Skip to main content

eerste_graad_secundair_onderwijs_advies_Vlor.pdf

Page 1

ADVIES 10 februari 2022

Programmatie van nichebasisopties in de eerste graad gewoon secundair onderwijs schooljaar 2022-2023

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be

Wijs beleid door overleg


Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 10 december 2021 Uitgebracht door de Raad Secundair Onderwijs op 10 februari 2022 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: Technische werkgroep Programmaties secundair onderwijs op 18 januari en 1 februari 2022 onder voorzitterschap van Marleen Colpin Dossierbeheerder: Eric d’Hooghe


Inhoud 1

Situering .......................................................................................................................................... 2

2

Beleidsaanbeveling ........................................................................................................................ 2 Ruimte geven aan verschillende keuzes voor de eerste graad....................................................... 2

3

Criteria bij de beoordeling van de aanvragen ............................................................................... 3 3.1

Regelgeving............................................................................................................................. 3

3.2

Overwegingen bij de regelgeving ........................................................................................... 3

3.3

De regelgeving toegepast op de aanvragen ......................................................................... 4

Bronnen............................................................................................................................................... 8

1

vlor.be


1 Situering Sinds 2019 kunnen scholen de programmatie aanvragen van nichebasisopties voor het tweede leerjaar van de eerste graad van het gemoderniseerd secundair onderwijs (SO). De Vlaamse Regering moet die aanvragen goedkeuren alvorens scholen kunnen programmeren. De Vlaamse Regering wint daarvoor eerst het advies in van de Vlor, de onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI). De Vlor ontving op 10 december 2021 de adviesvraag over de programmatieaanvragen voor het gewoon voltijds SO voor het schooljaar 2022–2023. 39 van die aanvragen gaan over nichebasisopties in de eerste graad (tweede leerjaar A en B). Al die aanvragen hebben de ontvankelijkheidstoets door AGODI doorstaan. De nichebasisopties die aangevraagd kunnen worden zijn Kunst en creatie, Sport, Voeding en horeca, Freinetpedagogie en Topsport. ‘Niche’ wijst op een aanbodbeperking omwille van macrodoelmatigheid. Er zijn echter geen aantallen of contingenten per regio of onderwijsverstrekker bepaald. De 39 aanvragen zijn als volgt verdeeld programmatie

Aantal

2e leerjaar A Kunst en creatie 2e leerjaar A Sport 2e leerjaar A Topsport 2e leerjaar A Voeding en horeca

1 21 2 2

2e leerjaar B Sport 2e leerjaar B Voeding en horeca

10 3

Eindtotaal

39

Stroom

Aantal

EERSTE GRAAD A EERSTE GRAAD B

26 13

Eindtotaal

39

Het valt op dat de meerderheid van de aanvragen de nichebasisoptie Sport betreft. Sport A (21) en Sport B (10) zijn samen goed voor bijna 80% van de aanvragen. We stellen vast dat het aantal aanvragen voor nichebasisopties ten opzichte van vorig jaar in het algemeen gedaald is (van 62 naar 39, waarvan bijna de helft heraanvragen zijn). Allicht is dat te verklaren doordat de basisopties Sport, Voeding en horeca, Freinetpedagogie en Topsport twee jaar geleden als nieuw werden toegevoegd. De impact van die moderniseringsoperatie voor de eerste graad speelt nu veel minder mee. Van de 39 aanvragen zijn 18 heraanvragen, die in de vorige ronde geen goedkeuring tot programmatie kregen van de Vlaamse Regering. We gaan verder in op de heraanvragen bij punt 3.3.4.

2 Beleidsaanbeveling Ruimte geven aan verschillende keuzes voor de eerste graad De Vlor merkt op dat programmatieaanvragen voor nichebasisopties van de Vlaamse Regering vaak een negatieve beoordeling krijgen omdat ze geen aanleiding wil geven tot de uitbouw van een extra (niche)aanbod in de bovenbouw en dus verdere versnippering van het onderwijslandschap. Enkele

2

vlor.be


scholen dienen het jaar daarop een heraanvraag in voor de nichebasisoptie mét de expliciete motivering dat het niet de bedoeling is om de aansluitende bovenbouw uit te bouwen. Ze geven daarmee aan dat ze eerder een ruim oriënterende eerste graad willen organiseren. Vervolgens krijgt die heraanvraag geen goedkeuring van de Vlaamse Regering wegens het ontbreken van een aansluitende bovenbouw. Zowel scholen die een eerste graad inrichten met basisopties die gevolgd worden door de logische vervolgopleidingen in de eigen school, als scholen die een ruim oriënterende eerste graad inrichten, bieden leerlingen voldoende kansen om hun verdere schoolloopbaan succesvol uit te bouwen. De Vlor vraagt de Vlaamse Regering om scholen de kans te bieden om voor een van beide mogelijkheden te opteren naargelang het vooropgestelde profiel en de toekomstvisie van de school.

3 Criteria bij de beoordeling van de aanvragen 3.1 Regelgeving De aanvraag voor de programmatie van een nichebasisoptie moet gemotiveerd worden en houdt in elk geval rekening met alle volgende gezamenlijke criteria:1 1 2 3 4 5

6

de eventuele beperkingen of voorwaarden (zoals frequentie, geografische inplanting ……) die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld; de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of binnen de scholengemeenschap; als het structuuronderdeel (ook) arbeidsmarktgericht is: a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel; b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.

3.2 Overwegingen bij de regelgeving De criteria die de regelgeving vermeldt, zijn dezelfde als diegene die al langer gelden voor structuuronderdelen van de tweede en derde graad, ook voor duaal leren. De Vlor stelt vast dat ze moeilijk toepasbaar zijn op de nichebasisopties en had dan ook graag een geëigende set met criteria gezien. Hoe hebben we de criteria dan toch geïnterpreteerd en gehanteerd? • Criterium 1: Macrodoelmatigheid is, net zoals voor structuuronderdelen van de tweede en derde graad, niet gedefinieerd. Dat maakt het moeilijk voor scholengemeenschappen om te bepalen wat een rationeel aanbod is (criterium 6). Enerzijds moeten we er rekening mee houden dat de basisopties als ‘niche’ gemerkt zijn, en dat de Vlaamse Regering er dus

1

Codex Secundair Onderwijs. 24 juni 2011

3

vlor.be


•

• •

•

•

beperkingen aan koppelt, maar zonder contingenten te bepalen. Anderzijds roept het nichekarakter van basisopties vragen op. Moet je, gezien de observerende en oriënterende functie van de eerste graad, de keuzemogelijkheden van leerlingen inperken? Toch kijkt de Vlor naar geografische spreiding en frequentie van de aanvragen in functie van de leefbaarheid. We gaan ook na hoe de scholen in dezelfde regio, onderwijszone of scholengemeenschap de aanvraag ervaren. Voor de Vlor kan er overlap zijn, op voorwaarde dat de leefbaarheid gegarandeerd is. De scholengemeenschap is het best geplaatst om die inschatting te maken. Criterium 2: De kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod in de onderwijszone in kwestie neemt de Vlor ook in rekening. Het gaat echter te ver om voor alle nichebasisopties in de eerste graad al een rechtstreekse link te leggen naar hoger onderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt. Criterium 3: De keuzevrijheid van ouders en leerlingen past de Vlor op dezelfde wijze toe als voor de tweede en derde graad, namelijk tussen officieel en vrij onderwijs. Criterium 4: Studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of scholengemeenschap kan je in het geval van basisopties op verschillende manieren benaderen. Gaat het om continuïteit voor leerlingen uit het basisonderwijs of het eerste leerjaar SO, die bijvoorbeeld methodeonderwijs gevolgd hebben en nu de basisoptie Freinetpedagogie willen kiezen? Of moeten we naar het al dan niet aanwezig zijn van een bovenbouw in de school of scholengemeenschap kijken, ook rekening houdend met macrodoelmatigheid en beschikbare expertise en infrastructuur? Maar wat dan met (autonome) middenscholen? En is het niet voor alle basisopties zo dat leerlingen niet per se de verwante bovenbouw in dezelfde school kunnen vinden? Scholen kunnen leerlingen vanuit een basisoptie doorverwijzen naar scholen in de eigen scholengemeenschap, scholen in de buurt of verder weg. Dat is vandaag ook al zo. Anderzijds kan je in de tweede graad instromen vanuit gelijk welke basisoptie (m.u.v. Klassieke talen). Er is dus niet per se een rechtstreekse link. Criterium 5: Van een basisoptie kan je weliswaar niet zeggen dat die arbeidsmarktgericht is, maar de Vlor gaat ook na of er voldoende garanties zijn op vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen voor de verschillende nichebasisopties. Criterium 6: Het akkoord van de scholengemeenschap is voor de Vlor erg belangrijk. Als daar de nodige afspraken gemaakt zijn, gaan we ervan uit dat er verder onderlinge afstemming zal zijn. Ook als zou blijken dat het aanbod niet overal waar het aangevraagd wordt, kan ingericht worden wegens onvoldoende leerlingen.

3.3 De regelgeving toegepast op de aanvragen De criteria uit de regelgeving zijn niet eenvoudig toepasbaar op het geheel van de aanvragen. We zien in dat geheel een waaier aan overwegingen en motiveringen van de kant van de scholen(gemeenschappen), wat aangeeft dat zij de regelgeving op verschillende manieren geïnterpreteerd hebben. Sommige willen bestaand studieaanbod in de bovenbouw onderbouwen met een basisoptie, andere scholen willen nieuw aanbod programmeren, dat ze bij voldoende interesse ook willen uitbreiden naar de bovenbouw. Soms doen ze de aanvraag samen met een aanvraag voor de corresponderende studierichting in de tweede graad. We zien verschillende keuzes wat betreft inplanting in de scholengemeenschap, onderwijszone of regio. Ook het al dan niet niche-karakter van de corresponderende bovenbouwstudierichtingen is bepalend, wat vooral impact heeft op het aantal aanvragen voor opties in het tweede leerjaar B. Daar wordt behoedzamer geprogrammeerd. En scholen houden rekening met andere basisopties die ze aanbieden.

4

vlor.be


De gemaakte keuzes voor de eerste graad hangen bovenal samen met de visie op de samenhang met het aanbod in de bovenbouw van de scholen. Daar kan je op twee manieren naar kijken: • Scholen mogen ervoor kiezen om hun leerlingen in de eerste graad een ruime keuze aan (niche)basisopties te geven, om hen toe te laten te observeren, te verkennen en zich te oriënteren. Maar een basisoptie is geen voorafname op studieaanbod in de tweede/derde graad, noch ten aanzien van leerlingen, noch voor de programmatie door scholen. Nichebasisopties kunnen dus ruimer aangeboden worden dan de corresponderende structuuronderdelen in de tweede en derde graad. We verwachten dat scholen daarover zorgvuldig communiceren met de leerlingen en hun ouders. Eerstegraadsleerlingen die kiezen voor een nichebasisoptie, kunnen tijdens het tweede leerjaar kennismaken met het verwante aanbod van de tweede/derde graad, hetzij binnen de eigen scholengemeenschap, hetzij binnen een aangrenzende of nabijgelegen scholengemeenschap. Op die manier wordt samenwerking tussen de betrokken scholen en vlotte doorstroom gestimuleerd naar de scholen met het aanbod waarvoor de leerlingen kiezen. • Een school mag een nichebasisoptie enkel programmeren als er doorstroommogelijkheid is naar het corresponderende structuuronderdeel van de tweede graad in dezelfde school of, in het geval van een middenschool, in de (bovenbouw)school waarnaar de leerlingen veelal doorstromen. Op die manier wordt het nichekarakter van deze basisopties gerespecteerd, versnippering van het aanbod vermeden en is de aanwezigheid van infrastructuur en expertise gegarandeerd. Om alle bovenstaande standpunten te kunnen toepassen op de aanvragen, maken we een onderscheid tussen vijf clusters van aanvragen: 1 Aanvragen van scholen die de logische bovenbouw aanbieden; 2 Aanvragen van scholen die niet zelf de logische bovenbouw aanbieden, maar een andere school in de scholengemeenschap wel; 3 Aanvragen van scholen waar de logische bovenbouw niet aangeboden wordt in de school zelf of in dezelfde scholengemeenschap; 4 Heraanvragen die vorig jaar al dan niet goedkeuring kregen van de Vlaamse Regering; 5 Aanvragen van programmaties die de school al aanbiedt maar een regularisatie of administratieve overheveling vragen; We kunnen alle aanvragen in een van die vijf clusters onderbrengen. Alvorens we de advisering voor elk van die clusters behandelen, geven we aan welke studierichtingen we in aanmerking nemen als ‘logische bovenbouw’: • Kunst en creatie: de school biedt kso-studierichtingen aan en/of richtingen die concorderen naar het toekomstige domein Kunst en creatie; • Sport: de school biedt het studiegebied Sport aan in aso, bso of tso; • Topsport: de school heeft het studiegebied Sport en zit in het Topsportconvenant; • Voeding en horeca: de school biedt het studiegebied Voeding en horeca aan. Bij die laatste stellen we vast dat scholen in hun aanvragen ook verwijzen naar de aanwezigheid van de richting Verzorging-voeding (studiegebied Personenzorg) als bovenbouw voor de basisoptie en garantie op de nodige infrastructuur. Omdat de invulling van de basisoptie breed is, volstaat het voor de Vlor als de school die richting aanbiedt, om verzekerd te zijn van de nodige infrastructuur of afspraken over het gebruik daarvan. Zo nodig kunnen scholen voor het praktijkgedeelte ook gebruikmaken van de infrastructuur van een andere school van de scholengemeenschap.

5

vlor.be


Hierna behandelen we de clusters in het algemeen, en passen daarop de criteria uit de regelgeving toe.

3.3.1 Cluster 1: de school biedt de logische bovenbouw aan Volgens de criteria uit de regelgeving (studiecontinuïteit voor de leerlingen, aanwezigheid van expertise en infrastructuur, …) is de aanwezigheid van een logische bovenbouw in de school een pluspunt om een nichebasisoptie in te richten. De Vlor volgt dat. Alle aanvragen die aan dit criterium beantwoorden, worden dan ook gunstig geadviseerd. Onder die cluster vallen voor de Vlor ook de aanvragen van scholen die: • de corresponderende basisoptie momenteel al aanbieden als vestigingsplaats. Zij maken gebruik van de mogelijkheid om het aanbod zelf in te richten; • het corresponderende bovenbouwaanbod al hebben, maar als vestigingsplaats. De motivering voor een gunstig advies in dat geval is: in hoofde van ouders en leerlingen is de basisoptie /de bovenbouw er al.

3.3.2 Cluster 2: de school biedt niet zelf de logische bovenbouw aan, maar een andere school in de scholengemeenschap wel We bekijken bij de aanvragen die onder die cluster vallen wat de achterliggende motivering is waarvoor een akkoord is van de scholengemeenschap. In sommige scholengemeenschappen is afgesproken om het aanbod van de nichebasisopties te beperken tot een of enkele scholen van waaruit de leerlingen kunnen doorstromen naar de logische bovenbouw binnen de scholengemeenschap. In andere scholengemeenschappen is afgesproken dat meerdere scholen dezelfde nichebasisoptie(s) kunnen aanbieden, waarbij dan telkens een van de scholen de logische bovenbouw aanbiedt. Beide opties zijn te verdedigen, afhankelijk van de visie op leefbaarheid en studiecontinuïteit (samenhang tussen eerste graad en bovenbouw, zie hoger). En het hangt ook samen met de geografische spreiding van scholen binnen een scholengemeenschap en van scholengemeenschappen, die sterk kan variëren. Onder deze cluster vallen ook de middenscholen (eerstegraadsscholen) die logisch samenhangen met bovenbouwscholen, m.a.w. middenscholen waarvan de meerderheid van de leerlingen doorstromen naar dezelfde bovenbouwschool. Als daar het corresponderende aanbod ingericht wordt, beschouwen we dat als voldoende voor een gunstig advies. Dat is echter geen evidente inschatting, want we zien een grote variatie in de manier waarin middenscholen corresponderen met bovenbouwscholen (fysiek, administratief, pedagogisch project, …).

3.3.3 Cluster 3: de logische bovenbouw wordt noch in de school noch in de scholengemeenschap aangeboden In dat geval kijken we naar de informatie en motivering in het dossier en adviseren we de aanvraag op maat. Daarbij hanteren we een aantal criteria, die in combinatie tot een gunstig advies kunnen leiden: 1 De leerlingen kunnen in een aangrenzende scholengemeenschap (binnen een redelijke afstand en verplaatsingstijd) de logische bovenbouw volgen; De programmatie komt tegemoet aan een lacune in het aanbod in de regio, desgevallend om de keuzevrijheid tussen officieel en vrij onderwijs te garanderen;

6

vlor.be


De aangevraagde basisoptie past in de visie van de school op de eerste graad en het (toekomstig) profiel van de school; Enkele scholen vragen naast een nichebasisoptie tegelijkertijd een logische vervolgrichting voor de tweede graad aan om de continuïteit te verzekeren.

3.3.4 Cluster 4: Heraanvragen •

•

Als een aanvraag al goedgekeurd werd door de Vlaamse Regering, maar niet ingericht omdat in het daaropvolgende schooljaar geen leerlingen werden ingeschreven, adviseert de Vlor gunstig. Er zijn voor deze aanvraagronde geen van dergelijke heraanvragen voor de eerste graad. Indien een aanvraag in een vorige ronde afgekeurd werd door de Vlaamse Regering, onderzoekt de Vlor in welke mate de motivering van dat oordeel opgevolgd of weerlegd werd in de heraanvraag. We adviseren gunstig als de opvolging of duiding voor ons voldoet.

3.3.5 Cluster 5: De school biedt het aangevraagde structuuronderdeel al aan 1 •

•

Het betreft een regularisatie Net zoals vorig jaar zien we heel wat aanvragen voor studierichtingen die de scholen in kwestie al aanbieden, maar dan als vestigingsplaats van een andere school. Dat zorgt voor administratieve, organisatorische en praktische problemen. De gewijzigde regelgeving biedt een kans voor die scholen om het eigen bestaande aanbod zelf te programmeren. De Vlor adviseert die aanvragen gunstig. Een andere reeks aanvragen gaat over richtingen die scholen al aanbieden via erkenning, meestal voor een beperkt aantal leerlingen. Daar is de verwachte leerlingeninstroom in de komende jaren een voorwaarde voor een gunstig advies.

2 Het betreft een administratieve overheveling De Vlor adviseert ook de clusters van administratieve overhevelingen gunstig. Zo’n overhevelingen genereren immers geen extra of dubbel studieaanbod. Voor ouders en leerlingen verandert er niets en er is telkens een protocol van akkoord voor het personeel. De Vlor vroeg al eerder om ‘overheveling’ of ‘inruil’ terug mogelijk te maken, om te vermijden dat voor een verplaatsing of vervanging een nieuwe programmatie aangevraagd moet worden. In het kader van de afspraken die binnen scholengemeenschappen gemaakt worden over een rationeel en complementair gemoderniseerd aanbod, zullen zo’n overhevelingen van studiegebieden of -richtingen in de toekomst nog voorkomen. Een aangepaste vorm van inruil zou het aantal programmaties kunnen verminderen. Hierna volgt het concrete advies per dossier. Dat wordt niet gepubliceerd op de website van de Vlor.

7

vlor.be


Bronnen Codex Secundair Onderwijs. 24 juni 2011.

8

vlor.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook