Skip to main content

indicatorenboek_2013.pdf

Page 1

VL A AM S I N D I CATO R E N B O E K

NUTTIGE ADRESSEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: • DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAP

• AGENTSCHAP VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP

EN INNOVATIE (VRWI)

EN TECHNOLOGIE (IWT)

Koloniënstraat 56, B-1000 Brussel

Ellipsgebouw

Tel. 32-(0)2 212 94 10

Koning Albert II-laan 35, bus 16, B-1030 Brussel

Fax 32-(0)2 212 94 11

Tel. 32-(0)2 432 42 00

E-mail: info@vrwi.be

Fax 32-(0)2 432 43 99

E-mail: danielle.raspoet@vrwi.be

E-mail: info@iwt.be

Webstek: www.vrwi.be

Webstek: www.iwt.be

• MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

• VLAAMSE INTERUNIVERSITAIRE RAAD (VLIR) Ravensteingalerij 27, B-1000 Brussel

INNOVATIE (EWI)

Tel. 32-(0)2 792 55 00

Ellipsgebouw

Fax 32-(0)2 211 41 99

Koning Albert II-laan 35, bus 10, B-1030 Brussel

E-mail: administratie@vlir.be

Tel. 32-(0)2 553 59 80

Webstek: www.vlir.be

Fax 32-(0)2 553 60 07 E-mail: info@ewi.vlaanderen.be

• VLAAMSE HOGESCHOLENRAAD (VLHORA)

E-mail: peter.viaene@ewi.vlaanderen.be

Ravensteingalerij 27, bus 3, B-1000 Brussel

Webstek: www.ewi-vlaanderen.be

Tel. 32-(0)2 211 41 90 Fax 32-(0)2 211 41 99

• EXPERTISECENTRUM O&O MONITORING Waaistraat 6, PB 3536, B-3000 Leuven Tel. 32-(0)16 32 57 29 Fax 32-(0)16 32 57 99 E-mail: koenraad.debackere@kuleuven.be Webstek: www.ecoom.be • FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (FWO) Egmonstraat 5, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 512 91 10 Fax 32-(0)2 512 58 90 E-mail: elisabeth.monard@fwo.be Webstek: www.fwo.be

E-mail: info@vlhora.be Webstek: www.vlhora.be

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 013

DEPARTEMENT ECONOMIE, WETENSCHAP EN

WETENSCHAP TECH NOLOGI E I N N OVAT I E

2013


V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 013


2

COLOFON Het Vlaams Indicatorenboek 2013 is een uitgave van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap in opdracht van de Vlaamse Minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding en van de Vlaamse Minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel. Hoofdredactie:

Prof. dr. ir. Koenraad Debackere Prof. dr. Reinhilde Veugelers (Expertisecentrum O&O Monitoring)

ISSN:

1374-6294

Coรถrdinatie en tekstaanpassing:

Dani Vandepoel

Lay-out en druk:

Altera Grafische Vormgeving, Leuven Drukkerij Artoos, Kampenhout

Copyright 2013

Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35, bus 10 B-1030 Brussel


3

I N H O U D S O PGAVE

1

COLOFON

2

WOORD VOORAF

9

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

10

HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING

11

1.1

Situering

12

1.2

Vlaanderen: enkele kerncijfers

15

1.3

De actoren in het Vlaams WT&I-systeem

16

1.3.1

16

1.4

De universiteiten

1.3.2

De Vlaamse onderzoeksinstellingen

20

1.3.3

De collectieve centra

21

1.3.4

De bedrijven

21

1.3.5

De hogescholen

21

1.3.6

De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, Hercules, BOF en IOF

22

1.3.7

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie

24

1.3.8

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

24

1.3.9

De adviesorganen

25

1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

25

1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

26

1.3.12 Sensibilisering

26

Conclusie

26

Noot

2

3

26

HET MENSELIJK POTENTIEEL IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

27

2.1

Inleiding

28

2.2

Instroom in het Vlaamse hoger onderwijs: kwantificatie en stratificatie

28

2.3

Overzicht van de uitgereikte diploma’s

36

2.4

Internationale vergelijking

47

2.5

Besluit

49

ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN

51

3.1

Evolutie van het onderzoekspotentieel in Vlaanderen

52

3.2

Ontwikkelingen in doctoraatsonderzoek en -productie

53

3.3

Werken aan een Vlaamse universiteit

56

3.4

Conclusie

59

3.5

Referenties

59


4

4

5

MOBILITEIT IN DE ONDERZOEKSCARRIĂˆRE 4.1

Inleiding

62

4.2

Buitenlandse onderzoekers aan Vlaamse universiteiten

63

4.3

Het internationale profiel van Vlaamse onderzoekers

63

4.4

Jobmobiliteit naar andere arbeidssectoren

64

4.5

Meerwaarde van het doctoraat op de arbeidsmarkt

68

4.6

Referenties

70

O&O-ACTIVITEITEN VAN DE VLAAMSE BEDRIJVEN 5.1 5.2

5.3

72

Methodologie

72

5.2.1

Populatie

72

5.2.2

Definities

73

5.2.3

Schattingen: inter- en extrapolatie

73

Resultaten voor de inventaris

74

5.3.1

74

Responsgraad O&O-cijfers voor de inventaris

74

5.3.2.1

De totale uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris

74

5.3.2.2 Het totaal voor eigen O&O-personeel binnen de inventaris

74

5.3.2.3 Uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris nader bekeken

76

5.3.2.4 O&O-personeel binnen de inventaris nader bekeken

78

5.3.2.5 O&O-intensiteit 5.4

80

Resultaten voor de totale populatie

81

5.4.1

De totale uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven in 2010 en 2011

81

5.4.2

Historische evolutie van de uitgaven voor interne O&O van Vlaamse bedrijven

84

5.4.3

Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR

84

5.5

Conclusie

85

5.6

Referenties

85

Bijlage 1: Overzicht van de definities die gebruikt werden in de O&O-enquĂŞte van 2012

7

71

Inleiding

5.3.2

6

61

85

Bijlage 2: Belangrijkste etappes van de schattingsmethodologie van de O&O-gegevens bij de bedrijven

86

Bijlage 3: NACE-BEL 2008-classificatie

88

Bijlage 4: Top-50 bedrijven

89

ONDERZOEK EN ONTWIKKELING BINNEN DE NON-PROFIT SECTOR

91

6.1

Inleiding

92

6.2

Het O&O-personeel

93

6.3

De O&O-uitgaven geanalyseerd

6.4

Internationale vergelijking

103

6.5

Besluit

106

DEEL 1: DE TOTALE O&O-UITGAVEN IN VLAANDEREN: GERD

98

109

7.1

De gebruikte indicatoren

110

7.2

GERD per uitvoeringssector

111

7.3

O&O-intensiteit: GERD als % van het BBPR voor Vlaanderen

113

7.4

Een internationale vergelijking

114


I N H O U D S O P GAVE

5

7.5

Totale O&O-uitgaven per financieringssector

115

7.6

Conclusies

116

Appendix 1: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra),

7

8

9

Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Non-profit Instellingen (PNP)

117

Appendix 2: Financiering van de BERDbedrijven

118

DEEL 2: HET TOTALE O&O-PERSONEEL BINNEN VLAANDEREN

119

7.1

Totaalbeeld en internationale vergelijking

120

7.2

Besluit

124

DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

127

8.1

Inleiding

128

8.2

Vlaamse overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie

129

8.3

Overheidskredieten voor de Vlaamse universiteiten

131

8.4

Besteding van de middelen verdeeld via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO)

132

8.5

Overheidskredieten voor industrieel onderzoek

132

8.6

O&O-input voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en iMINDS

136

8.7

O&O-input voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

142

8.8

O&O-uitgaven in de publieke sector in Vlaanderen: een internationale vergelijking

142

8.9

Referenties

143

INNOVATIE-INSPANNINGEN VAN DE VLAAMSE ONDERNEMINGEN: KERNRESULTATEN VAN DE CIS2011-ENQUĂŠTE 9.1

145

Inleiding

146

9.2

Methodologie

146

9.3

Analyse

146

9.4

Profiel van de respondenten

147

9.5

Product- en procesinnovatie in Vlaanderen

147

9.6

Redenen om niet te innoveren

149

9.7

Product- en procesinnovatieactiviteiten

150

9.8

Onderzoek en ontwikkeling (O&O)

150

9.9

Publieke financiering van product- en procesinnovaties

150

9.10

Objectieven van product- en/of procesinnovaties

151

9.11

Actoren in het innovatieproces van de onderneming

152

9.12

Samenwerkingspatronen voor product- en/of procesinnovaties

152

9.13

Informatiebronnen voor product- en/of procesinnovaties

154

9.14

Bescherming van product- en/of procesinnovaties

154

9.15

Historische vergelijking

155

9.16

Organisatorische innovaties

155

9.17

Marketinginnovaties

156

9.18

Totale innovatieactiviteiten in Vlaanderen

157

9.19

Besluit

158

9.20

Referenties

159

Bijlage: NACE-afdelingen omvat in de beoogde doelpopulatie voor CIS2011(NACE-BEL 2008-classificatie; cf. de methodologische richtlijnen van Eurostat)

159


6

10

BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS ONDERZOEK IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT 10.1

11

12

Inleiding

162

10.2

Bibliometrische studies en de bibliografische gegevensbestanden van de ISI

162

10.3

Databronnen en dataverwerking

163

10.4

Bibliometrische indicatoren

165

10.5

De evolutie van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

166

10.6

Het Vlaams publicatieprofiel in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

169

10.7

De citatie-impact van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

171

10.8

De internationale wetenschappelijke samenwerking van Vlaanderen

173

10.9

Slotbeschouwingen

176

10.9

Referenties

178

BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMSE UNIVERSITAIRE ONDERZOEK IN DE SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN AAN DE HAND VAN HET VABB-SWH

181

11.1

Inleiding

182

11.2

De verdere opbouw van het VABB-SHW

182

11.3

Kenschetsing van de Vlaamse universitaire publicaties in de sociale en humane wetenschappen

184

11.4

Kenschetsing van de onderscheiden disciplines

186

11.5

Een groei in publicaties

187

11.6

Verschuivingen in taalgebruik

189

11.7

Verschuivingen in publicatietype

191

11.8

Toekomstperspectieven en onderzoek op basis van het VABB-SHW

191

11.9

Besluit

192

11.10

Referenties

192

DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: ANALYSE AAN DE HAND VAN EPO-, USPTO- EN PCT-OCTROOIEN

195

12.1

Het belang van octrooistatistieken

196

12.2

Octrooien in België en Vlaanderen: EPO, USPTO en PCT

197

12.2.1 EPO-toekenningen

197

12.2.2 Belgische/Vlaamse versus Buitenlandse aanvragers

199

12.3

Technologieontwikkeling per type organisatie nader bekeken

204

12.4

Samenwerkingspatronen

205

12.5

Relatieve technologie-specialisatiepatronen

209

12.6

Conclusie

214

Bijlage A

13

161

215

DE VLAAMSE WT&I ACTIVITEITEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT

217

13.1

Inleiding

218

13.2

Vlaamse deelname aan het Europese Kaderprogramma voor O&O

218

13.2.1 Inleiding

218

13.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende kaderprogramma’s

219

13.2.2.1 Algemene cijfers

219

13.2.2.2 Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorieën

219


I N H O U D S O P GAVE

13.2.3 De voorlopige Vlaamse deelname aan het Zevende Kaderprogramma 13.2.3.1 Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit en per deelnemerscategorie

220 220

13.2.3.2 Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie

223

13.2.3.3 Vlaamse topdeelnemers

223

13.2.3.4 Vlaanderen binnen België

224

13.2.3.5 Vlaanderen in de Europese rangschikking

224

13.2.4 Conclusies

225

13.3

ERA-NET

228

13.4

Nieuwe initiatieven van de Europese Commissie

228

13.5

Vlaamse deelname in het Eureka-programma

228

13.5.1 Situering

228

13.5.2 EUREKA projecten

230

13.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2009-2012)

230

13.6

Conclusie

231

13.7

Referenties

232

Gebruikte afkortingen

14

7

CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN 14.1

232

233

Inspanningen voor O&O in Vlaanderen

234

14.2

Opleidingen: bachelor & master

234

14.3

Doctoraten

236

14.4

Resultaten: publicaties, octrooien en deelname aan internationale programma’s

236

14.5

Ter afronding

237

DOSSIER 1: HET GLAZEN PLAFOND IN DE ONDERZOEKSWERELD

240

1.1

Het Europese Universitaire plafond

240

1.2

Universitair academisch plafond in Vlaanderen

240

1.3

Wat ligt aan de basis?

243

1.4

Diversiteitsbeleid van het FWO

246

DOSSIER 2: ONDERZOEKERS MET EEN DOCTORAAT IN UNIVERSITEIT EN INDUSTRIE: EEN GOEDE VOORBEREIDING IS HET HALVE WERK

247

DOSSIER 3: SLEUTELTECHNOLOGIEËN IN VLAANDEREN

249

3.1

Gebruik en ontwikkeling van sleuteltechnologieën in de Vlaamse bedrijven

249

3.2

Gebruik en ontwikkeling van sleuteltechnologieën in de Vlaamse publieke sector

250

3.3

De sleuteltechnologieën in Vlaanderen geëvalueerd

251

DOSSIER 4: KIEZEN VOOR STEM!

253

4.1

Inleiding

253

4.2

Analyse van de STEM-tekorten

253

4.3

Welke factoren bepalen de studiekeuze van jongeren voor STEM-richtingen?

255

4.4

Prioriteiten voor het STEM-beleid

256


8

DOSSIER 5: AMBITIOUS ENTREPRENEURSHIP. A REVIEW OF THE STATE OF THE ART

257

5.1

Achtergrond

257

5.2

Het onderzoek, getiteld ‘Ambitious entrepreneurship. A review of the state of the art’

257

5.2.1

Definities en conceptueel kader

257

Belangrijkste resultaten

258

5.2.2.1

258

5.2.2

5.2.3

Determinanten voor ambitieus en zelfstandig ondernemerschap

5.2.2.2 Belang van de determinanten in de vier transities

258

Beleidsmaatregelen

259

5.2.3.1

259

Maatregelen inzake onderwijs en publieke kennis

5.2.3.2 Maatregelen inzake de arbeidsmarkt

259

5.2.3.3 Maatregelen voor ambitieus ondernemerschap binnen organisaties

260

DOSSIER 6: SLIMME SPECIALISATIE: BELEID OP DE DOORSNEDE VAN INNOVATIEBELEID EN INDUSTRIEBELEID

261

6.1

Een ondernemend zoekproces

261

6.2

Imitatie, co-creatie en clustervorming

262

6.3

Structurele aanpakken ter ondersteuning van een slimme specialisatiestrategie

262

6.4

De ruimte voor slimme specialisatie en de rol van extra-regionale middelen

263

6.5

Timing van de slimme specialisatie en de ‘Blind giant’s quandary’

263

6.6

Samenvattend

264

DOSSIER 7: DE FINANCIERING VAN HET ARTISTIEK ONDERZOEK IN VLAANDEREN

266

7.1

Inleiding

266

7.2

De institutionele context

266

7.3

Het artistiek onderzoek

266

7.4

Financiering van het artistiek onderzoek in Vlaanderen

267

7.5

Conclusie

268

DOSSIER 8: ZORGINNOVATIE

270

8.1

Situering

270

8.2

Doelstelling proeftuin

271

8.3

Stakeholders

272

8.4

Onderzoeksvragen

272

8.4.1

Nieuwe zorg- en hulpprocessen

272

8.4.2

Nieuwe zorg- en hulpproducten

273

8.5

Stand van zaken procedure

273

AUTEURSLIJST

274

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN

276


9

W O O R D VO O R AF 2020 komt steeds dichterbij. Dit jaartal is inmiddels bijna iconisch

Voor deze moeilijke oefening kan de Vlaamse overheid steunen

geworden omdat het deel uitmaakt van enkele tot de verbeelding

op de knowhow van het Expertisecentrum O&O Monitoring

sprekende initiatieven.

(ECOOM). Dit interuniversitair consortium ontwikkelt een consistent systeem van O&O- en innovatie-indicatoren samen

Op Europees niveau zal Horizon 2020, het nieuwe Europese

met alle relevante actoren in het Vlaamse O&O-landschap:

financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie, de opvolgers

universiteiten, onderzoeksinstellingen, de industrie, het agentschap

van het bestaande onderzoek- en de innovatiefinancieringen,

voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) en het

zoals het 7de kaderprogramma, het kaderprogramma voor

departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI).

concurrentievermogen en innovatie (CIP) en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT), samenbrengen in

De overheid heeft ook nood aan recente en kwaliteitsvolle

één programma. De Europese Commissie stelt een budget ter

gegevens om de internationale rapporteringsverplichtingen aan

beschikking van 80 miljard euro om financiering voor

de OESO en Eurostat naar behoren te vervullen en de O&O-

onderzoekers en instellingen te faciliteren en goede ideeën beter

ontwikkelingen prompt te kunnen opvolgen. Om deze reden

te vermarkten. Vandaag worden te weinig onderzoeksresultaten

gebeurt de bevraging bij de Vlaamse onderzoeksactoren naar hun

gebruikt om reële noden in onze samenleving aan te pakken.

O&O-uitgaven vanaf 2010 jaarlijks in plaats van tweejaarlijks.

De kloof tussen de kennisinstellingen en de bedrijven is nog

Hierdoor wordt het mogelijk om vanaf nu elk jaar de evolutie van

te groot.

de O&O-bestedingen op te volgen.

Op Vlaams niveau wil Pact 2020, als onderdeel van het actieplan

Net zoals zijn voorgangers wil ook deze uitgave van het

'Vlaanderen in Actie', Vlaanderen binnenloodsen in de top van

indicatorenboek voor een ruim publiek de indicatoren ontsluiten

Europese kennisregio's. De Vlaamse Regering stelt hier ook extra

die het O&O landschap in Vlaanderen verduidelijken.

budgettaire middelen tegenover. In 2012 werd beslist om meer te investeren in wetenschap en innovatie en werden de middelen voor

Wij wensen u veel verhelderende momenten bij de lectuur van

onderzoek en ontwikkeling (O&O) met 60 miljoen euro verhoogd.

het Indicatorenboek 2013.

Het is van primordiaal belang dat dergelijke initiatieven parallel blijven sporen en dat Vlaamse programma's bij internationale

Ingrid Lieten

innovatieprojecten aansluiten. Om innovatieve wetenschappelijke

Viceminister-president en Vlaams Minister van Innovatie

en technologische ontwikkelingen te stimuleren zetten we in op het versterken van kennisinstellingen en onderzoekscentra waar

Pascal Smet

hoogstaand onderzoek op internationaal niveau wordt uitgevoerd.

Vlaams Minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel

Geld alleen is niet voldoende. We hebben nood aan beleidsindicatoren die ons een realistisch beeld kunnen verschaffen over de uitbouw van het wetenschappelijk, technologisch en innovatief potentieel in Vlaanderen. Daarbij dienen we constant input en output tegenover elkaar af te wegen en na te gaan waar het beleid eventueel bijgestuurd kan worden om tegemoet te komen aan economische en maatschappelijke noden. Als overheid moeten we focussen op gedegen monitoring om beleidsmaatregelen en programma's te evalueren en de impact op de maatschappij en economie te meten.


10

B I J W I J Z E VAN I N L E I D I N G … Wetenschap, technologie en innovatie worden onmiskenbaar de voornaamste hefbomen tot economische welvaart en sociaal welzijn in de turbulente en economisch uitgedaagde kenniseconomie van vandaag. De Vlaamse overheid heeft dan ook, naarmate ze door de regionalisering van de Belgische Staat over meer bevoegdheden inzake wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid beschikte, veel aandacht besteed aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteit en de slagkracht van het Vlaams wetenschaps-, technologie- en innovatiesysteem. Het brede spectrum van performant wetenschappelijk en technologisch onderzoek aan de Vlaamse kennisinstellingen wordt hierbij continu verder vervolledigd met maatregelen om het innovatievermogen van de in Vlaanderen opererende ondernemingen te verhogen, om de kleine en middelgrote ondernemingen meer innovatiekansen te bieden, en om het bredere publiek dichter bij het wetenschapsen innovatie gebeuren te betrekken. Het is dan ook nuttig en wenselijk om het geheel aan acties, en hun meetbare resultaten, in een coherent, regelmatig te verschijnen indicatorenboek te bundelen. Dit is dan ook de doelstelling van dit zesde Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie, dat de eerdere tijdsreeksen die in vorige Indicatorenboeken verschenen, verder actualiseert en uitbreidt. Zo wordt het mogelijk, dankzij de inspanningen die de laatste vijftien jaar op het vlak van dataverzameling en regionalisering van wetenschaps-, technologie- en innovatie indicatoren op Vlaams niveau werden geleverd, een valide en internationaal vergelijkbaar overzicht te geven van de situatie in Vlaanderen op vlak van de bestedingen voor en de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Na een inleidend overzicht van het wetenschaps-, technologie- en innovatie-systeem in Vlaanderen, worden de verschillende actoren, programma’s en hun resultaten in de daaropvolgende hoofdstukken in detail besproken en, waar mogelijk, internationaal vergeleken. Alsdusdanig wordt een globaal overzicht bekomen van de respectievelijke actoren en hun bijdrage tot de werking van het Vlaams Innovatie Systeem. Aan de hand van een reeks onderbouwde dossiers, die dit boek afsluiten, worden bovendien een aantal recente studies inzake wetenschap en innovatie samengevat die in opdracht van de Vlaamse overheid werden uitgevoerd sinds het verschijnen van de vorige editie van dit Indicatorenboek.

De redactie en het schrijven van dit boek kwam dan ook tot stand onder impuls van een redactiegroep van experts behorend tot de verschillende beleidsactoren uit het Vlaams Innovatiesysteem, die de staf van het Expertisecentrum O&O-monitoring (ECOOM) van de Vlaamse overheid bijstond in zijn opdracht dit Indicatorenboek te ontwikkelen. Elk van hen droeg bij tot de conceptie van dit werk. Wij willen hen dan ook van harte danken voor de constructieve samenwerking: • De Heer Bart Motmans en Mevrouw Danielle Gilliot van het Kabinet van de Vlaamse Vice-minister-president en tevens voorzitter en ondervoorzitter van de stuurgroep van het Expertisecentrum O&O-monitoring, • Mevrouw Linda De Kock van de Administratie Hoger Onderwijs, • Mevrouw Pascale Dengis, Mevrouw Monica Van Langenhove en de Heer Peter Viaene, Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI), • De Heer Eric Sleeckx van het IWT, • De Heer Edwin Pelfrene van de studiedienst van de Vlaamse Gemeenschap, • Mevrouw Marianne De Voecht van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR), • Mevrouw Daniëlle Raspoet en Mevrouw Kristine Vercoutere van de Vlaamse Raad voor Wetenschaps- en Innovatiebeleid, • De Heer Hans Willems van het FWO, • De collega’s Tim Engels en Truyken Ossenblok (ECOOM-Antwerpen), Wolfgang Glänzel (ECOOM-Leuven) en Karen Vandevelde (ECOOM-Gent), • Mevrouw Dani Vandepoel die het ganse opzet administratief in goede banen heeft geleid, die samen de nodige expert-inzichten en inbreng geleverd hebben bij het tot stand komen van de Vlaamse O&O gegevens. Daarnaast danken we tevens van harte alle auteurs die op basis van de inbreng van de redactiegroep, de verschillende hoofdstukken en dossiers hebben uitgewerkt, geschreven en gedocumenteerd met relevant en betrouwbaar cijfermateriaal. Zonder hun gezamenlijke inspanning was dit zesde Indicatorenboek nooit tot stand kunnen komen! Van harte dank!

Uiteraard kan dergelijk Indicatorenboek slechts tot stand komen dankzij de bundeling van de inspanningen van vele enthousiaste medewerkers.

Prof. Koenraad Debackere en Prof. Reinhilde Veugelers Redacteurs Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie Leuven, september 2013


H ET VL A AM S W TI- SYST E E M : E E N OVE RZ I C HT E N EEN BESPREKING Door Koenraad Debackere en Reinhilde Veugelers (KU Leuven)

11


1

12

1.1

SITUERING

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) fungeert als centraal adviesorgaan van de Vlaamse overheid inzake het

In dit inleidend hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van

WTI-beleid en staat aldus tussen alle beleidsactoren in. Daarnaast

de voornaamste actoren in het Vlaams Wetenschap, Technologie

zijn er specifieke overlegorganen tussen actoren, zoals de Vlaamse

en Innovatie (afgekort als WTI)-systeem en van hun rol hierin.

Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholen Raad

Sinds het begin van de jaren 1990 heeft dit Vlaams WTI-systeem

(Vlhora) die ook inzake WTI-materies coördinerend en adviserend

volop vorm gekregen. Als gevolg van de continu voortschrijdende

optreden tussen en voor hun leden, doch wiens activiteiten-

federalisering van België werden significante bevoegdheidspakketten

spectrum uiteraard ruimer is dan enkel deze materies. Beide raden

inzake het WTI-beleid en zijn implementatie ondergebracht bij de

werken sinds 2010 voor een aantal materies samen in de Vluhr,

Gewesten en Gemeenschappen. Bij de analyse van het Vlaamse

de Vlaamse universiteiten en hogescholenraad. Tot slot vermelden

WTI-beleid dient men dan ook rekening te houden met de

we ook de Commissie voor Federale Samenwerking (de CFS) en

specifieke Belgische federale staatsstructuur, die een onderscheid

haar werkgroep CFS-STAT die instaat voor de coördinatie en de

maakt tussen gewest- en gemeenschapsmateries. Voor wat betreft

afspraken tussen federale en regionale overheden inzake

de betrokkenheid van de “private” sector (bedrijfssector en

indicatorontwikkeling en -implementatie. Het is duidelijk dat dit

instellingen zonder winstoogmerk) en de Vlaamse overheid bij het

landschap continu in beweging is. Zo lopen er via het instrument

“meten” van de resultaten van het WTI-beleid, wordt het Vlaams

van de IWT-haalbaarheidsstudies, dat in de loop van de jaren 2007

Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. Het hoger onderwijs is

en 2008 volledig operationeel werd, continu studies voor nieuwe

evenwel gemeenschapsmaterie. De politieke keuze van de Vlaamse

initiatieven rond mogelijke (steunbare) innovatietrajecten.

Gemeenschap bestaat erin de Vlaamse publieke middelen die worden toegekend aan onderwijsinstellingen die in het Brussels

Sinds 1995 heeft de Vlaamse overheid een uitgesproken

Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, bij Vlaanderen te tellen en

stimuleringsbeleid gevoerd inzake WTI-activiteiten. De zogenaamde

dit zowel voor wat betreft de statistieken die worden opgemaakt

“inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet, heeft ervoor gezorgd

per financieringsbron als voor wat betreft deze voor de uitvoering

dat sinds 1995, de Vlaamse overheidskredieten voor Onderzoek

van het onderzoek.

en Ontwikkeling (verder afgekort als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat Vlaanderen anno 2011 een

De sleutelactoren in de conceptie en de uitvoering van dit Vlaams

ratio van 2,40% (berekend op Gewestniveau) of 2,46% (berekend

WTI-beleid zijn vandaag: het departement Economie, Wetenschap

op Gemeenschapsniveau) van het Bruto Binnenlands Product

en Innovatie (EWI), het Vlaams Instituut voor de bevordering van

per Regio besteedt aan O&O-activiteiten, waarbij deze laatste

het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek in de Industrie

naast onderzoek en ontwikkeling uiteraard ook een belangrijke

(IWT), het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen

innovatiecomponent bevatten, zoals verder zal blijken uit de

(FWO-Vlaanderen),

financiering

verschillende hoofdstukken van dit Indicatorenboek. Daarmee scoort

middelzware en zware onderzoeksapparatuur, de grote Vlaamse

Vlaanderen duidelijk boven het Europees gemiddelde. Aan de kant

strategische onderzoekscentra – de zogenaamde SOC’s – (IMEC,

van de overheid merken we daarbij een continue en consistente

VITO, VIB en iMinds (voorheen IBBT)), de Vlaamse universiteiten

stijging van de geleverde inspanningen. Aan de kant van de bedrijfs-

en hun associaties (K.U.Brussel, KU Leuven met campus Kortrijk,

uitgaven voor O&O was de trend tot voor kort eerder stagnerend.

Universiteit Hasselt met als zusteruniversiteit de tUL (transnationale

Sinds 2010 is echter ook daar een duidelijke stijging merkbaar.

de

Hercules-Stichting

ter

Universiteit Limburg), U. Antwerpen, U. Gent en V.U.Brussel), drie autonome kennisinstituten (ITG – Instituut voor Tropische

De Vlaamse overheid is er dus in geslaagd haar inspanningen op

Geneeskunde, de Vlerick Leuven Gent Management School en

peil te houden, al was de verdere groei de laatste jaren niet

de Antwerp Management School (AMS)), en de vroegere

steeds evident gelet op de economische en financiële uitdagingen

competentiepolen, sinds 2011 opgenomen onder en omgevormd

waarmee ook de Vlaamse regio geconfronteerd werd.

tot het lichte structuren concept, die de brug slaan naar de diffusie

Niettegenstaande die uitdagingen, heeft de Vlaamse overheid

en toepassing van nieuwe technologieën in het bedrijfsleven.

sinds 2011 beslist om het O&O-groeipad resoluut verder te zetten,

De hogescholen die heel belangrijke actoren zijn in het toegepast

met een bijkomende stijging van de O&O-budgetten ten belope

wetenschappelijk onderzoek zijn, via de vorming van de

van 66 miljoen euro in 2011, gevolgd door een stijging van

associaties, met hun respectievelijke associatie-universiteiten

65 miljoen euro in 2012, 34 miljoen euro in 2013 en nog

verbonden.

verdere engagementen tot stijging in 2014. Deze engagementen zijn recurrent en cumulatief.


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

Er blijven duidelijk nog extra-inspanningen te leveren wil men de

We vinden deze in grote mate terug bij het IWT, het FWO-

3% norm halen die Europees Commissaris Busquin in 2002 heeft

Vlaanderen en het Bijzonder Onderzoeksfonds (het zogenaamde

geïntroduceerd, doch de Vlaamse overheid is zich daarvan ten

BOF) van de universiteiten.

volle bewust en zet er zich voluit voor in. Ten tweede heeft het Vlaamse WTI-beleid op gezette tijdstippen Onderzoek, innovatie en welvaart zijn bijgevolg sleutelbegrippen

de nood herkend en erkend om voor bepaalde, toekomstgerichte

geworden in het beleid van elk land of regio. Innovatie wordt

speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan middelen te

daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd als de succesvolle

voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus meer “top-down”

transformatie van creativiteit en kennis in economische waarde.

gerichte interventies die de vrijheidsgraden voor “bottom-up”

Innovatie is vandaag de centrale hefboom tot waardecreatie.

onderzoek en ontwikkeling aanvullen, integreren en bundelen tot

Waar het economisch weefsel in het Westen zich tot bijna het eind

meer slagkracht. Getuige hiervan zijn de vier grote strategische

van de vorige eeuw kon handhaven door zich te differentiëren op

onderzoekscentra: IMEC (op het vlak van nano- en micro-

basis van productiviteit, kwaliteit en flexibiliteit, is dit vandaag

elektronica), VITO (op het brede vlak van technologisch onderzoek),

zondermeer uitgesloten. Uiteraard zijn deze drie sleutelfactoren

VIB (op het vlak van biotechnologie) en iMinds (het vroegere

nog steeds van groot belang, doch het zijn nodige voorwaarden

IBBT, op het vlak van breedbandtechnologie). Deze concentratie is

tot competitiviteit en groei geworden. Volstaan doen ze al een

nagenoeg steeds het gevolg geweest van succesvolle “bottom-up”

tijdje niet meer. Innovatie en internationalisatie zijn de echte

inspanningen én excellentie qua bereikte resultaten vanuit de

welvaartsdifferentiatoren geworden. Vlaanderen heeft gedurende

onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële.

de laatste twintig jaar dan ook hard gewerkt aan het ondersteunen

De strategische onderzoekscentra verwerven naast hun dotatie

van deze transformatieprocessen. Vandaag wordt daarom meer

van de Vlaamse overheid, significante hoeveelheden middelen

dan ooit de kritische vraag gesteld of we niet nog “beter” kunnen

uit samenwerkingsprojecten met de industrie (nationaal en

met ons WTI-beleid. Dit “beter” kent een eenvoudig maar

internationaal) en uit andere, competitieve financieringsbronnen

belangrijk bijkomend beoordelingscriterium: welke resultaten

(nationaal en internationaal). In diezelfde sfeer dienen we ook

worden behaald? De tijd van “input-denken” is immers aan

de strategische onderzoeksinitiatieven rond materialen en

verdere actualisatie toe: “output-denken” zal de komende jaren

translationele biomedische innovatie te situeren. Meer bepaald

nieuwe inzichten brengen. Bij dit “output-denken” staan zowel

door de oprichting in 2009 van het SIM (Strategisch Initiatief

de economische als de maatschappelijke finaliteit van het Vlaamse

Materialen) en het CMI (Centrum voor Medische Innovatie),

WTI-beleid centraal. Innovatietrajecten waarbij economische en

met de expliciete steun van de Vlaamse overheid. In 2011-2012

maatschappelijke finaliteit elkaar versterken, bieden immers

verder gevolgd door het FISCH initiatief voor de ontwikkeling van

duidelijk een sterke, positieve wissel op de toekomst van de regio.

een duurzame industriële chemie.

In dit kader dient ook de trekkende rol van Vlaanderen in het OESO-project rond slimme specialisatiestrategieën gezien te

Daarnaast zijn er de sterk vraaggedreven, innovatiegerichte middelen-

worden (sinds 2012). De nood om input en output van het

concentraties en platformen, de zogenaamde lichte structuren,

WTI-beleid duidelijker en intenser economisch te koppelen is

met als doel het bedrijfsweefsel maximaal te ondersteunen met

de kern van een ontluikend slim specialisatiebeleid dat vandaag op

kennistoepassingen op een specifiek thematisch domein. Deze lichte

internationaal niveau meer en meer vorm krijgt (zie ook OESO,

structuren worden telkens voor een (groot) deel van hun werking

2012, Report on Smart Specialisation).

door de Vlaamse overheid gesubsidieerd, terwijl ze de rest van hun middelen uit andere, competitieve financieringsbronnen en

Het Vlaamse WTI-beleid wordt vandaag dan ook bij wijze van samenvattend overzicht gekenmerkt door de volgende tendensen. Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte voor “bottom-up” initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit het bedrijfsleven (eigen O&O-projecten) zelf ontstaan. Significante hoeveelheden middelen zijn beschikbaar voor “bottom-up” projectfinanciering.

bedrijfsbijdragen halen.

13


1

14

We vermelden hier de lopende initiatieven van gerichte

Ten derde hebben de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de

technologieontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders’

publieke sector als uit de private sector, ruim aandacht besteed

Drive), voor de mechatronica-industrie (Flanders’ Mechatronics),

aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die

voor het ondersteunen van de toepassing van geavanceerde

noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk

methodologieën voor materiaalkundig onderzoek (Flanders’

toegankelijk WTI-landschap (of Regionaal Innovatiesysteem) te

Materials Research Centre of FLAMAC, dat in 2009 werd

creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van

geïntegreerd in het SIM-initiatief dat sinds 2011 ook in de

de nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus

portefeuille van lichte structuren werd ondergebracht, zie vorige

van het WTI-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol.

paragraaf), voor de voedingsindustrie (Flanders’ Food), voor de

De creatie (en verlenging in 2010) van 5 subregionale innovatie-

chemische industrie (FISCH), voor de design industrie (Flanders’

centra, als een “joint-venture” tussen het IWT en het Agentschap

InShape), voor de kunststoffenindustrie (PlasticVision), voor de

Ondernemen (AO) kadert in dit regionaal beleid, naast andere

logistieke sector (Vlaams Instituut voor de Logistiek – VIL), voor de

vraaggedreven samenwerkings- en stimuleringsverbanden (o.a. via

sector van de mobiliteit (Vlaams Instituut voor de Mobiliteit – VIM),

de zogenaamde VIS-trajecten).

op vlak van waterkwaliteit (VLAKWA), en voor de ontwikkeling van innovatieve arbeidsorganisaties (Flanders’ Synergy). Tevens werd

Ten vierde kan een Vlaams WTI-beleid onmogelijk plaatsvinden in

sinds 2009 het concept van de proeftuinen geïntroduceerd

een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse

waarbij de verschillende kennisactoren rond een thematische

aanwezigheid in de Europese Kaderprogramma’s en sinds een

infrastructuurcomponent samenwerken, bijvoorbeeld de proeftuin

aantal jaar ook bij de ERC-grants (naast de veelheid en diversiteit

elektrische voertuigen. Ook het initiatief iCTV (Cleantech Vlaanderen)

aan andere EU-initiatieven), evenals in de verschillende acties

dat een coördinatie beoogt van de verschillende cleantech

en programma’s van de Belgische federale overheid is en blijft

initiatieven bij diverse Vlaamse actoren dient in deze context van

dan ook een continu aandachtspunt van het Vlaams WTI-beleid.

lichte structuren en proeftuinen te worden vermeld.

Zoals verder zal blijken, presteert Vlaanderen meer dan behoorlijk in deze Europese arena van kwaliteit en competitie.

Bij de ontwikkeling van de lichte structuren valt ook de tendens op om niet enkel innovatie met een economische finaliteit centraal te

Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft

stellen, doch ook voldoende aandacht en middelen te besteden

qua WTI-performantie mede het gevolg van de significante

aan het stimuleren van innovatie met maatschappelijke finaliteit.

bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector

De oprichting in 2012 van de lichte structuur de “Sociale Innovatie-

in het Vlaams WTI-systeem mag dus helemaal niet worden

fabriek” is daarvan een voorbeeld. De expliciete erkenning van

onderschat. Innovatie is en blijft immers in eerste instantie een

het belang van innovaties met maatschappelijke finaliteit beperkt

zaak van het bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die

zich niet enkel tot de oprichting en ontwikkeling van lichte

creativiteit en kennis transformeren tot marktresultaten en daarbij

structuren die zich in die sfeer situeren. Ook proeftuinen met

economische waarde creëren. De recente O&O-enquête, waarvan

specifieke maatschappelijke finaliteit zien de laatste jaren het

de resultaten verder in dit Indicatorenboek uitvoerig worden

daglicht. We denken hierbij aan de proeftuin Zorg die vanaf 2013

toegelicht, toont trouwens op overtuigende wijze aan dat het

wordt ingericht. Ook het Flanders’ Care initiatief van de Vlaamse

Vlaamse bedrijfsleven zijn investeringen in O&O-activiteiten de

regering dat sinds 2010-2011 volop operationeel is, en dat opereert

laatste jaren fors heeft opgedreven. En, daarbij gaat het niet enkel

op het kruispunt van zorginnovatie en zorgbeleid, dient in deze

om inspanningen die geleverd worden door “grote” bedrijven

context te worden vermeld.

of door multinationale spelers. Ook het Vlaamse KMO-weefsel heeft de laatste jaren zijn inspanningen voor O&O en innovatie

De laatste jaren is bovendien, dankzij de oprichting van de Hercules

beduidend doen toenemen. Gelet op de structuur en textuur van

Stichting, een gestructureerde aanpak ontwikkeld die het belang

het Vlaams bedrijfsweefsel is dit een welkome en positieve evolutie.

van een goede onderzoeksinfrastructuur expliciet op de voorgrond plaatst. Deze onderzoeksinfrastructuur is zowel voor het bedrijfs-

Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet veel

leven als voor de kennisinstellingen van groot belang wil men

aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit en diversiteit

onderzoeksmatig internationaal competitief in de frontlinie blijven

in de onderzoekspopulatie.

meespelen. Het Herculesinitiatief ter financiering van middelzware en zware apparatuur kent bijgevolg een gecombineerd aanboden vraaggericht karakter.


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

Zo zijn er gericht maatregelen genomen om beloftevolle, zeer

Met andere woorden, de innovatie “policy mix” verandert hierdoor

performante onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen

vrij ingrijpend. In die context is het, naar het bedrijfsleven toe,

te halen (i.e. het Odysseus programma) en om excellente

eveneens relevant om te verwijzen naar de fiscaal voordelige

onderzoekers voldoende financiële armslag te geven voor continuïteit

behandeling van het economisch gebruik octrooien in ons land.

in hun onderzoeksagenda’s (i.e. het Methusalem programma). Mobiliteit tussen de Vlaamse universiteiten, kenniscentra en ook met het bedrijfsleven (via het Baekeland programma) wordt eveneens structureel aangemoedigd. Het stimuleren van de diversiteit in de Vlaamse onderzoekspopulatie, door onder andere het structureel stimuleren van de vervrouwelijking van de onderzoekspopulatie, staat ook duidelijk op de agenda van het WTI-beleid. Tevens dienen de recente maatregelen voor de omkadering van jonge onderzoekers via de doctoraatsscholen te worden vermeld. Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen. De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige financiële hefbomen te creëren onder de vorm van de investeringsvehikels Arkimedes en VINNOF (i.e. het Vlaams Innovatiefonds). Tevens werd sinds 2011 het SOFI-fonds opgericht, met als doel investeringsmiddelen ter beschikking te stellen van de Strategische Onderzoekscentra om op die manier hun spin-off beleid nog verder te stimuleren. Vanaf 2013 kan datzelfde SOFI-fonds trouwens ook investeren in de spin-offs afkomstig van de instellingen voor Hoger Onderwijs in Vlaanderen. Sinds de goedkeuring van het Witboek Nieuw Industrieel Beleid in 2011, kan het TINA-fonds (het zogenaamde Transformatie en INnovatieAcceleratie fonds) 200 miljoen euro aan investeringsmiddelen inzetten in het kader van een op innovatie gestoeld industrieel transformatiebeleid. Op die manier zorgt de Vlaamse overheid voor een coherent en afgestemd geheel aan investeringskanalen ter bevordering van de economische dynamiek van de Vlaamse regio. Vanuit die optiek heeft de Vlaamse overheid zich ook ten volle ingeschakeld in het slimme

Ten negende, heeft de Vlaamse overheid ook voldoende oog voor de creatie van innovatieve beleidsinstrumenten ter stimulering van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de maatregelen die door de Vlaamse regering worden genomen om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier, door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatiegedrag van de Vlaamse ondernemingen verder te stimuleren. Tot slot, en meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij de regionalisering snel oog gehad voor het opdrijven van de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze werd sindsdien continu en op significante wijze verder gezet en geactualiseerd conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Gelet op deze inhaalbeweging, gelet op de aanzienlijke middelen die door de Vlaamse overheid worden ingezet in het kader van innovatie en economische ontwikkeling, en gelet op voorgaande beschouwingen over resultaatgerichtheid, besteedt de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet aandacht aan het op een valide en transparante wijze in kaart brengen van de resultaten van deze investeringen en inspanningen. Kortom, al deze innovatie-inspanningen vormen een centraal beleidsaandachtspunt in de uitvoering van het Pact 2020 van de Vlaamse Regering dat samen met het Vlaanderen-in-Actie programma sinds 2010 een toekomstbeleid voor Vlaanderen uitgetekend heeft rond zes doorbraken naar 2020 toe (de open ondernemer, de lerende Vlaming, het medisch centrum Vlaanderen, het groen stedengewest, de slimme draaischijf Europa, en een slagkrachtige overheid).

specialisatiekader dat op OESO- en EU-niveau gedurende de laatste twee jaar werd ontwikkeld.

1.2

VLAANDEREN: ENKELE KERNCIJFERS

Ten achtste, naast subsidiemaatregelen, is er de laatste tien jaar ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli voor

De federalisering van de Belgische staat heeft ervoor gezorgd dat

onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient de

een statistisch apparaat op Vlaams niveau werd gecreëerd. Dit leidt

gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers,

tot volgende belangrijke eerste-orde gegevens voor Vlaanderen,

in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven, meer dan een

relevant voor verdere normalisatie van de WTI-gegevens. In de

gewone vermelding. Het is een maatregel met een significante

eerste tabellen wordt de evolutie van het Bruto Binnenlands

financiële impact voor alle betrokken actoren. Bovendien is de

Product per Regio weergegeven. Het Bruto Binnenlands Product

maatregel ook beleidsmatig heel cruciaal omdat hij aantoont

(BBP) is een maat voor de welvaart welke gecreëerd wordt binnen

dat de stimulering van onderzoek en innovatie hoe dan ook best

een afgebakend gebied.

bestaat uit een mix van (meer generieke) fiscale stimuli en meer specifieke subsidiestimuli.

15


1

16

De maat laat zich het eenvoudigst berekenen voor nationale staten, maar ook het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR) voor regio’s of deelgebieden binnen nationale staten kan bepaald worden mits een aantal aannames. Het BBPR moet onderscheiden worden van het Bruto Regionaal Product (BRP), wat de tegenhanger is van het Bruto Nationaal Product (BNP). Het BBPR is samengesteld uit de som van de bruto toegevoegde waarden (tegen basisprijs, in werkelijke prijzen) van alle bedrijfstakken binnen de geografische eenheid, vermeerderd met de BTW op de producten en met de indirecte belastingen bij de invoer, en verminderd met subsidies bij de uitvoer. Verdiscontering van de BTW, de indirecte belastingen en de subsidies geschiedt overeenkomstig de verdeling van de bruto toegevoegde waarde over de gewesten, wat maakt dat het aldus bepaalde BBPR een schatting betreft, weliswaar volgens de bepalingen van Eurostat, het Europees Bureau voor de Statistiek. Tabel 1.1 en tabel 1.2 geven de geschatte waarden van het BBPR voor het Vlaamse Gewest (en de andere gewesten) voor opeenvolgende jaren van de periode 1980-2010 evenals de projecties tot en met 2017, in constante prijzen (met 2005 als referentiejaar) en in lopende prijzen. Een tweede gegeven, relevant voor de normalisering van bepaalde WTI-gegevens, betreft de bevolkingsgegevens. De basisgegevens voor de bevolking woonachtig in het Vlaamse Gewest zijn afgeleid uit de tabellen van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) dat op zijn beurt aangewezen is op de registraties van de loop van de bevolking door het Rijksregister. Aangenomen wordt dat de bevolking van de “Vlaamse Gemeenschap” is samengesteld uit de bevolking van het Vlaamse Gewest en 20 procent van de bevolking van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 1.3 geeft de bevolkingsgegevens weer per 13 december 2012.

1.3.1

De universiteiten

Zoals verder zal blijken spelen de Vlaamse universiteiten een cruciale rol in het Vlaams WTI-systeem. Momenteel telt Vlaanderen (nog) zes universiteiten: K.U.Brussel (vanaf 2014 volledig te integreren in de KU Leuven), KU Leuven, UHasselt, Universiteit Antwerpen, UGent en V.U.Brussel. De universiteiten zijn significante spelers in de wetenschapscreatie in Vlaanderen. Meer dan 85% van alle wetenschappelijke (publicatie-)output in Vlaanderen is immers afkomstig van de universiteiten. Ook voor wat betreft de vertaling van academisch onderzoek naar economisch relevante innovaties toe, wordt de rol van de universiteiten in toenemende mate erkend en belangrijk geacht door de Vlaamse overheid. Sinds het begin van de jaren 1990 heeft ze daartoe een passend wettelijk kader gecreëerd dat onder andere de eigendomsrechten van vindingen gemaakt door universitaire onderzoekers toewijst aan de universiteiten. Het Vlaamse universiteitslandschap heeft de laatste tien jaar heel wat beweging gekend. Zo werd in de periode 2000-2002 de fusie van de drie Antwerpse universiteiten (RUCA, UFSIA en UIA) een feit met het ontstaan van de Universiteit Antwerpen (UA) als geïntegreerd geheel. Daarnaast heeft de UHasselt (UH) een grensoverschrijdende samenwerking met de Universiteit Maastricht in Nederland, waarbij de tUL of de transnationale Universiteit Limburg werd gecreëerd. Tot slot werden, samen met de BachelorMaster hervormingen van het Hoger Onderwijs in de Europese Unie, samenwerkingsverbanden of associaties tussen de Vlaamse universiteiten en de Vlaamse hogescholen gevormd die het landschap van het hoger onderwijs in Vlaanderen drastisch hebben beïnvloed en hertekend door (1) het bewerkstelligen van de integratie van de academiserende opleidingen aan de hogescholen in de universiteit (deze integratie is per 1/10/2013 een feit gelet op het in voege treden van het Integratiedecreet van de Vlaamse overheid) en (2) de creatie van een hoger

1.3

DE ACTOREN IN HET VLAAMS WT&I-SYSTEEM

Het Vlaams WTI-systeem wordt gekenmerkt door een breed spectrum aan actoren die elk hun eigen bijdrage leveren tot de implementatie van O&O- en innovatie-activiteiten. We vatten ze hierna kort samen.

onderwijsruimte met talrijke en toenemende dwarsverbanden tussen het universitair hoger onderwijs enerzijds en het professioneel hoger onderwijs anderzijds. De Vlaamse universiteiten hebben in de context van het Vlaamse WTI-systeem een drievoudige opdracht, waarbij ze: (1) in wetenschappelijk onderzoek ingebed onderwijs verstrekken, (2) wetenschappelijk onderzoek concipiëren, definiëren en uitvoeren, en (3) wetenschappelijke en technologische dienstverlening verzorgen aan de maatschappij in al haar geledingen, zowel sociaal als economisch.


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

Tabel 1.1: Gewestelijke verdeling van het Bruto

17

Tabel 1.2: Gewestelijke verdeling van het Bruto

Binnenlands Product per Regio, in constante

Binnenlands Product per Regio, in lopende

prijzen (kettingeuro's), 1980-2010, met projecties

prijzen, 1980-2010, met projecties voor

voor de periode 2011-2017, in miljoen euro en

de periode 2011-2017,

met referentiejaar 2005*

in miljoen euro*

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

1980

38.452,9

96.944,1

46.254,8

181.728,8

1981

39.645,5

95.996,8

46.554,9

182.260,4

1980

18.947,7

48.430,5

23.209,0

90.587,2

1981

20.561,5

50.341,0

24.415,9

95.318,4

1982

39.108,3

97.361,7

46.076,7

182.616,7

1982

21.830,8

55.158,9

26.255,8

103.245,5

1983

38.437,4

98.233,6

1984

39.189,6

101.785,8

46.286,5

183.039,4

1983

22.754,4

58.492,5

27.830,6

109.077,6

46.469,6

187.520,7

1984

24.772,4

63.868,2

29.510,4

118.151,0

1985

39.182,9

104.137,4

1986

39.495,9

105.673,9

46.814,2

190.203,1

1985

25.965,0

68.610,0

31.119,1

125.694,1

47.465,8

192.704,4

1986

27.315,7

71.857,6

32.458,9

131.632,2

1987

40.498,3

1988

41.482,5

109.303,1

48.556,7

198.424,3

1987

28.333,8

74.567,2

33.335,0

136.236,0

116.001,4

50.842,7

208.368,5

1988

29.370,7

80.632,9

35.583,2

145.586,8

1989 1990

42.404,0

122.727,2

52.582,3

217.735,9

1989

31.017,0

88.956,5

38.476,3

158.449,8

44.401,1

126.884,5

53.622,1

224.929,7

1990

33.345,6

94.746,0

40.082,3

168.173,9

1991

43.828,7

129.110,9

56.064,0

229.019,5

1991

34.212,2

99.121,7

42.902,3

176.236,1

1992

44.511,4

130.840,6

56.560,6

231.931,5

1992

36.004,8

103.672,6

44.956,0

184.633,4

1993

43.720,1

129.949,1

56.115,8

229.796,0

1993

37.092,8

106.950,5

46.225,4

190.268,6

1994

45.292,4

135.093,4

57.195,0

237.594,2

1994

38.775,4

113.441,1

48.297,7

200.514,2

1995

45.681,2

139.400,9

58.447,6

243.527,9

1995

39.471,0

118.428,6

50.027,3

207.926,8

1996

46.721,9

141.197,3

59.074,4

246.996,9

1996

40.391,6

120.445,5

50.836,8

211.673,9

1997

47.799,8

147.821,9

60.612,0

256.222,3

1997

41.583,6

127.216,9

52.692,2

221.492,7

1998

48.776,5

150.374,9

62.022,1

261.165,0

1998

43.350,2

131.603,0

55.034,8

229.988,0

1999

50.908,7

156.108,3

63.406,2

270.409,4

1999

45.275,9

137.158,5

56.442,5

238.876,9

2000

52.590,2

161.991,4

65.767,6

280.333,0

2000

47.954,6

145.096,1

59.491,8

252.542,5

2001

53.580,5

162.534,8

66.486,4

282.597,5

2001

49.771,5

148.945,2

61.086,4

259.803,1

2002

54.958,7

164.547,5

66.931,1

286.440,7

2002

52.048,8

153.807,6

62.763,2

268.619,6

2003

55.026,9

165.810,7

67.914,4

288.751,8

2003

53.172,4

158.323,9

64.660,2

276.156,5

2004

56.494,0

171.529,1

70.173,6

298.192,5

2004

55.507,7

167.550,6

68.233,7

291.292,1

2005

57.977,8

174.288,1

71.091,1

303.357,0

2005

57.977,8

174.288,1

71.091,1

303.357,0

2006

59.397,6

179.395,9

72.761,0

311.554,4

2006

59.840,2

183.996,4

74.860,4

318.697,0

2007

60.352,7

185.889,7

74.334,6

320.589,0

2007

62.488,4

194.866,4

78.255,6

335.610,4

2008

60.754,8

187.108,7

75.775,6

323.656,4

2008

64.189,7

199.956,9

81.983,4

346.130,1

2009

59.767,1

181.028,4

73.656,5

314.460,8

2009

64.552,5

195.354,6

80.490,5

340.397,6

2010

60.986,5

184.875,2

75.709,6

321.585,1

2010

67.602,5

202.729,7

84.045,3

354.377,5

2011

61.688,1

188.835,7

77.102,7

327.635,3

2011

70.123,4

211.716,6

87.557,8

369.397,8

2012

61.847,3

188.995,6

77.237,8

328.090,9

2012

71.912,3

216.413,7

89.578,3

377.904,4

2013

62.647,0

191.680,5

78.245,9

332.582,4

2013

74.258,6

224.279,7

92.704,7

391.243,0

2014

63.761,5

195.075,7

79.511,6

338.357,1

2014

76.856,7

232.679,8

96.018,7

405.555,2

2015

64.918,8

198.752,8

80.942,3

344.621,6

2015

79.565,0

241.401,8

99.503,2

420.470,0

2016

66.227,5

203.025,0

82.456,4

351.714,7

2016

82.563,1

251.005,8

103.155,2

436.724,1

2017

67.502,5

207.140,3

83.973,8

358.621,1

2017

85.603,1

260.706,6

106.947,1

453.256,8

* Bron: HERMREG , juni 2012 Jaren 1980 - 1994: retropolatie door HERMREG-team (Fed. Planbureau en gewestelijke statistiekinstellingen). 1995 - 2010: basismateriaal regionale rekeningen INR, waarbij bbp van het extraregionaal gebied (ambassades…) verdeeld werd over de 3 gewesten. Jaren 2011 en volgende: ramingen en prognoses door HERMREG-team (Fed. Planbureau en gewestelijke statistiekinstellingen).


1

18

Tabel 1.3: Bevolking per Gewest per 13 december 2012 Stand op 1 Januari

Vlaams Gewest

Waals Gewest (Incl. Duits. Gem.)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Rijk

2012

6.350.765

3.546.329

1.138.854

11.035.948

503.492.041

2011

6.306.638

3.525.540

1.119.088

10.951.266

502.120.829

2010

6.251.983

3.498.384

1.089.538

10.839.905

75.222

501.120.157

2009

6.208.877

3.475.671

1.068.532

10.753.080

74.540

499.686.575

2008

6.161.600

3.456.775

1.048.491

10.666.866

497.686.132

2007

6.117.440

3.435.879

1.031.215

10.584.534

495.291.925

2006

6.078.600

3.413.978

1.018.804

10.511.382

493.210.397

2005

6.043.161

3.395.942

1.006.749

10.445.852

72.512

491.134.938

2004

6.016.024

3.380.498

999.899

10.396.421

71.899

488.797.929

2003

5.995.553

3.368.250

992.041

10.355.844

486.646.114

2002

5.972.781

3.358.560

978.384

10.309.725

484.635.119

2001

5.952.552

3.346.457

964.405

10.263.414

483.797.028

2000

5.940.251

3.339.516

959.318

10.239.085

482.767.512

1999

5.926.838

3.332.454

954.460

10.213.752

481.617.757

1998

5.912.382

3.326.707

953.175

10.192.264

1997

5.898.824

3.320.805

950.597

10.170.226

1996

5.880.357

3.314.568

948.122

10.143.047

1995

5.866.106

3.312.888

951.580

10.130.574

1994

5.847.022

3.304.539

949.070

10.100.631

1993

5.824.628

3.293.352

950.339

10.068.319

1992

5.794.857

3.275.923

951.217

10.021.997

1991

5.767.856

3.258.795

960.324

9.986.975

1990

5.739.736

3.243.661

964.385

9.947.782

1989

5.722.344

3.234.767

970.501

9.927.612

1988

5.696.051

3.209.319

970.346

9.875.716

1987

5.685.601

3.205.651

973.499

9.864.751

1986

5.676.194

3.206.165

976.536

9.858.895

1985

5.669.879

3.207.646

980.196

9.857.721

1984

5.662.336

3.208.253

982.434

9.853.023

1983

5.654.964

3.213.176

989.877

9.858.017

1982

5.641.579

3.218.236

994.774

9.854.589

1981

5.634.152

3.229.001

1.000.221

9.863.374

1980

5.618.952

3.227.443

1.008.715

9.855.110

1979

5.600.903

3.225.041

1.015.710

9.841.654

1978

5.584.847

3.223.594

1.028.972

9.837.413

1977

5.565.991

3.215.259

1.042.052

9.823.302

1976

5.548.967

3.213.398

1.050.787

9.813.152

1975

5.527.094

3.206.184

1.054.970

9.788.248

Š 2012 Belgian Federal Government

Duitstalige Gemeenschap

Eu27


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

Het onderzoek aan de universiteiten wordt daartoe via een veelheid

De Vlaamse overheid heeft verder via verschillende decretale

aan kanalen gefinancierd. Naast de werkingstoelagen die dienen

bepalingen op de valorisatie van academisch onderzoek sinds

als capaciteitsopbouwende basisfinanciering van het onderwijs

medio de jaren 1990 eveneens een aantal concrete beleidslijnen

en het wetenschappelijk onderzoek, dienen tevens de belangrijke

uitgestippeld die het voor de universiteiten mogelijk maken om de

inspanningen vermeld op niveau van de betoelaging voor het

resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek economisch te

Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF), het Industrieel Onderzoeksfonds

exploiteren. Zeer concreet is het nu mogelijk voor de Vlaamse

(IOF), het FWO-Vlaanderen en zijn verschillende programma’s

universiteiten op een consistente wijze te investeren in spin-off

en steunkanalen, het Strategisch Basisonderzoek (SBO) bij het IWT,

bedrijven die universitaire wetenschappelijke kennis commercieel

evenals het Toegepast Biomedisch Onderzoek (TBM) en

valoriseren. De Vlaamse universiteiten hebben daartoe, samen met

Transformationeel Geneeskundig Onderzoek (TGO), beiden ook

professionele financiers, participatiefondsen opgericht die zaai-

bij het IWT, de specialisatiebeurzen van het IWT en de innovatie-

kapitaal verstrekken aan hun startende spin-off bedrijven (en aan

en Baekelandmandaten bij het IWT; allen zijn ze gericht op een

die van hun associatieleden):

versterking van het basisonderzoek in Vlaanderen. Daarnaast is er de Hercules-Stichting die de financiering van middelzware en

●

het Gemma Frisius Fonds aan de KU Leuven samen met BNP Paribas Fortis Private Equity en KBC Private Equity (het eerste

zware onderzoeksapparatuur voor haar rekening neemt. Via het FWO-Vlaanderen werden de laatste tien jaar tevens belangrijke

Fonds werd opgericht in 1997, het tweede Fonds werd opgericht

excellentieprogramma’s gefinancierd. Het betreft het Odysseus-

in 2002, en in 2009 werden beiden samengevoegd tot één fonds);

programma (dat excellente onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen) en het Methusalem-programma (dat Vlaamse excellente onderzoekers

●

Fortis Private Equity en GIMV (opgericht in 1998) en gevolgd

van een significante onderzoeksfinanciering voorziet).

door het Baekeland II Fonds dat met ARKIV-steun werd opgericht. In 2012 hebben UGent, VUB en UA samen met

Voor wat betreft de Vlaamse universiteiten worden de voorbije

externe investeerders waaronder GIMV en BNP Paribas Fortis

vijftien jaar niet enkel gekenmerkt door een significante toename

Private Equity met ARKIV-steun hun zaaikapitaalinspanningen

van de onderzoeksintensiteit, doch tevens door een duidelijke

geconsolideerd in het QBIC-Fonds;

aanpak inzake de kwaliteitsbewaking en -opvolging van het uitgevoerde onderzoek. Dit kwaliteitsbeleid is en blijft duidelijk

het Baekeland Fonds aan de UGent samen met BNP Paribas

●

het Wendelen Fonds aan de UHasselt samen met de voorlopers

een van de hoofdthema’s voor het beleid van de Vlaamse

van BNP Paribas Fortis Private Equity en KBC Private Equity

universiteiten voor de komende jaren. Temeer daar vanaf het

(opgericht in 1998 en stopgezet in 2002); in de loop van 2011

begrotingsjaar 2003 een gedeelte van de onderzoeksmiddelen

werd samen met LRM een nieuw investeringsvehikel opgezet;

die toegewezen worden aan de Vlaamse universiteiten, met name van de middelen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds, verdeeld worden op basis van de publicatie- en citatieoutput van de betreffende instellingen. Waar de meting van deze publicatieoutput zich in eerste instantie beperkte tot de Web-of-Science databanken van Thomson-Reuters, en daardoor de Sociale en Humane wetenschappen minder aan bod kwamen in de publicatietellingen, is de meting van de Vlaamse publicatie-output sinds 2010 versterkt en uitgebreid door de ingebruikname van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand (het zogenaamde VABB). Het VABB is een uniek databestand dat, onder leiding en kwaliteitstoezicht van het zogenaamde Gezaghebbend Panel, de publicatie-output in de Sociale en Humane wetenschappen in Vlaanderen grondig en gevalideerd in kaart brengt.

●

voor de volledigheid van het historisch overzicht, vermelden we nog het AIC aan de UA (opgericht in 2001 samen met Anchis, (BNP Paribas) Fortis Private Equity, GIMV en KBC), en het Brussels I3 Fund aan de VUB (opgericht in 2002 samen met de GIMB, Fortis Private Equity, KBC, Mercator en OMOB).

En, niet minder belangrijk, sinds 1998 heeft de Vlaamse overheid, zoals reeds aangehaald, een wettelijk kader gecreëerd waarbij de eigendomsrechten op academische vindingen aan de universiteit worden toegewezen. Dit kader vormt een van de fundamenten waarop het valorisatiebeleid van de Vlaamse universiteiten is gestoeld. Met het oog op het verder stimuleren en versterken van het valorisatiegericht onderzoek, werd door de Vlaamse overheid sinds een achttal jaar voor de universiteiten (en sinds 2006 eveneens voor de hogescholen toegankelijk) het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) opgericht. Het IOF financiert mandaten en projecten die de kennistransfer vanuit academisch onderzoek naar het bedrijfsleven toe ondersteunen, stimuleren en verder uitbouwen.

19


1

20

1.3.2

De Vlaamse onderzoeksinstellingen

Naast de universiteiten, die qua fundamenteel onderzoek de voornaamste actor in het Vlaams WT&I-systeem zijn, heeft de Vlaamse overheid eveneens geopteerd voor een concentratie van middelen in een aantal relevante strategische domeinen van wetenschappelijk en technologisch innovatieonderzoek. Dit heeft geleid tot het ontstaan van vier grote Vlaamse onderzoekscentra. Dit zijn de zogenaamde SOC’s of Strategische Onderzoekscentra. Gemeenschappelijke kenmerken van deze centra zijn: hun financiering door de Vlaamse overheid op basis van vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en hun expliciete oriëntatie naar de industrie toe. Zowel inhoudelijk als qua opdracht en concrete werking verschillen de vier centra van elkaar. Het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC) werd opgericht in 1985 in het kader van de DIRV-actie (Derde Industriële Revolutie Vlaanderen). Inspirator en oprichter van IMEC was wijlen Prof. R. Van Overstraeten van het departement Elektrotechniek van de KU Leuven. Het is het “oudste” van de vier onderzoekscentra en het is ondertussen geëvolueerd tot het grootste, onafhankelijke micro- en nano-elektronica onderzoekscentrum in Europa. IMEC voert zowel industrieel basisonderzoek uit als toegepast onderzoek. Een steeds toenemend gedeelte (meer dan 80% in 2012) van de inkomsten van IMEC ontstaat uit het competitief verwerven van internationale onderzoeksmiddelen, met sterke nadruk op industriële samenwerking, waarvan de omvangrijke “Industriële Affiliatie Programma’s” (de zogenaamde IAPs) internationaal tot de verbeelding spreken. IMEC ligt eveneens aan de basis van een 35-tal spin-off bedrijven. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is ontstaan in 1993 als een gevolg van de diversificatie van de activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie. De VITO is actief op de brede domeinen van materiaaltechnologie en -onderzoek, milieu-onderzoek en toepassingen, energie-onderzoek, duurzame chemie, procestechnologie, teledetectie en atmosferische processen. De instelling richt zich daarbij zeer sterk op de noden van de industrie. Vervolgens is er het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) dat in 1995 als een virtueel instituut werd opgericht waarin de krachten van verschillende uitmuntende biotechnologie laboratoria aan de Vlaamse universiteiten worden gebundeld. Deze bundeling moet niet enkel het strategisch basisonderzoek verder versterken, doch eveneens de valorisatie van de onderzoeksresultaten op een meer effectieve en efficiënte wijze mogelijk maken.

Het VIB is actief op volgende toekomstgerichte onderzoeksdomeinen, met name moleculair biomedisch onderzoek, plantgenetica, transgene technologie en gentherapie, humane genetica, immunologie en parasitologie, ontwikkelingsbiologie, moleculaire genetica en medicinaal proteïne onderzoek, en systeembiologie. Verder werd, op basis van de studie en inzichten van Prof. Paul Lagasse, het IBBT opgericht (2004), het Instituut voor Breedbandtechnologie, dat als een vierde, vraaggedreven innovatie-instituut in het Vlaamse landschap van onderzoeksinstellingen opereert. Het IBBT, sinds 2012 van naam veranderd en nu iMinds, richt zich als virtueel kennisinstituut op economisch relevante toepassingen van breedbandtechnologie en ICT, zoals e-media en e-health toepassingen, data en beveiliging, evenals medische beeldverwerking. Daarnaast besteedt iMinds ook ruime aandacht aan de maatschappelijke impact van nieuwe digitale technologieën via een focus op “media & society”. Op die manier wil de Vlaamse overheid zich volop inschakelen in de belangrijke digitale evoluties van de 21ste eeuw. De complementaire rol van het Vlaamse bedrijfsleven en de kenniscentra op dit domein staat daarbij centraal. Door de Vlaamse overheid werden sinds 2009 nog drie nieuwe initiatieven opgestart met duidelijke economische relevantie, het Strategisch Initiatief Materialen (SIM), het Centrum voor Medische Innovatie (CMI), en het FISCH-initiatief rond duurzame chemie – met respectievelijke focus op materialenonderzoek, translationeel biomedisch onderzoek (met inzonderheid de creatie van een Vlaamse biobank), en de transformatie van de Vlaamse chemiesector door onderzoek en innovatie naar nieuwe grondstoffen en geavanceerde procestechnologie. Naast deze initiatieven, beschikt Vlaanderen nog over vier instellingen die opgericht werden op basis van het Koninklijk Besluit van 1961 op de wetenschappelijke instellingen. Hun opdracht bestaat erin wetenschappelijk onderzoek op hun domein op te volgen, de resultaten ervan in beleidsgerichte aandachtspunten te vertalen en eveneens zelf beleidsgericht onderzoek uit te voeren. Deze centra zijn: (1) het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), (2) het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO), (3) het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en (4) het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen (KMSKA). Daarnaast beschikt Vlaanderen nog over drie autonome kennisinstellingen die nauwe banden hebben met een aantal Vlaamse universiteiten. Het ITG, Instituut voor Tropische Geneeskunde, is een wereldleider op het domein van HIV- en AIDS-onderzoek.


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

Met de twee managementscholen, de Vlerick Leuven Gent Management School (sinds 2013 Vlerick Business School genaamd) en de AMS – Antwerp Management School, is Vlaanderen ook in de wereld van het managementonderwijs en -onderzoek prominent aanwezig in Europa en de wereld.

1.3.4

De bedrijven

De bedrijven zijn niet weg te denken uit het Vlaams WTI-systeem. Zij nemen een vooraanstaande plaats in voor wat betreft hun aandeel in het totaal aan WTI-uitgaven in Vlaanderen. Meer bepaald, staan de bedrijven in voor afgerond 71% van de

Verder dient vermeld dat sinds 2001 het Vlaams Instituut voor

O&O-financiering in het Vlaams Gewest. Het dient echter wel

de Zee (VLIZ) tenvolle operationeel werd, met als doel het

gezegd dat ze een zeer heterogene groep vormen.

aanzienlijk potentieel op het gebied van zeewetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen verder te bundelen en internationaal

De meeste grote ondernemingen zijn duidelijk innovatie-actief.

te valoriseren door participatie aan belangrijke programma’s van

Sommige onder hen hebben aanzienlijke onderzoeksbudgetten.

Europese en multinationale organisaties te faciliteren. Het VLIZ

Echter, gelet op de industriële textuur in Vlaanderen, behoort het

omvat eveneens het Vlaams Maritiem Data Centrum.

merendeel van deze grote ondernemingen tot multinationale

Tot slot dienen ook de steeds vaker voorkomende en op innovatie gerichte platformen (de vroegere “competentiepolen”, nu ondergebracht in het lichte structuren programma) te worden vermeld, zoals deze op het vlak van technologieontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders’ Drive), voor de mechatronicaindustrie (Flanders’ Mechatronics), voor het ondersteunen van kennisopbouw op vlak van logistiek (VIL – Vlaams Instituut voor de Logistiek), voor de toepassing van geavanceerde methodologie voor materiaalonderzoek (Flanders’ Materials Research Center of FLAMAC, sinds 2009 geïntegreerd in het SIM-initiatief), het kennisinitiatief op vlak van voedingstechnologie (Flanders’ Food), het initiatief op vlak van productontwikkeling en -ontwerp (Flanders’ Inshape), op vlak van kunststofverwerking (PlasticVision), op vlak van mobiliteit (VIM – Vlaams Instituut voor de Mobiliteit), op vlak van waterkwaliteit (VLAKWA), op het vlak van innovatieve arbeidsorganisatie (Flanders’ Synergy) en op vlak van sociale innovatie (de Sociale Innovatiefabriek). Ook het reeds vermelde FISCH-initiatief valt onder de programmatie van de lichte structuren. Het betreft hier steeds vormen van “publiek-private samenwerking” die voor een belangrijk technologisch toepassingsdomein een complementaire krachtenbundeling nastreven tussen industriële partners en academische onderzoeksgroepen.

groepen zodat hun onderzoeksstrategie niet enkel in en vanuit Vlaanderen wordt bepaald. Naast de grote, innovatie-intensieve ondernemingen, is de laatste jaren een groep van hoogtechnologische kleine en middelgrote ondernemingen ontstaan die gestadig aangroeit, en dit niettegenstaande de tegenslagen (en bijhorende falingen) die zich hebben voorgedaan in de periode 2000-2001 die volgde op het barsten van de “internet-bubble” evenals de druk vanwege het moeilijk economisch klimaat van de laatste vijf jaar. De O&O-gegevens van de Vlaamse bedrijven tonen bovendien aan dat de Vlaamse bedrijven, ondanks de economische en financiële crisis van de laatste jaren, hun onderzoeksuitgaven meer dan gehandhaafd hebben en momenteel instaan voor een O&O-uitgave (de zogenaamde BERD) die 1,64% van het BBP van Vlaanderen bedraagt. Wat een duidelijke toename van de O&O-inspanningen aan bedrijfskant inhoudt. Daarnaast is er een grote meerderheid van kleine en middelgrote ondernemingen die zelf niet aan onderzoek doen, doch waarvan sommigen tot op zeker hoogte onderzoek uitbesteden, of nog, waarvan een aantal zeker innovatiegericht kan worden genoemd. 1.3.5

De hogescholen

In 1997 werd in opdracht van de Vlaamse regering door het IWT de actie “HOBU-Fonds” gelanceerd. Het HOBU-fonds werd

1.3.3

De collectieve centra

Deze centra (met als prominente spelers: BIL, Centexbel, CRM, OCW, SIRRIS, WTCB, WTOCD) werden opgericht door de Belgische bedrijfsfederaties, meestal onder de vorm van vzw’s, en doen in de eerste plaats aan toegepast onderzoek dat relevant is voor de bedrijven uit hun sector. Daarnaast nemen zij vaak deel aan Europese, federale en Vlaamse onderzoeksprogramma’s en/of voeren zij zelf onderzoek uit om hun kennisniveau op peil te houden. Meer specifiek, in het kader van steunverlening via het IWT kunnen deze centra dergelijk onderzoek definiëren en uitvoeren. Tevens voeren zij, op vraag van individuele bedrijven, contractonderzoek uit.

ondertussen geactualiseerd en omgevormd tot het TETRA-fonds. Enerzijds wil het een impuls geven aan de opwaardering en de valorisatie van het technologisch onderzoek aan de Vlaamse hogescholen. Anderzijds wil men via de hogescholen (vooral kleinere) bedrijven de mogelijkheid bieden om op de hoogte te blijven van de mogelijkheden die geboden worden door technologische ontwikkelingen. Op die manier worden de hogescholen verder gestimuleerd in hun opdracht om naast onderwijs, ook actief met toegepast technologisch onderzoek bezig te zijn.

21


1

22

De Associaties universiteiten-hogescholen blijven, ook na de

De nieuwe steunregels die sinds 2008 van kracht zijn, leggen de

integratie van de academiserende opleidingen in de universiteit,

percentages voor basissteun vast op respectievelijk 15%

een geschikt kader om in de volgende jaren het onderzoeks-

(experimentele

potentieel van de hogescholen verder uit te bouwen. Ook de

Daarbovenop zijn er een aantal additionaliteitsbonussen voorzien,

ontwikkeling van het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) op niveau

die het steunpercentage verder kunnen doen oplopen.

van de associaties en hun hogescholen, moet hun rol in het toegepast onderzoek verder ondersteunen en vormgeven. Zowel in het kader van TETRA als van IOF kunnen de universiteiten en de hogescholen samenwerken. 1.3.6

De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, Hercules, BOF en IOF

ontwikkeling)

en

40%

(basisonderzoek).

Belangrijke evoluties in de activiteitenportfolio van het IWT, betreffen ook de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden (VIS). Dit mechanisme wil actief (collectieve) innovatietrajecten steunen. Deze trajecten kunnen ingediend worden door een vereniging van bedrijven en kennisinstellingen (federaties, vzw’s, consortia of gelijkgestelde collectieve centra en subregionale actoren). Voor de uitvoering van het project kunnen zij een beroep

Het IWT-Vlaanderen (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap

doen op een brede waaier van kenniscentra (Collectieve Centra,

en Technologie in Vlaanderen) is de operator voor het technologie-

hogescholen, universiteiten en grote onderzoeksinstellingen).

beleid in Vlaanderen. Het Instituut bestaat sinds 1991. De basisfilosofie

Met het VIS wordt het VIN, het Vlaams Innovatie Netwerk dat door

bestaat erin op te treden als “één loket voor de Vlaamse

het IWT wordt gecoördineerd, gevoed. In het kader van het VIN

bedrijven.” Het staat in voor de financiering van het onderzoek

verwijzen we eveneens naar de reeds vermelde Innovatiecentra

met een economische (en sinds 2011 ook duidelijk met een

die per provincie worden georganiseerd en die zich vooral richten

maatschappelijke) finaliteit. Dit betreft zowel onderzoek dat op

op het simuleren van innovatie in het aanwezige KMO-weefsel.

initiatief van een bedrijf wordt aangevraagd als de definitie en de implementatie van instrumenten die gebruikt worden voor het stimuleren van technologische innovatie in samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen.

Tevens wordt het KMO-programma continu bewaakt en verbeterd zodat een steeds betere dienstverlening naar de Vlaamse KMOpopulatie mogelijk wordt. Sinds 2008 werden de verschillende instrumenten in dit programma continu verder gestroomlijnd en

De Vlaamse kennisinstellingen en intermediaire organisaties zijn

vereenvoudigd zodat de drempel voor KMO’s om de weg naar

hierin belangrijke partners en ontvangen daartoe de nodige financiële

het IWT te vinden nog transparanter en toegankelijker wordt.

steun. Het IWT speelt daarnaast ook een centrale rol bij het

Het succes van het programma kan worden afgeleid uit het aantal

toekennen van specialisatiebeurzen voor doctoraatsopleidingen

projectvoorstellen dat ondertussen steeg tot meer dan 600 per jaar.

en postdoctorale vorsers in wetenschappelijk en technologisch onderzoek aan de universiteiten. Verder ondersteunt het IWT het bedrijfsleven inzake deelname aan internationale technologische programma’s, inzake de overdracht van technologie en het zoeken naar partners, evenals inzake (eerste lijns)begeleiding. Het IWT coördineert bovendien ook de werkzaamheden van de provinciale innovatiecentra die KMO’s begeleiden op hun weg naar innovatie. Via haar eenheid Monitoring & Analyse speelt het IWT tevens een rol bij het waarnemen en het beleidsgericht evalueren van

In 2012 werd ook het SPRINT-programma uitgewerkt dat sinds 1 januari 2013 als nieuw steuninstrument de efficiënte toegang van de Vlaamse ondernemingen die innovatie-actief zijn, doch daarom niet noodzakelijk over een grote, uitgebouwde O&O-afdeling beschikken, tot IWT-steun moet eenvoudiger maken en daardoor verder stimuleren. Gelet op de prominente aanwezigheid van dit soort ondernemingen in het Vlaams industrieel weefsel, wordt veel verwacht van dit instrument.

belangrijke tendensen op het domein van technologische evolutie

Verder is het nuttig om te wijzen op het ICON-instrument dat

en innovatie in Vlaanderen.

sinds een viertal jaar door het IWT werd ontwikkeld en ingevoerd.

Sinds 2008 zijn, conform de Europese kaderregeling, nieuwe steunregels van kracht. Deze bouwen verder op de regels die op 5 oktober 2001 door de Vlaamse regering werden goedgekeurd. Dit laatste financieringsbesluit verving het zogenaamde FIOV-besluit van 23 oktober 1991. Naast administratieve vereenvoudiging en een verruiming van de subsidieerbare kosten die opgenomen werden in de steunregelgeving, wordt tevens aandacht besteed aan het economisch valorisatiepotentieel in Vlaanderen van de goedgekeurde projecten.

Het ICON-instrument maakt het mogelijk dat een beperkt aantal bedrijven samen met een beperkt aantal kennisinstellingen, een traject van coöperatief onderzoek opstart, waarvan de toegang tot de onderzoeksresultaten in eerste instantie beperkt is tot de ICON-partners (in tegenstelling tot het eerder vermeld collectief onderzoek waarvan de resultaten sectorbreed toegankelijk zijn).


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

De laatste 3 jaar is er binnen het IWT bovendien een duidelijke

Dergelijke netwerken laten de deelnemende onderzoekseenheden

evolutie naar een focus op innovatie met zowel een economische

toe aan te sluiten bij grote, prestigieuze internationale netwerken,

als een maatschappelijke finaliteit. Dit heeft geleid tot het

die ondermeer door de European Science Foundation worden

verbreden van de toegang tot verschillende steunkanalen voor

opgezet. Via het FWO-Vlaanderen worden tevens belangrijke

maatschappelijke actoren zoals bvb. ziekenhuizen.

excellentieprogramma’s gefinancierd. Het betreft het Odysseusprogramma (dat excellente onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen)

Verder werd als “opvolger” van het STWW programma (Strategische

en het Methusalem-programma (dat Vlaamse excellente

Technologieën voor Welzijn en Welvaart) en het GBOU-programma

onderzoekers van een significante onderzoeksfinanciering voorziet).

(Generisch Basisonderzoek aan de Universiteiten), in 2002-2003 het SBO-programma opgestart (Strategisch Basisonderzoek). In het

De duidelijke groei vanaf 1996 in de financiële middelen voor het

kader van het SBO-programma kunnen Vlaamse onderzoeks-

fundamenteel niet-gericht onderzoek vanwege de Vlaamse overheid,

groepen (zowel uit de kennisinstellingen als uit het bedrijfsleven)

heeft het FWO een bijzondere impuls gegeven. Het onderzoekers-

projecten voor strategisch technologisch en maatschappelijk

bestand werd zowel op niveau van de aspirant-doctorandi als op

onderzoek indienen waarvan de resultaten op termijn een

niveau van de postdoctorale onderzoekers substantieel versterkt.

duidelijke toegevoegde waarde creëren op economisch of

Ook het aantal onderzoeksprojecten werd gevoelig opgetrokken.

maatschappelijk vlak. Basisdoelstelling is het realiseren van een

Deze groei is de laatste jaren consequent verder gezet.

brugfunctie tussen de onderzoekswereld enerzijds en economie en maatschappij anderzijds. Het onderzoek wordt gekwalificeerd

Tevens zijn de krachten ter ondersteuning van de financiering

als “strategisch basisonderzoek.” Dit houdt in dat het kwalitatief

van middelzware en zware onderzoeksapparatuur gebundeld

hoogwaardig onderzoek is, gericht op de langere termijn, met een

in de Hercules-Stichting. De Hercules-Stichting investeert via haar

uitgesproken origineel, creatief en grensverleggend karakter.

geëigende advies- en beslissingsorganen aanzienlijke hoeveelheden middelen in onderzoeksapparatuur aan de Vlaamse universiteiten.

Tot slot vermelden we naast deze verschillende maatregelen en

Ook de verdere ontwikkeling en uitbouw van de Vlaamse Super-

steunmechanismen ook nog de betrokkenheid (samen met EWI)

computer en het Vlaams SupercomputerCentrum (VSC) werd

bij de ondersteuning van de universitaire interfacediensten ter

sinds 2012 aan de Hercules-Stichting toevertrouwd. De Stichting

stimulering van de exploitatie van het onderzoek aan de Vlaamse

opereert als een autonome instelling, echter met sterke banden

universiteiten, de Eureka-steunregeling, de betrokkenheid van het

met IWT en FWO, zowel op niveau van het bestuur van de

IWT bij de doorlichtingen betreffende meer omvangrijke subsidies

Stichting als op niveau van haar operationele werking.

voor de ondersteuning van technologische innovatie (zoals Flanders’ Drive, Flanders’ Mechatronics, SIM en FLAMAC, Flanders’ Food,

Naast het FWO-Vlaanderen, dat een belangrijk financierings-

Flanders’ Inshape, CMI, FISCH, Flanders’ Synergy, de Sociale

instrument is voor het academisch wetenschappelijk onderzoek op

Innovatiefabriek en PlasticVision). Om dit alles continu en recurrent

initiatief van de vorser, dient tevens het Bijzonder Onderzoeksfonds

te optimaliseren, worden er door het IWT op regelmatige tijdstippen

(of BOF) te worden vermeld. Het BOF is een interuniversitair

effectmetingen gedaan van de betreffende maatregelen en van

verdelingsmechanisme dat aan de Vlaamse universiteiten een

de gehanteerde instrumenten. Op die manier worden effectiviteit

significant onderzoeksbudget ter beschikking stelt, het welk de

en “output” van de instrumenten bewaakt en waar nodig en

universiteiten vervolgens intern kunnen toewijzen aan grotere

wenselijk bijgestuurd.

(de zogenaamde GOA’s) en kleinere onderzoeksprojecten (projecttoelagen) en aan mandaten op basis van een eigen, intern

Het FWO-Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –

selectieproces gebaseerd op “peer-review“ van een competitieve

Vlaanderen) verdeelt de middelen voor fundamenteel onderzoek

projectindiening.

aan de universiteiten en dit vooral onder de vorm van (1) beurzen voor doctorandi en postdoctorale onderzoekers, (2) de financiering

De middelen van het BOF zijn in de periode 1995-2012 meer dan

van onderzoeksprojecten, en (3) de steun aan congressen en

vervijfvoudigd. Tot en met 2002 werden de BOF-middelen

symposia.

onderzoeks-

interuniversitair verdeeld op basis van drie criteria, met name het

gemeenschappen waarin Vlaamse en buitenlandse onderzoekers

aandeel in het aantal afgeleverde tweede cyclusdiploma’s over een

in een bepaalde discipline elkaar in een gestructureerd verband

vier jaar tijdsvenster (35%), het aandeel in het aantal afgeleverde

kunnen ontmoeten en onderzoekservaringen uitwisselen.

doctoraten over een vier jaar tijdsvenster (50%) en het aandeel

Daarnaast

financiert

het

FWO

in de werkingsmiddelen van de betreffende universiteiten (15%).

23


1

24

Sinds de verdeelsleutel voor 2003, werden deze drie criteria

Wat het wetenschaps- en innovatiebeleid betreft, zijn de

aangevuld met een criterium dat het aandeel meet van elke

aandachtspunten:

Vlaamse universiteit in de totale Vlaamse academische publicatieen citatie-output in de Science Citation Index (geëxtraheerd uit

●

het uitbouwen en implementeren van instrumenten voor

de Expanded Web-of-Science, ISI-Thomson) op basis van een

effectmeting van het wetenschaps- en technologiebeleid en

tien jaar voortschrijdend tijdsvenster. Voor 2003 telden de drie

de bijdrage van dit beleid tot innovatie;

originele criteria hierbij voor 90% mee, terwijl de SCIE-output voor

●

het organiseren van de gegevensverzameling;

ondertussen verder naar een 64/36 verhouding conform het in 2008 aangepaste en goedgekeurde BOF-besluit. Tevens werden

●

de federale en bilaterale internationale samenwerking op vlak van wetenschap en innovatie;

de databestanden sinds BOF-begrotingsjaar 2008 uitgebreid met de publicatiedata uit de Social Science Citation Index (SSCI),

het uitbouwen en onderhouden van een geïntegreerd systeem van wetenschaps-, technologie- en innovatie-indicatoren en

10% in de verdeelsleutel meetelde. Deze verhouding evolueerde

●

de coördinatie van het beleid inzake wetenschappelijk

de Arts&Humanities Citation Index (AHCI) en de ISI Conference

onderzoek intern in het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

Proceedings (‘Science & Technology’ evenals ‘Social Sciences &

met de andere Vlaamse instellingen en met de supranationale

Humanities’ Proceedings). In 2008 werd tevens een aanvang gemaakt

en internationale instellingen;

met de ontwikkeling van het Vlaams Academisch Bibliografisch

●

de opvolging van de evoluties inzake wetenschap, technologie

Bestand (VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen.

en innovatie op Vlaams, Belgisch en internationaal niveau en

Het VABB zorgt voor de betere vertegenwoordiging van de sociale

de terugkoppeling van deze opvolging naar het beleid van

en humane wetenschappen in de BOF-tellingen. Het is sinds 2010

de Minister;

operationeel. In 2012 werd het BOF-verdeelmechanisme verder

●

de voorbereiding van het beleid van de Minister.

verfijnd en geactualiseerd aan de hand van een nieuw BOF-besluit. Meer bepaald werd het aandeel van de Sociale en Humane

De structuur en uitbouw van EWI laten toe deze veelheid aan

Wetenschappen in de verdeelsleutel verder opgedreven en werd

opdrachten op een efficiënte manier uit te voeren.

tevens de weging van de publicaties naar tijdschriftimpact verder verfijnd met het oog op het aanmoedigen van disciplinegebaseerde excellentie. Ook de werkingstoelagen zijn intussen verdwenen als BOF-parameter. Tot slot vermelden we het IOF (Industrieel Onderzoeksfonds) dat onderzoeksmiddelen verdeelt aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen, op basis van een verdeelsleutel die onder andere rekening houdt met behaalde valorisatieresultaten (gebaseerd op (a) gerealiseerde inkomsten uit industrieel onderzoek, (b) inkomsten uit Europese samenwerkingsprogramma’s, (c) grootte van de octrooiportefeuilles evenals (d) spin-off aantallen). Het IOF wil op die manier het strategisch basisonderzoek en de valorisatie ervan in de Vlaamse associaties stimuleren en onderbouwen. 1.3.7

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie

1.3.8

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) is het hoogste adviesorgaan voor elke aangelegenheid rond wetenschap en innovatie, zowel voor de Vlaamse regering als voor het Vlaams Parlement. De wettelijke basis is het decreet van 15 december 1993. Dat versterkte de juridische basis van de Raad, die al in 1985 werd opgericht bij besluit van de Vlaamse regering. Sinds 2009 werd de vroegere VRWB (de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid) omgevormd tot de VRWI (Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie) om aldus de nadruk op wetenschap én innovatie ten volle duidelijk te maken. Deze structuur vormt een uniek forum, waar vooraanstaande actoren uit de academische en uit de sociaal-economische wereld zich als een “raad van wijzen” beraden over de algemene krachtlijnen van het wetenschaps- en innovatiebeleid in Vlaanderen. De VRWI

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie maakt deel

is bevoegd om (op eigen initiatief of op verzoek) aanbevelingen te

uit van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het staat in

formuleren, onderzoek te verrichten en advies uit te brengen.

voor de geïntegreerde ondersteuning van het economisch beleid

Jaarlijks analyseert en bespreekt de Raad het Vlaams begrotings-

en het wetenschaps- en innovatiebeleid van de Vlaamse overheid.

beleid voor wetenschap en innovatie. Deze begrotingsadviezen

De kerndoelstellingen van het economisch beleid betreffen de

zijn inmiddels een begrip geworden.

proactieve ontwikkeling van het Vlaams economisch weefsel en het stimuleren van ondernemersactiviteit.


H ET V L A A M S W TI- SYSTE E M: E E N OVE RZ I C HT E N E E N B E S P R E K I N G

De Vlaamse regering is verplicht de VRWI vooraf te raadplegen over alle decreten en besluiten, die algemene aangelegenheden inzake wetenschapsbeleid regelen en die instellingen betreffen die instaan voor de betrokken materies. Ook alle belangrijke acties en initiatieven op het vlak van wetenschaps- en innovatiebeleid moeten aan de VRWI voor advies worden voorgelegd. Bij zijn adviesverlening en om de gestelde problemen uit te diepen, doet de VRWI beroep op permanente commissies. Voor bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van onderzoeksopdrachten worden ad hoc werkgroepen en externe deskundigen ingeschakeld. Sinds zijn ontstaan heeft de Raad zich continu verder ontplooid en ontwikkeld. Hij groeide inmiddels uit tot een volwaardig adviesinstrument voor het beleid. Naast de talrijke expliciet gevraagde adviezen, nam de VRWI zelf tal van initiatieven voor studiedagen, onderzoeksstudies en analyses. Daarbij heeft de VRWI steeds een grote belangstelling aan de dag gelegd voor toekomstgerichte vraagstukken van het wetenschaps- en innovatiebeleid. Getuige daarvan zijn het onderzoek naar betere deflatoren voor O&O-uitgaven en bestedingen, naar de problematiek van “science sharing” en naar de methodologie voor wetenschaps- en technologieverkenning evenals het in kaart brengen van voor Vlaanderen belangrijke WTI-evoluties aan de hand van verkenningsstudies. Vermeldenswaard is zeker ook de VRWI studiereeks die een regelmatige output van gedegen studies en analyses inzake wetenschaps- en innovatiebeleid garandeert. In deze context verwijzen we naar de recente studies aangaande samenwerking universiteit – industrie, wetenschapscommunicatie, de relatie tussen onderwijs en innovatie, het translationeel biomedisch onderzoek, de problematiek van de versterking van de STEM-opleidingen (Science, Technology, Engineering & Mathematics), en de valorisatie van het onderzoek in Sociale en Humane Wetenschappen. 1.3.9

De adviesorganen

1.3.10

De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

Met de oprichting van de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek verzekert de Vlaamse overheid zich van een grotere stabiliteit in het beleidsondersteunend onderzoek en, hiermee gepaard gaand, van de gestadige opbouw van een kritische kennismassa omtrent een aantal prioritaire beleidsthema’s. De werking van de steunpunten wordt opgevolgd door het departement EWI, telkens in samenspraak met de Minister bevoegd voor het beleidsdomein waarop het betreffende Steunpunt actief is. De 21 Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek worden gevormd door één of meer onderzoeksgroepen uit één of meer universitaire instellingen die samen gedurende een 5-jaar periode wetenschappelijke ondersteuning bieden aan de Vlaamse overheid: ●

Armoede;

●

Bestuurlijke organisatie, slagkrachtige overheid;

●

Buitenlands beleid, internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking;

●

Cultuur;

●

Duurzaam materialenbeheer;

●

Fiscaliteit en begroting;

●

Gelijkekansenbeleid;

●

Goederen- en personenvervoer;

●

Inburgering en integratie;

●

Jeugd;

●

Media;

●

Milieu en gezondheid;

●

Ondernemen en regionale economie:

●

Studie- en schoolloopbanen;

●

Ruimte;

●

Sport;

●

Transities voor duurzame ontwikkeling;

●

Verkeersveiligheid;

●

Welzijn, volksgezondheid en gezin;

De Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen

●

Werk en sociale economie;

en Kunsten fungeert als de ontmoetingsplaats voor uitmuntende

●

Wonen.

Vlaamse wetenschappers en is het aanspreekpunt voor verschillende gelijkaardige organisaties overal ter wereld. De Academie vervult

Deze 21 operationele steunpunten zijn de resultante van de

alsdusdanig de rol van een Vlaams Kennis- en Cultuurforum,

nieuwe vijfjarige periode van het steunpuntenbeleid die in 2011 na

een rol die in de loop van 1998 werd vastgelegd. Voor wat de

grondige evaluatie van de toenmalige steunpuntenportefeuille

relatie tussen technologie en economie betreft, dienen ook de

werd voorbereid en uitgerold.

activiteiten van de SERV (de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen) met de Stichting Technologie Vlaanderen (STV) te

In die optiek verwijzen we ook naar het vroegere Steunpunt O&O

worden vermeld, die zich vooral richten op het uitvoeren van

Indicatoren dat sinds 1 januari 2009 decretaal werd omgevormd

studies naar het Vlaamse socio-economisch weefsel, inclusief

tot het Expertisecentrum O&O Monitoring (ECOOM).

technologievraagstukken die zich daarbij kunnen stellen.

25


1

26

1.3.11

Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

1.3.12

Sensibilisering

Naast de hoger beschreven actoren, wordt het Vlaams WTI-

Tot slot, de laatste tien jaar werd eveneens op een gestructureerde

systeem gekenmerkt door een hoge mate van bekommernis om

wijze aandacht besteed aan het opzetten van een brede publieks-

de resultaten van wetenschappelijk en technologisch onderzoek

sensibilisatie omtrent wetenschap, technologie en innovatie.

evenals de innovatieve aanwendingen van deze resultaten, zo goed

De Stichting “Flanders Technology International” (FTI), Technopolis

mogelijk te laten doorstromen naar zoveel mogelijk actoren in

(een “doe-centrum” voor wetenschap en technologie dat in het

Vlaanderen. Daarom wordt vanuit de Vlaamse Regering en vanuit

najaar 1999 zijn deuren opende en werd voorbereid door FTI),

het IWT ruime aandacht besteed aan transfer en diffusie van

de wetenschapsweek, en diverse communicatiecampagnes

technologie.

omtrent innovatie kaderen in die brede sensibilisatie activiteit. De momenteel lopende campagne “Richting Morgen” van Minister

Daartoe werden verschillende mechanismen in het leven

Lieten is daarvan een goed voorbeeld. Ook mediaprogramma’s

geroepen, die hierna kort worden toegelicht. Sinds 1998 wordt

zoals “Jongens en Wetenschap” kaderden en kaderen in die

door de Vlaamse overheid een subsidie toegekend aan de

sensibilisatie-aanpak. In 2004 ging tot slot het initiatief Flanders’

universitaire interfacediensten met de bedoeling op deze wijze

Districts of Creativity (Flanders DC) van start dat de creativiteit en

de valorisatie-activiteiten van de universiteiten een duw in de rug

innovativiteit van de Vlaamse economie regionaal en internationaal

te geven. Sinds 2008-2009 zijn door de Vlaamse overheid en het

moet ondersteunen. Gelet op de nood aan degelijke

IWT de provinciale Innovatiecentra opgericht die de toegang van

wetenschapscommunicatie, voorziet de Vlaamse overheid sinds

KMO’s tot innovatiesteun en innovatiekennis moeten stimuleren

een aantal jaren eveneens in de structurele ondersteuning van

en vormgeven. Tot slot werd eind 2012 door de Vlaamse Minister

wetenschapscommunicatie in en door het hoger onderwijs.

voor Wetenschap en Innovatie een actie goedgekeurd (die nu loopt via Flanders’ DC en de provinciale Innovatiecentra) om de kennis en kunde van de Vlaamse KMO’s op het domein van innovatie

1.4

CONCLUSIE

verder te professionaliseren. In dit inleidend hoofdstuk werd een overzicht gegeven van de Verwant aan de Collectieve Centra werden in de periode 1995-1997

voornaamste actoren en instrumenten van het Vlaams WTI-systeem

een tiental clusters in het leven geroepen. Clusters werden daarbij

en WTI-beleid. Dit overzicht, dat in de volgende hoofdstukken

gedefinieerd als een netwerk van bedrijven die onderling

verder wordt gedetailleerd, illustreert de inspanningen die in

samenwerken of samenwerken met onderzoeksinstellingen op

Vlaanderen de laatste twintig jaar werden geleverd om het

één of meerdere domeinen (zoals wetenschappelijk onderzoek,

WTI-beleid op een internationaal vergelijkbaar en competitief niveau

productontwikkeling of opleiding). Conform de beleidsopties van

te brengen. In de volgende hoofdstukken worden de resultaten van

de Vlaamse Regering, werd naderhand beslist deze specifieke

dit beleid verder besproken en wordt, waar mogelijk, eveneens

steunvorm niet verder te verlengen, maar de bestaande initiatieven

de Vlaamse aanwezigheid in de internationale onderzoeks- en

de kans te geven zich in te schakelen in het ruimer mechanisme

innovatiecontext bekeken.

van de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden. Deze evolutie werd in de periode 2001-2002 met goed gevolg gestart en heeft op vandaag geleid tot een sterke portfolio van operationele

NOOT

samenwerkingsverbanden die momenteel hun continuïteit krijgen in het aangepaste instrument van de VIS-trajecten.

• BIL: Belgisch Instituut voor Lastechniek • Centexbel: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de

Bij deze veelheid aan acties die ondernomen worden op het vlak

Belgische Textielnijverheid

van transfer en diffusie valt tot slot nog te vermelden dat de

• CRM: Centrum voor Research in de Metallurgie

Vlaamse overheid steeds meer belang hecht aan valorisatie,

• OCW: Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw

kennistransfer en samenwerking tussen de verschillende actoren in

• WTCB: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het

het Vlaams WTI-landschap. Deze beleidsoptie komt heel zichtbaar tot uiting in de waaier aan stimuleringsmaatregelen (bvb. lichte structuren, provinciale innovatiecentra, …) die vandaag in het VIN (het Vlaams Innovatie Netwerk – dat door het IWT wordt gecoördineerd) worden samengebracht.

Bouwbedrijf • SIRRIS: Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor de Agoriasectoren • WTOCD: Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant


H ET M E N S E LI J K POT E NT I E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVAT I E I N VL A AN D E R E N Door Linda De Kock (Departement Onderwijs en Vorming) en Tammy Castelein (VLIR)

27


2

28

2.1

INLEIDING

●

Kijkt men naar de verhouding van het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten ten opzichte van het

Zoals in de vorige edities van het Vlaams Indicatorenboek schetst

aantal Vlaamse achttienjarigen, dan stelt men vast dat deze

dit hoofdstuk aan de hand van statistieken en grafieken een beeld

indicator voor de participatie een stijging kent over de

van de aantrekkingskracht van het Vlaamse hoger onderwijs.

beschouwde periode van 10 jaar. Terwijl in het academiejaar

Hoe ziet de huidige situatie eruit en welke tendensen tekenen zich

2002-2003 18,1% van de potentiële doelgroep was ingeschreven

af? In een eerste deel komt de instroom in het hoger onderwijs

aan een Vlaamse universiteit, was in het academiejaar 2011-2012

aan bod. Vervolgens besteedt dit hoofdstuk aandacht aan

dit percentage gestegen tot 20,5%.

de gerealiseerde output, in de vorm van uitgereikte diploma’s in het hoger onderwijs. Op deze manier geeft het hoofdstuk

Aan de hogescholen spelen er twee verschillende evoluties. Bij de

een overzicht van de ‘kennis’rijkdom waaruit Vlaanderen nu en

professionele bacheloropleidingen nam het aantal generatie-

in de nabije toekomst zal kunnen putten om het potentieel in

studenten tijdens de beschouwde periode quasi onafgebroken toe:

wetenschap, technologie en innovatie (WTI) te realiseren.

van 25.627 generatiestudenten in het academiejaar 2002-2003 tot 30.393 in het academiejaar 2011-2012. Dit komt overeen met

De cijfergegevens van de universiteiten en de hogescholen komen

een toename van 23%. De verhouding van het aantal generatie-

uit de Databank Tertiair Onderwijs (DTO) en vanaf het academie-

studenten in de professionele bacheloropleidingen ten opzichte

jaar 2008-2009 uit de Databank Hoger Onderwijs (DHO),

van het aantal Vlaamse achttienjarigen groeide in dezelfde periode

beheerd door het Vlaamse ministerie van Onderwijs en Vorming.

van 28,6% naar 32,7%.

De gegevens in hoofdstuk 3.4. (Internationale vergelijking) zijn afkomstig van de stafdiensten van het Departement Onderwijs en

De evolutie van het aantal generatiestudenten in de academische

Vorming, van de OESO (Education at a glance) en van Eurostat.

hogeschoolopleidingen vertoont een ander beeld. In het begin van de 10-jarige periode nam het aantal generatiestudenten in de academische hogeschoolopleidingen continu af: van 5.374 in

2.2 INSTROOM IN HET VLAAMSE HOGER ONDERWIJS: KWANTIFICATIE EN STRATIFICATIE

2002-2003 naar 5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De daaropvolgende academiejaren kende de evolutie van het aantal generatiestudenten een wisselend verloop. Ten opzichte van het dieptepunt in het academiejaar 2005-2006 werden er in het

In het academiejaar 2011-2012 telde het Vlaamse hoger onderwijs

academiejaar 2011-2012 wel 8% meer generatiestudenten geteld

46.041 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze

in deze opleidingen. Bekeken over de gehele 10-jarige periode is

generatiestudenten (54,28%) startte een professioneel gerichte

er ongeveer een status quo van het aantal generatiestudenten in

bacheloropleiding aan een hogeschool. De academische

de academische hogeschoolopleidingen (+0,5%). De verhouding

opleidingen aan de universiteiten en aan de hogescholen trokken

van het aantal generatiestudenten in deze opleidingen ten opzichte

respectievelijk 33,99% en 11,73% aan van het totale aantal

van het aantal achttienjarigen in Vlaanderen daalde van 7,6% in

generatiestudenten.

2002-2003 tot 6,8% in 2009-2010 en 2010-2011, om daarna opnieuw toe te nemen tot 7,1% in 2011-2012.

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten is over de laatste 10 jaar op de volgende manier geëvolueerd (tabel 2.1):

Globaal kan men stellen dat meer dan de helft van de Vlaamse achttienjarigen een kans waagt in het hoger onderwijs: in het

●

Bekeken over de totale periode van 10 jaar is het aantal

academiejaar 2011-2012 was de verhouding van het totaal aantal

generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten met 22%

generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs ten opzichte

toegenomen: van 12.801 generatiestudenten in het academie-

van het aantal achttienjarigen 60,3%. In het academiejaar

jaar 2002-2003 naar 15.648 generatiestudenten in het

2002-2003 bedroeg deze relatieve deelname aan het hoger

academiejaar 2011-2012. De grootste stijging heeft zich vooral

onderwijs 54,3%. De stijging van het aantal generatiestudenten is

voorgedaan in de periode 2004-2005 tot en met 2006-2007.

relatief gezien groter dan de toename van het aantal achttienjarige

Deze periode valt samen met de invoering van de bachelor-

in de beschouwde periode. De laatste twee jaar is het aantal

masterstructuur in Vlaanderen. De laatste twee academiejaren

achttienjarigen afgenomen.

(2010-2011 en 2011-2012) is de aangroei van het aantal generatiestudenten aan de universiteiten bijna stilgevallen.


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

29

Tabel 2.1: Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen Generatiestudenten Universiteiten Academiejaar

18 jarigen

Hogescholen

Relatieve deelname aan hoger onderwijs Universiteiten

Hogescholen

ABA (kan)

Totaal

PBA (HO1C)

ABA (HO2C)

ABA (kan)

Totaal

PBA (HO1C)

ABA (HO2C)

2002-2003

12.801

25.627

20.253

5.374

70.750

18,1

36,2

28,6

7,6

2003-2004

12.423

25.860

20.600

5.260

69.641

17,8

37,1

29,6

7,6

2004-2005

13.175

26.438

21.199

5.239

71.447

18,4

37,0

29,7

7,3

2005-2006

13.808

27.160

22.140

5.020

71.830

19,2

37,8

30,8

7,0

2006-2007

14.461

27.725

22.609

5.116

73.305

19,7

37,8

30,8

7,0

2007-2008

14.748

28.160

22.752

5.408

74.247

19,9

37,9

30,6

7,3

2008-2009

15.087

28.375

23.099

5.276

77.072

19,6

36,8

30,0

6,8

2009-2010

15.569

29.224

23.934

5.290

78.172

19,9

37,4

30,6

6,8

2010-2011

15.598

30.161

24.535

5.626

78.059

20,0

38,6

31,4

7,2

2011-2012

15.648

30.393

24.991

5.402

76.315

20,5

39,8

32,7

7,1

Voor de analyse van de instroom van studenten in het hoger onderwijs wordt in dit hoofdstuk gekeken naar het aantal generatiestudenten. De definitie van ‘generatiestudent’ is in de beschouwde periode gewijzigd. Vanaf het academiejaar 1999-2000 werd de volgende definitie gehanteerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor de eerste maal inschrijft in het eerste jaar van een basisopleiding van het Vlaamse hoger onderwijs.’ Vanaf de invoering van de bachelor/masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs - academiejaar 2004-2005 - werd een generatiestudent als volgt gedefinieerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven.’ Met het Financieringsdecreet van 2008 werd deze definitie nog verfijnd: “Een generatiestudent is een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar.” Enige voorzichtigheid is dan ook geboden bij de interpretatie van de gegevens over de evolutie van de generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Relatieve deelname aan het hoger onderwijs: deze berekening, die in dit hoofdstuk de verhouding weergeeft tussen het aantal generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs en het aantal achttienjarigen woonachtig in Vlaanderen, geeft een indicatie voor de vermoedelijke participatiegraad in het hoger onderwijs. Afwijkingen zijn mogelijk onder meer omdat geen statistisch materiaal voorhanden is over het evenwicht tussen de instroom van studenten uit Franstalig België en uit het buitenland, en de uitstroom naar Franstalige en buitenlandse universiteiten. Ook kunnen dubbeltellingen voorkomen. De cijfers over het aantal achttienjarigen woonachtig in Vlaanderen zijn afkomstig van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Zij omvatten het aantal achttienjarigen woonachtig in het Vlaams Gewest + 20% van het aantal achttienjarigen woonachtig in het Brussels Gewest. Vanaf het academiejaar 2004-2005 werd in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Dat gebeurde geleidelijk, namelijk jaar na jaar. Vanaf het academiejaar 2004-2005 worden dan ook de generatiestudenten in de nieuwe bacheloropleidingen (de professioneel gerichte en de academisch gerichte bacheloropleidingen) geteld. Gebruikte afkortingen: ABA: academische bacheloropleidingen Kan: kandidatuursopleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen HO1C: hogeschoolopleidingen van 1 cyclus HO2C: hogeschoolopleidingen van 2 cycli


2

30

Tabel 2.2: Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2002-2003 t.e.m. 2011-2012) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen, uitgesplitst naar geslacht Mannen

Academiejaar

Generatie studenten

18 j. Vl.

Vrouwen

%

Generatie studenten

18 j. Vl.

%

Universiteiten 2002-2003

5.623

36.138

15,6

7.178

34.612

20,7

2003-2004

5.550

35.444

15,7

6.873

34.197

20,1

2004-2005

5.888

36.669

16,1

7.287

34.778

21,0

2005-2006

6.247

36.753

17,0

7.561

35.077

21,6

2006-2007

6.512

37.374

17,4

7.949

35.931

22,1

2007-2008

6.530

37.956

17,2

8.218

36.291

22,6

2008-2009

6.658

39.438

16,9

8.429

37.634

22,4

2009-2010

7.039

40.075

17,6

8.530

38.097

22,4

2010-2011

7.085

39.813

17,8

8.513

38.246

22,3

2011-2012

7.012

38.799

18,1

8.636

37.516

23,0

Hogescholen 2002-2003

11.617

36.138

32,1

14.010

34.612

40,5

2003-2004

11.433

35.444

32,3

14.427

34.197

42,2

2004-2005

11.932

36.669

32,5

14.506

34.778

41,7

2005-2006

12.265

36.753

33,4

14.895

35.077

42,5

2006-2007

12.261

37.374

32,8

15.464

35.931

43,0

2007-2008

12.599

37.956

33,2

15.561

36.291

42,9

2008-2009

12.652

39.438

32,1

15.723

37.634

41,8

2009-2010

13.171

40.075

32,9

16.053

38.097

42,1

2010-2011

13.381

39.813

33,6

16.780

38.246

43,9

2011-2012

13.377

38.799

34,5

17.016

37.516

45,4

In de beschouwde 10-jarige periode schommelt het aandeel

Zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten is over de

van de vrouwelijke generatiestudenten in het totale aantal

10-jarige periode het aantal vrouwelijke generatiestudenten met

generatiestudenten rond de 55%. Dit vrouwelijk overwicht komt

ongeveer 20% toegenomen: de hogescholen kennen een stijging

ook sterk tot uiting in de verhouding van het aantal vrouwelijke

van 14.010 vrouwelijke generatiestudenten in 2002-2003 naar 17.016

generatiestudenten ten opzichte van het aantal vrouwelijke

in 2011-2012, de universiteiten van 7.178 naar 8.636 vrouwelijke

achttienjarigen: 68,4% van de potentiĂŤle doelgroep (achttienjarige

generatiestudenten.

vrouwen wonende in Vlaanderen) startte in het academiejaar 2011-2012 een opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen

De stijging van het aantal vrouwelijke generatiestudenten gaat

bedroeg dit percentage 52,6%.

samen met een toename van het aantal mannelijke generatiestudenten: aan de hogescholen is de toename van de instroom van

Deze grotere deelname van vrouwen geldt zowel voor de hoge-

het aantal mannelijke studenten kleiner dan dat van de vrouwen,

schoolopleidingen als voor de opleidingen aan de universiteiten:

namelijk 15%; aan de universiteiten is de toename van het aantal

bij beiden schommelt het aandeel van de vrouwelijke

mannelijke generatiestudenten groter dan de vrouwelijke toename,

generatiestudenten in de beschouwde periode rond de 55%.

namelijk 24%.


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Bij de verhouding van het aantal generatiestudenten ten opzichte

●

van het aantal achttienjarigen krijgt men de volgende evolutie:

De evolutie van het aantal generatiestudenten in de studiegebieden Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen en Toegepaste biologische wetenschappen kent een wisselend

●

Bij de hogescholen neemt de relatieve deelname van de mannelijke

verloop. Globaal genomen is de instroom in elk van deze

generatiestudenten toe van 32,1 in het academiejaar 2002-2003

studiegebieden over de periode 2002-2003 tot en met 2011-

naar 34,5 in het academiejaar 2011-2012 en van de vrouwelijke

2012 gestegen:

generatiestudenten van 40,5 naar 45,4; ●

- het studiegebied Wetenschappen telde in het academiejaar

Bij de universiteiten neemt de verhouding van het aantal

2002-2003 1.080 generatiestudenten, in het academiejaar

mannelijke generatiestudenten ten opzichte van het aantal

2011-2013 1.251 generatiestudenten, wat overeenkomt met

mannelijke achttienjarigen toe van 15,6 in het academiejaar

een globale toename van 15,8%;

2002-2003 naar 18,1 in het academiejaar 2011-2012,

- in het studiegebied Toegepaste wetenschappen nam de

de verhouding van de vrouwelijke generatiestudenten ten

instroom toe met 30,8%: van 860 generatiestudenten in

opzichte van het aantal vrouwelijke achttienjarigen kent in

het academiejaar 2002-2003 naar 1.125 generatiestudenten

dezelfde periode een stijging van 20,7 naar 23,0.

in het academiejaar 2011-2012; - in het studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen

Uit tabel 2.3 blijkt dat de evolutie van het aantal generatie-

groeide het aantal generatiestudenten aan met 28,7%: van

studenten in de beschouwde periode zich duidelijk verschillend

439 generatiestudenten in 2002-2003 naar 565 generatie-

manifesteert in de diverse studiegebieden. Bij de universiteiten

studenten in 2011-2012.

springen de volgende tendensen in het oog: ●

●

de sterkste stijging van het aantal generatiestudenten aan de

De studiegebieden Rechten, notariaat en criminologische

universiteiten. In de beschouwde periode is de instroom in dit

wetenschappen en Economische en toegepaste economische

studiegebied meer dan verdubbeld: van 486 generatiestudenten

wetenschappen blijven de grootste aantrekkingskracht uitoefenen

in het academiejaar 2002-2003 naar 1.112 generatiestudenten

op de generatiestudenten. Met respectievelijk 2.249 en 2.108

in 2011-2012 (+128,8%).

generatiestudenten in het academiejaar 2011-2012 trekken zij meer dan één vierde (27,8%) van de instromende studenten aan.

●

Het aantal generatiestudenten in de studiegebieden gerelateerd

Opvallend is de continue toename van het aantal generatie-

aan de gezondheidszorg kent een grillig verloop. Bekeken over

studenten in het studiegebied Rechten, notariaat en

de gehele periode is het aantal generatiestudenten in de

criminologische wetenschappen tot en met het academiejaar

studiegebieden Geneeskunde, Tandheelkunde, Diergeneeskunde

2010-2011: van 1.798 generatiestudenten in 2002-2003 naar

en Farmaceutische wetenschappen toegenomen: +40,1% in

2.283 in 2010-2011. Het academiejaar 2011-2012 kent een

het studiegebied Geneeskunde, +18,6% in het studiegebied

lichte terugval: - 34 generatiestudenten. Over de gehele periode

Tandheelkunde, +16,5% in het studiegebied Diergeneeskunde

bekeken, zijn er in dit studiegebied 25% generatiestudenten

en +108% in het studiegebied Farmaceutische wetenschappen.

bijgekomen.

●

Relatief gezien kent het studiegebied Biomedische wetenschappen

Wat het studiegebied Geneeskunde betreft, hier moet

Ook het aantal generatiestudenten in het studiegebied

opgemerkt worden dat na de sterke piek in het academiejaar

Economische en toegepaste economische wetenschappen neemt

2009-2010, de instroom opnieuw sterk afgenomen is in de laatste

globaal genomen toe van 1.587 in 2002-2003 tot 2.108 in het

twee academiejaren: -98 generatiestudenten in het academie-

academiejaar 2011-2012, wat neerkomt op een stijging van 32,8%.

jaar 2010-2011 en -78 generatiestudenten in het academiejaar

Het studiegebied Psychologische en pedagogische wetenschappen blijft ook in het academiejaar 2011-2012 de derde plaats innemen (1.393 generatiestudenten). Nochtans telt dit studiegebied in het academiejaar 2011-2012 6,2% minder generatiestudenten dan in het academiejaar 2002-2003. Ook het relatieve aandeel van dit studiegebied is gedaald van 11,6% in het academiejaar 2002-2003 naar 8,9% in het academiejaar 2011-2012.

2011-2012. Een gelijkaardige evolutie is terug te vinden in het studiegebied Tandheelkunde, waar na de piek van 72 generatiestudenten in het academiejaar 2009-2010 de instroom in het academiejaar 2011-2012 nog maar 51 generatiestudenten bedraagt.

31


Totaal hogescholen

25.627

25.860

5.260

739

26.438

5.239

760

27.160

5.020

690

27.725

5.116

715

752 5.374

Totaal ABA/twee cycli

298

1.363

876

204

66

886

526

Toegepaste taalkunde

82

22.752

3.068

4.964

37

20

3.132

6.744

3.691

490

47

559

28.160

5.408

642

74

106

303

1.469

960

257

61

979

557

ABA/Opleidingen van twee cycli

22.609

3.243

5.042

21

16

3.167

6.578

3.478

473

48

543

28.375

5.276

652

82

95

274

1.492

931

222

93

865

570

23.099

3.460

5.045

60

49

3.209

6.761

3.487

492

53

483

N

2008-2009

PBA/Opleidingen van één cyclus

97 64

267

1.380

N

2007-2008

Hogescholen

N

2006-2007

85

80

267

1.425

895

178

85

896

547

22.140

2.945

5.300

12

2.959

6.705

3.138

476

46

559

N

2005-2006

77

236

1.577

1.006

211

84

856

566

21.199

2.747

5.584

10

2.946

6.170

2.695

462

52

533

N

2004-2005

Productontwikkeling

272

952

166

56

896

558

20.600

2.691

5.604

9

2.709

6.073

2.502

407

25

580

N

2003-2004

Nautische wetenschappen

Muziek en podiumkunsten

1.660

Gezondheidszorg

Industriële wetenschappen en technologie

Biotechniek

1.066

60 119

Audiovisuele en beeldende kunst

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

514 854

Architectuur

Totaal PBA/één cyclus

20.253

2.358

Sociaal-agogisch werk

Gecombineerde studiegebieden

5.463

Onderwijs

Nautische wetenschappen

12

2.837

Muziek en podiumkunsten

Industriële wetenschappen en technologie

Biotechniek

6.436

Audiovisuele en beeldende kunst

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

268

Architectuur

2.293

546 40

N

Studiegebied

Gezondheidszorg

2002-2003

Academiejaar

29.224

5.290

613

73

112

272

1.514

883

296

62

891

574

23.934

3.347

5.609

53

64

3.370

6.617

3.828

524

44

478

N

2009-2010

30.161

5.626

642

82

126

342

1.490

1.015

356

62

810

701

24.535

3.267

5.787

25

64

3.381

6.762

4.165

572

49

463

N

2010-2011

30.393

5.402

632

78

108

327

1.563

946

338

71

809

530

24.991

148

3.442

5.573

22

56

3.551

6.751

4.340

583

53

472

N

2011-2012

Tabel 2.3: Aandeel van de studiegebieden in de inschrijvingen van generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

32

2


1.208 89 550

Politieke en sociale wetenschappen

Sociale gezondheidswetenschappen

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

261 486

Farmaceutische wetenschappen

Biomedische wetenschappen

339

526

361

371

12.801

12.423

13.175

13.808

377

35

554

352

324

91

686

400

1.032

1.018

525

148

1.207

1.849

1.360

1.840

277

581

956

33

163

14.461

371

17

634

481

304

88

668

414

1.004

1.106

544

144

1.240

1.887

1.473

2.030

288

551

1.026

45

146

14.748

275

22

734

491

342

39

556

464

1.156

1.178

556

160

1.278

1.914

1.450

2.199

237

534

1.000

34

129

Universiteiten

15.087

272

18

792

535

360

72

553

503

1.124

1.161

836

174

1.166

2.085

1.367

2.214

233

466

900

105

151

15.569

320

13

859

509

377

65

742

503

1.089

1.200

917

147

1.166

2.010

1.431

2.259

238

515

955

83

171

15.598

339

14

928

548

413

59

644

540

1.054

1.144

1.039

168

1.019

2.045

1.418

2.283

229

546

933

72

163

15.648

304

15

1.112

543

417

51

566

565

1.125

1.251

943

150

1.000

2.108

1.393

2.249

239

519

858

66

174

Gebruikte afkortingen

ABA: academische bacheloropleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen

De studiegebieden opgenomen in de tabel 2.3 zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer ‘Gecombineerde studiegebieden’ ressorteren opleidingen die niet in één studiegebied onder te brengen zijn. De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen aan de hogescholen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie.

Totaal universiteiten

304

404

290

53

612

48

358

Diergeneeskunde

48

531

964 408

248

43

Tandheelkunde

320

404

Geneeskunde

416

821

1.088

605

120

1.101

1.554

1.439

1.841

252

486

905

51

142

Gecombineerde studiegebieden

439

Toegepaste biologische wetenschappen

1.042

556

108

1.128

1.499

1.407

1.813

238

508

773

46

152

Verkeerskunde

860

Toegepaste wetenschappen

1.080

1.587

Economische en toegepaste economische wetenschappen

Wetenschappen

1.485

Archeologie en kunstwetenschappen 1.798

256

Geschiedenis

Psychologie en pedagogische wetenschappen

542

Taal- en letterkunde

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

46 796

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

193

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

33


1,0% 8,9% 25,1% 11,1% 0,0%

Biotechniek

Gezondheidszorg

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

Industriële wetenschappen en technologie

Muziek en podiumkunsten

2,9% 21,0% 100,0%

Toegepaste taalkunde

Totaal ABA/twee cycli

Totaal hogescholen

2,9%

100,0%

20,3%

100,0%

19,8%

2,9%

0,2%

1,0%

5,4%

100,0%

18,5%

2,5%

0,3%

1,0%

5,1%

3,3%

0,7%

0,3%

3,3%

2,0%

81,5%

10,8%

19,5%

0,0%

10,9%

24,7%

1,7%

80,8%

10,9%

17,6%

0,1%

0,1%

11,1%

23,9%

13,1%

1,7%

0,2%

2,0%

1,1%

4,9%

3,2%

0,7%

0,2%

3,2%

1,9%

2,6%

100,0%

18,5%

100,0%

19,2%

2,3%

0,3%

0,4%

1,1%

5,2%

3,4%

0,9%

0,2%

3,5%

2,0%

ABA/Opleidingen van twee cycli

81,5%

11,7%

18,2%

0,1%

0,1%

11,4%

23,7%

12,5%

0,3% 0,3%

0,9%

6,1%

3,8%

0,8%

0,3%

3,2%

2,1%

80,2%

10,4%

21,1%

0,0%

11,1%

23,3%

1,8% 11,6%

0,2%

2,0%

100,0%

18,6%

2,3%

0,3%

0,3%

1,0%

5,3%

3,3%

0,8%

0,3%

3,0%

2,0%

81,4%

12,2%

17,8%

0,2%

0,2%

11,3%

23,8%

12,3%

1,7%

0,2%

1,7%

%

2008-2009

PBA/Opleidingen van één cyclus

0,3%

Muziek en podiumkunsten

1,7% 10,2%

0,2%

2,1%

%

2007-2008

Hogescholen

%

2006-2007

0,3%

6,5% 1,1%

Industriële wetenschappen en technologie

3,7%

0,6%

0,2%

3,5%

2,2%

79,7%

10,4%

21,7%

0,0%

10,5%

23,5%

9,7%

1,6%

2,0% 0,2%

%

2005-2006

Productontwikkeling

4,2%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

2,2% 0,1%

%

2004-2005

Nautische wetenschappen

0,2% 0,5%

Gezondheidszorg

Audiovisuele en beeldende kunst

Biotechniek

2,0% 3,3%

Architectuur

Totaal PBA/één cyclus

79,0%

9,2%

Sociaal-agogisch werk

Gecombineerde studiegebieden

21,3%

Onderwijs

Nautische wetenschappen

2,1% 0,2%

%

%

Audiovisuele en beeldende kunst

2003-2004

2002-2003

Architectuur

Academiejaar

100,0%

18,1%

2,1%

0,2%

0,4%

0,9%

5,2%

3,0%

1,0%

0,2%

3,0%

2,0%

81,9%

11,5%

19,2%

0,2%

0,2%

11,5%

22,6%

13,1%

1,8%

0,2%

1,6%

%

2009-2010

100,0%

18,7%

2,1%

0,3%

0,4%

1,1%

4,9%

3,4%

1,2%

0,2%

2,7%

2,3%

81,3%

0,0%

10,8%

19,2%

0,1%

0,2%

11,2%

22,4%

13,8%

1,9%

0,2%

1,5%

%

2010-2011

100,0%

17,8%

2,1%

0,3%

0,4%

1,1%

5,1%

3,1%

1,1%

0,2%

2,7%

1,7%

82,2%

0,5%

11,3%

18,3%

0,1%

0,2%

11,7%

22,2%

14,3%

1,9%

0,2%

1,6%

%

2011-2012

Tabel 2.3: Aandeel van de studiegebieden in de inschrijvingen van generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

34

2


Gecombineerde studiegebieden 100,0%

2,4%

0,0%

3,3%

2,3%

2,7%

0,4%

4,3%

3,3%

6,6%

8,4%

4,5%

0,9%

9,1%

12,1%

11,3%

14,6%

1,9%

4,1%

6,2%

0,4%

1,2%

100,0%

1,9%

0,4%

4,0%

2,7%

2,8%

0,4%

4,6%

3,1%

7,3%

8,3%

4,6%

0,9%

8,4%

11,8%

10,9%

14,0%

1,9%

3,7%

6,9%

0,4%

1,1%

100,0%

2,7%

0,3%

4,0%

2,5%

2,3%

0,7%

5,0%

2,9%

7,5%

7,4%

3,8%

1,1%

8,7%

13,4%

9,8%

13,3%

2,0%

4,2%

6,9%

0,2%

1,2% 0,3%

100,0%

2,6%

0,1%

4,4%

3,3%

2,1%

0,6%

4,6%

2,9%

6,9%

7,6%

3,8%

1,0%

8,6%

13,0%

10,2%

14,0%

2,0%

3,8%

7,1%

100,0%

1,9%

0,1%

5,0%

3,3%

2,3%

0,3%

3,8%

3,1%

7,8%

8,0%

3,8%

1,1%

8,7%

13,0%

9,8%

14,9%

1,6%

3,6%

6,8%

0,2%

0,9%

Universiteiten 1,0%

100,0%

1,8%

0,1%

5,2%

3,5%

2,4%

0,5%

3,7%

3,3%

7,5%

7,7%

5,5%

1,2%

7,7%

13,8%

9,1%

14,7%

1,5%

3,1%

6,0%

0,7%

1,0%

100,0%

2,1%

0,1%

5,5%

3,3%

2,4%

0,4%

4,8%

3,2%

7,0%

7,7%

5,9%

0,9%

7,5%

12,9%

9,2%

14,5%

1,5%

3,3%

6,1%

0,5%

1,1%

100,0%

2,2%

0,1%

5,9%

3,5%

2,6%

0,4%

4,1%

3,5%

6,8%

7,3%

6,7%

1,1%

6,5%

13,1%

9,1%

14,6%

1,5%

3,5%

6,0%

0,5%

1,0%

100,0%

1,9%

0,1%

7,1%

3,5%

2,7%

0,3%

3,6%

3,6%

7,2%

8,0%

6,0%

1,0%

6,4%

13,5%

8,9%

14,4%

1,5%

3,3%

5,5%

0,4%

1,1%

Gebruikte afkortingen

ABA: academische bacheloropleidingen PBA: professionele bacheloropleidingen

De studiegebieden opgenomen in de tabel 2.3 zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer ‘Gecombineerde studiegebieden’ ressorteren opleidingen die niet in één studiegebied onder te brengen zijn. De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen aan de hogescholen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie.

100,0%

0,0% 2,5%

Verkeerskunde

Totaal universiteiten

3,8%

Biomedische wetenschappen

Toegepaste biologische wetenschappen

2,0%

3,4%

Toegepaste wetenschappen

2,8%

6,7%

Wetenschappen

Farmaceutische wetenschappen

8,4%

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

Diergeneeskunde

4,3%

Sociale gezondheidswetenschappen

3,2%

0,7%

Politieke en sociale wetenschappen

0,3%

9,4%

Economische en toegepaste economische wetenschappen

Tandheelkunde

12,4%

Psychologie en pedagogische wetenschappen

Geneeskunde

14,0% 11,6%

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

4,2% 2,0%

Archeologie en kunstwetenschappen

Taal- en letterkunde

Geschiedenis

0,4% 6,2%

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

1,5%

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

35


2

36

In het academiejaar 2011-2012 volgden in het hogeschool-

●

Met uitzondering van het studiegebied Architectuur zagen bij

onderwijs 82,2% van de generatiestudenten een professioneel

de professioneel gerichte bacheloropleidingen alle studiegebieden

gerichte bacheloropleiding en 17,8% een academisch gerichte

in de beschouwde periode het aantal generatiestudenten

bacheloropleiding. Het aantal generatiestudenten in de professioneel

toenemen. De meest opvallende evoluties zijn:

gerichte opleidingen blijft toenemen: van 20.253 generatiestudenten

- het studiegebied Gezondheidszorg kende, met uitzondering

in het academiejaar 2002-2003 naar 24.991 generatiestudenten

van het academiejaar 2008-2009, een continue stijging van

in het academiejaar 2011-2012 (+23,4%). De evolutie van het aantal

de instroom: terwijl in het academiejaar 2002-2002 2.293

generatiestudenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen

generatiestudenten instroomden in dit studiegebied, telde het

kende een meer wisselend verloop: een afname van de instroom

academiejaar 2011-2012 4.340 generatiestudenten (+89,3%);

tot en met het academiejaar 2005-2006, gevolgd door een periode

- het studiegebied Biotechniek evolueerde van 268

van ups- en downs. Globaal genomen is het aantal generatie-

generatiestudenten in het academiejaar 2002-2003 naar

studenten over de periode 2002-2003 en 2011-2012 quasi stabiel

583 generatiestudenten in 2011-2012 (+117,5%);

gebleven: +0,5%.

- het studiegebied Sociaal-agogisch werk zag het aantal generatiestudenten aangroeien van 2.358 generatiestudenten naar

De volgende tendensen springen het meest in het oog bij de

3.442 generatiestudenten in 2011-2012 (+45,9%).

hogescholen (tabel 2.3): ● ●

Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde

schommelingen – de afname van het aantal generatiestudenten

blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken: 6.751

in het studiegebied Toegepaste taalkunde op: van 752 generatie-

generatiestudenten in de professioneel gerichte bachelor-

studenten in het academiejaar 2002-2003 naar 632 generatie-

opleidingen in het academiejaar 2011-2012 en 946 generatie-

studenten in 2011-2012 (-16,9%).

studenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen. Ondanks

een

relatieve

afname

van

het

aantal

generatiestudenten, trekt dit studiegebied nog altijd meer dan een kwart aan van het totale aantal generatiestudenten van de hogescholen (25,3%). ●

Bij de academisch gerichte opleidingen valt – ondanks de

Een sterke stijging van het aantal generatiestudenten vindt men terug in het studiegebied Gezondheidszorg: in de beschouwde periode is de instroom toegenomen van 119 generatiestudenten in het academiejaar 2002-2003 naar 338 generatiestudenten in het academiejaar 2011-2012 (+184%).

Op de tweede plaats komt het studiegebied Onderwijs, met 5.573 generatiestudenten in het academiejaar 2011-2012. Na een continu dalende instroom van 2004-2005 tot 2007-2008, kent het studiegebied Onderwijs tot en met het academiejaar

2.3 OVERZICHT VAN DE UITGEREIKTE DIPLOMA’S

2010-2011 een sterke groei (+823 generatiestudenten). In het

●

laatst beschouwde academiejaar neemt de instroom evenwel

Dit hoofdstuk focust op de uitstroom hoger onderwijs en staat stil

opnieuw af: -214 generatiestudenten in 2011-2012.

bij de kwantificatie en de stratificatie van de diploma’s uitgereikt in

Op de derde plaats komt het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie (3.551 generatiestudenten in de professioneel gerichte bacheloropleidingen, 1.563 generatiestudenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen). Terwijl de professioneel gerichte opleidingen binnen dit studiegebied hun generatiestudenten aanzienlijk zagen toenemen in de beschouwde periode (+25,2%), kenden de academisch gerichte opleidingen tot en met het academiejaar 2006-2007 een gestage afname van het aantal generatiestudenten. Vanaf het academiejaar 2007-2008 neemt, met uitzondering van het academiejaar 2010-2011, de instroom jaarlijks toe. Deze toename compenseert nog niet het verlies van de eerste jaren: bekeken over de totale periode is het aantal generatiestudenten in de academisch gerichte bacheloropleidingen met 5,8% afgenomen.

het Vlaamse hoger onderwijs. Vanaf het academiejaar 2004-2005 werd in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur geleidelijk, dit is jaar na jaar, ingevoerd. De hogescholen en universiteiten hebben in het academiejaar 2006-2007 de eerste bachelordiploma’s uitgereikt. De meeste masteropleidingen zijn gestart in het academiejaar 2007- 2008. In datzelfde jaar werden de eerste masterdiploma’s uitgereikt (voor die masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten). In 2008-2009 werden de eerste diploma’s uitgereikt van de masteropleidingen van 120 studiepunten.


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Een aantal masteropleidingen zijn vroeger gestart, namelijk de

De volgende elementen moeten ten minste meegenomen worden

masteropleidingen aan de tUL, de masteropleidingen volgend op

bij een analyse van de gegevens:

een professionele bacheloropleiding (de master in het toerisme, de master in het sociaal werk en de master in de verpleegkunde

●

Bij de omvormingsoperatie naar de bachelor-masterstructuur

en de vroedkunde) en een beperkt aantal Erasmus Mundus

hebben de universiteiten een aantal voortgezette academische

masters. De overeenkomstige masterdiploma’s werden vóór het

opleidingen omgevormd naar een initiële masteropleiding of

academiejaar 2007-2008 uitgereikt.

laten indalen in een initiële masteropleiding. Deze operatie heeft mede tot gevolg dat het aantal uitgereikte diploma’s in de

De gegevens in de volgende figuren en tabellen gaan tot en met

voortgezette opleidingen – de vroegere VAO’s en de huidige

het academiejaar 2011-2012. In dat academiejaar hebben de

Ma-na-masteropleidingen – in de beschouwde periode sterk is

hogeronderwijsinstellingen, behoudens een aantal uitzonderingen,

afgenomen.

in hoofdzaak de nieuwe bachelor- en masterdiploma’s uitgereikt. De nog resterende diploma’s van opleidingen in afbouw (vooral

●

diploma’s uitgereikt aan studenten die vroeger – voor de invoering van de nieuwe masteropleidingen – hun opleiding gestart zijn. Gelijktijdig met deze verlenging van de studie-

opleidingen zijn ook de diploma’s van de vroegere

omvang hebben de universiteiten een aantal voortgezette

eencyclusopleidingen begrepen (tot en academiejaar 2005-

opleidingen laten indalen in deze nieuwe masteropleidingen

2006 en in de latere jaren de nog resterende diploma’s

van 120 studiepunten.

uitgereikt in deze opleidingen in afbouw);

academiejaren 2006-2007 en 2007-2008, en in de latere jaren de nog resterende diploma’s uitgereikt in deze opleidingen in afbouw); ●

●

Biomedische

diploma’s dat in de volgende tabellen naar voor komt slaat op

Onder de diploma’s van de professioneel gerichte bachelor-

aan de hogescholen als aan de universiteiten) (tot en met de

en

studiegebieden quasi geen diploma’s uitgereikt. Het aantal

gehanteerd. Dit impliceert het volgende:

de tweede cyclus van de vroegere tweecycliopleidingen (zowel

Wetenschappen

academiejaar 2007-2008 hebben de universiteiten in deze

In het volgende deel wordt de bachelor-masterterminologie

Onder de masterdiploma’s zijn ook de diploma’s begrepen van

studiegebied

van 60 studiepunten naar 120 studiepunten gebracht. In het

geneeskunde) zijn opgenomen in de gegevens.

●

het

wetenschappen is de studieomvang van de masteropleidingen

van die opleidingen met een langere studieomvang zoals

●

In

●

Eén van de neveneffecten van de omvorming naar de bachelor-masterstructuur is dat de keuzemogelijkheden voor studenten met een bachelordiploma sterk zijn toegenomen. Voorbereidingsprogramma’s maken het mogelijk dat studenten een masteropleiding volgen met een andere specificatie/ binnen een ander studiegebied dan dat van de initiële bacheloropleiding. Studenten met een diploma van een

Onder de diploma’s van de master-na-masteropleidingen zijn

professionele bacheloropleiding kunnen doorstromen naar

ook de uitgereikte diploma’s van de voortgezette academische

een masteropleiding als zij met succes een schakelprogramma

opleidingen (VAO’s) begrepen;

afgerond hebben. De populariteit van deze schakel-

Onder de diploma’s van de Specifieke lerarenopleiding (SLO) zijn ook de diploma’s van de vroegere academische initiële lerarenopleiding (AILO) begrepen.

De volgende gegevens en grafieken moeten omzichtig geïnterpreteerd worden. De omvorming naar de bachelor-masterstructuur heeft – zeker voor wat betreft de masterdiploma’s – een aantal veranderingen meegebracht die een vergelijking met het verleden bemoeilijken.

programma’s is de laatste jaren sterk gegroeid (van 705 inschrijvingen in het academiejaar 2004-2005 tot 7.507 in het academiejaar 2011-2012). Deze ontwikkelingen verklaren mee dat binnen een aantal studiegebieden de evolutie van het aantal uitgereikte diploma’s niet altijd/ niet langer de evolutie van het aantal generatiestudenten volgt.

37


2

38

Figuur 2.1: Universiteiten en hogescholen: diploma’s per type diploma (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

22.000 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

■ PBA

■ Ba-na-Ba

■ HO master

■ Ma-na-Ma

■ UO master

■ SLO

■ Totaal master

■ Doctoraat

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Bij de gegevens over de master-na-masteropleidingen (Ma-na-Ma) wordt vanaf het academiejaar 2007-2008 ook het aantal diploma’s Ma-na-Ma’s uitgereikt door de hogescholen, opgenomen. Vanaf het academiejaar 2007-2008 is voor de “Specifieke lerarenopleiding SLO” ook het aantal diploma’s uitgereikt door de hogescholen opgenomen in de gegevens. Gebruikte afkortingen: PBA: professionele bacheloropleidingen HO: hogescholen UO: universiteiten Ba-na-Ba: bachelor-na-bachelor Ma-na-Ma: master-na-master SLO: specifieke lerarenopleiding

In het academiejaar 2011-2012 hebben de Vlaamse hogescholen

Globaal genomen is het aantal initiële masterdiploma’s uitgereikt

20.788 professionele bachelordiploma’s uitgereikt. Ten opzichte

door een hogeschool over de beschouwde periode, ondanks de

van het vorige academiejaar geeft dit een stijging van 1.164

jaarlijkse schommelingen, quasi stabiel gebleven: +0,5%.

diploma’s (+5,9%); ten opzichte van het academiejaar 2002-2003 is het aantal diploma’s van de professioneel gerichte hogeschool-

Het aantal uitgereikte masterdiploma’s door de universiteiten in

opleidingen toegenomen met 16,5%.

de initiële basisopleidingen daarentegen kent in de beschouwde periode een quasi jaarlijkse toename: van 9.673 in 2002-2003

Bij de academische opleidingen worden in figuur 2.1 enkel de

tot 13.205 initiële masterdiploma’s in 2011-2012 (dit is een stijging

diploma’s met een uitstroomfinaliteit in rekening gebracht, zijnde

van 36,51%).

de vroegere diploma’s van de tweede cyclus en de masterdiploma’s. Vanaf het academiejaar 2004-2005 kent het aantal diploma’s in Het aantal initiële masterdiploma’s uitgereikt door een hogeschool

de voortgezette opleidingen (master-na-master) een onafgebroken

in een academische opleiding kent een wisselende evolutie. Vanaf het

daling. Deze evolutie is des te opvallender vanaf het academiejaar

academiejaar 2006-2007 neemt het aantal uitgereikte diploma’s

2007-2008 (3.825 uitgereikte master-na-masterdiploma’s in 2006-

jaarlijks af, om vanaf het academiejaar 2010-2011 opnieuw toe te

2007 tegenover 2.778 in 2007-2008 en 1.731 in 2011-2012).

nemen (+330 uitgereikte masterdiploma’s in het academiejaar 2010-2011, +190 uitgereikte masterdiploma’s in het academiejaar 2011-2012).


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Zoals reeds vermeld, spelen een aantal elementen mee die

Het beperkte aantal initiële masterdiploma’s in de studiegebieden

verband houden met de omvorming naar de bachelor-

Wetenschappen en Biomedische wetenschappen in het academiejaar

masterstructuur: de omvorming van een aantal voortgezette

2007-2008 is te verklaren door de invoering van masteropleidingen

opleidingen naar initiële masters, de indaling van een aantal

met een studieomvang van 120 studiepunten in dat jaar.

voortgezette opleidingen in initiële masteropleidingen en een ruimer aanbod van deze laatste opleidingen. Rekening houdend

De globale daling van het aantal diploma’s in de voortgezette

met al deze elementen is een mogelijke verklaring voor deze

opleidingen doet zich niet voor in de studiegebieden Wijsbegeerte

evolutie dat studenten eerder een tweede initiële masteropleiding

en moraalwetenschappen, Geschiedenis, Rechten, notariaat en

zullen volgen dan een master-na-masteropleiding. De uitbreiding

criminologische wetenschappen, en in de studiegebieden gelinkt aan

van de studieomvang van de initiële masteropleidingen in de

de zorgberoepen (Geneeskunde, Tandheelkunde en Farmaceutische

studiegebieden Wetenschappen en Biomedische wetenschappen

wetenschappen). Deze laatste studiegebieden zien het aantal

van 60 studiepunten naar 120 studiepunten kan hier ook een

uitgereikte master-na-masterdiploma’s aanzienlijk toenemen in de

oorzaak zijn van deze afname.

periode 2007-2008 tot en met 2011-2012 (Geneeskunde: +33,9%; Tandheelkunde +47,4% en Farmaceutische Wetenschappen

Voor de Specifieke lerarenopleiding springt de sterke daling van

+27,1%). Het studiegebied Geneeskunde komt daarmee op de

het aantal uitgereikte diploma’s vanaf het academiejaar 2008-

tweede plaats wat betreft het uitreiken van het aantal master-

2009 in het oog: terwijl in dat academiejaar 1.798 diploma's

na-masterdiploma’s (213 uitgereikte diploma’s in 2011-2012),

specifieke lerarenopleiding uitgereikt werden door de hogescholen

dit na het studiegebied Rechten, notariaat en criminologische

en de universiteiten, zijn er dat in het academiejaar 2011-2012 nog

wetenschappen (534 uitgereikte diploma’s in 2011-2012).

slechts 1.056. Ten opzichte van de start van de beschouwde

Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de master in de

periode –academiejaar 2002-2003 – betekent dit een afname met

huisartsengeneeskunde, vereist om het beroep van huisarts uit

28,1%. Een mogelijke verklaring is de hervorming van de leraren-

te oefenen, een master-na-masteropleiding is.

opleiding, die een verzwaring van de opleiding met zich meebracht en leidde tot een vermindering van het aantal inschrijvingen.

De daling van het aantal uitgereikte diploma’s Specifieke lerarenopleiding uitgereikt door de universiteiten zet zich ook in

Het aantal uitgereikte doctoraten aan de universiteiten kent een

de beschouwde periode onafgebroken verder: van 1.790 diploma’s

onafgebroken stijging in de beschouwde periode: van 862

in 2005-2006, naar 1.442 in 2007-2008 en naar 837 diploma’s

uitgereikte diploma’s in 2002-2003 naar 1.670 in 2011-2012. Dit is

in 2011-2012. Door een registratiewijziging in de Databank Hoger

bijna een verdubbeling van het aantal uitgereikte doctoraten (+93,7%).

Onderwijs vindt men een groot aantal van deze diploma’s terug in de gecombineerde studiegebieden. Dit maakt het onmogelijk

De universiteiten hebben in het academiejaar 2011-2012 het

om de evoluties per studiegebied te analyseren.

grootste aantal initiële masterdiploma's uitgereikt in de studiegebieden Economische en toegepaste economische

Het grootste aantal doctoraten in de periode 2007-2008 tot en met

wetenschappen (2.169), Rechten, notariaat en criminologische

2011-2012 werd uitgereikt in de studiegebieden Wetenschappen

wetenschappen (1.362), Politieke en sociale wetenschappen

(1.438), Toegepaste wetenschappen (1.235), Geneeskunde (1.005)

(1.257) en Psychologie en pedagogische wetenschappen (1.245).

en Toegepaste biologische wetenschappen (707). Deze vier studie-

Opvallend in tabel 2.4 is de sterke toename van het aantal initiële

gebieden samen hebben 63,4% van het totale aantal doctoraten

masterdiploma’s in het studiegebied Economische en toegepaste

in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd.

economische wetenschappen (van 1.126 tweedecyclusdiploma’s in 2005-2006 naar 2.169 masterdiploma’s in 2011-2012).

Voor de meeste studiegebieden werd in de voorbije vijf

Gelijklopend hiermee is de sterke afname van het aantal diploma’s

academiejaren een stijging van het aantal doctoraten waargenomen.

in de voortgezette opleidingen. Onder meer in dit studiegebied

De grootste toename van het aantal doctoraten (in absolute cijfers,

zijn er bij de omvormingsoperatie naar de bachelor-master-

vergelijking uitgereikte diploma’s 2011-2012 ten opzichte van

structuur een aantal voortgezette opleidingen omgevormd tot/

2007-2008) vindt men terug in de studiegebieden Wetenschappen

ingedaald in een initiële masteropleiding.

(+77) en Geneeskunde (+73). De grootste relatieve toename over de beschouwde periode wordt opgetekend in de studiegebieden Bewegings- en revalidatiewetenschappen (+158%) en Politieke en sociale wetenschappen (+134,29%).

39


2

40

Tabel 2.4: Universiteiten: diploma's per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2007-2008 t.e.m. 2011-2012) Diploma

2007-2008 M

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen master

85

61

146

93

49

142

65

41

106

100

47

147

85

59

144

Ma-na-Ma

18

6

24

13

2

15

17

5

22

25

6

31

25

9

34

SLO

12

20

32

12

14

26

2

6

8

3

2

5

0

3

3

doctoraat

15

10

25

16

2

18

16

6

22

22

10

32

21

8

29

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht master

55

40

95

67

45

112

70

41

111

51

32

83

54

44

98

Ma-na-Ma

37

15

52

27

21

48

31

20

51

41

14

55

32

16

48

SLO doctoraat

3

4

7

2

8

10

23

4

27

28

6

34

27

6

33

0 26

9

35

0 16

7

23

0

129

431

560

145

495

640

144

488

632

162

547

709

157

547

704

Taal- en letterkunde master Ma-na-Ma

29

75

104

20

63

83

23

71

94

22

58

80

27

76

103

SLO

58

209

267

44

188

232

21

89

110

22

74

96

20

86

106

doctoraat

26

28

54

16

22

38

17

26

43

23

27

50

15

28

43

243

162

405

191

151

342

201

144

345

169

132

301

171

126

297

9

9

18

15

9

24

12

11

23

19

18

37

16

13

29

SLO

42

73

115

34

39

73

14

15

29

17

15

32

11

11

22

doctoraat

10

7

17

7

9

16

12

7

19

10

3

13

13

12

25

62

167

229

48

144

192

55

124

179

43

124

167

36

123

159

3

8

11

3

7

10

3

5

8

SLO

4

28

32

8

32

40

4

13

17

1

15

16

2

10

12

doctoraat

5

7

12

16

5

21

5

3

8

7

5

12

8

6

14

Geschiedenis master Ma-na-Ma

Archeologie en kunstwetenschappen master Ma-na-Ma

0

0

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen master

544

837

1.381

473

837

1.310

436

805

1.241

522

843

1.365

483

879

1.362

Ma-na-Ma

236

303

539

198

302

500

204

330

534

3

3

1

4

5

1

3

4

225

277

502

224

259

483

SLO

11

45

56

15

28

43

doctoraat

19

9

28

23

17

40

27

14

41

31

20

51

30

26

56

1.133

1.314

213

1.111

1.324

178

1.069

1.247

175

1.118

1.293

197

1.048

1.245

Psychologie en pedagogische wetenschappen master

181

Ma-na-Ma

19

69

88

11

37

48

12

28

40

5

27

32

7

27

34

SLO

19

268

287

33

261

294

22

124

146

3

46

49

2

40

42

doctoraat

21

31

52

14

35

49

26

36

62

23

32

55

24

56

80

Economische en toegepaste economische wetenschappen master

827

683

1.510

982

795

1.777

1.097

921

2.018

1.214

976

2.190

1.123

1.046

2.169

Ma-na-Ma

273

203

476

114

66

180

90

66

156

77

52

129

66

31

97

SLO

12

51

63

5

15

20

6

15

21

3

14

17

2

16

18

doctoraat

37

15

52

46

30

76

33

25

58

42

30

72

43

36

79

master

476

690

1.166

467

609

1.076

480

687

1.167

477

763

1.240

456

801

1.257

Ma-na-Ma

121

168

289

73

104

177

83

103

186

87

116

203

67

100

167

SLO

20

55

75

18

38

56

12

17

29

3

21

24

5

21

26

doctoraat

16

19

35

18

16

34

16

28

44

22

31

53

39

43

82

Politieke en sociale wetenschappen


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Diploma

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

41

2011-2012

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

master

20

214

234

40

281

321

56

291

347

41

323

364

48

366

414

Ma-na-Ma

22

23

45

4

9

13

8

3

11

9

7

16

4

4

SLO

4

45

49

1

32

33

2

15

17

1

1

doctoraat

2

3

5

1

1

2

3

6

9

5

6

11

4

4

8

182

232

414

191

281

472

213

272

485

166

276

442

234

341

575

Ma-na-Ma

24

35

59

6

6

2

3

5

2

2

1

1

SLO

48

83

131

44

48

92

22

25

47

23

21

44

19

27

46

6

6

12

9

8

17

12

11

23

5

13

18

13

18

31

124

33

157

374

274

648

395

281

676

421

275

696

469

334

803

Sociale gezondheidswetenschappen

0

Bewegings- en revalidatiewetenschappen master

doctoraat Wetenschappen master Ma-na-Ma

86

75

161

29

22

51

15

8

23

10

6

16

16

4

20

SLO

42

98

140

25

25

50

5

9

14

7

12

19

7

13

20

138

132

270

149

97

246

174

105

279

172

124

296

216

131

347

master

631

148

779

634

176

810

712

191

903

782

206

988

801

245

1.046

Ma-na-Ma

135

65

200

104

49

153

106

55

161

117

68

185

68

57

125

7

7

14

11

6

17

1

166

39

205

187

55

242

196

53

249

205

57

262

225

52

277

184

179

363

236

188

424

237

195

432

236

199

435

239

257

496

56

51

107

8

4

12

9

9

18

11

10

21

9

11

20

doctoraat Toegepaste wetenschappen

SLO doctoraat

1

0

0

Toegepaste biologische wetenschappen master Ma-na-Ma SLO doctoraat

7

29

36

2

20

22

4

5

9

1

3

4

2

4

6

85

58

143

60

58

118

78

64

142

69

71

140

83

81

164

203

349

552

196

423

619

229

491

720

255

543

798

281

608

889

69

90

159

59

133

192

63

117

180

64

117

181

59

154

213

1

8

9

5

6

11

2

6

8

4

4

81

85

166

87

95

182

99

120

219

82

117

199

92

147

239

21

48

69

25

50

75

38

62

100

32

55

87

42

60

102

8

11

19

10

20

30

8

9

17

4

19

23

14

14

28

Geneeskunde master Ma-na-Ma SLO doctoraat

0

Tandheelkunde master Ma-na-Ma SLO

0

doctoraat

2

2

1

44

151

195

33

2

6

8

1

1

1

2

4

6

11

14

25

10

21

master

53

181

234

63

Ma-na-Ma

20

39

59

19

0

0

1

2

1

3

4

4

3

1

4

161

194

50

132

182

53

5

6

2

4

6

205

37

122

159

3

3

1

1

2

31

15

29

44

18

20

38

13

22

35

208

271

61

260

321

69

258

327

91

287

378

52

71

17

54

71

4

22

26

29

46

75

1

1

16

24

40

13

20

33

26

34

60

Diergeneeskunde master Ma-na-Ma SLO doctoraat

152

0

0 0

Farmaceutische wetenschappen

SLO doctoraat

1

2

3

1

7

8

13

26

39

9

18

27

0

0


2

42

Diploma

2007-2008 M

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

9

17

54

151

205

54

153

207

58

173

231

60

185

245

1

1

1

1

Biomedische wetenschappen master

8

Ma-na-Ma SLO doctoraat

0

0

0

3

22

25

12

34

46

26

39

65

24

36

60

17

25

42

11

12

23

9

18

27

11

22

33

15

24

39

15

22

37

10

7

17

22

6

28

14

5

19

19

4

23

Verkeerskunde master Ma-na-Ma

0

SLO

0

0

doctoraat

2

2

3

1

4

343

561

232

344

576

0

0

0

2

2

3

368

604

262

3

Gecombineerde studiegebieden master Ma-na-Ma SLO doctoraat

95

232

327

218

236

378

640

158

162

320

67

66

133

100

101

201

107

90

197

83

76

159

22

78

100

54

164

218

117

333

450

144

368

512

140

350

490

6

4

10

5

2

7

5

4

9

9

2

11

15

4

19

0

6

1

7

5

5

Audiovisuele en beeldende kunsten doctoraat

2

2

1

1

Architectuur doctoraat

0

Muziek en podiumkunsten doctoraat

1

1

0

1

1

1

0

1

Nautische wetenschappen doctoraat

1

Productontwikkeling doctoraat

1

2

Totaal master

4.167

5.980 10.147

Ma-na-Ma

4.753

6.779 11.532

5.025

6.998 12.023

5.276

7.415 12.691

5.345

7.860 13.205

1.314

1.388

2.702

807

929

1.736

837

975

1.812

800

934

1.734

722

969

1.691

SLO

316

1.126

1.442

328

969

1.297

260

718

978

253

637

890

228

609

837

doctoraat

693

511

1.204

711

517

1.228

794

591

1.385

805

623

1.428

925

745

1.670

Gebruikte afkortingen: Ma-na-Ma: master-na-master SLO: specifieke lerarenopleiding


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Figuur 2.2: Universiteiten: masterdiploma’s per geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Academiejaar

■ Mannen ■ Vrouwen

Bij de initiële masteropleidingen is het aantal vrouwelijke

Een duidelijk mannelijk overwicht was er in het studiegebied

gediplomeerden aanzienlijk groter dan het aantal mannelijke

Toegepaste wetenschappen (76,6%). Ook in de studiegebieden

gediplomeerden. In het academiejaar 2011-2012 werd 59,5% van

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen (59,0%), Godgeleerdheid,

het aantal masterdiploma’s uitgereikt aan vrouwelijke studenten.

godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht (55,1%), Geschiedenis

In het academiejaar 2002-2003 was dit 56,7%.

(57,6%), Economische en toegepaste economische wetenschappen

De man-vrouw verhouding bij de uitgereikte initiële master-

de universiteiten verhoudingsgewijs meer initiële masterdiploma’s

diploma’s verschilt sterk van studiegebied tot studiegebied. In het

uit aan mannelijke studenten.

(51,8%), Wetenschappen (58,4%) en Verkeerskunde (82,6%) reikten

academiejaar 2011-2012 was er een sterk vrouwelijk overwicht in de studiegebieden Taal- en letterkunde (77,7%), Archeologie en

Vanaf het academiejaar 2005-2006 hebben de universiteiten voor

kunstwetenschappen (77,4%), Psychologie en pedagogische

het eerst meer diploma’s in voortgezette academische opleidingen

wetenschappen (84,2%), Sociale gezondheidswetenschappen (88,4%),

uitgereikt aan vrouwelijke studenten, namelijk 51,8% tegenover

Diergeneeskunde (76,7%) en Farmaceutische wetenschappen

48,2% aan mannelijke studenten. Dit vrouwelijke overwicht is de

(75,9%). Ook in de studiegebieden Rechten, notariaat en

laatste academiejaren toegenomen: in het academiejaar 2011-2012

criminologische wetenschappen (64,5%), Politieke en sociale

zijn 969 vrouwelijke studenten afgestudeerd in een master-na-

wetenschappen (63,7%), Bewegings- en revalidatiewetenschappen

masteropleiding en 722 mannen. Dit geeft een verhouding van

(59,3%), Toegepaste biologische wetenschappen (51,8%),

57,3% vrouwen tegenover 42,7% mannen. Hierbij moet evenwel

Geneeskunde (68,4%), Tandheelkunde (58,8%), Biomedische

opgemerkt worden dat zowel het aantal vrouwelijke gediplomeerden

wetenschappen (59,5%) en in de gecombineerde studiegebieden

als het aantal mannelijke gediplomeerden in de master-na-master-

(59,1%) behaalden meer vrouwen dan mannen een master-

opleidingen sterk afgenomen is in de periode 2002-2003 tot en

diploma in een basisopleiding.

met 2011-2012: van 2.169 vrouwelijke gediplomeerden naar 969 en van 2.376 mannelijke gediplomeerden naar 722.

43


2

44

Figuur 2.3: Universiteiten: master-na-masteropleidingen - diploma’s per geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Academiejaar

■ Mannen ■ Vrouwen

Figuur 2.4: Universiteiten: doctoraatsdiploma’s per geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

1.000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Academiejaar

■ Mannen ■ Vrouwen

Het grootste onevenwicht tussen mannen en vrouwen vindt men

Nochtans hebben de vrouwelijke studenten in de beschouwde

nog steeds terug bij het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma’s:

periode een sterke inhaalbeweging gekend: het aantal doctoraats-

55,4% mannelijke doctorandi in 2011-2012 tegenover 44,6%

diploma’s uitgereikt aan vrouwen is in deze periode meer dan

vrouwelijke doctorandi.

verdubbeld (+153%) van 294 diploma’s in het academiejaar 2002-2003 naar 745 in 2011-2012.


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

45

Tabel 2.5: Hogescholen: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2007-2008 t.e.m. 2011-2012) Academiejaar Studiegebied

2007-2008 M

V

2008-2009 T

M

2009-2010

V

T

M

V

2010-2011 T

2011-2012

M

V

T

M

V

T

Professionele bachelors Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

189

229

418

152

270

422

157

282

439

158

261

419

187

239

426

22

21

43

20

18

38

14

25

39

15

29

44

18

24

42

Biotechniek

216

226

442

204

199

403

195

193

388

232

224

456

261

257

518

Gezondheidszorg

347

2.383

2.730

339

2.392

2.731

402

2.549

2.951

439

2.805

3.244

454

3.215

3.669

2.461

2.856

5.317

2.609

2.873

5.482

2.686

2.939

5.625

2.788

3.130

5.918

2.866

2.977

5.843

1.893

261

2.154

2.041

298

2.339

2.020

285

2.305

2.114

349

2.463

2.245

354

2.599

13

19

38

24

15

39

23

15

Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie Muziek en podiumkunsten

4

8

12

Nautische wetenschappen

16

2

18

14

Onderwijs

914

2.997

3.911

850

Sociaal-agogisch werk

500

2.116

2.616

563

Totaal diploma's PBA

6.562 11.099 17.661

13

13

4

14

17

2.973

3.823

934

2.462

3.025

482

6.792 11.498 18.290

17

19

17

23

2.904

3.838

994

3.101

4.095

1.042

3.579

4.621

2.365

2.847

532

2.392

2.924

501

2.515

3.016

6.911 11.555 18.466

7.314 12.310 19.624

15

7.613 13.175 20.788

Masters/tweede cyclus Architectuur

142

282

424

162

257

419

149

238

387

132

218

350

125

244

369

Audiovisuele en beeldende kunst

215

269

484

207

234

441

183

278

461

203

286

489

215

257

472

Biotechniek

16

31

47

46

63

109

53

55

108

55

64

119

67

57

124

Gezondheidszorg

48

73

121

33

37

70

29

28

57

20

34

54

36

46

82

570

466

1.036

519

443

962

495

428

923

581

506

1.087

559

529

1.088

1.353

195

1.548

1.289

166

1.455

1.288

165

1.453

1.354

190

1.544

1.415

219

1.634

Muziek en podiumkunsten

123

176

299

141

158

299

103

119

222

123

152

275

135

166

301

Nautische wetenschappen

40

8

48

29

7

36

21

5

26

40

6

46

39

5

44

Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie

Produktontwikkeling

25

23

48

47

13

60

28

9

37

35

11

46

39

13

52

Toegepaste taalkunde

121

407

528

117

390

507

117

400

517

118

417

535

122

433

555

51

57

108

23

46

69

32

42

74

14

36

50

29

35

64

tweede cyclusdiploma's

2.704

1.987

4.691

2.613

1.814

4.427

2.498

1.767

4.265

2.675

1.920

4.595

2.781

2.004

4.785

Algemeen totaal

9.266 13.086 22.352

Gecombineerd studiegebied Totaal masters/

9.405 13.312 22.717

9.409 13.322 22.731

9.989 14.230 24.219 10.394 15.179 25.573

In het academiejaar 2011-2012 hebben de hogescholen het

De hogescholen hebben het grootste aantal initiële master-

grootste aantal diploma’s van professionele bacheloropleidingen

diploma's in 2011-2012 uitgereikt in de studiegebieden Industriële

uitgereikt in de studiegebieden Handelswetenschappen en

wetenschappen en technologie (1.634), Handelswetenschappen

bedrijfskunde (5.843), Onderwijs (4.621) en Gezondheidszorg

en bedrijfskunde (1.088) en Toegepaste taalkunde (555).

(3.669). De voorbije vijf academiejaren werd de grootste toename van het aantal gediplomeerden in absolute cijfers (vergelijking

De studiegebieden Biotechniek (+77 diploma’s), Handels-

uitgereikte diploma’s 2011-2012 t.o.v. 2007-2008) gemeten in de

wetenschappen en bedrijfskunde (+52 diploma’s), Industriële

studiegebieden Gezondheidszorg (+939), Onderwijs (+710) en

wetenschappen en technologie (+86 diploma’s) en Toegepaste

Handelswetenschappen en bedrijfskunde (+526). Globaal

taalkunde (+27 diploma’s) kenden in de voorbije vijf academie-

genomen is in de beschouwde periode het aantal uitgereikte

jaren de grootste toename in het aantal uitgereikte initiële

professionele bachelordiploma’s met 17,7% toegenomen.

masterdiploma’s. Over alle studiegebieden heen nam het aantal initiële masterdiploma’s, uitgereikt door de hogescholen, globaal genomen over de beschouwde periode toe met 2%.


2

46

Figuur 2.5: Hogescholen: professionele bachelordiploma’s per geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Academiejaar

■ Mannen ■ Vrouwen

Bij de professionele bacheloropleidingen is het aantal vrouwelijke

Het studiegebied Muziek en podiumkunsten kent een

gediplomeerden aanzienlijk groter dan het aantal mannelijke

verschuiving: van een overwegend vrouwelijk studiegebied naar

gediplomeerden. In het academiejaar 2011-2012 reikten de Vlaamse

een studiegebied waar in het academiejaar 2011-2012 64,5%

hogescholen 63,4% van de professionele bachelordiploma’s (of

van de diploma’s uitgereikt werden aan mannelijke studenten.

13.175 diploma’s) uit aan vrouwelijke afgestudeerden, tegenover

De start van de opleiding pop- en rockmuziek is hier wellicht niet

36,6% (of 7.613 diploma’s) aan mannelijke afgestudeerden.

vreemd aan.

Bekeken over de beschouwde periode – 2002-2012 – is deze man-vrouw verhouding nagenoeg constant gebleven.

In de initiële masteropleidingen aan de hogescholen studeren overwegend meer mannelijke studenten af dan vrouwelijke

Kijkt men naar de man-vrouw verhouding per studiegebied

studenten, dit in tegenstelling tot de professionele bachelor-

(tabel 2.5), dan merkt men op dat de Vlaamse hogescholen in

opleidingen. In het academiejaar 2011-2012 was de man-vrouw

de meeste studiegebieden – met uitzondering van de studie-

verhouding 58,1% tegenover 41,9%. Het mannelijke aandeel

gebieden Industriële wetenschappen en technologie, Nautische

schommelt in de beschouwde periode tussen 57,5 en 60,5%.

wetenschappen, Biotechniek en Muziek en podiumkunsten – meer diploma’s uitreikten aan vrouwelijke dan aan mannelijke

Bij de masterdiploma’s uitgereikt door de hogescholen zijn eveneens

studenten. In het academiejaar 2011-2012 waren de studiegebieden

verschillen in de man-vrouwverhouding tussen de studiegebieden

met het sterkste vrouwelijk overwicht de studiegebieden Onderwijs

merkbaar. Het grootste verschil tussen het aantal vrouwelijke en het

(77,5%), Sociaal-agogisch werk (83,4%) en Gezondheidszorg (87,6%).

aantal mannelijke gediplomeerden in het academiejaar 2011-2012

De studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie

werd opgetekend in de studiegebieden Industriële wetenschappen

(86,4) en Nautische wetenschappen (100%) telden aanzienlijk

en technologie (86,6% mannelijke gediplomeerden), Nautische

meer mannelijke gediplomeerden. In het studiegebied Biotechniek

wetenschappen (88,6% mannelijke afgestudeerden), Product-

is de man/vrouw verhouding quasi gelijk: 50,4% mannelijke

ontwikkeling (75,0% mannelijke gediplomeerden) en de Toegepaste

afgestudeerden tegenover 49,6% vrouwelijke gediplomeerden.

taalkunde (78,0% vrouwelijke afgestudeerden).


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Figuur 2.6: Hogescholen: masterdiploma’s per geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2011-2012)

3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

Academiejaar

■ Mannen ■ Vrouwen

2.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

De cijfers in tabel 2.6 moeten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Zo is onder meer de gehanteerde

Tabel 2.6 toont de percentages afgestudeerden in het hoger

classificatie niet dezelfde in alle landen. Vlaanderen scoort hoog

onderwijs ten opzichte van de referentiepopulatie op typische

voor wat betreft het aantal uitgereikte diploma in de ISCED

leeftijd van afstuderen voor het academiejaar 2009-2010. De tabel

5B-categorie. Dit is voor een deel te wijten aan het gegeven dat in

maakt een onderscheid naar het type programma dat doorlopen

een aantal landen opleidingen die te vergelijken zijn met de

wordt. De programmatypes zijn:

Vlaamse professionele bacheloropleidingen opgenomen zijn in categorie ISCED 5A. Dit vertaalt zich uiteraard ook in het lage cijfer

●

●

Type B – tertiair onderwijs (ISCED 5B), wat in Vlaanderen

voor Vlaanderen in categorie 5A – 1ste graad. Vlaanderen scoort

correspondeert met de professioneel gerichte bachelor-

ook uitzonderlijk hoog voor wat betreft het aantal uitgereikte 2de

opleidingen, de bachelor-na-bacheloropleidingen en de HOSP-

graadsdiploma’s. Hier moet opgemerkt worden dat 1) de master-

opleidingen (Hoger onderwijs voor sociale promotie);

na-masterdiploma’s opgenomen zijn en 2) dat per student alle

Type A – tertiair onderwijs (ISCED 5A), zijnde de academische gerichte opleidingen aan de hogescholen, de universiteiten, de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee en het Instituut voor Tropische Geneeskunde. In deze categorie wordt een onderscheid gemaakt naar de 1ste graad, zijnde de academische bachelordiploma’s en de 2de graad, zijnde mastergraden (zowel voor de initiële masteropleidingen als voor de master-na-masteropleidingen).

●

Voortgezette onderzoeksprogramma’s (doctoraat of equivalent) (ISCED 6), zijnde de doctoraten.

behaalde masterdiploma’s zijn geteld, waardoor dubbeltellingen mogelijk zijn. Globaal genomen kan men op basis van deze cijfers toch stellen dat de jonge generatie twintigers meer dan gemiddeld geschoold is in internationaal perspectief.

47


2

48

Tabel 2.6: Percentage afgestudeerden hoger onderwijs in verhouding tot de referentiepopulatie op de typische leeftijd van afstuderen, naar type programma en duur – internationale vergelijking (2009-2010) Type B - tertiair onderwijs 1ste graad (ISCED 5B)

Type A - tertiair onderwijs 1ste graad (ISCED 5A)

Type A - tertiair onderwijs 2de graad (ISCED 5A)

Doctoraat of equivalent (ISCED 6)

OESO landen

M+V

M+V

M+V

M+V

Oostenrijk

12,3

29,7

8,4

2,2

België

29,9

19,5

24,3

1,5

Denemarken

9,3

49,2

20,3

2,0

n

46,3

24,2

2,3

Frankrijk

26,0

35,6

14,4

1,5

Duitsland

13,9

29,9

3,5

2,6

Ierland

22,0

46,9

25,2

1,6

Finland

Italië Nederland Portugal Spanje Zweden Verenigd Koninkrijk

0,5

31,0

n

n

n

44,9

17,4

1,8

n

40,1

14,8

1,8

16,4

33,7

6,0

1,1

6,5

34,6

8,0

2,8

16,0

41,3

24,5

2,3

Vlaamse Gemeenschap

31,6

19,8

25,0

1,4

OESO-gemiddelde

14,0

38,0

15,0

1,6

Typische leeftijd van afstuderen: • type B: 21 jaar • type A – 1ste graad: 21 jaar • type A – 2de graad: 22-25 jaar Voor de Vlaamse Gemeenschap verwijzen de data naar het totale aantal behaalde diploma’s. Deze gegevens kunnen dubbeltellingen bevatten – studenten die meerdere diploma’s behalen worden meerdere malen in de data opgenomen. Gebruikte afkortingen: n: grootte is verwaarloosbaar of nul

Bekijken we in internationaal perspectief de procentuele verdeling

Tabel 2.8 geeft internationaal het percentage diploma’s in

van de diploma’s hoger onderwijs over de verschillende

wiskunde, wetenschappen en technologie ten opzichte van alle

studiedomeinen (tabel 2.7), dan valt op dat deze verdeling in

diploma’s uitgereikt in de categorieën ISCED 5 en 6. In vergelijking

Vlaanderen grotendeels de verdeling in de andere opgenomen

met het Europese gemiddelde (22,1%) scoort Vlaanderen (17,7%)

landen volgt. Het grootste aandeel van de uitgereikte diploma’s

laag. Dit is een achteruitgang ten opzichte van 2009, waar het

situeert zich in de categorieën Sociale wetenschappen,

percentage voor Vlaanderen nog 18,5% bedroeg. Het percentage

economische en handelswetenschappen, recht en diensten en

voor Vlaanderen ligt wel hoger dan voor België als geheel (16,6%).

Humane wetenschappen, kunst en onderwijs. Wat wel opvalt is

Enkel de volgende landen scoren slechter dan Vlaanderen:

– in vergelijking met de meeste andere landen – het erg lage

Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten.

percentage voor Vlaanderen in het domein Wiskunde en computerwetenschappen. Anderzijds heeft Vlaanderen in vergelijking met de andere Europese landen een hoog percentage in Gezondheid en Welzijn.


H ET M E N S E LI J K P OTE N TI E E L I N W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

49

Tabel 2.7: Verdeling van de diploma’s in het hoger onderwijs naar studiedomein (2009-2010)*

Humane wetenschappen, kunst en onderwijs

Sociale wetenschappen, economische en handelswetenschappen, recht en diensten

21,0

40,2

Europese Unie (27 landen)

Wetenschappen, wiskunde en computerwetenschappen

9,3

Ingenieurswetenschappen en industriële wetenschappen

Landbouw en diergeneeskunde

Gezondheid en welzijn

Onbekend

12,8

1,6

15,1

0,5

België

24,2

33,7

5,3

11,3

2,4

23,0

3,2

Vlaamse Gemeenschap

25,8

32,7

5,3

12,5

1,8

21,9

0

Denemarken

20,8

35,6

8,3

11,1

1,6

22,6

-

Duitsland

25,8

25,4

12,7

13,0

1,5

21,6

0,3

Ierland

21,2

37,2

11,6

12,5

1,4

16,2

3,6

Spanje

23,2

34,8

8,7

16,2

1,7

15,4

0,8

Frankrijk

10,9

46,7

10,8

15,7

1,2

14,7

0,0

Italië

23,1

36,7

7,4

15,3

1,5

16,0

-

Nederland

22,5

43,1

6,2

7,9

1,5

18,8

0,6

Oostenrijk

20,7

37,5

9,8

19,3

1,8

10,9

0,1

Portugal

16,9

35,8

6,5

18,3

1,6

20,8

-

Finland

19,5

28,1

7,8

24,0

2,2

18,4

-

Zweden

21,1

27,2

7,4

18,4

1,1

24,9

0,0

Verenigd Koninkrijk

27,0

32,7

12,9

9,7

0,9

16,9

0,9

Tabel 2.8: Percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs

2.5 BESLUIT In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de kwantificatie en de stratificatie van de Vlaamse studenten-

academiejaar 2009-2010*

bevolking. Kenmerkend zijn de hoge graad van participatie 2010

van de Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en

Europese Unie (27 landen)

22,1

de sterke vervrouwelijking van het hoger onderwijs, in het

België

16,6

bijzonder in de professionele bacheloropleidingen en de

Vlaamse Gemeenschap

17,7

universitaire opleidingen. Tijdens de beschouwde periode

Denemarken

19,3

kent het hoger onderwijs een sterke toename van het aantal

Duitsland

25,7

generatiestudenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel

Ierland

24,0

gerichte opleidingen aan de hogescholen als voor de academisch

Spanje

24,9

gerichte opleidingen aan de hogescholen en de universiteiten.

Frankrijk

26,5

Deze versterkte toename valt grotendeels samen met de

Italië

22,7

invoering van de bachelor-masterstructuur in het Vlaamse

Nederland

14,1

hoger onderwijs. De laatste twee academiejaren, stagneert

Finland

31,8

deze aangroei van het aantal generatiestudenten, in het

Zweden

25,8

bijzonder bij de universiteiten. Ook het aantal uitgereikte

Verenigd Koninkrijk

22,6

diploma’s neemt toe in de beschouwde periode. Dit is zeker

Noorwegen

16,0

het geval bij de masteropleidingen aan de universiteiten.

Zwitserland

19,9

Anderzijds neemt het aantal diploma’s in voortgezette

Verenigde Staten

15,5

opleidingen sterk af.

Japan

21,9

* De gegevens in deze tabel hebben betrekking op ISCED 5 en ISCED 6 opleidingen. Bron gegevens: Eurostat – Statistische databank


2

50

Een mogelijke verklaring is dat door de invoering van de bachelormasterstructuur studenten eerder opteren voor een tweede masteropleiding dan voor een master-na-masteropleiding. Ook de uitbreiding van de studieomvang in de studiegebieden Wetenschappen en Biomedische wetenschappen van 60 naar 120 studiepunten kan voor deze studiegebieden een verklaring zijn voor de sterke afname. Opvallend is ook de sterke toename van het aantal uitgereikte doctoraten aan de universiteiten in de beschouwde periode. Dit aantal is meer dan verdubbeld. Het aantal diploma’s in de Specifieke lerarenopleiding daarentegen kent een sterke daling.


O N D E RZO E KS C AR R I È R E S I N VL A AN D E R E N Door Karen Vandevelde (UGent), Noëmi Debacker (UGent), Iris Persijn (UGent), Katia Levecque (UGent) en Ronan Van Rossem (UGent)

51


3

52

3.1

EVOLUTIE VAN HET ONDERZOEKS POTENTIEEL IN VLAANDEREN

Toch kunnen we de theoretische doorstroom van mastergediplomeerde naar doctoraathouder vergelijken over de disciplines heen. Het aantal afgeleverde doctoraten moet namelijk

Het aantal afgestudeerden dat een voortgezet academisch

ook gezien worden als een functie van het potentieel aantal

traject volgt in de vorm van doctoraatsonderzoek blijft toenemen.

doctorandi, d.w.z. van het aantal afgestudeerden in de tweede

In figuur 3.1 wordt zichtbaar dat zowel op het master- als op het

cyclus binnen hetzelfde studiegebied. In figuur 3.2 wordt de ratio

doctoraatsniveau steeds meer diploma’s worden uitgereikt.

van het aantal doctoraten tegenover het aantal tweede-cyclus

De stijging van het aantal doctoraten op jaarbasis zette zich vooral

diploma’s per studiegebied weergegeven voor het academiejaar

rond de eeuwwisseling sterk door en blijft gestaag toenemen.

2010-2011. De STEM domeinen (Science, Technology, Engineering,

In het academiejaar 2010-2011 werden 1.428 doctoraten

Maths) waar in een kenniseconomie het grootste innovatie-

afgeleverd, terwijl dit er tien jaar eerder ongeveer de helft waren.

potentieel wordt verwacht, voorzien ook de grootste doorstroming

Tegelijk zien we over die periode ook een toename van het aantal

naar onderzoekscarrières. Binnen de sociale wetenschappen (in brede

mastergediplomeerden aan de Vlaamse universiteiten.

zin, dus de verzameling van politieke & sociale wetenschappen,

Op basis van deze cijfers de werkelijke doorstroom van

de minste mastergediplomeerden door naar een doctoraatscarrière.

rechtswetenschappen en economie) stromen naar verhouding masterniveau naar doctoraatsniveau vergelijken, zou wat kort door

Het aantal uitgereikte doctoraatstitels is in de sociale wetenschappen

de bocht zijn. Ten eerste moet rekening worden gehouden met

minder dan 4% van het aantal tweede-cyclus diploma’s dat wordt

de tijd die nodig is om een doctoraatsdiploma te halen, gezien de

uitgereikt, terwijl dit voor de exacte wetenschappen meer dan

‘vertraging’ van zo’n 4,8 jaar, de gemiddelde duurtijd van het

40% is; voor de toegepaste en toegepaste biologische wetenschappen

behalen van een doctoraat. Bovendien werden in 2010-2011 31%

meer dan 25%. In de sociale wetenschappen worden heel wat

van alle doctorstitels in Vlaanderen uitgereikt aan onderzoekers

meer masterdiploma’s uitgereikt dan in de exacte wetenschappen,

met een niet-Belgische nationaliteit waarvan het merendeel een

maar ligt het aantal doctoraten lager dan in de bèta-richtingen.

masterdiploma haalde aan een instelling buiten Vlaanderen.

Figuur 3.1:

Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s aan Vlaamse universiteiten, 1998- 1999 tot en met 2010-2011

16.000

14%

14.000

12%

12.000

10%

10.000 8% 8.000 6% 6.000 4%

4.000

2%

2.000 0

0% 19981999

19992000

20002001

20012002

■ 2de cyclus ■ Doctoraten ■ Ratio doc/2de cyclus

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

20072008

20082009

20092010

20102011


O N D E R ZO E KS C AR R I È R E S I N VL A AN D E R E N

53

Figuur 3.2: Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s aan Vlaamse universiteiten naar studiegebied, 2010-2011

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wetenschappen Diergeneeskunde Geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheidswetenschappen Biomedische wetenschappen Farmaceutische wetenschappen Geschiedenis, kunsten, letteren en wijsbegeerte Psychologie en pedagogische wetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Politieke en sociale wetenschappen Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen 0

500

1.000

1.500

2.000

2.500

■ 2de cyclus ■ Doctoraten ■ Ratio doc/2de cyclus

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2011-2012 (diploma’s 2010-2011)

3.2 ONTWIKKELINGEN IN DOCTORAATSONDERZOEK EN -PRODUCTIE

Over het algemeen stijgt het aantal nieuwe doctoraten met 31% over vier jaar tijd. De domeinen Exacte wetenschappen, Toegepaste wetenschappen en Geneeskunde, Tandheelkunde en Sociale

De stijging van het aantal nieuwe doctorstitels is sterker bij

Gezondheidswetenschappen blijven de drie clusters waarin de

vrouwen dan bij mannen, overeenkomstig hun sterkere instroom

grootste aantallen doctorstitels worden uitgereikt. Toch zijn de Exacte

in onderzoeksfuncties aan de Vlaamse universiteiten. Het resultaat

wetenschappen, net als de Farmaceutische Wetenschappen,

daarvan is dat van de 1428 doctorstitels die in 2010-2011 werden

minder sterk vertegenwoordigd in 2010-11 dan in 2006-07.

uitgereikt, er 623 (of 44%) naar een vrouw gingen. Deze stijging verloopt dus heel traag, maar resulteert toch in bijna een

Bij de uitsplitsing per discipline beschouwen we ook het aandeel

verdubbeling van de participatie van vrouwen op twintig jaar tijd.

van STEM-disciplines (Science, Technology, Engineering, Maths),

Ter vergelijking: in 1991-1992 vertegenwoordigden vrouwen

domeinen die volgens de beleidsverantwoordelijken essentieel zijn

slechts 23% van de nieuwe doctoraathouders aan de Vlaamse

voor de groei van de kenniseconomie. We hanteren hiervoor de

universiteiten (zie figuur 3.3).

classificatie uit de recente studie van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie, Kiezen voor STEM (2012), aangeduid in

Bekijken we in meer detail de doctoraatsdiploma’s uitgereikt

de tabel met **. Van alle diploma’s die op masterniveau werden

aan Vlaamse universiteiten, dan zien we interessante evoluties in

uitgereikt, namen de STEM-disciplines in 2010-11 slechts 19% van

de verhoudingen tussen disciplines. We vergelijken hiervoor

het totaal in (zie eerder in figuur 3.2). Op doctoraatsniveau is dit

de doctorstitels uitgereikt in het academiejaar 2006-2007 met die

52% in hetzelfde academiejaar, een lichte daling in vergelijking

van 2010-2011 (zie tabel 3.1).

met 2006-2007.


3

54

Figuur 3.3:

Aantal behaalde doctoraten naar geslacht, en aandeel vrouwen, academiejaar 1991-1992 tot en met 2010-2011

50%

16.000

45%

14.000

40% 12.000 35% 10.000

30%

8.000

25%

6.000

20% 15%

4.000 10% 2.000

5%

0

0% 1991- 1992- 1993- 1994- 1995- 1996- 1997- 1998- 1999- 2000- 2001- 2002- 2003- 2004- 2005- 2006- 2007- 2008- 2009- 20101992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011

■ Mannen ■ Vrouwen ■ Aandeel vrouwen

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs

Tabel 3.1: Uitgereikte doctorstitels in het jaar 2006-2007 en het jaar 2010-2011, naar wetenschapsdomein: in absolute en relatieve aantallen STEM

Uitgereikte doctorstitels

**

Exacte wetenschappen

256

23,5%

296

20,7%

**

Toegepaste wetenschappen

208

19,1%

262

18,3%

*

Geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheidswetenschappen

145

13,3%

214

15,0%

Geschiedenis, kunsten, letteren en wijsbegeerte

118

10,8%

153

10,7%

Toegepaste biologische wetenschappen

95

8,7%

140

9,8%

Economische en toegepaste economische wetenschappen

58

5,3%

73

5,1%

Politieke en sociale wetenschappen

32

2,9%

56

3,9%

Psychologie en pedagogische wetenschappen

47

4,3%

55

3,9%

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

24

2,2%

51

3,6%

**

Biomedische wetenschappen

20

1,8%

39

2,7%

*

Diergeneeskunde

20

1,8%

38

2,7%

*

Farmaceutische wetenschappen

46

4,2%

33

2,3%

*

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

17

1,6%

18

1,3%

5

0,5%

**

Gecombineerde studiegebieden (afbouw B&V) Totaal

2006-2007

2010-2011

1.091

1.428

**

Totaal STEM

579

53,1%

737

51,6%

** + *

Totaal STEM (**) + Zorg-STEM (*)

807

74,0%

1.040

72,8%

Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs jaargang 2007-08 en 2011-12


O N D E R ZO E KS C AR R I È R E S I N VL A AN D E R E N

Figuur 3.4:

55

Evolutie van het aantal predoctorale onderzoekers aan Vlaamse universiteiten (1999-2012), naar statuut

10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

■ Bursalen (incl. FWO-, IWT- en BOF-mandaathouders) ■ Wetenschappelijk personeel ■ Assisterend academisch personeel

Bron: VLIR personeelsstatistieken 1999-2012

Naast de STEM domeinen wordt een aanvullende classificatie van

Steeds vaker worden onderzoekers aangesteld als “bursaal” met

Zorg-STEM onder de loep genomen (in de tabel aangeduid met *),

een fiscaal vrijgestelde beurs, maar dan wel onder de voorwaarde

die bestaat uit studierichtingen waarvan de finaliteit gericht is

dat door de bursaal aan doctoraatsonderzoek wordt gewerkt,

op het verzorgen van mens en dier, maar die ook een sterke

en voor een duurtijd van maximum 4 jaar. Hun absolute aantallen

STEM-focus in de opleiding inhouden. De STEM en Zorg-STEM

zijn verdrievoudigd, van 1.856 VTE in 1999 naar 5.646 VTE in

disciplines samen vertegenwoordigen 73% van alle nieuwe

2012. Binnen het totaal van alle predoctorale onderzoekers

doctoraatsdiploma’s in 2010-11, een minimale daling in vergelijking

vertegenwoordigen zij nu 65%. Dit financieel aantrekkelijke

met de diploma’s van 2006-2007, maar nog steeds bijna driekwart

statuut dat erop gericht is om jonge onderzoekers op te leiden

van alle doctorstitels in Vlaanderen.

in de wetenschap is niet meer weg te denken in de statistieken van onderzoekers aan Vlaamse universiteiten. Zowel de wetenschappelijke

Jonge onderzoekers aan een Vlaamse universiteit zijn steeds meer

medewerkers als bursalen worden gefinancierd door externe

gericht op het behalen van een doctoraat, in de plaats van louter

onderzoeksfondsen, hetzij van de Vlaamse overheid (b.v. BOF, FWO,

‘ondersteuning’ te bieden aan het onderzoek zonder dit in een

IWT projecten of mandaten), federale overheid (b.v. aanstellingen

eigen product (een doctoraatsproefschrift) te valoriseren. Dit wordt

op IUAP projecten), internationale overheden (b.v. aanstellingen op

niet alleen gereflecteerd in een steeds hoger aantal doctorstitels,

Europese projecten) of privébronnen (b.v. dienstverlenings-

maar ook in de verdeling van junior statuten aan een Vlaamse

opdrachten). Opvallend in vergelijking met deze toename van

universiteit (zie figuur 3.4). Steeds minder onderzoekers worden

extern gefinancierde onderzoekers is dat het aantal jonge

aangesteld als “wetenschappelijk medewerker”, een statuut dat voor

onderzoekers dat als assistent wordt tewerkgesteld op de

de instelling of de promotor een hoge loonkost op werkings-

werkingsmiddelen van de universiteit in die periode is gedaald.

middelen betekent, en voor de werknemer flexibel in te vullen is.

Telden de Vlaamse universiteiten in 1999 nog 1.620 VTE aan

Hun aandeel is sinds 1999 gezakt van 34% naar 18%.

assistenten en praktijkassistenten op de werkingsmiddelen, in 2012 waren dat nog slechts 1.490 VTE.


3

56

3.3 WERKEN AAN EEN VLAAMSE UNIVERSITEIT

Kansen om een langetermijnscarrière uit te bouwen liggen voor

De stijging van het aantal extern gefinancierde onderzoekers op

kansen om aan dezelfde universiteit een ZAP-functie te kunnen

predoctoraal niveau vinden we niet bij de ‘intern’ gefinancierde

innemen slechts op 23%, en aan andere universiteiten op 34%

jonge onderzoekers, i.e. assistenten betaald op de universitaire

(Leyman et al, 2011). Op de kennistransfer naar niet-academische

werkingsmiddelen (zie hoger), en evenmin bij de aanstellingen op

sectoren wordt verder ingegaan in hoofdstuk 4.

jonge onderzoekers dan ook voornamelijk in de niet-academische arbeidsmarkt. Gemiddeld schatten postdoctorale onderzoekers hun

het niveau van Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP), zoals we zien in figuur 3.5. Met uitzondering van de door het BOF

Uit de Survey of Senior Researchers in Vlaanderen, een bevraging

gefinancierde onderzoeksprofessoren, worden ZAP-leden eveneens

bij postdoctorale onderzoekers, gastprofessoren en zelfstandig

uit de werkingsmiddelen gefinancierd. Wel is sinds 2003 een

academisch personeel georganiseerd in 2010 (Leyman et al, 2011)

toename in het postdoctoraal kader waarneembaar – zowel intern

weten we dat 76% van de respondenten zijn/haar doctoraat

als extern gefinancierd. In deze groep zit een brede waaier van

heeft behaald aan dezelfde instelling als waar ze nu werken.

onderzoekers die een doctoraat hebben en die via diverse statuten

22% behaalde een doctoraatsdiploma aan een andere Belgische

en financieringsbronnen (postdoctoraal assistent, postdoctoraal

instelling en net geen 3% aan een buitenlandse instelling. Let wel:

bursaal, postdoctoraal onderzoeker, wetenschappelijke medewerker

onderzoekers met een vreemde nationaliteit die tijdens hun

met een doctoraat) in de meeste gevallen een tijdelijke aanstelling

academische carrière naar België zijn verhuisd – goed voor ruim

aan de universiteit opnemen. De toename in postdoctorale posities

9% van de respondenten – werden niet opgenomen in deze cijfers

aan de Vlaamse universiteiten heeft niet echt de academische

(zie volgend hoofdstuk voor meer details). Toch blijkt dat Vlaamse

carrièreperspectieven vergroot aangezien ook het aantal predoctorale

onderzoekers behoorlijk honkvast blijven aan de instelling waar ze

onderzoekers flink is blijven toenemen.

werden opgeleid.

Figuur 3.5:

Evolutie van het aantal predoctorale onderzoekers, postdoctorale onderzoekers en ZAP'ers aan Vlaamse universiteiten in voltijdse eenheden, 1999-2012

10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1999

2000

2001

■ Predoc ■ Postdoc ■ ZAP

Bron: VLIR-personeelsstatistieken 1999-2012

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012


O N D E R ZO E KS C AR R I È R E S I N VL A AN D E R E N

Figuur 3.6:

57

Academisch personeel aan Vlaamse universiteiten (VTE), en aandeel vrouwen onder het academisch personeel, naar statuut (2007, 2012)

9.000 8.000

48,0%

50% 45%

47,7% 39,2%

40%

7.000 34,0%

35%

35,4%

6.000 5.000

30,3%

30%

26,1%

25%

20,7%

4.000

20%

20,7% 3.000 15,0%

11,2%

2.000

15% 10%

8,9%

1.000

5% 0%

0 Predoctorale onderzoekers

Postdoctorale onderzoekers

ZAP - Docent

ZAP - Hoofddocent

ZAP - Hoogleraar

ZAP - (Buiten)gewoon hoogleraar

■ 2007 FTE ■ 2012 FTE ■ 2007 % vrouwen ■ 2012 % vrouwen

Bron: VLIR-personeelsstatistieken, telling 2007 en 2012

43% van het academisch personeel aan de Vlaamse universiteiten

Figuur 3.7 geeft de duurtijd aan alvorens onderzoekers een

is vrouw (VLIR-personeelsstatistieken, 2012), maar dit gemiddelde

postdoctorale aanstelling vonden na het behalen van het doctoraat,

verbergt de erg ongelijke doorstroom van junior naar senior

en hoe lang deze fase van tijdelijke onderzoekscontracten op

posities voor mannen en vrouwen, zoals aangegeven in figuur 3.6.

postdoctoraal niveau duurde alvorens men werd benoemd tot

Van alle onderzoekers aan Vlaamse universiteiten in 2012 die (nog)

professor. 4 op de 5 postdoctorale onderzoekers had in minder

geen doctoraat hebben, is 48% vrouw. Hogerop de academische

dan een jaar tijd na het doctoraat een nieuw (postdoctoraal)

ladder daalt het aandeel vrouwen naar 40% (postdoctorale

onderzoekscontract. Het is echter uitzonderlijk dat iemand na het

onderzoekers) en 34% (docenten). Op de hoogste trede van de

doctoraat meer dan 3 jaar weg is uit de wetenschappelijke sector

academische ladder, de gewoon hoogleraren, is hun aandeel in

en dan nog terugkomt naar de universiteit voor een postdoc

2012 slechts 11%. Vergelijken we deze gegevens met vijf jaar

aanstelling. Dit doet vermoeden dat de kennistransfer tussen

voordien (VLIR-personeelsstatistieken 2007) stellen we weliswaar

academische en niet-academische arbeidsmarktsectoren voornamelijk

een evolutie naar een groter aandeel vrouwen op elke trede vast,

eenrichtingsverkeer is. De tijd die onderzoekers vervolgens in

maar het is een evolutie die zich slechts zeer traag voltrekt.

dit postdoctorale statuut doorbrengen, varieert sterk. Van de respondenten die uiteindelijk toch een professorstatuut konden

De onzekerheid over het verdere carrièreverloop is voor vele

bekomen aan een Vlaamse universiteit, werd 37% reeds in minder

jonge onderzoekers een reden om zelf af te haken. Voor wie wel

dan 3 jaar benoemd, maar meer dan een kwart moest daar

doorstroomt naar postdoctorale en professorfuncties, is het bijna

langer dan 7 jaar op wachten. Aangezien deze cijfers de carrière-

noodzakelijk om een aantal jaren in tijdelijke statuten door te

doorstroming retrospectief benaderen, wordt er in deze analyses

brengen zonder duidelijke carrièreperspectieven.

geen rekening gehouden met die onderzoekers die een academische carrière moeten of willen opgeven.


3

58

Figuur 3.7:

Duurtijd (in jaren) tussen het behalen van het doctoraat en de eerste postdoctorale aanstelling, en tussen de eerste postdoctorale aanstelling en de eerste aanstelling als ZAP-lid

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% minder dan 1 jaar

1 tot 2 jaar

2 tot 3 jaar

3 tot 4 jaar

4 tot 5 jaar

5 tot 6 jaar

6 tot 7 jaar

meer dan 7 jaar

■ Tussen doctoraat en 1ste postdoc ■ Tussen 1ste postdoc en ZAP

Bron: ECOOM, Survey of Senior Researchers (Leyman et al, 2011)

Professoren aan Vlaamse universiteiten ervaren een hoge

Aan onderwijstaken besteden humane wetenschappers significant

werkdruk: een normale werkweek beslaat voor hen gemiddeld

meer tijd dan hun collega’s in andere wetenschapsgebieden,

55 uren (Leyman et al, 2011). Dat is heel wat meer dan voor

terwijl dienstverlening voor medische wetenschappers meer tijd

postdoctorale onderzoekers, voor wie een normale werkweek uit

opslorpt. Ook voor de tijd die aan administratie wordt besteed,

48 uren bestaat (ibidem). Er zijn nogal wat verschillen tussen

zijn er verschillen. Voor de tijd die aan onderzoek wordt gewijd,

wetenschapsgebieden, vooral wat betreft de tijd die wordt besteed

minder dan de helft van de totale werktijd, zijn de verschillen niet

aan onderwijs, dienstverlening en administratie (zie tabel 3.2).

significant tussen de wetenschapsgebieden.

Tabel 3.2: Gemiddeld aantal uren besteed aan de verschillende activiteiten in een normale werkweek door voltijdse ZAP-leden naar wetenschapsgebied Medische

Exacte

Toegepaste

Humane

Sociale

p

Onderzoek

23,48

20,41

19,77

19,2

20,51

Onderwijs

11,39

14,35

10,44

18,27

13,47

***

Dienstverlening

12,94

7,29

8,5

7,51

9,22

***

Administratie

11,83

11,7

13,98

9,39

8,96

**

Gemiddeld aantal werkuren per week

59,63

53,72

52,7

54,34

52,17

*

* p<0,050; ** p<0,010; *** p<0,001 Bron: ECOOM, Survey of Senior Researchers (Leyman et al, 2011)


O N D E R ZO E KS C AR R I È R E S I N VL A AN D E R E N

Ondanks deze hoge werkdruk is de jobtevredenheid bij het

59

3.5 REFERENTIES

academisch personeel op senior niveau hoog. Postdoctorale onderzoekers en professoren geven allebei een gemiddelde waarde van 7,5 op 10 aan hun tevredenheid met hun werk (Leyman et al, 2011).

• Departement Onderwijs, Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs, 1999-2000 tot en met 2011-2012. • ECOOM, Survey of Senior Researchers (2010). • LEYMAN, A., VANDEVELDE, K., VAN ROSSEM, R., GROENVYNCK, H. (2011) Senior onderzoekers aan het woord.

3.4 CONCLUSIE

De resultaten van de ‘Survey of Senior Researchers’ aan de Vlaamse universiteiten. ECOOM.

De onderzoekspopulatie aan de Vlaamse universiteiten is de voorbije decennia sterk veranderd. Het aantal onderzoekers dat

• VLIR personeelsstatistieken, 1999-2012. Vlaamse Interuniversitaire Raad.

met externe fondsen wordt gefinancierd is bijzonder sterk

• VRWI (2012) Kiezen voor STEM. De keuze van jongeren voor

toegenomen, hetgeen de kansen voor masterstudenten om door

technische en wetenschappelijke studies. Vlaamse Raad voor

te groeien naar een onderzoekscarrière, sterk heeft vergroot.

Wetenschap en Innovatie, Studiereeks 25.

Vooral in de STEM disciplines (Science, Technology, Engineering & Maths) is het aantal beschikbare onderzoeksposities groot in vergelijking met het aantal afgestudeerden op masterniveau. Ondanks de beleidsprioriteiten om voldoende kenniswerkers in deze domeinen op te leiden, is het aandeel nieuwe doctorstitels dat in de STEM domeinen wordt uitgereikt, niet gegroeid, hoewel er in absolute aantallen een bijzonder sterke stijging van het aantal doctorstitels wordt vastgesteld over alle disciplines heen. De sterke toename van de onderzoekspopulatie heeft bijgedragen tot een sterke stijging van het aantal behaalde doctoraten aan de Vlaamse universiteiten in alle wetenschapsclusters. In 2011 stond de teller op 1.428 nieuwe doctoraathouders in Vlaanderen. Terwijl er in de jaren ’90 nog duidelijk sprake was van een gender gap bij de start van doctoraatsonderzoek, is deze kloof zo goed als weggewerkt aan de instroomkant: 48% van de predoctorale onderzoekers aan Vlaamse universiteiten zijn vrouw. Op elke volgende trede van de academische ladder is dat telkens een aantal procentpunten lager, van nieuwe doctores over postdoctorale onderzoekers (61/39) tot de verschillende fasen als professor (met op de hoogste trap een 89/11 verhouding). De personeelsformatie aan Vlaamse universiteiten is nog steeds sterk gericht op interne rekrutering. Driekwart van het senior onderzoekspersoneel (postdoctorale onderzoekers en professoren) behaalde het doctoraat aan dezelfde instelling als waar ze nu werken, en wie de academische sector meerdere jaren heeft verlaten, komt zelden nog terug als onderzoeker. Tussen het behalen van een doctoraat en een aanstelling als ZAP-lid liggen meerdere jaren van onzekerheid over carrièreperspectieven. De uiteindelijke job als professor is er één met hoge werkdruk, maar eveneens hoge werktevredenheid.


60

3


M O B I L IT E IT I N D E O N D E RZO E KS C AR R I Ã&#x2C6; R E Door Adriana te Kaat (UGent), Sharon Baute (UGent), Hanne Derycke (UGent), Karen Vandevelde (UGent), Katia Levecque (UGent) en Ronan Van Rossem (UGent)

61


4

62

4.1

INLEIDING

Ook binnen een eigen internationaal georiënteerde onderzoeksgroep of via korte buitenlandse verblijven kan een sterk internationaal

Reeds in het jaar 2000 legde de Europese Commissie de klemtoon op de mobiliteitservaring van onderzoekers als hefboom naar een intensieve kenniseconomie (Europese Commissie, 2000). Mobiliteit in de onderzoekscarrière kan zowel internationaal gericht zijn – een korte of langere termijn aan een buitenlandse instelling onderzoek verrichten; of intersectorieel – kennis overdragen via

profiel immers worden uitgebouwd. De aanwezigheid van buitenlandse onderzoekers in Vlaanderen is evenzeer een indicator van de onderzoeksdynamiek in onze kennisinstellingen, als de buitenlandse verblijven van Vlaamse onderzoekers dat zijn.

tewerkstelling in andere sectoren (Europese Commissie 2008).

Mobiliteit tussen academische en niet-academische sectoren is van

Mobiele onderzoekscarrières worden geassocieerd met een hogere

een andere aard, en is meestal een kwestie van eenrichtingsverkeer:

kwaliteit van het onderzoek: onderzoekers die aan meerdere

vele jonge onderzoekers valoriseren hun onderzoeksexpertise als

instellingen hebben gewerkt, zijn blootgesteld geweest aan meerdere

ze doostromen naar een carrière in R&D bedrijven, de overheid of

uitdagingen en andere expertise; ze hebben een sterker netwerk

andere organisaties, maar slechts weinigen keren na deze periode

uitgebouwd dan hun collega’s die binnen de eigen alma mater zijn

nog terug naar de universiteit. Bovendien vergt deze transitie

gebleven; en bovendien houden ze er vaak een frisse en kritische

tussen de universiteit en andere sectoren van de arbeidsmarkt

kijk op het onderzoekslandschap aan over (Leyman et al, 2011;

een inspanning waar jonge onderzoekers vaak onvoldoende op

Vandevelde, 2011). Een internationale academische ervaring is

zijn voorbereid. De opstart van doctoraatsscholen aan de Vlaamse

niet meer weg te denken uit een onderzoekscarrière. Toch is het

universiteiten in 2011 is onder meer gemotiveerd uit de noodzaak

niet evident voor onderzoekers om de eigen internationale carrière

om jonge onderzoekers een ruggensteun te bieden bij deze

af te stemmen op die van de partner, en/of de zorg voor kinderen

jobtransitie. Hoe vlotter zij hun kennis en competenties op topniveau

of familieleden.

ten bate kunnen stellen van de arbeidsmarkt, des krachtiger de kennistransfer tussen universiteit en bredere arbeidsmarkt.

Figuur 4.1:

Aandeel buitenlandse onderzoekers uit EU- en niet-EU-landen aan Vlaamse universiteiten, naar statuut, in 2003 en 2012

35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2003

2012

2003

ZAP

2012 AAP

2003

2012

WP Doctoraal

2003

2012

WP Postdoctoraal

2003

2012

2003

2012

2003

2012

2003

2012

■ Niet EU

0,90%

1,28%

1,20%

1,44%

5,00%

16,11%

5,00%

13,10%

■ Andere EU

4,30%

6,83%

3,10%

3,83%

5,60%

12,73%

7,70%

19,86%

Bron: VLIR personeelsstatistieken, 2003, 2012.


M O B I LI TE I T I N D E O N D E RZO E KS C AR R I È R E

63

4.2 BUITENLANDSE ONDERZOEKERS AAN VLAAMSE UNIVERSITEITEN

De taalregeling in Vlaanderen zorgt er ook voor dat professoren binnen 3 jaar de Nederlandse taal machtig moeten zijn om in het Nederlands les te geven, en slechts een heel beperkt aantal

In 2012 had 20,5% van het academisch personeel aan Vlaamse

opleidingen mag in het Engels worden aangeboden. Voor heel wat

universiteiten een andere nationaliteit dan de Belgische (VLIR

buitenlands toptalent op zoek naar een vaste aanstelling maakt

personeelsstatistieken, 2012). Dit aandeel is het hoogst op post-

deze regeling de Vlaamse universiteiten wat minder aantrekkelijk

doctoraal niveau (1 op 3) en het laagst onder het professorenkorps

dan instellingen in het buitenland. Buitenlandse postdoctorale

(minder dan 1 op 12). Figuur 4.1 geeft aan hoe de verdeling van

onderzoekers zullen hun kennis en ervaring dan vooral (moeten)

EU en niet-EU onderzoekers evolueerde tussen 2003 en 2012 in

meenemen naar andere instellingen in het buitenland, in de plaats

de verschillende fases van een academische carrière. Hoewel het

van dat ze kunnen doorstromen naar een ZAP-functie aan een

aandeel niet-Belgen globaal gezien in alle academische functies is

Vlaamse universiteit.

toegenomen in de voorbije tien jaar, situeert de internationalisering van het onderzoekslandschap in Vlaanderen zich voornamelijk op

Sterkst

het niveau van jonge onderzoekers met extern gefinancierde,

onderzoekers zijn de Nederlanders, gevolgd door onderzoekers

tijdelijke contracten.

uit China, Italië, Duitsland en India (zie figuur 4.2). Zoals figuur 4.1

vertegenwoordigd

onder

de

groep

buitenlandse

reeds aangaf, zijn deze buitenlandse onderzoekers voornamelijk terug te vinden bij de groepen doctorandi en postdocs. Op het Figuur 4.2:

Aantal niet-Belgische academische personeels-

niveau van professor (ZAP) bestaat het buitenlandse korps

leden aan de Vlaamse universiteiten:

(361 van de 4.452 - niet opgenomen in figuur) voor 40% uit

meest voorkomende nationaliteiten

Nederlanders en 20% uit Duitsers. Behalve Italië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika, die over alle Vlaamse universiteiten heen met minstens een dozijn professoren zijn vertegenwoordigd, zijn uit de andere landen hooguit vijf of minder

Nederland

professoren aangesteld. Op ZAP-niveau zijn niet-Europese

China

academici nauwelijks te vinden aan Vlaamse universiteiten.

Italie Duitsland India

4.3 HET INTERNATIONALE PROFIEL VAN VLAAMSE ONDERZOEKERS

Frankrijk Spanje Polen

Ongeveer de helft van de onderzoekers aan een Vlaamse

Iran

universiteit in een postdoctoraal of professorstatuut heeft minstens

VS van Amerika

drie maanden in het buitenland doorgebracht in het kader van zijn

Groot-Brittannie

of haar academische carrière; bij een kwart van de onderzoekers

Griekenland

duurde deze mobiliteitservaring zelfs meer dan een jaar (Leyman

Turkije

et al, 2011). Dat aandeel is hoger voor mannen (52%) dan voor

Roemenie

vrouwen (44%). De meest populaire bestemmingen voor een

Rusland

academisch verblijf zijn andere landen binnen de EU en Noord-

Vietnam

Amerika. De aanwezigheid van befaamde onderzoekscentra trekt

Bulgarije

uiteraard veel onderzoekers aan. De landen waar onderzoekers

Ethiopie

hun internationale ervaring hebben doorgebracht verschillen

Servie

lichtjes tussen de diverse disciplines: medische wetenschappers

Portugal

verblijven vaker in een academische instelling (of ziekenhuis) in 0

100

200

300

400

500

600

Noord-Amerika. Voor exacte, toegepaste en humane wetenschappers gaat de voorkeur vaker naar andere landen binnen de EU.

Bron: VLIR personeelsstatistieken 2012


4

64

Tabel 4.1: Bestemmingen van de mobiliteitservaring van postdoctorale onderzoekers en professoren aan Vlaamse universiteiten, naar wetenschapsgebied Medische wetenschappen

Exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Humane wetenschappen

Sociale wetenschappen

N

%

N

%

N

%

N

%

N

%

Land binnen de EU

74

38,9

125

56,8

59

52,7

79

59,0

43

41,7

Europa, land buiten de EU

15

7,9

16

7,3

6

5,4

10

7,5

9

8,7

Azië

0

0,0

12

5,5

4

3,6

0

0,0

1

1,0

Afrika

4

2,1

5

2,3

7

6,3

3

2,2

4

3,9

Midden of Zuid-Amerika

1

0,5

2

0,9

2

1,8

0

0,0

1

1,0

93

48,9

51

23,2

30

26,8

41

30,6

43

41,7

3

1,6

9

4,1

4

3,6

1

0,7

2

1,9

190

100,0

220

100,0

112

100,0

134

100,0

103

100,0

Noord-Amerika Oceanië Totaal Bron: Leyman et al (2011)

4.4 JOBMOBILITEIT NAAR ANDERE ARBEIDSSECTOREN

Figuur 4.3: Huidige sector van tewerkstelling bij doctoraathouders in Vlaanderen

In de Careers of Doctorate Holders Survey, een internationale 4,7%

bevraging van doctoraathouders in OESO-landen, wordt gepeild

2,0%

1,7%

6,6%

naar de arbeidsmarktsituatie van doctoraathouders. De gegevens

32,8% 7,7%

voor Vlaanderen (figuur 4.3) verschaffen een goed beeld van de intersectoriële ervaringen van afgestudeerden die in de voorbije 20 jaar hun doctorstitel ontvingen van een Vlaamse universiteit. Ongeveer een derde van de doctoraathouders is nog steeds

9,8%

tewerkgesteld aan de universiteit, maar de industrie neemt een belangrijke tweede plaats in als sector van tewerkstelling voor doctoraathouders, goed voor bijna een kwart van de doctores. Ongeveer één op de tien heeft een carrière uitgebouwd aan

11,0%

de overheid of in de dienstensector. De verhouding van het percentage doctoraathouders tewerkgesteld in de ondernemingssector (incl. industrie en dienstensector), tegenover het percentage doctoraathouders dat aan de universiteit of hogeschool zijn carrière heeft uitgebouwd, is een goede maatstaf voor jobmobiliteit en kennistransfer. In vergelijking met buitenlandse deelnemers aan deze survey, bevindt Vlaanderen zich in een soortgelijke positie met de Verenigde Staten, Denemarken, en Nederland (figuur 4.4: gegevens voor België als geheel (33,4% in ondernemingssector; 41,7% in het hoger onderwijs) i.p.v. enkel Vlaanderen (resp. 35,6% en 40,5%)).

23,8%

■ Universiteit ■ Industrie ■ Overheid ■ Dienstensector ■ Hoger onderwijs buiten universiteit ■ Ziekenhuis ■ Private non-profit sector ■ Andere ondernemingssector ■ Onderwijs buiten hoger onderwijs

De tewerkstellingssituatie van doctoraathouders in Vlaanderen op het ogenblik van de bevraging werd vergeleken met de situatie op vijf jaar na het behalen van het doctoraat, waarbij ook een opsplitsing werd gemaakt tussen de brede studiedomeinen.

Bron: BELSPO, CDH Databank 2010


M O B I LI TE I T I N D E O N D E RZO E KS C AR R I È R E

65

Figuur 4.4: Tewerkstelling van doctoraathouders in de ondernemingssector en het hoger onderwijs, voor diverse landen

40% ● Denemarken

Percentage tewerkgesteld in de industrie/ondernemingen

35%

● Nederland

● België ● Verenigde Staten

30% 25% 20% ● IJsland

15%

● Slovenië ● Rusland ● Letland ● Litouwen

● Spanje

● Turkije ● Kroatië ● Roemenië ● Hongarije

10% 5%

● Bulgarije

● Polen ● Taipei (China)

● Malta

● Portugal

0% 20

30

40

50

60

70

80

90

100

Percentage tewerkgesteld in het hoger onderwijs

Bron: Careers of Doctorate Holders, OESO/Unesco/Eurostat, 2010

Tabel 4.2: Sector van tewerkstelling 5 jaar na het behalen van een doctoraat aan een Vlaamse universiteit, naar wetenschapsgebied (N=1436)*

Natuurwetenschappen

Ingenieurswetenschappen

Medische en gezondheidswetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

Totaal

Industrie

31,1%

41,5%

16,5%

31,9%

3,6%

0,0%

365

Dienstensector

12,4%

13,4%

4,2%

11,8%

5,1%

4,3%

139

2,0%

2,5%

0,8%

2,1%

0,7%

0,9%

24

Ondernemingssector overige Overheid

11,2%

6,9%

4,2%

16,0%

19,7%

15,5%

154

Ziekenhuis

1,6%

0,7%

39,1%

0,7%

1,5%

0,9%

116

Universiteit

25,5%

20,9%

29,1%

25,0%

53,3%

49,1%

428

7,8%

7,6%

3,8%

4,9%

10,2%

18,1%

112

4,0%

0,4%

0,4%

0,7%

0,0%

6,9%

31

4,4%

6,1%

1,9%

6,9%

5,8%

4,3%

67

501

277

261

144

137

116

1.436

Hoger onderwijs buiten universiteit Onderwijs buiten hoger onderwijs Private non-profit sector Totaal * Bron: BELSPO, CDH Databank 2010

Verdere analyses hebben aangetoond dat na deze vijf jaar niet

Op het moment van vijf jaar na het behalen van het doctoraat

zoveel meer verandert in de carrière van doctoraathouders, met

(zie tabel 4.2) is de universiteit de grootste sector van

uitzondering van diegenen die na een uitgebreide postdoctorale

tewerkstelling voor veel respondenten. Onder de humane en

ervaring toch nog de universiteit inruilen voor een job in een

sociale wetenschappers werkt zelfs de helft van de respondenten

andere sector.

nog steeds aan de universiteit.


4

66

Een kanttekening bij deze cijfers is wel noodzakelijk: de beperkte

Enkel voor doctoraathouders in de medische wetenschappen en

respons uit de Careers of Doctorate Holders enquête kan aanleiding

de natuurwetenschappen verschilt de sector van tewerkstelling

geven tot een vertekening van de situatie. Onderzoekers die een

significant tussen mannen en vrouwen. Opvallend is dat

doctoraat behaalden in de ingenieurswetenschappen, natuur-

vrouwelijke medische wetenschappers vaker tewerkgesteld zijn in

wetenschappen of landbouwwetenschappen werken relatief

de industrie en minder vaak in ziekenhuizen in vergelijking met

vaak in de industrie, respectievelijk 42%, 31% en 32%. Ook is

mannen. De sector waarin mannelijke en vrouwelijke natuur-

een substantieel deel van de medische en gezondheids-

wetenschappers actief zijn, volgt eerder de algemene trend.

wetenschappers (17%) in de industrie tewerkgesteld, hoewel de ziekenhuizen met 39% de belangrijkste tewerkstellingssector voor

Veruit de meeste doctoraathouders werken als werknemer (95%)

deze afgestudeerden vormen. Landbouwwetenschappers, sociale

met een permanent contract (77%) en een voltijdse aanstelling

wetenschappers en humane wetenschappers werken relatief vaak

(90%). In de medische- en gezondheidswetenschappen werkt

bij de overheid; sociale en humane wetenschappers vinden ook

men relatief vaak als zelfstandige (12%). Humane wetenschappers

vaak hun weg naar het hoger onderwijs buiten de universiteit.

hebben relatief vaak een tijdelijk en/of deeltijds contract.

De dienstensector trekt voornamelijk afgestudeerden uit de

Ook sociale wetenschappers hebben vaker een tijdelijk contract

ingenieurswetenschappen, natuurwetenschappen en landbouw-

(29%) dan andere doctoraathouders, terwijl deeltijds werken

wetenschappen aan. Ingenieurswetenschappers en doctoraat-

relatief veel voorkomt bij medici.

houders in de sociale wetenschappen bevinden zich relatief vaak in de private non-profit sector (7% en 6%). Zeer weinig

Mannen werken vaker als zelfstandige dan vrouwen (6% vs. 3%).

doctoraathouders werken in het onderwijs buiten hoger onderwijs

Daarnaast hebben vrouwen vaker een tijdelijke job dan mannen

– en daar zijn het voornamelijk natuurwetenschappers en humane

(29% vs. 20%) en vrouwen werken vaker deeltijds dan mannen

wetenschappers – of in de private non-profit sector.

(20% vs. 5%) (niet in tabel).

Vijf jaar na het behalen van de doctorstitel werken mannen vaker

Voor 39% van de doctoraathouders houdt de huidige job nog

in de industrie en in de dienstensector, terwijl vrouwen iets vaker

steeds nauw verband met het onderwerp van het doctoraat.

in ziekenhuizen, hogescholen, de private non-profit sector en het

In 34% van de gevallen bestaat er een gedeeltelijke relatie, en in

onderwijs buiten het hoger onderwijs tewerkgesteld zijn (figuur 4.5).

27% bestaat daartussen daar geen relatie (meer) (Belspo, CDH

Deze verschillen in sector van tewerkstelling zijn grotendeels toe te

databank 2010, niet in tabel).

schrijven aan het wetenschapsgebied waarin de doctoraathouders afgestudeerd zijn.

Figuur 4.5: Sector van tewerkstelling naar geslacht, 5 jaar na het behalen van het doctoraat aan een Vlaamse universiteit

26,3%

Mannen

0%

10%

10,4%

11,1%

20%

30%

9,1%

29,1%

10,8%

40%

11,5%

7,8%

50%

30,2%

60%

70%

6,5%

80%

■ Industrie

■ Overheid

■ Hoger onderwijs buiten universiteit

■ Dienstensector

■ Ziekenhuis

■ Onderwijs buiten hoger onderwijs

■ Ondernemingssector overige

■ Universiteit

■ Private non-profit sector

Bron: BELSPO, CDH Databank 2010

4,0%

90%

5,7%

1,5%

6,6%

1,7%

22,1%

Vrouwen

1,5%

(N=1774)

4,2%

100%


M O B I LI TE I T I N D E O N D E RZO E KS C AR R I È R E

67

Tabel 4.3: Huidige tewerkstelling van doctoraathouders in Vlaanderen naar wetenschapsgebied en type werkstatuut* Werknemer

Zelfstandige

Permanent

Tijdelijk

Voltijds

Deeltijds

Natuurwetenschappen

97,3%

2,7%

80,2%

19,8%

90,6%

9,4%

Ingenieurswetenschappen

93,6%

6,4%

83,0%

17,0%

93,6%

6,4%

Medische en gezondheidswetenschappen

88,2%

11,8%

77,2%

22,8%

86,5%

13,5%

Landbouwwetenschappen

97,4%

2,6%

75,3%

24,7%

88,8%

11,2%

Sociale wetenschappen

98,0%

2,0%

70,7%

29,3%

91,0%

9,0%

Humane wetenschappen

97,7%

2,3%

66,4%

33,6%

84,6%

15,4%

Totaal

95,0%

5,0%

77,4%

22,6%

89,7%

10,3%

(N=2629)

(N=137)

(N=2105)

(N=614)

(N=2267)

(N=260)

Figuur 4.6: Relatie tussen het doctoraatsonderzoek en de inhoud van de huidige job 1 jaar (N=2268), 3 jaar (N=1987),

Academisch

Niet-academisch

5 jaar (N=1568) en 10 jaar (N=843) na het behalen van het doctoraat aan een Vlaamse universiteit*

39,9%

1 jaar

34,9%

25,2%

3 jaar

34,5%

37,2%

28,3%

5 jaar

34,5%

37,2%

28,3%

22,1%

10 jaar

39,3%

1 jaar

73,3%

3 jaar

73,0%

38,6% 22,1% 21,5%

72,3%

5 jaar

0%

10%

■ Nauwe relatie

20%

30%

5,5%

21,1%

69,4%

10 jaar

4,7%

6,6%

20,7%

40%

■ Deels gerelateerd

50%

60%

70%

80%

9,9%

90%

100%

■ Geen relatie

* Bron: BELSPO, CDH Databank 2010

De relatie tussen het doctoraat en de inhoud van de huidige job

De relatie tussen de inhoud van het doctoraatsonderzoek en de

verschilt significant tussen doctoraathouders die aan een

huidige job heeft uiteraard niet alleen met anciënniteit te maken,

universiteit werken en degenen die niet (meer) aan een universiteit

maar ook met het feit of de doctoraathouder nog steeds als

werken (figuur 4.6). De correlatie tussen het doctoraat en de inhoud

onderzoeker is tewerkgesteld of niet. Sommige arbeidssectoren

van de job voor doctoraathouders buiten de universiteit is minder

zijn meer onderzoeksintensief dan andere, zoals wordt

groot dan voor doctoraathouders die binnen de academische

aangetoond in figuur 4.7. In totaal werkt 71% van de doctoraat-

muren werken, en neemt bij de eerste groep duidelijk af al

houders in de huidige job nog (deels) als onderzoeker, dit wil

naargelang de jobervaring toeneemt. Desondanks heeft 61% van

zeggen dat ze nog steeds actief zijn in onderzoek, innovatie,

de doctoraathouders in een niet-academische job 10 jaar na het

productontwikkeling of een combinatie daarvan. Een kwart van

behalen van het doctoraat nog steeds een nauwe of gedeeltelijke

de doctoraathouders vermeldde niet meer te werken als onderzoeker

band met de expertise van het doctoraatsonderzoek zelf.

en 4% gaf op deze vraag geen antwoord. In de industrie, bij de overheid, in ziekenhuizen, universiteiten, het hoger onderwijs en de private non-profit sector werkt een meerderheid van de mensen nog (deels) als onderzoeker, in het onderwijs buiten het hoger onderwijs is dat veel minder het geval.


4

68

Figuur 4.7: Verdeling van doctoraathouders naargelang hun statuut als onderzoeker of niet-onderzoeker, naar huidige sector van tewerkstelling, en aandeel onderzoekers per sector (N=2738)

100%

1.000 900

90%

800

80%

700

70%

600

60%

500

50%

400

40%

300

30%

200

20%

100

10% 0%

0 Universiteit (N=934)

Industrie (N=668)

Overheid (N=314)

Hoger onderwijs buiten universiteit (N=226)

Ziekenhuis (N=189)

Dienstensector (N=276)

Private non-profit sector (N=135)

Ondernemings Onderwijs sector buiten hoger overige onderwijs (N=55) (N=50)

■ Onderzoeker ■ Niet-onderzoeker ■ Missende waarden ■ Aandeel onderzoekers

Bron: BELSPO, CDH Databank 2010

4.5 MEERWAARDE VAN HET DOCTORAAT OP DE ARBEIDSMARKT

De verdeling van sectoren naar diploma verschilt wel: figuur 4.8 geeft aan dat doctoraathouders vaker zijn tewerkgesteld in de openbare sector (42,4%) dan mastergediplomeerden, terwijl de

Op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (Labour Force

laatste groep vaker een job heeft in de private sector (49,7%) of

Survey) kan de arbeidsmarktpositie van doctoraathouders worden

als zelfstandige (22,2%). Bovendien stellen we in figuur 4.9 ook

vergeleken met die van houders van een masterdiploma, om op

vast dat het aandeel werkenden in tijdelijke functies groter is bij

die manier na te gaan of doctoraatsonderzoek op bepaalde punten

doctoraathouders (15,0%) dan bij afgestudeerden op masterniveau

een meerwaarde oplevert op de arbeidsmarkt. Gebruik makend

(7,7%). Het groot aantal tijdelijke onderzoekscontracten aan de

van de bevraging van 2009 en 2010 (gepoolde data) bij diegenen

universiteit biedt ongetwijfeld een belangrijke verklaring voor dit

woonachtig in het Vlaams Gewest, werd de situatie van de 357

verschil in type contract.

doctors vergeleken met die van de 6.449 mastergediplomeerden. Eerst en vooral werd het werkstatuut vergeleken, overeenkomstig

Wat reeds in de gegevens op basis van de Careers of Doctorate

de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). We zien

Holders werd gesuggereerd op basis van sector van tewerkstelling

slechts beperkte verschillen in werkstatuut tussen beide groepen:

en de mate waarin doctoraathouders nog actief zijn als onderzoeker,

het percentage werklozen ligt bij doctoraathouders op 2%,

wordt bevestigd in de steekproef van de Enquête naar de

bij houders van een masterdiploma op 2,5% (niet in grafiek).

Arbeidskrachten: doctoraathouders zijn sterk vertegenwoordigd bij intellectuele en wetenschappelijke beroepen (62,4%).


M O B I LI TE I T I N D E O N D E RZO E KS C AR R I È R E

69

Figuur 4.8: Sector van tewerkstelling in Vlaanderen

Figuur 4.9: Contracttype van tewerkstelling in Vlaanderen

al naargelang het hoogste diploma*

al naargelang het hoogste diploma*

49,7%

Master

27,6%

44,8%

Doctoraat

0%

20%

22,2%

42,4%

40%

60%

80%

92,3%

Master

12,8%

85,0%

Doctoraat

100%

7,7%

0,5%

0%

20%

■ Private sector

■ Zelfstandig

■ Vast werk

■ Openbare sector

■ Medewerkend gezinslid

■ Tijdelijk werk

15,0%

40%

60%

80%

100%

* Bron: Enquête naar de Arbeidskrachten, 2009 en 2010 (gepoolde data)

Figuur 4.10: Meest voorkomende beroepen in Vlaanderen al naargelang het hoogste diploma

10,9%

62,4%

Doctoraat

0%

10%

20%

30%

27,2%

40%

50%

60%

70%

8,4%

80%

90%

3,8%

4,5%

2,5%

25,0%

3,4%

51,9%

Master

100%

■ Intellectuele en wetenschappelijke beroepen ■ Leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader ■ Bedienden in administratieve functies ■ Intermediaire beroepen ■ Andere

Bron: Enquête naar de Arbeidskrachten, 2009 en 2010 (gepoolde data)

Voor houders van een masterdiploma is dat ongeveer 1 op 2

De verschillen in type functie hangen ongetwijfeld ook samen met

(figuur 4.10). Op het niveau van leidinggevende functies (leden

verschillen in verloning, de mate van verantwoordelijkheid, de aard

uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader) is er slechts een

van de onderneming en het aantal overuren. Figuur 4.11 toont aan

beperkt verschil tussen houders van een master- of doctoraats-

dat zowel mannelijke als vrouwelijke doctoraathouders gemiddeld

diploma, maar houders van een masterdiploma zijn in vergelijking

een hoger netto maandloon hebben voor hun hoofdbetrekking

met hun collega’s met een doctorstitel vaker tewerkgesteld op het

dan masters, maar voor beide diploma’s geldt dat mannen een

niveau van bedienden in administratieve functies en intermediaire

hoger maandloon genieten dan vrouwen. Het resultaat daarvan

beroepen.

is dat vrouwen mét een doctoraat gemiddeld net iets minder verdienen dan mannen zónder een doctoraat.


4

70

Figuur 4.11: Netto maandloon van de hoofdbetrekking naargelang gender en hoogste diploma

4.6 REFERENTIES • ADSEI, Enquête naar de Arbeidskrachten (2009 & 2010); cijfers voor Vlaams Gewest. • Belspo/ECOOM, Careers of Doctorate Holders (2010); cijfers

€3.500

voor afgestudeerden van Vlaamse universiteiten.

€3.000

• ECOOM, Survey of Senior Researchers (2010).

€2.500

• Europese Commissie (2000) Een agenda voor het sociaal

€2.000

beleid. Mededeling van de Commissie aan de Raad, het

€1.500

Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het

€1.000

Comité van de regio’s. (COM/2000/0379). • Europese Commissie (2008). Betere loopbanen en meer

€500

mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers.

€0 Doctoraat

Master

■ Man ■ Vrouw

Mededeling van de Commissie aan de Raad van het Europees Parlement. (COM/2008/0317) • LEYMAN, A., VANDEVELDE, K., VAN ROSSEM, R., GROENVYNCK, H. (2011) Senior onderzoekers aan het woord. De resultaten van de ‘Survey of Senior Researchers’ aan de

Bron: Enquête naar de Arbeidskrachten, 2009 en 2010 (gepoolde data)

Vlaamse universiteiten. ECOOM. • OESO/Unesco/Eurostat, Careers of Doctorate Holders (2010). • VANDEVELDE, K. (2011) Mobiel en daarom excellent of excellent

Doctoraathouders hebben verder frequenter supervisie over ander personeel dan houders van masterdiploma’s (65% tegenover 43%). Bovendien zijn doctoraathouders veel vaker tewerkgesteld in grote ondernemingen: 41% werkt in een onderneming met meer dan vijfhonderd werknemers, terwijl dit onder masters slechts 22% bedraagt (gegevens niet in grafiek). Ten slotte is het nog relevant om vast te stellen dat doctoraathouders gemiddeld meer overuren presteren per week die niet recupereerbaar zijn dan mastergediplomeerden (4,3 u tegenover 2 u), waarvan het merendeel onbetaalde overuren zijn. (Resultaten niet in figuur, maar eveneens gebaseerd op de EAK 2009 & 2010).

en daarom mobiel? TH&MA 3. • VLIR personeelsstatistieken (2003 & 2012). Vlaamse Interuniversitaire Raad.


O&O-ACTIVITE ITE N VAN D E VL A AM S E B E D R I J VE N Door Petra Andries (KU Leuven), Anneleen Bruylant (KU Leuven), Julie Delanote (KU Leuven), Machteld Hoskens (KU Leuven), Kristof Van Criekingen (KU Leuven) en Steven Vanhaverbeke (KU Leuven)

71


5

72

5.1

INLEIDING

Toch zijn er ook heel wat kleinere bedrijven die in termen van absolute grootte van budgetten en personeel minder O&O-actief

Het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie

zijn dan de grote spelers, maar relatief tegenover hun eigen

neemt een centrale plaats in in het Vlaamse overheidsbeleid.

activiteiten zeer intens betrokken zijn bij O&O-activiteiten.

Vlaanderen heeft zich in 2003 met het Innovatiepact geschaard

Daarom bespreken we ook de O&O-intensiteit.

achter de Europese Lissabon-strategie en de Barcelona-doelstelling om de O&O-uitgaven te verhogen tot 3% van het bruto

In een volgende sectie worden de totale O&O-cijfers gegeven,

binnenlands product van de regio (BBPR). De ambitie deze norm

voor de hele populatie van bedrijven actief in Vlaanderen.

te behalen werd herbevestigd bij de ondertekening van

Hier wordt ook de link naar het verleden gelegd. Daarna wordt

het Pact 2020 op 20 januari 2009 in Hasselt. Het implementeren

de verhouding van de totale O&O-uitgaven van de Vlaamse

van de 3%-norm impliceert in eerste instantie dat goede

bedrijven versus het Vlaamse Bruto Binnenlands Product

O&O-gegevens beschikbaar moeten zijn op Vlaams niveau.

berekend. In deze sectie worden enkel de uitgaven voor interne O&O besproken, aangezien deze cijfers de basis vormen voor de

De bedoeling van dit hoofdstuk is een inzicht te geven in de

Vlaamse BERD-cijfers. De cijfers voor O&O-personeel worden in

O&O-cijfers die verzameld werden met de meest recente

meer detail besproken in hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek.

O&O-enquête bij de Vlaamse bedrijven en in de trends ten

In een laatste sectie worden de belangrijkste conclusies van dit

opzichte van de historische O&O-cijfers.

hoofdstuk betreffende de O&O-enquête van 2012 bij de Vlaamse bedrijven kort samengevat.

Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks van 2010 en 2011 weergeven (BERD: Business Expenditures on Research & Development).

5.2 METHODOLOGIE

Immers, conform de afspraken inzake de gehanteerde methodologie, moeten ook de O&O-uitgaven van de collectieve

De O&O-cijfers zijn gebaseerd op enquêtes bij bedrijven over hun

onderzoekscentra nog in rekening gebracht worden bij de

O&O-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze oefening wordt zo

berekening van de totale BERD voor Vlaanderen. In hoofdstuk 7

dicht mogelijk aangesloten bij de internationale standaarden en

van dit Indicatorenboek worden deze cijfers samengebracht tot

de nationale implementatie hiervan. In de federale overleggroep

de volledige BERD-reeks. In dit hoofdstuk wordt enkel de

CFS-STAT worden methodologische afspraken gemaakt rond

bedrijvencomponent van de BERD besproken.

de O&O-statistieken voor België. De daar gemaakte afspraken liggen aan de basis van de O&O-cijfers die in dit hoofdstuk

Vooreerst worden de methodologische aspecten van de O&O-

gepresenteerd en gerapporteerd worden.

enquête toegelicht. Daarna volgt een sectie volledig gewijd aan het cijfermateriaal dat verzameld werd. We concentreren ons hierbij enkel op de kernvariabelen, O&O-uitgaven en O&O-personeel. Eerst worden voor de inventaris van O&O-actieve bedrijven de totale cijfers voor interne O&O gegeven, zowel inzake O&Ouitgaven als inzake O&O-personeel. Vervolgens worden de uitgaven voor interne O&O van deze bedrijven van naderbij bekeken, opgesplitst per sector en per grootteklasse. Zoals zal blijken, is het O&O-gebeuren in Vlaanderen sterk geconcentreerd bij een beperkt aantal bedrijven. Er wordt dan ook aandacht besteed aan de O&O-concentratie. Vervolgens komt het O&O-personeel van deze bedrijven aan bod, met dezelfde opsplitsing. De grootste O&O-spelers in Vlaanderen zijn vaak grote bedrijven.

5.2.1

Populatie

Ook voor de O&O-enquête van 2012 werd gewerkt met een inventaris van bedrijven waarvan geweten is – of toch sterk vermoed wordt – dat ze aan O&O doen. De keuze voor deze inventarisatieopzet is gerelateerd aan de scheve verdeling van het O&O-gebeuren in Vlaanderen. Met deze methode worden de O&O-inspanningen van de grote ondernemingen en de bedrijven die als onderzoeksintensief bekend staan, geregistreerd. Zoals ook uit dit rapport zal blijken, zijn net zij verantwoordelijk voor de overgrote meerderheid van de O&O-uitgaven. In de inventaris zitten twee groepen: de bedrijven met permanente O&O-activiteiten versus de bedrijven met occasionele O&O-activiteiten, verder respectievelijk aangeduid als de P-inventaris en de O-inventaris.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

Meer precies bevat de P-inventaris de volgende bedrijven:

73

Voorbeelden van ontbrekende gegevens buiten de inventaris zijn nieuwe bedrijven, verschuivingen van uitgaven in bestaande

●

●

●

bedrijven die in de O&O-enquête van 2012 geantwoord

bedrijven over de Vlaamse grenzen, opstarten van O&O in

hebben dat ze permanent aan O&O doen;

bestaande bedrijven, ... Voor de schatting van het aandeel van

1

bedrijven die in de CIS 2011 geantwoord hebben permanent

deze bedrijven buiten de inventaris van gekende O&O-spelers

aan O&O te doen;

werd gewerkt met een gestratificeerde steekproef van 1.955

bedrijven uit de vorige P-inventaris die niet geantwoord

bedrijven uit een totale populatie van 11.868 bedrijven die (nog)

hebben op de O&O-enquête van 2012, maar waarvan uit

niet behoorden tot de inventaris en die 10 of meer werknemers

andere bronnen geweten is of toch sterk vermoed wordt dat ze

hadden en vielen in de NACE-sectoren 05-46, 49-53, 58-66,

permanente O&O-activiteiten hebben.

69-74, 78-822.

Daarnaast is er de O-inventaris, die deels wordt aangehouden als een sluis om tot de P-inventaris te komen. De groep van bedrijven met occasionele O&O-status bevat immers ook bedrijven die mogelijk aan O&O doen met een permanent karakter, maar die daarover nog geen uitsluitsel gegeven hebben, d.w.z. bedrijven die nog geen O&O-enquête invulden in het verleden of bedrijven die meldden dat zij op occasionele (= onregelmatige) wijze aan

5.2.2

Definities

De gehanteerde definities van interne en uitbestede O&O-activiteiten zijn volledig conform de richtlijnen van de Frascati Manual (OECD, 2002). Ze worden kort opgesomd in bijlage 1. 5.2.3

Schattingen: inter- en extrapolatie

O&O doen. Het afzonderen van de O-inventaris is belangrijk voor

De totale uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven,

de extrapolatie-oefening (cf. infra). Voorbeelden van criteria

alsmede het corresponderende totale aantal O&O-personeels-

waarop bedrijven geselecteerd werden om in de O-inventaris

leden, bevatten de volgende componenten:

opgenomen te worden, zijn: A) gerapporteerde en – waar nodig – gecorrigeerde cijfers voor ●

bedrijven die in de O&O-enquête van 2012 of in de vorige O&O-enquête verklaard hebben occasioneel O&O-activiteiten te verrichten;

●

●

geantwoord hebben; B) geïnterpoleerde O&O-budgetten en O&O-personeelscijfers

niet-geïnventariseerde bedrijven die bij de CIS 2011 verklaard

voor de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris met

hebben occasioneel aan O&O te doen;

historische observaties;

niet-geïnventariseerde bedrijven die geïdentificeerd zijn als

C) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeelscijfers

bedrijven die subsidies en openbare O&O-contracten genieten

voor de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris zonder

(lijsten afkomstig van de Gewesten) of belastingvrijstellingen genieten voor bijkomend aan onderzoek toegewezen personeel; ●

O&O-budgetten en O&O-personeel van de bedrijven die

niet-geïnventariseerde bedrijven die op andere lijsten

bruikbare historische observaties; D) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeelscijfers voor de niet antwoordende bedrijven uit de O-inventaris;

voorkomen, zoals bv. spin-offs, of die door welke bron ook

E) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeelscijfers

(media, ...) werden geïdentificeerd als bedrijven die O&O

voor de niet antwoordende bedrijven buiten de inventaris.

verrichten. In bijlage 2 worden de belangrijkste etappes van de gegevensHet totale bedrag voor interne O&O voor Vlaanderen bestaat uit

verzameling en schattingen van de O&O-enquête van 2012 kort

het totale bedrag voor interne O&O voor de inventarisbedrijven

weergegeven.

(zowel P- als O-inventaris), opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten de inventaris om eventuele ontbrekende gegevens op te vangen.

1 De Community Innovation Survey (CIS) is een enquête die momenteel tweejaarlijks wordt uitgevoerd bij alle EU-lidstaten en die peilt naar de innovatieactiviteiten bij de bedrijven. De CIS 2011 werd uitgevoerd in 2011. 2 In de O&O-enquête van 2012 werd de NACE-BEL-2008-codering gevolgd, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. Meer informatie hierover is te vinden in publicaties van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/nl/statistieken/gegevensinzameling/nomenclaturen/nacebel/index.jsp.


5

74

5.3 RESULTATEN VOOR DE INVENTARIS

De verschillen in de resultaten van deze scenario’s voor de geëxtrapoleerde gegevens, tonen aan hoe gevoelig deze schattingen

5.3.1

Responsgraad

Een hoge responsgraad is zeer belangrijk voor de betrouwbaarheid van de cijfers. De uiteindelijke responsgraad van de bedrijven in de inventaris van O&O-actieve bedrijven in de

zijn en legitimeren de keuze voor deze sensitiviteitsanalyse. 5.3.2.1

De totale uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris

O&O-enquête van 2012 bedraagt 65%: 2.121 van de 3.241

In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de totale

ondernemingen in deze inventaris hebben geantwoord.

uitgaven voor interne O&O van de bedrijven in de inventaris volgens de verschillende scenario’s. Zoals aangegeven in sectie

De verwachte concentratie van de O&O-budgetten bij een

5.2.3 en bijlage 2 van dit hoofdstuk werden verschillende

beperkt aantal spelers impliceert dat we bij de opvolging van de

schattingsmethodes gevolgd voor de verschillende groepen in

respondenten een differentiële strategie gevolgd hebben. Bij de

de inventaris (P-inventaris versus O-inventaris). De schattingen

enquête van 2012 werd getracht om een zo hoog mogelijke

en geobserveerde gegevens worden daarom ook opgesplitst

respons te halen bij de belangrijkste3 O&O-spelers in Vlaanderen.

weergegeven.

Van de top-50 O&O-bedrijven uit de vorige O&O-enquête was er één onderneming waarvan de belangrijkste activiteiten, inclusief

Het eerste scenario dat gerapporteerd wordt (tabel 5.1), gebruikt

de O&O-activiteiten, ondertussen waren overgegaan in een

alle bedrijven voor de extrapolatie en is eerder voorzichtig.

ander btw-nummer. Van de resterende 49 bedrijven heeft

Het tweede scenario (tabel 5.2), dat het basisscenario is en dat ook

98% geantwoord. Van de top-200 belangrijkste O&O-bedrijven

in het verleden gebruikt werd, is optimistischer. Voor de extrapolatie

uit de vorige O&O-enquête waren er 10 ondertussen gefuseerd,

voor de bedrijven in de P-inventaris werden in dit scenario alleen

overgenomen, overgegaan in een ander btw-nummer… Van de

cijfers van bedrijven met interne O&O gebruikt; P-bedrijven die

resterende 190 bedrijven heeft 93% geantwoord. Daarvan hebben

zeggen niet aan interne O&O te doen zijn dus verwijderd uit

7 bedrijven geen O&O-activiteiten (meer) in Vlaanderen. Dat er in

de extrapolatiebasis. De verschillen tussen beide scenario’s voor

de inventaris van O&O-actieve bedrijven toch een aanzienlijk

de totale cijfers zijn evenwel klein. Na een daling in de periode

aantal bedrijven antwoordt niet aan O&O te doen, geeft aan dat

2008-2009 ten gevolge van de financiële en economische crisis,

de samenstelling van de inventaris nauwgezet dient opgevolgd te

zien we nu in beide scenario’s een stijging van de totale budgetten

worden. Dit is dan ook een betrachting die in de O&O-enquête

tussen 2010 en 2011.

van 2012 werd nagestreefd. 5.3.2.2 Het totaal voor eigen O&O-personeel binnen de In de volgende secties worden de cijfers besproken. We geven eerst de totaalcijfers voor interne O&O weer voor de inventarisbedrijven, zowel voor O&O-uitgaven als voor O&O-personeel. Vervolgens worden beide van naderbij bekeken. Ook de O&O-intensiteit van deze bedrijven wordt bekeken. 5.3.2 O&O-cijfers voor de inventaris

inventaris Voor het totale O&O-personeel werden eveneens beide scenario’s gevolgd. De resultaten zijn weergegeven in tabellen 5.3 en 5.4. Net als bij de uitgaven voor interne O&O zien we een stijging van het totale O&O-personeel, uitgedrukt als voltijdse equivalenten (VTE), tussen 2010 en 2011 en dit in beide scenario’s.

De totaalcijfers voor interne O&O bevatten zowel de

Gezien de relatief kleine verschillen tussen beide scenario’s,

geobserveerde gegevens als de inter- en extrapolaties voor de

worden in wat volgt enkel de resultaten van het basisscenario,

bedrijven in de P- en O-inventaris. Omdat schattingen in se altijd

scenario 2, in aanmerking genomen.

onzeker zijn, werden verschillende scenario’s gevolgd, vooral met betrekking tot de extrapolaties, toch de meest gevoelige component.

3 De rangschikking van de bedrijven in termen van ‘belangrijkheid’ gebeurde hier op basis van de O&O-cijfers die verzameld werden in de vorige O&O-enquête. De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2008 en 2009.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

75

Tabel 5.1: Totale uitgaven voor interne O&O (in duizend euro) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 1 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2010 O

16.833

6.290

24.356

47.479

2%

P

20.048

607.862

2.265.675

2.893.585

98%

Totaal

36.881

614.152

2.290.031

2.941.064

100%

1%

21%

78%

100%

% 2011 O

30.143

9.223

34.932

74.299

2%

P

21.853

521.159

2.673.850

3.216.862

98%

Totaal

51.996

530.382

2.708.782

3.291.161

100%

2%

16%

82%

100%

%

Tabel 5.2: Totale uitgaven voor interne O&O (in duizend euro) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 2 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2010 O

16.833

6.290

24.356

47.479

2%

P

29.974

607.862

2.265.675

2.903.511

98%

Totaal

46.807

614.152

2.290.031

2.950.990

100%

2%

21%

78%

100%

30.143

9.223

34.932

74.299

% 2011 O

2%

P

32.526

521.159

2.673.850

3.227.535

98%

Totaal

62.669

530.382

2.708.782

3.301.834

100%

2%

16%

82%

100%

%

Tabel 5.3: Totaal O&O-personeel (in VTE) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 1 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2010 O

181

73

261

515

3%

P

262

4.050

15.072

19.383

97%

Totaal

442

4.122

15.333

19.897

100%

%

2%

21%

77%

100%

322

54

408

785

2011 O

4%

P

266

2.459

17.080

19.805

96%

Totaal

589

2.513

17.488

20.590

100%

%

3%

12%

85%

100%


5

76

Tabel 5.4: Totaal O&O-personeel (in VTE) van de bedrijven in de inventaris volgens scenario 2 Inventaris

Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2010 O

181

73

261

515

3%

P

453

4.050

15.072

19.574

97%

Totaal

633

4.122

15.333

20.088

100%

%

3%

21%

76%

100%

2011 O

322

54

408

785

4%

P

458

2.459

17.080

19.997

96%

Totaal

781

2.513

17.488

20.782

100%

%

4%

12%

84%

100%

5.3.2.3 Uitgaven voor interne O&O binnen de inventaris nader bekeken De uitgaven voor interne O&O van de inventarisbedrijven worden eerst opgesplitst volgens sector en grootteklasse. We sluiten deze sectie af met de verdeling over de verschillende types inventarisbedrijven om de sterke concentratie aan te geven. â&#x2014;?

Sector

Uit de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de verschillende sectoren4 volgens de O&O-activiteiten (tabel 5.5a), blijkt duidelijk op welke sectoren de O&O-activiteiten in Vlaanderen gericht zijn: het betreft de high-tech sectoren van de chemische en farmaceutische producten (NACE 20-21); informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27); machines en transportmiddelen (NACE 28-30); alsook productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische

Men kan de O&O-uitgaven van bedrijven op twee manieren

testen en toetsen (NACE 59-63,71). Wanneer we de

toewijzen aan een bepaalde sector. In vorige edities van dit

farmaceutische sector (NACE 21) apart bekijken dan bedraagt

Indicatorenboek werden de O&O-uitgaven toegekend aan de

hun aandeel voor 2010 en 2011 respectievelijk 23% en 24%.

sector waarvoor de bedrijven aangaven aan onderzoek en

Het aandeel van de ICT-sector (hier gedefinieerd als NACE 61-63)

ontwikkeling te doen. Als een chemisch bedrijf bijvoorbeeld

bedraagt voor 2010 en 2011 respectievelijk 12% en 13%.

aangaf dat 20% van zijn O&O-activiteiten gericht waren op de ontwikkeling van producten voor de bouwsector, dan werd

De verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de

die 20% toegekend aan de bouwsector. In deze editie van

verschillende sectoren volgens de algemene bedrijfsactiviteiten

het Indicatorenboek presenteren wij ook de resultaten van een

(tabel 5.5b) geeft een gelijkaardig beeld. Het aandeel van de

tweede benadering, waarbij de O&O-uitgaven toegekend

sector van de chemische en farmaceutische producten (NACE

worden aan de algemene activiteitensector van het bedrijf.

20-21) is hier wel duidelijk lager, ten voordele van de sector

Voor bovenstaand voorbeeld, betekent dit dat alle O&O-uitgaven

productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's,

toegekend worden aan de chemische sector. Een sector die

ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen, en

extra aandacht vraagt bij het gebruiken van deze beide

onderzoek en ontwikkeling (NACE 59-63,71-72). Dit is te wijten

benaderingen is NACE 72 (onderzoek en ontwikkeling).

aan het feit dat veel bedrijven in NACE 72 onderzoek en

De O&O-uitgaven voor de bedrijven in deze sector worden

ontwikkeling doen voor de chemische en farmaceutische

integraal verspreid over andere sectoren in de eerste

industrie.

benadering. Bij de tweede benadering worden deze uitgaven gewoon gerapporteerd onder NACE 72.

4 Om deze nota niet onnodig te verzwaren, worden in de tabellen de verschillende NACE-groeperingen slechts kort omschreven. De volledige omschrijving van de NACE-sectoren is terug te vinden in bijlage 3. In deze bijlage wordt een beknopte versie van de NACE-classificatie gegeven. De uitgebreide versie is te raadplegen in een publicatie van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/nl/statistieken/gegevensinzameling/nomenclaturen/ nacebel/index.jsp. Merk op: vanaf 2008 volgen wij de NACE-BEL 2008, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

77

Tabel 5.5a: Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de NACE-sectoren (volgens NACE-code van de O&O-activiteiten) Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken Textiel, kleding en leder

10-11

4%

4%

13-15

1%

1%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

1%

1%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

4%

4%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

33%

34%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

6%

6%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

15%

14%

Machines en transportmiddelen

28-30

12%

12%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

4%

4%

Groot- en detailhandel

45-47

0%

0%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71

17%

16%

4%

4%

100%

100%

en elektrische apparatuur

en technische testen en toetsen Overige diensten

49-58, 64-70, 73-99

Totaal

Tabel 5.5b: Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de NACE-sectoren (volgens NACE-code van de algemene activiteiten) Sector

NACE-codes

Voeding en dranken

10-11

2010

2011

3%

3%

Textiel, kleding en leder

13-15

1%

1%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

1%

1%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

Chemische en farmaceutische producten

20-21

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

3%

3%

21%

25%

5%

5%

26-27

14%

14%

Machines en transportmiddelen

28-30

10%

10%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

2%

2%

Groot- en detailhandel

45-47

2%

2%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71-72

29%

26%

en elektrische apparatuur

en technische testen en toetsen, onderzoek en ontwikkeling Overige diensten Totaal

49-58, 64-70, 73-99

9%

8%

100%

100%


5

78

Tabel 5.6: Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de grootteklassen Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

500 of meer

2010

3%

9%

25%

13%

50%

2011

3%

9%

24%

13%

52%

Tabel 5.7: Verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de types inventarisbedrijven Top-50 P

Overige P

O

2010

Type inventarisbedrijf:

62%

37%

2%

2011

62%

35%

2%

●

In tabel 5.8a zien we dat de verdeling van het O&O-personeel

Grootte Tabel 5.6 geeft de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de grootteklassen. Het is duidelijk dat de grootste bedrijven het meest spenderen aan O&O, zeker als we het kleine aantal bedrijven dat hiervoor verantwoordelijk is in het achterhoofd houden.

●

over de sectoren volgens de O&O-activiteiten grotendeels gelijkaardig is aan de verdeling van de uitgaven voor interne O&O over de sectoren. Het aandeel van de chemische en farmaceutische sector (NACE 20-21) ligt lager dan bij de verdeling van de O&O-uitgaven, wat wijst op een relatief kapitaalintensief O&O-proces in deze sector6. Verder hebben ook hier de sectoren informatica-, elektronische, optische

O&O-grootte en concentratie

producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27); machines

Tabel 5.7 geeft de verdeling van de uitgaven voor interne O&O

en transportmiddelen (NACE 28-30); alsook productiehuizen,

over de verschillende types inventarisbedrijven. We zien dat de

telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

uitgaven voor interne O&O sterk geconcentreerd zijn bij een

en technische testen en toetsen (NACE 59-63,71) een relatief

kleine groep van bedrijven. Dit bevestigt de validiteit van de

hoog aandeel in het totaal. Wanneer we de farmaceutische

keuze voor een inventarisbenadering. De top-50 bedrijven met

sector (NACE 21) apart bekijken dan bedraagt hun aandeel

5

de hoogste uitgaven voor interne O&O vertegenwoordigen

voor 2010 en 2011 respectievelijk 13% en 12%. Het aandeel

62% van de uitgaven voor interne O&O in 2010 en 2011.

van de ICT-sector (hier gedefinieerd als NACE 61-63) bedraagt

De permanente O&O-besteders buiten deze top-50, vertegen-

voor 2010 en 2011 respectievelijk 15% en 16%.

woordigen nog eens 37%, respectievelijk 35%, van de budgetten voor interne O&O in 2010 en 2011. De occasionele O&O-besteders

De verdeling van de O&O-personeelsleden over de verschillende

vertegenwoordigen slechts 2% van deze budgetten.

sectoren volgens de algemene bedrijfsactiviteiten (tabel 5.8b) geeft opnieuw een gelijkaardig beeld. Ook hier is het aandeel

5.3.2.4 O&O-personeel binnen de inventaris nader bekeken Eerst bespreken we de opsplitsingen van het O&O-personeel volgens sector en grootteklasse. Afsluitend volgt de verdeling over de verschillende types inventarisbedrijven. ●

Sector

van de sector van de chemische en farmaceutische producten (NACE 20-21) duidelijk lager, ten voordele van de sector productiehuizen,

telecommunicatie,

computerprogramma's,

ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen, en onderzoek en ontwikkeling (NACE 59-63,71-72) waar veel O&O voor de chemische en farmaceutische industrie gebeurt.

Ook het O&O-personeel kan op twee manieren toegewezen aan een bepaalde sector.

5 De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2010 en 2011 zoals afgeleid uit de huidige enquête. 6 De vierde fase van de klinische tests wordt niet meegerekend als O&O, volgens de richtlijnen van de Frascati Manual (OECD, 2002) rond O&O-enquêtes.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

79

Tabel 5.8a: Verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren (volgens NACE-code van de O&O-activiteiten) Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken Textiel, kleding en leder

10-11

5%

5%

13-15

2%

2%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

1%

1%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

4%

4%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

23%

22%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

6%

6%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

16%

15%

Machines en transportmiddelen

28-30

14%

14%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

4%

3%

Groot- en detailhandel

45-47

1%

1%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71

20%

21%

5%

5%

100%

100%

en elektrische apparatuur

en technische testen en toetsen Overige diensten

49-58, 64-70, 73-99

Totaal

Tabel 5.8b: Verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren (volgens NACE-code van de algemene activiteiten) Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken Textiel, kleding en leder

10-11

4%

4%

13-15

2%

2%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

1%

1%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

3%

4%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

14%

14%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

6%

6%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

15%

14%

Machines en transportmiddelen

28-30

11%

12%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

2%

2%

Groot- en detailhandel

45-47

2%

2%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71-72

29%

30%

49-58, 64-70, 73-99

10%

10%

100%

100%

en elektrische apparatuur

en technische testen en toetsen, onderzoek en ontwikkeling Overige diensten Totaal


5

80

Tabel 5.9:

Verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

500 of meer

2010

4%

13%

26%

13%

44%

2011

4%

14%

27%

12%

43%

Tabel 5.10:

Verdeling van het O&O-personeel over de types inventarisbedrijven Top-50 P

Overige P

O

2010

Type inventarisbedrijf:

50%

48%

3%

2011

48%

48%

4%

●

Grootte

●

Totaal

Bij de verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen

Tabel 5.11 geeft de totale O&O-intensiteiten.

(zie tabel 5.9) worden de vroegere conclusies bevestigd:

De O&O-intensiteit berekend als

het merendeel van de O&O-personeelsleden is actief in een

uitgaven voor interne O&O

beperkt aantal grote bedrijven. ●

O&O-grootte en concentratie Tabel 5.10 toont de sterke concentratie van het O&O-personeel

omzet bedroeg 2,1% in 20107. In 2011 was dat 2,2%. Volgens de dimensie

in de top-50 bedrijven. De concentratie is echter minder

O&O-personeel ,

uitgesproken dan voor de O&O-uitgaven.

totaal personeel was de O&O-intensiteit 7,1% in 2010 en 7,2% in 2011.

5.3.2.5 O&O-intensiteit

We zien dat zowel

De O&O-intensiteit van de bedrijven wordt in dit hoofdstuk

uitgaven voor interne O&O

bekeken vanuit twee dimensies. Enerzijds wordt de verhouding uitgaven voor interne O&O

omzet als

omzet

O&O-personeel totaal personeel

berekend. De tweede dimensie betreft de verhouding O&O-personeel totaal personeel

licht stijgen in de beschouwde periode. Deze tendensen kunnen verklaard worden als we de onderliggende basisgegevens bekijken (zie tabel 5.11). We zien in alle cijfers

In deze berekeningen worden enkele de O&O-actieve

een stijging van 2010 naar 2011, maar deze stijging is telkens

inventarisbedrijven meegeteld. Eerst wordt de totale O&O-

meer uitgesproken voor de O&O-cijfers vergeleken met de

intensiteit gegeven en daarna volgen de opsplitsingen volgens

cijfers voor omzet en totaal personeel. Ook in deze moeilijke

sector en grootteklasse.

economische tijden, lijken onze Vlaamse bedrijven het belang van O&O in te zien.

7 Bij het relateren van de O&O-uitgaven aan de omzet werd enkel gewerkt met de subset van bedrijven waarvoor de omzet beschikbaar was, zo’n 74% van de inventarisbedrijven in 2010 en 75% in 2011. Met name kleine bedrijven met minder dan 50 werknemers voldoen wel eens aan de criteria waarbij het hen toegelaten is een verkorte jaarrekening neer te leggen. Bijgevolg is voor hen geen omzet beschikbaar in de publiek consulteerbare bronnen. Van middelgrote en grote bedrijven is nagenoeg steeds hun omzet bekend.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

Tabel 5.11:

81

Totale O&O-intensiteit

Omzet*

2010

2011

Groei

134.221

146.584

9,2%

Uitgaven voor interne O&O*

2.845

3.181

11,8%

Uitgaven voor interne O&O

2,1%

2,2%

2,4%

Totaal personeel

281.606

287.595

2,1%

O&O-personeel

19.971

20.646

3,4%

7,1%

7,2%

1,2%

omzet

O&O-personeel totaal personeel * in miljoen euro

●

Sector

●

Grootte

De O&O-intensiteiten zijn in tabel 5.12a en tabel 5.13a

In tabellen 5.14 en 5.15 wordt de opsplitsing van de O&O-

opgedeeld volgens de sector van de O&O-activiteiten. We zien

intensiteiten per grootteklasse gegeven. Voor de eerste dimensie

in tabel 5.12a dat volgens de verhouding

uitgaven voor interne O&O omzet

uitgaven voor interne O&O omzet

zijn de erg kleine bedrijven, met minder dan 10 werknemers,

de sector productiehuizen, telecommunicatie, computer-

relatief het meest O&O-intensief. Wanneer we de O&O-intensiteit

programma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en

bekijken op basis van het personeel, zien we dat ook hier de

toetsen (NACE 59-36, 71) het meest O&O-intensief is, gevolgd

kleinste bedrijven (1-9 werknemers) een hogere O&O-

door de sectoren informatica-, elektronische, optische

intensiteit hebben dan de andere spelers. Het is duidelijk dat

producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27) en

deze kleine bedrijven in absolute termen kleine O&O-spelers

8

chemische en farmaceutische producten (NACE 20-21) .

zijn, vergeleken met de top-50 bedrijven, maar dat ze intensief met O&O bezig zijn.

Voor de dimensie O&O-personeel totaal personeel zijn het dezelfde drie sectoren die de hoogste intensiteiten vertonen, zij het dat de percentages hier beduidend hoger liggen9. Voor de volledigheid geven tabel 5.12b en 5.13b de sectorale O&O-intensiteiten opgedeeld volgens de algemene bedrijfsactiviteiten. Ook hier neemt de O&O-intensiteit van de chemische en farmaceutische sector – zowel in termen van omzet als personeel – af ten voordele van de sector productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen, en onderzoek en ontwikkeling (NACE 59-63,71-72) waar veel O&O voor de chemische en farmaceutische industrie gebeurt.

5.4 RESULTATEN VOOR DE TOTALE POPULATIE 5.4.1

De totale uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven in 2010 en 2011

Zoals aangegeven in sectie 5.2.3 en nader omschreven in bijlage 2, worden de O&O-uitgaven van de bedrijven in de inventaris opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten de inventaris om eventueel ontbrekende gegevens op te vangen. In de O&Oenquête van 2012 werd hiervoor gewerkt met een gestratificeerde steekproef. Van de 1.955 aangeschreven bedrijven antwoordden er 1.241, ofwel 63%. Deze antwoorden werden gewogen om op die manier de bekomen resultaten te extrapoleren tot de beoogde populatie.

8 Wanneer we nog verder inzoomen op de farmaceutische sector (NACE 21) dan zien we dat hun individuele intensiteit nog hoger is: respectievelijk 17,9% en 19,8% in 2010 en 2011. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2009 en 2011. 9 Wanneer we nog verder inzoomen op de farmaceutische sector (NACE 21) dan zien we dat hun individuele intensiteit nog hoger is: respectievelijk 29,7% en 29,2% in 2010 en 2011. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2009 en 2011.


5

82

Tabel 5.12a: O&O-intensiteit

uitgaven voor interne O&O omzet

per sector (volgens NACE-code van de O&O-activiteiten)

Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken

10-11

0,8%

0,8%

Textiel, kleding en leder

13-15

1,0%

1,2%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

0,5%

0,5%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

1,5%

1,5%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

4,3%

4,7%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

1,5%

1,4%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

6,0%

6,3%

Machines en transportmiddelen

28-30

1,0%

1,0%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

1,6%

1,6%

Groot- en detailhandel

45-47

0,1%

0,1%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71

7,6%

8,0%

49-58, 64-70, 73-99

1,8%

1,7%

en technische testen en toetsen Overige diensten

Tabel 5.12b: O&O-intensiteit

uitgaven voor interne O&O omzet

per sector (volgens NACE-code van de algemene activiteiten)

Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken

10-11

0,6%

0,6%

Textiel, kleding en leder

13-15

1,1%

1,3%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

0,5%

0,5%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

1,3%

1,4%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

2,9%

3,4%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

1,4%

1,2%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

7,0%

7,5%

Machines en transportmiddelen

28-30

1,5%

1,5%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

1,0%

1,2%

Groot- en detailhandel

45-47

0,3%

0,3%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71-72

14,8%

15,0%

1,1%

1,0%

en technische testen en toetsen, onderzoek en ontwikkeling Overige diensten

Tabel 5.14:

O&O-intensiteit

49-58, 64-70, 73-99

uitgaven voor interne O&O omzet

per grootteklasse

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

500 of meer

2010

5,0%

3,2%

2,7%

2,1%

1,8%

2011

4,9%

3,3%

2,7%

2,1%

1,9%


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

Tabel 5.13a: O&O-intensiteit

O&O-personeel totaal personeel

83

per sector (volgens NACE-code van de O&O-activiteiten)

Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken

10-11

3,7%

3,9%

Textiel, kleding en leder

13-15

2,8%

3,0%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

2,3%

2,5%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

Chemische en farmaceutische producten

20-21

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

Machines en transportmiddelen

28-30

6,3%

6,4%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

3,7%

3,7%

Groot- en detailhandel

45-47

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71

3,9%

4,1%

13,6%

13,6%

5,0%

5,3%

17,7%

17,6%

0,8%

0,7%

16,6%

17,2%

3,3%

3,2%

en technische testen en toetsen Overige diensten

Tabel 5.13b: O&O-intensiteit

49-58, 64-70, 73-99

O&O-personeel totaal personeel

per sector (volgens NACE-code van de algemene activiteiten)

Sector

NACE-codes

2010

2011

Voeding en dranken

10-11

2,9%

3,1%

Textiel, kleding en leder

13-15

2,9%

3,1%

Hout, kurk, papier, drukwerk en meubels

16-18, 31

2,3%

2,5%

Raffinaderijen, rubber, kunststoffen, en niet-metaalhoudende minerale producten

19, 22-23

3,4%

3,8%

Chemische en farmaceutische producten

20-21

9,2%

9,1%

Metallurgie, producten in metaal, reparatie en installatie van machines en apparaten

24-25, 33

4,6%

5,0%

Informatica-, elektronische, optische producten, en elektrische apparatuur

26-27

19,1%

18,9%

Machines en transportmiddelen

28-30

5,3%

5,6%

Overige industrie

01-09, 12, 32, 35-43

2,3%

2,4%

Groot- en detailhandel

45-47

1,8%

1,8%

Productiehuizen, telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten

59-63, 71-72

23,7%

24,1%

6,5%

5,9%

en technische testen en toetsen, onderzoek en ontwikkeling Overige diensten

Tabel 5.15:

O&O-intensiteit

49-58, 64-70, 73-99

O&O-personeel totaal personeel

per grootteklasse

Aantal werknemers:

1 tot 9

10 tot 49

50 tot 249

250 tot 499

500 of meer

2010

28,0%

12,1%

8,0%

5,2%

6,2%

2011

31,1%

12,7%

8,5%

5,1%

6,1%


5

84

Tabel 5.16:

5.4.2

Schatting van de O&O-bedragen buiten

Historische evolutie van de uitgaven voor interne O&O van Vlaamse bedrijven

de inventaris van bekende O&O-spelers (in duizend euro)

Bij de O&O-enquêtes van 2008 en 2010 werden inspanningen geleverd om de historische reeks van O&O-cijfers te valideren.

2010

94.102

2011

114.612

De gegevens van de vorige O&O-enquêtes kunnen dus in het kader van deze gecorrigeerde historische reeks bekeken worden. We zien in tabel 5.18 dat de dalende trend die sinds 2002 werd

Tabel 5.17:

geobserveerd, sinds 2005 was omgekeerd. Na een lichte daling in

Totale uitgaven voor interne O&O van

2009, te wijten aan de financiële en economische crisis, zien wij

de Vlaamse bedrijven (in duizend euro;

dat deze stijgende trend zich verderzet in 2010 en 2011.

exclusief de collectieve onderzoekscentra) 2010

2011

Scenario 1

3.035.166

3.405.773

Scenario 2

3.045.092

3.416.446

5.4.3

Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR

Vertrekkende van tabel 5.18 kunnen we de evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij bedrijven als % van het BBPR

Tabel 5.16 geeft de resulterende bedragen voor de populatie van niet-inventarisbedrijven weer. Tabel 5.17 geeft de totale cijfers voor uitgaven voor interne O&O van de bedrijven in Vlaanderen weer, inclusief de opgehoogde bedragen. Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks voor 2010 en 2011 weergeven. Immers, ook de uitgaven voor interne O&O van de collectieve onderzoekscentra moeten nog in rekening gebracht worden bij de berekening van de totale BERD. In hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers samengebracht tot de volledige BERD-reeks.

Tabel 5.18:

(Bruto Binnenlands Product van de Regio) voor 2010 en 2011 berekenen. Ten opzichte van de rapportering betreffende de O&O-enquête van 2010 werd een extra update gemaakt, namelijk de verrekening van de meest recente cijfers voor het Vlaamse BBP van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. (zie tabel 5.19)10. De ratio’s worden weergegeven in tabel 5.20. Deze ratio bedraagt in het basisscenario (scenario 2) 1,50% voor 2010 en 1,61% voor 2011. Hier laat de historische vergelijking zien dat deze percentages hoger zijn dan in 2009.

Historische evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven (in miljoen euro; volgens scenario 2; exclusief de collectieve onderzoekscentra)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

3.045

3.416

Tabel 5.19:

Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

127.217

131.603

137.159

145.096

148.945

153.808

158.324

167.551

174.288

183.996

194.866

199.957

195.355

202.730

211.717

Bron: HERMREG, juni 2012

Tabel 5.20:

Evolutie van de uitgaven voor interne O&O bij de Vlaamse bedrijven als % van BBPR (volgens scenario 2; exclusief de collectieve onderzoekscentra)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

1,42%

1,44%

1,54%

1,67%

1,79%

1,57%

1,47%

1,38%

1,40%

1,33%

1,33%

1,38%

1,37%

1,50%

1,61%

10 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Daardoor kunnen sommige waarden in tabel 5.20 verschillen van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

5.5 CONCLUSIE

85

●

Onzekerheden wegwerken op wetenschappelijk of technisch vlak (op bedrijfs- of marktniveau)

Dit hoofdstuk geeft een eerste inzicht in de voorlopige resultaten

●

van de O&O-enquête van 2012 op basis van de Vlaamse enquêteresultaten. Naarmate de Belgische gegevens beschikbaar

eventuele prototypes (ontwikkeling) ●

sectorgebonden basistechnieken

verder geoptimaliseerd worden. In verdere publicaties van het ●

zijn gebaseerd op uitgebreide controles en validatie van de onderliggende gerapporteerde brondata.

Farmaceutische sector (NACE-BEL 21): klinische testen (fasen 1, 2 en 3) maken deel uit van de interne of uitbestede O&O

verfijnd worden en zullen de resultaten met betrekking tot de extrapolaties verder op punt gesteld worden. De huidige resultaten

O&O begint wanneer de oplossing van een probleem niet evident is voor iemand die op de hoogte is van het geheel aan

worden, kunnen de extrapolaties van de O&O-gegevens nog Expertisecentrum O&O Monitoring zal deze analyse nog verder

Uitwerken van een idee in een praktische toepassing met

Niet inbegrepen  Marktonderzoeken  Scholing en training

De stijgende trend in O&O-uitgaven bij onze Vlaamse bedrijven

 Metingen of controles met een routinematig karakter

die in vorige jaren werd vastgesteld, zet zich, na een beperkte

 Onderzoek gericht op (esthetische) vormgeving en andere niettechnologische veranderingen (geur, kleur, smaak, …)

terugval in 2009, verder in 2010 en 2011. De ratio van de uitgaven voor interne O&O bij de bedrijven als % van het BBPR bedraagt

 Werkzaamheden i.v.m. het aanvragen van octrooien en licenties

1,50% voor 2010 en 1,61% voor 2011.

 Het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-) apparatuur

In hoofdstuk 7 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers verwerkt

 Het herschrijven van bestaande software en/of klant-specifiek

in de totale BERD (inclusief de collectieve onderzoekscentra) en

maken van al op de markt gebrachte software

GERD (“Gross Expenditures on Research and Development”).

 Design, testproductie, commercialisering

Hierin zitten ook de uitgaven van de overheid, de onderwijs-

 Aankoop van technologie in de vorm van octrooien en licenties

instellingen, de non-profitinstellingen, ... vervat.

 Farmaceutische sector: commercialisatiefase (fase 4) maakt geen deel uit van de O&O, tenzij deze fase verdere wetenschappelijke of technologische vooruitgang teweegbrengt

5.6 REFERENTIES ●

OECD, Proposed Standard Practice for Surveys on Research and Experimental Development: Frascati Manual: The Measurement of Scientific and Technological Activities Series, Paris, OECD, 2002.

Wij baseren ons voor de definitie op de Frascati Manual (OESO, 2002). Voor meer informatie, waaronder ook voorbeelden en uitgebreidere definities: www.ecoom.be/RDuitleg Interne O&O Inbegrepen

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN DE DEFINITIES DIE GEBRUIKT WERDEN IN DE O&O-ENQUÊTE VAN 2012 Onderzoek en ontwikkeling (O&O) Onderzoek en ontwikkeling (O&O), ook wel ‘Research & Development’ (R&D) genoemd, omvat fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling. Inbegrepen

●

O&O uitgevoerd binnen de eigen onderneming (d.w.z. met eigen personeel en/of op de eigen werkvloer/terreinen)

●

Interne O&O-activiteiten van alle vestigingseenheden binnen uw onderneming (d.w.z. plaatsen waar uw onderneming zich gevestigd heeft en die in het BTW-nummer van uw onderneming vervat zitten)

Niet inbegrepen  Uitbestede O&O, d.w.z., O&O die aangekocht wordt door uw onderneming en die verricht is door andere ondernemingen of instellingen  O&O-activiteiten van andere ondernemingen binnen uw groep

●

Op geplande, systematische en creatieve wijze nieuwe kennis creëren

(dochter-, zuster- of moederondernemingen) die uitgevoerd zijn

●

Deze kennis gebruiken om nieuwe toepassingen te

in opdracht van en betaald door uw onderneming (zij worden

ontwikkelen, zoals goederen, diensten of productiemethoden

immers beschouwd als uitbestede O&O)


5

86

Uitgaven voor interne O&O Inbegrepen ●

Loonkosten van het eigen O&O-personeel, ook indien dit personeel bij u in loondienst is, maar elders werkzaam, bv. bij klanten of bij andere ondernemingen in uw groep

●

BIJLAGE 2: BELANGRIJKSTE ETAPPES VAN DE SCHATTINGSMETHODOLOGIE VAN DE O&O-GEGEVENS BIJ DE BEDRIJVEN

Andere werkingsuitgaven, inclusief loonkosten voor on-site

1. Samenstelling van de inventaris ●

van België, uitgevoerd in 1994, 1996, 1998, 2000, 2002, 2004,

consultants, overheadkosten voor bv. HR en boekhouding ●

Investeringen, bv. grond, gebouwen, O&O-uitrusting, …

●

Publieke interventies, bv. subsidies, premies, vermindering van de bedrijfsvoorheffing, tegemoetkomingen in loonkost van onderzoekers of in investeringskosten van O&O en octrooien, vrijstelling van douanerechten, …

Personeel voor interne O&O

2006, 2008, en 2010 – luik privé-ondernemingen; ●

CIS-enquêtes 1, 2, 3, 4, 2007, 2009 en 2011;

●

Jaarverslagen van de ondernemingen (Nationale Bank van België, Belfirst, enz.);

●

Alle eigen personeelsleden, rechtstreeks betrokken bij de O&O van uw onderneming

●

●

Andere bronnen zoals toekenningen van octrooien en van fiscale attesten voor O&O-personeel, gebruik maken van fiscale maatregelen voor O&O-personeel, … ;

●

Opsplitsing bedrijven die permanent dan wel occasioneel aan O&O doen (P- versus O-inventaris).

Inbegrepen ●

Enquêtes van de inventaris van het wetenschappelijk potentieel

2. Consolidatie van de inventaris

Zij die diensten verstrekken, rechtstreeks gericht op uw O&O

●

Ondernemingsnummer, naam van de ondernemingen, adressen;

(zoals: kaderpersoneel, bestuurders en kantoorpersoneel die

●

Koppeling aan Belfirst (ondernemingsnummer, oprichtingsdatum,

rechtstreeks O&O ondersteunen)

juridische toestand, werkgelegenheid, omzet, activiteitensector,

Alle onderzoekers, technisch en ander personeel dat aan uw

contactgegevens).

O&O meewerkt ●

Zij die O&O uitvoeren voor andere ondernemingen (inclusief ondernemingen van uw groep), maar die op de loonlijst van uw onderneming staan

Niet inbegrepen  On-site consultants (maar hun loonkost wordt wel mee opgenomen in het budget voor interne O&O, als andere werkingsuitgaven)  Personeel van algemene diensten zoals HR en boekhouding (maar de hiermee verbonden overheadkosten worden wel mee opgenomen in het budget voor interne O&O, als andere werkingsuitgaven)

3. Logische en coherentiecontroles van de enquêteantwoorden Coherentietests en logische controles waaronder de controle van de boekjaren, de ratio O&O-uitgaven/O&O-personeel, de opsplitsing van de O&O-personeelsaantallen volgens functie en kwalificatieniveau, de gerapporteerde omzet/personeel ten opzichte van de Belfirst-omzet/Belfirst-personeel, het aantal O&O-personeelsleden in voltijdse equivalenten ≤ het aantal O&O-personeelsleden in fysieke eenheden,… 4. Aanvulling van gedeeltelijke antwoorden Wanneer een bedrijf de O&O-gegevens slechts gedeeltelijk

Uitbestede O&O Inbegrepen ●

antwoorden bij de vorige twee enquêtes, of wanneer die niet beschikbaar zijn, op basis van sectorgemiddelden.

O&O die door derden werd uitgevoerd in opdracht van uw

De hoeveelheid O&O-uitgaven per O&O-personeelslid is

onderneming (op niveau van uw BTW-nummer), en die door

hierbij een veelgebruikte ratio.

uw onderneming werd aangekocht ●

heeft ingevuld, gebeurt de schatting aan de hand van de

O&O-activiteiten van andere ondernemingen binnen uw groep (dochter-, zuster- of moederondernemingen), uitgevoerd in opdracht van en betaald door uw onderneming (hetzij op contractbasis, hetzij via overheadregelingen)


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

87

Als O&O-uitgavengem_cel en Omzetgem_cel worden respectievelijk

5. Interpolatie voor niet-respondenten uit de P-inventaris ●

de gemiddelde O&O-uitgaven en de gemiddelde omzet

Interpolatie aan de hand van een previsiecijfer. Voorwaarde:

berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf

gegevens voor 2010 ontbreken, het previsiecijfer is beschikbaar

behoort en dit voor 2010.

voor 2010 (uit de vorige enquête) en de groei/afname van de previsie voor 2010 ten opzichte van het gerapporteerde getal voor 2008 of 2009 is geen outlier vergeleken met de groeicijfers van de andere bedrijven in die sector. ●

●

Voor de O&O-gegevens van 2011 wordt een groeicijfer toegepast op de geschatte gegevens van 2010. Dit groeicijfer bestaat uit het gemiddelde van de groei van het bedrijf

Interpolatie aan de hand van historische data + groeivoet.

(afgeleid uit data van deze en de twee vorige enquêtes) én van

Voorwaarde: vorige regel niet van toepassing, historische

de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort.

gegevens beschikbaar en de groei/afname van de historische

Indien de groei van een bedrijf niet berekend kan worden,

gegevens van het bedrijf vormt geen outlier vergeleken met

wordt enkel de gemiddelde groei van de sector genomen.

die van de andere bedrijven binnen die sector. Het gebruikte groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort (voor 2010-2011), of enkel de laatste wanneer voor het bedrijf maar één historische observatie beschikbaar is. ●

Voor de bedrijven die occasioneel aan O&O doen (O-inventaris) wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel waartoe het bedrijf behoort11. Elk bedrijf behoort tot een specifieke cel op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.

Interpolatie aan de hand van gegevens van de CIS 2011. Voorwaarde: beide vorige regels zijn niet van toepassing.

6. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit de P-inventaris

●

7. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit de O-inventaris

8. Extrapolatie van de bedrijven buiten de inventaris Voor de schatting van het aandeel van de bedrijven buiten de inventaris in de O&O-cijfers werd gebruik gemaakt van een

Wanneer er geen bruikbare historische data beschikbaar zijn

gestratificeerde steekproef van deze bedrijven. De bekomen

voor de niet-respondenten uit de P-inventaris, wordt er

steekproefresultaten worden gewogen om op die manier te

geëxtrapoleerd. Voor elk bedrijf wordt bepaald tot welke cel het

kunnen veralgemenen naar de beoogde populatie van

behoort, op basis van zijn NACE-sector en grootteklasse.

bedrijven buiten de inventaris van bekende O&O-spelers.

Voor het schatten van het O&O-personeel voor 2010 wordt de verhouding O&O-personeelgem_cel * Totaal personeelbedrijf Totaal personeelgem_cel gebruikt. Als O&O-personeelgem_cel en Totaal personeelgem_cel worden respectievelijk het gemiddeld aantal O&O-personeelsleden en het gemiddeld totaal aantal personeelsleden berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2010.

●

Hierna worden de geschatte O&O-uitgaven berekend voor 2010 aan de hand van de verhouding O&O-uitgavengem_cel * Omzetbedrijf Omzetgem_cel

11 Voorlopig worden enkel de Vlaamse cijfers gebruikt om celgemiddelden te berekenen. In een later stadium, wanneer de Belgische cijfers beschikbaar zijn, kunnen voor de cellen waar er weinig Vlaamse observaties zijn, Belgische celgemiddelden gebruikt worden.


5

88

BIJLAGE 3: NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE Beschrijving

Code

Primaire sector Landbouw, jacht, bosbouw en visserij Winning van delfstoffen

01, 02, 03 05, 06, 07, 08, 09

Verwerkende nijverheid Voedingsmiddelen

10

Dranken

11

Tabaksproducten

12

Textiel

13

Kleding en bontnijverheid

14

Leernijverheid en schoeisel

15

Hout en kurk (exclusief meubels)

16

Papier en kartonnijverheid

17

Drukkerijen en reproductie van opgenomen media

18

Cokes en geraffineerde aardolieproducten

19

Chemische producten (exclusief farmaceutische producten)

20

Farmaceutische grondstoffen en producten

21

Rubber en kunststoffen

22

Niet-metaalhoudende minerale producten

23

Metallurgie

24

Producten in metaal (exclusief machines en werktuigen)

25

Informaticaproducten, elektronische en optische producten

26

Elektrische apparatuur

27

Machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.

28

Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers

29

Andere transportmiddelen

30

Meubels

31

Overige industrie

32

Reparatie en installatie van machines en apparaten Productie en distributie van elektriciteit, gas, gekoelde lucht en water

33 35, 36

Recuperatie van recycleerbaar afval

37, 38, 39

Bouwnijverheid

41, 42, 43

Dienstensector Handel in en onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen

45

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen

46

Detailhandel, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen

47

Vervoer, opslag, posterijen en koeriers Hotels en restaurants Uitgeverijen Productiehuizen, programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma’s

49, 50, 51, 52, 53 55, 56 58 59, 60

Telecommunicatie

61

Ontwerpen en programmeren van computerprogramma's, computerconsultancy-activiteiten en aanverwante activiteiten

62

Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

63

Financiële instellingen (inclusief verzekeringen) Immobiliën

64, 65, 66 68


O&O-ACTIVITE I TE N VAN D E VL A A M S E B E D R I JVE N

89

Beschrijving

Code

69, 70, 73, 74, 75

Overige zakelijke dienstverlening Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen

71

Onderzoek en ontwikkeling

72 77, 78, 79, 80, 81, 82

Administratieve en ondersteunende diensten

84 tot en met 99

Openbaar bestuur, sociale en collectieve diensten,...

BIJLAGE 4: TOP-50 BEDRIJVEN

• CYTEC SURFACE SPECIALTIES • DU PONT DE NEMOURS (BELGIUM)

De volgende tabel bevat 44 bedrijven die zowel in de O&O-

• EANDIS

enquête van 2010 als die van 2012 tot de top-50 van grootste

• EXXONMOBIL CHEMICAL EUROPE INC

O&O-spelers in Vlaanderen behoorden. Deze lijst werd

• GALAPAGOS NV

samengesteld op basis van de gerapporteerde O&O-uitgaven en

• GENZYME FLANDERS

het gerapporteerde O&O-personeel die in de O&O-enquête van

• ICOS VISION SYSTEMS

2012 verzameld werden, en de historische cijfers beschikbaar

• JANSSEN INFECTIOUS DISEASES-DIAGNOSTICS

van de vorige O&O-enquête. Voor de O&O-enquête van 2010,

• JANSSEN PHARMACEUTICA

werden de bedrijven gerangschikt op basis van hun gemiddelde

• LMS INTERNATIONAL

uitgaven voor interne O&O voor de jaren 2008 en 2009,

• LABORELEC

evenals op basis van hun gemiddeld aantal O&O-personeelsleden

• MATERIALISE

(in VTE) voor de jaren 2008 en 2009. Voor de O&O-enquête van

• MICHEL VAN DE WIELE

2012, werden de bedrijven gerangschikt op basis van hun

• NEWTEC CY

gemiddelde uitgaven voor interne O&O en op basis van hun

• NXP SEMICONDUCTORS BELGIUM

gemiddeld aantal O&O-personeelsleden (in VTE) voor de jaren

• ON SEMICONDUCTOR BELGIUM

2010 en 2011. De doorsnede van de top-50 bedrijven voor beide

• ONDERZOEKSCENTRUM VOOR AANWENDING VAN STAAL

edities wordt hieronder weergegeven in alfabetische volgorde.

• PFIZER MANUFACTURING BELGIUM • PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES • PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS

Bedrijven in top-50 voor de O&O-enquête van 2010 en

• PROCTER AND GAMBLE EUROCOR

van 2012 op basis van de gemiddelde uitgaven voor

• RECTICEL

interne O&O voor 2008-2009, en voor 2010-2011

• ROBERT BOSCH PRODUKTIE • SESVANDERHAVE

• ABLYNX

• SIEMENS NV

• AGFA GRAPHICS

• ST-ERICSSON BELGIUM

• AGFA HEALTHCARE

• TECHNICOLOR DELIVERY TECHNOLOGIES BELGIUM

• AGFA-GEVAERT

• TENNECO AUTOMOTIVE EUROPE

• ALCATEL-LUCENT BELL NV

• UMICORE

• ATLAS COPCO AIRPOWER

• ZF WIND POWER ANTWERPEN

• BARCO • BAYER ANTWERPEN • BEKAERT NV • BOSAL EMISSION CONTROL SYSTEMS • CARGILL HAUBOURDIN SAS • CEGEKA ICT DIENSTEN • CNH BELGIUM • CROPDESIGN NV


90

5


O N D E RZO E K E N O N T W I K K E L I N G B I N N E N D E N O N -P R O F IT S E C TO R Door Peter Viaene (EWI)

91


6

92

6.1

INLEIDING

Bij de berekening van de Vlaamse O&O-inspanningen wordt rekening gehouden met de specifieke Belgische federale staats-

De Vlaamse cijfers uit deze analyse zijn afkomstig van de

structuur die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt.

tweejaarlijkse OESO O&O-enquête non-profit (editie 2012 met

Het hoger onderwijs is immers een gemeenschapsmaterie wat toch

referentiejaren 2010 en 2011) waarin alle instellingen uit deze

wel van belang is in dit verhaal. Bij de gemeenschapsbenadering

sector bevraagd worden naar hun inspanningen voor onderzoek

worden de O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het

1

en ontwikkeling (O&O) . Deze enquête wordt georganiseerd door

hoger onderwijs – ook de Vlaamse instellingen gelegen in het

het Departement Economie, Wetenschapen Innovatie (EWI) en omvat

Brusselse Hoofdstedelijk Gewest – opgeteld. Bij de gewestbenadering

alle instellingen waarvoor de Vlaamse gemeenschap bevoegd is

daarentegen, geldt de territoriale opdeling en worden enkel

en/of die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn. Deze bevraging

de O&O-inspanningen in rekening gebracht voor de instellingen

gebeurt in nauw overleg en samenwerking met de andere

uit het hoger onderwijs gelegen in het Vlaamse Gewest. Met het

bevoegde overheden (federaal, gemeenschappen en gewesten)

oog op de internationale vergelijking wordt meestal enkel het

met het oog op het hanteren van een uniforme methodologie

gewestcijfer opgenomen voor het hoger onderwijs bij de analyses.

voor de verschillende beleidsniveaus. Door alle instanties wordt

In sommige gevallen worden toch beide cijfers (gewest- en

erover gewaakt dat deze enquête opgesteld wordt volgens

gemeenschapscijfer) opgenomen naast het totaalcijfer voor de

internationaal vastgelegde definities uit de Frascati Manual.

totale non-profit sector. De territoriale opdeling is uiteraard wel van toepassing op de overige sectoren uit de non-profit sector:

De POD Wetenschapsbeleid is de eindverantwoordelijke wat de

de publieke onderzoekscentra en de particuliere non-profit

aggregatie van de Belgische cijfers voor de non-profit sector én

organisaties.

de profit sector betreft en zorgt voor de aanlevering van de cijfers aan internationale organisaties. De geaggregeerde data uit deze

In de verdere analyse van de non-profit sector worden ook de

enquête worden onder meer gebruikt voor Eurostat en voor

statistische O&O-gegevens voor de collectieve onderzoekscentra

internationale publicaties van de OESO zoals de ‘Main Science

(met inbegrip van de competentiepolen) opgenomen. De collectieve

and Technology Indicators’.

onderzoekscentra vormen een onderdeel van de profit sector en worden bijgevolg ook in de totaalcijfers voor het O&O-personeel

De non-profit sector binnen Vlaanderen bestaat uit drie grote

en de O&O-uitgaven van de bedrijven opgenomen. Door hun

uitvoeringssectoren. De grootste sector wordt gevormd door het

economische finaliteit (meestal opgericht en voor het overgrote

hoger onderwijs samengesteld uit de universiteiten, de autonome

deel gefinancierd door de bedrijven zelf) zijn ze nauw verbonden

universitaire onderzoekscentra en de hogescholen. De twee

met de ondernemingen en worden ze in de internationale

andere subsectoren worden gevormd door de publieke Vlaamse

statistieken bij de bedrijven en de BERD-gegevens opgenomen.

onderzoekscentra enerzijds en de Vlaamse publieke en particuliere

Deze collectieve centra worden gekenmerkt door het statuut van

non-profitorganisaties anderzijds. Voorbeelden van publieke Vlaamse

een non-profit organisatie en streven niet onmiddellijk

onderzoekscentra zijn de vier grote onderzoeksinstellingen (VIB,

winstoogmerk na. De bevraging van deze instellingen gebeurt dan

VITO, IMEC en iMinds) en de Vlaamse wetenschappelijke

ook volgens de methodiek van de OESO O&O-enquête non-

instellingen die in het Vlaamse Gewest gelokaliseerd zijn zoals het

profit. Dit verklaart waarom de resultaten voor de collectieve

ILVO. Een voorbeeld van een Vlaamse publieke en particuliere

onderzoekscentra volledigheidshalve toch opgenomen worden in

non-profitorganisatie is de KMDA (beter gekend als de Zoo).

dit hoofdstuk.

Het grote kenmerk van de non-profit sector is zeker en vast de diversiteit, doordat die naast de universiteiten en hogescholen,

De bevraging van de profit sector en de non-profit sector gebeurt

ook publieke onderzoeksinstellingen bevat die sterk gespecialiseerd

door verschillende instanties zodat de analyse ook verspreid wordt

zijn op één of meerdere onderzoeksdomeinen. Deze sector omvat

over twee hoofdstukken. Deze analyse concentreert zich op de

ook enkele kleinere onderzoeksinstituten, die slechts in geringe

resultaten van de O&O-enquête non-profit terwijl de resultaten uit

mate O&O activiteiten verrichten naast andere kernactiviteiten.

de profit enquête, uitgevoerd door het Expertisecentrum O&O Monitoring, terug te vinden zijn onder hoofdstuk 5.

1 Definitie O&O: Het onderzoek en de experimentele ontwikkeling omvatten het creatieve werk dat systematisch plaatsvindt om de kennisvoorraad te vergroten, met inbegrip van die van de mens , de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te ontwikkelen (OECD, 2002, Frascati Manual p.30).


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

Het totaalbeeld voor Vlaanderen (profit en non-profit) wordt

In 2011 vertegenwoordigde het O&O-personeel uit de hogescholen

verder in hoofdstuk 7 deel I en deel II bestudeerd. De bestaande

8,9% van het O&O-personeel uit het hoger onderwijs (ongeveer

tijdsreeks uit het Vlaams Indicatorenboek WTI 2011 wordt zo

een status-quo in vergelijking met 2009). De procentuele stijging

verder uitgebreid naar 2010 en 2011. Dit laat een vergelijking

over de periode 2006-2011 van het O&O-personeel (+93%)

toe met eerdere cijfers uit vroegere versies van het Vlaams

blijft vrij indrukwekkend, al blijft het numerieke overwicht van

Indicatorenboek WTI.2

de universiteiten in de absolute cijfers sterk overeind. De O&Opersoneelsinspanningen van de hogescholen stabiliseren zich tussen 2009 en 2011.

6.2 HET O&O-PERSONEEL Het totale O&O-personeel binnen de publieke onderzoekscentra Menselijk potentieel blijft een sleutelelement met het oog op het

is tussen 2006 en 2011 met ongeveer een kwart gestegen.

versterken van de huidige kennismaatschappij. De OESO Canberra

De Vlaamse onderzoeksinstellingen gelegen in het Vlaams gewest

Manual omschrijft en definieert twee benaderingen voor het meten

(categorie 220), waartoe onder andere de vier grote strategische

van menselijk potentieel in ‘Science & Technology (S&T)’. De eerste

onderzoekscentra (IMEC, VITO, VIB en iMinds) behoren, verhogen

benadering beklemtoont de opdeling aan de hand van de formele

nog steeds hun O&O inspanningen aanzienlijk (+22,1% over het

kwalificaties of het opleidingsniveau van het O&O-personeel.

tijdsvenster 2006-2011 tegenover +23,4% voor 2004-2009). De meest recente cijfers voor 2010 en 2011 tonen aan dat het

Zo wordt het O&O-personeel opgedeeld naar universitaire

O&O-personeel binnen de federale onderzoeksinstellingen

diploma’s of masters, diploma’s hoger onderwijs één cyclus of

(categorie 210) verder blijft stijgen.

bachelors en andere kwalificaties. Een tweede opdeling van menselijk potentieel is gebaseerd op het beroep of de functie van

Het O&O-personeel bij de collectieve centra (waartoe onder meer

het O&O-personeel en deelt personeel op naar onderzoekers,

de competentiepolen en lichte structuren toe behoren) nam in

technisch personeel en administratief / overig personeel.

2010 en 2011 opnieuw licht toe. Tot slot toont tabel 6.1 het effect van de gewest- en de gemeenschapbenadering voor het

Een opdeling van de O&O-actoren binnen de non-profit sector

O&O-personeel in het hoger onderwijs. Bij het gebruik van

toont aan dat de meeste instellingen actief zijn binnen het hoger

de gemeenschapsbenadering ligt het totale O&O-personeel

onderwijs en de publieke onderzoekscentra en dat in beide

ongeveer 1.600 voltijdse eenheden hoger (correspondeert met

groepen ook dé kernspelers gesitueerd zijn.

ongeveer 9% van het totaal) dan bij de gewestbenadering, die de basis vormt voor de internationale vergelijking.

Tabel 6.1 geeft een evolutie weer van het totale O&O-personeel (in voltijdse eenheden) in de non-profit sector tussen 1993 en

Tabel 6.2 deelt het O&O-personeelscijfer (in voltijdse eenheden)

2011. In 2011 waren er ongeveer 16.600 voltijdse eenheden (VTE)

op naar geslacht en/of uitvoeringssector. De verhouding mannen/

actief aan O&O in de non-profit, een stijging van ongeveer 1.100

vrouwen bedraagt afgerond opnieuw 55/45 voor 2011. Er is een

VTE ten opzichte van 2009. Het hoger onderwijs neemt hiervan

lichte stijging van het vrouwelijk aandeel in vergelijking met

950 extra voltijdse eenheden voor onderzoek in en de publieke

de cijfers voor 2009: 56/44.

onderzoekscentra verhoogden hun onderzoeksinspanning met 150 extra VTE. Voor de periode 2006-2011 nam het cijfer voor het

Bij het hoger onderwijs ligt het aandeel van vrouwelijke O&O-

O&O-personeel in de non-profit met ongeveer 24% toe, een

personeelsleden met ongeveer 47,3% het hoogst (46,9% in 2009).

status quo ten opzichte van het vorige tijdsvenster 2004-2009.

Bij de publieke onderzoekscentra ligt dat aandeel met 34,7%

Het hoger onderwijs blijft wél het sterkst verankerd als subsector

(34,4% voor 2009) heel wat lager. De collectieve onderzoekscentra

met een aandeel van ruim 79%.

tenslotte scoren met 26,1% (28,8% in 2009) het laagst maar de representativiteit van dit cijfer ligt ook lager. Wanneer vrouwen

Binnen het hoger onderwijs is het luik universiteiten nog steeds

O&O-activiteiten uitvoeren, gebeurt dit meestal (meer dan 83%

het belangrijkste onderdeel (aandeel in O&O-personeel van 89%).

van het totale O&O-cijfer) onder de koepel van het hoger onderwijs.

2 Een aandachtige lezer merkt verschillen op met de gegevens rondom O&O-personeel, O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit gepubliceerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2011. Die zijn te wijten aan nieuwe aggregaties op Belgisch niveau (personeel en uitgaven) en nieuwe berekeningen van het bbp (Vlaams Gewest) aangeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse regering (O&O-intensiteit).

93


6

94

Tabel 6.1: Evolutie van het O&O-personeel uit de non-profit sector en de collectieve centra tussen 1993 en 2011

O&O-personeel voor Vlaanderen

1993

1998

2003

2006

2007

2008

2009

2010

2011

% groei 20062011

24,1%

200

Publieke onderzoekcentra (gewest)

1.152,8

1.767,7

2.415,0

2.540,9

2.669,1

2.753,7

2.988,9

3.051,4

3.154,2

210

Federale overheid (Vlaams Gewest)

476,7

471,6

148,8

168,7

164,2

191,3

220,6

232,6

258,4

220

Vlaamse Gemeenschap/Gewest

674,0

1.294,0

2.260,2

2.361,8

2.494,5

2.553,6

2.757,1

2.807,9

2.885,9

270

Lagere overheden

2,1

2,1

6,0

10,4

10,4

8,8

11,3

10,9

9,9

294,6

347,4

364,3

360,1

360,4

368,9

369,8

364,9

365,9

300

Publieke en particuliere

1,6%

non-profitorganisaties (gewest) 320

Semi-publieke instellingen

0,0

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

330

Particuliere centra

5,0

8,4

27,0

22,8

23,1

18,6

18,5

18,5

18,5

510

Internationale instellingen in BelgiĂŤ

289,6

339,0

337,0

337,0

337,0

350,0

351,0

346,1

347,1

400

Hoger onderwijs (gewest)

5.975,3

6.624,2

8.610,7

10.385,4

10.894,6

11.560,5

12.195,1

12.873,8

13.141,1

410

Universiteiten

5.842,9

6.401,0

7.998,7

9.503,7

9.879,5

10.456,4

10.823,2

11.447,9

11.718,2

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

132,3

151,1

187,3

278,5

294,4

231,9

248,2

252,9

258,6

490

Hogescholen

0,0

72,1

424,7

603,2

720,7

872,2

1.123,7

1.173,0

1.164,3

400

Hoger onderwijs (gemeenschap)

7.132,3

7.774,4

9.773,0

11.748,0

12.322,0

13.095,3

13.784,7

14.491,6

14.741,6

410

Universiteiten

7.000,0

7.523,0

9.078,2

10.750,8

11.144,3

11.779,2

12.181,5

12.845,1

13.109,0

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

132,3

151,1

187,3

278,5

294,4

231,9

248,2

252,9

258,6

490

Hogescholen Totaal non-profit met

26,5%

25,5%

0,0

100,4

507,5

718,7

883,3

1.084,2

1.355,0

1.393,6

1.374,0

7.422,6

8.739,2

11.390,0

13.286,4

13.924,0

14.683,1

15.553,8

16.290,0

16.661,1

24,2%

8.579,6

9.889,4

12.552,3

14.648,9

15.351,4

16.217,9

17.143,4

17.907,8

18.261,6

24,3%

311,9

429,6

474,1

407,5

417,2

421,3

424,2

452,2

461,2

13,2%

hoger onderwijs gewest Totaal non-profit met hoger onderwijs gemeenschap 130

Collectieve onderzoeksentra*

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid + eigen berekeningen voor 2010 en 2011. * Als onderdeel van de bedrijven.

Tabel 6.2: O&O-personeel naar geslacht en uitvoeringssector (in VTE) â&#x20AC;&#x201C; 2011 Mannen

Vrouwen

Totaal

% Mannen

% Vrouwen

13.141,1

52,7%

47,3%

11.718,2

52,7%

47,3%

abs.

rel.

abs.

rel.

abs.

Hoger onderwijs (gewest)

6.931,0

75,4%

6.210,1

83,2%

Universiteiten (gewest)

6.177,9

89,1%

5.540,3

89,2%

Zelfstandige universitaire centra (gewest)

125,4

1,8%

133,2

2,1%

258,6

48,5%

51,5%

Hogescholen (gewest)

627,7

9,1%

536,6

8,6%

1.164,3

53,9%

46,1%

2.060,5

22,4%

1.093,7

14,6%

3.154,2

65,3%

34,7%

203,8

2,2%

162,1

2,2%

365,9

55,7%

44,3%

9.195,3

100,0%

7.465,8

100,0%

16.661,1

55,2%

44,8%

73,9%

26,1%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's** (gewest) Collectieve onderzoekscentra* * Als onderdeel van de bedrijven. ** NPO = non-profit organisaties.

55,2%

44,8%

100,0%

340,7

120,5

461,2


204,0

142,3

12.834,6 30,8%

77,0%

55,8%

61,1%

96,0%

68,2%

80,3%

81,5%

294,9

2.508,8

101,7

791,6

11,0

80,3

1.524,3

1.615,6

63,9%

15,1%

27,8%

25,1%

0,9%

31,1%

13,0%

12,3%

24,0

1.317,7

60,1

436,9

35,8

1,9

783,0

820,7

Totaal

365,9

3.154,2

1.164,3

258,6

5,2%

461,2

7,9% 16.661,1

16,4%

13,9%

3,1%

0,7%

6,7% 11.718,2

6,2% 13.141,1

Overig personeel

33,6

5.353,3

74,4

629,5

504,1

87,4

4.058,0

4.649,4

27,9%

71,7%

45,9%

57,6%

93,9%

65,6%

73,2%

74,9%

Onderzoekers

78,2

1.330,4

53,5

248,4

6,0

44,2

978,4

1.028,6

64,9%

17,8%

33,0%

22,7%

1,1%

33,1%

17,7%

16,6%

Technisch en gelijkgesteld personeel

8,7

782,0

34,1

215,8

26,5

1,7

503,9

7,2%

10,5%

21,0%

19,7%

4,9%

1,3%

9,1%

8,6%

Overig personeel 532,1

Vrouwen

Totaal

120,5

7.465,7

162,0

1.093,7

536,6

133,2

5.540,3

6.210,1

* Als onderdeel van de bedrijven.

Collectieve onderzoekscentra*

Vlaamse NPO's (gewest)

264,1

13.813,0

225,8

Publieke onderzoekscentra

Publieke en particuliere NPO's

1.076,0

2.189,5

Hogescholen (gewest)

221,5

10.100,2

Universiteiten (gewest)

Zelfst universit. centra (gewest)

11.397,7

Hoger onderwijs (gewest)

57,3%

82,9%

61,7%

69,4%

92,4%

85,7%

86,2%

86,7%

Universitaire diploma's/ Masters

135,1

2.011,9

102,5

535,7

72,9

31,8

1.269,0

1.373,7

29,3%

12,1%

28,0%

17,0%

6,3%

11,0%

10,8%

10,5%

Diploma's één cycli/ Bachelors

Totaal

62,0

836,2

37,6

428,9

15,4

5,3

349,0

369,7

Totaal

365,9

3.154,2

1.164,3

258,6

13,4%

461,2

5,0% 16.661,1

10,3%

13,6%

1,3%

2,0%

3,0% 11.718,2

2,8% 13.141,1

Andere kwalificaties

74,3

5.847,4

86,1

724,4

496,2

109,6

4.431,1

5.036,9

61,7%

78,3%

53,1%

66,2%

92,5%

82,2%

80,0%

81,1%

Universitaire diploma's Masters

38,5

1.303,0

51,3

265,9

33,5

21,0

931,4

985,8

32,0%

17,5%

31,7%

24,3%

6,2%

15,7%

16,8%

15,9%

Diploma's één cycli/ Bachelors

7,7

315,3

24,6

103,3

6,9

2,7

177,8

187,4

6,4%

4,2%

15,2%

9,4%

1,3%

2,0%

3,2%

3,0%

Andere kwalificaties

Vrouwen

120,5

7.465,7

162,0

1.093,7

536,6

133,2

5.540,3

6.210,1

Totaal

Tabel 6.4: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens kwalificatieniveau in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011

Collectieve onderzoekscentra*

Vlaamse NPO's (gewest)

Publieke en particuliere NPO's

1.117,5

1.925,7

Publieke onderzoekscentra

176,4

9.411,0

10.704,8

Hogescholen (gewest)

Zelfst universit. centra (gewest)

Universiteiten (gewest)

Hoger onderwijs (gewest)

Onderzoekers

Technisch en gelijkgesteld personeel

Totaal

Tabel 6.3: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens functie in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011

28,1%

42,3%

38,1%

33,1%

46,1%

49,5%

43,9%

44,2%

%V

Universitaire diploma's/ Masters

23,6%

41,7%

36,5%

32,7%

45,1%

49,5%

43,1%

43,4%

%V

Onderzoekers

36,2%

59,3%

56,7%

49,4%

74,0%

89,5%

64,4%

64,8%

%V

Overig Personeel

28,5%

64,8%

50,0%

49,6%

45,9%

65,9%

73,4%

71,8%

%V

12,4%

37,7%

65,4%

24,1%

44,8%

50,9%

50,9%

50,7%

%V

Diploma's één cycli/ Andere Bachelors kwalificaties

26,5%

53,0%

52,6%

31,4%

54,5%

55,0%

64,2%

63,7%

%V

Technisch Personeel

O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

95


6

96

Het O&O-personeel voor 2011 wordt in tabel 6.3 opgesplitst naar

Tabel 6.5 geeft de verdeling weer van het totale O&O-personeel

functie en naar geslacht. Uit deze cijfers blijkt dat 77,0% van het

voor het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra naar

O&O-personeel binnen de non-profit sector onderzoekers zijn.

wetenschapsdomein. Bij de publieke onderzoekscentra worden alle

Dit aandeel is maar beperkt toegenomen (75,6% voor 2009 en

O&O-personeelsleden aan één wetenschapsdomein3 toegewezen

75,0% voor 2007). Bij de vrouwen stijgt het aandeel onderzoekers

op basis van de O&O activiteiten die aan de onderzoeksinstelling

lichtjes tot 71,7% in 2011 (ten opzichte van 69,4% voor 2009 en

uitgevoerd worden. Zo is het mogelijk om toch een beeld te

68,7% voor 2007). Uit de verdeling van onderzoekers naar

krijgen in welke groepen van onderzoeksdomeinen de publieke

geslacht blijkt ook dat ongeveer 42% van de onderzoekers

onderzoekscentra actief zijn.

vrouwen zijn voor 2011. De kern van de onderzoeksactiviteiten ligt hier vooral bij de Wanneer nu gekeken wordt naar de opsplitsing over de diverse

toegepaste wetenschappen met een aandeel van 62,6% in het

subsectoren voor 2011 blijkt het aandeel onderzoekers het grootst

O&O-personeel. Samen met de natuur- en exacte wetenschappen

te zijn voor het hoger onderwijs (81,5% en opnieuw een stijging

(20,8%) en de landbouwwetenschappen (13,2%) zijn dit de

ten opzichte van 2009). Bij de publieke onderzoekscentra

belangrijkste onderzoeksdomeinen bij de publieke onderzoekscentra.

bedraagt het aandeel onderzoekers ongeveer 61%, ook een lichte

Ten opzichte van de cijfers uit 2009 zijn verschuivingen tussen de

stijging ten opzichte van 2009.

diverse wetenschapsdomeinen beperkt. Enkel de natuur- en exacte wetenschappen noteren een lichte stijging ten koste van de

Zowel bij het technisch personeel als bij het overig personeel (vaak

toegepaste wetenschappen. Bij de vrouwen (publieke onderzoeks-

administratief personeel) is er een meerderheid van de vrouwen

centra) daalt het aandeel van de toegepaste wetenschappen van

in de verhouding mannen/vrouwen voor de non-profit sector.

53,9% in 2009 tot 52,7% in 2011 en stijgt het aandeel van de exacte

Het aandeel van het mannelijk technisch personeel binnen de

wetenschappen van 25,9% tot 26,6% in 2011. Het aandeel van de

non-profit sector stijgt ten opzichte van 2009. Toch vallen enkele

landbouwwetenschappen stijgt van 15% in 2009 tot 16% in 2011.

verschillen op naar subsector. Bij de publieke onderzoekscentra zijn er zowel bij het technisch personeel als bij het overig

Bij het hoger onderwijs blijven de verhoudingen min of meer stabiel.

personeel meer mannen dan vrouwen tewerkgesteld. Het aandeel

De medische wetenschappen blijven het belangrijkste onderzoeks-

van het mannelijke technisch personeel stijgt vooral binnen de

domein (-0,6% tot 23,1%). De landbouwwetenschappen stijgen

publieke onderzoekscentra.

het sterkst (+1,3% tot 8%), terwijl de humane wetenschappen het meest dalen (-1,0% tot 10,1% in 2011). Er is ook nog een

Tabel 6.4 gaat dieper in op het opleidingsniveau van het O&O-

opsplitsing mogelijk bij de universiteiten en de hogescholen naar

personeel. Bijna 83 % van het O&O-personeel had in 2011 minimaal

wetenschapsdiscipline: zowel de exacte- en natuurwetenschappen

een universitair diploma of een masterdiploma. In vergelijking met

(24,4%) als de medische wetenschappen (23,7%) zijn bijna goed

2009 is dit een stijging met ongeveer 1,1% en dit cijfer lag ook al

voor een kwart van het O&O-personeel bij de universiteiten.

ongeveer 1,7% hoger dan in 2007. Bij de vrouwen ligt het

Bij de hogescholen is de top-drie van het onderzoekspersoneel

percentage met een masterdiploma nog altijd lager maar ook dit

de volgende: toegepaste wetenschappen (42,7%), sociale

cijfer stijgt (78,3% en een stijging van 2,3% ten opzichte van 2009).

wetenschappen (26,0%) en humane wetenschappen (16,1%).

Ruim 42 % van het O&O-personeel met een masterdiploma zijn vrouwen en dit cijfer is licht gestegen in vergelijking met 2009.

Ongeveer 30,5% van het vrouwelijk O&O-personeel uit het hoger

Bijna twee kwart van O&O-personeel met een bachelordiploma

onderwijs is actief in de medische wetenschappen (-0,7% ten opzichte

(het vroegere diploma hoger onderwijs één cyclus) zijn vrouwen in

van 2009), gevolgd door 23,0% van het O&O-personeelseffectief

de non-profit, een lichte daling ten opzichte van twee jaar geleden.

dat onderzoek verricht in de sociale wetenschappen. De landbouwwetenschappen verhogen hun aandeel (+1,9% ten opzichte van

Wanneer de cijfers voor 2011 geanalyseerd worden voor de

2009 tot 9,7%). De humane wetenschappen tonen een licht

verschillende subsectoren, valt op dat meer mannen dan vrouwen

verlies (-1,1% tot 11,1% in 2011).

een masterdiploma in de publieke onderzoekscentra hebben en dat vrouwen er vaker een bachelordiploma hebben.

3 De O&O activiteiten worden bij de publieke onderzoekscentra per instelling aan een van de zes FOS (fields of science)-domeinen toegewezen voor de hele instelling en er wordt in tegenstelling tot het hoger onderwijs geen opdeling over de zes FOS-domeinen gemaakt.


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

97

Tabel 6.5: O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens wetenschapsdomein (in VTE) – als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

Totaal Hoger onderwijs (gewest)

21,8%

17,7%

23,1%

8,0%

19,2%

10,1%

Publieke onderzoekscentra

20,8%

62,6%

0,1%

13,2%

0,3%

3,0%

Hoger onderwijs (gewest)

16,9%

8,9%

30,5%

9,7%

23,0%

11,1%

Publieke onderzoekscentra

26,6%

52,7%

0,2%

16,0%

0,3%

4,2%

Vrouwen

Tabel 6.6: O&O-personeel en onderzoekers in fysieke personen (totaal en naar geslacht) voor 2011 Onderzoekers (totaal)

O&O-personeel (totaal)

Onderzoekers (mannen)

O&O-personeel (mannen)

Onderzoekers (vrouwen)

O&O-personeel (vrouwen)

Hoger onderwijs (gewest)

16.948

23.632

10.155

12.642

6.793

10.990

Hoger onderwijs (gemeenschap)

19.486

27.107

11.731

14.582

7.755

12.525

2.241

3.734

1.508

2.409

733

1.325

uitgedrukt in fysieke personen

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's (gewest)

230

399

154

229

76

170

19.419

27.765

11.817

15.280

7.602

12.485

Tabel 6.6 drukt de onderzoeksinspanningen uit in fysieke personen voor de non-profit sector voor 2011. Ongeveer 27.750 personen

Figuur 6.1: O&O-personeel naar geslacht met een doctoraatsdiploma (%) (2011) in fysieke

(ongeveer 2.050 meer dan in 2009) werkten in 2011 volledig of

personen

gedeeltelijk aan O&O-activiteiten. Dit cijfer correspondeert voor 2011 met 16.600 voltijdse equivalenten (zie tabel 6.1). Hiervan zijn er ongeveer 19.400 onderzoekers (ongeveer +1.700 ten opzichte

50%

van 2009), de ongeveer 8.350 (+/- 350 in vergelijking met 2009) overige personeelsleden zijn technisch en overig personeel.

42,9% 40%

33,6%

Dit cijfer kan verder opgedeeld worden naar 7.600 (ongeveer +800) vrouwelijke onderzoekers en 11.800 (ongeveer +900)

30%

22,6%

mannelijke onderzoekers. Tabel 6.6 toont ook de verspreiding van de onderzoekers naar geslacht en naar subsector binnen de non-

20%

profit. Ongeveer 45% van de fysieke personen die aan O&O doen binnen de non-profit zijn vrouwen. Meer in detail bestudeerd,

10%

varieert het percentage vrouwelijke onderzoekers van 32,7% in de publieke onderzoekscentra tot 40% in het hoger onderwijs.

0% Totaal

Voor het eerst werd ook meer in detail gekeken naar het profiel van de doctoraathouders bij het O&O-personeel (zie figuur 6.1). Ongeveer één op drie van de mensen die deels of volledig aan O&O doen hebben een doctoraat behaald. Gender blijkt hierbij ook nog verantwoordelijk voor aanzienlijke verschillen. Voor de mannen bedraagt dit namelijk bijna 43% terwijl dit voor de vrouwen nog geen kwart (namelijk 22,6%) is.

Vrouwen

Mannen


6

98

Figuur 6.2: Verdeling van het O&O-personeel binnen de non-profit sector (in VTE voor 2011)

ter vergelijking de % verdeling van de O&O-uitgaven

2,2%

over de subsectoren (2011)

18,9%

2,8% 33,3%

78,9%

63,9%

■ Hoger onderwijs ■ Overheid ■ Pnp’s

Figuur 6.2 geeft de verdeling weer van het O&O-personeel over

Ook internationaal blijft dit een belangrijk topic. Deze norm is

de drie uitvoeringssectoren voor 2011 en legt ook de link met de

dan ook hét financiële beleidsinstrument van de Europese

O&O-uitgaven (zie punt 6.3) per uitvoeringssector voor 2011.

kenniseconomie en werd nog maar eens bekrachtigd in de nieuwe

Ongeveer 78,9% van het O&O-personeel (78,4% in 2009) is in

toekomstagenda EU2020 van de Europese Commissie. Alleen met

2011 actief binnen het hoger onderwijs tegenover ongeveer

belangrijke investeringen in O&O kan Europa de strijd met Japan,

18,9% bij de publieke onderzoekscentra. De aandelen van de

USA of jonge opkomende economieën aangaan.

subsectoren op het vlak van personeel wijken minimaal af met de resultaten uit 2009 voor de diverse sectoren. Wanneer verder

Tabel 6.7 geeft een overzicht van de O&O-uitgaven in de periode

gekeken wordt naar de spreiding van de O&O-uitgaven over de

1993-2011 voor de non-profit sector. Hieruit blijkt dat de

uitvoeringssectoren voor 2011, vallen toch wel enkele conclusies op.

O&O-uitgaven tussen 2006-2011 met 45,3% gestegen zijn.

Het hoger onderwijs vertegenwoordigt slechts ongeveer 63,9%

Uit dezelfde tabel blijkt ook dat de O&O-uitgaven binnen

(+0,8% ten opzichte van 2009) van de O&O-uitgaven en de

de publieke onderzoekscentra minder sterk (+40,4%) stegen dan

publieke onderzoekscentra 33,3% (-0,6% ten opzichte van 2009).

voor het hoger onderwijs (+49,6%). Zowel de O&O-uitgaven voor

Hoe dan ook, blijft er een aanzienlijke discrepantie tussen personeels-

de publieke onderzoekscentra als die voor het hoger onderwijs

inspanningen en bestede middelen tussen de verschillende

stegen heel wat sneller dan dat het O&O-personeel steeg tussen

subsectoren.

2006 en 2011 (23 à 24%). Wanneer de absolute cijfers gecorrigeerd worden voor inflatie en

6.3 DE O&O-UITGAVEN GEANALYSEERD

op het prijsniveau 2005 gebracht worden, krijgt men de volgende resultaten. De stijging binnen de non-profit beloopt dan nog altijd

De O&O-uitgaven vormen ook een cruciaal element voor het

ongeveer 32% (stijging over het tijdsvenster 2004-2009 was

meten van de O&O-inspanningen. Bij de O&O-intensiteit drukt

ongeveer 30%). In detail bestudeerd, bedraagt de stijging van

men de totale intramurale O&O-uitgaven uit in % van het Bruto

de O&O-uitgaven binnen de publieke onderzoekscentra én het

Binnenlands Product (BBP). Het Pact 2020 wil Vlaanderen tegen

hoger onderwijs de vorige vijf jaar in beide gevallen 27% voor

2020 tot 3% loodsen en de investeringen daarna nog verder laten

de GOVERD en 36% voor de HERD. Alle onderzoeksinstellingen

groeien, waarbij één derde of 1% zou gefinancierd worden door

uit de non-profit blijven hun onderzoeksbudget de voorbije jaren

de publieke sector en 2% door de private sector.

dus nog aanzienlijk verhogen.


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

99

De O&O-uitgaven kunnen verder opgedeeld worden naar

Uit de vergelijking met de cijfers uit 2009 zijn de wijzigingen

kostensoort (zie tabel 6.8). In 2011 waren 60,1% van de O&O-

eerder beperkt. De aandelen van de rubrieken personeelkosten

uitgaven personeelskosten, 33,9% uitgaven voor werking en

(+0,7%) en werking en uitrusting (+0,2%) nemen amper toe,

uitrusting en ongeveer 6% investeringsuitgaven. De opdeling van

terwijl het aandeel van de investeringen daalt (-1% ten opzichte

de kostenstructuur varieert ook per subsector. Bij het hoger

van 2009). Zowel bij de publieke onderzoekscentra (+0,3%

onderwijs is het aandeel van de personeelskosten met 66%

ten opzichte van 2009) als bij het hoger onderwijs (+0,8%)

beduidend hoger dan dit van de publieke onderzoekscentra

handhaaft het aandeel van de personeelskosten zich op hetzelfde

(48,7%). Het aandeel van de investeringen ligt bij de publieke

niveau. Tussen de middelen voor werking/uitrusting en de

onderzoekscentra met 13% heel wat hoger dan bijvoorbeeld in het

investeringen zijn er wel wat verschuivingen op te merken,

hoger onderwijs met 2,5%.

maar het totaal aandeel blijft gelijk.

Tabel 6.7: Overzicht van de totale O&O-uitgaven in de non-profit sector en de collectieve centra (1993-2011)

O&O-uitgaven Vlaanderen - non-profit

1993

1998

2003

2006

2007

2008

2009

2010

2011

GOVERD

95.691

192.131

260.821

210

Federale overheid (Vlaams Gewest)

23.326

27.821

16.647

19.422

19.956

24.640

31.688

34.031

36.765

220

Vlaamse Gemeenschap/Gewest

71.572

163.400

243.320

360.845

396.384

431.095

450.772

478.227

498.082

% groei 20062011

Lopende prijzen (x 1000 EUR) 200

270

Lagere overheden

300

PNP

320

Semi-publieke instellingen

330

Particuliere centra

510

Internationale instellingen in BelgiĂŤ

382.799

418.735

458.213

485.042

515.047

537.315

793

910

853

2.533

2.395

2.477

2.583

2.788

2.468

29.084

32.360

36.225

38.579

40.038

41.787

42.828

43.766

45.311

0

0

71

94

95

100

100

102

105

308

248

1.344

1.241

1.664

1.168

1.511

1.545

1.599

28.775

32.112

34.810

37.244

38.279

40.519

41.217

42.120

43.607

400

HERDgewest

311.321

437.930

600.367

689.556

740.226

819.189

902.985

982.621

1.031.443

410

Universiteiten

302.180

423.378

555.866

631.443

668.211

738.947

809.025

873.360

915.775

9.142

10.902

19.248

25.365

29.001

28.994

29.334

33.877

35.256

0

3.649

25.254

32.747

43.015

51.249

64.626

75.385

80.412

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

490

Hogescholen

40,4%

17,4%

49,6%

400

HERDgemeenschap

362.415

500.377

666.994

740.821

796.164

913.392

1.012.472

1.096.606

1.147.960

410

Universiteiten

353.232

483.692

617.197

673.325

712.870

824.734

907.980

975.945

1.018.926

9.183

10.950

19.248

25.365

29.001

28.994

29.334

33.877

35.256

0

5.735

30.549

42.131

54.293

59.664

75.159

86.784

93.779

Totaal non-profit met HERDgewest

436.096

662.421

897.413

1.110.934

1.198.999

1.319.189

1.430.855

1.541.434

1.614.069

45,3%

Totaal non-profit met HERDgemeenschap

487.190

724.868

964.039

1.162.199

1.254.937

1.413.392

1.540.343

1.655.419

1.730.586

48,9%

22.380

43.125

46.812

42.793

49.472

44.374

48.149

53.879

57.122

33,5%

115.822

218.182

272.723

374.030

399.649

428.171

447.897

466.123

476.602

27,4%

420

Zelfstandige universitaire onderzoekcentra

490

Hogescholen

130

Collectieve onderzoeksentra*

55,0%

Constante prijzen op prijsniveau 2005 (x 1000 EUR) 200

GOVERD

300

PNP

400

HERDgew

400

130

35.202

36.748

37.878

37.696

38.213

39.047

39.548

39.609

40.191

6,6%

376.816

497.308

627.763

673.761

706.486

765.481

833.833

889.283

914.896

35,8%

HERDgem

438.659

568.223

697.430

723.851

759.873

853.508

934.935

992.441

1.018.247

40,7%

Totaal non-profit met HERDgewest

527.840

752.238

938.363

1.085.487

1.144.347

1.232.699

1.321.278

1.395.015

1.431.689

31,9%

27.088

48.972

48.949

41.813

47.217

41.465

44.461

48.761

50.668

21,2%

Collectieve onderzoeksentra*

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid, MSTI-deflator OECD 2012/2 + eigen berekeningen 2010 en 2011 * Als onderdeel van de bedrijven.


6

100

Tabel 6.8: O&O bestedingen volgens kostensoort als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011 Personeelskosten

Werking en uitrusting

Investeringen

HERDgew

66,0%

31,5%

2,5%

Universiteiten (gewest)

64,7%

32,7%

2,6%

Zelfstandige univ. Onderzoekscentra (gewest)

52,3%

46,6%

1,1%

Hogescholen (gewest)

86,2%

12,0%

1,8%

GOVERD

48,7%

38,3%

13,0%

PNP

61,9%

34,6%

3,6%

Vlaamse NPO's (gewest)

60,1%

33,9%

6,0%

Collectieve onderzoekscentra*

64,9%

27,0%

8,1%

* Als onderdeel van de bedrijven.

Tabel 6.9: O&O bestedingen volgens financieringsbron â&#x20AC;&#x201C; als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011 Bedrijven

Overheden

PNP's

Hoger Onderwijs

Buitenland

HERDgew

13,5%

60,9%

0,8%

15,9%

8,8%

Universiteiten (gewest)

14,4%

61,5%

0,6%

15,0%

8,5%

Zelfstandige univ. Onderzoekscentra (gewest)

16,0%

36,8%

5,9%

20,3%

21,0%

Hogescholen (gewest)

2,8%

65,0%

0,9%

24,3%

7,0%

GOVERD

6,5%

46,8%

0,2%

0,0%

46,5%

PNP

2,7%

6,4%

1,4%

0,0%

89,5%

Non-profit sector in Vlaanderen (gewest)

10,9%

54,7%

0,6%

10,2%

23,6%

Collectieve onderzoekscentra*

37,5%

49,1%

0,2%

0,2%

13,1%

* Als onderdeel van de BERD.

Tabel 6.9 deelt de O&O-uitgaven uit 2011 op naar financierings-

Bij het hoger onderwijs ligt het overheidsaandeel met 60,9%

bron. Vijf grote bronnen kunnen hierbij onderscheiden worden:

(status quo) en het aandeel van het hoger onderwijs (BOF &

de bedrijven (quasi allemaal middelen van binnenlandse bedrijven),

TETRA-fonds) met 15,9% aanzienlijk hoger dan het cijfer voor de

de overheden (federaal, Vlaams en gedecentraliseerde overheid),

gehele publieke sector. Ook de binnenlandse bedrijven blijven

non-profit organisaties, het hoger onderwijs (zoals het Bijzonder

met 13,5% een belangrijke financieringsbron voor het hoger

Onderzoeksfonds (BOF) en het TETRA-fonds) en het buitenland

onderwijs maar in vergelijking met 2009 is dit aandeel afgenomen

(buitenlandse bedrijven en Europese en internationale organisaties).

(-2,6%). Ook hier is het belang van het buitenland als

De overheid is de grootste financieringsbron met een aandeel van

financieringsbron toegenomen.

ongeveer 54,7%, gevolgd door het buitenland met 23,6% en de bedrijven met een aandeel van 10,9%. In vergelijking met 2009

Bij de collectieve centra winnen de bedrijven (37,5%) opnieuw aan

verhoogt het buitenland licht haar aandeel (+2,0%) en verliest

belang als financieringsbron, terwijl de overheid sterk aan belang

de private sector aan belang als financieringsbron (-2,3%).

(49,1%) inboet. Maar er blijft dus een belangrijke financiĂŤle band tussen de collectieve centra en de overheid zowel inhoudelijk als

Wanneer gekeken wordt naar detailgegevens uit de non-profit

financieel. Ook hier is een sterke toename van buitenlandse

vallen enkele evoluties op in vergelijking met 2009. Bij de publieke

financieringsbronnen zichtbaar.

onderzoekscentra zijn er twee grote belangrijkste financieringsbronnen: de overheid met 46,8% (status quo) en het buitenland met 46,5% (+2,3%). Dit ten koste van het aandeel van de binnenlandse bedrijven (-2,2% tot 6,5% in 2011).


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

101

Tabel 6.10: O&O-bestedingen volgens wetenschapsdomein â&#x20AC;&#x201C; als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2011 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

HERD (gewest)

17,5%

16,1%

31,4%

10,4%

16,5%

8,1%

GOVERD

18,2%

73,2%

0,1%

6,7%

0,2%

1,6%

Tabel 6.10 bestudeert voor 2009 de O&O-uitgaven uit de publieke

De meeste O&O-uitgaven bij de universiteiten zijn dan weer bij

onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs (gewest-

de medische wetenschappen (30,9%) gevolgd door de exacte- en

benadering â&#x20AC;&#x201C; HERDgew) naar wetenschapsdomein. Bij de GOVERD

natuurwetenschappen (20,0%).

blijft de dominante positie van het onderzoeksdomein toegepaste wetenschappen overduidelijk (73,2%), en dit neemt nog licht

Wanneer de link met tabel 6.5 (de opsplitsing van het O&O-

toe in 2011. Voor het overige zijn de wijzigingen beperkt, enkel het

personeel) bestudeerd wordt, valt op dat vooral de medische

aandeel van de natuur- en exacte wetenschappen daalt licht tot 18,2%

wetenschappen bij de HERD een groter aandeel (31,4%) hebben

en het aandeel van de landbouwwetenschappen stijgt tot 6,7%.

in de O&O-uitgaven dan bij het O&O-personeel (23,1%). Bij de

In het hoger onderwijs blijven de medische wetenschappen het

maar minder uitgesproken. Bij de GOVERD is het overwicht van

andere wetenschapsdomeinen is dat verschil meestal ook aanwezig belangrijkste onderzoekdomein met 31,4% (-1,2% ten opzichte

de toegepaste wetenschappen in de O&O-uitgaven nog opvallender

van 2009), gevolgd door de exacte en natuurwetenschappen met

ten opzichte van het aandeel in het O&O-personeel met 73,2%

17,5% (-0,9% ten opzichte van 2009) en de sociale wetenschappen

versus 62,6%. Het personeelseffectief aan O&O-personeel in de

met 16,5% (+0,7% ten opzichte van 2009) als nummer twee en

landbouwwetenschappen beloopt 13,2% van het totaal maar

drie. De toegepaste wetenschappen verhogen licht hun aandeel

neemt slechts 6,7% van de O&O-uitgaven voor haar rekening.

in de O&O-uitgaven: de toegepaste wetenschappen (+1% ten opzichte van 2009 tot 16,1%).

Tabel 6.11 toont naast de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven uitgedrukt als % van het BBPR) voor de totale non-profit sector,

Voor het hoger onderwijs kunnen de gegevens voor 2011 ook nog

de collectieve centra en de detailgegevens per subsector tussen

meer in detail bestudeerd worden. De meeste O&O-uitgaven bij

1993 en 2011. Op basis van de gewestberekening werd in 2011

de hogescholen concentreren zich op de toegepaste wetenschappen

door het hoger onderwijs (HERD) 0,49% van het BBPR-Vlaanderen

(45,2%) en de sociale wetenschappen (22,8%).

besteed aan O&O.

Tabel 6.11: Evolutie van de O&O intensiteit van de non-profit sector en de collectieve onderzoekscentra tussen 1993-2011 en de opsplitsing voor de HERD voor 2011 O&O intensiteit voor 2011 opgesplitst voor HERDgew en HERDgem

1993

1998

2003

2006

2007

2008

2009

2010

2011

HERDgew

0,29%

0,33%

0,38%

0,37%

0,38%

0,41%

0,46%

0,48%

0,49%

Universiteiten (gewest)

0,43%

HERDgem

0,34%

0,38%

0,42%

0,40%

0,41%

0,46%

0,52%

0,54%

0,54%

Zelfstandige univ.

0,02%

Onderzoekscentra (gewest) GOVERD

0,09%

0,15%

0,16%

0,21%

0,21%

0,23%

0,25%

0,25%

0,25%

PNP

0,03%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

Non-profit Vlaams gewest

0,41%

0,50%

0,57%

0,60%

0,62%

0,66%

0,73%

0,76%

0,76%

Non-profit Vlaamse gemeenschap

0,46%

0,55%

0,61%

0,63%

0,64%

0,71%

0,79%

0,82%

0,82%

Hogescholen (gewest)

0,04%

Universiteiten (gemeenschap)

0,48%

Zelfstandige univ.

0,02%

Onderzoekscentra (gewest) Hogescholen (gemeenschap) Collectieve onderzoeksentra*

0,02%

0,03%

0,03%

0,02%

0,03%

0,02%

0,02%

0,03%

Bron: CFS/STAT, POD Wetenschapsbeleid, Vlaamse overheid - SVR (BBP-Vlaanderen, cijfers juni 2012) + eigen berekeningen. * Als onderdeel van de BERD.

0,03%

0,04%


6

102

Tabel 6.12: Private versus publieke financiering in de non-profit sector voor 2011 Totale O&O-uitgaven

GOVERD PNP

Binnenlandse herkomst (belgische bedrijven + overheid + pnp + hoger onderwijs)

Buitenlandse herkomst

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

44,2%

55,8%

12,1%

87,9%

81,2%

18,8%

7,7%

92,3%

26,0%

74,0%

5,5%

94,5%

HERDgew

15,7%

84,3%

14,8%

85,2%

24,1%

75,9%

Vlaamse NPO's (gewest)

24,9%

75,1%

14,3%

85,7%

59,5%

40,5%

Collectieve onderzoekscentra*

38,7%

61,3%

43,1%

56,9%

9,3%

90,7%

* Als onderdeel van de BERD.

Volgens de gemeenschapsbenadering bedraagt dit cijfer 0,54%

Ongeveer 75,1% (+0,8%) van alle O&O-middelen uit de non-

voor het hoger onderwijs. De publieke onderzoekscentra (vallen

profit in 2011 zijn publieke middelen, de overige zijn van private

samen met de GOVERD) noteren voor 2011 een O&O-intensiteit

oorsprong (24,9%). De binnenlandse O&O-middelen zijn

van 0,25%. De totale O&O-intensiteit voor de non-profit sector

hoofdzakelijk afkomstig van publieke instanties (85,7% en 2,5%

bedraagt 0,76% (gewestbenadering) en 0,82% (gemeenschaps-

hoger dan in 2009), terwijl de buitenlandse O&O middelen voor

benadering). De O&O-intensiteit voor de collectieve centra,

meer dan de helft (59,5% of 1,6% meer dan in 2009) afkomstig

als onderdeel van het totaalcijfer voor de BERD, blijft ongeveer

zijn van de ondernemingen.

constant op 0,03% van het BBPR net zoals de O&O-intensiteit van de PNP stabiel blijft op 0,02%.

Het belang van private financiering (binnenlandse én buitenlandse) als financieringsbron in de HERD is in 2011 licht gedaald (-0,6%

In vergelijking met 2009 (0,73%) is de O&O intensiteit van

tot 15,7%). Deze cijfers tonen dat de reeds sterke interactie tussen

de non-profit voor 2010 (0,76%) en 2011 (0,76%) opnieuw licht

het hoger onderwijs en de ondernemingen iets aan belang inboet,

gestegen. De O&O intensiteit (GOVERD) handhaaft zich op

vooral bij binnenlandse financiering (-2,4%). Bij de buitenlandse

0,25% in 2011. De stijging van de O&O intensiteit situeert zich

financiering neemt het belang van private financiering wel toe

vooral bij de HERD: van 0,46% in 2009 tot 0,49% in 2011.

voor de HERD. Het belang van private onderzoeksmiddelen in

Deze groei weerspiegelt vast en zeker aanzienlijke stijgingen

de GOVERD is ook heel licht gedaald (-0,6% tot 44,2%).

van de O&O-uitgaven in de non-profit. In 2010 werd ongeveer

Ruim 82% van de buitenlandse onderzoeksmiddelen bij de publieke

110 miljoen euro extra besteed aan O&O tegen opzichte van 2009

onderzoekscentra zijn afkomstig van buitenlandse ondernemingen

en in 2011 lag dit bedrag al ongeveer 183 miljoen euro hoger dan

wat zowel in absolute en relatieve cijfers aanzienlijke bedragen zijn.

in 2009 (teller). In 2009 werd de stijging van de O&O intensiteit

Uit de detailcijfers per sector, blijkt duidelijk dat binnenlandse

nog versterkt door een dalend BBP in de noemer (economische

bedrijven (-3.4%) ook hier minder belangrijk werden als

crisis). Voor 2011 is dit niet het geval, meer nog, de stijging uit

financieringsbron. Bij de collectieve centra stijgt het belang

2009 wordt ondanks dit effect duidelijk verder geconsolideerd.

van private onderzoeksmiddelen als financieringsbron zowel binnenlandse als buitenlandse.

Tabel 6.12 gaat dieper in op de herkomst van de O&O-uitgaven. De financiële middelen zijn niet enkel afkomstig van binnen- of

Het cijfer voor de O&O-intensiteit uit tabel 6.11 is een belangrijke

buitenlandse bronnen, maar deze bronnen kunnen nog verder

bron om na te gaan hoe het staat met de afspraken dat de

opgesplitst worden. Met binnenlandse private financiering worden

publieke sector 1% van het BBPR zal financieren en de private

de binnenlandse bedrijven bedoeld terwijl met binnenlandse

sector 2%. De totale O&O-intensiteit bedraagt 0,76% van het

publieke financiering alle overheidsfinanciering, de non-profit

BBPR of 0,82% naargelang de berekeningswijze gewest of

organisaties en het hoger onderwijs binnen Vlaanderen en België

gemeenschap is. Wanneer die dan verder opgesplitst worden naar

gedefinieerd wordt. Met buitenlandse private financiering worden

de herkomst (privaat/publiek) levert dit het volgende resultaat

de buitenlandse bedrijven bedoeld en met buitenlandse publieke

(zie tabel 6.13) op.

financiering alle Europese en internationale organisaties.


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

103

Tabel 6.13: Private versus publieke financiering & O&O-intensiteit (non-profit) voor 2011 Publiek gefinancierd

Privaat gefinancierd

Totale O&O-intensiteit

O&O-uitgaven non profit (gewest)

0,57%

0,19%

0,76%

O&O-uitgaven non profit (gemeenschap)

0,63%

0,19%

0,82%

GOVERD

0,14%

0,11%

0,25%

HERD(gewest)

0,41%

0,08%

0,49%

HERD(gemeenschap)

0,46%

0,08%

0,54%

PNP

0,02%

0,00%

0,02%

Collectieve onderzoekscentra*

0,02%

0,01%

0,03%

* Als onderdeel van de BERD.

De publieke inspanningen binnen de non-profit sector bedragen

Voor Vlaanderen werden zowel de gewest- als gemeenschaps-

0,57% van het BBPR (volgens de gewestbenadering) en 0,63%

cijfers weergegeven bij de vergelijking, omdat dit duidelijk aantoont

(volgens de gemeenschapsbenadering). De private inspanningen

dat het (in absolute cijfers) een verschil uitmaakt welke basis

voor O&O binnen de non-profit belopen 0,19% van het BBPR.

gebruikt wordt voor een internationale vergelijking, terwijl dit

In vergelijking met 2009 steeg het aandeel van de publieke

relatief gezien geen verschil uitmaakt.

inspanningen in de totale O&O-intensiteit voor de publieke sector (van 0,54% naar 0,57%) terwijl de O&O intensiteit van de private

Tabel 6.15 vergelijkt Vlaanderen op internationaal vlak voor O&O-

financiering constant bleef in vergelijking met 2009 (0,19%).

personeel en onderzoekers binnen de publieke onderzoekscentra.

Het spreekt voor zich dat dit slechts voor een deel toelaat om

Vlaanderen scoort lager dan Finland en Noorwegen bij de vergelijking

de private en publieke inspanningen te evalueren omdat dezelfde

van het totale O&O-personeel. Het aandeel onderzoekers voor

oefening moet gebeuren voor de profit sector. Daarom wordt

Vlaanderen ligt hoger dan Frankrijk en Duitsland en het EU-27

verwezen naar hoofdstuk 7 waarin de resultaten van de O&O

gemiddelde. Het percentage onderzoekers voor de publieke

enquĂŞte voor de bedrijven ook geanalyseerd worden naar

onderzoekscentra ligt wĂŠl hoger bij de Scandinavische landen.

herkomst. Voor een totaalbeeld kan ook verwezen worden naar de 3% nota van het Expertisecentrum O&O Monitoring, die de totale O&O-intensiteit opdeelt naar private en publieke financiering.

Tabel 6.16 vergelijkt de O&O-uitgaven binnen de publieke onderzoekscentra (GOVERD) en binnen het hoger onderwijs (HERD) op internationaal vlak in miljoen (PPP $). Dit laat een meer objectieve vergelijking toe. De uitgaven voor de GOVERD liggen

6.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

hoger voor Vlaanderen dan voor Denemarken en Zweden maar de kloof met de andere Scandinavische landen blijft bestaan.

In dit derde deel worden enkele Vlaamse kengetallen voor de

De kloof tussen de Scandinavische landen en Vlaanderen op het

publieke onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs

vlak van de absolute O&O-uitgaven voor het hoger onderwijs blijft

(HERD) internationaal vergeleken. De volgende variabelen komen

sterk aanwezig.

aan bod: het aantal onderzoekers, het totale O&O-personeel, de O&O-uitgaven, de O&O-intensiteit en gender en O&O.

Tabel 6.17 vergelijkt de O&O-intensiteit voor de HERD en de GOVERD. Tabel 6.16 toont aan dat het gebruik van de

Tabel 6.14 toont de internationale vergelijking voor het hoger

gemeenschaps- of gewestbenadering toch wel van belang is bij

onderwijs (onderzoekers en O&O-personeel). Het percentage

een internationale vergelijking van de HERD (hoger onderwijs).

onderzoekers voor Vlaanderen (81,5%) is hoger dan de grote

Op basis van de gemeenschapsbenadering ligt de O&O-intensiteit

buurlanden Frankrijk, Duitsland, het EU-27 gemiddelde en het

van de HERD (0,54%) hoger dan het cijfer voor Frankrijk,

cijfer voor de meeste Scandinavische landen (Noorwegen,

Duitsland en het EU-27 gemiddelde. Wanneer men de

Denemarken en Finland). De Scandinavische landen die qua

gewestbenadering (0,46%) gebruikt voor Vlaanderen, scoort

grootte en bevolking vaak als vergelijkingsbasis gebruikt worden

Vlaanderen iets lager dan Duitsland en boven het niveau van

tellen wel meer O&O-personeel (met uitzondering van Noorwegen)

Frankrijk en het EU-27 gemiddelde.

dan Vlaanderen in het hoger onderwijs.


6

104

Tabel 6.14: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor het hoger onderwijs Hoger onderwijs

Onderzoekers (VTE)

Totaal O&O-personeel (VTE)

% aandeel onderzoekers

Vlaanderen (2011) (gewest)

10.705

13.141

81,5%

Vlaanderen (2011) (gemeenschap)

11.961

14.478

82,6%

België1 (2011)

18.619

22.940

81,2%

1

Nederland (2011)

20.700

35.600

58,1%

Frankrijk (2010)

70.189

106.389

66,0%

Duitsland (2010)

90.355

120.784

74,8%

-

-

-

Japan (2010)

125.263

188.324

66,5%

3

VS2

EU-27 (2010)

659.425

842.659

78,3%

Denemarken (2010)

13.258

18.454

71,8%

Finland (2010)

13.548

17.924

75,6%

Zweden4 (2010)

16.959

19.471

87,1%

9.760

12.282

79,5%

Noorwegen (2011) Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Voorlopige cijfers. 2 Geen cijfers beschikbaar. 3 Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen. 4 Nationale schatting.

Tabel 6.15: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor de overheidssector (publieke onderzoekscentra) Publieke onderzoekscentra

Onderzoekers (VTE)

Totaal O&O-personeel (VTE)

% aandeel onderzoekers

Vlaanderen (2011) (gewest)

1.926

3.154

61,1%

België1 (2011)

2.959

4.799

61,7%

2

Nederland (2010)

6.959

11.424

60,9%

Frankrijk3 (2010)

26.739

50.092

53,4%

Duitsland (2010)

51.783

90.531

57,2%

-

-

-

32.422

61.830

52,4%

VS4 Japan (2010) 1

EU-27 (2010)

194.970

344.852

56,5%

Denemarken (2010)

1.181

1.507

78,4%

Finland (2011)

4.630

6.881

67,3%

Zweden1,3 (2011)

2.097

3.386

61,9%

Noorwegen (2011)

4.601

6.556

70,2%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Voorlopige cijfers voor België, Zweden, voor EU schatting door secretariaat. 2 Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra. 3 Breuk in tijdsreeks (voorlopig). 4 Geen cijfers beschikbaar.


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

Tabel 6.16: Internationale vergelijking van de HERD

Tabel 6.17: Internationale vergelijking van de

en GOVERD (in lopende prijzen) (Uitgaven in miljoen PPP $)

HERD

Vlaanderen (2011) (gewest)

1.190,2

Vlaanderen (2011) (gemeenschap)

1.324,7

België1 (2011)

1.993,1

2

Nederland (2010) Frankrijk (2011) 2

105

O&O-intensiteit voor de GOVERD en HERD GOVERD

620,0

787,2

O&O-intensiteit

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2009) (gewest)

0,49%

Vlaanderen (2009) (gemeenschap)

0,54%

België1 (2011)

0,47%

0,18%

2

0,25%

5.169,0

1.504,2

Nederland (2010)

0,75%

0,22%

11.006,3

7.325,3

Frankrijk (2011)

0,48%

0,32%

2

Duitsland (2010)

15.622,2

12.771,2

Duitsland (2010)

0,51%

0,41%

VS1,3 (2010)

60.235,0

50.939,0

VS3 (2010)

0,42%

0,35%

Japan (2010)

18.144,7

12.720,7

Japan (2010)

0,42%

0,29%

4

4

EU-27 (2010)

74.437,0

40.468,7

EU-27 (2010)

0,47%

0,25%

Denemarken (2010)

2.022,4

146,5

Denemarken (2010)

0,90%

0,07%

Finland (2011)

1.525,9

675,4

Finland (2011)

0,76%

0,33%

Zweden5 (2011)

3.442,8

572,8

Zweden5 (2011)

0,88%

0,15%

Noorwegen (2011)

1.578,2

821,5

Noorwegen (2011)

0,52%

0,27%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Schattingen voor VS, België, voor VS geen 'grote investeringen' bij HERD. 2 Bevat ook ander instellingen dan publieke onderzoekscentra. 3 Enkel federale overheid (GOVERD), geen lokale overheden. 4 Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen. 5 Nationale schatting.

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Voorlopige cijfers voor België. 2 Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra (GOVERD). 3 Enkel federale overheid voor VS, voor de VS geen 'grote investeringen' bij de HERD. 4 Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen. 5 Nationale schatting (HERD).

Tabel 6.18: Internationale vergelijking van de financiering

Tabel 6.19: Internationale vergelijking van het % aandeel

van de HERD en GOVERD door de binnenlandse bedrijven % door de bedrijven gefinancieerd

HERD

Vlaanderen (2011) (gewest)

13,50%

6,50%

Vlaanderen (2011) (gewest)

40,0%

32,7%

België (2009)

11,00%

7,70%

België (2009)

39,0%

32,5%

1

GOVERD

vrouwelijke onderzoekers (headcount) % door de bedrijven gefinancieerd

1

HERD

GOVERD

Nederland (2009)

8,20%

32,40%

Nederland (2010)

38,0%

30,1%

Frankrijk (2009)

1,80%

7,20%

Frankrijk2 (2010)

32,8%

34,8%

35,6%

33,0%

-

-

24,3%

15,6%

-

-

1

Duitsland (2010)

13,90%

9,00%

Duitsland (2010)

VS2,3 (2010)

5,20%

0,00%

VS3

Japan (2010)

2,60%

0,70%

Japan (2010)

EU-274 (2010)

6,40%

8,60%

EU-273

Denemarken (2010)

3,20%

0,90%

Denemarken (2010)

41,6%

33,8%

Finland (2011)

5,50%

11,00%

Finland (2010)

46,9%

44,2%

Zweden (2009)

44,5%

38,9%

Noorwegen4 (2010)

44,4%

42,7%

3

Zweden (2011)

4,10%

5,20%

Noorwegen (2009)

3,80%

10,30%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra. 2 Enkel federale overheid, geen lokale overheden. 3 VS: geen 'grote investeringen' bij de HERD, nationale schatting (HERD -Zweden) 4 EU-27 schatting door secretariaat .

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 1 Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra. 2 Schatting voor GOVERD. 3 Geen gegevens voor VS en EU-27. 4 Universitaire diploma's ipv onderzoekers bij GOVERD.


6

106

Denemarken (0,90%), Zweden (0,88%) en Finland (0,76%)

6.5 BESLUIT

kennen een veel hogere O&O-intensiteit voor de HERD. Samengevat Vlaanderen handhaaft zijn internationale positie,

Zowel het opleidingsniveau van het O&O-personeel als het

in vergelijking met de cijfers uit 2009 voor de HERD.

percentage onderzoekers binnen de non-profit sector blijven gestaag

De O&O-intensiteit van de publieke onderzoekscentra (GOVERD)

stijgen. Uit de opsplitsing naar geslacht blijkt dezelfde stijgende

ligt hoger dan die van Zweden, Nederland en Denemarken.

tendens, ook al blijft er een genderkloof zichtbaar zowel naar

Vlaanderen scoort hier ongeveer gelijklopend met het EU-27

opleidingsniveau als naar functieopdeling.

gemiddelde en Noorwegen, maar toch zichtbaar lager dan Duitsland, Finland en Frankrijk. De O&O intensiteit van de GOVERD handhaaft

Er zijn ook duidelijke verschillen merkbaar per subsector. In de

ook hier (in vergelijking met 2009) de internationale positie.

publieke onderzoekscentra hebben minder mensen een masterdiploma en ligt het percentage onderzoekers ook lager dan bij

Tabel 6.18 vergelijkt de financiering van de GOVERD en HERD op

het hoger onderwijs. Het percentage vrouwen ten opzichte van

internationaal vlak. Vlaanderen kent niet langer het hoogste

het O&O-personeel ligt er ook lager. Vrouwen hebben vaker een

percentage voor de HERD qua financiering door de binnenlandse

bachelordiploma binnen de publieke onderzoekscentra. Het aandeel

bedrijven (13,5% voor Vlaanderen en 13,9% voor Duitsland) en

van de vrouwen uit de non-profit in het totale O&O-personeel

dit cijfer is gedaald in vergelijking met 2009 (16,1%); ook wat

stijgt licht en de grootte-orde verhouding verhoogt licht tot 45%.

Duitsland betreft geldt die daling. Het Europese gemiddelde bedraagt 6,4%, een lichte daling in vergelijking met 2009, maar nog steeds

Wat de verdeling van het O&O-personeel naar wetenschapsgebied

een heel stuk lager dan het Vlaamse cijfer. Ook binnen de

(hoger onderwijs) betreft, valt de daling op voor de medische

GOVERD vormen de bedrijven (binnenlandse) voor Vlaanderen

wetenschappen en de humane wetenschappen en de stijging van

internationaal gezien nog een belangrijke financieringsbron met

de landbouwwetenschappen. De medische wetenschappen blijven

6,5% maar verliezen ze toch aan belang. Het EU-27 gemiddelde

het belangrijkste onderzoeksdomein, globaal en bij het vrouwelijk

bedraagt 8,6 %, wat hoger ligt. Nederland scoort zeer hoog voor

O&O-personeel. De toegepaste wetenschappen vormen hĂŠt

financiering door de bedrijven in de GOVERD, gevolgd door

onderzoeksdomein binnen de publieke onderzoekscentra, globaal

Finland, Noorwegen en Duitsland. Voor Japan ligt het percentage

en ook bij het vrouwelijk O&O-personeel. De landbouw-

van de GOVERD dat door de bedrijven gefinancierd wordt

wetenschappen en de exacte wetenschappen verhogen hun

het laagst.

aandeel en de toegepaste wetenschappen verliezen licht terrein.

Tabel 6.19 vergelijkt het percentage vrouwelijke onderzoekers

Het totale O&O-personeel binnen het hoger onderwijs en de

binnen de publieke onderzoekscentra en het hoger onderwijs op

publieke onderzoekscentra is tussen 2006 en 2011 met ongeveer

internationaal vlak. Vlaanderen scoort met 40% voor het hoger

een kwart toegenomen. De O&O-uitgaven stegen de afgelopen

onderwijs niet zo slecht in vergelijking met Duitsland, Nederland en

vijf jaar sterker: bij de publieke onderzoekscentra +40,4% en bij

Frankrijk. Vlaanderen scoort in de vergelijking met de Scandinavische

het hoger onderwijs +49,6%.

landen voor het percentage vrouwelijke onderzoekers voor het hoger onderwijs in Vlaanderen wel lager. Ook bij de publieke

Wat de O&O-uitgaven naar kostensoort voor de non-profit betreft

onderzoekscentra scoort Vlaanderen behoorlijk en vergelijkbaar

voor 2011, verhogen de personeelskosten hun aandeel ten

met Duitsland, hoger dan Nederland en lager dan Frankrijk.

opzichte van 2009 ten koste van werkingskosten / investeringen.

De cijfers voor Vlaanderen liggen hier wel nog een stuk onder die

Het buitenland wint in alle sectoren aan belang als financieringsbron

voor Noord-Europa. Vlaanderen volgt wel de internationale trend

en dit is in de meeste gevallen voor rekening van buitenlandse

met een stijgend aandeel vrouwelijke onderzoekers zowel bij

bedrijven. Ook in het hoger onderwijs, waar er altijd een sterke

de publieke onderzoekscentra als bij het hoger onderwijs.

interactie was tussen binnenlandse bedrijven en het hoger onderwijs is toch een daling te zien bij de financiering door binnenlandse bedrijven. Binnenlandse bedrijven verliezen belang als financieringsbron zowel voor de HERD als de GOVERD, maar buitenlandse bedrijven winnen wel aan belang bij de HERD. Hoe dan ook, globaal is de financiĂŤle interactie tussen bedrijven en de non-profit toch licht gedaald.


O N D E R ZO E K E N O NT W I K K E LI N G B I N N E N D E N O N -P R O F I T S E C TO R

Binnen de publieke onderzoekscentra situeren de O&O-uitgaven zich vooral binnen de toegepaste wetenschappen en het aandeel neemt nog licht toe ten koste van de exacte en natuurwetenschappen in vergelijking met 2009. Voor het hoger onderwijs verliezen de medische wetenschappen licht terrein als belangrijkste onderzoeksdomein op basis van de O&O-uitgaven ten opzichte van 2009. De O&O-intensiteit voor 2011 binnen de non-profit is gestegen ten opzichte van 2009, naar 0,76% volgens de gewestbenadering en 0,82% volgens de gemeenschapsbenadering. Wanneer de O&O-intensiteit opgedeeld wordt naar publiek en private financiering is 0,57% afkomstig van publieke financiering en 0,19% afkomstig van private financiering. Het aandeel en belang van de publieke financiering is opnieuw toegenomen ten opzichte van 2009. De internationale vergelijking toont aan dat Vlaanderen in veel gevallen beter presteert voor GOVERD en HERD dan het EU-gemiddelde en de dichtste buurlanden maar onder het niveau van de Scandinavische landen. De actoren uit de publieke sector investeerden de voorbije jaren aanzienlijk meer in O&O ondanks minder economische groei en dit is zeker een positieve evolutie. Anders dan in 2009, waar ook een dalend BBP een effect had op de O&O intensiteit, slagen de O&O-actoren uit de publieke sector in 2011 erin om hun inspanning te verhogen of zeker te handhaven. Ook voor de komende jaren zijn bijkomende investeringen gepland voor O&O, die de O&O-intensiteit verder moeten doen groeien richting de afspraken uit Pact 2020: 3% van het BBP voor O&O waarvan 1% publieke financiering.

107


108

6


DEEL 1 D E TOTALE O&O-U ITGAVE N I N VL A AN D E R E N: G E R D Door Petra Andries (KU Leuven), Koenraad Debackere (KU Leuven), Pascale Dengis (EWI), Machteld Hoskens (KU Leuven) en Peter Viaene (EWI)

109


7

110

7.1

DE GEBRUIKTE INDICATOREN

In Appendix 1 geven we een overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), de Publieke

Vlaanderen heeft zich ten volle geëngageerd in de Europese

Onderzoekscentra (GOVERD), en de Particuliere Non-profit

Lissabon-ambitie en vertaalde die voor het eerst naar de Vlaamse

Instellingen (PNP) die in deze analyses worden opgenomen.

context via het Innovatiepact. Dit pact werd ondertekend in maart 2003 en houdt een formeel engagement in van alle betrokken

Het gaat hierbij telkens om de O&O-activiteiten die worden

actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid, bedrijfsleven,

uitgevoerd binnen de statistische eenheid. Naar bestemming

universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door gezamenlijke

worden enkel de intramurale uitgaven in rekening genomen,

en complementaire inspanningen de 3% O&O-norm te realiseren.

ongeacht de herkomst van de middelen. De gezamenlijke

De ambitie deze norm te behalen werd herbevestigd bij de

inspanningen van alle sectoren leveren de totale bruto uitgaven

ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in Hasselt.

voor O&O in een beschouwd geografisch gebied. Dit zijn

De 3% norm specificeert dat de uitgaven voor O&O-activiteiten in

de Bruto Binnenlandse Uitgaven voor O&O of GERD (Gross

Vlaanderen over alle actoren heen, ten minste 3% van het Bruto

Expenditures on R&D). Deze staat voor de som van de BERD,

Binnenlands Product van de Regio (BBPR) moeten bedragen

GOVERD, HERD en PNP:

tegen 2014, verdeeld over zowel publieke als private actoren. In het kader van deze 3% O&O-norm wordt vandaag algemeen

GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP

aanvaard dat de diverse Europese overheden ernaar streven om 1% van de financiering voor hun rekening te nemen, terwijl het

De O&O-intensiteit drukt de GERD uit relatief ten opzichte

bedrijfsleven ernaar streeft 2% van de financiering voor zijn

van het Bruto Binnenlands Product van de Regio (BBPR).

rekening te nemen. Dit streven heeft in verschillende Europese

Deze indicator schakelt de invloed van de grootte van een gebied

landen en regio’s geleid tot het afsluiten van zogenaamde

uit en is dus geschikt voor internationale vergelijkingen.

innovatiepacten of innovatieplatformen tussen publieke en private O&O-actoren.

De internationale afspraken specifiëren dat de allocatie naar regio’s gebeurt via de geografische locatie van de responderende entiteit.

Ter ondersteuning van deze beleidsoptie, is een continue opvolging

In de eigen Belgische context dient men evenwel rekening te

van de toestand aan de hand van recent en internationaal

houden met de specifieke federale staatsstructuur, die gewest-

vergelijkbaar cijfermateriaal nodig. Dit hoofdstuk levert de meest

en gemeenschapsmateries onderscheidt. Bij het toepassen van

recent beschikbare cijfers over de totale O&O-uitgaven in Vlaanderen.

de internationale definities voor de verschillende regio’s in België werd de volgende procedure afgesproken binnen CFS-STAT,

De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (Gross

dat de coördinatie tussen het federale en het regionale niveau voor

Expenditures on Research and Development) worden geanalyseerd

zijn rekening neemt. Voor de BERD, de GOVERD, de PNP en het

per uitvoeringssector, waarbij de uitgaven geïdentificeerd worden

BBPR wordt het Gewest als territoriale entiteit gehanteerd.

volgens locatie van activiteit, met name:

De HERD, de uitgaven in het hoger onderwijs, zijn echter een gemeenschapsmaterie. De O&O-activiteiten van de Vlaamse

●

● ●

●

Bedrijven: BERD: Business Expenditures on R&D: de bedrijven-

gemeenschapsinstellingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

component en de Collectieve Onderzoekscentra (COC)

zijn gevestigd horen bijgevolg bij de Vlaamse Gemeenschap.

Overheden: GOVERD: Government Expenditures on R&D Hoger Onderwijs: HERD: Higher Education Expenditures on

De Gewestbenadering is de internationaal gehanteerde procedure

R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen verbonden

om alle componenten van GERD en BBPR op éénzelfde eenheid,

aan universiteiten, als hogescholen)

in casu het Gewest, toe te passen. In de hierna volgende analyses

Instellingen zonder winstoogmerk: PNP: Not for Profit

hanteren we deze internationale procedure. Desondanks rapporteren

Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke als

we ter vergelijking ook de Gemeenschapsbenadering. Het verschil

private organisaties en internationale organisaties)

tussen beide benaderingen, zijnde de uitgaven in Vlaamse instellingen uit het hoger onderwijs gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk gewest, geeft aldus een licht verschil voor de totale GERD cijfers.


D E TOTALE O&O-U ITGAVE N I N VL A A N D E R E N: G E R D

7.2

GERD PER UITVOERINGSSECTOR

111

Om een correcte vergelijking over de tijd mogelijk te maken en aldus reële trends te identificeren, drukken we in tabel 7.2 de GERD-

In een eerste onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle

cijfers uit in constante prijzen (met als basisjaar 2005). De deflator

componenten van de GERD voor Vlaanderen. Het betreft hier

die binnen de overleggroep CFS-STAT gebruikt wordt om de

de BERD (met enerzijds de bedrijvencomponent BERDbedrijven en

O&O-uitgaven te herrekenen in constante prijzen is de OESO

anderzijds de collectieve onderzoekscentra BERDcollectievecentra), de GOVERD (O&O-uitgaven binnen de overheid)1, de HERD

MSTI-deflator, specifiek voor O&O-uitgaven (Bron: OECD, Main

(Hoger Onderwijs) en de PNP (Instellingen zonder winstoogmerk).

observeren wij een stijging voor BERDcollectievecentra, de GOVERD,

De berekening van de HERD kan, zoals eerder aangegeven,

en de HERD over de periode 2010-2011. De uitgaven van de PNP

op twee manieren gebeuren: volgens Gewest en volgens

in constante prijzen, zijn stabiel over de geobserveerde periode.

Science and Technology Indicators, 2012/2)4. Ook in constante prijzen

Gemeenschap. Tabel 7.1 geeft de internationaal vergelijkbare gewestbenadering in lopende prijzen. We merken op dat de

De bedrijven nemen zoals steeds het overgrote deel van de totale

BERDbedrijven, in lopende prijzen, sterk steeg in de periode

O&O-uitgaven voor hun rekening: in 2011 werden volgens de

2009-2011. Een deel van de stijging tussen 2009 en 2010

gewestbenadering 67% van de totale O&O-uitgaven gerealiseerd

(nl. afgerond 37 procent) kan verklaard worden doordat enkele

door de bedrijven5. De universiteiten en hogescholen (HERD) zijn

zeer O&O-intensieve bedrijven voor het eerst hebben

de tweede grootste uitvoerder met (voor 2011) 20% van de totale

geantwoord op de enquête2. Uitgebreide validatie leert verder

GERD op gewestniveau (ten opzichte van 22% in 2009).

dat de stijging tussen 2010 en 2011 eveneens volledig reëel is. Over de gehele periode 2010-2011 zien we bijgevolg een sterke

Voor de volledigheid wordt in tabel 7.3 de gemeenschapsbenadering6

reële stijging van de BERDbedrijven ten opzichte van 2009. Ook de

weergegeven in lopende prijzen. In tabel 7.4 volgt dezelfde

BERDcollectievecentra, de GOVERD, de HERD, en de PNP zetten

benadering in constante prijzen (met opnieuw als basisjaar 2005).

hun stijgende trend verder in de periode 2010-2011.

Tabel 7.1: GERD voor het Vlaams Gewest (lopende prijzen) (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD-bedrijven

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

3.045

3.416

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

44

48

54

57

GOVERD

160

192

220

232

248

281

261

335

380

383

419

458

485

515

537

HERDgew

400

438

460

482

524

541

600

624

667

690

740

819

903

983

1.031

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

42

43

44

45

2.427

2.603

2.875

3.235

3.525

3.317

3.276

3.346

3.571

3.599

3.849

4.116

4.149

4.640

5.088

Collectieve centra

PNP GERD

Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT 3

1 De instellingen IMEC en VIB worden voor de gehele periode 1995-2011 ingedeeld bij GOVERD en niet bij HERD, zoals in het verleden het geval was. 2 Zoals gewoonlijk werden aan het begin van de bevraging diverse bronnen geraadpleegd om de lijst van te bevragen gekende of veronderstelde O&O-actieve bedrijven na te kijken en indien nodig aan te vullen. Op basis van deze bronnen werden deze bedrijven toegevoegd aan deze lijst. Enkele ervan werden eerder door Federaal Wetenschapsbeleid bevraagd (daar gaven zij toen aan dat hun O&O in Vlaanderen plaats vond), enkele werden in het verleden onder een ander BTW-nummer bevraagd maar gaven toen veel lagere O&O-cijfers op. Eén ervan was nieuw: als kleiner bedrijf naar buitenlands recht, werd het in het verleden niet door ons bevraagd. Wanneer een bedrijf voor het eerst geantwoord heeft op de enquête, betekent het niet noodzakelijk dat het in het verleden niet meegerekend werd. In het verleden werden immers steeds schattingen gemaakt voor ontbrekende gegevens, die echter door het gebruik van voorzichtige imputatie- en extrapolatiemethoden, lager kunnen liggen dan de nu gerapporteerde cijfers. 3 Zoals aangegeven in hoofdstuk 5 van dit Indicatorenboek, bevatten de BERDbedrijven-cijfers voor 2010 en 2011 voor Vlaanderen extrapolaties bij de ontbrekende cijfers die enkel gebaseerd zijn op Vlaamse gegevens. Wanneer later op het jaar de cijfers voor België beschikbaar zullen zijn, kunnen de extrapolaties verder verfijnd worden, wat nog een lichte verandering in de BERDbedrijven tijdsreeks kan geven, conform met de Belgische BERDbedrijven tijdsreeks. Deze laatste aanpassing is de zogenaamde top-down aanpassing van de tijdsreeks, in aanvulling op de bottom-up extrapolaties die nu gebeurd zijn. 4 Deze MSTI deflator is evenwel niet specifiek voor Vlaanderen. De door de VRWI ontwikkelde specifieke O&O-deflator voor Vlaanderen is niet beschikbaar voor de meest recente jaren. Specifiek voor Vlaanderen en beschikbaar voor de gehele tijdsperiode is de BBPR deflator, maar deze is niet specifiek voor O&O. 5 De O&O-uitgaven binnen de populatie van Vlaamse bedrijven zijn (zoals reeds lang bekend) zeer scheef verdeeld. Zowel in 2010 als in 2011 waren de top-50 O&O-actieve bedrijven gezamenlijk verantwoordelijk voor 60% van de O&O-uitgaven, de volgende 50 bedrijven uit de top-100 gezamenlijk voor iets meer dan 10% van de O&O-uitgaven, en de volgende 100 bedrijven uit de top-200 gezamenlijk voor nog eens 10% van deze O&O-uitgaven. 6 Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD zijn de instellingen gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: de Vrije Universiteit Brussel, de HUBrussel (K.U.Brussel en EHSAL), de Erasmushogeschool Brussel, de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, en het Universitair Instituut voor het Jodendom. Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap.


7

112

Tabel 7.2:

GERD voor het Vlaams Gewest (constante prijzen, op basis van 2005: MSTI-deflator)*

(in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD-bedrijven

2.087

2.154

2.399

2.693

2.892

2.572

2.438

2.368

2.441

2.389

2.482

2.572

2.465

2.756

3.030

36

49

49

67

65

50

49

38

44

42

47

41

44

49

51

GOVERD

185

218

249

258

270

300

273

343

380

374

400

428

448

466

477

HERDgew

462

497

521

535

570

577

628

639

667

674

706

765

834

889

915

Collectieve centra

PNP GERD

37

37

37

38

38

39

38

38

38

38

38

39

40

40

40

2.807

2.955

3.255

3.591

3.834

3.537

3.426

3.425

3.571

3.517

3.674

3.846

3.831

4.200

4.513

Tabel 7.3: GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (lopende prijzen)* (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD-bedrijven

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2.752

2.670

3.045

3.416

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

44

48

54

57

GOVERD

160

192

220

232

248

281

261

335

380

383

419

458

485

515

537

HERDgem

469

500

516

550

588

609

667

692

738

741

796

913

1.012

1.097

1.148

Collectieve centra

PNP GERDgem

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

42

43

44

45

2.496

2.665

2.931

3.302

3.589

3.385

3.343

3.413

3.641

3.650

3.905

4.210

4.258

4.754

5.204

Tabel 7.4: GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (constante prijzen, op basis van 2005: MSTI-deflator)* (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD-bedrijven

2.087

2.154

2.399

2.693

2.892

2.572

2.438

2.368

2.441

2.389

2.482

2.572

2.465

2.756

3.030

36

49

49

67

65

50

49

38

44

42

47

41

44

49

51

GOVERD

185

218

249

258

270

300

273

343

380

374

400

428

448

466

477

HERDgem

542

568

584

610

639

649

697

708

738

724

760

854

935

992

1.018

Collectieve centra

PNP GERDgem

37

37

37

38

38

39

38

38

38

38

38

39

40

40

40

2.887

3.026

3.318

3.666

3.904

3.610

3.495

3.494

3.641

3.567

3.727

3.934

3.932

4.303

4.616

* Bron: Eigen berekeningen in coรถrdinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT

Tabel 7.5: Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen) (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD

1.835

1.940

2.162

2.486

2.718

2.459

2.379

2.349

2.486

2.488

2.650

2.796

2.718

3.099

3.474

591

662

713

748

807

858

897

996

1.085

1.111

1.199

1.319

1.431

1.541

1.614

2.427

2.603

2.875

3.235

3.525

3.317

3.276

3.346

3.571

3.599

3.849

4.116

4.149

4.640

5.088

BERD/GERD

0,76

0,75

0,75

0,77

0,77

0,74

0,73

0,70

0,70

0,69

0,69

0,68

0,66

0,67

0,68

non-BERD/GERD

0,24

0,25

0,25

0,23

0,23

0,26

0,27

0,30

0,30

0,31

0,31

0,32

0,34

0,33

0,32

non-BERD GERD


D E TOTALE O&O-U ITGAVE N I N VL A A N D E R E N: G E R D

113

Tabel 7.6: Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (gebaseerd op lopende prijzen) (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD

1.835

1.940

2.162

2.486

2.718

2.459

2.379

2.349

2.486

2.488

2.650

2.796

2.718

3.099

3.474

non-BERD

660

725

769

816

870

926

964

1.064

1.156

1.162

1.255

1.413

1.540

1.655

1.731

GERDgem

2.496

2.665

2.931

3.302

3.589

3.385

3.343

3.413

3.641

3.650

3.905

4.210

4.258

4.754

5.204

BERD/GERDgem

0,74

0,73

0,74

0,75

0,76

0,73

0,71

0,69

0,68

0,68

0,68

0,66

0,64

0,65

0,67

non-BERD/GERDgem

0,26

0,27

0,26

0,25

0,24

0,27

0,29

0,31

0,32

0,32

0,32

0,34

0,36

0,35

0,33

Tabel 7.7: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen) (in miljoen euro)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

127.217

131.603

137.159

145.096

148.945

153.808

158.324

167.551

174.288

183.996

194.866

199.957

195.355

202.730

211.717

Bron: HERMREG, juni 2012

Tabel 7.8: BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor het Vlaams Gewest 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD/BBPR

(in %)

1,44

1,47

1,58

1,71

1,83

1,60

1,50

1,40

1,43

1,35

1,36

1,40

1,39

1,53

1,64

non-BERD/BBPR

0,46

0,50

0,52

0,52

0,54

0,56

0,57

0,59

0,62

0,60

0,62

0,66

0,73

0,76

0,76

GERD/BBPR

1,91

1,98

2,10

2,23

2,37

2,16

2,07

2,00

2,05

1,96

1,98

2,06

2,12

2,29

2,40

Tabel 7.5 splitst de GERD op in twee categorieën van uitvoerders: privaat versus publiek. De eerste categorie omvat de BERD

7.3

O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN HET BBPR VOOR VLAANDEREN

(bedrijvencomponent en collectieve onderzoekscentra). De tweede categorie omvat de GOVERD, de HERD en de PNP. De O&O-

Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van

uitgaven van beide categorieën worden eerst in absolute getallen

een regio (BBPR) weer te geven, is de O&O-intensiteit: het percentage

weergegeven en daarna procentueel ten opzichte van de totale

van het BBPR dat besteed wordt aan O&O. Het BBPR voor

GERD. De ratio BERD/GERD wordt als één van de belangrijke

Vlaanderen in lopende prijzen bedroeg 202.729,7 miljoen euro in

indicatoren continu opgevolgd binnen de EU, in het kader van

2010, en 211.716,6 miljoen euro in 2011 (zie tabel 7.7). Dit betekent

de Lissabon- en Barcelona-doelstellingen, zowel in de “European

een beperkte stijging ten opzichte van 2008 en 2009.

Innovation Scoreboard” van DG Enterprise als in het “3% Action Plan” van DG Research. Deze ratio geeft aan wat de bijdrage is van

Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %

de private sector als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven.

van het BBPR bekomen we voor 2011 een percentage van 2,40%

Typisch ligt deze private bijdrage (als sector van uitvoering) in

voor de GERD op gewestniveau en 2,46% voor de GERD op

de EU lager dan in de VS en Japan. Uit de resultaten blijkt dat

gemeenschapsniveau. De volledige historische reeksen worden

hoewel het aandeel van de BERD sinds 2000 was afgenomen

weergegeven in tabel 7.8 en 7.97. We zien dat de stijging van de

ten voordele van het aandeel van de nonBERD, het opnieuw

totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR die we sinds

lichtjes aan relatief belang wint. Ter vergelijking geeft tabel 7.6

2007 observeren, zich verder en toch wel versterkt doorzet in

de gemeenschapsbenadering.

de periode 2010-2011, en nu wel over alle grote componenten van de GERD.

7 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Daardoor kunnen de waarden in tabel 7.8 en 7.9 licht verschillen van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.


7

114

Tabel 7.9: BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor de Vlaamse Gemeenschap (in %)

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

BERD/BBPR

1,44

1,47

1,58

1,71

1,83

1,60

1,50

1,40

1,43

1,35

1,36

1,40

1,39

1,53

1,64

non-BERD/BBPR

0,52

0,55

0,56

0,56

0,58

0,60

0,61

0,63

0,66

0,63

0,64

0,71

0,79

0,82

0,82

GERD/BBPR

1,96

2,03

2,14

2,28

2,41

2,20

2,11

2,04

2,09

1,98

2,00

2,11

2,18

2,35

2,46

In tabel 7.8 worden ook de twee componenten van de GERD

In eerste instantie vergelijken we internationaal de grootste GERD

(namelijk het BERD- en het nonBERDgedeelte) voorgesteld als

component, zijnde de BERD (de bedrijvencomponent en de

percentage van het BBPR. We zien een grote stijging van de

collectieve onderzoekscentra). Om het grootte-effect uit te schakelen,

BERD/BBPR-ratio in de periode 2010-2011. Ook de nonBERD/BBPR-

drukken we de BERD uit als % van het BBP. We herhalen

ratio vertoont een stijging in de periode 2010-2011. Zo krijgen we,

de procedure voor het non-BERD gedeelte (wat overeenkomt met

op gewestniveau, voor 2011 een percentage van 1,64%, uitgevoerd

de GOVERD, de HERD en de PNP).

door de private sector en 0,76% uitgevoerd door de publieke sector. De ratio BERD/BBPR komt voor Vlaanderen op 1,64% voor 2011 (zie tabel 7.8). Wanneer we dit vergelijken met het gemiddelde van

7.4

EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

de EU-27 (1,20%) blijkt dat Vlaamse bedrijven relatief veel meer investeren in O&O, ook in vergelijking met onze buurlanden

Om de Vlaamse resultaten naar waarde te kunnen schatten, is een

Nederland, Frankrijk en VK. Maar dit is nog beduidend lager dan

internationale vergelijking noodzakelijk. We vergelijken Vlaanderen

in de EU-toplanden: Finland en Zweden. Ook zitten we ook nog

8

met andere Europese landen en de VS . De internationale

steeds onder de ratio voor de VS (zie tabel 7.10).

vergelijking moet wel met de nodige voorzichtigheid gebeuren. Voor de meeste landen zijn er nog geen cijfers beschikbaar uit

Daarnaast kunnen ook de O&O-uitgaven in publieke instellingen in

de O&O-enquête 2010-2011 en zijn de cijfers gebaseerd op

een internationale context geplaatst worden. Voor Vlaanderen wordt

(predicties uit) de vroegere enquêtes. Wanneer cijfers beschikbaar

de nonBERD/BBPR ratio in 2011: 0,76% (zie tabel 7.8). Hiermee zitten

zijn voor 2009, zijn deze vaak nog provisioneel of geschat.

we net boven het gemiddelde van de EU-27 (zie tabel 7.11).

Tabel 7.10: Internationale vergelijking van de BERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)

BERD/BBRP Referentiejaar

DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

VLA

2,09 cp

1,90 p

0,70

1,43

1,17 p

0,68 p

1,07 ap

2,67

2,34 c

1,09 p

1,89 jp

1,20 bp

1,37 p

1,64

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

* Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 a = breuk met historische cijfers; b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel

Tabel 7.11: Internationale vergelijking van de NonBERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)

nonBERD/BBRP Referentiejaar

DK

DE

1,00 cp

0,94 cp

2011

2011

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

0,63

0,82

0,55 cp

0,57 p

2011

2011

2011

2011

VLA

0,97 ap

1,11

1,03 ac

0,68 p

0,88 jp

0,74 bp

0,67 p

0,76

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

* Bron: berekeningen van ECOOM op basis van OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 a = breuk met historische cijfers; b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel 8 Een vergelijking met andere regio’s zou voor Vlaanderen meer relevant zijn. Maar internationaal vergelijkbare regionale cijfers zijn nog in ontwikkeling, en voorlopig nog niet voldoende gestandaardiseerd en regulier beschikbaar.


D E TOTALE O&O-U ITGAVE N I N VL A A N D E R E N: G E R D

115

Tabel 7.12: Internationale vergelijking van de GERD/BBRP en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)

GERD/BBRP Referentiejaar

DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

US

EU27

BE

VLA

3,09 cp

2,84 c

1,33

2,25

1,72 cp

1,25 p

2,04 ap

3,78

3,37 ac

1,77 p

2,77 jp

1,94 bp

2,04 p

2,40

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

2011

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2 a = breuk met historische cijfers; b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel

Wanneer we beide ratio’s per land samentellen, verkrijgen we

We passen ze toe op de meest recente O&O-uitgaven per

de totale O&O-uitgaven GERD/BBPR per land (zie tabel 7.12).

uitvoeringssector voor 2010 en 2011 (Vlaams Gewest), uitgedrukt

Een internationale vergelijking leert dat Vlaanderen met 2,40% in

in lopende prijzen (zie tabel 7.1). Appendix 2 geeft een meer

2011 ver boven het EU-27 gemiddelde zit, maar binnen de EU wel

gedetailleerd overzicht van de financiering van de BERDbedrijven.

nog onder de percentages blijft van de toplanden Finland, Zweden en Denemarken. De internationale vergelijking moet wel met de

De totale opsplitsing van de GERD op Vlaams gewestniveau naar

nodige voorzichtigheid gebeuren. Voor de meeste landen zijn er

private versus publieke financiering voor 2010 wordt op die manier

immers nog geen cijfers beschikbaar uit de O&O-enquête 2010-2011

70% voor de private financiering versus 30% voor de publieke

en zijn de hier gerapporteerde cijfers gebaseerd op (predicties uit)

financiering:

de vroegere enquêtes. Wanneer er al cijfers voor 2011 beschikbaar zijn, dan zijn deze bovendien vaak nog provisioneel of geschat.

93,67% * 3.045 + 40,58% * 54 + 14,79% * 983 + 44,17% * 515 + 7,65% * 44 0,70 = (3.045 + 54 + 983 + 515 + 44)

7.5

TOTALE O&O-UITGAVEN PER FINANCIERINGSSECTOR

6,33% * 3.045 + 59,42% * 54 + 85,21% * 983 + 55,83% * 515 + 92,35% * 44 0,30 = (3.045 + 54 + 983 + 515 + 44)

De procentuele verdeling per financieringsbron zoals gerapporteerd in de O&O-enquêtes geeft een benadering van het aandeel van de publieke en private sector in de financiering van de O&O-uitgaven9. We gebruiken de ratio’s voor 2010 en 2011 (bekomen aan de hand

De totale opsplitsing van de GERD op Vlaams gewestniveau naar private versus publieke financiering voor 2011 wordt 71% voor de private financiering versus 29% voor de publieke financiering:

van de schattingen en extrapolaties op basis van de gegevens uit de O&O-enquête 2010-201110) zoals weergegeven in tabel 7.13.

93,07% * 3.416 + 38,68% * 57 + 15,66% * 1.031 + 44,25% * 537 + 7,65% * 45 0,71 = (3.416 + 57 + 1.031 + 537 + 45) 6,93% * 3.416 + 61,32% * 57 + 84,34% * 1.031 + 55,75% * 537 + 92,35% * 45

Tabel 7.13: BERD, HERD, GOVERD en PNP - Private versus

(3.416 + 57 + 1.031 + 537 + 45)

Publieke financiering, voor 2010 en 2011 2010

Ter vergelijking: in de vorige 3% nota (verschenen in 2011) werd

2011

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

BERD bedrijven

93,67%

6,33%

93,07%

6,93%

BERD collectieve centra

40,58%

59,42%

38,68%

61,32%

HERDgew

14,79%

85,21%

15,66%

84,34%

GOVERD

44,17%

55,83%

44,25%

55,75%

7,65%

92,35%

7,65%

92,35%

PNP

0,29 =

voor 2009 ook al een percentage van 71% private financiering gerapporteerd versus 29% publieke financiering.

9 Een tweede benadering die de financiering door de publieke sector weergeeft, is de bepaling van de overheidsinspanningen aan de hand van de GBAORD (Government Appropriations or Outlays for R&D). Deze benadering wordt gevolgd in hoofdstuk 8 van dit Indicatorenboek. Beide benaderingen komen tot een verschillend resultaat, aangezien het bij de GBAORD over budgetten gaat, terwijl de benadering in dit hoofdstuk uitgaat van reëel gerapporteerde uitgavenpatronen. 10 Voor 2010 werden gewogen schattingen gemaakt op basis van 687 volledige antwoorden; voor 2011 op basis van 906 volledige antwoorden. Deze aantallen zijn beduidend hoger dan in het verleden, wat zeer waarschijnlijk te wijten is aan de nieuwe layout en design van de O&O-enquête, en hetgeen de betrouwbaarheid van de bekomen statistieken verder verhoogt.


7

116

Als we Vlaanderen internationaal vergelijken voor wat betreft de

7.6

CONCLUSIES

private financiering van de O&O-uitgaven, dan blijkt Vlaanderen ver boven het EU-gemiddelde te scoren (53% voor EU-27 in

Waar we in de periode 2001-2004 een dalende trend in GERD

2010), en zelfs boven de andere koplopers zoals Duitsland (66%

konden observeren, zagen we in 2005 een stijging in de totale

in 2010), Finland (67% in 2011), en Zwitserland (68% in 2008).

O&O-uitgaven. Na een beperkte daling in 2006, zien we dat de

De Vlaamse cijfers zijn vergelijkbaar met die van Korea (72% in 2010).

stijging van de periode 2007-2009 zich verder en versterkt doorzet in 2010 en 2011, en dit zowel in de private als de publieke sector.

Het privaat en publiek gefinancierd deel van de totale O&Ouitgaven wordt in tabel 7.14 en tabel 7.15 afgewogen ten opzichte

De meest recente cijfers voor de GERD als % van het BBPR geven

van het BBPR. We krijgen voor 2011 een percentage van 1,70%

voor 2011 een percentage van 2,40% (d.i. een duidelijke stijging

van het BBPR gefinancierd door de private sector en 0,70%

ten opzichte van het niveau van 2009). Vlaanderen zit hiermee

door de publieke sector. Ter vergelijking: in de vorige 3% nota

ver boven het EU-gemiddelde. Zowel de BERD/BBPR-ratio als

(verschenen in 2009) bedroegen voor 2009 de privaat gefinancierde

de nonBERD/BBPR-ratio vertonen een stijging in de periode

uitgaven voor O&O 1,50% van het BBPR, en de publiek

2010-2011.

gefinancierde uitgaven 0,62% van het BBPR. We kunnen derhalve stellen dat zowel de private als de publieke financiering van O&O

Als we de onderliggende streefnorm van 2/3e private financiering

een beduidende stap voorwaarts zetten in de richting van de 2%

versus 1/3e publieke financiering evalueren, zien we dat het

norm, respectievelijk de 1% norm.

Vlaamse percentage van de O&O-uitgaven door private financiering ver boven het EU-gemiddelde ligt. De private financiering zit voor 2011 met 1,70% opnieuw in de lift. Ook voor

Tabel 7.14: GERDgewest - Private versus Publieke financiering, 2010

de publiek gefinancierde uitgaven (0,70% voor 2011 op basis van de schattingen en extrapolaties vertrekkend van de gerapporteerde gegevens van de O&O-enquĂŞte over de periode

GERDgewest 2010

%GERDgewest/ BBPR 2010

2010-2011) komt de norm van 1% van het BBPR een stuk dichter

Privaat gefinancierd

3.250

70%

1,60%

in zicht. Het volgehouden Vlaamse O&O- en innovatiebeleid

Publiek gefinancierd

1.390

30%

0,69%

begint dus duidelijk vruchten af te werpen.

Tabel 7.15: GERDgewest - Private versus Publieke financiering, 2011

GERDgewest 2011

%GERDgewest/ BBPR 2011

Privaat gefinancierd

3.605

71%

1,70%

Publiek gefinancierd

1.483

29%

0,70%


D E TOTALE O&O-U ITGAVE N I N VL A A N D E R E N: G E R D

APPENDIX 1: OVERZICHT VAN DE COLLECTIEVE ONDERZOEKSCENTRA (BERD COLLECTIEVE CENTRA), PUBLIEKE ONDERZOEKSCENTRA (GOVERD), EN PARTICULIERE NON-PROFIT INSTELLINGEN (PNP)

117

Particuliere Non-profit Instellingen De particuliere non-profit instellingen bevatten semi-publieke instellingen, particuliere instellingen en internationale instellingen uit het Vlaams Gewest. • Vlaamse Compostorganisatie (VLACO)

Collectieve Onderzoekscentra Collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra als competentiepolen.

• Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde • Mobiel 21 • Von Karman Institute for Fluid Dynamics • Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG

• Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid (CENTEXBEL) - Vlaams Gewest • Sirris-Vlaams Gewest • Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekcentrum voor Diamant (WTOCD) • Centrum voor Research in de Metallurgie (CRM) - Vlaams Gewest • Belgisch Instituut voor Lastechniek

Publieke Onderzoekscentra Deze omvatten de vier 'grote' onderzoekscentra, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest, de federale onderzoekinstellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn, en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn. • Departement Toegepaste Elektronika - Landmacht • Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën Vlaams Gewest

• Proefcentrum Fruitteelt

• Koninklijk Museum voor Midden-Afrika

• Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering v/d Biet

• Nationale Plantentuin van België

• Proefcentrum voor de Sierteelt

• Studiecentrum voor Kernenergie - Mol

• Proefstation voor de Groententeelt

• Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen

• BECETEL

• Dept MOW- Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en

• Inagro

Hydrologisch onderzoek (WLH)

• Provinciaal Proefcentrum van de Groententeelt - O.-Vlaanderen

• Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO)

• Nationale Proeftuin Witloof

• Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde

• Vlaams Centrum voor de Bewaring van Tuinbouwproducten

• VITO

(VCBT) • Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt O.-Vlaanderen (PCA)

• IMEC • VIB • UNU_CRIS

• Flanders Plastics'Vision

• iMinds

• Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL)

• Provinciaal Centrum voor Opsporing van Metabole

• Flanders' DRIVE Netwerk

Aandoeningen

• Flanders' inShape

• Hooibeekhoeve

• Flanders' Mechatronics Technology Centre (FMTC)

• Proefbedrijf voor de Veehouderij

• Strategisch Initiatief Materialen (SIM) • Flanders District of Creativity (Flanders DC) • Clusta • Vlaams Instituut voor de Mobiliteit

Onderstaande Vlaamse onderzoekinstellingen zijn gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun O&O-inspanningen worden dan ook bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgenomen.

• Vlaams Kenniscentrum Water (VLAKWA)

• Studiedienst Vlaamse Regering

• Flanders' Synergy

• Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)

• Centrum voor Medische Innovatie

• Onroerend Erfgoed • Departement MOW - Afdeling technische ondersteuning • Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België • Stichting Innovatie & Arbeid • VRWI • Instituut Samenleving & Technologie


7

118

APPENDIX 2: FINANCIERING VAN DE BERD BEDRIJVEN Onderstaande tabel 7.16 bevat schattingen van de totale O&O-uitgaven van de Vlaamse bedrijven, en hoe deze gefinancierd werden. Deze schattingen werden berekend op basis van de gegevens uit de O&O-enquête 2010-2011.

Tabel 7.16: Financiering van de BERDbedrijven in miljoen euro (afgerond)

Eigen vermogen Leningen Andere ondernemingen in België (binnen en buiten de groep) Ondernemingen in het buitenland binnen de groep Ondernemingen in het buitenland buiten de groep

2010

2011

2.230

2.513

27

70

48

48

539

509

8

40

Vlaamse overheid (bv.IWT,...)

101

128

Belgische federale overheid

70

85

Hoger onderwijs in België (inclusief universiteiten)

0

0

PnP in België

0

0

Europese Commissie

13

14

ESA

8

7

Buitenlandse federale overheden

1

1

Hoger Onderwijs en PnP in het buitenland

0

0

Andere internationale/buitenlandse instellingen TOTAAL

1

1

3.045

3.416


DEEL 2 H E T TOTAL E O& O- P E R S O N E E L B I N N E N VL A AN D E R E N Door Peter Viaene (EWI)

119


7

120

7.1

TOTAALBEELD EN INTERNATIONALE VERGELIJKING

Lichte aanpassingen aan de historische cijfers uit het Vlaams Indicatorenboek WTI 2011 duiden op gewijzigde geaggregeerde Belgische cijfers van de regionale resultaten. Het totale O&O-

Menselijk potentieel (zowel de aanwezigheid als de kwaliteit) is van

personeel voor Vlaanderen (2011) wordt vervolgens verder

groot belang in de verdere economische en technologische

opgesplitst naar geslacht, functie, opleiding, de combinatie functie

ontwikkeling van een land of regio. In de huidige globale kennis-

én geslacht en het opleidingsniveau én geslacht. Voor de bedrijven

economie staat kennis(ontwikkeling) centraal, zeker bij innovatie

(profit) gebeurt dit op basis van de geobserveerde ratio’s van de

en economische groei. Daarom vormen zowel investeringen in

steekproefgegevens en niet op basis van alle gegevens voor alle

menselijk potentieel als kennisontwikkeling belangrijke elementen

ondernemingen. Een vernieuwde layout en design van de O&O-

in een omgeving waar concurrentie meer dan ooit geldt.

enquête profit resulteerde in een beduidend hogere responsgraad,

De OESO Canberra Manual1 onderscheidt voor het meten van

hetgeen de betrouwbaarheid verder ten goede komt. Ook nieuwe

menselijk potentieel twee benaderingen. De eerste benadering

topics konden zo opgenomen worden, zoals de nationaliteit van

kijkt naar het hoogste behaalde opleidingsniveau van het

de onderzoekers binnen de bedrijven.

O&O-personeel. Deze benadering is minder bruikbaar omdat er geen rekening gehouden wordt met onderzoekservaring,

Tabel 7.1 biedt een evolutieoverzicht van het O&O-personeel voor

zelfontwikkeling en kennisuitbouw via bijvoorbeeld netwerking.

Vlaanderen tussen 1993 en 2011 voor de vier uitvoeringssectoren:

De andere benadering voor het meten van menselijk potentieel

de ondernemingen (BERD), de publieke onderzoekscentra

vertrekt vanuit de functie van het personeelslid. Hierbij wordt

(GOVERD), het hoger onderwijs - gewestbenadering (HERD) en

gekeken naar het type werk dat het O&O-personeel uitoefent.

de publieke en particuliere non-profit organisaties (PNP).

Het gaat hierbij om de volgende categorieën: onderzoekers enerzijds en technisch personeel / overig personeel (administratief

Voor het hoger onderwijs binnen de Belgische staatsstructuur

personeel) anderzijds.

bestaan er twee benaderingen voor het meten van het O&O-personeel. Bij de gemeenschapsbenadering worden de

In dit hoofdstuk worden de Vlaamse cijfers afkomstig van twee

O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het hoger

grote informatiebronnen geaggregeerd tot een totaalcijfer voor

onderwijs – ook de Vlaamse instellingen gelegen in het Brusselse

het Vlaamse Gewest. Enerzijds is er de bevraging die tweejaarlijks

Hoofdstedelijk Gewest – verrekend. Bij de gewestbenadering geldt

door de Vlaamse overheid, Departement Economie, Wetenschap

de territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen

en Innovatie (EWI) georganiseerd wordt in samenwerking met

van het hoger onderwijs uit het Vlaamse Gewest opgeteld.

de POD Wetenschapsbeleid over de O&O-inspanningen uit de non-profit (zie hoofdstuk 6). Anderzijds is er een bevraging,

Voor de internationale vergelijking van het hoger onderwijs wordt

uitgevoerd door het Expertisecentrum O&O Monitoring, die twee-

hier enkel het gewestcijfer gebruikt. Vanaf 2005 tot 2011 steeg het

jaarlijks de O&O-inspanningen van de bedrijven analyseert (zie

totale Vlaamse O&O-personeelscijfer met ongeveer 5.000

hoofdstuk 5).

voltijdse eenheden.

Tabel 7.1: Overzicht van het totale O&O-personeel over de verschillende sectoren (1993-2011)

O&O-personeel Vlaanderen

Ondernemingen Publieke onderzoekscentra Particuliere NPO's* Hoger onderwijs (gewest) Totaal met hoger onderwijs gewest

1993

1998

2002

2006

2007

2008

2009

2010

2011

% groei 20062011

13.206

18.609

20.865

21.420

22.038

21.824

21.954

21.568

22.621

5,6%

1.153

1.768

2.351

2.541

2.669

2.754

2.989

3.051

3.154

24,1%

295

347

366

360

360

369

370

365

366

1,6%

5.975

6.624

8.280

10.385

10.895

11.561

12.195

12.874

13.141

26,5%

20.628

27.348

31.862

34.706

35.962

36.507

37.508

37.858

39.282

13,2%

NPO's* = non profit organisaties

1 De OESO Canberra Manual ‘The Measurement of Human Resources in Science and Technology” opgemaakt in samenwerking met de EU (Eurostat en DG Onderzoek).


H ET TOTALE O&O-P E R S O N E E L B I N N E N V L A A N D E R E N

Het

Gewest,

In tabel 7.2 wordt de internationale vergelijking van het O&O-

is de voorbije vijf jaar toegenomen met 13% tot ongeveer 39.300

totaal

O&O-personeel

voor

het

Vlaamse

personeel voor Vlaanderen (2011) gemaakt samen met de

voltijdse equivalenten (VTE) in 2011. Daarenboven stegen de

verhouding ten opzichte van de totale bevolking. Het is duidelijk

personeelsinspanningen zowel voor de ondernemingen als voor

dat deze cijfers enkel richtinggevend zijn om de prestaties van

de publieke sector. Tussen 2006 en 2011 bedroeg de stijging

Vlaanderen internationaal te meten. Het gaat hier immers om een

zowel bij het hoger onderwijs (26,5%) en bij publieke

vergelijking van verschillende landen met elk hun eigen omvang

onderzoekscentra ruim 24%. De stijging bij de ondernemingen lag

(bevolking, onderwijssysteem) en hun wetenschappelijke structuur.

met 5,6% een stuk lager maar voor 2010 en 2011 is er opnieuw

Uit de vergelijking blijkt dat het O&O-personeel voor 2011 lager

een duidelijke stijging vast te stellen in het totale O&O- personeel

ligt in Vlaanderen dan Finland, Zweden en Denemarken.

bij de bedrijven.

Wanneer deze ratio van het O&O-personeel in verhouding tot de bevolkingscijfers internationaal vergeleken wordt, levert dit

In figuur 7.1 wordt de verdeling van het O&O-personeel over de

volgende resultaten op. Vlaanderen scoort met 0,62% een stuk

verschillende O&O-actoren weergegeven. Hieruit blijkt dat

boven het Europese gemiddelde en quasi gelijk met Frankrijk en

ongeveer 57,6% (-0,9% ten opzichte van 2009) van het

Nederland, maar lager dan Duitsland. De Scandinavische landen

O&O-personeel actief is binnen de ondernemingen of de privé

scoren heel wat hoger op deze ratio en het verschil is vrij aanzienlijk.

sector. Ongeveer 33,5% (+1.0% ten opzichte van 2009) oefent O&O-activiteiten uit onder de koepel van het hoger onderwijs.

Bij de ratiogegevens uit tabel 7.3 tot en met tabel 7.7 zijn enkele

De publieke onderzoekscentra noteren een O&O-aandeel

verduidelijkingen noodzakelijk. De procentuele cijfers voor de

van 8% (constant ten opzichte van 2009) en de particuliere

instellingen uit de publieke sector en de collectieve centra zijn niet

non-profitorganisaties tekenen het kleinste aandeel (0,9%) op.

gebaseerd op steekproeven maar hebben telkens betrekking op

De O&O-activiteiten concentreren zich nog altijd bij de bedrijven

alle instellingen uit de diverse sectoren. De vergelijkingsbasis voor

en het hoger onderwijs en in mindere mate bij de publieke

de bedrijven is op een andere manier opgebouwd. Enkel volledige

onderzoekscentra. Het hoger onderwijs verhoogt wel al geruimere

(ingevulde) antwoorden uit de beperkte steekproef bij de

tijd haar aandeel.

ondernemingen werden in de analyseresultaten opgenomen. Dit verklaart het verschillende aantal antwoorden per variabele (geslacht, functie, opleidingsgraad en de combinatie tussen

Figuur 7.1: Het O&O-personeel in het Vlaams Gewest

meerdere variabelen). Het aantal observaties waarop de bedrijfsresultaten gebaseerd zijn, zijn in vergelijking met 2009 zeer sterk toegenomen, wat de representativiteit verder verhoogt.

33,5%

57,6%

Niettemin werd de afspraak gemaakt met het Expertisecentrum O&O Monitoring, dat bij elke variabele uitdrukkelijk vermeld wordt op hoeveel bedrijven de geanalyseerde cijfers betrekking hebben. De berekende ratio’s voor de bedrijven (voor tabel 7.3 tot en met 7.7) kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden op het totale personeelscijfer voor O&O zoals vermeld in tabel 7.1 voor 2011. Dit zou immers leiden tot statistische vertekeningen van de analyseresultaten. In de bevraging bij de bedrijven werd ook

0,9% 8,0%

specifiek gepeild naar de nationaliteit van het O&O-personeel. In tabel 7.3 wordt het O&O-personeel (publiek en privaat) voor 2011 opgesplitst naar functie. Het hoogste percentage onderzoekers (81,5%) is voor rekening van het hoger onderwijs. Het aandeel

■ Ondernemingen

onderzoekers bij de bedrijven (gebaseerd op meer observaties)

■ Publieke onderzoekscentra

bedraagt 61,9%, een pak hoger dan de resultaten voor 2009.

■ Particuliere NPO’s ■ Hoger onderwijs (gewest)

121


7

122

Tabel 7.2: Internationale vergelijking van het O&O-personeel Totale O&O personeel (in VTE)

Totale bevolking

Aandeel in de totale bevolking

Vlaanderen (2011) (gewest)

39.282

6.306.638

0,62%

BelgiĂŤ1 (2011)

59.991

10.978.000

0,55%

Nederland (2010)

100.544

16.612.000

0,61%

Frankrijk2 (2010)

392.875

64.824.000

0,61%

562.600

81.779.000

0,69%

-

312.040.000

Duitsland

1,2

(2011)

VS (2011) Japan (2010)

877.928

128.057.000

0,69%

EU-273 (2010)

2.524.323

502.212.000

0,50%

1

Denemarken (2011)

57.170

5.569.000

1,03%

2

Finland (2011)

54.526

5.387.000

1,01%

Zweden1,3 (2011)

78.480

9.442.000

0,83%

36.882

4.953.000

0,74%

1

Noorwegen (2011)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, 2012/2+ Studiedienst Vlaamse Regering (bevolking-Vlaams Gewest) 1 Voorlopige cijfers voor BelgiĂŤ, Nederland en Noorwegen, eigen schatting door Denemarken, Duisland en Zweden. 2 Tijdsreeksbreuk. 3 Schattingen gemaakt door het secretariaat.

Tabel 7.3: O&O-personeel naar functie voor 2011 (%-verdeling naar sector) O&O-personeel 2011

Onderzoekers

Technisch personeel en overig personeel

Bedrijven4

61,9%

38,1%

Collectieve centra

30,8%

69,2%

Hoger onderwijs (gewest)

81,5%

18,5%

Publieke onderzoekscentra

61,1%

38,9%

Publieke non-profit organisaties

55,8%

44,2%

Private sector

Publieke sector

4 Gebaseerd op antwoorden van 2.947 bedrijven.

Tabel 7.4: O&O-personeel naar diploma voor 2011 (%-verdeling per sector) O&O-personeel 2011

Doctoraat + Master

Bachelor

Andere kwalificaties

Bedrijven5

60,4%

25,1%

14,5%

Collectieve centra

57,3%

29,3%

13,4%

Hoger onderwijs (gewest)

86,7%

10,5%

2,8%

Publieke onderzoekscentra

69,4%

17,0%

13,6%

Publieke non-profit organisaties

61,7%

28,0%

10,3%

Private sector

Publieke sector

5 Gebaseerd op antwoorden van 2.464 bedrijven.


H ET TOTALE O&O-P E R S O N E E L B I N N E N V L A A N D E R E N

123

Tabel 7.5: O&O-personeel naar geslacht voor 2011 (%-verdeling per sector) O&O-personeel 2011

Mannen

Vrouwen

Bedrijven6

74,9%

25,1%

Collectieve centra

73,9%

26,1%

Hoger onderwijs (gewest)

52,7%

47,3%

Publieke onderzoekscentra

65,3%

34,7%

Publieke non-profit organisaties

55,7%

44,3%

Private sector

Publieke sector

6 Gebaseerd op antwoorden van 3.105 bedrijven.

Tabel 7.6: O&O-personeel naar functie en geslacht voor 2011 (%-verdeling per sector) O&O-personeel 2011

Onderzoekers

Technisch en ander personeel

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven7,8

79,4%

20,6%

71,8%

28,2%

Collectieve centra

76,4%

23,6%

72,8%

27,2%

Hoger onderwijs (gewest)

56,6%

43,4%

35,9%

64,1%

Publieke onderzoekscentra

67,3%

32,7%

62,2%

37,8%

Publieke non-profit organisaties

63,5%

36,5%

45,9%

54,1%

Private sector

Publieke sector

7 Onderzoekers gebaseerd op antwoorden van 2.876 bedrijven. 8 Technisch en ander personeel gebaseerd op antwoorden van 2.902 bedrijven.

Bij de bedrijven werd er geen opdeling meer gemaakt tussen

In vergelijking met 2009 is het aandeel van het vrouwelijk O&O-

technisch en overig personeel voor de enquête 2012 in het kader

personeel voor de bedrijven opnieuw licht gedaald. In de publieke

van een administratieve vereenvoudiging van de bevraging.

sector ligt het aandeel van de vrouwen hoger met ongeveer

Het aandeel technici en overig personeel ligt lager dan de

34,7% bij de publieke onderzoekscentra (een lichte stijging ten

enquêteresultaten voor 2009 voor alle sectoren.

opzichte van 2009) tot 47,3% bij het hoger onderwijs.

Tabel 7.4 geeft een opdeling van het O&O-personeel naar

Tabel 7.6 combineert voor alle uitvoeringssectoren van de publieke

diploma voor alle private en publieke deelsectoren. Bijna 60,4%

en private sector twee variabelen: functie en geslacht. Bij de

van het O&O-personeel uit de private sector heeft een

bedrijven ligt het aandeel vrouwelijk O&O-personeel zowel bij

masterdiploma of meer. Dit cijfer varieert van ongeveer 61,7% bij

de onderzoekers als bij het technisch personeel / overig personeel

de publieke en particuliere non-profit organisaties en ongeveer

lager. Het percentage vrouwelijke onderzoekers bedraagt voor

69,4% bij de publieke onderzoekscentra tot ongeveer 86,7% bij

de bevraagde bedrijven slechts 20,6%, een lichte stijging in

het hoger onderwijs. Ten opzichte van 2009 ligt het percentage

vergelijking met 2009 toen dit aandeel nog 18,9% bedroeg. Bij de

hooggeschoolden (masterdiploma) hoger in de non-profit sector

publieke sector varieert het aandeel van de vrouwelijke onderzoekers

en in de private sector.

van 32,7% voor de publieke onderzoekscentra tot 43,4% voor het hoger onderwijs.

Een andere invalshoek voor het vergelijken van de non-profit en de profit sector vormt de opdeling naar geslacht (tabel 7.5). In de private sector is er op basis van de enquêteresultaten veel meer mannelijk O&O-personeel actief (74,9%).


7

124

Tabel 7.7: O&O-personeel naar opleiding en geslacht voor 2011 (%-verdeling per sector) O&O-personeel 2011

Doctoraat + Master

Bachelor

Andere kwalificaties

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven9,10,11

78,6%

21,4%

67,6%

32,4%

76,6%

23,4%

Collectieve centra

71,9%

28,1%

71,5%

28,5%

87,6%

12,4%

Hoger onderwijs (gewest)

55,8%

44,2%

28,2%

71,8%

49,3%

50,7%

Publieke onderzoekscentra

66,9%

33,1%

50,4%

49,6%

75,9%

24,1%

Publieke non-profit organisaties

61,9%

38,1%

50,0%

50,0%

34,6%

65,4%

Private sector

Publieke sector

9 Universitaire diploma's gebaseerd op antwoord van 2.496 bedrijven. 10 Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus gebaseerd op antwoorden van 2.632 bedrijven. 11 Andere kwalificaties gebaseerd op antwoorden van 2.505 bedrijven.

Tabel 7.7 kijkt naar de variabelen geslacht én opleidingsniveau

Daarnaast werd ook voor het eerst ook de nationaliteit van de

voor het O&O-personeel. Slechts 21,4% (een status quo ten opzichte

onderzoekers bij de bedrijven bestudeerd aan de hand van de

van 2009) van de universitair geschoolde O&O-personeelsleden

antwoorden van 2.834 bedrijven voor 2011. Uit de analyse blijkt

bij de bevraagde bedrijven zijn vrouwen. Uit de vergelijking voor

dat 88,4% van de onderzoekers de Belgische nationaliteit hadden,

alle sectoren is dit het laagste cijfer. Het hoger onderwijs scoort

8,7% Europese buitenlanders zijn en de rest zijn niet-Europese

met 44,2% geschoolde vrouwen met een masterdiploma het best.

buitenlanders (2,9%).

Er is hier een stijging merkbaar in het percentage vrouwelijke masterdiploma’s voor O&O. Het percentage vrouwelijke gediplomeerden hoger onderwijs 1 cyclus of bachelordiploma’s bij

7.2

BESLUIT

de bedrijven daalde ten opzichte van 2009 op basis van de steefproefresultaten van 35% naar 32,4%. Bij het hoger onderwijs,

De positieve trend die tot uiting kwam uit de analyse van de

daalde het percentage vrouwelijke bachelordiploma’s licht in

personeelsgegevens sinds 2004/2005 blijft voor 2010 en 2011

vergelijking met 2009.

verder gelden. Het O&O-personeel is op twee jaar tijd met ongeveer 1.800 voltijdse eenheden (correspondeert met een

Aanvullend op de voorgaande analyses werden er bijkomende

kleine 5% van het totaal) toegenomen. Al moeten er toch enkele

berekeningen uitgevoerd. Het absolute totale aantal onderzoekers

kanttekeningen gemaakt worden. De stijging blijft groter voor de

voor Vlaanderen (in VTE) werd voor het eerst ingeschat. In 2011

publieke (sub)sector(en), maar ook voor de private component is er

zijn er 26.349 voltijdse eenheden aan onderzoekers tewerkgesteld

een aanzienlijke stijging te zien (ongeveer 700 voltijdse eenheden).

op een totaal van 39.282 voltijdse eenheden O&O-personeel. Dit betekent een aandeel van ongeveer 67%. Het overig

Uit de internationale vergelijking blijkt dat Vlaanderen minder

personeel (technisch en administratief) bedroeg dan ongeveer

goed scoort in vergelijking met de Scandinavische landen wat het

33%. Ruim 51,3% of 13.514 voltijdse eenheden voeren onderzoek

O&O-personeel en de verhouding ten opzichte tot de bevolking

uit bij de bedrijven (BES inclusief collectieve centra). Het hoger

betreft. Vlaanderen scoort verhoudingsgewijs eerder gelijklopend

onderwijs (HES) telt 40,6% of 10.705 voltijdse onderzoekers.

met de buurlanden en hoger dan het EU-27 gemiddelde.

De publieke onderzoekscentra (GOV) halen een aandeel van 7,3% of 1.926 voltijdse eenheden en de publieke en particuliere

Op basis van de geanalyseerde enquêtegegevens blijkt duidelijk

non-profitorganisatie (PNP) tenslotte vertegenwoordigen 0,8% of

dat vrouwelijk O&O-personeel, en zeker vrouwelijke onderzoekers,

204 voltijdse eenheden aan onderzoekers.

toch nog altijd ondervertegenwoordigd blijven in de private sector. De genderkloof bij de bedrijven neemt opnieuw licht toe. De daling vastgesteld in 2009 wordt immers voor 2011 verdergezet bij de ondernemingen.


H ET TOTALE O&O-P E R S O N E E L B I N N E N V L A A N D E R E N

Ook wat het aandeel onderzoekers betreft die tewerkgesteld zijn in de bedrijven is er ook een lichte daling merkbaar ten opzichte van 2009. Beide vaststellingen staan wat in tegenstelling met het publieke onderzoeksluik in Vlaanderen, waar vrouwen en vrouwelijke onderzoekers toch talrijker worden. De opleidingsgraad nemen zowel in de private als de publieke sector toe. Niettemin blijft de vaststelling, dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn, extra aandacht verdienen. De opleidingsgraad daarentegen neemt zowel in de private als de publieke sector toe. Hoe dan ook, tussen het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra bijvoorbeeld, blijven bepaalde verschillen op het vlak van geslacht en functie van het O&O-personeel ook overeind.

125


126

7


D E OVE R H E I D S K R E D I ET E N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVAT I E I N VL A AN D E R E N Door Dietrich Van der Weken (EWI), Monica Van Langenhove (EWI) en Peter Viaene (EWI)

127


8

128

8.1

INLEIDING

Onderwijs en Vorming (O&V): “Alle activiteiten in het kader van het gespecialiseerd niet-universitair hoger onderwijs, het universitair

De Vlaamse overheid maakt jaarlijks op systematische wijze het

onderwijs, het post-universitair onderwijs en verdere bijscholing

Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid (HBPWB)

en het georganiseerd, continu onderwijs ten behoeve van

op. Het HBPWB geeft een globaal overzicht van alle budgettaire

wetenschappers en ingenieurs” (Canberra Manual, OESO, Parijs,

kredieten die in de verschillende beleidsdomeinen bestemd zijn voor

1995, p. 67). Het betreft dus de financiering van de wetenschappelijke

activiteiten over wetenschap, technologie en innovatie. Het geeft

opleiding, bijvoorbeeld het deel van de werkingsuitkeringen aan

de bestemming van de middelen aan en welke de betrokken

de universiteiten, dat wordt aangewend voor universitair onderwijs.

actoren zijn. Dit overzicht van de kredieten per jaar, toont de inspanningen van de Vlaamse overheid om wetenschappelijke

Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T):

activiteiten in Vlaanderen te financieren. Er blijkt meteen ook uit

“activiteiten met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling,

welke accenten worden gelegd binnen het globale wetenschappelijke

die bijdragen tot het genereren, verspreiden en toepassen van

en technologische innovatiebeleid. Door de systematische, jaarlijkse

wetenschappelijke en technische kennis” (Canberra-Manual, OESO,

opmaak van het HBPWB kan ook de evolutie opgevolgd worden

Parijs, 1995, p. 68). Dit gaat om elke vorm van dienstverlening,

van de kredieten die aan de verschillende grote indelingen binnen

zoals het uitvoeren van routinemetingen (zoals medische routine-

het wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid worden

analyses), wetenschappelijke en technologische informatieverstrekking

toegekend. Ondertussen werd een tijdreeks van eenentwintig jaar

(bijv. door bibliotheken of informatiecentra) en gegevensverzameling

(1993-2013) opgebouwd. De in dit hoofdstuk weergegeven

van algemeen belang (o.a. verzamelen van gegevens over

budgetten voor 2013 betreffen de initiële kredieten uit de uitgaven-

sociaal-economische fenomenen). Beleidsgerelateerde studies en

begroting, in de tijdreeksen aangeduid met 2013i. Tenzij anders

de werkzaamheden van administratieve entiteiten rond de analyse,

vermeld, worden voor de voorgaande jaren steeds de definitieve

evaluatie en monitoring van externe fenomenen zijn hierin

begrotingskredieten vermeld.

begrepen.

OESO en EUROSTAT nemen de middelen voor O&O in statistieken

De analyse naar O&O, O&V en W&T wordt systematisch uitgevoerd

op om de inspanningen van overheid en bedrijven in de verschillende

op het HBPWB. Binnen O&O is er een verdere indeling volgens

landen te kunnen vergelijken. Een goed gestructureerd en correct

het type van onderzoek:

samengesteld HBPWB is dus van cruciaal belang om op het internationale niveau correcte gegevens te verspreiden aangaande

●

Fundamenteel onderzoek: ‘experimentele of theoretische

de Vlaamse inspanningen voor wetenschap, technologie en

werkzaamheden die in de eerste plaats tot doel hebben om

innovatie. Om een internationale vergelijking mogelijk te maken,

nieuwe kennis te vergaren over de fundamenten die aan

maakt men bij de opmaak van het HBPWB gebruik van

verschijnselen en waarneembare feiten ten grondslag liggen,

internationale definities. De term “wetenschappelijke activiteiten”,

zonder daarbij een specifieke toepassing of een specifiek

zoals gedefinieerd in de “Recommendation concerning the

gebruik op het oog te hebben’;

International Standardisation of Statistics on Science and Technology” – UNESCO, 1978 (Canberra-Manual – OESO, Parijs,

●

Toegepast onderzoek: ‘oorspronkelijk onderzoek dat in de eerste plaats is gericht op een specifiek praktisch doel’;

1995, p. 67) omvat: ●

Experimentele ontwikkeling: ‘systematische werkzaamheden

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “Op stelselmatige wijze

op basis van bestaande, door onderzoek of praktische ervaring

uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel het kennis-

opgedane kennis, die tot doel hebben nieuwe of aanzienlijk

bestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur en maatschappij,

verbeterde processen, systemen of diensten in te voeren’.

te vergroten en deze kennis te gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen” (Frascati-Manual, OESO, 2002, p. 30). Het is m.a.w.

Binnen de O&O-kredieten wordt nog verder aangegeven welke

elke wetenschappelijke activiteit die tot doel heeft wetenschappelijke

de verdeling is over de verschillende onderzoeksdomeinen, zoals die

kennis te ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te

zijn geklasseerd volgens de NABS1-classificatie. Op het HBPWB

maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen

wordt derhalve ook een volledige NABS-analyse doorgevoerd.

(ontwikkeling).

1 Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s.


D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

In dit hoofdstuk wordt het Horizontaal Begrotingsprogramma

Grotere besparingen waren noodzakelijk bij de begrotingsopmaak

Wetenschapsbeleid (HBPWB) en de evolutie ervan over de periode

2010: ten opzichte van de definitieve kredieten 2009 was er een

1993-2013 voorgesteld. De verdeling van de Vlaamse overheids-

daling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid

kredieten over O&O, O&V en W&T, over de verschillende grote

met 66 miljoen euro (-3,7%), in hoofdzaak te wijten aan de daling

indelingen van het wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid

van de O&O-kredieten: -64 mln. (-5,7%). In de loop van 2010

wordt aangegeven.

verhoogde het budget voor wetenschapsbeleid wel nog aanzienlijk,

Vervolgens worden kerncijfers gegeven uit de analyse-input

en Acceleratie Fonds: 100 miljoen) en Vinnof (20 miljoen), voor de

(bestedingen, personeel), onder meer van de Vlaamse

opstart van een zaaikapitaalfonds in het kader van Vlaanderen

universiteiten, de strategische onderzoekscentra en de Vlaamse

Medisch Centrum (20 miljoen euro) en middelen vanuit het FFEU

wetenschappelijke instellingen.

(20 miljoen euro) voor de Proeftuin Elektrische Voertuigen,

dank zij de middelen voor het TINA-fonds (Transformatie, Innovatie

de archivering van audiovisueel materiaal, bodemsanering en Er wordt ook verwezen naar de Speurgidsen WTI 1996-2006,

het Vlaams Supercomputer Centrum.

de EWI-Speurgidsen 2007-2010, de Speurgidsen Ondernemen & Innoveren 2011-2013 en de website www.speurgids.be.

In 2011 was er bij de begrotingsopmaak een budget voor het wetenschaps- en innovatiebeleid voorzien van 1,807 miljard euro, waarvan 1,163 miljard voor O&O. N.a.v. de begrotingscontrole in

8.2 VLAAMSE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

2011 nam de Vlaamse Regering de beslissing om meer te investeren in wetenschap en innovatie. De beleidskredieten voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) die rechtstreeks ressorteren onder de minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid werden

Figuur 8.1 en tabel 8.1 geven de evolutie van de HBPWB’s vanaf

reeds in 2011 verhoogd met 65 miljoen euro. Het definitief budget

1993 weer, samen met de verdeling naar het type activiteit: O&O,

in 2011 voor het wetenschaps- en innovatiebeleid bedroeg

O&V en W&T. Er was een aanzienlijke stijging in de periode 1996

1,880 miljard euro, waarvan 1,227 miljard voor O&O.

tot en met 1999 en tussen 2000 en 2006. In 2007 was er een daling, omdat de eenmalige, niet structurele toekenning in 2005

In 2012 was er bij de begrotingsopmaak een budget voor het

en 2006 van telkens 75 miljoen euro voor het Vinnof (Vlaams

wetenschaps- en innovatiebeleid voorzien van 1,894 miljard euro,

Innovatiefonds) niet werd herhaald.

waarvan 1,207 miljard voor O&O. Opnieuw nam de Vlaamse Regering n.a.v. de begrotingscontrole de beslissing om nog meer

Dank zij een structurele toename van de beleidskredieten met

te investeren in wetenschap en innovatie. Op basis van de

75 miljoen euro, in uitvoering van het Innovatiepact, naast

definitieve kredieten was er in 2012 een totaal wetenschap- en

belangrijke eenmalige financiële injecties: 45,1 miljoen euro uit het

innovatiebudget van 1,925 miljard euro beschikbaar, waarvan

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investerings-

1,236 miljard euro voor O&O. Een gedeelte van deze verhoging

uitgaven (FFEU) en 25,5 miljoen euro na ‘schrapping van encours’,

is enerzijds wel te wijten aan enkele eenmalige acties waaronder

namen de kredieten in 2008 weer toe.

de investering in de cleanroom bij IMEC en anderzijds de nieuwe aanrekeningsregels in het kader van de inwerkingtreding van

In 2009 was er initieel een structurele toename van het Vlaamse

het Rekendecreet.

overheidsbudget voor wetenschap, technologie en innovatie met 29 miljoen euro, naast een eenmalige kapitaalinjectie in IMEC via

Deze evolutie zet zich gestaag verder in 2013: het HBPWB

een herinvestering van de participatie in Finindus, ten bedrage van

in 2013 op basis van de initiële kredieten bedraagt 1.979,31

35 miljoen euro. Ten gevolge van een eerste besparingsronde in

miljoen euro. Het aandeel O&O hierin bedraagt 1.271,48 miljoen

2009, daalden de middelen voor het wetenschapsbeleid met 1,5%

euro. De verhoging is het gevolg van zowel een stijging van

(-27 mln.) en die specifiek voor O&O met 1,5% (-17 miljoen euro)

de recurrente middelen, als een aantal niet-recurrente acties.

ten opzichte van de initiële kredieten 2009.

129


8

130

Figuur 8.1:

Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2013 (in miljoen euro)

2.500

2.000

1.500

1.000

500

0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013i

■ W&T: wetenschappelijke en technologische dienstverlening ■ O&V: onderwijs en vorming ■ O&O: onderzoek en ontwikkeling

2013i: initiële kredieten

Tabel 8.1: Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2013 (in miljoen euro) 1993

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

O&O

326,78

575,12

595,68

625,07

711,26

770,69

820,67

898,64

967,95

952,67 1.121,43 1.130,07 1.224,02 1.227,58 1.236,01 1.271,48

O&V

365,13

443,82

454,10

463,81

482,41

497,54

504,05

517,91

532,92

531,17

580,39

566,59

567,39

578,81

601,51

615,15

31,88

88,04

77,27

76,79

75,13

66,97

68,16

72,28

75,10

77,52

80,17

80,26

78,75

74,27

88,32

92,68

W&T Totaal

2008

2009

2010

2011

2012

2013i

723,79 1.106,98 1.127,06 1.165,67 1.268,80 1.335,20 1.392,87 1.488,83 1.575,97 1.561,36 1.781,99 1.776,92 1.870,17 1.880,66 1.925,84 1.979,31

2013i: initiële kredieten

Wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T)

Een doorsnede doorheen het HBPWB kan gemaakt worden

neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 was het

volgens zes grote indelingen:

aandeel Onderwijs en Vorming (O&V) nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996 kwam hier een kentering in. In 1996 zijn het

1. Niet-gericht onderzoek aan de universiteiten

O&O- en het O&V-aandeel nagenoeg gelijk. Van dan af stijgen

2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen

de O&O-kredieten. In 1996 was het procentueel aandeel

3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe

van O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2013

technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven

is het O&O-aandeel gestegen tot 64,2%. O&V maakt 31,2% uit

4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s

van het HBPWB en W&T 4,6%.

5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies 6. Allerhande uitgaven i.v.m. het algemene wetenschapsbeleid


36,289 36,617 31,379

32,347

29,760

32,528

30,943

34,545

29,982 26,325 24,365

29,632

42,182 37,070 36,434 33,857

23,314

31,201

22,465

50,500

26,911

67,338

40,348 61,800 6,780

23,417

68,867 43,771 39,338 17,337

723,790 1.106,979 1.127,056 1.165,668 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.575,972 1.561,357 1.781,988 1.776,925 1.870,168 1.880,659 1.925,840 1.979,314

32,819 35,634

93,932 96,854 74,491 72,741 48,983 54,372 45,813 15,113

52,917

71,795

65,300

69,029

86,489

80,175

79,992

82,017

608,910

22,632 22,091

595,105

21,165

637,379 654,703

20,761 21,087

555,443 572,556

19,548 17,129

450,310

14,968

487,204

14,724

453,760

14,362

396,659 347,891

14,382 13,822

311,011

12,455

243,410

11,225

231,685

11,902

235,237

9,649

127,003

70,479 69,427

768,977 736,151

67,884 67,087 67,546

690,341

62,664 87,927

682,729 636,374 615,590

85,543 83,855 88,506

89,112

539,532

88,260 83,944 75,700

88,058

500,975 489,009 401,471

512,265

561,284

577,947

594,462

68,333

692,305

706,816

over deze zes grote indelingen. Over de hele tijdreeks beschouwd, situeren de sterkste stijgingen zich ter hoogte van het niet-gericht onderzoek en de werkingsuitkeringen van de universiteiten enerzijds en ter hoogte van het industrieel onderzoek anderzijds. De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de NABS-codes voor 2013 wordt weergegeven in figuur 8.2. NABS staat voor nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s en is een EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O onderverdeelt naar sociaal-economische doelstellingen. Het grootste kredietvolume is ook in 2013 voor “industriële productie en technologie”. Dan volgen het niet-gericht onderzoek (NABS 13) en de algemene universiteitsfondsen (NABS 12). Dit zijn meteen ook de twee grote polen van het wetenschapsbeleid: het fundamenteel onderzoek als basis voor het verdere technologische innovatiebeleid. De NABS-indeling toegepast op de Vlaamse O&O-overheidskredieten houdt echter ook een belangrijke beperking in. Met de globale subsidies of dotaties voor de strategische onderzoekscentra, wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en Vlaamse openbare instellingen verricht men in vele gevallen onderzoek dat thuis hoort in meerdere NABS-domeinen (b.v. milieu, energie, industriële productie en technologie, …). Omdat deze opsplitsing niet steeds eenduidig vast te stellen is, wordt aan één kredietlijn ook één NABS-code toegekend. Het niet voorkomen van energieonderzoek (NABS 5) in figuur 8.2 betekent met andere woorden geenszins dat er door de Vlaamse overheid geen onderzoek in dat domein wordt gefinancierd.

8.3 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN De overheidskredieten voor de universiteiten bestaan uit de eerste en tweede geldstroom. De eerste geldstroom bevat de werkingsuitkeringen van de universiteiten.

2013i: initiële kredieten

Tabel 8.3 geeft een overzicht van de universitaire werkingstoelagen voor

Totaal

6.

Globaal wetenschapsbeleid

wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. ondersteunend onderzoek

Sectorale initiatieven en beleids5.

Wet. instellingen, dep. diensten 4.

en VOI's

Industrieel onderzoek 3.

2.2 Andere toelagen universiteiten

2.1 Werkingstoelagen universiteiten

Niet-gericht onderzoek

ontvangen voor hun gewone werking voor academisch onderwijs,

2.3 Andere instellingen

2013i 2012

333,962

2011

301,672

2010

293,032 296,844

2009 2008

280,518

2007

253,336

2006

234,783

2005

213,090 200,235

2004 2003

177,768

2002

172,699

2001

70,737

164,279

2000

156,420

1999

139,936

1993

Tabel 8.2 toont de verdeling van het totale budget van het HBPWB

De werkingsuitkeringen zijn de middelen die de universiteiten

1.

Tabel 8.2: Verdeling van het totale budget van het HBPWB (in miljoen euro)

345,277

D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

de jaren 1993-2013. Van het totaal van de kredieten voor wetenschapsbeleid nemen de werkingstoelagen voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening. Voor 2013 is dit 768,9 miljoen euro (bijna 39%). Van dit bedrag is 75% bestemd voor Onderwijs en Vorming (O&V), terwijl 25% gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling (O&O).

131


8

132

Het Herculesfinancieringsmechanisme heeft als doelstelling aan

Figuur 8.2: De procentuele verdeling van de initiële

Vlaamse onderzoekers performante onderzoeksinfrastructuur ter

O&O-overheidskredieten in 2013 over

beschikking te stellen. Er wordt daarbij via financiële incentives

de NABS-codes

gestreefd naar een maximale samenwerking tussen de Vlaamse publieke kennisinstellingen onderling en met derden. Het Hercules0,3%

besluit bepaalt dat vanuit alle wetenschappelijke disciplines aanvragen 1,7%

kunnen worden ingediend en dat zowel onderzoeksinfrastructuur

2,5% 27,2%

voor grensverleggend als voor basisonderzoek kan worden

39,7%

gesubsidieerd. Conform de bepalingen van het Herculesbesluit is twee derden van de dotatie bestemd voor de subsidiëring van middelzware onderzoeksinfrastructuur en een derde voor zware infrastructuur. De Herculesmiddelen worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt.

19,5%

Figuur 8.3 toont de evolutie van de middelen voor het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF en de Herculesstichting (19931,9%

2013).

0,6% 4,2% 2,1% 0,3%

■ 1. Exploratie en exploitatie van het aardse milieu

8.4 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK VLAANDEREN (FWO)

■ 2. Milieu ■ 4. Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur ■ 6. Industriële productie en technologie ■ 7. Gezondheid ■ 8. Landbouw

De evolutie van de Vlaamse overheidskredieten voor het FWO,

■ 9. Onderwijs

evenals de verdeling van de kredieten over de drie luiken:

■ 10. Cultuur, recreatie, religie en media

de individuele kredieten en mandaten, de projecten en de

■ 11. Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen

De

diversen is terug te vinden in tabel 8.5; de evolutie en verdeling

■ 12. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen

van het globale mandatenbestand volgens wetenschapsgebied in

■ 13. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit andere bronnen

de wetenschapsgebieden in figuur 8.5.

tweede

geldstroom

omvat

de

middelen

figuur 8.4; de evolutie en verdeling van de projectkredieten over

voor

het

8.5 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR INDUSTRIEEL ONDERZOEK

fundamenteel, niet-gericht onderzoek. Tabel 8.6 toont de verdeling en de evolutie van de middelen voor Tabel 8.4 geeft de evolutie (1993-2013) van de middelen bestemd

industrieel onderzoek over de periode 1993-2013. De evolutie van

voor het niet-gericht onderzoek aan de universiteiten - m.a.w. het

de onderscheiden beleidsinitiatieven en bijhorende kredieten

onderzoek op vrij initiatief van de vorser. In 2011 is dit budget

kunnen gevolgd worden over verschillende jaren. Een constante

345,3 miljoen euro. De middelen van het Bijzonder Onderzoeks-

zijn de IWT-kredietlijnen en de strategische onderzoekscentra

fonds (BOF) gaan rechtstreeks naar de universiteiten en worden

IMEC, VITO, VIB en iMinds. De stijgende evolutie van deze

door de onderzoeksraad verdeeld in functie van het universitaire

kredietlijnen wordt ook in 2013 bevestigd. Enkele eenmalige

onderzoeksbeleid. De middelen voor de mandaten en projecten

initiatieven en nieuwe aanrekeningsregels in 2012 liggen echter

van het FWO worden indirect verdeeld door deze intermediairen,

wel aan de basis van een daling van enkele kredietlijnen in 2013.

volgens vastgelegde kwaliteitscriteria en een evaluatie op basis van peer review.


164,115 11,619

KU Leuven

UHasselt

22,856 58,679

401,472

UIA

VUB

Totaal werkingsuitkeringen

539,532

6,597

532,935

70,551

75,899

161,344

5,202

14,535

200,420

4,984

2002

561,284

7,453

7,425

546,406

72,044

78,177

166,422

5,898

14,661

204,136

5,068

2003

577,947

2,600

8,562

7,531

559,254

73,388

80,096

171,482

6,174

15,047

207,890

5,177

2004

594,462

2,600

8,785

12,225

570,852

74,524

81,251

176,804

6,620

15,289

211,105

5,259

2005

615,590

2,000

2,600

14,189

12,574

584,227

75,777

83,048

182,460

7,106

15,828

214,659

5,349

2006

636,374

5,000

2,600

14,495

12,196

602,083

77,211

84,760

191,847

7,717

16,383

218,715

5,450

2007

11,799

2,600

14,905

643,839

79,916

89,030

206,462

0,668

24,338

234,856

8,571

2008

2013i: initiĂŤle kredieten

Algemeen totaal

hoger onderwijs Brussel

Aanvullende werkingsmiddelen

speerpunten

682,729

3,057

Aanvullende werkingsmiddelen:

aanmoedigingsfonds voor beleids-

5,000

Rationalisatiefonds

de humane wetenschappen

versterken van het onderzoek in

1,019

512,265

512,265

68,461

28,966

21,715

22,067

72,748

154,058

0,087

17,625

194,544

4,742

2001

Aanvullende werkingsmiddelen voor

500,975

500,975

67,011

28,361

21,465

21,718

71,544

147,846

17,236

192,370

4,968

2000

0,510

489,009

489,009

65,491

27,293

20,964

21,029

69,286

142,695

16,889

189,688

4,960

1999

Toelage associaties

opleidingen aan de hogescholen

Onderzoeksbetrokkenheid academische

LRM impulsfinanciering tUL

+ elektrongelden

academiseringsgelden (2 cycli)

Enveloppe hogescholenonderwijs

401,472

18,709

Aanvullende werkingsmiddelen - BAMA

16,872

UFSIA

58,437

UA

RUCA

104,271

UGent

tUL

4,351

KUBrussel

1993

Tabel 8.3: Werkingsuitkeringen aan de universiteiten

690,341

6,231

1,039

0,520

15,754

15,026

651,771

81,642

89,920

210,869

0,034

25,471

241,666

2,168

2009

692,305

6,213

1,039

0,520

15,729

15,017

653,787

81,623

89,840

212,304

0,006

25,707

242,859

1,449

2010

706,816

6,344

1,060

0,531

15,901

15,332

667,649

82,380

91,185

217,914

0,004

27,506

247,344

1,315

2011

736,151

1,800

6,482

0,983

0,542

32,332

0,741

693,271

83,999

95,172

226,848

0,000

28,994

257,044

1,214

2012

768,977

1,354

6,581

0,894

0,550

40,029

0,689

718,879

85,313

99,338

236,028

0,000

30,646

266,404

1,150

2013i

D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

133


1993

164,279

83,396

82,408

172,699

90,291

90,291

2003

177,768

92,984

92,984

84,784

84,784

2004

200,235

96,009

96,009

104,226

11,712

92,514

2005

213,090

97,468

97,468

115,622

11,700

103,922

2006

234,783

102,033

3,000

99,033

132,750

0,750

11,712

120,288

2007

112,277

1,500

10,051

100,726

138,259

12,171

1,502

11,712

112,874

107,79 100%

62,34

4%

5%

100%

4,51

47%

45% 2,85

50,72*

1%

2% 28,28

0,97

1,07

2%

3%

100%

112,44

4%

4,51

45%

50,07*

1%

1,66

2%

2,48

48%

53,72

1999

100%

115,05

4%

4,59

44%

50,93

2%

1,77

2%

2,20

48%

55,57

2000

100%

107,32

4%

4,67

49%

53,02

2%

1,67

3%

3,41

42%

44,55

2001

100%

117,67

4%

4,66

50%

58,44

2%

2,24

2%

2,66

42%

49,66

2002

100%

128,05

4%

4,87

53%

67,27

1%

1,70

2%

2,68

40%

51,53

2003

100%

129,31

4%

4,94

49%

63,54

1%

1,57

2%

2,94

44%

56,33

2004

100%

138,41

4%

5,08

51%

70,61

2%

2,08

2%

3,41

41%

57,23

2005

100%

149,31

4%

5,58

52%

78,24

1%

1,71

2%

3,59

40%

60,19

2006

De kostprijs van de permanente onderzoekers is continu opgenomen bij mandaten, terwijl die eertijds boekhoudkundig bij de onderzoeksprojecten hoorde. Vanaf 1/10/2000 zijn deze onderzoekers echter naar het Z.A.P. overgeheveld. * Gelden voor het Max-Wildiersfonds worden besteed vanaf 2000 e.v. 2013i: initiĂŤle kredieten

Totaal

Diversen

Onderzoeksprojecten

Kredieten aan navorsers

2,33

2,08

46%

45%

Wetenschappelijke contacten

49,26

28,06

Mandaten

1998

1992

Uitgaven

Tabel 8.5: Evolutie van de toelagespreiding over de actiemiddelen van het FWO 1992-2012 (in miljoen euro)

2013i: initiĂŤle kredieten

156,420

65,451

80,883 83,396

2002

82,408

2,800 139,936

48,976

90,969 65,451

2001

80,883

253,336

70,736

90,960 48,976

2000

90,969

Algemeen totaal

20,000

1999

90,960

Hercules (50%)

Totaal BOF

BOF - Tenure Track

BOF - ZAP-mandaten

BOF - Methusalem-programma

50,736 20,000

Subsidie BOF

50,736

Totaal FWO-Vlaanderen

wetenschappelijke samenwerking

FWO-Vlaanderen Internationale

FWO-Vlaanderen Odysseus-programma

onderzoeksfaciliteiten

FWO-Vlaanderen internationale

FWO-Vlaanderen (Nationale Loterij)

FWO-Vlaanderen

Tabel 8.4: Middelen voor het niet-gericht onderzoek 2008

100%

164,36

4%

5,59

52%

85,73

1%

1,86

2%

3,59

41%

67,59

2007

280,518

7,803

126,211

2,800

3,029

15,242

105,140

146,504

2,200

12,402

2,281

11,712

117,909

2009

100%

185,72

4%

5,69

52%

97,32

1%

2,22

2%

4,03

41%

76,48

2008

296,844

7,803

137,910

5,653

4,587

20,532

107,138

151,131

2,200

12,600

2,317

11,501

122,513

2010

100%

196,50

3%

6,09

51%

99,6

1%

2,11

2%

4,81

43%

83,89

2009

293,032

7,418

137,199

5,645

4,348

20,076

107,130

148,415

2,088

12,600

2,201

11,463

120,063

2011

100%

206,64

3%

5,77

51%

105,84

1%

1,47

3%

5,31

43%

88,25

2010

301,672

5,250

140,236

8,961

4,196

19,402

107,677

156,186

1,976

9,684

2,124

11,463

130,939

2012

100%

249,21

2%

5,93

51%

127,93

1%

1,50

2%

5,58

43%

108,26

2011

333,962

10,270

150,652

9,154

5,586

19,822

116,090

173,040

2,319

12,986

3,670

11,463

142,602

2013i

100%

258,82

3%

6,52

52%

135,24

1%

2,12

2%

5,00

42%

109,94

2012

345,277

11,229

156,821

9,293

6,566

20,107

120,855

177,227

2,359

13,160

3,720

11,463

146,525

134

8


D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Figuur 8.3: De evolutie van de middelen voor het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF en Herculesstichting (1993-2013)

180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 1993

1994

■ FWO

1995

■ BOF

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013i

■ Hercules (50%)

2013i: initiële kredieten

Figuur 8.4: Evolutie van het mandatenbestand bij het FWO volgens wetenschapsgebied 1996-2012

500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

■ Exacte wetenschappen

■ Toegepaste wetenschappen

■ Wetenschap & Technologie

■ Biologische wetenschappen

■ Cultuur- en taalwetenschappen

■ Interdisciplinair

■ Medische wetenschappen

■ Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2012

135


8

136

Figuur 8.5: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2012

35

30

25

20

15

10

5

0 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

■ Wetenschap & Technologie

■ Interdisciplinair

■ Biologische wetenschappen

■ Cultuur- en taalwetenschappen

■ Medische wetenschappen

■ Gedrags- en maatschappijwetenschappen

Zo was er eind 2012 de investering van 20 miljoen euro voor de cleanroom bij IMEC en eenmalige subsidie van 7,8 miljoen euro voor iMinds in het kader van de digitalisering van het Vlaams

2009

2010

2011

2012

8.6 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE ONDERZOEKSINSTELLINGEN IMEC, VITO, VIB EN iMINDS

erfgoed. Hiernaast heeft er in het kader van de inwerkingtreding van het Rekendecreet in het begrotingsjaar 2012 een versnelling

Tabel 8.7 toont de input van middelen en personeel en de evolutie

in de aanrekening plaatsgevonden. De transacties die omwille

over de periode 1992-2011 voor de strategische onderzoekscentra

van de oude aanrekeningsregels niet in 2011 geboekt zijn,

IMEC (Interuniversitair Centrum voor Micro-elektronica), VITO

gaven hierdoor in 2012 aanleiding tot éénmalige bijkomende

(Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), VIB (Vlaams

ontvangsten, vereffeningskredieten en/of vastleggingskredieten.

Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie) en iMinds (voorheen

Dit is de zogenaamde overflow. Zo stond er in de definitieve

het IBBT).

begroting van VITO in 2012 een bedrag van 11 miljoen euro ingeschreven als overflow.

IMEC genereert diverse inkomsten uit voornamelijk contractonderzoek, waarbij onderzoeksprojecten met regionale en

Ook de totale enveloppe van middelen voor industrieel onderzoek

internationale partners worden uitgebouwd. De jaarlijkse overheids-

zit al jaren in stijgende lijn, waarbij de schommelingen veroorzaakt

toelage stelt IMEC in staat om het basisonderzoek op lange termijn

worden door eenmalige initiatieven (vb. TINA-fonds).

te financieren, waarmee de strategische ‘background know-how’

Nieuw vanaf 2013 is ook dat de middelen voor de

IMEC verricht onderzoek in het domein van nano-elektronica en

competentiepolen, of lichte structuren, afgezonderd worden van

koppelt zijn innovatieve kracht aan wereldwijde partnerships in

de middelen die ingezet worden voor acties van technologische

ICT, gezondheidszorg en energie. Zo worden er technologische

innovatie op initiatief van de Vlaamse Regering.

oplossingen ontwikkeld die relevant zijn voor de industrie.

wordt ondersteund, los van de specifieke samenwerkingsverbanden.


1993

16,840

2007

2008

2009

9,581

10,811

11,012

11,090

1,530

28,595

31,263

29,453

33,501

30,366

33,101

31,334

37,754

38,198

35,236

42,171

44,171

11,453

2010

44,730

12,800

1,269

1,289

0,327

2013i: initiĂŤle kredieten

127,003

235,237

231,685

243,410

311,011

347,891

30,000

30,000

396,659

30,000

17,989

14,278

37,250

453,760

75,000

487,204

75,000

37,180

2,200

2,087

Deelnemingen in de spin-offs van de SOC's Deelnemingen in de spin-offs van de associaties Investeringsproject clean room IMEC FFEU Vlaamse excellentiepolen Participaties O&O via PMV PMV - Vinnof Participaties in PMV - Zaaikapitaalfonds Vlaanderen Medisch Centrum Participaties in het kader van innovatie: PMV - TINA-Fonds Onderzoek Staalindustrie EFRO - Hermes Totaal

2,165

1,365

2,300

2,002

1,345

Flanders DC

1,973

1,326

450,310

2,374

2,238

2,723

1,973

1,896

Stichting Innovatie & Arbeid

1,943

1,257

Interfacediensten 1,916

2,800

9,000

11,535

Hercules 50%

9,000

11,341

572,556

11,100

30,100

2,421

2,281

2,775

7,803

9,500

16,754

555,443

2,610

2,423

2,828

7,803

9,500

17,072

654,703

100,000

20,000

20,000

20,000

2,298

2,457

2,819

7,418

9,025

17,022

3,000

11,500

10,030

2,000 3,000

PWO

30,000

37,598 22,767

Industrieel Onderzoeksfonds

30,000

39,456 23,891

0,926 30,000

23,592

30,000

30,000

23,098

30,000

17,287

2,168

43,491

Innovatie (Hermesfonds)

17,000

2,103

42,616

11,110

0,363

5,700

8,454

9,122

30,183

36,674

0,673

10,319

126,423

35,078

NERF

iMinds (voorheen IBBT)

38,962

27,817

29,934

39,016

VIB

26,034

29,353

35,625

11,601

8,000 25,669

27,772

35,033

VITO - FFEU 24,921

27,499

34,481

42,629

VITO - beleidsdomein LNE

24,274

34,308

VITO

33,652

0,361

6,000

8,899

9,602

30,343

38,604

0,846

9,607

138,249

40,087

35,000

28,659

0,335

6,000

9,214

9,602

27,018

38,604

0,846

4,407

153,334

42,113

IMEC - herinvestering participatie in Finindus

28,245

11,453

27,618

3,966

5,000

7,399

9,602

22,918

38,604

22,065

5,000

6,999

9,602

21,729

IMEC

8,215

5,949

9,602

20,269

37,488

IWT - werking

8,042

5,949

9,602

18,053

37,488

0,220 7,095

5,949

10,794

17,786

16,840

0,829

7,837

125,765

24,464

IWT - Vlaamse deelname aan de Europese programma's (VCP-werking)

IWT - Toegepast Biomedisch Onderzoek (TBM)

5,949

5,949

5,935

9,265 4,358

18,265

IWT - TETRA-Fonds

16,247

IWT - Landbouwonderzoek

15,486

38,604

10,139

10,901

119,275

15,791

11,839

98,213

8,751

2006

16,192

13,457

96,863

2005

13,750

IWT - Specialisatiebeurzen en Baekeland-programma

5,445

101,503

6,186

2004

IWT - Strategisch basisonderzoek (SBO)

10,139

82,484

2003

11,048

0,814 6,130

82,734

2002

37,744

IWT - Vlaams Innovatie Netwerk (VIN)

IWT - innovatieve mediaprojecten

77,777

2001

32,848

2011

637,379

100,000

10,000

2,675

2,181

2,869

5,250

10,708

16,722

25,000

0,938

24,767

40,778

1,990

43,739

45,721

11,548

0,338

5,700

8,454

10,122

33,160

36,674

0,673

10,319

136,423

50,630

2012

595,105

2,427

2,139

2,931

10,270

11,039

19,084

25,000

1,753

34,047

43,767

1,990

55,906

68,208

12,340

0,373

6,700

8,454

10,122

35,493

39,174

0,686

5,800

147,392

50,010

2013i

21,164

608,910

20,000

10,000

2,440

2,128

2,931

11,229

11,707

19,374

25,000

1,773

26,646

44,441

2,050

45,508

48,941

11,757

0,411

6,825

8,612

10,311

36,136

39,905

0,698

7,155

40,205 54,289

2000

29,435 151,563

37,184

1999

54,321

IWT - initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden

31,854

IWT - competentiepolen

IWT - initiatief Vlaamse Regering

Tabel 8.6: De evolutie van de financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieĂŤn ten behoeve van het bedrijfsleven D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

137


8

138

Tabel 8.7: Input van middelen en personeel voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en iMinds (voorheen IBBT) Vlaamse overheid (toelage) (in miljoen euro)

Contractonderzoek (in miljoen euro)

Diverse (in miljoen euro)

IMEC

21,02

16,06

0,64

292

103

VITO

22,05

5,61

0,66

145

188

IMEC

24,32

29,15

2,82

375

132

VITO***

26,46

9,72

1,36

173

207

VIB**

22,81

0,70

0,62

138

136

IMEC

27,59

38,70

6,52

464

163

VITO

24,45

16,14

6,58

212

212

VIB

25,18

4,34

1,17

169

165

IMEC

28,25

70,48

4,13

542

191

VITO

27,77

17,72

0,17

233

216

VIB

25,67

5,41

0,42

199

164

IMEC

27,42

87,71

3,43

622

218

VITO

29,35

19,04

0,18

253

212

VIB

26,03

5,63

0,35

175

173

IMEC

33,65

103,39

1,36

738

259

VITO

29,93

21,88

-

247

204

VIB

27,81

5,19

0,48

219

214

IMEC

34,31

108,93

2,07

754

263

VITO

31,26

24,30

-

264

201

VIB

28,60

5,80

1,14

228

193

IMEC

34,48

118,14

6,29

790

261

VITO

33,50

26,64

-

261

201

VIB

29,45

8,11

2,11

261

193

IMEC

35,03

157,24

4,35

814

274

VITO

33,10

29,11

-

271

199

VIB

30,37

9,28

2,27

297

205

iMinds****

17,00

1,06

-

8

-

IMEC

35,63

186,22

5,12

809

274

VITO

37,75

32,19

-

291

213

VIB

31,33

9,86

2,77

253

173

iMinds

17,29

1,64

0,27

25

-

Onderzoeksinstelling

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

1992

1996

1998

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006


D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Vlaamse overheid (toelage) (in miljoen euro)

Contractonderzoek (in miljoen euro)

Diverse (in miljoen euro)

IMEC

39,02

199,35

6,07

VITO

35,24

25,99

-

304

200

VIB

38,20

11,20

2,92

286

177

iMinds

23,10

2,96

0,37

43

1

IMEC

44,17

218,98

7,00

898

315

VITO

42,17

26,73

9,70

324

193

VIB

38,96

20,66

2,69

329

157

iMinds

23,59

4,01

1,75

83

16

IMEC

44,73

212,13

9,91

962

336

VITO

42,63

30,63

11,00

372

211

VIB

39,46

12,20

3,22

334

176

iMinds

23,89

4,85

1,01

101

26

IMEC

42,62

225,67

10,31

966

334

VITO

45,66

34,95

11,51

392

210

VIB

37,60

14,46

3,68

381

187

iMinds

22,77

6,01

2,20

96

29

IMEC

45,72

234,50

12,72

978

348

VITO******

45,73

56,46

417

214

VIB

40,78

17,06

3,30

368

176

iMinds

24,77

7,40

0,98

121

39

Onderzoeksinstelling

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

2007 832

295

2008

2009

2010

2011

* ** *** **** ***** ******

Doctor, Burg. Ir., licentiaat, Ind. Ir. Het VIB werd opgericht in 1995 en werd operationeel in 1996 Globale basistoelage, recente referentietaken en doelfinanciering inbegrepen Personeel IMEC: alleen payroll (koppen) Personeel iMinds centrale functies Voor 2011 zijn contractonderzoek en andere opbrengsten niet op te splitsen

IMEC’s onderzoeksactiviteiten zijn toegespitst op zes domeinen:

Die moeten een antwoord bieden op de uitdagingen waar mens

technologie voor toekomstige chips en systemen, elektronica voor

en maatschappij vandaag en morgen mee worden geconfronteerd.

de gezondheidszorg en medische sector, duurzame draadloze

Elk programma bouwt aan een stevige kennis- en competentie-

communicatie, beeldvorming en toekomstige 3D-visualisatie,

basis, met toegevoegde waarde voor maatschappij en industrie.

sensorsystemen voor industriële toepassingen en energie.

Het resultaat: nieuw en innovatief onderzoek én een uitgebreide portfolio van wetenschappelijke dienstverlening.

VITO’s onderzoeksagenda richt haar pijlen op de grote maatschappelijke uitdagingen van vandaag. De rode draad:

VIB is een ondernemend onderzoeksinstituut, actief in de meest

duurzaamheid en transitie. Duurzame chemie, energie, gezondheid,

uiteenlopende domeinen van de biotechnologie. Wetenschappers

materiaalbeheer en landgebruik: dat zijn de 5 thema’s waarop

en technici verrichten er basisonderzoek naar de moleculaire

VITO zich focust. VITO legde deze thema’s dan ook vast in

mechanismen die instaan voor de werking van het menselijk

5 onderzoeksprogramma’s.

lichaam, planten en micro-organismen.

139


8

140

Tabel 8.8: Input van middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen Vlaamse overheid (in miljoen euro)

Andere inkomsten (in miljoen euro)

IN

0,75

0,05

25

9

IBW

0,55

0,35

11

20

VIOE

0,45

0,23

17

43

CBGS

0,27

0,35

Wetenschappelijke instelling

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

1992

KMSKA

17

9

17

64

1998 IN

1,89

1,16

38

20

IBW

2,33

0,59

31

44

VIOE

0,94

0,03

18

55

CBGS

0,30

0,03

17

9

KMSKA

1,53

1,08

25

75

IN

2,85

0,82

54

16

IBW

2,40

0,69

31

50

VIOE

0,82

0,03

20

55

CBGS

0,31

0,03

17

9

KMSKA

1,79

0,98

25

75

IN

3,84

0,83

61

28

IBW

3,02

0,64

41

70

VIOE

2,56

0,03

31

73

CBGS

1,59

0,03

20

9

KMSKA

4,23

0,29

25

75

IN

4,36

0,97

96

28

IBW

3,84

1,02

44

66

VIOE

3,60

0,03

60

84

CBGS

1,62

0,03

21

9

KMSKA

4,74

1,02

25

75

IN

4,84

1,04

104

31

IBW

4,73

0,68

52

68

VIOE

4,37

0,23

61

55

CBGS

1,87

0,06

21

6

KMSKA

5,58

0,00

27

72

IN

5,14

1,26

80

29

IBW

4,93

0,86

56

72

VIOE

4,81

0,24

52

53

CBGS

1,66

0,05

19

7

KMSKA

4,85

0,00

26

68

CLO

12,57

9,30

130

402

CLE

2,92

0,00

22

51

1999

2000**

2001

2002

2003


D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

Vlaamse overheid (in miljoen euro)

Andere inkomsten (in miljoen euro)

IN

4,44

1,00

83

36

IBW

5,15

1,04

53

78

VIOE

4,27

0,18

34

73

CBGS

1,85

0,07

22

6

Wetenschappelijke instelling

Personeel hoger geschoold*

Personeel ander

2004

KMSKA

4,75

0,00

29

72

CLO

15,03

10,10

121

348

CLE

3,33

0,34

27

56

IN

4,66

1,09

85

49

IBW

6,10

0,58

58

84

VIOE

4,83

0,19

54

80

CBGS***

1,88

0,09

22

7

KMSKA

4,64

0,00

30

68

CLO

14,35

10,97

121

342

CLE

2,31

0,53

21

50

2005

2006 INBO****

12,55

2,08

143

129

ILVO*****

16,44

11,06

174

309

VIOE

5,42

0,23

55

74

KMSKA

6,52

0,00

36

73

2007 INBO

12,39

2,12

143

129

ILVO

17,28

10,77

183

312

VIOE

6,04

0,29

63

92

KMSKA

6,54

0,00

31

74

2008 INBO

12,42

2,06

140

129

ILVO

17,68

13,28

218

305

VIOE

6,81

0,57

73

81

KMSKA

6,78

0,00

30

83

INBO

14,09

3,42

153

128

ILVO

18,02

12,74

223

308

VIOE

6,39

0,92

77

77

KMSKA

6,78

0,00

31

81

2009

2010 INBO

14,16

3,34

139

113

ILVO

18,47

14,74

238

316

VIOE

5,90

0,93

77

77

KMSKA

6,31

0,00

31

81

2011 INBO

14,15

2,43

136

108

ILVO

19,78

22,95

247

311

VIOE

7,98

0,97

77

77

KMSKA

6,28

0,00

31

73

* **

Doctor, burg. ir., bio-ingenieur, licentiaat, ind. ir. Vanaf 2000 worden de salarissen en toelagen voor het personeel voor de wetenschappelijke instellingen (behalve voor het IBW) vermeld als onderdeel van de middelen van de Vlaamse overheid. Deze informatie is gebaseerd op de O&O-uitgaven zoals vermeld in de OESO O&O-enquête en wordt toegevoegd aan de middelen afkomstig van de Vlaamse overheid. *** CBGS werd in 2006 opgeheven. **** Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het resultaat van een fusie van IBW en IN. ***** Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) is het resultaat van een fusie van CLE en CLO.

141


8

142

In samenwerking met haar universitaire partners wil VIB de basis leggen voor een betere levenskwaliteit en ontplooit daartoe drie

Tabel 8.9: O&O-overheidskredieten als percentage BBP-Vlaanderen (kredieten in miljoen euro)

complementaire kernactiviteiten: het verwerven van nieuwe kennis via strategisch basisonderzoek, het vertalen van kennis naar nuttige

VLAAMSE OVERHEID (stricto sensu)

toepassingen en het informeren van de Vlaamse bevolking over de ontdekkingen en ontwikkelingen in de levenswetenschappen.

% O&O/ Jaar

O&O-kredieten

BBP-Vlaanderen

1995

356,106

0,30

iMinds wil economische en maatschappelijke meerwaarde

1996

429,501

0,36

realiseren door middel van excellent onderzoek en het creĂŤren

1997

479,624

0,38

van menselijk kapitaal in het ICT domein. Zo ondersteunen we

1998

518,639

0,39

startende ondernemers in het realiseren van hun droom. Het is

1999

575,120

0,42

immers onze ambitie om een blijvende en positieve impact op de

2000

595,685

0,41

maatschappij te hebben door middel van informatietechnologie.

2001

625,071

0,42

iMinds biedt bedrijven en organisaties actieve ondersteuning bij

2002

711,258

0,43

onderzoek en ontwikkeling en rond onderzoeksprojecten. Bij elk

2003

770,687

0,46

van die projecten komen zowel technische als niet-technische

2004

820,666

0,49

aspecten aan bod. iMinds geeft de voorkeur aan onderzoek dat

2005

898,638

0,52

inspeelt op actuele maatschappelijke en economische thema's:

2006

967,954

0,53

Cultuur & Media, Gezonde Samenleving, Groene ICT, Duurzame

2007

952,670

0,49

Mobiliteit, Sociale en Veilige ICT.

2008

1.121,429

0,56

2009

1.130,072

0,58

2010

1.224,024

0,60

2011

1.227,577

0,58

2012

1.236,008

0,57

2013i

1.271,481

0,57

8.7 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE WETENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN Tabel 8.8 toont de input aan middelen en personeel, en de evolutie

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE OVERHEID

over de periode 1992-2011 voor de Vlaamse wetenschappelijke

Vlaamse + Vlaams aandeel

% O&O/

Jaar

Federale O&O-kredieten*

BBP-Vlaanderen

1995

560,943

0,47

1996

635,777

0,53

1997

700,282

0,55

1998

746,675

0,57

1999

801,221

0,59

2000

831,317

0,57

Door de OESO worden de uitgaven voor O&O als een bijzonder

2001

859,410

0,58

belangrijke indicator beschouwd voor het meten van de O&O-

2002

946,757

0,62

intensiteit en innovatie. Deze uitgaven kunnen worden uitgedrukt

2003

1.023,271

0,65

in een percentage van het regionale BBP en worden gerelateerd

2004

1.069,527

0,64

aan het aantal inwoners.

2005

1.132,220

0,65

2006

1.219,950

0,66

Tabel 8.9 geeft vooreerst een overzicht van de overheidskredieten

2007

1.215,642

0,62

die in Vlaanderen voor O&O beschikbaar zijn (Vlaamse kredieten

2008

1.403,281

0,70

+ Vlaams aandeel van de federale kredieten + het aandeel in de

2009

1.390,345

0,71

EU-overheidskredieten) als % BBP-Vlaanderen â&#x20AC;&#x201C; ofwel het bruto

2010

1.504,835

0,74

binnenlands product per regio (BBPR).

2011

1.511,539

0,71

2012

1.513,354

0,70

2013i

1.548,827

0,69

instellingen.

8.8 O&O-UITGAVEN IN DE PUBLIEKE SECTOR IN VLAANDEREN: EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING


D E OVE R H E I D S K R E D I ETE N VO O R W ETE N S C HAP, TE C H N O LO G I E E N I N N OVATI E I N VL A AN D E R E N

8.9 REFERENTIES

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE + VLAAMS AANDEEL EU-OVERHEID

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale

% O&O/

Jaar

+ EU O&O-kredieten**

BBP-Vlaanderen

1995

624,666

0,53

1996

700,499

0,58

1997

766,004

0,60

1998

813,397

0,62

1999

868,944

0,63

2000

900,040

0,62

2001

929,132

0,62

2002

1.017,479

0,66

2003

1.111,343

0,70

2004

1.157,600

0,69

2005

1.220,293

0,70

2006

1.308,023

0,71

2007

1.303,714

0,67

2008

1.549,281

0,77

2009

1.536,345

0,79

2010

1.650,835

0,81

2011

1.687,539

0,80

2012

1.689,354

0,78

2013i

1.724,827

0,77

* Verdeelsleutel ESA aan 28,5% Vlaams (1991-1996) en 35,49% Vlaams (vanaf 1997 en aangehouden) (Bron: VRWI) en de rest van de federale O&Okredieten aan 56% Vlaams (IMCWB-verdeelsleutel) ** Geraamd volgens berekende returns van het Vierde Kaderprogramma (19941998), Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) en Zesde Kaderprogramma (2002-2006) en raming op basis van tussentijds resultaten van het Zevende Kaderprogramma (2007-2013). 2013i: initiële kredieten

Tabel 8.10 geeft een vergelijking van Vlaanderen met de belangrijkste EU-landen, aangevuld met de Verenigde Staten en Japan. Er dient hier opgemerkt dat men als Vlaams aandeel van de federale O&O-kredieten de ESA-kredieten aan 35,5 % meerekent (bron: VRWI) en de rest aan 56%. Het is duidelijk dat de cijfers voor O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt als % BBP, niet overal jaar na jaar stijgen. In sommige landen stagneert het, in andere is er zelfs een daling merkbaar over meerdere jaren. Weinig landen laten de laatste jaren een sterke stijging van de O&O-overheidsinspanningen zien. Vergelijken we Vlaanderen internationaal voor 2011, het meest recente jaar met cijfers voor de meeste landen, dan is vast te stellen dat Vlaanderen gemiddeld scoort.

• Speurgidsen WTI 1996-2006, EWI-Speurgidsen 2007-2010, Speurgidsen Ondernemen & Innoveren 2011-2013 en www.speurgids.be • ‘Main Science and Technology Indicators’, OESO, Volume 2012/2

143


8

144

Tabel 8.10:

Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt in %BBP(R) 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013i

Vlaanderen*

0,58%

0,62%

0,65%

0,64%

0,65%

0,66%

0,62%

0,70%

0,71%

0,74%

0,71%

0,70%

0,69%

België

0,58%

0,60%

0,61%

0,59%

0,59%

0,61%

0,60%

0,68%

0,67%

0,67%

0,63%

0,64%

Denemarken

0,75%

0,73%

0,73%

0,71%

0,71%

0,72%

0,79%

0,85%

0,98%

0,97%

1,02%

1,01%

Duitsland

0,78%

0,78%

0,80%

0,77%

0,77%

0,76%

0,77%

0,80%

0,91%

0,92%

0,91%

0,91%

Finland

0,97%

0,97%

1,00%

1,01%

1,03%

1,02%

0,97%

0,98%

1,12%

1,16%

1,09%

1,03%

Frankrijk

0,99%

1,00%

1,00%

0,96%

0,97%

0,81%

0,75%

0,88%

0,93%

0,84%

0,84%

-

Ierland

0,32%

0,33%

0,37%

0,42%

0,46%

0,45%

0,48%

0,53%

0,56%

0,54%

0,50%

0,49%

Italië

0,68%

-

-

-

0,67%

0,61%

0,64%

0,63%

0,64%

0,61%

0,56%

0,54%

Nederland

0,75%

0,74%

0,82%

0,82%

0,79%

0,80%

0,78%

0,79%

0,86%

0,87%

0,79%

0,77%

Portugal

0,58%

0,64%

0,65%

0,66%

0,66%

0,66%

0,65%

0,70%

0,78%

0,79%

0,77%

0,80%

Spanje

0,66%

0,74%

0,59%

0,61%

0,70%

0,69%

0,75%

0,91%

1,04%

1,02%

1,03%

0,94%

Verenigd Koninkrijk

0,66%

0,75%

0,73%

0,54%

0,55%

0,68%

0,76%

0,77%

0,83%

0,79%

0,68%

-

Zweden

0,81%

0,87%

0,74%

0,69%

0,67%

0,66%

0,65%

0,65%

0,69%

0,64%

0,59%

-

EU-25

0,73%

0,75%

0,91%

0,87%

0,86%

0,84%

0,79%

0,80%

0,91%

0,88%

0,83%

-

EU-27

0,72%

0,74%

0,73%

0,71%

0,69%

0,67%

0,67%

0,70%

0,76%

0,71%

0,68%

-

Japan

0,70%

0,72%

0,72%

0,72%

0,71%

0,71%

0,68%

0,71%

0,76%

0,74%

0,78%

0,78%

Verenigde Staten

0,89%

0,97%

1,04%

1,07%

1,04%

1,02%

1,02%

1,02%

1,18%

1,03%

0,96%

0,90%

* Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten (35,5% ESA en de rest aan 56%) 2013i: initiële kredieten


I N N OVATI E- I N S PAN N I N G E N VAN D E VL A AM S E O N D E R N E M I N G E N : K E R N R E S U LTAT E N VAN D E C I S2011-E N Q UÃ&#x160;TE Door Petra Andries (KU Leuven), Anneleen Bruylant (KU Leuven), Julie Delanote (KU Leuven) en Machteld Hoskens (KU Leuven)

145


9

146

9.1

INLEIDING

Dit gebeurde in opdracht van de federale en regionale overheden. In dit rapport worden de belangrijkste resultaten van de CIS2011-

Tot op heden heeft men verschillende factoren als drijfveer van

enquête beschreven. Na een korte schets van de methodologische

het concurrentievermogen beschouwd. Zo lag in de jaren ’60

aspecten gaan we over tot de kernresultaten.

en ’70 van de 20ste eeuw de klemtoon op efficiëntie. Tijdens de jaren ’70 verschoof de focus naar kwaliteit, terwijl in de volgende decennia flexibiliteit de nieuwe kracht werd. Vanaf de jaren ’90 is

9.2 METHODOLOGIE

men innovatie gaan beschouwen als dé ultieme competitieve kracht (Debackere, 2002, blz.2).

De methodologische aanbevelingen die Eurostat uitschreef voor

De Europese Unie is tot diezelfde conclusie gekomen en doet dan

volledig gevolgd op het niveau van de Vlaamse regio. Net als bij

ook heel wat inspanningen om het innovatiepeil in de Unie op te

CIS2007 en CIS2009 volgde de datavoorbereiding van CIS2011

krikken, om zo haar ambitieuze doelstelling te realiseren. In 2000

– veel meer dan bij de eerdere enquêtes – de aanbevelingen van

heeft de Europese Raad te Lissabon de lat voor de toekomst zeer

Eurostat met betrekking tot de steekproeftrekking, de gegevens-

hoog gelegd: de Europese Unie wil “de meest competitieve

opkuis, de imputatie van ontbrekende waarden, de behandeling

economie ter wereld worden die in staat is tot duurzame

van de non-respons, en het berekenen van de gewichten voor

economische groei, met meer en betere banen en een hechtere

extrapolatie van steekproef- naar populatieresultaten.

het afnemen van de enquête in alle EU-lidstaten werden nagenoeg

sociale samenhang” (Commissie van de Europese Gemeenschappen, september 2000). In haar recente Europa 2020 strategie heeft

Voor de Vlaamse CIS2011 werd een steekproef getrokken uit

de EU opnieuw deze doelstelling bevestigd. De EU moet “een

de populatie van Vlaamse ondernemingen op basis van grootte

slimme, duurzame en inclusieve economie worden in een snel

(minstens 10 werknemers) en sector. Een recente versie van

veranderende wereld”.

het werkgeversbestand van de Belgische Rijksdienst voor Sociale

Een krachtig meetinstrument om de innovatieactiviteiten te meten

als referentiepopulatie. Deze data werden verfijnd op basis van

is hierbij een basisbehoefte. Sinds de jaren ’80 werd hard gewerkt

informatie van het internet, de Algemene Directie Statistiek en

aan een instrumentarium om innovatie te meten. Hieruit ontstond

Economische Informatie, en de Nationale Bank van België via de

de “Oslo manual” (OESO, 1992), een rapport van de OESO met

Belfirst-databank van Bureau Van Dijk. Uit de resterende populatie

richtlijnen voor de verzameling en de interpretatie van gegevens

van 10.057 bedrijven werden er uiteindelijk 4.951 geselecteerd voor

i.v.m. technologische product- en procesinnovatie in industriële

bevraging. De steekproeftrekking gebeurde op basis van twee centrale

productie. In 1997 kwam een tweede editie uit (OESO/Eurostat,

dimensies: bedrijfsgrootte en NACE-code. Enkele van de bedrijven

1997) die ook de dienstensectoren in rekening nam. Later is het

hadden weliswaar hun hoofdkwartier in Brussel maar belangrijke

bewustzijn gegroeid dat innovatie breder is dan technologische

activiteiten in Vlaanderen, en werden daarom ook mee bevraagd

innovatie en in 2005 kwam een derde versie van deze handleiding

vanuit Vlaanderen.1 In totaal beantwoordden 2.418 bedrijven

uit (OESO/Eurostat, 2005), met expliciete aandacht voor

de vragenlijst, wat een responsgraad oplevert van 49%.

Zekerheid, namelijk de versie van 31 december 2010, fungeerde

organisatorische innovatie en marketinginnovatie. Op basis van de principes in deze Oslo manual worden de innovatie-

9.3 ANALYSE

inspanningen in de Europese Unie systematisch gemeten aan de hand van een enquête: de Community Innovation Survey (CIS).

Bij het rapporteren van de resultaten, worden in hoofdzaak de

De Europese Commissie (Eurostat) is de opdrachtgever. De eerste

twee centrale dimensies van de steekproeftrekking – in een meer

Vlaamse CIS-enquête werd gehouden in 1993, gevolgd door

geaggregeerde vorm, met oog op maximale validiteit van de

een tweede en derde in 1996 en in 2000. Vanaf 2005 werd de

gegevens – verwerkt in de tabellen. De grootteklassen zijn: kleine

CIS-enquête om de twee jaar gelanceerd door het huidige

bedrijven (10 tot 49 werknemers), middelgrote bedrijven (50 tot

Expertisecentrum O&O Monitoring (ECOOM).

249 werknemers) en grote bedrijven (vanaf 250 werknemers).

1 Er werden ook een aantal bedrijven met minder dan 10 werknemers alsook bedrijven die buiten de kernsectoren vielen bevraagd, maar dit was louter voor onderzoeksdoeleinden. De resultaten voor deze bijkomende bedrijven worden hier verder buiten beschouwing gelaten.


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

categorieën. Deze worden weergegeven in tabel 9.1.

9.5 PRODUCT- EN PROCESINNOVATIE IN VLAANDEREN

In een eerste sectie wordt een profiel geschetst van de respondenten.

In eerste instantie wordt de innovativiteit van een onderneming

Daarna worden de innovatieactiviteiten van de respondenten

getoetst op vier dimensies. Een onderneming is innovatief als ze

besproken. Voor deze laatste analyses wordt steeds gewerkt met

voldoet aan minstens één van de volgende criteria:

De NACE-sectoren worden ondergebracht in elf geaggregeerde

gewogen resultaten omdat op die manier de resultaten bekomen met de steekproef veralgemeend kunnen worden naar de

●

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) op de markt gebracht (tussen begin

beoogde populatie.

2008 en eind 2010); ●

Tabel 9.1: Aggregaten van NACE-sectoren*

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om producten en diensten te leveren (tussen begin 2008 en eind 2010);

Voeding/Tabak

10, 11, 12

Textiel

13, 14, 15

Papier/Hout

16, 17, 18

Chemie/Plastics

19, 20, 21, 22

Metaal

24, 25

ICT/Elektronica

26, 27

Machines/Voertuigen

28, 29, 30

Andere Industrieën

8, 23, 31, 32, 33, 35, 36, 37, 38, 39

Groothandel

46

Transport/Financiële Diensten/Druk

49, 50, 51, 52, 53, 58, 64, 65, 66

Informatiediensten

61, 62, 63, 71, 72

* De bijlage bevat een overzicht en uitgebreidere omschrijving van de NACEafdelingen die in elk van deze aggregaten vervat zitten.

●

de onderneming was eind 2010 bezig met activiteiten (inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O) om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment van bevraging;

●

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen begin 2008 en eind 2010).

Uit de resultaten blijkt dat 53% van de Vlaamse ondernemingen in deze zin innovatief is, dit voor de periode 2008-2010. Met een innovatiegraad van 53% doet Vlaanderen het in Europa duidelijk heel goed. Met deze 53% heeft Vlaanderen een zeer gelijkaardig

9.4 PROFIEL VAN DE RESPONDENTEN

resultaat ten opzichte van de resultaten van CIS2009 (toen bedroeg hij 52%). Gelet op het steeds toenemend belang van

Meer dan de helft (ruim 59%) van de respondenten maakt deel

innovatie voor de competitiviteit van onze bedrijven, blijft het

uit van een ondernemingsgroep. Voor ongeveer 51% van deze

stimuleren van innovatie in Vlaamse bedrijven een belangrijk

bedrijven is de hoofdzetel in België gevestigd. Daarna volgen

aandachtspunt.

bedrijven met hoofdzetel in Nederland (11%), de V.S. (10%), Duitsland (6%), Frankrijk (5%) en Groot-Brittannië (3%). Andere

In tabel 9.2 wordt de innovatiegraad gegeven per sector en

landen zijn o.a. Japan en Zwitserland.

grootteklasse. De grote bedrijven zijn meer innovatief dan de middelgrote en kleine bedrijven (79% versus 75% en 46%).

De overgrote meerderheid (71%) van de respondenten heeft

De meest innovatieve sector is nog steeds de ICT-/Elektronica-

exportactiviteiten. Ondernemingsgrootte is gerelateerd aan export-

sector, aangezien 89% van de bedrijven in deze sector aangeeft

gedrag: 66% van de kleine bedrijven, 76% van de middelgrote

(al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatie-activiteiten

bedrijven, en 81% van de grote bedrijven exporteert. De sectoren

gehad te hebben in de periode 2008-2010.

ICT/Elektronica en Textiel zijn het meest exportgericht.

147


9

148

Figuur 9.1: Ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovaties in Vlaanderen

75%

50%

64%

66%

55%

25%

0%

Niet-innovatief: 47%

0%

Innovatief: 53%

20%

40%

60%

80%

100%

■ Product ■ Proces ■ Lopend/Afgebroken

Tabel 9.2: Ondernemingen met (al dan niet voltooide)

Tabel 9.3 en figuur 9.1 geven meer inzicht in het type innovatie

product- en/of procesinnovaties in Vlaanderen,

dat door de Vlaamse bedrijven geïntroduceerd werd. In figuur 9.1

opgedeeld volgens grootte en sector

wordt de groep van innovatieve ondernemingen verdeeld over de verschillende dimensies van innovativiteit. Deze dimensies

Enige vorm van producten/of procesinnovatieactiviteit

zijn niet mutueel exclusief. Procesinnovatie komt het vaakst voor

Voeding/Tabak

58%

bij de Vlaamse bedrijven. Ongeveer 35% van hen deed aan

Textiel

54%

procesinnovatie, wat betekent dat 66% van alle innovatieve

Papier/Hout

63%

Vlaamse bedrijven in de periode 2008-2010 een procesinnovatie

Chemie/Plastics

75%

introduceerde. Bij innovatieactiviteiten heerst er altijd een grote

Metaal

51%

mate van onzekerheid: niet alle innovatie-inspanningen leiden

Machines/Voertuigen

60%

effectief tot een innovatie. Daarom loont het de moeite om ook

ICT/Elektronica

89%

te kijken naar bedrijven die zich geëngageerd hebben in

Andere Industrieën

59%

innovatieactiviteiten, maar (nog) geen succesvolle innovaties

Groothandel

45%

geïntroduceerd hebben. Het profiel van deze ondernemingen is

Transport/Financiële Diensten/Druk

38%

weergegeven in de laatste kolom van tabel 9.3. Hieruit blijkt dat

Informatiediensten

74%

heel wat bedrijven actief innovatie-inspanningen leveren, maar dat

Totaal

53%

dit niet noodzakelijk gereflecteerd wordt in de introductie van een

Kleine bedrijven

46%

product- of procesinnovatie. Tabel 9.3 geeft aan dat het verband

Middelgrote bedrijven

75%

tussen bedrijfsgrootte en innovativiteit zowel geldt voor product-

Grote bedrijven

79%

als voor procesinnovaties, en ook voor lopende/afgebroken

Totaal

53%

innovatieactiviteiten.

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

149

Tabel 9.3: Vlaamse bedrijven die een innovatie geïntroduceerd hebben Nieuw of duidelijk verbeterd product geïntroduceerd

Nieuw of duidelijk verbeterd proces geïntroduceerd

Lopende / afgebroken innovatieactiviteiten

Kleine bedrijven

29%

29%

23%

Middelgrote bedrijven

51%

54%

50%

Grote bedrijven

59%

59%

66%

Totaal

34%

35%

29%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

Tabel 9.4: Redenen om niet te innoveren Belemmeringsfactoren

Geen behoefte aan innovaties

Kostenfactoren

Kennisfactoren

Marktfactoren

Kleine bedrijven

39%

38%

42%

39%

Middelgrote bedrijven

47%

49%

42%

28%

Grote bedrijven

51%

58%

50%

20%

Lowtech

39%

39%

41%

39%

Hightech

53%

53%

45%

24%

Industrie

50%

49%

46%

34%

Diensten

34%

35%

39%

39%

Innovatoren

49%

48%

46%

27%

Niet-innovatoren

28%

30%

35%

52%

Totaal

41%

41%

42%

37%

9.6 REDENEN OM NIET TE INNOVEREN

Hightech bedrijven ondervinden beduidend meer hinder van belemmerende factoren dan lowtech bedrijven. Ook stellen we

Tabel 9.4 geeft weer welke factoren in grote of minder grote mate

vast dat dienstenbedrijven beduidend minder hinder ondervinden

de product- en procesactiviteiten van bedrijven belemmeren. In het

dan productiebedrijven.

algemeen vormen kosten-, kennis- en marktfactoren een even grote belemmering (respectievelijk door 41%, 41% en 42% van

Het feit dat er geen behoefte was aan innovaties wordt door maar

de bedrijven genoemd als belangrijke of zeer belangrijke

liefst 52% van de niet-innovatoren en 27% van de innovatoren

belemmering). Grote bedrijven duiden kosten-, kennis- en

genoemd als belangrijke of zeer belangrijke reden om niet te

marktfactoren vaker aan als belemmeringen voor hun innovatie-

innoveren. Kleine ondernemingen noemen het feit dat er geen

activiteiten dan kleine en middelgrote bedrijven. De grootste

behoefte was aan innovaties veel vaker dan grote bedrijven als

belemmering voor zowel grote als middelgrote ondernemingen

reden om niet te innoveren. Dit is opmerkelijk gezien onderzoek

zijn kennisfactoren. Voor kleine ondernemingen zijn het

door ECOOM en ander internationaal werk duidelijk een positief

marktfactoren die het vaakst als belemmering worden ervaren.

effect van innovatie op de financiële bedrijfsprestatie van KMOs vaststelt (vb. Andries & Faems, 2013). Kleine en middelgrote

Wanneer men kijkt naar het verschil tussen hightech en lowtech

bedrijven lijken dus nog steeds onvoldoende op de hoogte te zijn

ondernemingen, blijken de lowtech ondernemingen ongeveer

van het belang van product- en procesinnovatie.

evenveel hinder te ondervinden van respectievelijk kosten-, kennis- en marktfactoren. Hightech ondernemingen worden

Tot nu toe werden in de analyses alle bedrijven betrokken. In de

voornamelijk belemmerd in hun innovatie door kosten- en

volgende secties (9.7 t.e.m. 9.14) zullen we de eigenschappen van

kennisfactoren, en slechts in mindere mate door marktfactoren.

de groep van ondernemingen met (al dan niet voltooide) producten/of procesinnovaties (53%) verder onderzoeken.


9

150

Tabel 9.5: Innovatieactiviteiten, opgedeeld naar ondernemingsgrootte (percentage van ondernemingen)

Interne O&O

Externe O&O

Aankoop van machines

Verwerving externe kennis

Training

Marktintroductie van innovaties

Design

Andere voorbereidingen

Kleine bedrijven

46%

24%

56%

15%

49%

28%

25%

24%

Middelgrote bedrijven

72%

40%

66%

25%

75%

43%

38%

38%

Grote bedrijven

87%

56%

68%

33%

78%

53%

36%

50%

Totaal

55%

30%

59%

18%

57%

33%

29%

29%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Daarna keren we terug naar de totale beoogde populatie van

Tabel 9.6: Karakter van de O&O-activiteiten van de innovatieve ondernemingen

ondernemingen en bekijken we hun evolutie qua innovatiegraad over de verschillende CIS-bevragingen heen (sectie 9.15),

Permanent

Occasioneel

Kleine bedrijven

52%

48%

Middelgrote bedrijven

59%

41%

Grote bedrijven

85%

15%

Lowtech

49%

51%

Hightech

73%

27%

Industrie

56%

44%

Diensten

59%

41%

Totaal

57%

43%

alsook het voorkomen van niet-technologische innovaties zoals organisatorische innovaties (sectie 9.16) en marketinginnovaties (sectie 9.17), en de totale innovatiegraad (sectie 9.18). In sectie 9.19 vatten we de belangrijkste resultaten kort samen.

9.7 PRODUCT- EN PROCESINNOVATIEACTIVITEITEN Activiteiten voor product- en procesinnovaties omvatten een brede waaier van engagementen, gaande van O&O (intern of extern) tot

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van O&O-actieve bedrijven

aankoop van uitrusting en kennis. Deze verschillende activiteiten en het belang ervan zijn terug te vinden in tabel 9.5. Wat opvalt, is dat zelfs binnen de populatie van innovatieve Vlaamse bedrijven, er grote verschillen in activiteiten bestaan. Meer bepaald zijn grote bedrijven veel meer actief in de verschillende engagementen dan kleine bedrijven. Grote bedrijven zijn bijvoorbeeld zeer actief in interne O&O-activiteiten. Het O&O-gebeuren in Vlaamse bedrijven is met andere woorden scheef verdeeld. Dit wordt verder besproken in de volgende sectie.

9.9 PUBLIEKE FINANCIERING VAN PRODUCTEN PROCESINNOVATIES Van de Vlaamse ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatie-activiteiten kon gemiddeld 13% in de periode 2008-2010 een beroep doen op financiële ondersteuning van de regionale overheid in de vorm van beurzen en leningen (inclusief subsidies en leningsgaranties maar exclusief overheidsbestellingen). De nationale overheid ondersteunde 10%

9.8 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING (O&O) Van de innovatieve ondernemingen die intern aan O&O doen, doet gemiddeld 43% slechts occasioneel en 57% permanent aan O&O (zie tabel 9.6). Grote bedrijven doen meer op systematische wijze aan O&O dan middelgrote bedrijven, en deze op hun beurt meer dan kleine bedrijven. Hightechbedrijven doen gemiddeld vaker continu aan O&O dan lowtechbedrijven. Opvallend is dat dienstenbedrijven vaker permanent aan O&O doen dan productiebedrijven.

van de innovatieve ondernemingen. Ongeveer 7% van de Vlaamse innovatoren ontving financiële steun van de Europese overheid; één derde hiervan via het zesde of zevende kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese Unie. Deze percentages worden in tabel 9.7 verder opgesplitst naar sector en grootte. De sectoren ICT/Elektronica, Machines/Voertuigen, Informatiediensten en Chemie/Plastics worden relatief sterker ondersteund door de regionale overheid. De Europese overheid financiert ook vooral bedrijven in de sectoren ICT/Elektronica en Informatiediensten. We zien ook dat grote ondernemingen relatief vaker fondsen ontvangen dan kleinere bedrijven. Deze resultaten liggen in lijn met die van CIS2009.


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

151

Tabel 9.7: Publieke financiering van innovatieve ondernemingen

Regionale overheid

Belgische overheid

EU

Europees Kaderprogramma

Voeding/Tabak

13%

6%

5%

0%

Textiel

23%

20%

8%

6%

Papier/Hout

7%

8%

4%

1%

Chemie/Plastics

25%

13%

12%

6%

Metaal

10%

6%

3%

1%

Machines/Voertuigen

30%

19%

8%

3%

ICT/Elektronica

32%

17%

15%

11%

Andere Industrieën

12%

7%

3%

0%

2%

7%

5%

0%

Groothandel Transport/Financiële Diensten/Druk

9%

8%

5%

0%

Informatiediensten

25%

16%

13%

9%

Totaal

13%

10%

7%

2%

Kleine bedrijven

10%

8%

5%

2%

Middelgrote bedrijven

17%

13%

8%

3%

Grote bedrijven

33%

26%

15%

9%

Totaal

13%

10%

7%

2%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

9.10 OBJECTIEVEN VAN PRODUCT- EN/OF PROCESINNOVATIES

Tabel 9.8: Objectieven van de product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Om een vollediger inzicht te verkrijgen in het innovatieprofiel van de Vlaamse bedrijven, is het nuttig om niet alleen de inputzijde, maar ook de output-zijde te bestuderen: wat verhopen innoverende ondernemingen te bereiken met hun innovatieinspanningen? Tabel 9.8 somt de verschillende doelstellingen op die

bedrijven

zich

stellen

wanneer

zij

product-

en/of

procesinnovaties introduceren. Maar liefst 48% van de innoverende bedrijven streeft een betere kwaliteit van de aangeboden goederen of diensten na. Dit vormt dan ook meteen het belangrijkste doel voor innoverende ondernemingen, gevolgd door de uitbreiding van het huidige goederen- of dienstenaanbod (45%). Andere belangrijke doelstellingen zijn: de introductie op nieuwe markten of de groei van het marktaandeel in bestaande markten (44%), evenals de vervanging van verouderde producten of processen (43%).

Uitbreiding van het goederen- of dienstenaanbod

45%

Vervanging van verouderde producten/processen

43%

Introductie op nieuwe markten of groei van het marktaandeel

44%

Lager materiaal-of energieverbruik per eenheid output

19%

Betere kwaliteit van de aangeboden goederen/diensten

48%

Verbeterde flexibiliteit van de productie van goederen/diensten

29%

Verhoogde productiecapaciteit van goederen en diensten

26%

Verbeterde gezondheid en veiligheid van de werknemers

16%

Verminderde impact op het milieu

18%

Lagere arbeidskosten per eenheid output

22%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten


9

152

9.11 ACTOREN IN HET INNOVATIEPROCES VAN DE ONDERNEMING

9.12 SAMENWERKINGSPATRONEN VOOR PRODUCT- EN/OF PROCESINNOVATIES

Uit vele analyses van het innovatiesysteem blijkt dat ondernemingen

Gemiddeld werkt iets minder dan de helft (44%) van de

steeds vaker samenwerken met andere organisaties voor hun

innovatieve bedrijven voor innovatieprojecten samen met een

innovatieactiviteiten. Daarom wordt in de CIS-enquête ook gepeild

partner. Bij grote bedrijven ligt dit gemiddelde veel hoger (73%).

naar de actoren die betrokken zijn bij de ontwikkeling van een

Bedrijven in de sectoren Chemie/Plastics (59%), Textiel (58%) en

innovatie. De actoren die betrokken waren bij de product- en proces-

Informatiediensten (58%), Machines/Voertuigen (54%) en ICT/

innovaties worden opgelijst in tabellen 9.9 en 9.10. Het merendeel

Elektronica (54%), Metaal (51%) en Transport/Financiële diensten/

van de innovatoren geeft aan bepaalde innovaties zelfstandig te

Druk (46%) zijn ook relatief meer geneigd tot samenwerking.

hebben ontwikkeld. Toch geeft ongeveer 37% van de bedrijven

De percentages worden voorgesteld in tabel 9.11.

aan voor bepaalde productinnovaties samengewerkt te hebben met andere ondernemingen of instellingen. Voor procesinnovaties

In deze samenwerkingsverbanden worden enerzijds leveranciers

is dit 35%. Het aanpassen van product- en procesinnovaties die

en anderzijds universiteiten of andere instellingen van hoger

oorspronkelijk door andere organisaties werden ontwikkeld,

onderwijs het vaakst genoemd als partners (respectievelijk door

komt minder vaak voor, maar blijft belangrijk (respectievelijk 10%

29% en 18% van de innovatieve bedrijven). Daarna volgen

en 17%). Ook werden product- en procesinnovaties vrij vaak in

klanten of afnemers (17%), andere bedrijven in de groep (16%),

hoofdzaak door externen ontwikkeld (respectievelijk 16% en 15%).

consultants, commerciële laboratoria of O&O-bedrijven (14%),

De cijfers duiden op het belang van andere organisaties in het

concurrenten of andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

innovatieproces.

(12%) en overheids- of publieke onderzoeksinstellingen (10%).

Tabel 9.9: Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde producten ontwikkeld?

Voornamelijk de onderneming zelf

De onderneming samen met andere ondernemingen of instellingen*

De onderneming door aanpassen/veranderen van goederen/diensten oorspronkelijk door andere ondernemingen/ instellingen ontwikkeld

Kleine bedrijven

59%

33%

10%

19%

Middelgrote bedrijven

72%

42%

9%

11%

Grote bedrijven

79%

53%

15%

15%

Totaal

64%

37%

10%

16%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van productinnovatoren * ”andere ondernemingen”: andere ondernemingen binnen de ondernemingsgroep, alsook andere niet verwante ondernemingen; “instellingen” zijn o.a. universiteiten, onderzoeksinstituten, non-profit organisaties, enz.

Tabel 9.10: Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde processen ontwikkeld?

Voornamelijk de onderneming zelf

De onderneming samen met andere ondernemingen of instellingen*

De onderneming door aanpassen/veranderen van processen oorspronkelijk door andere ondernemingen/ instellingen ontwikkeld

Kleine bedrijven

63%

33%

17%

17%

Middelgrote bedrijven

68%

40%

16%

9%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen

Grote bedrijven

79%

38%

16%

6%

Totaal

65%

35%

17%

15%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van procesinnovatoren * ”andere ondernemingen”: andere ondernemingen binnen de ondernemingsgroep, alsook andere niet verwante ondernemingen; “instellingen” zijn o.a. universiteiten, onderzoeksinstituten, non-profit organisaties, enz.


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

153

In tabel 9.12 wordt de verdeling weergegeven van het belang van

Tabel 9.11: Percentages innovatieve ondernemingen

elke partner in samenwerkingsverbanden van Vlaamse bedrijven

met samenwerkingsverbanden

voor innovatieactiviteiten. De verdeling en de intensiteit van deze

Voeding/Tabak

40%

samenwerkingsverbanden liggen in lijn met de bevindingen van

Textiel

58%

CIS2009.

Papier/Hout

22%

Chemie/Plastics

59%

Metaal

51%

Machines/Voertuigen

54%

Andere bedrijven in de groep

16%

ICT/Elektronica

54%

Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten of software

29%

Andere Industrieën

41%

Klanten of afnemers

17%

Groothandel

32%

Concurrenten of andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

12%

Transport/Financiële Diensten/Druk

46%

Consultants / Commerciële laboratoria / O&O-bedrijven

14%

Informatiediensten

58%

Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs

18%

Totaal

44%

Overheids- of publieke onderzoeksinstellingen

10%

Kleine bedrijven

38%

Middelgrote bedrijven

55%

Grote bedrijven

73%

Totaal

44%

Tabel 9.12: Type partners in samenwerkingsverbanden

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Tabel 9.13 geeft weer hoeveel innovatieve bedrijven samenwerkings-

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

partners hebben in België, de Europese Unie, de Verenigde Staten, China of India, en in andere landen.

Tabel 9.13: Belang van partners in samenwerkingsverbanden volgens geografische locatie België

EU

VS

China/India

Andere landen

Voeding/Tabak

35%

24%

2%

2%

2%

Textiel

56%

32%

6%

2%

16%

Papier/Hout

18%

13%

2%

1%

4%

Chemie/Plastics

50%

43%

14%

7%

8%

Metaal

47%

24%

2%

2%

2%

Machines/Voertuigen

49%

23%

10%

4%

6%

ICT/Elektronica

47%

44%

20%

14%

15%

Andere Industrieën

31%

29%

2%

1%

1%

Groothandel

24%

16%

12%

2%

1%

Transport/Financiële Diensten/Druk

42%

20%

5%

2%

2%

Informatiediensten

53%

27%

11%

5%

6%

Totaal

38%

24%

8%

3%

4%

Kleine bedrijven

33%

17%

5%

1%

2%

Middelgrote bedrijven

49%

34%

11%

5%

6%

Grote bedrijven

60%

60%

26%

16%

15%

Totaal

38%

24%

8%

3%

4%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten


9

154

Tabel 9.14: Informatiebronnen voor de innovatieactiviteiten Interne bronnen

Onderneming zelf en andere bedrijven binnen de groep (voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep)

54%

Marktbronnen

Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software

27%

Klanten of afnemers

29%

Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

9%

Institutionele bronnen

Consultants

5%

Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs

6%

Publieke of particuliere non-profit instellingen

3%

Andere bronnen

Beurzen, tentoonstellingen, conferenties

10%

Tijdschriften, publicaties

8%

Professionele associaties

6%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

We zien dat alle innovatieve bedrijven – onafhankelijk van hun

Universiteiten/andere instellingen van hoger onderwijs en

grootte – vooral samenwerkingspartners binnen België hebben.

professionele associaties (6%) en consultants (5%) zijn iets minder

Grote innovatieve ondernemingen (250 werknemers of meer)

belangrijk. Tabel 9.14 vat deze informatie kort samen. Ook deze

werken echter ook zeer veel samen met Europese partners.

resultaten liggen in lijn met die van CIS2009.

Zij hebben ook duidelijk meer samenwerkingsverbanden buiten Europa dan kleinere bedrijven. Wanneer we naar de sectoren kijken, zien we dat ICT/Elektronica, Chemie/Plastics en Textiel relatief veel samenwerkingsverbanden met Europese partners hebben.

9.14 BESCHERMING VAN PRODUCTEN/OF PROCESINNOVATIES

De ICT-/Elektronica-sector werkt voor haar innovatie-inspanningen ook relatief veel samen met partners in de V.S. China en India

Innovatie-inspanningen zijn zeer belangrijk, maar het is ook

leveren relatief weinig samenwerkingspartners. Chinese en Indische

belangrijk dat bedrijven de geleverde inspanningen voldoende

partners komt het meest voor in de sector ICT/Elektronica.

kunnen afschermen om zo de maximale opbrengst uit de investering te realiseren. Een zeer belangrijke – maar zeker niet steeds waterdichte – manier is de aanvraag van een octrooi. In eerste

9.13 INFORMATIEBRONNEN VOOR PRODUCTEN/OF PROCESINNOVATIES

instantie kijken we in deze sectie naar de octrooiaanvragen. Deze geven een indicatie van de innovatieoutput die bedrijven proberen te beschermen. In de tweede kolom van tabel 9.15 wordt

De informatiebronnen die aan de basis liggen van de product-

het percentage van bedrijven dat minstens één octrooiaanvraag

en procesinnovatieactiviteiten werden ook bevraagd in CIS2011.

ingediend heeft, weergegeven. Gemiddeld is dat slechts 6%.

Uit de antwoorden blijkt dat het meest gebruik gemaakt wordt van

Grote bedrijven en bedrijven in de sectoren ICT/Elektronica en

informatie uit interne bronnen (door 54% van de innovatoren).

Chemie/Plastics, zijn duidelijk het meest actief in octrooiaanvragen.

Andere belangrijke bronnen zijn klanten of afnemers (gebruikt door 29% van de innovatoren), en leveranciers (27%). In veel mindere

Naast octrooiaanvragen bestaat nog een hele waaier andere

mate zijn ook concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde

beschermingsmethoden. Tabel 9.15 geeft ook drie andere

industriële sector (9%) een bron van informatie. Naast deze

mogelijkheden: het registreren van industriële ontwerpen, handels-

actoren die rechtstreeks aan de onderneming verbonden zijn,

merken, en auteursrechten. We zien dat de handelsmerken het

spelen ook een aantal indirecte bronnen een rol, zoals beurzen

belangrijkst zijn, en dan vooral voor bedrijven in de sectoren

en tentoonstellingen (10%) en tijdschriften/publicaties (8%).

Chemie/Plastics, Voeding/Tabak en ICT/Elektronica.


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

155

Tabel 9.15: Bescherming van innovaties: verschillende methoden Octrooien

Industriële designs

Handelsmerken

Copyright

Voeding/Tabak

4%

3%

14%

2%

Textiel

9%

4%

9%

1%

Papier/Hout Chemie/Plastics Metaal

4%

4%

7%

5%

23%

8%

17%

4%

7%

3%

3%

1%

Machines/Voertuigen

15%

6%

7%

1%

ICT/Elektronica

26%

7%

12%

3%

Andere Industrieën

6%

3%

7%

2%

Groothandel

4%

4%

7%

3%

Transport/Financiële Diensten/Druk

0%

0%

4%

3%

Informatiediensten

9%

4%

8%

5%

Totaal

6%

3%

8%

3%

Kleine bedrijven

4%

3%

6%

2%

Middelgrote bedrijven

13%

5%

11%

4%

Grote bedrijven

24%

9%

20%

6%

6%

3%

8%

3%

Totaal

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van bedrijven met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten

Ook het registreren van industriële ontwerpen blijkt enigszins

Deze bijkomende sectoren waren in CIS4 goed voor bijna 30%

relevant in de Chemie/Plastics. Het registreren van auteursrechten

van de populatie. Gezien de innovatiegraad in deze bijkomende

blijkt dan weer het meest van belang voor de Informatiediensten-

sectoren eerder laag is, werden zij niet meer bevraagd in latere

sector en de sector Papier/Hout. Grote ondernemingen maken

enquêtes. We kunnen een historische vergelijking maken door

duidelijk meer gebruik van alle beschermingsmethoden die werden

voor de CIS4 deze extra sectoren buiten beschouwing te laten.

bevraagd. Dit is opmerkelijk gezien recent onderzoek door ECOOM

Uit tabel 9.16 blijkt de trage daling in het percentage

duidelijk aangeeft dat het positieve effect van intellectuele

ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of

eigendomsrechten op innovatie- en financiële bedrijfsprestatie

procesinnovatie-activiteiten zich te stabiliseren. In elk geval moet

minstens even belangrijk is voor KMOs als voor grote bedrijven in

deze evolutie nauwgezet worden opgevolgd.

Vlaanderen (Andries & Faems, 2013). Kleine en middelgrote bedrijven lijken dus nog steeds onvoldoende op de hoogte te zijn van het belang hun intellectuele eigendom te beschermen.

9.16 ORGANISATORISCHE INNOVATIES Naast product- of procesinnovaties, kunnen ook organisatorische-

9.15 HISTORISCHE VERGELIJKING

of marketinginnovaties een significante impact hebben op de performantie van een onderneming. Organisatorische innovatie

Wanneer we de historische evolutie van de CIS-resultaten

werd in de CIS2011 gedefinieerd als het implementeren van

bekijken, dient opgemerkt te worden dat CIS4 meer sectoren

“een nieuwe – nog niet eerder door de onderneming gebruikte –

omvatte dan CIS3, CIS2007, CIS2009 en de hier besproken

organisatiemethode in de bedrijfspraktijken (inclusief het kennis-

CIS2011. In CIS4 werden ook de industriële sectoren bouw-

beheer), in de arbeidsorganisatie of in de externe relaties met andere

nijverheid, verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen

bedrijven of openbare instellingen. Deze nieuwe organisatiemethode

en motorrijwielen, kleinhandel en overige zakelijke dienstverlening

moet het gevolg zijn van strategische beslissingen genomen door

(met uitzondering van architecten, ingenieurs en aanverwante

het management.”

technische adviesbureaus, alsook technische testen en toetsen) bevraagd (codes 45, 50, 52, 74.1, en 74.4-74.8 volgens de oude NACE-Bel-2003-codering).


9

156

Tabel 9.16: Evolutie percentage ondernemingen met (al dan niet voltooide) product- en/of procesinnovatieactiviteiten CIS3 (2001)

CIS4 (2005)

CIS2007

CIS2009

CIS2011

Alle bedrijven

58%

59%

56%

52%

53%

KMO's

58%

57%

54%

51%

52%

Grote bedrijven

83%

88%

82%

80%

79%

Lowtech

55%

55%

53%

49%

49%

Hightech

71%

78%

71%

70%

73%

Industrie

69%

64%

64%

56%

60%

Diensten

49%

54%

49%

49%

47%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

In de beschouwde periode, 2008-2010, werden organisatorische

Het belangrijkste doel dat via organisatorische innovaties wordt

innovaties door 28% van de bedrijven ingevoerd (tabel 9.17).

nagestreefd, is de capaciteit om sneller te reageren op de

Vooral de grote bedrijven voerden dergelijke innovaties in,

behoeften van klanten of leveranciers (54%). Een betere kwaliteit

namelijk 50% van de grote bedrijven, ten opzichte van 44% en

van goederen of diensten is ook een belangrijke doelstelling bij

23% voor de middelgrote en kleine bedrijven. Hightechbedrijven

organisatorische innovatoren (51%), alsook een betere communicatie

implementeerden opmerkelijk meer organisatorische innovaties

of informatiedeling binnen het bedrijf, of met andere bedrijven of

(41%) dan lowtechbedrijven (25%). Een dergelijk verschil vindt

openbare instellingen (37%). Tabel 9.18 geeft meer details.

men echter niet terug tussen de diensten- en industriesector.

9.17 MARKETINGINNOVATIES Tabel 9.17: Organisatorische innovaties naar grootte, diensten vs. industrie en high- vs. lowtech

De implementatie van een nieuw marketingconcept, of van een nieuwe marketingstrategie die significant verschillend is van de

Kleine bedrijven

23%

Middelgrote bedrijven

44%

Grote bedrijven

50%

Lowtech

25%

Hightech

41%

Industrie

28%

Diensten

27%

Totaal

28%

binnen het bedrijf bestaande marketingmethodes, en die nog nooit eerder door het bedrijf werd gebruikt, wordt als een marketinginnovatie beschouwd in CIS2011. Dit vereist “significante veranderingen in design, verpakking, promotie of prijszetting van het product. Seizoenveranderingen, regelmatige veranderingen of andere routinematige veranderingen in de marketingtechnieken vallen hier niet onder.”

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

Tabel 9.18: Objectieven van organisatorische innovaties Snellere reactie op behoeften van klanten of leveranciers

54%

Verbeterd vermogen om nieuwe producten of processen te ontwikkelen

25%

Betere kwaliteit van goederen of diensten

51%

Lagere kosten per eenheid output

31%

Verbeterde communicatie/informatiedeling binnen bedrijf of met andere bedrijven/openbare instellingen

37%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van organisatorische innovatoren


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

Volgens deze definitie heeft 29% van de bevraagde bedrijven aan marketinginnovatie gedaan in de periode 2008-2010. Het verschil

157

9.18 TOTALE INNOVATIEACTIVITEITEN IN VLAANDEREN

tussen lowtech- en hightechbedrijven is hier veel minder uitgesproken dan voor organisatorische innovaties. Opmerkelijk is

Recent heeft Eurostat de definitie van innovatie herzien om ook

dat middelgrote bedrijven meer actief zijn in dit soort innovatie

rekening te houden met organisatorische en marketinginnovaties.

(40%) dan grote (36%) of kleine (26%) bedrijven. Een volledig

Volgens deze herziene definitie is een onderneming innovatief als

overzicht van de aanwezigheid van marketinginnovaties vindt u

ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria:

terug in tabel 9.19. ●

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) op de markt gebracht (tussen begin

Tabel 9.19: Marketinginnovaties naar grootte, diensten vs. industrie en high- vs. lowtech

2008 en eind 2010); ●

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om producten

Kleine bedrijven

26%

Middelgrote bedrijven

40%

Grote bedrijven

36%

Lowtech

28%

Hightech

34%

Industrie

32%

Diensten

26%

Totaal

29%

en diensten te leveren (tussen begin 2008 en eind 2010); ●

de onderneming was eind 2010 bezig met activiteiten (inclusief onderzoek en ontwikkeling, O&O) om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment van bevraging;

●

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie

brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen begin 2008 en eind 2010);

Uit tabel 9.20 blijkt dat deze marketinginnovaties in eerste

●

instantie worden uitgevoerd met het oog op het vergroten of handhaven van het marktaandeel (70%). Ook het introduceren van de producten bij nieuwe klantengroepen is een belangrijk

de

onderneming

heeft

nieuwe

organisatiemethodes

geïntroduceerd (tussen begin 2008 en eind 2010); ●

de onderneming heeft nieuwe marketingconcepten of marketingstrategieën geïmplementeerd (tussen begin 2008 en eind 2010).

objectief van marketinginnovaties (50%). Nieuwe geografische markten worden door een derde van de bedrijven die

Uit de resultaten blijkt dat 62% van de Vlaamse ondernemingen

marketinginnovaties doorvoerden als een doel gezien.

in deze zin innovatief is, dit voor de periode 2008-2010.

Tabel 9.20: Objectieven van marketinginnovaties Groter of gehandhaafd marktaandeel

70%

Introduceren van producten bij nieuwe klantengroepen

50%

Introduceren van producten op nieuwe geografische markten

33%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van marketinginnovatoren


9

158

Tabel 9.21 DK

DE

ES

FR

IE

IT

NL

FI

SE

UK

IS

LU

EU27

BE

VL

% innovatoren

52%

80%

44%

50%

57%

53%

45%

52%

54%

46%

75%

65%

52%

58%

62%

Referentiejaar

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2008

2010

Bron: Eurostat, 2012/1

Ongeveer 9% van de Vlaamse bedrijven deed dus niet aan

Product- en procesinnovaties blijken in de eerste plaats uitgevoerd

product- en/of procesinnovatie, maar introduceerde echter wél

te worden met het oog op betere kwaliteit van goederen en

nieuwe organisatiemethodes of marketinginnovaties. Deze cijfers

diensten, en in tweede instantie voor de uitbreiding van het

zijn gelijkaardig aan die van de CIS2009. Uit de internationale

goederen- of dienstenaanbod.

vergelijking in tabel 9.21 blijkt ook dat Vlaanderen hier zeer goed scoort ten opzichte van het EU-27 gemiddelde. Enkel Duitsland,

Samenwerkingsverbanden blijken voor deze innovatieprojecten

IJsland en Luxemburg doen beter.

zeer belangrijk. Leveranciers en universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs zijn de belangrijkste partners. Ook klanten of afnemers, en andere bedrijven binnen de groep,

9.19 BESLUIT

zijn belangrijke partners.

In dit overzicht werden de CIS2011-resultaten samengevat in een

Het gebruik van verschillende beschermingsmethoden voor

aantal kerntabellen. De innovatiegraad inzake product- en/of

product- en/of procesinnovatie is sectorafhankelijk. Wel blijkt dat

procesinnovatie van de Vlaamse bedrijfswereld bedraagt 53%,

grote bedrijven meer actief zijn in het beschermen van hun

wat vergelijkbaar is met de cijfers van CIS2009. De meeste

innovaties dan KMO’s. Dit is opmerkelijk gezien recent onderzoek

Vlaamse innovatieve bedrijven zijn procesinnovatoren (35%),

door ECOOM duidelijk aangeeft dat het beschermen van

maar productinnovatie komt nagenoeg even vaak voor (34%).

intellectuele eigendom een belangrijk effect heeft of de innovatie-

Ongeveer 29% van de innovatieve bedrijven heeft in de periode

en financiële bedrijfsprestatie van KMOs (Andries & Faems, 2013).

2008-2010 product- of procesinnovatieactiviteiten stopgezet of

Kleine en middelgrote bedrijven lijken dus nog steeds onvoldoende

afgebroken.

op de hoogte te zijn van intellectuele eigendomsrechten.

Bedrijven noemen zowel kosten-, kennis- en marktfactoren als

Naast product- en procesinnovatie vormen ook organisatorische

belangrijke belemmeringen voor product- en procesinnovatie-

innovatie en marketinginnovatie belangrijke bronnen van

activiteiten. Grote bedrijven, hightech bedrijven en productiebedrijven,

vernieuwing in het bedrijf. Ongeveer 28% van de Vlaamse

maken vaker gewag van belemmeringen dan respectievelijk

bedrijven voerde in de periode 2008-2010 een organisatorische

KMOs, lowtech bedrijven en dienstenbedrijven. Niet-innovatoren

innovatie door, terwijl 29% van de bedrijven in die periode

en kleine bedrijven stellen dat er vaak geen behoefte was aan

een marketinginnovatie invoerde. Ongeveer 9% van de Vlaamse

innovatie. Dit is opmerkelijk gezien onderzoek door ECOOM en

bedrijven deed niet aan product- en/of procesinnovatie, maar

ander internationaal werk duidelijk het positieve effect van

introduceerde daarentegen wél nieuwe organisatiemethodes of

innovatie op de financiële bedrijfsprestatie van KMOs aangeeft

marketinginnovaties. Bij de objectieven voor organisatorische

(vb. Andries & Faems, 2013). Kleine en middelgrote bedrijven

innovatie kwam opnieuw het belang van kwaliteit van goederen

lijken dus nog steeds onvoldoende op de hoogte te zijn van het

en diensten naar voor, samen met de noodzaak sneller te kunnen

belang van product- en procesinnovatie.

reageren op veranderende behoeften van klanten en leveranciers. Bij het invoeren van marketinginnovaties kwam het vergroten of

Van de Vlaamse bedrijven die aan product- en/of procesinnovatie

handhaven van het marktaandeel dan weer sterk naar voor.

doen, ontving in de periode 2008-2010 gemiddeld 13% financiële ondersteuning van de regionale overheid, 10% van de nationale

Meer dan 62% van de Vlaamse bedrijven introduceerde in de

overheid, en 7% van de Europese overheid. Vooral de grote

periode 2008-2010 dus een product-, proces-, organisatorische,

ondernemingen ontvingen dergelijke fondsen.

of marketinginnovatie. Vlaanderen scoort hiermee zeer goed ten opzichte van het EU-27 gemiddelde.


I N N OVATI E-I N S PA N N I N G E N VA N D E V L A AM S E O N D E R N E M I N G E N: K E R N R E S U LTATE N VA N D E C I S 2011-E N Q UÊTE

9.20 REFERENTIES

159

• OESO/Eurostat, 1997, Proposed Guidelines for Collecting and Interpreting Technological Innovation Data – Oslo Manual,

• ANDRIES, P., FAEMS, D., Patenting Activities and Firm

second edition:

Performance: Does Firm Size Matter? Zal verschijnen in 2013 in Journal of Product Innovation Management.

The

Measurement

of

Scientific

and

Technological Activities Series, Paris, OESO. • OESO/Eurostat, 2005, The Measurement of Scientific and

• Commissie van de Europese Gemeenschappen, september 2000, Innovatie in een kenniseconomie, Brussel. • DEBACKERE, K., 2002, Universities as Incubators, Science

Technological Activities. Guidelines for Collecting and Interpreting Innovation Data -- Oslo Manual, third edition: The Measurement of Scientific and Technological Activities Series, Paris, OESO.

Alliance Conference, Den Haag. • OESO, 1992, Proposed Guidelines for Collecting and Interpreting Technological Innovation Data – Oslo Manual, Paris, OESO.

BIJLAGE: NACE-AFDELINGEN OMVAT IN DE BEOOGDE DOELPOPULATIE VOOR CIS2011 (NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE; CF. DE METHODOLOGISCHE RICHTLIJNEN VAN EUROSTAT) Primaire sector Winning van delfstoffen 5

Winning van steenkool en bruinkool

6

Winning van aardolie en aardgas

7

Winning van metaalertsen

8

Overige winning van delfstoffen

9

Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw

Verwerkende nijverheid Voedingsproducten, dranken en tabak 10

Vervaardiging van voedingsmiddelen

11

Vervaardiging van dranken

12

Vervaardiging van tabaksproducten

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid 13

Vervaardiging van textiel

14

Vervaardiging van kleding

15

Vervaardiging van leer en van producten van leer

Hout, papier, drukkerijen 16

Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk

17

Vervaardiging van papier en papierwaren

18

Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen 19

Vervaardiging van cokes en van geraffineerde aardolieproducten

20

Vervaardiging van chemische producten

21

Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten

22

Vervaardiging van producten van rubber of kunststof

Niet-metaalhoudende minerale producten 23

Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten

Metallurgie 24

Vervaardiging van metalen in primaire vorm

Vervaardiging van producten in metaal, exclusief machines en apparaten 25

Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparaten


9

160

ICT/Elektronica 26

Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten

27

Vervaardiging van elektrische apparatuur

Machines, voertuigen 28

Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.

29

Vervaardiging en assemblage van auto's, aanhangwagens en opleggers

30

Vervaardiging van andere transportmiddelen

Meubels, overige industrie 31

Vervaardiging van meubelen

32

Overige industrie

Reparatie en installatie van machines en apparaten 33

Reparatie en installatie van machines en apparaten

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht 35

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht

Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering 36

Winning, behandeling en distributie van water

37

Afvalwaterafvoer

38

Inzameling, verwerking en verwijdering van afval; terugwinning

39

Sanering en ander afvalbeheer

Dienstensector Groothandel 46

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorfietsen

Vervoer en opslag 49

Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen

50

Vervoer over water

51

Luchtvaart

52

Opslag en vervoersondersteunende activiteiten

53

Posterijen en koeriers

Uitgeverijen 58

Uitgeverijen

Informatie- en communicatietechnologiediensten 61

Telecommunicatie

62

Ontwerpen en programmeren van computerprogramma's, computerconsultancy-activiteiten en aanverwante activiteiten

63

Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

FinanciĂŤle activiteiten en verzekeringen 64

FinanciĂŤle dienstverlening, exclusief verzekeringen en pensioenfondsen

65

Verzekeringen, herverzekeringen en pensioenfondsen, exclusief verplichte sociale verzekeringen

66

Ondersteunende activiteiten voor verzekeringen en pensioenfondsen

Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen 71

Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen

Onderzoek en ontwikkeling 72

Speur- en ontwikkelingswerk op wetenschappelijk gebied


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H E T VL A AM S O N D E RZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R- E N TE C H N I S C H E W ET E N S C HAP P E N . H E T VL A AM S O N D E RZO E K I N EU ROPESE CONTEXT Door Koenraad Debackere (KU Leuven), Wolfgang Glänzel (KU Leuven) en Bart Thijs (KU Leuven)

161


10

162

10.1 INLEIDING

Publicaties in de open literatuur vormen de meest gebruikte maar niet enige manier om deze resultaten bekend te maken. Het is

Bij het concipiëren, het opvolgen en het evalueren van het

daarbij gebruikelijk dat onderzoekers door vermeldingen in

O&O-beleid van de overheid maar ook van universiteiten,

voetnoten of in een referentielijst aangeven op welke wijze ze voort-

onderzoeksinstellingen en bedrijven, groeit de nood aan

bouwden op eerder werk. Daarom kan men de wetenschap

kwantitatieve informatie. Hoewel kwantitatieve gegevens nooit

bestuderen aan de hand van de wetenschappelijke literatuur zelf, die

toelaten de werkelijkheid volledig te beschrijven en te capteren,

tot op zekere hoogte een weerspiegeling vormt van de activiteiten.

vormen ze wel onmisbare achtergrond-informatie. De diverse wetenschappelijke domeinen hebben wel een eigen Naast informatie over onder meer de O&O-bestedingen door

typische onderzoeks- en publicatiecultuur. Zo spelen in de

de verschillende actoren en de verdeling van deze middelen over

natuur- en levenswetenschappen tijdschriften een essentiële rol

de verschillende O&O-domeinen, hebben beleidsmakers ook

in de communicatie tussen vakgenoten. Voor de technische

behoefte

en

wetenschappen nemen conferentieproceedings en rapporten

technologische output die met deze middelen bereikt worden.

daarnaast een belangrijke plaats in. De natuur- en levens-

Bibliometrische analyses, die gebaseerd zijn op de bibliografische

wetenschappen en ook de basisdisciplines in de technische

aan

gegevens

over

de

wetenschappelijke

gegevens van publicaties, zijn een van de veel gebruikte

wetenschappen zijn bovendien sterk internationaal gericht – waarbij

methoden om het onderzoekspotentieel en zijn realisaties in kaart

het Engels dominant is bij de informatieuitwisseling.

te brengen. In deze disciplines kan dan ook een onderscheid worden gemaakt In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de omvang en

tussen de ‘centrale’ en de meer ‘perifere’ tijdschriften. De eerste

de impact van het Vlaams onderzoek in de natuur-, levens-

zijn grosso modo de internationaal toonaangevende publicaties,

en technische wetenschappen zoals dat kan worden zichtbaar

met een goed functionerend referee-systeem. De andere zijn wat

gemaakt aan de hand van publicaties verschenen in tijdschriften

minder belangrijk en vaak meer nationaal georiënteerd.

die worden verwerkt voor de Web-of-Science (WoS) Science Citation Index en aan de hand van papers voorgesteld op

Bibliometrische macro- en meso-analyses zijn vandaag de dag dan

internationale/nationale conferenties en opgenomen in de WoS

ook ondenkbaar zonder te vertrekken van een veelomvattende,

Proceedings databank.

multidisciplinaire bibliografische databank. Voor de bibliometrische analyse van de onderzoeksprestaties van landen, regio’s, instituten en onderzoeksgroepen is bovendien de recurrente beschikbaarheid

10.2 BIBLIOMETRISCHE STUDIES EN DE BIBLIOGRAFISCHE GEGEVENS BESTANDEN VAN DE ISI

van een citatie-index een noodzakelijke voorwaarde. De bibliografische databestanden van het Amerikaanse Instituut voor Wetenschappelijke Informatie (ISI, Philadelphia, PA, USA – nu onderdeel van Thomson Reuters) vormen in deze optiek een onmisbaar vertrekpunt

Bibliometrische analyses van publicaties laten toe onderzoeks-

voor om het even welke bibliometrische analyse. Tijdens de

prestaties in kaart te brengen. Voor de wetenschapsbeoefening

voorbije decaden is de Science Citation Index (SCI®), en later

wordt hierbij een model gebruikt, waarvan we hier even de

ook zijn uitgebreide versie Science Citation Index Expanded (SCIE)

krijtlijnen schetsen. Fundamenteel onderzoek leidt tot nieuwe

en het Web of Science® (onderdeel van Thomson Reuters Web of

inzichten in de mens en zijn omgeving. De praktische toepassing

Knowledge) een van de meest geaccepteerde en onderzochte

van de resultaten van dit soort onderzoek zijn echter zelden

bronnen voor bibliometrische analyses geworden. Hoewel er ook

onmiddellijk

kritische bedenkingen te geven zijn (bijvoorbeeld voor wat

duidelijk

en

vragen

vaak

nog

belangrijke ook

betreft de tijdschriftendekking en de aanpak van het ISI in

grotendeels gefinancierd met publieke middelen. De resultaten

verband met de dataverwerking bij de ontwikkeling en invulling

ervan vormen een quasi-publiek goed. Ze maken deel uit van het

van de SCI), zijn de unieke kenmerken van de SCI tegenwoordig

cultureel en maatschappelijk patrimonium.

algemeen aanvaarde onderdelen geworden van de biblio-

investeringen.

Fundamenteel

onderzoek

wordt

dan

metrische technologie.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

Van deze kenmerken zijn vooral de volgende het vermelden waard: ●

●

●

●

●

10.3 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

Multidisciplinariteit: De SCI(E) is uniek door zijn brede dekking.

Alle bibliometrische gegevens die in dit hoofdstuk gebruikt

Alle wetenschapsgebieden in de levenswetenschappen, de natuur-

worden, zijn gebaseerd op de bibliografische ‘ruwe’ data

wetenschappen evenals de basisdisciplines van de technische

geëxtraheerd uit de 2000-2011 cumulatieve databestanden van

wetenschappen zijn in het gegevensbestand aanwezig.

de Science Citation Index Expanded® (SCIE). Om de literatuur-

Selectiviteit: alle wetenschappelijke tijdschriften die in de SCI(E)

dekking ietwat uit te breiden wordt als bijkomende databron

opgenomen zijn, zijn op grond van kwantitatieve criteria (impact-

de Science & Technology Edition van de ISI Proceedings (STP)

maatstaven) gekozen en de selectie door ISI wordt in het

gebruikt. Omdat conferentiebijdragen ook in tijdschriften worden

algemeen ook door de opinie van experten in de betreffende

gepubliceerd, is de overlap van de twee databronnen aanzienlijk.

disciplines gevalideerd en aanvaard.

Bij de bijkomende publicaties gaat het echter om conferentie-

Volledige dekking: alle publicaties in tijdschriften die in de SCI(E)

bijdragen die niet reeds – bijv. in het kader van speciale journal

opgenomen zijn, worden ook geïndexeerd.

issues – in de WoS zijn opgenomen. Bij de “zuivere” proceedings-

Volledigheid van adressen: de werkadressen van alle auteurs

literatuur kan echter enkel een publicatie-analyse gebeuren en

worden vermeld. Dit kenmerk maakt dus de analyse van weten-

geen citatie-analyse daar er met ISI nog geen overeenstemming

schappelijke samenwerking en de toepassing van een volledig of

bestaat over de juiste wijze waarop de impact moet berekend

een gefractioneerd telschema (waarbij een publicatie geheel of

worden in geval van de Proceedings. Bovendien zijn niet alle

gedeeltelijk aan bijvoorbeeld elke auteur, instelling of land wordt

adressen door de uitgevers van de proceedings volledig vermeld

toegewezen) mogelijk.

zodat voor de beschouwde periode ook geen analyse van

Bibliografische referenties: Samen met de documenten worden

wetenschappelijke samenwerking kan worden uitgevoerd voor

ook hun referenties verwerkt. De herdefinitie van deze referenties

wat betreft de proceedingsliteratuur.

tot brondocumenten maakt het mogelijk om citatiepatronen te ●

onderzoeken en citatie-indicatoren te construeren.

De bibliometrische analyse die in het vervolg van dit hoofdstuk

Beschikbaarheid: De databank is elektronisch beschikbaar als

wordt weergegeven, is gebaseerd op de vier zogenaamde ‘relevante’

®

onderdeel van het Web of Science (WoS ). De volledige Web of

of ‘citeerbare’ documenttypes, namelijk (1) articles (met inbegrip

Science bevat naast de SCIE ook nog de SSCI (Social Science

van proceedings papers in tijdschriften), (2) letters, (3) notes en

Citation Index), de A&HCI (Arts&Humanities Citation Index) en de

(4) reviews. De publicaties van de laatste twaalf jaar, d.w.z. van

ISI Proceedings.

de periode 2000-2011, werden voor deze analyses geselecteerd.

Er zijn zonder twijfel enkele kritische bedenkingen te formuleren

Sinds het verschijnen van de laatste editie van het indicatorenboek

over de databestanden van het ISI. Naast de twee reeds

(Debackere en Veugelers, 2011) heeft Thomson – ISI regelmatig

genoemde aspecten (dekkingsgraad en verwerking bij aanmaak)

bestanden met correcties aangeleverd. Deze gegevens corrigeren

moet ook nog de oververtegenwoordiging van publicaties

niet alleen bibliografische of citatiegegevens maar tevens worden

afkomstig uit Engelstalige landen, in het bijzonder van publicaties

ook volledige issues aan vorige jaarlijkse volumes toegevoegd of in

uit de Verenigde Staten, vermeld worden. Ondanks deze

vroegere updates verwijderd. Door deze aanpassingen is het nu

bedenkingen is de SCIE momenteel de meest geschikte

mogelijk de ECOOM gegevens met de actuele versie van het

bibliografische bron voor de vele uitgebreide bibliometrische

WoS in overeenstemming te brengen. Door deze aanpassingen

analyses die alle vakgebieden uit de levens-, natuur- en technische

kunnen zowel de Vlaamse indicatoren alsook de kencijfers van de

wetenschappen omvatten.

referentielanden lichtjes veranderen. Wij raden daarom aan telkens de meest actuele versie van het indicatorenboek te raadplegen.

163


10

164

Aan de basis van de toewijzing van publicaties aan Vlaanderen en

Het hier toegepaste disciplinestelsel is een verdere groepering van

aan de referentielanden liggen de werkadressen. De nationaliteit

de afgerond 200 disciplinecodes van het ISI en bevat 60 deel-

van een auteur is dus niet doorslaggevend maar wel zijn of haar

gebieden en 12 hoofdgebieden. In het kader van deze studie

adres van institutionele affiliatie. Er is verder een ‘volledig’ telschema

wordt het Vlaams onderzoek op niveau van de 12 hoofdgebieden

toegepast, met andere woorden, indien een publicatie co-auteurs

geanalyseerd. Deze hoofdgebieden zijn:

met werkadressen in verschillende landen heeft, dan wordt deze publicatie aan alle betrokken landen als één volledige publicatie

1. Agronomie en omgevingswetenschappen

toegewezen. Er wordt dus niet gefractioneerd tussen de landen.

2. Biologie (op het organisme- en het supra organismevlak)

Doch, in het geval een publicatie meer dan één werkadres in

3. Biowetenschappen (algemene, cellulaire en sub cellulaire

hetzelfde land vermeldt, dan wordt dit document enkel één keer

biologie; genetica)

aan het betrokken land toegewezen. Anderzijds kan ook één

4. Biomedisch onderzoek

publicatie van één auteur wel als afkomstig van twee landen en dus

5. Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en

als een internationale co-publicatie beschouwd worden, indien deze auteur werkadressen in twee verschillende landen heeft vermeld.

interne geneeskunde) 6. Experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken) 7. Neuro- en gedragswetenschappen

De bepaling van Vlaamse publicaties is iets ingewikkelder dan die

8. Chemie

van de Europese referentielanden. Een document wordt beschouwd

9. Fysica

als afkomstig van Vlaanderen op voorwaarde dat het tenminste

10. Aard- en ruimtewetenschappen

één (co)auteur een Vlaams werkadres heeft. Verder worden

11. Technische wetenschappen

20% van het aantal publicaties en citaties van alle brondocumenten

12. Wiskunde

die enkel een Brussels doch geen Vlaams werkadres hebben, bij de berekening van de Vlaamse basisindicatoren gevoegd.

De citatiegegevens worden bepaald via een op een speciale

Dit betekent concreet dat 20% van alle instellingen met een

identificatiesleutel gebaseerd koppelingsalgoritme. Hierbij worden

Brussels werkadres aan Vlaanderen worden toegewezen.

de individuele bronpublicaties gekoppeld met de individuele

Uitzonderingen vormen de Nederlandstalige Vrije Universiteit

bestanddelen van de referentielijsten van alle bronpublicaties.

Brussel (VUB) die integraal aan Vlaanderen wordt toegewezen

Het aantal citaties dat een bronpublicatie in elk jaar na het jaar

en ULB/UCL met toekenning aan Wallonië. Verder zijn alle

van zijn publicatie krijgt is natuurlijk niet constant. Het is aan

bijkomende Brusselse gegevens manueel geverifieerd en aan

veranderingen onderworpen die eigen zijn aan het proces van

de betreffende gemeenschap toegekend. Enkel op de federale

veroudering van (wetenschappelijke) informatie. Het citatieproces

en andere niet onmiddellijk toekenbare instellingen is dus de

is dus niet homogeen. De keuze van een geschikt citatievenster

20/80 regel toegepast. Deze allocatieregel wordt reeds sinds

is daarom van groot belang. Het in dit hoofdstuk gekozen

het Indicatorenboek 2005 toegepast.

venster is in overeenstemming met de resultaten van recente methodologische studies en met de praktische ervaring die

Voor de vergelijkende analyses worden, net als in het

gangbaar is in het bibliometrisch onderzoek (bijv. Glänzel en

Indicatorenboek 2011, de volgende elf Europese referentielanden

Schoepflin, 1995, van Raan, 2006). Er wordt aldus op basis van

in aanmerking genomen: België, Denemarken, Duitsland, Finland,

deze inzichten een vast tijdvenster van drie jaar, beginnend met

Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Spanje, Verenigd Koningrijk en

het jaar van publicatie, toegepast. Aldus worden bijvoorbeeld voor

Zweden. Ten gevolge van het enorme groei van de Chinese

publicaties die in de jaargang 2009 van het SCI Expanded

economie en China’s wetenschaps- en technologiesysteem is ook

opgenomen zijn, alle citaties gedurende de periode 2009-2011

China als referentieland opgenomen, net als in de vorige versie

geteld. Dankzij dit citatievenster kunnen alle tussen 2000 en 2009

van het Indicatorenboek.

gepubliceerde en in het SCIE geïndexeerde documenten in aanmerking genomen worden voor de citatieanalyse. In het geval

De toewijzing van publicaties aan wetenschapsgebieden is

van enkele figuren is de laatste deelperiode tot 2010 uitgebreid

gebaseerd op een disciplinetoekenning vertrekkend van het door

waarbij de citatietelling van het jaar 2010 op twee jaar beperkt is.

het ISI ontwikkelde Subject Category System waarbij tijdschriften

Dit telschema voor 2010 wordt dan op alle landen en regio’s

worden gegroepeerd in cognitief-logische disciplinegroepen.

alsmede op de wereldstandaard toegepast.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

10.4 BIBLIOMETRISCHE INDICATOREN

Drie indicatoren werden toegepast om verschillende aspecten van de impact van het Vlaams wetenschappelijk onderzoek in de

Een basismaatstaf van de wetenschappelijke output is het aantal

Europese context te kenmerken.

publicaties, of om precies te zijn, het aantal publicaties in het gebruikte bibliografisch databestand. De dekkingsgraad en het

De eerste indicator is de gemiddelde geobserveerde citatie-

profiel van de SCIE zijn onderworpen aan jaarlijkse wijzigingen

frequentie (Mean Observed Citation Rate: MOCR). Deze indicator

en aanpassingen. Daarom moet het meten van de regionale

is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal citaties

of nationale publicatieoutput altijd in samenhang met de

geobserveerd in een bepaalde periode (bijv. drie jaar beginnend

ontwikkeling van het gegevensbestand als geheel beschouwd

met het jaar van publicatie) en het aantal aan de basis liggende

worden. Een logische consequentie hiervan is dat voor het

publicaties. De MOCR weerspiegelt de feitelijke impact van een

onderzoek van publicatietrends, het nationale aandeel in het totaal

onderzoeksgroep, instituut, regio of land.

van de wereld-output gemeten wordt in plaats van de nationale publicatieoutput alsdusdanig.

De gemiddelde verwachte citatiefrequentie (Mean Expected Citation Rate: MECR) geeft een vergelijkingswaarde voor de

Het institutionele, regionale of nationale onderzoeksprofiel voor een

feitelijke citatie-impact op basis van de impactmaatstaven van de

gegeven systeem van wetenschapsgebieden kan door de zogeheten

tijdschriften. Het verwachte aantal citaties van een publicatie is

Activiteitsindex (AI) uitgedrukt worden. Frame heeft deze indicator

gedefinieerd als de gemiddelde citatiefrequentie van alle

in 1977 als een bibliometrische versie van de ‘Comparative

publicaties die in hetzelfde tijdschrift in hetzelfde jaar verschenen

Advantage Index’ ingevoerd. De Activiteitsindex voor landen

zijn. Om een compatibele verwachtingswaarde te kunnen

wordt op de volgende manier gedefinieerd:

definiëren, moeten natuurlijk de citatievensters gehanteerd voor beide indicatoren (MOCR en MECR) overeenstemmen. In plaats

Ci / C AI =

, Wi / W

van het citatievenster van één jaar t voor publicaties verschenen in de twee voorafgaande jaren (t–1) en (t–2) (zoals gehanteerd in de definitie van de impact factor in de Journal Citation Report

waarbij Ci /C het aandeel nationale publicaties in een gegeven

uitgegeven door het ISI), zal in dit hoofdstuk eveneens een venster

gebied i in de nationale publicaties over alle gebieden is en Wi /W

van drie jaar toegepast worden. Voor een verzameling van

het aandeel publicaties van de wereld in hetzelfde gebied i over

publicaties die aan een bepaalde onderzoeksgroep, instituut, regio

de publicaties van de wereld in alle gebieden is. In eerdere studies

of land wordt toegekend is deze indicator dus de verhouding van

konden de volgende vier verschillende ‘paradigmatische’ patronen

alle individuele verwachte citatiefrequenties tot alle publicaties in

in nationale publicatieprofielen onderscheiden worden (bijv. REIST-2,

de beschouwde verzameling.

1997): De derde indicator is de zogeheten relatieve citatiefrequentie 1. Het ‘Westerse’ model met biowetenschappen en medische wetenschappen als overheersende gebieden, 2. De typische patronen van de voormalige socialistische landen met overheersende activiteit in chemie en fysica, 3. Het ‘bio-omgevingsmodel’ met biologie en aard- en ruimtewetenschappen op de voorgrond en, 4. Het ‘Japans’ model met overheersende oriëntatie in de richting van technische wetenschappen en chemie.

(Relative Citation Rate: RCR). Deze indicator wordt gedefinieerd als het quotiënt van de gemiddelde geobserveerde en gemiddelde verwachte citatiefrequentie, dus RCR = MOCR/MECR. RCR drukt uit of de publicaties van een onderzoeksgroep, instituut, regio of land meer of minder citaties hebben aangetrokken dan verwacht op basis van de citatiefrequenties van de tijdschriften. Omdat de citatiescores van de artikelen relatief ten opzichte van de citatiestandaard van de opgenomen tijdschriften gemeten worden, is deze indicator veel minder gevoelig voor de grote verschillen

De neutrale waarde van deze indicator is 1. AI > 1 betekent dus

die tussen de citatiepraktijken in de verschillende wetenschaps-

publicatieactiviteit boven de wereldstandaard, AI = 1 betekent

gebieden optreden.

een publicatiepatroon overeenkomstig de wereldstandaard en AI < 1 drukt uit dat de activiteit van het land in het betrokken onderzoeksgebied beneden de wereldstandaard ligt.

165


10

166

RCR = 0 reflecteert ‘ongeciteerdheid’, RCR < 1 betekent dat

Tabel 10.1 geeft de evolutie van de publicatieoutput weer op basis

de betrokken eenheid (onderzoeksgroep, instituut, regio of land)

van publicatie-activiteit van Vlaanderen en de elf referentielanden

lager dan de wereldstandaard presteert, RCR > 1 betekent hoger

per 10.000 inwoners in alle wetenschapsgebieden samen.

dan de wereldstandaard en RCR = 1 drukt uit dat de betrokken eenheid gemiddeld evenveel citaties heeft gekregen als werd

De berekening van de Vlaamse publicatieoutput, rekening houdend

verwacht op basis van de citatiepatronen van de tijdschriften.

met Brusselse publicaties, is hoger beschreven. De bevolkingstallen zijn gebaseerd op publiek beschikbare informatie gepubliceerd

De drie indicatoren werden geïntroduceerd door Schubert et al.

door EUROSTAT. Het aantal publicaties per 10.000 inwoners splitst

(1983) en worden sedertdien regelmatig toegepast in vergelijkende

Vlaanderen en de referentielanden in drie groepen op: landen met

meso- en macrostudies. Vergelijkbare versies van deze indicatoren,

relatief lage output per hoofd – zoals Duitsland, Frankrijk, Ierland,

namelijk Citations per Paper (CPP strookt met MOCR), Mean

Italië en Spanje –, landen met hoge activiteit per hoofd – zoals

Citation Rate of Journal Packet (JCSm komt overeen met MECR)

de Scandinavische referentielanden, België en het Verenigde

en CPP/JCSm (komt overeen met RCR) worden ook aan het

Koninkrijk – en China met een publicatieoutput per capita die één

CWTS in Leiden gebruikt (bijv. Moed et al., 1995).

orde van grootte onder degene van de eerste groep ligt. De regio Vlaanderen maakt deel uit van de tweede groep. Het aantal publicaties per hoofd neemt in alle referentielanden en in

10.5 DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

Vlaanderen toe – maar niet overal in dezelfde mate. De groei in Vlaanderen, België is duidelijk sterker dan die in Duitsland en Frankrijk: terwijl hun per capita activiteit in 2000 nog bijna op hetzelfde niveau was, is er vanaf 2005 een geprononceerd verschil

Zoals in de derde sectie van dit hoofdstuk beschreven, zijn de

waarneembaar. In de voorbije jaren heeft de per capita productie

werkadressen doorslaggevend bij de toewijzing van publicaties

van Vlaanderen al het niveau van Nederland bereikt en in 2007

aan Vlaanderen en aan de referentielanden. Er is een ‘volledig’

en 2008 tijdelijk overschreden (zie tabel 10.2). Enkel de

telschema gebruikt, d.w.z. indien een publicatie co-auteurs met

Scandinavische landen zijn nog productiever dan Vlaanderen en

werkadressen in verschillende landen heeft, dan is deze aan alle

Nederland. De opvallende schommelingen in de Proceedings-

betrokken landen als één volledige publicatie toegewezen. Om de

gegevens hebben gedeeltelijk met de ongelijkmatige organisatie

toename van publicaties en de wijzigingen aan de tijdschriften-

van conferenties en bijgevolg met de sporadische opname van

dekking van het SCI-Expanded bronbestand te kunnen

conferentiemateriaal te maken.

compenseren, worden het Vlaamse en het nationale aandeel in het wereldtotaal tijdens de periode 2000-2011 berekend.

Tabel 10.1: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de twaalf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

VL

2000

10,58

2001

11,20

2002

11,19

2003

12,66

2004

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

9,83

14,81

14,47

8,31

8,27

7,17

5,57

12,09

0,23

5,76

16,96

12,37

10,25

15,08

14,88

8,49

8,46

7,32

5,93

12,31

0,27

6,06

18,10

12,16

10,35

14,55

14,39

8,10

8,23

7,52

6,00

12,20

0,30

6,21

17,39

11,71

11,63

16,41

15,80

8,90

8,90

8,31

6,76

13,57

0,37

6,65

18,55

12,58

12,62

11,36

15,47

15,05

7,94

8,41

8,66

6,63

13,06

0,42

6,60

17,51

12,08

2005

14,75

13,07

17,45

16,47

9,01

9,62

10,42

7,42

15,19

0,56

7,48

19,80

13,46

2006

14,71

12,79

17,10

16,45

8,70

9,34

10,69

7,35

15,05

0,63

7,74

18,94

13,19

2007

15,17

12,85

17,31

16,18

8,46

9,18

11,04

7,57

14,94

0,68

7,73

19,01

13,19

2008

17,10

14,72

19,26

17,80

9,94

10,43

12,90

8,58

16,93

0,84

9,13

20,27

14,30

2009

17,35

15,13

19,57

17,88

9,96

10,68

13,43

8,68

17,71

0,94

9,42

20,52

14,27

2010

17,64

15,03

20,56

17,54

9,64

10,54

14,06

8,60

18,01

0,99

9,48

20,63

13,97

2011

18,68

16,01

22,99

18,53

10,02

11,17

14,94

8,90

19,16

1,15

10,38

21,16

14,64

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT en National Bureau of Statistics of China


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

167

Tabel 10.2: Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de twaalf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

2000

11,84

10,93

16,00

16,20

9,12

9,23

7,69

6,28

13,33

0,26

6,18

18,51

13,47

2001

12,59

11,41

16,01

16,49

9,28

9,40

8,03

6,69

13,55

0,33

6,54

19,57

13,33

2002

12,88

11,66

15,78

16,80

9,16

9,37

7,52

6,95

13,68

0,39

6,86

19,20

13,07

2003

14,21

12,80

17,56

17,99

9,80

9,94

8,31

7,72

14,95

0,47

7,27

20,05

13,66

2004

14,21

12,56

16,48

16,87

8,82

9,44

9,60

7,50

14,28

0,52

7,20

18,93

13,09

2005

16,73

14,60

18,84

19,13

10,00

10,73

12,40

8,53

16,65

0,73

8,27

21,55

14,61

2006

16,35

13,95

18,01

18,29

9,54

10,25

11,99

8,24

16,32

0,83

8,43

20,36

14,12

2007

17,44

14,36

18,57

18,82

9,59

10,34

12,73

8,67

16,41

0,95

8,72

20,67

14,41

2008

19,85

16,59

21,12

21,34

11,50

12,08

15,44

10,13

19,00

1,27

10,50

22,46

15,95

2009

19,10

16,55

20,91

20,21

11,11

11,99

15,19

9,76

19,27

1,32

10,47

22,05

15,50

2010

19,62

16,46

21,83

19,99

10,78

11,84

15,81

9,72

19,51

1,43

10,58

22,28

15,14

2011

20,32

17,36

24,42

20,45

11,18

12,49

16,67

9,91

20,55

1,56

11,40

22,64

15,75

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT en National Bureau of Statistics of China

Tabel 10.3: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaanderen, elf Europese referentielanden en China in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

2000

0,82%

1,27%

1,00%

0,95%

6,17%

8,60%

0,34%

4,07%

2,43%

3,76%

2,91%

1,90%

9,33%

2001

0,85%

1,30%

1,00%

0,95%

6,19%

8,60%

0,35%

4,24%

2,43%

4,22%

3,02%

1,99%

9,00%

2002

0,86%

1,32%

0,97%

0,93%

5,96%

8,42%

0,36%

4,30%

2,44%

4,89%

3,15%

1,92%

8,68%

2003

0,89%

1,36%

1,00%

0,93%

5,99%

8,30%

0,37%

4,43%

2,48%

5,42%

3,12%

1,87%

8,54%

2004

0,92%

1,38%

0,98%

0,92%

5,75%

8,11%

0,41%

4,48%

2,48%

6,42%

3,26%

1,84%

8,42%

2005

0,94%

1,39%

0,96%

0,88%

5,73%

8,06%

0,44%

4,41%

2,52%

7,48%

3,27%

1,81%

8,21%

2006

0,95%

1,37%

0,95%

0,88%

5,60%

7,88%

0,46%

4,42%

2,51%

8,47%

3,46%

1,75%

8,15%

2007

0,98%

1,39%

0,96%

0,87%

5,47%

7,71%

0,49%

4,57%

2,49%

9,16%

3,51%

1,77

8,18%

2008

0,95%

1,37%

0,92%

0,82%

5,55%

7,48%

0,50%

4,46%

2,42%

9,78%

3,61%

1,62%

7,63%

2009

0,95%

1,39%

0,92%

0,82%

5,49%

7,50%

0,51%

4,46%

2,50%

10,85%

3,70%

1,63%

7,52%

2010

0,99%

1,42%

0,99%

0,82%

5,42%

7,50%

0,55%

4,51%

2,59%

11,65%

3,79%

1,68%

7,53%

2011

0,99%

1,43%

1,04%

0,81%

5,30%

7,42%

0,56%

4,39%

2,60%

12,72%

3,89%

1,62%

7,44%

Tabel 10.3 en 10.4 geven de evolutie van de publicatieoutput

De ontwikkeling van Italië is onduidelijk en vertoont vanaf 2004

weer op basis van het procentuele aandeel van Vlaanderen en de

een eerder stagnerend patroon. De Vlaamse groeidynamiek wordt

elf referentielanden in het wereldtotaal in alle wetenschapsgebieden

enkel door die van Ierland en Spanje overtroffen. Op de oorzaken

samen. Het Vlaamse aandeel in het wereldtotaal is vanaf 2000 tot

van de groei in die laatstgenoemde landen werd op verschillende

2011 met een kleine 21% gestegen. Hoewel de groei in het begin

plaatsen gewezen (bijv. Cano en Julian, 1992, Román en Méndez,

van het nieuwe millennium vergelijkbaar met die van Finland was,

1994, Gómez et al., 1995, REIST-2, 1997). De ononderbroken

lijkt de ontwikkeling van beide landen vanaf 2005 uiteen te lopen.

stijging van deze landen kan namelijk in grote mate als een gevolg

Vanaf ongeveer 2005 begint het aandeel van de meeste Europese

van de integratie van deze landen in de organisaties en de

landen in het wereldtotaal te dalen. Enkel België, Nederland, Ierland,

kaderprogramma’s van de Europese Gemeenschap beschouwd

Spanje en na een tijdelijke daling in 2008 en 2009 ook

worden. Opmerkelijk daarentegen is de enorme groei van China.

Denemarken, zijn uitzonderingen.

Deze ontwikkeling is zonder weerga.


10

168

Tabel 10.4: Evolutie van het procentuele procentuele aandeel van Vlaanderen, elf Europese referentielanden en China in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

2000

0,81%

1,25%

0,95%

0,94%

5,98%

8,46%

0,32%

4,04%

2,36%

3,74%

2,76%

1,83%

8,96%

2001

0,83%

1,26%

0,92%

0,92%

5,90%

8,33%

0,33%

4,17%

2,33%

4,53%

2,85%

1,87%

8,60%

2002

0,83%

1,25%

0,88%

0,91%

5,66%

8,05%

0,31%

4,18%

2,30%

5,26%

2,92%

1,78%

8,14%

2003

0,85%

1,28%

0,92%

0,91%

5,66%

7,95%

0,32%

4,33%

2,34%

5,91%

2,92%

1,74%

7,95%

2004

0,88%

1,31%

0,89%

0,88%

5,47%

7,80%

0,39%

4,34%

2,32%

6,86%

3,05%

1,70%

7,82%

2005

0,91%

1,32%

0,88%

0,87%

5,42%

7,67%

0,44%

4,32%

2,35%

8,27%

3,08%

1,68%

7,60%

2006

0,91%

1,29%

0,86%

0,85%

5,30%

7,46%

0,45%

4,27%

2,35%

9,74%

3,26%

1,63%

7,53%

2007

0,93%

1,28%

0,85%

0,84%

5,13%

7,18%

0,46%

4,33%

2,26%

10,67%

3,27%

1,59%

7,39%

2008

0,88%

1,23%

0,80%

0,79%

5,12%

6,91%

0,47%

4,20%

2,17%

11,83%

3,31%

1,43%

6,79%

2009

0,89%

1,29%

0,83%

0,78%

5,17%

7,11%

0,49%

4,24%

2,30%

12,80%

3,47%

1,48%

6,90%

2010

0,93%

1,30%

0,88%

0,78%

5,08%

7,07%

0,52%

4,28%

2,36%

14,01%

3,55%

1,52%

6,85%

2011

0,92%

1,32%

0,94%

0,76%

5,02%

7,07%

0,53%

4,15%

2,37%

14,58%

3,64%

1,47%

6,81%

Tabel 10.5: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (enkel tijdschriftenliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

2000

0,92%

1,17%

1,02%

0,98%

1,01%

0,89%

0,58%

0,71%

0,80%

0,46%

0,80%

0,78%

2001

0,98%

1,19%

1,08%

0,98%

0,98%

0,88%

0,71%

0,77%

0,88%

0,49%

0,83%

0,91%

2002

1,03%

1,19%

1,04%

0,99%

0,99%

0,88%

0,72%

0,72%

0,89%

0,57%

0,87%

0,87%

2003

1,07%

1,20%

1,01%

0,93%

1,00%

0,88%

0,80%

0,75%

0,91%

0,61%

0,94%

0,99%

2004

1,10%

1,20%

1,04%

1,03%

1,05%

0,99%

0,84%

0,70%

0,97%

0,65%

0,96%

1,01%

2005

1,23%

1,28%

1,08%

1,02%

1,12%

0,95%

0,99%

0,76%

0,91%

0,69%

0,94%

0,94%

2006

1,26%

1,25%

1,03%

0,97%

1,13%

1,02%

1,01%

0,74%

0,86%

0,73%

1,01%

1,02%

2007

1,14%

1,32%

0,99%

0,96%

1,24%

1,04%

1,02%

0,77%

0,94%

0,79%

1,08%

1,09%

2008

1,10%

1,26%

1,05%

1,10%

1,10%

1,09%

1,11%

0,75%

0,83%

0,77%

1,04%

1,03%

2009

1,08%

1,28%

1,05%

0,98%

1,17%

1,10%

1,18%

0,72%

0,84%

0,85%

0,95%

0,93%

2010

1,05%

1,29%

1,10%

1,04%

1,15%

1,14%

1,25%

0,75%

0,89%

0,93%

0,99%

0,90%

2011

1,02%

1,25%

1,18%

1,10%

1,17%

1,12%

1,30%

0,75%

0,89%

1,02%

1,01%

0,89%

Terwijl Chinaâ&#x20AC;&#x2122;s aandeel in 2000 nog op hetzelfde niveau van ItaliĂŤ

Uit deze tabel blijkt dat het Vlaams aandeel in het wereldtotaal in

was, heeft China in 2004 Frankrijk en in 2006 Duitsland en het

alle vakgebieden tussen 2000 en 2011 is gestegen, maar dat de

VK qua aandeel in het wereldtotaal ingehaald.

ontwikkeling en de groei in enkele levenswetenschappen, vooral in de biowetenschappen (BIOS) en het biomedisch onderzoek

Opmerkelijk is ook dat het aandeel van de Vlaamse publicaties in

(BIOM) eerder stagneert. Opvallend is de sterke groei in NEUR

het Belgisch geheel duidelijk gestegen is, van om en bij de 64%

en GEOS. Het Vlaamse aandeel in de neuro- en gedrags-

in 2000 tot een kleine 70% in 2011 (vgl. tabel 10.3 en 10.4).

wetenschappen (NEUR) is praktisch verdubbeld. Maar ook de klinische en experimentele geneeskunde, die tevoren eerder

In tabel 10.5 en 10.6 is de ontwikkeling van de Vlaamse publicatie-

stagneerde, vertoont vanaf 2004 weer een opmerkelijke groei.

output uitgesplitst naar twaalf wetenschapsgebieden (zie sectie drie

De natuurwetenschappen (CHE en PHY) vertonen dan weer

van dit hoofdstuk) weergegeven.

eerder stagnerende patronen. Algemeen kan men stellen dat de groei sterker is in die gebieden waar Vlaanderen minder actief is.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

169

Tabel 10.6: Evolutie van het procentuele aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (tijdschriften- en proceedingsliteratuur) Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

2000

0,95%

1,17%

1,01%

0,96%

1,01%

0,90%

0,57%

0,70%

0,78%

0,50%

0,75%

0,78%

2001

1,02%

1,20%

1,06%

0,98%

0,97%

0,87%

0,69%

0,77%

0,85%

0,48%

0,76%

0,91%

2002

0,99%

1,17%

1,03%

0,93%

0,98%

0,87%

0,71%

0,72%

0,82%

0,55%

0,75%

0,90%

2003

1,02%

1,15%

1,00%

0,89%

0,99%

0,86%

0,79%

0,74%

0,87%

0,55%

0,78%

0,91%

2004

1,12%

1,21%

1,04%

0,99%

1,04%

0,98%

0,82%

0,71%

0,91%

0,61%

0,81%

0,94%

2005

1,25%

1,27%

1,07%

0,97%

1,12%

0,94%

0,96%

0,76%

0,90%

0,62%

0,84%

0,91%

2006

1,20%

1,24%

1,01%

0,94%

1,13%

1,02%

1,00%

0,74%

0,86%

0,65%

0,85%

0,96%

2007

1,13%

1,30%

0,98%

0,90%

1,23%

1,04%

1,02%

0,77%

0,95%

0,78%

0,84%

0,95%

2008

1,02%

1,24%

1,04%

1,04%

1,09%

1,08%

1,10%

0,75%

0,80%

0,67%

0,73%

0,84%

2009

1,03%

1,25%

1,04%

0,93%

1,17%

1,09%

1,15%

0,71%

0,81%

0,78%

0,72%

0,81%

2010

1,04%

1,29%

1,09%

0,99%

1,14%

1,14%

1,24%

0,74%

0,87%

0,85%

0,73%

0,76%

2011

0,97%

1,23%

1,17%

1,04%

1,17%

1,11%

1,29%

0,70%

0,83%

0,91%

0,74%

0,80%

Anderzijds is de stijging het langzaamst in die gebieden (BIOS,

Het aandeel van instellingen voor hoger onderwijs, dus van

BIOM, CLI1), waar de activiteit in 2000 reeds duidelijk boven het

universiteiten en hogescholen, met meer dan 85% overheerst

Vlaamse aandeel in alle gebieden samen (0.82%) was (vgl. tabel

(net als in het verleden) dit resultaat. Ruim 10% van alle

10.5 en 10.6). De analyse van de Vlaamse activiteit in de

Vlaamse SCIE documenten worden door medewerkers van

individuele gebieden zal in het volgende deel van dit hoofdstuk

publieke onderzoeksinstellingen of administraties gepubliceerd.

verder aan de orde komen.

Private instellingen en ziekenhuizen dragen met respectievelijk rond de 7% en de 5% tot het Vlaamse totaal bij (hierbij merken

De trends in de ontwikkelingen op basis van tijdschriftenliteratuur

we op dat de publicaties van de universitaire ziekenhuizen bij

enerzijds en van tijdschriftenpublicaties plus conferentiemateriaal

de universiteiten zelf werden geteld). Vooral het aandeel van de

anderzijds komen vrij goed overeen. Opmerkelijke discrepanties

universitaire sector is continu lichtjes gestegen. Bovenstaande

tussen de betrokken indicatoren konden voor beide literatuur-

gegevens stemmen nauw overeen met de resultaten van de

verzamelingen niet worden geobserveerd.

vorige uitgaven van dit Indicatorenboek (vgl. Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005, 2007, 2009, 2011), maar lijken meer algemeen ook op de situatie in andere Europese

10.6 HET VLAAMS PUBLICATIEPROFIEL IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

landen (bijv. Katz en Hicks, 1998). De specialisatie van het Vlaams onderzoek tijdens de perioden 2000-2005 en 2006-2011 wordt in figuur 10.2 op basis van de

Vooraleer de specialisatieprofielen van het Vlaams onderzoek te

Activiteitsindex grafisch weergegeven. Deze indicator werd reeds

beschouwen, komt eerst een ander aspect van dit publicatie-

vroeger besproken. De wereldstandaard is in het diagram door

profiel aan de orde. Figuur 10.1 geeft voor twee deelperioden

een regelmatige twaalfhoek aangeduid. Er dient op gewezen dat

van de periode 2000-2011 het procentuele aandeel van de

de Activiteitsindex, de relatieve activiteit met betrekking tot de

verschillende organisatietypes weer in de Vlaamse publicatieoutput

wereldstandaard, een evenwichtsindicator is, d.w.z. als de activiteit

over alle gebieden samen. Ook hierbij werd een volledig

van een land in enkele gebieden boven de wereldstandaard ligt,

telschema toegepast, d.w.z. indien een publicatie werkadressen

moet de activiteit in andere gebieden noodzakelijkerwijs beneden

van meer dan ĂŠĂŠn organisatietype had, werd deze aan elk type als

de standaard liggen.

een volledige publicatie toegewezen. De procentuele aandelen kunnen dus op grond van deze meervoudige toekenning niet tot 100% opgeteld worden.

Het uurwerkdiagram beschrijft het profiel van Vlaanderen eenduidig als Type 1, dit is het Westers model met bio- en medische wetenschappen als overheersende gebieden.


10

170

Figuur 10.1: Verdeling per organisatietype van de Vlaamse publicaties op basis van de SCIE brongegevens (boven: 2000-2005, beneden: 2006-2011)

0,7%

V

4,3%

IV

6,9%

III

11,2%

II

87,3%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0,8%

V

4,9%

IV

7,7%

III

9,9%

II

87,7%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

(I Instelling voor hoger onderwijs, II Publieke onderzoeksinstelling of administratie, III Private instelling, IV Ziekenhuis, V Andere)

Figuur 10.2: Het publicatieprofiel van het Vlaams onderzoek in de perioden 2000-2005 en 2006-2011 op basis van de Activiteitsindex AI (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1

■ 2000-2005 ■ 2006-2011 CHEM

CLI2

NEUR

■ Wereldstandaard

95%


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

Wel is het profiel van de tweede periode enigszins veranderd en wel in de richting van de wereldstandaard, maar het ‘paradigmatische’ basistype van het Vlaams profiel is onveranderd

171

10.7 DE CITATIE-IMPACT VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

gebleven. Desondanks valt de sterke groei op van enkele vakgebieden zoals vooral aard- en ruimtewetenschappen (GEOS),

Het bibliometrische middel bij uitstek om de impact van publicaties

en neuro- en gedragswetenschappen (NEUR), waarop in de vorige

te meten is de citatie. Citaties zijn primair een belangrijke vorm

sectie van dit hoofdstuk al gewezen werd (vgl. figuur 10.2).

van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke

Samenvattend kan gesteld worden dat het Vlaamse publicatieprofiel

informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke

gekenmerkt wordt door significant boven de wereldstandaard

communicatie. Zij weerspiegelen de acceptatie en de erkenning van

liggende activiteiten in de gebieden biologie (BIOL), bio-

gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke

wetenschappen (BIOS), biomedisch onderzoek (BIOM), klinische en

gemeenschap. Hoewel het aantal citaties niet rechtstreeks als

experimentele geneeskunde I (CLI1) en in de tweede deelperiode,

kwaliteitsmaat kan beschouwd worden, drukt een groot aantal

experimentele geneeskunde II (CLI2) en door beneden de

ontvangen citaties per publicatie wel een bepaalde impact uit.

wereldstandaard liggende activiteiten in de wetenschapsgebieden

Met andere woorden, “indien een publicatie 5 of 10 citaties

chemie (CHEM), aard- en ruimtewetenschappen (GEOS) en in

ontvangt gedurende enkele jaren na de publicatie, dan is het

de twee deelperiode fysica (PHY). Opmerkelijk is dat neuro- en

waarschijnlijk dat de inhoud van deze publicatie geïntegreerd zal

gedragswetenschappen (NEUR) van een gebied met relatief

worden in de kennisbasis van dat onderzoeksdomein. Indien echter

geringe activiteit ten opzichte van de wereldstandaard tot een

na 5 of 10 jaar geen enkele referentie naar deze publicatie verwijst,

domain met hoger activiteit is geëvolueerd.

dan zullen de bevindingen in die publicatie niet bijdragen tot de hedendaagse wetenschappelijke paradigma’s van het onderzoeksdomein in kwestie.” (Braun et al., 1985).

Tabel 10.7: Evolutie van de gemiddelde geobserveerde (MOCR) en verwachte (MECR) citatiefrequentie voor Vlaanderen, elf Europese referentielanden en China (alle vakgebieden samen; bron SCIE) Jaar

2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

MOCR

5,03

4,85

5,57

5,17

4,50

4,86

3,92

4,49

5,64

2,10

3,98

5,28

5,01

MECR

4,39

4,38

4,72

4,45

4,29

4,35

3,63

4,41

4,94

2,36

3,93

4,60

4,53

MOCR

5,31

5,27

6,24

5,23

4,76

5,18

5,31

4,63

5,92

2,46

4,00

5,43

5,29

MECR

4,51

4,57

5,11

4,58

4,53

4,56

3,83

4,54

5,09

2,59

4,07

4,81

4,83

MOCR

5,46

5,33

5,96

5,57

4,87

5,35

4,80

4,92

6,06

2,54

4,12

5,61

5,69

MECR

4,65

4,65

5,06

4,69

4,64

4,72

4,10

4,64

5,32

2,66

4,14

4,91

5,07

MOCR

6,06

5,86

6,79

5,42

5,02

5,57

5,04

4,90

6,65

3,05

4,38

6,02

5,83

MECR

4,91

4,91

5,41

4,88

4,78

4,96

4,36

4,89

5,56

2,99

4,36

5,21

5,30

MOCR

5,99

5,91

6,94

5,62

5,37

5,93

5,22

5,23

6,98

3,21

4,90

6,33

6,20

MECR

5,14

5,16

5,62

4,95

5,06

5,24

4,68

5,06

5,88

3,14

4,66

5,41

5,57

MOCR

6,49

6,44

7,08

5,75

5,40

6,08

5,33

5,45

6,92

3,24

4,88

6,29

6,26

MECR

5,32

5,35

5,69

5,09

5,10

5,31

4,65

5,21

5,95

3,15

4,73

5,51

5,61

MOCR

6,54

6,49

7,27

6,01

5,67

6,20

6,46

5,60

7,14

3,41

5,15

6,68

6,46

MECR

5,27

5,32

5,90

5,23

5,23

5,48

5,01

5,27

6,15

3,35

4,80

5,70

5,77

MOCR

7,26

7,24

8,07

6,78

6,49

6,90

6,56

6,09

7,93

3,89

5,80

7,12

7,04

MECR

5,92

5,98

6,40

5,81

5,86

6,04

5,41

5,66

6,74

3,80

5,38

6,25

6,27

MOCR

7,45

7,41

8,60

7,07

6,16

6,97

6,47

6,08

7,86

4,07

5,61

7,36

7,27

MECR

5,95

5,96

6,51

5,96

5,69

6,03

5,66

5,69

6,77

3,90

5,22

6,36

6,47

MOCR

7,49

7,47

8,57

6,72

6,37

7,02

7,00

6,24

8,27

4,33

5,79

7,58

7,50

MECR

6,15

6,20

6,68

6,10

5,92

6,27

6,15

5,80

6,96

4,17

5,43

6,51

6,61

3,95 4,17 4,23 4,47 4,65 4,63 4,74 5,11 4,96 5,06


10

172

De methodologische achtergrond van de citatieanalyses is reeds beschreven. Tabel 10.7 geeft de evolutie van de gemiddelde

Figuur 10.3: Relatieve citatiekaart van Vlaanderen, elf Europese referentie landen en China

geobserveerde citatiefrequentie (MOCR) en de gemiddelde

(alle vakgebieden samen; bron: SCIE),

verwachte (MECR) citatiefrequentie weer voor Vlaanderen,

2000-2004 (boven) en 2006-2010 (beneden)

voor elf Europese referentielanden, voor China en voor de wereld in alle vakgebieden samen. Omdat beide citatiegemiddelden voor het wereldtotaal op het volledige gegevensbestand gebaseerd zijn,

(2000-2004)

geldt voor het wereldtotaal de identiteit MOCR = MECR

8.0

(vgl. laatste kolom van tabel 10.7). 7.0

Allereerst moet erop gewezen worden dat de rechtstreekse referentielanden mogelijkerwijze tot verkeerde interpretaties kan

MOCR

vergelijking tussen de indicatorwaarden van Vlaanderen en de

DKNL

6.0

leiden omdat grote verschillen tussen de citatiepraktijken in

SE VL UK BE FI DE

5.0

IE

FR IT

ES

4.0

de verschillende wetenschapsgebieden en deelgebieden optreden die door afwijkende nationale publicatieprofielen ook de nationale

3.0 CN

gemiddelde citatiefrequentie in alle vakgebieden samen kunnen 2.0

beïnvloeden. Op basis van het citatievenster van drie jaar dat in

2.0

3.0

4.0

deze studie wordt gebruikt, kunnen alleen de jaren 2000-2009

5.0

6.0

7.0

8.0

7.0

8.0

MECR

in aanmerking genomen worden. (2006-2010) 8.0

De citatie-indicatoren met betrekking tot het wereldtotaal zijn tussen 2000 en 2009 met meer dan één derde gestegen. De MOCR-

DK

7.0

NL

waarden van Vlaanderen en alle referentielanden stijgen sneller in de vroege jaren 1990 werd in de literatuur al meermaals

6.0

MOCR

dan het wereldtotaal. De relatieve daling van de Zweedse impact

VL BE SE UK FIDE

IE FR IT

5.0

ES

opgemerkt (bijv. Glänzel, 2000, Glänzel et al., 2003). Blijkbaar is de Zweedse wetenschap tegen het eind van het oude millennium hersteld want de impact is in het nieuwe millennium krachtig aan het groeien.

4.0 CN

3.0 2.0

De enorme stijging van de citatie-impact in China en Ierland van ongeveer 106%, respectievelijk 79% stemt overeen met de boven-

2.0

3.0

4.0

5.0

6.0

MECR

genoemde algemene groei van het wetenschappelijk onderzoek in deze landen. Vlaanderen heeft een ietwat lagere groeivoet, maar die groei begint op een zeer hoog niveau in 2000 dat onder

De verwachte citatie-impact (MECR) van Vlaanderen en van alle

de referentielanden alleen met het VK, Zweden, Denemarken en

andere referentielanden is gestegen en wel ongeveer in gelijke mate

Nederland vergelijkbaar is. Bovendien ligt de groei van de Vlaamse

als de MOCR. De geobserveerde waarde ligt voor Vlaanderen

impact duidelijk boven die van de wereldstandaard (49% vs. 28%).

en alle referentielanden (behalve Spanje en, in het begin van

De evolutie en het niveau van de citatie-impact van Nederland en

de periode, ook China) steeds boven de verwachte waarde.

Denemarken is ongetwijfeld indrukwekkend. Ook op dit feit werd

In overeenstemming met beide citatie-indicatoren kan men stellen

in de literatuur al meermaals de nadruk gelegd (bijv. Tijssen et al.,

dat Vlaanderen eenduidig tot de wetenschappelijke top binnen

2000, Glänzel, 2001). De citatie-impact van China is het sterkst

de gekozen referentielanden behoort. Dit wordt door de relatieve

gestegen (meer dan verdubbeld) maar startte op een heel laag

positie kaarten in figuur 10.3 aanschouwelijk geïllustreerd.

niveau. Ook vandaag heeft China’s impact noch de wereldstandaard noch de standaard van de Europese referentielanden.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

173

Figuur 10.4: Relatieve citatiefrequentie voor Vlaanderen in twaalf vakgebieden (2000-2004 en 2006-2010; bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

BIOL 1.3

ENGN

BIOS

0.8

0.3

GEOS

BIOM

-0.2

PHYS

CLI1

■ 2000-2004 ■ 2006-2010 CHEM

CLI2

■ Wereldstandaard

NEUR

De twee rasterlijnen en de diagonale lijn in de relatieve diagrammen

Figuur 10.4 geeft de relatieve citatiefrequentie voor twee deel-

geven drie standaarden aan en verdelen dus de map in zes sectoren.

perioden van telkens vijf jaar (2000-2004 en 2006-2010).

De verticale rasterlijn geeft aan of de gemiddelde verwachte

De relatieve citatiefrequentie van Vlaanderen is in alle wetenschaps-

citatiefrequentie van een land beneden (links) of boven (rechts)

gebieden boven of tenminste gelijk aan de wereldstandaard.

van de wereldstandaard ligt. De horizontale lijn geeft de afwijking

Vooral de levenswetenschappen hadden voor beide deelperioden

van de gemiddelde geobserveerde citatiefrequentie van een land

een zeer hoge score. De indicatorwaarde van scheikunde stemt

weer ten opzichte van de wereldstandaard. Uiteindelijk toont de

met de wereldstandaard overeen of bevindt zich enigszins boven

bissectrice de identiteit RCR = 1. De door de voorwaarden MECR

de neutrale waarde van 1. De relatieve citatiescores in de overige

< 1, MOCR < 1 en RCR < 1 gedefinieerde sector stemt overeen

disciplines zijn – vooral in het klinisch onderzoek – toch iets hoger

met een uiterst ongunstige situatie. De diametraal tegenover-

dan in de natuurwetenschappen. Opmerkelijk is ook de gestegen

liggende sector, die door de voorwaarden MECR > 1, MOCR > 1

impact in de aard- en ruimtewetenschappen.

en RCR > 1 wordt bepaald, weerspiegelt in tegenstelling daartoe de meest gunstige situatie qua de citatie-impact. Twee observaties vallen op in figuur 10.3: het uiteendrijven van de landencoördinaten langs de bissectrice en de positieve evolutie van Spanje en vooral

10.8 DE INTERNATIONALE WETENSCHAPPELIJKE SAMENWERKING VAN VLAANDEREN

Ierland wat de enorme stijging van hun geobserveerde citatiegemiddelde weerspiegelt. Zoals figuur 10.3 visualiseert, bevindt

Belangrijke

Vlaanderen zich samen met het VK, Zweden, Denemarken en

internationale samenwerking zijn, worden in het kader van

onderzoeksresultaten,

die

een

gevolg

van

Nederland voor beide deelperioden in de topgroep van de

gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie meestal ook

referentielanden hoewel de afstand tussen Denemarken en

in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Op die manier

Nederland enerzijds en de andere referentielanden anderzijds

wordt wetenschappelijke samenwerking gereflecteerd door het

continu groeit. China ligt nog ver af van Vlaanderen en de overige

ermee overeenstemmend co-auteurschap dat met behulp van

referentie landen.

bibliometrische methoden gemeten en geanalyseerd kan worden.


10

174

Tabel 10.8: Evolutie van het aandeel internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron: SCIE) Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

CHN

ESP

SWE

GBR

2000

48,8%

50,3%

49,5%

43,3%

39,5%

37,7%

45,6%

35,8%

44,1%

23,6%

33,4%

44,8%

33,7%

2001

50,4%

51,7%

50,8%

42,1%

40,9%

39,8%

45,8%

36,8%

44,6%

24,4%

34,5%

46,2%

35,9%

2002

52,4%

53,6%

51,4%

43,5%

42,4%

41,4%

47,9%

37,0%

46,1%

23,6%

34,9%

48,1%

38,2%

2003

50,8%

53,3%

51,3%

45,7%

43,8%

43,1%

49,3%

37,4%

47,3%

24,1%

36,5%

48,7%

39,2%

2004

51,7%

53,7%

52,4%

44,6%

45,4%

44,1%

49,5%

37,9%

48,0%

23,1%

37,0%

49,2%

41,2%

2005

53,3%

55,3%

53,2%

46,1%

46,3%

44,7%

49,7%

39,2%

47,7%

21,8%

38,5%

50,0%

42,4%

2006

54,4%

56,0%

55,7%

47,1%

47,4%

45,7%

51,6%

39,3%

49,4%

21,9%

38,9%

51,5%

43,8%

2007

55,7%

57,3%

57,3%

49,9%

49,4%

47,9%

52,2%

40,3%

50,7%

21,9%

40,2%

54,3%

45,5%

2008

56,9%

58,3%

58,5%

51,1%

48,2%

47,4%

54,3%

41,0%

51,0%

22,1%

40,6%

55,8%

47,9%

2009

58,0%

60,0%

60,0%

52,8%

50,7%

49,4%

54,8%

42,3%

53,3%

23,1%

42,3%

57,5%

50,0%

2010

61,4%

62,8%

59,6%

55,8%

52,5%

51,0%

55,1%

43,7%

55,0%

24,1%

44,4%

59,8%

52,0%

2011

61,9%

64,2%

60,5%

56,7%

53,6%

51,9%

55,9%

44,8%

56,1%

24,4%

45,5%

61,4%

53,1%

Meerdere studies (bijv. Gómez et al., 1995, Glänzel et al., 1999,

Figuur 10.5 geeft het publicatieprofiel van de internationale

Glänzel en Schubert, 2004) hebben aangetoond dat internationale

co-publicaties van Vlaanderen over twee deelperioden weer.

samenwerking tijdens de voorbije twintig jaar sterk is toegenomen.

De vergelijking van dit profiel met het profiel van alle Vlaamse

Een eenvoudige maar duidelijke indicator voor het bibliometrisch

publicaties toont een duidelijke polarisatie ten gunste van bio-

meten van internationale samenwerking is het aandeel van

wetenschappen en fysica en ten nadele van de technische

internationale co-publicaties in het nationale totaal. Men beschouwt

wetenschappen, de aard- en ruimtewetenschappen en niet-interne

een publicatie als internationaal indien tenminste één co-auteur

geneeskunde. Deze waarneming stemt overeen met de resultaten

met een werkadres van een ander land heeft meegewerkt aan de

van de vorige Vlaams Indicatorenboeken. De daling van de

publicatie. Grote landen worden door een lager, kleine landen door

relatieve samenwerkingsactiviteit in de biowetenschappen wordt

een groter, aandeel van internationale co-publicaties in hun totale

gecompenseerd door de groeiende co-publicatieactiviteit in de

publicatieoutput gekenmerkt. Een rechtstreekse vergelijking is dus

neuro- en gedragwetenschappen (vgl. figuur 10.5). Het profiel ligt

alleen zinvol tussen landen van ongeveer gelijke grootte.

net zoals in het geval van de verzameling van alle Vlaamse publicaties (vgl. figuur 10.2) in de tweede deelperiode iets dichter

Tabel 10.8 geeft de evolutie weer van het aandeel aan internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in alle vakgebieden samen. Het aandeel van internationale co-publicaties in Vlaanderen is net als in alle referentielanden in aanzienlijke mate gestegen. Dit aandeel is in de ‘grote’ landen zoals Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje overeenkomstig met de verwachtingen, kleiner dan in de andere referentielanden. Het aandeel internationale co-publicaties in China is duidelijk het laagst onder alle referentielanden. De ontwikkeling van de Vlaamse indicatorwaarden lijkt onder de referentielanden van vergelijkbare grootte vooral op die van Denemarken. Het samenwerkingspercentage van duidelijk meer dan 50% gedurende de periode 2001–2011 ligt duidelijk hoger dan dat van Finland, Ierland, Nederland en Zweden.

bij de wereldstandaard dan tijdens de eerste deelperiode tussen 2000 en 2005. De relatieve activiteit van samenwerking in de neuro- en gedraagwetenschappen, de niet-interne geneeskunde en de aard- en ruimtewetenschappen komt in de tweede periode wel overeen met de wereldstandaard. Het is bijna een bibliometrische gemeenplaats dat internationale copublicaties gemiddeld meer citaties ontvangen dan ‘binnenlandse’ publicaties (vgl. Glänzel, 2001). Figuur 10.6 geeft de evolutie van de relatieve citatiefrequentie van de internationale co-publicaties in Vlaanderen van na de millenniumwissel weer. Hier kan dezelfde trend vastgesteld worden die ook bij alle Vlaamse publicaties (vgl. figuur 10.4) waarneembaar was, maar in het geval van de co-publicaties wordt deze trend nog veel duidelijker.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

Figuur 10.5: Het publicatieprofiel van de internationale co-publicaties van Vlaanderen, 2000-2005 en 2006-2011 (bron: SCIE) AGRI 1.6

MATH

1.4

BIOL

1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2 0.0

GEOS

BIOM

PHYS

CLI1

■ 2000-2005 CHEM

■ 2006-2011

CLI2

■ Wereldstandaard

NEUR

Figuur 10.6: De relatieve citatiefrequentie van de internationale co-publicaties in Vlaanderen, 2000-2004 en 2006-2010 (bron: SCIE) AGRI 2.0

MATH

BIOL 1.5

ENGN

BIOS

1.0

0.5

0.0

GEOS

BIOM

PHYS

CLI1

■ 2000-2004 ■ 2006-2010 CHEM

CLI2

NEUR

■ Wereldstandaard

175


10

176

Een heel belangrijk aspect van internationale samenwerking is de

De relaties met deze Afrikaanse landen nemen naar het einde van

analyse van de links tussen partners. In de bibliometrische praktijk

de observatieperiode duidelijk iets toe (vgl. figuur 10.7) maar

is de volgende methode daarbij gebruikelijk geworden. Eerst worden

blijven met ruim 0,01 eerder bescheiden. In tegenstelling tot deze

de werkadressen van elke publicatie naar partnerparen (in dit

ontwikkeling werden de Vlaamse co-publicatielinks met Europese

geval landen) opgesplitst. Vervolgens kunnen de bibliometrische

landen, vooral met leden van de Europese Unie, intensiever.

kenmerken van deze paren als co-publicatielinks geanalyseerd

Naast de EU-relatie zijn de versterkte samenwerking met Noord-

worden. Dus bepalen bijvoorbeeld twee Vlaamse publicaties

Amerika (naast de VS met r = 0,025 ook met Canada met

waarbij één publicatie nog werkadressen in Nederland en

r = 0,015 in de laatste deelperiode), maar ook met de voormalige

Duitsland en de andere een werkadres in Nederland heeft,

socialistische landen in Oost-Europa – zoals Hongarije, Polen,

uiteindelijk vier links: twee tussen Vlaanderen en Nederland, een

Tsjechië, Bulgarije, Roemenië, Estland, Litouwen en Rusland

tussen Vlaanderen en Duitsland en uiteindelijk ook een link tussen

maar ook Vietnam, Armenië en Georgië met middelsterke

Duitsland en Nederland. In de bibliometrische analyse wordt dan

samenwerkingsintensiteit in 2006-2011 – vermeldenswaard.

in plaats van op basis van co-publicaties op basis van links gewerkt.

Samenvattend kenmerkt de kaart in figuur 10.7 Vlaanderen als een

Om de sterkte van de links tussen bepaalde landen te kunnen

in het Europees wetenschappelijk systeem volledig geïntegreerde

meten

Europese regio met sterke bindingen, vooral tot zijn buurlanden.

wordt

een

geschikte

similariteitsmaat

toegepast.

De in deze optiek meest gebruikte maat is de zogeheten cosinusmaat volgens Salton of de Salton-maat (r). Hij is op de

10.9 SLOTBESCHOUWINGEN

volgende manier gedefinieerd:

pij r =

,

√ pi • pj

De omvang en de impact van het Vlaams potentieel in de natuur-, levens- en technische wetenschappen is zichtbaar gemaakt aan de hand van één erg relevante set van indicatoren: de bibliometrische

waarbij pij het aantal links tussen de landen i en j en pi (pj)

analyse van de publicaties, verschenen in de internationale weten-

het totaal aantal publicaties van het land i (j) is. De belangrijkste

schappelijke literatuur. Het aantal Vlaamse wetenschappelijke

co-publicatielinks van Vlaanderen en hun ontwikkeling in de jaren

publicaties in deze disciplines is in de beschouwde periodes duidelijk

rond de millenniumwissel en erna zijn in figuur 10.7 gevisualiseerd.

gegroeid. Ook qua zichtbaarheid van de wetenschappelijke output behoort Vlaanderen zonder meer tot de Europese top. Men kan

De algemene intensiteit van Vlaamse co-publicatielinks is beduidend

dan ook duidelijk stellen dat de Vlaamse en Belgische

toegenomen. Deze waarneming is in overeenstemming met

onderzoekers op een bijzonder efficiënte manier de voor hen

de globale trend die voor vele landen een duidelijke intensivering

beschikbare middelen hebben aangewend. De productiviteit van

van samenwerkingsrelaties weerspiegelt (vgl. Glänzel, 2001).

Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen

Desondanks is de evolutie van enkele Vlaamse co-publicatielinks

is immers spectaculair toegenomen.

opmerkelijk. Opvallend maar niet verbazend is vooral de sterke link met Nederland. De link met Nederland is in beide deelperioden

De Vlaamse universiteiten staan in voor ongeveer 85%-90% van

verreweg de sterkste internationale band. Deze band is de enige

de Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet

link boven de drempelwaarde van r = 0,05. Figuur 10.7 geeft

te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

de geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de open

Vlaanderen met andere landen weer. Enkel landen met minstens

literatuur, aan de universiteiten wordt verricht.

50 co-publicaties met Vlaanderen in de periode in kwestie zijn opgenomen. Drie verschillende categorieën zijn afgebeeld:

Het aandeel van de wetenschappelijke instellingen neemt toe in

middelsterke links (0,01 ≤ r < 0,025) zonder lijn, sterke links

de loop van de jaren 1990, om vervolgens te stabiliseren rond

(0,025 ≤ r < 0,05) met stippellijn en zeer sterke links (0,05 ≤ r)

de 10%. Hierbij moeten we rekening houden met de rol van

met volle lijn. De opvallende relatie met enkele Afrikaanse landen,

het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC), iMinds,

vooral met Kongo, heeft een historische achtergrond en kan

de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO),

tenminste gedeeltelijk door de aanwezigheid van een neokoloniale

en het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB).

binding gekenmerkt worden (vgl. Nagtegaal en de Bruin, 1994).

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich rond de 7%, een lichte afname ten opzichte van de 8% die in de jaren 1980 werd waargenomen (zoals blijkt uit de vorige edities van het Vlaams Indicatorenboek).


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

177

Figuur 10.7: De geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van Vlaanderen op basis van de SCIE, 2000-2005 (links), en 2006-2011 (rechts)

SWE

SWE

FIN NOR

NOR CAN

GBR

USA

NLD VL

DEU LUX

FRA

ESP PRT

RUS

DNK POL

BGR

ARM

ESP PRT

ZAF

CHE AUT HUN

ITA

GRC KEN

CZE

LUX FRA

POL

DEU

VL

KEN

COG

ETH

ROU

GEO

BGR

ARM

GRC

ZAF VNM

RUS

LTU

NLD

USA

SVK CHE AUT HUN ROU

EST

DNK

GBR

CAN

CZE

ITA

IRL

FIN

RWA

VNM

CYP AUS

■ r ≥ 0,05 ■ 0,025 ≤ r < 0,05 ■ 0,015 ≤ r < 0,025 Bron geografische map: University of Alabama, Cartographic Research Lab

Wel wordt terug een lichte stijging naar 7.7% in de laatste

Meer dan andere landen, heeft het Vlaams onderzoek een

deelperiode geobserveerd. De verdeling van deze publicaties is

internationale component en deze sterke internationalisering lijkt

echter erg vertekend, omdat een beperkt aantal bedrijven,

nog verder te gaan. Er kunnen hiervoor een aantal verklaringen

waaronder Janssen Pharmaceutica, het leeuwenaandeel voor hun

worden aangereikt. België is een partner in diverse internationale

rekening nemen.

onderzoeksinstellingen, zoals CERN, ESO, EMBO en ESRF. Daarnaast neemt Vlaanderen erg actief deel aan multinationaal

De vergelijking van de relatieve verdeling van de Vlaamse

onderzoek, met voorop de Europese Kaderprogramma’s.

publicaties over de grote wetenschapsdomeinen met deze van

Bovendien leiden de voortschrijdende specialisatie en het

andere landen (-groepen) en met de gegevens van de volledige

toenemend interdisciplinair karakter van de wetenschap ertoe dat

databank, geeft informatie over de specialisatie van het Vlaams

Vlaamse onderzoekers in toenemende mate geschikte collega’s

onderzoek. Zowel in vergelijking met het profiel van de volledige

buiten Vlaanderen vinden, met wie ze kunnen samenwerken.

SCIE als met het profiel van de Europese Unie, hebben de

Ze zullen zich dan ook op een natuurlijke manier richten op

publicaties in de klinische geneeskunde en de biowetenschappen

een buitenlandse partner. Bovendien overstijgen bepaalde actuele

een relatief groter gewicht ten opzichte van de globale Vlaamse

wetenschappelijke problemen de landsgrenzen – men denke

publicatieoutput. Het aandeel van de technische wetenschappen is

maar aan de studie van klimatologische veranderingen. De snelle

daarentegen eerder klein, doch het heeft enkele positieve evoluties

ontwikkeling van de informatie- en telecommunicatie-technologieën

doorgemaakt.

bevorderen zeker ook de geobserveerde en gerapporteerde internationalisering.


10

178

De citaties die publicaties in de internationale wetenschappelijke

• GLÄNZEL, W., DANELL, R., PERSSON, O., The decline of

literatuur oogsten, laten toe de internationale zichtbaarheid ervan

Swedish neuroscience – decomposing a bibliometric national

te analyseren. Het onderzoek, verricht in Vlaanderen na de millenniumwissel, wordt beduidend meer geciteerd dan het

science indicator, Scientometrics, 57 (2), 2003, 197-213. • GLÄNZEL, W. SCHUBERT, A., Analyzing scientific networks

wereldgemiddelde. Wanneer het gemiddelde aantal citaties per

through co-authorship, In: H.F.M. Moed, W. Glänzel, U. Schmoch

publicatie wordt gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor van

(Eds), Handbook of Quantitative science and Technology

de gebruikte tijdschriften, ligt deze score voor Vlaanderen even

Research. The use of Publication and patent statistics in studies

hoog of zelfs hoger dan voor de meeste andere Europese landen.

on S&T Systems. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht,

Ook hier scoort Vlaanderen dus uitstekend.

The Netherlands, 2004, 257-276. • GÓMEZ, I., FERNÁNDEZ, M.T. AND MÉNDEZ, A., Collaboration patterns of Spanish scientific publications in

10.9 REFERENTIES

different research areas and disciplines, In: Proceedings of the Biennial Conference of the International Society for Scientometrics

• BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., Scientometrics indicators. A 32-country comparative evaluation of publishing performance and citation impact. World Scientific. Singapore * Philadelphia, 1985. • CANO, F., JULIAN, S., Some Indicators in Spanish Scientific Production, Scientometrics, 24 (1), 1992, 43-59 • DEBACKERE, K. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, AWI en IWT, Depotnummer D/1999/ 3241/087, 1999. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Statistieken, Depotnummer D/2003/3241/173, 2003. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Statistieken, Depotnummer D/2005/3241/150, 2005. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Indicatoren, ISSN 1374-6294, 2007. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Expertisecentrum O&O Monitoring, ISSN 1374-6294, 2009.

and Informetrics (ed. by M.E.D. Koenig and A. Bookstein), Learned Inf., Medford, NJ, 1995, pp. 187-196. • KATZ, J. S., HICKS, D. Indicators for systems of innovation, IDEA paper series, No. 12, Oslo: STEP Group, 1998. • MOED, H. F., DE BRUIN, R.E., VAN LEEUWEN, TH. N., New bibliometric tools for the assessment of national research performance: database description, overview of indicators and first applications, Scientometrics, 33, 1995, 381-422. • NAGTEGAAL, L.W., DE BRUIN, R.E., The French connection and other neo-colonial patterns in the global network of science, Research Evaluation, 4 (2), 1994, 119-127. • REIST 2. The European Report on Science and Technology Indicators 1997, Second Edition. EUR 17639. European Commission 1997, Brussels. • REIST 3. The European Report on Science and Technology Indicators 2003, Third Edition. EUR 20025. European Commission 2003, Brussels. • ROMÁN, A., MÉNDEZ, A., The Spanish transition to democracy seen through the Spanish da-tabase ISOC, Scientometrics, 30, 1994, 201-212. • SCHUBERT, A., GLÄNZEL, W., BRAUN, T., Relative Citation

• DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek

Rate: A New Indicator for Measuring the Impact of Publications.

Wetenschap, Technologie, Innovatie, Expertisecentrum O&O

In: D. Tomov, L. Dimitrova (Eds.), Proceedings of the 1st National

Monitoring, ISSN 1374-6294, 2011.

Conference with International Participation on Scientometrics

• GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., A bibliometric study on ageing and reception processes of scientific literature, Journal of Information Science, 21 (1), 1995, 37-53. • GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., CZERWON, H.-J., A Bibliometric Analysis of International Scientific Co operation of the European Union (1985-1995), Scientometrics, 45, 1999, 185 202.

and Linguistic of the Scientific Text, Varna 1983, 80-81. • TIJSSEN, R.J.W., VAN LEEUW, Th. N, HOLLANDERS, H., VERSPAGEN, B., Het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie. Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 2000. • VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index with

• GLÄNZEL, W., Science in Scandinavia: A Bibliometric Approach,

standard bibliometric indicators and with peer judgment for

Scientometrics, 48, 2000, 121-150. (Correction: Scientometrics,

147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006,

49 (2), 2000, 357)

491-502.

• GLÄNZEL, W., National Characteristics in International Scientific Co authorship, Scientometrics, 51 (1), 2001, 69-115.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S O N D E R ZO E K I N D E LEVE N S-, NATU U R E N TE C H N I S C H E W ETE N S C HA P P E N . H ET VL A AM S O N D E RZO E K I N E U RO P E S E C O NTEXT

BIJLAGE: LANDEN EN REGIO’S MET HUN CODE Land/regio

Code

Vlaanderen

VL*

Australia

AUS

Armenië

ARM

Bulgarije

BGR

Canada

CAN

Congo

COG

Cyprus

CYP

Denemarken

DNK

Duitsland

DEU

Estland

EST

Ethiopië

ETH

Finland

FIN

Frankrijk

FRA

Georgië

GEO

Griekenland

GRC

Hongarije

HUN

Italië

ITA

Ierland

IRL

Kenya

KEN

Litouwen

LTU

Luxemburg

LUX

Nederland

NLD

Noorwegen

NOR

Oostenrijk

AUT

Polen

POL

Portugal

PRT

Romania

ROU

Russische Federatie

RUS

Rwanda

RWA

Slovakije

SVK

Spanje

ESP

Tsjechië

CZE

Verenigd Koninkrijk

GBR

Verenigde Staten van Amerika

USA

Vietnam

VNM

Zambia

ZMB

Zuid Afrika

ZAF

Zweden

SWE

Zwitserland

CHE

* Vlaanderen heeft geen standaard ISO-code

179


180

10


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE R S ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C I AL E E N H U MAN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H Door Truyken Ossenblok (Universiteit Antwerpen), Frederik Verleysen (Universiteit Antwerpen), Eric Spruyt (Universiteit Antwerpen) en Tim Engels (Universiteit Antwerpen en Hogere Zeevaartschool Antwerpen)

181


11

182

11.1 INLEIDING

In deze bijdrage beschrijven we hoe het bestand werd opgebouwd en welke de eruit af te leiden kenmerken zijn van

In het Decreet betreffende de financiering van de universiteiten in

de sociaal- en humaanwetenschappelijke publicaties die (mede)

de Vlaamse gemeenschap (decreet van 14 maart 2008) en het

door aan Vlaamse universiteiten verbonden onderzoekers werden

Besluit (2000) betreffende de financiering van de Bijzondere

gerealiseerd.

Onderzoeksfondsen (laatst gewijzigd op 12 december 2008, hierna “BOF-besluit ‘08”) werd de basis gelegd voor de opbouw

Op 21 december 2012 werd een nieuw BOF-besluit goedgekeurd.

van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale

De bepalingen omtrent de monitoring van Vlaams onderzoek,

en Humane Wetenschappen (VABB-SHW). Met de invoering van

waaronder ook de procedures rond en de impact van het

het VABB-SHW werd een verdere verfijning van de monitoring

VABB-SHW, werden grotendeels overgenomen en daar waar

van het Vlaamse onderzoek mogelijk. Gezien het belang van

nodig geacht bijgestuurd. Als eerste wijziging werd in overleg

publicaties in de innovatieketen, gezien hun toenemend belang

met de universiteiten en de Vlaamse overheid het gewicht van het

bij de verdeling van onderzoeksmiddelen over de universiteiten

VABB-SHW bij de berekening van de BOF-sleutel 2013, 2014, 2015

en gezien het blijvend tekortschieten van het Web of Science (WoS)

en 2016 opgetrokken tot respectievelijk 6,3% 6,5%, 6,6% en 6,8%.

in het representatief indexeren van de publicaties in de sociale en

Een tweede wijziging betreft het tijdsvenster voorzien voor de

humane wetenschappen (Hicks, 2013), hoeft het niet te verbazen

opbouw van de respectieve nieuwe versies van het VABB-SHW.

dat de decreetgever opdracht gaf om, althans voor de sociale

Daardoor worden de nieuwe versies van het VABB-SHW voortaan

en humane wetenschappen, ook de publicaties die niet in het WoS

opgeleverd per 30 juni van elk jaar, waardoor een tijdige

worden geïndexeerd in kaart te brengen.

becijfering van de BOF-sleutel voor het volgende jaar opnieuw mogelijk wordt. Tot slot, als derde wijziging, werden de universiteits-

De overheid komt op die manier tegemoet aan de vraag van

besturen, en niet langer de associaties, verantwoordelijk voor de

onderzoekers, middenveld en universiteitsbesturen om in het kader

aanlevering van gegevens voor het VABB-SHW. Deze wijziging

van de verdeling van onderzoeksmiddelen over de universiteiten

houdt eveneens in dat enkel publicaties van aan universiteiten

ook rekening te houden met de specificiteit van de sociale en

verbonden onderzoekers door de universiteitsbesturen kunnen

humane wetenschappen, in het bijzonder het feit dat vaak in

worden

boeken en/of in het Nederlands wordt gepubliceerd, terwijl het

Overeenkomstig het BOF-besluit ‘08, konden ook de publicaties

aangeleverd

voor

opname

in

het

VABB-SHW.

WoS quasi uitsluitend Engelstalige literatuur verwerkt en pas

van aan hogescholen verbonden onderzoekers worden aangeleverd,

zeer recent gestart is met het indexeren van Engelstaligen boeken

maar deze publicaties werden niet voor de BOF-sleutel in

(Adams & Testa, 2011; Engels, Spruyt, Glänzel, & Debackere, 2009).

aanmerking genomen. De publicaties van de hogescholen (2000-

Het VABB-SHW laat nu toe dat ook de niet in het WoS geïndexeerde

2011) zijn wel terug te vinden in de publiek toegankelijke online

sociaal en humaan wetenschappelijke publicaties van aan Vlaamse

versie van het VABB-SHW. Voor de analyse van de data in deze

universiteiten verbonden onderzoekers bijdragen aan de verdeling

bijdrage beperken we ons omwille van de onvolledigheid van

van de BOF-middelen. Het gewicht van deze publicaties was voor

de door de hogescholen aangeleverde data tot de publicaties

de BOF-sleutel 2011 en 2012 beperkt tot respectievelijk 2,6% en

van de hand van onderzoekers die verbonden zijn aan een

2,7%. Hoewel dit gewicht beperkt bleef, is, gelet op het partiële

Vlaamse universiteit.

gebruik van de BOF-sleutel bij de verdeling van de universitaire werkingsmiddelen en andere onderzoeksfinanciering (Industrieel Onderzoeksfonds, Hercules financiering, Odysseus financiering, Methusalem financiering en Interuniversitaire Attractiepolen),

11.2 DE VERDERE OPBOUW VAN HET VABB-SHW

de impact van het VABB-SHW verder reikend dan doorgaans wordt vermoed.

De doelstelling bij de opbouw van het VABB-SHW was het creëren van een bestand dat de bibliografische referenties verzamelt

Na twee jaar voorbereidingen en opbouw werd op 22 december

van de wetenschappelijke publicaties in de sociale en humane

2010 de eerste versie van het VABB-SHW plechtig ingehuldigd aan

wetenschappen en (mede) van de hand van onderzoekers

de Universiteit Antwerpen. Op 1 december 2011 en 1 december

verbonden aan Vlaamse universiteiten. Conform de bepalingen

2012 werden de respectieve tweede en derde versie van het

van het BOF-besluit dienen opgenomen publicaties te voldoen

VABB-SHW online gepubliceerd.

aan een aantal minimale criteria.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

Ze moeten:

Met het oog op het faciliteren van de werking van het GP werden in het VABB-SHW de publicaties zo vaak als mogelijk op basis

a) publiek toegankelijk zijn,

van de affiliatie(s) van de auteur(s) toegewezen aan een of meer

b) op een ondubbelzinnige manier identificeerbaar zijn via

disciplines. Dit resulteerde in 16 disciplines en 3 algemene categorieën,

een ISBN- of ISSN-nummer,

te weten:

c) een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten of aan de toepassing ervan, d) voor het verschijnen beoordeeld zijn in een aantoonbaar peer-

• Archeologie; • Communicatiewetenschappen;

reviewproces door onafhankelijke wetenschappers die expert zijn

• Criminologie;

in de betrokken (deel)discipline(s). Peer review moet uitgevoerd

• Economie, handelswetenschappen en bedrijfskunde;

worden door een editorial board, door een vast leescomité,

• Geschiedenis;

door externe referees of door een combinatie van die typen.

• Godgeleerdheid, theologie, bijbel- en godsdienstwetenschappen;

Daarbij moet minstens een inbreng zijn die extern is aan de

• Kunstgeschiedenis, architectuur en kunsten;

onderzoeksgroep en die onafhankelijk is van de auteur(s).

• Letterkunde;

De peer review wordt niet door de auteur georganiseerd.

• Pedagogie en didactiek; • Politieke wetenschappen;

Verder bepaalt het BOF-besluit dat voor het VABB-SHW volgende

• Psychologie;

vijf publicatietypen in aanmerking komen:

• Rechtswetenschappen en notariaat; • Sociale gezondheidswetenschappen;

a) artikelen in tijdschriften;

• Sociologie;

b) boeken als auteur;

• Taalkunde;

c) boeken als editor;

• Wijsbegeerte, (wetenschaps)filosofie en moraalwetenschappen.

d) artikelen of gedeelten in boeken; e) artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn.

De publicatiebeschrijvingen die niet (eenduidig) aan een of meer van voorgaande disciplines konden worden toegewezen (bijvoorbeeld publicaties van antropologen), werden toegewezen

De opbouw van het VABB-SHW werd door de Vlaamse Regering

aan een van de volgende drie algemene categorieën:

toevertrouwd aan het interuniversitair Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM), en binnen het beheers-

• Sociale wetenschappen algemeen;

comité van ECOOM werd de daadwerkelijke opbouw van het

• Humane wetenschappen algemeen;

bestand toegewezen aan het team van de Universiteit Antwerpen.

• Andere.

ECOOM-Antwerpen kreeg de verantwoordelijkheid voor de technische realisatie van de databank en coördineerde in nauwe

Door deze toewijzing van publicaties aan disciplines konden de

samenwerking met de collega’s van andere universiteiten, in het

leden van het GP met het oog op het toetsen van de criteria

bijzonder ECOOM-Leuven, de verschillende stappen van de opbouw.

van het BOF-besluit aan de slag met zogenaamde ‘disciplinaire’ lijsten. Naast de criteria van het BOF-besluit, besloot het GP een

Tegelijk besliste de Vlaamse Regering tot de installatie van het

vereiste minimumomvang van vier pagina’s te stellen alvorens

Gezaghebbende Panel (GP), dat de inhoudelijk-wetenschappelijke

een publicatie voor opname in het VABB-SHW in aanmerking

verantwoordelijkheid over het VABB–SHW kreeg toegewezen.

kon komen.

Het GP werd bij Besluit van de Minister samengesteld uit 18 leden, afkomstig uit elk van de vijf universiteiten en gespreid over de

In de lijsten van tijdschriften, uitgevers en proceedingsbijdragen

voornaamste disciplines van de sociale en humane wetenschappen

waarvan het GP jaarlijks per 1 juni door ECOOM werd voorzien,

(zie voor nadere toelichting Ghesquière, Van Bendegem, Gillis,

werd ook aangeduid welke tijdschriften en proceedingsbijdragen

Willems, & Cornelissen, 2011). De administratief-secretariële

deels of volledig in het WoS werden geïndexeerd.

ondersteuning van het GP kon dankzij de opeenvolgende ad hoc financiële ondersteuning van het Departement Onderwijs, het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie en de Vlaamse universiteiten door de VLIR worden opgenomen.

183


11

184

Het GP besloot alle betreffende tijdschriften en proceedings-

Anderzijds betreft het 16.467 publicaties (39,0%) die wel in het

bijdragen te erkennen als beantwoordend aan de criteria van het

WoS werden beschreven en overeenkomstig het BOF-besluit

BOF-besluit, aangezien de erin gepubliceerde artikelen sowieso

voldoen aan de criteria om in aanmerking te worden genomen bij

voor de verdeling van de BOF-middelen in aanmerking worden

de bepaling van de BOF-sleutel. Verder in deze bijdrage verwijzen

genomen voor zover zij inderdaad in het WoS werden geïndexeerd,

we naar beide delen met de afkortingen VABB-GP en VABB-WoS.

een adres van een Vlaamse universiteit dragen en van het type article, letter, note of review zijn. Deze beslissing van het GP was

De 25.773 VABB-GP publicaties kunnen worden ingedeeld naar

echter wel van belang aangezien op die manier alle artikelen

publicatietype. Het betreft 17.833 (69,2%) artikelen in tijdschriften,

verschenen in tijdschriften die in de loop van de periode 2000-2011

614 (2,4%) boeken als auteur, 1.052 (4,1%) boeken als editor,

aan het WoS werden toegevoegd op gelijke voet werden behandeld.

5.695 (22,1%) hoofdstukken in boeken en 579 (2,2%) proceedingsbijdragen (zie ook Tabel 11.1). De 16.467 VABB-WoS

Jaarlijks op 1 oktober maakte de voorzitter van het GP dan de lijsten

publicaties kunnen op hun beurt nader worden gekenmerkt aan

van de respectievelijk voor de eerste, tweede en derde versie

de hand van de deeldatabank(en) van het WoS waarin ze zijn

van het VABB-SHW in aanmerking te nemen tijdschriften,

beschreven. Het betreft 15.885 (96,5%) artikelen waarvan 4.024

uitgevers en op individuele basis geselecteerde boekpublicaties over

enkel beschreven zijn in de Science Citation Index Expanded

aan ECOOM. Ook de criteria voor de selectie van proceedings-

(SCIE), de grootste deeldatabank die de publicaties in de levens-,

bijdragen en het minimum aantal pagina’s werd via een schrijven

natuur- en technische wetenschappen dekt. Verder zijn er

overgemaakt (Ghesquière et al., 2011). Aan de hand van deze

4.223 publicaties die enkel in de Social Science Citation Index

beslissingen filterde ECOOM-Antwerpen het geheel van de initieel

(SSCI) zijn geïndexeerd en 1.418 publicaties die enkel in de Arts

aangeleverde publicatiebeschrijvingen. Jaarlijks per 15 oktober

and Humanities Citation Index (AHCI) werden verwerkt.

ontving iedere associatie dan de vraag om het beschikbaar

Bijkomend werden 4.915 publicaties zowel in SCIE als in SSCI

gestelde overzicht van alle voor de desbetreffende versie van

beschreven, 117 publicaties in zowel SCIE als AHCI, 822 publicaties

het VABB-SHW in aanmerking komende publicaties te controleren

in zowel SSCI als AHCI en 366 publicaties die in alle drie de

en zo nodig gedocumenteerde aanvullingen over te maken tot

deeldatabanken voorkomen. Tot slot zijn 582 (3,5%) proceedings-

uiterlijk 15 november van hetzelfde jaar. Op die manier kon ECOOM

bijdragen opgenomen in een van beide proceedingsdatabanken,

jaarlijks op 1 december het resultaat van de respectieve versie van

te weten de Conference Proceedings Citation Index-Sciences

het VABB-SHW aan de overheid overmaken en de lijsten van

(CPCI-S) en de Conference Proceedings Citation Index-Social

tijdschriften en uitgevers samen met de publieke versie van het

Sciences & Humanities (CPCI-SSH).

bestand via de website www.ecoom.be/vabb bekendmaken. Opvallend in figuur 11.1 is dat de publicatietypen boeken als auteur, boeken als editor en hoofdstukken in boeken samen

11.3 KENSCHETSING VAN DE VLAAMSE UNIVERSITAIRE PUBLICATIES IN DE SOCIALE EN HUMANE WETENSCHAPPEN

slechts 17,4% (n=7.361) van de publicaties in het VABB-SHW uitmaken. Bij de bepalingen van het BOF-besluit ’08 werd het gewicht per publicatietype als volgt vastgelegd: artikelen in tijdschriften die niet in WoS zijn opgenomen, en hoofdstukken in

In het VABB-SHW werden voor de periode 2000 tot en met 2011

boeken krijgen een gewicht 1, boeken als auteur een gewicht 4,

42.264 publicaties opgenomen. Het betreft publicaties waarvan

boeken als editor een gewicht 2 en proceedingsbijdragen een

de auteur of minstens een van de coauteurs verbonden is aan

gewicht 0.5. Voor wat de boeken als editor betreft, heeft het GP

een Vlaamse universiteit.

een voorstel van wijziging van het telschema, met name een vermindering van het betreffende gewicht van 2 naar 1, ingediend

Figuur 11.1 geeft een overzicht van de aard van de publicaties

dat werd opgenomen in het BOF-Besluit ’12 en van toepassing is

die in het VABB-SHW zijn opgenomen. Het betreft enerzijds

op VABB-SHW III (2002-2011, BOF-sleutel 2013). De artikelen in

25.773 publicaties (61,0%) die niet in het WoS werden

tijdschriften die in het WoS zijn opgenomen, worden gewogen

geïndexeerd en die voldeden aan de criteria van het BOF-besluit,

met behulp van de impactfactor van het tijdschrift of krijgen,

de tijdschriften- en uitgeversselectie van het GP en de minimum-

indien geen impactfactor van het tijdschrift ter beschikking is,

drempel van vier pagina’s bepaald door het GP.

eveneens een gewicht 1.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

Figuur 11.1: Aard en type van de publicaties opgenomen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS; 2000-2011)

5.695

579

1.052 614 4.915 SSCI 4.223

SCIE 4.024

366 822 16.467 17.833

GP ■ Artikelen in tijdschriften ■ Boeken als auteur ■ Boeken als editor ■ Hoofdstukken in boeken ■ Proceedings

117

CPCI 582

AHCI 1.418

■ WoS AHCI SCIE SSCI AHCI-SCIE AHCI-SSCI AHCI-SSCI-SCIE SSCI-SCIE Proceedings CPCI-S & CPCI-SSH

Het BOF-besluit ‘12 voorziet in de mogelijkheid dat het GP

Tot slot kan in het Noorse model level 2 niet meer dan 20% bevatten

voorstellen doet om de gewichten per publicatietype in de

van alle publicaties wereldwijd per discipline (Sivertsen, 2010).

toekomst opnieuw te wijzigen en/of te differentiëren rekening houdend met kwaliteit van tijdschriften of uitgevers. Als voorbeeld

Voor het VABB-SHW I besloot het GP, omwille van het krappe

van een dergelijke aanpak kunnen we verwijzen naar Noorwegen

tijdsschema, enkel uitgevers op te nemen die voorkwamen op

waar alle tijdschriften en uitgevers die in aanmerking worden

het level 2 van de uitgeverslijst gebruikt door de Noorse overheid

genomen voor het nationale publicatiemeetmodel zijn ingedeeld

(Ghesquière et al., 2011). Voor het VABB-SHW II werd de

in twee niveaus, waarbij het tweede niveau, level 2, de meest

uitgeverslijst uitgebreid met 1) drie bijkomende uitgeverijen, namelijk

prestigieuze en selectieve internationale tijdschriften en uitgevers

Springer, Wiley en Kluwer Academic, 2) uitgevers van door het GP

bevat (Sivertsen, 2010). Volgende criteria werden afgetoetst bij het

individueel geselecteerde boekpublicaties uit 2010, 3) uitgevers

opstellen van de Noorse uitgeverslijst level 2.

van GPRC-gelabelde boeken uit 2010 (Verleysen, Ossenblok, & Engels, 2012). De uitgeverslijst van het VABB-SHW III werd verder

Uitgevers dienen:

uitgebreid met 33 uitgevers (Verleysen & Engels, 2013a) alsook met individueel geselecteerde boekpublicaties uit 2009 en 2011

a) zich te richten tot een wetenschappelijk lezerspubliek;

en GPRC-gelabelde boeken uit 2011. Door deze opeenvolgende

b) te werken met een externe, onafhankelijke peer review;

uitbreidingen van de selectie is het aandeel van de boekpublicaties

c) te publiceren in de internationaal erkende forumtaal voor het

in het VABB-SHW toegenomen van 14,9% in de eerste versie naar

betreffende onderzoeksdomein; d) werken te publiceren van internationale onderzoekers, waarvan minder dan twee derden afkomstig is van hetzelfde land.

17,6% in de huidige derde versie.

185


11

186

Tabel 11.1:

Aantal publicaties opgenomen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS) per discipline en per publicatietype (2000-2011) Artikelen in tijdschriften VABB-GP #

VABB-WoS %

#

Boeken als auteur

Boeken als editor

Hoofdstukken in boeken

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

%

#

%

#

%

Proceedingsbrijdagen VABB-GP

#

%

#

Totaal

VABB-WoS %

#

%

VABBGP

VABBWoS

%

%

VABBSHW #

%

Archeologie

229

41,3%

186

33,6%

16

2,9%

11

2,0%

66

11,9%

32

5,8%

14

2,5%

63,9%

36,1%

554

1,3%

Communicatiewetenschappen

558

50,6%

262

23,8%

8

0,7%

34

3,1%

189

17,2%

12

1,1%

39

3,5%

72,7%

27,3%

1.102

2,6%

Criminologie

921

75,1%

143

11,7%

8

0,7%

23

1,9%

125

10,2%

3

0,2%

4

0,3%

88,0%

12,0%

1.227

2,9%

Economie

1.817

30,9%

3.114

53,0%

69

1,2%

62

1,1%

495

8,4%

83

1,4%

236

4,0%

43,0%

57,0%

5.876 13,9%

Geschiedenis

924

52,7%

296

16,9%

41

2,3%

63

3,6%

388

22,1%

37

2,1%

4

0,2%

82,9%

17,1%

1.753

Godgeleerdheid

795

46,9%

140

8,3%

66

3,9%

112

6,6%

573

33,8%

9

0,5%

1

0,1%

91,7%

8,3%

1.696

4,0%

Kunstgeschiedenis

430

40,5%

238

22,4%

20

1,9%

63

5,9%

223

21,0%

50

4,7%

37

3,5%

74,1%

25,9%

1.061

2,5%

4,1%

Letterkunde

752

43,9%

211

12,3%

54

3,2%

119

7,0%

536

31,3%

38

2,2%

2

0,1%

87,6%

12,4%

1.712

4,1%

Pedagogie

845

43,2%

809

41,4%

12

0,6%

51

2,6%

193

9,9%

23

1,2%

22

1,1%

57,5%

42,5%

1.955

4,6%

1.016

55,4%

367

20,0%

39

2,1%

50

2,7%

353

19,3%

4

0,2%

4

0,2%

79,8%

20,2%

1.833

4,3%

767

18,8%

3.061

75,2%

9

0,2%

7

0,2%

162

4,0%

33

0,8%

33

0,8%

24,0%

76,0%

4.072

9,6%

Politieke wetenschappen Psychologie Rechtswetenschappen

4.891

82,4%

236

4,0%

77

1,3%

141

2,4%

552

9,3%

25

0,4%

15

0,3%

95,8%

4,2%

Sociale Gezondheidswetenschappen

854

21,1%

3.081

76,1%

5

0,1%

5

0,1%

62

1,5%

13

0,3%

29

0,7%

23,2%

76,8%

4.049

9,6%

Sociologie

897

45,0%

846

42,4%

10

0,5%

22

1,1%

197

9,9%

13

0,7%

10

0,5%

57,1%

42,9%

1.995

4,7%

Taalkunde

1.158

36,2%

749

23,4%

94

2,9%

197

6,2%

800

25,0%

136

4,2%

67

2,1%

74,5%

25,5%

3.201

7,6%

Wijsbegeerte

1.014

39,1%

835

32,2%

55

2,1%

80

3,1%

549

21,1%

19

0,7%

44

1,7%

66,1%

33,9%

2.596

6,1%

42,2% 15.869

37,5%

614

1,5%

1.052

2,5%

5.695

13,5%

579

1,4%

622

1,5%

61,0%

39,0% 42.264

100%

Totaal (incl. algemene categorieĂŤn)

17.833

11.4 KENSCHETSING VAN DE ONDERSCHEIDEN DISCIPLINES

5.937 14,0%

Dit is meest uitgesproken zo voor sociologie (87,4%), psychologie (94,0%) en sociale gezondheidswetenschappen (97,2%). De disciplines met procentueel de meeste boekpublicaties zijn taalkunde (34,1%),

Tabel 11.1 geeft een overzicht van het aantal publicaties per

letterkunde (41,4%) en godgeleerdheid (44,3%). Alle disciplines

discipline en publicatietype in het VABB-SHW voor de periode

hebben een relatief klein aandeel proceedingsbijdragen waarbij

2000-2011. Men krijgt een beeld van het aantal publicaties binnen

het percentage varieert tussen 0,4% bij politieke wetenschappen

elke discipline en hoe deze publicaties verdeeld zijn over de vijf

en 8,3% bij archeologie.

publicatietypen. Het totale aantal publicaties per publicatietype bevat, naast de publicaties toegewezen aan een of meer van de 16

Tabel 11.1 geeft per discipline eveneens het aandeel VABB-GP

in het VABB-SHW onderscheiden disciplines, ook de publicaties die

publicaties en het aandeel VABB-WoS publicaties in het VABB-

aan een van de drie algemene categorieĂŤn (sociale wetenschappen

SHW. We stellen vast dat voor de meeste disciplines het aandeel

algemeen, humane wetenschappen algemeen, andere) werden

VABB-GP publicaties groter is dan het aandeel VABB-WoS

toegewezen.

publicaties. Opvallende koplopers met meer dan 80% VABB-GP publicaties zijn rechtswetenschappen (95,8%), godgeleerdheid

In tabel 11.1 valt op dat de overgrote meerderheid van de publicaties

(91,7%), criminologie (88,0%), letterkunde (87,6%) en geschiedenis

in het bestand artikelen in tijdschriften zijn (79,7%), op ruime

(82,9%). De disciplines sociale gezondheidswetenschappen (23,2%),

afstand gevolgd door bijdragen in boeken (17,5%), terwijl de

psychologie (24,0%) en economie (43,0%) hebben daarentegen

databank slechts een beperkt aantal bijdragen in proceedings

een kleiner aandeel publicaties in het VABB-GP dan in het

bevat (2,9%). Echter, de spreiding van de publicatietypes verschilt

VABB-WoS.

sterk per discipline en over de disciplines heen. Voor alle disciplines geldt dat meer dan de helft van de publicaties opgenomen in VABB-SHW artikelen in tijdschriften zijn.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

Op het niveau van de verschillende disciplines stellen we verder

Voor de sociale en humane wetenschappen stellen we een

vast dat de rechtswetenschappen en economie samen goed zijn

minstens even sterke stijging vast, waarbij de disciplines

voor meer dan een vierde van alle publicaties in het bestand

behorende tot de sociale wetenschappen een sterkere stijging

(resp. 14,0% en 13,9%). Sociale gezondheidswetenschappen en

kenden dan deze behorende tot de humane wetenschappen

psychologie volgen samen als tweede belangrijkste groep (met

(Engels, Ossenblok, & Spruyt, 2012). De jaarlijkse update van

beiden 9,6%). De disciplines met het kleinste aandeel aan publicaties

het VABB-SHW laat ons toe om na te gaan of deze trend zich

zijn Communicatiewetenschappen (2,6%), kunstgeschiedenis (2,5%)

verder zet.

en archeologie (1,3%). De aantallen en percentages geven geen aanduiding over de gemiddelde productiviteit binnen een

Figuur 11.2 geeft de evolutie van het aantal publicaties per jaar

bepaalde discipline maar geven informatie over het gewicht van

opgenomen in het VABB-SHW, waarbij onderscheid wordt

een discipline in het geheel van de Vlaamse publicaties in het brede

gemaakt tussen publicaties opgenomen in het VABB-GP en het

domein van de sociale en humane wetenschappen. Niet elke

VABB-WoS. De grafiek toont dat de internationale trend om steeds

discipline wordt immers beoefend aan elk van de Vlaamse

meer te publiceren ook geldt voor de sociale en humane

universiteiten en niet elke discipline telt evenveel onderzoekers.

wetenschappen in Vlaanderen. De sterke stijging van het aantal publicaties per jaar wordt voornamelijk veroorzaakt door de bijna verdrievoudiging van het aantal publicaties opgenomen in het

11.5 EEN GROEI IN PUBLICATIES

VABB-WoS. Het gegeven dat sinds 2007 een groot aantal tijdschriften bijkomend in het WoS wordt geïndexeerd is hier

Internationaal wordt vastgesteld dat vorsers jaarlijks aan een groter

ongetwijfeld mede debet aan (Moed et al., 2009). Hoe dan ook

aantal publicaties meewerken (Martin et al., 2010). Het laatste

kunnen we, rekening houdend met het gegeven dat het WoS

decennium is ook in Vlaanderen het aantal publicaties significant

voornamelijk internationaal georiënteerde tijdschriften verwerkt,

gestegen. Uit de bepalingen van de BOF-sleutels 2012 en 2013

stellen dat de trend om zich steeds meer op een internationaal

valt af te leiden dat het aantal publicaties geïndexeerd in SCIE met

publiek te richten (Fry et al., 2009) ook op de sociale en humane

een coauteur van een Vlaamse universiteit sinds 2000 met ongeveer

wetenschappen van toepassing is.

75% toenam.

Figuur 11.2: Aantal publicaties per jaar opgenomen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS)

5.000 4.973 4.500

4.564

4.483

4.257

4.000 3.913 3.500

3.544

3.000

3.158

3.258 2.639

2.950 2.500

2.449

2.416 2.000

2.094

2.074

2.108

1.907

2.043

2.167

2.432

2.334 2.115

2.081

1.604

1.505 1.000

1.050 569

2.309

1.825

1.718

1.500

500

2.402

2.674

698

767

856

2001

2002

2003

1.215

1.377

0 2000

■ VABB-GP

VABB-WoS

2004

● VABB-SHW

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

187


11

188

De vaststelling dat het aantal publicaties in 2011 voor nagenoeg

Indien we het aantal publicaties in het eerste 3-jarige tijdsvenster

alle disciplines lager ligt dan het aantal publicaties in 2010, wordt

(00-02) vergelijken met het aantal publicaties in het laatste 3-jarige

verklaard door het feit dat de gegevens voor het publicatiejaar

tijdsvenster (09-11), stellen we voor alle 16 onderscheiden

2011 op 1 april 2012 nog niet volledig door de associaties konden

disciplines een duidelijke toename van het aantal publicaties vast.

worden aangeleverd omdat niet alle auteurs tegen die datum

De kleinste groei observeren we bij rechtswetenschappen

de gegevens over hun meest recente publicaties in de lokale

(+44,9%), maar op wijsbegeerte (+74,3%), taalkunde (+86,1%),

academische bibliografie hadden ingebracht. Bij de jaarlijkse

economie (+91,9%) en godgeleerdheid (+93,7%) na, kennen alle

actualisering van het VABB-SHW in 2011 werden niet enkel

andere disciplines een groei van meer dan 100%, waarbij

nieuwe publicaties voor 2010 aangeleverd (+100%), maar ook 23,5%

twee disciplines een groei laat optekenen van meer dan 200%.

bijkomende publicaties voor het publicatiejaar 2009 (Verleysen et

Deze duidelijk opwaartse uitschieters zijn Politieke wetenschappen

al., 2012). Ook in het nieuwe BOF-besluit (â&#x20AC;&#x2DC;12) is ruimte voorzien

(+223,3%) en Communicatiewetenschappen (+256,3%).

voor de universiteiten om bij de jaarlijkse gegevensaanleveringen aan ECOOM per 1 mei niet enkel nieuwe publicaties verschenen

Onderzoek naar de onderliggende oorzaken van deze snelle groei

in het voorafgaande jaar maar ook aanvullingen en correcties bij

zou kunnen uitwijzen of er objectiveerbare redenen zijn voor

het daaraan voorgaande jaar in te dienen. Op basis hiervan kan

de toch grote verschillen in groeiratio tussen de verschillende

verwacht worden dat bij de publicatie van VABB-SHW IV op 1 juni

disciplines (van 44,9% tot 256,3%). Is er voor sommige disciplines

2014 ook de gegevens van 2011 verder aangevuld zullen zijn.

een verschuiving van het groeipatroon over de tijd? Is bijvoorbeeld de groei in de publicatiecultuur binnen de rechtswetenschappen al

Tabel 11.2 geeft een overzicht van het gewogen aantal in het

vroeger doorgezet, of kunnen we die in de komende periode nog

VABB-SHW opgenomen publicaties per discipline in de jaren

verwachten? Ook zonder dit bijkomend onderzoek kan echter

2000-2002, 2003-2005, 2006-2008 en 2009-2011. Wanneer we

worden gesteld dat in Vlaanderen in de sociale en humane

de aantallen voor de vier driejarige vensters vergelijken, stellen we

wetenschappen als geheel en per discipline jaarlijks meer

vast dat de gewogen publicatieoutput in de sociale en humane

publicaties worden afgeleverd.

wetenschappen in Vlaanderen de afgelopen 12 jaar bijna is verdubbeld.

Tabel 11.2: Gewogen aantal publicaties en groeipercentage per discipline voor het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS) Discipline

2000-2002

2003-2005

2006-2008

2009-2011

Groei %

Archeologie

102

124

151

204

100,5%

Communicatiewetenschappen

126

218

308

449

256,3%

Criminologie

209

213

327

499

138,8%

1.002

1.285

1.715

1.922

91,9%

Geschiedenis

315

356

531

655

108,1%

Godgeleerdheid

319

397

555

618

93,7%

Kunstgeschiedenis

162

221

284

412

155,1%

Letterkunde

236

512

528

579

145,1%

Pedagogie

263

412

559

736

180,2%

Politieke wetenschappen

225

435

559

728

223,3%

Psychologie

532

805

1.189

1.541

189,7%

Economie

Rechtswetenschappen

1.241

1.502

1.607

1.798

44,9%

Sociale Gezondheidswetenschappen

544

873

1.145

1.482

172,4%

Sociologie

311

442

534

728

134,3%

Taalkunde

573

740

1.002

1.067

86,1%

Wijsbegeerte Totaal (incl. algemene categorieĂŤn)

515

587

732

897

74,3%

7.424

9.583

12.124

14.376

93,7%


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

Figuur 11.3: Evolutie van het gebruik van het Engels, Nederlands en andere publicatietalen binnen het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS)

100% 90% 80% 70% 66%

60% 60%

63%

61%

62%

36%

34%

35%

30% 27%

30% 27%

69%

68%

36%

37%

71%

74%

75%

74%

76%

44%

45%

44%

50% 40%

35%

29%

30% 20%

35%

30% 25%

27%

32%

33%

31%

26%

25%

25%

39%

41%

32%

33%

31%

30%

20%

19%

18%

23%

32%

18%

10% 9%

8%

9%

8%

8%

6%

7%

6%

7%

6%

8%

6%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

0%

Engels

Engels VABB-WoS

◆ Engels VABB-GP

11.6 VERSCHUIVINGEN IN TAALGEBRUIK

■ Nederlands

■ Andere talen

Tabel 11.3 toont dat de VABB-WoS publicaties, zowel artikelen in tijdschriften als proceedingsbijdragen, over het hele tijdsvenster in

Naast een groei van het aantal publicaties, worden in de literatuur

grote meerderheid (respectievelijk ~95% en ~97%) Engelstalig zijn.

ook verschuivingen in publicatiegedrag gerapporteerd, in het

De stijging van het aantal Engelstalige publicaties in het VABB-SHW

bijzonder een toename van het aantal Engelstalige publicaties

(figuur 11.3) gaat met andere woorden hand in hand met de

(Kyvik, 2003; Prpic, 2007). Ook in het VABB-SHW stellen we vast

toename van het aantal VABB-WoS publicaties (figuur 11.2).

dat Engels steeds belangrijker wordt als wetenschapstaal, ook in

Tegelijk blijkt uit Tabel 11.3 eveneens een lichte stijging tot meer

de sociale en humane wetenschappen (Engels et al., 2012).

dan 45% van het aandeel Engelstalige VABB-GP artikelen en een

Zoals figuur 11.3 illustreert, steeg het percentage Engelstalige

sterke stijging tot meer dan 80% van het aandeel Engelstalige

publicaties dat werd opgenomen in het VABB-SHW, over alle

VABB-GP proceedings. De boekpublicaties opgenomen in VABB-

publicatietypes heen in de loop van de periode 2000 tot 2011 van

GP zijn voor het merendeel Engelstalig (~75%) en dit aandeel

60,4% naar 75,9%, terwijl andersom het aandeel Nederlandstalige

blijft stabiel doorheen de tijd. Het Engelstalige karakter van

publicaties afnam van 30,3% naar 18,5%. Gelijktijdig kende ook

opgenomen boekpublicaties kan grotendeels worden verklaard

het aandeel van publicaties in andere talen een daling van 9,3%

doordat vooral internationaal georiënteerde uitgevers door het GP

naar 5,6%.

werden geselecteerd.

In figuur 11.3 is verder ook te zien dat het aandeel Engelstalige VABB-GP publicaties afnam van 35,0% naar 31,6% terwijl het aandeel Engelstalige VABB-WoS publicaties toenam van 25,5% naar 44,9%. De vraag stelt zich in hoeverre deze laatste stijging positief correleert met de sterke stijging van het aantal publicaties in het VABB-WoS (figuur 11.2).

189


11

190

Tabel 11.3: Evolutie van het gebruik van het Engels als publicatietaal binnen het VABB-GP en het VABB-WoS Engels in

VABB-GP

VABB-WoS

2000-2002

2003-2005

2006-2008

2009-2011

Totaal

Artikelen

41,0%

42,8%

43,7%

46,6%

43,6%

Boekpublicaties

73,3%

73,6%

78,6%

73,9%

75,0%

Proceedings

57,6%

69,0%

77,3%

80,5%

73,2%

Artikelen

93,6%

95,0%

95,3%

95,1%

94,9%

Proceedings

94,8%

98,9%

95,9%

98,3%

97,3%

Figuur 11.4: Aandeel publicaties in het Engels, in het Nederlands en in andere talen per discipline (VABB-GP en VABB-WoS)

Archeologie Wijsbegeerte Taalkunde

Communicatiewetenschappen

100% 80%

Criminologie

60%

Sociologie

Economie

40% 20%

Sociale gezondheidswetenschappen

0%

Geschiedenis

Godgeleerdheid

Rechtswetenschappen

Psychologie

Kunstgeschiedenis

■ Engels

Politieke wetenschappen

Letterkunde Pedagogie

■ Nederlands ■ Andere talen

Figuur 11.4 geeft een overzicht van het aandeel publicaties in het

Binnen de disciplines letterkunde en taalkunde zien we het belang

Engels, in het Nederlands en in andere talen per in het VABB-

van publicaties in andere talen dan het Nederlands of het Engels:

SHW onderscheiden discipline. Globaal genomen zien we dat het

respectievelijk 29,1% en 21,6% van de publicaties werden in

Engels de belangrijkste plaats inneemt als publicatietaal binnen het

andere talen dan het Nederlands of het Engels geschreven.

VABB-SHW. Uitschieters zijn de disciplines psychologie, sociale

Dit toont aan dat binnen het VABB-SHW verschillende forumtalen

gezondheidswetenschappen en economie met respectievelijk

vertegenwoordigd zijn.

90,1%, 89,7% en 88,8% Engelstalige publicaties. De disciplines waarin het vaakst in het Nederlands wordt gepubliceerd zijn rechtswetenschappen (61,2%) en criminologie (57,0%). In de overige disciplines wordt meer in het Engels dan in het Nederlands gepubliceerd.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

191

Tabel 11.4: Evolutie van het aandeel van publicatietypen in het VABB-SHW (VABB-GP en VABB-WoS) Artikelen in tijdschriften

Totaal Totaal artikelen artikelen in in tijdschriften tijdschriften

Boeken als auteur

Boeken als editor

Hoofdstukken in boeken

Totaal boeken

Totaal

VABB-GP VABB-WoS

VABB-SHW VABB-SHW

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP

VABB-GP VABB-GP

VABB-SHW VABB-SHW

2000-2002

#

3.875

1.937

5.812

118

155

890

1.163

7.164

%

66,7%

33,3%

81,1%

10,1%

13,3%

76,5%

16,2%

97,4%

2003-2005

#

4.582

2.943

7.525

126

211

1.181

1.518

9.366

%

60,9%

39,1%

80,3%

8,3%

13,9%

77,8%

16,2%

96,6%

2006-2008

#

4.833

4.635

9.468

187

275

1.481

1.943

11.714 11.714

%

51,0%

49,0%

80,8%

9,6%

14,2%

76,2%

16,6%

97,4%

2009-2011

#

4.543

6.354

10.897 10.897

183

411

2.143

2.737

14.020 14.020

%

41,7%

58,3%

77,7%

6,7%

15,0%

78,3%

19,5%

97,2%

11.7 VERSCHUIVINGEN IN PUBLICATIETYPE Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de sociale en humane

11.8 TOEKOMSTPERSPECTIEVEN EN ONDERZOEK OP BASIS VAN HET VABB-SHW

wetenschappen in Vlaanderen zich de afgelopen 12 jaar vaker op internationaal georiënteerde tijdschriften zijn gaan richten. Meer en

Het BOF-besluit ‘12 voorziet in een jaarlijkse actualisering van het

meer werd de voorkeur gegeven aan tijdschriften die worden

VABB-SHW alsook in mogelijkheden tot verdere uitbreiding van

verwerkt door het WoS (Ossenblok, Engels, & Sivertsen, 2012).

de publicatietypen, onder meer met geannoteerde corpora,

In deze paragraaf richten we ons niet op verschuivingen binnen

en aanpassing van het VABB-telschema. Om de toekomstige

één publicatietype maar bekijken we of we eveneens evoluties

verdere opbouw van het VABB-SHW te verzekeren zal jaarlijks

over de verschillende publicatietypes heen kunnen vaststellen.

op 1 mei een nieuwe levering van bijkomende publicaties uit

In de literatuur werd immers reeds een decennium geleden,

het voorgaande kalenderjaar door de bevoegde diensten van de

althans voor de humane wetenschappen, een toenemend gebruik

universiteiten aan ECOOM plaatsvinden. Het GP onderzoekt parallel

van het tijdschriftartikel als publicatiemedium geponeerd (Thomson,

of er een verdere verfijning of aanpassing van de tijdschriften-,

2002). Recent nog verwoordde Diana Hicks (2013) de vrees dat

uitgevers- en boekselectie mogelijk is, hoe geannoteerde corpora

de wijd verbreide nadruk op tijdschriftartikelen onderzoekers

technisch kunnen worden gedefinieerd en of het VABB-telschema

ontmoedigt nog tijd te investeren in het publiceren van boeken.

opnieuw dient te worden aangepast ten einde te voorzien in een meer gedifferentieerde weging per publicatietype. Begin 2013

Tabel 11.4 geeft de evolutie weer van het aandeel tijdschrift-

besliste het GP alvast om ook een selectie van boekpublicaties op

artikelen en boekpublicaties over alle disciplines heen. De stabiliteit

reeksniveau in te voeren.

van het aandeel tijdschriftpublicaties en, bijgevolg, het aandeel boekpublicaties valt meteen op. Binnen Vlaanderen stellen we

Daarnaast blijft het VABB-SHW ook een voorwerp van en bron

voor het geheel van de sociale en humane wetenschappen in

voor wetenschappelijk onderzoek over diverse aspecten van het

de periode 2000-2011 een lichte stijging (+3,3%) van het boek

publicatiegedrag in de sociale en humane wetenschappen in

als publicatiemedium vast. Deze stijging in de laatste driejarige

Vlaanderen en de evolutie hiervan. Op die wijze levert het

periode (2009-2011) wordt quasi integraal verklaard door de

VABB-SHW ook informatie die toelaat om evoluties in het

opname vanaf 2009 van GPRC-gelabelde boekpublicaties (7,0%

publicatiegedrag van Vlaamse onderzoekers internationaal te

van 2737) en de individuele boekselectie (14,0% van 2737).

vergelijken. In een eerste vergelijkend Noors-Vlaams onderzoek werd aangetoond dat zowel in Noorwegen als in Vlaanderen steeds meer in het Engels gepubliceerd wordt, dit als deel van het internationaliseringsproces. Verder werd een verschil voor beide regio’s vastgesteld in het aantal artikelen geïndexeerd in WoS, wat mede verklaard kan worden door de verschillen in de respectieve financieringsmodellen (Ossenblok et al., 2012).


11

192

Naast een algemene beschrijving van de veranderende publicatie-

We constateerden ook een lichte verschuiving naar boeken

patronen in de sociale en humane wetenschappen (Engels et al.,

als publicatietype, wat grotendeels verklaard kan worden door

2012) en een vergelijking over de verschillende versies van het

de opname van individuele boekpublicaties aan de hand van

VABB-SHW heen (Verleysen et al., 2012), werd ook de discipline

het GPRC-label en de individuele boekselectie van het GP.

geschiedenis nader onderzocht. Uit dit laatste onderzoek blijkt dat

Hoewel met andere woorden wel meer wordt gepubliceerd,

historici verbonden aan Vlaamse universiteiten in verschillende

vaker in het Engels en vaker in tijdschriften die in het WoS

talen publiceren en dit zowel in publicatiekanalen met en zonder

worden verwerkt, zijn er geen aanwijzingen dat er vandaag naar

gebruik van peer review. Publicaties in boekvorm bekleden

verhouding meer in tijdschriften en minder in boeken wordt

onverminderd een belangrijke plaats, al is de Nederlandstalige

gepubliceerd.

historische monografie momenteel nog ondervertegenwoordigd in het VABB-SHW (Verleysen & Engels, 2012). Onderzoek gericht op samenwerking, toont een stijging in aantal coauteurschappen

11.10 REFERENTIES

binnen zowat alle disciplines van de sociale en humane wetenschappen (Ossenblok, Verleysen, & Engels, 2013). Verder onderzoek zal

• ADAMS, J. & TESTA, J., Thomson Reuters Book Citation Index.

nagaan in hoeverre deze samenwerking voor iedere discipline

In NOYONS, E. NGULUBE, P. & LETA, J. (Eds.), 2011, The 13th

verschillend is over de verschillende publicatietypes heen. Tot slot

conference of the International Society for Scientometrics and

focust het onderzoek op het belang van en de evoluties inzake

Informetrics, pp. 13-18, Durban, South Africa: ISSI, Leiden

boeken als publicatiemedium binnen de sociale en humane wetenschappen (Verleysen & Engels, 2013b).

University and University of Zululand. • ENGELS, T. C. E., OSSENBLOK, T. L. B. & SPRUYT, E. H. J., Changing publication patterns in the social sciences and humanities, 2000-2009. Scientometrics, 2012, 93, pp. 373-390.

11.9 BESLUIT

• ENGELS, T. C. E., SPRUYT, E. H. J., GLÄNZEL, W., & DEBACKERE, K., Het Vlaams Academisch Bibliografisch

Het Vlaamse wetenschapslandschap kende de afgelopen jaren

Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen: instrument

een aantal ingrijpende wijzigingen. Zo besloot de overheid in

ten dienste van een optimaal wetenschapsbeleid? Tijdschrift voor

2003 en in nog sterkere mate in 2008 om een outputgericht

Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid, 2008-09, 2009, pp. 395-403.

financieringssysteem in te voeren waarbij onder meer het aantal

• FRY, J., CREASER, C., BUTTERS, G., CRAVEN, J., GRIFFITHS,

publicaties van vorsers van elke Vlaamse universiteit een belangrijke

J. & HARTLEY, D., Communicating knowledge: How and why

invloed heeft op de verdeling van de financieringsmiddelen, in het

researchers publish and disseminate their findings. Supporting

bijzonder voor wetenschappelijk onderzoek. Om deze wijze van

paper 4: Literature review, 2009, London: Research information

financieren zo billijk mogelijk te laten verlopen door de gegevens van

Network.

zoveel als mogelijk disciplines hierbij te betrekken, werd besloten

• GHESQUIÈRE, P., VAN BENDEGEM, J.-P., GILLIS, S.,

tot de opbouw van een databank met de publicatiegegevens

WILLEMS, D. & CORNELISSEN, K., Het VABB-SHW: eerste

van de sociale en humane wetenschappen, het VABB-SHW.

versie klaar, nu verfijnen. In DEBACKERE, K. & VEUGELERS, R. (Eds.), Vlaams Indicatorenboek 2011, pp. 260-264, 2011,

De VABB-SHW databank maakt het niet alleen mogelijk

Brussel: Expertisecentrum O&O Monitoring.

publicaties uit deze wetenschapstakken, die door hun beperkte

• HICKS, D., One size doesn't fit all: On the co-evolution of

indexering in het WoS anders goeddeels over het hoofd zouden

national evaluation systems and social science publishing.

worden gezien, toch in rekening te brengen in de parametrisch

Confero, 2013, 1, pp. 67-90.

gestuurde verdeelmodellen, maar biedt ook de gelegenheid evoluties

• KYVIK, S. (2003). Changing trends in publishing behaviour

vast te stellen in het communicatiepatroon van de sociale en humane

among university faculty, 1980-2000. Scientometrics, 2003, 58,

wetenschappen. Zo stelden we in dit hoofdstuk vast dat Vlaamse

pp. 35-48.

vorsers in de sociale en humane wetenschappen de voorbije 12 jaar

• MARTIN, B., TANG, P., MORGAN, M., GLÄNZEL, W.,

jaarlijks beduidend meer gingen publiceren. We noteerden eveneens

HORNBOSTEL, S., LAUER, G. et al.,Towards a Bibliometric

een duidelijke stijging van het aantal en aandeel Engelstalige

Database for the Social Sciences and Humanities - A European

publicaties en konden die deels verklaren door een zeer uitgesproken

Scoping Project: A report produced for DFG, ESRC, AHRC,

stijging van het aantal en aandeel in het WoS geïndexeerde

NWO, ANR and ESF, 2010, Sussex: Science and Technology

publicaties.

Policy Research Unit.


B I B LI O M ETR I S C H E ANALYS E VAN H ET VL A AM S E U N IVE RS ITAI R E O N D E RZO E K I N D E S O C IALE E N H U M AN E W ETE N S C HAP P E N A AN D E HAN D VAN H ET VAB B- SW H

• MOED, H. F., LINMANS, A. J. M., NEDERHOF, A., ZUCCALA, A., LÓPEZ ILLESCAS, C. & DE MOYA ANEGÓN, F., Options for a Comprehensive Database of Research Outputs in Social Sciences and Humanities. Research report to de Project Board of the Scoping Study "Towards a bibliometric database for the Social Sciences and Humanities", 2009, Leiden & Madrid: CWTS & CSIC. • OSSENBLOK, T. L. B., ENGELS, T. C. E. & SIVERTSEN, G., The representation of the social sciences and humanities in the Web of Science. A comparison of publications patterns and incentive structures in Flanders and Norway (2005-9). Research Evaluation, 2012, 21, pp. 280-290. • OSSENBLOK, T. L. B., VERLEYSEN, F. T. & ENGELS, T. C. E., Co-authorship of journal articles and book chapters in the Social Sciences and Humanities (2000-2010). Journal of the American Society for Information Science and Technology, 2013, ter perse. • PRPIC, K., Changes of scientific knowledge production and research productivity in a transitional society. Scientometrics, 2007, 72, pp. 487-511. • SIVERTSEN, G., A performance indicator based on complete data for the scientific publication output at research institutions. ISSI Newsletter, 2010, 6, pp. 22-28. • THOMPSON, J. W., The death of the scholarly monograph in the humanities? Citation patterns in literary scholarship. Libri, 2002, 52, pp. 121-136. • VERLEYSEN, F. T. & ENGELS, T. C. E., Historical publications at Flemish universities, 2000-2009. Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 2012,42, pp. 110-143. • VERLEYSEN, F. T. & ENGELS, T. C. E., A label for peer reviewed books. Journal of the American Society for Information Science and Technology, 2013, 64, pp. 428-430. • VERLEYSEN, F. T. & ENGELS, T. C. E., Measuring internationalisation of book publishing in the Social Sciences and Humanities using the barycentre method, 2013, Paper to be presented at ISSI 2013 in Vienna. • VERLEYSEN, F. T., OSSENBLOK, T. L. B. & ENGELS, T. C. E., Een veld in beweging: onderzoeksevaluatie in de sociale en humane wetenschappen. Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2012, 2011-12, pp. 345-351.

193


194

11


D E VL A AM S E T E C H N O LO G I E PO S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E PO-, U S PTO- E N PC T- O C T R O O I E N Door Julie Callaert (KU Leuven), Xiaoyan Song (KU Leuven), Mariëtte Du Plessis (KU Leuven), Koenraad Debackere (KU Leuven) en Bart Van Looy (KU Leuven)

195


12

196

12.1 HET BELANG VAN OCTROOISTATISTIEKEN

Octrooigebaseerde indicatoren bieden immers een rijk en gedetailleerd inzicht in het proces van technologische vooruitgang.

Alvorens de analyse van de Vlaamse octrooigegevens aan te

Daarbij kunnen ze gebruikt worden om een zicht te krijgen op de

vatten, schetsen we kort de achtergrond van octrooien en

mate van innovatie binnen een organisatie, een regio, een land,…

octrooisystemen. De Amerikaanse econoom Zvi Griliches (Journal

Bij het lezen en interpreteren van octrooigebaseerde statistieken

of Economic Literature, 1990) geeft een duidelijke omschrijving

dient opgemerkt te worden dat niet alle uitvindingen worden

van wat het doel is van het proces van octrooieren.

geoctrooieerd, of nog: dat niet alle innovaties berusten op geoctrooieerde uitvindingen. Echter, zoals de daarnet geciteerde

“A patent is a document, issued by an authorized governmental

Griliches verder stelt: “In this desert of data, patent statistics loom

agency, granting the right to exclude anyone else from the

up as a mirage of wonderful plentitude and objectivity”. Voor wie

production or use of a specific new device, apparatus or process

technologische vooruitgang wil meten en monitoren, vormen

for a stated number of years. The grant is issued to the inventor of

octrooien met andere woorden een unieke en zeer betrouwbare

this device or process after an examination that focuses on both

gegevensbron, ook al zijn ze slechts één van de mogelijke

the novelty of the claimed item and its potential utility. The right

benaderingen (naast bijvoorbeeld de rechtstreekse bevraging van

embedded in the patent can be assigned by the inventor to

onderzoeksinstellingen en ondernemingen) die voor dergelijke

somebody else, usually to his employer, a corporation and/or sold

metingen mogelijk zijn. Mede dankzij hun betrouwbaarheid en

to or licensed for use by somebody else. This right can be enforced

hun beschikbaarheid zijn octrooianalyses en octrooistatistieken

only by the potential threat of or an actual suit in the courts for

de laatste jaren uitgegroeid tot een basisonderdeel van alle

infringement damages”.1

indicatorenstelsels voor Wetenschap, Technologie en Innovatie, en dit zowel op Europees niveau als op OESO-niveau.

Het octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te

Deze vaststelling wordt mee ingegeven door ettelijke jaren van

beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie verzekert

econometrisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat

men voor de uitvinder voldoende vruchten uit innovatieve

technologie en kenniscreatie significante productiefactoren zijn in

inspanningen. Dit moet ervoor zorgen dat de prikkels om te

het economische gebeuren. Met andere woorden, economische

innoveren voldoende hoog zijn en dat er bijgevolg voldoende

vooruitgang wordt in sterke mate bepaald door technologische

innovatieve

de

vooruitgang. Voldoende reden dus om de nodige aandacht te

technologische vooruitgang van ondernemingen, regio’s en

besteden aan de topografie van het octrooilandschap in Vlaanderen.

inspanningen

ondernomen

worden,

die

landen ten goede komen. In ruil voor het toekennen van een monopolie wordt wel geëist dat de informatie betreffende de

In wat volgt richten we ons in eerste instantie op de twee ‘grote’

vinding publiek wordt gemaakt. De publieke toegankelijkheid

octrooisystemen in de wereld: het Amerikaanse octrooisysteem

van informatie vervat in octrooidocumenten leidt tot een bredere

(op basis van gegevens van het U.S. Patent and Trademark Office,

diffusie van technologische innovaties. Daarenboven voorkomt de

USPTO) en het Europese octrooisysteem (op basis van gegevens

publieke beschikbaarheid van informatie over geoctrooieerde

van het European Patent Office, EPO). Daarnaast wordt een analyse

vindingen het nutteloos dupliceren van O&O-inspanningen,

verricht van aangevraagde octrooien die via de wereldwijde PCT

wat kan bijdragen tot een snellere technologische vooruitgang.

(‘Patent Cooperation Treaty’) procedure lopen. Deze procedure laat

Tenslotte kan men stellen dat octrooisystemen het makkelijker

toe om een octrooiaanvraag in te dienen bij de 146 aangesloten

maken om technologische kennis te verhandelen, omwille van de

landen. Binnen de procedure wordt in een eerste fase een

aanwezigheid van duidelijk afgelijnde eigendomsrechten. Dit laatste

internationaal onderzoek uitgevoerd dat resulteert in een rapport

wordt weerspiegeld in het ontstaan van zogenaamde “markets

inzake ‘prior art’ inclusief een eerste advies inzake octrooieer-

2

for technology ”. Hoewel recent vragen gesteld worden bij de

baarheid. In een volgende fase heeft de octrooiaanvrager twee

doeltreffendheid van het octrooisysteem om innovatie te

opties. Ofwel vraagt men een grondige internationale analyse aan

3

bevorderen (zeker voor wat betreft het USPTO) , blijven octrooien

inzake octrooieerbaarheid binnen het PCT-protocol, ofwel start men

nog steeds een van de meest beschikbare en bereikbare

met de uiteindelijke toekenningsprocedure die verder afgehandeld

gegevensbronnen om het proces van technologische ontwikkeling

wordt door de gemachtigde regionale autoriteiten (USPTO, EPO,

te bestuderen en in kaart te brengen.

JPO,…) waarvoor de aanvrager uiteindelijk bescherming vraagt.

1 Grilliches, Z. (1990), ‘Patent Statistics as Economic Indicators: A Survey’, Journal of Economic Literature, 28, pp. 1661-1707. 2 Arora, A., Fosfuri, A. en A. Gambardella (2004), Markets for Technology, Cambridge, MA: The MIT Press. 3 Boldrin, M. en D.K. Levine (2013), The Case against Patents, Journal of Economic Perspectives, Vol. 27, No. 1: 3-22.


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

In het laatste geval wordt een aanvraag gepubliceerd na 18 maanden;

In het geval van co-uitvindingen of co-aanvragen waarbij

in het eerste geval wordt de termijn voorafgaandelijk aan publicatie

verschillende landen of regio’s betrokken zijn, worden deze

verlengd tot 30 maanden.

octrooien geteld voor alle betrokken entiteiten (het zogenaamde ‘full count’ principe).

Bij de hierna gerapporteerde analyses moet steeds het onderscheid gemaakt worden tussen het Amerikaanse en het Europese octrooisysteem. Beide systemen hanteren immers niet steeds dezelfde procedures. Zo werden Amerikaanse octrooien tot 2000 pas

12.2 OCTROOIEN IN BELGIË EN VLAANDEREN: EPO, USPTO EN PCT

bekendgemaakt na (en dus enkel in geval van) toekenning, terwijl alle Europese octrooiaanvragen 18 maanden na aanvraag

Zoals blijkt uit figuur 12.1, tekent zich een duidelijk stijgende trend

publiek worden gemaakt via publicatie in de ‘European Gazette’.

af voor het aantal aangevraagde EPO-octrooien met Belgische

Bovendien zijn de data die betrekking hebben op aanvragen binnen

en/of Vlaamse aanvrager of uitvinder. In de periode 2001-2002

het Amerikaans octrooisysteem tot op vandaag erg onvolledig,

zien we een zekere stagnatie optreden; vanaf 2003 stijgen de

hoofdzakelijk wat betreft informatie die betrekking heeft op

cijfers opnieuw. Deze evolutie valt samen met een analoog

de aanvrager. Voor de meerderheid ontbreekt adresinformatie,

patroon inzake O&O-uitgaven, zoals elders in deze publicatie

wat een allocatie naar landen en regio’s bemoeilijkt of onmogelijk

wordt gerapporteerd. Voor de cijfers na 2009 dient men rekening

maakt. Daarnaast kan men vaststellen dat tal van deze Amerikaanse

te houden met de gangbare EPO-publicatiepraktijk waarbij

aanvragen in een eerste fase worden ingediend door professionele

octrooiaanvragen pas 18 maanden na de aanvraag van het octrooi

dienstverlenende bedrijven, waarbij de ‘reële’ octrooiaanvrager

bekendgemaakt worden. Dit verklaart de daling in aantallen die

(of de entiteit aan wie de intellectuele eigendomsrechten toekomen)

zich manifesteert in 2009 en vooral in 20104. De trends voor

pas bekend wordt bij de feitelijke toekenning van het octrooi.

Vlaanderen en België zijn gelijklopend, met een relatief stabiel

In die zin is het ontwikkelen van betrouwbare statistieken op

Vlaams aandeel van ongeveer 65% in de Belgische octrooien,

nationaal of regionaal niveau aan de hand van USPTO-aanvragen

over de voorbije 20 jaar.

nog steeds niet mogelijk. De hierna volgende analyses betreffen derhalve voor het Europese systeem wel indicatoren van

Ook inzake PCT-aanvragen met Belgische aanvrager of uitvinder

aangevraagde én toegekende octrooien, maar voor het Amerikaanse

(figuur 12.2) wordt een duidelijk stijgende trend vastgesteld:

systeem beperken we ons noodzakelijkerwijze tot toegekende

van een paar honderd aanvragen bij het begin van de jaren ’90

octrooien. Voor PCT-aanvragen stelt zich een analoog probleem op

tot bijna tweeduizend aanvragen naar 2010 toe. Deze groei,

het niveau van adresinformatie. Enkel landcodes zijn systematisch

hoewel wat stagnerend vanaf 2007, is beduidend hoger dan wat

beschikbaar; meer gedetailleerde adresgegevens die toelaten om

geobserveerd wordt in het EPO-systeem en duidt als dusdanig op

een regionale allocatie (op het niveau van Vlaanderen, Brussel,

een toenemend belang van internationale octrooiaanvragen.

Wallonië) uit te werken ontbreken in regel. Een regionale uitsplitsing van de PCT-aanvragen is om die reden dan ook niet mogelijk.

Zoals gesignaleerd in de inleiding bevat de meerderheid van de beschikbare PCT-aanvragen geen adresinformatie, wat een

Een laatste opmerking betreft twee onderscheiden hoofdanalyses

betrouwbare allocatie naar regio’s in de weg staat. Wel kunnen we

voor octrooien: de analyse naar aanvrager en de analyse naar

opmerken dat voor de 11% van de PCT-aanvragen waar

uitvinder. De uitvinders zijn zij die het intellectuele vaderschap van

adresinformatie wel beschikbaar is, de helft kan toegewezen

het octrooi conform de gangbare juridische definities kunnen

worden aan Vlaanderen.

opeisen. De aanvragers zijn zij die de eigendomsrechten van het octrooi verwerven. Uitvinders zijn steeds individuen; aanvragers zijn vaak organisaties, in het bijzonder ondernemingen. Als regel – en tenzij anders vermeld – hanteren we in de hiernavolgende analyses de logica dat een octrooi wordt toegewezen aan een regio of land indien de uitvinder of aanvrager deel uitmaakt

12.2.1

EPO-toekenningen

Bovenstaande EPO-analyses betreffen aangevraagde octrooien. Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien (al) toegekend.

van de regio of het land.

4 De data voor deze analyses hebben betrekking op octrooiaanvragen gepubliceerd tot en met december 2011.

197


12

198

Figuur 12.1: Aangevraagde EPO-octrooien met Belgische of Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1980 – 2011)

3.000

90% 80%

2.500 60%

2.000

50% 1.500 40%

Aandeel

Aantal octrooien

70%

30%

1.000

20% 500 10% 0% 2010

2011

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

0

Jaar van aanvraag

■ BE ■ VL ■ Aandeel Vlaanderen

Figuur 12.2: Aangevraagde PCT-octrooien met Belgische aanvrager of uitvinder (periode 1993 – 2011)

2.500

Aantal octrooien

2.000

1.500

1.000

500

0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Jaar van aanvraag

Van de 37.461 EPO-aanvragen met Belgische aanvrager of

Net als het aantal aanvragen, stijgt ook het aantal toegekende

uitvinder (1980-2010) werden er op het ogenblik van de analyses

octrooien voor België en Vlaanderen. De stijging zet zich door tot

voor dit Indicatorenboek 17.440 toegekend. Afgerond komt dit neer

2000, waarna een daling begint die vanaf 2006 erg uitgesproken

op een toekenningsratio van 47%. Voor wat Vlaanderen betreft

is. Deze daling is in de eerste plaats het gevolg van de aanzienlijke

stellen we vast dat 12.026 van de 23.621 EPO-aanvragen met Vlaamse

tijdsperiode die nodig is voor het definitief toekennen van een

aanvrager of uitvinder – dus 51% – werd toegekend (zie figuur 12.3).

octrooi.


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

199

Figuur 12.3: Distributie van toegekende EPO-octrooiaanvragen voor België en Vlaanderen over de periode 1980-2011 – Verhouding toegekende/aangevraagde EPO octrooien

1.000

80%

900

70%

800

50%

600 500

40%

400

30%

300

Verhouding

Aantal octrooien

60% 700

20%

200 10%

100

0% 2011

2010

2008

2009

2007

2006

2005

2004

2002

2003

2001

1999

2000

1998

1997

1996

1994

1995

1993

1991

1992

1990

1988

1989

1987

1986

1985

1983

1984

1981

1982

1980

0

Jaar van aanvraag

■ Aantal toegekende octrooien voor BE ■ Aantal toegekende octrooien voor VL ■ Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor BE ■ Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor VL

Over de gehele beschouwde tijdsperiode, en vooral merkbaar

Daar waar men binnen EPO een afname waarneemt vanaf 2001

vanaf midden jaren ’90, is een daling zichtbaar in de verhouding

(terwijl de aanvragen een stijgende trend laten zien, zie figuur

toegekende/aangevraagde octrooien. Merk op dat, tot 2000,

12.1), treedt deze afname binnen het USPTO-systeem pas op rond

de verhouding tussen aantal toegekende en aangevraagde

2006. Daarnaast wordt duidelijk dat er de laatste jaren meer

octrooien ongeveer 65% bedroeg5. Tot deze periode geven de

Belgische en Vlaamse octrooiactiviteit is binnen het USPTO-

data een accuraat beeld van aantal toegekende octrooien.

systeem dan binnen het EPO-systeem. Het verschil in kosten en benodigde investeringen tussen beide systemen speelt hier

In figuur 12.4 kan men analoge trends vaststellen voor de evolutie

ongetwijfeld een rol.

in het aantal toegekende USPTO-octrooien (vergeleken met figuren 12.1 en 12.4). De octrooivolumes voor Vlaanderen en België vertonen een stijgende trend tot 2006. De hiernavolgende daling is opnieuw te verklaren door de duurtijd van de USPTOtoekenningsprocedure. Het aandeel van Vlaanderen binnen België blijft relatief stabiel over de beschouwde periode en bedraagt gemiddeld 67%. Een vergelijking van de figuren 12.3 en 12.4 brengt aan het licht dat de gemiddelde toekenningsperiode binnen het Europese patentsysteem een langere tijdsperiode bestrijkt dan die binnen het Amerikaanse systeem.

12.2.2 Belgische/Vlaamse versus Buitenlandse aanvragers Wanneer men nagaat hoeveel van de octrooien met (een) Belgische en/of Vlaamse uitvinder(s) ook (een) Belgische/Vlaamse dan wel buitenlandse aanvrager(s) hebben, dan worden de trends vanuit vorige Indicatorenboeken bevestigd. Bij 35% van alle EPO-octrooiaanvragen met Belgische uitvinder(s) is geen Belgische aanvrager betrokken. Het grootste aandeel van deze octrooiaanvragen betreft Amerikaanse aanvragers (34%), gevolgd door Franse en Duitse (elk 17%) en tenslotte Nederlandse (11%) en Zwitserse (4%). Ook voor de Vlaamse octrooiaanvragen stelt men vast dat in 35% van de gevallen enkel buitenlandse aanvragers betrokken zijn.

5 Een gelijkaardige proportie, alsook de daling die zich inzet vanaf midden jaren ’90, observeert men voor referentielanden zoals o.m. Duitsland, VK, VS, Frankrijk, Nederland, Finland en Zweden.


12

200

Figuur 12.4: Aantal toegekende USPTO-octrooien met Belgische versus Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1980 – 2011)

1.600

90%

1.400

80% 70% 60%

1.000

50% 800 40% 600

30%

400

20%

200

10%

Aandeel Vlaanderen

Aantal octrooien

1.200

0% 2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

0

Jaar van aanvraag

■ BE ■ VL ■ Aandeel Vlaanderen

Ook qua betrokken landen zijn de Vlaamse cijfers een

Binnen de referentiegroep bekleedt België een tiende plaats en

weerspiegeling van de Belgische cijfers. Koploper is de VS (30%);

Vlaanderen een achtste plaats voor wat betreft het aantal EPO-

dan volgen Duitsland en Frankrijk (resp. 19% en 18%), Nederland

octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2008. De rangschikking

(12%) en Zwitserland (4%). De percentages voor toegekende EPO-

wordt aangevoerd – in respectievelijke volgorde – door Zwitserland,

octrooien zijn identiek, zowel op Belgisch als op Vlaams niveau.

Luxemburg6, Zweden en Finland. Duitsland vervolledigt de top 5. Vlaanderen situeert zich in de buurt van Denemarken (positie 7)

Deze cijfers liggen enigszins anders voor de toegekende USPTO-

en Oostenrijk (positie 9). Waar deze positie van België en

octrooien. Hier is 53% van de octrooien met (een) Belgische

Vlaanderen – in het midden van de referentiegroep – op het

uitvinder(s) exclusief in handen van buitenlandse aanvragers.

eerste zicht als ‘middelmatig’ kan overkomen, dient men voor

Het merendeel betreft opnieuw Amerikaanse aanvragers (53%),

ogen te houden dat de gekozen referentielanden samen instaan

gevolgd door Nederland (12%), Duitsland en Frankrijk (elk 9%),

voor 95% van de octrooiactiviteiten: in een mondiale rangschikking

en tenslotte het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Japan (elk 2%).

behouden België en Vlaanderen m.a.w. deze positie.

Het Vlaamse en Belgische patroon valt hier opnieuw nagenoeg samen.

Inzake toegekende octrooien binnen het USPTO-systeem bekleden België en Vlaanderen respectievelijk een vijftiende en

Internationale Vergelijking Ook internationaal is een significante toename zichtbaar van octrooigedrag voor nagenoeg alle voor Vlaanderen en België relevante ‘referentie’-landen, zowel voor EPO-octrooiaanvragen, PCT-aanvragen en USPTO-octrooien. Dit wordt weergegeven in de tabellen 12.1, 12.2 en 12.3, waar voor alle referentielanden de octrooivolumes per miljoen inwoners doorheen de tijd worden

een dertiende plaats. Koplopers zijn hier Japan, de VS, Zwitserland, Korea en Luxemburg. Binnen Europa laat Vlaanderen o.m. Frankrijk, het VK, Denemarken, Italië en Spanje achter zich. Wat PCT-aanvragen betreft, bekleedt België een elfde plaats. De rangschikking wordt hier aangevoerd door Zwitserland, Zweden, Luxemburg, Finland, Nederland, Denemarken, Duitsland, Japan, de VS en Oostenrijk.

weergegeven. 6 Inzake de positie van Luxemburg dient opgemerkt te worden dat Luxemburg gekenmerkt wordt door een populatie van minder dan een half miljoen inwoners. De indicator octrooien/miljoen inwoners impliceert voor Luxemburg als enige land in de vergelijking dan ook een vermenigvuldiging van de absolute cijfers met een factor > 1 (+/-2). In absolute aantallen liggen de cijfers voor Luxemburg m.a.w. lager dan wat de tabel op het eerste gezicht suggereert.


108,4

136,7

157,8

166,0

176,5

175,4

173,6

192,6

204,0

222,4

229,7

226,6

216,2

188,5

69,5

11,3

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

10

104,1

1995

rang 2008

BE

99,2

Jaar

8

15,2

76,3

213,2

255,3

258,8

261,9

270,7

228,7

219,0

197,7

194,0

199,1

199,9

193,2

169,0

139,8

132,1

124,0

VL

9

32,4

104,8

239,5

247,6

272,1

250,5

239,5

237,6

224,4

211,4

202,5

180,0

160,0

154,7

126,3

114,3

113,0

99,5

AT

18

4,7

27,4

77,5

83,2

90,2

93,1

89,9

88,3

78,6

74,8

76,9

75,4

62,2

56,5

43,4

36,6

32,4

28,6

CA

1

46,5

243,6

743,7

827,0

829,2

844,2

790,4

735,0

691,8

679,3

662,7

608,7

546,1

516,9

468,4

389,5

362,3

346,6

CH

5

40,4

139,1

308,1

341,2

343,1

336,9

323,3

309,6

303,3

303,3

306,3

294,4

268,6

243,6

211,1

177,2

168,4

156,3

DE

7

8,5

75,2

262,0

300,8

264,7

259,4

263,5

243,4

229,0

219,1

216,5

198,5

182,4

153,4

142,2

115,4

110,6

99,3

DK

19

3,1

15,2

32,4

35,7

37,3

37,1

35,0

28,4

26,6

27,0

24,3

21,4

19,9

17,6

13,9

10,8

11,3

11,0

ES

4

16,0

75,1

271,5

365,4

366,3

335,5

344,9

328,0

309,6

350,9

374,2

346,3

286,1

242,3

200,9

163,8

151,8

127,8

FI

12

17,1

62,0

162,3

171,9

167,3

171,1

168,5

162,6

156,5

151,0

148,8

145,4

135,2

130,5

115,8

102,4

98,4

94,7

FR

15

7,1

33,4

104,2

113,7

118,9

119,4

120,7

119,2

117,6

120,3

129,8

121,4

108,8

98,8

90,1

81,6

77,1

72,5

VK

20

1,1

3,4

8,5

12,2

10,7

12,6

7,4

10,0

9,9

8,0

7,6

6,8

6,3

7,2

4,2

3,4

3,5

2,6

GR

13

6,6

41,4

136,6

137,7

131,2

146,1

127,7

114,9

115,8

134,6

105,4

106,7

88,4

66,1

59,1

49,7

42,3

36,6

IE

17

12,5

35,1

68,8

86,6

91,5

90,9

89,1

85,3

83,0

79,4

77,1

72,5

65,7

62,5

55,8

49,3

44,3

42,8

IT

11

22,5

60,2

145,4

173,8

173,1

178,9

186,9

182,9

171,4

166,1

179,4

158,3

137,7

128,1

119,1

105,1

92,2

92,2

JP

16

17,0

49,9

78,8

93,3

108,8

114,0

99,4

74,4

53,4

38,6

30,8

25,9

22,9

16,1

12,1

11,1

9,2

8,2

KR

2

52,8

247,0

820,7

775,1

882,0

767,4

839,1

677,0

727,2

596,8

544,4

542,0

533,5

452,6

347,8

289,1

221,9

344,8

LU

Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

1994

Tabel 12.1: NL

6

13,6

80,0

316,2

321,2

362,6

355,2

369,8

366,0

369,2

341,8

308,9

283,2

240,2

221,7

202,9

179,5

164,4

154,7

PT

21

0,9

2,5

13,1

12,1

14,8

13,9

10,8

8,4

6,5

6,0

5,8

5,3

5,6

3,9

3,7

2,7

3,6

2,7

SE

3

15,1

71,1

287,4

437,0

417,9

405,8

373,9

353,0

327,0

340,0

353,3

341,1

314,3

289,7

257,7

215,1

184,1

150,6

VS

14

7,6

28,8

105,7

117,6

128,9

140,8

138,7

134,3

133,4

128,1

131,7

129,5

120,1

110,7

98,6

92,8

84,4

78,8

16,8

73,4

218,3

244,0

252,2

245,9

243,4

223,4

216,5

207,0

202,6

192,3

174,8

158,3

137,1

116,1

105,3

103,5

Gemiddelde

D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

201


95,1

102,1

110,2

109,5

104,5

107,2

109,5

115,3

128,2

99,2

70,5

37,6

20,3

7,7

0,5

15

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

rang 2008

87,1

1996

1998

90,8

1995

1997

BE

70,7

Jaar

13

0,5

9,4

24,2

47,4

89,7

130,8

164,5

141,5

134,8

122,6

131,0

123,7

130,3

119,2

108,7

104,9

112,7

83,1

VL

12

1,0

6,3

20,2

51,2

76,9

91,1

114,4

113,7

103,1

110,0

98,0

92,1

90,3

81,0

72,7

63,2

67,6

58,6

AT

6

1,4

18,0

41,2

79,1

117,6

140,7

151,7

168,1

162,2

166,6

162,4

171,8

162,5

155,8

143,6

118,0

122,1

100,0

CA

3

2,8

30,4

83,9

167,8

267,6

335,0

422,8

417,3

361,9

380,9

388,4

383,0

347,6

319,6

309,8

265,2

289,6

256,3

CH

8

0,8

9,7

28,7

67,2

106,2

138,1

196,3

196,8

169,0

182,0

178,5

175,3

165,7

142,7

139,1

119,6

118,3

103,4

DE

14

1,3

16,6

33,9

46,0

63,3

100,8

144,5

136,5

118,9

126,3

141,1

125,1

123,6

112,4

109,4

84,6

112,5

70,0

DK

19

0,0

0,9

2,5

5,0

7,9

10,4

15,3

13,2

12,2

11,2

12,2

10,6

9,2

8,3

8,9

7,7

7,1

6,0

ES

9

0,6

9,3

25,3

65,5

105,4

162,1

251,1

290,8

289,8

278,3

296,3

285,8

241,7

179,9

182,4

160,1

126,3

105,0

FI

17

0,3

4,5

13,7

28,8

50,0

68,7

99,8

101,1

86,0

86,7

88,9

96,7

91,4

84,7

82,0

70,3

74,3

62,3

FR

16

0,4

5,9

14,3

31,5

50,0

62,0

94,0

99,8

89,1

92,8

93,5

94,7

91,1

83,7

83,0

71,3

74,1

61,1

VK

20

0,2

0,4

0,8

3,2

4,8

4,6

6,1

5,6

3,3

3,8

3,2

3,5

3,9

3,9

2,6

2,2

2,3

2,3

GR

11

1,1

15,2

26,5

51,3

80,9

87,2

109,9

97,1

85,3

95,9

82,2

79,7

68,3

66,9

50,6

39,5

37,2

41,6

IE

18

0,1

1,6

5,9

13,8

22,2

27,6

40,4

41,6

38,0

36,3

38,2

37,0

34,9

31,9

33,1

29,3

29,3

25,2

IT

1

2,4

32,0

89,8

182,7

255,9

311,5

376,1

346,6

316,2

318,4

340,1

316,2

281,7

274,5

295,0

253,8

239,5

215,5

JP

4

1,4

20,1

60,6

119,8

178,2

213,3

209,0

191,8

153,8

125,3

103,8

93,3

83,7

89,7

87,5

81,2

49,5

38,1

KR

5

0

15,9

36,5

82,7

193,2

189,7

262,3

285,7

267,7

317,5

341,7

364,4

229,3

241,7

215,9

194,4

160,2

189,9

LU

10

0,7

8,9

26,3

53,1

108,4

155,2

248,9

240,4

150,9

190,1

223,9

184,3

149,9

120,9

129,8

111,4

104,6

89,4

NL

Internationale vergelijking USPTO-octrooitoekenningen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

1994

Tabel 12.2: PT

21

0,1

0,3

0,6

1,7

2,1

3,3

4,3

3,4

2,5

3,2

2,6

2,8

1,9

2,1

2,1

1,5

1,0

0,9

SE

7

1,1

14,1

34,1

78,0

125,1

171,3

249,7

265,6

218,5

221,2

242,6

272,5

259,9

249,0

233,3

164,9

156,9

133,8

VS

2

3,6

38,5

89,1

180,9

263,3

301,7

340,8

357,9

375,1

389,8

392,2

391,7

370,8

353,7

360,7

309,5

327,8

275,2

1,0

12,7

32,3

66,4

106,6

133,5

172,9

172,8

154,7

160,3

165,0

162,6

145,1

134,5

130,7

111,4

109,7

94,7

Gemiddelde

202

12


183,2

179,7

176,7

166,9

73,1

2007

2008

2009

2010

2011

AT

10

89,7

185,3

178,1

186,2

202,1

202,6

179,6

163,7

151,7

128,6

129,8

107,7

93,0

80,4

58,6

56,1

51,6

40,0

CA

16

52,0

109,7

111,6

130,2

126,3

111,4

100,7

92,5

85,9

88,8

85,5

71,4

55,2

52,9

44,3

37,2

33,0

29,2

CH

1

243,1

579,1

619,5

677,2

599,6

569,9

523,7

467,5

448,5

430,0

381,2

313,4

269,8

218,6

208,0

183,4

142,3

107,3

DE

7

101,4

243,6

240,7

270,0

252,6

235,6

221,2

204,8

191,6

189,5

183,2

163,0

138,2

120,7

101,9

81,7

67,8

54,6

DK

6

105,4

246,4

292,3

301,7

259,8

253,5

242,3

223,8

214,2

207,7

192,7

164,5

157,1

132,8

129,7

120,5

109,9

103,5

Noot: wegens ontbrekende adresinformatie werd geen uitsplitsing naar Vlaanderen gedaan

11

173,2

2006

rang 2008

164,3

97,2

2001

132,0

94,3

2000

2005

81,5

1999

2004

71,0

1998

95,2

54,3

1997

115,6

47,0

1996

2003

40,0

1995

2002

BE

34,0

Jaar

18

16,6

41,7

41,0

37,9

37,1

34,4

31,7

24,0

22,6

22,4

18,8

15,7

14,1

12,2

10,3

8,4

6,4

4,5

ES

4

140,8

357,8

427,1

454,7

407,1

373,3

375,8

332,0

306,6

352,1

342,8

312,7

263,8

223,6

173,6

139,0

139,8

115,0

FI

14

59,0

136,4

144,8

144,7

135,2

126,6

120,1

106,6

102,7

99,1

91,8

79,0

67,9

62,1

52,0

42,4

35,4

30,9

FR

15

56,0

123,0

128,5

141,2

143,7

133,4

128,3

125,8

122,1

120,7

121,7

109,0

92,4

81,0

74,9

66,0

62,0

57,2

VK

20

3,9

10,3

11,6

13,6

11,1

10,9

7,0

9,5

9,4

8,2

7,0

5,7

5,6

4,7

4,7

3,3

2,5

2,7

GR

13

55,1

135,2

147,2

154,3

139,6

135,2

111,4

101,0

94,1

90,0

73,6

65,1

51,4

47,1

39,9

40,1

32,5

28,7

IE

17

21,9

51,9

55,4

62,3

62,4

57,2

50,5

45,8

43,3

41,4

36,2

30,7

24,6

21,3

19,0

14,5

12,2

10,6

IT

8

108,2

236,1

238,8

231,5

222,8

217,4

199,7

162,0

138,4

113,6

96,9

78,3

61,5

50,5

41,6

32,8

23,3

19,4

JP

12

66,6

172,9

157,7

157,5

139,7

118,6

95,3

73,5

59,2

51,8

47,3

32,5

19,0

11,3

7,2

6,8

4,5

4,3

KR

3

191,5

531,8

510,6

506,4

382,2

279,3

294,9

285,7

269,9

308,5

332,6

302,1

346,3

267,7

230,3

128,8

128,2

129,9

LU

Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

1994

Tabel 12.3: NL

5

106,6

297,4

355,9

357,8

344,0

339,3

343,3

320,0

315,5

281,5

247,3

218,2

180,3

150,4

140,2

120,6

103,3

60,7

PT

19

6,1

12,5

19,9

14,3

14,0

10,3

6,3

6,3

4,8

4,7

5,3

3,0

3,1

1,4

1,6

1,5

1,0

1,7

SE

2

129,1

343,0

447,6

509,2

463,5

424,3

365,4

352,3

320,0

367,5

416,5

369,9

366,5

377,5

325,1

256,9

225,9

154,0

VS

9

69,6

154,2

163,5

188,1

198,5

190,6

175,5

161,6

152,1

153,4

159,9

140,5

116,0

104,6

91,3

78,7

65,8

57,4

84,8

206,8

223,4

235,9

216,2

199,9

186,8

169,5

158,4

157,7

153,4

133,8

120,4

104,6

90,4

73,3

64,4

52,3

Gemiddelde

D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

203


12

204

Tabel 12.4: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties – België – EPO-octrooiaanvragen Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Ziekenhuis

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

87,59%

3,74%

0,00%

6,28%

2,09%

0,45%

1992

88,12%

3,29%

0,00%

7,06%

1,29%

0,24%

1993

89,78%

2,61%

0,00%

5,11%

2,28%

0,22%

1994

90,63%

2,27%

0,00%

5,52%

1,38%

0,20%

1995

86,86%

4,44%

0,09%

5,92%

2,59%

0,28%

1996

85,80%

3,11%

0,00%

6,74%

4,17%

0,18%

1997

87,08%

2,90%

0,00%

5,23%

4,31%

0,49%

1998

84,98%

2,87%

0,00%

6,23%

5,80%

0,18%

1999

86,10%

2,64%

0,06%

4,65%

6,32%

0,23%

2000

87,11%

2,18%

0,00%

4,19%

6,58%

0,16%

2001

84,30%

3,24%

0,05%

5,45%

6,91%

0,11%

2002

83,00%

3,36%

0,05%

6,66%

6,61%

0,43%

2003

85,13%

2,53%

0,00%

4,81%

7,29%

0,44%

2004

84,86%

3,63%

0,00%

3,99%

7,03%

0,50%

2005

83,47%

2,92%

0,00%

5,05%

8,35%

0,25%

2006

85,35%

2,90%

0,12%

4,45%

6,83%

0,40%

2007

84,91%

2,95%

0,00%

3,62%

8,16%

0,56%

2008

84,02%

3,45%

0,04%

3,20%

9,05%

0,50%

2009

83,28%

3,61%

0,00%

3,28%

9,60%

0,37%

2010

79,16%

2,54%

0,13%

6,48%

10,67%

1,52%

2011

79,41%

2,21%

0,00%

6,62%

12,50%

0,00%

Gemiddelde

85,20%

3,05%

0,03%

4,89%

6,57%

0,37%

12.3 TECHNOLOGIEONTWIKKELING PER TYPE ORGANISATIE NADER BEKEKEN

Daarnaast kan men vaststellen dat het aandeel van octrooiaanvragen afkomstig van universiteiten (inclusief de interuniversitaire onderzoekscentra IMEC en VIB) stelselmatig groeit. Voor de

In de tabellen 12.4 en 12.5 wordt een overzicht geboden van de

laatste jaren bedraagt het aandeel van universiteiten meer dan

samenstelling van het weefsel qua organisatietype voor wat betreft

10%. Binnen Europa behoren we hiermee tot de koplopers.

het aantal aangevraagde EPO-octrooien. De gegevens worden

Bovendien tonen de gegevens in Bijlage A aan dat, wanneer men

weergegeven voor België en voor Vlaanderen. Voor deze tabellen

het aandeel octrooiaanvragen afkomstig van universiteiten

werd tussen de categorieën niet gefractioneerd geteld: octrooien

relateert aan het aantal octrooien met uitsluitend Belgische of

met meerdere (types) aanvragers worden dus eenmaal toegewezen

Vlaamse aanvragers, dit aandeel naar 15% neigt, en voor

aan elke type aanvrager. Type-overschrijdende co-aanvragen zijn,

Vlaanderen zelfs naar 20%. Zoals ook uit vorige edities van het

als proportie van alle co-aanvragen (zie verderop in tabel 12.7),

Indicatorenboek blijkt, is dit een trend die zich blijft verderzetten.

echter eerder uitzonderlijk. De tabellen 12.4 en 12.5 beschouwen alle aanvragers van octrooien met een Belgische/Vlaamse

De resultaten voor Vlaanderen (tabel 12.5) laten een analoog

aanvrager en/of uitvinder, dus inclusief internationale aanvragers

beeld zien: ook hier valt de stijging op in het aandeel van

van deze octrooien (voor een inschatting van de ordegrootte van

octrooiaanvragen door de universiteiten, in het bijzonder vanaf

dit fenomeen: zie sectie 12.2.2.). Een gelijkaardige tabel waarbij

1996. Dit is de periode na de invoering van de decreten

enkel octrooien met een Belgische/Vlaamse aanvrager worden

betreffende de dienstverlenende opdracht van de universiteiten

beschouwd, is weergegeven in bijlage A. De tabellen 12.4 en 12.5

(inclusief de bepaling van de vermogensrechten op vindingen).

tonen dat bedrijven het merendeel van de octrooiaanvragen voor

Wat betreft het aandeel van academische octrooien scoort

hun rekening nemen (gemiddeld 85%).

Vlaanderen erg hoog (het hoogste aandeel in vergelijking met de groep van referentielanden).


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

205

Tabel 12.5: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties – Vlaanderen – EPO-octrooiaanvragen Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Ziekenhuis

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

89,08%

3,21%

0,00%

4,50%

2,78%

0,64%

1992

91,58%

1,72%

0,00%

5,15%

1,37%

0,17%

1993

92,69%

1,49%

0,00%

3,58%

2,24%

0,00%

1994

92,35%

1,37%

0,00%

4,64%

1,37%

0,27%

1995

88,93%

2,64%

0,00%

5,91%

2,52%

0,25%

1996

87,90%

2,02%

0,00%

4,98%

4,98%

0,12%

1997

90,27%

0,69%

0,00%

4,33%

4,42%

0,29%

1998

84,81%

1,54%

0,00%

6,23%

7,34%

0,17%

1999

85,98%

1,47%

0,00%

5,05%

7,25%

0,24%

2000

86,33%

1,73%

0,00%

4,78%

7,33%

0,08%

2001

85,15%

2,17%

0,00%

5,25%

7,51%

0,00%

2002

84,55%

1,72%

0,00%

6,54%

6,79%

0,41%

2003

85,40%

1,10%

0,00%

4,99%

8,44%

0,22%

2004

85,54%

2,16%

0,00%

4,12%

7,82%

0,35%

2005

83,40%

2,24%

0,00%

5,08%

9,04%

0,30%

2006

85,68%

1,45%

0,18%

4,41%

7,79%

0,54%

2007

84,46%

1,87%

0,00%

3,49%

9,94%

0,54%

2008

84,21%

2,82%

0,00%

2,63%

10,16%

0,49%

2009

81,42%

2,65%

0,00%

3,95%

11,84%

0,29%

2010

75,10%

2,16%

0,20%

8,43%

13,73%

0,78%

2011

75,93%

2,78%

0,00%

7,41%

14,81%

0,00%

Gemiddelde

85,71%

1,90%

0,02%

4,74%

7,44%

0,31%

Belangrijkste organisaties Wanneer we vervolgens kijken naar de belangrijkste spelers (in België/Vlaanderen) op het vlak van octrooiportefeuilles, hoeft het geen verwondering te wekken dat ondernemingen hier de dominante rol spelen. Bedrijven met een aanzienlijke portfolio aan octrooiactiviteit zijn onder meer Agfa Gevaert, GlaxoSmithKline (GSK), Janssen Pharmaceutica, Electrolux Home Products Corporation, Bekaert en Solvay. Daarnaast profileren zich een aantal kenniscentra, waaronder IMEC en VIB, alsook een aantal Vlaamse en Franstalige universiteiten, allemaal met een aanzienlijke schaalgrootte (meer dan 130 octrooiaanvragen voor de periode 1991 – 2011). In tabel 12.6 wordt het overzicht gegeven van de grootste spelers. De lijst is gebaseerd op EPO-octrooiaanvragen; een analoge lijst wordt bekomen op basis van toegekende USPTO-octrooien.

12.4 SAMENWERKINGSPATRONEN Octrooi-informatie kan ook gebruikt worden om patronen inzake samenwerking in technologieontwikkeling te onderzoeken. Specifiek kan men hiervoor het fenomeen analyseren waarbij meerdere aanvragers of uitvinders geregistreerd staan op een octrooi. Zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien is er een duidelijk verschil tussen het voorkomen van co-aanvragerschap en co-uitvinderschap: terwijl co-uitvinderschap in het merendeel van de gevallen voorkomt, blijven co-aanvragen beperkt tot een minderheid van de octrooien. Gemiddeld 15% van het totaal aantal aangevraagde EPOoctrooien met een Vlaamse aanvrager in de periode 2002-2011 gebeurde in co-aanvragerschap (zie tabel 12.7). Analoge cijfers worden bekomen voor toegekende USPTO-octrooien.


12

206

Tabel 12.6: Belangrijkste organisaties (gebaseerd op EPO-octrooiaanvragen sinds 1991)

Wanneer we enkel internationale samenwerking beschouwen (tabel 12.8), stellen we vast dat meer dan de helft van deze samenwerkingen een internationaal karakter heeft. Voor België

Land/regio

heeft 60% van de co-aanvragersrelaties een internationale

ABLYNX

dimensie. Voor Vlaanderen is dit 52%. Wanneer we voor EPO

AGC FLAT GLASS EUROPE / AGC GLASS EUROPE

een vergelijking maken met de referentielanden op het vlak van

AGFA-GEVAERT / AGFA HEALTHCARE / AGFA GRAPHICS

internationale samenwerking gemeten via co-aanvragerschap,

ATLAS COPCO AIRPOWER

stelt men vast dat België en Vlaanderen op een kleine afstand

BARCO

zitten van de top-5 (met name: Luxemburg, Zwitserland, Nederland,

BAYER ANTWERPEN

het VK en Denemarken). Voor Nederland en het VK kan opgemerkt

BEKAERT

worden dat deze cijfers in belangrijke mate worden gedragen

CENTRE DE RECHERCHES METALLURGIQUES

door de aanwezigheid van enkele multinationale ondernemingen

CNH (CASE NEW HOLLAND) BELGIUM

die frequent kiezen voor co-octrooieren, waarbij telkens twee

COMMUNAUTE EUROPEENNE

vestigingen van dezelfde onderneming optreden als aanvrager

CROPDESIGN

(o.m. Unilever en Shell). In het geval van Shell en Unilever betreft

CYTEC SURFACE SPECIALTIES

het bovendien Nederlands-Britse ondernemingen met een heel

DOW CORNING CORPORATION

eigen tweelanden-bestuursstructuur.

ELECTROLUX HOME PRODUCTS CORPORATION ESSELTE

De cijfers in verband met co-aanvragen dienen met de nodige

FIRMA G.B. BOUCHERIE

omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De plaats (en dus het

GLAXOSMITHKLINE BIOLOGICALS

land) van aanvraag kan verschillend zijn van de locatie van de

HERAEUS ELECTRO-NITE INTERNATIONAL

uitvinding, zeker in multinationale ondernemingen die het beheer

IMEC (INTERUNIVERSITY MICROELECTRONICS CENTRE)

van intellectuele rechten centraliseren of die hun aanvragen

INEOS MANUFACTURING BELGIUM

indienen vlakbij de locatie van octrooibureaus of advocatenkantoren

INERGY AUTOMOTIVE SYSTEMS RESEARCH

(bijvoorbeeld Den Haag voor EPO-octrooien). Om diezelfde reden

INNOGENETICS

wijst een co-aanvraag niet noodzakelijkerwijze op een daadwerkelijke

ION BEAM APPLICATIONS

samenwerking tussen verschillende organisaties. Het kan gaan om

JANSSEN PHARMACEUTICA

verschillende afdelingen van eenzelfde organisatie. Dit kan duiden

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

op een effectieve samenwerking, maar ook op een strategische of

MICHEL VAN DE WIELE

praktische beslissing van de organisatie om de aanvraag (ten dele)

PICANOL

door een andere afdeling te laten afhandelen. Vanuit dit

SOFITECH

perspectief biedt een analyse aan de hand van co-uitvinderschap

SOLVAY / SOLVAY POLYOLEFINS EUROPE - BELGIUM

een complementair beeld (zie tabellen 12.9 en 12.10).

SOREMARTEC TECHSPACE AERO

Co-uitvinderschap komt veel frequenter voor dan co-aanvragerschap;

TOTAL PETROCHEMICALS RESEARCH FELUY / FINA RESEARCH /

zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien. Co-uitvinderschap in

ATOFINA RESEARCH

Vlaanderen is gemiddeld 74% voor aangevraagde EPO-octrooien

TYCO ELECTRONICS RAYCHEM / RAYCHEM CORPORATION

(telkens voor octrooien aangevraagd in de periode 2002-2011,

UCB / UCB PHARMA

en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met

UMICORE & COMPANY

Vlaamse uitvinder). Voor België zijn de cijfers erg gelijkaardig.

UNIVERSITE CATHOLIQUE DE LOUVAIN

Vlaanderen en België behoren hier samen met Canada, de VS,

UNIVERSITE DE LIEGE

Ierland, Japan en Luxemburg tot de koplopers onder de referentie-

UNIVERSITE LIBRE DE BRUXELLES

landen.

UNIVERSITEIT GENT VLAAMS INTERUNIVERSITAIR INSTITUUT VOOR BIOTECHNOLOGIE VZW. VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL


11,7%

8,6%

11,2%

13,2%

13,9%

14,4%

14,6%

26,2%

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Gemiddelde 13,5%

14,3%

6,1%

7,8%

8,4%

7,4%

12,8%

15,4%

17,4%

22,6%

24,8%

20,1%

AT

7,1%

3,9%

6,7%

7,5%

8,9%

9,4%

6,5%

6,2%

6,4%

7,5%

8,1%

CA

12,4%

8,7%

8,7%

13,3%

13,3%

12,4%

13,1%

13,3%

13,8%

14,0%

13,2%

CH

6,6%

4,0%

5,2%

7,1%

7,5%

7,2%

7,6%

7,5%

6,8%

6,2%

6,6%

DE

5,0%

0,0%

3,9%

3,8%

6,0%

6,5%

4,0%

6,1%

7,1%

4,8%

7,7%

DK

13,0%

15,0%

16,3%

16,5%

15,5%

14,3%

10,2%

11,0%

8,8%

11,5%

10,9%

ES

3,3%

5,1%

4,3%

4,0%

3,5%

3,1%

2,9%

2,3%

2,9%

2,7%

2,6%

FI

10,8%

6,9%

8,4%

13,2%

13,3%

11,6%

10,6%

10,7%

11,3%

11,7%

10,7%

FR

11,6%

8,7%

10,9%

12,1%

11,4%

11,9%

10,1%

13,1%

12,6%

12,8%

12,3%

VK

23,9%

0,0%

42,4%

33,3%

33,3%

22,6%

27,2%

16,7%

17,1%

22,0%

24,2%

GR

10,2%

13,0%

9,7%

6,1%

9,9%

9,2%

14,3%

10,7%

13,1%

7,8%

8,1%

IE

7,1%

5,8%

5,9%

7,7%

7,4%

7,6%

7,5%

7,4%

6,1%

7,7%

7,8%

IT

7,7%

4,4%

6,4%

8,0%

7,8%

8,3%

8,7%

8,6%

8,3%

8,3%

7,7%

JP

5,3%

1,6%

3,4%

6,5%

6,1%

5,1%

6,4%

5,6%

5,7%

5,6%

6,8%

KR

4,4%

0,0%

4,8%

7,6%

4,1%

4,5%

2,7%

8,1%

3,3%

6,2%

3,1%

LU

15,4%

8,7%

15,3%

19,4%

19,7%

16,6%

16,3%

14,8%

14,5%

13,5%

14,8%

NL

15,2%

28,6%

9,1%

16,1%

20,5%

9,3%

16,1%

17,6%

10,9%

13,5%

10,0%

PT

3,4%

3,1%

1,8%

3,9%

3,1%

3,1%

4,0%

3,7%

3,1%

3,0%

5,3%

SE

4,9%

3,1%

3,7%

5,6%

5,6%

5,3%

5,1%

5,1%

5,1%

5,2%

5,0%

VS

10,0%

8,6%

10,1%

11,0%

11,1%

10,0%

10,1%

9,7%

9,6%

10,0%

9,7%

Gemiddelde

27,8%

52,3%

67,2%

70,1%

61,1%

70,6%

65,1%

65,1%

53,4%

42,3%

40,9%

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Gemiddelde 60,5%

VL

37,7%

44,6%

53,4%

56,9%

61,3%

56,5%

60,2%

56,1%

68,9%

BE

69,2%

Jaar

CA

55,3%

63,0%

61,6%

50,0%

51,1%

62,2%

60,8%

59,2%

64,8%

61,2%

62,8%

25,0% 100,0%

25,5%

43,7%

52,5%

66,8%

77,4%

81,6%

78,6%

82,0%

78,7%

AT

92,2%

96,3%

90,3%

93,4%

93,1%

93,3%

93,7%

91,6%

91,9%

91,5%

86,8%

CH

53,6%

35,2%

50,9%

57,0%

60,1%

57,1%

55,8%

56,5%

56,1%

56,4%

50,9%

DE

67,5%

0,0%

58,3%

62,2%

57,7%

71,1%

65,9%

77,5%

69,3%

68,8%

77,1%

DK

42,4%

77,8%

63,3%

41,7%

42,9%

45,7%

39,8%

23,6%

32,0%

34,8%

22,0%

ES

44,7%

25,0%

21,4%

44,0%

49,2%

72,2%

24,4%

48,6%

47,8%

56,4%

58,1%

FI

45,8%

24,6%

36,4%

45,8%

53,0%

49,4%

47,1%

48,2%

49,4%

53,5%

50,3%

FR

75,8%

53,3%

81,0%

79,1%

79,7%

76,0%

77,0%

79,5%

78,5%

77,8%

75,8%

VK

30,0%

0,0%

57,1%

32,0%

39,4%

31,6%

40,0%

25,0%

7,7%

30,8%

6,7%

GR

61,0%

0,0%

53,3%

51,7%

71,7%

55,0%

69,7%

68,3%

74,5%

81,5%

84,4%

IE

aantal co-aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 2002-2011) (%)

34,7%

30,0%

25,7%

27,6%

35,4%

40,9%

35,0%

35,3%

40,5%

38,4%

38,2%

IT

18,2%

5,5%

22,4%

22,4%

21,9%

19,6%

20,2%

16,7%

16,2%

20,5%

16,0%

JP

LU

80,8%

92,9%

93,8%

20,1%

30,8%

96,4%

0,0%

7,2% 100,0%

14,3%

15,3%

15,0%

27,0% 100,0%

25,1% 100,0%

26,2% 100,0%

31,6% 100,0%

8,4% 100,0%

KR

86,5%

53,3%

81,0%

85,4%

87,7%

91,2%

92,7%

91,3%

93,6%

94,2%

94,4%

NL

36,3%

50,0%

0,0%

26,7%

17,6%

37,5%

40,0%

41,7%

42,9%

57,1%

50,0%

PT

VS

53,6%

47,5%

45,8%

48,0%

47,1%

47,0%

46,9%

67,0%

50,0%

90,0%

55,2%

40,9%

61,0%

59,8% 113,9%

50,0%

74,2%

80,2%

72,6%

65,5%

58,3%

69,1%

SE

55,0%

43,6%

51,6%

55,0%

54,5%

57,3%

57,0%

57,5%

56,8%

60,0%

56,8%

Gemiddelde

Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-aanvragen met aanvragers uit verschillende landen ten opzichte van het totaal

22,0%

17,2%

15,5%

15,1%

11,4%

9,2%

10,9%

10,4%

2002

Tabel 12.8:

28,6%

14,9%

10,8%

2003

9,1%

10,4%

2002

VL

BE

(aangevraagd in de periode 2002-2011) (%)

Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-aanvragen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land

Jaar

Tabel 12.7:

D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

207


67,0%

73,7%

71,9%

72,2%

72,0%

73,7%

76,5%

76,5%

76,8%

68,5%

66,7%

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Gemiddelde 72,6%

60,0%

52,5%

56,1%

62,9%

63,1%

60,0%

62,5%

62,3%

61,5%

60,0%

58,7%

AT

76,3%

71,9%

77,8%

78,9%

77,5%

76,4%

75,3%

76,1%

77,0%

75,7%

76,8%

CA

67,8%

58,4%

66,3%

72,3%

71,7%

70,1%

70,6%

68,4%

67,1%

67,4%

65,8%

CH

67,0%

58,0%

62,7%

69,4%

69,1%

69,2%

69,0%

68,2%

68,2%

68,7%

67,3%

DE

60,0%

37,2%

53,3%

62,7%

64,3%

63,7%

61,9%

63,7%

64,5%

63,1%

65,8%

DK

62,8%

59,6%

63,5%

70,5%

66,9%

67,3%

62,9%

60,7%

59,1%

57,3%

60,6%

ES

65,5%

57,8%

59,7%

69,6%

68,8%

68,9%

64,1%

68,9%

67,0%

64,4%

66,1%

FI

68,7%

64,0%

65,3%

72,6%

71,5%

70,8%

69,8%

69,3%

68,7%

67,8%

66,7%

FR

65,7%

56,3%

62,4%

67,2%

68,3%

67,4%

68,2%

67,5%

66,8%

66,9%

66,4%

VK

49,8%

25,0%

41,9%

51,6%

66,4%

48,7%

51,1%

57,3%

53,2%

57,4%

45,5%

GR

74,3%

66,7%

83,3%

75,9%

73,8%

78,5%

71,7%

69,9%

72,1%

77,2%

74,1%

IE

51,5%

39,0%

50,2%

53,0%

54,3%

52,0%

53,8%

53,3%

52,5%

52,9%

53,7%

IT

71,1%

63,2%

67,8%

72,0%

70,2%

71,4%

72,1%

72,2%

72,3%

74,3%

75,0%

JP

71,0%

74,5%

73,6%

76,4%

73,0%

71,2%

70,5%

68,1%

69,3%

68,0%

65,7%

KR

73,2%

85,7%

81,4%

79,2%

70,7%

70,3%

67,6%

70,6%

59,6%

74,4%

72,3%

LU

66,7%

55,4%

56,6%

70,9%

70,6%

71,4%

70,6%

69,1%

69,0%

68,2%

65,4%

NL

65,6%

55,6%

66,7%

71,5%

76,7%

73,7%

62,0%

60,0%

55,8%

71,0%

63,0%

PT

62,0%

48,4%

58,2%

66,1%

68,6%

65,7%

64,9%

63,8%

61,8%

61,6%

61,5%

SE

76,7%

76,7%

74,9%

78,5%

78,0%

77,6%

77,0%

76,6%

76,5%

75,5%

75,4%

VS

66,8%

59,0%

64,7%

70,3%

70,4%

68,9%

67,4%

67,2%

66,1%

67,5%

66,2%

Gemiddelde

45,8%

46,0%

49,7%

52,6%

51,0%

52,7%

49,3%

48,8%

50,4%

44,9%

51,4%

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Gemiddelde 50,2%

39,2%

45,1%

45,1%

45,1%

48,7%

47,1%

49,5%

46,5%

48,4%

50,8%

2002

VL

BE

Jaar

43,3%

47,0%

39,6%

40,2%

42,4%

43,5%

39,8%

42,8%

42,7%

46,7%

48,5%

AT

39,2%

44,3%

37,2%

38,6%

40,6%

40,0%

35,8%

33,9%

36,7%

40,8%

43,8%

CA

50,4%

44,8%

43,1%

50,4%

55,0%

53,4%

54,7%

53,5%

50,5%

48,7%

49,9%

CH

18,9%

13,6%

15,8%

19,8%

20,8%

20,5%

21,0%

20,6%

19,2%

19,7%

18,5%

DE

28,8%

0,0%

34,2%

31,3%

29,8%

30,2%

29,0%

32,7%

31,8%

33,9%

35,6%

DK

32,1%

19,0%

23,1%

28,8%

33,7%

33,4%

33,9%

35,7%

37,6%

39,7%

36,5%

ES

22,4%

6,3%

16,5%

28,7%

30,8%

26,0%

26,9%

20,4%

21,4%

24,7%

22,5%

FI

24,1%

12,6%

19,7%

24,4%

25,7%

26,8%

28,8%

26,1%

26,3%

25,4%

25,6%

FR

35,2%

20,3%

35,8%

35,0%

38,1%

37,4%

38,1%

38,6%

36,2%

35,7%

36,6%

VK

54,4%

66,7%

53,8%

41,7%

51,7%

53,4%

50,0%

59,6%

53,4%

61,3%

52,5%

GR

IE

47,5%

50,0%

47,5%

45,0%

47,2%

43,1%

52,0%

44,7%

48,8%

49,8%

46,9%

aantal co-uitgevonden octrooien per land (aangevraagd in de periode 2002-2011) (%)

18,0%

8,6%

15,3%

19,1%

20,1%

19,9%

19,9%

20,4%

19,2%

17,6%

19,7%

IT

3,8%

1,8%

2,7%

3,7%

4,2%

4,0%

4,9%

4,3%

4,0%

4,7%

4,0%

JP

5,5%

1,1%

3,1%

5,3%

5,8%

5,4%

6,2%

6,2%

7,2%

7,7%

7,4%

KR

79,5%

91,7%

82,9%

71,6%

81,5%

84,5%

76,0%

81,5%

75,3%

78,2%

71,6%

LU

28,5%

42,7%

27,1%

27,2%

27,5%

27,3%

27,0%

27,0%

29,4%

27,0%

23,1%

NL

44,2%

40,0%

44,4%

49,5%

39,1%

46,4%

44,7%

41,7%

30,2%

40,9%

65,5%

PT

29,3%

29,5%

31,0%

29,4%

31,8%

29,5%

29,9%

28,2%

26,9%

25,9%

30,7%

SE

17,1%

16,6%

17,3%

17,3%

17,9%

17,7%

17,0%

17,2%

16,8%

16,4%

17,0%

VS

32,8%

29,3%

31,1%

31,9%

33,9%

33,8%

33,4%

33,4%

32,3%

33,9%

34,5%

Gemiddelde

Tabel 12.10: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-uitvindingen met uitvinders uit verschillende landen ten opzichte van het totaal

68,6%

78,6%

78,4%

75,9%

75,2%

72,9%

73,7%

73,2%

72,9%

71,6%

2002

VL

BE

(aangevraagd in de periode 2002-2011) (%)

Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO-co-uitvindingen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land

Jaar

Tabel 12.9:

208

12


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

209

Wanneer we voor EPO een systematische vergelijking maken

Deze figuren geven de Salton-maten weer, berekend op het aandeel

inzake internationale samenwerking – gemeten aan de hand

co-uitvindingen tussen de betreffende landen, volgens de formule

van co-uitvinderschap – stellen we opnieuw vast dat België en

rij r =

Vlaanderen hoge ratio’s behalen (tabel 12.10). Gemiddeld over

√ ni • nj

de beschouwde periode zijn bij 46% van de octrooiaanvragen in Vlaanderen uitvinders van verschillende landen betrokken. Om de belangrijkste landen in kaart te brengen waarmee internationaal wordt samengewerkt tussen uitvinders werd gekeken naar het aantal aangevraagde EPO-octrooien (in de

In de teller staat het aantal co-applicaties met uitvinders afkomstig uit land i en j (rij). Deze worden genormaliseerd aan de hand van de vierkantswortel van het product van de applicaties van betreffende landen (ni . nj).

periode 2002-2011) met minstens één uitvinder uit Vlaanderen en minstens één uitvinder uit een ander land. Op basis daarvan blijkt dat Vlaamse uitvinders samenwerken met aanvragers uit 56 landen. De belangrijkste landen waarmee Vlaamse uitvinders samenwerken zijn de VS (26%), Duitsland (23%), Nederland (22%), Frankrijk (18%), het VK (8%) en Spanje (3%). Voor België liggen deze cijfers enigszins anders: de meest intensieve samenwerking situeert zich hier met de VS (25%), Duitsland (23%), Frankrijk (24%), Nederland (17%), het VK (8%) en Italië (3%). Een meer systematisch beeld van samenwerkingspatronen aan de hand van geografische verdeling wordt geboden in de figuren 12.5 en 12.6.

12.5 RELATIEVE TECHNOLOGIESPECIALISATIEPATRONEN Octrooien worden doorgaans geklasseerd op basis van de technologiedomeinen waartoe ze behoren. Voor deze analyses hebben we de nomenclatuur en de bijbehorende IPC-klasse (d.i. de ‘International Patent Classification’-indeling) aggregaten gebruikt zoals die ontwikkeld werden door het Fraunhofer Gesellschaft – Institut für Systemtechnik und Innovationsforschung (FhG-ISI, Duitsland) in samenwerking met het Franse Octrooibureau (INPI) en het Observatoire des Sciences et Technologies (OST, Parijs).

Figuur 12.5: Salton–map met Belgische internationale

Figuur 12.6: Salton-map met Vlaamse internationale

co-uitvindersrelaties (periode 2002-2011)

SE

VK

BE LU

VK

NL

US

DE

DE

VL AT

CH

FI

DK CA

NL

US

FR

SE

FI

DK

CA

co-uitvindersrelaties (periode 2002-2011)

FR

PT

CH

AT

PT ES

ES IT

IT GR GR

■ ≥ 0.01

■ ≥ 0.01

■ 0.005 ≤ r < 0.01

■ 0.005 ≤ r < 0.01

■ 0.0025 ≤ r < 0.005

■ 0.0025 ≤ r < 0.005


12

210

Tabel 12.11: Distributie van Belgische en Vlaamse EPO-octrooiaanvragen over 35 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 2002-2011 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benaming wordt gebruikt)

Aandeel (België)

Aandeel (Vlaanderen)

Analysis of biological materials

1,77%

1,85%

Audio-visual technology

1,58%

1,99%

Basic communication processes

0,51%

0,65%

Basic materials chemistry

6,20%

6,01%

Biotechnology

3,53%

3,73%

Chemical engineering

3,91%

3,76%

Civil engineering

3,63%

3,80%

Computer technology

2,81%

3,48%

Control

0,87%

0,79%

Digital communication

2,59%

3,35%

Electrical machinery, apparatus, energy

3,01%

2,88%

Engines, pumps, turbines

1,86%

1,23%

Environmental technology

1,60%

1,51%

Food chemistry

2,13%

2,58%

Furniture, games

2,43%

2,25%

Handling

2,99%

3,29%

IT methods for management

0,47%

0,47%

Machine tools

1,16%

1,31%

Macromolecular chemistry, polymers

6,74%

5,37%

Materials, metallurgy

2,90%

1,86%

Measurement

2,82%

2,82%

Mechanical elements

1,83%

1,90%

Medical technology

3,41%

3,11%

Micro-structure and nano-technology

0,18%

0,21%

Optics

2,15%

2,60%

Organic fine chemistry

4,00%

4,05%

Other consumer goods

3,41%

2,82%

Other special machines

5,25%

5,04%

Pharmaceuticals

7,54%

8,24%

Semiconductors

2,45%

3,14%

Surface technology, coating

3,18%

2,91%

Telecommunications

2,32%

2,88%

Textile and paper machines

3,45%

4,56%

Thermal processes and apparatus

2,08%

1,16%

Transport

3,25%

2,41%

Deze classificatie werd geactualiseerd naar aanleiding van de

Octrooien die binnen meerdere technologiedomeinen gesitueerd

introductie van de achtste herziening van de IPC-classificatie

zijn, worden éénmaal toegewezen aan elk domein volgens het

(ingevoerd in 2006), wat leidde tot een classificatie in 35

zogenaamde ‘full count’ principe.

technologiedomeinen.

De

relatieve

verdeling

van

EPO-

octrooiaanvragen voor Vlaanderen en België over deze 35 technologiedomeinen is weergegeven in tabel 12.11.


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

211

Tabel 12.12: Distributie van Belgische en Vlaamse USPTO-octrooien over 35 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 2002-2011 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benaming wordt gebruikt)

Aandeel (BelgiĂŤ)

Aandeel (Vlaanderen)

Analysis of biological materials

2,02%

1,95%

Audio-visual technology

1,89%

2,34%

Basic communication processes

1,34%

1,56%

Basic materials chemistry

6,52%

6,21%

Biotechnology

1,93%

2,12%

Chemical engineering

4,91%

4,65%

Civil engineering

1,74%

1,76%

Computer technology

4,83%

5,12%

Control

0,91%

0,81%

Digital communication

2,70%

2,59%

Electrical machinery, apparatus, energy

3,33%

3,63%

Engines, pumps, turbines

1,55%

1,24%

Environmental technology

1,38%

1,19%

Food chemistry

1,29%

1,52%

Furniture, games

1,00%

1,16%

Handling

2,06%

1,77%

IT methods for management

0,27%

0,20%

Machine tools

1,49%

1,64%

Macromolecular chemistry, polymers

6,70%

5,87%

Materials, metallurgy

2,32%

1,56%

Measurement

3,38%

3,49%

Mechanical elements

2,15%

2,34%

Medical technology

2,93%

2,41%

Micro-structure and nano-technology

0,09%

0,11%

Optics

3,30%

3,88%

Organic fine chemistry

4,94%

5,13%

Other consumer goods

1,61%

1,65%

Other special machines

4,10%

4,01%

Pharmaceuticals

9,16%

8,67%

Semiconductors

5,18%

6,39%

Surface technology, coating

3,88%

3,66%

Telecommunications

2,74%

3,04%

Textile and paper machines

3,55%

4,20%

Thermal processes and apparatus

0,59%

0,57%

Transport

2,23%

1,56%

De belangrijkste technologiedomeinen waarin Vlaamse en Belgische EPO-octrooiaanvragen zich situeren zijn farmacie en chemie. Een analoge profilering, maar waarbij ook halfgeleiders (semiconductors) zich bij de topdomeinen voegen, wordt bekomen voor USPTO-octrooien in Vlaanderen en BelgiĂŤ (zie tabel 12.12).


12

212

Een volgend belangrijk aandachtspunt betreft de relatieve sterkte

Uit de RTA-analyses in tabel 12.13 blijkt dat Vlaanderen vooral een

of zwakte van de beschouwde technologiedomeinen in

relatief sterke technologische positie (RTA > 1,5) heeft opgebouwd

Vlaanderen

in Chemische domeinen en Biotechnologie, alsook in Textiel-

en

België,

ten

opzichte

van

belangrijke

referentielanden. Om deze relatieve posities te meten, wordt

en Papier.

gebruik gemaakt van relatieve specialisatie-indexen op niveau van technologieklassen (op basis van de geaggregeerde IPC-indeling

In figuur 12.7 vergelijken we de relatieve technologische

zoals voorgeschreven door de eerder bediscussieerde Fraunhofer-

specialisatie (de RTA-maten) voor Vlaanderen met de economische

nomenclatuur). Deze relatieve specialisatie-indexen worden als

specialisatie. Deze laatste wordt gemeten aan de hand van een

volgt berekend:

basisindicator van economische performantie per sector, namelijk exportgegevens. Voor economische specialisatie wordt een analoge

RTAij = Relatieve Technologiespecialisatie in technologieklasse

i

voor land j = (Pij /∑ i Pij ) / (∑ j Pij /∑ ij Pij )

index berekend als de RTA: de ‘Relative Comparative Advantage’ of RCA-index. Een RCA-waarde > 1 duidt op een proportioneel grotere exportintensiteit van de betreffende sector in de totale

• met i = 1 ... N (N = het aantal klassen in de studie: Fraunhofertechnologiedomeinen);

Vlaamse/Belgische export, ten opzichte van de proportie voor dezelfde sector binnen referentielanden. Een RCA-waarde < 1

• met j = 1 ... M (M = het aantal landen in de studie);

duidt dan op een relatief lagere exportintensiteit voor de betreffende

• met Pij = het aantal octrooien in domein i in land j.

sector in Vlaanderen/België, vergeleken met de landen uit de

Deze index geeft met andere woorden het aandeel weer van

technologische en economische performantie in elkaars verlengde

referentiegroep. We stellen vast dat, voor de meeste domeinen, technologiedomein i in land j, ten opzichte van het aandeel

liggen. Toch zijn er enkele domeinen waar minder overeenstemming

van technologiedomein i in alle landen. Voor de berekening van

is tussen economische (export-) en technologische (octrooi-)

de index wordt rekening gehouden met alle octrooien van land j

performantie. Het betreft met name het domein Farmacie,

en met alle octrooien over alle landen en categorieën heen.

maar ook Pulp en papierproducten: de relatieve technologische

Als referentiegroep worden in deze analyse de EU-15 opgenomen,

performantie in Vlaanderen is hier aanzienlijk, maar lijkt zich niet in

alsook de VS, Canada, Zwitserland, Japan en Korea. Deze index

dezelfde mate te vertalen naar een relatieve export-specialisatie.

vergelijkt dus het aandeel van een bepaald technologiedomeinen

De domeinen Motorvoertuigen, Kleding, en Tabak neigen naar

in Belgische/Vlaamse octrooien met het aandeel van dit domein

een omgekeerd profiel waarbij de relatieve export-specialisatie

in andere landen. De waarde van deze relatieve specialisatie-

contrasteert met een relatief beperkte specialisatie op technologisch

indices varieert van [0;+∞]. Een waarde kleiner dan 1 betekent dat

gebied. Tenslotte is de gecombineerde technologische en

land j een relatief nadeel heeft in de betreffende categorie i.

economische performantie van enkele domeinen in Vlaanderen

Waarden gelijk aan 1 stemmen overeen met de neutrale positie

manifest. Het betreft in het bijzonder Cokes, aardolieproducten

van de index, terwijl waarden groter dan 1 duiden op een relatief

en nucleaire brandstoffen; alsook Chemie (excl. farmacie).

voordeel (i.e. een relatieve domeinspecialisatie). De index

Daarnaast, in iets mindere mate, zijn ook de domeinen Textiel;

corrigeert voor de ‘grootte’ van het technologiedomein en is dus

en Voedings- en drankproducten gekenmerkt door een hoge

erg geschikt voor het maken van vergelijkingen en het in kaart

relatieve technologische specialisatie gecombineerd met een

brengen van veranderingen over tijdsperiodes, net als voor het

sterke relatieve export-specialisatie.

aangeven van de veranderingen in niveaus van specialisaties van een land of een groep van landen. De RTA-analyses gerapporteerd in deze sectie, werden uitgevoerd op EPO-aanvragen en op toegekende USPTO-octrooien. Gezien beide databronnen tot analoge conclusies leiden, rapporteren we hier enkel de EPO-resultaten.


1,12

0,45

0,49

1,80

1,60

1,32

1,47

0,49

0,46

0,69

0,58

0,64

1,15

1,93

1,43

1,05

0,51

0,53

2,52

1,53

0,63

0,58

0,63

0,87

0,75

1,41

1,79

1,63

1,30

0,96

1,53

0,39

1,52

1,4

0,74

Audio-visual technology

Basic communication processes

Basic materials chemistry

Biotechnology

Chemical engineering

Civil engineering

Computer technology

Control

Digital communication

Electrical machinery, apparatus, energy

Engines, pumps, turbines

Environmental technology

Food chemistry

Furniture, games

Handling

IT methods for management

Machine tools

Macromolecular chemistry, polymers

Materials, metallurgy

Measurement

Mechanical elements

Medical technology

Micro-structure and nano-technology

Optics

Organic fine chemistry

Other consumer goods

Other special machines

Pharmaceuticals

Semiconductors

Surface technology, coating

Telecommunications

Textile and paper machines

Thermal processes and apparatus

Transport

BE

Analysis of biological materials

RTA

0,55

0,78

2,01

0,49

1,40

1,23

1,42

1,56

1,48

1,43

0,90

0,99

0,58

0,61

0,63

0,98

2,01

0,60

0,51

1,16

1,32

2,33

1,09

0,42

0,55

0,89

0,42

0,60

1,54

1,27

1,69

1,75

0,62

0,57

1,17

VL

1,03

1,39

1,28

0,44

0,98

0,85

1,27

1,36

1,23

0,48

0,50

0,40

0,73

1,38

0,86

1,65

1,06

2,02

0,48

1,37

2,07

0,47

1,28

1,01

1,22

0,44

1,11

0,51

2,77

0,94

0,94

0,58

0,86

0,59

1,00

AT

0,58

0,57

0,48

2,02

0,73

0,37

1,48

0,92

0,55

0,63

0,70

1,05

0,84

0,54

0,92

0,83

0,55

0,58

2,19

0,59

0,87

1,10

1,00

0,67

0,86

2,45

0,96

1,65

0,75

0,80

1,21

0,64

1,00

0,72

1,47

CA

0,61

0,98

1,33

0,30

1,01

0,42

1,64

1,12

1,24

1,37

0,54

0,82

1,69

0,80

1,58

0,79

1,03

1,23

0,68

1,95

1,37

1,98

0,73

0,70

0,91

0,31

0,93

0,50

1,05

1,15

1,22

1,06

0,55

0,47

1,49

CH

1,66

1,52

1,16

0,50

1,03

0,72

0,65

1,22

1,16

1,12

0,58

0,63

0,73

1,77

1,12

1,06

1,01

1,67

0,57

1,27

1,14

0,67

1,15

1,50

1,18

0,56

1,17

0,57

1,53

1,17

0,79

1,06

0,70

0,59

0,76

DE

0,34

1,43

0,52

0,59

0,63

0,22

2,00

1,42

0,67

0,69

0,44

0,71

1,39

0,94

0,82

0,71

0,34

0,62

0,34

1,34

1,18

3,86

1,25

1,79

0,80

0,44

0,62

0,47

1,99

1,22

2,99

0,72

0,61

1,04

1,47

DK

1,56

1,90

0,89

0,65

0,71

0,32

1,80

1,38

1,87

1,36

0,31

0,64

0,67

1,01

0,56

1,01

0,59

0,94

0,54

1,64

2,06

2,12

1,04

0,82

0,85

0,67

1,15

0,39

2,36

1,07

1,26

0,89

0,39

0,35

0,86

ES

0,28

0,85

1,77

3,38

0,82

0,34

0,30

0,85

0,42

0,28

0,39

0,98

0,42

0,51

0,84

0,69

1,09

0,71

1,53

1,15

0,50

0,69

1,01

0,34

0,63

4,03

0,63

1,54

1,03

0,87

0,50

0,41

1,53

0,76

0,61

FI

1,67

0,97

0,59

1,17

0,79

0,70

0,95

1,07

1,13

1,49

0,66

1,18

0,59

1,18

0,96

1,08

0,84

0,78

0,70

1,06

1,00

1,02

1,09

1,08

1,00

1,38

0,99

0,89

1,40

0,97

0,85

0,81

1,11

0,84

0,81

FR

0,68

0,69

0,73

1,02

0,68

0,67

1,49

0,84

1,15

1,22

0,74

0,67

1,03

0,90

1,17

0,71

0,58

0,75

1,27

1,10

1,32

1,37

1,00

1,03

0,70

1,05

1,14

1,04

1,37

1,10

1,15

1,33

0,94

0,74

1,41

VK

0,54

0,84

0,24

0,97

1,17

0,55

1,54

1,63

0,82

0,75

0,35

1,48

1,10

0,65

0,88

1,03

0,47

2,34

1,80

1,13

0,87

1,70

1,93

1,22

0,57

0,95

0,88

0,65

2,22

1,27

1,24

0,68

0,75

0,60

2,04

GR

0,30

0,85

0,53

0,94

0,84

0,55

1,86

1,00

0,74

0,61

0,49

1,23

2,32

0,41

0,72

0,83

0,46

0,81

4,98

0,71

1,23

1,32

0,64

0,40

0,53

1,39

1,55

1,55

1,32

0,98

0,94

0,56

1,11

0,57

1,08

IE

1,39

2,05

1,20

0,41

0,78

0,43

0,93

1,79

2,68

0,74

0,36

0,60

0,85

1,45

0,72

0,77

0,85

1,75

0,45

2,50

2,65

1,13

1,13

1,17

0,93

0,46

1,01

0,40

2,24

1,21

0,47

0,57

0,56

0,28

0,54

IT

1,16

0,77

1,37

1,15

1,19

1,81

0,48

0,78

0,62

0,76

2,09

0,91

0,57

0,95

0,97

1,41

1,17

0,92

0,71

0,65

0,51

0,59

1,11

1,13

1,35

0,75

1,01

1,11

0,27

0,76

0,68

0,91

1,21

1,91

0,68

JP

0,31

2,14

0,46

2,67

0,46

1,98

0,37

0,38

1,90

0,58

1,69

1,96

0,32

0,37

0,50

0,65

0,54

0,28

0,66

0,31

1,19

0,39

0,48

0,31

1,65

1,89

0,62

1,50

0,35

0,53

0,66

0,42

1,40

3,37

0,37

KR

3,00

2,26

0,69

0,62

1,29

0,49

1,29

2,04

1,05

0,39

0,51

0,12

0,92

1,03

0,68

2,78

1,11

0,61

0,77

0,75

0,63

0,69

1,45

2,46

0,75

0,59

0,60

0,67

1,45

0,48

0,19

0,47

0,42

0,61

0,23

LU

0,46

0,64

0,68

1,00

0,63

1,34

0,60

1,09

0,81

1,06

1,45

0,93

1,00

0,48

1,21

0,70

1,20

0,45

0,66

0,94

0,99

2,63

1,05

0,35

1,04

0,91

0,74

1,28

1,23

1,08

1,06

1,34

1,94

1,92

0,78

NL

1,12

2,54

1,01

0,58

0,63

0,39

1,93

1,50

1,16

1,56

0,31

0,39

0,79

1,15

0,66

0,65

0,55

1,02

0,63

1,12

2,07

1,48

1,18

0,56

0,27

1,65

1,18

0,38

2,42

1,16

2,30

0,59

0,23

0,35

1,09

PT

1,27

1,00

0,81

2,10

0,77

0,28

1,18

0,82

0,71

0,38

0,43

1,18

1,16

1,38

0,92

0,83

0,39

1,47

0,73

1,07

1,04

0,48

0,96

0,88

0,68

2,19

1,08

0,88

1,29

0,95

0,67

0,29

1,19

0,61

1,09

SE

Tabel 12.13: RTA-waarden voor EPO-aanvragen voor de periode 2002-2011 op basis van 35 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van de referentiegroep

0,56

0,61

0,81

1,02

1,13

1,01

1,39

0,85

0,76

1,03

0,93

1,35

1,60

0,65

0,98

0,85

1,04

0,75

1,67

0,74

0,79

0,92

0,84

0,83

0,76

1,16

1,01

1,33

0,58

1,01

1,32

1,15

1,04

0,73

1,38

VS

D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

213


12

214

Figuur 12.7: Vlaamse technologische versus export performantie7 per economische sector (label: RTA waarde; RCA waarde)

RCA (export) Vlaanderen

3

Coke, refined petroleum products and nuclear fuel (1,14; 2,06) ■ Chemicals excluding ■ pharmaceuticals (1,73; 1,98)

2

■ Textiles (1,23; 1,74)

■ Food products and beverages Motor vehicles, (2,32; 1,63) trailers and semi-trailers ■ Basic metals (0,98; 1,37) (0,46; 1,26) ■ ■ Rubber and plastic products ■ Wearing apparel, (1,28; 1,26) Tobacco products ■ dressing and dyeing of fur (0,42; 1,16) ■ Other non-metallic mineral products (1,46; 1,06) (0,43; 1,22) ■ Wood and of products of wood and cork, Tanning and dressing of leather; except furniture; manufacture of articles manufacture of luggage, handbags, of straw and plaiting materials ■ Fabricated metal products, saddlery, harness and footwear (0,22; 0,67) (1,81; 0,99) except machinery and equipment (0,98; 0,83) ■ ■ Electrical machinery and ■ Machinery and equipment, ■ Pulp, paper and paper products apparatus, n.e.c. (0,47; 0,62) n.e.c. (1,01; 0,56) Office machinery and ■ ■ Pharmaceuticals, (1,92; 0,54) computers (0,61; 0,49) medicinal chemicals Radio, television and communication ■ and botanical products ■ Medical, precision and equipment and apparatus (0,75; 0,35) (1,49; 0,47) optical instruments, ■ Other transport watches and clocks equipment (0,45; 0,17) (0,92; 0,32)

1

0

0

1

2

3

RTA (EPO aanvragen) Vlaanderen

12.6 CONCLUSIE

De sterke concentratie van octrooiactiviteit bij een aantal multinationale ondernemingen suggereert dat extra aandacht en

De stijgende trend die zich sinds enkele decennia manifesteert

middelen bij de andere spelers, vooral kleine en middelgrote

in de Vlaamse octrooivolumes, blijkt volgens de huidige gegevens

ondernemingen, relevant blijven om de positie van Vlaanderen

te stabiliseren, en dit zowel in EPO-systeem, het USPTO-systeem,

als Europese topregio nog meer te bevorderen. Voor een aantal

en het PCT-systeem. Internationale statistieken tonen aan dat deze

domeinen blijkt ook dat er nog verdere opportuniteiten liggen

evolutie een wereldwijd fenomeen is, zodat Vlaanderen en België

in een betere afstemming van technologische en economische

internationaal ongeveer dezelfde positie blijven behouden, met

performantie. De voorgestelde statistieken tonen aldus een

Vlaanderen als een van de meer performante Europese regio’s.

robuuste Vlaamse technologische textuur, waar evenwel ruimte

Wanneer we de octrooiactiviteit van de academische sector in

blijft voor verbetering om de technologische positie van Vlaanderen

Vlaanderen nader beschouwen, behoort Vlaanderen duidelijk tot

in en buiten Europa te blijven versterken.

de koplopers. De toegenomen mate waarin universitaire instellingen in Vlaanderen zich over de laatste decennia actief tonen bij het aanvragen van octrooien ter bescherming en valorisatie van hun onderzoek, is ook weerspiegeld in de nationale cijfers, met België aan de Europese top wat betreft academische octrooiactiviteit.

7 Brongegevens export Vlaanderen: Nationale Bank van België – brongegevens export referentielanden: OECD STAN databank.


D E VL A A M S E TE C H N O LO G I E P O S ITI E: ANALYS E A AN D E HAN D VAN E P O-, U S P TOE N P C T- O C TRO O I E N

215

BIJLAGE A

Procentueel aandeel van verschillende types organisaties – België – EPO-octrooiaanvragen (alleen Belgische aanvragers) Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

83,26%

3,90%

9,17%

3,21%

0,69%

1992

84,56%

2,94%

10,48%

1,65%

0,37%

1993

86,74%

2,01%

7,89%

3,36%

0,00%

1994

87,90%

1,43%

8,60%

1,91%

0,16%

1995

84,86%

2,47%

8,88%

3,49%

0,29%

1996

81,47%

1,62%

10,44%

6,32%

0,15%

1997

82,47%

2,28%

8,04%

6,60%

0,60%

1998

79,33%

2,64%

9,50%

8,33%

0,20%

1999

81,20%

1,90%

6,74%

9,88%

0,28%

2000

80,80%

1,95%

6,40%

10,67%

0,19%

2001

76,95%

3,45%

8,44%

10,98%

0,18%

2002

77,10%

2,97%

9,44%

10,14%

0,35%

2003

79,09%

2,35%

7,44%

10,88%

0,31%

2004

80,31%

2,43%

5,83%

10,84%

0,59%

2005

77,99%

2,58%

7,30%

11,81%

0,32%

2006

81,91%

2,22%

6,46%

8,98%

0,43%

2007

81,03%

1,97%

5,11%

11,33%

0,55%

2008

80,08%

2,33%

4,66%

12,68%

0,26%

2009

79,20%

2,07%

5,03%

13,32%

0,37%

2010

72,74%

2,17%

9,21%

14,08%

1,62%

2011

70,97%

2,15%

9,68%

17,20%

0,00%

Gemiddelde

80,44%

2,36%

7,27%

9,56%

0,38%


12

216

Procentueel aandeel van verschillende types organisaties â&#x20AC;&#x201C; Vlaanderen â&#x20AC;&#x201C; EPO-octrooiaanvragen (alleen Vlaamse aanvragers) Applicatiejaar

Bedrijf

Overheid/Non-Profit

Individu

Universiteit

Onbekend

1991

84,27%

2,62%

7,87%

4,12%

1,12%

1992

87,78%

2,22%

7,78%

1,94%

0,28%

1993

90,87%

1,44%

5,53%

2,16%

0,00%

1994

90,22%

0,49%

7,82%

1,47%

0,00%

1995

86,04%

1,23%

9,03%

3,49%

0,21%

1996

82,77%

1,26%

8,19%

7,56%

0,21%

1997

85,66%

0,19%

7,17%

6,79%

0,19%

1998

77,20%

1,22%

10,18%

11,09%

0,30%

1999

78,35%

1,07%

7,77%

12,50%

0,30%

2000

77,23%

1,18%

8,43%

12,98%

0,17%

2001

75,17%

2,32%

9,60%

12,91%

0,00%

2002

79,30%

1,46%

9,62%

9,62%

0,00%

2003

79,35%

0,87%

7,84%

11,82%

0,12%

2004

79,72%

1,29%

6,72%

11,89%

0,39%

2005

77,41%

1,96%

7,56%

12,87%

0,20%

2006

79,07%

1,37%

7,40%

11,63%

0,53%

2007

76,86%

1,08%

5,41%

15,89%

0,76%

2008

77,69%

2,10%

4,56%

15,30%

0,35%

2009

71,96%

1,92%

7,11%

18,74%

0,27%

2010

64,56%

1,50%

12,61%

19,82%

1,20%

2011

64,79%

1,41%

11,27%

22,54%

0,00%

Gemiddelde

79,26%

1,43%

7,70%

11,29%

0,31%


D E VL A AM S E W T&I ACTIVITE ITE N I N E E N I NTE R NATI O NALE CONTEXT Elsie De Clercq (IWT), Alain Deleener (IWT), Pascale Dengis (EWI), Monica Van Langenhove (EWI) en Danny Van Steenkiste (IWT)

217


13

218

13.1 INLEIDING

Het Zevende Kaderprogramma dat loopt van 2007 tot 2013 is in belangrijke mate afgestemd op de Europa 2020 strategie en

In dit hoofdstuk behandelen we de meest recente gegevens met

ondersteunt, met een eigen focus, de verschillende EU2020-

betrekking tot de Vlaamse aanwezigheid in de internationale

doelstellingen.

WTI-context. Meer bepaald hebben we hierbij bijzondere aandacht voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese Kader-

In een eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt de evolutie

programma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma.

geschetst van de Vlaamse deelname aan de laatste Europese

De deelname aan de betreffende programma’s wordt permanent

Kaderprogramma’s voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling

opgevolgd door de betrokken entiteiten van de Vlaamse

en Demonstratieactiviteiten (hierna afgekort tot KP). Het Vierde

Gemeenschap.

Kaderprogramma (KP4) liep van 1994 tot 1998, het Vijfde Kaderprogramma (KP5) liep van 1998 tot 2002, het Zesde Kaderprogramma (KP6) liep van 2002 tot 2006 en het huidige

13.2 VLAAMSE DEELNAME AAN HET EUROPESE KADERPROGRAMMA VOOR O&O

Zevende Kaderprogramma (KP7) dat loopt van 2007 tot 2013. Vervolgens worden meer gedetailleerde, voorlopige resultaten weergegeven van het Zevende Kaderprogramma.

13.2.1

Inleiding

Het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling

en

Demonstratieactiviteiten,

een

belangrijk

financieringsinstrument voor onderzoek binnen de Europese Unie (EU), is een meerjarig onderzoeks- en stimuleringsprogramma waarbinnen de activiteiten van de EU op het vlak van onderzoek en technologische ontwikkeling op middellange termijn worden

De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende categorieën: ●

bedrijven;

●

universiteiten en hogescholen;

●

onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse Strategische Onderzoekscentra – SOC’s (IBBT/iMinds, IMEC,

uitgezet. De achtereenvolgende kaderprogramma’s hebben tot

VIB en VITO), de collectieve centra (bvb. Centexbel en SIRRIS)

doel de wetenschappelijke en technologische grondslagen van

en de “andere wetenschappelijke instellingen” (bvb. ITG, VKI

de Europese industrie te versterken, de ontwikkeling van de

en VLIZ). Tot deze laatste groep worden ook de Vlaamse

internationale concurrentiepositie van de EU te bevorderen, en tegemoet te komen aan de onderzoeksbehoeften van andere beleidsdomeinen van de EU.

competentiepolen (bvb. FMTC) gerekend; ●

instellingen die niet in de voorgaande categorieën thuishoren.

Met haar mededeling van 3 maart 201011 gaf de Europese Commissie het startsein voor de Europa 2020 strategie, de opvolger van de Lissabonstrategie, die afliep in 2010. De nieuwe strategie van de Europese Unie voor jobs en slimme, duurzame en inclusieve groei zal Europa helpen de crisis te boven te komen en de Europese economie voorbereiden op de komende 10 jaar. De Europa 2020 strategie is gebaseerd op drie samenhangende en elkaar versterkende prioriteiten: slimme groei – voor een economie op basis van kennis en innovatie; duurzame groei –

Naast deze categorieën worden de begrippen “Vlaanderen”, “Wallonië” en “Brussel” gehanteerd. Deze begrippen worden afgebakend zoals hieronder aangegeven. Bij “Vlaanderen” horen: ●

de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest;

●

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die

voor een koolstofarme, concurrerende economie waarin zuinig wordt omgesprongen met hulpbronnen; en groei voor iedereen – voor een economie met veel werkgelegenheid en sociale en territoriale cohesie. De nieuwe strategie is dus toegespitst op de gebieden waar actie nodig is: kennis en innovatie, een duurzamere economie, een hoge werkgelegenheid en sociale insluiting.

1 www.vlaandereninactie.be/nlapps/data/docattachments/1_NL_ACT_part1_v1.pdf

overige instellingen, waaronder overheidsinstellingen, non-profit organisaties, EEI’s, internationale organisaties, GCO’s en andere

zich bevinden in het Brusselse Gewest; ●

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest;

●

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich bevinden in het Vlaamse Gewest, daarbij inbegrepen de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks onder Vlaamse bevoegdheid vallen.


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

Bij “Wallonië” horen:

219

13.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende kaderprogramma’s

●

de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest;

●

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de

13.2.2.1 Algemene cijfers

Franse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die

In tabel 13.1 zijn de kerncijfers weergegeven van de Vlaamse

zich bevinden in het Brusselse Gewest;

deelname aan de laatste kaderprogramma’s. Wanneer men de

●

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Waalse Gewest;

financiële return die Vlaanderen uit elk Kaderprogramma wist te

●

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich

halen, vergelijkt over de opeenvolgende Kaderprogramma’s, dan kan

bevinden in het Waalse Gewest, daarbij inbegrepen de in het

een licht dalende tendens van het Vierde tot en met het Zesde

Brusselse Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks onder

Kaderprogramma worden vastgesteld, die zich voorlopig omzet naar

Waalse bevoegdheid vallen.

een stijgende tendens naar het Zevende Kaderprogramma2 (KP7).

Bij “Brussel” horen:

13.2.2.2 Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorieën

●

de bedrijven met hun zetel in het Brusselse Gewest;

●

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Brusselse Gewest;

●

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich bevinden in het Brusselse Gewest.

Bekijken we de relatieve deelname van de Vlaamse deelnemerscategorieën onderling (zie figuur 13.1 en figuur 13.2), dan zien we dat er nagenoeg geen wijziging is in het aandeel van de verschillende categorieën tussen het Zesde Kaderprogramma en het Zevende Kaderprogramma (wat betreft het aantal deelnames).

Bij “Brussel” worden dus alle deelnemers uit het Brusselse Gewest gerekend, uitgezonderd:

Wat de deelnametoelage betreft (figuur 13.2), zien enkel de Vlaamse universiteiten en hogescholen hun aandeel toenemen in vergelijking met het Zesde Kaderprogramma (van 40,8% in 6KP

(1) de deelnemers uit de categorie “universiteiten en hogescholen”: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend; (2) de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die onder Vlaamse resp. Waalse bevoegdheid vallen: die werden

naar 45,5% in 7KP). Alle andere categorieën, en dan vooral de onderzoekscentra, moeten een klein deel van hun relatieve deelnametoelage inleveren t.o.v. het Zesde Kaderprogramma (van meer dan 34% in 6KP naar 30% in 7KP).

aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend. De toewijzing van de deelnames aan de respectievelijke gewesten gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.

Tabel 13.1: Algemene cijfers over de Vlaamse deelname aan de Europese Kaderprogramma’s KP4

KP5

KP6

KP7*

Aantal deelnames

1.972

1.575

1.342

1.775

Aantal projecten

1.567

1.304

1.051

1.387

495

444

422

350

Aantal instellingen Aantal deelnames als coördinator (in %)

17,6

21,4

15,2

19,4

Deelnametoelage (in miljoen euro)

273,4

278,8

352,3

640,2

Totaal EU-KP budget besteed aan

11,5

12,7

16,6

26,6

2,38

2,19

2,12

2,41

2,1-2,3

2,1-2,2

2,2

± 2,3

contracten (in miljard euro) Financiële return** (in %) Verwachte return (in %)

* Tussentijdse status van de databank op 19/06/2012 waarbij op dat moment ongeveer 53% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend. ** Het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen.

2 Tussentijdse status van de databank op 19 juni 2012 waarbij op dat moment ongeveer 53% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend.


13

220

Figuur 13.1: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

Figuur 13.2: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

de Europese Kaderprogramma’s volgens

de Europese Kaderprogramma’s volgens

deelnemerscategorieën (aantal deelnames

deelnemerscategorieën (deelnametoelage

in %)

in %)

4KP

4KP

5KP

5KP

6KP

6KP

7KP*

7KP*

0%

20%

40%

60%

80%

100%

Aantal deelnames (relatief)

0%

20%

40%

60%

80%

100%

Deelnametoelage (in miljoen euro) (relatief)

■ Universiteiten en hogescholen

■ Universiteiten en hogescholen

■ Bedrijven

■ Bedrijven

■ Onderzoekscentra

■ Onderzoekscentra

■ Overige instellingen

■ Overige instellingen

* Tussentijdse status van de databank op 19/06/2012 waarbij op dat moment ongeveer 53% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend.

* Tussentijdse status van de databank op 19/06/2012 waarbij op dat moment ongeveer 53% van het totale voorziene deelnamebudget is toegekend.

13.2.3 De voorlopige Vlaamse deelname aan het

Bij de bedrijven is Alcatel Bell NV sterk aanwezig in ICT.

Zevende Kaderprogramma 13.2.3.1 Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit en per deelnemerscategorie

De KU Leuven is budgettair gezien veruit de sterkste universitaire vertegenwoordiger in deze thematische prioriteit. Ook in Health scoort Vlaanderen voorlopig budgettair goed: deze

In figuur 13.3 wordt de participatie van de verschillende categorieën

thematische prioriteit levert Vlaanderen 12,2% van zijn totale

in de specifieke onderdelen (thematische prioriteiten en horizontale

toelage voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma op.

activiteiten) aan de hand van (voorlopige) deelnametoelage van het Zevende Kaderprogramma weergegeven.

In Health zijn, net zoals in het programma Lifescihealth uit 6KP, vooral de categorie universiteiten en hogescholen aan zet: zij zijn

Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan het

in dit kaderprogramma goed voor 69% van de Vlaamse

Zevende Kaderprogramma ligt voorlopig bij de thematische

deelnametoelage voor deze thematische prioriteit. Binnen deze

prioriteit ICT, die Vlaanderen 25,5% van zijn totale toelage voor

categorie is opnieuw de KU Leuven de sterkste budgettaire speler,

deelname aan het Zevende Kaderprogramma oplevert (zie figuur

met ongeveer 56% van de Vlaamse deelnametoelage voor deze

13.3). De Vlaamse deelnametoelage voor ICT komt voor 42% op

thematische prioriteit. De onderzoekscentra halen momenteel 21%

rekening van de onderzoekscentra, waarvan 75% op rekening van

van de Vlaamse Health-toelage naar zich toe, en die middelen

IMEC. De Vlaamse universiteiten en bedrijven halen respectievelijk

gaan voor 42,3% naar het ITG en 42,1% naar het VIB.

32% en 24% van de Vlaamse ICT-toelage naar zich toe.


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

221

Figuur 13.3: Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie

■ Universiteiten en hogescholen

Health

■ Bedrijven

Food

■ Onderzoekscentra

ICT

■ Overige instellingen

Nanotech Energy Environment Transport SSH Space Security General ERC Marie Curie Infrastructures SME Regions Potential Society Policies INCO Fusion Fission 0

20

40

60

80

100

120

140

160

180

Deelnametoelage (in miljoen euro)

Het specifieke onderdeel ERC vertegenwoordigt ongeveer 14%

In dit programma is de KU Leuven de sterkste universitaire

van de totale Vlaamse deelnametoelage voor het Zevende

vertegenwoordiger, met ongeveer 53% van de Vlaamse

Kaderprogramma.

deelnametoelage in deze categorie. De toelage die de Vlaamse

De Vlaamse ERC-toelage gaat voorlopig voor 77% naar de universiteiten en hogescholen. Binnen deze categorie is de KU Leuven budgettair gezien de sterkste universitaire vertegenwoordiger. UGent volgt op de tweede plaats. De overige 23% van de

bedrijven voor hun deelname aan NANOTECH ontvangen, is zeer verspreid over de deelnemende bedrijven. De toelage die de Vlaamse onderzoekscentra voor hun deelname aan NANOTECH ontvangen, ging vooral naar IMEC (40%) en VITO (34%).

Vlaamse ERC-toelage gaat naar de onderzoekscentra, waarbij VIB

De Vlaamse Marie Curie-toelage gaat voorlopig voor 57% naar de

budgettair gezien de sterkste onderzoeksinstelling is, met zo’n

universiteiten en hogescholen, voor 21% naar de onderzoekscentra

84% van de Vlaamse ERC-toelage in deze categorie.

en voor 13,5% naar de bedrijven. In dit programma is de

De specifieke onderdelen NANOTECH en Marie Curie vertegenwoordigen elk ongeveer een tiende van de totale Vlaamse deelnametoelage voor het Zevende Kaderprogramma. De Vlaamse deelnametoelage voor NANOTECH gaat voorlopig voor 37% naar de universiteiten en hogescholen, voor 31% naar de bedrijven en voor 29% naar de onderzoekscentra.

KU Leuven de sterkste universitaire vertegenwoordiger met bijna 62% van de Vlaamse deelnametoelage in deze categorie. De toelage die de onderzoekscentra voor hun deelname aan Marie Curie ontvangen, gaat bijna volledig naar VIB. Figuur 13.4 geeft aan welke financiële return Vlaanderen uit de verschillende onderdelen van het Zevende Kaderprogramma behaalt en welk aandeel de verschillende deelnemerscategorieën hierin hebben.


13

222

Figuur 13.4: Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie

■ Universiteiten en hogescholen

Health

■ Bedrijven

Food

■ Onderzoekscentra

ICT

■ Overige instellingen

Nanotech Energy Environment Transport SSH Space Security General ERC Marie Curie Infrastructures SME Regions Potential Society Policies INCO Fusion Fission 0%

1%

2%

3%

4%

5%

6%

7%

Return (%)

Rekening houdend met een gemiddelde verwachte return van

De deelnemerscategorie “universiteiten en hogescholen” laat

ongeveer 2,3% (de verticale band in figuur 13.4), kunnen we de

voorlopig een opvallend aandeel (meer dan 2/3) in de Vlaamse

voorlopige prestatie van Vlaanderen in de specifieke onderdelen

return optekenen bij de specifieke programma’s SSH (78%), ERC

van het Zevende Kaderprogramma als volgt beoordelen:

(77%) en Health (69%). Verder haalt deze categorie ook ongeveer de helft (of iets meer dan de helft) van de Vlaamse return uit

●

●

●

●

●

“sterk tot zeer sterk” in Fission (6,3%), Food (3,4%), ICT (3,2%)

Marie Curie (57%), Food (54%), Regions (52%) en Fusion (51%).

en Space (3,0%);

In de hoge financiële return die de categorie “universiteiten en

“boven verwachting” in NANOTECH (2,9%), SSH (2,8%) en

hogescholen” uit SSH en ERC weet te halen, speelt vooral de

Health (2,4%);

KU Leuven een belangrijke rol.

“(ongeveer) volgens verwachting” in Marie Curie (2,3%) en ERC (2,2%);

De bedrijven leveren een opvallende bijdrage in de Vlaamse

“minder dan verwacht” in Energy (2,1%), Transport (2,1%) en

return in de programma’s SME (74%), Transport (53%), Energy

Environment (2,0%);

(46%), NANOTECH (31%) en Security (26%).

“zwak tot zeer zwak” in Fusion (1,8%), Security (1,6%), Policies (1,5%), Society (1,5%), SME (1,5%), Regions (0,8%),

De onderzoekscentra staan haast volledig in voor de Vlaamse

Infrastructures (0,7%), General Activities (0,2%), INCO (0,2%)

return uit Fission (82%), wat bijna volledig aan het SCK mag worden

en Potential (0,0% wegens geen deelnames).

toegeschreven. Verder staat deze categorie ook nog in belangrijke mate in voor de Vlaamse return uit Space (66%), Fusion (49%), General Activities (48%), Infrastructures (44%) en ICT (42%).


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

223

De overige instellingen tenslotte staan volledig in voor de Vlaamse

De rangschikking van de Vlaamse top 10 ziet er anders uit

return in het programma Policies. Deze categorie heeft voor de

vergeleken met het Zesde Kaderprogramma. Opvallend is

rest bij de meeste onderdelen van het Zevende Kaderprogramma

namelijk dat er geen enkel bedrijf meer in de top 10 van Vlaamse

een eerder beperkt aandeel in de Vlaamse return. De overige

deelnemers staat in vergelijking met 6KP. Nieuwkomers in de

instellingen hebben echter wel een significant aandeel in de

Vlaamse top 10 zijn het VKI en iMinds (het vroegere IBBT), terwijl

Vlaamse return van General Activities (52%), Regions (48%),

deze in 6KP terug te vinden waren op de respectievelijk 14de en

Society (38%) en SME (22%).

16de plaats. Op deze manier staan zij in 7KP hoger gerangschikt dan het SCK. Het VKI haalt het meeste deelnames uit het

13.2.3.2 Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemers-

programma Transport en de grootste deelnametoelage uit Space. iMinds haalt nog steeds het grootste budgettaire aandeel uit

categorie We kunnen vaststellen in figuur 13.5 dat de Vlaamse universiteiten

het programma ICT.

en hogescholen voorlopig relatief het meest prominent aanwezig zijn in de projecttypes in het kader van de European Research Council (ERC) en de Marie Curie acties (MC). De Vlaamse deelnames

Tabel 13.2:

Vlaamse topdeelnemers

aan de Collaborative Projects (CP) zijn voorlopig ongeveer gelijk Aantal deelnames

Deelnametoelage (m euro)

verdeeld tussen de deelnemerscategorieën “universiteiten en

Instelling

hogescholen”, “bedrijven” en “onderzoekscentra”. In het project-

KU Leuven

350

156,4

type “Research for the benefit of SME’s (BSG-SME)”, dat specifiek

UGent

178

73,2

gericht is op KMO’s, zijn de meeste Vlaamse deelnames afkomstig

IMEC

129

69,3

van de bedrijven, gevolgd door de universiteiten en hogescholen.

VIB

66

37,1

De onderzoekscentra staan voorlopig in voor de meeste

UA

80

27,8

deelnames in de topnetwerken (Networks of Excellence – NoE),

VUB

75

26,7

op de voet gevolgd door de universiteiten en hogescholen.

VITO

65

25,5

iMinds

36

15,2

VKI

27

13,0

SCK

44

12,9

13.2.3.3 Vlaamse topdeelnemers De KU Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. UGent volgt op de tweede plaats, IMEC volgt op de derde plaats (zie tabel 13.2).

Figuur 13.5: Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie (voorlopig aantal deelnames in KP7)

■ Universiteiten en hogescholen

CP-CSA

■ Bedrijven

BSG-SME

■ Onderzoekscentra

CP

■ Overige instellingen

CSA ERC MC NOe 0%

20%

40%

60%

Aantal deelnames

80%

100%


13

224

Tabel 13.3:

Deelname van België aan het Zevende Kaderprogramma volgens regio (deelnametoelage in miljoen euro)

Vlaanderen

Aantal deelnames

%1

Aantal deelnemers

Aantal projecten

Aantal coördinatoren

%2

Deelnametoelage

%1

Return (%)3

1.775

53%

350

1.387

344

19,4%

640,21

63%

2,41%

Brussel

974

29%

346

748

138

14,2%

200,46

20%

0,75%

Wallonië

592

18%

110

502

97

16,4%

180,65

18%

0,68%

16

0%

10

16

0

0,0%

1,51

0%

0,01%

3.357

100%

816

2.265

579

17,2%

1.022,83

100%

3,85%

Niet toegewezen Totaal België

1) Procentueel aandeel van de waarde in de voorgaande kolom ten opzichte van het totaal uit die kolom. 2) Procentueel aandeel van het aantal coördinatoren (kolom 6) ten opzichte van het aantal deelnames (kolom 2). 3) Procentueel financieel aandeel van de deelnametoelage in de totale toegekende Europese middelen voor contractonderzoek.

13.2.3.4 Vlaanderen binnen België In tabel 13.3 wordt de deelname van Vlaanderen, Brussel en Wallonië in de Belgische context geplaatst. België neemt voorlopig 3.357 keer deel aan 2.265 projecten en haalt daarmee voorlopig een deelnametoelage van 1.022,83 miljoen euro naar zich toe. Uitgaande van een verwachte Belgische return van 4,04% kan worden gesteld dat België tot nog toe met een return van 3,85% onder de verwachting heeft geparticipeerd in het Zevende Kaderprogramma. België gaat er op achteruit ten opzichte van het Zesde Kaderprogramma (3,98%) en blijft met dit cijfer een stuk onder de return die het uit het Vijfde Kaderprogramma wist te halen (4,42%).

De deelnametoelage van de universiteiten en hogescholen is verdeeld tussen Vlaanderen en Wallonië, met een overwicht voor Vlaanderen. De deelnametoelage van de bedrijven is voorlopig vooral aan Vlaanderen toe te schrijven. Het deelnamebudget van de Brusselse bedrijven is net iets groter dan dat van de Waalse bedrijven. De deelnametoelagen voor de onderzoekscentra zijn overwegend uit Vlaanderen afkomstig. De deelnametoelagen van de overige instellingen tenslotte, komen voorlopig overwegend uit de Brusselse regio. 13.2.3.5 Vlaanderen in de Europese rangschikking Vlaanderen wordt in wat volgt vergeleken met de grootste deelnemende landen aan het Zevende Kaderprogramma.

Vlaanderen staat voorlopig in voor iets meer dan de helft van de

De deelnametoelage wordt in deze oefening gerelateerd aan resp.

Belgische deelnames aan het Zevende Kaderprogramma en haalt

het Bruto Binnenlands Product (BBP) en het aantal inwoners3 in

daarmee ook meer dan 60% van de Belgische deelnametoelage

het desbetreffende land (of regio). Hierbij wordt gekeken naar de

voor dit kaderprogramma naar zich toe. Brussel haalt, net zoals in

landen met minstens 1.000 deelnames en een BBP4 groter dan

het Zesde Kaderprogramma, bijna 1/3 van de Belgische deelnames

100 miljard euro.

en krijgt daarvoor voorlopig 20% van de Belgische deelnametoelage in dit kaderprogramma. In vergelijking met het Zesde

Wanneer we de deelnametoelage relateren aan het BBP (figuur

Kaderprogramma haalt Wallonië voorlopig een pak minder

13.7a), zien we dat Vlaanderen zeer goed scoort en op een tweede

deelnames (25% in 6KP, 18% in 7KP) en ook een kleinere

plaats eindigt in deze benchmarkoefening. Ook België scoort zeer

deelnametoelage (24% in 6KP en 18% in 7KP) naar zich toe.

goed op een vijfde plaats en moet naast Griekenland enkel nog Nederland en Finland laten voorgaan. In vergelijking met de

Vlaanderen neemt tot nog toe ook relatief gezien net iets vaker

tussentijdse cijfers op datum van 29/10/2010 valt op dat

de rol van projectcoördinator op zich dan Brussel en Wallonië.

Griekenland nu op de eerste plaats eindigt, waar het toen op de vijfde plaats stond. Reden hiervoor is de daling van het BBP-cijfer

Bekijken we de deelname van België aan het Zevende

voor Griekenland van 2010 naar 2011.

Kaderprogramma volgens deelnemerscategorie (zie figuur 13.6), dan blijkt dat de resultaten van de afzonderlijke regio’s erg uiteenlopen, zoals ook al het geval was in het Zesde Kaderprogramma.

3 Bron populatie (*1.000) Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering – Jaar 2011. Bron populatie (*1.000) andere landen opgenomen in de ranking: Eurostat Databank – Jaar 2011. 4 Er werd gebruik gemaakt van de BBP cijfers van Eurostat, voor het jaar 2011 voor alle EU27-landen met een BBP > 100 miljard euro. Voor het BBP van Vlaanderen werd gebruik gemaakt van de cijfers van SVR - Jaar 2011.


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

225

Figuur 13.6: Deelname van de Belgische regio’s in KP7 volgens deelnemerscategorie (in deelnametoelage)

■ Vlaanderen ■ Brussel

Universiteiten en hogescholen

■ Wallonië ■ Niet toegekend

Bedrijven

Onderzoekscentra

Overige instellingen

0

50

100

150

200

250

300

350

400

450

500

Deelnametoelage (in miljoen euro)

Bovendien merken we ook dat Zwitserland verhuist van de eerste plaats naar de voorlopige zevende plaats. Ook Nederland schuift wat omhoog in de ranking, ten koste van Finland en Zweden die nu respectievelijk eindigen op een vierde en zesde plaats. Wanneer de deelnametoelage wordt gerelateerd aan het aantal inwoners5 (figuur 13.7b), eindigt Vlaanderen voorlopig op een achtste plaats en België op een zesde plaats. Opnieuw zijn het, net zoals bij de vorige tussentijdse resultaten (op datum van 29/10/2010) de Scandinavische landen die de rangschikking domineren. In figuur 13.8 wordt de deelname van de Vlaamse universiteiten bekeken in een internationale HES-ranking, waarbij HES staat voor ‘Higher Education Services’. Enkel de top 10 van universiteiten of hogescholen werd opgenomen in de vergelijking. Het is nog steeds de University of Cambridge die, zowel wat betreft aantal deelnames als deelnametoelage, de eerste plaats inneemt. In vergelijking met de tussentijdse resultaten op datum van 29/10/2010 is er weinig veranderd in deze ranking. KU Leuven staat nog steeds op de zevende plaats wat betreft de deelnametoelage en deelt samen met de Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne de vijfde plaats wat betreft het aantal deelnames.

13.2.4 Conclusies Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan het Zevende Kaderprogramma ligt voorlopig bij de thematische prioriteit ICT die Vlaanderen 25,2% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma oplevert. Ook in het nieuwe specifieke programma ‘Ideas’, dat wordt gecoördineerd door de ERC (European Research Council), scoort Vlaanderen budgettair goed: deze thematische prioriteit levert Vlaanderen 13,9% van zijn totale toelage voor deelname in het Zevende Kaderprogramma op. Ook in Health scoort Vlaanderen voorlopig budgettair goed: deze thematische prioriteit levert Vlaanderen 12,2% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma op. Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse return uit het Zevende Kaderprogramma van 2,2% - 2,3% kunnen we stellen dat Vlaanderen sterk tot zeer sterk scoort in Fission (6,3%), Food (3,4%), ICT (3,2%) en Space (3,0%); boven verwachting scoort in NANOTECH (2,9%), SSH (2,8%) en ongeveer volgens verwachting presteert in Health (2,4%) en Marie Curie (2,3%). Vlaanderen scoort onder de verwachting in de thematische programma’s ERC (2,2%), Energy (2,1%) en Transport (2,1%) en zwak tot zeer zwak in Environment (2,0%), Fusion (1,8%), Security (1,6%), SME (1,5%), Society (1,5%) en Policies (1,5%), Regions (0,8%), Infrastructures (0,7%), General Activities (0,2%), INCO (0,2%) en Potential (0,0% wegens geen deelnames).

5 Bron populatie (*1.000) Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering – Jaar 2008. Bron populatie (*1.000) andere landen opgenomen in de ranking: Eurostat Databank – Jaar 2008.


13

226

Figuur 13.7a: Deelnametoelage (in duizend euro) / BBP (in miljard euro)

Griekenland Vlaanderen Nederland Finland België Zweden Zwitserland Denemarken Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Portugal Spanje Duitsland Frankrijk Italië Noorwegen Polen 0

500

1.000

1.500

2.000

2.500

3.000

3.500

Deelnametoelage (in duizend euro) / BBP (in miljard euro)

Figuur 13.7b: Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners

Zwitserland Nederland Zweden Denemarken Finland België Noorwegen Vlaanderen Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Griekenland Duitsland Frankrijk Spanje Italië Portugal Polen 0

20

40

60

80

100

Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners

120

140

160


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

227

Figuur 13.8: Top10 van de universiteiten in een internationale ranking, gesorteerd volgens aantal deelnames

600

300

500

250

400

200

300

150

200

100

100

50

Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen

Karolinska Institutet Stockholm

The university of Edinburgh

University College London

Katholieke Universiteit Leuven

Ecole polytechnique federale de Lausanne

Imperial college of science, technology and medecine London

University of Cambridge

Eidgenössische Technishe Hochschule Zürich

0 University of Oxford

0

Deelnametoelage (in mio euro)

Aantal deelnames

en/of volgens deelnametoelage (in miljoen euro)

■ Aantal deelnames ● Deelnametoelage (in mio euro)

De Vlaamse universiteiten en hogescholen behouden hun eerste

Brussel laat, net zoals in het Zesde Kaderprogramma, iets meer

positie in het Zevende Kaderprogramma wat betreft het aantal

dan 1/3 van de Belgische deelnames optekenen en krijgt daarvoor

deelnames, maar versterken hun positie zelfs wat betreft de

voorlopig 20% van de Belgische deelnametoelage.

ontvangen

Vlaamse

deelnametoelage.

De

bedrijven

en

onderzoekscentra behouden hun aandeel wat betreft het aantal

In de Europese rangschikking, waar de deelnametoelage wordt

deelnames maar leveren een klein deel in van hun relatieve

bekeken ten opzichte van het BBP en het aantal inwoners, situeert

Vlaamse deelnametoelage.

Vlaanderen zich respectievelijk op een 2de en 8de plaats. België eindigt op een 5de en 6de plaats.

De KU Leuven is, net zoals in het Zesde Kaderprogramma, nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. UGent volgt op de tweede

Wanneer de deelname van de Vlaamse universiteiten bekeken

plaats, IMEC volgt op de derde plaats. Opvallend is dat er geen

wordt in de HES-ranking van 7KP, waarbij HES staat voor ‘Higher

enkel bedrijf meer in de top 10 van de Vlaamse deelnemers staat

Education Services’, kunnen we zien dat de University of

in vergelijking met 6KP. Nieuwkomers in de Vlaamse ranking zijn

Cambridge nog steeds de eerste plaats inneemt, zowel qua aantal

het VKI en iMinds (het vroegere IBBT), terwijl deze in 6KP terug

deelnames als deelnametoelage. KU Leuven staat op de zevende

te vinden zijn op de respectievelijk 14de en 16de plaats.

plaats wat betreft de deelnametoelage en deelt samen met de Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne de vijfde plaats wat

Vlaanderen staat voorlopig in voor iets meer dan de helft van de Belgische deelnames aan het Zevende Kaderprogramma en haalt daarmee ook meer dan 60% van de Belgische deelnametoelage voor dit kaderprogramma naar zich toe.

betreft het aantal deelnames.


13

228

13.3 ERA-NET

Daarnaast is Vlaanderen ook betrokken in 2 andere art. 187 initiatieven, zijnde IMI (Innovative Medicines Initiative) en Fuel

Het ERA-NET schema, is een initiatief dat werd opgestart binnen

Cells and Hydrogen.

het Zesde Kaderprogramma (KP6) en wordt verder gezet binnen KP7. Het wenst de samenwerking en coördinatie tussen

AAL (‘Ambient Assisted Living’) heeft tot doel via het gebruik van

de verschillende onderzoek- en innovatieprogramma’s van de

ICT-middelen ruimere mogelijkheden te bieden om oudere en/of

lidstaten en de geassocieerde staten te bevorderen.

zieke mensen zo lang mogelijk comfortabel in hun gewone leefomgeving te laten blijven. Los van het economisch doel draagt

De projectuitvoerders zijn overheidsorganisaties die verantwoordelijk

dit initiatief dus een belangrijk maatschappelijk doel.

zijn voor de financiering of het beheer van onderzoek programma’s op nationaal of regionaal niveau (ministeries, agentschappen,...)

EUROSTARS is een art. 185 initiatief, opgezet vanuit EUREKA.

en organisaties die op Europees niveau werkzaam zijn en

Het programma heeft geen thematische afbakening, maar een

ondermeer instaan voor de pan-Europese coördinatie van

specifieke doelgroep: onderzoek uitvoerende KMO’s (“Research

nationaal gefinancierd onderzoek.

Performing SME’s”). Het programma wil het gezamenlijke financieren van sterk marktgerichte en hoogtechnologische projecten,

In het totaal werden tot nu toe in KP6 en KP7 meer dan 100

die door dergelijke KMO(’s) worden gestuurd, vlotter laten lopen.

ERA-NET projecten opgestart, waarvan er momenteel nog 67 lopen. Vlaanderen neemt, hoofdzakelijk via EWI, IWT, en FWO actief deel

Met ARTEMIS, ENIAC, IMI en Fuel Cells and Hydrogen,

aan meerdere ERA-netten (zie tabel 13.4). De meeste ERA-netten

vier zogenaamde Joint Technology Initiatives’ (JTI), wil de EC

wisselen informatie uit met de bedoeling om gemeenschappelijke

grootschalige publiek-private samenwerking opzetten tussen de

oproepen tot transnationale projectvoorstellen te organiseren.

EC en de (geïnteresseerde) lidstaten enerzijds en de bedrijven

De deelnemers aan de projecten geselecteerd in het kader van de

anderzijds. De initiatieven behandelen respectievelijk ‘embedded

gemeenschappelijke oproepen krijgen steun via de financierings-

systems’, micro- en nanoelectronica, innovatie in de farmaceutische

programma's van hun eigen land of regio. In 2012 werd bij IWT

sector, en brandstofcellen.

door 38 projectvoorstellen voor 8,9 miljoen euro steun aangevraagd. Hiervan werden 20 projectvoorstellen geselecteerd voor een totale

In al deze initiatieven zijn de eerste selecties van projectvoorstellen

steun van 4,7 miljoen euro.

in 2008 opgestart.

13.4 NIEUWE INITIATIEVEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE

13.5 VLAAMSE DEELNAME IN HET EUREKAPROGRAMMA

Naast ERA-NET en INNO-NET heeft de Europese Commissie (EC)

13.5.1

de ambitie om via zgn. art. 185 (Commissie en lidstaten) en art. 187 (Commissie en bedrijven en eventueel lidstaten) de samenwerking op het vlak van innovatie te bevorderen. Het is de bedoeling om via al deze acties de fragmentatie binnen de EU tegen te gaan en bij te dragen tot de uitbouw van een Europese Onderzoeksruimte (European Research Area, ERA). Vlaanderen neemt via het IWT actief deel aan 2 art. 185 initiatieven, respectievelijk AAL en EUROSTARS, en 2 art. 187 initiatieven, ARTEMIS (Advanced Research and Technology for Embedded Intelligence and Systems) en ENIAC (European Nanoelectronics Initiative Advisory Council). In al deze initiatieven worden de projecten grotendeels gefinancierd via de IWT-programma’s.

Situering

EUREKA is een intergouvernementeel initiatief voor de bevordering van de internationale samenwerking op het vlak van toegepast en marktgericht industrieel Onderzoek & Ontwikkeling. Het EUREKA netwerk omvat actueel 38 lidstaten en de Europese Unie. EUREKA hanteert, in tegenstelling tot het Kaderprogramma van de Europese Commissie, het ‘Bottom Up’ principe: de partners in een O&O project bepalen zèlf de inhoud, het samenwerkingsverband, en de timing van hun project. Het netwerk verleent, na een internationale evaluatieprocedure, aan de goedgekeurde projecten een kwaliteitslabel. Voor cofinanciering kunnen de individuele partners terecht bij de eigen nationale of regionale overheden, en dit op basis van de plaatselijke modaliteiten.


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

Tabel 13.4:

Vlaamse deelname in ERA-NET projecten (stand van zaken 2012)

Organisatie

ERA-NET project

EWI

HY-CO

Co-ordination Action to Establish a Hydrogen and Fuel Cell ERA-Net

EWI

MARIN-ERA

A partnership of the leading marine RTD funding organisations in 13 member states

EWI

PLANT GENOMICS

European Research Area Plant Genomics

EWI

PV-ERA-NET

Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of Photovoltaic

EWI

VISION

Shared knowledge base of sustainable innovation policies

CLO - Dep. Zeevisserij

Mari-Fish

Coordination of European marine fisheries research

IWT

BIO-PHOTONICS+

BIO-PHOTONICS+ is a joint initiative to stimulate and fund R&D projects which will translate existing biophotonic technology and methods into appliances and put them into clinical, medical or industrial practice

IWT

CAPITA

ERA-Net with the aim to establish enduring transnational cooperation in applied research leading to innovative and exploitable manufacturing technology for chemicals, materials, and energy

IWT

CORNET

ERA-Net on national and regional programmes and initiatives to promote research, and the dissemination of the results of that research, to the benefit of large communities of SMEs: Collective Research

IWT

CROSSTEXNET

Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of textiles

IWT

ECO-INNOVERA

ECO-INNOVERA focuses on the support of eco-innovation in research and development

IWT

ELECTROMOBILITY+

Electromobility+ aims at creating a sustainable framework for electromobility in Europe

IWT

ENT TRANSPORT III

ERA-NET in the field of transport research

IWT

EraSME

ERA-NET on National and Regional Programmes to promote innovation networking

IWT

EuroNanoMed2

IWT

EUROTRANS-BIO

and co-operation between SMEâ&#x20AC;&#x2122;s and research organisations ERA-Net on nanomedicine European network of transnational collaborative RTD for SME projects in the field of biotechnology IWT

ERA-IB

In the ERA-NET "Towards an ERA in Industrial Biotechnology" partners from 12 different countries joined forces to reduce fragmentation of national research efforts in the area of Industrial Biotechnology (IB)

IWT

MATERA-Plus & M.ERA.Net ERA-NET Materials

IWT

OLAE+

ERA-NET+ on Organic Large Area Electronics

IWT

SOLAR-ERA.NET

ERA-NET in the field of solar electricity technologies

IWT

SUSFOOD

ERA-NET in the field of sustainable food production and consumption

FWO

ASPERA

Implementation of European Coordination in Astroparticle Physics

FWO

ASTROPHYSICS

Paving the way to a EuropeanAstrophysical Research Cycle that will ensure sustained co-operation between national/regional/uropean research and innovation programmes in the field of astrophysics

FWO

ERA-CHEMISTRY

Implementation of joint bottom-up European Programmes in Chemistry

FWO

EUROPOLAR

The European Polar Consortium: Strategic Coordination and networking of European

FWO

HERA

Humanities in the European Research Area

OVAM

SNOWMAN

Polar RTD Programmes

Sustainable management of soil and groundwater under the pressure of soil pollution and soil contamination

Waterbouwkundig Laboratorium

CRUE

Flooding ERA-NET

ILVO

EUPHRESCO

Coordination of European Phytosanitary Research

229


13

230

Tabel 13.5:

Aantal projecten met Vlaamse partners in de nieuwe initiatieven 2010

2011

Toegekende Aantal

2012

Toegekende

steun (mio euro)

Aantal

Toegekende

steun (mio euro)

aantal

steun (mio euro)

AAL (art. 185)

0

0,0

0

0,0

6

1,1

EUROSTARS (art. 185)

2

0,4

2

0,2

9

1,9

ARTEMIS (JTI)

3

2,1

1

1,3

3

1,2

ENIAC (JTI)

3

1,9

4

3,6

5

2,8

Totaal

8

4,4

7

5,1

23

7,0

Tabel 13.6:

Aantal nieuwe EUREKA-projecten met Vlaamse partners 2009

Individuele projecten

2010

2

2011

4

2012

3

Totaal

2

11

Cluster projecten

10

1

4

9

25

Totaal

12

5

7

11

36

Bedrijven, en hiermee samenwerkende universiteiten en

De aanvragen voor cofinanciering worden door de betrokken

onderzoeksinstellingen, uit het Vlaams Gewest kunnen voor hun

overheden (i.c. voor Vlaanderen: IWT) behandeld synchroon met,

deelname in een project beroep doen op het IWT. Het aanvragen

of aansluitend op, de evaluaties voor het EUREKA-label.

van steun in het kader van EUREKA-projecten, en de evaluatie

De beschrijvingen van de projecten en deelnemende partners

van deze aanvragen, gebeurt in overeenstemming met de

worden na verlening van de EUREKA-label publiek gemaakt door

gebruikelijke procedures van het IWT, en dit volgens de

de opname in databases welke toegankelijk zijn via de EUREKA

modaliteiten voor O&O bedrijfssteun of KMO-Innovatieprojecten.

website (http://www.eurekanetwork.org).

In aanvulling op de basissteun hanteert het IWT, ter stimulering van de internationale industriële samenwerking, een toeslag van

Tabel 13.6 toont het aantal nieuwe projecten waarin Vlaamse

10% op kostenbasis.

partners actief zijn (2009-2012).

13.5.2 EUREKA projecten

13.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2009-2012)

Het EUREKA-programma maakt een onderscheid tussen projecten die op individueel initiatief van de betrokken bedrijven

De volgende tabellen en figuren leveren meer detail over de

tot stand komen, en projecten die gegenereerd worden in door

projecten met door IWT gesteunde Vlaamse partners. Hierbij is

de Europese grootindustrie opgezette "Clusters". De projecten

de categorie ‘Cluster’-projecten verder opgesplitst. In de periode

van het eerste type, waar we naar verwijzen met de term

2009-2012 waren de volgende Cluster-organisaties actief:

‘INDIVIDUELE’-projecten, verkrijgen het EUREKA-label na een evaluatie door de betrokken Nationale of Regionale overheden op basis van een uniforme en internationaal geaccepteerde procedure. De EUREKA-Clusters oriënteren zich op een specifiek onderzoeksterrein of een industriële sector. De onderzoeksdoelstellingen worden geformuleerd in een “Road Map”, en hieraan wordt invulling gegeven via de initiatie van “subprojecten”. Deze subprojecten verkrijgen het EUREKA-label na een evaluatie door het Technisch Comité van de Cluster.

●

CELTIC+ (2011-2016) “Cooperation for a European sustained Leadership in Telecommunications”.

●

EURIPIDES. (2006-2013): “Eureka Initiative For Packaging And Integration Of Micro-Devices And Smart Systems”

●

ITEA II (2006-2014): “Information Technology for European Advancement”.

●

CATRENE

(2008-2016):

Cluster

for

Application

and

Technology Research in Europe on NanoElectronic ●

EUROGIA+ (2008-2013): “Eureka Strategic Initiative For Low Carbon Energy Technologies”.

●

ACQUEAU (2010-2015): Cluster for Water


D E VL A A M S E W T&I AC TIVITE I TE N I N E E N I N TE R N ATI O NALE C O NTEXT

Tabel 13.7:

231

Aantal gesteunde projecten, met projectbudget van de Vlaamse partners, en steuntoelagen van IWT 2009

2010

2011

2012

Totaal

Aantal projecten Medea

2

Catrene

4

Itea

3

Celtic

1

2

1

1

2

7

3

4

11

1

2

1

1

Euripides Acqueau Individueel Totaal

1

1

2

4

3

2

11

12

5

7

11

35

Budget (in miljoen euro) Medea

1,8

Catrene

18,5

Itea

7,2

Celtic

1,6

1,8

3,9

1,5

2,6

22,6

3,5

10,0

24,6

0,5

2,1

1,6

1,6

Euripides Acqueau Individueel Totaal

0,7

0,7

3,7

2,6

3,7

2,5

12,5

32,8

6,5

8,7

17,9

65,9

Steun (in miljoen euro) Medea

0,7

Catrene

9,3

Itea

3,6

Celtic

0,6

0,7

1,0

0,4

0,8

10,5

1,4

5,7

11,7

0,3

0,9

0,5

0,5

Euripides Acqueau Individueel Totaal

0,3

0,3

2,2

1,6

1,7

1,4

6,9

16,4

2,6

3,5

9

31,5

Gedurende de periode 2009-2012 werden in 35 EUREKA-

13.6 CONCLUSIE

projecten de Vlaamse partners door IWT gesteund. De totale investering van de Vlaamse bedrijven in deze projecten bedraagt

Vlaanderen is en blijft nadrukkelijk aanwezig in de belangrijke

65,9 miljoen euro, hierin is begrepen 31,5 miljoen euro steun

Europese programmaâ&#x20AC;&#x2122;s voor wetenschappelijk onderzoek.

vanwege IWT. Het jaargemiddelde voor steun aan EUREKA-projecten is 7,9 miljoen euro, het gemiddeld steun percentage bedraagt

In het EUREKA-programma neemt Vlaanderen internationaal

48%. Dit gemiddelde percentage vertoont weinig variatie tussen

gezien een prominente positie in.

de projecttypes, maar wel tussen afzonderlijke projecten: een gevolg van de impact van de aard van het onderzoekstype (industrieel

Vlaamse partners zijn daarnaast niet onaardig vertegenwoordigd

onderzoek of ontwikkeling) en de mate van KMO-deelname.

in ERANET door deelname aan meer dan een kwart van alle door

De omvang van de projecten verschilt sterk naargelang het type.

de Europese Commissie opgezette projecten.


13

232

13.7 REFERENTIES

• Infrastructures: Thematische prioriteit ‘Onderzoeksinfrastructuren’ van het EU Zevende Kaderprogramma

• VAN LANGENHOVE, M., DEWALLEF, E. & DENGIS, P.

• ITG: Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen

Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor

• IWT: Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie

Onderzoek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

• KMO: Kleine of middelgrote onderneming

Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, 2002-2006.

• KU Leuven: Katholieke Universiteit Leuven

• VAN LANGENHOVE, M. & DENGIS, P. Vlaanderen in het Europese Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (2007-2013), een tussentijdse

• Marie Curie: Thematische prioriteit ‘Mensen’ van het EU Zevende Kaderprogramma • Nanotech: Thematische prioriteit ‘Nanowetenschappen, nano-

analyse, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement

technologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën’ van

Economie, Wetenschap en Innovatie, 2012.

het EU Zevende Kaderprogramma Zevende Kaderprogramma • O&O: Onderzoek en Ontwikkeling • Policies: Thematische prioriteit ‘Samenhang van het onderzoeks-

Gebruikte afkortingen

beleid’ van het EU Zevende Kaderprogramma

• 4KP: Vierde Kaderprogramma voor Onderzoek en

• Potential: Thematische prioriteit ‘Onderzoekspotentieel’ van het

Technologische Ontwikkeling

EU Zevende Kaderprogramma

• 5KP: Vijfde Kaderprogramma voor Onderzoek en

• Regions: Thematische prioriteit ‘Kennisregio’s’ van het EU

Technologische Ontwikkeling

Zevende Kaderprogramma

• 6KP: Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek en

• SCK: Studiecentrum voor Kernenergie

Technologische Ontwikkeling

• Security: Thematische prioriteit ‘Veiligheid’ van het EU Zevende

• 7KP: Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en

Kaderprogramma

Technologische Ontwikkeling

• SME: Thematische prioriteit ‘Onderzoek voor KMO’s van het

• BBP: Bruto Binnenlands Product • Energy: Thematische prioriteit ‘Energie’ van het EU Zevende Kaderprogramma • Environment: Thematische prioriteit ‘Milieu (inclusief klimaatverandering)’ van het EU Zevende Kaderprogramma • ERC: Thematische prioriteit ‘Ideeën’ van het EU Zevende Kaderprogramma • Fission: Thematische prioriteit ‘Kernsplijting en stralingsbescherming’ van het EU Zevende Kaderprogramma Thematische

prioriteit

‘Voeding,

van het EU Zevende Kaderprogramma • Space: Thematische prioriteit ‘Ruimtevaart’ van het EU Zevende Kaderprogramma • SSH: Thematische prioriteit ‘Sociaaleconomische wetenschappen en geesteswetenschappen’ van het EU Zevende Kaderprogramma

• EWI: Economie, Wetenschap en Innovatie

• Food:

EU Zevende Kaderprogramma • Society: Thematische prioriteit ‘Wetenschap in de maatschappij’

landbouw

en

biotechnologie’ van het EU Zevende Kaderprogramma • Fusion: Thematische prioriteit ‘Onderzoek inzake fusie-energie’ van het EU Zevende Kaderprogramma • FWO: Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen • General: Thematische prioriteit ‘Algemene activiteiten (Annex IV)’ van het EU Zevende Kaderprogramma • Health: Thematische prioriteit ‘Gezondheid’ van het EU Zevende Kaderprogramma • ICT: Thematische prioriteit ‘Informatie- en communicatietechnologieën’ van het EU Zevende Kaderprogramma • IMEC: Interuniversitair Micro-Electronica Centrum • iMinds: het vroegere IBBT (Interdisciplinair Instituut voor Breedband Technologie) • INCO: Thematische prioriteit ‘Horizontale internationale samenwerkingsactiviteiten’ van het EU Zevende Kaderprogramma

• Transport: Thematische prioriteit ‘Vervoer (inclusief luchtvaart)’ van het EU Zevende Kaderprogramma • UA: Universiteit Antwerpen • UGent: Universiteit Gent • VIB: Vlaams Instituut voor Biotechnologie • VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek • VKI: Von Karman Institute for Fluid Dynamics • VUB: Vrije Universiteit Brussel


C O N C LU S I E S E N N AB E S C H O U W I N G E N Door Koenraad Debackere (KU Leuven) en Reinhilde Veugelers (KU Leuven)

233


14

234

Dit zesde Vlaams Indicatorenboek WTI biedt een bundeling

Na een stijging in 2005, zien we dat de totale O&O-uitgaven

van de inzet en de resultaten die de laatste vijftien jaar door de

als percentage van het BBPR in 2006 daalden tot 1,99%

verschillende actoren in het Vlaams Wetenschaps-, Technologie-

(op gewestniveau). In 2011 zien we een stijging tot 2,40%. Bij de

en Innovatielandschap zijn gerealiseerd. Het geeft een overzicht

interpretatie van deze cijfers dient evenwel steeds rekening te

van de sterke punten van dit landschap, maar ook van de

worden gehouden met de evolutie van het BBPR tussen 2005

aandachtspunten die verdere inspanningen noodzaken. In elk geval

en 2011.

tonen de resultaten aan dat inspanningen op vlak van wetenschap, technologie en innovatie voldoende continuïteit en niveau van

Ondernemingen staan – zoals verwacht - in voor het leeuwen-

inspanning vergen vooraleer zich te vertalen in relevante output

aandeel van de uitgaven voor O&O in Vlaanderen. De uitgaven

en de eruit volgende welvaartscreatie. De resultaten van al

van de bedrijven voor O&O, als % van het BBPR, bedragen

deze inspanningen worden immers pas zichtbaar met een

in 2011 1,64% (ten opzichte van 1,43% in 2005), waarmee

behoorlijke tijdsvertraging. Vandaar het belang om, in Vlaanderen,

Vlaanderen ver boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD

de investeringen in wetenschap, technologie en innovatie

of de publieke component van O&O bestedingen als % van het

consequent verder te zetten én hun resultaten op te volgen.

BBPR, bedraagt in Vlaanderen (gewestniveau) 0,76% voor 2011

Zeker met het oog op het streven naar de realisatie van de

(ten opzichte van 0,62% in 2005), wat het EU27-gemiddelde

3% O&O-norm, zoals vooropgesteld door de Europese

benadert. Dit aandeel is dus positief geëvolueerd gedurende

Commissie op de top van Lissabon.

de laatste jaren. We verwijzen tot slot expliciet naar het aandeel van de bedrijven in de O&O-uitgaven van het hoger onderwijs: met 15,7% van de O&O-uitgaven in het hoger onderwijs

14.1 INSPANNINGEN VOOR O&O IN VLAANDEREN

gefinancierd door het bedrijfsleven, haalt Vlaanderen de top onder de OESO-landen.

Waar historisch de totale uitgaven voor O&O een opwaartse trend vertoonden en 2001 een piekjaar was, constateerden we een

14.2 OPLEIDINGEN: BACHELOR & MASTER

dalende trend voor de periode 2001-2003. Deze daling stabiliseerde in 2004. Voor 2005 merkten we dat de totale

In het academiejaar 2011-2012 telde het Vlaamse hoger onderwijs

uitgaven voor O&O opnieuw stegen. In de cijfers voor de laatste

46.041 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze generatie-

vijf jaar zien we een beperkte daling in 2006 ten opzichte van

studenten (54,28%) startte een professioneel gerichte bachelor-

2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007 die zich doorzet

opleiding aan een hogeschool. De academische opleidingen aan

tot 2011. Zowel de O&O-uitgaven van de bedrijven, de collectieve

de universiteiten en aan de hogescholen trokken respectievelijk

onderzoekscentra, de overheid, het hoger onderwijs, en de non-

33,99% en 11,73% aan van het totale aantal generatiestudenten.

profit sector vertonen in constante prijzen voor het jaar 2008 een verdere stijging ten opzichte van 2006. Voor 2009 dalen evenwel

Een analyse van het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse

de O&O-uitgaven van de bedrijven licht ten opzichte van 2008,

universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het volgende beeld.

terwijl de andere sectoren hun stijging aanhouden (in constante

Bekeken over de totale periode van 10 jaar is het aantal generatie-

prijzen). In 2010 en 2011 noteren we dan weer een beduidende

studenten aan de Vlaamse universiteiten met 22% toegenomen:

stijging van de O&O-uitgaven van de bedrijven. Deze stijging,

van 12.801 generatiestudenten in het academiejaar 2002-2003

samen met de volgehouden O&O-inspanningen van de Vlaamse

naar 15.648 generatiestudenten in het academiejaar 2011-2012.

overheid, zorgen ervoor dat in 2011 de O&O-uitgaven in

De grootste stijging heeft zich vooral voorgedaan in de periode

Vlaanderen het hoogste niveau ooit bereiken.

2004-2005 tot en met 2006-2007. Deze periode valt samen met de invoering van de bachelor-masterstructuur in Vlaanderen.

Wanneer we de totale uitgaven voor O&O uitdrukken als % van

De laatste twee academiejaren (2010-2011 en 2011-2012) is de

het BBPR bekomen we voor 2011 een percentage van 2,40%

aangroei van het aantal generatiestudenten aan de universiteiten

voor de GERD op gewestniveau en 2,46% voor de GERD op

bijna stilgevallen.

gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU, zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde, en komt ook het bereiken van de 3% O&O-norm dichterbij.


C O N C LU S I E S E N NAB E S C H O U W I N G E N

235

Kijkt men naar de verhouding van het aantal generatiestudenten

In de beschouwde 10-jarige periode schommelt het aandeel

aan de Vlaamse universiteiten ten opzichte van het aantal

van de vrouwelijke generatiestudenten in het totale aantal

Vlaamse achttienjarigen, dan stelt men vast dat deze indicator

generatiestudenten rond de 55%. Dit vrouwelijk overwicht komt

voor de participatie een stijging kent over de beschouwde periode

ook sterk tot uiting in de verhouding van het aantal vrouwelijke

van 10 jaar. Terwijl in het academiejaar 2002-2003 18,1% van

generatiestudenten ten opzichte van het aantal vrouwelijke

de potentiële doelgroep was ingeschreven aan een Vlaamse

achttienjarigen: 68,4% van de potentiële doelgroep (achttienjarige

universiteit, was in het academiejaar 2011-2012 dit percentage

vrouwen wonende in Vlaanderen) startte in het academiejaar

gestegen tot 20,5%.

2011-2012 een opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit percentage 52,6%.

Aan de hogescholen spelen er twee verschillende evoluties. Bij de professionele bacheloropleidingen nam het aantal generatie-

Deze grotere deelname van vrouwen geldt zowel voor de hoge-

studenten tijdens de beschouwde periode quasi onafgebroken toe:

schoolopleidingen als voor de opleidingen aan de universiteiten:

van 25.627 generatiestudenten in het academiejaar 2002-2003

bij beiden schommelt het aandeel van de vrouwelijke

tot 30.393 in het academiejaar 2011-2012. Dit komt overeen met

generatiestudenten in de beschouwde periode rond de 55%.

een toename van 23%. De verhouding van het aantal

Zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten is over de

generatiestudenten in de professionele bacheloropleidingen ten

10-jarige periode het aantal vrouwelijke generatiestudenten met

opzichte van het aantal Vlaamse achttienjarigen groeide in

ongeveer 20% toegenomen: de hogescholen kennen een stijging

dezelfde periode van 28,6% naar 32,7%.

van 14.010 vrouwelijke generatiestudenten in 2002-2003 naar 17.016 in 2011-2012, de universiteiten van 7.178 naar 8.636

De evolutie van het aantal generatiestudenten in de academische

vrouwelijke generatiestudenten.

hogeschoolopleidingen vertoont een ander beeld. In het begin van de 10-jarige periode nam het aantal generatiestudenten in

Ter afronding van deze beschouwingen stellen we dus de hoge

de academische hogeschoolopleidingen continu af: van 5.374

graad van participatie van de Vlaamse achttienjarigen aan het

in 2002-2003 naar 5.020 generatiestudenten in 2005-2006.

hoger onderwijs en ook de sterke vervrouwelijking van het hoger

De daaropvolgende academiejaren kende de evolutie van het

onderwijs, in het bijzonder in de professionele bacheloropleidingen

aantal generatiestudenten een wisselend verloop. Ten opzichte van

en de universitaire opleidingen, vast. Tijdens de beschouwde

het dieptepunt in het academiejaar 2005-2006 werden er in het

periode kent het hoger onderwijs een sterke toename van het

academiejaar 2011-2012 wel 8% meer generatiestudenten geteld

aantal generatiestudenten. Dit is zowel het geval voor de

in deze opleidingen. Bekeken over de gehele 10-jarige periode is

professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen als voor

er ongeveer een status quo van het aantal generatiestudenten in

de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen en

de academische hogeschoolopleidingen (+ 0,5%). De verhouding

de universiteiten. Deze versterkte toename valt grotendeels samen

van het aantal generatiestudenten in deze opleidingen ten

met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het Vlaamse

opzichte van het aantal achttienjarigen in Vlaanderen daalde van

hoger onderwijs. De laatste twee academiejaren, stagneert deze

7,6% in 2002-2003 tot 6,8% in 2009-2010 en 2010-2011,

aangroei van het aantal generatiestudenten, in het bijzonder bij

om daarna opnieuw toe te nemen tot 7,1% in 2011-2012.

de universiteiten. Ook het aantal uitgereikte diploma’s neemt toe in de beschouwde periode. Dit is zeker het geval bij de

Globaal kan men stellen dat meer dan de helft van de Vlaamse

masteropleidingen aan de universiteiten. Het aantal diploma’s in

achttienjarigen een kans waagt in het hoger onderwijs: in het

de Specifieke lerarenopleiding daarentegen kent een sterke daling.

academiejaar 2011-2012 was de verhouding van het totaal aantal generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs ten opzichte van het aantal achttienjarigen 60,3%. In het academiejaar 20022003 bedroeg deze relatieve deelname aan het hoger onderwijs 54,3%. De stijging van het aantal generatiestudenten is relatief gezien groter dan de toename van het aantal achttienjarige in de beschouwde periode. De laatste twee jaar is het aantal achttienjarigen afgenomen. Met een participatiegraad van 60,3% zet Vlaanderen een prestatie neer die tot de beste in OESOverband kan gerekend worden.


14

236

14.3 DOCTORATEN

Terwijl er in de jaren ’90 nog duidelijk sprake was van een gender gap bij de start van doctoraatsonderzoek, wordt deze kloof in

Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt naar

toenemende mate weggewerkt. Het resultaat is dat van de 1.428

een positie als junior onderzoeker, is gedurende de laatste 10 jaar

doctorstitels die in 2010-2011 werden uitgereikt, er 623 (of 44%)

sterk toegenomen. De stijging van het aantal doctoraten nam een

naar een vrouw gingen.

vlucht rond de eeuwwisseling. De trendbreuk begon in feite reeds in het midden van de jaren ‘90. Deze evolutie bevestigt het

De stijgende instroom van het aantal beginnende doctoraats-

resultaat dat reeds kon worden waargenomen in de VRWB-studie

onderzoekers en het stijgend aantal doctorstitels zet zich verder

over de doctoraatsproductie in Vlaanderen van 2006. In het

onder de vorm van extra aanstellingen aan de Vlaamse

academiejaar 2010-2011 werden 1.428 doctoraten afgeleverd,

universiteiten op het postdoctoraal niveau. Deze evolutie

waar dit er een goede tien jaar geleden nog minder dan de helft

contrasteert nog steeds met de beperkte toename van de

(595 doctoraten) waren.

aanstellingen op ZAP-niveau. Alhoewel we ook hier de komende jaren een positieve evolutie kunnen verwachten, dankzij (1) het

De sterke toename van de onderzoekspopulatie heeft bijgedragen

“groeipad ZAP” dat de Vlaamse overheid vanaf het academiejaar

tot een sterke stijging in het aantal behaalde doctoraten aan de

2012-2013 voorziet voor het huidig ZAP-korps aan de Vlaamse

Vlaamse universiteiten in alle wetenschapsclusters. De slaagkans

universiteiten evenals (2) de voorziene toename van het ZAP-

om een doctoraat te behalen – hoewel bijna overal gestegen –

korps tengevolge van het groeipad dat de Vlaamse overheid

verschilt echter sterk tussen wetenschapsdisciplines. De hoogste

voorziet voor de integratie van de academiserende opleidingen in

succesgraden worden opgetekend bij onderzoekers uit de exacte

de universiteiten.

wetenschappen, gevolgd door onderzoekers uit de medische en toegepaste wetenschappen Die van de humane en de sociale

Tot slot werden in 2010-2011 31% van alle doctorstitels in

wetenschappers liggen lager maar vertonen een stijgend patroon.

Vlaanderen uitgereikt aan onderzoekers met een niet-Belgische

De domeinen exacte wetenschappen, toegepaste wetenschappen

nationaliteit waarvan het merendeel een masterdiploma haalde

en geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheids-

aan een instelling buiten Vlaanderen. Met andere woorden,

wetenschappen blijven de drie clusters waarin de grootste

de continue internationalisering van het populatie aan doctorandi

aantallen doctorstitels worden uitgereikt. Toch zijn de exacte

in Vlaanderen zet zich volop door.

wetenschappen, net als de farmaceutische wetenschappen, minder sterk vertegenwoordigd in 2010-11 dan in 2006-07. Vooral in de STEM disciplines (Science, Technology, Engineering & Mathematics) is het aantal beschikbare onderzoeksposities groot in

14.4 RESULTATEN: PUBLICATIES, OCTROOIEN EN DEELNAME AAN INTERNATIONALE PROGRAMMA’S

vergelijking met het aantal afgestudeerden op masterniveau. Ondanks de beleidsprioriteiten om voldoende kenniswerkers in

De Vlaamse en Belgische onderzoekers hebben in de periode

deze domeinen op te leiden, is het aandeel nieuwe doctorstitels

1998-2011 op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare

dat in de STEM domeinen wordt uitgereikt, niet gegroeid, hoewel

middelen aangewend. De wetenschappelijke productiviteit van

er in absolute aantallen een bijzonder sterke stijging van het aantal

Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen is

doctorstitels wordt vastgesteld over alle disciplines heen.

zoals blijkt spectaculair toegenomen. De Vlaamse universiteiten zijn mede verantwoordelijk voor afgerond 88% van de Vlaamse

Het statuut waarop onderzoekers werkzaam zijn tijdens hun

publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te verbazen,

doctoraatstraject is een relevante factor in de slaagkans. Die is

omdat het overgrote deel van het fundamenteel onderzoek,

hoog bij onderzoekers die een competitief mandaat verworven

waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de open literatuur,

hebben bij het FWO, IWT of BOF en lager bij onderzoekers

aan universiteiten wordt verricht. Per 10.000 inwoners leidt dit

tewerkgesteld op projecten met andere financiering dan van FWO,

tot een output van 20,32 internationale, peer-reviewed WoS

BOF en IUAP. De hogere slaagkans naar wetenschapscluster en

publicaties voor de totale Vlaamse populatie onderzoekers.

statuut verloopt in tandem met een kortere doctoraatsduur voor dezelfde disciplines en aanstellingsstatuten.


C O N C LU S I E S E N NAB E S C H O U W I N G E N

237

De introductie van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand

Ten slotte dient gewezen op de sterke aanwezigheid van

(VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen heeft

internationale samenwerking in het Vlaamse O&O-landschap.

bovendien de hoge productiviteit van de onderzoekers in deze

De analyse van de Vlaamse deelnames aan diverse internationale

disciplines duidelijk gemaakt (met een output 42.264 publicaties

programma’s (zoals de Kaderprogramma’s, Eureka en zijn diverse

over de tijdsperiode 2000-2011, waarvan er 16.491 waren

programmatorische assen, het ERA-NET, evenals de nieuwe

opgenomen in de Web-of-Science). Ook qua ontvangen citaties

initiatieven van de Europese Commissie) wijzen alvast in die richting.

scoort het Vlaams wetenschappelijk onderzoek bijzonder goed en behoort het tot de Europese top.

14.5 TER AFRONDING De aanwezigheid van de wetenschappelijke instellingen in de publicatie-output nam de laatste jaren verder toe tot afgerond 10%

Ter afronding willen we wijzen op het belang dat aan de veelheid

vandaag, vaak in samenwerking met een of meerdere Vlaamse

en de verscheidenheid aan actoren in het Vlaams WTI-systeem

universiteiten. Deze evolutie wordt verklaard doordat het

moet worden gehecht. Alhoewel dit niet tot uiting komt in de

Interuniversitair Micro-electronica Centrum (IMEC), de Vlaamse

‘traditionele’ WTI-indicatoren, zijn er op Vlaams niveau gedurende

Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), het Vlaams

de laatste twintig jaar significante inspanningen geleverd om

Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), en ook het

de

Instituut voor Breedband Technologie (iMinds/IBBT) nu op volle

de verschillende geledingen van het bedrijfsleven zo goed en zo

snelheid meedraaien in het Vlaams onderzoekslandschap.

transparant mogelijk te maken. In die optiek dienen zeker

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich afgerond op

de inspanningen vermeld te worden om waar mogelijk en nuttig

7%. De verdeling van deze bedrijfspublicaties is bovendien erg

ook de kleine en middelgrote ondernemingen bij het innovatie-

scheef, omdat een beperkt aantal bedrijven een significant deel

gebeuren te betrekken. De eigenheid van het Vlaams industrieel

van deze output voor hun rekening nemen.

weefsel zorgt ervoor dat ook op het vlak van WTI-inspanningen

toegankelijkheid

van

het

WTI-instrumentarium

voor

de complementariteit tussen de verschillende geledingen van de Er is de laatste jaren eveneens een duidelijke en continu stijgende

ondernemingspopulatie (multinationaal versus regionaal, groot versus

trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen.

klein en middelgroot, inclusief de verscheidenheid aan economische

Recente Europese statistieken bevestigen deze trend. Vlaanderen

sectoren in de kleine, open Vlaamse economie) moet worden in

is sinds begin de jaren 1990 sterk opgeklommen in de Europese

rekening gebracht. Er is nu dan ook een instrumentarium ontwikkeld

rangschikkingen van octrooiaantallen, met 255 EPO octrooi-

dat met die eigenheid en complementariteiten rekening houdt.

aanvragen per miljoen inwoners in 2008. Vandaag situeert Vlaanderen zich dan ook bij de meer performante technologische

Naarmate al deze inspanningen worden volgehouden, zal uiteraard

regio’s in Europa.

ook het statistisch apparaat waarover Vlaanderen beschikt om de resultaten van deze inspanningen te meten en in een

Vermeldenswaard is tevens de beduidende toename van het

internationale context te evalueren, continu verder evolueren en

octrooigedrag aan de Vlaamse universiteiten. Wel zijn (net zoals

verfijnd worden. Dit Indicatorenboek vormt dan ook een tastbaar

in de ons omringende landen) de kleine en middelgrote

resultaat van die inspanningen, dat op recurrente wijze verfijnd en

ondernemingen nog steeds eerder afwezig in het octrooi-

geactualiseerd wordt. Aldus hopen we met dit Indicatorenboek

landschap. Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de

een geïntegreerd en consistent beeld te geven van de

meest ‘productieve’ ondernemingen inzake octrooinames,

inspanningen en de resultaten van het WTI-beleid in Vlaanderen.

ook internationaal sterke competitieve posities hebben weten uit

Dit beleid moet Vlaanderen helpen zijn vooraanstaande plaats in

te bouwen. Globaal genomen blijft het echter ook voor

de kenniseconomie van de 21ste eeuw verder te consolideren

Vlaanderen, net zoals voor de meeste Europese landen,

en uit te bouwen.

van prioritair belang om de kloof tussen technologische sterktes en economische voordelen verder te dichten: in sommige sectoren is hij immers nog steeds (erg) groot.


238

14


DOSSIERS

239


1

240

DOSSIER 1: HET GLAZEN PLAFOND IN DE ONDERZOEKSWERELD Door Elisabeth Monard (FWO), Isabelle Verbaeys (FWO) en Hans Willems (FWO)

Wat is het aandeel aan vrouwelijk en mannelijke onderzoekers in

In tabel 1.1 kan duidelijk een horizontale segregatie van vrouwelijke

Europa en hoe evolueert dit in de tijd? Zijn er wetenschapsgebieden

en mannelijke onderzoekers over de verschillende onderzoeks-

waar vrouwen beter vertegenwoordigd zijn dan mannen? Volgt de

domeinen worden waargenomen. In de tabel wordt geen rekening

carrière van een vrouwelijk onderzoeker dezelfde lijn als deze van

gehouden met de verticale segregatie binnen een bepaald

een mannelijke? Wat is het aandeel vrouwen in de hoogste posities

onderzoeksdomein, met andere woorden werd er geen rekening

van het wetenschappelijk onderzoek? Is de vertegenwoordiging

gehouden met graden en senioriteit binnen een onderzoeksveld.

van vrouwen in wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen gelijk

Vrouwen zijn het meest ondervertegenwoordigd in technologie

aan deze in Europa? De opzet van dit deel is een antwoord te

en bij de ingenieurs, terwijl hun aandeel hoger is in de sociale en

bieden op deze vragen. Ondanks enkele positieve trends blijven

culturele wetenschappen, het landbouw- en medisch onderzoek.

vrouwen ondervertegenwoordigd in het wetenschappelijk onderzoek,

In de meeste Europese landen is deze trend waarneembaar.

blijft de segregatie tussen de verschillende onderzoeksdomeinen groot en weerhoudt het glazen plafond vrouwen nog steeds om door te groeien naar de hoogste echelons van de academische wereld.

1.2

UNIVERSITAIR ACADEMISCH PLAFOND IN VLAANDEREN

Verklaringen en oplossingen voor deze ondervertegenwoordiging kunnen enkel gevonden worden na grondige analyse van de

Op basis van de gegevens van het FWO kunnen dezelfde

desbetreffende data. Om daaraan tegemoet te komen wordt hierbij

conclusies getrokken worden. Figuur 1.4 toont aan dat het aantal

eerst de situatie van Europa kort geschetst om daarna in te gaan

vrouwen in het aspirantenbestand gelijke tred houdt met het

op de Vlaamse onderzoekswereld. Het Fonds Wetenschappelijk

aantal mannen en de laatste jaren zelfs hoger ligt. Het aandeel

Onderzoek (FWO) monitort jaarlijks het aandeel vrouwelijke

vrouwen op postdoctoraal niveau ligt beduidend lager en lijkt

onderzoekers

haar

over de jaren heen zeer traag te evolueren. Figuur 1.5 toont

diversiteitsbeleid hierop af te stellen. De data van het FWO geven

duidelijk het uiteenlopend aandeel vrouwen in de verschillende

reeds een goed beeld van het genderevenwicht in fundamenteel

wetenschappelijke disciplines aan, wat overeenkomt met de

wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen.

Europese horizontale segregatie. Vooral in de zogenaamde

in

hun

onderzoeksbestand

teneinde

STEM-disciplines situeert er zich een probleem, waar de beperktere instroom aan vrouwelijke studenten, ook in een latere

1.1

HET EUROPESE UNIVERSITAIRE PLAFOND

fase niet meer wordt gecompenseerd en de percentages aanzienlijk afwijken van de overige wetenschapsgebieden.

In 2009 werd reeds 45% van alle doctoraten in Europa behaald door een vrouw. In België was dit 41% (zie figuur 1.1). Hoewel steeds

De vraag dringt zich op waar de oorzaak ligt voor deze

meer vrouwen een doctoraat behalen, blijven vrouwen een

ondervertegenwoordiging van vrouwen vanaf postdoctoraal

minderheid vormen in de wetenschappelijke onderzoekswereld.

niveau. Figuur 1.6 toont aan dat de slaagpercentages bij het FWO

Op basis van de cijfers van 2009 telde België 33% wetenschappelijke

onafhankelijk zijn van het geslacht en dit zowel op pre- als

onderzoekers en zit daarmee op het Europees gemiddelde

postdoctoraal niveau. Alhoewel het aantal aanvragen van vrouwen

(figuur 1.2). Er werd wel vastgesteld dat het aandeel aan vrouwen

voor een postdoctoraal mandaat met de jaren sterk is gestegen,

in wetenschappelijk onderzoek sneller groeide dan dat van de

blijkt duidelijk uit figuur 1.7 dat de vrouwen achterop blijven hinken

mannen (5,9% t.o.v. 2,25%), wat ook een Europees fenomeen

op hun mannelijke collega’s en er significant minder vrouwen dan

bleek te zijn (5,1% t.o.v. 3,3%) (figuur 1.3). Deze snellere groei

mannnen zijn die een aanvraag indienen om een postdoctoraal

van vrouwelijke onderzoekers is helaas niet voldoende om de

mandaat te behalen. Het aantal aanvragen voor een aspirantschap

genderongelijkheid binnen een aanvaardbare periode ongedaan

van vrouwen ligt de laatste jaren wel hoger dan het aantal

te maken.

aanvragen van mannen.


D O S S I E R 1: H ET G L A Z E N P L AF O N D I N D E O N D E RZO E KSW E R E LD

Figuur 1.1: Proportie vrouwelijke onderzoekers die een

Figuur 1.2: Proportie vrouwelijke onderzoekers (2009).

doctoraat behalen (2009). She Figures 2012

63%

IS

61%

LT LV

58%

MT

58%

52%

LV

51%

LT

48% 46%

HR

46%

PT

53%

PT

She Figures 2012

BG

54%

MK

241

45%

RO

FI

52%

EE

43%

IT

52%

SK

43%

52%

RU

US BG

51%

IS

PL

51%

PL

50%

SE

49%

ES

42% 41% 40%

ES

38%

UK

38%

HU

48%

EL

36%

SK

48%

TR

36%

HR

47%

SE

36%

RO

47%

SI

36%

EE

46%

NO

46%

NO

IE

46%

IT

36%

CY

35% 34%

EU-27

45%

IE

33%

SI

45%

EU-27

33%

UK

45%

BE

33%

DE TR

44%

HU

44%

DK

AT

43%

FI

DK

43%

CH

FR

43%

CH

42%

NL

42%

CY

AT

10%

20%

30%

25%

DE

21%

LU

27% 0%

27% 26%

NL

38%

JP

29% 28%

FR

39%

CZ

30% 29%

CZ

40%

EL

32% 31%

MT

41%

BE

32%

13%

JP 40%

50%

60%

70%

Bron: Education Statistics (Eurostat). Exceptions to the reference year: EL, IT: 2008, Data estimated: EU-27 (by Eurostat).

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

Bron: Education Statistics (Eurostat). Exceptions to the reference year: JP, CH, RU: 2008; EL: 2008, Data estimated: EU-27 (by Eurostat), UK, IE. Head count.


1

242

Figuur 1.3: Jaarlijkse aangroei aan vrouwelijke

Figuur 1.4: Aantal vrouwen en mannen in het (A) aspiranten

onderzoekers (2009). She Figures 2012

bestand en op (B) postdoctoraal niveau

A FWO aspirantenbestand AT

600

CY 500

LU EL

400

DK 300

DE NO

200

TR 100

IT 0

ES

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

LT SK

B FWO bestand postdoctorale onderzoekers

IE 600

SI 500

BE MT

400

EE 300

BG EU-27

200

NL 100

CZ CH

0 2005

JP

2006

IS

■ Mannen

FI

■ Vrouwen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

RO FR UK

De gegevens van het FWO tonen dus aan dat de uitstroom aan

HR

vrouwelijke onderzoekers zich vooral manifesteert op postdoctoraal

HU

niveau. Dit sluit aan bij het schaardiagram die de verticale

PL

segregatie van de academische carrières in Vlaanderen aantoont -2

0

2

4

6

8

10

12

■ Compound annual growth rate for women, 2002-2009 ■ Compound annual growth rate for men, 2002-2009

(figuur 1.8). Hieruit blijkt dat er is een meerderheid aan vrouwelijke studenten, maar vanaf phd-niveau volgt er een duidelijke terugval. Bij doctoraatshouders tellen we nog 45% vrouwen, op het eerste niveau van de academische ladder 44% en vervolgens zien we een sterke terugval bij iedere hogere loopbaantrap (niveau B

Bron: Science & Technology Statistics (Eurostat).

(= postdoctoraal) (36%) en naar hogere echelons (18%)).


D O S S I E R 1: H ET G L A Z E N P L AF O N D I N D E O N D E RZO E KSW E R E LD

243

Tabel 1.1: Evolutie van het aandeel aan vrouwelijke onderzoekers in het hoger onderwijssysteem (Higher Education sector; HES) en in de overheidssector (GOV) per onderzoeksdomein (2002-2009) (%) Natural sciences

1 Januari

Engineering & technology

Medical sciences

Agricultural sciences

Social sciences

Humanities

2002

2009

2002

2009

2002

2009

2002

2009

2002

2009

2002

2009

AT

22

20

14

22

36

44

35

49

37

40

43

50

BE

29

31

20

22

46

51

38

43

42

47

41

44

BG

50

50

27

34

53

55

47

53

49

52

65

61

CY

31

39

16

26

25

56

14

14

37

42

44

49

CZ

32

31

22

24

49

48

47

39

43

41

44

42

DE

20

28

13

20

35

46

33

46

32

35

32

47

DK

24

29

16

22

37

46

44

52

31

46

39

47

EE

35

37

26

29

64

66

45

46

54

58

65

64

ES

39

41

32

37

41

47

39

43

39

41

39

41

FI

-

35

-

30

-

57

-

54

-

53

-

55

HU

27

27

18

21

47

46

33

40

34

42

47

46

IE

31

30

18

18

73

58

30

41

43

47

41

48

IT

36

38

21

26

34

40

35

37

38

40

49

54

LT

46

43

27

33

70

60

52

58

55

67

55

61

LU

30

34

21

27

54

50

30

25

36

44

37

44

LV

47

44

29

31

62

61

44

51

60

63

85

68

MT

16

30

10

16

20

45

13

20

32

40

21

19

NL

24

30

19

24

37

41

32

41

35

43

39

45

PL

39

39

20

70

54

12

49

37

46

38

46

42

PT

51

51

30

29

56

57

50

53

51

50

51

51

RO

45

49

36

40

58

57

40

51

52

52

40

47

SE

43

35

42

22

43

61

44

47

43

-

43

-

SI

33

35

19

32

50

53

39

44

46

48

42

51

SK

39

44

31

32

51

55

42

44

50

51

51

50

UK

-

31

-

19

-

51

-

35

-

41

-

48

HR

44

48

27

32

51

54

38

45

48

55

48

53

TR

38

39

29

32

43

46

27

30

36

40

41

42

NO

27

31

17

24

47

55

37

44

41

46

43

47

1.3

WAT LIGT AAN DE BASIS?

De factoren die hun loopbaan beïnvloeden, hebben te maken met de wisselwerking tussen werk en gezin, die vrouwen nog steeds voor

In het zoeken naar verklaringen voor dit gender-onevenwicht

andere problemen stelt dan mannen; met de arbeidsorganisatie

vanaf postdoctoraal niveau, is de onderzoekswereld het er over

en arbeidscultuur – ook aan universiteiten – die onrechtstreeks

eens dat het gaat om een cumulatie van hindernissen zonder

gendereffecten ressorteert; met gegenderde beeldvorming over

dat men de vinger op een duidelijke zere plek kan leggen.

wetenschap en wie haar beoefent; met individuele percepties en

Bovendien zijn de hordes die vrouwen op hun weg vinden bij

ingesteldheid.

de opbouw van hun academische carrière niet eigen aan de academische wereld, maar komen deze ook voor in andere

Resultaatsgerichte en concrete maatregelen dringen zich op om

professionele contexten.

het glazen plafond in de academische wereld te doorbreken


1

244

Figuur 1.5: Percentage vrouwen op aspiranten- en postdoctoraal niveau in 2012

Aandeel vrouwelijke onderzoeker in 2012 (%) 80%

74% 70%

60% 60%

57%

55% 52% 48%

50%

41%

41%

40%

30% 30%

23% 20%

10%

0% BIO

CULT

G&M

MED

W&T

■ Predoctorale mandaten ■ Postdoctorale mandaten

Figuur 1.6: Slaagkansen bij het aanvragen van een mandaat voor mannen en vrouwen op (A) predoctoraal niveau en (B) postdoctoraal niveau

A Slaagkans FWO aspirantschap (%)

B Slaagkans FWO postdoctorale mandaten (%)

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10 0

0 2005

2006

■ Mannen ■ Vrouwen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012


D O S S I E R 1: H ET G L A Z E N P L AF O N D I N D E O N D E RZO E KSW E R E LD

245

Figuur 1.7: Aantal mannen/vrouwen die een aanvraag indienen voor (A) een aspirantschap, en (B) een postdoctoraal mandaat

A FWO aanvragen aspiranten

B FWO aanvragen postdoctorale onderzoekers

600

600

500

500

400

400

300

300

200

200

100

100

0

0 2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

■ Mannen ■ Vrouwen

Figuur 1.8: Verticale segregatie over de verschillende academische graden van het AP

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% AAP assistent

■ Mannen ■ Vrouwen

WP doctoraal

AAP doctor-assistent

WP postdoctoraal

ZAP docent

ZAP hoofddocent

ZAP hoogleraar

ZAP gewoon hoogleraar


1

246

1.4

DIVERSITEITSBELEID VAN HET FWO

Figuur 1.9 illustreert de procentuele toename van het aantal vrouwelijke panelleden tussen 2009 en 2012 over de verschillende

Het FWO erkent reeds een lange tijd het belang van diversiteit

panels heen.

en voert een doorgedreven diversiteitsbeleid, dat neergeschreven werd in het nieuwe beleidsplan. In het kader van deze genderproblematiek in het wetenschappelijk onderzoek heeft het

Figuur 1.9: Samenstelling FWO Expertpanels

FWO steeds een doorgedreven gelijkekansenbeleid gevoerd. Ten eerste volgt het FWO nauw het aandeel aan vrouwen en mannen bij respectievelijk de predoctorale mandaathouders en

Percentage mannelijke en vrouwelijke panelleden - 2009 26%

de postdoctorale mandaathouders, evenals binnen de FWOExpertpanels, op teneinde het gevoerde genderbeleid te kunnen

74%

evalueren en optimaliseren. Een enquête naar de achterliggende redenen van drop-out zal worden uitgevoerd. Daarnaast is het FWO ook lid van organisaties als Belgian Woman in Science (BEWISE) en de Europsese organisatie European Platform of Women

■ Mannen

Scientists (EPWS) zodat het FWO de vinger aan de pols kan houden

■ Vrouwen

inzake het Europsees beleid betreffende genderevenwicht. Verschillende maatregelen ter bevordering van een genderevenwicht werden reeds ingevoerd. Zo kan een FWO-mandaat met een vol

Percentage mannelijke en vrouwelijke panelleden - 2012 34%

jaar verlengd worden bij een zwangerschap en wordt voor het aanvragen van een postdoctoraal mandaat de maximale tijd die

66%

mag verstreken zijn na het behalen van het doctoraat (normaal 3 jaar) verhoogd met 1 jaar extra per zwangerschap. Verder zijn individuele toelagen, zoals o.m. Fundamenteel Klinische Mandaten en Kredieten voor Wetenschappelijke Opdrachten (sabbaticals),

■ Mannen

toegankelijk voor onderzoekers met 80% aanstelling, wat de

■ Vrouwen

combinatie met een gezin gemakkelijker maakt. Ook legt het FWO de nodige flexibiliteit aan de dag inzake mobiliteit van onderzoekers. Lange verblijven dienen in principe aaneensluitend opgenomen te worden, maar bij verblijven langer dan zes maanden is er flexibiliteit mogelijk omwille van sociale of familiale redenen.

Hoewel het FWO reeds inspanningen levert om het genderevenwicht te bevorderen, blijkt uit het bovenstaand cijfermateriaal

Een strategische plaats voor het initiëren en continueren van

dat, alhoewel er een sterke toename is in het aantal aanvragen

onderzoeksloopbanen zijn uiteraard de panels. Deze dienen dan

zowel van mannen als van vrouwen, vrouwen toch duidelijk

ook zelf regelmatig afgemeten te worden aan een gendermaatstaf.

minder dan mannen een FWO postdoctoraal mandaat aanvragen

De samenstelling van een panel kan immers mee de beoordelingen

en dat deze ondervertegenwoordiging in de loop van de jaren

van aanvragen bepalen. Zo streeft het FWO naar een panel-

slechts langzaam in positieve zin evolueert. Daaruit kan deels

samenstelling van max. 2/3e van hetzelfde geslacht. In 2006 bestond

geconcludeerd worden dat een percentage vrouwen er bewust

slechts 12% van de jury uit vrouwelijke experts. Als resultaat

voor kiest om de academische carrière niet verder uit te bouwen.

van de inspanningen die het FWO op dit vlak levert, is het aantal

Het aantrekkelijker maken van de onderzoeksloopbaan aan de

vrouwelijke leden van de FWO-Expertpanels in 2011 reeds naar

universiteiten zou kunnen bijdragen om een genderevenwicht in de

27% gestegen. In 2012 bestond de samenstelling van de FWO-

postdoc-mandaten te bewerkstelligen. Dat is een uitdaging voor

expertpanels zelfs voor 32,5% uit vrouwen, wat betekent dat de

zowel de beleidsmakers, de universiteiten, onderzoeksinstellingen

doelstelling, max. 2/3 van hetzelfde geslacht, zo goed als bereikt

en fondsen zoals het FWO. Het FWO verbindt zich ertoe om

werd. Natuurlijk is er nog steeds een variatie waar te nemen over

haar diversiteitsbeleid verder uit te bouwen en verdere stappen

de verschillende panels, wat opnieuw neerkomt op de horizontale

te ondernemen die het genderevenwicht in de Vlaamse

segregatie die ook waarneembaar is in de volledige onderzoekswereld.

onderzoekswereld nastreven.


D O S S I E R 2: O N D E RZO E K E RS M ET E E N D O CTO R A AT I N U N IVE RS ITE IT E N I N D U STR I E: E E N G O E D E VO O R B E R E I D I N G I S H ET HALVE W E R K

247

DOSSIER 2: ONDERZOEKERS MET EEN D O C TO R A AT I N U N I V E R S I T E I T E N I N D U S T R I E : E E N G O E D E V O O R B E R E I D I N G I S H E T H A LV E W E R K Door Aukje te Kaat (UGent) en Karen Vandevelde (UGent)

Van onderzoekers in de industrie en in universiteiten wordt

Figuur 2.1: De mate waarin onderzoekers met een

verwacht dat zij belangrijke bijdragen leveren aan de vooruitgang

doctoraat competenties nodig hebben in de job

van de kenniseconomie. De Europese Unie en de Vlaamse

en de mate waarin zij deze verworven tijdens

overheid kozen immers voor een ambitieuze innovatiestrategie.

het doctoraatstraject (N universiteiten = 1350,

Een belangrijk onderdeel van deze beleidskeuze is de aandacht

N industrie = 551, bron: CDH 2010)1

voor de opleiding van doctoraathouders. Maar hoe goed sluiten de competenties die onderzoekers verwerven tijdens het 10

doctoraatstraject aan op de noden binnen de arbeidscontext van universiteiten en de industrie? Bij transferabele skills wordt vaak niet-academische sectoren maken. Maar in hoeverre hebben doctoraathouders die tewerkgesteld zijn in de academische sector andere competenties nodig dan zij die in de industrie werken? In de Careers of Doctorate Holders survey 2010 werd aan doctoraathouders met onderzoekstaken gevraagd in welke mate zij competenties verwierven tijdens het doctoraatsproces, af te lezen op de verticale as, en in welke mate deze nodig zijn in de huidige job op de horizontale as (beiden op een schaal van 1 tot 10) (figuur 2.1).

Competenties verworven tijdens het doctoraat

de nadruk gelegd op doctoraathouders die de overstap naar

9

Onderzoeksvaardigheden

8 Persoonlijke effectiviteit 7 Communicatievaardigheden

6

Teamvaardigheden

5 4 3

Managementvaardigheden

2 1

De lijst van vijfentwintig items die werden bevraagd2 correspondeert

1

2

3

met vijf competentie-clusters (onderzoeks-, management-, teamen communicatievaardigheden en persoonlijke effectiviteit). Over het algemeen steunen onderzoekers in hun job voornamelijk op hun persoonlijke vaardigheden, onderzoekscompetenties en

4

5

6

7

8

9

10

Competenties nodig in de job

â&#x2014;? Universiteit â&#x2013; Industrie

teamvaardigheden. De gemiddelde scores op onderzoeksvaardigheden en persoonlijke effectiviteit liggen nabij de diagonaal, wat suggereert dat deze competenties, verworven tijdens hun doctoraatstraject, gemiddeld gezien voldoen aan de noden op de arbeidsmarkt â&#x20AC;&#x201C; in ieder geval vanuit het perspectief van doctoraathouders tewerkgesteld in de universiteiten en industrie zelf. Dit is in mindere mate het geval voor teamwerk en communicatievaardigheden, waar doctoraathouders signaleren dat ze niet helemaal voorbereid waren op deze jobvereisten, en zeker voor managementvaardigheden welke gemiddeld in mindere mate verworven werden tijdens het PhD traject. 1 Enkel doctoraathouders die minimaal drie items per schaal invulden, die op het moment van bevraging onderzoekstaken hadden en waarvan de sector van tewerkstelling bekend is, werden opgenomen in deze analyse. 2 De lijst met competenties werd gebaseerd op de Joint Skills Statement van Vitae en een studie van Rudd et al. (2008).


2

248

Een interessante bevinding uit figuur 2.1 is dat zowel onderzoekers

De indicatoren in figuur 2.1 wijzen weliswaar op een ‘mismatch’

in de industrie als in de universiteiten hoge nood hebben aan

wat betreft management skills, maar in een maatschappij van

transferable skills, een brede competentiegerichte vorming.

levenslang leren is dit niet onoverkomelijk. De ontwikkeling

Team skills blijken in gelijke mate nodig in beide sectoren.

van menselijk potentieel is in de eerste instantie een taak voor

Communicatievaardigheden zijn ook belangrijk in beide sectoren,

universiteiten. Met de oprichting en financiering van doctoraats-

maar iets meer nog in universiteiten. De resultaten van de CDH

scholen in Vlaanderen hebben de universiteiten reeds een belangrijke

survey tonen daarnaast enkele verschillen in de mate waarin

verantwoordelijkheid opgenomen voor de bredere competentie-

competenties nodig zijn in de twee sectoren. Onderzoeks- en

ontwikkeling van onderzoekers, maar dit kan geen maatwerk

onderwijsvaardigheden en specifieke wetenschappelijke kennis blijken,

zijn op vraag van bedrijven. Onderzoekers nemen met hun

weinig verrassend, belangrijker voor onderzoekers in universiteiten

individuele carrièrekeuzes tevens zelf hun lot in handen.

dan in de industrie. Management competenties zoals kennis van IP,

Bovendien spelen ook werkgevers een rol in de verdere scholing

patenten, onderhandelingsvaardigheden, commerciële ingesteldheid,

van werknemers, bijvoorbeeld indien managementvaardigheden

leidinggevende vaardigheden en projectmanagement zijn vooral

in een specifieke werkcontext vereist zijn. Desalniettemin is

noodzakelijk in de industrie. Uit de O&O-survey 2010 waarin

een goede voorbereiding gedurende het doctoraatstraject al

werkgevers uit de Vlaamse industrie werden bevraagd over

het halve werk.

3

competenties van doctoraathouders

blijkt dat dit precies de

vaardigheden zijn waarvan werkgevers minder onder de indruk zijn. Op een schaal van 1 tot 10 geven de werkgevers een gemiddeld rapportcijfer van nog geen 5 aan doctoraathouders voor dergelijke skills, terwijl zij hen voor andere vaardigheden gemiddeld bijna een 7 geven. Daarnaast is het van belang dat jonge onderzoekers op de hoogte zijn van de noden in de industrie en de wensen van werkgevers. De Grande et al. (2011) vergeleken eerder al de verwachtingen van werkgevers en doctoraathouders4 door de discrepantie te onderzoeken tussen de competenties die het belangrijkst zijn voor de verdere carrière volgens doctoraatsstudenten die graag in de industrie zouden werken aan de ene kant, en de competenties die een rol spelen bij het aannemen van mensen volgens werkgevers in de industrie aan de andere kant. Werkgevers en doctoraatsstudenten bleken het eens te zijn over het belang van onderzoeksvaardigheden, analytisch denken en specifieke wetenschappelijke kennis. Daar tegenover staat dat terwijl werkgevers vooral nadruk legden op technische skills, initiatief nemen, project management en business skills, doctoraatsstudenten zich minder bewust leken van de noodzaak van dergelijke competenties.

3 Voor meer informatie over de O&O survey 2010, zie Indicatorenboek ECOOM 2011. 4 http://www.ecoom.be/sites/ecoom.be/files/downloads/ECOOMBrief%204%20mismatch.pdf


D O S S I E R 3: S LE UTE LTE C H N O LO G I E Ë N I N VL A AN D E R E N

249

D O S S I E R 3 : S L E U T E LT E C H N O L O G I E Ë N IN VLAANDEREN Door Petra Andries (KU Leuven), Pascale Dengis (EWI), Machteld Hoskens (KU Leuven) en Peter Viaene (EWI)

Het nieuwe Europese kaderprogramma voor Onderzoek en

●

Omvat hierin: energie-efficiëntieverbeteringstechnologieën

Innovatie (2014 – 2020) Horizon2020 legt, meer dan voorgaande

(opwekking, opslag, transport), hernieuwbare energiebronnen

programma’s, de nadruk op de ontwikkeling van de industriële

(zonne-energie, windenergie, biobrandstoffen, hydro-energie,

capaciteit in Europa. De focus van deze ontwikkeling situeert zich

geothermische energie), nieuwe nucleaire reactoren, waterstof-

o.a. bij de zogenaamde sleuteltechnologieën of “Key Enabling

technologie, brandstofcellen en energiebeheerssystemen.

Technologies” (KET’s). Deze sleuteltechnologieën vormen de bouwstenen voor de ontwikkeling van een breed gamma goederen-, diensten-, en procesinnovaties. Ze zijn interdisciplinair en vereisen een integratie van kennis uit verschillende

Nanotechnologie ●

Technologieën op nanoschaal voor de creatie van verbeterde materialen, processen en systemen.

technologiedomeinen. ●

Omvat hierin: nano-materialen, -elektronica, -fotonica, -

De ontwikkeling van deze technologieën vereist een kritische

instrumenten, -magnetica, -mechanica, -filtratie en nano-

massa aan kennis in combinatie met een kapitaalintensieve

biotechnologie.

benadering.

Vandaar

dat

de

Europese

Commissie

de

inspanningen wil stroomlijnen door een betere coördinatie van de activiteiten die uitgevoerd worden op regionaal, nationaal en Europees niveau. In het kader van deze nieuwe benadering stelt

Micro-elektronica & ICT ●

verwerking en uitwisseling van data.

zich de vraag hoe een regio als Vlaanderen zich best kan positioneren om maximale synergie te creëren rekening houdend

Technologieën op het vlak van de elektronische registratie,

●

Omvat hierin: quantum computing, cloud computing, nieuwe

met de eigen financieringsinstrumenten en de eigen strategische

hardwarecomponenten, nieuwe programmeertalen, artificiële

benadering vervat in het Innovatiecentrum Vlaanderen en het

intelligentie, cryptografie, neuro-elektronica, neuro-informatica

Nieuw Industrieel Beleid (NIB). Om een gefundeerd antwoord op

en beeldvormingstechnologie.

deze vraag te ontwikkelen, werden zowel de private als publieke sector in Vlaanderen bevraagd over het gebruik en de ontwikkeling van een aantal sleuteltechnologieën: Biotechnologie ●

Technologieën voor het wijzigen van levende en niet-levende materie voor de productie van kennis, goederen en diensten.

●

Omvat hierin: DNA/RNA, eiwitten en andere moleculen, cel- en weefselculturen, bioprocestechnologie, gen- en RNA-vectoren, bio-informatica, nanobiotechnologie en neurowetenschappen.

Energietechnologie ●

Technologieën voor het opwekken, het opslaan en het transporteren van energie.

●

Het gebruik van bestaande programmeertalen voor de ontwikkeling van software valt hier niet onder.

3.1

GEBRUIK EN ONTWIKKELING VAN SLEUTELTECHNOLOGIEËN IN DE VLAAMSE BEDRIJVEN

In de O&O-enquête van 2012, ondervroeg ECOOM de Vlaamse bedrijven naar twee aspecten met betrekking tot sleuteltechnologieën: enerzijds hun gebruik ervan en anderzijds hun eigen O&O-inspanningen op het vlak van deze sleuteltechnologiedomeinen.


3

250

Wat het gebruik van sleuteltechnologieën betreft, blijkt uit het

Verder geeft tabel 3.2 aan dat ongeveer 25% van het totale

antwoord van ongeveer 1.700 bedrijven (zie tabel 3.1), dat 32%

O&O-budget van de Vlaamse bedrijven gaat naar micro-elektronica,

van hen gebruik maakte van micro-elektronica en ICT om een

en ongeveer 32% van hun totale O&O-personeel hierop wordt

deel van hun omzet voor 2011 te realiseren. Om en bij de 16%

tewerkgesteld. Voor biotechnologie bedragen deze percentages

maakte gebruik van energietechnologie en 12% van biotechnologie.

respectievelijk 12% en 9%, en voor energietechnologie

Ongeveer 6% maakte gebruik van nanotechnologie. Hierbij dient

respectievelijk 5% en 5%. Waar ongeveer evenveel O&O-actoren

natuurlijk genoteerd te worden dat de O&O-enquête geen

onderzoek doen naar energie- en biotechnologie, zijn de budgetten

gerandomiseerde steekproef van de Vlaamse bedrijvenpopulatie

voor biotechnologie dus duidelijk groter dan die voor energie-

gebruikt (zie methodologische uitleg in hoofdstuk 5). De aan-

technologie. Tenslotte gaat ongeveer 3% van het totale

geschreven groep van bedrijven bestaat voor ongeveer de helft uit

O&O-budget van de Vlaamse bedrijven naar nanotechnologie,

gekende O&O-actoren, en voor de helft uit een gerandomiseerde

en wordt ook 3% van hun totale O&O-personeel hierop

steekproef van de rest van de Vlaamse bedrijvenpopulatie. De cijfers

tewerkgesteld.

worden dus voor een groot deel bepaald door de respons van O&O-actieve bedrijven, en zijn dus niet representatief voor het gemiddelde Vlaamse bedrijf, waar het gebruik van deze sleuteltechnologieën zeer waarschijnlijk lager is.

3.2 GEBRUIK EN ONTWIKKELING VAN SLEUTELTECHNOLOGIEËN IN DE VLAAMSE PUBLIEKE SECTOR

Wat betreft O&O-inspanningen inzake sleuteltechnologieën, blijkt uit de antwoorden van iets meer dan 3800 respondenten op

In de O&O-enquête van de OESO voor de non-profit, voor 2012,

de O&O-enquête van 2012 dat ongeveer 1,4% van hen in 2011

was er voor het eerst een module opgenomen die de Vlaamse

O&O-activiteiten had op vlak van micro-elektronica en ICT.

publieke onderzoeksinstellingen bevroeg over het gebruik van en

Ongeveer 0,8% en 0,6% van hen deden O&O naar respectievelijk

hun O&O-inspanningen op het vlak van verschillende sleutel-

energie- en biotechnologie. Slechts 0,3% had in 2011 O&O-

technologieën.

activiteiten op het domein van nanotechnologie. Het is ook zinvol om de O&O-activiteiten inzake sleuteltechnologieën in kaart te

Uit deze OESO-bevraging rapporteerden 82 instellingen uit

brengen specifiek voor de populatie van O&O-actieve bedrijven.

de non-profit sector4 voor 2011 onderzoek te verrichten.

Zo geeft de laatste kolom van Tabel 3.1 aan dat maar liefst 37%

Binnen deze groep rapporteerden 26 instellingen ook O&O-

van de O&O-actieve bedrijven in Vlaanderen tenminste een deel

activiteiten

van hun O&O doet naar micro-elektronica en ICT. Ongeveer 20%

energietechnologie, micro-elektronica en ICT of nanotechnologie).

en 17% van de O&O-actoren hebben O&O-activiteiten op het

Het gaat hier om 19 instellingen uit het hoger onderwijs (HES),

vlak van respectievelijk energie- en biotechnologie. Ook doet 8%

6 publieke onderzoekscentra (GOV) en 1 particuliere non-profit

van de O&O-actieve bedrijven O&O inzake nanotechnologie.

(PNP) organisatie. Daarenboven zijn er ook nog 5 collectieve

in

deze

sleuteltechnologieën

(biotechnologie,

centra (als onderdeel van de bedrijven - BES) die rapporteerden aan O&O te doen.

Tabel 3.1: Aandeel bedrijven dat gebruik maakt van of onderzoek doet naar sleuteltechnologieën (2011) % bedrijven dat gebruikt maakt van1

Biotechnologie

% bedrijven dat O&O doet naar2

% O&O-actieve bedrijven dat O&O doet naar3

12%

0,6%

17%

6%

0,3%

8%

Micro-elektronica en ICT

32%

1,4%

37%

Energietechnologie

16%

0,8%

20%

Nanotechnologie

1 Gebaseerd op het antwoord van 1.705 bedrijven. 2 Gebaseerd op het antwoord van 3.859 bedrijven, zowel met als zonder O&O-activiteiten, die na weging samen 88% van de globale bevraagde populatie van Vlaamse bedrijven vertegenwoordigen. 3 Gebaseerd op het antwoord van 865 bedrijven, die samen 74% vertegenwoordigen van de uitgaven voor interne O&O bij de bedrijven in Vlaanderen in 2011. 4 Bestaat uit PNP, HES en GOV. Voor PNP en GOV uit Vlaams Gewest voor HES uit Vlaamse Gemeenschap.


D O S S I E R 3: S LE UTE LTE C H N O LO G I E Ë N I N VL A AN D E R E N

251

Tabel 3.2: O&O-uitgaven en O&O-personeel voor sleuteltechnologieën bij de bedrijven (2011) % van de O&O-uitgaven dat gespendeerd wordt aan5

Biotechnologie Nanotechnologie Micro-elektronica en ICT Energietechnologie

% van het O&O-personeel dat werkt aan6

12%

9%

3%

3%

25%

32%

5%

5%

Het is uiteraard ook zo dat een instelling O&O kan doen in meer

De nanotechnologie volgde op enige afstand met 210 miljoen euro

dan één van deze sleuteltechnologieën. Enkele cijfers over de

aan O&O-uitgaven. Micro-elektronica en ICT volgden als 3e

spreiding van het onderzoek binnen deze sleuteltechnologieën:

domein met 169,6 miljoen euro en als laatste volgt de energietechnologie met 73,7 miljoen euro.

●

22 van de 26 instellingen doen O&O met betrekking tot energietechnologie

●

18 van de 26 instellingen doen O&O met betrekking tot biotechnologie

●

●

3.3 DE SLEUTELTECHNOLOGIEËN IN VLAANDEREN GEËVALUEERD

17 van de 26 instellingen doen O&O met betrekking tot microelektronica en ICT

Bij de bedrijven springt micro-elektronica en ICT in het oog als

13 van de 26 instellingen doen O&O met betrekking tot

belangrijkste O&O-domein bij de sleuteltechnologieën, op enige

nanotechnologie

afstand gevolgd door de biotechnologie. Bij de publieke sector is de belangrijkste sleuteltechnologie de biotechnologie, maar het

Verder geeft tabel 3.3 aan dat ongeveer 16% van de totale O&O-

verschil met de andere technologieën is minder groot.

uitgaven van de publieke sector gaat naar biotechnologie, 12%

Nanotechnologie en micro-elektronica en ICT volgen immers ook

naar nanotechnologie, 10% naar micro-elektronica en ICT en 4%

op kleine afstand als sleuteltechnologie.

naar energietechnologie. Bij het O&O-personeel is de verdeling als volgt: 12% voor biotechnologie, 7% naar nanotechnologie, 7% naar micro-elektronica en ICT en 4% naar energietechnologie. Verder uitgesplitst naar sector is de biotechnologie bij het hoger onderwijs (HES) het belangrijke onderzoeksdomein (zowel personeel als uitgaven). Bij de publieke onderzoekscentra (GOV) is dit nanotechnologie voor de O&O-uitgaven en biotechnologie voor het O&O-personeel. In tegenstelling tot de private sector kan er voor de publieke sector wel een inschatting gemaakt worden van de O&O-uitgaven voor de sleuteltechnologieën. Er wordt hier immers niet met steekproeven maar met de volledige populatie gewerkt. De totale O&O-uitgaven voor deze vier sleuteltechnologieën bedroeg in 2011 734,6 miljoen euro. Verder opgesplitst per sleuteltechnologie levert dit de volgende verdeling op. De biotechnologie kende in 2011 het hoogste cijfer met ongeveer 281,3 miljoen euro.

5 Gebaseerd op het antwoord van 858 bedrijven, die samen 70% vertegenwoordigen van de uitgaven voor interne O&O bij de bedrijven in Vlaanderen in 2011. 6 Gebaseerd op het antwoord van 840 bedrijven, die samen 60% vertegenwoordigen van het O&O-personeel bij de bedrijven in Vlaanderen in 2011.


3

252

Tabel 3.3: O&O-uitgaven en O&O-personeel voor sleuteltechnologieĂŤn in de publieke sector (2010-2011) % van de O&O-uitgaven dat gespendeerd wordt aan

% van het O&O-personeel dat werkt aan

Biotechnologie HES7

16%

10%

GOV

19%

23%

PNP

0%

0%

16%

12%

1%

3%

Totaal publieke sector Collectieve centra Nanotechnologie HES

6%

6%

GOV

25%

14%

PNP Totaal publieke sector Collectieve centra

1%

2%

12%

7%

2%

3%

Micro-elektronica en ICT HES

6%

6%

GOV

19%

15%

PNP

0%

0%

10%

7%

1%

1%

HES

2%

3%

GOV

8%

8%

PNP

0%

1%

Totaal publieke sector

4%

4%

Collectieve centra

5%

5%

Totaal publieke sector Collectieve centra Energietechnologie

7 Ook de instellingen uit Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn opgenomen bij HES voor alle sleuteltechnologieĂŤn.


D O S S I E R 4: K I EZ E N VO O R STE M !

253

DOSSIER 4: KIEZEN VOOR STEM! Door Elie Ratinckx (VRWI) en Danielle Raspoet (VRWI)

4.1

INLEIDING

Onderstaande paragrafen zijn een zeer beknopte weergave Studiereeks 25 en VRWI Advies 175.

richtingen blijft – zelfs tijdens deze financieel-economische crisis – acuut. Bovendien zal de nood aan extra exacte en toegepaste wetenschappers en technici in de toekomst enkel vergroten. Dit wordt veroorzaakt door de grote vervangingsbehoefte van STEM1-werknemers die binnen afzienbare tijd in grote getallen de arbeidsmarkt zullen verlaten.

4.2 ANALYSE VAN DE STEM-TEKORTEN Studiereeks 25 toont aan dat de STEM-tekorten in Vlaanderen vooral betrekking hebben op technici, ingenieurs, informatici, wiskundigen en fysici, evenals op leerkrachten voor bepaalde

Een recent rapport van de Europese Commissie (European

STEM-vakken. Deze problematiek doet zich nagenoeg overal in

Competitiveness report 2012: reaping the benefits of globalization)

Europa voor, zelfs bij laagconjunctuur.

wijst er bovendien op dat we versneld moeten omschakelen naar een kenniseconomie. Een stevige basis aan STEM-werknemers is dan ook een vereiste als voldoende absorptiecapaciteit voor de

Momenteel volgen in de derde graad van het secundair onderwijs vier op de tien scholieren een STEM-richting (zie figuur 4.1).

3%-norm voor Onderzoek & Ontwikkeling die Vlaanderen tegen 2020 wenst te behalen.

Figuur 4.1:

Aandeel van de STEM-categorieën2 in de schoolverlaters per onderwijsvorm

In het licht hiervan besteedde de VRWI eind 2011 een onderzoeksopdracht uit aan Dirk De Martelaere (onderzoeksbureau M.A.S.) en Wouter Van den Berghe (studie- en adviesbureau Tilkon) om de bestaande inzichten te versterken en op basis hiervan prioritaire acties voor te stellen. De resultaten van de VRWI studieopdracht (cf. VRWI Studiereeks

100% 90% 80%

25 ‘Kiezen voor STEM’) leveren talrijke nieuwe en interessante

70%

inzichten op voor dit complexe vraagstuk. De VRWI heeft bij

60%

Studiereeks 25 ‘Kiezen voor STEM’ tevens een advies (175,

50%

‘Kiezen voor STEM: de keuze van jongeren voor technische en

40%

wetenschappelijke studies’) uitgebracht om een begin van focus aan te brengen voor het STEM-beleid rekening houdend met de rijkdom van informatie in Studiereeks 25. De VRWI reikt de studiereeks en het bijhorende advies aan alle betrokken actoren aan, en vooral aan het recent opgerichte

30% 20% 10% 0% Totaal

ASO

TSO

KSO

BSO

STEM-platform. Dit platform fungeert als motor achter de concrete uitrol van het STEM-beleid en het STEM-actieplan dat het resultaat is

■ Niet-STEM

van een nauwe samenwerking tussen de departementen Onderwijs

■ Zorg-STEM ■ STEM

■ Lichte STEM

en Vorming, Economie, Wetenschap en Innovatie, en Werk.

1 Science Technology Engineering Mathematics. 2 STEM: studierichtingen waarin het accent duidelijk gelegd wordt op wiskunde, exacte wetenschappen, techniek of ICT en waarvan het de bedoeling is dat afgestudeerden een wetenschappelijke en/of technisch georiënteerde job kunnen uitoefenen; Zorg-STEM: studierichtingen waarvan de finaliteit in de eerste plaats gericht is op het verzorgen van mens of dier, maar die ook een behoorlijk aantal STEM-vakken inhouden (soms meer in bepaalde jaren dan in andere). De meeste afgestudeerden uit deze richtingen komen in de zorgsector terecht; Lichte STEM: studierichtingen waarvan in een of meer jaren het curriculum een beperkt aantal STEM-vakken omvat; Niet-STEM: door uitsluiting zijn dit alle andere studierichtingen.

Dank aan CERN voor het ter beschikking stellen van beeldmateriaal.

van de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen uit VRWI De problematiek rond wetenschappelijke en technische knelpunt-


4

254

Enkel in het ASO en het KSO houden meisjes en jongens elkaar

Figuur 4.2:

Verdeling van de doorstroom vanuit secundair

in evenwicht. In de STEM-richtingen van het TSO en BSO zitten

onderwijs (STEM en niet-STEM) naar STEM,

nauwelijks meisjes. Ze zijn ook ondervertegenwoordigd in de meeste

Zorg STEM, lichte STEM en niet-STEM in het

STEM-richtingen in het hoger onderwijs, behalve deze die op

hoger onderwijs

biologie gericht zijn. Hoewel meisjes meer dan de helft van de generatiestudenten in het hoger onderwijs uitmaken, bestaat drie kwart van de studenten in STEM-richtingen uit jongens.

100% 90%

Dergelijke fenomenen zijn te observeren in heel Europa, zij het niet overal in dezelfde mate. Inzake het aantal STEMgediplomeerden in het hoger onderwijs situeert Vlaanderen zich rond het Europees gemiddelde. Veel landen doen het dus een

80% 70% 60%

stuk beter. De instroom van buitenlandse studenten in STEM-

50%

richtingen in Vlaanderen heeft nauwelijks invloed op de uitstroom,

40%

dit in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen.

30%

Het aantal STEM-gediplomeerden is in Vlaanderen ook minder toegenomen dan het Europees gemiddelde (en voor sommige richtingen zelfs afgenomen). Dit illustreert dat er in Vlaanderen nog veel groeikansen zijn voor de uitstroom van STEM-gediplomeerden.

20% 10% 0% STEM SO

Niet-STEM SO

De gedetailleerde analyses van de doorstroom vanuit het

■ Niet-STEM HO

secundair naar het hoger onderwijs tonen aan dat het STEM-

■ Lichte STEM HO

potentieel uit het secundair onderwijs onderbenut wordt (zie

■ Zorg-STEM HO

figuur 4.2). Zelfs als we rekening houden met de doorstroom naar

■ STEM HO

Totaal SO

zorg-STEM-richtingen (geneeskunde, apotheker, kinesitherapie, verpleegkunde,…) kiezen drie op de tien scholieren, die in het secundair onderwijs een STEM-richting volgden, vervolgens in het hoger onderwijs voor niet-STEM-richtingen. Dit komt het meest voor bij gediplomeerden uit het ASO en in het bijzonder bij meisjes. Het uiteindelijke resultaat van al deze bewegingen en het

Figuur 4.3:

Belangrijkste factoren die kunnen zorgen voor tekorten in STEM-jobs

studieproces in het hoger onderwijs is dat slechts één hoger diploma op de vijf een STEM-diploma is. Bovendien is binnen STEM het aandeel van biologie toegenomen, waarvoor geen

Studenten uit het buitenland

Buitenlandse arbeidsmarkt

tekorten zijn op de arbeidsmarkt. STEM jobs

Studiereeks 25 toont bovendien aan dat het STEM-tekort niet enkel het gevolg is van onvoldoende uitstroom uit het onderwijs,

Studenten STEMstudierichtingen

Verlaten van de arbeidsmarkt Interne dynamiek

maar dat ook andere factoren een rol spelen (zie figuur 4.3). Studenten andere studierichtingen

Andere jobs


D O S S I E R 4: K I EZ E N VO O R STE M !

Figuur 4.4:

255

Mate waarin een STEM-vooropleiding noodzakelijk was voor de eerste job

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% STEM SO knelpunt

STEM HO knelpunt

STEM SO geen knelpunt

STEM HO geen knelpunt

Lichte STEM HO

ZorgSTEM HO

OnderwijsSTEM HO

■ Niet (erg) noodzakelijk ■ Neutraal ■ (Erg) noodzakelijk

Het onderzoek naar de instroom van STEM-gediplomeerden in de arbeidsmarkt toont bijvoorbeeld aan dat een belangrijk deel van de STEM-gediplomeerden niet in STEM-jobs terechtkomt.

4.3 WELKE FACTOREN BEPALEN DE STUDIEKEUZE VAN JONGEREN VOOR STEM-RICHTINGEN?

Slechts voor de helft van de STEM-gediplomeerden is een STEMopleiding noodzakelijk voor hun eerste job (zie figuur 4.4).

Veel factoren blijken de keuze van jongeren voor STEM-richtingen te beïnvloeden (figuur 4.5). De belangrijkste factor is interesse in

Vier op de tien STEM-gediplomeerden oefenen in het begin van hun

het vakgebied. Een belangrijke vaststelling is het grote verschil

loopbaan een job uit met een laag STEM-karakter. Dit fenomeen

tussen de algemene positieve appreciatie voor wetenschap en

is het meest uitgesproken bij STEM-gediplomeerden uit het

techniek door jongeren, en hun gebrek aan enthousiasme voor

secundair onderwijs. Het geldt wel in mindere mate voor

wetenschapsonderwijs – iets wat overigens ook voorkomt in

gediplomeerden uit studierichtingen die kunnen gerelateerd worden

het buitenland. Onderzoek toont aan dat de wijze waarop

aan knelpuntberoepen. De STEM-tekorten op de arbeidsmarkt

wetenschapsonderwijs wordt gegeven de interesse van jongeren

worden dus niet enkel veroorzaakt door een te lage uitstroom uit

positief kan doen evolueren. Dat gebeurt best reeds vanaf de

het onderwijs maar ook (en soms zelfs vooral) doordat STEM-

kindertijd. Dit is zeker een aandachtspunt bij meisjes, waar vanaf

gediplomeerden worden aangeworven in niet-STEM-jobs.

10 jaar de belangstelling voor wetenschappen begint af te nemen (meer dan bij jongens), vooral voor wiskunde en natuurkunde. De aspecten van wetenschap die meisjes interesseren, verschillen ook sterk van deze van jongens. Andere motivatiefactoren die meespelen in het keuzeproces zijn het geloof in eigen kunnen, de identificatie met het beroep, extrinsieke motivatie (werkzekerheid, status,…) en relatieve kost.


4

256

Figuur 4.5:

Schematische weergave van studiekeuzebepalende factoren

Interesse en plezier Geloof in eigen kunnen

Motivatie

Identificatie Nuttigheid Relatieve kost

Toegangsbeperkingen

Vak, opleiding, studierichting

Beslissingen door anderen

Naarmate deze factoren sterker aanwezig zijn, is de kans ook

●

In het buitenland slaagt men erin om het aantal afgestudeerden

groter dat een jongere kiest voor een STEM-richting en finaal een

in wetenschappelijke en technische knelpuntrichtingen te

STEM-beroep. Deze factoren kunnen beïnvloed worden door het

verhogen door meer meisjes te motiveren. Inzetten op meisjes

onderwijs en door de ouders.

is dus cruciaal.

Naast de motivatie van de jongere zelf bepalen nog andere

●

overtuigd dat een STEM-opleiding kansen biedt om hoger op

factoren de instroompatronen. De belangrijkste zijn de beperkingen

de sociale ladder te komen;

op het aanbod (i.e. Toegangsbeperkingen). Het rapport wijst ook op de invloed van ouders, vaak indirect, op de studiekeuze van

Kansarme jongeren en hun omgeving moeten worden

●

Om STEM-jobs attractiever te maken dienen verschillende maatregelen genomen te worden waaronder de harmonisering

hun kinderen (i.e. Beslissingen door anderen).

van het statuut arbeiders versus bedienden;

4.4 PRIORITEITEN VOOR HET STEM-BELEID Op basis van Studiereeks 25 heeft de VRWI een begin van focus

●

Meer media-aandacht voor STEM kan o.a. een belangrijke rol spelen in het positief beïnvloeden van ouders en leerkrachten;

●

In het kader van herstructureringen met het beëindigen van

aangebracht voor maatregelen die cruciaal lijken voor het STEM-

de arbeidsovereenkomst als gevolg, kan omscholing naar

beleid:

STEM knelpuntberoepen een belangrijke mogelijkheid zijn

●

realistisch budget zijn primordiaal om tot duurzame resultaten

●

Een gericht STEM-migratiebeleid zal nodig zijn gezien de

te komen. Acties zullen pas impact hebben wanneer ze op

verhoging van de uitstroom van STEM-gediplomeerden

langere termijn kunnen lopen met garanties voor continuïteit

onderhevig is aan een plafondeffect;

en mits ze voldoende kritische massa hebben; ●

voor duurzame tewerkstelling;

Volgehouden, integrale en grootschalige initiatieven én een

●

De rol van het onderwijs staat centraal. De VRWI roept onder andere op om in te zetten op inspirerende leerkrachten via de lerarenopleidingen, en te zorgen voor nieuwe, 'coole', boeiende, eigentijdse, enthousiasmerende en relevante STEM-pedagogie op basis van 'inquiry-based learning';

Een onafhankelijk STEM-platform dat zaken in beweging zet en enthousiasmeert is cruciaal;

●

Verder en permanent gericht onderzoek is wenselijk. Concreet kan bijvoorbeeld onderzocht worden op welke manier buitenlandse goede praktijken geïmplementeerd kunnen worden in een Vlaamse context.


D O S S I E R 5: AM B I TI O U S E N TR E P R E N E U R S H I P. A R EVI EW O F TH E STATE O F TH E ART

257

D O S S I E R 5 : A M B I T I O U S E N T R E P R E N E U R S H I P. A R E V I E W O F T H E S TAT E O F T H E A RT Door An Schrijvers (VRWI) en Danielle Raspoet (VRWI)

5.1

ACHTERGROND

Het rapport onderscheidt vier cruciale transities die individuen doorlopen om tot ambitieus ondernemerschap te komen (zie

Nederland en België kennen de laatste decennia steeds minder

figuur 5.1). Hierbij zijn twee paden mogelijk.

‘ambitieuze’ ondernemers. Deze zijn nochtans belangrijk voor het toepassen van kennis en het creëren van nieuwe waarde.

Het eerste pad loopt via het ontwikkelen van een ondernemende

In antwoord hierop bundelden de Vlaamse Raad voor Wetenschap

houding en ondernemende intenties (A) naar daadwerkelijk

en Innovatie (VRWI) en de Nederlandse Adviesraad voor het

ondernemend gedrag (B). In dit pad komt de intentie tot het

Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), hun krachten. Ze lieten

creëren van zoveel mogelijk nieuwe waarde (C) na de intentie om

samen een studie uitvoeren naar de determinanten voor 'ambitieus

ondernemer te worden.

ondernemerschap', dit met als doel aangrijpingspunten te vinden voor beleidsformulering. De analyse focust niet enkel op 'mainstream' contextuele factoren, zoals de aanwezigheid van

Figuur 5.1:

Transitiemodel ambitieus ondernemerschap

voldoende risicokapitaal en een ondernemerscultuur, maar ook op minder voor de hand liggende factoren, zoals de persoonskenmerken van de individuele ondernemer. Het onderzoek werd uitgevoerd door een consortium van onderzoekers onder leiding

Sociaal-economische context (H7) A - Motivatie voor ambitieus ondernemerschap

van prof. dr. Eric Stam, hoogleraar, Utrecht School of Economics, Universiteit Utrecht. Het project liep van 1 januari 2011 tot 31 oktober 2011.

5.2 HET ONDERZOEK, GETITELD ‘AMBITIOUS ENTREPRENEURSHIP. A REVIEW OF THE STATE OF THE ART’

5.2.1

Definities en conceptueel kader

Ondernemende houding (H2)

Prestatiegerichtheid (H4)

B - Ondernemend gedrag

Zelfstandig ondernemerschap (H2)

Intrapreneurship (H3)

In de studie wordt ‘ondernemerschap’ gedefinieerd als ‘het proces waarin kansen voor het creëren van goederen en diensten in de toekomst wordt ontdekt, geëvalueerd en geëxploiteerd’.

C - Ambitieus ondernemerschap (H5)

Een ‘ambitieuze ondernemer’ wordt gezien als iemand die (a) betrokken is in het proces van ondernemerschap en (b) hierbij een nieuwe onderneming ontwikkelt met als doel ‘zoveel mogelijk nieuwe waarde’ te creëren. Deze ‘nieuwe waarde’ uit zich in innovatie, internationalisering en boven alles groei. Een ‘ambitieuze ondernemer’ hoeft niet noodzakelijk een eigen bedrijf te hebben. Ook werknemers kunnen activiteiten ontplooien met het doel om zoveel mogelijk waarde te creëren. Het zijn de zgn. ‘intrapreneurs’.

D - Realisatie nieuwe waarde (H6)


5

258

Het tweede pad gaat juist uit van prestatiedrang, waarbij de

Ten vierde is ook de institutionele context van belang, zowel de

ondernemende intenties minder expliciet aanwezig zijn. De kansen

informele als de formele. Met informele instituties wordt verwezen

voor ondernemerschap kunnen voor deze individuen min of meer

naar de gangbare normen en waarden in de samenleving,

toevallig op hun pad komen. Als een ondernemer in eerste

zoals bijvoorbeeld het bestaan van een ondernemerscultuur.

instantie nog niet ambitieus is, kunnen de intentie tot innovatie,

Deze informele ‘waarden’ zijn moeilijk te wijzigen. Met formele

internationalisering en groei ook worden geactiveerd nadat het

instituties worden de wetten en regels bedoeld die gelden in de

ondernemende gedrag is geïnitieerd.

samenleving, zoals de regels voor werknemersbescherming, het sociale zekerheidssysteem, de faillissementswetgeving, enz.

Tenslotte moeten deze ambities – zowel in het eerste als het

Deze zijn – in tegenstelling tot de informele – directer door

tweede pad – ook nog worden gerealiseerd (D).

overheden te beïnvloeden.

De vier transities worden beïnvloed door de ruimere sociaal-

5.2.2.2 Belang van de determinanten in de vier transities

economische context waarin de ondernemer zich bevindt, zoals het macro economische klimaat, demografische factoren, formele en informele instituties. 5.2.2

Uit de analyse blijkt dat de intenties tot ambitieus ondernemerschap (eerste transitie) gevormd worden door een positieve houding ten aanzien van ondernemerschap en door de (gepercipieerde) ondernemerschapsvaardigheden. Groeiend empirisch bewijs

Belangrijkste resultaten

wijst op de achterliggende invloed van sociale normen of

Aan de hand van een grondige studie van de wetenschappelijke

informele instituties.

literatuur werden de diverse determinanten voor ‘ambitieus’ en zelfstandig ondernemerschap in kaart gebracht, en werd hun

Voor de stap van ondernemend gedrag naar ambitieus

relatieve gewicht aangegeven in de vier transities.

ondernemerschap speelt ten eerste de economische situatie een belangrijke rol – nog belangrijker dan bij de stap naar

5.2.2.1

Determinanten

voor

ambitieus

en

zelfstandig

te creëren (in de meeste gevallen gemeten als de intentie om te

ondernemerschap Zo is prestatiegerichtheid een noodzakelijke voorwaarde voor ambitieus ondernemerschap, maar niet zozeer voor zelfstandig ondernemerschap. De behoefte aan onafhankelijkheid speelt dan weer sterker bij zelfstandig ondernemerschap, terwijl het slechts van beperkte invloed is bij ambitieus ondernemerschap. Het opleidingsniveau van de ondernemer is van groter belang voor

ambitieus

ondernemerschap

ondernemerschap zelf. Hiernaast blijkt dat de intentie om waarde

dan

voor

zelfstandig

ondernemerschap. Ten tweede blijkt uit het literatuuronderzoek dat de kennis en vaardigheden om te presteren niet alleen van invloed zijn op de intentie om te groeien (derde transitie), maar ook op de vierde transitie, die van intentie tot daadwerkelijke realisatie van groei. Een hoog opleidingsniveau en leiderschapservaring helpen bij het effectief realiseren van groei-intenties. Ten derde speelt de economische context een belangrijke rol. Die bepaalt immers mede de kansen (of belemmeringen) voor ondernemerschap. In regio’s met goede economische vooruitzichten zullen intentie en realisatie met betrekking tot ambitieus ondernemerschap makkelijker tot wasdom komen dan in regio’s die te maken hebben met economische neergang.

groeien) zo goed als noodzakelijk is om daadwerkelijk tot groei te komen (vierde transitie). Dit blijkt in sterke mate te worden beïnvloed door de kennis en vaardigheden van de ondernemer naast de kansen die zich voordoen (economische vooruitzichten, toegang tot hulpbronnen e.d.). Intenties om te groeien hangen tot slot ook af van de houding (en de verwachte consequenties) ten aanzien van groeien en van de prestatiedrang van de ondernemer. Voor de transitie van prestatiegerichtheid naar ambitieus ondernemerschap (derde transitie) is ook de hoogte van de opportuniteitskosten essentieel. Van nieuwe ondernemers met een bovengemiddelde opleiding en relevante kennis kan eerder de intentie tot waardecreatie worden verwacht, aangezien zij doorgaans goede alternatieven op de arbeidsmarkt hebben. Onderzoek heeft daarenboven aangetoond dat omstandigheden die extrinsieke motivatie bevorderen alleen een stimulerend effect op ambitieus ondernemerschap hebben als (a) de intrinsieke motivatie ook op hoog niveau is en (b) als de extrinsieke en intrinsieke motivatie in dezelfde richting wijzen.


D O S S I E R 5: AM B I TI O U S E N TR E P R E N E U R S H I P. A R EVI EW O F TH E STATE O F TH E ART

In de context van de transitie van ambitieus ondernemerschap

Verdere uitbreiding en intensivering van ondernemerschaps-

naar gerealiseerde groei (vierde transitie), kunnen het hebben van

onderwijs op universiteiten en professionele opleidingen lijkt dan

te veel vertrouwen in eigen kunnen en in de veronderstelde kansen,

ook nuttig voor het stimuleren van ambitieus ondernemerschap.

het werkelijk behalen van bovengemiddelde prestaties frustreren. Voor de realisatie is het belangrijk dat deze verwachtingen

Een andere maatregel om ambitieus ondernemerschap van

(voortkomend uit intenties) ook haalbaar zijn. Inderdaad blijkt uit

overheidswege te promoten zijn publieke investeringen in kennis.

empirische studies in diverse landen dat een groot deel van

Door in kennis en innovatie te investeren vergroot de overheid

bedrijfsoprichters (a) te rooskleurige verwachtingen uitspreekt over

de mogelijkheden voor ambitieuze ondernemers. Dit kan zowel

toekomstige prestaties en (b) dat zij deze verwachtingen niet kan

op een indirecte, als op een directe manier. Indirect, zorgen

waarmaken. Dit betekent veelal een teleurstelling op individueel

investeringen in publiek onderzoek voor een verbreding van

microniveau, maar kan op macroniveau wel leiden tot een proces

de kennisbasis in de maatschappij en creëren ze aldus

van vernieuwing en uiteindelijk tot economische groei.

ondernemerschapskansen. Wetenschappelijk onderzoek leidt immers vaak tot toepassingen die door nieuwe ondernemingen

5.2.3

Beleidsmaatregelen

De literatuur heeft aangetoond dat elke van de vier transities door verschillende determinanten wordt beïnvloed op micro- en macroniveau. Een magische formule om met beleidsmaatregelen alle transities ineens te beïnvloeden bestaat m.a.w. niet. Bepaalde maatregelen zijn relevanter voor de eerste transitie, terwijl andere een grotere rol spelen in de derde of vierde transitie.

worden ontwikkeld en verspreid. Een directe wijze om ambitieus ondernemerschap vanuit de overheid te stimuleren is het hanteren van innovatiecriteria bij de toewijzing van overheidsopdrachten, zoals het ‘Small Business Innovation Research’-programma in Nederland, en het programma ‘Innovatief Aanbesteden’ in Vlaanderen. 5.2.3.2 Maatregelen inzake de arbeidsmarkt

De auteurs onderscheiden drie clusters van maatregelen om

Uit de studie blijkt dat de mate van werknemersbescherming

ambitieus ondernemerschap te stimuleren, met name maatregelen

ambitieus ondernemerschap sterk beïnvloedt omdat het een impact

inzake onderwijs en kennis, inzake de arbeidsmarkt en inzake

heeft op de opportuniteitskosten die de potentiële ondernemer

ondernemerschap binnen organisaties.

percipieert. Bij een hoge werknemersbescherming zullen individuen niet zo snel hun veilige baan opzeggen voor een onzeker bestaan

5.2.3.1

Maatregelen inzake onderwijs en publieke kennis

Prestatiegerichtheid (eerste transitie) en een positieve houding ten opzichte van ondernemerschap zijn geen gegeven karaktertrekken, maar kunnen worden ontwikkeld, voornamelijk op jongere leeftijd. Dit betekent dat opleiding in de vroege levensfases (primair en secundair onderwijs) belangrijker worden om bijv. de voorkeuren, kennis en vaardigheden van jongeren te beïnvloeden in de richting van ambitieus ondernemerschap. Voor de derde en vierde transitie speelt onderwijs eveneens een belangrijke rol, maar dan in de vorm van professionele educatie. Om een nieuwe onderneming te laten groeien, innoveren of internationaliseren zijn de kennis en vaardigheden van individuen van groot belang. Gemiddeld genomen presteren hoogopgeleide ondernemers beter dan laagopgeleide ondernemers, en hebben ondernemers ook hogere opbrengsten uit onderwijsinvesteringen dan werknemers. Ook op macroniveau bestaat een positief verband tussen het aantal hoogopgeleiden en het aantal snelgroeiende ondernemingen.

als oprichter of werknemer in een nieuwe onderneming. Daarnaast zal een hoge werknemersbescherming het ondernemers lastig maken om werknemers aan te nemen, omdat het in slechte tijden moeilijk kan zijn ze te ontslaan. Om deze en andere redenen is flexibilisering van de arbeidsmarkt een belangrijke facilitator van ambitieus ondernemerschap. Uit de literatuurstudie is ook gebleken dat domeinspecifieke ervaring een belangrijke determinant is van ambitieus ondernemerschap. Managementervaring en ervaring in de bedrijfstak beïnvloeden ondernemend gedrag en groeioriëntatie (derde en vierde transitie) op een positieve manier. Groeigeoriënteerde ondernemers zijn relatief vaak hoogopgeleid en tamelijk welvarend qua huishoudensinkomen. Dit betekent dat het belangrijk is om de juiste mensen ondernemer te laten worden. Eerder dan de middelen te spreiden over individuen die enkel de ambitie hebben om zelfstandig te zijn, moet ambitieus ondernemerschapsbeleid zich focussen op de ‘high potentials’ en voor hen de overstap naar ondernemerschap aantrekkelijker maken. Dit moet zich vertalen in de door de overheid gehanteerde criteria voor deelname aan steunprogramma's (o.a. expliciet bewijs leveren van groeiambitie en/of groeipotentieel).

259


5

260

5.2.3.3 Maatregelen voor ambitieus ondernemerschap binnen organisaties Ambitieus ondernemerschap omvat niet alleen zelfstandig ondernemerschap maar ook zgn. ‘intrapreneurship’ en publiek ondernemerschap. Als informele instituties een flexibele arbeidsmarkt belemmeren (en het veranderen van formele instituties onmogelijk lijkt), kan het een ‘second-best’ oplossing zijn om intrapreneurship te stimuleren. De determinanten van intrapreneurship komen in grote mate overeen met de determinanten van zelfstandig

en

ambitieus

ondernemerschap

(vooral

qua

karaktertrekken, demografische kenmerken en cognitieve vaardigheden). Intrapreneurship wordt wel sterk geconditioneerd door de interne bedrijfscontext en de mate waarin deze ervoor zorgt dat werknemers nieuwe waardecreatie kunnen nastreven en realiseren. Vele organisaties lijken zich dit nog niet te realiseren. Een eerste uitdaging voor beleidsmakers is dan ook om organisaties bewust te maken van het potentieel van intrapreneurship. Tegelijkertijd kunnen beleidsmakers ook zelf het goede voorbeeld geven door in de publieke sector zogenaamd ‘publiek ondernemerschap’ te stimuleren. Dit kan op diverse manieren worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door het delen van informatie over goed werkende praktijken inzake intrapreneurship, of door meer inzicht te verwerven in de strategische, financiële, en andere consequenties van een beleid gericht op intrapreneurship. Werkgevers hebben wellicht een ambivalente houding ten opzichte van intrapreneurship. Aan de ene kant kan de organisatie profiteren van het ondernemende gedrag van haar werknemers. Aan de andere kant dreigt ze juist haar meest getalenteerde werknemers te verliezen omdat deze geneigd zijn hun eigen onderneming te starten, eens ze de smaak te pakken hebben. Dit laatste is misschien goed voor de economie als geheel, maar slecht voor de voormalige werkgever. Een belangrijk obstakel voor ambitieus ondernemerschap in deze context is het concurrentiebeding, dat het onmogelijk kan maken om de werkgever te verlaten om een innovatieve onderneming te starten.


D O S S I E R 6: S LI M M E S P E C IALI SATI E: B E LE I D O P D E D O O RS N E D E VAN I N N OVATI E B E LE I D E N I N D U STR I E B E LE I D

D O S S I E R 6 : S L I M M E S P E C I A L I S AT I E : B E L E I D O P D E D O O R S N E D E VA N I N N O VAT I E B E L E I D E N I N D U S T R I E B E L E I D Door Petra Andries (KU Leuven), Koenraad Debackere (KU Leuven) en Jan Larosse (EWI)

Slimme specialisatie is een nieuw beleidsconcept dat op een

Dergelijke benaderingen die zogenaamd zeer wetenschappelijk

originele manier de ambitie articuleert en onderbouwt om

en rationeel zijn in hun manier om prioriteiten en doelstellingen

regionale economische groei en ontwikkeling te versterken.

te stellen, waren eigenlijk zeer naïef en hadden een gebrek aan

Slimme specialisatie biedt meer specifiek een methodologisch

een essentiële kennisbasis voor succes – namelijk opportuniteits-

kader om op regionaal niveau deze economische activiteiten naar

gedreven ondernemerskennis en interactie binnen innovatieclusters.

voor te brengen die al sterk zijn of die verder baat hebben bij

Ze lieten zich leiden door gevestigde waarden en resulteerden

O&O en innovatie. Dus, veeleer dan een methode aan te bieden

maar al te vaak in een beleid dat bepaalde nationale kampioenen

om uit te maken of een regio een ‘sterkte’ heeft voor bepaalde

ondoordacht bevoordeelde of sectoren zonder perspectief te lang

activiteiten (bv. toerisme en visserij) gaat het om de cruciale vraag

in leven hield.

of die regio baat zou hebben bij en zich zou moeten specialiseren in O&O en innovatie voor die specifieke activiteiten (bv. door het

De notie ‘entrepreneurial discovery’ (of, ontdekking door een

ontwikkelen van samenwerkingen in bepaalde niches). Dit betekent

ondernemend zoekproces) die bij slimme specialisatie van

dat slimme specialisatie zich richt tot de ontbrekende of zwakke

toepassing is, is anders dan het theoretisch en abstract concept van

schakel tussen enerzijds investeringen in O&O en innovatie en

de zogenaamde Oostenrijkse school1. Binnen het slimme

anderzijds de waardeketen- en clustergebaseerde structuur van

specialisatiekader halen we immers vooral inspiratie uit de

de economie. Daarbij heeft een slimme specialisatiebenadering

literatuur in de evolutionaire economie, en met name uit het werk

de volgende kenmerken.

van Hausman en Rodrik die economische ontwikkeling beschouwen als ‘een proces van zelfontdekking’2. Volgens deze

6.1 EEN ONDERNEMEND ZOEKPROCES

auteurs is het aan ondernemers en ondernemende instituties om te ontdekken waarin een land (of een regio) goed is op het vlak

Slimme specialisatie is gebaseerd op een ondernemend

van economische ontwikkeling en productie. Regio’s, zeggen

zoekproces (een zogenaamd ‘entrepreneurial discovery process’)

deze auteurs, moeten zich engageren in een zoekproces waarin

waaruit blijkt hoe een land of regio presteert op het vlak van O&O

ondernemers bijleren door een experimenteerproces van ‘trial

en innovatie en de vertaling ervan in economische prestaties.

en error’ en waar het beleid meer incentives creëert voor die

Een identificatie van de comparatieve sterktes en zwaktes vanuit

ondernemers die bereid zijn risico te nemen om te

een ondernemend zoekproces om nieuwe opportuniteiten aan te

experimenteren met nieuwe activiteiten. Het is goed mogelijk dat

pakken is essentieel om een duidelijk onderscheid te maken tussen

de belangrijkste innovaties voor die regio’s niet zuiver technisch

de ‘nieuwe’ slimme specialisatiebenaderingen en de traditionele

van aard zijn maar eerder thuishoren in een ‘ontdekkingsproces’

beleidsbenaderingen die gecentraliseerde of indicatieve plannings-

naar wat een regio zou moeten doen op het vlak van specialisatie

methodes gebruiken om de prioriteiten voor bepaalde industriële

in de industrie en diensten. Deze benadering van economische

ontwikkelingen te bepalen. Hoewel deze ‘traditionele’ aanpak van

ontwikkeling als een zelf-ontdekkingsproces werpt een nieuwe kijk

prioriteitsstelling en middelenconcentratie formele oefeningen

op de theorie van Michael Porter over de competitieve voordelen

hanteert die gebaseerd zijn op rationele en robuuste theorieën

van regio’s door gespecialiseerde clusters3. De vorming en

(zoals intersectorale matrices, technologische afhankelijkheden, of

vernieuwing van deze clusters door een ondernemend

nog technologische levenscycli), was deze aanpak van nature

zelfontdekkingsproces wordt dan een centrale focus in de nieuwe

bevooroordeeld met betrekking tot industriële prioriteiten en

beleidsbenadering voor slimme specialisatie.

technologische opportuniteiten. 1 I. Kirzner, ‘Entrepreneurial discovery and the competitive market process: an Austrian approach,’ Journal of Economic Literature, 1997, Vol. XXXV. 2 R. Haussmann & D. Rodrik, ‘Economic development as self-discovery,’ Journal of Development Economics, 2003, Vol. 72. 3 M. Porter, ‘Clusters and the new economics of competition,’ Harvard Business Review, 1998, November-December.

261


6

262

Ondernemerskennis houdt uiteraard veel meer in dan kennis over

Vaak gaat dit gepaard met een gemeenschappelijke basis van

wetenschap en technologie. Het is een combinatie van kennis

menselijk potentieel (aan universiteiten) en gemeenschappelijke

over wetenschap, technologie en engineering met de kennis over

infrastructuur (incubatoren, wetenschapsparken). Dit is de cluster-

de noden en het groeipotentieel van de markt, evenals van de

dynamiek van het slimme specialisatieproces.

potentiële concurrenten en de inputs en diensten die nodig zijn om de nieuwe activiteit op te starten, die kenmerkend is voor een ondernemend zoekproces binnen een sterk eco-systeem voor innovatie. De synthese en integratie van al deze aanvankelijk versnipperde en gefragmenteerde kennis, dankzij kruisverbanden en interacties binnen dynamische clusters, leidt tot een gevalideerde ondernemersvisie en motiveert de beslissing ‘to go’. Het is deze soort kennis die geactiveerd, gemobiliseerd en ondersteund moet worden als belangrijkste ingrediënt van een slim specialisatie-

Maar deze clustering van gelijkaardige bedrijven in de startfase zal zeer vlug aangevuld worden met clustering met klanten en leveranciers in de ontluikende waardeketen in geografische nabijheid, omdat de synergieën binnen de waardeketen ook een belangrijke bron zijn van competitieve voordelen. De slimme specialisaties van regio’s groeien dan door de co-creatie van samenstellende componenten van nieuwe product-dienstcombinaties, door co-investeringen in complementaire activa.

proces binnen unieke clusterverbanden die een ‘triple helix’ van

De onderkenning van deze sociale dynamiek van clustervorming,

specifieke kennis en competenties bundelen van ondernemingen,

tezamen met de erkenning van een evolutionaire noodzaak van

onderwijs- en onderzoeksinstellingen, en ondersteunende

ondernemende zoekprocessen voor transformatie van een economie,

organisaties, inbegrepen overheden. Ondernemers, in brede zin

zijn belangrijke bouwstenen voor de nieuwe beleidsbenadering

(i.e. bedrijven, hoger onderwijsinstellingen, onafhankelijke

van slimme specialisatie.

uitvinders en vernieuwers), zijn het best geplaatst om deze O&O- en innovatiedomeinen te ontdekken waarin een regio kan uitblinken op basis van de aanwezige capaciteiten en productieve activa. Zij doen dit echter niet in isolatie, maar door actieve exploratie van de kennisbronnen buiten hun eigen organisatie. De organisatie van kruisbestuivingen binnen clusters is daarom een effectieve wijze om het zelfontdekkingsproces te bespoedigen.

6.3 STRUCTURELE AANPAKKEN TER ONDERSTEUNING VAN EEN SLIMME SPECIALISATIESTRATEGIE Het resultaat van dit zoekproces is dus veel meer dan een ‘eenvoudige’ technologische innovatie. Het is een structurele evolutie van de hele regionale economie. De resultante van het

6.2 IMITATIE, CO-CREATIE EN CLUSTERVORMING Terwijl het ondernemend zoekproces het begin betekent van een exploitatietraject, vormt het imitatiegedrag van starters de bevestiging dat anderen deze ‘ontdekking’ als betekenisvol ervaren. Eens het eerste experiment en de eerste ontdekking succes hebben en verspreid zijn, zijn andere agenten geneigd om hun investeringen weg te halen uit traditionele domeinen die minder groeipotentieel hebben dan de nieuwe.

proces van ondernemend zoeken en ontdekken, als stuwende kracht van een slim specialisatieproces, is geen eenvoudige innovatie maar een clustervorming die kennis genereert over de toekomstige economische waarde van een mogelijke structurele verandering. De belangrijkste gevolgen van een slim specialisatieproces zijn daarom structurele veranderingen in de economie in de vorm van gerelateerde diversificatie4. Er zijn vier verschillende types van gerelateerde diversificatie mogelijk. Ze leiden tot vier strategische ‘modes’ die een portfolio van slimme specialisatiestrategieën mogelijk maken: ●

Transitie is één patroon van structurele veranderingen die

De aanwezigheid van starters die imitatiegedrag vertonen (‘imitative

een slimme specialisatie kan genereren. Transitie vindt plaats

entry’), vormt een basisbestanddeel van slimme specialisatie

als er uit het bestaande industriële weefsel een nieuw

waardoor (regionale) agglomeratie-externaliteiten kunnen worden

economisch domein ontstaat (op basis van een interactie van

gerealiseerd: de ontdekking van een potentieel domein waarin

O&O, engineering, en het productievermogen dat innovatie

een regio leidend kan worden, moet zeer snel leiden tot een

bevordert). We denken bijvoorbeeld aan de transitie van een op

uitbreiding van het aantal starters voor deze nieuwe activiteit.

petroleum-gebaseerde chemische sector naar een op andere biologische grondstoffen gebaseerde chemische sector (bv. algen als grondstof).

4 Zie K. Frenken, F. Van Oort, en T. Verburg, ‘Related Variety, Unrelated Variety and Regional Economic Growth,’ Regional Studies, 2007, Vol. 41, No. 5: 685-697.


D O S S I E R 6: S LI M M E S P E C IALI SATI E: B E LE I D O P D E D O O RS N E D E VAN I N N OVATI E B E LE I D E N I N D U STR I E B E LE I D

●

●

Modernisering is een ander patroon. Deze strategie komt

Hun ontwikkeling en evolutie zullen wellicht deze ‘administratieve

voor wanneer de ontwikkeling van specifieke applicaties van

grenzen’ overstijgen. In vele gevallen is de kritische schaal om

een sleuteltechnologie (ook 'Key Enabling Technology' of KET

slimme specialisatie uit te bouwen een grensoverschrijdende regio.

genoemd, zie dossier 3) een belangrijke impact heeft op de

Zo kan duurzame chemie tot stand komen in regionale clusters in

efficiëntie en kwaliteit van een bestaande (vaak traditionele)

Antwerpen, Gent of Rotterdam, maar de mondiale clusterdimensie

sector. Bijvoorbeeld, ondernemers in de Finse pulp- en papier-

om als bio-based regio op de kaart te staan, overkoepelt die regio’s.

industrie beschouwden nanotechnologie als een beloftevolle

Bovendien zijn slimme specialisaties vaak verbonden cluster-

bron voor waardevolle applicatie-innovaties, en bedrijven in

knooppunten in internationale waardeketens, waarin bepaalde

deze industrie ondernamen stappen om dit potentieel te

regio’s meer stroomopwaartse activiteiten concentreren (zoals

beoordelen. De pulp- en papierbedrijven reageerden collectief

Vlaanderen, intermediaire producten) en andere meer stroom-

op deze opportuniteit door hun interne O&O-investeringen te

afwaartse (eindproducten). Regionale slimme specialisaties hebben

verhogen, waarbij ze niet alleen de beschikbare technologieën

ook een internationaal netwerk van verbonden activiteiten die niet

aanwendden maar ook de recente vooruitgang in de nano-

noodzakelijk geclusterd zijn tot slimme specialisaties in de eigen

technologie en biotechnologie gebruikten voor de exploitatie

regio. Dit betekent dat een aangepaste internationale strategie

van meer fundamentele transformatie-opportuniteiten5.

onontbeerlijk is in slimme specialisatie.

Diversificatie naar andere toepassingen en markten is een derde patroon. In dergelijke gevallen betreft het resultaat van het ondernemend zoekproces de ontdekking van potentiële synergieën (zoals toepassingsvoordelen, spill-overs) tussen een bestaande activiteit en een nieuwe. Zulke synergieën maken de stap naar een nieuwe activiteit aantrekkelijk en winstgevend. We denken bijvoorbeeld aan de diversificatie van textielactiviteiten naar gerichte technische toepassingen zoals intelligente matrassen voor de zorgsector.

●

Met andere woorden, de bronnen en middelen voor innovatie in de kenniseconomie zijn niet onbeweeglijk en evenmin regio-specifiek. Dankzij regio-overstijgend (i.e. ‘cross-border’) ondernemerschap, dankzij extra-regionale financieringsinstrumenten, en dankzij deskundige business services kunnen nieuwe bedrijven toch van start gaan en zich ontwikkelen in regio’s waar bepaalde innovatieof productiefactoren schaars zijn. Zo kunnen extra-regionale (of grensoverschrijdende) middelen en activa via buitenlandse investeringen (O&O inbegrepen) de capaciteiten en mogelijkheden

Een vierde en laatste patroon betreft de radicale creatie van

ontwikkelen en uitbreiden van kleine lokale ondernemingen die

een nieuw domein. In dit geval stelt men vast dat O&O en

door lokale ondernemers gestart zijn. Dit leidt naar de vraag om

innovatie in een bepaald gebied het potentieel hebben om

waar nodig een bredere dan loko-regionale innovatie-ecologie of

nieuwe economische waarde te genereren. Een mooi voorbeeld

ecosysteem te beschouwen, waartoe dan een specifiek regionaal

hiervan is de mogelijkheid om door de interactie en integratie van

innovatiesysteem als een relevant netwerkknooppunt behoort.

nanotechnologie en biotechnologie een nieuwe economische

Slimme specialisatie exploiteert lokale spillovers in sterke clusters

activiteit rond ‘companion diagnostics’ te faciliteren en te ontwikkelen.

maar is geen beperking op het ontstaan van nieuwe activiteiten door lokaal ondernemerschap.

6.4 DE RUIMTE VOOR SLIMME SPECIALISATIE EN DE ROL VAN EXTRA-REGIONALE MIDDELEN

6.5 TIMING VAN DE SLIMME SPECIALISATIE EN DE ‘BLIND GIANT’S QUANDARY’

De uniciteit van plaatsgebonden innovatiesystemen is de grondslag

Timing is het laatste ingrediënt van een slimme specialisatie-

van een slimme specialisatiedynamiek die een ruimtelijke

benadering die nauwkeurig onderzoek verdient. Beleidsmakers die

concentratie van specifieke, gerelateerde activiteiten tot stand

het proces waardoor hun regionale economie een nieuwe specialisatie

brengt. Maar die slimme specialisatiedynamiek is niet beperkt tot

kan ontwikkelen willen beïnvloeden, krijgen te maken met het

vooraf afgebakende geografische ruimtes. De collectieve O&O,

zogenaamde probleem van de Blind Giant’s Quandary, waarmee

de engineering en de productiecapaciteiten die de innovaties

wordt bedoeld dat overheidsdiensten het zwaarst kunnen wegen

onderliggend een slimme specialisatiestrategie bevorderen,

op toekomstige groeitrajecten op een ogenblik waarop ze het

zijn niet noodzakelijk beperkt tot strikt regionale grenzen.

minst weten wat er zou moeten gebeuren6.

5 T. Nikulaien, Open innovation and nanotechnology – an opportunity for traditional industries, Vision ERA.NET, 11 April 2008. 6 P.A. David, ‘Path-dependence in economic processes: implications for policy analysis in dynamical system contexts,’ in Dopfer (ed.), The Evolutionary Foundations of Economics, Cambridge University Press, 2005.

263


6

264

Er is dus een probleem om de opportuniteitsvensters te

Om deze uitdagingen aan te kunnen, moet een slimme

identificeren (en te benutten) waarin een overheidstussenkomst

specialisatiestrategie flexibel zijn, en wel door rekening te houden

het aantal mogelijke en relevante economische ontwikkelingen

met de specifieke kenmerken van de technologieën en bedrijven

zou kunnen vergroten. Dit probleem werd eerder al bestudeerd

in een regio en de door hen beoogde markten. Tevens moet ze

in het economisch denken over standaardisering en netwerk-

voldoende gedisciplineerd zijn om die initiatieven te weren die niet

technologieën. Dit kader blijkt nu tevens zeer relevant voor een

de cumulatieve eigenschappen van een slimme specialisatiestrategie

inschatting van de timing van de lokale gespecialiseerde

hebben of die kwetsbaar zijn voor opportunistisch gedrag.

ontwikkelingen. Door het ontwikkelen van een gestructureerde dialoog binnen de partnerschappen in de ontwikkeling van nieuwe

Flexibiliteit betekent ook dat de beleidsmakers een brede visie

waardeketens – bv. via de techniek van roadmapping – kunnen de

moeten hebben op het concept en de kenmerken van een

strategische vensters voor co-investeringen beter benut worden.

‘ondernemend zoekproces’: de nodige kennis of ondernemersvisie is bovendien in bepaalde situaties (bv. in het geval van radicale

Kortom, alle vijf de hiervoor opgesomde overwegingen maken dat

creatiestrategieën) eerder weggelegd voor andere organisaties

slimme specialisatie vandaag een aantrekkelijk beleidsconcept

dan voor bedrijven. Voldoende discipline of gestrengheid bij de

geworden is. Niettemin staat men, eens de implementatie van

selectie voor een slimme specialisatiestrategie betekent daarom

een slimme specialisatiestrategie gestart is, voor twee belangrijke

ook de nood aan valide en robuuste data en meetmethodes

uitdagingen, met name: (1) de juiste domeinen voor een

(en dus indicatoren zoals activiteits- en specialisatie-indices, zoals

toekomstige specialisatie ontdekken, gevalideerd door een degelijke

beschreven in verschillende hoofdstukken van dit Indicatorenboek).

analyse van potentieel en positie van activiteiten in een land of

Er is eveneens een afwegingskader nodig dat een voorafgaande

regio, en (2) het proces bepalen dat die actoren zichtbaar maakt

evaluatie van het potentieel van het te selecteren domein mogelijk

die het meest bekwaam zijn om dit potentieel te realiseren, en dat

maakt, gebaseerd op granulariteit van de te selecteren activiteit

de vele coördinatiefouten die tijdens het proces zullen voorkomen

(i.e. kritische massa en graad van specialisatie) maar ook op de

en die de regionale economische groei op het betreffend domein

gerelateerdheid (i.e. graad van complementariteit) met het

in de weg kunnen staan, kan neutraliseren en wegwerken.

bestaande innovatie- en economisch weefsel.

De juiste specialisatiedomeinen ontdekken is allerminst triviaal. Technologische verkenningen of kritische technologie-onderzoeken,

6.6 SAMENVATTEND

zoals regelmatig gevraagd door overheden, leiden vaak tot de identificatie van gelijkaardige prioriteiten zonder rekening te

Slimme specialisatie, als beleidsconcept en -instrument, kan de

houden met de eigen context en de specifieke situatie van de

nieuwe link worden tussen het industrieel beleid en het wetenschaps-

‘klant’ of ‘markt’ (i.e. land of regio) voor wie het onderzoek wordt

en innovatiebeleid van een land of regio. Op die manier wordt

uitgevoerd. Teveel regio’s hebben eenzelfde technologiemix

slimme specialisatie het hoofdbestanddeel van het Nieuw

gekozen – een beetje ICT, een beetje nanotechnologie en een

Industrieel Beleid (NIB) dat zich vandaag zowat overal ter wereld

beetje biotechnologie – wat wijst op een gebrek aan verbeelding,

manifesteert. Dit NIB is best gebaseerd op een slimme

creativiteit en strategische visie. Het ontdekkingsproces is dus

portfoliobenadering zoals hoger beschreven door middel van

een knelpunt op zich dat de nodige aandacht, structuur en

een strategisch clusterbeleid. Een NIB is daarbij in wezen

onderbouw vereist. Om dit ontdekkingsproces een meer

consortiumgedreven en projectgedreven.

structurele onderbouw en houvast te geven, kunnen instrumenten zoals roadmapping een hulp zijn.

Vier structurele strategieën liggen dus aan de basis van een

Een andere beleidsuitdaging is het corrigeren van coördinatie-

(1) transitie, (2) modernisering, (3) diversificatie en (4) radicale

fouten. De opkomst en de groei van een nieuwe activiteit zijn

creatie. Elke strategie heeft specifieke kenmerken evenals haar

immers een proces dat geblokkeerd kan worden door allerlei types

economische impact en verwachte resultaten, zoals werd

van coördinatiefouten alsook door het opportunistisch gedrag van

aangehaald. Daarom moet een NIB nagaan in een strategische

de betrokken economische agenten (zoals daar zijn: leveranciers,

dialoog met clusterpartners onder welke voorwaarden welke

gebruikers, gespecialiseerde dienstverleners, banken, onderzoeks-

strategie best kan worden ingezet. Deze keuze zal op haar beurt

en opleidingscentra, enz.).

leiden tot verdere clusterbepaling en clustervorming.

(regionale) slimme specialisatieportfolio: slimme specialisatieportfolio:


D O S S I E R 6: S LI M M E S P E C IALI SATI E: B E LE I D O P D E D O O RS N E D E VAN I N N OVATI E B E LE I D E N I N D U STR I E B E LE I D

Deze vier structurele strategieĂŤn worden ondersteund door: (1) ondernemende zoek- en ontdekkingsprocessen, (2) continue cycli van beleidsleren vanwege de betrokken overheden, en (3) de ruimere O&O- en kennisbasis van een regio met inbegrip van de extraregionale kennisbronnen waartoe toegang kan worden verkregen. Universiteiten en onderzoeksinstellingen bevinden zich in het hart van deze verruimde regionale kennisbasis. Daarom kunnen en moeten universiteiten en onderzoeksinstellingen de rol op zich nemen van transformator waarbij ze de wetenschappelijke inzichten en kennis omzetten in waardevolle innovaties. Hiervoor moeten ze geschikte mechanismen tot technologie- en kennistransfer ontwikkelen en uitrollen. Ook wint infrastructuur voor open innovatie steeds meer aan belang. Als onderdeel van de beleidsvoering en leercyclus voor slimme specialisatie moeten door de overheid de juiste flankerende voorwaarden worden gecreĂŤerd om de transformationele rol van bedrijven en kennisinstellingen te ondersteunen, zoals daar zijn: (a) de ondersteuning van zowel uitmuntendheid als kritische massa van de regionale onderzoeksbasis en de talenten voor innovatie, (b) het aantrekken van ondernemerstalent, (c) het instandhouden van eerlijke en open markten, en (d) het veilig stellen van de toegang tot financieringsbronnen en investeringskapitaal. Door deze geĂŻntegreerde beleidsbenadering wordt slimme specialisatie het sterke transformationele bindmiddel tussen het innovatiebeleid en het industrieel beleid in een land of regio, en dit in een symbiotische relatie zowel op conceptueel als op operationeel vlak. Voeg hier nog de kritische rol toe van het beleidsleren door de overheid, eerder dan de loutere beleidsuitvoering, en al snel wordt duidelijk waarom slimme specialisatie de vaak ontbrekende schakel kan zijn in tal van Triple Helix-benaderingen voor de ontwikkeling van een strategisch clusterbeleid dat de globale economische uitdagingen aanpakt vanuit de lokale sterkten.

265


7

266

D O S S I E R 7 : D E F I N A N C I E R I N G VA N H E T ARTI STI E K ON DE RZOE K I N VL AAN DE RE N Door Walter Ysebaert (Vrije Universiteit Brussel)

7.1

INLEIDING

De opdrachten en bevoegdheden worden eveneens via het Integratiedecreet vastgelegd; in algemene termen kan worden

Het hoger kunstonderwijs (HKO) in Vlaanderen onderging een

gesteld dat de hogescholen de bevoegdheid zullen behouden

reeks ingrijpende institutionele veranderingen vanaf 1989 en in

wat betreft de uitreiking van de diploma's, het beleid inzake

het begin van de jaren '90; het maakt sindsdien volledig deel uit

investeringen en onroerende goederen en de bepaling van

van de structuren van het algemeen hoger onderwijs. De toepassing

de algemene regels aangaande het personeelsbeleid.

van de Bologna-regelgeving bracht – net zoals in andere disciplines – de invoering van de bachelor-masterstructuur binnen

De universiteiten (binnen de associatie tot dewelke de Schools of

het HKO met zich mee, en impliceerde eveneens een inbedding

Arts behoren) behouden een grote verantwoordelijkheid in de

van (een deel van) de opleidingsstructuren en het onderwijs in

Schools of Arts voor wat betreft de verdere academisering van

een bredere onderzoekscontext. Deze volledige transformatie

de opleidingen en hun academische kwaliteit. De inbreng van de

heeft binnen de instellingen van het HKO alsook binnen de

universiteiten wordt gegarandeerd via een decretaal vastgelegde

academische instellingen de voorbije jaren geleid tot vragen en

vertegenwoordiging in de bestuursorganen van de Schools of

debatten van inhoudelijke en institutionele aard. Met de

Arts, anderzijds krijgen de Schools of Arts een vertegenwoordiger

goedkeuring van het Decreet betreffende de integratie van

in de universitaire onderzoeksraden. Het uitreiken van de

de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (13 juli

doctoraatstitels binnen de in de Schools of Arts aangeboden

2012) (en de bijhorende aanpassingen in het Structuurdecreet en

studiegebieden blijft de bevoegdheid van de universiteiten.

het Financieringsdecreet) én rekening houdend met de actuele stand van zaken in de verschillende instellingen, kan alvast worden

De financiering van de Schools of Arts wordt voorzien via een

gesteld dat een eerste fase in de academisering van het Vlaamse

aangepast financieringsmechanisme van de werkingsuitkeringen.

HKO is afgerond.

De hogescholen kennen de werkingsuitkeringen toe; er worden echter een aparte sokkel en een apart variabel onderwijsdeel voorzien voor de kunstopleidingen.

7.2

DE INSTITUTIONELE CONTEXT

Bovenvermeld decreet voorziet dat vanaf het academiejaar 2013-

7.3

HET ARTISTIEK ONDERZOEK

2014 de hogescholen enkel nog bachelor- en masterdiploma's kunnen uitreiken in de studiegebieden Muziek en Podiumkunsten

De implementatie van de BaMa-structuur en de verplichting de

en Audiovisuele en Beeldende kunsten, als deze opleidingen

opleidingen in een academische context in te bedden, heeft geleid

ingebed zijn in de nieuw op te richten structuur School of Arts

tot een bijzondere aandacht voor het onderzoek zoals het in de

(de studierichting architectuur zal op dat moment geïntegreerd

instellingen van het HKO reeds meerdere jaren ontwikkeld wordt.

zijn in de universitaire structuren). Dit impliceert dat er zich ten

Het debat omtrent artistiek onderzoek (dit is de benaming die hier

laatste vanaf de start van het academiejaar 2013-2014 binnen

verder wordt gehanteerd) betrof en betreft zowel conceptuele,

elke universitaire associatie in Vlaanderen één of meerdere

institutionele, formele als methodologische vragen en problemen,

Schools of Arts zullen situeren, die opleidingen in de voormelde

en dit niet alleen in Vlaanderen, maar ook in de andere regio's en

studierichtingen aanbieden.

landen die de Bologna-regelgeving implementeren, alsook in de Angelsaksische landen, waar het artistiek onderzoek reeds een

De Schools of Arts zullen een separate structuur vormen binnen de hogescholen of over meerdere hogescholen heen. Ze krijgen een ruime mate van autonomie, doch geen rechtspersoonlijkheid.

langere traditie kent.


D O S S I E R 7: D E F I NAN C I E R I N G VAN H ET ARTI STI E K O N D E RZO E K I N VL A AN D E R E N

Wel kan worden vastgesteld dat op heden in de Vlaamse instellingen de onderzoeksfaciliteiten en -structuren voor artistiek

7.4

FINANCIERING VAN HET ARTISTIEK ONDERZOEK IN VLAANDEREN

onderzoek reeds grondig zijn ontwikkeld, en dat Vlaanderen een belangrijke rol opneemt met betrekking tot de organisatie en

De gegevens in bovenstaande tabel tonen aan dat de

evaluatie

en

verschillende instellingen van het HKO, binnen de context van

onderzoeksprojecten in het artistiek onderzoek, in vergelijking met

hun associatie, de voorbije jaren grondig hebben geïnvesteerd in

heel wat andere Europese regio's en landen.

de financiële ondersteuning van artistiek onderzoek, alsook dat

●

van

kwalitatief

hoogstaande

doctoraten

Alle instellingen binnen het HKO hebben, via binnen de associaties ter beschikking gestelde middelen (al dan niet academiseringsmiddelen),

lopende

onderzoeksprojecten,

waarvan sommige een doctoraat als finaliteit hebben. ●

●

institutionele onderzoeksfinanciering voor de kunsten werd voorzien via de door de Vlaamse overheid ter beschikking gestelde academiseringsmiddelen (waarbij een bepaalde mate van vrijheid werd gehanteerd wat betreft de specifieke investeringsmodaliteiten).

Het Vlaams instrumentarium voor de financiering van het

Deze lopen tot en met 2013; vanaf het begrotingsjaar 2014

wetenschappelijk onderzoek staat open voor projecten die

voorziet de Vlaamse overheid in aanvullende onderzoeksmiddelen

worden ontwikkeld binnen en met de kunstdisciplines – in de

voor de ondersteuning van (het verdere academiseringsproces in)

mate dat de finaliteit van het instrumentarium dit toelaat.

de academisch gerichte kunstopleidingen in de Schools of Arts.

Het doctoraat in de kunsten is binnen alle instellingen erkend – zij het 1) dat nog niet in alle studiegebieden doctoraten worden ontwikkeld, en 2) dat de vereisten met betrekking tot de specifieke vorm van dergelijke doctoraten, onderling verschillen.

●

reeds een aantal FWO-doctoraatstrajecten lopend zijn. De interne

Concreet wordt een groeipad vooropgesteld tot en met 2023, waarbij de aanvullende onderzoeksmiddelen onder de hogescholen worden verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in de academisch gerichte kunstopleidingen.

Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen

Deze financiering betreft zogenaamde pre-financiering van artistiek

biedt, met de oprichting van de expertcommissie Cult2

onderzoek: het gaat om middelen die worden geïnvesteerd om

(Kunsten en literatuur), sinds het academiejaar 2009-2010 ook

de academisering verder te ondersteunen en om de onderzoeks-

aan de disciplines van het HKO de mogelijkheid tot het

context binnen de Schools of Arts te stimuleren, zodat

1

onderzoeksprojecten in verschillende vormen kunnen worden

aanvragen van projecten.

ontwikkeld. De specifieke resultaten van dergelijke artistieke Een bevraging van de verschillende instellingen via het ECOOM-

onderzoeksprojecten vertalen zich in klassieke outputvormen zoals

onderzoek aangaande de ontwikkeling van outputindicatoren voor

doctoraten of publicaties – zij het in bijzonder beperkte mate –

2

artistiek onderzoek toont de volgende situatie dd. 1 februari 2013,

maar vooral in artistieke of ontwerpmatige realisaties van velerlei aard.

voor alle instellingen samen:3

Voor deze laatste categorie zijn tot op heden geen outputindicatoren erkend die worden opgenomen binnen het Vlaams mechanisme voor post-financiering van de kennisinstellingen. Studiegebieden: Muziek en Podiumkunsten Audiovisuele en Beeldende kunsten

Aantal lopende gefinancierde onderzoeksprojecten

126

(exclusief doctoraten)

van onderzoek komt met andere woorden vooralsnog slechts een zeer beperkt gedeelte van de onderzoeksresultaten in het domein van het artistiek onderzoek in aanmerking voor zogenaamde

Aantal lopende gefinancierde doctoraten

83

Aantal tot op heden afgewerkte doctoraten

36

Aantal lopende FWO-onderzoeksprojecten (aspiranten en projecten)

Binnen de specifieke context van het Vlaams financieringsmodel

5

post-financiering (doctoraten en sommige publicaties). Gezien het groeipad in de financiering voor de academische kunstopleidingen zou dit in de toekomst tot een scheefgetrokken situatie kunnen leiden.

1 Tot de scope van deze commissie behoren: Onderzoek in de kunsten, Muziek, Beeldende kunsten, Film en audiovisuele kunsten, Theater en podiumkunsten, Architectuur en design, Literatuur in gelijk welke taal, Vergelijkende literatuur, Teksteditie en editiewetenschap, Sociologie van literaire teksten, Literatuurgeschiedenis, Literaire vertaalwetenschappen, Orale literatuur, Literatuur en maatschappij, Literatuurtheorie, Genderstudies en literatuur. 2 De mogelijke ontwikkeling van een systeem van outputindicatoren alsook van een digitaal registratiesysteem voor artistieke onderzoeksoutput dat de uitwisseling van data op vergelijkbare wijze toelaat, vormt momenteel onderdeel van een lopend ECOOM-onderzoek (2009-2013). Via een Klankbordgroep waarin vertegenwoordigers van de verschillende associaties zetelen, zijn ook de instellingen van het HKO betrokken. De bevraging gebeurde via de vertegenwoordigers in de Klankbordgroep. 3 Het betreft gegevens over alle instellingen van het HKO van de vijf associaties heen (en niet de universiteiten op zich). De gegevens voor het studiegebied architectuur zijn niet opgenomen gezien de integratie van dit studiegebied in de universitaire instellingen.

267


7

268

De Vlaamse regelgever heeft hierop geanticipeerd door in

●

Toneelstuk

bovenvermeld decreet de bepaling te voorzien dat vanaf 2019

●

Uitvoering als solist

de jaarlijkse toename van de aanvullende onderzoeksmiddelen

●

Uitvoering als dirigent

kan worden vervangen door financiering op basis van output-

●

Uitvoering als orkestlid

indicatoren (art. 149).

●

Uitvoering als ensemble

●

Instrumentenbouw

De ontwikkeling van outputindicatoren aangepast aan het artistiek

●

Arrangement

onderzoek is echter niet evident. De specificiteit van de zich

●

Lecture-performance

ontwikkelende onderzoekstradities in de verschillende instellingen,

●

Theaterproductie

de diversiteit van onderzoeksvormen en van de betrokken studie-

●

Kaart

gebieden, en de creativiteit die wordt aangewend in de

●

Poster

totstandkoming van artistieke realisaties, maakt dat een eenduidige

●

Multimediaal ontwerp

set van outputindicatoren, waarbij eveneens een waardecoëfficiënt

●

Nieuwe media

wordt toegekend, momenteel niet haalbaar noch gewenst is.

●

Virtuele realiteit

Binnen de verschillende instellingen in het Vlaams HKO worden

●

Computerapplicatie

wel reeds sets van outputindicatoren gebruikt, dit om institutioneel-

●

Opname

administratieve redenen en/of om te voorzien in registratievormen

●

Videofilm

voor het gepresteerde onderzoek. Onderstaande tabel biedt,

●

Choreografie

louter illustratief en om een beeld te geven van mogelijke

●

Andere

outputvormen, een greep uit de verschillende indicatoren die hierbij worden gehanteerd:

Er dient te worden opgemerkt dat bovenstaande opsomming niet exhaustief is én dat de verschillende categorieën en subcategorieën

●

Compositie

die binnen de instellingen worden gehanteerd, telkens de indicator

●

Productie

'andere' voorzien, dit om de hybride of moeilijk definieerbare

●

Film

artistieke realisaties een plaats te geven. De toekenning van een

●

Installatie

kwalitatieve waardecoëfficiënt in dergelijk systeem is onmogelijk.

●

Beeldend kunstwerk

Bovendien laat de diversiteit in en veelheid van registratievormen

●

Arrangement

en indicatoren geen regionale, institutionele en/of internationale

●

Vertoning

vergelijking toe.

●

Uitvoering

●

Tentoonstelling

●

Architecturale realisatie

●

Ingreep in de publieke ruimte

●

Gebouw

Voor het HKO in Vlaanderen vangt, met de opstart van de Schools

●

Prototype

of Arts vanaf het academiejaar 2013-2014, een nieuwe fase aan

●

Product

in het brede academiseringsproces. Middelen ter ondersteuning

●

Ontwerp

hiervan worden door de Vlaamse overheid voorlopig voorzien

●

Animatie

tot en met 2023 via de toekenning van bijzondere onderzoeks-

●

Interactieve productie

middelen aan de hogescholen, alsook via het onderzoeks-

●

Experiment

instrumentarium dat aanvragen vanuit de studiegebieden van

●

Improvisatie

de kunsten toelaat (vb. FWO-Vlaanderen). Het gaat hier echter

●

Schilderij

om de pre-financiering van (onderwijs en) onderzoek, niet om

●

Tekening

post-financiering.

●

Tekenwerk

●

Beeldhouwwerk

●

Roman

●

Gedicht

●

Novelle

7.5

CONCLUSIE


D O S S I E R 7: D E F I NAN C I E R I N G VAN H ET ARTI STI E K O N D E RZO E K I N VL A AN D E R E N

De post-financiering van artistiek onderzoek op Vlaams niveau – of het inschrijven van de post-financiering van artistiek onderzoek binnen de structuren van het vigerend financieringsmechanisme – vereist een eenduidig en door alle instellingen geaccepteerd en gehanteerd systeem van registratie en beoordeling van de onderzoeksoutput. In een tweede fase zal dus een mechanisme moeten worden ontwikkeld dat, gebaseerd op een veralgemeend registratiesysteem van outputindicatoren voor artistiek onderzoek, enerzijds een kwalitatieve waardecoëfficiënt toekent aan het gerealiseerde onderzoek, en anderzijds een verdeling van eventueel ter beschikking gestelde middelen voorziet aan de betrokken hogescholen en/of Schools of Arts. Dergelijk mechanisme moet de vergelijking van (de kwaliteit van) het gerealiseerde onderzoek toelaten, zowel binnen als buiten de betrokken studiegebieden en instellingen, in Vlaanderen en in andere regio's en landen. Het lopend, hoger vermelde ECOOM-onderzoek beoogt hiervoor de basis te leggen.

269


8

270

D O S S I E R 8 : Z O R G I N N O VAT I E Door Dominique Verté (Sociale Innovatie, adviseur kabinet Minister Lieten)

8.1

SITUERING

De Vlaamse overheid legde samen met de sociale partners en het georganiseerde middenveld de concrete doelstellingen voor

Vlaanderen wordt geconfronteerd met een sterke toename

Vlaanderen in Actie vast in het Pact 2020. Daarbij werd omtrent zorg

van het aantal ouderen ten opzichte van de totale populatie.

de volgende doelstelling geformuleerd: ‘In 2020 voorziet Vlaanderen

De vergrijzing van de Vlaamse bevolking zal met de intrede van

in een toegankelijk en betaalbaar kwaliteitsvol aanbod aan hulp- en

de ‘Baby Boom generatie’ in de groep 60-plussers een

zorgverlening, dat toereikend is in het licht van de zich wijzigende

spectaculaire groei kennen in de komende decennia. De vraag

maatschappelijke behoeften en sociaal demografische ontwikkelingen.

naar ouderenzorg zal bijgevolg sterk toenemen, wat samen met

Bij de organisatie van het volledige hulp- en zorgcontinuüm staan

andere evoluties, zoals de toename van het aantal alleenstaande

in 2020 efficiëntie, effectiviteit en daardoor de kwaliteit vanuit

ouderen, de toename van diversiteit binnen de groep ouderen en

het oogpunt van de gebruiker centraal.’ Deze ambitieuze

de druk op de arbeidsmarkt inzake zorgberoepen, een belangrijke

doelstellingen werden in de conceptnota ‘Innovatiecentrum

uitdaging zal betekenen voor de Vlaamse samenleving.

Vlaanderen’ vertaald in één van de zes speerpuntdomeinen of innovatieknooppunten, namelijk ‘Zorginnovatie met strategische

Bovendien blijken ouderen vandaag ook andere woon- en

focus op vergrijzing, ontvoogding en gezondheid’.

zorgvoorkeuren te hebben. Zo wordt inwonen bij de kinderen meestal niet als zorgalternatief overwogen door ouderen (slechts

Om deze ambitie te kunnen realiseren is innovatie in de zorg-

4% van de ouderen is voorstander: BAS, 2012), terwijl het klassieke

processen en zorgproducten onontbeerlijk. Bovendien is het,

woonzorgcentrum op even weinig enthousiasme kan rekenen bij

in lijn met het pact 2020, noodzakelijk om de volledige hulp- en

65 plussers. Ouderen willen zolang mogelijk zelfstandig blijven

zorgketen te betrekken. Met betrekking tot de zorginnovatie met

functioneren, waarbij ze de regie van het eigen leven in handen

focus op de ouderenzorg betekent dit de focus op ketenzorg en

willen houden. Daarom verkiezen ze meestal ook hun woning te

het hanteren van een brede definitie van zorg en hulpverlening.

behouden, terwijl deze in bijna 40% van de gevallen niet aangepast

Het onderliggend paradigma is het zorgparadigma (Care) en niet

is aan mogelijke gezondheids- of mobiliteitsproblemen.

het biomedisch interventiemodel. Dat betekent dat de zorginnovatieve initiatieven de volledige zorgketen moeten omvatten,

Dit laatste toont aan dat innovatie in de zorg, met focus op

waarbij preventie, sensibilisering, interventie en chronische zorg

de ouderenzorg ruimer moet gezien worden dan het curatieve

mee worden opgenomen.

aspect. Om het hoofd te bieden aan de eerder beschreven uitdagingen, zullen niet alleen curatieve interventies vereist zijn

Ook door Flanders’ Care wordt in het jaarplan 2011-2012 gepleit

maar ook preventieve acties op velerlei domeinen. Denken we

voor een verdere verdieping van de Flanders’ Care doelstellingen.

hierbij maar aan het accuraat screenen van chronische en

Het gaat hierbij om een concrete vertaling van de Flanders’

invaliderende

diabetes,

Care doelstellingen in zowel bottom-up als top-down initiatieven.

chronische longaandoeningen, obesitas, sarcopenie,… Ook het

Het jaarplan formuleert de volgende doelstelling: ‘op een

tegengaan van sociale kwetsbaarheid van ouderen situeert zich in

aantoonbare wijze en door innovatie het aanbod van

hoofdzaak in de preventieve sfeer. De kwaliteit van de

kwaliteitsvolle zorg verbeteren en verantwoord ondernemerschap

huisvestingssituatie van ouderen evenals het gebruik van de

in de zorgeconomie stimuleren’.

pathologieën,

zoals

bijvoorbeeld

publieke ruimte en de zorg voor sociale cohesie, werden reeds in de programma’s van de Europese Commissie (Active ageing &

De zorginnovatieruimte Vlaanderen, met de focus op ouderen-

solidarity between generations) en de Wereldgezondheids-

zorg, sluit bijgevolg naadloos aan bij de doelstellingen van

organisatie (Age Friendly cities, WHO) opgenomen.

Flanders’ Care in dit verband.


ZO R G I N N OVATI E

271

Om het hoofd te bieden aan deze uitdagingen, zal meer nodig

●

Er wordt 1 “programme office” voorzien, dat de activiteiten op

zijn dan een bestendiging van het regulier beleid. Het zoeken,

alle platformen coördineert. Deze taak wordt uitgevoerd door

uittesten en implementeren van innovatieve zorgprocessen en

iMINDS. Het “programme office” zal samenwerken met

zorgproducten zal een essentiële voorwaarde zijn om succesvol met

een wetenschappelijk consortium, dat als taak heeft om de

de vermelde maatschappelijke uitdagingen om te gaan en kwaliteits-

platformen wetenschappelijk te ondersteunen en de resultaten te

volle en toegankelijke zorg voor iedereen te bewerkstelligen.

verspreiden en te vertalen naar concrete beleidsaanbevelingen.

Een mogelijke wijze om innovatie in de ouderenzorg te stimuleren en faciliteren is het ter beschikking stellen van een proeftuin in dit domein. Een proeftuin is een gestructureerde testomgeving waarin

●

Er zal een klankbordcommissie (Flanders’ Care) opgezet worden die als taak heeft om nieuwe innovatieve ideeën aan te reiken voor de proeftuinplatformen.

organisaties innovatieve producten, diensten en concepten kunnen testen, gebruik makend van een representatieve groep van eindgebruikers (in deze situatie: ouderen en mantelzorgers), die als testers worden ingezet in hun eigen leef- en werkomgeving. Op 20 juli 2012 besliste de Vlaamse regering om de proeftuin Zorginnovatieruimte Vlaanderen op te zetten en hechtte ze haar goedkeuring aan de lancering door IWT van een aantal oproepen tot indiening van voorstellen voor platformen en projecten in het kader van deze proeftuin in de ouderenzorg.

figuur 8.1.

en hulpprocessen enerzijds en nieuwe hulp- en zorgproducten anderzijds in de ouderenzorg te faciliteren. De uitgangspunten zoals geformuleerd in de visienota van de strategische adviesraad Welzijn-Gezondheid-Gezin (SARWGG, van de ‘Zorginnovatieruimte Vlaanderen’. De betaalbaarheid van de zorg- en dienstverlening evenals de vermaatschappelijking van de zorg zijn fundamentele uitgangspunten voor de proeftuin

De proeftuin bestaat uit 1 of meerdere proeftuinplatformen (duur 3 jaar), waarop projecten uitgevoerd worden.

●

De doelstelling van de proeftuin is innovatie van nieuwe zorg-

feb. 2011) maken integraal onderdeel uit van de doelstellingen

De beoogde structuur van de proeftuin is weergegeven in

●

8.2 DOELSTELLING PROEFTUIN

‘Zorginnovatieruimte Vlaanderen’. Het verhogen van de kwaliteit, de performantie, de rechtvaardigheid, de relevantie en de toegankelijkheid, als basiscomponenten van verantwoorde zorg, zijn

Elk platform beschikt over een stuurgroep/gebruikerscommissie,

eveneens basisdoelstellingen van de proeftuin ‘Zorginnovatieruimte

die wordt samengesteld uit o.a. steden en gemeenten, bedrijven,

Vlaanderen’.

zorgverstrekkers, zorggebruikers en mantelzorgers.

Figuur 8.1: structuur van de proeftuin Zorginnovatieruimte Vlaanderen

Klankbordcommissie

Programme office

Gebruikerscommissie 1

Platform 1

Project 1

Wetenschappelijk Consortium

Platform N

Project 2

Project X

Gebruikerscommissie N

Project Y


8

272

Voor een verdere omschrijving van de basisuitgangspunten

Essentieel is ook dat in de proeftuinplatformen in de zorg met

verwijzen wij naar de visienota ‘Maatschappelijk verantwoorde

focus op de ouderenzorg transsectorale en multidisciplinaire

zorg’ van de SARWGG. Bij de proeftuin ‘Zorginnovatieruimte

samenwerking een ontvankelijkheidsvoorwaarde is voor financiering.

Vlaanderen’ dient de focus tevens te liggen op:

Zodoende wordt gegarandeerd dat niet alleen de volledige waardeketen betrokken is in een proeftuinplatform, maar ook

●

●

valide test- en experimenteerruimte ter beschikking stellen om

de hele zorgketen. Bovendien is het ook noodzakelijk dat in

nieuwe concepten, diensten, processen en producten te toetsen

de gebruikerscommissie van de coöperatieve consortia één of

bij gebruikers in real life context;

meerdere openbare besturen, alsook (eind)gebruikersorganisaties

het creëren van een deels open innovatie-ecosysteem, waarbij

en mantelzorgorganisaties een actieve rol vervullen.

partnerships ontwikkeld en gebruikers actief betrokken worden bij conceptualisering, ontwikkeling, onderzoek en evaluatie in het volledige innovatieproces (co-creatie); ●

●

vraaggestuurde innovatie en gebruikersgeoriënteerde innovatie

De onderzoeksvragen die in de proeftuin aan bod kunnen komen,

faciliteren;

zijn zeer divers. We kunnen ze groeperen onder twee

het identificeren en monitoren van gebruikerspatronen en activiteiten;

●

●

●

8.4 ONDERZOEKSVRAGEN

hoofdthema’s, namelijk de onderzoeksvragen die betrekking hebben op de nieuwe zorg- en hulpprocessen enerzijds en deze die slaan op de nieuwe zorg- en hulpproducten anderzijds.

het toetsen van experimenten op hun economische en maatschappelijke impact;

8.4.1

het verspreiden van succesvolle zorgconcepten, diensten, processen

●

In welke mate kunnen nieuwe zorg- en hulpprocessen een

en zorgproducten in het regulier beleid, de markt of in het kader

bijdrage leveren aan de kwaliteit en de kostenefficiëntie van de

van een publiek private samenwerking (pps) mogelijk maken;

ouderenzorg?

een integratieve benadering van samenleving, technologie,

●

economie, zorgverstrekkers en overheden bij innovatie in de ouderenzorg mogelijk maken.

Wat zijn de aantoonbare maatschappelijke en economische effecten van de nieuwe zorg- en hulpprocessen?

●

In welke mate geven de nieuwe zorg- en hulpprocessen

Een integratieve benadering van zorginnovatie wordt

invulling aan het bestaande woonzorg decreet en het decreet

nagestreefd d.m.v.:

lokaal sociaal beleid?

- het hanteren van een brede holistische definitie van zorg,

●

Nieuwe zorg- en hulpprocessen

●

Op welke wijze worden deze nieuwe integratieve zorg- en

- ketenzorg-benadering (transsectoraal),

hulpprocessen ondersteund door zorgproducten (vb. domotica,

- volledige waardeketen betrekken.

huisvesting, ICT,…)?

de vertaling van fundamenteel onderzoek naar toegepaste

●

ontwikkelingen en gericht onderzoek in de zorg.

Op welke wijze kunnen de nieuwe zorg- en hulpprocessen verspreid worden in andere zorgcontexten (vb. landelijk, stedelijk,…)?

8.3 STAKEHOLDERS

●

doorstromen in regulier beleid, de markt of in een privaatpublieke samenwerking?

De betrokken stakeholders en de (potentiële) actoren in de stuurgroep van de proeftuinplatformen dienen minimaal de volledige

●

waardeketen te omvatten, alsook verschillende actoren uit de volledige zorgketen. Met de waardeketen wordt bedoeld de gebruikers en mantelzorgers enerzijds en de professionele zorgactoren anderzijds. Onder de professionele zorgactoren worden zowel beleidsvoerders, zorgeconomische actoren als zorgverstrekkers verstaan.

Op welke wijze kunnen de nieuwe zorg- en hulpprocessen

Welke juridische implicaties hebben de nieuwe zorg- en hulpprocessen?

●

Welke implicaties hebben de nieuwe zorg- en hulpprocessen voor de arbeids- en organisatieprocessen?


ZO R G I N N OVATI E

8.4.2 ●

Nieuwe zorg- en hulpproducten

In welke mate kunnen nieuwe zorg- en hulpproducten een bijdrage leveren aan de kwaliteit, de kosteneffectiviteit en de uitvoerbaarheid van de ouderenzorg?

●

●

In welke mate geven de nieuwe zorg- en hulpproducten

De beschikbare middelen bedragen in totaal 10 miljoen euro, dit omvat 6,02 miljoen euro voor de platformen en de betrokken projecten, 0,93 miljoen euro voor een kennisproject, 2 miljoen euro voor een volgende oproep voor additionele projecten en circa 1,05 miljoen euro voor de programme office.

Op welke wijze kunnen de nieuwe zorg- en hulpproducten

Op welke wijze kunnen de nieuwe zorg- en hulpproducten

publieke samenwerking? Welke juridische implicaties hebben de nieuwe zorg- en hulpproducten? Welke implicaties hebben de nieuwe zorg- en hulpproducten voor de arbeids- en organisatieprocessen?

8.5 STAND VAN ZAKEN PROCEDURE Aan het IWT werd de opdracht gegeven om in een eerste fase twee oproepen te lanceren: De eerste oproep (beschikbare begroting € 6,02 M) betreft een oproep voor voorstellen voor proeftuinplatformen én bijhorende projecten. Deze oproep biedt aan bedrijven, social profit organisaties actief in de zorgsector, en steden en gemeenten de mogelijkheid voor het bekomen van subsidies voor de opstart (en het onderhoud) van een proeftuinplatform en de ontwikkeling van innovatieve zorgconcepten op dit platform. ●

vervolgens overgemaakt te worden aan de Vlaamse Regering.

hulpproducten geïntegreerd in de zorg en hulpprocessen?

de markt of verspreid worden in het kader van een privaat-

●

van externe deskundigen heeft de aanvragen besproken.

Op welke wijze zijn deze nieuwe integratieve zorg- en

opgenomen worden in regulier beleid, verspreid worden in

●

non-profitorganisaties en lokale besturen betrokken. Een panel

van bestuur van het IWT dat op 18 april geformuleerd werd om

stedelijk,…)?

●

Vlaanderen leert het volgende. Bij de aanvragen zijn heel veel

effecten van de nieuwe zorg- en hulpproducten?

verspreid worden in andere zorgcontexten (vb. landelijk,

●

kader van de eerste oproep voor de Proeftuin Zorginnovatieruimte

Hun opmerkingen vormen de basis voor het advies van de raad

lokaal sociaal beleid?

●

De evaluatie van de projectvoorstellen die werden ingediend in het

Wat zijn de aantoonbare maatschappelijke en economische

invulling aan het bestaande woonzorg decreet en het decreet

●

273

De tweede oproep (beschikbare begroting € 0,93 M) richt zich tot kennisinstellingen met een ruime expertise op vlak van zorgprocessen, onderzoeksmethodologieën, vergrijzing en zorgeconomie, en heeft als doel om één overkoepelend wetenschappelijk consortium te selecteren dat zal instaan voor de wetenschappelijke begeleiding van alle – in oproep 1 – gesteunde proeftuinplatformen.


0

274

AUTEURSLIJST • Dr. Petra ANDRIES, KU Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Drs. Sharon BAUTE, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Mevrouw Anneleen BRUYLANT, BELSPO, is als coverantwoordelijke van de Europese Innovatie-enquête (CIS) verbonden aan Federaal Wetenschapsbeleid. • Dr. Julie CALLAERT, KU Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Mevrouw Tammy CASTELEIN, VLIR, is als stafmedewerker onderzoeksbeleid verbonden aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad. • Mevrouw Noëmi DEBACKER, UGent, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Ir. Mariëtte DU PLESSIS, KU Leuven, is als administratief medewerker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Tim ENGELS, Universiteit Antwerpen, is als deeltijds senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Prof. dr. Wolfgang GLÄNZEL, KU Leuven, is gewoon hoogleraar en co-promotor – directeur van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Machteld HOSKENS, KU Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • De heer Jan LAROSSE, EWI, is als beleidsadviseur verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid. • Dr. Katia LEVECQUE, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr.ir. Elisabeth MONARD, FWO, is secretaris-generaal van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen.

• Prof.dr.ir. Koenraad DEBACKERE, KU Leuven, is gewoon

• Drs. Truyken OSSENBLOK, Universiteit Antwerpen, is als

hoogleraar en promotor-woordvoerder van het Expertisecentrum

doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum

O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Mevrouw Elsie DE CLERCQ, IWT, is als adviseur verbonden aan

• Mevrouw Iris PERSIJN, UGent, is als junior onderzoeker

het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie.

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Mevrouw Linda De KOCK, Departement Onderwijs en Vorming, is adviseur bij de Afdeling Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs. • Drs. Julie DELANOTE, KU Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoekseenheid bedrijfseconomie, Strategie en Innovatie van de Faculteit Economie en bedrijfswetenschappen. • De Heer Alain DELEENER, IWT, is als adviseur Europese programma’s verbonden aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie. • Dr.ir. Pascale DENGIS, EWI, is als hoofd van de afdeling Kennisbeheer verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid. • Drs. Hanne DERYCKE, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Elie RATINCKX, VRWI, is als navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie. • Dr. Daniëlle RASPOET, VRWI, is algemeen secretaris van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie. • Dr. An SCHRIJVERS, VRWI, is als navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie. • Mevrouw Xiaoyan SONG, KULeuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Eric SPRUYT, Universiteit Antwerpen, is departementshoofd van het Departement Onderzoek van de Universiteit Antwerpen. • Mevrouw Adriana TE KAAT, UGent, is als junior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.


275

• Dr. Bart THIJS, KU Leuven, is als senior onderzoeker verbonden

• De Heer Peter VIAENE, EWI, is als beleidsmedewerker

aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en

Gemeenschap.

Innovatie van de Vlaamse overheid.

• Dr. Dietrich VAN DER WEKEN, EWI, is als beleidsmedewerker verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid. • Dr. Karen VANDEVELDE, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Drs. Kristof VAN CRIEKINGEN, KU Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Drs. Steven VANHAVERBEKE, KU Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Mevrouw Monica VAN LANGENHOVE, EWI, is als beleidsmedewerker verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid. • De heer Danny VAN STEENKISTE, IWT, is als adviseur verbonden aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie. • Prof. dr. Bart VAN LOOY, KU Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap en hoofd van de onderzoeksgroep Technometrie. • Prof. dr. Ronan VAN ROSSEM, UGent, is hoofddocent aan de UGent en is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr.ir. Isabelle VERBAEYS, FWO, is beleidsmedewerker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. • Prof. dr. Reinhilde VEUGELERS, KU Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Dr. Frederik VERLEYSEN, Universiteit Antwerpen, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • Prof. dr. Dominique VERTÉ is als adviseur zorginnovatie en sociale innovatie verbonden aan het kabinet van Mevr. Ingrid Lieten, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding.

• Dr. Hans WILLEMS, FWO, is directeur Steun aan Onderzoekers bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. • Prof. dr. Walter YSEBAERT, VUB, is hoofd van de R&D Onderzoekscel Data en Beleid van de Vrije Universiteit Brussel.


276

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM

CHEM

Chemie

CIS (I, II, III)

Community Innovation Survey

CLE

Centrum voor Landbouweconomie

AAL

Ambient Assisted Living

CLI

Klinische en experimentele geneeskunde

AAP

Assisterend Academisch Personeel

CLO

Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek

ABA

Academische bacheloropleidingen

CMI

Centrum voor Medische Innovatie

ACQUEAU

Cluster for Water

COC

Collectieve Onderzoekscentra

AGRI

Agronomie en omgevingswetenschappen

CP

Collaborative Projects

A&HCI

Arts & Humanities Citation Index

CPCI-S

Conference Proceedings Citation Index - Sciences

AI

Activiteitsindex

CPP

Citations per Paper

AIC

Antwerp Innovation Centre

CRM

Centrum voor Research in de Metallurgie

AILO

Academische Initiële Lerarenopleiding

CWTS

Centre for Science and Technology Studies Leiden

AMS

Antwerp Management School

DHO

Databank Hoger Onderwijs

AO

Agentschap Ondernemen

DNA

DeoxyriboNucleic Acid

AP

Academisch Personeel

DTO

Duurzame Technologische Ontwikkeling

ARKIV

ARKimedes Fondsen

EC

Europese Commissie

ARTEMIS

Advanced Research and Technology for

ECOOM

Expertisecentrum O&O Monitoring

Embedded Intelligence and Systems

EEI

European Enterprise Institute

ASO

Algemeen Secundair Onderwijs

EMBO

European Molecular Biology Organisation

AWT

Nederlandse Adviesraad voor Wetenschaps- en

Energy

Thematische prioriteit ‘Energie’ van het EU

technologiebeleid

Zevende Kaderprogramma

Ba-na-Ba

Bachelor-na-Bachelor

BELSPO

Belgian Federal Science Policy Office

BBP

Bruto Binnenlands Product

ENGN

Ingenieurswetenschappen

BBPR

Bruto Binnenlands Product per Regio

Environment

Thematische prioriteit ‘Milieu (inclusief

BECETEL

Belgian Research Centre for Pipes and Fittings

BERD

Business Expenditures on R&D

BEWISE

Belgian Woman in Science

EPO

European Patent Office

BIL

Belgisch Instituut voor de Lastechniek

EPWS

European Platform of Women Scientists

BIOL

Biologie

ERA

European Research Area

BIOM

Biomedisch onderzoek

ERC

European Research Council

BIOS

Biowetenschappen

ESRF

European Syncrotron Radiation Facility

BNP

Bruto Nationaal Product

ESO

European Southern Observatory

BOF

Bijzonder Onderzoeksfonds

EU

Europese Unie

BRP

Bruto Regionaal Product

EUR

Euro

BSO

BeroepsSecundair Onderwijs

EURIPIDES

Eureka Initiative For Packaging And Integration

CATRENE

Cluster for Application and Technology Research in Europe on NanoElectronics

ENIAC

European Nanoelectronics Initiative Advisory Council

klimaatverandering)’ van het EU Zevende Kaderprogramma

Of Micro-Devices And Smart Systems EUROGIA+

Eureka Strategic Initiative For Low Carbon

CBGS

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën

Energy Technologies

CDH

Careers of Doctorate Holders

EUROSTAT

Europees Statistisch Bureau

CELTIC

Cooperation for a European sustained

EWI

Departement Economie, Wetenschap en

Leadership in Telecommunications CENTEXBEL

Wetenschappelijk en Technisch Centrum

Innovatie FFEU

van de Belgische Textielnijverheid CERN

Centre de Recherche Nucléaire

CFS

Commissie voor Federale Samenwerking

CFS-STAT

Werkgroep Statistiek van de Commissie voor Federale Samenwerking

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven

FhG-ISI

Fraunhofer Gesellschaft – Institut für Systemtechnik und Innovationsforschung

FISCH

Flanders Strategic Initiative for Sustainable Chemistry


277

Fission

Thematische prioriteit ‘Kernsplijting en

iCTV

I-Cleantech Vlaanderen

stralingsbescherming’ van het EU Zevende

ICON

Interdisciplinair Coöperatief ONderzoek

Kaderprogramma

ITG

Instituut voor Tropische Geneeskunde

FLAMAC

Flanders Materials Research Centre

Antwerpen

Flanders DC

Flanders Districts of Creativity

ILVO

Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

FMTC

Flanders Mechatronics Technology Centre

IMEC

Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum

Food

Thematische prioriteit ‘Voeding, landbouw

IMI

Innovative Medicines Initiative

en biotechnologie’ van het EU Zevende

iMinds

Het vroegere IBBT (Interdisciplinair Instituut

Kaderprogramma

voor Breedband Technologie)

FTI

Flanders Technology International

IN

Instituut voor Natuurbehoud

Fusion

Thematische prioriteit ‘Onderzoek inzake fusie-

INBO

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

energie’ van het EU Zevende Kaderprogramma

INCO

International Scientific Cooperation:

FWO GBAORD

Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –

Thematische prioriteit ‘Horizontale internationale

Vlaanderen

samenwerkingsactiviteiten’van het EU Zevende

Government Budget Applications or Outlays

Kaderprogramma

for R&D

Infrastructures Thematische prioriteit ‘Onderzoeksinfrastructuren’

GBOU

Generisch Basisonderzoek aan de Universiteiten

van het EU Zevende Kaderprogramma

GCO

Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

INNO-NET

Innovation network

General

Thematische prioriteit ‘Algemene activiteiten

INPI

Institut National de la Propriété Industrielle

(Annex IV)’ van het EU Zevende Kaderprogramma

IOF

Industrieel Onderzoeksfonds

GERD

Gross Expenditures on R&D

IPC

International Patent Classification

GEOS

Aard- en ruimtewetenschappen

ISBN

Internationaal Standaard Boeknummer

GIMV

Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor

ISCED

International Standard Classification of Education

Vlaanderen

ISI

Institute for Scientific Information

GOA

Geconcerteerde Onderzoeksacties

ISSN

Internationaal Standaard Serienummer

GOV

Publieke onderzoekscentra

ITEA II

Information Technology for European

GOVERD

Government Expenditures on R&D

GP

Gezaghebbend Panel

ITG

Instituut voor Tropische Geneeskunde

GPRC

Guaranteed Peer Reviewed Content

IWT

Agentschap voor Innovatie door Wetenschap

GSK

GlaxoSmithKline

HBPWB

Horizontaal Begrotingsprogramma

JCSm

Mean Citation Rate of Journal Packet

Wetenschapsbeleid

JPO

Japanese Patent Office

Thematische prioriteit ‘Gezondheid’ van het

JTI

Joint Technology Initiatives

Health

Advancement

en Technologie

EU Zevende Kaderprogramma

Kan

Kandidatuursopleidingen

HERD

Higher Education Expenditures on R&D

KET’s

Key Enabling Technologies

HES

Higher Education Services – Higher Education

KMDA (Zoo) Koninklijke Maatschappij voor

Sector

Dierenbescherming Antwerpen

HKO

Hoger Kunstonderwijs

KMO

Kleine en Middelgrote Ondernemingen

HO

Hogescholen

KMSKA

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten –

HO1C

Hogeschoolopleidingen van 1 cyclus

HO2C

Hogeschoolopleidingen van 2 cycli

KP

Kaderprogramma’s

HOBU

Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit

KSO

Kunstsecundair Onderwijs

IAB

Internationaal Arbeidsbureau

K.U.Brussel

Katholieke Universiteit Brussel

IAP

Industriële Affiliatie Programma’s

KU Leuven

Katholieke Universiteit Leuven

IBBT

Interdisciplinair Instituut voor BreedBand

LRM

Limburgse Reconversiemaatschappij

Technologie

Ma-na-Ma

Master-na-Master

IBW

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer

MATH

Wiskunde

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

MC

Marie Curie

Antwerpen


278

MECR

Mean Expected Citation Rate

RUCA

Universitair Centrum Antwerpen

MOCR

Mean Observed Citation Rate

SARWGG

Strategische Adviesraad Welzijn-Gezondheid-

MOW

Mobiliteit en Openbare Werken

MSTI

Main Science and technology Indicators

SBO

Strategisch Basis Onderzoek

NABS

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

SCI

Science Citation Index

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s

SCIE

Science Citation Index Expanded

Statistische nomenclatuur van de economische

SCK

Studiecentrum voor Kernenergie

activiteiten in de Europese Unie

Security

Thematische prioriteit ‘Veiligheid’ van het EU

NACE NANOTECH

Gezin

Thematische prioriteit ‘Nanowetenschappen,

Zevende Kaderprogramma

nanotechnologieën, materialen en nieuwe

SERV

Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen

productietechnologieën’ van het EU Zevende

SHW

Sociale en Humane Wetenschappen

Kaderprogramma

SIM

Strategisch Initiatief Materialen

n.e.g.

niet eerder genoemd

SIRRIS

Wetenschappelijk en Technisch Centrum

NEUR

Neuro- en gedragswetenschappen

NIB

Nieuw Industrieel Beleid

SLO

Specifieke Lerarenopleiding

NIS

Nationaal Instituut voor de Statistiek

SME

Small and Medium-sized Enterprises

NoE

Networks of Excellence

SOC

Strategische Onderzoekscentra

NPO

Non-Profit Organisatie

SOFI

Spin-Off Financieringsinstrument

O&O

Onderzoek en Ontwikkeling

Society

Thematische prioriteit ‘Wetenschap in

OCW

Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw

de maatschappij’ van het EU Zevende

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking

Kaderprogramma

en Ontwikkeling OMOB

voor de Agoriasectoren

Space

Onderlinge Maatschappij der Openbare

Thematische prioriteit ‘Ruimtevaart’ van het EU Zevende Kaderprogramma

Besturen

SSCI

Social Science Citation Index

OST

Observatoire des Sciences et Technologies

SSH

Thematische prioriteit ‘Sociaaleconomische

OV of O&V

Onderwijs & Vorming

OVAM

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

PBA

Professionele bacheloropleidingen

STEM

Science, Technology, Engineering & Mathematics

PCA

Interprovinciaal Proefcentrum voor

STP

Science & Technology Proceedings

de Aardappelteelt

STV

Stichting Technologie Vlaanderen

PCT

Patent Coorporation Treaty

STWW

Strategische Technologieën voor Welzijn en

PHYS

Fysica

PMV

Participatiemaatschappij voor Vlaanderen

TBM

Toegepast Biomedisch Onderzoek

PNP

Not for Profit Organisations Expenditures on R&D

TETRA

Technologietransfer

POD

Programmatorische federale Overheidsdienst

TGO

Transformationeel Geneeskundig Onderzoek

Duurzame Ontwikkeling

TINA-fonds

Transformatie, INnovatie & Acceleratie fonds

Thematische prioriteit ‘Samenhang van het

TSO

Technisch Secundair Onderwijs

onderzoeksbeleid’ van het EU Zevende

tUL

transnationale Universiteit Limburg

Kaderprogramma

UA

Universiteit Antwerpen

Thematische prioriteit ‘Onderzoekspotentieel’

UGent

Universiteit Gent

van het EU Zevende Kaderprogramma

UHasselt

Universiteit Hasselt

RCA

Relative Commercial Advantage

UNU-CRIS

United Nations University Institute on

RCR

Relative Citation Rate

Regions

Thematische prioriteit ‘Kennisregio’s’ van het

UO

Universitair Onderwijs

Policies

Potential

wetenschappen en geesteswetenschappen’ van het EU Zevende Kaderprogramma

Welvaart

Comparative Regional Integration Studies

EU Zevende Kaderprogramma

USPTO

United States Patent and Trademark Office

R&D

Research & Development

VABB

Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand

RNA

RiboNucleic Acid

VCBT

Vlaams Centrum voor Bewaring van

RTA

Relatieve Technologiespecialisatie

Tuinbouwproducten


279

VIB

Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

VIL

Vlaams Instituut voor de Logistiek

VIM

Vlaams Instituut voor de Mobiliteit

VIN

Vlaams Innovatienetwerk

VINNOF

Vlaams Innovatiefonds

VIOE

Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

VIS

Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

VITO

Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

VK

Verenigd Koninkrijk

VKI

von Karman Institute for Fluid Dynamics

VLACO

Vlaamse Compostorganisatie

VLAKWA

Vlaams Kenniscentrum Water

Vlhora

Vlaamse Hogescholen Raad

VLIR

Vlaamse Interuniversitaire Raad

VLIZ

Vlaams Instituut voor de Zee

Vluhr

Vlaamse Universiteiten en Hogescholenraad

VRWI

Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie

VS

Verenigde Staten

VSC

Vlaams SupercomputerCentrum

VTE

Voltijds Equivalent

V.U.Bussel

Vrije Universiteit Brussel

WHO

World Health Organisation

WLH

Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek

W&T

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening

WoS

Web of Science

WP-doc

Wetenschappelijk Personeel – doctoraal onderzoeker

WP-postdoc

Wetenschappelijk personeel – postdoctoraal onderzoeker

WTCB

Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid

WTI

Wetenschap, Technologie en Innovatie

WTOCD

Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant

ZAP

Zelfstandig Academisch Personeel


280


VL A AM S I N D I CATO R E N B O E K

NUTTIGE ADRESSEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: • DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAP

• AGENTSCHAP VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP

EN INNOVATIE (VRWI)

EN TECHNOLOGIE (IWT)

Koloniënstraat 56, B-1000 Brussel

Ellipsgebouw

Tel. 32-(0)2 212 94 10

Koning Albert II-laan 35, bus 16, B-1030 Brussel

Fax 32-(0)2 212 94 11

Tel. 32-(0)2 432 42 00

E-mail: info@vrwi.be

Fax 32-(0)2 432 43 99

E-mail: danielle.raspoet@vrwi.be

E-mail: info@iwt.be

Webstek: www.vrwi.be

Webstek: www.iwt.be

• MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

• VLAAMSE INTERUNIVERSITAIRE RAAD (VLIR) Ravensteingalerij 27, B-1000 Brussel

INNOVATIE (EWI)

Tel. 32-(0)2 792 55 00

Ellipsgebouw

Fax 32-(0)2 211 41 99

Koning Albert II-laan 35, bus 10, B-1030 Brussel

E-mail: administratie@vlir.be

Tel. 32-(0)2 553 59 80

Webstek: www.vlir.be

Fax 32-(0)2 553 60 07 E-mail: info@ewi.vlaanderen.be

• VLAAMSE HOGESCHOLENRAAD (VLHORA)

E-mail: peter.viaene@ewi.vlaanderen.be

Ravensteingalerij 27, bus 3, B-1000 Brussel

Webstek: www.ewi-vlaanderen.be

Tel. 32-(0)2 211 41 90 Fax 32-(0)2 211 41 99

• EXPERTISECENTRUM O&O MONITORING Waaistraat 6, PB 3536, B-3000 Leuven Tel. 32-(0)16 32 57 29 Fax 32-(0)16 32 57 99 E-mail: koenraad.debackere@kuleuven.be Webstek: www.ecoom.be • FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (FWO) Egmonstraat 5, B-1000 Brussel Tel. 32-(0)2 512 91 10 Fax 32-(0)2 512 58 90 E-mail: elisabeth.monard@fwo.be Webstek: www.fwo.be

E-mail: info@vlhora.be Webstek: www.vlhora.be

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 013

DEPARTEMENT ECONOMIE, WETENSCHAP EN

WETENSCHAP TECH NOLOGI E I N N OVAT I E

2013


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
indicatorenboek_2013.pdf by Vlaanderen-be - Issuu