M O N U M E N T E N , LANDSCHAPPEN MAART-APRIL 2008
& ARCI
f
27/2
TWEEMAANDELIJKS
JKE KLEUREN MAKEN HET V E R S C H I L
hydraulische kalkmortels, kaliei en tadelaktbepleistering UNILIT kalkverven CORICAL siücaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
Vil erkend www.vibe.be -info@vibe.be Tel. +32 (0)3 239.74.23
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - 8-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 nstructo.be - info@arteconstructo.be
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Cells Cover: Het interieur van de vliegtuighangar1, in Grimbergen Fotografie: Oswald Pauwels (foto 0. Pauwelsj Vormgeving en productie: LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns
Abonnementsvoorwaarden 2008 België: 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 €
Internet Website: www.onroerendcrfgoed.be Redactiecomité*
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Vocrzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jo De Schepper, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Suzanne Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman
Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
* Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulefiten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
n ho
Ü
Advertentiewerving J. Casier Maalsestcenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be
Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68 Verantwoordelijke
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
i
Luchtvaartexperimenten uit de
55
Tuinen inventariseren:
avontuurlijke pionierstijd:
nodig, nuttig, boeiend, leerrijk
de betonnen paddenstoelen van Hardy
Chris De Maegd
en de Grimbergse compenseerinrichting
Marjolijn Van Damme en Dieter Nuytten
1 6
De restauratie van de Egyptische eetzaal van het kasteel Moeland in Sint-Niklaas
Hugo Vandenborre en Linda Wylleman
29
uitgever
Bouwen in "Le Katanga Moderne": koloniaal architecturaal erfgoed in Lubumbashi, democratische republiek Congo
Johan Lagae
mmary
Loofde Heen., De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer
HL
Restauratie en Monumentenzorg
ilïwf
en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten beperkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van het historisch aspect.
Natuursteen; terracotta- en parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden met glans terug ff BEL nu 03-766.11.66 Schilderijen en beelden (mei en niet polychroom) Muurschilderingen en stuc, Papier Meubilair (mei en niet polychroom), Leder
slijpen - schuren - herpoiijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
TEL.: 056 32 38 12 FAX: 056 32 38 13
GUIDO GEZELLESTRAAT 23 8 5 6 0 WEVELGEM
E-mail: info@rnip.bi GSM: 0475 82 56 26
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties UI • Ui
0)1 x
(S
NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
wI u
cl| ( E
G enerie k Een synthese tussen vorm en constructie Je zou ze als curiosa kunnen bestempelen, de reusachtige betonnen paddenstoelen die self-made ingenieur Alfred Hardy in de nadagen van WO II uit de tarmac van Grimbergen liet opschieten, ware het niet dat zij als loods voor kleine vliegtuigen ruim vijftig jaar na datum onwrikbaar standhouden. Op hun ligging en contouren na hebben ze met de nabijgelegen compenseerinrichting weinig uitstaans, behalve dan hun pas erkend belang als erfgoed. Hun uniciteit lijkt Marjolein Van Damme en Dieter Nuytten voldoende reden voor een gebalde terugblik.
'Description de l'Egypte ou recueil des observations' De veelheid aan farao's, goden en godinnen die de Egyptische eetzaal tooien van kasteel Moeland in Sint-Niklaas kent als gelijke slechts de complexiteit van de interventies, nodig om dit afgeleefde werkstuk van het duo Bonnefoy-de Castro een tweede jeugd te verzekeren. De cultuurhistorische duiding van dit merkwaardig 19de-eeuws ensemble kreeg eerder reeds in /Wft/. verdiende aandacht. Hugo Vandenborre en Linda Wylleman leggen ditmaal dan ook de klemtoon op de diagnose van de kwalen en de toegepaste therapie.
'Un vaste chantier qui rappelle la construction d'une termitière' Koloniale architectuur en stedenbouw is voor Johan Lagae, met Congo in het algemeen en Lubumbashi in het bijzonder, allesbehalve terra incognita. Tentoonstellingen, publicaties en initiatieven zoals lokale Open Monumentendagen vestigden recent de aandacht op de waarde van een emotioneel geladen, soms bevreemdend erfgoed, dat het - niet onbedreigd bestaat een weinig zekere toekomst uit te dagen. "Whose heritage?" is derhalve een terecht door de auteur gestelde slotvraag.
Tuinen van heden Spijts de verschijning in het voorjaar van een 7de /Wft/. Cahier Historische tuinen en parken van Vlaanderen raakt de nog forse achterstand op het zuiden van het land maar node bijgebeend. Dat in de Tuin van Eden geen appelen met citroenen vergeleken moeten worden is voor Chris De Maegd nochtans een vanzelfsprekendheid. Geconfronteerd met tuinen in hun alsmaar wisselende gedaanten, pleit ze derhalve niet toevallig voor het exhaustief documenteren van de ongrijpbare momentopnamen.
>*!
.
at
4 % scibenaflight ^ academy
Marjolijn en Dieter
Van
Damme Nuytten
LUCHTVAARTEXPER1MEMTEN UIT DE AVONTUURLIJKE PIONIERSTIJD: DE BETONNEN PADDENSTOELEN VAN HARDY EN DE GRIMBERGSE C0MPENSEER1NR1CHT1NG • Vllegtuighangar in Grimbergen (foto: K. Vermeir, vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent)
Het vliegveld twee totaal
van Grimbergen verschillende,
getuigenissen
uit de
dateert
sprekende cilindrische
is een
1941).
getuigenis,
zijn twee
vliegtuighangars
na de oorlog (1947-1948) principe
vliegtuigloodsen
opvallende
in beton die kort
werden
de op 12 juli 2007
gebouwd.
als de twee
zijn een unicum in
België en werden terecht omwille industrieel-archeologische
verbeelding
volgens een nieuw
Zowel de compenseerinrichting betonnen
oorlogstijd
en visueel meest tot de
en revolutionair
van
uitzonderlijke
die uit de
(omstreeks
De tweede,
De eerste en oudste
relicten
van hun
en historische
als monument
HET VLIEGVELD VAN nRIMBERGEN
unieke
tijdens en net na de
Tweede Wereldoorlog.
compenseerinrichting
maar elk
met
ontwikkelingsgeschiedenis
van het luchtvaartwezen
deze bijzondere
is uitgerust
waar-
beschermd.
Het vliegveld van Grimbergen, een gemeente ten noorden van Brussel, werd aangelegd in 1939 tijdens de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Het toenmalige Belgische Ministerie van Landsverdediging onteigende toen een ruim stuk grond op het Wezenhageveld met als doel een reservevliegveld aan te leggen met ingang aan de Oyenbrugstraat ter hoogte van de Oyenbrugmolen. Het terrein, 58 hectare landbouwgrond groot, werd gedraineerd, genivelleerd en met gras bezaaid. Tijdens de oorlog maakte de Duitse bezetter gebruik van het vliegveld en bouwde de infrastructuur ervan verder uit. Er werden een tiental gebouwen opgetrokken, waaronder schuilkelders en vliegtuigloodsen. Een netwerk van banen verbond deze gebouwen met de startbaan; verschillende van deze betonbanen zijn tot op vandaag behouden. O p 3 september werd Grimbergen bevrijd door de Geallieerden die het vliegveld in gebruik namen en in 1946 overdroegen
ten westen en tussen beide in een zone voor dagrecreatie van ongeveer 45 hectare, het eigenlijke vliegveld. O p het einde van 1996 werd het vliegveld heropend onder de naam Recreatief Vliegveld Grimbergen VZW^RVG). Van de oorspronkelijke kruisvormige landingsbaan, zoals die ook te Zaventem bestaat, bleef alleen de Noord-Zuid as behouden (1). In 2000 werd het hele terrein, met uitzondering van het bosgebied, aangekocht door de gemeente Grimbergen. Naar deze overdracht verwijst een gedenksteen op de site.
DE GRIMBERGSE COMPEIMSFFRINRICHTING, RELICT UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG De vliegtuighangars n Grimbergen, luchtfoto (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent)
Globaal zicht op de compenseerinrlchting in Grimbergen. Op de periferie van de betonnen schijf zijn messing plaatjes aangebracht met gradenaanduidlng (foto 0. Pauwels)
aan de Belgische autoriteiten. Voortaan werd het vliegveld aangewend door de Regie der Luchtwegen voor toerismeluchtvaart. De oude banen werden daartoe gedeeltelijk opgeruimd en genivelleerd in het begin van 1949. In 1956 werd de hoofdingang van het vliegveld verplaatst van de Oyenbrugstraat naar de Humbeeksesteenweg. De laatste Duitse hangar werd gesloopt in 1976. Ten gevolge van de Belgische staatshervorming eind jaren 1980, werd het Grimbergse vliegveld in 1989 overgedragen aan de Vlaamse Overheid, die het echter in 1992 liet sluiten. Door een gewestplanwijziging in 1994 werd het volledige terrein, dat ondertussen was uitgebreid tot ongeveer 120 hectare, in drie verschillende zones opgedeeld. Een eerste zone voor openbaar nut van 5 hectare ten oosten van de site, een zone bosgebied van ca. 70 hectare
De unieke compenseerinrlchting, of callibratieschijf, situeert zich geheel ten zuiden op de Grimbergse vliegveldsite in de zone voor herbebossing. Deze inrichting voor het ijken van vliegtuigkompassen, werd door de Duitse bezetter aangelegd tijdens de Tweede Wereldoorlog, vermoedelijk omstreeks 1941. Na de oorlog werd de compenseerinrlchting gebruikt door de Burgerluchtvaartschool, beter gekend als de Sabenaschool. Een kompas werkt op basis van de magnetische invloed van de aardpolen. De magnetische naald van een kompas is echter onderhevig aan meerdere afwijkingen. Allereerst wijst de naald niet het geografische maar wel het magnetische noorden aan, dat niet op de Noordpool maar in het noorden van Canada ligt. O p alle vliegkaarten staat deze declinatie vermeld. Het gaat om de hoek tussen het magnetische noorden en het geografische noorden die voor die bepaalde kaart van toepassing is. De hoek verandert in functie van de plaats en de tijd van het jaar. Naast deze hoekafwijking heeft het kompas nog een andere ingebouwde fout: de deviatie. Als een magnetische naald in een metalen massa wordt geplaatst, zoals een vliegtuig er één is, ondergaat de naald daar bepaalde invloeden van. Deze afwijkingen, of deviaties worden door de compenseerinrlchting gemeten en in een deviatietabel ondergebracht zodat het storende effect kan gecompenseerd worden, wat meteen ook naam van het toestel verklaart. Terwijl het kompas in het (vliegklare) vliegtuig is gemonteerd, wordt op de compenseerinrichting een compass swing uitgevoerd. Het vliegtuig wordt eerst in de hoofdwindrichtingen opgesteld, die komen overeen met 000 graden, 090 graden, 180 graden en 270 graden op de schijf. Nadien
IVI&L
Zicht op de centrale put van de compenseennnctiting waarin oorspronkelijk de glazen bollen werden geplaatst (foto 0. Pauwels)
komen de tussenwindrichcingen aan de beurt: 045 graden, 135 graden, 225 graden en 315 graden. Elke keer wordt afgelezen wat het kompas aanduidt. Het verschil met wat op de compenseerinrichting valt af te lezen en wat het kompas in het vliegtuig aangeeft, wordt de deviatie genoemd. Door een aantal schroefjes op het kompas bij te stellen, met andere woorden door het kompas te ijken, kan de deviatie grotendeels opgeheven worden. Blijft er toch nog een verschil bestaan, dan wordt dit op de declinatiekaartjes naast het kompas genoteerd. Meestal gaat dit over kleine correcties van een aantal graden. De compenseerinrichting in Grimbergen is van het type compenseerwagen. Ze bestaat uit een vierkant betonnen vlak waarop meerdere concentrische cirkels zijn aangebracht en waarvan de grootste een diameter van 35 meter heeft. In het midden is er een ronde put waarin oorspronkelijk glazen bollen lagen en waarvan er nog een aantal bewaard zijn. O p deze glazen kogellagers bewoog de houten dtaaischijf of compenseerwagen. De materialen beton, glas en hout werden gebruikt omdat ze niet magnetisch zijn. O p de periferie van de betonnen schijf zijn messing plaatjes aangebracht, met een cijfermatige aanduiding van de graden. Tussen deze plaatjes bevinden zich radiale groeven in het betonoppervlak.
De Grimbergse compenseerinrichting neemt een uitzonderlijke plaats in onder de installaties die door de Duitse bezetter zijn gebouwd of aangebracht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is de enige vandaag bekende en gaaf bewaarde compenseerinrichting in België en onze omringende landen, waardoor het Grimbergse exemplaar een belangrijke informatiebron vormt voor de luchtvaartgeschiedenis betreffende het ijken van vliegtuigkompassen. Het enige voorbeeld van een compenseerinrichting in Nederland bevindt zich op de vliegbasis van Gilze Rije maar is van het type compenseerschijf{2). Het gaat hier om een veel kleiner exemplaar bestaande uit een ronde betonnen bak met een diameter van 12 meter waarop de windroos is aangeduid. Binnenin zit een draaibare houten installatie, voorheen afgedekt door een houten plankier, aangedreven door een elektrisch draaimechanisme. In Grimbergen betreft het echter een betonnen vlak van 35 meter diameter met manuele bediening. De grote diameter wijst er op dat niet het middelpunt van het vliegtuig als draaipunt werd gebruikt, zoals in Nederland, maar wel een punt tussen het hoofdlandingsgestel waardoor de diameter van de draaiende houten schijf kon beperkt worden. Het middelpunt van een vliegtuig komt namelijk niet (steeds) overeen met het draaipunt van het landingsgestel: stel dat zich achter het landingsgestel nog een vliegtuiglengte van 15 meter bevindt, dan is de straal
van de draaicirkel ook 1 5 meter, hetgeen een diameter van 30 meter oplevert (3).
DF VLIEGTUIGLQQDSFN VAN HARDY
De vliegtuighangars in Grimbergen in 1947, net na voltooiing (collectie Febelcem,
De compenseerinrichting is niet de enige uitzonderlijke installatie op het vliegveld te Grimbergen. In het zuidoosten van de site, in de huidige gewestplanzone voor dagrecreatie, bevinden zich twee ronde betonnen vliegtuigloodsen. Zij gelden als de belangrijkste realisatie op de site na de Tweede Wereldoorlog. De twee identieke ronde hangars zijn opgevat als betonnen paddenstoelconstructies
van 7 meter hoog met een diameter van 50 meter. Ze worden afgesloten door een systeem van op dubbele rails gemonteerde aluminium schuifpoorten, opgebouwd uit aluminium platen van twee meter, waarboven zich oorspronkelijk een glaspartij van 5 meter bevond. Deze laatste werd echter al snel vervangen door golfplaten. Het centrale gedeelte wordt verlicht door een spectaculaire glazen lantaarn. Het cirkelvormige plan, in combinatie met de verschuifbare poorten die de hal voor de helft kunnen openzetten, maken een zeer efficiënte stalling van ongeveer 35 sportvliegtuigjes mogelijk. De hangars zijn ontsproten aan de creatieve geest van de Belgische aannemer en ondernemer Alfred Hardy (Boussu 1900 - Beersel 1965). De beton-
Brussel)
De centrale ruimte van de paddenstoelconstructie (foto 0. Pauwels)
Het exterieur van de vliegtuighangars, huidige toestand (foto 0. Pauwels)
M&L
jmmmm w
Het interieur van de
s t r u c t u u r werd uitgevoerd d o o r het Brusselse aannemersbedrijf Blaton-Aubert terwijl d e metalen delen, zoals de lantaarn en d e schuifpoorten, werden geleverd d o o r het metaalverwerkingsbedrijf van H a r d y zelf, h e t Atelier Hardy-Leroy. D e kostprijs v a n d e beide hangars bedroeg in die tijd 7 . 0 3 0 . 0 0 0 Belgische frank (4). D e beide vliegtuigloodsen, die n o g in goede toestand zijn, gelden terecht als sprekende getuigen van de o p k o m s t van de zogeheten zelfdragende bet o n s t r u c t u r e n en zijn een u n i c u m in België. Zowel o p technisch als o p typologisch vlak zijn de hangars b a a n b r e k e n d te n o e m e n en v o r m e n een fraai voorbeeld van de naoorlogse geestdrift voor techniek en constructieve inventiviteit. Architecten en ingenieurs, zonder wie d i t tijdperk van experimenten en innovaties o n d e n k b a a r z o u zijn geweest, trachtten b e t o n te laten zweven en h e t te verlichten t o t spectaculaire constructies. D e grote zelfdragende daken in p a d d e n s t o e l v o r m k u n n e n als een start b e s c h o u w d w o r d e n van een evolutie in de b e t o n a r c h i t e c t u u r die haar h o o g t e p u n t zal bereiken tijdens d e Wereld-
...
ir.rn
I I T ' I ' T I
i
vliegtuigtiangars,
tentoonstelling van 1 9 5 8 o p d e Heizel in Brussel huldlge toestand, (5). Vermoedelijk waren ze bedoeld als een d e m o n - waarbij het principe stratie en p r o m o t i e van d e mogelijkheden van het van ^ w*raging duidelijk zichtbaar is gewapende beton. Ook typologisch zijn de ronde (foto 0. Pauwels) vliegtuighangars enig in hun soort en werden ze ontworpen vanuit een logische gedachtegang die even geniaal als eenvoudig is. Het ronde volume gecombineerd met schuifpoorten die op gelijk welke plaats geopend kunnen worden en de hal voor de helft van haar omtrek open kunnen zetten, zorgen voor een uiterst geschikte stalling van de vliegtuigen zonder dat men verder rekening moet houden met interne circulatieruimte. De 'verloren ruimte' in het centrum van de constructie wordt via een lantaarn voorzien van daglicht en biedt mogelijkheden als atelier en werkplaats.
ALFRED HARDY: ZIJN I FVFNSLOOP FN ZIJN "DALLE AUTOPORTANTE" Alfred Hardy, de geestelijke vader van de hangars, werd geboren in 1900 te Boussu in Henegouwen en
M&L
La maison d'habitation LA MOINS CHÈRE du marche mondial Grace a lo teihir» AUTO-PORTANTE Btcveis A Hard
1
-1
2
5
1. Landbouwhangar te La Queue-lez-helmes nabij Parijs, 1951 (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent) 2. Ontwerp van Hardy uit 1958 voor een parkeergarage in Pari|S via het stapelen van de 'dak ampmttmtt'
3
6
(uit: STRAUVEN I., o.c, p.68)
3. Ontwerp voor vier appartementsgebouwen in L/on, 1957 (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent) 4. Eigentijdse reclamefolder voor het 'ronde huis' op basis van het principe van de 'dolle outoportonte' 5. Eigen woning en bureau van Alfred Hardy te Dworp, foto van de bouwwerf, 1955 (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent) i.
Eigen woning en bureau van Alfred Hardy te Dworp, 1955 (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent)
M&L
overleed in 1965 ten gevolge van een verkeersongeval (6). Hij genoot geen bouwkundige opleiding maar leerde het bouwmetier in het studiebureau van het Frans-Belgische aannemersbedrijf BarbierBesnard et Turenneie. Quiévrain waar hij aanvankelijk technicus en later projectleider was. Rond 1938 trad hij in dienst als technicus bij L'Union Miniere waar hij in contact kwam met belangrijke aannemersfamilies die later grote opdrachten plaatsten in
zijn metaalbedrijf/I^/ZÉT Hardy-Leroy. Het bedrijf opgericht na de Tweede Wereldoorlog werd vanaf 1950 Atelier de Construction A. Hardy. Parallel met zijn activiteiten als aannemer richtte Hardy in 1945 zijn eigen studiebureau op, Conseils Etudes Construction, waar hij zowel in opdracht van externen als op eigen initiatief tal van studies realiseerde en nieuwe concepten uitwerkte (7). Zijn belangrijkste innovatie bestond uit een geheel nieuw constructieprincipe voor betonbouw "la dalle autoportante" waarop hij in 1946 een patent nam en dat hij een eerste maal uitvoerde in de vliegtuigloodsen te Grimbergen.
Plan van de Grlmbergse vliegtuig loodsen (me: STRAUVEN I., Alfred Hordy 19001965. Gent 2002, p.26)
Alfred Hardy was eigenlijk ingenieur noch architect maar een autodidact die zich met het ontwerpen van de hangars als een echte 'all-round-man' toonde waarbij hij optrad als ontwerper, structureel ingenieur en uitvoerder. Het constructieve principe van "la dalle autoportante"IA al bij de eerste toepassing een schot in de roos zijn. De constructie en haar afwerking zijn sober en primair gehouden en vanuit een strikt utilitair karakter bedacht. Het is vooral de binnenruimte die imponeert, daar waar de betonnen constructie een fraai spel van gebogen lijnen etaleert en een boeiende confrontatie aangaat met de lichte stalen schuifwanden (8).
•
•
•
:
.
•
.
/
\
\
/
•
••
Doorsnede, wapenmgsplan en betondetaillering van de vliegtuigloodsen (uit DUB0URG. L,
Uiteraard probeerde Hardy het succes van de paddenstoelconstructie commercieel te verzilveren. In de jaren 1950-1960 maakte hij een lange reeks ontwerpen voor onder meer landbouwhangars, garages, scholen, overdekte markten, rustpaviljoens, benzinestations en panoramische hotel-restaurants. Door zijn paddenstoelconstructies een aantal keer te stapelen, ontwikkelde hij zelfs woon- en parkeertorens. Naast de twee vliegtuighangars werden slechts tien projecten ook daadwerkelijk uitgevoerd: een rustpaviljoen te Dworp (gesloopt) dat tevens diende als schaalmodel voot de Grimbergse hangars, een rustpaviljoen voor de vlieghaven van Deurne, drie woningen in België - waaronder ook zijn eigen woning en kantoor te Dworp —, drie woningen in Frankrijk en twee landbouwhangars in de buurt van Parijs.
BFTONNEN PADDENSTOELEN De vliegtuigloodsen zijn Hardy's eerste eigen project en typologisch ook het meest sprekende. Het centrale element is een grote betonnen ringbalk die een betonnen koepel draagt aan de binnenzijde van de constructie en een uitkragende betonen schaal aan de buitenzijde. De omlopende rand van de
[es (tongors arniloires en beton ormé de l'oerodrome de Gnmbergen-fezBruxete n lo
:
M
7eclini(jue des Traraux, jg. 2 8 , r r . l - 2 , Luik, 1952, p. 29-34: p.31)
schaal is verdikt en van een opstaande rand voorzien, wat toelaat de noodzakelijke dikte van de schaal te beperken (9). De ringbalk zelf steunt op slechts vier vierkante betonnen pijlers zodat de centrale koepelruimte vrij toegankelijk is. Met een straal van 25 meter en een betonschaal die tussen de 8 en de 12 centimeter dik is, overspannen de loodsen van Hardy elk een oppervlakte van 2000 m 2 (10). O p zijn hoogste punt is de betonnen con-
• Eigentijdse loto ti|dens de bouwwerf: het bouwen van de bekisting (uit: STRAUVEN I., o . c , p.28)
Eigentijdse foto de wapening tijdens de bouwwerf: (uit: STRAUVEN I , het aanbrengen van o . c , p.28)
voor het onderhoud van de vliegtuigmotoren (13). Door haar specifieke vorm, benut de paddenstoelconstructie van Hardy ten volle de voordelen van het gewapend beton en de principes van de schaalconstructie (14). De berekeningen werden uitgevoerd door het studiebureau van Blaton-Aubert, in samenwerking met ingenieur Chaikes en onder toezicht van het controlebureau SECO.
A Eigentijdse foto tijdens de bouwwerf: ' . net gieten »an het beton (uit: STRAUVEN I o . c , p.29)
M&L
•
-,
•
i
i
i
i
structie 7 meter nooe, de centrale lantaarn steekt D ^
.
hier nog een aantal meter boven uit. Het totale gewicht van de constructie is berekend op 800 ton met een draagvermogen van 200 ton of 100kg/m 2 . Dit geeft een belasting van 250 ton per pijler. Uit de berekeningen blijkt dat de windlast weinig effect heeft op de funderingen (11). Het betonwerk werd continu uitgevoerd met een grote houten bekisting waarop de wapening werd geplaatst en het beton werd gegoten. Het tempo van één betonnen ring per dag zorgde ervoor dat de gehele basisstructuur in slechts 10 dagen kon worden gerealiseerd (12). De centrale koepel is opengewerkt en dankzij de zenitale lichtinval ontstaat een helder verlichte ruimte van 22 meter diameter, bestemd als atelier
In het buitenste gedeelte van elke loods, dat 14 meter uitkraagt, wordt de betonnen schaal radiaal onderworpen aan hoge drukspanningen die door het eigengewicht en de belasting van het dak worden opgewekt. De trekspanningen worden opgenomen door de concentrisch geplaatste wapeningen (15). Omdat het uitkragende betonnen gewelf zich als een schaalconstructie gedraagt, treden er — in theorie - geen buigmomenten in het beton op. Als een dunwandige schaalconstructie op druk en/of op afschuiving wordt belast, dan bestaat het risico dat de schaal plooit en uiteindelijk onder de belasting bezwijkt. Het is dan ook belangrijk om in een vroeg stadium van het ontwerpproces methoden voor handen te hebben die het moment van plooien en bezwijken kunnen voorspellen. Tegenwoordig beschikt men over complexe computergebaseerde rekentechnieken als de zogeheten 'eindige elementenmethode' om het gedrag van de schaal te berekenen en te voorspellen, maar in de jaren 1940 en 1950 zijn die methoden nog sterk gebaseerd op empirisch onderzoek (16). Door de afwezigheid van buigmomenten is het risico op de vorming van bar-
sten minimaal. Hierdoor volstaat een gegoten bitumenlaag boven op de schaal om de waterdichtheid van de constructie te verzekeren. De afwatering van het grote dak gebeurt langs vier standleidingen ter hoogte van de vier centrale pijlers. Het eigen gewicht van de constructie maakt een verankering tegen opwaartse druk buiten de zone van de centrale fundering overbodig (17). Deze constructiewijze werd door een tijdgenoot omschreven als «susceptible d'ouvrir a la technique du béton, des possibilités architecturales, hier encore imprévues» (18).
INVLOEDRIJKE STEUN EN INTERNATIONALE APPRECIATIE De opdrachtgever van de bouwwerken was de Regie der Luchtwegen. Aanvankelijk weigerde ze de offerte, die Hardy samen met het Brusselse aannemersbedrijf fwfrf/'mw Blaton-Auberthad ingediend, omwille van de hoge kostprijs en de technische risico's. Dat de loodsen toch werden gebouwd, is te danken aan de wetenschappelijke autoriteit en politieke invloed van ingenieur Gustave Magnel
(1889-1955), hoogleraar aan de universiteit van Gent en dé promotor van het gewapend en voorgespannen beton in België (19).Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Magnel, samen met Emile Blaton, een alternatief systeem voor voorgespannen beton, het zogenaamde Systeem MagnelBlaton, dat hij samen met het aannemingsbedrijf Blaton-Aubert commercialiseerde en dat lange tijd met het klassieke Freyssinet-systeem concurreerde (20). Nadat Magnel zijn vriend en ondertussen invloedrijke aannemer Blaton had overgehaald om met Hardy samen te werken, liet hij één van zijn studenten, de Poolse ingenieur Samuel Chaikes (1910-1986), de berekeningen van het betonnen proefmodel te Dworp uitvoeren. Aansluitend overtuigde hij de Belgische overheid van de haalbaarheid en het belang van het project. Dit leidde ertoe dat het project in verkleinde vorm en met gewijzigde (lagere!) kostprijs, opnieuw mocht ingediend worden zodat op 10 maart 1947 de werken aan Hardy werden gegund (21). Het interieur van de
De bouw startte in april 1947 en tegen het einde van hetzelfde jaar werd de eerste loods plechtig
vllegtuighangars met de centrale ruimte en lichtkoepel, huidige toestand (foto 0. Pauwels)
••••••k
iinmMimai
FINDNOTEN (1)
VAN HUMBEEK E, Het vliegveld van Grimbergen in de Tweede Wereldoorlog, Erpe, 1997.
(2)
De 'Kompmskompemierscheihe' op de vliegbasis Gilze Rtje'm Nieuwsbriefvan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg Nederland, jg. 10, nr.5, Zeist, 1998, p.8.
(3)
Voor deze deskundige expertise danken de auteurs de heer Frans Van Humbeek, lid van de Belgian Aviation History Association.
(4)
STRAUVEN I., Alfred Hardy. 1900-1965, {Vlees & Beton 60),
(5)
IDEM, Vliegtuighangars II Grimbergen. A. Hardy met S. Chaikes,
Gent, 2002, p. 6-17.
in y4+ Architectuur, stedenbouw, design en beeldende kunst, nr. 179, Brussel, 2002, p. 74. (6)
Voor een biografie van Hardy en een overzicht van zijn werken, zie STRAUVEN 1., op.cit: IDEM, Hardy, Alfred, in VAN LOO A. (red.) Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Brugge 2003, p. 339; IDEM, Vliegtuighangars II Grimbergen. A. Hardy met S. Chaikes, in A+ Architectuur, stedenbouw,
A
design en beeldende kunst, nr. 179, Brussel, 2002, p. 74; DE
Eigentijdse foto
KOONING M. (red.), Horta and after, 25 masters of modern
tijdens de bouwwerf: toestand na het ontkisten (collectie vakgroep Architectuur en Stedenbouw, UGent)
ingehuldigd. Eind 1948 waren beide loodsen afgewerkt en gebruiksklaar. Drie jaar later bouwde Hardy voor dezelfde Regie der Luchtwegen een gelijkaardig schuilpaviljoen op de luchthaven van Deurne bij Antwerpen. Beide realisaties demonstreren op treffende wijze de creatieve mogelijkheden van gewapend beton en kregen veel aandacht in de dagbladen en vakliteratuur. Het samenvallen van vorm, constructie en functie met een minimale afwerking van de materiaaloppervlakten, maken van de Grimbergse hangars een hoogtepunt binnen de 20 stc -eeuwse Belgische betonarchitectuur. Het is één van de zeldzame Belgische projecten uit de naoorlogse periode die in het buitenland werden opgemerkt (22). In 1964 werden de hangars als enige Belgische creatie opgenomen in de overzichtstentoonstelling Twentieth Century Engineering in New York (23). In 1971 omschreef Geert Bekaert de gewaagde paddenstoelconstructies in de tentoonstellingscatalogus Bouwen in België. 1945-1970 als één van die "hoogst uitzonderlijke gevallen waar "men kan spreken over een synthese tussen vorm en constructie" (24).
architecture, Gent, 1999. (7)
Het studiebureau zal later nog een aantal keer van naam veranderen, maar behoudt de initialen CEC: Conseils Etudes Constructions, Centre d'Emboutissage de toutes Constructions en Centre Europeen de Construction. STRAUVEN 1., of.cit., p. 10, noot 6.
(8)
IDEM, »/.«>., p. 12.
(9)
Ook vandaag worden nog steeds schaalconstructies gebouwd, zij het in beperkte mate en voornamelijk in de nuts- en industriebouw: zuiveringstanks, watertorens, gisttanks, koeltorens, silo's,... Schaalconstructies baseren zich op het principe van de huid (schaal) als dragende constructie.
(10) DUBOURG L., Leshangars circulaires en béton armé de l'aérodrome de Grimbergen-lez-Bruxelles in La Technique des Travaux, jg. 28, nr. 1-2, Luik, 1932, p. 29-34.
(11) D U B O U R G L, <y.a>., p. 32. (12) D U B O U R G L, op.cit., p. 30. (13) D U B O U R G L, op.cit., p. 29-30. (14) Het principe van de schaalconstructie in de bouwwereld is geen recente uitvinding. Er zijn nog tal van historische voorbeelden bewaard, waarbij vooral de koepel van het Pantheon (Rome) en van de Hagia Sofia (Istanbul) gekend zijn. Deze laatste overspant een grote ruimte met een bakstenen gewelf dat slechts een tiental centimeter dik is. Het principe van de schaalconstructie geldt ook voor bijvoorbeeld de romp van een vliegtuig. De meest in het oog springende gebouwde schaalconstructie in Vlaanderen vandaag zijn wellicht de beide eivormige gisttanks aan het Antwerpse Sportpaleis (beter gekend als de 'Eitjes'), de watertoren van
Marjolijn Van Damme (kunsthistorica) en Dieter Nuytten (ingenieur-architect) zijn erfgoedconsulenten Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant.
Mechelen en de koeltorens van Doel of Vorst... (15) DUBOURG L , op.cit., p. 30 en 33. (16) De eindige-elementenmethode is een rekenmethode waarmee de sterkte-eigenschappen van een ingewikkelde constructie kunnen worden berekend, door deze virtueel op te delen in een beperkt ('eindig') aantal elementen, gekoppeld via knooppunten. De
1VI&L
methode is ontwikkeld omdat traditionele analytische reken-
(20) Gustave Magnel weid nadien ook voor alle belangrijke projecten
methoden bij ingewikkelde constructies onvoldoende mogelijk-
van Blaton-Auberr als expert geconsulteetd: STRAUVEN L,
heden bieden of te complexe berekeningen vergen. De methode
op.cit., p. 14.
steunt op het ptincipe dat wiskundig kan aangetoond worden dat
(21) De aanbevelingen van het oorspronkelijke aanbestedingsrapport
bij het vetkleinen van de elementen, de oplossing die met de
werden terzijde geschoven na russenkomst van twee persoonlijke
methode wordt bereikt, nadert tot de analytisch juiste oplossing.
vrienden van Magnel, te weten Malderez, secretaris-generaal van
Toch kunnen er bij onjuiste modellering van de elementen fouten
het Ministerie van Verkeerswezen, en Van de Velde, directeut van
worden gemaakt die ernstige gevolgen kunnen hebben. Ook een
de Dienst Terreinen en Gebouwen. De vrije hoogte werd verlaagd
juiste bepaling van de belasting die op de sttuctuur of het ondet-
van 6 tot 3 metet waardoor alleen nog kleine sportvliegtuigjes in
deel inwetkt is cruciaal voor de betrouwbaarheid van een bereke-
de loodsen konden worden ondergebracht i.p.v. de voorziene vier
ning. De methode is ontstaan rond 1940, voordat computet
DC3 toestellen. De reductie van de hoogte verlaagde het budget
bestonden, maar sinds de intrede van de PC heeft ze een grote
van 3.774.842 Bef. pet loods tot 3.015.000 Bef. per loods. Brief
vlucht genomen, vootal in combinatie met computerprogram-
Blaton-Aubert aan de Dienst Gebouwen en Terreinen dd. 24 jan.
matuur voor architectuurontwerpen. (17)STRAUVENI., o/>.nr.>p. 10. (18) Techniques nouvelles. Hangar circulaire en béton armé. Brevet A. Hardy in: Architecture, Urbanisme - Habitation, jg.9, nr.4, Brussel, 1 9 4 8 , p . LXXVI-LXXVII.
1947 (archief Belgocontrole, Brussel). STRAUVEN L, op.cit., p. 14, noot 15. (22) BEKAERT G., Hedendaagse architectuur in België, Tielt, 1995, p. 6-7. (23) DREXLER A. (ed.). Twentieth Century Engineering, MOMA,
(19) MAGNEL G., Le béton précontramt, Gent, 1948; IDEM,
New York, 1964. In 1969 was deze tentoonstelling te zien in de
Pratique du calculdu béton armé, Gent, 1923-1942; TAERWE L ,
Koninklijke Bibliotheek van België. Twentieth Century Enginee-
Contributions ofGustave Magnel to the development ofprestressed
ring: exhibition circulated by the Museum of Modern Art... Royal
concrete in Proceedings Symposium on Historie Innovations in Pres-
Library Albert I, from September 6h to October 5'h 1969, s.L,
tressed Concrete, nov., 2005, p. 1-13 en VANDE VOORDE S.,
1969. STRAUVEN I., op.cit., p. 6.
DE MEYER R. en TAERWE L , Rijke erfenis van de Belgische betonarchitectuur, in Het ingenieursblad, jg. 76, nr.l, Antwerpen 2007, p. 1-9.
(24) BEKAERT G. en STRAUVEN E, Bouwen in België, 1945-1970, (Nationale Confedetatie van het Bouwbedrijf), Brussel, 1971.
Hugo Vanden en Linda
horre
Wylleman
DE RESTAURATIE VAN DE EGYPTISCHE EETZAAL VAN HET KASTEEL MOELAND IN S1NT-N1KLAAS • Na restauratie. Gehurkte figuren dragen het uitspansel (foto 0. Pauwels)
De restauratie genomineerd
van de Egyptische als provinciale
Vlaamse Monumentenprijs In 1991 verschenen geschiedenis
laureaat in
waarin ook de resultaten zoek werden verwerkt,
2007. over de
van de zaal (1),
van het
vooronder-
dat aan de basis
die eind 2006
werd
rond. Dus meer dan één reden om deze zaal nogmaals
werd
onder de aandacht
te
HET KASTEEL MOELAND
voor de
reeds twee artikels
en de iconografie
van de restauratie
eetzaal
lag afgeunieke brengen.
Het kasteel aan de Hospitaalstraat in Sint-Niklaas werd in 1776-1778 opgetrokken door Hendrik van der Sare in een U-vormige aanleg, met een rechthoekig kasteelgebouw en twee dienstvleugels. In het begin van de 19 ^ eeuw werd het aangekocht door Everaert van Geelhauts, burgemeester van Beveren, en in 1831 was het in bezit van Bernard De Munck de Moerman, burgemeester van SintNiklaas. Zijn enige dochter huwde in 1857 met ridder Amedée de Schoutheete de Tervarent. Samen met zijn echtgenote Emma de Munck nam hij het initiatief tot een grondige verbouwing in 1866-
1877, mogelijks naar ontwerp van architect P. Van Haver. Het kasteel werd uitgebreid met zijvleugels die de verbinding maakten met de dienstgebouwen en de tuingevel werd voorzien van een torenvormige middenrisaliet. Aan de oostzijde werd een toegang met kapel en dubbele serre uitgebouwd. Alle vertrekken werden gemoderniseerd en in de bijgevoegde zijvleugel kreeg de eetzaal een nieuwe decoratie in egyptiserende stijl. Reeds in 1881 verkochten hun kinderen het kasteel echter aan de Liefdezusters van de Verrezen Zaligmaker. Deze brachten op hun beurt veranderingen aan: een inmiddels afgebroken kapel werd in 1913 aangebouwd, de zijvleugels werden uitgebreid en heringericht in 1931 onder leiding van architect H. De Boom van Sint-Niklaas. De oostelijke toegang met kapel en serres, die terugging tot de verbouwing door de Schoutheete de Tervarent, werd in 1947 afgebroken en vervangen door vier rusthuiskamers. Ook de circulatie op de gelijkvloerse verdieping werd in die periode gewijzigd. De uitbreiding van het ziekenhuis vormde een bedreiging voor het voortbestaan van het kasteel, maar dank zij de inzet van mevrouw De BrouwerCornet en de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het land van Waas werd in 1976 het toen als rusthuis gebruikte kasteel beschermd als monument. In 1986 werd voor de uitbreiding van het ziekenhuis de 20 ste eeuwse kapel afgebroken (2). Na de bescherming ging het opdrachtgevend bestuur over tot de opmaak van een restauratiebestek voor de restauratie van het volledig kasteel en de inrichting ervan tot burelen en vergaderzalen. Het herstel van de bedaking, tuingevel en het inrichten van de zolders en de eerste verdieping tot burelen, naar het ontwerp van architect R. Wettinck werd uitgevoerd in 1995. Deze fase werd gevolgd door de restauratie van de straatgevel en de renovatie van de oostelijke vleugel naar ontwerp van architect Michel De Vos, overgenomen door het architectenbureau De Vloed, en uitgevoerd tussen oktober 1998 en oktober 1999. Hierop volgde het herstel van de binnenkoer en straathekken van oktober 2001 tot december 2002. De restauratie van het interieur, ingezet met de restauratie van de Egyptische eetzaal, is een ontwerp van het architectenbureau De Vloed (3).
RIDDER DE SCHOUTHEETE DE TERVARENT EN DE EGYPTOMANIE De realisatie van een eetzaal in een egyptiserende stijl kadert in de algemene inreresse voor de Egyp-
tische cultuur en de specifieke voorliefde van de eigenaar. Ridder Amedée de Schoutheete de Tervarent (1835-1891) studeerde rechten, was een notoir katholiek, gemeenteraadslid, zetelde tevens in de provincieraad van Oost-Vlaanderen en was medestichter van de Oudheidkundige kring van het Land van Waas. Daarnaast was hij eveneens actief in de Académie royale d'archéologie de Belgique, en kende hij de egyptoloog Louis Delgeur (1819-
De veldtocht van Napoleon in Egypte (1798-1801) gaf aanleiding tot een vernieuwde interesse voor de Egyptische cultuur. De keizer zond namelijk ook wetenschappers naar Egypte die onder meer de kunst, fauna en flora bestudeerden, beschreven en hun bevindingen publiceerden. Hun publicaties veroorzaakten een golf van Egyptomanie (4), en voornamelijk in kringen van liberalen en vrijmetselaars kreeg de Egyptische kunst meer dan een gewone aandacht. Reisverhalen werden gepubliceerd en in tijdschriften verschenen ontwerpen van diverse soorten kamers in egyptiserende stijl. In 1854 werd de Egyptian fowrt ingericht in het Crystal Palace in Sydenham (Groot-Brittanië), bedoeld als een compilatie van de kunsten en ambachten van het oude Egypte. In eigen land werd in 1855-1856 de Egyptische tempel in de Antwerpse zoo gebouwd naar ontwerp van architect Charles Servais, voorzien van taferelen (1857-1858 en 1861-1862) naar ontwerp van de amateur-egyptoloog Louis Delgeur en uitgevoerd door Jean-Joseph Stalins en zoon (5). Toen de Egyptische zaal in kasteel Moeland werd ingericht, werd de obelisk van Alexandrië naar Londen verscheept in 1877. O p de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs was een Egyptische tempel te bewonderen, en in eigen land verschenen vrijmetselaarstempels in Egyptische stijl, bijvoorbeeld deze van Les Amis du Commerce et la Perseverance Réunis aan de Meistraat in Antwerpen in 1875, en de Brusselse loge van Les Amis Philantropes (1877-1879) aan de Peterseliestraat (6).
De heruitgave van de Description de l'Egypte ou recueil des observations et des recherches qui ont été faites en Egypte pendant l'expédition de l'armée franfaise door Charles Louis Fleury Panckoucke vanaf 1821 in 24 volumes, en de kleurrijke lithografieën van de Franse egyptoloog Prisse d'Avennes (18071879) in zijn Histoire de l'art égyptien, dat in afleveringen verscheen tussen 1858 en 1877, lagen aan de basis van de decoratie in de Egyptische eetzaal. Wellicht sierden deze werken de bibliotheek van de bibliofiel de Schoutheete.
mi®
*&
ii~/h~*
<Ul
r
fi
Ml
\i
•
ÜJJ
f f WWW ^
A
(I^^H^
fff t
tl: is?, a
•«-.i
i^l^^ï
1^:
« fy
a ^
u 1^
rfl
'.•sag»
^
« • • • * » * • * * * * * * _
31 ^ 1
^
* lf
• . i i . . .
i .
7 ts3
r
f^ 4
f;.."!
«ï^
*
•;; .3
?•'••
rt s» 5 !
A
«i i ï
DE EGYPTISCHE EETZAAL Vermits de egyptiserende stijl bij voorkeur werd gebruikt door vrijmetselaars, hebben verschillende auteurs deze zaal geïdentificeetd als een esotherische tempel van de rozenkruisers of als een vrijmetselaarsloge. Deze stelling klinkt geheimzinniger en aantrekkelijker dan gewoon een prachtig gedecoreerde eetkamer met taferelen gecopieerd uit de reeks van Panckoucke, zoals werd aangetoond door Eugène Warmenbol en Petra Maclot (7). De opdrachtgever ridder de Schoutheete was overigens katholiek en in deze periode was het uitgesloten dat een katholiek toetrad tot de antiklerikale vrijmetselarij. De ruime eetkamer is achthoekig en heeft een vlak plafond. Het halfverheven stucwerk werd uitgevoerd door het atelier van Auguste Bonnefoy (18131883), en ter plaatse ingeschilderd door Arnold de Castro die naast het beroep van huisschilder in Sint-Niklaas ook de kost verdiende als drukker en boekhandelaar. De muurvlakken zijn opgedeeld in drie zones: de lambrisering, het muurvlak en de bekroning. De lage houten lambrisering bestaat uit een plint, tussenpanelen en een fries. De lambrisering is afgewerkt met een donkerbruine gemarmerde achtergrond, die aansluit bij de echte marmeren elementen van de schouw. O p deze achtergrond komt een verticale geleding van in reliëf uitgewerkte open en gesloten bloemen voor, waarboven een fries met hiërogliefen en een sterrenfries.
plafond, dat een getrouwe kopie is van de dierenriem van de oostelijke Osiriskapel op het dak van de Hathortempel van Denderah (thans in het Louvre in Parijs), en ook voorkomend in het werk van Panckoucke.
•4 Na restauratie. Centraal Koning Osorkon I en de godin Hathor, rechts Ptolemaeus VII Evergetes II voor Knoen en Satius.
Het cirkelvormige uitspansel wordt gedragen door godinnen en gehurkte figuren geplaatst op een sterrenhemel. Het uitspansel bevat de twaalf tekens van de dierenriem, de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus, de maan, Sirius, Orion en drie door de Egyptenaren gekende sterrenbeelden Draco, Grote Beer en Kleine Beer. De omlopende fries aan de voeten van de godinnen is een deel van de astronomische fries met afbeelding van de decaden, sterrenbeelden, planeten, goden, maan-dagen en maanden. De sobere schouw heeft een roodmarmeren schouwmantel naar model van een tempelpoort. De kroonlijst van de deuromlijsting heeft centraal een gevleugelde zonneschijf. De deurposten zijn met vier tafereeltjes versierd. De vloer tenslotte is een kleurrijke tegelvloer van keramische tegels met boordmotief. Ook details zoals de koperen raam- en deurkrukken zijn aangepast aan de omgeving en stellen een staande krokodil of olifantenkopjes voor (8).
Plafond met getrouwe kopie van de dierenriem van de Hathortempel in Denderah (foto 0. Pauwels)
•4 Na restauratie. Links van de schouw Ptolemaeus VII Evergetes II vóór | 9
Khnoen en Satius (foto 0 . Pauwels)
De monumentale taferelen op de muurvlakken zijn aan drie zijden omkaderd met hiërogliefen en stellen de overwinnende farao voor die een groep vijanden bedreigt, verder Toetmosis III en de god Amon; de strijdende Seti I in strijd met het Libisch voetvolk; Koning Osorkon I en de godin Hathor; Ptolemaeus VII Evergetes II voor Khnoen en Satius, met als pendant Ptolemaeus VII Evergetes II voor Shoe en Tefnoet. Links van het grote raam de godin Isis of Hathor, en rechts een farao. Het laatste tafereel stelt het zinnebeeld van Maat voor als een gehurkte gevleugelde godin. In de hoeken zijn halfronde zuilen geplaatst met schutbladeren als basement. De zuilschacht met drie figuratieve banden is bekroond met een lotus-, palm- of papyruskapiteel, gemaakt naar model van de zuilen uit de hypostyle zaal van de Isistempel van Philae, alsook naar model van zuilen uit de tempel van Esna. Omlopende architraaf, rondstaaf en de keellijst onder het vlakke
1VI&L
HET VOORONDERZOEK Na restauratie. Zinnebeeld van Maat (foto 0. Pauwels)
• Centraal Wti I in strijd met het Libische voetvolk (foto 0. Pauwels)
M&L
In functie van de opmaak van het testauratiebestek voor deze zaal werd door de firma Support-Surface in februari-maart 1991 een vooronderzoek (9) uitgevoerd naar de gebruikte materialen, de bewaringstoestand van de beschildering en het schadebeeld. Het materiaalonderzoek leverde volgende bevindingen op. De plint werd in hout uitgewerkt en de grote panelen werden in atelier in verschillende platen met een dikte van 30 tot 33 mm. gegoten en ter plaatse op de baksteenmuur bevestigd met gipsproppen. De gietstukken van de halfzuilen en kroonlijst werden aangebracht op een houten vakwerkstructuur met rinkellatten. Aan de hand van een beperkt aantal steekproeven werden de opeenvolgende preparatie- en afwerkingslagen onderzocht. Hierbij kwam aan het licht dat nog grotendeels de oorspronkelijke afwerking aanwezig was. De schilder Arnold de Castro had op de gipsen drager eerst een grondlaag aangebracht met hierop een monochrome ivoorkleurige olieverflaag, die tevens de achtergrond vormt van de
grote taferelen. De polychrome afwerking werd uitgevoerd in een schrale olieverf.
•4 Vóór restauratie. Barstvormmg in panelen en zuilen
Een ander onderdeel van deze studie was het onderzoek van het schadebeeld. Er werd vastgesteld dat de barsten in het plafond en de muurdecoratie samenvallen met de contouren van de geassembleerde stukken. Door het inbrengen van diverse leidingen in het verleden waren er delen van het stucwerk gedemonteerd en beschadigd, zoals onder meer de poortomlijsting en de volledige plintzone. Beschadigd stucwerk werd toen vervangen door houten stukken met een vlakke beschildering. Door het omvormen van een deur tot schuifdeur werden de dagkanten vervangen door houten vlak geschilderde panelen.
(foto H. Vandenborre)
-4 Fries boven lambrisering na reiniging. Rechts origineel en links recente
SCHADEBEELD
vlak geschilderde
De 19 c-eeuwse opbouw met geprefabriceerde panelen in hout en gips vertoont een specifieke problematiek. Door de zetting van de diverse materialen is er een spanning ontstaan tussen de verschillende bouwelementen van het interieur. Daarnaast vertoont de zaal de courante problemen als gevolg van veroudering, gebruik en onderhoud.
Vandenborre)
aanvulling (foto H.
•4 Vóór restauratie.
Onderaan, in de plint van de houten lambrisering, is er schade door opstijgend vocht en als gevolg van het schoonmaken met water. Het hout van de tussenpanelen van de lambrisering vertoont een sterke uitdroging en vervorming als gevolg van de verwarming met radiatoren. De panelen zijn los gekomen en door het krimpen van het hout zijn er openingen ontstaan. Bij de plaatsing van de radiatoren werden bevestigingspunten in de muur voorzien dwars doorheen de houten lambrisering. Een groot deel van de fries, die als afsluiting van de lambrisering dient, ging verloren en werd vervangen door houten paneeltjes, waarop replica's van de hiëroglyfen zijn aangebracht. Deze werden niet in reliëf uitgevoerd en zijn duidelijk van mindere kwaliteit dan de originele. Een aantal gipsen paneeltjes in de omlijsting van de grote inkomdeur is verdwenen. De deur zelf functioneert zeer moeilijk aangezien de wieltjes van de schuifdeur zijn versleten. Het mat glazen paneel in de schuifdeur is niet aangepast aan het karakter van de zaal. Bij twee van de acht halfzuilen zijn de twee onderste trommels gebroken, wellicht als gevolg van het demonteren van de originele gasverlichting. Toen werden ook de toevoergaten van de gasleidingen in de bovenste trommels gedicht.
Lacunes in panelen en deuromli|sting (foto H. Vandenborre)
De als één geheel te beschouwen figuratieve centrale panelen op de muurvlakken en de verschillende taferelen op het plafond zijn op een onregelmatige wijze gescheurd. Deze scheuren zijn de randen van de prefab-elementen, waaruit de panelen zijn opgebouwd. Het loskomen van de voegen is veroorzaakt door het zetten van het gebouw en door de interne werking van de panelen. Door de zetting is ook het niveau van de panelen onderling verschillend. Het paneel rechts van de schouw is gedeeltelijk losgekomen. In het verleden werd reeds een poging ondernomen om het paneel opnieuw te fixeren, maar hierdoor werd het niveauverschil tussen de verschil-
van de stookplaats is volledig overschilderd. Van de houten spiegelomlijsting is de preparatielaag losgekomen met talrijke lacunes als gevolg. Het raam- en deurbeslag is zwaar geoxideerd en onvolledig.
• Vóór restauratie. De randen van de gipsen panelen tekenen zich af (foto H. Vandenborre)
BIJKQMFNDE PROBLEMATIEK O m de unieke decoratie van de zaal optimaal te kunnen herstellen en een gunstiger binnenklimaat te realiseren, werd gekozen voor vloerverwarming. Daarvoor moest wel de vloer gedemonteerd worden, alsook de hierop rustende lambrisering en de onderste trommels van de zuilen. Door deze demontage was het noodzakelijk om de stabiliteit en de hechting van de bovenliggende panelen te verzekeren, en het figuratief paneel rechts van de schouw preventief te verwijderen. Vloerverwarming wordt op een gegoten betonnen ondervloer aangebracht. Dit procédé gaat gepaard met een enorme verhoging van de relatieve vochtigheid. O m te vermijden dat de vrijgekomen water-
T Vóór restauratie.
lambnscring
Toestand na demon-
(foto H.
tage van de onder-
Vandenborre)
ste trommels en
• f
I *\ -.'T 2 '^kÉSL
• De kroonlijst
vóór reiniging ,0 . ' . ïandenborre)
M&L
^ Demontage van de panelen rechts van de schouw ;foto H Vandenborre)
lende elementen nog meer geaccentueerd. De elektrische bedrading is boven op de panelen eenaeeld "
r
r
o
1
f:
1 HH -
'SL
o
en o o k h e t a a n b r e n g e n van s t o p c o n t a c t e n heeft schade veroorzaakt. O p h e t niveau van d e picturale laag was er een sterke vervuiling m e t een algemene verkleuring tot gevolg. D e gipsen drager heeft namelijk elektrostatische eigenschappen, die de h e c h t i n g van h e t vuil bevorderen. D e zones r o n d d e later aangebrachte technische voorzieningen zijn storend geretoucheerd. R o n d de i n k o m d e u r en o p d e twee zijdeu" n e e n a a n t a i l a c u n e s in J g picturale laag en d e ren , „ • • drager. De marmeren schouw vertoont slechts een oppervlakkige vervuiling. De originele decoratie
^0 .. 3J|
damp condenssporen of andere schade aan de gipspanelen zou veroorzaken, werd een beschermende koepel in de vorm van een tent vervaardigd binnen de ruimte, die de vochtige atmosfeer afsloot van de decoratieve elementen. Bij het demonteren van de lambrisering werden eveneens de vensterbanken en het meubelbeslag verwijderd. De constructie van de lambrisering met tand- en groefverbinding maakte het noodzakelijk deze in zijn geheel te verwijderen. De panelen van de lambrisering waren gelukkig met verdoken schroeven aan de muur bevestigd waardoor zij gemakkelijk losgemaakt konden worden. Ieder verwijderd element werd vervangen door een steunelement voor de hierboven bevestigde decoratieve panelen, dat eveneens werden gebruikt voor de bevestiging van de bovengenoemde koepel. De trommels rond de zuilen werden voorzichtig verwijderd met behulp van spieën. Door zachtjes te hameren op deze spieën kwam de kleefgips geleidelijk los van de onderliggende tengellatten. O p dezelfde manier werd de omkasting van de ramen verwijderd. De houten elementen (lambrisering en deuren), alsook de gipsen platen van het losse paneel rechts van de schouw werden geïnventariseerd en verwijderd van de werfzone.
Plafondopbouw met houten roostering en stalen I-profielen (foto H. Vandenborre)
Demontage van de kooflijst nodig voor de vervanging van het raamlmteel (foto H. Vandenborre)
•4
Tijdens de werken aan de vloer, door een nevenaannemer, werd de aandacht verlegd naar de stabiliteit van het plafond. Er werd uitgegaan van de mogelijkheid dat het aftekenen van de verschillende platen te wijten was aan het loskomen van deze platen van de drager. Daarom werd een fixatiecampagne voorzien, waarbij de verschillende panelen van boven uit op hun plaats gebracht en gefixeerd werden. O m het stucwerk te kunnen bereiken moesten de vloeren van de eerste verdieping gedemonteerd worden. Geen gemakkelijke zaak aangezien zich boven de Egyptische eetzaal op een doorlopende plankenvloer vijf ruimtes bevinden, namelijk een gang, twee hoofdlokalen en twee bijlokalen. O p de oorspronkelijke vloer in de hoofdlokalen lag nog een massieve beukenvloer, van de oorspronkelijke vloer gescheiden door een multiplex plaat. De bedoeling was de recentere beukenhouten vloer integraal te hergebruiken, maar doordat deze verlijmd was op de onderliggende multiplexplaten kon een ongeschonden demontage onmogelijk worden uitgevoerd. Daarenboven was de demontage van de verlijmde planken beduidend arbeidsintensiever dan voorzien. De multiplex platen waren aan de onderliggende originele vloer bevestigd met schroeven. De originele houten vloer werd per kamer langs de wanden van een zaagsnede voorzien, zodat
Tijdens de restauratie. Links gereinigde kooflijst, rechts gemonteerde kooflijst na herstel van het linteel (foto H. Vandenborre)
de planken per kamer verwijderd konden worden met behulp van spieën. Na deze operatie konden de roostering en de bovenzijde van het stucplafond onderzocht worden. Hierbij kwam aan het licht dat de houten roostering gedragen werd door twee stalen I-profielen, die parallel met de gevel waren geplaatst, een voor die periode ongebruikelijke constructiemethode. Dank zij deze constructie waren de draagkracht van de vloer en zijn stabiliteit beduidend beter dan verwacht, en het verklaart ook waarom slechts een beperkte fixatie van de plafondpanelen noodzakelijk was.
Bij een visuele controle bleek dat in de zone van het balkon witrotaantasting was opgetreden, die ontstond door een verzakking van dit balkon, met waterinsijpeling tot gevolg. De verzakking werd nog bevorderd door een zwamaantasting van het eikenhouten linteel boven het onderliggende gelijkvloerse raam. Na onderzoek werd beslist het aangetaste linteel te vervangen door een metalen linteel. Probleem was dat dit aangetaste linteel alleen van binnenuit kon verwijderd worden, en dat het zich gedeeltelijk achter de kooflijst van het plafond bevond. De gipsen elementen van de kooflijst, bevestigd op een houten constructie van standzones met tengellatten, moesten samen met de dragende constructie gedemonteerd worden. De voegen tussen de verschillende prefabpanelen werden opengemaakt, waarna de panelen met behulp van spieën en zacht hameren losgemaakt werden van de onderliggende tengellatten. Preventief werden ook de panelen naast het raam verwijderd. De volledige achterliggende constructie van de kooflijst (tengellatten en standzones) werd gedemonteerd en geïnventariseerd. De standzonestructuur werd zorgvuldig aangeduid op het muurvlak, zodat een herbevestiging op exact dezelfde plaats mogelijk was. Het houten linteel werd verwijderd en vervangen door een stalen exemplaar. De vervormingen in het gebouw werden hierdoor gestabiliseerd maar konden niet ongedaan worden gemaakt. De consoles van het balkon werden geconsolideerd en de gebroken balkonplaat versterkt. Het balkon werd voorzien van een waterkering, en ten gevolge van deze wer». ken was plaatselijk herstel van het buitenpleisterPaneel Ptolemaeus w e r k noodzakelijk. VII Evergetes II vóór Shoe en
Tefnoet, na de montage van de afgenomen panelen en tiet aanvullen van de naden
N a h e t u i t v o e r e n van deze b i j k o m e n d e w e r k e n k o n de behandeling van het plafond hervat w o r d e n . D e ^ m ^ e l e m e n t e n werden behandeld tegen hout. . . . . . . b o r e n d e insecten m e t een insecticide o p basis van
vóór retouche a z a c o n a z o l e en p e r m e t h r i n e . N a o n d e r z o e k van d e (foto H. 0 p b o u w van h e t p l a f o n d bleek dit o p t r a d i t i o n e l e Vandenborre) .. i j • • j i
wijze opgebouwd: op de roostering werden tengellatten aangebracht voorzien van een traditionele kalkbepleistering waarop de decoratieve panelen werden bevestigd. O m de hechting van de decoratieve panelen aan de pleisterlaag te controleren werden doorheen de plafondopbouw gaten geboord. Hierbij kon worden vastgesteld dat de decoratieve panelen niet, zoals aanvankelijk gedacht, aan het stucplafond bevestigd waren door middel van dotten kleefgips, maar dat de ruimte tussen de decoratieve panelen en het stucplafond volledig gevuld was met kleefgips. De verschuivingen tussen de verschillende panelen bleken dus het gevolg van een
algemene vervorming van het plafond en niet van het individueel loskomen van de prefabpanelen. Deze vaststelling maakte ook dat de deformaties niet konden opgelost worden. O p het niveau van het stucplafond werden enkele afgebroken baarden hersteld. O m de kostprijs te drukken werd de oorspronkelijke beplanking niet teruggeplaatst, maar vervangen door twee lagen multiplex, en de recentere beukenhouten beplanking werd vervangen door een linoleum bekleding.
MONTAGE EN HERSTEL VAN DE DECORATIEVE PANELEN Na het herplaatsen van de tegelvloer op het gelijkvloers en de vervanging van de ramen kon de montage van de bekleding van de zaal aangevat worden. Het waterpas leggen van de vloer zorgde voor een wijziging in de aansluiting met de lambrisering. De plinten moesten stuk voor stuk aangepast worden aan het nieuwe vloerniveau. De lacunes, die ontstaan waren door de plaatsing van radiatoren en stopcontacten, werden ingevuld met dennenhout, gelijkaardig aan het origineel. De openstaande voegen tussen de panelen werden ingevuld met balsahout en alle invullingen werden geplamuurd. De lambrisering werd opnieuw bevestigd met schroeven, volgens het oorspronkelijk systeem. Door een wijziging van de raamconstructie moest de vensterbank verlaagd worden, en dus ook de lambrisering.
De tengellatten ter hoogte van de onderste trommels van de halfzuilen waren gedeeltelijk beschadigd en dienden vervangen te worden door strekmetaal. O m de gipspanelen te kunnen herplaatsen werd gezocht naar een kleefmortel die toeliet om de opbouw van de platen gecontroleerd te laten verlopen. Dit betekent dat gezocht diende te worden naar een vertraagde droogtijd van de mortel. Hierbij werden zowel zuivere kalkmortel als kalk- gipsmortels getest, met toevoeging van additieven (beenderlijm en tylose). Uit de testen bleek een combinatie van een gipskalkmortel met chamotte als vulstof en vochtregelaar het meest bevredigend resultaat te geven. De snelle droging van gips kon aanzienlijk vertraagd worden door het toevoegen van luchtkalk. De stukken van de twee gebroken trommels werden verlijmd met polyvinylacetaatlijm in emulsie, met marmerpoeder als vulmiddel. Aan de achterzijde werd een bijkomende versteviging voorzien van Varaform, een gaas bekleed met een thermoplastische stof die door opwarming hecht. Lacunes in de drager werden ingevuld met strekmetaal waarop een mortel op basis van gips en kalk werd aangebracht. Het losgekomen paneel rechts van de schouw werd op dezelfde wijze herbevestigd. De oude kleefmortel en voeginvulling werden verwijderd zodat de oorspronkelijke vorm van het paneel bekomen werd. Het monteren van de panelen werd uitgevoerd met gipskalkmortel met chamotte als vulstof en vochtregelaar. Ook de gedemonteerde panelen naast het raam werden op deze manier teruggeplaatst.
De draagstructuur van de kooflijst werd hersteld. De standzones werden op de oorspronkelijke plaats teruggeplaatst met behulp van chemisch verankerde doken. De standzones werden voorzien van een draagstructuur in strekmetaal en tijdens het droogproces werden de panelen extra ondersteund. De voegen tussen de verschillende panelen werden plastisch bijgewerkt met een fijne kalkmortel, en uitgeplamuurd met een getinte was-krijt-preparatie. Alle scheuren en barsten in de bekleding werden op deze manier behandeld.
BEHANDELING VAN DE PICTURALE LAAG De lambrisering werd gereinigd met een mengsel van isopropanol, ammoniak en water (50/25/25) en kreeg een bijkomende reiniging met EDTA (1 tot 2,5%) in water. Deze werkwijze was noodzakelijk omdat het vervuilde oppervlak in het verleden was afgewerkt met een coating. Door deze tweeledige reiniging kon de «wft'w^verwijderd worden en het vervuilde oppervlak gereinigd. Pas na deze reiniging werd vastgesteld dat de donkere achtergrond eigenlijk een marmerschildering was. De reinigingsresten op de muurvlakken, uitgevoerd tijdens het vooronderzoek, werden geëvalueerd en aangevuld met nieuwe testen. Hieruit bleek een oplossing van ethyleen-diamine-tetra-azijnzuur in
water (1 tot 2,5 %) een bevredigend resultaat te geven. Na reiniging kon worden vastgesteld dat de achtergrond van enkele panelen in het verleden overschilderd werden naar een vervuilde toestand. Dit geldt voor de twee panelen naast de schouw, een gedeelte van het hoekpaneel links van de schouw en het paneel links van het centrale raam. Ook werden overschilderingen aangetroffen op alle halfzuilen in de zones aangevuld na verwijdering van de gasverlichting. O p de overschilderde zones werden verschillende testen uitgevoerd, gaande van het verwijderen van de overschildering tot een visueel herstel via retouche. Uiteindelijk werd besloten de overschilderingen toch te verwijderen met een mengsel van isopropanol, ammoniak en water (50/25/25). Bij het reinigen van het plafond werd vastgesteld dat het in het verleden was gereinigd met een product dat de picturale laag had aangetast met vlekvorming in de egaal geschilderde achtergrond tot gevolg. Deze vlekken werden veroorzaakt door een plaatselijke aantasting van het bindmiddel, waardoor een soort witte waas ontstond. Het verschralen van het bindmiddel kon worden gecompenseerd door het aanbrengen van een laag microkristallijne was, die werd verneveld om deze egaal te kunnen aanbrengen. De lacunes in de picturale laag werden op niveau gebracht met een gepigmenteerd was-krijt-mengsel. De retouche gebeurde met lichtechte pigmenten in paraloid B72 opgelost in ethylalcohol en diacetonalcohol (25/75). Het geheel kreeg een afwerkingslaag op basis van microkristallijne was. De imitatievergulding op basis van zilver en gele lakken op de spiegelomlijsting werd gefixeerd met een klassiek washarsmengsel. De polimentvergulding vereiste een uiterst zorgvuldig aangebracht preparatie. Het hang- en sluitwerk werd behandeld door Hans De Cloet. De vervuiling en oxidatie werden verwijderd door de stukken onder te dompelen in een oplosmiddelenmengsel. De originele en bijgemaakte ontbrekende stukken werden verguld.
B£SLUJI Vooral de barstvorming in alle stuconderdelen, alsook de schade veroorzaakt door het aanbrengen van de verwarming en elektriciteit en door opstijgend vocht waren redenen tot restauratie. Naast constructief herstel van de gedeelten in hout en stucwerk en de volledige reiniging was het ook de be-
• Gerestaureerde deur
Detail
met nieuw gezand-
van het plafond
straald glas
na restauratie
(foto H.
(foto 0. Pauwels)
Vandenborre)
doeling om de technieken op een meer monumentvriendelijke manier aan te brengen. Aangezien de keramische tegelvloer verzakt was en bij herstelling op verschillende plaatsen tegels werden vervangen, koos men de optie om de vloer te demonteren en de verzakking te verhelpen. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om de ruimte te voorzien van een vloerverwarming. Voor de elektrische installatie werd uitgegaan van een egale verlichting van de zaal. De ramen werden vernieuwd naar bestaand model, doch voorzien van een isolerende beglazing. Tenslotte werd in de schuifdeur een nieuw aangepast gezandstraald glas voorzien. Het restauratierapport toont aan dat niettegenstaande een degelijk vooronderzoek men tijdens de uitvoering toch vaak nog te maken krijgt met onvoorzienbare situaties.
Restauratiegeneriek - Opdrachtgever: KL Maria Middelares, de heer T. Copier, directeur facilitaire dienst — Interieurrestauratie (decoratieve panelen, picturale laag, spiegel, toegangsdeur): firma VandenBorre-Lauwers (thans Profiel), uitvoerders Hugo VandenBorre, Nancy Van Landeghem, Pieter Noppe, Elke Van Bockstal, Tim Nijs, Sarah Grugeon, Aike De Bin, Nele Yperman - Ruwbouw (bevloering, ramen en bijkomende werken): Corvers-Vrancx — Vloerverwarming: Firma Thijs - Elektriciteit: ATS — Architect: architectenbureau De Vloed, dossier gestart door Michèle Boucqué, verder gezet door Mieke Louwagie
M&L
- Advies en werfopvolging: Vlaamse Overheid, Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend erfgoed Oost-Vlaanderen, erfgoedconsulent Linda Wylleman - Kostprijs: € 269.193,94 excl. BTW en kosten - Betoelaging: op € 228.760,78 excl. B T W en kosten; Vlaamse Overheid 2 5 % , Provincie OostVlaanderen 7,5 %, Stad Sint-Niklaas 7,5% - Uitoveringstermijn: november 2005- november 2006
E., De Nijlwast witter, in GRIETEN S. e.a. Vreemd gebouwd. Westerse en niet-Westerse elementen in onze architectuur. Antwetpen, 2002, p. 285-306. (5) WARMENBOL E. en MACLOT P., Tempelen stal in één: de Egyptische tempel in de Antwerpse zoo in kunsthistorisch en historisch perspectief, in M&L, jg.7, nr. 2, 1988, p. 24-35. Het volledige nummer van dit tijdschrift is gewijd aan de geschiedenis en de restautatie van de Egyptische tempel. (6) MACLOT R en WARMENBOL E. m.m.v. DE SCHAMPHELEIRE M., Twee tempels onder de slopershamer: aantekeningen hij de afbraak van het logegebouw van "Les Amis du Commerce et la Perseverance Réunis" te Antwerpen, in M&L, jg, 3, nr. 3, 1984, p. 17-24;
Linda Wylleman is erfgoedconsulente bij het agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend erfgoed Oost-Vlaanderen, auteur van het historisch en iconografisch gedeelte. Hugo Vandenborre is restaurateur en zaakvoerder van de firma Profiel, auteur van het deel over het schadebeeld en de restauratie.
CELIS M., De egypüserende mafonnieke tempels van de Brusselse Loges 'Les Amis Philanthropes en 'Les Vrais Amis de TUnion et du Progrès Réunis', in M&L, jg. 3, nr. 3, 1984, p. 25-41. (7) DEWULF M., De Egyptische zaal van het kasteel Moeland te SintNiklaas, opgericht als tempel der Rozenkruisers, in Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, dl. 81, 1978, p. 34-43; DEMEY A., Het Land van Waas. Tien eeuwen Bouwkunst, Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, Buitengewone uitgave, deel 18, 1983, p. 186-191; MACLOT P, Tafelen met Isis en Osiris. De egypüserende eetzaal van kasteel Moeland te Sint-Niklaas, in M&L, jg. 10, nr. 6, 1991,
EINDNOTEN
p. 45-49; DE BROUWER-CORNET M., Kasteel Moeland. De Egyptische zaal, Belsele, 1996.
(1) DELMOTTE B., De eetzaal van kasteel Moeland te Sint-Niklaas. Het materieel-wetenschappelijk onderzoek, in M&L, jg. 10. nr. 6,
(8) BUYLE M., Sint-Niklaas, kasteel Moeland. Egypüserende symbolen als modeverschijnsel, in: BUYLE M. e.a.. De beeldentaal van symbo-
1991, p. 60-62; WARMENBOL E. en MACLOT P., Tafelen met
len, Brussel, 2002, p. 222-225; VANDENBORRE-LAUWERS,
Isis en Osiris. De egypüserende eetzaal van kasteel Moeland te Sint-
ongepubliceerd testautatierapport; WARMENBOL E. en MACLOT
Niklaas, in M&L, jg. 10, nr. 6, 1991, p. 45-49.
P, Tafelen met Isis en Osiris. De egypüserende eetzaal van kasteel
(2) Archief jfdeling R-O Oost-Vlaanderen, Onroerend
erfgoed,
beschermingsdossier; DE MEY A., houwen door de eeuwen heen.
MoekndteSint-Niklaas,
in M&L, jg. 10, nr. 6, 1991, p. 45-49; DE
MEY A., Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbe-
Inventaris van het cultuurbezit in België, architectuur dl 7n 2 (S-T),
zit in België, architectuur dl 7n 2 (S-T), provincie Oost-Vlaanderen.
provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Ntklaas,
arrondissement Sint-Niklaas, Gent, 1981, p. 483-487; DE BROU-
Gent,
1981, p. 483-487. (3) Architect M. De Vos, restauratiedossier fase 2 exterieur; architectenbureau De Vloed, testauratiedossier Egyptische zaal. (4) CURL J.S., Egyptomania. The Egyptian Revival: a recurring theme of the history of taste, Manchester-New York, 1994; WARMENBOL
WER-CORNET M., Kasteel Moeland. De Egyptische zaal. Belsele, 1996; (9) DELMOTTE B., De eetzaal van kasteel Moeland te Sint-Niklaas. Het materieel-wetenschappelijk onderzoek, in M&L, jg. 10, nr. 6, 1991, p. 60-62.
Johan Lagae
BOUWEM 1M "LE KATANGA MODERME": KOLONIAAL ARCHITECTURAAL EREGOEü IN LUBUMBASHl, DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO • Eerste afbraak van een historisch
:
gebouw in het centrum van Lubumbashi. naast het Elakat-hoek-
m
•i
y
•
WF* ^
•Hl"
^
gebouw (foto Serge SongaSonga, 2007)
91
t1±| r M 1
Sé»-.,
P
m
]£^ym, w
Sinds in Congo opnieuw een democratisch ver-
Was de formele bouwsector na de door Mobutu
kozen regering aan de macht is, lijkt eindelijk
geïnstalleerde nationalisering van de economie
een langverwacht tijdperk van politieke stabili-
begin jaren 1970 bijna nagenoeg compleet stil-
teit aan te breken. Hoe fragiel die stabiliteit
gevallen, dan wordt vandaag in Lubumbashi,
ook moge zijn, getuige het voortdurend conflict
net zoals in Kinshasa trouwens, opnieuw volop
in de Oostelijke regio van het land; ze zorgt
gebouwd. Tegelijk neemt druk op het bestaande
ondertussen wel voor een heropleving van de
onroerende erfgoed zienderogen toe. Op minder
economie, in het bijzonder in Katanga, de regio
dan een jaar tijd zijn de vastgoedprijzen in het
die sinds het begin van het koloniale tijdperk de
centrum van Lubumbashi de hoogte in geschoten
economische ruggengraat van het land vormt.
en is de prijs van een zak cement verviervoudigd.
De economische heropbloei laat zich sterk voelen
Extra verdiepingen worden gebouwd bovenop
in een terug aantrekken van de bouwmarkt.
bestaande gebouwen. "Lubumbashi'0 zo
schreef de Congolese journaliste
Willy Kabwe
recent nog in Le Potentiel, "est un vaste
Lubumbashi en werkt op haar beurt aan een vergelijkbare inventaris (5).
chantier, qui rappelle ia construction d'une t e r m i t i è r e " (1). In 2006 werd het eerste stuk historisch erfgoed in het centrum van Lubumbashi afgebroken om plaats te maken voor een nieuwbouwproject
(2). Het is met
andere woorden hoog tijd om aandacht te schenken aan het erg rijke, maar bij het grote publiek nog weinig bekende
bouwpatrimonium
in Congo. Sinds de jaren 1990 is historisch onderzoek gevoerd naar de koloniale architectuur en stedenbouw in Congo (3). Desondanks ontbreekt het tot op heden aan een systematisch overzicht van het Congolese onroerende erfgoed uit de koloniale periode. Recent zijn de eerste aanzetten in die richting gezet. O p initiatief van de huidige directeur van het Frans Cultureel Centrum in Lubumbashi, Hubert Maheux, wordt sinds 2005 jaarlijks een Journée dupatrimoine georganiseerd om de lokale bevolking en beleidsvoerders te sensibiliseren (4), en investeert het Frans ministerie van Cultuur in de opmaak van een op Franse leest geschoeide inventaris van het bouwpatrimonium van de stad. Ook de architectuurschool La Cambre in Brussel toont sinds kort, op initiatief van Yves Robert, interesse voor de architectuur in
• Kaart van Afrika met verbindingswegen met Europa, anno 1958 (uit Roger De Heyer, Introduction ou Congo fcelge, Brussel, 1958, flap)
Deze tekst vormt de neerslag van architectuurhistorisch onderzoek over Lubumbashi dat in 2000 werd opgestart in het kader van een doctoraal proefschrift over koloniale architectuur in Congo en naast uitvoerig archiefwerk in België ook steunt op veldwerk terplaatse (6). Ze geeft een chronologisch overzicht van de ontwikkeling van de stad, duidt op de factoren die doorheen de tijd de ontwikkeling van de stedelijke vorm hebben bepaald en situeert de meest markante realisaties en architecten binnen deze bredere koloniale en stedelijke context. In een epiloog wordt gepleit voor een pluridisciplinaire benadering van het koloniale bouwkundige erfgoed, die tegelijk een directe toepassing van een westerse monumentenzorgbenadering in een postkoloniale context kritisch wil bevragen.
EFN "FAR l/VFSF'IN CONGO " On pretend faire d'Elisabethville une belle capitale et que fait-on? Tout d'abord on procédé au tracé des rues et avenues d'apres l'abominable système du gril [sic] américain, l'inepte trader en damier [...] Puis on laisse faire: les huttes en pisé, les cabanes en tole ondulée, les baraques en planches poussent comme des champignons" Tekhné, 1911 (7) In de context van de " Scramble for Afried' waren op de conferentie van Berlijn (1884-1885) territoriale afbakeningen vastgelegd die de contouren van de Kongo Vrijstaat markeerden. De vertaling van wat uiteindelijk niet meer dan abstracte lijnen op een kaart waren naar reële grenzen op het terrein, bleek uiteindelijk een langdurig en complex proces, dat werd gestuurd door rivaliteiten tussen diverse koloniale mogenheden. De keuze voor de locatie van Lubumbashi die begin 20 stc eeuw door de Belgische overheid naar voor werd geschoven, moet in dat licht worden begrepen als een geopolitieke zet om de oprukkende Britse invloed vanuit het Zuiden te blokkeren (8). De stichting in 1910 van een Belgische enclave, Elisabethstad, viel samen met de aankomst van de spoorlijn die vanuit Kaapstad vertrok en via Bulawayo — een stad in het huidige Zimbabwe — naar het Noorden liep. Precies omdat deze spoorlijn lange tijd de belangrijkste verbinding was met de buitenwereld — een directe verbinding tussen Kinhasa en Lubumbashi zou bijvoorbeeld pas mogelijk worden met het luchtverkeer - , zorgde ze er voor dat Lubumbashi van bij haar oorsprong een
cosmopolitische enclave werd, een aspect dat werd versterkt door de geografische ligging van de stad, op het snijpunt van diverse culturele, taalkundige en commerciële invloedssferen. De blanke bevolking was erg divers van samenstelling. Ze telde naast Belgen een groot aantal Britten en de stad huisvestte verder ook een belangrijke Italiaanse, Griekse en Portugese gemeenschap (9). Net zo was de Afrikaanse bevolking heterogeen van samenstelling, onder meer als gevolg van de specifieke recruteringspolitiek van de Union Miniere du Haut Katanga die aanvankelijk arbeiders aantrok uit het voormalige Rhodesië, daarna uit diverse regio's in Congo en later ook uit Rwanda en Burundi. De in Lubumbashi gestationeerde afdelingen van de koloniale politie en het leger, de zogenaamde Force Publique, telde zoals elders in Congo talloze soldaten van West-Afrikaanse origine in haar rangen (10). Een bungalowtype In Lubumbashi,
Dit cosmopolitische karakter uitte zich niet alleen in het dagelijkse leven. Zo was Engels tot begin jaren 1920 de voertaal en waren de eerste kranten tweetalig (11). De migratie uit het Zuiden liet ook zijn sporen na in de stedelijke vorm (12). Het eerste stadsplan was getekend door een Zwitsers ingenieur, Itten, die volgens de contemporaine bronnen het raster dat de basis vormt van de figuur van de Europese stad had gebaseerd op het stadsplan van Bulawayo. De bungalow die de Engelsen in India hadden ontwikkeld als ideaal woontype voor de tropische regio's — een van de grond getilde woning met een overdekte veranda aan alle zijden - (13), votmde het model voor de eerste constructies in Lubumbashi. O o k bouwmaterialen werden doorgaans vanuit het Zuiden en niet vanuit het moederland geïmporteerd (14). Wanneer het Belgische architectuurtijdschrift Tekhné in 1911 voor het eerst aandacht besteedde aan de koloniale bouwproblematiek, werd niet toevallig vooral op Elisabethstad gefocust. Omwille van de ontluikende mijnindustrie was het immers precies deze enclave die zich leek aan te dienen als een beloftevol werkterrein voor Belgische achitecten en stedenbouwkundigen. De redactie zou echter snel merken dat de situatie veel minder rooskleurig is dan aanvankelijk gedacht. Al in de eerste aan de kolonie gewijde bijdrage luidt het: "On va construire, et construire heaucoup au Congo; on y construit déjci, avecfievre, dans l'extrême-sud, au Katanga [...] Le développement des villes congolaises va s'effectuer en ce moment, du mains en ce qui concerne le Katanga, a la maniere des agglomerations sud-africaines, australiennes et californiennes: tres rapidement et tres...
horriblementr{l'b)• De koloniale overheid bleek bovendien allerminst geïnteresseerd in de bijdrage die architecten of stedenbouwkundigen zouden kunnen leveren. Een wedstrijd voor 30 woningen die was uitgeschreven en waarvoor Tekhné haar lezers warm probeerde te maken, eindigde in mineur. Het initiatief bleek niets meer dan " une affaire purement industrielle et commercialé' (16). Bovendien was de bouwmarkt er ondertussen quasi volledig ingepalmd door "des gens d'ailleurs" die er bouwden "a la diable" (17). Tot ver in de jaren 1920 zouden Italianen en Grieken de bouwsector in Lubumbashi blijven domineren (18). In de eerste jaren na haar stichting was Lubumbashi vooral een stad die avonturiers van allerlei slag aantrok, op zoek naar lucratieve carrières. In de toenmalige reisverslagen staat de stad gebrandmerkt als een "Far West". Zoals Bruno De Meulder heeft aangetoond, was het volledige stedenbouwkundige concept van Lubumbashi gebaseerd op een immobiliënlogica. Het grid liet een efficiënte opdeling van de stad in verkoopbare percelen toe.
tirea 1912 (foto Johan Lagae. 2005)
EEN •TUINSTAD' IN KATANGA " The Belgians have brought with them their love of gardening, and here in the heart of Central Africa there is a city with an African air, yet strangely reminiscent of the Continent in many of its features. The handsome railway buildings seem to give a pleasing welcome to the visitor, and he enters a town where so many other buildings are in keeping [...]. In every way Elisabethville may be said to be an example of an excellent townplanning and development scheme. It strikes one as a
1VI&L
place developing according to a plan, with a view to preserving in a big town the attractive features of the homely village'. W.L. Julyan, 1931 (19) Begin jaren 1920 zorgde de bloeiende mijnindustrie voor een stabiel economische draagvlak waarop een meer duurzame stedelijke ontwikkeling zich kon enten. Ook de Belgische greep op de stad werd steeds sterker, onder meer omdat de koloniale overheid zich wou wapenen tegen de sociale onrusten die vanuit de Zuidafrikaanse en Rhodesische mijnen dreigden over te slaan naar Katanga. Vanaf dan werd een doelbewuste immigratiepolitiek ingevoerd die de opkomst van een blanke arbeidersklasse, de zogenaamde "pauvres blancs\ moest tegengaan (20). De stedelijke samenleving die in de loop van de jaren 1920 in Elisabethstad ontstond, bleef weliswaar cosmopolitisch van aard, maar stilaan kreeg het aandeel van de blanke midden- en bovenklasse erin de bovenhand. Deze evolutie vertaalde zich ook in het stedelijke landschap. Een eerste belangrijke transformatie valt te bespeuren in de woningbouw. O m de toenemende vraag naar woningen voor blanken te kunnen beantwoorden, werden vanaf midden jaren 1920 steeds meer typewoningen opgetrokken. Meestal gerealiseerd door de Compagnie Fonciere du Katanga, de in 1922 opgerichte bouwafdeling van de Union Miniere du Haut Katanga, zijn het woningen die qua plan- en volumeopbouw sterke parallelen vertonen met
COHAUJNIS Fo,vcir.R£
tweede residenties en vakantiewoningen die aan het begin van de eeuw verschenen in de residentiële wijken van Belgische kuststeden zoals Westende. In de brochure die de Cofoka in 1928 uitgaf, staan ze niet toevallig als "villa's" omschreven die volgens de onderneming door hun "comfort" en "cachet" konden wedijveren "avec les villas construites dans les lieux de villégiature en Belgique" (21). De residentiële straten van Lubumbashi, die met bomen waren gealigneerd, gaven de stad samen met de door tuinen omringde villa's de allure van wat Zuid-Afrikaanse commentatoren als een "garden city" omschreven (22). Deze woningen markeren een radicale breuk ten opzichte van de eerdere bungalowtypologie. Vooreerst waren ze stedelijk van aard. In tegenstelling tot de bungalow, die een aan alle zijden rondlopende veranda heeft, bezit de villa een uitgesproken voor- en achterzijde waardoor ze expliciet inspeelt op de publieke ruimte van de straat en de privacy van de tuin. Maar het villa-type zorgde via de erg verschillende distributie van de binnenruimtes ten opzichte van de bungalow, ook voor een interiorisering van het leven dat zich tot dan toe vaak voornamelijk op de veranda afspeelde - dat in het koloniale jargon de veranda bekend stond als de "whisky barza" is in dat opzicht betekenisvol. De introductie van het villa-type, dat trouwens niet alleen in Lubumbashi opdook, maar in erg gelijkaardige vorm ook elders in Congo werd toegepast, viel niet toevallig samen met de periode waarin het aantal blanke echtgenotes dat naar de kolonie afreisde sterk toenam (23).
DU KATANi
Woning t/pe 22, Com/jograe Fonciere
du Kotongo, 2 de liclfl jaren 1920 (uit brochure Cofoka. Lo Moison ou Kotongo, Brussel. 1930)
immeuble i ype 22. J -
•
ftJK <-
rA &
"
J
'
•;,::-.,.
•7^-
•
> i<r ' • •
:
1
Naast deze typewoningen die het gros uitmaken van de residentiële architectuur, bezit Lubumbashi echter ook diverse markante, gepersonaliseerde woningen, wat onder meer gerelateerd is aan het feit dat in Katanga, veel meer dan in andere regio's in Congo, de blanke bevolking zich voor langere tijd vestigde. Was de Belgische kolonisatie in Congo geen "colonisation de peuplement", en bleven de meeste kolonialen slechts voor enkele termijnen van 2 of 3 jaar in Congo, dan vormt Katanga daar tot op zekere hoogte een uitzondering op. De vormentaal van sommige van deze individuele woningen duidt onmiskenbaar op de immigratie uit het Zuiden. Zo telt de stad verschillende huizen in de zogenaamde "Dutch ^o^r'-stijl die in Zuid-Afrika courant is (24). Andere, zoals de woning waarin het Italiaans consulaat was gevestigd, verwijzen dan weer naar het land van oorsprong van bepaalde groepen binnen de blanke bevolking.
In de loop van de jaren 1920 werd ook het gros van Lubumbashi's publieke architectuur gerealiseerd en werden nieuwe bouwprogramma's geïntroduceerd die de zich ontwikkelende burgerlijke stedelijke cultuur ondersteunden. Zo kreeg het centrale plein met onder meer het postgebouw, het Hotel Leopold II (vandaag het Parkhotel), een cinemazaal en een herdenkingsmonument voor de Eerste Wereldoorlog in die jaren vorm. Ook de imposante bakstenen kathedraal in neo-Romaanse stijl die door de missiecongregatie van de Benedictijnen werd gebouwd, dateert uit die tijd. Ze sluit het perspectief af van de Avenue de Tabora, waarlangs alle publieke gebouwen zijn gelegen die de Belgische aanwezigheid in Katanga symbolisch markeerden: de residentie van de gouverneur, de Cercle Albert-Elisabeth die het clubhuis vormde van het blanke establishment van de stad, de zetel van de districtcommissaris en het justitiepaleis dat in 1930 zijn deuren opende. In antwoord op de groei van een nieuwe gegoede blanke klasse opende de warenhuisketen Bon Marché een filiaal in het hart van de stad, dat niet alleen door zijn imposante architectuur maar ook door zijn overvloedig en rijk aanbod van luxegoederen fel contrasteerde met de bescheiden etablissementen van Griekse en Portugese handelaars. Die laat-
sten waren trouwens grotendeels gesitueerd aan de rand van of net buiten de Europese wijk en bedienden ook een Afrikaanse clientèle (25). L'Illlustration Congolaise, het belangrijkste propaganda instrument van de koloniale overheid uit die tijd, besteedde ruim aandacht aan deze stedelijke ontwikkeling en schoof het nieuwe stadslandschap van Lubumbashi, maar ook van centra als Likasi en Kolwezi, naar voor als bewijs van de opkomst van "Ie Katanga ultra moderné, (26).
T 8on Morctie, eind |aren 1920, architect onbekend (postkaart verzameling Johan Lagae)
Elisabethcille (Katanga)
«agaslns du Bon Mate
A Ford-garage, ca. 1928, architect R. Cloquet (?) (uit llustration Congotose, nr. 124, 1932, p. 3824)
In hun opbouw en formele verschijning getuigen deze publieke gebouwen van de toenemende invloed van architectuurmodellen en - praktijken die op dat moment opgeld maakten in het moederland. Is de geleding van hun gevels vaak gebaseerd op klassieke compositieprincipes, dan dragen ze in hun decoratieve aspecten af en toe ook afrikaniserende elementen. De gevelarticulatie van het Bon Marchégéoouw, bijvoorbeeld, kan worden gelinkt aan de "StyleSoudanau die op dat ogenblik bepaalde Franse koloniale architectuur typeert en formele referenties in zich draagt naar de leemarchitectuur van de moskeeën van Timbouktou en Djenné (27). De decoratieve motieven die de voorgevel van het justitiepaleis sieren, zijn samengesteld uit klassieke vormelementen maar evoceren het silhouet van een palmboom.
De meest expliciete getuigenis van de toenmalige import van architecturale expertise uit het moederland vormt het oeuvre van Raymond Cloquet, die zich rond 1925 in Katanga installeerde als zelfstandig architect, een uitzonderlijk statuut op dat ogenblik (28). Zowel in zijn realisaties als in zijn enkele geschriften toonde Cloquet zich een pleitbezorger van de moderne architectuur in Congo. Een eigentijdse architectuur, zo stelde hij, liet zich herkennen aan haar "lignes pures et les masses bien proportionnées". Deze formele versobering volgde niet alleen uit een bewuste zoektocht naar schoonheid, maar was zijn inziens ook intrinsiek verbonden met de toepassing van nieuwe materialen en technieken. Daarbij dacht Cloquet niet alleen aan gewapend beton, "ce miracle du siècle", maar ook aan de recent voorhanden geworden kwalitatieve, lokaal geproduceerde baksteen. Realisaties in Lubumbashi en Likasi uit de jaren 1920 zoals de receptiezaal van de gouverneursresidentie, commerciële panden en transformaties van woningen laten zien hoe Cloquet's architectuur aansluiting zoekt met wat op dat moment in België (en Europa) wordt gebouwd. Zijn verwijzing naar de Nederlandse architectuur in zijn bespreking van de inzetbaarheid van baksteen voor een nieuwe architectuur in Congo, doet trouwens een referen-
U:. SOIR iLLUSTRE
Tentoonstellmgspaviljoenen op de Exposition Interno-
\ f f
Ce que fut l'Exposition Internationale cTElisabethvillc
tionole t/Bsobet/mfe, hoofdarchitect R. Cloquet (uit Le Soir
tare,
28 november 1931)
•qppw
IVI&L
tie naar het werk van de toen in België erg populaire Willem Marinus Dudok vermoeden, al noemt Cloquet hem niet bij naam. Als hoofdarchitect van de Exposition Internationale de Lubumbashi uit 1931, koos hij resoluut voor een moderne vormgeving die reminiscenties oproept aan de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1930 (29). Deze formele keuze, die voor die tijd erg innovatief was, werd blijkbaar door het koloniale estahblishment gesmaakt. Zo schreef een prominent Brits koloniaal die op de tentoonstelling de Britse kolonies Zuid-Afrika en Rhodesië vertegenwoordigde dat"architect Raymond Cloquet fully deserves the happy characterization of the term 'Cloquetism'given to his architectural style, which will serve an inspiration to future architectural enterprises' (30). Ook later werk van Cloquet toont een blijvende invloed vanuit België. Het internaat dat hij eind jaren 1930 realiseert voor het Institut Marie-José te. Lubumbashi valt bijvoorbeeld perfect te omschrijven met wat de Belgische architectuurcriticus Marcel Schmitz in zijn overzicht L'Architecture Moderne en Belgique van 1937 heeft aangemerkt als Le classicisme moderne (31). De synagoge die Cloquet in 1929 voor de Joodse gemeenschap van Lubumbashi bouwde, lijkt binnen het oeuvre een apart plaats te bekleden. Weliswaar is het hoofdvolume in oranjerode baksteen strak vormgegeven en is het silhou-
et van de voorgevel uitgepuurd en scherp afgelijnd, maar het ontwerp frappeert door de toevoeging van een witte, klassieke tempelportiek die de hoofdingang markeert en twee naar de Hindu bouwtraditie refererende koepels (32). In de volledig witgeschilderde binnenruimte met een sober vormgegeven uitkragende balkonstructuur en eenvoudige liturgische decoratie, overheerst een eenheid van stijl die aansluit op Cloquet's discours. De missiekerk Saint-Jean die Julien Caen ca. 1930 realiseerde, toont met zijn eenvoudige geometrie en door betonnen portieken geritmeerde binnenruimte dat Cloquet niet de enige architect was die op dat ogenblik in Lubumbashi een 'moderne' stijl voorstond. Ook Désiré Francois, die net als Cloquet in artikelen en via lezingen de introductie van een moderne, rationele architectuur in Congo bepleitte, was korte tijd actief in Lubumbashi. En zelfs architecten zoals Henri Jordan die aan de Brusselse Ecole des Beaux-Arts waren opgeleid en in Congo werkten voor de Dienst Openbare Werken, evolueerden in de jaren 1930 naar een modern vormidioom, zoals onder meer blijkt uit het zwembadhuis dat deze laatste realiseerde voor het Institut MarieJosé (33). Het is deze generatie van architecten die aan de basis ligt van het stedelijk landschap van Lubumbashi dat tot op vandaag zichtbaar is en dat Cloquet in 1931 een Europese allure toedichtte
2
Synagoge, 1929, architect R. Cloquet (foto Pascal Tshlbamb, 2000) 2 Kerk Salnt-Jsan, ca. 1930,
aOl
éÊf^^f^^***
architect J. Caen (foto Johan Lagae, 2006)
II •
^1
^
'•
- i^
n ^
M&L
"qu'on ne retrouve que dans les villes de l'Union SudAfricaine d'un siècle plus anciennes" (34) Toch bleef de beroepspositie van de meesten onder hen fragiel. Als voorzitter van de Societé des Architectes du Katanga zou Cloquet meermaals bij de Minister van Koloniën het feit aanklagen dat de architectecolon nog steeds werd beschouwd als "«« element parasitaire et sans importance." (35) De bouwmarkt bleef er in handen van vaak malafide ondernemers en de economische crisis die volgde op de crash van Wall Street in 1929 en ook Congo zwaar trof, ondermijnde nagenoeg volledig de beroepskansen van de ontwerpers die niet verbonden waren aan de Dienst Openbare Werken of de bouwafdelingen van koloniale ondernemingen. Noodgedwongen verlieten begin jaren 1930 talloze architecten de kolonie.
NAAR FFN GESEGREGEERDE STAD "5* dans l'urbanisme du vieux continent, les extrapolations d'un Le Corbusier (l'architecte des villes saines aux edifices de 60 étages) font école, l'amhition de
• Stadskaart van Lubumbashi, 1929. Bovenaan ligt de Europese wgk met daaronder -
gescheiden door
een neutrale zone de eerste inlandse wi|k, de Commune A/bert I (uit Cofoka. Cofoka, [o Ateon ou Kotongo, Brussel, 1930)
l'urbanisme de chez nous se borne a assurer aux centres une distribution qui réponde aux conditions d'hygiène, de salubrité, de sécurité, laissant aux races blanches et noire despossibilités d'existence en rapport avec les exigences et les aspirations, aussi modestes soient-elles, de chacun. R. Hins, 1931. (36) De jaren 1920 markeren ook op een ander vlak een belangrijk keerpunt in de stedelijke vorm van Lubumbashi. Het is immers in 1921 dat de toenmalige gouverneur generaal van Belgisch Congo, Maurice Lippens, besliste de bestaande, spontaan gegroeide Afrikaanse nederzetting, die hij een "saleté repoussante" toeschreef, af te breken en op een zekere afstand van het stadscentrum terug op te bouwen. Mogelijks ingegeven door praktijken die hij op zijn doortocht in Zuid-Afrika had gezien — een historische bron verwijst in dat verband naar de aanleg van de arbeiderskampen rond de goudmijnen van Johannesburg — (37), induceerde deze stedenbouwkundige operatie een radicale fysieke segregatie tussen de ville européenne en de cité indigene of inlandse wijk. Tussen beide werd een zone neutre voorzien, een niemandsland dat zoveel mo-
gelijk vrij van bebouwing diende te worden gehouden en dat later als volgt op basis van een hygiënistische argumentatie werd gelegitimeerd: "La zone neutre évite toutepromiscuité entre Ie blanc et Ie noir; elle sépare les deux cités par un espace pratiquement libre de 500 metres au minimum, distance qui correspond a l'ampleur normal du vol du moustique transmettant la malaria. La zone neutre écarté done la vie du noir de celle du blanc; elle met ce dernier h l'abri des foyers de malaria, des divertissements bruyants du noir et rend, en consequence, les conditions d'existence de chaque race nettement indépendantes. Elle doit faire l'objet de prospections sanitaires fréquentes afin d'en assurer un assainissement complet et permanent; eest un veritable cordon sanitaire orienté, en consequence, perpendiculairement aux vents dominants' (38). Aanleg van een weg
Toch speelde ook een ander aspect. Enkele incidenten met zwatten in de Europese wijk hadden immers het veiligheidsgevoel van de blanke gemeenschap danig aangetast (39). Vanaf dan werd met bijzonder aandacht gekeken naar de wijze waarop andere koloniale mogendheden hun relaties met de inland-
se bevolking zowel officieel als in het dagelijkse leven reguleerden. De raciale segregatie die in de stedelijke vorm werd doorgevoerd, ging gepaard met een verstrakking van de wetgeving, die onder meer beperkingen oplegde aan de mobiliteit tussen het Europese en inlandse deel van de stad (40).
van de Commune A t a 1.1921 (AAM, Brussel)
Aanlegplan voor een vak uit het grid van de inlandse wijk, met huisvesting voor "celitotoires". 1921 (AAM, Brussel)
M
ELlSABETHVILLE
A A C a E r C M I J K
GAB PAftCS ECOUE FILL DisPC FOYER SOCIAL, BASILIQUC ECOLr GARCOMS PISCIHE,P1.AINES HE AorllMISTRATIOM MARCMC HIMIOH PROTESTANTE
A Vogelvluchtperspectief van de tweede inlandse wijk. de Commune fenio, datum onbekend (uit Grévisse, Le Centre-Extra Coutumier, Brussel, 1951)
• Woningen m de Commune Kemo, 2d* helft jaren 1940 (uit Grévisse, le Centre-Extra Coutumier, Brussel, 195
Daarmee sloot het stedenbouwkundig beleid in Lubumbashi aan op de logica van de koloniale planning die op dat moment overal in l'Afrique noire opgang maakte en waarvan de regels en normen in 1931 o p het internationale congres Urbanisme aux Colonies te Parijs waren besproken en te boek gesteld (41). De eerste plannen voor de nieuwe inlandse wijk, de Commune Alben I {va.nda.ag Commune Kamalondo), maken duidelijk in welke mate deze nieuwe nederzetting werd gedacht op basis van het model van het arbeiderskamp (42). Niet alleen werd de wijk aangelegd rondom een reeds bestand kamp, in de rastervormige stratenaanleg en de invulling van de diverse velden sluiten deze plannen helemaal aan
op het radicale project van "social engineering dat op dat ogenblik ook door dokters en ingenieurs werd ontwikkeld voor de huisvesting van de arbeiders van de Union Miniere du Haut Katanga (43). Een foto van de aanleg van de wijk toont de rationele logica van de inname van het territorium. Een kaarsrechte weg snijdt dwars doorheen een metershoge termietenheuvel die, zo leren de bijhorende documenten, door gevangenen zou worden vernietigd. De vooropgestelde invulling van de diverse vakken van het grid bestond uit strak afgelijnde rijen slaapbarakken met minimale oppervlaktes voor celibatairen en families, en collectieve voorzieningen voor sanitair en koken (44). Niet alleen hygiëne en economie, maar ook controle en disciplinering liggen aan de basis van dit plan. Dat blijkt onder meer ook uit het feit dat de etnische en sociale differentie van de 'inlandse bevolking' op doelgerichte manier werd geprojecteerd op het isotrope ruimtelijke schema. Een legende bij één van de aanlegplannen laat zien dat de sociaal hogere categorieën van "noirs civilises" en "Hindus" precies op die plaatsen werden gehuisvest die op de meest directe manier met de Europese wijk waren verbonden, terwijl het militaire kamp erg strategisch lag ingeplant langsheen de verbindingsweg tussen de nieuwe inlandse wijk en het stadscentrum. De koloniale planning was met andere woorden altijd een operatie van het markeren van grenzen en het beheersen van de mobiliteit.
Deze radicale technocratische aanpak van de inlandse wijk zal in de loop van de jaren 1930 langzaam worden bijgestuurd naar een meer op het comfort van de bewoner gerichte aanpak. Dat blijkt op de meest duidelijke manier uit een vogelvluchtperspectiefvan de tweede geplande inlandse wijk, de Commune Kenia, die werd gepubliceerd in de in 1941 verschenen publicatie Le Centre ExtraCoutumier d'Elisabethville, van de hand van Fernard Grévisse, de toenmalige assistent van de districtscommissaris (45). De tekening toont een wijk samengesteld uit straten waarlangs rijwoningen zijn gelegen die elk hun eigen tuintje lijken te hebben. In het hart van de wijk liggen publieke functies: de katholieke basiliek, scholen voor jongens en meisjes, een sportveld met zwembad, een markt, een administratief gebouw, een dispensarium en een foyer social. D e protestante missie is betekenisvol gesitueerd aan de rand van de wijk. Het statuut van de tekening is onduidelijk — zo is de auteur en de datum van het project onbekend - en de wijk zou in de jaren 1940 uiteindelijk met een veel grotere densiteit worden gerealiseerd. Toch markeert het
B 1 N N E N K R A 1 M T
Literatuur
Jo
Bracken
DF KEUZE VAN M B I
Herrschaftliche Grablege und lokaler Heiligenkult Architektur des englischen Decorated Style Steffen Kramer München/Berlijn, Deutscher Kunstverlag, 2007, 456 p., ISBN 978-3-422-06729-5 Studie over de Decorated Style, de hooggotiek in de kerkelijke bouwkunst van het midden van de 13de tot het midden van de 14dc eeuw in Engeland. Deze stijlperiode wordt gekenmerkt door een verbazingwekkende verscheidenheid aan architectonische kenmerken, ruimteconcepten en vormgeving. Dit complexe fenomeen, dat de Decorated Style onderscheidt van de Early English en de Perpendicular Style, werd in het wetenschappelijk onderzoek sinds de vroege 19de eeuw tot op heden vooral verklaard als uiting van een excentrieke creativiteit van de middeleeuwse Engelse bouwmeesters. De voorliggende studie argumenteert de architectonische verscheidenheid niet op basis van de virtuositeit van de ontwerpers, maar als resultaat van de specifieke historische context, de
1VI&L
ontstaansgeschiedenis en het programma van de gebouwen zelf. Het onderzoek concentreert zich op vier kerkgebouwen die tot de belangrijkste van het Engelse hooggotische erfgoed behoren: de koorpartijen van de abdijkerk van Tewkesbury en van de kathedralen van Bristol, Lincoln en Wells. De enscenering van twee bijzondere functies die uitgebreid in hun historische context worden toegelicht - enerzijds grafkerk van de wereldlijke heerser en anderzijds bedevaartsoord voor de lokale heiligencultus - komen hieruit naar voor als bepalende factoren voor de concrete architectonische verschijningsvorm van deze en ook andere hooggotische bouwcampagnes.
Light, Air and Openess Modern Architecture Between the Wars Paul Overy Londen, Thames ft Hudson, 2007, 256 p., ISBN 978-0-500-34242-8 Originele studie over de Moderne Beweging in architectuur en design tijdens het interbellum, opnieuw geïnterpreteerd vanuit de preoccupatie met gezondheid en hygiëne, die deze heroïsche periode van vernieuwing kenmerkte. Vlakke wanden vaak in puristisch wit, bandramen, geaccentueerde balkons en terrassen, platte daken en daktuinen vormden het waarmerk van de avant-garde architectuur in Europa en Noord-Amerika, dat zonder onderscheid op zowat alle gebouwtypes - van ziekenhuizen tot woningen - werd toegepast. Het stre-
ven naar een functioneel, hygiënisch, universeel, democratisch en economisch karakter voor deze 'bevrijde' architectuur, vond een echo in technisch vooruitstrevende constructies van gewapend beton en staal, met een overvloedig gebruik van glas. De zorg voor licht, lucht, ruimte en zuiverheid werd doorgetrokken tot in de kern van dagelijks bestaan met het ideaal van de woonmachine en de modelfabriek, en probeerde af te rekenen met de kwalen van de tijd zoals tuberculose, de belangrijkste doodsoorzaak onder volwassenen. Het boek is opgebouwd rond de thema's gezondheid, wonen, zon, water en werken, waarbij aan de hand van zowel iconen als minder bekende uitingen van het internationale modernisme, vanuit maatschappelijk perspectief fenomenen worden behandeld als sanatoria en gezondheidscentra, woninginrichting en de FrankfurterKüche, het kuren in de bergen en aan zee, zonnebad en dakterras, de openluchtschool, zwembad en douche, en de transparante fabriek.
Amerikaanse dromen Frank Lloyd Wright in Nederland Herman van Bergeijk (red.) Rotterdam, Uitgeverij 010, 2008, 192 p., ISBN 978-90-6450-593-5 Bundel met een tiental essays over de complexe relatie tussen de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright en zijn Nederlandse vakgenoten tijdens het interbellum, het resultaat van het onderzoek dat werd gevoerd naar aanleiding van de tentoonstelling Dromen van Amerika. Nederlandse architecten en Frank Lloyd Wright (Museum Hilversum 2005-2006). Nergens in Europa heeft Wright zo'n grote bekendheid genoten als in Nederland, mede dankzij de vroege publicatie van zijn werk in een reeks themanummers van het tijdschrift Wendingen. Wright bereikte een representativiteit met behulp van abstracte architecturale middelen, en opende daarmee de weg naar een moderne architectuur zonder opgeplakte betekenissen maar rijk aan ruimtelijke effecten. Radicale kunstenaars en architecten als Theo Van
BIMIME^KRANT
Doesburg, J.J.P. Oud en Johannes Duiker gebruikten Wright als springplank voor eigen opvattingen over een nieuwe bouwkunst. Andere meer gematigde architecten als Jan Wils en Willem Marinus Dudok lieten hun ontwerpen beïnvloeden door de vormenrijkdom die zijn architectuur bood. De essays behandelen de contacten en affiniteiten tussen Wright en de Europese architecten, zijn icoonstatus en zorgvuldig geconstrueerd imago in de Verenigde Staten, de invloed op zowel de radicale avantgarde als op de 'middle-of-the-road'architecten in Nederland, de vriendschap en verwantschap tussen Wright en Hendrik Wijdeveld, en zijn invloed op het Nederlandse interieur. Teksten over Wright van Wils en Oud sluiten het boek af.
Gillespie, Kidd ft Cola Architecture 1956-1987 Johnny Rodger (red.) Glasgow, RIAS en The Lighthouse, 2007, 256 p., ISBN 978-1-873190-58-6 Monografie over Gillespie, Kidd 6t Coia, één van de belangrijkste Schotse architectenbureau's van de 20steeeuw, dat onder de creatieve leiding van Andy MacMillan en Isi Metzstein in de naoorlogse periode een belangrijke bijdrage leverde tot de nieuwe architectuur in het Verenigd Koninkrijk. Geïnspireerd door het latere werk van Le Corbusier en Aalto ontwikkelden zij
een nieuw vocabularium voor de architectuur van vooral kerken, scholen, universiteiten en wooncomplexen, dat in de jaren 1960 en '70 internationaal de aandacht trok. In het expansieve klimaat van de naoorlogse wederopbouw in Schotland, vond het bureau in de Rooms katholieke kerk een belangrijke opdrachtgever voor nieuwe kerkgebouwen, die vooruit liepen op de postconciliaire evolutie van de liturgie. St Pauls in Glenrothes Fife of St Bride's in East Kilbride vormden met hun expressieve architectuur in een spel van massa en licht, markante accenten in de door functionalisme gedreven 'new towns'. Bekende realisaties zijn verder het vandaag jammerlijk verwaarloosde seminarie St Peter's College in Cardross, de studentenhuisvesting The Lawns van de universiteit van Huil en het Robinson College in Cambridge. Het boek omvat drie essays die het oeuvre situeren en aan de hand van de belangrijkste invloeden en thema's van de ontwerppraktijk toelichten, een ruim geïllustreerde portfolio van een 25-tal van de belangrijkste realisaties en een bibliografie.
Aldo van Eyck, Writings The Child, the City and the Artist Collected Articles and Other Writings
1947-1998 Vincent Ligtelijn en Francis Strauven (red.) Amsterdam, SUN Publishers, 2008,
236 en 744 p., ISBN 978-90-8506-262-2
Wetenschappelijke Engelstalige editie van de verzamelde geschriften van Aldo Van Eyck (1918-1998), één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse architectuur in Nederland. Van Eyck, auteur van iconen als het Amsterdamse Burgerweeshuis en het Hubertushuis, behoort tot de zeldzame architecten bij wie het schrijven een even belangrijke plaats innam als het ontwerpen. Hij leverde hiermee vanaf de late jaren 1940 een wezenlijke en internationaal gewaardeerde bijdrage aan de architectuurtheorie. Als één van de belangrijkste woordvoerders van Team 10 onderwierp hij het technocratische discours van het modernisme aan een grondige reflectie, ten voordele van een humane benadering die begrippen introduceerde als plek en tussengebied, en kwaliteiten als dubbelzinnigheid en wederkerigheid. Deze fraai verzorgde uitgave omvat twee boekdelen en een opname van de INDESEM 67 lezing op DVD. Deel 1 is het boek The Child, the City and the Artist u\t 1962, geschreven op basis van het onderwijs dat Van Eyck in 1960 gaf aan de Universiteit van Pennsylvania en bedoeld als synthese van zijn architectuurtheorie, dat nooit een uitgever vond maar waarvan het typoscript indertijd aan menige Amerikaanse universiteit circuleerde. Het lijvige tweede deel omvat in totaal zowat 120 merendeels oorspronkelijk in het Engels geschreven teksten, waaronder alle artikels gepubliceerd tussen 1947 en 1998 en een selectie van vaak niet eerder gepubliceerde
B11VJ1NE1MKRA1MT
lezingen, brieven rapporten, interviews en nota's. Deze werden niet strikt chronologisch geordend maar volgens thematische clusters, die onder meer betrekking hebben op zijn vormingsperiode en zijn deelname aan CIAM, Team 10 en Cobra, de artikels voor het Nederlandse architectuurtijdschrift Forum waaronder de essays over niet-Westerse culturen, het bouwen voor 'Ie plus grand nombre', de kwaliteit van de architecturale ruimte, de context van de historische stad, zijn kritiek op het postmodernisme, en tenslotte hommages aan kunstenaars en architecten.
Schoonheid uit klei en cement Vloer- en wandtegels in de provincie Antwerpen Mario Baeck Antwerpen, Provinciebestuur Antwerpen en Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, 2008, 128 p., ISBN 978-907609974-3 Zevende deel in de reeks erfgoedgidsen van de provincie Antwerpen, gewijd aan de productie van vloer- en wandtegels door de eeuwen heen. In de eerste hoofdstukken wordt het ontstaan van de tegelproductie en het gebruik ervan tijdens het Ancien Regime geschetst, te beginnen met de vloertegels uit de Middeleeuwen die uitzonderlijk tijdens opgravingen aan het licht kwamen. Ruime aandacht gaat naar de kleurrijke Antwerpse majolicaproductie uit de renaissance, die hier vanuit Italië werd ingevoerd. Minder bekend is de gedwongen emi-
gratie van talloze ambachtslui na de Val van Antwerpen, die in Nederland, Engeland, Duitsland, Spanje en Portugal aan de basis lagen van een bloeiende tegelindustrie. Eind 18de eeuw verlieten in de Boomse regio niet minder dan 16 miljoen aardewerkvloertegels voor de gewone man de houtovens. In een tweede gedeelte wordt ingegaan op de bloei van de industriële tegelproductie tijdens de 19dc en de 20ste eeuw. De art nouveau en art deco architectuur maakte ten volle gebruik van decoratieve tegels voor gevels en interieurs, waarvan talrijke voorbeelden worden getoond. Het laatste hoofdstuk handelt over de in 1897 door Georges Gilliot opgerichte tegelfabriek in Hemiksem, in deze periode de belangrijkste producent en exporteur van wand- en vloertegels in Vlaanderen, waarvan een omvangrijke collectie wordt bewaard in het plaatselijke Roelantsmuseum.
Voor alle reacties: jozef.braeken(@ rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens kantooruren)
Marcel M. Celts
DF H1JI7FN V A N DF BRUSSELSE fiROTF M A R K T Even/nin als met uitzonderlijke wijnen moetje met sommige boeken overhaast te werk gaan. Ze willen even tot rust komen, geven pas met mondjesmaat hun ware aard, hun volle rijkdom prijs. De 3de, herziene uitgave van Les Maisons de la Grand-Place de Bruxelles, die in december II. in de 'gotische' zaal van het Brusselse stadhuis werd voorgesteld hoort bij deze categorie. De opname, in december 1998, van de Grote Markt op de lijst van het werelderfgoed bracht het fundamenteel historisch en bouwhistorisch onderzoek van
M&L
dit wereldwijd befaamd ensemble in een stroomversnelling: een verdienste van de Cel Historisch Erfgoed van de Stad Brussel onder de wetenschappelijke leiding van Vincent Heymans. De onverhoopte ontdekking van een groot aantal bundels en grafische documenten met betrekking tot de opeenvolgende 19deen 205te-eeuwse restauratiecampagnes, leidde in eerste instantie tot een totaal nieuw beeld van de achtergronden en draagwijdte van deze opzienbarende interventies. Een gerichte inzamelactie door het Stadsarchief van over de vele stedelijke diensten verspreide documenten, leverde op zijn beurt onvermoede informatie op. In 2000 startte de Cel Historisch Erfgoed met de grondige visuele inspecties van alle huisgevels. Tegelijk werd op stedenbouwkundig vlak de morfologische studie aangevat van alle huizenblokken in de omringende beschermde zone, nodig voor de opmaak van het door de UNESCO verwachtte beheersplan. Reeds in de vorige uitgaven was ruim wat aandacht gegaan naar de heropbouw van de huizen rond de Grote Markt, na het absurde bombardement van Brussel door de Franse maarschalk de Villeroi in augustus 1695, dat ruim 4000 gebouwen -een kwart van de bebouwde oppervlakte- in puin legde. Eric Hennaut, medewerker van les AAM, die terzake reeds puik werk afleverde in Le Bombardement de Bruxelles par LouisXIVetla reconstruction quis'en suivitlAAM, 1992), doet zijn prestatie met twee als crimi lezende bijdragen - La reconstruction aprés le bombardement en Le chantierde la reconstruction: organisation, matériaux et techniques - nog eens over. Nieuw in deze uitgave is dat aan de hand van de schaarse iconografische en bouwkundige getuigen verder in de tijd wordt teruggegaan, tot halverwege de 16de eeuw, met Les maisons en pan de bols de la Grand-Place; een stevig onderbouwd werkstuk van David Houbrechts waarin de houten huisgevels die de markt vóór de catastrofe omringden een ereplaats krijgen toebedeeld. Teken aan de wand is dat door V. Heymans in L'envers du decor: l'intérieur des maisons auxXVIIe etXVIIIe siècles ruim aandacht besteed wordt aan de interieurs van de voormalige gildenhuizen ansich.
B I N N E N K R A ^ T
dit spijts de reeds in 1907 door Charles Buis en Louis Cloquet terzake geuite bezorgdheid, en dan nog: "les descriptions mlnutleuses de certaines salles de corporations, rédlgées par Charles Buis sur base des Informations que lul avalt fournles l'archivlste communal Guillaume Des Marez, relèvent molns d'un intérêt materiel pour une facette du patrlmoine digne d'etre preserve que de la jubilation tlrée de la m/se en oeuvre du matérlau hlstorique afin de susciter des images saisissantes." Hoofdbrok vormen vanzelfsprekend de restauratiecampagnes die elkaar sinds 1850 en tot het interbellum vrijwel onafgebroken zouden opvolgen. De geleidelijke verpaupering van de gilden ten koste van het onderhoud van hun eigendommen, de materiële schade aangebracht door de Franse revolutionairen vanaf 17 november 1792 en de daaropvolgende verbeurdverklaringen, hadden de Grote Markt inderdaad heel wat van haar luister ontnomen. In La campagne de restauration auXIXe siècle en Vlngt ons de plus pour l'achèvement de la restauration, brengen Cécile Lambert en Denis Laoureux een gedetailleerde analyse van de context, drijfveren en opties die de Stad Brussel vanaf 1850onder Jules Anspach en Charles Buis zou aanzetten tot een verregaande reconstructie: "L'objectifde Plerre-VictorJamaer etAlphonse Wouters est c/o/r procéder a une analyse rigoureuse des maisons et a une preparation méthodique des chantiers afin de rétabllr ce qu'ils considèrent comme l'image originate du site." Of verder: "Défenseur d'une identité culturelle propre a la Belgique, Buis s'est fait Ie champion du nationalisme qu'll estime indispensable a l'éclosion d'une expression artlstlque conforme a l'esprlt de son peuple." Bijdragen van Paula Cordeiro over het 19de-eeuwse materiaalgebruik of de beheersaspecten van dit werelderfgoed, documenten en een selectieve bibliografie sluiten de publicatie af.
Heymans V. e.a, Les Maisons de la Grand-Place de Bruxelles, CFC editions, Brussel 2007, 230 pp., 180 111. ISBN 978-2-930018-71-3. Prijs 32 € (verdeler Interforum Editis)
Jean-Jacques
van
Ormelingen
Beschermingen
WAPFNBQFK VAN VEURNF-AMBACHT 1??9-195? Wie op zoek is naar een oud wapen is aangewezen op eigentijdse bronnen zoals zegels, gedenkstenen, grafmonumenten en glasramen of op historisch betrouwbare wapenboeken en verzamelingen van grafschriften. Voor Veurne-Ambacht, een voormalig bestuurlijk en rechterlijk deelgebied van Vlaanderen gelegen in het westen van de hedendaagse provincie WestVlaanderen, beschikt de heraldische zoeker thans met voorliggend werk over een vrij volledig alfabetisch repertorium waarin ongeveer 440 verschillende familiewapens opgenomen werden met vermelding van de archivalische of bibliografische referenties. Bovendien werden alle varianten nauwkeurig opgetekend. Naast foto's van enkele wapenborden bevat het wapenboek ook 108 tekeningen van zegels en 169 afbeeldingen van wapenschilden in kleur. Een index op de wapenfiguren zou het boek gemakkelijker bruikbaar hebben gemaakt voor het identificeren van ongekende wapens, die men regelmatig tegenkomt op portretten, op cultusvoorwerpen in kerken en bedehuizen of op profaan gebruikszilver.
WAPENBOEK nm VEURNE-AMBACHT 1229-1952
Donche Pieter A., Wapenboek van Veurne-Ambacht 1229-1952, In eigen beheer (Pieter.Donche@advalvas.be1. Berchem-Antwerpen, 2008, 188 p.
BFSCHFRMINGFN
7007
Ook in het afgelopen jaar heeft de Vlaamse Overheid inspanningen geleverd om bijzondere stukjes onroerend erfgoed, her en der verspreid over het Vlaamse Gewest, te beschermen als monument, stads- of dorpsgezicht. In totaal werd voor 247 gebouwen of sites de bescherming ingezet. Bovendien werden ook 10 nieuwe ankerplaatsen aangeduid (zie Binnenkrant, MEtL 27/1), die naast de intrinsieke landschappelijke kwaliteiten elk ook gemiddeld een zestigtal erfgoeditems omvatten. Thematisch-typologisch beschermingsbeleid Een belangrijk feit het afgelopen jaar was het op kruissnelheid komen van het thematisch-typologisch beschermingsbeleid dat door minister Van Mechelen werd uitgetekend. Tot voor enkele jaren was het de gewoonte om, aansluitend bij het afronden van de geografische inventarisatiecampagne in een gemeente, direct daarop aan te sluiten met een selectie van als monument, stads- of dorpsgezicht te beschermen items. Ondertussen is de gebiedsdekkende inventarisatie in 3 van de 5 provincies afgerond, en tegen 2009 zou het proces ook in Oost- en West-Vlaanderen moeten zijn afgerond. Dat maakt het mogelijk om doelgerichter te gaan werken. Door gezamenlijk, voor het hele gewest, een onderzoek te voeren naar een bepaald thema of type, worden lacunes in de geografische inventaris op een globale wijze aangevuld, en wordt het mogelijk om erfgoeditems inter pares te vergelijken en een objectievere selectie te maken. Deze manier van werken wordt het thematisch-typologisch beschermen genoemd. Daarnaast wordt ook maximaal ingezet op de bescherming via de piste van de ankerplaatsen.
De omschakeling van geografisch naar thematisch werken vergt uiteraard een aantal praktische en organisatorische maatregelen, maar het einde van de transitieperiode is geleidelijk in zicht en de eerste resultaten worden geboekt. In 2007 werd definitief een start gemaakt met de omzetting van thematisch-typologische inventarissen in beschermingsvoorstellen. In de provincies Limburg en Vlaams-Brabant werd de bescherming van het landelijk (vakwerk)erfgoed thematisch gekaderd. Het gaat om 34 hoeves, onder meer in Herk-de-Stad, Kortessem, Peer en Pepingen. Momenteel wordt het thema verder uitgewerkt voor de regio rond Hasselt en voor het Pajottenland. Ook in de provincie West-Vlaanderen, waar nog belangrijke concentraties vakwerk bewaard zijn, zal dit thema binnenkort aangesneden worden.
De studie van dr. Thomas Coomans naar kerken in neostijlen, enkele jaren geleden opgesteld in opdracht van het Vlaams Gewest, werd ter hand genomen om in de provincie Antwerpen en de provincie Limburg de bescherming van neokerken, -kloosters, -kapellen en -scholen voor te bereiden. In OostVlaanderen was enkele jaren terug al begonnen met een thematisch onderzoek naar pastorieën. In 2007 werd het thema voor de provincie afgerond met de bescherming van de meest waardevolle pastorieën in Assenede, Gent, Waasmunster en Wichelen. Het vervolg van dit thema in de vier andere provincies wordt momenteel voorbereid. Eind 2006 was ook al een aanvang genomen met het uitwerken van een thematisch beschermingsdossier m.b.t. het oeuvre van Huib Hoste. Begin 2007 werd het laatste deeldossier met 4 woningen, een school, een oorlogsmonument een grafzerk van de hand van Hoste, allen gelegen in de provincie West-Vlaanderen, beschermd. Nog in West-Vlaanderen werden vijf van de meest gaaf bewaarde vakantiehomes aan de kust voorgedragen voor bescherming.
B I N N E N K R A N T
Een aantal opmerkelijke beschermingen van het afgelopen jaar Hoewel Gent zonder twijfel als monumentenstad geboekstaafd kan worden, was een opvallend groot aantal van de typische middeleeuwse stenen in het centrum van de stad tot voor kort niet erkend als monument. In overleg met de stedelijke dienst voor monumentenzorg en voor archeologie werd een uitgebreid onderzoek gevoerd naar deze majestueuze 13de-eeuwse huizen in het Gentse stadscentrum, die de stad de bijnaam van 'middeleeuws Manhattan' verleenden. De huizen in Doornikse kalksteen getuigen van het aanzien en de macht van de Gentse patriciërs in het graafschap Vlaanderen. Voor 22 panden werd aan het eind van 2007 de bescherming ingezet.
In het kader van de erkenning als werelderfgoed voor de getuigen van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek, een dossier dat de Vlaamse Overheid in 2014 aan UNESCO zou willen voorleggen, werd in 2007 ook gestart met de systematische bescherming van sites en objecten die herinneren aan de oorlog van '14-'18. Uiteraard wordt ook hier een thematisch-typologische aanpak gevolgd. Het eerste thema dat in het kader van de Eerste Wereldoorlog werd aangesneden waren de militaire begraafplaatsen. In totaal werden in 2007 87 Belgische, Duitse, Franse en vooral Britse begraafplaatsen beschermd. Dit dossier zal ook nog in 2008 worden verder gezet. Aansluitend zal eerst werk worden gemaakt van de artistieke gedenktekens, waarna de verdedigingslinies en slagvelden onder de loep zullen worden genomen.
Het paviljoen van Toyo Ito op de Burg in Brugge is met voorsprong het jongste monument van Vlaanderen. Het paviljoen van de wereldvermaarde architect Ito werd opgericht naar aanleiding van Brugge - Culturele Hoofdstad van Europa, nauwelijks 6 jaar geleden. Met het paviljoen wilde Ito specifiek de dialoog aangaan met de historische context van Bruggewerelderfgoedstad en inspelen op de
geschiedenis van de plek: het paviljoen is ingeplant precies op de plaats van de afgebroken Sint-Donaaskerk, en suggereert de vierde zijde van het Burgplein zoals het in vroegere tijden was. Ook in zijn vormgeving verwijst het paviljoen naar de Sint-Donaas: de vijver rond het paviljoen herinnert aan de octogonale plattegrond van de voormalige Karolingische kerk, terwijl de brug, een drijvende pier, de longitudinale richting van de kerk volgt. Ook in de filigrane structuur van het paviljoen zelf, een semi-transparant honigraatframe versterkt door elliptische panelen polycarbonaatplaten, kan trouwens een onbewuste echo aan de Brugse kant herkend worden. Via de bescherming wil minister Van Mechelen een uniek stukje architectuur formeel een plaats geven in de analen van de Vlaamse architectuurgeschiedenis en de aandacht vestigen op de (erfgoed)waarde van jonge en zelfs hedendaagse architectuur.
In die optiek moet ook de bescherming van een staal van 13 architectenwoningen gezien worden, die naar aanleiding van Open Monumentendag 2007 en de Dag van de Architectuur aangekondigd werd. De architectenwoning, het huis dat de architect voor zichzelf bouwt, geldt in veel gevallen als zijn 'visitekaartje'. In de architectenwoning treedt de architect zelf op als bouwheer, om zonder compromissen zijn persoonlijke ideeën in realiteit om te zetten. Meer dan gelijk welke andere ontwerpopdracht biedt de eigen woning de mogelijkheid om creatief en innovatief uit de hoek te komen. Bij de selectie van de 13 woningen werd veel belang gehecht aan de erfgoedwaarde van de woningen zelf, maar daarnaast speelde ook de figuur van de ontwerper een belangrijke rol: het gaat om personen die zonder uitzondering iets betekenen of betekend hebben in de Vlaamse, Belgische en zelfs internationale architectuurwereld. Ze hebben elk op hun manier hun stempel gedrukt op een bepaalde periode. De selectie bevat onder meer de eigen woningen van Mare Dessauvage, Juliaan Lampens, bOb Van Reeth en Willy Van Der Meeren. Het is de bedoeling om dit thema
in de nabije toekomst nog verder uit te werken, met bijzondere aandacht voor architectenwoningen uit de 18de of 19de eeuw, waar op dit moment relatief weinig over bekend is.
Tentoonstellingen
Marjan
Buyle
DE GEBROEDERS QYENSJ SCHIIDFRSTWFFIING Tweelingbroers, en in het bijzonder van een eeneiige tweeling, zijn een zeldzaamheid in de kunst. De Nederlandse schilders David en Pieter Oyens behoren tot deze uitzondering. Het grootste deel van hun leven brachten zij door in de Belgische hoofdstad Brussel, een stad die aan het einde van de 19de eeuw bruiste van de nieuwe mogelijkheden; een wereldstad waar het kunstklimaat zowel door burger als door bohémien werd beïnvloed. In de overzichtstentoonstelling De Gebroeders Oyens: Schilderstweeling in het Gemeentemuseum Den Haag wordt een beeld geschetst van het Brusselse leven en Pieter Oyens, In de restauratie (@ Gemeentemuseum Den Haag)
1VI&L
B l l M N E N K R A N T
David Oyens, Souvenir d'atelier (e Gemeentemuseum Den Haag)
Pieter Oyens, De schilderijenliefhebber [® Gemeentemuseum Den Haag)
de artistieke omgeving van deze bijzondere tweeling. David en Pieter Oyens worden in 1842 geboren als zoons van een vooraanstaande Amsterdamse bankier. Hoewel ze vanaf jonge leeftijd tekenlessen krijgen, is het oorspronkelijke plan dat zij net als hun vader in het bankwezen zouden gaan werken. Al vroeg blijkt dat geen van beiden in de wieg gelegd is voor het zakenleven en enigszins schoorvoetend leggen hun ouders zich erbij neer dat de broers kunstschilder zullen worden. In de jaren zestig van de 19^ eeuw trekken David en Pieter naar Brussel, waar het artistieke klimaat op dat moment zeer gunstig is. De broers zijn in Brussel onafscheidelijk. Ze delen een atelier, staan model voor elkaar en bewegen zich in dezelfde artistieke kringen. Vanaf 1875
komt het echte succes voor de tweeling, wanneer toonaangevende verzamelaars hun werken kopen en zij op verschillende concoursen en salons in de prijzen vallen. In de jaren tachtig gaat het hen een periode voor de wind, zowel zakelijk als privé. David is reeds in 1866 getrouwd en in 1893, als hij 51 is, trouwt ook Pieter. Maar het noodlot slaat toe. Kort na zijn huwelijk wordt hij getroffen door een beroerte en hij sterft in februari 1894, een maand vóór de geboorte van zijn dochter. De dood van zijn broer is zeer ingrijpend voor David; hij gaat minder schilderen en kwakkelt met zijn gezondheid. Met zijn vrouw vestigt hij zich om deze reden in Arnhem, waar hij het echter niet lang volhoudt. Hij mist
België en Brussel in het bijzonder. Rond de eeuwwisseling gaat het iets beter met hem, vooral wanneer hij weer naar Brussel verhuist. Het zal voor slechts enkele jaren zijn: hij overlijdt in februari 1902. David wordt begraven naast zijn broer Pieter: de tweeling is weer herenigd. David en Pieter Oyens leken in uiterlijk zo sterk op elkaar dat Davids echtgenote Betsy ooit aan Pieter vroeg, in de veronderstelling dat ze tegen haar man sprak, of hij zijn broer - Pieter zelf dus - kon verzoeken wat minder vaak langs te komen. Ook hun werk is duidelijk aan elkaar verwant, zowel wat betreft stijl en techniek als onderwerpkeuze, veelal atelier- en caféscènes. Het is dan ook vaak een hele opgave om een werk dat met 'Oyens' is gesigneerd, aan de juiste broer toe te schrijven.
Op de tentoonstelling Oe Gebroeders Oyens:Schilderstweeling wordt in het Gemeentemuseum de wereld van de broers weer tot leven gewekt. Centraal staan hun schilderijen en aquarellen. Maar ook de contacten die zij hadden met andere kunstenaars in Brussel, het uitgaansleven en hun atelier als werk- en ontmoetingsplek worden in beeld gebracht. Bij de expositie verschijnt een rijk geïllustreerde publicatie met bijdragen van Saskia de Bodt, die het werk plaatst in het kader van het artistieke milieu in Brussel in het laatste kwart
BINNENKRAIMT
van de 19dc eeuw, en Fred Hendriks, die een uitgebreide documentatie heeft opgebouwd over het leven en werk van de gebroeders Oyens.
De tentoonstelling loopt van 12 april 2008 tot en met 13 juli 2008 in het Gemeentemuseum, Den Haag, aan de Stadhouderskade 41 (bus 24 of tram 17 vanaf Centraal Station). Open van dinsdag tot zondag van 11-17u. Geopend op tweede Sinksendag. Tijdens de tentoonstelling is het museum gratis toegankelijk voor eeneiige tweelingen die gezamenlijk komen. Meer info: info@gemeentemuseum.nl
Ambrogio Bergognone, Madonna met kind, ca. 1510 (s Rijksmuseum Amsterdam) Marjan Buy Ie
PAIA77nHFTVFR7AMFIFN VAN VRDFG-ITAIIAANSF KUNST IN N F D F R I A N D (1900-1940) In het kader van Rijksmuseum Maastricht- de alliantie tussen het Bonnefantenmuseum en het Rijksmuseum Amsterdam - is vanaf 7 maart 2008 in het Bonnenfantenmuseum een grote presentatie vroegItaliaanse kunst te zien, getiteld Palazzo. Centraal staat de belangrijke Nederlandse verzamelaar van Italiaanse Renaissance-kunst, Prof. Dr. Otto Lanz (1865-1935). Zijn omvangrijke collectie belandde na de Tweede Wereldoorlog voor een groot gedeelte
in het Rijksmuseum Amsterdam; een ander deel kwam eind jaren '80 terecht in het Bonnefantenmuseum. Werken uit de Lanz-verzameling worden in deze semi-permanente presentatie aangevuld met kunst uit collecties van andere verzamelaars die in het interbellum in Amsterdam actief waren, zoals bijvoorbeeld de zakenman Edwin vom Rath en de bankier Fritz Mannheimer. Palazzo schetst dan ook een levendig beeld van het Nederlandse kunst- en verzamelklimaat van die periode. Vroeg-205te-eeuwse kunstverzamelaars in Europa en Amerika richtten hun huizen in als eigentijdse Italiaanse palozziin Renaissance stijl; ze waren aangekleed met een bonte mengeling van allerlei kunstvoorwerpen: schilderijen, beelden, meubelen, stuccoreliëfs.
Cossone beschilderd met heraldische motieven, 15de eeuw (® Rijksmuseum Amsterdam)
Annunciatie in architectonische omlijsting, 1335 P Rijksmuseum Amsterdam)
zilveren brons. Po/ozzogunt bezoekers een blik in die wereld van overdadige interieurs. Tegelijkertijd krijgt de bezoeker een idee van het kwaliteitsniveau van dergelijke collecties, waarin absolute meesterwerken en grote namen naast decoratieve kunstwerken en zelfs evidente vervalsingen voorkwamen. In die zin weerspiegelen de collecties van Lanz en anderen ook de kennis van de Italiaanse kunst in de jaren voor de tweede Wereldoorlog en laten ze tevens zien hoe belangrijk Amsterdam in die tijd was als centrum van de internationale kunsthandel. Onder de topstukken die in Palazzo getoond zullen worden zijn werken van Veronese, Sano di Pietro, Lorenzo Monaco, een aantal leerlingen van Leonardo da Vinci en van Lanz' favoriete kunstenaar: Tintoretto. In de semipermanente presentatie is verder een centrale plaats weggelegd voor belangrijke thema's uit de kunst van de Italiaanse middeleeuwen en renaissance, zoals Maria met Christuskind, het portret en mythologische figuren uit de klassieke oudheid.
1VI&L
B 1 N 1M E N K R A N T
De collectie Lanz Een centrale positie in de presentatie is weggelegd voor Otto Lanz (18651935), geboren in Zwitserland, waar hij werd opgeleid tot arts. In 1902 werd hij tot hoogleraar plastische chirurgie aan de Universiteit van Amsterdam benoemd. Naast een grote reputatie als chirurg verwierf Lanz bekendheid als kenner en gepassioneerd verzamelaar van Italiaanse Renaissance kunst. Een deel van zijn collectie werd in 1940 tentoongesteld in het Rijksmuseum Amsterdam, totdat deze in 1941 door de Duitse bezetters werd aangekocht van Lanz' erven ten behoeve van Hitler's Führermuseum. Na de oorlog keerde de collectie terug naar Nederland. In de jaren '50 van de vorige eeuw werd een deel ervan verkocht en raakte verspreid over de wereld. Palazzo toont een ruime selectie uit het deel dat indertijd in het Rijksmuseum Amsterdam terechtkwam, tezamen met die werken die reeds langer in Maastricht getoond worden. Al sinds 1987 toont het Bonnefantenmuseum een overzicht vroeg-ltaliaanse schilderkunst, waarin ook werken afkomstig uit de Lanz-collectie. Rijksmuseum Maastricht Palazzo is de eerste grote presentatie in het kader van de unieke alliantie tussen Rijksmuseum Amsterdam en Bonnefantenmuseum Maastricht, die in maart 2007 werd beklonken voor de periode van 2008-2012. Het afgelopen jaar was als eerste vingeroefening al een selectie van bronssculptuur uit het Rijksmuseum te zien getiteld From Vulcan's forge. Onder de naam Rijksmuseum Maastricht bundelen beide musea krachten waar het gaat om collecties en expertise. Concreet biedt Rijksmuseum Maastricht een podium aan Zuid-Nederlandse beeldhouw- en schilderkunst tot ca. 1625 en aan vroeg-ltaliaanse kunst uit dezelfde periode. De Stichting Restauratie Atelier Limburg (SRAL) heeft in het publiekstoegankelijke gedeelte van het museum een volledig functioneel restauratieatelier ingericht, waarin grote restauratiecampagnes plaatsvinden. Hier wordt de atelierpraktijk letterlijk uitgevoerd.
1VI&L
De tentoonstelling loopt vanaf 7 maart 2008 in het Bonnefantenmuseum, avenue Céramique 250 in Maastricht. Open van dinsdag tot zondag van 11u tot 17u. Rondleidingen kunnen aangevraagd worden op reservations@bonnefanten.nl.
B F i n i F BR Het Architecture Museum - De Loge in Eisene opent de reeks manifestaties naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Expo 58, met de fraaie tentoonstelling België 58. Met de Wereldtentoonstelling als orgelpunt wordt een beeld opgeroepen van de architectuur in België in de late jaren 1950, een periode van optimisme en groei, van een ongebreideld geloof in de vooruitgang, tegen de achtergrond van de Koude Oorlog. De 'expostijl' maakte komaf met de vooroorlogse monumentale symmetrie, en leefde zich uit in schuine en gebogen lijnen, in dynamische volumes, in gladde en
Het Berlaymont in opbouw, Lucien De Veste!, 1959-1967 ©AAM
gekleurde materialen als Glasal of Formica, in gordijngevels en lichte overspanningen als 'glulams' en 'hypars'. Talloze tekeningen en foto's, originele maquettes, affiches en meubels, geput uit de rijke collecties van de Archives d'Architecture Moderne, bieden een overzicht van deze boeiende periode, waarin België een nieuw Bruxelles 58 Exposition universelle et in terna- tijdperk werd binnen geloodst. tionale, affiche, Lucien De Roeck, 1958® AAM Expo 58 was de eerste naoorlogse Wereldtentoonstelling, en kan beschouwd worden als een scharniermoment tussen de jaren van heropbouw en de snelle opkomst van de consumptiemaatschappij. Vijftig landen namen eraan deel, 12000 arbeiders droegen bij tot de opbouw, 41 miljoen personen waaronder zowat 80 % van alle Belgen brachten er een bezoek. De Verenigde Staten introduceerden hun lifestyle, Coca Cola en de kleurentelevisie, de Sovjetunie pronkte met de Spoetnik, Frankrijk etaleerde de Citroen DS 19, Nederland evoceerde zijn strijd met het water en de Afsluitdijk. Naast het Atomium van André Waterkeyn en de gebroeders Polak en de Pijl van de
B 1 N N E N K R A N T
Het Philips paviljoen van Le Corbusier (Foto Gaston Lulsens)@ FLC (Fondation Le Corbusier)
Burgerlijke Bouwkunde van Jacques Moeschal, behoorde het Philipspaviljoen, waarin Le Corbusier een miljoen bezoekers onderdompelde in het confronterende Poème électronique, ongetwijfeld tot de technische hoogstandjes. Heel wat buitenlandse paviljoenen zoals het Duitse van Egon Eiermann, het Noorse van Sverre Fehn, het Finse van Reima Pietila, het Italiaanse van BBPR, het Japanse van Kunio Maekawa, het Braziliaanse van Sergio Bernardes of het Franse van Guillaume Gillet, worden ook vandaag nog tot de iconen van het naoorlogse modernisme gerekend. Maar ook twee generaties Belgische architecten waaronder Léon Stynen, Victor Bourgeois, Maxime Brunfaut en Hugo Van Kuyck enerzijds, Jacques Dupuis, Lucien Baucher, Jean-Pierre Blondel, Odette Filippone, Victor Mulpas, Henri Montois, Robert Courtois en Constantin Brodzki anderzijds, bundelden samen met talloze kunstenaars en vormgevers hun krachten in een brede waaier van nieuwe architectuurvormen die nog steeds tot de verbeelding spreken, zoals de Eternit-toren, het Marie-Thumas paviljoen, het Trans-
portpaviljoen of het paviljoen van de Congolese Fauna om er enkele te noemen. Het diaporama Enchantementde Bruxelles: l'Expo 58 door Pierre Arty en Gaston Lulsens, dat hier na 50 jaar opnieuw wordt vertoond en in een 17'30 minuten lange stroom kleurbeelden Expo 58 opnieuw tot leven wekt, heeft nog niets aan frisheid ingeboet. Een betere introductie tot deze tentoonstelling, die wat Expo 58 betreft nog een reeks fraaie ontwerptekeningen en een kleurrijke maquette voor een feesttent van André Jacqmain laat zien, is moeilijk voor te stellen. De andere secties van de tentoonstelling gaan met een veelheid aan documenten van de meest uiteenlopende architecten in op de context en de diverse thema's die de architectuur van de jaren '50 kenmerkten, een periode waarin de welvaartsstaat België een fase van amerikanisering van het dagelijkse leven, van economische groei en van onstuitbare bouwwoede doormaakt. Door de Wereldtentoonstelling en de komst van de NAVO en de Europese instellingen stijgt de aantrekkingskracht
Het paviljoen van hetVaticaan, Paul Rome, 1958® AAM
van de hoofdstad, met een enorme toename van villa's en verkavelingen in de Brusselse randgemeenten als gevolg. De moderne voorstadsvilla met directe toegang tot garage en tuin, van Scandinavische inspiratie of als interpretatie van de "omerican dream", wordt een nationaal symbool waarin tal van jonge architecten excelleren. Door de vraag naar nieuwe woningen lanceren bouwpromotoren als Etrimo en Amelinckx zich in de bouw van appartementen voor de middenklasse, en weet een aantal architecten zoals Jacques Cuisinier zich hierin te specialiseren. Anderen zoals Renaat Braem ontwikkelen nieuwe concepten voor de sociale huisvesting, met het collectieve woonblok of de woontoren als ideaal. De barometer van de tijdsgeest is de hoog geschatte Prijs Van de Ven, die in de naoorlogse periode van 1950 tot 1968 werd uitgereikt. Laureaten van 1958 waren onder meer de al eerder genoemde Baucher, Blondel en Filippone, Montois, Courtois en Brodzki, en Jacques Wybauw. Geïnspireerd op het Lever House in New York, raakt de gordijngevel in België definitief ingeburgerd
M&L
N K R
Project voor de satellietstad Lillo, Renaat Braem, 1958 s AAM Ontwerp voor de Louizagalerij in Brussel, Emile Goffay, 1956-1958 ^ AAM
Ontwerp voor een woonkamer, Marcel-Louis Baugniet, 1954® AAM
Architecture Museum - De Loge Kluisstraat 86, 1050 Brussel www.aam.be info(a)aam.be
tel. 02/642.24.62 Open van 26 februari tot 21 december 2008; dinsdag tot zondag 12u tot 18u; nocturne op woensdag tot 21 u; gesloten op maandag Ticket volwassenen: 4 € Vermindering: architecten, leerkrachten, senioren: 3 € ; studenten, werklozen, VIPO: 2 € ; gratis:-12 jaar. schoolgroepen: 1 € per leerling, vanaf middelbaar: 2 €
geleide bezoeken: 60 € (week), 70 € (nocturne en weekend) + 3 € per persoon
met de bouw van het Rijksadministratief Centrum. De "golden sixties" groepeerden de geïmporteerde industrieën naar Amerikaans model langs de nieuwe autostrades en rijkswegen, als lichtende vitrines van geautomatiseerde productieprocessen en "corporate image", waarbij niet zelden restanten van vroegere expopaviljoenen werden gerecycleerd. Van de grote infrastructuurwerken die Brussel ter gelegenheid van Expo 58 tot één grote bouwwerf herleidden, was de
IVI&L
nieuwe luchthaventerminal van Zaventem door Maxime Brunfaut, Géo Bontinck en Joseph Moutschen ongetwijfeld één van de meest indrukwekkende en representatieve. Een reconstructie van een 'fifties' woonkamer op de bovenste verdieping tenslotte evoceert het 'nieuwe wonen', aan de hand van inmiddels gezocht meubilair met het accent op structuur en lichtheid, dat onder invloed van architecten, designers en producenten een artistieke dimensie kreeg.
B 1 N N E N K R A 1 M T
Marcel M. Ce lis
7WIERIG BINNFN DF PERKEN. HF HFRSTFIDF BOVFIMTUIN VAN PAIFIS HFTIOO IN voGFivnirHT. ifiq?-?nn» Op 30 mei aanstaande is de uitgebreide reconstructie van de 17deeeuwse Boventuin van Paleis Het Loo voltooid. In de afgelopen maanden vonden de meest ingrijpende herstelwerkzaamheden plaats sinds de opening van het paleis als museum in 1984. De presentatie Zwierig binnen de perken geeft een overzicht van deze reconstructie. In de jaren 1977-'84 zijn bij de restauratie van Het Loo het paleis en de tuin grotendeels in oorspronkelijke staat teruggebracht, maar door de aanwezigheid van een aantal bomen was dit voor het achterste deel van de tuin, de Boventuin, niet tot in detail mogelijk. Door natuurlijke beëindiging van de levensloop van de bomen én de herontdekking van een gedetailleerde 18de-eeuwse tekening van de tuin in een Duits archief, is dit 25 jaar later wel mogelijk geworden. Onder verantwoordelijkheid van de Rijksgebouwendienst is bij het recente herstel de Boventuin in oude staat teruggebracht, het ondergrondse sproeisysteem is vernieuwd en de paden zijn teruggebracht naar oorspronkelijke breedte. Ook de beplanting is zoveel mogelijk op het originele ontwerp aangepast; zo is er dit voorjaar kattenstaart (amaranthus) opgeplant, de lievelingsbloem van koningin Mary. De formele 17de-eeuwse Hollandse tuin van Het Loo, gekenmerkt door de symmetrische aanleg, fonteinen, beeldhouwwerken en een grote verscheidenheid in planten, kan hiermee anno 2008 worden beschouwd als enig in zijn soort.
Van 30 mei tot en met 28 september 2008 is op Paleis Het Loo de tentoonstelling Zwierig binnen de perken te zien, met getekende, gedrukte en geschilderde afbeeldingen, daterend uit de periode 1692-2008, waarin de geleidelijke veranderingen van de Boventuin in beeld worden gebracht.
Daarnaast is onder de Colonnades in de tuin een fotopresentatie ingericht met toelichting op de restauratiewerkzaamheden. Bij de presentatie verschijnt een geïllustreerde brochure. Met dit onderwerp sluit Paleis Het Loo aan bij het thema tuin- en landschapsarchitectuur dat deze zomer centraal staat tijdens de Internationale Triënnale in Apeldoorn. De voltooiing van de Boventuin is tevens het startmoment voor herstel van de oorspronkelijke tuinafsluiting: achter de Colonnades bevond zich in de tijd van de koning-stadhouder een bordes met een bassin met overdekte rustplaatsen. Vanaf deze plek had men een schitterend uitzicht over de tuin en op het paleis. De restanten van bassin en rustplaatsen, die door archeologisch onderzoek in 2003 aan het licht kwamen, blijven bewaard en vormen samen met prenten en historische beschrijvingen het uitgangspunt voor de reconstructie. Na afronding van deze werkzaamheden zal de oorspronkelijke formele tuinaanleg in zijn geheel hersteld zijn.
Paleis Het Loo Nationaal Museum, Koninklijk Park 1, 7315 JA Apeldoorn. Dinsdag t/m zondag en op feestdagen van 10.00-17.00 uur. Gesloten op maandag. Info: 055-5772400 of www.paleishetloo.nl Informatie Triënnale: www.triennale.nl
Colloquia
Linda Wylleman 1
MAASTRICHT: HERBESTEMMING VAN RFIIGIFUS ERFGQFn Deze studiedag werd ingericht door de wetenschappelijk-technische groep voor aanbevelingen inzake bouwrenovatie en monumentenzorg NederlandVlaanderen (WTA), in Maastricht op 9 november 2007 (www.wta-nl-vl.org). Door gewijzigde maatschappelijke omstandigheden vermindert het aantal religieuzen, bedienaars en praktiserende gelovigen. Hiervan is ook verminderd gebruik en leegstand van gebouwen het gevolg. Religieuze gebouwen nemen dikwijls ruimtelijk een prominente plaats in en zijn drager van historische, kunsthistorische en architecturale waarden. Een mogelijke herbestemming of sloop ligt dan ook uitermate gevoelig. Architect Mari Baauw bracht een uiteenzetting over geloofwaardig hergebruik, een pleidooi voor vakmanschap, visie en vrijmoedigheid. De architect belicht de situatie in de provincie Groningen waar sloop, hergebruik en zelfs nog nieuwbouw van kerken aan de orde zijn. De werkgroep kerkbouw van de protestantse kerk heeft een manifest en boek over de kansen voor kerkgebouwen uitgegeven in 2007. De spreker wijst op de vele vormen van hergebruik namelijk door dezelfde religie, door een verwante religie, door een andere religie, door een andere functie, door leegstand en tenslotte ook door sloop. Door de eeuwen heen komt hergebruik door veranderde liturgische inzichten het meest voor. Aangezien functionaliteit prioritair wordt gesteld is deze vorm van hergebruik geregeld in de Nederlandse monumentenwet. Er bestaan tal van voorbeelden van kerken met nevenfuncties zoals jeugdruimten, zalen of burelen.
1VI&L
B I N N E ^ K R A ^ T
Het hergebruik door een andere religie is ook geen nieuw fenomeen. Een bekend voorbeeld is de Aya Sofia in Istanbul, of de omvorming van katholieke kerken voor de protestantse eredienst na de Reformatie in Nederland. Het meest actueel is hergebruik door een andere functies. Hiervan zijn de resultaten zeer wisselend van kwaliteit. Ook sloop met hergebruik van het materiaal kan een goede optie zijn. De spreker pleit voor maximale reversibiliteit bij hergebruik. De beperktheid van de financiële middelen vraagt om keuzes te maken, en dus leidt dit tot een noodzakelijke deskundige waardebepaling van het religieus erfgoed. Voor de spreker sluit een geloofwaardig hergebruik aan bij de kerkfunctie, past het in de context, bij de kwaliteiten van het interieur en bij de waarden van het geloof. In Nederland stelt men vast dat de protestanten, in tegenstelling tot de Rooms katholieken, minder problemen hebben bij de herbestemming van hun gebouwen. De spreker pleit voor het geven van kansen aan kerkgebouwen, doch de keuze moet duurzaam zijn, moet historisch verantwoord zijn, en het gebouw moet ten dienste blijven van de gemeenschap. Kleine kerkgemeenschappen moeten ook in de toekomst samengevoegd worden. De werkgroep kerkbouw Protestantse kerk vraagt een weloverwogen en vrijmoedige omgang voor in gebruik zijnde kerkgebouwen. Voor gebouwen met erfgoedwaarde moet de last ook door de maatschappij gedragen worden. De werkgroep vraagt om het kerkgebouw niet te bevriezen en bij gebruik en herinrichting alle mogelijkheden open te houden voor gebruik, herbestemming tot en met sloop. Martin Frederlks, stafmedewerker Kerkopbouw bisdom Haarlem belichtte het netwerk van kerken. De geloofsgemeenschap is geslonken maar blijft wel eigenaar van de kerkgebouwen. De protestantse gemeenten bezitten 2319 kerken, de Rooms katholieken 1740, en andere geloofsgemeenschappen ca. 182 kerken. Naast een tekort aan leden, is er ook
een tekort aan bedienaars en financiële middelen. Vele kerken hebben de status van monument. Bisdom Haarlem ziet in de toekomst een verplichting tot samenvoegen van parochies. De zorg voor de kerken mag niet enkel door de kerkgemeenschap zelf gedragen worden, en het bisdom pleit ervoor dat een religieus monument niet een casco wordt voor een profane functie. Architect Peer HG Houben, coördinator bouwzaken van het bisdom Haarlem stelt vast dat de kerkdichtheid in relatie tot de bevolking zeer groot is in Nederland, en dat bovendien tijdens de 19de-20ste eeuw het aantal Rooms katholieke kerken enorm is toegenomen. Sinds 1970 zijn in het bisdom Haarlem, zonder overkoepelende strategie, meer dan 50 kerken gesloten of vervangen door compacte kerkgelegenheden. Verdere krimp wil het bisdom begeleiden met een lange termijnvisie. Hiervoor werden beleidscommissies geïnstalleerd. Aangezien in Nederland de volledige vastgoedlasten gedragen worden door de individuele kerkgenootschappen, en de kosten voor onderhoud en restauratie zeer hoog zijn, is een intenser gebruik van de kerken nodig en moeten onvermijdelijk nog kerken afgestoten worden. De hoofdtaak van de kerkgenootschappen is geen monumentenbeleid, maar door het feit dat de helft van de kerken een statuut hebben van monument investeren zij een zeer groot gedeelte in het cultureel erfgoed. Om één kerk te kunnen restaureren zouden ongeveer 3 kerken moeten afgestoten worden. Bijkomend probleem is dat talrijke kerken een gemeentelijke monumentaanwijzing krijgen waardoor de opbrengst van de verkoop bepaald wordt door de herbestemming die de gemeente goedkeurt. In grote steden krijgen de monumentale kerken onder leiding van een stichting of NV een culturele bestemming. Door het overaanbod aan gebouwen die zich aandienen voor een cultureel programma zijn de exploitatiemogelijkheden echter beperkt. De herbestemming tot woningen leidt al te dikwijls tot onaanvaardbare transformaties. Momenteel inventari-
seren en evalueren de bisdommen de sinds ca. 1980 herbestemde Roomskatholieke kerken. Onder de monumenten zijn verschillende categorieën te onderscheiden, namelijk de kerken van uitzonderlijke waarde waarvoor een profane herbestemming nagenoeg onmogelijk is zonder aantasting van de religieuze en cultuurhistorische waarden. Indien dergelijke gebouwen zonder functie komen te staan is het de taak van de overheid deze te onderhouden en zal de kerkgenootschap instaan voor het gebruik en de daaraan verbonden kosten. In de categorie kerken met een neutrale religieuze uitstraling moet de architecturale waarde vastgelegd worden en hieraan een duurzame, maatschappelijk gedragen functie gegeven worden. Gebouwen met enkel een stedenbouwkundige kwaliteit kunnen na het waarborgen van de genius loei vervangen worden door nieuwbouw. De situatie in Nederland maakt het noodzakelijk kerkelijk vastgoed af te stoten, doch dit leidt meestal tot de aanwijzing van gemeentelijke monumenten. Ook wijzigen nieuwe functies te regelmatig, en zijn deze tevens niet rendabel, oneigenlijk en tasten ze de monumentwaarde aan. De spreker pleit voor een herziening en beperking van de monumentaanwijzing om kwaliteit te behalen binnen het herbestemmingsbeleid. Twee praktijkvoorbeelden worden toegelicht met als eerste de gotische dominicanerkerk eigendom van de stad Maastricht, die na grondig vooronderzoek, archeologisch onderzoek en volledige restauratie, met inbegrip van de restauratie van de gewelf- en wandschilderingen, in 2007 is verhuurd en ingericht als boekhandel. Het kruisherenklooster is herbestemd tot hotel waarbij de kerkruimte herkenbaar is gehouden en ingericht tot restaurant en onthaal, en het klooster tot hotelkamers. C.E.E. Pernot van Cor Pernot Consulting en H.L Schellen van de faculteit bouwkunde, technische universiteit Eindhoven lichtten enkele bouwfysische en installatietechnische aspecten toe bij
B l ^ l M E N K R A N T
de herbestemming van de dominicanerkerk. De universiteit Eindhoven heeft in samenwerking met het studiebureau Cor Pernot Consulting onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van voorzetramen, de bepleistering van het gewelfkappen en de klimaatinstallatie. In functie van de instandhouding van het monument ontstond de behoefte om een basis binnenklimaat te bekomen, die tevens voldoet aan de eisen gesteld vanuit de nieuwe functie (ca. 20°C en relatieve vochtigheid gedurende lange periode niet lager dan 30%). Op basis van ervaring en diverse berekeningen is een combinatie van vloer- en luchtverwarming voorgesteld. Een situatie met enkel vloerverwarming heeft nadelige luchtstromingen tot gevolg, geeft onvoldoende comfortgevoel en transporteert ook het stof naar het gewelf. Om dit te ondervangen is de vloerverwarming gecombineerd met een luchtverwarming verspreid over de volledige oppervlakte van de kerk. Gedurende milde buitenklimaatcondities is het gebruik van de luchtverwarming aangewezen Met de luchtverwarming kunnen de luchthoeveelheden en temperatuur ingesteld worden in verhouding tot de buitenomstandigheden. De oppervlaktetemperatuur van de vloerverwarming moet onder de 25°C blijven, en bij strenge koude kan dit opgevoerd worden tot 280C. Aan de hand van berekeningen is gekozen voor het aanbrengen van een dubbele voorzetbeglazing, omdat met deze voorzetbeglazing de te verwachten condensatie op de voorzetbeglazing minimaal is. Na onderzoek en berekening is hier gekozen voor het aanbrengen van een tras-kalkpleister boven op het gewelf omdat er met deze pleistersoort geen condensatie optreedt bij de gewelfschilderingen of de houten kapconstructie. Als illustratie van de situatie in Vlaanderen kwam architect Herman van Meeraan het woord met de herbestemming van de abdijhoeve van de cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode, waarvan het huidige gebouwen-
bestand dateert uit de 16de tot 18de eeuw. De Vlaamse overheid kocht het domein aan in 1998 met de bedoeling om bij de nieuwe omgang met het domein de geschiedenis verder te zetten. Een masterplan ligt aan de basis van de aanpak waarbij de relatie mens/ natuur en de relatie tussen de historische functies geanalyseerd zijn. Het ligt in de bedoeling om het historische weefsel terug leesbaar te maken voor de bezoekers. Huidige keuzes mogen zo weinig mogelijk hypotheek leggen op de toekomst. Bijsturingen in de omgang met het bouwkundige erfgoed en het cultuurlandschappelijke proces moeten mogelijk blijven. De potenties van de historische gebouwen blijven zoveel mogelijk gerespecteerd, en hedendaagse functies krijgen een plaats in herkenbare nieuwbouw. Het gebouwenpatrimonium is en blijft onderverdeeld in herkenbare functiezones gebaseerd op historisch gebruik. De economische zone (westen) rond de boerderijgebouwen krijgt naast een natuur-economisch educatieef gebruik een congresfunctie en gebouwen voor logistieke ondersteuning bij manifestaties. Verder is er een opvangzone met horeca (zuiden), een verblijfszone (oosten) en een logistieke zone (noorden) waarbij de verschillende functiezones met elkaar interfereren. Tot slot werd door vertegenwoordigers van Triconsult N.V., departement bouwkunde van de Katholieke universiteit Leuven en het departement architectuur van de Katholieke Universiteit Leuven de constructieve aspecten bij functiewijzigingen toegelicht aan de hand van het praktijkvoorbeeld van de stalvleugels van de parkabdij in Heverlee. Belangrijke constructieve ingrepen werden hier uitgevoerd om deze stalvleugels om te kunnen bouwen tot kantoren. Door jarenlange leegstand hebben tot aftakeling geleid van de houten vloer, de dakstructuur en de muren. Dank zij een uitgebreid vooronderzoek zijn de nodige interventies in kaart gebracht. De restauratie werd uitgevoerd in 2003-2004 en kadert in de socio-culturele ontsluiting van het voorplein.
"Une autre erreur tres sérieuse chez les sculpteurs modernes, c'est la tentative insensée de rendre les choses naturelles. Tout art est conventionnel. II est monstrueux d'essayer de transferer les accidents d'objets naturels a des masses de bois et de pierre. Que peut-il y avoir de plus absurde, par exemple, que des nuages modernes sur des autels sculptés ou peints pour imiter Ie marbre blanc? Quelqu'un saurait-il dire a quoi lis ressemblent? Ressemblent-ils a quoi que ce soit dans ce monde ou hors de ce monde? lis ne ressemblent pas a des nuages, et la tentative de les rendre naturels a produit un résultat horriblement contre nature. Que peut-il y avoir encore de plus absurde que les representations modernes de gens assis sur des nuages? lis tomberaient infailliblement a travers un siege aussi peu substantiel. Combien aussi est contraire a la nature la maniere prétenduement naturelle dont les onges ef les saints sont suspendus en /'o/r ou plantés sur les autels, ou arranges pour former un lutrln ou un banc de communion, ou la balustrade d'une chaire a prècher! Si un ange devait apparaitre du c/e/, pouvons-nous supposer un seul instant que nous Ie trouverions dans la nudité dégoutante ou dans l'une des mille positions impossibles des figures dont sont surmontés les autels modernes, ou qui s'étendent de foute leur longueur au sommet d'un fronton, soufflant dans une trompette ou suspendus a moitié chemin tenant un énorme médaillon, ou agenouillés dans une posture theatrale a l'angle de l'autel avec une insuffisance d'habillement des plus indécentes?"
T.H. King, Les vrais principes de l'architecture ogivale et chrétienne, avec des remarques sur leur renaissance au temp actuel. Remanié et développé d'après Ie texte Anglais de A.W. Pugin, Brugge, T.H. King, 1850, p. 110
Een andere zeer ernstige vergissing die beeldhouwers begaan is de onzinnige poging om dingen natuurlijk te laten lijken. Alle kunst is conventie. Het is wanstaltig om de wisselvalligheden van natuurlijke voorwerpen te willen vertalen in hout- of steenmassa's. Wat kan er, bijvoorbeeld, absurder zijn dan moderne wolken boven altaren die gebeeldhouwd of geschilderd werden om wit marmer na te bootsen? Zou iemand kunnen zeggen waar ze op lijken? Lijken ze op om het even wat op deze wereld of buiten deze wereld? Met wolken hebben ze geen uitstaans, en de poging om ze natuurlijk te laten uitzien heeft geleid tot een afschuwelijk tegennatuurlijk resultaat. Wat kan er nog absurder zijn dan de moderne voorstellingen van op wolken gezeten mensen? Op een dermate weinig substantiële zitplaats zouden ze onvermijdelijk wegzinken. Hoezeer tegennatuurlijk is ook de vermeend natuurlijke wijze waarop de engelen en heiligen in de lucht zijn opgehangen of op de altaren zijn gepoot, of verwerkt tot lezenaar of communiebank, of tot borstwering van een preekstoel! Mocht een engel aan de hemel verschijnen, zouden wij dan ook maar één ogenblik kunnen verwachten dat wij hem in de walgelijke naaktheid of in één van de duizend onmogelijke houdingen zouden aantreffen van de beelden die de moderne altaren bekronen, of die zich in hun volle lengte uitstrekken over de top van een fronton, op een trompet blazend, of halverwege opgehangen met een enorm medaillon, of in een theatrale houding neergeknield bij een hoek van het altaar met een meer dan onzedig gebrek aan kleding.
project een fundamenteel verschil met de kamptypologie. In zekere zin vormt het een vertaling van het concept van de 'tuinstad' op maat van de inlandse wijk (46): er is aandacht voor de vormgeving van de openbare ruimte - zo worden straten met groen aangeplant - , er is een duidelijke hiërarchie tussen publiek en privaat, en ook uit de typewoningen die uiteindelijk in deze wijk zullen worden opgetrokken, blijkt de ambitie om een meer comfortabele huisvesting aan te bieden. In de arbeiderskampen van de Union Miniere du Haut Katanga tekent zich op dat moment eenzelfde evolutie af. In het interbellum werd immers de zogenaamde politique du stabilité ingevoerd die erop gericht was de arbeiders niet langer als tijdelijke werkkracht te beschouwen die op korte termijn een maximaal rendement moest leveren alvorens hij terug naar zijn dorp van herkomst kon worden gestuurd. Vanaf midden jaren 1920 ging het beleid er van uit dat de arbeider voor lange tijd aan de onderneming moest worden verbonden om zo zijn opleiding te laten renderen. Bijgevolg transformeerde de oorspronkelijke kampomgeving- bedacht als een minimale voorziening die arbeiders een 6-tal maanden onderdak verschafte - , tot een totaalomgeving waarin de arbeider met zijn vrouw en kinderen kon wonen en leven. Dit nieuwe huisvestingsmodel voorzag daarom, net zoals de nieuwe inlandse wijken, naast een meer decente huisvesting ook scholen, dispensaria en foyers sociaux waar de Congolese
vrouw tot 'modelechtgenote' werd opgevoed (47). Dat deze evolutie naar een groter wooncomfort voor de inlandse bevolking niet op zuiver humanitaire basis was gestoeld, maar daarentegen nog steeds werd gestuurd door overwegingen van controle en rendement, en bovendien samenhing met de paternalistische inslag van de Belgische kolonisatie, behoeft geen betoog.
LLJBUMBASHI, EEN ARCHITECTUUR LABORATORIUM? "Elisabethville. La plus morne des villes du Congo. Le site le plus insipide, ou le plus triste. Un solsans aucun relief. Pas de fleuve, pas d'horizon. On s'y sent véritablement enfermé. [...] Partout la domination de la mine [...] Le centre de la ville est d'allure heaucoup plus moderne que n'importe oü, au Congo [...] Il ne faut plus chercher a Elisabethville les traits propres aux villes de l'Afrique centrale". Maurice Heymans, 1950 (48) In tegenstelling tot Kinshasa waar de stedelijke boom pas echt goed op gang kwam na de Tweede Wereldoorlog - het stadsbeeld van hoogbouw langs brede boulevards dat in de propaganda van de jaren 1950 werd uitgespeeld is er het product van de bouwhausse uit de vroege jaren 1950 (49) - bleef het interbellumkarakter van Lubumbashi ook in de
Koninklijk Atheneum, 1948-49, architecten R. Schoentjes S G.Van Grunderbeek (foto Johan Lagae, 2005)
naoorlogse periode grotendeels behouden. Tot op vandaag kleurt een art deco patrimonium er het straatbeeld. Hoogbouw zou trouwens ook nooit echt doorbreken in Lubumbashi. Publieke gebouwen tellen zelden meer dan drie verdiepingen en de residentiële straten met hun villa's omringd door tuinen hebben een bijna suburbaan karakter. Dat neemt niet weg dat er ook in de periode 1945-1960 beeldbepalende stedelijke artefacten zijn gerealiseerd, waarvan de markante vormgeving lijkt te suggereren dat architecten in Lubumbashi op dat moment over een zekere vrijheid beschikten in het ontwerp. Eén van de meest opmerkelijke van deze naoorlogse realisaties is het Koninklijk Atheneum van de hand van architecten R. Schoentjes en G. Van Grunderbeek. De inplanting van dit bijzonder imposante complex uit 1948-49 breekt op markante wijze met de richting van het stedelijke grid. De langse as is immers onder een hoek georiënteerd, waardoor het perspectief vanaf de hoofdingang wordt versterkt. De vormgeving beantwoordt naadloos aan de voorkeur voor een monumentale, classicerende architectuur die op dat moment door de koloniale overheid, en de toenmalige gouverneur generaal Ernst Jungers in het bijzonder, werd gesmaakt (50). Binnen een politieke context waarin het katholieke onderwijsmonopolie in de kolonie langzaam maar
Instftui Morie-José, jaren I930-'50, architecten H.Jordan, R. Cloquet S H. Vermeulen (foto Johan Lagae, 2000)
zeker vanuit liberale hoek werd ondergraven (51), vallen de omvang en presence van het atheneum ook te begrijpen als een expliciet statement tegenover de katholieke colleges voor de blanke kinderen uit het interbellum — het Institut Marie-]osé en het College Saint-Frangois de Sales- die tot dan toe de enige echt grootschalige complexen in de binnenstad waren. Door de invoering in 1948 van het Tienjarenplan voor de Economische en Sociale Ontwikkeling van Congo genoot niet alleen onderwijs, maar ook gezondheidszorg een bijzondere aandacht van de koloniale overheid. In de naoorlogse periode vormde de bouw van nieuwe hospitalen voor Europeanen en Congolezen één van de belangrijkste items op de agenda van het Comité Urbainvzn Lubumbashi, omdat de ziekenhuizen uit het interbellum volgens de beleidsvoerders in "lamentabele' toestand waren. De voorheen evidente raciale scheiding in de gezondheidszorg was daarbij een opmerkelijk punt van dispuut, omdat sommige dokters argumenteerden dat door nieuw verworven inzichten elke medische grond voor zo'n scheiding achterhaald was. Over de vraag of beide hospitalen al dan niet op aanliggende percelen in de zone neutre moesten worden opgetrokken, werd jarenlang gedebatteerd, al gebeurde dat meer en meer in omfloerste termen gezien het steeds politiek gevoeliger worden van het thema van de raciale scheiding (52). Uiteindelijk koos men ervoor het hospitaal voor blanken toch niet in de zone neutre te bouwen, maar in te planten aan de andere zijde van de Europese wijk. Het gebouw, dat trouwens nooit als hospitaal voor blanken heeft gefunctioneerd en vandaag dienst doet als rectoraat voor de universiteit van Lubumbashi, was tussen 1952 en 1955 ontworpen door architect Albert de Lay (53), en brak met de in het interbellum nog courante pavilionaire opbouw. De diverse functies werden gestapeld in een slanke hoogbouw die dialogeert met een horizontaal sokkelvormig gebouw op pilotis. Een sculpturale luifel, die een zekere onhandigheid van de ontwerper verraadt, markeert de hoofdingang, terwijl de vormgeving van het mortuarium een clin d'oeil lijkt: ze is als een doodskist op de sokkel geplaatst. Architect-urbanist Noël Van Malleghem, die in 1948-49 een stedenbouwkundige survey van Lubumbashi uitvoerde en een masterplan voor de stad opstelde (54), tekende circa 1954 het megalomane ontwerp voor een hospitaal voor Congolezen dat slechts ten dele zou worden gerealiseerd. Huib Hoste, die voor het tijdschrift Ruimte de door Van Malleghem uitgegeven publicatie over het ontwerp
Hospitaal voor
architect A. De Lay
Hospitaal voor
Europeanen.
(foto Johan Lagae
Congolezen, maquet-
Malleghem. Teclmque
l952-'56.
2006)
te, 1954. architect
HosfWolere Tropicole.
N.Van Malleghem
besprak, had er geen goed woord voor over: "Men hoeft echter dit ontwerp niet in al zijn onderdelen te ontleden om er zich niet te kunnen mee eens verklaren. De zo verschillende en veelvuldige diensten kunnen onmogelijk eenzelfde ruimte vergen [...] De uitwendige verschijning van het gebouw ziet er dan ook klassiek uit door de massawerking die uit die symmetrische plattegrond groeit. Het systeem van de Ecole des Beaux-
(uit N.Van
z.d.)
Arts aan de tropen! Zal nu misschien de tropische zon de zware massa's lichter maken of zwaarder doen chijr (55). O p de toepassing van zonnewering en het dwarse ventilatie-principe na, blijft de architectuur van deze publieke gebouwen hoofdzakelijk schatplichtig aan westerse modellen. Ook in de jaren 1950
Uitbreiding van de missiepost SoinlBenoit, Kansenia. 1956. architecten fcngo (foto Johan Lagae 2005)
M&L
Mj bleef de courante teneur van het architectuurdebat in Congo immers dat elke poging om op architecturale wijze te refereren aan de Afrikaanse (bouw)cultuur tot mislukken was gedoemd. Uitgaand van een eurocentrische logica beantwoordden de 'traditionele' centraalafrikaanse bouwvormen immers niet aan westerse criteria zoals monumentaliteit, duurzaamheid of historische ontwikkeling. Enkel een afrikaniserende decoratie, veelal gebaseerd op de geometrische motieven van het Kuba textiel, de zogenaamde "velours du Kasaf, bood volgens de gemiddelde architect een uitweg om een project alsnog een zekere "couleur locale" te geven (56).
•
M&L
Toch zou precies in Lubumbashi een collectief jonge architecten een opmerkelijke poging ondernemen om een eigentijdse Afrikaanse architectuur te ontwikkelen. Opererend onder de naam Yenga, wat 'bouwen' betekent in het Swahili, bestond de kern van dit collectief uit de architecten Claude Strebelle, Jean Leloup en André De Buyl (57). Strebelle lag aan de basis van de oprichting van het collectief. Deze oud-student en medewerker van Henri Lacoste was eind jaren 1940 naar Congo afgereisd en er zijn loopbaan als architect begonnen in de ontwerpafdeling van de Compagnie Fonciere du Katanga. In 1951 won hij de prijsvraag voor de bouw van een festiviteitenhal, die het eerste onderdeel zou worden van een cultureel complex dat pas in 1961 volledig werd opgeleverd en ook een theater, een muziekschool en een museum omvatte. Het is vooral in dit cultureel complex dat Yengds streven naar een vorm van architecturale acculturatie spreekt, al blijkt dit ook uit het project voor de uitbreiding
bumbashi. Aanvankelijk werd dit laatste project volledig ontworpen rond het motief van de driehoek, de geometrisch figuur die bij uitstek met bepaalde 'traditionele' Afrikaanse culturele artefacten zoals houtsnijwerk of textiel valt te verbinden. In het uiteindelijk slechts gedeeltelijk uitgevoerde ontwerp is de driehoek op een minder dwangmatige manier verwerkt in de vorm van raamopeningen of gevelsilhouetten, terwijl het architectuurthema van de kloostergalerij door middel van een elegante houten draagconstructie op verfrissende wijze wordt geherinterpreteerd. Het andere werk van Yenga in Katanga, dat onder meer commerciële gebouwen, garages, scholen en woningen omvat, leunt meer aan bij het generische 'tropische modernisme' dat we ook kennen van architecten als Claude Laurens (58), al heeft de groep daarnaast nog enkele complexen gerealiseerd die op formeel vlak een wat apart plaats innemen. Zo appeleert de vormgeving van de imposante, volledig uit natuursteen opgetrokken meisjesschool in Luishia aan een Romaans klooster (59). Het cultureel complex in Lubumbashi, dat over een periode van bijna 10 jaar werd ontworpen en gerealiseerd, toont een formele evolutie in het werk van de Yenga-gmep. Het meest frappant komt dat tot uiting in het theatergebouw dat in 1953 werd ontworpen en in 1956 ingehuldigd. De planopbouw is innovatief en laat een gebruik van de scène aan twee zijden toe: ze is niet alleen op een klassieke wijze gericht naar een zaal, maar kan zich ook via wegklappende, monumentale deuren openen naar een buitenruimte die achter het gebouw is gelegen, door overdekte galerijen is omringd en wordt afgesloten door de festiviteitenhal. De vormgeving van voor- en achterzijde van het theater contrasteert opmerkelijk. In de voorgevel verraadt de gekartelde enveloppe van het zaalvolume de planvorm, waarvan de contour is gebaseerd op een Sint Jacobsschelp. De claustra's die aan weerszijden van de volledig beglaasde inkompartij de trapzalen maskeren, zijn een typisch 'tropisch modernistisch' vormelement. De achterzijde daarentegen weerspiegelt de eerder gestrenge, klassieke architectuur van de festiviteitenhal, terwijl de vormgeving van de kolonnade en het gebruik van zigzagpatronen in de betegeling van de patio de invloed verraden van Strebelle's leermeester Henri Lacoste (60). De axiaalsymmetrische opbouw van het geheel komt voort uit de specifieke stedelijke inplanting en appeleert aan het klassieke compositorische principe van de monumentale vista. Het theater sluit perspectief van een brede boulevard aan de rand van de Europese wijk.
Achtergevel van het theater, 1953-56, architecten fengo (foto Johan Lagae 2005)
•
Zowel de muziekschool als het museum, beide onderdelen van het culturele complex die later werden gerealiseerd, zijn vrijer in hun vormgeving. Zo speelt in geen van beiden nog een drang naar symmetrische planopbouw. Dat is het meest uitgesproken in het museum. Het is ontworpen als een complex samenspel van erg verschillende volumes die aantakken op een centraal, hoog massief blok op pilotis dat een vergaderzaal en de reserves van het museum herbergt. Het streven naar een sculpturale vormgeving is hier het verst doorgedreven. Volumes zijn gebogen of met een gekarteld dak bekroond, een buitengalerij wordt ondersteund door een in twee gesplitste kolom, het dak van de tijdelijke expositieruimte lijkt door zijn geribde betonstructuur op een palmblad en eindigt in een monumentale spuwer - de bladstengel? - die over de binnenkeer heen afwatert in een bassin. Vegetale referenties zouden in die periode ook in het werk van andere in Afrika opererende architecten opduiken - we kunnen daarbij bv. denken aan projecten van Justus Dahinden — (61), maar hebben wellicht ook met de specifieke achtergrond van Strebelle zelf te maken. Hij was tenslotte de zoon van een kunstenaarsechtpaar dat zelf bijzondere aandacht aan de dag legde voor organische vormen. De vormgeving van de muziekschool is ingetogener en de geometrie meer uitgepuurd. Enkel een hellend dakelement zorgt voor een afwijkend accent. In de doordachte schikking van open en gesloten gevelvlakken en de uit-
-
Plattegrond van het theater, 1953-56, architecten Vengo (uit Rythme, nr. 23, 1957, p. 15)
-> ::-r: v.^.,.,* :,.„
v^
i
M&L
Gezicht van het museum, 1958-61, architecten Yenga (foto Johan Lagae 2005)
Plattegrond van het museum, 1958-61, architecten Vengo (tekening Maarten Liefooghe. op basis van originele plantekeningen uit de collectie van het Musée Notional de üibumWii, 2006)
1VI&L
gekiende uitsparingen in de bouwvolumes, tonen de ontwerpers van de Yenga-groep hun talent om het contrastrijke licht- en schaduwspel onder de tropische zon ten volle uit te spelen voor het bereiken van een plastische architectuur. Yengas streven naar een verankering van het culturele complex in de lokale cultuur is niet enkel afleesbaar aan de architectuur. Ze blijkt vooral uit de erg specifieke keuze voor de interieurdecoratie van het theater. Was op de voorgevel van het gebouw een bronzen sculptuur van een Belgische kunstenaar gemonteerd, dan was de binnendecoratie toevertrouwd aan contemporaine Congolese kunstenaars, opgeleid in het internationaal gerenommeerde atelier van Pierre Romain Desfossés en de kunstacademie die toen door Laurent Moonens werd geleid (62). Er hingen doeken van schilders als
Mwenze en Bela, en kleurrijke fresco's met dierenmotieven decoreerden de traphallen (63). In de grote zaal waren op de muren die de scène flankeerden abstracte sculpturen opgehangen in gedreven koper. Hoewel de integratie van het werk van eigentijdse Afrikaanse kunstenaars in moderne architectuur op dat moment door prominente internationale figuren werd bepleit (64), bleef deze praktijk in Congo eerder uitzonderlijk. Claude Laurens die zelf pleitte voor een dergelijke integratie waarbij "l'art indigene aurait son mot a dire", zou in zijn wedstrijdinzending voor het Cultureel Centrum van Belgisch Kongo in Kinshasa uit 1959, bijvoorbeeld, opteren voor een architectuur die werd verlevendigd door sculpturen, bas-reliefs en fresco's van op dat moment toonaangevende westerse kunstenaars zoals Hans Arp, Fernand Léger, en zijn vader, de beeldhouwer Henri Laurens (65). De keuze voor Congolese kunstenaars voor de decoratie van het theater van Lubumbashi laat zich verklaren door de rol die Claude Strebelle op dat moment speelde als artistiek directeur van het lokaal uitgegeven, invloedrijke kunsttijdschrift Jeune Afrique, waarin het werk van deze figuren een prominente plaats kreeg (66). In die zin is het cultureel complex van Lubumbashi een hybriede constructie. Enerzijds is het een product van een koloniale cultuurpolitiek die er in de eerste plaats was op gericht de westerse beschaving uit te dragen - de toespraak van de toenmalige districtscommissaris bij de inhuldiging van het theater laat daarover weinig twijfel bestaan (67). Anderzijds leek het zich ook aan te dienen als een forum voor een eerder progressief, artistiek milieu dat de promotie van traditionele en eigentijdse Congolese kunst voorstond (68).
Naast deze markante publieke gebouwen die in de periode 1945-1960 in de Europese wijk van Lubumbashi werden opgetrokken, werden ook enkele interessante woningen gerealiseerd. Dat is niet toevallig, omdat precies op dat moment de architecten die in Congo opereren, openlijk kritiek begonnen te uiten op de woonmodellen die tijdens het interbellum vanuit het moederland zonder meer naar de kolonie waren overgeplaatst. De prominente architectuurcriticus Emile Henvaux stelde in 1951 zonder meer dat in Congo het fundamentele architecturale vraagstuk van het wonen nog niet op adequate manier was aangepakt en dat men zich had beperkt tot " / « villas modernes [...] a l'imitation de «ce qui se fait de mieux» au Zoute, au Wépion ou a Koekelberg" (69) Kort daarna, in 1954, verwees Jean Leloup, lid van Yenga, naar de Katangese woningproductie uit het interbellum om aan te geven
Theater. l953-'56, architecten fengo. Muurschildenjen in de traphal, uitgeïoerd door leerlingen van de kunstacademie van Laurent Moonens. vandaag verdwenen onder een laag witte verf (contemporaine foto, archief Nadine Rouveroy)
hoe ontwerpers zich op dat moment hadden verloren in een formalisme dat enkel "des effets architecturaux tot doel had. Als reactie daarop pleitte hij voor een " retour au rationalisme' (70). De l^wga-groep ontwierp diverse 'tropisch modernistische' woningen voor Katanga, waarin een aandacht voor de specifieke klimatologische randvoorwaarden blijkt. Toch getuigen ze onmiskenbaar ook van een voorkeur voor op dat moment in het progressieve architectenmilieu populaire vormelementen, zoals bijvoorbeeld het vlinderdak dat in een regio met tropische stortbuien een bijzondere zorg bij de uitvoering behoefde (71). Eén woonproject uit die periode, van de hand van het architectenduo Julian Elliott en Philippe Charbonnier, verdient bijzondere aandacht, ook al omdat het in de toenmalige pers erg positief werd onthaald. Het verscheen onder meer in een themanummer dat het Belgische tijdschrift Rythme aan architectuur in Congo wijdde (72), en Udo Kultermann zou het in zijn overzichtswerk Neues Bauen in Afrika uit 1963 aanstippen als één van de meest belangwekkende recente realisaties in Afrika (73). Philippe Charbonnier, telg van een gevestigde ondernemersfamilie, had samen met de in ZuidAfrika geboren Elliott architectuur gestudeerd in Kaapstad en zijn studiegenoot midden jaren 1950 gevraagd hem bij te springen in zijn opbloeiende
Wooncomplex, 1956,
praktijk in Lubumbashi (74). Elliott had op dat moment al een stageperiode achter de rug in London, waar hij korte tijd had gewerkt voor Maxwell Fry en Jane Drew, die op dat moment golden als specialisten in tropische architectuur (75). Dat verblijf in London had Elliott ook in contact gebracht met het debat dat toen in de schoot van de CIAM werd gevoerd. Het wooncomplex dat hij met Charbonnier in Lubumbashi ontwierp, draagt daarvan de sporen. In zijn clustervormige opbouw van individuele wooncellen die rond private en gemeenschappelijke binnenruimtes zijn geschikt, appeleert het project immers aan het Team X-gedachtengoed. Net zo is de brutalistische vormgeving en het mate-
architecten Julian Elliott en Philippe Charbonnier (foto Johan Lagae 2005)
M
riaalgebruik (bakstenen muren in combinatie met zichtbeton) schatplichtig aan het latere werk van Le Corbusier, en diens Maisons Jaoulm het bijzonder (76). Toch is het project niet enkel een toepassing op Afrikaanse bodem van toen actuele westerse tendenzen, maar vormt het tegelijk, zoals Kultermann heeft aangegeven, één van die zeldzame projecten waarin aspecten van de Afrikaanse bouwtraditie op een actuele manier worden vertaald. Elliott heeft trouwens zelf expliciet op de Afrikaanse wortels van het project gewezen door te stellen dat "we always return to this planning solution and the concept of 'solid boxes in open boxes', which seems such a characteristic of buildings in Africa — the beehive villages in Ghana, Mapogga, in the Northern Transvaal and possibly the finest and most monumental of all, the Zimbabwe ruins of Southern Rhodesia' (77). We moeten daarbij natuurlijk ook niet vergeten dat het gedachtengoed van de Team X-generatie zelf in grote mate door Afrika was gekleurd. De Smithsons dweepten met het contemporaine werk van At ATBAT-Afrique groep in Marokko, dat een eigentijdse collectieve huisvesting zocht te ontwikkelen voor " le plus grand nombre" op basis van een studie van 'traditionele' woontypologieën zoals de Noordafrikaanse patiowoning of het alledaagse wonen in de bidonvilles, terwijl Aldo van Eyck de casbah als alternatief naar voor schoof voor de op functionalistische leest geschoeide planningsmodellen van de CIAM en zich bovendien inspireerde op de architectuur van de Dogon voor de ontwikkeling van zijn "verhaal van een nieuwe gedachte" (78).
Moeten we uit deze opsomming van markante projecten afleiden dat Lubumbashi, en bij uitbreiding Congo, een architectuurlaboratorium was, zoals onder meer Anne Van Loo recent nog heeft beweerd? (79) Wanneer even wordt uitgezoomd en de koloniale bouwproductie in zijn totaliteit wordt bekeken, moet het tegendeel worden beweerd. Al waren de beslissingsstructuren in de kolonie transparanter dan in het moederland - administratieve beslommeringen waren er doorgaans beperkter — en de relaties tussen opdrachtgever en architect er soms directer, dan nog blijft de vaststelling dat het gros van de bouwproductie in Congo niet het werk is van architecten, maar van immobiliënkantoren, bouwondernemers, aannemers, missiebroeders e.a. In tegensrelling tot in België werd het beroep van architect in Congo nooit beschermd, alle pleidooien en initiatieven van de S.C.A.B. ten spijt (80). Net zoals in België vormt de moderne architectuur in Congo eerder de uitzondering, dan wel de regel.
Dat geldt in het bijzonder voor het domein van de woningbouw. Het volstaat om de woningproductie te documenteren in het Quartier du Bel Air of het Quartier du Golf twee blanke residentiële wijken in Lubumbashi die in de jaren 1950 tot stand kwamen, om vast te stellen hoezeer het ideale woonmodel van de gemiddelde koloniaal, net zoals in België, botste met de op rationele leest geschoeide tropische woningen die architecten voor ogen hadden. Volgende passage uit een tekst van Charles Van Nueten, die verscheen in het Bulletin de l'Union des Femmes Coloniales in 1954, spreekt in dat opzicht boekdelen: "Nepas vouloir adapter des maisons belges aux exigences du climat de l'Afrique, ce qui est, hélas, la plupart du temps le cas. Et ici, Mesdames, vous êtes peut-être responsable d'avoir a l'occasion exigé de votre architecte qu 'il vous reproduise tant bien que mal les dispositions d'une habitation dont vous aviez le souvenir, sous d'autres cieux. De grd.ce, exigez qu'on vous fasse une demeure adaptée a la region. " (81)
NAAR EEN SOCIALE HUISVESTING VOOR CQNGQLEZEN " L'exode vers les villes est un fait. Il s'explique en tout premier lieu, par le développement de l'industrie. Mais il est aussi provoqué par l'attraction des villes. Sous cette forme il est dangereuxparce qu'il risque de faire apparaitre un proletariat urbain, sans travail et par conséquent dans la misere. Pour résoudre ces graves problemes, il faut les envisager avant tout avec le souci d'assurer h la population noire une existence plus heureuse. La première condition est, me semble-t-il, de procurer a l'indigène un logement convenable en l'aidant a acquérir la propriété d'une habitation familiale decente". Koning Boudewijn, 1955 (82) De grote uitzondering in dat verband is, zoals Bruno De Meulder terecht heeft opgemerkt, het werk van de Office des Cités Africaines, de parastatale die begin jaren 1950 wordt opgericht om een antwoord te bieden op het nijpende woningtekort voor de exponentieel toenemende Congolese bevolking rond de grote stedelijke centra in Congo, Rwanda en Burundi (83). Gestuurd vanuit Brussel en operend met ontwerpteams die grotendeels waren samengesteld uit afgestudeerden van La Cambre, op dat ogenblik het bolwerk van de moderne architectuur in België, realiseerde O C A op grote schaal een modernistisch oeuvre in Congo dat qua omvang in België zijn gelijke niet kent. Aan de rand van de belangrijkste stedelijke centra realiseerde
O C A een reeks van woonwijken die waren gebaseerd op het model van de neighbourhood unip. via goede transportverbindingen op het stadscentrum aangesloten wijken die maximaal 25.000 inwoners zouden huisvesten en voorzien waren van de nodige publieke faciliteiten om een gemeenschapsleven mogelijk te maken. O p het vlak van de huisvesting werden diverse woontypes ontwikkeld, die naar koloniale normen ruim waren bemeten en van goed wooncomfort waren voorzien, maar in wezen niet zo veraf staan van de Existenzminimum woningen die in de jaren 1920 onder het beleid van Ernst May in Frankfurt werden gerealiseerd. Ook in Lubumbashi was O C A actief. Ze realiseerde er de Ruashi-wijk en in de bestaande inlandse wijken Kamalondo, Kenia en Katuba was ze verantwoordelijk voor de bouw van een aantal gemeenschappelijke voorzieningen. De vormgeving kenmerkt zich telkens door een strakke lijnvoering en een uitgepuurde geometrie, terwijl de toepassing van een fel kleurenpalet de architectuur verlevendigt. Door een subtiele ordening van diverse woontypes werd binnen het collectieve karakter van de wijk de individualiteit van de diverse wooneenheden gearticuleerd. De collectieve voorzieningen getuigen van een doorgedreven vormexperiment, dat nauw samenhangt met keuzes in materiaalgebruik en constructie. Speelplaatsen in scholen worden afgebakend door natuurstenen muren en gedeeltelijk overdekt door horizontale vlakken die door de elegante dragende structuren in metaal lijken te zweven; markplaatsen worden overkapt door geplooide dakvlakken, ondersteund door metalen portieken met taps toelopend profiel, enz..
Woning met winkel op het geli|kïloers in de Ruoshi-wi|k. jaren 1950, Office desütesAfncoines (foto Johan Lagae 2006)
'tocht' veroorzaakten (84). En de radicale keuze om de keuken in het huis zelf te voorzien, een keuze die werd voorgesteld als een middel om de Congolese vrouw te emanciperen net zoals op dat moment in het moederland het discours over het "goede wonen' de positie van de Belgische huisvrouw zocht te verbeteren (85), bleek in de praktijk niet werkbaar: men bleef buiten koken en omdat er in de OCAwoningen geen eigen private buitenruimte was voorzien, werden al gauw delen van de publieke ruimte toegeëigend door middel van informele
• Markplaats in de RiMshi-wijk, jaren 1950, Office des Otés Africomes (foto Johan Lagae 2006)
De vormgeving van de OCA-wijken en gebouwen staat in sterk contrast met de architectuur die tot dan toe in Lubumbashi voor Congolezen was gerealiseerd. De door de O C A gehanteerde woontypes sloten qua plattegrond aan op de sociale huisvesting in het moederland, terwijl hun opbouw tegelijk beantwoordde aan de principes van het "tropisch modernisme" om de nadelen van een warm-vochtig klimaat te counteren. Beide keuzes bleken niet aangepast aan de lokale realiteit. Architecten die ooit voor de O C A in Congo hebben gewerkt, zouden later erkennen dat hun aanpak niet noodzakelijk strookte met de woonpraktijken van de Congolezen voor wie ze bedoeld waren. De ventilatieopeningen die een continue dwarse ventilatie van de binnenruimtes moesten verzekeren — een basisprincipe van het "tropisch modernisme" - bleken kort na intrek van de bewoners dichtgestopt omdat ze
constructies. De geograaf Jacques Denis legde in zijn studie Lephénomene urbain en Afrique Centrale uit 1958 de vinger op de wonde: " 5 / les techniciens de l'O. CA. ont résolu assez heureusement les problèmes urbanistiques, architecturaux et financiers, ils nont peut-être pas accordé une attention suffisante aux aspects sociaux etpsychologiques de cesproblemes. Puisqu'il s'agit d'une revolution dans le domaine de l'habitat africain, il eüt été souhaitable d'en atténuer la brutalité par une preparation de ['opinion publique" (86) Ondanks de omvang van de bouwoperatie, faalde de O C A ook op kwantitatief vlak. Ze slaagde er niet in een afdoend antwoord te bieden op de reële woningnood. Bovendien bleken de door de O C A gehanteerde bouwmethodes uiteindelijk te duur, waardoor het initiatief haar initiële doelgroep volledig miste. Enkel het selecte milieu van de "évolués' bleek in staat de hoge huurprijzen te betalen. Het was een gevaar waarvoor Fernand Grévisse al in 1949, bij de invoering van het Tienjarenplan, had gewaarschuwd: "Puissent les offices de Centre se convaincre que les milliards réserves au plan décennal a construire des maisons pour indigenes ne doivent pas s'investir seulement en constructions coquettes peutêtre, mais trop chérespour être acquisespar des salaries moyens.» (87) Er werd dan ook parallel geëxperimenteerd met andere bouwsystemen, soms door de O C A zelf, maar evenzeer door andere actoren. Baume Marpent, een Belgische firma die al aan het eind van de 19 c eeuw actief was in de productie van metalen bouwconstructies voor warme streken, ontwikkelde een prefab bouwpakket dat op erg korte termijn met een minimum aan mankracht kon worden opgetrokken (88). In Lubumbashi werden een aantal prototypes gerealiseerd, maar de vraag rijst echter hoe dergelijke golfplaten constructies een wooncomfort konden genereren in het specifieke klimaat van Lubumbashi, waar het niet alleen tropisch warm kon zijn, maar bij momenten ook erg koud. Ook woningen samengesteld uit prefab betonplaten werden uitgedacht en hun kostprijs becijferd (89). Het meest frappante initiatief was echter de bouw van enkele zogenaamde maisons type ballon, een woningtype dat gebaseerd was op een recente Amerikaanse spuitbetontechniek en al op grote schaal was toegepast in Dakar, Senegal (90). Al deze experimenten bleven echter kleinschalig en ook de studies die in de schoot van het Institut Royale Coloniale Beige werden voorgesteld over de bouwproblematiek van de huisvesting voor Congolezen,
bleven doorgaans dode letter (91). De exponentiële stedelijke groei in Lubumbashi werd, net als elders in Congo, voortgestuwd door een constante toename van de informele bouw, die vandaag stilaan ook de "zone neutré\ die emblematische ruimte van de koloniale stad, langzaam doet dichtslibben. Kort na de verklaring van de onafhankelijkheid zouden de meeste Belgische architecten uit de kolonie vertrekken, en uit Lubumbashi in het bijzonder, omdat de politiek ontvlambare situatie van de Katangese secessiestrijd begin jaren 1960 elke hoop op opdrachten deed verdampen. Toch bezit de stad nog enkele markante realisaties uit de late jaren 1960, begin jaren 1970, zoals de twee woontorens en het winkelcomplex, gebouwd voor de bedienden van de Gécamines op de plek waar de weg naar de luchthaven die stad raakt (92). Ook het in 1966 ingehuldigde gebouw van de Polytechnische Faculteit van de Universiteit van Lubumbashi, met zijn dramatische overspanning en zijn sculpturaal vormgegeven auditoria, moet hier worden genoemd. Het ruïneuze skelet van het nooit afgewerkte filiaal van de Banque du Congo waarvan de bouw begin jaren 1970 startte en dat in het enige publieke park van de stad is gelegen, legt tot op vandaag de trieste getuigenis af van het feit dat de nationalisering die Mobutu in 1973 afkondigde, de formele bouwsector bijna nagenoeg compleet zou doen instorten.
"WHOSE HERITAGE"? Het mag duidelijk zijn dat Lubumbashi een bijzonder architecturaal patrimonium bezit, dat de aandacht van historici en de erfgoedsector verdient. Mare Pabois, conservator werkzaam voor het Franse Ministerie van Cultuur spreekt niet toevallig over stad als een "musée d'architecture a ciel ouverf (93). Het documenteren en inventariseren van dit patrimonium vormt natuurlijk een eerste, cruciale stap in de sensibilisering voor dit erfgoed en zoals in de inleiding van deze tekst reeds werd vermeld zijn diverse initiatieven in die richting ondertussen opgestart. De vraag stelt zich echter of een klassieke monumentenzorgbenadering, die focust op een formele en bouwtechnische beschrijving van dit bouwkundig erfgoed met het oog op eventuele bescherming en conservatie, in de postkoloniale context van een stad als Lubumbashi wel zo vanzelfsprekend is. Hoe kunnen immers zinvolle criteria worden ontwikkeld waarmee de waardebepaling van zo'n erfgoed kan worden gestuurd? De cruciale vraag, die zich trouwens bij elk erfgoed stelt, is im-
mers voor wie dat patrimonium vandaag betekenisvol kan zijn, en waarom? De vraag aan wie koloniaal bouwpatrimonium toebehoort, maakt momenteel het onderwerp uit van internationale debatten binnen de schoot van organisaties als ICOMOS, UNESCO en het Franse Institut National pour Ie Patrimoine, dat in 2005 een rondetafel organiseerde om deze problematiek vanuit Europees perspectief te bespreken. Het begrip dat in deze debatten naar voor komt is "patrimoine partagf of "shared heritage', in het Nederlands te vertalen als "gedeeld erfgoed". Dat begrip duidt erop dat de verantwoordelijkheid voor de zorg van dit patrimonium niet langer ligt bij diegenen die het hebben gebouwd, met name de 'ex-kolonialen', maar evenzeer, en misschien wel hoofdzakelijk bij de ex-'gekoloniseerden' tot wiens dagelijkse leefwereld het ondertussen behoort. Maar hoe kunnen die laatsten zich dat patrimonium, tenslotte het product van een "externe cultuur", eigen maken? Hoe omgaan met een patrimonium dat voor beide partijen bezwaard is door een gedeeld, koloniaal verleden? Hoezeer dat koloniale verleden, in bijzonder het Belgische, nog 'onverwerkt' is, bleek nog in 2005 uit de erg polemische perscommentaren op de tentoonstelling Het geheugen van Congo die het Koninklijk Museum voor Midden Afrika organi-
seerde. Het is in dat opzicht geen toeval dat in erfgoedkringen diverse stemmen opgaan om het adjectief'koloniaal' in het benoemen van het bouwkundig patrimonium in voormalig gekoloniseerde gebieden te laten vallen (94). In het omgaan met deze vragen ligt een belangrijke uitdaging weggelegd voor de ontwikkeling van een zinvol erfgoedbeleid in een stad als Lubumbashi, en bij uitbreiding, in de Democratische Republiek Congo. Dat geldt trouwens niet alleen voor het bouwkundig erfgoed, maar ook voor de 5 natuurparken die ondertussen behoren tot het U N E S C O werelderfgoed. Ook die zijn immers de producten van de kolonisatie (95). In het vastleggen van de waardebepaling die een actie van bescherming en conservatie van de koloniale architectuur in Congo moet sturen, lijkt het aangewezen naast criteria als stijlvernieuwing of bouwtechnische innovatie ook, en wellicht nog meer dan ondertussen ook al in het westen gebeurt, aandacht te schenken aan de wijze waarop specifieke constructies getuigen van de politieke, economische, sociale en culturele context waaruit ze voortkwamen én die ze hielpen sturen. Bovendien, en daarmee zoekt dit pleidooi aansluiting bij recente inzichten omtrent erfgoed, is het van belang deze gebouwen (en bij uitbreiding stadslandschappen) niet zozeer te beschouwen als "static
«/Hoison type M m » nabij de Ruoslii-wijk, jaren 1950 (foto Johan Lagae 2006)
M&L
embodiments of culture but, rather, as a medium through which identity, power and society are produced and reproduced', zoals in het in 2000 gepubliceerde Values and Heritage Conservation Research Report van het Getty Conservation Institute wordt betoogd (96). Dat impliceert dat ook de herinneringen en de wijzigende betekenissen die aan dit patrimonium vastkleven, worden meegenomen in de discussie. Zo draagt het theater van Lubumbashi vandaag, bijvoorbeeld, een compleet andere betekenis voor ex-kolonialen dan voor de actuele inwoners van de stad (97). Waar de eerste groep het gebouw, vanuit een zekere nostalgie associeert met persoonlijke herinneringen aan opvoeringen van het Theatre National de la Belgique, een concert van Louis Amstrong, of de jaarlijkse officiële uitreikingen van de schooldiploma's (98), vormt het theater voor een groot deel van de Congolezen een bijzondere politieke "lieu de mémoire", die is verbonden met de Katangese secessie. O p 11 juli 1960 installeerde Tshombe er immers het parlement van Katanga dat zich had afgescheurd van het net onafhankelijk geworden Congo. In die hoedanigheid verscheen het op de nieuwe geldbiljetten van de Banque National du Katanga die Tshombe liet drukken. Ook vandaag vervult het theater een politieke functie. Sinds december 2006 zetelt er de Assemblee Provinciale van Katanga, die onderdeel uitmaakt van de nieuw democratisch verkozen regering en momenteel wordt geleid door de charismatische figuur en rijzende ster van de Congolese politiek, Moïse Katumbi (99).
De complexiteit van het postkoloniale erfgoedvraagstuk zoals het hierboven kort is geschetst, vraagt dus om een benadering die verder gaat dan een puur beschrijvende inventarisatie. Er is nood aan een meer geïntegreerde aanpak, waarin architectuurgeschiedenis - in brede zin begrepen —, de studie van het koloniale verleden en 'herinneringswerk' zoals dat bijvoorbeeld door de Mémoires de Lubumbash'i-groep wordt gevoerd (100), kunnen worden samengebracht. Dat impliceert dat gebouwen niet als geïsoleerde objecten worden beschouwd, maar als artefacten in een ruimer stedelijk geheel dat op haar beurt wordt begrepen als het product van een specifieke historische context, in casu de koloniale tijd, en waarvan ook de actuele fysieke én mentale transformaties in kaart dienen te worden gebracht.
Europese wijk komt te liggen, en dat het gros van de bouwproductie van de inlandse wijken buiten het blikveld valt omdat de waarde ervan niet onmiddellijk met klassieke kunsthistorische criteria valt te meten (101). Het zijn dergelijke overwegingen die het schrijven van bovenstaande tekst in grote mate hebben gestuurd. Ze lagen ook aan de basis van het concept van de tentoonstelling Congo. Stedelijke landschappen anders bekeken die in de herfst van 2007 liep in de architectuurruimte van La Cambre op initiatief van het Cl VA (102). Momenteel wordt in dialoog met Congolese onderzoekers en kunstenaars gewerkt aan een interactief multimediaproject rond het bouwkundig erfgoed van Lubumbashi, dat de ambitie heeft precies zo'n brede, geïntegreerde erfgoedbenadering in concrete vorm te vertalen. Gedacht als een alternatieve, interactieve architectuurgids voor de stad, wil het project op termijn een reeks diverse, divergerende en conflicterende stemmen naar voor brengen en daardoor expliciet de vraag "wiens erfgoed' aan de orde stellen (103).
Johan Lagae (°1968) studeerde in 1991 als ingenieur-architect af aan de Gentse Universiteit waar hij momenteel werkzaam is als postdoc onderzoeker en deeltijds docent architectuurgeschiedenis. Hij doctoreerde in 2002 op een proefschrift over koloniale architectuur in Congo. Het erfgoedvraagstuk in de voormalige Belgische kolonie vormt één van de kernthema's in zijn huidig onderzoek.
EINDNOTEN (1)
KABWE W., Congo-Kinshasa: Katumbi l'exemple, in Le Potentiel, 5 december 2007, online consultcerbaar op htrp://fr.allafrica. com/stories/200712050365.html.
(2)
De controverse die in augusrus 2007 ontstond rond de dreigende afbraak van de beroemde meisjesschool in Luishia, een rurale locatie op een 80-tal kilometer van Lubumbashi, door een Aziatische mijnonderneming die de concessie over het gebied had verworven, toont dat deze situatie zich trouwens niet alleen beperkt tot het stedelijke milieu. Met dank aan Erik Kennes die ons op deze affaire heeft gewezen. Zie in dit verband onder meer KABWE W., Gouverneur élu du Katanga Moïse Katumbi oppose a la destruetion des écoles Luisha et Kakontwe de la Gecamines, in Le Potentiel, 17 augustus 2007; Sauver Luishia. le cri du coeur
Zo'n brede, geïntegreerde benadering biedt het voordeel dat ze vermijdt dat de focus in eerste instantie op het patrimonium van de voormalige
d'une ancienne contre le bradage minier au Congo aux anciennes de Luishia. http://cheikfitanews.over-blog.net, bericht gepost op 17 augustus 2007.
(3)
Met name door Bruno De Meulder die in 1994 aan de KUL een
p. 181 -182. Voor een indringende analyse van het koloniale taal-
doctoraal proefschrift verdedigde over stedenbouw in Belgisch
gebruik in Congo en Katanga in het bijzonder, zie FABIAN J.,
Congo en door ondergerekende die in 2002 doctoreerde op een
Language and Colonial Power. The Appropriation ofSwahili in the
proefschrift over koloniale architectuur. Momenteel bereidt
Former Belgian Congo 1880-1938. Berkeley, 1986.
Bram Cleys aan de KUL een doctoraat over missiearchitectuur
(4)
(5)
(6)
(12) Voor een analyse van de eerste stedenbouwkundige ontwikke-
in de Kasaï-regio voor. Publicaties die uit deze onderzoeken
lingvan Lubumbashi, zie DE MEULDER B., Kuvuande Mbote,
volgden, worden in onderstaande noten vermeid waar relevant.
Antwerpen, 2000, p. 71-92.
Over deze thematiek werden ook twee tentoonstellingen georga-
(13) Dit woningmodel werd door de Britse dokter John Murray aan-
niseerd: Kuvuanda Mbote. Een eeuw architectuur en stedenbouw
geprezen in zijn boek How to live in Tropical Africa uir 1895, dat
in Congo (de Singel, Antwerpen, 2000, curator: Bruno De Meul-
ook in Belgische kringen circuleerde. Voor een hisrorische stu-
der) en Congo. Stedelijke landschappen anders bekeken (CIVA,
die, zie KING A.D., The Bungalow. The Production of a Global
Brussel, 2007, curatoren: Johan Lagae & Mare Gemoets).
Culture, London, 1984.
MAHEUX H., Patrimotne architectural de Lubumbashi, http://
(14) Orale getuigenissen uit de jaren 1960 geven aan dat vrij vroeg
lubumculture.site.voila.fr/patriarchi.htm.
bakstenen vanuit Bulawayo werden ingevoerd. Verder onder-
Op 24 november 2006 werd in dar verband door La Cambre een
zoek moet nog uitwijzen in hoeverre de metalen bouwcompo-
rondetafelgesprek georganiseerd onder de titel Afrique: Ie patri-
nenten van de eersre construcries in Lubumbashi terug te voeren
motne colonial, une identité a partager.
zijn op laar 19 e-eeuwse commerciële catalogi van zuidafrikaanse
Mijn dank gaat uit naar Hubert Maheux, Serge Songa Songa,
producenren. Uit contemporaine reisverslagen blijkt trouwens
Donatien Dibwe, Moïse Panga, Donatien Muya, Kalaba Muta-
dar veel Belgen die zich in Lubumbashi vesrigden, hun meubilair en huisraad in Kaapstad kochten.
busha, Leon Verbeek, Bogumil Jewsiewicki, Marine Issumo en de leden van de Vicanos Club voor de stimulerende gesprekken
(15) DE HERTOGH A., Page coloniale. Pour commencer, in Tekhné,
en hun ondersteuning rijdens mijn verblijven in Lubumbashi in
(7)
(16)
2007. Dank ook aan Maarten Liefooghe die bijkomend archief-
(17) DE HERTOGH A , o/>. «>., p. 11.
werk heeft verricht en aan de studenten die in het kader van een
(18) ESGAIN, o/>. «>., p. 25-27.
seminarie over Lubumbashi aan de vakgroep Architectuur en
(19) JULYAN W. L., Elisabethville and its recent International Exhibition, in Supplement to the African World, 5 september 1931, p. VI.
riaal naar boven haalden. Jean-Luc Vellut heeft mijn blik op
(20) HIGGINSON, J., A Working Class in the Making. Belgian Colo-
zowel het historische als het actuele Congo immens verrijkr. Het
nial Labor Policy, Private Enterprise and the African mineworker,
veldwerk in de periode 2005-2006 werd in belangrijke mate
1907-1951, Madison, 1989; FOUTRY V, Belgisch-Kongo tijdens
mogelijk gemaakt door subsidies van de Vlaamse Gemeenschap,
het interbellum: een immigratiebeleid gericht op sociale controle, in
Agentschap Kunsten en Erfgoed.
Belgisch tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, vol. XIV, nr. 3-4,
V. H.-D., Les trentes maisons d'Elisabethville, in Tekhné, nr. 37,
1983, p. 461-448. (21) COMPAGNIE FONCIÈRE DU KATANGA,
In 1908 was de Kongo Vrijstaat door Leopold II aan België over-
ÜHabitation
européenne au Katanga, Brussel, 1928; in 1930 in licht gewij-
gedragen en werd Congo een kolonie in de echte zin van het
zigde vorm heruitgegeven onder de titel La maison au Katanga.
woord. Over de ontstaansgeschiedenis van Lubumbashi, zie
(22) VERBEKEN A., Le District urhain dElisabethville, in Essor du
FETTER, B., The Creation of Elisabethville, Stanford, 1976;
Congo, Album édité a Toccasion de TExposition Internationale
ESGA1N, N., La vie quotidienne a Elisabethville (1912-1932): emergence dune culture urbaine (onuitgeg. lic.verh.), UCL,
(9)
Congo, in Tekhné, jg. 1, nr. 29, 1911, p. 341.
Stedenbouw met veel enthousiasme interessant bronnenmate-
jg. 1, 1911, p. 418-420. (8)
jg. l,nr. 1, 1911, p. 10-11
augustus 2000, september 2005, december 2006, augustus
d'Elisabethville, mei 1931, s.p. (23) Voor een uitvoerige analyse van het debat omtrent de blanke
1997.
woning, zie LAGAE J., In search of a «comme chezsoi». The ideal
Zie hiervoor naast de jaarlijkse uitgaven van het Bulletin Offlciel
colonial house in Congo (1885-1960), in VELLUT J.L. (red.),
van het Ministerie van Koloniën ookSOHIERJ., Quelques traits
Itinéraires croisés de la modernité au Congo Beige ( 1920-1950),
de la physionomie de la population européenne dElisabethville,
Tervuren/Parijs, 2001, p. 239-282.
Brussel, 1953. Een algemene survey van de bevolking van Lu-
(24) Voor een situering van de "Dutch Boer"-sü]\, die ook wel bekend
bumbashi anno 1949 is re vinden in Ministerie van Koloniën,
staat onder de naam "Cape Dutch', zie TEMMINCK GROLL
Urbanisme au Congo beige, Brussel, [1950]. Zie verder ook
C.L., The Dutch Overseas. Architectural Survey, Zwolle, 2002,
CHAPELIER, A., Elisabethville. Essai de géographte urbaine, Brussel, 1957. (10) Ziebv. GREVISSEE, Le
hoofdstuk 4.3. (25) Zo werd aan de overzijde van de spoorlijn een aparre zone roe-
CentreExtra-CoutumierdElisabethville.
Quelques aspects de la politique indigene du Haut-Katanga industriel, Brussel. (11) CORNET R., Terre Katangaise. Cinquantième anniversaire du Comité Spécial du Katanga, 1900-1950, zonder plaats, 1950,
gewezen aan Grieks, Portugese maar ook 'Indische' handelaars die tot op vandaag bekend staat als de Bakoa-m]k. (26) MORIMONT, E, Les villes colomales belges a travers Tlllustration Congolaise, in VELLUT J.L., op. cit, p. 25-55. (27) Zie in dat verband onder meer TOULIER B. & PABOIS M.
(ed.), ^architecture coloniale. Inexperience fran^aise. Paris, 2003,
5 heures du matim. Voor gedetailleerde informatie over de raciale
p. 115-123. Voor een uirvoerige bespreking van deze problema-
segregatie, zie BRAUSCH G., Belgian Administration in the
tiek, zie SH AW Thomas M., Irony and Illusion 'm the Architecture
Congo, London/Oxford, 1961; DEVROEY E., La réglementa-
of Imperial Dakar, Lewiston, 2006.
tion sur les constructions au Congo beige, Brussel, 1941.
(28) Behalve dat hij verre familie was van de architecten Cloquet uit Gent, werd voorlopig geen concrete biografische informatie over
(41) ROYER J., LVrbanisme aux Colonies et dans les Pays Tropicaux, Nevers, 1932-'35 (2 volumes). Voor België nam Renë Schoen-
Cloquet gevonden. De hier vermelde gegevens zijn ontleend aan
tjes deel aan dit congres. Kort daarna, in 1932, stelde hij een
de enkele gepubliceerde teksten van Cloquet: UArt de hatir au
schema op voor een "ideale Congolese stad' waarin deze tweede-
Katanga, in Le Materiel Colonial, nr. 104. 1932, p. 57-74;
ling erg expliciet afleesbaar is, zie SCHOENTJES R., Considera-
L'Archttecture. Le carnet de lArchitecte, in Essor du Congo, Album
tions générales sur l'urbanisme au Congo beige, in Bulletin des
édité a l'occasion de l'Exposition Internationale d'Elisabethville,
séances de l'Institut Royal Colonial Beige, Tome IV, 1933, nr. 1,
mei 1931, n.p.
p. 528-572.
(29) L'lllustration Congolaise, nr. 118, 1931 (themanummer over de tentoonstelling); Ce que fut l'Exposition Internationale d'Elisabethville. Un interview avec Raymond Cloquet, in Le Soir Lllustré,
(42) Plannen en foto's in AA, Brussel: dossier 3 0 DG 15.953, Cité indigene Elisabethville avec plans/cartes et photos. (43) Voor een grondige analyse van de kamptypologie, zie DE MEULDER B., De Kampen van Kongo. Arbeid, kapitaal en ras-
28 november 1931, p. 12-13. (30) Afrika Archief (hierna AA), Brussel: dossier O.C. 435, aanbevelingsbrief van Arthur Landan in bijlage aan een brief van Raymond Cloquet aan de Minister van Koloniën, 3 januari 1933.
veredeling in de koloniale planning,
Amsterdam/Antwerpen,
1996. (44) De op de plannen vermelde afmetingen laat weinig twijfel
(31) Het Institut Marie-José heeft een lange onstaansgeschiedenis en
bestaan over de bijzonder precaire leefomstandigheden in derge-
was grotendeels het werk van architecten uit de Dienst Open-
lijke huisvesting: in de discussies wordt "en tenant compte de vue
bare Werken. Voor de interbellumperiode gaat het om Henri
de l'hygiène" een woonoppervlakre van 3m2 per bewoner voor-
Jordan, voor de delen die na 1945 werden gerealiseerd, tekende
opgesteld, wat in het geval van gehuwden werd vertaald naar een
Hyacinth Vermeulen. Cloquet ontwierp enkel het internaat, AA,
woonst van twee ruimtes: een van 3 bij 3m en een van 1,5 bij
Brussel: dossierTP ME 15295.
3m. AA, Brussel: dossier 3 0 DG 15.953.
(32) Over de synagoge en de Joodse gemeenschap in Lubumbashi, zie
(45) GRÉVISSE E, op. cit., p. 459.
RAHMANI, M., Shalom Bwana. La saga des Juifs du Congo,
(46) Catherine Coquery-Vidrovitch heeft gewezen op het op dat
Parijs, 2002; ERRERA M.B., Moise Levy. Un Rahhin au Congo
moment uitzondetlijke karakter van deze toepassing van een
(1937-1991), Brussel, 2000, p. 32.
tuinstadmodel voor inlandse wijken, zie COQUERY-VIDRO-
(33) Voor informatie over de vermelde architecten, zie de inventaris
VITCH C , A propos de la cité-jardin dans les colonies: l'Afrique
van 'koloniale architecten' in LAGAE J., Kongo zoals het is,
noire, in Ibid. et. al.. La ville européenne outre mers: un mod'ele
op. cit., deel 2. Zie ook C O N S T A N D Ï M., DisiréFranfois. Een
conquérant (XVe-XXe siècles), Parijs, 1996, p. 105-123
rusteloze zoeker naar vernieuwing. Middelkerke, 2005.
(47) HIGGINSON, op. cit. De situatie van de Congolese vrouw in
(34) CLOQUET, LArt de hatir au Katanga, op. cit., p. 62.
de context van de foyers sociaux is onder meer door Nancy Rose
0
(35) Ibid., p. 65; AA, Btussel: dossiers O.C. 435 en 3 DG 1092,
(36) HINS R, LVrbanisme au Katanga, in Essor du Congo, mei 1931,
Quelques aspects de la politique indigene du
(49) ZieLAGAEJ., Léopoldville- Bruxelles, villes miroirs?L'architecture et l'urbanisme d'une capitate coloniale, in VELLUT J.-L. (red.),
s.p (37) GREV1SSE E, Le Centre Extra-Coutumier
Hunt bestudeerd. (48) HEYMANS M., Villes du Congo, in Rythme, nr. 8, 1950, p. 18.
briefwisseling 1932-33.
d'Elisabethville. Haut-Katanga
industrie, Brussel, 1951, p. 5-6. (38) HINS R., o/-, or.
Villes d'Afrique. Explorations en Histoire Urbaine, Tervuren/Paris, 2007, p. 67-99.
(50) Ibid. (51) Eind jaren 1940 en vooral midden jaren 1950 zal de spanning
(39) ESGA1N, N., Scènes de la vie quotidienne a Elisabethville dans les
tussen katholieken en vrijzinnigen in het koloniale onderwijs erg
années vingt, in VELLUT J.L. (red.), Itinéraires croisés, op. cit.,
opspelen en wordt de schoolstrijd in België, zij het in minder
p. 57-70.
scherpe vorm, ook op koloniale bodem gevoerd. Zie DE PAEPE
(40) In 1937, bijvoorbeeld werd een wet op de «circulation nocture»
M. & VAN ROMPAEY L , In het teken van de bevoogding. De
uitgevaardigd die stipuleerde dat: «Dans les circonscriptions
educatieve actie in Belgisch-Kongo (1908-1960),
urbaines, les centres européens ou les quartiers de circonscriptions
doorn, 1995.
urbatnes ou de centres européens, que désignent les commissaires de
Leuven/Apel-
(52) In 1944 werd door het Comité urbain uitdrukkelijk gesteld "qu'il
district, il est interdit aux indigenes qui riy sont pas astreints par
est inopportun, dans un ensemble hospitaller aussi important que
leur functions dans un service public, de circuler entre 10 heures du
celui d'Elisabethville de rapprocher en un voisinage immédiat les
soir et 4 heures et demie du matin», tewijl reeds in 1922 van over-
hêpitauxpour européens et indigenes», terwijl de centrale kolonia-
heidswege was beslist dat «lapresence depersonnes de race blanche
le overheid, weliswaar vanuit een economische logica, een
dans la cité indigene est interdite a partir du 7 heures du soirjusque
samenvoeging van beide ziekenhuizen voorstond (vergadering
3 juli 1944). Tijdens een vergadering in 1948 luidr het echter
de kunsten die de Venezuelaanse architect Carlos Villanueva kort
dat" Ie point de vue iconomique comme Ie point de vue scientifique,
daarvoor had gerealiseerd in de universiteitscampus van Caracas.
selon l'avis des autorités médkales, se conjuguent pourpréconiser Ie
(66) Voor een indringende analyse van het milieu rond het tijdschrift
rapprochement des hópitaux pour Noirs et pour Blancs» (vergade-
Jeune Afrique, zie HALEN, R, La première revue "Jeune Afrique"
ring 1 september 1948). Zie AA, Brussel: dossiers GG 10929,
ou les ambivalences d'un projet culturel néo-colonial au Congo
GG 13640. De discussie liep echter tot midden de jaren 1950 door omdat de realisatie van de nieuwe hospitalen op zich liet wachten.
• (1947-1960), in VIGH A. (ed.), L'identité culturelle dans les littératures de la langue franfaise. Paris, 1989, p. 203-216 (67) In zijn toespraak stelde de toenmalige districtcommissaris dat
0
(53) Plannen in AA, Brussel: dossier 3 DG 601, Hopitalpour Européens 1952-56.
"Coloniser, eest projeter dans Tespace la Civilisation. Ce theatre, désormais, sera un témoignange de la nótre et apportera - lui aussi
(54) Ministerie van Koloniën, Urbanisme au Congo beige, op. cit.
- un remede a la stagnation en multipliant des contacts avec la
(55) VAN MALLEGHEM N., Technique Hospitalière Tmpicale, i.p.,
Métropole spirituelle don't nous avons le culte et la nostalgie."
1954, besproken door Huib HOSTE in Ruimte, nr. 3, 1954,
HENROTEAUX, A Elisabethville. Inauguration du theatre, in
p. 40-41.
Jeune Afrique, nr. 24, 1956, p. 41-42.
(56) Voor een presentatie en analyse van dit debat, zie LAGAE J., Kongo zoals het is, op. cit., p. 60-65 & p. 99-102. (57) Naast deze drie architecten maakten ook BERTHOLET J. tijdelijk deel uit van Yenga. Informatie over Yenga is ontleend aan het dossier over de groep in Rythme, nr. 23, 1957, p. 14-18, maar
(68) Jean Leloup en zijn vrouw waren bijvoorbeeld nauw betrokken bij het artistieke project Changwe Yetu dat de traditionele dansen van Congo promootte. (69) HENVAUX E., Les chances de Tarchitecture au Congo, in La maiw», nr.6, 1951, p. 219.
vooral uir documenten uit het persoonlijk archief van Nadine
(70) LELOUPJ., De Thabitatwn. Reflexions sur les problèmes de Tarchi-
Rouveroy (mevr. Jean Leloup) en Claude Strebelle. Voor die
tecture au Katanga, in Bulletin de TUnion des Femmes Coloniales,
laatste, zie ook de recente monografie HUBIN M , Claude Strebelle. Rêves & art de construire, Brussel, 2002. (58) LAGAE J., Claude Laurens. Architecture. Projets et Realisations,
juli 1954, p. 14-15. (71) Het vlinderdak werd onder meer gebruikt voor een onuitgevoerd gebleven woningontwerp uit 1960 voor de directeur van
Gent, 2001. Dat generische 'tropisch modernisme', dat nauw
de BCK in Jadotstad.
aanleunt bij het naoorlogse werk van Le Corbusier en het Brazi-
(72) Rythme, m. 11, 1957, p. 19.
liaanse modernisme, zal zich in de jaren 1950 trouwens sterk
(73) KULTERMANN U., Neues Bauen in Afrika, Tubingen, p. 23 &
doorzerten in gans Afrika en werd voor het eerst gedocumen-
160-161. Her projecr figureert bovendien op prominente wijze
teerd door Udo KULTERMANN in het overzichtswerk uit
in her aan Afrika gewijde volume dat Kultermann samenstelde
1963 Neues Bauen in Afrika.
voor het 10-delige overzicht World Architecture. A Critical Mosaic,
(59) We wezen er in de inleiding op deze tekst al op dat dit opmerkelijk complex onlangs met afbraak werd bedreigd, maar ondertussen is gered, zie noot 1. (60) Voor Lacoste, die zelf een bijzondere band met Afrika had, zie HENNAUT E. & LIESENS L, Een fantasierijk Art Deco. Henn Lacoste 1885-1968, Brussel, 2004. (61) Zie onder meer DAHINDEN J., Construire pour lEglise dans le monde, Fribourg, 1971.
dat in 2000 verscheen. (74) Informarie is onrleend aan e-mail correspondenrie met Elliott daterend van maart 2006 en een interview mer de architect op 26 augustus 2007 te Kaapstad, Zuid-Afrika. (75) Maxwell Fry en Jane Drew, die vanaf eind jaren 1940 in West Afrika werkten en latet ook waren betrokken in de bouw van Chandigarh, zijn de auteurs van het referentiewerk Tropical Architecture in the Humid Zone, London. 1956.
(62) Voor een situering van deze kunstenaars in een bredere context,
(76) Elliott in een interview met de auteur, 26 augustus 2007.
zie CORNELIS S., Naissance d'un academisme, in FALL N.&
Tijdens zijn reis door Europa had Elliott het werk van Le
PIVIN J.L., Anthologie de Tart africain du XXe siècle, Parijs,
Corbusier bezocht. Wellicht heeft hij de woningen Jaoul via
2001, p. 164-167. (63) Deze fresco's zijn ondertussen verdwenen onder een witte laag verf, zoals kon worden vastgesteld tijdens een bezoek aan het theatergebouw in september 2005.
publicaties leren kennen, want ze dateren van net na zijn Europees verblijf. (77) Julian Elliot geciteerd in KULTERMANN U., New Directions in African Architecture, New York, 1969, p. 82.
(64) We kunnen denken aan het werk van de Britse architecten Max-
(78) Over deze problematiek is de laatste jaren heel wat literatuur
well Fry en Jane Drew in West Afrika bijvoorbeeld, maar de
verschenen, een goed verrrekpunt zijn de bijdragen van Tom
praktijk is ook terug te vinden bij sommige Franse architecten.
Avermaete en Zeynep (^elik in RISSELADA M. en VAN DEN
In een aan Afrika gewijd themanummer van Liturgical Arts iou
HEUVEL D., TEAM 10 1953-81. In search of a Utopia of the
de hoofdredacteur een expliciet pleidooi in die richting houden,
present, Rotterdam, 2005.
waarbij hij trouwens verwees naar het atelier van Desfossés. LAVANOUXM., Liturgical Arts, nr. 3, 1958, p.87. (65) Zie LAGAE J., Claude Laurens, op. cit., p. 216-219. In dat opzicht ligt Laurens' wedstrijdproject erg dicht bij de integratie van
(79) VAN LOO A., Repertorium van de Belgische architectuur van 1830 tot heden, Antwerpen, 2003, p. 75-77. (80) LAGAE J., Kongo zoals het is, op. cit., p. 93-98. (81) VAN NUETEN Ch., Comment constrmrons-nous notre maison
au Congo!, in Bulletin de l'union des femmes coloniales, april 1954, p. 18-20. (82) Koning Boudewijn, geciteerd in Habiteren Belgtque et au Congo, nr.4, 1955, p. 9.
(95) Voor een historische studie van de koloniale oorsprong van Congo's nationale parken, zie VAN SCHUYLENBERGH P, De l'appropriation a la conservation de la faune sauvage. Pratiques d'une colonisation. Le cas du Congo beige 1885-1960 (onuitgeg.
(83) DE MEULDER B., Kuvmnda Mbote, op. cit., hoofdstuk 14.
doet.), UCL, 2006. Voor hun actuele positie als werelderfgoed,
(84) Interview met architect Jan Maes die in Kinshasa voor OCA
ziehttp://portal.unesco.org/fr/ev.php-URL_ID%3D22587&RL_
werkte, Leuven, 15 juli 1996. (85) «On sail que dans la matson indigene traditionnelle, la cuisine forme une conslruction dislincle de l'habitation. C'est la tin dispositifplus
DO%3DDO_TOPIC&URL_SECTION%3D201.html. (96) AVRAMI E. en RANDALL M. (red.). Values and Heritage Conservation. Research Report, Los Angeles, 2000, online beschikbaar
co&teux, qu 'il nest pas possible de réaliser dans les quartiers urbains,
op http://www.getty.edu/conservation/publicauons/pdf_publications/
a fone densité d'occupation. Dans nos habitations, la cuisine esl
valuesrpt.pdf
toujours située a l'arrïere du logement, cest-a-dire du cêlé oppose 'a la voie publique. Cette disposition va de soi: meilleure réclusion,
(97) Deze case-study wordt momenteel uitgewerkt in een zelfstandig artikel.
acces facile de la parcelle, meilleure tenue de la vote publique. Ily a
(98) In dit verband kunnen we verwijzen naar websites uit het milieu
également un aspect social a envisager; nous devons nous attacher
van ex-kolonialen die aan Lubumbashi/Elisabethstad zijn gewijd
davantage a revolution de la femme indigene et a sa participation
en vaak interessant iconografisch materiaal bevatten over de stad
efficace et permanente a la vie de familie. Elle doit avoir ses enfants
en haar gebouwen, zie o.m. http://www.masomo.be, een site van
autour d'elle, dans la cuisine, ilfaut quelle puisse les y faire manger,
voormalige studenten van de scholen in Katanga.
et aussi. Ie plus tot possible, quelle participe elle-m'eme au repas avec
(99) Voor Katumbi, zie de bronnen vermeld onder noot 1 en 2.
Ie chef de familie.» PEIGNEUX E, De l'habttatwn, in Bulletin de
(100) Voor het werk van deze groep zie onder meer JEWS1FWICKI
l'Union des Femmes Coloniales, januari 1954, p. 17. Voor het dis-
B., Travail de mémoire et representations pour un vivre ensemble:
cours over het "goede wonen" in het moederland, zie FLO RE E,
experiences de Lubumbashi, In DE LAME D. & DIBWE DIA
Lessen in modern wonen. Een architectuurhistorisch onderzoek naar
MWEMBU D. (red.). Tout passé. Instantanés populaires et traces
de communicatie van modellen voor 'goed wonen' in België. 1945-
du passé a Lubumbashi, Tervuren/Parijs, 2005, p. 27-40; SIZAI-
1958 (onuitgeg. doet.), UGent, 2006.
RE V (red.), Ukumbusho (souvenir). Mémoires de Lubumbashi:
(86) DENIS J., Le phénom'ene urbain en Afrique Centrale, Namur, 1958. p. 307 (87) GREVISSF, E, op. cit., p.206. (88) Een publicitaire folder, correspondentie en foto's van een gerealiseerd prototype van Baume-Marpent is te vinden in AA, Brussel: dossier GG 18009.
Images, objects, paroles, Parijs, 2001. (101) Zie in dat verband de conclusie van Catherine Coquery-Vidrovitch in TOULIER B. en PABOIS M. (red.). Architecture coloniale et patrimoine. Experiences européennes. Paris, 2006. (102) Commissarissen van de tentoonstelling, die liep van 11 oktober tot 25 november 2007, waren Johan Lagae en Mare Gemoets.
(89) Plannen met kostprijsgegevens en correspondentie over dit bouw-
Door het confronteren van een thematisch historisch parcours
svsteem gerealiseerd met prefabgevelpanelen in "beton vibre" en
over de ontwikkeling van architectuur en stedenbouw in drie
ontwikkeld door de Société Technique Immobilière uit Brussel in
Congolese steden (Kinshasa, Lubumbashi, Kinsangani) met het
1947, zijn te vinden in AA, Brussel: dossier GG. 20400
werk van hedendaagse Congolese kunstenaars, wees deze ten-
(90) Het systeem maison type ballon wordt onder meer gedocumen-
toonstelling de bezoeker op de diversiteit van de stadslandschap-
teerd in BRUYÈRE M., Contribution a iétude des habitations
pen in de voormalige kolonie en gaf ze aan hoe die landschappen
pour indigenes au Congo beige, Brussel, 1952, p. 115 & planche
vandaag op diverse wijzen door de Congolezen worden geperci-
23. Voor de toepassing in Frans Afrika, zieTOULlER B. (red.),
pieerd, beleefd en toegeëeigend.
L'architecture coloniale. L'expériencefranfaise. Paris, 2005.
(103) Dit project wordt uitgewerkt aan de Vakgroep Architectuur en
(91) Naast de studie van BRUYÈRE, zie noot 88, kunnen we ook
Stedenbouw van de UGent door Johan Lagae, Maarten Lief-
verwijzen naar DEROEP F, Rationele bouw in Kongo, Brussel,
ooghe en Jef Vervoort. Naast bijdragen van Congolese historici
1952.
Donatien Dibwe, Serge Songa Songa en Donatien Muya, zijn
(92) Voorlopig is onduidelijk wie de ontwerper van deze woontorens
ook leden van de Vicanos Club betrokken, een collectief jonge
was. Verder onderzoek in de archieven van de Service d'Urbanisme
kunstenaars waaronder scenarist Patrick Mudekereza en stripte-
te Lubumbashi moet hier uitsluitsel geven.
kenaar Tetshim waarvan ook werk te zien was op de tentoonstel-
(93) PABOIS M., Lubumbashi, un musée d'architecture a ciel ouvert, in Nzenze. jg. 1, nr. 1, 2006, p. 24-26. (94) Voor het debat rond het schrappen van het adjectief "koloniaal' in het erfgoeddebat, zie VAN ROOSMAELEN P., Lepositionnement de l'héritage colonial baii. in Toulier B. & Pabois M. (red.). Architecture coloniale etpatrimoine. Experiences européen««, Paris, 2006, p. 157-160.
ling Congo. Stedelijke landschappen anders bekeken. Enkele van deze kunstenaars worden ook gepresenteerd in TUR1NE R.-P, Les arts du Congo. Des pioniers aux contemporains, Brussel, 2007.
Chris De
Maegd
TU1NEM 1MVENTAR1SEREM: NODIG, MUTT1G, BOEIEND, LEERRIJK
Het kasleclpark Trockart in Wellen
Het derde deel van Historische t u i n e n en parken van Vlaanderen, inventaris Limburg bereikte
ons op de eerste lentedag
te zeggen
als een paasei.
om het boek voor te stellen, inventarissen
te plaatsen
perspectief.
voornamelijk
aanleiding
het in de reeks
en de waarde
belang van de tuininventaris weliswaar
- om niet
Dat is de
te
en het
onderstrepen,
vanuit een
Toch is Vlaams Brabant
Limburgs niet
vergeten.
NODIG EN AANVULLEND In een wereld die zo snel verandert als de onze, de laatste vijftig jaar, vraagt het menselijke welbehagen om constanten. Onroerend erfgoed kan daarin een
grote rol spelen. Het gaat immers om vertrouwde gebouwen, ensembles en landschappen. Ze hebben een verleden, een verhaal en een betekenis die meestal het individuele overstijgen, ze zijn ankers in hun omgeving, referenties van tijd en plaats en geven een specifieke plek identiteit. Weinig anders kan deze rol van het onroerend erfgoed overnemen en dus moet met het patrimonium voorzichtig en bedachtzaam omgesprongen. Toezien dat dit goed gebeurt, is voor de overheid een niet te onderschatten opdracht en een taak met een grote verantwoordelijkheid. O m met kennis van zaken te oordelen, moeten de erfgoedconsulent, de plaatselijke en de regionale overheid weten wat er aan waardevols aanwezig is, zich vooral bewust zijn van de juiste waarde ervan en overtuigd zijn van hun belang. Dat zijn de redenen waarom de inventaris van het bouwkundig erfgoed werd opgesteld en van 1975 tot 2005 uitgegeven. De vijftig boekdelen van de
Het initiatief ging trouwens uit van de auteurs van de eerste Limburgse delen (3) en de eerste jaren was het een deeltijdse, bijkomende taak (4). Een belangrijke betrachting was via de inventaris niet-ingewijdden te leren kijken met de ogen van een 'inventarist'. Die moet immers het object analyseren, er de essentie van onderstrepen en het evalueren en dar proces helpt bij het beheren van erfgoed vanuit de juiste historische reflex. De inventarisatie gebeurde eerst uitsluitend in Limburg, sedert 1997 alleen nagevolgd in VlaamsBrabant. Hoewel het onderzoek in geen van beide provincies tegen einde 2008 voltooid zal zijn, is de voortzetting een groot vraagteken. Ondertussen bestrijkt de Inventaris Historische Tuinen en Parken (IHTP) toch al een goed deel van deze beide provincies. A Het parkje
De Vliegh, mogelgk ontworpen door de Lance in Alken
r e e k s Bouwen door de eeuwen heen h e b b e n al d i e j a r e n h u n n u t b e w e z e n , z o w e l o p p l a a t s e l i j k als o p ,,, . , i i i • r
Vlaams niveau, zowel voor de beschermingen als voor het beheer. Ook de ruimtelijke ordening is er door beïnvloed, hoewel niet in de mate als door de erfgoedsector zelf gewenst. Omdat het beleid hun noodzaak erkent, worden de oudste inventarissen trouwens momenteel geactualiseerd door de onderzoekers van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VlOE). 'Bouwen , zoals deze inventaris in de wandeling genoemd wordt, viseerde uitsluitend gebouwen, niet hun erven, tuinen, parken, hagen, muren en hekken. Nochtans zijn die beeldbepalend voor het gebouw, het straatbeeld of de dorpskern. Tuinen kregen trouwens in Vlaanderen aanvankelijk weinig aandacht; zo ging in 1993 het Europees jaar van de Historische Tuin in Vlaanderen onopgemerkt voorbij. De tuinkunstgeschiedenis wordt trouwens algemeen onderschat: ze kwam helemaal niet en komt nauwelijks voor op het curriculum van de kunsthistorici, (tuin)architecten en monumentenzorgers. Nochtans waren tuinen sedert de bloei van de botanie in de 16 c en 17 e eeuw — met grote namen als Dodoens, van Busbeeck en Clusius — belangrijk in de cultuurgeschiedenis van de Nederlanden en was tuinen aanleggen en planten verzamelen voor de groten der aarde een teken van moderniteit. Sedert het Charter van Firenze (1982) (1) is het belang van tuinen wel internationaal erkend. In navolging van Wallonië startte in 1994 ook in Vlaanderen de inventarisatie van dit erfgoed (2).
1VI&L
WAT EN HOE? Voor Limburg gebeurden het onderzoek en de publicatie volgens dezelfde administratieve indeling (arrondissementen en kantons) als voor de Bouwenreeks. We volgden daarin de Waalse tuininventaris. In Bouwen zijn alle gemeenten van het arrondissement Hasselt in alfabetische volgorde in de delen 6N1 en 6 N 2 verschenen; de tuininventaris koos een stad als focus voor elk van de twee delen. SintTruiden en vier landelijke gemeenten op de grens met Brabant zijn het onderwerp van het eerste Limburgse IHTP-deel; de stad Hasselt en de 12 overige gemeenten maken het tweede deel uit. Hoewel deze 18 gemeenten tegelijk einde 1999 voltooid waren en in 2000 al persklaar, zagen ze om prozaïsche redenen pas later en niet samen het licht. Het derde deel wordt gevormd door de stad Borgloon en vier naburige gemeenten. Samen vormen ze het kanton Borgloon in het arrondissement Tongeren. De inventarisatievan Bilzenen H o e s e l t - h e t (kies)kanton Bilzen — is achter de rug, voor Hoeselt is de redactie al beëindigd, voor Bilzen is dat nagenoeg het geval. De tuininventaris van Voeren staat voor dit jaar geprogrammeerd. Tongeren en Riemst, Maasmechelen en Lanaken, de vier overige kantons in het arrondissement Tongeren en alle gemeenten van het arrondissement Maaseik blijven voorlopig op tuingebied een blanco kennisvlek. In de Bouwen-reeks beslaan de Vlaams-Brabanrse arrondissementen Leuven en Halle-Vilvoorde, de twee allereerste inventarissen van onroerend erfgoed in Vlaanderen die geen gebouwen opnamen ouder dan ca 1830, elk één deel. De tuininventaris
is veel uitgebreider, immers in de 19 <: en begin 20'' a eeuw werden juist veel nieuwe kastelen en voorstedelijke villa's en woningen van dorpsnotabelen gebouwd. Het onderzoek gebeurde hier disparaat; een beheersdossier voor een landschap of een beschermingsaanvraag was dikwijls de aanleiding om het onderzoek van een gemeente te starten. De inventaris in Vlaams-Brabant wordt dus niet per arrondissement, niet per kanton gepubliceerd en evenmin gegroepeerd rond een stad en zal uiteindelijk zeven delen tellen. Het vijfde Vlaams-Brabantse deel dat momenteel bij de drukker is, sluit aan bij het eerste deel van de provincie Limburg. De redactie van het zesde deel met Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, WezembeekOppem, Zaventem en Zemst is voltooid en de uitgave is zo goed als persklaar. Van een zevende deel dat Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-denBos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk en Wemmei zal omvatten zal de redactie tegen einde 2008 rond zijn. Maar de gemeenten Beersel, Bertem, Drogenbos, Halle, Herent, Hoeilaart, H u l denberg, Kortenberg, Leuven, Linkebeek, Overijse, Sint-Genesius-Rode en Tervuren blijven voorlopig zonder inventaris, al zijn een aantal teksten al wel beschikbaar (5).
De Waalse inventaris is ondertussen beëindigd, al wachten de drie laatste volumes nog op publicatie. Ze zijn beloofd voor juni 2008 en zouden tegen het einde van dit jaar in de boekhandels liggen. De opvatting is wel anders dan in Vlaanderen: de publicatie bevat enkel een strenge selectie van de geïnventariseerde objecten en gebeurt in steekkaartvorm. Zo'n fiche beslaat zelden meer dan twee pagina's - zonder de illustraties-, terwijl in de Vlaamse inventaris de tekst van één enkel uitzonderlijk object wel meer dan 10 pagina's kan tellen. Men constateert wel dat met de jaren de teksten van de rubrieken langer worden, vooral de Notice historiqü. De belangrijkste verschillen zijn inhoudelijk: de Waalse bomen zijn niet opgemeten, het kadaster is niet geraadpleegd, er is geen inleiding en geen synthese. Kunsthistorica Nathalie de Harlez de Deulin, die de leiding van het project had, schreef als afsluiting wel een globale synthese van de inventarisatie die in december 2008 zou moeten verschijnen (6).
HE
iv CH.VTEU
ie ^> ("<f\E\ c u m \ SE leus
I ILIECI . • Een romantische
gie in de Vlaams-Brabantse inventaris zwaarder door: men is niet 'straffeloos' lid van de Vereniging Belgische Titndro\o^\e-Dendrologie beige. In de Limburgse boeken is er meer aandacht voor hagen, muren, hekken, boerentuintjes en erven. Daar speelt de ervaring van de landschapszorg mee, hier weegt een verleden in de zorg voor de monumenten en de stads- en dorpsgezichten door. Erfgoedconsulent-op-rust Roger Deneef is de hoofdauteur van de Vlaams-Brabantse tuininventaris. Hij verwoordde de opgedane kennis en hield de pen vast en deed daarvoor een beroep op een schare collega's, maar ook op een schare vrijwillige medewerkers buiten de ambtenarij. O p het terrein en bij het onderzoek
voorstelling van het 's Gravenhuis in Dilbeek rond 1830
• Het Engels park in Groot Asdonk (Tessenóerlo)
De particulariteiten van de onderzochte streek bepalen vanzelfsprekend de inhoud van elke inventaris, maar de individuele ervaring, de persoonlijke interesse en de subjectieve blik van de 'inventaristen' is niet altijd uit te schakelen. Zo weegt de dendrolo-
IVI&L
werd hij bijgestaan door tuin- en landschapsarchitect Jo Wijnant, ervaren erfgoedconsulent onroerend erfgoed. Twee andere tuin- en landschapsarchitecten, eveneens al jaren beslagen in de landschapszorg, Herman Van Den Bossche (nu VIOE) voor de twee eerste delen en Myriam Van Den Broeck (Onroerend Erfgoed Limburg) voor de volgende delen, deden het onderzoek en het veldwerk in Limburg samen met kunsthistorica en auteur dezes, die de inventarissen ook uitschreef.
NUTTIGF STAPSTENEN De gepubliceerde inventarissen en de beschikbare teksten van geïnventariseerde gemeenten, bewijzen op velerlei gebied hun nut. Ze zijn broodnodig bij de adviesverlening in de zorgende omgang met landschappen, parken en dorpsgezichten, ze zijn de basis voor het onderzoek naar eventuele beschermingen en zijn er het referentiekader voor. Ze worden geraadpleegd voor het cultuurhistorisch aspect bij de afbakening van ankerplaatsen en voor het schrijven van de verantwoording daarvoor. Bovendien zijn ze een niet te onderschatten steun in het overleg over aangelegenheden waar de belangen van natuurverdedigers in conflict komen met de cultuurhistorische benadering die voor beschermde parken en tuinen een vanzelfsprekende reflex zou moeten zijn. Dat is bijvoorbeeld voor de abdij van Herkenrode (Kuringen, Hasselt) het geval (7). Ook om de thema's van de Open Monumentendagen te spekken is de tuininventaris nuttig gebleken. In 1999 verschenen voor het thema Europa, reisverhalen in steen en op basis van het inventariswerk drie brochures: over de kasteeldomeinen van Duras, Nieuwenhoven en Ordingen, alle drie in Sint-Truiden (8). In 2001 was Metaal\\<tx. thema en vermits de inventarisatie ons bewust had gemaakt van het belang van hekwerk kon daar zelfs in een
• Maquette van de tuinaanleg van de Engelse ontwerper Hussel Page in Dilbeek
stad als Leuven aandacht voor gevraagd worden (9). Toen Natuur het thema was in 2004 verschenen twee artikels in Sint-Truiden, Natuurlijk een monument die zich grotendeels op de Inventaris Historische Tuinen en Parken en op de vermelde brochures baseren (10). Tuinen en parken zijn bij uitstek immers de plaatsen waar natuur en cultuur samen gaan en ze illustreren dat thema uitstekend. De zeven — weldra acht — delen van de Inventaris Historische Tuinen en Parken zijn degelijke stapstenen naar de nog te schrijven geschiedenis van de tuinkunst in België. In overzichten, ongeacht of ze vulgariserend zijn of wetenschappelijke pretenties hebben, worden onze tuinen zelden vermeld of zijn het altijd hetzelfde handvol, niet eens in Vlaanderen gelegen tuinen (11). Zonder exhaustief te willen zijn stippen we in de volgende paragrafen enkele voorbeelden aan van parken, tuinen en hun kastelen die in geen geval in zo'n globaal overzicht kunnen ontbreken. Parken in landschappelijke stijl zijn legio, want in de loop van de 19 ' eeuw kregen de meeste domeinen met feodale oorsprong een nieuwe aanleg in deze stijl. Wie over voldoende financiële armslag beschikte, liet zich eerst in de stad een nieuwe residentie bouwen (of moderniseerde zijn oude hotel) en liet vervolgens zijn oude buitenplaats moderniseren of liet het slopen om het door een nieuw kasteel te vervangen en liet dit omringen met een park in landschappelijke stijl, helemaal naar de vereisten en de smaak van de tijd. Dit patroon werd voor de 19 c -eeuwse creaties nagevolgd door de dankzij de kapitalistische industrie en handel nieuwe rijken die dikwijls mettertijd geadeld werden. Het park en kasteel van Brustem, het Gasthuisbos in Schulen - een tot kasteeldomein gepromoveerde hoeve uit het ancien régime — (12) zijn twee uit vele voorbeelden van opdrachten van deze nieuwe rijken.
domein van Hex (23) waar ze door Jules Janlet wer- ^ den getekend, om slechts deze enkele te vernoemen ^ ,_ ,, ^
'"
relict
"" ^
vroeg landschappelijk park van Bovelingen (Heers) s
Een geschiedenis van het landgoed of van het i ondertussen verdwenen kasteel in Vlaanderen ontbreekt tot nu toe bij gebrek aan voldoende wetenschappelijk verantwoorde monografiën. Hier ook vult de tuininventaris al voor een deeltje tenminste de lacune op. Als illustratie voor dit laatste alleen al kan Brustem gelden, waar de iconografie de eerste middeleeuwse burcht, een 18 c -eeuws plan voor een veel eenvoudiger kasteel en het huidige 19 '-eeuwse gebouw van Schadde vóór en na de brand documenteert. Duras en Hex zijn uitstekende voorbeelden, waar de restauraties van de 20''te eeuw de 19 e -eeuwse ingrijpende transformaties teniet hebben gedaan door de consequente optie terug te keren naar de initiële toestand van de 18 ': eeuw (25). Gaasbeek illustreert dan weer de 'historiserende' houding van de 19 c eeuw.
De Engelse tuinstijl wordt geïllustreerd in het park van de abdij Herkenrode (13), in Wespelaar (14), in het Engels Hof in Molenstede-Tessenderlo (15), in de verloren tuinen van Hex en in het teloorgegane park van Bovelingen (16). Te vermelden als van Europees formaat is ongetwijfeld de parkaanleg in Duras, waar de verschillende fasen van de niet-geometrische stijl ook iconografisch uitstekend zijn gedocumenteerd (17). Ook Gaasbeek is van een uitzonderlijk niveau, omdat de rijke iconografie toelaat de evolutie van het landgoed en de tuinen te volgen, tot de recente creatiereconstructie van de nieuwe moes- en fruittuinen toe (18). Van dat internationale niveau is ook de tuin in modernistische stijl die Jean Canneel-Claes voor dokter Heeremans tekende bij zijn door Huib Hoste ontworpen huis in Liedekerke (19). Het ontwerp voor een parterre van architect Louis Van der Swaelmen geïntegreerd in het 19 ""-eeuwse park in landschappelijke stijl van Meldert (Hoegaarden) is dat eveneens; het dateert van 1910 en kondigt de modernistische tuin van het interbellum aan. Het is zo uitzonderlijk dat nu reeds, na uitgevoerde opgravingen, de reconstructie-restauratie wordt overwogen, wat uit het standpunt van de monumentenzorg geen bezwaren oproept (20). Modernistische tuinen werden verder nog aangetroffen in het Bleuterveld in Zelem (21), bij de villa van Edouard Michiels in Scherpenheuvel (22) en in het kasteel-
De kenmerkende kasteelaanhorigheden en uitrustingen in functie van het 'vz'e de chdteau'm Vlaanderen - zoals toegangspoorten, hekken, poorthuizen, wagenhuizen, paardenstallen en knechtenverblijven, oranjeries en serres, kasteelboerderijen, lustpaviljoenen, follies en andere parkarchitectuur en - decoratie — zijn in de tuininventaris evenmin verwaarloosd en dat brengt dan weer bouwstenen aan voor dit specifieke aspect van de geschiedenis van het kasteelleven. Schitterende kasteelaanhorighe- De dépotkaart met de twee kasteelden werden gebouwd bij het kasteel in Hasselbroek parken van Gors (26), bij het kasteel van Gingelom (27) naar een Opleeuw (Borgloon). ontwerp van architect Pierre Francois Paulussen in Links het landschappelijk park van 1855 , in het domein Gasterbos in Schulen waar de Opleeuw waarin de I8de-eeuwse aanleg nog af te lezen valt
M&L
elektrische verlichting langs de geasfalteerde oprijlaan, aangestraalde gevels ... zijn ongelukkige tekenen van een overgang in andere handen. Daarnaast is in de zeven boeken ook informatie te vinden over de kleinarchitectuur en de ornamenten in de parken zoals paviljoenen, rotsen, grotten, bruggen, beelden, banken en vazen, de belangrijke rol van de vijvers en de bomen in de landschappelijke aanleg, de pastorietuinen, het belang van hagen en het plaatselijk bestaan van hagen en prielen in gevlochten gele kornoelje, de kenmerkende groenaanleg in de mijncité's, openbare groenaanleg en parken. A Het wagenhim van Jongenbos
architecten Henri en Valentin Vaernewyck ze ontwierpen (28), in Brustem waar ze getekend werden I9de eeuw toen door Paul Saintenoy en ondertussen in bedenkelijzells dienstgebouwen ^e toestand verkeren (29), in het domein van Woel, , , mont in Gors Opleeuw (30), bij het kasteel Jongenin Kortenbos,
BÜEiENlD
een pareltje uit d
bos (31), in Hex (32), in Mechelen-Bovelingen (33), bij kasteel de Donnea in Guigoven (34) e.a. Uit de inventarisatie leerden we dat kastelen en parken die overgenomen werden door een openbare instantie er niet altijd goed bij varen. Een overheid heeft nu eenmaal andere inzichten en prioriteiten dan een privé-eigenaar. Ook bij nieuwe, niet met de plek en het dorp verbonden eigenaars is het duidelijk dat zij een domein anders bewonen en percipiëren dan de familie die er haar verleden mee deelt. Een rondom naast de droge gracht aangebracht metalen hek, een parlofoon bij een beveiligd en geautomatiseerd inrijhek, betonnen boorden en
• Het herenboerenparkje in Kuttekoven Borgloon), markant aanwezig in het landschap
M&L
Uit de voorgaande paragrafen mag al blijken dat de inventarissen stuk voor stuk goed gedocumenteerd zijn en geïllustreerd met historische kaarten, oude prentkaarten, plannen, gravures, tekeningen, aquarellen, oude en recente foto's. Alle opgenomen objecten zijn per gemeente aangeduid op de recente stafkaart met schaal 1/50.000. In de inleiding worden de beoogde doestelling, het onderzochte gebied, de definitie van de gebruikte termen, de onderzoeksprocedure en de gebruikte bronnen voorgesteld. De opgenomen objecten worden beschreven en getypeerd en van de belangrijkste tuinen en parken wordt het ontstaan gesitueerd en de evolutie tot vandaag gevolgd. Een synthese gaat elke tekst vooraf en de vertalingen daarvan in het Frans en Engels zijn achteraan verzameld. Het personenregister
(35) en de synthetiserende tabel met het typologisch overzicht, een overzicht volgens de oorsprong van de opgenomen objecten en een overzicht van hun belangrijkste kwaliteiten en kenmerken moet verder onderzoek, ook cross ozw-onderzoek stimuleren en het formuleren van conclusies vergemakkelijken. Zo'n conclusies kunnen invloed hebben op het beleid en de dagelijkse zorg voor het patrimonium. Een voorbeeld. In de eerste Limburgse tuininventaris werden kleine 19 Zeeuwse parkjes geregistreerd die we 'herenboerenparkjes' genoemd hebben omdat ze aangelegd zijn bij de monumentale boerderijen uit de 18 c of 19 c eeuw. Het boerenhuis werd tot een herenboerenhuis soms met kasteelallures verbouwd en deze statusverhoging werd voltooid met een parkje. Huis en park konden gefinancierd worden dankzij de rijkdom en de welvaart die het kweken van fruit en suikerbieten in het vruchtbare Haspengouw met zich meebracht. Hun aanleg in landschappelijke stijl was geïnspireerd op de kasteelparken van die tijd. Het parkje diende status, nut, sier en ontspanning en bevatte ingrediënten als een kleine vijver, een grasveld en enkele solitaire bomen, een brede bomengordel en hagen als begrenzing, bloemenparterres met banken, beelden en siervazen, een tuinpaviljoen en een doorkijk naar het landschap of op de kerktoren, een monumentaal afsluithek, soms een rechtstreeks toegangshek (36). Verschillende herenboerenparkjes zijn terug te vinden in Gingelom en de deelgemeenten Borlo, Jeuk, Klein-Vorsen, Muizen (37), bij het goed Peten-van Halen in Velm (38) en de Schorreboshoeve in Sint-Truiden (39) of de hoeve Naveau in Opheers (40).
O p basis van het vijfde Vlaams-Brabantse en de Waalse delen 1 en 5 mag besloten worden dat het herenboerenpark een typisch Haspengouws verschijnsel is dat daar buiten niet of eerder zelden voorkomt (41). Haspengouw vormt op geografisch, bodemkundig, cultuurhistorisch en landschappelijk gebied immers een eenheid die geen rekening houdt met een taalgrens of een provinciegrens. Bij grote boerderijen die met de jaren promoveerden tot herenboerderij - waarvan de gronden verpacht werden en het huis kasteelallures werd aangemeten, een verschijnsel dat niet streekgebonden is-, werden wel 'herenboerenparkjes' aangelegd. Wimmertingen en Pietelbeek, allebei in Hasselt zijn mooie voorbeelden (42). Haspengouwse voorbeelden daarvan zijn Haagsmeer en Ter Hove, allebei in Borgloon (43).
Het publiceren en het verspreiden van inventarissen kan tot onverwachte, boeiende verhelderingen leiden, zoals over een tuinbeeld in Hex. Daar overziet een reliëf van een oude man met vuurpot de Prinsentuin, een beeld dat pas zijn volledige betekenis krijgt in de reeks kenmerkende tuinbeelden waartoe het behoort (44). Dat wordt duidelijk in het vierde deel van de Waalse inventaris. Daarin wordt een illustratie gepubliceerd van een reeks van vier 18 L-eeuwse gietijzeren beelden in half-reliëf met de Vier Seizoenen uit het kasteel van Theux (45). De Lente is een meisje in een houding geïnspireerd op Botticelli's schilderij, de Zomer een vrouw met een bloemenkorf, de Herfst een jonge man met druiven in het haar en de Winter een oude, gesluierde en bebaarde man met een vuurpot in de handen. De Winter in Hex komt uit dezelfde ijzergieterij en men weet dat Velbrück voor zijn tuinen alleen dit beeld bij beeldhouwer Guillaume Evrard bestelde. In Vlaams-Brabant stelde men met verrassing de gelijkenis vast tussen de kiosk in het stadspark van Aarschot uit rond 1940 en die op het Marktplein van Zichem (46).
Is de boomgaard niet de nazaat van de tuin van Eden en dus de moeder van alle tuinen? Dat is de reden waarom boomgaarden bij het tuinonderzoek in Limburg betrokken zijn, al is vooral aandacht besteed aan hun hagen en barriers. Barriers - zoals het boomgaardhek in de streek wordt genoemd zijn voor de Limburgse fruitstreek kenmerkend, men gebruikt er deze uit het Frans afgeleide term voor. Tot ver in de 20 stc -eeuw waren boomgaarden eigenlijk fruitweiden: onder de hoogstammen graasden de koeien en om die op de weide te houden werd de begrenzende meidoornhaag onderbroken door een meestal monumentaal inrijhek. De vorm en het materiaal van dit hek — smeedijzer, gietijzer.
^v-
Barriers, zoals dit exemplaar van bandi|zer uit de 20ste eeuw in Kortessem, horen bi| de fruitweiden in Haspengouw
De moestuin bij de watermolen van Heks (Heers). gefotografeerd In 2003 en toen nog in gebruik
bandijzer, L- of I-ijzers - zijn rechtevenredig met de welstand van de fruitboer en de uitgestrektheid van de boomgaard. Barriers verdwijnen echter meer en meer, door de omschakeling naar laagstamplantages, door verkavelingen en bebouwing, door verwaarlozing en gebrek aan onderhoud, door simpele onachtzaamheid. De bouwantiquair werd er beter van. De kadertekst die in M&L over de barrier verscheen bij het artikel over boomgaarden, maakte dat de Nationale Boomgaardenstichting zelf er meer aandacht voor kreeg en op het terrein meer
belangstelling en respect kon bekomen voor dit bedreigde kleine erfgoed (47). Barriers van verkavelde boomgaarden worden recent door de NBS zelfs verworven om hergebruikt te worden als toegang tot de boomgaarden die de Stichting in beheer heeft (48). In het tijdschrift van de Stichting verscheen zelfs een oproep aan de leden om verwaarloosde of bedreigde barriers te signaleren zodat ze kunnen gered, geherwaardeerd en elders hergebruikt worden. Zeldzamer dan de barriers zijn nog de metalen 'korsetten' die rond de stammen van fruitbomen werden aangebracht om ze tegen de grazende koeien te beschermen. Rooit men de bomen, dan gaan deze korsetten onherroepelijk mee verloren. We noteerden twee boomgaarden waar ze, tenminste op het moment van ons veldonderzoek, nog bewaard waren: langs de Tongersesteenweg in Borgloon waren ze van bandijzer gemaakt, in Herk-de-Stad, een minder welvarend grensgebied in de fruitstreek, van gevlochten ijzerdraad (49). We constateerden dat het kleine, pretentieloze boerenerf zo goed als niet meer bestaat: een smalle strook van ofwel kasseien, bakstenen of keien als waterwering tegen de gevel met op het eigenlijke erfje in gestampte aarde plaats voor de waterput en soms het bakhuis, een meidoornhaag langs de straat en er naast liggend een omhaagde moes- en bloementuin. Tijdens het veldonderzoek een tiental jaar geleden zagen we er nog enkele in Limburg, maar al bij het bezoek van de fotograaf niet veel later bleken ze verdwenen. In het derde Limburgse deel namen we het gekasseide erfje van de watermolen van Heks (50) op als een zeldzame geworden voorbeeld, en eigenlijk behoort het niet eens tot de simpele boerenerfjes: een molenaar is ten slotte van een ander niveau dan een landarbeider of een keuterboertje. Ook moestuinen, zowel die van de kastelen, grote boerderijen als van de kleine hoevetjes worden hoe langer hoe uitzonderlijker. De kasteelmoestuin van Hex is daarop een merkwaardige uitzondering die daarom in 2003 terecht laureaat werd van de Vlaamse Monumentenprijs. De tuinman was in de hoogtijdagen van het landgoed een niet te onderschatten persoon, net zoals de rentmeester. Tot kort na de Eerste Wereldoorlog beheerde deze laatste de inkomsten en uitgaven van het landgoed, die hij in zijn rekenboeken vastlegde. Als zijn boeken, correspondentie en kwijtschriften bewaard bleven, dan zijn het onschatbare bronnen, die ook het economische aspect van een landgoed belichten. In z o n rekenboek van de regisseur van Hex, troffen we
M&L
onder meer de naam van Louis Fuchs als ontwerper van het park in Hex aan, en kunnen de werkzaamheden voor de uitvoering van de aanleg gevolgd worden. Van groot belang was ook de rol van de tuinman van het domein. Dat wordt mooi geïllustreerd door de familie Henrioulle, waarvan de vader en drie zonen op belangrijke domeinen aangesteld waren. Pierre Joseph Henrioulle (1831-1909) vernieuwde de parkaanleg van La Berlière, het landgoed van graaf Oscar d'Oultremont in Houtain, waar hij tot 1900 de hoofdtuinier was. Toen vertrok hij naar Beloeil naar zijn zoon Auguste die daar voor de prins de Ligne werkte. Een tweede zoon Joseph Henrioulle was tuinman in Duras (Sint-Truiden) voor graaf Adhémar d'Oultremont en de derde, Emile Henrioulle, een oud-leerling van de tuinbouwschool van Vilvoorde, leidde voor de familie de Borchgrave dAltena het landgoed in Hovelingen en specialiseerde zich als pomoloog (52). Dat niet enkel de bodemgesteldheid of het reliëf invloed hebben op het uitzicht en het erfgoed van een streek, wordt eveneens in de tuininventaris aangetoond. Het decreet van keizer Jozef II over de teraardebestelling in en rond de parochiekerken was in het prinsbisdom Luik, waartoe Limburg behoorde, niet van kracht. Dus ligt in de ZuidLimburgse dorpskernen en gehuchten het kerkhof nog rond het godshuis en wordt er soms zelfs nog begraven. Kerkhoven zijn er zelden tot parkeerterrein verworden, de steden uitgezonderd, maar ook in een dorp als Wellen bijvoorbeeld, waar het erfgoed het steeds moet afleggen tegen de waangedachte dat vernieuwen vooruitgang betekent. Is er door de bevolkingsaangroei een nieuwe begraafplaats aangelegd, dan behield men meestal toch de kerkhofmuren en -hekken. Ze determineren de site, geven aan het kerkgebouw zijn noodzakelijke voet, ze bepalen zelf het beeld van het dorp en ge-
ven het identiteit. In een zeldzaam geval als het kerkhofje van Sint-Pieters-Heurne bleef zelfs de meidoornhaag nog bewaard (53). Twee bijzonder mooie en als monument beschermde begraafplaatsen werden in Hasselt en Sint-Truiden ingericht. De ommuurde en beboomde oude begraafplaats met veel monumentale gedenkstenen aan de Kempische Steenweg in Hasselt werd aangelegd in 1796 en behoort tot de oudste van het land (54). De Stedelijke begraafplaats van Schurhoven (Sint-Truiden) neemt sedert 1850 de plaats in van een oud kerkhof, werd meerdere keren uitgebreid en heeft een mooie loofbomendreef (55). Een apart geval is het voormalige, als ruïnetuin ingerichte kerkhof rond de verwoeste Begijnhofkerk in Hasselt (56). De twee militaire begraafplaatsen — een Belgische en een Britse, waaraan de naam verbonden is van architect Philip Hepworth (1880-1963) - zijn door hun aanleg en hun ligging in het Koninklijk Park van het Kamp van Beverlo in Leopoldsburg merkwaardig. In de gepubliceerde Vlaams-Brabantse inventaris is het beboomd kerkhof op de Rink in Sint-Pieters-Leeuw met zijn bewaarde praalgraven een enig voorbeeld (57).
Even boeiend was dat door het inventariseren van tuinen voor Limburg alleen al de namen van bekende en minder bekende ontwerpers naar boven kwamen zoals Henry, Verly, Gindra, Wesmael, Galoppin, Schadde, Saintenoy, Rosseels, Creten, de Lance, Michiels, Goevaert, Fuchs, Janlet,Taeymans, Wirtz, Paelinck, de Schaetzen, Nolens, van Scherpenzeel Thim (58). Verschillende opmetingsplannen en ontwerpen uit de 18 e tot de 20SK eeuw werden gepubliceerd, waaronder: een anoniem 18 eeeuws plan met het park van de graaf van LoozCorswarem in Niel; een ontwerp uit het interbellum van de boomkwekers Tips voor een villatuin in Donk; drie ontwerpen waaronder dat van Jean
T Het pre-kadastraal plan uit 1794 met de bezittingen van de baron van Hettecoven in Opleeuw (Borgloon) en de parkaanleg nog aangelegd volgens de principes van J.A. Deiallier d'Argenville
Ay ;.\ .
Gindra voor het Gasthuisbos in Schulen (59); een anonieme pre-kadastrale kaart uit 1794 van Opleeuw; het ontwerp uit 1 899 van de gebroeders Michiels voor de tuin van Ruison in Heers; een anoniem 18 c -eeuws ontwerp en een ontwerp uit het begin van de 20 srt eeuw van E. Galoppin voor het park in Veulen (60); een anoniem opmetingsplan van rond 1800 met de Burg en het niet uitgevoerde ontwerp uit 1863 van Jean Gindra sr voor Het Hamel, allebei in Lummen (61).
MOOI EN LEERRIJK De eerste en belangrijkste bron van kennis is uiteraard de tuin, het park of het object zelf. Het terreinbezoek en de 'site-lectuur' zijn dus van het grootste belang. Tuinen en parken moeten bekeken, bezocht en doorlopen worden en die waarneming wordt aangevuld met de kennis uit de geraadpleegde litteratuur en de beschikbare bronnen. Want, wie met kennis van zaken kijkt, ziet meer, begrijpt beter wat er te zien is, verstaat hoe het is geworden zoals het is en hoe het geëvolueerd is en kan in het beheer zorgzamer en bedachtzamer met het object omgaan. We stellen enkele cartografische en iconografische bronnen voor en illustreren ze met voorbeelden vooral vanuit de Limburgse inventaris. Het zijn allemaal documentair belangrijke documenten, die meestal ook esthetisch genoegen verschaffen. De voor tuinonderzoek beschikbare kaarten zijn talrijk, van uiteenlopende aard en boeiend. De oudste zijn de handschriftelijke kaarten uit de 16' c
Slltond
Een rijtuig op de
en tuinstoelen om
20ste eeuw, hier op
gekasseide oprit,
van het geheel te
een prentkaart met
kulpplanten, een
genieten, dat was
het verdwenen
wintertuin, pas aan-
het beeld van
kasteel van Stayen
geplante bloemper-
menig buitenhuis m
m Sint-Truiden
ken in mozaieksti|l
de 19de en vroege
ChSlM^Bf SlJ'
tot 18 L eeuw. De figuratieve kaartboeken van abdijen bijvoorbeeld geven niet alleen de gebouwen in een oudere toestand weer, maar zeggen ook iets over het grondgebruik en informeren dus over de structuur van het goed en de ligging van de tuinen. Een mooie afbeelding uit 1596-'98 van de tuinen van het Drossaerde, de site van het huidige stadpark in Aarschot komt uit een aquarel uit het Leuvense Arenbergarchief (62). Nog afkomstig hieruit en uit dezelfde jaren, is de tekening van Pierre de Bersacques met het kasteel van Schoonhoven, dat ook met een sterrebos figureert op de kaart van J.B. Joris uit 1775 uit het Rijksarchief in Brussel (63). Van Jacques de Bersacques en ook uit het Arenbergarchief is de kaart met het Zoet Water en het kasteel van Harcourt in Oud-Hervlee (64). Dat de Vlaams-Brabantse delen zoveel illustraties bevatten uit het Arenbergarchief is te danken aan hertog Charles de Croij (1560-1612), die zijn talrijke bezittingen, ook buiten Brabant, in beeld liet brengen en als overtuigd tuinliefhebber, daarbij aandacht vroeg voor de tuinen. Zijn /!/£«»« werden door het voormalige Gemeentekrediet van België schitterend uitgegeven in een nog niet zo ver verleden toen bankiers nog niet zoals vandaag uitsluitend begaan waren met het maken van nog grotere winsten (65). Voor Sint-Truiden geeft het Kaartboek van de SintTrudoabdij inlichtingen over het Speelhof en het kasteeldomein Nieuwenhoven die allebei buitenplaatsen van de abdij waren (66). Het kaartboek van Averbode geeft afbeeldingen van het Rectoraat in Kortenbos en van het gesloopte eerste kasteel van Brustem (67)' In het Typographieboeck (1659) van de abdij van 't Park (Leuven) is een voorstelling opgenomen van haar hoeve De Poorte van Egmont in Niel-bij-Sint-Truiden (68) en van het kasteel van Horst in Holsbeek (69). O p de Cheynscaerte van Libbekevnt 1663-1664, ook van de Parkabdij, staat de pastorie van Sint-Martinus in Lubbeek (70). In het archief van de landcommanderij Alden Biesen, bewaard in het Hasseltse Rijksarchief, troffen we een mooie pre-kadastrale kaart aan uit ca. 1784 met Ordingen, de voormalige commanderij van de Teutoonse ridderorde, afhangend van de landcommanderij van Alden Biesen (71). In privé-archieven treft men pre-kadastrale kaarten aan van een heerlijkheid of een overzichtskaart van de bezittingen van een heer. Dat is het geval voor de kaart met de bezittingen van baron de Mettecoven in Opleeuw, gemaakt naar aanleiding van de verkoop in 1794 (72). De structuur van het landgoed
M&L
'^ :' 1
-
ii.'-
^
i \ v:
'A i&dÈK'
• ^>^ii^Ri ;
..
De Floratempel en een gesneuvelde
is rechtlijnig en de tuinen beschrijven met het kasteel een klassieke rechthoek, een model in de 18 c eeuw. In de as van het kasteel ligt een groot waterbekken met fontein waaruit straalsgewijs dreven vertrekken. De bosquets tussen deze lanen vertonen de snel kronkelende paadjes die kenmerkend zijn voor de rococo-fase van de Engelse tuinstijl die sedert ongeveer 1770 ook onze streken bereikte en die op de ontwerpen van J.A. Dezallier d'Argenville voorkomen (73). Met deze kaart kan men handig aantonen hoe een nieuwe aanleg de oude structuur hergebruikt en hoe daarvan sporen in het landschap af te lezen zijn. Het document van Opleeuw kwam pas te voorschijn kort vóór het verschijnen van het boek, zodat de bespreking in extenso stof is voor later. In het Brusselse Rijksarchief, dat een deel bezit van het familiearchief van Arenberg, berust een even interessant document uit ca. 1 800 met het kasteeldomein De Burg in Lummen (74), dat het verdient er later dieper op in te gaan.
De bij historici welbekende Ferrariskaart bewees voor het tuinonderzoek haar waarde. Ze wordt doorgaans 1770-1778 gedateerd, maar voor voormalig Luiks gebied - en dat is het grootste deel van de provincie Limburg — mag dit versmald worden tot 1774-1775, omdat voor de terreinopname de toelating moest verkregen worden van FrancoisCharles de Velbrück, de prins-bisschop van Luik. Voor ongeveer elk domein in de inventaris dat al in deze periode bestond, wordt een uittreksel gepubliceerd. Voor de fruitstreek toont ze mooi aan dat het grote aantal boomgaarden rond de dorpen en gehuchten, maar ook rond de kastelen en landgoederen, tot minstens de 18 c eeuw opklimmen. De kaart laat zien hoe de kastelen ouder dan de 18 t eeuw, een omgrachte neerhof-opperhofstructuur bezaten; het kasteel wordt voorafgegaan door een neerhof, ze hebben een gemeenschappelijke oprit en beide hoven liggen ofwel binnen een zelfde gracht of hebben elk hun eigen gracht, soms met een dubbele ringgracht. O p de kaart herkent men de tal-
boom in het door Henry in 1797 aangelegde park van Wespelaar (Haacht)
M&L
rijke aan de nieuwe 18 c -eeuwse wooneisen aangepaste landgoederen of de nieuwe creaties van het klassieke Franse type 'entre cour et jardiri, meestal ingeschreven in een rechthoek. Het door prinsbisschop Frangois-Charles de Velbrück als jachtpaviljoen gebouwde kasteel van Hex is er een uitstekend voorbeeld van (75), net als het Hof van Landwijk in Donk (76).
d'agrément"oi "jardin anglais'" siertuinen of parken zijn. Lusttuinen zijn "terrains enlevés a la culture pour Ie pur agrémenf en worden als de beste landbouwgrond belast; ze bestaan uit 'parterres, pieces d'eau, avenues", later samengevat als "jardin d'agrément". Vanaf 1841 gebruikt men meer gedetailleerd tuin, bos, dennenbos, vijver, laan of de Franse versie daarvan.
Het archief van het kadaster is voor het tuinonderzoek van cruciaal belang gebleken: men krijgt, meer gedetailleerd dan op de Ferrariskaart een beeld van de structuur van een goed tijdens het ancien régime of tijdens de eerste decennia van de 19 e eeuw.
Interessant zijn de voor Limburg bewaarde Documenten Voorbereidend tot de Schatting (79), met per klasse de beschrijving van het perceel dat gekozen werd als ijkpunt. Dit levert interessante inlichtingen op, zoals de indeling in klassen voor moestuinen. Niet enkel de kwaliteit van de grond, maar ook de aard van de begrenzing en de teelt werd in rekening gebracht. Moestuinen van de eerste klasse zijn ommuurd, hebben verschillende soorten fruitbomen, "fijne" groenten en een vaste tuinman. Moestuinen van de tweede klasse liggen tussen hagen of heggen, hebben geen tuinman in dienst, en er staan 'groenten voor boeren'. In moestuinen van de kleine man vindt men enkel "grove groenten voor geringe landbouwers en arbeiders" en die behoren tot de derde klasse.
Het kadaster, door Napoleon ingesteld voor het berekenen van belastingen, geeft de opmeting en het grondgebruik voor elk perceel, de evolutie ervan en de opeenvolgende eigenaars tot vandaag. Men kan bijvoorbeeld omhaagde percelen boomgaard van ommuurde percelen tuin onderscheiden. De oudste Limburgse kaart die we raadpleegden is van 1807, de Napoleontische tijd (77). Alleen voor Limburg werden de werkzaamheden in 1830 onderbroken door de Belgische Opstand en pas hervat na de aanvaarding van het scheidingsverdrag tussen Nederland en België van 1839. In de tussentijd bleef het immers onzeker welke delen van Limburg bij België zouden horen. Pas in 1841 werd het Limburgs kadaster hervat en dit verklaart waarom er in de cartouche op de eerste kadasterplannen - in de wandeling Primitieve plannen genoemd meestal vermeld staat dat ze in 1841 of 1842 herzien werden met de opsomming van de schaarse, ondertussen gewijzigde percelen die bisnummers kregen. De bij onderzoekers populaire Poppkaarten uit 1850-1860, genaamd naar hun uitgever Philippe Christian Popp (1805-1879) bestaan niet voor Limburg.
Voor de tuininventaris is vooral het raadplegen van volgende documenten van onschatbare waarde gebleken: de Primitieve plans met perceelnummers zonder coëfficiënt; de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel met per perceel de oppervlakte, het gebruik, het artikelnummer van de eigenaar en de klasse van de belasting; de Artikelsgewijze legger of Eigenaarsregister met de evolutie van elk perceel, ook in het gebruik; her Register der Kadastrale Opmetingschetsen met de opmeting van elke wijziging aan een perceel, in de wandeling Mutatieschetsen genoemd (78). Moestuinen worden door het kadaster aangeduid met 'hof','tuin' of "jardin , terwijl 'lustgrond' "terrain d'agrément", 'lusttuin', "jardin
Hoe leerrijk een bron als het kadaster is, wordt mooi geïllustreerd door het kasteeldomein van Hasselbroek in Jeuk (80). De litteratuur verklaarde de sloping van één vleugel van het 17e-eeuwse kasteel als een antwoord op het 18t<:-eeuwse verlangen naar een meer comfortabel leven met uitzicht naar buiten; dankzij de veiliger tijden werd menig gebouw met een gesloten structuur toen opengebroken tot een U-vorm en werd het 'vivre entre cour etjardin bekomen. Uit het Primitief karakter en de mutatieschets bleek dat dit pas in 1848 gebeurde. Het staafde ons vermoeden dat het eerder te maken had met de nieuwe, midden 19e-eeuwse behoefte van de kasteelheer afstand te creëren tussen hem en zijn personeel en zijn pachter. In Hasselbroek had men er nieuwe gebouwen rond een tweede erf voor over. Had men er dat niet voor over, dan werden er schermen opgetrokken zoals in Nieuwen hoven waar het gemeenschappelijk erf werd opgesplitst (81) of werd de gemeenschappelijke oprit ontdubbeld zoals in Ordingen (82), waar de heer en zijn bezoekers niet langer de bedrijvigheid van het neerhof moesten aanzien. Het tuinonderzoek maakte duidelijk dat dit verschijnsel verre van uitzonderlijk was en heel dikwijls samenging met de aanleg van een landschappelijk park. Het ruimtelijk uitdrukken van de sociale kloof betekende meteen ook het einde van de oude neerhof-opperhofstructuur.
Het Primitief kadasterplan van het kasteeldomein van Heers met de vroeg landschappelijke aanleg
4
/^ It,,t»
• Remade Leloup
Hasselhrotick
tekende de partcr-
in Jeuk (Gingelom)
retuinen bi| het
rond 1740
kasteel van
Een gebogen perceellijn op het Primitieve kadasterplan kan wijzen op het bestaan van een Engelse tuin of een vroeg-landschappelijke aanleg. Meestal valt de geometrische tuin uit het ancien régime nog af te lezen, immers de nieuwe stijl entte zich doorgaans op een bestaand gegeven. De meest interessante landgoederen vertonen dan ook een historische gelaagdheid. Zo liggen bijvoorbeeld op het Plan géométrique van 1807 met het Klein park in Lovenjoel (83) strakke kasteelgrachten en een rechthoekige vijver, net zoals 30 jaar eerder op de Ferrariskaart. In 1810 is de rechtlijnigheid verdwenen, te oordelen naar het Primitief plan, en zijn de vijvers herrekend tot waterpartijen met 'natuurlijke' kronkels, eigen aan de nieuwe, Engelse tuinstijl. Dat die losse lijnen niet natuurlijk maar wel gewild zijn, wordt geïllustreerd door de ontwerpschetsen met berekende kronkels die voor de Engelse tuinen in het huisarchief van Hex zijn bewaard (84). De gekleurde militaire topografische kaarten of stafkaarten van het Depot de la Guerre nadien uitgegeven door het Institut cartographique militaire en momenteel door het Nationaal Geografisch Instituut (NGI), met hun diverse revisies en uitgaven zijn al even leerrijk. De terreinopname van de Dépot-kaart zoals de oudste in de wandeling wordt genoemd, dateert van 1868-1871 en de revisies voor de ICM-kaart gebeurden in 1883-86. Dit is de periode waarin de meeste kasteelparken in landschappelijke stijl werden aangelegd en samen met de kadastrale Opmetingschets zijn ze een goede hulp om de aanleg te dateren en die met de huidige toestand te vergelijken.
y^/f/ la
'ii
•/'
A De aquarel van Philippe de
Historisch beeldmateriaal brengt eveneens de nodige kennis bij, al wordt er doorgaans meer aandacht besteed aan de gebouwen dan aan de tuinen en parken. De 17e-eeuwse gravures van Sanderus, Harrewyn en Le Roy met de Brabantse kastelen (84), de prenten van Romeyn De Hooghe met de bezittingen van de Duitse Orde in 1700, de tekeningen van Remade Leloup voor Les Délices du pais de Liège'm \738-17AA uitgegeven door RL. de Saumery genieten ruime bekendheid (85). Voor Limburg zijn de aquarellen van Philippe de Corswarem
Corswarem uit het begin van de 19de eeuw met het kasteel van Vogelsanck (Heusden-Zolder) en enkele aanzetten van de tuinen
De door Louis Fuchs ui 1875 ontworpen vallei in hel park van Hex (Heers), een fraai voorbeeld van de landschappelijke stijl uit deze periode
(1759-1839) die in 1825-1830 als amateur tekenaar bedrijvig was boeiend. Zijn originele aquarellen waren tot voor kort nog in familiebezit, maar berusten nu bij de Stichting de Moffarts in Lummen en kregen een mooie uitgave in boekvorm (86). De paar tekeningen van baron Charles-Stanislas de Wal bleken over de kasteeldomeinen van Gingelom, Heers en Hex ongekende informatie te bevatten voor de eerste decennia van de 19 e -eeuw (87). Even mooie illustraties bieden de gravures van Madou, opgenomen in de door De Cloet in 1830 gepubliceerde boekdelen (88) en die van Vasseur in de zeven albums van de Damseaux verschenen tussen 1870-78 In het laatste deel meldt deze laatste dat hij in totaal 168 bij toeval uitgekozen kastelen fotografeerde. Met alle soorten vervoermiddelen en te voet geraakte hij ter plaatse met zijn fotografisch laboratorium omdat hij dat kon vervoeren in een speciaal daarvoor ontworpen demonteerbare en in een zak op te bergen kruiwagen. Zijn foto's waren de basis voor de gravures (89).
O p deze prenten in sepia of grijze nuances, maar ook op oude familiefoto's kan moeiteloos vastgesteld worden hoe het witgeschilderde, bleek gekaleide of bepleisterde huis oplicht in de groene omgeving van het park, zichtbaar wordt aan het einde van de oprijlaan of mooi doorschemert tussen het geboomte. Kastelen en parken zijn voor de uitgevers van prentkaarten geliefde onderwerpen geweest. Sommige collectioneurs maakten van dit thema hun specialiteit en stelden hun verzameling ter beschikking (90). In de fascinerende prenten snuift men het vie de chateau op tijdens het einde van de 19 c en het begin van de 20" e eeuw, de periode die het hoogtij was van het kasteeldomein en van het leven op en van het land waar de horticultuur een hoog aandeel in had. De prentkaarten bewijzen hoe populair de classicistische stijl bleef van het einde van de 18de tot ver in de 20st<:-eeuw: symmetrische behandeling van de volumes, een dubbel huis opstand, bepleis-
terde gevels met hoge achtruiters en luiken, een voorliefde voor frontons, mansarde- of schilddaken met dakkapellen. Ze tonen ook hoe de ruime grasvelden bij het kasteel beheerd werden als hooiland en geen gemillimeterde gazons waren. In de tijd van rijtuigen en paardenkarren was hooi kostbaar en dus werd het verpacht of voor eigen gebruik behouden. Tot de spoorwegen het landgoed gemakkelijker bereikbaar maakte, verzekerden paarden ook het tweejaarlijks over en weer reizen van de familie tussen de stedelijke woning en het landgoed. Alleen tijdens de zomermaanden en het jachtseizoen werd het kasteel bewoond, het winterseizoen werd in de stad doorgebracht. O p prentkaarten wordt het bestaan van wintertuinen, tegen het huis aangebrachte serres, en oranjeries eveneens gereveleerd. Die zijn nodig voor de overwintering van de kuipplanten, dikwijls oranjebomen of lauriers, die bij aankomst de familie langs de oprijlaan, in de voortuin of bij de gevel van het kasteel verwelkomen. Gunnen prentkaarten een blik op een definitief voorbije levenwijze, voor een deel doet de tuininventaris dat ook.
het "Internationaal handvest voor behoud en restauratie van monumenten en stads- en dorpsgezichten", betet bekend als het Charter van Venetië uit 1964. (2)
Zie de HARLEZ DE DEULIN N., De inventaris van historische parken en tuinen van Wallonië, in De Woonstede door de eeuwen heen, at. 122, 1999, p. 2-13.
(3) Aangekondigd in DE MAEGD C , Boekrecensie van de HARLEZ DE DEULIN N. e.a.. Pares etjardins histonques de Wallonië. Inventaire. Volume 1. Province de Liige. Arronissements de Huy et de Waremme, s.l., 1993, verschenen in M&L
1993 nr. 6,
Binnenkrant p. 2-3. (4)
Zie DE MAEGD C. en DENEEF R., De inventaris tuinen en parken van Vlaanderen, in De Woonstede door de eeuwen heen, nr. 134, 2002, p. 10, voetnoot 2.
(5)
Met dank aan Roger Deneef, ook voor andere ter beschikking gestelde gegevens over Vlaams-Brabant.
(6)
Met dank aan Nathalie de Hatlez de Deulin voor deze toelichting en voor andere hier verwerkte gegevens. De synthese, waarvoor de drukker nog moet worden aangeduid, verschijnt in de reeks Le Patnmoine de Wallonië, waarin van de pers kwamen Patrimoine majeur, Patrimoine rural, Patrimoine moderne et contemporain, Patrimoine medieval... De inventarissen verschijnen in de reeks Inventaires thématiques.
(7)
Met dank aan Hubert Bats voor deze informatie.
(8)
Ondetmeer de drie brochures: DE MAEGD C. en VAN DEN
KENNIS VERZAMELEN
BOSSCHE H.J., Het kasteelpark van Duras: van Europees formaat., Sint-Truiden, 1999; ID., Het kasteeldomein van Nieuwenhoven.
Inventariseren van tuinen tijdens de voorbije 15 jaar maakte ons tot getuigen van een teloorgang van erfgoed die samenhangt met een samenleving die grondig verandert. Tuinen inventariseren door ze te documenteren en te fotograferen is een momentopname. Vergankelijkheid en cyclische wijzigingen zijn eigen aan tuinen en parken, verminking en verlies hangen samen met maatschappelijke evoluties en niet om te keren veranderingen. Daarom is het zo belangrijk zich te documenteren en de toestand in woord en in beeld vast te leggen. Inventariseren is kennis verzamelen en vastleggen en in die zin is het misschien wel de belangrijkste vorm van bewaren.
Engelse schone schijn in een ahtelijk buitengoed, Sint-Truiden, 1999; ID, De verloren tuinen van Ordingen, Sint-Truiden, 1999; DE MAEGD C. (red.), VAN DEN BOSSCHE H.J., Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel I: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken en SintTruiden (M&L CahierNr. 8), Brussel, 2003 (C8 bij volgende verwijzingen). (9)
DE MAEGD C , Metaal in de kijker, In Grondstof, stof tot nadenken. Metaal. Brochure Open Monumentendag
Leuven, 2001,
p. 16-23 (10) BUNTINCK B., Het kasteeldomein van Nieuwenhoven, in SintTruiden, natuurlijk een monument, Sint-Ttuiden, 2004, p. 21-35 en ld., Van Schabroek tot Nieuwenhoven, een wandeling langs kasteeldomeinen, in ibidem, p. 45-49. (11) Een uitzondering is het nog steeds onovertroffen artikel van DUQUENNE X. over de tuinkunst in België in JELLICOE G. en S. e.a. (eds), The Oxford companion to gardens, Oxford, 1986,
Chris De Maegd is kunsthistorica en erfgoedconsulente Onroerend Erfgoed — Agentschap R-O Vlaanderen
p. 46-50. MOSSER M. en TEYSSOT G. (eds.), The History of Garden design. The western Tradition from the Renaissance to the present Day, Londen. 2000, relt 74 artikels essays, waarvan er twee België kennen; MOSSER M., Paradox in the garden: A brief account of Eabnques (p. 263-281) brengt enkel Charles Joseph de Eigne 's, Coup d'oeil sur Beloeilm
EINDNOTEN
sprake; BRAUMAN A., The
pare Leopold: the home of scientific imagination (p. 442-444) heeft het niet over de aanleg of de stijl van het park, maar over de ge-
(1)
Het Charter van Firenze, werd opgesteld op een congres van Icomos-Ifla doot het Internationaal Comité voor Historische Tuinen en is een aanvulling, specifiek bedoeld voor historische tuinen, bij
schiedenis van het wetenschappelijke project waar het park het gevolg van is. (12) C8,p. 169-174 en p. 97-103.
(13) C8, p. 114-119.
(43) C15,p. 88-89, 82-84.
(14) DENEEF R. (red.) e.a., Historische tuinen en parken van Vlaande- (44) Het wordt niet vermeld in de tuininventaris, wel in DE MAEGD ren. Provincie Vlaams-Brahant. Hageland- Noordoosten van Vlaams-C , Hex, een prinselijk landgoed ontsluierd, Brussel, 2007, p. 98, illustratie p. 97.
Brahant: Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerheeek,
Diest, Haacht, Keerhergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, (45) Tre-de HARLEZ de DEUL1N N., Pares et jardins histonques de melo, {M&L Cflfóo-Nr.14), Brussel, 2007, p. 195-208 (Cl4 bij
Wallonië. Volume 4. Province de Li'ege. Arrondissements de Li'ege,
volgende verwijzingen).
Verviers, Namur, 2001, p. 171 en 244-245.
(15) Cl4,p. 150-153.
(46) C l i p . 2 1 .
(16) DE MAEGD C. (red.) en VAN DEN BROECK M., Historische
47) DE MAEGD C , De Barrier, Kadertekst bij ROOYEN L, BATS
tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 3:
H., DE BORGHER M., VAN DEN BOSSCHE H.J. en VAN
Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen {M&L CahierNi.15),
DEN BREMT P.. Fruitteelt en hoogstamboomgaarden in Zuid-
Brussel, 2007, p. 154-169 en 180-190 (C15 bij volgende verwijzingen).
Limburg, in M&L, 2001, nr. 1, p. 50-51. (48) ROYEN L; DE MAEGD C, Hekken of •Barrier'; de poort van
(17) C8,p. 169-183.
de boomgaard, in Pomologia, 2007, nr. 2, p. 87-91 en nr. 3, p. 136-
(18) DENEEF R. (red.) e.a, Historische tuinen en parken van Vlaande-
141.
(49)C15, p.75enC8,p. 21. ren. Provincie Vlaams-Brahant. Pajottenland - Zuidwesten van Vlaams-Brahant: Bever, Dilheek, Galmaarden, Gooik, Heme, Len(50)C15,p. 172. nik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat (51) C15, p. 31, met verwijzing naar ROYEN L., Emile Henrioulle en {M&L Cahier'Hx. 11), Brussel, 2005, p.138-152 (Cll bij vol-
het kasteel van Bovelingen omstreeks 1900, in Pomologia, jaargang
gende verwijzing).
20, 2004 nr. 1, p. 38-40. VAN AUDENAERDE H., Pomme var.
(19) C l l , p . 175-182.
Calville Henrioulle, in La tribune horticole nr. 171, 2 oktober
(20) Voorwoord in DENEEF r; (red.) e.a, Historische tuinen en parken
1909.
van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brahant. Zuidoostelijk Brabant (52) C15, p. 203. - Haspengouw: Geetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linter, (53) C12, p.70-73. Tienen en Zoutleeuw {M&L Cahier 16), publicarie verwacht voor (54) C8,p. 154-155. 2008 (C16 bij volgende verwijzingen)..
(55) C R p . 107-109.
(21) C8,p. 73-757;
(56) Cll, p. 254-255.
(22)Cl4,p. 275-278.
(57) We verwijzen naar het personenregister in Cl 2 en naar Cl 5.
(23) C15,p. 154-169.
(58) C8, p. 61;C8, p. 94enC8, p. 99.
(24) C14, p. 275-278;
(59) C15 p. 35 en detail op 99; C15 p. 139; C15, p. 210 en 214.
(25) C8, p. 169-174 en p.174-182; C15, p. 154-169;
(60) C12, p. 214 en detail op. 166; C8 p. 172.
(26) C8, p. 41-48.
(61) Cl4,p. 18-21.
(27) C8, p. 32-38.
(62) C14, p. 28-32.
(28) C8, p. 97-103;
(63) DENEEF R. (red.), e.a.. Historische tuinen en parken van Vlaan-
(29) C8, p. 169-174.
deren. Provincie Vlaams-Brahant. Ten zuidoosten van Leuven: Bier-
(30) C15,p. 95-103.
beek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, {M&L Cahier Nr. 6), Brussel, 2002, p. 168-176 (C 6 bij volgende vermeldingen).
(31)C15,p. 255-260. (32) CIS.p. 154-169.
(64) Zie onder meer BERGER r; e.a.. Bezittingen der Croij's in Brabant,
(33)C15,p. 180-190.
Vlaanderen, Artesië en het Naamse (Albums de Croij), Brussel,
(34) C15,p. 227-230.
1985. MINNEN b;. Het hertogdom Aarschot onder Karel van
(35) De verwijzing naar de paginas van het 1ste Limburgse deel, vindt
Croij (1595-1612). Kadaster en gezichten (Albums de Croij), Brussel, 1993.
men in het 2de deel. (36) C8, p. 23.
(65) C8, p. 155, p. 120.
(37) C8,p. 31, 40, 48-50, 54-56;
(66) C8, p. 131, p. 169.
(38) C8, p. 204.
(67) C8, p. 57.
(39) C8, p. 118-119.
(68) C6, p.38-40;
(40)C15, p. 195-196.
(69) C6, p. 99.
(41) Voorwoord in C16, te verschijnen.
(70) CS, p. 199.
(42) DE MAEGD C. (red.) en VAN DEN BOSSCHE H.J., Histori-
(71) C15,p.35enp. 102.
sche tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel (72) 2: DEZALL1ER D' ARGENVILLE J.A.. La theorie et la pratique du As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Hasselt, Heusden-Zolder, jardinageoü Ton traite a fond des heauxjardins..., Paris, 18 edities Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek. Tessenderlo, Zonhoven,
tussen 1709 en 1769.
Zutendaal, {M&L Cahier Nr. 12), Brussel, 2006, p. 97-98 en
(73)C12, p. 165-171.
132-135 (bij volgende verwijzingen C12).
(74)C15,p. 154-169.
(75) C8, p. 95-96. (76) De werkkaart (Minute) van Vechmaal bleef bewaard, de kaart van
(84) Zie DE JONGE K., L'envimnnement des chateaux dans les PaysBas méridionaux au XVIe et au déhut du XVUe siècle, in Architec-
St.-Pieters-Horne is volgens de republikeinse kalender gedateerd
ture, jardin, paysage. Lenvironnement du chateau et de la villa au
ISmessidoran 13 (1807). Op het plan van Herten uit 1809 staat
XVe et XVIe s. Actesdu colloque tenu a 7ö«ra(1992)> (De Architec-
"Cadastre de la France' plus herzien in 1841. Voor de datering van de plannen van andere gemeenten verwijzen we naar de teksten en de Inleidingen. (77) Omdat ze dikwijls Ftanstalig zijn, geven we de documenten in de twee talen; De Ootsptonkelijke Aanwijzende Tafel of Primitieve
tura), Paris, 1999, p. 185-206. (85) DE SAUMERY RL., Les délices du pais de Liége ou description historique, géographique, topographique et chorographique des monuments saerés et profanes de eet évëché-principauté et de ses Umito, 4 delen, Luik, 1738-1744.
legger is Tableau indicattfdes propriétés, des propnétaires fanciers et
(86) NIJSSEN R. en VAN LAERE R., Kastelen op papier Aquarellen
leurs contenances; het Registet van eigenaars of Artikelsgewijze
van Limburgse kastelen uit de eerste helft van de negentiende eeuw,
legget is Matrice cadastrale ou liste des propnétaires avec relevés de leurs propriétés fonciires non baties et bdtier, Mutatieschets of Opmetingschets is Croqms d'Arpentage. (78) Zoals alle documenten zijn ze bewaard in het Archief van het Kadaster te Hasselt. (79) C8, p. 41-48 en p. 18.
Wijer, 2005. (87) CNOPS R, Het tekenalhum van baron S. De Walde Baronville, in Nationale Bank van België, oktober 1975, p. 5-25 (88) DECLOETJ.J., Chateaux et monumens des Pays-Bas faisant suite au Voyage pittoresque dans Ie royaume des Pays-Bas, Btussel, 18251830.
(80) C8, p.120-127.
(89) DE DAMSEAUX E. en VASSEUR M., La belgique pittoresque.
( 8 1 ) C 8 , p.198-199.
Album illustré des chateaux, Mons, 1870-1878. Limbutg maakt
(82) C9, p. 76-83. Andete voorbeelden zijn Gellenberg in Lubbeek, Kwabeek in Vertrijk, Vijverhof in Korbeek-Lo. (83) DE MAEGD C , Hex, een prinselijk landgoed ontsluierd, Brussel, 2007, hoofdstuk 6, meetdere stukken.
deel uit van deel 5, er is geen paginering. (90) De heer Hugo Coosemans in Alken, de heer en mevrouw BlockxMculemans in Lubbeek, de heer Huybens in Zoutleeuw. De tumbank in de modernistische tuin van de villa Boes in Alken
M&L
De inventaris historische tuinen en parken van Vlaanderen M & L Cahier Nr. 6
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Winge 2002, 158 p. (40 eu)
M & L Cahier Nr. 8
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel 1: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken en SintTruiden 2003, 234 p. (40 eu)
M & L Cahier Nr. 9
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Ten zuidoosten van Leuven: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee 2004, 212 p. (40 eu)
M & L Cahier Nr. 11
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Pajottenland- Zuidwesten van Vlaams-Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat 2005, 304 p. (45 eu)
M & L Cahier Nr. 12
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg Deel 2: As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Hasselt, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven, Zutendaal 2006, 226 p. (45 eu)
M & L Cahier Nr. 14
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams- Brabant. Hageland- Noordoosten van Vlaams-Brabant: Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeeek, Diest, Haacht, Keerbergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo 2007, 333 p. (45 eu)
M & L Cahier Nr. 15
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel 3: Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen 2008, 304 p. (45 eu)
Te bestellen:
Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, Phoenix-gebouw Koning Albert Il-laan 19 bus 3 1210 Brussel Rek.nr.:091 220 60 40-95 E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
Te verwachten M & L Cahier 16
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw: Geetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linter, Tienen en Zoutleeuw In productie
M & L Cahier
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst
M & L Cahier
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams- Brabant. Het noordwesten: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmei
M & L Cahier
Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Limburg Deel 4: Bilzen, Hoeselt, Voeren
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België - Architectuur
Arrondissement Leuven: Arrondissement Halle-Vilvoorde: Limburg Arrondissement Hasselt: Gemeenten A - Ha Gemeenten He - Z Arrondissement Tongeren: Kanton Riemst Kanton Voeren Kanton Bilzen-Maasmechelen Kanton Borgloon Arrondissement Maaseik:
Bouwen Deel N 1 Bouwen Deel N 2
IHTP IHTP
C6, C9, C14 Cll
Bouwen Deel 6 Bouwen Deel 6
IHTP IHTP
C8enC12 C8enC12
Bouwen Bouwen Bouwen Bouwen Bouwen
N1 N2
Deel 14 N I Deel 14 N 2 Deel 14 N 3 Deel 14 N 4 Delen 19N1 tot
IHTP IHTP IHTP IHTP N4
(in onderzoek) (in onderzoek) C15
De inventaris historische tuinen en parken van Wallonië Volume 1
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Liège. Arrondissements de Huy et de Waremme 1993, 269 p. (18.59 eu)
Volume 2
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Hainaut. Arrondissements de Ath, Tournai, Mouscron-Comines 1997, 258 p. (uitgeput)
Volume 3
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Hainaut. Arrondissements de Charleroi, Thuin 1999, 191 p. (18.59 eu)
Volume 4
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Liège. Arrondissements de Liège, Verviers 2001,281 p. (22.06 eu)
Volume 5
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Brabant. Arrondissement de Nivelles 2003, 200 p. (20 eu)
Volume 6
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Namur Arrondissement de Namur 2005, 293 p. (20 eu)
Volume 7
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Namur Arrondissement de Dinant, Philippeville Voorzien voor juni 2008
Volume 8
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Hainaut Arrondissements de Mons, Soignies Voorzien voor juni 2008
Volume 9
Pares et jardins historiques de Wallonië. Province de Luxembourg. Arrondissement d'Arlon, Bastogne, Marche-en-Famenne Voorzien voor juni 2008
Synthese
Publicatie voorzien voor december 2008 Te bestellen:
m.vanopstal(at)institutdupatrimoine.be Institut du Patrimoine wallon Rue du Lombard 79, 5000 Namur tel. 081 23 07 03, fax 031 65 90 97
OVERZICHTSKAART VAN DE GEPUBLICEERDE DELEN VAN DETUININVENTARIS
9
Zuidwesten Hageland: Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Wmge (M4L Cahier nr. 6, 2002, 159 p.)
0
Zuidwesten Limburg: Smgelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden (AWL Cahier nr, 8, 2003, 235 p.)
f|:
Bierbeek, Boutersem, Slabbeek, Oud-Heverlee (M4L Cahier nr. 9, 2004, 212 p.) Pajottenland - Zuidwesten Vlaams-Brabant: Bever , Dilbeek. Galmaarden, Sooik, Herne, Lenmk, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw. Ternat (MiL Cahier nr. 11, 2005. 304 p.)
9
Midden-Limburg: As, Beringen, Diepenbeek, Senk, Ham, Hasselt, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven, Zutendaal (MAL Cahier nr. 12, 2006, 228 p.)
9
Hagelend - Noordoosten van Vlaams-Brabant: Aorschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeek,, Diest, Haacht, Keerbergen, ftotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo (MiL Cahier nr, 14, 2007, 334 p.) Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen (WAL Cahier nr. 15, 2007, 304 p.)
A
Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw: Seetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linten, Tienen, Zoutleeuw (MAL Cahier nr, 16, 270 p., 2008)
Q
Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezenbeek-Oppem, Zaventem, Zemst (manuscript voltooid, verschijnt voorjaar 2009)
0
Noordwesten van Vlaams-Brabant: Aff hgem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchem, Opwijk, Wemmei (in voorbereiding, verschijnt einde 2009 of begin 2010)
SUMMARY PIONEERING EXPERIMENTS IN AVIATION: THE CONCRETE MUSHROOMS BY HARDY AND THE COMPENSATION INSTALLATION IN GRIMBERGEN T h e airport in Grimbergen, North of Brussels, is equipped with two unique relics from the history of aviation's development during and just after World War II. Both have been listed as protected monuments since July 12, 2007. T h e first one is a unique compensation installation dating from wartimes and was used in order to correct one of the standard inaccuracies of an aircraft compass: the deviation due to the magnetic influence of the plane itself. While the compass is installed in the plane, a compass swing is carried out on the compensation equipment for the main and secondary quarters of the compass. By calibrating the compass on the compensation installation, most of the deviation can be corrected. T h e Grimbergen compensation installation is quite exceptional among the objects built by the German occupying forces during World War II. Until now it is the only known and well preserved compensation installation in Belgium and surrounding countries, making it an important source of information for aviation history.
T h e second exceptional relic, are two striking cylindrical concrete aircraft hangars which have been constructed just after the war (1947-1948) following a new principle. The two identical round hangars have been conceived as concrete mushroom constructions measuring 7 meters high and 50 meters in diameter. The hangars have been developed by the creative mind of the Belgian entrepreneur Alfred Hardy and are an illustration of the upcoming success of self-supporting concrete structures in Belgium. They were probably conceived as a demonstration and promotion of armoured concrete's possibilities and were designed following a logical reasoning, ingenious in all its simplicity. T h e round shape, combined with sliding gates which can be opened at any place and along half of its circumference, make it the perfect shelter for aircrafts, without having to take the internal circulation into account. T h e central space is illuminated by a zenital lantern and offers plenty possibilities as a workshop. T h e combination of form, construction and function with minimal finishing of the surface, make the Grimbergen hangars a high point in 20th century concrete architecture in one of the few post-war Belgian projects which have established an international reputation. In 1964 the hangars were included as sole Belgian creation in the New York exhibition 'Twentieth Century Engineering'.
RESTORATION OF THE EGYPTIAN DINING ROOM OF THE MOELAND CASTLE IN SINT-NIKLAAS In 2007 the restoration of the room, completed in November 2006, was nominated as the provincial laureate for the Flemish Monument Award. The 18th century castle was thoroughly re-built and expanded in 1866-1877 by Mr. and Mrs. Amedée de Schoutheete de Tervarent - Emma de Munck. This resulted in among others the dining room in Egyptian style. T h e specific preference of the owner, as well as the popularity at that time of Egyptian culture, led to the use of this style. When the castle was listed for protection in 1976, the owner decided to restore it and install offices and meeting rooms. First the exterior was restored in different phases between 1995 and 2002, and consequently the dining room was treated in 2005-2006. The octagonal room with flat ceiling was done in bas relief stucco panels made by the workshop of Auguste Bonnefoy, and assembled on site. T h e colouring was done by the house painter Arnold de Castro. The decoration was inspired by the colourful lithographs by Prisse d'Avennes in his Histoire de l'art égyptierr, published between 1858 and 1877, and the reissue of Description de I'Egypte ou recueil des observations et des recherches qui ont étéfaites en Egypte pendant l'expédition de l'armée frangaise by C.L.F. Panckoucke as of 1824 in 24 volumes. Reason for the restoration were the general formation of cracks, due to the decoration being made from prefabricated panels. T h e installation of ducts and heating-equipment and electricity had also caused quite some damage. T h e pictorial layer was polluted and therefore discoloured, and the decoration had locally been painted over. Besides restoring the decoration, the restoration of the room also included the installation of underfloor heating, electricity, and the replacement of windows. T h e new underfloor heating required the complete removal of all ceramic tiles, as well as the wooden wainscoting and the lower parts of the half pillars. In order to be able to control the adhesion of the ceiling panels, the flooring on the first storey had to be removed. Luckily, the ceiling structure showed no adhesion problems, but the differences in level between the various panels could not be reduced. During the removal of the flooring above the dining room a collapse was diagnosed, as well as mould and house fungus near the balcony and the window of the Egyptian dining room. When repairing this damage, it proved necessary to dismantle part of the cove frame. Once the tile floor had been replaced, the repairs of the mounted stucco panels and wooden wainscoting could be started. Lacunas were filled in and finally the layer of oil paint was cleaned, retouched and a micro-crystalline wax was applied. For the main part, the room had preserved its original paint-
•
ing. Some backgrounds as well as the fireplace had been painted over in the past. The wainscoting had been given a coating, and the ceiling had been cleaned with an over-
colonisation in Lubumbashi was implemented in an explicit way, more specifically in the layout of the city with separate quarters for Europeans and so-called 'natives' or "indigenes". Each quarter had its typical design and different architectural typologies. Analyzing the location of each specific building in its dualistic configuration can teach us a lot about the interaction between architecture and colonial ideology. Using concrete examples like for instance the hospitals or the cultural centre of Lubumbashi, dating from the post-war period, illustrates the complexity of building in a colonial town like Lubumbashi. An epilogue treats the actual problems with urban heritage and pleads for a multi-disciplinary approach of colonial architectural heritage. A direct implementation of a Western approach for monument care in a post-colonial context is thereby critically examined.
aggressive product. Most of the overpainting has been removed, and by applying the microcrystalline wax, the damage to the ceiling could be limited.
BUILDING IN "LE KATANGA MODERNE" COLONIAL ARCHITECTURAL HERITAGE IN LUBUMBASHI. DEMOCRATIC REPUBLIC OF CONGO This article treats the actual problems of architectural heritage from the colonial period in Congo and Lubumbashi (formerly Elisabethville) more in particular. The recent economic revival creates an immense pressure on the existing architectural heritage. Thus a number of historical buildings in the centre of Lubumbashi have been demolished to make room for new buildings. With this article the authors wish to draw attention to a remarkable, but in Belgium little appreciated architectural heritage in the former colony. In addition to a number of actual initiatives related to the architectural heritage in Lubumbashi, this text offers an explicit historical perspective. It contains a chronological overview and periodization of the city's development since its foundation in 1910. Remarkable projects and prominent architects working there are treated and interpreted within architectural historical perspective. In this regard not only the import of expertise, designs and practices from the motherland are dealt with, but also the local transformations these sometimes underwent. O n top of that, a lot of attention is paid to the range of influence from the southern part of Africa on the city's (architectural) culture since Lubumbashi's foundation in 1910. This text also indicates how the plans and construction in Lubumbashi were influenced by a specific colonial context. Thus the racial segregation, so typical for Belgian
1VI&L
A GARDEN INVENTORY: NECESSARY, FASCINATING AND EDUCATIONAL The edition of the third Limburg volume of Historische tuinen en parken van Vlaanderen ("Historical parks and gardens in Flanders") is the perfect occasion for an introduction and for the interpreation within a larger context of the garden inventory. T h e garden inventory for Flanders actually consists of seven volumes, giving an overview of garden heritage and at the same time it is a supplement to the series Bouwen ("Building"), the inventory of architectural heritage. T h e attached list contains an overview of all available or expected inventories, the Walloon provinces included. O f each listed object, there is - at least in the Flemish editions - a short summary in French and English. T h e garden inventory is necessary as well as useful for the protection policy, for the management of monuments and landscapes, and is consulted during consultations where the interests of culture and nature are not consistent. T h e expertise on this vulnerable heritage offers useful stepping stones for the history to be written of garden art in Flanders, history of castle architecture, of castle annexes and of minor architecture and park ornaments. T h e conclusions of the research are not only on a historical level, but also concern aspects of social economy and cultural history. Examples are given, both in words and picture. T h e different sources this research was based on, are represented: maps but also images dating from between the 16th century and pictures from a few decades ago. These documents allow us to get a view on a former way of life, not unlike the garden inventories. After all, the inventory shows us heritage which is linked to a society irrevocably lost or which, at least, is constantly changing. Therefore it is vital to gather knowledge and information, which might be even more useful than listing it for legal protection.
#
^
Dakwerken G. BOSCH
p. Niis
b.v.b.a.
Algemene Dak- & Restauratiewerken
www.pnijs.be
Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
E3-LAAN 49 - 9800 Deinze TEL 09 386 07 63 • FAX 09 380 35 71 p.nljs.nv@fiandora.be
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D12 - D16 - D22 - D24
S I N D S 1878 E R V A R I N G O P H E T G E B I E D V A N M I N E R A L E V E R F S Y S T E M E N . KEIM is onderdeel van KEIM Farben GmbH en de De KEIM minerale verfsystemen (hydraulische) producent en leverancier van KEIM producten voor mortels en kalk-en saneerpleisters. de Benelux. Sinds 1878 is er vanuit ons moederbedrijf KEIM N E D E R L A N D BV expertise op het gebied van minerale ondergronden. postbus 1062 l300BBAImere KEIM verven zijn minerale verven op silicaatbasis, telefoon:0031(0)36-5320620 welke bestaan uit 100% natuurlijke grondstoffen. KEIM telefax: 0031 (0)36-5320030 verven zijn damp open, onovertroffen lichtecht en email: info@keim.nl www.keim.nl waarborgen een lange levensduur. www.keim be KEIM heeft een uitgebreid palet producten voor de Belgium: restauratie van (monumentale) gebouwen, zoals 0 4 7 7 / 5 2 7 910 I N Mil RALE
4*