Toelatingsexamen arts en tandarts 2012
Informatiebrochure voor wie in het academiejaar 2012-2013 wil starten met de opleiding van
arts of tandarts
Ervaring leert dat het grondig doornemen van deze brochure kandidaten helpt bij het slagen voor het toelatingsexamen.
Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming
COLOFON:
Samenstelling: Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming Examencommissie Toelatingsexamen arts en tandarts
Verantwoordelijke uitgever: Ann Verhaegen Administrateur-generaal Hendrik Consciencegebouw, lokaal 2C05 Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel
Oplage: 12.000
Depotnummer: D/2012/3241/005
Je vindt deze brochure op school, in elk CLB en bij de diensten voor studieadvies van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. Je kunt ze ook raadplegen in de openbare bibliotheken, op het gemeentebestuur of via internet, surf naar www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen.
Een gratis exemplaar kan je bestellen op het gratis nummer 1700 (vanuit het buitenland: +32 2 553 50 70
2
INHOUD INHOUD I. Waarom? .................................................................................................................................................................................. 5 II. Het toelatingsexamen arts en tandarts ...................................................................................................................... 8 A. Voor wie? ................................................................................................................................................................ 8 B. Voor wie niet? ....................................................................................................................................................... 8 C. Twijfel? ..................................................................................................................................................................... 8 III. Lees aandachtig.................................................................................................................................................................. 9 IV. Organisatie en beoordeling ......................................................................................................................................... 10 A. Beoordeling van en slagen voor het toelatingsexamen ..................................................................... 10 B. Waarschuwingen ............................................................................................................................................... 11 V. Praktisch ............................................................................................................................................................................. 11 A. Hoe inschrijven?................................................................................................................................................. 11 B. Mededeling van het resultaat ....................................................................................................................... 12 C. Informatie in verband met een mogelijke functiebeperking ........................................................... 13 VI. Inhoud en beantwoording van vragen ................................................................................................................. 13 a. Kennis en Inzicht in de wetenschappen (KIW) ................................................................................... 14 Fysica ................................................................................................................................................................................ 15 Wiskunde ........................................................................................................................................................................ 17 Chemie ............................................................................................................................................................................. 18 Biologie ............................................................................................................................................................................ 19 b. Informatie Verwerven en Verwerken (IVV) ......................................................................................... 21 Eerste onderdeel: ........................................................................................................................................................ 21 Tweede onderdeel....................................................................................................................................................... 23
3
To the attention of the foreign students
The restriction of the intake of students to the programmes of medicine and dentistry in Flanders occurs through an entrance examination. Passing this examination is an extra condition for these programmes. Since the decree on the universities in the Flemish community explicitly states that Dutch is the official educational language (with the exception of some cases which are not applicable to the regular programs of medicine and dentistry), the entrance examination must completely be taken in Dutch. The knowledge of the Dutch language is actually a qualitative prerequisite for the admittance to the program. All documents regarding the entrance examination and the examination itself are exclusively in Dutch.
4
I. WAAROM? De verhouding van het aantal zorgenverstrekkers tot de behoeften van een maatschappij en/of het aantal inwoners van een land of regio beïnvloeden de volksgezondheid. De overheid moet er dus zorg voor dragen dat deze verhoudingen in evenwicht blijven en soms stimulerend of beperkend optreden. De federale overheid van België, op grond van de toenmalige vrees voor een te groot aantal zorgenverstrekkers, heeft door een Koninklijk Besluit in 1996 de toegang van artsen en tandartsen tot het systeem van de sociale zekerheid - de inschrijving bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) - per Gemeenschap beperkt. Regelmatig stuurt men sindsdien dit federaal contingent bij. Geconfronteerd met deze federale beperking hebben het Vlaams Parlement en de toenmalige minister van Onderwijs geoordeeld dat het onverantwoord zou zijn een kandidaat vijf of zeven jaar lang te laten studeren om zich vervolgens de aanvaarding door het RIZIV ontzegd te zien. Op grond van het advies van de ad hoc “Technische Commissie”, waarin ook studenten zetelden, besloot men het aantal kandidaten dat de opleiding van arts of tandarts wenst aan te vatten te beperken op grond van een kwalitatieve selectieprocedure. Vanaf 1997 is een toelatingsexamen ingesteld dat zich als doel stelt “het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden.” Sinds 1997 zijn er ongeveer 45.000 examens afgenomen bij bijna 30.000 kandidaten. Hiervan slaagt gemiddeld 45 % (iets meer bij de Belgen) zij het soms na herhaalde pogingen. Het aantal deelnemers stijgt continu. In 2011 hebben zelfs meer dan 4.500 kandidaten deelgenomen aan één of aan de twee examenmomenten (juli en augustus). Dit is ongeveer het dubbele van 5 jaar eerder. Kandidaten moeten voorbereid zijn op dit massale gebeuren. Het bekijken van de sfeerbeelden op de officiële website kan hiertoe bijdragen. Het decreet van 4 april 2003 (betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen) heeft de juridische grondslagen voor het toelatingsexamen hernomen. Het slagen voor het toelatingsexamen is een bijkomende toelatingsvoorwaarde voor de opleidingen van arts en tandarts. De bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt alleen voor het recht op inschrijven in de bedoelde opleidingen aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap. Het is belangrijk dat kandidaten inzien dat het toelatingsexamen geen leerproces inhoudt. Er is één toelatingsexamen per jaar, maar er zijn wel twee onafhankelijke examenmomenten (in juli en augustus). Kandidaten die in juli niet zouden slagen, kunnen naar augustus geen resultaten (punten) overdragen zoals bij een academisch gebeuren. De Vlaamse regering legt niet bij voorbaat vast hoeveel kandidaten mogen slagen. Er is dus geen numerus fixus voor de opleiding van arts of tandarts ingesteld. De laatste jaren overschreed het aantal geslaagden op het toelatingsexamen trouwens het federaal contingent. De vragen voor juli en augustus worden samen opgesteld vóór het eerste examenmoment. De moeilijkheidsgraad wordt ook constant gehouden over de jaren. 5
Sinds het toelatingsexamen plaatsvindt, zijn de slaagpercentages in het eerste jaar van de opleidingen van arts en tandarts ongeveer verdubbeld aan alle universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. In daaropvolgende opleidingsjaren ligt het slaagpercentage nog hoger, wat aantoont dat het toelatingsexamen haar opdracht “met succes (de studies) af te ronden” vervult. Ook heeft het toelatingsexamen toegelaten dat vanaf het eerste jaar van de betrokken opleidingen meer medische vakken in plaats van basiswetenschappen gedoceerd worden. Hierdoor sluiten de curricula nauwer aan bij programma’s uit andere landen van de Europese Gemeenschap en is er een zesjarige opleiding arts in het vooruitzicht. Sinds jaren rapporteert de examencommissie via wetenschappelijke publicaties, die op de website terug te vinden zijn, over verschillende aspecten van het examen. Kandidaten nodigt men regelmatig uit op vrijwillige basis te willen deelnemen aan een anonieme bevraging. Door dit wetenschappelijk onderzoek koppelt de examencommissie terug naar het secundair onderwijs en naar de universiteiten en voert het hierdoor een kwaliteitscontrole uit van het examen zelf. Zo bleek bijvoorbeeld dat de punten op het onderdeel arts-patiënt gesprek sterk overeenstemmen met de scores die dezelfde studenten, soms jaren later, behalen tijdens hun artsenopleiding voor vakken die contactuele eigenschappen toetsen. Het examen toetst dus zeker niet enkel de wetenschappelijke competenties doch ook contactuele eigenschappen en het redeneervermogen. Voor deze laatste aspecten kan men zich immers niet baseren op de resultaten uit het secundair onderwijs dat in de Vlaamse Gemeenschap geen eindexamen kent zoals in sommige andere landen. Zowel in het deel Kennis in de Wetenschappen als in het deel Informatie Verwerven en Verwerken betracht het examen inzicht, het redeneervermogen en de assimilatiecapaciteit te toetsen. Ervaring leert dat het grondig doornemen van de teksten van deze brochure en van de officiële website de kansen tot slagen verhogen. Onderzoek toonde aan dat het oplossen van de voorbeeldvragen van de officiële website, of het ondervragen van vrienden die het examen al meemaakten, evenveel bijdragen tot het slagen op het examen als (betalende) websites of trainingscursussen. Het examen is immers opgesteld om de specifieke selectieopdracht te vervullen en is maar beperkt trainbaar. Dit bevordert het gelijke kansenbeleid dat de voogdijminister en de examencommissie nastreven. De examencommissie draagt geen enkele verantwoordelijkheid voor allerlei informatie die via andere kanalen zoals nietofficiële websites en trainingssessies wordt verspreid. Het toelatingsexamen is een zeer specifieke geschiktheidsproef voor de opleidingen van arts en tandarts. Het toelatingsexamen is dus zeker geen globale geschiktheidsproef voor het academisch onderwijs. Daar het inschrijvingsgeld slechts een fractie dekt van de reële kost, is deelname aan het toelatingsexamen voor oneigenlijke doeleinden maatschappelijk niet aanvaardbaar. Wie de doelstelling of de waarde van dit toelatingsexamen in twijfel trekt, wil ik erop wijzen dat het voorspellen van wie een goede arts of goede tandarts wordt, uiteraard heel moeilijk ligt. Dat probleem was al aanwezig in het vroegere systeem waar het eerste jaar aan de universiteit de selectie verzorgde. Toen waren de frustraties en kosten voor de betrokkenen echter veel groter. Tenslotte wil ik alle leden van de examencommissie en experten danken voor hun onbaatzuchtige inzet voor dit tijdrovende en maatschappelijk zo belangrijk gebeuren. Prof. dr. Bernard Himpens voorzitter van de examencommissie 6
LEES GRONDIG DEZE BROCHURE ALSOOK DE INFORMATIE OP DE WEBSITE www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen VEEL SUCCES!
7
II. HET TOELATINGSEXAMEN ARTS EN TANDARTS A. VOOR WIE? Vanaf 1997-1998 voor iedereen die de gewone toelatingsvoorwaarden vervult en wil inschrijven voor de opleiding van arts of van tandarts of voor een opleidingsonderdeel ervan, ook als hij/zij deze opleidingen wil volgen op grond van een examencontract waarin het structuur- en flexibiliseringsdecreet voorziet.
B. VOOR WIE NIET? ► Uiteraard de studenten die al voor 2012 voor het toelatingsexamen slaagden én uiterlijk op 31 december van het jaar van dat slagen hun diploma secundair onderwijs behaalden. ► Voor studenten die in het buitenland hun diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap in te schrijven voor een masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.
C. TWIJFEL? Mocht je eraan twijfelen of jij aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde moet voldoen, dan stel je jouw concrete vraag schriftelijk aan de secretaris van de examencommissie (adres hieronder). Vermits de rechtsgevolgen van deze kwestie heel belangrijk zijn, zal de examencommissie geen enkel individuele vraagstelling telefonisch behandelen en waar nodig de vraag doorspelen naar andere instanties. Alleen het schriftelijke antwoord van de voorzitter of secretaris van de examencommissie op jouw schriftelijke vraag, geldt als definitief uitsluitsel. Vraag te richten aan:
Toelatingsexamen arts en tandarts t.a.v. de secretaris Hendrik Consciencegebouw, kamer 2C05 Koning Albert II-laan 15 (B) 1210 BRUSSEL 8
III. LEES AANDACHTIG ► Het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts is een bijkomende toelatingsvoorwaarde.
Kandidaten die eerst een andere opleiding volgen en later wensen over te stappen naar de opleiding van arts of tandarts (en daarbij rekenen op een aantal vrijstellingen van opleidingsonderdelen waarmee zij eventueel een studieverkorting kunnen genieten), zijn niet vrijgesteld van het slagen voor het toelatingsexamen. Het meest voorkomende voorbeeld is dat van de ‘omweg’ via de opleiding biomedische wetenschappen. Deze heeft zijn eigen doelstellingen en slagen in deze opleiding garandeert niet het slagen op het toelatingsexamen dat een andere structuur en opzet heeft dan een academisch examen. De examencommissie legt hierop sterk de nadruk om ontgoochelingen bij de kandidaten te vermijden. Hetzelfde geldt trouwens indien een kandidaat eerst een deel van de opleiding in de Franse Gemeenschap of in het buitenland zou volgen. De website verschaft hiervoor een nog meer expliciete tekst onder “Studeren aan een universiteit van de Franse gemeenschap?” ► Het toelatingsexamen arts en tandarts is tevens een instrument tot beperking en volgt dus niet alle normaal te verwachten procedures van de academische examens. Er bestaat geen stelsel van vrijstellingen, noch van een examenmoment naar een ander, noch op grond van voorgaande curricula. Elke vraag om vrijstelling(en) van bepaalde onderdelen van het toelatingsexamen is daarom nutteloos. Er bestaat ook geen feedbackmechanisme naderhand over de geleverde prestatie. Inzage is bedoeld om eventuele vergissingen op te sporen. ► De openbaarheid van bestuur geldt ook voor het toelatingsexamen arts en tandarts. Vermits er per jaar slechts één toelatingsexamen is, ook al zijn er twee examenmomenten, is de inzage in de documenten die tot het resultaat hebben geleid slechts mogelijk na afloop van het examenmoment in augustus. Deze inzage laat kandidaten toe na te gaan of er geen vergissing plaats vond bij hun beoordeling. Op de website zal de nodige informatie te vinden zijn voor de kandidaten die menen dat zij redenen hebben om inzage te vragen. ► Het jaarlijkse toelatingsexamen wordt tweemaal aangeboden (juli en augustus). Wie niet slaagt in juli, kan uiteraard opnieuw in augustus deelnemen, maar het is helemaal niet verplicht in te schrijven voor juli om te kunnen deelnemen in augustus. De mogelijkheid bestaat zelfs om een onbeperkt aantal keren deel te nemen aan het examen. Het is niet mogelijk om voor twee examenmomenten, zelfs niet van hetzelfde jaar, tegelijk in te schrijven. Opgelet: gestorte bedragen kunnen achteraf, ook bij afzien van deelname, niet terugbetaald worden of niet doorgeschoven worden naar een ander examenmoment. ► De Vlaamse Gemeenschap behandelt buitenlanders op identieke wijze als Belgen (meestal Vlamingen). Vermits de regelgeving duidelijk de organisatie op één locatie oplegt, is er geen mogelijkheid om dit examen bijvoorbeeld af te leggen in een Belgische ambassade of in een Belgisch consulaat. De Vlaamse regering kan evenmin in taalfaciliteiten voorzien omdat het wel degelijk om een beperking gaat voor toelating in het academisch onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap waarin de onderwijstaal, in ieder geval in de bachelorjaren, het Nederlands is. Kandidaten die vrezen de taal onvoldoende te beheersen kunnen zich wenden tot centra (bvb. aan universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap) die voorbereiden tot dergelijke meerkeuzevragen examens met aandacht voor de subtiliteiten van de taal. 9
IV. ORGANISATIE EN BEOORDELING Het toelatingsexamen bestaat uit twee even belangrijke examengedeelten, Kennis en Inzicht in de Wetenschappen (KIW) en Informatie Verwerven en Verwerken (IVV). Alle vragen zijn meerkeuzevragen. Op het examen zelf kan je jouw antwoorden eerst aanduiden in werkboekjes. Nadien breng je ze over op een optisch leesbaar antwoordblad. De linkerkolom ervan gebruik je als “klad” vooraleer je de eigenlijke antwoordvakjes aanstipt die de enige geldige antwoordkeuzes zijn. Ervaring leert dat het verzuimen van deze werkwijze, namelijk het niet invullen van de linker kolom op het optisch leesbaar antwoordblad vooraleer de vakjes aan te stippen, voor een aantal kandidaten het verschil uitmaakt tussen slagen en niet-slagen. Verbeteringen bij de definitieve antwoordvakjes brengt immers het optoelektronisch inlezen van de antwoordbladen in het gedrang. Eenmaal het antwoordblad is ingeleverd, kan je er geen enkele wijziging meer (laten) op aanbrengen, om welke reden ook. Maak je dus tijdig vertrouwd met deze wijze van invullen van de antwoordbladen (zie website waar de procedure met videobeelden wordt toegelicht).
Aandacht: noch de examencommissie, noch de overheid kan/mag ten behoeve van de kandidaten tussenbeide komen in het aanleveren of aanraden van studiemateriaal buiten de voorbeeldvragen die op de officiële website staan vermeld.
A. BEOORDELING VAN EN SLAGEN VOOR HET TOELATINGSEXAMEN In het deel KIW behelst elk wetenschapsgebied evenveel vragen. De beoordeling gebeurt op dit geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk wetenschapsgebied afzonderlijk. Hoewel het examengedeelte IVV bestaat uit twee onderdelen (stilleestekstproef, gespreksproef) gebeurt ook hier de beoordeling op het geheel. Anders uitgedrukt: de kandidaat moet geen minimale score behalen op elk van de hiervoor genoemde twee onderdelen. Elke kandidaat die tenminste 10 op 20 behaalt voor het examengedeelte Kennis en Inzicht in de Wetenschappen (KIW), tenminste 10 op 20 voor het examengedeelte Informatie Verwerven en Verwerken (IVV) én tenminste 22 op 40 op het geheel (dit als som) van beide examengedeelten, is geslaagd en mag zich bijgevolg inschrijven in de opleiding van arts of tandarts aan een universiteit binnen de Vlaamse Gemeenschap. De drie voorwaarden zijn onafscheidelijk van elkaar. GISCORRECTIE! De examencommissie past de algemene giscorrectie toe. Ze wil hiermee het “gissen” of “gokken” ontmoedigen om het examen dat toegang verleent tot medische studies moreel te verantwoorden. Indien een meerkeuzevraag vier antwoordalternatieven heeft, dan is één ervan het juiste antwoord en de andere drie zijn fout (men noemt ze doorgaans afleiders). Het juiste antwoord levert dan 1 punt op 10
en een fout antwoord -1/3 punt (theorie: -1 gedeeld door het aantal antwoordalternatieven -1). Bij vijf antwoordalternatieven levert een fout antwoord dus -1/4 punt op. Geen antwoord levert uiteraard 0 punten op. Het is in deze constructie absoluut af te raden naar het juiste antwoord te gissen.
B. WAARSCHUWINGEN ► Het slagen voor het toelatingsexamen is een bijkomende toelatingsvoorwaarde die geen afbreuk doet aan de andere al bestaande toelatingsvoorwaarden. Gaat het bijvoorbeeld om de inschrijving in het eerste jaar door een kandidaat die nog geen hoger onderwijs heeft gevolgd, dan moet die kandidaat vanzelfsprekend ook tijdig in het bezit zijn van een diploma van secundair onderwijs. Mocht een kandidaat deelnemen aan het toelatingsexamen en hiervoor slagen, dan nog heeft dat geen enkele waarde indien hij/zij geen diploma van secundair onderwijs kan voorleggen bij zijn/haar inschrijving aan de gekozen universiteit. De formele regel luidt dat dit diploma van secundair onderwijs behaald moet zijn ten laatste op het einde van het kalenderjaar waarin de kandidaat voor het toelatingsexamen slaagde. Als aan die voorwaarde voldaan is, blijft het slagen voor het toelatingsexamen onbeperkt geldig in de tijd, ook al schrijft de kandidaat zich niet onmiddellijk in de opleiding voor arts of tandarts in. ► De examencommissie beveelt de kandidaten ten zeerste aan alleen deel te nemen als ze oprecht de intentie hebben de opleiding van arts of tandarts aan te vatten. Zij heeft immers vastgesteld dat een vertekend beeld van de resultaten ontstaat, ook voor betrokkenen, indien kandidaten deelnemen zonder de intentie te hebben de opleiding van arts of tandarts te willen aanvatten.
V. PRAKTISCH Plaats, datum en dagindeling worden uiterlijk op 15 februari bekendgemaakt Inschrijven kan:
voor het eerste examenmoment: uiterlijk op vrijdag 1 juni 2012
voor het tweede examenmoment: uiterlijk op vrijdag 3 augustus
Het examen neemt een volledige dag in beslag. Inschrijven kan hoogstens twee maal per jaar Tegelijkertijd voor beide examens van eenzelfde jaar inschrijven is verboden
A. HOE INSCHRIJVEN? Op elektronische wijze via internet (www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen).
op 11
de
website
van
het
toelatingsexamen
Na de eerste aanmelding via een persoonlijk e-mailadres, ontvangt de kandidaat van de examencommissie een paswoord, waarmee hij/zij later toegang krijgt. De kandidaat kan dat paswoord persoonlijk éénmaal aanpassen. Na registratie van de inschrijving zal de examencommissie de kandidaat via het opgegeven e-mail adres vragen het inschrijvingsgeld te betalen aan de hand van een gestructureerde mededeling. Pas na ontvangst van het inschrijvingsgeld zal de examencommissie de kandidaat uitnodigen en de noodzakelijke informatie ter beschikking stellen ten laatste twee weken voor de examendag. Indien dit niet zou toekomen gelieve zelf per mail contact op te nemen via toelatingsexamen.artstandarts@vlaanderen.be. Zonder het betalingsbewijs is de inschrijving ongeldig. Het zorgvuldig bijhouden van het paswoord tot na het examen is essentieel om na de deliberatie jouw behaalde resultaat te kunnen raadplegen. Opnieuw aanvragen van het paswoord om het resultaat te kennen, is vrij bezwarend voor het systeem en het antwoord kan twee dagen in beslag nemen. De examencommissie gaat ervan uit dat elke kandidaat – mee in het perspectief van een hoger onderwijsopleiding – gebruik zal maken van de elektronische inschrijving. Wie toch nog voor de schriftelijke procedure kiest, moet er rekening mee houden dat de verwerking ervan veel meer tijd in beslag neemt. Het inschrijvingsgeld voor het examen is vastgesteld op 33 euro. Het betaalde inschrijvingsgeld is nooit terugvorderbaar, ook niet in het geval de kandidaat niet echt zou deelnemen of om een of andere reden verhinderd zou zijn. Het inschrijvingsgeld kan ook nooit doorgeschoven worden naar een volgend examenmoment. De examencommissie moet het inschrijvingsgeld netto ontvangen. Wanneer banken (bijvoorbeeld buiten België) kosten aanrekenen, moet de kandidaat ervoor zorgen dat de examencommissie het nettobedrag van 33 euro ontvangt. De examencommissie wil de kandidaten erop attent maken de overschrijving van het inschrijvingsgeld zorgvuldig uit te voeren. Jaarlijks slagen meerdere kandidaten erin het inschrijvingsgeld meermaals te betalen. Terugbetaling van dit inschrijvingsgeld is, net zoals terugbetaling wanneer een kandidaat niet zou deelnemen, niet mogelijk.
B. MEDEDELING VAN HET RESULTAAT Nadat de examencommissie de resultaten van alle kandidaten vastgesteld heeft, deelt zij aan iedere kandidaat via de post mee of hij/zij geslaagd is. In het geval van slagen is dat document het formele bewijsstuk dat de kandidaat moet voorleggen bij de inschrijving aan de universiteit van zijn/haar keuze. De examencommissie voorziet eveneens in de mogelijkheid om de behaalde resultaten aan de hand van het bij de inschrijving gekozen paswoord te raadplegen op de website van het toelatingsexamen vanaf een bepaalde datum. Hierbij hanteert de examencommissie een vergaande vorm van transparantie. De kandidaat krijgt via de website inzage in de behaalde scores op elk onderdeel met juiste, onjuiste en opengelaten antwoorden en ook de score na deliberatie.
12
C. INFORMATIE IN VERBAND MET EEN MOGELIJKE FUNCTIEBEPERKING De examencommissie geeft de mogelijkheid aan kandidaten die vermoeden dat zij, omwille van een functiebeperking, hulp behoeven om volwaardig te kunnen deelnemen aan dit toelatingsexamen, dit per brief of mail gericht aan de secretaris mede te delen. Daarbij voegt hij/zij een medisch stavingsstuk zoals voor dyslexie of andere aandoeningen. Deze aanvraag moet de secretaris bereiken ten allerlaatste op de uiterste inschrijvingsdatum (zie hieronder bij “Praktisch”). Indien nodig zal een origineel van het medisch verslag gevraagd worden. Bij laattijdige meldingen kan men niet meer de nodige praktische hulpmaatregelen treffen. De examencommissie zal vervolgens onderzoeken of er voldoende grond is om in bijzondere maatregelen te voorzien en brengt elke betrokkene hiervan tijdig en persoonlijk op de hoogte. Met functiebeperking is bedoeld elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie van een persoon ten gevolge van een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden (decreet van 27 juni 1970 houdende de oprichting van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap).
VI. INHOUD EN BEANTWOORDING VAN VRAGEN Alle vragen in alle onderdelen zijn meerkeuzevragen. In de regel zullen telkens vier mogelijke antwoorden aangeboden worden, waarvan slechts één juist is. In het examengedeelte IVV kan het aantal antwoordmogelijkheden meer of minder zijn dan vier, maar telkens is er slechts één juist antwoord. Het komt er dus op aan elke vraag aandachtig te bestuderen en heel nauwkeurig de instructies te volgen. Het aangereikte materiaal zal voldoende ruimte bieden om aantekeningen te maken. Cruciaal is uiteraard het zorgvuldig overbrengen van de gekozen antwoorden op het formulier dat nadien optisch gelezen en gecontroleerd zal worden. Eerst doet men dit in de linker kolom van het antwoordblad en pas wanneer men zeker is van het goede antwoord stipt men het gekozen vakje aan. De ervaring leert dat de meeste fouten precies in deze fase optreden. De kandidaten moeten zich daarom heel strikt aan de richtlijnen houden en uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het overbrengen van hun antwoorden. De website verschaft toelichting hierover via een video. Modelvragen en hun antwoorden zijn voor alle onderdelen van het toelatingsexamen terug te vinden op de officiële website: www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen .
13
A.
KENNIS EN INZICHT IN DE WETENSCHAPPEN (KIW)
Dit eerste gedeelte peilt naar de kennis en het inzicht in de wetenschappen, toegespitst op de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde. Het niveau van de vragen is afgestemd op wat men redelijkerwijze kan verwachten als het gemiddelde van de leerplannen van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs (ASO) van de Vlaamse Gemeenschap. Het invoeren van de eindtermen van de derde graad heeft tot gevolg dat de leerplannen van de onderwijsnetten sterk verwant zijn. De examencommissie houdt niettemin met alle leerplannen rekening en bakent op grond ervan voor elk vak afzonderlijk een leerstofinhoud af. Het gaat bovendien niet enkel om kennis, maar vooral inzicht. Op grond van de verschafte gegevens moet een kandidaat bijgevolg ook de benodigde afleidingen kunnen maken om tot het gezochte, juiste resultaat te komen. Overigens is het duidelijk dat bepaalde leerstofonderdelen van de derde graad onmogelijk te begrijpen zijn zonder een stevig inzicht in de leerstof van eraan voorafgaande jaren die er de grondslag voor gelegd heeft. De leerstofafbakening voor het toelatingsexamen is te vinden verder in deze brochure. De kandidaten kunnen dan op grond van de gedetailleerde opsomming van de mogelijke onderwerpen zelf nagaan of zij een tekortkoming hierbij vaststellen in hun vorig curriculum. Dit kunnen ze dan zelf bijwerken ter voorbereiding op het examen. De vragen van het gedeelte KIW (tien meerkeuzevragen voor elk van de vier onderdelen) hebben doorgaans het karakter van een oefening. Zij peilen dus niet naar bewijzen of zuiver theoretische afleidingen. Ook kan een vraagstelling gebaseerd blijken op grafische gegevens; het kunnen analyseren van grafieken is dus een belangrijke vaardigheid. De vragen zullen verder zo opgevat zijn dat men de juiste antwoorden kan vinden zonder ingewikkelde berekeningen. Waar nodig, krijgen de kandidaten op het examen tabellen aangereikt met nuttige constanten, logaritmen, kwadraten, goniometrische getallen en formules.
Gebruik van elektronische rekentoestellen of andere hulpapparatuur is niet nodig en daarom verboden.
Om de optimale leesbaarheid van de vragen te garanderen, noteert de examencommissie grootheden, symbolen en eenheden in principe volgens de geldende SI-normen. Indien verwarring mogelijk zou zijn, zal zij de verschillende mogelijkheden vermelden. Hetzelfde geldt voor begrippen met verschillende synoniemen; in dat laatste geval zal de examencommissie deze synoniemen vermelden. De examencommissie zal wetmatigheden steeds verduidelijken en er niet van uitgaan dat de kandidaten ze in formulevorm kunnen herkennen. 1.
Behalve de vaardigheid in het analyseren van een probleem en de mogelijkheid om snel een nieuw begrip te assimileren en op te nemen in de al verworven kennis, is ook de gedrevenheid om een probleem op te lossen een belangrijke troef voor het slagen in de verdere opleiding. Laat je dus niet te snel afschrikken! Dat geldt in de eerste plaats voor vragen waarbij wat rekenwerk gevraagd wordt, ook al is dat vrij beperkt en zo eenvoudig mogelijk gehouden.
14
2.
De leerstofafbakening is hoofdzakelijk gestoeld op de eindtermen en leerplannen van de derde graad ASO, maar uiteraard is aangenomen dat de kandidaten nog steeds meester zijn over wat ze in de tweede graad aanleerden, zeker wanneer die leerinhouden mee aan de basis liggen van wat ze in de derde graad verder hebben opgebouwd.
3.
Vermits het toelatingsexamen zeker niet alleen de kennis peilt maar ook het inzicht, kunnen sommige vragen starten met het geven van informatie op grond waarvan de kandidaat, al redenerend en/of eenvoudig rekenend, het antwoord op de vraag kan vinden.
4.
Het is evident dat het gebruik van ICT-middelen in het onderwijs, zeker in de derde graad van het secundair onderwijs, bijzonder handig en nuttig is om bepaalde wiskundige eigenschappen te ontdekken en toe te passen. Het toelatingsexamen arts en tandarts laat in zijn huidige opvatting niet toe dat de kandidaten gebruik maken van rekentoestellen, van welke aard ook. De vragen van het toelatingsexamen zijn daarom zo opgesteld dat het rekenwerk uiterst beperkt en eenvoudig is.
FYSICA
Elektrostatica o Het begrip lading, eenheid: coulomb o Ladingsverdeling op een geleider o Elektrische (elektrostatische) inductieverschijnselen o Geleiders en isolatoren o Wet van Coulomb o Elektrische veldsterkte, Eenheid N/C o Krachtwerking in een radiaal en een homogeen elektrisch veld o Krachtwerking tussen puntladingen (maximaal 3) in eenvoudige configuraties (kwalitatief) o Elektrisch veld rondom enkele puntladingen (maximaal 3): richting, zin en grootte (kwalitatief) o Potentiaal in een radiaal veld; arbeid van een coulombkracht o Potentiaalverschil en veldsterkte in een homogeen veld Elektrodynamica o Elektrische stroomsterkte, eenheid ampère o Spanning, eenheid volt o Eenvoudige elektrische schakeling o Ampère- en voltmeter o Wet van Ohm, eenheid ohm o Serieschakeling, parallelschakeling en gemengde schakeling van weerstanden: vervangingsweerstand o Serieschakeling, parallelschakeling en gemengde schakeling: stroom, spanning en vermogensverdeling o Wet van Pouillet, resistiviteit o Wet van Joule o Eenheden van elektrische energie: joule, kWh Elektromagnetisme o Permanente magneten, magnetische polen 15
o o o o o o o o o
Magnetisch veld en veldlijnen Magnetische inductie: definitie, eenheid Laplacekracht: kracht op een stroomvoerende geleider Magnetisch veld rond een rechte stroomvoerende geleider Magnetische inductie bij een rechte stroomvoerende geleider Magnetisch veld in en rond een solenoïde Magnetische flux en magnetische inductie bij een stroomvoerende spoel Lorentzkracht op een bewegende lading Krachtwerking tussen twee rechte evenwijdige stroomvoerende geleiders (kwalitatief: richting en zin) o Wet van Lenz Kernfysica o Atoommodel, kernmodel, atoomnummer, massagetal en ladingsgetal, isotopen o Natuurlijke radioactiviteit: aard en eigenschappen van alfa-, bèta- en gammastraling o Karakteristieke vervalprocessen van alfa-, bèta- en gammastraling o Radioactief verval: halveringstijd, activiteit: eenheid becquerel, vervalwet Kinematica o Rust en beweging, puntmassa, positie, afgelegde weg o Eenparige rechtlijnige beweging o Eenparig rechtlijnige versnelde beweging zonder en met beginsnelheid o s(t), v(t) en a(t) van ERVB o Vrije val: valversnelling o Verticale worp omhoog o Horizontale worp Dynamica o Ontbinden van vectoriële grootheden volgens orthogonale assen. o Samenstellen van vectoriële grootheden gelegen in een vlak. o Traagheidsbeginsel o Tweede wet van Newton: eenheid newton o Het onafhankelijkheidsbeginsel o Actie en reactie o Algemene formule voor de arbeid o Vermogen o Arbeid geleverd door zwaartekracht o Arbeid geleverd door de veerkracht o Verband tussen arbeid en kinetische energie o Wet van behoud van mechanische energie o Gravitatiekracht o Zwaartekracht, zwaarteveldsterkte, gewicht, potentiële energie o Potentiële energie: elastische o Wrijvingskracht, normaalkracht en wrijvingsfactor o Eenparig cirkelvormige beweging (ECB) o Periode, frequentie, baansnelheid, hoeksnelheid van ECB o Centripetaalkracht bij een ECB Trillingen en golven o Harmonische trilling: amplitude, periode frequentie o Wiskundige schrijfwijze en grafische voorstelling: pulsatie, faseverschil o Snelheid en versnelling van een harmonische trilling o Massa-veer systeem, slinger o Energieomzetting bij een harmonische trilling o Lopende golven: transversale en longitudinale golven o Golfsnelheid, golflengte 16
o Bewegingsvergelijking van een lopende golf o Staande golven: knopen, buiken, eigenfrequentie Geluid o Geluidsgolven: ontstaan, toonhoogte, geluidssterkte, toonklank, o Geluidsniveau, decibelschaal, decibelmeter o Geluidsnelheid Licht als golf en als een deeltje o Elektromagnetisch spectrum: eigenschappen en bronnen o Foto-elektrisch effect, fotonen o Licht: wetten terugkaatsing en breking o Lenzen: soorten o De bolle lens: beeldvorming (grafisch) Hydrostatica o Hydrostatische druk o Beginsel van Pascal o Evenwicht van vloeistoffen, verbonden vaten o Archimedes kracht Warmteleer o Begrip temperatuur, absolute temperatuur o Toestandsvergelijking van een ideaal gas: gaswetten o Wet van Dalton o Arbeid van een gas o Warmtehoeveelheid en soortelijke warmtecapaciteit o Smelten en stollen: smeltwarmte o Verdampen, koken en condenseren
WISKUNDE
Algebra o Bewerkingen met reële getallen en rekenregels o Eigenschappen van machtsverheffing en logaritme o Problemen met evenredigheid en omgekeerde evenredigheid o Reële oplossingen van vierkantsvergelijkingen o Veeltermen met reële coëfficiënten: bewerkingen, veeltermvergelijkingen, ontbinden in factoren van veeltermen van graad ten hoogste 4 o Stelsels vergelijkingen van de eerste graad met hoogstens drie onbekenden Meetkunde o Eigenschappen van driehoeken, vierhoeken en cirkels o Omtrek en oppervlakte van driehoeken, vierhoeken en cirkels o Vergelijkingen van rechten, parabolen en cirkels o Snijpunten van rechten en cirkels, snijpunten van rechten en parabolen o Het meten van hoeken in graden en radialen o De goniometrische cirkel, goniometrische getallen van hoeken en van verwante hoeken o Goniometrische getallen in functie van de lengten van zijden in een rechthoekige driehoek o Goniometrische formules: grondformule, verdubbelingsformules o Vergelijkingen van de vorm en met of . o Analyse 17
o Afgeleiden van rationale functies (met graad van teller en noemer ten hoogste 4), irrationale functies van de vorm met reële getallen, en van goniometrische, exponentiële en logaritmische functies met beperkte moeilijkheidsgraad o Verloop van de in a) vermelde types van functies: domein tekenverloop stijgen en dalen extrema asymptotisch gedrag buigpunten o Gebruik van de eerste en tweede afgeleide om deze kenmerken te onderzoeken. o Bepaalde en onbepaalde integralen van veeltermfuncties, goniometrische functies, exponentiële en logaritmische functies o Berekenen van oppervlakte aan de hand van een bepaalde integraal Statistiek en kansrekening o Telproblemen waarbij volgorde en herhaling al dan niet van belang zijn o Relatieve frequentie en kans o Kansen en voorwaardelijke kansen o Statistische gegevens, centrum- en spreidingsmaten en grafische voorstellingen van statistische gegevens o De normale verdeling als continu model bij data met een klokvormige frequentieverdeling o Interpretatie bij een normale verdeling van relatieve frequentie als oppervlakte van een gepast gebied
BIJZONDERE RICHTLIJNEN WISKUNDE Sommige punten van de leerstofafbakening van het deel wiskunde verwijzen uitdrukkelijk naar leerstof die als essentieel geacht wordt om het onderdeel wiskunde van het toelatingsexamen met succes aan te kunnen, ook al zijn ze niet altijd uitdrukkelijk in die vorm opgenomen in de leerplannen van de derde graad. Van de deelnemers wordt verwacht dat ze de leerstofonderdelen beheersen en kunnen toepassen in vraagstukken.
CHEMIE
Opbouw van de materie o mengsels, verbindingen, enkelvoudige stoffen, elementen o de atoomtheorie van Dalton, Rutherford-Bohr o isotopen en hun voorstelling o verband tussen gemiddelde relatieve atoommassa en isotoopsamenstelling o symbolen, formules en chemische reactievergelijkingen o belangrijkste nomenclatuurregels van de anorganische chemie Atoomstructuur en periodiek systeem o belangrijkste eigenschappen van de deeltjes waaruit een atoom opgebouwd is o model van Sommerfeld vertrekkend vanuit het model van Bohr o hoofdniveaus, subniveaus, magnetische niveaus en elektronspin 18
o elektronenconfiguraties van elementen met gegeven atoomnummer o verband tussen elektronenconfiguratie en periodiciteit Chemische binding o karakteristieken van een ionbinding en een covalente binding o het schrijven van Lewisformules o ruimtelijke structuur van moleculen o sigma (σ)- en pi (Π)-binding o elektronegativiteit en polariteit van een binding o polariteit van moleculen aan de hand van de ruimtelijke structuur o oxidatietrap (of –getal) Chemisch rekenen o het getal van Avogadro en het begrip mol o dichtheid o concentratie-uitdrukkingen: massaprocent, volumeprocent, massa/volumeprocent, concentratie in g/L en mol/L, ppm, ppb en de omzettingen ertussen; berekeningen over verdunning o molair gasvolume o het in evenwicht brengen van een chemische reactievergelijking o berekeningen over massa- en stofhoeveelheid steunend op gegeven reactievergelijkingen Chemische reacties o reacties tussen ionen met neerslagvorming o redoxreacties: redoxkoppels herkennen en redoxvergelijkingen opstellen o activeringsenergie versus reactie-energie Chemische kinetiek o uitdrukken van een reactiesnelheid o factoren die de reactiesnelheid beïnvloeden o activeringsenergie en katalyse Chemisch evenwicht o onderscheid tussen een aflopende reactie en een evenwichtsreactie o evenwichtsconstante Kc o invloed van concentratie, druk, energie en katalysator kwalitatief voorspellen en verklaren Zuren en basen o zuur-basekoppels volgens Brönsted-Lowry o ionisatie van water, Kw o zuur-basereacties in waterig midden o uitdrukking van zuur- en basesterkte: Kz en Kb o sterke/zwakke zuren en basen o pH en pOH o de pH van een oplossing in verband brengen met de concentratie aan oxonium-en aan hydroxide-ionen o samenstelling van een buffermengsel, bufferwerking (kwalitatief) o gebruik van indicatoren bij zuur-base titraties
BIOLOGIE
De eukaryote cel • Lichtmicroscopische bouw van cellen en celorganellen • Elektronenmicroscopische bouw van cellen en celorganellen 19
• • •
Onderscheid tussen plantaardige en dierlijke cellen Functies van celorganellen Eenheidsmembraan: bouw; wijzen van transport (diffusie; osmose; actief transport; endo- en exocytose) en hun rol in osmoregulatie Stofwisseling en energetische omzettingen • Chemische samenstelling van organismen Belang van water en mineralen voor de cel Chemische structuur en belang van sachariden, lipiden, proteïnen, enzymen en ATP • Energetische omzettingen in een cel Fotosynthese Celademhaling Alcoholische gisting en melkzuurgisting • Homeostase Betekenis Homeostatische functie van bloed en lymfe, met inbegrip van hormonale regulatie Thermoregulatie Afweer • Werking van niet-specifieke en specifieke afweer (B- en T-lymfocyten) • Toepassingen: vaccinaties, weefseltransplantaties, bloedtransfusies Erfelijke informatie in de cel • Erfelijke informatie in de eukaryote cel Bouw en eigenschappen van chromosomen en van de nucleïnezuren DNA en RNA DNA als codesysteem DNA en eiwitsynthese: transcriptie, translatie Mutaties: soorten; invloed op eiwitsynthese; mutagene factoren • De delende cel Celcyclus DNA-replicatie: verloop; belang; situering in de celcyclus Mitose en meiose: verloop; belang; situering in de celcyclus Voortplanting en vroege ontwikkeling bij de mens • Bouw en werking van mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen • Hormonale regeling van de menstruatiecyclus en van de gametogenese • Spermatogenese en oögenese • Bevruchting • Verloop van de ontwikkeling van embryo/foetus • Placenta: ontstaan en functie • Hormonale regeling van zwangerschap, bevalling en lactatie • Anticonceptie bij de man en de vrouw: methoden, betrouwbaarheid Erfelijkheidsleer • Mono- en dihybride kruising met dominant/recessieve en codominante overerving (kwalitatief en kwantitatief) • Terugkruising 20
• • •
B.
Gekoppelde genen, overkruising, recombinatie (kwalitatief en kwantitatief) Geslachtsgebonden overerving Toepassing van de wetten van Mendel bij het ontleden van stambomen (kwalitatief en kwantitatief) Biotechnologie • Natuurlijke genenoverdracht • Principe van recombinant DNA-technologie • Toepassingen van biotechnologie: productie van transgene organismen, klonen, polymerase kettingreactie (PCR), genetische vingerafdrukken Evolutieleer • Aanwijzingen voor evolutie • Evolutietheorieën: Darwinisme en de moderne evolutietheorie • Basisinzicht in het ontstaan van soorten: ontstaan en belang van genetische verscheidenheid; rol van isolatie en selectie • Evolutie van de mens
INFORMATIE VERWERVEN EN VERWERKEN (IVV)
Dit examengedeelte peilt naar het vermogen van de kandidaat om informatie adequaat op te nemen én om er vervolgens, dankzij de daarop door hem mentaal toegepaste verwerking, ook nog iets nuttig mee aan te vangen, d.w.z. problemen op te lossen. Dit laatste is niet enkel relevant voor zijn toekomstig functioneren als arts en tandarts; het bepaalt ook de eigen kansen op succes in de opleiding. IVV peilt m.a.w. in eerste instantie naar het studeerpotentieel van de kandidaat. Wetenschappelijk onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat een hogere score voor dit onderdeel gepaard gaat met betere studieresultaten tijdens de opleiding zelf en dit tot in latere jaren. Het examengedeelte IVV bestaat uit twee onderdelen die leiden tot één totaalscore. Zij behelzen het verwerven en verwerken van informatie aan de hand van een aantal casussen en een stilleestekstproef.
EERSTE ONDERDEEL: Het eerste onderdeel betreft de casussen. Het concept van deze casussen heeft ten opzichte van de vorige examens enkele inhoudelijke verbredingen ondergaan. In de casussen wordt immers gepeild naar de persoonlijke, interpersoonlijke en communicatieve vaardigheden van de kandidaat. De vaardigheden worden zowel getoetst binnen een arts-patiënt relatie, maar ook binnen een bredere maatschappelijke context. Deze vaardigheden hebben immers niet alleen betrekking op de gezondheidszorg. 1. Persoonlijke vaardigheden De persoonlijke vaardigheden die worden getoetst hebben betrekking op het vermogen van de kandidaat om te reflecteren op aangeboden situaties en op het eigen gedrag.
Reflectie over een aangeboden situatie. Dit betekent dat je situaties beoordeelt waarbij gepeild wordt naar je inlevingsvermogen in de situatie en leefwereld van anderen, waaronder patiënten. Hierbij staat respect voor elk individu centraal, ongeacht leeftijd, geslacht, afkomst, religieuze of politieke overtuiging. 21
Zelfreflectie. Dit is het kunnen inschatten van de gevolgen van eigen gedrag. Je beoordeelt hoe je eigen gedrag overkomt bij andere mensen, waaronder een patiënt, een collega, andere betrokkenen bij de zorg,...
2. Interpersoonlijke vaardigheden Interpersoonlijke vaardigheden peilen naar je handelen in groep. Hier toon je aan, via het beoordelen van situaties dat je zowel leiding kan nemen, als kan luisteren op de gepaste momenten. Daarnaast zal gepeild worden of je in staat bent om kritiek of feedback te horen en te verwerken en of je ook zelf feedback kan geven. 3. Communicatieve vaardigheden Communicatieve basisvaardigheden peilen naar je vermogen om adequaat met een andere persoon om te gaan. Volgende vaardigheden zullen getoetst worden:
luisteren en kunnen weergeven wat gezegd werd; informatie geven op een voor de ander verstaanbare wijze; samenvatten wat gezegd werd; empathisch reageren: dit wil zeggen emoties kunnen herkennen en benoemen.
Over de toetsvragen De toetsing gebeurt via situaties die ter beoordeling worden aangeboden. Soms krijg je een korte situatie voorgelegd waaraan één vraag gekoppeld is, soms krijg je langere situaties waarbij je verschillende vragen moet beantwoorden. In totaal zijn er 30 vragen waarbij je één antwoord moet kiezen uit vier antwoord alternatieven. Het kan zijn dat je misschien de indruk hebt dat verschillende alternatieven juist zouden kunnen zijn, dan duid je het alternatief aan dat jij het beste vindt. Alle situaties zijn fictief, elke gelijkenis met een bestaande persoon of situatie berust louter op toeval. Bij de beoordeling van de situaties die specifiek van toepassing zijn binnen de gezondheidszorg, dien je uit te gaan van communicatieprincipes die men in de moderne relatie tussen hulpverlener en patiënt hanteert. Deze zijn:
een horizontale relatie: zowel patiënt als hulpverlener beschikken over belangrijke informatie nodig voor een goed verloop van het consult. De hulpverlener zal dus voldoende ruimte moeten geven zodat de patiënt de hulpvragen kan formuleren. Openheid en luisterbereidheid zijn hierbij essentieel de hulpverlener zal, als medisch deskundige, vaak informatie aan de patiënt moeten overbrengen. Het is zeer belangrijk dat dit in een voor de patiënt begrijpelijke taal gebeurt. -de hulpverlener zal een open en respectvolle houding tonen naar de patiënt. Hij/zij zal hierbij respect hebben voor de opvattingen en de waarden van de patiënt, ook al verschillen deze van de opvattingen of waarden van de hulpverlener. in een contact tussen een hulpverlener en een patiënt dient de autonomie van deze laatste bevorderd te worden. Dit houdt in dat de hulpverlener geen beslissingen aan de patiënt 22
opdringt, doch met de patiënt overlegt en de patiënt stimuleert om eigen meningen of oplossingen naar voor te brengen.
TWEEDE ONDERDEEL Het tweede onderdeel betreft de Stilleestekstproef. Via een 6-tal teksten rondom een bepaald thema, met telkens bijhorende meerkeuzevragen, maakt de student kennis met een aantal concepten. Hierbij wordt gepeild naar de cognitieve capaciteit van de kandidaat als "bagagedrager". Over deze teksten worden 30 meerkeuzevragen gesteld, ongeveer vijf per tekst. De kandidaat moet deze vragen beantwoorden op grond van de informatie, die de teksten – inclusief schema’s, figuren, tabellen, … - aanreiken. De kandidaat mag de teksten zo vaak als nodig herlezen en continu raadplegen. De eerste reeds vragen toetst -informatie verwervend – het lees- en assimilatievermogen van de feitelijke inhoud. Deze proef wordt voortgezet met een tweede reeks vragen van 30 vragen die moeten worden opgelost, nadat men de 6 teksten heeft afgegeven. Dit betekent dat de student de belangrijkste inzichten en concepten, die verworven zijn, moet toepassen -informatie verwerkend – waarbij geheugen, inzicht- en redenerend vermogen van de kandidaat wordt getest, die via het ontwikkelen van "dwarsverbindingen" tussen wat in de verschillende teksten werd aangeleverd, de vragen moet kunnen beantwoorden. Bij dit deel krijgt de kandidaat evenwel een aantal ondersteunende schema's, die behulpzaam kunnen zijn voor de opdracht.
VEEL SUCCES!
23