9
SYNTAR Synthese-onderzoek op archeologisch materiaal uit Vlaanderen.
Agentschap Onroerend Erfgoed
SYNTAR 9 Synthese-onderzoek op archeologisch materiaal uit Vlaanderen.
Agentschap Onroerend Erfgoed
Gentse kleipijpjes uit de periode 1600-1900 in archeologisch en sociaal cultureel perspectief Davy Herremans, Vince Van Thienen
COLOFON TITEL Gentse kleipijpjes uit de periode 1600-1900 in archeologisch en sociaal cultureel perspectief REEKS SYNTAR nr. 9 AUTEURS Davy Herremans, Vince Van Thienen JAAR VAN UITGAVE 2022 Een uitgave van agentschap Onroerend Erfgoed Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid, Beleidsdomein Omgeving Published by the Flanders Heritage Agency Scientific Institution of the Flemish Government, policy area Environment VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Gonda Callaert OMSLAGILLUSTRATIE Figurale pijpenkop. Vermoedelijk gaat het om een afbeelding van de renaissance schilder Michelangelo. Soortgelijke pijpen zijn gekend uit de handelscatalogi van het Franse Gambier (bv. 1894, serienummer 626) maar de pijp kan ook van Belgische makelij zijn (©Davy Herremans/GIE) agentschap Onroerend Erfgoed Havenlaan 88 bus 5 1000 Brussel T +32 2 553 16 50 info@onroerenderfgoed.be www.onroerenderfgoed.be Dit werk is beschikbaar onder de Modellicentie Gratis Hergebruik v1.0. This work is licensed under the Free Open Data Licence v.1.0. Dit werk is beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationaal-licentie. Bezoek http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/ om een kopie te zien van de licentie. This work is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License. To view a copy of this license, visit http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/. https://doi.org/10.55465/RVIF9552 ISSN 2736-6057 ISBN 978-9-0752-3063-5 D/2022/3241/109
Davy Herremans Vince Van Thienen
GENTSE KLEIPIJPJES Gentse kleipijpjes uit de periode 1600-1900 in archeologisch en sociaal cultureel perspectief’
2
Inhoud Voorwoord
8
Deel 1: Onderzoekskader
9
1.
Data, doelstellingen & onderzoeksvragen
10
1.1.
Beknopte onderzoekshistoriek voor Vlaanderen en omliggende regio’s
11
1.2.
Waarom Gent als case-study?
20
1.1.1. 1.1.2. 1.2.1. 1.2.2.
Pijpelogie en archeologie in onze buurlanden Onderzoek in Vlaanderen en België
Vroege pijpenbakkers en de Gentse consument Een rijk archief en een depot vol met pijpen.
11 17 20 20
1.3.
Dataset
21
1.4.
Doelstellingen en onderzoeksvragen
24
1.5.
Structuur van het onderzoeksrapport
26
1.3.1. 1.3.2. 1.4.1. 1.4.2.
Selectie van het vondstmateriaal Geselecteerde ensembles
21 21
Doelstellingen Onderzoeksvragen
24 24
Deel 2 : Wat meer over de kleipijp
27
2.
28
Wat is een kleipijp 2.1.
Een eenvoudig gebruiksvoorwerp…
29
2.2.
…en vroegmodern massaproduct…
29
2.3.
…met grote archeologische waarde
30
2.4.
De gepaste terminologie
30
2.4.1. 2.4.2. 2.4.3.
3.
30 32 33
Pijproken als sociaal-cultureel fenomeen
34
3.1.
De marginale roker in de 16de eeuw
35
3.2.
Iedereen rookt tijdens de 17de eeuw
36
3.3.
Waar vinden we de pijproker in de 18de en 19de eeuw?
38
3.4.
de jachtige roker
44
3.5.
Ceci est aussi une pipe
45
3.2.1. 3.2.2. 3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.
4.
Onderdelen van de kleipijp Voor- en achterzijde Geometrie van de pijp
van ‘medicijn’ voor de happy few tot genotsmiddel en gemeengoed Toeback drinken in de tabagie de estaminets en grand cafés In de vereniging Thuis in de fumoir
Van klei tot kleipijp
36 37 38 42 43
47
4.1.
Klei selecteren
48
4.2.
Klei bereiden
51
4.3.
Rollen
51
4.4.
Drogen
52 3
4.5.
Doorsteken
52
4.6.
Modelleren
52
4.7.
Bijwerken
53
4.8.
Merken en stempelen
54
4.9.
Drogen
56
4.10.
Glazen
56
4.11.
Bakken
56
4.12.
Sorteren
61
4.13.
Wassen
61
4.14.
Emailleren
61
4.15.
Verpakken
62
5. De productie en handel van kleipijpen: een stand van zaken vanuit Vlaams perspectief 63 5.1.
Chronologie van de pijpenbakkerij in onze gewesten
64
5.2.
De Gentse pijpenbakkers in beeld
87
5.1.1. 5.1.2. 5.1.3. 5.1.4. 5.1.5. 5.1.6. 5.1.7. 5.2.1. 5.2.2. 5.2.3.
5.3.
Einde 16de eeuw: van Engeland naar Holland 17de - vroege 18de eeuw: in de schaduw van Holland en Gouda De 18de eeuw: pijpen bakken onder de Oostenrijkers 1792-1815: een nieuwe impuls tijdens de Franse bezetting 1815-1830: iedereen gelijk voor de wet tijdens de Hollandse periode 19de eeuw: Belgische succes onder invloed van Frankrijk Epiloog: pijpennijverheid tot aan Wereldoorlog I Chronologie Pijpenmakers en pottenbakkers Op wandel door de Gentse ateliers
Van producent naar consument
5.3.1. 5.3.2. 5.3.3. 5.3.4.
De vele wegen van een kleipijp Kopen op merk Kopen op naam De prefab typologie: 19de- en 20ste-eeuwse handels- en bedrijfscatalogi
64 64 70 77 78 79 85 87 91 95
99
99 103 105 108
Deel 3 : Hoe kleipijpen bestuderen?
110
6.
111
Methodologisch kader 6.1.
Onderzoeksmethodes vroeger en nu
112
6.2.
Naar een methode voor de Vlaamse archeologie
118
6.1.1. 6.1.2. 6.1.3. 6.2.1. 6.2.2.
Determineren, dateren en classificeren registreren en beschrijven Kwantificeren en analyseren In de geest van Duco… Van individuele kleipijp tot ensemble
112 116 116 118 119
7. Leidraad bij het dateren, determineren en beschrijven van de kleipijp uit Vlaamse bodem 123 7.1.
Produceren en consumeren tussen twee invloedsferen
124
7.2.
Pijpmodel
125
7.3.
Andere technische en morfologische kenmerken
130
7.3.1. 7.3.2.
Maatvoering Afwerking
4
130 131
7.3.3. 7.3.4. 7.3.5. 7.3.6.
Decoratie Geruwd Merktekens Samenstelling
132 135 136 144
7.4.
Kwaliteit beschouwen
145
7.5.
Lokale producten herkennen
147
Deel 4 : de Gentse collectie uitgespit
150
8.
151
Afval van Gentse pijpenbakkers aan de Tichelrei (17d) 8.1.
Misbaksels en pijpenpotten
154
8.2.
Typologie en datering
157
8.3.
Karakterisering van de misbaksels
158
8.4.
Merktekens
159
8.5.
Afwerking en decoratie
161
8.6.
Kwaliteit
162
8.7.
Interpretatie
162
9.
Vuren en roken: pijpen van militairen 9.1.
Rabot (17c)
9.1.1. 9.1.2. 9.1.3. 9.1.4. 9.1.5. 9.1.6.
164 166
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
167 167 168 168 169 169
9.2.
Mariakerksesteenweg (18a)
170
9.3.
Sint-Pietersabdij III (19B)
175
9.2.1. 9.2.2. 9.2.3. 9.2.4. 9.2.5. 9.2.6. 9.3.1. 9.3.2. 9.3.3. 9.3.4. 9.3.5. 9.3.6.
10.
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
171 171 172 172 172 173
Typologie en datering Pijpen in Goudse traditie Néogènes en fantaisies Figurale pijpen Gebruikssporen Interpretatie
176 176 180 181 182 182
Roken achter het muurtje: pijpen uit religieuze context
184
10.1.
Wolweverskapel (17d)
186
10.2.
Seminariestraat (17d)
189
10.1.1. 10.1.2. 10.1.3. 10.1.4. 10.1.5. 10.1.6. 10.2.1. 10.2.2. 10.2.3.
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
187 187 187 188 188 188
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie
190 191 192
5
10.2.4. 10.2.5. 10.2.6.
Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
192 192 192
10.3.
Sint-Pietersabdij I (17d)
194
10.4.
Sint-Pietersabdij II (17d)
199
10.3.1. 10.3.2. 10.3.3. 10.3.4. 10.3.5. 10.3.6. 10.4.1. 10.4.2. 10.4.3. 10.4.4. 10.4.5. 10.4.6.
11.
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
196 196 197 198 198 198
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
200 200 201 201 201 202
De rokende Gentenaar: pijpen van de burger
11.1. 11.1.1. 11.1.2. 11.1.3. 11.1.4. 11.1.5. 11.1.6.
Dobbelslot I (17b)
203 205
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
206 207 207 207 208 208
11.2.
Oudburg (17d-18a)
209
11.3.
Schepenhuisstraat (17d-18 a)
215
11.4.
Bisdomplein (18b)
221
11.5.
Dobbelslot II (18c)
226
11.6.
Dobbelslot III (18d-19a)
230
Typologie en datering Merktekens en herkomst
231 232
11.2.1. 11.2.2. 11.2.3. 11.2.4. 11.2.5. 11.2.6. 11.3.1. 11.3.2. 11.3.3. 11.3.4. 11.3.5. 11.3.6. 11.4.1. 11.4.2. 11.4.3. 11.4.4. 11.4.5. 11.4.6. 11.5.1. 11.5.2. 11.5.3. 11.5.4. 11.5.5. 11.5.6. 11.6.1. 11.6.2.
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruik Interpretatie
211 212 213 214 214 214
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruik Interpretatie
217 218 219 219 219 220
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
222 222 223 224 224 224
Typologie en datering Merktekens en herkomst Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
227 228 228 228 229 229
6
11.6.3. 11.6.4. 11.6.5. 11.6.6.
12.
Afwerking en decoratie Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
233 233 234 234
Pijpen uit de Handelsbeurs. Roken tijdens het verenigingsleven? (19d) 235
12.1.
Typologie en datering
239
12.2.
Merktekens en herkomst
240
12.3.
Afwerking en decoratie
243
12.3.1. 12.3.2. 12.3.3. 12.3.4. 12.3.5.
13.
Pijpen in Goudse traditie Néogènes Kwaliteit Gebruikssporen Interpretatie
243 243 244 244 244
Kapotgeschoten op het Sint-Pietersplein. pijpen in het schietkraam (19d) 246
13.1.
Typologie en datering
249
13.2.
Pijpen voor de schietbarak
249
13.3.
Assortiment van de Gentse foorkramer
251
13.3.1. 13.3.2.
13.4. 14.
Pijpen in Goudse traditie Néogènes en fantaisies
251 252
Interpretatie
256
de onzichtbare vingerafdruk van de (Gentse) pijpenmaker
261
14.1.
Opzet van het archeometrisch onderzoek
262
14.2.
Resultaten
263
14.3.
Interpretatie
278
14.2.1. 14.2.2.
Geochemische analyse Mineralogische analyse
14.3.1. 14.3.2. 14.3.3.
263 267
Het 17de -eeuwse productieafval van het Fratersplein Gentse kleipijpproductie doorheen de tijd Gent vs. Gouda in de 17de eeuw
278 285 292
Deel 5: De pijp aan Maarten
295
15.
296
Discussie en blik vooruit
15.1.
Op zoek naar de Gentse en Vlaamse pijpenbakkers
297
15.2.
Van toeback drinken tot tir Flobert
301
15.3.
Een gidsfossiel met een handleiding
304
Bibliografie
306
Afbeeldingen
316
Tabellen
323
7
VOORWOORD
Het Europese Verdrag van Malta uit 1992 stelt dat de verstoorder van het ‘bodemarchief’ het archeologische financiert. Studie na de Malta-opgravingen blijft echter vaak beperkt tot het niveau van de vindplaats en mist op die manier het bredere plaatje en de gedetailleerde uitwerking die tot echt nieuwe kennis over het verleden leiden. Extra onderzoekstappen vragen extra middelen, die niet op de bouwheer, projectontwikkelaar of landbouwer kunnen verhaald worden. Daarom besliste de Vlaamse Regering om vanaf 2018 jaarlijks 1 miljoen euro beschikbaar te maken voor archeologisch vervolgonderzoek. De financiële middelen worden jaarlijks via een projectoproep verdeeld. De oproep staat open voor de gehele archeologische sector, zowel de uitvoerende (private) archeologiebedrijven als de wetenschappelijke instellingen en (boven)lokale overheidsdiensten. Voorgelegd onderzoek werd uitgevoerd in kader van deze Vlaamse subsidielijn syntheseonderzoek archeologie en is het resultaat van een samenwerking tussen de Stad Gent en onderzoeksbureau Goed in Erfgoed Comm. V. Bijkomende werden een aantal archeometrische resultaten geïntegreerd uit een project van 1-2-3 archeologie vzw: ‘De onzichtbare vingerafdruk van de Gentse pijpenbakker: een archeometrische studie van Gentse kleipijpjes (ca. 1600-1900). Het project kreeg en ten tijde van de subsidieaanvraag de werktitel mee: ‘Pijpen voor Malta: Gentse Kleipijpjes uit de periode 1600-1900 in archeologisch en sociaal cultureel perspectief’. Waarom een project rond kleipijpen? Kleipijpen vormen sinds de introductie omstreeks 1600 een belangrijk onderdeel van de materiële cultuur. Hoewel dit soort artefacten heel vaak worden aangetroffen bij opgravingen, zijn ze ondergewaardeerd wat onderzoek betreft. Met dit onderzoek wordt een synthese beoogd rond de informatieve waarde van deze vondstencategorie gefocust op de Gentse regio. Dit onderzoek wil een referentiekader aanreiken voor gelijkaardig onderzoek in andere regio’s binnen Vlaanderen. Het project richt zich echter niet alleen tot de beperkte kring van de archeologisch ingewijden. Het onderzoek brengt het verhaal van de Gentse kleipijp en hoopt de geschiedenis van de vroegmoderne pijpconsumptie en -productie in onze gewesten ook een beetje dichter bij het brede publiek te brengen.
8
DEEL 1: ONDERZOEKSKADER
9
1.
DATA, DOELSTELLINGEN & ONDERZOEKSVRAGEN
Intro De kleipijp geniet op internationale schaal al geruime tijd de nodige aandacht als gidsfossiel en marker voor socio-culturele ontwikkelingen tijdens de Vroegmoderne en Moderne Tijd. Een aantal van onze buurlanden zoals Nederland, Duitsland en Engeland kennen een lange onderzoekstraditie. In deze landen ontwikkelde zich een volwaardige onderzoek discipline, bij onze noorderburen vaak aangeduid als de pijpelogie. In Vlaanderen bleef het onderzoek tot nu toe eerder beperkt wat ook een stuk onze verklaart met de Gentse kleipijpen aan de slag te gaan in kader van dit synthese-onderzoek. In dit eerste hoofdstuk bieden wij een beknopte onderzoeksgeschiedenis voor Vlaanderen en omliggende regio’s. Het gaat niet om een gedetailleerde stand van zaken met exhaustieve literatuurlijst. Hiervoor is er – dan vooral voor onze buurlanden - simpelweg te veel informatie voorhanden. Onderstaand overzicht biedt wel een overzicht van de voornaamste onderzoekslijnen en -tradities en brengt daarbij de meest belangrijke onderzoekers en onderzoeksinstanties onder de aandacht. Focus ligt op de bijdrage van archeologie en van archeologische vondststudie in de huidige stand van zaken. Bijzonder aandacht gaat daarbij naar die onderzoeken die als basis dienden voor de eigen projectmethodologie of die als inspiratie dienden bij het meer interpretatieve werk. Het overzicht richt zich vooral op onze directe buurlanden gezien de productie en consumptie in die landen voor een groot stuk hebben bepaald wat wij vandaag aan kleipijen aantreffen in Vlaamse en Gentse bodem. Vanuit deze beknopte stand van het onderzoek formuleren we de doel- en vraagstellingen van dit synthese-onderzoek en presenteren we de Gentse dataset die we hebben ingezet voor dit project.
10
1.1. Beknopte onderzoekshistoriek voor Vlaanderen en omliggende regio’s 1.1.1. Pijpelogie en archeologie in onze buurlanden De term pijpeloog is een verzamelnaam voor een diversiteit aan onderzoekers die zich bezighoudt met de studie van historische pijpen. Vrijwel overal in Europa is het onderzoeksveld een amalgaam van verzamelaars, vrijwilligers, museummedewerkers, academici, onderzoekers aan overheidsinstellingen en commerciële onderzoekers. Naast de studie van de geschreven en iconografische bronnen speelt het artefactenonderzoek een belangrijke rol in de NoordwestEuropese pijpelogie. Daarbij dient de kleipijp niet enkel als studieobject maar ook als primaire bron. De kleipijp is in de meeste buurlanden een populair verzamelobject en veel onderzoek de laatste jaren handelt dan ook over pijpen uit museale collecties en privécollecties. Ook de inbreng van de archeologie (eerst amateurarcheologie en sinds de jaren 1970-80 ook de professionele archeologie) is overal groot geweest. Vooral in Nederland en Groot-Brittanië ontbreken kleipijpen als vondstcategorie zelden in een archeologisch rapport en de voorbije decennia werden veel vondstensembles uit opgraving in detail uitgewerkt (Duco 2009). In Duitsland en Frankrijk lijkt dit minder systematisch te gebeuren, al kan dit ook zijn omdat in deze landen de aandacht algemeen wat minder groot is voor vroegmoderne archeologie.
Figuur 1 enkel nummers van het tijdschrift Knasterkopf, uitgegeven door Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen (Natascha Mehler)
In de meeste van onze buurlanden zien we de ontwikkeling van een aantal structuren en organisaties die actief bijdragen aan het uitwisselen en verspreiden van kennis. In Nederland is 11
er sinds 1978 de PKN - de stichting voor onderzoek historische tabakspijpen - fungeert via hun website, contactmomenten (jaarlijkse PKN-dagen) en publicatie (onder andere het jaarboek en het PKN kwartaalblad) als platform voor informatie- en kennisuitwisseling1. Een vergelijkbaar kenniscentrum is het Amsterdam Pipe Museum sinds het ontstaan in 1975 (toen nog het Pijpenkabinet) gerund door D. Duco, conservator en zwaargewicht in onderzoek. Het museum geeft zelf boeken uit monografieën, heeft een rijke bibliotheek en ontsluit ook de meeste schrijfsel van haar conservator online2. In Duitsland is sinds 1988 de Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen actief met het eigen tijdschrift Knasterkopf3. In Engeland werd in 1983 de Society for Clay Pipe Research (SCPR) onder de doopvont gehouden. Zij publiceren op regelmatig tijdstip een nieuwsbrief en geven ook een eigen tijdschrift uit. Jaarlijks wordt er ook een conferentie georganiseerd4. Een ander belangrijk initiatief is The National Pipe Archive van de University of Liverpool met een belangrijke archeologische en historische collectie met betrekking tot de ‘Engelse’ pijpnijverheid5. Vanuit de collectie faciliteren ze onderzoek en voorzien ze het veld van handvaten voor eigen onderzoek. De manier waarop we vandaag in Noordwest-Europa een kleipijp determineren en beschrijven danken we in grote mate aan D. Duco (zie ook§ 6.1.1.4). In 1987 bracht hij zijn boek ‘De Nederlandse Kleipijp. Handboek voor dateren en determineren’ op de markt. Hierin bundelde hij al zijn kennis en presenteerde hij zijn deductieve methode. Nieuw was dat hij als eerste de pijp in zijn geheel ging beschouwen. Als basis voor een eerste determinatie en datering neemt Duco de evolutie van de pijpenkop. Die kan daarna nog verder worden verfijnd door ook ander morfologische en technologische kenmerken in rekenschap te nemen zoals versiering, kwaliteit en merktekens (Duco 1987a). Het belang van de kop als gidsfossiel was ook Duco’s voorgangers al duidelijk. Goedewagen was de eerste die een systematische vormontwikkeling herkende in de Goudse Figuur 2 Met het handboek ‘De Nederlandse pijp en deze ook in detail beschreef Kleijpijp’ uit 1987 legde Duco de methodologische (Goedewaagen en Helbers 1942). Friedrich basis voor kleipijponderzoek in Noordwest-Europa maakt dan weer gebruik van de maatvoering van ketel en steel om een datering te gaan formuleren. Zo wist hij te wijzen op de nauwe relatie tussen de ontwikkeling van de pijpenkop – die wordt gaandeweg groter – en de lager wordende tabaksprijzen in de 17de eeuw (Friedrich 1975a). Het werk van de Nederlandse pioniers Goedewagen en Friedrich werd verder verfijnd door Duco tot een basistypo-chronologie voor
https://www.tabakspijp.nl/ https://pipemuseum.nl/nl/publicatielijst 3 https://knasterkopf.de/ 4 http://scpr.co/index.html 5 http://www.pipearchive.co.uk/index.html 1 2
12
de Goudse kleipijp (Duco 1987a). Deze typologie is tot op vandaag een houvast voor onderzoekers overal in Noordwest-Europa voor het determineren van Goudse producten maar ook van pijpen van lokale makelij die tijdens de 17de en 18de eeuw vrijwel altijd werden geproduceerd à la façon de Gouda. Duco legde de basis voor zijn typo-chronologie door de studie van zowel museumobjecten als productiemateriaal uit archeologische context. Professioneel was Duco actief in opdracht van het Pijpenkabinet, het latere Amsterdam Pipe Museum. Als conservator kreeg hij de kans een aantal opgravingen in de Goudse binnenstad uit te voeren (Duco 2009) en met onder andere productiemateriaal van de Goudse pijpenbakkers Jan Danens, Arend van Dijk en Arie van der Kleijn aan de slag te gaan (Duco 1987a; 1988b). In die periode was hij ook erg actief in het archief. In 1981 publiceerde hij een belangrijke bijdrage over de Nederlandse kleipijp in de prestigieuze BAR-reeks ‘The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe’. In dit boek bracht hij op basis van archiefdocumenten voor het eerst het gelaagde landschap van de Nederlandse pijpnijverheid in beeld met -naast Gouda- ook diverse andere productieplaatsen met lokale, regionale en zelfs internationale afzet (Duco 1981b). Het werk van Duco wekte de aandacht van diverse andere Nederlandse collega’s en zo verschenen er gaandeweg meer en meer publicaties over andere Nederlandse productiecentra en de pijpmodellen die daar uit de ovens kwamen. Eind jaren 1980 verscheen ook de feestbundel ‘de kleipijp als bodemvondst’ naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de PKN. Het boek biedt een mooie staalkaart van het onderzoek naar de producties in de verschillende grote Hollandse steden tot 1988 (Tymstra en van der Meulen 1988). Een recenter synthesewerk betreft het overzicht van productieplaatsen in Nederland van de hand van J. van Oostveen en R. Stam uit 2011 (Van Oostveen en Stam 2011). Daarnaast werden volgende productieplaatsen bijkomend onder de aandacht gebracht via publicatie: Alkmaar (Duco 2004b), Alphen aan den Rijn en Aarlanderveen (van der Lingen 2004; S. Van der Meulen 1986), Amersfoort (Jayasena 2001; Van Oostveen 2016), Amsterdam (Van Oostveen en Bonnema 1998), Bergen op Zoom (van Oostveen 2017), Breda (Hupperetz 1993), ’s Hertogenbosch (Duco 1978; Hurk en Nijhof 1983), Delft (J. Van der Meulen 1989), Geertruideberg (Zijlmans 1991), Gorinchem (Duco 1990a; 1992; Meulen 2000; Meulen en Brinkerink 1992), Groningen (Tupan 1980), Haarlem (Meulen en Bottelier 2001), Hoorn (Steendijk 1983), Leeuwarden (Carmiggelt 1988), Leiden (H. Van der Meulen en Tupan 1980; J. Van der Meulen 1999), Maastricht (Baas 1993), Schoonhoven (Korpershoek 2020; Van Oostveen en Kleijweg 2009), Sneek (Meulen 2005), Utrecht (Smiesing en Brinkerink 1988; Van Oostveen 2016), Venlo (Kompier 1984), Weert (Engelen 2006; 2006; Rutten, z.d.), Woerden (van der Lingen 2000) en Zwolle (Carmiggelt 1980). Bijzonder interessant tenslotte is ook de bijdrage over een 17de-eeuwse pijpenmakersoven in Breda (Hesemans 1994). In Weert bleef een vergelijkbare uit 1856 tot op vandaag bewaard (Engelen 1988). Voor de producties in Engeland en Groot-Brittannië werden in de jaren 1960 al bakens verzet door A. Oswald. Hij was de eerste om een typochronologie voor te stellen voor de ‘Engelse’ kleipijen die toch een heel eigen vormontwikkeling doormaakten tussen de 16de en de 19de eeuw (Oswald 1961; 1975). Daarna volgden nog tal van regionale studies, vaak typologisch van inslag met aandacht voor de lokale en regionale kenmerken van de kleipijp. Archeologie en productieafval diende hierbij als voornaamste bron. Deze regionale studies werden veelal in extenso gepubliceerd en een groot aantal bijdragen werden opgenomen in de thematische reeks ‘The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe’ in de British Archaeological Series (BAR) onder redactie van P. Davey. Zo zijn er lokale en regionale chrono-typologieën beschikbaar voor onder andere North East England met onder ateliers in de Tyneside (Edwards 1988; Oswald 1975); Yorkshire met werkplaatsen in Hull en York (Lawrence 1979; Oswald 1975; Watkins 1979); North West England (Higgins 2008; Rutter en Davey 1980); West Midlands (Higgins 1987; Oswald 1975); 13
Home Counties and London (Atkinson en Oswald 1969; Oswald 1975); Central Southern England (Oswald 1975); South West England met als gekende productieplaatsen Gloucester en Bristol (Oswald 1975; Peacey 1979); South East England met productie in Reading (Higgins 2013); West County (Oswald 1975); en Schotland (Oswald 1975). Bijzonder interessant is dat dit productieafval vaak werd onderzocht in relatie tot de bakovens of andere productie-installaties (Peacey 1982). In Duitsland werden er door de jaren heen via een combinatie van historisch en archeologisch onderzoek productieplaatsen gelokaliseerd. Zo werden er ateliers onderzocht in Nedersaken (Heege 2003; Seeliger 1993), Saksen (Kluttig-Altmann en Kügler 2003), Beieren (Mehler 2010) en Baden-Wurtemberg (Schmaedecke 2002), maar ook dichter bij huis in Hessen (Stephan 1995) en het Westerwald (Kügler 1987; 1995). Vanuit de archeologische informatie werd er sterk ingezet op typo-chronologie en het onderzoek naar de lokale en regionale kenmerken van de Duitse kleipijp (Heege 2003; Kluttig-Altmann 2002; Mehler 2010; Röber 2002; Schmaedecke 2002). Onderzoek maakte duidelijk dat de Duitse pijpenbakkers sinds de 17de eeuw werkten in de stijl van Gouda maar toch ook een aantal morfologische en technologische eigenheden wisten te ontwikkelen (Mehler en KluttigAltmann 2007). Voor Frankrijk is het typochronologisch onderzoek eerder beperkt. Vooral voor de periode van de 17de en 18de eeuw is bijzonder weinig informatie voorhanden. Er is het standaardwerk van J. Léo uit 1971 ‘Les pipes en terre françaises’ (Léo 1971) dat een overzicht biedt van de producties op Franse bodem sinds de 17de eeuw. Het meer recente overzichtswerk van M. Raphael biedt weinig nieuws en focust meer op de zuidelijke producties zoals die in Marseille en is daarom minder relevant voor Vlaanderen (Raphael 1991). Ook het uitstekende typologische werk dat voortkomt uit opgravingen op het eiland Pomègues voor de ZuidFranse kust richt zich meer op deze zuidelijke producties (Gosse 2007). Wel relevant is het werk van de J. Barbieux en M. Gabriel uit 2006 Figuur 3 Het werk van J. Léo ‘Les pipes en terre françaises’ uit ‘Nom d'une Pipe ! tabac et pipes en 1971 blijft vooralsnog het basiswerk voor de pijpennijverheid terre, Flandre, Hainaut’. In het boek in Frankrijk worden een aantal Noord-Franse pijpenmakerijen in beeld gebracht die actief waren tijdens de 18de en 19de eeuw met de nodige aandacht voor hun producten. De historisch goed gedocumenteerde pijpfabrieken uit SaintOmer en Onnaing komen aan bod, maar de auteurs bieden ook inzicht in het assortiment van
14
pijpenbakker Gisclon uit Rijsel op basis van archeologisch vondstmateriaal (Barbieux en Gabriel 2006). Gekoppeld aan het onderzoek naar de productie van kleipijpen werd ook wel wat studiewerk verricht over de handel in kleipijpen en de economische betekenis ervan. Vaak start zo’n een onderzoek vanuit een herkomst analyse van het aangetroffen vondstmateriaal. Importen worden gescheiden van lokaal Figuur 4 Het ‘merkenboekje’ van Duco uit 1982 geproduceerde kleipijpen en vervolgens probeert men zo goed en zo kwaad mogelijk de producten te gaan toewijzen aan een specifieke productieplaats of atelier. Gedurende de 17de tot 19de eeuw werkten de meeste pijpenbakkers in Noordwest-Europa in de stijl van Gouda. Vanaf de 19de eeuw werd de Franse reliëf- en figurale pijp fel gesmaakt en geïmiteerd (zie ook § 5.1.6). Lokale en regionale kenmerken zijn vaak subtiel waardoor importen niet altijd makkelijk te onderscheiden zijn van lokaal geproduceerde pijpen. Als leidraad voor de herkomstanalyse wordt vaak het hielmerk gebruikt dat bedoeld was als handelsmerk en vaak gekoppeld kan worden aan specifieke pijpenbakker. Vooral voor de Goudse pijpenbakkers is dit het geval omdat hun merkenregisters zijn bewaard in het archief van de gilde. Al blijft het opletten gezien de Goudse merken ook duchtig werden gekopieerd door pijpenbakkers buiten Gouda (zie ook § 5.3).Met zijn ‘merkenboekje’ bracht Duco een tool op de markt die tot op vandaag wordt gebruikt om aan de hand van het hielmerk Goudse pijpen toe te wijzen aan hun maker (Duco 1982b). In 2003 volgde hiervan een herziene uitgave met daarin ook een uitgebreide inleidende tekst over de historie van het merkenrecht in Gouda en de impact ervan op de pijpnijverheid in Holland en daarbuiten (Duco 2003a). Via het vele archiefonderzoek en artefactenonderzoek dat de voorbije jaren werd uitgevoerd, krijgt men nu ook stilaan zicht op het gebruik van merktekens in de andere productieplaatsen in Nederland (Van Oostveen en Stam 2011). Ook voor England werd met The National Stamp Catalogue een soortgelijke merkenlijst opgemaakt op basis van vooral archeologisch vondstmateriaal (Higgins 1988). De laatste decennia werd er ook met wisselend succes gebruik gemaakt van archeometrische technieken bij de herkomstanalyse. Via een combinatie van archiefonderzoek en geavanceerd chemische en petrografische methoden worden netwerken van grondstoffen en afgewerkte producten gereconstrueerd waarbij in sommige gevallen niet gemerkte stukken toch kunnen toegewezen worden aan een historisch gekende productieplaats of atelier (Mehler 2010; Vince en Peacey 2007). Recent onderzoek in Duitsland en Nederland toonde aan dat kleipijpen ook potentieel hebben om meer complexe vraagstukken rond handel en economie aan te gaan. N. Mehler introduceerde de ‘smokkelarcheologie’ waarbij op basis van pijpjes de illegale trafiek en het wetteloos verbruik van tabak in de 18de eeuw werd gereconstrueerd (Mehler 2009b). Op basis van een heel aantal bedrijfsarchieven werd door R. Stam aangetoond dat gemerkte pijpen uit archeologische opgravingen ingezet kunnen worden om handelsnetwerken en goederentrafiek binnen en buiten Europa te gaan reconstrueren (Stam 2019d). 15
Daarbij moeten we ons realiseren dat Europese pijpjes – en dan vooral de Hollandse en Engelse producten - in de 17de en 18de eeuw een grote verspreiding kenden langs de koloniale handelsnetwerken en worden vandaag dan ook teruggevonden van Australië tot in Amerika en van IJsland tot in Zuid-Afrika. Archeologen daar -vaak onderzoekers met een eerder antropologische achtergrond- zien in de pijpjes een belangrijke marker voor identiteit en culturele uitwisseling. Ze worden dan ook gebruikt om de complexe dynamiek van het migratieproces (o. a. aandacht voor etniciteit) en het ontstaan van een koloniale multiculturele levensstijl te begrijpen, en ook de onderliggende economische en sociale netwerken te reconstrueren en te doorgronden (enkele voorbeelden van de vele literatuur die hierover te vinden is: Bradley en De Angelo 1981; Clist 2008; Drouin en Savard 2000; Gavin 2004; Goyak en Stuart 1999; Mullins 1999; Wacke 2014) Een laatste thema in onderzoek dat verdient te worden behandeld is de consumptie van kleipijpen. Hoewel voordien al sporadisch gebruiksafval werd onderzocht, werd op vlak van consumptie vooral sinds de jaren 1990 stappen vooruitgezet. De Europese archeologie kwam onder invloed van het Verdrag van Malta (1992) en de developerled archaeology deed zijn intrede onder verschillende vormen (commercieel in Nederland vs. overheidsgestuurd in Frankrijk). Plots werd er meer gegraven en kwamen er ook meer gegevens voorhanden. Vooral in Nederland kende de pijpelogie door de veelheid aan consumptieafval dat uit de bodem kwam, inhoudelijk een verschuiving met een verhoogde aandacht voor de roker en het cultureel-historische verhaal achter de consumptie van tabak (Duco 2009). Niet alle onderzoek raakt gepubliceerd en vele kleinere onderzoeken blijven soms weinig zichtbaar in de zogenaamde ‘grey literature’. De onderzoeker moet dus veelal op Figuur 5 PKN jaarboek 2014 speurtocht in ongepubliceerde rapporten van commerciële spelers of overheidinstanties zoals de vele stadsarcheologische diensten in Nederland en het INRAP in Frankrijk. Toch zien we ook de ambitie om kennis te gaan delen via publicatie. We kunnen in kader van dit project onmogelijk alle bijdragen over rond de consumptie van pijpen in burgerlijke kringen overlopen. In plaats van een willekeurig selectie te citeren, geven we liever de meest gebruikte publicatiekanalen mee. Voor Nederland werden er een aantal groot publicaties uitgewerkt onder de vleugels van het Amsterdam Pipe
16
Museum6 of met medewerking van de conservator D. Duco7. De laatste decennia diende zich een nieuwe generatie onderzoekers aan - veelal verbonden aan de PKN - met bijzonder actieve materiaalspecialisten zoals B. van der Lingen, E. Korpershoek en J. van Oostveen. De laatste tien jaar publiceerden zij tal van kleine vondstensembles uit Nederlandse en Vlaamse bodem. Veelal gebeurde dit in kader van de eigen PKN-publicatielijnen waarin ook andere onderzoekers terecht kunnen8. Voor Duitsland is er natuurlijk het tijdschrift Knasterkopf9 met ook een aantal themanummers, onder andere over archeometrische toepassingen (Standke 2003) en – bijzonder interessant – het voorkomen van kleipijpen als graftgift en de sociale/culturele betekenis van dit fenomeen (Mehler 2007). In Engeland wordt er onderzoek gepubliceerd via de kanalen van de Society for Clay Pipe Research (SCPR)10. Andere bron is de thematische reeks ‘The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe’ in de British Archaeological Series (BAR). Tenslotte wijzen we er ook op dat regelmatig onderzoek wordt gepubliceerd in internationale tijdschriften zoals Post-medieval Archaeology11 en Historical Archaeology12.
1.1.2. Onderzoek in Vlaanderen en België De pijpelogie in Vlaanderen heeft toch wel een andere ontwikkeling gekend dan in de buurlanden. Een volwaardig onderzoekslandschap met gespecialiseerde onderzoeksstructuren zoals de PKN (de stichting voor onderzoek historische tabakspijpen), Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen of de SCPR Society for Clay Pipe Research) heeft zich in feite nooit ontwikkeld. Er is eenvoudigweg ook minder onderzoek uitgevoerd, zeker wat betreft artefactenonderzoek. Vooral de studie van consumptieafval blijft beperkt in vergelijking met de buurlanden. Kleijpijpen worden soms meegenomen in de archeologische rapportage maar zeker niet altijd. Het gepubliceerde danken we in grote mate aan een handvol onderzoekers met een bijzondere interesse in de kleipijp. We denken dan aan J. Goderis die een aantal archeologische ensembles uit Roeselare en omgeving uitwerkte (Goderis 1996; 2000) en aan de hand van de vondsten ook op zoek ging naar handelspatronen (Goderis 2012). J. Veeckman onderzocht een afvalcontext uit Antwerpen met daarin een groot aantal pijpen (Veeckman 1987). T. Oost publiceerde een aantal overzichtsartikelen over kleipijpen uit Antwerpse consumptieafval (Oost 1982; 1986). Voor Gent vermelden we vooral het werk van R. Van de Walle die een aantal rijke consumptie ensembles uit archeologisch onderzoek in het stadscentrum uitwerkte (Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989; Van de Walle 1980; 1989; 1990). Bovenvermeld onderzoek gaat grotendeels terug tot de jaren 1980 en ’90. De laatste decennia lijkt het onderzoek grotendeels stilgevallen, ten dele door een gebrek aan expertise (en misschien ook interesse?) in de archeologische sector. Slechts sporadisch werd er nog een ensemble uitgewerkt en steevast werd hiervoor de expertise ingeroepen van buitenlandse onderzoekers(Duco 2007; Pieters en Van Oostveen 2015; Van Oostveen 2014; van Oostveen 2015; Van Oostveen 2021).
https://pipemuseum.nl/en/eigen-uitgaven https://pipemuseum.nl/en/publicatielijst 8 https://www.tabakspijp.nl/publicaties/ 9 https://knasterkopf.de/htm/einnd.html 10 http://scpr.co/Publications.html 11 http://www.spma.org.uk/journal-of-post-medieval-archaeology/ 12 https://sha.org/publication-links/historical-archaeology-journal/ 6 7
17
De Vlaamse productieplaatsen zijn vrijwel onontgonnen terrein waardoor er vandaag nog maar weinig zinnig kan verteld worden over de lokale of regionale kenmerken van de kleipijp die werd geproduceerd in onze gewesten. Productieafval uit archeologische context is nagenoeg nog niet bestudeerd. Uitzondering is een 19deeeuwse stortlaag van de Kortrijkse fabriek van De Bevere. Deze werd verkennend bestudeerd, maar door de omvang van het vondstensemble werd deze vondst nooit in detail uitgespit en gepubliceerd (Despriet 1995). J. Goderis onderzocht productieafval van pijpenmaker Joseph Muylle dat werd aangetroffen in Roeselare (Goderis 1996; Goderis 2022). Onderzoek van museale objecten bracht wel al enige nieuwe kennis aan: een reeks van kleipijpen van De Bevere werden onder de loep genomen met bijzondere aandacht voor de gebruikte merktekens (Van Hoonacker 1971; 1977). Een erg boeiende bijdrage handelt over een collectie vormmakersgereedschap van De Bevere die na omzwervingen via Emile Levêque uit Andenne uiteindelijk in het Leidse Pijpenkabinet Figuur 6 Recente publicatie rond de consumptie en terecht kwam. Het onderzoek wees op productie van kleipijpen in Antwerpen (Jan van goed onderhouden materieel van de Oostveen 2016 hoogste kwaliteit, terwijl de persvormen enig inzicht verschaften in het productieassortiment van het bedrijf in de 19de en eerste helft 20ste eeuw (Duco 1991b). Een vergelijkbaar onderzoek werd gevoerd naar een aantal 19deeeuwse persvormen van pijpenbakkerij Ritzen in Maaseik (Duco 2019). Een aantal ‘topstukken’ van 19de-eeuwse pijpproducenten uit Vlaanderen en Wallonië bevinden zich vandaag in de collectie van het Amsterdam Pipe Museum. Ze beiden een inzicht in het assortiment van een aantal belangrijke Belgische pijpenmakers tijdens de 19de eeuw (Duco 2014). Onder andere het recente onderzoek van J. van Oostveen naar een omvangrijke collectie kleipijpen uit Antwerpen toont het potentieel van detailonderzoek van pijpen en stempels voor het blootleggen van netwerken en contacten in kader van de pijpenhandel. Het vondstensemble toonde een grote variëteit aan pijpen die in 19de-eeuws Antwerpen hebben gecirculeerd met lokale en Belgische pijpen, maar evengoed een aantal exotische importen (Van Oostveen 2021). J. Goderis kon dan weer aan de hand van kleipijpen van verschillende archeologische vindplaatsen in Roeselare de import van Belgisch kleipijpen aantonen via het Kanaal Roeselare-Leie tijdens de 19de eeuw (Goderis 2012). R. Van de Walle leverde een interessante bijdrage over de handel van pijpen in Gent en ging daarbij aan de hand van de archeologisch en historische nalatenschap van handelaar Jacobus De Landtsheer na hoe geïmporteerde pijpen van fabrikant tot verbruiker raakten (Van de Walle 1981). De historische kleipijpnijverheid in Vlaanderen is zeker ook niet het favoriete thema onder historici. Misschien geldt hier ook een stukje het motto ‘onbekend is onbemind’. De Belgische 18
pijpnijverheid is altijd een bescheiden nijverheid gebleven met veelal kleine producenten die nooit uit de schaduw zijn geraakt van hun Hollandse (17de-19de eeuw) en Franse (vooral 19de20ste eeuw) concurrenten. Enkel in Wallonië slaagden er een aantal producenten erin op grotere schaal te produceren en een zeker (internationaal) renommee te verwerven. Realiteit is ook dat voor de Belgische en Vlaamse productiehuizen - mede omwille van de kleinschaligheid - veel minder historische documentatie voorhanden is als bijvoorbeeld de Goudse en Franse pijpfabrikanten. Deze eerste waren sinds de 16de eeuw verenigd in een gilde wat een schat aan geschreven archief heeft opgeleverd. De laatste kenden hun hoogtepunt in de 19de eeuw op een moment dat het concept marketing zoals wij dat nu kennen de kop opsteekt. Het bedrijfsassortiment van veel Franse producenten uit de 19de eeuw is daardoor goed gekend uit bedrijfscatalogi. Ook voor de Waalse producenten is dat zo, maar toch in minder mate. Een aantal Waalse productieplaatsen en ateliers waren onderwerp van meer doorgedreven archiefonderzoek. Onderzoek richtte zich vooral op het Maasland met belangrijke producties rond Andenne en Luik, en Henegouwen (Declef 1987; Fraikin 1985; Javaux 1934; Mordant 1999; Pholien 1906; Stam 2018; Barbieux en Gabriel 2006). Voor de Vlaamse productie zijn dit soort studies beperkt, maar toch zien we dat er wel wat archiefwerk gedaan rond ateliers in Bree (oa. Knoedgen) (Engelen 1990), Antwerpen (Pottier 1986), Poperinge (Tillie 1983) en recentelijk ook Roeselare (Goderis 2021). Ook op Belgische schaal werd al enig synthesewerk geleverd. In 2004 bracht bracht J. Caro in zijn boek ‘La pipe en terre’ de Belgische productieplaatsen in beeld op basis van tekstbronnen en museumstukken. Het werk is enigszins geschreven vanuit Waals perspectief met bijzondere aandacht voor de enkele meer gerenommeerde Waalse producenten. Desondanks is het werk van Caro zeer bruikbaar als naslagwerk en in het bijzonder de lijst van ‘Belgische’ pijpenbakkers en hun merken (Caro 2004a). Voor Wallonië steunt Caro sterk op het werk van J. Fraikin die eerder al de Waalse (Fraikin 1980a; 1979a; 1981b) en bij uitbreiding Belgische (Fraikin 1980b; 1981a) pijpenbakkers op lijst zette in diverse publicaties waaronder ook een bijdrage in de BAR reeks ‘The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe’ (Fraikin 1981a). Voor Vlaanderen is de inventaris van Caro dan deels weer gebaseerd op aantal themabijdragen in het tijdschrift Ons Heem waarin - voor de voornaamste productieplaatsen van kleipijpen in Vlaanderen de historische pijpenmakersateliers werden opgenomen Figuur 7 La pipe en terre van J. Caro. Synthese van (Hendrickx 1963). Het overzichtswerk ‘Nom historisch gekende pijpenmakers in Vlaanderen, d’une pipe ! Tabac et pipes en terre’ brengt Wallonië en Brussel 19
op basis van historische en archeologische informatie het verhaal van de pijpenijverheid in Henegouwen en aangrenzende gebieden West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk (Barbieux en Gabriel 2006). Meer recentelijk belichtte ook R. Stam de Belgische en vooral Waalse pijpnijverheid in een aantal gebundelde artikels met onder andere heel wat aandacht voor de specifieke economische en sociale omstandigheden in de productiecentra tijdens de 17de en 18de eeuw (Stam 2019b).
1.2. Waarom Gent als casestudy? 1.2.1. Vroege pijpenbakkers en de Gentse consument Eind 16de eeuw landen de eerste pijpenbakkers op het Europese vasteland. Het zijn Engelsen inwijkelingen die veelal als religieus vluchteling of als soldaat de oversteek maken. Pas in de 17de eeuw verspreidt de technologie van het pijpenbakken zich doorheen Europa. De eerste pijpenbakkers in de Zuidelijke Nederlanden vestigen zich in de jaren 1630 in Luik, Namen en Doornik. Dat er ook in Gent iets beweegt op vlak van pijpenmakerij weten we uit historische bron. Tot eind 19de-begin 20ste eeuw blijven er vrijwel continu pijpenbakkers actief in de stad (Caro 2004a). Zoals voor de meeste steden was de bevolking van vroegmodern Gent een ware smeltkroes van sociale klassen, nationaliteiten, religies, handelaars, ambachtslui… Deze diversiteit kleurde het sociale en culturele leven, en gaf mee vorm aan handelsnetwerken en consumptiegedrag. We vermeldden al in de stand van zaken in §1.1.2 het voorbeeld van de pijpenhandelaar Jacobus De Landstheer die Belgische maar ook importen verkocht aan de 19de-eeuwse Gentenaar.
1.2.2. Een rijk archief en een depot vol met pijpen. Gent biedt ook het voordeel van een stevige dataset. Historisch vinden we hier en daar vermeldingen van de vroegste Gentse pijpenbakkers in het archief. Voor de late 18de en 19de eeuw zijn er de ‘Wegwijzers van Gent’, een almanak met een naam- en adressenlijst van de Gentse middenstand die toelaat de Gentse pijpennijverheid en -handel te gaan karteren13. En natuurlijk is er ook de archeologische collectie van het Erkend Onroerend Erfgoeddepot De Zwarte Doos. Uit de voorstudie richting projectaanvraag bleek dat sinds de opkomst van de Malta-archeologie begin jaren 1990, in Gent meer dan 250 vooronderzoeken en opgravingen werden uitgevoerd waar kleipijpjes werden aangetroffen14. Daarbij een aantal mooie ensembles bestaande uit consumptieafval met daarin ook kleipijpen. De meest in het oog springende vindplaatsen zijn de Handelsbeurs en het Sint-Pietersplein maar er is meer. Ook in de oudere collecties vinden we nog een aantal bijzondere vondstensembles, vaak -zoals in het geval van de ensembles van de Oudburg en de Schepenhuisstraat – het resultaat van beerputonderzoek. De collectie omvat niet enkel consumptiemateriaal. Ter hoogte van het Fratersplein werd er begin jaren 1990 bij een onderzoek een stort van een pijpenmaker gevonden.
In functie van het opstellen van een chronologie voor de Gentse pijpenbakkers werd een systematische analyse gemaakt van de wegwijzers van Gent. Zover bewaard werden de jaargangen doorgenomen van 1770 tot 1906. Informatie omtrent namen, periode van activiteit en locaties van ateliers komt uit de ‘Wegwijzers’ tenzij anders aangegeven. 14 www.inventaris.onroerenderfgoed.be, archeologische waarnemingen privaat en openbaar 13
20
1.3. Dataset 1.3.1. Selectie van het vondstmateriaal Voor dit onderzoek wordt chrono-typologie en kwantitatieve analyse als uitgangspunt genomen om evoluties en veranderingen te gaan detecteren en verklaren op vlak van de productie en consumptie van kleipijpen (zie §1.4.2). Dit kan enkel door gebruik van betrouwbare, goed gedateerde en voldoende ruime vondstensembles. Hierbij gaan we uit van de premisse dat de datering van een ensemble altijd beter betrouwbaar is dan de datering van een individuele vondst (voor meer duiding van deze premisse, zie §6.1.3). Voorafgaand aan de materiaalstudie werd daarom ruime tijd geïnvesteerd in selectie van het studiemateriaal. Wat maakt een vondstensemble nu geschikt voor chrono-typologie en kwantitatieve analyse? In kader van zijn onderzoek naar middeleeuws aardewerk in de regio Oudenaarde presenteerde K. De Groote (De Groote 2008, 22) een aantal basiscriteria die in grote lijnen ook toepasbaar zijn bij de studie van kleipijen: o
het moet gaan om een gesloten context met kleipijpen;
o
er moet een voldoende hoeveelheid kleipijpen aanwezig zijn;
o
er moeten interne of externe chronologische gegevens zijn;
o
de contexten moet goed gelinkt kunnen worden aan de gehele stratigrafie van de site en de daaruit afgeleide faseringen, of indien dit niet mogelijk is, moet er de zekerheid zijn dat een reeks opgegraven contexten duidelijk tot dezelfde structuur of dezelfde fase horen, waar ze zich ook binnen de algemene stratigrafie bevinden;
o
de recuperatie en de registratie van de vondsten moet op een betrouwbare manier gebeurd zijn;
o
een context moet zo min mogelijk residueel of intrusief materiaal bevatten.
Deze criteria lagen aan de basis van de selectie van vondstensembles voor deze studie. In een ideale situatie wordt aan alle criteria voldaan. In de realiteit is het echter niet altijd eenvoudig om met zo’n rigide kader voldoende studiemateriaal te vinden. Voor deze studie hebben we bijvoorbeeld geen absoluut minimum aan pijpenkoppen of -fragmenten genomen. Zo werden ervoor gekozen een aantal kleinere ensembles me te nemen. In het grotere geheel van deze vergelijkende studie zijn ze toch van waarde. Als absolute voorwaarde voor selectie hebben we een goede datering genomen en een gesloten en betrouwbare context, die te linken is aan het breder verhaal van de site en vroegmodern Gent. Chronologische gegevens werden vooral gehaald uit relatieve datering op basis van stratigrafische positie, historisch bronmateriaal en andere vondstcategorieën binnen het vondstensemble.
1.3.2. Geselecteerde ensembles In totaal werden er 16 vondstensembles weerhouden van 12 verschillende sites, goed voor in totaal zo’n 2962 pijpfragmenten (Tabel 1). De ensembles van de sites Sint-Pietersabdij, Oudburg, Schepenhuisstraat en Dobbelslot werd in het verleden reeds onderzocht en gepubliceerd. Het materiaal in kader van dit onderzoek opnieuw uitgehaald en bekeken De studiecollectie omvat zowel productie-, handels als consumptieafval. Het productieafval van de pijpenmaker aan de Fraterstraat dateert laatste kwart 17de eeuw. De chronologische spreiding laat een vrijwel continue analyse toe de consumptie in Gent met een chronologische
21
sequentie die start in het tweede kwart van de 17de eeuw en loopt tot het laatste kwart van de 19de eeuw. Enkel voor het eerste en derde kwart van de 19de eeuw is er geen consumptiemateriaal voorhanden. Ook de gebruikscontext is divers: een aantal ensembles bevatte typisch ‘stadsafval’ en kunnen niet echt aan een bepaalde sociale categorie worden gerelateerd (Schepenhuisstraat, Bisdomplein, Dobbeslot); andere ensembles kunnen wel in verband worden gebracht met een specifieke type gebruiker zoals de kloosterling(e) (Seminariestraat en Sint-Pietersabdij), de soldaat (Rabot en Mariekerksesteenweg) en de betere burger (Oudburg); de pijpen van de Wolweverskapel werden vermoedelijk gerookt door oude en zieke wevers in het laat 17de-eeuws Godshuis; die van de Handelsbeurs getuigen van het roken in een laat 19de-eeuws semipublieke ruimte. De 19de-eeuws pijpjes van het SintPietersplein werden gebruikt in een schietkraam. Tabel 1 Overzicht van de geselecteerde vondstensemble gerangschikt volgens ensembledatering
Vindplaats
Datering
Aard
Aantal fragmenten
Rabot
17c
Consumptieafval
105
Fratersplein
17d
Productieafval
930
Seminariestraat
17d
Consumptieafval
103
Wolweverskapel
17d
Consumptieafval
42
Mariakerksesteenweg
18a
Consumptieafval
98
Schepenhuisstraat
17d-18a
Consumptieafval
325
Sint-Pietersabdij I
17d
Consumptieafval
137
Sint-Pietersabdij II
17d
Consumptieafval
36
Bisdomplein
18b
Consumptieafval
27
Dobbelsot I
17b
Consumptieafval
58
Oudburg
17d-18a
Consumptieafval
86
Dobbelslot II
18c
Consumptieafval
116
Dobbelslot III
18d-19a
Consumptieafval
71
Sint-Pietersplein
19d
Afval schietkraam
453
Handelsbeurs
19d
Consumptieafval
196
Sint-Pietersabdij III
19B
Consumptieafval
179
Totaal
2962
22
Figuur 8 Overzicht van de vindplaatsen waarvan vondstensemble werden geselecteerd voor het onderzoek
23
1.4. Doelstellingen en onderzoeksvragen 1.4.1. Doelstellingen Het geplande onderzoek bestudeert de kleipijp als archeologisch en socio-cultureel fenomeen sinds haar verschijnen in de Lage Landen in de periode 1600-1900, een moment dat ook lokale pijpmakers actief waren in en rond de Vlaamse steden. De studie focust op historisch Gent en omgeving: een archeologisch en historisch samenhangende onderzoeksregio waarvoor afdoende bruikbare archeologische vondstensembles voorhanden zijn. Het doel van deze studie is vierledig Doelstelling 1: ten eerste wordt een aangepaste methodologie vooropgesteld gebaseerd op buitenlandse modellen. Het resultaat moet een methode zijn aangepast aan de specifieke noden van het onderzoek op Vlaamse materiaal en toepasbaar binnen de specifieke context van de Vlaamse archeologie. Doelstelling 2: ten tweede wordt een met een aantal goed gedocumenteerde contexten uit de regio Gent een gedetailleerde technisch en typologische analyse uitgewerkt. Deze analyse maakt het mogelijk de evolutie van de kleipijp in de periode 1600-1900 in kaart te brengen dat kan dienen voor verder economische, culturele, maatschappelijke en sociale interpretatie. Doelstelling 3: ten derde willen we met deze typologische en chronologische studie de archeologische sector een referentiekader aanreiken voor gelijkaardig technisch en chrono-typologisch onderzoek in andere regio’s. Aandacht ligt hier bij de vele importpijpen, maar zeker ook bij de lokaal geproduceerde kleipijpen en hun morfologische en technische kenmerken. Doelstelling 4: ten vierde wordt een sociaal-culturele analyse van het vondstmateriaal vooropgesteld waarbij aandacht wordt geschonken aan diverse socio-culturele betekenissen van de kleipijp met betrekking tot productie, handel en consumptie. Deze analyse moet eindigen in een narratief dat voor de bruikbaar is voor de interpretatie van pijpjes uit archeologische context, en dat kan gebruikt worden om het verhaal van de Gentse kleipijp aan het brede publiek te vertellen.
1.4.2. Onderzoeksvragen Het onderzoek start vanuit één centrale onderzoeksvraag: Welke patronen (synchroon) en veranderingen (diachroon) kunnen we vaststellen in het geselecteerde materiaal op vlak van (i) typologie, (ii) decoratie, (iii) afwerking, (iv) technologie en vakmanschap, (v) grondstofgebruik. Om de gemaakte vaststellingen te gaan verklaren en betekenis te geven, worden er vanuit deze centrale onderzoeksvraag een aantal meer interpretatieve bijvragen gesteld. Dit gebeurt volgens drie deelthema’s. Deelthema 1: De Gentse productie van pijpen Was er sprake van een Gentse productie? Hoe werden de Gentse pijpen gemaakt? Zijn er verschillende stappen in het productieproces te onderscheiden en hoe hebben die de vormgeving en kwaliteit van de pijpen bepaald? Kunnen er een aantal technologische kenmerken als marker voor herkomst en chronologie worden gedefinieerd? Hoe heeft de
24
beschikbaarheid van natuurlijke grondstoffen en vakmanschap het productieproces en technologische ontwikkelingen bepaald? Hoe bepalend waren deze componenten voor de kwaliteit van de pijpen? Hoe hebben technologische ontwikkelingen het productieproces en de kwaliteit bepaald? Waarom werden bepaalde keuzen in technologische ontwikkeling gemaakt en onder invloed van welke economische, materiële of sociale dynamieken gebeurde dit? Hoe was de Gentse pijpnijverheid georganiseerd? Was er ook sprake van geografische beweging van mensen en kennis en kunnen we dit aflezen van het archeologisch materiaal? Deelthema 2: handel en consumptie Welke pijpjes werden er in Gent gebruikt? Hoe verhoudt de lokale productie zich tot de import van pijpen? Hoe was de handel en verkoop van kleipijpen in Gent georganiseerd? Hoe functioneerden de netwerken en geoderenstromen achter de handel in pijpen? Hoe bepaalde de sociale differentiatie verschillen en evoluties in consumptiepatronen? Kunnen er een aantal vormelijke kenmerken als marker voor mode en andere vormen van persoonlijke of groepsidentiteit worden gedefinieerd? Deelthema 3: de kleipijp als archeologisch gidsfossiel Kunnen er een aantal technologische en vormelijke kenmerken als marker voor herkomst en chronologie worden gedefinieerd? Hoe kunnen we die best beschrijven en analyseren? Hoe kunnen deze kenmerken leiden tot een typo-chronologische analyse? Hoe kunnen deze kenmerken gebruikt worden voor het dateren en interpreteren van vroegmoderne vindplaatsen, structuren, sporen en vondstensembles?
25
1.5. Structuur van het onderzoeksrapport Het onderzoeksrapport werd opgedeeld in vier grote delen en 25 hoofdstukken. Deel 1 betreft het onderzoekskader. In het enige hoofdstuk (1) wordt de uitgangssituatie, de dataset, doelstellingen en onderzoeksvragen gepresenteerd. Deel 2 kreeg de titel ‘Wat meer over de kleipijp’ en omvat vier hoofdstukken waarin de kleipijp als archeologisch en sociaal-cultureel fenomeen wordt voorgesteld. Hoofdstuk 2 is een korte inleiding waarin de kleipijp als studieobject wordt gepresenteerd met aandacht voor de verschillende onderdelen van de pijp en de terminologie om die te benoemen. Hoofstuk 3 biedt een introductie tot de historiek van het pijproken van de 16de tot de 20ste eeuw. Hoofdstuk 4 geeft inkijk in het productieproces van de kleipijp zoals we het kennen uit archeologische bron. Hoofdstuk 5 omvat een beknopte historiek van de handel en productie van pijpen in Noordwest-Europa vanuit het standpunt van Vlaanderen en Gent, met aandacht voor de lokale producties. Deel 3 ‘Hoe kleipijpen bestuderen’ is methodologisch van aard. Hoofdstuk 6 geeft een beknopt historiek van methodologisch onderzoek. Vervolgens wordt de eigen methodologie voorgesteld als tool voor de archeologische sector. Hoofdstuk 7 betreft een inhoudelijk leidraad die kan gebruikt worden bij de determinatie, datering en beschrijving van kleipijpen uit Vlaamse bodem. Deel 4 draagt de titel ‘de Gentse collectie uitgespit’ en omvat de eigenlijke materiaalstudie. Hoofdstuk 8 tot 13 omvat de detailstudie van de verschillende vondstensembles. We hebben hierbij gekozen voor ene thematische indeling afhankelijk van de historische context. H8 betreft de studie van het productieafval van het Fratersplein. De andere hoofdstukken handelen over consumptie. Van militairen over religieuze tot de burger. De Handelsbeurs werd apart behandelt als mogelijke getuige van afval van een sociëteit. Ook het Sint-Pietersplein en het verhaal van het schietbarrak vormt ook een afzonderlijk hoofdstuk. Hoofdstuk 14 betreft het archeometrisch onderzoek. Deel 5 tenslotte betreft de conclusies. Dit bestaat uit één hoofdstuk (H15) waarin wordt teruggekoppeld aan de onderzoeksvragen en ook vooruit wordt gekeken. .
26
DEEL 2: WAT MEER OVER DE KLEIPIJP
27
2.
WAT IS EEN KLEIPIJP
Intro In dit hoofdstuk wordt de kleipijp als historisch gebruiksvoorwerp en archeologisch artefact gedefinieerd. We beschrijven bondig wat een kleipijp eigenlijk is vanuit het standpunt van de gebruiker en de onderzoeker. Daarnaast stellen we de terminologie voor die in dit onderzoeksrapport zullen hanteren.
28
2.1. Een eenvoudig gebruiksvoorwerp… Een pijp is in feite niet meer dan een eenvoudig gebruiksvoorwerp. Primaire functie is het roken van tabak. Aan deze functie dankt de pijp ook haar eerder basale vorm: in wezen gaat om een kleine container waarin versnipperde en gedroogde tabaksbladeren kunnen worden gestopt en verbrand. Aan deze container zit er een buisje om de rook van de smeulende tabak op te zuigen. De ‘klei’ in de naam kleipijp verwijst naar de grondstof waaruit de pijpen zijn gemaakt. Klei kan makkelijk worden vervormd, gemanipuleerd en aangedrukt in een persvorm. Eens gebakken in de oven worden voorwerpen uit klei hard en ondoorlatend. Gebruik van de juiste elastische klei laat bovendien toe erg verfijnde objecten te vormen die nadien ook voldoende vuurvast zijn om mee te roken. Meest gekend zijn de krijtwitte kleipijpjes uit zogenaamde witbakkende en kaolienrijke pijpaarde, maar vanaf de 19e eeuw worden er ook rode en zwarte pijpjes gemaakt uit andere kleisoorten.
Figuur 9 uitsnede uit het ambachtsregister van de Gentse kleerkopers (1759). Een kind rookt de pijp bij een komfoor (Stadsarchief Gent
2.2. …en vroegmodern massaproduct… Kleipijpjes vertellen natuurlijk het boeiende verhaal van de opkomst van de tabak als genotsmiddel en van het roken. Een kwalijke gewoonte die sinds de introductie in Europa rond 1600 razendsnel verspreid geraakte in alle lagen van de bevolking. Op die manier gaf ‘Toeback drinken’ als sociaaleconomisch en sociaal-cultureel fenomeen mee vorm aan de vroegmoderne samenleving en onze huidige Westerse maatschappij.
29
Het was de bemanning van Christoffel Colombus die als eerste Europeanen kennismaakten met de pijp dankzij de inheems bevolking van Centraal Amerika (zie ook §0). De eerste pijpjes in Europa werden in Engeland gemaakt op het einde van de 16de eeuw. Via Engelse migranten kreeg het pijpen maken voet aan wal in de Noordelijke Nederlanden om in de 17de eeuw verder te verspreiden in de rest van Noordwest-Europa. Met een snel toenemende populariteit van het tabaksroken tijdens de 17de eeuw – iedereen rookte de pijp, arm en rijk, jong en oud - steeg ook de vraag naar kleipijpen, in gans Europa maar ook in de overzeese (koloniale) gebieden. Het spel van vraag en aanbod zorgde al snel voor een massaproductie en -consumptie. Pas in de 19de eeuw zou het belang van de kleipijp als dagdagelijks gebruiksvoorwerp gaan afnemen met de groeiende populariteit van pijpen uit andere materialen (oa. hout) en vooral de opkomst van nieuwe manieren van roken met de sigaar (al in Europa geïntroduceerd rond 1717) en de sigaret.
2.3. …met grote archeologische waarde Kleipijp werden tijdens de Vroegmoderne Tijd dus en masse geproduceerd en geconsumeerd. Fragiel en breekbaar waren het bovendien echte wegwerpproducten. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat archeologen deze kleipijpjes vrijwel wereldwijd terugvinden op archeologische vindplaatsen uit de 17de tot de 20ste eeuw. Voor archeologen zijn kleipijpjes van goudwaarde en voor vele onderzoekers benadert de kleipijp de status van het ideale archeologische artefact (Goyak en Stuart 1999; Higgins 1995). Wij geven vijf argumenten om aan te tonen dat de studie van kleipijpen vanuit archeologisch perspectief van waarde kan zijn: 1. Kleipijpen zijn bulkgoederen en uiterst breekbaar bij gebruik, daarom zijn zij omnipresent in de bodem 2. Eens in de bodem bewaren kleipijpen goed en zijn ze weinig vatbaar voor erosie 3. De vorm, decoratie en merktekens bij kleipijpen zijn periode specifiek wat dateren relatief eenvoudig en betrouwbaar maakt 4. Daarom zijn kleipijpen ook een uitstekend chronologisch gidsfossiel voor het dateren en begrijpen van vindplaatsen en vondstensembles uit de Vroegmoderne en Moderne Tijd. 5. Kleipijpen kunnen op basis van model, uiterlijke kenmerken en merktekens vaak toegewezen worden aan een specifiek productieplaats of zelfs individuele maker. Daarom zijn ze vaak ook een gidsfossiel voor het detecteren, reconstrueren en begrijpen van netwerken van mensen en goederen.
2.4. De gepaste terminologie 2.4.1. Onderdelen van de kleipijp Belangrijk bij de studie van een kleipijp is kennis van de verschillende onderdelen van een pijp en het gebruik van de juiste terminologie. De pijpenkop en -steel zijn de meeste archeologen niet vreemd. Samen met de hiel – het voetje op de overgang van kop naar steel – geven ze vroegmoderne pijp haar kenmerkende vorm. Vaak blijft de kennis over de onderdelen van de pijp bij deze drie vaktermen terwijl er meer nodig is om tot een nauwkeurige vondstbeschrijving te komen.
30
Figuur 10 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van kop, steel en hiel
De pijpenkop of kortweg kop is de kleine potvorm of container aan het uiteinde van de pijp waarin de tabak wordt gebrand. Met de term ketel verwijst men doorgaans naar de binnenzijde van de kop en naar de holle ruimte om de tabak in te stoppen. De opening aan de kop noemt men de ketelopening; de buitenrand van de ketelopening is de filt. Met de hals bedoelt men het nauwe gedeelte van de pijpenkop tussen de buik (breedste gedeelte) en de hiel. De kern of body van de kop wordt meestal aangeduid als de wand. De pijpensteel of kortweg steel is de buis die is gemonteerd op de pijpenkop en die wordt gebruik om rook aan te zuigen. De holte in de steel die circulatie van lucht toelaat is het rookkanaal. De prop is een vaak erg klein kleipropje dat soms in de ketel nog aanwezig is als resultaat van het doorsteken van de verbinding tussen rookkanaal en ketel. Het mondstuk is het steeleinde dat in de mond van de roker verdwijnt. Soms wordt dit steeleinde simpelweg afgesneden met een mes; soms wordt een verdikt mondstuk in knoop- of knopvorm voorzien.
Figuur 11 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van de verschillende onderdelen van de pijpenkop
31
Figuur 12 kleipijpjes van de site Handelsbeurs (begin 20ste eeuw eeuw) met aanduiding van een aantal onderdelen van de pijpensteel
Figuur 13 kleipijpjes van de site Bisdomplein (late 17de-vroege 18de eeuw) met aanduiding hiel, stoep en spoor.
De hiel is het voetje op de overgang van pijpenkop naar pijpensteel. Initieel was de hiel cilindrisch van vorm, soms sterk uitgevlakt. Met de stoep doelt men op het niveauverschil tussen hiel en steel. De hiel diende eerder voor de pijp neer te zetten op tafel. Gaandeweg werd de hiel ook puntiger uitgewerkt om de pijp op te hangen in een rek. Men spreekt dan van een spoor in plaats van een hiel.
2.4.2. Voor- en achterzijde Wat is nu de voor- en de achterzijde van de pijp? Doorgaans wordt de kop als oriëntatiepunt genomen: het gedeelte van de pijpenkop dat naar de roker is gewend, beschouwt men als de voorzijde. Vaak duidt men dit gedeelte als de roker aankijkend. De achterzijde van de kop is het gedeelte dat van de roker is afgewend. Daarnaast heeft de pijpenkop ook een linker- en rechter zijkant.
32
Figuur 14 De rokende metselaar van David Teniers (1630 – 1660) met aanduiding van de voor- en achterzijde van de pijp (©Rijksmuseum, Amsterdam)
De geometrie van de pijp wordt bepaald door twee denkbeeldige lijnen of assen: de eerste as loopt door het midden van de kop; de andere as is de hartlijn van de steel. De hoek tussen de kop en de steel noemt men de steelhoek. Als deze hoek groter is dan 100° spreekt men van een liggende kop; als de steelhoek tussen 85° en 100°meet, spreekt men van een staande kop of rechte kop; bij een teruggeplaatste kop tenslotte bedraagt de hoek minder dan 85°
2.4.3. Geometrie van de pijp
Figuur 15 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van kopen steelas en de steelhoek.
33
3.
PIJPROKEN ALS SOCIAAL-CULTUREEL FENOMEEN
Intro In dit hoofdstuk bieden we een geschiedenis van het pijproken als sociaalcultureel fenomeen. We zijn zeker niet de eerste die dat doen en waarschijnlijk ook niet de laatste. We vonden echter dat een historisch kader rond tabaksconsumptie en pijproken - als leidraad bij de analyse en discussie - niet kon ontbreken. Het verhaal is bondig gehouden en in de mate van het mogelijk toegepast op de Gentse casus met inzet van weinig gekend historisch bronmateriaal.
34
3.1. De marginale roker in de 16de eeuw De geschiedenis van de pijp hangt in Europa nauw samen met de geschiedenis van het tabaksroken. Tabak werd tijden de Vroegmoderne Periode steevast in een pijp gerookt. Ander consumptiewijzen waren het snuiven en kauwen (pruimen) van tabak. Pas in de loop van de 18de eeuw kreeg de roker een alternatief met de sigaar. Eind 19de eeuw volgde dan de sigaret die de pijp geleidelijk aan van de markt zou duwen (Schotanus 2014). De Europese bevolking kwam met tabak in aanraking na 1492 en de ontdekking van Amerika door Colombus. De oudste beschrijving van de plant kennen we door de Spaanse monnik Ramon Pane. Die vergezelde Colombus bij zijn tweede reis over de oceaan. In z’n verslag beschrijft hij het roken van de tabaksbladeren door de inheemse bevolking als vooral rituele bezigheid (Van Nieuwenhuyse 1993). Eerst werd tabak in Europa gerookt door een select groepje van zeelieden die Amerika hadden bezocht. De verdere verspreiding gebeurde – zoals dat ook het geval was bij vele andere exotische genotsmiddelen uit die tijd (oa. koffie, thee, chocola,…) – eerst via medicinale weg om pas daarna een echt genotsmiddel te worden. Jean Nicot, ambassadeur van Frankrijk in Portugal, bezorgde in 1559 enkele tabaksplanten en -bladeren aan het Franse hof. Catharina de Medici, toen Franse Koningin, snoof de gemalen tabaksplanten en bejubelde het verlichtend effect ervan op haar chronische hoofdpijnen. Mede hierdoor kreeg tabak snel een plaats in de apotheek. Vanaf het midden van de 16de eeuw verschijnt de tabaksplant ook in verschillende cruydeboeken onder de geneeskrachtige kruiden (Brongers 1964). Tabak komt voor in het kruidboek van Rempert Dodoens (1554) en Matthias de Lobel (1581) beiden uitgegeven bij Plantin in Antwerpen. De laatste geeft aan dat nicotinae goed zou zijn tegen zweren en als pijnstiller. Kauwen op de bladeren zou de hersens zuiveren en schippers zouden tabak roken om honger en dorst te stillen en ‘de geest te verblijden’ (Lampo 2017). Het tabaksroken kreeg al tijdens het derde kwart van de 16de eeuw voet aan grond in Engeland. Dit gebeurde nadat Sir Walter Raleigh – Engels kapitein en kolonist - voor het eerst tabak meebracht uit de kolonies nabij Virginia. Ook in Holland – dat te maken had met veel Engelse immigranten – verspreidde de gewoonte erg snel (Stam 2019 : 54). De contemporaine auteur Van Meteren geeft aan dat in 1598 al zo’n twintig tot vijfentwintig jaar tabak werd gerookt (Van Meteren 1608). Roken werd snel aanvaard in de kosmopolitische havensteden van Holland (bv. Amsterdam) en studentensteden zoals Leiden (Stam 2019 : 54). De aanwezigheid van internationale zeelieden en handelaars speelden een rol in de verspreiding van de gewoonte, maar blijkbaar speelden ook artsen en hoger opgeleiden een belangrijke rol. Zo haalt Bongers (1964) een aantal artsen en de Leidse Hoogleraar Jan van Heurne aan die in de jaren ’80 van de 16de eeuw actief propaganda maken voor het roken van de tabakspijp. Wanneer het pijproken precies voet aan grond kreeg in de Zuidelijke Nederlanden en het huidige Vlaanderen is minder goed gedocumenteerd. De snelgroeiende populariteit van het roken in de Noordelijke Nederlanden – voor een deel ook verbonden met de ontluikende pijpenindustrie in de Hollandse steden – was zeker geen referentie voor de rest van Europa. Zo kent bijvoorbeeld Frankrijk een heel andere evolutie waar het pijproken in de tot na de Franse revolutie door economische en politieke factoren was voorbehouden aan de lagere klassen (Stam 2019 : 267). Het lijkt aannemelijk - rekening houdend met de aanwezigheid van een uitgebreid stedelijk netwerk (met toenmalige wereldhaven Antwerpen en universiteitsstad Leuven) - dat het roken in onze gewesten een gelijklopende verspreiding kende als in de Noordelijke Nederlanden. De scheiding tussen Noord en Zuid was ook pas in 1581 een feit en zelfs daarna bleven veel sociale, culturele en economische banden bestaan. Geschriften zoals
35
het Cruydtboek van de Lobel tonen aan dat ook in de Zuidelijke Nederlanden het roken van tabak als genotsmiddel goed gekend was. Ergens is het verwonderlijk dat het tabak roken zo snel aan populariteit kon winnen en al in het eerste kwart van de 17de eeuw gemeengoed werd in grote delen van Europa. Verwonderlijk omdat de wenselijkheid en schadelijkheid van het roken al van meet af aan onderwerp was van debat. Een polemiek die zich zou doorzetten tot diep in de 17de eeuw. Er waren er die de medicinale werking van tabakroken in vraag stelden en net wezen op het gevaar voor de gezondheid; er waren er ook die zich (toen al) ergerden aan de stank van tabak. Zo beschreef Petrus Scriverius rokers als: die smokers van Taback, die vreemde vuyle stinkers; sommigen waarschuwden dan weer voor de negatieve impact van het roken op de gezinsportefeuille; daarnaast was roken op brandgevaarlijke plaatsen vaak verboden en in sommige gevallen tijdens het werk ook verboden (Brongers 1964). Tegenstand kwam soms uit politieke of bestuurlijke hoek, maar verstomde zeker in de Nederlanden vrij snel omdat door het heffen van accijnzen veel inkomsten ook terug naar de staatskas vloeiden (Corti 1930). De meest uitgesproken weerstand kwam vanuit religieuze hoek: de Rooms-Katholieke kerk bestempelde het gebruik van tabak in 1590 als satanisch en verboden op straffe van excommunicatie. Dit pauselijk edict van Urbanus VII werd pas in 1725 opgeheven door Benedictus XIII, zelf een fervent roker (Van Nieuwenhuyse 1993). Ook vanuit protestantse hoek werd herhaaldelijk geprobeerd het tabak roken terug te dringen. Hoewel roken in theorie dus enkel kon voor de ongelovige, lijken al deze religieuze regels in realiteit niet of nauwelijks een impact te hebben gehad op de groeiende populariteit van tabak en het pijproken (Stam 2019 : 75). Figuur 16 Tabak of Bilsenkruid van Peru in het Cruydt-Boeck van Rembert Dodoens (Eerste druk: Antwerpen, 1554)
3.2. Iedereen rookt tijdens de 17de eeuw 3.2.1. Van ‘medicijn’ voor de happy few tot genotsmiddel en gemeengoed Waar er eind 16de eeuw-begin 17de eeuw nog sprake was van een soort van ‘rokers-elite’ bestaande uit voornamelijk zeelieden, studenten, hoger opgeleiden en liefhebbers uit de burgerij, werd het toebackdrinken in de 17de eeuw snel gemeengoed (Stam 2019 :77). Volgens Roessingh speelde vooral het dalen van de tabaksprijzen een grote rol in deze evolutie. Een daling die vermoedelijk rond 1630 werd ingezet (Roessingh 1976 : 92).
36
Gelijktijdig aan deze prijsdaling was er ook sprake van een verandering in de sociale betekenis van het pijproken. Voorheen situeerde tabaksconsumptie vooral in de medicinale sfeer en werden tabak en tabakspijpen ook uitsluitend verkocht in de apothekers. Tijdens het eerste kwart van de 17de eeuw werd tabak een volwaardig genotsmiddel en evolueerde het pijproken naar een sociaal gebeuren. Men kon tabak voortaan ook verkrijgen bij de tabaksverkopers. Daarnaast werd er ook steeds meer gerookt in openbare gelegenheden waar nu ook tabak werd aangeboden, rokerskroegen in contemporaine bronnen doorgaans aangeduid als tabagie. Op sommige plaatsen bleef de verkoop van tabak door apothekers nog lang bestaan, naast verkoop in drankgelegenheden en door tabaksverkopers (Roessingh 1976 : 92). Scriverius die het meest van zijn tijd doorbracht in Leiden beschreef deze evolutie in 1630 (Schotel 1905) als volgt: ‘So d’Apoteker mij [de tabak] behoorde te bewaren En tot een goed gebruijk van medicijn te sparen: Wat hebben mij dan Staeg de waerden in de hand? Wat word ik van matroos en wagenaer verbrand?’
3.2.2. Toeback drinken in de tabagie Vanaf de 17de eeuw werd er dus ook gerookt in de tabagie. Dit concept zou overgewaaid zijn uit Engeland waar ze al in de tijd van Elisabeth I (1533-1603) voorkwamen (Schotel 1905 : 21). Over de tabagie in de Nederlanden zegt Scriverius in 1630 het volgende (Schotel 1905): Al in de tabagien Daer is het een costelyck sijn; Daer can men lecker drincken, Al drinckt men geen bier of wijn.’ Wat we ons nu precies moeten voorstellen bij een tabagie laten we wat in het midden. Iconografie toont een erg divers beeld van deze rokersetablissementen. Soms gaat het om een zaak waar men enkel en allen lijkt te komen om te roken; in andere gevallen lijkt de tabagie dan weer een kroeg of herberg waar bij het drinken van een glas ook kon gerookt worden; soms zien we daarbij de rokers in een aparte ‘rokersruimte’; sommige afbeeldingen wijzen ook op een bijkomende functie als tabakswinkel. Op een schilderij van David Teniers de jongere zien we een 17de-eeuwse tabagie dicht bij huis. De scène speelt zich af in Antwerpen medio 17de eeuw. Vooraan zien we een aantal pijprokers, terwijl op de achtergrond in een aanpalende ruimte een drinkgelag aan de gang is. Een van de drinkebroers daar heeft wel een omgedraaide pijp vast, maar rookt ze niet. Tijdens de 17de eeuw was het runnen van een tabagie klaarblijkelijk een vrouwenzaak. De toebackster verkocht de tabak in bladen aan één of meerdere rokers. Schotel (1905) beschrijft een bezoek aan de tabagie als volgt: “men kocht enige bladen en ging zitten op een stoeltje bij de haard of op een bank in het midden van de tabagie; vervolgens kerfde men de tabak met zijn kerfmes; vulde zijn pijp; stak ze aan met een kaars of met sulferpoeder en een vuurslag; en begon dan te toebacken of een soopje te doen; vervolgens liet men de pijp rondgaan zoals het drinkglas (Schotel 1905 : 35).
37
Figuur 17 David Teniers II (1645): tabagie in Antwerpen (©Musée Fabre. Montpellier)
3.3. Waar vinden we de pijproker in de 18de en 19de eeuw? 3.3.1. de estaminets en grand cafés Gaandeweg wordt roken in openbare drank- en eetgelegenheden de gewoonste zaak. Ook in Gent. Voor de 18de en 19de eeuw bieden de Wegwijzers van de stad Gent een houvast. In deze almanakken met registers van onder andere de Gentse middenstand (bewaard en gedeeltelijk ontsloten voor de periode 1770-1906) vindt men een opsomming van de verschillende soorten verbruikszaken. Tabel 2 Overzicht van de soorten gelegenheden in Gent waar gasten konden eten, drinken en overnachten. In de gelegenheden waar werd overnacht kon doorgaans ook worden gegeten en gedronken15. De eerlijkheid gebied te vermelden dat de Wegwijzers geen compleet beeld geven van de Gentse historische horeca. Volgens de inleidende teksten tot de almanak werden enkel de ‘voornaamste’ etablissementen opgenomen, vermoedelijk diegene die konden en wensten te betalen voor bijkomende publiciteit. Zo werd bijvoorbeeld vastgesteld dat voor bepaalde wijken zoals het Patershol – dat in de 19de eeuw net bekend stond als het uitgangsoord voor de lagere klassen – geen enkele zaak werd opgenomen in de Wegwijzers (Cottyn 2009). De kans dat bepaalde type kroegen of kroegen voor een bepaald doelpubliek ons dus ontsnappen is meer dan reëel
Deze lijst werd samengesteld op basis van een systematische analyse van de wegwijzers van Gent. Zover bewaard werden de jaargangen doorgenomen van 1770 tot 1906 in het Stadsarchief Gent. 15
38
Tabel 3 verschillende drink- en eetgelegenheden waar vermoedelijk tijdens 18de en 19de eeuw werd gerookt. Gebaseerd op de ‘Wegwijzers van Gent’
Eten
Benaming
18d
19a
19b
19c
19d
Tracteer-huizen Restaurants Chocolateurs Herbergen daer men estaminéen houd van vremde bieren
Drinken
Wynhuyzen daer men estaminéen houd Huyzen waer men op den Billard speelt Aubergien Kaffee-huyzen Afspanningen Guingetten (herberg met tuin) Estaminets Cafés
Overnachten
Hostelryen Aubergien daer men Tables-d’Hôtes geeft Aubergien daer men logeert te voet en te peirde Logementen Hotels (Duco 2003c, 28–29)Slechts in een enkel geval dient de naam van de zaak als uitnodiging voor rokers zoals bij Herberg de Gouden Pijp aan de Brugse Steenweg (oa vermelding in 1870 cfr. ook Hoste 1987). Daarmee verschilt de situatie in Gent met die in de Hollandse steden waar in de 17de19de eeuw talrijke namen en ook uithangborden verwezen naar het pijproken met namen als de ‘rokende tamboer’ of ‘rokende seeman’ of afbeeldingen aan de gevel van rokende boeren, zeelui of gezelschappen (Schotel 1905). Het enige gekende Gentse voorbeeld van een uithangbord met referentie naar het pijproken bevindt zich vandaag in de collectie van het Huis van Alijn. Het gaat om een polychrome buste in gips uit de 19de eeuw die een jongeman met pijp in de mond afbeeldt. De precieze oorsprong is niet meer te achterhalen maar allicht hoorde het toe aan een rokerskroeg of eventueel een tabakswinkel. Voor de hedendaagse lezer van de Wegwijzers is het moeilijk te achterhalen in welke van deze etablissementen nu wel of niet werd gerookt. De Figuur 18 Gents uithangbord uit de 19de eeuw contemporaine lezer wist dat ongetwijfeld wel. vermoedelijke van een rokerscafé 39
De term tabagie komt alleszins niet voor. Waar we alvast zeker rokers konden vinden zijn de wijnhuizen en herbergen daer men estaminéen houd vanaf het tweede kwart kortweg aangeduid als ‘estaminets’. De Dictionnaire de l'Académie Française uit 1762 zegt het volgende over het estaminet: Assemblée de buveurs & fumeurs. Le lieu où elle se tient porte aussi le même nom. Cet usage qui vient des Pays-Bas, s’est établi à Paris sous le nom de tabagie. Een gezelschap van drinkers en rokers. Ook de plaats waar ze elkaar ontmoeten draagt deze naam. Het gebruik komt uit de Nederlanden en wordt nagevolgd in Parijs onder de noemer tabagie. Bovenvermelde dictionaire stelt het estaminet in de 18de eeuw dus gelijk met de tabagie die we sinds de 17de eeuw kennen uit de Hollandse steden. De Dictionnaire de la Langue Française du Littré uit 1874 definieert het estaminet zo’n honderd jaar later als een café waar gerookt wordt of een afzonderlijk rokerslokaal in een café. Ooggetuige Camillie Lemonnier zegt in 1888 in zijn werk La Belgique het volgende over het estaminet: Overal op het platteland duiden in schelle kleuren geverfde lantaarns, slordig geschilderde uithangborden versierd met ontelbare afbeeldingen van blauwe of rode paarden, gouden en zilveren hanen, snippen, zwanen, leeuwen, vossen, kortom een echte dierentuin, op de aanwezigheid van een drankslijterij. Het gaat gewoonlijk om een langwerpige of vierkante ruimte versierd met ranken op een achtergrond die geel is geworden door de vele lagen vernis, met houten banken die met de rug tegen de muur geschoven zijn, massieve tafels die de vlammen van eik imiteren, stoelen met volle rugleuning, een grote monumentale kachel waarvan de buis ingewikkelde kronkels maakt, een plafond dat zwart is uitgeslagen door de tabakswalmen, en een rode tegelvloer die met zand is bestrooid. Een ander type etablissement waar we de Gentse sociale roker konden vinden was het café. Het café evolueerde uit de Kaffee-Huyzen die vanaf de 17de eeuw in de meest mondaine en kosmopolitische steden van Europa verschenen zoals in Venetië (1640) Londen (1652), Marseille (1654), Parijs (1669) en Wenen (1683). In België zou het duren tot de tweede helft van de 19de eeuw eer het koffiehuis echt populair werd. Op dat moment ging het al om zogenaamde grand cafés, luxueuze verbruikssalons die vooral door burgerij werden bezocht en waar naast koffie ook thee en likeuren werden geserveerd evenals ijsbereidingen en zoetigheden (Pirlot 2009; Van Nieuwenhuyse 1993). In deze periode ontstonden ook de zogenaamde volkscafés die vooral werden bezocht door de arbeidersklassen en als enige ontmoetings- en gespreksplaatsen, buiten de familiekring een belangrijke rol speelden in het sociale en politiek leven (Pirlot 2009).
40
Figuur 19 Porseleinkaart uit 1850 van Café des Milles Colonnes aan het Muntplein in Brussel met onderaan de tabagie (Universiteitsbibliotheek Gent, Fonds Vliegende Bladen, op: www.cagnet.be, Centrum Agrarische Geschiedenis)
41
3.3.2. In de vereniging Vanaf de 19de eeuw zien we overal te lande en ook in Gent het verenigingsleven belangrijker worden. Talloze verenigingen werden opgericht vaak men wetenschappelijk of culturele werking. Om enkele voorbeelden te geven: in 1808 werd de Société d'Agriculture et de Botanique door een aantal bekend bloementelers; in 1864 werd de ‘Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid en Wetenschappen’ onder de doopvont gehouden waarvan de leden een brede interesse toonden in onder andere architectuur, machinebouw, theater, muziek, zang, literatuur, ect…; een laatste willekeurig voorbeeld is de Société Gantoise d'Aviculture die in 1885 werd opgericht amateurs vogelkwekers. Vaak hadden zulke verenigingen ook een politiek of economisch doel zoals de in 1860 opgerichte katholieke Ligue du Commerce et de/'Industrie. Filantropie was ook een reden om zich te gaan verenigen. Voorbeeld is de liefdadigheidsmaatschappij ‘Eendracht maakt Macht’ die in 1834 werd opgericht om zich in te zetten voor de slechte arbeids- en levensvoorwaarden van de arbeidersklasse (Hoste 1992). Leden van al deze verenigingen kwamen veelal uit de kleine burgerij en middenstand. De rijkere burgerij kon men terugvinden in de high-society clubs zoals in 1809 opgerichte La Concorde waar Franssprekende industriëlen, advocaten en renteniers – vrijwel allemaal van liberale inslag - zich verenigden. Samenkomsten werden georganiseerd rond de inhoudelijke werking maar waren ook moment dat er pret werd gemaakt en gepraat, geschransd, gedronken en gerookt (Hoste 1992). In de 19de eeuw gebeurde dat nog vooral met de pijp.
Figuur 20 Leopoldine had de strafste tabak’. Pijprokersclub te Eine (1984) (MOU - Museum van Oudenaarde).
42
In de loop van de 19de eeuw werden ook de eerste pijpenrokersverenigingen en -clubs opgericht. Tot in de jaren 1930 heeft vrijwel ieder dorp of wijk zo’n club. Het clublokaal is doorgaans een café. Aan de muur het pijpenrek en het clubreglement. De bedoeling is tussen pot en pint samen te roken, maar er werden ook wedstrijden gehouden waarbij de winnaar diegene was die de pijp het langst brandend kon houden (SN 2018).
3.3.3. Thuis in de fumoir Over het rookgedrag binnenskamers tijdens de 17de eeuw is niet veel geweten. Op schilderijen uit de 17de eeuw worden pijpen vaak afgebeeld in relatie tot een vuurtest. Deze open vorm in aardenwerk wordt ook regelmatig aangetroffen in huishoudelijke context (oa.Bartels 1999). Boedelinventarissen tonen aan dat er bij de betere kringen in de Lage Landen al begin 18de eeuw gebruiksvoorwerpen aanwezig zijn die wijzen op het roken van tabak in private sfeer: bv. de tabaksdoos en het tabakskomfoor (bijvoorbeeld: Kamermans 1999). In 19de-eeuws Engeland was het roken in huis lange tijd verboden omwille van de hinderlijke geur en de vervuiling van allerlei textiel in de woning. Medio 19de eeuw kan het wel maar dan binnenskamers in de ‘smoking room’. De idee van een afzonderlijke ruimte - speciaal ingericht voor roken en verpozen – werd immens populair in de Victoriaanse Architectuur van de tweede helft van de 19de eeuw (Haan 2016). Het concept van de rookkamer of fumoir waait ook over naar België en verschijn al snel in de statige woningen van de Gentse burgerij. De rookkamer was – zeker in de 19de eeuw – een plek voor de heer des huizes. Er was doorgaans een zithoek waar gerookt en gelezen kon worden, en vaak stonden er ook tafeltjes om gasten te ontvangen. In Engeland wordt er daarom soms ook gesproken van een ‘Club room’. De gewoonte om een aparte ruimte te voorzien in huis om te roken blijft tot in de 20 ste eeuw in gebruik. In de Gentse interbellum-architectuur lijkt de grens tussen rokers- en rookvrije ruimtes al wel vaak te vervagen, en dient de fumoir ook vaak als bureau of zelfs de salon.
Figuur 21 Fumoir in laat 19de-eeuwse herenwoning (The Met)
43
3.4. De jachtige roker Op 17de, 18de en ook nog veel 19de-eeuwse afbeeldingen zien we doorgaans een zittende roker. Hij rookt alleen of samen met anderen. Hij is op zijn gemak, degusteert en geniet van zijn pijp. Op laat 19de-eeuwse fotomateriaal zien we meer de staande en wandelend pijproker. Hij rookt terwijl hij werkt of zich voortbeweegt van punt A naar punt B. In die periode verandert er ook iets fundamenteel aan de maatvoering van de pijp (zie §7.2): de vraag van de consument naar kort gesteelde pijpen wordt groter en de lang gesteelde Gouwenaar lijkt uit te mode te geraken. Duco wijt dit aan de veranderende tijden en steeds jachtiger leven (Duco 1987b). De industriële revolutie zette de Noordwest-Europese maatschappij op zijn kop. In korte tijd veranderen onze gewesten van een rurale naar een industriële samenleving. Werkritme veranderde en er werd ook anders omgesprongen met tijd. De rurale samenleving volgde een stuk het ritme van de seizoenen, terwijl met de fabrieksarbeid een strakke dagplanning kwam met een duidelijke scheiding tussen werk en vrije tijd (De Vries 2008). Ook het roken kreeg hierbij een andere betekenis. De laat 19de-eeuwse roker was vooral in beweging. De pijp werd een stukje genot voor onderweg. Dit verklaart mogelijk ook de populariteit van de kant en klare rookartikelen zoals de sigaret vanaf de late 19de eeuw.
Figuur 22 Stakende arbeiders met de pijp in de mond troepen samen op het Sint-Pietersplein in Gent tijdens de algemene staking van april 1893 (Huis van Alijn)
44
3.5. Ceci est aussi une pipe Niet alle kleipijpjes werden gebruikt om te roken. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zien we dat veel pijpfabrikanten hun aanbod in pijpaarde gaan verruimen. Mooi voorbeeld is pijpenbakker Job Clerc uit Saint-Quentin-la-Poterie in Frankrijk. In een bedrijfscatalogus16 die dateert in het laatste kwart van de 19de eeuw zien we een groot aanbod aan ‘surprises’. Het gaan om miniatuur kook- en drinkgerei, kleine gebouwtjes en voertuigen en allerhanden dierenen mensenfiguurtjes. Clerc presenteert ook een hele set aan miniatuurpijpjes waaronder ook een aantal met mooi gedecoreerde koppen. De ‘surprises’ waren bedoeld als speelgoed. Het is niet uitgesloten dat ze soms ook werden gebruikt als patacons, een figurine om taarten en feestelijke broden mee te versieren (Geyskens 2002; Van Nuland 2006). Figuur 23 Catalogus uit laatste kwart 19de eeuw met deel Mogelijk werd de ‘surprise’ mee van het aanbod aan ‘surprises’ van Job Clerc uit Saintingebakken als verrassing zoals Quentin-la-Poterie (PKN) vandaag nog soms een boon wordt verstopt in een driekoningentaart. Nog niet zo lang geleden werden er in het Gentse ook miniatuurpijpjes verkocht in de snoepwinkel. De kop was gevuld met een wit poeder dat naar citroenzuur smaakte. Eens het snoepgoed was op gegeten werden deze pijpjes gebruikt om zeepbellen te blazen (Desmet 2014). Figuur 24 Twee Gentse meisjes blazen zeepbellen met een kleipijp. Foto mei 1949. (Privécollectie G. Desmet)
16
https://online.anyflip.com/dpcc/npow/mobile/index.html
45
Een ander gekend bijproduct van de 19de en 20ste-eeuwse pijpenbakker is schietkraamkeramiek. Gekende producenten van zogenaamde mannekes – figurines die als doel konden dienen op de schiettent – waren opnieuw Job Clerc17 maar ook in de catalogus van Remy uit Hilgert) 18 vinden we ze terug. Dichter bij huis vinden we ze terug in het assortiment van onder andere pijpenbakkers De Bevere uit Kortrijk19 en Leonard uit Andenne20. In uniek beeldmateriaal uit 1971 vertelt die laatste hoe zijn familie zich gaandeweg zelfs heeft toelegt op de productie van pijpjes voor de schietkraam en daarbij een eeuwenlange familietraditie van het maken van rookwaar aan de kant schoof21. Onder de mannekes natuurlijk veel verschillende menselijke figuurtjes met ook het befaamde manneke pis; daarnaast werden er ook een grote variëteit aan dierenfiguren aangeboden en meer eenvoudige dingen zoals sterren en ronde schijven. Naast deze mannekes produceerde men ook pijpjes specifiek voor op de schietbarak. Leonard uit Andenne maakte hiervoor promo met de slogan: ‘Leonard. La pipe Belge qui casse avec eclats’. Daarnaast was er ook een handel in afgedankte rokerspijpen die ergens tijdens het productieproces schade hadden opgelopen of de kwaliteitsnormen niet hadden gehaald.
Figuur 25 De grote schietkraam van G. De Smet uit de Latemse School (1923) (Groeningemuseum) Catalogus van firma Job Cler 1890 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 18 Catalogus van firma Hilgert 1900 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 19 Catalogus van firma De Bevere 1920 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 20 Catalogus van firma Leonard 20ste eeuw https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 21 https://www.sonuma.be/archive/ceux-de-chez-nous-du-13101971 17
46
4.
VAN KLEI TOT KLEIPIJP
Intro Tijdens het werk had de pijpenmaker steeds een gewenst eindproduct voor ogen dat moest voldoen een aantal specifieke morfologische en technische kenmerken: het pijpmodel dat op dat moment in de mode was, de gewenste maatvoering, de typische krijtwitte kleur, een fijn en niet te poreus baksel, een bepaald niveau van afwerking en decoratie, etc. Een gelijkwaardig product kon enkel keer op keer worden bekomen door een sterk gestandaardiseerd productieproces. In kader van dit gestandaardiseerd proces introduceren wij in deze studie het concept van het ‘recept van de pijpenbakker’. Het recept verwijst naar het proces van produceren met een aantal gestandaardiseerde handelingen: van grondstofselectie, het reinigen van de grondstoffen, het maken van het kleimengsel, het vormen van de kleipijpen, het afwerken en het bakken. Met het recept verwijzen we echter niet alleen naar de handeling an sich, maar ook naar een aantal randfactoren die onveranderd aanwezig moeten zijn om steeds opnieuw tot het gewenste resultaat te komen zoals een bepaald niveau aan kennis en métier, geschikte grondstoffen en gepaste gereedschappen. Dit hoofdstuk focust op de procesbeschrijving en is voornamelijk gebaseerd op historische informatie rond de producties in Gouda, Andenne en Gent. Informatie werd gehaald bij Duco (1981b), Fraikin (1978), Stam (2019)e en Walker (1971) tenzij anders vermeld. Waar relevant en mogelijk werd het jargon in het ‘Hollands’, het ‘Vlaams’ en het ‘Waals’ meegegeven. In hoofdstuk 14 wordt dit beeld nog verdiept en gaan we op zoek naar het recept van de pijpenbakker door via geochemische analyse (XRF) en mineralogische analyse (petrografie) meer informatie te werven over de randfactoren die spelen bij de productie.
47
Klei selecteren
Klei bereiden
Rollen
Drogen
Doorsteken
Glazen
Drogen
Merken en stempelen
Bijwerken
Modelleren
Bakken
Sorteren
Wassen
Emailleren
Verpakken
Figuur 26 Meest belangrijke handelingen in het productieproces van kleipijpen
4.1. Klei selecteren Meest essentiële grondstof voor het vervaardigen van kleipijpen is vanzelfsprekend de klei. Niet alle klei is bruikbaar voor het vormen en bakken van pijpen. Tot in de 19de eeuw werd enkel en alleen gebruik gemaakt van zogenaamde ball clays, kaolienrijke en witbakkende klei. Deze klei heeft het voordeel erg plastisch te zijn wat doorgedreven modellering en bakken aan hoge temperaturen toelaat. Het resultaat na het bakken is een egaal wit product met voldoende hardheid en stevigheid (Duco 1987: 18).
Figuur 27 kleiontginning in Andenne (vermoedelijk jaren 1930) (Bibliotheca Andana)
48
De Hollandse pijpennijverheid werkte enkel met ‘buitenlandse’ klei want in Nederland is er geen geschikte klei te vinden. De vroegste pijpenmakers uit Amsterdam en Gouda werkten met ball clays uit Zuid-Engeland (Duco 1981 :150). Mogelijke verklaring is de Engelse oorsprong van veel van de eerste pijpenbakkers (zie supra). Invoer van deze klei liep echter stroef omdat het product ook gebruikt werd bij het vollen van laken en belast werd met een aantal uitvoerbeperkingen gericht op de bescherming van de Engelse lakennijverheid (Cessford 2001). Dit leidde tot een totaalverbod in 1627 waardoor enkel nog gesmokkelde klei in Holland binnenkwam (Stam 2019 : 127). De klei die het Kanaal over kwam was bovendien niet altijd van optimale kwaliteit en soms weinig geschikt voor het vervaardigen van echt fijne producten (Goedewaagen 1941). Als snel werd er dan ook rondgekeken naar andere geschikte kleibronnen. Die werden gevonden in onder andere de Belgische en Franse Maasstreek, de regio Keulen en het Duitse Westerwald. Al in 1639 werd er door de Hollandse pijpenmakers klei aangevoerd uit het Belgische Andenne nabij de Maas (Souris 1995). Ook uit de Seinevallei werd klei ingevoerd met onder andere historisch gedocumenteerde invoer uit Rouen en Bernay (Duco 1987; Leclaire 2011). In 1644 geeft Willem Hendricks, pijpenmaker in Amsterdam aan dat volgende kleien werden gebruikt voor het maken van kleijpijpen: ‘Syberchsche, Frettensche en Suitberchsche aarde, alle van Ceulen comende, item Luycksche ende Namensche aerde, gelyck mede Fransche aert, Engelsche poelsaert, ende Engelsche Eijlewittsaert. Mitsgaders Frederichsche aarde komende van Munster ende ten laetsten noch aerde, comende uyt ’t land van Hesschen’
Figuur 28 Kleigroeve in Andenne: rieten hutten beschermen de extractiekuilen (rond 1920) (Bibliotheca Andana)
49
De zuiverheid van de klei was erg belangrijk. Dit blijkt ondermeer uit een document uit 1644 waarbij Goudse pijpenmakers het initiatief namen om zelf klei uit Duitsland te gaan invoeren omdat de aangevoerde bij het overladen van de schepen steeds verontreinigd raakte (Goedewaagen 1941 52-57). Vanaf de 17de eeuw was de impact van de Goudse pijpenmakers op de handel van witbakkende klei erg groot. Zo werd vaak contractueel vastgelegd dat de leden van de Goudse pijpenmakersgilde steeds eerste keus hadden bij bepaalde leveranciers. Vaak leidde dit tot grote frustraties van pijpenbakkers uit andere productieplaatsen in Holland en daarbuiten (Duco 1981 : 214; Van der Meulen 1999). Doorgaans werd klei van verschillende herkomst gemengd om zo de juiste samenstelling te krijgen. Zo weten we dat voor de beste soorten pijpen vanaf de tweede helft 17de eeuw steevast een mengsel van klei uit Andenne en het Westerwald werd gebruikt (Stam 2019 : 128). Het kleigebruik van de pijpenbakkers uit de Zuidelijke Nederlanden en het later België is minder goed gedocumenteerd. Het lijkt erop dat zij toegang hadden tot dezelfde kleibronnen in Duitsland en het Maasland. Gezien de beperkte geografische afstand en waterwegen zoals de Schelde, lijkt het erg aannemelijk dat - zeker in het Gentse- ook klei uit het Doornikse en NoordFrankrijk werd gebruikt. Dit was ook zo voor de productie van tingeglazuurd aardewerk, waarvoor in Gent dezelfde plastische en witbakkende klei werd gebruikt. Voor de 19de eeuw hebben we uit het Waalse Andenne informatie over de manier waarop klei voorafgaand aan de aankoop uitgebreid werd gekeurd en getest. De pijpenmaker ontving eerst een staal van de gewenste klei. Dit staal werd gecontroleerd op onzuiverheden en mocht vooral geen gele of oranje vlekken vertonen. Deze vlekken wijzen op de aanwezigheid van ijzerinclusies wat kon zorgen voor een weinig egale witte bakking. Vervolgens werd het staal in twee gedeeld. Na het aanbrengen van een staalnummer en referentie naar de leverancier werd één deel gedroogd en gebakken in de oven als test. Een breekpunt was blijkbaar de kleur na afbakken die maagdelijk wit moest zijn. Het andere niet gebakken deel van het staal werd gebruikt om te kijken hoe makkelijk de klei zich - lederhard gedroogd - liet opwrijven met een agaatsteen. Deze vorm van afwerking wordt geassocieerd met de beste kwaliteit van pijpen. De getuige geeft ook aan dat de producenten in Andenne niet enkel rokerspijpen maakten, maar ook pijpjes voor het schietkraam. Voor deze pijpjes – die niet werden geglaasd – kon een mindere kwaliteit van klei worden gebruikt (Javaux 1934).
Figuur 29 Andenne rond 1930: klei onderweg van groeve naar de kleimolen (Bibliotheca Andana)
50
4.2. Klei bereiden Het productieproces ging van start met de voorbereiding van de klei. De ruwe klei wordt geklopt op een houten tafel. Dit gebeurde door toevoeging van water zacht gemaakt (zoken). Doel was optimaal de mager kleidelen met veel zand te mengen met de vette kleidelen zonder zand. Eens de klei optimaal was gemengeld werd hij met een ijzerdraad versneden tot kubusvormige blokken. Kloppen was een archaïsche manier van klei mengen en niet de enige optie. Zo is geweten dat in Andenne ook klei werd gemengd door te vertrappelen met de voeten (Fraikin 1978, 9). Vanaf de 18de eeuw wordt er ook gebruikt van kleimolens.
4.3. Rollen Daarna ging de rolder aan het werk. Die maakte uit de kneedbare klei rollen. De precieze handelingen waren eigen aan de pijpenmaker en zeker niet universeel. Het meest voorkomend procedé gaat als volgt: een hompje klei werd uitgerold. Doorgaans met de linkerhand. Deze rollen liepen taps toe met een dikker gedeelte voor het vormen van de ketel (maclote in Waals producties). Eens gevormd ging de rol naar de rechterhand waarmee de basisvorm van de pijp al verder werd verfijnd. Met de vrijgekomen linkerhand werd al begonnen met het rollen van een nieuwe pijp.
Figuur 30 Rolster aan het werk in het atelier van M. Levêque in Andenne in 1943 (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) 51
4.4. Drogen Eens afgewerkt werden de rollen gestapeld om te drogen, meestal in een piramidevorm uit 15 pijpjes. In Andenne werden de pijpjes gedroogd in speciaal daarvoor ontworpen planken aan de muur (pirnèkes afgeleid van het Engelse pinnrecks)
4.5. Doorsteken Een lederhard werden de rollen doorstoken (éfiler la role) met een goed geoliede priem. Deze priem of weijer was doorgaans gemonteerd om een houten handvat. Doel was het creëren van een rookkanaal. Dit precisiewerk gebeurde meestal door een gespecialiseerde werker die in Holland een kaster werd genoemd. De priem werd nog niet volledig door de steel geduwd tot in de ketel.
Figuur 31 M. Levêque in Andenne (1943): doorsteken van het rookkanaal (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
4.6. Modelleren De kleirollen werden met de priem nog doorheen de steel in de persvorm geduwd. Vooraleer aan dit werkje te beginnen doopte de pijpenmakker zijn vingers in een oplossing van water en zeep. De meerledige persvorm uit messing werd voorafgaand ingesmeerd met olie. Bij traditionele modellen was de mal tweeledige. Bij de latere meer complex vrije modellen bestond de mal vaak uit meer onderdelen. De delen van de persvorm werd op elkaar geplaatst, voorzichtig in de perfecte positie gehamerd en vastgezet. Het aandrukken van de mal gebeurde 52
in een speciaal daarvoor aangepaste bankschroef. Aan de kopzijde werd met een stopper (chtoup of stope) de binnenkant van de ketel gevormd. Eerst ging het om instrument in hout, maar nadien volgde ook stoppers in lood en ijzer. Om ketel en rookkanaal te verbinden werd tenslotte de priem iets doorgestoken en nadien verwijderd. Op de plek waar de ketelwand werd doorprikt ontstond er vaak een ronde uitstulping aangeduid met mouche of propje. Na het verwijderen van de kleiresten rond de mal wordt de druk van de bankschroef gehaald. De mal wordt geopend en de pijp wordt voorzichtig aan kop en steel verwijderd.
Figuur 32 pijpenmakers aan het werk met de persvormen bij F. Wingender in Chokier rond 1900 (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
4.7. Bijwerken De afwerking bestond uit een reeks van uitéénlopende handelingen die verschilde van model tot model. Bij de traditionele pijpmodellen werden de pijpen nat uit de mal gehaald. Bij meer complexe reliëfdecoratie werd wel tot 24 uur gewacht. Op dat moment werd het propje in de ketel zo goed mogelijk verwijderd met een instrument dat in het Frans wordt aangeduid als l’estriqueux (le chinque in Andenne en Luik). Dit gereedschap werd ook gebruik om de pijp af te korten tot op gewenste lengte. Bij pijpen met complexe reliëfdecoratie werd ook het reliëf bijgewerkt met de l’estriqueux. Bij de traditionele pijpen werden de persnaden al grofweg weggesneden wanneer de pijpen nog nat waren. Dit gebeurde met een schenkertje of chmoud in het Frans. In de Nederlandse terminologie wordt dit bijsnijden meestal als tremmen aangeduid.
53
De verdere afwerking gebeurde als de pijpen winddroog waren. De vormnaden werden nu zorgvuldig weggestreken (met een boton of smoier). Hierbij werd de ketel eerst in olie gedoopt. Met een botter werd de bovenrand van de ketel (filt) glad en rondgemaakt. Bij kwaliteitspijpen werd er een droogpen in de steel geschoven om kromtrekken tijdens het verdere droogproces tegen te gaan.
Figuur 33 M. Levêque in Andenne (1943) verwijderd kleiresten na het vormen (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
4.8. Merken en stempelen Voor het drogen werden de pijpen ook nog voorzien van de nodige decoratie en merken. Doorgaans gebeurde dit door een stempel in de nog deels natte klei te drukken. Decoratie van de steel kon gebeuren met rad- of drukstempel naargelang het toegepaste decor. Een veel toegepast decor dat tijdens de 17de en 18de eeuw werd aangebracht met een drukstempel is de Franse lelie. Bij de radstempels gaat het vaak om decoratieve banden met onder andere zigzagpatronen en ogen. Een andere vorm van decoratie was het raderen waar een metalen stift in de klei werd gedrukt terwijl de pijp werd gedraaid: zo werden er eenvoudige stippellijn-motieven aangebracht net onder de filt en op de steel.
54
Figuur 35 Stempel voor hielmerk (L) en steelmerk (R) van pijpenmaker De Bevere uit Kortrijk (Amsterdam Pipe Museum)
Merktekens werden afhankelijk van de periode en het model aangebracht op de hiel, kop of steel. Dit gebeurde door een stempel uit messing in de natte klei te drukken. In de 19de en 20steeeuwse producties werden ook bepaalde merken aangebracht door te krassen met een metalen stift. Een merkteken was een referentie naar de maker (mogelijke imitaties buiten beschouwing gelaten) van de pijp. De verschillende types merktekens en hun evolutie doorheen de tijd worden besproken in (§ 7.2).
Figuur 34 M. Levêque in Andenne (1943) bij het droogrek (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
55
4.9. Drogen Na het tremmen, merken en stempelen werden de pijpen opnieuw te drogen gelegd. Doorgaans gebeurde dit binnen waarbij de pijpen gestapeld werden op planken. In Gouda werden de pijpen tijdens de zomer buiten gedroogd (Fraikin 1978, 26)
4.10. Glazen Kwaliteitspijpen werden na het drogen maar voor het bakken opgewreven met behulp van een agaatsteen of harde vuursteen. Het resultaat was een mooi geglansd oppervlak. Deze handeling wordt glazen genoemd. Pijpen die werden geglaasd zijn vandaag doorgaans te herkennen door erg fijne striemen op kop en/of steel ten gevolge van het wrijven met de agaatsteen. Bij minder kwalitatieve producten werd het oppervlak niet verder afgewerkt of soms opgewreven met een vochtig doek al dan niet met gebruik van wat was.
Figuur 36 Atelier van F. Wingender in Chokier rond 1900. De vrouwen vooraan zijn pijpen aan het opwrijven met de agaatsteen. Achteraan zijn rollers aan het werk (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
4.11. Bakken Na het drogen werden de pijpen gebakken in de oven. In groten lijnen kan men stellen dat er twee types ovens werden gebruikt: de traditionele pottenbakkersoven en de zogenaamde muffle kiln. In Holland werd vooral gebruik gemaakt van traditionele pottenbakkersovens en dan in bijzonder het type staande oven dat ook in gebruik was voor het maken van tingeglazuurd aardewerk. Omdat in dit type ovens de producten in direct contact stonden met het vuur, 56
werden de pijpen in een pijpenpot geplaatst die zorgvuldig werd afgesloten. Dit om er voor te zorgen dat de pijpen mooi wit bleven tijdens het bakken en niet gingen vervormen door de hitte van de inslaande vlammen. Doorgaans gebeurde dit door de potten af te sluiten met een leem- of kleilaag. In de pot werden de pijpen gestapeld tegen een centraal geplaatste haspel of trompet. Die zorgde ervoor – samen met een ring van klei om de stelen - dat de pijpen stabiel (met de steel omhoog) in de pot bleven staan tijdens het bakken. Gemalen gebakken pijpenafval (zogenaamde schrobbeles) hield alles op zijn plaats en voorkwam kromtrekken van de stelen. Medio 19de eeuw verscheen in Gent ook de zogenaamde muffle kiln. Dit type ovens kennen we vooral van de industriële aardewerkproducties uit de 19de eeuw in onder andere Stoke-OnTrent. Door een dubbele wand en afgesloten bakkamer (de eigenlijke muffle) werden de keramische stukken in de oven niet langer blootgesteld aan het vuur en directe warmte.
Figuur 37 Muffle Kiln bij M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
De muffle kiln was in de 19de eeuw zeker geen nieuw gegeven in de pijpenmakerswereld. Veel van de Engels pijpenbakkers gebruikte dit type oven al enkele eeuwen (Higgins 2002; Peacey 1982). Ook zijn er voorbeelden gekend uit Frankrijk (Kügler 1995) en Denemarken (Duco 2004a). 57
Het is ergens vreemd dat deze muffle kiln nooit echt ingeburgerd raakte in Holland en Gouda ondanks de bewezen technologietransfer tussen Engeland en de Noordelijke Nederlanden eind 16de – begin 17de eeuw. Een eenzaam vroeg voorbeeld van een muffle kiln in de Nederlanden werd aangetroffen in Breda tijdens archeologisch onderzoek. Het gaat om de restanten van de oven van Samuel Broen (Brown), een Engels pijpenbakker actief in Breda tussen 1637-1659 (Hesemans 1994). Onder andere pijpenmaker Jos Rogiers liet in 1849 als eerst zo’n ‘four dite à mouffle’ optrekken aan zijn werkplaats in de wijk aan de Antwerpse poort (huidige Dampoortwijk en geeft in zijn vergunningsaanvraag een mooie beschrijving van de werking ervan: « Le four en question est de l’éspèce dite à mouffle. Il se compose d’une capacité d’un mètre cube à peu près de contenance dans le dôme laquelle s’ouvre une chéminée en maçonnerie et tuile. La sole du four est formé d’une voute en briques, à jours, formant le dôme d’un petit foyer d’environ 10 décimètres carrés de grille ou l’on brule des escarbilles d’abord, puis vers la fin de l’opération un peu de bois. Les pipes moulées en argile blanche puis desséchées lentement sont placées dans les gazettes ou enveloppes et portées au four. L’ orifice ce antérieur est muré et le chauffage d’abord très lent et modéré est poussé ensuite avec plus d’activité de manière à porter l’intérieur de la capacité supérieur ou mouffle au rouge obscur. Le chauffage dure ordinairement neuf heures puis le four est refroidit avant le défour nement. » Vrij vertaald naar Nederlands zegt Rogier het volgende over zijn oven: « De oven in kwestie is een zogenaamde muffle oven met een capaciteit van om en bij de 1 m³. Op de koepel staat er een schoorsteen uit baksteen en dakpannen. De bakvloer rust op een gewelf uit baksteen die een onderliggende stookplaats van zo’n 1 m² overspant. Er wordt eerst gestookt met steenkoolsintels en wanneer de oven op temperatuur komt met wat hout. De pijpen uit witte klei worden eerst gedroogd en dan in pijpenpotten of enveloppes in de oven gezet. De opening van de oven is afgescheiden door een muur en wordt eerst traag en gecontroleerd opgewarmd. Daarna wordt actief bijgestookt totdat de bovenliggende laadruimte of muffle donker rood kleurt. Het stoken duurt doorgaans negen uur. Daarna moeten de oven afkoelen vooraleer hij kan geleegd worden. » Rogier beschrijft nauwkeurig het proces van het stoken. Hij geeft aan dat het stoken van de oven zo’n negen uur duurt; eerst traag en dan hard gebeurt; en dat er gebruik wordt gemaakt van twee soorten brandstof: steenkool en hout. Dit ligt in lijn met wat we kennen uit de 19 de en 20ste-eeuwse producties uit Wallonië. De muffle kilns in Andenne werden zo’n 8 uur gestookt: er werd gestart met houtskool om in de laatste stookfase over te gaan op hout. Rond 1900 werd er in Luik en Chokier zo’n 12 uur gestookt met een combinatie van steenkool en hout. In Nimy duurde het stookproces zo’n 24 uur wat het gebruik van een traditionele pottenbakkersoven doet vermoeden. In Gouda waar men pottenbakkersovens en vooral turf als brandstof gebruikte, is er sprake van stooktijden van 50 tot 60 uur. 58
Figuur 38 Muffle Kiln bij F. Wingender in Chockier (rond 1900) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
59
Omdat de muffle kiln langzaam werd opgestookt en pijpen niet langer meer in contact kwamen te staan met het vuur, was het gebruik van een pijpenpot geen vereiste meer. Een aantal 19deeeuwse encyclopedies en teksten tonen een grote haspel centraal in de muffle waartegen de pijpen in verschillende niveaus werden gestapeld. In de meeste Waalse productieplaatsen werd in de 19de en 20ste eeuw gebruik gemaakt van zogenaamde cazètes, de -gazettes of enveloppes waar ook Roegier van spreekt. Deze open potten werden op elkaar gestapeld in de oven. De bovenste pot werd vaak nog afgedekt met papier ingesmeerd met een kleimengsel (barbotine) (Fraikin 1978, 32–33). Het is niet helemaal duidelijk welke Waalse producenten de overstap maakten van een traditionele pottenbakersoven naar een muffle kiln. Het lijkt er op dat de cazètes in beide types ovens werden gebruikt (Fraikin 1978). Over de temperatuur die werd nagestreefd bij het stoken zwijgt Rogier. Doorgaans wordt er gesproken van 1050-1100 graden als ideale baktemperatuur voor kleipijpen.
Figuur 39 Gevulde cazète in het atelier van M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
60
4.12. Sorteren Eens uit de oven werden de pijpenpotten geopend en de pijpen gesorteerd op kwaliteit. Misbaksel werden er van tussen gehaald.
4.13. Wassen De afwerking van de standaard kleipijp was eenvoudig: de kop en het steeleinde van de pijp werd gedompeld in een was- en zeepoplossing om het kleven van de pijp aan de lippen tegen te gaan (Stam 2019d, 46). In Chokier, nabij Luik, werd de oplossing aangebracht met een borstel. De zeep en was werd met water gekookt. Eens uit het bad werden de pijpen opgewreven met een flanellen doek (Fraikin 1978, 33). Voor de oplossing werd in de Waalse producties doorgaans Marseillezeep gebruikt en een was die men aanduidde met cire blanche. In Gouda zou men gebruik gemaakt hebben van ‘Spaanse zeep’. Bij het Goudse recept – blijkbaar lange tijd een goed bewaard geheim – zou er nog sprake zijn van additieven zoals een extract van walnoten of Arabische gom. Beide toevoegingen zouden de witte kleur van de pijpen ten goede komen (Fraikin 1978, 36–37).
Figuur 40 vrouwen aan het werk bij F. Wingender in Chokier rond 1900. Emailversiering wordt aangebracht met de bûzete (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)
4.14. Emailleren Vanaf de 19de eeuw worden kleipijpen ook geëmailleerd. De emaildecoratie werd doorgaans aangebracht met een penseel. Bij Wingender werd rond 1900 gebruik gemaakt van een zogenaamde bûzete, een hol kegelvormig instrumentje (Fraikin 1978, 37–38). Het aanbrengen van email impliceert een tweede bakking, vaak in speciale (kleinere) oven 61
4.15. Verpakken Omwille van de breekbaarheid werd er veel aandacht geschonken aan het verpakken van de kleipijpen voor verzending. In Gouda gebeurde dit in houten kisten, tonnen of mandjes. Tussen de pijpen werden doorgaans boekweitdoppen, riet of houtwol gestoken om breken te voorkomen (Duco 1987a; Fraikin 1978, 38; Walker 1971).
Figuur 41 kleipijpen worden verpakt om te worden verscheept bij Goedewagen in 1912. Vooraan ook nog een aantal gevulde pijpenpotten (Amsterdam Pipe Museum).
62
5. DE PRODUCTIE EN HANDEL VAN KLEIPIJPEN: EEN STAND VAN ZAKEN VANUIT VLAAMS PERSPECTIEF
Intro Over de geschiedenis van de kleipijp in Noordwest-Europa is al veel geschreven. Voor vele van onze buurlanden zijn er al historische syntheses voorhanden waarin de productie en handel van kleipijpen tijdens de Vroegmoderne Tijd wordt behandeld in een ruimere cultuurhistorische en socio-economische context (bijvoorbeeld voor Nederland : Duco 1981b; voor Wallonië : Fraikin 1981a; voor Duitsland : Mehler en Kluttig-Altmann 2007; voor Noord-Frankrijk : Barbieux en Gabriel 2006). Voor Vlaanderen ontbreekt dit vandaag. Er is wel degelijk informatie te vinden. In ‘La Pipe en Terre’ krijgen we een vrij compleet overzicht van de pijpenbakkers die ooit in Vlaanderen actief zijn maar deze lijst wordt weinig historisch gekaderd (Caro 2004a). Verder is er veel versnipperde informatie voorhanden in relatief ongekende en soms moeilijk toegankelijke literatuur (Bijvoorbeeld : Duco 1991b; 2014; 2019; J. Van der Meulen 1985). Slechts uitzonderlijk komt het tot een deelsynthese – meestal op Belgische schaal – rond een bepaalde thematiek (Stam 2019f; 2019a; 2019c). Met dit hoofdstuk willen we een historische synthese bieden rond de productie en handel van kleipijpen vanuit Vlaams perspectief. Betekent dit dat we niet zullen spreken over de Hollandse, Franse en de Waalse producties. Neen zeker niet, omdat de ontwikkeling in deze productieregio’s van grote invloed is geweest op de pijpennijverheid in Vlaanderen en Gent. Maar, anders dan in vroeger synthesewerk kijken we naar de ontwikkeling in omliggende gebieden om de geschiedenis van de Vlaamse pijpennijverheid beter te begrijpen. Brengen we daarbij nieuwe gegevens aan? Gedeeltelijk. Op macroschaal is het historisch kader gebaseerd op voornamelijk secundair bronmateriaal dat kritisch werd herlezen. Voor Gent werden ook nieuw primair bronmateriaal verwerkt.
63
5.1. Chronologie van de pijpenbakkerij in onze gewesten 5.1.1. Einde 16de eeuw: van Engeland naar Holland In Europa werden de eerste kleipijpen gemaakt in Engeland. Dit gebeurde vermoedelijk kort na 1586, het moment dat Sir Walter Raleigh voor het eerst tabak meebracht uit de Engelse kolonies in Virginia. Het toebackdrinken werd rond 1600 op het vasteland geïntroduceerd door Engelse zeelui en soldaten die de Hollandse steden. De techniek van het pijpen maken volgde weinig later in het eerste kwart van de 17de eeuw via dezelfde weg. De vroegste pijpen op het Europese vasteland werden gemaakt in Holland door Engelse ambachtslui op de vlucht voor het oorlogsgeweld in eigen land en door ambachtslui onder de Engelse soldaten in dienst van prins Maurits, maar door het Twaalfjarig bestand (1609-1621) brodeloos waren geworden en teruggrepen naar hun oude stiel (Goedewaagen en Helbers 1942). Voor 1620 waren er met zekerheid pijpenmakers actief in de Hollandse steden Amsterdam, Gouda, Dordrecht en Leiden (Van Oostveen en Stam 2011).Over de vroegste pijpenbakkers in de Nederlanden is weinig geweten. Sommige zijn bij naam gekend uit de geschreven bronnen. Om enkele willekeurige voorbeelden te geven: William Baernelts die in 1617 een pijpenbakkersatelier start in Gouda. Hij arriveerde in Holland in 1608 na te zijn gevlucht uit Engeland om geloofsredenen. Een andere gekende pijpenbakker is de gegoede militair Thomas Laurens die zich in 1607 vestigde in Amsterdam. In Leiden vestigde zich meerder Engelse vaklui waaronder Nicholas Claverly (1612) en Bartholomeus Smith (1618), twee puriteinen die Engeland waren ontvlucht omwille van hun overtuiging (Banning 1975).
5.1.2. 17de - vroege 18de eeuw: in de schaduw van Holland en Gouda 5.1.2.1. Holland ontwikkelt zich als centrum van de Europese pijpenproductie De technologie van het pijpenbakken verspreidde zich snel in de Noordelijke Nederlanden, sinds 1588 verenigd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795). Hieronder volgt een overzicht op basis van de historische gegevens. Een beeld dat door toekomstig historisch en archeologisch onderzoek zeker nog zal moeten bijgesteld worden.
Figuur 42 vroege Noord-Nederlandse kleipijp. Vermoedelijk gemaakt in Amsterdam in de periode 1585 – 1600 (Amsterdam Pipe Museum)
De snelle spreiding lijkt te zijn gebeurd vanuit het Hollands kerngebied waar al tijdens het eerste kwart van de 17de eeuw pijpenbakkers actief waren in Amsterdam, Gouda, Dordrecht en 64
Leiden. Kort daarna volgden ook producties in Delft, Den Haag en Rotterdam. Medio 17de eeuw waren er ook in volgende Hollandse plaatsen pijpenbakkers actief: Alkmaar, Den Briel, Gorinchem, Haarlem, Hazerswoude, Enkhuizen, Hoorn, Oud-Bijerland en Schiedam. In de tweede helft van de 17de eeuw werden er nog nieuwe producties opgestart in Alphen aan de Rijn, Geertruidenberg, Koog aan de Zaan, Schoonhoven en Woerden (Van Oostveen en Stam 2011). Maar ook in de andere Noord-Nederlandse staten kwamen al voor 1650 ateliers tot stand vaak in de grotere steden en handelscentra. Zo kende Friesland een zekere ontwikkeling met producties in Groningen, Harlingen en Leeuwarden. In het Friese Appingedam wordt voor het derde kwart van de 17de eeuw een pijpenbakker vermeld. In Utrecht werd in de gelijknamige stad al voor 1650 pijpen geproduceerd. In Amersfoort werden er kort na 1650 pijpen geproduceerd. Ook Overijssel kende pijpenbakkers in de 17de eeuw in de voormalige Hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle. In Gelderland werden pijpen gebakken in de handelsstad Zutphen. In Nijmegen was er rond 1670 een pijpenbakker aan het werk. In het zuiden van de Republiek kende Brabant een aantal productieplaatsen met Bergen-op-Zoom, Breda en ’s Hertogenbosch. Zeeland en Limburg kende in de eerste helft van de 17de eeuw enige activiteit in respectievelijk Middelburg en Maastricht. Medio 17de eeuw raakte de eerste pijpmodellen in Gouda gestandaardiseerd en toonaangevend op de markt. Van dan af zullen de meeste producenten pijpen gaan maken à la façon de Gouda die in vorm en decoratie weinig afwijken van het Gouds origineel (Duco 1981b). In de periode voor 1650 springen er drie productieplaatsen uit: Gorinchem, Amsterdam en Gouda. Zij lijken op dat moment de grootste productie te hebben gekend en richtten zich op een ruimere markt; Amsterdam bediende zo de noordelijke provincies van de Republiek en kende ook een overzeese export naar Amerika; Gorinchem zette dan weer meer producten af in de zuidelijke provincies; Goudse producten werden verhandeld over de gehele republiek en werden ook verscheept naar het buitenland. De andere plaatsen – waar zoals bijvoorbeeld in Leiden en Rotterdam ook vaak meerdere pijpenbakkers actief waren – kenden eerder een lokale of regionale afzet (Van Oostveen en Stam 2011, 170). Na 1650 treedt Gouda nog meer op de voorgrond. De stad had verschillende pijpenbakkers actief binnen de muren wat leidde tot een competitieve context die ook aanzette tot innovatie. In 1641 wordt een eerste aanvraag voor de oprichting van een gilde ingediend. Pas in 1660 zouden de Goudse pijpenbakkers zich mogen verenigen in een gilde wat hen meteen de nodige structuur en regelgeving gaf om hun activiteiten verder te ontplooien (Stam 2019d, 95). Tot medio 18de eeuw beleeft Gouda een absolute bloeiperiode en zullen de Goudse pijpenbakkers de landelijke en internationale handel domineren. In de andere Hollandse productieplaatsen lijkt men de kwaliteit van het Goudse product niet te kunnen evenaren waardoor de Goudse pijp op de markt een uniek positie verwierf. Gouda ontwikkelde zich onder impuls van de gilde in de tweede helft van de 17de eeuw als het productiecentrum van de hoge kwaliteitspijp. De gemerkte en lang gesteelde Gouwenaar werd een handelsproduct met internationale faam en werd ook buiten de grenzen van de Republiek verhandeld. Nochtans ontstond er naast Gouda medio 17de eeuw ook in Gorinchem en Leiden een pijpenbakkersgilde omdat het aantal pijpenmakers al een tijdje groeide (Van Oostveen en Stam 2011). Toch kende deze steden verder in de 17de eeuw lang niet dezelfde ontwikkeling als Gouda. Meer nog: het succes van de Goudse pijpenbakkers woog op de ontwikkeling van de omliggende productieplaatsen: zo ondervonden de producties in Gorinchem en Leiden, net als die in Amsterdam en Rotterdam op het einde van de 17de eeuw een sterke terugval (Van Oostveen en Stam 2011, 170–71).
65
Vermoedelijk moet de verklaring voor het Goudse succes gezocht worden in een combinatie van factoren. Als voornaamste troeven van Gouda worden genoemd: de gunstige ligging aan de Hollandse IJsel, de waterweg die Holland kruist van Noord naar Zuid en daarmee de Oostzee in verbinding bracht met Rotterdam en bij uitbreiding Zeeland en Vlaanderen; toegang tot de Hollandse en Friese turfgebieden voor de nodige brandstof; de kansen dankzij wederkerige relatie tussen stadsbestuur en een sterke gilde; het feit dat op het eind van de 16de eeuw vrijwel alle nijverheid in Gouda was verloren gegaan, maar er wel nog bloeiende pottenbakkersbedrijven waren met de noodzakelijke pottenbakkersovens; ook de aanwezigheid van grote getalen ingekwartierde Engelse soldaten aan het begin van de 17de eeuw, die bij luwte in de strijd op zoek moesten naar een ander inkomen. Onder hen ook pijpenmakers met ervaring en vakkennis (Hibben 1983, 196). Vooral die laatste twee punten zijn bijzonder interessant en verdienen wat meer duiding. Het is zo dat de rol van de Engelse inwijkelingen op het ambacht lange tijd erg groot bleef. Pas vanaf dan in het tweede kwart van de 17de eeuw begon het aantal pijpenmakers van Hollandse origine het overwicht te nemen in Gouda (Duco 1988a, 52). Toch moet het soldaat (Goedewaagen 1934). Het is een fenomeen dat zich ook elders in de Noordelijke Nederlanden aftekent. Stam kwam tot een overzicht van 25-tal pijpenbakkers die tussen 1621 en 1650 actief waren in de Noord-Nederlandse steden (Stam 2019e, 62). Verschillende ervan dragen een Engelse naam. Zo was er in 1638 in Tholen nog een zeker Dyer actief. Sommige namen zijn vernederlandst wat maakt dat we misschien nog een aantal Engelse ambachtslui over het hoofd zien. Beste voorbeeld is Samuel Brown in de archieven vermeld als Samuel Broen. Hij was in 1637 actief in Breda en zijn oven werd in de jaren 1990 archeologisch onderzocht (Hesemans 1994). De Engelsen boden mankracht, maar vele van hen brachten ook de nodige kennis en vaardigheid binnen om vrij snel pijpen van degelijke kwaliteit te gaan produceren.
Figuur 43 pijpenoven van Samuel Brown (merkteken SB) aan de Molenstraat in Breda (Erfgoedweb Breda).
66
De aanwezigheid van pottenbakkers en hun ovens lijkt bijna een conditio sine qua non voor de opstart van een pijpnijverheid. Zo werd er in Gouda lange tijd gebakken in gedeelde ovens. In Gouda – in de 17de eeuw toch het epicentrum van de Europese kleipijpenproductie – had tot in de 18de eeuw geen enkele pijpenbakker een eigen oven. Ze deelden samen dezelfde ovens en deze symbiose bleek ook niet geheel vrijblijvend te zijn. In 1719 kreeg pijpenbakker Arij Jacobs als eerste toestemming om een eigen oven op te trekken, wat leidde tot veel negatieve reacties uit de eigen gilde en het pottenbakkersgild. Voor Vlaanderen en Wallonië zijn gegevens schaars, maar uit ons onderzoek voor Gent blijkt dat pijpenbakkers zich in de 17de eeuw ook in pottenbakkerswijken gingen vestigen wat kan wijzen op het gedeeld gebruik van ovens (Zie § 5.2). Ook uit 19de-eeuws Brugge is een gedeeld gebruik van ovens gekend (J. Van der Meulen 1985). In Gent zien we dat tijdens de late 18de en eerste helft 19de eeuw vele pijpenbakkers in feite in de eerste plaats pottenbakker waren wat dan weer wijst op een sterke verwevenheid met de pottenbakkersnering op dat moment. Het is niet duidelijk in welke mate deze vorm van verwevenheid er ook al was in de 17de eeuw. Medio 19de eeuw verschijnen de eerste gespecialiseerde pijpenovens en lijken de Gentse pijpenbakkers hun eigen weg op te gaan.
5.1.2.2. Gouda geeft de vroegmoderne pijp een gezicht Van de 16de tot 18de eeuw kwamen in Gouda een vijftal kenmerkende pijpmodellen tot ontwikkeling; via uiteenlopende reguleringen rond maatvoering en kwaliteit werden nieuwe modellen telkens geperfectioneerd tot een standaardmodel dat een tijdlang systematisch werd geproduceerd door alle leden van de gilde; ook de traditie om een pijp te gaan merken ontwikkelde zich onder de vleugels van de verenigde Goudse pijpenbakkers. Tot diep in de 18de eeuw was de Goudse pijp het voorbeeld voor vrijwel elke pijpenbakker in Noordwest-Europa. Zo was de werking van de Goudse gilde sterk bepalend voor het uiterlijk van de vroegmoderne kleipijp in onze gewesten. De pijp met dubbelconische kop krijgt rond 1610 haar vaste vorm en was een afgeleide van de 16de-eeuwse Engelse pijpjes. De dubbelconische kop ontwikkelde zicht gaandeweg in de 17de eeuw tot trechtervorm en begin 18de eeuw tot een ovale kop. Een lineaire ontwikkeling die de goedkoper wordende tabaksprijzen reflecteert. De ketelinhoud wordt ruimer zonder dat de pijp aan elegantie inboet. In het derde kwart van de 18de eeuw komen er met de kromkop en de rondbodem twee nieuwe modellen bij die vermoedelijk zijn geïnspireerd op Engelse pijpen uit die periode om een antwoord te bieden aan de veranderende smaak van de (internationale) consument22.. Al vanaf de 16de eeuw was er in Gouda sprake van een gedifferentieerd aanbod in kwaliteiten. Begin tweede kwart van de 17de eeuw polariseert die variëteit in kwaliteit tot twee soorten: de groffe en de fijne pijpen. Met de komst van de gilde deelt men het aanbod verder op, en ontstaat zo naast de fijne en groffe pijpen ook de porceleijne. In hoofdzaak wordt kwaliteit in deze periode bepaald door de mate van afwerking en verfijning van het product. Rond 1700 komt het ook tot een maatstelsel voor de betere pijpen. Voor minder kwaliteit pijpen waren er weinig regels. Al vanaf de 17de eeuw worden er zowel in de Noordelijke Nederlanden als in de Zuidelijke Nederlanden kleipijpen in de stijl van Gouda geproduceerd. Met wisselend succes. Vormnabootsing lijkt vaak nog wel te lukken maar de Goudse kwaliteit en finesse worden zelden geëvenaard al zal dat ook niet overal de ambitie zijn geweest (zie infra). Desalniettemin bepaalde de Gouwenaar gedurende bijna drie eeuwen de vormgeving van de NoordwestEuropese pijp.
22
De ontwikkeling van deze pijpmodellen wordt in meer detail beschreven in § 7.2
67
Figuur 44 Eerste gestandaardiseerd Gouds pijpmodel met dubbelconische kop. Dit exemplaar heeft een roos als merk(1630-1640). Vindplaats Amsterdam (Amsterdam Pipe Museum)
Al in 1628 verscheen in Gouda een eerste ordonnantie rond merkenregistratie na enkele disputen. De gewoonte om hielmerken te zetten was toen al aanwezig. Zo werd de roos en de laars vaak gezet als kwaliteitsteitsmerk. De disputen ontstonden toen de pijpenmakers het merk ook gingen zien als een persoonlijke handtekening en handelsmerk. Adviezen leidden vaak tot de toevoeging van één of meerder details aan de roos om deze uniek karakter te geven. Vanaf de jaren 1630 neemt de variatie in motieven toe met beeld- en figuurmerken maar ook initiaalmerken. In 1641 kwam er al een echte merkenregeling: iedere pijpenmaker werd gelast zijn eigen merk te zetten op de pijp en het verpakkingsmateriaal, en zodanig dat het merk onderscheiden kan worden van andere merken (Duco 2003b, 14). Zo werd de stempel een persoonlijk gegeven23. In Gouda hadden niet enkel pijpenmakers maar ook handelaars de rechten op bepaalde merken. Dit was historisch zo gegroeid. Aanvankelijk waren de Goudse pijpenmakers net als elders in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden ook handelaars. In 1686 werd dit verboden door de gilde. Enkel diegene die beide beroepen reeds uitoefenden mochten dit blijven doen. Dankzij erfrechten bleven talrijke Goudse koopmannen in bezit van een of meerder merktekens. Zij lieten doorgaans pijpen maken door meerdere pijpenmakers, vaak vermeld als buitenbazen of zetbazen. Een gewoonte die ook leefde bij de grotere pijpenmakers die - orders te over – werk gingen uitbesteden bij de kleinere bedrijven die moeite hadden het hoofd boven water te houden24. Door de stempel een persoonlijk gegeven te maken werd het ook een echt handelsmerk. Als een pijpenbakker of handelaar zich wist te onderscheiden werd zijn merk ook een kwaliteitsmerk. Zo ontstond er al voor het midden van de 17de eeuw een echte merkverkoop. Ook pijpenbakkers buiten Gouda hadden de gewoonte hun producten te merken. Vaak ontbrak daar een echt regelgevend kader waardoor de keuze van merkteken vaak volledig vrij werd gelaten. Pijpenbakkers kozen soms voor een persoonlijk makersmerk, maar eens de merkverkoop toenam werd er ook gekozen om de populaire Goudse merken te gaan imiteren (Duco 2003b, 21).
5.1.2.3. de Spaanse Nederlanden in de stijl van Gouda Tot voor kort ging men er zondermeer vanuit dat de impact van de Hollandse en vooral Goudse export tijdens de 17de en 18de eeuw dermate groot was dat er elders in Europa voor de 19de eeuw weinig of geen sprake was van pijpproducties van enige betekenis. Ondertussen kan dit beeld toch wat worden genuanceerd. De technologische kennis die werd ontwikkeld in de Noordelijke Nederlanden verspreidde zich al tijdens de jaren ’30 van de 17de eeuw richting de Zuidelijke Nederlanden en omliggende gebieden. Historisch en archeologisch onderzoek wijst op de ontwikkeling van een complex en gelaagd productielandschap in de periferie van Holland Handhaving van de regelgeving was echter beperkt tot in 1660 wanneer de gilde deze controle gaat sturen (Duco 2003b, 17). 24 Het recht op uitbesteding bleef in gebruik tot 1751 waarna het merk enkel nog op de eigen productie mocht worden gezet. Na 1771 werd uitbesteding opnieuw mogelijk. 23
68
bestaande uit een netwerk van productieplaatsen– soms ook individuele ateliers - gericht op de lokale en regionale markt. In westelijk Duitsland werden tijdens de 17de eeuw pijpen in stijl van Gouda geproduceerd in onder andere Keulen, Koblenz, Frankenthal, Duisburg, Kassel; Wickenrode, Marburg, Frankfurt, Hanau, Mannheim. In Mainz en Wesel vestigden de eerste pijpenmakers zich al in de jaren ’30 van de 17de eeuw (Mehler en Kluttig-Altmann 2007). In Noord-Frankrijk lijkt de pijpmakerij pas op gang te komen na afloop van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). De vroegste producties hier zouden die van Duinkerke en Dieppe zijn; in de jaren 1660 werden ook ateliers opgestart in onder andere Saint-Omer, Lille, Boulogne, Rouen, Desvres en Rennes (Barbieux en Gabriel 2006). De vroegst vermelde pijpenbakkers in de Spaanse Nederlanden vestigden zich in het huidige Wallonië. Al in de jaren 30 van de 17de eeuw worden producties opgestart in Doornik, Luik, Bouvignes en Namen (Fraikin 1981a). In 1644 wordt een eerste ‘Vlaamse’ pijpenmaker vermeld in Schoten (Caro 2004a). In 1665 wordt een productie opgestart in Gent door een zekere J(oh)an Traden(i)us (Verbeke 1963). In Antwerpen worden de eerste ovens opgestart in het laatste decennium van de 17de eeuw (Caro 2004a). Vooral Luik zou zich in de eerste helft van de 17de eeuw ontwikkelen tot een echt productiecentrum. In de periode 1637-1647 worden er maar liefst negen verschillende pijpenbakkers vermeld (Fraikin 1979a). In de andere vermelde productieplaatsen lijkt het eerder te gaan om solitaire ateliers. Hoe kwam die technologietransfer vanuit de Republiek naar onze gewesten nu tot stand? We kunnen vermoeden dat ambachtslui begin 17de eeuw om diverse redenen – gaande van geloofsovertuiging tot persoonlijke ambitie - de oversteek maakte van het Noorden naar het Zuiden. In 1637 wordt er in Luik een producent vermeld met de naam Robert Swymborne wat wijst op een Engelse afkomst. Uit de geschreven bronnen kunnen we opmaken dat het in de eerste plaats om een handelaar gaat die uiteindelijk een manufactuur start (Fraikin 1979a). Een andere pijpenbakker actief in Luik rond 1639 was Robert Hammes, was eveneens een ingeweken Engelsman (Fraikin 1979a). Het is niet duidelijk of deze Engelse rechtstreeks van over het kanaal kwamen o via een tussenstop in de Noordelijke Nederlanden. Twee andere collega pijpenbakkers die ook in Luik actief zijn op dat moment – Pieter Haerinck en Jacob Tijvaert - dragen dan weer een Nederlands naam. Van beiden we met zekerheid dat het om inwijkeling gaat uit de Noord-Nederlandse Republiek, Tijvaert kwam uit ‘s Hertogenbosch (Fraikin 1980b). Opmerkelijk is de immigratie van Jean Gravier die zich in Doornik vestigt rond 1691. Hij is niet van Engels of Hollandse herkomst maar komt uit Valenciennes. Uit de aanvraag om een productie op te starten blijkt wel dat hij pijpen maakt de façon et qualité comme celles qui se fabqriquent en Hollande Ook gebeurt het dat pijpenbakkers zich verleggen binnen de grenzen van de Spaanse Nederlanden. Een zeker Jean-Baptiste Chabbotteau was in 1639 nog verantwoordelijk de opstart van een productie in Namen. Na de opbouw van schulden probeert hij zonder succes te herstarten in Saint-Médard bij Dinant, maar trekt uiteindelijk in 1643 naar Bouvignes in Frankrijk waar hij blijkbaar al een productie had lopen (Fraikin 1979a). Uit historische bron weten we dat gedurende de 17de eeuw de producties in de Zuidelijke Nederlanden vooral de lokale en regionale markt bedienden. Voor de ateliers in de steden was de lokale stedelijke markt erg belangrijk. Uit allerlei aanvragen blijkt dat daarom pijpenmakers vaak opeenvolgende pogingen ondernamen om een via de stedelijke overheid een monopolie te bekomen. Zo kreeg de handelspartners Denis Derasse, Jean Flicon en Jean Carpentier in 1639 het alleenrecht om in Doornik tabakspijpen te produceren. In 1671 wordt dit priviliege vernieuwd maar ondertussen werkt Derasse samen met François Capron (Soil de Moriamé 1886, 189–92). Eind 17de eeuw gaat komt soortgelijk monopolie in handen van Jean Gravis: gedurende een periode van tien jaar mochten enkel pijpen van Gravis worden gerookt in 69
Doornik en voorsteden (Soil de Moriamé 1886, 192–95). Wanneer Chabboteau zich in 1639 vestigt in Namen, gebeurt dit op voorwaarde van een monopolie. Gedurende 18 jaar mag hij als enige pijpen produceren en leveren in het Graafschap Namen waarmee hij zich van een regionale afzetmarkt verzekerde (Fraikin 1979a, 258–60).
5.1.3. De 18de eeuw: pijpen bakken onder de Oostenrijkers 5.1.3.1. de Goudse reus wankelt Om de evolutie van de pijpmanufactuur in onze gewesten tijdens de 18de eeuw te begrijpen moeten we opnieuw even terugkeren naar de Noordelijke Nederlanden. Hier zien we het totale aantal productieplaatsen in de eerste helft van de 18de eeuw stelselmatig afneemt. Zo stoppen in de periode onder andere de ooit vermaarde producties in Amsterdam en Leiden. Dit komt omdat een aantal productieplaatsen zich verder gaan ontwikkelen en een bovenlokale afzet gaan realiseren. Naast Gouda gaat het om Gorinchem, Schoonhoven en Aarlanderveen. Aarlanderveen richtte zich samen met de ateliers in Alphen-aan-de-Rijn (start productie op het einde van de 17de eeuw) op Goudse imitatieproducten. Daarnaast bleven nog enkele meer bescheiden producties actief die zich richtten op de lokale en regionale markt. De voornaamste zijn Deventer, Zwolle, Utrecht, Maastricht, Groningen en Leeuwaarden (Van Oostveen en Stam 2011, 23). Gouda wist zich als enige te ontwikkelen als internationale speler. Goudse kleipijpen werden wereldwijd geëxporteerd en werden zeker ook gesmaakt in de Zuidelijke Nederlanden. Gouda specialiseerde zich vanaf de late 17de eeuw in duurdere pijpen van hoge kwaliteit maar bleef ook goedkopere en minder afgewerkte pijpen produceren. Met de specialisatie in dit topsegment onderscheidde Gouda zich van de meeste andere productieplaatsen waar voornamelijk goedkopere en minder afgewerkte producten werden gemaakt. De kwaliteitspijp bracht Gouda ook de nodige faam en uitstraling wat bijdroeg tot het internationaal succes (Duco 1987a, 22–24). In de jaren 30 van de 18de eeuw beleeft de Goudse industrie haar hoogtepunt. Daarna volgt een decennium van stagnatie en rond 1750 wordt een neerwaartse trend ingezet. Het aantal pijpenmakers met een eigen merk gaat van dan af sterk achteruit. Vermoedelijk weerspiegelt dit voor een stukje ook een bewuste reorganisatie van het ambacht die zich op dat moment doorzet. Vele kleine ateliers worden opgeslorpt door de grotere bedrijven. Het is wel een teken aan de wand en wijst op een terugvallende verkoop bij de kleinere spelers en moeilijkheden om financieel rond te komen (Stam 2019e, 407).
Figuur 45 Merktekens op pijp van de Goudse pijpenbakker Maarten Verzijl (1740-1760). Van links naar rechts: bijmerk wapenschild Gouda; hielmerk kruisanker; steelmerk M. VERZYL IN GOUDA (Amsterdam Pipe Museum)
70
De reden van de achteruitgang is niet eenduidig en vermoedelijk speelde meerdere factoren een rol. Als een belangrijke reden wordt doorgaans een toenemende concurrentie aangehaald van andere productieplaatsen. Al sinds de jaren 30 van de 18de eeuw begint het imitatiegedrag van de collega’s buiten de gilde tot meer en meer tot onrust te leiden. Dit zien we aan een aantal protectionistische regelgevingen die op dat moment tot stand komen onder impuls van de Goudse gilde zoals het alleenrecht voor de Goudse pijpenbakkers om op de zijkant van de hiel een Gouds wapenschild te zetten (1740) (Duco 2003b, 36;45). De imitaties gingen vaak ver: vormenschat, decoratie en vaak werden ook de gestempelde handelsmerken gekopieerd. Vaak werden producten die elders werden geproduceerd, zonder schroom als Gouds verkocht. Het kopiëren van uiterlijke kenmerken van de Goudse kleipijpen gebeurde al sinds de 17de eeuw, maar pas in de jaren 1730 kwam er concrete reactie uit Gouda. De meningen zijn er over verdeeld of de Goudse pijpenbakkers op dat moment al echt hinder ondervonden van de concurrentie, of het eerder om anticiperen gaat op de groeiende afzet bij kleinere producenten in de Republiek en in het buitenland. We denken dan onder andere aan de bloeiende Noord Nederlandse producties van Aarlanderveen, Alphen-aan-de-Rijn en Gorinchem, maar ook de rol van de producties in de buurlanden werd in deze periode sterker. Bepaalde Duitse exporten begonnen zich te verspreiden in de omliggende regio’s, en in de Oostenrijkse Nederlanden werd de productie stilaan stabiel genoeg om een grotere markt te gaan voorzien. (Duco 2003a). Achterliggende reden voor de verhoogde ongerustheid was mogelijk een belangrijke verandering in de markt: de vraag naar goedkopere pijpen werd alsmaar groter. Als reden hiervoor wordt doorgaans economische malaise aangehaald en een algemene achteruitgang van de koopkracht (Stam 2019d, 408). Het verhaal is waarschijnlijk complexer en mogelijk speelde ook een aantal maatschappelijke veranderingen een rol. Massaconsumptie begon zit te ontwikkelen. Consumptie van andere dingen dan de levensnoodzakelijkheden was niet langer voorbehouden voor de elite maar werd ook de norm bij de middenklasse en lagere sociale lagen (De Vries 2008). De markt voor de pijp groeide maar dan vooral voor de goedkopere pijp. Tegelijkertijd lijkt er ook een verandering plaats te vinden in het tabaksverbruik bij de hoger klassen. Nieuwe luxeproducten doen hun intrede zoals snuiftabak en vanuit Duitsland doet ook de porseleinen pijp haar intrede (Goes 1993). De Gouwenaar raakte zo mogelijk eenvoudigweg ook wat uit de mode. Los van elke gilderegulering rond kwaliteit, opleidingsvereisten en arbeidsvoorwaarden konden pijpen in de stijl van Gouda elders goedkoper worden geproduceerd. De dynamiek van de gilde die de Goudse pijpnijverheid had groot gemaakt, ging nu eerder verstikkend werken. De pijpenmakers bleven gebonden aan hun regelgeving met strikte bepalingen rond kwaliteit maar ook rond aspecten zoals opleidingsniveau en arbeidsvoorwaarden. Daarnaast bleef het voor vele pijpenmakersbazen erg lang een eervolle ambitie om zich richten op de betere kwaliteitsoorten (Duco 2003b, 45). Pas vanaf het vierde kwart van de 18e eeuw komt er in Gouda de realisatie dat het gat in de markt zich op vlak van de eenvoudigere pijpsoorten bevindt en de Goudse nijverheid zich willens nillens moet gaan heroriënteren. Individuele pijpenbakkers gingen besparingen doorvoeren in het productieproces om de verkoopprijs te drukken. Mallen bleven langer in productie en er werd minder tijd geïnvesteerd in de afwerking van het product (Stam 2019e, 410). De gilde riep in 1783 de stadspijpenfabriek of de kleine pijpenfabriek tot leven. Een atelier in handen van de overheid bedoelt om nieuwe pijpenbakkers op te leiden maar ook om voldoende grove pijpen in het Goudse aanbod te verzekeren (Duco 2003b, 45). Op dat moment was Gouda haar dominante positie op de markt al lang kwijt. Met de geforceerde keuze om af te stappen van de hoge kwaliteitseisen verloren de Goudse pijpenbakkers ergens ook voor een stuk hun uniciteit. 71
In kader van de terugval van de Goudse nijverheid wordt er ook vaak verwezen naar de veranderende politieke situatie en mercantilistische maatregelen die sommige Europese mogendheden namen. Zo voerde Pruisen rond 1754 een aantal invoerbeperkingen in en vanaf 1751 kwam er ook een heffing tot stand op de invoer in de Oostenrijkse Nederlanden (Stam 2019d, 412). Deze invoerheffing zijn zeker niet de oorzaak van de achteruitgang maar hebben het proces mogelijk wel een duwtje in de rug gegeven. Het lijken eerder reacties van een overheid die tot inzien komt dat er in de nieuwe marktsituatie kansen liggen voor de eigen nijverheid en die ook bewust gaat stimuleren. Vermoedelijk wel van impact waren de vele lagere nominale lonen in verschillende buurlanden waaronder de Oostenrijkse Nederlanden (Vandenbroeke 1985, 317). Daarnaast werd ook de aanvoer van klei bemoeilijkt en daardoor duurder. Goudse pijpenbakkers maakten gebruik van klei uit het huidige Belgische Maasland. Sinds de 17de eeuw hadden verschillende van hen via contracten en overeenkomsten eerste keus klei bedongen bij leveranciers. Tot 1740 verliep het transport ervan naar de Noordelijke Nederlanden over de Maas. Na een conflict tussen het prinsdom Luik en het Brusselse hof over douanerechten viel de aanvoer stil. De handel werd opnieuw opgestart onder impuls van private ondernemers die een monopolie namen op het transport. Voortaan werd de klei via Namen naar Brussel en later Leuven getransporteerd met paard en kar om vervolgens te worden verscheept naar het Noorden (Fraikin 1979b, 17–19). De grote kleileveranties en het belang ervan voor de kleileveranciers maakten dat de handel dus snel opnieuw opgang kwam. De tussenkomst van handelaren en de nieuwe manier van transporteren zorgden onvermijdelijk voor hoger kosten. Opmerkelijk is dat ook een aantal pijpenbakkers in de Zuidelijke Nederlanden te lijden hadden onder deze nieuwe monopolies waaronder een van de grotere spelers tijdens de 18de eeuw, Charles Claessen in Antwerpen (Fraikin 1979b, 17–19).
5.1.3.2. Een divers en complex productielandschap In de Zuidelijke Nederlanden zien we al vroeg in de 18de eeuw een toename van pijpfabrikanten. Opnieuw zal een combinatie van factoren aan de basis gelegen hebben van deze ontwikkeling. De voornaamste is misschien toch wel de politieke situatie die voor de Zuidelijke Nederlanden enigszins stabieler werd. In 1713 komt er met de Vrede van Utrecht een einde aan de Spaanse Successieoorlog (1701-1713). De Zuidelijke Nederlanden kwamen daarbij onder Oostenrijks bewind. Na de Vrede van Aken (1748) en het einde van de Oostenrijkse Successieoorlog (17401748) kreeg Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk helemaal de handen vrij en koos ze voor een mercantilistische politiek via een krachtig douanebeleid. We vermeldden al eerder de invoerheffing op buitenlandse pijpen die in 1751 werd ingevoerd (Stam 2019d, 412). Het ondernemerschap werd gestimuleerd, alsook de opstart van nieuwe bedrijven. Nieuwe weginfrastructuur werd aangelegd en havenfaciliteiten (oa. Oostende) verder uitgebouwd. Handel werd geïntensifieerd en er werden nauwe handelsnetwerken opgezet met onder andere Frankrijk. Vermoedelijk profiteerde ook de pijpmanufactuur mee van deze positieve ontwikkelingen. Al kort na de machtswissel in 1713 werden ateliers opgestart in Aalter, Bergen, Bilzen en Kortrijk. Nadien streken er nog pijpenbakkers neer in onder andere Mariemont (1741), Zemmer (Lux. 1751), Brussel (1752), Lier (1753), Andenne (1757), Schaffen (1758), Olmen (1760), Balen (1766) en Roeselare (1783) (Caro 2004a, 89–100). Ook de lokale overheden steunden de ontluikende nijverheid: in 1732 verleende de Stad Antwerpen tal van privileges aan een zeker jan van Boxcel indien hij een productie zou opstarten die de strijd zou kunnen aangaan met de Goudse concurrentie (Versluys 1981). Tweede helft 18de eeuw voerde het stadsbestuur een invoerheffing op pijpen die Brabant binnenkwamen. Deze heffing kwam op de ander invoerheffing op schaal van de Oostenrijkse 72
overheid. Een brief uit 1789 van het Goudse stadsbestuur getuigt dat deze heffingen toch een impact hadden (Duco 1982a). Tabel 4 Gekende producties in huidig België (Caro 2004; Van der Meulen1985; Stam 2019a) 17b 17c 17d 18a 18b 18c 18d 19a 19b 19c 19d 20a 20b Aarlen 25
Andenne Antwerpen Balen 26
Bergen Bree Brugge Brussel
Charleroi Dinant Doornik
27
28 29
Flémalle Gent Geraardsbergen 30
Hoei Ieper Izegem Kortrijk Lier 31
Luik Maaseik Mariemont Mechelen 32
Namen Olmen
33
Péruwelz Poperinge
Quaregnon Roeselare Schaffen Schoten
34
35
Saint-Ghislain Sint-Jans-Molenbeek Sint-Niklaas Tielt
Ook vermeldingen voor deelgemeenten Andenelle, Seilles Ook vermeldingen voor Maisières, Nimy en Saint-Symphorien 27 Vermeldingen voor deelgemeenten Jumet, Roux en Mont-sur-Marchienne 28 Ook vermeldingen voor deelgemeenten Gaurain 29 Vermelding voor deelgemeente Chokier 30 Ook vermelding voor deelgemeente Ben-Ain 31 Ook vermeldingen voor Grivegnée 32 Ook vermeldingen voor deelgemeenten Falmignoul, Mettet en Flawinne 33 Enkel vermelding voor deelgemeente Bury 34 Vermelding voor Wasmuel 35 Vermelding voor Hautrage 25 26
73
Torhout Vlamertinge Wetteren 36
Zinnik
Wie waren nu de pijpenmakers in de 18de eeuw? In de productieplaatsen die al in de 17de eeuw actief waren, zijn het veelal de nazaten of medewerkers van de eerste generatie pijpenbakkers die het werk verderzetten. In 1768 vestigt zich in Andennelle een zekere Diruck Jean uit Namen wat lijkt te wijzen op mobiliteit van ambachtslui binnen de grenzen van de Oostenrijkse Nederlanden (Fraikin 1981a). Ook lijken inwijkeling een rol te spelen in de doorstart van de pijpenmakerij in onze gewesten. In Brussel draagt de eerste pijpenbakker de naam Joseph Dacosta (Vanklemput 1996, 53) wat lijkt te wijzen op een Portugese origine. In Andenne worden de eerste pijpen gemaakt in 1757 door Petter Meniecken uit Höhr nabij Koblenz (Mordant 1999), een gekend productieregio in Duitsland. In Balen wordt de productie opgestart door een ‘buitenlander’ volgens het gemeentebestuur (Caro 2004b). In Antwerpen is in 1758 met Egbert Harsevoort een Noord-Brabander uit Dordrecht aan de wieg van de pijpproductie (Fraikin 1980b). Andere pijpenbakkers van Noord-Nederlandse origine vinden we in Doornik met Dirick Marlinck (1711) (Soil de Moriamé 1886) en Jules Clausterman (1775) (Soil de Moriamé 1886). Die laatste kwam uit het Limburgse Maastricht. De huidige stand van zaken suggereert dat ook de producenten in de toenmalige Oostenrijkse Nederlanden niet de sterkste innovators waren maar eerder gedreven imitators. Het lijkt er ook op dat imitatiegedrag werd gedoogd en zelfs gestimuleerd door de lokale overheden: hiervan getuigen de vele aanvragen voor de opstart van een productie waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de pijpenbakker zal gaan werken in de stijl van Gouda (Caro 2004b). Met enige trots verklaart Egbert Harssevoort in 1783 aan het Antwerps stadsbestuur dat hij Gouda heeft bezocht en daar niet is vertrokken vooraleer daar het nodige pijpenbakkers materieel te hebben laten maken om de beste Hollandse pijpen te gaan namaken (Pottier 1986, 18). Over de draagkracht en afzet van deze pijpenbakkerijen is weinig bekend. Op basis van de beschikbare archiefdocumenten wordt duidelijk dat de meeste productieplaatsen in de Zuidelijke Nederlanden van beperkte schaal waren. Als we de vermeldingen van de pijpenbakkers er bij nemen zien we dat in volgende steden meerdere ateliers naast elkaar werkten gedurende bepaalde perioden in de 18de eeuw: Andenne, Antwerpen, Brussel, Kortrijk, Gent, Luik, Mechelen, Namen en Doornik. Vooral Doornik, Namen en Luik lijken productieplaatsen van enige omvang te zijn geweest met in bepaalde perioden vijf of meer ateliers. Vooral Luik springt dan in het oog met rond het jaar 1750 een tiental pijpenmakers. Daarnaast zijn er ook plekken waar de eenzame pijpenbakker aan het werk is zoals in Balen, Olmen, Schaffen, Lier, Mariemont en Zimmer (Caro 2004b, 89–100). Als we dit vergelijken met de Noordelijke Nederlanden zien we dat zelfs Luik niet in de buurt komt van de grotere productieplaatsen daar wat het aantal ateliers betreft. Zo telt Aarlanderveen er rond 1750 bijvoorbeeld 21; Gorinchem 15; en Schoonhoven 18. Voor Gouda kennen we het aantal ateliers niet, maar wel het aantal pijpenbakkers met eigen merk. Dat zijn er in 1750 meer dan 350 (Stam 2019e, 475–76). Het aantal ateliers zegt dan wel iets over de schaal van het productiecentrum maar niet zo zeer over de omvang van een atelier. Over de omvang van de ateliers tijdens de 18de eeuw is bijzonder weinig geweten. In de aanvraag van octrooien, bouwvergunningen en privileges vindt men soms een vermelding van het aantal werknemers terug. Het is altijd wat opletten met 36
Vermeldingen voor deelgemeenten Casteau
74
zulke cijfers want ze werden soms kunstmatig opgesmukt om privileges, vergunningen en leningen te verwerven (Stam 2019b). De weinige bronnen wijzen alvast op een grote diversiteit in schaalgrootte en organisatie. In Doornik zou al eind 17de eeuw het atelier van Jean Gravier zijn uitgegroeid tot een bedrijf met 40-tal werknemer. Mogelijk moeten we dit aantal met een korreltje zout nemen, maar het lijkt er toch sterk op dat Gravier op dat moment een van de grotere spelers was. In Antwerpen zijn medio 18de eeuw slechts twee ateliers actief met dat van de familie Claessens en dat van Egbert Harssevoort. Een er van lijkt toch van een zekere omvang te zijn. Carolus Claessens had bij de stad Antwerpen bekomen om jaarlijks 100 gulden te ontvangen vanaf het moment dat hij meer dan 100 mensen in dienst zou hebben. Hij zal deze quota nooit bereiken maar in 1755 is er toch sprake van een ‘sekere nombere persoonen’. Tien jaar later is er sprake van een 20-tal mensen in dienst (Pottier 1986, 17–18). Ook het andere Antwerpse atelier zou van dezelfde schaal zijn geweest (Oost 1982). Voor wat referentie kijken we naar de Noordelijke Nederlanden. Ook daar is er weinig bronmateriaal beschikbaar voor deze periode. Voor enig vergelijkingsmateriaal komen we terecht in Aarlanderveen. Daar baatte rond 1750 Magtelt Andriesse Hoogstraten één van de grotere ateliers uit. Zij hadden zo’n 30 mensen in dienst (Van Oostveen en Stam 2011, 34). Vermoedelijk waren er aan de andere kant ook erg kleine spelers actief in de sector. Een interessante maar helaas erg onvolledige overzicht van de pijpenmakerijen in de Zuidelijke Nederlanden en het personeel dat ze in dienst hadden, wordt verschaft door de Oostenrijkse Overheid. In de Statistique des productions et industries des Pays Bas autrichiens uit 1764 zien we vooral kleinere bedrijven met beperkte arbeidersaantallen. Locatie atelier
Aantal arbeiders
Antwerpen
22
Lier
13
Balen
5
Tabel 5 Aantal arbeiders per atelier volgens de Statistique des productions et industries des PaysBas autrichiens uit 1764 (Moureaux 1973)
De vraag is ook of we het belang van huisnijverheid in de 18de-eeuwse pijpmakerij niet onderschatten. Voor Olmen 3 Nederland gaat men er van uit dat al in het tweede Andenne 4 kwart van de 17de eeuw de meeste pijpenbakkerijen Doornik 6 overschakelen naar een ambachtelijke organisatie Brussel 5 waarbij er wordt gewerkt met personeel in een centrale Schaffen 1 werkplaats. Weliswaar was deze werkplaats vaak een uitbreiding van het huis van de baas, een echte huisnijverheid kan je dit niet meer noemen gezien het gecentraliseerd karakter van de arbeid. De vraag is of deze evolutie zich in de Zuidelijke Nederlanden even sterk en snel doorzet. In Vlaanderen ziet men in de 18de eeuw bijvoorbeeld in de textielverwerking net een grote toename aan huisnijverheid omdat men de inkomsten uit het ambacht of boerenleven gaat aanvullen door thuis te spinnen en te weven. Niet altijd uit barre armoede en noodzaak; vaak gaat het om een bewuste keuze om het eigen welvaartsniveau te verhogen (Vandenbroeke 1985). Het is niet uit te sluiten dat thuiswerk tijdens de 18de eeuw nog een rol speelde in de pijpenmakerij in Vlaanderen en Wallonië. Een bevestiging van deze hypothese lijkt te vinden in een aantal archiefstukken met betrekking tot pijpenbakker Nicolas Pinchon actief in Doornik tussen 1714 en 1727. In 1716 heeft hij zes arbeiders in dienst en tegen 1717 is dit al gegroeid tot 15. Hij laat op dat moment ook drie nieuwe ovens bouwt. Eerder in 1715 liet hij al een eerste oven bouwen. In de aanvraag gaat Pinchon er vanuit om met de oven in onderhoud van 20 tot 30 gezinnen te voorzien (Soil de Moriamé 1886, 198–202). Tot in de 19de eeuw blijkt het produceren van pijpen vaak een familie- of gezinsgebeuren te zijn (Stam 2019c). Voor de Naamse pijpenbakker Dieudonné Joseph Antoine werkte in 1783 32 tot 33 werknemers waaronder vrouwen en kinderen. Opmerkelijk is de inzet van een hele familie uit Holland met
75
drie kinderen. Minstens even opmerkelijk is de inzet van weeskinderen die hij de eerste maanden die ze bij hem werkten niet hoefde te betalen (Fraikin 1981a, 30) Ook in de 18de eeuw bakten de pijpenbakkers in de Zuidelijke Nederlanden hoofdzakelijk voor de lokale en regionale markt. Toch lijkt men stilaan de blik ook te gaan verruimen. Een regionale afzetmarkt stopt niet noodzakelijk aan de landsgrens. In 1751 voert de bescheiden productie in het Luxemburgse Zemmer uit naar Frankrijk en de regio van de Duitse stad Trier (Vanklemput 1996, 55). Al in 1714 verhandelt Nicolas Pinchon niet alleen pijpen in zijn thuisstad Doornik , maar ook in de Noord-Franse steden Rijssel, Douai en Valenciennes. Enkele jaren later in 1721 bedient Pinchon ook grote delen van Henegouwen en Vlaanderen met steden zoals Oudenaarde, Menen, Ieper, Kortrijk en Gent. Hij begeeft zich zelfs op de Noord-Nederlandse markt (Soil de Moriamé 1886, 198–202) Een opmerkelijk getuigenis dateert uit 1715. Agnes Denison, weduwe van pijpenbakker Jean Godart en handelspartner van pijpenbakkers Anthoine Capitaine en P.H. Dupaix, verzet zich tegen een bedenkelijke handelspraktijk. Nederlandse en Luikse pijpen worden in Doornik aan dumping prijzen verkocht tot minder dan de helft van hun werkelijke waarde (Fraikin 1979a). We herkennen in deze marktverstorende acties de ambitie van de Luikse pijpenbakkers om de Naamse markt in te nemen en de lokale nijverheid daar stokken in de wielen te steken. Waarom mengden hun Noord-Nederlandse collega’s zich zo uitdrukkelijke in de debatten? Mogelijk moet er toen bij de Goudse en Hollandse producenten al een gevoel van opkomende concurrentie hebben geleefd. In de context van concurrentie en competitie met Gouda en de Noordelijke Nederlanden, wordt er vaak nogal pejoratief gedaan over de kwaliteit van de producties uit de Zuidelijke Nederlanden. Gedurende de 17de en 18de eeuw zou het steevast gaan om bedroevende imitaties van het Gouds origineel. Esthetisch en technisch van een laag niveau (Stam 2019b). Pas op het einde van de 18de eeuw zouden de pijpenmakers in de Zuidelijke Nederlanden in staat zijn van de kwaliteit van hun producten op te krikken (Stam 2019f).Doorgaans wordt in deze context verwezen naar een aantal contemporaine getuigenissen zoals het onderzoeksrapport van Paradis uit 1770. Hij is adviseur van Raad van de Financiën en brengt op dat moment de staat van de Zuid Nederlandse pijpenbakkerijen in kaart. Hij haalt onder andere aan dat de productie minder compleet is als die van Gouda, vermoedelijk doelend op het ontbreken van de beste categorie van pijpen in het gamma. Hij ziet ook een kwaliteitsverschil met de producten uit Gouda. De reden die hij aanhaalt is een verschil in kleimengeling, problemen met het controleren van de oven temperaturen en het gebruik van ander water (Fraikin 1981a). Met andere woorden: minder kwaliteit door een gebrek aan métier en het gebruik van mindere grondstoffen. Uit 1782 is er een verzoek om de doorvoer van Hollandse pijpen door de Oostenrijkse Nederlanden te verbieden. In het advies dat volgt, staat het volgende te lezen: “Indien de pijpen die men in ons land ( de Zuidelijke Nederlanden) vervaardigde de kwaliteit en de schoonheid van deze van Holland zou benaderen, zou dit inderdaad een motief zijn om de transit (van Hollandse pijpen door de Zuidelijke Nederlanden) te verhinderen. Maar het verschil is zeker zo groot als het verschil tussen slecht aardewerk en mooi porselein en ik geloof, dat de doorvoer van alle Hollandse pijpen geen schade zou berokkenen aan de kleine hoeveelheid die wij exporteren (Fraikin 1981a, 39).” Mogelijk kunnen we in de toekomst ons beeld van de kwaliteit van de lokale producties in onze gewesten verder verfijnen en waar nodig nuanceren. Momenteel ontbreekt het aan materiële bronnen om de summiere informatie uit de geschreven bronnen te gaan toetsen naar waarheid en volledigheid. Meer onderzoek naar productiesites en -afval is nodig. Ook de studie 76
van goed gedateerd consumptieafval kan nieuwe informatie aanreiken. Hierbij is specifieke aandacht nodig voor de lokaal geproduceerde pijpen en hun kenmerken op vlak van baksel, vormgeving, afwerking en decoratie. Zo kon bijvoorbeeld op basis van een vondstensemble uit de Antwerpse kathedraal worden aangetoond dat de pijpen van de Antwerpse pijpenbakker Egbert Harssevoort wat kwaliteit betreft niet het niveau van de betere Goudse pijp haalden, maar dat ze eerder te vergelijken waren met de grovere 18de-eeuwse producties uit Gorinchem en Schoonhoven (Stam 2019d, 264). Dit gaat natuurlijk om één vondstensemble en de vraag blijft in welke mate het onderzochte materiaal representatief is voor de volledige productielijn van Harssevoort en bij uitbreiding zijn Zuid Nederlandse collega’s. Achterliggende vraag is ook of het zinvol is om steeds de lokale producties in onze gewesten af te gaan wegen aan het topsegment van de Goudse pijpenbakkers? Het advies uit 1782 wijst er misschien terecht op dat het verschil tussen beiden zo groot is als ‘slecht aardewerk en mooi porselein’. Vergelijken we niet twee fundamenteel verschillende producten? De vraag kan dan ook gesteld worden of de reden voor een mindere kwaliteit werkelijk altijd een gebrek aan vakkennis en kunde hoeft te zijn? Of reflecteert het ook de bewuste keuze van de lokale pijpenbakker om zich niet op de markt van de hoge kwaliteitspijp te richten, maar wel op die van de eenvoudige pijp van de modale burger? Met andere woorden, is de mindere kwaliteit een kwestie van ‘willen maar niet kunnen’ of eerder van ‘kunnen maar niet willen’? Archeometrisch onderzoek van een productie ensemble in kader van dit project (zie hoofdstuk 14) toont alvast aan dat de Gentse pijpenbakkers uit de late 17de eeuw een kleisamenstelling gebruikten die nauw verwant was aan die van hun Goudse collega’s. Op vlak van grondstofverbruik leek de Gentse pijpenbakker alvast op dezelfde voet te beginnen.
5.1.4. 1792-1815: een nieuwe impuls tijdens de Franse bezetting Eind 18de eeuw begint Frankrijk zich militair te roeren in Europa en gaat het de strijd aan met het Heilige Roomse Rijk. Een eerste bezetting van het Zuidelijke Nederlandsen was tussen 1792-1793. Na een korte periode van de Tweede Oostenrijkse Restauratie volgde een bezetting die zou duren tot in 1815. In het Noorden werd in 1795 de Bataafse Republiek opgericht waarbij Staats-Nederland (huidig ZeeuwsVlaanderen),Venlo en Maastricht ook deel van Frankrijk werden. In 1806 werd het Koninkrijk Holland opgericht, een vazalstaat van het Franse keizerrijk. Een aantal delen van het Bataafs grondgebied kwamen in 1810 onder direct gezag van de Fransen, met name delen van Zeeland, Brabant, Holland en delen van Gelderland. De douanegrens kwam te liggen ter hoogte van de Waal (Sanders 2002). Voor de Noord Nederlandse productieplaatsen bemoeilijkt de Franse aanwezigheid de zaken. In 1798 – ten tijde van de Bataafse Republiek - worden in de Noordelijke Nederlanden de gilden afgeschaft. Gezien nieuwe beschermde maatregelen voor pijpnijverheid op lokaal niveau veelal uitbleven, negeerden de Goudse pijpenbakkers een tijd lang deze afschaffing en bleef de gilde nog tot in het eerste kwart van de 19de eeuw actief onder onduidelijke wettelijke positie. In 1812 viel definitief het doek (Stam 2019e, 171). De invoer van kleipijpen naar het Franse vrijhandelsgebied werd van 77
Figuur 46 Bodemvondst uit Vlimmeren (B). Gouds ovaal model uit de 18de eeuw met zijmerk gekroonde vis en initialen HSV die vermoedelijk verwijzen naar de Antwerpese pijpenbakker Harssevoor
dan af bijkomend belast. Ook de fijne pijpaarde uit het Maasland werd nog moelijker toegankelijk en ook weer duurder om in te voeren. In combinatie met de stijgende turfprijzen woog dit op de inkomsten (Stam 2019e, 169). Ook ander afzetmogelijkheden vielen plots weg. De productie in het Duitse Westerwald werd steviger en ging meer en meer de Duitse markt bedienen. Pruisen voerde een invoerverbod in en in 1798 verdubbelde de belasting op de invoer ten Westen van de Rijn. In de Overzeese gebieden kwam een groot deel van het koloniaal territorium in handen van de Engelsen (Stam 2019e, 169). Met andere woorden, naast de afnemende populariteit van de hoge kwaliteitspijp ontglipte de Noord-Nederlandse pijpnijverheid eind 18de eeuw ook nog een groot deel van haar internationale afzetmarkt. Laatste hinderende factor waren de tabaksprijzen die tijdens het eerste decennium van de 19de eeuw ook fors stegen omdat de regie van de tabakshandel in Franse handen kwam. De prijzen die in de Noordelijke Nederlanden voor velen onbetaalbaar waren zou een impact hebben gehad op het rookgedrag en daardoor ook de afname van pijpen (Roessingh 1976). De Hollandse overheid besluit in 1810 om niet langer taksen te heffen op uitgaande pijpen en inkomende klei om zo de schade te beperken (Van Oostveen en Stam 2011, 26). Desondanks zien we dat de pijpnijverheid achteruit. Belangrijke 18de-eeuwse productieplaatsen zoals Aarlanderveen, Gorinchem en Schoonhoven gaan sterk achteruit. Vele kleinere producties met regionale afzet zoals Alphen-aan-de-Rijn, Groningen en Zwolle houden simpelweg op te bestaan. Gouda bleef nog een tijdje buiten schot, maar tussen 1803 en 1813 ging ook hier het aantal pijpenbakkers met zo’n 10% achteruit (Stam 2019e, 173). Anderzijds zorgde de douanegrens langs de Waal voor een heropleving van de pijpnijverheid in het gebied dat wij vandaag kenen als Nederlands Limburg en Noord-Brabant met nieuwe productieplaatsen in ’s Hertogenbosch, Venlo en Roermond (Van Oostveen en Stam 2011). Voor de Zuidelijke Nederlanden openden de Franse bezetting dan weer perspectieven. De concurrentie van de gerenommeerde pijpenbakkers uit het Noorden nam af en het Franse vrijhandelsgebied verruimde de afzetmarkt. Eind 18de en begin 19de eeuw zien we in een aantal steden voor het eerst producties worden opgestart waaronder in Mechelen (1792), Poperinge (1797) en Maaseik (1811) (Caro 2004b). Andere bestaande producties zoals Andenne en Gent krijgen nieuwe impulsen met een aanzienlijke toename van ateliers en pijpenbakkers. Andenne en Namen zijn bij de grotere productieplaatsen te rekenen, maar ook Gent doet het niet slecht met in 1819 – kort na de Franse periode – minstens acht pijpenbakkers aan het werk (Caro 2004b).
5.1.5. 1815-1830: iedereen gelijk voor de wet tijdens de Hollandse periode Na de Napoleontische Oorlogen werd het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden opgericht als bufferstaat aan de Noordgrens van Frankrijk. In 1814 werd het Verdrag van Parijs ondertekend dat bepaalde dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden herenigd zouden worden. Dit werd een jaar later bekrachtigd tijdens het Congres van Wenen. Op het moment dat de Franse de Nederlanden verlieten was vooral het noorden sterk verarmd omdat een groot deel van de internationale handel was stilgevallen. Deze werd door Willem I actief gestimuleerd. In het zuiden werd ingezet op industrie en nijverheid. Zo ontwikkelde onder andere de textielnijverheid zich in geen tijd tot een wereldspeler. In Antwerpen werd Schelde opnieuw geopend en Gent kreeg met het Kanaal Gent-Terneuzen een verbinding met de Noordzee. Beide havensteden profiteerden van een nieuw Oost-Indisch afzetgebied waar ze door de vereniging der Nederlanden toegang toe kregen (Aerts en Deneckeckere 2015).
78
De economische impulsen onder Wilhelm I brachten de pijpnijverheid zeker niet de bloeiperioden die men zou kunnen verwachten. In het Noorden is de algemene economische malaise niet op korte tijd opgelost. Vele steden blijven lang in woelig vaarwater. Gouda ondergaat in 1816 een hongersnood. Uit dat jaar zijn er ook getuigenissen over de slechte toestand van de pijpnijverheid. Dit verandert eigenlijk niet in de korte periode dat beide Nederlanden verenigd zijn. Pas na 1850 zou de Goudse pijpnijverheid zich beginnen herstellen dankzij nieuwe kansen op internationale markt (Van Oostveen en Stam 2011).
Figuur 47 Nieuw reglement omtrent merkzetting uit 1818. Publicatie in Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden (01-011818) (Delpher)
Bijzonder interessant is het tot stand komen van een nationale regelgeving onder Hollands bewind. Een merkenregister wordt aangelegd om zo het gebruik van handelsmerken te gaan reguleren en malafide imitatiegedrag te gaan indijken. Het gebruik van nieuwe merken kan enkel bij toestemming de lokale overheid en bestaande merken worden in kaart gebracht. Er wordt een omzendbrief gestuurd naar alle besturen in de verenigde Nederlanden met de vraag om alle pijpenfabrikanten aan te zetten om voor 1 februari 1818 de door hun gebruikte merken door te geven aan het lokale bestuur (Duco 2003b, 50). Uit de lijsten die lokale besturen aan de centrale overheid bezorgen, blijkt dat in de Zuidelijke Nederlanden nog zo’n 40 tot 45 ateliers actief waren in minstens 23 productieplaatsen. In 1819 zouden er tenminste 187 personen werkzaam zijn in de pijpnijverheid inclusief kinderen en bazen. Althans volgens de officiële cijfers (Brugmans 1956; J. Van der Meulen 1985).
5.1.6. 19de eeuw: Belgische succes onder invloed van Frankrijk 5.1.6.1. Centralisatie en stabiliteit Na een voorzichtige start ontwikkelde het nieuwe België zich snel als een industriële speler. Voor Vlaanderen was de textiel van belang, aan de Waalse zijde droegen de staalindustrie en de koolmijnen bij aan de economische welvaart. Antwerpen ontwikkelt zich vanaf de jaren 1840 ook als belangrijkste haven in Europa. De economische groei van het jonge België werd niet echt gestuit door de crisis die Europa doormaakt in het laatste kwart van de 19 de eeuw, en zal pas met de Eerste Wereldoorlog een halt worden toegeroepen (Deneckere e.a. 2020).
79
Door een gebrek aan continue bronnenreeksen is het soms moeilijk onderscheid te maken tussen al bestaande en nieuwe bedrijven. Toch lijkt het er op dat er op verschillende plekken in de 19de eeuw talrijke nieuwe pijpenmakerijen werden opgericht, vele in de eerste jaren na de onafhankelijkheid. In productieplaatsen met enige traditie zoals Andenne, Gent, Luik, Maaseik, Kortrijk of Bergen betekende dit een verdere groei van het bestaande aantal ateliers. Op andere plekken verscheen dan weer voor het eerste een pijpenbakker zoals in Bury (Péruwelz), Quaregnon en Casteau (Zinnik) (Caro 2004b). De onafhankelijkheid brachten sommige bedrijven ook wel in de problemen zo blijkt, vooral diegene met belangrijke handelscontacten met de noorderburen. Zo kent Ritzen in Maaseik een duidelijk terugval in afzet waardoor ze het personeelsbestand moet afslanken van 56 naar 30 personen. Tabel 6 Overzicht van Belgische pijpenbakkers tijdens de 19de eeuw die gedurende een periode van meer dan 40 jaar actief waren (op basis van Caro 2004)
Dosogne Barth Fossion Leveque Smet Winand Heurter Petit Nihoul Scouflaire Knoedgen / Hillen Knoedgen-Wingender Giété De Bevere Knoedgen / Trees Merlé Muylle Ritzen
Andenne (Andenelle) Andenne Andenne Andenne Andenne Andenne Andenne (Andenelle) Bergen Bergen (Nimy) Bergen (Nimy) Bree Flémalle (Chokier) Gent Kortrijk Luik Gent Roeselare Maaseik
1821-1879 1855-1885 1810-1853 1830-1944 1812-1857 1800-1847 1795-1929 1834-1918 1825-1920 1844-1918 1853-1928 1828-1930 1869-1917 1825-1950 1843-1930 1833-1911 1819-1876 1810-1860
Op nationale schaal lijkt de 19de eeuw de pijpenmakerij als nijverheid de nodige stabiliteit te brengen. Zo zien we toch een aantal ateliers overal ten lande uitgroeien tot sterke bedrijven die soms generaties lang in bezit van dezelfde families zouden blijven (Caro 2004b). Tegelijkertijd lijkt er een zekere centralisatie te gebeuren die ten koste gaat van de kleinere ateliers. Daarbij bleken veel van de nieuw opgezette producties eerder van korte duur: onder andere de ateliers in Bury (Péruwelz), Casteau (Zinnik), Geraardsbergen, Charleroi (Jumet, Mont-sur-Marchienne en Roux), Saint-Symphorien (Bergen) en Izegem zijn slechts enkele jaren actief (Caro 2004b; Stam 2019f). Tegen medio 19de eeuw lijken vooral de producties in de belangrijkste steden en in de meer traditierijke productieplaatsen stand te houden. Uit 1846 en 1896 beschikken we over bevragingen van de pijpfabrieken van de Belgische fabrieken inzake personeelsorganisatie. In 1846 zijn er nog zo’n 45 fabrieken en ateliers actief. Ze stellen samen zo’n 458 mensen te werk. Als productieplaatsen worden nog vermeld: Mechelen, Lier, Brugge, Roeselare, Poperinge, Kortrijk, Vlamertinge, Izegem, Gent, Maaseik, Luik (ook in deelgemeente Chokier), Andenne (ook in deelgemeente Seilles), Hoei, Bergen (ook 80
in deelgemeente Chokier, Nimy en Masières), Namen (ook in deelgemeente Flawinne). In de provincies Henegouwen (203) en Namen (128) zijn de meeste mensen actief en dat is grotendeels te danken aan de productieplaatsen Nimy / Maisières (die steeds in één adem worden genoemd) en Andenne waar respectievelijk 117 en 115 werken. Met 86 mensen actief in de pijpenmakerij is ook Bergen een belangrijke speler. In Vlaanderen werken er duidelijk minder mensen in de pijpnijverheid. Roeselare valt op in de lijst met 19 werknemers en Maaseik met 17. In Gent zijn op dat moment volgens de officiële cijfers slecht vier mensen actief in vier ateliers. Uit de ‘Wegwijzers van de stad Gent en de provincie Oost-Vlaanderen’37 blijkt het te gaan om de ateliers van Colyn, De Vegter, Steur-Arens en Merlé. De centralisatie lijkt zich ook in de tweede helft van de 19de eeuw verder te zetten. Zo eindigt ook de productie in Mechelen en Maaseik, toch productieplaatsen met enige traditie. De pijpenmakerij van Ritzen als enige actief in Maaseik kon nochtans stoelen op een traditie van meer dan 30 jaar (sinds 1810) maar moest in 1860 toch de boeken sluiten na een terugvallende verkoop (Duco 2019). Uit de bevraging van 1896 blijken er nog zo’n 21 ateliers actief met bijna 200 mensen in dienst wat meer dan een halvering van fabrieken en personeel betekent in vergelijking met 1846. Als overgebleven productieplaatsen wordt vermeld: Roeselare, Kortrijk, Gent, Luik, Chokier (Bergen), Nimy / Masières (Bergen) en Andenne. Ieper duikt op als nieuwe speler en in Bree wordt een oude traditie opnieuw opgestart.
Figuur 48 Ansichtkaart van het uitgestrekte fabriekscomplex van Goedewaagen anno 1930 (KLM)
De centralisatie de we in België vaststellen zet zich ook door in de buurlanden. In Nederland blijven er tegen het einde van de 19de eeuw nog een tiental over. In Limburg blijven er een aantal pijpenbakkers actief (onder andere in Roermond, Maastricht en Weert). In Gouda ontwikkelen zich een aantal echt grote bedrijven met als voornaamste Goedewaagen en het Zenith van de familie Van der Want (Duco 2004a). Deze schaalvergroting hebben we dan weer in België niet gekend. 37
Wegwijzers van de stad Gent en de provincie Oost-Vlaanderen 1850
81
5.1.6.2. Naar een Belgisch assortiment Detailonderzoek van een set van vormmallen van pijpenmaker Ritzen maakt duidelijk dat in Maaseik medio 19de eeuw naast de meer eenvoudige standaardpijp ook de langer maatpijpen en bovenmaatste pijpen in productie waren, met stelen langer dan 50 cm. Zo’n lange pijpen kennen we vooral uit het Goudse topsegment. Was het de bedoeling de Goudse kwaliteitspijpen te evenaren? Indien wel ontbrak het de pijpenbakker alleszins aan het nodige kwaliteitsmaterieel hiervoor. Detailonderzoek van de persvormen van Ritzen tonen aan dat het om lokaal gefabriceerde persvormen gaat die naar materiaalgebruik, afwerking van de snijranden en sluitingsmechanismen ver afstaan van de Goudse voorbeelden. Meest opvallend is dat de persvormen van ijzer zijn en niet van messing dat beter te bewerken is, gladder te polijsten, fijner te graveren en ook beter te onderhouden. Nadeel is dat het sneller slijt dan ijzer. IJzer roest ook wat tot een verkleuring van de pijp kan leiden. De persvormen van Ritzen sluiten eerder aan bij de vormtradities in Duitsland en Engeland.
Figuur 49 Persvormen van pijpenmakerij Ritzen in Maaseik. In gebruik tussen 1820 en 1850. Assortiment met korte en lange pijpen. Inzet: een eikeltje werd gebruikt als bijmerk, verwijzend naar het wapenschild van Maaseik (Amsterdam Pipe Museum)
Gelijkaardige persvormen werden ook elders gebruikt in het Maasland en België (Duco 2019). We kunnen hier dezelfde vraag stellen als we deden voor de producties uit de 17 de en 18de eeuw: reflecteren deze eenvoudigere persvormen een gebrek aan vakkennis en een technologische achterstand ten aanzien van Gouda? Of zijn ze het resultaat van een bewuste bedrijfskeuze: het produceren van pijpmodellen geïnspireerd op de betere goudse pijp maar aan een commercieel interessante prijs? Als afwerking minder een rol speelde dan volstonden deze duurzame ijzeren persvormen wel. Daarbij mogen we ook niet vergeten dat de hoge kwaliteitspijp ook in Gouda en omstreken al sinds het einde van de 18de eeuw op de terugweg 82
was (Duco 1987b, 56–57). In de 19de eeuw maakt men in Gouda nog een tijdje onderscheid tussen groffe, fijne en porceleine pijpen maar met de introductie van een veelheid aan nieuwe kortere pijpmodellen vervaagt dit onderscheid gaandeweg. In de plaats komt het systeem van series dat wij ook uit de Franse en Belgische bedrijfscatalogi kennen, een. Elke serie is gekenmerkt door een eigen vormgeving en kleisamenstelling. Elk stuk van de serie heeft een zelfde productie- en verkoopsprijs (Duco 1987b, 25). In de lange pijpen van Ritzen moeten we misschien vooral de wil zien om een ruimer productassortiment uit te bouwen. Deze ambitie is er niet alleen in Maaseik maar zien we bij de meeste pijpenbakkers in Noord-West Europa. Tot pakweg 1820 beperkten de meeste pijpenbakkers zich tot enkele basismodellen, doorgaans met hielmerk veelal onversierd, en in sterke mate geïnspireerd op de gestandaardiseerde vormenschat van Gouda, In het tweede kwart van de 19de eeuw verlegt de aandacht zich naar sterk versierde pijpen. De versiering bestond veelal uit reliëfdecoratie met vaak ook een politieke, maatschappelijke, sociale of culturele boodschap. Reliëfdecoratie verschijnt eigenlijk al rond 1630 met de eerste Jonaspijpen, maar krijgt dus een nieuwe impuls rond 1820. Na 1850 ontwikkelt zich een ware rage die eigenlijk zou aanhouden tot de Eerste Wereldoorlog (Duco 2004a, 9–11). De Franse pijpenbakkers nemen het voortouw en gaan snel hoogwaardig versierde producten ontwikkelen. In de Belgische importcijfers zien we rond 1850 ook een opmerkelijke stijging aan Franse import (Stam 2019a)
Figuur 50 Uitsnede uit een bedrijfscatalogus van Knoedgen in Bree (ca. 1890) met zogenaamde néogènes met reliëfversiering (PKN)
83
Snel ontstaat er een eindeloze vormenschat met ettelijke honderden modellen en decoratiewijzen. Vaak neemt daarbij de decoratie niet langer de vorm van het pijpmodel aan, maar gaat ze een eigen leven ging leiden. Die pijpen duiden we aan met figurale pijpen. Daarbij kon het gaan om manchetpijpen waarbij op de kunstig uitgewerkte kop een steel van een ander materiaal werd gepast. Ook verschijnen er verschillende gemoderniseerde pijpmodellen met vormvolgende decoraties, de zogenaamde néogènes.
Figuur 51 Drie Belgische figurale pijpen. Van links naar rechts: Koning Leopold I uit het atelier van Knoedgen in Bree (1850-1880); Burgemeester J. d’Andrimont van Luik uit het atelier van TREES IN Luk (1880-1890); Koning Albert I uit het atelier van Verheijlewegen in Andenelle (1914-1920) (Amsterdam Pipe Museum)
Iedere pijpenbakker had ettelijke tientallen modellen in zijn assortiment. Een aanbod volgde vaak ook de actualiteit met versieringen die verwijzen naar maatschappelijke ontwikkelingen en vaak ook politieke figuren. Dit exponentieel groeiend aanbod verklaart ook het verschijnen van de bedrijfscatalogi in deze periode en het overschakelen naar een categorisering volgens serie (Duco 2004a, 9–11; 2014). De Belgische pijpennijverheid kwam zo gevangen te zitten tussen twee belangrijke invloedsferen: Gouda en Noord-Frankrijk. Dit zien we ook gereflecteerd in de ontwikkeling van het Belgisch aanbod tijdens de verdere 19de en 20ste eeuw. Op basis van een aantal bedrijfcatalogi zoals die van Wingender-Knoedgen uit Chokier (1850) en Knoedgen in Bree (1890) lijkt de Frans figuratief uitgewerkte pijp zich bij de Belgische producenten echt goed door te zetten rond het midden van de 19de eeuw. Naast figurale pijpen en néogènes blijft men echter ook gladde en onversierde Goudse pijpmodellen met hielmerk verkopen. Kenmerkend is bij allen wel een korte steel. De traditionele Gouwenaar met lange steel verdwijnt uit het assortiment. De verhouding tussen Frans geïnspireerde pijpen en pijpen in stijl van Gouda verschilt van producent tot producent (Duco 2014). Vraag is daarbij of het westelijk deel van België zich anders ontwikkelde dan het oostelijk deel van België? Uit de catalogi van Wingender Knoedgen (1850)38 uit Chokier en Knoedgen (1890)39 uit Bree zien we dat de pijpenbakkers uit de Maasstreek vol de kaart van de versierde pijp trekken. In een vroeg 20steeeuwse catalogus van de De Bevere40 uit Kortrijk zien we bijvoorbeeld maar drie figurale pijpen Catalogus van de firma Wingender-Knoedgen, Chokier uit 1850, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 39 Catalogus van de firma Knoedgen, Bree uit 1890-1900, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 40 Catalogus van de firma De Bevere, Kortrijk uit 1920-1935, 38
84
en enkele pijpen met eenvoudige reliëfversiering. Ook de catalogus van de firma CroquetMichel uit Maisières41 nabij Bergen heeft een assortiment met een overwicht aan Goudse vormen. De weinige reliëfpijpen in zijn catalogus uit 1900 zijn geïnspireerd op Franse modellen maar erg sober in uitvoering. Ook de Roeselaarse pijpenbakkers verkochten een gelijkaardig assortiment. Uit archeologisch consumptiemateriaal blijkt dat er zeker wel reliëfpijpjes in Franse stijl werden geproduceerd, maar dat een belangrijk aandeel in de productie toch geïnspireerd is op de 19de eeuwse Goudse vormenschat (Goderis 2021). De Belgische pijpenmakers zijn daarmee -net als hun voorgangers in de 17de en 18de eeuw- niet de grootste innovators of ontwerpers van de Noordwest Europese pijpnijverheid. Meeste modellen en decoratiepatronen werden overgenomen van de Franse bedrijven en al dan niet onder aangepaste vorm op de markt gezet. Aanpassingen die gestuurd konden zijn door de eigen smaak, de verwachtingen van de doelgroep of eenvoudig weg de artistieke beperkingen van de persvormmaker. Toch werden er gedurende de 19de en vroege 20ste eeuw ook een aantal echte Belgische pijpen in productie gebracht. Originele ontwerpen zijn onder andere gekend uit de grotere fabrieken van Wingender-Knoedgen (Flémalle – Chokier), Knoedgen (Bree), Trees (Luik), Nihoul (Bergen – Nimy) en het minder bekende kleine atelier van Henri Cuvellier uit Luik. Meest in het oog springen de portretkoppen van de Belgische koningen Leopold I en Albert I, en van verschillende lokale politici (Duco 2014). De Belgische pijpenbakkers tonen nochtans wel ambitie op vlak van hun assortiment. Zo nemen verscheidene pijpenbakkers tijdens de eerste helft van de 19de eeuw deel aan nationale tentoonstellingen waaronder Bogart uit Brugge, Gyson uit Poperinge, De Bevere uit Kortrijk, Ritzen uit Maaseik, Petit uit Bergen, Nihoul uit Nimy en Winand uit Andenne. Sommige kaapten daar eervolle vermeldingen en medailles weg. Petit krijgt op een nationale tentoonstelling de mooie woorden: ‘pijpen zo mooi als uit Gouda’. In de tweede helft van de 19de eeuw namen Desiré Bart uit Andenelle, Wingender uit Chokier en Levêque uit Andenne deel aan een aantal wereldtentoonstellingen en internationale exposities (Stam 2019f). De binnenlandse markt bleef voor de meeste pijpenbakkers prioritair. Stam toonde op basis van cijfermateriaal uit de periode 1831-1864 mooi aan dat België zich eigenlijk nooit als echt exportland van kleijpijpen wist te ontwikkelen. Er was wel export maar die bleef van ondergeschikte betekenis. Begin 19de eeuw was de export naar Nederland van belang, maar die nam af na de Belgische onafhankelijkheid. Daarna werd Frankrijk de voornaamste bestemming. Maar ook bij deze twee landen bleef de export naar steeds aanzienlijk beperkter dan de import uit. Tweede helft 19de eeuw worden ook Duitsland en Engeland belangrijke afnemers. In die periode worden er ook wel wat pijpen verscheept naar de Verenigde staten en Australië. De Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse markt wordt sporadisch bediend. Onder de internationale spelers moeten we zeker de firma’s Knoedgen-Wingender (Flémalle- Chokier), Knoedgen (Bree) en Scoufflair (Bergen-Nimy) rekenen. Ook Barth ut Andenne exporteerde pijpen. Van deze fabriek is ook geweten dat ze speciale modellen ontwikkelden voor een specifieke markt: zo is er sprake van een model met schubbenversiering voor de Californische markt en versiering met buideldier voor de verkoop in Australië (Stam 2019a).
5.1.7. Epiloog: pijpennijverheid tot aan Wereldoorlog I De ontwikkeling en populairder worden van een aantal alternatieve vormen van roken zoals de sigaar, sigaret en bruyère pijp zetten de productie van de traditionele kleipijp onder druk. De https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 41 Catalogus van de firma Croquet-Michel, Maisières uit 1900-1905, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022)
85
Belgische producenten die uitvoerden naar de Verenigde Staten hadden daarbij nog te lijden onder de hogere invoerrechten na de Amerikaanse Burgeroorlog. Het wordt steeds moeilijker om de concurrentie aan te gaan met de Hollandse, Duitse en Franse bedrijven (Stam 2019f). Veel fabrikanten gaan diversifiëren in hun aanbod. Rond 1900 wordt in Gouda een nieuw procedé geïntroduceerd waarbij pijpen voortaan worden gegoten. Resultaat is een holwandige pijp. In 1898 starten Gerrit Frederik van der Want en George Antonie Barras de fabriek Hollandia die zich specifiek richtte op de productie van gegoten doorrokers. Nadien volgen ook de andere Goudse producenten (Duco 1991a). Goedewaagen, Zenith en Hollandia gaan gaandeweg ook aardewerk en plateel produceren wat veelal leidde tot een enorme schaalvergroting (Figuur 48) (Duco 1999b). In deze periode gaan verschillende Belgische pijpenbakkers ook inzetten op onder andere de productie van schietkraamkeramiek. In België werden mannekes en pijpen voor het schietkraam geproduceerd bij De Bevere in Kortrijk en bij Heurter en Leonard in Andenne. Die laatste produceerde zelfs tot in de jaren 1970 keramiek voor in de schiettent. Figuur 53 Jules Leonard. Pijpenbakkerstelg uit Andenne gespecialiseerd in schietkraamkeramiek. Fragment uit documentaire uit 1971 (Sonuma)
Figuur 52 Arbeiders pijpnijverheid Andenne (begin 20st eeuw) (Bibliotheca Andana)
86
Eind 19de eeuw geven al verschillende Belgische producenten het op waaronder voormalig internationale spelers zoals Barth uit Andenne en Nihoul uit Nimy. Ook in Aarlen, Bury en Doornik worden de ovens definitief stilgelegd op het einde van de 19de eeuw. In 1908 sloot met Vangrundenberghe het laatste atelier in Bergen (Caro 2004b). Wereldoorlog I en de economische crisis die daar uit volgde bracht een nieuwe reeks van faillissementen waaronder de bekende productie van Scoufflaire uit Nimy. Ook in Gent deed het laatste atelier – dat van Gittée - de deuren dicht. Enkel in Andenne, Bree, Kortrijk, Luik en Quaregnon blijft men na 1918 produceren. In Bree zal het bedrijf van de familie Hillen in 1920 ook verdwijnen. In luik gaat Knoedgen - Trees nog door tot in de jaren 1930. In Kortrijk gaat de productie van De Bevere nog door tot in de jaren 1950. In Andenne bleven er kort na Wereldoorlog I nog maar een drietal ateliers over waarvan Levêque het bekendste was. Het atelier van Levêque toont mooi aan hoe kleinschalig deze ateliers waren. De reeds vermelde familie Leonard start de ovens op in de jaren 1950 en blijft tot in 1989 actief als producent van kleipijpen voor de schietbarak. Dit betekent meteen het einde van de Belgische pijpennijverheid (Caro 2004b).
Figuur 54 Atelier van M. Levêque in Andenne voor de sloop in 1969. De pijpenmakerij was georganiseerd in een twee aanpalend huizen en achterliggende bijgebouwen (Bibliotheca Andana)
5.2. De Gentse pijpenbakkers in beeld 5.2.1. Chronologie Over het precieze moment dat de eerste pijpenbakkers zich in Gent vestigen heerst onduidelijkheid. In 1630 vraagt J.B. Moerman aan het stadsbestuur om het alleenrecht te verkrijgen op de productie van kleipijpjes in Gent. Dit verzoekschrift werd door het stadsbestuur negatief beantwoord met de volgende woorden: …il nous semble que la fabrication desdictes buses ou pipes, servant à boire ou fumer le tabaco, ne mérite semblable octroy, et que par icelluy on osteroit le moyen de gaigner leur vie à un grand nombre d’autre personnes… (van 87
Werveke 1936, 225)..Er is dus sprake van dat op dat moment het pijpenbakken de broodwinning was van een ruimere groep mensen die bezig was met de verkoop en productie van pijpen. Ook stelde het gemeentebestuur verder in haar repliek dat de ‘nieuwigheid’ van het pijpenbakken er voor Gent en omstreken al een beetje af was (van Werveke 1936, 225). Een beetje tegenstrijdig met dit eerste document is een melding uit 1665. Hierin staat te lezen dat een zekere Jan Tradenus van de stad 50 pond grooten krijgt, goed voor twee jaren huur. Van hem zegt het stadsbestuur dat hij het bakken van pijpen in Gent zou hebben geïntroduceerd (van Werveke 1936, 225). Eenduidig is het archief dus niet, maar we mogen er dus vanuit gaan dat de eerste pijpen in Gent ergens worden gebakken in het tweede of derde kwart van de 17 de eeuw door Tradenus of een directe voorloper. Voor de Gentse pijpenbakkerij is de 18de eeuw een duistere tijd. We beschikken over weinig of geen vermeldingen uit deze periode. Het overzicht dat we opmaakten voor gekende pijpenbakkers uit Gent (Tabel 7) oogt voor de 18de eeuw bijzonder leeg. Of deze leegte een historische realiteit reflecteert, durven we nog bevestigen nog uit te sluiten. Het kan zijn dat we de pijpenbakkers uit deze periode simpelweg nog niet op het spoor zijn omdat de bronnen ontbreken. We zitten vandaag met een periode van zo’n 70 jaar waar weinig of geen info voor voorhanden is. Het productieafval van het Fratersplein ( hoofdstuk 8) dateert in het laatste kwart van de 17de eeuw wat suggereert dat richting het begin van de 18de eeuw nog zeker pijpenbakkers aan het werk waren. Vanaf 1770 beschikken we met de ‘Wegwijzers van de stad Gent’ over een makkelijk leesbare en bruikbare bron. Deze almanak biedt een jaarlijkse overzicht van de Gentse middenstand en in de lijsten vinden we ook steevast een aantal pijpenbakkers of pypmaekers terug. In 1770 is dat Verbrugge, gevestigd achter het klooster van de Kapucijnen nabij de Brabantdam42. Weinig later is er sprake van Neckebroek die zich eveneens gaat vestigen in deze omgeving en Coone die opstart ter hoogte van de huidige Veerkaai.
Figuur 55 Reactie stadsbestuur Gent uit 1819 op circulaire. Lijst van acht Gentse pijpenmakers met vermelding van hielmerk en bijmerken (Stadsarchief Gent, Modern archief, reeks K, nr. 45) In functie van het opstellen van een chronologie voor de Gentse pijpenbakkers werd een systematische analyse gemaakt van de wegwijzers van Gent. Zover bewaard werden de jaargangen doorgenomen van 1770 tot 1906 in he Stadsarchief Gent. Informatie omtrent namen, periode van activiteit en locaties van ateliers komt uit de ‘Wegwijzers’ tenzij anders aangegeven. 42
88
Voor de 19de eeuw zijn we beter ingelicht. We vermelden al de nationale legger en merkenregeling die onder Hollands bewind tot stand kwam (p. 78). De aanleiding ervan is gelobby van de Goudse pijpenproducenten, die reeds eeuwenlang de pijpenmarkt beheersten maar die meer en meer de concurrentie begonnen te voelen van pijpenbakkers buiten Gouda die zonder veel schroom hun pijpen nabootsten, inclusief de merken. De Goudse pijpenbakkers verkrijgen op 25/12/1818 als kerstgeschenk een koninklijk besluit dat vastlegt dat naast een individueel merk van de pijpenmaker zeker ook het stadsmerk moest aangebracht worden op de productie (en zeker geen stadsmerk van een andere stad, laat staan dat van Gouda). In vervolg op dit koninklijk besluit wordt in 1819 ook een circulaire verstuurd naar alle lokale besturen die naar de naleving van dit besluit in de eigen stad peilt. Het antwoord op deze circulaire vertelt ons dat er in 1819 officieel acht pijpenbakkers actief zijn in Gent. Het gaat om Jean Cappelier aan de Steendam; Jean Merlé aan de Brabantdam; Lieven Vanhaeverbeke aan de Lievestraat; Benoit Verbrugghe eveneens aan de Brabantdam; André Vechters in de Abeelstraat, een zijstraat van de Brabantdam; Jean Baptiste Berlo ter hoogte van de huidige Veerkaai; Jean Baptiste Vanhaeverbeke aan de Brusselse poort en Gaspard Colyn in de Kazernestraat. Maar liefst zeven van deze pijpenmakers gebruiken het hielmerk WS. Bij sommige is het merk gekroond. Berlo wisselt dit af met DS en Colyn met NB of een leeuwtje. Merlé zet een molen. Nog maar twee pijpenbakkers zetten op dat moment een ‘marque du bourg’ of het Gentse stadwapen als bijmerk. Een aantal van hen zullen ook wel het Goudse stadswapen zetten als bijmerk, maar dat wordt natuurlijk niet gemeld. De verdere evolutie van de nijverheid in de 19de eeuw kunnen we volgen via de wegwijzers. Kort na 1819 maar nog steeds in het eerste kwart van de 19de eeuw worden er nog verschillende andere bedrijven opgestart: Bousson aan de Kortrijksepoortstraat; Jos Ronsse aan de Waaistraat; Laporte aan de Brabantdam; en Van Duyn in het Prinsenhof. Kort voor 1850 wordt ook door André Giété de ovens opgestart, eerst aan de Binnenweg in Ledeberg. Kort na 1850 werden nog producties opgestart door Leopold Malfait aan de Oostakkerstraat in SintAmandsberg, door Jos Rosier aan de Dendermondsesteenweg in Sint-Amandsberg en door Antone Ellias aan de Sint-Hubertusstraat. In totaal waren er tijdens de 19de eeuw zo’n 21 verschillende werkplaatsen actief. Enkele vaststellingen bij de lijst in Tabel 7: soms blijven ateliers decennia lang in handen van dezelfde families. Mooie voorbeelden zijn de ateliers van Verbrugghe, Merlé en Giété; anderzijds zien we ook dat door huwelijk of overname de productie soms werd verdergezet onder een andere naam. Voorbeeld is de werkplaats van Ronsse die in handen komt van de familie Arens en waar later ook nog pijpen worden geproduceerd onder de naam Steur-Arens. Omtrent de locatiekeuze van de pijpenbakkers wordt meer verteld in § 0 maar we merken toch al op dat een aantal echte ‘pijpenbakker’-straten en wijken zich aftekenen. De Brabantdam en directe omgeving (Abeelstraat) komt geregeld voor in de lijst, net als de omgeving van de Dampoort en Sint-Amandsberg; tenslotte zet de neerwaartse spiraal die we vaststellen op Belgische en Europese schaal zich ook door in Gent: tegen het einde van de 19de eeuw zijn er nog maar vijf pijpenbakkers actief. Het gaat om Lefubure, weduwe Giétè, Antone Ellias en Franciscus Ludovicus Merlé. Begin 20ste eeuw blijven enkel Merlé in de Abeelstraat en Giétè aan de Dampoort over.
89
Tabel 7 Overzicht van gekende pijpenbakkers uit Gent43 17b 17c 17d 18a 18b 18c 18d 19a 19b 19c 19d 20a 20b
Naam
S t raat
A1
Moerman
J.B.
A2
Tradenus
J.
A3
Neckebroek
Brabantdam
A4
Coone
Veerkaai
Verbrughge
Abeelstraat
Verbrughge
Abeelstraat
A5
Verbrughge
Tichelrei?
B. Brabantdam
De Vegter A6 A7
Lefubure
J.
Vechters
A.
Abeelstraat
Bousson
Kortrijksepoortstraat
Lobel Ronsse
A8
Arens
P.
Waaistraat
J.B.
Veerkaai
J.
Steendam
G.
Kazernestraat
Steur-Arens A9
Berlo
A 10 Cappelier A 11
Colyn Colyn
Kortrijksepoortstraat
A 12 Laporte
Brabantdam
A 13 Van Duyn
Prinsenhof
A 14 Vanhaeverbeke L.
Lievestraat
A 15 Vanhaeverbeke J.B.
Brusselsepoortstraat
Merlé
Brabantdam
Merlé
J.
Merlé
L.
Merlé
F.L.
Geete
J.D.
Gété
A.
Binnenweg
A 17 Giété
A.
Wittemolenstraat
Gittée
A.
Dendermondesteenweg
Gittée
Vve
Biekorfstraat
A 16
A 18
Brabantdam Abeelstraat
Meirleire
Brabantdam
De Vechter Merlé
A.
Vrouwebroersstraat
Merlé
A.
Dendermondesteenweg
A 20 Malfait
L.
Oostakkerstraat
A 21 Rosier
J.
Dendermondesteenweg
A 19
A 22 Van Tyghem A 23 Ellias
Brugsepoortstraat A.
Sint-Hubertusstraat
Deze lijst werd samengesteld op basis van (van Werveke 1936); de wegwijzers van Gent, 1770 tot 1906 , Stadsarchief Gent; Stadsarchief Gent, Modern archief, reeks K, nr. 45 43
90
5.2.2. Pijpenmakers en pottenbakkers Op p. 64 gaven wezen we al op de verbondenheid tussen de pottenbakkerij en de pijpenmakerij. Beide waren een klei-verwerkende nijverheid en de pottenbakker en de pijpenbakker gebruikte hetzelfde type ovens om hun producten te bakken. Dat schept een band. Bijvoorbeeld in Gouda waren de contacten heel concreet. Pijpenmakers en pottenbakkers werkten weliswaar onder de vleugels van de eigen gilde (althans sinds 1660 wanneer de pijpenmakersgilde wordt opgericht) maar deelden wel de ovens. Pas in 1719 zou er met Arij Jacobs een eerste pijpenbakker een eigen oven krijgen in Gouda (Stam 2019d). De 17de-eeuwse muffle kiln van Samuel Brown in Breda toont aan dat er in sommige gevallen al vroeg specifieke pijpenbakkersovens werden gebouwd (Hesemans 1994). Toch lijkt het er op dat elders pijpenmakers lange tijd gebruik maakten van pottenbakkersovens om hun kleipijpen te bakken. We haalden al het Gentse antwoord aan op de circulaire van de Hollandse overheid uit 1819. Ook Brugge werd gevraagd om zijn pijpenbakkers op lijst te zetten. Over de enige twee pijpenbakkers actief in de stad zegt het stadsbestuur het volgende (J. Van der Meulen 1985): …beide pijpenmakers wier arbeid echter zoo weinig betekent dat zij niet eenmaal een eigen oven hebben… Als we het Brugse stadsbestuur mogen geloven stelt de lokale pijpennijverheid in deze WestVlaamse stad begin 19de eeuw dus niet al te veel voor. Het ‘niet hebben van een eigen oven’ hoeft echter niet noodzakelijk iets te zeggen over de schaal of de kwaliteit van de productie. Mogelijk wijst het gewoon op de sterke verwevenheid tussen de pottenen pijpenbakkersnijverheid in de stad. Die verwevenheid is ook te herkennen in Gent waar tijdens het laatste kwart van de 18de en eerste helft van de 19de eeuw vele pijpenbakkers ook als pottenbakker waren. Of misschien was het eerder andersom? In de Wegwijzers van Gent vinden Figuur 56 Wegwijzer van Gent 1830. Laporte en Arens worden zowel we onder ‘fabriek van vermeld als pijpen- en pottenbakker. Pottenbakkers Lobel en aerdwerk’ verschillende Bousse verschijn in andere jaargangen ook als pijpenbakker werkplaatsen die ook als fabriek van tabakspijpen staan vermeld. In de eerste helft van de 19de eeuw wordt er ondermeer in de ateliers van Arens in de Waaistraat en van Laporte en van Neckebrouck aan de Brabantdam, zowel aardewerk als pijpen geproduceerd. Ook de namen van Lobel en Bousse vinden we zowel bij de potten- als pijpenbakkers terug.
91
Figuur 57 Primitieve kadasterkaart (ca. 1830) met vindplaats Fratersplein en dein 1709 vermeldde panden van Jo Tradenius en Pieter Lammens, en de pottenbakkerij (Universiteit Gent)
Voor Gent in de 17de eeuw beschikken we over heel wat minder gegevens. Toch lijken de archiefgegevens ook hier te wijzen op een gedeeld gebruik van ovens. Achter het Fratersplein, ter hoogte van het voormalige Theater Stekelbees, werden begin jaren 1990 een groot aantal misbakken kleipijpen uit het laatste kwart van de 17de eeuw aangetroffen samen met fragmenten van een aantal pijpenpotten (materiaal wordt in detail behandeld in hoofdstuk 8). In kader van dit project werd een beperkt bouwblokonderzoek uitgevoerd in de hoop de werkplaats van de pijpenbakker die verantwoordelijk was voor dit stort te lokaliseren (Cassiman 2020). In een verkoopsakte opgemaakt in 1709 voor notaris Jan Baptiste Verbiest vinden we de naam van een zekere Jo Tradenius die woont in een huis aan de Tichelrei grenzend aan: …eene potbackerije met den hoven ende alle andere toebehoorten daeraen dependerende soo die ghebruijckt wort bij Pieter Lammens… Gaat het hier om de Tradenius die in 1665 van de Stad Gent de nodige middelen kreeg om een pijpenbakkerij op te starten? Dit is moeilijk met zekerheid te zeggen maar het lijkt wel aannemelijk. In dat geval lijkt het ook best mogelijk dat er ooit kleipijpen werden gebakken in de oven van de aangrenzende pottenbakkerij. Ook op ruimere schaal tekent zich toch wel een patroon af. Als we de gekende pijpenbakkerijen in Gent uitzetten op kaart merken we dat vele pijpenmakers terecht komen in stadskwartieren waar in de middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd ook pottenbakkers actief waren: aan de Tichelrei en de omgeving van het Sluizeken; langs de Brabantdam en het Zand (Sint-Anna), in de omgeving van den Eeckhout en de Kortrijksepoortstraat, aan de Steendam en aan de Brugse en de Brusselsepoort (Berkers, Desmet, en Stroops 2011; Lievois 1985). We zien ook dat de pijpennijverheid in de loop van de 19de eeuw naar de randen van de stad wordt gedrongen. Dan zien we ook verschillende ateliers in Sint-Amandsberg en de Dampoortwijk opduiken. Zowel pottenbakkers als pijpenmakers lijken het water op te zoeken. Meeste werkplaatsen zijn te vinden nabij een arm van Schelde of Leie, of aan één of ander gegraven stadswater. 92
Figuur 58 Historisch of archeologische gekende pijpenbakkers
93
Figuur 59 Historisch of archeologische gekende pottenbakkers
94
De pijpenbakkers in Gent hadden geen eigen nering of gilde (nergens in Vlaanderen en Wallonië zo lijkt het). Het is dus best mogelijk dat de pijpenbakkers als beroepsgroep werden ingedeeld bij het ambacht van de pottenbakkers. Alvast de pijpenbakkers die in de 18de eeuw ook potten draaiden, moeten wel lid zijn geweest van de nering. Het archief van het aerdepotbackers van Gent is beperkt. In het reglement van het ambacht uit 1698 worden de pijpenbakkers niet genoemd als een aparte groep. Ook bij het maken van een meesterproef is het maken van een pijp niet opgenomen. De pottenbakkers moesten begin 17de eeuw een wupcanne, eenen sluytpot van een en worp ende een dobbel teele met twee ooren als bewijs voor hun meesterschap voorleggen. Eind 17de eeuw komt daar nog een schotel bij (Lievois 1984).
5.2.3. Op wandel door de Gentse ateliers Hoe moeten we ons die werkplaatsen of ateliers van de Gentse pijpenbakkers nu voorstellen? Uit hoofdstuk 5 bleek al dat er grote verschillen waren in de schaal van de bedrijven. De echte pijpfabrieken zoals die begin 20ste eeuw in Gouda tot ontwikkeling kwamen (met name Goedewaagen, Zenith en Hollandia ) hebben wij in België en Vlaanderen nooit gekend. In onze gewesten bleef de productie al bij al beperkt en de schaal van de bedrijven en werkplaatsen was navenant. Tot in de 20ste eeuw was het pijpenmakersatelier meestal een uitbreiding van de private woning van de pijpenmaker. Op basis van het 19de-eeuws fotomateriaal kan men er van uitgaan dat bij een grotere firma als Wingender uit Chokier de werkplaats bestond uit meerdere ruimtes met elke zijn eigen functie en specifieke inrichting (zie onder andere Figuur 32 en Figuur 36). Een vergelijkbaar beeld hebben we van de pijpenmakerij van Scoufflaire in Nimy, begin 20ste eeuw. Achter een statige woning zijn rond een open binnenkoer verschillende functionele ruimte georganiseerd (Stam 2018). Het bedrijf in Nimy lijkt alleszins het kleine broertje te zijn van zusterbedrijf Scoufflaire in het Noordfranse Onnaing dat zich in de 19de eeuw wel wist te ontwikkelen tot een echte fabriek (Barbieux en Gabriel 2006, 84–86) Het bedrijf van M. Levêque schept dan weer Figuur 60 M. Levêque aan het werk in Andenne (1949). een heel ander beeld. Daar worden Let op het oude behang aan de muur (Province de pijpen gemaakt in twee rijhuisjes en een Liège, Musée de la Vie wallonne) aantal bijgebouwen. Op de foto’s ziet men erg kleine en krappe ruimten. Het behangpapier aan de muur doet herinneren aan de woonfunctie van het gebouw voor de inrichting als atelier. Voor de 17de en 18e-eeuwse ateliers in Gent beschikken we eigenlijk over geen informatie. Voor de vroege 19de eeuw moet men het doen met een enkele vermelding. Zo weten we uit een boedelbeschrijving dat Pieter Arens – die het bedrijf overnam van Ronsse – in zijn atelier aan de Waaistraat zowel potten als pijpen maakte. De pottenbakkerij was gesitueerd in het achterhuis van zijn woning 44
44
Stadsarchief Gent, Modern Archief, reeks DD 43.
95
Figuur 61 Bouwplannen van D. Debruyn uit 1856 met een nieuwe oven (7) in de werkplaats (6) en aparte stookruimte (8). Buiten bevindt zich een kleibreekmolen (Rijksarchief)
96
Voor het midden van de 19de eeuw is er meer informatie voorhanden. Dit hebben we te danken aan de professionalisering die zich in een aantal Gentse bedrijven voltrok in de tweede helft van de 19de eeuw. Een aantal pijpenbakkers gingen uiteindelijk een eigen oven bouwen. In sommige gevallen ging dit gepaard met een uitbreiding, herinrichting en zelfs verhuis van de werkplaats. Het is in deze periode dat er meer en meer pijpennijverheid verschijnt net buiten de Dampoort in wat vandaag Sint-Amandsberg is. De eerste die een nieuwe oven liet bouwen was Jos Rogiers aan zijn atelier op de Dendermondsesteenweg45. Hij koos als de meeste van zijn collega’s voor een muffle kiln en legt in zijn bouwaanvraag mooi uit hoe die moest gestookt en geladen worden (zie p. 56). Rogiers voorbeeld wordt gevolgd door Denis Debruyn die in 1856 in zijn werkplaats aan de Biekorfstraat in Sint-Amandsberg ook een muffle kiln laat optrekken. De bouwplannen geven een snede en plattegrond van het atelier. De oven wordt gebouwd in het atelier waardoor de schouw via het bovenliggend verdiep door het dak moet. Het plan geeft met rood de dubbele wand van de muffle kiln aan. Laden en legen kon gebeuren vanuit de centrale werkplaats (het werkhuis). Gestookt werd er van in een aparte ruimte (Stookplaats). Opvallend detail op de tekening is de kleibreekmolen buiten het atelier (zie Figuur 61 Bouwplannen van D. Debruyn uit 1856 met een nieuwe oven (7) in de werkplaats (6) en aparte stookruimte (8). Buiten bevindt zich een kleibreekmolen (Rijksarchief)46.
Figuur 62 Muffle Kiln bij M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) 45 46
Archief Provincie Oost-Vlaanderen – hinderlijke inrichtingen – Reeks 1851-1871, 1488 Archief Provincie Oost-Vlaanderen – hinderlijke inrichtingen – Reeks 1851-1871, 1497/1
97
In 1869 laat André Giétè een oven bouwen aan de binnenweg in Ledeberg. De oven – un four à cuire de pipes de terre - heeft een vierkante plattegrond en piramidevormig dak met centraal een ronde schouw . In opbouw doet deze oven heel sterk denken aan het model dat ook door M. Levêque nog werd gebruikt begin 20ste eeuw (Figuur 62 Muffle Kiln bij M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne)Figuur 62). De vergunning toont een heel andere organisatie van de werkplaats. Die bevindt zich in een van de rijhuisjes langs de Binnenweg. Het is niet duidelijk of dit ook de woning van de Giétè betreft. De oven wordt los van woning en atelier gebouwd47.
Figuur 63 Bouwplannen van André Giétè uit 1869 voor een nieuwe oven achter zijn atelier aan de binnenweg in Ledeberg (Rijksarchief 47
Archief Provincie Oost-Vlaanderen – hinderlijke inrichtingen – Reeks 1851-1871, 1521
98
Ook de laatste bouwaanvraag staat op naam van André Giétè. Vermoedelijk gaat het nog om dezelfde telg uit de familie die zijn atelier verhuist richting de Dampoortwijk. Ook hij gaat zich vestigen aan de Dendermondse steenweg. Langs de straatkant zien we de woning van Giétè met op het gelijkvloers een voorplaats, eetplaats, keuken en washuis. Achter het huis bevindt zich een ruime binnenkoer met toegang via een doorgang voor rijtuigen. Aanpalend aan het huis is er een stal. Het pijpenmakersatelier situeert zich achter op het erf. De centrale werkplaats lijkt een grote ruimte. Opnieuw zien we een oven met een vierkante plattegrond, vermoedelijk een gelijkaardig model als dat hij liet bouwen in Ledeberg. De oven is wel tegen de werkplaats gezet en lijkt van binnenuit te worden geladen en geleegd 48.
Figuur 64 Bouwplannen van André Giétè uit 1884 voor een nieuwe oven in zijn atelier aan de Dendermondsesteenweg in Sint-Amandsberg (Rijksarchief)
5.3. Van producent naar consument 5.3.1. De vele wegen van een kleipijp Hoe kleipijpen van de producent naar de consument kwamen is een complex en een niet altijd even duidelijk verhaal. Laat ons starten met de pijpen die in onze gewesten werden geïmporteerd vanuit de Noordelijke Nederlanden. De export en handel op ruimere afstand kende verschillende wegen: buitenlandse kleinhandelaars die rechtstreeks bij de pijpenmaker bestelden; lokale handelshuizen die grote hoeveelheden pijpen opkochten en verder gingen verspreiden; of buitenlandse kooplieden die zelf de waar kwamen keuren en onderhandelen bij de pijpenmakers; in sommige gevallen gebruikten pijpenmakers actief het eigen (internationale) netwerk om hun producten van de hand te doen. Hierbij gaat het dus steeds om gerichte en vraag gestuurde handel. Daarnaast was er ook nog handel die vaak het 48
Archief Provincie Oost-Vlaanderen – hinderlijke inrichtingen – Reeks 1871-1900, 540
99
resultaat was van de opportuniteitszin van de een of andere partij. Deze handel was meer aanbod gestuurd. Zo weten we dat schippers en bemanningsleden bij tijd en stond pijpen opkochten om ze ‘voor eigen rekening’ te verschepen en door te verkopen; of reders die pijpen meegaven om het ruim van het schip op te vullen (Stam 2019d, 289). Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw werd de stapelmarkt belangrijk als centrum van de handel in Hollandse pijpen. In 1663 werd de Amsterdamse pijpenmarkt opgericht die de snel zou uitgroeien als de belangrijkste van de Noordelijke Nederlanden. Het merendeel van de pijpen – ook die naar onze gewesten – werden aanvankelijk langs hier verscheept. Vanaf 1686 werd er ook in Gouda wekelijks een pijpenmarkt gehouden, maar de Amsterdamse markt bleef van belang voor de export (Stam 2019d, 229). In Gouda was het vanaf 1686 verboden om als pijpenbakker zelf pijpen te verkopen behalve op de wekelijkse markt. Alle andere transactie werden geregeld via een pijpenkoopman. Wat wel nog mocht was met stalen de boer op gaan om zo orders vast te leggen. De beroepen van pijpenkoopman en pijpenmaker werden in theorie dus strikt gescheiden al bleven er wel handelaars met merkenrechten in handen. Handelaars die voor 1686 al bepaalde merkrechten in handen hadden mochten deze behouden. Door erfrechten bleven talrijke Goudse koopmannen nog lang in bezit van een of meerder merktekens. Zij besteden hun productie dan uit. Pas met afschaffing van de gilde in 1789 mocht de pijpenmaker opnieuw als handelaar optreden (Duco 2003b). Elders in de Noordelijke en ook Zuidelijke Nederlanden is de scheiding tussen pijpenkoopman en pijpenmaker er nooit geweest. Hollandse pijpen kwamen via de Rijn en Maas de Zuidelijke Nederlanden binnen(Stam 2019d, 290). Franse pijpen en producten uit Henegouwen en het Maasland kwamen Gent binnen via Schelde en Leie maar ook over de weg. Vanaf 1827 was er met het kanaal Gent-Terneuzen ook een directe verbinding met de Noordzee (Gelaude 2021). Onder andere Engelse producten en een deel van de Hollandse pijpen zullen vanaf de 19de eeuw deze weg gevolgd hebben tot bij ons. Vervolgens kwamen de pijpen - al dan niet met toedoen van een groothandelaar- bij de detailhandelaar en uiteindelijk de consument terecht. Welke mechanismen en spelers precies aan zet waren in de verdeling van importproducten in de Zuidelijke Nederlanden en het latere België, blijft erg moeilijk te reconstrueren. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de verspreiding van de lokaal geproduceerde kleipijpen. Een complex verhaal tekent zich af met een weinig gestructureerde handel en vele wegen die een pijp kon afleggen. Voor de 17de en 18de eeuw, kunnen we veronderstellen dat in de Zuidelijke Nederlanden de pijpenmaker veelal ook als handelaar en verkoper optrad. De pijpenbakker speelde ongetwijfeld een rol in de lokale en regionale spreiding van de eigen producten. Voor de handel op ruimere afstand zijn er aanwijzingen dat er ook kooplui betrokken waren. In § 5.2.2 wezen we al op de verwevenheid in Gent van de pijpennijverheid en de nering van de pottenbakkers. Het ambacht probeerde zoveel mogelijk import uit andere steden en regio’s te verhinderen om de verkoop van de Figuur 65 Tabakswinkel en tabagie. Uit de schat der gesondheyt van J. van Beverwyck (1640)
100
eigen leden te stimuleren. Enkel tijdens jaarmarkten was verkoop van vreemd
aardewerk toegestaan. Zo werd er in 1768 wordt in een tabakswinkel in de Langemunt beslag gelegd op “vremt aerdewerck” dat door “eenen vremden Waele coepman genaemt Jan Martin Demané” uit Chatelet (nabij Luik) was binnen gebracht. De in beslag genomen goederen worden niet verder beschreven, maar we mogelijk zaten er ook wel Luikse pijpen tussen49. Deze passage doet ook na denken over waar men in de 17de en 18de eeuw pijpen kon kopen. Van een pijpenwinkel was nog geen sprake. Zo kon men in de tabagie - het rokerscafé – om pijpen te kopen (Duco 1996). Vermoedelijk kon men, net als voor aardewerk, ook terecht bij venters op de markt (De Groote 2008, 440–41) of bij de pottenbakkers/pijpenbakkers. Zo weten we van pottenbakkers die niet enkel hun eigen aardewerk verkochten maar ook glas (Lievois 1984; 1985), dus waarom dan niet pijpen? Zeker van de 18de eeuw kon men ook pijpen kopen in de tabakswinkel aankloppen, al weet men niet precies wanneer deze speciaalzaak voor het eerst verschijnt (Schotel 1905). Tabel 8 overzicht van pijpenhandelaars die worden vermeld in de Wegwijzers van Gent 50
Naam
Locatie
Vroegste vermelding
De Valck
Visserij
19b
Lippens
Brusselsepoortstraat
19b
Dhoop-de Keyser
Koornlei
19b-19c
Janssens-Bresous
Sluizeken
19b-19c
Lippens
Keizerstraat
19b-19c
Van Leaucourt
Visserij
19b-19c
De Landsheer
Langesteenstraat
19c
De Landsheer
Doornzelestraat
19c
Dekeukelaer-Petit
Margueritestraat
19c
Devos
Zuivelsteeg
19c
Geeraerts
Kraanlei
19c
Putter
Dok
19c
Ruys
Korenlei
19c
Weduwe Coryn
Graslei
19c
Marchand
Kortrijksesteenweg
19c-19d
Vandewalle
Dampoorstraat
19c-19d
Vandewalle
Zuivelsteeg
19c-19d
Zusters Dekeukeleire
Margueritestraat
19c-19d
Boss
Zuivelsteeg
19d
Goossens
Dendermondsesteenweg
19d
T’Sjoen
Zuivelsteeg
19d
Bytebier
Veldstraat
19d-20a
Caron
Veldstraat
20a
Informatie van Pieter-Jan Lachaert, Stadsarchief Gent Deze lijst werd samengesteld op basis van een systematische analyse van de wegwijzers van Gent. Zover bewaard werden de jaargangen doorgenomen van 1770 tot 1906 in Stadsarchief Gent. Informatie omtrent namen, periode van activiteit en locaties van ateliers komt uit de ‘Wegwijzers’ tenzij anders aangegeven. 49 50
101
Voor de 19de eeuw beschikken we over meer concrete gegevens. De ‘Wegwijzers van Gent‘ vermelden in 1833 voor het eerst een koopman in Hollandsche pijpen. Dat deze kooplieden zich in deze periode beperkten tot enkel de Hollandse pijpen lijkt weinig waarschijnlijk gezien we vanaf de jaren 1930 ook een verhoogde import van Franse pijpen zien en ook de Belgische pijpnijverheid op volle toeren draaide. Begin jaren 1980 werd er in de Doornzelestraat een ensemble van zo’n 257 pijpfragmenten opgegraven en in detail onderzocht en gepubliceerd. Het zou gaan om een stortafval van Ludovicus Jacobus de Landtsheer in de periode 1860-65 vermeld als koopman van Hollandse pijpen. Onder het vondstmateriaal Goudse pijpen, Franse en Engelse producten, maar vooral veel Belgische pijpen (Van de Walle 1981). Gepaard aan de studie van het archeologisch vondstmateriaal werd bijkomend archief onderzoek uitgevoerd. Dit gaf een bijzonder beeld van deze Gentse koopman. Zo was hij ook beurtschipper die onder leiding van scheepsmakelaar De Baerdemaker drie keer per maand richting Holland gestuurd om daar de gehele provincie aan te doen met onder andere haltes in Amsterdam en Rotterdam (Van de Walle 1981). Auguste De Landstheer naamgenoot en vermoedelijk familielid had op zijn naamkaartje staan: beurtschipper en koopman in Hollandse pijpen. Hij dreef verder handel in pekkwasten, Haarlemse olie, jenever, likeur, lege vaten en hij verkocht ook Hollandse biezen, tegels en pijpen(Decavele en De Herdt 1976, 183–85).
Figuur 66 Naamkaartje van Auguste De Landtsheer met beschrijving van zijn professionele activiteiten (Huis van Alijn)
Ludovicus zelf woonde in herberg ‘Den Rotterdamschen beurtschipper’ en was naast koopman en schipper dus ook nog herbergier (Van de Walle 1981). We kunnen ons dus afvragen hoe strikt de scheiding tussen groot- en kleinhandel was in deze periode. Al zeker in de hoedanigheid als herbergier – zo kunnen we vermoeden – zal De Landtsheer ook wel pijpen bij de eindgebruiker hebben gebracht. Een aantal van deze koopmannen waren eenvoudigweg 102
ook winkelier. Bytebier en Caron – beide opgestart in het laatste kwart van de 19de eeuw – zouden uitgroeien tot gerenommeerde winkels in rookartikelen. Caron zou pas in 2011 uit de Veldstraat verdwijnen. Tegelijk bleven in de 19de en vroege 20ste eeuw sommige pijpenmakers in België ook verkoper. Zo kennen we bepaalde pijpenbakkers die direct verkochten aan de consument. Als voorbeeld nemen we de fabriek van Hillen uit Bree die zelfs een pijpenwinkeltje en een café had grenzend aan het pijpenmakersatelier. Café en winkel droegen de naam In ’T Duitsch Huis. Vermoedelijk verwijst deze naam naar de bakermat van de familie Knoedgen die oorspronkelijk afkomst was uit Höhr nabij Koblenz. Via huwelijk kwam de fabriek uiteindelijk eind 19de eeuw in handen van de familie Hillen (Caro 2004b). Het is ook niet uitgesloten dat er winkeliers en handelaars waren die op een bepaald moment zelf pijpen gingen maken. Misschien wat anekdotisch maar toch wel treffend is de vermelding van de Luikse pijpenbakker Jean Mensieur uit 1719. Die was tevens winkelier en maakte volgens een Figuur 67 In ’t Duitsch Huis. Winkel en contemporaine bron kleipijpen in bijberoep in zijn café van de familie Hillen begin 20ste eeuw eigen keuken (Fraikin 1979a). Een ander mogelijk voorbeeld is dat van Robert Beaujot die in 1896 wordt vermeld als pijenmaker in Jumet. Hij was tevens handelaar en bestelde ook pijpen met eigen merk RBJ bij Scoufflaire in Nimy (Bergen). Hij stempelde ook zijn pijpen met de plaatsnamen Roux en Fontaine L’Evèque (tussen Charleroi en Mons) (Caro 2004b, 43; Stam 2018).
5.3.2. Kopen op merk Aanvankelijk was het merk van weinig belang voor de marktwaarde van de pijp en omzetsnelheid van de producent. Het was in de eerste plaats bedoeld als handelsmerk en een manier om pijpen van verschillende ateliers te gaan onderscheiden. Het koopgedrag van de consument was aanvankelijk gebaseerd op prijs en kwaliteit, niet op merk. Een mentaliteitsverandering zet zich door in de loop van de 17de eeuw. Rond 1700 krijg je de situatie dat een aantal Goudse merken bijzonder in trek zijn omdat ze bij de consument garant staan voor hoogwaardige producten. Het handelsmerk wordt ook een keurmerk of kwaliteitsmerk, en meer en meer gaat de consument ook kopen op basis van dit merk (Duco 2003b, 28–29). De mentaliteitswijziging zorgde er voor dat het merk in Gouda bij het vermogensrecht van de pijpenbakker kwam te horen. Merken werden doorgegeven aan de volgende generatie, verkocht en zelfs verhuurd (Duco 2003b, 29). Daarnaast volgen er al gauw verschillende vormen van merkbescherming. Weinig verwonderlijk. De evolutie richting keurmerk en het ontstaan van een merkverkoop maken dat veel buiten Gouda de meest populaire Goudse merken gingen imiteren en nazetten. Wat volgt is twee eeuwen van strijd waarbij de Goudse pijpenbakkers – ondanks diverse regelingen en kunstgrepen – maar geen greep op de zaak kregen. Veelal omdat de jurisdictie van de gilde en de uitgeschreven reglementen slechts een lokale en regionale draag- en trefkracht hadden (Duco 2003b, 29–32).
103
Tijdens de hoogdagen van de hoge kwaliteitspijp en de lang gesteelde Gouwenaar stoorden de Goudse pijpenbakkers zich vooral aan de misleiding van de consument. Minder kwaliteitsvolle pijpen uit andere productiecentra werden als Gouds verkocht. Op deze manier werd de Goudse pijp en kwaliteit in diskrediet gebracht. Een kantelpunt lijkt zich te situeren ergens in het tweede kwart van de 18de eeuw wanneer de vraag naar goedkopere pijpen groter. Op dat moment lijkt de reactie uit Gouda op het imitatiegedrag van collega’s vooral ingegeven door de groeiende concurrentie die wordt gevoeld of op zijn minst wordt gevreesd. In het marktsegment van de goedkope pijp is kwaliteit en afwerking van secundair belang. De mogelijkheid om zich op vlak van esthetische kwaliteit te gaan onderscheiden wordt daarmee kleiner terwijl het belang van het merk als proeve van Goudse herkomst hierdoor alleen maar groter werd. Dit verklaart mogelijk voor een stuk de verhoogde aandacht voor merkbescherming vanaf de jaren 30 van de 18de eeuw. Een van de eerste regelingen om merkimitatie tegen te gaan is het Octrooi van de Staten van Holland uit 1739 en dat van West-Friesland uit 1740. De regelgeving geeft aan de Goudse pijpenbakkers het alleenrecht om op de zijkant van de hiel van de pijp een Gouds wapenschild te zetten. Het octrooi bleef gedurende de verdere 18de eeuw van kracht en zou 1791 nog versterkt worden door een nog meer uitgesproken merkbescherming: voortaan mogen er door niet-Goudse pijpenmakers ook geen stadswapens meer geplaatst worden die gelijken op die van Gouda of er een aanpassing van zijn; ook mag de naam Gouda niet onrechtmatig gezet worden; en belangrijk specifieke handelsmerken van Goudse pijpenbakers mogen niet langer gekopieerd worden (Duco 2003b, 36;45). Het alleenrecht van de Goudse pijpenbakkers om een Gouds wapenschild als bijmerk te zetten, zal alvast voor een duidelijk onderscheid gezorgd hebben tussen de producten uit Gouda en die uit andere productiecentra in Holland en West-Friesland. De octrooien uit 1739 en 1740 alsook hun herziening uit 1791 hadden echter een provinciaal karakter. Uit een aantal schriftelijke getuigenissen weten we dat in Holland en West-Friesland misbruiken werd aangepakt, vaak onder impuls van de Goudse gilde (Duco 2003c, 45). Pijpenbakkers die actief waren buiten de jurisdictie van deze twee staten hoefden zich niet aan deze regelgeving te houden. Dit maakt dat ze bijvoorbeeld in de toenmalige Oostenrijkse Nederlanden rustig verder mochten kopiëren. Om de imitatie in verder afgelegen productplaatsen in te dijken werden in de loop van de 18de eeuw door de Goudse gilde een aantal beperkingen opgesteld rond de handel in pijpenmakersmateriaal zoals mallen, pijpenpotten, trompetten en agaatstenen om te glazen. In § 5.1.3.2 haalde we al de bedrijfsspionage door de Antwerpse pijpenbakker Egbert Harssevoort aan. Blijkbaar zorgde dus ook de handel in gereedschap voor een voortdurende technologietransfer. Een concreet voorbeeld van de smokkel van gereedschap dateert in 1758 wanneer Cornelis de Wilde, een voormalige knecht van de Goudse pijpenbakker Jan Danens, die naar Bremen trok en zich daar verhuurde aan een pijpenmakerij. Hij probeerde op zijn tocht ook pijpenbakkersmaterieel mee te nemen maar werd daarbij teruggefloten (J. Van der Meulen 1999). In dat zelfde jaar volgt een officieel uitvoerverbod op pijpenbakkersmateriaal (Stam 2019e, 104; J. Van der Meulen 1994). Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden volgde voor het eerst een regelgeving die het provinciaal karakter oversteeg. In 1818 werd een nationaal merkenregister aangelegd. Ter voorbereiding werd een omzendbrief gestuurd naar alle besturen in de verenigde Nederlanden met de vraag om de pijpenfabrikanten aan te zetten om voor 1 februari 1818 de door hun gebruikte merken door te geven aan het lokale bestuur. Bestaande merktekens – ook al zijn ze weinig origineel en ook door andere in gebruik – mogen blijvend worden gezet maar mits voorwaarde dat alle pijpen, merkpapieren, manden, vaten en kisten ook het wapen van de 104
stad van herkomst dragen. Indien een pijpenbakker wil beginnen met het zetten van een ander merk dan vermeld in het merkenregister, dan dient hij een verzoek te doen aan de lokale overheid (Duco 2003b, 50). Uit de antwoorden op de circulaire van 1818 kan men afleiden welke schaal de merkenimitatie kon aannemen. We illustreren dit met misschien wel het meest gekopieerde merk WS. Dit merk werd begin 19de eeuw gezet door de Goudse pijpenbakker Pieter van der Want, maar dateert in het tweede kwart van de 17de eeuw. De eerste gebruiker was Willem Stevens die met zijn initialen vorm gaf aan het merk (Duco 1982b). Het merk WS verwierf vooral in de loop van de 18de eeuw populariteit onder Arent en Willem Willemsz. Brammert (Duco 2003b). We gaven in § 5.2.1 mee dat maar liefst zeven van de acht pijpenbakkers die op dat moment actief waren in Gent ook het merkteken WS zetten. Als we breder kijken in de Zuidelijke Nederlanden en het latere België valt het op dat in het eerste kwart van de 19de eeuw maar liefst 22 ateliers het merk WS gebruikten (Caro 2004b; J. Van der Meulen 1985). Tabel 9 Overzicht van pijpenmakers in Vlaanderen en Wallonië die begin 19de eeuw het merk WS gebruikten (synthese op basis van : Caro 2004b; J. Van der Meulen 1985 en eigen archiefwerk).
Hielmerk
Productieplaats
Atelier
Vroegste vermelding
WS (gekroond)
Andennelle
Heurter
18d
WS (gekroond)
Bergen
Petit
18d
WS (gekroond)
Namen
Werle
18d
WS (gekroond)
Andenne
Winand
19a
WS Gekroond
Andenne (Seilles)
Marchand
19a
WS
Antwerpen
De Bruijcker
19a
WS
Doornik
Baisieux
19a
WS
Gent
Berlo
19a
WS
Gent
Cappelier
19a
WS Gekroond
Gent
Colijn
19a
WS (Gekroond)
Gent
Vanhaeverbeke
19a
WS
Gent
Vechters
19a
WS
Gent
Verbrugghe
19a
WS Gekroond
Geraardsbergen
Van Meckeren
19a
WS (Gekroond)
Kortrijk
Debevere
19a
WS Gekroond
Kortrijk
Malfait
19a
WS Gekroond
Maaseik
Ritzen
19a
WS Gekroond
Maaseik
Vanijsterdael
19a
WS
Mechelen
Melaert
19a
WS (gekroond)
Namen
Morelle
19a
WS Gekroond
Sint-Niklaas
van Reijn
19a
WS Gekroond
Tielt
Willemijns
19a
5.3.3. Kopen op naam In 1855 wordt een oude regel binnen de Goudse gilde afgeschaft die het verbood om meer dan twee merken te bezitten. Voortaan konden pijpenmakers en ook handelshuizen dus meerdere merken gaan zetten. In deze periode zet zich ook een centralisatie van de nijverheid door zowel in de Noordelijke Nederlanden als bij ons in België. In de Noordelijke Nederlanden houdt
105
Gouda stand met een aantal andere productieplaatsen in Holland en Limburg. Ook op schaal van de stad zet zich een centralisatie door waarbij een aantal grotere bedrijven ontstaan. Op het einde van de 19de eeuw blijven er nog een tiental firma’s over (Van Oostveen en Stam 2011). Op vlak van merktekens leidt dit tot een geheel nieuwe realiteit waarbij groeiende bedrijven de stempels van kleinere spelers zullen gaan opkopen. De merken krijgen een nieuwe betekenis. Ze dragen bij tot de status van het bedrijf. Er wordt op marketingmateriaal mee uitgepakt op marketingmateriaal zoals visitekaartjes en bedrijfscatalogi. Enerzijds wijst het aantal op de draagkracht van een firma, maar er lijkt ook een symbolisch belang. Vooral de merken met lange traditie worden in de kijker gezet en de marketing er omtrent is vaak doorspekt met verwijzingen naar het grootse verleden. Deze aandacht voor de (vergane) glorie van het bedrijf herkennen we ook in het afbeelden van de medailles die werden gewonnen tijdens concours en
Figuur 68 Catalogi van Goedewaagen (L) uit 1900 en P. Van der Want (R) uit 1910 (PKN)
tentoonstellingen. De consument zocht geen kwaliteit meer bij het merk maar wel bij een fabrikant met de nodige renommée. Het is het moment dat de lang gesteelde Gouwenaar stilaan uit de mode raakt en op de markt wordt verdrongen door de kort gesteelde pijp. Innovatie komt op dat moment uit Frankrijk met de introductie van de figurale pijp en druk versierde néogènes. Men bleef – ook in België en Frankrijk – kleipijpen à la façon de Gouda produceren maar daarnaast kwamen er tal van nieuwe pijpmodellen. In Gouda ging men Franse persvormen opkopen om aan te knopen met het succes van deze nieuwe pijpen (Van Oostveen en Stam 2011). De appreciatie van kwaliteit veranderde in deze periode. Kwaliteit lag niet langer bij de oppervlakteafwerking (glazen met agaatsteen) van de pijp of de lengte van de steel. Rond 1880 wordt in Gouda zelfs de klassieke indeling in groffe, fijne en porceleine pijpen voorgoed verlaten (Duco 1987 : 24-25). Kwaliteit zat in de omvang en originaliteit (en actualiteit, cfr.
106
politieke en sociale thema’s) van het aanbod van de fabrikant, en de finesse waarmee de pijpenmaker de vaak kunstige pijpen wist vorm te geven. De keuze van pijp werd nog meer een persoonlijk gegeven waarbij het esthetische aspect aan belang toenam. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zien we dat de meeste Europese producenten overschakelen naar een klassering van hun pijpen in series volgens uiterlijke kenmerken en vormgeving. De consument maakt zijn keuze op basis van wat hij ziet, en bestelt direct bij de fabriek of via de pijpenhandelaar die over een bedrijfscatalogus beschikt. De evolutie naar het kopen op firma zien we ook in het toenemen van het naamwerk in de loop van de 19de eeuw: een gestempelde of ingesneden verwijzing naar de bedrijfsnaam op de steel of de kop (Duco 2003b, 76). Figuur 69 gesneden naammerk op steel. Opschrift: Nihoul à Nimy Déposé (Amsterdam Pipe Museum)
Het traditioneel merk bleef in gebruik om de firmanaam meer allure te geven door te verwijzen naar het roemrijke verleden van het bedrijf en van de Goudse pijp. Gaandeweg bleef men enk el nog de meest traditierijke merken gebruiken en die werden enkel gezet op de traditionele Goudse pijpmodellen. Bij P. Van der Want Gzn. zien we op de cover van de catalogus uit 1910 nog een tiental merken. Het meest belangrijke is het aloude succesmerk WS gekroond. De inleiding van de catalogus zegt: …danken wij aan onze jarenlange ondervinding daar het reeds bijna 3 eeuwen geleden (vetgedrukt) is, dat onze fabriek werd opgericht, door den HEER WILLEM STEVENS DE JONGE (naam in hoofdletters) in de Kuiperstraat. De twee voorletters van zijn eerste namen gebruikte deze als kenteeken om zijne pijpen te merken en u wordt nog steeds ditzelfde merk door ons gevoerd en is onze fabriek dan ook algemeen bekend onder den naam van “de Gekroonde W.S. 51 Werd er dan niet meer op merk gekocht? Waarschijnlijk wel door de meer traditionele roker met voorliefde voor de Goudse modellen. Een mooi voorbeeld is een bestelling van Frans Van der Haeghen, hoofdbibliothecaris van de Universiteit Gent. Hij besteld in 1887 twee mandjes pijpen met daarbij ook een deel met merkteken WS. Leuk is dat de pijpen werden afgeleverd door een zeker kapitein Pronk, vermoedelijk ook een beurtschipper.
Catalogus van de firma P. van der Want, Gouda uit 1910, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 51
107
In de weinige laat 19de-eeuwse catalogi van Belgische producenten zien we nog weinig aandacht voor merken. De catalogi van Wingender Knoedgen (1850) 52 uit Chokier, Knoedgen (1890)53 uit Bree en Croquet-Michel (1900) uit Maisières tonen naast néogènes en figurale pijpen ook veel Goudse merken maar de hielmerken lijken geen deel uit de maken van de marketing.
Figuur 70 ontvangstbewijs van 2 mandjes pijpen van de firma P. van der Want, geleverd aan Fr. Van der Haeghen door kapitein Pronk (Universiteitsbibliotheek Gent)
5.3.4. De prefab typologie: 19de- en 20ste-eeuwse handels- en bedrijfscatalogi Catalogus van de firma Wingender-Knoedgen, Chokier uit 1850, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 53 Catalogus van de firma Knoedgen, Bree uit 1890-1900, https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 52
108
In het voorbije hoofdstuk kwam de bedrijfs- of handelscatalogus al een aantal keer aan bod. De opkomst van het fenomeen van de handelscatalogus in vroegmoderne maatschappij situeert zich in de 17de eeuw (van den Bogaert, Van Gelder, en Nikkels 1985). In de pijpnijverheid verschijnen de eerste catalogi pas aan het begin van de 19de eeuw(Duco 2004a). Naast een prijslijst bevat een handelscatalogus doorgaans een afbeelding van de meest relevante producten van de handelaar of producent. Vanaf de 18de eeuw worden deze catalogi ware kunstwerkjes met voorbeelden van de belangrijkste handelsproducten. Voor ons als hedendaags onderzoeker bieden ze een erg waardevolle bron en chrono-typologische houvast. De opmaak van een catalogus was niet voor iedereen mogelijk en nuttig. De druk koste handen vol geld en het bedrijf in kwestie moest een zekere draagkracht hebben. Een catalogus werd ook pas nuttig als er gemikt werd op cliënteel op afstand dat niet langer via de dagdagelijkse handelscontacten on bereikt worden. Het gebruik van een catalogus impliceert ook een zekere vorm van standaardisatie van de productie: wat werd aangeboden in het kijkboek moest ook exact kunnen worden gerepliceerd (Duco 2004a, 10–11). Bovendien wordt een catalogus pas van tel wanneer het aanbod van een producent gediversifieerd genoeg is. De consument moet kunnen kiezen. De vroegste catalogi van pijpproducenten kwamen vermoedelijk tussen de jaren 1800 en 1820 in omloop. Daarbij ging het om niet meer dan een enkele samengebonden pagina’s met reeksen van de meest populaire en nieuwe pijpmodellen. Gaandeweg werden de documenten meer uitgebreid. De kwaliteit van de catalogi bleef wel variëren van erg eenvoudig, met eerdere technische zwart-wit tekeningen, tot ware kunstwerken met prachtige detailtekening in kleur (Duco 2004a, 11). De oudst bewaarde catalogus voor Europa is die van Blanc-Garin in Givet. Een klein NoordFrans grensstadje aan de Maas, niet ver van de Belgische grens. Deze catalogus is samen met vele andere 19de- en 20ste eeuw zijn digitaal gereproduceerd en te raadplegen zijn op de website van de PKN Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen: https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/. De collectie omvat handelsdocumenten van een aantal gekende producenten uit Gouda maar ook van een aantal grote en minder grote pijpenmakers uit Frankrijk, Duitsland, Engeland en zelfs de Verenigde Staten van Amerika. Voor België zijn volgende catalogi raadpleegbaar o
Firma Wingender-Knoedgen, Chokier (ca. 1850)
o
Firma J.J. Knoedgen - Bree (1890-1900)
o
Firma Croquet-Michel - Maisières (1900-1905)
o
Firma A. De Bevere – Kortrijk (1920-1935)
109
DEEL 3 : HOE KLEIPIJPEN BESTUDEREN?
110
6.
METHODOLOGISCH KADER
Intro In het verleden werd al heel wat pionierswerk geleverd op vlak van methodologie. Het zou bijzonder jammer zijn de verworven kennis zomaar aan de kant te schuiven. Bij het uitwerken van de methodologie voor die onderzoek werden verschillende bestaande systemen en kaders voor determineren, dateren, classificeren, beschrijven en tellen van kleipijpen geëvalueerd met onderzoeksvragen van dit project en de noden en specificiteit van de Vlaamse sector indachtig. In dit hoofdstuk bieden we eerst een beknopt overzicht van de meest belangrijke en toegepaste kaders, methoden en systemen, en formuleren we de belangrijkste pro’s en contra’s. Vervolgens presenteren we de eigen projectmethodologie.
111
6.1. Onderzoeksmethodes vroeger en nu 6.1.1. Determineren, dateren en classificeren Als we kijken naar de biologie dan zien we dat determineren het op naam brengen is van bepaalde plant-, bacterie- of diersoorten. Het gaat dus in feite om het identificeren of bepalen tot welke taxon een exemplaar behoort. Voor dit werk hebben biologen determinatiesleutels en -tabellen voorhanden: referentiekaders waarbij onderzoekers via deductie gaandeweg bij de juiste taxon uitkomen54. Voor een archeoloog of pijpeloog is determineren weinig anders dan voor een bioloog: er wordt bepaald tot welk type of subtype gebruiksvoorwerp een artefact behoort. Doorgaans gebeurt dit door het artefact te situeren in een bestaande classificatie. Anders dan bij de biologie is er in de archeologie ook een tijdsdimensie bij het determineren: types en subtypes evolueren doorheen de tijd, en net die evoluties zijn interessant en relevant bij de studie van kleipijpen en andere artefacten. Classificatiesystemen of -kaders worden in de archeologie doorgaans uitgewerkt als een typologie of een typo-chronologie. Dit is in de pijpelogie niet anders. Toch zien we dat er door de jaren heen ook een aantal andere manieren werden ingezet om kleipijpen te gaan classificeren en situeren in de tijd.
6.1.1.1. De kop als leidraad De eerste die een zekere systematiek herkende in de vormontwikkeling van de Goudse en bij uitbreiding Noordwest-Europese kleipijp was D.A. Goedewaagen. In de jaren 1930 presenteerde hij een eerste basischronologie voor Hollandse pijpen waarbij hij zich baseerde op de evolutie van de pijpenkop doorheen de tijd (Duco 1987a, 135; Goedewaagen en Helbers 1942). Goedewaagen zag in de pijpenkop het gidsfossiel bij uitstek voor datering waarbij de veranderingen in morfologie (de facto het groter worden van de pijpenkop) van de Goudse pijp koppelde aan het steeds goedkoper worden van de tabak. Weinig later ontwikkelde A. Oswald een gelijkaardige chronologie op basis van de kop voor kleipijpen uit Engelse producties (Oswald 1961). De chrono-typologieën van Goedewaagen en Oswald zijn vandaag grotendeels achterhaald door nieuwe kennis de voorbije decennia. Hun uitgangspunt - dat pijpenkop geldt als voornaamste marker voor verandering doorheen de tijd - is echter het fundament het typochronologisch werk van de volgende generaties onderzoeker na hen.
6.1.1.2. Een Noord-Amerikaanse focus op de steel en het rookkanaal De jaren 1950-60 werd er een nieuwe lijn uitgezet door een aantal Noord-Amerikaanse archeologen. Kleipijpen waren hier al langer een thema binnen de Historical Archaeology en het onderzoek naar de materiële cultuur van Europese immigranten en settlers tijdens de 17de en 18de eeuw. J.C. Harrington (Harrington 1954) ontwikkelde een fundamenteel andere methodiek voor het dateren van pijpen op basis van de diameter van het rookkanaal. Harrington ging uit van een steeds fijner wordende weijer of priemdraad wat zorgde voor een steeds geringer wordend rookkanaal. Het systeem werd nadien verder uitgewerkt – met erg complexe en vaak onhandelbare formules tot gevolg - door ander onderzoekers als L.R. A. Binford (Binford 1962), L. Hanson (Hanson 1968) en het duo R. Heigthon en K. Deagan (Heigthon en Deagan 1971) .
54
https://nl.wikipedia.org/wiki/Determinatie
112
Tot op vandaag zijn er voor en tegenstanders van het systeem (Agbe-Davies 2006; Alexander 1979; McKillian 2010; Noël Hume 1963). Criticasters stellen terecht de vraag of enkele millimeters meer of minder nu altijd een gevolg is van een verschil in diameter van de weijer? Zo varieert de diameter van het rookkanaal vaak al bij eenzelfde pijpensteel. De draad wordt ingebracht vanaf het mondstuk en doorgedrukt richting kop. Het rookkanaal is daardoor altijd wijder aan het mondstuk dan aan de ketel. Daarnaast moeten we ook rekening houden met het gebruik van een droogpriem bij veel pijpen (zie § 4.9). In dat geval zegt de diameter van het rookkanaal weinig meer over de diameter van de weijer (Duco 1987a, 135). Duco trekt zelfs de relatie tussen de rookkanaal diameter en chronologie in twijfel: hij zoekt verklaringen voor variaties in dikte van de weijer vooral in kwaliteit en regio gebonden gewoonten van de pijpenmaker. Een hoge kwaliteit pijp heeft doorgaans een fijnere en vaak ook langer steel. Het is logisch dat bij dit type fijnere stelen ook een fijnere draad werd gebruikt. Duco herkent ook geografische patronen waarbij hij wijst op het gebruik van fijnste priemdraden in Gouda en Amsterdam tijdens de 17de en vroege 18de eeuw. Misschien weinig toevallig te technisch sterkst ontwikkelde producties van de Nederlanden (Duco 1987a, 136).
Figuur 71 Home-made: toestelletje van de Museum Services for the Northeast Region van de National Park Service (NPS) om de diameter van het rookkanaal te meten (NPS Photo)
Comparatief onderzoek op basis van ruime vondstensembles van zo’n 65 vindplaatsen in Noord-Amerika toonde aan dat er rekening moet gehouden worden met afwijkingen in datering tot wel 60 jaar (McKillian 2010). Anderzijds zouden we ook kunnen redeneren dat een foutmarge tot een halve eeuw misschien nog aanvaardbaar is voor pijpfragmenten waarvoor geen andere chronologische aanknopingspunten voorhanden zijn (bijvoorbeeld kleine nietgedecoreerde steelfragmenten). Toepassen van een rookkanaal meting kan een meerwaarde bieden onder voorwaarde dat de resultaten beredeneerd worden geïnterpreteerd en bij voorkeur in combinatie van andere dateringsgegevens (McKillian 2010). 113
6.1.1.3. Een metrische benadering van de kop: de HBO-formule van Friedrich De volgende pionier in lijn is F.H.W Friedrich die in 1975 onder de titel ‘pijpelogie’ zijn gebundeld werk publiceerde dat vooral handelde rond kleipijpen uit Haarlemse bodem (Friedrich 1975b). In deze publicatie presenteert hij een nieuw classificatie- en dateringsysteem. Net als Goedewagen en Oswald een generatie eerder, gebruikt Friedrich opnieuw de pijpenkop als gidsfossiel om chronologische evoluties te vatten. Nieuw is de introductie van de zogenaamde HBO-formule. Friedrich vertrekt daarbij van een grafiek met op de x-as de jaartallen van 1580 tot 1930 en op de y-as een getallenreeks van 1000 tot 35.000. Om een kop te dateren nam Friedrich de hoogte (H) en vermenigvuldigde die met de maximale breedte van de kop (B) en de ketelopening (O). Het uitgekomen cijfer werd uitgezet op de y-as van de grafiek waardoor een datering met een marge van 5-10 jaar kan worden afgelezen. Door reeksen van kleipijpen op de meten slaagde Friedrich er in van een aantal tijdslijnen uit te zetten voor de voornaamste pijpmodellen die Goedewagen voor hem had gedefinieerd (Goedewaagen en Helbers 1942). De formule van Friedrich wordt tot op vandaag nog steeds gebruikt maar is zeker niet zonder kritiek. Duco wijst er terecht op dat de pijpenkop niet zo geleidelijk groeit als Friedrich het voorstelt. Wanneer zich eenmaal een nieuw pijpmodel had ontwikkeld, bleef dit gedurende langere tijd in gebruik. Oude en nieuwe pijpmodellen bleven vaak ook een tijd naast elkaar bestaan (Duco 1987a, 136) Daarnaast moet er ook rekening gehouden met afwijkende pijpformaten: in de 18de en 19de eeuw worden binnen éénzelfde pijpmodel pijpen met grote en kleine kop geproduceerd naar de wensen van de consument aangaande tabaksinhoud. De impact van het assortiment op een correcte datering geldt in feite bij evengoed welk classificatie- of dateringsysteem dat wordt toegepast.
6.1.1.4. Van kop tot steel: de invloed van Don Duco Don duco gaat met zijn zogenaamd deductief systeem eigenlijk als eerste de volledige kleipijp in beschouwing nemen bij het determineren en dateren. Hij gaat daarbij aan de slag met vrijwel alle uiterlijke kenmerken die aan de kleipijp waarneembaar zijn. Hierbij gaat hij deductief te werk om door het afwegen van een aantal kenmerken tot een periode van productie te komen (Duco 1987a). In zijn de publicatie ‘De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren’ uit 1987 presenteert Duco een deductief schema waarbij een uitgebreide set aan criteria wordt gekoppeld aan de periode van voorkomen. De gebruiker kan dan op die manier alle kenmerken systematisch doorlopen om zo tot een steeds nauwere datering te komen. Duco start van de vorm van de pijpenkop waarbij hij vijf basismodellen onderscheidt. Hierbij bouwt hij verder op het chrono-typologische kader van zijn voorgangers Goedewaagen en Friedrich dat Duco verder verfijnt en preciseert. Via een eerste classificatie op basis van de kop komt hij al tot een ruime datering van de productieperiode van de pijp. Daarna richt hij zich op een reeks van andere criteria waaronder afwerking, kwaliteit, decoratie en merk. Tenslotte betrekt hij ook nog secundaire info uit archiefbronnen, vondstomstandigheden en alle andere historische gegevens.
114
Figuur 72 de zogenaamde grafiek van Friederich met dateringscurven voor de voornaamste pijpmodellen. Op x-as de datering en op de y-as de HBO-coëfficiënt (Friedrich 1970)
115
Door de pijp in zijn volledigheid in beschouwing te nemen, met aandacht voor een breed spectrum aan morfologische en technische kenmerken, is het systeem van Duco het meest genuanceerde en accurate. Belangrijke pro is ook het belang dat wordt gelegd bij het dateren van het ensemble waar de andere systemen zich meer richten op de vondstdatering. Als voornaamste contra geldt - en dat erkent Duco ook zelf - dat de onderzoeker al over een meer dan goede basiskennis moet beschikken om de verschillende deductieve kenmerken te kunnen onderscheiden en af te wegen. Een mate van gespecialiseerde voorkennis die bij de meeste archeologen in Vlaanderen niet aanwezig is. Duco’s werk ‘De Nederlandse Kleipijp’ (Duco 1987a) is weliswaar bedoeld als gids om met het systeem aan de slag te gaan, maar de dense kennisstructuur maakt het handboek niet altijd even eenvoudig leesbaar en hanteerbaar tenzij met een meer dan behoorlijke basiskennis.
6.1.2. Registreren en beschrijven De manier waarop kleipijpen worden geregistreerd en beschreven verschilt vaak, en is afhankelijk van de lokale onderzoekstradities en ook de vraagstelling, interesses en achtergrond van de betrokken onderzoekers. Het deductief systeem werd door Duco in de eerste plaats in de markt gezet als een tool om te dateren en te determineren. Het systeem biedt natuurlijk meer. De deductieve kenmerken die hij formuleert en inzet om kleipijpen te determineren en dateren, bieden ook structuur voor het beschrijven en registreren. De aanpak van Duco werd mede daarom snel na verschijnen in 1987 (Duco 1987a) gemeengoed onder Nederlandse pijpelogen en archeologen. Het werk van Duco heeft ook het internationaal onderzoeksveld geïnspireerd en beïnvloed. Vandaag volgen dan ook vele Europese onderzoekers bij het registreren een aanpak met aandacht voor het brede scala van technische en morfologische kenmerken van de pijp (oa. Mehler 2010; Wacke n.d.). Het taxonomisch karakter van het systeem met aandacht voor de gehele pijp en de inzet voor een zo compleet mogelijke set van uiterlijke kenmerken voelt ook voor de meeste Vlaamse archeologen vertrouwd aan. Het taxonomisch opdelen van vormtypes en het nauwkeurig beschrijven van de individuele technische en morfologische kenmerken van de pijp leunt aan bij de manier waarop er vandaag ook in de Vlaamse archeologie wordt omgegaan met andere materiaalcategorieën zoals aardewerk (De Groote 2008; Poulain 2016). Het systeem gaat uit van de beschouwing van een aantal vooraf gedefinieerde uiterlijke kenmerken. Deze gestructureerde aanpak biedt basis voor het uitwerken van een databank of ander systematisch registratiesysteem waarmee comparatieve en kwantitatieve analyse van grote getalen kleipijpen mogelijk wordt en dit over verschillende contexten en zelfs vindplaatsen heen. Dit type contextuele analyse maakt deel uit van de onderzoekstraditie in Vlaamse archeologie en is vaak ook een onderdeel van de archeologische rapportage.
6.1.3. Kwantificeren en analyseren Duco wijst collega onderzoekers op het nut van analyse op het niveau van het ensemble of de (archeologische) context. Een concept waaraan Duco veel aandacht besteed is het productie- of bedrijfsassortiment. Zijn definitie van de term productie-assortiment luidt als volgt: verschillende modellen en kwaliteiten pijpen door één maker gelijktijdig op de markt gebracht. Het fenomeen assortiment geeft dus een tijdsbeeld van de verschillende soorten pijpen die naast elkaar werden gebruikt.
116
Duco kwam dus tot de vaststelling dat pijpenmakers in Gouda bepaalde oudere modellen soms een tijdlang bleven produceren naast de nieuw ontwikkelde modellen (Duco 1988b; 1990b). Daarnaast weten we dat de lokale pijpenmakers in de Zuidelijke Nederlanden de innovaties van hun Goudse en Franse collega’s niet altijd onmiddellijk overnamen. Er zit daardoor een beetje ‘vertraging op de innovatie’. Bij uitbreiding kunnen we er ook van uitgaan dat er iets is als het assortiment van de consument. Heeft de gebruiker een eerder traditionele smaak, dan kan het best zijn dat er in de collectie van een roker een aantal oudere pijpmodellen voorkomen. Daarbij moeten we ook altijd rekening houden met een lange levenscyclus van bepaalde topstukken in een collectie. In beide gevallen gebeurt het dat nieuwe en gedateerde modellen samen circuleren en samen in een afvalcontext terecht komen. Duco kwam tot een definitie van het bedrijfsassortiment door het bestuderen van een aantal goed gedateerde en ‘gesloten’ productie ensembles uit archeologische context (Duco 1988b; 1990b). Typologische en andere morfologische en technische veranderingen kunnen algemeen genomen enkel worden vastgesteld door ensembles te bestuderen en te gaan vergelijken. Duco ziet in kader van zo’n comparatief onderzoek op niveau van het ensemble en de context ook een meerwaarde in kwantificatie: Op die wijze krijgen we een beter inzicht in de aantallen gevonden pijpen, de periodisering van de vondsten, inclusief de variatie in voorkomen en gebruik per periode (Duco 2003c) Toch merken we dat in de Nederlandse pijpelogie doorgaans iedere kleipijp afzonderlijk wordt beschreven en gedocumenteerd. De aanpak is eerder objectgericht en de focus gaat daarbij naar goed bewaarde stukken. Deze objectgerichtheid in de Nederlandse pijpelogie is deels te verklaren door de achtergrond van het merendeel van de onderzoekers in museale/kunsthistorische hoek en de wereld van de collectioneurs. Kleinere fragmenten waaronder de vele stukjes pijpensteel - worden vaak enkel meegenomen in het verhaal wanneer ze bijzondere kenmerken (bv. decoratie of merkteken) dragen. Zo krijgt men zelden zicht op de samenstelling van het volledige vondstensemble. Kwantificatie heeft in dit kader weinig zin en wordt ook daarom ook zelden uitgevoerd. Daarmee sluiten de Nederlandse pijpelogen aan bij hun collega’s archeologen die zich bezig houden met de studie naar middeleeuws en vroegmodern aardewerk en glas. Voor de registratie van aardewerk en glas wordt doorgaans heil gezocht bij het zogenaamde Deventersysteem, een classificatiesysteem met een lineaire opbouw waarbij er steeds nieuwe vormen en types worden aangevuld aan een centraal register. Resultaat is een blijvend groeiende typologie voor Nederlands aardewerk en glas. Doorgaans eindigt een vondststudie met een tekstuele beschrijving en catalogus van de voornaamste en grotendeels complete vormen (Heikamp 2003). Doordat de mogelijkheden voor contextuele (kwantitatieve) analyse eerder beperkt zijn, leent het systeem zich niet voor de studie van de subtiele lokale verschillen en evoluties in vormenschat (De Groote 2008, 29). Deze ‘Nederlandse methode’ werd de laatste jaren regelmatig toegepast in Vlaanderen, veelal door Nederlandse onderzoekers (van Oostveen 2015; Van Oostveen 2021). Terwijl in Vlaanderen, de tradities op vlak van materiaalonderzoek doorgaans dichter aanleunen bij de Angelsaksische en Duitse aanpak. In de Angelsaksische en Duitse onderzoekstradities is de contextanalyse het uitgangspunt en wordt een vondstensembles vaker in zijn geheel beschouwd (Higgins 2017; Mehler 2010). Ook hier wordt doorgaans iedere kleipijp afzonderlijk beschreven en gedocumenteerd met aandacht voor een brede set aan technische en morfologische kenmerken. De focus ligt echter niet op de meer complete stukken en de meest 117
diagnostische en sprekende artefacten. Het complete ensemble van pijpfragmenten wordt beschreven in een databank of in een uitgebreide gegevenslijst. Door analyse - vaak via een kwantitatieve benadering - wordt op zoek gegaan naar betekenisvolle patronen in de dataset die kan bestaan uit één of meerder contexten en vondstensembles. De catalogus is geen doel an sich en vaak wordt er eerder gekozen voor een gerichte selectie van foto’s of tekeningen (of combinatie van beiden) die een representatief overzicht bieden van het vondstmateriaal in de context. Contextuele analyse op basis van kwantificatie zijn dus eerder uitzonderlijk voor Nederland al lijkt een nieuw generatie van archeologen wel open te staan voor deze aanpak (een recent voorbeeld is Bazelmans et al. 2017). Vlaamse onderzoekers kiezen vaak wel voor een kwantitatieve benadering bij het uitwerken van een vondstensemble (Goderis 2013; Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989; Van de Walle 1980; 1989; 1990) of ruimere inter-siteanalyse (Goderis 2012). Toegepaste tellingen zijn divers. Meest rudimentair richten ze zich op de samenstelling en omvang van het vondstensemble waarbij simpelweg het aantal aanwezige fragmenten wordt geteld. Vaak wordt daarbij een opdeling gemaakt tussen kop- en steelfragmenten. Soms worden ook de mondstukken apart behandeld als zijn die bij de eenvoudig afgesneden stelen moeilijk te onderscheiden van de gewone steelfragmenten. Andere tellingen en analyses kunnen zich richten op kenmerken zoals decoratie, afwerking, dimensies, merken, kwaliteit, etc… Naast het eenvoudig weg tellen van de individuele pijpfragmenten, kan ook worden nagegaan uit hoeveel kleipijpen een vondstensemble ten minste is gevormd. Met andere woorden: naast een telling van de individuele fragmenten voor het puzzelen, wordt er ook een telling uitgevoerd na het aanéénpassen van de fragmenten. Anders dan voor aardewerk en glas is er voor pijpen niet echt een kant en klaar systeem voorhanden. Doorgaans wordt gebruikt gemaakt van een telling verwant aan het systeem van Minimum Aantal Exemplaren (MAI) zoals vaak toegepast in aardewerkonderzoek. Daarbij wordt dan de rand of een ander diagnostisch deel (bijvoorbeeld hiel) van de pijpenkop geteld (Duco 2003c; Higgins 2017, 19).
6.2. Naar een methode voor de Vlaamse archeologie 6.2.1. In de geest van Duco… In § 6.1werden een aantal bestaande systemen voor het dateren, registreren en analyseren van kleipijpen voorgesteld. Daarbij werd duidelijk dat de impact van het werk van Duco op de onderzoekstradities in onze buurlanden erg groot is. De meeste gangbare methodes en systemen om kleipijpen te bestuderen zijn geïnspireerd op zijn deductief systeem gepresenteerd zijn werk uit 1987 (Duco 1987a) ‘De Nederlandse Kleipijp. Handboek voor dateren en determineren’. Zoals in § 6.1.2 werd aangehaald heeft het deductief systeem een aantal kenmerken die zich ook lenen voor een toepassing in de Vlaamse archeologische context: o
het opdelen in vormtypes (pijpmodellen) en het beschrijven van een set van technische en morfologische kenmerken heeft veel raakpunten met de manier waarop er vandaag in de Vlaamse archeologie wordt omgegaan met middeleeuws en vroegmodern aardewerk (De Groote 2008 geïnspireerd op Erdmann et al. n.d.);
o
het systeem gaat uit van de registratie van een breed scala aan vooraf gedefinieerde technische en morfologische kenmerken die visueel zijn vast te stellen. De aanpak biedt
118
basis voor het structureel beschrijven in een databank of ander systematisch registratiesysteem; o
zo’n een structurele registratie laat toe een uitgebreide set aan technische en morfologische kenmerken te bevragen en te analyseren;
o
bovendien maakt een structurele registratie een comparatieve en kwantitatieve analyse van grote getalen kleipijpen mogelijk en dit over verschillende contexten en vindplaatsen heen, ook kan dit vergelijkend onderzoek gebeuren doorheen de tijd. Op die manier kunnen subtiele evoluties in typologie in kaart worden gebracht. Zo laat de analyse van een ‘gesloten’ vondstensemble bijvoorbeeld toe de samenstelling van een het productie- of consumptieassortiment te bepalen. Dit type contextuele analyse maakt deel uit van de onderzoekstraditie in Vlaamse archeologie en is vaak ook een onderdeel van de archeologische rapportage.
6.2.2. Van individuele kleipijp tot ensemble De gehanteerde aanpak gaat uit van een beschrijving op niveau van het artefact of de individuele kleipijp. Observaties worden geregistreerd in een gegevensstructuur. Vanuit deze gegevensstructuur kunnen tellingen worden gevoerd en opgavenstaten opgesteld wat een kwantitatieve gegevensanalyse toelaat op niveau van het ensemble, dat dan weer als basis kan dienen voor verdergezet comparatief onderzoek op schaal van de dataset.
INDIVIDUELE KLEIPIJP
6.2.2.1. Een getrapt onderzoeksproces
Pijpmodel
Assortiment
Patronen & verandering
Figuur 73 schematische voorstelling van het onderzoeksproces
119
DATASET
ENSEMBLE
Uiterlijke kenmerken
In functie van de beschrijving en registratie op artefactniveau werd een structuur voor een gegevensbank uitgewerkt (zie § 6.2.2.1). Als inhoudelijke houvast werd er daarnaast de ‘ Leidraad bij het determineren en beschrijven van kleipijpen uit Vlaamse Bodem’ uitgewerkt (zie hoofdstuk 7). Voor dit onderzoek wordt chrono-typologie en kwantitatieve analyse als uitgangspunt genomen om patronen en veranderingen in productie en consumptie van kleipijpen te gaan herkennen, beschrijven en verklaren (zie §1.4.2).Dit brengt ons bij een getrapt onderzoeksproces bestaande uit vier grote onderzoeksfasen op drie schaalniveaus (Figuur 73). In elke fase van het onderzoeksproces wordt de blik verruimd, startend van de individuele kleipijp over het vondstensemble tot op de schaal van de ruimere dataset. Bij elke fase komt meer informatie voorhanden kunnen er ook complexere vragen kunnen worden gesteld en beantwoord. Fase 1 en 2 is de determinatie, datering en beschrijving van de individuele kleipijp; fase 3 betreft analyse en reflectie rond productie- of consumptieassortiment wat gebeurt op schaal van het ensemble; fase 4 is vergelijkend onderzoek waarbij op basis van meerdere vondstensembles op zoek wordt gegaan naar patronen in consumptie en productie op grotere schaal, en hoe deze patronen evolueren doorheen de tijd (= verandering). Fase 1 en 2 zijn eerder beschrijvend onderzoek waarbij een aantal kenmerken van de kleipijp systematisch en zo objectief mogelijk worden beschreven. Fase 3 en 4 betreffen meer interpretatief werk. De informatie die wordt gewonnen is daardoor enigszins subjectiever en vaak hypothetisch van aard. We overlopen de vier fasen in het onderzoeksproces even in meer detail: o
in fase 1 wordt voor de individuele kleipijpen het pijpmodel bepaald en wordt de kleipijp geplaatst in de tijd. Dit gebeurt op basis van de bestaande typo-chronologische kaders (zie hoofdstuk 7 ‘Leidraad bij het determineren en beschrijven van kleipijpen uit Vlaamse Bodem’. Resultaat is een eerste (ruime) datering van de aanwezige kleipijpen volgens productieperiode en waar mogelijk een toewijzing aan productieplaats;
o
in fase 2 worden voor de individuele kleipijpen aantal bijkomende morfologische en technische kenmerken in kaart waaronder dimensies, baksel, afwerking, decoratie en merktekens; Macroscopische observaties kunnen aangevuld worden met informatie uit microscopisch onderzoek (baksel) of archeometrie (baksel, afwerking,…). Eventueel kunnen er beschouwingen gemaakt worden omtrent kwaliteit. Op basis van kenmerken zoals decoratie en merktekens wordt waar mogelijk de productieperiode en -plaats nauwkeuriger bepaald;
o
in fase 3 wordt een beschouwing gemaakt op niveau van het ensemble. Er wordt gekeken welke pijpmodellen gelijktijdig in productie- of gebruik waren. Ook het voorkomen van bepaalde morfologische en technische kenmerken kan op ensembleniveau worden bekeken. Daarnaast kan er op ensemble niveau een herkomst- of kwaliteitsanalyse worden uitgevoerd. Analyses kunnen ondersteund worden door tellingen en opgavenstaten. Dit leidt tot de definitie van een productie- of consumptieassortiment, en een periodedatering voor het vondstensemble. Hierbij wordt rekening gehouden met de impact van conservatieve tendensen in productie en consumptie, en eventuele vertragingen op modelontwikkeling en innovatie bij lokale en regionale producten.
o
in fase 4 worden ensembles met elkaar vergeleken. Aan de hand van (kwantitatieve) analyse wordt op zoek gegaan naar patronen (synchroon) en verandering (diachroon) in productie en consumptie van kleipijpen.
120
6.2.2.2. Registratie en gegevensbeheer Om de observaties uit het onderzoek te gaan beheren en bevragen werd onderstaande gegevensstructuur uitgewerkt waarmee ook toekomstige onderzoekers aan de slag kunnen. Pijpmodel
Decoratie
Merktekens
Afwerking
Dimensies
Type Subtype Lokale en regionale kenmerken Type Plaats Motieven / patronen Type Plaats Beschrijving Gekend gebruik Vormnaad Filt Oppervlaktebehandeling Hoogte Breedte Ketelopening Steellengte
Herkomst Kwaliteit Gebruikssporen
Zie hoofdstuk 7, p. 125 Zie hoofdstuk 7, p. 125 Zie hoofdstuk 7, p. 147 Zie hoofdstuk 7, p. 132 Zie hoofdstuk 7, p. 132 Zie hoofdstuk 7, p. 132 Zie hoofdstuk 7, p. 136 Zie hoofdstuk 7, p. 136 Zie hoofdstuk 7, p. 136 Zie hoofdstuk 7, p. 136 Zie hoofdstuk 7, p. 131 Zie hoofdstuk 7, p. 131 Zie hoofdstuk 7, p. 131 Zie hoofdstuk 2, p. 130 Zie hoofdstuk 2, p. 130 Zie hoofdstuk 2, p. 130 Zie hoofdstuk 2, p. 130 Zie hoofdstuk 7, p. 136 + 147 Zie hoofdstuk 7, p. 145
Figuur 74 Gegevensstructuur met belangrijkste kenmerken van de kleipijp
Er is gekozen om een gegevensstructuur niet te presenteren als kant en klare databank of gegevenslijst, maar als een set van kenmerken die waardevol zijn om te registreren en te documenteren. Dit biedt het voordeel van modificatie en uitbreiding in kader van eigen onderzoeksvragen en -uitdagingen. Bovendien kan op deze manier de structuur geoperationaliseerd worden met eender welk softwarepakket en ook geïntegreerd worden in bestaande databanken en registratiesystemen van bedrijven, (erkende onroerend) erfgoeddepots of andere archeologische actoren.
6.2.2.3. Kleipijpen tellen Voor deze studie hebben we gebruik gemaakt van twee kwantificatiemethodes: o
een telling van het aantal fragmenten (kop, steel en mondstuk)
o
een telling van het minimaal aantal exemplaren (MAE). In deze studie hebben we gekozen om dit te doen door het tellen van de pijpenkopfragmenten na aanéénpassen. Met andere woorden: vijf niet passende pijpenkopfragmenten vormen vijf MAE; indien hiervan tweemaal twee pijpenkopfragmenten passen is er sprake van drie MAE; indien alle vijf de pijpenkopfragmenten aan elkaar passen is er sprake van één MAE.
121
Een gereconstrueerde pijp uit 100 passende fragmenten kop-, steel- en mondstukfragmenten wordt geteld als 100 fragmenten en 1 MAE. In het geval van 100 passende fragmenten zonder randelement is er sprake van 100 fragmenten en 0 MAE55.
Een alternatieve tellingswijze is om enkel kopfragmenten te tellen waarvan de basis van de ketel met hiel of aanzet van hiel is bewaard (Duco 2003c).Bij hoge fragmentatiegraad bestaat namelijk het gevaar van het ‘overtellen’ doordat fragmenten van dezelfde pijpenkop als van een afzonderlijk exemplaar worden gezien doordat de fragmenten fysiek niet aan elkaar zijn te passen. Telling van enkel die fragmenten waarvan de basis met hiel zijn bewaard, zou voor een stuk deze overwaardering kunnen voorkomen. Deze telwijze was voor deze studie moeilijk toepasbaar gezien het vele laat 18de eeuwse en 19de eeuwse materiaal met daarin ook vele pijpmodellen zonder hiel. 55
122
7. LEIDRAAD BIJ HET DATEREN, DETERMINEREN EN BESCHRIJVEN VAN DE KLEIPIJP UIT VLAAMSE BODEM
Intro Dit hoofdstuk is bedoeld als houvast Er wordt in de titel bewust gesproken over de ‘kleipijp uit Vlaamse bodem’ en niet over de ‘Vlaamse kleipijp’. De Gentse collectie toont aan dat vondstensembles uit Vlaamse bodem vaak erg complex in samenstelling zijn: kleipijpen uit lokale ateliers komen samen voor met importen van verder gelegen productieplaatsen. De kennis over de morfologisch en technische kenmerken van de Vlaamse en bij uitbreiding ‘Belgische’ kleipijpen is vooralsnog beperkt en de beschikbare literatuur is weinig toegankelijk. Voor de buurlanden – en dan vooral voor Nederland en de Goudse kleipijp - is er zo mogelijk dan weer te veel aan informatie maar is de literatuur dan weer onoverzichtelijk en erg gespecialiseerd. Duco’s basiswerk ‘De Nederlandse Kleipijp’ (Duco 1987) moet iedere pijpeloog op zijn bureau hebben liggen, maar de gebruikte kennisstructuur maakt het handboek niet altijd even eenvoudig leesbaar en hanteerbaar tenzij met een meer dan behoorlijke basiskennis. Veel meer recente informatie zit verspreid in publicaties groot en klein of ongepubliceerde onderzoeksrapporten (zogenaamde ‘grey literature’). We hebben zelf mogen ondervinden dat het als niet ervaren pijpeloog geen eenvoudige opdracht is om zich door al deze literatuur een weg te banen. Als niet gespecialiseerd onderzoeker is dit een haast ondoordringbaar kluwen waardoor veel kennis ook eenvoudigweg praktisch ontoegankelijk blijft. Met deze leidraad willen we een laagdrempelige synthese bieden waar ook de niet-specialist mee aan de slag kan. Net daarom hebben we onze aandacht beperkt tot de hoofdlijnen in de evolutie van het pijpmodel, en tot de voornaamste technologische en morfologische kenmerken van de kleipijp. De gebruiker moet zich daarbij realiseren dat misschien niet iedere kleipijp die hij of zij in handen krijgt zal passen in het voorgestelde plaatje en het soms nodig blijft om zelf op zoek te gaan in de beschikbare literatuur. In dat geval kan de aangereikte literatuurlijst bij dit hoofdstuk een houvast bieden.
123
7.1. Produceren en consumeren tussen twee invloedsferen In hoofdstuk 5 werd aangehaald dat Vlaanderen zich tussen drie belangrijke productieregio’s bevindt. Het Verenigd Koninkrijk en dan vooral Engeland met een productie die teruggaat tot in de 16de eeuw en een kenmerkende typo-chronologische ontwikkeling van het pijpmodel; de Noordelijke Nederlanden met Gouda als belangrijkste productieplaats dat tijdens de 17de en 18de eeuw de Europese markt compleet ging domineren en ook overzees een aanzienlijke afzet kende. Het Goudse pijpmodel was populair bij de consument en was tot aan de 19de eeuw de standaard voor vrijwel elke pijpenbakker in Noordwest-Europa; tenslotte Frankrijk waar tijdens de 19de een stevige industrie ontwikkelde en waar de pijpenbakkers met de introductie van de figurale pijp en diverse néogènes de kleipijp een compleet nieuw uiterlijk bezorgden. De invloed van vooral Gouda en Frankrijk op onze gewesten was erg groot. Op vlak van consumptie: een groot deel van de pijpen die tijdens de 17de en 18de eeuw in onze gewesten werden verbruikt werden ingevoerd uit Holland en Gouda; vanaf de 19de eeuw zien we een belangrijke import van Franse producten. Ook de invloed op de lokale productie was groot: tot de 19de eeuw diende de populaire Goudse pijp als voorbeeld en werden de meeste Vlaamse pijpen gemaakt à la façon de Gouda. Vanaf de 19de eeuw wordt het Franse modellenspectrum een bron van inspiratie. Ook werd er in die periode gekeken naar de ontwikkelingen in de Waalse nijverheid waar men in het Maasland en de Frans-Belgische grensregio tot een eigen interpretatie van de Franse vormschat kwam. De invloed van Engeland bleef dan weer opvallend beperkt. Af en toe vinden we wel een Engels pijpje in consumptieafval, maar niets wijst op een influx van producten en ideeën zoals we die tijdens de Vroegmoderne Periode hebben gekend uit Holland en vanaf de 19 de eeuw uit Frankrijk. Om pijpen uit Vlaamse bodem te gaan determineren en dateren is dus inzicht nodig in de vormenschat en typo-chronologieën van de productieregio’s die historisch gezien een invloed hadden op de consumptie en productie van kleipijen in onze gewesten. In feite kunnen we daarbij drie grote tijdsblokken (die deels overlappen) onderscheiden. Elk van deze tijdsblokken kenmerkt zich door een veranderende invloed op de evolutie van de kleipijp uit Belgische bodem: o
1580-1610: in deze periode van de vroegste productie hebben de pijpen eigenlijk nog een vaste vorm. Vaak worden ze aangeduid met ‘eerste generatie pijpen’. Ze ontwikkelen zich rond 1570 in Engeland en worden nadien ook geproduceerd in de Noordelijke Nederlanden (oa. Amsterdam en Gouda).
o
1610-1950: een periode waarin de impact van Gouda en Holland op de NoordwestEuropese markt en productie erg groot was. Onder de impuls van vooral de Goudse pijpenbakkers ontwikkelde zich in die periode vijf pijpmodellen die telkens gedurende een zekere periode systematisch werden geproduceerd door de Hollandse ateliers. Deze standaardmodellen zijn het resultaat van de evolutie van de basisvorm van de pijpenkop doorheen de tijd: (i) dubbelconische kop (1610-1700), (ii) trechtervormige kop (1680-1745), (iii) ovale kop (1735-1950), (iv) kromkop (1730-1940), (v) rondbodem (17301940). De eerste drie modellen reflecteren de hoogdagen van de lang gesteelde Gouwenaar. De kromkop en rondbodem kenmerken zich al door een korte pijpensteel die in gaat op de groeiende vraag naar (goedkopere) kort gesteelde pijpen. Al deze pijpmodellen gingen ook dienen als voorbeeld voor producenten overal in NoordwestEuropa, zo ook in de Zuidelijke Nederlanden.
124
o
1800-1950: de periode dat de gestandaardiseerde vormgeving van Gouda door veel fabrikanten in Europa wordt losgelaten. Een aantal Goudse standaardmodellen blijven populair tot medio 20ste eeuw met onder andere de ovale pijpen, kromkoppen en rondbodems (zie vorige periode). Maar bij de vele Europese producenten – eigenlijk ook die in Gouda – leeft een enorme zin naar vrijheid dat resulteert in een exponentiele groei aan nieuwe modellen (néogènes) en de ontwikkeling van vaak eclatante decoraties. In deze periode kwam ook de figurale pijp tot volle ontwikkeling. De Belgische producenten – zowel de Waalse als de Vlaamse – volgen al deze ontwikkeling op de voet.
Voorliggend leidraad werd gevormd door synthese en analyse van de voornaamste literatuur rond de chronologische evoluties op vlak van pijpmodel, maatvoering, afwerking, decoratie en merktekens. Om het kenniskader hanteerbaar en overzichtelijk te houden, is de focus gezet op die productieregio’s die van grote invloed zijn geweest voor Vlaanderen. Zo komt bijvoorbeeld voor de 17de en 18de eeuw de Duitse of Engelse kleipijp niet of nauwelijks aan bod gezien de geringe impact ervan op de consumptie en productie van kleipijpen in onze gewesten. De beschikbare informatie werd verwerkt met de Vlaamse historische en archeologische context in het achterhoofd de daaraan gekoppelde specifieke probleem- en vraagstellingen rond kwaliteit, herkomst en het lokale bedrijfsassortiment. Voor de eerste twee tijdsblokken – gekenmerkt door een min of meer lineaire ontwikkeling van vijf basismodellen - biedt voorliggend kenniskader een vrij compleet overzicht van de voornaamste morfologische en technische kenmerken en hun evolutie doorheen de tijd. Voor wie nog meer detail zoekt, wordt gepast verwezen naar relevante literatuur. Voor de laatste periode waarin de Goudse gestandaardiseerde vormgeving meer en meer werd losgelaten door de Europese producenten, zet onze leidraad meer in op een kennismaking met relevante literatuur en beschikbare werkinstrumenten zoals bedrijfscatalogi. Gezien de exponentiële aangroei aan pijpmodellen en decoratiewijzen is het voor deze periode haast onmogelijk om een compleet overzicht na te streven van wat in de 19de eeuw en later aan pijpen op de ‘Vlaamse’ markt circuleerde.
7.2. Pijpmodel De pijpenkop geldt als de belangrijkste houvast voor de studie van de typologische evolutie van de pijp doorheen de tijd. Elk evolutie tot een nieuw pijpmodel ging hand in hand met een verandering in de vorm van de pijpenkop. In de marge evolueerde hierbij ook andere onderdelen van de pijp zoals de steel en de hiel. De kop van de pijp is in wezen niet veel meer dan een container waarin tabak wordt gestopt en gebrand (§2.4.1). Al vroeg werd opgemerkt dat er een relatie is tussen de evolutie van de pijpenkop en het steeds goedkoper worden van tabak (Friedrich 1975b; Goedewaagen en Helbers 1942). Kort door de bocht: hoe goedkoper de tabak, hoe rijker men zijn pijp wil gaan vullen en hoe groter de ketel van de pijp ook dient te zijn. Het vergroten van de pijp ging echter verder dan het eenvoudigweg aanpassen van de afmetingen. Men wou vooral een te logge en weinig verfijnde pijpenkop vermijden. Gaandeweg probeert men daarom ook de wanddikte van de pijpen te reduceren en ging men ook sleutel aan de morfologie van de kop met modelvariatie tot gevolg.
125
7.2.1.1. 1580-1610: de eerste generatie pijpen Tot rond 1610 zijn zowel de Engelse als Hollandse kleipijpen weinig uniform van vorm en grootte. Het precies dateren van deze eerste generatie pijpen is daarom vaak een moeilijke zaak. Net als de latere gestandaardiseerde Goudse pijpen met dubbelconische kop, is ook de pijpenkop van de eerste generatie pijpen vaak al enigszins dubbelconisch van vorm. De gestandaardiseerde producten onderscheiden zich doorgaans door een meer gebalanceerde vormgeving. o
Een aantal andere kenmerken kunnen een aanwijzing zijn voor een vroege datering, maar bieden geen absolute zekerheid:
o
een relatief kleine omvang van de pijpenkop. Maar ook onder de dubbelconische modellen zijn kleine voorbeelden gekend (oa. zogenaamde proefpijpjes);
o
snijfilt in plaats van bottering. Maar ook vroeg gebotterde pijpjes zijn gekend;
o
doorgaans ook geen radering onder de filt
o
een ongeglaasd oppervlak en eventuele krimpscheuren. Maar ook dit zijn kenmerken die bij de latere ‘groffe pijpen’ vaak voorkomen;
o
geen hielmerk, hoewel er opnieuw ook enkele gemerkte exemplaren zijn gekend;
7.2.1.2. 1610-1950: de Goudse standaard De evolutie voor de periode 1610-1950 is op basis van museale stukken en archiefdocumenten uit Gouda goed gekend en gedocumenteerd. Hieronder geven we een beknopte beschrijving van de vijf basismodellen die in gestandaardiseerde vorm werden geproduceerd in Gouda en ook grote navolging kenden in andere productiecentra in de Lage Landen en daarbuiten:
A. 1610-1700: dubbelconische pijpen Het vroegste gestandaardiseerde Gouds model is de pijp met dubbelconische kop: de liggende pijpenkop werd vanaf de ketelopening breder, om vanaf het breedste punt opnieuw te versmallen richting steel. In profiel had de ketel dus een kenmerkende knik rond het middelpunt van de kop. Gaandeweg ontstaat de wens voor een ruimere ketel waar meer tabak in gestopt kan worden (prijzen worden goedkoper). De kop gaat de hoogte in maar wordt niet breder. Daardoor wordt de kenmerkende knik van de dubbelconische kop vanaf de tweede helft van de 17de eeuw minder uitgesproken. De dubbelconische pijp heeft steeds een hiel.
B. 1680-1745: trechtervormige pijpen Rond 1680 ontstaat uit de dubbelconische kop de trechtervormige kop. De verdere evolutie van de late dubbelconische pijp met weinig uitgesproken knik naar de trechtervormige pijp is het resultaat naar de ambitie om de ketel groter te maken. Dit gebeurt door het bovenste deel van de kop te verwijden zodat een trechtervorm ontstaat. De bovenkant van de pijp loopt niet langer taps toe. Er is nog steeds sprake van een liggende kop. Vanaf deze periode nemen de dikte van de ketelwand en stelen ook af zodat de pijpen een minder robuust en meer verfijnd uitzicht kregen. De ketel wordt gaandeweg wijder waarbij de knik aan de basis van de ketel steeds subtieler wordt. Ook de trechtervormige pijp heeft steeds een hiel. 126
Figuur 75 Schematische voorstelling van de modelevolutie in Gouda
127
C.1730-1960: ovaalvormige pijpen Rond 1730 ontstond in Gouda de ovale of ovoïde pijp. Het gaat om een verder evolutie van de trechtervormige pijp, opnieuw gedicteerd door de nood aan een groter ketelvolume. Het middelpunt van de kop wordt opnieuw verbreed waardoor er een ovale vorm ontstaat die nog steeds liggend op de steel staat. De ovale kop is symmetrisch langs de lengteas van de kop. De ketelopening staat loodrecht op deze as. Rond 1735 is de bolling van de pijpenkop nog erg subtiel. Dit verandert geleidelijk aan. Rond 1800 wordt de pijpenkop dermate bol dat men spreekt van een overbelaste pijp. De ovaalvormige pijp heeft doorgaans een hiel. Rond 1710 verschijnen voorbeelden met een spoor. Deze lijken maar in productie te blijven tot rond 1770.
D. 1720-1960: kromkoppen De kromkop ontstaat rond 1720 vermoedelijk onder invloed van modellen in het Verenigd Koninkrijk en Scandinavië. De kop staat met een kleinere hoek op de steel (staand tot teruggeplaatste kop) en heeft een typische kromming. De kromkop heeft doorgaans een hiel.
E. 1720- 1950: rondbodems De rondbodem ontstaat eveneens rond 1720 mogelijk onder invloed van de Duitse productie waar dit model tot het standaard aanbod behoorde. De kop van de pijp vertoont gelijkenis met die van de late overbelaste ovale pijpen. Aanvankelijk heeft de rondbodem een eerder liggende kop maar vanaf de late 18de eeuw verschijnen er steeds meer voorbeelden met een staande kop. In tegenstelling tot de ovale pijp gaat de kop naadloos over in de steel. Er is geen hiel of spoor aanwezig.
7.2.1.3. 1800-1950: néogènes, faintaisies en figurale pijpen Eerder gaven we al aan dat vanaf de 19de eeuw de pijpproductie fundamenteel verandert. De lang gesteelde en kostelijke Gouwenaar heeft het op dat moment al even moeilijk. Al in de 18de eeuw groeide de vraag naar een kort gesteelde pijp die vermoedelijk heel wat handiger was in het dagdagelijks gebruik. Dit bleek in Gouda al uit de ontwikkeling van de kort gesteelde kromkop en de rondbodem. Wereldwijd werd ook de vraag naar goedkopere pijpen groter. Productiecentra buiten Holland die – los van enige gilderegulering en historische binding met de Gouwenaar – al langer inzetten op deze budgetpijpen vormen voor het eerst echt concurrentie voor Gouda. De bereidheid om een pijp duur te betalen neem af en de vraag naar korte steel is mogelijk eerder praktisch van aard. Traditionele kleipijp lijken simpelweg ook wat uit de mode te zijn. Zo kennen pijpen uit nieuwe materialen een opgang. Ook ontstaan er pijpen voor het roken van shagtabak en sigaren, en later ook sigaretten. Vanaf 1800 wordt de klassieke vormgeving van de kleipijp ook gaandeweg losgelaten. Deze evolutie werd ingezet buiten Holland – vermoedelijk waren Frankrijk en het Belgische Maasland daarbij pioniersregio’s - maar werd al snel ook gevolgd door de Hollandse pijpenbakkers. De vormentaal die in de 19de eeuw ontstaat is eindeloos met ettelijke honderden modellen. Morfologische waren veel pijpmodellen nog steeds verwant aan een van de latere Goudse basismodellen zoals de ovale pijp, kromkop en rondbodem. De kromkop was al geïnspireerd op 128
de Engelse pijpmodellen maar vanaf de 19de eeuw verschijnen meer pijpmodellen met ‘vreemde’ invloeden: zo duiken er in vrijwel alle bedrijfscatalogi pijpmodellen op geworteld in de Oostenrijks-Hongaarse tradities of Scandinavisch geïnspireerde producten. Gaandeweg ontwikkelden echter ook modellen met compleet ongeziene vormgeving. Al deze nieuwe pijpmodellen worden in de contemporaine bedrijfscatalogi vaak benoemd als néogènes. Met de nieuwe modellen komt ook een voorliefde voor een eclatante en naar hedendaagse normen kitscherige reliëfversiering. Dit resulteerde in een enorm aanbod aan steelpijpen met druk versierde koppen. In de catalogi worden de sterk versierde stukken vaak aangeduid als fantaisies. Als de versiering niet langer de vorm van de pijpenkop volgt, spreekt men van een figurale pijp. Dit type pijpen heeft de Franse pijpindustrie naar ongeziene hoogten gestuwd, met de in detail uitgewerkte menselijke ‘koppen’ en fantasiefiguren in de vorm geperst. Doorgaans gaat het daarbij om een tweeledige pijp (ook manchetpijp) met een steel uit een ander materiaal.
Figuur 76 impressie van het assortiment van Knoedgen in Bree (1890). Een combinatie van traditionele Goudse modellen (boven) en néogènes, fantaisies en figurale pijpen (onder) (PKN)
De verschillende vormtypes beschrijven die na 1800 op de markt kwamen is vrijwel onbegonnen werk en overstijgt de ambitie van deze studie. Als referentiekader wordt verwezen naar de talrijke catalogi van pijpfabrikanten die bewaard bleven (zie § 5.3.4).
129
7.3. Andere technische en morfologische kenmerken 7.3.1. Maatvoering In §7.2 vermelden we al de relatie tot de grootte van de pijpenkop en het goedkoper worden van de tabak. Een grotere kop betekende een beter gevulde pijp en een langere rooktijd. De lengte van de pijpensteel was dan weer bepalend voor het gebruiksgenot. Hoe langer de steel, hoe hoger het genot van de roker. Bij pijpen met korte steel zorgt het gloeien van de tabak in de ketel voor een hitte die de roker op de keel slaat. Zo waren er onder de lang gesteelde Gouwenaar – het absolute topproduct van de Goudse pijpenbakkers – pijpen met een lengte tot wel één meter (de kop mee gemeten) (Duco 2003b, 199). Zulke pijpen konden niet overal worden gerookt wegens weinig praktisch. Bovendien was een lange pijp doorgaans ook een dure pijp die niet voor iedereen was weggelegd. Vanaf 1630 zetten de Goudse ateliers bewust in op standaardisatie van het pijpmodel (zie §7.2) en tegelijkertijd werd er ook gewerkt aan productdifferentiatie. Zo worden er van dan verschillende kwaliteiten van pijpen op de markt gezet gaande van groffe tot fijne pijpen, en later ook porcelijne pijpen als absoluut prestigeproduct (voor meer uitgebreide beschrijving van de Goudse kwaliteitscategorieën zie § 7.4). Gekoppeld hieraan, doet ook het formaatverschil zijn intrede: de fijne en porcelijne pijp zal zich van dan af kenmerken zich door een mooie afwerking en decoratie, en ook een lange steel. De grove pijp: een goedkoop basisproduct voor de brede markt had doorgaans een kortere steel. Snel kwam het daarbij ook tot een zekere standaardisatie in de maatvoering van de pijpen. Voor de groffe pijp zijn de standaarden weinig strikt en kan allen worde gesteld dat ze zelden langer zijn dan negen Rijnlandse duim of 24 centimeter (Duco 1987 : 37). Rond 1700 komt het tot een echt maatstelsel. Voor minder kwaliteit pijpen waren er weinig regels. Voor de betere pijpen wel: de maatpijp was zo’n 21 duim (55cm) lang en werd het meest verkocht. Daarboven gingen de soorten met zo’n 4 duim omhoog. De naamgeving van de langere pijpen wijst op een hogere kwaliteit en elitair gebruik, met name: de koningspijp (65 cm), de keizerspijp (75 cm), de kardinaalspijp (86 cm) en de pauselijke pijp (96 cm) (Duco 1987 : 15 & 44). In de 19de eeuw ontstaat er een bij de consument een grotere vraag naar kort gesteelde pijpen die de traditionele lang gesteelde Gouwenaar geleidelijk aan van de markt zal dringen (zie § 7.2.1.3). In die periode wordt de Goudse maatvoering losgelaten. Maatvoering kan dus een leidraad zijn bij determinatie en datering, maar moet steeds met veel voorzichtigheid in beschouwing worden genomen. De evolutie van de Goudse pijpenkop doorheen de tijd is niet zo lineair als op het eerste zicht doet vermoeden. Gekende uitzonderingen op de regel zijn bijvoorbeeld de miniatuurpijp, een kwaliteitsvolle pijp met kleine ketel en korte steel. Deze ‘fijne’ pijpen werden geproduceerd voor het roken van de meest exclusieve tabakssoorten en het roken van bescheiden portie (Duco 2003b, 199); Bovendien moet men steeds in het achterhoofd houden dat de regels rond maatvoering zich beperken tot de betere kwaliteit van pijpen. Bij de groffe pijpen werd de maatvoering in Gouda vaak minder strik toegepast. Buiten de invloedsfeer van de Goudse gilde waren er bovendien geen conventies. Deze Goudse maatvoering vormde vermoedelijk ook de basis van producties elders in Noordwest-Europa maar een echte verankering in een regelgeving hebben we bijvoorbeeld in de Zuidelijke Nederlanden en het latere België nooit gekend.
130
Voor de 19de en 20ste eeuw is het wijselijk de verschillende catalogi er op na te kijken. Zij vermelden vaak steellengte. Voorbeeld is de catalogus van P. van der Want uit Gouda (1910). Daarin wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tissen de afdeling Lange pijpen (37-90 cm), half lange pijpen (30-14 cm) en korte pijpen. Bij vrijwel ieder afzonderlijke pijp wordt de lengte vermeld56.
Figuur 77 bedrijfscatalogus van P. van der Want uit 1910 met aanduiding van de steellengte per maatafdeling (PKN)
7.3.2. Afwerking Onder de ‘afwerking’ van de kleipijp verstaan wij een reeks van handelingen die wordt uitgevoerd na het vormen van de pijp in de mal en voor het bakken in de oven. Meer precies verwijzen we naar een aantal stappen in het productieproces (zie ook §4.7 bijwerken en § 4.10 glazen) die gericht zijn om de conditie van de kleipijp te verbeteren omwille van voornamelijk esthetische redenen. De nauwgezetheid waarmee deze stappen werden ondernomen is vaak nog af te lezen van de kleipijp en zegt iets over de kwaliteit van de pijp, en de ambities of bekwaamheid van de maker.
Figuur 78 kleiresten ter hoogte van de vormnaad (Sint-Pietersplein)
Voorafgaand aan het mallen werden de rollen doorstoken met een goed geoliede priem. Pas tijdens het mallen werd de priem doorgeduwd in de ketel. Hierdoor bleef er een propje klei achter in de ketel. Bij mooi afgewerkte pijpen werd dit propje zorgvuldig weggehaald na het mallen. Bij minder goed afgewerkte pijpen is dit propje nog terug te vinden in de bodem van de ketel.
Catalogus van firma Van der Want 1910 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 56
131
Figuur 80 gebotterde filt met radering (Seminariestraat
Vervolgens werden kleiresten en vormnaden zorgvuldig weggestreken. Bij mooi afgewerkte pijpen is het resultaat een glad en naadloos oppervlak waarbij het verloop van de naad nog nauwelijks kan aangeduid worden. Bij de minder goed afgewerkte exemplaren is er sprake van een duidelijk naad op de plek waar de verschillende delen van de mal aansluiting vonden. Vaak zijn kleiresten niet of nauwelijks verwijderd. Bij pijpen met complexe reliëfdecoratie werd Figuur 79 gladgestreken vaak ook het reliëf verder bijgewerkt en vormnaad (Seminariestraat) uitgesneden
Bij de meest eenvoudige pijpen werd de rand afgesneden met een draad. Hierdoor ontstond een rechte en vlakke rand. Bij de meeste pijpen – en al zeker die van goede kwaliteit – werd bovenrand van de ketel (filt) glad en rond gemaakt met een botter. Ook het oppervlak van kop en steel kon worden bijgewerkt omwille van esthetische redenen. Bij minder kwalitatieve producten werd het oppervlak niet verder afgewerkt of soms opgewreven met een vochtig doek of het beste geval was. Bij de pijpen die in het geheel niet werden afgewerkt is het oppervlak ruw en erg poreus. De opgewreven pijpen zijn doorgaans gladder maar het oppervlak vaak nog erg poreus. Kwaliteitspijpen werden daarom opgewreven met behulp van een agaatsteen of harde vuursteen. Hierdoor ging het oppervlak erg glanzen. Een geglaasd oppervlak kan vandaag nog herkend worden door de fijne striemen als resultaat van het wrijven met de agaatsteen.
7.3.3. Decoratie 7.3.3.1. Reliëfversiering
Figuur 81 striemen van het glazen met de agaatsteen. Perfect gladde vormnaad (Sint-Pietersabdij)
Bij reliëf werd de kop en in minder mate ook de steel voorzien van een patroon in reliëf. Dit reliëf werd verwezenlijkt door gebruik te maken van een mal met negatief. Al vroeg gaat men in Gouda merktekens aanbrengen via reliëf: we denken dan bijvoorbeeld aan 17de-eeuwse kwaliteitsmerken op de zijkant van de ketel in de vorm van een gestileerde roos of lelie. In de 18de eeuw werden er soms – ontleend aan het gestempelde merk op de hiel - ook handelsmerken in reliëf gezet op de ketel. Deze merken beschouwen we niet als zuivere decoratie. Daarom behandelen we ze in §7.3.5 rond de merktekens. Figuur 82 gezichtspijp 19de eeuw (SintPietersabdij)
De echte reliëfdecoratie verschijnt rond 1630 in diverse Hollandse productiecentra op de zogenaamde reliëfpijpen met op kop en steel rijke patronen. Reliëfdecoratie werd tot in de 20ste eeuw aangebracht op kleipijpen. De evolutie van de decors volgt de stilistische ontwikkelingen van andere kunstvormen zoals de schilderkunst en de architectuur van 132
Barok tot neoclassicisme. Een volledige uitéénzetting geven van de evolutie van deze patronen gaat het doel van deze studie voorbij. Als houvast verwijzen we daarbij naar het werk van Duco voor de 17de en 18de eeuw. Voor de 19de-eeuwse ontwikkelingen is het zaak de verschillende bewaarde handelscatalogi door te nemen. Dus ook wanneer in de 19de eeuw de kortere en goedkopere pijpen op de markt komen worden ze vaak voorzien van een reliëfversiering. Vanaf 1860 start de traditie om de introductie van nieuwe decoratiepatronen te gaan koppelen aan een actuele gebeurtenis en invloedrijke (politieke) figuren. In deze periode wordt ook de pijp met reclameboodschap belangrijk. Wanneer de reliëfdecoratie niet langer de vorm van het pijpmodel volgt maar een eigen leven gaat leiden, spreken we van een figurale pijp. Ergens kunnen we stellen dat deze evolutie zich al voorzicht rond 1630 inzet met de Jonaspijp. Rond 1700 verschijnen er in Gouda en Gorinchem de zogenaamde dubbelgezichten op de markt met aan weerszijden van de ketel een gelaat. Ook enkelvoudige gezichtspijpen komen in productie. Zo verschijnt rond 1730 de zogenaamde ‘Turkenkop’. Eveneens eerste helft 18de eeuw verschijnen in de Hollandse bedrijfsassortimenten eveneens figurale pijpen waarbij een zittend figuurtje de ketel omarmt of de ketel is uitgewerkt in de vorm van een dier. Het zijn deze vroege figurale vormen die inspiratie zouden bieden voor de vele 19de-eeuwse pijpenmakers die van de figurale pijp hun handelsmerk zouden maken. Rond 1800 start men in Frankrijk met ook in Frankrijk met het produceren van figurale pijpen. Zij zullen de figurale pijp en ook de reliëfpijp naar nieuwe hoogten stuwen met esthetisch uitgewerkte modellen en continue drang naar originaliteit en vernieuwing van de vormenschat. Van dan af zullen de Fransen pijpenbakkers als voorbeeld gaan gelden voor hun Hollandse collega’s en producenten elders in Europa. Het aanbod aan decoratiepatronen en figurale vormen groeit in de loop van de 19de eeuw exponentieel. Een overzicht schetsen van dit aanbod is in kader van dit rapport vrijwel onmogelijk. Als referentiekader wordt verwezen naar de talrijke catalogi van pijpfabrikanten die bewaard bleven (zie §8.7.3).
Figuur 83 laat 19de eeuwse pijpen met reliëfversiering van een soldaat (Sint-Pietersplein)
133
7.3.3.2. Drukstempel Drukstempels werden gebruikt om versieringen aan te brengen op kop en steel. Veelal gaat het om ruitmotieven gevormd door lelies, kruisbloemen of geometrische motieven. Aanvankelijk werden er vooral individuele stempels gezet later werden de stempels in rij gezet of volgens meer complexe schema’s. Stelen die aan de bovenzijde zijn gestempeld noemt men geborduurde stelen. In de Goudse en Hollandse producties ligt het zwaartepunt van deze decoratievorm tussen 1630 en 1650 (Duco 1987a, 81). Het is niet uit te sluiten dat de drukstempel in andere productiecentra buiten Holland langer in gebruik bleef.
Figuur 85 drukstempel in ruitmotieven op 17de eeuwse pijp (derde kwart). Centraal radering (Rabot)
Figuur 84 stippenlijn aangebracht met het radeermes (Seminariestraat, laatste kwart 17 de eeuw)
7.3.3.3. Radeermes Zowel de kop als de steel kon versierd worden door het inkerven met het radeermes. Daarbij gaat het om een bandvormig motief rondom de kop (net onder de filt) of de steel. De radering kan gevormd zijn door een doorlopende groef of een stippellijn bestaande uit punt of fijne lijntjes. Radering komt al voor vanaf de eerste generatie kleipijpen eind 16de en wordt toegepast tot in de 20ste eeuw (Duco 1987a, 145).
7.3.3.4. Bandstempel De versiering met de bandstempel is verwant aan die met het radeermes. Ook de bandstempel wordt rondom rond aangebracht. Bandstempels worden enkel gebruikt voor het versieren van de steel. Complexe motieven en patronen worden uitgewerkt met onder andere ogen, kruisenbanden, zigzag-patronen en ook naambanden of handelsmerken. Het is vaak niet voor alle patronen mogelijk een precieze productieperiode te geven. De meeste patronen doen al in de 17de eeuw hun intrede om pas eind 19de eeuw te verdwijnen. De naam van het productieatelier als afboording van een breder veld van bandstempels komt al in het midden van de 18de eeuw voor en lijkt al aan populariteit te verliezen in het eerste kwart van de 19 de 134
eeuw; vanaf medio 19de eeuw verschijnt de handelsnaam als afzonderlijk element op de steel (Duco 1987a, 144). Opnieuw moeten we benadrukken dat deze chronologie het resultaat is van de studie van Goudse en Hollandse producten en dus voor de Vlaamse context eerder richtinggevend is. Niets sluit dat bepaalde decoratietradities elders een langer leven kenden.
Figuur 86 decoratie met de bandstempel: (boven) zigzag-patronen afgeboord door kruisenbanden (vierde kwart 17de eeuw, Seminariestraat); (midden) kruisbanden en radering (Rabot, derde kwart 17de eeuw); (onder) radering afgeboord door ogen (vierde kwart 17de eeuw, Seminariestraat)
7.3.3.5. Torsen Bij het torsen wordt de steel in lederharde toestand een kwart tot twee kwart gedraaid waardoor een decoratief reliëf ontstaat. In de Goudse productie wordt deze decoratiewijze toegepast vanaf het tweede kart van de 18de eeuw tot in het begin van de 19de eeuw (Duco 1987a, 145).
Figuur 87 getorste steel. Radstempel op draairibbels. Afgeboord met radering en radstempel in zigzag patroon
7.3.4. Geruwd Vanaf 1800 wordt de steel aan de kop soms geruwd met een burijn. Dit geeft een geschubd effect en biedt de roker ook meer houvast tijdens het roken (Duco 1987b, 88).
135
7.3.5. Merktekens 7.3.5.1. Hielmerken In hoofdstuk 5 deden we uit de doeken hoe in Gouda in de loop van de 17 de eeuw een echte merkentraditie ontstaat. De pijpenbakker ging zijn producten voorzien van een stempel op de hiel van de pijp. Het hielmerk werd gezet met een drukstempel voor het bakken. Het was een persoonlijk merk en de handtekening van de maker. Aanvankelijk was het een handelsmerk maar snel werd het ook een keurmerk. Bepaalde pijpenbakkers verwierven via hun merk de nodige naam en faam. De consument ging in de 17de en 18de eeuw echt op merk kopen. Het belang van het merk nam af in de loop van de 19de eeuw omwille van diverse veranderingen in consumptie en productie (zie p. 105). Vanaf 1860 wordt het merk van het handelshuis belangrijker dan het makersmerk. Het merk werd meer een decoratieve verwijzing naar het groots verleden van een firma of pijpenmakerij (Duco 2003a). Verschillende types merken komen voor. Figuratieve merken en initiaalmerken zijn de belangrijkste. Die laatste verwijzen vaak naar de naam van de eerste gebruiker. Het merk is verbonden aan de pijpenmaker of zijn atelier. Het exclusieve gebruiksrecht van de merken heeft al van meet af aan tot geschillen geleid. Deze geschillen resulteerden in het tweede kwart van de 17de eeuw tot een aantal stedelijke privileges voor individuele pijpenmakers rond het exclusieve gebruik van bepaalde merktekens. Pas na 1641 volgt er een in Gouda een eerste echt reglement. In artikel 5 van dit regelement staat dat iedere pijpmaker gelast wordt zijn eigen merkt te zetten. Dit individuele merkteken moet duidelijk verschillen van de andere merken die in gebruik waren. In 1660 ontstaat de Goudse pijpenmakersgilde die de controle op het gebruik van het merk als een van haar voornaamste taken gaat beschouwen. De impact van de gilde bleef echter beperkt tot Gouda en omstreken(Duco 2003a, 18–31). Het succes van bepaalde Goudse merken maakt dat veel merken werden gekopieerd en nagezet buiten de invloedsfeer van de gilde in België, Duitsland en Frankrijk (zie. P. 106). Enkel tijdens de korte vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tussen 1815 en 1830 ontstond er een nationale regelgeving die ook impact had op onze gewesten (p. 106-107) ((Duco 2003b, 48–60). Het hielmerk biedt dus een leidraad om de herkomst van een pijp te achterhalen maar enige voorzichtigheid is nodig. Het kan gaan om een origineel Gouds product, maar evengoed om een lokale imitatie.
Figuur 88 hielmerk van Jean-Baptiste Nihoul. Actief in Nimy tussen 18311880 (Sint-Pïetersabdij)
Het Gouds pijpenmakersgilde heeft een groot archief nagelaten. Dit werd door de jaren heen uitgebreid bestudeerd. Zo Voor de 17de eeuw is de info weinig compleet, voor de periode na de oprichting van de gilde in 1660 zijn we goed op de hoogte van welke hielmerken er in Gouda werden gebruikt en door wie. De overdracht van de merken via vererving, verkoop of verhuur werd notarieel geregistreerd waardoor vaak de volledige gebruiksgeschiedenis van een merk kan worden gereconstrueerd. Voor een chronologische lijst van Goudse merken verwijzen wij naar het merkenboekje van Duco uit 1982 (Duco 1982b) en zijn meer recente publicatie over het merkenrecht uit 2003 (Duco 2003a). Daarnaast biedt ook het werk van Goudse pijpenmakers en hun merken door Van der Meulen een handleiding (J. Van der Meulen 2003a).
136
Voor de andere productiecentra in de Noordelijke Nederlanden is er veel minder informatie voorhanden. Ook hier werden merken gezet maar gezien er een echte regelgeving ontbrak werd ook de overdracht van de merken nooit nauwkeurig gedocumenteerd. Voor de merken van de Nederlandse pijpenbakkers buiten Gouda moeten we het doen met observaties uit archeologische vondststudie (Van Oostveen en Stam slaagden er in een aantal hielmerken te verbinden aan Noord-Nederlandse productieplaatsen op basis van jarenlang vondstenonderzoek: Van Oostveen en Stam 2011) of met een uitzonderlijke momentopname in het archief. We denken dan bijvoorbeeld aan de merken die gekend zijn uit de opmaak van het nationale merkenregister in 1819 (Een transcriptie van de lijst van pijpenbakkers en hun merken op dat moment werd opgesteld door: J. Van der Meulen 1985) Voor onze gewesten geldt dezelfde situatie. We hebben een erg onnauwkeurig beeld over de pijpenbakkers in onze gewesten en de merken die ze gebruikten. Bruikbare lijsten werden gepubliceerd door Van der Meulen op basis van het nationaal merkenregister van 1819 (J. Van der Meulen 1985). Caro wist dit beeld nog verder aan te vullen via losse archiefvermeldingen en observaties uit artefactenonderzoek en de studie van museale collecties (Caro 2004b). In kader van deze studie vulden ook wij de lijst voor de Belgische pijpenbakkers verder aan op basis van bijkomend literatuur en archiefonderzoek. Tabel 10 (synthese op basis van : Caro, 2004b; Van der Meulen, 1985 en eigen archiefwerk).
Hielmerk
Productieplaats
Voornaam
Familienaam
Vroegste vermelding
2
Andenelle
Gaspard
Dosogne
19c
3
Andenelle
Gaspard
Dosogne
19c
4
Andenne
Daniel
Verheyleweghen
20a
21
Kortrijk
Jodocus Augustinus
Debevere
19b
36
Kortrijk
Martin Joseph
Malfait
19b
46
Andenne (Seilles)
Etienne
Marchand
19a
46
Namen
François
Henrij
19a
46
Namen
vve
Laluelle
19a
46
Namen
Lambert
Morelle
19a
46
Namen
Jean
Statens
19a
48
Andenne
Jean Joseph
Magis
19a
49
Andennes
Charles
Smet
19a
64
Andenne
Heurter
19a
96
Lier
B
Thijs
19a
46 Gekroond
Andenne (Seilles)
Etienne
Marchand
19a
46 Gekroond
Andennelle
Pierre
Orter
19a
46 gekroond
Andennelle
Lambert
Fossion
19a
46 gekroond
Andennes
Jean Jos vve
Fossion
19a
46 Gekroond
Luik
L.J.
Deffet
19a
46 Gekroond
Luik
Bastin
Nossent
19a
46 Gekroond
Maaseik
François
Ritzen
19a
46 Gekroond
Maaseik
Nicolas
Vanijsterdael
19a
46 gekroond
Namen
Lambert
Morelle
19a
Cijfermerk
137
48 Gekroond
Andennes
Jean J.
Magis
19a
56 gekroond
Andenne
Charles
Smet
19a
96 Gekroond
Maaseik
François
Ritzen
19a
96 Gekroond
Maaseik
Nicolas
Vanijsterdael
19a
Volgnummer tot 100 Lettermerk
Maaseik
François vve
Ritzen
19a
AB Gekroond
Maaseik
François
Ritzen
19a
AB Gekroond
Maaseik
Nicolas
Vanijsterdael
19a
AT
Luik
Jacques-Henri
Antoine
19c
B
Andenne
Georges & Désiré
Barth
19c
B gekroond
Andenne
Georges & Désiré
Barth
19c
BWB Gekroond
Luik
Bastin
Nossent
19a
CL
Namen
Cornelis
Lecocq
19a
CS
Andennelle
Charles
Smet
19b
CS
Andennelle
Veuve Charles
Smet
19b
D
Andenne
Daniel
Verheyleweghen
20a
D
Bergen (Nimy)
François-Joseph
Nihoul
19a
D
Bergen (Nimy)
Pierre Joseph
Scoufflaire
19b
D
Bury
François
Debliquy
19b
D
Kortrijk
Amand Charles
De Bevere
19d
D
Roeselare
Pieter
Muylle
19a
D Gekroond
Geraardsbergen
Jean
Van Meckeren
19a
DB
Andenne
Désiré
Barth
19c
DS
Gent
Jean Baptiste
Berlo
19a
DV
Andenne
Daniel
Verheyleweghen
20a
DY
Namen
Pierre Joseph
Duquesnoy
19b
FJR
Maaseik
François
Ritzen
19b
FL
Andenne
Georges & Désiré
Barth
19c
FS
Olmen
FW
Chokier
Félix
Wingender
H
Andennelle
Pierre Joseph
Heurter
18d
H
Andennelle
Gaspard
Dosogne
19c
H
Bergen
Charles-Joseph
Petit
19a
H
Doornik
Aimable
Prevost
19a
H
Namen
François
Henrij
19a
H
Namen
vve
Laluelle
19a
H gekroond
Antwerpen
Egbert
Harssevoort
18c
HSV
Antwerpen
Egbert
Harssevoort
18c
IK (met ster)
Maastricht
Knoedgen
Jean
19b
JH
Andenne
Joseph
Heurter
20a
JK
Bree
Jacques (et vve)
Knoedgen
19c
K
Andennelle
Gaspard
Dosogne
19c
KW
Chokier
KnoedgenWingender
19b
18c
138
L
Namen
Jean Baptiste George Pieter
Werle
19a
M
Roeselare
Muylle
19a
M
François
Marcq
19c
M Gekroond
SaintSymphorien Lier
Muller
19a
MS Gekroond
Lier
vve
Gilis
19a
MS Gekroond
Maaseik
François
Ritzen
19a
MS Gekroond
Maaseik
Nicolas
Vanijsterdael
19a
N
François
Nihoul
19a
N
Bergen (Maisières) Bergen (Nimy)
François-Joseph
Nihoul
19a
N
Bergen (Nimy)
Pierre Joseph
Scoufflaire
19b
N
Maisières
Armand
Grégoire
19b
P
Bergen (Nimy)
Emile-François
Nihoul
19d
PCG
Poperinge
Pierre Chrétien
Guison
18d
PF
Namen
Lambert
Morelle
19a
PM
Roeselare
Pieter
Muylle
19a
R
Maaseik
François
Ritzen
19a
RBJ
Jumet
Robert
Beaujot
20a
S
Bergen (Casteau)
Joachim
Stievenart
19a
S
Namen
Jean
Statens
19a
TD
Poperinge
Dondeyne
19b
TD
Poperinge
Kamiel
Dupont
19b
TD
Poperinge
Pierre Chrétien
Guison
18d
TD
Roeselare
Jean
Masselis
19a
TD
Roeselare
Josse
Masselis
19a
TD
Roeselare
Pieter
Muylle
19a
TD
Vlamertinge
Arnold
Ooghe
19a
TK gekroond
Luik
Thres-Knoedgen
19b
TS
Lier
B
Thijs
19a
V:S:49
Andenne
Jacques-Jospeh vve
Smet
19a
VB
Gent
Gaspard
Colijn
19a
VS
Andennes
Charles
Smet
19a
W
Namen
Werle
19a
W gekroond
Kortrijk
Jean Baptiste George Martin Joseph
Malfait
19c
W gekroond
Namen
Jean Baptiste George
Werle
18d
WF
Chokier
Wingender
19c
WK
Chokier
19b
WL
Namen
WS
Antwerpen
Jean Baptiste George Charles
WingenderKnoedgen Werle De Bruijcker
19a
WS
Bergen
Charles-Joseph
Petit
19a
139
19a
WS
Doornik
J.B.
Baisieux
19a
WS
Gent
Jean
Cappelier
19a
WS
Gent
Lieve
Vanhaverbeke
19a
WS
Gent
Benoit
Verbrugghe
19a
WS
Gent
André
Vechters
19a
WS
Gent
Jean Baptiste
Berlo
19a
WS
Kortrijk
Josse
Debevere
19a
WS
Mechelen
François
Melaert
19a
WS (gekroond)
Andenne
Winand
19a
WS (gekroond)
Andennelle
Jean-Louis en Nicolas-François Pierre Joseph
Heurter
18d
WS (gekroond)
Bergen
Charles-Joseph
Petit
18d
WS (gekroond)
Namen
Werle
18d
WS (gekroond)
Namen
Jean Baptiste George Lambert
Morelle
19a
WS Gekroond
Andenne
Louis
Winand
19a
WS Gekroond
Andenne (Seilles)
Etienne
Marchand
19a
WS Gekroond
Gent
Jean Baptiste
Vanhaeverbeke
19a
WS Gekroond
Gent
Gaspard
Colijn
19a
WS Gekroond
Geraardsbergen
Jean
Van Meckeren
19a
WS Gekroond
Kortrijk
Martin Joseph
Malfait
19a
WS Gekroond
Kortrijk
Jodocus Augustinus
Debevere
19b
WS Gekroond
Maaseik
François
Ritzen
19a
WS Gekroond
Maaseik
Nicolas
Vanijsterdael
19a
WS Gekroond
Sint-Niklaas
Pierre Jospeh
van Reijn
19a
WS Gekroond
Tielt
François
Willemijns
19a
Burcht gekroond Burcht gekroond Franse lelie
Luik
Bastin
Nossent
19a
Luik
L.J.
Deffet
19a
Andenne
Jean-Charles-Joseph
Nihoul-Pollet
19a
Klok
Andenne
Louis
Winand
19a
Klok gekroond
Andennes (Seilles) Bergen
Etienne
Marchand
19a
C. J.
Petit
19a
Armand
Grégoire
19b
Leeuw
Bergen (Maisières) Doornik
J.B.
Baisieux
19a
Leeuw
Maisières
François
Nihoul
19a
Molen
Gent
Jean
Merlé
19a
Ster
Lier
18c
Stoel
Lier
18c
W
Balen
18c
Wapen Lier gekroond
Lier
18c
Figuratief merk
Leeuw Leeuw
140
7.3.5.2. Zijmerken en ketelmerken Soms werden er ook merken op de ketel zelf geplaatst. Dit gebeurde dan doorgaans met een reliëf gevormd in de mal. Hoewel deze merken een decoratief aspect hebben zijn ze toch functioneel van aard. De vroegste merken zijn de Tudorroos of stippenroosmerken. Ze waren geen makersmerk maar een kwaliteitsaanduiding voor eenvoudige pijpen (ze konden praktisch niet geglaasd worden) (Duco 1987b, 75). Het zijmerk als makersmerk ontstaat pas in het laatste kwart van de 17de eeuw. Het wordt toegepast in Gouda (hoogtepunt tussen 1720-1760) maar ook in vele andere Noord Nederlandse productieplaatsen (hoogte punt hier veelal wat later 1740-1800) (Duco 1987b, 77). Voor een lijst van zijmerken voor de Noord-Nederlandse productieplaatsen verwijzen we naar het inventariserend werk van Duco (Duco 1987b, 76). Het is niet duidelijk in welke mate pijpenmakers in Vlaanderen gebruik hebben gemaakt van zijmerken. Enige echt gekende voorbeeld tot nu toe is het voorbeeld van de Antwerpse pijpenbakker Egbert Harssevoort die als zijmerk een gekroonde vis en initialen HSV gebruikte. In de 19de eeuw gaat de pijpenmaker soms zijn hielmerk op de ketel of steel aanbrengen. Dit gebeurt dan vooral bij de néogènes en fantaisies die niet langer een hiel hebben.
Figuur 89 19de eeuws pijpje in de vorm van een everzwijnhoofd. We herkennen de stempel AT van Jacques-Henri Antoine Trées actief in Luik tussen 18661930 (Sint-Pietersplein)
7.3.5.3. Steelmerk Bij de steeldecoratie bespraken we al de fabrieksnamen die in reliëf op de steel worden geperst. Dit komt voor vanaf het midden van de 18de eeuw. Vanaf de 19de eeuw wordt er meer en meer ingezet op de promotie van de firmanaam (zie § 5.3.3). In de loop van de 19de eeuw verschijnen er dan ook steeds meer (ingekraste) firmanamen op de pijpen als steelmerk.
Figuur 90 Gittée Dampoort Gent
7.3.5.4. Vormmerken Vanaf het einde van de 17de eeuw kunnen we ook zogenaamde vormmerken terugvinden op de zijkant van de hiel. Vormmerken werden toegepast door grotere pijpenmakerijen waar meerdere pijpenmakers – elk met hun eigen persvormen – dezelfde pijpen produceerden. Het kleine merkteken liet toe controle op het werk te houden en bij problemen met de productie de juiste werknemer aan te spreken. Zoals zo vaak ontstaat het gebruik Figuur 91 vormmerk bestaande uit drie in Gouda en wordt het gebruik nadien door stippen (Bisdomplein, 18de eeuw) pijpenbakkers elders geïmiteerd. Eerst werden vormmerken toegepast op de Goudse groffe pijpen. Het werd uitgewerkt als een versiering op de hiel. 141
Nadien werd het ook op de betere pijpen toegepast. Hier was het merk soms subtieler en een onderdeel van het bijmerk (zie infra). Bij vormmerken gaat het meestal om een combinatie van een aantal stippen in een bepaald patroon. Ook vaak gebruikt is een cirkeltje, maantje of ster. In combinatie met een bijmerk werd er vaak een klein detail (oogje of stipje) toegevoegd aan het wapenschild. In de 19de eeuw wordt het vormmerk soms vervangen door een serienummer.
7.3.5.5. Bijmerk Eveneens op de zijkant van de hiel vinden we soms een bijmerk. Dit merk ontstaat in 1739 in een periode dat de Goudse pijpenbakkers meer en meer hinder ondervinden van de concurrentie en kopieergedrag van pijpenbakkers in andere productiecentra (p. 105-106). De Staten van Holland en West-Friesland kennen een octrooi toe aan de Goudse pijpenbakkers. Enkel gildeleden mogen hun pijpen voorzien van een Gouds wapenschild op de zijkant van de hiel. Dit gaf de consument een garantie van herkomst en kwaliteit. In 1740 komt er ook een kwaliteitsonderscheid: enkel de porceleijne of allerbeste pijpen mogen dit schildje dragen. Bij de andere kwaliteiten moet boven het schildje de S van ‘Slegte’ worden toegevoegd (Duco 1987b, 77).
Figuur 92 Vermoedelijk Belgisch pijpje met hielmerk WS. Wapenschild van Gouda werd gekopieerd als bijmerk. Late 19de eeuw, Handelsbeurs)
Vanaf 1739 vinden we dus op pijpen een bijmerk terug. Let op er werden ook nog pijpen zonder bijmerk gemaakt (veelal groffe en lagere kwaliteit). Dus het ontbreken van een bijmerk zegt niets over een datering. Betekent dit nu dat elke pijp met bijmerk Gouds is? Zeker niet. Buiten Gouda mochten pijpenmakers hun eigen stadswapen zetten. Dit werd zelfs verplicht bij wet bij invoer van het nationaal merkenregister in 1819. Uit die periode hebben we ook een lijst van bijmerken van de Belgische pijpenbakkers. Bovendien werd ook gewoon het Gouds wapen veel gezet buiten Gouda. Het octrooi was alleen geldig in Holland en West-Friesland. Pijpenbakkers daar profiteerden van de Goudse naam door kleine aanpassingen aan het Goudse wapenschild te doen om zo de wet te omzeilen. Elders – en ook in de zuidelijke Nederlanden – werd het Gouds wapenschild zonder schroom gekopieerd (Duco 1987b, 79).
Tabel 11 (synthese op basis van : Caro 2004b; J. Van der Meulen 1985 en eigen archiefwerk).
Bij- / vormmerk
Hielmerk
Productieplaats
Naam
Vroegste vermelding
Achtbladige roos
Stoel
Lier
B
FL
Andenne
Barth
19c
B TL
96
Lier
Thijs
19a
Drie stippen; wapen Lier drie stippen; zes stippen met lijn Franse lelie
TS
Lier
Thijs
19a
M Gekroond
Lier
Muller
19a
Gent
Vanhaeverbeke
19a
H
WS Gekroond WS
Doornik
Baisieux
19a
H
Leeuw
Doornik
Baisieux
19a
Kroon
WS
Gent
Verbrugghe
19a
18c
142
Kroon en boom
WS
Gent
Vechters
19a
Leeuw
VB
Gent
Colijn
19a
Leeuw
Gent
Colijn
19a
LG
WS Gekroond 46 Gekroond
Luik
Deffet
19a
LG
46 Gekroond
Luik
Nossent
19a
LG
BWB Gekroond Burcht gekroond Burcht gekroond 46 Gekroond
Luik
Nossent
19a
Luik
Nossent
19a
Luik
Deffet
19a
Maaseik
Ritzen / Vanijsterdael
19a
96 Gekroond
Maaseik
Ritzen / Vanijsterdael
19a
AB Gekroond
Maaseik
Ritzen / Vanijsterdael
19a
FJR
Maaseik
Ritzen
19b
MS Gekroond
Maaseik
Ritzen / Vanijsterdael
19a
R
Maaseik
Ritzen
19a
Volgnummer tot 100
Maaseik
Ritzen
19a
WS Gekroond
Maaseik
Ritzen / Vanijsterdael
19a
Lier
Thijs
19a
LG LG M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom M; wapen Maaseik; Boom TS W Gekroond
TD
Poperinge
Guison
18d
Wapen Gent
DS
Gent
Berlo
19a
Wapen Gent
WS
Gent
Vanhaverbeke
19a
Wapen Gent
WS
Gent
Berlo
19a
Wapen Lier
Ster
Lier
Zes stippen
MS Gekroond
Lier
18c Gilis
143
19a
Bijmerken blijft men zetten tot diep in de 19de eeuw. In Gouda gaat men gaandeweg wel soepeler om met het octrooi. Zo verschijnen er variaties op het Goudse schild en in 1840 verdwijnt het gebruik van de S als kwaliteitsmarker. Na 1860 worden er in Gouda minder bijmerken gezet (Duco 1987b, 79). Bepaalde firma’s blijven het Goudse stadswapen zetten op bepaalde modellen, maar de schildjes lijken meer een decoratief doel te hebben met verwijzen naar het verleden57. Buiten Gouda lijkt het gebruik door te lopen hoewel het hier eigenlijk nooit echt een wettelijke karakter heeft gehad. Uit het Gents vondstmateriaal blijkt dat het Gouds wapen ook eind 19de eeuw nog wordt gezet. Mogelijk wijst dit op een lang gebruik van persvormen. Bovendien verschijnen er andere vormen van bijmerken. Jean-Baptiste Nihoul uit Nimy zet laatste kwart van de 19de eeuw bijvoorbeeld de N op de zijkant van de hiel.
Figuur 93 Laat 19de eeuws pijpje van Nihoul. Aan beide zijden van de hiel prijkt er een N. Aan de linkerkant in een wapenschild (Handelsbeurs
7.3.6. Samenstelling De zuiverheid van de klei en de receptuur waren van wezenlijk belang om kwaliteitsvolle pijpen te produceren (zie § 4.1). Voor de pijp uit pijpaarde is een klassieke bakselbeschrijving echter verloren moeite. Macroscopisch – of zelf met een traditionele stereoscopische microscoop deze factoren moeilijk te bestuderen. Bij kleipijpen zijn de baksels der mate fijn dat met het blote oog of de microscoop nauwelijks verschillen zijn vast te stellen. In deze studie worden daarom de mogelijkheden van chemische (XRF) en mineralogisch (petrografie) onderzoek afgetast bij het onderzoek naar de samenstelling en de aard van de kleien en eventuele additieven (zie H 14 ). Voor 19de en 20ste-eeuwse vondstensembles kan een bakselbeschrijving wel een meerwaarde zijn. De krijtwitte pijp uit pijpaarde blijft de markt beheersen maar gaandeweg verschijnen er ook meer kleurrijke producten en pijpen uit andere kleisamenstellingen. De laat 19de-eeuwse en 20ste-eeuwse catalogi maken onderscheid in de kleurafwerking van kleipijpen met onder andere Zie onder andere catalogus van firma Van der Want 1910 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogifabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 57
144
de klassieke witte pijpen (terre blanche), extra witte pijpen (terre très blanche) rode pijpen (terre rouge’) en zwarte pijpen (terre noire). Verder is er soms sprake van gebruik van bepaalde types klei met impact op het uitzicht en de kwaliteit van de klei: voorbeelden zijn het gebruik van ‘terre calciné’ of kalrijke klei die de pijp eerder een gebronseerd uitzicht gaf. Bij het gebruik van ‘terre dur’ werden de pijpen vaak ook aangeduid als flamandes of belges58. Daarbij is het ook altijd opletten voor pijpen uit een compleet ander materiaal. De 20ste-eeuwse doorrokers zijn nog wel uit klei maar werden gegoten met nog homogenere vloeibare kleimengsels. Al in de 19de eeuw zijn er de pijpen in bruyère (wortelhout) en meerschuim. Van die laatste zitten er twee stukken in het bestudeerde vondstensemble van de Handelsbeurs. Eind 19de eeuw neemt de Jackson Asbestos Manufacturing Company uit Birmingham zelfs een patent op pijpen uit een mengeling van pijpaarde en asbest. In Vlaanderen werden gelijkaardige pijpen geproduceerd bij Pijpenbakkerij De Bevere in Kortrijk waar ze werden gestempeld met ‘Real Asbestos – Best Quality’59. Een andere producent was Jacques Knoedgen uit Bree die ze stempelde met J.K. Real asbestos60.
Figuur 94 fragment van zogenaamde lobbenpijp in rood aardewerk. Late 19de eeuw (Sint-Pietersplein
7.4. Kwaliteit beschouwen Kwaliteit vertelt iets over de technische kennis van de pijpenmaker en de technologische ontwikkeling in de pijpennijverheid op lokale, regionale en internationale schaal. Ook de beschikking over gepaste grondstoffen en dan in de eerste plaats goede klei was essentieel voor het maken van een kwalitatief product. Gouda werd vooral bekend en groot dankzij de productie van de hoge kwaliteitspijpen tijdens de 17de en 18de eeuw. Al vroeg wordt er in Gouda aan kwaliteitsvariatie gedaan. Vanaf de jaren 1630 vinden we hiervan ook echo’s terug in de geschreven bronnen. Van dan af wordt er onderscheidt gemaakt tussen fijn en groffe pijpen. Later in de 17de eeuw komt daar nog het absolute topsegment van de porceleijne pijp bij. In de praktijk wordt dit kwaliteitssysteem in Gouda in stand gehouden tot midden de 19de eeuw. In deze periode wordt overal in Europa de Goudse gestandaardiseerde vormenschat losgelaten en doen de néogènes, faintaisies en figurale pijpen hun intreden. Europese producenten schakelen over naar een klassering van hun pijpen in series volgens uiterlijke kenmerken en kleisamenstelling. Rond 1880 wordt ook in Gouda de klassieke indeling in groffe, fijne en porceleine pijpen ook officieel afgeschaft (Duco 1987 : 24-25). Duco was de eerste om de Goudse kwaliteitsopdeling te vertalen naar een aantal kenmerken op vlak van afwerking van de pijp. Hij volgt hierbij de redenering: hoe hoger het aantal afwerkhandelingen dat wordt doorlopen hoe hoger de tijdsinvestering van de maker en bijgevolg ook de prijs van de pijp. De top kwaliteit – de zogenaamde porceleijne pijpen – waren natuurlijk niet van porselein gemaakt. Wel was de kop en de steel mooi egaal geglaasd Zie onder andere Catalogus van firma Gambier 1894 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 59 Catalogus van firma De Bevere 1920 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 60 Catalogus van firma Knoedgen 1890 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 58
145
waardoor ze een glanzend oppervlak hadden en op die manier het uitzicht van porselein benaderden. De fijne pijpen hadden vaak enkel de kop geglaasd, terwijl de groffe pijpen vaak onbewerkt waren of in het beste geval opgewreven werden met een vochtige doek of was. Een ander element dat vaak als graadmeter voor kwaliteit wordt gebruikt is de radering. De hoge kwaliteitspijpen worden verondersteld een gave radering te hebben rondom de ganse pijpenkop. Bij minder kwalitatieve pijpen is de radering vaak slordig aangebracht en soms onderbroken. Tabel 12 vormelijke kenmerken eigen aan de drie kwaliteitscategorieën van de Goudse pijp
Afwerking & decoratie
Porcelijne
Fijne
Groffe
- kop en steel geglaasd
- enkel kop geglaasd
- niet geglaasd
- volledige radering
- volledige radering
- soms opgewreven - geen of gedeeltelijke radering
Merktekens
- altijd hielmerk
- altijd hielmerk
- soms geen hielmerk
-vanaf 1739 bijmerk (wapen Gouda)
-vanaf 1739 bijmerk (wapen Gouda)
-soms reliëfmerk of decoratie
-van 1740 S boven bijmerk 1630-ca.1660
Fijne
Groffe
Ca.1660-1795
Porceleijne
Fijne / slegte
Groffe
1795-1813
Porceleijne
Fijne
Ordinaire
1813- ca.1850
Porcelijne
Fijne
Gewone
Daarnaast zijn er nog een ander vormelijke kenmerken die wijzen op kwaliteitsverschillen. In § 7.3.1 gaven we aan dat de lengte van de steel op een functioneel kwaliteitsverschil duidt waarbij de langere pijpenstelen vooral zijn voorbehouden aan de betere pijpsoorten. Een hielmerk ontbreekt vaak bij de groffe pijpen. Tijdens de 17de en 18de eeuw komt een reliëfmerk of -decoratie alleen voor bij groffe pijpen omdat ze daardoor niet geglaasd kunnen worden. Daarnaast is er ook het bijmerk. Vanaf 1739 verschijnt er een bijmerk op de zijkant van de hiel bij de fijne en porceleijne pijpen. Vanaf 1740 moet bij de fijne pijpen de letter S worden toegevoegd om duidelijk het onderscheid te maken met de porceleijne pijpen.
Figuur 95 Goudse pijp uit de periode 1740-1750. Wapen van Gouda als bijmerk met daarboven de S van Slegte. Een fijne pijp dus maar geen porceleijne (Amsterdam Pipe Museum).
146
Een rigide kwaliteitsanalyse op basis van vormelijk kenmerken kent een aantal moeilijkheden. Duco erkent dat ondanks de Goudse kwaliteitsreguleringen er ook nog tal van tussencategorieën moeten hebben gecirculeerd op de markt. Uit de verkoopsdocumenten is bijvoorbeeld geweten dat bij de kwalitatief betere pijpen bovendien vaak nog het onderscheidt wordt gemaakt tussen beste en vrakke pijpen, respectievelijk aanduiding voor eerste en tweede keus. Ook de ene groffe pijp was vermoedelijk de andere niet. Op het volledige spectrum aan kwaliteiten is heel moeilijk vinger te leggen. Wanneer men aan de slag gaat met Vlaams vondstmateriaal dienen zich nog een aantal bijkomende uitdagingen aan. Zo weten we dat er buiten de invloedsfeer van de Goudse gilde maar weinig regels rond kwaliteit in afwerking waren. Het kan zijn dat de ‘Goudse kwaliteit’ voor sommige pijpenbakkers buiten Holland een streefdoel was maar zeker is dit niet. Traditioneel wordt er naar de minder kwaliteitsvolle producties buiten Holland verwezen als zijnde een gevolg van een gebrek aan de juiste grondstoffen en vakkennis (Stam 2019f). Misschien is dit beeld wel iets te Hollando- of Goudacentrisch. Het lijkt er steeds meer op dat in vele andere productiecentra net bewust werd gekozen om niet in concurrentie te gaan met de Goudse kwaliteitspijp maar wel in te zetten op het segment van de goedkopere eenvoudig afgewerkte korte pijp. Hier lag het gat in de markt. Over de kwaliteitsnormen die producent en consument voor ogen hielden voor deze budgetpijpen is weinig of niets geweten. In vele studies probeert men ondanks bovenvermelde moeilijkheden, alle pijpen onder te brengen in het drie-kwaliteiten kader van Gouda. Zonder daarbij rekening te houden met bijvoorbeeld herkomst van de onderzochte stukken. Meer nog: vaak wordt de kwaliteit als een beslissende factor gebruikt om een stuk toe te wijzen aan een Goudse of lokale pijpenbakker. De pijp is niet perfect, het zal wel een lokaal product zijn. Met de huidige stand van kennis over de kenmerken van de lokaal geproduceerde Vlaamse (en bij uitbreiding Belgische) pijpen, loert de cirkelredenering daarbij altijd om de hoek. Bewust beperken wij ons daarom bij de kwaliteitsanalyse tot het objectief beschrijven van de vormelijke kenmerken die Duco als bepalend beschouwd voor de kwaliteit van een kleipijp: steellengte (indien te bepalen), kwaliteit radering, mate van oppervlakte afwerking (geglaasd of niet?), aanwezigheid van hielmerk en / of reliëfmerk. Op basis van deze beschrijving maken wij een appreciatie van de kwaliteit zonder ons daarbij vast te pinnen op de Goudse kwaliteitsstandaarden.
7.5. Lokale producten herkennen Lokale producten zijn moeilijk te onderscheiden van het importmateriaal. Deels reflecteert dit een historische realiteit. Tot in de 20ste eeuw komt het grootste aandeel van de importen uit Holland en dan vooral Gouda. Vanaf de 19de eeuw kwam ook de figurale pijp bij ons erg in trek met als voornaamste productiecentra in Noord-Frankrijk en de Belgische Maasstreek. Elders in Wallonië en ook in Vlaanderen ontwikkelden zich gaandeweg een aantal centra met bovenlokale afzet. Sporadisch komt er natuurlijk ook een pijpje uit een andere productieregio onze gewesten binnen: zo vinden we af en toe een Engels pijpje waar de productie al in de 16 de eeuw startte; vanaf de 19de eeuw kwamen er in beperkte mate ook pijpen binnen uit andere regio’s zoals Duitsland. De invloed van de Hollandse en later Franse pijpenbakkers had niet enkel een impact op de consumptiepatronen, maar ook op de lokale productie. In § 7.1 gaven we aan dat de pijpenbakkers in onze gewesten vooral werkten ‘à la façon de’ of in stijl van. Tot midden 19de eeuw diende vooral de Goudse pijpmodellen als voorbeeld, daarna ging men ook néogènes, fantaisies en figurale pijpen produceren naar Frans voorbeeld. De pijpenbakkers in het Maasland lijken als eerste ‘Belgische’ pijpenbakkers aan te knopen met deze nieuwe
147
stijltraditie, maar snel werd hun voorbeeld gevolgd elders in Vlaanderen en Wallonië. Onze pijpenbakkers waren niet de sterkste innovators maar eerder gedreven imitators en misschien nog meer bekwame imitators. In de ontwikkeling van hun bedrijfsassortiment grote mate schatplichtig aan hun Hollandse collega’s en later ook aan de grotere 19de-eeuwse producenten in Frankrijk en het Maasland. Origineel zijn vaak moeilijk te onderscheiden van imitatie of kopij. De Goudse kleipijp is al ettelijke decennia een onderzoeksthema omwille van het historisch belang van de productie en het bestaan van een erg rijk en uniek gildearchief. De Goudse producties zijn daardoor historisch, kunsthistorisch en archeologisch bijzonder goed gedocumenteerd. De kleipijpen uit de kleinere Noord Nederlandse productiecentra zijn al heel wat minder goed onderzocht en gekend. De 17de en 18de -eeuwse producties uit Vlaanderen en Wallonië zijn vrijwel onontgonnen terrein waardoor er vandaag nog maar weinig zinnig kan verteld worden over de lokale of regionale kenmerken van de kleipijp geproduceerd in onze gewesten. Dit geldt eigenlijk ook voor de meeste andere regio’s in Europa, behalve misschien voor Engeland waar de vroegmoderne pijpproductie erg goed is gedocumenteerd dankzij een lange traditie in gericht archeologisch onderzoek. Voor de 19de eeuw is de situatie iets beter omdat er meer historische info beschikbaar is rond de Belgische pijpenmakers en de merken die ze gebruikten. Voor deze periode hebben we ook een (onvolledige) kijk op de pijpmodellen in het assortiment van de Belgische pijpenbakker via de bedrijfscatalogi die bewaard bleven 61. Waar moet men nu precies opletten bij de zoektocht naar specifieke kenmerken van de lokale kleipijp. Eerst en vooral moeten we ons realiseren dat deze kenmerken vaak erg subtiel zijn. Als imitatie de ambitie was, is het als onderzoeker opletten voor een ietwat andere vormgeving, afwerking of decoratie (Duco 1999a). Deze variaties zijn dan veeleer het gevolg van aanpassingen die de lokale pijpenbakker doorvoert in het productieproces. Deze aanpassingen kunnen bewust (om bijvoorbeeld productieprijs te drukken) of onbewust (beperkingen van gebruikt materiaal en grondstoffen) gebeuren (zie ook het ‘recept’ van de pijpenbakker in H 14). Het kan zijn dat er bepaalde stappen in het productieproces niet of onzorgvuldig worden uitgevoerd. Duco suggereert dat voor het geoefende oog deze imitaties makkelijk zijn te herkennen (Duco 1999a). Niets is minder waar. Bovendien bestaat ook hier het gevaar voor cirkelredeneringen gezien de determinatie als imitatie steevast gebeurt op basis van de kwaliteit in productie. De premisse dat ieder Gouds product op de markt beter gemaakt is dan de lokale imitatie wordt eigenlijk nooit in vraag gesteld. Ervaring en buikgevoel van de onderzoeker gelden doorgaans als voornaamste argumenten bij de determinatie. Merktekens – die bij de echte Goudse pijp gelden als de handtekening van de maker – bieden voor de 17de en 18de eeuw weinig houvast omdat deze ook vaak zonder veel schroom werden nagebootst. In de 19de eeuw gaan de Belgische pijpenbakkers meer en meer hun eigen merken ontwikkelen en zetten. Van dan af worden de merktekens wel een bruikbare leidraad (zie voor lijst van Belgische merken § 7.3.5). Als de Goudse pijp vooral als inspiratie werd gebruikt en een kopij niet de bedoeling was, zijn lokale of regionale kenmerken soms meer uitgesproken al blijven ze doorgaans dan nog beperkt tot subtiele aanpassingen van het Goudse voorbeeld (Duco 1987, 33). Zo werd bijvoorbeeld in Alkmaar in de eerste helft Figuur 96 Leids model Onder andere catalogi van Wingender-Knoedgen (1850), Knoedgen (1890), Croquet-Michel (1900) en De Bevere (1920)https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 61
148
van de 16de eeuw pijpen geproduceerd met een meer expliciete dubbelconische ketel dan in Gouda. Soms komt het tot een lokale ‘stijl’ door toevoeging van een overheersend vormkenmerk. Beste voorbeeld is het zogenaamde Leidse model dat tussen 1650 en 1675 in Leiden werd geproduceerd. Deze pijp onderscheidt zich door een sterk gebolde ketellijn en licht afgeplatte ketelzijden (Duco 1999a). .
149
DEEL 4 : DE GENTSE COLLECTIE UITGESPIT
150
8.
AFVAL VAN GENTSE PIJPENBAKKERS AAN DE TICHELREI (17d)
151
Figuur 97 overzicht van vindplaatsen: pijpenbakkersstort van het Fratersplein in rood
152
Vindplaats
Fratersplein
Locatie
Ter hoogte van Fratersplein 7 in Gent. Op het binnengebied van het bouwblok Tichelrei – Rodelijkvekensstraat – Grauwpoort. Op de terreinen van voormalig Theater Stekelbees en huidig Campo Victoria
Beschrijving onderzoek
In 1992 legde Heemkundige Vereniging De Gonde uit Melle een proefsleuf aan in de tuin gelegen achter Theater Stekellbees. Het perceel grenst aan een gedempte gracht. Onder de vroegmoderne sporen onder andere stookgangen gemetseld in baksteen. Een deel van het pijpenbakkersmateriaal werd gerecupereerd uit de opvulpakketten in een van deze stooklagen. Een ander deel werd verzameld bij bijkomende prospectie op het terrein.
Archeologische context
Afval- of ophogingslaag
Aard vondstensemble
Productieafval.
Sociale context
Te relateren aan één of meerdere pijpenbakkersateliers
Datering vondsensemble
17d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is gefragmenteerd maar een groot aantal pijpenkoppen zijn bewaard in relatie met de hiel en de aanzet van de pijpensteel.
In cijfers
Aantal
%
Kop
310
33%
Steel
620
67%
Totaal
930
100%
153
8.1. Misbaksels en pijpenpotten Het merendeel van de fragmenten vertoont duidelijke misvormingen ten gevolge van problemen tijdens het productieproces. Geen van de pijpen van het Fratersplein vertoont sporen van gebruik. Het volledige ensemble werd daarom gecategoriseerd als productieafval. Het is natuurlijk niet uit te sluiten dat er ook enkele gerookte pijpen in het ensemble zitten maar die werden niet onmiddellijk herkend. Naast ruim 930 fragmenten van misbaksels werden er ook acht fragmenten van zogenaamde pijpenpotten aangetroffen. Dit wijst er op dat de pijpen vermoedelijk in afgesloten potten werden gebakken in traditionele staande pottenbakkersovens, en niet in muffle kilns (zie §4.11).
Figuur 98 Fragmenten van een pijpenpot aangetrofen bij opgraving aan de Fraterstraat in Gent
154
De pijpenpotten kenmerken zich door een grof baksel met grote inclusies (metaalconcreties, kalkfragmenten en slecht gemengde kleideeltjes). Opvallend is dat er voor het maken van de pijpenpotten twee soorten klei werden ingezet. Enerzijds de kaoliene en witbakkende pijpaarde die ook werd gebruikt voor het maken van pijpen, anderzijds ook roodbakkende klei die door de pottenbakker werd gebruikt voor de meer gewone keramische huisraad. Beide kleien samen werden gebruikt. De gelaagdheid van de breuk en lenzen die zich ook op het oppervlak aftekenen, toont aan dat er doorgedreven mengen van de klei weinig sprake is. Het lijkt er op dat er voor deze potten door de pottenbakker snel wat restjes klei werden samengeraapt. Het feit dat beide kleien door elkaar werden gebruikt kan er op wijzen dat de werktafel van de pottenbakker niet ver van die van de pijpenmakker stond. Anderzijds werden soortgelijke witbakkende kleien ook wel gebruikt door pottenbakkers om majolica en faience te produceren.
Figuur 99 arbeiders vullen de oven bij Goedewaagen in Gouda (begin 20ste eeuw). Centraal de gevulde pijpenpot (Amsterdam Pipe Museum)
155
Figuur 100 Overzichtsplaat van voornaamste vormen en stempels van het Fratersplein
156
Van een van de wandfragmenten kon de diameter worden bepaald. De buitendiameter was 40 cm. Typologisch kunnen we niet heel veel vertellen omdat het voornamelijk om rand- en wandfragmenten gaat die niet zijn aan te passen. De Gentse pijpenpotten lijken hoge open vormen. Hiermee sluiten ze aan bij de vroeg pijpenpotten die we kennen uit archeologisch onderzoek en bij de pijpenpotten die ook nog in 19de en 20ste eeuw in Gouda werden gebruikt. Er bestaan voorbeelden met vlakke bodem en op drie pootjes. Sommige potten vertonen aan de rand resten van kleismeersel (Figuur 99 : 5 en 6) wat mogelijk te maken heeft met het dichten van de pot bij het bakken. Dit gebeurde doorgaans met een deksel dat nog werd aangesmeerd. De stelen van de pijpen steken hoog boven de pot uit. Daarom hadden de deksels de vorm van een stolp. De hoogte van de deksels hing af van de lengte van de pijpen (Stam 1989).
8.2. Typologie en datering Uit de studie van het vondstensemble blijkt een typologische en chronologische coherentie. Naar typologie behoren alle fragmenten in het vondstensemble tot de Goudse vormenschat en dan vooral tot het model met dubbelconische kop (n = 302), een pijptype dat vrijwel gedurende de volledige 17de eeuw werd geproduceerd. Kenmerkend voor deze pijpjes is de liggende kop met dubbelconische vorm door een knik in de pijpenkop. Acht exemplaren behoren tot het vroege trechtervormige type dat rond 1680 tot ontwikkeling kwam. Naar dimensies valt er op dat er bij de dubbelconische pijpen twee formaten van pijpenkoppen dominant zijn wat impliceert dat tenminste met twee verschillende vormmallen werd gewerkt. Formaat 1 is de kleinste met een hoogte (h) van de pijpenkop rond de 3,5 cm. Op het breedste punt (b) meet de pijpenkop dan zo’n 1,8 cm in diameter met een ketel opening (o) van 1,5 cm. Formaat 2 is groter met een hoogte rond de 4 cm. Op het breedste punt heeft de kop een diameter van 2 cm, terwijl de ketelopening zo’n 1,8 cm meet. Formaat 2 is goed voor 67 % van het totaal aantal pijpenkoppen en is daarmee het meest dominant. Door het ontbreken van volledige pijpen in de collectie is het niet mogelijk om vaststelling te formuleren van enige waarde over de lengte van de pijpensteel. Formaat 1 is nog meer gedrongen en lijken aan te sluiten bij de modellen die rond het midden van de 17de eeuw en kort daarna in Gouda werden geproduceerd. Bij formaat 2 is de kop al langgerekter wat de evolutie van de kop richting trechtervorm reflecteert. Er is wel nog sprake van een duidelijke knik in de buik en een vernauwing van de ketelopening. Deze pijpjes lijken meer aan te sluiten bij de modellen die vanaf het derde kwart van de 17de eeuw in Gouda werden geproduceerd. De trechtervormige pijpen zijn zo’n 4,7 cm hoog met een ketelopening van 2,2 cm. Tabel 13 maatvoering onder de pijpenkoppen van dubbelconische vorm
hxbxo
Aantal
%
Formaat 1
3,5x1,8x1,5 cm
36
12%
Formaat 2
4x2x1.8 cm
201
67%
Restgroep
Niet te bepalen
65
21%
302
100%
Totaal
157
8.3. Karakterisering van de misbaksels Alle pijpen werden gebakken. Dit betekent dus dat het productieproces tenminste tot aan het bakken werd doorlopen. Verschillende misvormingen en kwaliteitsproblemen werden vastgesteld onder het productiemateriaal: o
Oneffenheden in het oppervlak: de oneffenheden variëren van korrelvorming aan de oppervlakte tot porievorming (vaak lijnvormig)
o
Barsten: soms gaat het om bijna onzichtbare haarlijntjes, andere pijpen tonen stevige barsten. Deze werden veelal vastgesteld in de ketelwand of dwars op de hiel (Figuur 101 : 6)
Figuur 101 diverse soorten van ‘misbaksels’ tussen het productieafval
158
o
Vervorming: vervorming doet zich voor op verschillende manieren. Veel voorkomend is het doorbuigen van de steel. Bij een groot aantal pijpen is de ketelwand gedeukt of ingedrukt. Ook de hiel is vaak vervormd, dikwijls in combinatie met barstvorming (Figuur 101 : 7)
o
Sintering: sommige pijpjes zijn dermate hard gebakken dat er een verandering van de kleitextuur optreedt die we ook kennen van bij de productie van steengoed. Bij de hoge temperaturen smelt de klei samen en ontstaat er een niet poreuze en zeer harde (maar breekbare) massa (Figuur 101: 2- 5);
o
Verkleuring: veel van de pijpjes tonen een verkleuring. In sommige gevallen blijft het effect beperkt tot een lichte vergeling van de pijp andere kleuren donkerbruin tot grijszwart. De verkleuring gaat vaak hand in hand met het proces van versinteren: de geel tot geelbruine producten zijn al harder van textuur dan de normale pijp, maar zijn nog niet echt gesinterd. Bij de licht versinterde pijpjes is de kern doorgaans bruin tot donkerbruin. Bij de sterkst versinterde producten is de kern donkergrijs en het oppervlak blauwgrijs en vaak poreus (Figuur 101 : 1-5)
o
Glazuur: op sommige pijpjes merken we sporen van glazuur. Voorkomend is een vorm van oranjeblos (oranje gevlamde verkleuring aan oppervlakte) die we ook kennen uit de steengoedproducties van Siegburg (Figuur 101 : 3-7). Bij is er een donkerbruin glazuur ontstaan dat erg doet denken aan de combinatie van slib en zoutglazuur bij Rijnlandse steengoedproducten (oa. producties uit Raeren) (Figuur 101 : 4).
o
Roet: vorming van roet tijdens het bakproces. Dit fenomeen manifesteert zich door een zwarte verkleuring in combinatie met afzettingen van assen aan de binnenkant van de ketel en rond de filt; moeilijk te onderscheiden van de zwarte aanslag en roetvorming door gebruik van de pijp.
o
Reductie: in sommige gevallen treedt er een reductie op van de ketelwand. Dit fenomeen komt meestal voor in combinatie met een sterke roetvorming.
De oorzaken voor misvorming zijn vermoedelijk divers. Bij korrelvorming op het oppervlak gaat het vaak om neerslag die mee werd ingebakken. Poreuze oppervlakten kunnen dan weer het resultaat zijn van het uitbakken van ongewild aanwezig organisch materiaal in de klei. De roet- en glazuurvorming (zogenaamd vliegasglazuur) lijkt dan weer te relateren aan de neerslag van rondvliegend as in de oven. Vervorming, sintering, verkleuring en reductie kunnen dan weer te maken hebben met onstabiele en te hoge temperatuur in de oven. Een andere verklaring voor het vervormen van de steel en pijpenkop is een onzorgvuldige schikking in de pijpenpot.
8.4. Merktekens Het aantal ketelfragmenten met hielmerk is groot. In totaal zijn er 301 ketelfragmenten met hiel aanwezig. Zo’n 49 (16%) daarvan werd nooit gestempeld en draagt geen hielmerk. Bij 89 pijpenkoppen was wel een merk aanwezig maar was dit niet (door een slechte zetting) of niet meer (door erosie) afleesbaar. Dit maakt dat het ensemble 164 pijpenkoppen telt met een duidelijk afleesbaar hielmerk. Een aantal merken zijn eerder beperkt vertegenwoordigd waaronder de lettermerken IAB (n=1), SB gekroond (n=2), KCDI (n=2), EB gekroond (n=3) en A gekroond (n=8). Ook het figuratieve merk met posthoorn is slechts beperkt aanwezig (n=2). Beter vertegenwoordigd is het figuratieve merk van een zittende vrouw (n=21) en dan vooral het lettermerk SMK (n=126). Het valt op dat alle trechtervormige pijpjes het lettermerk A gekroond dragen.
159
Tabel 14 de aanwezige hielmerken in de collectie van het Fratersplein in cijfers
Aantal
%
SMK
126
42%
Zittende vrouw
21
7%
A Gekroond
8
3%
EB gekroond
3
1%
KCDI
2
1%
SB gekroond
2
1%
Posthoorn
1
0%
Letter_3-IAB
1
0%
Geen merk
49
16%
Onleesbaar
88
29%
Totaal
301
100,00%
Hoewel we uitgaan van productieafval van een Gentse pijpenmaker blijft het relevant het ruimer gebruik van deze merken te bespreken. Op basis van de samengestelde lijst van Gentse pijpenbakkers en archivalische documenten (zie 7.3.5.1) kunnen we alvast geen van de lettermerken toewijzen aan één bepaalde maker of Gents atelier. De kans dat de lettermerken daadwerkelijk afkortingen zijn van de naam van één van de Gentse pijpenbakker lijkt eerder klein. De gebruikte merken zijn vermoedelijk imitaties van Goudse voorbeelden en geven inzicht in het referentiekader en de netwerken van de Gentse pijpenbakker(s). Het merk SB gekroond was tijdens de tweede helft van de 17de eeuw in gebruik in Gouda door Stevens Woutersz. Bel (1645-1674) die onder het merk doorgaans een ster plaatste. Op het materiaal van het Fratersplein is deze ster niet onmiddellijk herkenbaar maar dit kan te wijten zijn aan de verwering van het vondstmateriaal. SB gekroond zonder ster werd van het tweede kwart van de 18 de gebruikt in Gouda door Simon Bruijnel. Vroeger gebruik is niet gekend (Duco 2003a, 157; J. Van der Meulen 2003b, 82). Medio 17de eeuw wordt het merk ook nog gebruikt in Breda door Samuel Broen (van Engelse oorsprong met de naam ‘Brown’) (1630-1659) (Friedrich 1975a). Het merk KCDI werd in Gouda eerder kort gebruikt in de periode 1693-1965 door pijpenmaker Klaes Cornelis de Jong (Duco 2003a, 186). EB gekroond werd tussen 1683 en 1720 in Gouda door een niet gekende pijpenbakker. EB gekroond en ongekroond werd ook elders gezet zoals in Breda en Amsterdam. De historiek van het merk blijft wat enigmatisch. Tot 1665 zou in Amsterdam de Engelse pijpenmaker Edward Bird het merk hebben gezet. Nadien zou zijn zoon Evert het merk hebben overgenomen (Duco 2002). A gekroond is een veelgebruikt merk. In Gouda is het gebruik pas gekend vanaf 1714 met Arij van der Lee (Duco 2003a, 151). Ook in het pijpenbakkersafval van het Fratersplein (tweede helft 17de eeuw) komen er een aantal pijpen met hielmerk EB gekroond voor. De A lijkt ook voor 1714 in Gouda en andere plaatsen gebruikt te zijn, maar precieze namen kunnen niet op de pijpenbakkers worden geplakt. Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (H. Van der Meulen 2003). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt er een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw een steelmerk ‘Sas van Gent’ het hielmerk gekroonde A. Het merk is net iets anders vormgegeven dan dat uit de collectie. Het figuratieve merk met posthoorn komt in Gouda in gebruik vanaf 1635. Tot 1674 blijft het in de familie van Hoorn (respectievelijk Daniel Christiaanz en Abraham Daniëlsz.). Daarna komt het merk in handen van Willem Gijsbertsz. de Vink die het in bezit heeft tot 1718 (Duco 2003a, 143–44; J. Van der Meulen 2003b, 49). Het merk werd in de 17de eeuw ook door Utrechtse pijpenmakers gebruikt (Smiesing en Brinkerink 1988). Het merk met afbeelding van de zittende vrouw is een weinig gedocumenteerd hielmerk. Het lijkt verwant aan de beter gekende merken van de Hollandse en Dordrechtste Maagd die werden gebruik door pijpenmakers in Gorinchem en Gouda in de late 17de en 18de eeuw (Duco 2003a). 160
Het meest aanwezige merk is het lettermerk SMK gekroond. Dit merk was korte tijd in gebruik in Gouda in de tweede helft van de 17de eeuw. Het was pijpenbakker Simon Maartensz. Kunst die tussen 1655 en 1674 het merk in aanbracht op zijn producten (Duco 2003a, 177; J. Van der Meulen 2003b, 83).
8.5. Afwerking en decoratie Het vondstensemble is heel coherent wat niveau van afwerking betreft: bij 90% van de pijpen is de filt gebotterd. Bij slechts een beperkt aandeel (2%) zijn er sporen van nabewerking van de oppervlakte van de kop door glazen. Het gladstrijken met de agaatsteen gebeurde weinig egaal en eerder slordig. Bij de pijpenstelen kon slechts bij zo’n 3% van de fragmenten sporen van nabewerking door glazen worden vastgesteld. Bij het merendeel van de koppen is de vormnaad uitgevlakt (90%). De vormnaad blijft in de meeste gevallen nog duidelijk herkenbaar als een lichte verhevenheid. Wat decoratie betreft heeft zo’n 80% van de verzamelde koppen een radering net onder de filt. Het gaat steeds om een eenvoudige incisie die niet altijd even nauwkeurig werd aangebracht. Het resultaat is een doorlopende lijn net onder de rand van de ketel.
Figuur 102 decoratietypes. Van links naar rechts: drukstempel, radering en bandstempel ogen; bandstempel vlechtwerk; torsen; bandstempel zigzag
Bij ruim 221 fragmenten werd er decoratie vastgesteld op de steel. Veelal gaat het om versiering aangebracht met het radeermes, de drukstempel, de bandstempel, of een combinatie van deze technieken. Vaak wordt er met een combinatie van radering en bandstempels complexe patronen uitgewerkt. Veel voorkomend is het gebruik van een bandstempel met een zig zag motief als resultaat. Soms wordt dit motief aangebracht in combinatie met een andere bandstempeldecoratie zoals ogen (n=1) of ogen in kruisenbanden (n=39), of met een stippenlijn (n=6) aangebracht met het radeermes. Ook de combinatie van zo’n eenvoudige radering met gestempelde ogen is veel voorkomend (19%). Minder frequent is het drukstempelmotief van de Franse lelie (n= 11) vaak een aantal lelies op lijn tussen een eenvoudige lijn (n =8) of stippenliijn (n=2) aangebracht met het radeermes.
161
Tabel 15 nabewerking en decoratie van de aanwezige pijpenkoppen (enkel productieafval)
Filt Niet gebotterd Gebotterd
Radering Geen radering Radering
Oppervlaktebehandeling Onbewerkt Geglaasd
Vormnaad Onbewerkt Geglad
Aantal
%
29 272 301
10 90 100
36 265 296
12 88 100
295 6 301
98 2 100
29 272 301
10 90 100
8.6. Kwaliteit Globaal kunnen we stellen dat het productieafval uit Gent de kwaliteit van de meer eenvoudige producten uit Gouda benaderde. Na het vormen in de mal werden kleiresten nauwkeurig verwijderd. Bij de meeste pijpenkoppen (90%) werd de vormnaad – hetzij niet altijd even zorgvuldig - uitgevlakt wat toch wijst op een zekere tijdsinvestering in het afwerken van de pijpen. Nog geen 2% van de pijpenkoppen werd echter geglaasd. Bij de steelfragmenten werd zelfs geen sporen van glazen of een andere oppervlaktebewerking vastgesteld. Zo’n 49 pijpenkoppen (16%) zijn bewust niet gemerkt. Binnen het kader van de streng gereguleerde productie van Gouda wordt dit gebruik vooral geassocieerd met zogenaamde groffe pijpen (Duco 1981a). Anderzijds moeten we vaststellen dat 84% van de pijpenkoppen wel werden gemerkt, veelal met hielmerken gekend uit de Goudse ateliers. De imitatie van Goudse producten impliceert toch een zekere ambitie om de concurrentie aan te gaan met de Hollandse importproducten.
8.7. Interpretatie Het vondstensemble van het Fratersplein is tot op vandaag het enige gekende pijpenmakersafval voor Gent. Het is niet mogelijk dit stort met honderd procent zekerheid te koppelen aan een specifieke pijpenbakker. In § 5.2.2 gaven we al aan dat de Tichelrei gekend staat als een ‘pottenbakkerswijk’ met de historische vermeldingen van pottenbakkers tijdens de late middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd; Er is de vermelding in de akte van 1709 van de potbackerije van Pieter Lammens en van de huurder van het aangrenzend pand met de naam Jo Tradenius (zie p. 91). Het is erg aanlokkelijk om hierin de Tradenius te zien die in 1665 van de Stad Gent de nodige middelen kreeg om een pijpenbakkerij op te starten. Het lijkt ook erg aannemelijk dat hij dan gebruik maakte van de pottenbakkersoven van Lammens om zijn pijpen te bakken. Zo’n gedeeld gebruik van ovens kennen we ook uit Gouda en
162
dichter bij huis bijvoorbeeld 18de-eeuws Brugge. In Gent waren in de 18de en 19de eeuw verschillende pijpenbakkers tegelijkertijd ook pottenbakker. Typo-chronologisch kunnen de pijpen van vindplaats Fratersplein geproduceerd zijn door Jo(han) Tradenius die dus vanaf 1665 actief was en dus mogelijk ook nog in 1709 werd vermeld. Het merendeel van de pijpen (tenminste 67%) betreft pijpen die vanaf het derde kwart van de 17de eeuw werden geproduceerd (Formaat 2). De kleinere gedrongen dubbelconische pijpen (formaat 1) werden in Gouda geproduceerd tot medio 17de eeuw. De trechtervorm verschijnt in het laatste kwart van de 17de eeuw. Het productieafval vertelt iets over het assortiment van de Gentse kleipijpmakers in de tweede helft van de 17de eeuw. De vormenschat is Gouds met modellen die niet of nauwelijks afwijken van het Goudse voorbeeld. Mogelijk bleef er met de gedrongen dubbelconische pijp (formaat 1) een wat verouderd model in productie naast een meer ‘modern’ model met langgerekte en meer verfijnde kop (formaat 2). Geen van aanwezige merktekens kan op basis van initialen echter gerelateerd worden aan Tradenius. Alle merken kennen een gebruiksgeschiedenis in Gouda wat lijkt te wijzen op merkimitaties. De verschillende merktekens kunnen gezet zijn door één en dezelfde pijpenbakker, maar het is ook mogelijk dat we te maken hebben met het afval van meerdere pijpenbakkers die in de omgeving actief waren of gebruik maakte van dezelfde oven. Anderzijds is er wel de grote uniformiteit in modellen en formaten.
Figuur 103 Primitieve kadasterkaart (ca. 1830) met vindplaats Fratersplein en de in 1709 vermeldde panden van Jo Tradenius en Pieter Lammens, en de pottenbakkerij (Universiteit Gent)
De pijpenbakker of pijpenbakkers verantwoordelijk voor het stort werkten niet alleen in de stijl van Gouda, ook hun productieproces leek gestoeld op Hollandse traditie. Dit zien we aan de fragmenten van pijpenpotten in het vondstensemble wat wijst op het bakken in een traditionele staande pottenbakkersoven. Misschien dus in de oven van Pieter Lammers aan de Tichelrei.
163
9.
VUREN EN ROKEN: PIJPEN VAN MILITAIREN
164
Figuur 104 overzicht van vindplaatsen: ensembles uit militaire context in rood
165
9.1. Rabot (17c) Vindplaats
Rabot
Locatie
Aan de Rabotpoort aan de Opgeëistenlaan 2 in Gent.
Beschrijving onderzoek
In 1993 en 1994 werd er in kader van de omgevingsaanleg rond het Rabot een deel van de versterking onderzocht (Fockedy et al. 1994; Laleman & Stoops 1993). De versterkte sluis op dateert uit 1491. In de loop van de 16de eeuw werd er tegen het Rabot verbeteringen aan de versterkingen uitgevoerd. Aan de stadszijde werd een aarden wal aangelegd die zeker aan de zuidzijde de oude stadsmuur aan het oog onttrok. De muur werd hierbij gedeeltelijk afgebroken en de bestaande schutskamer werd opgevuld met puin. Aan de noordzijde bleef de oude wal mogelijk nog in gebruik maar werd deze ook van een wallichaam voorzien. Hiervoor werd het trappensysteem aangepast. Het vondstensemble werd gerecupereerd uit een afvallaag uit de periode na de aanleg van deze aarden versterking.
Archeologische context
Afvallaag
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Vermoedelijk te relateren aan militaire wacht Rabotpoort
Datering vondsensemble
17c
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 11 koppen met hiel die compleet of in grote mate zijn bewaard. Daarnaast zijn er nog 2 koppen waarvan enkel de hiel overblijft. Van 5 andere koppen blijven enkel fragmenten de ketelwand over.
In cijfers
Aantal
%
Kop
18
17%
Steel
87
83%
Totaal
105
100%
166
9.1.1. Typologie en datering Naar typologie behoren alle fragmenten in het vondstensemble tot de Goudse vormenschat. Het gaat allemaal om pijpen met dubbelconische kop. De productie van de pijpjes van het Rabot kan gedateerd worden in de periode 1630-1670. Het merendeel van de pijpjes hebben niet meer de abrupte knik van de dubbelconische pijp uit de vroege 17de eeuw en hebben een meer langwerpige kop. Een aantal pijpjes lijken met hun slanke ketel aan te sluiten bij de vormgeving (Figuur 105: 1,4,6, 7) uit het derde kwart van de 17de eeuw (na 1655). Eén wat robuustere pijp (Figuur 105: 11) is een typevoorbeeld van de Goudse pijpen die tussen 1640 en 1650 werden geproduceerd. Er zitten nog wel een tweetal meer gedrongen koppen tussen (Figuur 171: 9) die vooral in de jaren 1630-40 al werden gemaakt. Het lijkt er dus op dat het ensemble in de periode tweede tot derde kwart van de 17de eeuw tot stand kwam. Op basis van de aanwezige types lijkt het vondstensemble alleszins tot stand te zijn gekomen voor 1680 wanneer het trechtervormig model de dominante pijp wordt op de markt. Van dit model zitten er geen pijpen in het ensemble.
Figuur 105 overzichtsplaats van vondstensemble van vindplaats Rabot
9.1.2. Merktekens en herkomst In totaal zijn er acht ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. De meeste merken doen een productie in Holland vermoeden. Het enige figuratieve merk – een Goudsbloem - werd in Gouda gebruikt door Reijnier Jansz. Blom en zijn weduwe tussen ca. 1645 en 1703. De ander merken zijn allemaal lettermerken. Het merk DV met sterren werd tussen 1675 en 1705 in Gouda gebruikt bij Willem Vroom. Het gebruik van het merk LS met pentagram is gekend uit Gouda voor de jaren ca. 1640-42 en 1656-60. Het merk EI werd al zeker aangebracht tijdens de eerste helft van de 17de eeuw gebruikt. Vermoedelijk toen door de pijpenbakker Evert Joosten Witsius. Ook een Rotterdamse pijpenbakker zou het merk gebruikt hebben in deze periode. Over het gebruik van het merk later in de 17de eeuw is weinig geweten. Het merk MA onder ster werd tussen 1655 en 1675 167
gebruikt door de Goudse pijpenbakker Matthijs Abrahamsz. PF onder ster is tussen ca 1655 en 1706 in gebruik geweest in het Gouds atelier van Pieter Filipsz. Kerckhof. Het gebruik van merkteken SE is weinig gekend. SB was tussen1645 en 1674 in gebruik door Steven Woutersz. Tabel 16 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Rabot
Merk EI MA onder ster PF onder ster DV tussen 2 sterren SB Goudsbloem LS met pentagram
Gekende productieplaatsen binnen dateringsvork Gouda (Rotterdam en Leiden) Gouda, Rotterdam Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda
Aantal 1 1 2 1 1 1 1
9.1.3. Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft kunnen we vaststellen dat bij het merendeel van de 18 aanwezige pijpekoppen de filt is gebotterd of afgerond. Bij een enkel exemplaar is de ketelrand simpelweg afgesneden. De koppen zijn steeds geglaasd behalve bij de drie reliëfpijpen waarvan de kop werd opgewreven. De kwaliteit van het glazen varieert van mooi egaal tot eerder slordig. Van de 105 pijpensteelfragmenten vertoonden er 93 (of zo’n 89%) sporen van nabewerking door glazen. De mate van afwerking van de vormnaad varieert. Bij ruim 11 koppen is er sprake van een gladde afwerking waarbij de restjes van de klei zorgvuldig werden verwijderd en de naad geëffend. De ruwere exemplaren vinden we bij de pijpenkoppen zonder merkteken op de hiel. Ook bij de koppen met merken MA onder ster, PF onder ster, DV tussen twee sterren en SE lijkt de naad met minder zorg afgewerkt. Op vlak van decoratie heeft het merendeel van de verzamelde koppen heeft een radering net onder de filt. Het gaat in totaal om 11 van de 18 koppen. Slechts twee gemerkte koppen (EI en MA onder ster) hebben geen radering. Het patroon van de bandstempel is steeds een eenvoudige stippellijn. Drie koppen behoren tot een reliëfpijp en hebben op de ketelwand een versiering met tudorroos of stippenroos. In totaal bevat het vondstmateriaal 19 steelfragmenten met versiering. Het materiaal uit het ensemble is eerder fragmentair waardoor de versiering van de pijpestelen amper in relatie tot de aanwezige koppen kan bestudeerd worden. De pijp met het merk Goudsbloem was bedrukt met ruiten met daarin een Franse lelie. Dit type decoratie komt ook voor op 8 andere losse steelfragmenten vaak in combinatie met een eenvoudige radering. Een ander dominant decoratiemotief is zijn zig zag motieven aangebracht met de bandstempel. Vaak komt dit voor met eenvoudige radering of meer uitgewerkte bandstempels met ogen.
9.1.4. Kwaliteit Zowel de hielmerken, decoratie als afwerking in ogenschouw genomen, lijkt er in de collectie een zekere variatie in kwaliteit te zitten. Met zo’n 89% is wel degelijk een hoog percentage van de pijpestelen geglaasd. Bij de combinatie van zowel een geglaasde kop al een geglaasde steel wordt doorgaans gedacht aan pijpen van de betere kwaliteit. Een aantal vaststellingen doen echter ook minder kwalitatieve producten vermoeden. Zo varieert de kwaliteit van het glazen van de kop sterk.
168
Verder is er ook de afwezigheid van een hielmerk op een aantal pijpen wat doorgaans wordt geassocieerd met eerder eenvoudige pijpen; sommige exemplaren vertonen bovendien een minder zorgvuldig gegladde vormnaad. Ook de pijpen met stippelroos decoratie worden doorgaans bij de minder kwalitatieve producten gerekend.
9.1.5. Gebruikssporen Wat gebruikssporen betreft hebben alle koppen een roetkorst aan de binnenkant van de ketel. In sommige gevallen zijn er nog verbrande tabaksresten aanwezig op de bodem. De pijpjes lijken dus zeker gebruikt om te roken.
9.1.6. Interpretatie Typologisch bestaat uit het vondstensemble uit kleipijpen van het zogenaamde dubbelconische model in stijl van Gouda. De oudste types in het ensemble kennen een productieperiode tussen 1630 en 1640. Het merendeel is echter van een jonger type waarvan de productie doorgaans in de periode 1655-1670 wordt gesitueerd. Het afvalpakket met de pijpjes lijkt dus het resultaat van een geleidelijke accumulatie van afgedankte en weggegooide materialen. Een accumulatie die we kunnen situeren in het tweede en derde kwart van de 17de eeuw. De sociale gebruikscontext is niet met zekerheid te achterhalen maar de relatie met de Rabotpoort doet een verbruik door militairen of een stedelijke militie vermoeden. Het ensemble is te klein om op zoek te gaan naar specifieke consumptiepatronen.
169
9.2. Mariakerksesteenweg (18a) Vindplaats
Mariakerksesteenweg Drongen
Locatie
Begraafplaats Drongen
Beschrijving onderzoek
Tijdens een archeologische opgraving in 2019 werden er door archeologen van BAAC Vlaanderen en Stad Gent sporen van een vroeg 18de-eeuws militair kamp aangesneden. Een aantal haardkuilen werden onderzocht. De pijpjes werden verzameld in relatie tot deze haardkuilen.
Archeologische context
Diverse afvalkuilen
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Militairen
Datering vondsensemble
18a
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met slechts 11 koppen die compleet of in grote mate bewaard bleven, inclusief de hiel. Drie andere koppen zijn geteld op basis van kleiner scherfmateriaal van hiel of ketelmand.
In cijfers
Aantal
%
Kop
29
30%
Steel
69
70%
Totaal
98
100%
170
9.2.1. Typologie en datering Naar typologie gaat het om een weinig gevarieerd ensemble. Alle pijpjes zijn van het trechtervormig model. Een vormenschat in Goudse traditie dus. De vroegste trechtervormige pijpen waren nog eerder conisch van vorm (1680-1690) om daarna gaandeweg te evolueren naar pijpen met een trechtervormige kop. De slanke ketel en sterk afgeschuinde filt lijkt de pijpen in de eerste decennia na 1700 te situeren. Wat dimensies betreft zijn er twee formaten van pijpen aanwezig. Een groter formaat met een hoogte van zo’n 4,5 cm. Op het wijdste punt meet de ketel dan 2 cm en de ketelopening 2,2 cm. Opvallend is dat het om twee pijpjes gaat met het Wapenschild van Amsterdam als hielmerk (zie infra). Bij het kleinere formaat varieert de hoogte tussen 3,8 en 4 cm met een ketelopening tussen 1,9 en 2 cm is. De ketel meet op het breedste punt steeds 1,8 cm. Er zijn 12 fragmenten van een mondstuk aanwezig. Telkens werd de steel eenvoudigweg afgesneden.
Figuur 106 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van de wolweverskapel
9.2.2. Merktekens en herkomst In totaal zijn er 29 pijpenkoppen aanwezig waarvan er 11 met bewaarde hiel. Zes van ervan zijn niet gemerkt. Eén hielmerk was niet meer leesbaar door verwering. Het Wapenschild van Amsterdam werd begin 18de eeuw gebruikt door Jacobus de Mol (1691-1729) in Gouda (Duco 2003a, 124; J. Van der Meulen 2003b, 52). Ook elders is het merkteken gebruikt geweest: er is onder andere sprake van Amsterdam en Utrecht. Maar het is niet gekend of dat ook tijdens de vroege 18de eeuw het geval was. Een andere pijp draagt een merk met een mannelijke figuur. De verwering van het stuk laat niet toe een meer precieze determinatie te doen. A gekroond werd lange
171
tijd gebruikt en door veel verschillende pijpenbakkers. Het gebruik van het merk is gekend uit Holland en meer bepaald Gouda, Alphen (Aarlanderveen) en Gorinchem (H. Van der Meulen 2003). Zo weten we dat van 1714 tot 1728 Arij van der Lee in Gouda het merk gebruikte (Duco 2003a, 151; J. Van der Meulen 2003b, 60). Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (H. Van der Meulen 2003). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt er een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw met een steelmerk ‘Sas van Gent’ het hielmerk gekroonde A (merk wel iets anders vormgegeven). Ook tussen het pijpenbakkersafval van de Fraterstraat (tweede helft 17de eeuw) zaten er een aantal misbaksel met het hielmerk A gekroond tussen. Tabel 17 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Rabot
Merk Wapenschild Amsterdam Mannelijke figuur (onduidelijk) A gekroond
Productie Gouda Gouda Gouda, Gorinchem, Aarlanderveen, Sas van Gent, Gent
Aantal 2 1 1
Figuur 106 5 6
Op vlak van afwerking konden een aantal vaststellingen worden gedaan. Bij 12 van de 29 pijpenkoppen bleef de rand van de ketel bewaard. Bij negen ervan is de filt gebotterd. Bij de anderen werd de rand recht afgesneden. Slechts drie koppen tonen sporen van nabewerking door te glazen. De uitvoering is weinig egaal. De stelen zijn nooit nabewerkt. De vormnaad is steeds geglad. Kleiresten aan de kop en de stelen tonen aan dat dit gladden ook met weinig nauwkeurigheid is gebeurd.
9.2.3. Afwerking en decoratie Slechts zes koppen hebben als decoratie een radering net onder de filt. Veelal een eenvoudige stippelnijn gevormd door punten of een doorlopende lijn. De radering loopt rond de volledige ketelopening maar is weinig zorgvuldig aangebracht. Op zes steelfragmenten werd een decoratie vastgesteld. Hierbij wordt een zigzag-patroon aangebracht met de bandstempel in combinatie met met ogen of een eenvoudige radering in de vorm van een stippelijn. Bij een steelfragment is er sprake van een vlakdekkend floraal motief wat wijst op het gebruik van een gedecoreerde mal. Vier pijpjes dragen aan de basis van de ketel een tudorroos of stippenroos in reliëf (Figuur 106 : 1-4).
9.2.4. Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten is over de gehele lijn laag. Slechts enkele koppen tonen sporen van nabewerking door glazen. De uitvoering is echter navenant. Bij alle pijpjes is er geïnvesteerd in het gladden van de vormnaden maar ook dit gebeurde weinig zorgvuldig. Ook het feit dat er een aantal pijpjes bewust niet werden gestempeld kan er op wijzen dat de kwaliteit eerder gelijk gesteld moet worden met de zogenaamde ‘groffe’ pijpen uit het Gouds aanbod. De steel met florale decoratie kan wijzen op een enkele pijp van betere kwaliteit in het ensemble
9.2.5. Gebruikssporen Vrijwel alle pijpjes tonen gebruikssporen die wijzen op een gebruik als rookwaar. Sporen van gebruik zijn van roet en tabakskorsten aan de binnenkant van de ketel. Enkele steelfragmenten zijn ook zwartgeblakerd. Mogelijk is dit niet te relateren aan gebruik maar aan het wegwerpen van de pijpen in een open vuur. 172
9.2.6. Interpretatie De typo-chronologische coherentie doet een simultaan gebruik van de pijpjes vermoeden. Typologische zijn de trechtervormige pijpen te plaatsen in de eerste decennia van de 18de eeuw wat lijkt te sporen met het gerelateerde vondstmateriaal waaronder een aantal munten. De pijpen werden aangetroffen in een aantal sporen die werden geïnterpreteerd als haardkuilen van een militair kamp. We hebben vermoedelijk te maken met pijpen van soldaten die tijdens het verblijf of bij opbreken van het kamp werden weggegooid. Een aantal daarvan kwamen terecht in de haardkuilen waarrond de soldaten groepeerden om te warmen mogelijk ook eten te bereiden. Dit soort taferelen zijn gekend van iconografisch materiaal uit het begin van de 18de eeuw (Figuur 107).
Figuur 107 Camp volante of tijdelijk kamp. Soldaten met hun gezin rond het vuur. Centraal ook een pijproker. Gravure uit 1727 naar het schilderij van J.-A. Watteau (MAH Musée d'art et d'histoire, Ville de Genève. Ancien fonds)
Het kampement moeten we vermoedelijk plaatsen in context van de Spaanse Successieoorlogen en meer bepaald in troepenbewegingen in aanloop naar de slag bij Oudenaarde op 11 juli 1708. Zo weten we dat rond Mariakerke in juni 1708 geallieerde troepen aanwezig waren. Er is sprake van twee bataljons Engelse soldaten onder leiding van Robert Murray en het regiment Dragonders van JeanFlorent Van Dam d'Audegnies. Die laatste was een Zuid Nederlandse edelman in dienst van de Noordelijke Nederlanden. Later zou die nog gouverneur van Gent worden (Dhondt 2008; Veenendaal 1950). Vaak zaten troepen verspreid in de wijde omgeving en zochten daarbij droge en strategische plekken op (Brion, Van de Vijver, en Lentacker, z.d., 749). Het is heel aannemelijk dat de geallieerde
173
troepen de volledige droge oever ten noorden van de Ossemeersen bezetten. Het kan dus best dat de pijpen van de Mariakerksesteenweg – in Goudse traditie en heel waarschijnlijk geproduceerd in de Noordelijke Nederlanden – op zak hebben gezeten van Hollandse soldaten in de geallieerde troepenmacht.
174
9.3. Sint-Pietersabdij III (19B) Vindplaats
Sint-Pietersabdij
Locatie
Oostelijke buitentuin Sint-Pietersabdij
Beschrijving onderzoek
In de periode 1972-73 werden er in opdracht van de Stad Gent opgravingen uitgevoerd in de tuin van de Sint-Pietersabdij. Het onderzoek focuste zich in de eerste plaats op de middeleeuwse infirmerie van de abdij. Tijdens het onderzoek werden er registraties gedaan van verschillende nutsgebouwen die behoorden tot de zogenaamde kazerneperiode van de abdij (1794-). Het vondstensemble werd verzameld uit een afvalpakket dat vermoedelijk werd doorsneden bij de aanleg van een proefsleuf (Baillieul e.a. 1979, 259–65).
Archeologische context
Afvallaag
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Vermoedelijk militaire aanwezigheid Sint-Pietersabdij
Datering vondsensemble
19B
Fragmentatiegraad
Het materiaal goed bewaard met weinig gefragmenteerde koppen. Het beperkt aandeel aan steelfragmenten doet een selectie op het terrein vermoeden
In cijfers
Aantal
%
Kop
82
46%
Steel
97
54%
Totaal
179
100%
175
9.3.1. Typologie en datering Naar typologie herkennen we verschillende pijpmodellen. Uit de Goudse modellentraditie herkennen we de ovale pijp (n = 34), kromkop (n = 27) en rondbodem (n = 2). Uit de Franse traditie herkennen we een aantal néogènes (n = 10) en ook een aantal figurale pijpen (n=9). De ovale pijp komt al tot ontwikkeling rond 1730 maar blijft in productie tot in de 20ste eeuw. Het gaat om zogenaamde overbelaste koppen die vanaf 1800 in ontwikkeling komen Figuur 108 : 1-7-. Er zijn drie grote formaatgroepen te herkennen: bij de kleinste ovalen (n = 8) pijpen heeft de kop een hoogte van zo’n 4,5 cm. Op het breedste punt meet de ketel zo’n 2,4 cm. De ketel opening schommelt tussen de 1,8 en 2 cm. Bij de middelste groep (n = 16) is de kop bijna 5 cm hoog. Op het breedste punt meet de ketel zo’n 2,8 cm. Diameter van de opening is 2 tot 2,2 cm. Bij de grootste groep (n = 10) is de hoogte van de ketel 5,2 tot 5,4 cm hoog. Op het breedste punt benadert de ketel 3 cm. De opening is steeds rond de 2,2 cm. Bij alle formaten gaat het om een liggende kop. De kromkop wordt geïntroduceerd in Gouda rond 1730 en zal in productie blijven tot diep in de 20ste eeuw. Twee groepen van kromkoppen onderscheiden zich. De exemplaren uit de eerste en ruimste groep (n = 25) kenmerken zich door gelijkaardige vormgeving en dimensies. De kop is zo’n 5,2 cm hoog. Op het breedste punt meet de kop altijd rond de 2,5 cm. De ketelopening is 2 cm. Resultaat is een langgerekte en slanke kromkop (Figuur 108 : 8-11). De tweede groep betreft maar twee exemplaren. Het gaat om een bollere versie van de kromkop (Figuur 108 : 12). De hoogte van de kop is zo’n 5 cm. Op het breedste punt meet de ketel 3 cm. Diameter van de ketelopening is 2,4 cm. Twee koppen behoren tot zogenaamde rondbodem, een pijpmodel zonder hiel dat eveneens rond 1730 in omloop kwam maar dat ook tot in de 20ste eeuw in productie bleef. Bij een exemplaar staat de kop loodrecht op de steel (Figuur 108 : 13). De hoogte van de kop is zo’n 4 cm. De diameter van de kop meet 2,5 cm. Het ander exemplaar is meer fragmentair en de kop staat ietwat schuin op de steel. Onder de néogènes vinden we vooral pijpen met reliëfdecoratie. Zij worden samen met de figurale pijpen hieronder besproken bij de beschrijving van de decoratie. Het gaat veelal om modellen die voortbouwen op de ovale pijp met hiel (n=2) en de rondbodem (n = 8).
9.3.2. Pijpen in Goudse traditie 9.3.2.1. Merktekens en herkomst Bij de kromkoppen waarbij de hiel bewaard bleef, is er ook sprake van een hielmerk. In totaal 16 merken konden worden herkent. Dominant was het hielmerk JBN dat 13 keer voorkomt. Dit merk werd gezet door Jean-Baptiste Nihoul in Nimy tussen 1831 en 1881. Dit geeft ons meteen de ruime tijdvork waarin de pijpen uit het ensemble werden geproduceerd. Opvallend is dat het ensemble ook zeven steelmerken bevat met de vermelding ‘Nihoul Brévété à Nimy’. Een kromkop draagt het merk D. In Gouda werd D ongekroond enkel gezet in de 17de en 18de eeuw (Duco 2003a, 151). In de 19de eeuw werd D wel gezet door verschillende Belgische pijpenbakkers. Tijdens het tweede kwart werd D gebruikt door onder andere Pierre-Joseph Scoufflaire uit Nimy en François Debliquy uit Bury. Eind 19de eeuw werd de D met parelkrans nog gezet door De Bevere uit Kortrijk. Een steelmerk verwijst naar ‘Scoufflaire à Nimy’ wat aangeeft dat er toch een aantal pijpen in het ensemble uit de producties Pierre-Joseph Scoufflaire moet komen. De kromkop met de zwaarder uitgevoerde kop draagt het hielmerk WS en bijmerk 4. Een andere kromkop draagt het merk WS gekroond net als acht van de ovalen pijpen. Het merk WS moet zowat een van de meest gezette merken uit de 19de eeuw zijn. Dit merk werd in Gouda gezet door de firma P. van der Want, maar ook in andere Noord-Hollandse productiecentra zoals Venlo en ’ s Hertogenbosch. In Frankrijk werd het merk onder andere gebruikt in Saint-Omer. Vooral bij de Belgische producenten 176
was het merkteken bijzonder populair. Maar liefst 22 Belgische ateliers zetten in het eerste kwart van de 19de eeuw dit merk. Daaronder namen zoals Heurter, Winand en Marchand uit Andenne, Petit uit Bergen, Werle en Morelle uit Namen, De Bruijcker uit Antwerpen, Basieux uit Doornik, Van Meckeren uit Geraardsbergen, De Bevere en Malfait uit Kortrijk, Ritzen en Vanijsterdael uit Maaseik, Melaert uit Mechelen, Van Reijn uit Sint-Niklaas en Willemijns uit Tielt. Ook in Gent zetten met Berlo, Cappelier, Colijn, Vanhaeverbeke, Vechters en Verbrugghe een aantal pijpenbakkers in die periode het merk WS. In geval van Colin en Vanhaverbeke met kroon. Verder konden we bij de ovalen pijpen nog drie andere merken onderscheiden. Een pijp draagt het merk M. Dit werd eerst kwart 19de eeuw gezet door Pieter Muylle uit Roeselare. Derde kwart van de 19de eeuw is een gebruik gekend door François Marcq uit Saint-Symphorien. Ook in Gouda werd dit merk gezet in de 19de eeuw. Tot 1810 door Kornelis Kalf en nadien door Adrianus van der Want Gzn. Het merk zou tot 1920 in de familie blijven (Duco 2003b, 153). Een andere pijp draagt het merk 46 gekroond. In het eerste kwart van de 19de eeuw was dit merk in gebruik in Andenne (bij Pierre Orter en gebroeders Fossion). Bij Deffet en Nossent in Luik. Ook in Maaseik werd merk gezet bij Ritzen en Vanijsterdael. Ook bij Morel in Namen werd het merkteken 46 gekroond gezet. Het gebruik door Belgische pijpenbakkers tijdens het tweede kwart van de 19de eeuw en later is weinig gekend. Ook in Gouda werd het merk gezet in de eerste helft van de 19 de eeuw. Tot 1821 was het merk in handen van de weduwe van Cornelis van Leeuwen, daarna gaat de zoon Georges van Leeuwen het merk gebruiken (Duco 2003a, 192). Een ovale pijp draagt het merk ES. Dit merk werd in Gouda gezet. Tot 1818 door Adrianus Sparnaaij en nadien door zijn weduwe Adriana Smits. Vanaf 1834 komt het merk in handen van Cornelis Verkerk (Duco 2003a, 165) Vier andere pijpen droegen een onleesbaar hielmerk. Tenminste zeven ovale pijpen hadden geen hielmerk. Een exemplaar had daarbij wel een zijmerk D. Tabel 18 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Sint-Pietersplein III
Hielmerk
Aantal
Figuur 108
JBN
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork) Nimy
13
8
D
Gouda, Nimy, Bury, Kortrijk
1
9
WS gekroond
10
2
M
Gouda, Venl,’ s Hertogenbosch, SaintOmer, Andenne, Bergen, Namen, Antwerpen, Doornik, Geraardsbergen, Kortrijk, Maaseik, Mechelen, Sint-Niklaas, Tielt, Gent Gouda, Roeselare, Saint-Symphorien
46 gekroond
Gouda, Andenne, Luik, Namen
1
ES
Gouda
1
1 1
9.3.2.2. Afwerking en decoratie Vrijwel alle pijpen vertonen striemen die wijzen op het glazen van de pijpen. Op basis van de striemen door het opwrijven, valt het wel op dat bij sommige pijpen het glazen veel egaler en doortastender is gebeurd. Bij alle pijpjes uit de collectie was de filt gebotterd. Het lijkt er op dat de pijpenstelen selectief werden verzameld waardoor we weinig kunnen vertellen over de afwerking en decoratie van de stelen. De weinige fragmenten tonen een decoratie met het radeermes en de bandstempel. Vooral een combinatie van stippenlijnen en zigzagpatronen doet zich voor. 177
Figuur 108 overzichtsplaat van het vondstmateriaal: modellen in Goudse traditie
178
Figuur 109 overzichtsplaat van het vondstmateriaal: néogènes, fantaisies en figurale pijpen
179
9.3.3. Néogènes en fantaisies Onder de pijpenkoppen werden zeven verschillende néogènes en fantaisies onderscheiden: o
Rondbodemmodel opgedeeld door een afwisseling van parelnaden en ribbels. De kop is zo’n 5 cm hoog. Diameter was niet meer te bepalen. De aanzet van de steel wijst op een gekromde steel. Dit types pijpen vinden we terug in 19de-eeuwse handelscatalogi waaronder die van het Goudse Goedewagen (1890)62. De kop werd geglaasd (Figuur 109 : 11)
o
Rondbodemmodel met lint en/of guirlande ter hoogte van de aanzet van de ketel. De pijpenkop is zo’n 4,5 cm hoog en de ketelopening is 4,5 cm in diameter. De kop werd geglaasd (Figuur 109 : 13)
o
Rondbodemmodel met vegetaal motief en krulvormig spoor (twee exemplaren). De kop is 5 cm hoog en de opening van de ketel is 2,4 cm in diameter. De kop werd geglaasd. Soortgelijke vegetale motieven zijn ondermeer gekend uit de catalogus van Knoedgen in Bree (1847)63 (Figuur 109 : 12)
o
Rondbodem uitgewerkt als een klassieke gezichtspijp. Het gelaat is gericht naar de roker. Het gaat om een mannen- of vrouwengezicht (niet geheel duidelijk) met krullend haar. Naar stijl is de decoratie te situeren in het neoclassicisme of eventueel de Empire. De hoogte van de kop meet 4 cm (Figuur 109 : 4)
o
Rondbodem uitgewerkt als gezichtspijp. Gelaat gericht weg van de roker. De pijp beeld een man af met weelderige haarbos en snor. Dit type pijpen werden ondermeer gemaakt door Wingender-Knoedgen in Chokier64. In de catalogus uit 1850 wordt dit type pijpen Barberousse genoemd, verwijzend naar Khayr ad-Din Barberousse de 15de-eeuwse Sultan van Algerije en Tunis (Figuur 109 : 8)
o
Rondbodem uitgewerkt als gezichtspijp. Gelaat gericht weg van de roker. De pijp beeld een man af met weelderige baard en een middeleeuwse muts. Gelijkaardige gezichtspijp – maar niet geheel hetzelfde – wordt in de catalogus van Gambier (nr 626) aangeduid als Michel-Ange of Michelangelo, de renaissance schilder65. De kop is zo’n 6 cm hoog en de diameter van de ketel is 2 cm (Figuur 109 : 7)
o
Ovaal model met hiel (niet gemerkt) met ribbels. Een brede onversierde strook net onder de filt. De vormnaad werd platgestreken met een kam. Dit model is ondermeer gekend uit de catalogus van Blanc-Garin uit Givet (1838)66 (Figuur 109 : 10)
o
Ovaal model met hiel en hielmerk gekroonde ES. Het betreft een zogenaamde handelspijp met reliëfdecoratie. De afmetingen zijn : h:5 x b:3 x o: 2). Aan weerskante van de ketel zien we figuren in barokke stijl. De zittende figuur aan de rechterkant draagt de lijkt op basis van de staf en helm met vleugels Mercurius te zijn. De vrouw aan de linkerkant met vis aan de voeten is Neptunus met aan zijn voet een vis. Ook op de ketel staan de letters ES in een rozet.
62
Catalogus van firma Goedewagen 1890 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 63 Catalogus van firma Knoedgen 1847 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 64 Catalogus van firma Wingender-Knoedgen 1850 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 65 Catalogus van firma Gambier 1894 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 66 Catalogus van firma Blanc-Garin 1838 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022)
180
Daarrond staat Goedewaagen verwijzend naar de Goudse pijpenfabrikant. handelscatalogus van Goedewagen uit 1891 vinden we deze pijpen nog terug67. o
In
de
Ovaal model met op de achterkant van de pijpenkop een ram in reliëf. De pijp is geglazuurd (Figuur 109 : 14)
Figuur 110 handelspijp van Goedewagen met Neptunus (l) en Mercurius (r)
Drie versierde steelfragementen behoorden ook tot néogènes met reliëfversiering. Een ervan betreft een steelfragment met een knop. Bij ander fragment werd een ruitmotief uitgewerkt parelnaden en geometrische figuren (oa. sterren en ruiten). Een laatste steelfragment is uitgewerkt als tak met boomschorsmotief en knopen. Dit soort motieven zijn ondermeer gekend uit de catalogus van Wingender-Knoedgen uit Chokier68.
9.3.4. Figurale pijpen Bij de figurale pijpen kunnen er drie exemplaren zondermeer toegeschreven worden aan de productie van Gambier. Alle drie de pijpen dragen het merk Gambier à Paris. Twee fragmenten zijn beperkt bewaard. Enkel de manchet en aanzet van de kop zijn bewaard. De nog bewaarde catalogi van Gambier tonen deze nummers niet. In beide gevallen gaat het om gezichtspijpen. Gezicht weg gericht van de roker. Telkens is de figuur bebaard. De aanwezige serienummers 567 en 577 laten toe de pijpen nader te determineren. Beide betreffen een ‘la maure de Barcelone’ Gezien de kleinere dimensies lijkt het om zogenaamde ‘Têtes Mignonettes’ te gaan. De derde pijp van Gambier is een groter formaat (hoogte kop 6cm) en draagt serienummer 866. Het gaat om een zogenaamde Jupiterkop met beeltenis van de gelijknamige Romeinse god. De figuur is bebaard en draagt een kroon (Figuur 109 : 1). Daarnaast omvat het ensemble nog zes andere fragmenten van figurale pijpen. Mogelijk gaat het om Belgische producten of pijpen van een Noord-Franse fabrikant. Spijtig genoeg is het materiaal
Catalogus van firma Goedewaagen 1891 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 68 Catalogus van firma Wingender-Knoedgen 1850 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 67
181
gefragmenteerd wat een verregaande determinatie niet altijd mogelijk maakt. Vijf stukken konden worden beschreven: o
een vrouwenbuste. De vrouw heeft lange golvende haren samengehouden met een haarband net. Rond haar hals draagt ze een parelsnoer. Het pijpje is zo’n 4 cm hoog (Figuur 109 : 2)
o
basis van een buste. Het gaat om een figuur (mogelijk een kind) in kostuum met knopen en een blauw ingekleurde vlinderdas (Figuur 109 : 3)
o
Basis van een kop. Het gaat om een mannelijke figuur met baard (Figuur 109 : 9)
o
Basis van een buste. Het gaat om een mannelijke figuur. De onderkant van de basis is uitgewerkt als leeuw (Figuur 109 : 15)
o
Basis van een buste. Mannelijk persoon in militair kostuum met epauletten en onderscheiding Mogelijk gaat het om Koning Leopold I van België (Figuur 109 : 16).
9.3.4.1. Kwaliteit De aanwezige pijpen lijken van degelijke kwaliteit. Bij de pijpen in Goudse traditie waren alle koppen gebotterd en geglaasd, al gebeurde het glazen niet overal even doortastend. Het gaat zeker niet om absolute topproducten maar om de betere gewone pijp. Onder de fantaisies bevinden zich een aantal meer complex uitgewerkte types zoals de Barberousse, de Michel-Ange en de handelspijp van Goedewaagen. Ook de figurale koppen wijzen op een consumptie van enige standing.
9.3.5. Gebruikssporen De meeste koppen zijn beroet aan de binnenkant van de ketel. Vaak vertoont ook de buitenzijde van de filt roetsporen. In sommige gevallen zijn er nog verbrande tabaksresten aanwezig aan de binnenkant van de ketel. We gaan er van uit dat alle pijpjes in de collectie werden gebruikt om te roken.
9.3.6. Interpretatie De typo-chronologische coherentie doet een omloop vermoeden tijdens een korte gebruiksperiode. Het merk JBN werd tussen 1831 en 1881 gebruikt door Jean-Baptiste Nihoul in Nimy. Enkel merken (steelmerk en D op de hiel) verwijzen naar het werk van Pierre Joseph Scoufflaire in Nimy. Die was actief vanaf 1844. Op basis van de faintaisies en figurale koppen lijken we de gebruiksperiode te kunnen situeren medio tot tweede helft van de 19de eeuw. Al in 1810 worden de gebouwen van de Gentse Sint-Pietersabdij ingericht als kazerne. In 1849 krijgt het plein voor de abdij zijn huidige vorm. Er wordt een exercitieplein opgericht naar het ontwerp van architect Charles Leclerc-Restiaux. In de kloostertuin – waar het vondstensemble werd verzameld – worden gedurende de periode 1849-1906 talrijke nutsgebouwen opgericht voor de militairen. Hoogtepunt van de bouwactiviteit lijkt zich te situeren in het vierde kwart van de 19de eeuw met de bouw van onder andere een bakkerij (1876), een kolenmagazijn (1882), bureelruimten (1882), stallingen (1886), en latrines (1888-89). Mogelijk kwam de afvallaag in deze periode van bouwwoede tot stand.
182
Het lijkt er dus op dat we te maken hebben met pijpen van militairen die gedurende het derde kwart van de 19de eeuw in Gent gelegerd waren. Een aantal kenmerken van het ensemble kunnen in dat licht misschien betekenis worden gegeven: zo’n 34 pijpen behoren tot het ovale type en 27 werden gedetermineerd als kromkop. Acht van de ovalen pijpen dragen het hielmerk WS en 13 van de kromkoppen de stempel JBN. Dit suggereert aankoop in batches of grotere partijen identieke pijpen. Een fenomeen dat gekend is uit militaire context (Bazelmans e.a. 2017).
Figuur 111 militairen in de kazerne op de terreinen van de Gentse Sint-Pietersabdij. Eind 19de-begin 20ste eeuw. Eén militair rookt de pijp (Gent geprent)
De figurale pijpen moeten we misschien zien als gebruiksvoorwerpen van officieren en onderofficieren. Uit de 19de eeuw is gekend dat het gezamenlijk roken van tabak gebruikt werd om sociale cohesie te stimuleren. Daarbij werden door officieren soms zelfs pijpen cadeau gedaan aan andere officieren en onderofficieren (Bazelmans e.a. 2017). Opvallend is ook het vermoedelijk groot aandeel aan Belgische en Franse pijpen in het ensemble. Bij de pijpen in Goudse stijl zitten er enkel merken – op ES na – die in de 19de eeuw ook in België werden gezet. Ook onder de fantaisies, néogènes en figurale pijpen zitten vermoedelijk ook Belgische producten. Het aandeel Hollands of Goudse pijpen lijkt alleszins verwaarloosbaar.
183
10.
ROKEN ACHTER HET MUURTJE: PIJPEN UIT RELIGIEUZE CONTEXT
184
Figuur 112 overzicht van vindplaatsen: ensembles uit religieuze context in rood
185
10.1. Wolweverskapel (17d) Vindplaats
Wolweverskapel
Locatie
Terrein tussen de Kleinvleeshuissteeg en de Ketelvest
Beschrijving onderzoek
In 2007 werd naar aanleiding van een nieuwbouw- en renovatieproject een archeologische opgraving uitgevoerd op het terrein tussen de Kleinvleeshuissteeg en de Ketelvest. In relatie tot de Wolweverskapel werd een 13de-eeuwse kelder aangetroffen die bij verbouwingen in de 17de eeuw werd omgebouwd tot beerput. Het vondstensemble werd in een van de opvullagen van deze beerkelder gerecupereerd (De Gryse en Vandevelde 2007).
Archeologische context
Afvallaag
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Mogelijk te relateren aan godshuis van de wolwevers.
Datering vondsensemble
17d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is eerder gefragmenteerd maar 5 van de 7 koppen zijn compleet of in grote mate bewaard gebleven. De twee andere koppen betreffen fragmenten van de ketel en een fragment van de steel met aanzet van de hiel.
In cijfers
Aantal
%
Kop
7
17%
Steel
35
83%
Totaal
42
100%
186
10.1.1.Typologie en datering Naar typologie vertoont het vondstensemble een grote coherentie met enkel pijpen van het dubbelconische model. Een vormenschat in Goudse stijl dus. Het gaat om dubbelconische pijpen uit de het laatste decennium van de 17de eeuw. Ter hoogte van de kenmerkende knik is de buik van de pijpenkop nog net iets wijder dan de ketelopening. Daarmee situeren de pijpen zich in de finale evolutie van dubbelconisch model naar trechtervorm. De afmetingen van de pijpenkoppen is vrij gelijk een hoogte tussen de 4 en 4.5 cm. De opening van de ketel varieert van 1.8 tot 2 cm met een maximale breedte van de kop rond de 2 cm.
Figuur 113 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van de Wolweverskapel
10.1.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 5 ketelfragmenten aanwezig waarvan de hiel bewaard is. Slechts één ervan draagt een hielmerk. Het betreft het lettermerk EB gekroond (Figuur 113 : 4a&b). EB gekroond werd tussen 1683 en 1720 in Gouda door een niet gekende pijpenbakker. EB gekroond en ongekroond werd ook elders gezet zoals in Breda en Amsterdam. De historiek van het merk blijft wat enigmatisch. Tot 1665 zou in Amsterdam de Engelse pijpenmaker Edward Bird het merk hebben gezet. Nadien zou zijn zoon Evert het merk hebben overgenomen (Duco 2002). Ook tussen het productieafval van het Fratersplein – dat in relatie werd gebracht met een Gentse pijpenbakker - zitten er pijpen met het merk EB gekroond (tweede helft 17de eeuw). Eén pijpje werd nooit gemerkt.
10.1.3.Afwerking en decoratie Twee pijpen kenmerken zicht door een reliëfversiering van de ketel. Het gaat om een gestileerd floraal motief dat vaak wordt aangeduid als de Tudorroos of stippenroos (Duco 1981a) (Figuur 113 : 1&2). Op bovenvermelde reliëfversierde exemplaren na hebben alle verzamelde koppen een radering net onder de filt. Steeds gaat het om een eenvoudig lijntje. In totaal werd er bij 17 steelfragmenten een versiering vastgesteld. Het gaat daarbij steeds om radering in eenvoudige motieven. Een stippenlijn is het meest voorkomend (n = 11) vaak in combinatie met radstempel. Voorkomende patronen zijn ogen (24%) of Franse lelies (35%). Deze laatste worden aangebracht met een drukstempel.
187
In verband met de afwerking konden volgende vaststellingen worden gedaan: bij 6 van de 7 pijpenkoppen uit het ensemble is de rand van de ketel bewaard. Telkens is de filt gebotterd. De afwerking van het oppervlakte van de kop was meestal ook goed. Meeste pijpjes werden geglaasd behalve diegene met reliëfversiering. Opvallend is wel dat bij de twee ongemerkte pijpjes en pijp een van de pijpjes met merk EB gekroond de vormnaad niet met de meeste zorg werd geglad. Vooral rond de stoep zijn er nog kleiresten aanwezig. Bij de stelen vertoont slechts 14% van de fragmenten sporen van oppervlaktebewerking door glazen.
10.1.4.Kwaliteit De kwaliteit van de verzamelde pijpen is goed maar het gaat zeker niet om hoge kwaliteitsproducten. De koppen zijn weliswaar steeds mooi geglaasd maar de pijpen vertonen te veel eigenschappen die wijzen op een minder kwalitatieve afwerking. Bij twee pijpjes is de vormnaad minder nauwkeurig geglad. Een daarvan draagt ook geen hielmerk.
10.1.5.Gebruikssporen De pijpjes van de Wolweverskapel lijken allemaal te zijn gebruikt als rookwaar. Volgende gebruikssporen werden vastgesteld. Alle koppen zijn beroet aan de binnenkant van de ketel. Vaak vertoont ook de buitenzijde van de filt roetsporen. In sommige gevallen zijn er nog verbrande tabaksresten aanwezig op de bodem van de ketel.
10.1.6.Interpretatie Het vondstensemble is coherent wat typologie betreft. Het gaat allemaal om kleipijpen van het dubbelconische model. De kop neigt al naar een trechtervorm wat het mogelijk maakt de pijpen te dateren in het laatste decennium van de 17de eeuw. De nauwe datering suggereert een simultaan gebruik; het volledig ensemble lijkt als een pakket in de beerput te zijn gedumpt of althans in een kort tijdsbestek. De beerput maakte deel uit van de gemeenschappelijke leefruimten van het godshuis van de Gentse wolwevers. Het complex dat diende als opvangtehuis voor oude en zieke wevers werd in de loop van de 17de eeuw uitbreid en heringericht. De beerput was een middeleeuwse kelder die op dat moment in gebruik genomen wordt als opvang voor de nieuwe latrines. De pijpjes uit de beerput werden vermoedelijk gerookt door de wevers die leefden in het tehuis of door de religieuzen die hen verzorgde. Het ensemble is te klein om op zoek te gaan naar specifieke consumptiepatronen.
188
10.2. Seminariestraat (17d) Vindplaats
Seminariestraat
Locatie
In de tuin van de Sint-Bavoschool
Beschrijving onderzoek
In 2003 werden er in de tuin van de Sint-Bavoschool een opgraving uitgevoerd doormiddel van een proefsleuf. Bij de opgraving werden de fundamenten van de 19de-eeuwse Lousbergs-textielfabriek aangetroffen. Daarnaast ook een aantal oudere structuren te relateren aan de kloostergebouwen van het voormalig Kapucinessenklooster. Het vondstensemble werd verzameld bij het onderzoek van een beerput uit de 17de eeuw (Acke 2007)
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Vermoedelijk stedelijke bewoning
Datering vondsensemble
17d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 13 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. Daarnaast zijn er nog 2 koppen waarvan enkel de hiel overblijft. Drie andere koppen zijn geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand
In cijfers
Aantal
%
Kop
18
17%
Steel
85
83%
Totaal
103
100%
189
10.2.1.Typologie en datering Naar typologie herkennen twee grote groepen: pijpen van het dubbelconisch model en pijpen van het trechtervormig model, doorgaans aangeduid als trechterpijpen. Beiden behoren tot de Goudse vormschat. De dubbelconische pijpen in het vondstensemble behoren allemaal tot het zogenaamde late type (+/- 1650-1700). Bij de late modellen is het verschil tussen de maximale breedte van de kop en de diameter van de ketel kleiner. Hierdoor is de knik in de pijpenkop niet meer zo abrupt en ook langer waardoor een elegantere minder gedrongen ketel ontstond. De trechtervormige pijp of trechterpijp evolueerde uit de dubbelconische pijp. Door het verder uitvlakken van de knik kreeg de pijp zijn kenmerkende trechtervorm. De doorbraak van dit type pijp wordt gesitueerd rond 1690. De afmetingen van de pijpenkoppen varieert weinig met een gemiddelde hoogte tussen de 4 en 4.5 cm. De opening van de ketel varieert van 1.8 tot 2.4 cm. Zo’n 45% van de pijpenkoppen is gevormd volgens dezelfde maatvoering met een maximale breedte van 2.4 cm en hoogte van 4.5 cm. Daarbij is de ketelopening steeds 2.2 cm.
Figuur 114 Overzichtsplaat Seminariestraat. Selectie pijpen met het hielmerk (inzoomen op hielmerk mogelijk)
190
10.2.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 13 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. De andere vijf koppen waren erg fragmentair bewaard en was er geen hiel meer aanwezig. Het merk A gekroond komt in totaal 7 keer voor in de collectie van de Seminariestraat. A gekroond is een veel gebruikt merk en is daarom moeilijk eenduidig toe te wijzen aan een productiecentrum of atelier. Het gebruik van het merk is gekend uit Holland en meer bepaald Gouda, Alphen (Aarlanderveen) en Gorinchem. In Gouda is het gebruik pas gekend vanaf 1714 met Arij van der Lee (Duco 2003a, 151). De A lijkt ook voor 1714 in Gouda en andere plaatsen gebruikt te zijn, maar precieze namen kunnen niet op de pijpenbakkers worden geplakt. Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (H. Van der Meulen 2003). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt er een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw met een steelmerk ‘Sas van Gent’ het hielmerk gekroonde A. (werd wel iets anders vorm gegeven) Ook tussen het pijpenbakkersafval van de Fraterstraat (tweede helft 17de eeuw) zaten er een aantal misbaksel met het hielmerk A gekroond tussen. Tabel 19 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Seminariestraat
Hielmerk
Aantal
Figuur 81
7
4; 5; 6; 8; 9
MC Gekroond
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork) Gouda, Alphen, Aarlanderveen, Gorinchem, Sas van Gent, Gent Gorinchem, Leiden, Gouda
2
1
IAB
Gouda
1
7
MI Gekroond
Gouda
1
3
Ridder te paard
Gouda
1
2
CH
Gouda
1
10
A Gekroond
De andere merken doen een productie in Gouda vermoeden. Hetzelfde verhaal geldt eigenlijk voor het merk MC gekroond. Het merk werd in de loop van de 17de eeuw gebruikt in onder andere Gorinchem (Marcus Claesz, 1633-1660) en Leiden (Mattheus Cornelis, 1640-1670). In Gouda werd het merk tussen 1670 en 1700 gezet door pijpmaker Maerten Caen. Daarmee zitten we in de gebruiksperiode van de pijpjes van de Seminariestraat waardoor een herkomst uit Gouda aannemelijk lijkt. Het merk IAB werd in het laatste kwart van de 17de eeuw gebruikt in Gouda door Jan Ariensz. Bal (1645-1650). Nadien – tot in 1674- maakte ook zijn weduwe Jacomijntje Claes gebruik van het merk. Tussen 1674-78 waren de rechten in handen van Wouter Teunisz. Later in de 17de eeuw werd het merkteken nog gezet door Jan Ariens Block (1674-1693). Een enkel pijpje met dit merk werd ook aangetroffen tussen het productieafval van het Fratersplein uit de tweede helft van de 17de eeuw. MI gekroond werd eveneens gebruikt in Gouda op het einde van de 17de eeuw en meer bepaald door Maerten Jansz. die rond 1696 de rechten over het merk bezat. Voor het 17de-eeuws gebruik van het merk CH is niet erg veel informatie voorhanden geweten. In 1728 werd het gezet door de Goudse pijpenbakker Cornelis Oosterhout. Het enige figuratieve merk beeld een ruiter te paard af. Het merkteken werd gezet in Gouda op het einde van de 17de eeuw. Zo weten we dat in 1699 een zeker Jan Verbanck gebruik maakte van het figuratieve merk.
191
10.2.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft is bij 16 van de 18 pijpenkoppen uit de collectie de rand van de ketel bewaard. Telkens is de filt gebotterd. De koppen zijn egaal geglaasd en ook op alle 85 steelfragmenten werd een egale glazing vastgesteld. De decoratie is eenvoudig maar verzorgd. Alle verzamelde koppen hebben een radering net onder de filt. Veelal een eenvoudige stippelijn gevormd door punten (n=3), staande streepjes (n=11) of liggende streepjes (n=11). Dezelfde patronen zien we ook terugkomen bij de pijpestelen al dan niet in combinatie met meer complexe bandstempels waaronder ogen, kruisenbanden en zigzag motieven. Twee steelfragmenten zijn bedrukt met ruiten en Franse lelies.
10.2.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten is over de gehele lijn hoog. Alle koppen waarvan de hiel bewaard is, hebben ook een hielmerk. Zowel de koppen als alle verzamelde steelfragmenten zijn egaal geglaasd. De radering van de ketel is steeds zorgvuldig uitgevoerd net als de decoratie van de steel. Ook de vormnaad is steeds mooi uitgevlakt.
10.2.5.Gebruikssporen Op basis van de aanwezige gebruikssporen lijken de pijpjes van de Seminariestraat allemaal te zijn gebruikt als rookwaar. Alle koppen zijn beroet aan de binnenkant van de ketel. Vaak vertoont ook de buitenzijde van de filt roetsporen. In sommige gevallen zijn er nog verbrande tabaksresten aanwezig aan de binnenkant van de ketel.
10.2.6.Interpretatie De typo-chronologische coherentie doet een simultaan gebruik vermoeden tijdens een korte gebruiksperiode. Het laatste decennium van de 17de eeuw circuleerden namen beide pijptypes korte tijd samen op de markt. Het lijkt er dan ook op dat het vondstensemble rond de eeuwwisseling tot stand kwam. De pijpen werden gerecupereerd uit een beerput op de terreinen van de 19 de-eeuwse Lousbergfabriek. Tot 1813 bevonden zich op het terrein de gebouwen van het Kapucinessenklooster. De kloosterzusters arriveerden op het terrein op het einde van de 17de eeuw (Acke 2003). Zij betrokken het ‘Spinhuys’ van de Gentse Spinnessen. Deze gemeenschap werd in 1678 opgericht door Joanna Scheerens. Het was geen echte religieuze orde of congregatie maar een groep van vrouwen die leefden volgens een aantal vaste regels. Ze noemden zichzelf: de familie der tsaemen woonende dochters gheseijt Spineressen te Ghent. Ze leefde van de opbrengst van het spinnen (Buntinx 1986). Het ensemble pijpen kan dus in relatie worden gebracht met de kapucinessen of de Gentse Spineressen. Naast de pijpjes bevatte de beerput ook nog aardewerk, glas, dierenbeenderen, oesterschelpen, zaden, visgraten en ander consumptieafval. De vondst van een loden zegel van paus Clemens X (16701676) en een aantal versierde drinkglazen wijzen op een meer gegoede consumptie. Het zegel van Clemens doet ook vermoeden dat de beerput al eerder dan de komst van de kapucinessen in gebruik was. Zeven van de trechtervormige pijpen hadden een hielmerk A gekroond. Mogelijk wijst dit op de aankoop van grotere partijen identieke pijpen. Dit zou kunnen betekenen dat de gemeenschap in groep aankocht. Het ensemble dateert in de periode dat ook het pijpenbakkersafval aan het Fratersplein werd gedumpt. Ook in dit productieafval zaten er een aantal pijpjes met merkteken A gekroond. We kunnen dus een Gentse herkomst van de pijpen niet uitsluiten. Het roken in context van een vrouwenklooster of vrouwengemeenschap lijkt misschien op het eerste zicht vreemd, maar 192
uitzonderlijk is dat niet. Voorbeelden zijn gekend waarin tijdens de 17de en 18de eeuw tabak wordt aangekocht in vrouwenkloosters. Natuurlijk zijn er vaak ook (mannelijke) leken aanwezig in het klooster als werklieden, de aankoop in grote hoeveelheden wijst toch ook op een gebruik door de aanwezige religieuzen (Herremans 2013, 159).
193
10.3. Sint-Pietersabdij I (17d) Vindplaats
Sint-Pietersabdij
Locatie
Oostelijke buitentuin Sint-Pietersabdij
Beschrijving onderzoek
In de periode 1972-73 werd er in de oostelijke buitentuin van de SintPietersabdij opgravingen uitgevoerd in opdracht van de Stad Gent. Focus lag op het onderzoek van de middeleeuwse infirmerie. In relatie tot de infirmerie werden er twee stortkokers onderzocht. Die zouden aangelegd zijn begin 17de eeuw. Het vondstensemble werd verzameld bij onderzoek van stortkoker A (Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989, 11–15). De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd (Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989, 42–43). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Storkoker
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Religieus
Datering vondsensemble
17d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 28 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. Andere koppen werden geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand
In cijfers
Aantal
%
Kop
40
17%
Steel
97
83%
Totaal
137
100%
194
Figuur 115 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van Sint-Pietersplein I
195
10.3.1.Typologie en datering Naar typologie herkennen twee grote groepen: pijpen van het dubbelconisch model en pijpen van het trechtervormig model, doorgaans aangeduid als trechterpijpen. Beiden behoren tot de Goudse vormschat. De dubbelconische pijpen (Figuur 115 : 1; 5; 9) in het vondstensemble behoren allemaal tot het zogenaamde late type (+/- 1650-1700). Bij de late modellen is het verschil tussen de maximale breedte van de kop en de diameter van de ketel kleiner. Hierdoor is de knik in de pijpenkop zachter en wordt de ketel ook langgerekter. Resultaat is een elegantere minder gedrongen ketel. De trechtervormige pijp of trechterpijp (Figuur 115 :10;11;12;15;16;20;21;22) evolueerde uit de dubbelconische pijp. Door het verder uitvlakken van de knik kreeg de pijp zijn kenmerkende trechtervorm. De doorbraak van dit type pijp wordt gesitueerd rond 1680. Een aantal van de pijpen in de collectie situeren zich in de evolutie tussen beide pijpmodellen. Bijde dubbelconische pijpen varieert de afmetingen van de pijpenkoppen erg weinig. We kunnen spreken van een doorsnee hoogte van om en bij de 4 cm. De opening van de ketel situeert rond de 1,4 cm. Ter hoogte van de knik meet de ketel steeds 2 cm. Bij de trechtervormige pijpen is er sprake van iets meer variatie in de dimensies. Hoogte van de kop varieert hier tussen 4 en 4,5 cm. Op het breedste punt meet de ketel wel steeds rond de 2 cm waardoor er sprake is van een iets meer gedrongen en een iets slankere vormgeving.
10.3.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 22 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Zes pijpjes dragen geen hielmerk. De andere twaalf koppen waren erg fragmentair bewaard en was er geen hiel meer aanwezig. Voor vier lettermerken is enkel een gebruik in Gouda gekend. Over het merk PCKH is weinig geweten tenzij dat het in Gouda werd gebruik in 1660 door Pieter Cornelisse Corthals (J. Van der Meulen 2003b, 79). Het merk IG werd in de periode 1686-1699 in Gouda gezet door Jan Gerritse Schordijk (J. Van der Meulen 2003b, 72). CD gekroond werd in de periode 1667-1686 gezet in Gouda door Govert Davitsz. Cornelis Dircxse van Wijck neemt het merk daarna over. Het merk IM werd tussen 1680 en 1703 gezet door Jacob Michielse de Wilde (Duco 2003a, 162) De andere lettermerken in de collectie werden ook buiten Gouda gezet. Het merk A gekroond komt in totaal 7 keer voor in de collectie van de Seminariestraat. A gekroond is een veelgebruikt merk. In Gouda is het gebruik pas gekend vanaf 1714 met Arij van der Lee (Duco 2003a, 151). De A lijkt wel al voor 1714 in Gouda en andere plaatsen gebruikt te zijn, maar precieze namen kunnen niet op de pijpenbakkers worden geplakt. Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (H. Van der Meulen 2003). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw een steelmerk ‘Sas van Gent’ en het hielmerk gekroonde A. De A is daar wel iets anders vorm gegeven. Ook tussen het pijpenbakkersafval van de Fraterstraat (tweede helft 17de eeuw) zaten er een aantal misbaksel met het hielmerk A gekroond tussen. EB gekroond werd tussen 1683 en 1720 in Gouda door een niet gekende pijpenbakker. EB gekroond en ongekroond werd ook elders gezet zoals in Breda en Amsterdam. De historiek van het merk blijft wat enigmatisch. Tot 1665 zou in Amsterdam de Engelse pijpenmaker Edward Bird het merk hebben gezet. Nadien zou zijn zoon Evert het merk hebben overgenomen (Duco 2002). Ook in het pijpenbakkersafval van het Fratersplein (tweede helft 17de eeuw) komen er een aantal pijpen met hielmerk EB gekroond voor. Het merk SS was tussen 1663 en 1670 in gebruik door Cornelis Stevensz. De Jong (Duco 2003b, 167).
196
Het merk IAB komt in Gouda al erg vroeg in gebruik. Rond 1640 is het Jan Ariensz. Bal die het merk zet. Na zijn dood in 1650 gaat zijn vrouw Jacomijntje Claes verder met de productie tot in 1674. Verder in de 17de eeuw wisselt het merk nog een aantal keer van eigenaar met onder andere producties op naam van Wouter Teunisz. (1674-1678) en Jan Ariensz. Block (1678-1693) (Duco 2003a, 171). Een enkel pijpje met dit merk werd ook aangetroffen tussen het productieafval van het Fratersplein uit de tweede helft van de 17de eeuw. Het gebruik van LSP en de ongekroonde M is niet te relateren aan een bepaalde pijpenbakker. CD gekroond werd in de periode 1667-1686 gezet in Gouda door Govert Davitsz. Cornelis Dircxse van Wijck neemt het merk daarna over. Het cijfermerk 93 gekroond kennen we enkel uit Gouda. Tussen 1692 en 1711 wordt het gezet door Dirk Leendertsz. Van den Bos (Duco 2003b) Het figurale merk van de slang wordt in Gouda gezet tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw. Eerst door Arij Jansz. Overwesel (1667-1679 ) en daarna tot in 1706 door zijn zoon Jacob Jansz. Overwesel (J. Van der Meulen 2003b, 41). Het merkteken springend hert werd ook in Gouda gebruikt. Tussen 1679 en 1683 heeft Jan Hendrikse het merk in handen. Daarna volgt tot in 1688 Barend Dircksz. Jonkhart. Tussen 1688 en 1730 is het Jan de Vink die het merk mag zetten (Duco 2003b, 130). Een kon moeilijk worden geïdentificeerd en lijkt wat op een stoel (Figuur 115 : 12). Gebruik van een stoel is gekend uit Gouda. Reinier Jeroense Reijnhart gebruikt een stoel als merk tussen 1702 en 1762. Het merk lijk evenwel anders vormgegeven (Duco 2003b, 141). Tabel 20 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Sint-Pietersabdij I
Hielmerk
Aantal
Figuur 115
PCKH
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork) Gouda
1
1
IG
Gouda
1
17
CD Gekroond
Gouda
1
18
1
6
M IM
Gouda
1
24
A gekroond
7
3; 15;16;25
EB gekroond
Gouda, Alphen, Aarlanderveen, Gorinchem, Sas van Gent Gouda, Gent
3
9;22; 19
IAB
Gouda, Gent
1
21
93 gekroond
Gouda
1
22
Slang
Gouda
1
13
Stoel?
1
12
LSP
1
7
Springend hert
1
8
1
14
SS
Gouda
10.3.3.Afwerking en decoratie Op stelen komen verschillende decoratietypes voor. Veelal gaat het om eenvoudige stippelijn patronen aangebracht met het radeermes. Vaak gaan deze radering samen met bandstempelversiering in zigzagmotieven en ogen. Verschillende pijpjes dragen drukstempelversiering. Het gaat steeds om Franse lelies die per twee of per vier in lijn werden aangebracht. Bij een enkel fragment is de pijpensteel een kwartslag getorsd. De torsie werd afgewerkt met het radeermes (stippenlijn).
197
Bij alle pijpjes uit de collectie was de filt gebotterd. Op een pijpje na (versierd met tudorroos op de ketel), hebben alle verzamelde koppen een radering net onder de filt. Veelal een eenvoudige stippenlijn of doorlopen lijntje. Door verblijf in de bodem is het niet altijd even makkelijk om de afwerking van de kop te onderscheiden. Het lijkt er op dat de gemerkte koppen ook allemaal werden geglaasd.
10.3.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten lijkt te variëren. Een deel van het ensemble bestaat uit geglaasde pijpen met hielmerk wat wijst op betere kwaliteit pijpen. Anderzijds omvat het ensemble ook een aantal pijpen zonder hielmerk en zonder oppervlakteafwerking wat dan weer lijkt te wijzen op goedkopere producten die aansluiten bij de kwaliteit van de Goudse groffe pijp. Ook de pijpen met tudorroos worden doorgaans bij de meer eenvoudige producten gerekend. Wel moeten we opmerken dat zelfs bij al deze eenvoudige producten er wel degelijk inspanning werden gedaan voor een degelijk afwerking. Zo zien we dat bij alle pijpen de vormnaad steeds mooi is uitgevlakt. Ook de radering is doorgaans met zorg aangebracht.
10.3.5.Gebruikssporen De pijpenkoppen werden bij de verwerking na het opgraven gewassen. Hierdoor zijn bij vele pijpen de tabaks- en roetresten verdwenen. Niet bij allemaal. Sommige (vooral de volledige koppen) vertonen nog roetresten aan de binnenkant van de ketel. We gaan er vanuit dat alle pijpen zijn gebruikt om te roken
10.3.6.Interpretatie De typo-chronologische coherentie doet een gebruik tijdens een korte periode vermoeden. Ofwel werd het materiaal als een geheel gedumpt in de beerput of wel in stukjes en beetjes tijdens een periode van enkele (tientallen) jaren. Het lijkt er op dat deze periode te situeren is in de laatste decennia van de 17de eeuw. Al het materiaal behoort tot de Goudse vormenschat. Het overgrote merendeel lijkt importwaar te zijn uit Gouda. Een aantal merktekens uit het ensemble vinden we ook terug in het productieafval van de Fraterstraat (A gekroond, EB en IAB). Een lokale herkomst van een deeltje van de pijpen is zeker niet uit te sluiten. De ene pijp is al beter afgewerkt dan de andere . Een aantal koppen zijn gelaasd en gemerkt dat – in geval van Goudse importen – er op wijst dat we te maken hebben met betere kwaliteit. Daartegenover staan dan weer een aantal pijpen die veel minder verzorgd zijn afgewerkt. Ook de pijpjes met Tudorroos zijn eenvoudige producten. Kortom, de pijpen wijzen niet op grote luxe. Op basis van de andere materiële cultuur uit de stortkoker (oa. majolica, porselein en glas à la façon de Venise) kunnen we nochtans spreken van een rijker consumptiepatroon. Opmerkelijk is de aanwezigheid van tenminste zeven pijpjes met hielmerk gekroonde A. Hadden de monniken een vast aanspreekpunt om pijpen te kopen? Of werden er grotere getalen identieke pijpen aangekocht voor de gemeenschap?
198
10.4. Sint-Pietersabdij II (17d) Vindplaats
Sint-Pietersabdij
Locatie
Oostelijke buitentuin Sint-Pietersabdij
Beschrijving onderzoek
In de periode 1972-73 werd er in de oostelijke buitentuin van de SintPietersabdij opgravingen uitgevoerd in opdracht van de Stad Gent. Focus lag op het onderzoek van de middeleeuwse infirmerie. In relatie tot de infirmerie werden er twee stortkokers onderzocht. Die zouden aangelegd zijn begin 17de eeuw. Het vondstensemble werd verzameld bij onderzoek van stortkoker B (Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989, 11–15). De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd (Laleman, Raveschot, en Van de Walle 1989, 42–43). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Stortkoker
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
religieus
Datering vondsensemble
17d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 13 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. Daarnaast zijn er nog 2 koppen waarvan enkel de hiel overblijft. Drie andere koppen zijn geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand
In cijfers
Aantal
%
Kop
10
28%
Steel
26
72%
Totaal
36
100%
199
10.4.1.Typologie en datering Typologisch is het ensemble erg coherent met enkel pijpen van het trechtervormig model in Goudse stijl. Daarbij lijkt het veelal te gaan om trechterpijpen van het eerdere vroegere type, te dateren voor 1700 of kort daarna. Op vlak van afmetingen zit er weinig variatie. De kop vrijwel bij alle pijpen zo’n 4,5 cm hoog. De ketelopening meet telkens 2 cm. Een pijp is wat forser van formaat. De ketel hier meet 5 cm met een ketelopening van 2 diameter. De ketel is ook conisch tot aan de basis zonder het knikje dat de andere pijpjes in het ensemble kenmerk. Mogelijk gaat dit om een iets jonger type dat in de eerste decennia van de 18de eeuw in omloop was. Deze pijp heeft ook een spoor in plaats van een hiel. Er zit een volledige pijp in de collectie die meet in totaal 34 cm. We hebben te maken met een ondermaatse pijp.
Figuur 116 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van Sint-Pietersplein II
10.4.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er acht ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Twee van de twee pijpen zonder hielmerk heeft wel een makersmerk op de voorkant van de ketel. Hierbij zit ook het pijpje met spoor. Het merk PL ongekroond werd eind 17de -begin 18de eeuw gebruikt in Gouda. Een onbekende pijpenmaker in Bergen-op-Zoom zou het merk ook hebben gebruikt (van Oostveen 2017). Over het merk PL gekroond is weinig gekend. SH ongekroond werd tussen 1667 en 1685 gezet in Gouda. Daarna lijkt het roulatie te verdwijnen. Gekroond leeft het merk verder. Tussen 1686 en 1712 wordt het gezet door Steven Hendricksz. de Jonge en daarna nog twintig jaar door zijn weduwe (Duco 2003a, 160). A gekroond kent een lange traditie van zetten en nazetten. In Gouda is het gebruik pas gekend vanaf 1714 met Arij van der Lee (Duco 2003a, 151). De A lijkt wel al voor 1714 in Gouda en andere plaatsen 200
gebruikt te zijn, maar precieze namen kunnen niet op de pijpenbakkers worden geplakt. Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (H. Van der Meulen 2003). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt er een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw een steelmerk ‘Sas van Gent’ en een hielmerk gekroonde A (iets anders vorm gegeven). Ook tussen het pijpenbakkersafval van de Fraterstraat (tweede helft 17de eeuw) zaten er een aantal misbaksel met het hielmerk A gekroond tussen. Het gebruik van halve maan (ongekroond) als ketelmerk is niet gekend uit de literatuur. Als hielmerk werd het in Gouda eind 17de en begin 18de eeuw gebruikt door diverse pijpenbakkers: onder andere door Adrianes Jansz. Van der Aerde (1679-1695) en Jan Louwijsz. Graci (1679-1699). Tabel 21 hielmerken die voorkomen in de collectie van Sint-Pietersabdij II
Hielmerk
Aantal
Figuur 116
2
5;6
SH gekroond
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork) Gouda, Alphen, Aarlanderveen, Gorinchem, Sas van Gent, Gent Gorinchem, Leiden, Gouda
3
3;7;8
SH
Gouda
2
4
PL gekroond
Gouda
1
1
Halve maan
Gouda
1
9
A gekroond
10.4.3.Afwerking en decoratie Op stelen komen een aantal verschillende decoratietypes voor. Veelal gaat het om eenvoudige stippelijn patronen aangebracht met het radeermes. Vaak gaan deze radering samen met bandstempelversiering in zigzagmotieven. De steel van het pijpje met spoor is een kwartslag getorst. Bij alle pijpjes uit de collectie was de filt gebotterd. De pijpen zijn stuk voor stuk mooi geglaasd en ook met veel nauwkeurigheid voorzien van een radering net onder de filt. De vormnaden zijn met veel zorg geëffend.
10.4.4.Kwaliteit Op vlak van afwerking is de kwaliteit van de pijpen is goed. De pijpen zijn met veel zorg afgewerkt, dat is te zien aan het glazen, botteren en raderen. Ook de vormnaad is steeds erg mooi uitgevlakt. Toch lijkt het er op dat we niet met pijpen te maken hebben die de beste Goudse kwaliteit benaderden. Een aantal pijpen bleven ongemerkt. Ook het spoor in plaats van de hiel wijst op een eerder eenvoudig product. Daarnaast is er ook de lengte van de enige volledige pijp in het ensemble. Die meet 35,8 cm waardoor ze moet gerekend worden bij de ondermaatse pijpen.
10.4.5.Gebruikssporen De pijpenkoppen werden bij de verwerking na het opgraven gewassen. Hierdoor zijn bij vele pijpen de tabaks- en roetresten verdwenen. Niet bij allemaal. Het is nog mogelijk hier en daar roetresten te onderscheiden aan de binnenkant van de ketel. We gaan er vanuit dat alle pijpen zijn gebruikt om te roken
201
10.4.6.Interpretatie De typo-chronologische coherentie doet een gebruik vermoeden tijdens een korte gebruiksperiode. Het lijkt er op dat het vondstensemble rond de eeuwwisseling tot stand kwam. Ofwel werd het materiaal als een geheel gedumpt in de beerput of gaandeweg tijdens het laatste decennium van de 17de eeuw. Op vlak van typo-chronologie is het ensemble erg coherent. Het gaat allemaal om pijpen van het trechtervormige pijpen van het vroege type. Te dateren de laatste twee decennia voor 1700 of kort na de eeuwwisseling. Ofwel werd de pijpen als een geheel weggegooid of wel werden ze gespreid weggegooid tijdens een periode van enkele (tientallen) jaren. Als we kijken naar de kwaliteit van de pijpen zien we dat ook in deze stortkoker niet het absolute topmateriaal aanwezig is. Afwerking is over het algemeen goed, maar bijvoorbeeld de pijpjes met spoor behoren tot het gewone materiaal. Ook hier staat de kwaliteit van de pijpjes een beetje in contrast met de kwaliteit van het glas en aardewerk. Façon de Venise glas, majolica en porselein wijzen toch op een rijker consumptiepatroon. Dit zien we niet helemaal terug in de pijpen. Ook in deze stortkoker zijn er een aantal pijpjes met merkteken A gekroond (ook in andere stortkoker zie § 10.3). We deden al eerder de suggestie dat deze pijpjes misschien in batch werden aangekocht. Het merk A gekroond kennen we ook van de productieafval van het Fratersplein wat kan wijzen op een lokale component in het materiaal.
202
11.
DE ROKENDE GENTENAAR: PIJPEN VAN DE BURGER
203
Figuur 117 overzicht van vindplaatsen: burgerlijke contexten in rood
204
11.1. Dobbelslot I (17b) Vindplaats
Dobbelslot
Locatie
Terrein begrenst door Dobbelslot, de Lange Schipgracht, het Tempelhof en de Sint-Margrietstraat
Beschrijving onderzoek
In 1980 werd er door Heemkundige Kring De Gonde uit Melle een noodopgraving uitgevoerd op de terreinen van het voormalige dobbelslot, de site met walgracht van de Johannieters. Bij het onderzoek tussen en binnen een reeks gesloopte huisjes aan het Dobbelslot werden diverse beerputten. Dit vondstensemble werd verzameld bij onderzoek van de zogenaamde Beerput III (Desmet en Laleman 1980) De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd(Van de Walle 1980). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Vermoedelijke burgerij. Niet nader te bepalen
Datering vondsensemble
17b
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 11 koppen met hiel die compleet of in grote mate zijn bewaard. Daarnaast zijn er nog 2 koppen waarvan enkel de hiel overblijft. Van 5 andere koppen blijven enkel fragmenten de ketelwand over.
In cijfers
Aantal
%
Kop
11
19%
Steel
47
81%
Totaal
58
100%
205
11.1.1.Typologie en datering Naar typologie behoren alle fragmenten in het vondstensemble tot de Goudse vormenschat. Tien pijpen behoren tot het pijpmodel met de dubbelconische kop. Chronologische lijkt de productie ervan zich te situeren in de periode 1630 tot 1650. Zes meer gedrongen kopjes met de knik relatief hoog op de ketel situeren zich in de beginperiode van de standaardisatie van de Goudse pijpmodellen (Figuur 118 : 1; 2; 3; 5). De productie ervan situeert zich eerder in de jaren 1630-40. De hoogte van de van deze pijpjes is altijd zo’n 3.2 cm. Ter hoogte van de knik in de ketel meten ze rond de 2 cm. De ketelopening is 1.8 cm. Bij twee pijpjes zit de knik iets lager op de ketel waardoor een wat langgerekter uiterlijk wordt bekomen. Het lijkt er op dat ook deze pijpjes nog in dezelfde periode zijn te dateren of toch zeker in de eerste helft van de 17de eeuw. De kop is in verhouding nog niet echter hoger zoals bij de langgerekte modellen uit de tweede helft van de 17de eeuw. Twee andere pijpjes hebben een wat zwaardere en grotere kop (Figuur 118 : 4 ; 6). In de literatuur worden deze pijpjes soms aangeduid met dikkop en de productie ervan situeert zich iets later in de 17de eeuw tussen 1640 en 1650. Bij deze pijpjes gaat de kop naar de 4 cm. Ter hoogte van de knik – die ook hier al wat lager op de ketel zit – is de diameter 3-3.2 cm. De ketelopening meet 1.4 cm. Een pijp betreft een zogenaamde Jonaspijp (Figuur 118 : 8). Bij deze pijpjes is de kop uitgewerkt als een gezicht van een man met baard. Het gezicht is gericht aan de roker. De steel is uitgewerkt als een vis die in de steel bijt. Het tafereel vertelt het Bijbelse verhaal van Jonas en de walvis. Typologisch sluit de ketel van het pijpje aan bij de dubbelconische pijpen uit de periode 1630-40. Ook de stilistische kenmerken van het reliëf wijzen op een datering voor de helft van de 17de eeuw. De hoogte de pijpenkop is 2.8 cm. De diameter van de ketelopening is 1.2 cm.
Figuur 118 selectie van het vondstmateriaal van Dobbelslot I (inzoomen mogelijk)
206
11.1.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 8 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble waarvan drie merktekens onleesbaar zijn. De gekroonde ster gaat ook terug tot het derde kwart van de 17de eeuw. Op dat moment wordt dit merkteken in Gouda gezet door Daniel Andresz. (1628-1645) (Duco 2003a, 169). Het merkteken van de vier akers is het gebruik niet echt gekend. Vier verschillende figuurmeren komen voor. Het gebruik van het merk MC gekroond is voor Gouda pas gekend vanaf het derde kwart van de 17de eeuw. Tijdens het derde kwart was het merk wel in gebruik in Leiden en Gorichem, waar rond 1633 ene Marcus Claesz het in handen heeft (H. Van der Meulen en Tupan 1980). SH ongekroond werd tussen 1630 en 1646 gezet in Gouda door Steven Hendriksz (Duco 1982b, 160). TH in monogram zou kunnen verwijzen naar de Engelse pijpenbakker Thomas Harecastelle die zich in Amsterdam vestigde en daar huwde in 1628 (Van de Walle 1980, 31) Tabel 22 hielmerken die voorkomen in de collectie van Dobbelslot I
Merk Ster gekroond
Gekende productieplaatsen binnen dateringsvork Gouda
Vier akers
Aantal
Figuur 118
1
4
1
5
MC Gekroond
Gorinchem, Leiden
1
1
SH
Gouda
1
3
TH (monogram)
Amsterdam
1
6
11.1.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft kunnen we vaststellen dat bij alle verzamelde pijpenkoppen de filt is gebotterd of afgerond. Soms gebeurde dit eerder slordig waardoor het lipje een beetje naar buiten staat. Geen van de koppen is geglaasd. Op één pijpje na hebben alle hebben een radering net onder de filt. Dit gaat telkens om een eenvoudige stippenlijn die vaak erg slordig of maar half werd uitgevoerd. De vormgeving van de Jonaspijp werd hoger al besproken. Naar afwerking valt het op dat die eerder slordig gebeurde. Aan de achterkant van de kop is de vormnaad platgestreken met een kam. Elders aan de pijp werden de kleiresten niet verwijderd. In totaal bevat het vondstmateriaal zes steelfragmenten met versiering. Een fragment is gedecoreerd met een aantal eenvoudige stippenlijn banden aangebracht met het radeermes. Vier fragmenten zijn versierd met de drukstempel. Telkens werden meerdere Franse lelies aangebracht in een weinig geordend patroon. Een pijpje draagt aan buitenkant van de ketel een gekroonde tudorroos of stippenroos in reliëf.
11.1.4.Kwaliteit De kwaliteit van de kleipijpen uit het ensemble is eerder laag. We hebben vast en zeker te maken met pijpen op niveau van de Goudse groffe pijpen. Geen van de pijpen werd geglaasd. Radering en decoratie werden erg slordig gezet net als een groot aantal van de stempels. Ook de Jonaspijp lijkt eerder van de eenvoudige soort gezien de beperkte inspanning die werd geleverd voor het afwerken van de vormnaad.
207
11.1.5.Gebruikssporen De binnenkant van de ketel van de pijpen werd doorgedreven gereinigd na opgraven. Desondanks zitten er bij een aantal fragmenten nog duidelijke roetsporen aan de binnenkant van de ketel. We gaan er van uit dat het ensemble werd gebruikt om te roken.
11.1.6.Interpretatie Typologisch bestaat uit het vondstensemble uit kleipijpen van het zogenaamde dubbelconische model in stijl van Gouda. Globaal genomen kenen de pijpjes uit het ensemble een productieperiode tussen 1630 en 1650. Het is dus best mogelijk dat de pijpjes simultaan werden gebruikt. Het ensemble kan ook het resultaat zijn van een geleidelijke accumulatie van afgedankte en weggegooide materialen gedurende een korte periode. Een accumulatie die we dan kunnen situeren in het tweede kwart van de 17de eeuw. De sociale gebruikscontext is niet met zekerheid te achterhalen. Het opgravingsverslag vertelt weinig tussen de relatie van de beerput en het tempelhof (Desmet en Laleman 1980). De structuren lijken te zijn gesitueerd binnen de grenzen van de site met walgracht. De Johannieters gebruiken hun uitvalsbasis in Gent tot 1637. Daarna wordt het domein vooral verhuurd aan aan privé-personen, veelal advocaten en procureurs in de Raad van Vlaanderen. Gezien de pijpjes net voor 1650 lijken te dateren hebben we mogelijk te maken met rookwaar van één van deze individuen of de mensen die hen omringden. Een andere mogelijkheid is dat we te maken hebben met het afval van een 17de-eeuwse Gentse burger. Gezien de vele muurpartijen die werde aangetroffen ontwikkelde zich op en rond de walgracht vermoedelijk al gauw ook burgerlijke bewoning. Het kwaliteit van de aanwezige pijpjes suggereert een eerder bescheiden consument. Naar Het ensemble is echter te klein om op zoek te gaan naar specifieke consumptiepatronen.
208
11.2. Oudburg (17d-18a) Vindplaats
Oudburg
Locatie
Tuin van Oudburg 21
Beschrijving onderzoek
Op een achterliggend terrein van Oudburg 21 werd een opgraving uitgevoerd door Heemkundige Vereniging De Gonde uit Melle. Hierbij werd een vier meter diepe beerput onderzocht met daarin 17de en 18de-eeuws materiaal. Het vondstensemble werd verzameld bij onderzoek van deze beerput (Desmet en Rommelaere 1988). De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd (Van de Walle 1989) . Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Burgerij
Datering vondsensemble
17d-18a (met enkele oudere exemplaren)
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 21 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. De twee andere koppen zijn geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand.
In cijfers
Aantal
%
Kop
24
28%
Steel
62
72%
Totaal
86
100%
209
Figuur 119 selectie van het vondstmateriaal van de Oudburg (inzoomen mogelijk)
210
11.2.1.Typologie en datering Naar typologie herkennen we een aantal verschillende pijpmodellen allemaal te situeren in de Goudse vormenschat. De chronologische lijkt in grote mate de stratigrafische opbouw van de beerput te volgen. Het oudste pijpje werd aangetroffen in de diepste vullingspakketten. Het gaat om kleijpijp met dubbelconische kop (Figuur 119 : 12). De kop is nog zwaar en gedrongen wat een productie medio 17de eeuw doet vermoeden. Een andere dubbelconische pijp is duidelijk jonger. De ketel is slanker en meer langgerekt wat aansluit bij de laatste fase van productie van dit model pijpen tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw. Het overgrote deel van de kleipijpen hebben een trechtervormige ketel (Figuur 119 : 1-4;6; 8-11). Daarbij gaat het vrijwel allemaal om zogenaamde vroege modellen op de overgang van de dubbelconische kop naar trechtervorm. De ketelopening en de buik zijn ongeveer even wijd waardoor een conisch gevormde trechter ontstaat. Dit model ontwikkelt zich rond 1680 en ging vermoedelijk rond 1700 uit productie in Gouda. Tenslotte zitten er ook een aantal ovaalvormige pijpen in de het ensemble (Figuur 119 : 5 en 7).. Het gaat om vroege voorbeelden van dit model dat tijdens het tweede kwart van de 18de eeuw tot ontwikkeling komt. Een ervan heeft een slanke ketel met nog een lichte knik aan de basis die doet herinneren aan de trechtervormige modellen. Een ander ketel heeft een wat kortere kop en wijdere buik. Van beide pijp loopt de filt nog schuin af zoals bij de trechtervormige modellen. Onder de ovaalvormige pijpen ook twee vrijwel identieke gezichtspijpen. Doorgaans wordt het einde van dit type decoratie geplaatst tijdens het eerste decennium van de 18de eeuw. De morfologie van de ketel is echt wel die van een ovaalvormige pijp wat deze exemplaren dus toch snel twee decennia later situeert.
Figuur 120 wijdere trechtervorm met opschrift SAS VAN GENT
211
Een pijpje heeft een bijzonder vorm. Een pijpje heeft een een erg wijde trechtervorm waardoor de ketel bijna kelkvormig wordt. De hoogte is zo’n 4 cm en de diameter is 2 cm (Figuur 120 en 121) . De productie van de pijpjes van de Oudburg kan dus gedateerd worden in een ruime periode 1630-1725. Mogelijk kunnen we drie consumptiefasen onderscheiden: (i) 17b met als enige getuige een vroege dubbelconische pijp, (ii) 17d-18a met een ruime set aan trechtervormige pijpmodellen en een enkele late dubbelconische pijp en tenslotte 18b met enkele ovaalvormige pijpen en gezichtspijpen. Het materiaal is in vele gevallen te fragmentair om conclusie te formuleren rond de lengte van de pijpjes. Een onvolledige pijp met trechtervormige ketel meet tot aan het breekpunt 26 cm. Op basis van de diameter op het breekpunt lijkt het om een ondermaatse pijp te gaan (de maatpijp was tenminste 55 cm).
11.2.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 17 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Het merkteken Goudsbloem werd tijdens het tweede kwart van de 17de eeuw in Gouda gebruikt door Reijner Jansz. Blom. Hij zette het merk tussen 1645 en 1685 (Duco 2003a, 127). Eind 17de en begin 18de eeuw werd de rijksappel in Gouda gezet door Pieter Janse Gleijne (16861725) (J. Van der Meulen 2003b, 55). Verschillende pijpen dragen het merk A gekroond. Dit werd op vele plaatsen gezet begin 18de eeuw. In Gouda door Arij van der Lee (1714-1728) (Duco 2003b, 151). In Aarlanderveen werd het merk gebruikt door Philippe Hoogenboom tusssen 1740 en 1764 (Van Oostveen en Stam 2011). Later werd het ook in Gorinchem en vermoedelijk tal van andere productiecentra gezet. En ook in het laat 17de-eeuwse pijpenbakkersstort van het Fratersplein zitten een aantal trechtervormige pijpen met hielmerk A gekroond.. Het lettermerk GV werd in het eerste decennium van de 18de eeuw gezet in Gouda door een onbekende pijpenmaker(Duco 2003a, 168). Het kelkvormige pijpje draagt ook A gekroond. Het merk is moeilijk af te lezen (hiel is gebroken), maar de A is iets anders vorm gegeven. Naast een hielmerk draagt de pijp een steelmerk met opschrift ‘SAS V Gent’; een productie in Sas van Gent lijkt voor de hand te liggen.
Figuur 121 steelmerk SAS VAN GENT
Wat de pijpen uit het tweede kwart van de 18de eeuw betreft: het merk Dame Fortuna werd tussen 1726 en 1741 gezet door Arij Fortuijn en tot 1768 door Jannigje Houbraak zijn weduwe
212
(Duco 2003b, 137). Tweede helft 18de eeuw wordt het merk Fortuin ook gezet in onder andere Aarlanderveen, Gorinchem, Zwolle, Groningen en Utrecht (Van Oostveen en Stam 2011). Of dit ook al eerder gebeurde is niet duidelijk. Een moeilijk te definiëren figuratieve stempel werd door een nog onbekende maker gezet in Gouda tussen 1720 en 1725 (Duco 2003a, 151). Het figuurtje heeft weg van een klok onder een kroon. IVS gekroond tenslotte werd in Gouda gezet door Daniel van Schouwen tussen 1726 en 1735. Ook nadien in de jaren 1750 duikt het merk opnieuw op(Duco 2003b, 182). Tabel 23 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Oudburg
Merk
Gekende productieplaatsen binnen dateringsvork
Aantal
Figuur 118
17b Goudsbloem
Gouda
1
12
17d-18a Wereldbol A gekroond A gekroond GV gekroond Onleesbaar
Gouda, Rotterdam Gouda, Aarlanderveen Sas van Gent Gouda Gouda
1 4 1 1 6
9 2
Gouda Gouda Gouda Totaal
1 1 1 17
7 5 3
18b Dame Fortuna Klokvorm? IVS
8
11.2.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft kunnen we vaststellen dat er bij alle pijpekoppen de filt is gebotterd of afgerond. Bij 17 pijpen werd de kop ook geglaasd. Ook de mate van afwerking van de vormnaad varieert. Bij de geglaasde pijpen werden de restjes van de klei zorgvuldig verwijderd en de naad geëffend. Bij de niet geglaasde exemplaren was de vormnaad veelal ruwer. Veelal betreft het dan niet gemerkte exemplaren, behalve de dubbelconische pijp met een wereldbol op de hiel die ook niet werd geglaasd. Op vlak van decoratie hebben de meeste koppen – op twee niet geglaasde en gemerkte exemplaren na - een radering net onder de filt. Daarnaast zijn er drie pijpen met reliëfdecoratie. Bij één niet geglaasd en gemerkt pijpje gaat het om een tudor- of stippenroos aan de basis van de ketel. Meest opvallende decoratie is natuurlijk de gezichtsdecoratie bij twee van de ovale pijpen. Het gaat om een bebaarde man met tulband. Di type pijpen wordt vaak aangeduid als Huzarenkop. Het motief is gestileerd uitgewerkt wat doet deken aan de Jonaskoppen die rond 1700 worden gemaakt in Gouda maar ook in Leiden. Op 38% van de steelpijpen (n = 62) is er sprake van decoratie door middel van bandstempel, drukstempel of radeermes. Slechts een fragment heeft een aantal Franse lelies op lijn ingedrukt in de steel. Het patroon wordt afgeboord door een eenvoudige radering. Bij de fragmenten met bandstempel (n = 22) is er altijd sprake van een zig zag patroon. Bij vijf fragmenten komt dit 213
voor in combinatie met ogen. Twaalf steelfragmenten zijn een kwartslag getorsd. Deze vorm van decoratie lijkt vooral voor te komen in combinatie met de bovenvermelde zigzag radstempel patronen.
11.2.4.Kwaliteit Globaal genomen zijn de aanwezige pijpen van goede kwaliteit. Een groot deel van de kop(70%, n = 24) en steelfragmenten (40%, n = 62) werden geglaasd. Bij de combinatie van zowel een geglaasde kop al een geglaasde steel wordt doorgaans gedacht aan pijpen van de betere kwaliteit. Een aantal vaststellingen doen echter ook minder kwalitatieve producten vermoeden. Vier koppen zijn niet geglaasd. Drie daarvan zijn pijpen met waarvan twee zonder hielmerk. Een derde is voorzien van een spoor met zijmerk. De vroeg 18de-eeuwse pijpen met spoor worden doorgaans beschouwd als eenvoudige producten al draag er een toch striemen van het glazen. Daarnaast zijn er ook drie pijpen met reliëfversiering. De laat 17de-eeuwse pijpjes met Tudorroos worden doorgaans bij de meer goedkope en eenvoudige producten gerekend. Ook de gezichtpijpen hoorden in de 18de eeuw niet meer bij het topsegment van de Goudse pijpenbakker (Duco 1987b, 94–96).
11.2.5.Gebruik Wat gebruikssporen betreft hebben de meeste pijpenkoppen een roetkorst aan de binnenkant van de ketel. Soms is ook de filt en de het bovenste gedeelte van de kop wat doorgebrand. Bij een van de ovale pijpen is er een gaatje in de ketel en het lijkt dat de wand van kop hier werd doorgebrand. De pijpjes zijn gebruikt om te roken.
11.2.6.Interpretatie Vermoedelijk getuigen de pijpen van consumptie in een burgerlijk midden. Het andere vondstmateriaal uit de beerput wijst op een zekere welstand in de late 17de eeuw en vroege 18de eeuw. Onder het aardewerk zaten ondermeer een aantal schotels en zalfpotten in majolica, naast een plooischotel in faience en twee theekopjes in chinees porselein (Desmet en Raveschot 1989). Onder het glas zaten er onder meer enkele mooie voorbeelden van kelkglazen in glas à la façon de Venise (Raveschot 1989). Onder de textiel en het lederen schoeisel zaten ook enkele luxeproducten (Goubitz 1989). De aanwezige pijpjes zijn van degelijke makkelijk maar betreffen zeker geen absolute topproducten. De meeste pijpjes lijken van Hollandse en dan vooral Goudse herkomst. Enkel de aanwezigheid van vijf pijpjes met hielmerk A gekroond doen een regionale en eventueel lokale aankoop vermoeden. Op een van de pijpjes met hielmerk A gekroond wijst een steelmerk op een productie in Sas van Gent. Dit merk werd ook aangetroffen onder het laat 17de-eeuwse productieafval van het Fratersplein weliswaar iets anders vormgegeven.
214
11.3. Schepenhuisstraat (17d-18 a) Vindplaats
Schepenhuisstraat
Locatie
Perceel aan de oostelijke hoek van de Hoogpoort en de Schepenhuisstraat
Beschrijving onderzoek
In 1989 werd op een toenmalig parkeerterrein de resten van een beer- en afvalstructuur aangetroffen. Deze beerput werd in niveaus uitgehaald en gezeefd in functie van natuurwetenschappelijk onderzoek (Brinkhuizen e.a. 2018). De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd (Van de Walle 1990). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Burgerij
Datering vondsensemble
17d-18a (met enkele oudere exemplaren)
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 39 koppen die in grote mate bewaard bleven en konden worden gedetermineerd. Dit betekent dat 35 koppen zijn geteld op basis van beperkte fragmenten van enkel de ketelwand.
In cijfers
Aantal
%
Kop
74
23%
Steel
251
77%
Totaal
325
100%
215
Figuur 122 selectie van het vondstmateriaal van de Schepenhuisstraat (inzoomen mogelijk)
216
Figuur 123 selectie van het vondstmateriaal van de Schepenhuisstraat (inzoomen mogelijk)
11.3.1.Typologie en datering Naar typologie herkennen we een vier verschillende pijpmodellen (dubbelconisch pijpmodel, trechtervormig pijpmodel, ovaal pijpmodel en de kromkop) allemaal te situeren in de Goudse vormenschat. De vroegste pijpen dateren vermoedelijk in de jaren 1630-40. De jongste pijpen na 1730. De chronologie van de aanwezige pijpmodellen kan gekoppeld worden aan de stratigrafische opbouw zoals vastgesteld tijdens het terreinwerk. De jongste pijpen vinden we in de hoogste pakketten van de beerput (10.40-10.20 TAW). Het gaat om een kromkop en een ovale pijp (Figuur 122 : 3). Beide modellen kwamen in Gouda tot ontwikkeling rond 1730 en zouden in productie blijven tot in de 20ste eeuw. De kromkop is 4,3 cm hoog, 2,2 cm breed op het breedste punt van de ketel en 1,8 cm in diameter aan de ketelopening. Het ovaalvormig pijpje was te fragmentair om op te meten. In het volgende pakket met pijpen (10.00-9.50 TAW) zitten enkel trechtervormige pijpen (n = 28) (Figuur 122 : 2-13; Figuur 123: 14-16). Dit model komt rond 1680 tot ontwikkeling wanneer de ketelmond ook het breedste punt van de pijpenkop wordt. Het gaat daarbij vooral om vroege modellen met conische ketel die via een knikje taps toeloopt aan de basis, als latere modellen waar de evolutie richting ovaalvormige pijp al duidelijk wordt. Duco noemt deze pijpen soms ‘weifelend’ ovaalvormig. Het onderliggende pakket (9.60-9.50 TAW) bevat enkel vroege trechtervormige modellen. De diepste pakketten (9.60-9.50 TAW; 9.50-9.40 TAW; 9.40-8.90 TAW) bevatten een aantal dubbelconische pijpen (n = 6) (Figuur 123: 17-19). De pijpenkop is nog niet langgerekt zoals de
217
modellen uit de tweede helft van de 17de eeuw. Een datering lijkt zich in de jaren 1640 mogelijk vroege jaren 1650 te situeren.
11.3.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 29 ketelfragmenten met afleesbaar hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Tabel 24 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Schepenhuisstraat
Merk Kromkop Slang
Gekende productieplaatsen binnen dateringsvork
Aantal
Figuur 122 / Figuur 123
Gouda
1
1
Gouda, Gorinchem, Aarlanderveen, Sas van Gent, Gent Gouda, Breda, Amsterdam, Gent Gouda Gouda, Gent
10
3;9
4 2 1 1 1 1 1
5 8 2 10
2 3
17
1 29
18
Trechtervormig model A gekroond EB gekroond Ik onder ster KCDI Blok gekroond? Ruiter NHB Dubbele strik Dubbelconisch model CD onder ster A gekroond IW
Gouda
Gouda Gouda, Gorinchem, Aarlanderveen, Sas van Gent, Gent Gouda Totaal
16 6
Voor het 18de-eeuws materiaal hebben we maar één enkel hielmerk de slang. Dit merk wordt in Gouda gezet tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw. Eerst door Arij Jansz. Overwesel (16671679 ) en daarna tot in 1706 door zijn zoon Jacob Jansz. Overwesel (Van der Meulen 2003b, 41). EB gekroond werd tussen 1683 en 1720 in Gouda door een niet gekende pijpenbakker. EB gekroond en ongekroond werd ook elders gezet zoals in Breda en Amsterdam. De historiek van het merk blijft wat enigmatisch. Tot 1665 zou in Amsterdam de Engelse pijpenmaker Edward Bird het merk hebben gezet. Nadien zou zijn zoon Evert het merk hebben overgenomen (Duco 2002). Ook in het pijpenbakkersafval van het Fratersplein (tweede helft 17de eeuw) komen er een aantal pijpen met hielmerk EB gekroond voor. In Gouda is het gebruik van A gekroond pas gekend vanaf 1714 met Arij van der Lee (Duco, 2003a: 151). De A lijkt ook voor 1714 in Gouda en andere plaatsen gebruikt te zijn, maar precieze namen kunnen niet op de pijpenbakkers worden geplakt. Ook later in de 18de eeuw werd het merk A elders gebruik met gekende producties uit onder andere Gorinchem en Aarlanderveen (Van der Meulen, 2003a). Uit de Gentse collectie (zie site Oudburg) draagt er een pijpje uit het laatste kwart van de 17de of eerste kwart van de 18de eeuw een steelmerk ‘Sas van Gent’ en een hielmerk gekroonde A. De A is wel iets anders vorm gegeven dan die uit het ensemble. Ook tussen het pijpenbakkersafval van de Fraterstraat (tweede helft 17de eeuw) zaten er een aantal misbaksel met het hielmerk A gekroond. Ik onder ster (vaak ingelijst) werd 218
tussen 1699 en 1723 gebruikt door Jan Koste die zijn initialen gaf aan het merk. Nadien werd het overgenomen door Isaak thijsz. Kapteijn (tot 1737 en Jan Korthals (tot 1749) (Duco 2003b, 161). Het merk KCDI werd in Gouda eerder kort gebruikt in de periode 1693-1965 door pijpenmaker Klaes Cornelis de Jong (Duco 2003a, 186). In het pijpenbakkersafval van het Fratersplein uit het laatste kwart van de 17de eeuw kwam het merk ook voor. De ruiter werd gezet in Gouda op het einde van de 17de eeuw. Zo weten we dat in 1699 een zeker Jan Verbanck gebruik maakte van het figuratieve merk. De dubbele strik is gekend uit Gouda. Vanaf 1704 verschijnt het merk bij Gijsbert Willemsz. De Vinck die het vermoedelijk verhuurt aan Hermanus Bastiaansz Begeer (tot 1721). Nadien krijgt Jan Pietersz. Valkenburg het inhanden tot 1756 (Duco 2003b, 150). Het merk IW verschijnt in Gouda met Joost Witsius (=IW) in 1628. Het gaat over naar zijn weduwe in 1668 en nadien naar de zoon die eveneens Joost heet (1707). Die blijft het merk zetten tot in 1727. (Duco 2003b, 169) Het merk dat werd beschreven als blokvormig gekroond en ook het lettermerk NHB zijn weinig gekend uit de literatuur.
11.3.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft kunnen we vaststellen dat er bij de 43 pijpenkoppen waarvan de rand van de ketel was bewaard, de filt telkens werd gebotterd. Deze hebben allemaal een radering net onder de filt – een volle lijn of stippenlijn – die in veel gevallen slordig en onnauwkeurig werd uitgevoerd. Meer dan de helft van de bewaarde pijpenkoppen vertoont sporen van glazen (n = 40). Daartegenover staat dan dat desondanks de vormnaad vaak ruw bleef. Een andere slordigheid is de stempel die vaak excentrisch en esthetisch weinig verantwoord werd aangebracht. Bijna geen steelfragmenten (n = 6) zijn geglaasd. Daarnaast zijn er 11 pijpen met reliëfdecoratie. Telkens gaat het om een Tudor- of stippenroos aan de basis van de ketel. In twee gevallen gaat het om een gestempelde pijp (IW en één onherkenbaar merk). Zo’n 35 steelfragmenten dragen een decoratie. Meest voorkomend is de versiering met het radeermes. Deze envoudige stippenlijnen komen voor in combinatie met meer complexe decors met de bandstempel (zigzagmotieven, kruisenbanden en ogen) of drukstempels. In het ensemble zijn er negen pijpen met drukstempels op de steel. Telkens gaat het om vier Franse lelies in ruit die werden aangebracht in een groter ruitvormig patroon.
11.3.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpen in het ensemble varieert. Veel koppen zijn geglaasd (54%), maar daar tegenover staat in vele gevallen een slecht aangebrachte radering en stempel. Slechts bij zes van de 251 steelfragmenten werd sporen van glazen vastgesteld. Als we alles op een rijtje zetten zijn er eigenlijk maar twaalf pijpen met hielmerk die zodanig zijn afgewerkt dat ze in de buurt van de fijne kwaliteit uit Gouda komen. Daarnaast zijn er ook nog de 11 pijpen met stippenroos-reliëf die doorgaans ook bij de eenvoudigere producten worden gerekend.
11.3.5.Gebruik Wat gebruikssporen betreft hebben de meeste pijpenkoppen een roetkorst aan de binnenkant van de ketel. Soms is ook de filt en de het bovenste gedeelte van de kop wat doorgebrand. De pijpjes zijn gebruikt om te roken.
219
11.3.6.Interpretatie De hoofdmoot van de pijpen dateert in de laatste decennia van de 17de eeuw en eerste decennia van de 18de eeuw. Typologische zitten we dan in de periode van de trechtervormige pijpen in Goudse stijl. Archiefonderzoek maakt duidelijk dat in de eerste helft van de 18de eeuw het een komen en gaan is op de onderzochte percelen. De panden waartoe de beerput kan behoren worden verhuurd. De beerput kan daarbij behoren tot een pand aan de Schepenhuisstraat of aan de Hoogpoort waar vanouds advocaten, procureurs en jonkers woonden (Lievois 1991). De vulling van de beerput toont alleszins een leven welstand en luxe. Niet de absolute stedelijke upperclass – want de echte culinaire topproducten blijken te ontbreken in de beerputvulling – maar wel zeer gegoede burgers. Dit blijkt uit het eten en de materiële cultuur met onder andere veel Chinees porselein en schelpen uit de Caraïben (Brinkhuizen e.a. 2018). Het pijpensemble wijst alleszins niet op een luxueus rookgedrag. In deze periode betekent dat het roken van de lang gesteelde Gouwenaar in de porceleijne uitvoering. Die vinden we niet terug in het materiaal. Niet alle pijpen zijn geglaasd en veel ogen onverzorgd. Slecht twaalf pijpen zouden we bij de fijne Goudse producten kunnen reken, de middenklasse van de rookwaar.
220
11.4. Bisdomplein (18b) Vindplaats
Bisdomplein
Locatie
Bisdomplein tegen de Reep
Beschrijving onderzoek
In 2005 en 2006 werd een verkennend archeologisch vooronderzoek uitgevoerd naar aanleiding van het heropenen van de Reep of Nederschelde. Het ensemble werd verzameld uit een ophogingspakket ter hoogte van de Wijdenaardbrug (Acke e.a. 2007)
Archeologische context
Afvallaag
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Niet nader te bepalen
Datering vondsensemble
18b
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks vijf koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. Acht andere koppen zijn geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand.
In cijfers
Aantal
%
Kop
12
44%
Steel
15
56%
Totaal
27
100%
221
11.4.1.Typologie en datering Naar typologie behoort de pijpen in het ensemble tot de Goudse vormenschat. Een enkele kop behoort tot een pijp van het trechtervormig model (Figuur 124 : 5). De pijp heeft een lengte van 4.5 cm en een breedte van zo’n 2.5 cm. De ketelopening is 2 cm in diameter. De rand van de ketel is schuin afgesneden. De trechtervormige pijp werd vanaf het laatste decennium van de 17de eeuw het meest dominante pijptype en werd verkocht tot medio 18de eeuw (doorgaans wordt 1740 als terminus genomen). Van de 12 pijpenkoppen behoren er elf tot een ovale pijp. Dit pijptype evolueerde uit de trechtervormige pijp en komt rond 1730 op de markt. Vanaf 1740 zijn de Goudse pijpenmakers verplicht om het wapen van Gouda op de zijkant van de hiel te zetten. Snel wordt dit zijmerk ook geïmiteerd door andere pijpenbakkers die werkten in de stijl van Gouda. Slechts één pijp in het ensemble draagt een wapenschild als bijmerk (Figuur 124 : 3), wat doet vermoeden dat het ensemble rond 1740 moet tot stand zijn gekomen in een periode dat dit gebruik nog niet alomtegenwoordig was. Deze datering wordt bevestigd door de positie van de ketel op de steel: enkel bij het pijp met het Gouds wapenschild (BI05) als bijmerk staat de ketelopening haaks op de as van de steel. Bij de andere pijpen is dit nog niet het geval. De ontwikkeling naar een kop haaks op de steel wordt ook rond 1740 gesitueerd. Daarvoor was de kop eerder liggend.
Figuur 124 selectie van de kleipijpen van vindplaats Bisdomplein (inzoomen mogelijk)
De afmetingen van de pijpenkoppen van de ovaalvormige pijpjes varieert weinig. 9 koppen meten 4.5 cm in hoogte, twee exemplaren 5 cm. De koppen van 4.5 in hoogte variëren in breedte met exemplaren van 2.5 tot 3 cm breed. De hogere pijpjes (5 cm) zijn steeds 2.8 cm breed. De ketelopening van de pijpen is steeds 1.8 cm in doorsnede, behalve bij de hogere pijpjes waar de opening 2 cm in diameter is. Bij de ovale pijpen is de hiel fors met een lengte van zo’n 0.7 cm.
11.4.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er vijf ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. De andere zeven koppen waren erg fragmentair bewaard en was er geen hiel meer aanwezig. Het gebruik van merk AIO is gekend uit Gouda. In de periode 1710-1725 werd het merk gebruikt door Joghum Ariensz. Oosterhout. Voor het tweede kwart van de 18de eeuw is het gebruik niet gekend.
222
In totaal vijf pijpen zijn gemerkt met WS gekroond. Tweede kwart 18de eeuw had in Gouda weduwe van Pijpenbakker Arent Willemsz Brammert de rechten op het merk(Duco 2003b, 167). Dit merk werd in de 18de eeuw erg populair en in de 19de eeuw werd het gezet door diverse pijpenbakkers in de Nederlanden (oa. ’s Hertgogenbosch en Venlo), ook in het latere België en in Gent (Van Oostveen en Stam 2011). Mogelijk werd dit merk ook al in de 18de eeuw geïmiteerd, maar hierover ontbreken concrete gegevens. Een enkele pijp draagt als merk een klimmend leeuwtje onder kroon. Klimmende of staande leeuw werd in de periode 1728-1771 in Gouda gezet door Pieter van Reede (J. Van der Meulen 2003b, 54). Als hielmerk is de klimmende leeuw ook gekend uit Enkhuizen en Hoorn (Van Oostveen en Stam 2011). Voor de 19de eeuw kennen we ook een gebruik in Gent. De leeuw prijkt immers op het Gentse stadswapen. In de mate dat dit merk ook al eerder in Gent werd gezet is niet geweten. Tabel 25 hiel- en bijmerken die voorkomen in de collectie van het Bisdomplein
Hielmerk
Bijmerk
AIO
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork)
Aantal
Figuur 124
Gouda
1
5
WS Gekroond
Drie stippen boven elkaar (L&R)
Gouda
1
1
WS Gekroond
Wapenschild Gouda (L); één stip (R)
Gouda
1
2
WS Gekroond
Drie stippen in driehoek (L); één stip (R)
Gouda
1
3
Staande leeuw Gekroond
Eén stip (L); drie stippen in driehoek (R)
Gouda
1
4
Vier van de vijf ketelfragmenten met hiel dragen een bijmerk. Bij drie van de pijpjes gaat het om een eenvoudig merk met stippen. Een enkele pijp –met een hielmerk WS gekroond – draagt het wapenschild van Gouda als bijmerk.
11.4.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft valt te vermelden dat bij de 11 bewaarde ketelfragmenten de filt steeds is gebotterd. Behalve bij het trechtervormig exemplaar (BI 01) zijn alle koppen egaal geglaasd. De vormnaad van de kop is steeds glad afgewerkt. Het merendeel van de steelfragmenten (80%) werden niet verder afgewerkt. De overige werden opgewreven of slordig geglaasd. Op vlak van decoratie hebben alle verzamelde koppen een radering net onder de filt. Veelal een eenvoudige stippenlijn gevormd door punten (n=3) of liggende streepjes (n=8). Vaak gaat het om mooi zorgvuldig uitgevoerde stempels rondom rond de ketelrand. Bij een vijftal exemplaren
223
is de radering minder zorgvuldig (n=4). Onder de steelfragmenten zit maar één stuk met een decoratie. Het betreft een decoratie met drukstempel bestaande uit een aantal ruiten met daarin een franse lelie.
11.4.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten is globaal genomen goed. De koppen ogen verzorgd met gegladde vormnaad en egale glazing. De minder afgewerkte radering op sommige exemplaren en ook de dominantie van niet geglaasde steelfragmenten doen besluiten dat we te maken hebben met pijpjes die het ‘fijne’ kwaliteitsniveau van de Goudse producten benaderden.
11.4.5.Gebruikssporen De gebruikssporen tonen aan dat pijpjes van het Bisdomplein allemaal gebruikt werden om te roken. Dit kunnen we afleiden uit de roet aan de binnenkant van de ketel maar ook door de bruine verkleuring aan de buitenzijde van de kop en aan de aanzet van de steel. Dit wijst op gedeeltelijk verbranding of doorbranden van de ketelwand.
11.4.6.Interpretatie Op vlak van typologie zien we vooral de aanwezigheid van pijpen van het ovale model en het trechtervormig model. Tijdens het tweede kwart van de 18de eeuw waren beide types samen in omloop op de markt. Vermoedelijk kwam het ensemble in deze periode tot stand.
Figuur 125 vermoedelijk 18de eeuws tafereel met roken de mensen in de Gentse straten. Uit het archief van de Gentse kuipers (Stadsarchief Gent)
224
Het vondstmateriaal van het Bisdomplein werd verzameld langsheen de restanten van de SintJansbrug, een voorganger van de huidige brug over de Reep. In de periode dat het ensemble wordt gedumpt wordt er een aantal keer aan de brug gewerkt (oa. In 1734 en de periode 17531754). Mogelijk hebben we te maken met afval van werklieden. Bij de werken in de periode 1753-1754 verdween in de zone van de vindplaats ook een brandwachtershuisje. Het is mogelijk dat het ensemble in verband moet gebracht worden met de laatste gebruiksfase van dit gebouw. De pijpen in het ensemble zijn alleszins van de eenvoudige soort. Een andere optie is dat dit gewoon om geaccumuleerd stedelijk afval gaat. In de periode werd ook al gerookt op straat. En een pijpjes is snel weggegooid.
225
11.5. Dobbelslot II (18c) Vindplaats
Dobbelslot II
Locatie
Terrein begrenst door Dobbelslot, de Lange Schipgracht, het Tempelhof en de Sint-Margrietstraat
Beschrijving onderzoek
In 1980 werd er door Heemkundige Kring De Gonde uit Melle een noodopgraving uitgevoerd op de terreinen van het voormalige dobbelslot, de site met walgracht van de Johannieters. Bij het onderzoek tussen en binnen een reeks gesloopte huisjes aan het Dobbelslot werden diverse beerputten. Dit vondstensemble werd verzameld bij onderzoek van de zogenaamde Beerput VIII (Desmet en Laleman 1980) De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd(Van de Walle 1980). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Vermoedelijke burgerij. Niet nader te bepalen
Datering vondsensemble
18c
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met desondanks 29 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven. Acht andere koppen zijn geteld op basis van fragmenten van enkel de ketelwand.
In cijfers
Aantal
%
Kop
34
29%
Steel
82
31%
Totaal
116
100%
226
11.5.1.Typologie en datering Naar typologie behoort de pijpen in het ensemble tot de Goudse vormenschat. In totaal 29 koppen werden bij het ovale pijpmodel gerekend. Vijf koppen werden gedetermineerd als rondbodem met reliëfversiering in de vorm van knorren. De ovale pijp met hiel kent een introductie rond 1730 net als de rondbodem. Beide modellen leven door tot in de 20ste eeuw. Op zes van de pijpen kon een bijmerk op de hiel worden herkend. Vanaf 1740 komt het gebruik van bijmerken op de hiel in gebruik. Dit gebruik zet aan in Gouda en wordt ook snel elders gevolgd. Naar maatvoering herkennen we bij de ovale pijpen drie formaten. Het kleinste model is met 23 exemplaren het best vertegenwoordigd. Bij de dit model is de ketel 4,5 cm hoog en op het breedste punt 2,2 cm. De ketelopening mee 2 cm. Bij het middelste model (n = 4) is de pijpenkop een klein beetje hoger me zo’n 4,6 tot 4,7 cm. De breedte van de kop en ketelopening blijven gelijk. Bij dit tussenformaat valt het op dat het model nog niet de vol ovale vorm heeft en nog doet herinneren aan de trechtervormige pijp. Een bijkomende argument om de productieperiode van de pijpen in het ensemble te plaatsen in het tweede kwart van de 18de eeuw. In Gouda kende men in deze periode drie formaatcategorieën: de kleinkop, middelkop en grootkop. Vermoedelijk behoorde beide vondstgroepen tot de categorie van de middelkop. Het grootste model (n = 2) in de collectie betreft vermoedelijk zogenaamde grootkoppen. De ketel is al vol ovaal en is met een kop van 5,3 cm hoog opvallend langgerekter. Op het breedste punt meet de ketel 2,5 cm. De rondbodems met reliëfdecoratie hebben allemaal hetzelfde formaat. Met een staande kop van 4 cm hoog en 2 cm breed. Ook de ketelopening meet 2 cm. De versiering bespreken we in §11.5.3 maar de mate van verfijning wijst op een productie kort na 1750 (Duco 1987b, 100).
Figuur 126 voornaamste pijpmodellen en merktekens Dobbelslot II
227
11.5.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 29 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Bij één ervan was het hielmerk onleesbaar. Bij drie ervan was er geen hielmerk aanwezig. Het merk 82 is in Gouda enkel gekend met kroon. Tussen 1734 en 1743 wordt het gezet door Thomas Souffree, nadien door Willem Schippers (tot 1791). Ook bij de Belgische pijpenbakkers is geen ongekroonde 82 als merk gekend. M gekroond werd in Gouda gezet door Gerrit Verzijl tussen 1739-1772 (Duco 2003a, 153). G gekroond werd in Gouda gezet Olivier Aiense Verschoor sinds 1724. In 1759 verhuurt hij het merk door aan Jan Woerlee (Duco 2003b, 152).D gekroond werd in Gouda gezet door Jan van Leeuwen tussen 1745 zn 1771 (Duco 2003b, 151). Tweede helft 18de eeuw had in Gouda weduwe van Pijpenbakker Arent Willemsz Brammert de rechten op het merk(Duco 2003b, 167). Tabel 26 aanwezige hielmerken
Hielmerk
Aantal
82
Gekende productieplaatsen (binnen dateringsvork) Gouda
M gekroond
Gouda
1
G gekroond
4 1
D gekroond
Gouda
17
WS
Gouda
1
WS gekroond
1
11.5.3.Afwerking en decoratie Wat afwerking betreft valt te vermelden dat bij de bewaarde ketelfragmenten de filt steeds is gebotterd. Ook hebben alle pijpen een radering die erg nauwkeurig werd aangebracht. Bij de ovale pijpen me hiel werden alle koppen mooi egaal geglaasd. Vormnaden zijn daarbij altijd mooi geglad. Op vlak van decoratie hebben alle verzamelde koppen een radering net onder de filt. Veelal een eenvoudige stippenlijn gevormd door punten of liggende streepjes. De versiering met het radeermes werd zorgvuldig uitgevoerd. De rondbodems met reliëfdecoratie kenmerken zich door een versiering met zogenaamde knorren. Deze pijpen met knorren versierd worden vaak ook aangeduid als schelppijpen. Deze motieven ontstaan rond 1730 maar de fijnheid van afwerking suggereert een productie na 1750. In die periode wordt de steel wat dunner en wordt de reliëfdecoratie verfijnder en eleganter, alsook de radstempels en radering die het reliëf afboorden (Duco 1987b, 100).
11.5.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten is erg goed. Het gaat één voor één om mooi verzorgd afgewerkte pijpen. De koppen ogen verzorgd met gegladde vormnaad en egale glazing. De radering is erg verzorgd en loopt volledig rondom rond de kop. We kunnen besluiten dat we te maken hebben met pijpjes die het ‘fijne’ kwaliteitsniveau van de Goudse producten benaderden. Tot 1730 werden schelppijpen bij de gemenere Goudse producten gerekend (Duco 1987b, 100). Vanaf 1750 verandert dit wanneer de producten meer verfijnd worden.
228
11.5.5.Gebruikssporen De gebruikssporen tonen aan dat pijpjes van Dobbelslot II allemaal gebruikt werden om te roken. Dit kunnen we afleiden uit de roet aan de binnenkant van de ketel maar ook door de bruine verkleuring aan de buitenzijde van de kop en aan de aanzet van de steel bij sommige exemplaren.
11.5.6.Interpretatie Op vlak van typologie zien we vooral de aanwezigheid van pijpen van het ovale model en de kromkop. Het ovale model verschijnt in 1730 op de markt, de kromkop al wat eerder in 1720. De bijmerken plaatsen de pijpen sowieso al na 1740. De rondbodems met knorren dateren eerder kort na het midden van de 18de eeuw. He gaat om een ensemble van hoge kwaliteitspijpen. De pijpen met knorrenversiering zijn fijn uitgewerkt. De gladde pijpen zijn mooi afgewerkt. Vermoedelijk hebben we hier te maken met een consumptie ensemble van de betere burger. Een burger die rookt in Goudse stijl.
229
11.6. Dobbelslot III (18d-19a) Vindplaats
Dobbelslot III
Locatie
Terrein begrenst door Dobbelslot, de Lange Schipgracht, het Tempelhof en de Sint-Margrietstraat
Beschrijving onderzoek
In 1980 werd er door Heemkundige Kring De Gonde uit Melle een noodopgraving uitgevoerd op de terreinen van het voormalige dobbelslot, de site met walgracht van de Johannieters. Bij sondages langst de Lange Schipgracht werd een beerput onderzocht. De pijpjes werden verzameld bij dit onderzoek; (Desmet en Laleman 1980) De pijpjes werden in het verleden reeds bestudeerd en gepubliceerd(Van de Walle 1980). Het vondstensemble werd in functie van dit syntheseonderzoek herbekeken.
Archeologische context
Beerput
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval. Vermoedelijke burgerij. Niet nader te bepalen
Datering vondsensemble
18d-19a
Fragmentatiegraad
Het materiaal is weinig gefragmenteerd met desondanks 33 koppen met hiel die compleet of in grote mate bewaard bleven.
In cijfers
Aantal
%
Kop
33
46%
Steel
38
54%
Totaal
71
100%
230
Figuur 127 Overzichtsplaat Dobbelslot II
11.6.1.Typologie en datering Naar typologie behoort de pijpen in het ensemble tot de Goudse vormenschat. In totaal 29 koppen werden bij het ovale pijpmodel gerekend. Vier koppen werden gedetermineerd als kromkop . De ovale pijp met hiel kent een introductie rond 1730. De kromkop al iets eerder rond 1720. Beide modellen leven door tot in de 20ste eeuw. Bij 19 pijpen werd een bijmerk op de hiel herkend. Daarbij gaat het telkens om een Gouds wapenschild. Vanaf 1740 komt het gebruik van bijmerken op de hiel in gebruik. Dit gebruik zet aan in Gouda en wordt ook snel elders gevolgd. Het Gouds wapenschild wordt daarbij buiten Gouda gekopieerd door vrijwel iedere pijpenbakker. Naar maatvoering herkennen we bij de ovale pijpen uit de collectie drie grote formaatgroepen. Bij het kleinste model (n = 3) is de ketel 4,5 cm hoog en op het breedste punt 2,2 cm. In Gouda kende men in deze periode drie formaatcategorieën: de kleinkop, middelkop en grootkop. Vermoedelijk hebben we hier te doen met zogenaamde kleinkoppen. Tot de middelkoppen reken we 23 pijpen. De ketelopening meet 1,8 cm. De ketel is 4,4-4,7 cm hoog en op het breedste punt 2,2-2.4 cm. Het grootste model (n = 2) is wel al vol ovaal en is met een kop van 5,1-5,3 cm hoog wat langgerekter. Op het breedste punt meet de ketel 3 cm. Vermoedelijk gaat het om zogenaamde grootkoppen.
231
Ook bij de kromkoppen zien we enige variatie in het model. Bij een pijp staat de kop vrijwel met een hoek van 90° op de kop. Bij de andere drie is de hoek wat groter. Bij deze drie leunt de vorm van de ketel sterk aan bij de ovale pijp. Enkel de achterkant van de kop is wat langer waardoor de kop meer asymmetrisch wordt. Drie pijpjes zijn vrij gelijk wat afmetingen betreft met een hoogte van de kop van zo’n 4,4 cm. Op het breedste punt meet de ketel dan 2 cm. De opening situeert rond de 1,8 cm. Een kop is met 4,6 cm een weinig hoger. Het gaat om een van de pijpen die nauw aansluit bij het ovale pijpmodel. Zekere de grotere formaten neigen naar een overbelaste vormgeving wat ze eind 18de of begin 19de eeuw dateert.
11.6.2.Merktekens en herkomst In totaal zijn er 33 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Bij drie ervan was het hielmerk onleesbaar. Drie cijfermerken werden herkend. Eind 18de eeuw is het merk 46 gekroond in Gouda in handen van Cornelis van Leeuwen (vanaf 1774) en nadien zijn weduwe tot 1821. Nadien neemt de zoon Georges het merk over (Duco 2003a, 192). Ook Belgische pijpenbakkers gebruikten het merk 46 gekroond in het eerste kwart van de 19de eeuw. Zo was het merk in gebruik in Andenne (bij Pierre Orter en gebroeders Fossion). Bij Deffet en Nossent in Luik. Ook in Maaseik werd merk gezet bij Ritzen en Vanijsterdael. Ook bij Morel in Namen werd het merkteken 46 gekroond gezet. Het gebruik van 19 gekroond is enkel uit Gouda gekend. Tussen 1788 en 1820 wordt het merk (afwisselend) gezet door Salomon van der Vin en Hendrik Hunk (Duco 2003a, 189). 96 gekroond wordt van 1770 tot 1838 in Gouda gezet door Pieter Stomman (Duco 2003a, 198). In België wordt in het eerste kwart van de 19de eeuw 96 gezet door Thijs in Lier. Daarnaast zijn er een aantal lettermerken aanwezig op de pijpen uit het ensemble. Net als 46 gekroond, was D gekroond een merk van de Goudse familie van Leeuwen (zie supra bij 46 gekroond voor chronologie)(Duco 2003a, 151). In België werd het merk begin 19de eeuw gezet door een zeker Jean Van Meckeren die actief was in Geeraardsbergen. Eind 18de eeuw is het merkteken WS gekroond in Gouda in handen van Willem Willemsz. Brammert. Vanaf 1801 komt het bij Pieter van der Want Gzn terecht(Duco 2003a, 167). In België zetten in het eerste kwart van de 19de eeuw 22 pijpenmakers dit merk: oa. Heurter, Winand en Marchand uit Andenne, Petit uit Bergen, Werle en Morelle uit Namen, De Bruijcker uit Antwerpen, Basieux uit Doornik, Van Meckeren uit Geraardsbergen, De Bevere en Malfait uit Kortrijk, Ritzen en Vanijsterdael uit Maaseik, Melaert uit Mechelen, Van Reijn uit Sint-Niklaas en Willemijns uit Tielt. Ook in Gent zetten met Berlo, Cappelier, Colijn, Vanhaeverbeke, Vechters en Verbrugghe een aantal pijpenbakkers in die periode het merk WS. In geval van Colin en Vanhaverbeke met kroon. B gekroond werd begin 19de eeuw gezet door de Belgische pijpenbakkers Georges en Désirés Barth uit Andenne. In Gouda werd dit eind 18de eeuw -begin 19de eeuw gebruikt door Gerrit Houbraak. Een onduidelijk merk zou kunnen worden geïnterpreteerd als een gekroonde aker of eikel. Dit merk was tot in 1765 in gebruik door Ignatius van der Spleet in Gouda (Duco 2003a, 128). Uit Maaseik weten we dat ook de ateliers van Ritzen en Vanijsterdael de eikel als zijmerk zetten als verwijzing naar het wapen van Maaseik. Het is niet uitgesloten dat zij dit symbool ook als hielmerk gebruikten. Het gebruik van BVB als merk is enkel gekend uit Gouda. Laatste kwart van de 18 de eeuw is het merk in handen van Elisabath Berkel, weduwe van Maarten Bruijnvis. Daarna neemt zoon Bernardus dit over tot in 1802. Dan komt het in handen van Jacob Meurs ie het tot 1805 verhuurt aan Hendrik van der Brug tot 1837(Duco 2003a, 170). Het monogram AP gekroond is 232
enkel gekend uit Gouda. Hier werd het laatste kwart 18de eeuw gezet door Huijbert Verspuij. Tussen 1807 en 1821 maakte Willem van Ham gebruik van het monogram(Duco 2003a, 163). Bijmerk L
Bijmerk R
Aantal
Figuur 127
46 gekroond
cirkel
Twee cirkels
1
6
D gekroond
Drie stippen
Hielmerk Kromkop
1
WS gekroond
1
MC gekroond
1
9 5
Ovale pijp 19 gekroond
Wapen Gouda
Stip
1
46 gekroond
Wapen Gouda
Twee stippen (lijn)
1
46 gekroond
Wapen Gouda
1
46 gekroond
1
96 gekroond
Wapen Gouda
Wapen Gouda
1
7
96 gekroond
Drie stippen
Wapen Gouda
1
4
Aker?
Wapen Gouda
B gekroond
Wapen Gouda
BWB
Wapen Gouda
1
D gekroond
Drie stippen (lijn)
1
D gekroond
Wapen Gouda
Drie stippen (lijn)
1
D gekroond
Wapen Gouda
Ster
1
D gekroond
Wapen Gouda
Stip
3
D gekroond
Wapen Gouda
Franse lelie
Wapen Gouda
2 Wapen Gouda
1
2 1
1 Wapen Gouda
1
N gekroond
1
BVB
1
AP gekroond
Wapen Gouda
1
WS gekroond
Wapen Gouda
Stip
1
WS gekroond
Wapen Gouda
Wapen Gouda
2
WS gekroond
Wapen Gouda
WS gekroond
Wapen Gouda
WS
Wapen Gouda
1 1 Wapen Gouda
1
3
11.6.3.Afwerking en decoratie Bij alle verzamelde pijpenkoppen is kop geglaasd en de filt gebotterd. Ook hebben alle pijpen een radering. Veelal een eenvoudige stippenlijn gevormd door punten of liggende streepjes. De decoratie is evenwel niet altijd verzorgd uitgevoerd. Slechts bij 10 pijpenkoppen oogt de radering verzorgd en werd ze ook geheel rondom rond de ketel gezet.
11.6.4.Kwaliteit De kwaliteit van de pijpfragmenten is goed. Het is moeilijk ze te plaatsen in de gekende Goudse kwaliteitskaders. De koppen ogen verzorgd met gegladde vormnaad en egale glazing wat op
233
een zeker investering in afwerking duidt. Ook het hielmerk werd doorgaans keurig en mooi centraal geplaatst. Daartegenover staat vaak een minder nauwkeurig aangebrachte radering.
11.6.5.Gebruikssporen De gebruikssporen tonen aan dat pijpjes van Dobbelslot III allemaal gebruikt werden om te roken. Er zit steevast roet aan de binnenkant van de ketel en vaak is e ook een bruine verkleuring aan de buitenzijde van de kop.
11.6.6.Interpretatie Op vlak van typologie zien we vooral de aanwezigheid van pijpen van het ovale model en de kromkop. Het ovale model verschijnt in 1730 op de markt, de kromkop al wat eerder in 1720. De overbelaste vorm van een groot deel van de pijpen situeert het ensemble eind 18de of begin 19de eeuw. De kwaliteit van de pijpen lijkt algemeen genomen goed. Mogelijk hebben we hier te maken met een ensemble te relateren aan de betere burgerij. Een deel van de pijpjes lijkt van de Belgisch markt te komen. Verschillende merktekens werden ook door Belgische pijpenbakkers gezet.
234
12. PIJPEN UIT DE HANDELSBEURS. ROKEN TIJDENS HET VERENIGINGSLEVEN? (19d)
235
Figuur 128 Locatie vindplaats Handelsbeurs
236
Vindplaats
Handelsbeurs
Locatie
In de Handelsbeurs ter hoogte van de Kouter 29
Beschrijving onderzoek
In 1999 werd er een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de Handelsbeurs aan de Kouter. Het vondstensemble werd verzameld bij het opgraven van een kelder die in de 19de eeuw dienst deed als beerput. De beerputvulling bestond uit twee pakketten: een beerlaag van 1,5 m onder een puinpakket die te maken heeft met het doorbreken van de kelder. De pijpen werden aangetroffen in de beerlaag (Decuninck e.a. 2007).
Archeologische context
Afvallaag
Aard vondstensemble
Consumptieafval
Sociale context
Stedelijk afval gerelateerd aan verhuur Hoofdwacht
Datering vondsensemble
19d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is weinig gefragmenteerd. Van de 58 koppen bleven er 40 compleet of in grote mate bewaard. Het verblijf in de bodem heeft wel voor de nodige verwering gezorgd waardoor er ook een zestal van de aanwezige hielmerken niet meer afgelezen kon worden.
In cijfers
Aantal
%
Kop
58
30%
Steel
138
70%
Totaal
196
100%
237
Figuur 129 Overzichtsplaat vondstensemble Handelsbeurs
238
12.1. Typologie en datering In het ensemble zijn er zowel pijpen aanwezig die verwijzen naar de Goudse vormenschat als naar de Franse traditie van néogènes met reliëfdecoraties. Tabel 27 samenstelling van de vondstcollectie Handelsbeurs volgens pijpmodel
Pijpmodel
Aantal
%
Ovale pijp
32
55%
Kromkop
7
12%
Rondbodem
6
10%
Néogènes
13
23%
In totaal 32 van de aanwezige koppen konden worden gedetermineerd als ovale pijp met hiel naar Gouds model (Figuur 131: 1;3;7;20). Dit pijpmodel kwam rond 1730 tot ontwikkeling als verdere evolutie van de trechtervormige pijp. Drie grote formaatgroepen tekenen zich af. Bij het kleinste model (n = 2) is de ketel 4,5 cm hoog. Diameter van ketel en ketelopening kon niet meer worden bepaald. In Gouda kende men in deze periode drie formaatcategorieën: de kleinkop, middelkop en grootkop. Vermoedelijk hebben we hier te doen met zogenaamde kleinkoppen. Tot de middelkoppen reken we 17 pijpen. De ketelopening meet 1,8 cm. De ketel is 4,4-4,7 cm hoog en op het breedste punt 2,2-2,5 cm. Opvallen zijn twee erg grote pijpen. Op het breedste punt meet hun ketel altijd 2,8 cm. De ketelopening 2,8 cm. In hoogte zijn de koppen 5,4 en 5,8 cm. Vermoedelijk werden deze pijpen geproduceerd als zogenaamde grootkoppen. De kromkop doet zijn intrede rond 1720. Net als de ovale pijp en de rondbodem wordt dit type pijp geproduceerd tot diep in de 20ste eeuw. In totaal werden er 7 exemplaren gedetermineerd als kromkop (Figuur 131: 2;8;9). In totaal drie zijn voldoende bewaard om nader te beschrijven. Bij alle drie staat de kop in een hoek van zo’n 135° ten opzichte van de steel. Bij een pijpje meer de kop 4,5 cm in hoogte waarbij hij zo’n 2,5 cm breed is. Dit maakt de kop iets meer gedrongen dan bij de andere voorbeelden uit de collectie die iets langgerekte van vormgeving zijn. Zij meten 5,4 en 5,6 cm in hoogte terwijl de ketel maar 2,4 cm breed is. In totaal vijf exemplaren werden als rondbodem gezien (Figuur 131 :4-6). Twee ervan vallen een beetje buiten het verhaal van de kleipijpen want ze werden gemaakt uit meerschuim of sepioliet, een natuurlijk mineraal. Het gaat om losse koppen waar een metalen bus werd overgeschoven om een steel van een ander materiaal op te bevestigen. Vier rondbodems werden gemaakt uit pijpaarde. Drie ervan waren voldoende bewaard om te beschrijven. Bij twee ervan staat de bolle ketel haaks op de steel. Bij de derde pijp staat de ketel onder een hoek van +/- 110°. Deze pijp heeft ook de kleinste kop met een Figuur 130 Rondbodems in meerschuim
hoogte van 3,5 cm en een opening van 1,8 cm. Bij de haakse koppen zit een groot en klein formaat: de kleinste is 3,4 cm hoog en meet aan de ketelopening 1,8 cm in diameter. Het grote exemplaar is 4,2 cm hoog en heeft een ketelopening van 2,2 cm.
239
In totaal werden er fragmenten van tenminste 13 exemplaren verzameld die behoren tot zogenaamde néogènes. Tien er van zijn voldoende bewaard om in detail te beschrijven. Nieuwe pijpmodellen – in sommige gevallen met reliëfdecoratie – die in de 19de eeuw hun intrede tot onder impuls van de Fransen pijpnijverheid. Sommige modellen zijn in vormgeving verwant aan de rondbodem (n = 8) en de kromkop (n = 1). Ze onderscheiden zich dan van de Goudse tradities door hun reliëfdecoratie of bijvoorbeeld het toevoegen van een knop in plaats van hiel of spoor. Een aantal modellen zijn in vorm echt wel nieuw, zoals het zogenaamde Dublinmodel (n = 2) met conische en taps aflopende ketel haaks op de steel. Een van de laatste Dublinpijpen met merk ‘Gambier à Paris’ betreft serienummer 1551 of 1551 die rond 1890 in productie werd gebracht. Net zoals de meerschuimpijpjes zit op het eind van de kop een metalen (in dit geval nikkel) bus waarop een steel in caoutchouc werd gemonteerd. Zo’n steeltje zat ook in de collectie. Ook de ander néogènes lijken te wijzen op een ensembledatering in het laatste decennium van de 19de eeuw.
12.2. Merktekens en herkomst In totaal zijn er 18 ketelfragmenten met hielmerk aanwezig in het vondstensemble. Bij zes ervan was het hielmerk onleesbaar. Tabel 28 overzicht van de aanwezige merken
Hielmerk
Vorm- / bijmerk L
Vorm- / bijmerk R
N Wapen Gent
N
Aantal
Figuur 129
Kromkop
JBN N WS gekroond Ovale pijp 46 gekroond 54 gekroond 54 gekroond 54 gekroond 54 gekroond Melkmeisje WS gekroond
1
Twee stippen Wapen Gouda Wapen Gouda (met stip) ster stip Wapen Gouda Wapen Gouda
1
2
1
Wapen Gouda Wapen Gouda Wapen Gouda
2 1 1 2
Wapen Gouda Cirkel
1 2
20
Figuur 131 Overzicht van de hielmerken aanwezig in de collectie
In totaal konden er zes verschillende hielmerken worden onderscheiden. JBN in combinatie met bijmerk N werd gezet door Jean-Baptiste Nihoul tussen 1831-1881. De N als hielmerk werd tijdens het derde kwart van de 19de eeuw gezet door een andere telg van de familie Nihoul. Later in de 19de eeuw
240
(tot en met 1918) wordt het gebruikt door Pierre-Joseph Scouflaire in Nimy. Het gebruik van lettermerk N is in Gouda maar gekend tot eerste kwart 18de eeuw (Duco 2003a, 153). Cijfermerk 46 gekroond en 54 gekroond werden in de laatste decennia van de 19de eeuw ook gezet door Goudse pijpenbakkers, respectievelijk door de firma Jan Prince & Cie en Firma P. van der Want Gzn(Duco 2003a, 193). Ook Belgische pijpenbakkers gebruikten het merk 46 gekroond in de 19 de eeuw. Eerste kwart van de 19de eeuw was het merk in gebruik in Andenne (bij Pierre Orter en gebroeders Fossion). Bij Deffet en Nossent in Luik. Ook in Maaseik werd merk gezet bij Ritzen en Vanijsterdael. Ook bij Morel in Namen werd het merkteken 46 gekroond gezet. Over het gebruik door Belgische pijpenbakkers later in de 19de eeuw is weinig gekend.Het gebruik van de afbeelding van een melkmeisje is vooral gekend vanuit Gouda. Eind 19de eeuw was dit merk ook in handen van de firma Jan Prince & Cie (Duco 2003a, 137)
Figuur 132 Kromkop met hielmerk WS en als bijmerk een klimmend leeuwtje. Mogelijk een Gents product
Het merk WS blijkt een van de meest gebruikte merken tijdens de 19de eeuw te zijn. Dit merk werd in Gouda gezet door de firma P. van der Want, maar ook in andere Noord-Hollandse productiecentra zoals venlo en ’ s Hertogenbosch. In Frankrijk werd het merk onder andere gebruikt in Saint-Omer. Vooral bij de Belgische producenten was het merkteken bijzonder populair. Maar liefst 22 Belgische ateliers zetten in het eerste kwart van de 19de eeuw dit merk. Daaronder namen zoals Heurter, Winand en Marchand uit Andenne, Petit uit Bergen, Werle en Morelle uit Namen, De Bruijcker uit Antwerpen, Basieux uit Doornik, Van Meckeren uit Geraardsbergen, De Bevere en Malfait uit Kortrijk, Ritzen en Vanijsterdael uit Maaseik, Melaert uit Mechelen, Van Reijn uit Sint-Niklaas en Willemijns uit Tielt. Ook in Gent zetten met Berlo, Cappelier, Colijn, Vanhaeverbeke, Vechters en Verbrugghe een aantal pijpenbakkers in die periode het merk WS. In geval van Colin en Vanhaverbeke met kroon. Opvallend is 241
het bijmerk van de kromkop met hielmerk WS gekroond. Dit bijmerk toont een klimmend leeuwtje in een schild. Het gaat vermoedelijk om het wapenschild van de Stad Gent. Tabel 29 overzicht van de steelmerken in het ensemble van de Handelsbeurs
Steelmerk Terre Arabic Bricq Ath Breves Gambier à Paris …poort Gent A. Gittee Dampoort Gent Gitte Mont Amand Gittee… Goedewage Gouda Koller à Namur ...à Nimy Brevete …aire Onnaing Scouflaire à Nimy …vete Van Grundenbergh Lebevere Coutrai
Atelier
Productieplaats Aantal Figuurnummer
Bricq
Ath
Gambier
Givet
Giétè
Gent
Giétè
Gent
Giétè
Gent
Giétè
Gent
Goedewaagen
Gouda
Koller
Namen
Scoufflaire
Nimy
Scoufflaire
Onnaing
Scoufflaire
Nimy
Van Grundenbergh
Bergen
De Bevere
Kortrijk
1 3 1 1 1 1 1
6 10 9 11 12
1
2
2
3
1 1 2 1 1
7 5 1 4
Figuur 133 Voornaamste steelmerken uit het vondstensemble van de Handelsbeurs
Naast de hielmerken vertoonden ook een aantal pijpen steelmerken die verwezen naar de productieplaats en het atelier. De steelmerken wijzen op de aanwezigheid van Belgische pijpen uit Ath, Namen, Nimy, Bergen en ook opvallend veel Gentse producten. Daarnaast verwijst er ook een 242
steelmerk naar materiaal uit Onnaing waar de familie Scoufflaire net als in Nimy een pijpenfabriek had. Jammer genoeg werden de merken allemaal aangetroffen op losse stelen die niet in verband konen gebracht worden met een bepaald pijpmodel.
12.3. Afwerking en decoratie 12.3.1.Pijpen in Goudse traditie Vrijwel alle gladde pijpen zijn geglaasd. Bij alle verzamelde pijpenkoppen is de filt gebotterd. Slechts bij 11 van de 32 ovale pijpen was er een radering aanwezig. Die was bovendien vaak erg slecht uitgevoerd en niet geheel rondom de ketel gezet. De decoratie op de stelen lijkt beperkt. Er werd enkel decoratie vastgesteld op losse stelen die niet in verband konden worden gebracht met een bepaald pijpmodel. Meest voorkomend zijn natuurlijk eenvoudige versieringslijnen aangebracht met het radeermes. Daarnaast – en vaak in combinatie met deze raderingen – komen er ook bandstempelmotieven voor veelal zigzagpatronen en ogen. Een aantal stelen (n = 6) hebben een versiering met drukstempel. Telkens gaat het om een rij van vier ruiten met Franse lelie. Een aantal stelen was geruwd met de burijn. Een functionele decoratie die een geschubd effect gaf en voor meer houvast zorgde. Figuur 134 geruwd met de burijn
12.3.2.Néogènes Onder de néogènes zitten er twee pijpen die taps aflopende conische ketel die haaks op de steel staat. Doorgaans worden dit model benoemd als ‘Dublin’-pijp. De ene is onversierd en draagt enkel het steelmerk ‘Gambier à Paris’. De andere pijp heeft een liggend leeuwtje op de steel dat de roker aankijkt. Naar maatvoering van de kop zijn beide pijpen gelijk. De hoogte is 4,5 cm en de ketelopening meet 2 cm. Beide pijpen zijn geglaasd. De pijp van Gambier was bedoelt om te monteren om een caoutchouc steel (zie bv. bedrijfscatalogus Gambier 1894, serienummer 1551 en 1551b). Het exemplaar met leeuwtje was vermoedelijk een steelpijp (Figuur 127 : 19). Twee andere gladde pijpen zijn sterk verwant in morfologie aan de rondbodems. Enige verschil is de toevoeging van een knoop op de hiel (Figuur 127 : 11-12). Beide pijpen zijn terug te vinden in diverse bedrijfscatalogi uit die periode, ondermeer in die van Gambier (1894, serienummer 183 & 881) en die van de Belgische producenten Croquet-Michel uit Maisières (1900, n. 11-13) en Knoedgen uit Bree (1890, serienummer 95) . Er zijn twee formaten: bij de grootste pijp is de kop3,4 cm hoog met een keteldiameter van 2,2 cm. Het kleinste pijpje heeft een hoogte van 3,4 cm en opening van 1,8 cm. Daarnaast zijn er nog zes andere fragmenten met een morfologie verwant aan de rondbodempijp. Ze kenmerken zich door een reliëfdecoratie. Twee van deze pijpen zijn afgewerkt door beschildering met bruine verf (Figuur 127 : 13-14). Een ervan is te fragmentair bewaard om het uitzicht te reconstrueren. Het lijkt er op dat het bovenste deel van de ketel bestond uit een effen band in bruin. Het onderste deel van de ketel was versierd met reliëf maar het precieze uitzicht ervan is niet duidelijk. Een andere pijp is versierd met accenten in hetzelfde bruin. Ook hier zien we een effen band in kleur op het bovenste deel van de ketel. Het onderste deel van de ketel is versierd met florale motieven in reliëf waarvan een aantal accenten werden ingekleurd. De steel is gekromd. De hoogte van de kop is 4,2 cm
243
met een ketelopening van 2 cm. Dit type pijpen kennen we uit de catalogus van Gambier (1894) onder de serienummers 887 en 891. De pijpen worden Marseilleise courbe genoemd. Nog vier andere pijpen tonen een floraal motief. Een ervan is te fragmentair om het uitzicht te reconstrueren. Een ander heeft de vorm van een hazelnoot (Figuur 127 : 15). De blaadjes waar de noot uit groeit zitten rond de basis van de ketel. De pijp heeft een knoop als hiel. De ketel met 3,4 cm in hoogte en heeft een opening van 2,8 cm. Een derde pijp heeft een kop die ingedeeld is in boogvormige velden (Figuur 127 : 16). In die velden kruipen klimplanten omhoog van de basis van de kop naar de filt. De Figuur 135 Kromkop met klauwepoot als hiel hoogte van de ketel is 4 cm. Een vierde pijp heeft een gestileerd bladmotief aan de basis van de ketel. De ketel vormt dan de bloem die uit het blad komt. Onder andere in de catalogus van Gambier uit 1894 staan er een aantal van deze ‘feuille au talon’ motieven. De kop van de pijp is 3,6 cm hoog. Het oppervlak werd geglaasd. Naast de néogènes gebaseerd op het rondbodemmodel, is er ook een exemplaar met veel gelijkenissen met de kromkop. Enig verschil is dat de traditionele hiel is vervangen door een dubbele klauw van een dier (Figuur 127 : 10). De kop meet 5,4 cm in hoogte en heeft een opening van 2 cm. Het oppervlak is geglaasd.
12.3.3.Kwaliteit De kwaliteit van de aanwezige pijpen lijkt te variëren. De pijpen in Goudse traditie zijn zeker niet van hoge kwaliteit. Het oppervlak mag dan wel geglaasd zijn, de slechte uitvoering of ontbreken van radering lijkt te wijzen op producten waar toch wel minder tijd in de afwerking werd gestoken. De néogènes blinken zeker niet uit in verfijndheid van de reliëfs. Het lijken allemaal vrij staandaardproducten. De Marseille-pijp en Dublin-pijp -vermoedelijk allebei van Gambier – lijken de enige echte kwaliteitsproducten in het ensemble.
12.3.4.Gebruikssporen Tal van pijpjes vertoont roet aan de binnenkant van de ketel. Bij een aantal van de ovale pijpen is er ook een bruine tot zwarte verkleuring aan de buitenzijde van de kop. We gaan er van uit dat alle pijpen gebruikt werden om te roken.
12.3.5.Interpretatie De Handelsbeurs kent een lange en complexe bouwgeschiedenis. Sinds het midden van de 16 de eeuw bevond zich op de locatie van het huidige concertgebouw het Sint-Jorishof van de gelijknamige schuttersgilde. In 1703 kwamen de terreinen in handen van de stad en in 1736 werd er een nieuw gildengebouw opgericht. Op het oostelijk deel van het terrein werd in de periode 1738-39 de zogenaamde Hoofdwacht of Corps de Garde opgetrokken voor de Oostenrijkse Keizerlijke Wacht. Het gildenhof werd daarbij ingericht als paardenpost met bijhorend hotel. In 1849 kwamen deze stallingen in handen van maatschappij L’Union die de stallingen verving door een grote zaal met tuin. In 1807
244
komt het gebouw terug in handen van de stad nadat het eerst door de Franse bezetter nationaal goed werd verklaard. Voorwaarde was het gebruik als Corps de Garde, een rol die het gebouw zou blijven spelen tot september 1867. In deze periode worden er ook een aantal aanpassingen aan het gebouw gedaan. Op de eerste verdieping werden toiletten toegevoegd die mogelijk in relatie stonden met de beerkelder op kelderniveau. Van 1867 tot 1885 hield de krijgsraad van Oost-Vlaanderen op de eerste verdieping haar zittingen. Nadien werd de eerste verdieping verhuurd, ondermeer aan de Société de Sauveteurs de Belgique. Rond 1901 werden de Hoofdwacht en L’Union samengevoegd tot de Handelsbeurs (De Vuyst en Everaert 2001; Decuninck e.a. 2007). Het oppergravingsvlak en de beerput staan in directe relatie met de zogenaamde Hoofdwacht. De beerput lijkt in relatie te staan tot het toilettencomplex bij de grote zaal op het gelijkvloers. Onder andere de aanwezigheid van de Dublin-pijp van Gambier situeert de gebruiksperiode van het vondstensemble in het laatste decennium van de 19de eeuw dus net voor de inrichting als handelsbeurs. Mogelijk getuigen de pijpen dus van het Gentse verenigingsleven op de Kouter. Het ensemble vinden we heel wat klassiekere modellen in Goudse stijl. Het aantal néogènes en fantaisies zijn al bij al beperkt. Figurale pijpen pijpen ontbreken volledig. Het ensemble niet echt luxueus en op enkele producten van Gambier na zitten er niet echt hoge kwaliteitswaar tussen. Van de Belgische reddersvereniging weten met zekerheid dat ze in het laatste kwart van de 19de eeuw in de vertrekken van de voormalige Hoofdwacht vergaderden, maar mogelijk waren er ook andere verenigingen actief. In deze periode was de Kouter het hart van het Gentse verenigingsleven (zie ook § 3.3.2). Het groot aantal Belgische pijpen en vooral Gentse pijpen tussen het afval kan misschien wijzen op de aanwezigheid van een meer lokaal verankerde vereniging.
245
13. KAPOTGESCHOTEN OP HET SINT-PIETERSPLEIN. PIJPEN IN HET SCHIETKRAAM (19d)
246
Figuur 136 locatie vindplaats Sint-Pietersplein
247
Vindplaats
Sint-Pietersplein
Locatie
Centraal op het Sint-Pietersplein ten noordwesten van de huidige Sint-Pieterskerk
Beschrijving onderzoek
In 2003 werd er opgegraven op het Gentse Sint-Pietersplein. Het onderzoek richtte zich in de eerste plaats op de verdwenen gebouwen van de Sint-Pietersabdij en omliggende kerkhof. Bij het onderzoek werden tal van kuilen aangetroffen die in verband kunnen gebracht worden met het gebruik van het plein in de 19de en 20ste eeuw. Het vondstensemble werd verzameld bij het onderzoeken van één van die kuilen.
Archeologische context
Vulling kuil
Aard vondstensemble
Afval van schietbarak
Sociale context
Gerelateerd aan een schietkraam op de Halfvastenfoor
Datering vondsensemble
19d
Fragmentatiegraad
Het materiaal is sterk gefragmenteerd met daarbij een groot aandeel erg kleine scherven .
In cijfers
Aantal
%
Kop
316
70%
Steel
137
30%
Totaal
453
100%
248
13.1. Typologie en datering Op vlak van typologie en decoratie stellen we vast dat het ensemble kenmerkend is voor de laatste decennia van de 19de eeuw en zowel pijpmodellen omvat die ter rekenen zijn binnen de Goudse vormentraditie als zogenaamde néogènes en fantaisies in Franse stijl. Tabel 30 Overzicht van de determineerbare pijpenkoppen in het ensemble
Aantal
%
148
47%
Ovale pijp met hiel
108
34%
Rondbodem
40
13%
168
54%
Lobbbenpijp
60
19%
Reliëfpijp
103
33%
Ovale pijp met krul
5
2
316
100,00%
Goudse traditie
Néogènes/fantaisies
Totaal
Wat betreft de Goudse geïnspireerde modellen vinden we in het ensemble 108 koppen van ovale pijpen met hiel en 40 koppen van rondbodems. Beide modellen ontwikkelden zich in de jaren 30 van de 18de eeuw uit de trechtervormige pijp en werd geproduceerd tot diep in de 20ste eeuw in Gouda maar ook elders. Onder de néogènes (168 koppen) zien we vooral types die wat morfologie betreft verwant zijn aan de ovale pijpen en rondbodems. Een groot aandeel van het schervenmateriaal wijst op reliëfdecoratie in de vorm van lobben (60 koppen) of meer complexe decors (103 koppen) (in de contemporaine catalogi worden deze pijpen vaak aangeduid als ‘Fantaisies’).
13.2. Pijpen voor de schietbarak Geen van de pijpjes van het Sint-Pietersplein lijkt te zijn gebruikt als rookwaar. Gebruikssporen ontbreken geheel. Bij geen enkel exemplaar zijn er sporen van roet of tabak terug te vinden in de ketel. Het ensemble werd gedumpt in een kuil die kort nadien terug werd opgevuld. In die kuil vonden de archeologen ook zogenaamde ‘mannekes’ uit het schietkraam wat toelaat de pijpjes te determineren als doelwit van deze kermisattractie op de Gentse Halfvastenfoor eind 19de eeuw. Bevestiging van dit vermoeden is ook de grote fragmentatiegraad die mogelijk te danken is aan de inslag van de kogeltjes. Opvallend is de hoge fragmentatie van de koppen. Het is logisch dat een gebruik als schietdoel meer en kleinere scherven oplevert dan bij een gebruik als rookwaar. Figuur 137 mannekes van het Gentse Sint-Pietersplein
249
‘Mannekes’ zijn pijpaarden figuurtjes die als schietdoel dienden in het schietkraam tijdens de tweede helft van de 19de en 20ste eeuw. Pijpaarde is een fijne ijzerarme en daardoor witbakkende kleisoort die ook gebruikt werd voor de productie van pijpjes en patacons. De ‘Mannekes’ danken de naam aan hun meeste gekende verschijningsvorm: het manneke pis of de pisseur. Het aanbod was echter veel breder met een grote diversiteit aan menselijke afbeeldingen en ook dierenfiguren (Van Herck 2014). Verder waren ook schijfvormige elementen zoals sterren en rozetten erg in trek vermoedelijk omdat ze omwille van hun vorm makkelijker te raken en te breken waren. Onder het materiaal van het Sint-Pietersplein zat er onder andere een hond en vogel in maatpak die vermoedelijk een fluit of ander instrument bespeelt (Figuur 137). Onderaan hebben ze een gaatje waarmee ze over een ijzeren staafje op de schietstand werden geschoven. Naast de ‘mannekes’ werd er ook vaak op pijpjes geschoten. Net als vandaag werden er pijpensteeltjes gebruikt, maar ook volledige pijpen waren populaire schietdoelen. Deze pijpjes werden net als de ‘mannekes’ en de rokerspijpen in de mal gemaakt waardoor ook reliëfdecoratie mogelijk werd. Schietkraamkeramiek was een bijproduct van de pijpenbakker. Schietkraamkeramiek was een gekend bijproduct van de pijpenbakker tijdens de late 19de en 20ste eeuw. Handelscatalogi tonen aan dat producenten zoals Remy (Hilgert, Duitsland)69 (Figuur 138) en Job Clerc (Saint-Quentin-la-Poterie, Frankrijk)70 ‘mannekes’ op de markt brachten. Dichter bij huis waren er De Bevere uit Kortrijk71 en Heurter en Leonard in Andenne. Van de laatste is geweten dat hij zich in de tweede helft zelfs specifiek toelegt op de productie van pijpjes voor het schietkraam en daarbij een eeuwenlange familietraditie van het Figuur 138 schietkraamkeramiek in de handelscatalogus maken van rookwaar aan de kant van Hilgert in Duitsland schuift. Niet enkel pijpjes die doelbewust voor het schietkraam werden gemaakt, kwamen op de kermis terecht. Pijpenbakkers verkochten ook productieafval van rookwaar aan de foorkramers.
Catalogus van firma Hilgert 1900 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 70 Catalogus van firma Job Clerc 1890 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 71 Catalogus van firma De 1920 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 69
250
Niet enkel pijpjes die doelbewust voor het schietkraam werden gemaakt, kwamen op de kermis terecht. Pijpenbakkers verkochten ook productieafval van rookwaar aan de foorkramers. In het vondstmateriaal van het Sint-Pietersplein komen beiden voor: gespecialiseerde schietkraamproducten en productieafval van reguliere rookwaar. De gespecialiseerde producten zijn makkelijk te onderscheiden: doorgaans werd het rookkanaal niet volledig doorgestoken waardoor inhaleren en roken simpelweg niet mogelijk was. De doorboring van de steel is net diep genoeg om ze over het ijzeren staafje op het schietkraam te schuiven. Ook de gebruikte klei is iets groffer en kalkrijker waardoor de pijpjes brozer aanvoelen en ook zijn (dit geeft een betere knal wanneer geraakt door het loodje); Daarnaast zijn ze ruwer afgewerkt met vaak kleiresten ter hoogte van de vormnaad.
Figuur 139 reguliere rookwaar. Van links naar rechts: steelmerk van Nihoul uit Nimy; ovale pijp met slecht doorgestoken rookkanaal; ovale pijp met mooi geglaasde kop; lobbenpijpen met slecht aangebrachte engobe.
De reguliere rookwaar onderscheidt zich door een betere kwaliteit in grondstof en afwerking. Het baksel is doorgaans zuiverder en harder. Vaak heeft de pijpenbakker ook nog de moeite genomen om een stempel of handelsmerk aan te brengen op de hiel, kop of steel van de pijp. Soms zijn de productiefoutjes makkelijk te herkennen en te situeren in het productieproces (Figuur 139). Het gaat dan onder andere over vervorming en kleurverschillen door bakken aan te hoge temperaturen, kleurverschillen door het aanbrengen van een ongelijkmatig glazuurlaag voor het bakken en doorboring van de steel- of ketelwand door het onnauwkeurig doorsteken van het rookkanaal. Verschillende pijpjes werden na het bakken nog verder afgewerkt door ze op te wrijven of te glazen, wat enkel werd gedaan bij rookwaar van hoge kwaliteit. Wat deze pijpjes dan tot tweederangs producten maakten, is niet altijd duidelijk omwille van de hoge fragmentatiegraad van het materiaal. Mogelijk voldeed de uiteindelijke afwerking niet aan de kwaliteitseisen van de rokersmarkt of liepen ze onderweg breuken of kleine beschadigingen op waardoor ze alsnog in het schietkraam terecht kwamen.
13.3. Assortiment van de Gentse foorkramer 13.3.1.Pijpen in Goudse traditie De pijpen in Goudse tradities beperken zich tot twee modellen: de ovale pijp met hiel en de rondbodem. Van de ovale pijpen met hiel werden er 108 exemplaren verzameld. Het materiaal is erg fragmentair en dimensies bepalen is niet altijd eenvoudig. De koppen lijken doorgaans zo’n 4,7 cm hoog. Een pijpje draagt een hielmerk L. Eerste kwart 19de eeuw werd dit merkteken gezet door Werle in Namen. Het merk werd ook gezet door de Firma P. van der Want in deze periode (Duco 2003a, 153). Het kan dus mogelijk om een Belgisch product gaan. Verder lijken hiel- en bijmerken te ontbreken. 251
Ten minste 40 exemplaren werden gedetermineerd als rondbodem. Ook hier is het materiaal erg fragmentair. Het gaat om gedrongen kopjes met een hoogte van 3,5 cm.
13.3.2.Néogènes en fantaisies Onder de néogènes behoren er zo’n 60 koppen tot een zogenaamde lobbenpijpen. De lobbenpijp is vormelijk verwant aan de rondbodem. De pijp heeft een liggende kop en een reliëfdecoratie met lobben op de overgang van steel naar ketel. Dit type verschijnt in de loop van de 19de eeuw in catalogi van diverse Europese fabrikanten (cfr. Oa. de catalogi van van Goedewagen uit Gouda 189172; Gambier uit Givet 189473 en voor een vroege productie ook Fiolet – Saint-Omer 184074 en Gambier 184075).
Figuur 140 Pipe borraine met opschrift : la veritable pipe du mineur belge. Links ketelstempel van Jean-Baptiste Nihoul (JBN) uit Nimy
Binnen de groep van de lobbenpijpen herkennen we nog enige variatie. Best vertegenwoordigd zijn de zogenaamde ‘‘pipes borraines’ of kortweg ‘borraines’. De borraines kenmerkt zich door een aantal – meestal 7 – lobben op de overgang van steel naar kop. De ketel is ovaalvormig. De ‘borraine’ blijft in productie tot diep in de 20ste eeuw ( oa. Crocquet in Maisière 190576; Debevere uit Kortrijk 1935)77. Een enkel exemplaar is uitgevoerd in traditionele witte pijpaarde. Het merendeel van de ‘borraines’ hebben een oranjerood oppervlak en versinterde blauwgrijze kern (n=45). Eigenlijk gaat om pijpen met de hard en textuur van steengoed. De ketel van de pijpjes is telkens zo’n 4.5 cm hoog. De ketelopening heeft daarbij een diameter van zo’n 2.2 cm. Catalogus van firma Goedewaagen 1891 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 73 Catalogus van firma Givet 1894 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 74 Catalogus van firma Fiolet 1840 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 75 Catalogus van firma Gambier 1840 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 76 Catalogus van firma Croquet-Michel 1905 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 77 Catalogus van firma De Bevere 1905 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 72
252
Bij een aantal minder goed afwerkte exemplaren (n = 6)wordt duidelijk dat het oorspronkelijk geel-beige oppervlak werd voorzien van een roodbruine engobe als afwerking. De weinig egaal aangebracht engobe lijkt te wijzen op de aanwezigheid van misbaksel onder de vondsten. Een aantal koppen dragen het makersmerk JBN (Figuur 142) dat verwijst naar Jean-Baptiste Nihoul die de pijpenbakkerij Nihoul in Nimy bestuurde tussen 1831 en 1881 (Caro 2004b, 27). Een aantal steelfragmenten dragen het motto: ‘la veritable pipe (recto), du minier belge (verso)’ (Figuur 142 Deze pijpen behoren tot een reeks van pijpen rond sociale en politieke thema’s uit de fabriek van Nihoul. Sinds het einde van de Frans-Duitse oorlog heerste er sociale onvrede in België in dit leidde in 1886 een volksopstand en nationale staking. De fabriek van Nihoul was gevestigd in Nimy in de Borinage, het hart van de sociale onvrede en epicentrum van de Waalse mijnindustrie. Het ensemble omvat tenminste tien pijpen met drie minder geprononceerde lobben die een vloeiende overgang inzetten van de kop naar de steel. De brede centrale lob eindigt in een krul als een soort van gestileerde hiel (Figuur 143 : 9). De hoogte van de kop is zo’n 4.5 cm. Door de hoge mate van fragmentatie is de diameter van ketel en ketelopening moeilijk te bepalen. Door het concave vorm van de ketel en de daardoor wat uitstaande afgevlakte filt, doet de pijp denken aan de hoornvormige modellen (in frans cornet) uit verschillende eind 19de-en vroeg 20ste-eeuwse catalogi van producenten in Nederland (o.a. Goudewagen uit Gouda 1900 –nr. 15178) en België (oa. Knoedgen uit Bree 1890– nr. 23679), en Engeland (oa. Holland & Sons uit Manchester 1915 – nr 211; Pollock uit Machester 1910 – nr 16980). De pijpen zijn allemaal uitgevoerd in witte pijpaarde. Twee pijpen zijn rood in de kern wat wijst op het gebruik van een eerder ijzerrijk Het gaat om eerder klein pijpjes met een ketel van zo’n 3.5 cm hoog. De opening is 2 cm in diameter terwijl de ketel op zijn breedste punt zo’n 2.5 cm meet. De fantaisies kenmerken zich door een reliëfversiering van de ketel en soms ook steel door het gebruik van een gedecoreerde vormmal. De decoratiepatronen situeren de pijpen in de tweede helft van de 19de eeuw-vroege 20ste eeuw. Onder de motieven vinden we een grote diversiteit. Volgende reliëfversieringen konden worden onderscheiden o
een motief op de pijpenkop dat in de catalogi vaak wordt aangeduid als ‘le tonneau’ verwijzend naar de vlechtwerkstructuur die doet denken aan een houten vat met duigen (oa. gekend van bij Wingender-Knoedgen uit Luik 1850, nr. 31)81 (Figuur 141 : 4)
o
Ribbendecoratie waarbij drie kwart van de pijpenkop (bovenste deel) is bedekt met parallelle ribbels (Figuur 141 : 1)
o
De pijpenkop en steel die zijn bedekt met een ruw vegetaal motief dat in de catalogi vaak wordt aangeduid met ecorce of schors (oa. gekend van bij Gambier uit Givet 1894, nr. 604)82 (Figuur 141 : 7)
Catalogus van Goedewaagen 1900 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 79 Catalogus van firma Knoedgen 1890 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 80 Catalogus van firma Pollock 1910 & 1915 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 81 Catalogus van firma Wingender-Knoedgen 1850 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogifabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 82 Catalogus van firma Gambier 1894 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 78
253
o
De pijpenkop en aanzet van de steel die zijn bedekt met een vegetaal motief met palmtakken (oa. gekend van bij Goedewagen 1912, nr. 373) 83 (Figuur 142)
Figuur 141 overzicht van aanwezige pijpmodellen
Catalogus van firma Goedewaagen 1912 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 83
254
o
De pijpenkop in de vorm van een eikel waarbij de steel een twijg van de eik vormt (oa. gekend van bij Croquet-Michel uit Maisières 190084 , nr. 16; Goedewagen uit Gouda 1891, nr. 450; Goedewagen uit Gouda 1908, nr. 45085; Gambier uit Givet 1894, nr. 1504)86 (Figuur 141 : 2)
o
Een gestileerd motief van bloemen, ranken en guirlandes op de onderste helft van de Figuur 142 reliëfpîjp met palmmotief pijpenkop bovenaan. Het motief wordt scherp afgeboord door een lijn. In sommige catalogi wordt dit type motief aangeduid als la guirlande Française (oa. gekend van bij WingenderKnoedgen uit Luik 1850 30)87 (Figuur 141 : 5)
o
Een minder gestileerde versie van la guirlande Française met een meer waarheidsgetrouwe afbeelding van de bloemen en guirlandes.
o
-een afbeelding van een soldaat centraal op de pijpenkop. De houding van de soldaat verschilt op voor- en achterkant. De zijkanten van de pijpenkop is afgeboord met streepjes (Figuur 141 : 3)
o
De pijpenkop in de vorm van een everzwijn dat met gesperde bek zijn tanden zet in de pijpensteel. Op een van de exemplaren werd het merk AT vastgesteld dat verwijst naar pijpenmaker Jacques-Henri Antoint Trées wiens fabriek in Luik actief bleef tussen 18661930 (Caro 2004b) (Figuur 141 : 10)
o
-zittende man die de pijpenkop vasthoudt. Het gelaat van de man is gericht naar de roker. Soortgelijke (niet dezelfde) pijpen vinden we terug in diverse handelscatalogi uit de 19de eeuw, waaronder die van Goedewagen Figuur 143 fantaisies met gezichtsversiering uit 191288(Figuur 141 : 6)
o
Diverse reliëfpijpen uitgewerkt als een menselijk gelaat (Figuur 143)
84
Catalogus van firma Croquet-Michel 1900 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 85 Catalogus van firma Goedewaagen 1908 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 86 Catalogus van firma Gambier 1894 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 87 Catalogus van firma Wingender-Knoedgen 1850 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogifabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022) 88 Catalogus van firma Goedewaagen 1912 https://www.tabakspijp.nl/archief/archief-catalogi-fabrikanten/ (geraadpleegd op 14/01/2022)
255
13.4. Interpretatie Het ontstaan van het schietkraam zoals wij het vandaag kennen, situeert zich in het derde kwart van de 19de eeuw. Op de kermis werd er natuurlijk al langer geschoten. De middeleeuwse taferelen zijn wel gekend van schutters die met handboog of kruisboog mikken op de staande of liggende wip. Vanaf ca. 1865 verschijnt de luchtbuks of flobert (Van Herck 2014) op de foor en werd het schieten op doel enorm populair. Hoe moeten we deze ontwikkeling nu cultuurhistorisch kaderen?
Figuur 144 Uitsnede uit de Sint-Joriskermis van Pieter Breughel de Jonge (midden 16de eeuw). Centraal mikt een groep kruisboogschutters op de staande wip (KMSKA)
De laat 19de-eeuwse kermis was de spiegel van de maatschappij wordt vaak gezegd. Het waren mooie tijden toen. Na de Frans-Duitse Oorlog genoot Europa van relatieve vrede. Ja, er was tussen 1873 en 1896 de grote depressie met deflatie en de lage groei, dit zorgde uiteindelijk niet voor ernstige economische terugval. Het was een periode van grote culturele bloei met een opkomend (kust)toerisme, wereldtentoonstelling en veel aandacht voor kunst en cultuur. De Belle époque was in aantocht. Het was ook de periode van technologische vooruitgang in nasleep van de opeenvolgende industriële revoluties. Mechanisatie sloop ook het dagelijkse leven binnen met onder ander de verlichting. Uit de industrialisatie volgde ook een sociale omwenteling met een nieuwe industriële bovenklasse maar ook een middenklasse met koopkracht en een arbeidsklasse met vast werkregime. Er werd veel gewerkt maar er kwam ook zoiets als vrije tijd. Massaconsumptie kwam tot ontwikkeling net als de vermaaksindustrie. Welke rol speelde nu de kermis in dit verhaal? Tot medio 19de eeuw werd de foor verguisd door de burgerij. Het werd beschouwd als een gelegenheid voor liederlijkheid en wangedrag onder de de lager klassen. In de loop van de 19de eeuw ontwikkelde de kermis zich als een soort van mini-wereldtentoonstellingen waar men zich kon vermaken en ook bijleren. De burgerij genoot 256
hier zelf van maar zag het ook als een vorm van volksverheffing en een introductie tot de (klein)burgerlijke way of life. Hoe spiegelde de maatschappij dan in de kermis? De kermis werd een etalage van het menselijk kunnen met theaters en spektakels rond techniek en wetenschap, maar ook mechanische molens en bijvoorbeeld ook erg populaire fotografieattracties. Het menselijk lichaam werd gepresenteerd als spektakelstuk met boksers, gewichtheffers en de (in onze ogen compleet foute) tentoonstelling van mensen met lichamelijke afwijkingen of bijzonder uiterlijk. In het licht van een toenemende globalisering, was het ook een plaats om kennis te maken met de wereld. Via tentoonstelling en opvoering werd de bezoeker meegenomen naar verre bestemming. Daarbij werd de wereld gepresenteerd vanuit een koloniaal perspectief dat wij vandaag nog moeilijk kunnen begrijpen.
Figuur 145 rond 1900: Stedelijke schietstand gent (Stadsarchief Gent
Hoe past nu het verhaal van het schietkraam hierin? Zoals reeds aangehaald was het laatste kwart van de 19de eeuw een periode van relatieve vrede in Europa. Relatief omdat na de Frans Duitse oorlog in 1870-71 een nieuw Europa werd uitgetekend met onder andere een sterk Duitsland. Dit zorgde voor nieuwe spanningen en ook in België ‘militaire paraatheid’. Tegelijkertijd zien we in België en gans Europa een vlaag van Nationalisme. Het is de periode dat bijvoorbeeld H. Pirenne aan zijn La Nation Belge (1899) werkt. Onder impuls van Leopold II en Henri Alexis Brialmont wordt België verder versterkt. Dienstplicht was er nog niet in België waardoor sterk werd ingezet op de betrokkenheid van de burger. Overal ontstaan er burgenwachten maar ook schietclubs, (internationale) schietwedstrijden en door de overheid gefinancierde schietstanden (Tir) om burgers klaar te maken voor een eventuele strijd. Mogelijk kunnen we hierdoor een stuk de groeiende populariteit van de schiettent op de kermis verklaren.
257
Figuur 147 geschreven archief van de Halfvastenfoor. Rechts een aanvraag van Henri Toch uit 1907; links de lijst met toegekende standplaatsen voor schiethuizen (1911); centraal plan van het SintFiguur 148 Pietersplein met aanduiding van de verschillende foorkramen (Stadsarchief Gent)
Figuur 146 twee dames aan het geschut in een Tir salon op een Parijse kermis. Foto van de gebroeders Séeberger uit de periode 1905-1910 (Million Auction Catalogue)
258
In de 19de en vroege 20ste eeuw werden schietkramen– net als vandaag - gerund door foorreizigers die het ganse jaar door van kermis naar kermis trokken. Standhouders moesten zich bij het stadsbestuur officieel kandidaat stellen en betaalden een vaste prijs per m² voor een standplaats. Het papieren archief van de Halfvastenfoor (beschikbaar voor de periode 1892-1911) toont aan dat de stad jaarlijks tientallen aanvragen kreeg voor schiethuizen en massakers spelen, waarvan er vaak toch vaak een dertigtal werden gehonoreerd. Uit de aanvragen blijk het voorkomen van verschillende types schietstanden waaronder de Tir bouteilles, Tir tunnels, Tir mécanique, Tir massacre, Tir World fair, Tir flobert en Tir Salon. Voornaamste verschillen tussen al deze schietkramen of Tir’s was het doel waarop geschoten werd. In de Tir bouteilles werd er geschoten op glazen flessen; in de Tir tunnels werd er dan weer door een lange pijp geschoten op een roos; en in de Tir mécanique werd gemikt op bewegende en ronddraaiende doelen uit blik en metaal. De Tir massacre en Tir World fair hebben een naam die tot de verbeelding spreekt maar die het ook moeilijk te achterhalen maakt waarop precies werd gevuurd. In de Tir flobert en de Tir salon werd er gevuurd op pijpjes en ‘mannekes’. De Tir flobert benadert nog het best het schietkraam van vandaag: een open barak met daarin rijen pijpjes en figuurtjes. Vaak ging het om een tent. Toen was het centrale deel van het SintPietersplein nog onverhard en palen voor kermistenten werden eenvoudigweg ingegraven. Het archeologisch onderzoek in de periode 2002-2006 bracht tal van paalgaten aan het licht. De Tir salon was een afgesloten tent of barak die met meubels, kroonluchters en draperieën werd ingericht als een huiskamer of een 19de-eeuws salon. Er werd gevuurd naar een rijk versierde decorwand waarin pijpjes stonden opgesteld.
Figuur 149 overzicht van de standplaatsen op Halfvastenfoor waar in de periode 1892-1911 Tirs flobert en Tirs de salon te vinden waren. Uitsnede met focus op de directe omgeving rond de vindplaats van de pijpjes . Per vijf jaren Stadsarchief Gent)
259
Vaak kwamen standhouders jaar na jaar ook terug in Gent. In de periode 1892-1911 komen onder andere de families Toch, Degryze, Delafortrie, Depretere, Levis, Romey, Schmitt en Catulle met een Tir flobert of een Tir Salon naar de Halfvastenfoor. In de laatste jaren voor de eeuwwisseling hadden zowel weduwe Catulle als weduwe Schmitt een schietbarak in de directe omgeving van de plek waar in 2003 de pijpfragmenten werden aangetroffen. Gooiden één van deze standhouders bij de afbraak van hun tent de pijpjes in een vrijgekomen paalgat? Het is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar het is alleszins verleidelijk één van deze individuen aan te duiden als de schuldige.
260
14.
DE ONZICHTBARE VINGERAFDRUK VAN DE (GENTSE) PIJPENMAKER
Intro Het productieproces van de kleipijp is door divers auteurs in detail beschreven op basis van geschreven bronnen, beeldmateriaal en orale geschiedenis (Duco 1981b; Fraikin 1978; Stam 2019d; Walker 1971). De materiaalsamenstelling wordt zelden betrokken in de discussie. Nochtans kan het baksel een belangrijke bron van informatie bieden rond grondstoffen en technologie, en na interpretatie ook bijdragen tot het oplossen van complexe vraagstukken rond herkomst en kwaliteit. Waarom dan zo weinig aandacht voor de ceramische samenstelling? Dit heeft een reden. Het sterk gestandaardiseerd productieproces en de doorgedreven kleipreparatie maakt dat baksels fijn zijn dat er met het blote oog of de microscoop nauwelijks verschillen zijn vast te stellen. In hoofdstuk 4 benoemde we al het ‘recept’ van de pijpenbakker als nieuw concept om het productieproces van kleipijpen te gaan benaderen. Het ‘recept’ van de pijpenmaker omvat een set van manuele handelingen die nodig zijn om tot de gewenste pijp te komen; tegelijkertijd gaat het om aantal randfactoren zoals een bepaald niveau aan kennis en métier, geschikte grondstoffen en gepaste gereedschappen. Gezien de sterke mate van standaardisatie van de Europese kleipijpproducties, ontstonden er snel basisrecepten om kleipijpen met dezelfde eigenschappen te produceren. Deze basisrecepten waren zeker geen statisch gegeven en evolueerden door de tijd, en werden bovendien niet altijd even strikt gevolgd. Een pijpenbakker kon kiezen of gedwongen worden om zijn recept aan te passen. Mogelijke factoren van invloed zijn: de beschikbaarheid van grondstoffen, toegang tot gereedschap en infrastructuur of technologische innovaties. Ook wettelijke regulering van het productieproces kon een rol spelen, net als de veranderende smaak van de consument. Voor dit project werd er experimenteel onderzoek uitgevoerd aan de hand van geochemische (XRF) en mineralogische analyse (petrografie). Archeometrisch onderzoek maakt mogelijk subtiele verschillen in het basisrecept te gaan onderscheiden en – gekoppeld aan de historische en archeologische bronnenook te gaan verklaren. Op die manier is het mogelijk om de bestaande kennis te toetsen en te verdiepen.
261
14.1. Opzet van het archeometrisch onderzoek De archeometrische studie van de Gentse kleipijpen had als doel om bestaande historische en archeologische veronderstellingen te testen en een beter begrip van deze kleipijpen als materiaalcategorie te krijgen. Initieel was er vooral interesse in de kwaliteit, de kleiherkomst en de precieze productiewijze van de te Gent geproduceerde kleipijpen. In combinatie met de archeologische en historische studie werden er vervolgens een reeks concretere onderzoeksvragen geformuleerd: o
Welke materiële kwaliteit hebben de Gentse kleipijpen van het Fratersplein?
o
Vallen er details te reconstrueren over de Gentse 17de -eeuwse productie op basis van de Fratersplein stalen?
o
Hoe verhouden de 19de -eeuwse Gentse producten zich ten opzichte van die van het Fratersplein?
o
Zijn er overeenkomsten te vinden tussen de Gentse en Goudse kleipijpen?
o
Is het mogelijk om een productieherkomst te koppelen aan de samenstelling van de kleipijp?
o
Is het mogelijk om een kleipijp te dateren op basis van de samenstelling?
o
Welke kleibronnen zijn gebruikt om de Gentse kleipijpen te vervaardigen?
Om deze vragen te onderzoeken zijn de kleipijpen onderworpen aan een geochemische en een mineralogische analyse. Deze technieken worden in aardewerkstudies toegepast om informatie te verkrijgen omtrent de herkomst van de klei en de gebruikte productietechnieken om de klei te bewerken tot het uiteindelijke baksel. De antwoorden op bovenstaande vragen valt terug te vinden in verschillende gedeeltes binnen het archeometrisch rapport. Vertrekkende vanuit methodologische details (zie I-2, I-3 & II-2) en technische resultaten (zie I-4.1 & II-3.1, II-3.2) worden de resultaten per techniek gekaderd in hun archeologische context en vraagstelling (zie I-4.2, I-4.3 & II-3.3, II-4). Aanvullend wordt er ook een eerste interpretatie aangeboden (zie I-5 & II-5). In deze hoofdstukken wordt er vertrokken vanuit de gegenereerde data en resultaten per analytische techniek. In dit gedeelte wensen we de geochemische en mineralogische resultaten samen te voegen om de meest beloftevolle pistes te bespreken die verbonden zijn aan de opzet van het project en de oorspronkelijke vraagstellingen: o
Hoe kan de 17de -eeuwse productie van Gentse kleipijpen van het Fratersplein gekarakteriseerd worden op basis van hun materialiteit?
o
Hoe evolueert de Gentse kleipijpproductie doorheen de tijd?
o
Hoe verhouden de Gentse kleipijpen zich ten opzichte van de Goudse kleipijpen inzake kwaliteit en materialiteit?
o
Kunnen analyses in de toekomst helpen bij de identificatie en datering van kleipijpen zonder stempel of markeringen?
Om de antwoorden op deze vragen beter te kunnen kaderen, vatten we eerst de geochemische en mineralogische analyses en hun voornaamste resultaten kort samen.
262
14.2. Resultaten 14.2.1.Geochemische analyse 14.2.1.1.
Methode en experimenten
De geochemische analyse is uitgevoerd met röntgenfluorescentiespectrometrie (XRF). In totaal zijn er 55 kleipijpen bemonsterd door met een knijptang een stuk van elke pijp af te breken. De resulterende scherven werden opgestuurd naar het slijpplaatlabo en de XRF-analyse is uitgevoerd op de gecreëerde verse breuk. Er is gebruik gemaakt van een Olympus Vanta M serie draagbaar XRF-toestel dat ter beschikking gesteld werd in het Forschungsstelle Keramik Labo aan het Institut für Archäologische Wissenschaften in de Goethe-Universität Frankfurt am Main, onder begeleiding van Dr. Markus Helfert. Voor elke kleipijp zijn er minstens 3 metingen uitgevoerd op verschillende plaatsen op de verse breuk met gebruik van een collimator van 3mm diameter. De metingen werden uitgevoerd met een rodium-bron (Rh) in lucht aan 40keV en 65µA, met gebruik van een Al filter, gedurende 80s RT voor straal 1 (Mg tot Ti), en aan 10keV en 88.43µA, zonder filter, gedurende 40s RT voor straal 2 (vanaf Ti). Uitschieters en metingen met duidelijke aanwezigheid van contaminaties zoals grondresidu werden verwijderd, waarbij er minstens twee geldige metingen per staal beschikbaar bleven. Indien dit niet het geval was, werd het staal opnieuw gemeten. De verdere verwerking is uitgevoerd met de gemiddelde waarde van de verschillende metingen per staal ter homogenisering van de data. In totaal werden er 22 elementen weerhouden voor verdere verwerking: Si, Ti, Al, Fe, Mn, Mg, Ca, K, P, S, V, Cr, Ni, Cu, Zn, As, Rb, Sr, Y, Zr, Nb, Pb. De gemiddelde waarden van de matrix elementen – Si, Ti, Al, Fe, Mn, Mg, Ca, K, P – zijn omgezet naar oxides – SiO2, TiO2, Al2O3, Fe2O3, MnO, MgO, CaO, K2O, P2O5. De waardes van de overige elementen zijn behouden in parts per million (ppm) en worden als spoorelementen beschouwd. Om tot de toegepaste methode te komen zijn er een paar experimenten uitgevoerd. Hierbij is het onderscheid tussen non-destructieve, micro-destructieve en semi-destructieve methodes onderzocht om als alternatieven te kunnen aanbieden voor situaties waarin het niet toegestaan is om een verse breuk te maken, bv. bij museumstukken of unieke exemplaren. Aanvullend is de homogeniteit van de kleipijp geëvalueerd om het minimaal aantal metingen per staal te bepalen. De resultaten van het experiment kunnen kort samengevat worden als volgt: Bij een semi-destructieve analyse wordt er een verse breuk gemaakt door een stuk van de kleipijp af te breken met een knijptang of mechanische handzaag. De breuk dient zo recht en vlak mogelijk te zijn. Het oppervlak van de pijp rondom de verse breuk wordt best grondig gereinigd om eventuele contaminanten te vermijden. Vervolgens moet ook het rookkanaal gereinigd worden om het grondresidu te verwijderen. Het is aangeraden om dit met een houten priem of stok uit te voeren zodat er geen objectvreemde elementen achterblijven die door het XRF toestel gedetecteerd kunnen worden. Bij een micro-destructieve analyse kan de bovenste laag van het oppervlak verwijderd worden door deze met een scalpel weg te krassen. Hierdoor worden de meeste contaminaties verwijderd die aan de buitenkant van de kleipijp aanwezig zijn. De resultaten van het analyseren van een gekrast oppervlak geeft de dichtste benadering van metingen op een verse breuk en kan beschouwd worden als een betrouwbare weerspiegeling van de samenstelling. 263
Deze resultaten zijn echter niet voldoende betrouwbaar om een kwantitatieve benadering te gebruiken wegens het mogelijk opnemen van contaminaties in de microscopische poriën van het baksel. Het is best om in deze omstandigheden een semi-gekwantificeerde methode toe te passen waarbij enkele de intensiteiten van de gedetecteerde elementen vergeleken worden om algemene trends en patronen te observeren. Het is aangeraden om de samenstelling van de scalpel te kennen of te meten zodat eventuele metaalcontaminaties door de preparatie van het gekraste oppervlak getraceerd kunnen worden in de meting, met uitsluiting van bepaalde elementen als gevolg. Bij een non-destructieve analyse is het aangewezen om de meting uit te voeren op een grondig gereinigd oppervlak waarbij patina en reliëf (decoratie, markeringen, etc.) vermeden kunnen worden. De metingen van een niet-gekrast oppervlak blijken wel in een bepaalde mate representatief te zijn voor de algemene samenstelling, hoewel deze ook niet geschikt zijn voor kwantificatie. Daarboven moeten de gedetecteerde elementen zeer kritisch bekeken worden om te oordelen welke elementen zijn en welke kunnen behouden worden voor verdere analyse. Het analyseren van een niet-gekrast oppervlak zal dus resulteren in het verlies van een aantal elementen voor verdere analyse. De resultaten van een geanalyseerde oude breuk zijn niet te vertrouwen door een groot aantal contaminanten van het post-depositioneel proces. Ook na het grondig reinigen is het analyseren van een oude breuk niet aangeraden aangezien dit oppervlak een groter aantal microscopische poriën bevat waardoor er een grotere postdepositionele contaminatie aanwezig is dan op een gereinigd oppervlak. Bij een volledig destructieve analyse wordt een scherf van de kleipijp tot een poeder vermalen. Deze optie is hier niet getest. Overeenkomstig met de initiële verwachtingen is gebleken dat de kleipijpbaksels vrij homogeen zijn, hoewel er zeker sprake is van een relatieve heterogeniteit. Dit betekent dat niet elk baksel even homogeen is en dat bepaalde kleipijpen vrij grote fluctuaties kunnen kennen binnen verschillende metingen op dezelfde verse breuk. Dit is meestal het gevolg van een ongelijke verdeling van inclusies, verschillen in korrelgroottes en restanten van een minder succesvolle kleivermenging tijdens het productieproces. Het is aangeraden om minimaal 3 metingen per staal uit te voeren en het gemiddelde te gebruiken om de relatieve heterogeniteit binnen een baksel te compenseren. Indien er geen verse breuk geanalyseerd kan worden, is het aangeraden om het aantal metingen per staal te verhogen om eventuele outliers buiten beschouwing te kunnen laten.
14.2.1.2.
Resultaten
De staalselectie van 55 kleipijpen is afkomstig van 11 sites uit Gent en beslaat de periode tussen het midden van de 17de eeuw en het einde van de 19de eeuw. De stalen zijn vooral geselecteerd op basis van hun context, datering, vermoedelijke productieherkomst (door stempel of markering), decoratie of stijl. Eén kleipijp uit rood aardewerk is gekozen als bewuste uitzondering. Vier stalen zijn afkomstig uit het productieafval van het site Fratersplein en dienen als referentie voor de kleipijpproductie in Gent tijdens de 17de eeuw. In eerste instantie is er een blinde dataverwerking uitgevoerd om de variabiliteit van het materiaal te onderzoeken zonder vooroordeel ingegeven door archeologische of historische kennis. Hieruit blijkt dat alle kleipijpen vervaardigd zijn uit fijne witbakkende kaolienklei, ook gekend als pipeclay. Dit type klei kenmerkt zich door een hoog gehalte silica (SiO 2) en alumina (Al2O3). Samen vertegenwoordigen deze twee componenten ca. 95% van het baksel van de kleipijpen, waarbij het silica gehalte in onze staalpopulatie varieert tussen 64% en 78%, en alumina tussen 264
17% en 28%. De verhouding tussen silica en alumina vertoont een omgekeerd lineaire correlatie (Figuur 150). De hoge concentraties zijn het gevolg van een hoog gehalte aan het kleimineraal kaolien (Al2Si2O5(OH)4) en kwarts (SiO2). De concentraties van deze twee componenten zijn kenmerkend voor plastische en witbakkende klei (Rice 2015, 58) die als Tertiairy ball clays bestempeld kunnen worden. Vooral het gehalte alumina is een belangrijke factor die als een reflectie van de plasticiteit van de klei gebruikt kan worden.
Figuur 150 Biplot SiO2% vs. Al2O3% als uitdrukking van plasticiteit (alle stalen, n=55)
De overige oxides zijn minder prominent aanwezig in de samenstelling: K 2O, TiO2 en Fe2O3 variëren meestal tussen 1% en 2%, en CaO, P2O5, MgO en MnO bevatten doorgaans waarden kleiner dan 1%. Uit de multivariate statistische analyse werd duidelijk dat vooral de waarden voor TiO2, Fe2O3, K2O en CaO bijdragen aan het verklaren van de geobserveerde variatie in de samenstelling van de stalen, in aanvulling op het silica en alumina gehalte. Dit is een indicatie dat de fluctuaties in deze elementen niet willekeurig zijn, maar samenhangen met andere factoren dan de samenstelling van het baksel zelf. Een diagram op basis van de verhouding tussen ijzer, calcium en kalium (Fe-Ca-K) bleek zeer nuttig om correlaties met archeologische variabelen te detecteren (Figuur 151).
Figuur 151 Diagram van de onderlinge verhouding tussen Fe2O3% – CaO% – K2O% (alle stalen, n=55).
265
De spoorelementen komen in verschillende hoeveelheden in de stalen voor. Zwavel en lood kennen de hoogste concentraties tot ca. 3000 ppm, met uitschieters tot bijna 7000 ppm voor zwavel. Alle andere spoorelementen bevatten meestal minder dan 1000 ppm of zelfs 100 ppm. Uit een gedetailleerde beschouwing van elk element is gebleken dat zwavel (S), lood (Pb) en zink (Zn) in bepaalde stalen het gevolg van contaminatie zijn. Deze elementen zijn vervolgens uitgesloten van verdere analyses met betrekking tot de kleiherkomst. Ook nikkel (Ni), koper (Cu) en arsenicum (As) zijn beschouwd als mogelijke contaminanten.
Figuur 152 Diagram Fe2O3 - CaO - K2O met aanduiding van de twee groepen (centraal) met hun chronologisch onderscheid (links) en aanduidingen van productieateliers (rechts)
In tweede instantie is de relatie tussen de chemische samenstelling en de archeologische informatie bestudeerd met als specifiek doel om te kijken of de geobserveerde veranderingen gekoppeld kunnen worden aan bepaalde sites, contexten, dateringen, decoraties, stempels of markeringen. Het belangrijkste resultaat hieruit is het onderscheid tussen twee groepen kleipijpen vooral op basis van chronologie en in mindere mate op basis van hun vermoedelijke productieherkomst (Figuur 152): Groep 1 bestaat vooral uit kleipijpen uit de 17de en 18de eeuw. Groep 2 bestaat vooral uit kleipijpen uit de late 19de eeuw en enkele uit de tweede helft van de 18de eeuw. Het onderscheid tussen deze twee groepen kan vooral gemaakt worden op basis van de verhouding tussen Fe2O3, CaO en K2O, maar wordt statistisch ondersteund door variaties in SiO2, TiO2, Al2O3, V, Cr, Rb, Sr, Y, Zr en Nb. Deze chronologische verschuiving van de chemische samenstelling vertoont ook enig verband met de vermoedelijke productieherkomst. De ‘vroege’ Groep 1 bevat kleipijpen die afkomstig zijn van het Fratersplein productieafval, vermoedelijke Goudse kleipijpen op basis van stempels, markeringen en stijl, en een kleipijp met een markering die duidt op een productie in Kortrijk [Courtrai]. Deze laatste is echter een chronologische uitzondering uit het laatste kwart van de 19de eeuw. Ook tussen de stalen die aan Gouda toegeschreven worden, zit er één kleipijp die in dezelfde periode gedateerd wordt door de markering [van Goede]. De ‘late’ Groep 2 bevat kleipijpen die hoofdzakelijk door markeringen aan producties toegewezen worden van Gent (Dampoort & St. Amandsberg), Antwerpen, Namen, Nimy en Onnaing. Hieruit kunnen we voornamelijk twee zaken afleiden: enerzijds dat er een grote gelijkenis bestond in de kleiselectie en -verwerking in de 17de en eerste helft van de 18de eeuw, en anderzijds dat er omstreeks het midden van de 18de eeuw een verschuiving optreedt in de herkomst van de kleien en/of de manier waarop deze verwerkt worden. Wanneer de Fe-K-Ca verhouding van de kleipijpen vergeleken wordt met gepubliceerde resultaten van klei uit
266
Andenne (Goemare, Declercq & Quinif 2012) en witbakkend aardewerk en klei uit Keulen (Schneider, Daszkiewicz, en Höpken 2004), kan er besloten worden dat de kleipijpen uit Groep 1 een grotere affiniteit vertonen met het Keulse materiaal en de kleipijpen uit Groep 2 met de Andenne kleien. Een echte significante overeenkomst ontbreekt echter in zowel het Fe-Ca-K diagram als in de multivariate statistiek (Figuur 153). Dit doet vermoeden dat er een andere kleibron overwogen moet worden of dat er sprake is van het vermengen van twee verschillende kleien, zoals aangegeven wordt in de historische bronnen. Als laatste is de oefening ondernomen om de resultaten van de geochemische analyse van de Gentse kleipijpen in een internationaal kader te plaatsen door een vergelijking met geochemische resultaten van kleipijp analyses uit Beieren, Duitsland (Mehler 2009a;2009b 2010) en Engeland (Vince en Peacey 2006; Peacey en Vince 2003). Hieruit blijkt vooral de grote overeenkomst in materiaaleigenschappen voor kleipijpen doorheen Europa, hoofdzakelijk als het resultaat van het selecteren van een specifieke fijne, plastische, witbakkende klei en het nastreven van baksels met dezelfde kwaliteiten (Figuur 154, links). Niettemin zijn kleipijpen met een verschillende productieherkomst toch duidelijk te onderscheiden zijn aan de hand van hun chemische samenstelling (Figuur 154, rechts).
Figuur 153 Hoofdcomponentenanalyse van TiO2, Al2O3, Fe2O3, MnO, CaO, K2O, P2O5, Rb, Sr en Zr, genormaliseerd op SiO2 – PC1 (35.1%) vs. PC3 (18.1%): vergelijking van kleipijpen met klei en aardewerk uit Andenne en Keulen.
14.2.2.Mineralogische analyse 14.2.2.1.
Methode
De mineralogische analyse is uitgevoerd door middel van ceramische petrografie dat gebruik maakt van technieken uit de optische mineralogie door ceramische slijpplaten onder de microscoop te bestuderen. Van elke kleipijp is er een stuk afgebroken om een slijpplaat van te maken. Een slijpplaat is een zeer dunne doorsnede van de kleipijpen (0.03 mm) tussen twee 267
glazen plaatjes. De staalselectie bestond vooral uit fragmenten van pijpenstelen. Door de relatieve kleine diameter van de pijpensteel zijn er per staal 2 tot 6 doorsnedes gemaakt en op dezelfde slijpplaat geplaatst om het aanbod aan mineralogische informatie te maximaliseren.
Figuur 154 Diagram Fe2O3 – CaO – K2O (links) en V – Sr – Zr (rechts) van de gemiddelde waarde per productie of klei (n=31) voor de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses.
Voor de studie van de slijpplaten is er gebruik gemaakt van een desktop Zeiss polariserende microscoop (2.5x, 10x, en 40x vergroting) in combinatie met een digitale microscoop type DinoLite AM4113ZT met ingebouwde polarisator (vergrotingscapaciteit van 20x, 50x en 250x). De digitale microscoop werd bevestigd op een statief en boven een Dino-Lite Back Light Pad BLZW1 met draaibare polarisator geplaatst om te kunnen wisselen tussen plane polarized light (PPL) en crossed polarized light (XP). Er is gebruik gemaakt van de DinoCapture 2.0 imaging software voor een eerste documentatie van de slijpplaten en de kwantitatieve analyses. Gedetailleerde microscoopfoto’s zijn genomen met een Olympus BX41 microscoop aan de UGent vakgroep Archeologie. Voor het beschrijven, groeperen en interpreteren van de slijpplaten is hoofdzakelijk de methodologie van Quin (2013) gevolgd waarbij er een onderscheid gemaakt wordt tussen de matrix, inclusies en poriën van een ceramisch object. Aanvullend is er gebruik gemaakt van kwantitatieve methodologieën voor de textuur- en frequentieanalyses (Middleton, Freestone, Leese 1985; Stoltman 1989).
14.2.2.2.
Resultaten
Slijpplaten worden gekarakteriseerd door een uitvoerige beschrijving van de mineralogie, structuur, textuur en microstructuren op basis van microscopische observaties. (Figuren 153154 & 156-157) bevatten een selectie van microscoopfoto’s ter begeleiding van de samenvattende beschrijving hieronder. Voor een uitgebreide illustratie van elke observatie: zie hoofdstuk II-3 van het archeometrisch rapport. Bij de mineralogie wordt er een onderscheid tussen de eigenschappen van de matrix, inclusies en poriën gemaakt: Algemeen laat de matrix zich kenmerken als een homogene tot matig homogene, nietkalkhoudende matrix (Figuur 155a). Het merendeel van de stalen vertoont enige optische 268
activiteit, maar een aantal stalen hebben een optisch inactieve matrix, wat inhoudt dat deze kleipijpen blootgesteld zijn aan een hogere temperatuur en/of baktijd dan de stalen met een actieve matrix. De inclusies van kleipijpen vertonen meestal een beperkte mineralogische diversiteit. In de totale staalgroep zijn enkel kwarts, muskoviet mica, ijzeroxide en zandsteenfragmenten geobserveerd. Verder kunnen ook de kleibrokken (clay pellets) tot de inclusies gerekend worden. Kwartsmineralen zijn de meest voorkomende mineralogische inclusies in alle slijpplaten (fig. 6b). Kwarts domineert zowel de fijne als ruwe fracties van het baksel met afgeronde tot licht hoekige monokristallijn kwartsen en korrelgroottes variërend tussen zeer fijn silt en medium zand. Een aantal polykristallijne en grotere kwartsen zijn geobserveerd. Ook ijzeroxides zijn in alle stalen in variërende mate en groottes aanwezig. Ze laten zich hoofdzakelijk kenmerken door kleine ronde opake inclusies en occasioneel roestkleurige tot donkere vlekken (Figuur 155b). De korrelgroottes variëren tussen silt en fijn zand. In een klein aantal stalen zijn er zandsteenfragmenten geobserveerd, die zich in de meeste gevallen laten identificeren als kwartsareniet: een zandsteen dat uitsluitend uit kwartsmineralen bestaat (Figuur 155c). In sommige gevallen is er mogelijk een lichte vorm van metamorfisme geobserveerd. De zandsteenfragmenten komen meestal als een enkele inclusie in het staal voor. In één staal is een mogelijk fragment van ijzerhoudende zandsteen of ijzeroer geobserveerd. Muskoviet mica is frequent geobserveerd. De muskoviet mineralen bevinden zich meestal in geringe aantallen in de silt-fractie, verspreid doorheen het hele staal. Uitzonderlijk is de frequentie of korrelgrootte groter. In een groot aantal stalen zijn ook kleibrokken (clay pellets) aangetroffen. Dit zijn plastische of semi-plastische inclusies die gemaakt zijn uit klei en dus ook een interne mineralogische samenstelling hebben (Figuur 155e). In de meeste gevallen vertonen deze kleibrokken dezelfde samenstelling bestaande uit kwarts, muskoviet mica en ijzeroxides zoals hierboven beschreven. De kleibrokken laten zich voornamelijk onderscheiden door inclusierijker of -armer te zijn dan de omringende matrix of door een donkere rand die vermoedelijk bestaat uit een hogere concentratie ijzeroxides in de matrix. Globaal genomen zijn kleipijpbaksels zeer compact met weinig poriën. De aanwezige poriën – wanneer ze niet veroorzaakt zijn door het maken van de slijpplaat - zijn smalle en amorfe langgerekte vormen die in grootte variëren, maar in het algemeen relatief klein blijven. De structuur en textuur van de kleipijpbaksels zijn beoordeeld op basis van hun sortering, spatiëring, frequentie en maximale korrelgrootte: In het algemeen vertonen de meeste stalen een goede tot matige sortering met een open tot dubbele spatiëring, wat betekent dat de meeste inclusies ongeveer dezelfde korrelgrootte hebben, zich gemiddeld op een relatief grote afstand van elkaar situeren in de matrix, en op een relatief regelmatige manier gestructureerd zijn (Figuur 155a). De sortering en spatiëring geven informatie over de staat van de natuurlijke klei en bepaalde behandelingen van de klei in de voorbereidende fases van het productieproces. De gemiddelde inclusiefrequentie ligt relatief laag. De meeste stalen bezitten tussen 5% en 20% inclusies, waardoor de matrixfrequentie voor alle stalen meer dan 70% bedraagt. Eén staal wijkt hiervan af met 43% matrix en 55% inclusies (PvM-29). De poriefrequentie ligt lager dan 5% voor alle stalen. Dit betekent dat het doorgaans fijne tot zeer fijne en compacte baksels zijn.
269
De maximale korrelgrootte toont aan dat een paar stalen inclusies bevatten ter orde van grof zand (0.5-1.0 mm) en zeer grof zand (>1 mm) (Figuur 155c). Dit zijn echter uitzonderingen die als overgebleven restanten van het reinigingsproces gezien kunnen worden. De courante maximale korrelgrootte bevindt zich op de grens tussen medium en grof zand (ca. 0.5 à 0.6 mm) (Figuur 155b). Dit houdt in dat de bestudeerde kleipijpbaksels algemeen als fijne baksel beschouwd kunnen worden door de combinatie van de selectie van een fijne natuurlijke klei en het grondig voorbereiden van de klei waarbij alle grove en ongewenste partikels verwijderd werden. De bovenstaande resultaten van de mineralogie, structuur en textuur beschouwingen zijn samengebracht tot een onderscheid in bakseltypes. Dit is een relatieve schaal enkel op basis van de geobserveerde variatie aangetroffen in de hier bestudeerde kleipijpen. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen zeer fijne, fijne, medium fijne, medium grove en grove baksels. De fijne baksels hebben algemeen beschouwd een goede sortering met een grote spatiëring en lage inclusiefrequenties. Het overgrote deel van de kleipijpen bezit een zeer fijn, fijn of medium fijn baksel, met een aantal die op de overgang tussen fijn en medium fijn geclassificeerd worden. De grove baksels hebben een povere sortering met een kleine spatiëring en hoge inclusiefrequentie. De grove baksels vormen een duidelijke minderheid met slechts vier stalen die als grof geclassificeerd kunnen worden, en één staal dat als medium grof tot grof bestempeld kan worden. Drie kleipijpen (PvM-34-37-45) worden als uitzonderlijke baksels beschouwd door hun extreme bimodaliteit als het resultaat van een slechte kleivermenging waarbij brede lagen van inclusierijk en inclusie-arme klei duidelijk zichtbaar zijn doorheen heel het staal (Figuur 156a). De kleipijp uit rood aardewerk wordt ook als een uitzonderlijk baksel beschouwd, hoewel deze op basis van structuur en textuur kan aansluiten bij de fijn tot medium fijne baksels. Als laatste zijn er ook een aantal microstructuren waargenomen, die zeer nuttig zijn als technologische indicaties om het productieproces van de pijpenbakker te bestuderen. Vele kleipijpen vertonen kleilagen (Figuur 156a) en kleizones (Figuur 156b) binnen één of meerdere doorsneden, die zich laten onderscheiden door een gedeelte dat inclusie-rijker of -armer is dan de rest van het baksel. De kleilagen zijn zichtbaar doorheen het hele staal, waar de kleizones zich beperken tot kleinere en afgebakende gebieden binnen het staal. Samen met de kleibrokken (clay pellets) zijn deze microstructuren het resultaat van de kleibewerking in de voorbereidende fases van het productieproces. In de matrix is af en toe een afwisseling van (semi-)lineaire lagen zichtbaar, wat ook in een gegolfd patroon kan voorkomen (Figuur 156c). Dit fenomeen werd reeds door Davidson & Davey (Davidson en Davey 1982) benoemd als clay banding. Deze microstructuur is mogelijk een relict van de heterogene samenstelling van de natuurlijke klei of is ontstaan als het resultaat van kleivermenging of kleireiniging voor het bakken of. In een groot aantal stalen zijn donkere lijnen zichtbaar die een aaneensluiting van kleine opake inclusies zijn, wellicht ijzeroxides. Opvallend is dat deze lijnen zich vaak in een bepaald patroon lijken te manifesteren. Het meest duidelijke zijn de donkere lijnen die over de hele omtrek van de pijpensteel lopen net onder het binnen- en buitenoppervlak (Figuur 156d). In andere gevallen lijken deze lijnen een bepaalde kleizone af te bakenen. Als laatste observatie vermelden we de aanwezigheid van verkleuringen. Deze zijn vooral zichtbaar in PPL, maar kunnen vaak ook macroscopisch geobserveerd worden op de slijpplaat of op de verse breuk.
270
Figuur 155 Selectie I van microscoopfoto’s
271
Figuur 156 Selectie II van microscoopfoto’s.
272
In deze staalgroep zijn de meeste kleipijpen wit, grijs of bruin van kleur. Gele tot bruine verkleuring zijn waargenomen als het resultaat van versintering bij een te hoge oventemperatuur (Figuur 156e). Dit uit zich door een globale verkleuring die vanuit de buitenen binnenrand zich doorheen het baksel verspreid. Een tweede soort verkleuring wordt veroorzaakt door het roken van tabak waarbij de oxidatie van nicotine een (geel)bruine verkleuring geeft. De nicotine-verkleuring straalt vanuit het rookkanaal uit naar de rest van het baksel (Figuur 156f) en laat zich op die manier onderscheiden van de verkleuring door versintering. De omvang van de verkleuring geeft een indicatie van hoe vaak de kleipijp gerookt geweest is. Omdat de meeste stalen in deze studie afkomstig zijn uit consumptiecontexten, zijn er weinig verbanden te leggen tussen de petrografische observaties en de archeologische sites en de vondstcontexten.In het algemeen is gebleken dat de chronologie ook bij de mineralogische samenstelling een goede factor is om een onderscheid te maken in de samenstelling van de kleipijpen. De kleipijpbaksels uit de 17de en 18de eeuw lijken in het algemeen fijner van textuur met een betere sortering, kleinere gemiddelde korrelgroottes en lage inclusiefrequenties. De grovere baksels lijken vooral tot de jongste fase van het laatste kwart van de 19de eeuw te behoren. Dit is een belangrijke factor bij het evalueren van veranderingen in het productieproces doorheen de tijd. Dit resultaat wordt ondersteund door het onderscheid op basis van de (vermoedelijke) productieateliers. Op basis van de textuur en bakseltypes lijken de Gentse en Goudse producties uit de 17de eeuw een sterkere oriëntatie naar zeer fijne en fijne baksels te hebben. De grovere baksels zijn eerder toe te wijzen aan ateliers die in het laatste kwart van de 19de eeuw geplaatst worden. Dit kan een indicatie zijn dat de jongere producties afweken van de eerdere productietradities waaraan in Gouda langer vastgehouden werd, of een verschuiving vertegenwoordigen in de aanvaardbare kwaliteit van de kleipijp als eindproduct. De verschuiving in textuur hangt sterk samen met de toename van toegevoegde zandverschralingen in het aantal stalen uit de 19de eeuw. De herkomst van de klei kan hier ook een rol in spelen. Het is echter niet mogelijk gebleken om op basis van de mineralogische samenstelling potentiële sites voor te stellen voor de gebruikte kleien. De mineralogische uniformiteit wijst echter wel dat enkel witbakkende ball clays gebruikt werden voor alle witte, grijze en bruine kleipijpen in deze selectie. Directe vergelijkingen met referentie kleistalen is nodig om verdere stappen te zetten in de vraagstelling rond kleiherkomst op basis van mineralogie. De aan- en afwezigheid van muskoviet doet vermoeden dat er mogelijk toch een onderscheid kan gemaakt worden tussen verschillende kaolienklei ontginningen, in tegenstelling tot de huidige overtuiging. Een belangrijke observatie is de aanwezigheid van een zandverschraling bij een groot aantal stalen. Dit gebruik is sporadisch aanwezig in stalen uit de 17de en 18de eeuw, maar lijkt een gangbare techniek geworden te zijn in stalen uit de 19de eeuw. De zandverschraling karakteriseert zich als een kwartsrijk zand dat occasioneel een zandsteenfragment of enkele grote ijzeroxide inclusies bevat. Andere mineralen of plantaardige resten ontbreken volledig. Dit wijst erop dat ook het zand dat voor de verschraling gebruikt werd, even zorgvuldig geselecteerd en gezuiverd werd als de klei. De vraag naar de herkomst van het zand is in dus van groot belang in de reconstructie van de herkomst van de gebruikte grondstoffen in de kleipijpproductie. De voornaamste bijdrage van de petrografische analyse ligt bij de reconstructie van het productieproces op basis van technologische indicatoren in de slijpplaten. Het doel was om een methodologie te ontwikkelen waarmee de chaîne opératoire van een bepaalde kleipijp of 273
atelier gereconstrueerd kan worden. Dit stelt ons in staat om verschillen tussen ateliers of veranderingen doorheen de tijd te bestuderen. De verschillende stappen in het productieproces zijn in eerste instantie samengesteld op basis van historische en archeologische informatie (p.47). Hieraan zijn de geobserveerde details uit dit slijpplaatonderzoek aan toegevoegd en de voorbereidende fases in groter detail uitgewerkt om tot een schematische voorstelling te komen van de verschillende handelingen in het productieproces (Figuur 157).
Figuur 157 Schematische voorstelling van de chaîne opératoire van de kleipijp. In het grijs aangeduid zijn de handelingen die sporen nalaten die in een slijpplaat geobserveerd kunnen worden.
Het onderzoek wees uit dat er vooral indicatoren van kleiselectie, -zuivering, -bewerking en het bakproces aanwezig zijn in de slijpplaat, maar van ook het rookgebruik. Op basis van de observaties van de hier bestudeerde kleipijpen vatten we het algemene productieproces samen als volgt: Voor het maken van kleipijpen werd er typisch een kaolienrijke en ijzerarme klei geselecteerd die witbakkend en relatief plastisch van aard is. Dit zijn typisch zeer fijne kleien waarbij de inclusies vooral in de silt-fractie zitten met slechts een kleiner aandeel korrels in de zand-fractie (Figuur 158a-c). De mineralogische diversiteit is meestal beperkt tot kwarts, ijzeroxides en soms muskoviet mica. Wel kan er een zandverschraling aan de klei toegevoegd zijn (Figuur 158 g, i). Dit is typisch zeer kwartsrijk zand waarbij andere mineralen vooral ontbreken. Slechts in een handvol slijpplaten zijn één of twee zandsteenfragmenten teruggevonden. Relicten van het zuiveren van de grondstoffen zijn frequent aanwezig. Zo kan de afwezigheid van grove korrelgroottes in de bakseltextuur een indicatie zijn van een nauwgezette zuivering, zoals levigatie waarbij de klei overvloedig gehydrateerd wordt zodat er een sortering van grove en fijne partikels plaatsvindt. Sommige stalen vertonen golvende lijnen in de matrix als indicatie van deze gevorderde staat van hydratatie (Figuur 158 d-f). Uitzonderlijke grote inclusies kunnen ook een restant zijn van het nat of droog zeven van de klei (Figuur 158 h). Ook het zand voor de verschraling blijkt vaak gezeefd te zijn door een gebrek aan grote inclusies. De beste manier om deze zuiveringstechnieken te identificeren is door naar de textuur van het baksel te kijken en de maximale korrelgroottes te bepalen.
274
Figuur 158 Selectie III van microscoopfoto’s
275
Figuur 159 Selectie IV van microscoopfoto’s
276
Na het zuiveren van de grondstoffen worden deze samengevoegd om het gewenste kleimengsel te maken. De kleivermenging valt op meerdere manieren te observeren onder de microscoop. De aanwezigheid van kleilagen, kleizones en kleibrokken (Figuur 158 j-r) zijn relicten van het samenvoegen van twee kleien of is een indicatie van een onvolledige hydratatie van de klei tijdens het mengen of kneden. De sortering van de inclusies en de homogeniteit van de matrix zijn bijkomstige indicatoren van het proces van het homogeniseren van de klei na het zuiveren. Een bimodale verdeling van de mineralogische inclusies wijst op het toevoegen van een zandverschraling (Figuur 159 a-c). Ook voor het bakproces zijn er meerdere elementen aanwezig in de slijpplaat die informatie kunnen verschaffen over de bakomstandigheden. De optische activiteit van het staal geeft een indicatie van de gemiddelde temperatuur. Bij hoge temperaturen neemt de optische activiteit af (Figuur 159 i). Bij te hoge temperaturen of een te lange baktijd kan er een verglazing van de matrix optreden of een verkleuring door versintering plaatsvinden (Figuur 159 h, j). De heroriëntatie van kwartsmineralen kan bepaalde informatie verstrekken over de temperatuur. Bijkomend kan het type ijzeroxide een indicator vormen voor het gebruik van een oxiderende of reducerende atmosfeer in de oven. Het roken van tabak in de kleipijp kan vastgesteld worden door de aanwezigheid van een geelbruine ringvormige verkleuring rondom het rookkanaal in de steel als het gevolg van de oxidatie van nicotine (Figuur 159 k-m). Het vormen en afwerken van de kleipijp zijn macroscopisch het beste zichtbaar, maar er vallen ook enkele microscopische indicatoren te observeren. Het rollen van de kleipijpen kan afgelezen worden aan de oriëntatie van de poriën en kleilagen (Figuur 159 c-e). Als laatste kan de observatie van een glazuurlaag bij twee kleipijpen vermeld worden. Indien deze intentioneel zijn, wordt de glazuur voor het bakken aangebracht (Figuur 159 f). Accidenteel glazuren kan echter ook optreden tijdens het bakken (Figuur 159 g). Voor een volledig overzicht, zie hoofdstuk II-5.2 Technologische indicatoren in het archeometrisch rapport. Natuurlijk volgde niet elk atelier volledig hetzelfde recept om kleipijpen te produceren of werd elke keer het standaardproces tot op de letter nageleefd. Het zijn de verschillende handelingen en keuzes van de pijpenbakker die ons toestaan om een onderscheid te maken tussen hun producten door deze technologische indicatoren te observeren en te vergelijken. Niet alle stappen laten sporen na in de slijpplaten, maar de complexiteit van het productieproces biedt voldoende variabelen om de vergelijking te kunnen maken. Uit deze studie is gebleken dat er voldoende verschillen bestaan, zodat de volgende stap zich kan richten op het karakteriseren van deze onzichtbare vingerafdrukken van gekende productieateliers en historisch gedocumenteerde pijpenbakkers. Hiervoor wordt best een combinatie van productie- en consumptiemateriaal gebruikt, aangezien er bij productieafval immers steeds iets verkeerd is gelopen in het proces en dus een verkeerd beeld oplevert voor die bepaalde fase, zoals bij het Fratersplein.
277
14.3. Interpretatie 14.3.1.Het 17de -eeuwse productieafval van het Fratersplein Het productieafval van het Fratersplein is een grote troef in deze studie aangezien er in kleipijpstudies meestal naar consumptiemateriaal gekeken wordt. Door de focus op het productieproces in deze analyses is er extra aandacht besteedt aan het karakteriseren van dit productiemateriaal. We trachten hier drie vragen te beantwoorden: Wat was de kwaliteit van de kleipijpen?; Waar komt de klei vandaan?; Hoe was de productie georganiseerd?
14.3.1.1.
Wat was de kwaliteit van de kleipijpen?
Om de kwaliteit te beoordelen van de kleipijpen die aan het Fratersplein geproduceerd werden en hun mogelijke kleiherkomst proberen te achterhalen, moeten we starten vanuit de samenstelling van de vier stalen (PvM-01-02-03-55). Deze zijn duidelijk gemaakt met kaolienrijke (Al2Si2O5(OH)4) witbakkende klei die gekend staat als Tertiairy ball clay of pipeclay. Deze klei is niet lokaal voorradig rond Gent of in Vlaanderen en moest geïmporteerd worden. Bij kaolienkleien vormen silica (SiO2) en alumina (Al2O3) de twee belangrijkste bestandsdelen die de eigenschappen van de klei bepalen. Deze twee componenten staan in verband met elkaar in een omgekeerd lineaire relatie: een kleipijp met een hoog alumina-gehalte zal een lager silica-gehalte hebben, en omgekeerd. Een hoog gehalte aan alumina houdt in dat de klei zeer plastisch is en wordt ook wel bestempeld als een ‘vette’ klei. Een klei met een laag alumina-gehalte wordt ook wel een ‘magere’ klei genoemd. De stalen van het Fratersplein worden gekenmerkt door ca. 20-23% Al2O3 en ca. 70-75% SiO2. Hiermee bevinden deze kleipijpen zich vaak te midden op de schaal van plastische en minderplastische kleien, in vergelijking met andere kleipijpen en kaolien kleien (Figuur 161). Dit wil zeggen dat ze een goede werkbaarheid hadden en een goede verhouding bevatten tussen een ‘vette’ en een ‘magere’ klei. Een te hoge plasticiteit is immers nefast voor het vormen van ceramische objecten. Het hoge gehalte silica is hoofdzakelijk terug te leiden naar de dominantie van kwartsmineralen (SiO2) in het baksel. Uit de frequentieanalyse is duidelijk dat kwarts meer dan 90% van de inclusies beslaat in de ruwe fractie (korrelgroottes tussen ca. 0.032-0.125 mm) en meer dan 85% in de fijne fractie (korrelgroottes tussen ca. 0.008-0.032 mm). Typisch voor witbakkende kleien die geselecteerd werden voor kleipijpproductie is een laag ijzergehalte (Fe2O3). Er wordt vaak verondersteld dat de witte bakselkleur te wijten is aan een laag ijzergehalte. Het is echter het kleimineraal kaolien dat verantwoordelijk is voor de witte kleur. Het lage ijzergehalte helpt wel bij het bewaren van de kleur door ervoor te zorgen dat de kleien niet verkleuren tijdens het bakken. De stalen van het Fratersplein bevatten minder dan 1.5% Fe2O3. In de slijpplaten zijn echter wel frequent ijzeroxides te observeren, maar de frequentieanalyse wees uit dat het hier om slechts ca. 1% van de samenstelling gaat in de ruwe fractie en ca. 1.5% in de fijne fractie. In de geochemische analyse werd duidelijk dat er in de staalpopulatie een onderscheid te maken valt tussen twee groepen kleipijpen op basis van de verhouding tussen ijzer (Fe), kalium (K) en calcium (Ca). Groep 1 kan beschouwd worden als een ‘vroege groep’ met hoofdzakelijk 17de en 18de -eeuwse kleipijpen, tegenover Groep 2 als een ‘late groep’ die vooral kleipijpen uit het laatste kwart van de 19de eeuw bevat. Op het Fe-Ca-K diagram valt goed te zien dat Groep 1 zich onderscheid van Groep 2 door een hoger kaliumgehalte en lagere ijzer- en calciumgehaltes. 278
De stalen van het Fratersplein clusteren sterk in de kalium-rijke Groep 1 met ca. 2.2-2.5% K2O (Figuur 160). Algemeen wordt aangenomen dat het gehalte kaliumoxide in aardewerk een reflectie is van het aandeel kaliveldspaten (KAlSi3O8): orthoklaas en microklien. In de slijpplaten zijn er echter geen veldspaten geobserveerd. Het is mogelijk dat de aanwezigheid van deze mineralen in de fijnste silt fracties (< 0.010 mm) onopgemerkt gebleven is. Als alternatieve verklaring voor het kaliumgehalte kan het mineraal muskoviet mica (KAl 3Si3O10(OH,F)2) voorgesteld worden, hoewel er slechts in één staal een gering aantal muskoviet geobserveerd is in de fijne fractie. Een mogelijke factor die hier meespeelt is dat de stalen van het Fratersplein afkomstig zijn van misbaksels die blootgesteld zijn aan een te lange baktijd en/of te hoge temperaturen. Muskoviet kan zijn dubbele breking (birefringence) verliezen bij hoge temperaturen waardoor deze veel moeilijker te observeren worden met optische microscopie. Vermoedelijk is het K2O gehalte hier te wijten aan een combinatie van veldspaten in de fijnste fractie en de verkleuring van muskoviet mineralen door de hoge temperatuur. Hieruit kan er reeds besloten worden dat de kleipijpen van het Fratersplein gebruik maakten van kwaliteitsvolle grondstoffen die in de lijn liggen met de samenstelling van traditionele pipeclay. Om tot een betere beoordeling van de kwaliteit van het baksel te komen, kunnen de Fratersplein stalen vergeleken worden met resultaten uit andere studies (Figuur 162). Hieruit kunnen we stellen dat de silica waarden gemiddeld hoger zijn en de alumina waarden gemiddeld lager zijn dan die van de producties uit Engeland, Duitsland, en de andere Belgische en Noord-Franse ateliers (Antwerpen, Kortrijk, Namen, Nimy, Onnaing). Dit betekent dat het kleimengsel voor de kleipijpen van het Fratersplein doorgaans iets minder plastisch waren dan de algemeen geselecteerd kleien of het uiteindelijke bekomen kleimengsel in vele andere ateliers. De overlap met Gouda doet echter vermoeden dat dit geen indicatie hoeft te zijn voor een mindere kwaliteit van het uiteindelijke product. Ook uit de vergelijking in het Fe-K-Ca diagram is duidelijk dat de productie van het Fratersplein een grote overeenkomst vertoont met de kleipijpen die een stempel of markering uit Gouda dragen (Figuur 163). In dit diagram is er ook overlap te bemerken met enkele Engelse producties, vooral Cambridge en Straton-On-The-Foss. Dit wijst erop dat het uiteindelijke kleimengsel/baksel van deze producties sterk gelijkend is en een vergelijkbare kwaliteit heeft. Hier moet echter opgemerkt worden dat het imiteren van Goudse stempels hier een vertekend beeld kan zijn in het geval dat deze kleipijpen niet in Gouda gemaakt zijn. De stalen die hier aangeduid zijn met een mogelijke herkomst in Gouda vallen echter macroscopisch niet te onderscheiden van de ‘echte’ Goudse producten, ongeacht de stempel. Daarom blijft de conclusie geldig dat het kleimengsel waaruit de Fratersplein kleipijpen vervaardigd werden van een degelijke kwaliteit waren, vergelijkbaar met de kwaliteit van de Goudse en Engelse producties uit de 17de en 18de eeuw. Omdat het hier om productieafval gaat, kan de kwaliteit van het uiteindelijke resultaat niet beoordeeld worden.
279
Figuur 161 Fratersplein - Biplot SiO2% vs. Al2O3% met aanduiding van de stalen afkomstig van het Fratersplein (PvM-01-02-03-55).
Figuur 160 Fratersplein - Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met aanduiding van de stalen afkomstig van het Fratersplein (PvM-01-02-03-55) binnen Groep 1.
280
14.3.1.2.
Waar komt de klei vandaan?
Het vraagstuk over de herkomst van de klei is een moeilijker gegeven, waar in deze studie geen sluitend antwoord op gegeven kan worden. Er zijn wel een aantal indicaties op te lijsten die kunnen helpen om bij verdere analyses tot een herkomstbepaling te komen. Titanium wordt soms gebruikt in de studie naar aardewerk vervaardigd uit kaolienklei om een onderscheid te maken tussen kleiherkomst en verschillende producties (e.g. Mehler 2010, 62– 73). Dit is echter niet voldoende als enige factor om aan de hand van TiO2 een kleiherkomst voor te stellen. Het titaangehalte is kan sterk fluctueren binnen de natuurlijke klei, zo varieert bv. het gehalte TiO2 in verschillende kleilagen uit Andenne tussen 1.1% en 3.6%. Daarboven wordt het titaniumgehalte ook minder waardevol naarmate de geologische schaal groter wordt. Hoe meer kaolien kleibronnen er mogelijk zijn, hoe groter de overlap in titaniumgehaltes en bereik van de klei. In het algemeen wordt er aangenomen dat primaire kleibronnen van kaolien een zeer laag gehalte aan titaan bevatten dat ruim onder <1% van de totale samenstelling blijft, in tegenstelling tot secundaire kaolienklei-afzettingen die typisch tussen ca. 1.0% en 3.5% TiO2 bevat. Het titaniumgehalte in de Fratersplein kleipijpen bedraagt ca. 1.5-1.8%, wat aangeeft dat de bron van de gebruikte klei gezocht moet worden bij een secundaire sedimentaire kaoliene klei met titaangehaltes tussen ca. 1-2%. Een volgende indicatie over de kleiherkomst komt uit het Fe-K-Ca diagram waar het onderscheid tussen de twee groepen vermoedelijk het gevolg is van het gebruik van andere kleibronnen en productiemethodes of -keuzes. Groep 1, waartoe de kleipijpen van het Fratersplein behoren, is kaliumrijker dan Groep 2 (Figuur 160). Dit valt mogelijk te linken aan de aanwezigheid van muskoviet en/of kaliveldspaten in de klei. Dit betekent dat de potentiële kleibron gezocht moet worden bij een klei waar deze mineralen aanwezig zijn, in tegenstelling tot kleibronnen waar ze afwezig zijn of in mindere mate voorkomen. Spoorelementen zijn vaak nuttiger dan hoofdelementen om een onderscheid te maken in de herkomst van de klei. In deze studie zijn er een groot aantal spoorelementen gedetecteerd, maar de dataverkenning wees uit dat sommige te wijten zijn aan post-depositionele contaminatie en mogelijke contaminatie tijdens het bakproces. Daarboven zijn niet altijd dezelfde spoorelementen gedetecteerd in de analyses van andere studies, wat het moeilijker maakt om deze te vergelijken met elkaar. Vooral vanadium (V), chroom (Cr), rubidium (Rb), strontium (Sr) en zirkonium (Zr) konden hier gebruikt worden. In de internationale vergelijking toont het diagram V-Sr-Zr (Figuur 167 ) dat er een goed onderscheid te maken valt tussen kleipijpen uit Engeland en kleipijpen van het Europese continent (België, Nederland, Noord-Frankrijk, Duitsland). De Engelse kleien clusteren goed binnen het bereik van de Engelse kleipijpen, wat doet vermoeden dat de herkomstsituatie daar iets éénduidiger begrepen kan worden dan op het continent. De kleipijpen van het Fratersplein plotten in dit diagram opnieuw dicht bij Gouda en leunen licht aan bij de Engelse groep, zonder duidelijk overlap. De vergelijking met de gepubliceerde data over klei uit Andenne (Goemare, Declercq en Quinif 2012) en aardewerk en klei uit Keulen (Schneider, Daszkiewicz, en Höpken 2004) kon gemaakt worden door Rb, Sr en Zr te betrekken in de hoofdcomponentanalyse. Wanneer deze drie elementen in een diagram gezet worden voor een vereenvoudigde weergave (Figuur 168 ) valt op dat de stalen van het Fratersplein een affiniteit vertonen met de Goudse kleipijpen, één staal Keulse klei en twee à drie kleistalen uit Andenne. De bulk van de Andenne kleistalen en Keuls aardwerk vertoont echter een minder goede relatie met de Fratersplein kleipijpen.
281
Figuur 163 Biplot SiO2% vs. Al2O3% met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses.
Figuur 162 Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses.
282
Figuur 165 Diagram V – Sr – Zr met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses
Figuur 164 Diagram Rb – Sr – Zr met weergave van kleipijpen uit de huidige dataset, klei en witbakkend aardewerk uit Keulen en klei uit Andenne
283
Dit betekent dat we een hypothese kunnen voorstellen waarbij de baksels van de Fratersplein kleipijpen vervaardigd zijn uit (a) klei uit Keulen, (b) klei uit Andenne, of (c) een mengsel van Andenne en Keulse klei. Tevens kunnen we hier aan toevoegen dat de Goudse kleipijpen gevonden op de site Rabbot (PvM-22-23-24, de laatste met stempel MA onder ster) óf uit dezelfde klei of kleimengsel vervaardigd zijn, óf een Goudse imitatie van Gentse makelij zijn. Uit de historische bronnen is er gedocumenteerd dat in de 17de eeuw de Goudse ateliers gebruikt maakten van witbakkende kleien uit de Belgische en Franse Maasstreek, de regio Keulen, het Duitse Westerwald en de Seinevallei. Het gebruik van kleien uit Keulen en Andenne wordt hierdoor verder ondersteund. Ondanks de grote overeenkomsten die hier geobserveerd zijn, is het echter niet noodzakelijk zo dat de 17de -eeuwse Gentse producties de productiewijze van Gouda volgden. De historische bronnen reiken ons immers een alternatief aan door vermelding te maken van het bestaande handelsnetwerk in klei met als herkomst uit Doornik dat verhandeld werd via Gent naar Antwerpen en Gouda voor de productie van majolica en tingeglazuurd aardewerk in de 17de eeuw (Laleman e.a. 1996) Op basis van de geografische ligging en de handelsnetwerken in de 17de eeuw lijkt het immers waarschijnlijker dat in Gent kleien gebruikt werden uit de Noord-Franse en Belgische Scheldevallei dan kleien te importeren uit Andenne en Keulen. Deze laatste hadden vermoedelijk een langer (en kostelijker) traject via de Maas en Rijn naar de Noordzee om via de Schelde in Gent afgezet te worden.
14.3.1.3.
Hoe was de productie georganiseerd?
Op de laatste vraag inzake de productieorganisatie is er een gedetailleerde beschouwing terug te vinden in het gedeelte II-5.2.3 in het archeometrisch rapport. We geven hier een kort overzicht van de verschillende productiefases die op het Fratersplein hebben plaatsgevonden (Figuur 166). Zoals hierboven al aangegeven is, gebruikte de pijpenbakker van het Fratersplein een geïmporteerde, fijnkorrelige, witbakkende, plastische klei van degelijke kwaliteit. Deze klei werd eerst ondergedompeld in water waar de klei gedurende een bepaalde tijd lag te ‘rotten’. Gedurende deze tijd werd de klei overvloedig gehydrateerd waardoor de klei tot een bijna vloeibare staat werd gebracht. Hierdoor trad er een geleidelijke sortering op waarbij de grovere elementen naar de bodem zakken en de fijnere kleifracties bovenop kwamen drijven. Uit historische bronnen weten we dat deze vloeibare kleimassa regelmatig geroerd werd om klontering te voorkomen en er met een zeef bepaalde ongewenste componenten, zoals bv. plantaardig of dierlijk materiaal, verwijderd konden worden. Na een bepaalde tijd werd de klei uitgedroogd om in stukken of blokken te verdelen voor verdere verwerking.
Figuur 166 Chaîne opératoire van de kleipijpen geproduceerd aan het Fratersplein in de 17 de eeuw op basis van petrografische informatie.
284
De gezuiverde klei werd opnieuw gehydrateerd om al knedend het gewenste kleimengsel te bekomen. Uit de slijpplaten zijn er bepaalde indicaties dat er mogelijk een fijnere fractie met een grovere fractie vermengd werd. Dit kan het gevolg zijn van het gebruik van twee verschillende kleien of een indicatie zijn dat de klei in verschillende lagen uit de waterbak gerecupereerd werd om nadien een fijnere en grovere kleilaag op een gecontroleerde manier met elkaar te vermengen. Het mengsel werd vervolgens tot een homogene massa gekneed. Vervolgens werd de kleimassa gedroogd tot het punt waarop deze nog steeds kneedbaar was voor het vormen van de kleipijpen. Er is weinig indicatie dat het kleimengsel gedroogd en vermalen werd, alvorens opnieuw te hydrateren om tot een kneedbare klei te komen. Deze optie kan echter ook niet uitgesloten worden. In het atelier gebruikte de pijpenbakker het kneedbare kleimengsel om de pijpenstelen te rollen, de pijpenkoppen te vormen en in een mal hun uiteindelijke vorm te geven. Hierop berusten we ons enkel op historische informatie, aangezien er weinig sporen aanwezig zijn van deze acties in de slijpplaten. Ook van het afwerken voor het bakken zijn er geen microscopische indicaties om ons te informeren over het exacte proces. De oven was de laatste halte voor de kleipijpen van het Fratersplein. Op basis van de historische en algemene petrografische resultaten veronderstellen we dat de kleipijpen in een pijpenpot verzameld werden om gebakken te worden op ca. 800 à 850°C in een reducerende atmosfeer. De bakselverkleuringen, matrix eigenschappen en ijzeroxides tonen echter dat de stalen van het Fratersplein zijn blootgesteld aan een te lange baktijd en/of een te hoge temperatuur. Verder zijn bepaalde verkleuringen mogelijk ook te wijten aan een late oxidatie waarbij er zuurstof in de oven kon wanneer de kleipijpen nog niet volledig afgekoeld waren. Eén staal toont ook een accidenteel zoutglazuur wat het gevolg is van rondvliegend as dat zich op de kleipijp vestigde. Dit kon enkel gebeuren als de pijpenpot niet volledig afgesloten was of de opengebroken is tijdens het bakken. Er zijn geen sporen van verkleuring door de oxidatie van nicotine aangetroffen op de kleipijpen, wat betekent dat de kleipijpen van het Fratersplein nooit gerookt zijn, en staaft de macroscopische en microscopische observaties dat het hier om misbaksels gaat. Als laatste kan er hier toegevoegd worden dat dit hele proces een vrij lange tijd in beslag nam, vermoedelijk een paar weken.
14.3.2.Gentse kleipijpproductie doorheen de tijd In aanvulling op het productieafval uit de 17de eeuw, zijn er vijf kleipijpen geselecteerd waarvan vermoed wordt dat deze afkomstig zijn van een Gentse productie uit de late 19de eeuw. Hun toewijzing aan een Gentse productie is op basis van een stempel van de klimmende leeuw als het stadwapen van Gent (PvM-07), een markering [Dampoort Gent] (PvM-15), een markering [Gittee Dampoort], een markering [Gitte] (PvM-17) en een markering [Mont Saint Amand] (PvM18). De kleipijpen worden op basis van hun vondstcontext op het site Handelsbeurs gedateerd in het laatste kwart van de 19de eeuw. Deze kleipijpen zijn hoofdzakelijk geselecteerd om te vergelijken met de 17de -eeuwse productie van het Fratersplein en te onderzoeken hoe de samenstelling van de Gentse kleipijpen doorheen de tijd verandert. Kleipijpen van 18de -eeuwse Gentse producties waren niet voorhanden om op te nemen in deze analyse. Hier trachten we een antwoord te formuleren op de volgende vragen: Behoren deze kleipijpen tot dezelfde productie? Werd dezelfde klei gebruikt? Werd er een algemeen recept gedeeld? 285
Hoe verhouden deze kleipijpen zich ten opzichte van de kleipijpen van het Fratersplein? Hoe verhouden deze kleipijpen zich ten opzichte van andere producties?
14.3.2.1.
Behoren deze kleipijpen tot dezelfde productie?
Algemeen genomen vormen deze vijf stalen een diverse groep die beduidend minder uniform is dan de Fratersplein kleipijpen. Zowel hun chemische als mineralogische samenstelling vertonen duidelijk onderling verschillen: uiteenlopende waarden voor de silica-alumina (Figuur 168 ) en ijzer-calcium-kalium verhoudingen (Figuur 169), grote fluctuaties in het titaangehalte en meerdere spoorelementen, povere clusteringen in verscheidene statistische hoofdcomponentanalyses (PCA), maar ook vertonen deze kleipijpen wisselende matrix- en inclusiefrequenties en behoren ze tot verschillende bakselgroepen. Dit wijst erop dat het hier om kleipijpen uit verschillende producties gaat, hoewel dit moeilijk met zekerheid te stellen is bij gebrek aan inzicht over de geaccepteerde variatie binnen hetzelfde atelier. Niettemin duidt het minstens op producten die afkomstig zijn uit verschillende productie-eenheden (batch) en waarschijnlijk dat ze door verschillende handen gemaakt zijn. We verschaffen hier een kort overzicht van de karakteristieken per kleipijp om de verdere bespreking te verduidelijken. Het baksel van kleipijp PvM-07 – met de stempel van het Gentse stadswapen van de klimmende leeuw – behoort tot de bakselgroep ‘grof’ met 75% matrix, 22% inclusies en 3.2% poriën, een povere sortering en open spatiëring, met een ruwe fractie van maximaal 0.360 mm. De mineralogische samenstelling bestaat hoofdzakelijk uit monokristallijne kwarts mineralen, met een klein aantal polykristallijne kwarts, ijzeroxides en zeer weinig muskoviet mica. De chemische samenstelling van PvM-07 bevat een relatief hoog alumina gehalte (Figuur 168 ), wat betekent dat het baksel als vrij plastisch kan beschouwd worden. Van de 19de -eeuwse Gentse kleipijpen heeft enkel staal PvM-15 een hoger alumina gehalte. Meestal gedraagt deze kleipijp zich als een uitzonderlijk staal zowel binnen deze groep als in vergelijking met de andere stalen in deze studie. In het Fe-Ca-K diagram valt PvM-07 aan de rand van de losse clustering van Groep 2 en vertoont weinig affiniteit met andere Gentse stalen (Figuur 167 ). Ook in de verscheidene multivariate plots is PvM-07 een consistent afwijkende waarde op vlak van hoofden spoorelementen. Een iets betere associatie met de stalen met de Dampoort-markering (PvM-15-16) kan wel geobserveerd worden wanneer enkel spoorelementen V-Rb-Sr-Zr beschouwd worden. Kleipijp PvM-15 met markering [Dampoort Gent] behoort tot de bakselgroep ‘medium fijn’ met 89% matrix, 20% inclusies en 1.5% poriën, een matige sortering en open spatiëring, met een ruwe fractie kleiner dan 0.260 mm. De mineralogische samenstelling bestaat uit monokristallijne kwarts, ijzeroxides en een groot aantal muskoviet mica. De chemische samenstelling van staal PvM-15 onderscheid zich door het hoogste alumina-gehalte van de complete staalgroep, wat betekent dat dit baksel de meest plastische of ‘vette’ klei bevat (Figuur 166). In het Fe-Ca-K diagram plot PvM-15 dichter bij PvM-16-17-18 binnen de spreiding van Groep 2 (Figuur 167 ), maar deze vier kleipijpen clusteren niet sterk samen en toont aan dat deze kleipijpen vermoedelijk het resultaat zijn van verschillende producties. Deze interpretatie wordt verder ondersteund door het gebrek aan patronen in verschillende hoofdcomponentanalyses. Kleipijp PvM-16 met markering [Gitte Dampoort] wordt in de bakselgroep ‘grof’ onderverdeeld, net zoals PvM-07, met 78% matrix, 21% inclusies en 0.7 % poriën, een povere sortering en dubbele spatiëring, met een ruwe fractie van maximaal 0.420 mm. Mineralogisch is het staal opgebouwd uit monokristallijne kwarts, ijzeroxides en weinig muskoviet mica. PvM-16 heeft 286
een hoger silica-gehalte, net zoals PvM-17-18, wat inhoudt dat het baksel als minder plastisch beschouwd kan worden als bij stalen PvM-07-15. Net zoals staal PvM-15 vertoont PvM-16 verder geen sterke associatie op basis van chemische samenstelling met andere kleipijpen binnen deze groep. In tegenstelling tot de voorgaande kleipijpen, behoort PvM-17 met markering [Gitte] tot de bakselgroep ‘zeer fijn’ met 95% matrix, 4% inclusies en 0.7% poriën, een goede sortering en open spatiëring, en een ruwe fractie kleiner dan 0.370 mm. De mineralogische samenstelling bestaat uit monokristallijne kwarts, ijzeroxides en zeer weinig muskoviet mica. PvM-17 deelt dezelfde observaties als staal PvM-16 rond de chemische samenstelling, zonder een significante verwantschap te veronderstellen: een hoger silica-gehalte en een gebrek aan sterke associaties in de multivariate statistiek. Kleipijp PvM-18 met markering [Mont Saint Amand] behoort tot de bakselgroep ‘fijn’ met 88% matrix, 12% inclusies en zo goed als 0% poriën, een goed sortering en open spatiëring, en een ruwe fractie van maximaal 0.370 mm. De mineralogische samenstelling bestaat uit monokristallijne kwarts, ijzeroxides en veel muskoviet. Hierdoor sluit PvM-18 mineralogisch gezien het beste aan bij staal PvM-15. De chemische samenstelling toont echter hetzelfde beeld als bij stalen PvM-16-17: een hoger silica-gehalte en geen observeerbare sterke associaties met een andere kleipijp binnen deze groep op basis van de multivariate statistiek. Het is duidelijk dat deze vijf kleipijpen geen coherente groep vormen. Er is een grote spreiding binnen de silica-alumina verhouding (Figuur 168), wat inhoudt dat de baksels verschillen in kwaliteit. Vermoedelijk zien we hier de impact van de zandverschraling met kwartsrijk zand (SiO2) op de silica-alumina verhouding. Deze zandverschraling is duidelijk te observeren bij door de sporadische verdeling van grote kwartsmineralen. Enkel bij staal PvM-17 is er geen zandverschraling zichtbaar. Tussen de andere vier kleipijpen varieert de korrelgrootte en frequentie van de zandverschraling (Figuur 169). Binnen het diagram Fe-Ca-K behoren de vijf kleipijpen tot Groep 2 zonder een sterke clustering met elkaar te vertonen (Figuur 167). Meerdere factoren kunnen bijdragen aan de reden waarom deze kleipijpen geen beter verband tonen: het gebruik van verschillende kleibronnen, verschillen in de kleimengsels, minder zorgvuldige preparaties, het gebruik van zand met een verschillende herkomst, etc. Op basis van de huidige gegevens is het niet mogelijk om hier met enige zekerheid uitsluitsel over te geven. Ook de verschillende scenario’s waarin een hoofdcomponentanalyse is uitgevoerd leveren weinig tot geen zichtbare correlaties op tussen deze vijf kleipijpen.
287
Figuur 168 19de -eeuwse Gentse kleipijpen - Biplot SiO2% vs. Al2O3% met aanduiding van de stalen van vermoedelijke Gentse producties (PvM-07-15-16-17-18).
Figuur 167 19de -eeuwse Gentse kleipijpen - Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met aanduiding van de stalen van vermoedelijke Gentse producties (PvM-07-15-16-17-18) binnen Groep 2.
288
Figuur 169 Selectie van microscoopfoto’s van Gentse kleipijpen uit de 17 de (PvM-02) en 19de eeuw (PvM-07-15-16-17-18).
289
14.3.2.2.
Werd dezelfde klei gebruikt?
De herkomst van de gebruikte kleien valt moeilijk te achterhalen met de huidige gegevens. Op basis van de variatie van het titaniumgehalte, tussen 1.2% en 2.0%, moet er naar secundaire sedimentaire kaoliene kleien gezocht worden, net zoals bij het de kleipijpen van het Fratersplein. Op basis van het gebrek aan een clustering in het Fe-Ca-K diagram (Figuur 167) kan er verondersteld worden dat er gebruik gemaakt is van verschillende kleibronnen of dat de kleivermenging volgens verschillende verhoudingen is uitgevoerd.
Figuur 170 Chaîne opératoire van de 19de -eeuwse Gentse kleipijpen op basis van petrografische informatie
Uit het Rb-Sr-Zr diagram met de gegevens uit Andenne en Keulen (Figuur 164) valt af te leiden dat vooral PvM-07-15-16 een associatie met kleistalen uit Andenne vertonen (rechtsonder in het diagram); PvM-18 toont veel minder affiniteit met de kleien uit Andenne, maar neigt ook niet naar de stalen ut Keulen of kleipijpen uit andere producties (centraal rechtse markering in het diagram); PvM-17 presenteert zich als een outlier die absoluut geen overlap toont met enige andere datapunt (centraal linkse markering in het diagram). Op basis hiervan kan er een hypothese gevormd worden dat PvM-07-15-16 vooral met Andenne klei is gemaakt, dat PvM-18 mogelijk het resultaat is van een vermenging van klei uit Andenne met een andere ongekende klei, en dat voor PvM-17 een ongekende klei gebruikt is.
14.3.2.3.
Werd er een algemeen recept gedeeld?
Ondanks de verschillen in chemische en mineralogische samenstelling zijn er wel een aantal overeenkomsten te observeren, met name in de microstructuren. Deze geven de indicatie dat er een algemeen recept gevolgd is bij het maken van deze kleipijpen, met individuele afwijkingen in verschillende fases voor bepaalde kleipijpen. Een gedetailleerde beschouwing van de reconstructie van het productieproces op basis van de slijpplaten is terug te vinden in het gedeelte II-5.2.3 in het archeometrisch rapport. We geven hier slechts een kort overzicht van het algemene productieproces (Figuur 170). De 19de -eeuwse Gentse pijpenbakkers gebruikten een geïmporteerde fijne witbakkende kaolienrijke klei die hoofzakelijk bestaat uit kwartsmineralen, een laag ijzergehalte en muskoviet mica. Deze klei werd gezuiverd door middel van levigatie, waarschijnlijk gecombineerd met het manueel verwijderen van grote en ongewenste elementen met een zeef.
290
Een kwartsrijk zand werd geselecteerd, dat vermoedelijk ook geïmporteerd werd, en vervolgens gezeefd zodat enkel een fijn zand overbleef om als verschraling aan de gezuiverde kleimassa toe te voegen. Het ontbreken van bepaalde microstructuren doet vermoeden dat de kleimassa niet enkel gekneed werd, maar ook vermalen is om een homogeen kleimengsel te verkrijgen. Na het vormen en de eerste afwerkingsfase, werden de kleipijpen in een gesloten pijpenpot verzameld om in de oven te zetten, of in open pot in de muffle kiln geplaatst, die goed werd afgesloten zodat er geen lucht aan de kleipijpen kon. Aan de hand van de matrixeigenschappen, het ontbreken van verkleuringen en de ijzeroxides, kan er afgeleid worden dat de kleipijpen gebakken zijn aan ca. 800 à 900°C onder reducerende omstandigheden, en ter plaatse afkoelden alvorens de kleipijpen uit de oven te verwijderen. Vier van de vijf kleipijpen (PvM-07-16-17-18) zijn zeker tot bij de consument beland, aangezien er een nicotine-verkleuring zichtbaar is rondom het rookkanaal, wat inhoudt dat deze gebruikt zijn om tabak te roken.
14.3.2.4.
Hoe verhouden deze kleipijpen zich ten opzichte van de kleipijpen van het Fratersplein?
Algemeen beschouwd vertonen de 19de -eeuwse kleipijpen een grotere variatie dan de kleipijpen van het Fratersplein wat hoofdzakelijk het resultaat lijkt te zijn van verschillen in de kleivermenging en het bakproces, en mogelijk de kleiherkomst. De baksels uit de 19de eeuw hebben gemiddeld een hogere inclusie-tot-matrix ratio dan hun 17de -eeuwse tegenhangers, wat hoofdzakelijk het gevolg is van de zandverschraling. Wanneer deze buiten beschouwing gelaten worden, vertonen de 19de -eeuwse kleipijpbaksels wel nog altijd de fijne fractie die kenmerkend is voor het levigatie proces. Het meest zichtbare verschil met het recept van de kleipijpen van het Fratersplein is de aanwezigheid van een zandverschraling. Deze werd vermoedelijk handmatig door het kleimengsel gestrooid, zoals het verschil in frequentie en korrelgrootte lijkt aan te geven. Een toevoeging van een zandige klei aan het de gezuiverde kleimassa kan echter niet uitgesloten worden op dit punt. De baksels zijn immers zeer nauwgezet gehomogeniseerd, vermoedelijk door het vermalen van het kleimengsel, en niet enkel door de klei met de hand te kneden en te slaan, zoals bij de kleipijpen van het Fratersplein. Het laatste verschil zit in het bakproces. Aangezien deze vijf stalen afkomstig zijn uit een consumptiecontext, zijn deze kleipijpen succesvol gebakken, in tegenstelling tot het productieafval van het Fratersplein. De afwezigheid van optische activiteit in de matrix bij twee kleipijpen doet vermoeden dat deze kleipijpen aan ongeveer dezelfde temperatuur zijn blootgesteld dan de Fratersplein kleipijpen, zonder sporen van overbakking te vertonen. Mogelijk treedt de zandverschraling op als een flux die het baksel beter bestand maakt tegen hogere oventemperaturen, of zijn de kleipijpen in een muffle kiln gebakken waarbij een betere controle van het bakproces mogelijk was.
14.3.2.5.
Hoe verhouden deze kleipijpen zich ten opzichte van andere producties?
Bij het beantwoorden van de bovenstaande vragen is reeds duidelijk geworden dat de vijf 19de -eeuwse kleipijpen als één groep weinig patronen of sterke associaties vertonen met andere datapunten. Op basis van hun markeringen en stempel zijn deze kleipijpen in drie ‘producties’
291
onderverdeeld: Dampoort (PvM-15-16-17), Sint-Amandsberg (PvM-18) en ‘Wapenschild’ (PvM07). De gemiddelde waarde per productie resulteert hier echter niet in een ander beeld. De gemiddelde silica-alumina verhouding is in het algemeen alumina-rijker dan het Fratersplein, maar vallen verspreid binnen de volledige groep van kleipijpen uit deze dataset (Figuur 161). Ook de verschillende diagrammen van oxides en spoorelementen (figuren 159160) leveren weinig significante patronen op. Voor meer informatie, zie I-4.3 in het archeometrisch rapport. Waar de chemische samenstelling op de verschillen wijst, zijn er wel een aantal overeenkomstige elementen met algemene chronologische tendensen via petrografie geobserveerd. Zo is een zandverschraling in 2/3e van de kleipijpen met datering in 19de eeuw geobserveerd. Dit lijkt dus een algemene ontwikkeling binnen de staalpopulatie te zijn, waartoe ook de kleipijpen uit Kortrijk, Namen, Nimy en Onnaing behoren. Aanvullend kan er opgemerkt worden dat het aantal indicaties van kleivermenging, zoals kleilagen, -zones en -brokken, afneemt doorheen de tijd. Slechts drie slijpplaten uit de 19de eeuw vertonen één of meerdere van deze microstructuren vertoont. Dit doet vermoeden dat het vermalen van de kleimassa ook een wijd verspreide techniek is onder de kleipijpen uit België en Nederland. Als laatste is het duidelijk dat in het algemeen er meer grovere baksels voorkomen doorheen de tijd, wat grotendeels veroorzaakt wordt door de toevoeging van een zandverschraling, maar vermoedelijk ook wordt mogelijk gemaakt door een grotere controle van het bakproces. Uit bovenstaande gegevens kan besloten worden dat de 19de -eeuwse kleipijpproductie in Gent zeer moeilijk te duiden is op dit moment. Ondanks dat de grote gelijkenissen in de voorbereiding en bewerking van de klei met kleipijpen afkomstig van de meeste andere producties uit België en Nederland, komen de geochemische signalen niet overeen met andere datapunt in deze studie. Enkel een onderzoek van grotere schaal zal hier duidelijkheid over kunnen verschaffen.
14.3.3.Gent vs. Gouda in de 17de eeuw Als laatste, komen we hier kort terug op de initiële verwachting dat er op basis van bestaande veronderstellingen een duidelijk kwaliteitsverschil zou bestaan tussen de samenstellingen van de Gentse en Goudse kleipijpjes, net zoals er typologisch en macroscopisch te zien is. De mindere kwaliteit van de Gentse kleipijpen zou te wijten zijn aan het gebruik van minder kwaliteitsvolle grondstoffen of door de afwezigheid van bepaalde ambachtelijke kennis of infrastructuur. De archeometrische resultaten tonen echter dat er vele overeenkomsten zijn tussen de Gentse en Goudse producties in de 17de eeuw. Wanneer stalen PvM-22-23-24-53, met vermoedelijke herkomst in Gouda, vergeleken worden met de stalen van het Fratersplein kan er besloten worden dat beide groepen kleipijpen onder bakselgroepen ‘fijn’ en ‘zeer fijn’ ingedeeld kunnen worden met gelijkaardige sortering, textuur en mineralogie. De chemische signalen vertonen sterke overeenkomsten in de silica-alumina en Fe-Ca-K verhouding en het titaangehalte, wat wijst op het gebruik van kleimengsels van een vergelijkbare kwaliteit. De multivariate analyses van oxides en spoorelementen wijst erop dat deze twee groepen kleipijpen vaak samen clusteren en mogelijk dezelfde grondstoffen gebruiken. Verdere overeenkomsten zijn te vinden in de voorbereiding van de klei, waarbij er sporen van levigatie en het ‘rotten’ in water bij kleipijpen uit beide groepen terug te vinden zijn. Een paar verschillen zijn echter ook opgemerkt. Bij twee 17de -eeuwse kleipijpen uit Gouda is er een zandverschraling geobserveerd (PvM-24-53), wat duidelijk niet voorkomt bij de stalen van het Fratersplein. Daarboven zijn er slechts in één Goudse kleipijp (PvM-53) sporen 292
aangetroffen die wijzen op het kneden van de klei bij de kleivermenging. Bij de overige stalen ontbreken deze indicaties, wat erop kan wijzen dat bij de overige drie kleipijpen de kleimassa vermalen is om tot een homogene mengsel te komen. De 19de -eeuwse Gentse kleipijpen kunnen vergeleken worden met twee stalen die vermoedelijk van Goudse makelij zijn. Staal PvM-40 dateert in de eerste helft 18de eeuw van de 18de eeuw en draagt een stempel SH. Deze kleipijp behoort tot de bakselgroep ‘medium fijn/fijn’ en wordt gekenmerkt door een zandverschraling en de afwezigheid van kleivermenging indicaties wat wijst op het vermalen van de klei. Staal PvM-11 dateert in de late 19de eeuw, draagt de markering [van Goede] en behoort tot de bakselgroep ‘fijn’. In dit staal is geen zandverschraling geobserveerd en ook geen kleivermenging indicaties. Voor een meer gedetailleerde verkenning van het productieproces van de Goudse kleipijpen, zie II-5.2.3 in het archeometrisch rapport. Opvallend is dat deze twee kleipijpen zich in Groep 1 van het Fe-Ca-K diagram bevinden, in tegenstelling tot hun chronologische tegenhangers uit de latere 18de en 19de eeuw. Hierbij sluiten hun chemische samenstelling beter aan bij de Goudse kleipijpen uit de 17de eeuw. Dit zou erop kunnen wijzen dat er in Gouda een grote mate van continuïteit in de recepten en ambachtelijke werkwijze was en dezelfde grondstoffen doorheen de tijd in gebruik bleven. Deze twee kleipijpen vertonen dus duidelijke verschillen met de 19de -eeuwse kleipijpen uit Gent, met enkele overeenkomsten in de voorbereiding van het kleimengsel.
Figuur 171 Chaîne opératoire van de Goudse kleipijpen (17de-19de eeuw) op basis van petrografische informatie.
Vanuit het perspectief van de materialiteit van de kleipijpen, kunnen we besluiten dat in de 17de eeuw de Gentse kleipijpen een gelijkaardige basiskwaliteit als de Goudse kleipijpen bereiken door gebruik te maken van dezelfde of sterk gelijkende grondstoffen en kennis van het voorbereidingsproces. Het verschil zit vooral in de afwerking, wat mogelijk een bewuste keuze was van de Gentse pijpenbakker. Hierin kan er gesteld worden dat er in het Fraterspleinatelier een technische nastreven van de kwaliteit en het materiaal van Gouda plaatsvond, maar dat het uiteindelijk product op basis van het uitzicht en stijl geen imitatie te noemen is. Aan het einde van de 19de eeuw lijken de Gentse en Belgische producties los te staan van de Goudse kleipijpen door het gebruik van andere grondstoffen en kleimengsels. Niettemin lijkt het algemene gebruik van een zandverschraling, het vermalen van de kleimassa en het gebruiken van een speciale oven (muffle kiln) wel gepionierd te zijn in Gouda. De Belgische producties lijken dus een algemeen recept uit Gouda (Figuur 171) geïncorporeerd te hebben waaruit lokale ambachtelijke tradities zijn ontstaan. 293
Bij deze resultaten moet echter een kleine kanttekening geplaatst worden. Bovenstaande kleipijpen zijn aan Gouda toegeschreven door de aanwezige stempels, markeringen en typologische kenmerken. Hier moet echter opgemerkt worden dat het imiteren van Goudse stempels kan betekenen dat deze kleipijpen niet in Gouda gemaakt zijn. Verdere onderzoek en analyses op Gouds materiaal zijn nodig om de problematiek van stempelimitaties beter in kaart te brengen en de geldigheid van de huidige resultaten te beoordelen.
294
DEEL 5: DE PIJP AAN MAARTEN
295
15.
DISCUSSIE EN BLIK VOORUIT
Intro In dit concluderend hoofdstuk keren we terug naar de onderzoeksvragen. Die werden opgebouwd rond drie grote thema’s: o
de Gentse productie van pijpen
o
handel en consumptie van pijpen in Gent
o
de kleipijp als archeologisch gidsfossiel
In volgende paragrafen proberen we antwoord te bieden op de gestelde vragen. Tegelijkertijd kijken we ook vooruit: in onze zoektocht naar antwoorden kwamen er ook nieuwe vragen en uitdagingen naar boven. Daarom heeft deze conclusie misschien meer het karakter van een discussie of tenminste de aanzet tot een discussie. Daarbij formuleren we kansen en uitdagingen voor verder onderzoek
296
15.1. Op zoek naar de Gentse en Vlaamse pijpenbakkers Was er sprake van een Gentse productie? Vast en zeker. Dat wisten we eigenlijk al uit historische bron. Die maken gewag van de eerste pijpenbakkersactiviteit in Gent ergens tussen de jaren 1630 en 1655 wanneer Jo(han) Tradenius de ovens opstart (van Werveke 1936). De 17de en de 18de eeuw zijn de ‘dark ages’ voor de Gentse en Vlaamse pijpnijverheid. Draaide die op dat moment op een laag pitje? Moeilijk te zeggen. De weinige historische notie heeft veeleer te maken met een gebrek aan bronnen en onderzoek. De Vlaamse en Belgische pijpnijverheid kende geen gildeorganisatie zoals die in Gouda. Er lijkt – althans in Gent -een sterke verwevenheid te zijn met het pottenbakkersambacht. Ovens werden gedeeld en vaak was de pijpenbakker ook pottenbakker. Het is daardoor een enigszins verscholen en ook ongekend ambacht (§ 5.2.2). Het is zoeken of wachten op de vondst van die toevallige vermelding in het archief. Onze kennis over de schaal en impact van de nijverheid is erg beperkt. Het feit dat men in Gouda en Holland de moeite neemt om aan het begin van de 18de eeuw marktverstorende acties te ondernemen zoals de verkoop van pijpen aan dumping prijzen in Namen, doet vermoeden dat er bij hen toch een gevoel van opkomende concurrentie moet hebben geleefd (p. 78). Voor de 19de eeuw hebben we meer gegevens door een aantal onderzoeken van de overheid uit (oa. in functie van de opmaak van het nationaal merkenregister in 1819, zie p. 107). Het beeld is onvolledig maar we zien toch een evenwichtige industrie met enkele grote en stevige spelers met vooral lokale en regionale afzet. In het Maasland en in Henegouwen speelt men zelfs op de internationale markt.
Figuur 172 overzichtskaart met Gentse pijpen- en pottenbakkers door de eeuwen heen
Voor de 18de en vooral 19de eeuw hebben we uniek nieuw archiefmateriaal kunnen aanbrengen rond de Gentse pijpnijverheid. Op basis van de Wegwijzers van Gent en ander archiefmateriaal werd de lijst van gekende pijpenbakkers aangevuld. We weten nu in welke wijken en straten ze werkten en hoe ze ook samenwerkten met de Gentse pottenbakkers. In de 17de en 18de eeuw vinden we hen dan ook in echte pottenbakkerswijken zoals aan de Tichelrei en rond de Brabantdam. In de 19de eeuw lijkt de Gentse pijpnijverheid zich ook te gaan professionaliseren. 297
De fabrieken worden net als veel andere industrieën richting stadspoorten geduwd. Tal van pijpenbakers vestigen zich zo in de Dampoortwijk net buiten de stadsmuren. Nieuwe ateliers worden opgetrokken en er wordt geïnvesteerd in technologie zoals muffle kilns (§ 5.2). Hoe gingen de Gentse en Vlaamse pijpenbakkers nu te werk? Welke producten zetten zij op de markt? Nederlandse onderzoekers gaan er prat op dat de productie in onze gewesten wat kwaliteit en afwerking betreft niet kon tippen aan de Goudse. Ook enkele contemporaine bronnen spreken van een mindere kwaliteit. Door een gebrek aan onderzoek weten we momenteel nog erg weinig over de kenmerken van de lokaal geproduceerde kleipijp. Met deze studie en het laat 17de-eeuws materiaal van het Fratersplein, werd voor het eerst Gents (en eigenlijk ook Vlaams) pijpenbakkersafval in detail bestudeerd. Daarbij werd niet enkel uitgegaan van de klassieke archeologische vondststudie, maar werden ook chemische analyse en petrografie ingezet om productietechnieken en grondstoffen in beeld te brengen. Hierbij werd het concept van het ‘recept’ van de pijpenbakker geïntroduceerd. Dezelfde analyse werden uitgevoerd op een reeks andere kleipijpen die op basis van stempels en merken met relatieve zekerheid konden toegewezen worden aan productieateliers in Holland, België en ook Gent. De resultaten werden in relatie gebracht met historische info voor de Belgische en Gentse nijverheid. We wisten alvast dat de Vlaamse pijpenbakkers net als de meeste collega’s in de buurregio’s niet de grootste innovators waren. Tot de 19de eeuw werd er gewerkt à la façon de Gouda. Nadien werd het pijpenbakkersassortiment ook sterk geïnspireerd op de ontwikkelingen in Franse en Waalse pijpnijverheid met de productie van tal van nieuwe en sterke versierde pijpmodellen zoals de fantaisies en figurale pijpen (§ 5.1). Tabel 31 overzicht van hielmerken uit het productieafval van het Fratersplein(laatste decennia 17de eeuw).
Hielmerk
Aantal
%
SMK
126
42%
Zittende vrouw
21
7%
A Gekroond
8
3%
EB gekroond
3
1%
KCDI
2
1%
SB gekroond
2
1%
Posthoorn
1
0%
Letter_3-IAB
1
0%
Geen merk
49
16%
Onleesbaar
88
29%
Totaal
301
100,00%
Figuur 173 voorbeeld van merk SMK
Het vondstmateriaal van het Fratersplein spreekt voor zich. Er konden in totaal 7 verschillende stempels worden herkent. Even terzijde: kijken we dan op de productie van één of meerdere pijpenbakkers? Een vraag die we op basis van het vondstmateriaal niet konden beantwoorden. Veruit het dominantste merk is het lettermerk SMK. Dit merk is gekend uit Gouda waar Simon Maertensz. Kunst de stempel gebruikt tussen 1660-1671 (Duco 2003b, 177). Hoe kunnen we nu die stempel verklaren tussen het Gents pijpenbakkersafval? Is het gewoon een flauwe imitatie
298
of is er meer aan de hand? Was er een Gentse pijpenbakker aan het werk met dezelfde initialen? Kwam de stempel van Kunst in Gent terecht. Zijn atelier lijkt in Gouda te stoppen weinig voor dat het Gentse materiaal werd gedumpt. Een aantal pijpjes in het afval zijn immers van het trechtervomige model dat pas rond 1680 tot ontwikkeling kwam. Of is Simon Maertensz. Misschien naar Gent verhuis? In de Gentse poortersboeken van hem alvast geen spoor. Of werd na opgave van zijn bedrijf zijn pijpenbakkersmaterieel verkocht en kwam er een deel van terecht bij Gentse ambachtslui. Zijn er nu duidelijke uiterlijke kenmerken waarmee we Belgische en Gentse producten van import kunnen onderscheiden? De dubbelconische pijpen in het laat 17de-eeuwse productieafval van de Fratersplein vertonen weinig lokale specificiteit, laat staan dat we kunnen spreken van een Gentse stijl. Ook in het consumptiemateriaal van de 17de en 18de eeuw blijven de lokale pijpen er moeilijk uit te halen. De stempel zegt op dat moment ook weinig want die wordt veelal nagezet van de Goudse collega’s (§ 5.3.2). Voor de 19de eeuw word het iets makkelijker om Belgische en Gentse producten er uit te halen want dan begint men ook hier marketing te maken vanuit de eigen naam. Eigen stempels worden ontwikkeld en de firmanaam verschijnt vaak op de steel. Voor de 17de en 18de eeuw is het zoeken naar indirect aanwijzingen. De stempels van het Fratersplein komen in verschillende ensembles uit de late 17de en vroege 18e eeuw terug. Vooral de A gekroond is een stempel die erg veel voorkomt. Een veelgebruikt merk dat onder andere (zo blijkt uit een steelmerk uit de collectie van de Oudburg) ook in Sas van Gent werd gezet maar dan met een iets ander uitzicht. Opvallend is dat het lettermerk in Gent vooral is terug te vinden op trechtervormige pijpen van het type dat ook aan de Fraterstraat werd aangetroffen. Laatste decennia 17de eeuw of vroege 18de eeuw ligt het hoogtepunt van het merk in onze collectie. Tabel 32 voorkomen van het merk A gekroond in de collectie: enkel ensembles 17d en 18a
Mariekerksesteenweg Seminariestraat Sint-Pietersabdij I Sint-Pietersabdij II Oudburg Schepenhuisstraat (bovenste lagen) Schepenhuisstraat (onderste lagen)
18a 17d 17d 17d 17d 18a 17d
1 7 7 2 4 10 4 35
Figuur 174 lettermerk A gekroond op trechtervormige pijp van de Seminariestraat. Eerste kwart 18de eeuw
Uit het archeometrisch onderzoek van het Gentse materiaal blijkt dat de Gentse pijpenbakkers wat grondstoffen betreft alvast niet moest onderdoen voor hun Goudse collega’s. Ze lijken dezelfde kwalitatieve kleien uit de Maasstreek. Ook technologisch kijken we op perfecte 299
ceramische producten. Kwaliteitsverschillen kunnen in de afwerking zitten. Bij het stempelen, decoreren en glazen bijvoorbeeld. Het afval van het Fratersplein neigt naar eenvoudige producten maar de stukken werden veelal gedumpt voor ze werden geglaasd. We kijken dus maar op een gedeeltelijk afgewerkt productieproces waardoor we hieruit niet te veel mogen afleiden. Als het om eenvoudige producten gaat, is de vraag of het kwaliteitsniveau noodzakelijk te verklaren is door een gebrek aan métier? Misschien wordt de agency van de pijpenbakker hier te weinig in rekening genomen. Gouda specialiseerde zich in 17de en 18de eeuw in de hoge kwaliteitspijp en boekte daar internationaal succes mee. In andere productieplaatsen zien we veelal een productie gericht op de pijp voor de modale roker. Misschien koos de Gentse en Vlaamse pijpenbakker bewust om in te zetten op de goedkope pijp? Daarbij heeft het ook weinig zin van de Vlaamse producties te gaan afwegen aan de Goudse kwaliteitskaders. De kans bestaat dat we twee in de kern gelijke maar eigenlijk totaal verschillende producten vergelijken. Wat is kwaliteit ook in deze? Een kwaliteitskader wordt veelal geschept op basis van de verwachtingen van het doelpubliek. Misschien produceerden de Gentse pijpenbakkers wel simpelweg kwalitatieve pijpen in het segment van de goedkope pijp? Goede goedkope pijpen dus. Gemaakt met de nodige vakkennis en métier – geïnspireerd door de Goudse stijl en traditie - maar zonder de ambitie om het Goudse product te evenaren. Doorheen de consumptiegeschiedenis van de Europese zien we gaandeweg ook de vraag naar kortere modellen (veranderende en jachtigere levensstijl) en goedkopere pijpen (voor alledaags gebruik?). Naarmate deze vraag van de markt luider wordt in de 19de eeuw, lijkt de Belgische pijpnijverheid zijn rug te rechten. Op dat moment begint het Goudse gildekader en zijn kwaliteitseisen verstarrend te werken. De concurrentie wint terrein op Gouda, vermoedelijk net omdat men zich makkelijker kan toeleggen op goedkopere en minder afgewerkte producten. Men moet geen verantwoording afleggen aan een gildebestuur en men had al lange tijd ervaring in het produceren van kwalitatieve goedkope pijpen. Kortom, kwaliteit – of een gebrek er aan - is voor ons geen argument om een pijp bij twijfel zo maar toe te wijzen aan een lokale producent. In de literatuur zien we vaak dat alle mooie producten aan Gouda worden toegewezen;d e eenvoudigere producten zullen dan wel van lokale makelij zijn. Onze kennis over de kenmerken van de lokale kleipijp en de kwaliteitskaders die lokale pijpenmakers hanteerden, is nog te beperkt om dit zomaar voor waar aan te nemen. Het beeld bij de lokale producties was vermoedelijk ook complexer dan het strikt gereguleerde drie kwaliteitenstelsel van Gouda. Als we bijvoorbeeld kijken naar de 19de-eeuwse pijpen in de ensembles van Sint-Pietersabdij III, Dobbeslot III en de Handelsbeurs zien we dat bij de gladde pijpen in Goudse traditie de merken en radering vaak slordig lijken. De koppen en vaak ook de stelen zijn vrijwel altijd mooi egaal geglaasd. Dit betekent dat er bewust werd ingezet op een van de meest tijdrovende stappen in het productieproces. Misschien was voor de (Belgische) consument in die periode een mooi blinkende pijp veel belangrijker dan een fijne afwerking van de details? Hoe moet het nu verder? Om beter zich te krijgen op de uiterlijke kenmerken van de lokaal geproduceerde kleipijp in onze gewesten is eenvoudigweg meer onderzoek nodig. Het productiemateriaal dat in onze archeologische depots zit moet in detail worden geanalyseerd. Ze kunnen dienen om lokale modellen, kenmerken en merken te definiëren. Ook bij toekomstig terreinwerk moet er verhoogde aandacht komen voor productiesites. Het historisch kader voor Gent en België dat in deze studie wordt aangeboden, kan dienen als een verwachtingskader. Ook meer syntheseonderzoek naar consumptie va kleipijpen kan nieuwe info aanbrengen. Dit kan op verschillend schalen van een stad over een regio tot op landelijke schaal. Pas bij het bestuderen en vergelijken van grote hoeveelheden data gaan zich patronen aftekenen op vlak
300
van gebruik van bepaalde merktekens (zoals de gekroonde A) of lokale/regionale kenmerken op vlak van afwerking (bv. glazen in de 19de eeuw). Ook meer archeometrisch onderzoek kan soelaas bieden. Deze pilootstudie heeft aangetoond dat archeometrische studies van kleipijpen een nuttige onderneming is. Op dit moment zijn we er reeds in geslaagd om op deze manier (1) gelijkenissen en verschillen tussen ateliers te detecteren, zowel geografisch en chronologisch; (2) bepaalde fases van het productieproces in detail te reconstrueren, in combinatie en wisselwerking met macroscopische observaties en historische informatie; (3) en de vaardigheden en keuzes van een pijpenbakker of atelier te demonstreren, zoals voor het Fratersplein materiaal. In de toekomst moet er vooral verder ingezet worden op de herkomststudie van klei én zand, maar ook moeten de effecten van kleizuivering, -vermenging, -bewerking en bakproces op kaolienklei grondig in kaart gebracht worden. Dit is mogelijk door twee pistes na te streven. Ten eerste door het geochemisch en petrografisch karakteriseren van (a) gekende productieateliers uit alle periodes van zowel productiemateriaal als consumptiemateriaal met diagnostische elementen zoals stempels, markering, decoraties, etc.; (b) kleistalen uit verschillende witbakkende kaolien kleibronnen; en (c) proxies te maken van witbakkend aardewerk die mogelijk dichter bij de historische ontginningen staan dan recent verzamelde kleistalen. Ten tweede door het uitvoeren van een experimentele studie naar bepaalde fases in het productieproces die momenteel nog een aantal onduidelijkheden bevatten over hun effect en impact. Specifiek gaat het hier om (a) de fases van kleizuivering, kleivermenging en zandverschraling die essentieel zijn om het geochemisch signaal te begrijpen en een kleipijp te kunnen matchen met één of meerdere kleibronnen; en (b) de zuivering van de klei en het zand en het bakproces om bepaalde petrografische observaties beter te kunnen duiden en om te zetten in concrete technologische indicatoren. Deze kennis is van groot belang om meer inzicht te verwerven over de productiekwaliteit en capaciteit van kleinschalige ateliers, de impact van stempelimitaties en de betrouwbaarheid van stempels en markeringen als diagnostisch element, het verhandelen van productiemateriaal en kennis, en de complexiteit van het handelsnetwerk dat achter de productie van één kleipijp schuilgaat. Met het uitvoeren van deze stappen zou het mogelijk kunnen zijn om ook vooruitgang te boeken op methodologisch vlak om kleipijpen zonder diagnostische kenmerken in het labo te identificeren en dateren. Ook kijken we naar onze collega’s historici. Het historisch verhaal van de Belgische pijpnijverheid verdient meer aandacht en gericht onderzoek van primair bronmateriaal. Voor de 17de en 18de eeuw is het beeld van de actieve pijpenbakkers erg onvolledig. Ook weten we bijzonder weinig over de manier waarop ze in de steden waren georganiseerd en de impact die ze er hadden op economisch en sociaal vlak.
15.2. Van toeback drinken tot tir Flobert Op vlak van pijpconsumptie zien we een gelaagd en complex beeld. Er werd gerookt onder militairen, in religieuze omgeving, in de vereniging, thuis en onderweg op straat. Bovendien vinden we ook pijpjes op het 19de-eeuwse schietkraam. Dit is belangrijk om hier als archeoloog rekening mee te houden. Je kan praktisch overal pijpen aantreffen in de bodem. de 19de eeuwen worden in Gent vooral pijpen in Goudse stijl geconsumeerd. Chronotypologisch vinden we de verschillende Goudse basistypes terug die sinds het tweede kwart van de 17de eeuw op de markt kwamen: de dubbelconische pijp, de trechtervormige pijp, de ovale pijp, de kromkop en de rondbodem. De Gentse consument lijkt de Goudse vormontwikkeling op de voet te volgen (Figuur 175). Vanaf de 19de eeuw zien we ook nieuwe 301
modellen in Franse stijl. Toch blijft het aandeel néogènes, fantaisies en figurale pijpen in ensembles zoals die van Sint-Pietersabdij III en de Handelsbeurs eerder beperkt. De ensembles worden vooral gedomineerd door pijpen in Goudse stijl en onder de néogènes ook veel eenvoudige en weinig versierde pijpen.
Figuur 175 overzicht van de ontwikkeling van de Goudse modellen op basis van materiaal uit de Gentse collectie
Was de Gentse consument in de 19de eeuw een wat traditionelere consument? Mogelijk wel maar vermoedelijk moeten we ook een verklaring zoeken in de ligging van onze gewesten tussen twee invloedsferen: die van de Goudse en die van de Franse pijptradities. Het Gents gebruiksassortiment ademt een Belgisch compromis uit met gladde onversierde pijpen in Hollandse stijl en versierde modellen in Franse stijl. 302
Mogelijk hebben keuzes in consumptie ook met handelsnetwerken en aanbod te maken. Het merendeel van de pijpen in de ensembles van Sint-Pietersabdij III en de Handelsbeurs lijkt Belgisch. De bewaarde handelscatalogi tonen aan dat aanbod van producenten danig kon verschillen. Waar men in de catalogi Knoedgen uit Bree en Wingender-Knoedgen uit Chokier heel wat fantaisies en figurale vindt, is dit biijvoorbeeld bij Croquet-Michel uit Bergen heel wat minder. Hij heeft een eerder ‘conservatief’ assortiment met nog erg veel pijpen in Goudse stijl en eerder sobere néogènes, fantaisies en figurale pijpen. Het assortiment van de 19de-eeuwse Gentse pijpenbakker kennen we niet. Steelmerken maken duidelijk dat er in de Handelsbeurs Gentse producten werden gerookt, helaas konden weinig van deze merken ook gekoppeld worden aan een pijpenkop en was er weinig modelanalyse mogelijk. De steeltjes wezen wel op steelpijpen in Goudse stijl. Tussen pijpenbakker en consument zat er dan ook nog vaak een pijpenhandelaar. Ook diens keuzes en mogelijkheden bepaalden mee welke pijpen er werden gerookt. Ook het assortiment van pijpenhandelaar De Landtsheer – dat we kennen uit archeologisch onderzoek tijdens de jaren 1980 – geeft blijk van een consumptiepatroon met Hollandse en Franse invloeden. Ludovicus Jacobus de Landtsheer in de periode 1860-65 vermeld als koopman van Hollandse pijpen verkochts importwaar waaronder Goudse, Franse en Engelse producten, maar ook veel Belgische pijpen (Van de Walle 1981) (zie ok § 5.3.1). In zijn assortiment vinden we veel pijpen die we ook hebben in de ensembles van de Handelsbeurs en SintPietersplein III. We herkennen onder andere de producten van Nihoul (JBN en D), maar ook het merk WS dat door verschillende Belgische producenten werd gebruikt. Rond het aandeel lokaal of regionaal geproduceerde pijpen in het 17de en 18deeeuws blijft het na ons onderzoek ook nog koffiedik kijken. Een aantal merktekens komen erg regelmatig terug wat kan wijzen op een continue afzet van bepaalde pijpenbakkers. Mogelijk wijst dit op een lokale populariteit van bepaalde merktekens in die periode. Gaat het Figuur 176 selectie van het assortiment van allemaal om importproducten of moeten pijphandelaar De Landtsheer (Van de Walle 1981) we in deze merken ook de pijpen van lokale of regionale herkomst zoeken? Het blijft een moeilijk gegeven en een eindeloze discussie
303
door een gebrek aan kennis rond de uiterlijke kenmerken van de lokale kleipijp. Het verhaal van de gekroonde A toont ook aan dat een éénduidig antwoord misschien niet mogelijk is. Het merk werd eind 17de eeuw-begin 18de eeuw op tal van plaatsen gebruikt. In Gouda maar mogelijk ook in Gent gezien het voorkomen van het merk in het productieafval van het Fratersplein. Tegelijkertijd is er ook het vroeg 18de-eeuws pijpje van de Oudburg met steelmerk Sas van Gent. De enige weg vooruit in de herkomstanalyse is meer onderzoek zoals geschetst in vorige paragraaf. Als er systematisch meer informatie komt uit onderzoek van productieafval gaan we misschien komen tot een set van specifieke kenmerken van de lokale kleipijp. Een kader dat dan weer kan ingezet worden bij de analyse van meer consumptiemateriaal. Naar sociale interpretatie van de consumptie bleef de studie misschien wat beperkt. Deels komt dat omdat een aantal ensembles te beperkt waren om doorgedreven conclusies te formuleren. Wat valt wel op: in militaire en religieuze context herkennen we toch patronen van groepsaankoop. Reeksen van identieke pijpen lijken in groep aangekocht en nadien verdeelt. Uit onderzoek van een aantal ensembles uit burgerlijke context blijkt dat de kleipijp niet zo’n betrouwbare statusindicator is. Bijvoorbeeld in de beerput van de Schepenhuisstraat zaten veelal pijpen van eenvoudige tot modale kwaliteit. Het ander vondstmateriaal in de beerput wijst op een erg luxueuze levensstijl. Op vallend is ook dat in vele ensembles – ook die uit religieuze en militaire context - pijpen van verschillend kwaliteitsniveau zijn terug te vinden. Misschien dat zelfs in de beste families er onderscheid werd gemaakt tussen pijpen voor dagelijks gebruik en die om op zondag te roken? Het ontbreken van bijvoorbeeld luxueuze lang gesteelde Gouwenaars in de beerput van de Schepenhuisstraat zou men kunnen verklaren door te stellen dat deze pijpen minder gebruikt en gebroken werden. Dat ze misschien bij een levenseinde tot de nog verkoopbare bezittingen werden gerekend? Interessant zou zijn om hierrond in de toekomst gericht onderzoek van boedelinventarissen te doen. In onze collecties zitten weinig pijpen die een maatschappelijk of politieke boodschap dragen. Toch zeker niet expliciet. Wat opvalt is de voorliefde voor de Belgische en Franse pijp in de ensembles van de Handelsbeurs en Sint-Pietersabdij III. Herkennen we hierin de mentaliteit van de bourgeoisie en militaire orde in de 19de eeuw? Is de keuze voor de Belgische pijp één uit nationalistische overwegingen? In die periode stond het jonge België alleszins veel dichter bij Frankrijk dan bij Holland.
15.3. Een gidsfossiel met een handleiding Kleipijpen worden doorgaans gezien als gidsfossiel om vroegmoderne vindplaatsen, structuren, sporen en vondstensembles te gaan dateren en interpreteren. Houdt deze veronderstelling stand na ons onderzoek? In zeker mate toch wel. De kleipijp blijft een relatief makkelijk te dateren artefact. Voor de 17de en 18de eeuw kunnen we stoelen op de basischronologieën van de Nederlandse kleipijp. Meeste importproducten uit die periode kwamen uit die richting, en bovendien diende de Goudse kleipijp en haar ontwikkeling als voorbeeld voor de lokale pijpenbakkers in onze gewesten. Met kennis van deze typo-chronologieën wordt het vaak mogelijk om vondstcontexten te gaan dateren tot op enkele decennia. Toch is er enige voorzichtigheid geboden. Er is Duco’s concept van het productieassortiment. Om de conservatieve consument te plezieren bleven oude pijpmodellen vaak circuleren terwijl er al nieuwe modellen in omloop waren (Duco 1988b). Daarom is het dateren van een enkele kleipijp altijd gevaarlijk. Beter is om dit op ensemble niveau te evalueren. In Gouda zien we dat bij de groffe modellen bepaalde modellen langer in omloop bleven. Bij de topproducten werd innovatie sneller doorgevoerd. We weten niet hoe de 304
lokale pijpenbakker omsprong met innovatie. Vermoedelijk bleven ver van Gouda als epicentrum van de vernieuwing oude ideeën en materialen langer in omloop. Lokale pijpenbakkers werkten vaak ook met opgekocht materieel waardoor persvormen mogelijk enkele decennia langer in gebruik bleven hier dan in Holland. Men moet gewoon altijd realiseren dat men in feite het pijpmodel dateert en niet de pijp. De pijp kan altijd jonger zijn dan het pijpmodel. Opnieuw meer onderzoek is nodig naar Vlaams productiemateriaal. Ook meer onderzoek naar consumptiemateriaal is nodig. Bij voorkeur op nauw gedateerde en gesloten contexten met voldoende materiaal. Zo kan gekeken worden welke pijpmodellen en specifieke morfologische en technische kenmerken er in een korte periode samen voorkomen.
305
BIBLIOGRAFIE
Acke, B. 2003. ‘Archeologisch onderzoek van de Lousbergfabriek aan de Seminariestraat’. Tijdschrift voor Industriële cultuur 21–84: 23*31. ———. 2007. ‘Seminariestraat’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 2–1: 104–15. Acke, B., M.C. Laleman, D. Lievois, P. Steurbaut, G. Stoops, en R. Trommelmans. 2007. ‘Bisdomplein’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 2–1: 17–34. Aerts, R., en G. Deneckeckere, red. 2015. Het (on)Verenigd Koninkrijk. 1815-1830, een politiek experiment in de Lage Landen. Rekkem. Agbe-Davies, A. S. 2006. ‘Alternatives to Traditional Models for the Classifications and Analysis of Pipes of the Early Colonial Chesapeake’. In Between Dirt and Discussion: Methods, Methodology and Interpretation in Historical Archaeology, door S. N. Archer en K. M. Bartoy, 115–40. New York. Alexander, L.T. 1979. ‘More Light on the Theory of Dating Clay Pipes by Measuring Stem Hole Diameters’. Quarterly Bulletin of the Archeological Society of Virginia 33–3: 81–86. Atkinson, D., en A. Oswald. 1969. ‘London Clay Tobacco Pipes’. Journal of the British Archaeological Association 32: 171–227. Baas, T. 1993. ‘Maastrichtse pijpenmakers uit de 17de, 18de en 19de eeuw’. Pijpelogische Kring Nederland 60: 481–92. Baillieul, B., M.C. Laleman, P. Raveschot, en J. Vandenhoute. 1979. De Sint-Pietersabdij te Gent. Gent. Banning, J. A. 1975. ‘De eerste Engelse pijpenmakers in ons Land’. Westerheem 24 : 1, 2–7. Barbieux, J., en M. Gabriel, red. 2006. Nom d’une Pipe ! tabac et pipes en terre, Flandre, Hainaut. Doornik. Bartels, M. 1999. Steden in scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Dordrecht. Bazelmans, J., M. Purmer, J.-W. de Kort, en A. Verspaandonk. 2017. ‘O Belgen! Wanneer gij Jantje Klaas zijn pijpje ziet rooken. Klei- en porseleinen pijpen van het Kamp bij Oirschot (gemeente Oirschot), 1832-1834.’ In PKN Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen Jaarboek 2017, 41–70. Leiden. Berkers, M., G. Desmet, en G. Stroops. 2011. ‘Steendam: Laatmiddeleeuwse pottenbakkersvondsten’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 5: 151–68. Binford, L. R. A. 1962. ‘New Method of Calculating Dates From Kaolin Pipe Stem Samples’. Southeastern Archaeological Conference Newsletter, nr. 9–11. Bogaert, W. van den, R. Van Gelder, en W. Nikkels. 1985. Vier eeuwen Nederlandse handelscatalogi. Amsterdam. Bradley, J., en G. De Angelo. 1981. European clay pipe marks from 17th century Onondaga Iroques Sites. Archaeology of Eastern North American 9. Atlanta.
306
Brinkhuizen, D., D. Cooremans, A. Ervynck, S. Stoops, en W. Van Neer. 2018. ‘Schepenhuisstraat - Hoogpoort: aan tafel bij de Gentse bourgeoisie uit de eerste helft van de 18de eeuw’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 2–8: 113–42. Brion, M., M. Van de Vijver, en A. Lentacker. z.d. ‘Postmiddeleeuwen’. In Aalter Woestijne. Een geschiedenis van meer dan 5000 jaar, onder redactie van K. De Groote en M. Van de Vijver, 345–90. Relicta Monografieën 5. Brussel. Brongers, G. A. 1964. Nicotiana Tabacum. The History of Tobacco and Tobacco Smoking in the Netherlands. Groningen. Brugmans, I.J. 1956. Statistieken van de Nederlandse Nijverheid uit de eerste helft van de 19de eeuw. Den Haag. Buntinx, J. 1986. ‘Het archief van de spinessen te Gent’. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent 40–1: 101–9. Carmiggelt, A. 1980. Zwolse tabakspijpenmakers en hun produkten. Zwolle. ———. 1988. De geschiedenis van de Leeuwarder tabakspijpenmakers; een historischarcheologische studie. Leiden. Caro, J. 2004a. La pipe en terre. Wallonie - Bruxelles - Flandres. Identification et datation. Bruxelles. ———. 2004b. La pipe en terre. Wallonie - Bruxelles - Flandres. Identification et datation. Bruxelles. Cassiman, A. 2020. Bouwblok. Tichelrei-Rodelijvekensstraat-Grauwpoort-Fratersplein, Gent, Provincie Oost-Vlaanderen. Onderzoek Eigenaarsgeschiedenis 17de-begin 19de eeuw - fase 1. (onuitgegeven onderzoeksrapport). Clist, B. 2008. ‘Les pipes en terre cuite et en pierre’. In Une archéologie des provinces septentrionales du royaume Kongo, onder redactie van B. Clist, P. de Maret, en K. Bostoen, 297–328. BAR International Series 303. Oxford. Corti, E. C. C. 1930. Die trockene Trunkenheit. Leipzig. Davidson, L.S., en P. Davey. 1982. ‘Thin section analysis of clay used in five British clay pipe production centres’. In The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe, 311–44. BAR British series 100. Oxford. De Groote, K. 2008. Middeleeuws aardewerk in Vlaanderen. Techniek, typologie, chronologie en evolutie van het gebruiksgoed in de regio Oudenaarde in de volle en late Middeleeuwen 10de-16de eeuw. Relicta Monografieën 1. Brussel. De Gryse, J., en J. Vandevelde. 2007. Archeologisch onderzoek rond de Wolweverssite - Gent. Onuitgegeven Onderzoeksrapport. De Vries, J. 2008. The industrious revolution. Cambridge. De Vuyst, W., en G. Everaert. 2001. ‘De Handelsbeurs. De metamorfose van de Gentse Hoofdwacht (19de-begin 20ste eeuw)’. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent 55–1: 297–346. Decavele, J., en R. De Herdt. 1976. Gent op de wateren naar de zee. Antwerpen. Declef, G. 1987. ‘Les pipes en terre de Givet’. Terres ardennais (buiten de reeks). Decuninck, M., P. Pype, K. Van Iseghem, en G. Vermeiren. 2007. ‘Kouter, Handelsbeurs’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 2–1: 104–15. Deneckere, G., B. De Wever, T. De Paepe, en G. Vanthemsche. 2020. Een geschiedenis van België. Gent. Desmet, G. 2014. ‘Weetjes over pijpjes’. De Gonde 2: 2–4. Desmet, G., en M.C. Laleman. 1980. ‘Dobbel slot/1. Onderzoek van een bedreigd terrein’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, nr. 4–1: 20–26. Desmet, G., en P. Raveschot. 1989. ‘Ceramische recipiënten uit de beerput van de Oudburg’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, 13–25. Desmet, G., en J. Rommelaere. 1988. ‘Oudburg 21’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 12–4: 45–49.
307
Despriet, Ph. 1995. Pijpen- en pottenbakkerij in kortrijk/Overleie (1860–1950). De noodopgraving van 1994–1995. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 33. Kortrijk. Dhondt, F. 2008. Nec pluribus impar ? De campagnes en onderhandelingen van Lodewijk XIV in de Zuidelijke Nederlanden, 1707-1708. onuitgegeven masterscriptie Universiteit Gent. Drouin, P., en M. Savard. 2000. Les pipes à fumer de Place-Royale. Dossiers 67. Saint-Foy. Duco, D.H. 1978. ‘Pijpemakers in ’s Hertogenbosch’. Pijpelijntjes 4–3. ———. 1981a. ‘De kleipijp in de 17de eeuwse Nederlanden’. In The archaeology of Clay Tobacco Pipes V, door P. Davey. BAR International Series 106. Cambridge. ———. 1981b. ‘The Clay Tobacco Pipe in Seventeenth Century Netherlands’. In The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 5. Europe II, onder redactie van P. Davey, 368–468. BAR International Series 106. Oxford. ———. 1982a. ‘Belastingheffing om concurrentie te beslechten’. Pijpelijntjes 8–3: 2–17. ———. 1982b. Merken van Goudse pijpenmakers 1660-1940. Amsterdam. ———. 1987a. De Nederlandse kleipijp. Handboek voor dateren en determineren. Leiden. ———. 1987b. De Nederlandse kleipijp. Handboek voor dateren en determineren. Leiden. ———. 1988a. ‘Gouda’. In De kleipijp als bodemvondst, onder redactie van F. Tijmstra en J. Van der Meulen, 64–87. Leiden. ———. 1988b. ‘Het assortiment van de pijpenmaker Arend van Dijk’. https://pipemuseum.nl/nl/article/het-assortiment-van-de-pijpenmaker-arend-van-dijk, 1988. ———. 1990a. ‘A waste dump by Dirk Barunet from Gorinchem’. https://pipemuseum.nl/en/article/een-stortvondst-van-dirk-barunet-uit-gorinchem. ———. 1990b. ‘Een stortvondst van Dirk Barunet uit Gorinchem’. https://pipemuseum.nl/nl/article/een-stortvondst-van-dirk-barunet-uit-gorinchem, 1990. ———. 1991a. ‘De diamantpijp van Goedewaagen, een opmerkelijk vormgegeven holwandige pijp’. https://pipemuseum.nl/nl/article/de-diamantpijp-van-goedewaagen-een-opmerkelijkvormgegeven-holwandige-pijp. ———. 1991b. ‘Vormmakersgereedschap uit Kortrijk, een vondst van onschatbare waarde’. https://pipeportal.eu/article/frans-figuraal-als-inspiratie-voor-belgische-pijpenfabrieken, 1991. ———. 1992. ‘The waste dump of Jan Blij, a unique find fully disturbed’. https://pipemuseum.nl/en/article/de-pijpenstort-van-jan-blij-een-verkeken-kans. ———. 1996. ‘Goudsche tabagie of gastvrij hoerehuijs’. https://pipemuseum.nl/nl/article/goudsche-tabagie-of-gastvrij-hoerehuijs, 1996. ———. 1999a. ‘Het determineren van pijpvondsten verspreid over Europa, een richtlijn’. https://pipemuseum.nl/nl/article/het-determineren-van-pijpvondsten-verspreid-over-europaeen-richtlijn, 1999. ———. 1999b. Koninklijke Goedewaagen (1779-1982). Een veelzijdig ceramisch bedrijf. Amsterdam. ———. 2002. ‘De Amsterdamse pijpenmaker Eduard Bird, een levensschets’. https://pipemuseum.nl/nl/article/de-amsterdamse-pijpenmaker-eduard-bird-eenlevensschets, 2002. ———. 2003a. Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda. Amsterdam. ———. 2003b. Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda. Amsterdam. ———. 2003c. ‘Richtlijnen voor het verwerken van pijpvondsten’. https://pipemuseum.nl/nl/article/richtlijnen-voor-het-verwerken-van-pijpvondsten, 2003. ———. 2004a. Century of change. The European clay pipe, it’s final flourish and ultimate fall. Amsterdam. ———. 2004b. ‘Drie eeuwen tabakspijpen uit Alkmaar, Een analyse van de kleipijpen na vijftien jaar stadskernonderzoek’. Vormen uit Vuur, Nederlandse Vrienden van de Ceramiek 186/187.
308
———. 2007. ‘Pijpvondsten van de Citadel te Antwerpen’. https://pipemuseum.nl/nl/article/pijpvondsten-van-de-citadel-te-antwerpen. ———. 2009. ‘Van gidsfossiel tot statusindicator, een persoonlijk relaas van veertig jaar onderzoek naar kleipijpen’. https://pipemuseum.nl/nl/article/van-gidsfossiel-totstatusindicator-een-persoonlijk-relaas-van-veertig-jaar-onderzoek-naar-kleipijpen, 2009. ———. 2014. ‘Frans figuraal als inspiratie voor Belgische pijpenfabrieken’. https://pipeportal.eu/article/frans-figuraal-als-inspiratie-voor-belgische-pijpenfabrieken, 2014. ———. 2019. ‘Persvormen van Ritzen, meervoudig bijzonder’. https://pipemuseum.nl/en/article/persvormen-van-ritzen-meervoudig-bijzonder, 2019. Edwards, L. 1988. The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 11. Seventeenth and Eighteenth Century Tyneside Tobacco Pipe Makers and Tobacconists. Onder redactie van P. Davey. BAR British series 192. Oxford. Engelen, J. 1988. ‘De Pijpenoven te Weert’. Archeologie in Limburg 38: 155–58. ———. 1990. ‘Geschiedenis van de pijpenfabriek in Bree’. Het Ezendropke 17: 7–20. ———. 2006. Pijpenfabriek Trumm-Bergmans Weert. Leiden. Erdmann, W., H. Kühn, H. Lüdtke, E. Ring, en W. Wessel. z.d. ‘Rahmenterminologie zur mittelalterlichen Keramik in Norddeutschland’. Archäologisches Korrespondenzblat 14: 417–36. Fraikin, J. 1978. La fabrication de la pipe en terre. Luik. ———. 1979a. ‘Piper de Wallonie 1’. Enquêtes du Musée de la Vie Wallonne 14: 257–96. ———. 1979b. ‘Stenen Pijpen’. In Pijp en Toebak. Catalogus tentoonstelling Provinciaal Openluchtmuseum Bokrijk, 16–33. Bokrijkse berichten 17. Hasselt. ———. 1980a. ‘Piper de Wallonie 2’. Enquêtes du Musée de la Vie Wallonne 15: 72–112. ———. 1980b. ‘Pipiers de Belgique’. La Vie Wallonne 14: 291–311. ———. 1981a. ‘Pipe Makers in Wallonia’. In The Archaeology of Clay Tobacco Pipe 5. BAR International Series 106. Oxford. ———. 1981b. ‘Piper de Wallonie 3’. Enquêtes du Musée de la Vie Wallonne 15: 72–112. ———. 1985. ‘Armand Tombu et les pipiers d’Andenelle’. Tradition wallonne 2. Friedrich, F. H. W. 1975a. Pijpelogie. Vorm, versiering en datering van de Hollandse kleipeip. Westzaan. ———. 1975b. Pijpelogie, vorm, versiering en datering van de Hollandse kleipijp. Voorburg. Gavin, L. 2004. An Archaeology of Colonial Identity: Power and Material Culture in the Dwars Valley, South Africa. Contributions To Global Historical Archaeology. New York. Gelaude, F. 2021. Getemde rivieren. Hoe het middeleeuwse Gent Schelde en Leie bedwong. Gent. Geyskens, L. 2002. ‘Beelden en plaketten uit pijpaarde te Antwerpen’. Berichten en rapporten over het Antwerps Bodemonderzoek en Monumentenzorg 5: 9–114. Goderis, J. 1996. ‘Een pijpenstort gevonden in de Meelstraat te Roeselare’. West-Vlaamse Archeokrant, nr. 9: 3–9. ———. 2000. ‘Pijpenkoppen en –stelen uit Dadizele’. West-Vlaamse Archeokrant, nr. 34: 38–43. ———. 2012. ‘Pijpen wijzen op interacties aan het kanaal Roeselare-Leie’. West-Vlaamse Archeokrant 75. ———. 2013. ‘Pijpen uit de Roeselaarse stadshalle’. West-Vlaamse Archeokrant 79. ———. 2021. ‘De pijpennijverheid in Roeselare in België’. In . Jaarboek PKN. Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen. Leiden. Goedewaagen, D. A., en G.C. Helbers. 1942. Goudsche pijpen, De geschiedenis van de pijpmakerij te Gouda & De merken en merkenrecht van de pijpmakers te Gouda. Gouda. Goemare, E.,P.-Y. Declercq en Y. Quinif. 2012. ‘Vingt siècles d’exploitation des argiles plastiques d’Andenne (Belgique): du gisement au musée de la céramique’. Annales de la Société Géologique du Nord 19: 87–97.
309
Goes, B. 1993. 25 eeuwen roken. Een verwonderljke vormgeving van de pijp. Amsterdam. Gosse, Ph. 2007. The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 19. Les pipes de la quarantaine. Fouilles du port antique de Pomègues (Marseille). Onder redactie van P. Davey. BAR International Series 1590. Oxford. Goubitz, O. 1989. ‘Afvalstuk en modeschoen. Ledervondsten uit de Oudburg’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, 35–45. Goyak, D., en I. Stuart. 1999. ‘The Potential for the Archaeological Study of Clay Tobacco Pipes from Australian Sites’. Australian Historical Archaeology 7: 38–47. Haan, J.H. 2016. Landhuizen en villa’s in Nederland 1840-1916. Hanson, L. 1968. ‘Kaolin Pipestems—Boring in on a fallacy’. Conference on Historic Site Archaeology Papers 4: 2–15. Harrington, J.C. 1954. ‘Dating Stem Fragments of Seventeenth and Eigteenth Century Clay Tobacco Pipes’, nr. 9–1. Heege, A. 2003. ‘Tonpfeifen aus Einbeck, Niedersachsen’. Knasterkopf, nr. 16: 11–68. Heigthon, R., en K. Deagan. 1971. ‘A New Formula for Dating Kaolin Clay Pipestems’. The Conference on Historic Site Archaeology Papers 6: 220–29. Heikamp, H. 2003. Handleiding classificatiesysteem voor Laat- en Postmiddeleeuws aardewerk en glas. Zwolle. Hendrickx, P. 1963. ‘De pijp door de eeuwen heeb’. Ons Heem 17–5. Herremans, D. 2013. Holy vows, worldly manners: monastic space, consumption practices and social identity in the Cistercian nunnery of Clairefontaine. onuitgegeven doctoraatscriptie Universiteit Gent. Hesemans, J. 1994. ‘The Breda Muffle Kiln’. Newsletter of the Society for clay pipe research 41: 2–15. Hibben, C. C. 1983. Gouda in revolt. Particularism and pacifism in the revolt of the Netherlands 1572-1588. Utrecht. Higgins, D. 1987. The Interpretation and Regional Study of Clay Tobacco Pipes: A Case Study of the Broseley Distric. onuitgegeven doctoraatscriptie University of Liverpool. Gent. ———. 1988. ‘A Catalouge of Clay Tobacco Pipe Stamps Found in England’. Society for Clay Pipe Research Newsletter 18: 19–20. ———. 1995. ‘Clay tobacco pipes: a valuable commodity’. The International Journal of Nautical Archaeology, 47–52. ———. 2002. ‘Bericht über die Entdeckung eines Pfeifenofens bei Cleobury Mortimer, Shropshire/GB’. Knasterkopf, nr. 15: 97–98. ———. 2008. ‘Merseyside Clay Tobacco Pipes, c1600-1750’. Journal of the Merseyside Archaeological Societ 12: 125–60. ———. 2013. ‘The Clay Tobacco Pipe Industry in Reading’. In Under the Oracle: Excavations at The Oracle Shopping Centre Site 1996-8: The Medieval and Post-Medieval Urban Development of the Kennet Floodplain in Reading, 221–35. Thames Valley Landscapes Monograph 36. Oxford. ———. 2017. Guidelines for the Recovery and Processing of Clay Tobacco Pipes from Archaeological Projects. Liverpool. Hoste, L. 1987. ‘Uithangborden in Gent (vervolg).’ Ghentsche Tydinghen, nr. 16–2. ———. 1992. ‘Gezelschapsleven te Gent in de 19de begin 20ste eeuw’. Ghendtsche Tydinghen 21– 6: 329–400. Hupperetz, W. 1993. ‘Pijpenmakers in Breda gedurende de zeventiende eeuw’. In , 157–77. Jaarboek de Oranjeboom 47. Hurk, J.L.F., en E. Nijhof. 1983. ‘De Bossche pijpindustrie en haar producten’. Pijpelogische Kring Nederland 23: 60–67. Javaux, H. 1934. ‘La pipe en terre d’Andenne, sa fabrication et son histoire’. Le Guetteur Wallon 51: 49–60.
310
Jayasena, R.M. 2001. ‘Sporen van de 17de eeuwse pijpenproductie in Amersfoort’. In , 7–9. De Kroniek 4. Kamermans, J.A. 1999. Materiële cultuur in de Krimenerwaard in de zeventiende en achttiende eeuw. Onwtikkeling en diversiteit. (onuitgegeven doctoraatscriptie Universiteit Wageningen). Kluttig-Altmann, R. 2002. ‘Hirdurch zihet man den rauch ins Maull”: Tonpfeifen aus Leipziger Stadtkerngrabungen 1992–2000 im Kontext ihrer typologischen und kulturhistorischen Entwicklung’. Arbeits- und Forschungsberichte zur Sächsichen Bodendenkmalpflege 44: 229– 63. Kluttig-Altmann, R., en M. Kügler. 2003. ‘Bewegung in Sachsen: Ein Beitrag zur Emanzipation der deutschen Tonpfeifenforschung’. Knasterkopf 16: 88–98. Kompier, F.F. 1984. ‘Pijpenfabricage in Venlo’. Pijpelogische Kring Nederland 25: 4–5. Korpershoek, E. 2020. De pijpenmakers van Schoonhoven. Leiden. Kügler, M. 1987. Tonpfeifen: Ein Beitrag zur Geschichte der Tonpfeifen-bäckerei in Deutschland. Höhr-Grenzhausen. ———. 1995. Pfeifenbackerei im Westerwald. Die Geschichte der Pfeifenbackerei des unteren Westerwaldes von den Anfängen um 1700 bis heute. Werken und Wohnen 22. Köln. Laleman, M.C., D. Lievois, G. Stoops, en P. Swimberghe. 1996. ‘Hollands porselein uit Gent’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 20–3: 5–55. Laleman, M.C., P. Raveschot, en R. Van de Walle. 1989. De Sint-Pietersabdij te Gent. Het rijke leven van zieke monikken. Twee afvalputten uit de infermerie 16-1780. Gent. Lampo, Jan. 2017. Gelukkige stad: De gouden jaren van Antwerpen (1485-1585). Amsterdam. Lawrence, S. 1979. ‘York Pipes and Their Makers’. In The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 1. Britain: the Midlands and Eastern England, onder redactie van P. Davey, 67–84. BAR British series 63. Oxford. Léo, J. 1971. Les pipes en terre françaises, du 17me siècle à nos jours. Brussel. Lievois, D. 1984. ‘De Gentse pottenbakkers in de 17de eeuw’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 8–3: 39–55. ———. 1985. ‘Pottenbakkerijen en pottenbakkers te Gent in de 17de eeuw’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 9–3: 39–55. ———. 1991. ‘Wie vulde de afvalput in de Schepenhuisstraat?’ Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 15–3: 15–29. Lingen, B. van der. 2000. ‘Tabakspijpenmakers in Woerden in de 17de en 18de eeuw’. Pijpelogische Kring Nederland 89: 1205–19. ———. 2004. ‘Pijpenmakers uit Aarlanderveen, Alphen en Hazerswoude Rijndijk’. Pijpelogische Kring Nederland 103: 1545–50. McKillian, L. K. 2010. Put this in your pipe and smoke it: an evalution of tobacco pipe stem dating methods. Onuitgegeven masterscriptie East Carolina University. Mehler, N. 2007. ‘Tonpfeifen als neuzeitliche Grabbeigabe: Überlegungen zu den Ursachen einer Beigabensitte’. Knasterkopf 19: 50–52. ———. 2009a. ‘Clay pipes in Bavaria and Bohemia: common ground in the cultural and political history of smoking’. Studies in Post-Medieval Archaeology 43–2: 317–36. ———. 2009b. ‘The archaeology of mercantilism: clay tobacco pipes in Bavaria and their contribution to an economic system’. Post-Medieval Achaeology 43–2: 261–81. ———. 2010. Tonpfeifen in Bayern (ca. 1600-1745). Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters, Beiheft 22. Bonn. Mehler, N., en R. Kluttig-Altmann. 2007. ‘Die Emanzipation der deutschen Tonpfeifenforschung. Frühe deutsche Tonpfeifenproduktion im 17. Jahrhundert’. Archäologie der frühen Neuzeit. Mitteilungen der Deutschen Gesellschaft für Archäologie des Mittelalters und der Neuzeit, 2007.
311
Meulen, J. Van der. 2000. ‘Tabakspijpennijverheid in Gorinchem’. Pijpelogische Kring Nederland 87: 1156–62. ———. 2005. ‘Een pijpenmaker in Sneek’. Pijpelogische Kring Nederland 110: 1712. Meulen, J. Van der, en T. Bottelier. 2001. ‘Pijpenmakers en branders in Haarlem’. Pijpelogische Kring Nederland 93: 1313–21. Meulen, J. Van der, en J.P. Brinkerink. 1992. Tabakspijpennijverheid in Gorinchem. Den Haag. Mordant, R. 1999. La pipe en terre d’Andenne et ses marques. Andenne. Moureaux, M.P. 1973. Le commerce entre la France et les PaysBas Autrichiens dans la seconde moitie du 18 siècle. Congres Aires et Structures du commerce français au 18 siècle. Paris. Mullins, P. 1999. Race and Affluence: an archaeology of African American and consumer culture. London. Noël Hume, A. 1963. ‘Clay Tobacco Pipe Dating in the Light of Recent Excavations’. Quarterly Bulletin of the Archeological Society of Virginia 18–2: 22–25. Oost, T. 1982. ‘De pijpen’. In Van nederzetting tot metropool - Archeologisch-historisch onderzoek in de Antwerpse binnenstad, 85–89. Antwerpen. ———. 1986. ‘Kleipijpen’. In Vier eeuwen roken. Antwerpen. Oostveen, J. van. 2015. De tabakspijpen van het kasteel Middelburg-in-Vlaanderen. Tiel. ———. 2017. tabakshandelaren en tabakspijpmakers in Bergen op Zoom in de 17de eeuw. Tiel. Oswald, A. 1961. ‘The Evolution and Chronology of English Clay Tobacco Pipes’. Archaeological News Letter 7–3: 55–62. ———. 1975. Clay Pipes for the Archaeologist. BAR British series 140. Oxford. Peacey, A.A. 1979. Clay Tobacco Pipes in Gloucestershire. Committee for Rescue Archaeology in Avon, Gloucestershire and Somerset, Occasional Paper 4. Gloucester. ———. 1982. ‘The structural development of Clay Tobacco Pipe Kilns in England. A preliminary study’. In The Arachaeology of the Clay Tobacco Pipe 7, door P. Davey. BAR British series 100. Oxford. Peacey, A.A., en A. Vince. 2003. ‘Chemical characterization of clay pipes and wig curlers from Roy’s Orchard, Pipe Aston, Herefordshire’. Post-Medieval Achaeology 37–2: 207–16. Pholien, F. 1906. ‘Notes sur les “pipes à fumer”’. In La céramique au pays de Liège, 137–48. Luik. Pieters, M., en J. Van Oostveen. 2015. ‘De pijp van Panesi’. De Grote Rede, nieuws over onze kust en zee. Vlaams Instituut voor de Zee 40: 34. Pirlot, A.-M. 2009. De cafés van Brussel. Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis 48. Brussel. Pottier, W. 1986. ‘Antwerpse pijpenmakers in de 18de eeuw’. In Vier eeuwen roken. Antwerpen. Poulain, M. 2016. The habits of war: early modern ceramics in Flanders. onuitgegeven doctoraatscriptie Universiteit Gent. Gent. Raphael, M. 1991. La pipe en terre, son périple à travers la France. Vitrolles. Raveschot, P. 1989. ‘Het glas uit de beerput van Oudburg 21’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, 35–45. Rice, P.M. 2015. Pottery Analysis: A sourcebook, Second Edition. Chicago. Röber, R. 2002. ‘Tönerne Tabakspfeifen von der Liegenschaft Salzstraße 22 in Freiburg’. In Das Haus “Zum roten Basler Stab” (Salzstraße 20) in Freiburg im Breisgau, onder redactie van F. Galioto. Stuttgart. Roessingh, H. K. 1976. Inlandse Tabak. Expansie en contractie van een handelsgewas in de 17e en 18e eeuw in Nederland. Wageningen. Rutten, H.G.M. z.d. ‘Een fabriek voor tabakspijpen te Stevensweert’. In Echter landjaarboek. Heemkundige bijdragen over Echt en omgeving. 1989. Rutter, J.A., en P. Davey. 1980. ‘Clay Pipesfrom Chester’. In The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 3. Britain: the North and West, onder redactie van P. Davey, 41–272. BAR British series 78. Oxford.
312
Sanders, J.G.M. 2002. ‘Belastingen’. In Noord-Brabant in de Bataafs-Franse Tijd, 1794-1814. Een institutionele handleiding., onder redactie van J.G.M Sanders, J.A.M.Y. Bos-Rops, J.G.M. Sanders, en A.P. van Vliet, 121–46. ’s Hertogenbosch. Schmaedecke, M. 2002. ‘Floral verzierte Pfeifenstiele aus Südwestdeutschland und angrenzenden Regionen. Ansätze zu einer Systematisierung von Produkten vornehmlich aus dem Raum Mannheim/Frankenthal’. Knasterkopf 15: 19–34. Schneider, G., M. Daszkiewicz, en C. Höpken. 2004. ‘Die chemische Zusammensetzung der Keramik aus Kölner Töpfereien’. Kölner Jahrbuch 37: 489–94. Schotanus, F. 2014. De beste sigaret voor uw gezondheid. Hoe roken de wereld veroverde. Amsterdam. Schotel, G. D. J. 1905. Het maatschappelijk leven in de 17de eeuw. Amsterdam. Seeliger, M. 1993. Pfeifenmacher und Tonpfeifen zwischen Weser und Harzvorland: Geschichte der Handwerker und ihrer Erzeugnisse. Beiträge zur Volkskunde in Niedersachsen 6. Göttingen. Smiesing, P. K., en J. P. Brinkerink. 1988. Onder de rook van Utrecht, twee eeuwen tabakspijpenmakerij in Lauwerecht 1600-1800. Utrecht. SN. 2018. ‘Rookmagazine extrra. Brochure bij de expo “Rook” in het Huis van Alijn (19-10-201818-08-2019-’, 2018. Soil de Moriamé, E. 1886. Fabricants de pipes à fumer tabac. Poitiers et Faïenciers tournaisiens. Rijssel-Doornik. Stam, R. D. 1989. ‘Op een pijpenpot past een deksel’. Pijpelogische Kring Nederland 42–46: 81– 139. ———. 2018. ‘Vier pijpenfabrieken uit Nimy, Maisières en Mons (België)’. In , door B. van der Lingen, E. Korpershoek, en A. de Haan, 167–84. Jaarboek PKN. Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen 2018. Leiden. ———. 2019a. ‘De Belgische export en import van pijpen na de Belgische onafhankelijkheid’. In De pijpennijverheid in België, 27–37. Leiden. ———. 2019b. De pijpennijverheid in België. Jaarboek PKN. Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen. Leiden. ———. 2019c. ‘Iets over de sociale geschiedenis van de Belgische kleipijpennijverheid’. In De pijpennijverheid in België, onder redactie van R. D. Stam, 39–47. Leiden. ———. 2019d. Vergeten glorie: De economische ontwikkeling van de Nederlandse kleipijpennijverheid in de 17e en 18e eeuw, met speciale aandacht voor de export. (onuitgegeven doctoraatscriptie Universiteit Utrecht. ———. 2019e. Vergeten glorie: De economische ontwikkeling van de Nederlandse kleipijpennijverheid in de 17e en 18e eeuw, met speciale aandacht voor de export. (onuitgegeven doctoraatscriptie Universiteit Utrecht. ———. 2019f. ‘Waarom de ontwikkeling van de pijpennijverheid in België zo anders was als die in Nederland’. In De pijpennijverheid in België, 9–26. Leiden. Standke, G. 2003. ‘Tonpfeifen—Pfeifenton: Zur geologischen Geschichte des Rohstoffes’. Knasterkopf 16: 99–104. Steendijk, T. 1983. ‘Tabaksbelasting en pijpmakers in de 17de eeuw in Hoorn’. Pijpelogische Kring Nederland 20: 76–79. Stephan, H. G. 1995. Großalmerode: Ein europäisches Zentrum der Herstellung von technischer Keramik. Teil II: Technische und Baukeramik, Tonpfeifen, Knicker, Steingut. Großalmerode. Tillie, W. 1983. Potten- en pijpenbakkers in Poperinge (16de-20ste eeuw). Aan de Schreve 1. Poperinge. Tupan, H. 1980. ‘De Groninger tabakspijpmakers in de 17de en 18de eeuw’. Pijpelogische Kring Nederland 8: 4–15. Tymstra, F., en J. van der Meulen, red. 1988. De kleipijp als bodemvondst.
313
Van de Walle, R. 1980. ‘Dobbelslot 3. Pijpen’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 4–2: 24–36. ———. 1981. ‘19de-eeuwse pijpenhandel in Gent’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 5–3: 5–14. ———. 1989. ‘Voorwerpen in pijpaarde uit de beerput van Oudburg 21’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 13–3: 26–35. ———. 1990. ‘Voorwerpen uit pijpaarde uit de afvalput aan de Schepenhuisstraat’. Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent 15–2: 30–33. Van der Meulen, H. 2003. ‘De pijpenmakerijen’. In In Gorcum Gebakken, 40–55. Gorcum. Van der Meulen, H., en H. Tupan. 1980. De Leidse tabakspijpmakers in de 17e en 18e eeuw. Leiden. Van der Meulen, J. 1985. ‘Pijpenmakers en hun merken in de eerste helft van de 19de eeuw’. Pijpelogische Kring Nederland 30: 34–48. ———. 1989. ‘Delftse pijpenmakers en hun producten’. Pijpelogische Kring Nederland 45: 102–15. ———. 1994. De ‘gekroonde roos’ en anderer pijpenmakersmerken uit Gouda. Leiden. ———. 1999. Leidse pijpenmakers ten voeten uit. Leiden. ———. 2003a. Goudse pijpenmakers en hun merken. Den Haag. ———. 2003b. Goudse pijpenmakers en hun merken. Den Haag. Van der Meulen, S. 1986. De " Gouwenaars’’ van Alphen aan den Rijn. Leiden. Van Herck, C. 2014. ‘Mannekes van het schietkraam anno 1900’. Opgetekend verleden, 2014. Van Hoonacker, E.J. 1971. ‘Kortrijkse pijpen’. De Leiegouw 13-3/4: 239–48. ———. 1977. ‘Merktekens van Kortrijkse pijpen’. De Leiegouw, nr. 19: 236. Van Meteren, E. 1608. Commentarien ofte Memorien van-den Nederlantschen Staet, Handel, Oorloghen ende Geschiedenissen van onsen tijden, etc. Mede vervattende eenige haerder ghebueren handelinghen. Van Nieuwenhuyse, Ann. 1993. ‘Mens en tabak’. Tijdschrift voor Industriële cultuur 42–2: 3–17. Van Nuland, E. 2006. ‘Studie van Patacons uit een 18de-eeuws vondstencomplex uit de Peperstraat in Aalst’. Van Mensen en Dingen: tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 4–4: 331–50. Van Oostveen, J. 2014. Tabakspijpen van het strand in Oostende (België). Tiel. ———. 2016. ‘Tabak en tabakspijpnijverheid in de steden Amersfoort en Utrecht’. In , 39–47. Jaarboek PKN. Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen. ———. 2021. Tabakspijpen en pijpenmakers uit Antwerpen. Lokale en elders geproduceerde kleipijpen. Tiel. Van Oostveen, J., en A. Bonnema. 1998. ‘Amsterdams pijpenmakersafval’. Pijpelogische Kring Nederland 79: 963–72. Van Oostveen, J., en A. Kleijweg. 2009. Tabakspijpennijverheid in Schoonhoven. Leiden. Van Oostveen, J., en R. D. Stam. 2011. Productie van Nederlandse kleipijpen. Een ovezricht van de stand van zaken. Leiden. Vandenbroeke, Ch. 1985. ‘De proto-industriële ontwikkeling van België in het kader van de internationale historiografie’. Revue belge de philologie et d’histoire, nr. 63–2: 310–23. Vanklemput, V. 1996. La Pipe et le Tabac au XVIIIe siècle dans les Pays-bas autrichiens (onuitgegegeven Licentiaatscriptie Université Libre de Bruxelles). Brussel. Veeckman, J. 1987. ‘De pijpenvondsten uit een afvalput van de Suikerrui 17–19, voorheen Dienst van Toerisme’. Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bouwhistorie en Geschiedenis, nr. 1987–2: 19–39. Veenendaal, J. 1950. ‘The opening Phase of Marlborough’s campaign of 1708 in the Netherlands: A Version from Dutch Sources’. History 34–123: 34–38. Verbeke, A. 1963. ‘Pijp en tabak uit land en stad : Gent’. Ons Heem, nr. 27–5: 175. Versluys, L. 1981. Het kleiboek, oude technieken en nieuwe mogelijkheden. Leuven.
314
Vince, A., en A.A. Peacey. 2006. ‘Pipemakers and Their Workshops’. In Between Dirt and Discussion, 11–31. Boston. ———. 2007. ‘Pipemakers and Their Workshops’. In Between Dirt and Discussion: Methods, methodology, and interpretation in historical archaeology, onder redactie van S. N. Archer en K. M. Bartoy, 11–31. Boston. Wacke, A. 2014. The clay tobacco pipe collection from Hólar, Iceland. A case study. (onuitgegeven masterscriptie University of Iceland. Walker, I. C. 1971. ‘The manufacture of Dutch Clay Tobacco-Pipes’. Northeast Historical Archaeology 1. Watkins, G. 1979. ‘Hull Pipes ‑ a Typology’. In The Archaeology of the Clay Tobacco Pipe 1. Britain: the Midlands and Eastern England, onder redactie van P. Davey, 85–121. BAR British series 63. Oxford. Werveke, A. van. 1936. Gedenkbladen uit het leven onzer voorouders. Gent. Zijlmans, B. 1991. ‘Van pottenbakkers en pijpenmakers te Geertruideberg’. De Dongebode, 97– 106.
315
AFBEELDINGEN
Figuur 1 enkel nummers van het tijdschrift Knasterkopf, uitgegeven door Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen ..................................................................................................................... 11 Figuur 2 Met het handboek ‘De Nederlandse Kleijpijp’ uit 1987 legde Duco de methodologische basis voor kleipijponderzoek in Noordwest-Europa ............................................................................ 12 Figuur 3 Het werk van J. Léo ‘Les pipes en terre françaises’ uit 1971 blijft vooralsnog het basiswerk voor de pijpennijverheid in Frankrijk ................................................................................... 14 Figuur 4 Het ‘merkenboekje’ van Duco uit 1982 ................................................................................... 15 Figuur 5 PKN jaarboek 2014 ..................................................................................................................... 16 Figuur 6 Recente publicatie rond de consumptie en productie van kleipijpen in Antwerpen (Jan van Oostveen 2016 .................................................................................................................................... 18 Figuur 7 La pipe en terre van J. Caro. Synthese van historisch gekende pijpenmakers in Vlaanderen, Wallonië en Brussel ............................................................................................................. 19 Figuur 8 Overzicht van de vindplaatsen waarvan vondstensemble werden geselecteerd voor het onderzoek .................................................................................................................................................... 23 Figuur 9 uitsnede uit het ambachtsregister van de Gentse kleerkopers (1759). Een kind rookt de pijp bij een komfoor (Stadsarchief Gent................................................................................................. 29 Figuur 10 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van kop, steel en hiel ........................................................................................................................................ 31 Figuur 11 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van de verschillende onderdelen van de pijpenkop .................................................................................... 31 Figuur 12 kleipijpjes van de site Handelsbeurs (begin 20ste eeuw eeuw) met aanduiding van een aantal onderdelen van de pijpensteel .................................................................................................... 32 Figuur 13 kleipijpjes van de site Bisdomplein (late 17de-vroege 18de eeuw) met aanduiding hiel, stoep en spoor. ........................................................................................................................................... 32 Figuur 14 De rokende metselaar van David Teniers (1630 – 1660) met aanduiding van de vooren achterzijde van de pijp (©Rijksmuseum, Amsterdam) ................................................................... 33 Figuur 15 kleipijpje van de site Seminariestraat (tweede helft 17de eeuw) met aanduiding van kop- en steelas en de steelhoek. ............................................................................................................. 33 Figuur 16 Tabak of Bilsenkruid van Peru in het Cruydt-Boeck van Rembert Dodoens (Eerste druk: Antwerpen, 1554) ............................................................................................................................ 36 Figuur 17 David Teniers II (1645): tabagie in Antwerpen (©Musée Fabre. Montpellier)................. 38 Figuur 18 Gents uithangbord uit de 19de eeuw vermoedelijke van een rokerscafé ...................... 39 Figuur 19 Porseleinkaart uit 1850 van Café des Milles Colonnes aan het Muntplein in Brussel met onderaan de tabagie (Universiteitsbibliotheek Gent, Fonds Vliegende Bladen, op: www.cagnet.be, Centrum Agrarische Geschiedenis) ........................................................................... 41 Figuur 20 Leopoldine had de strafste tabak’. Pijprokersclub te Eine (1984) (MOU - Museum van Oudenaarde). .............................................................................................................................................. 42 Figuur 21 Fumoir in laat 19de-eeuwse herenwoning (The Met) ......................................................... 43 316
Figuur 22 Stakende arbeiders met de pijp in de mond troepen samen op het Sint-Pietersplein in Gent tijdens de algemene staking van april 1893 (Huis van Alijn) ..................................................... 44 Figuur 23 Catalogus uit laatste kwart 19de eeuw met deel van het aanbod aan ‘surprises’ van Job Clerc uit Saint-Quentin-la-Poterie (PKN) ................................................................................................. 45 Figuur 24 Twee Gentse meisjes blazen zeepbellen met een kleipijp. Foto mei 1949. (privécollectie G. Desmet) ......................................................................................................................... 45 Figuur 25 De grote schietkraam van G. De Smet uit de Latemse School (1923) (Groeningemuseum) .................................................................................................................................. 46 Figuur 26 Meest belangrijke handelingen in het productieproces van kleijpijpen ......................... 48 Figuur 27 kleiontginning in Andenne (vermoedelijk jaren 1930) (Bibliotheca Andana) ................. 48 Figuur 28 Kleigroeve in Andenne: rieten hutten beschermen de extractiekuilen (rond 1920) (Bibliotheca Andana).................................................................................................................................. 49 Figuur 29 Andenne rond 1930: klei onderweg van groeve naar de kleimolen (Bibliotheca Andana) ........................................................................................................................................................ 50 Figuur 30 Rolster aan het werk in het atelier van M. Levêque in Andenne in 1943 (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ............................................................................................................. 51 Figuur 31 M. Levêque in Andenne (1943): doorsteken van het rookkanaal (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ........................................................................................................................ 52 Figuur 32 pijpenmakers aan het werk met de persvormen bij F. Wingender in Chokier rond 1900 (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ...................................................................................... 53 Figuur 33 M. Levêque in Andenne (1943) verwijderd kleiresten na het vormen (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ............................................................................................................. 54 Figuur 34 M. Levêque in Andenne (1943) bij het droogrek (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ..................................................................................................................................................... 55 Figuur 35 Stempel voor hielmerk (L) en steelmerk (R) van pijpenmaker De Bevere uit Kortrijk (Amsterdam Pipe Museum) ...................................................................................................................... 55 Figuur 36 Atelier van F. Wingender in Chokier rond 1900. De vrouwen vooraan zijn pijpen aan het opwrijven met de agaatsteen. Achteraan zijn rollers aan het werk (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ..................................................................................................................................... 56 Figuur 37 Muffle Kiln bij M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ..................................................................................................................................................... 57 Figuur 38 Muffle Kiln bij F. Wingender in Chockier (rond 1900) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ............................................................................................................................................... 59 Figuur 39 Gevulde cazète in het atelier van M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ........................................................................................................................ 60 Figuur 40 vrouwen aan het werk bij F. Wingender in Chokier rond 1900. Emailversiering wordt aangebracht met de bûzete (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ................................... 61 Figuur 41 kleipijpen worden verpakt om te worden verscheept bij Goedewagen in 1912. Vooraan ook nog een aantal gevulde pijpenpotten (Amsterdam Pipe Museum). .......................... 62 Figuur 42 vroege Noord-Nederlandse kleipijp. Vermoedelijk gemaakt in Amsterdam in de periode 1585 – 1600 (Amsterdam Pipe Museum) ................................................................................. 64 Figuur 43 pijpenoven van Samuel Brown (merkteken SB) aan de Molenstraat in Breda (Erfgoedweb Breda). .................................................................................................................................. 66 Figuur 44 Eerste gestandaardiseerd Gouds pijpmodel met dubbelconische kop. Dit exemplaar heeft een roos als merk(1630-1640). Vindplaats Amsterdam (Amsterdam Pipe Musem .............. 68 Figuur 45 Merktekens op pijp van de Goudse pijpenbakker Maarten Verzijl (1740-1760). Van links naar rechts: bijmerk wapenschild Gouda; hielmerk kruisanker; steelmerk M. VERZYL IN GOUDA (Amsterdam Pipe Museum) ....................................................................................................... 70
317
Figuur 46 Bodemvondst uit Vlimmeren (B). Gouds ovaal model uit de 18de eeuw met zijmerk gekroonde vis en initialen HSV die vermoedelijk verwijzen naar de Antwerpese pijpenbakker Harssevoor .................................................................................................................................................. 77 Figuur 47 Nieuw reglement omtrent merkzetting uit 1818. Publicatie in Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden (01-01-1818) (Delpher) ............................................................................ 79 Figuur 48 Ansichtkaart van het uitgestrekte fabriekscomplex van Goedewaagen anno 1930 (KLM)............................................................................................................................................................. 81 Figuur 49 Persvormen van pijpenmakerij Ritzen in Maaseik. In gebruik tussen 1820 en 1850. Assortiment met korte en lange pijpen. Inzet: een eikeltje werd gebruikt als bijmerk, verwijzend naar het wapenschild van Maaseik (Amsterdam Pipe Museum) ....................................................... 82 Figuur 50 Uitsnede uit een bedrijfscatalogus van Knoedgen in Bree (ca. 1890) met zogenaamde néogènes met reliëfversiering (PKN) ........................................................................................................ 83 Figuur 51 Drie Belgische figurale pijpen. Van links naar rechts: Koning Leopold I uit het atelier van Knoedgen in Bree (1850-1880); Burgemeester J. d’Andrimont van Luik uit het atelier van TREES IN Luk (1880-1890); Koning Albert I uit het atelier van Verheijlewegen in Andenelle (19141920) (Amsterdam Pipe Museum) ........................................................................................................... 84 Figuur 52 Arbeiders pijpnijverheid Andenne (begin 20st eeuw) (Bibliotheca Andana) .................. 86 Figuur 53 Jules Leonard. Pijpenbakkerstelg uit Andenne gespecialiseerd in schietkraamkeramiek. Fragment uit documentaire uit 1971 (Sonuma) ........................................... 86 Figuur 54 Atelier van M. Levêque in Andenne voor de sloop in 1969. De pijpenmakerij was georganiseerd in een twee aanpalend huizen en achterliggende bijgebouwen (Bibliotheca Andana) ........................................................................................................................................................ 87 Figuur 55 reactie uit 1819 stadsbestuur Gent op circulaire. Lijst van acht Gentse pijpenmakers met vermelding van hielmerk en bijmerken (Stadsarchief Gent, Modern archief, reeks K, nr. 45) ....................................................................................................................................................................... 88 Figuur 56 Wegwijzer van Gent 1830. Laporte en Arens worden zowel vermeld als pijpen- en pottenbakker. Pottenbakkers Lobel en Bousse verschijn in andere jaargangen ook als pijpenbakker ............................................................................................................................................... 91 Figuur 57 Primitieve kadasterkaart (ca. 1830) met vindplaats Fratersplein en dein 1709 vermeldde panden van Jo Tradenius en Pieter Lammens, en de pottenbakkerij (Universiteit Gent) ............................................................................................................................................................. 92 Figuur 58 Historisch of archeologische gekende pijpenbakkers ........................................................ 93 Figuur 59 Historisch of archeologische gekende pottenbakkers ....................................................... 94 Figuur 60 M. Levêque aan het werk in Andenne (1949). Let op het oude behang aan de muur (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ...................................................................................... 95 Figuur 61 Bouwplannen van D. Debruyn uit 1856 met een nieuwe oven (7) in de werkplaats (6) en aparte stookruimte (8). Buiten bevindt zich een kleibreekmolen (Rijksarchief) ........................ 96 Figuur 62 Muffle Kiln bij M. Levêque in Andenne (1943) (Province de Liège, Musée de la Vie wallonne) ..................................................................................................................................................... 97 Figuur 63 Bouwplannen van André Giétè uit 1869 voor een nieuwe oven achter zijn atelier aan de binnenweg in Ledeberg (Rijksarchief ................................................................................................ 98 Figuur 64 Bouwplannen van André Giétè uit 1884 voor een nieuwe oven in zijn atelier aan de Dendermondsesteenweg in Sint-Amandsberg (Rijksarchief) ............................................................. 99 Figuur 65 Tabakswinkel en tabagie. Uit de schat der gesondheyt van J. van Beverwyck (1640)100 Figuur 66 Naamkaartje van Auguste De Landtsheer met beschrijving van zijn professionele activiteiten (Huis van Alijn) .................................................................................................................... 102 Figuur 67 In ’t Duitsch Huis. Winkel en café van de familie Hillen begin 20ste eeuw .................... 103 Figuur 68 Catalogi van Goedewaagen (L) uit 1900 en P. Van der Want (R) uit 1910 (PKN) .......... 106 Figuur 69 gesneden naammerk op steel. Opschrift: Nihoul à Nimy Déposé (Amsterdam Pipe Museum) ................................................................................................................................................... 107
318
Figuur 70 ontvangstbewijs van 2 mandjes pijpen van de firma P. van der Want, geleverd aan Fr. Van der Haeghen door kapitein Pronk (Universiteitsbibliotheek Gent) ........................................ 108 Figuur 71 Home-made: toestelletje van de Museum Services for the Northeast Region van de National Park Service (NPS) om de diameter van het rookkanaal te meten (NPS Photo) .......... 113 Figuur 72 de zogenaamde grafiek van Friederich met dateringscurven voor de voornaamste pijpmodellen. Op x-as de datering en op de y-as de HBO-coëfficiënt (Friedrich 1970) ............... 115 Figuur 73 schematische voorstelling van het onderzoeksproces ................................................... 119 Figuur 74 Gegevensstructuur met belangrijkste kenmerken van de kleipijp ............................... 121 Figuur 75 Schematische voorstelling van de modelevolutie in Gouda .......................................... 127 Figuur 76 impressie van het assortiment van Knoedgen in Bree (1890). Een combinatie van traditionele Goudse modellen (boven) en néogènes, fantaisies en figurale pijpen (onder) (PKN) .................................................................................................................................................................... 129 Figuur 77 bedrijfscatalogus van P. van der Want uit 1910 met aanduiding van de steellengte per maatafdeling (PKN) ................................................................................................................................. 131 Figuur 78 kleiresten ter hoogte van de vormnaad ............................................................................ 131 Figuur 79 gladgestreken vormnaad (Seminariestraat) .................................................................... 132 Figuur 80 gebotterde filt met radering (Seminariestraat ................................................................. 132 Figuur 81 striemen van het glazen met de agaatsteen. Perfect gladde vormnaad (SintPietersabdij) ............................................................................................................................................. 132 Figuur 82 gezichtspijp 19de eeuw (Sint-Pietersabdij) ......................................................................... 132 Figuur 83 laat 19de eeuwse pijpen met reliëfversiering van een soldaat (Sint-Pietersplein) ...... 133 Figuur 84 stippenlijn aangebracht met het radeermes (Seminariestraat, laatste kwart 17de eeuw) .................................................................................................................................................................... 134 Figuur 85 drukstempel in ruitmotieven op 17de eeuwse pijp (derde kwart). Centraal radering (Rabot) ....................................................................................................................................................... 134 Figuur 86 decoratie met de bandstempel: (boven) zigzag-patronen afgeboord door kruisenbanden (vierde kwart 17de eeuw, Seminariestraat); (miden) kruisbanden en radering (Rabot, derde kwart 17de eeuw); (onder) radering afgeboord door ogen (vierde kwart 17de eeuw, Seminariestraat) .......................................................................................................................... 135 Figuur 87 getorste steel. Radstempel op draairibbels. Afgeboord met radering en radstempel in zigzag patroon ......................................................................................................................................... 135 Figuur 88 hielmerk van Jean-Baptiste Nihoul. Actief in Nimy tussen 1831-1880 (Sint-Pïetersabdij) .................................................................................................................................................................... 136 Figuur 89 19de eeuws pijpje in de vorm van een everzwijnhoofd. We herkennen de stempel AT van Jacques-Henri Antoine Trées actief in Luik tussen 1866-1930 (Sint-Pietersplein)................. 141 Figuur 90 Gittee Dampoort Gent .......................................................................................................... 141 Figuur 91 vormmerk bestaande uit drie stippen (Bisdomplein, 18de eeuw) .................................. 141 Figuur 92 Vermoedelijk Belgisch pijpje met hielmerk WS. Wapenschild van Gouda werd gekopieerd als bijmerk. Late 19de eeuw, Handelsbeurs) .................................................................. 142 Figuur 93 Laat 19de eeuws pijpje van Nihoul. Aan beide zijden van de hiel prijkt er een N. Aan de linkerkant in een wapenschild (Handelsbeurs ................................................................................... 144 Figuur 94 fragment van zogenaamde lobbenpijp in rood aardewerk. Late 19de eeuw (SintPietersplein .............................................................................................................................................. 145 Figuur 95 Goudse pijp uit de periode 1740-1750. Wapen van Gouda als bijmerk met daarboven de S van Slegte. Een fijne pijp dus maar geen porceleijne (Amsterdam Pipe Museum). ........... 146 Figuur 96 Leids model ............................................................................................................................ 148 Figuur 97 overzicht van vindplaatsen: pijpenbakkersstort van het Fratersplein in rood ........... 152 Figuur 98 Fragmenten van een pijpenpot aangetrofen bij opgraving aan de Fraterstraat in Gent .................................................................................................................................................................... 154
319
Figuur 99 arbeiders vullen de oven bij Goedewaagen in Gouda (begin 20ste eeuw). Centraal de gevulde pijpenpot (Amsterdam Pipe Museum).................................................................................. 155 Figuur 100 Overzichtsplaat van voornaamste vormen en stempels van het Fratersplein ......... 156 Figuur 101 diverse soorten van ‘misbaksels’ tussen het productieafval ....................................... 158 Figuur 103 decoratietypes. Van links naar rechts: drukstempel, radering en bandstempel ogen; bandstempel vlechtwerk; torsen; bandstempel zigzag .................................................................... 161 Figuur 104 Primitieve kadasterkaart (ca. 1830) met vindplaats Fratersplein en de in 1709 vermeldde panden van Jo Tradenius en Pieter Lammens, en de pottenbakkerij (Universiteit Gent) .......................................................................................................................................................... 163 Figuur 105 overzicht van vindplaatsen: ensembles uit militaire context in rood ........................ 165 Figuur 106 overzichtsplaats van vondstensemble van vindplaats Rabot ...................................... 167 Figuur 107 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van de wolweverskapel ............................. 171 Figuur 108 Camp volante of tijdelijk kamp. Soldaten met hun gezin rond het vuur. Centraal ook een pijproker. Gravure uit 1727 naar het schilderij van J.-A. Watteau (MAH Musée d'art et d'histoire, Ville de Genève. Ancien fonds) ........................................................................................... 173 Figuur 109 overzichtsplaat van het vondstmateriaal: modellen in Goudse traditie .................... 178 Figuur 110 overzichtsplaat van het vondstmateriaal: néogènes, fantaisies en figurale pijpen ... 179 Figuur 111 handelspijp van Goedewagen met Neptunus (l) en Mercurius (r) .............................. 181 Figuur 112 militairen in de kazerne op de terreinen van de Gentse Sint-Pietersabdij. Eind 19debegin 20ste eeuw. Eén militair rookt de pijp (Gent geprent) ............................................................ 183 Figuur 113 overzicht van vindplaatsen: ensembles uit religieuze context in rood ...................... 185 Figuur 114 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van de Wolweverskapel ............................. 187 Figuur 115 Overzichtsplaat Seminariestraat. Selectie pijpen met het hielmerk (inzoomen op hielmerk mogelijk) .................................................................................................................................. 190 Figuur 116 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van Sint-Pietersplein I ................................ 195 Figuur 117 overzichtsplaat van het vondstmateriaal van Sint-Pietersplein II ............................... 200 Figuur 118 overzicht van vindplaatsen: burgerlijke contexten in rood .......................................... 204 Figuur 119 selectie van het vondstmateriaal van Dobbelslot I (inzoomen mogelijk) .................. 206 Figuur 120 selectie van het vondstmateriaal van de Oudburg (inzoomen mogelijk) .................. 210 Figuur 121 wijdere trechtervorm met opschrift SAS VAN GENT ..................................................... 211 Figuur 122 steelmerk SAS VAN GENT ................................................................................................... 212 Figuur 123 selectie van het vondstmateriaal van de Schepenhuisstraat (inzoomen mogelijk) . 216 Figuur 124 selectie van het vondstmateriaal van de Schepenhuisstraat (inzoomen mogelijk) . 217 Figuur 125 selectie van de kleipijpen van vindplaats Bisdomplein (inzoomen mogelijk) ........... 222 Figuur 126 vermoedelijk 18de eeuws tafereel met roken de mensen in de Gentse straten. Uit het archief van de Gentse kuipers (Stadsarchief Gent) ........................................................................... 224 Figuur 127 voornaamste pijpmodellen en merktekens Dobbelslot II ............................................ 227 Figuur 129 Overzichtsplaat Dobbelslot II ............................................................................................ 231 Figuur 130 Locatie vindplaats Handelsbeurs ..................................................................................... 236 Figuur 131 Overzichtsplaat vondstensemble Handelsbeurs ........................................................... 238 Figuur 132 Rondbodems in meerschui ................................................................................................ 239 Figuur 133 Overzicht van de hielmerken aanwezig in de collectie ................................................. 240 Figuur 134 Kromkop met hielmerk WS en als bijmerk een klimmend leeuwtje. Mogelijk een Gents product .......................................................................................................................................... 241 Figuur 135 Voornaamste steelmerken uit het vondstensemble van de Handelsbeurs .............. 242 Figuur 136 geruwd met de burijn ......................................................................................................... 243 Figuur 137 Kromkop met klauwepoot als hiel .................................................................................... 244 Figuur 138 locatie vindplaats Sint-Pietersplein .................................................................................. 247 Figuur 139 mannekes van het Gentse Sint-Pietersplein ................................................................... 249 Figuur 140 schietkraamkeramiek in de handelscatalogus van Hilgert in Duitsland .................... 250
320
Figuur 141 reguliere rookwaar. Van links naar rechts: steelmerk van Nihoul uit Nimy; ovale pijp met slecht doorgestoken rookkanaal; ovale pijp met mooi geglaasde kop; lobbenpijpen met slecht aangebrachte engobe. ................................................................................................................ 251 Figuur 142 Pipe borraine met opschrift : la veritable pipe du mineur belge. Links ketelstempel van Jean-Baptiste Nihoul (JBN) uit Nimy.............................................................................................. 252 Figuur 143 overzicht van aanwezige pijpmodellen ............................................................................ 254 Figuur 144 reliëfpîjp met palmotief...................................................................................................... 255 Figuur 145 fantaisies met gezichtsversiering ...................................................................................... 255 Figuur 146 Uitsnede uit de Sint-Joriskermis van Pieter Breughel de Jonge (midden 16de eeuw). Centraal mikt een groep kruisboogschutters op de staande wip (KMSKA) ................................... 256 Figuur 147 rond 1900: Stedelijke schietstand gent (Stadsarchief Gent ......................................... 257 Figuur 148 twee dames aan het geschut in een Tir salon op een Parijse kermis. Foto van de gebroeders Séeberger uit de periode 1905-1910 (Million Auction Catalogue) ............................. 258 Figuur 149 geschreven archief van de Halfvastenfoor. Rechts een aanvraag van Henri Toch uit 1907; links de lijst met toegekende standplaatsen voor schiethuizen (1911); centraal plan van het Sint-Pietersplein met aanduiding van de verschillende foorkramen (Stadsarchief Gent) ... 258 Figuur 150 ................................................................................................................................................. 258 Figuur 151 overzicht van de standplaatsen op Halfvastenfoor waar in de periode 1892-1911 Tirs flobert en Tirs de salon te vinden waren. Uitsnede met focus op de directe omgeving rond de vindplaats van de pijpjes . Per vijf jaren Stadsarchief Gent) ............................................................ 259 Figuur 152 Biplot SiO2% vs. Al2O3% als uitdrukking van plasticiteit (alle stalen, n=55) ................ 265 Figuur 153 Diagram van de onderlinge verhouding tussen Fe2O3% – CaO% – K2O% (alle stalen, n=55). ......................................................................................................................................................... 265 Figuur 154 Diagram Fe2O3 - CaO - K2O met aanduiding van de twee groepen (centraal) met hun chronologisch onderscheid (links) en aanduidingen van productieateliers (rechts) ........... 266 Figuur 155 Hoofdcomponentenanalyse van TiO2, Al2O3, Fe2O3, MnO, CaO, K2O, P2O5, Rb, Sr en Zr, genormaliseerd op SiO2 – PC1 (35.1%) vs. PC3 (18.1%): vergelijking van kleipijpen met klei en aardewerk uit Andenne en Keulen. ...................................................................................................... 267 Figuur 156 Diagram Fe2O3 – CaO – K2O (links) en V – Sr – Zr (rechts) van de gemiddelde waarde per productie of klei (n=31) voor de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses. ............................................................................................................................... 268 Figuur 157 Selectie I van microscoopfoto’s ......................................................................................... 271 Figuur 158 Selectie II van microscoopfoto’s. ....................................................................................... 272 Figuur 159 Schematische voorstelling van de chaîne opératoire van de kleipijp. In het grijs aangeduid zijn de handelingen die sporen nalaten die in een slijpplaat geobserveerd kunnen worden. ..................................................................................................................................................... 274 Figuur 160 Selectie III van microscoopfoto’s ...................................................................................... 275 Figuur 161 Selectie IV van microscoopfoto’s ...................................................................................... 276 Figuur 162 Fratersplein - Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met aanduiding van de stalen afkomstig van het Fratersplein (PvM-01-02-03-55) binnen Groep 1. .............................................. 280 Figuur 163 Fratersplein - Biplot SiO2% vs. Al2O3% met aanduiding van de stalen afkomstig van het Fratersplein (PvM-01-02-03-55). ..................................................................................................... 280 Figuur 164 Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses...................................................................................................................................... 282 Figuur 165 Biplot SiO2% vs. Al2O3% met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses. ................................................................................................................................................... 282 Figuur 166 Diagram Rb – Sr – Zr met weergave van kleipijpen uit de huidige dataset, klei en witbakkend aardewerk uit Keulen en klei uit Andenne ................................................................... 283
321
Figuur 167 Diagram V – Sr – Zr met weergave van de gemiddelde waardes per productie met gegevens uit de huidige dataset aangevuld met de resultaten uit de Duitse en Engelse analyses .................................................................................................................................................................... 283 Figuur 168 Chaîne opératoire van de kleipijpen geproduceerd aan het Fratersplein in de 17de eeuw op basis van petrografische informatie. ................................................................................... 284 Figuur 169 19de -eeuwse Gentse kleipijpen - Diagram Fe2O3% – CaO% – K2O% met aanduiding van de stalen van vermoedelijke Gentse producties (PvM-07-15-16-17-18) binnen Groep 2. ... 288 Figuur 170 19de -eeuwse Gentse kleipijpen - Biplot SiO2% vs. Al2O3% met aanduiding van de stalen van vermoedelijke Gentse producties (PvM-07-15-16-17-18). ............................................. 288 Figuur 171 Selectie van microscoopfoto’s van Gentse kleipijpen uit de 17de (PvM-02) en 19de eeuw (PvM-07-15-16-17-18). .................................................................................................................. 289 Figuur 172 Chaîne opératoire van de 19de -eeuwse Gentse kleipijpen op basis van petrografische informatie ................................................................................................................................................. 290 Figuur 173 Chaîne opératoire van de Goudse kleipijpen (17de-19de eeuw) op basis van petrografische informatie. ..................................................................................................................... 293 Figuur 174 overzichtskaart met Gentse pijpen- en pottenbakkers door de eeuwen heen ........ 297 Figuur 175 voorbeeld van merk SMK ................................................................................................... 298 Figuur 176 lettermerk A gekroond op trechtervormige pijp van de Seminariestraat. Eerste kwart 18de eeuw .................................................................................................................................................. 299 Figuur 177 overzicht van de ontwikkeling van de Goudse modellen op basis van materiaal uit de Gentse collectie ....................................................................................................................................... 302 Figuur 178 selectie van het assortiment van pijphandelaar De Landtsheer (Van de Walle 1981) .................................................................................................................................................................... 303
322
TABELLEN
Tabel 1 Overzicht van de geselecteerde vondstensemble gerangschikt volgens ensembledatering ...................................................................................................................................... 22 Gaandeweg wordt roken in openbare drank- en eetgelegenheden de gewoonste zaak. Ook in Gent. Voor de 18de en 19de eeuw bieden de Wegwijzers van de stad Gent een houvast. In deze almanakken met registers van onder andere de Gentse middenstand (bewaard en gedeeltelijk ontsloten voor de periode 1770-1906) vindt men oplijsting van de verschillende soorten verbruikszaken. Tabel 2 Overzicht van de soorten gelegenheden in Gent waar gasten konden eten, drinken en overnachten. In de gelegenheden waar werd overnacht kon doorgaans ook worden gegeten en gedronken. ............................................................................................................... 38 Tabel 3 verschillende drink- en eetgelegenheden waar vermoedelijk tijdens 18de en 19de eeuw werd gerookt. Gebaseerd op de ‘Wegwijzers van Gent’....................................................................... 39 Tabel 4 Gekende producties in huidig België (Caro 2004; Van der Meulen1985; Stam 2019a) ..... 73 Tabel 5 Aantal arbeiders per atelier volgens de Statistique des productions et industries des PaysBas autrichiens uit 1764 (Moureaux 1973) .................................................................................... 75 Tabel 6 Overzicht van Belgische pijpenbakkers tijdens de 19de eeuw die gedurende een periode van meer dan 40 jaar actief waren (op basis van Caro 2004) ............................................................. 80 Tabel 7 Overzicht van gekende pijpenbakkers uit Gent ...................................................................... 90 Tabel 8 overzicht van pijpenhandelaars die worden vermeld in de Wegwijzers van Gent......... 101 Tabel 9 Overzicht van pijpenmakers in Vlaanderen en Wallonië die begin 19de eeuw het merk WS gebruikten (synthese op basis van : Caro 2004b; J. Van der Meulen 1985 en eigen archiefwerk). ............................................................................................................................................ 105 Tabel 10 (synthese op basis van : Caro, 2004b; Van der Meulen, 1985 en eigen archiefwerk). . 137 Tabel 11 (synthese op basis van : Caro 2004b; J. Van der Meulen 1985 en eigen archiefwerk). 142 Tabel 12 vormelijke kenmerken eigen aan de drie kwaliteitscategorieën van de Goudse pijp . 146 Tabel 13 maatvoering onder de pijpenkoppen van dubbelconische vorm ................................... 157 Tabel 14 de aanwezige hielmerken in de collectie van het Fratersplein in cijfers ....................... 160 Tabel 15 nabewerking en decoratie van de aanwezige pijpenkoppen (enkel productieafval) .. 162 Tabel 16 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Rabot ................................................ 168 Tabel 17 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Rabot ................................................ 172 Tabel 18 hielmerken die voorkomen in de collectie van het Sint-Pietersplein III ........................ 177 Tabel 19 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Seminariestraat ............................... 191 Tabel 20 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Sint-Pietersabdij I ............................ 197 Tabel 21 hielmerken die voorkomen in de collectie van Sint-Pietersabdij II................................. 201 Tabel 22 hielmerken die voorkomen in de collectie van Dobbelslot I ............................................ 207 Tabel 23 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Oudburg ............................................ 213 Tabel 24 hielmerken die voorkomen in de collectie van de Schepenhuisstraat .......................... 218 Tabel 25 hiel- en bijmerken die voorkomen in de collectie van het Bisdomplein ........................ 223 Tabel 26 aanwezige hielmerken ........................................................................................................... 228 323
Tabel 27 samenstelling van de vondstcollectie Handelsbeurs volgens pijpmodel ...................... 239 Tabel 28 overzicht van de aanwezige merken.................................................................................... 240 Tabel 29 overzicht van de steelmerken in het ensemble van de Handelsbeurs .......................... 242 Tabel 30 Overzicht van de determineerbare pijpenkoppen in het ensemble .............................. 249 Tabel 31 overzicht van hielmerken uit het productieafval van de Fraterstraat (laatste decennia 17de eeuw). ................................................................................................................................................ 298 Tabel 32 voorkomen van het merk A gekroond in de collectie: enkel ensembles 17d en 18a .. 299
324