3
fel
I
ii
!•
lb: * «
mi
IN
güBE
>
III I umi mm
iUUl
• %1 \ i
-.
I — 1....... _
1 mm
T
^
^
PRE METROSTATION
DIAMANT
T
i Jj|
^^d MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN S/6
1
1
Strukturele polymeerchemische
houtrestauratie
de neef EMGIMEEWIMG
NV SA
INDUSTRIEPARK 8, B-3100 HEIST O/D BERG, BELGIUM TEL. (015)24 62 31 FAX (015)24 80 72 TELEX 62926
In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. PI. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934
Kerk Eine -1918
Reigerstraat 8, 9000 gent Tel.: (091) 22 22 39 - 22 20 48 Fax.: (091) 20 27 75
Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.
Onderzoek :
Kunsthistorisch • Technisch Bouwkundig
Behandeling :
Muurschilderingen • Stuc Sculptuur (steen en hout)
Depiqeonal Is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer Informatie over Deplgeonal en gebouwenconservatie en -restauratie In het algemeen bij
Meubilair • Leder Schilderi jen (paneel en doek) -
Solar
Kleine Breedstraat 51, 2700 Smt-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.
RESTAURATIE EN MONUMENTENZORG
Bodemvondsten (hout en leder) Adres Oostveldkouter 26 9920 Lovendegem
DEPIGEONAL |
DeClercqL. 03 2338227 • Van Der Blest L. 03 7714466 VandenborreH. & louwersM. 091 726303 • SchudelW 091221753
Smederij
O iRESTAURATIE
MOLENBAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • • • •
Restauratie alle smeedwerk Kopiëren Drijfwerk Eigen ontwerp Design Meubels
Gediplomeerd restaurateur KAARDERSTRAAT 1
IHOBOKEN
Alle natuursteen - Marmer - Graniet Restauratiewerken in witte en blauwe steen
Hardsteenwerken
PEETERS N.V. Tel. (03) 827 58 56 - Fax. (03) 827 64 92
r
ATElDICHTIM«
ENVIROMAT: GUNDLINE: FUKO: HYDROTITE: DENSILIT: FREEZTEQ: INJEKTIES:
geomembraan op basis van bentonietklei geomembraan op basis vao HDPE (Hoge Densiteit Poly Ethylee: injektiedannen voor stortnaden zwelstrips voor voegdichting waterwerend toevoegmiddel voor cement behandeling tegen opstijgend vocht Epoxy, poiyurethaan, acryl M\
\.\: H.C.G&A. TERBHKI:HOFDRi;i-:i-5Ü-5;-2610WIL ri-I.((ö)828«95-(5L)-Ti;i.i;X73.352 l-XX B
i© Generale Bank
:
I wÊÊm
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. WIJ vatten dit in 5 puntjes samen:
n
De restauratiematenalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft.
H
Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten met belemmeren.
El
Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiematenaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
Kleine Breedstraat 51.2700Sr -Niklaas
voor meer infomatie belt u'. oj/yyóyi. 61
In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax : (015)24 28 60 vecum.
OOK DIT IS EBES Tal van oude machines, toestellen of Voor de verzameling van haar industrieel documenten, van industrieel-archeolo- verleden koos EBES een origineel kader: gische waarde, dreigen onder een niet de oude machinezaal van Centrale Langeraflatende vernieuwingsdrang brugge, in 1913 gebouwd, vormt het verloren te gaan. gepast decor voor ENERGEIA, het Daarom besloot EBES bijzonmuseum voor industrieel erfgoed dere aandacht te besteden aan van EBES. haar industrieel erfgoed. Zij nam het initiatief haar histoU bent er van harte ^Hl rische rol in de industriële en welkom. maatschappelijke ontwikkeling te Voor afspraak, bel het onderzoeken en vorm te geven. nummer03/280.03.45.
^SeAöézK, en het De Algemene Spaar-en Lijfrentekas heeft het zogenaamde huis Delbeke aan de Keizerstraat nummer 9 in Antwerpen aangekocht, behoorlijk gerestaureerd en opnieuw zijn oorspronkelijke naam gegeven : Onze-Lieve- Vrouwehuis. De ASLK wil het Onze-Lieve-Vrouwehuis opnemen in haar actieve sfeer en het niet alleen de historische eer toekennen die het toekomt, maar het ook functioneel houden door het opnieuw te integreren in het moderne zakenleven en in de huidige culturele contexten. De doeltreffende verfraaiing van het interieur en de deskundige en liefdevolle restauratie van de bijhorende kunstwerken dienen in het licht van deze filosofie te worden beschouwd.
ASLK1 we doen met u mee
E E N E R V A R E N K I J K OP DE T O E K O M S T
NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 326 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66
"'
RIETEN DAKEN
AMINCK GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61
WILLY IBENS
i'S
P.V.B.A.
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslel 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45
^ ^ ^ ^ ^ ^ •B»tUMHHIk>FWf=l Gevel- en restauratiewerken Waterdichte bespuiting Opperviaktebehandeiing & sierpieisters Zand- en straalbedrijf industriële schilderwerken - Hoogtewerken
J . GENNE Bosdel industriepark GENK (011) 35 80 51 / 35 80 52 Telefax (011) 35 80 53
8 Mlzerlkstraat 3610 DIEPENBEEK
(011) 32 33 60
^Aj.v-.li.a.
Bladlood for ever
Minervatempel in het Engels Park. Alden Biesen
Winkelcentrum : Dommelmarkt Neerpelt Ir. Arch. J. Spaas
Onvervangbaar bij : - stroken voor afdichting - dak- en gevelbekleding - restauratie
Informatiecentrum van de non-ferrometalen Montoyerstraat 47,1040 BRUSSEL Tel. (02) 513 86 34
Het vergulden van de opschriften, van de wielen met laurierkrans en vleugels, werd, bijna gewoontegetrouw voor Antwerpen, uitgevoerd door "Goldfinger" Armand Van Bortel. Voor de opschriften (zoals Telegraaf, Telefoon, Middenstatie...) die uitgebeiteld zijn in graniet, wordt een aparte verguldingsmethode gebruikt. Zo wordt het graniet geïsoleerd met een produkt waarop de olieverf kan aanhechten. Na de olieverf komt nog een laklaag. Beide moeten ervoor zorgen dat de volgende laag het graniet niet beschadigt. Dan volgt mixion, een traagdrogend kleefmiddel dat het goud van 23 % karaat vasthecht aan de steen. Eén verguldingslaag volstaat hier, omdat graniet niet kan oxideren (naar De Gazet Van Antwerpen, 25.10.89 blz. 27). De BVBA Van Bortel voerde verguldingswerken uit aan de O.-L-V.-Kathedraal, gebouwen op de Grote Markt, de Sint-Garoluskerk, de hoekgebouwen Leystraat, het Gutenberghuis, St.-Katelijnevest...
A. Van Bortel Schilder- en Decoratiewerken - Sigmulto procédé Patineer- en Polychromeeren Graqleerwerken - Vergulden met echt bladgoud - Restauratiewerken
Prosper De Witstraat 10 2100 Deurne, Tel. (03) 324 58 29
Station Antwerpen Centraal - Restaureren van de Spoorhal
Tijdelijke Vereniging Constructies, Electriciteitswerken en Industriebouw n.v.
CFE
Aannemingsmaatschappij CFE n.v. @ Victor Buyck n.v. Metaalbouw
Baeck & Jansen n.v. B& J GROUP BAECK
Administratieve zetel
CEI n.v. Excelsiorlaan 16 1930 Zaventem Tel. (02) 725 10 10
Beter met de bank van hier. Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.
ALGEMENE BOUWONDERNEMING VERNIEUWBOUW, RESTAURATIEWE GEVELWERKEN^ NATUURSTEEMI
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft l zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of lioe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst' Solar nvvernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaiiaren Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswei ken Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
BOUWONDERNQVUÉ
GOETINCK. ADMIMSTMTIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSSTRAAT 20 8200 BRUGGE 2 TEL. 050 / 31 55 81
^ S ?
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
11151 2700 Sl Niki
Ook sterk in: gevelremiging - steenverharding - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
MADE IN BELGIUM EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg
Postgebouw, Markt, Brugge. EXHYDRO® : waterbestendige steenbescherming door wtcb getest ATG/H 606
Beschermde mijnwerkerswijk in Bois Du Luc (Houdeng-Goegnies). EXHYDRO inj : droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injectie-diffusie onder lage druk
Het Herenhuis Vaxelaire, Sterrekundelaan, Brussel. Beschermd monument. Begin 19de eeuw. REMAL 13 : chemische gevelreiniging
Het 'Erasmushuis' in Brussel werd met onze produkten gerestaureerd. GLAZUR REMAFIX REPOX ...
RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 70 20 Fax. : (02) 513 22 11 tlx. : Renoma B - 23921
PVBA
SUPPORT - SURFACE
MAES N.V.
•RESTAURATIE + CONSERVATIE.
S.A.
•^ya^fSfaeóMéutltLfa/ueAtornte Maatsch. zetel: Kortrijkse Steenweg382,9000Gent (091) 23 87 03 Adm. zetel: Wapenstraat I2B. 2000 Antwerpen (03) 226 28 88
Verhuring hoogwerkers van 10 tot 55 m. werkhoogte tot 30 m. met of zonder voerder dag en nacht
MAES N.V. S.A. Boudewijnlaan 5 2243 Pulle Tel. (03) 484 62 62 Fax (03) 484 55 66 Antwerpen Charleroi Beringen Roeselare
(03) 484 (071) 81 (011)42 (051)24
62 62 75 33 09 73 29 21
Vilvoorde Luik D o u a i (France)
(02) 252 56 09 (041)47 07 00 00-33-27-92 91 92
STEEN-REIN B.V.B.A. Achterbos 8, 2400 MOL (03) 440 57 23
M&L
ISSN 0770-4948 8" jaargang Nr. 6 november-december 1989
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen De gereinigde binnengevel van het Centraal Station te Antwerpen (foto ; G. Charlier)
Inhoud Generiek
3 Redactie
Het Huis Van Merris, te Poperinge Anne-Marie Delepiere en Jos Stroobants
12
In de marge van de stad : geschiedenis en ecologie van het Osbroek te Aalst Paul Van den Bremt
25
Het Centraal Station te Antwerpen. De opfrissingswerken in de wandelzaal Gaston De Smet
41
De restauratie van de Sint-Martinuskerk te Berg Jos Gyselinck en Christine Vanthillo M&L Binnenkrant
Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys. Redactiecomité
50
Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J, De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39. 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35
Abonnementsvoorwaarden
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1990". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
MINISTERIE VA.N D E VLAAMSE GEMEENSCHAP
REWAH n GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •
reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven
DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem
Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.
ETIENNE MAHIEU - LID VAN : • ART RESTORERS ASS. • INTERNATIONAL INSTITUTE OF CONSERVATION
k
RTIKON u
(014) 51 77 22 (014) 50 03 24 (014) 50 03 23 (FAX) VISPLUK 27 2290 VORSELAAR
•
RESTAURATIE EN CONSERVATIE van : - Kunstvoorwerpen in hout, steen, metaal, kunststof, marmer, terra-cotta. - Stenen beelden en gevelornamentuur. - Keramiek, aardewerk.
•
VERVAARDIGEN VAN REPLICA kleine en grote oplage Wij werken met moderne middelen en overeenkomstig de recentste wetenschappelijke vindingen
•
FABRIKATIE EN VERKOOPVAN PRODUKTEN VOOR RESTAURATIE : • Lijmen (epoxy, acryl, PVA, enz.) • Verfstrippers (speciaal voor restauratie): PEEL-AWAY • Minerale steenrestauratieprodukten : GAYSTONE • Steenbehandelingsprodukten : reinigers, verstevigers, enz. • Houtbehandelingsprodukten
Een vleugje Parijs Met het Huis van Merris zet Lodewijk XVI een stap over de schreve. Bouwmeester T.F.J. Combert ontwierp naast de opmerkelijke voorgevel dan ook een hoogst bekoorlijk interieur. Ondanks de gewaardeerde vredige cohabitatie met de later ingevoegde 19de-eeuwse decoratie verliep de jongste binnen-opknapbeurt nochtans niet rimpelloos. Vanuit het zuidelijke Poperinge maakten Anne-Marie Delepiere en Jos Stroobants er gezamenlijk alvast het beste van.
Marginaal In het Aalsterse Osbroek snijdt Paul Van den Bremt een landschap aan waarbij enig relativerend commentaar niet overbodig is. Louis Paul Boons nalatenschap indachtig doemen langs de Kapellekensbaan meteen die anekdotische verhalen op waar sprokkelaars, industriëlen, turfstekers, Oorlogstewerkstelling en Franse Revolutie een karakterrol vertolken. Het resultaat werd een indringend onderzoek met onvoorziene wendingen.
Sint-Martinus Romeins, romaans, gotisch, neogotisch, silex, mergel, baksteen, tuf... het kerkje van Berg onderging dit alles èn de onvermijdelijke ontpleistering ten koste van nogal wat eigenheid. Zorgvuldig afgewogen restauratieve interventies zouden er desondanks in slagen de discrete charme van het bedehuis in ere te herstellen. Christine Vanthillo en Jos Gyselinck volgden daarbij voor interieur en exterieur de werkzaamheden met meer dan de gewone aandacht.
Een marmeren Pantheon Bij wijze van orgelpunt op deze 48ste aflevering van M&L staat Antwerpen centraal. Met name de middenstatie werd er met het oog op een nog grootser toekomst door de zorgen van Gaston de Smet van onder grauw ontsierend remstof gehaald. Onder de goedkeurende hoge koninklijke blik zetten Chinese klei en Waalse kalksteen de tand des tijds een veelkleurige hak.
w
Het Huis Van Merris, te Poperinge
Anne-Marie Delepiere en Jos Stroobants, BML.
In de loop van 1988 en 1989 werd het gelijkvloerse interieur van het bij Regentsbesluit van 26 november 1942 beschermde 18de-eeuwse Huis Van Merris in Poperinge geconserveerd en gerestaureerd. Het raffinement van de geciseleerde baksteen die de voorgevel vormt, culmineert in het interieur waar de autentieke Lodewijk XV-decoratie versmelt met 19de-eeuwse smaakaanpassingen.
De gerechtszaal: detail van een deurstuk nft kroonlijst en plafondversiering (foto B.M.L.) M&L 12
Een verademing na "Donkere Tijden" Zoals elders op het Vlaamse platteland, kende ook de Westhoek in de 18de eeuw een vernieuwd economisch elan onder het Oostenrijks bewind van Maria Theresia (1740-1780). Te Poperinge — het meest zuidelijk gelegen stadje van deze streek aan de "schreve" — fleurden landbouw, hop- en takbaksteelt, ambachtelijke bedrijven en huisnijverheid op ... een welgekomen verademing na de "Donkere Tijden " ingeluid op het einde van de 15de eeuw door het verval van de lokale lakennijverheid. Latere perikelen als de beeldenstorm (1566 en circa 1578) en de belegeringen ten gevolge van de veroveringsoorlogen van Lodewijk XIV hadden stad en omliggende verder ontwricht. Zoals de economische bloeiperiode van de 13de-14de eeuw zich weerspiegelde in de uitbouw van de stad en in de oprichting van de drie monumentale gotische hallekerken, drukte ook de 18de-eeuwse heropflakkering haar stempel op het Poperingse patrimonium. Voornamelijk in de tweede eeuwhelft ontwikkelde er zich een nieuwe bouwactiviteit, waarin meestal vooraanstaande families, waarvan de kapitaalkracht voornamelijk voortsproot uit grootgrondbezit, als bouwheren optraden. Dit valt nog af te lezen uit de huidige gevelwanden: 18de-eeuwse heren- en burgerwoningen komen er nog relatief veel in voor. Zij zijn meteen ook de oudst bewaarde, want de privé-architectuur klimt te Poperinge niet hoger op dan de 18de eeuw. Dit patrimonium vertoont de invloed van de innoverende Franse stijlrichtingen; anderzijds vormt het ook een afspiegeling van de lokale baksteenstijl, getypeerd door het afwisselend gebruik van donkere en lichtere bakstenen. Met de eeuwwisseling treedt er een vervlakking op, die resulteert in donkere bakstenen lijstgevels met gebruik van lichtere bakstenen voor de strekse lateien van de muuropeningen. Vóór die tijd echter werd het Huis Van Merris gebouwd.
verduidelijkt — geboren rond 1737 in het dorpje Eecke, gelegen tussen de Cassel- en de Catsberg op een boogscheut ten zuiden van Steenvoorde. Na mogelijk een tijdlang in Veurne te hebben verbleven, werd hij in 1772 Poperingenaar; hij huwde trouwens de Poperingse Maria Proventier. Heel waarschijnlijk — zijn grootvader Henri de Ghyselbrecht was ooit raadssecretaris van Lodewijk XIV — maakte hij zich thuis in het Poperingse politieke leven, want in 1789 staat hij vermeld als schepen. Hij bouwde zijn herenhuis aan de Kleine Markt, in de schaduw van de Sint-Bertinuskerk. De Kleine Markt ontstond in de loop van de 13de-15de eeuw als de "Nieuwe Marct" naast de Grote Markt, met als kader de toenmalige economische bloeiperiode. Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw was de Kleine Markt duidelijk in trek als woonplaats voor Poperingse notabelen. Hiervan getuigt onder meer nog het imposante, classicistische herenhuis — nu Sint-Stanislascollege — aan hetzelfde plein gebouwd in 1786 en rond de eeuwwisseling bewoond door Joseph Soulié (1773-1853), van Rijselse komaf en tot tweemaal toe burgemeester van Poperinge. Later woonden nog andere Poperingse burgervaders aan de Kleine Markt, die in 1906 omgedoopt werd tot het Burgemeester Bertenplein, naar Felix Berten, burgemeester van 1871 tot 1904.
Frans-Vlaamse connecties De Westhoek heeft vanouds af haar connecties "over de schreve". Het zogenaamde Diets Frans-Vlaanderen behoort historisch, geografisch en volkskundig tot de Nederlanden en de oorspronkelijke taal is er het Westvlaams dialect. De huidige grens tussen beide gebieden doet daarom ook geen afbreuk aan hun duidelijke verwantschap op architecturaal gebied. Vooral Poperinge heeft altijd sterke bindingen gehad met het huidige Frans-Vlaanderen: vermoedelijk reeds vanaf de 7de en zeker vanaf de 9de eeuw tot aan de Franse Revolutie was de abt van de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars leenheer van de stad Poperinge. Ook de bouwheer van het Huis Van Merris had zijn wortels over de "schreve". Charles-Joseph de Ghyselbrecht van Eecke werd — zoals zijn naam trouwens
Het Huis Van Merris. De voorgevel (foto O. Pauwels)
13 M&L
deze romantische tuin stilaan; vandaag staat hier een nieuw administratief centrum. Het Huis Van Merris, tot in de jaren 1960 een groot Hoewel door Charles Joseph de Ghyselbrecht huis in de rij van de west-pleinwand, vormt nu de gebouwd, staat de woning te Poperinge bekend als linkerhoek met de Hondstraat; een straatverbreding het "Huis Van Merris". Het was immers één van zijn noopte tot sloping van de rechts aanpalende burgernakomelingen — zij het in onrechtstreekse lijn — die woning. het herenhuis met zijn naam verbond: Jules Van Ondanks het nu wat 'ontpluimd' uitzicht en de sporen Merris (1831-1899), als enige ontsproten uit het van minder ingepaste herstellingswerken van de (betweede huwelijk van Joseph Van Merris (1779-1848), perkte) schade opgelopen tijdens de tweede wereldafkomstig uit — alweer — het Frans-Vlaamse Belle oorlog, blijft het Huis Van Merris relevant voor het (Bailleul) en weduwnaar van Amelia Theresia, de laat-18de-eeuwse bouwen en wonen van een — welisenige dochter van Charles Joseph de Ghyselbrecht. waar ingeweken — Poperingenaar. Jules Van Merris erfde het pand aan de Kleine Markt, dat hij als stadshuis bewoonde. Op mooie dagen weliswaar trok hij erop uit naar De Lovie, zijn Een bouwmeester uit „Le Paris des Pays-Bas" zomerverblijf in het nabijgelegen Proven dat hij in 1856 tezamen met zijn moeder. Marie Josephine Beatrice van Reninghe (1804-1875), inmiddels wedu- De bouw van het Huis Van Merris wordt toegeschrewe, had opgetrokken in Italianiserende neorenaissan- ven aan architect Thomas-Fran^ois-Joseph Gombert cestijl naar plannen van de Kortrijkse architect P. (1725-1801). Deze geboren en getogen Rijselaar — Croquison. op een Parijse studieperiode na onder de bescherming van niemand minder dan Pierre Vigné de Vigny, Jules Van Merris was te Poperinge welbekend. Zijn architect van Lodewijk XV — leverde als bouwmeesnagedachtenis vermeldt heel wat van zijn titels: "Voorzitter der Maatschappij voor Welluidendheid, ter een niet onbelangrijke bijdrage tot de 18de-eeuwse Consul der Republiek Argentina, Gewezen lid van de verfraaiing van zijn geboortestad. In dit toen florisKamer der Volksvertegenwoordigers en des Provincie- sante textielcentrum werd heel wat gebouwd. Voornaraads van West-Vlaanderen, Gewezen Schepen en Gewezen Officier der Pompiers der Stad Poperinghe, Ridder van de Leopoldsorde en het Erelegioen, Commandeur van de Orde van Nichan, enz-, enz.". Het is dan ook niet te verwonderen dat de 'steedse' verblijfplaats van Jules Van Merris voor de Poperingenaren ontegensprekelijk met zijn naam verbonden is gebleven. In de 19de-eeuwse context van de lokale politiek was de liberale Van Merris immers ook de drijvende kracht achter de scheuring tussen de liberalen en de katholieken. Jules Van Merris, gehuwd met Paulina van Outryve d'Ydewalle, stierf echter kinderloos in 1899, waarop het herenhuis werd verkocht aan een zekere Vandenbulcke uit Kortrijk die er kwam wonen met twee zusters. Na hun afsterven werd de woning in 1921 aangekocht door de Stad Poperinge; kort daarna verhuisde het Vredegerecht van het Poperingse stadhuis naar het Huis Van Merris. Jules Van Merris
De „Hof van Merris" De functieverschuiving van privé-woning naar openbaar gebouw kostte het Huis Van Merris wat van zijn oorspronkelijke luister. Enkel de eigenlijke woning aan het Bertenplein bleef bewaard. De bij dit huistype gebruikelijke, grote achterliggende tuin met koetshuis en kunstig gesmeed toegangshek in een zijstraat (Hondstraat), was een ander lot beschoren. Na de openstelling ervan voor het publiek vertoefde menig Poperingenaar in de „Hof Van Merris" met zijn slingerende wandelpaadjes, grotten, bruggetje en kiosk. Na de tweede wereldoorlog — waarbij een bom de kiosk vernielde — verkommerde M&L 14
Architect Thomas-Franqois-Joseph Gombert museum van Rijsel)
(Olieverfschildenj,
meiijk hotels — en vanaf 1780 ook grote openbare gebouwen — werden opgetrokken naar plannen van Thomas-Frangois-Joseph Gombert en zijn Rijselse tijd- én vakgenoten waaronder de talentrijke en wellicht meest bekende Michel Lequeux (1753-1786). Dat het nieuwe stadsdecor in de smaak viel, blijkt uit de 18de-eeuwse reizigersnotitie: „C'est Ie Paris des Pays-Bas ". De drukke loopbaan van Thomas-Fran9ois-Joseph Gombert te Rijsel, waar hij in 1772 tot stadsarchitect was bevorderd, belette hem niet om ook over de 'schreve' te bouwen voor enkele begoede burgers. Zo trad hij in 1772 te leper op als bouwmeester voor de herenwoning van Jacques Auvray de la Tour die van Rijselse komaf was. Het huidige zogenaamde Huis van der Mersch in bescheiden rococostijl — nagenoeg de enige van het oorlogsgeweld 1914-1918 gespaarde leperse gevel — is er het resultaat van. Het herenhuis is opgetrokken uit streekeigen bouwmateriaal of gele baksteen. Voor de verluchting van het fronton met blad- en rankwerk weerszijden de jaarcartouche 1772 werd natuursteen aangewend. Het voorbeeld van Auvray werkte aanstekelijk op een andere invloed- en fortuinrijke ingezetene van leper. In 1774 doet ook Francpois-Ignace Merghelynck beroep op Gombert om zijn woning te bouwen: een "modern" huis, even belangrijk als zijn hoge maatschappelijke positie, met andere woorden het Hotel Merghelynck. Dit hotel in de ware zin van het woord, werd opgetrokken in overgangsstijl Lodewijk XV Lodewijk XVI. Zowel door zijn architectuur als door zijn aankleding ging deze herenwoning door als een van de meest elegante te leper. Na de eerste wereldoorlog werden ex- en interieur heel zorgvuldig gereconstrueerd. Hierbij werd ook bijzondere aandacht besteed aan het herstel van het metselwerk, getypeerd door "geschaafde" bakstenen met smal voegwerk. Net zoals bij het Huis van der Mersch werd ook hier natuursteen gebruikt voor de uitwerking van de versieringen met uitgesproken Lodewijk XV-inslag: het halfverheven reliëfwerk van het fronton en de gesculpteerde sluitsteen met slingermotief van de koetspoort. Wannéér Thomas-Fran9ois-Joseph Gombert nu precies optrad als bouwmeester van het Huis Van Merris in het niet veraf gelegen Poperinge, is vooralsnog niet bekend. De herenwoning van Charles Joseph de Ghyselbrecht is niet gedateerd, maar historische en stijlkritische gronden laten veronderstellen dat het na de leperse verwezenlijkingen van Gombert werd opgetrokken. Het laatste kwart van de 18de eeuw mag als bouwperiode vooropgesteld worden.
Op zijn Frans bouwen met baksteen Ook het Huis Van Merris is, volgens de mode van die tijd, Frans geïnspireerd. Het uitgesproken Franse karakter van de straatgevel is echter meer uitzonderlijk voor het 18de-eeuwse Poperinge, waar de innoverende Franse stijlrichtingen — zoals eerder aangehaald — doorgaans op een meer lokaal getinte
YPRES-MAISON RUZ GUSTAVE STEUM
Het huis van der Mersch, G. De Steursstraat 8, te leper. Opmetingstekening door Marcel Dhuicque (Archief K.C.M.L., Brussel)
Poperinge, leperstraat 55. Opmetingstekening door Marcel Dhuicque (Archief K.C.M.L., Brussel)
wijze vertolkt werden. Deze volwaardige Lodewijk XVI-gevel doet de naam van zijn Rijselse bouwmeester eer aan. De woning dient zich aan als een enkelhuis van zeven traveeën en twee bouwlagen onder een leien pseudomansardedak. De lijstgevel met sokkelvormende begane grond, heeft een benadrukt middenrisaliet geordonneerd door middel van kolossale pilasters; het bekronend driehoekig fronton is opgenomen tussen een attiek met balustrade, bekroond door siervazen. De muuropeningen zijn licht getoogd en gevat in een geriemde omlijsting met oren. Typische Lodewijk XVI-motieven sieren de borstwering: spiegels met rozetten tussen gecanneleerde pilastertjes afgelijnd door een palmettenfries dat aansluit bij de tandlijst van de lekdrempels, en met bijkomende festoen- en acanthusbladversieringen in het middenrisaliet. Een soortgelijk festoen met strik omlijst de oculus in het fronton.
Bijzondere bakstenen Miek Goossens, BML De voorgevel van het Huis Van Merris vormt een opmerkelijk staaltje van buitengewone metselaarskunst. Hij werd gerealiseerd met een baksteen, formaat 21 a 22 x 10,5 a 11 x 4,5 van een uniform gele kleur, wat wijst op een kalkhoudende kleisoort. In het sokkelgedeelte werd deze baksteen gewoon verwerkt, dat wil zeggen lichtjes ruw van oppervlak en ongelijk op de zijden zoals een handvorm de oven verlaat, en met een normale voegdikte. Vanaf de venster-dorpels van de ramen van de gelijkvloerse verdieping is de baksteen zeer gaaf en scherp aan alle zijden: hier werden geschaafde of gewreven bakstenen verwerkt. Dit bekomt men door degelijke, harde baksteen van een homogene structuur, individueel en vóór het verwerken, te wrijven, hetzij tegen elkaar, hetzij tegen een wrijfsteen van een hardere steensoort. Dit handwerk werd door de bouwvakkers als winterwerk uitgevoerd. Hierdoor wordt elke oneffenheid aan de 4 zijden van de baksteen weggewerkt. Een handvorm wordt op die manier als het ware omgewerkt naar een vacuüm-geperste, hedendaagse machinesteen. Belangrijk is echter dat door dit wrijvingsproces de bakstenen vrijwel zonder voeg kunnen ingemetseld worden. Door dit soort van bakstenen zodanig tegen elkaar te drukken dat de mortelspecie er tussenuit wordt geduwd, bekomt men een gelijmd parament met voeg nul. Om aan dergelijk metselwerk consistentie te geven is de baksteen ofwel in doorsnede konisch van vorm — waarbij de
Lodewijk XVl-stijlornament, gerealiseerd in baksteen (foto B.M.L.)
M&L 16
kortste zijde aan de binnenkant zit — ofwel wordt de baksteen aan de bovenzijde met het truweel voorzien van enkele uithollingen die de mortel vasthouden. Op die manier kan voor voldoende mortelspecie tussen de bakstenen onderling worden gezorgd om het metselwerk stevigheid te verlenen. Aan de voorzijde immers wordt de mortel overal vrijwel volledig weggeduwd. Dit soort gewreven baksteen laat nog verdere bewerking toe. Het parament van het Huis Van Merris vertoont over zijn ganse oppervlakte een frijnslag. Meer nog: alle aanwezige functionele en decoratieve profileringen (vensterdorpels, raamomlijstingen) en alle stijldecoratieve elementen eigen aan de Lodewijk XVl-stijl, werden in baksteen uitgekapt. Doordat de frijn- of scharreerslag over de bakstenen heen doorloopt, nemen wij aan dat deze bewerking hier gebeurde in situ, na het inmetselen van de baksteen. Er zijn namelijk ook gevallen bekend waarbij bakstenen individueel van een profiel werden voorzien, hetzij door vorming vóór het bakken, hetzij door individuele bekapping. Het eerste procédé is voor het Huis Van Merris eveneens uitgesloten, gelet op de complexiteit van de decoratie. Wij stellen ons voor hoe de perfect geschaafde en gewreven bakstenen op te profileren plaatsen licht verhoogd werd ingemetseld om daarna in de gewenste vorm te worden bekapt en gehouwen, op een manier aan het bewerken van natuursteen gelijk. Juist door het ontbreken van scheidende voegen kan een homogeen motief tot stand komen. Dit beeldhouwwerk in baksteen wordt doorgaans gerealiseerd door steenhouwers, die het werk van de metselaars overnemen na het verwerken van de geslepen steen. Ab alaam wordt hierbij het oeseel of platijzer gebruikt en de houten hamer.
Het meest opvallende evenwel is het fraaie metselwerk, als treffende illustratie van "vakmanschap is meesterschap". Het ontwerp van Gombert werd hier tot in de ornamenten toe uitgevoerd in gele baksteen: een perfecte vertolking in baksteen van de Lodewijk XVI-stijl, bovendien van een dusdanige klasse dat ze als imitatie van de oorspronkelijke natuurstenen voorbeelden niet minderwaardig overkomt. Zij getuigt van een vertrouwd, zelfzeker omgaan met baksteen in de lijn van de baksteentraditie van de Westhoek. De voluutkapitelen van de kolossale pilasters in het middenrisaliet zijn weliswaar uitgevoerd in natuursteen en zien er 'nieuw' uit. Dit tezamen met het ontbreken van een geprofileerde bakstenen kroonlijst — het courante element van de 18de-eeuwse „Franse" gevel te Poperinge — zou kunnen wijzen op een latere gedeeltelijke herneming van het bovenste gedeelte van de voorgevel. In de loop van de jaren 1950-1960 kregen de achter- en rechterzijgevel een nieuw parament van gele baksteen.
Een Lodewijk XVI-interieur Gelijmd parament zonder voeg, voorzien van een frijnslag (foto B.M.L.)
Wij hebben sterk de indruk dat de louter esthetische bedoeling van deze uiterst arbeidsintensieve werkwijze een zo perfect mogelijke imitatie beoogde van een Franse, natuurstenen gevet in Lodewijk XVI-stijl. Het komt over als "schoonwerk" dat wil zeggen, bedoeld om in het zicht te blijven zonder verdere afwerkingslaag. Dit is echter niet zo voor de plint: enkele zeer schaarse sporen van een grijze afwerkingslaag doen denken aan een initiële imitatie van arduinsteen, teneinde het relatief ruwe aspect ervan te verdoezelen, en de verschijningsvorm in overeenstemming te brengen met de bovenbouw. Dit vindt men nog wel in de streek (onder meer Burgemeester Bertenplein 27, in dezelfde gevelrij als het Huis Van Merris), doch werd hier allicht in de loop der tijden weggewerkt uit oorspronkelijkheidsoverwegingen.
De dekoratie van de gang en de gelijkvloerse kamers is — met uitzondering van de gerechtszaal — in de door de voorgevel aangekondigde Lodewijk XVI-stijl, met inbreng en vervanging van een aantal elementen in de loop van de 19de eeuw. De gang verspringt in de halve diepte van het gebouw over de breedte van het bureau van de griffier. De vloer is merkwaardig: een zich herhalend diagonaal gelegd motief van een vierkant in Noir de Masies, met kleinere hoekvierkanten in beige marmer en hier tussenin rechthoeken in Rouge Beige, waarbij de totaliteit bijna een verdubbeld vierkant geeft.
Bij de herstellingen van de zestiger jaren werden plaatselijk bakstenen vervangen. Zij werden geprepareerd met een vlakke slijpschijf: de roterende sporen van deze bewerking zijn nog duidelijk te zien. Hierdoor zijn de vervangen stenen weinig geïntegreerd in de omgevende, die gefrijnd en daarenboven gepatineerd zijn. Het gevlekte resultaat stoort enigszins de gladde opbouw van deze gevel. De bewerkte baksteen van het Huis Van Merris vormt in Poperinge geen alleenstaand geval. Integendeel, de werkwijze kadert in een eeuwenoude traditie die in de streek reeds een eigen uitdrukking wist te geven aan de opeenvolgende stijlperioden met bewerkte baksteen. Het Huis Van Merris is wel een ver doorgedreven en geperfectionneerd voorbeeld van deze werkwijze, die een totale negatie vormt van de beperkingen van een bouwmateriaal, namelijk baksteen, immers gekenmerkt door geslotenheid. Door op de spits gedreven toepassing van stielkennis is men erin geslaagd een perfecte Lodewijk XVl-decoratie te leveren in bakstenen, ondanks het schijnbaar onverzoenlijke tussen grote uitgewerkte siermotieven en klein bouwmateriaal. De traditie van geschaafde, geslepen, gekapte en behakte baksteen illustreert nogmaals dat de hedendaagse geapprecieerde en geaccentueerde eigenschappen van de handvorm en de brede getamponneerde voeg, geen algemeen geldende esthetiek van vroeger is. De studie van de afwerkingsvormen van exterieurs in onze contreien staat slechts in haar kinderschoenen. De traphat na restauratie (foto P. Van den Brouck) 17 M&L
De trap bevindt zich in het achterste gedeelte en is — te oordelen naar de nog zichtbare sporen — herhaaldelijk aangepast: de trappaal, in de vorm van een Lodewijk XVI-baluster, de zeer eenvoudig gedraaide en waarschijnlijk 19de-eeuwse spijlen en eenvoudige trapleuning en -boom evenals een handlijst langs de muur. In het bureau van de griffier werden tussen het lijstwerk van de deurstukken en boven de sokkellambrizering vermoedelijk in de tweede helft van de 19de eeuw gemaroufleerde doeken aangebracht: monochroom beige muurspiegel met een zacht polychrome renaissancisstische boord van gestileerde bladmotieven en rolwerk. Het bovendeel van de schouwboezem boven de grijze marmeren Lodewijk XVI-schouw beeldt een in stuc uitgewerkte urne met bloemen uit. De spiegel is een latere toevoeging. Het ernaast gelegen bureau van de vrederechter vertoont een gelijkaardige opbouw: sokkellambrizering en paneel (1) - en vleugeldeuren met evenwel beplankte deurstukken die doorlopen tot de kooflijst van het plafond en waarvan het bovenste gedeelte versierd is met een reliëfmotief (urne tussen twee vlakke pilasters). Hier ontbreekt evenwel het lijstwerk rond de muurvlakken met wandbespanning van recent papier op jute. In tegenstelling met de effen kooflijst van de vorige kamer is deze kooflijst versierd met gestrikte linten, guirlandes en een centrale gestileerde margriet boven de schoorsteenboezem. In de loop van de 19de eeuw werd de oorspronkelijke schouw vervangen door een Empire-geïnspireerde schouw in donkere oölitische kalksteen: sober en elegant met twee vrijstaande vierkante zuiltjes die het schouwblad schragen. Ook hier is de spiegel later aangebracht. Beide kamers hebben een effen plafondspiegel met centraal bladmotiefrozet. Door opeenvolgende schilderbeurten verdonkerde het oorspronkelijk heldere kleurenpalet en evolueerde het naar lichtbruine vlakken met vaalgroen breed, bruinrood smal en verguld afgerond lijstwerk in het bureau van de griffier. In het bureau van de vrederechter werden dit met groenblauwe banden omboorde lichtbruine vlakken, donkerbruin lijstwerk in het algemeen en verguld fijn lijstwerk. Hier kan reeds opgemerkt worden dat alle verbindingsdeuren tussen de lokalen van het gelijkvloers dubbel zijn - dat wil zeggen telkens twee achter mekaar geplaatst — wat uiteraard het akoestische en termische komfort bevordert. In alle kamers zijn nog de mooie Lodewijk XVI-deurkrukken aanwezig. Enkel in het bureau van de vrederechter werden deze vervangen door krukken in Restauration-stijl: vuurverguld, rond met in het voorvlak een rondlopende parelrand. We laten even de gerechtszaal ongemoeid en begeven ons naar de grote achtersalon (griffie) met uitzonderlijk rijke stucversiering in een gerijpte en voldragen Lodewijk XVI-stijl. De groene marmeren schouw in Restauration-stijl verving vermoedelijk in het tweede of het derde kwart van de 19de eeuw de oorspronkelijke schouw (2). De boogtrommel in het bovengeM&L 18
Het Lodewijk XVI-stucsalon. Toestand vóór de restauratie (foto B.M.L.)
deelte van de schouwboezem pronkt met fijn stucwerk dat jachtemblemen — jachthoorn, geweren, kruithouder, gedode haas — voorstelt (3). De segmentvormig ingebogen nis met rondbogige bekroning vormt als het ware het negatief van het tegenoverliggend schouwvolume. Het bovenste achterveld is uitgewerkt als een op een eierlijst rustende schelp van uitwaaierende lobben waartussen acanthusbladeren en gestileerde margrieten zich nestelen. In het bovenliggend muurvlak en in lijstwerk gevat vindt men hetzelfde motief van gestrikt eikebladloof als in de vier hoeken van de plafondspiegel. In de ganse kamer zijn de muurvlakken tussen en boven de paneel- en vleugeldeuren met beplankte deurstukken, en boven de sokkellambrizering, rijkelijk maar toch evenwichtig voorzien van fraai stucwerk: lijstwerk met bladrozetten in de bovenhoeken, bloemen- en plantenfestoenen, laurierguirlandes en met gestrikte guirlandes bekroonde ovale medaillons. Een doorlopend „kaars in ms"-motief vormt de overgang van dit geheel naar de eenvoudige kooflijst, die door eenvoudig lijstwerk gescheiden is van de plafondspiegel. Zeer fraai is ook de centrale plafondrozet: een met linten doorweven compositie van twee hoornen des overvloeds en bloemen en vruchten met loof, het geheel omlijst met concentrische cirkels van parelsnoer, astragaal en gestileerd bladmotief. De ernaast gelegen wachtkamer valt op door haar discrete en gewilde eenvoud: vleugeldeur, paneeldeuren, sokkellambrizering en een tussen lijstwerk gevatte effen kooflijst die de overgang vormt van de effen muurvlakken naar een onversierde plafondspiegel. De in stuc uitgewerkte, met linten omwonden laurierguirlandes, omkaderd door met hoekrozetten versierd lijstwerk, op de schouwboezem boven de eenvoudige houten schouw zijn hier de enige rijkere noot. De later — waarschijnlijk einde 19de eeuw — ingebrachte verzorgde maar discrete kastenwand tegenover de schouw benadrukt nog de „antichamère"-sfeer van dit vertrek.
Het Lodewijk XVl-stucsalon. De muurnis vóór de restauratie (foto B.M.L.)
Het Lodewijk XVI-stucsalon. Detail van het stucwerk van de muurnis. Toestand vóór de restauratie (foto B.M.L.)
Het centraal plafondrozet van het Lodewijk XVl-stucsalon. Toestand vóór de restauratie (foto B.M.L.) 19 M&L
Het Lodewijk XVI-stucsalon na restauratie (foto P. Van den Brouck)
Een geval apart: de gerechtszaal
De gerechtszaal. Vleugeldeur naar het stucsalon. na restauratie (foto O. Pauwels) • H l M&L 20
De gerechtszaal aan de voorzijde vormt een merkwaardig 'breekpunt' in de op enkele details na homogene Lodewijk XVI-decoratie van de omringende vertrekken. De schouw is in fraaie geel geaderde marmer uitgevoerd en dateert van dezelfde periode als deze in het stucsalon. De uitvoering is echter rijker: vrijstaande voluten die het schouwblad schragen zijn onderaan uitgewerkt in kunstig uitgesneden leeuwepoten en het geheel is versierd met fijn geciseleerde palmet- en acanthusmotieven. Op de schouwboezem bevond zich waarschijnlijk een — in nog aanwezig lijstwerk gevatte — spiegel, evenals boven de sokkellambrizering tussen de ramen. De wandbespanning is van dezelfde aard als in het bureau van de vrederechter. Drie vleugeldeuren, waarvan de middenpanelen versierd zijn met zich spiegelende waaiermotieven, geven toegang tot de aanpalende vertrekken. De beplankte deurstukken zijn rijk uitgewerkt met een met bloemen versierde vruchtenschaal met langs weerszijden gevleugelde leeuwen met opgeheven poot (4), het geheel tussen egyptiserende consoles met onderaan een sierboord van vrouwenmaskers met druiven, wingerdloof en palmetten en bovenaan een over de gehele kamer doorlopende bloktand met bovenliggende eierlijst. Hierboven schragen consooltjes met
Het bureau van de griffier, na restauratie (foto O. Pauweis)
Het bureau van de vrederechter, na restauratie (foto O. Pauweis)
De wachtkamer, met doorkijk naar de gerechtszaal, na restauratie (foto P. Van den Brouck) 21 M&L
De gerechtszaal, na restauratie (foto O. Pauwels)
gestileerd acanthusblad en gegroefd eindstaafje het plafond. Dit laatste is rijkelijk versierd met door lijstwerk omsloten gestileerd loofwerk, vier hoekrozetten en een grote centrale rozet met waaier- en bladmotieven binnen cirkels van effen en uitgewerkt lijstwerk. Het geheel roept herinneringen op aan Directoire-salons in onder andere de kastelen van Marke en Longchamps, doch is zwaarder en drukker van uitvoering. De combinatie van bloktand en eierlijst onder het plafondlijstwerk, evenals de mekaar fixerende gevleugelde leeuwen met opgeheven voorpoot, vindt men daarentegen haast identiek terug in een salon van de vroegere bank Dujardin, aan de Garenmarkt 8, te Brugge. Hier is de datum van de decoratie bekend: 1834-1840. Niettemin ervaart men de decoratie van het Huis Dujardin in Brugge als ingetogener en soberder, wat de zaal in het Huis Van Merris reeds naar de uitlopers van de Restauration-periode — namelijk 1840-1850 — doet verschuiven. Men voelt in het Huis Van Merris reeds duidelijk de invloed van de zwaardere decoratievormen die kenmerkend zijn voor de tweede helft van de 19de eeuw. Stilistisch kan men de gerechtszaal dan ook situeren in de scharnierfaze tussen beide stijlperioden. M&L 22
Wanneer men daarbij dan nog bedenkt dat Jules van Merris na zijn huwelijk in 1854 met Pauline-Marie van Outryve d'Ydewalle het huis erfde en in gebruik nam als stadswoning — en het in 1856 gebouwde kasteel De Lovie als zomerverblijf — kan men geredelijk aannemen dat het jonggehuwde paar een aantal opfrissingswerken en aanpassingen aan de toen gangbare smaak liet uitvoeren, namelijk het herinrichten van de grotere voorzaal en kleinere ingrepen zoals het vervangen van de schouwen in de ernaast gelegen kamer en in het grote stucsalon. Als waarschijnlijke datering van deze werken kan dan ook de periode 1854-1860 vooropgesteld worden.
Vooronderzoek door de conserveringploeg Het bleek voor iedereen duidelijk dat dit ensemble dringend aan opfrissings- en herstellingswerken toe was. Vooral in functie van het herschilderen van traphal, stucsalon en wachtkamer, waarvan de toestand — beschadigingen en totale, slordige overschildering met
groene latex — geen andere mogelijkheid toeliet, werd door de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen een kleuronderzoek verricht (5). De resultaten (6) kunnen als volgt worden samengevat: — traphal: lichtgrijze marmerschildering (7) op de muren, donkergrijze deuren en houten lijstwerk, trap in een combinatie van gevernist ongeschilderd hout met donkergroen en zwart; — stucsalon: alle muurvlakken en vlakke muurpanelen rood (gelijk aantal delen robijnrood en geel), alle platte stucprofiellijsten ivoorwit, alle ronde stucprofiellijsten en alle stucdecoratie in reliëf verguld (bladgoud op goudokerbasis), alle houtwerk ivoorwit behalve de afgeronde profiellijstjes die verguld zijn; — wachtkamer: zwarte schouw, schouwboezem in siena met oker voor de platte en ronde profiellijsten. De binnenvlakken van de muurkasten in oker en de rest in natuurlijke omber. Voor de deuren het omgekeerde kleurenschema: boorden in oker en vlakken in omber; — drie kamers aan de voorzijde: de beschildering van de gerechtszaal is op enkele details na voortreffelijk; hetzelfde geldt in iets mindere mate voor de twee andere kamers. Daar in het bureau van de griffier de beschildering in harmonie is met de gemaroufleerde beschilderde doeken heeft het geen zin terug te gaan naar het oorspronkelijke kleurenpalet — dat klaarblijkelijk alleen maar uit helderder tinten maar niettemin dezelfde kleuren bestond — omdat dit een onevenwicht zou geven.
kleine palmettenversiering harmonieert goed met zowel de aanwezige ornamentering als met het bestaand kleurenpalet. Tevens werden in de gerechtszaal opnieuw — ruimtevergrotende — spiegels geplaatst tegen de schouwboezem en tussen de ramen. Algemeen werden ook herstellingen aan de haardwanden en -vloeren uitgevoerd, evenals plaatselijke herstellingen en verschoeiingen van een paar ramen. De gang, de wachtkamer en het stucsalon werden volledig herschilderd overeenkomstig de bevindingen van het vooronderzoek. Het resultaat hiervan kan men omschrijven als 'koel voornaam' voor de gang en 'uitnodigend charmant' voor de wachtkamer. Bovendien kan men het onverwacht contrastrijk (10) geheel in het stucsalon een zekere allure en een — ietwat uitdagende — voornaamheid niet miskennen. De technische uitrusting werd grondig aangepakt: nieuwe elektriciteitsleidingen, sobere hedendaagse verlichtingsarmaturen en vervanging van de bestaande radiatorenverwarming door in de grond verzonken convectoren. De technische vernieuwing had ook consequenties voor een aantal interieur-elementen. Voor de aanleg van de centrale verwarming moest een groot gedeelte
Conservatie en restauratie Voor wat betreft de schilderwerken waren uiteraard de resultaten van het door de conserveringsploeg uitgevoerd vooronderzoek determinerend. Voor de bureaus van de griffier en de vrederechter evenals voor de gerechtszaal werd — omwille van het behoud van een interessante evolutie en ook uit financieel oogpunt — geopteerd voor het retoucheren van het bestaand schilderwerk en het totaal herschilderen naar bestaand — wit in het bureau van de griffier, lichtblauw in de kamer ernaast — van de plafonds, omwille van de noodzakelijke herstelling ervan. Een gedeelte van de zwaar door houtworm aangevreten sokkellambrizering in het bureau van de vrederechter en een aantal versleten plinten in de gerechtszaal werden vervangen. In beide kamers stelde zich eveneens het probleem van de vervanging van de wandbespanning (8) (9). In het bureau van de vrederechter kon ons inziens bezwaarlijk een 'stijlzuiver' Lodewijk XVI-papier gekozen worden omwille van de latere inbreng van een aantal interieurelemenen en het verdonkerd kleurenpalet: een vertikaal gestreept papier — afwisselend getemperd geel en zandkleur — leek hier het best in te spelen op de reeds aanwezige „fin-de-siècle"-sieeT in een overigens vrij duister vertrek. In de gerechtszaal lag de keuze De gerechtszaal niet schouwspiegels, wandbespanning en vloer, na gemakkelijker: een beige papier met iets donkerder restauratie (foto P. Van den Brouck) 23 M&L
van de marmeren vloer in de gang uitgenomen — oude uit hun verband gehaalde bouwmaterialen worden zo slecht of blijven zo goed als men dat zelf wenst — en vervangen worden (11). Ook alle aanwezige plankenvloeren — deels gehavend maar desgewenst herstel- en aanvulbaar — werden deze werken fataal: in alle kamers werd een overigens verzorgde "parquet Versailles" (12) gelegd, met uitzondering van de wachtkamer waarvan de eenvoud én de functie een andere vloer dan een eenvoudige beplanking uitsloten. Een bijzondere vermelding verdient de dubbele beglazing: bij middel van discrete bronzen scharnieren en
wervels werden tegen de binnenzijde van de ramen randgeslepen glazen platen bevestigd die moeiteloos geopend en gesloten kunnen worden en een nauwelijks merkbare ingreep betekenen (13). Mochten de salons van het Huis Van Merris — resultaat van wetenschappelijk vooronderzoek, subtiel inspelen op gegroeide toestanden en permanente begeleiding tijdens de werken — aanleiding geven tot enige discussie dan geven wij ter overweging: "De gustibus et coloribus non disputandum est!"
Voetnoten (1) Ook op de eerste verdieping zijn alle soortgelijke 18de-eeuwse paneeldeuren nog aanwezig. (2) Onwillekeurig denkt men hierbij aan een soortgelijke situatie in het kasteel van Annevoie waar eveneens tijdens de Restauration-periode de oorspronkelijke schouw in het door de gebroeders Moretti in Lodewijk XVI-stijl versierde stucsalon werd vervangen door een weliswaar witte marmeren schouw. (3) Ook op de eerste verdieping vindt men dergelijk kwaliteitsvol 18de-eeuws stucwerk. Op de vier schouwboezems — al of niet met behouden of in de 19de eeuw vervangen schouwen — zijn respectievelijk het tuinieren, het musiceren, de visvangst en de jacht afgebeeld. (4) Deze motieven zijn uitgevoerd in gearceerd, dat wil zeggen alternerend gebruneerd, bladgoud. (5) Met bijzondere waardering voor mijn collega's Marjan Buyle. Els Jacobs en Filip Schuermans van de conserveringsploeg die dit onderzoek in barre (vries-) omstandigheden hebben uitgevoerd. (6) De kleuren werden vastgelegd met de Pantone-kleurenkaart. (7) Er werden drie opeenvolgende marmerschilderingen gevonden waarvan de oudste een rode en hier bovenop twee witgrijze marbreringen. Omdat de rode marbrering haast niet vrij te leggen en dus ook niet voldoende na te gaan was en omdat bovendien de trap — of tenminste belangrijke delen ervan — van latere datum is, werd geopteerd voor het hernemen van de tweede beschilderingslaag. In de gerechtszaal werd achter de
(8)
(9) (10)
(11) (12) (13)
wandbespanning links van de vleugeldeur naar het bureau van de vrederechter een staal gevonden van een rode marbrering. Toen was de marbrering in de traphal echter reeds in uitvoering. Het staal werd vermoedelijk daar aangebracht omwille van de goede belichting die een grondige appreciatie ervan toeliet. Praktische redenen — namelijk het moeten verwijderen van het lijstwerk met alle gevolgen vandien voor het omringend geschilderd houtwerk, dat men maximaal wenste te behouden — noodzaakten het vervangen van de gescheurde jutebespanning door pleisterplaten. Behoudens een paar lagen duidelijk laat 19de-eeuwse en recentere behangpapieren werden geen oudere resten teruggevonden die richtinggevend konden zijn voor de keuze. Hiermee wordt ook het contrast bedoeld tussen het opnieuw aangebracht oorspronkelijk kleurenpalet en de behouden — in de loop van de 19de eeuw geïnstalleerde — groene marmeren schouw. „In welke mate verrechtvaardigt het terugkeren naar een oudere toestand het verwijderen van later ingebrachte — en op zich reeds interessante en waardevolle — elementen ? " is een niet altijd gemakkelijk te beantwoorden vraag. Enkel in het verlaagd ganggedeelte aan de voordeur ligt nog de oorspronkelijke maar ook herlegde marmeren vloer. Hierbij werd nauwgezet rekening gehouden met de richtlijnen van Roubo... Hetzelfde systeem werd ook toegepast in het kasteel Wijnendale te Torhout.
Bibliografie Castles of Belgium, Desoer, 1967. Esther J.P., Kunsthistorische evaluatie Carenmarkt 8, Brugge, oktober, 1987. Het groot kastelenboek van België - deel II: Kastelen en buitenplaatsen, Vokaer, Brussel, 1977. Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België en van de Nederlandse kastelenstichting. De Woonstede door de eeuwen heen, nr. 22 - juni 1974. Leewerck E., Vroegere openbare tuinen in Poperinge, Aan de Schreve, XV, 4, 1985, p. 2-5. Monuments historiques. Les Flandres, nr. 121, 1982. Peirs G., Uit klei gebouwd. Baksteenarchitectuur van 1200 tot 1940, Tielt-Amsterdam, 1979. Roubo J.A., Description des arts et métiers - Tome VII: L'art du menuisier, Slatkine Reprints, Genève, 1984. M&L 24
Tillie W., Historische gevels en gebouwen. Monumentenjaar 1975, Poperinge, 1975. Trenard L., e.a., Histoire des Pays-Bas Francais. Univers de France et des pays francophones. Série: histoire des provinces, Toulouse, 1972. Van Aerschot S., Delepiere A.-M., Huys M., e.a.. Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Provincie West-Vlaanderen. Arrondissement leper. Kantons leper en Poperinge, delen llnl en lln2. Turnhout, 1987, 1989. Van Renynghe en Voxvrie M., vertaling uit het Frans: G. Mus-Lecluyse, Het Merghelinckmuzeum leper. Methodische en historische gids, Brugge, s.d.
In de marge van de stad: geschiedenis en ecologie van het Osbroek te Aalst
Paul Van den Bremt, B.M.L.
Amper 750 m ten zuiden van het stadscentrum van Aalst, net buiten de vroegere stadsomwalling, bevindt zich de toegangsdreef tot het stadspark. Voor de aanleg van dit overigens fraaie park (1) tijdens Wereld-Oorlog I, werd bijna 17 ha van het Osbroek aangekocht. Dit was meteen het startsignaal voor een langdurige reeks van ingrepen die de aanblik van dit voormalig meersengebied grondig zouden wijzigen. Van het oorspronkelijk ruim 90 ha (2) grote waterrijke gebied (40% van de oppervlakte ligt op Aalst, 60 % op de deelgemeente Erembodegem) werd de helft drastisch vergraven of opgehoogd. Dit belette evenwel niet dat in 1977 (3) een groot deel van het Osbroek, waaronder 10 ha opgehoogde terreinen, zou bedacht worden met een officiële erkenning. De "moerasgronden" en "warrelhoutbossen", aan de rand van L.P. Boons Kapellekensbaan, werden toen als landschap beschermd omwille van de wetenschappelijke en landschappelijke waarden... . In de marge van de stad: zicht op het Osbroek (foto O. Pauwels)
25 M&L
De aanzet: een denderende kronkel De geologische geschiedenis van het Osbroek is onafscheidelijk verbonden met die van de Dender. Tot in de omgeving van Aalst heeft deze rivier het karakter van een middenloop met een vrij smalle vallei en een gemiddeld verval op het traject Geraardsbergen-Aalst van bijna 30 cm per km (4). Ter hoogte van Erembodegem en Aalst, zowat op de overgangszone van middenloop naar benedenloop (5), vindt men de laatste hellingen van enige betekenis langs de linkeroever van de Dender: de tot 24 m hoge, ruim 15 m boven het Osbroek torende dalflank, gevormd door Molenkouter, Evelsenberg, Haring, Ajuinkouter en Konijnenaarde (6). Door zijdelingse of laterale erosie kon de Dender hier gedurende het Laatglaciaal, vermoedelijk zo'n 10 a 11000 jaar geleden, een komvormige depressie uitschuren. De kronkelende rivier breidde er zich breed uit en onder invloed van haar ondermijnende, eroderende werking onstond er een uitgesproken steile westelijke valleiwand. Op een bepaald ogenblik moet de Dendermeander zichzelf hebben afgesneden door laterale opschuiving. Zo kon uiteindelijk de moerassige Osbroekdepressie ontstaan waarin oorspronkelijk een (afgesneden) meander moet hebben gelegen.
Gedurende het Atlanticum, een periode van zeespiegelrijzing (7800 - 5000 jaar geleden), geraakte deze depressie langzaam aan met alluviale klei en leem opgevuld. Opvulling en verminderde aanvoer van water en afzettingsslib moeten daarna hebben geleid tot de vorming van riet- en zeggeveen in de afgesneden meanderloop. Het afzetten van klei en leem kon ook later nog tot in historische tijden doorgaan, mede door een nieuwe sedimentaanvoer ingevolge ontbossing en bodembewerking van de stroomopwaarts gelegen heuvel- en plateaugebieden. De Dender is door haar — naar Vlaamse maatstaven — belangrijk verval, een zeer onstuimige rivier. Ze heeft echter een sterk wisselend debiet dat in grote mate wordt bepaald door de regenval (7). Precies om deze redenen was ze zeer moeilijk bevaarbaar. De eerste werken tot bevaarbaarmaking dateren al van het einde van de 12de eeuw (8). Vóór 1600 is er reeds sprake van het bekostigen van de aanleg van een nieuwe "speye" of schutsluis op de Dender te Hofstade (9). Door de opeenvolgende kanalisaties en de bouw van sluizen kwam het waterpeil van de rivier te Aalst-Erembodegem hoger te liggen dan de kern van het Osbroek. Maar tenminste al vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kunnen de Osbroekbeken hun water in de Dender lozen voorbij het sas van Aalst. Eerst gebeurde dat via een oude afvoergracht, nu via een gloednieuw rioolstelsel.
De oudste historische bronnen 1292: "Wij scepene van Aelst ... maken condich ..., dat meesteresse van den Spitale van Aelst heeft gecocht ... drij coeweeden ... in den Obsbrouc. Ende twee coeweeden ... Ende vier coeweeden ..." (10) 1357: "Jan van den heede heeft verpacht enen merschs in den obsbrouc ..." (11) 1371: "Item in den obsbrouc IX dachwant ettinghe" (12) 1379: "Ite(m) tusschen X dachwanden ende XI ettinghen gheleghen in den hobsbroec daer de perde gaen " (13)
Situatieplan: Het studiegebied werd vet omlijnd. Een aantal toponiemen is genummerd: Ajuinkouter (1), Haring (2), Konijnenaarde (3), Evelsenberg (4). Osbroekkasteel (5), Molenkouter (6), Kapellekenshaan naar de kapel van Ter Muren (7) (tekening R. De Meerleer) M&L 26
De oudste vermeldingen omtrent het Osbroekgebied gaan terug tot de 13de en de 14de eeuw. Steevast heeft men het dan over "obsbrouc" of later ook "hobsbroec". Pas in de 15de eeuw duikt de benaming "osbrouc" (14) op. Toen dit broektoponiem ontstond was het gebied vermoedelijk een gemeenschappelijk beweid en sterk gedegradeerd moerassig bos (15). Maar ten tijde van de oudste oorkonde bleek het reeds geprivatiseerd en had het alleszins het uitzicht van een geparcelleerd graslandgebied. De percelen hadden een beperkte omvang. Het bodemgebruik was "weede" of "ettinghe": dus beweid grasland dat hier ten dienste stond van koeien of paarden. De term "merschs", in tegenstelling gebruikt met "weede", duidt op het bestaan van hooiland.
möCTi ici'itvnii- l)alf «uiuVt- skéat^fm
t* umUtcfec
)t-V-luu«\n» emiifrlwi Icmd mni ocl»t Uttsl uua- alfit
)tv vcocVVcóc niócn iFiK-iiunnai brocf Detail uit de pachtrol uit 1379 van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal van Aalst (RAG: O.L.V. Hosp. nr, 54)
Bij de vroegst gekende eigenaars vinden we buiten de particuliere grondbezitters, een aantal kerkelijke instellingen en Armenkamers zoals: het Onze-LieveVrouwhospitaal van Aalst, het Sint-Jacobsgodshuis van Gent, de abdij van Groenenbriel van Gent, de Armenkamers of Heilige Geesttafels van Aalst en Erembodegem . . . .
Twee eeuwen verschuivingen in het bodemgebruik: 1571-1771 Veranderingen in het bodemgebruik zijn meestal het gevolg van veranderende sociaal-economische omstandigheden. Maar ook demografische factoren spelen mee: een stijgende bevolking (16) spoort aan tot een rationeler benutting van de bodem.
De stijgende vraag naar goedkope brandstof, gekoppeld aan de bevolkingstoename bracht ook wijzigingen mee in het grondgebruik. Het iandboek van de praterij Schaarbeke (Aalst) uit 1711, vermeldt dat ene Cornells Herdewel "een partijken meersch" bezit "daer teurft gesteken wort" (21). Het betreft een perceeltje van amper 62 3/4 roede (ca. 19 a), maar het is meteen de eerste aanwijzing dat er in het Osbroek turf ontgonnen werd. De proviseurs van het Armenbestuur van Erembodegem beslissen in 1723 ook op hun eigendom turfwinning toe te laten (22). Op een perceel van ruim 90 a werd minstens 5 jaar lang turf gestoken. Dit gebeurde onder strikte voorwaarden. Een verantwoordelijke werd aangesteld en deze ontving de richtlijn 'dat hij de coopers sal obligeren behooren te vullen of te effenen hunne putten sonder afslagh van hun coopsomme" (binnen 14 dagen na het steken van de turf). Dat men het niet zo nauw nam met deze verplichting, kan men afleiden uit het feit dat men na enkele jaren nog eens de opdracht gaf het terrein behoorlijk te effenen (23). Ook van een aantal andere percelen binnen het Osbroek zijn turfwinningen bekend, vooral uit het midden van de 18de eeuw. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat in die eeuw een flink deel van het gebied werd verveend. De exploitatie van turf verliep er overal zeer kleinschalig. De toegenomen vraag naar brandstof enerzijds en het relatief gebrek aan andere brandstoffen zoals hout en steenkool anderzijds, moeten de belangstelling voor turf hebben aangewakkerd. De ontgonnen gronden werden ten dele in bos omgezet. De oudst bekende bebossingsgegevens (17541756) handelen precies over verveende gronden. In een rekeningboek van de Armenkamer van Aalst (24) vernoemt men een partij grond die "niet ten is verpacht, vermits aldaer is torf gesteken, nu beplanten bosch". De bosaanplanting bestond uit elzen die als hakhout werden behandeld met een omlooptijd van acht jaar. Dit hakhout werd als brandhout verkocht. Maar ook het gras dat op de beboste percelen groeide, werd verpacht als "garspacht" (25). In een pachtcontract uit 1754 (26) spreekt men over "enen uytgetorfden meersch", waar men een andere bedoeling mee had: "de pachteresse is geintentioneerd den selven meersch te beplanten met wijmenstecken tot het maecken van eenen wijmier".
Zijn de gegevens over het bodemgebruik voor de 16de eeuw nog relatief schaars, dan komt daar verandering in vanaf 1571. De Penningkohieren (17), opgesteld onder Alvas schrikbewind en de registers van land- en metingboeken van Aalst en Erembodegem uit de 17de en de 18de eeuw (18), bevatten een nagenoeg onafgebroken stroom van informatie. Hieruit blijkt dat de overgrote meerderheid der gron- Het einde van het Ancien Régime den bijna constant onder meers lag. Bijna nooit is er en de nasleep van de Franse Revolutie nog sprake van weide. Dit wijst er op (19) dat het bodemgebruik toen hoofdzakelijk bestond uit hooiland, eventueel met beweiding van de toemaat van Op de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanhet hooiland in de nazomer. Vooral vanaf de 17de den uit 1771-1777, opgesteld onder leiding van graaf eeuw hield men immers de dieren meer en meer op J. de Ferraris, worden binnen het Osbroekgebied stal en was men overgeschakeld op volledige stalvoe- slechts twee bodemgebruikstypen weergegeven: moedering (20). De produktiviteit van het grasland kon rassig grasland en bos. De bebossingsindex benadert op die manier optimaal benut worden. 25 % (er bestaat geen legende-eenheid voor wijmenDoor de lage ligging en de moeilijke ontwatering van cultures). Ook heel wat houtkanten en bomenrijen het gebied kwam akkerbouw weinig voor. Slechts zijn er op waarneembaar. Uit diverse pachtcontracten enkele percelen, alle aan de rand van het gebied uit die tijd blijkt trouwens dat op een aantal perceelsgelegen, waren in gebruik als land of een enkele keer grenzen bomen of knotbomen stonden, ondermeer abelen en wilgen. zelfs als hoplochting.
27 M&L Wm
lENB^IELLE
SWAÜ
DOjic
CAV
-
^BOHCHT
" CATER
«•' , i '
" • .
.
.
•
•
-
•
;
.
Kaart uit 1622. van de hand van F. De Dijn, voorstellende het goederenbezit van de Victorinenabdij van Groenenbriel (Gent) binnen de gemeente Erembodegem (Pontmeersch = Aalst) (RAG: Kaarten en plans, nr. 2523)
Omstreeks dezelfde periode is zowat 45% van het Osbroek in handen van kerkelijke instellingen en Armenbesturen. De Gentse abdij van Groenenbriel is op dat moment de belangrijkste eigenaar met bijna 22 ha (27) gronden, het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal van Aalst is tweede in de rij met iets minder dan 9 ha. Minder belangrijk is het goederenbezit van het SintJacobsgodshuis en van Sint-Baafs, maar beide Gentse instellingen hebben samen toch nog meer dan 8 ha. Het aantal particuliere eigenaars bedraagt minstens zestig. Maar slechts een handvol onder hen hebben er bezittingen van enige omvang. Onder de Franse bezetter werd alle kerkgoed aangeslagen. De eigendommen van Groenenbriel belandden onder meer bij de Franse graaf Lemarois, die van Sint-Baafs bij het Gentse Bureel van Weldadigheid (28). Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal van Aalst en het Sint-Jacobsgodshuis uit Gent werden omgevormd tot burgerlijke godshuizen en deze nieuwe instellingen namen hun onroerend patrimonium gewoon over. Met de Franse annexatie van ons grondgebied in 1795, werd ook de Franse kadastrale wetgeving ingevoerd. Dit hield onder meer in dat er een grondbelasM&L 28
ting werd ingesteld: de eigendommen werden belast in verhouding tot hun opbrengst. De inventarisatie van gronden die uiteindelijk zou leiden tot het kadaster, werd na de val van Napoleon verdergezet onder het Hollands bewind. Maar pas enkele jaren na de Belgische onafhankelijkheid konden de voorbereidende operaties worden afgerond. Via de kadastrale schatting vernemen we voor de eerste maal rechtstreeks iets over de bodemkwaliteit van het volledige Osbroekgebied. In 1834 (29) is 34% van de oppervlakte bos, 58% hooiland en 8% bouwland. De bossen behoren tot de eerste, maar vooral tot de tweede klasse. Bij de indeling in categorieën, wordt er expliciet verwezen naar enkele beboste Osbroekpercelen. Ze bestaan uit "schaarhout beplant met eenige opgaande boomen", het zijn dus met andere woorden middelhoutbossen. Dit schaar- of hakhout wordt hoofdzakelijk gevormd door "elzengrondstammen" (op de betere gronden ook door essen- en eikenhakhout). De hoogstammige bomen zijn vooral "canadaboomen en abeelen". De omlooptijd van het
hakhout bedraagt 7 tot 9 jaar. Het verschil tussen bossen van de eerste en de tweede klasse is, dat deze uit de tweede klasse groeien op "eenen zeer natten grond" en dat ze "minder wel" met bomen "bezet zijn" en "het hout er veel langzamer groeit" (30)
natter de bodem: de slechtste gronden zijn "te lang overwaterd", het gras is er "schraal" en vermengd met "zuur- en waterplanten" en "kwade kruiden", ofwel zijn het "lage moerassigen stukken gronds, welke bijna niets dan riet en biesen voortbrengen" (31).
De hooilanden worden te Erembodegem in vijf klassen onderverdeeld, te Aalst in slechts vier. Maar hooilanden van de hoogste klasse komen binnen het hier behandelde gebied niet voor; hooilanden van alle lagere klassen zijn daarentegen overvloedig vertegenwoordigd. Hoe lager de kadastrale schatting, hoe
Het bouwland tenslotte is ook niet je dat. Er wordt onder andere akkerbouw bedreven op percelen "met een zeer wateragtigen, moerassigen, rooden leemgrond, hebbende groeiaarde ter diepte van 20 duimen, op een bed van grijzen kalkachtigen grond gelegen" (32).
O
>v OJK/JMU
•ii
4.
%
^
i-
Kaart uit 1802 van P.M.L. Rymbaut: wijk Schaarbeek "De Dender". In opdracht van de stedelijke overheid werden door Rymbaut kaartenboeken samengesteld. Ze kunnen beschouwd worden als basisdocumenten voor het latere kadaster. Perceel 99 is het Gravenstraatje (huidige Frans Blanckaertdreef). Deze benaming komt al voor in documenten uit 1371 (SAG, Sint-Jansgodshuis, regesten) (SAA: kaarten en plans)
29 M & L WÊÊÊ
De eerste tekenen van verstedelijking Tussen de jaren 1834 en 1910 nam de bebossing in het gebied niet toe. Integendeel, het bos ging zelfs lichtjes achteruit. Door vergelijking van verschillende topografische kaarten kan men vaststellen dat het bodemgebruik in de onderhavige periode niet erg stabiel was (33). Rond 1850 was het bouwland sterk in oppervlakte toegenomen en steeg het uit boven 20%; in 1909 echter was praktisch alle akkerbouw verdwenen. Niet alleen wijzigingen in de landbouweconomie waren hiervoor verantwoordelijk. Ook de zware hongersnood van 1845-1846 zal ertoe bijgedragen hebben dat een aantal meersen werd omgezet in akkers. De wijmencultuur nam eveneens een hoge vlucht alhoewel men dit niet altijd kan afleiden uit de beschikbare kaartdocumentatie. Maar een voorzichtige schatting op basis van diverse archiefstukken, levert ons een oppervlakte op van ruim 10 ha voor de tweede helft van de 19de eeuw. In 1909 was dit afgenomen tot nog zo'n 9 ha.
Van fundamenteel belang voor de verdere evolutie van het gebied was de eigendomssituatie. De industriële en financiële elite van de ondertussen sterk aangegroeide Aalsterse bevolking (34) had het Osbroek ontdekt en kocht er steeds meer bossen en gronden aan. Families zoals Jelie, Cumont en Moyersoen (35) die een grote rol hebben gespeeld in het politieke en economische leven van het toen sociaal zeer woelige Aalst, vonden de moerassige gronden kennelijk een prima-investering. Frans Moyersoen, wijnhandelaar van beroep, richtte omstreeks 1864 (36) een lustverblijf op aan de zuidwestrand van het gebied. In 1881 breidde hij het gevoelig uit en hij liet er een park aanleggen met een oppervlakte van meer dan 5 ha.
Turbulente landschapsontwikkeling aan de stadsrand: de recente vervormingen
Na tientallen jaren debatteren, besluit de stad Aalst tot de aanleg van een openbaar park in het Osbroekgebied. Hierom wordt zowat 17 ha gronden aangekocht in de noordoosthoek. In volle oorlogsperiode (1915-1916) wordt naar ontwerp van J. Breydel een stadspark aangelegd. Iets eerder was aan de zuidwestkant te Erembodegem het eigendom van Frans Moyersoen in het bezit gekomen van zijn neef Gustave Moyersoen, Deze bouwt in 1914 op de aanpalende gronden een grote landelijke villa, het zogenaamde Osbroekkasteel en verwerft er in de loop der jaren meer dan 35 ha eigendom. In 1923 wordt op een meers de enige industriële vestiging (ca. 2 ha) binnen het Osbroek ten westen van de Kapellekensbaan ingeplant. Tussen 1920 en 1977 wordt het resterende Aalsterse deel van het Osbroek, grotendeels eigendom van Soaveaird'Alost s-sa A LOnsbroeck-/y;OT(w</<'rf.'.* ».«'/•« Moyersoen, compleet opgehoogd. Huisvuil, vliegas PnnE»''.) Cirneiis.-WUitio Looütitilo Sel en puin herscheppen de moerassige bodems in een Aan het werk in het Osbroek omstreeks 1902: het schillen en binden ruderaalterrein. Aanvankelijk was het de bedoeling van de wissen (produkten van de wijmenteelt, die onder andere deze gronden bouwrijp te maken (37). Maar later gebruikt worden voor het vervaardigen van manden). De toestellen op de voorgrond zijn bindtoestellen waarop men de wissen tot verandert men van mening: de terreinen worden door de stad Aalst aangekocht en op een deel ervan wordt bundels samenbindt (verzameling D. Denayer) een sportcomplex aangelegd. Op Erembodegems grondgebied begint men eveneens huisvuil te storten vanaf 1973. Na de fusie met de stad Aalst wordt ook dit 2,2 ha grote stort in 1977 stopgeGlobaal genomen kan men dus stellen dat het bos nog zet. het meest stabiele element was in het Osbroekland- Nog in de zeventiger jaren geraken enkele weilanden schap van de 19de eeuw. Het belang van de meersen door de aanleg van een weg in de omgeving van de verminderde eerst ten voordele van het bouwland en Kapellekensbaan, van de rest van het Osbroek geïsolater de wijmencultuur. leerd. Een van die weilanden wordt bovendien opgeAan de oostzijde werden tussen 1856 en 1868 grote hoogd met slib, afkomstig van de vijvers van het park. infrastructuurwerken uitgevoerd die de industriële Slotbalans van deze stormachtige ontwikkeling in de ontwikkeling van Aalst moesten ten goede komen. 20ste eeuw: 50% drastisch vergraven en opgehoogde Eerst werd de spoorweg Aalst-Ninove aangelegd. terreinen. Kort nadien werd de Dender er recht getrokken en In 1977 wordt op voordracht van de Koninklijke bevaarbaar gemaakt voor schepen van 300 ton. Het Commissie voor Monumenten en Landschappen het was dan ook niet toevallig dat er op 29 april 1865 een minst vergraven deel van het gebied beschermd als Osbroekwatering werd opgericht met het doel het landschap, samen met ruim 10 ha van de opgehoogde waterrijke gebied te saneren. terreinen, omwille van de wetenschappelijke en landM&L 30
door de — overigens foutief beoordeelde — natuuriijkheidsgraad. De ontwikkeling van de plantengroei op een deel van de opgespoten en opgehoogde terreinen is nochtans volgens natuurlijke processen kunnen verlopen, weliswaar op een kunstmatig substraat. Eigenlijk is de vegetatie nergens zo natuurlijk kunnen uitgroeien als op deze nep-bodems. Ook interessante "spontane fauna- en flora-elementen" (39) zijn hier ten overvloede aanwezig. Zeldzaamheden met uiteenlopende milieu-eisen zoals Liggende ganzerik. Ruige anjer en Graslathyrus geven er de flora een apart karakter. Enkele ingesloten kleine waterpartijen met een rist waterplanten (waaronder het uiterst zeldzame kranswier Nitella gracilis) en een niet onaardige hoeveelheid amfibieën, benadrukken nog eens dat planten en dieren zich niet altijd storen aan extreme menselijke ingrepen. En ook de glimwormen, die hier vooral de ruderaalterreinen bevolken, zetten er hun licht niet onder de spreekwoordelijke korenmaat. Het is uiteraard zo dat bij de eerder genoemde biologische waardering ook criteria hebben meegespeeld zoals kwetsbaarheid en vervangbaarheid. Maar toch krijgt men de indruk dat er hier te lande (40), bij heel wat ecologen, een grote vooringenomenheid heerst tegen opgehoogde of opgespoten gronden. De aanwezigheid van dergelijke landschapselementen in het Osbroek is zeker te betreuren vanuit een puur landschapshistorisch, geomorfologisch of milieustraAanleg van het stadspark in 1915-1916 (SAA en verzameling D Denayer)
schappelijke waarde, nadat enkele maanden eerder het stadspark werd beschermd. Dit beschermd landschap dat overwegend uit bos bestaat, is inmiddels voor een ruim deel aangekocht door de stad Aalst en wordt nu beheerd als openbaar natuurgebied. Het beheer verloopt volgens een daartoe uitgestippeld beheersplan, onder toezicht van een stedelijke beheerscommissie.
De natuur van het landschap Op de Biologische Waarderingskaart van België (38) wordt het minst vergraven deel van het Osbroek (dat er turf gestoken was, wist men toen nog niet) bedacht met de hoogste onderscheiding: "biologisch zeer waardevol gebied". Parken en meersen moeten het stellen met iets minder loftuitingen maar zijn toch nog "biologisch waardevol". De met vliegas, puin en huisvuil opgehoogde terreinen worden er behandeld als de assepoes: ze bezitten een "geringe biologische waarde". Dit laatste is evenwel merkwaardig omdat identieke gronden (vliegas) op nauwelijks 1 km afstand dan weer biologisch waardevol blijken te zijn en ten onrechte als kasteelpark werden gekarteerd. Men krijgt de indruk dat onze professionele natuurop het Osbroekkasteel: gebouwd in 1914 in opdracht van vorsers zich bewust of onbewust hebben laten leiden Zichl G. Moyersoen (foto O. Pauwels) 31 M&L
¥*&* >v 5 * -*
r
:m&r.
•a-feïê?^'
&*%
^ ^ K
:
M & L Binnenkrant Inhoud iur. 43 / Bijlage bij M&L 8/6 - november-december 1989 Restauratie _____^ B.M.L Buitenkrant KCML Literatuur Tentoonstelling
PRODQiEJt. S U E A UCCLE. LM M KOMirSCK
AACH
Kozüztckin de . Verzameling A.AM.)
lecture l
•
2 4 8 11 14 15
Twee Westvlaamse herbergen sober hersteld Tijdens de Oostenrijkse periode werden ook in de provincie West-Vlaanderen belangrijke wegen aangelegd die tot op de dag van vandaag de verkeersorganisatie in grote mate bepalen. Aan deze wegen verschenen tolbomen of tolhuisjes, alwaar belastingen werden geheven op het passerend verkeer. Rond deze plaatsen ontwikkelde zich verdere bebouwing: voor de ontvangers van tolgelden noodzakelijke huizen, herbergen voor vertering, overnachting en vertier, smidsen voor reparaties van karren en beslaan van paarden. Alhoewel de tolbomen verdwenen bij de afschaffing van het tolrecht, bleef de overige bedrijvigheid bestaan en zich verder ontwikkelen; het is in dit laatste opzicht merkwaardig vast te stellen hoe op die plaatsen garages of transportbedrijven groeiden. Tot op heden vormen vele van de toen gebouwde herbergen belangrijke halteplaatsten en herkenningspunten langs de weg. Zowel omwille van deze historische waarde als omwille van hun huidige maatschappelijke betekenis, evenals hun onmiskenbare artistieke karakteristieken, werden verscheidene van deze 18de-eeuwse herbergen als monument beschermd. Enkele werden bijkomend reëel met afbraak bedreigd door wegmodemiseringen. Eén hiervan is het gekende "In 't Hof van Engeland", waarover reeds uitvoerig verslag werd uitgebracht in M&L 5/5. De restauratie van dit in het oog lopend gebouw werd zeer gunstig onthaald bij de publieke opinie en kende navolging. Ondermeer werden twee eigenaars van analoge herbergen door dit geslaagde voorbeeld aangespoord om him eigendommen eveneens op te frissen. Intussen wordt ook werk gemaakt van een andere belangrijke halteplaats, "de Moerdijk" te Moere.
"Den Engel" in Ichtegem, vóór en na de opfrissingswerken (B.M.L.)
De Engel Laten we beginnen met herberg "De Engel", te Ichtegem, waar herstel van de lagere aanbouw hoog nodig was. "De Engel" ligt aan de weg Wijnendale-Oostende. Deze weg werd aangelegd tussen 1764 en 1775 en was in feite bedoeld als ontsluiting van de Oostendse haven. Hierdoor moest het verbruik van verse Noordzeevis in de
provincies bevorderd worden. Het werk werd dan ook uitgevoerd voor de stad Oostende, nadat Maria-Theresia hiervoor de toelating had gegeven. Tevens gaf zij de toestemming om langs deze weg 4 tolbomen te plaatsen. Hierbij werden huizen gebouwd voor de ontvangers van tolgelden. Eén van deze tolhuisjes was dit te Ichtegem, aan "de Engel". Het hoofdgebouw vormt een imposant bakstenen tweelaags gebouw met vijf venstertraveeën, en is door middel van ankers 1766 gedateerd. De lagere aanbouw moet een 19de-eeuwse verbouwing van een kleiner volume onder mansardekap zijn, te oordelen
2
M&L BINNENKRANT I
naar de sporen op de zijgevel van het hoofdgebouw en naar de bouwnaden in voor- en achtergevel. Mogelijk is deze lagere aanbouw een vergroting en verbouwing van het 18de-eeuwse tolhuisje. De bouwfysische toestand van het hoofdgebouw geeft aan de buitenzijde een bevredigende indruk. Het lagere gedeelte daarentegen kwam in een ernstige toestand van verkrotting door verwaarlozing, ingevolge een aangekondigde maar nooit gerealiseerde wegverbreding. De hierbij afgedrukte foto's van de toestand vóór de herstelling getuigen van de graad van verval, die voor
velen enige restauratie ondenkbaar maakte. Evenwel kon een sobere herstelling worden doorgevoerd die het bestaande ruim respecteerde. De dakstoel werd volledig behouden. Voor de grotendeels te vernieuwen kepers werden opnieuw sparren gebruikt naar bestaande en deze eenvoudige architectuur waardig. Na het plaatsen van een onderdak werden opnieuw uitgeklonken Boomse pannen gelegd. De kopgevel diende deels te worden hernomen, gelet op de zware scheurvorming; toch betrof het slechts het gedeelte rechts van het zoldervenster tot aan de roostering. De hersteUing gebeurde met gekuiste steen van de afbraak. De rest van de muren werd plaatselijk hersteld en hervoegd met kalkmortel. De voorgevel werd opnieuw gewit met een kaleilaag op basis van vette kalk en cement; de plint werd doorlopend geteerd. Alle houtwerk is nieuw, waarbij gewaakt werd over de oude profileringen. Er werd niet geopteerd voor dubbele beglazing; zodoende bleven de profielen van de kleinhouten bescheiden en kon stopverf worden gebruikt voor het plaatsen van de glaspanelen. Dergelijke details — zoals ook het aangestreken dak, zonder kantpannen en geen zichtbare traploketten voor de verdichting van de aansluiting van het dak tegen de hogere zijgevel — bepalen de kwaliteit van de restauratie van dergelijke eenvoudige landelijke gebouwen; ze maken het verschil tussen authenticiteit en kitsch. De muren werden geïnjecteerd tegen opstijgend vocht.
"De Engel" opnieuw een positieve referentie. Wanneer volgen nu andere instanties om een bijdrage te leveren tot de verfraaiing van het leefmilieu? Kunnen wegverlichting, verkeerssignalisatie en wegaanduidingen, thans een smet op de restauratie van het monument, werkelijk niet anders? Heidelberg Aan de weg Brugge-Torhout staat herberg "Heidelberg" als in het oog lopende getuige van een man, wiens naam verbonden blijft aan de economische relance van de streek tijdens de Oostenrijkse periode: Karel Theodoor van Neuburg, hertog-keurvorst van de Palts en bezitter van onder meer de heerlijkheid van Wijnendale, bij Torhout. Hij bekwam het octrooi voor de aanleg van de steenweg
Brugge-Torhout en startte de werken in 1751. De weg werd voor het verkeer opengesteld in 17S4. De vergunningsbrief stond de keurvorst toe 7 barrières op te richten aan de "caisj;de weg". De tweede tolbarrière vanuit Brugge kreeg de naam "Heidelberg", als herinnering aan de stad waar Karel Theodoor universiteit liep. De mooie herberg staat er nog steeds als blijvende herinnering, op het grondgebied Loppem, net aan het kruispunt waar de oude Brugse steenweg de weg naar de autosnelweg snijdt. Zijn zichtbepalende betekenis is bijgevolg van groot belang. Het indrukwekkende hoofdvolume van twee bouwlagen — een gedeeltelijke onderkeldering met opkamer laat een oudere 17de-eeuwse kern vermoeden — wordt verdergezet
Deze eenvoudige, pretentieloze aanpak heeft grote verdiensten, voornamelijk voor wat de positieve inwerking ervan betreft op de omgeving en het dagelijks druk passerend verkeer. Het gebouw werkte jarenlang deprimerend op zijn omgeving door zijn aanstootgevende graad van verkrotting. Voor de publieke opinie kon enkel afbraak hier een oplossing bieden. Het oogde echter slechter dan het in feite was. Het probleem situeerde zich in hoofdzaak ter hoogte van de afgewaaide schouw en het schouwlijf tegen de zijgevel; de rest had te maken met het uitblijven van onderhoud ingevolge leegstand. Afbraak zou het — onbestaande — probleem van het herstel hebben omzeild, maar een nieuw probleem hebben geschapen, namelijk dat van een 'openheid' gerealiseerd zonder planning. "De Engel" bewijst hoe het eenvoudige herstel de deprimerende werking van een verkrot gebouw kan ombuigen naar een positieve ervaring. Jarenlang stonden velen aan dit kruispunt met de overweging "wanneer dit schandaal nu toch eindelijk zou afgebroken worden". Thans is
De subtiel in eer herstelde voorgevel van herberg "Heidelberg", aan de steenweg Brugge-Torhout, te Loppem (foto B.M.L)
I M&L BINNENKRANT
3
door een langgerekt stalgedeelte, eertijds geopend door vier grote poorten. De eenvoudige baksteenarchitectuur wordt enkel verfraaid door een deuromlijsting van blauwe klompjes - een vrij recente realisatie waarvan kan worden aangenomen dat zij een oudere analoge deuromlijsting vervangt (vergelijk bijvoorbeeld met de nog authentieke deuromlijsting van "In 't Hof van Engeland"). "Heidelberg" is tot vandaag als herberg in gebruik en werd behoorlijk onderhouden. Evenwel dreigden een aantal schoonheidsfouten de gave eenvoud en sobere grootsheid van dit statige gebouw te ondermijnen. Gelukkig bleef de schade beperkt tot de achtergevel: een aantal ramen werd vervangen zonder rekening te houden met de oude detaillering en ook het kenmerkende kleurgebruik dreigde verloren te gaan omdat de nieuwe ramen geolied werden en niet geschilderd, naar heersende fermette-trant. Daarenboven werd de achterzijde van het dak herlegd met
golfplaten van asbestcement en werden de goten systematisch vervangen door plastiek. Indien deze tendens zich had doorgezet naar de voorgevel, dan was dit exemplarisch markeringspunt eens te meer opgeofferd aan goedkope modeverschijnselen. De esthetische kracht van gevels als deze — en meteen van vrijwel alle eenvoudige landelijke baksteenarchitectuur — schuilt voornamelijk in de ramen. Indien de detaillering hiervan niet wordt verzorgd, verglijdt het gebouw in de banaliteit. Het subsidiedossier voor "Heidelberg" schonk bijgevolg aandacht aan het raamtype en het schilderwerk ervan, met afwisselend kleurgebruik, waarbij een aloude traditie de opendraaiende delen, evenals de stopverf wit geschilderd wil en de vaste delen van het raam, evenals de luiken, donker. Voorts werden de golfplaten vervangen door pannen (recuperatieBoomse pan; aangestreken, géén kantpannen).
De verwijdering van de lichtreklames was de voorwaarde voor het opstarten van een dossier. Herstel van metselwerk daar waar nodig werd uitgevoerd vooraleer de eigenaar op eigen kosten de voorgevels herschilderde. Op die manier betekenen subsidies doelbewust een aanmoediging voor de verdere zelfwerkzaamheid vanwege de eigenaars van monumenten. "Heidelberg" kreeg een grondige opfrissingsbeurt: is onderhoud niet immers de basis voor een gezonde Monumentenzorg? Literatuur Haelewijn R., Oostenrijkse wegen in West-Vlaanderen, Brugge, Westvlaams verbond van Kringen voor Heemkunde, 1971. Vervenne A., Oude hoeven, herbergen en molens en hun bewoners te Loppem, Loppem, 1976. M. Goossens.
B.M.L Studiebezoek. Landschap en Toerisme in Ierland In het kader van het cultureel akkoord werd van 5 tot 10 juli laatstleden een studiebezoek gebracht aan Ierland, met als onderwerp "Opvang van het toerisme in interessante Ierse landschappen". Omwille van de beperkte tijdsduur en de vroegere ervaringen in Ierland werd de rondrit beperkt tot twee landschappen: het nationaal park van Connemara en het landschap The Burren. De nationale parken van Ierland zijn eigendom van de Staat. Ze worden beheerd door de National Parks and Monuments Branch, opgericht in 1969 ten einde alle afdelingen van het Ministerie van Openbare Werken, die begaan waren met het behoud van alle aspecten van het
nationaal erfgoed, samen te brengen in één dienst. De nationale parken beantwoorden aan het concept van The International Union for the Conservation of Nature and Natural Resources (I.U.C.N.). Zo moeten zij bijvoorbeeld van een statutaire wettelijke bescherming genieten, voldoende personeel en middelen ter beschikking hebben om een effectieve bescherming te garanderen, een oppervlakte van minstens 1000 ha hebben en het verbod tot exploitatie van natuurlijke rijkdommen Qaten) respecteren. Het nationaal park van Connemara is gelegen aan de westkust in County Galway, ten noorden van de Galway Bay. Met een oppervlakte van 2699 ha is het momenteel het kleinste park van Ierland (de bekendste parken, Glenveagh National Park, in County Donegal en Killamy National Park in
M&L BINNENKRANT
County Kerry, hebben een oppervlakte van ongeveer 10.000 ha). Het park omvat tot 730 meter hoge bergen, hoogveen, heide en grasland.
Het bezoekerscentrum in het Cannemara nationaal park
De bergen behoren tot de groep van de Twelve Bens. Deze zijn ontstaan tijdens de Caledonische plooiing (laat-Cambrium en Ordovicium), waarbij de metamorfe gesteenten ontstonden: in de toppen voornamelijk kwarts en in de flanken schisten en grijze marmer. Kenmerkend voor het landschap is de alomtegenwoordige aanwezigheid van het 'westelijk sprei-hoogveen', een type van veen dat uitsluitend voorkomt aan de westkust van Ierland, Schotland en zuidwest-Frankrijk, daar waar de gemiddelde neerslaghoeveelheid schommelt tussen 1250 en 3000 mm per jaar. Dit veen spreidt zich werkelijk uit tot op de toppen van de heuvels. In de tot 5 meter dikke veenpaketten van oude turfontginningen werden stronken van 4000 jaar oude pijnbomen gevonden. De Connemara Ponies zorgen voor de begrazing van de lager gelegen graslanden en sinds enkele jaren wordt getracht om het edelhert, afkomstig van het Killamy National Park, te re-introduceren. In het Connemara National Park worden natuurbehoud en toerisme zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. De nadruk wordt gelegd op educatie en sensibilisatie van een ruimer publiek. Hoewel het visitors-centre op een boogscheut van het centrum van Letterfrack is gelegen, moeten de bezoekers rondrijden langsheen een toegangspoort om de parking te bereiken. Daar wordt een kleine bijdrage in de kosten gevraagd. Een honderdtal meter lager ligt het bezoekerscentrum, uitgebouwd in de voormalige stallen en infirmerie van de Industrial School, een soort heropvoedingsgesticht. Het omvat een grote tentoonstellingsruimte met sanitair, een informatie- en onderzoekscentrum (voornamelijk voor studenten), een gebouw voor audio-visuele voorstellingen, een picknick-plaats en een bosleerpad. Het centrum is geopend
• ' •-••'NBSSJ .A-JSSiV
s^^j-."'
Huidig uitzicht van een stenen ringfort in "the Burren"
Een aarden ringfort in "the Burren"
van Pinksteren tot eind september. Tijdens de maanden juli en augustus worden wekelijks geleide wandelingen, geïllustreerde spreekbeurten en natuurexploraties voor jongeren georganiseerd. Bovendien werden dit jaar, in samenwerking met het Connemara Environmental Education Centre een veenen een zeeweek georganiseerd met uiteenlopende activiteiten, gaande van muzikale optredens en schilderijententoonstellingen tot natuurwandelingen. Opmerkelijk is wel dat in het park géén horeca-activiteiten worden toegelaten, terwijl het educatief programma jaarlijks door middel van affiches in nagenoeg alle horecabedrijven en winkels in de grote omgeving worden aangekondigd.
^iff^ De befaamde "Caimemara Ponnies"
Cl
-v *
karstverschijnselen, vergelijkbaar met die in Joegoslavië, zijn ontstaan door de eeuwenlange inwerking van de neerslag. De drainage gebeurt bijna volledig ondergronds; doorheen het gebied vloeit slechts één rivier, de Caher River. De vegetatie is erg gevarieerd en kan als uniek beschouwd worden. Het landschap is als het ware een ontmoetingsplaats van planten met een mediterraanAtlantische verspreiding, zoals Meekrap en Vrouwenhaar, en planten met een arctische of alpiene verspreiding, zoals Mossteenbreek en Bloedooievaarsbek. Deze verscheidenheid kan verklaard worden door:
The Burren is gelegen in County Clare, ten zuiden van de Galway Bay. De oorspronkelijke Ierse naam betekent 'rotsige plaats'. Het is een oud kalksteenmassief, ontstaan tijdens het Karboon, dat gedurende de kwartaire ijstijden gepolijst werd tot de huidige landschapsvorm. De spectaculaire
het gebrek aan schaduw van hogere vegetatie; het is namelijk onder invloed van de traditionele landbouw dat door de begrazing in de winter de bomengroei beperkt is tot wat kleinere bossen met Hazelaar en/of Es; het contrast tussen de omstandigheden op de platte kalksteenplaten en de diepe kloven ertussen; het oceaanklimaat met zachte winters.
I M&L BINNENKRANT
5
The Burren lijkt onherbergzaam, maar talrijke archeologische sites en monumenten getuigen er van een menselijke bezetting gedurende 5000 jaar: — graftomben en dolmens uit het Steentijdperk; — spievormige galerijgraven uit de Bronstijd; — stenen ringforten uit de Keltische periode; — vroeg-christelijke kerken, bidplaatsen en kloostersites; — middeleeuwse dorpen, torengebouwen en kastelen.
Een dolmen in Paulnabrone
Momenteel bevinden zich in The Burren twee grote toeristische attractiepolen: De Aillwee Cave nabij Ballyvaughan en het Kilfenora display centre in het zuiden. In beide centra worden brochures, kaarten, boeken en souvenirs verkocht. De voornaamste archeologische bezienswaardigheden en monumenten werden door de Cïare County Council langsheen de wegen aangeduid met borden, zodat sommige gemakkelijk bereikbare plaatsen als het ware worden platgelopen. De gevolgen bleven niet uit; een paar jaar geleden was de deksteen van een dolmen naar beneden gedonderd en ook nu bleek dat vele toeristen het niet konden laten om voor een kiekje op de herstelde dolmen te klimmen. Juist omwille van de natuurwetenschappelijk en historische waarde van The Burren is de National Parks and Monuments Branch begonnen met de uitbouw van een nationaal park in de oostelijke hoek van het landschap, waar tot nu toe reeds 400 ha grond werden aangekocht. Waarschijnlijk — en hopelijk — kan ook hier binnen enkele jaren, wanneer de kaap van 1000 ha eigendom wordt overschreden, een bezoekerscentrum opgericht worden en kunnen de nodige maatregelen getroffen worden om de excessen van het toerisme in te dijken. L. Meesters
6
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Provincie Oost-Vlaanderen. Arrondissement Gent. Deel 12nl Kanton Ne vele Deel 12n2 Kantons Destelbergen en Oosterzele In het najaar 1989 verschenen twee nieuwe delen in de reeks "Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen", uitgegeven door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen in samenwerking met uitgeverij Brepols. De nieuwe inventarisboeken behandelen het bouwkundig erfgoed respectievelijk van het kanton Nevele en van de kantons Destelbergen en Oosterzele in het arrondissement Gent, provincie Oost-Vlaanderen. De Heer L. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, stelde op 27 oktober en 24 november in de kantonhoofdplaatsen Nevele en Destelbergen de nieuwe boekdelen aan de pers voor. Door de omvang van het inventarismateriaal en de uitgestrektheid van het onderzoeksgebied werd de publikatie van het arrondissement Gent in vijf boekdelen gepland, waarbij geopteerd werd voor een geografisch en historisch verantwoorde territoriale indeling in kieskantons. Het inventariswerk van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement werd aangevat met het deel 12nl, kanton Nevele, gelegen ten noordwesten in het arrondissement. Dit volume behandelt de fusiegemeenten van Aalter (Aalter, Bellem, Lotenhulle en Poeke) en Nevele (Nevele, Hansbeke, Landegem, Merendree, Poesele en Vosselare). De beide hoofdgemeenten Aalter en Nevele zijn de belangrijkste centra van deze streek met een uitgesproken landelijk karakter en een actieve agrarische en industriële bedrijvigheid. Het gebied wordt gekenmerkt door een lage
V.l.n.r. de Heer A. Vermeulen, Directeurgeneraal A.R.O.L.; Mevrouw K. Lanclus, auteur van het inventaris-boekdeel Nevele; de Heer L. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting (B.M.L.)
M&L BINNENKRANT
Merendree, Alsemweg 12. Boerenhuis aanleunend bij de traditionele bak- en zandsteenstijl (foto B.M.L.)
bevolkingsdensiteit met verspreide hoevebebouwing en kleine concentraties in plein- of straatdorpen en gehuchten. In de landelijke architectuur van de streek van Aalter en Nevele neemt de hoevebouw in regionale baksteenstijl de meest opvallende plaats in. De doorsneestraten rondom het dorpsplein of de kerk met bescheiden dorps- en arbeidershuizen en statige 19de-eeuwse herenhuizen bepalen thans het architecturaal kader van de dorpskernen. De meeste gemeenten bezitten ook nog één of meerdere "kasteeltjes", buitenhuizen van Gentse industriëlen of buitenplaatsen van adellijke families. Het tweede inventarisboek 12n2 is gewijd aan de oostelijke en zuidoostelijk gelegen kantons Destelbergen en Oosterzele en bevat de fusiegemeenten van Destelbergen (Destelbergen, Heusden), Gavere (Gavere, Asper, Baaigem, Dikkelvenne, Semmerzake, Vurste), Melle (Melle, Gontrode), Merelbeke (Merelbeke, Bottelare, Lemberge, Melsen, Munte, Schelderode), en Oosterzele (Oosterzele, Balegem, Gijzenzele, Landskouter, Moortsele, Schelde windeke). Naast de uitgesproken straatdorpen als Melle en Destelbergen of de typische pleindorpen Bottelare of Heusden behoren de meeste dorpen tot het zogenaamde "hoogdorp"type met gemengd patroon van een geconcentreerde bebouwing in kleine dorpskernen of gehuchten en verder een lintbebouwing langs een vrij dicht
wegennet. De gemeentekernen van Destelbergen, Melle en Merelbeke zijn via grote steenwegen vergroeid met de Gentse agglomeratie en vertonen dan ook deels een verstedelijkt karakter. Het oorspronkelijk nederzettingspatroon in dit gebied werd voornamelijk bepaald door de Schelde; aan haar oevers ontstonden dikwijls de oudste dorpen en bidplaatsen. Via de Schelde en de grote steenwegen waren de aanvankelijk bosrijke gemeenten Destelbergen, Heusden, Melle en Merelbeke gemakkelijk toegankelijk vanuit Gent. Typerend voor de landelijke bebouwing in die gemeenten is dan ook de brede waaier aan kasteeltjes en buitenplaatsen die er in opeenvolgende eeuwen werden gebouwd. Het opzet en de werkwijze voor de samenstelling van deze inventarissen van het architecturaal patrimonium blijven identiek aan de reeds gepubliceerde delen. De inventaris biedt een overzicht van de gebouwde omgeving en vormt een basisinstrument voor de op te stellen lijsten van beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en
Hansbeke, Hansbekedorp 24. Café "Onder de toren", Wethuis in de 18de eeuw en aemeentehuis van 1880 tot 1959 (foto B.M.L.t
Poeke, Kasteelstraat 26. Het imposante omwalde kasteel met stijlelementen uit verschillende bouwfasen.
M&L BINNENKRANT I
7
landschappen. Basis voor de opstelling van de boeken is het veldwerk met systematisch bezoek aan alle gemeenten en straten in de behandelde streek. Het onderzoek ter plaatse voor de beide boeken vond grosso modo plaats in de periode 1982-1988. Vooraan in de boeken vindt men een uitgebreide inleiding met een algemene situering, een landschapstypering en de historische achtergrond van het onderzochte gebied gevolgd door een overzicht van de gerepertorieerde architectuur. In het eigenlijke inventariswerk worden traditiegetrouw de gemeenten in alfabetische volgorde voorgesteld. Na een korte inleiding over het dorp volgen de alfabetisch gerangschikte straten. De op hun huisnummer volgende items zijn geïllustreerd met een foto of plattegrond in de tekst of in het fotoregister achteraan. In beide boeken werden de documentaire illustraties aangevuld met archieffoto's en archivalische kaartuittreksels. Evenals in de reeds gepubliceerde
1990-1991. Campagne Industrieel Erfgoed Vlaanderen
inventarissen volgt achteraan in het boek een Engelse samenvatting, een lijst van beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen, een beknopte literatuuropgave en een register van architecten en restaurateurs. Los in de boeken vindt men een kantonkaart op schaal 1/100.000 waar met de gebruikelijke symbolen en kleuren de concentratie, diversiteit en aard van de bebouwing en stijlen weergegeven is. In het deel 12nl - kanton Nevele zijn deelplannen toegevoegd op schaal 1/10.000 van Aalter, Lotenhulle, Nevele, Hansbeke en Merendree, in het deel 12n2 kantons Destelbergen en Oosterzele vindt men deelplannen van Heusden, Gavere, Melle en Scheldewindeke. Naar aanleiding van de publikatie van de inventarisboeken wordt eveneens per boekdeel een tentoonstelling over het bouwkundig erfgoed in de betreffende kantons georganiseerd. Aan de hand van een keuze uit de boekillustraties wordt getracht een beeld te schetsen van de evolutie en de variëteit van het bouwen in deze kantons.
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Provincie Oost-Vlaanderen Arrondissement Gent Deel 12nl - kanton Nevele Formaat: 21 x 14,4 cm Pagina's : 596 met meer dan 1600 foto's, prenten en schetsen Prijs : tot 31.1.1990: 1595,-fr. nadien : 1895,-fr. Deel 12n2 - kantons Destelbergen en Oosterzele Formaat: 21 x 14,4 cm Pagina's : 706 met meer dan 1700 foto's, prenten en schetsen Prijs : tot 31.1.1990 : 1695.-t. nadien : 1995,-fr. Besteladres: Brepols Baron Frans du Fourstraat 8 2300 Turnhout.
De belangstelling voor en het bewustzijn van de waarde van het industrieel erfgoed (niet alleen historisch en wetenschappelijk, maar ook als nieuwe toeristische groei-markt) is sedert enkele jaren sterk toegenomen. In steeds meer steden en gemeenten zetten geïnteresseerden zich in voor de studie, het behoud en de valorisatie van de sporen van voorbije ontwikkelingen van nijverheid, techniek en wetenschap. Lokale verenigingen en werkgroepen voor industriële archeologie worden opgericht en
verrichten waardevolle arbeid. Het aantal publikaties over het thema is haast niet meer te tellen. Binnen- en buitenlandse groepen bezoeken nu reeds oude Vlaamse brouwerijen, stokerijen en molens, trekken langs oude kanalen of museumspoorlijnen, fotograferen steenbakkerijen, de schachttorens van de steenkoolmijnen of traditionele vlasroterijen. Het bezoekersaantal van thematische musea, gewijd aan vroegere ambachten of nijverheden, stijgt in verhouding sterker dan het cijfer van 'traditionele' musea.
(ICCIH '90) in België plaats vinden. Dit kadert in een ruimere 'Campagne Industrieel Erfgoed Vlaanderen', die vanaf de zomer 1990 tot en met Flanders' Technology 1991 in alle Vlaamse regio's zal plaats vinden. Deze campagne heeft de bedoeling het industrieel, technologisch en wetenschappelijk verleden van Vlaanderen in binnen- en buitenland bekend te maken. Zij heeft de bedoeling om Vlaanderen aandacht te doen krijgen voor de wortels van Flanders' Technology.
Een Campagne Begin september 1990 zal het VTIde Internationaal Congres voor het Behoud van het Industrieel Erfgoed
Regionale comités, plaatselijke verenigingen en kringen, gemeentebesturen, wordt gevraagd om in de campagne-periode op één of andere wijze het industrieel en technologisch
8
M&L BINNENKRANT
erfgoed van hun streek te valoriseren. Bedrijven worden aangezet om zich in te zetten voor het erfgeod van hun bedrijf of bedrijfstak. Inventarisatie Deze campagne wordt thans ingeleid met een inventarisatie-actie 'Maak uw industrieel Verleden Bekend'. In alle Vlaamse gemeenten staan boeiende en belangrijke overblijfselen, die getuigen van de groei van de industriële maatschappij. Het zijn oude stations en wachthuisjes, brouwerijen en stokerijen, molens en maalderijen, weverijtjes, spinnerijen, vlasroterijen, touwslagerijen, olieperserijen, zeepziederijen, melkerijen, kleine gieterijen en metaalverwerkende ateliers, woningen van arbeiders en fabriekspatroons, bruggen en sluizen, stoommachines en oude motoren, oude wegwijzers en kilometerpalen, typische oude winkels en markthallen, moderne hoeven en kippenbroederijen... . Sommige van deze relicten zijn het behouden waard, als monument. Andere kunnen verbouwd worden tot een nieuwe functie. Alle sites hebben hun wetenschappelijke waarde, omdat ze ons iets leren over het werken, wonen en leven van onze voorouders. Maar de meeste van deze 19de- en vroeg 20ste-eeuwse gebouwen en installaties kennen we niet. Omdat tot vandaag niemand er aandacht voor had. Omdat niemand eraan dacht om er foto's van te maken of opmetingen te doen. Omdat niemand ze signaleerde. In tegenstelling tot de meeste buurlanden bezit Vlaanderen nog steeds géén centrale inventaris van het industrieel en technologisch erfgoed. Daardoor kan niemand goed weten welke rijkdom onze streken te bieden hebben. Daardoor is het moeilijk om een beleid te bepalen voor het behoud van dit erfgoed, en voor de valorisatie ervan op sociaal, cultureel en toeristisch vlak. Vandaar de actie Maak uw industrieel verleden bekend. Het is de bedoeling alle informatie over de industriële en technologische geschiedenis van Vlaanderen te centraliseren; om samen met plaatselijke belangstellenden, heemkundige en historische kringen, technici en bedrijfsleiders, culturele en sociale organisaties, een centrale inventaris op te zetten van al die getuigenissen van de wortels van Flanders' Technology. Alle gegevens zullen voor wetenschappelijk onderzoek verzameld worden in het 'Centrum industrieel Erfgoed Vlaanderen', dat thans door
de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie in Ronse uitgebouwd wordt. De gegevens die verzameld worden zijn van velerlei aard: gaande van technische rapporten, door vrijwilligers ingevulde vragenlijsten, foto's en tekeningen, kranteknipsels en kopies van artikels in heemkundige en andere tijdschriften, en noem maar op. De basis van het systeem zal echter berusten op steekkaarten, die door vrijwilligers van her en der aan het Centrum Industrieel Erfgoed Vlaanderen worden toegezonden. Het is niet de bedoeling dat dagen worden besteed aan het opzoeken van alle gegevens, maar wel dat in een eerste fase alle beschikbare informatie op de steekkaart vermeld worden en aan het C.I.E.V. toegezonden worden. Wat gevraagd wordt: — vertel waar oude industriële gebouwen en installaties zich bevinden, wie de eigenaar of gebruiker ervan is, en in welke toestand ze verkeren; — tracht ze zo goed en zo kwaad mogelijk te beschrijven; — vermeld alle gegevens die u gemakkelijk kunt bijeenbrengen (bv. via een gesprek met de eigenaar) en zeg erbij van waar de informatie die u vermeldt afkomstig is; — voeg eventueel kopies bij van beschikbare informatie oude documenten of oude foto's (en laat weten waar de originelen zich bevinden); — vergeet niet één of meerdere actuele foto's toe te voegen (bij voorkeur zwart-wit foto's). Deze actie wordt gevoerd door de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, die de vrijwilligerswerking en tal van lokale en regionale activiteiten betreffende de studie en het behoud van het industrieel en technologisch erfgoed in Vlaanderen overkoepelt en begeleidt.
Steekkaarten en nadere informatie kurmen verkregen worden bij: Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw - Postbus 30 Postkantoor Maria Hendrikaplein B-9000 Gent-12 (vergeet de "12" niet!) S- 056/38.91.02 of 056/77.96.24.
Vlaams-Nederlandse studiedag over de Integrale zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving Op vrijdag 6 april 1990 organiseert de Permanente Conferentie voor de Europese Stadsvernieuwing (P.C.E.S.) in samenwerking met de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu een studiedag over de problematiek van de integrale zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Het is de bedoeling om op die dag vooraanstaande sprekers uit Nederland en Vlaanderen hun visie te laten geven op deze problematiek. Het programma voorziet naast inleidingen door deskundigen, een ruime forumdiscussie. De studiedag zal plaatsvinden in het Provinciaal Hof te Brugge. Het inschrijvingsgeld, lunch inbegrepen, bedraagt 1000,-fr. In een volgend nummer van M&L zal hierover nadere informatie verstrekt worden. E. Goedleven
Brussel, 3-7 september 1990, 13de Internationale Vergadering van het LLC. Het International Institute for Conservation of Historic and Artistic Works is één van de grootste organisaties ter wereld die specialisten op het gebied van de conservatie van ons cultureel erfgoed verenigt. Voor het ogenblik telt zij meer dan 3500 leden uit 65 landen. Deze leden zijn kunsthistorici, chemici, museumconservators en restaurateurs. In 1990 zal hun twee-jaarlijkse vergadering in Brussel georganiseerd worden in samenwerking met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en onder de hoge bescherming van Z.M. de Koning. Dat jaar wordt tevens de 40ste verjaardag van de stichting van IIC herdacht, stichting die plaatsgreep in Brussel onder impuls van P. Coremans, eerste directeur van het K.I.K. De vergaderingen zullen doorgaan in het auditorium van de Passage 44, te Brussel. Elk IIC-congres behandelt één welbepaald thema. In 1990 zal dit zijn: "Cleaning, Retouching and Coatings:
I M&L BINNENKRANT
9
Technology and practice for Easel Paintings and Polychromy". Naast een 30-tal voordrachten worden er eveneens poster-sessions en excursies georganiseerd.
gres te organiseren. Dat zal gebeuren in 1990, dankzij de medewerking van de belangrijkste verenigingen die in dit domein werkzaam zijn in Vlaanderen, Wallonië en Brussel.
Een aantal firma's gespecialiseerd in restauratiematerialen zullen gedurende het congres hun produkten voorstellen in het foyer van de Passage 44 en in de lokalen van het K.I.K. die uitzonderlijk zullen toegankelijk zijn voor de deelnemers.
Doelstellingen Buitenlandse deskundigen aantrekken om hen te laten spreken en nadenken over concrete realisaties op het vlak van de bewaring en de herwaardering van ons roerend industrieel verleden, is een van de doelstellingen van dit congres. Maar deze gelegenheid moet ook aangegrepen worden om Walen, Vlamingen en Brusselaars bewust te maken van het belang van het industrieel en technisch patrimonium waarover zij nog beschikken; van de onschatbare waarde van deze overblijfselen van opmerkelijke creativiteit en ingeniositeit. De werksessies van het Congres zullen doorgaan in het ontmoetingscentrum van La Fonderie te Brussel; twee dagen zullen besteed worden aan bezoeken georganiseerd door elk van de beide verenigingen die tezamen TICCIH Belgium uitmaken, te weten de Vlaamse en de Waalse vleugel. Brussel, plaats van het congres, zal echter niet uit het oog verloren worden. De academische zittingen zullen doorgaan in prestigieuze lokalen; op hetzelfde ogenblik zullen belangwekkende tentoonstellingen georganiseerd worden en zullen bezoeken en animatieactiviteiten op stapel gezet worden.
De deelname aan het congres is voorbehouden aan HC-leden en zal beperkt worden tot 750. Hef KoninHjk Instituut voor het Kunstpatrimonium beschikt daarnaast over 150 plaatsen voor niet-leden, woonachtig in België. De deelnameprijs zal ± 6.500,-Bfr. bedragen. Geïnteresseerden kunnen verdere inlichtingen in verband met dit congres bekomen bij het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Jubelpark 1, 1040 Brussel, waar eveneens inschrijvingsformulieren ter beschikking liggen. ® 02/739.67.11.
ICCIH Belgium 1990 7de Internationaal congres voor het Industrieel Erfgoed Brussel 2-8 september 1990 België staat aan de wieg van de industriële ontwikkeling op het Europese continent. Denk aan de steenkool, de steenkapperijen, de metallurgie in Wallonië ! Of aan de textiel, de baksteen of de agro-nijverheid in Vlaanderen,... ! En wat te zeggen van Brussel, een nu vergeten industriestad, waar nijverheden bloeiden als drukkerijen, looierijen, brouwerijen en metaalbewerking. Vandaag gaat België over naar een federale structuur en staat het, meer dan andere geïndustrialiseerde landen, oog in oog met onvoorstelbare reconversieproblemen. Hoe staat het met het 'geheugen' van dit volk of met zijn patrimonium, vooral daar waar het de sporen van een vaak bloedig en zweterig verleden betreft, zoals in de bouw of in de mijnen. Hoe verging het de machines, de werktuigen, de archieven en andere bronnen van het collectieve verleden? Na Oostenrijk in 1987, de Verenigde Staten in 1983, Frankrijk in 1981, is het nu aan België om hierover een con-
10
Organisatie TICCIH Belgium, vereniging gesticht in 1984, is de Belgische tak van een belangrijke internationale vereniging: The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage. Alleen staten zijn erin vertegenwoordigd. TICCIH Belgium bestaat uit volgende componenten: 1. P.I.W.B. (Patrimoine Industriel Wallonie-Bruxelles, asbl); 2. de V.V.I.A. (Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, vzw); 3. leden te persoonlijken titel. Thema's Vanaf het begin van het industriële tijdperk, brachten technologische ontdekkingen nieuwe vormen van arbeidsorganisatie en nieuwe menselijke relaties tot stand. Zij werden teweeg gebracht door nieuwe industrieën, die het bestaande landschap herkneedden in functie van de produktievereisten, door de uitbouw van het industriële goed en, parallel daarmee, de herschikking van de ruimtelijke ordening, de huisvesting, de transportinfrastructuur,... Het gebeurde in de 19de eeuw, maar het gebeurt vandaag nog. Het 7de congres voor het industrieel erfgoed dat in september 1990 zal
I M&L BINNENKRANT I
gehouden worden te Brussel zal pogen dit patrimonium te situeren als resultante van de interactie tussen technologieën, arbeidsorganisatievormen en herschikking van het industriële landschap. Het congres is erop gericht om tegelijkertijd de wetenschappelijk-theoretische aanpak te combineren met de studie van concrete realisaties (of mislukkingen) inzake het behoud en de herwaardering van industriële sites. Vijf onderzoeksthema's worden vooropgesteld: 1. De energieproduktie in samenhang met de grondstofwinning. 2. Transport en communicatie, zowel kanalen, spoorwegen als straten, autowegen en luchthavens. 3. De industrieën met agrarische basis, zoals de tabaksnijverheid, stokerijen en brouwerijen, suikerraffinaderijen en maalderijen... 4. Voorbeelden van een interdisciplinaire aanpak van onderzoek en toepassingen daarvan op welomschreven sites. 5. Ecomusea en nieuwe museologische benaderingswijzen van de industrialisatie: concepten en toepassingen, voordelen en beperkingen,... Inlichtingen kunnen bekomen worden bij Guido Vanderhulst, The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage, Ransfortstraat 27, 1080 Brussel, Sf 02/522.30.80.
ADOBE 90, Las Graces (New Mexico, U.S.A.), 14-19 oktober 1990, 6de Internationale Vergadering over de Instandhouding van Aarden Architectuur De 5de Internationale Vergadering van deskundigen inzake de Instandhouding van Aarden Architectuur, die in oktober 1987 doorging in Rome, besloot eensgezind met de vaststelling dat de tijden thans rijp waren voor een confrontatie van alle standpunten en ervaringen met betrekking tot de behoudsproblemen gesteld door dit oudste van alle bouwmaterialen. Aarde werd inderdaad aangewend in alle continenten en herbergt momenteel naar raming een 30 a 40 % van de totale wereldbevolking. De Vergadering stelt zich tot doel het uitwisselen te stimuleren van ideeën, ervaringen, technieken, methodes en opzoekingsresultaten terzake, door
deskundigen bijeen te brengen uit de vele streken waar nog een traditie heerst inzake het gebruik van aarde als bouwmateriaal. De deelname van Azië, Latijns-Amerika en Afrika wordt dan ook aangemoedigd teneinde een zo groot mogelijke representativiteit te verzekeren.
Sdi imcmsHOful ronfcrerkc
ADOBE
90
Alle nuttige inlichtingen met betrekking tot deze studiedagen (houden van lezingen deelname aan de studiedagen en/of aan de aansluitende 'Field Trips') kunnen bekomen worden bij: Michael Taylor, Museum of New Mexico State Monuments, P.O. Box 2087, Santa Fe, New Mexico 87504 U.S.A., ® 505.827.8940.
van alle leden dat U ons de eer aandoet om bij de aanvang van uw mandaat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in vergadering te komen begroeten, aldus een lange en schone traditie terug opnemend waarmee uw voorganger om redenen die wij niet kennen, gemeend had te moeten breken.
KCML
Ontvangst van Gemeenschapsminister L.G. Waltniel
Toespraak door H. Craeybeckx, Voorzitter van de K.C.M.L.
In de sinds 18 oktober 1988 door de Vlaamse Raad verkozen Vlaamse Regering is de heer L.G. Waltniel de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Onder de Ruimtelijke Ordening ressorteerd onder meer het beleid inzake Monumenten en Landschappen. De Gemeenschapsminister heeft eraan gehouden de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen persoonlijk te komen begroeten en toe te spreken. Een algemene vergadering werd te dien einde belegd op 12 juni 1989. Hierbij volgen de verwelkomingstoespraak van de heer H. Craeybeckx en de toespraak van Gemeenschapsminister L.G. Waltniel.
Mijnheer de Minister, Mijnheer de kabinetschef, Mijnheer de Inspecteur-Generaal, Mijne Heren Ondervoorzitters van de K.C.M.L. en P.C.M.L., Geachte Leden, Dames en Heren Ambtenaren, Mijnheer de Minister, U vandaag in persoon en met uw gevolg, in de schoot van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te mogen ontvangen in aanwezigheid van de Heer Goedleven, Inspecteurgeneraal, en zijn ambtenaren verheugt ons allen. Als voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen dank ik U uit naam
M&L BINNENKRANT
Door dit bezoek verwarmt U de harten van de leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, want zij voelen, Mijnheer de Minister, dat zij, die kunnen bogen op een gedegen wetenschappelijke ervaring en die jarenlang met grote ijver hun kennis ten dienste stelden van de Minister en de Gemeenschap, door U als beleidsmedewerkers, als intellectuelen, als mensen worden gewaardeerd. Als voorzitter verzeker ik U, Mijnheer de Minister, van de loyauteit aan uw adres van de leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die hunnerzijds gehouden zijn him adviesverlenende taak op discrete wijze te vervullen. Anderzijds past het ons van U te verlangen en te verwachten dat U de steeds op wetenschappelijk en cultuur-historische gronden uitgebrachte adviezen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zult opvolgen. Het weze benadrukt dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen immers geen drukkings- noch opositiegroep is die 'het beleid' tegenwerkt doch een door de
n
van de Minister en de Executieve in staat worden gesteld ook en ondermeer door een, trouwens wettelijk voorzien, behoorlijke secretariaatsinfrastructuur onze wettelijke bevoegdheden uit te oefenen (en hier gaat het niet om potloden, pennen of papier). Mijnheer de Minister, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is uw adviesorgaan en dit van de Executieve omtrent de ons wettelijk toegewezen materies, namelijk monumenten, landschappen en roerend kunstbezit, dewelke sociaalcultureel, identiteitsbepalend en filosofisch onverbrekelijk verbonden zijn. De Heer L. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, aandachtig luisterend naar de toespraak van de Heer H Craeybeckx, Voorzitter van de K.C.M.L. (foto B.M.L.)
wet ingesteld orgaan, een door U uit deskundigen samen te stellen beleidsadviserend lichaam, dat medewerkt aan het door U bepaalde beleid, weze het dat de Commissie niet mag noch zal nalaten beleidsinzichten te formuleren aan uw adres, zoals haar wettelijke opdracht luidt. De wettelijk bepaalde en zeer uitgebreide bevoegdheden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in haar centrale en provinciale geledingen zijn U bekend en ik verzeker U Mijnheer de Minister dat, zoals U van ons moet verwachten, wij zullen trachten al deze bevoegdheden, zegge wettelijke opdrachten, te vervullen. Dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 7 januari 1935 had ongetwijfeld te maken met de reeds toen bevonden noodzaak om de nadelige gevolgen van het onaantastbaar eigendomsbeginsel te matigen, zo nodig aan banden te leggen teneinde het toen reeds, veelal door private belangen, bedreigde culturele erfgoed van teloorgang te behoeden. Aldus werd een autonoom, onafhankelijk college van deskundigen opgericht die op grond van de wettelijke opdrachten, taken en bevoegdheden op vraag van de Minister of uit eigen initiatief adviezen verstrekte. Het is dus de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die hét adviesorgaan is aangaande de specifieke materies die haar zijn toegewezen, en nu wij ervaren dat een en ander ons ontglipt, wil ik benadrukken dat wij eisen dat wij als adviesverlenend orgaan van de Vlaamse Gemeenschap ten behoeve
12
Het stoort ons dan ook dat in het verleden dikwijls commissies 'ad hoc' werden opgericht met betrekking tot de ons toegewezen materie en zulks is zeker toch de (te eerbiedigen) wil van de wetgever niet geweest. Het weze gezegd dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, enkel uit kracht van haar deskundigheid in het kader van haar opdrachten, zich steeds heeft verzet tegen de door ons bevonden ondermijning van het cultureel erfgoed, dat nochtans zo belangrijk is omdat de ongeschonden instandhouding ervan de identiteit en eigenheid van de Vlaming in Europa — als Europeër — en in de wereld — als mens — waarborgt. Zo ook is het onze taak. Mijnheer de Minister — het weze bij wijze van adviesverlening — de steeds zichtbaarder wordende cultuurbarbarij, die door de geschiedenis ongetwijfeld scherp zal worden beoordeeld, en het alom voortschrijdend misprijzen van intellectualiteit in het licht te stellen, om U toe te laten ook ter bescherming van monumenten en landschappen de gepaste beslissingen te treffen. Het is onnodig U cijfermatig te herinneren aan de U bekende door België en de Vlaamse Gemeenschap, ten aanzien van de in de ons omringende landen geleverde inspanningen — niet langer te verantwoorden — opgelopen achterstand, dewelke catastrofale vormen begint aan te nemen.
gesteund door uw gedegen, zo ook uit idealisten samengesteld Bestuur voor Monumenten en Landschappen, ingaande op de U thans voorgelegde talrijke en dikwijls reeds lang geleden uitgebrachte gemotiveerde adviezen die vrijwel alle tot hiertoe zonder gevolg bleven, een beleidsprogramma — een plan van actie — zou doen opstarten, ter vrijwaring van het U toevertrouwd erfgoed. Het zou ons bedroeven en het kan niet zijn dat, waar alle Vlaamse, Brusselse en Waalse experten, alle buitenlandse deskundigen poneren dat de bescherming van landschappelijk, monumentaal en artistiek areaal moet vooropstaan, op een eventuele parlementaire vraag, opnieuw en ondermeer zou moeten worden geantwoord dat "de daling van het aantal beschermingen per jaar, het beleid zal zijn; dat het handhaven van 200 a 300 beschermingen per jaar geen noodzakelijk te handhaven peil is,..." Mijnheer de Minister U zijt ons bekend als een wijs man die schoonheid mint en U zegde mij ter gelegenheid van een bezoek dat ik U bracht dat U met kracht zou handelen. Daarom is onze hoop op U gericht. U zegde mij toen ook dat U er op vertrouwde zo spoedig mogelijk tot een goede samenwerking met de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te komen; wij beloven U onze volle medewerking. U wenste deze werkvergadering bij te wonen op basis van een knelpuntennota dewelke wij U deden toekomen en waarop U dan nader zou ingaan. Deze nota heeft in wezen vooral te maken met de (geenszins door ons alléén) bevonden afwezigheid van beleid in het verleden inzake monumenten en landschappen, en de U onttrokken zorg voor het roerend kunstbezit. Daarom zij wij dubbel verheugd dat U reeds van bij de prille aanvang van uw mandaat toch bereid zijt beleidsinzichten ter kennis te brengen en ter bespreking te stellen. Tot slot weze het mij toegelaten U het schrijnend en voor de overheid beschamend probleem van de 'nepstatuten' in de Vlaamse administratie en in het Bestuur voor Monumenten en Landschappen in het bijzonder, voor te leggen. Dit moet ons inziens worden opgelost door een eenmalige regularisatie, en zulks ten spoedigste.
Het feit dat de 'overheid' onvoldoende middelen ter hand stelt bevrijdt de gezagsdragers van dezelfde overheid niet van hun verantwoordelijkheid en wij vertrouwen er op, Mijnheer de Minister, dat U zich tot de Vlaamse Executieve zal richten om in de mate van wat in de omliggende landen wordt gepresteerd, evenredige en dus belangrijke middelen ter beschikking te doen stellen om U toe te laten de gepaste beschermingsmaatregelen te treffen.
Een ander nijpend probleem is het blijvend gebrek aan samenwerking tussen A.T.D. en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen.
Mijnheer de Minister onze hoop is op U gevestigd. Wij rekenen er op, dat U
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen moet
M&L BINNENKRANT
ter deze vaststellen dat de ingestelde administratieve taakverdeling een negatieve uitwerking heeft op het beleid inzake restauratie. Er dient dringend een oplossing te worden gevonden. Andere aangebrachte knelpunten zullen in de vergadering aan de orde kunnen komen. Ik heb gezegd.
De Heer H. Craeybeckx overhandigt een afscheidspresent aan de Heer A. Demey, ontslagnemend secretaris van de K.C.M.L. (foto B.M.L.)
Toespraak door de Heer L.G. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren, De herschikking van de bevoegdheden binnen de Vlaamse Executieve had tot gevolg dat een aantal materies op een logische manier werden samengebracht. Voor het eerst werd het aspect monumenten en landschappen als een geïntegreerd deel beschouwd van de ruimtelijke ordening. Dit laat toe dat de bescherming van het waardevol patrimonium niet beperkt blijft tot enkelvoudige, afzonderlijke en alleenstaande dossiers, maar dat deze kunnen opgenomen worden in een ruimer perspectief. Na ongeveer een half jaar geconfronteerd te zijn met de feitelijke problematiek inzake monumentenzorg in Vlaanderen, wil ik vandaag een paar punten hieruit nader belichten. In Vlaanderen werden geruime tijd vrij veel monumenten beschermd. Heel wat oude en ooit wel waardevolle panden zijn hierin opgenomen. Voor andere - wel waardevolle gebouwen, is nooit een bescher-
mingsprocedure ingezet. Vaak start deze pas wanneer afbraak dreigt. Bovendien hebben eigenaars in vele gevallen bepaalde plannen, maar laten na de bescherming het pand aan zijn lot over. Een aantal jaren leegstand zorgt er dan wel voor dat het "monumenf" de vraag oproept waarom hier ooit bescherming werd verleend. De bescherming moet mijn inziens systematisch gebeuren. In onze steden en gemeenten moet in overleg met eigenaars en lokale besturen, nagegaan worden welke gebouwen hiervoor in aanmerking komen. Beschermen mag ook niet betekenen dat elk hedendaags gebruik onmogelijk gemaakt wordt. Het geven van een functie aan een gebouw is de beste garantie om verval te voorkomen. Anderzijds stellen we vast dat eigenaars van beschermde monumenten hun goed onvoldoende en sommigen zelfs zeer onvoldoende onderhouden. Deze handelwijze leidt onvermijdelijk tot verkrotting. Tesamen met de systematische beschermingsronde dient er overwogen te worden of er tevens geen deklasseringsprocedures ingezet moeten worden. Immers vele monumenten zijn na verloop van tijd het begrip monument niet meer waardig. Restaureren zou, indien het financieel dan al mogelijk was, neerkomen op reconstructie. Niet alleen kost dit onnoemelijk veel geld, bovendien blijft deze vorm van restaureren nep. Bij de deklasseringsprocedure moet men er over waken dat speculaties niet beloond worden. Het zou onrechtvaardig zijn eigenaars die hun monument jaren hebben laten verkrotten de deklassering zo maar in de schoot te gooien. Niet alleen zou dit de toekomstige beschermingen op voorhand al hypothekeren, bovendien zal dit op heel wat gerechtvaardigd protest stuiten.
landschapsdynamiek. De landschapszorg gaat aan zijn doel voorbij wanneer men door het opleggen van erfdienstbaarheden het landschap de kans ontneemt verder te evolueren. Nochtans is het historisch gezien volstrekt vanzelfsprekend dat landschappen veranderen. Die veranderingen moeten evenwel niet in het wüde plaatsvinden. Het nastreven van een goede doordachte vormgeving, zowel van microals macrolandschap, is daarvoor nodig. Respect voor het leefmilieu dient daarvoor een eerste uitganspunt te zijn. Een tweede belangrijk uitvloeisel van de statische visie is de afwezigheid van elke financiële voorziening of tegemoetkoming, van 'elke vorm van subsidiëring. Meestal haalt men zich met de bescherming van een landschap de woede van de eigenaars op de hals. Door het opleggen van erfdienstbaarheden verplicht men de eigenaar of gebruiker tot het handhaven en beheren van een quasi waardeloos goed. Hij wordt belemmerd in het uitvoeren van bepaalde handelingen en krijgt er niets voor terug. Een derde tekortkoming van deze wet is dat er bij rangschikkingen slechts "verbodsbepalingen" of '!beperkingen op het eigendomsrecht" worden opgelegd. Naar de toekomst toe zouden er marges moeten worden gesteld waarbinnen het concrete landschapsbeheer kan geschieden.
Nauw aansluitend bij de ruimtelijke ordening, en tevens één van mijn bekommernissen, vormt de landschapszorg. Vaak wordt beweerd dat de bescherming van landschappen, zoals toegepast in het kader van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, elke bestaansreden heeft verloren sedert het tot stand komen van andere wetgevingen. Niets is echter minder waar. De wet van 1931 biedt in de huidige context, ondanks duidelijk aanwijsbare gebreken, eigen uitgangspunten en een eigen operationaliteit op gebied van de landschapsbescherming. Hierdoor behoudt zij haar actualiteit. Eén van de meest in het oog lopende gebreken en nog meer van de concrete toepassing van deze wet is dat men onvoldoende oog heeft voor de
Bij het bekijken van de begroting voor monumentenzorg valt onmiddellijk op dat de financiële middelen bestemd voor het restaureren van waardevolle monumenten in Vlaanderen, zeer beperkt zijn (916,5 miljoen ordonanceringskrediet - 943,7 vastleggingskrediet). De middelen laten derhalve niet toe grootschalige restauraties door te voeren en voor nieuwe initiatieven blijft slechts een beperkte ruimte over. Het soberheidsbeleid van mijn geachte voorganger moet beslist dit jaar voortgezet worden. Ik wil hierbij de nadruk leggen op volgende krachtlijnen: 1. Het afwerken van eerder gestarte restauraties en het uitvoeren van verantwoorde dringende werken en spoedprocedures met een definitief karakter. 2. Het faseren van grote nieuwe dossiers. Fasering is nodig om toch nog een aantal nieuwe dossiers te kunnen laten doorgaan. Bovendien heeft die aanpak het voordeel dat men uitgaat van actuele ramingen zodat het aantal contractuele herzieningen beperkt wordt. De gefaseerde benadering geeft ons tevens de mogelijkheid restauraties via een vooraf gestelde volg-
M&L BINNENKRANT
13
orde te doen verlopen. Hierbij is het vanzelfsprekend dat bijvoorbeeld stabiliteitswerken, dakwerken, elektriciteitswerken enz. voorrang hebben op verfraaiingswerken. 3. Het aanmoedigen van het privé-initiatief inzake restauraties. Fiscale maatregelen kunnen het voor particulieren aantrekkelijker maken om een monument te bezitten; deze maatregelen zouden verder uitgebreid moeten worden. Hiervoor zal met de nationale regering overleg gepleegd worden. Monumentenzorg is ieders zorg. Er dient ingespeeld te worden op de betrokkenheid van elkeen, zodat naast
de overheidsmiddelen ook privémiddelen kunnen aangeboord worden. Dames Heren, Leden van de Koninklijke Commissie, Om dit laatste te realiseren is het absoluut noodzakelijk dat informatie doorstroomt naar het beleid. Ik doe hier vandaag dan ook een oproep om hieraan mee te werken. Tevens wil ik de leden van de Koninklijke Commissie danken voor hun inzet waarmee ze in het verleden steeds hun inzichten en bijdragen hebben geleverd ter bescherming van ons waardevol patrimonium. Ik dank U voor uw aandacht.
LITERATUUR
Inter Folia. Handboek voor de conservatie en de restauratie van papier Na een periode van drie jaar onderzoek heeft een interdisciplinaire team, samengesteld uit Anne Liénardy, kunsthistorica, en Philippe Van Damme, scheikundige, het resultaat van hun activiteiten aan het Koninlijke Instituut voor het Kunstpatrimonium gepubliceerd. Het werk draagt de titel Inter Folia.
sche substanties beschadigen eveneens het papier. Faktoren van biologische aard, micro-organismen, zwamvorming, insecten en knaagdieren die zich voeden met bestanddelen van papier, zijn ook andere oorzaken van de beschadiging aan boeken. Door onhandigheid of opzettelijkheid veroorzaakt hij schade of onvervangbare schendingen.
Het boek begint met het onderzoek van de bestanddelen van de materialen van de grafische dokumenten: papier, maar ook leder, perkament en de inkten. Hun geschiedenis, hun fabricage en hun samenstelling werden voorgesteld. Om de goede conservatie van de dokumenten te verzekeren, is het noodzakelijk dat men de gevaren kent waardoor ze bedreigd worden. De faktoren die de boeken en kunstwerken op papier beschadigen zijn veelzijdig. Onder de fysicochemische faktoren werden de beschadigingen beschreven die veroorzaakt worden door de warmte, de vochtigheid, het licht en de atmosferische verontreiniging. Interne chemi-
Voorzorgsmaatregelen laten toe de gevolgen van de verschillende beschadigingsfactoren te voorkomen of ten minste te verminderen. Deze maatregelen werden in detail uiteengezet ten behoeve van de restaurateurs, maar ook voor de particulier in 't algemeen. De belangrijkste regels zijn: de regeling van de temperatuur en de relatieve vochtigheid, de kontrole van het belichtingsniveau en de biologische factoren, de verluchting en het stofvrij houden van zalen en magazijnen, het aanbrengen van équipementen en beschermen tegen brand, diefstal en fysische schade. Het laatste deel van Inter Folia handelt voornamelijk over de restauratie. Er werden drie onderwerpen bestudeerd: ontzuring en bleking van het papier en de kleefstoffen, gebruikt bij restauratie. Voor deze drie onderwerpen is weer op dezelfde manier te werk gegaan. Aan de hand van
14
M&L BINNENKRANT
een bibliografisch overzicht werden de produkten en de reeds vastgestelde of toegepaste methodes waargenomen. De erkende methodes werden getest in het laboratorium. Na onderzoek van de resultaten werden zij weerhouden of geschrapt. De ontzuring van het papier is momenteel de belangrijkste bezorgdheid van conservators en onderzoekers. Het papier, vervaardigd vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, bevat mechanische pulp en werd gelijmd met aluin-colofonium. Het is dit papier dat het meest getroffen is. Gezien de beschikbare infrastructuur en de opgelegde termijn heeft men alleen experimenten met ontzuringsmethoden uitgevoerd op geïsoleerde dokumenten. In het totaal werden zeven methodes getest en daarvan werden er zes weerhouden. Voor het overige werd er een studie gemaakt van het wassen van papier. Alle parameters die aan de beurt kwamen, werden geëvalueerd. De meest doeltreffende methode werd op punt gezet en wordt aangeraden vóór elke ontzuring met water. De restaurateurs, en in 't bijzonder de restaurateurs van gravures, nemen te vaak hun toevlucht tot de blekingsmethodes. Er bestaat een overvloedige bibliografie over dit onderwerp. Tussen de regelmatig gebruikte methodes zien we dat, na onderzoek en evaluatie, sommige het papier sterk degraderen. Na het uittesten werden er slechts enkele blekingsmethodes weerhouden. Hun gebruikswijzen worden duidelijk beschreven. Tenslotte is er nog het derde en laatste onderwerp, aangaande het omvangrijk domein van de kleefstoffen. Alle kleefstoffen die bij de restauratie van papier gebruikt worden, werden gerecenseerd: plantaardige, dierlijke of synthetische kleefstoffen. Na verschiUende reeksen proeven kunnen we stellen dat lijmen afkomstig van zetmeel en enkele celluloselijmen aan te raden zijn. De navorsingen die op het K.I.K. gestart zijn, zijn nog ver van voltooid. Inter Folia is een eerste stap. Er blijven nog tal van restauratiebehandelingen te bestuderen en te experimenteren om geëvalueerd te worden. Met voorrang zullen de ontzuringsmethodes in massa, reeds gebruiksklaar of op proef, gerecenseerd en geëxperimenteerd worden. Andere tussenkomsten moeten ook nog aan een grondig onderzoek onderworpen worden, zoals: de ontsmetting, de droogmaking van de dokumenten, de fixering van inkten en andere pigmenten, alsmede de consolidatie van broze dragers. De restauratiemethodes en de gebruikte produkten veranderen zeer vlug. Het is dus zeer belangrijk vergelijkende studies te doen in het laboratorium ten einde de restaurateur bij te staan in zijn werk.
Liénaidy A. en Van Damme Ph., Inter Folia, Koninklijk Instituut voor bet Kunstpatrimonium, Brussel, 1989, 247 p., 87 afbeeldingen (10 klemfoto's) 16 x 24 cm. Te bekomen bij het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Jubelpark 1, 1040 Brussel. Prijs België: 600,-fr. + 20,-fr. portkosten. Prijs buitenland: betaling via bankrekening: 600,-fr. + 200,-fr. bankonkosten + 100,-fr. portkosten betaling op P.R. 000-2004759-60 : 600,-fr. + 100,-fr. portkosten.
Het resultaat van vraatzuchtige boekenliefhebbers .
TENTOONSTELLING
L.H. De Koninck, architect van de moderne jaren Met deze retrospectieve tentoonstelling wijdt de Fondation pour 1'Architecture een eerste omvangrijke manifestatie aan het oeuvre van Louis Herman De Koninck, sinds diens overlijden in 1984, op 88-jarige leeftijd. Zijn dominante rol in de moderne beweging in België werd intussen internationaal erkend, maar wordt alvast bevestigd door de nagelaten, uitzonderlijk rijke archieven. Ze laten ondermeer toe een inzicht te verwerven in de veelzijdige aspecten van zijn werk: woon-architectuur, sierkunsten en meubelontwerpen, zoeken naar nieuwe materialen en bouwprocédes, publicitaire ontwerpen en tentoonstellingspaviljoenen, standardisatie, pre fabric at ie... . Blikvanger van de tentoonsteüing zijn de vedette-ontwerpen van de architect: diens eigen woning, een manifest genoemd van de 'logement mini-
De atelier-woning van kunstschilder Lenglet (architect L.H. De Koninck, 1926)
M&L BINNENKRANT
15
mum' (1924), de atelier-woning, van kunstschilder Lenglet (1926), de woning Canneel waar De Koninck als het ware werd uitgespeeld tegen Le Corbusier (1931), de woning van kunstverzamelaar Dotremont, nog bij leven van de architect beschermd als monument (1931), het prototype van de CUBEX-keuken zoals voorgesteld op het CIAM-congres van Brussel in 1930... . Verder schetsen, voorontwerpen, uitvoeringstekeningen, maquettes, meubilair, reconstructies op ware grootte, die de sterkste momenten van de interbellum-jaren heroproepen.
De woning van kunstschilder Lenglet (links) en de eigen woning van architect L.H. De Koninck (1924)
In een kleinere, besloten ruimte, die via een originele wijze van sponsoring de beschikbare tentoonstellingsoppervlakte voortaan zal vergroten, wordt tevens aandacht geschonken aan de allereerste ontwerpen van De Koninck. Hier getuigen — vaak nog nooit geziene — tekeningen en meubels van de reeds prille, duidelijk bepaalde houding van de archtiect ten opzichte van de architecturale schepping. Deze afdeling wordt bijkomend opgefleurd door een voor de gelegendheid — naar het oorspronkelijke karton — heruitgegeven tapijt uit 1927 en op aanwijzing van De Koninck gereconstrueerde glasin-loodramen. De tentoonstelling gaat overigens gepaard met een belangrijke, gelijknamige publikatie door de Archives d'Architecture Moderne; niet meer een oeuvre-catalogus, maar veeleer de persoonlijke, originele visie van negen auteurs — die niet noodzakelijk L.H. De Koninck hebben gekend — op het streven en de nalatenschap van de architect, en dit gespiegeld aan het eigen onderzoeksveld. M.M. Celis
'LH. De Koiünck. Architecte des années modemes'. Fondation pour ÏAxchitecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel, van 5 december 1989 tot 25 februari 1990, toegankelijk van dinsdag tot vrijdag van 12 u 30 tot 19 u., zaterdag en zondag van 11 u tot 19u.. Gesloten op maandag. Publikatie: LH. De Koninck, Architecte des années modemes, met bijdragen van C. Mierop, A. Van Loo, J.L. Cohen, J. Gubler, F. Strauven, M. Dubois, D. Matteoni, A. Ruegg, L Liessens en A. Nève. Formaat 30 x 21 cm, 289 p., FransEngels, 80 Meur-Ulustraties, 200 zwart-wit-illustraties. Verkoopprijs op de tentoonstelling 1.600,-fr., in de boekhandel 2.000,-fr. De eigen woning van architect L.H. De Koninck (1924)
16
M&L BINNENKRANT
De planten van Roucel: Addertong, een zeldzaam varentje dat Roucel vond in graslanden, maar dat nu voorkomt in het bos (links) (foto P. Van den Bremt) en Adderwortel, nu verdwenen uit het Osbroek (boven) (foto A. Kampen)
Onder: Knolsteenbreek: zeldzaam in de Dendervallei (foto A. Kampen)
Pagina links: Het berkenbos op de met vliegas opgehoogde terreinen: een pioniersbos (foto O. Pauwels) 33 M&L
tegisch standpunt. Men kan ook stellen dat een moeras minder vervangbaar, meer kwetsbaar en ook zeldzamer is dan een ruderaalterrein. Maar een dergelijk terrein zonder meer afdoen als van geringe biologische kwaliteit, lijkt ons voorbarig. Louter op het vlak van de diversiteit van de flora scoort het totale Osbroekgebied uitzonderlijk hoog. Uit een floristisch onderzoek uitgevoerd in de jaren 1977-1979 (41) bleek dat er toen 451 soorten, hybriden, ondersoorten, en variëteiten van hogere planten voorkwamen (aangeplante sierplanten uit het stadspark niet inbegrepen). Sindsdien werden er nog meer dan honderd andere geregistreerd. Dit betekent dat ruw geschat bijna 1/3 van de Belgische flora en meer den 40% van de Vlaamse flora hier ooit werden waargenomen (42) .Dit hangt ons inziens samen met de turbulente landschapsgeschiedenis. Blijkbaar geldt ook hier de stelling: alles is overal, maar het milieu selecteert. Het grasland van Roucel De oudste floristische waarnemingen binnen het Osbroek zijn van de hand van één van de grondleggers van onze vaderlandse floristiek, F.A. Roucel (17351831) (43). Roucel, geboren in Duitsland uit Belgische ouders, kwam zich te Aalst vestigen in 1767. Hij werkte er als chirurgijn en verloskundige, later ook als armenverpleger en was er gedurende 36 jaar verbonden aan het Hospitaal. Hij maakte ook opgang als botanist met twee uitgebreide publicaties. In 1792 schreef hij zijn Traite des plantes les moins fréquentes ... en in 1803 zijn tweedelige Flore du Nord de la France (België was toen door Frankrijk geannexeerd) (44). Hij vermeldt er als zeldzaamheden Addertong en Adderwortel (45). Beide soorten kwamen er voor in grasland. Het varentje vond hij "dans les prés dit in t'Osbroucken ontrent de Capelle van Termieren, op Erembodegem" (46). Voor Adderwortel geeft hij geen nadere specificatie. Addertong komt nu nog altijd in het Osbroek voor, maar niet meer in grasland. Adderwortel daarentegen is er verdwenen. In verschillende nabij gelegen natuurgebieden daarentegen groeit die soort nog steeds. Graslanden, eens het belangrijkste element in dit landschap, zijn er nu met mondjesmaat. Zowat 7 ha verdient nog enigszins de benaming grasland. Het merendeel wordt begraasd door koeien en paarden en is in particuliere handen. Slechts één enkel grasland op lemige kalkrijke bodem, in de 18de eeuw uitgeveend, wordt sinds enkele jaren als natuurgebied beheerd door groenambtenaren in dienst van de stad Aalst. Het wordt gehooid in de maanden juli-augustus. Het hooilandbeheer gebeurt niet meer ten behoeve van de landbouw. Er wordt immers later gemaaid dan vroeger en bovendien wordt het niet M&L 34
Hooilandbeheer: natuurbeheer, dan wel beheer ten behoeve van de landbouw. Een zelfde beheersvorm met andere doelstellingen: de natuurbeheerder wenst een bloemrijke vegetatie, de landbouwer verkiest goede voedergrassen boven bloemen (foto's O. Pauwels)
meer bemest. Eens het hooi is afgevoerd laat men de toemaat nabegrazen door koeien. De bedoeling van deze vorm van natuurbeheer is de verschraling van dit perceel te bevorderen. Minder mest betekent immers een meer soortenrijk en bloemrijk grasland. Op die manier wil men proberen iets van de vroeger hier zo typische hooilandflora te herstellen. De huidige blikvangers zijn in de lente Knolsteenbreek, Slanke sleutelbloem en Echte koekoeksbloem, in hartje-zomer opgevolgd door Moesdistel, Moerasspirea en Veldlathyrus. Maar ook weinig opvallende kruiden zoals Klein bronkruid en Ruw walstro kan men er aantreffen. Intensief landschapsbeheer of zalig "niets-doen"? Binnen het natuurbeheer maakt sinds enkele jaren de natuurbeheersmaatregel 'niets-doen' furore, vooral in bosgebieden. Dat het landschap, en meer speciaal het bos, eertijds in het Osbroek zeer intensief werd benut staat buiten kijf. Als voorbeeld van intensief bodemgebruik geven we hierna kort de geschiedenis weer van twee eeuwen
exploitatie van een stukje Osbroeklandschap, eens Ze geeft alleen maat een goede illustratie van het het bezit van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal (later intensief aanwenden van alle "nuttige produkten" die Burgerlijke Godshuizen, omgevormd in C O . O . en in het bos voorkwamen. Tot het midden van deze O.C.M.W.) en sinds kort in eigendom van de stad eeuw waren deze roofbouwpraktijken courant, alhoeAalst: het "Gasthuysbosch" met een oppervlakte van wel ze allengs verminderden. iets minder dan 9 ha. Tenslotte weze er nog opgemerkt dat het bos niet In 1787 was dit gebied nog maar net in bos omgezet gedurende de ganse periode bos was. Bepaalde delen (47). Het archiefmateriaal van de Burgerlijke Gods- waren gedurende een tijd (legale) wijmencultures of huizen van Aalst (48) enerzijds en dit van het Bestuur grasland, of ... speelplein. Waters en Bossen anderzijds (49), stellen ons in staat Waar men zou kunnen verwachten dat een dergelijke om een vrij precies beeld op te hangen van het verregaande exploitatie onverdeeld nefast zou zijn gangbare beheer. voor de natuurwaarde van het bos, blijkt dit hier niet Het grootste deel van het bos was in gebruik als het geval. Behalve op vergelijkbare stukken op het middelhoutbos, of anders gezegd als hakhout met vroegere domein Moyersoen, vinden we nergens een overstanders. Het hakhout bestond in oorsprong uit even grote verscheidenheid en overvloed van voorZwarte els, maar ook Gewone es en Wilg kwamen in jaarsbloeiers zoals Dotterbloem, Slanke sleutelbloem. de hakhoutlaag voor. Vanaf het begin van de 20ste Gewone vogelmelk, Muskuskruid... Planten zoals eeuw werden ook Witte els en Gewone esdoorn in Addertong, Moerasstreepzaad en Grote keverorchis groten getale ingeplant. De omlooptijd varieerde tus- zijn hier ook aanwezig. sen 7 en 9 jaar. Hakhout dat niet meer opbracht, werd vervangen. Al in de vorige eeuw wees de bekende bioloog Julius Mac Leod (1857-1919) op het natuurwetenschappelijk De overstanders waren reeds in het begin van de 19de belang van middelhoutbossen (54). eeuw en misschien nog vroeger in meerderheid Kana- De verwaarlozing van het middelhoutbeheer en het dapopulieren. Maar tevens werden er Gewone es. wegvallen van het maaien, is ons inziens de voorGrauwe abeel en in mindere mate Olm en Wilg als naamste oorzaak voor de toenemende verruiging van opgaande bomen aangetroffen. Soms werden kleine ook deze bosbestanden door onder meer Grote plantages Fijnspar, Douglasspar en Moeraseik aange- brandnetel en bramen (55). legd maar met deze boomsoorten lukte het niet zo best. De beplanting van de dreven bestond in hoofdzaak uit Kanadapopulieren. In de eerste helft van de 19de eeuw waren de afnemers van het hout vermoedelijk vooral "hoveniers en andere inwoonders der stad Aelst" (50). Vooral vanaf de 20ste eeuw werd het hout meer en meer gebruikt door het hospitaal zelf (51) en aangewend in de bakkerij en de schrijnwerkenj. De onderhoudswerken waren velerlei, zo onder meer de ruiming van de drainagegrachten, de snoei- en dunningswerken, het verwijderen van bramen, netels en slingerplanten, het diepgronden enzovoort. Vooral in de periode na Wereld-Oorlog II verminderde het onderhoud stelselmatig. Het hakhoutbeheer geraakte stilaan minder in trek en het onderhoud beperkte zich na 1970 tot wat dunningswerken ten voordele van de populieren en tot sporadisch hakhoutbeheer, zonder dat er nieuw plantsoen in de struiklaag werd ingeboet. Naast de produkten van het klassieke bosbeheer, leverde het domein nog andere inkomsten op. Vooreerst was er de verkoop van gras uit het bos (52). Zelfs indien het gras niet verkocht werd, werd het toch nog gemaaid en geoogst (of geroofd) en dit minstens tot na de Eerste Wereldoorlog. Snoeihout bleek ook verkoopbaar en een handige jachtpachter zoals de Aalsterse industrieel Eugène Jelie, slaagde er zelfs in een illegaal en vrij winstgevend handeltje op te zetten met allerlei produkten uit het bos, zoals gras, dood hout ("garsingen en snippel") en strooisel. Alsof dat nog niet genoeg was legde hij er een rijshoutbos aan en verkocht er wilgetenen (53). De "affaire Jelie" is geen uitzondering wat de roof en het gebruik van nevenprodukten van het bos betreft.
Het "Gasthuysbosch". In hel midden van de 19de eeuw werd het, gedurende een korte periode, hoofdzakelijk als rijshoutbos of wilgehakhos gebruikt voor de wijmenteelt. Dit kan men niet afleiden uit de klassieke topografische kaarten van die periode. Deze plattegrond werd getekend door P.F. Ghysels en bevindt zich in een kaartenboek (SAA, FBG, nr. 419)
35 M&L
Vegetatie met Saururus cernuus: de soort houdt hier goed stand, maar komt niet elk jaar tot bloei (foto O. Pauwels)
Saururus cernuus of Knikkende hagedissenstaart (tekening: L. Kieckens)
Het klassieke middelhoutheheer is gunstig voor voorjaarsbloeiers zoals Dotterbloem en Slanke sleutelbloem. Maar in bepaalde delen van het Osbroek kunnen deze soorten zich ook onder hooghout handhaven, vooral daar de afwatering van het perceel moeizaam verloopt (foto O. Pauwels) Pagina rechts : Niets-doen, een zalige beheersvorm voor natuurfanaten, kan ook fraaie resultaten geven (foto O. Pauwels) M & L 36
MeW
m?p
l'^^1; •?%;
4%
#5
•fc^^;
•
^
<&3mÊ&.
af .-
••
-ë)
.
wm< r-CSfo^
.^^^ - -
^3HH
-*.
« ' SS»
>—-s>W|^,
Uit wat voorafgaat kan men onder meer afleiden dat de bossen van het Osbroek, sedert hun ontstaan in de 18de eeuw, nog nooit zoveel dood hout hebben bevat als heden ten dage. Dit moet zijn gevolgen hebben voor fauna en flora. Bij de vogels kunnen we bijvoorbeeld vaststellen dat er in de oudere, verwaarloosde (uit klassiek bosbouwkundig oogpunt) bosgedeelten, opvallend veel holenbroeders voorkomen: Grote bonte en Kleine bonte specht. Groene specht. Boomklever, Kauw ... Anderzijds kan men verwachten dat soorten zoals onder meer Nachtegaal eerder in aantal zullen afnemen ten gevolge van de achteruitgang van het hakhoutbeheer (56). In het bosbeheersplan is er gekozen voor uiteenlopende beheersvormen. De minst toegankelijke delen vallen onder de beheersmaatregel 'niets-doen'. Op andere percelen wordt er actief ingegrepen in de vorm van hakhoutbeheer of door het omzetten van middelhout naar hooghout (met verwijdering van Kanadapopulier). Experimenteel maaibeheer onder bos, wordt momenteel nog uitgetest.
Planten, met een verleden Binnen het vroegere bosdomein Moyersoen vinden we nogal wat stinzeplanten. Dit begrip, dat overgewaaid is uit Nederland, gebruikt men voor planten die men aantreft op percelen die van ouds gehoord hebben bij buitenplaatsen, oude boerderijen enzovoort en die buiten die terreinen in dezelfde omgeving niet in het wild voorkomen (57). Het zijn dus in de regel planten die er vroeger zijn uitgeplant en nadien zijn ingeburgerd of verwilderd. Tot deze categorie behoren in het Osbroek soorten zoals Gewoon sneeuwklokje. Witte narcis. Trompetnarcis, Lelietje-van-dalen, Blauwe monnikskap. Breed klokje, Sneeuwbes, een hybride van Wilde hyacint en Spaanse hyacint (58)... Maar vooral Gewoon sneeuwklokje en in mindere mate Breed klokje vallen tijdens de bloeiperiode op. Beide soorten worden gewoonlijk niet tot onze "inheemse" flora gerekend. De eerste vermelding van Gewoon sneeuwklokje vinden we terug bij Dodoens (59) die er trouwens aan toevoegt dat de soort bij ons toen enkel in tuinen groeide. Sneeuwklokje komt momenteel veel in het wild voor, vooral in de Vlaamse Ardennen. De meest noordwestelijke, natuurlijke groeiplaatsen van Breed klokje zouden liggen in de Eifel en het Sauerland (60). In België zijn er slechts een klein aantal populaties bekend die in het wild standhouden (61). In Oost-Vlaanderen hebben we de soort nog opgemerkt in het kasteelpark van Breivelde (Zottegem) en in het natuurgebied "de Broeken " te Zeveren (Deinze). De sneeuwklokjes komen hier op bepaalde plaatsen — in wat de vegetatiekundige het alluviaal EssenOlmenbos noemt — massaal voor. Van Breed klokje zijn er enkele mooie groeiplaatsen langsheen diverse boswegen, onder meer van de witte cultuurvariëteit. M&L 38
Vergelijkbaar met de stinzeplanten op het ex-domein Moyersoen, groeit er in één van de particuliere bosgedeelten een nog merkwaardiger gewas, Saururus cernuus, of letterlijk vertaald Knikkende hagedissenstaart. Bij aquariumliefhebbers is de plant beter bekend onder de benaming: het "Leidse plantje". In september 1977 werd de soort in het Osbroek ontdekt (62) en pas na enig speurwerk kon ze op naam gebracht worden. Het bleek meteen een eerste vindplaats voor België. Deze moerasplant, afkomstig uit Noord-Amerika, is wel op een nogal vreemde manier in dit Aalsterse natuurgebied verzeild geraakt. Het is puur toeval dat de afkomst ervan kon achterhaald worden: een aquariumhouder had er ooit stiekem beproefd of hij er de plant kon kweken. Het is niet altijd makkelijk om uit te maken of een plant zich ergens spontaan heeft gevestigd. Ze kan in een bepaald gebied ooit aangeplant geweest zijn of gewoon als verstekeling tijdens allerhande werkzaamheden meegebracht. Van het Maarts viooltje kan men vermoeden dat ze ooit in het Osbroek werd uitgeplant. Van een soort zoals Indische schijnaardbei die stilaan een echte pest wordt langs een ganse reeks wandelpaden, is de herkomst al iets minder duidelijk. Herfsttijloos tenslotte, die pas enkele jaren geleden langs een bospad werd ontdekt, komt er misschien spontaan voor (63). Maar deze laatste soort kan er net zo goed vroeger zijn aangeplant.
De moraal van het verhaal In de omgeving van een stad is het landschap steeds aan grote veranderingen onderhevig. Een aantal van de vroegere ingrepen is duidelijk zichtbaar, zeker wanneer het grootschalige ophogingen of parkaanleg betreft. Moeilijker op te sporen zijn bijvoorbeeld de relatief kleinschalige maar vaak langdurige veengraverijen. Deze zijn bovendien niet altijd waarneembaar op historische kaarten. Ook het bodemgebruik is hierop niet exact herkenbaar. Daarenboven zijn deze documenten niet meer dan momentopnamen. In vele gevallen kan archiefonderzoek nieuwe inzichten bijbrengen bij de studie van het landschap. Landschappen met een ogenschijnlijk hoge natuurlijkheidsgraad, blijken vaak het resultaat te zijn van een subtiele wisselwerking tussen mens en natuur. Bepaalde patronen in de vegetatie kunnen slechts begrepen worden door een betere kennis van het vroegere bodemgebruik met inbegrip van de toen heersende sociaal-economische omstandigheden. Uit het Osbroekverhaal zou men kunnen afleiden dat een dusdanige landschapsdynamiek enkel voorkomt in de omgeving van stedelijke kernen. Dat dit niet het geval is, bewijst een historisch-ecologische studie van een landschap in de Vlaamse Ardennen: het bos t'Ename (64). Nog steeds hangt er een dreiging boven het Osbroekdomein. Het gewestplan voorziet de aanleg van een ringweg door het zuidelijk deel. Voorlopig is het gevaar afgewend maar toch blijft het gebied een beetje in de ban van die ring... .
Voetnoten
(1) Het stadspark werd als landschap beschermd bij K.B. van 9.03.1977. (2) We beperken ons hier tot het Osbroek s.s.. Ruwweg stemt dit overeen met de komvormige, oorspronkelijk 7 a 8 m hoog gelegen moerassige depressie tussen de huidige oeverwalgronden van de Dender en de westelijke dalflank. Dit is niet alleen om geomorfologische redenen verdedigbaar maar ook om toponymische. In de meeste gevallen gebruikt men dan als plaatsaanduiding "in den osbroek" en dat i.t.m. "op den osbroek", "boven-osbroeken" en "ossebroekveld". (3) Het Osbroek werd als landschap beschermd bij K.B. van 30.11.1977. Eerdere pogingen tot bescherming waren vergeefs geweest: in 1940-1946 en in 1964. (4) De Leenheer L., (red.), 1966, Natuurspiegel van Oost-Vlaanderen, p. 26. Gent, Dienst voor Culturele en Sociale Aangelegenheden. (5) In feite heeft de Dender geen echte benedenloop omdat zijn verval steeds groter is dan 20 cm per km, zie De Leenheer, L., op. cit., p.35. (6) Voor de gebruikte toponiemen verwijzen we o.m. naar De Brouwer J., 1956, Toponiemen te Erembodegem, in Het Land van Aalst, 3 (nrs.1-6) en naar Van Nuffel P., 1916, Het Osbroek te Aalst, p. 39-52. Aalst, Samenwerkende drukkerij "De Vooruitgang". (7) Wirix G. & Lorent J., 1966, Regime en lading van de Dender, in Acta Geographica Lovaniensia, IV. 129-140. (8) Willems C , 1984, De Dender en zijn Vlaamse steden, p.14. Artis-Historia, Brussel. Uit een tolovereenkomst van de periode 1185-1190, tussen Filips van den Elzas en Willem, heer van Dendermonde blijkt voor het eerst de drukke scheepvaart op de Dender tussen Aalst en Dendermonde. Stadsarchief Aalst (SAA), O G A , regest nr. 2. (9) SAA, O G A , nr. 287. Voor een meer gedetailleerd overzicht van de latere kanalisatie werken: Ministerie van Openbare Werken, 1982, Dienst van het stroomgebied der Schelde, 1ste directie Gent, 1907-1982, p.34- 37. (10) Rijksarchief Gent ( R A G ) , O.L.V. Hospitaal Aalst, regest nr. 19. (11) SAA, O G A , nr. 1976, Renteboek H.Geest-tafel 1351-1365, 22 v. (12) R A G , O.L.V.Hosp., nr. 51 (rol), opgave verpachte gronden 1371. (13) R A G , O.L.V.Hosp., nr. 54 (rol), opgave verpachte gronden 1379. (14) SAA, O G A , nr. 1981, Renteboek H.Geest-tafel 1477-1504, 81r. (15) Zie Van Durme L., 1982, Toponymie van Velzeke-Rudderhove en Bochoute, p. 896-897, doctoraatsthesis R U G . De betekenis van Obs- blijft nog duister: zie De Brouwer J., 1956, op. cit. & Courteaux, F., 1978, Een openbaar park te Aalst? Een idee uit de vorige eeuw, in Meded. WAK , 5(2), 2-8. (16) Bevolkingsaantallen: Ghysens J., 1986, Geschiedenis der straten van Aalst, p.33, Aalst, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis. Aalst: 1620: 6 0 0 0 ; 1650: 6665; 1769: 7000. Van Lul A . , 1951, De bevolking van Erembodegem, in Het Land van Aalst, 3(2), 55-64. Erembodegem: 1600: 600; 1620: 580; 1650: 880; 1700: 1060; 1770: 1750. (17) Stadsarchief Gent (SAG), nr. 91, Twintigste Penningkohieren van Aalst en Erembodegem, 1571-1572. (18) SAA, O G A , nr.741, Landboek (praterij Schaarbeke) 1634; nr.743, Metingboek 1670; nr.744, Landboek 1711; R A G . O G A , Eremb. nr.7, Landboek 1617. (19) Naar het einde toe van de 18de eeuw is het niet altijd duidelijk of de term meers steeds overeenstemt met hooiland. (20) Lindemans P., 1952, Geschiedenis van de landbouw in België, deel 1, p.302. Antwerpen, De Sikkel. (21) SAA, O G A , nr. 744, op. cit., 24v. (22) R A G , O G A , Eremb. n r . l . Resolutieboek 1715-1742. 15v, 23r. (23) Minstens nog tot 1850 werd er op het grondgebied van Erembodegem turf gestoken. Daarvan getuigen o.m. volgende archiefstukken: SAA, O G A , nr. 171, lijst van turfste-
(24) (25)
(26) (27) (28) (29)
(30)
(31)
(32)
(33) (34) (35) (36) (37) (38)
(39)
(40)
(41)
(42) (43) (44)
kers 1776; Rijksarchief Beveren ( R A B ) , Prov. O.-VI., nr. 2190, 1830-1850. Uit een brief van de gouverneur aan de plaatselijke besturen van 18.12.1848 blijkt nog "...dat er in onderscheidene plaetsen dezer provintie, waer er turfgelagen bestaen, uitdelvingen van turf hebben plaets gehad, zonder door de bevoegde overheid toegestaen te zijn, en dat de werken van ontginning der turfgelagen, over het algemeen met de uiterste onvoorzichtigheid worden bestuerd, vooral in de Dendervallei, waer men bijna overal verzuimd heeft de holligheden door de uithaling van den turf veroorzaekt op te vullen, ... ". Conf. Stockmans F., 1948, Gisements de tourbe de la province de Brabant. Leur exploitation, in: Buil.Mus.roy.Hist.nat.Belg., 24 (35), 1-34. Ons is slechts 1 geval bekend van turfsteken in het Osbroek gedurende de 19de eeuw. Op 2 april 1814 moet pachter van den driessche een boete betalen van 12,69 F voor "gestoken torf, buyten de wete van de Commissie door hem gedaen " aan het Bureel van Weldadigheid van Aalst (SAA, F B G , nr. 515, 67v). SAA, O G A , nr. 2023, Rekeningen 1755-1757. SAA, O G A , nrs. 2029-2047, diverse vermeldingen over beheer van schaarhout en verpachten van gras, rekeningen 1769-1798. SAG, Sint-Jacobsgodshuis Gent, nr. 204, pachtcontracten. Vermoedelijke oppervlakte: op basis van oudere gegevens. De Armenkamers werden omgevormd tot Burelen van Weldadigheid. Provinciaal archief van het kadaster (Gent)(PAKG), nr. 208, Oorspronkelijke aanwijzende tabel der onderscheiden secties van de gemeenten Aalst en Erembodegem. R A G , Kad. O.VI., nrs.311, 313: Aalst; nr. 429: Erembodegem. Bossen. Aalst: klasse 1 = Iha 59a 80 ca; 1-2 = 61a 60ca; 2 = 6ha 34a 50ca. Erembodegem: 1 = 5ha 91a 80ca; 1-2 = Iha 29a; 2 = 15ha 35a 50ca. Hooiland. Aalst: klasse 2 = 4ha 68a lOca; 2-3 = Iha 11a; 3 = 5ha 72a 30ca; 3-4 = 7ha 61a; 4 = 4ha 99a 20ca. Erembodegem: 3 = 6ha 72a lOca; 3-4 = Iha 99a 80ca; 4 = 7ha 71a 90ca; 4-5 = Iha 35a; 5 = l l h a 23a 60ca. Bouwland. Aalst: klasse 3 = 86a 50ca; 3-4 = Iha 2a SOca; 4 = Iha 15a 70ca. Erembodegem: 2 = 10a 60ca ; 3 = 2ha 17a 60ca; 4 = Iha 54a 40ca; 5 = 50a 50ca. De volgende topografische kaarten werden geraadpleegd: Vander Maelen, ca. 1850; ICM, 1879; ICM, 1895; ICM, 1909. Bevolking Aalst: 1835 = 14774, 1910 = 34309. Ghysens L , 1986, op. cit., p. 34. Aanbevolen lectuur is de historische roman van L.P. Boon. 1971, Pieter Daens. De Arbeiderspers, Amsterdam. P A K G , nr. 223. Staat der eigendomsovergangen. SAA, GSA, nr.304. Onderzoeken commodo & incommodo (12.12.1938 en 4.1.1939). Desmet K. & Demarest L., 1985, Biologische Waarderingskaart van België + verklarende tekst bij kaartblad 22, 96p., Brussel, Coördinatiecentrum van de Biologische Waarderingskaart. Terminologie naar De Blust e.a., 1985, Biologische Waarderingskaart van België: Algemeen Verklarende Tekst, p. 14, Brussel, Coördinatiecentrum van de Biologische Waarderingskaart. Beschrijving ruderaalterreinen Osbroek: Van den Bremt P., 1988, Ruderaalterreinen: natuurgebieden tegen wil en dank?, in Wielewaal, 54(6), 228-236. In Groot-Brittannië worden enkele van de rijkste stedelijke "natuurgebieden" door de Nature Conservancy Council beschouwd als "Sites of Special Scientific Interest". Van den Bremt P., Fobert L. & Lebacq J., 1980, Resultaten van een floristisch onderzoek in het Osbroekgebied te AalstErembodegem: 1977-1979, in Dumortiera, 17, 1-13. Werkgroep Bomen Park-Osbroek, 1981, Plantenatlas van het Osbroek te Aalst, VII + 68p., Aalst, W B P O . Het merendeel van de soorten is er ook nu nog aanwezig. De Vos A . , 1888, Coup d'oeil sur Vhistoire de la flore beige, in Buil. Soc. roy. bot. Belg., 27, 15-70. Roucel F.A., 1792, Traite des plantes les moins fréquentes, qui croissent naturellement dans les environs des villes de Gand, 39 M & L
(45) (46) (47) (48) (49) (50) (51) (52)
(53)
(54)
(55)
d'Alost, de Termonde et Bruxelles, XXIX + 188p., Paris-Bruxelles, Bossange. Roucel, F.A., 1803, Flore du Nord de la France, 465 + 548 p.. Paris, Richard. Zie ook: SAA, OGA, nr. 2253. Nederlandse naamgeving volgens De Langhe J.E. e.a., 1988, Flora van België ... , CIV + 970p., Meise, Nat. Plantentuin. Roucel F.A., 1792, op. cit. p. 41 en 98. Algemeen Rijksarchief Brussel, Rek., nr. 46820, Etat des biens du clergé, O.L.V. Hosp., 5v. Bewaard in het SAA. Bewaard in het RAB (Waters & Bossen: Houtvesterij Gent). SAA, Arch. Burg. Hosp. Aalst, Resolutieboek nr. 12, 79r. Deze vorm van houtgebruik liep door tot na 1960: SAA, FBO, C O . O . nr. 682, verkopen, legaten, houtkappingen, 1926-1965. SAA, FBO, Uitgaande briefwisseling nr. 34: 1048 (7.06.1841). Het betreft hier een openbare verpachting van gras "van zeer geringen aard, staende op ontrent zes hectares 18 ares 30 centiares beplanten bosch" (waarschijnlijk dus een nieuwe aanplanting). Uit een hele reeks latere archiefstukken blijkt dat het maaien van gras in het bos, zowel als op de paden, een gewone activiteit bleef. SAA, FBO, Resolutieboek nr. 19, diverse stukken, o.m. p. 432 e.v. (zittingen uit 1874). De zaak Jelie deed uiteraard heel wat stof opwaaien, vooral omdat verschillende leden van de Commissie der Burgerlijke Hospitalen verwanten waren van de betrokkene. Mac Leod J., 1894, Botanische beschrijving van het Kempisch gedeelte van Vlaanderen, in Dodonaea, 6, 381-418. Op p. 403-407 wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van "hoogstammige bosschen met kreupelhout tusschen de boomen". Gewoonlijk worden Kanadapopulieren en luchtverontreiniging als oorzaken voor de toename van netels en bramen aangewezen. Wij zijn ervan overtuigd dat de aanplant van populier en de luchtverontreiniging hier slechts een secundaire rol spelen bij de uitbreiding van deze ruigteplanten. Van groter belang is
(56) (57)
(58)
(59) (60) (61) (62)
(63)
(64)
m
SvlWI .
•
.
'BH
j
?" '
.£Éy
p
W^k-'ti-'&ï-
•
o.i. het voormalig bodemgebruik (initiële bemestingsgraad), het aanplanten van boommonoculturen (ook onder monotone aanplantingen van Gewone es en Wilg vindt men in het Osbroek netelvelden) en het bosbeheer. We konden zelf reeds meerdere malen vaststellen dat in de jaren, volgend op een hakhoutkapping het aantal broedende nachtegalen steeg (vorming van dicht kreupelhout). Jansen M.T. & van der Ploeg D.T.E., 1977, Stinzeplanten in Nederland, p.5. Wet. Med. KNNV nr. 122. De term stinze(n)plant is afgeleid van het Friese woord stins, de benaming van een stenen huis na 1400 (gewoonlijk een versterkte woning). Zie: Bakker P. & Boeve E., 1985, Stinzenplanten, p.9, Terra, Zutphen. letswaart J.H., de Smet S.J.M. & Lubbers J.P.M., 1983, Hybridization between Scilla non-scripta and S. hispanica (Liliaceae) in The Netherlands, in Acta Bot. Neerl. 32(5/6), 467-480. Dodoens R., 1583, Stirpium historiae pemptades sex, p.229230, Plantijn, Antwerpen. In het Cruydeboeck van 1554 is de soort nog niet opgenomen. Bakker P. & Boeve E., op. cit., p. 150. Duvigneaud J. & Lawalrée, A., 1978, Une campanule tres rarement naturalisée en Belgique: Campanula latifolia L., in Natura Mosana, 31, 37-42. Fobert L., 1977, Een nieuwe plant voor ons land?, in De Wielewaal, 43, 328-329. Fobert L., 1978, Nog over Saururus cernuus: de Hagedissenstaartplant is geen onbekende voor de aquariumliefhebbers, in De Wielewaal, 44, 76-78. Roucel, 1792, op. cit., p.35, zegt over Herfsttijloos: "Du cóté d'Alost on la voit rarement". Er zijn vindplaatsen bekend uit andere delen van de Denderstreek, zowel oude (bijv. Herb. Meise, Van Wilder, 1882, Pollare) als recente (bijv. D'Haeseleer, 1985, Haaltert) maar dan voornamelijk in grasland. Kleine populaties van deze soort vallen niet erg op. Tack G. & Van den Bremt P., 1986, Bos t'Ename, in Natuurreservaten, 8(2), 36-40. Een uitvoerig uitgewerkte publikatie over de landschapsgeschiedenis en de ermee samenhangende botanisch-ecologische aspecten, is in voorbereiding.
:
lp.;
r
'' :\k
,w«:;:j4
'.»A 't
.
•
,'>
'
^«MUb*.
i
mjttst
..
j i •
•
.
-
-
-
.
-
•
-
.
.
••..'_.• •' '- • '. ": • '•- '» '••. '
M&L 40
i '•
%
V" 'jeiji • " f ~
.
•
*
•
•
•
-
•
"
,
.
.
^
:
•
"\J
' '
-
"
.
.
.
•
•
Het Centraal Station te Antwerpen. De opfrissingswerken in de wandelzaal (i)
Gaston De Smet, N.M.B.S.
Enkele jaren terug startte de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen een campagne ter bevordering van de klantvriendelijkheid van haar stations. Een hele opgave, vooral omdat de haar toegekende budgetten eerder beperkt zijn. In het kader van dit project wordt niet alleen aandacht besteed aan het functionele maar ook aan het visuele. Het spreekt vanzelf dat het Centraal Station van Antwerpen, het koninginnestuk van onze stationsarchitectuur, hierbij ook ruimschoots aan bod komt. In 1986 werd de eerste fase van de restauratie van de spoorhal aangevat en onder impuls van Directeur-generaal Etienne Schouppe, wordt sinds kort ook het ontvangstgebouw gerevaloriseerd. Vorig jaar werd een binnengevel van de wandelzaal gereinigd en terug opgefrist. Op het moment dat we dit artikel schrijven werd al begonnen met de reiniging van de buitengevel kant De Keyserlei, doch hierop hopen we in een latere bijdrage nog uitgebreid terug te komen. 41 M&L
De twee houten stations Op 3 mei 1836 werd de spoorlijn tussen Antwerpen en Mechelen ingehuldigd, precies één jaar na de realisatie van onze eerste spoorverbinding MechelenBrussel. Bij deze gelegenheid werd het eerste stationnetje van Antwerpen in gebruik genomen. Het werd opgericht als een voorlopig station en was eigenlijk niet méér dan een klein houten optrekje, waar vier sporen hun bestemming vonden. In 1854 werd deze "barak" vervangen door een nieuw station, ditmaal een gebouw met een "fagade" van 100 meter, maar andermaal een constructie van hout. De aanwending van hout als bouwmateriaal werd immers opgelegd door Landsverdediging omdat het terrein, net buiten de stadsvestingen, waarop de respectievelijke stations stonden, militair domein was waar toen nog de verplichting gold een open schietveld vrij te houden van 500 meter. In geval van oorlog moesten de daarop staande constructies onmiddellijk kunnen afgebroken worden of zondermeer worden platgebrand. Door de economische hoogbloei in het midden van de 19de eeuw en de ermee gepaard gaande stijging van het aantal inwoners, moest de stad uitbreiding zoeken buiten de oude vestingsmuren. Rondom het tweede station groeide een commerciële stadswijk, die een belangrijk tegengewicht ging vormen voor de oude stad. Als gevolg daarvan ontstond tussen beide kernen de verbindingsas Meir - Keyserlei. Deze verkeersader, de belangrijkste van de stad, werd bebouwd met monumentale architectuur. Hierdoor kwam het houten station in de verdrukking te staan en verdween het in het niet in vergelijking met zijn omgeving.
Antwerpen droomt van een groot station Amper tien jaar na de bouw van het tweede station werden er alweer plannen gemaakt voor een groter station op een meer geschikte plaats. Het ambitieuze project werd vanaf dan heen en weer geslingerd tussen twee belangengroepen: het stadsbestuur en de regering. Zelfs Koning Leopold II mengde zich in het debat en verkondigde in 1869 dat Antwerpen een waardig station diende te krijgen. Ook de bevolking droomde van het 'ideale' station en meerdere privé-voorstellen werden geformuleerd. Het station was nog niet eens gebouwd, maar toch reeds volop voer voor de pers. Pas in 1891 werd de knoop definitief doorgehakt door J. Vandepeereboom. Minister van Spoorwegen, Posterijen en Telegrafen, die stelde dat het nieuwe station op de plaats van het bestaande zou komen. Het moest "eenfraaien bouw" worden en vóór het station moest er een plein worden aangelegd. Ook het spoor, dat toen nog gelijkgronds liep, moest verhoogd worden om op die manier een betere kruising met het overige verkeer mogelijk te maken. Het toen bestaande spoor sneed als het ware de stad in twee. M&L 42
De gevel aan de De Keyserlei in zijn oorspronkelijke toestand (prentbriefkaart, verzameling G. De Smet)
Het monumentale "Centraal Station Na deze beslissing werd aan de Antwerpse architect Ernest Dieltiens (architect van onder andere het Zuiderpershuis op de Waalse Kaai) de opdracht toegewezen om een ontvangstgebouw te ontwerpen. De plannen voor de spoorhal bestonden toen al en waren opgemaakt door rijksingenieur Clement Van Bogaerd (1889). Niettegenstaande het ontwerp van Dieltiens bijzonder in de smaak viel van de Antwerpse Burgemeester Leopold de Wael (2) werd hij om ons nog duistere redenen, uit de boot (de trein?) gewipt. Mogelijks is hier terug Koning Leopold II op het toneel verschenen, want de in 1894 nieuw aangeduide ontwerper werd Louis Delacenserie. Van deze Brugse architect weten we dat hij veel bewondering genoot vanwege Zijne Majesteit. De Antwerpenaren zelf waren minder opgetogen dat een Antwerps architect de plaats moest ruimen voor een Bruggeling. Anderzijds moesten de Bruggelingen er zich in schikken dat hun station (1883-1884) werd gebouwd door de Antwerpse bouwmeester Jos Schadde. Louis Delacenserie (18391909) studeerde aan de academie van Brugge en behaalde in 1862 de Prijs van Rome. Hij werd leraar en later directeur van de Brugse academie. In 1870 werd hij benoemd tot directeur van de stadswerken. Hij was ook lid van het Provinciaal Comité van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. In mei 1894 vertrokken Delacenserie en Van Bogaert, het duo ontvangstgebouw - spoorhal, op studiereis naar Duitsland en Zwitserland, waar ze onder andere de stations van Berlijn, Frankfurt, Straatsburg en Luzern bezochten. Delacenserie had zijn voorontwerp klaar in oktober 1894. In augustus 1897 volgden de bouwplannen en in oktober 1898 werd het ontvangstgebouw voor 5.898.000,-fr. aanbesteed. Op 11 augustus 1905 werd de toen nog "Middenstatie" genoemde spoorwegkathedraal, zonder enige vorm van festiviteit, geopend.
Het station van Luzern als voorbeeld In zijn voorontwerp liet Delacenserie zich duidelijk inspireren door dit station, gebouwd tussen 1889 en 1896. Het was geconcipieerd rond een centrale ruimte, bekroond met een koepel en aan de zijkanten geflankeerd door twee vleugels (3). Het lijdt nauwelijks twijfel dat Delacenserie de plannen van Luzern op zijn studiereis in 1894 gezien heeft; bovendien liet Koning Leopold II tijdens een bezoek aan de Zoo, in het najaar van 1897, verstaan dat hij wenste "dat de bouwmeester een station zou oprichten bestaande uit grootsche lijnen en verdelingen, in den aard der statie van Luzern" (4). Dat het Antwerpse station de 'lijnen' van Luzern overneemt, doet echter niets af aan de kwaliteit van Delacenseries ontwerp. Hij moet ginds voornamelijk onder de indruk geweest zijn van de uitzonderlijke waarde die een centraalbouw te betekenen heeft voor het concept van een ontvangstgebouw.
Een Pantheon als inspiratiebron Een centraalbouw biedt de ideale ruimte om de functie te vervullen van draaischijf voor circulatie, een centrum en ontmoetingsplaats voor reizigers. Hier staat de mens centraal. Niet verwonderlijk dat de renaissance-bouwmeesters de centraalbouw als ideaal nemen en daarom teruggrijpen naar Romeinse voorbeelden. Het meest monumentale hiervan is ongetwijfeld het Pantheon te Rome. Ten tijde van het Romeinse keizerrijk fungeerde dit enerzijds als tempel en anderzijds als centrum voor staats- en rechtshandelingen (5).
De gevet aan de De Keyserlei, na het verwijderen van de torens in 1958 (eigen foto)
Naast de utilitaire functie heeft het Pantheon ook een belangrijke communicatieve functie die via een symbolische taal wordt uitgedrukt: — De onderbouw bestaat uit klassieke decoratieve elementen: zuil, kapiteel, fronton... . Hierin bevonden zich ook de tentoongestelde goden. Omdat dit gedeelte door de mens is geconcipieerd staat het ook het dichtst bij hem; daarom wordt het beschouwd als het "antropomorfe" gedeelte. — De oppervlakte-behandeling van de koepel vertoont een uitsluitend abtstracte en daarom geometrische vormgeving, uitgewerkt onder de vorm van casettes. Dit staat op zijn beurt symbool voor het uitspansel of de "kosmos". — De opening uitgespaard in de top van de koepel is de enige lichtopening in deze ruimte. De binnentredende stralenbundel die meedraait met de zon, werkt hier als een zonnewijzer en symboliseert op zijn beurt "het begrip tijd". Deze drie belangrijke symbolen: de mens en zijn wereld, de kosmos en het oneindige en het alles overheersende begrip "tijd", vinden we eveneens terug in de centraalruimte van het station. Het symbool van de tijd is hier echter uitgebeeld onder de vorm van vier grote ramen aan de basis van de koepel.
De godencultus van de 19de eeuw Een nog sterkere gelijkenis met het Pantheon biedt de uitstalling van de goden. De Romeinse goden zijn hier uiteraard 19de-eeuwse goden geworden, of althans de toen verheerlijkte 'waarden'. We vinden ze terug onder de vorm van bas-reliëfs ter hoogte van de borstwering van de tweede verdieping. In de westgevel zien we de symbolen voor de Scheepvaart en de Haven, onder de vorm van een anker gekruist door twee roeispanen. Daarnaast zien we een Mercuriusstaf als symbool voor zowel de Handel als het Verkeer. In de noordgevel staat de bijenkorf voor zowel het Bankwezen als het Kapitaal en daarnaast beeldt een korenbussel de Landbouw uit. In de oostgevel is het Leopold II die alle aandacht opeist. Het uurwerk boven de trap die naar de sporen leidt, is het voornaamste symbool en kan als dusdanig vergeleken worden met het beeld van de keizer in het Pantheon. "Time is money", een uitspraak die haar oorsprong vindt in de 18de eeuw, komt in deze 19de eeuw, waarin het kapitalisme zegevierde, volop tot haar recht omdat men nu de tijd kon beheersen door onder andere sneller te reizen; met de trein uiteraard. Ook de Spoorweg was fier op het uurwerk als symbool: onder haar impulsen werden immers in alle steden de klokken gelijk gesteld, wat een fundamentele vereiste was voor het opmaken van uurregelingen voor de treinen en het samenstellen van een spoorboekje. Uit dit alles leren we dat deze architectuur ook nog een ideologische functie te vervullen had. De idealen van de 19de-eeuwse burgerij werden 'versteend' en via deze weg werden ze overgedragen aan de alledaagse treinreiziger. Hier werd het geloof in de vooruitgang gepropageerd. 43 M&L
m—'—1,— •
Doorsnede over het Station, met zicht op de binnengevel kant Zoo. Ontwerpplan van L. Delacenserie, 1897 (verzameling NMBS)
Een renaissance centraalbouw met torens Als we de buitenkant van het station in ogenschouw nemen merken we dat de renaissance-invloed even sterk is doorgedreven. In hun grondgeledingen refereren de gevels naar het Italiaanse Palazzo met zijn drieledige opbouw en een basis met zware bossages. Deze delen zijn van elkaar gescheiden door een horizontale geleding met al of niet doorlopende lijsten, bovenaan afgeschermd door een sterk uitkragende kroonlijst. Niet minder belangrijk was de aanwezigheid van een aantal torens, die opstegen uit de gevels en de centrale koepel omringden. Dit verschijnsel uit de renaissance is ons minder bekend, tenzij we de studies kennen van de vroeg-renaissance centraalbouw. Meesters als Alberti, Filarete en Leonardo Da Vinci getuigen hiervan in hun geschriften. Hun schetsen vertonen telkens een centrale koepel die omringd werd door 4, 8 of zelfs nog meer torens. Ook het Centraal Station werd gebouwd met acht torens rondom een monumentale koepel. Zes van deze torens werden in de loop van de jaren uit M&L 44
veiligheidsoverwegingen verwijderd, te wijten aan de gebruikte steen. Vinalmont, een Belgische karboonkalksteen, gelijkt sterk op onze Blauwe Hardsteen, maar vertoont na een aantal jaren inwendige ziekteverschijnselen waardoor hij open splijt. Reeds in 1957 werd een voetganger aldus getroffen door een vallende steen, afkomstig uit een der torens; in 1958 begon men de eerste torens af te breken. Een dergelijke radicale ingreep zou vandaag nauwelijks denkbaar zijn, te meer daar het station in 1975 beschermd werd als monument. De Maatschappij van de Belgische Spoorwegen, vertoont nu alvast beduidend meer respect voor dit architecturaal meesterwerk dat slechts enkele decennia terug nog werd bestempeld als "Patékes architectuur". Voor de renaissance-meesters zou het verwijderen van één of meer van deze torens neerkomen op het amputeren van één of meer lichaamsdelen. Inzake de volmaaktheid van een gebouw inspireerden zij zich immers op het meest ideale lichaam: de mens. Zei Alberti niet zelf: "de harmonie is, in overeenstemming met alle delen, op zulk een wijze bereikt dat niets kan worden toegevoegd, weggenomen of veranderd tot schade van het geheel".
•r
^F
gepolijst geschelpt marmer met bruinen grond gepolijste Mohasteen van verschillende kleur gepolijst grijs marmer
Waudelé-
Maassteen of petit
gromt
gepolijste witte steen voor effen delen witte Franse steen (St.Joire) voor te beeldhouwen delen Florentijnse steen voor de einden der kapelletjes
45 M&L
Een levend monument Vooraleer nog maar gedacht kan worden aan de restitutie van de verdwenen elementen, heeft de Nationale Maatschappij voor Belgische Spoorwegen geopteerd om het monument in zijn bestaande toestand te herwaarderen. Nu het vastligt dat Antwerpen in 1997 aangesloten wordt op het Europees net van hogesnelheidstreinen moet dit station niet enkel technisch hiervoor uitgerust worden, maar moet het ook opgefrist en daar waar nodig gerestaureerd worden om opnieuw 'representatief' te kunnen zijn. Het gebouw is eigendom van de Staat en valt daarom buiten elke vorm van subsidiëring. De Nationale Maatschappij van de Belgische Spoorwegen, die in eerste instantie een vervoermaatschappij is en in deze functie al haar financiële middelen broodnodig heeft, doet hier een bijzondere inspanning. Zij zal naast de aanpassingswerken, genoodzaakt door de komst van SST, ook instaan voor de herwaardering van het monument. De volgende werken worden vooropgesteld: — De ondergrondse noord-zuidverbinding, waarbij de verkeerstechnische problemen van dit station opgelost worden en haar rol als draaischijf voor nationaal en internationaal spoorvervoer ook voor de 21ste eeuw wordt bevestigd. De twee te bouwen spoortunnels zullen voor zowel het nationaal, het internationaal als het SST-verkeer snellere verbindingen verzekeren. De problemen verbonden aan een kopstation en het feit dat dit station aan de grens van zijn capaciteitsvermogen is gekomen, worden hierdoor opgelost. — De restauratie van de spoorhal. Hiervan is de eerste fase reeds voltooid. Deze hal zal in haar totaliteit gerestaureerd zijn tegen eind 1994. — De buitengevels van het ontvangstgebouw zullen opgefrist worden. Bijkomend zal ernaar gestreefd worden de gevaren verbonden aan de openscheurende Vinalmont in te dijken. Meteen kan het station terug toegankelijk worden voor voetgangers, via de normale toegangen. — De wandelzaal van het ontvangstgebouw wordt in haar vroegere glorie hersteld. Bij wijze van proef werd alvast de binnengevel, kant De Keyserlei, opgefrist.
De kleurrijkdom van de wandelzaal Reeds eerder werd aangehaald dat het concept en de vormgeving van deze ruimte teruggrijpt naar de centraalruimte van Romeinse en Renaissance voorbeelden. Van deze bouwwerken weten we dat het gebruik van diverse marmers een belangrijke rol speelde in de kleurbepaling van de architectuur. Kleur en vorm waren evenwaardige componenten van de compositie. Delacenserie kleurt hier het geheel met een palet van meer dan twintig verschillende marmer- en natuursteensoorten. Alleen al in de gereinigde gevel werden M&L 46
Gereinigd bas-reliëf met de Mercuriusstaf: het symbool voor de Handel en het Verkeer (eigen foto)
een tiental marmers en andere natuurstenen verwerkt. Het merendeel van deze marmers is van Belgische oorsprong. Geen wonder dat deze monumentale hal destijds beschouwd werd als een staalkaart van de toenmalige Belgische marmerexploitatie. Door het feit dat de meeste van deze marmers niet meer ontgonnen worden is het vandaag bijzonder moeilijk geworden de hier gebruikte soorten te gaan bepalen. Het enige document dat ons informatie verstrekt over de in dit gebouw gebruikte materialen, is het uit 1897 daterende bestek. Deze bron wijkt echter af van de realiteit omdat tijdens de uitvoering wijzigingen werden aangebracht. Zo stellen we vast dat er voorgesteld werd om ofwel Maassteen, ofwel Petit Granit te gebruiken voor de basementen en de kapitelen van de pilasters en de kolommen. In werkelijkheid werd echter Euville-steen aangewend. Het beeld van de hier aanwezige materiaal- en kleurenrijkdom werd ons tot voor kort niet meer gegund. Een vuilafzetting van bijna 85 jaar was er de oorzaak van dat alles met een donkere film overtrokken was geraakt. Op sommige plaatsen was, en is het nog steeds onmogelijk het onderscheid te maken tussen licht- en donkergetinte marmers.
Hoe marmer reinigen? De oorzaken van de jarenlang opgestapelde verontreiniging zijn van velerlei aard: — de vettige uitlaatgassen van eerst de stoom- en later de diesellocomotieven; — het remstof, dit zijn fijne metaaldeeltjes afkomstig van de remschoenen van de treinen; — het tochtverschijnsel dat zowel uitlaatgassen, remstof en andere stofdeeltjes in deze hal binnenbrengt; de temperatuurverschillen tussen beneden en de zestig meter hoge koepel veroorzaken namelijk een schouweffect. Gezien de vele oorzaken en de graad van bevuiling stond men hier voor een in vergelijking met andere interieurs moeilijke opdracht. Daarbij komt nog dat tijdens de werken de wandelzaal permanent in dienst moest blijven en de reizigers geen hinder mochten ondervinden. Bovendien was men zich bewust van enerzijds de onschatbare waarde van de marmers en anderzijds het gevaar voor beschadiging bij toepassing van een verkeerd reinigingsprocédé. Het vooronderzoek werd gestart door informatie in te winnen bij het Bestuur voor Monumenten en Land-
schappen en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Zij brachten ons op de hoogte van een aantal geslaagde reinigingen en konden ons ook een aantal gespecialiseerde firma's aanbevelen. In overleg met deze firma's werd gezocht naar het aangewezen procédé. Door hen werden stalen gezet van eventueel in aanmerking komende systemen. Het vooronderzoek resulteerde in een aantal bevindingen waarvan we hierna een overzicht geven (6). De chemische reinigers hebben de eigenschap om snel en efficiënt te werken. De kans is echter groot dat de natuursteen onherroepelijk wordt aangetast. Reinigers op basis van zuren werken niet alleen het vuil los, maar tasten tevens het oppervlak van de steen aan doordat ze de kalk ontbinden. Eigenlijk halen ze het toplaagje van de steen weg waardoor het vuil automatisch meekomt. Basische reinigers vertonen bij applicatie geen zichtbare beschadiging. Pas later, soms na jaren, kunnen de nefaste gevolgen van deze behandeling aan het licht komen. De marmer kan gaan verkrijten en krijgt hierdoor het uitzicht van een suikerklontje. Zuren en alkali's kunnen daarenboven aan de basis liggen voor het ontstaan van zouten, zowel in de steen als in de voegen, waardoor de aftakeling nog verder gaat. Daarbij komt nog dat de gevaren verbonden aan een chemische reiniging in rechtstreekse relatie staan met de concentratie en de reactietijd. Tevens wordt aanbevolen om te neutraliseren en/of grondig na te spoelen. Wij zijn echter van mening dat deze nabehandelingen onvoldoende garanties geven om beschadigingen te voorkomen. Minder schadelijk is een reiniging met detergenten. Uiteraard zijn hier terug de aard van het detergent en de concentratie bepalend. Zij hebben echter het groot nadeel dat ze moeilijk uitspoelbaar zijn, waardoor de restanten hygroscopisch gaan werken en daardoor het vuil gaan aantrekken. Deze toestand kennen we van bijvoorbeeld een vloerkleed dat sneller gaat bevuilen na de eerste reinigingsbeurt. Alle hoger geschetste systemen vergen dus een enorme naspoeling en kunnen bijgevolg niet in aanmerking komen in dit station teneinde de reizigers niet te verrassen op een onverwachte bui.
Boven: Contrast tussen gereinigd en niet gereinigd (eigen toto) Onder: Reinigingswerk in uitvoering (eigen foto)
Naast de groep van chemische reinigers kennen we nog de fysische systemen, waaronder het afspuiten met water onder hoge druk en het afstomen. Aan deze toepassing zijn uiteraard niet dezelfde nadelen verbonden als die van de chemische reinigers. Theoretisch beschouwd zou men ze kunnen aanbevelen, maar praktisch gezien zijn ze moeilijk toepasbaar in een interieur. Men dient rekening te houden met de mogelijke gevolgen van waterdoorslag: afvallend pleisterwerk, schimmels, roestvlekken van metalen ankers, en dergelijke. Daarbij komt nog dat het marmer kan beschadigd worden door een te hoge druk, waardoor de zachtere delen uit het conglomeraat worden weggeblazen. Gezien deze gevaren en de grote wateroverlast kon ook dit systeem niet weerhouden worden. 47 M&L
Gevelfragment vóór de reiniging (eigen foto)
Gevelfragment na de reiniging (eigen foto)
De sluier opgelicht In samenspraak met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium werd uit het onderzoek één procédé weerhouden. Het betreft een reinigingssysteem waabij gebruik wordt gemaakt van een schuurpasta. Het hoofdbestanddeel van deze pasta is zuivere kaolin, Chinese klei genoemd, die ook gebruikt wordt in de porseleinproduktie. In deze pasta is een zwak detergent aanwezig, waarvan de PH-waarde neutraal is. Niettegenstaande de nadelen verbonden aan detergenten waren we omwille van de vettige aard van de bevuiling verplicht om het gebruik ervan te aanvaarden. De zachte schuurwerking van dit systeem stond er borg voor dat het gepolierde oppervlak van het marmer niet werd beschadigd. De schuurpasta gaf niet alleen een bevredigend resultaat op het marmer, maar gaf ook een prima resultaat op de kalkzandsteen, die hier aanwezig is in het vlakke parement. Kort omschreven komt de uitvoering hierop neer dat na het stofzuigen van de soms centimeters dikke stoflaag de gevel manueel wordt opgepoetst. Het losgewerkte vuil wordt dan met de spons opgenomen. Op plaatsen met een hardnekkige bevuiling moet de behandeling meerdere malen hernomen worden. Nadat alle sporen van bevuiling verwijderd zijn wordt nog eens extra nagespoeld met de spons, om zeker te zijn dat er zo weinig mogelijk residu achter blijft. M&L 48
Kapiteel waaraan een aantal acanthusbladeren ontbreken (eigen foto)
Kapiteel vóór de reiniging (eigen foto)
Kapiteel na de reiniging en het hervergulden van het bladgoud (eigen foto)
Dit systeem werd ontwikkeld door de N.V. Building Treatments and Applications uit Wilrijk. Het werd reeds eerder, en met succes, toegepast voor de marmerreinigingen in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, de Sint-Romboutskathedraal en de zijkapellen van de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen.
kwam. Kleursonderingen brachten aan het licht dat de oorspronkelijke schildering bestond uit twee licht gekleurde grijstinten. Hierdoor werd het contrast beklemtoond tussen de hoofdstructuur, die lichter van tint was, en de iets donkerder raamroeden. Op basis van de sonderingen en de oorspronkelijke kleurstudies van Delacenserie werd gezocht naar een schildering die zowel bij daglicht als bij tegenlicht van de achterliggende kantoren, de structuur liet spreken.
Na de reinigingswerken werd overgegaan tot de restauratie. Dit werk omvatte: — het hechten van scheuren; — het opvullen van boorgaten en het herstellen van beschadigingen; — voegherstellingen; — het met bladgoud hervergulden van bloemmotieven, rosassen en boordmotieven van de kapitelen; — het terugplaatsen van ontbrekende acanthusbladeren van de Corintische kapitelen (7); — het in de was zetten met zuivere bijenwas van de oorspronkelijk geboende marmers. Ook het kleurgebruik van de beglaasde wand, onder het gewelf, werd in ere hersteld. De metaalstructuur werd in de loop der jaren overschilderd met een roodbruine kleur, met als gevolg dat dit belangrijk element in deze architectuur niet meer tot zijn recht
De gereinigde en gerestaureerde gevel heeft een oppervlakte van ± 700 m2. De totale oppervlakte van alle binnengevels, met inbegrip van de koepel en de gevel naar de sporen bedraagt ± 12.000 m2. Om een beeld te krijgen van haar omvang kan deze oppervlakte vergeleken worden met de gevelwanden van bijvoorbeeld de De Keyserlei of de Cogels Osylei. Tot slot kunnen we stellen dat de herwaardering van deze gevel menig toeschouwer heeft verrast. Niemand had zich immers kunnen voorstellen dat er achter het vertrouwde beeld van de architectuur van dit station, de schittering van een paleisarchitectuur verscholen zat. Een "koninklijk station" zouden we het kunnen noemen, des te meer omdat Koning Leopold II persoonlijk begaan was met de bouw van dit monument.
Voetnoten (1) De hier geschetste historische en architecturale benadering refereert in grote lijnen naar de publikatie Het Centraal station van Antwerpen, een levend monument (door P. De Somer, licentiaat archeologie: G. De Smet, architect; met een bijdrage van R. Tijs, architect-planoloog). Deze publikatie kan men bekomen bij de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg van de stad Antwerpen, Jordaenshuis, Reyndersstraat 6. (2) Leopold de Wael stierf op 17 augustus 1892 en werd als Burgemeester op 4 november 1892 opgevolgd door Jan Van Rijswijck. (3) Dit station brandde grotendeels af in 1971. Momenteel wordt de overgebleven ruïne behouden en heeft men aansluitend een nieuw station gebouwd. (4) Handelsblad, 17 september 1897.
(5) Op latere datum gaat men het gebruiken als kerkgebouw, waardoor de antieke goden plaats moeten ruimen voor de heiligen van het christendom. (6) Binnen dit kader vinden wij het niet aangewezen, noch achten wij ons bevoegd, om een diepgaande scheikundige benadering te geven van deze problematiek. Wij verwijzen hiervoor naar het K.I.K. en het W.T.C.B. (7) Om te besparen op het beeldhouwwerk werd alleen de kern van deze kapitelen in natuursteen uitgevoerd. De acanthusbladeren, de bloemmotieven en de voluten werden in gedreven koper gemaakt en daarop bevestigd. Het koper werd in de kleur van de steen geschilderd, waardoor het geheel de indruk geeft van een kunstig beeldhouwwerk. Meerdere blad- en bloemmotieven waren verdwenen. 49 M&L
• • •
De restauratie van de Sint-Martinuskerk te Berg
Jos Gyselinck en Christine Vanthillo, B.M.L.
Berg is een Haspengouws dorpje, op een 3 km ten noordoosten van Tongeren. Gelegen op een heuvelrug, ten noorden van de baan Tongeren-Maastricht, biedt het sierlijk silhouet van de wettelijk beschermde Sint-Martinuskerk (1) een belangrijk accent in deze landschappelijk vrij gave omgeving. Door de in 1989 voltooide restauratiewerken, herwon dit 'Romaans' kerkje zijn oorspronkelijke architectonische kwaliteiten.
De Sint-Martinuskerk in het omgevende landschap (foto P. van den Brouck) M&L 50
Situering
gezien de proost van Tongeren het patronaatsrecht van Berg in 1197 geschonken had aan het kapittel van Tongeren. Dit patronaatsrecht werd in 1204 bevestigd Talrijke vondsten van Romeinse substructies, puin en door bisschop Hugo van Pierrepont en op 9 juni 1232 aardewerk (2) onder andere bij de Galge- (3), de door paus Gregorius IX (6). Berg was derhalve ook Hommeien- en de Trappersberg, de aanwezigheid niet afhankelijk van het landdekenaat Tongeren, doch van een genivelleerde tumulus op het "Tomveld", van de aartsdiaken van Haspengouw (7). Op 24 januari wijzen er op dat er in Berg en omgeving reeds in de 1244 werd de kerk van Berg niet meer toegewezen Romeinse periode een vrij intense bewoning moet aan een kannunik van het kapittel van Tongeren, geweest zijn. De ligging in de onmiddellijke nabijheid maar aan een priester die in Berg resideerde. Berg van de Romeinse heirbaan Tongeren-Maastricht, op werd zelf moederkerk in 1261 ingevolge de oprichting de plaats van de huidige rijksweg, is hier niet vreemd van de filiale parochiekerk van Elderen (8). aan. Dat dit kerkje is ingeplant temidden of in de onmiddellijke omgeving van een Romeins site, wordt trouwens voldoende aangetoond door de ontdekking De kerk vóór de restauratie in 1869 van een viergodensteen (4) die in de altaarsokkel was ingemetseld. In het parament van de kerktoren zijn bovendien verschillende Romeinse tegula- Het huidig grondplan beschrijft een driebeukige basifragmenten en zelfs een steenbrok met de Romeinse lica van vier traveeën met niet-uitspringend transept inscriptie "L" ingemetseld. en vijfzijdig koor. Van de primitieve Romaanse kerk, gebouwd op het einde van de 11de en in het begin van de 12de eeuw, met regelmatig gekapte silexblokken en tufsteen, resteren de middenbeuk, het benedengeParochie deelte van het transept, het Romaans poortje in de noordelijke zijbeuk en — vermoedelijk — het silexbaBerg maakte oorspronkelijk deel uit van de zeer sement van de toren. Het Romaanse schip dat aan uitgestrekte parochie Tongeren (5), die in de 13de weerszijden verlicht wordt door telkens vier kleine, eeuw, buiten de moederparochiekerk Onze-Lieve- rondbogige bovenlichten, eindigde oorspronkelijk Vrouw, twee parochiekerken intra muros (Sint-Jan mogelijks op een halfronde absis (9). In de oostzijde en Sint-Niklaas) en zeven quartae capellae (Henis, van de noordelijke en zuidelijke transeptarm is de Mulken, Neerrepen, Offelken, Piringen, Riksingen, oostzijde van de Romaanse zijbeuken volledig Widooie) telde. De parochie van Tongeren werd bewaard gebleven: oorspronkelijk twee spaarvelden, geleid door een proost die onder meer de pastores bovenaan afgesloten door een dubbele rondboog en van de filiaalkerken en de rectores van de capellae gescheiden door een liseen. Ter hoogte van de bovenbenoemde. Berg vormde hierop een uitzondering. ste gedichte boogfries, merkt men een vrij grote
yrcnc^Lnn
Grondplan van de Sint-Martinuskerk (arch. E. Martens, 1978)
51 M&L
dichtgemetselde oculus, later toegevoegd wellicht om de zijbeuken beter te verlichten. De drie spaarvelden met dubbele rondboog in de noordzijde van de noordelijke transeptarm, stammen eveneens uit deze bouwfase. Wellicht in de 13de eeuw werd de zware, vierkante westertoren opgetrokken in een afwisselend verband van silex, tufsteen en mergelblokken. Voor de hoekkettingen werd eveneens mergel gebruikt. De toren werd in 1792 met baksteen verhoogd en afgedekt met een leien tentdak. De aanpassing van de drie galmgaten is eveneens in deze periode te situeren. In de loop van de 15de eeuw werd de halfronde absis (?) vervangen door een vijfzijdig koor, gestut door vier overhoekse steunberen met drie versnijdingen en driehoekige dekstenen. Ter hoogte van de aanzet van de vensters loopt een waterlijst met bloemmotieven, over de hele breedte van het koor. Het geheel is volledig uitgevoerd in mergelsteen. Tussen 1561 en 1569 (10) werd, op de silexmuren van de Romaanse zijbeuken, het transept verhoogd tot
De neogotische glasramen in het koor (foto G. Charlier)
puntgevels, verbonden met een zadeldak. De vergroting werd uitgevoerd in mergelsteen, de beide puntgevels in mergel afgewisseld met speklagen in baksteen. Onder de kroonlijst van de oost- en westgevels van de beide transeptarmen loopt eeen boogfries in driepas, rustend op consooltjes waarvan sommige de vorm hebben van bloemornamenten. In de geveltop bevindt zich een laatgotische, rechthoekige, geprofileerde muuropening met negblokken en accoladevormige latei, waarboven vier ronde openingen. De verlichting van elke transeptarm gebeurt door een spitsboogvenster met drielicht waarboven visblaastraceringen.
De noordelijke (boven) en zuidelijke (onder) zijbeuken vóór de restauratie (foto B.M.L.) M&L 52
De zijbeuken zijn het resultaat van verschillende vergrotings- en aanpassingswerken, enerzijds in 1792 toen de zijbeuken verhoogd werden, zodat het lessenaarsdak de bovenlichten van de middenbeuk half verborg, anderzijds in 1870 toen herstellingswerken werden uitgevoerd onder leiding van architect Léon Jaminé, onder meer de twee rechthoekige ramen met bakstenen omlijstingen in de noordelijke zijbeuk en vermoedelijk twee dito ramen in de zuidelijke zijbeuk. De verbouwingen in de zuidelijke zijbeuk en de creatie van drie grote steekboogvensters dateren van na de Tweede Wereldoorlog (cfr. infra). In de noordelijke zijbeuk is enkel de Romaanse deuromlijsting met platte fries, zigzagmotief en monsterkopjes, nog oorspronkelijk. In tegenstelling met de buitenzijde, die een zeer heterogeen uitzicht biedt, bezit de kerk een intimistisch en zeer harmonieus interieur.
Het kerkinterieur (11) werd vanaf de jaren 1870 heringericht in neogotische stijl. Het vlakke, gepleisterde plafond (12) werd geschilderd in imitatie-houtpanelen. De bepleistering van de muren kreeg een beschildering in imitatie-zandsteenblokken. Het koor werd grondig aangepakt. De oude glasramen uit de 16de-17de eeuw, met voorstellingen van onder andere David als koning en als profeet en wapens van Tongerse families, werden vervangen door neogotische figuren van Ambrosius, Thomas Aquino, Hiëronymus en Augustinus.
,:v
De middenbeuk is van de zijbeuken gescheiden door smalle rondboogarcaden op vijf zware, vierkante pijlers met gegroefde, trapeziumvormige dekplaat. Schip en zijbeuken zijn afgedekt met een vlakke zoldering. Koor, transept en toren zijn overkluisd met een gotisch ribgewelf. De kruisribben van de viering rusten op halfzuilen die tegen de vieringspijlers aanleunen en bekroond zijn met bladkapitelen. De zijwanden van het transept en het koor zijn volledig opengewerkt met drielichten. Onder de koorramen loopt een arcade van halfronde blindnissen, waarvan de archivolten versierd zijn met moulures en rosassen. Aan weerszijden van het altaar en in het midden van de blindnissen is een sacrarium uitgespaard, overspannen met een accoladeboog. De nissen worden gescheiden door halfzuiltjes in het verlengde van de gewelf ribben. Via een rechthoekige deur, ingemetseld in de rondboog onder het doksaal, bereikt men de gelijkvloerse torenruimte, volledig uitgevoerd in mergel en overkluisd door middel van een kruisribgewelf, waarvan de ribben rusten op vier hoekkolommen. In de muren zijn zitbanken uitgespaard, waarboven in de zuid- en noordwand telkens twee gekoppelde blindnissen met mijtervormige afsluitingen en in de oost- en westwand blinde rondboogarcades.
;/
Ontwerp voor de decoratieve beschildering Grootaers, 1904 (archief K.C.M.L.)
;
van het koor, door ].
53 M&L
Het middelste raam, gewijd aan Sint-Martinus, werd geleverd door het atelier Pluys uit Mechelen (13). Beeldhouwer Alphonse Dumont uit Sint-Truiden leverde in 1881 het ontwerp voor 2 zij-altaren, nadat enkele jaren tevoren reeds een nieuw hoofdaltaar geplaatst was. De nieuwe altaren, die het oudere Onze-Lieve-Vrouwe-altaar (links) en het Sint-Martinusaltaar moesten vervangen, werden op aandringen van Jaminé, provinciaal architect, door de Commission Royale des Monuments afgekeurd "parce que les meubles auraient une importance exagérée pour l'édifice modeste auquel ils sont destines". Dumont had dringend opdrachten nodig om zijn atelier draaiende te houden en vroeg bij verschillende instanties zijn project te steunen. Na aanpassing werd hem het werk tenslotte gegund. De zes halfzuiltjes tegen de absismuur droegen elk een baldakijn met een beeld. Deze beeldjes werden vervangen door kalkstenen figuren van de 4 evangelisten. Petrus en Paulus. Tijdens de tweede restauratiebeurt vanaf 1902, onder leiding van Mathieu Christiaens, werd gedacht aan de decoratieve beschildering van het interieur. Nadat het schip en de zijbeuken reeds afgewerkt waren kreeg J. Grootaers uit Tongeren in 1904 de opdracht om aan de Commission Royale des Monuments een ontwerp voor te leggen voor het koor in dezelfde zin als de bestaande beschildering in schip en zijbeuken. Op 4 januari 1906 werd de uitvoering van één travee ter plaatse gekeurd door de Commissie en in de daarop volgende jaren werd het werk voltooid. De versiering "en couleurs avec des ors" was vrij sober. Rondom de zoldering en de bogen van het schip liepen smalle blok- en zigzagmotieven boven bloemen. Rankwerk slingerde langs de
basis van de halfzuilen, de gewelfribben en rondom de vensters. De uitmonstering van het koor was rijkelijk: boven en onder de blindnissen liepen decoratieve friezen, wijnranken met druivetrossen en in de nissen het Lam Gods en de pelikaan die zijn jongen voedt in een medaillon. De kapitelen van de halfzuilen en de ribben waren gepolychromeerd en verguld. Grootaers leverde eveneens een nieuwe kruisweg voor 1.600,-fr. omdat de oude "versleten" was. Vervolgens werd de kerk met neogotisch meubilair gestoffeerd. Ontwerpen voor een communiebank, biechtstoel en preekstoel werden geleverd door Cloesen uit Tongeren en Pierre Peeters uit Antwerpen. In 1906 krijgt het in kerkmeubilair gespecialiseerde atelier Peeters, de opdracht. Er is van de kleurrijke beschildering, behalve ter hoogte van de aanzet van de ribben, bitter weinig overgebleven. Ook het kerkje van Berg werd in de 50-er jaren het slachtoffer van de ontpleisteringswoede. In 1951 immers vond het kerkbestuur dat "al de mergelparementen van het koor en de kruisbeuk met de meeste zorg ontdaan moesten worden van ontsierende verfwerken" (14) en éénkleurig gewit. Bij het afkappen van de bepleistering verdwenen wellicht ook de laatste resten van de gotische muurschilderingen die in 1887 in het koor werden ontdekt. Het betrof voorstellingen van de Werken van Barmhartigheid, onder andere de zieken bezoeken, de doden begraven en de dorstigen laven. Boven deze taferelen meende de auteur een Laatste Oordeelscène te herkennen. De bewaringstoestand was zodanig slecht dat het behoud niet kon gegarandeerd worden (15). Door de Conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen werden op 22 april 1984 proefvensters op de pijlers en de muren gemaakt om na te gaan of nog andere bepleisterings- of beschilderingslagen aanwezig waren. Vastgesteld werd dat de aanwezige pleisterlagen vrij recent zijn en de oude muurschilderingen derhalve verdwenen.
De restauratie Op 15 februari 1976 kreeg architect Erik Martens uit Maaseik (16) de opdracht een globaal restauratiedossier samen te stellen. Na de klassieke administratieve lijdensweg die bijna acht jaar duurde, werden de restauratiewerkzaamheden gestart op 1 mei 1984. De restauratie werd voltooid op 9 juni 1989, met inachtneming van een tijdelijke onderbreking van twee jaar (17). Het restauratieproject betrof in hoofdzaak het bouwfysisch herstel van het gebouw volgens een aantal duidelijk vooropgezette en minutieus toegepaste restauratieprincipes en met restauratief verantwoorde methodes.
Binnengezicht van de Sint-Maninuskerk, naar het westen, omstreeks 1895 (copyright A.C.L., Brussel)
Wm
M&L 54
Het dakherstel bleef grotendeels beperkt tot plaatselijke vernieuwing van muurplaten en modillons, het rechten en uitvullen van nokken en doorgezakte dakvlakken, herstel van de bebording, curatieve en pre-
•V
\ -/S
0i
De noorderzijgevel:
opmetingstekening
(boven) en restauratieontwerp
P\
«tl
-PS
(onder) (arch. E. Martens, 1978)
55 M&L
ventieve behandeling van het oud en nieuw timmerwerk en gedeeltelijke vervanging van de leibedekking. De koperen goten en afvoeren werden, waar nodig, vervangen of hersteld. In de toren werden de verschillende niveau's gezuiverd, de houten vloeren hersteld, beschermingsdraad in de galmgaten geplaatst. De kerkgewelven werden over de gehele oppervlakte thermisch geïsoleerd; een loopbrug boven schip, kruisbeuk en koor maakt deze zolderruimte nu toegankelijk voor onderhoud.
Eén van de belangrijkste opties was het wegwerken van de storende verbouwingen en aanpassingen van de ramen in de zijbeuken (19). Gezien er geen waardevolle bouwelementen overbleven, noch uit de Romaanse periode, noch uit een latere bouwfaze, en vermits na het afkappen van de binnenbepleistering in de zuidelijke zijbeuk de plaats van de oorspronkelijke ramen werd teruggevonden, werd geopteeerd om het Romaans aspect opnieuw te suggereren door rondboogramen met een duidelijk eigentijds accent, namelijk een Y-vormig metaalprofiel en klaar glas in lood. Op deze wijze werd zowel het interieur als het exterieur gehomogeniseerd.
Teneinde het capillair opstijgend vocht in de muren te bestrijden, werd over de hele oppervlakte van het kerkgebouw met de transfusiemethode een horizontale sperlaag aangebracht. Het volledig parament van kerkgebouw en toren werd gereinigd met zuiver stromend water onder lage druk en zonder toevoeging van chemische produkten; plaatselijk werd gestoomreinigd. Wat de herstelling van het parament betreft werd zowel voor de baksteen, de mergel, de silex als de maaskalksteen, het principe van het maximaal behoud gehuldigd. Het voegwerk werd grotendeels verwijderd en hervoegd met een kalkmortel.
In plaats van het dak van de zijbeuken te verlagen, wat vroeger (20) reeds gesuggereerd was en door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen goedgekeurd, maar nooit uitgevoerd, werden de acht bovenlichten opnieuw vrijgemaakt door plaatselijke verlagingen in het dak. In de raampjes werd helder glas in lood geplaatst, zodat het licht opnieuw de middenbeuk binnenstroomt zoals oorspronkelijk conceptueel bedoeld.
Het herstel van het oorspronkelijk architectonisch karakter van dit in kern Romaans kerkgebouw, werd in hoofdzaak bewerkstelligd door een aantal fundamentele restauratie-opties die werden genomen in gezamenlijk overleg tussen de opdrachtgever, de architect en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Een technisch zeer verzorgde uitvoering, te danken aan het vakmanschap van de aannemer en zijn personeel (18) en aan het nauwlettend en vakkundig toezicht op de werf door de architect, maakte van dit landelijk kerkje een toeristisch 'monumentaal' juweel.
Het vlak gepleisterd plafond met beschildering in imitatie-houtpanelen en centraal 19de-eeuws schilderij op doek met Sint-Martinus die zijn mantel deelt met een bedelaar, werd vervangen door een zoldering in gyplatplaten met pleisterlaag en witte beschildering. Vermits in de zijbeuken de draagstructuur van de horizontale cassettenplafonds niet verankerd was in de muren van de middenbeuk, maar volldig steunde op de bepleistering, werd beslist het horizontale plafond te vervangen door schuine plafonds in pleisterplaat, bevestigd tegen de schuine dakconstructie.
Het metselwerk van het koor, vóór (boven) en na (rechts) de restauratie (foto's B.M.L. en G. Charlier)
M&L 56
Het koorgewelf van de Sint-Martinuskerk (foto G. Charlier)
Het gerestaureerde schip, met teruggeplaatste apostelbalk (foto G. Charlier) 57 M&L
De bovenlichten in de middenbeuk. Toestand vóór (links) en na (rechts) restauratie (foto B.M.L)
Daardoor werd het ruimtelijk aspect in de zijbeuken hersteld. Gezien de tweefazige constructie van het kerkgebouw, werd ook voor de inwendige muur behandeling van beide bouwhistorisch verschillende gedeelten geopteerd voor een aparte aanpak. De 19de-eeuwse vlakke bepleistering van het Romaans gedeelte werd afgekapt en het oude metselwerk in silex werd — zoals oorspronkelijk (21) — opnieuw gekaleid (22). Deze kaleilaag werd beperkt tot de Romaanse gedeelten; zij werd afgewerkt met een tweelaagse witte beschildering met minerale verf die een hechte binding met de ondergrond aangaat. In het gotisch gedeelte van dwarsbeuk en koor werden de mergelstenen muurvlakken, gewelven en ribben licht opgeschuurd met fijn schuurpapier. De kleurige decoratieve beschildering van de gewelfribben, de kapitelen en de nissen in koor en transept werd gereinigd en plaatselijk met poedergoud en integrerende retouches hersteld. In het kerkje is eveneens een 15de-eeuwse "trabes" of apostelbalk aanwezig. In Limburg, en vooral in het Maasland, kwam de apostelbalk veelvuldig voor (23). Deze balk werd vaak versierd met geschilderde of gebeeldhouwde voorstellingen van de apostelen. Het midden van de balk wordt ingenomen door het hoofd van de Salvator Mundi. In Berg is de balk beschilderd met de bustes van Christus en acht apostelen, geplaatst in ondiepe rondbogige nissen waarrond een randschrift loopt. De schilderingen zijn uitgevoerd in tempera op een witte preparatielaag. In 1872 werd de balk verplaatst onder de ballustrade van het doksaal. Gelijktijdig werd het decor rondom de apostelhoofden herschilderd op een nieuwe dikke plamuurlaag. In de lacunes bemerkt men onder de plamuurlaag nog M&L 58
sporen van de originele zwart-rode schildering. Tijdens de huidige restauratiewerken werden de nog aanwezige sleuven in de halfzuilen tussen transept en schip vrijgelegd en werd de apostelbalk terug op zijn oorspronkelijke plaats gebracht (24). Een eigenaardigheid is dat de balk geen twaalf, maar slechts acht apostelen telt; vermoedelijk moest hij ingekort worden om tussen de zuilen te passen. In de bovenzijde van de balk zijn nog de drie openingen aanwezig waarin het triomfkruis met de beelden van Maria en Johannes waren bevestigd. Beide beelden, waarvan de onderste helft werd afgezaagd, zijn van Maaslandse oorsprong en bevinden zich nu in het Musée d'art religieux et d'art Mosan te Luik (25). Nieuw is ook de inrichting van het gelijkvloers van de toren als doopkapel (26) en het duidelijk visueel verbinden van deze ruimte met de kerk, door het aanbrengen van een deur met glazen stroken in de boog onder het doksaal. De mergelstenen wanden en het gewelf werden gereinigd, de gewelfrib en het gewelf zelf hersteld; de trap werd vervangen door een opklapbare, automatische harmonicatrap zodat de ruimte werd vrijgemaakt voor het opstellen van de oorspronkelijk Romaanse doopvont waarvan de kuip zich bevond in de voortuin van de pastorie (27). Als sokkel voor de vont werd door de architect een draagstructuur ontworpen die de Romaanse sokkel suggereert; boven de doopvont werd een eigentijdse verlichtingsarmatuur geplaatst. Vóór het Romaans inkompoortje in de noordelijke zijbeuk, bevond zich een voorportaal (28) in mergelsteen onder een zadeldakje. Deze constructie, die esthetisch storend werkte en constructief in slechte toestand verkeerde, werd verwijderd. Als vloer en
toegangsdrempel bevond zich hier de oorspronkelijke, trapezoïdale altaarsteen. Geplaatst op een metalen eigentijdse sokkel, kreeg hij opnieuw zijn bestemming als altaartafel in het koor. Ter vervanging van deze voorbouw, werd aan de binnenzijde een glazen tochtportaal geconstrueerd. Bij het verwijderen van het pleisterwerk bleek dat de rechthoekige sacristiedeur in de zuidelijke zijbeuk geplaatst was in een dichtgemetselde boogvormige opening. Deze boogvorm werd hersteld en gevuld met een deur zoals deze van de doopkapel, zodat er een relatie werd gecreëerd tussen sacristie en kerkruimte. Vermeldenswaard is tevens dat de bestaande, ijzeren raambruggen van de spitsboogramen in het koor werden vervangen door nieuwe in mangaanbrons.
voorzien van ingebraseerde glasdragers en afdeklatten. Het voorgeplaatste 6 mm dik spiegelglas sluit de openingen tocht- en wachterdicht af. Voor het overige werden in het koor het houten verhoog en in het schip de houten vlonders onder de stoelen verwijderd, zodat de kalkstenen vloer vrijkwam. Een grafsteen werd verplaatst naar het koor teneinde hem te vrijwaren voor verdere slijtage. Het meubilair, waaronder de neogotische altaren, de biechtstoel, de communiebank en preekstoel met inscriptie "D. AEGIDIVS GODSNOVEN ME SVE ECCLESIE DONAVITA01600", kregen een insecticide-fungicide-behandeling, en werden — waar nodig — hersteld en geboend met kleurloze bijenwas. Sobere, door de architect ontworpen verlichtingsarmaturen, verlichten nu dit stemmig interieur
De Sint-Martinuskerk, nu restauratie (toto G. Charlier)
59 M&L
J -
^TS'
De apostelbalk,
in ere hersteld op zijn oorspronkelijke
Pagina links: De doopkapel
plaats (foto G. Charlier)
met teruggeplaatste doopvont
(foto G. Charlier)
Voetnoten
( I ) De Sint-Martinuskerk werd wettelijk beschermd bij Konink-
lijk Besluit van 19 januari 1935. (2) Lux G.V., Roosens H . , Een Gallo-Romeins
(3) (4)
(5) (6)
(7)
In de beide halfzuilen tussen transept en schip waren nog de inlegsleuven aanwezig van de in de 19de eeuw verplaatste apostelbalk (foto B.M.L.)
(S) (9)
grafveld te GorsOpleeuw, in Archaeologia Belgica, 128, 1971, p . 52. Laurent R., Callebaut D . , Roosens H . , De landelijke bewoning in de Romeinse tijd. Archeologische kaarten van België, 3, 1972, p . 16. De Galgeberg werd wettelijk als landschap beschermd bij Ministerieel Besluit van 19 augustus 1985. Vierkantig voetstuk waarop aan elke zijde een Romeinse godheid (Juno, Fortuna, Mercurius, Hercules) is afgebeeld. Deze viergodensteen maakte vermoedelijk deel uit van een groter geheel, de zogenaamde Jupiter- of Jupitergigantzuil. Datering: ca. 200 na Christus; bewaard in het Curtiusmuseum te Luik. Habets J., Note sur un monument romain, trouvé a Berg, in Bulletin de la société d'art et d'histoire du diocese de Liège, 5, 1889, p . 201-210 + 1 pi. Halkin L., La pierre a quatre dieux de Berg-chez-Tongres, in Bulletin de l'institut archéologique liégeois, 4 1 , 1911, p. 223237. Van de Weerd H . , Inleiding tot de Gallo-Romeinse archeologie der Nederlanden, Antwerpen, 1944, p. 195-198. Mertens J., Enkele beschouwingen over Limburg in de Romeinse tijd, in Archaeologia Belgica, 75, 1964, p. 31. ld.. Vijfentwintig jaar archeologische opgravingen in België, tentoonstellingscatalogus, Brussel, 1972, p . 86-87. Baillien H., Tongeren. Van Romeinse civitas tot middeleeuwse stad. Assen, 1979, p . 125-137. Daris J., Notices historiques sur les églises du diocese de Liège, tome 11, Liège, 1882, p . 45-46. Paquay J., Les paroisses de Vanden concile de Tongres y compris les conciles de Hasselt et Villers-VEvêque démembrés du même concile, in Bulletin de la société d'art et d'histoire du diocese de Liège, 18, 1909, p. 58-62. Het aartsdiakonaat van Haspengouw omvatte de landdekenaten van Maastricht, Sint-Truiden en Tongeren. Gerard, pastoor van Berg, was van 1204 tot 1215 landdeken van het landdekenaat Tongeren, waarvan de zetel in laatstgenoemde stad gevestig was (Baillien H . , op. cit., p . 126). Daris J., op. cit., p. 47. Vóór 1945 werden hieromtrent reeds enkele opzoekingen verricht door een zekere "Broeder Lucas". In zijn verslag dd. 22 juni 1945 verzocht Ridder de Schaetzen de Koninklijke 61 M & L
Commissie voor Monumenten en Landschappen dat dit onderzoek zou voortgezet worden. In dit verband wordt verwezen naar Eerwaarde Broeder Albert en naar de Wetenschappelijke en Letterkundige Kring van Tongeren (cfr. Archiefdossier K.C.M.L.-A.R.O.L.-B.M.L, Limburg, nr. 6006, document 99). (10) Daniels P.. Paquay J., Inventaire archéotogique des objets existant dans les edifices publics, t. L , Canton de Tongres. Hasselt, 1914, p. 9. (11) Hiernavolgende gegevens zijn herkomstig uit het archiefdossier van de K.C.M.L.. documenten 26 en volgende. (12) Bij schrijven dd. 22 juli 1872 vroeg de Heer Minister van Justitie aan de Commission Royale des Monuments advies in verband met geplande herstellingswerken aan het kerkje van Berg. Eén ervan was de noodzaak om het pleisterplafond te vernieuwen. Architect Jaminé adviseerde dat men voorafgaandelijk de sporen van het oud plafond zou nagaan dat, volgens hem, uitgevoerd was in planken en waarschijnlijk in panelen. De Kerkfabriek bevestigt, na onderzoek, dat het plafond vroeger in houten planken was uitgevoerd en dat deze toestand diende hersteld. Op 26 september 1873 onderwerpt de Gouverneur een nieuw bestek aan het advies van de Commission Royale des Monuments met punt 1 "un plafond en bols de chène a adapter contre Ie plafond en mortier". Het voorstel om houten moulures op het plafond vast te maken bleek voor architect Jaminé "niet redelijk en niet in de stijl van de middenbeuk" (cfr. Archiefdossier K.C.M.L.. document 19-22). (13) Thys M.T., Notice historique sur iéglise de Berg, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 9, 1868, p. 23. Commission Royale des Monuments. Comité de la province du Limbourg. in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 14, 1878, p. CXXIV-CXXVIII. (14) Hasselt, Provinciaal Archief, Archief Kerkfabrieken, SintMartinus te Berg. (15) Revue de l'art chrétien, 5, 1887, p. 397. (16) Zijn voorganger, architect G. Daniels uit Maaseik, had sinds 12 januari 1970 de opdracht tot het bouwen van een ondergrondse bergplaats. Deze plannen werden nooit uitgevoerd (mededeling architect E. Martens). (17) Schorsing wegens wanbetaling. (18) P.V.B.A. Heylen uit Westerlo. (19) Uit het archiefdossier van de K.C.M.L. (documenten 97-107) konden wij in dit verband een vrij samenhangend verhaal distilleren, wat nochtans niet volledig leesbaar was in de opbouw van de gevels vóór de aanvang van de huidige restauratie. Op 30 mei 1945 richt de Kerkfabriek van Berg een schrijven aan de K.C.M.L. te Brussel met het verzoek een specialist af te vaardigen teneinde ter plaatse vast te stellen hoe de oorlogsschade kon hersteld worden. Op 7 juli 1945 verzoekt de K.C.M.L. de Gouverneur een onderzoek te laten instellen door een briefwisselend lid van de Provinciale Commissie. Ridder de Schaetzen van Brienen brengt op 22 juni 1945 een vrij omstandig verslag uit. waarin onder punt 2 het probleem van de vensters der zijbeuken uitvoerig wordt behandeld: "Alwie de kerk van Berg kent of bezoekt, betreurt de allesbehalve sierlijke veranderingen welke de 5 vensters (4 in de zijbeuken. 1 in de sacristij) ondergingen (zijkanten, dorpels, deksels zijn ongelijk, ruw gemetseld, slecht verbonden met het oude bloksteenwerk...). De 3 vensters aan den zuidkant schaden volkomen aan het uitzicht der kerk, de 2 aan den noordkant zijn eenigszins beter. Vlak tegen deze venster (zuiden) werden 2 vroegere vensters toegemetseld: ook zeer ruw en gansch de oppervlakte met eene mortellaag bezet". Als één der (vier) mogelijke oplossingen, wordt voorgesteld: "Herstelling met bijmaken van 3 nieuwe vensters om licht te bezorgen in de middenbeuk doorheen iedere opening tusschen de zware pijlers van het schip (aan de zuidkant heeft vroeger eene vierde venster bestaan). Dus: zuidkant: in 't geheel: 5 vensters: 1 sacristij, 2 bestaande, 2 nieuwe; noordkant: 3 vensters: 2 bestaande, 1 nieuwe, zijnde: 3 en de deur. tegenover de 4 openingen tusschen zij- en middenbeuken'-". De Provinciale Commissie treedt dit verslag bij (31 juli 1945). D e Kerkfabriek wordt aangezocht een bekwame architect aan te stellen die rekening zou houden met het verslag de Schaetzen. Architect M. Ulrix uit Tongeren wordt opdrachthouder. De plannen moeten vrij snel klaar geweest zijn. want op 14 september 1945 richt Ridder de Schaetzen een schrijven naar M & L 62
de K.C.M.L. met een toelichting. Van de oorspronkelijke vensters is geen spoor bewaard gebleven. "Zij werden vervangen door andere waarvan enige zijkanten teruggevonden werden zoals de plannen het duidelijk aanwijzen" (deze plannen zijn ons evenwel onbekend). "Daar de platte boog, met zelfde profiel als de zijkanten, later aangebracht is (de zijkanten gaan hoger op) mag men vermoeden dat de vensters oorspronkelijk uit twee openingen met een meneel bestonden, zoals ons voorstel nr. 2 van herstelling. Wij hebben gezocht naar het begin van een meneel op den dorpel, doch dit werd plat weggekapt". Op 21 oktober 1945 vraagt de gouverneur aan de K.C.M.L. hem dringend te willen ontvangen: "en ce moment il faut choisir entre deux directives et je voudrais éclairer ma lanterne auprès de la Commission". Op 13 november 1945 bericht de K.C.M.L. aan de Gouverneur dat zij akkoord gaat met de suggesties van gravin d'Ansembourg van Heks en vraagt dat het ontwerp voor de herstelling van de zijbeuken twee voorstellen zou voorzien: het verlagen van het dak van de zijbeuken en voor de vensters, de uitvoering van voorstel 1, dit is de boog en de dorpels der vensters verlagen.
(20)
(21)
(22) (23)
(24)
(25)
(26)
(27)
(28)
Anderzijds weten we dat volgens de plannen uit 1881 van architect A. Dumont er toen reeds twee rechthoekige vensters bestonden in de noordgevel-zijbeuk; in de zuidelijke zijbeukgevel waren eveneens twee rechthoekige vensters aanwezig met sporen ernaast van vensters met segmentboog. Tevens konden we uit een mondelinge mededeling vernemen dat het metselwerk van de noordelijke zijbeuk werd hersteld na instorting. Uit dit hele verhaal menen wij het volgende te kunnen concluderen: 1. De rechthoekige ramen in de noordelijk zijbeuk waren reeds aanwezig in 1881; zij bleven — op herstel na — nagenoeg ongewijzigd tot vóór de huidige restauratiecampagne; 2. de rechthoekige ramen met segmentboog, geblokte omlijsting, zogenaamd "gotische" profilering en uitspringende benedendorpel werden — naar zijn eigen getuigenis — in 1951 uitgevoerd door mergelbewerker H. Jongen uit Ziehen, op basis van een concept van M. Ulrix, geadviseerd door Ridder der Schaetzen en gravin d'Ansembourg. Zij hebben nochtans niets meer te maken met de nog eventueel aanwezige sporen — waarvan sprake in het verslag de Schaetzen — doch zij zijn veeleer een fantaisistische reconstitutie van wat overbleef van de restauratie van 1780. Deze optie vindt men reeds terug in het verslag de Schaetzen van 22 juni 1945 en in zijn schrijven aan de K.C.M.L. van 14 september 1945 (archiefdossier K.C.M.L.). De oorspronkelijke kaleilaag was nog duidelijk merkbaar op de buitenzijden van de middenbeuk, boven het vlak plafond van de zijbeuken. De samenstelling van de kaleilaag was als volgt: 3 delen wit zand, 1 deel gebluste kalk en 1/2 deel witte cement. Eisden, Ellikom, Neeroeteren, Sint-Truiden (Guvelingen). De oorsprong ervan gaat terug op een zeer oud ritueel. Geestelijken waren afgescheiden van de leken. De ruimtes van koor en schip konden gescheiden worden door een lage borstwering, soms nog ondersteund door een dwarsbalk. De conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen verrichtte de nodige conserveringswerken: ontstoffen, reiniging met white spirit en fixatie met paralloid B72, opgelost a 3 % in paraxyleen (mededeling Mevr. M. Buyle). Vrancken N., Bijdrage tot de kerkgeschiedenis van Berg, in Limburg, 37, 1958, p. 62, noot 7. L. Lombard et son temps, tentoonstellingscatalogus, Liège, 1966, p. 15. Deze optie werd reeds verwoord in het verslag de Schaetzen van 22 juni 1945, punt 9: "Inrichten van eene doopkapel onder den toren in het schoonversierde gothisch benedenvertrek, dat thans dient voor bergplaats en waarvan de fijn architecture niet zienbaar is. De doopvonten staan in de kruisbeuk. Doch er zijn twee moeilijkheden: de verplaatsing der trap en het aanbrengen van eene nieuwe bergplaats. Door het plaatsen eener houten zwendeltrap werd het gewelf, in mergelsteen, en eene rib vrij erg beschadigd" (archiefdossier K.C.M.L.). Reeds in 1859 kwam de 12de-eeuwse doopvont in de tuin van de pastorie terecht (cfr. Paquay J.. Les paroisses, p. 64; Vrancken N., op. cit., p. 59, noot 4). In het verslag de Schaetzen van 22 juni 1945 was onder punt 2 reeds voorgesteld om dit portaal aan te passen: "Verbetering aan het modern portaal dat erg schaadt aan de oude romaansche deur".
Bibliografie
Bulletin des commissions royales d'art et d'archéologie. Bruxelles, 1 (1862), p. 483; 2 (1863), p. 260; 3 (1864), p. 201; 4 (1865), p. 357-358; 21 (1882), p. 156; 41 (1902), p. 129; 44 (1905), p. 13-14; 45 (1906), p. 17-18; 48 (1909), p. 359. Paquay J.. Records ecclésiastiques de Vanden concile de Tongres, Archidiaconé de Hesbaye, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 25, 1907, p. 239-257. ld., Inventaire des petites archives du canton de Tongres, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 32, 1914, p. 137-148.
ld.. Visites archidiaconales et rescriptions des églises du concile de Tongres 1477-1763, in Analecta ecclesiastica Leodiensia, Liège, 1935. Rochus h. De bouwkundige archaeologische studie der parochiekerken van Berg bij Tongeren, Sluizen op Jeker en Wellen, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1946. ld.. De Sint-Servatiuskerk te Berg bij Tongeren, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 9, 1868, p. 15-40. Thijs M.T., Notice historique sur l'église de Berg, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 9, 1868, p. 15-40. Vrancken N., Bijdrage tot de kerkgeschiedenis van Berg, in Limburg, 37, 1958, p. 58-63.
Langs- en dwarsdoorsneden van de Sint-Martinuskerk (arch. E. Martens, 1979)
63 M&L
Laat de wegen herleven met kleur! Vrolijke straten en pleinen, dat kan best dank zij de minerale B a y f e r r o x - p i g m e n t e n van Bayer. Bayferrox-pigmenten kleuren de cement van de betonstraatstenen. Vermengd in de totale massa, verzekert het Bayferrox een onder alle omstandigheden stabiele en duurzame kleurechtheid. Bovendien is geen speciaal onderhoud nodig. Herstellingen en werkzaamheden kunnen zonder probleem in een handomdraai worden
uitgevoerd. In de zeer grote keuze aan vormen en kleuren vindt zeker ieder zijn gading. Betonstraatstenen, gekleurd met Bayferrox, zijn ideaal om voetpaden, pleinen, winkelstraten, galerijen, parkings, parken, tuinpaden enz. te bestraten. Ze zijn onmisbaar voor het verhogen van de verkeersveiligheid, voor de bescherming van fietser en voetganger. Laat u inspireren door vorm en kleur. Bayferrox, sta er op!
Bayer informeert: Om gratis dokumentatie en de lijst van de fabrikanten te bekomen, plak eenvou dig deze bon op uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem naar: BAYER BELGIUM S.A.-N.V. Divisie pigmenten en keramiek Loulzalaan 143 1050 BRUSSEL
Bayferrox
Bayer
Herstelling monumenten en openbare werken N.V. G E B R O E D E R S G E O R G E S EN I N G E N I E U R J O Z E F
VANDEKERCKHOVE O O S T R O Z E B E K E S T R A A T 54
INGELMUNSTER
tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
Restauratie van de Rijksuniversiteit "HET PAND" te Gent.
8770
Zo kan de geschiedenis
zich blijven
herhalen
© De Nationale Een kans
hebben
is tegelijk
Loterij. een kans
geven.
ONLY THE SKY IS THE LIMIT... H EüROSTflCTEn EUROPARK NOORD 4 2700 ST.-NIKLAAS Tel. : (03) 777 70 35 Fax : (03) 777 54 13
„Alle steigerconstructies voor de ondersteuning werden verkocht en geleverd door EUROSTEIGER N.V."
MONTAGE DEMONTAGE VERHUUR VERKOOP Spoorhal Centraal Station Antwerpen - fase 1. (Foto De Nieuwe Gazet)
Het nieuwe standaardwerk over industriële archeologie in Vlaanderen!
VAN INDUSTRIE TOT ERFGOED
Technische gegevens: • • • • • • •
fotografie : G. Charlier vormgeving : A. Beullens produktie : L. Tack formaat: 33 cm x 25 cm 168 biz. met 100 illustraties in kleur en bichromie druk ; Die Keure N.V. co-editie : Bestuur voor Monumenten en Landschappen en Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w.
PAUL BERCIIMANS CtORGES CHARUER i,ÜC DAELS & ANTOON VERHOEVE JO DE SCHEPPER
Inhoud: essay's door L. Daels & A. Verhoeve, R Berckmans en J. De Schepper • fotoreeks door G. Charlier • tijdstabellen • bibliografie Kostprijs: 1.750 fr. (verzendingskosten inbegrepen) storten op rekeningnummer: 470-0278201-29 Verkrijgbaar bij: Bestuur voor Monumenten en Landschappen Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. (02) 507 42 57
Bij aankoop : gratis stel prentkaarten over industriële archeologie!
Brussel, vijf eeuwen cartografie door Lisette Danckaert, licentiate aardrijkskunde en afdelingshoofd Kaarten en Plans van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel De evolutie van de bebouwing in Brussel aan de hand van gekende en minder gekende kaarten, aangevuld door panorama's Technische gegevens: 144 blz., volledig in vierkleurendruk * gebonden in vollinnenband met stofomslag * formaat: 30 cm x 38 cm * grafische vormgeving : Geert Verstaen * co-editie Lannoo/Mappamundi Kostprijs: tot 15 januari 1990 : 1.990 fr. nadien : 2.450 fr. telkens plus 100 fr. verzendingskosten Verkrijgbaar bij: Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. Bergstraat 72 - 1000 Brussel tel. : (02)512 40 97 rek.nr.: 426-3141111-35
KOMPLETE BANKSERVICE
Geldzaken zonder zorgen. Soms houden geldzaken u langer bezig dan u zelf zou willen. En dat is nergens voor nodig. Uw An-Hyp raadsman staat toch voor u klaar ? Met pasklare spaarformules, voordelige leningen en veilige beleggingen. En met een girorekening waar u duizend-en-een dingen mee kan doen. Loop gerust eens bij hem langs. Hij maakt graagtijdvoor u.
ANÜHYP SPAARBANK
Wij willen het beter voor u.
Toestand na zuivering met kleipasta
Toestand vóór opfrissing
Toestand na zuivering met kleipasta
Foto's De Smet
Toestand vóór opfrissing
N.V. BUILDING TREATMENTS & APPLICATIONS fa
-
Erkenning : 2D5 - 1D21 - 2D24 Fotografielaan 22 2610 Antwerpen-Wilrijk
Restauratie van monumenten Integrale houtconservatie Vochtbestrijding Gevelrenovatie
Tel. : (03) 829 05 92
Fax : (03) 829 08 06
Les qualités d'une matière ne s'expriment que par la créativité de ceux qui en con^oivent les usages. I Vous la choisirez I pour des construcI tions nouvelles, I pour la renovation I de batiments anciens ou pour raménagement de l'espace urbain. Naturelle, résistante aux intempéries et au gel, facile a entretenir et peu coüteuse, la Pierre Bleue du Hainaut permet de réaliser toutes vos idees. Des plus petites aux plus grandes. Des plus sages aux plus folies. Partout oü vous désirez un matériau solide et durable, elle permet a vos creations de défier Ie temps.
Jamais les performances de la Pierre Bleue du Hainaut n'ont trouvé autant d'applications que dans rarchitecture contemporaine.