Toelichting
Quartairge logische Kaart
Ka
ar
tbl ad
bij de
32
LEUVEN Depotnummer: D/2007/3241/094 Isbn: 978-90-403-0268-8 Nur: 905
Kaart en tekst opgemaakt door : E. Goossens o.l.v. Prof. dr. em. F. Gullentops en Prof. dr. N. Vandenberghe
Vlaamse overheid Dienst Natuurlijke Rijkdommen
Katholieke Universiteit Leuven
2007
Verkoopadres: Vlaamse overheid Dienst Natuurlijke Rijkdommen Koning Albert II-laan 20 bus 20 1000 Brussel Verkoopprijs: 12 euro, verzendingskosten inbegrepen
INHOUDSTAFEL 1 Inleiding en historiek van het Quartair....................................................... 3 1.1 Inleiding........................................................................................................................... 3 1.2 Algemene situering van het gebied................................................................................ 3 1.3 Historiek van het Quartair in het algemeen................................................................. 4 1.4 Historiek van het Quartair op het kaartblad Leuven................................................. 6 2 Algemene werkwijze................................................................................................ 15 2.1 Invoeren van data......................................................................................................... 15 2.2 Dikte............................................................................................................................... 16 2.3 Lithologische aard........................................................................................................ 17 2.4 Profieltypen.................................................................................................................... 17 3 Quartaire diktekaart van Leuven................................................................... 19 3.1 Inleiding......................................................................................................................... 19 3.1.1 ReliĂŤfnivellering door het quartaire dek.......................................................................19 3.1.2 ReliĂŤfvorming voor het quartaire dek...........................................................................21
4 Quartairgeologische kaart van Leuven.................................................... 25 4.1 Algemene lithostratigrafie voor het kaartblad Leuven............................................. 25 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5
Grintvoorkomen..............................................................................................................25 Rivierafzettingen.............................................................................................................27 Eolische leemafzettingen.................................................................................................28 Eolische zandleemafzettingen........................................................................................29 Vergelijking met vroegere quartaire indelingen...........................................................29
4.2 De profieltypen.............................................................................................................. 31 4.2.1 Dalopvullingen.................................................................................................................31 4.2.2 Leemafzettingen..............................................................................................................35
4.3 Algemene quartaire geologie van het kaartblad Leuven.......................................... 36 5 Besluit................................................................................................................................. 39 6 Excursiepunten............................................................................................................. 41 7 Bibliografie.................................................................................................................... 43 7.1 Gepubliceerde werken.................................................................................................. 43 7.2 Ongepubliceerde werken.............................................................................................. 51 8 Bijlagen............................................................................................................................. 53 8.1 De diktekaart................................................................................................................. 53 8.2 Gegevenskaart............................................................................................................... 54 8.3 De profielen.................................................................................................................... 55
Voorwoord Deze uitgave is gebaseerd op het technisch verslag horende bij de Quartairgeologische kaart opgemaakt in 1994. De oorspronkelijke Quartairgeologische kaart werd omgevormd van een lijnen- naar een vlakkenkaart. De tekstt werd waar nodig aangepast. Nieuwe tussentijdse ontwikkelingen zijn niet opgenomen in deze uitgave.
1 Inleiding en historiek van het Quartair 1.1 Inleiding Voor de eerste geologische kaart werd op schaal 1/20.000 het kaartblad Lubbeek uitgegeven. Deze bevatte alle toenmalig bekende gegevens van de ondergrond. Tevens werden hierop letterlijk de dagzomende formaties gekleurd. Opgenomen door O. van Ertborn en P. Cogels bleven bij dit kaartblad de ontsluitingen van de tertiaire formaties meestal door de dikke quartaire bedekking beperkt tot enkele heuveltoppen, steile asymmetrische dalhellingen, holle wegen en boswegen. Omdat het kaartbeeld zeer eentonig was en op het eerste zicht de structuur van de ondergrond weinig duidelijk overkwam, werd later beslist de officiële geologische kaart van het rijk af te dekken, d.w.z. het pleistocene, monotone, verdoezelende dek nl. de loess van Midden-België, weg te nemen. De nieuwe geologische kaart op 1/40.000 bevatte volkomen dezelfde feiten maar de interpretatie van de structuur van de ondergrond onder het pleistocene dek kreeg nu de volle eer van de kleuren en dus de aandacht. Zo ontstonden voor het kaartblad Leuven op schaal van 1/40.000 de volgende vier kaartbladen met bijhorende verklarende tekst en dossier met ontsluitingen: Erps-Kwerps - Leuven (32/1-2 of 89W - 89E) van M. Mourlon, Lubbeek - Glabbeek (32/3-4 of 90W - 90E) van M.E. Van den Broeck, Duisburg - Hamme-Mille (32/5-6 of 103W -103E) van M. Mourlon en Meldert - Tienen (32/7-8 of 104W - 104E) van A. Rutot. Deze kaartbladen gaven echter maar een slechts weinig verbeterbare kennis van het tertiaire substraat weer. Het Quartair echter werd meer in detail besproken, wat getuigde van de vooruitgang van de kennis van het Quartair. Zowat een eeuw later kan worden gesteld dat met deze beslissing de geologie niet gediend geweest is. De gedetailleerde geologische kaart wordt inderdaad in de eerste plaats een document geacht te zijn dat de gebruiker nuttige inlichtingen moet verstrekken over de geologische gesteldheid van de ondergrond. Een belangrijk gebruik is normaliter de planning en realisatie van allerlei werken waarvoor dit substraat en zijn eigenschappen grondig gekend dient te zijn. Het kaartbeeld maakt het niet-geologen echter niet gemakkelijk om in te zien hoe variabel het pleistocene loessdek wel is, noch minder om te beseffen dat het soms diep bedolven substraat in vele gevallen slechts hypothetisch aangeduid is. Wil de nieuwe geologische kaart bruikbaar zijn voor een ruim publiek en dus echt zijn rol vervullen dan zou een zo volledig mogelijk beeld van de geologische gesteldheid dienen weergegeven te worden. Aan de hand van enerzijds de werkwijze waarop deze kaart tot stand kwam en anderzijds aan de hand van verschillende voorbeelden willen we enkele moeilijkheden belichten die ten eerste bij het maken van de kaart optraden en die ten tweede bij interpretatie van deze kaart zullen optreden.
1.2 Algemene situering van het gebied Het kaartblad Leuven van 1/50.000 is gelegen in Midden-België en wel volledig in de provincie Brabant. Het noorden van het kaartblad Leuven bevindt zich in Vlaanderen, terwijl het zuiden in Wallonië ligt. Het kaartblad wordt omgeven door de volgende kaartbladen: Mechelen (23), Aarschot (24), Hasselt (25), Brussel (31), Sint-Truiden (33), Nivelles (39), Wavre (40) en Waremme (41). Als voornaamste gemeenten liggen op deze kaartbladen: Erps-Kwerps, Kortenberg, Herent, Bertem, Wezembeek-Oppem, Leuven, Oud-Heverlee, Lubbeek, Glabbeek, Boutersem, Bierbeek, Duisburg, Huldenberg, Overijse, HammeMille, Grer-Doiceau, Beauvechain, Meldert, Tienen, Hoegaarden, Hélécine, Jodoigne. Ten gevolge van deze civilisatie ontstonden op dit kaartblad de volgende verkeerswegen: de autosnelweg Brussel-Luik-Aken, autosnelweg LeuvenHasselt, de banen vertrekkende van Leuven naar Namen, Brussel, Tervuren, Mechelen, Aarschot, Diest, Tienen-Luik, Overijse en de banen vertrekkende van Tienen naar Diest, Aarschot, Huy en Gembloux. Op het kaartblad Leuven kan men in het westelijk deel van het kaarblad als belangrijkste rivier de Dijle met zijn noordzuid-richting beschouwen. Ook hebben de bijrivieren van de Dijle, o.a. de Voer, de IJse, de Laan, de Bierbeek, de Molenbeek en de Vaalbeek, een belangrijke invloed op de aanwezige quartaire afzettingen. In het oostelijk deel van het kaartblad heeft men als voornaamste rivieren de Velpe en de Grote Gete met hun bijrivieren. Het gebied heeft over het algemeen een agrarisch karakter met landbouwteelt (vb. tarwe, suikerbiet), groenteteelt (vb. witloof) en fruitteelt
Nederland
Antwerpen
Brugge Gent
Hasselt 32
0
10
20
30
40
50 km
Fig. 1a: Situering van het karteringsgebied
Inleiding en historiek
32/1 89W Herent Kortenberg
32/2 89E
Holsbeek
32/3 90W
32/4 90E
Lubbeek
Leuven
ijle
Bertem
Glabbeek
D
Bierbeek
Boutersem
32/5 Oud-Heverlee 103W
Tienen
Huldenberg
e
et
Hoegaarden
ro
G
Overijse
32/6 103E 0
te
G
32/7 104W
32/8 104E
5 km
Fig. 1b: Situering van het karteringsgebied (vb. druiven). In het centrum van het kaartblad komen enkele belangrijke bossen voor. De weinige industriële activiteit die er aangetroffen wordt, is gesitueerd in de omgeving van de grotere steden zoals Tienen en Leuven. Over het algemeen kan men zeggen dat het reliëf naar het zuiden toe grilliger wordt. Immers zijn de plateau’s topografisch hoger gelegen in het zuiden dan in het noorden en hebben de rivieren deze plateau’s dieper ingesneden wat resulteert in de steilere dalhellingen in het zuiden. Het zuidelijk gedeelte van het kaartblad behoort tot een leemlandschap dat aangrenst bij de Haspengouwse leemstreek, terwijl het noordelijk gedeelte reeds overgaat naar de zandleemstreek.
1.3 Historiek van het Quartair in het algemeen 1829: J. Desnoyers onderscheidt in het ‘Tertiair récent’: een eerste groep met de systemen Eoceen, Oligoceen, Mioceen en Plioceen, een tweede groep met het Quartair. 1849: A. Dumont verdeelt voor de eerste keer het Quartair in onder-Quartair ‘Diluvium’ en boven-Quartair ‘Moderne’. Tevens splitst hij het Diluvium verder onder in een onder-Diluvium dat voornamelijk uit grinten bestaat en een boven-Diluvium. Het boven-Diluvium omvat twee laterale faciës van dezelfde ouderdom, namelijk het mariene Campiniaan en het meer continentale Hesbayaan. 1880: O. Van Ertborn en P. Cogels herverdelen het diluvium in drie delen waarbij het middenste deel bestaat uit het fluviatiele gedeelte van het Quartair. Het omvat silexkeien en grint met erboven Hesbayaan leem. 1885: A. Rutot en E. Vandenbroeck vonden het beter het Campiniaan verder op te delen in een ‘upper Flandrien’ (Zanden van Vlaanderen en van de Kempen) en een ‘lower Campiniaan’. Immers had men in die tijd een grijze lemige afzetting gezien onder het Campiniaan, welke toen volgens A. Dumont enkel de dunne zeer zandige mantel in Vlaanderen en de Kempen omvatte. Het oorspronkelijke Campiniaan onderging toen dus een tweeledige verandering: lithologisch was het niet langer meer de zandige mantel maar de onderliggende lemige afzetting en chronologisch werd het ook ouder. Dit leidde tevens tot een onderverdeling van A. Dumonts Hesbayaan in een gele homogene leem en een onderliggende grijze leem, welke het equivalent is van de nieuw bepaalde Campiniaan leem. De nieuw ontstane termen werden gerefereerd aan: ‘Assise Campinienne Q1, Assise Hesbayenne Q2 en Assise Flandrienne Q3’. 1892: Door de inconsistentheid van de naam Campiniaan introduceerde M. Mourlon de term ‘Moséen’ aan de eerste legende van de geologische kaart van België die gepubliceerd werd in oktober 1892. Deze omvatte zowel alle Inleiding en historiek
plateau als mariene afzettingen rond Antwerpen van A. Rutots Campiniaan, terwijl de grijze leem afzettingen van de Campiniaan en Hesbayaan gebieden terug bij het Hesbayaan werden gevoegd. Ook sloot deze de grijze lemige afzettingen van de zanden van Vlaanderen in (zie figuur 2). Groupe Tertiaire Système
Eocène Oligocène Miocène Pliocène
J. DESNOYERS (1829) (Tert.réc. = Quartenaire) 1. A. DUMONT (1849) Dil. inf. = basal gravels erratic blocs
Groupe Quarternaire 2. Q. inf. = Diluvium Système Quarternaire 3. Q. sup. = Moderne
A. RUTOT (1885) Dil. sup. = Campinien (marin) -Flandrien (cont.) Hesbayen (cont.) -Hesbayen (cont.) -Campinien (cont. + marin)
M.MOURLON (1891)
1ière légende (1892)
-Flandrien (cont.) -Hesbayen (cont.) -Campinien (cont.) -Moséen (marin)
idem
Fig.2: Introductie van de term Moséen. 1896: In de tweede legende van de geologische kaart van België, welke verscheen in april 1896, ondergingen het Moséaan, Campiniaan en het Hesbayaan geen grote veranderingen. Daarentegen werd het ‘Flandriaan’ vergroot tot een resultaat van afzettingen in de kustvlakte en de noordelijke area van Gent. 1900: In maart 1900 kwam er een derde publicatie van de legende waarbij de klei van de Kempen en de zanden van Mol ook tot het Moséaan gingen behoren. (Dit werd reeds vroeger door M. Mourlon beschreven.) 1909: Een vierde editie van de legende bracht in de benamingen van het Quartair geen veranderingen mee. 1910: Hierbij moet opgemerkt worden dat A. Rutot reeds in 1899 de naam ‘Brabantien’ introduceerde, waarbij deze een eolische, gele leem indiceerde. In 1910 deelde hij op het 11de geologisch congres in Stockholm de vijf perioden van zijn systeem in volgens verschillende klimaatsveranderingen. Boven-Quartair
Brabantiaan
Flandriaan Midden-Quartair Campiniaan, Hesbayaan Onder-Quartair Moséaan
Riss-Würm-interglaciaal Würm-glaciatie Riss-glaciatie Mindel-glaciatie
1919: A. Rutot herkent als eerste 3, later 4 terrassen, namelijk op 100 m, 60 m, 30 m en 3-10 m hoogte. Zijn poging om de quartaire afzettingen te relateren naar deze terrasniveau’s leidde zo tot een nieuw voorstel voor de stratigrafische legende van het Quartair in België. Hierbij reduceerde hij in de veronderstelling van een compleet parallellisme tussen Noord-Frankrijk en België het volledige systeem als volgt: ‘Quaternaire supérieur (assise supérieur, moyenne, inférieur), Quaternaire moyen et Quaternaire inférieur (assise supérieur, inférieur)’. 1922: A. Renier stelde als stratigrafische legende een legende voor waarop zowel het Tertiair als het Quartair vermeld was om verwarring rond de Tertiair - Quartair grens te vermijden. Op het einde van ditzelfde jaar verving M. Leriche de naam Modern door Holoceen en het tot zover genoemde Quartair door Pleistoceen. 1925: Het Pleistoceen werd onderverdeeld in onder- en boven-pleistoceen, rekening houdend met het terras concept van A. Rutot. 1929: Een nieuwe publicatie van de legende van de geologische kaart van België bracht een grote, doch minder gunstige verandering in de legende van het Quartair te weeg. In tegenstelling tot de vroegere legendes steunde deze legende in plaats van op lithostratigrafische verschillen op een biostratigrafisch onderscheid van de verschillende formaties. 1943: R. Travenier deed een nieuwe poging tot het classificeren van het Quartair, waardoor hij een nieuwe start gaf aan het veldonderzoek van het Quartair. Hierbij ontstonden er andere namen. Het onder-Pleistoceen, waaronder nu ook het Mindel- en Günz-glaciaal werd gerekend, hield een vergroting van de tijdspanne van het Moséaan in. Het Moséaan bestaat in de classificatie van R. Travenier uit de Mol zanden, de Kempense kleien en al de plateauterrassen. Het eerste deel van de Riss zou voor hem het Campiniaan met zijn hoog-terrassen inhouden, terwijl het tweede deel van de Riss eerder de eolische leem van het Hesbayaan en de midden-terrassen bevatte. Tevens gebruikte hij de naam Eemiaan in plaats van de term Brabantiaan voor het Riss-Würm interglaciaal. 1954: Een nieuw onderzoek van het Quartair leidde tot de aanwezigheid van drie leemlagen die elk van elkaar gescheiden worden door bodemhorizonten. Volgens R. Tavernier zouden deze van Riss-Würm ouderdom zijn. Inleiding en historiek
Dit verving het Eemiaan dat nu beperkt werd tot de Nederlandse dekzanden. Tevens werd het onder-Flandriaan onderverdeeld in Würm I, Würm II en Würm III. 1954: In diezelfde periode gaf F. Gullentops een nieuwe inhoud aan de begrippen Brabantiaan en Hesbayaan en voegde er de nieuwe naam ‘Hennuyen’ aan toe. Het Brabantiaan werd nu terug gebruikt voor het gele eolische gedeelte van de loess (zoals A. Rutot het voorstelde), het Hesbayaan (het waarschijnlijk vroegere Campiniaan) voor het bruin-grijze gedeelte van de loess. Niet alleen de lithologische faciës werden goed bepaald, maar ook de paleobodem horizonten. Zo vormt de bruine, zachte paleobodem, de Kesselt bodem, de overgang tussen het Brabantiaan en Hesbayaan; en de rode, sterk ontwikkelde bodem, de Rocourt bodem, de overgang tussen het Hesbayaan en Hennuyaan. De uitleg voor het bestaan van deze twee paleobodems kon volgens F. Gullentops gezocht worden in het feit dat de Rocourt bodem de continentale expressie van het Riss-Würm (of Eem) interglaciaal zou zijn, terwijl de Kesselt bodem eerder een interstadiale fase zou zijn in de Würm. 1961: J. De Ploey deelt het Quartair van de Antwerpse noorderkempen lithostratigrafisch in. Zo omvatte het Pleistoceen volgens hem hier de formatie van Sint-Lenaerts (die getuige is van verkoeling van het klimaat na het Eem-interglaciaal), formatie van Wildert (die ontstond ten gevolge van het continentale koude klimaat) en de formatie van Beerse. 1967: R. Paepe en R. Vanhoorne delen het Laat-Pleistoceen in België verder lithostratigrafisch in. Hierbij erkennen ze in de leemstreek boven de Rocourt bodem een humusrijke leembodem waaraan ze de naam ‘Warneton bodem’ geven. 1976: R. Paepe en R. Vanhoorne breiden de stratigrafische legende van het Quartair in België uit. Zo bevat volgens hen het Pleistoceen in midden-België twee formaties die van elkaar gescheiden worden door de Rocourt bodem, namelijk de ‘Gembloux formatie’ en de ‘Hennuyen formatie’. De Gembloux formatie bestaat achtereenvolgend uit Warneton bodemcomplex, Hesbayaan lid, Kesselt bodem en Brabantiaan lid.
1.4 Historiek van het Quartair op het kaartblad Leuven 1880 In dit jaar verscheen een eerste uitgave van een geologische kaart op schaal 1/20.000 van het kaartblad Lubbeek. Deze werd opgenomen door O. van Ertborn en P. Cogels. Zij gaven aan het Quartair de volgende legende: Epoque Moderne • limon remanié • argile verdâtre • tourbe et argile tourbeuse • marne et sables divers
Epoque Quaternaire • quaternaire supérieur • quaternaire moyen ou fluviatile - non représenté - limon hesbayen - dépôts de pente - cailloux et silex • quaternaire inférieur
1882 In dit jaar onderzocht A. Rutot (A. Rutot, 1882) het moderne alluvium in Midden-Belgium (figuur 3). Deze depressies zijn voornamelijk aanwezig in het pleistocene leemdek (L), maar bereiken al naargelang ze dieper ingesneden zijn de onderliggende tertiaire lagen (M en N). Eerst en vooral heeft men in de smalle, droge depressies een droog, bruin-zwart alluvium (A). Dit bevindt zich aan de basis en op de hellingen van de depressies. Worden de valleien dieper ingesneden (doorsnede 2 en 3) dan rust dit alluvium op een kleirijker, grijs alluvium (B). Krijgt men dan nog te maken met een huidig actieve, brede vallei, dan beperkt het droge alluvium zich slechts tot de hellingen van de valleien (doorsnede 1, 2, 3 en 4). Waar een kleinere vallei overgaat in een grote vallei wordt de samenstelling van het alluvium B complexer (doorsnede 5, legende B1, B2 en B3). 1892 Reeds rond dit jaar werd de oorsprong van de plateaugrinten als probleem gesteld. Zo besloot A. Briart (A. Briart, 1892) dat de ouderdom van deze grinten niet te bepalen valt. Immers kan men zowel de gerolde als platte grinten op het plateau en op sommige vervlakkingen niet als een basisgrint zien daar deze aan de oppervlakte voorkomen.
In ditzelfde jaar behandelt ook E. Delvaux (E. Delvaux, 1892) hetzelfde probleem. Hij kwam tot de vaststelling dat deze grinten van tertiaire ouderdom moeten zijn daar ze marien van oorsprong zijn. Deze grinten werden volgens hem aan de basis van elke tertiaire etage afgezet. Hierna zou het Tertiair weggeërodeerd zijn en zouden de grinten vertikaal (in situ, zonder transport) gezakt zijn.
Inleiding en historiek
1
2
3
4
5
L M en N A B B1 B2 B3
Pleistoceen leemdek Tertiaire lagen Droog, bruin-zwart alluvium Kleirijk grijs alluvium Grof gestratifieerd zand met keien Grof zand met klei- en veenlenzen Afwisseling van kleirijke en zandrijke strata
Fig. 3: Het moderne alluvium in midden-BelgiĂŤ (Rutot, 1882)
Inleiding en historiek
1893 Het kaartblad Duisburg - Hamme-Mille, op schaal 1/40.000, opgenomen door M. Mourlon, bevat volgende legende voor het Quartair: Systeme Quaternaire Superieur ou Moderne alm Alluvions modernes des vallées Systeme Quaternaire Inferieur ou Diluvien Hesbayen q3n Limon homogène friable, jaune avex cailloux à la base q3m Limon sableux, brunâtre ou bigarré, avex cailloux à la base Campiniaan q2o Eléments d’origine voisine
Ook bij het kaartblad Erps-Kwerps - Leuven op schaal 1/40.000 van M. Mourlon werd dezelfde legende weergegeven.
1905 Alhoewel het kaartblad Lubbeek - Glabbeek op schaal 1/40.000 reeds door M.E. Van den Broeck gemaakt was in 1893-1894 werd deze pas uitgegeven in 1905. Deze bevat een grotere legende voor het Quartair dan de kaarten gemaakt door M. Mourlon, namelijk: Quaternaire Superieur ou Moderne ale Limon et sable remanié des pentes e Eboulis des pentes alm Alluvions modernes, limoneuses et sableuses, parfois tourbeuses des vallées Flandrien (q4) q4sl Sable quartzeux stratifié, très meuble, avec alternances limoneuses
q3o
q3n
q3m
q3ms
Quaternaire Inferieur ou Diluvien Hesbayen (q3) Campinien (q2) cailloux, gravier et saq2s Sable quartzeux ble du fond des vallées blanchâtre, jaunâtre et grisâtre, généralement graveleux avec quelques cailloux, devenant argileux et passant à l’argile Limon jaune, homogèq2o Eléments d’origine ne, non stratifié, friable tertiaire, remaniés, (éolien) d’origine voisine Limon argileux, grisâq2n Sable stratifié, souvent tre, stratifié, avec Helix grossier ou caillouteux et Succinées Sable fin stratifié, q2m Cailloux de silex des cohérent avec zones flancs inférieurs et limoneuses et avec moyens des vallées cailloux et graviers à la base
Moséen (q1) q1m Cailloux de silex des hauts niveaux et du sommet des collines
1910 Bij de beschrijving van de verschillende quartairgeologische lagen voor het kaartblad Meldert - Tienen op schaal 1/40.000 (A. Rutot, 1910) werd er nog beroep gedaan op vroegere onderverdelingen, daar deze kaart reeds gemaakt was in 1894. Ten eerste werd het Quartair onderverdeeld in twee systemen, namelijk het bovenQuartair of modern en het onder-Quartair of diluvium.
Het modern hield hierbij de alluviale afzettingen in. Deze werden onderverdeeld in een groep van dik en continu alluvium aan de basis van de valleien (Alm) en een groep van heterogeen en onregelmatig alluvium op
Inleiding en historiek
de helling van de valleien (Ale). Het diluvium werd ingedeel in het Hesbayaan (homogene, gele leem met aan de basis gerolde keien met eronder een gestratifieerde zand- en leemafzetting met keien) en het Campiniaan (afwisseling van klei en zand met aanwezigheid van grint).
Echter vermelde A. Rutot reeds in de verklarende tekst, horende bij dit kaartblad Meldert - Tienen, dat uit verder onderzoek van het Quartair deze beter als volgt zou worden onderverdeeld: Quaternaire Inferieur ou Moseen (q1) • Cailloux de base des dépôts quaternaires de la basse et de la moyenne terrasse • Sable et glaise de grande crue, avec Elephas trogontheri, Rhinoceros Merkii, Hippopotamus major et Corbicula fluminalis
Assise inférieure ou Campiniaan (q2) • Sables fluviaux et glaise de crue, parfois tourbeuse, avec Mammouth, Rhinoceros tichorhinus, Cervus tarandus, etc.
Quaternaire Moyen Assise supérieure ou Hesbayen (q3) • Limon gris, argileux, stratifié avec Helix hispida, Succinea oblonga et Pupa muscorum • Limon fendillé et limon gris à Succinées
Quaternaire Superieur Assise inférieure ou Brabantien (q4) Assise supérieure ou Flandrien (q5) • Limon jaune brun, pulvérulent, non stra- a. Facies limoneux: Ergeron et terre à briques tifié, sans fossiles, d’origine éclienne b. Facies marin: sable marin et alternuances argileuses au sommet 1924 Voor de eerste maal werd een depressie beschreven als een fluviatiel terras (M.A. Lefèvre, 1924). Te Wilsele is er een depressieoppervlakte aanwezig die doorheen verschillende geologische lagen met verschillende weerstand gaat, zodat het niveau niet als een structuur beschouwd kan worden. Eerder wijzen de aanwezige morfologische karktertrekken op een vorming door erosieagenten. Vandaar kan men deze depressie beschouwen als een fluviatiel terras dat gevormd is bij een tijdelijke stilstand en in de vertikale erosie van de Dijle. Nadien sneed de Dijle zich dieper in en ontstond de steile helling als overgang van het terras naar de alluviale vlakte. Immers is er op een drietal plaatsen een terrasgrint aanwezig bestaande uit silexen, brokstukken van ijzerzandsteen en Brusseliaan zandstenen. 1925 Voor de eerste keer werd het woord ‘del’ gebruikt (H. Schmitthenner, 1925). Een del is een dal dat onder periglaciale omstandigheden gevormd is. Volgens H. Schmitthenner worden deze veroorzaakt door de werking van afstromend water, creep en afspoelen van puin. 1931 In dit jaar verklaarde men het ontstaan van asymmetrische valleien (M.A. Lefèvre, 1931 en Van de Poel, 1931) aan de hand van de neerslag door de wind aangebracht. Immers zou de helling die het meest aan de regenrijke winden was blootgesteld, het steilst worden. 1932 De depressie van 55 m, door M.A. Lefèvre in 1924 als fluviatiel terras beschouwd, wordt door Ch. Stevens (Ch. Stevens, 1932) eerder bezien als een door de erosie afgetakeld cuestareliëf van Blanden - Vertrijk. Immers verlengen drie bergruggen het massief van Blanden naar het noorden nl. de Kleine-Fleerbeekberg, het complex Galgenberg - Leutsberg - Molenberg en het complex Kraaiberg - Krekelberg. Tussen deze drie heuvelruggen liggen er droge valleien. De resten aan dit cuestavormig reliëf van Blanden - Vertrijk getuigen van een zeer sterke erosie die gezocht moet worden in een vroeger hydrologische toestand. 1938 Na onderzoek van de plateaugrinten beschouwde Ch. Stevens (Ch. Stevens, 1938) deze grinten als een basisgrint, daar ze steeds aan de basis van het Quartair voorkomen. Doch zijn ze soms niet aanwezig en rust het Quartair onmiddellijk op het Tertiair. Het grint vormt op sommige plaatsen een dik pakket, op andere plaatsen een dun pakket. Dit verklaarde Ch. Stevens door een quartaire ravinatie. 1941 Na het verder bestuderen van de plateaugrinten neemt Ch. Stevens nu beslist (Ch. Stevens, 1941) de zienswijze van E. Delvaux (E. Delvaux, 1892) over en vervolledigt deze: ‘De geologische assissen die ontmanteld zijn in het begin van het Pleistoceen lieten een grint op de plateau’s achter die tevens vaak de basis van het Quartair vormde. Dit grint dat bijna enkel uit silexkeien bestaat, heeft een lange geschiedenis met ijstijden meegemaakt. Het zijn vaak geremanieerde en gerolde keien van gemengde tertiaire oorsprong. (Dus zijn ze niet enkel van Diestiaan oorsprong, maar ook van Tongeriaan, ...).’
Inleiding en historiek
1947 In dit jaar had een nieuw onderzoek plaats (F. Geukens, 1947) voor de algemene verklaring van de asymmetrie der droge dalen. Uiteindelijk kwam F. Geukens tot een verklaring via differentiële niveo-fluviatiele werking. In de winter wordt de pasgevallen sneeuw door de heersende winden opgewaaid en afgezet op de hellingen gelegen aan de lijzijde. Daar de dominante windrichting zuidwest - noordoost is, stapelt de sneeuw zich vooral op tegen de noordoost-gerichte hellingen. De insolatie stimuleert daarentegen het afsmelten van de sneeuw op de zuidwest-gerichte wanden. Daardoor is de sneeuwbedekking het snelst verdwenen op de zuidwest-georiënteerde helling. Deze helling zal dan ook een grotere erosiekracht ondervinden vanwege het smeltwater en zal dus daardoor vlugger afzwakken. Het smeltwater dat van de zuidwest-gerichte wanden afstroomt, zal door zijn puinafzettingen in het dal de beek naar de noordoost-gerichte zijde verdringen. Deze wordt door de beek ondermijnd en zal daardoor steiler blijven. 1948 R. Tavernier onderscheidt in de leembedekking van niveo-eolische oorsprong drie series (R. Tavernier, 1948):
1. ‘Ergeron inférieur’: grijze, nogal kleirijke leem met bladstructuur, soms ontkalkt en grijsbruin van kleur en soms niet ontkalkt. Zelden komen er fossielen voor. Aan de basis is er een solifluctieniveau dat rust op residuele grinten of op nog andere formaties of op andere leemafzettingen. 2. ‘Ergeron moyen’: zeer gelijkend op de ‘ergeron inférieur’, maar rijk aan schelpen en vegetatieresten. Tussen deze ergeronafzettingen zouden lokaal bodemresten voorkomen en solifluctieverschijnselen. 3. ‘Ergeron supérieur’: zachte, fijne, lichtbruine, niet-gestratifieerde homogene leem, waarbij het bovenste deel vaak ontkalkt is geworden en er in diepere lagen een aanrijkingshorizont gevormd is. R. Tavernier onderscheidt dus een Würm I, II en III
1951 Bij een verder onderzoek (zie F. Geukens, 1947) van de asymmetrische ontwikkeling van bepaalde droge dalen dacht men (J. Tricart et al., 1951) dat de oorzaak van deze asymmetrie ook moest gezocht worden in de lengte en de diepte van deze dalen. Immers vond men dat de asymmetrie het best ontwikkeld was vanaf een bepaalde lengte en diepte van de dalen.
In ditzelfde jaar verklaarden G.C. Maarleveld en Edelman (G.C. Maarleveld, 1951) deze asymmetrie eerder zoals F. Geukens aan de hand van insolatie, die maximaal is op de zuid- tot zuidoost hellingen. De sneeuw op deze naar de zon gekeerde hellingen smolt regelmatig zonder dat de bevroren ondergrond in de IJstijden ontdooit, zodat een klein ruissellement ontstaat. Op de andere hellingen ontdooiden de sneeuw en ondergrond slechts één maal per jaar maar bracht daarbij een modderstroom met zich mee, namelijk een grote solifluctiestroom. Deze jaarlijkse solifluctie had een grotere erosiekracht dan het ruissellement waardoor de noord- tot west-hellingen zachter werden.
1953 De asymmetrie der droge dalen werd door J. Büdel niet meer verklaard door insolatie maar eerder door de combinatie van wind en leem als hoofdfactor. De wind die tijdens de IJstijden sneeuw en leem meebracht, zette dit voornamelijk af op de lijzijde der dalen. Op het moment dat de sneeuw smolt, voerde het smeltwater de leem naar het dal mee. Het riviertje werd zo naar de loefzijde geduwd waardoor deze de basis van de loefzijde door laterale erosie ondermijnde. Hierdoor werd de loefzijde het steilst. 1954 Volgens F. Gullentops zou de Würm (Weichsel) te onderscheiden zijn in twee koude fasen (F. Gullentops, 1954): 1. Hesbayaan: niveo-eolische leem, die in de vlakke gebieden de toen aanwezige vegetatie heeft bedolven. Uit diverse verschijnselen zoals cryoturbaties, polygonen en vegetatieresten, kan worden afgeleid dat er een toendra-klimaat heerste, dat gepaard ging met relatief veel solifluctieverschijnselen. Het was een koude, vochtige periode. Na het Hesbayaan volgde een interstadiaal met klimaatsverbetering, dooi en bodemvorming, namelijk de bodem van Kesselt. 2. Brabantiaan: afzetting van eolische leem zonder veel vorstfenomenen. Het was dus eerder een koude, droge periode. 1956 Er werd een grondige studie gedaan over de evolutie van het Nethendal (F. Gullentops et al., 1966), dat bijna dezelfde condities heeft ondergaan als de rivieren op het kaartblad Leuven, uitgezonderd de ontbossingsverschijnselen. Op het einde van het Tardi-Glaciaal is de rivier sterk ingesneden. De herbebossing en de verdwijning van de permafrost verminderen volgens het ruissellement en vermeerderen de percollatie naar het freatisch oppervlak. Het debiet van de rivier regulariseert zich en verliest zijn erosieve kracht. Zonder betekeniswaardige lading vormt er zich een moerassige alluviale vlakte, die opgevuld wordt met een continue veenlaag. In ‘t Atlanticum domineert in de vallei de linde en de hazelaar. Bij het einde van het Atlanticum verschijnen de Cereales, wat op cultuurname wijst. Terzelfdertijd groeit de leemaanbreng en wordt de alluviale vlakte omgetoverd in een vlakte bedolven onder de leem. Dit wijst op een sterk pluviale erosie en ravinatie die in het regenrijk Atlanticum bevoordeligd zijn. Door de voortdurende ontbossing is deze leemaanbreng altijd blijven groeien. Hierdoor werd het reliëf afgezwakt.
10 Inleiding en historiek
De alluviale vlakte van de Dijle zou volgens F. Gullentops een volgende evolutie ondergaan hebben (F. Gullentops et al., 1956). De grintafzettingen dateren uit een periode van maximale erosie van de valleien. De er op rustende veenafzettingen zijn uit het Tardi-Glaciaal zodat de maximale erosie in de Würmijstijd plaats vond. De leemafzettingen konden tijdens de Würm II (Brabantiaan) de vallei niet opvullen omdat de leem gemakkelijk vervoerbaar was. Vandaar zou de maximale uitdieping tijdens het Hesbayaan (Würm-I) gebeurd zijn.
1957 Een palynologisch en geologisch onderzoek in de alluviale vlakte van de Dijle te Heverlee (W. Mullenders et al., 1957) wees uit dat de maximale uitdieping van het Dijle-dal gebeurde in de Würmijstijd en wel in het Hesbayaan. Daarna volgde een rustperiode, gekenmerkt door veenvorming (geen leemaanvoer meer) gedurende het Laat-Glaciaal tot in het begin van het Atlanticum. De palynologische analyse van dit veen, toonde de Bölling- en de Allerød oscillaties aan, gekenmerkt door een meer thermofiel karakter dan de tot hiertoe gekende diagrams uit de noordelijke aangrenzende gebieden. De terrigene opvulling van de alluviale vlakte is begonnen in het Atlanticum. 1959 Bij het opstellen van de verschillende verklarende teksten, horende bij de bodemkaarten van het ganse kaartblad Leuven (L. Bayens, 1959; L. Bayens et al., 1959; G. Scheys, 1959), werd er een volgende quartairgeologische opbouw van de ondergrond vastgesteld. Holoceen Alluvium in de belangrijke Recent hellingscolluvium valleien en depressies Lichte leem tot leem Lemig materiaal met klei met bijmenging van klei en zand, doch bezit een en zand (zelfs soms tot heterogene texturele sazandleem); men kan menstelling al naargelang het beschouwen als een de stromingskracht van het erosieprodukt van lager water bij afzetting. gelegen gronden.
Pleistoceen Boven-Pleistoceen Voornamelijk niveo-eolische leem of zandleem (Q3) uit de Würmijstijd; in onverweerde toestand bestaan ze uit een zacht aanvoelende, geelachtige, kalkhoudende (12 - 13 % CaCO3) leem die naar onder toe zandrijker wordt; plaatselijk wordt deze bedekt met verspoelingsmateriaal uit het Laat-Glaciaal.
Residuair puin (basisgrint) Hoofdzakelijk bestaande uit vuursteenkeien (silex) of ijzerzandsteenbrokken en meestal vermengd met zandige of kleiige lenzen.
Uit vroeger onderzoek is gebleken dat het niveo-eolische leem of zandleempakket tijdens de laatste IJstijd (Würm) werd afgezet. Door erosie werd dan deze leem plaatselijk aangetast zodat tertiaire lagen op een geringe diepte of zelfs aan het oppervlak zichtbaar werden. Tijdens het latere Holoceen werden de door rivieren, beken en drainagegeulen ontstane valleien en depressies opgevuld met colluvium of alluvium.
Ten noordwesten van de kaart Lubbeek - Glabbeek (90) (G. Scheys, 1959) gaat de leemstreek over in een zandleemstreek. Over het algemeen kan men hierbij zeggen dat in het noorden van deze kaart de pleistocene afzettingen relatief dun zijn terwijl ze naar het zuiden toe dikker worden.
1966 Bij verder onderzoek van de leemdikte stelde men vast dat deze varieert volgens de topografie (O. ArnouldDe Bontridder et al., 1966). De leem is weinig vertegenwoordigd op de platte toppen maar verdikt snel in de richting van de depressies. Het is de leemmantel die verantwoordelijk is voor het actuele reliëf omdat ze alles heeft genivelleerd. Toch geeft ze alhoewel sterk verzwakt de onregelmatigheden van het oorspronkelijke reliëf weer.
Tevens werd er een geologisch en palynologisch onderzoek van de alluviale vlakte van de Nethen uitgevoerd (F. Gullentops et al., 1966). Deze leverde vergelijkbare resultaten op tegenover de vroegere geologische en palynologische analyse van de Dijlevlakte te Heverlee (F. Gullentops et al., 1957).
1967 Het Laat-Pleistoceen (wat reeds door R. Tavernier geconcludeerd was) bestaat in België uit het Eem en het Weichsel (R. Paepe et al., 1967). Het Eem was een warme periode, waarin zich een bodem kon ontwikkelen (Rocourt bodem). Na deze Eem periode kreeg men een graduele daling van het klimaat naar het Weichsel toe, doch waren er af en toe nog perioden met warme Eem-klimaat condities aanwezig. Deze warmere oscillaties lieten het bestaan van open substantiële bossen met Betula en Pinus toe. Vandaar kon er zich in deze oscillaties een bodem zoals de Warneton bodem met zijn humusrijke leem ontwikkelen (= Eo-Würm of Vroeg-Weichsel).
Tijdens de eerste strenge harde oscillatie die maar kort duurde, werd er een afwisseling van leem en zand afgezet. In een volgende warmere oscillatie kon zich terug een bodem ontwikkelen, namelijk de Kesselt-bodem. Gedurende de volgende periglaciale zone werd er in het gebied rond Leuven een zandleem- tot leempakket afgezet.
Inleiding en historiek 11
In ditzelfde jaar werd de eerste interpretatie van de palynologische analyse van de Dijle- en Nethenvlakten (F. Gullentops et al., 1957 en 1966) in twijfel getrokken (A. Munaut, 1967). Hierbij werd er een volgend model voorgesteld: de veengroei zou pas beginnen vanaf de Allerød-opwarming i.p.v. in het begin van het Laat-Glaciaal. Dit betekent dat de grinten aan de basis van de quartaire bedekking van pre-Allerød ouderdom zijn.
1968 Volgens C. Planck heeft men als gevolg van erosie afzettingen van colluvia (C. Planck, 1968). Dit colluvia is zo belangrijk dat ravijnen gedeeltelijk of zelfs geheel werden opgevuld. Hierdoor verzachtten de bestaande vormen en zwakte het reliëf af. 1971 In dit jaar bevestigde A. Bolline (A. Bolline, 1971) de theorie van de opvulling van de ravijnen door colluvia (zie C. Planck, 1968). Ook periglaciale dalletjes kenden in hun as een belangrijke opvulling door colluvia. Dit colluvium heeft als gevolg een afzwakking van het reliëf. 1973 Aan de oorsprong van de huidige morfologie van het confluentiegebied Dijle-Demer ligt een jonge kustvlakte van pliocene ouderdom met er op een consequent riviernet (P. De Smedt, 1973). De vormingskrachten van het gebied waren de zeetransgressies en de tectoniek, waarbij de normale erosie van bij de inzet totaal ontwricht werd door de omvangrijke klimaatvariaties van het Pleistoceen. Tectoniek, periglaciale erosie, riviererosie en eolische krachten vervormden en boetseerden het tertiaire landschap tot een diep ingesneden plateau met veel plaatselijke erosievlakken. De daaropvolgende Holocene evolutie betekende een herstel van de normale erosie waarbij de reliëfsveranderingen verminderden. Met de afbraak van het plateau bouwden de rivieren een brede en diepe alluviale vlakte op. In de middeleeuwen verhaastte de mens de erosieprocessen door zeer intensieve ontbossing.
Als lithostratigrafische opbouw van de Quartair geologie in dit gebied volgde P. De Smedt de indeling van het Quartair in een pleistocene en holocene afzetting. Het Pleistoceen bestond hier uit een leem-, zandleem- tot zandbedekking, waarbij er tevens plateaugrinten, grintterrassen en dalbodemgrinten aanwezig waren. In de holocene vertikale opbouw (van de valleien) zijn er volgens hem drie belangrijke delen te onderscheiden die allen behoren tot de formatie van Arenberg: het veen (lid van Rotselaar, de venige kleiige lemen (lid van KorbeekDijle), en de lemen en zandige lemen (lid van Rotspoel). Naast de veengroei in kommen en verlaten geulen wordt de opbouw van de holocene alluviale vlakte voornamelijk door het suspensiemateriaal verzekerd. Grove beddingssedimenten beperken zich tot de boreale geul en enkele subboreale en subatlantische beddingen.
Qua ouderdom van de veengroei sluit P. De Smedt zich aan bij A. Munaut (A. Munaut, 1967) en verbetert verder het model van de opbouw. Hij typeert de Dijle in het Laat-Glaciaal als een vlechtende rivier ten gevolge van de hevige debietfluctuaties en de hoge puinafvoer. In de Jonge Dryas verandert het karakter van de Dijle: het wordt een meanderende rivier met plaatselijk in kommen van de dalbodem een beginnende veengroei. Deze veengroei wordt continu vanaf het Preboreaal wat wijst op reliëfsfossilisatie. Vanaf het begin van het Atlanticum tot nu herneemt dan de vertikale sedimentatie als gevolg van een onregelmatig regime van de Dijle en een hernieuwde bodemerosie.
De Dijle heeft volgens P. De Smedt een Vroeg-Pleistoceen terras in de omgeving van Leuven op een hoogte van 50 m. Heden stroomt de Dijle echter op ongeveer 20 m in de omgeving van Leuven. Dus moet de quartaire erosie in dit gebied minstens 30 m bedragen. Zo werden dan tijdens het Quartair plateau’s aangetast, dalletjes geschapen en reeds bestaande dalen veranderd of uitgewist.
Men krijgt een herdefinitie van de term ‘del’ (A.L. Washburn, 1973), namelijk worden het nu smalle, ondiepe valleien die momenteel droog zijn. Men kan ze van andere droge dalen onderscheiden daar ze zeer smal en ondiep zijn, en veelal ontstaan zijn in periglaciale omstandigheden. De dellen hebben over het algemeen een zachthellend U-vormig dwarsprofiel en zijn het gevolg van lineaire erosieprocessen door stromend water en/of door puinstromen. Dit gebeurde in gebieden waar de drainage verhinderd werd door permafrost of seizoenaal bevroren ondergrond. Het feit dat ze nu droog staan, wordt verklaard door het ontdooien van de bevroren ondergrond waardoor het water kan infiltreren.
1977 Büdel zocht naar de vorm en ouderdom van de dellen die op de Riss-terrassen van de Inn voorkomen. Volgens hem (J. Büdel, 1977) gebeurde de opbouw van de dellen niet alleen tijdens de hoog-Würm maar vaak in drie fasen: 1. Tijdens Riss II: men krijgt een eerste zwakke insnijding van de dellen. Deze eerste aanleg gebeurde niet door terugschrijdende erosie, maar werd over het ganse terras van boven af aangelegd. Later ontwikkelde zich hierop een Eembodem, wat er op wijst dat tijdens deze fase geen uitdieping was. 2. Tijdens de koude, vochtige Vroeg-Würm: hier krijgen we de sterkste insnijding van het dellensysteem, weer van boven af beginnend naar beneden toe. Deze verdieping gebeurde door intense solifluctie en afspoelingen. Deze fase word gekenmerkt door een eerste aanleg van de asymmetrie.
12 Inleiding en historiek
3. Tijdens het Hoog-glaciale Würm: in deze fase wordt voornamelijk de asymmetrie van de dalen bewerkstelligd. Tenslotte werd heel het gebied met leem bedekt. Er werd meer leem afgezet op de naar het oosten gerichte helling die minder steil was dan de naar het westen gerichte helling. Deze asymmetrie werd ook na de leemafzetting bewaard. 1980 Bij verdere studie (P. De Smedt, 1980) van de vervlakkingen ten zuiden van Leuven vond P. De Smedt meerdere 50 m terrassen aan de Dijle. Deze 50 m terrassen zouden dateren uit het Vroeg-Pleistoceen, gezien hun topografische ligging en de drie glaciale perioden die het minstens heeft meegemaakt. Immers heeft men drie lemen van Würm-ouderdom, en de aanwezigheid van de Kesseltbodem. Voor de vorming van deze bodem heeft er zich een belangrijke nivellerende aeolische erosie voorgedaan, waarbij het grootste deel van het terras is opgeruimd. Zowel deze ablatie als de grote vorstactiviteit aan de basis van de grintvloer vereisen een koud klimaat, d.w.z. het vroeger-glaciaal dan de Würm (Riss). De Dijle zelf stroomt nu op ongeveer 20 m in de omgeving van Leuven. Ook het plateau werd aangetast, dalletjes werden geschapen en reeds bestaande dalen werden veranderd.
Ook werd in dit jaar (D. Goossens, 1980) aangetoond dat de leemafzetting onregelmatig van karakter is en daardoor het tertiair reliëf verdoezelt, wat de studie ervan bemoeilijkt. Gedurende het Holoceen werd immers het klimaat weer warmer. In het Atlanticum, een periode met vermeerderde neerslag, ontwikkelden zich ravijnen onder de bosvegetatie. Sinds de landname door ontbossing werd de erosie terug geactiveerd. Er ontstond ruissellement en splash waardoor op de hellingen van de dalen colluvia werd afgezet, wat aanleiding gaf tot het afzwakken van het reliëf (zie C. Planck, 1968 en A. Bolinne, 1971).
1992 Bij het onderzoek van de holocene bodemerosie van de leemlagen in België kwam F. Gullentops tot de vaststelling dat de reliëfvermindering eerder te wijten is aan het opvullen van de depressies met colluvium (zie A. Rutot, 1882) dan aan de torrentiële lineaire erosie (vb. slumps, creep, gully-vorming). De verschillende erosie typen zijn vaak minder belangrijk dan de echte rivierterrassen. In het reliëf blijven de artificiële scarps echter het best zichtbaar.
In dit jaar wordt tevens een tweede atlas van België gemaakt, waarin voor de eerste maal een kaart met Quartairgeologie wordt voorgesteld (R. Marechal, 1992). Hierbij worden in het gebied rondom Leuven de grote alluviale afzettingen weergegeven. Hiernaast vindt men in deze streek het leemgebied en het zandleemgebied. Tevens wordt hier reeds een eerste onderscheid in dikte van het Quartair aangeduid.
Inleiding en historiek 13
2 Algemene werkwijze Om een zo’n gedetailleerd mogelijk beeld van de quartairgeologische gesteldheid weer te geven, werd er eerst gewerkt op een schaal van 1/25.000 voor de kaartbladen Erps-Kwerps ‑ Leuven (32/1-2), Lubbeek - Glabbeek (32/3-4), Duisburg - Hamme-Mille (32/5-6) en Meldert - Tienen (32/7-8). Hiervan werd eerst de diktekaart en later de lithostratigrafische kaart gemaakt. Voor het maken van de kaarten werd er gebruik gemaakt van gegevens uit het archief van de Belgische Geologische Dienst (B.G.D.), de pedologische, de oro-hydrografische en topografische kaarten van het kaartblad Leuven en tenslotte ook van publicaties en ongepubliceerde thesissen die van dit gebied bekend zijn.
2.1 Invoeren van data De X- en Y-Lambert coördinaten van de verschillende gegevenspunten van het kaartblad Leuven werden uit het archief van de Belgische Geologische Dienst gedigitaliseerd vanuit de archiefkaarten van 1/10.000. Daarna werden deze in worksheet-files ingebracht, waarna alle bestaande gegevens van de kaarten 89W, 89E, 90W, 90E, 103W, 103E, 104W en 104E in diezelfde files (zie tabel 1) werden gestockeerd. Hierin werden volgende kolommen opgenomen: X-Lambert coördinaat, Y-Lambert coördinaat, volgnummer in het archief van de B.G.D., soort boring, topografische hoogte van de boring, diepte van de boring, quartaire dikte, de beschrijving van de gegevens en tenslotte de eigen interpretatie ervan.
Tabel 1: Voorbeeld van een worksheet-file De symbolen die hiervoor werden gebruikt, zien er als volgt uit:
1 2 3 4
Soort boring (s) ontsluiting 5 kernboring inspoelingsboring 6 gestoken boring handboring 7 lepelboor droge boring
Algemene werkwijze 15
Beschrijving Zand
Leem
Andere soorten
Eolische leem L bruine ontkalkte leem Lc leem rijk aan kalk
Alluviale leem La alluviale leem
Z Quartair zand
Laz zandige alluviale leem
Zl leemhoudend zand
Lz leem rijk aan zand
Lak kleiige alluviale leem
Zy ijzerzandsteen
H herwerkt materiaal
Lk leem rijk aan klei Lkz kleihoudende, zandrijke leem
Lap alluvion des pentes Lav veenhoudende alluviale leem
Zk kleihoudend zand Zh herwerkt zand
O opvulgrond
rZ rood ijzerhoudend zand Zc zand rijk aan kalk
V veen
Lg gleyige leem Ls gestratifieerde leem Lv veenhoudende leem
Gd Gt Gp Gr col Rl Klk
Interpretatie grint-dalbodems Rv grint-terrassen Kv plateaugrinten Bo residueel grint Bc (+ onduidelijk genoemde grinten) colluvium H leem van Rotspoel Lz kleiige leem van Korbeek-Dijle A
K klei Kz zandige klei
T turf
Cp poreuze kalksteen Li ligniet Q kwartsiet
Keien G keien of grint Gw keien, gekacheloniseerd door witte randen Gr keien, rood ten gevolge van verwering Gh keien, gebroken, hoekig Gd Diestiaankeien, beige chocolaté, grillige vorm Gb Bolderiaankeien, eivormig blauw Gu Rupeliaankeien, plat, donker
veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabantse leem kalkrijke Brabantse leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
2.2 Dikte Een essentieel kenmerk van een Quartair geologische kaart dient de dikte van die afzetting te zijn. Daarom werd er ook een diktekaart van het Quartair opgesteld (zie bijlage 8.1), waarbij volgende zones afgebakend werden: kleiner dan of gelijk aan 1 m; groter dan 1 m maar kleiner dan of gelijk aan 4 m; groter dan 4 m maar kleiner dan of gelijk aan 10 m en tenslotte groter dan 10 m. De eerste grens van 1 m werd gekozen omdat tot die diepte de pedologische kaart veel informatie te bieden heeft. Immers werd deze grens opgetekend op basis van de gegevens van de pedologische kaart, mede rekening houdend met de gegevens uit het archief van de Belgische Geologische Dienst. Voor de verdere indeling dikker dan 1 m werd geopteerd voor een geometrische progressie omdat er steeds minder (archief)gegevens zijn naarmate de dikte van het quartaire dek groter wordt. Ten gevolge van het relatief klein aantal gegevens zou het tevens zinloos zijn eenzelfde lineaire nauwkeurigheid na te streven zoals vb. isopachen om de 2 m of 5 m. Hier kozen we als basis voor de progressie 3, wat de reeks 3 – 6 – 12 geeft. Voor de diktekaart van het Quartair van Leuven volstond het trekken van de isopachen 1 m, 4 m (= 1+3) en 10 m (=4+6) aangezien er geen dikten voorkomen groter dan 22 m (= 10+12). Een bijkomend argument voor de basis 3 is het feit dat tot 4 m (= 1+3) er nog relatief goede handboringen kunnen uitgevoerd worden. De diktegegevens van de archieven van de Belgische Geologische Dienst werden met een Rockware programma geplot op schaal 1/25.000. Er was een uitstekende conformiteit tussen de gegevens van het archief kleiner dan 1 m en de isopach opgetekend op basis van de pedologische kaart. Vervolgens werden de isopachen van 4 m en 10 m getrokken,
16 Algemene werkwijze
rekening houdend met de verworven kennis (uit thesissen, publicaties) en de relatie met het reliëf (oro-hydrografische en topografische kaarten).
2.3 Lithologische aard De lithologische aard van het quartaire dek stelt de tweede variabele van de quartairgeologische kaart voor. De grote verscheidenheid van de opbouw van de hoofdzakelijk kontinentale quartaire afzettingen maakt het irrelevant alleen de aard van de bovenste quartaire laag aan te duiden. Hetzij voor een wetenschappelijke verklaring, hetzij voor het aanbieden van zo nuttig mogelijke informatie aan de gebruiker is het dan ook essentieel een beeld te verschaffen van de opbouw van het quartaire pakket. Als basis worden herkenbare lithostratigrafische eenheden genomen die cartografisch (op schaal 1/50,000) haalbaar zijn. Gezien dit zou kunnen uitwijzen in een kaart met een eindeloze constructie van dikte en aard moet een eenvoudig systeem ontworpen worden. Dit systeem dient rekening te houden enerzijds met de mogelijkheid tot integratie van oude beschrijvingen en anderzijds met de opmaak van een coherent beeld vanuit slechts een gering aantal waarnemingen (gemiddeld 1 op 10 m).
2.4 Profieltypen De uiteindelijke keuze van opbouwtypen werd geleid door de voorhanden zijnde detailstudies over groeven, monografieën en boorreeksen. Hierbij waren ook de boringen uitgevoerd langsheen autosnelwegen zoals deze van BrusselAken en langsheen spoorlijnen zoals het H.S.L.-traject (zie bijlage 8.3) van het grootste belang, niet alleen voor het begrijpen van het quartaire dek maar tevens voor het reduceren van de realiteit tot een beperkt artificieel kader van profieltypes. Vandaar werden in bijlage enkel profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken en Brussel-Namen en langsheen het H.S.L.-traject weergegeven. Ze doorkruisen het kaartblad Leuven van zuidoost naar noordwesten en geven een reëler beeld van het quartaire dek weer, dan dat het geval zou geweest zijn voor een oostwest- of noordzuid profiel doorheen het kaartblad.
Algemene werkwijze 17
3 Quartaire diktekaart van Leuven 3.1 Inleiding Vooraleer aan te vangen met het beschrijven van de quartaire diktekaart is het tevens nodig uw aandacht te vestigen op het feit dat deze kaart slechts een ‘hypothetische’ quartaire diktekaart is. Immers is er reeds vanuit de vroegere beschreven literatuur gebleken dat de dikte van het Quartair zeer sterk kan variëren van plaats tot plaats. Zo vindt men deze vlugge dikteveranderingen o.a. weer op profiel 5 en 9 (zie bijlage 8.3) van de autosnelweg Brussel-Aken. Tevens kan het voorkomen dat door deze verschillende diktes van afzetting het vroegere reliëf verloren gaat. Als voorbeeld kan men hierbij het profiel van de Molenberg aanhalen (D. Goossens, 1980) waarbij er een geul tussen twee vlaktes werd opgevuld waardoor er een beeld van één plateau ontstond (figuur 4). absolute hoogte in m 60
De positie van de boringen is aangegeven op de topografische kaart 1/10.000
vermoedelijk vroeger verloop van de lagen
WZW
ONO
Holocene bodem Ontkalkte leem Kalkrijke leem
llu viu m Ka lkr ijke le
em
50
Co
Tertiair zand (met bovenaan basisgrind Quartair)
40
0
100 m
Boornummer M2
M15
M4
M9/10
M12
M18
M16
Fig.4: Profiel Molenberg (D. Goossens, 1980)
3.1.1 Reliëfnivellering door het quartaire dek 3.1.1.1
Eololisch dek
Ook toen men de dikte van het Quartair aan de Gasthuisberg (D. Goossens, 1980) te Leuven onderzocht, kwam men tot de probleemstelling van te grote dikteverschillen. Immers toen de universiteit buiten Leuven op de toen nog onbebouwde Gasthuisberg het complex der academische ziekenhuizen wou plannen en verwezenlijken kon men de bouwheer ervan overtuigen dat een grondige kennis van het substraat hiervoor noodzakelijk was. Daarop werden er 533 handboringen verricht op het terrein van 50 ha, met in totaal bijna 2000 m lengte. Meer dan 100 boringen overtroffen 6 m diepte (figuur 5). Reeds vanaf het begin werd echter duidelijk dat de nauwkeurigheid van de diktegrenzen louter een functie was van de dichtheid van het boornet. Doch bleek, zoals te verwachten was, dat de leemmantel negatief gecorreleerd was met enerzijds de steilste hellingen van de droge dalstelsels en anderzijds met de hoogst blootgestelde landschapsgedeelten. Zo bereikte de leem hier soms een dikte van 8 m zoals in de benedenloop van de droge dalen of was de leem soms bijna niet aanwezig zoals op de hoogste landschapsgedeelten. Zo kwam het dat men op de Gasthuisberg plotse verdikkingen van de leemmantel tegenkwam die ravijnvormig verliepen en die overeenkwamen met gezochte uitgewiste ravijnen. Alhoewel deze verwacht werden, kon men geen enkele ervan voorspellen aangezien ze zelfs op de uiterst nauwkeurige speciaal opgenomen topografische kaarten niet meer tot uiting kwamen.
3.1.1.2
Alluviale opvulling
Deze reliëfnivellering kan echter ook in de kleine en grotere dalen veroorzaakt zijn door alluviale opvulling. Deze opvulling kan een dikte groter dan 10 m bezitten. Doch is er over deze opvulling vaak weinig gekend aangezien de meeste gegevens het quartaire dek niet zo diep beschrijven.
Diktekaart 19
Fig. 5: Diktekaart van het Quartair op de Gasthuisberg te Leuven 20 Diktekaart
3.1.2 Reliëfvorming voor het quartaire dek Het laatste loessdek, het Brabant leem, kan echter ook reliëfvormend zijn langs rivieren door vorming van windwallen, elders door vorming van loessruggen die aanzienlijke verdikkingen van het quartaire dek kunnen teweeg brengen. Een voorbeeld hiervan vindt men terug op de Gasthuisberg. Gezien nu blijkt dat de dikte van het Quartair, ondanks de relatief grote dichtheid van het boornet op de Gasthuisberg, hier reeds op alle plaatsen moeilijk te bepalen valt en gezien de quartaire diktekaart van het kaartblad Leuven enkel steunt op een veel kleinere dichtheid van gegevens, kan men hieruit afleiden dat men bij de interpretatie van de quartaire diktekaart van Leuven voorzichtig moet zijn. Het kan immers zijn dat men op bepaalde plaatsen een dikkere quartaire laag aantreft dan weergegeven is op de kaart.
3.1.2.1
Quartair ≤ 1m (zie bijlage 8.1)
Aangezien de nieuwe diktekaart een synthese van de algemene kennis moet bieden, werd bij het opstellen van deze nieuwe kaart niet enkel een herinterpretatie van de archieven van de Belgische Geologische Dienst gedaan maar werden ook publicaties en thesissen over dit gebied in deze kaart geïntegreerd, hierbij rekening houdend met de bestaande pedologische kaarten. Vooral voor het afbakenen van deze arealen kleiner dan 1 m werd er een beroep gedaan op de pedologische kaarten. Immers behoren tot deze arealen reeds de gebieden die op de pedologische kaarten vermeld staan als gebieden met stenig materiaal, kleisubstraat, zandsubstraat en eventueel zandleemsubstraat op geringe diepte. Tevens behoren hierbij ook de kleigronden, de meeste zandgronden in dit gebied, de stenige leemgronden en tenslotte eventueel de complexen van zware klei, zand- en zandleemgronden. Bijkomende informatie over zones die niet uit de pedologische kaarten te halen valt, werd op de kaart via oplegsystemen weergegeven. Voorbeelden zijn: 1. Voorkomen van residueel grint:
Vaak komen deze voor op de heuvels zoals de Tomberg, Cayberg (A. Verdrengh, 1970). Ook werden deze op terrein ontdekt en tevens op kaart aangeduid door M. Vertonghen.
2. Voorkomen en dagzomen van terrasgrint:
Zo vindt men langs de grote rivieren vaak een terrasgrint vb. Dijleterrassen ten zuiden van Leuven (P. De Smedt, 1980) (figuur 6).
3. Voorkomen van verwering van onderliggende ondergrond zoals verijzeringen, ontkalkingen. Zo heeft men een Holocene bodem kunnen zien in een droog zijdal op de oosthelling van de Vloedgroebe (M. Vanherck, 1982). Hierbij ligt op het verweerde Brusseliaan een 0,5 m leem. Deze leem is nog kalkhoudend zodat de klei en ijzermineralen er niet door kunnen migreren en we een dikte B-horizont krijgen. Tussen de aanwezige B-horizonten die in bandjes op verschillende hoogten aanwezig zijn, vindt men lagen met brosse, verweerde zandstenen terug. Deze 0 m - 1 m zone komt hoofdzakelijk voor op interfluvia en op de steile dalhellingen (voornamelijk op de oostelijke hellingen). Als voorbeeld voor deze interfluvia heeft men de diverse plateau’s en heuvels zoals Tomberg, Cayberg, (A. Verdrengh, 1970). De profielen 5, 8 en 10 (zie bijlage 8.3) langs de autosnelweg Brussel-Aken geven een beeld weer van de steile oostelijke dalhellingen met een dun leempakket tegenover de minder steile dalhellingen met een dikker leempakket.
3.1.2.2
1 m < Quartair ≤ 4 m
De bovengrens van dit areaal werd op 4 m vastgelegd. Immers zijn ten eerste op 4 m nog goede handboringen mogelijk, ten tweede werd deze grens reeds gebruikt in diverse thesissen en ten derde volgt deze via een geometrische progressie met basis 3 op de 1 m grens. De gebruikte thesissen geven vaak een gedetailleerder beeld van bepaalde gebieden van de kaart weer, zoals het Warandedal (A. Verdrengh, 1970). Bij deze gebieden kan dan ook de 4 m grens duidelijk getrokken worden. Dit quartaire areaal van 1 m tot en met 4 m is niet zo gebonden aan bepaalde reliëfvormen en wordt dan ook vaak gezien als een overgangszone tussen de 0 m - 1 m en 4 m - 10 m zone. Zo vindt men deze weer in de thesis van A. Verdrengh (1970) als een dunne band op de zuidoost-dalwand en aan de voet van sommige dalhellingen. Tevens omvat deze zone in het Warandadal een grote oppervlakte op de noordwest-dalwand en bestaat deze in het oosten enerzijds uit enkele brede weinig ingesneden zijdalen en enkele diep ingesneden dalen en anderzijds uit relatief vlakke gedeelten op de waterscheidingskammen.
3.1.2.3
4 m < Quartair ≤ 10 m
Alhoewel in de publicaties en thesissen meestal geen verdere indeling van de dikte van het Quartair gemaakt werd, werd er hier toch een derde grens van 10 m vastgelegd. Deze grens volgt via verdere geometrische progressie op de Diktekaart 21
Fig. 6: Dijleterrassen ten zuiden van Leuven (P. De Smedt, 1980)
22 Diktekaart
twee voorgaande grenzen en laat op de diktekaart nog een duidelijk beeld achter. Ook deze zone werd gekarteerd aan de hand van de gegevens uit de archieven van de Belgische Geologische Dienst, publicaties, thesissen, de pedologische, oro-hydrografische en topografische kaarten. Dit areaal van 4 m - 10 m komt voor aan de rand van bredere depressies en valleien. Ook vindt men deze weer op plaatsen waar er op het einde van het Tertiair dalen waren maar waar deze door opvulling met eolische leem of alluvium zijn uitgewist. Een voorbeeld hiervan kan men zien op profiel 1, 5, 6, 9 en 10 (zie bijlage 8.3) van de autosnelweg Brussel-Aken.
3.1.2.4
10 m ≤ Quartair
De ondergrens van 10 m volgt zoals hierboven vermeld via geometrische progressie op de 1 m en 4 m grens. De volgende grens zou op 22 m (= 10+12) liggen. Daar op het kaartblad Leuven het Quartair niet zo dik is, geven we als laatste zone het Quartair dikker dan 10 m. Dit areaal van een quartaire dikte groter dan 10 m komt op het kaartblad Leuven voornamelijk voor in de brede depressies en valleien. Elders komt deze zone op het kaartblad Leuven sporadisch tot niet voor, tenzij als windwallen en loessruggen ten noordwesten van Leuven (zie verder). Deze windwallen bestaan hoofdzakelijk uit leem terwijl in de bredere valleien en depressies deze zone buiten leem ook alluvium of colluvium bevat. Voorbeelden zijn: 1. Profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken (zie bijlage 8.3):
profiel 2: alluviale vlakte van de Grote Gete
profiel 3: alluviale vlakte van de Molenbeek
profiel 5: alluviale vlakte van de Velpe
profiel 8: alluviale vlakte van de Dijle
profiel 9: alluviale vlakte van de Voer
Deze alluviale vlakten bestaan grosso modo uit een lemig alluvium dat overgaat in een veenhoudende leem tot veen. 2. Tijdens het onderzoek van de toen nog onbebouwde Gasthuisberg (figuur 5) vond men aan de noordwestrand van de opname een heuvelrug waar de leem constant dikker was dan 6 m. Deze heuvelrug die dus volledig opgebouwd is uit Weichsel-leem en waarvan de strekking volledig geboetseerd werd door de heersende winden (uit het noordoosten) tijdens het Brabantiaan kan beschouwd worden als een loessrug. Deze leemmassa versmacht niet alleen het onderliggende reliëf maar bouwt tevens zijn eigen karakteristieke vorm op. 3. In de Netevallei trof men in de benedenloop van de vallei een lemig alluvium met eronder veenhoudende leem tot veen aan (A. Verdrengh, 1970). Hierbij boorde men tot 6 m diep en had men de basis van het veen nog niet bereikt. Men kan aannemen dat de alluviale vlakte van de Nete waarschijnlijk zoals deze van de andere bovenstaande rivieren een quartaire dikte groter dan 10 m heeft.
Diktekaart 23
4 Quartairgeologische kaart van Leuven 4.1 Algemene lithostratigrafie voor het kaartblad Leuven Vertrekkend van de beschrijving van de gegevens uit het archief van de Belgische Geologische Dienst (cfr. Lotusfiles) zou men tot een te gedetailleerde en onoverzichtelijke opeenvolging van lithostratigrafische eenheden komen. Echter na de literatuurstudie kan men voor het kaartblad Leuven volgende chrono-lithostratigrafische tabel opstellen (tabel 2).
chronostratigrafie
diepzee isotopen
eolisch zand
eolisch zand-leem
HOLOCEEN
stuifzand van Bouwel
eolisch leem
rivierafzetting
colluvium
leem van Rotspoel kleileem van Korbeek-Dijle
1
veen van Rotselaar Tardi-Glaciaal 2
PLEISTOCEEN
lithostratigrafie
Weichsel (Würm)
3
Duinzand van Hechtel Dekzand zandleem van Wildert (lid windwalzanden (windwalzandlemen van Wakkerzeel?) van Zammel)
Brabant Leem Kesseltbodem
4
Haspengouw Leem
Eowürm
5 e,d,c,b
Warneton humus
Eem
5a
Rocourtbodem
(grind-terrassen)
Henegouwen Leem
(grind-terrassen)
Saal (Riss) Onder-Pleistoceen
grind-dalbodems
plateaugrinden residuele grinden
Tabel 2: Chrono-lithostratigrafische tabel voor het kaartblad Leuven. Eerst en vooral zullen nu de verschillende lithostratigrafische eenheden verder uitgesponnen worden, waarna dan de verschillende profieltypen, die gebruikt werden om de quartairgeologische kaart van het kaartblad Leuven tot stand te brengen, belicht zullen worden. Hierbij worden voorbeelden vermeld die een link leggen tussen deze chrono-lithostratigrafische tabel en datgene wat men op terrein kan tegenkomen. Tenslotte zal uit de voorgaande besprekingen de algemene geologie van het kaartblad Leuven afgeleid worden. In een volgend hoofdstuk zal dan een algemeen overzicht (zie besluit) weergegeven worden van wat ten eerste de quartaire diktekaart en ten tweede de quartairgeologische kaart van het kaartblad Leuven ons nu eigenlijk te bieden heeft.
4.1.1 Grintvoorkomen Op het contact van de tertiaire ondergrond met een quartaire deklaag wordt er meestal zo’n grintafzetting aangetroffen (zie 6.1 zandgroeve van de Krakenberg). In Midden-België bestaat deze grintlaag dominant uit silexkeien, maar lokaal kunnen er andere gesteenten (zoals ijzerzandsteen) groter in aantal aanwezig zijn. Oorspronkelijk kwamen deze silexkeien voor op de tertiaire stranden. Bij een transgressie lagen ze dus aan de basis van een nieuwe formatie. Doch de grinten werden pas echt belangrijk bij het ontstaan van de krijtkliffen in de zuidelijke Noordzee. Zo werd de basis van het Rupeliaan gekenmerkt door platte, zwarte schuifkeien, afkomstig van de Boulonnais. Deze platte keien werden door de golfslag op het zandstrand aan de Boulonnais afgesleten en de platste
Quartairgeologische kaart 25
werden door de kustdrift het verst vervoerd (gemiddeld tot in Merchtem, Huisberg, Pellenberg en Tongeren?). De basis van de Bolderberg Zanden werd gekenmerkt door ovoïde blauwe rolkeien, afkomstig van de toenmalige krijtkliffen in Zuid-Limburg. Deze grinten zijn nog aanwezig te Pellenberg en te Binkom. Tenslotte remanieerde de basis van de Zanden van Diest de vorige zanden door diepe geulen. Het emersiestrand werd echter gekenmerkt door minder perfect gerolde tot grillige, meestal licht bruine keien die zelfs tot 6 cm groot kunnen zijn. Ze vertonen typische gladde gedeelten afwisselend met ruwe plaatsen, waarop de slagkegels goed zichtbaar zijn. Het transport was hier dus sneller door belangrijke stromingen. Sinds door erosie van de tertiaire lagen de keien aan de oppervlakte kwamen te liggen, hebben ze de bodemverweringen in diverse klimaten meegemaakt. Zo treft men het dichtst tegen een plateau bloedrood verkleurde keien aan, die nog in een hematietrijke subtropische bodem hebben gelegen. De impregnatie verliep meestal vlekkig. Veelal komen echter ook gebleekte keien voor die bij het doorslaan een witte ring bevatten. Sommige van hen zijn zelfs zeer broos geworden en heel wit (omzetting tot cacholong). Doch het meest hebben deze keien geleden onder vorstwerking waardoor ze in scherpe fragmenten zijn stukgesprongen. Zelfs ogenschijnlijk gave keien kunnen door een lichte slag gemakkelijk verbrokkelen langs spanningsbarsten. Meest eenvoudig kan een grintafzetting dus ontstaan door het wegeroderen van de tertiaire lagen, waardoor de verschillende keien zich ter plekke zullen concentreren tot één keilaag. Bij het wegspoelen van zand en klei zullen zo immers de zwaardere keien hoofdzakelijk vertikaal dalen en een residueel grint vormen. Voorbeelden hiervan vindt men in: • Ontsluitingen en boringen uit het archief van de Belgische Geologische Dienst. Vaak worden ze hier besproken als ‘Limon cailloux’. • Zandgroeve te Meensel - Kiezegem (A. Goyens, 1964). • Zandgroeve van de Krakenberg (zie 6.1) • Zandgroeve van Holsbeek (P. Vanderhallen, 1976): De grintige contactlaag die men hier ziet (figuur 7), is zo’n 10 cm dik waarbij het aandeel van de grinten naar boven toe afneemt. Deze grinten bestaan voornamelijk uit afgeronde silexen en platte gebroken ijzerzandstenen. Ze bevinden zich zonder bepaalde overheersende oriëntatie in een zandige matrix. Hierboven ligt dan een heterogeen Quartair dek met een gemiddelde dikte van 110 cm.
NW
fijn zand grover zand
1m
1 - 2 - 3 monsters
omgewoeld
Tertiair Quartair
1m SE
silexen en Diestiaanbrokjes roestvlekken Fig. 7: Groevewand te Holsbeek
Het continu verloop van het basisgrint onderaan de dekmantel wijst op de werking van watererosie. Deze erosie heeft echter niet tot intense geulerosie geleid maar eerder tot een diffuus ruissellement (oppervlakteafvoer). Deze erosiefase gebeurde in een eerste gedeelte van de laatste ijstijd, terwijl de fossilisatie van dit vlak door het dunne eolische dek in de late-Würm plaatsvond.
26 Quartairgeologische kaart
• Depressie op 55 m te Wilsele op het zeswegenpunt (J. Sterckx, 1957): De grinten zijn meestal gebroken en gebarsten. Ze komen in twee zones voor op een goede halve meter boven elkaar (figuur 8) om op andere plaatsen één massa te vormen. De onderste grintband vertoont grintzakken die in het Brusseliaan hangen. Het zijn duidelijk geremanieerde grinten, residuele grinten.
humus leem fijn zand leem
silex en grinten
fijn zand
leem
Brusseliaan
Fig. 8: Depressie op 55 m te Wilsele op het zeswegenpunt (J. Sterckx, 1957) Concentraties aan keien worden tevens ook dikwijls aangetroffen op heuveltoppen en interfluvia en door het toponiem Keiberg verraden. Het voorkomen van de keien in slierten en hun overvloed laat vermoeden dat het hier om concentraties in vroegere dalbodems gaat. Hun moeilijk transport veroorzaakte later een reliëfomkering. Hier onderscheiden we ze van de zuivere residuele grinten door de naam plateaugrinten. Deze plateaugrinten vindt men o.a. terug bij de Tomberg, Cayberg (A. Verdrengh, 1970), plateau van Pellenberg (A. Goyens, 1964). Ook komen er concentraties keien voor op vervlakkingen langs de rivierdalen, die soms dik genoeg zijn om nog specifieke fluviatiele sedimentaire structuren te vertonen: het terrasgrint. Deze weerstandbiedende terrasgrinten kunnen ook aanleiding geven tot reliëfomkeringen. Zo ziet men op profiel 1 (zie bijlage 8.3) in het noordwesten van de autosnelweg Brussel-Aken twee niveau’s met terrasgrinten van de Grote Gete. Een ander mooi rivierterras is nog steeds te bezichtigen in de zandgroeve van de Krakenberg (zie 6.1). Ook toen de werken aan de E40 te Heverlee-Rotspoel bezig waren (P. De Smedt, 1980), werden er vooral op de westhelling van de Dijle grintontsluitingen teruggevonden. In al deze ontsluitingen ligt het grint op de tertiaire zanden en zijn ze bedekt met leem. Ze behoren allen tot hetzelfde terras van de Dijle daar ze op min of meer dezelfde topografische hoogten (+ 50 m) terug te vinden zijn en telkens ongeveer tot op een gelijke afstand van de valleiwand en daar ze uit eenzelfde grintvariëteit zijn samengesteld. Tenslotte ligt onder het huidig alluvium op de pleistocene dalbodem gewoonlijk het meeste grint door alle transport bijeen gebracht: het dalbodemgrint. Een voorbeeld hiervan vindt men terug op profiel 2 (zie bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel-Aken waar onder de alluviale vlakten van de Grote Gete een grintpakket voorkomt. Bij deze verschillende soorten grintafzettingen dient echter opgemerkt te worden dat er aan deze grinten in MiddenBelgië nog geen officiële lithostratigrafische benamingen werden gegeven. Dit is tamelijk logisch mits hun grote diversifiëring. Zou echter het ultieme doel zijn deze grintvoorkomens toch te ordenen in lithostratigrafische eenheden, dan zou het nuttig zijn deze eerst en vooral te kenmerken met hun bijzonderste parameter, namelijk de hoogte waarop deze voorkomen. Dit laat toe de diverse grintlagen te onderscheiden bij de opvulling van een dal. Is het grint minder dik dan bv. 2 m dan volstaat de hoogte van de basis, bv. gt 48. Is het grint echter dikker, dan wordt de spanning aangegeven, bv. gt 12-8. Zo zou een bepaalde opeenvolging van verschillende grintlagen karakteristiek kunnen zijn voor een bepaalde rivier, bv. de Winge. Hierbij zou men dan aan deze bepaalde opeenvolging een lithostratigrafische naam kunnen geven, bv. ‘het grint van de Winge’.
4.1.2 Rivierafzettingen In de holocene vertikale opbouw zijn er hier van oud naar jong drie belangrijke delen te onderscheiden (zie chrono - lithostratigrafische tabel 2): 1. Het veen (lid van Rotselaar). 2. De venige, kleiige lemen (lid van Korbeek-Dijle). 3. De lemen en zandige lemen (lid van Rotspoel). Deze drie leden vormen samen de Formatie van Arenberg (P. De Smedt, 1973). Deze formatie omvat alle postglaciale sedimenten van de rivieren (en van sommige beken) en bestaat uit beddingssedimenten, overstromingssedimenten (oeverwallen en komgronden), venen en turflagen.
Quartairgeologische kaart 27
Het lid van Rotselaar Dit lid omsluit alle venen die gelegen zijn tussen de grove fluviatiele zanden en grinten (Laatglaciaal of Pleniglaciaal) en de venige kleien (Atlanticum). Deze veengroei kan reeds in het Allerød een aanvang hebben genomen (bv. te Rotselaar). Mits een mogelijke korte onderbreking in de Jongere Dryas is deze veengroei continu aanwezig tot het begin van het Atlanticum. Het lid van Korbeek-Dijle Het lid omvat alle kleiige lemen en lemen, soms sterk venig, die rusten op het veen en mogelijk zijn afgedekt met een bodem. Ze liggen onder de lemen en zandige lemen. Ze kunnen afgezet zijn vanaf het Atlanticum tot aan de massale ontbossingen. Deze alluviatie wordt veroorzaakt door een plotse klimaatsverandering. Het lid van Rotspoel Dit lid omvat dan tenslotte alle lemen en zandige lemen die meestal nu in de valleien aan de oppervlakte liggen en afgezet zijn sinds de ontbossingen. Intern vertonen ze een horizontale gelaagdheid en een discontinuïteit in de alluviatie. Deze alluviatie vindt zijn oorsprong in een menselijke ingreep op het landschap. Voorbeelden hiervan zijn: • P. De Smedt bracht in zijn doctoraat (1973) verschillende boringen aan die door deze quartaire rivierfzettingen gaan. Een voorbeeld hiervan is de boring in de meander te Haacht: 0 m - 80 m 80 m -115 m 115 m - 183 m 183 m - 334 m 334 m - 348 m 348 m - 365 m vanaf 365 m
sterk lemig alluvium kleihoudend alluvium zwak, venige klei veen, zonder zandige intercallaties geelbruine zeer fijn gelaagde venige klei blauwzwarte brokkelige venige klei grijs, zeer grof, scherp zand met grint
• Een boring in de Netevallei met volgende geografische coöridnaten: 4°39’38’’ O.L. en 50°46’54’ N.B. bevindt zich op een hoogte van 32 m en bestaat uit (A. Verdrengh, 1970): 0 m - 3,15 m 3,15 m - 3,37 m 3,37 m - 3,80 m 3,80 m - 5,00 m 5,00 m - 5,50 m 5,50 m - 5,63 m 5,63 m - 6,00 m
lemig alluvium licht bruin veenhoudend leem groenachtige leem met veenovergangen donker-bruin veen, zeer hard en droog met sporadische houtfragmenten zwart veen uit laag-moeras bruin veen onmerkbaar overgaand naar gyttya groen zand, dat CaCO3 inhoudt
Volgens de onderbrenging in lithostratigrafische eenheden van rivierafzettingen wordt dit: 0 m - 3,15 m lid van Rotspoel 3,15 m - 3,80 m lid van Korbeek-Dijle 3,80 m - 5,63 m lid van Rotselaar
4.1.3 Eolische leemafzettingen Bij deze eolische leemafzettingen heeft men te maken met pleistocene en de holocene afzetting. Van oud naar jong heeft men hier de Henegouwen leem, de bodem van Rocourt, Haspengouw leem, de bodem van Kesselt en tenslotte Brabant leem. Op deze kaart vindt men echter enkel Haspengouw leem en Brabant leem. Immers is ten eerste uit de diverse boorbeschrijvingen zeer moeilijk het verschil tussen Haspengouw leem en Henegouwen leem af te leiden, en heeft men ten tweede in geen één van deze boorbeschrijvingen de bodem van Rocourt, de Warneton humusrijke leem en de bodem van Kesselt herkend. De pleistocene leem die in Midden-België afgezet werd, was hoofdzakelijk van Weichsel (Würm) ouderdom. Tijdens deze ijstijd brachten de winden die vooral uit het N-NW kwamen, buiten sneeuw ook loess en zand mee dat opgewaaid werd uit blootliggende sedimenten (ook de Noordzee lag toen droog). Dit materiaal werd dan later weer afgezet, waardoor Midden-België met een leemmantel werd bedekt. Deze leem werd op sommige plaatsen weggespoeld. Zo vindt men nu nog de maximale leemaccumulaties in de depressies langs de lijzijden weer. Gebaseerd op de atmosferische vochtigheid kan men twee afzettingsperioden onderscheiden: het Hesbayaan en het Brabantiaan. 28 Quartairgeologische kaart
Het Hesbayaan was een koude, zeer vochtige periode met veel neerslag. De afgezette leem werd ten gevolge van deze neerslag door smeltwaters herwerkt, zodat men over niveo-eolische leem spreekt. Meestal kreeg men hierdoor uit deze eerste periode van de Weichsel-ijstijd een afwisselende afzetting van leem en zand. Immers werd het zand reeds bij een groot debiet van de smeltwaters afgezet terwijl de leem pas bij een klein debiet, dus in de zomer. Deze afwisseling van zand en leem noemt men de Haspengouw leem. Het Brabantiaan was als tweede periode uit de Weichsel-ijstijd ook een koude, maar een veel drogere periode met weinig of geen neerslag. Hierdoor bleef de leem ter plaatse liggen en vormde zo een hangende leemmassa, namelijk de Brabant leem. Deze leem werd tijdens het Subatlanticum gedeeltelijk ontkalkt. Hierdoor omvat het Brabant leem een ontkalkt gedeelte en een onderliggend kalkrijk gedeelte. Tussen deze twee periodes zou er zich een verdroging van het klimaat hebben voorgedaan waardoor er zich een bodem, namelijk de bodem van Kesselt, heeft kunnen ontwikkelen. Getuige van deze verdroging zijn tevens de gebroken (ten gevolge van vorstwerking) tertiaire keitjes aan de basis van het Brabantiaan. Ook ouder dan het Hesbayaan heeft zich een bodem, namelijk de bodem van Rocourt (met zijn typische rode kleur) kunnen ontwikkelen, waarop later zich een (Warneton) humusrijke leemlaag heeft gevormd. Deze humusrijke laag vindt men volgens de literatuur meestal enkel waar de bodem van Rocourt aanwezig is. Doch zijn beide niet uit de aanwezige gegevens en beschrijvingen te achterhalen. Het hierop volgend Holoceen werd gekenmerkt door een vochtig, gematigd klimaat dat een andere invloed heeft op het landschap dan het periglaciale klimaat uit het Pleistoceen. Immers krijgt men door dit nieuwe klimaat een hername van de bronerosie, de creep en het ruissellement (oppervlakteafvoer). Deze worden elk nog eens versterkt door de vele ontbossingen en het wegruimen van de leem door de mens. Door de erosie ontstonden tijdens het Holoceen vele kleine depressies, die later door afgespoelde leem, colluvium, werden opgevuld. Dit colluvium is verscheiden van aard waardoor deze ook nog geen officiële lithostratigrafische naam heeft gekregen. Op alle profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken (zie bijlage 8.3) vindt men deze eolische leemafzettingen weer. Een ander voorbeeld hiervan is de westelijke omleiding rond Leuven (verbinding E39 - E40) doorheen de meest noordoost gelegen bult op de Gasthuisberg (zie 4.2. Colluvium).
4.1.4 Eolische zandleemafzettingen De eolische zandleemafzettingen zijn van pleistocene ouderdom en komen ten noorden van het kaartblad Leuven voor. Deze zandleemafzettingen vindt men nog niet in de officiële lithostratigrafische tabellen weer. Doch kan men zeggen dat deze van dezelfde ouderdom zijn als het Brabant leem bij de eolische leemafzettingen. De grens tussen de leem- en zandleemstreek is op de pedologische kaarten van het kaartblad Leuven duidelijk te achterhalen. Immers worden de lemen met een L aangeduid, terwijl de zandlemen beginnen met een A. Een voorbeeld van het zandleempakket bevindt zich tevens op profiel 6 en 7 (zie bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel-Aken. Op sommige plaatsen is dit zandleempakket relatief dik, waardoor men deze het best kan vergelijken met de windwalzanden van Zammel. Vandaar werden dan ook de eolische zandafzettingen van de Kempen in de chrono-lithostratigrafische tabel opgenomen, alhoewel deze niet op het kaartblad Leuven voorkomen. Dit zandleempakket (windwalzandleem van Wakkerzeel?) komt hier voornamelijk ten noordwesten van Leuven voor en is opgewaaid uit de bedding van de pleistocene laatglaciale Dijle. Deze windwalzandlemen werden ook teruggevonden tijdens de opname aan de Gasthuisberg te Leuven. Hierbij omvatte de noordwest-rand van de opname een windwal die volledig bestaat uit constant Weichsel-zandleempakket van 6 m dik. De strekking van deze langgerekte heuvelrug werd volledig geboetseerd door de heersende noordoostenwinden tijdens het Brabantiaan. Deze rug is over 2 km met een strekking van N50E te vervolgen. Ook werd deze immers teruggevonden aan de Brusselsesteenweg te Leuven bij het uitgraven van de autosnelweg Brussel-Hasselt en op het Kareelveld. Deze leemmassa versmacht niet alleen het onderliggende reliëf maar bouwt ook een eigen karakteristieke vorm op die zich aan het vroegere reliëf opdringt en zo herkenbaar wordt.
4.1.5 Vergelijking met vroegere quartaire indelingen In het hoofdstuk over de historiek van het Quartair werd reeds de verschillende visies van de samenstelling van het Quartair aangehaald. Om de evolutie van het Quartair voor de verschillende kaartbladen van Leuven te schetsen, werd er een lithostratigrafische overzichtstabel met de verschillende visies opgemaakt (zie tabel 3). Deze tabel geeft de verschillende legendes van de bestaande geologische kaarten van het kaartblad Leuven weer waarop het Quartair, zoals in de tabel vermeld, wordt ingedeeld.
Quartairgeologische kaart 29
30 Quartairgeologische kaart
Quaternaire inférieure
Quaternaire fluviatile
Quaternaire supérieure
époque quaternaire
• Tourbe et argile tourbeuse Marne et sables divers
q2s q2o
q2o q2m
q2o
Moséen (q1) q1m
q1m
Sables fluviaux glaise de crue
Campiniaan (q2)
Hesbayen (q3)
Brabantien (q4)
Ale sytème quaternaire diluvien Flandrien (q5)
Alm
Moséen (q1)
q2m
q2n
q3ms Campiniaan (q2)
q3m Campiniaan (q2)
q3n
q3o
Campiniaan (q3)
q3n
q3n q3m
Hesbayen (q3)
Hesbayen (q3)
q4sl Hesbayen (q3)
Ale sytème quaternaire diluvien Flandrien (q4)
Alm
q3m
Ale sytème quaternaire diluvien
Alm
sytème quaternaire diluvien
Alm
Tabel 3: Lithostratigrafische tabel voor het kaartblad Leuven.
Quartair
Holoceen
E. Goossens
• Residuele grinten
• Plateaugrinten
• Grint-terrassen
• Zandleem
• Haspengouw leem
• Brabant leem
• Grint-dalbodems
Pleistoceen
• Veen van Rotselaar Colluvium
• Kleileem van Korbeek-Dijle
système quaternaire moderne
A. Rutot (verklarende tekst) système quaternaire moderne
1/50.000
89, 90, 103 en 104
1994
• Argile verdâtre
système quaternaire moderne
système quaternaire moderne
M.E.Van den Broeck
1/40.000
104 (7-8)
1910
• Leem van Rotspoel
A.Rutot
M. Mourlon
1/40.000
90 (3-4)
1893-1894
• Limon remanié
époque moderne
O. van Ertborn en P. Cogels
1/40.000
1/20.000
schaal
opgenomen door
104 (7-8)
89 (1-2) en 103 (5-6)
Lubbeek
kaartblad 1/40.000
1894
1893
1880
jaartal
Volgende afkortingen werden door de verschillende auteurs overkomstig gebruikt: AIm Modern alluvium in de valleien, lemig en zodanig soms veenrijk Ale Leem en geremanieerd zand op de dalhellingen q4sl Gestratifieerd, kwartsrijk zand met alternaties van leem q3o Keien, grint en zand aan de basis van de valleien q3n Homogene, niet gestratifieerde, gele leem met keien aan de basis (eolisch) q3m Bruine tot grijze, zandige gestratifieerde leem met keien aan de basis en met Helix en Succinées
q3ms Fijn gestratifieerd zand met lemige zones en grint aan de basis q2s Geelgrijs, bleek kwartszand vaak met enkele keien en naar beneden toe kleirijker q2o Elementen van (naburige) tertiaire oorsprong, geremanieerd q2n Gestratifieerd zand, dikwijls met keien q2m Silexkeien in het midden van de valleien q1m Silexkeien op hoog topografisch niveau en op heuveltoppen
4.2 De profieltypen Uitgaande van de voorgaande lithostratigrafische eenheden kan men diverse profieltypen samenstellen op basis van de gegevens uit het archief van de Belgische Geologische Dienst, thesissen, publicaties. De voorbeelden die reeds gegeven werden bij de bespreking van de lithostratigrafische eenheden zijn natuurlijk ook van toepassing op de daarbij horende profieltypen. Men kan zo volgende profieltypen onderscheiden:
4.2.1 Dalopvullingen 4.2.1.1
De rivierafzettingen
Als eerste grote dalopvulling kan men de rivierafzettingen vernoemen zoals bij de Dijle, de Gete en de Velpe. Zoals in figuur 9 wordt aangetoond kan men vooral bij de Dijle drie profieltypen onderscheiden. Een eerste profieltype vindt men weer in het midden van de rivierafzettingen waarbij op het veen van Rotselaar en de venige kleiige leem Leuven van Korbeek-Dijle, een dik pakket leem en zandige leem van Rotspoel RL aanwezig is. Dit dik pakKlk ket kan verklaard worden Rv door het fenomeen ‘oeverwallen’. Deze oeverwallen zijn langgerekte Het Dijle alluvium ten noorden van Leuven Het Dijle alluvium ten zuiden van Leuven vlakke ruggen van subatlantische ouderdom. Ze RL RL komen voor langsheen Klk Klk Rv Rv de huidige rivierbedding. Hun lemig en zandig karakter doet vermoeden dat RL Leem van Rotspoel ze ontstaan zijn sinds de Klk Kleileem van Korbeek - Dijle Rv Veen van Rotselaar ontbossingen. Soms komt er bij het lid van Rotspoel ook een zandige leem met schelpengruis voor. RL Klk Dit profieltype wordt op de quartaire geologische RL kaart aangeduid in profieltype 1.
Fig. 9: Schema voor de rivierafzettingen (de Dijle) Quartairgeologische kaart 31
Voorbeelden hiervan zijn: • het midden van de alluviale vlakte van de Grote Gete: zie profiel 2 (bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel- Aken. • het midden van de alluviale vlakte van de Dijle ten zuiden van Leuven: zie profiel 8 (bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel- Aken. Een tweede profieltype, aangeduid met profieltype nr. 2 op de quartairgeologische kaart, is aanwezig langs de zijkant van het Dijlealluvium ten zuiden van Leuven en van het Gete-alluvium en tevens in het midden van het Dijlealluvium ten noorden van Leuven. Deze rivierafzetting bestaat achtereenvolgens uit het veen van Rotselaar, de venige kleiige lemen van Korbeek-Dijle en tenslotte een relatief dun pakket van lemen en zandige lemen van Rotspoel. Hieronder komt vaak een dalbodem-grint voor. Tevens bevindt dit profieltype zich in het vochtige gedeelte van het rivieralluvium. Immers komen er tussen de bovengenoemde oeverwallen en de valleihellingen talrijke (kunstmatige) vijvers voor. Gezien deze plaatsen de laagsten in het dal zijn zal de watertafel hier het eerst aan de oppervlakte komen. Voorbeelden hiervan zijn: • uitgegraven put bij rioleringswerken aan de Dijle op de parking ‘Begijnhof’. Bij de werken aan een nieuwe riolering in Leuven kon in een uitgegraven put van het Begijnhof het volgende gezien worden: 7.70 m - 7.95 m:
blauwgrijze, zwaar kleiige leem.
7.95 m - 8.00 m:
gevlekte, olijfgroene kleiige leem.
8.00 m - 8.15 m:
grijsbeige kleiige leem met enkele oxidatievlekken.
8.15 m - 8.30 m:
kleiige leem, die geleidelijk naar beneden toe grijzer wordt naarmate het humusgehalte groter wordt aan basis is de leem kalkhoudend, scherpe basis.
8.30 m - 8.45 m:
grijsbeige kleiige leem.
8.45 m - 8.60 m:
groene, zeer kleiige leem, zowel naar boven als naar onder toe geleidelijk meer grijsbeige.
8.60 m - 8.75 m:
beige kleiige leem, rijker aan organisch materiaal naar onder toe.
8.75 m - 8.86 m:
donkerbeige kleiige leem met veel organisch materiaal, de klei wordt zwaarder aan de basis: moslaag.
8.86 m - 8.95 m:
donkergrijs tot zwart gemineraliseerd veen, bijna ligniet.
8.95 m - 9.30 m:
zeer bruin rietveen (onmiddellijk oxiderend tot zwart) met rietbladeren en rietstengels.
9.30 m - 9.40 m:
houtveen met roodkleurige houtbrokken (Els?).
9.40 m - 9.50 m:
rietveen, geleidelijk aan bruiner, rosser wordend naar beneden toe.
9.50 m - 9.80 m:
gyttya-afzetting, meer-afzetting eerst beige dan bruiner (Preboreaal).
Hierbij kan men 7,70 m tot 8,86 m onderbrengen in het lid van Korbeek-Dijle, terwijl de overige meters behoren tot het lid van Rotselaar. • in 1955 werd een boring (boring Dijle - IV) uitgevoerd op 150 m ten noordwesten van het kasteel van Arenberg tussen de Dijle en de Voer (F. Gullentops et al., 1957), volgens de topografische kaart op een hoogte van 23,50 m: 0,00 m - 0,25 m: humushoudende laag. 0,25 m - 0,75 m: bruine kleirijke leem. 0,75 m - 1,10 m: gley-horizont met afwisselend bruine en grijze vlekken. 1,10 m - 4,00 m: groen-blauwe leem. 4,00 m - 5,20 m: grijze leem met enkele humushoudende laagjes die veenachtig worden naar onder toe. 5,20 m - 6,50 m: vrij zuivere veen met slechts weinig terrigene bijmenging. 6,50 m - 7,00 m: leem-alluvium dat snel zandig wordt. 7,00 m - 10,0 m: grofkorrelig zand met talrijke keien van 1 tot 2 cm dikte bestaande uit vuursteen en Brusseliaan zandsteen.
32 Quartairgeologische kaart
Bij beschrijving van deze 10 m volgens de lithostratigrafische eenheden komt men tot volgende onderverdeling: 0,00 m - 0,75 m: lid van Rotspoel. 0,75 m - 5,20 m: venige, kleiige lemen van Korbeek-Dijle. 5,20 m - 6,50 m: veen van Rotspoel. 6,50 m - 7,00 m: veenrijke, leemachtige klei. 7,00 m - 10,0 m: dalbodem-grinten. • zijrand van de alluviale vlakte van de Grote Gete: zie profiel 2 (bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Vervolgens kan men in de alluviale vlakte van de Dijle ten noorden van Leuven een derde profieltype onderscheiden. Dit profieltype wordt aangeduid met profieltype nr. 3 op de quartairgeologische kaart. Hierbij is er geen zandige leem van Rotspoel aanwezig. Dit profieltype houdt dus enkele het veen van Rotselaar en de venige kleiige lemen van Korbeek-Dijle in. Dit type komt voornamelijk tot uiting in de oude aanwezige meanders van de Dijle ten noorden van Leuven. Een voorbeeld hiervan vindt men terug op profiel 8 langsheen de autosnelweg Brussel-Aken. Dit alluvium zou bestaan uit (D. Goossens, 1980) bovenaan een 4 m pakket kleiige leem (hoofdzakelijk afgespoeld van de hellingen van het Brabants plateau na ontbossing). Onder dit lemig materiaal komt veen voor dat op vele plaatsen tot meer dan 4 m dik kan zijn. Onder dit veen zit dan aan zone die heel wat klei en zand bevat. Aan de basis bevindt zich een grint dat tot 3 m dik kan zijn.
4.2.1.2
De beekalluvia
Een tweede dalopvulling wordt gegeven door de beekalluvia, die weergegeven worden door profieltype nr. 4 op de quartaire geologische kaart. Hierbij onderscheiden we de grote beken van de kleinere. De grotere, bredere beekafzettingen sluiten goed aan bij het eerst vermelde rivierprofieltype dat bestaat uit veen van Rotselaar (relatief dun), kleiige lemen van Korbeek-Dijle en een dik pakket lemen en zandige lemen van Rotspoel. Vandaar kreeg dit profieltype op de quartairgeologische kaart dezelfde kleur als het riviertype. Voorbeelden hiervan zijn: • alluviale vlakte van de Molenbeek: zie profiel 3 (bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel-Aken • Netevallei (zie V.a.2.) • de alluviale vlakte van de Velpe, zie profiel 5 (bijlage 8.3) langsheen de autosnelweg Brussel-Aken • de alluviale vlakte van de Voer (D. Goossens, 1980): dit alluvium is gelijkaardig aan dat van de Dijle. Enkel zou er bovenaan slechts een 3 m kleiig leempakket aanwezig zijn. Van de kleinere, smallere beekalluvia (= volgend profieltype) is er relatief weinig gekend. Doch mag er aangenomen worden dat ze qua samenstelling niet zoveel verschillen van de grotere beekalluvia behalve dan dat hier het veen van Rotselaar ontbreekt.
4.2.1.3
De kleinere, droge dalletjes
De kleinere, droge dalletjes, ingesneden in de Brabant leem, zijn opgevuld door (van de helling) afgespoelde leem, colluvium. Soms kan het echter ook zijn dat het dalletje zich dieper heeft ingesneden tot in de Haspengouw leem (A. Rutot, 1882). Hierbij zal het dalletje bestaan uit een (vroeger afgezet) alluvium met daarop een colluvium. Deze opgevulde dalletjes vindt men op het kaartblad Leuven terug bij de overgang tussen het beekalluvium en colluvium. Deze laatstgenoemde dalletjes zou men als een volgend profieltype kunnen beschouwen, doch wordt dit hier op het kaartblad Leuven niet gedaan. Ten eerste zou het kaartbeeld onduidelijker maken, en ten tweede heeft men niet genoeg gegevens hieromtrent. Immers is reeds de aanwezige grens tussen het beekalluvium en colluvium hypothetisch vastgelegd. Zou men nu ook nog het colluvium op alluvium willen weergeven, dan zou het kaartblad minder met de realiteit overeenkomen daar er nog een hypothetische grens zou bijkomen. Waar nu op de quartairgeologische kaart van dit kaartblad Leuven de grens tussen beekalluvium en colluvium weergegeven staat, moet men deze eerder interpreteren als een brede overgangszone tussen het beekalluvium en colluvium. De breedte van deze overgangszone met colluvium of beekalluvium is hier vaak niet gekend en werd vandaar met één enkele grenslijn vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn: • profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken: Vaak heeft men een dalletje opgevuld met colluvium dat zich volledig in de ontkalkte Brabant leem bevindt. Soms kan het echter zijn dat deze dalletjes zich verder ingesneden hebben, zelfs tot in de Haspengouw leem. Deze vaak niet al te dikke zandleempakketten behoren tot een volgend profieltype;
Quartairgeologische kaart 33
Fig. 10: Situering van profiel westelijke omleiding (D. Goossens, 1980)
34 Quartairgeologische kaart
Z.Z.W. 80
N.N.O. zand (Diestiaan, Tongeriaan, Lediaan) verspoeld mengsel van zand en leem met eventueel keitjes kalkrijke leem kalkloze leem (bouwv + bodem + eventueel ontkalkte leem) lichtjes kalkhoudende en lichtjes veenhoudende leem colluviale kalkloze leem riviergrind
50m 2m
70
waarschijnlijk berm
(b)
60
(b)
De positie van de boornummers is aangegeven op bijhorende copie van de topografische kaart (schaal 1/10 000)
50 (b)
1
2
3
45
6
7
8 9
10
11 12
13
15
16
17
18
19
20
Boornummer 21 22 23
Fig. 11: Profiel westelijke omleiding (D. Goossens, 1980) • profiel westelijke omleiding (verbinding E39 - E40) rond Leuven doorheen de meest noordoost gelegen bult van de Gasthuisberg (D. Goossens, 1980): naast het colluvium komen hier dikke (tot 7 m) pleistocene eolische leemafzettingen voor (figuren 10 en 11).
4.2.2 Leemafzettingen Hierbij onderscheidt men drie profieltypen.
4.2.2.1
Een eerste type bestaat uit een zandleem afzetting.
Dit zandleem kan een variërende samenstelling bezitten over de ganse zandleemstreek, die in het noorden van het kaartblad Leuven voorkomt en die op de quartairgeologische kaart met een zwarte lijn van de leemstreek wordt gescheiden. Moest men al deze verschillende samenstellingen in verschillende profieltypen onderbrengen, zou dat een te complex beeld geven. Vandaar beschouwen we hier de zandleemafzettingen als één profieltype. Voorbeelden hiervan zijn: • de gegevens op de pedologische kaarten: Hier worden de lemen met een ‘L’ aangeduid, terwijl de zandlemen met een ‘A’. Deze zandlemen komen voornamelijk voor op de kaartbladen Leuven 89E, Lubbeek 90W en Glabbeek 90E. Men kan dus zeggen dat het kaartblad Leuven in het noorden behoort tot de zandleemstreek en in het zuiden eerder tot de Hagelandse leemstreek; • de profielen 6, 7 en 8 langsheen de autosnelweg Brussel-Aken bevinden zich in de zandleemstreek. Bij dit profieltype moet tevens opgemerkt worden dat op bepaalde plaatsen het zandleempakket echter een relatief grote dikte bezit. Dit dik zandleempakket komt op het kaartblad Leuven voornamelijk ten noordwesten van Leuven voor en kan men het best vergelijken met de windwalzanden van Zammel. Men kan dus beschouwen dat deze windwalzandlemen (van Wakkerzeel?) zijn opgewaaid uit de bedding van de pleistocene, laat-glaciale Dijle. Hiernaast zijn er ook zandleem pakketten als loessruggen op het kaartblad aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de reeds vroeger besproken rug aan de Gasthuisberg.
De twee andere profieltypen vindt men in de leemstreek weer (figuur 12).
Hierbij heeft men een opeenvolging van de Haspengouw leem, kalkrijke en ontkalkte Brabant leem. In de depressies heeft men een dun Brabant leempakket op een dik Haspengouw leempakket (= eerste profieltype), terwijl op de plateau’s eerder dikke pakketten van Brabant leem op een dun pakket Haspengouw leem weer te vinden is (= tweede profieltype). Het is vaak moeilijk de grens tussen deze twee profieltypes af te leiden. Vandaar werd de grens, ≤10 m
4m
≤10 m
Brabant leem / Haspengouw leem 1m
Fig. 12: Schema voor leemafzettingen.
Brabant leem
>10 m
4.2.2.2
Haspengouw leem
Quartairgeologische kaart 35
tussen deze twee types ook arbitrair aangeduid en moet men dus ook voorzichtig zijn met het interpreteren van deze profieltypes. Voorbeelden hiervan zijn: • de verschillende heuvels en dalhellingen op de verschillende profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken (zie bijlage 8.3): Hierbij kan men bemerken dat vele dalen asymmetrisch zijn opgebouwd. Zo bezit de zuidoostwand vaak een dunner pakket van deze opeenvolgende lemen dan de meestal minder steile noordwest-wanden. Soms is de Haspengouw leem afwezig en soms ook de kalkrijke Brabant leem. De ontkalkte Brabant leem dagzoomt steeds aan de oppervlakte tenzij erboven zich colluvium of alluvium bevindt; • de zandgroeve te Meense1 - Kiezegem (A. Goyens, 1964): boven een residueel grint heeft men een leemlaag die nog zand bevat (= Haspengouw leem). Deze afwisseling van zand en leem kan men verklaren door het schommelend debiet van de smeltwaterbeken. Boven deze laag kreeg men hier een 50 m dik zandpakket. Na dit geheel volgt een keilaag met gesprongen en gebroken keien als getuige van een verdroging van het klimaat en de aanwezige vorstwerking. Hierop werd leem afgezet die niet meer weggespoeld werd door de smeltwaterbeken. Af en toe deden er zich nog wel bewegingen voor vooral tijdens de ontdooiingsperiode. Ook hier heeft men in het centrum van de leemgeul een onregelmatige zak met structuren die wijzen op een modderstroom. Hierna ging de leemafzetting nog voort en vulde zo als een homogene leemlaag de geul op (= Brabant leem); • profiel geul A.Z.-Gasthuisberg (D. Goossens, 1980): deze geul is buiten de ophoping van het terrein voornamelijk (van onder naar boven) opgebouwd uit een Quartair basisgrint, Haspengouw leem, ontkalkte Brabant leem en zowel de A- als de B- horizont van de Holocene bodem.
4.3 Algemene quartaire geologie van het kaartblad Leuven Aan het begin van het Quartair was Midden-België een tertiaire kustvlakte, die stilaan werd opgeheven. Nabij Leuven is het Diestiaan zelfs over ongeveer 100 m opgetild geweest. Anderzijds zijn er ook de eustatische zeebewegingen die samen met de opheffing de oorzaak zijn geweest van het verlagen van de erosiebasis van de rivieren. Zo werkten er dus ook op het kaartblad Leuven gelijktijdig twee krachten: de opheffing van het land en de riviererosie. Maar dankzij de aanwezigheid van ijzerzandsteenbanken in het Diestiaan konden de Diestiaanheuvels het meeste weerstand bieden aan de fluviatiele erosie waardoor zij als kammen uit het reliëf bleven steken. Op vele plaatsen, waar het Quartair niet zo dik is, vindt men echter enkel een grintlaag weer die het wegeroderen van bepaalde tertiaire formaties aanduidt. Het Quartair werd gekenmerkt door een cyclische afkoeling van het klimaat tijdens de IJstijden, dat toen in onze streken van het periglaciale type was. Immers was tijdens de winters de ondergrond bevroren en ontdooide tijdens de zomers, die kort maar relatief warm waren, enkel de bovenste grondlaag; er was permafrost aanwezig. Het polaire klimaat moest men toen veel verder zuidwaarts zoeken dan nu, zo ontstond tevens boven de grote ijsvlakten een hoog luchtdrukgebied met een eigen windsysteem. Deze winden kwamen in België vooral uit noord-noorwest richting en brachten sneeuw, leem en zand mee dat opgewaaid werd uit de blootliggende sedimenten die niet door het plantendek werden vastgehouden. Dit materiaal werd weer afgezet zodra de wind haar energie moest verbruiken om over reliëfhindernissen te komen. Zo werd Midden-België bedekt door een zandleem- tot leemmantel die niet overal even goed bleef liggen. Daardoor vindt men nu vooral de maximale leemaccumulatie weer in de depressies langs de lijzijden en daar waar ze een soort windwal vormen. De leem in onze streken (dus ook op dit kaartblad) is hoofdzakelijk van Würm-ouderdom. Gebaseerd op de atmosferische vochtigheid kan men hierbij twee perioden onderscheiden: • Hesbayaan: koud en zeer vochtig met veel neerslag. De afgezette leem werd herwerkt door smeltwaters, zodat men over niveo-eolische leem spreekt. Meestal krijgt men uit deze eerste periode uit de Würm een afwisselende afzetting van leem en zand. Immers wordt het zand reeds bij groot debiet van de smeltwaters afgezet, terwijl het leem pas bij een klein debiet van de smeltwaters. Lithostratigrafisch noemt men deze afwisselende afzetting de Haspengouw leem. • Brabantiaan: koud maar veel droger met weinig of geen neerslag. De leem bleef ter plaatse liggen en vormde een hangende leemmassa. Deze werd tijdens het Holoceen gedeeltelijk ontkalkt zodat men een ontkalkt deel en een kalkrijk deel in de Brabant leem kan onderscheiden. Tussen beide perioden was er een verdroging van het klimaat wat op terrein te zien is door de vele gebroken tertiaire keien (ten gevolge van vorstwerking). Door deze verdroging kon er zich een bodem vormen, namelijk de Kesselt bodem die echter niet uit de boorinterpretaties uit het archief van de Belgische Geologische Dienst kan gehaald worden en die niet op terrein werd vastgesteld. Het hieropvolgende Holoceen wordt gekenmerkt door een opwarming van het klimaat. Deze klimaatsverbetering had belangrijke gevolgen: het afsmelten van de enorme ijsmassa’s, verhoging van het zeeniveau, verhoging van de erosiebasis zodat de rivieren hun profiel moesten ophogen. Anderzijds verdween de permanent bevroren ondergrond, zodat 36 Quartairgeologische kaart
een deel van de neerslag in de grond kon insijpelen en bronnen vormen langs de valleiwanden. Hierbij had dan een nieuwe actieve bronerosie plaats. Door het toenmalige klimaat werd ook de toendra vervangen door een bosvegetatie. Dit had allemaal een weerslag op de holocene morfologie enerzijds door sedimentatie van het alluvium (opvulling der dalen) en anderzijds door erosie onder de vorm van ravinatie. Opvallend hierbij is de asymmetrische accumulatie in vele dalen (meestal noordwest - zuidoost gericht) met een steile noordoost-wand die een relatief dun leemdek draagt. Deze asymmetrische opvulling is waarschijnlijk een gevolg van differentiële niveo-fluviatiele werking (periglaciale omstandigheden). In de winter werd de pasgevallen sneeuw door de heersende winden opgewaaid en afgezet op de hellingen gelegen aan de lijzijde die oostelijk gericht is. Daar de dominante windrichting zuidwest-noordoost is, stapelt de sneeuw zich vooral op tegen de noordoost gerichte hellingen. De insolatie daarentegen stimuleert het afsmelten van de sneeuw op de zuidwest-gerichte hellingen, daar deze meer zonnestralen ontvangen dan de noordoost-georiënteerde hellingen. De combinatie van meer sneeuw op de noordoost-gerichte hellingen en het vlugger afsmelten van de sneeuw op de zuidwest-gerichte hellingen, maakt dat de zuidwest-gerichte helling een grotere doorbevochtiging van de bodem kent. Het overvloedige smeltwater zal deze helling eroderen door ruissellement wat nog vergemakkelijkt wordt door grote bevochtiging van de bodem die de cohesie tussen de deeltjes zal verminderen. Dit maakt dat de zuidwest-gerichte hellingen afgezwakt worden. Het puin dat door de smeltwaters wordt meegevoerd, wordt aan de voet van de zuidwest gerichte helling afgezet, waardoor de smelwaterbeek die door het dalletje stroomt, tegen de noordoost-gerichte hellingen wordt geduwd. De steilte van deze noordoost gerichte hellingen (Deze zijn reeds steiler daar de sneeuw die er op ligt, minder vlug smelt waardoor er minder erosie is) zal dan nog eens geaccentueerd worden doordat de smeltwaterbeek het basale deel van de helling ondermijnt. Het Holoceen wordt dus gekenmerkt door de actuele bodemvorming in functie van het reliëf, van het klimaat, van de vegetatie en van de menselijke activiteiten die de genese van het oorspronkelijke gesteente tot verweerd gesteente of bodem beïnvloeden.
Quartairgeologische kaart 37
5 Besluit Bij het maken van zowel de quartaire diktekaart als de quartairgeologische kaart van het kaartblad Leuven werd er voornamelijk gesteund op de gegevens beschikbaar gesteld door de Belgische Geologische Dienst. Daar de dichtheid van deze gegevens relatief klein is, kan men besluiten dat de verschillende grenslijnen op deze kaarten soms louter interpretatief zijn weergegeven en dat men dus bij het bezien en interpreteren van deze kaarten voorzichtig moet zijn. Immers treden er tevens tussen de diktekaart en de quartairgeologische kaart kleine verschillen op ten gevolge van het apart digitaliseren van de kaarten. Indien het nodig mocht lijken, zouden de grenzen op de diktekaart nog aangepast kunnen worden. Ook is het vaak moeilijk de werkelijk dikte van het Quartair te kennen. Enerzijds is de dichtheid van het boornet en van andere beschikbare gegevens uit thesissen en publicaties niet al te groot. Anderzijds bleek bij het opstellen van de profielen langsheen de autosnelweg Brussel-Aken en langsheen het H.S.T.-traject dat de dikte van het Quartair plots van plaats tot plaats kan veranderen. Deze laatste stelling werd tevens bewezen bij de opname van de Gasthuisberg. Hierbij werd vastgesteld dat het nivellerende aspect van de leemmantel topografische hoogteverschillend verminderde, hellingsintensiteiten verkleinde en ravijnen uitwiste. Deze uitgewiste ravijnen zijn onmogelijk allemaal op deze diktekaart terug te vinden daar ze, alhoewel ze verwacht worden, niet voorspelbaar voorkomen. Het zal eerder bij toeval zijn dat men ze zal tegenkomen. Hieruit kan men dus afleiden dat de quartaire diktekaart van het kaartblad Leuven aan de gebruiker ervan enkel een idee zal geven van de dikte van het Quartair. Immers zou het economisch onverantwoord zijn om een juiste kaart met alle uitgewiste ravijnen weer te geven, daar het tijdrovende onderzoek op de Gasthuisberg al niet eens een volledige verklaring van de ondergrond ervan heeft toegelaten. Zoals boven reeds vermeld, moet men dus voorzichtig zijn met het interpreteren van de quartaire diktekaart van het kaartblad Leuven, daar de werkelijke dikte van het Quartair moeilijk te bepalen valt en zeer variërend is. Doch kan men in het algemeen zeggen dat het Quartair zich als een gewone dekmantel over het oorspronkelijke landschap gelegd heeft waarbij de dikte van het Quartair bijna nihil is op de heuvel en plateau’s en waarbij deze zal toenemen naar de depressies en valleien toe. Zo zal het Quartair het oorspronkelijke reliëf dan verdoezelen en afvlakken (D. Goossens, 1980). Heel opmerkelijk hierbij is dat de opvulling van de valleien en depressies meestal asymmetrisch van aard is. Zo hebben de steilere noordoost-flanken eerder een dunner Quartair dek dan de minder steile zuidwest-wanden. Ook de quartairgeologische kaart van het kaartblad Leuven werd enkel opgesteld om de gebruiker ervan slechts een idee te geven van wat het kaartblad Leuven aan Quartair te bieden heeft. Dus zal men ook hier bij het bezien van deze quartairgeologische kaart gemaakt aan de hand van gegevens uit het archief van de Belgische Geologische Dienst en aan de hand van thesissen en publicaties i.v.m. gedetailleerde studies over bepaalde gebieden op het kaartblad Leuven, rekening houdend met de pedologische, oro-hydrografische en topografische kaarten. De quartairgeologische kaart bestaat uit verschillende profieltypen die aan de kaart een dentrietisch patroon geven. Dit patroon geeft tevens een mooie overgang weer van rivierafzetting over beekalluvium naar colluvium. De overgangszones van rivierafzetting naar beekalluvium en van beekalluvium naar colluvium dienen vaak breder gezien te worden dan de grenslijnen die deze overgangen aanduiden. Zo vindt men ook tussen het zuivere beekalluvium en het zuivere colluvium vaak een zone waarbij colluvium aanwezig is op het beekalluvium. Moest men dit laatste als apart profieltype beschouwen dan zou de kaart een te onduidelijk beeld geven. Trouwens, men zou de grenzen rondom dit profieltype zeer moeilijk kunnen vastleggen daar de dichtheid van gegevens hieromtrent te klein is. Ter bespreking van de quartairgeologische kaart van het kaartblad Leuven kan men in het algemeen een onderscheid maken tussen de zandleemstreek in het noorden van het kaartblad en de meer zuidelijk gelegen leemstreek die reeds tot het Hagelands leemgebied behoort. De zandleemstreek bevat dunne pakketten zandleem op de heuvels, plateau’s en hoger gelegen dalhellingen terwijl er ten noordwesten van Leuven dikke continue zandleemafzettingen o.v.v. windwallen aanwezig zijn. In de leemstreek daarentegen heeft men afhankelijk van plaats tot plaats dunne of dikke pakketten Brabant en Haspengouw leem (met verschillende bodems). Over heel het kaartblad Leuven komt er een dendrietisch patroon voor van rivieralluvium, beekalluvium en colluvium. Het colluvium is steeds aanwezig in de droge insnijdingsdalletjes, terwijl de rivierafzettingen en beekalluvia enkel daar voorkomen waar rivieren en beken een permanente waterstroming hebben.
Besluit 39
6 Excursiepunten 6.1 Groeve van de Krakenberg De groeve van de Krakenberg toont ons een profiel waarbij een grintlaag het contact vormt tussen het Tongeriaan (fijn glauconiethoudend zand) en een quartaire deklaag (leem). De grintlaag bestaat uit volgende verschillende keien: de platte, zwarte schuifkeien van de basis van het Rupeliaan; de ovoïde, donkere keien van de basis van de Bolderberg Zanden en de gedeeltelijke gladde-ruwe keien (met hun typische botsfiguren) van de basis van de Zanden van Diest. Sommige van deze keien bezitten een rode kleur, die getuige is van een tropisch klimaat. Veelal komt er ook een kachelonisatie voor ten gevolge van het ontkalken van het bovenliggend leempakket door de regen. Tenslotte zijn 3/4 van de aanwezige keien kapotgesprongen door de vorstwerking. Zelfs ogenschijnlijk gave keien kunnen door een slag gemakkelijk worden verbrokkeld langs spanningsbarsten. Dit aanwezige grint kan beschouwd worden als een oud terrasgrint dat ontstaan is door het uitschuren van de tertiaire formaties door een riviertje. Dit riviertje kan niet de Dijle zijn want daarvoor zijn ten eerste de resterende geulen (ten gevolge van de toenmalige stromingen) te klein en ten tweede ligt de Dijle tegenover deze groeve achter een heuvel. Men kan dus aannemen dat het riviertje dat dit keiniveau teweeg heeft gebracht de Bierbeek zal zijn. Een bijkomend argument dat dit een oud rivierterras is, is het feit dat men in de lager gelegen wand van deze groeve gelaagdheden vindt van vroegere zandbanken. Deze laatste zijn niet ongestoord en lagen dus in een lager gelegen bodem toen de vorst zijn intrede deed. Deze vorstwerking kan bewezen worden door de kapotgesprongen keien. Echter zijn hier niet alle stukken van eenzelfde kei bij elkaar terug te vinden daar er waarschijnlijk verglijdingen van de toenmalige ijsmassa hebben plaatsgehad. Ook de subvertikale oriëntatie van de keien is een gevolg van de drukwerking tijdens de vorst. Deze oriëntatie kwam dus na de uitschuring van de tertiaire formaties door de Bierbeek, maar voor de afzetting van de eropliggende leem tot stand. Men kan dus beweren dat men hier te maken heeft met een oud terrasgrint dat twee of meerdere ijstijden heeft meegemaakt. Verlaat men nu deze zandgroeve op de zandweg naar Bierbeek toe, dan komt men op een kruispunt terecht. Hier vinden we aan de rand ongeveer hetzelfde niveau van keien als in de zandgroeve weer. De grintlaag is hier ongeveer 1 m dik. De keien bezitten ook hier een subvertikale oriëntatie ten gevolge van de vorstwerking. Men kan de grintlaag hier beschouwen als een volgende erosiefase van de Bierbeek. De Bierbeek zelf ligt momenteel ongeveer 20 m meer naar het zuidoosten. 6.2 Brusselsesteenweg tegenover de Cera-bank Tijdens het aanleggen van de Brusselsesteenweg werd een loessrug aangesneden. Vandaar ziet men hier een 5 m dikke zandleemwand langs de zijkant van de Brusselsesteenweg.
Excursiepunten 41
7 Bibliografie
A
7.1 Gepubliceerde werken ALEXANDRE, J., (1955). Le modelé du fond des vallées secondaires de l’Ardenne au cours du Pleistocène. in: Ann. Soc. Géol. de Belg., t. LXXVIII, pp. B336-B352. ALEXANDRE, J., (1957-1958). Le modelé quarternaire de l’Ardenne Centrale. La solifluction transversale. Les vallées asymétriques. in: Ann. Soc. Géol. de Belg., t. LXXXI, pp. 213-331. ALLEN, J.R.L., (1965). A review of the origin and characteristics of recent alluvial sediments. in: Sedimentology, Journal of the International Association of Sedimentologists, Vol.5, nr 2, pp. 89-191. ARNOULD-DE BONTRIDDER, O., PAULIS, L., (1966). Etude du ravinement Holocène en forêt de Soignes. in: Acta Geographica Lovaniensia, t. IV, pp. 182-191.
B
BAEYENS, L., (1959). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Leuven 89 E. I.W.O.N.L., 67 p. BAEYENS, L., (1959). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Tervuren 102 E. I.W.O.N.L. BAEYENS, L., (1962). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Erps-Kwerps 89 W. I.W.O.N.L., 74 p. BAEYENS, L., Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Hamme-Mille 103 E. I.W.O.N.L. BAEYENS, L., DUDAL, R., (1959). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Duisburg 103 W. I.W.O.N.L., 60 p. BAULIG, H., (1940). Le profil d’équilibre des versants. in: Ann. de Géogr. XLIX, pp. 81-97. BAULIG, H., (1950). Essais de géomorphologie. Société d’éditions: Les belles lettres, Paris, 160 p. BEHRMANN, W., (1932). Morphologische Formengruppe der Erosion. in: Ztschr. d. Ges. f. Erdkunde zu Berlin, pp. 170-178. BERG, L.S., (1932). The origin of löss. in: Gerlands Beitr. Geophys., 35 (2), pp. 130-143 en pp. 149-150. BEQUIN, H., (1960). Vallons à fond plat et à forte pente longitudinale. in: Soc. Géol. de Belg., t. 83, pp. 285-298. BOGOMOLOW, G.W., (1958). Grundlagen der Hydrogeologie. Berlin. BOLLINE, A., (1976). L’évolution du reliëf a l’Holocène, les processus actuels. Geomorphologie de la Belgique, Laboratoire de Géographie Physique, Université de Liège. BONNEAU, M., SOUCHIER, B., (1979). Pédologie, 2. Constituants et propriétés du sol. Masson, Paris BRIART, A., (1892). Etude sur les limons hesbayens et les temps quarternaires en Belgique. in: A.S.B.G., pp. 15-81. BRULARD, Th., (1964). La vallée de la Nethen. Etude de géographie rurale. in: Acta Geographica Lovaniensia, t. 3, pp. 395-424 BRYAN, K., (1945). Glacial versus desert origin of löss. in: American Journal of Science, 243 (5), pp. 245-248. BUDEL, J., (1944). Die Geomorphologische Wirkungen des Eiszeitklimas im Gletscherfreien Gebiet. in: Geol. Rundschau, Bd. 34, pp. 482-519. BUDEL, J., (1953). Die Periglzial - morphologischen Wirkungen des Eiszeitklimas auf der Ganzen Erde. in: Erdkunde Bd. VII, pp. 249-265. BUDEL, J., (1961). Morphogenese des Festlandes in Abhängigheit von den Klimazonen. in: Die Naturwissenschaften, jg. 48, Heft 9. BUDEL, J. (1977). Klima Geomorphologie. BUTZER, K.W., (1976). Geomorphology from the earth. Harper & Row, New York, 363 p.
C
CAILLEUX, A., (1948). Le ruissellement en pays tempéré non montageux. in: Annales de Géographie, t. LVII, pp. 21-39.
Bibliografie 43
C
CAMERMAN, C., (1950). Reliëf du socle paléozoique dans le Brabant oriëntal et la Hesbaye. in: B.S.B.G., t. LIX, pp. 61-74. CAMERMAN, C., (1950). Commentaires au sujet du reliëf du socle paléozoique dans le Brabant oriëntal et la Hesbaye. in: B.S.G., p. 64-74. CEGLA, J., (1969). Influence of Capillary Ground Moisture on Eolian Accumulation of loess. in: Bull. Acad. Pol. des Sciences Géolog. Geogr., Vol. XVII, nr 1. CHARLESWORTH, J.K., (1966). The Quarternary Era with special references of its glaciation. vol. I, London, Edward Arnold Ltd, 591 p. CEGA, J., (1969). Influence of copillary ground moisture on eolian accumulation of löss. in: Bull. Acad. Pol. Sci. Geol. Geogr. Ser., 14 (1), pp. 25-27. CORNET, J., (1903). Etude sur l’évolution des rivières belges. in: Ann. Soc. Geol. de Belg., t. 31, pp. 261-500.
D
DE BETHUNE, P., (1939). Sur le réseau hydrographique de la Moyenne-Belgique. in: Bull. Soc. Belge de Géol., t. XLIX, pp. 41-50. DE BETHUNE, P., (1942). A propos des cours d’eau de la Moyenne-Belgique. in: Bull. Soc. Belge d’études Géol., pp. 119-124. DE BETHUNE, P., (1947). Déplacement de cours d’eau en phase de remblaiement. in: La géologie des terrains récents dans l’ouest de l’Europe, pp. 412-417. DE BETHUNE, P., (1955). Le cycle d’érosion. in: Revue des Quest. Scient. DE BETHUNE, P., MAMMERICKX, J., Etudes clinométriques du laboratoire géomorphologique de l’Université de Louvain. in: Ann. de Géomorph. Suppl. I, P. Birot, Paris, pp. 93-102. DE GRAAF, R., (1956). Bijdrage tot de kennis van het regiem van de Dijle en haar bijrivieren, gesteund op waarnemingen gedurende de periode 1 augustus ‘55 tot 13 maart ‘56. K.U.Leuven. DE HEINZELIN, J., MARECHAL, R., (1963). Etudes des quelques dépôts quarternaires et tertiaires de l’Ouest de la Belgique. 6e congrès international de sédimentologie, Belgique et Pays-Bas, Excursion K. de la VALLEE POUSSIN, J., (1930). Contribution à l’étude de Cambrien dans les vallées de la Dyle et de la Gette. in: Mémoires de l’Inst. Géol. de l’Université de Louvain, t. VI, f. III. DEMOLON,, (1960). Dynamique du sol. Dunod. (Ed. Paris), 5e druk. DE PLOEY, J., (1961). Morfologie en Quartairstratigrafie van de Antwerpse Noorderkempen. Acta Geographica Lovaniensia, 130 p. DE PLOEY, J., (1972). Enkele bevindigen betreffende erosieprocessen en hellingsevolutie op zandig substraat. in: Tijdschrift Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies, jg. 41, 1972-1, pp. 43-67. DE PLOEY, J., (1973). Etude des phénomènes Périglaciaires en laboratoire. Centre de Géomorphologie, LiègeCaen, Bulletin nr 13-14-15, Mai-novembre 1972. DE SMEDT, P., (1973). Paleografie en Quartairgeologie van het confluentiegebied Dijle-Demer. Acta Geographica Lovaniensia vol. 11, 141 p. DEVADDER, E., HALET, F., (1928). Les ravinements en forêt de Soignes. in: Bull. de Soc. Antrop. Brux., t. XLIII DEWALQUE, G., (1868). Prodrome d’une description géologique de la Belgique. Bruxelles et Liège, Librairie Polytechnique de Decq, 435 p. D’OMALIUS D’HALLOY, J., (1842). Coup d’oeil sur la géologie de la Belgique. Brussel. DUCHAUFOUR, Ph., (1960). Précis de Pedologie. Masson. DUDAL, R. (1953). Etude morphologique et génétique d’une séquence de sols sur limon loessique. in: Agricultura, pp. 261-291.
E
EMBLETON, C., KING, C.A.M., (1975). Periglacial Geomorphology. Butler & Tanner Ltd., Frome & London. ERDTMAN, G., (1927). Vestiges de l’histoire quarternaire récente des forêts belges. in: Bull. Ac. Roy. Belge Classe des Sciences, 5e série, nr 13, 656 p.
44 Bibliografie
F
FALKOWSKI, E., (1972). Regularities in development of lowland rivers and changes in river bottoms in the Holocene. Symp. Inqua. Commission on Studies of the Holoc. Excursion guide book II, pp. 3-30 (Poland). FONTAINE, A., (1932). Le Démer dans le temps et l’espace. in: B.S.B.G. t. 42, pp. 131-141. FOURMARIER, P., (1920). La tectonique du Brabant et des régions voisines. Brussel. FOURMARIER, P., (1939-40). Mouvements relatifs dans le crétacé de la Hesbaye. in: Ann. de la Soc. Géol. de Belg., t. 63, pp. 107. FRENCH, HM., (1976). The periglacial Environment. Longman London.
G
GEUKENS, F., (1947). De asymmetrie der droge dalen in Haspengouw. in: Nat.Wet.Ts., jg. 13, 1, p. 13-18. GILLES, M., LORENT, J., (1966). Debiet en lading van de Dijle. in: Acta Geographica Lovaniensia, vol. 4, pp.48-56. GLORIOD, A., TRICART, J., (1952). Etude statistique des vallées asymmétiques sur la feuille St. Pol au 1/50.000, Rev. Géomorph. Dyn., nr 2, pp. 88-89. GRIMBERIEUX, J., (1955). Origine et asymmétrie des vallées sèches de la Hesbaye. in: A.S.G.B., t. LXXVIII, pp. 267-286. GRIPP, K., (1932). Diluvialmorphologische Probleme? in: Zschr. d. Deutsche Geol. Gesch., Bd. 84, pp. 628-636. GULINCK, M., (1958). Les Flandres. in: Géologie de la Belgique. A. Lombard, Naturalistes Belges, pp. 108-114. GULINCK, M., HACQUAERT, A., (1954). l’Eocène. in: Prodrome d’une description géologique de la Belgique, Chapitre 14, Liège. GULLENTOPS, F., (1952). Contribution à la chronologie du Pleistocène et des formes du reliëf en Belgique. in: Bull. Soc. Belge de Géol., 123 p. GULLENTOPS, F., (1954). Contribution à la chronologie du Pléistocène et des formes du reliëf en Belgique. in: Mémoires de l’Institut Géologique de l’Université de Louvain, t. 18, pp. 123-252. GULLENTOPS, F., (1957). Quelques phénomènes géomorphologiques depuis le Pléni-Würm. in: B.S.B.G., t. 66, pp. 86-95. GULLENTOPS, F., (1957). L’origine des collines du Hageland. in: B.S.B.G., t. 66, pp. 81-85. GULLENTOPS, F., (1957). L’évolution du reliëf depuis la dernière glaciation. in: Bull. de la Soc. Belge d’Etudes Géogr., t. XXVI, nr 1, pp. 71-87. GULLENTOPS, F., (1957). Quelques phénomènes géomorpholgiques depuis le Pléni-Würm. in: Bull. Soc. Bel. Géol., pp. 91-94. GULLENTOPS, F., (1957). Stratigraphie du Pléistocène supérieur en Belgique. in: Geol. en Mijnb., jg. 19, pp. 305. GULLENTOPS, F., (1964). Trois exemples de cartes géomorphologique détaillées. Volumue Jubilaire M.A. Lefèvre, Acta Geographica Lovaniensia, vol. 3, pp. 425-430. GULLENTOPS, F., ARNOULD-DE BONTRIDDER, O., (1967) Compte rendu de l’excursion du lundi 13 juin 1966 Leuven, Haacht, Wavre, Tervuren, Leuven. Les congrès et colloques de l’université de Liège. Vol. 40 ‘L’évolution des versants’, pp. 365-375. GULLENTOPS, F., MULLENDERS, W., (1957). Palynologisch en geologisch onderzoek in de alluviale vlakte van de Dijle te Heverlee - Leuven. in: Agricultura, Vol. 51, pp. 57.64. GULLENTOPS, F., MULLENDERS, W., (1956). Evolution de la végétation et de la plaine alluviale de la Dijle à Louvain, depuis le Pléni-Würm. in: Acad. Roy. Belgique, Bull. Cl. Sciences, 5e série, 42, 1123-1137. GULLENTOPS, F., MULLENDERS, W., (1972). Age et formation de dépôts de tuf calcaire holocène en Belgique. Les congrès et colloques de l’université de Liège, vol. 67, pp. 113-135. Processus périglaciaires étudiés sur le terrain. GULLENTOPS, F., MULLENDERS, W., COREMENS, M., (1966). Etudes de la plaine alluviale du Kaatsbeek à Diepenbeek (Limbourg Belge). in: Acta Geographica Lovaniensia vol. 4, pp. 141-150. GULLENTOPS, F., SCHEYS, G., (1950). Premiers Résultats de la Cartographie des Sols en Hesbaye Septentrionale. in: SOBEG, t. 19, pp. 61-74. Bibliografie 45
G
GULLENTOPS, F., SCHEYS, G., (1950). Quelques sols importants de Hesbaye septentrionale, Herve et Haute-Ardenne et leur évolution, I. in: Le Hesbaye septentrionale, I.W.N.O.L., Verslagen over navorsingen, nr 4, pp. 89-95.
H
HAASE, G., (1964). Landschaftsökologische Detailuntersuchung und naturräumliche Gliederung. in: Pet. Geo. Mitteil., Gotha, jg. 108, pp. 8-30. HAASE, G., LIEBEROTH, I., RUSKE, R., (1970). Sedimente und Paläoböden im Lössgebiet. in: Periglazial-LöszPaläolotikum in Jungpleistozän der Deutschen Demokratischen Republik, Petermans Geographischen Mitteilungen, Ergännzungsheft nr 274, pp. 99-212. HALET, F., (1904). Sur le gisement de la piroque décourverte dans la vallée de la Dyle, à Malines. in: B.S.B.G., t. 18, pp. 108-111. HALET, F., (1930). Constitution géologique de la vallée de la Senne entre Neder-over-Heembeek et Vilvoorde. in: B.S.B.G., t. XL, pp. 84-100. HALET, F., LEJEUNE DE SCHIERVEL, C., (1905). Etude géologique avec coupe à travers la vallée de la Senne. in: Bull. Soc. Belge de Géol., t. XIX, pp. M365-M376. HMPEL, L., (1957). Das morphologische Landschaftsbild des Unter-Eichsfeldes. in: Forschungen zir Deuts. Landesk., Band 98. HERBILLON, J., (1945). Toponyme hesbignons. in: Bull. Topon. et Dial., t. LI, 93 p. HORTON, R., (1945). Erosional development of streams. in: Bull. of the Geol. Soc. of America, vol. 56, nr 3.
J K
JAHN, A., (1975). Problems of the Periglacial Zone. Warsawa, PWN., Polish Scientific Publishers, 223 p. + ill. JUVIGNE, E., (1976). La stratigraphie du Quarternaire. in: Géomorphologie de la Belgique (hommage au prof. P. Macar), Lab. de géol. et de géogr. physique, Univ. de Liège, Liège, pp. 169-179. KATASONOV, E.M., (1952). Cryogenix textures, ice- and ground veins as genetic features of permafrost in Quarternary deposists. in: Voprosy kriologii pri izuc cetvert. otlozeij, Ed. Akad. Nauk. S.S.S.R. KEILHACK, K., (1918). Die Nordgrenze des Löss in ihren Beziehungen zum noridschen Diluvium. in: Zeitschrift der Deutschen Geol. Gesellschaft, Monatsberichte, 70. Band, pp. 77-79. KING, C.A.M., (1976). Periglacial Processes. Dowden, Stroudsburg, pp. 285-288. KING, L.C., (1953). Canons of landscape evolution. in: Bull. of the Geol. Soc. of Amer., vol. 64, nr 7, pp. 721-756. KELLHACK, K., (1918). Die Nordgrenze des Lösz in ihren Beziehungen zum nordische Diluvium. in: Zeitschrift der Dtsch. Geol. Ges., Monatsberichte, 70.Band, pp. 77-79. KLIMASZEWSKI, M., (1959). Bemerkungen und Gedanken zu die Studien über die Periglazial-Erscheinungen in Mittel-Europa. in: Zeitschr. f. Geommorph., Ann. de Geomorph., pp. 47-62.
L
LEFEVRE, M.A., (1924). Un aspect de la topographie des environs de Louvain. in: Société Géologique de Belgique, Livre jubilaire, t. II, pp. 143-148. LEFEVRE, M.A., (1931). Vallées disymmétriques. in: B.E.V.A.S., jg. 1, nr 2, pp. 68-71. LEFEVRE, M.A., (1935). La morpholgie de la Belgique. Deux. Congr. Nation. de Sciences. LEFEVRE, M.A., (1941). L’hypothèse tectonique dans l’interprétation de l’origine du reliëf et du réseau fluvial de la Belgique. in: Bull. soc. belge d’études géogr., t. XI. LEFEVRE, M.A., (1956). Orohydrographie - Morphologie - Lithologie et coupes morphologiques. Académie royale de Belgique, Comité national de Géographie. LEFEVRE, M.A., (1956). Orografie, hydrografie, morfologie, lithologie en morfologische doorsneden. Nat. Kom. voor geografie, Commissie voor de Nat. Atlas, Kommentaar Bl.6, 7, 9, 10. Atlas van België. LEHMANN, O., (1933-35). Uber die morphologischen Folgen der Wandverwitterung. in: Ztschr. f. Geomorphologie, pp. 93-99.
46 Bibliografie
L
L.E.R., (1956). De Limburgse leemstreek - Hasselt. LOMBARD, A., (1958). Géologie de la Belgique. Les naturalistes belges. LORENT, J., (1966). Voorbereidend onderzoek van de bodemvochtigheid in de Brabantse leemstreek. in: Acta Geographica Lovaniensia, t. IV, pp. 11-19. LOUIS, A., (1959). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Uccle 102 W, I.W.O.N.L.
M
MAARLEVELD, G.C., (1951). De asymmetrie van de kleine dalen op het N.-halfrond. in: Ts. Kon. Ned. Aardr. Genootschap, deel 68, pp. 297-309. MAARLEVELD, G.C., EDELMAND, C.H., De asymmetrische dalen van de Veluwe. in: Ts. Kon. Ned. Aardr. Genootschap, deel 66, pp. 143-146. MARECHAL, R., (1956). L’étude des phénomènes périglaciares en Belgique. U.G.J. 18e Congres Int. de Géogr. Rio de Janeiro, Commission de morphol. périglaciaire, rapport, pp. 83-98 MAROSI, P., (1970). A review of the evolution of theories on the origin of löss. in: Cluy Univ. Stud. Ser. Geol. Mineral, 15, pp. 61-73. MEEUWIS, A., (1948). La représentation cartographique des dépressions sans écoulement. in: Bull. Soc. Roy. belge de Géogra., pp. 201-216. MERTERNS, J., (1951). Een urnengrafveld te Aarschot-Langdorp (Brabant). in: Eigen schoon en de Brabander, 34e jg., pp. 321-341. MORTELMANS, G., (1955). La structure tectonique et la stratigraphie du massif de Brabant. in: B.S.B.G., pp. 179-218. MORTELMANS, G., (1955). Considérations sur la structure tectonique du Brabant. in: Bull. Soc. Belge de Géol., LXIV, pp. 179-220. MOURLON, M., (1893). Geologische kaart van Hamme-Mille. MOURLON, M., (1894). Carte géologique de la Belgique no 71 ‘Haecht - Rotselaar’ uitgegeven door het militair geografisch instituut. MUECHER, H.J., (1973). Enkele aspekten van de löss en zijn noordelijke begrenzing, in het bijzonder in Belgisch en Nederlands Limburg en in het daaraangrenzende gebied in Duitsland. in: K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift VII, nr.4, pp. 259-276. MUECHER, H.J., DE PLOEY, J., (1977). Experimental and micromorphological investigation of erosion and redeposition of löss bij water. in: Earth Surface Processes, vol. 2, pp. 117-124. MULLENDERS, W., GULLENTOPS, F., (1956). Evolution de la végétation de la pleine alluviale de la Dyle à Louvain, depuis le pleni-Würm. in: Bull. Acad. Roy. de Belgique, t. 42, pp. 1123-1137. MULLENDERS, W., GULLENTOPS, F., (1957). Palynologisch en geologisch onderzoek in de alluviale vlakte van de Dijle, te Heverlee-Leuven. in: Agricultura, Band V 2de reeks nr 1, pp. 57-64. MULLENDERS, W., GULLENTOPS, F., (1966). Le remblaiement de la vallée de la Néthen. in: Acta Geographica Lovaniensia, nr 4, pp. 161 e.v. MULLENDERS, W., COREMANS, M., (1961). Recherches palynologiques dans la vallée de la grande Nethe à Geel. (Campine belge) in: Bull. de la Soc. Roy. de Botanique de Belgique. t. 93, fase 1 et 2, pp. 131-136. MULLENDERS, W., DESAIR-COREMANS, M., GILOT, E., (1972). Recherches palynologiques et datation 14c sur les dépôts tourbeux de Holsbeek. in: ‘twee mosolithische sites te Holsbeek’ van Vermeersch, P., Archaeologica Belgica no 138, pp. 133-134. MULLENDERS, W., GULLENTOPS, F., LORENT, J., COREMANS, M., GILOT, E., (1966). Le remblaiement de la vallée de la Nethen. in: Acta Geographica Lovaniensia, vol. 4, pp. 169-181. MULLER-MINY, H., (1952). Das Land an der mittleren Warthe in seiner naturrämlichen Gliederung. Amt. für Landesk., Remagen. MUNAUT, A., (1967). Recherches paléo-écologiques en Basse et Moyenne Belgique. Acta Geographica Lovaniensia vol. 6.
Bibliografie 47
O
OBRUCHEV, V.A., (1945). Löss types and their origin. in: Amer. Jour. Sci., 243 (5), pp. 256-262. OESTREICH, Ch., (1942). Bodemreliëf en riviernet van België als gevolg van jonge tektoniek. in: Tijdschrift van het Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, pp. 371-410. OUDIETTE, Ch., VII: Le Département de la Dyle - Brussel.
P
PAEPE, R., (1970). Autosnelweg Brussel-Luik: boringen en geologisch profiel (nrs 235-299). Professianal Paper, nr 6 (Aardkundige Dienst van België.) PAEPE, R., VAN HOORNE, R., (1967). The stratigraphy and palaeobotany of the Late Pleistocene in Belgium. in: Mém. Expl. Cartes Géol. Belg., t. 96, pp. 301-348. PAFFEN, K.-H., (1953). Die natürliche Landschaft und ihre räumliche Gliederung. Bundesanstalt für Landskunde, Remagen. PAULISSEN, E., (1978). Loess ridges in Haspengouw. Excursiegids co-ordinating Committe for periglacial research (Working group of the International Geographical Union), symposium 17-28 sept. 1978, pp. II 2 bis 1-5. PENCK, W., (1924). Die Morphologische Analyse. Geographische Abhandlungen, Heraus gegeben von Prof. Dr. Albrecht Penck in Berlin, 280 p. PERCOT, A., (1956). Etude détaillée des sols de la Hasbaye occidentale. Application à quelques problèmes d’actualité. Thèse de doctorat en sciences agronomiques, Inédit, Faculté des sciences agronomiques de l’Etat, Gembloux, 295 p. PIROT, A., (1951). Aspects de l’habitat rural en Hesbaye. in: Bull. Soc. belge d’étude géogr., pp. 313-400. PONS, L.J., JELGERSMA, S., WIGGERS, A.J., DE JONG, J.D., (1963). Evolution of the Netherlands coastal area during the Holocene. Verhand. Kon. Ned. Geol. Mijnb. Genootsch., Geol. Serie deel 21-2, pp. 197-208. POSER, H., (1948). Boden- und Klimaverhältnisse in Mitteleuropa während der Würmeiszeit. in: Erdkunde, band II, Lfg. 1/3, pp. 53-68. POSER, H., (1951). Die nördliche Lössgrenze in Mitteleuropa und das Spätglaziale Klima. in: Eiszeitalter und Gegenwart, jaargang 1n pp. 27-55.
R
RENIER, A., (1926). Le style tectonique d’ensemble de la moyenne et de la basse Belgique. in: Annales de la Société scientifique de Bruxelles, pp. 291-301. ROUHART, J., Geologische beschrijving van het Dijlebekken, in: LAURENT, E., Monografie van het Dijlebekken, eerste deel. Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu, Kerngroep water, commissie Dijle, eerste deel, Hfdst. II.2, pp. 13-19. RUTOT, A., (1882). Les alluvions modernes dans la moyenne Belgique. in: Bulletin du Musée Royal d’histoire naturelle de Belgique, t. I, pp. 185-196. RUTOT, A., (1910). Texte explicatif du levé Géologique de la planchette de Tirlemont no 104. Ministère de l’industrie et du travail, Administration des mines, Service Géologique de Belgique, 32 p.
S
SCHEIDEGGER, E.A., (1961). Theorical Geomorphologie. III Mechanics of slope formation. SCHEYS, G., (1954). Hageland, bodem en landschap. in: Bull. Soc. belge de Géogr., pp. 85-121. SCHEYS, G., (1957). Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Glabbeek-Zuurbemde 90 E. I.W.O.N.L., 96 p. SCHEYS, G., (1960). Systematische en regionale bodemkunde. K.U.Leuven. SCHEYS, G., (1974). Regionale bodemkunde I. Cursus Landbouwwetenschappen, K.U.Leuven. SCHEYS, G., Verklarende tekst bij de bodemkaart van België. Kaartblad Glabbeek-Zuurbemde, Lubbeek, Zoutleeuw. SCHEYS, G., GULLENTOPS, F., (1950). La Hesbaye septentrionale. I.W.O.N.L., Verslagen over navorsingen, pp. 89-95.
48 Bibliografie
S
SCHEYS, G., VANDERHASSELT, P., (1950). Het verband tussen de bodemtypen en hun landbouwkundige waarde in de leemstreek. I.W.O.N.L., Verslagen over navorsingen, pp. 211-242. SCHMITTHENNER, H., (1925). Die Entstehung der Dellen und ihre Morphol. Deutung. in: Zeit. für geomorphologie. SEMMEL, A., (1961). Beobachtung zur Genese von Dellen und Kerbtälchen im Löss. in: Geogr. Studien aus Rhein-Mainischen Raum, Rhein-Mänishce Forsuchungen, H. 50, pp. 135-140. SEMMEL, A., STABLEIN, G., (1971). Zur entwicklung Quartärer Hohlformen in Franken. in: Eiszeitalter u. gegenwart. uitg. Ohringen/Würt, Band 22, Seite 23-24. SERET, G., (1962). Essai de classification des pentes. Onuitgegeven verslag van het Nationaal centrum voor geomorfologisch onderzoek, vol. II, 15 p. SMALLEY, I.J., (1972). The interaction of great rivers and large deposits of primary löss. in: Trans. N.Y. Acad. Sci., Ser. 2, 34 (6), pp. 534-542. SMALLEY, I.J., (1975). Löss: lithology and genesis. (verzamelde artikels). Dowden, Huchinson & Ross, Inc. Stroudsburg, Pennsylvania. STEVENS, Ch., (1921). Remarques sur la morphologie du Basin supérieur de la Dyle. in: B.S.G., pp. 44-51. STEVENS, Ch., (1931). La morphologie du Hageland. in: Anneles de la soc. Sc. de Bruxelles, t. 51, série B, pp. 192-300. STEVENS, Ch., (1932). Sur quelques formes topographiques anciennes au Sud de Louvain, 13, S.G., fasc. 2, pp. 149-154. STEVENS, Ch., (1932). Le bassin hydrographique de la Gette. in: Ann. de la Soc. Scient. Brux. t. LII, ser. b, pp. 70-77. STEVENS, Ch., (1934). Les vallées sèches de la Hesbaye liègeoise. in: B.S.G., pp. 27-41. STEVENS, Ch., (1938). Le Reliëf de la Belgique. in: Mémoires de l’Institut Géologique de l’Université de Louvain, vol. 12, pp. 35-430. STEVENS, Ch., (1941). Considérations sur l’évolution des vallées brabançonnes. in: Ann. de la Soc. Géol. de Belg., t. 65, nr 1, pp. 22-27. STEVENS, Ch., (1942). A propos du reliëf de la Belgique. in: B.S.R.G., pp. 297-306. STEVENS, Ch., (1942). Considérations sur l’importance de la dénudation pléistocène. in: B.S.B.G., pp. 23-30. STEVENS, Ch., (1943). L’Origine tectonique du reliëf belge. in: B.S.R.G., pp. 97-115. STEVENS, Ch., (1946). Quelques particularités de la répartition du loess en Belgique. La Géologie des Terrains Récents. in: Soc. B. de Géol., pp. 313-317. STEVENS, Ch., (1947). La tectonique pléistocène en Belgique. La Géologie des terrains récents dans l’Ouest de l’Europe. Brussel. STEVENS, Ch., (1947). Quelques particularités de la répartition du loess en Belgique. La Géologie des terrains récent dans l’Ouest de l’Europe. Brussel. STEVENS, Ch., (1950). La Géomorphologie des environs de Bruxelles. IIIe Nat. Wet. Congres 30 mei 3 juni 1950, Brussel, deel 4, pp. 145 e.v. STEVENS, Ch., (1951). La carte géomorphologique de la Moyenne Belgique. Son interprétation tectonique. in: Bull. Soc. Belge de Géol., 331 p. STEVENS, Ch., (1953). Indiees morphologique du passage de la Meuse en Hesbaye. in: Bull. Soc. belge de Géol., 195L. STEVENS, CH., (1955). Quelques aperçus morphologique du pays. in: Bull. Soc. Belge de Géol., 79e an., pp. 3-8.
T
TAVERNIER, R., (1943). De quartaire afzettingen in België. in: N.W.T., jg. 25, pp. 121-137. TAVERNIER, R., (1945). Phenomène périglaciaires en Belqigue. in: Bull. Soc. belge d’études Géogr., pp. 112-133. TAVERNIER, R., (1946). Note sur le Pléistocène récent de la Belgique. in: La Géologie des Terrains Récents dans l’Ouest de l’Europe (B.S.B.G.), pp. 310-317. Bibliografie 49
T
TAVERNIER, R., (1948). Les formations quarternaires de la Belgique en rapport avec l’évolution morphologique du pays. in: Bulletin de la S.B.G., Tome LVII, fasciculle 3, pp. 609-641. TAVERNIER, R., (1949). Bodemkartering. N.W.T., pp. 71-75. TAVERNIER, R., (1949). Bodemkartering in de leemstreek. N.W.T., pp. 122-124. TAVERNIER, R., (1950). Bodemkartering in België. I.W.O.N.L. Verslagen over navorsingen, pp. 9-21. TAVERNIER, R., (1954). Le Quarternaire. in: Prodrome d’une description Géologique de la Belgique, Luik, pp. 565-589. TAVERNIER, R., De quartaire afzettingen in België. in: Natuurwet. Ts., jg. 25, p. 121-137. TAVERNIER, R., DE HEINZEIN, J., (1957). Chronologie du Pléistocène supérieur plus particulièrement en Belgique. in: Geol. en Mijnb., jg. 19, pp. 306-309. TAVERNIER, R., GULINCK, M., (1947). Les roches arénacées du Landenien de la Hesbaye. Cent de l’A.T. Lg, Congrèes 1947, Sect. Géol. 195 p. TARLIER, J., WAUTERS, A., (1859-1882). La Belgique ancienne et moderne. 6 vol., Brussel. THORNBURY, W.D., (1951). Principles of geomorphology. New York - London, pp. 313-314. TRICART, J., (1951). Le système d’évosion périglaciaire. L’inf. Géogr., 187 p. TRICART, J., (1953). Premiers résultats d’expériences de solifluxion périglaciaire. in: C.R. Ac. de Paris CCXXXVIII, pp. 259-261. TRICART, J., GLORIOD, A., (1951). Etude statistique de vallées asymmétriques sur la feuille St-Pol au 1/50.000. Extr. rév. géom. Dynamiques SEDES, pp. 88-98.
V
VAN DE POEL, B., (1931). Dissymmétrie des vallées dans la région du Haut-Démer. in: B.E.V.A.S., pp. 104-106. VAN DE POEL, B., (1943). Trois anciens méandres recoupes dans la vallée du Demer. in: Bull. soc. Belge de Géol., vol. 52, pp. 104-106. VAN ESBROECK, G., Mouvements tectoniques récents le long de la Basse-Senne et de la Basse-Dyle. in: B.S.B.G., t. XLV, pp. 116 e.v. VAN HIMBEEK, C., (1955). De droogmaking van gebieden met hoge waterstanden of met periodisch weerkerende overstromingen. in: Agricultura, Vol.III nr 2, pp. 157-183. VANSTALEN, R., Textuurvariatie binnen het leem (Haspengouw) en zandleem (Hageland). VAN VOORTHUYSEN, J.H., (1954). Coastal movements of the southern part of the North Sea basin during Pliocene and early Pleistocene times. in: Geol. en Mijnbouw (nieuwe serie) 16 jaarg., pp. 165-172. VLIEBERGH, E., La population agricole de la Hesbaye au XIV siècle. Bruxelles. VON RICHTHOFEN, F., (1882). On the mode of origin of the löss. in: Geol. Mag., 9, Ser. 2, pp. 293-305.
W
WALSCHOT, L., Les terrasses de la Senne. in: La Géographie, Gand, 13ième ann., pp. 121-133. WALSCHOT, L., De pleistocene grintlagen in de Zennevallei. in: Natuurwet. Tijdschr., Gent, Jg. 43, pp. 45-61. WASHBURN, A.L., (1973). Periglacial processes and environments. Uitg. E. Arnold, London, pp. 214-216, p. 243. WAUTERS, A., (1969). Bijdrage tot de hydrologie van het Getebekken, in: Acta Geographica Lovaniensia, t. VII, pp. 151-166. WEST, R., (1968). Pleistocene geology and biology. Longmans, Green and Co LTD, London. WILLIAMS, M.A.J., (1975). Late Pleistocene tropical aridity synchronous in both hemispheres? in: Nature, vol. 253, Nr. 5493, pp. 617.618. WIRIX, G., LORENT, J., (1966). Regime en lading van de Dender. in: Acta Geographica Lovaniensia, t. IV, pp. 129-140. WRIGHT, W.B., (1937). The Quarternary ice age. MacMillan & Co, London, 232 p.
50 Bibliografie
A B
7.2 Ongepubliceerde werken ADRIAENSENS, E., (1968). De methode van een natuurruimtelijke indeling met toepassing op de streek tussen Dender en Dijle. Grootmorfologische studie van de streek tussen Dender en Dijle. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 91 p. BOLLINE, A., (1971). Contribution à l’étude de l’érosion des sols limoneux cultivés en Hesbaye Gembloutoise. Mémoire de licence en Sciences Géographiques, inédit, Université de Liège. BRUYNINCKX, H., (1958). Bijdrage tot de regionale studie van N.-W. Hageland. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven.
C
CANNAERTS, M., (1957). Bijdrage tot de regionale studie van het Voerdal. Eindverhandeling, K.U.Leuven. CRAMA, D., (1959). De Velpestreek. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 163 p. CREMER, C., (1976). Geomorfologie en quartiare dekmantel in het Zaventemse. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 79 p.
D
DE BISSCHOP, W., (1981). Reliëfontwikkeling op het Brusseliaan ten N van Waver. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 150 p. DE BONTRIDDER, O., (1963). Etude de l’érosion holocène en région limoneux sous couvert forestier. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. DELAURE, J., (1981). Geomorfologie en Quartairgeologie tussen Wilsele en Holsbeek. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. DE MULDER, H., (1980). De opbouw van de alluviale vlakte van de Velp. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. DEPOORTER, A., (1980). De opbouw van de alluviale vlakte van de Woluwe in het Holoceen. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 176 p. DE SMEDT, P., (1973). Hydromorfologie van de Dijle- en Demervallei - Korbeek-Dijle - Hever. Doctoraal proefschrift K.U.Leuven. DUDAL, R., (1955). Bijdrage tot de kennis van gronden op loess-leem in Midden-België. Doctoraat, K.U.Leuven.
F G
FANARD, N., (1965). Le plateau Brabançon dans le bassin de la Dyle. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. GAUCQIE, R., Bijdrage tot de studie van Zuid-West-Vlaanderen. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. GILLES, M., (1960). Neerslag, debiet, lading in het Dijlebekken ten Z van Leuven. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. GOOSSENS, D., (1980). Een onderzoek naar de sedimentologie en het verband Lössdikte - reliëf van de Weichseliaanlöss ten SW van Leuven. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 247 p. GOYENS, A., (1964). Bijdrage tot de geomorfologische studie van het boven-Wingebekken. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 84 pp.
L
LORENT, J., (1964). Hydro-morphologische studie van het Nethenbekken. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 105 p.
M
MEEUWIS, A., (1947). Bijdrage tot de geomorfologie van het Dijlebekken ten Z. van Leuven. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven.
P
PEDE, C., (1963). Theoretische schema’s over hellingsevolutie. Toepassing op de Diestiaanheuvels. Deel I. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 188 p. Bibliografie 51
P R S
PLANCK, Cl., (1968). Contribution à l’étude géomorphologique de la Hesbaye. Mémoire de licence de Sciences Géographiques, inédit, Université de Liège. RIJDAMS, J., (1962). De IJsevallei. Regionale studie. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 122 p. SAVAT, J., (1964). Bijdrage tot de studie van de meanders. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. SCHEYS, G., (1953). Bodems van het Hageland. Doctoraal proefschrift, K.U.Leuven. SCHEYS, G., (1955). Bijdrage tot de kennis van de Hagelandse bodems en hun productiecapaciteit. Doctoraatsverhandeling, K.U.Leuven, Centrum voor Bodemkartering. SCHOETERS, C., (1958). Regionale studie van de Getestreek in vochtig Haspengouw. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 109 p. + 21 tabellen. SCHURMANS, I., (1978). Bijdrage tot de landschapsgenese in het Zoniënbos. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 134 p. SOENEN, M., (1958). Bijdrage tot de studie van de Vlaamse Ardennen. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 151 p. STERCKX, J., (1957). Bijdrage tot de regionale studie van het plateau van Brabant. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 183 p.+ tabellen
V
VANDENBERGHE-SENGIER, R., (1972). Bijdrage tot de hydrologie van de Bierbeek - Molenbeek. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 72 p. VANDERHALLEN, P., (1976). De asymmetrische dalen van de bijriviertjes van de Velpe. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 46 p. VAN DE SANDE, R., (1964). Bijdrage tot de morfolgie van de Dijlevlakte in de omgeving van Haacht. Licentiaatsverhandeling K.U.Leuven. VAN HASSELT, B., (1985). Hydrogeologische studie van het Brusseliaan in het noordelijke Dijlebekken. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 69 p. VANHERCK, M., (1982) Analytische studie van de droge insnijdingsdalletjes tussen de Voer en de Laan. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 130 p. VANMAERCKE, D., (1965). Studie der dalhoofden in het Zwalmbekken. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven. VAN NUFFEL, S., (1966). Studie van de droge dalen in het Brusseliaan. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 147 p. VERDRENGH, A., (1970). Geomorfologische studie van het Warande-dal. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 83 p.
W
WAUTERS, A., (1968). Hydro-morfologische studie van het bekken van de grote Gete ten zuiden van Hoegaarden. Licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 153 p.
52 Bibliografie
8 Bijlagen 8.1 De diktekaart
Bijlage 53
54 Bijlagen ontsluiting die het Tertiair niet bereikt ontsluiting die het Tertiair bereikt
boring die het Tertiair niet bereikt
boring die het Tertiair bereikt
8.2 Gegevenskaart
8.3 De profielen De boringen van het H.S.L.-traject die doorheen het kaartblad Lubbeek 90W, Meldert 104W en Tienen 104E lopen, zijn evenwijdig gelegen aan de autosnelweg Brussel - Aken. Ze werden, indien mogelijk, dan ook opgenomen in de profielen langs de autosnelweg Brussel - Aken. Soms was dit niet mogelijk, enerzijds omdat ze zandiger beschreven staan dan de boringen langsheen de autosnelweg. Om deze boringen echter op een apart profiel aan te duiden, staan ze vaak te ver uiteen en zou het profiel dus een beeld van het Quartair geven dat de werkelijkheid niet goed benadert. 15
16
14
17
12
11
10
9
7
6
19
8
20 5
4 3
2
1
13 Situering van de profielen
Bijlage 55
m 100
E40 Profiel 1
NW
m 100
90
90
549 548
546 547
80
542
543
544
550
551
552
545 Bo
Bc
col
557 col
Bo Bc H
540 539
556 555
553
559 558 Bo
562
80
H
Bc
554
H
541
70
560 561
70
col
col Bo Bc
60
60
50
50
m 100
ZO
E40 Profiel 1 (vervolg)
m 100
566 565 567
90
col
562 80
Bo Bc
90
564 563
Bo
Bo
568 Bc
80
569
Legende profielen
H 570 70
571
573
575 70
Bc H 60
60
50
572 col
574 Bo
0
50
500 m
56 Bijlagen
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
m 90
E40 Profiel 2
NW
ZO
m 90
519 80
518
Bo Bc
517
80
520
HSL 521 B101 522
Oirbeek 70
509
511 Bo
508
Bc
506
60
513
514
512
515
HSL B103 Bo Bc
Legende profielen H
col 40
30
col
col
504 505 50
0
Rommersom
523
H
516 col
Grote Gete
500 m
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
Bijlage 57
H
535 534
526 HSL HSL B107 B109 531 527.1 528 529 530 Rl Klk Zs
Kv
Rv
538+ 538.1 536 537 539 Bo Bc H
70
60
533+ 533.1 532 50
40
H
30
E40 Profiel 3 m 90
NW
HSL 434 B54 435 Bo
436 438
80
439
445
Bc
Bc
80
446
H
H
447
Molenbeek
70
448 col Bo
450
60
Klk 50
HSL B76 454 452
0
40
40
30
E40 Profiel 4
Legende profielen
NW
420
ZO
422
421 Bo
90
432 424
Bc
m
434
423 426
427
428
429
HSL B46 430 431
H
Bo
80
Bc H
70
60
Bo
Kv
30
80
60
Bc Klk
H
500 m
HSL B80 Rl
50
Zs Rv
90
70
449 Bc H
m
m 90
ZO
HSL HSL 441 B63442 HSL B64 B62 443 444 Bo 440
0
500 m
70
60
58 Bijlagen
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
m 90
E40 Profiel 5
m 80
NW
Bierbeekse beek
Expressweg
1133
Bovenheide beek 89E
1132
1134 1135
Bo
80
90W H 1131
347
70
70
1130
346
348
344 60
Bo
357
345
H
1129
1126 Bo 1127
358
1128 60
349
H
356
350
Bo
351
352
353
50
Legende profielen
H
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
Rl 354
H
355
Klk
40
40
m 100 ZO
1143
90
1144
1145 1146 1147 1148
1136 1135 Bo
H
1137
1139
col
90
1110
Bo
Bo
Bo
HSL B21
1123
H
H
1122 1112
col H
70
267 col H
HSL B25
Bc H
80
1121 1116
11191120 1117 1118 Bo
60
420
1124 1125 Bo
1113
1138
Velpe
1149
1141 1140
Daalhem
1111
1142
80
50
E40 Profiel 5 (vervolg)
1115
m 100
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
Klk Rv
70
60
Kv Bc 50
0
500 m
50
Bijlage 59
E40 Profiel 6 La Chasse
W
Galgenberg
m 70
339
340
338
Lz
O m 70
341 342 343 344
337 60
335 322 323
50
H
Bo
60
334
Lz
Bo
328 327
333
332
331
330
329
336
H
50
324 325 326 col Bo
40
0
500 m
Legende profielen E40 Profiel 7 m 60
W
O
321 320
322 Bo
319 50
40
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
m 60
Lz
318
50
317
0
500 m
40
60 Bijlagen
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
40
m
m
E40 Profiel 8
70 NW
89W
70 ZO
89E
292 293
60
291
295
294
296 Bo
60
297 298
Bc 50
299
H
317 Bo
40
316
Lz 40
Dijle
300
315 col 313
314
H 301
30
Legende profielen 20
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
10
?
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
303 304 305 306 307 Klk Rv Kv Lz ? ?
Lz ?
30
Rl
302 Klk
50
308 309 310 311 312 Rl Rv
Klk ?
Lz
Kv
20
?
0
10
500 m
E40 Profiel 9 m 70
m 70
Bertem (dorp)
NW
ZO
286
274 285
275
60
Voer
276
Bc
Bo H 50
Bc
283
277
287 288
Bo
284
289
H H
60
290
Bc
col
291
Bc
278
col
col
50
H 279 282
40
280 ?
281 Rl
Klk
40
H ?
0
30
Bijlage 61
500 m
30
E 40 Profiel 10 m 100
m 100 NW
ZO
263 262 Bo 261 Bc
90
90
264 H
260
266
80
? col
259
80
265
271
269
70
270
Bc 258 col
60
Legende profielen
267
?
Bo
H
268
?
Bo
70
273
col
?
272
Bo Bc
Bo
?
col
274 60
Bc
? H 0
50
500 m
50
E 40 Profiel 11 m 90
E 40 Profiel 12
NW
245
255
80
238 Bo
256 80
80
239
240
244 243 241 Bo col 242 Bc
245
80
H
H ? Bc
m 90
Bc
?
249 250 251 Bo Bc col
? ?
252 253 254
?
col
70
258 col Bo 60
? H ?
0
236 237
Bo 257
H
50
235
O
Bc
248 Bo
60
m 90
W
246 247
70
m 90
ZO
H
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
500 m
50
62 Bijlagen
70
0
500 m
70
m 110
E 411: Profiel 13
NW
100
132
ZO
m 110
100
Bo Bc
133
H
90
90
Bo 80
80
131
70
70
Laan 134 Bo
col
60
Bc
60
Legende profielen
135
H
50
50
136 137 Rl Klk 40
Rv
40
H 30
0
30
500 m
Bijlage 63
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
H.S.L. Profiel 14 m 60
m 60
W
B125 3 50 Bo
50
B125 2
A
B124 B123
Bo H
A
B122
40
90
B119 A
Legende profielen
B116
B117
B110
Bo
B109
H
B108 Bo
H col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
20
m 40
B90 B88 B89 B86
30
B92
A
20
B80
B79 B76,1
B94 A
30
Station Veltem B71
B76
B69
A
m 40
B67
Bo H
B84
B64
Bo
B61 A
30
Rv
H Rl
B81
B96
20
Molenbeek B94 A Klk
B99
39
Klk
H.S.L. Profiel 14 (vervolg)
A
B100 A
H
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
30
B106
40
B103 B102
B126 B127
B115 B114
50
station Erps Kwerps
Eikenveld
Kv
20
10
10
H.S.L. Profiel 14 (vervolg) B64
B55
B60
B61 A
30
B57-358 H
Station Herent
Beemt
O
236 Bo
150
B511 B50 B48 A H
B47 B46
40
89E
B52-353
89W
m
B44 A
B42-B41
B38
B35
m 40
30
Bo H
20
0
500 m
20
64 Bijlagen
H.S.L. Profiel 15 m 30
A2 Brussel - Hasselt
NW
B35
H.S.L. Profiel 16
B29.3
B33
ZO
m
m
m
m
m
30
30
30
30
30
NW
B29.1 B30
Bo
ZO
Vaart
H
B28
20
B23
B26 A Rl
10
20
B23
20
Klk Kv
HSL Profiel 17
Klk
H
Dijle
B19 B18 A
ZO
Dijle 20
20
B14 Rl
10
Leiebeek
B14
10
10
0
0
B9 B8
B12
Rv Klk Kv
Kv
H 10
NW
B5
B6
20
A Kv
H
H
10
Rv
0
0
500 m
0 0
H.S.L. Profiel 18 NW
ZO
B15 bis 50
40
NW
414
Bo
412 413
30
Rl
H
Rv
0
m 60
B20 50
Lz
Legende profielen
? Lz 40
40
40 0
?
A H
ZO
A
50
456
B9
Lz
20
m 60
B16 50
Molenbeek B7
500 m
H.S.L. Profiel 19 m 60
B16 193
m 60
0
500 m
35 B38
0
30
Klk
0
500 m
Bijlage 65
20
500 m
col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
H.S.L. Profiel 20
m 70 NW
m 70 ZO
194 Bierbeekse beek
B4
60
B31 Lz 50
2
21
353 Lz
354 Rl
60
50
B28 Rv
A Klk 40
40
30
A
356 Lz
350 351
357 B1
0
500 m
Legende profielen col Rl Klk Zs Rv Kv Bo Bc H Lz A
grinten colluvium leem van Rotspoel kleiige leem van Korbeek - Dijle zand met schelpenfragmenten veen van Rotselaar veenrijke klei ontkalkte Brabant leem kalkrijke Brabant leem Haspengouw leem zandleem aangevoerde grond
66 Bijlagen
30