen' spreken. Tot op
vandaag geloven sommigen nog steeds dat er daadwerkelijk zilveren helmen op het slagveld werden gevonden.
Twee zogenaamde 'zilveren helmen' {helmen van kurassiers) en twee mutsen van huzaren, opgesteld in het museum Slag der Zilveren Helmen
Begraafplaatsen
(foto O. Pauwels)
In Halen is er één grote Belgische militaire begraafplaats op de hoek van de Liniestraat en de Betserbaan. Maar zoals ze vandaag kan bezocht worden, is de locatie allesbehalve een weerspiegeling van hoe men met het begraven van de soldaten is omgegaan. Door het uitgestrekte oppervlak waarop de slag werd uitgevochten waren er aanvankelijk negen begraafplaatsen: vier nieuw aangelegde ereperken verspreid over het slagveld (in Zeik, Velpen en Loksbergen), drie aan de kerken van Loksbergen, Zeik en Donk, één op de gemeentelijke begraafplaats van Halen en één in Herk-de-Stad (41). Zoals uit de getuigenis van Hugh Gibson blijkt, werden de meeste soldaten aanvankelijk begraven
De Belgische militaire begraafplaats in Halen werd in 2008 beschermd als monument (foto O. Pauwels)
:
v w-H w \
rrrmm
M & L I 15
op de plaats waar hun lichaam werd gevonden, een soort van ondiepe noodbegraving. Deze noodbegravingen in het veld werden pas in de weken en maanden daarna geruimd en naar de verschillende begraafplaatsen overgebracht. Door de snelle individuele noodbegravingen, over een oppervlak van enkele vierkante kilometers, werden de graven van veel soldaten nadien echter moeilijk teruggevonden. Zo werden zeven maanden na de slag nog de lijken van een Belgische commandant en van 29 Duitse soldaten teruggevonden. Wanneer in de zomer van 1915 andermaal het lijk van een Duitse soldaat werd aangetroffen, vaardigden de Duitsers een bevel uit dat landbouwers verbood om hun velden na de oogst te bewerken tot iedere verzakking was geïnspecteerd, op straffe van een boete van 500 mark (42). Gewonde soldaten die stierven waar ze werden verzorgd (in Halen, Loksbergen en Herk-de-Stad) kregen wel meteen een volwaardig graf.
Generaal Morjtz von Bissing bezoekt de graven van 21 Deutsche Kheger. Op de achtergrond het kerkje van Zeik ( © Museum Slag der Zilveren H e l m e n , repro O. Pauwels)
16 I 1VI L
21 Deutsche Krieger Ter hoogte van het kruispunt van de steenweg naar Diest en de Zelemstraat werd een ereperk aangelegd voor 21 Duitse soldaten. Zij behoorden wellicht allen tot het 17de Dragonderregiment en sneuvelden bij de eerste stormloop op de barricade bij Zeik. Enkele maanden later bracht generaal Moritz von Bissing, gouverneur van de militaire regering in bezet België, een bezoek aan hun begraafplaats. Tijdens zijn bezoek werden er meerdere foto's gemaakt (43). Daar valt uit af te leiden dat de kleine begraafplaats was aangelegd op de rand van een akker en begrensd werd met een witte houten omheining. Binnenin stond een groot houten kruis met het opschrift: Hier ruhen in Gott 21 Deutsche Krieger. Deze begraafplaats is nu volledig verdwenen maar over de locatie bestaat er geen twijfel. Op de achtergrond van enkele foto's is immers de St.-Pancratiuskerk van Zeik duidelijk te zien. De graven werden later overgebracht naar Ehrenfriedhofzz} in de buurt van de IJzerwinningshoeve.
Ehrenfriedhof22.T, Maandenlang zochten de Duitsers op het uitgestrekte slagveld naar lijken van soldaten en vooral van officieren. Deze laatsten werden vaak overgebracht naar Duitsland. De lichamen werden aanvankelijk bijgezet op de gemeentelijke begraafplaats van Halen. Maar wanneer begin maart 1915 de lichamen van nog eens een dertigtal Duitse soldaten worden teruggevonden, beslist men deze samen te brengen in een weide kort bij de IJzerwinningshoeve, die toebehoorde aan de kerkfabriek van Loksbergen (44). Grote liggende gietijzeren kruisen (in de vorm van het Duitse IJzeren Kruis), met de namen van de gesneuvelden, markeerden de graven. De begraafplaats was oorspronkelijk
Graven van Duitse soldaten op de oude gemeentelijke begraafplaats van Halen langs de Diestersteenweg (© Museum Slag der Zilveren Helmen, bew. H. Denis)
Ehrenfriedhof 223, na 1938. Op de sokkel van het kruis is al de inkapping te zien waar het cijfer van het oorspronkelijk aantal graven werd gewijzigd (© Museum Slag der Zilveren Helmen)
Halen Duits Kerkhof v a n 12 Oogst 1914. nabil de Histonae hoeve « D e IJzerw inning »
Halen Cimetiere Allemande du 12 Aoüt 1 9 H p r e i de la Perme historique « De l l z i T u inning >
omheind met een afsluiting van vierkante houten palen met rijen prikkeldraad en erachter een haag van levensboom (Thuja sp.). Later werd er een stenen kruis op een hoge arduinen sokkel opgericht. Vanaf 1938 deed deze locatie dienst als verzamelbegraafplaats en werden alle resterende Duitse graven naar hier overgebracht, in totaal i n lichamen. Een aantal gesneuvelden was samengebracht in een Kameradengrab (45). Bij deze gelegenheid werd de inscriptie op de sokkel van het kruis een eerste maal gewijzigd. Er stond van dan af te lezen: HJ£i? RUHEN111 DEUTSCHE HELDEN GEFALLEN AM 12 AVG 3924. Ter hoogte van het cijfer werd de inscriptie uitgekapt en gewijzigd naar i n . Oude foto's waarop deze correctie zichtbaar is, dateren dus van na 1938. In 1956 werden de graven overgebracht naar WestVlaanderen: de geïdentificeerde soldaten naar Vladslo en de onbekende soldaten naar Langemark. Bij die gelegenheid werd de inscriptie op de sokkel een tweede maal gewijzigd: het woord RUHEN werd uitgekapt en vervangen door R UHTEN. Dit stenen kruis is nog steeds prominent aanwezig in het landschap tussen Halen en Loksbergen, ter hoogte van de IJzerswinningshoeve. Het is het enige wat nog van deze begraafplaats bewaard is en een voor Vlaanderen opmerkelijk en zeldzaam relict van een Duitse militaire begraafplaats uit het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het kruis is weliswaar opgenomen in de Inventaris Bouwkundig Erfgoed maar niet beschermd (46). De betonnen fundering is door de jaren heen ook bloot komen te liggen, wat de stabiliteit van het monument niet ten goede komt. Enkele van de ijzeren kruisen die ooit de graven sierden worden bewaard in het
museum Slag der Zilveren Helmen, samen met allerhande voorwerpen die in 1956 uit de graven werden gerecupereerd. Zestien helden In januari 1915 werden de lichamen van zestien Belgische soldaten, gesneuveld op het grondgebied van Loksbergen, ontgraven. Ze werden in houten kisten gelegd en herbegraven op een gemeenzame plaats die door de inwoners was aangekocht; een driehoekig perceel op de hoek van de huidige Zilverenhelmenstraat en de Lansiersstraat. Rond de begraafplaats werden een hekken, een deurtje en een kruis in smeedijzer aangebracht. Het geld hiervoor, 800 frank, werd in een m u m van tijd opgehaald in de parochie (47). Op een ijzeren plaat
Gedenkteken voor het 5de Regiment Lansiers, Op het achterliggende perceel De graven van 16 Belgische
bevond zich tot 1924
soldaten op de hoek van de
een begraafplaats voor
Lansiersstraat en de Zilverenhelmenstraat {collectie auteur, repro H, Denis)
16 Belgische soldaten (foto O. Pauwels)
boven de deur stond volgend vers geschreven: "Hier slapen zestien helden - die lieten in deez'velden - voor 't Vaderland hun bloed - Geeft hun den eeregroet - Voor hunne zielevrede - stort ook uw bede". Stijn Streuvels bezocht in augustus 1915 met enkele vrienden deze begraafplaats. Over het slagveld schreef hij in zijn dagboek: "Hier ook waren overal kerkhoven aangelegd van gesneuvelde Belgische soldaten, en aan de schikking en aanleg was het gauw te merken dat iemand bijzonders er de hand aan hield: smaakvol, sober, indrukwekkend en zonder nutteloze tierelantijntjes die op grafsteden altijd zo akelig aandoen" (48). In 1924 worden alle gesneuvelden die begraven waren in Loksbergen, zowel aan de kerk als op dit ereperkje, overgebracht naar de grote militaire begraafplaats in Velpen, dit tegen de zin van de inwoners van Loksbergen die jarenlang met veel zorg de soldatengraven op hun grondgebied hadden onderhouden (49). Deze oude begraafplaats is nu een tuin, maar het driehoekig perceel is nog duidelijk herkenbaar in het straatbeeld. Op de punt is een monument opgericht voor het 5de Regiment Lansiers: een plaat in arduin met Belgische vlag en een opschrift in het Frans en het Nederlands. Het perceel staat overigens al een tijd te koop als bouwgrond en dreigt dan ook op relatief korte termijn definitief te verdwijnen.
Begraafplaats voor Belgische soldaten in Velpen (Halen), vóór de uitbreiding in 1924 (collectie auteur, repro H. Denis)
HAl.HN HAI.hN
t 18 I M
De begraafplaats Velpen In februari 1915 beginnen burgers een geldinzameling om ook de Belgische soldaten op het grondgebied van Halen een waardige begraafplaats te bezorgen. Hiervoor werd een perceel aangekocht langs de steenweg naar Loksbergen (de huidige Liniestraat), in het gehucht Velpen. Op 11 augustus 1915 werd de begraafplaats, ongeveer 4 aren groot, met een begrafenisplechtigheid ingewijd. Ze was begrensd met een witte houten omheining en een grote poort met opschrift: "Rustplaats onzer
(.imeliére tie SoMjits Kelües toinltés héroiquement HU (.liamp >l't+onneur. Kerkhol «Ier Heitje Souluien gevallen op liel Veld van ber.
1 L
Belgische Helden alhier gevallen voor het vaderland den 12 augustus 1934". Er werden 133 soldaten begraven, waaronder 9 officieren. Aan het hoofdeinde van ieder graf was een ijzeren kruis aangebracht met enkel een nummer erop. Foto's van deze begraafplaats werden veelvuldig als prentbriefkaart uitgegeven. In 1924 was er een aanzienlijke uitbreiding en werden ook de gesneuvelden uit Loksbergen hier begraven (50). In 1939 kreeg de begraafplaats haar huidige vorm: 181 officiële grafstenen, naar ontwerp van Fernand Symons, in een strakke symmetrische aanleg waarbij grasperken werden afgewisseld met paden en een veelzijdige begroeiing, die naderhand is verdwenen. Mogelijk werd toen een deel van de houten omheining gerecupereerd en hergebruikt als omheining voor het gedenkteken op het kerkplein in Halen (51). Niet alle 181 gesneuvelden hebben te maken met de gevechten in Halen. Bovendien zijn er ook lichamen van gesneuvelden die na de oorlog door hun familie werden gerepatrieerd. Op 28 juli 2008 werd deze zone, tezamen met 15 andere Belgische militaire begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog, beschermd als monument (52).
Paardengraven Op het slagveld bleven naar schatting een vierhonderdtal dode paarden achter (53). Een snelle begraving van de kadavers was noodzakelijk omdat het die dagen uitzonderlijk warm was. Pastoor Cuppens schrijft daarover: "Ik was verplicht, 's vrijdags, deuren en vensters der pastorij zooveel mogelijk toe te houden, om den onverdragelijken geur uit het slagveld aangebracht door den wind, die uit het Oosten kwam" (54). Een interessante zwart-witfoto van het Agence Meurisse toont hoe lokale boeren werden opgevorderd om de kadavers van paarden weg te slepen op de grens van Halen en Loksbergen. De straat ligt nog bezaaid met stalen lansen van Duitse cavalerie. Op de hoek staat een gehavend Mariabeeldje dat ook wordt vermeld in een verslag van de parochie Loksbergen aan het bisdom Luik uit 1919: " Vier geweerkogels doorboorden het staakske met een beeldje eraan van O.L.Vrouw, dat bij de intrede van het dorp, aan 't einde van den veldweg naar Haelen staat" (55). Deze locatie op de grens van Loksbergen en Halen is het meest westelijke punt dat de Duitsers met hun cavaleriecharges bereikten. De kadavers van de vele dode paarden werden verzameld in grote langwerpige kuilen en afgedekt met ongebluste kalk (56). Waar juist al deze massagraven zijn aangelegd is niet meer bekend, maar ze zijn zeker nog op verschillende plaatsen in de bodem aanwezig. Ze maken samen met de geruimde of verplaatste soldatengraven deel uit van een archeologisch bodemarchief dat niet zonder belang is. Recent werd er voor het eerst
Boeren slepen de kadavers van paarden weg op de grens van Halen en Loksbergen. Langs de weg liggen nog lansen van Duitse cavalerie { © Bibliothéque nationale de France)
De Ijzerwinningshoeve anno 2013 met: (a) gedenksteen voor het 4de Regiment Lansiers, (b) krans voor de gesneuvelde kapitein-commandant Demaret, (c) kogel inslagen in een binnendeur van het woonhuis (foto's auteur)
onderzoek gedaan op enkele contexten van paardengraven uit de Eerste Wereldoorlog in WestVlaanderen (57).
De hoeve Ijzerwinning Centraal in het landschap aan de Ijzerenbeek vervulde deze boerderij, een gesloten hoeve met igde-eeuwse kern, een belangrijke rol in het verloop van de strijd. De hoeve viel afwisselend in Duitse en Belgische handen. En hoewel de site heel wat verbouwingen onderging in de 20ste eeuw (onder meer de sloop van de grote schuur) was een deel van de gebouwen, in het bijzonder de eenvoudige hoevewoning, nog vrij authentiek. De hoeve was - tot voor kort althans - het belangrijkste en meest monumentale relict met betrekking tot de slag van Halen. Tijdens een bezoek in augustus 2012 bleek onder meer dat de oorspronkelijke indeling van het woonhuis nog steeds was bewaard. De houten binnendeuren vertoonden op talrijke plaatsen nog opgevulde sporen van kogelgaten. In de woning was hevig gevochten van kamer tot kamer. Zo getuigde een wachtmeester van 4de Regiment Lansiers in 1962 in het BRTprogramma Echo, hoe hij met zijn karabijn het traliehek voor een venster in de opkamer plooide om te kunnen ontsnappen aan de infiltrerende vijand. Op de binnenkoer bevond zich een porseleinen bloemenkrans die er in 1919 was neergelegd door de verloofde van kapitein-commandant Demaret.
De historische IJzerwinningshoeve werd in 2013 vervangen door een nieuwbouw (foto O. Pauwels)
• i Hij sneuvelde samen met adjudant Rousselet op de zolder van de hoeve. In de zuidoostelijke hoek van het poortgebouw werd op 25 augustus 1919 een gevelsteen ingehuldigd met een opschrift voor het 4de Regiment Lansiers, dat instond voor de verdediging van de hoeve.
Commissie voor Monumenten en Landschappen (PCML) te volgen. Deze commissie was van oordeel: "dat het aangevoerde argument zuiver historisch en militair is en de hoeve bijgevolg niet de kwaliteit inhoudt voor een klassering als dorpsgezicht" (60).
In 2011 werd een bouwvergunning aangevraagd voor "het innoveren van de historische hoeve IJzerwinning', een volledige nieuwbouw met stallingen voor paarden en verblijfslogies. Doordat de hoeve was opgenomen in de vastgestelde Inventaris van het Onroerend Erfgoed verleende het agentschap Onroerend Erfgoed een ongunstig advies op de vergunningsaanvraag. De verbouwing was immers te ingrijpend en er werd onvoldoende rekening werd gehouden met de erfgoedwaarden van de site. De deputatie van de provincie Limburg besliste evenwel in beroep de bouwvergunning te verlenen (58)-
In de zomer van 2013, nauwelijks enkele maanden vóór de aanvang van het grote herdenkingsjaar WO I, ging de IJzerwinningshoeve tegen de vlakte en werd ze vervangen door een nieuwbouw. Enkel de gedenkplaat werd in situ behouden. Dit alles toont niet alleen hoe er vroeger tegen erfgoed uit WO I werd aangekeken, maar ook hoe kwetsbaar dit oorlogserfgoed nog steeds is, zelfs als het opgenomen is in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (61). Toch neemt een dergelijke ingrijpende herbouw niet weg dat het huidige gebouw en haar locatie nog een zekere getuigeniswaarde kunnen blijven behouden voor het omringende landschap/slagveld. Maar dan moet dit landschap wel dringend de nodige aandacht en bescherming krijgen.
In het verleden was er al een poging ondernomen om de site te beschermen. In 1975 vroeg luitenantkolonel André Tricout in een brief aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) om de hoeve te beschermen als monument. De toenmalige Rijksdienst voor Monumenten en Landschappen stelde een onderzoek in en adviseerde de KCML een bescherming van de hoeve als dorpsgezicht (59). In 1978 werd de procedure ingezet voor de bescherming van de Hoeve Ijzerwinning met haar directe omgeving. Helaas besliste de toenmalige minister voor Nederlandse Cultuur en Vlaamse aangelegenheden in 1980 om het ongunstig advies van de Provinciale
20 I M
L
Gedenkteken voor de zwarte duivels Dit gedenkteken voor de karabiniers-wielrijders bevindt zich bovenaan de zuidelijke berm van de Betserbaan, een diepe noord-zuid lopende holle weg die een belangrijke rol speelde in het verloop van de strijd. Op deze plaats leden de karabinierswielrijders hun zwaarste verliezen toen ze onder de voet werden gelopen door verschillende charges van de Duitse cavalerie. Door de urenlange weerstand die ze boden en hun donkere uniformen
Het gedenkteken in het centrum van Halen werd in 2014 als monument beschermd (foto auteur, bew. H. Denis)
Het gedenkteken voor de karabinier-wielrijders bijgenaamd de Zwarte Duivels (foto O. Pauwels)
werden deze Belgische soldaten in Duitse krijgs verslagen een aantal maal Schwarze Teufd genoemd, wat hun later de bijnaam 'Zwarte Duivels' opleverde (62 Het monument kwam er onder impuls van een vereniging van oud-militairen en de familie Stroobants, en werd ingehuldigd op 15 mei 1976. Het vierkant perkje is met een haag omheind en bereikbaar via een houten trap vanuit de Betserbaan. Er ligt een grote rots kwartsiet uit Elsenborn waarop een ijzeren plaat is bevestigd met het teken van de Zwarte Duivels. Aan de achterzijde van de steen was oorspronkelijk ook een plaat met de tekst: Zwarte Duivels 22-08-1924 bevestigd. Achter het monument staat een houten kruis met opschrift AAN DE DODEN/ AUX MORTS/ DEN GEFALLENEN. Dit 'Europees kruis' werd pas tijdens de 75-jarige herdenking in 1989 opgericht als eerbetoon aan alle gesneuvelden. Toen werd ook een treurwilg aangeplant die er nog steeds staat en de gedenkplaats intussen domineert. Het monument is opgenomen in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (63).
Monument op het kerkplein Het initiatief voor de oprichting van dit oorlogsgedenkteken ging uit van de Touring Club België. Net zoals haar Franse tegenhanger plaatste Touring Club demarcatiepalen op plaatsen waar grote wegen de frontlijn kruisten. Er werd echter zoveel geld ingezameld dat er nog budget over was. Daarom werd beslist om bijkomend een gedenkteken in Halen op te richten voor de karabinierswielrijders. Touring Club was immers ontstaan als een vereniging van fietsers en had ook mee geijverd voor de invoering van de fiets in het Belgische leger. Er was dus een nauwe band met dit bataljon (64). Het ontwerp is van de hand van beeldhouwer Jules Jourdain en architect Victor Creten. De inhuldiging
had plaats op 10 augustus 1924 in aanwezigheid van koning Albert, koningin Elisabeth en prins Leopold (65). De omgeving is sindsdien sterk gewijzigd. Het gedenkteken staat in een bloemenperk en is een mengvorm van een obelisk en een triomfzuil, voorzien van een groot medaillon en geflankeerd door twee halve cenotafen. Er zijn meerdere opschriften. De metalen gedenkplaat is later toegevoegd. Bovenaan de pijler prijkt het vergulde beeld van een middeleeuwse geharnaste ridder op een steigerend paard. De ruiter verwijst naar de cavaleriedivisie van het Belgisch leger, de geharnaste ridder naar het gedicht van pastoor Cuppens en de analogie die hij maakte tussen de Guldensporenslag en de 'Slag der Zilveren Helmen' (66). Op 22 januari 2014 werd dit gedenkteken, samen met 23 andere Limburgse oorlogsgedenktekens, beschermd als monument (67). Het is samen met de militaire begraafplaats het enige relict met betrekking tot de slag van Halen dat een formele wettelijke bescherming geniet.
Andere gedenktekens Gedenkplaat 4de Regiment Lansiers Op de hoek van de Kanonnierstraat en de Zittaardstraat bevindt zich een gedenkplaat voor het 4de Regiment Lansiers. De stenen plaat bevindt zich niet meer op haar oorspronkelijke locatie. Aanvankelijk stond de plaat op een eigen sokkel, nu is ze ingemetseld in de ommuring van de Heldenkapel, een eenvoudige bakstenen kapel die kort na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht ter ere van de gesneuvelde burgers en militairen van
M&LI
De gedenksteen bestaat uit een vierkante piramidale hardstenen zuil op een hardstenen vierkant verhoog en is omgeven door plantsoen en geflankeerd door twee vlaggenmasten. Aan de voorzijde zit een koperen plaat met een herdenkingsopschrift aangebracht. Aan de drie andere zijden bevinden zich platen met namen van gesneuvelden. Het monument is opgenomen in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (70).
Gedenkplaat voor het 4de Regiment Lansiers op de hoek van de Kannoniersstraat en de Zittardstraat (foto O. Pauwels)
Halen en van de oud-strijders. Zowel de kapel als de plaat zijn opgenomen in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (68). Obelisk voor de 4de Gemengde Brigade Onmiddellijk ten westen van de Belgische militaire begraafplaats in Velpen bevindt zich een gedenkteken dat werd opgericht in 1939 voor het 4de en 24ste Linieregiment. Vooral het 4de Linieregiment leed op deze plaats zware verliezen toen de infanteristen in de late namiddag van 12 augustus bevel kregen om vanuit de vallei van de rivier de Velp het hoger gelegen gehucht Velpen te heroveren. De slachting die er plaats vond - de aanval met bajonet op het geweer liep er letterlijk dood op een spervuur van Duitse mitrailleurs - is meteen ook de reden waarom de Belgische militaire begraafplaats zich in dit gehucht bevindt (69). In de buurt van deze locatie waren immers de meeste Belgische soldaten begraven.
Obelisk voor het 4de en 24ste Linieregiment langs de Liniestraat (foto O. Pauwels)
Brug over de Gete De brug, die dateerde uit het einde van de 18de eeuw, was uit voorzorg door de pioniers-pontonniers van de cavaleriedivisie van springstoffen voorzien. Maar toen men bij de terugtrekking richting station van Halen de brug wou opblazen, liet de springstof het grotendeels afweten. Het gebruikte buskruit was, zoals heel wat materiaal, verouderd en in slechte staat (71). Daardoor werd enkel een deel van het brugdek vernield, schade die door de Duitsers snel was hersteld. In de gevel van de vlakbij gelegen voormalige jeneverstokerij (Zwarte Duivelstraat 20) bevinden zich twee stenen gedenkplaten voor de PioniersPontonniers-Cyclisten, naar wie de brug ook werd vernoemd. De tweede plaat herdenkt ook een gevecht op 13 mei 1940 toen op dezelfde plaats het 2de Regiment Karabiniers-Wielrijders korte tijd weerstand bood aan het Duitse leger. Een opmerkelijke vaststelling is dat zowel de onmiddellijke omgeving als een deel van de brug nog overeenstemmen met de vernielde brug op een foto uit 1914. Het muurwerk van de brugwanden/ pijlers (in baksteen en blauwe hardsteen) en de stenen trap op de rechteroever komen overeen met de huidige situatie. Zowel WO I als WO II hebben blijkbaar enkel het brugdek vernield. De rest heeft de tand des tijd goed doorstaan, wat van de brug en haar directe omgeving een interessant stukje erfgoed maakt. De brug is niet beschermd en niet in een inventaris opgenomen, drie van de omliggende gebouwen wel (molen, brouwerij en jeneverstokerij).
Een bijzonder museum In de zuidwestelijke hoek van het slagveld, in het gehucht Rotem, bevindt zich het museum 'Slag der Zilveren Helmen'. Naast een indrukwekkende collectie is er ook een documentatiecentrum aanwezig. Dit klein maar bijzonder museum verhoogt in belangrijke mate de belevingswaarde van het slagveld. Het is een privaat initiatief van de familie Stroobants die zich met veel zorg inzet voor de herinnering aan de slag en het behoud van het slagveld. Toen in de jaren '50 en '60 van vorige eeuw de eerste ontwerpen voor de vaststelling van de A2 autosnelweg (de huidige E314) werden
22 I M
L
Het museum Slag der Zilveren Helmen bezit een unieke en
gepubliceerd, liep het tracé ter hoogte van Halen nog dwars door het slagveld (72). De oprichter van het museum, Jozef Stroobants, pleitte er toen voor om het slagveld te vrijwaren. Een sterk staaltje van erfgoedzorg avant la lettre. Bij de uiteindelijke aanleg op het einde van de jaren '70 werd de A2 autosnelweg ten noorden van het slagveld ingeplant.
Hoe beschermen? Wat beschermen? In het landschap tussen Donk, Halen, Zeik en Loksbergen zijn bovengronds en ondergronds nog relicten aanwezig die verband houden met een slagveld uit het begin van de Eerste Wereldoorlog: een militaire begraafplaats, een museum, verschillende gedenktekens, een hoeve, geruimde en verplaatste soldatenkerkhoven, massagraven voor paarden... Enkel het gedenkteken op het kerkplein en de militaire begraafplaats Velpen zijn beschermd als monument. De historische IJzerwinningshoeve ging in 2013 tegen de vlakte en werd vervangen door een nieuwbouw. Het westelijk deel van het slagveld is, zoals aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, nog steeds agrarisch gebied. Slechts op enkele plaatsen is de ruimte die oorspronkelijk was ingenomen door akkerbouwgewassen gewijzigd naar weilanden en laagstamboomgaarden. De Ijzerenbeek en de vallei
van de Velp staan op het gewestplan aangeduid als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Heel wat straatnamen verwijzen naar de veldslag: Zwarte Duivelstraat, Generaal de Wittestraat, Kannonierstraat, Lancierstraat, Liniestraat, Gidsenstraat, Zilveren-Helmenstraat. Ter hoogte van de oude stationsbuurt is de topografie wel ingrijpend veranderd. Het station is verdwenen. De oude spoorwegberm is deels ontsloten als een toeristisch fietspad. De aanwezigheid van een kmo-zone tussen de oude spoorlijn en de Diestersteenweg legt een ruimtelijke druk op de rand van het slagveld.
waardevolle collectie (foto O. Pauwels)
Op een verantwoorde manier omgaan met dit historisch slagveld en een degradatie ervan tegengaan kan wellicht enkel in een dialoog met de ruimtelijke planning (73). In West-Vlaanderen is daarom oorlogserfgoed uit de Eerste Wereldoorlog opgenomen in vijf verschillende aangeduide ankerplaatsen. Hierdoor moeten zowel de gemeente, de provincie als het gewest bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) voortaan rekening houden met de aanwezige erfgoedwaarden (74). In antwoord op verschillende parlementaire vragen en in zijn beleidsbrief gaf de bevoegde minister voor Onroerend Erfgoed aan dat ook minder bekende getuigen van de oorlog niet zouden
M&L
23
Het BRT-programma Echo interviewde in 1962 Duitse en
,;\Ht
Belgische oud-strijders die meevochten in Halen: (a) generaal Van Overstraeten, toen luitenant bij de artillerie, (b) Graaf von Zitzewits, luitenant bij het 2de Regiment Kurassiers en de enige overlevende officier van zijn bataljon. (c) Jozef Declerq soldaat bij het iste Bataljon KarabinierWielrijders. (d) Een wachtmeester van het 4de Regiment Lansiers toont hoe hij kon ontsnappen uit de belegerde IJzerwinningshoeve
'"
W| i
1 _
•c. ^
i
( © VRT Beeldarchief)
vergeten worden. Voor het slagveld van Halen wordt een gelijkaardige piste als in West-Vlaanderen vooropgesteld: het aanduiden van een ankerplaats en de ruimtelijke vertaling ervan via een RUP (75). Maar het volledige parcours om tot een definitieve aanduiding te komen van de ankerplaats 'Slagveld Halen' is nog erg lang en bevat wellicht nog een aantal te nemen hindernissen.
Duitse IJzeren Kruisen en bodemvondsten afkomstig van Ehrenfriedhof 223 (foto O. Pauwels)
24 I M
L
Een vraag die intussen moet gesteld worden, is hoe duurzaam de piste van aangeduide ankerplaatsen is voor dit type van oorlogserfgoed. Wellicht is het een noodzakelijke stap, maar is het ook voldoende? Men kan zich afvragen of gelijklopend met deze poging tot ruimtelijke verankering van erfgoedwaarden en in afwachting van duidelijke resultaten, ook niet moet ingezet worden op een klassieke
bescherming via de sectorale wetgeving: het nieuwe onroerenderfgoeddecreet. De nog niet beschermde gedenktekens in Halen zouden eveneens als monument kunnen worden beschermd. Dat dit voor sommige relicten nog niet is gebeurd, zoals het stenen kruis van Ehrenfriedhof 223, is op zijn minst merkwaardig te noemen. Ook een klassieke landschappelijke bescherming kan overwogen worden om minstens de kern van het slagveld te beschermen. Hoewel dit wettelijk instrument nog maar erg weinig wordt gebruikt, zou een beperkt gebied hiervoor in aanmerking kunnen komen, begrensd door de Mettenberg (Kanonnierstraat) in het noorden, de Liniestraat in het zuiden. De Betserbaan in het oosten en de omgeving van de IJzerwinningshoeve in het westen. Tot slot moet ook worden nagedacht over het archeologisch bodemarchief dat met dit slagveld samenhangt. Er werd al gewezen op het belang van de paardengraven die nog in grote aantallen in de ondergrond aanwezig kunnen zijn. Wellicht kan doelgericht geofysisch onderzoek dit soort contexten lokaliseren en afbakenen. Ook geruimde of verplaatste militaire begraafplaatsen zijn niet zonder belang (76) en worden best aangeduid in een archeologische inventaris. Een moeilijker te beantwoorden vraag is het probleem van metaaldetectie. Moet er een verbod komen op het gebruik van metaaldetectoren in dit soort zones? Kan systematisch karterend metaaldetectoronderzoek op dit type slagvelden uit het begin van de Eerste Wereldoorlog nog waardevol zijn? Is ballistisch onderzoek er enkel een aanvulling op de reeds bestaande historische dataset of kan het ook nieuwere en objectievere gegevens over de locatie en het juiste verloop van de strijd opleveren? Alleen wetenschappelijk onderzoek kan dit soort vragen beantwoorden. In ieder geval hebben sinds 2002 verschillende prospecties en opgravingen in West-Vlaanderen genoegzaam aangetoond dat archeologie van de Eerste Wereldoorlog een belangrijke component toevoegt aan de tastbare perceptie van het oorlogsgebeuren en zo een bijdrage levert aan de belevingswaarde van dit oorlogserfgoed (77).
Bij de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog gaat er traditioneel - en terecht - veel aandacht naar de Westhoek. Met circa 170 begraafplaatsen en 600 gedenktekens is het oorlogserfgoed er immers zeer talrijk aanwezig. Maar vooraleer het westelijk front stagneerde raasde er door België een bewegingsoorlog. Van die eerste oorlogsweken zijn veel minder tastbare sporen bewaard gebleven. Dit heeft als gevolg dat de link tussen de Groote Oorlog en het huidige landschap er veel sneller vervaagt en definitief dreigt te verdwijnen. Nu meer dan ooit wordt het monumentaal, landschappelijk en archeologisch oorlogserfgoed geprofileerd als een unieke 'laatste' getuige die de herinnering aan de Groote Oorlog mee levend kan houden. Indien we ons oorlogsverleden ook voor toekomstige generaties in een juist perspectief willen plaatsen, is het belangrijk dat er actie wordt ondernomen om ook minder tastbaar oorlogserfgoed in de rest van Vlaanderen, zoals het slagveld in Halen, te beschermen en te behouden.
Krijgsgevangen Duitse dragonders gefotografeerd in Diest een dag na het gevecht in Halen (fotoalbum J. Pecher, © Liberaal Archief Gent)
Peter Van den Hove is als archeoloog en erfgoedonderzoeker verbonden aan het agentschap Onroerend Erfgoed.
Eindnoten Ten oosten van de westhoek... Een kleinschalige zelfstandige overwinning van het Belgische leger in Halen op 12 augustus 1914 valt samen met één van de laatste cavaleriecharges uit de Europese militaire geschiedenis. De verouderde igde-eeuwse oorlogsvoering moest het afleggen tegen modernere wapens en dit betekende het begin van een nieuwe manier van oorlogsvoering. Het nog aanwezige oorlogserfgoed in Halen is vrijwel niet beschermd en kwetsbaar.
(1)
Voor het tot stand komen van dit artikel ben ik dank verschuldigd aan: de familie Stroobants en het m u s e u m Slag der Zilveren Helmen, fotografen Oswald Pauwels en Hans Denis, Rob Troubleyn (Documentatie Centrum, Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis), Mare Haegeman (Liberaal Archief Gent), Karel Verhelst, de Bibliothèque nationale de France, het beeldarchief van de VRT, Erfgoed Scherpenheuvel en Tomas Termote.
(2)
BAEYENS L., Bodemkaart van België. Verklarende tekst hij het kaarthlad Herk-De-Stad 76H, Gent, 1974: BAEYENS L. en SCHEYS G., Bodemkaart van België. Verklarende tekst hij het kaarthlad Diest 76W, Gent, 1958; FREDERICKX E. en GOUWY S., Toelichting bij de Quartairgeologische kaart, kaarthlad 25, Hasselt, Leuven, 1996.
1VI&LI
25
Aan het kasteel van Landwijk in Donk werd door de Duitsers een pontonbrug aangelegd om zo versneld troepen over de Gete te brengen (foto O, Pauwels)
(3) HUYGELIER ]., Het Belgisch Veldkger. Een historisch over- diemap museum Slag der Zilveren Helmen, 2de bijgewerkte uitgave. Halen, 1984. zicht, 21) juli - 13 september 1914, in: CASTEELS R. en VANDEGOOR C , 3914 in de regio Haacht. Kleine dorpen in de (14) GALET E., op. cit., p. 122. Grote Oorlog, z.p., 1993; DONVIL R„ De Grote Oorlog op (15)VANTHUYNE H. J., op. cit., p. 37-39; Getuigenis van kuraskleine schaal. De gevechten aan de Getelinie in Oost-Brahant sier Arthur Brühe, museum Slag der Zilveren Helmen. (1^14), Leuven, 2012, p. 29-30 en p.70. (16) DONVIL. R., op. cit., 75-78. (4) Een regiment telde 500 tot 600 manschappen. (17) VANTHUYNE H. J., op. cit., p. 45-46; VAN OVERSTRAE(5) Voor een gedetailleerd overzicht van de kleuren van de uniTEN R., Une victoire vécue: Haelen le 12 aoüt 1914, in Le Folformen in het Belgische leger in 1914: http://www.abli9i4. klore Brabanfon, 1964, nr. 162, p. 146 en 147. be/uniform/unifbrmig^htm [geraadpleegd januari 2014] (igi Ulanen droegen net zoals de Belgische lansiers een czapka (6) DE VOS L, Veldslagen in de lage landen, Leuven, 1995, op het hoofd. Duitse ruiters werden door de Belgische bep. 127-135; ID., De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 27volking tijdens de Eerste Wereldoorlog steeds 'ulanen' genoemd terwijl het ook om andere ruiters kon gaan zoals 35dragonders of kurassiers. Duitse dragonders droegen een (7) DONVIL R., op. rit., p. 32-41. (8) Op 11 augustus luidt het order van het Groot Hoofdkwartier zwarte lederen pinhelm. Duitse kurassiers droegen een nog steeds: La mission de la Division Cavalerie de couvrir Ie metalen pinhelm. flanc de l'armée reste entière; GALET E., S. M. Le Roi Albert. ( • 9 ) Getuigenis van karabinier-wielrijder Francois De BraeckeCommandant en chef devant l'invasion Allemande, Parijs, leer, neergeschreven in 1920 en vermeld in het boek: LAM1931, p. 122. PAERT R., Van Maas tot Ijzer. België in Wereldoorlog I, Erpe, {9) De onderwijzer van Donk, A. Vanvuchelen, maakt notitie 2008, p. 10-14. van beide gebeurtenissen in zijn dagboek. Zie hiervoor: De GALET E., op. cit., p. 123. Dit bericht bevatte hoofdzakelijk slag der Zilveren Helmen, verdedigingslijn langs de Gete, Herkfoutieve informatie verzonden door de eerste legerdivisie in De-Stad, 1980, p. 41-42. Tienen. De cavaleriedivisie was op dat ogenblik nog steeds (10) Dat wel degelijk de intentie bestond om tot Brussel door te in gevecht. stoten, blijkt uit het dagboek van generaal von der Marwitz. Rapport van kolonel E. Van Dooren (4de Regiment Jagers te Twee dagen na zijn nederlaag in Halen schreef hij: "Mit meiner Tdtigkeit wird man sehr unzufneden sein, das wujite ich Paard), Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis. Documentatiecentrum, Fonds EX-CDH, map aber vorher. Alle denken, man hdtte gleich durch bis Brussel 4586, p. 19-21. reiten sollen. In diesem niedertrachtigen Gelande unmöglich!"; VON TSCHISCHW1TZ E., General von der Marwitz. Welt- (22) GALET E., op. cit., p. 124. (25) Recent werden in Scherpenheuvel 175 oorlogsbrieven tekriegsbriefe, Berlijn, 1940, p. 21. ruggevonden die dateren van onmiddellijk na de slag in (11) DONVIL R., op. rit., p. 71-73. Halen. De brieven en kaarten waren afgestempeld maar (12) Bijna 50 jaar later verduidelijkte Van Overstraeten die bewerden nooit bezorgd. Uit de teksten blijkt duidelijk dat het slissing in het BRT-programma Echo: enkele dagen vóór slagveld op 13, 14 en 15 augustus 1914 drukt werd bezocht het uitbreken van de oorlog had hij namelijk, als officier bij door nieuwsgierige burgers en souvenirjagers. Met dank de artillerie, de kans gehad om een oefencharge van een aan Erfgoed Scherpenheuvel (Gust Deflem en Michael brigade gidsen en lansiers bij te wonen in het kamp van Hanne) voor deze informatie. Beverlo. De doodsverachting waarmee hij de ruiterij moderne wapens had zien trotseren liet een diepe indruk op (24) HAVERSOCK N. A., Fifty Years at the Front: The Life of War Correspondent Frederick Palmer, Washington, 1996, p. 165. hem na. Daarom adviseerde hij zijn generaal om in Halen de vijand niet te paard te trotseren. (25) Rapport van kolonel E. Van Dooren, op. cit., p. 23. (13) Dit overzicht is hoofdzakelijk gebaseerd op: DONVIL R., De (26) Bibliothèque nationale de France in Parijs {foto's van het Grote Oorlog op kleine schaal. De gevechten aan de Getelinie in agence Meurisse, opgericht door de Belgische fotograaf Louis Meurisse), Library of Congress in Washington (foto's van Oost-Brabant f1914), Leuven, 2012, p. 32-4; TASNIER L. en Bain News Service) en in het Imperial War Museum in LonVAN OVERSTRAETEN R., La Belgique et la guerre. III: Les den. Deze foto's zijn online raadpleegbaar. operations militaires, Brussel, 1923, p. 66-97; VANTHUYNE Bijvoorbeeld: TASNIER L en VAN OVERSTRAETEN R., H. J., De dag dat cavalerie voor 't laatst storm reed. Halen, (27) 1984; Halen zonder Glans of Gloria (12 augustus 1914), stuop. cit.
26 I ] \ M 1
(28) Bijvoorbeeld in de reeks 's Lands Glorie, uitgegeven in 6 (55) VERHELST K., op. cit., dl. 2, p. 520 boekdelen tussen 1949 en 1961 bij Historia. (56) Karren met ongebluste kalk werden vanuit Diest naar het {29) Frederick Palmer was de eerste Amerikaanse oorlogscorresslagveld gebracht: Rapport van kolonel E. Van Dooren, op. pondent die werd onderscheiden met een Distinguished Sercit, p. 22. vice Medal Omtrent zijn bezoek aan Halen: PALMER F., (57) ERVYNCK A. en LENTACKER A., They shoot horses don't My Year of the Great War, New York, 1915, p. 22. they? Skeletten van paarden en muildieren als erfgoed uit de {30) GIBSON H., A JournalfromOur Legation in Belgium, New Groote Oorlog, in Me[L. Tijdschrift voor monumenten, landYork, 1918, p. 84-88. schappen en archeologie, jg. 33, nr. 2, 2014, p. 18-19. {31) Zijn collectie van ruim 250 foto's wordt samen met zijn oor- (58) Archief agentschap Onroerend Erfgoed Hasselt. Met dank logscorrespondentie bewaard in het Liberaal Archief in aan Ingrid Vanderhoydonck. Gent. Met dank aan Mare Haegeman. Zie ook VANACKER (59) Ibidem, inspectieverslag van J. Gyselinck (04/06/1975). D., Un mitrailleur a l'Yser. La correspondance de guerre de jean (60) Ibidem, advies KCML (24/07/1975) en advies PCML Pecher 1914-1918, Brussel, 2012, p. 58. (20/03/1979). (32) Vergelijking tussen een foto met titel Corner of battlefield (61) SCHLUSMANS F. (e.a.). Bouwen door de eeuwen heen in Haelen (in Library of Congress, LC-DIG-ggbain-17368) en Vlaanderen, Inventaris van het cultuurbezit in België, Architeceen foto in L'Illustration. Journal Universel, van 22 augustus tuur. Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt, 6N1 (A-Ha), 1914, p. 153. Gent, p. 221; ID 21761 [https://inventaris.onroerenderf(33) DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk goed.be, geraadpleegd juli 2014] België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam-Antwerpen, (62) DONVIL R., op. cit., p . 70. 1997. P- 75(63) ID 214018 [https://inventaris.onroerenderfgoed.be, geraad(34) Ibidem, p. 71-74; VAN ONSEM R. en VAN THIENEN A., pleegd juli 2014] Geschiedenis van het Belgisch Leger van 1830 tot heden. Deel 1 (64) VERHELST K., op. cit.. onuitg. studie, p. 3. van i8}o tot 1919, Brussel, 1982, p. 296 (65) Le Patriote Illustré, 17 augustus 1924. (35) VANDEWEYER L, De Eerste Wereldoorlog. Koning Albert en (66) VERHELST K., op. cit., onuitg. studie, p. 6-9. zijn soldaten, 2005, Antwerpen, p. 69. (67) Ministerieel besluit van 22 januari 2014 tot bescherming als mo(36) VANACKER D., op. cit., p. 60. (37) TUCHMAN B., De kanonnen van augustus. De eerste oorlogs- nument van oorlogsgedenkteken in Halen (publicatie Belgisch Staatsblad 20 februari 2014). maand van 1914, New York, 1962, p. 38-40. (38) GUDERIAN H., Achtung - Panzer!: die Entwicklung der Pan-(68) ID 214018 [https://inventaris.onroerenderfgoed.be, geraadzenvaffe, ihre Kampfiaktik und ihre operativen Möglichkeiten. pleegd juli 2014J (69) VANTHUYNE H. J., op. cit., p. 92-93. 1930, p. 26-31. (39) Tekst overgenomen in: VERHELST K. (m.m.v. VAN LAE- (70) ID 214019 [https://inventaris.onroerenderfgoed.be, geraadRE R.), De Eerste Wereldoorlog in Limburg. Verslagen, dl. 1, pleegd juli 2014] Hasselt, 1997, p. 280-283. (71) DE WITTE L., Haelen (12 aoüt 1914), Brussel. 1920, p. 29. {40) DONVIL R., op. cit., p. 104. (72) Plannen bij: het koninklijk besluit van 26 juni 1958 tot in(41) Nauwkeurig verslag over deze Slag van Halen met lijst der ge- deling van de ontworpen openbare weg Brussel-Namen bij sneuvelde Belgische Helden, uitgegeven door Cleermans - Sade categorie der autosnelwegen (Belgisch Staatsblad 2 auels, Halen, na 1918; Halen zonder Glans of Gloria, op. cit., gustus 1958) en het koninklijk besluit van 24 maart 1969 bijlagen E en F. tot indeling van de ontworpen weg Bertem-Lummen bij de (42) De slag der Zilveren Helmen, p. 80. categorie der autosnelwegen (Belgisch Staatsblad 25 april (43) De foto's worden bewaard in het museum Slag der Zilveren 1969); mondelinge mededeling van de familie Stroobants. Helmen. (73) VERNIMME N. (ed.). Omgaan met oorlogserfgoed, [VIOE(44) Ibidem, p. 75 en 81; VERHELST K., op. at., dl. 1. Hasselt Handleidingen, 2), Brussel, 2010, p. 18. 1997, p. 527. (74) VERBOVEN H., Naar een integratie van (archeologisch) WO (45) Deutsche Kriegsgraberstatten in Belpen. Amtl. Deutschen I- erfgoed in ruimtelijke plannen, in Conflict in Contact I. leper Kriegsgraherdienst in Belgien. (Verlag Gerhard Stalling A.G. 2j november 2013, p. 135-136; VERBOVEN H., De Westhoek Verlagsbuchhandlung Oldenburg i.o.), 1938, p. 29-30. ondermijnd (1914-18J, in M^L Tijdschrift voor Monumenten, (46) ID: 214017 [https://inventaris.onroerenderfgoed.be, geraadLandschappen en Archeologie, jg. 33, nr. 1, 2014, p. 26. pleegd mei 2014] (75) Vlaams Parlement, antwoorden op schriftelijke vragen: nr. (47) VERHELST K. (m.m.v. VAN LAERE R.), De Eerste Wereld534 van 13 september 2010 van Dirk Van Mechelen, nr. 206 oorlog in Limburg. Verslagen, dl. 2, Hasselt, 1997. p. 526. van 2 februari 2011 van Dirk Van Mechelen, nr. 101 van 29 (48) STREUVELS S., In oorlogstijd: het volledige dagboek van de november 2013 van Karin Brouwers; Beleidsbrief 2012-201} Eerste Wereldoorlog. Brugge, 1979. p. 464. Onroerend Erfgoed van minister Geert Bourgeois, p. 8-9. (49) De slag der Zilveren Helmen, p. 121. (76) Tijdens archeologisch onderzoek op een geruimde Duitse (50) Ibidem, p. 74, p. 80 en p. 126 (51) VERHELST K., Het gedenkteken van de Slag der Zilveren Hel- begraafplaats in Beselare (West-Vlaanderen) werden, naast persoonlijke voorwerpen van soldaten, ook nog menselijke men te Halen, onuitgegeven studie. Halen, 1997, p. 9. (52) Ministerieel besluit van 28 juli 2008 houdende bescherming als overblijfselen aangetroffen. De menselijke resten werden monument van de Belgische militaire begraafplaatsen te Halen hoofdzakelijk teruggevonden in geruimde graven zonder kist. Mededeling van collega Mare Dewilde, waarvoor dank. en Leopoldsburg (publicatie Belgisch Staatsblad 1 september Een publicatie van dit onderzoek is in voorbereiding. 2008). (53) BEERNAERTS E., Haelen (12 aoüt 1914/. Réponse au livre du(77) DEWILDE M., De Eerste Wereldoorlog en archeologie, in Lieutenant-Général De Witte publié et signé par lui en date du CHIELENS P., DENDOOVEN D. en DECOODT H. (ed.). De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek, 27 mars 1920, Brugge, 1921, p. 75; VON TSCHISCHWITZ Tielt, 2006, p. 140; DEWILDE M., DE MEYER M. en E., op. cit., p. 22. SAUNDERS N. J.. Archeologie van de "Groote Oorlog". De (54) CUPPENS A., De "Hunnen" in het Hageland, Maeseycker Weekblad, September 1914; VERHELST K., op. cit., dl. 2. Vlaamse situatie, in MejL Tijdschrift voor Monumenten, LandHasselt. 1997, p. 529. schappen en Archeologie, jg. 26, 2007, nr. 1, p. 37-54.
M&L I 27
Een veldhospitaalbarak uit de Eerste Wereldoorlog op het domein De Lovie in Poperinge Dries Vanhove
Het onderzoek ter voorbereiding van de restauratie van dit relict uit de Croote Oorlog bracht interessante gegevens aan het licht (i). Deze houten
uitneembare
barak is een zeldzaam bewaard voorbeeld van de veldhospitalen, ingericht dichtbij het front door de Gezondheidsdienst van het Belgische Leger. Deze barak werd samen met de zogenaamde Chinese Poort beschermd als monument op i juli 2009 (2). Oorspronkelijk afkomstig van de hospitaalsite het Doorntje in Houtem werden de barak en de poort na de sluiting van het hospitaal in de jaren '30 van de 20ste eeuw overgebracht naar het domein De Lovie, waar ze binnenkort gerestaureerd zullen worden. In deze bijdrage worden deze overblijfselen gekaderd binnen de context van de veldhospitalen en de levering van de barakken hiervoor (3).
28 I M
L
De eerste hospitaalsites Bij de stabilisatie van het oorlogsfront aan de IJzer was de chaos groot. Naast de ad hoc ingerichte hospitalen in de nabijheid van het front, die opnieuw ontruimd dienden te worden zoals in Veurne, werden de gewonden aanvankelijk nog systematisch met treinen geëvacueerd naar een hospitaal in het Franse Calais en vandaar verder naar Engeland. In de winter 1914-1915 vatte het Belgisch Leger de idee op om de gewonden en zieken dichter bij het front te verzorgen. Een groot aantal hospitalen werd opgericht op Belgische bodem, met vooruitgeschoven chirurgische posten dichter het front voor het toedienen van de dringende eerste zorgen. Oorspronkelijk werden gewonden in bestaande gebouwen ondergebracht en soms nog tijdelijk in tentenkampen, maar al snel werden grote hoeveelheden houten barakken besteld voor de inrichting van deze veldhospitalen.
het Belgisch Leger, zoals de militaire hospitalen Petit Fort Philippe in Gravelines, Bonsecours en Anglo-Belge in Rouen, het militair hospitaal in Bourbourg, een hospitaal nabij het kasteel van Recques in Montreuil-sur-Mer, die naast de chirurgische hopitalen nabij het front in werking bleven. De barakken waren ook terug te vinden in de ziekenboegen van de divisies {Infirmeries Divisionmires). Dit zijn kleinere hospitaaleenheden voor eerste zorgen die nog dichter bij het front gelegen waren zoals Krombeke en Fortem. Later tijdens de oorlog waren er barakken in de nationale school voor oorlogsgemutileerden in het Franse Port-Villez en in het militair hospitaal in Woluwe op het einde van de oorlog (6). Deze lijst is nog onvolledig. Ook op enkele andere sites zien we deze hospitaalbarakken verschijnen, mogelijk ten gevolge van een
Het Belgische Rode Kruis richtte als eerste een hospitaal op in de nabijheid van de frontzone. Op de site van l'Océan in De Panne werden al in januari en februari 1915 houten barakken geplaatst. Het Rode Kruis organiseerde een prijsvraag bij drie Britse firma's waarna de barakken in drie bestellingen geleverd werden door de firma Harrods Stores Ltd. in Londen. Dat het Rode Kruis zich tot Groot-Brittanië richtte was niet zo verwonderlijk vermits een belangrijk deel van zijn fondsenwerving uit dat land kwam. De prijsvraag betrof grote paviljoenen van respectievelijk 100, 240 en 300 bedden {4).
Barakken van de Gezondheidsdienst van het Belgisch Leger
Ziekenboeg van de d ivisie van het Belgisch leger in Krombeke (collectie auteur)
Belgisch militair hospitaal in Montreuil-sur-Mer, met op de achtergrond het Chóteau de Recques (collectie auteur)
Bijna gelijktijdig ontwikkelde het Belgische Leger, samen met firma gebroeders Hamon uit Parijs, een baraktype, gekenmerkt door een verhoogde lichtstraat, die naast verlichting ook voor een goede verluchting moest zorgen. Deze barakken hadden een breedte van 6 meter en een standaardlengte van 28 meter of 14 traveeën. De eerste hiervan verschenen in april 1915 in het veldhospitaal van Cabour in Adinkerke. Kort daarna werden ook in Beveren aan de IJzer en in Hoogstade militaire hospitalen opgericht met gelijkaardige barakken (5), en zo ook in het hospitaal op het Doorntje in Houtem. Het baraktype Hamon komt ook voor op Noord-Franse sites van de Gezondheidsdienst van
IVI&LI 29
Belgisch militair hospitaal Cabour in Adinkerke (© Archief van het Koninklijk Paleis)
Belgisch militair hospitaal in Woluwe (na 1919), interieur van een slaapzaal (collectie auteur)
logistieke tussenkomst van het Belgische Leger. Zo bijvoorbeeld op het burgerlijk hospitaal Elisabeth op het domein het Couthof in Proven, waar naast een allegaartje van verschillende types barakken ook Hamonbarakken waren (7). Of nog op de site van de School van de Koningin in Wulveringem, waar deze barakken, naast andere types, vooral gebruikt werden als slaapzalen en klaslokalen (8). In zijn studie vermeldt Leopold Melis, hoofd van de Gezondheidsdienst van het Belgisch Leger, zichzelf als ontwerper van de idee van de barakken en kolonel Wallens van de Genie van het Belgisch Leger als uitwerker van het type; de firma Hamon wordt als uitvoerder vermeld (9). Deze demonteer-
30 I 1VI L
bare barak kreeg de naam pavilion du SSA, naar de Service de Santé de l'Armee, de Gezondheidsdienst van het Belgisch Leger. Ook de firma Hamon zelf vermeldde in haar correspondentie dat dit type barak door hen op basis van gegevens en aanwijzingen van kolonel Wallens werd ontwikkeld (10). De firma blijkt een belangrijke rol gespeeld te hebben in de ontwikkeling van het baraktype. Zowel op eigentijdse plannen als in de briefwisseling wordt immers melding gemaakt van système breveté SGDG, het Franse patentsysteem Sans Garantie Du Gouvernement. Hoewel dit niet echt bewezen kan worden, heeft het er alle schijn van dat de Belgische Genie instond voor het uitzicht en functionaliteit van de barakken (afmetingen, het
De firma Hamon tijdens de Eerste Wereldoorlog De firma Hamon ontstond in 1914 door de fusie van de bedrijven van de gebroeders Achille en Ferdinand Hamon, van Bretoense afkomst. Ferdinand had in 1906 een bedrijf opgericht in Brussel, maar hij moest vluchten voor de oorlog. Hij vervoegde het bedrijf van zijn broer Achille, opgericht in Parijs in 1904. Beide bedrijven waren vóór de oorlog actiefin de productie van houten koeltorens. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stelden ze hun expertise ter beschikking van het Franse leger en bouwden structurele systemen en hutten voor loopgraven. De firma had nog andere tijdelijke constructiesystemen in de aanbieding. Het baraktype ontwikkeld voor het Belgische Leger lijkt evenwel volgens de huidige stand van onderzoek uitsluitend aan Belgische klanten te zijn geleverd.
Houten koeltoren uit het begin van de 20ste eeuw gemaakt door de firma van de gebroeders Hamon (©Hamon & Cie International s.a.)
principe van de overlangse lichtstraat en verluchtingsmogelijkheid, vensterdisposities, indeling van de barakken) en de firma Hamon voor het constructieprincipe. Het uitgekiende constructieprincipe en de opdeling in bouwmodules leverden een systeem op dat bij uitstek snel monteerbaar en demonteerbaar was en gemakkelijk te vervoeren.
Na de oorlog was de firma ook actiefin het bouwen van noodwoningen voor het Belgische Koning Albert fonds (11), waarna de firma zich opnieuw toelegde op het bouwen van betonnen koeltorens. De firma Hamon is vandaag nog steeds een van de leidinggevende multinationale firma's in deze branche.
Conflict van de firma Hamon met het Belgische Rode Kruis Hoewel deze aanvaring van de firma Hamon met het Belgische Rode Kruis maar een voetnoot was in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, bleken de archiefdocumenten hierover bijzonder
Plan voor een baraktype voor het Belgische Rode Kruis van de firma Harrods Ltd. in Londen {©Rilksarchief Brussel, archief van het Rode Kruis)
P O R T A B L E
H O S P I T A U
J] E
1 •3?
B ^
s^ SECTiOMPiL
EuE.'wATiON
r^
MAftMOO«
IC l_ONOON
il
r ^ c
-
i A/I&L
31
Plan van de Firma Hamon Frères in Parijs (1915) voor een hospitaalbarak voor een nieuw hospitaal van het Rode Kruis (©Rijksarchief Brussel, archief van het Rode Kruisj
De kapel van het hospitaal l'Océan van het Rode Kruis in De Panne, exterieur en interieur (collectie jozef Ameeuw)
32
M&L
belangrijk voor het bouwhistorisch onderzoek van het baraktype Hamon, omdat ze veel geschreven bronnen en plannen bevatten (12). In september 1915 maakte de firma Hamon een offerte op voor het Belgische Rode Kruis, voor een nieuw hospitaal met 1000 bedden in Brussel, op te richten na de oorlog. Men was toen immers nog
optimistisch over het snel beëindigen van deze oorlog. De inrichting bestond uit verschillende modules van 6 lazaretten van 32 x 6 meter gebaseerd op het SSA type barak, met verbindingsgangen geschikt rond een centrale operatiezaal. De plannen werden specifiek aangepast aan de wensen van dokter Antoine Depage. In concreto zijn de barakken hoger en langer (16 traveeën in
Binnenkrant Nr. i86 Bijlage bij M&,L33/5 sept.-okt. 2014
ö
Dankzij deze opbouw komen alle mogelijke aspecten van het
Publicaties
industrieel erfgoed aan bod, roerend (bedrijfsarchieven, museumcollecties, immaterieel erfgoed) en onroerend (gebouwd en landschappelijk). Sommige artikels omvatten enkel een
Ö CU
situering van het onderwerp en missen daardoor concrete voor-
> Lent Thiers
beelden of verdere uitwerking. Als lezer blijf je hier op je honger
Ö
zitten. Een aantal auteurs slaagt er wel in een bondig, maar krachtig verhaal te brengen. Zo verhaalt Paul Smith in Choosing
•I-H
PQ
INDUSTRIAL HERITAGE RE-TOOLED
what to preserve hoe de Direction générale des patrlmoines een inventaris opmaakte van het industrieel erfgoed in Frankrijk als
DOUET J. (ed.), Industrial Heritage Re-tooled.
basis voor hun industrieel-erfgoedbeleid. Een voorbeeld dat
The TICCIH-guide to Industrial Heritage Conservation.
zeker als inspiratie kan dienen voor het erfgoedbeleid in andere
Lancaster, 2012, ISBN 978-1-85936-218-1
landen en regio's zoals Vlaanderen.
Industrial Heritage Re-tooled werd uitgegeven door The Inter-
volstaat het niet om enkel aandacht te besteden aan de archi-
national Committee for the Conservation of Industrial Heritage
tecturale en kunsthistorische erfgoedwaarden. Het industriële
(TICCIH), een organisatie die in 1977 werd opgericht als inter-
proces is even, zo niet waardevoller dan deze 'traditionele' erf-
Bij identificatie, registratie en evaluatie van industrieel erfgoed
nationale koepelorganisatie voor industrieel erfgoed. TICCIH
goedwaarden. Custav Rossnes omschrijft in Process Recording
draagt bij tot het verspreiden en verdiepen van de kennis van
zeer duidelijk op welke wijze een onderzoeker of beheerder van
en het begrip voor industrieel erfgoed. Dit leidde tot de onder-
industrieel erfgoed dit productieproces in kaart kan brengen.
tekening in 2003 van het Nizhny Tog// Charterfor the Industrial
Industrial Heritage Re-Tooled is een interessant boek dat dankzij
Heritage. In 2011 werd een ingekorte versie aangenomen door
het laagdrempelig karakter ook toegankelijk is voor de geïnteres-
ICOMOS, namelijk Principles for the Conservation of Industrial
seerde lezer, die een eerste kennismaking met dit type erfgoed
Heritage Sites, Structures, Areas and Landscapes. Het charter
zoekt. Maar dankzij de vele praktijkvoorbeelden en de diversiteit
definieert industrieel erfgoed en zijn waarden. Er worden aanbe-
aan benaderingen van het industrieel erfgoed (minimale regis-
velingen gedaan voor omgang met Industrieel erfgoed met als
tratie, erfgoedbeleid, ontsluiting) biedt het ook inspiratie aan de
eerste belangrijke stap identificatie, registratie en onderzoek.
erfgoedprofessional met een passie voor industrieel erfgoed.
Er is nood aan een wettelijke bescherming, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van dit type erfgoed. Bij het behoud spelen echter niet enkel de overheden een belangrijke
> Anna Bergmans
rol, maar ook de lokale gemeenschap en vrijwilligersorganisaties. Conservering en herbestemming moeten vertrekken vanuit een grondige kennis van de industriële site en het industrieel
HET ARCHIEF IVO BAKELANTS DIGITAAL
proces dat er heeft plaatsgevonden. Het belang van gespecialiseerde opleidingen voor professionele erfgoedzorgers en de
Ivo Bakelants, De glasschilderkunst in België in de i9 de en
uitbouw van een educatieve werking wordt benadrukt, evenals
20s,e eeuw. Repertorium van A tot Z
de nood aan ontsluiting en presentatie van het industrieel erfgoed voor een breed publiek.
Digitale uitgave van de inventaris Ivo Bakelants, Christina Ceulemans, Brussel, 2014, ISBN 978-2-930054-22-3
Met Industrial Heritage Re-tooled wil TICCIH de principes van het Nizhny Tagil Charter for the Industrial Heritage onder de
Voor de studie van de glasschilderkunst in België kwam in juli
aandacht brengen bij een breder publiek.
2014 een belangrijk werkinstrument ter beschikking, namelijk de
Hiervoor doet de organisatie beroep
digitale uitgave van het levenswerk van Ivo Bakelants door het
op 33 auteurs, onder de eindredactie van
Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.
James Douet.
Ivo Bakelants ("1934), glazenier en bekend figuur in het Ant-
Het boek start bij de betekenis en waarden
werpse culturele leven, werkte van 1967 tot 2007 aan zijn inven-
van het industrieel erfgoed (deel I), geeft
taris van de 19de en 20ste-eeuwse glasschilderkunst in België.
richtlijnen voor het onderzoek naar indus-
In een periode dat hiervoor nog weinig aandacht bestond,
triële sites (deel II) en voor de omgang
startte hij een grootscheeps project en verwerkte hij alle moge-
met dit erfgoed nu en in de toekomst (deel
lijke documentatie op een fiche, zoals toen gebruikelijk was.
III), om te eindigen met een pleidooi voor
Door systematisch de beschikbare gepubliceerde bronnen te
ontsluiting (deel IV) en integratie van indus-
excerperen, met een doorgedreven wil om ook andere gege-
trieel erfgoed in het onderwijs (deel V). Tot
vens te weten te komen via interviews, door archiefonderzoek
slot wordt de werking van TICCIH toegelicht
en door plaatsbezoeken af te leggen, bracht Ivo Bakelants een
(deel VI) en is de tekst van het Nizhny Tagil
documentatie samen van grote waarde. In totaal maakte de
Charter integraal opgenomen.
auteur 6000 fiches.
Beschermingen Ö > Veerle De Houwer
QJ
c
BESCHERMING VAN 6 TEUTENWONINCEN IN SINT-HUIBRECHTS-LILLE Op 10 juli 2014 ondertekende minister Geert Bourgeois de definitieve bescherming van 6 teutenwoningen in het Limburgse dorpje Sint-Huibrechts-Lille (Neerpelt). Het centrum van het
Glazenier Ivo Bakelants (1986)
Abstracte compositie, glas-in-loodraam, 1980, Ivo Bakelants (© KIK-IRPA Brussel)
dorp werd beschermd als dorpsgezicht. Teuten en teutenhandel De teutenhandel, een vorm van sterk georganiseerde grens-
Zelf gaf hij op basis van dit materiaal drie boekdelen uit.
overschrijdende leurhandel, bepaalde en beïnvloedde het eco-
Deel 1 (letter A) in 1983 en 1986, deel 2 (letter B) in 1986 en deel
nomisch bestaan van Noord-Limburg en van een stukje van
3 (letter C) in 1992. De alfabetische indeling had zowel betrek-
Noord-Brabant (NI) gedurende meer dan drie eeuwen. Tot de
king op de geografie, de namen van de gemeenten dus, als op
bekendste Belgische teutendorpen behoren Lommel, Hamont-
de namen van de glaskunstenaars. Deel 3 werd uitgegeven in
Achel, Kaulille, Bocholt, Overpelt, Neerpelt, Hechtel-Eksel en
eigen beheer. Om gezondheidsredenen kon Ivo Bakelants zijn
Sint-Huibrechts-Lille.
werk niet voltooien.
De begrippen 'teut' of'buitengaander' ontstaan in de late 17de
Het Corpus Vitrearum België uitte meermaals zijn bezorgdheid
eeuw, de periode waarin deze manier van handeldrijven ook
over het verder bestaan van het omvangrijke archief van Ivo
zijn vaste vorm krijgt. Teuten brachten een heel uiteenlopende
Bakelants en kon bij zijn echtgenote Antonia Cools bewerken
waaier qua handelswaren of diensten aan de man. Koperteuten,
dat alle documenten tijdelijk werden overgebracht naar het
textielteuten, haarteuten (pruiken), gleisteuten (aardewerk) en
Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Daar werden
echelteuten (bloedzuigers) waren slechts enkele specialisaties
de handgeschreven fiches gedigitaliseerd. Er werd geopteerd om
die in grotere of kleinere getale voorkwamen.
geen enkele wijziging, toevoeging of correctie op defichesaan
Sint-Huibrechts-Lille wordt, omwille van het grote aantal wel-
te brengen. In de originele vorm gescand zijn ze nu raadpleeg-
stellende teutenfamilies, wel eens als het 'eldorado van de teu-
baar en verrijkt met registers in Bakelants eigen categorieën:
terij' bestempeld. De families Ceelen, Kerkhofs, Klok, Linders,
bewaarde glasramen, verdwenen glasramen en personen of
Reyners, Van de Weijer en Dries zijn er de voornaamste teuten-
ateliers die het ontwerp maakten of de glasramen realiseerden.
families - waarbij men niet uit het oog mag verliezen dat zij zich
Bekommerd om de intellectuele eigendom van het werk blij-
door huwelijksbanden associeerden met andere belangrijke teu-
vend met de naam van Ivo Bakelants te verbinden werd het zo
tenfamilies uit omliggende gemeenten, zoals de families Spaas
ontstane Repertorium van de glasschilderkunst in België in de 79*
en Keunen uit Hamont. Uit de kadastrale leggers kan men aflei-
en 20s" eeuw in digitale vorm wettelijk gedeponeerd. Isabelle Lecocq en Emma Anquinet verrichten met deze uitgave een reusachtig en nuttig werk dat nu ontsloten is voor alle toekomstig onderzoek en online te raadplegen op www.kikirpa.be.
Het atelier Bakelants, Manebruggestraat, Deurne (Antwerpen)
Kerkhof in het beschermde dorpsgezicht van Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
• I—I
PQ
• i—i
den dat de teutenfamilies zeer veel gronden en eigendommen
het naar Bokrijk verplaatste teutenhuis Bogaerts uit Eksel. Uit
bezaten in de gemeente.
onderzoek van de heemkundige kring van Sint-Huibrechts-Lille
De teuten uit Sint-Huibrechts-Lille trokken vooral naar Neder-
over de evolutie van de bebouwing blijkt dat in deze gemeente
land, onder meer naar Hekelingen, Piershil, Zoetermeer,
een aantal van deze langgevelvolumes in de loop van de 19de
Klaaswaal en Uithoorn - afstanden tot toch rond de 150 km van
eeuw deels herbouwd werden, waarbij i deel, vaak dat aan
Lille - en ook naar Duitsland en Frankrijk. Om de band met hun
straatzijde, evolueerde tot een statige burgerwoning, over het
streek en hun klanten niet te verliezen, gingen de teuten er een-
algemeen van het dubbelhuistype. Andere burgerwoningen van
of tweemaal per jaar naar toe en trokken er dan lange tijd rond.
de teuten werden dan weer in één beweging opgetrokken in de
Tussen Sinterklaas en Kerstmis keerden zij naar huis terug,
tweede helft van de 19de eeuw.
om er de donkere wintermaanden door te brengen. In de loop
Over de architectuurstijl, vooral dan met betrekking tot de
van de 19de eeuw zijn er verschillende tellingen van de teuten
i9de-eeuwse burgerwoningen onder de teutenwoningen, wordt
gebeurd, bij volkstellingen en op basis van de uitgereikte pas-
algemeen gezegd dat die getuigt van de invloeden en indrukken
poorten voor de teutengemeenten. Vaak wordt verwezen naar
die de teuten opdeden tijdens hun buitenlandse reizen, met
de publicatie De Teuten van Jules Melchior uit 1915. Hij vermeldt
name naar Nederland. Het is een baksteenarchitectuur, met
voor Lille rond het midden van de ngde eeuw 75 teuten, wat
rijke (stucwerk)versieringen in de gevel. Het is de verdienste
erg veel is, na Lommei in feite het meeste voor de noordelijk
van de thesis van Ann Cornelissen (2008) om een eerste poging
Limburgse teutenregio in Vlaanderen. Dit cijfer wordt in latere
te doen om deze invloeden te duiden. Zij maakt de vergelijking
publicaties wel in vraag gesteld en op basis van de verschillende
met panden op het Noordereiland in Rotterdam en enkele bur-
tellingen teruggebracht tot de helft. Begin 20ste eeuw is het
gerhuizen in Epe, allicht zijn nog meer vergelijkingspunten te
aantal teruggevallen tot tussen de 5 en de 10 teuten.
vinden. Vermeldenswaardig is verder dat het gemiddelde kadastrale
Belang van de teutenhandel
inkomen van de woonhuizen in de teutendorpen tussen 1842 en
De teutenhandel, al geregistreerd in 15de eeuw, bloeide van de
1844 als enige in de teutenregio en wijdere omgeving (de stad
18de eeuw tot het begin van de 19de eeuw. Het belang van de
Peer uitgezonderd) uitsteeg boven het provinciale gemiddelde.
teutenhandel is niet eenvoudig te duiden. Volgens jozef Mertens
Dat duidt er op dat de bebouwing er waarschijnlijk rijker, beter
is de teutenhandel één van de weinige Europese ambulante
uitgerust en omvangrijker was dan in de omliggende regio. Een
handelsfenomenen die teruggaan tot de 15de eeuw. Hoewel de
positieve beoordeling van de teutenarchitectuur is te vinden in
impact van de teutenhandel op de welvaart van de streek zeker
de aantekeningen (vertaalde versie) van de baron Prosper de
niet onderschat mag worden, hoeden alle auteurs zich ervoor
Haulleville, hoofdredacteur van LeJournal de Bruxelles, die de
om de teuten als een soort 'heersende klasse' aan te duiden.
Kempen in 1888 bezocht: "De dorpen waarde teuten verblijven,
Er waren zeker teutenfamilies die grote rijkdom verwierven,
hebben het uiterlijke van veel welstand. Ze bouwen er allen stevige
veel eigendommen vergaarden en een aanzienlijk handelsim-
en schone woningen. In de kantons Achel en Peer zijn een getal
perium wisten uit te bouwen, anderzijds bleef de 'teuterij' voor
rijke, zelfs zeer rijke families van teuten... Ik heb huizen van teuten
veel anderen een aanvullende bron van inkomsten, broodnodig
gezien: sapristi, ik zou er tevreden mee zijn!"
om het hoofd boven water te houden. Hoewel het begin van de Eerste Wereldoorlog, op een enkele uitzondering na, als het
Voor wat het kanton Neerpelt betreft werd, tot slot, in de inlei-
echte einde van de ambulante teutenhandel wordt beschouwd,
ding van de inventaris van het bouwkundig erfgoed voor dit
namen de activiteiten al vroeger af en veranderde het karakter
gebied uit 2005, volgende conclusie geformuleerd voor wat de
van de teutenhandel gaandeweg, waardoor het verschil met
burgerlijke architectuur betreft:
gewone handel minder uitgesproken werd of wegviel. De teuten
"Eerst in de tweede helft van de igde eeuw sluit de burgerlijke
settelden zich in de dorpen van herkomst en zijn daar, zo wordt
architectuur aan bij de internationale stijlstromingen, met hun
aangenomen, verantwoordelijk voor de opstart van kleine lokale
historicisme, neostijlen en eclectisch vocabularium. Men dient er
nijverheden. Het is in deze periode, waarin de 'echte' teutenhan-
zich echter rekenschap van te geven dat het kanton Neerpelt een
del uitdooft en waarin het karakter ervan niet meer zo eenduidig
overwegend landelijk gebied uitmaakt, waar de diverse bouwstijlen
is, dat de teuten hun eerste stenen woningen bouwden.
met een begrijpelijke vertraging werden ingevoerd, elke hang naar
De architectuur van de teutenwoningen
gevels verdwenen.
decoratie uit de toon viel en de natuurstenen componenten uit de Als teutenwoningen worden over het algemeen de woningen
Grote uitzondering op deze regel vormen de teutenhuizen, wat
beschouwd die werden gebouwd door teutenfamilies en/of
de burgerlijke architectuur betreft ronduit de meest streekeigen
die gedurende lange tijd bewoond werden door teuten. In de
categorie woningen. Met hun overdadige eclectische bepleistering,
literatuur wordt algemeen gesteld dat de teuten aanvankelijk
veelal met overwegend neoclassicistische inslag, gecombineerd met
typische Kempische langgevelboerderijen bewoonden, die
een vaak symmetrische ordonnantie, getuigen ze niet alleen van de
vaak al wel rijker waren uitgewerkt dan andere panden. Bij een
groeiende rijkdom die de buitengaanders door hun handel in het
aantal bewaarde woningen van dit type vinden we bijvoorbeeld
buitenland wisten te vergaren, maar ook van een soms Hollandse
een gelijkaardige, indrukwekkende pronkgevel terug, zoals bij
stilistische Invloedssfeer in dit grensgebied."
BESCHERMDE TEUTENWONINCEN IN SINT-HUIBRECHTS-LILLE
Het verzorgd uitgewerkte en goed bewaarde exterieur, met in het bijzonder de typerende van Nederlandse stilistische invloe-
Algemeen
den getuigende stucwerkdetails in combinatie met baksteen-
Teutenwoningen behoorden tot de top van wat op het vlak van
bouw in de voorgevel, geven aan dit pand een gedistingeerde
de igde-eeuwse burgerlijke bouwkunst in Noordelijk Limburg
grandeur, opvallend binnen de dorpskern maar zeker ook ruimer
werd gerealiseerd, getuige zowel eigentijdse als hedendaagse
opmerkelijk te noemen. Dit maakt de woning bij uitstek tot een
evaluaties. Ze bepaalden lange tijd het uitzicht van de regio. Sint-
voorbeeld van de architecturale realisaties waarmee de welstel-
Huibrechts-Lille, door het grote aantal woningen van welstel-
lende, zich settelende teuten in de loop van de 19de eeuw hun
lende teuten als het 'eldorado van de teuterij' bestempeld, neemt
dorpen van herkomst verrijkten.
daarenboven binnen de streek een uitzonderlijke positie in. De burgerwoningen die de teuten in de 19de eeuw bouwden,
Dorpsstraat 5
vormen de laatste belangwekkende materiële neerslag van de
Op het primitief kadasterplan van Sint-Huibrechts-Lille uit 1826
opbrengsten van de succesvolle teutenhandel, die gedurende
is op het perceel 331, basisperceel waar de woning Dorpsstraat
meer dan drie eeuwen het economisch bestaan van Noord-
5 op gebouwd is, al een langgestrekt gebouw aanwezig, dat in
Limburg beïnvloedde.
1876 toebehoort aan Jacobus Henricus Reyners. Na verdeling
Ze illustreren twee voor de regio belangrijke sociaal culturele/
gaat het dat jaar over in handen van Mathys Joannes Ceelen-
economische fenomenen: enerzijds de welstand die door de
Reyners, die het in 1887 schenkt aan zijn zonen Jan Joseph Cee-
teuten teruggebracht werd naar hun dorpen van herkomst,
len-Wilsens en Jacobus Henricus Maria Ceelen-Keunen. Na een
anderzijds de sociale opgang van de teutenfamilies zelf.
aantal uitbreidingen en wijzigingen geeft het kadaster in 1891 een demolition partielk en in 1894 een reconstruction totale aan.
Dorpsstraat 1
In 1897 wordt het pand in 2 delen opgesplitst: op perceel 33ig
De woning aan de Dorpsstraat nr. 1 werd opgericht en lange tijd
het huis (nu het sterk gerenoveerde nummer 5A) en op perceel
bewoond door leden van de welstellende teutenfamilie Ceelen.
33ih het magazijn (nu nummer 5). We merken op het kadas-
Bouwheer Mathys Ceelen en zijn zoon Jan-Josephus, die het
terplan een lichte verbreding van de grondvorm. Waarschijnlijk
pand later in eigendom had en bewoonde, waren bovendien
krijgt het pand dan zijn huidige vorm. Er bleven een aantal post-
burgemeesters van Sint-Huibrechts-Lille en behoorden tot de
kaarten en ook een oude luchtfoto bewaard, waarop het huis te
notabelen van het dorp. Jan-Josephus was daarnaast lid van de
zien is. Op de oudste daarvan, daterend rond 1905, is de woning
bestendige deputatie van Limburg.
te zien zoals ze ook vandaag de dag nog bestaat.
Over het teutenverleden van de familie Ceelen is iets meer
Vanaf 1911 worden de weduwe Ceelen-Keunen en haar kinderen
geweten. Ze maakten deel uit van de teutencompagnie Ceelen-
als eigenaar vermeld. Zowel de families Ceelen als Keunen zijn
Lenders (later Witters-Bierkens), die alvast op het einde van
bekende teutenfamilies in Lille. Het sobere maar verzorgd uit-
de 18de eeuw handel dreef in Oud Beyerland (Zuid Holland)
gewerkte en goed bewaarde exterieur, met verfijnde ornamenten
met een winkel/magazijn in Piershil. Het rijksarchief in Has-
als de geprofileerde beschilderde houten kroonlijst op sierlijke
selt bewaart zes registers met een neerslag van een deel van de
consoles, voorzien van voluten en acanthusbladeren, met eron-
activiteiten van deze compagnie tussen 1784 en 1805, waaron-
der een fries met radmotieven in combinatie met baksteenbouw
der één volume uit 1792 dat toebehoorde aan matthijs Selen St
in de voorgevel, geven aan dit pand een voorname uitstraling.
hubertus lill. Uit genealogisch onderzoek is bekend dat Mathys
Ook de bewaarde voortuin met ijzeren hekwerk en het bakste-
Ceelen, oorspronkelijk afkomstig uit Kleine Brogel, in 1774 in
nen dienstgebouwde met sierlijk geprofileerde houten kroon-
Sint-Huibrechts-Lille huwde met Joanna Leen. Uit dit huwelijk werd Joannes Ceelen geboren, koopman en vader van Mathys
lijsten en gecementeerde hoogvelden, voorzien van geschilderd rankwerk dragen hiertoe bij.
Jan Ceelen-Reyners, bouwheer van dit pand.
Dorpsstraat 1 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
Dorpsstraat 5 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
Antoon Hendrik Theodoor Spaas, die het pand in i960 aan de gemeente schonk om dienst te doen als gemeentehuis. Het exterieur van de woning Linders-Kerckhofs is rijk versierd met natuurstenen ornamenten. De voorgevel wordt gemarkeerd door hoeklisenen en een middenrisaliet met horizontale accentuering door de gekorniste pullijst, waarboven paneelwerk (versierd met wolvenkoppen op de hoeklisenen, diamantkoppen, rozetten en gestileerd bladwerk) en een centrale balustrade. De tweede bouwlaag heeft doorlopende lekdrempels een gelede architraaf en gelijkaardige panelenfries met centrale leeuwenkop en twee flankerende vrouwenhoofden, waarboven de geprofi-
Dorpsstraat 18 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
leerde omlopende houten kroonlijst op sierlijke, centraal gekop-
Dorpsstraat 18
het middenrisaliet en de hoeken afgewisseld met een soort
De woning werd in de tweede helft van de 19de eeuw opgetrok-
bolversiering. De getoogde vensters zijn gevat in omlijstingen
ken en bewoond door Maria Catharina Lucia Kerckhofs, een
met vlakke aanzetstenen en floraal versierde sluitsteen, boven
pelde consoles met voluut, acanthusbladeren en bladwerk, bij
ongehuwde dochter uit een teutenfamilie. Ze bouwde het huis samen met haar broer, Josephus Hubertus Kerkckhofs, die als teut actief was in de regio rond Uithoorn. De vermogens van de teutenfamilies waren zodanig dat ze zelfs voor familieleden
rustend op consoles met voluut, parellijst en florale versiering. De verdiepte getoogde deur heeft bewaard hout- en traliewerk, het portiek heeft een met diamantkopsluitsteen, binnenin versierd met panelen, rozetten en diamantkoppen.
die 'zonder beroep' waren, als Maria Catharina Lucia Kerckhofs, toch een bijzonder fraaie woning konden laten optrekken.
Dorpsstraat 36
De rijke bepleisterde versiering bestaande uit boekbanden, doorlopende lekdrempels, omlijstingen van muuropeningen en aflijnend fries, alsook de traditionele muizentand, de afsluitende kroonlijst op sierlijke consoles en de verticale ritmering door hoeklisenen en middenrisaliet met fraaie trapgevelvormige bekroning typeren deze teutenwoning. Het originele houtwerk van de deur, versierd met rozetten, acanthussen en bladwerk, zorgt voor een meerwaarde. Dorpsstraat 30 De woning gaat terug op een oudere, langgestrekte teutenwoning, die in 1750 werd opgericht door Jacob Kerckof en Maria Elisabeth Claes. De woning blijft in handen van de familie Kerckhofs tot 1919. Het huidige pand werd gebouwd door het echtpaar
Dorpsstraat 36 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
Henrica Joanna Kerckhofs en Theodorus Lambertus Einders, koopman uit Sint-Huibrechts-Lille. Theodoor Einders of Gouden
De woning werd in de tweede helft van de 19de eeuw opge-
Deuriee was als teut actiefin de regio rond Uithoorn. Later kwam
trokken door het teutenechtpaar Kerckhofs-Tielen en kwam
de woning door vererving in handen van burgemeester Jozef
later in handen van Jozef A.H.T. Spaas, telg uit een bekend teutengeslacht. Ook het pand aan de Dorpsstraat 36 heeft de rijke en verzorgde stucwerkdetails in het exterieur, met onder
Dorpsstraat 30 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed)
meer paneelwerk, consoles en rozetten. De hoeklisenen en het middenrisaliet verlenen het pand een klassieke ordonnantie en monumentale uitstraling. Ook de inplanting met de verzorgde voortuin draagt hiertoe bij. Kanaalstraat 24 De meesterwoning Van den Akker-Klok, een realisatie van de Antwerpse architect De Coster-Fierens met interieurdecoratie door Pierre-Jacques Cilis en van meet af aan voorzien van alle moderne comfort, is met haar fraai uitgewerkte eclectische vormgeving en somptueus gedecoreerde interieur een uitzonderlijke uiting van eerder stedelijke bouwkunst in het landelijke Limburg. Bouwheer Piet Van den Akker was een succesvol en
Het Ulier Heem, verschillende nummers uit verschillende jaargangen.
Kanaalstraat 24 in Sint-Huibrechts-Lille (© Onroerend Erfgoed) ondernemend houthandelaar uit Nederland, die introuwde in de vooraanstaande lokale teutenfamilie Klok. De rijkelijke zandstenen versiering van deze bakstenen villa, de dubbelhuisopstand, het middenrisaliet met puntgevelvormige
Het teutendorp Sint-Huibrechts-Lille, brochure, Heemkundige Kring Sint-Huibrechts-Lille, 2007. CORNELISSEN A., Typologie van Teutenhuizen, onuitgegeven scriptie. Provinciale Hogeschool Limburg, Departement Architectuuren Beeldende Kunst, 2007-2008. PAUWELS D., beschermingsdossier uit 2008, met herwerking in 2011, Vlaamse Overheid, Ruimte en Erfgoed. http://www.hamontachel.com/hacipedia.php http://www.heemkunde-limburg.be/teuten.htm http://www.teuten.eu/ https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe Kadasterarchief Hasselt Informatie en documentatie verkregen via de heer Frangois Joosten, voorzitter van de Heemkundige Kring SintHuibrechts-Lille
bekroning, de erker met bekronend balkon, de decoraties in dambordpatroon en de monumentale dakpartij met belvedère verlenen de woning een majestueuze uitstraling. De originele interieurelementen bestaan onder meer uit behouden schouwen, binnendeuren, stucplafonds, een bordestrap, een neorococo stucplafond in het rooksalon, een houtimitatieschildering en stillevens op het plafond in de eetkamer, muurschilderingen en een beschilderd neorococo stucplafond in de winterkamer.
Congres
Dorpsgezicht centrum Het als dorpsgezicht voorgestelde gebied is het enige aaneengesloten geheel binnen de gemeente waar het oorspronkelijke
> Anna Bergmans
karakter van het teutendorp nog goed waarneembaar is. Het dorpsgezicht biedt binnen een beperkt gebied een staalkaart van verschillende facetten van de teutenhandel in SintHuibrechts-Lille, in de nadagen van dit fenomeen vanaf de tweede helft van de 19de eeuw. Het omvat twee voor Vlaanderen zeldzame en representatieve burgerwoningen, gebouwd en
"WORD AND IMACE" 27TH COLLOQUIUM OF THE INTERNATIONAL CORPUS VITREARUM (YORK, 7-ii JULI 2014)
bewoond door vooraanstaande teutenfamilies uit het dorp, één voormalige wasblekerij, als illustratie van de industriële activitei-
Het Corpus Vitrearum Medii Aevi organiseert om de twee jaar
ten die in de periode dat de teutenhandel uitdoofde door deze
een kunsthistorisch colloquium. Deze internationale organisatie
bevolkingsgroep in de eigen regio werden opgestart, de paro-
werd opgericht na de Tweede Wereldoorlog voor de inventarisa-
chiekerk, waarvan het kunstbezit eveneens door vooraanstaande
tie en de studie van de glasschilderkunst. Aanvankelijk chrono-
teutenfamilies werd gefinancierd en tot slot het kerkhof, laatste
logisch afgebakend tot 1480 werd die tijdsgrens langzaam maar
rustplaats van de igde-eeuwse Lilse teuten.
zeker verlegd naar 1800. Tijdens het vorige symposium in Wenen (2012) werd uiteindelijk beslist de werkzaamheden van het CV in
Bronnen: - MERTENS J., Kempens kramenvolk in Nederlandse en Rijnlandse gewesten tijdens de 17de eeuw: bouwstoffen tot de geschiedenis van de teutenhandel, Vereniging voor Lokale en Regionale Geschiedschrijving, 1985. - MERTENS )., Handel en wandel van de Teuten in Duitse Gewesten: Studie Van de migratie Van "Brabanders" en "Luikenaars" tijdens de löde-igc/e eeuw. Museum Kempenland, 1995. - MERTENS )., Onder invloed van Jan Frans Willems en Pieter Ecrevisse: igde-eeuwse mythevorming rond taal, herkomst, handel en wandel van de Kempense teuten. Erfgoed Lommei, 2010. - STALMANS L. en JOOSTEN F., De Kompen en zijn bewoners, Heemkundige Kring Sint-Huibrechts-Lille, 1983. - PAUWELS D., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen igN2, Turnhout, 2005.
de toekomst uit te breiden tot de periode i9de-20ste eeuw. Na de opening van het congres stelden de voorzitters van de nationale comités van de deelnemende landen hun activiteiten voor van de laatste twee jaren. In hoofdzaak gaat het hier om inventarissen van monumentaal historisch glas. Ook wordt aandacht besteed aan belangrijke onderzoeksprojecten onder meer in de vorm van universitaire proefschriften. Voor België werd de digitale publicatie van het werk van Ivo Bakelants aangekondigd, die diezelfde dag online ter beschikking kwam op de website van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (www.kikirpa.be). Deze publicatie wordt elders in deze binnen-
JH
fl OJ
fl fl •i-H
PQ
krant besproken. Daarnaast is er het aankomende derde deel
Plaatsbezoeken York
in de nieuwe reeks Checklists over de glasmedaillons door Kees
Tijdens plaatsbezoeken in York werd uitvoerige aandacht
Berserick en Joost Caen (provincies Brabant en Limburg).
besteed aan de middeleeuwse glasramen in de kerkgebouwen: de Minster (kathedraal). All Saints, Holy Trinity, St Martin-le-
Ö Ö •i-H
PQ
Onder het thema Word and Image verliep de 27ste bijeenkomst
Crand, Sint-Martin-cum-Cregory, St Michael-le-Belfrey. Met haar
in York van 7-11 juli 2014. De lezingen hadden plaats in het
128 glasramen bezit de kathedraal de grootste collectie middel-
Yorkshire Museum gelegen in de fraaie Yorkshire Museums Gar-
eeuws gebrandschilderd glas in situ, in het Verenigd Koninkrijk.
dens aan de oevers van de Ouse rivier en in 1830 gebouwd op
Het belangrijke monumentale oostelijk koorraam van circa
de ruïnes van de beroemde benedictijner St Mary's Abbey. Voor
1408 is gewijd aan de Apocalyps en momenteel gedemonteerd
vergaderingen en nevenactiviteiten werd er onderkomen gevon-
voor restauratie. Een aantrekkelijke educatieve tentoonstelling
den in de voormalige verblijfplaats van de abt, thans gekend
hierover met reeds gerestaureerde panelen stond opgesteld op
als the King's Manor, en in het gastenverblijf van de abdij, het
verschillende plaatsen in het koor. In opdracht van de bisschop
Hospitium.
van Durham werd het gebrandschilderde raam van de Apocalyps gemaakt in het atelier van de glasschilder John Thornton
Lezingen
in Coventry. Archivalia hieromtrent zijn bewaard.
De relatie tussen tekst en beeld werd aangetoond, verklaard of in vraag gesteld in 18 lezingen uit verschillende landen. Letters,
Excursie
woorden en teksten komen voor in boeken, op cartouches, op
Een excursiedag in Yorkshire vervolledigde het programma.
tekstbanderollen of vrij in de ruimte; in het Latijn en in de volks-
De laatgotische parochiekerk van St Michael and Our Lady
taal, in proza en in rijm. Opschriften kunnen de opdrachtgevers
in Wragby is getuige van de igde-eeuwse praktijk van herge-
identificeren of een boodschap verwoorden. Bijbelse citaten,
bruik van oud gebrandschilderd glas. Vanaf 1820 werd de kerk
herdenkingen, legenden, hagiografische, historische, cateche-
opnieuw beglaasd met vroeg i6de-eeuws tot midden 18de-
tische of literaire teksten illustreren de beeldvoorstellingen. De
eeuws Zwitsers glas dat daar toen op grote schaal in onbruik
communicatieve betekenis ligt soms voor de hand maar is zeker
raakte en werd verkocht. Deze landelijke kerk bevat zo de groot-
niet altijd duidelijk en vraagt dan een diepgaande studie indien
ste collectie buiten Zwitserland. Het werd in hoofdzaak op het
er al een antwoord geformuleerd kan worden. Voorbeelden zijn
vasteland aangekocht maar ook op een veiling in Edinburgh.
bekend waar absoluut geen betekenis aan de letters of woorden
Een onderzoeksproject van het Britse en het Zwitserse comité
kan worden verbonden. Vele inscripties zijn volledig onleesbaar
naar deze merkwaardige verzameling is opgestart.
op grotere hoogte in kerkgebouwen vandaar dat ook naar een
Twee kerkgebouwen van William Surges (1827-1882), de Church
dieper liggende, apotropaeïsche betekenis wordt gezocht. Met
of St Mary in Studley Royal en Christ the Consoler in het nabije
talrijke casussen als voorbeeld illustreerden de lezingen de
Skelton-on-Ure, werden door de familie gebouwd ter nagedach-
diversiteit en de complexiteit van het thema.
tenis aan Frederick Grantham Vyner of Newby Hall, tijdens zijn
Detail van het Apocalypsraam, circa 1408, kathedraal van York (foto A. Bergmans)
Detail van het Apocalypsraam, circa 1408, kathedraal van York (foto A. Bergmans)
reis in Griekenland vermoord in 1870. De eerste kerk, somptu-
Mamix Fitters
eus versierd met rijke materialen, kleur en ornament, gepolychromeerd beeldhouwwerk, schitterende keramische vloeren en gebrandschilderde ramen maakt deel uit van de Fountains Abbey Werelderfgoedsite. Het is een van de meest vooraan-
SAFEGUARDING THE WORLD'S UNDERWATER CULTURAL HERITAGE
staande Victoriaanse kerkinterieurs in het Verenigd Koninkrijk.
QJ
De tweede, een wat soberder parochiekerk heeft zoals St Mary
Van 26 tot 28 juni 2014 ging in Brugge een wetenschappelijke
glasramen ontworpen door William Burges en uitgevoerd door
conferentie en herdenkingsplechtigheid door naar aanleiding
Saunders & Co. Beide kerkgebouwen zijn als totaalontwerp
van honderd jaar WOl. UNESCO organiseerde op vraag en
geconcipieerd en integraal in goede toestand bewaard gebleven.
Ö
met de steun van de Vlaamse Regering een internationale wetenschappelijke conferentie over het onderwatererfgoed van
Werkgroep 19de eeuw
Wereldoorlog I en een aan de conferentie gekoppelde herden-
In de marge van het congres had de stichtingsvergadering
kingsplechtigheid voor de slachtoffers op zee van deze oorlog.
plaats van de werkgroep die zich zal buigen over het opne-
UNESCO kon hiervoor ook rekenen op de steun van de stad
men van de glasschilderkunst na 1800 in de inventarissen
Brugge, de gouverneur en de provincie van West-Vlaanderen,
van het Corpus Vitrearum. Het Belgisch Comité werd hierin
het Vlaams Instituut voor de zee (VLIZ), het departement
vertegenwoordigd door ondergetekende. De opening van het
Vlaanderen Internationaal, het agentschap Onroerend Erfgoed
wereldwijde onderzoek naar de recentere glasschilderkunst zal
en het UNESCO Platform Vlaanderen. 150 deelnemers uit 36
een lang proces zijn. Er dienen immers gemeenschappelijke
landen debatteerden gedurende twee dagen over het onder-
standaarden ontwikkeld voor inventarisatie en publicatie. Een
watererfgoed van de Eerste Wereldoorlog. Het eigenlijke debat
digitale publicatie wordt overwogen. Het formuleren van nieuwe
greep plaats op 27 juni in de namiddag nadat een rist boeiende
richtlijnen zal binnen de werkgroep gebeuren en nadien voor-
plenaire lezingen in de sessies ervoor stof tot discussie had-
gelegd worden ter goedkeuring aan de Algemene Vergadering.
den aangereikt. Na een schets van de algemene situatie en het
Bedoeling is dat dit binnen twee jaar gebeurt ter gelegenheid
historische belang van dit bijzonder kwetsbaar erfgoed werd bij
van het komende colloquium In Troyes 2016.
de plenaire lezingen ingezoomd op de volgende thema's: de
Detail van het Apocalypsraam, circa 1408, kathedraal van York (foto A. Bergmans)
conservatie en andere vormen van operationele bescherming,
bedreigingen, de mogelijkheden van wettelijke bescherming, de publieke functie en een begin van een wereldwijde inventarisatie. In dit laatste deel bracht Sven Van Haelst namens een Vlaams collectief van onderzoekers een overzicht van het
Duiker inspecteert de commandotoren van een duikboot uit WOI van het UB III type die zich bevindt op de Fairy Bank (foto D. Decroos)
Ö Ö PQ
Ö Ö • l—l
PQ IO
onderwatererfgoed daterend uit WOI aanwezig in ons deel van
in de Westhoek. Na de ganzenpoot in Nieuwpoort werden twee
de Noordzee. Onze wateren herbergen namelijk een aantal
sites bezocht uit de selectie die Vlaanderen voordraagt voor het
uitzonderlijk goed bewaarde duikbootwrakken van WOI die op
WOl-werelderfgoed dossier: de Duitse militaire begraafplaats in
hun missies vertrokken vanuit de duikboothaven gelegen aan
Vladslo met het Treurende Ouderpaar van Kathe Kollwitz en de
het einde van het Boudewijnkanaal nabij het stadscentrum van
Menenpoort te leper.
Brugge. De rol van deze duikboothaven is tot op heden onder-
De lezingen van de wetenschappelijke conferentie zullen door
belicht gebleven in het onderzoek naar WOI. In dit deel van het
UNESCO gepubliceerd worden en via hun website verspreid
programma tot slot bracht Cuido Demerre ook een boeiende
worden. Met deze conferentie heeft Vlaanderen een waardig
toelichting over de Canzenpoot te Nieuwpoort, een complex
startschot gegeven om dit deel van het WOl-erfgoed extra onder
dat een sleutelrol vervulde in WOI en eigenlijk een maritiem
de aandacht te brengen gedurende de komende herdenkings-
karakter heeft waardoor het goed in het programma paste. Alvo-
periode. Vervolgconferenties zijn gepland in Turkije (2015) en
rens tot het eigenlijke debat over te gaan werden nog een aantal
Denemarken (2016) om respectievelijk het erfgoed van Callipoli
lopende initiatieven en programma's met betrekking tot het
en van de slag van Jutland extra onder de aandacht te brengen
onderwatererfgoed van WOI voorgesteld. In deze sessie bracht
van de internationale gemeenschap. Het is tot slot voorzien dat
Luc Vandael een gesmaakte presentatie van het WOl-dossier
deze cyclus wordt afgesloten met een evenement op de hoofd-
dat Vlaanderen samen met Wallonië en Frankrijk voorbereidt in
zetel van UNESCO te Parijs in 2018.
de hoop het in de lopende herdenkingsperiode (2014-2018) te kunnen laten inschrijven op de lijst van het UNESCO-werelderfgoed.
> Maarten Van Dijck
Voor het debat zelf werden 7 thema's geselecteerd (wettelijke bescherming, operationele bescherming, in kaart brengen, conservatie, publieke bewustwording, ontsluiting zowel museaal, in situ als virtueel en niet onbelangrijk financiering) die behan-
EEN KIJKJE OVER DE TAALGRENS: STUDIEDAG OVER HET ERFGOED VAN DE ZWARE INDUSTRIE IN WALLONIË
deld werden in 7 wisselende werkgroepjes zodat iedereen bij minstens drie thema's zijn of haar gewenste inbreng kon doen.
Op 6 juni 2014 ging in de buurt van Namen een studiedag door
Na de debatronde werden plenair aanbevelingen gedistilleerd
over de toekomst van het erfgoed van de zware industrie in
uit de conclusies van de verslagen van de werkgroepjes. Deze
Wallonië onder de titel: "Que garderdu patrimoine de l'industrie
aanbevelingen richten zich vooral naar de betrokken overheden
lourde du 20e siècle?". De studiedag werd georganiseerd door de
en de lidstaten van de conventie voor de bescherming van het
organisatie Patrimoine Industriel Wallonle-Bruxelles (PIWB), een
cultureel erfgoed onder water maar ook naar de wetenschap-
vzw die in 1984 werd opgericht om het industrieel erfgoed te
pelijke wereld en naar iedereen die belangstelling heeft voor dit
promoten. De studiedag werd ondersteund door het Instltut du
erfgoed. Deze aanbevelingen en andere informatie over deze
Patrimoine Wallon (\PWj.
wetenschappelijke conferentie en de herdenkingsplechtigheid
In een eerste presentatie lichtte Pierre Paquet, de inspecteur-
zijn te vinden op de website van UNESCO meer bepaald via
generaal van het Département du Patrimoine, het beleid van de
deze link: http://www.unesco.org/new/en/culture/themes/
Waalse administratie ten aanzien van het industrieel erfgoed toe.
underwater-cultural-heritage/world-war-i/scientific-conference-
In 1994-1995 werd een, weliswaar niet uitputtende, inventaris
in-bruges-2014/
van 1310 industriële sites in Wallonië opgesteld, waarvan er 120
Alle aanwezigen onderschreven ook de oproep van de Franse
beschermenswaardig werden bevonden. Paquet verduidelijkte de
vertegenwoordiger Michel L'Hour om meteen ook de zorg voor
zeven waarden (interets) en vier criteria (authenticiteit, integri-
het onderwater erfgoed van WOU op de rails te zetten en niet te
teit, zeldzaamheid, representativiteit) die door het I PW worden
wachten tot 2039. Deze oproep werd vertaald in een verklaring
gebruikt bij de selectie van het beschermenswaardige erfgoed.
die unaniem werd goedgekeurd en werd toegevoegd aan de
De waarden die vooral van belang zijn voor het industriële erf-
aanbevelingen.
goed zijn de technische, historische, landschappelijke, sociale en herinneringswaarde. Daarbij verwees hij verder naar het stand-
De herdenkingsplechtigheid bestond uit twee gedeelten: een deel
punt van het ICOMOS dat het industrieel erfgoed van groot
op vrijdagavond 27 juni op de Burg met onder andere een sfeer-
belang is als getuige van de arbeid en het dagelijkse leven tijdens
volle projectie van onderwaterbeelden op de gevel van het stad-
de industriële revolutie, een periode die werkelijk als een breuk in
huis en het vrijlaten van vredesduiven en een deel georganiseerd
de wereldgeschiedenis kan worden geïdentificeerd.
op het terrein van de zeescouts Sint-Leo nabij de voormalige keizerlijke duikbootbasis van Brugge. De zeescouts legden plech-
Als pilootproject voor de beschermingen van het industrieel
tig kransen neer op een gesjord platform in het Boudewijnkanaal
erfgoed werden de Moulins de Beez uitgekozen. Freddy Joris,
ter herdenking van de talrijke slachtoffers van WOI op zee.
de administrateur-generaal van het IPW, verduidelijkte dat het
De driedaagse te Brugge werd voor de deelnemers afgesloten
gebouw in 1901 als maalderij langs de Maas werd gebouwd en
met een kort bezoek aan een selectie van WOl-erfgoed aan land
tot 1986 actief bleef. De Waalse regering nam het initiatief tot de
feeërieke sfeer. Tempel besprak voornamelijk de onderhoudsproblematiek zoals die zich sinds de restauratie voordoet. De hoogovens van Belval in het Groot-Hertogdom Luxemburg zijn in volle ontwikkeling. Lucio Wercollier gaf toelichting bij het masterplan om Belval om te vormen tot een landschapspark met nieuwe functies zoals wonen, ontspannen en werken. De hoogovens van Uckange in de Franse regio Lotharingen werden voorgesteld door Bernard Colnot en Jean-Pierre Barbau. De site staat helemaal aan het begin van het herbestemmings- en restauratieproject. Er waren twee presentaties die met de staalindustrie verwante sectoren belichten. Paul Smith van het Franse Direction générale des patrimoines van het Ministère de la Culture et de la CommuniMoulins de Beez (foto M. Van Dijck)
cation trok de aandacht op het erfgoed van de auto-industrie in Frankrijk. Terwijl er veel aandacht bestaat voor oldtimers en al
herbestemming van de site in 1994. Tussen 1995 en 1998 werd
enkele garages beschermd zijn, is het erfgoed van de automo-
de buitenzijde van het gebouw in originele staat gebracht, terwijl
bielindustrie aan een razend tempo aan het verdwijnen.
het interieur grondig werd vernieuwd in functie van de herbestemming. Het Centre d'archives administratives van de Waalse
Adriaan Linters van de Vlaamse Vereniging voor Industriële
regering werd er gehuisvest. Het herbestemmingsproject voor-
Archeologie schetste een panorama van enkele grote Vlaamse
zag ruimte voor een ministerieel kabinet, een cafetaria, een
industriële sites. De bescherming en de ontwikkeling van de
museum en een expositieruimte. De voormalige machinezaal
Limburgse mijnsites en de elektriciteitscentrale van Zwevegem
werd omgebouwd tot een auditorium met 140 zitplaatsen. De
zijn belangrijke verwezenlijkingen. De omvang en aard van de
site huisvest inmiddels het Musée de Wallonië en het Musée de la sites maakt dat de toekomst van enkele sites minder duidelijk is. Meuse. De Moulins de Beez vormden de stemmige locatie voor
Zo ligt de bescherming van de kernreactoren in Mol niet voor de
de studiedag van 6 juni.
hand en werd vanaf 2002 de cokesfabriek Carcoke in Zeebrugge gesloopt.
De studiedag zoemde in op de zware metaalnijverheid en dan meer bepaald op de enorme hoogovens. Het belang van dit type
De studiedag van 6 juni 2014 zocht in de eerste plaats naar
van industrieel erfgoed is historisch niet te onderschatten. De
een toekomst voor het erfgoed van de zware staalindustrie. De
zware Waalse metaalnijverheid was één van de spitssectoren
centrale vragen waren welke sites prioriteit krijgen voor bescher-
van de industriële revolutie in België en zelfs in continentaal
ming, restauratie of herbestemming. Tijdens de discussie
Europa. Het ijzererts werd gesmolten in hoogovens die werden
werd duidelijk dat de schaal van de grote industriële sites een
gestookt met de steenkool die in de mijnen rond Luik, Bergen,
moeilijkheid vormt. Ook de conservatie van grote industriële
Charleroi en later in Limburg door enorme aantallen mijnwer-
installaties stelt erfgoedzorgers voor belangrijke uitdagingen.
kers werd opgegraven. Het staal werd gebruikt in onder andere
De vragen rond de financiering van dit type projecten hangt
de machinebouw en scheepsbouw en voor de aanleg van de
uiteraard samen met de voorgaande punten. De vervuiling van
spoorweginfrastructuur. De industriële neergang van Wallonië
bepaalde sites is eveneens een element om rekening mee te
en van de Waalse tewerkstelling was grotendeels een gevolg van
houden. In dit verband hadden de organisatoren van de stu-
het verdwijnen van de steenkoolmijnen en vervolgens het uitdo-
diedag Philippe Tomsin van SPaQuE uitgenodigd. SPAQuE is
ven van de hoogovens en de afgeleide sectoren. Met het einde
een naamloze vennootschap die in Wallonië vervuilde percelen
van de activiteit in de Waalse hoogovens zijn enorme industriële
voorbereidt voor nieuw gebruik. De nv doet onderzoek naar het
sites achtergebleven, die getuigen van het harde werk van de
eventueel aanwezige industrieel erfgoed, zorgt voor de sanering
'métallos' en van de permanente industriële vernieuwing van die
van de grond en werkt nieuwe projecten uit. Ondanks de aange-
industrie. In i960 telde Wallonië 57 hoogovens die grote stuk-
haalde problemen is het PIWB ervan overtuigd dat de valorisatie
ken van het landschap rond Luik en Charleroi domineerden.
van de getuigen van het Waalse industriële verleden kan leiden
Daarvan blijven er vandaag nog vier over: twee in Luik, één in
tot projecten die een economische meerwaarde met zich mee-
Clabecq en één in Charleroi. Het zijn de kathedralen van het
brengen.
Waalse industriële erfgoed. Drie presentaties bespraken vooraanstaande voorbeelden van
Het PIWB stelde een memorandum over zwaar industrieel erfgoed voor. Daarin wordt aan de Waalse regering onder meer
het erfgoed van hoogovens in de buurlanden. Norbert Tempel
gevraagd om 2015 uit te roepen tot het jaar van het industrieel
besprak de hoogovensite van Hattmgen in het Duitse Ruhrge-
en technisch erfgoed zoals vooropgesteld door de Raad van
bied. In Hattingen is het restauratie- en herbestemmingsproject
Europa, om een structureel overleg te installeren tussen SPa-
reeds voltooid. De sites lenen zich als decor voor allerlei cultu-
QuE, het IPW en het Département du Patrimoine zodat bescher-
rele voorstellingen en de nachtelijke verlichting zorgt voor een
ming en valorisatie van erfgoed hand in hand kunnen gaan,
J-H
om de inventaris van het industrieel erfgoed te actualiseren en
Lezingreeks 3:15U30 - i6u
bedrijven over hun erfgoed te sensibiliseren. De laatste vraag
1. Bart D'hondt - Erfgoed door en voor de Buren (Buren van de
aan de Waalse regering is om één hoogoven in Wallonië te selecteren en te bewaren. In het zog van de mijnbouwsites van
Ö
de Grand Hornu, Bois-du-Luc, Bois du Cazier en Blegny hoopt het PIWB ooit een Waalse hoogoven te kunnen voordragen als
Ö
werelderfgoed bij Unesco.
Abdij vzw) 2. Ad Geerdlnk - De zaak Coen, of hoe om te gaan met erfgoed dat omstreden raakt (West-Friesmuseum Hoorn) 3. Marnix Pieters - Verdwenen In de Noordzee: cultureel erfgoed onderwater (agentschap Onroerend Erfgoed) 4. Karin Heremans - Een feestzaal voor de Allegorie van de
•i-H
Twijfel (Koninklijk Atheneum Antwerpen)
PQ
Verder Is er een inspiratiebeurs die in de compressorenhal van
12
> Rudy De Graef
C-mine zal doorgaan. Tot slot zal ook de nieuwe Onroerenderfgoedprljs worden voorgesteld. Deze prijs komt in de plaats van de Vlaamse Monu-
OPEN MONUMENTENCONCRES HERITA
mentenprijs die dit jaar gewonnen werd door het provinciebestuur van Antwerpen met de restauratie van het
Op zaterdag 22 november organiseert Herita vzw het eerste
kasteel d'Ursel in Hingene. De Onroerenderfgoedprljs zal jaar-
Open Monumentencongres in het cultuurcomplex C-mine in
lijks worden toegekend aan een privépersoon, een privé-instel-
Genk. Deze locatie is uitermate geschikt, C-mine is een mooi
ling of een openbare instelling voor een recente verwezenlijking
herbestemmingsvoorbeeld van een industrieel archeologische
op het gebied van onroerend erfgoed die een bijzondere erken-
site en won in 2013 de Vlaamse Monumentenprijs. Het congres
ning verdient wegens het uitzonderlijk belang, de verdienste, de
richt zich tot 'iedereen die leeft van, met of in erfgoed'. Tijdens
hefboomfunctie of het vernieuwend karakter.
het congres komen diverse experts op het gebied van publiekswerking In de erfgoedsector aan het woord. In de voormiddag is er een voltallige sessie met gastsprekers Tanguy Ottomer (Buro Beroepsantwerpenaar), Peter Beitels (Flanders District of Creativity) en Peter De Wilde (administrateur-generaal van Toerisme Vlaanderen). In de namiddag is er de mogelijkheid tot een geleid bezoek aan het gebouw en kan men kiezen uit volgende lezingen:
De studiedag zal doorgaan in C-mine, Evence Coppéelaan 91, 3600 Genk op zaterdag 22 november 2014 van 9u tot i7u. De prijs voor deelname aan deze studiedag is € 30.- voor leden-erfgoedzorgers en € 50.- voor nlet-leden, inclusief een congresbundel, toegang tot de inspiratiebeurs, lunch en receptie. Meer informatie vindt u op de website www.herita.be.
Lezingreeks 1:14U - 14U30 1. Johan Vencken - Van Bouwmeester tot Bardijnen: ondernemerschap in erfgoed (De Bardijnen vzw) 2. Jan Haenraets - De Moghul Tuinen van Kashmir, India: Vlaamse inbreng tot lokale publiekswerking (Atelier Anonymous, Vancouver, Canada / Advisor to INTACH jammu &
Onderzoek
Kashmir, in samenwerking met Geert Robberechts) 3. Ina Metalidls - Publiekswerking in het Nationaal Park Hoge Kempen en de aangrenzende mijnsites: de combinatie tus-
> Anton Ervynck
sen natuurlijken cultureel erfgoed (Regionaal Landschap Kempen & Maasland) 4. Isabelle Jannsens - Kinderen aan de slag op Open Monumentendag (Go! Atheneum Erasmus Deinze) Lezingreeks 2: 14U45 - 15U15 1. Luc Verstraeten - Een jeugdverblijf in een monument, gekkenwerk toch? (Roosendael vzw) 2. Björn Van Genechten - (Leica Geosystems - lezing over de toepassing van 3D in erfgoed) 3. Jan Moens - Schat, staat de auto bij de kruisboog of de kan?
HET BOS, DE RIVIER EN DE LAATSTE JAGERSVERZAMELAARS Op 25 augustus 2014 verdedigde Koen Deforce (agentschap Onroerend Erfgoed & Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) met succes zijn proefschrift tot het verkrijgen van de graad van Doctor in de Archeologie aan de Universiteit Gent. De titel van het werk luidt: Middle Holocene vegetation evolution and woodland exploitation in the lower Scheldt valley
Archeologie en publiekswerking: een voorbeeld uit Aalst
(Midden-Holocene vegetatie-evolutie en bosexploitatie in de
(agentschap Onroerend Erfgoed)
vallei van de Beneden-Schelde). Het vormt de bundeling van
4. Arend van Dam - Overal en ergens: erfgoedverhalen voor kinderen (auteur)
een aantal studies uitgevoerd op ecologisch materiaal uit prehistorische vindplaatsen in Doel en Bazel (Krulbeke), aangevuld
met andere data uit de Scheldevallei. De bestudeerde tijdsperiode situeert zich tussen grofweg 6000 en 3000 jaar vóór het begin van onze jaartelling. Er is voornamelijk gebruik gemaakt van analyses van pollen, hout en houtskool maar ook van de resultaten van verschillende andere technieken zoals het onderzoek van zaden, vruchten, mossen, kiezelwieren, dierlijk bot en schelpen. Er is zowel archeobotanisch onderzoek uitgevoerd op archeologische contexten als paleoecologisch onderzoek op natuurlijke afzettingen uit dezelfde periode. Het werk van Koen Deforce biedt een kijk op de Midden-Holocene evolutie van de vegetatie langsheen de benedenloop van de rivier. Elzenbroekbossen, houtveen, hoogveen en wisselende estuariene invloeden passeren de revue, naast hardhoutooibos-
Een impressie van de Midden-Holocene Beneden-Schelde (uit Succow & Joosten, Landschaftsökologische Moorkunde, 2001)
sen gedomineerd door eik, linde, iep en es, en gekenmerkt door een grote diversiteit aan struiken. Zo wordt duidelijk in welk
richt. Niet dat het bedoeling moet zijn om Midden-Holocene
milieu de laatste jagers-verzamelaars in ons land, behorend
landschappen na te bouwen. Dat is door niet terug te draaien
tot de zogenaamde Swifterbant-cultuur, hun voedsel zochten.
wijzigingen (zoals klimaat, geografie, pollutie, extincties of de
Het ecologisch onderzoek schetst daarbij meer dan een decor;
aanwezigheid van exotische soorten) trouwens niet mogelijk.
ook de wijze waarop lokale populaties gebruik maakten van
En er spelen andere belangen in de ruimtelijke planning van
de natuurlijke bronnen wordt gereconstrueerd. En dat levert
waterrijke gebieden: recreatie, visvangst, waterbeheersing,
vernieuwende inzichten. Zo suggereren de vele vondsten van
beschermen van zeldzame soorten, enz. Maar toch is een refe-
houtskool en zaden van klimop en maretak dat beide soorten
rentiebeeld van een bijna volledig natuurlijke situatie altijd een
als wintervoer werden gebruikt en dat de jagers in de Schelde-
welkome aanvulling op de doorgaans gebruikte, vrij recente
vallei er dus wellicht ook wat vee op nahielden. De Swifterbant-
voorbeelden, die vrijwel steeds al zwaar door de mens beïnvloed
mensen moeten veelvuldige contacten hebben gehad met de
zijn. Archeologie als aanvulling op de Ferraris-kaart, zeg maar.
landbouwculturen die zich In het drogere binnenland al per-
Het is inderdaad verstandig om te weten wat er vroeger van
manent hadden gevestigd. Dat kan gaan van uitwisseling, roof,
nature voorkwam. Eén voorbeeld: het actuele voorkomen van
overname van technieken tot demografische vermenging. De
natuurlijke taxus-populaties {Taxus baccata) in België is beperkt
overgang van jacht naar landbouw moet zich in de vallei dus
tot een aantal plaatsen in het zuiden van het land waar deze
heel geleidelijk en gediversifieerd hebben afgespeeld. De studie
boom op steile, droge en rotsige kalksteenhellingen groeit.
toont opnieuw aan dat het gebied van de Beneden-Schelde een
Dit soort biotopen wordt dan ook als de natuurlijke habitat van
belangrijke regio is voor de studie van de overgangsperiode van
taxus gezien. In het noorden van België wordt de soort niet als
het mesolithicum naar het neolithicum in Noordwest-Europa.
inheems beschouwd en taxus-populaties worden verondersteld uitzaaiingen te zijn van aangeplante bomen In tuinen en parken.
De resultaten van het onderzoek zullen het beheer van prehistorische vindplaatsen in het Scheldebekken ondersteunen. Nu is er voor het eerst een goed zicht op het natuurwetenschappelijk Informatiepotentieel van dergelijke sites, de basis om prioriteiten op te stellen, keuzes te maken en onderzoeksstrategieën te bedenken wanneer dit deel van het archeologisch erfgoed bedreigd wordt. Maatschappelijk Is dit geen onbelangrijk gegeven want het opgraven van prehistorische vindplaatsen in rlviervallelen is geen eenvoudige klus, en vergt veel tijd en middelen. Tegelijk is de bedreiging echter groot, door havenwerken, waterbeheersingsplannen en aanleg van nieuwe infrastructuur voor de binnenscheepvaart.
Een In het proefschrift opgenomen overzicht van alle postglaclale paleobotanische en archeobotanische vondsten van taxus uit België en aangrenzende gebieden geeft echter een heel ander beeld. Gedurende het Midden-Holoceen kwam taxus in de kustvlakte, de vallei van de Beneden-Schelde en in andere laaggelegen kustgebieden langs de zuidelijke Noordzee voor, waar de boom deel uitmaakte van de broekbosvegetatie op veen. In vergelijking met nu had taxus dus een heel andere verspreiding en habitat gedurende deze periode. Rond 1830 vóór onze jaartelling is taxus uit de regio verdwenen, dit kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan de evolutie van de broekbosvegetatie naar hoogveen. De schaarse taxus-bomen in noordelijk België kunnen dus beter als relicten behandeld worden, in plaats van
Ecologisch archeologisch onderzoek kent ook nuttige toepas-
als opdringerige introducties.
singen buiten het domein van het culturele erfgoed. Een reconstructie van vroegere landschappen biedt referentiebeelden wanneer aan natuurbouw of natuurherstel wordt gedaan. Uit
Middle Holocene vegetation evolution and woodland exploi-
het onderzoek van Koen Deforce weten we nu hoe de Schelde-
tation in the lower Scheldt valley kan worden ingekeken op:
vallei er duizenden jaren geleden uit zag en daar zou rekening
https://biblio.ugent.be/person/001992379087
mee kunnen gehouden worden als gebieden worden heringe-
cd
ö CU ö ö •i-H
doch fragiel, en men start direct een onderzoek naar de omvang
Varia
ervan gezien de ruimte die het in beslag zal nemen in het depot. "Het fonds betreft grotendeels plannen, maar tevens correspondentie, lastenboeken, foto's, albums en mallen. Op een dagstonden hier drie vrachtwagens klaar om circa 90 cnj archief te deponeren"
> Tom Verhofstadt
vervolgt Pesztat. De Entreprises Blaton worden opgericht in 1885 als kleine bouwondernemer gespecialiseerd in het vervaardigen van rocailles
FONDS BLATON IN HET AAM IN BRUSSEL
en andere tuinfollies. Zij groeien als snel tot een algemeen
Op woensdag 2 juli pakt de krant Le Soir in zijn cultuurbij-
werken, ingenieursbouwwerken, monumenten en gebouwen.
drage uit met een paginavullend artikel getiteld: 'Deux mille
De bouwonderneming kent zijn hoogtepunt in de jaren 1930
bouwbedrijf, actief op alle fronten inzake bouwnijverheid: kunst-
trésors d'Horta chez Blaton. Découverte historique des Archives
met het bouwen van appartementsgebouwen; in deze periode
d'architecture moderne'. Een titel die doet watertanden en waar-
doen bekende architecten beroep op Blaton (de lastenboeken
schijnlijk menig onderzoeker de wenkbrauwen doet fronzen.
en prijsoffertes bewijzen en illustreren dit); verschillende ont-
Waarover gaat dit?
werpen gelinkt aan architecten zoals Stanislas jasinski, Jacques
Het Archives d'architecture moderne, kortweg het AAM
Saintenoy, Michel Polak, Adrien Blomme en Paul Amaury Michel
(www.aam.be), in Brussel is een in 1968 door architecten en
zijn terug te vinden in dit archief. "Maar wat hebben ze effec-
stedenbouwkundigen opgerichte vzw met als doel het debat aan
tief gebouwd?", stelt Maurice Culot zich de vraag, "met andere
te gaan inzake architectuur en stedenbouw, de levenskwaliteit in
woorden het fonds beschikt over een hele verzameling van plannen
de stad te verhogen door middel van het opwaarderen van het
waarvan we niet weten of ze effectief zijn uitgevoerd door Blaton.
gebouwde erfgoed, en het vergaren van collecties, fondsen en
Mogelijk is de omvang van de dossiers een element om al of niet uit
andere documenten essentieel voor het Belgisch architectuur-
te maken of Blaton het gebouw effectief heeft gebouwd".
historisch onderzoek in de 19de en 20ste eeuw. Zij publiceren,
"De favoriete architect van Blaton was duidelijk j.J. Eggerickx."
organiseren tentoonstellingen en voeren onderzoek.
Als voorbeeld toont Culot een dossier met betrekking tot een
Een van hun kerntaken is het vergaren en ontsluiten van archi-
appartementsgebouw in Antwerpen: "Het werd gebouwd door
tectenarchieven bestaande uit plannen, tekeningen, foto's,
de Compagnie Anversoises des Travaux SA, dat was een dochter-
maquettes, lastenboeken, correspondentie, meubilair, prototy-
onderneming van de Entreprises Blaton, waarschijnlijk opgericht
pes, ... Vandaag beschikken zij over een collectie van een 200-tal
in functie van hun bouwactiviteiten in Antwerpen of enkel voor dit
architecten en andere kunstenaars uit binnen- en buitenland uit
gebouw waarbij ze duidelijk als bouwheer - en dus gebouwd als
de 19de en 20ste eeuw. Het accent ligt op figuren met betrekking
opbrengsteigendom - optraden". Culot vervolgt trots "dit fonds
tot de art nouveau en het interbellum; Jos Bascourt, Marcel-Louis
vult menig architectenfondsen aan die reeds in ons bezit zijn, vooral
Baugniet, Ernest Blérot, Victor Bourgeois, Renaat Braam, Peter
de appartementsbouw in de periode tussen 7920 en 1940 ;s zeer
Callebout, Alban Chambon, Louis Herman De Koninck, Paul Han-
goed gedocumenteerd, en zeker een piste in het bouw- en architec-
kar, Victor Horta, Henry Lacoste, Antoine Pompe, en andere.
tuurhistorisch onderzoek waard".
Bovenstaande krantenkop was voldoende om het AAM te polsen
Het fonds betreft de periode van 1885 (datum van de stichting
waar het precies om gaat: 2000 plannen van Victor Horta die
van de bouwonderneming) tot circa 1954, het bedrijf wordt
opeens tevoorschijn komen? Wij hadden afspraak met Maurice
dan door de erfgenamen opgesplitst in andere bedrijven onder
Culot en Yaron Pesztat, directeur en bestuurder van het AAM.
andere C/t Blaton - waarvan het archief eveneens in het AAM zal
"Ongeveer i jaar geleden contacteerde Philippe Blaton het AAM
worden gedeponeerd - en Leclercq. Deze periode wordt geïl-
met de vraag of wij interesse hadden in
lustreerd door een enorme hoeveelheid en diversiteit aan docu-
het familiearchief Blaton {Entreprises
menten zoals (gekopieerde) plannen, correspondentie (meestal
Blaton), dat voorlopig lag opgeborgen
tussen aannemer en architect), lastenboeken, fotoalbums met
in de gebouwen van het bouwbedrijf in
de vorderingsstaat van (grote) bouwwerken, losse foto's en
Schaarbeek, dewelke zullen verdwijnen"
gipsen gietmallen met betrekking tot tuinfollies (meestal vazen),
vertelt Yaron Pesztat. Het AAM aan-
die dus als de oudste stukken in het fonds mogen worden gere-
vaardt het archief en wil het herbergen,
kend gezien de oorsprong van het bouwbedrijf.
inventariseren en ontsluiten voor het
Het fonds herbergt onder andere de volledige plannen van het
publiek. Het is in redelijk goede staat.
Paleis voor Schone Kunsten in Brussel - Bozar - met circa 2000 plannen, vooral technische plannen en details, die meestal verdwenen zijn. "Het moge duidelijk zijn dat deze plannen vooral een
Maurice Culot bladert in een fotoalbum uit het Fonds Blaton met op de achtergrond tientallen albums en honderden losse foto's (foto T. Verhofstadt)
restauratie-technische waarde hebben" vertelt Culot, Pesztat vult aan: "Ze zijn tevens van kunsthistorisch belang; men heeft een beter begrip van de ideeën welke Horta had in verband met het PSK.
ÖTADiON ANTWEDPEN ÜNUEQ /CHELDEOEVta
Monogram van de architect Henry van de Velde op de plannen voor Stadion Antwerpen - Linker Scheldeoever, 15 oktober 1933 (foto T. Verhofstadt, © AAM - Fonds Blaten)
Zo zijn we op verschillende plannen gestuit welke een variatie tonen
Een blik op het Congogedeelte van het Fonds Blaton dat werd geordend onder leiding van de heer J. Lagae (foto T. Verhofstadt)
voor het ontwerp van de Leboeufzaal, namelijk rechthoekig i.p.v. de huidige ellipsvorm. Architect Barbara Van der Wee - welke zich
een capaciteit moeten gehad hebben voor 1.350 zetels, 1.050 zit-
ontfermt over de restauratie van de Bozar - heeft de plannen door
plaatsen en 3.800 staanplaatsen! De afmetingen van het stadion
haar medewerkers laten inkijken en bestuderen gezien de lacunes
zijn gigantisch: 300 meter op 160 meter, het zwembad heeft de
inzake technische detailplannen".
toenmalige Olympische afmetingen, namelijk 33 meter lang. Bin-
Tientallen plannen hebben betrekking op het befaamde en mega-
nen het stadion wordt aandacht besteed waar de marathon zijn
lomane Municipal Development Project, waar Victor Horta vanaf
ingang zou moeten vinden. De plannen zijn gedateerd 15 oktober
1928 aan werkt (zie ook Braeken, J., De Shell-building te Brussel
1933. De ontwerpdatum, de afmetingen en de aanduiding van de
in M&L, 4, jg. 13,1994). Binnen dit project was ook plaats voor
verschillende sporttakken doen vermoeden dat Antwerpen zich
een school met toegang in de Stuiversstraat, en met behoud van
kandidaat heeft gesteld om de Olympische Spelen een tweede
de Salazarkapel - waarvan een replica wordt gebouwd in de Van
maal - na 1920 - te organiseren in 1936. Deze (befaamde) olym-
Maerlantstraat - in opdracht van de Stad Brussel. Het wordt
piade zal uiteindelijk in Berlijn plaats vinden.
echter nooit gerealiseerd en het bouwblok wordt vanaf de jaren
Een groot deel binnen het Fonds heeft betrekking op de bouw-
1930 bebouwd met het (onafgewerkte) Shell-gebouw, het kan-
activiteiten van de firma in de toenmalige kolonie Kongo.
toorgebouw voor de verzekeringmaatschappij Trieste (Cenerali),
"Dit aanzienlijk deel van het archief werd geordend door het UCent
beiden naar ontwerp van architecten Alexis Dumont en Marcel
onder leiding van de heerj. Lagae" vertelt Culot.
Van Coethem, en later in de jaren 1950 de Ravensteingalerij naar
Wordt het fonds Blaton als een entiteit bewaard? Het AAM
een ontwerp van Philippe en Alexis Dumont.
ordent immers zijn archieven op basis van architect. Zal het
Opmerkelijk zijn de plannen met betrekking tot de bouw van
AAM zijn methodiek aanpassen in functie van het bedrijfsar-
een (olympisch?) stadion op linkeroever te Antwerpen naar ont-
chief? "De architectenfondsen worden aangevuld met een koppe-
werp van Henry van de Velde. Een resem aan ontwerpplannen,
ling naar het Fonds Blaton, dat geld eveneens voor de typologische
schetsen en opstanden hebben betrekking op de bouw van een
fondsen, zodoende is er een thematische, typologische en persoons-
megalomaan sportcomplex bestaande uit een monumentaal sta-
gebonden toegang naar het fonds. Een deel werd reeds geïnventari-
dion met atletiekpiste. Daaraan gekoppeld zijn een ovaalvormig
seerd en in de nodige archiefdozen opgeborgen, we voorzien in 2075
scherm- en zwemstadion met 620 zitplaatsen en 1.750 staan-
een publicatie" verzekert Culot ons.
plaatsen en een cirkelvormig krachtsportstadion voor het worstelen, gewichtheffen en boksen. Laatstgenoemde sportzaal zou
Het is duidelijk dat dit fonds van onschatbare waarde is. Een archief van een bouwbedrijf impliceert een zeer divers fonds in al zijn facetten; de evolutie van een bedrijfscultuur wordt uitgelicht; activiteiten van bouwondernemingen komen boven; diversiteit inzake architecten, bouwprocedés - en programma's op nationaal en internationaal niveau. Het behelst 150 jaar Brusselse en Belgische bouwgeschiedenis, het is een enorme verrijking met betrekking tot kleinere en minder gekend architectenfondsen, en het is een rijk archief op het gebied van ingenieursbouwwerken met de technische - en detailplannen ter illustratie. Het bouwbedrijf was immers innovatief inzake voorgespannen beton en heipalen, het bezat talrijke octrooien en brevetten.
Deze tekst is het verslag naar aanleiding van een bezoek aan het AAM en interview met Maurice Culot en Yaron Pesztat op maandag 14 juli 2014. Wij wensen beide heren en het AAM te bedanken voor hun medewerking en ontvangst.
"In de dorpen willen ze al monumenten oprichten ter ere van de slachtoffers van deze immense slachting of zoals de chauvinisten het zeggen 'ter ere van hen die vrijwillig het offer van hun leven hebben gebracht'. Alsof de ongelukkigen de keuze hadden iets anders te doen. Ik zal mijn steentje bijdragen als deze monumenten het symbool worden van een hevig protest tegen de oorlog. Maar niet als ze een dergelijke dood verheerlijken, met het doel de volgende generaties aan te zetten het voorbeeld van deze gedwongen martelaars te volgen. Ach! Als de doden van deze oorlog uit hun graf konden opstaan. Ze zouden die hypocriete monumenten in stukken slaan want degenen die ze oprichtten hebben hen zonder medelijden geofferd. Want wie heeft durven roepen: 'Genoeg bloed gevloeid! Genoeg doden! Genoeg verdriet!'?" ^^hMMafiA^MMaaM^aaaaMBMAc^c^^l
J^h^.DNf^ c3
plaats van 14 traveeën) dan deze voor het Belgisch Leger. Deze barakken werden evenwel besteld bij Harrods Stores Ltd. in Londen. Uit de plannen die bij deze bestelling horen, blijkt dat het systeem van de firma Hamon tot in de details werd gekopieerd: niet alleen de vorm en de afmetingen werden overgenomen (hier opnieuw 6 meter op 32 meter, zij het de 16 traveeën lengte die dokter Depage wou), ook het constructieprincipe van de ontdubbelde spanten, de modules van zijwanden, vloeren, daken en lichtstraat werden integraal gekopieerd.
schuldig maakten aan diefstal van industriële eigendom. Deze zaak werd uiteindelijk niet verder hard gemaakt, waarbij - naast het feit dat de betrokken leiding van het Belgisch Leger uiteindelijk alle bezwaar tegen deze bestelling liet varen - mogelijk ook humanitaire overwegingen hebben meegespeeld.
Het enige element waarop deze barakken van het origineel kunnen worden onderscheiden, is de beplanking van de langsgevelmodules: de buitenbeplanking verloopt horizontaal en de binnenbeplanking verticaal; in de barakken van firma Hamon is dit omgekeerd.
Gezien het uitzicht op het einde van de oorlog en een nieuw hospitaal in Brussel einde 1915 te optimistisch gebleken was, werden de barakken aanvankelijk in een depot in Calais ondergebracht (13). In juni 1916 werden ze gedeeltelijk gebruikt op de vooruitgeschoven chirurgische post, afhankelijk van l'Océan, in Sint-Jansmolen en in het najaar van 1917 op de nieuwe site van hospitaal l'Océan in Vinkem. Diverse foto's tonen aan dat ook al eerder op de site van l'Océan in De Panne deze barakken volgens noodzaak waren bijgeplaatst (14)-
In een reeks brieven protesteerde de firma Hamon hevig tegen deze patentinbreuk. De directie van het Belgische Rode Kruis werd in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat ze zich
En de firma Hamon? Die mocht uiteindelijk toch nog een aantal barakken leveren aan het Belgische Rode Kruis, waaronder de kapel op de site van l'Océan in De Panne noemenswaardig is: het
M
L I 33
34 I M
L
Bouwarcheologische reconstructietekening van het constructieprincipe van de barak en foto's van het sanatorium in Houtem in de jaren '20 (tekening architectenbureau Dries Vanhove, postkaarten collectie Jozef Am eeuw)
A/I&LI 35
modulaire systeem van de barakken werd aangepast om een verhoogde middenbeuk en lagere zijbeuken te kunnen verkrijgen. Ook op de site van de School van de Koningin in Wulveringem bevond zich een dergelijke kapel, zij het lichtjes anders van configuratie.
Het constructieprincipe van de hospitaalbarak Hamon Door de veelheid aan fotomateriaal en de eigentijdse plannenreeks zijn we goed gedocumenteerd over de hospitaalbarak van de firma Hamon. Het systeem bestond uit een volledig modulair systeem met achter elkaar te plaatsen modules van twee meter lang (asmaat) en 6 meter breed (6 m binnenmaat, 6,2 m buitenmaat). De barak kwam op de site toe als bouwpakket, in voorgemonteerde elementen: - een spant gemonteerd in twee helften, ter plaatse samen te stellen door boutverbindingen door de ontdubbelde nokstijl en een doorlopende trekker (kenmerkend uitzicht van de barak is bijgevolg de dubbele trekker: de onderste is onderdeel van de spanthelft en de bovenste is een doorlopende trekker na montage) en te plaatsen op een losse muurstijl; - langsgevelelementen, zowel voor de gevel als de lichtstraat, bestaande uit een constructie van stijlen en regels, een verticale buitenbeplanking en een horizontale binnenbeplanking. Deze elementen werden ter plaatse samen met de muurstijlen vastgebout. Losse plankjes in de binnenbeplanking lieten de montage in situ toe. De vensters met tuimelende vleugels waren
School van de Koningin in Wulveringem: beide baraktypes van Hamon (collectie CEGESOMA - Brussel 95511)
36 I M
L
wellicht reeds in de elementen voorgemonteerd. - verticale eindgevelbeplanking aan buitenzijde in voorgemonteerde opgeklampte panelen; - horizontale beplanking binnen voor de eindgevels in voorgemonteerde opgeklampte panelen; - opgeklampte dak- en plafondpanelen (afzonderlijk) voor benedendeel en samengestelde dak- en plafondpanelen voor de lichtstraat, te plaatsen op losse bijgeleverde gordingen en nokbalken met lengte van 2 meter gelijk aan de traveemaat; - vloerbeplanking voorgemonteerd als panelen op kinderbalken, te plaatsen op losse muurplaten, dwars geplaatst op baksteen poeren of natuursteen blokken van ongeveer 25 cm hoog; - afdeklatten tenslotte dienden voor een tochtdichte aansluiting tussen de diverse elementen binnen en buiten. Alle constructieve elementen van de barak, met uitzondering van de ontdubbelde nokstijlen, gordingen, vloerbalken en kinderbalken, bestonden uit houten elementen met een sectie van 25 x 70 mm, waardoor het geheel zeer economisch kon worden gefabriceerd. De plaatsing van de barakken op blokken of poeren liet toe zonder veel voorbereiding van de ondergrond de barakken op te richten rekening houdend met de oneffenheden van het terrein, en kon een goede verluchting onder het gebouw garanderen. De barakken kwamen, hoewel ze principieel in elke lengte moduleerbaar zijn, bijna altijd voor in een lengte van 14 traveeën (28 meter). Slechts voor een nieuwe hospitaalsite voor het Rode Kruis, hierboven aangehaald, was er een voorkeur voor 16 traveeën.
Uitsnede uit een luchtfoto van de hospjtaalsite op het gehucht het Doorntje te Houtem, genomen op i augustus 1918 ( © K o n i n k l i j k M u s e u m van het Leger en de Knjgsgeschiedenis)
De hospitaalsite van het Doorntje in Houtem De beschermde barak en Chinese Poort behoorden oorspronkelijk, zoals reeds vermeld, tot de hospitaalsite het Doorntje in Houtem. De ontstaansgeschiedenis van de hospitaalsite op de wijk het Doorntje is op heden erg onduidelijk door gebrek aan zowel archiefmateriaal als getuigenverhalen of mondelinge bronnen. Vast staat dat in de zomer van 1918 een hopitaalsite was ingericht aan de
Hondschootebaan in Houtem. De hoofdsite bevond zich tussen de Grayaertstraat en de Doornstraat. Andere barakkencomplexen waren ingericht aan de Doornstraat, aan beide zijden van de Hondschootebaan. Het is niet duidelijk of deze ook een hospitaalfunctie hadden, vermits er een duidelijk onderscheid is met de barakken gemarkeerd met rode kruisen op de hoofdsite. Meer dan enkele vermeldingen tijdens WOI vinden we niet terug. Er lijken diverse benamingen in De zogenaamde Chinese poort op het domein De Lovie in Poperinge ffoto 0 . Pauwels)
1V1&L I 37
Archeologisch onderzoek van een militair hospitaal uit de Eerste Wereldoorlog Maarten Bracke
Naar aanleiding van de bouw van een toeristisch informatiecentrum voerde een team van archeologen, in opdracht van de stad Poperinge, van 27 mei tot 8 juli 2011 een archeologisch onderzoek uit op een terrein van een halve hectare groot langs de Boescheepseweg in Poperinge. Op deze locatie bevond zich één van de grootste hospitaalsites uit de Eerste Wereldoorlog. In de bodem werden nog heel wat sporen verwacht van dit militair hospitaal, sporen die definitief zouden verdwijnen bij de bouw van het informatiecentrum. Een voorafgaandelijk archeologisch onderzoek werd daarom noodzakelijk geacht. Het was overigens voor de eerste maal dat een hospitaalsite uit de Eerste Wereldoorlog archeologisch werd onderzocht.
soldaten werden hier verzorgd, duizenden stierven er aan hun verwondingen en werden begraven op de nabijgelegen begraafplaats Lijssenthoek. De begraafplaats telt in totaal 10786 graven, waaronder ook 35 Chinese arbeiders van het Chinese Labour Corps. Zij stonden na de oorlog in voor het opruimen van de slagvelden. Verschillende arbeiders overleden aan de Spaanse griep.
Tijdens het archeologisch onderzoek werden paalsporen aangetroffen die toebehoorden aan de houten barakken die er stonden of afkomstig waren van de aanleg van smalle houten wandelpaden die de barakken onderling verbonden. Door het nauwkeurig opmeten van deze paalsporen en een luchtfoto van 4 september 1917, kon een waarheidsgetrouwe positionering gemaakt worden van zes barakken en drie kleinere houten constructies. In 1915 werd op de site een eerste kleinschalig Van vier barakken kan de bouw op het einde van veldhospitaal opgericht door het Franse leger. Vanaf juli 1915 kreeg men versterking van het Royal 1915 of in de eerste helft van 1916 gedateerd Army Medical Corps. De Britten vestigden zich op worden. Ze worden in historische bronnen als zogenaamde Adrian Huts omschreven. de evacuatiezone met twee Casualty Clearing Op de locatie van één barak werden lange Stations. In oorsprong waren deze enkel bedoeld rechthoekige kuilen aangesneden. Ze waren om gewonde soldaten te triëren en door te gelijkaardig in grootte en opvulling, gemiddeld verwijzen naar de base hospitals, maar al snel 40cm diep, en werden geïnterpreteerd als latrinewerden zieke en gewonde soldaten er ook kuilen die wijzen op sanitaire voorzieningen behandeld en geopereerd. Vanaf augustus 1916 nam het 2nd Canadian CCS de gebouwen over van binnen deze barak. de Fransen. Het hospitaal werd vanaf dan sterk uitgebreid en bood plaats aan 4000 hospitaalAlle barakken waren in hout opgetrokken en voorbedden. Tussen augustus 1916 en januari 1918 zien van een houten dak of een dakconstructie telde de omgeving vier grote veldhospitalen bestaande uit golfplaten. Het hospitaal werd verspreid over vijftig hectare. Tienduizenden meermaals beschoten. Enkele fragmenten van De militaire begraafplaats Lijssenthoek en het nieuw ingeplante informatiecentrum uiterst rechts {foto O. Pauwels)
38 I M & L
golfplaten die werden teruggevonden in een afvalkuil, vertoonden inslagen van schrapnels. Parallel aan barak 8 werd ook de aanzet van een ingegraven schuilplaats of dug-out shelter opgegraven. In enkele afvalkuilen werd ook heel wat klein medisch materiaal aangetroffen: spelden, een glazen bedpan, flesjes, iodine ampullen, een zalftube, enz. Een gedetailleerd onderzoek met metaaldetectoren resulteerde in de registratie van een duizendtal kleine metalen voorwerpen. In hoofdzaak gaat het om Britse en Franse munitie, een zestigtal munten van Britse, Franse, Belgische en zelfs Duitse origine, diverse insignes, een groot aantal knopen en ook vijf naamplaatjes. Twee van de plaatjes konden worden gelezen en geïdentificeerd: dat van de Britse soldaat Christopher Folley soldaat {Royal Dublin Fusiliers) en dat van de Franse soldaat Guiraud Jules Jacques (32e Regiment d'Infanterie). Beide soldaten overleefden de oorlog.
Meer weten? De opgravingen werden uitgevoerd door Monument Vandekerckhove nv. Van het onderzoek is een rapport opgesteld: BRACKE M. Archeologische opgraving Lijssenthoek Poperinge (prov. WestVlaanderen). Basisrapport, Monument Vandekerckhove nv, Ingelmunster, 2012. Dit rapport is raadpleegbaar in de bibliotheek van het agentschap Onroerend Erfgoed in Brussel.
voege voor dit hospitaal: het Doorntje of Graeyaert naar plaatselijke toponiemen, Leysele (Leisele) en Sint-Idesbald. Het lijkt er op dat op de site een burgerlijk hospitaal ontstond en dat er tegen het einde van de oorlog (1917-1918) diverse andere afdelingen op deze site werden gegroepeerd, waaronder ook een hospitaal uitgebaat door de Gezondsheidsdienst van het Belgische Leger. Na de oorlog bleef het hospitaal in functie. Meer en meer werd het gebruikt voor de verzorging van tuberculosepatiënten. Het hospitaal werd na de oorlog uitgebaat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid en vanaf augustus 1926 door Sanatorium St.-Idesbald vzw, onder auspiciën van de provincie West-Vlaanderen. Enkele jaren later besliste de nieuwe uitbater dat de toestand in de barakken op de site van Houtem niet langer houdbaar was en kocht hij op 3 januari 1929 de site De Lovie in Poperinge. Na herinrichtingswerken in het kasteel en de bouw van enkele paviljoenen op deze nieuwe site werden uiteindelijk in november 1930 de laatste zieken vanuit Houtem naar domein De Lovie overgebracht. Samen met de verhuis van de instelling werden de zogenaamde Chinese poort en een barak van het veldhospitaal naar de nieuwe locatie overgebracht en daar heropgebouwd. De Chinese poort is een inkompoort die bestaat uit gemetselde pijlers, een overkragende houten dakkap afgedekt met natuurleien, en houten poortvleugels met open stijlwerk. Allicht door de uitkragende korbelen, de vorm van het dak en de geprofileerde koningsstijlen, kreeg de poort haar naam. Ze werd pas na de Eerste Wereldoorlog op de site van het Doorntje gebouwd. Ze is eveneens beschermd als monument maar maakt geen deel uit van het restauratieproj eet.
De veldhospitaalbarak De nog bewaarde hospitaalbarak werd aan een bouwarcheologisch onderzoek ontworpen, waarbij het oorspronkelijke constructieprincipe en de afwerkingen in kaart werden gebracht. De originele elementen, die nog ter plaatse aanwezig zijn ofwel met zekerheid aan te vullen waren naar analogie, werden driedimensionaal uitgetekend om het constructieprincipe aanschouwelijk te maken. Ondanks het ontbreken van archiefstukken die dit aantonen, mag men er op basis van dit onderzoek van uitgaan dat dit baraktype ook afkomstig is van de firma Hamon. Dit nog steeds in de hoger vermelde veronderstelling dat het door firma Hamon neergelegde patent stoelde op het constructie- en montageprincipe van het voor de SSA ontwikkelde baraktype. De barak wijkt slechts
op volgende aspecten af van het type van de SSA: een gebouwbreedte van 8 meter in plaats van 6 meter (8 m binnenmaat, 8,2 m buitenmaat), een uitvoering zonder lichtstraat en een ander spanttype hieraan gekoppeld. De voormontage van de spanten in twee helften met ontdubbelde trekker, alle andere componenten van het gebouw tot en met de sectie van de houten componenten stemmen wel volledig overeen met het hoger besproken Hamon baraktype. De afwijkende vorm van barak is gekend van oude foto's op de site van de School van de Koningin in Wulveringem en de site van het Doorntje in Houtem zelf, respectievelijk tijdens en net na de oorlog. Op die foto's is vast te stellen dat deze barakken ook verhoogd op poeren of blokken zijn geplaatst. Hoewel het niet met volledige zekerheid kan worden gesteld, zijn er vele aanwijzingen dat het de kapelbarak is die van de site Houtem (zo niet reeds tijdens de oorlog, dan wel aanwezig in de naoorlogse inrichting) naar de Lovie in Poperinge werd overgebracht. Foto's van het kapelinterieur tonen aan dat deze barak, net als de versie met lichtstraat, ook was uitgerust met een plafondbeplanking en een houten vloerbeplanking. Bij het hermonteren van de barak in Poperinge vielen dus de plaatsing op poeren, de houten vloer en de plafondpanelen weg. De barak werd dan ook om louter functionele redenen mee verhuisd, om reeds van bij aanvang te kunnen dienen als loods of garage. Dit ging gepaard met een verbouwing van een dubbele deuropening in de oorspronkelijke eindgevel tot een grotere poortopening. De barak werd heropgebouwd in zeven traveeën, waarbij in Poperinge een nieuwe eindgevel werd getimmerd tegen een tussenspant. Gezien de eindgevelspanten afwijken van de tussenspanten, wordt geconcludeerd dat de barak niet op volle lengte is teruggebouwd op de nieuwe locatie te Poperinge en oorspronkelijk dus acht of meer traveeën moet hebben gehad; het exacte aantal is op eigentijdse foto's niet vast te stellen. Acht is evenwel ook het aantal traveeën van een gelijkaardige barak in Wulveringem.
De restauratieopties voor de veldhospitaalbarak op domein De Lovie Het domein De Lovie is een privédomein, waar De Lovie vzw instaat voor de begeleiding van al dan niet op het domein inwonende jongeren en volwassenen met een matige, ernstige of diep verstandelijke handicap. Deze vereniging is actief op het domein sinds i960, nadat een andere vzw er werd opgedoekt. De Lovie vzw is opdrachtgever voor de restauratie.
———^~
.•:—•:-;
--::'.
y--::
; •^.:
..•:-:'i
1r
E
m ffi EE
m
i •fitNTj
Tr--T
1
ÏÉpÖ mprj fcfe^^H
D
t
-••••
:
1
TTT !
M
]
•
/'
11
ir":
l llliBü
F
1
Plannen voor de restauratie van de hospitaalbarak op het domein
De barak werd gebouwd volgens het principe van een demonteerbare constructie. Na het bouwhistorisch en bouwarcheologisch onderzoek werd vooral het bouwprincipe van de barak, met gestandaardiseerde en voorgemonteerde elementen, belangrijk bevonden. De authenticiteit van het constructieprincipe wordt hierom belangrijker bevonden dan het maximaal behoud van het materiaal.
De barak toont, na meer dan 8o jaar overleven op de site van De Lovie in Poperinge, belangrijke verzakkingen waaraan reeds herhaalde malen met bijkomende steun- en stutelementen is verholpen. De gevelelementen en andere onderdelen die rechtstreeks op de volle grond waren teruggeplaatst, zijn zwaar aangetast. De eerste stap in de geplande restauratie is een volledige demontage van alle
De Lovie (tekening architectenbureau Dries Vanhove)
De veldhospitaalbarak op het domein De Lovie in Poperinge (foto O. Pauwels}
M&L I 41
De veldhospitaalbarak op het domein De Lovie in Poperinge (foto O. Pauwels)
onderdelen van de barak en de restauratie hiervan in het atelier, waarbij zoveel mogelijk van het bestaande materiaal wordt hergebruikt. Bij het opnieuw monteren wordt de barak terug op bakstenen poeren geplaatst over een lengte van acht traveeën, de veronderstelde oorspronkelijke lengte. De houten vloer wordt voor een belangrijk stuk gereconstrueerd. Deze zone zal worden gebruikt voor tentoonstellingen en voor workshops, zowel voor de bewoners van het domein als daarbuiten. In een deel van de barak wordt de houten vloer evenwel niet teruggeplaatst. Voor de opdrachtgever was het immers belangrijk dat ook de bestaande functie van landbouwloods voor een stuk behouden kon blijven. Een nieuw ontwerp voor de niet oorspronkelijke eindgevel laat toe om nieuwe toegangspoorten te voorzien voor dit gebruik. De barak zal worden heropgericht op een nieuwe plaats op de site. Op haar huidige locatie, tussen later gebouwde landbouwloodsen, kwam de barak onvoldoende tot haar recht. Bovendien zal op de nieuwe locatie de inhoudelijke band met de eveneens van Houtem overgebrachte Chinese poort beter aangehaald kunnen worden.
42 I M
L
Voor de dakbedekking wordt opnieuw overgaan tot vezelcementleien, zoals zichtbaar op de postkaartenreeks van de site Houtem uit de jaren 1930. Hierbij is het grote formaat van de leien (55 x 55 cm) evenwel niet reconstrueerbaar en wordt overgegaan naar het formaat van 40 x 40 cm. Bij wijze van noot kan worden aangestipt dat het gebruik van vezelcementleien op tijdelijke bouwconstructies tijdens WOI regelmatig voorkwam, maar eerder ongebruikelijk was voor de barakken van het type Hamon. De standaarduitvoering kwam met roevendaken met banen zink van 60 of 90 cm breed. Hiervoor had de firma Hamon een samenwerking aangeknoopt met firma Vieille Montagne (15). Bladen in gebitumineerd karton lijken ook voor te komen als dakbedekking (16). Tijdens het kleuronderzoek werd de naoorlogse buitenbeschildering als oudste teruggevonden. Het gaat om een beschildering in stroken, van twee buitenplanken breed, in wit en donkergroen. Vergelijking met foto's van andere sites tijdens de oorlog toont evenwel aan dat dit niet de oorspronkelijke kleur kan geweest zijn. Hoewel deze tweekleurige beschildering, ook gekend van
foto's uit de jaren 1930, een groot historisch belang heeft, zal de uiteindelijke kleurstelling pas tijdens de restauratie worden gekozen. Er wordt immers gehoopt dat tijdens de demontage nog sporen van de originele kleurafwerking zullen teruggevonden worden. Het interieur van deze barakken was altijd in een matte witte verf geschilderd. De restauratie voorziet in een kalkverf om het interieur opnieuw te witten.
De baraque Adrian van het Franse leger, principetekening BjryquaiTml
-
l
type ae 50mèt'-e; ie "::J
(© Bibliothéque nationaie de France, bew. H. Denis)
Vergelijkbare baraktypes in het buitenland tijdens de Eerste Wereldoorlog De modulariteit werd ook reeds aangetoond voor de Duitse legerbarakken in Jabbeke (17) en is eigen aan de toenmalig ontwikkelde en industrieel vervaardigde systemen. Ook de idee van baraktypes als snel monteerbare en demonteerbare systemen kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog voor in andere landen. Ongeveer gelijktijdig met het baraktype van Hamon werd in Frankrijk de baraque Adrian ontwikkeld door Louis Adrian, polytechnisch ingenieur bij het Franse leger en tevens bekend van de casque Adrian, de eerste stalen helm in gebruik genomen tijdens de Eerste Wereldoorlog (18). Dit type barak is door het Franse leger wijd verbreid ingezet.
q B Bas d'dbout
1 . VertiM1 intermMwire.
B, ^ Bas inrermédwire
J . P v e ddbou!
C. •gHaubddboul
t^ InlerméduiiïJ ddbout
::.,
L TêiUp aboul
E.
D
iDessus de DO fe
K lüivt infer \èéim
F . IZdn'.pant d'dboul
M liite'-mrdiairBS ordiiMir»
G Rampant
O . f j i ^ e intfimtdiane
H.Ve-Uccil 3
P Chaisis enloi'éj.
Hergebruik van de Hamon barakken tijdens het interbellum, in het krijgsdepot in de SintBernardusabdij van Hemiksem {collectie auteur)
Ook het Britse leger ontwikkelde vanaf het voorjaar 1915 tot 1918 verschillende types van Demontable Huts, doorgaans vernoemd naar de ontwerper ervan: Ayhvin Huts, Armstrong Huts, Tarrant Portable Huts, Forest Huts, Liddell Huts, Nissen Bow Huts en Weblee Interlocking Huts (19). De barakken van het type Tarrant Portable Huts vertoonden de grootste gelijkenis met de barakken van het type Hamon, voor wat betreft de samenstelling in verschillende bouwelementen. De gevelpanelen waren bovendien ook samengesteld uit een klampconstructie met een verticale buitenbeplanking en een horizontale binnenbeplanking, behalve wanneer gebruik werd gemaakt van een weather hoarding, het zogenaamde Zweeds rabat, waar de richting van de beplanking werd omgekeerd.
De noodkerk in Heirweg {Anzegem) na WOI: hergebruik van een barak van het type Hamon (collectie auteur)
De barakken van het type Hamon na de Eerste Wereldoorlog Er is, mede door de schaarste aan archief, weinig geweten over het lot van de vele barakken die tijdens de Eerste Wereldoorlog door firma Hamon zijn vervaardigd. Enkele hospitalen deden nog dienst na het einde van de oorlog, zoals de site van het Doorntje in Houtem als sanatorium voor tuberculose of het hospitaal in Woluwe voor invaliden (20). Waar het Belgisch Leger er nog
IVI&L I 43
gebruik van kon maken, werden de barakken heropgericht, zoals op het militair depot in de SintBernardusabdij in Hemiksem en het kamp van Beverlo in Leopoldsburg (21). Openbare verkopen werden ingericht waarbij de barakken al dan niet tegen opbod werden verkocht (22). Barakken kregen een tweede leven als garage of ander dienstgebouw, waarvoor ze in verkoopsaankondigingen aangeprezen werden. Deze belichtten vaak ook het gemakkelijk demonteerbaar karakter, met de vermelding uiteenneemhare barakken. Andere barakken werden dan weer verkocht als brandhout. Ook op de site van het Doorntje in Houtem werden, na het opdoeken van het sanatorium aldaar, 20 houten barakken per openbaar opbod verkocht op 6 januari 1931 (23). Slechts sporadisch ziet men deze barakken opduiken op foto's voor secundair hergebruik, zoals de noodkerken van Heirweg in Anzegem, Westende en Elverdinge, de pastorie naast de noodkerk in Moorslede, het noodstation en de meisjesschool in Nieuwpoort, het Café des Touristes nabij de Meensepoort in leper, of nog een verloren exemplaar van dit type barak tussen de noodwoningen van het Albertfonds op het Minneplein in leper (24). Bijna altijd werden de barakken bij dit secundair hergebruik niet meer op hun blokken of poeren gezet, maar rechtstreeks op de volle grond geplaatst.
Nieuwe productie in aanloop naar de Tweede Wereldoorlog In oktober en november 1939 werden een hele reeks barakken van het type Hamon besteld door het Belgisch Leger, allicht in het kader van de oorlogsdreiging en de versterkte mobilisatie vanaf 1 september 1939. Verschillende reeksen plannen, briefwisseling en interne nota's bleven hieromtrent bewaard (25). Uit de opschriften van het plannenmateriaal blijkt dat de barakken dan bedoeld waren als veldbarakken voor divers gebruik en niet noodzakelijk als hospitaalbarakken. Alle plannen gaan terug op de moederplannen van de firma Société Hamon (zoals ondertussen op de plannen staat vermeld, nog steeds met vestigingen in Brussel en Parijs), die nog zeer nauw aansluiten bij de barakken van de Eerste Wereldoorlog. Na een aantal aanpassingen door de Service des Baraquements Militaires van het Belgisch Leger, ondermeer de vorm van de vensters in de langsgevels en een gecombineerd dak- en plafondpaneel voor nog snellere montage, werden de barakken aanbesteed volgens plannen opgemaakt door deze dienst. In verschillende bestellingen hebben zo'n
20-tal bedrijven barakken geleverd volgens het nog steeds gebrevetteerde systeem Hamon. De firma Hamon zelf en de firma De Coene uit Kortrijk mochten barakken leveren volgens hun eigen plannen of systeem; de overige aannemers dienden de plannen van de dienst te volgen. De firma Hamon zelf lijkt echter geen barakken meer te hebben geleverd in deze periode (26).
Besluit Zoals hierboven aangehaald, zijn de verregaande standaardisatie of modulariteit van het bouwsysteem en de oorspronkelijke vervaardigingswijze als monteerbaar en demonteerbaar bouwpakket belangrijke aspecten in de huidige restauratieaanpak van de barak van firma Hamon. Dat de barak op het domein de Lovie het enige overlevende exemplaar lijkt te zijn is een belangrijk gegeven. De start van de restauratie is gepland begin 2015 en de afwerking tegen de winter van 2015.
Dries Vanhove is ingenieur-architect en master in de monumentenzorg.
EINDNOTEN (1)
Dit artikel is de synthese van: VANHOVE D., Veldhospitaalbarak De Lovie te Poperinge. Restauratienota, onuitg. studie, Krombeke, 2013. (2) Ministerieel besluit van 1 juli 2009 houdende bescherming als monument van de oorlogsbarak en zg. 'Chinese Poort' op het kasteeldomein De Lovie te Poperinge, (gepubliceerd Belgisch Staatsblad 7 september 2009). (3) Over de organisatie van de veldhospitalen van het Belgische Leger tijdens WOI verschenen diverse studies: MELIS L., Contribution dl'histoire du Service de Santé de l'Armee au cours de la guerre igiq-igiS, Brussel, 1932; MATH1EU J., De Eerste Wereldoorlog en zijn gevolgen, in EVRARD E., MATHIEU (., ERANgOIS R. en MOORTHAMERS R., Asklepios onder de wapens. 500 jaar militaire geneeskunde in België, Brussel, 1997; [ANSSENS P., Belgische veldhospitalen tijdens de Eerste Wereldoorlog, Brussel, 2001. (4) DE MUNCK L en VANDEWEYER L, Het hospitaal van de koningin. Rode Kruis, L'Océan en De Panne igiq-igiH, De Panne, 2012, p. 66-68 en 78-83. (5) Voor Cabour en Beveren aan de IJzer zie de fotocollecties van apotheker Tonneau en van Tonneau en Etienne: [www.1914-1918.be] .Voor foto Hoogstade: MELIS L., op. rit., p. 325. (6) Foto's van Petit Fort Philippe in Gravelines en Bonsecours in Rouen beide op: [www.1914-1918.be]; foto Anglo-Belge in Rouen: EVRARD E. en MATHIEU ]., op. ril., p. 259; foto Krombeke: MELIS L, op. rit., p. 144; foto Fortem: VERMEIREN E., VERDONCK A. en TROUBLEYN R., Zeldzame reminiscenties van de Grooten Oorlog: archivalisch en bouwtechnisch onderzoek van de legerbarakken in jabbeke (prov. West-Vl.j, in Relicta, nr. 8, 2011, p. 377-418, p. 395; Port-Villez: fotocollectie van Jean Baboux op: [www.1914-1g18.be/ ecoIe_port_villez.php] en de collectie van persagentschap Rol op [http://gallica.bnf.frl; Woluwe: EVRARD E. en MATHIEU J., op. rit.; naoorlogse postkaarten (Reeducation des Grands Blessées de la Guerre).
(7) Foto op [www.westhoekverbeeldt.bel nr. HEU004504735, 30.09.1923). Vaak is het minder duidelijk uit de context van foto's uit de aantekeningen van Maria van de Steen de Jehay de verkoop over welke barakken het gaat. Zo zou de open- collectie B. de Moreau op [www.1g14-1918.be] bare verkoop van barakken op 18.08.1920 te Hoogstade en (8) Deze site is bij uitstek gekend door de immense collectie op 19.08.1920 te Krombeke, georganiseerd door de Regisfoto's gemaakt door Janine Binon. CfGF/SOMA Studie- en tratie en Domeinen, om de verkoop van de Belgische Legerdocumentatiecentrum Oorlog en hedendaagse Maatschappij - barakken kunnen gaan {De Poperingnaar van 15.08.1920). Beeldbank: Collection Janine Binon: Guerre-14-18, InfirmiSoms worden barakken uit tweede hand verkocht, waardoor ères, Höpital de l'Océan a La Panne, écoles de la Reine Elienkel nog de afmetingen van de barakken indicatie kunnen sabeth. vormen over het type van barak dat wordt verkocht - tenzij (9) MELIS L., op.cit., p. 310. het gaat om Britse Nissen huts waarvan de naam wordt opge{10) De enige bewaarde archiefdocumenten van de firma Hanomen in de aankondigingsberichten gezien ze gemeenmon met betrekking tot deze barakken in de periode van zaam bekend zijn. Mogelijke verkopen van baraktype HaWOI tot op heden teruggevonden, bevinden zich in het Armon: in Vlamertinge op 5.07.1925, bij de Bloemmolens chief van het Belgische Rode Kruis. Het betreft in hoofdDiksmuide 24.07.1927 en op het Sint-Maartenskloosterzaak archiefmateriaal met betrekking tot een patentinbreuk plein in leper op 16 april 1929 (De Poperingnaar 28.06.1925, op dit baraktype, waarover verder in de studie meer. Brus24.07.1927, het Ypersche volk 6.04.1926) (alle kranten consel, Algemeen Rijksarchief, archief van het Rode Kruis, sulteerbaar op: [www.historischekranten.be] nr. 73. (23) De Poperingnaar, 28.12.1930. (11) Hamon. a hundred years engineering for nature, firmabrochu-(24) Heirweg en Anzegem: postkaarten; Elverdinge: [www.westhoekverbeeldt.be] nr. HEU008501266, Moorslede: [www. re, 2007, zoals gepubliceerd op [www.hamon.comj. De firbeeldbankwest-vlaanderen.be] nr. 14014000145; Nieuwma beschikt verder niet meer over een bedrijfsarchief uit poort: postkaartenreeks met opschrift reconstruction de deze periode. Nieuport 1920; leper Menenstraat: CONSTANDT H., MUS (12) Brussel, Algemeen Rijksarchief, archief van het Rode Kruis, O. en VANDENBUSSCHE P., Het leper van toen, Brugge, nrs. 71 tot 74. Behoudens foto's is in het documentatiecen1984, p. 123; leper Minneplein: BAERT e.a., leper, de herretrum van het Koninklijk Leger Museum vooralsnog geen zen stad. De wederopbouw van leper na 14-18, Koksijde, 1999, archief gekend van hospitaalsites tijdens WOL p. 100. (13) DE MUNCK L en VANDEWEYER L, op. rit., p. 70 e.v. en (25) Brussel, documentatiecentrum van het Koninklijk Leger p. 100 e.v. Museum, Moskou archief, doos 3699. map 1286 en doos (14) MELIS L, op. rit., p. 304; DE MUNCK L en VANDEWEY3702, dossier 1292. Met dank aan Rob Troubleyn. ER L., op. rif., p. 89, foto depage_021.jpg op [www.1914(26) VERMEIREN E., VERDONCK A. en TROUBLEYN R., Le1918.be] gerbarakken jahbeke - archiefonderzoek en handleiding: om(15) Brussel, Algemeen Rijksarchief, archief van het Rode Kruis, gaan met barakken, onuitg. studie, Brussel, 2008, p. 38. Het nr. 73, offerte brief van 2 oktober 1915 en brief van 2 sepdeelarchief behandeld in deze studie, allicht met betrekking tember 1916. tot de eerste bestelling, kon door de auteur vooralsnog niet (16) Zo bijvoorbeeld de barakken op de site van Port Villez en getraceerd worden. diverse barakken op de site van Woluwe. De barakken waren voor volgende bestemmingen: (17) VERMEIREN E. e.a., op.rit.,2011. Eynthout, Oosterhoven, Oosterwijk, Noorderwijk, Tonger(18) Diverse bronnen internet, zonder verwijzing naar eigenlo, Wezel, Voortkapel, Plassendonk, Berlaar, Herenthout, tijdse bronnen. Diverse brochures (evenwel zonder historiMorkhoven. Herselt, Zoerle-Parwijs en Zammel. In tegensche achtergrond) zijn uitgegeven door het Ministère de la Guerre: Notice relative au montage, demontage, reparations «f stelling tot het indrukwekkende fotoarchief dat WOI van entretien du Baraquement système Adrian. Type A - Parois re- deze barakken heeft nagelaten, zijn vooralsnog geen foto's couvertes de carton bitumé, Toiture type B, Sceaux. s.d., Bara- bekend van deze barakken op locatie. quement démontable, système Adrian, Paris, s.d. en Baraquement système Adrian, Type A. Portefeuille de l'Officier. z.p., z.d. Alle brochures zijn consulteerbaar op; [http://gallica. bnf.fr] Een replica van een barak système Adrian is te zien in het vliegtuigmuseum het Franse Le Bourget. In Krombeke stonden de baraques Adrian ooit zij aan zij met de baraques SSA van firma Hamon: getuige foto in MELIS L., op. rit., p. 262. Naast ziekenboeg van de Divisie van het Belgische leger, was er ook een Frans hospitaal gevestigd, wat kan afgeleid worden uit het feit dat het dorp behoorde tot de Franse sector en dat op de site van het hospitaal na de oorlog een Franse militaire begraafplaats was gelegen. {19) Work of the Royal Engineers in the European War. icm-ig. Work under the Director of Works (France), Chatham, 1924, p. 171 e.v., pi. XLV tot LV. Deze publicatie en de afbeeldingen komen uitgebreid aan bod in: VERMEIREN E. e.a., op. rit., 2011, p. 395-401. (20) Begin december 1920 viel het Invalidenhuis te Woluwe ten prooi aan een grote brand {de Poperingnaar, 5 december 1920). Het is niet duidelijk of dit het einde inluidde voor de site. {21) Cf. een reeks postkaarten uitgegeven door Ed. Van Herp Heximem eind jaren 1920, respectievelijk postkaart met opschrift Kamp van Beverloo - Ciby barakken. (22) Enkele voorbeelden: op 3.09.1919 worden te Vinkem barakken van het Belgische Leger verkocht afkomstig uit Avekapelle, Booitshoeke, Oostduinkerke en Wulpen; nog in Vinkem werden in het voorjaar 1921 de houten barakken van de site l'Océan te koop aangeboden; op 5 juli 1923 worden de barakken van hospitaal Cabour in Adinkerke openbaar verkocht; in september 1923 de barakken van een hospitaal genaamd Marie-José in Wulveringem, mogelijk gaat het hier om de School van de Koningin {De Poperingnaar van 31.08.1919, 6.03.1921 en volgende edities, 1.07^923,
Omgaan met een modernistisch gebouw: de provinciale tuinbouwschool in Mechelen Rudy De Craef
De provinciale tuinbouwschool PITO in Mechelen is een typisch voorbeeld van de modernistische Nieuwe Zakelijkheid. Het gebouw naar ontwerp van Jan Lauwers, opgetrokken tussen 1928 en 1934, is sinds 1997 beschermd als m o n u m e n t (1) en wordt beheerd door de provincie Antwerpen. Deze bijdrage toont de evolutie binnen dit provinciebestuur aan van de vroegere aanpak met ad hoc herstellingen en onderhoud naar de huidige meer gestructureerde visie, gebaseerd op een masterplan. Hierin worden
Het provinciebestuur van Antwerpen bezit en beheert verschillende monumenten. Naast bekende en waardevolle topmonumenten als de kathedraal van Antwerpen (2) en het kasteel d'Ursel in Hingene omvat het patrimonium dat de provincie beheert ook minder bekende waardevolle en al dan niet beschermde gebouwen. Eén daarvan is het oorspronkelijke gebouw van het Provinciaal Instituut voor Tuinbouwonderwijs Mechelen (PITO Mechelen) dat architect Jan Lauwers ontwierp en dat zich net buiten het stadscentrum aan de Antwerpsesteenweg bevindt.
aanbevelingen geformuleerd voor regelmatig onderhoud en voor een fasering van de restauratie. Hopelijk kan deze manier van werken inspirerend werken voor de besturen die dergelijk erfgoed in beheer hebben. Voorgevel na restauratie van de rechtervleugel (foto O. Pauwels)
46 I M&L
Jan Lauwers (1898-1988) werd geboren in Mechelen. Vanaf 1920 werkte hij onder leiding van architect Alexis Dumont mee aan de wederopbouw in West-Vlaanderen (3). Vanaf het interbellum ontwierp Lauwers voornamelijk woningen,
winkels en schoolgebouwen. In 1927 won hij De Prijs van Rome in de discipline architectuur (4). Interessant werk van hem uit die periode is onder andere het ontwerp voor het 'laboratorium' dat in de jaren dertig bij brouwerij Lamot in Mechelen werd gerealiseerd (5). Met zijn zakelijke en functionele baksteenarchitectuur opteerde Lauwers voor een nieuwe vormgeving in de bouwkunst, die beïnvloed lijkt door Nederlandse en Duitse voorbeelden. Net zoals zijn rolmodellen koos hij voor eerder kubistische en asymmetrische composities van meestal bakstenen volumes. Nieuwe technieken als skeletbouw en de toepassing van zuivere, onversierde materialen typeren zijn projecten. Hiermee behoorde hij tot een kleine avant-garde in Mechelen, waar de vernieuwing in de architectuur tijdens het interbellum vooral gedragen werd door enkele plaatselijke architecten (6). Zijn invloed als vernieuwer werd in 1928 al onderstreept door het artikel dat het destijds toonaangevende tijdschrift La Cité in de reeks I 'architecture en Belgique aan architect Lauwers en zijn werk wijdde (7).
In 1927 werd Jan Lauwers benoemd tot docent aan de Academie van Schone Kunsten in Mechelen (8) en na WO II profileerde hij zich als restauratiearchitect. Zo ontwierp hij de prachtige glasramen bij de restauratie van de Onze-Lieve-Vrouw-overde-Dijle-kerk in Mechelen in de periode 1962-1968 (9). Van 1951 tot 1961 was Jan Lauwers directeur van het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw in Antwerpen. De architect was ook een tijdlang lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (10).
De casus PITO Het schoolgebouw van PITO werd opgetrokken tussen 1927 en 1934 en werd beschermd als monument bij ministerieel besluit van 10 juli 1997 vanwege de architectuurhistorische en historische waarde (11). Het beschermingsbesluit stelt dat het gebouw "door zijn strakke vormgeving, het gebruik van zuivere onbewerkte materialen en het ontbreken van versiering' geldt als een "geslaagd voorbeeld van functionalistische architectuur met verwijzingen naar de Amsterdamse School". De historische waarde wordt in het besluit als volgt ondersteund: "In de evolutie van de regio Mechelen tot belangrijkste groentenstreek van het land speelt tuinbouwonderwijs een niet te schatten rol; om aan de specifieke eisen van het landbouwonderwijs te kunnen voldoen, was een tuinbouwschool met eigen proefvelden en modelhoeve een noodzaak die resulteerde in het nu nog bestaande Provinciaal Instituut voor Tuinbouwonderwijs". Het asymmetrische gebouw bestaat uit een zestal kubistische volumes opgetrokken in roodbruine baksteen met Dudokvoeg, namelijk dieperliggende lintvoegen in combinatie met platvolle stootvoegen die een horizontaal werkend effect hebben.
Perspectieftekening centraal torenvolume (uit La Cité, 7, 1928, p. 93)
Perspectieftekening portiek tussen beide woningen (uit La Cité, 7.1928, p. 93)
1VI&LI 47
Gezicht op het gebouw
Achterzijde van het gebouw
omstreeks i 9 6 0 , met vooraan
tijdens de bouwperiode
een deel van de hoeve
(© Provinciaal Archief Antwerpen)
( © Provinciaal Archief Antwerpen)
De verschillende uitwerking van de volumes illustreert de diverse functies. Centraal is er een hoog volume van drie bouwlagen waarin zich de hal en de trapzaal bevinden, de zogenaamde toren. Van hieruit bereikt men een achterliggend volume, waarin op de begane grond het sanitair is ingeplant en waar de vroegere bibliotheek aansluit op het trapbordes. De rechtervleugel van twee bouwlagen herbergt de toenmalige directeurs- en conciërgewoning (later werd de directeurswoning ook een conciërgewoning) met daartussen een terugspringende portiek die toegang geeft tot de vroegere speelplaats. Op de verdieping was er aanvankelijk een refter, bereikbaar van op de speelplaats via een buitentrap. Uiterst rechts was er oorspronkelijk een hoeve gebouwd in L-vorm onder een zadeldak. De linkervleugel telt ook twee bouwlagen met telkens twee klaslokalen en bijhorende kleedruimten die worden ontsloten door een brede gang. Het linkervolume wordt beëindigd door een geprononceerd hoekvolume waarin destijds op de begane grond het museum en op de verdieping de klas natuurwetenschappen waren ondergebracht (12). Het gebouw heeft zijn originele functie als schoolgebouw behouden, ondertussen is de schoolsite wel sterk uitgebreid.
conciërgewoning uitbreiden naar de verdieping en hiervoor werd onder andere de buitentrap afgebroken en de verdiepingshoogte aangepast (13). Ook de omgeving rond het gebouw veranderde drastisch. Allerlei nieuwe gebouwen kapselden als het ware het schoolgebouw in, waardoor de beleving ervan compleet veranderde. Waar het gebouw van architect Lauwers vroeger een solitair en dominant karakter had, lijkt het nu eerder een bijgebouw. Het onthaal voor de school werd ook verplaatst naar een gebouw uit de jaren '60 dat deels vóór het monument werd gebouwd en zo het zicht van op de straat belemmert. De laatste decennia is het oude gebouw nog sterker achteruit gegaan en ging nog meer van het originele karakter verloren. Het gebouw werd onderhouden door middel van ad hoe-interventies als reactie op specifieke problemen. Deze aanpak leidde tot een drietal problemen, naast de oplopende onderhoudskost en de achteruitgang van de architecturale kwaliteiten bleek het niet afdoende om andere, meer dringende kwesties zoals een beperkte toegankelijkheid en bouwfysische tekortkomingen op te lossen. Bij nadere beschouwing van deze moeilijkheden wordt duidelijk waarom een andere aanpak noodzakelijk was en zich dan ook in zekere mate opdrong.
Probleemstelling Sinds de bouw onderging de school verschillende wijzigingen en werden er andere constructies op de site gebouwd om de veranderende condities voor onderwijs op te vangen. Zo werd bijvoorbeeld, naast een aantal kleinere aanpassingen, in 1940 een 'geriefplaats' tegen het achterliggende volume gebouwd en werd er een fietsenstalling en klaslokaal aan de achterzijde van de hoeve opgetrokken. In 1963 werd de modelhoeve sterk gewijzigd en omgevormd tot machinekamer en schrijnwerkerij, hiertoe werd het zadeldak weggenomen en een verdieping toegevoegd. Nog in 1963 ging het verdwijnen van de refter met nogal wat structurele ingrepen gepaard: het bestuur wou de gelijkvloerse
48 I M
L
Toenemende onderhoudskost Ten eerste was er de toename van de onderhoudskosten. In plaats van eerst een diagnose te stellen en hiervoor een langetermijnoplossing te bedenken, werd er steeds tijdelijk opgelapt, wat kon leiden tot nog meer schade. Doordat er geen structurele oplossingen voor bepaalde problemen gevonden werden, bleven die zich immers opstapelen en uitbreiden. Een voorbeeld is het dak dat telkens plaatselijk werd hersteld, onder meer door het onoordeelkundig aanbrengen van dakdichting tegen opgaand metselwerk tijdens herstellingswerken. De dichting werd niet tot onder de dekstenen opgetrokken en het water kon langs het opgaand metselwerk binnensijpelen, temeer omdat
L A C I T E - 1928 - V O L U M E VII • N U M E R O
7
(b)
L A C I T E . 1928 - V O L U M E VII - N U M E R O 7
m
m
nn HBLflHiaa. a e ÉCOLE PROVINCIALE AGRÉÉE DE CULTURE MARAICHÈRE, EN CONSTRUCTION A MALINES. FAQADE PRINCIPALE. EXECUTION EN BRIQUES KLAMPSTEEN DE BOOM, RECOUVREMENT DES MURS EN PIERRE ARTIFICIELLE, CHASSIS COSYN. TOITURE EN ZINC A TASSEAUX.
(a) Voorzijde van het gebouw tijdens de bouwperiode
door het aanbrengen van isolatie het overstek van de dekstenen nutteloos was geworden, waardoor er op korte termijn nieuwe problemen ontstonden die allerlei schade veroorzaakten zoals lekken in het interieur, condensatie, loskomend behangpapier en dus bijkomende kosten genereerden en voor verlies aan historisch materiaal zorgden. Omdat er geen globale visie op het gebouw was, werd deze ad-hocwerkwijze eigenlijk gestimuleerd. Naast de eigenlijke gebruikers, die weinig ervaring hadden in het omgaan met deze specifieke problemen bij monumenten, had ook de onderhoudsdienst van de provincie weinig ondervinding en tijd - en dus noodgedwongen ook weinig aandacht - voor deze problematiek. Het referentiekader voor deze dienst was voor de bescherming in 1997 uiteraard helemaal anders dan vandaag, voornamelijk omdat er geen externe waardemeter was die het belang van deze architectuur aangaf. Daarom is het ook te begrijpen dat er in de periode vóór de bescherming een heleboel ingrepen gebeurden die specialisten vandaag wellicht merkwaardig vinden. Vaak werd gewerkt met stereotiepe oplossingen die gebruikt werden voor meer normale problemen. Als er
bijvoorbeeld een stuk bezetting aangetast was, werd dat met een gewone hedendaagse pleister gerepareerd en niet met een aangepaste historische specie. Als er geschilderd moest worden, dan ging men al snel opteren voor een algemene uniforme verfiaag met momentele materialen in plaats van te kiezen voor de restauratie van het historisch schilderwerk met bijhorende kleurstelling en patroon. Het conserverende, bewarende aspect met beperkt ingrijpen was in die periode niet aan de orde. Ook in de eerste jaren na de bescherming, gingen de beheerders van het gebouw verder op dat oude elan (14).
(© archief Provincie Antwerpen}
(b) Ontwerptekening voorgevel (uit La Cite. 7.1928. p. 92-93J (c) Fotomontage van de voorzijde van het gebouw tijdens de opmaak van het masterplan (© architectenbureau Erfgoed & Visie)
Teloorgang van de architecturale kwaliteiten De hierboven geschetste praktijk leidde uiteraard ook tot het tweede probleem: een aftakeling van de architectuur, dit zowel aan het interieur, dat langzaam transformeerde door allerlei oplapwerk, als aan het exterieur waaraan onoordeelkundige ingrepen gebeurden. Zo werden in het gebouw reparaties van allerlei afwerkingslagen met onaangepast materiaal uitgevoerd zoals het plaatselijk vervangen van wand- en vloertegels door nieuwe van een ander type en het aanpassen van het binnenschrijnwerk.
M&L
49
Centrale traphal vóór restauratie (foto O. Pauwels)
Fotomontage van het gebouw en de beplanting anno 2006 met vooraan links het geprononceerd hoekvolume met oorspronkelijk op de begane grond het museum en op de verdieping de klas natuurwetenschappen ( © architectenbureau Erfgoed & Visie)
Het exterieurbeeld werd voornamelijk aangetast door het aanbrengen van nieuwe beplanting rond het gebouw, passende binnen het kader van de schoolactiviteiten. Dit bleek nefast voor het originele beeld van het gebouw. De duidelijke horizontale werking van de oorspronkelijke architectuur is hierdoor praktisch volledig verdwenen. Deze nieuwe aanplantingen verhinderen voornamelijk het zicht op de originele gecementeerde plint van het gebouw, die destijds het gebouw leek te dragen, maar ze verhinderen ook een gemakkelijk onderhoud van dit gevelgedeelte, waardoor ook daar weer bijkomende schade ontstaat. Daarenboven werd de speelplaats verhoogd en met andere materialen afgedekt, waardoor het gebouw lijkt weg te zinken. Daarnaast hadden de aanpassingen aan het buitenschrijnwerk, waarvan de horizontale roeden werden verwijderd en de oorspronkelijke kleur verdween, een belangrijke impact op het beeld van het gebouw.
Functionele tekorten Een derde probleem is de onaangepastheid van het gebouw aan allerlei nieuwe gebruiksmodaliteiten. Doordat er verscheidene zaken niet aangepast zijn aan wijzigende functiebehoeften hebben de beheerders in de loop der jaren allerlei aanpassingen gedaan aan het gebouw, zonder rekening te houden met sommige van de waarden die het gebouw in oorsprong had. Zo werden valse plafonds ingebracht om plaats te bieden aan allerlei nieuwe technische voorzieningen. Onder andere het vernuftige oorspronkelijke verluchtingssysteem ging hierbij verloren, waardoor het gebouw eigenlijk slechter werkt dan in het begin en er allerlei condensatieproblemen ontstaan. Ook heeft men ten behoeve van nieuwe functievereisten van dat moment, allerlei ad-hocaanpassingen gedaan. Zo werden bijvoorbeeld muren weggehaald en vloeren verhoogd zodat enerzijds het gebouw op een weinig coherente manier werd getransformeerd en anderzijds een stuk van de oorspronkelijke flexibiliteit verloren is gegaan. Het is duidelijk dat, ondanks al deze aanpassingen, het gebouw onvoldoende tegemoet komt aan de eisen van vandaag. De gebruikers hebben moeite het te onderhouden, maar ook om er les in te geven. Het gebouw is slechts deels toegankelijk voor minder mobiele personen, moeilijk te verwarmen en er is een slechte akoestiek. De vraag is uiteraard of een andere aanpak of een nieuwe restauratiefase meer toekomstmogelijkheden biedt.
Omgaan met het gebouw Omdat de provincie naast dit monument talrijke andere monumenten en andere 'gewone' gebouwen beheert, werd gezocht naar een andere, werkbare manier om met de instandhouding en het onderhoud van grote gebouwcomplexen om te gaan. Hierbij werd door het provinciebestuur geopteerd voor een meer gesystematiseerde behandeling voor haar monumenten, een aanpak die in schril contrast staat tot de hierboven geschetste werkwijze in het verleden. Dit idee was onder meer gebaseerd op de goede ervaringen die men al had met het uitgebalanceerd meerjarenplan voor de restauratie van de Antwerpse kathedraal (15). Het provinciebestuur van Antwerpen heeft deze werkwijze ondertussen toegepast voor verscheidene andere monumentale gebouwen en complexen zoals de school PTS in Boom, Kasteel Rivierenhof in Deurne en het Aartsbisschoppelijk Paleis en de Sint-Romboutskerk, beide in Mechelen. Een werkwijze gebaseerd op monitoring en onderhoud werd dan ook verder ontwikkeld en een specifieke aanpak werd toegepast om dit monument en andere waardevolle gebouwen op een
50 I M
L
Achterzijde van het gebouw na de eerste restauratiefase met
systematische wijze aan te pakken. Deze strategie van werken met langetermijnplanning en de inbreng van onderzoeksresultaten en testrestauraties in het proces, samen met de input van verschillende premies wordt hieronder toegelicht. Hierbij gaat veel aandacht naar dringende onderhoudswerken om de aftakeling van gebouwen tegen te gaan. Wellicht kennen specialisten deze aanpak beter onder de benaming preventieve conservatie. Deze wordt gedefinieerd als drie klassen van preventie: primaire preventie door het voorzien van middelen om oorzaken van ongewenste effecten, schade, weg te nemen. Secundaire preventie wordt gedefinieerd als controlemiddelen die een vroegtijdige opsporing van symptomen van ongewenste effecten, schade dus, mogelijk maken. Het werk van Monumentenwacht valt daar onder. Een derde klasse van preventie zijn middelen die een verdere verspreiding van de ongewenste gevolgen, schade, of het genereren van nieuwe ongewenste neveneffecten onmogelijk maken. Hieronder kunnen kleine onderhoudswerken gerekend worden (16). In 2004 duidde het provinciebestuur een architectenbureau aan voor het opstellen van een globale planning en de studie, het ontwerp en de controle van de restauratie van de historisch waardevolle delen PITO Mechelen. De architect, het bureau Erfgoed & Visie, werd gekozen na een procedure die paste binnen de voorwaarden van het Vlaamse premiebesluit, zodat later zonder problemen
premies konden aangevraagd worden. Dit gebeurde via een algemene offerteaanvraag met gunningscriteria. Dit betekent onder andere dat meerdere restauratiebureaus een offerte indienden waarin hun visie op de restauratie, op de werfopvolging en het ereloon tot de gunningcriteria behoorden. Daarnaast werkte het provinciebestuur een speciale samenwerkingsovereenkomst uit met het architectenbureau waardoor ze na elke mogelijke fase de samenwerking kon evalueren en al dan niet voortzetten en dit onder andere in functie van het beschikbare budget (17).
rechts de uitbreiding aan het oude bibliotheekvolume (foto O. Pauwels)
Van bij aanvang was het de bedoeling met dit masterplan een uitgebreide visie op de gebouwen, hun erfgoedwaarden en hun belang vandaag te ontwikkelen. Naast vele andere kwesties werd speciale aandacht besteed aan het voortbestaan van de originele functie, in dit geval een school, in een gemodificeerde maatschappij. Deze gedachte was gevoed door de idee dat de meeste monumenten tot ons komen, net omdat ze in de loop der jaren werden aangepast om met veranderende omstandigheden te kunnen omgaan. Specifiek de 20Ste-eeuwse modernistische architectuur, min of meer ontworpen als een machine, in dit geval voor het lesgeven aan studenten, kan vergeleken worden met een hedendaagse machine die onderhouden dient te worden en die men af en toe moet roderen of aanpassen om ze gaande te houden en nieuwe dingen te laten doen (18). Nieuwe aspecten als computernetwerken en toegankelijkheid voor
1VI&LI 51
LEGENDE DU PLAN
PLAN ACTUEL DE L'ECOLE
O/ïTUOOOB/l
=
L' Ï
UlTBOPltK/*
•
iijt-L.
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20.
Classes Vestiaires Musée Bureau Office Cuisine Parloir Salle k manger Bicyclettes Reduit Salle c^nmune Garage Ecurie Etable Laiterie Alimentation Porcherie Aire Provisions Remise
Oorspronkelijk ontwerpplan met legende (uit La Cite, y. 1928. p. 92)
minder mobiele personen moeten in het achterhoofd gehouden worden. 20ste-eeuwse gebouwen zijn daarenboven, in verhouding tot oudere monumenten, vaak voorzien van eigentijdse technieken die ondertussen al voorbijgestreefd zijn (19) en niet meer naar behoren functioneren. De omgang met deze installaties, behoud of vervanging, is dan ook een bijkomende problematiek.
De resultaten In 2005 keurde de Provincie Antwerpen het masterplan goed, dat bestond uit een viertal fasen. Ten eerste was er een onderzoeksfase met het concept voor drie voorafgaande onderzoeksprojecten: de identificatie van de oorspronkelijke afwerkingslagen, de analyse van baksteen en mortel en het onderzoek naar de conditie van de structurele elementen. Ten tweede bevatte het masterplan een fase met twee dringende onderhoudsprojecten: het herstel en de toegankelijkheid van de daken en een proefrestauratie van een aantal ramen. Ten derde waren er dan de eigenlijke restauratiefasen en tot slot werd een onderhoudsfase na restauratie voorzien (maar nog niet uitgewerkt). De drie onderzoeksprojecten dienden een beter inzicht te geven in de huidige toestand van de constructie. Door hier een correct en wetenschappelijk opgebouwd beeld van te krijgen.
52 I M & L
konden de architecten een juiste inschatting maken van de verschillende schadefenomenen en behandelingswijze ervan, daarenboven kom men zo nagaan welke bijkomende zaken mogelijk waren. Een vooronderzoek, bestaande uit een historisch onderzoek, kleuronderzoek van het pleisterwerk en het schrijnwerk en een onderzoek van de tegels, werd uitgevoerd door Ann Verdonck en Nele Vanholme voor de firma Examino cvba en werd afgerond in augustus 2007. Het onderzoek wees uit dat er in oorsprong een sterk doorgedreven interieurconcept werd uitgewerkt waarbij er een grote afstemming was tussen materiaal- en kleurkeuze van de vloer- en wandtegels, de kleur van het schrijnwerk en de afwerking van de wanden. De analyse van baksteen en mortel werd uitgevoerd door de firma MRT uit Deinze. Het onderzoek focuste op de toestand van het bestaande metselwerk en leverde een globaal restauratievoorstel voor het beschadigde metselwerk. Er werd ook een onderzoek gedaan naar een nieuwe, hedendaagse baksteen die als aanvulling bij het historisch metselwerk kon gebruikt worden. Verder werden er ook gevelreinigingstesten uitgevoerd en onderzoek gevoerd naar mogelijke gevelbescherming in functie van de klimatologische omstandigheden en graffiti. De firma Tri Consult uit Lummen nam het onderzoek naar de bewaringstoestand van de structurele elementen voor haar rekening (20). Het behelsde
Inkom conciërgewoning na restauratie (foto O. Pauwels)
de inventarisatie van de schade aan betonnen draagstructuren, luifels en geveldelen. Verder werden er stalen genomen en in het labo onderzocht van de betonstructuren en van het pleisterwerk. De studie stelde het draagvermogen van de dakstructuur vast in functie van een mogelijke nieuwe afwerking met een groendak. Tri Consult stelde ook een bouwfysische analyse van de dakstructuur op en formuleerde een restauratievoorstel voor de betonschade. De twee dringende onderhoudsprojecten vragen een toelichting om hun betekenis in relatie tot preventieve conservatie te begrijpen. Het herstel en de toegankelijkheid van de daken Het herstel en de toegankelijkheid van de daken leidde tot verscheidene conclusies die gebruikt werden in het feitelijke restauratiedossier en die kunnen bijdragen tot het onderhoud van het gebouw. De toegankelijkheid werd verbeterd voor inspectie door de onderhoudsdiensten van de provincie en door de vzw Monumentenwacht Vlaanderen: regelmatige controle van de daken kan immers vele problemen wegnemen vooraleer vervolgschade ontstaat. De zinken daken werden tijdelijk gedicht waar scheuren aanwezig waren en mortelaansmeringen werd bijgewerkt, het zink moet echter vernieuwd te worden - tijdens een latere restauratiefase - en de onderliggende houten structuur dient onderzocht en behandeld te worden. Bitumineuze dakbedekkingen bleken
onoordeelkundig opgelapt, ze werden niet onder de dekstenen doorgetrokken, waardoor bijkomende schade ontstond. De dichting dient dan ook vernieuwd te worden. Soms werd de dakbedekking over de dekstenen doorgetrokken, waardoor delen ervan onherstelbaar aangetast werden, deze zullen daarom vervangen worden, anderen zullen hersteld worden. De verdere conclusie van dit onderhoudsdossier is dat, naast de eerder genoemde maatregelen, er kan geïsoleerd worden ten gunste van het binnenklimaat en dus de energiefactuur, en dat een groot gedeelte van de oorspronkelijk met bitumen bedekte daken een extensief groendak kan krijgen (21). Dit is een zeer onderhoudsvriendelijke en duurzame oplossing, die daarenboven sterk aansluit bij de educatieve opdracht van de school - architect Jan Lauwers had destijds aan de gevels horizontale bloembakken ontworpen en op die manier ook een link gemaakt tussen de architectuur en de schoolfunctie - en die vrijwel geen impact heeft op het beeld van de school. Het spreekt voor zich dat het voorafgaandelijk onderzoek naar de bewaringstoestand van de structurele elementen een belangrijke rol heeft gespeeld in de vaststelling van de draagkracht en de noodzaak tot isolatie van de daken. Proefrestauratle van het schrijnwerk Een tweede dringend onderhoudsproject was tegelijk een proefrestauratle van een aantal ramen. De resultaten van dit project in combinatie met het onderzoek naar de originele afwerklagen leidde
M&LI 53
Detail onderkant raam
Ramen conciërgewoning
vóór restauratie
vóór restauratie
(© architectenbureau Erfgoed & Visie)
Raam interieur na proefrestauratie
(© architectenbureau Erfgoed & Visie)
) architectenbureau Erfgoed & Visie)
tot enkele opmerkelijke vaststellingen. Een groot gedeelte van het schrijnwerk is in feite nog origineel, maar bij praktisch alle ramen zijn de horizontale houten raamroeden verdwenen samen met de originele kleuren, rood aan de buitenzijde en zwart aan de binnenzijde (22), wat een zeer grote impact op het beeld van het gebouw heeft. Plaatselijk werd het schrijnwerk in functie van interieurwijzigingen compleet vervangen, soms zelfs met pvc-profielen. Ook zijn her en der de, typisch voor ingemetselde blokramen, loden onderdorpels verdwenen. Op andere plaatsen is het lood verweerd, waardoor waterinfiltratie mogelijk werd. Verder is bij de meeste ramen het oorspronkelijke beslag verdwenen en vervangen door allerlei verschillende types die een beeld geven van de evolutie van raam- en deurbeslag doorheen de twintigste eeuw. De conclusies van de testrestauratie van een raam zijn onder meer dat, om het oorspronkelijke beeld opnieuw te herstellen, het nodig is een restauratie uit te voeren waarbij slechte delen worden vervangen, horizontale roeden opnieuw worden ingebracht in combinatie met aangepast isolerend 'monumentenglas' en herstel van de oorspronkelijke kleurstellingen noodzakelijk is. Ook wat het beslag betreft wordt opnieuw een uniform beeld nagestreefd. Andere input voor de restauratie Naast een heel eisenpakket vanwege de schooldirectie trachtte het provinciebestuur ook op andere
54 I M&L
drempels, ontoegankelijk sanitair en de onbereikbaarheid van de eerste verdieping, naast problemen van signalisatie en circulatie een probleem voor minder mobiele personen. De verschillende knelpunten werden mee opgenomen in de ontwerpopdracht voor het architectenbureau. De restauratie
Beeld van geveldeel na proefrestauratie van enkele ramen (© architectenbureau Erfgoed & Visie)
vlakken zoals duurzaamheid, brandveiligheid en integrale toegankelijkheid tot een kwaliteitsvol project te komen. In verband met dit laatste punt werd een toegankelijkheidsonderzoek uitgevoerd op de volledige site PITO Mechelen door het Centrum voor Toegankelijkheid van de Provincie Antwerpen (CTPA). Dit onderzoek focuste ook op de knelpunten bij het historische gebouw. In dit gebouw vormden onder meer te hoge deur-
De resultaten van de voorafgaande onderzoeken en de onderhoudswerken, in combinatie met de analyse in situ van het gebouw, werd gebruikt in het eigenlijke restauratiedossier en was noodzakelijk om de specifieke problemen van dit 2oste-eeuws architecturaal erfgoed aan te pakken. De restauratie zelf bestaat uit drie fasen. Voor de eerste fase, in het bijzonder de restauratie van de conciërgewoningen en de werkplaatsen, tekende minister Bourgeois een voorlopig premiebesluit op 6 april 2011 voor een bedrag van 607.607,87 euro. De definitieve premie na aanbesteding werd vastgelegd op 588.394,57 euro. In deze fase wordt de linker conciërgewoning mee opgenomen in het schoolgebeuren, de rechtse woning blijft haar originele functie behouden. De werkplaatsen worden functioneel gerenoveerd. Voor een optimalisatie van de circulatie en de toegankelijkheid worden diverse doorsteken ter hoogte van de centrale traphal in het gebouw hersteld, waarbij het ook mogelijk wordt een lift te integreren en zo de integrale toegankelijkheid van het gebouw te bevorderen. Aan de achtergevel van de rechter conciërgewoning wordt de originele gevel met buitentrap gereconstrueerd samen met de refter en dit op basis van de bouwtekeningen van Jan Lauwers. De refter zal worden gebruikt als
1VI&LI 55
r"
-^ë&r
DOö^^fsi^oc
A-^
Snede over de refter met aanduiding van de buitentrap (© Provinciaal Archief Antwerpen, bew. R. DeGraef)
56 I 1V1&L
1
Nachthal conciërgewoning na restauratie (foto O. Pauwels)
58 I M
vergaderlokaal. De firma Verstraete & Van Hecke uit Wilrijk rondde deze werken ondertussen af. Het ontwerpdossier voor de tweede fase, de restauratie van klasvleugels en sanitair volume, werd op 25 januari 2010 ontvankelijk verklaard door het agentschap Onroerend Erfgoed en op 16 mei 2012 tekende de minister het voorlopig premiebesluit voor een bedrag van 809.822,88 euro. In deze fase, die eind 2014 opstart, worden
L
onder meer de klaslokalen in de linkervleugel gerestaureerd naar hun oorspronkelijke indeling en wordt er intern, voor een optimalisatie van de circulatie, veiligheid en toegankelijkheid, een bijkomende vluchttrap gerealiseerd. Later volgt dan de laatste fase die vooral met omgevingsaanleg te maken heeft. Daarbij zal ook de originele afwerking van de speelplaats, die tijdens het graven van enkele proefsleuven nog aanwezig bleek, opnieuw blootgelegd worden. Deze restauratie moet leiden tot een nieuw startpunt van waaruit men met een schone lei kan vertrekken. Na de laatste restauratiefase zal er, naast een asbuilt-dossier en een restauratieverslag, nog een belangrijk document op tafel moeten komen: een onderhoudsdraaiboek. Hoe de opvolging van dat onderhoudsdraaiboek zal gebeuren is thans nog niet duidelijk. Er moet nog onderzocht te worden of het architectenbureau dat het initiële onderhoudsdraaiboek heeft opgemaakt opmaken, ook kan aangesteld worden om de opvolging ervan te voorzien. Uiteraard zal de beheerder van het gebouw dit draaiboek op regelmatige basis moeten bijstellen, omdat niet alles te voorspellen is, zodat er zeker ruimte dient te zijn voor veranderingen en/of bijkomende elementen. Ook de noodzaak tot en de wijze van verdere monitoring kan hierin vastgelegd worden. Op dit moment bestaat het onderhoudsdraaiboek enkel uit de gegevens die uit de verschillende vooronderzoeken en proefrestauraties naar voren kwamen. De ontwikkeling van het onderhoudsdraaiboek zal gevoed worden door de resultaten van de verschillende restauratiefases. De bedoeling is dat er bij elke fase, zoals normaal is bij een verbouwing of een restauratie, productfiches, gebruikshandleidingen en onderhoudsbeschrijvingen worden afgeleverd. Deze zullen allemaal verwerkt worden in een draaiboek dat gekoppeld wordt aan een timing (reguliere aanpak) van monitoring en uit te voeren werkzaamheden, aan eventuele onderhoudspremies, aan kostprijs en uitvoeringswijzen, en aan de noodzakelijke mankracht. Wat het laatste punt betreft, moet hier vermeld worden dat de provincie, naast een in monumentenzorg gespecialiseerde medewerker die voltijds de monumentendossiers opvolgt en naast de dienst Cultureel Erfgoed, waarbinnen onder andere bouwhistorici en archeologen werken, beschikt over een dienst onderhoud, waar verschillende mensen met de nodige kennis van zaken kunnen meewerken aan het dagelijks onderhoud van deze waardevolle gebouwen. Zij kunnen zulk een gepland onderhoud opnemen in hun regulier takenpakket, terwijl dit voor andere eigenaars misschien minder eenvoudig is. Het provinciebestuur is immers een relatief grote speler op het terrein, een speler die zich kan
Gereconstrueerde buitentrap (foto O. Pauwels)
veroorloven al die kennis van zaken permanent in huis te houden. Voor kleinere lokale besturen zoals kerkfabrieken, kleine gemeentes en OCMW's en voor privé eigenaars is dit uiteraard zeer moeilijk en vaak onmogelijk. Al deze gegevens, samen met de premiemogelijkheden, zullen in een planning moeten komen, die dan later door de provincie in haar meerjarenbegroting kan opgenomen worden. Op die manier kunnen de meeste risico's worden uitgesloten en blijft men verzekerd van een lange tussenperiode vooraleer een restauratie opnieuw noodzakelijk wordt. Dat die nieuwe restauratie uiteindelijk onafwendbaar is, lijkt onvermijdelijk. Op bepaalde momenten is de levenscyclus van sommige materialen ten einde en dat betekent dat er een nieuwe restauratie aankomt. Daarnaast is het moeilijk te voorspellen hoe de gebruiksmodaliteiten binnen pakweg 100 jaar zullen geëvolueerd zijn en welke eisen er dan aan het gebouw zullen gesteld worden.
Besluit De case van de provinciale tuinbouwschool PITO in Mechelen is illustratief voor de wijze waarop het provinciebestuur van Antwerpen nu met haar
monumenten omgaat. De aanpak van de provincie is geëvolueerd van een ad hoe-aanpak naar een gesystematiseerd management op basis van een onderhoudsplan, met een tussenperiode gemarkeerd door dringende interventies, onderzoek en restauratie. Deze manier van werken is gebaseerd op preventieve conservatie en regelmatig onderhoud. Daarnaast zijn een visie op de lange termijn en het openstaan voor participatie cruciaal voor het welslagen van zulk een project. Het gaat hier immers om een vorm van 'levend erfgoed'. Een al dan niet gewijzigde voortduring van een functie gekoppeld aan de mensen die er werken, ook al is dat een gewijzigde gemeenschap, vereist dat het gehele project in nauwe samenwerking met alle betrokken partijen verloopt. Hoewel in deze tekst noodgedwongen maar een beperkt deel van de problematiek wordt aangepakt is deze case een interessant voorbeeld van innovatief omgaan met de conservatie van 20Ste-eeuws erfgoed. Deze casestudy is daarenboven een interessant voorbeeld voor vele lokale en regionale besturen als model van een preventief conserverende aanpak.
Rudy De Graef is erfgoedconsulent monumenten bij het agentschap Onroerend Erfgoed.
1VI&LI 59
6o I M
L
Eindnoten pertise is in de Leerstoel verankerd door de deelname van Dit artikel is een herwerking van het oorspronkelijke artikel Monumentenwacht Vlaanderen. Prof. dr. Koenraad Van DE GRAEF R., Dealing with a Modernist School, dat werd Balen is de huidige leerstoelhouder, [www.unesco.be, geopgenomen in het boek Conservare l'architettura. Conservaraadpleegd op 20 februari 2014] zione programmata per il patrimonio del XX secolo / Conserving Architecture of XX Century Architectural Heritage, Mi-(17) Met beschikbaar budget worden niet alleen de premies bedoeld, maar ook de financiering door de opdrachtgever. laan, 2009. Het artikel werd geschreven in het kader van de conferentie Planned Conservation ofXXth century architectu-(18) De modernisten zagen hun gebouwen als machines. Le ral heritage: a review of policies and practices die plaats vond Corbusier schreef in 1923 "Une maison est une machine-aop 30 en 31 oktober 2009 in Como, Italië. De organisatie habiter": LE CORBUSIER, Vers une architecture [reprint van de conferentie was in handen van de stad Como, het 1923), Collection Architectures Elammarion, Parijs, 1995. departement Building Environment Science S, Technology van(19) In dit gebouw werd bijvoorbeeld oorspronkelijk een radiatode polytechnische universtiteit van Milaan, de UNESCO ren- en leidingensysteem geïnstalleerd voor stoomverwarChair on Preventive Conservation, Maintenance and Monito- ming, een zogenaamd paraplusysteem. De oude radiatoren ring of Monuments and Sites (KUL) en DOCOMOMO Italia. worden gereviseerd en geschikt gemaakt voor warmwaterOp de conferentie werd voornamelijk gefocust op de preverwarming. ventieve conservatie van aoste-eeuws erfgoed en meer be- (20) BROSENS K. en DEPICKERE W., PITO Mechelen. Bouwpaald op aspecten van onderhoud. In het oorspronkelijke technisch onderzoek structuurelementen, onuitg. rapport, artikel wordt dieper ingegaan op de wijze waarop de op2007. drachtgever, de provincie Antwerpen, van een ad hoe-aan- (21) Een extensief groendak is een dak met een begroeiing die pak evolueerde naar een systematische strategie voor dit voornamelijk beperkt is tot mossen, vetplanten en kruiden. monument. Deze daken vergen een beperkt onderhoud en ze zijn niet bedoeld als gebruiksdak, vaak in tegenstelling tot intensieve Tot 2008 volgde de auteur de restauratie van de provinciale groendaken of daktuinen. De belasting van extensieve tuinbouwschool PITO in Mechelen op als projectleider bij groendaken is beperkt, waardoor ze meestal geen aangehet Provinciebestuur Antwerpen. paste dakconstructie vergen en vaak ook toepasbaar zijn bij (2) Het betreft hier de volledige kathedraal, uitgezonderd de bestaande gebouwen. noordelijke toren, die beheerd wordt door de stad Antwer(22) VERDONCKA., op. at., p. 52. pen. (i)
{3) LArchitecture en Belgique. Les travaux de Jan B. Lauwers, in Lacité, 7,1928, p. 86. (4) Ibidem, p. 85. (5) FLOUQUET P.L., I ' effort architectural moderne et la province, sur J.-B. Lauwers, in Bófir, Revue mensuelle illustrée d'architecture, d'art et de decoration, nr. 17,1934, p. 666-668. (6) LAUREYS D. (ed.). Bouwen in beeld: de collectie van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen, Turnhout, 2004, p. 105.
(7) LArchitecture en Belgique. Les travaux de Jan B. Lauwers, in La cité, 7,1928, p. 85-98. (8) Ibidem, p. 86. (9) EEMAN M., KENNES H. en MONDELAERS L, Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Mechelen, Binnenstad. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen gN. 1984, Brussel-Gent, p. 353. (10) De Vlaamse Linie, 1952, nr. 176. (n) Beschermingsbesluiten zijn te raadplegen via de website https://beschermingen.onroerenderfgoed.be/. Het besluit in kwestie heeft nummer 3200. (12) De inventarisbeschrijving vermeldt: 'Hetgebouw is naar verluidt een identieke kopie van een landbouwschool in de omgeving van Karlsruhe in Duitsland.' (bron: PLOMTEUX G., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Mechelen. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, nr. 13N2, Brussel-Turnhout, 1995). Deze informatie kon niet bevestigd worden. (13) VERDONCKA., Vooronderzoek afiverkingslagen, onuitg. rapport Examino cvba, 2007, p. 17-32. (14) Ook vandaag nog is het niet voor iedereen zo vanzelfsprekend dat het hier waardevol erfgoed betreft. Ook omgekeerd is dat vaak een probleem, het is niet omdat een gebouw niet beschermd is, dat het geen waardevol erfgoed kan zijn, (15) Het was voornamelijk Stef Binst (1961-2009) die vanuit een ruime ervaring in de monumentenzorg en binnen de dienst Infrastructuur van de provincie Antwerpen, wees op het belang van een aanpak die past in het kader van de preventieve conservatie. (16) In maart 2009 werd aan de KU Leuven, binnen het Raymond Lemaire International Centre for Conservation (RLICC), de Unesco Chair on Preventive Conservation. Monitoring and Maintenance of Monuments and Sites ingehuldigd met een tweedaags internationaal symposium. Unesco kende in 2012 een verlenging toe aan deze leerstoel tot 2or6. De Leerstoel speelt in op een zeer specifieke en internationaal gewaardeerde benadering van preventieve conservatie die in Vlaanderen sinds ongeveer twintig jaar bestaat. Deze ex-
Summar HALEN, AUGUST 12,1914. A FORGOTTEN BATTLE IN A FORGOTTEN LANDSCAPE? Nine days after the German invasion in Belgium and four days before the fall of the fortifications around Liège, a remarkable confrontation took place in Halen (province of Limburg) between the cavalry brigade of general von der Marwitz and the only cavalry division of the Belgian army, led by general De Witte. The fact that the landscape in the region of Halen is very varied influenced the choice of the location as well as the course of the battle. The combat, better known as the "Battle of Silver Helmets", lasted for an entire day and for a long time threatened to end as a disaster for the Belgians. A late intervention by the infantry turned the tide and by dusk the German army for the first time retreated for a few kilometres. Dozens of dead and wounded soldiers as well as hundreds of dead horses were left behind on the battlefield. Although the battle of Halen is only a footnote in Belgian war history, the location is not without importance. The small-scale independent victory of the Belgian army was at the same time one of the last great cavalry charges in European military history. This archaic 19th century way of warfare abruptly ended in Halen.
There are still several relics referring to this exceptional battle in the open landscape between Halen and Loksbergen; a military cemetery, a museum, different memorials, a farmstead, cleared and relocated Belgian and German military graveyards, mass graves for horses... Still, this war heritage actually is almost completely unprotected and thus vulnerable. Only the memorial on the Halen church square and the military cemetery are protected as monuments. The historical 'IJzenvinning' farm, where heavy man-to-man fighting has taken place, was demolished in 2013 and replaced with a new building. The western part of the battlefield still consists of arable land, as it was on the eve of World War I. Only to a limited extent this original arable land has been changed into pastures or half-standard orchards. In regional planning, parts of this landscape are marked as agricultural land of significant landscape value. It is probably only possible to manage this historical battlefield in a well-considered way and to prevent Its further degradation, in close consultation with environmental planning. Parallel with this attempt to secure the heritage values and awaiting the first convincing results of such action, an effort should be made to use the classic protection by means of sectoral legislation: the new Flemish heritage decree. War memorials at Halen, which have not yet been listed for protection, could thus be protected as monuments. A classic landscape protection could be considered in order to protect at least the centre of the battlefield. Furthermore, the cleared or relocated military cemeteries are quite important, as well as the mass graves for horses. These locations should be marked in an archaeological inventory. Before World War I got stuck in a trench warfare which was to last four years, a war of charges raged through Belgium. Very few physical traces have been preserved of those first weeks of the war. Moreover, this faint link between the Great War and the actual landscape is rapidly fading and about to disappear. Now more than ever the monumental, landscape and archaeological war heritage must be respected as a unique last witness which could keep the memory of the Great War alive. If we want to put our war past in a right perspective for future generations, it is crucial to take action in order to preserve and protect less tangible heritage such as the battlefield at Halen.
62 I M&L
A FIELD HOSPITAL FROM WORLD WAR I ON THE DE LOVIE DOMAIN IN POPERINGE The preliminary research for the restoration of this relic from World War I revealed a number of interesting data. This wooden extendable barrack is one of the rare preserved examples of field hospitals installed near the frontline by the Belgian army's medical service. Together with the so-called Chinese Gate this barrack was protected as a monument on September 7, 2009. Originally originating from the
hospital
site
"het
Doorntje" in Houtem, the barrack and gate were transferred to the De Lovie domain following the hospital's closure in the 1930's. Besides the ad hoc hospitals near the front, the wounded were initially evacuated by train to a hospital near Calais, France and from there further on to England. During the winter 19141915 the Belgian army chose to nurse the sick and wounded closer to the front. Originally the wounded were accommodated in existing buildings or encampments, but soon large quantities of wooden barracks were ordered for the installation of field hospitals.
The Belgian Red Cross was the first to install the hospital l'Océan in De Panne. Following an inquiry for wooden barracks with three British firms, Harrods Stores Ltd. from London was selected. Almost simultaneously the Belgian army's medical service together with the Hamon brothers company from Paris developed a type of barrack with a typical raised skylight which, besides lighting was designed to provide ventilation. In April 1915 the first one was installed in the field hospital of Cabour in Adinkerke and later on the site of Doorntje in Houtem. Thanks to the many photographs and a series of plans we are quite well-documented regarding the field hospital barrack by the Hamon Company. The system consisted of a complete modular system of connecting modules of 2 meters long by 6 meters large. The barrack was delivered on site as a kit in pre-assembled elements. Remains of these wooden barracks are rare. Research revealed it was most likely a related type of barrack of the Hamon Company. The first phase of this planned restoration is a complete dismantlement of all the barrack's elements and the restoration thereof in the workshop, reusing existing material as much as possible. The radical standardization or modularity of the building system and the original production method as a dismountable kit are crucial aspects in the present restoration concept of the Hamon Company's barrack.
IVI&L I 63
DEALING WITH A MODERNISTIC BUILDING: THE PROVINCIAL HORTICULTURAL SCHOOL IN MECHELEN The Province governing Board of Antwerp owns and/or manages several monuments. Along with highlights such as the cathedral of Antwerp there are also some less known valuable buildings. One of these is the provincial horticultural school PITO in Mechelen; a modernistic building by architect Jan Lauwers, built from 1928 until 1934 and a listed monument since 1997- This edifice was altered in the course of the years and other constructions were built on the site in order to manage the modified modalities of education. The last decades the old building had languished and much of its original character had gone lost. The building was maintained by means of ad-hoc interventions in response to specific problems. This approach led to a triple problem: apart from the increasing costs and the deterioration of the architectural qualities it did not prove to be sufficient to solve other, more urgent problems such as its limited accessibility, etc... The Province chose for a more systematized treatment for its monuments. This idea was, among others, fed by the good experiences which were gained with a balanced long-range plan for the restoration of the Antwerp cathedral. In 2004 a bureau for architecture was appointed to design a phased plan for the restoration of Lauwers' building. From the outset, this master plan was meant to develop a comprehensive view on the buildings, their heritage values and their present day significance. Among many other issues, special attention was paid to the perpetuation of the original function in a modified society. In 2005 the master plan was approved by the Province, together with the concept for three preliminary researchprojects: identification of the original finishing, analysis of brick &, mortar and condition of structural elements, and the concept for two urgent maintenance-projects: repair and accessibility of roofs and a test-restoration of one window. All results of these preliminary projects are used in the actual restoration dossiers and were necessary in order to cope with specific problems related to typical 20th century architectural heritage. The restoration itself consists of three phases: apartment and workshops, classrooms and environmental layout.
64 I M&L
Phase 1 is being executed right now. Phase2 has been approved by the Province and submitted to the Flemish Community for approval and funding. Phase three will follow later. In this case the approach of the Province evolved from an ad-hoc treatment towards a more systematic management, with some years of urgent interventions, research and restorations. At the same time, this campaign, which is being accompanied by the development of a maintenance plan, is conceived as a necessary episode in a long term perspective, based on preventive conservation and regular maintenance, thus optimizing the interval until the next major restoration will become inevitable. The entire project evolves in close consultation with all stakeholders, such as the users and the concerned civil services. Therefore this case is an interesting example of an innovative practice for planned conservation of built heritage.
RELICTA MONOGRAFIEE Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen
The Archaeology of Erosion, the Erosion of Archaeology. Proceedings of the Brussels Conference, 2008 Relicta Monografie 9 bundelt een selectie van papers gepresenteerd op het congres 'The Archaeology of Erosion, the Erosion of Archaeology', gehouden in Brussel van 28 tot 30 april 2008. Het congres 'The Archaeology of Erosion, the Erosion of Archaeology' had in de eerste plaats aandacht voor een brede variatie aan onderzoeksdisciplines (archeologie, bodemkunde, geomorfologie...) en onderwerpen gerelateerd aan landschappelijke tafonomische processen en de 'bewaringstoestand' van het archeologisch erfgoed. De tweeledige titel bevat eveneens een tweeledige focus. Enerzijds werd de nadruk gelegd op de enorme impact van het huidige landgebruik op het bodemarchief, en methoden en technieken om dit in kaart te brengen. Anderzijds lag de focus op de studie van (pre-) historische erosie- en sedimentatieprocessen, als vormgevers van het huidige bodemarchief, en als resultanten van menselijke activiteiten. In Relicta Monografie 9 komt dan ook, binnen de grenzen van deze twee aandachtspunten, een brede variatie aan thema's en methodes aan bod, onder meer het beheer van aarden monumenten, erosiemodellering, geologie, remote sensing-technieken, 'ploeglaag-archeologie' en archeologie in alluviale gebieden. Het belangrijkste is de aandacht die het boek vestigt op de 'sluimerende' degradatieprocessen, waar binnen de huidige preventieve archeologie doorgaans weinig aandacht aan kan worden besteed.
ECHNISCHE UITGEVER ONROEREND ERFGOED
PUBLICATIEDATUM
GEGEVENS FORMAAT A4
MEI 2014
PAGINA'S 190
ISBN
AFWERKING
ISBN 9789075230390 ISSN 2030-9910
VIERKLEURENDRUK, PAPERBACK
VOLUME N R . 9
BESTELADRES
Via het bestelloket van de Vlaamse Overheid http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties of Vlaamse overheid-agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5, 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55 E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Prijs: 25 euro + verzendingskosten Online te raadplegen via CAR, het Open Archief van OE-publicaties https://oar.onroerenderfgoed.be onroerend
erf-i
goed
S
VLAAMSE OVERHEID