RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2022/3
STATISTIEKONTWIKKELING
ECONOMISCHE SAMENHANG TUSSEN HET VLAAMSE EN BRUSSELSE GEWEST THIERRY VERGEYNST
INHOUD SAMENVATTING
3
INLEIDING
4
1
ECONOMISCHE SAMENHANG OP BASIS VAN TRADITIONELE ECONOMISCHE STATISTIEKEN
7
1.1 Demografie
7
1.2 Bbp per inwoner
8
1.3 Pendel
10
1.4 Economische groei
11
1.5 Werkloosheid
13
1.6 Inkomen
14
1.7 Economische structuur
17
2
1.7.1 Bruto toegevoegde waarde per bedrijfstak
17
1.7.2 Werkgelegenheid per bedrijfstak
19
1.7.3 Maatstaven voor spreiding en overeenkomst
22
1.7.4 Rol van bedrijfstakken bij groei
26
DE INTERREGIONALE INPUT-OUTPUTTABEL
33
2.1 Wat?
33
2.2 Bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidseffecten voor hoofdsectoren
34
2.2.1 Bruto toegevoegde waarde
35
2.2.2 Werkgelegenheid
38
2.3 Bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidseffecten voor finale vraag
40
2.3.1 Bruto toegevoegde waarde
40
2.3.2 Werkgelegenheid
43
BESLUIT
45
LITERATUURLIJST
49
ECONOMISCHE SAMENHANG TUSSEN HET VLAAMSE EN BRUSSELSE GEWEST THIERRY VERGEYNST
SAMENVATTING Het Brusselse Gewest is een typische hoofdstedelijke economie. De economie van het Vlaamse Gewest is meer gediversifieerd. De hoge werkloosheid, pendelinstroom en het lagere inkomen per inwoner tonen dat het Brusselse Gewest een arbeidsmarktprobleem heeft: het aanbod aan arbeidskrachten is onvoldoende afgestemd op de noden van een hoofdstedelijke economie met activiteiten van hoge toegevoegde waarde. Het Brusselse Gewest is goed voor 10% van de bruto toegevoegde waarde die voor de Vlaamse finale vraag geproduceerd wordt
(8% van de werkgelegenheid). Omgekeerd is het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor 20% van de bruto toegevoegde waarde die voor de Brusselse finale vraag geproduceerd wordt (22% van de werkgelegenheid). Maar in absolute cijfers is de Brusselse bijdrage aan de Vlaamse economie ongeveer dubbel zo groot als de Vlaamse bijdrage aan de Brusselse economie. Het is vooral in de tertiaire en quartaire sectoren, en voor de consumptie van huishoudens en overheid dat het Brusselse Gewest een belangrijke rol vervult in de Vlaamse economie.
INLEIDING België telt 3 gewesten en elk gewest heeft zijn eigen specifieke economische kenmerken. Het Vlaamse en Waalse Gewest hebben een relatief grote omvang met grenzen en verbindingen met en naar andere Europese landen. Het Vlaamse Gewest in het bijzonder geniet van het poorteffect van zeehavens en de luchthaven van Zaventem. Typisch voor het Vlaamse Gewest is dat het geen hoofdstad op zijn grondgebied heeft. Dat maakt dat klassieke hoofdstedelijke activiteiten zoals overheidsadministratie en tertiaire zakelijke diensten er naar verhouding minder voorkomen. Het kleinere Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (hierna Brusselse Gewest genoemd) omvat de hoofdstad en aldus ook vele federale en regionale overheidsadministraties. Ook administraties van hoofdkantoren en vele zakelijke diensten zijn in Brussel gevestigd. Het Brusselse Gewest is bovendien een klein hoofdstedelijk gebied, vergeleken met de meeste Europese hoofdstedelijke gebieden. Dat maakt dat de economische activiteit er des te meer een ‘hoofdstedelijk’ karakter heeft.
Grote steden zijn veelal knooppunten van globale beheersen controlenetwerken. Zij spelen een belangrijke rol in de economie van een land (Cassiers e.a., 2009). Dat is zeker van toepassing op Brussel-stad en bij uitbreiding het Brusselse Gewest. Er is de internationale aanwezigheid zoals onder meer blijkt uit de instellingen van de Europese Unie en de NAVO. Daarnaast hebben tal van bedrijven hun hoofdzetel in Brussel. Maar Brussel scoort vooral goed op de inpassing van netwerken van regionale hoofdkantoren van multinationals, minder sterk op het vlak van de lokalisatie van hoofdkantoren van internationale bedrijven (Cassiers e.a., 2009). Het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA) berekende dat 1 op de 6 Belgische ondernemingen met ten minste 50 werknemers in het Brusselse Gewest gevestigd is. Bedrijven vestigen hun maatschappelijke zetel in Brussel door de centrale ligging in België en in de Europese markt, de concentratie van diensten aan bedrijven en de goede internationale bereikbaarheid (BISA, 2021). Het bovenstaande, aangevuld met het feit dat het Brusselse Gewest geografisch gezien volledig omsloten is door het Vlaamse Gewest, impliceert dat beide
gewesten economisch sterk van elkaar afhankelijk zijn. Deel 1 van dit rapport zal duidelijk maken dat die onderlinge economische samenhang niet gemakkelijk in beeld te brengen valt op basis van de klassieke economische statistieken, zoals de regionale rekeningen die de economische activiteiten in beide gewesten in kaart brengen. Daarom worden in het tweede deel de mogelijkheden van de interregionale input-outputtabel (RIOT 2015) verkend om de handelsstromen tussen beide gewesten in kaart te brengen en te zien waar beide economieën in meer of mindere mate complementair zijn. Daarbij worden de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid berekend die gepaard gaan met de onderlinge economische activiteit, evenals voor de componenten van de finale vraag (consumptie, investeringen, uitvoer). Telkens wordt de bijdrage van het Vlaamse en Brusselse Gewest in de eigen economie en die van het andere gewest becijferd. Het rapport sluit af met een bespreking van de mogelijkheden en beperkingen van het gebruik van de interregionale inputoutputtabel bij het in kaart brengen van de onderlinge economische afhankelijkheid van beide gewesten.
5
1.
ECONOMISCHE SAMENHANG OP BASIS VAN TRADITIONELE ECONOMISCHE STATISTIEKEN 1
Hierna volgt een schets van de Vlaamse en Brusselse economie aan de hand van de traditioneel beschikbare statistieken bij het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR), het Federaal Planbureau (FPB) en Statbel. Het gaat om het bruto binnenlands product (bbp), een beschrijving van de bedrijfstakstructuur aan de hand van de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid, inkomens- en werkloosheidsstatistieken. Er wordt gestart met een kort demografisch overzicht. Doorheen dit deel zal duidelijk worden dat de opgenomen statistieken weliswaar een beeld geven van de omvang en structuur van de economieën van beide gewesten, maar minder van hun onderlinge verwevenheid.
1.1 DEMOGRAFIE Het Vlaamse Gewest telde in 2021 6,654 miljoen inwoners tegenover 1,216 miljoen voor het Brusselse Gewest. De bevolking wonend in het Vlaamse Gewest is dus 5,5 keer talrijker dan de Brusselse. De bevolking in het Vlaamse Gewest nam tussen 2003 en 2021 toe met 11%. De Brusselse bevolking groeide sterker aan (+22%). Niet onbelangrijk in een economische context: de bevolking op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) nam in het Vlaamse Gewest over diezelfde periode toe met 6%, terwijl de groei in het Brusselse Gewest ook hier sterker was (+25%). Migratiebewegingen zijn een belangrijke demografische component in het kader van een analyse van de economische verwevenheid tussen het Vlaamse en het Brusselse Gewest. Figuur 1 toont dat de voorbije 3 decennia er elk jaar meer personen uit het Brusselse Gewest naar het Vlaamse Gewest trokken dan omgekeerd (maar dat kon niet beletten dat de Brusselse bevolking sneller groeide). In de periode 1992-2000 bleven de migratiestromen min of meer stabiel met een uitwijking van jaarlijks gemiddeld 11.000 personen van het Vlaamse naar het Brusselse Gewest en 15.900 van het Brusselse naar het Vlaamse Gewest. In de periode 2001-2010 steeg de uitwijking van het Vlaamse naar het Brusselse Gewest lichtjes tot jaarlijks gemiddeld 11.300 personen. In omgekeerde richting groeide de uitwijking sterker aan tot gemiddeld 18.500 personen per jaar. In de periode van 2011-2020 nam de migratie van het Vlaamse naar het Brusselse Gewest toe tot gemiddeld 13.200 personen per jaar. Maar de uitwijking van het Brusselse naar het Vlaamse Gewest steeg opnieuw sterker tot gemiddeld 23.100 personen per jaar. Het aantal migratiebewegingen tussen beide gewesten nam dus toe in de tijd. Dat komt ook tot uitdrukking in de migratie-intensiteit, of de som van beide migratiebewegingen. Die nam toe van gemiddeld 26.900 personen in de periode 1992-2010 tot gemiddeld 36.300 personen in de periode 2011-2020.
7
Figuur 1. Migratiestromen Vlaams en Brussels Gewest, 1992-2020, in personen Van Vlaams naar Brussels Gewest
Van Brussels naar Vlaams Gewest
25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Uit de analyse van Charlier e.a. (2019) blijkt dat er bij de uitwijking van het Brusselse naar het Vlaamse Gewest in belangrijke mate sprake is van periurbanisatie. Dit wil zeggen dat de Vlaamse gemeenten gelegen rond het Brusselse Gewest relatief veel Brusselse uitwijkelingen opvangen. Verder zijn ook de grotere steden Antwerpen en Gent, een aantal gemeenten in de Denderstreek, Ronse en de kustgemeenten populaire bestemmingen voor Brusselse uitwijkelingen.
1.2 BBP PER INWONER Het INR maakt de regionale rekeningen op voor de gewesten. Volgens het INR bedroeg het bruto binnenlands product (bbp) in 2020 266,3 miljard euro in het Vlaamse Gewest en 83,8 miljard euro in het Brusselse Gewest. Het bbp van het Vlaamse Gewest is dus 3,2 maal groter dan dat van het Brusselse Gewest. Het bbp per inwoner kwam in 2020 op 40.100 euro in het Vlaamse Gewest en op 68.900 euro in het Brusselse Gewest. Het Vlaamse Gewest doet het lichtjes beter dan het Belgische gemiddelde (Vlaamse index = 101,0 bij België = 100). Maar het Brusselse Gewest heeft een veel hogere index (173,4). Dat komt omdat tal van activiteiten met hoge bruto toegevoegde waarde geconcentreerd zijn op het (kleine) grondgebied van het Brusselse Gewest: hoofdkantoren van grote bedrijven met daaraan verbonden administratie en zakelijke diensten en tal van publieke instellingen.
Het Brusselse Gewest dankt zijn hoge waarde voor het bbp per inwoner aan elke samenstellende factor van het bbp per inwoner: de arbeidsproductiviteit is er hoger dan in het Vlaamse Gewest, evenals de werkgelegenheidsgraad en het aandeel van de bevolking op beroepsactieve leeftijd (figuur 2).
Figuur 2. Bbp en deelfactoren Vlaams en Brussels Gewest, 2020, indices (België = 100) Vlaams Gewest
Brussels Gewest 101
Bbp per inwoner
173 99
Arbeidsproductiviteit
126 103
Werkgelegenheidsgraad
130 99
Aandeel bevolking 15-64 jaar
106 0
50
100
150
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het bbp per inwoner is in zowat elk hoofdstedelijk gebied hoog. In het Brusselse Gewest is dat des te meer het geval omdat het geografisch klein is in vergelijking met andere Europese hoofdstedelijke gebieden, waardoor er minder ‘niet-hoofdstedelijke’ activiteit wordt verrekend. Zo bedroeg het bbp per inwoner in het Brusselse Gewest 63.000 euro koopkrachtstandaard (KKS) in 2019. Dat is hoger dan bijvoorbeeld in Noord-Holland, met daarin Amsterdam (53.000 euro KKS), Île-de-France (55.500 euro KKS), Berlijn (38.200 euro KKS) of Lazio Roma (34.300 euro KKS). Het volledige Groothertogdom Luxemburg scoort hoger (81.000 euro KKS), te wijten aan zijn specifieke rol als financieel en Europees-administratief centrum. Met de tijd verkleinde het verschil tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest (figuur 3), vooral doordat het bbp per inwoner daalde in het Brusselse Gewest in vergelijking met het Belgische totaal. Dat bleef in het Vlaamse Gewest sinds begin jaren 2000 zo goed als stabiel ten opzichte van België.
9
Figuur 3. Bbp per inwoner Vlaams en Brussels Gewest, 2003-2020, indices (België = 100) Vlaams Gewest
Brussels Gewest
200
150
100
50
0 2004
2006
2008
2010
2012
2014
2016
2018
2020
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.3 PENDEL Wonen en werken gebeuren niet steeds in hetzelfde gewest. In België pendelen een aanzienlijk aandeel werknemers naar een ander gewest. Zo dragen zij bij tot het bbp van het gewest waar ze werken, maar nemen ze hun inkomen mee naar het gewest waar ze wonen. Het verdiende inkomen komt dus op conto van het woongewest. Volgens de Europese Arbeidskrachtenenquête (EAK) van het Belgische statistiekbureau Statbel was in 2020 8% van de binnenlandse werkende beroepsbevolking wonend in het Vlaamse Gewest aan de slag in het Brusselse Gewest. Omgekeerd was 12% van de Brusselse beroepsbevolking actief in het Vlaamse Gewest (figuur 4). Sedert het einde van de jaren 1980 daalde het aandeel van de Vlaamse uitgaande pendel naar Brussel stelselmatig. In 1988 was het aandeel Brusselaars dat in het Vlaamse Gewest werkte het laagst, maar nadien was er een geleidelijke toename. Dat maakt dat sinds de eeuwwisseling het aandeel Brusselaars dat in het Vlaamse Gewest werkt hoger is dan het aandeel werkenden van het Vlaamse Gewest in het Brusselse Gewest. Voor een goed begrip: voorgaande cijfers gaan over het aandeel in de beroepsbevolking. In absolute aantallen is de pendelstroom van het Vlaamse naar het Brusselse Gewest steeds hoger dan omgekeerd (233.700 tegenover 53.800 in 2020).
Figuur 4. Pendelbewegingen Vlaams en Brussels Gewest, 1987-2020, in % van de binnenlandse werkende beroepsbevolking in het gewest Van Vlaams naar Brussels Gewest
Van Brussels naar Vlaams Gewest
12 10 8 6 4 2 0 1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: Arbeidskrachtenenquête (EAK), bewerking Statistiek Vlaanderen
Pendelbewegingen vertekenen de bijdrage van eigen inwoners aan het bbp. Om de invloed van pendelbewegingen enigszins uit te zuiveren kan de arbeid van pendelaars toegerekend worden aan hun woonplaats. Het gaat uiteraard om een raming, en dit op basis van de matrix met pendelbewegingen tussen de gewesten uit de EAK. Het bbp per inwoner komt in het Vlaamse Gewest voor 2019 op een index van 102 bij een waarde van België = 100, zonder correctie voor pendelbewegingen. Dit verhoogt naar 109 door de pendelarbeid van werkende Vlamingen elders toe te rekenen aan het Vlaamse Gewest. Het Brusselse Gewest daarentegen zakt van een index 172 zonder correctie voor pendelbewegingen naar 103 met correctie voor pendelbewegingen. Dat is een opvallende daling. Door de arbeid van pendelaars toe te rekenen aan het woongewest is het bbp per inwoner dus groter in het Vlaamse dan in het Brusselse Gewest.
1.4 ECONOMISCHE GROEI Gemiddeld over de periode 2003-2021 bedroeg de reële economische groei +1,7% in het Vlaamse Gewest (figuur 5). Dat is hoger dan de groei in het Brusselse Gewest (+0,8%). Het Vlaamse Gewest kende voor de meeste jaren uit deze periode een hogere economische groei. De financieel-economische crisis van 2009 zorgde in beide gewesten voor een inzinking van het bbp. Volgens het middellange termijnmodel HERMREG zou het bbp in zowel het Vlaamse als het Brusselse Gewest in 2020 met 5,5% krimpen als gevolg van de COVID-19-crisis (Federaal Planbureau, 2021). Maar in 2021 zou - volgens raming - een herstel volgen (+7% in het Vlaamse en +3,9% in het Brusselse Gewest).
11
Dat zou volgens de berekeningen van juli 2022 in mindere mate voortgezet worden in 2022. De lagere Brusselse economische groei in combinatie met de sterkere toename van de bevolking in het Brusselse Gewest vergeleken met het Vlaamse Gewest, verklaart het naar elkaar toegroeien van het bbp per inwoner (zie figuur 3). Figuur 5. Reële groei van het bbp Vlaams en Brussels Gewest, 2003-2022, in % Vlaams Gewest
Brussels Gewest
5
0
−5 2004
2006
2008
2010
2012
2014
2016
2018
2020
2022
Noot: ramingen voor 2021 en 2022. Bron: HERMREG-FPB, BISA, IWEPS, VSA 2022, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het Vlaamse Gewest wist sneller te groeien dan het Brusselse Gewest door zowel een sterkere groei van de werkgelegenheid (+1,1% tegenover +0,5%) als door een sterkere reële groei van de arbeidsproductiviteit (+0,3% tegenover +0,1%) gemiddeld over de periode 2003-2020 (figuur 6).
Figuur 6. Ontbinding reële economische groei Vlaams en Brussels Gewest, gemiddelde 2003-2020, in procentpunt Reële groei arbeidsproductiviteit
Groei werkgelegenheid
1,0
0,5
Vlaams Gewest
Brussels Gewest
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.5 WERKLOOSHEID Voor een uitgebreide analyse van de evoluties en uitdagingen op de arbeidsmarkt kan de lezer terecht bij de publicaties van de VDAB (https:// www.vdab.be/trends/arvastat) en van Actiris (https://www.actiris.brussels/ nl/burgers/analyses/). In deze paragraaf volgt een kort overzicht van het verloop van de werkloosheidsgraad in het Vlaamse en Brusselse Gewest. De werkloosheidsgraad is hier het aantal werklozen volgens het concept van het Federaal Planbureau (ruime definitie gebaseerd op administratieve gegevens en met inbegrip van oudere werklozen, vrijgesteld van de inschrijvingsplicht als werkzoekende) in procent van de beroepsbevolking (figuur 7).
13
Figuur 7. Werkloosheidsgraad Vlaams en Brussels Gewest, 1980-2020, in % Vlaams Gewest
Brussels Gewest
20 15 10 5 0 1980
1985
1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: HERMREG-FPB, BISA, IWEPS, VSA 2022
Bij de aanvang van de reeks in 1980 waren de werkloosheidsgraden in beide gewesten gelijk (8%). Na een aanvankelijke verslechtering in beide gewesten tot 1984 daalde de werkloosheidsgraad gestaag in het Vlaamse Gewest (tot 6% in 2020), afgezien van een aantal conjunctuurschommelingen. In het Brusselse Gewest kon de conjuncturele verbetering eind jaren 1980 maar voor een lichte terugloop van de werkloosheidsgraad zorgen. In de jaren 1990 was er een gestage klim tot een niveau van om en bij 20%. Pas omstreeks 2016 begon de Brusselse werkloosheidsgraad af te nemen, maar die lag in 2020 (16%) nog duidelijk hoger dan in het Vlaamse Gewest. Van Hamme e.a. (2011) verwijzen voor de hogere Brusselse werkloosheid naar de steeds hogere opleidingseisen die een te hoge drempel vormen voor laaggeschoolden, de ruimtelijke concentratie van kansarmen in bepaalde wijken van Brussel en de economische groei die relatief weinig banen schept.
1.6 INKOMEN De geproduceerde welvaart in een gewest wordt doorgaans in beeld gebracht door het bbp, ongeacht waar de productiefactoren arbeid en kapitaal vandaan komen. Dat staat tegenover de verdiende welvaart van de inwoners van een gewest. Zij hoeven hun inkomen niet in het gewest zelf te verwerven. Hun lonen, kapitaalinkomens kunnen ook in andere gewesten of in het buitenland verworven worden. In deze paragraaf gaat het om het verdiende inkomen. Het gemiddeld beschikbaar inkomen van inwoners in het Vlaamse Gewest bedroeg 23.400 euro in 2019. Dat is hoger dan in het Brusselse Gewest (20.300 euro). Het Vlaamse Gewest situeert zich daarmee 6% hoger dan
het Belgische gemiddelde. Voor het Brusselse Gewest is dat 8% lager dan het Belgische gemiddelde. Tussen 2003 en 2019 nam het verschil tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest gaandeweg toe. Waar in 2019 het Vlaamse beschikbare inkomen al 15% hoger was dan het Brusselse, was dat in 2003 nog slechts 7% hoger (figuur 8). Figuur 8. Beschikbaar inkomen per inwoner Vlaams en Brussels Gewest, 2003-2019, indices (België = 100) Vlaams Gewest
Brussels Gewest
110 105 100 95 90 85 2003
2005
2007
2009
2011
2013
2015
2017
2019
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Naast de absolute omvang is ook de samenstelling van het beschikbaar inkomen interessant (figuur 9). Dat bestaat vooreerst uit een aantal posten van het primair inkomen. De lonen maakten bijna 97% uit van het gemiddeld beschikbaar inkomen in het Vlaamse Gewest in 2019 (22.600 euro per inwoner). Het gemengd inkomen (inkomens van zelfstandigen en winsten) en het netto-inkomen uit vermogen waren goed voor respectievelijk 3.000 en 2.800 euro per inwoner. Een andere primaire inkomensbron is het zogenaamde exploitatieoverschot. Dat gaat voornamelijk over werkelijke betaalde huur en toegerekende huur in het geval van eigenaars. Het was goed voor gemiddeld 1.000 euro per inwoner. Verder zijn er posten die dat primair inkomen afromen (secundaire inkomensverdeling). In de eerste plaats gaat het om de betaalde belastingen, goed voor bijna een kwart van de omvang van het beschikbaar inkomen (-5.500 euro per inwoner). De andere herverdelende posten zijn gemiddeld minder belangrijk: de uitkeringen min de bijdragen voor de sociale zekerheid en de overige netto inkomensoverdrachten, beide minder dan -300 euro per inwoner. Dat laatste slaat op een amalgaam van uitkeringen in verband met schade, prijzengelden, stakingsgelden minus schadeverzekeringspremies en boetes.
15
De lonen kwamen in het Brusselse Gewest op 19.300 euro per inwoner of 96% van het gemiddeld beschikbaar inkomen in 2019. Ook het gemengd inkomen en het netto-inkomen uit vermogen waren met 2.400 en 2.100 euro per inwoner lager dan in het Vlaamse Gewest. Het netto-exploitatieoverschot verschilde niet veel (900 euro per inwoner). Bij de posten van de secundaire inkomensverdeling waren de netto sociale premies quasi even hoog als in het Vlaamse Gewest. De netto overige inkomensoverdrachten (-400 euro) waren er belangrijker dan in het Vlaamse Gewest. De belastingen, ten slotte, wogen met -3.800 euro per persoon minder zwaar door in het Brusselse Gewest dan in het Vlaamse Gewest. Figuur 9. Beschikbaar inkomen naar samenstelling Vlaams en Brussels Gewest, 2019, in euro per inwoner Lonen
Exploitatieoverschot
Netto sociale premies
Gemengd inkomen
Netto-inkomen uit vermogen
Netto overige inkomensoverdrachten
Belastingen
30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 −5.000 Vlaams Gewest
Brussels Gewest
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Tussen 2003 en 2019 nam het aandeel van de lonen in het Vlaamse Gewest toe van 95% naar 97%. Daar tegenover stond een dalend aandeel van het netto-inkomen uit vermogen (van 18% naar 12%). De netto sociale premies zwakten opvallend af (aandeel van -5% in 2003 naar -1% in 2019). Mogelijk speelt de invloed van de vergrijzing in Vlaanderen en de hogere last van de pensioenuitkeringen, waardoor het Vlaamse Gewest steeds minder netto bijdrager is voor deze post.
Ook in het Brusselse Gewest is er een toename van het loonaandeel (van 92% in 2003 naar 96% in 2019). Net zoals in het Vlaamse Gewest stond daar een afname van het aandeel van het netto-inkomen uit vermogen tegenover (18% in 2003 naar 10% in 2019). Maar het aandeel van de netto sociale premies bleef min of meer stabiel in het Brusselse Gewest (-1% in 2019).
1.7 ECONOMISCHE STRUCTUUR De aan- of afwezigheid van bepaalde bedrijfstakken in een regio kan een invloed hebben op de economische prestaties. Hierna komt de structuur van de Vlaamse en Brusselse economieën aan bod volgens de bruto toegevoegde waarde en volgens de totale werkgelegenheid. De gegevens zijn afkomstig van de regionale rekeningen van het INR. De bedrijfstakindeling is deze van de NACE Rev.2 op 2-digit, met een groepering in 5 hoofdsectoren: • • • • •
primaire sector: NACE 01-09 industrie: NACE 10-32 en 35-39 bouw: NACE 41-43 tertiaire sector: NACE 33 en 45-82 en 95-97 quartaire sector: NACE 84-94
1.7.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE PER BEDRIJFSTAK Zoals elke Westerse economie is ook de Vlaamse getertiairiseerd: in 2019 produceerde de tertiaire sector 56% van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde. De quartaire sector en de industrie waren goed voor 19% en 18%. De bouw had een minder belangrijk aandeel (6%). De primaire sector had een vrij marginaal aandeel (1%). In vergelijking met 2003 nam vooral het aandeel van de tertiaire sector toe, ten nadele van de industrie en de primaire sector (figuur 10). De Brusselse structuur is anders: de tertiaire sector was er in 2019 goed voor 66% van de bruto toegevoegde waarde. Dan kwam de quartaire sector met 27%. De industrie en bouw waren er veel minder belangrijk (5% en 2%). De primaire sector is er quasi onbestaande. De industrie was vroeger een stuk belangrijker in Brussel. Zo telde de stad in 1970 158.000 industriële jobs en was ze daarmee de belangrijkste industriële stad van België. De desindustrialisatie begon er eind jaren 1960 (Cassiers e.a., 2009). Tussen 2003 en 2019 nam het aandeel van de quartaire sector en in mindere mate van de tertiaire sector toe. Dit ging ten nadele van de industrie dat zijn aandeel meer dan gehalveerd zag.
17
Figuur 10a. Bruto toegevoegde waarde naar hoofdsector Vlaams Gewest, 2019, in % Primaire sector
Industrie
Bouw
Tertiaire sector
19,2
Quartaire sector
18,1
6,2
55,6
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 10b. Bruto toegevoegde waarde naar hoofdsector Brussels Gewest, 2019, in % Industrie
Bouw
Tertiaire sector
Quartaire sector
4,8 26,5
66,2
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De belangrijkste bedrijfstakken (NACE 2-digit) naar aandeel in de bruto toegevoegde waarde zijn in het Vlaamse Gewest in de tertiaire sector het onroerend goed, de zakelijke diensten, de groothandel en de detailhandel (tabel 1). In de quartaire sector gaat het om het onderwijs, het openbaar bestuur en de gezondheidszorg. De belangrijkste bedrijfstakken in de Vlaamse industrie zijn de chemie, de voeding en de farmacie. De Brusselse bedrijfstakken met het grootste gewicht zijn in de tertiaire sector vooral de banken, en verder de zakelijke diensten, het onroerend goed, de groothandel en de telecommunicatie . In de quartaire sector valt vooral het openbaar bestuur op, en daarnaast het onderwijs en de gezondheidszorg. In de industrie heeft enkel elektriciteit en gas een aandeel van meer dan 1%. Tabel 1. Belangrijkste bedrijfstakken volgens de bruto toegevoegde waarde Vlaams en Brussels Gewest, 2019, in % van de totale bruto toegevoegde waarde van het gewest VLAAMS GEWEST
BRUSSELS GEWEST
Tertiaire sector 46. Groothandel 47. Detailhandel 61. Telecommunicatie 64. Banken 68. Onroerend goed 69-70. Zakelijke diensten
7,1 3,9 0,9 2,3 9,3 8,8
4,2 2,6 3,4 13,5 7,1 8,5
Quartaire sector 84. Openbaar bestuur 85. Onderwijs 86. Gezondheidszorg
4,9 6,3 4,5
12,9 5,8 3,4
Industrie 10-12. Voeding 20. Chemie 21. Farmacie 35. Electriciteit en gas
2,6 2,8 2,1 1,3
0,6 0,2 0,3 1,4
Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.7.2 WERKGELEGENHEID PER BEDRIJFSTAK De tertiaire sector is de grootste in het Vlaamse Gewest met in 2020 een werkgelegenheidsaandeel van 51% (figuur 11). De quartaire sector is volgens deze maatstaf (29%) belangrijker dan in termen van bruto toegevoegde waarde. Ook de bouw (6%) en vooral de primaire sector (2%) zijn hier sterker vertegenwoordigd dan volgens de bruto toegevoegde waarde. Dat is omgekeerd bij de industrie (13%). Tussen 2003 en 2019 nam het aandeel van de tertiaire en quartaire sectoren toe, ten koste van de industrie en primaire sector.
19
Figuur 11a. Werkgelegenheid naar hoofdsector Vlaams Gewest, 2020, in % Primaire sector
Industrie
Bouw
Tertiaire sector
12,8 28,7
6,4
50,7
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 11b. Werkgelegenheid naar hoofdsector Brussels Gewest, 2020, in % Industrie
Bouw
Tertiaire sector
Quartaire sector
3,5 3
40,8
52,6
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Quartaire sector
Net als bij de bruto toegevoegde waarde domineren ook hier de tertiaire (53% in 2020) en quartaire sector (41%) in het Brusselse Gewest. De industrie is goed voor een aandeel van slechts 4% in de Brusselse werkgelegenheid. Voor de bouw is dat 3%. Op lange termijn nam het aandeel van de quartaire sector en in lichte mate ook van de bouw toe. De tertiaire sector kalfde af, net als de industrie. De Vlaamse bedrijfstakken met het grootste werkgelegenheidsaandeel in de tertiaire sector zijn de zakelijke diensten, de detailhandel, de uitzendkantoren, de groothandel en het beheer van gebouwen en overige zakelijke diensten (tabel 2). In de quartaire sector gaat het vooral om het onderwijs, maatschappelijke diensten, gezondheidszorg en openbaar bestuur. De Vlaamse industrietakken met het hoogste aandeel werkgelegenheid zijn de voeding, de metaalproducten en de chemie. In het Brusselse Gewest zijn voor de tertiaire sector de zakelijke diensten, het beheer van gebouwen en overige zakelijke diensten, de detailhandel, horeca en banken de belangrijkste bedrijfstakken qua werkgelegenheid. Voor de quartaire sector zijn dat het openbaar bestuur, het onderwijs en de gezondheidszorg. In de Brusselse industrie heeft geen enkele bedrijfstak een werkgelegenheidsaandeel van 1% of hoger.
Tabel 2. Belangrijkste bedrijfstakken volgens de werkgelegenheid Vlaams Gewest en Brussels Gewest, 2020, in % van de totale werkgelegenheid van het gewest VLAAMS GEWEST
BRUSSELS GEWEST
4,9 6,1 2,8 0,7 8,9 4,6
2,9 4,9 3,8 3,7 9,5 2,2
4,6
5,5
Quartaire sector 84. Openbaar bestuur 85. Onderwijs 86. Gezondheidszorg 87-88. Maatschappelijke diensten
6,2 7,8 6,4 7,0
17,0 8,9 6,1 4,2
Industrie 10-12. Voeding 20. Chemie 25. Metaalproducten
2,4 1,2 1,2
0,7 0,1 0,1
Tertiaire sector 46. Groothandel 47. Detailhandel 55-56. Horeca 64. Banken 69-70. Zakelijke diensten 78. Uitzendkantoren 80-82. Beheer gebouwen, overige zakelijke diensten
Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen
21
1.7.3 MAATSTAVEN VOOR SPREIDING EN OVEREENKOMST In deze paragraaf wordt dieper ingegaan op de spreiding van de bedrijfstakken: zijn de bedrijfstakken in het ene gewest gelijker verdeeld dan in het andere of juist niet, of is er eerder sprake van een aantal dominante bedrijfstakken? De Lorenz-curve stelt dat grafisch voor en de Gini-coëfficiënt rekent dat uit. Daarna komt de Normalized Revealed Comparative Advantage (NRCA)-index aan bod. Die becijfert in welke bedrijfstakken een gewest al dan niet gespecialiseerd is. De Finger-Kreinin (FK)-index, ten slotte, gaat na in welke mate er overeenkomst is in de bedrijfstakstructuur tussen de gewesten. De Lorenz-curve geeft de cumulatieve, oplopende rangschikking weer van de bedrijfstakken (op NACE 2-digitniveau) naar bruto toegevoegde waarde, respectievelijk werkgelegenheid. Bij een perfect gelijke verdeling (elke bedrijfstak levert evenveel bruto toegevoegde waarde, respectievelijk werkgelegenheid) bevindt die rangschikking zich op een oplopende 45°-lijn (bissectrice). Hoe verder de curve doorbuigt, hoe ongelijker de spreiding van de bruto toegevoegde waarde, respectievelijk werkgelegenheid. Een samenvattende maat daarvoor is de Gini-index. Bij een waarde van 0 is er een perfect gelijke verdeling van de bedrijfstakken. Bij een waarde van 100 is er één bedrijfstak die verantwoordelijk zou zijn voor alle bruto toegevoegde waarde, respectievelijk werkgelegenheid. Figuren 12 en 13 tonen dat de Lorenz-curve sterker doorbuigt voor het Brusselse Gewest dan voor het Vlaamse Gewest. Dat weerspiegelt zich ook in de Gini-indices: voor de bruto toegevoegde waarde is de Gini-index voor het Vlaamse Gewest 60 tegenover 71 voor het Brusselse Gewest. Voor de werkgelegenheid is dat 63 voor het Vlaamse Gewest tegenover 72 voor het Brusselse Gewest. Dat betekent dus dat er in het Brusselse Gewest minder dan in het Vlaamse Gewest sprake is van een gelijke spreiding over de bedrijfstakken. Een belangrijke reden voor de schevere Brusselse verdeling is het gewicht van het openbaar bestuur in de spreiding naar bedrijfstakken (volgens beide maatstaven) en ook van de banken (enkel volgens de bruto toegevoegde waarde). Die bedrijfstakken zijn namelijk relatief sterk vertegenwoordigd in het Brusselse Gewest.
Figuur 12. Lorenz-curve op basis van de bruto toegevoegde waarde Vlaams en Brussels Gewest, 2019 bissectrice
Vlaams Gewest
Brussels Gewest
100%
Cumulatief % bruto toegevoegde waarde
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Cumulatief % aantal bedrijfstakken (gerangschikt naar oplopend aandeel bruto toegevoegde waarde) Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
23
Figuur 13. Lorenz-curve op basis van de werkgelegenheid Vlaams en Brussels Gewest, 2020 bissectrice
100%
Vlaams Gewest
Brussels Gewest
90%
Cumulatief % werkgelegenheid
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Cumulatief % aantal bedrijfstakken (gerangschikt naar oplopend aandeel werkgelegenheid) Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Nu geweten is dat er een meer ongelijke verdeling is van de bedrijfstakken in het Brusselse Gewest dan in het Vlaamse Gewest, kan nagegaan worden waar de gewesten een troef hebben. De Vlaamse en Brusselse economieën zijn immers elk gespecialiseerd in bepaalde bedrijfstakken. Er bestaan een aantal maatstaven om de relatieve aanwezigheid van een bedrijfstak in een regio ten opzichte van een referentiegebied in kaart te brengen. Eén ervan is de Normalized Revealed Comparative Advantage (NRCA) (Yu & Leung, 2009). De definitie van de NRCA is (op basis van de bruto toegevoegde waarde): NRCA = (Xij – est Xij) / X = (Xij – (Xj x Xi) / X) / X met Xij de waarde van bedrijfstak i in gewest j, Xi de waarde van bedrijfstak i in België, Xj de som van gewest j, en est Xij de verwachte waarde van bedrijfstak i in gewest j en X de som van heel België.
Concreet geeft de NRCA het verschil weer tussen de eigenlijke waarde van bedrijfstak i in gewest j en de verwachte waarde ervan, genormaliseerd ten opzichte van de totale som van alle bedrijfstakken in België. Een waarde groter dan 0 duidt op een specialisatie van het gewest in deze bedrijfstak, een waarde kleiner dan 0 duidt erop dat er in die bedrijfstak geen specialisatie is van het gewest. Tabel 3 geeft de resultaten weer. Tabel 3. NRCA naar hoofdsector op basis van de bruto toegevoegde waarde Vlaams en Brussels Gewest, 2019, index ten opzichte van België VLAAMS GEWEST
BRUSSELS GEWEST
1,11 1,40 0,51 0,05 -2,07 0,00
-0,14 -1,98 -0,52 1,95 0,69 0,00
Primaire sector Industrie Bouw Tertiaire sector Quartaire sector Totaal Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het Vlaamse Gewest is – in vergelijking met heel België – gespecialiseerd in de industrie, de bouw en de primaire sector. Het Vlaamse Gewest is niet gespecialiseerd in de quartaire sector en de tertiaire sector neemt een neutrale positie in. Het specialisatieprofiel van het Brusselse Gewest is quasi het tegenovergestelde, met een sterk positieve waarde voor de tertiaire sector, en in mindere mate ook de quartaire sector. Dit gaat ten koste van de industrie en de bouw. Op het niveau van de NACE 2-digit bedrijfstakken is er sprake van een Vlaamse specialisatie in de voeding, chemie, machines en apparaten, bouw en groothandel. Dat is niet het geval voor banken en openbaar bestuur. Beide laatste bedrijfstakken zijn dan weer een Brusselse specialisatie, aangevuld met verzekeringen en telecommunicatie. Maar het Brusselse Gewest is niet gespecialiseerd in de chemie, farmacie en bouw. Dat leidt tot de volgende vraag: in welke mate komt de bedrijfstakstructuur van het Vlaamse en Waalse Gewest overeen? De Finger-Kreininsimilariteitsindex (FK-index) is een maat voor de overeenkomst of similariteit tussen de economische structuur van 2 landen of gewesten.
25
De definitie van de Finger-Kreinin-simulariteitsindex is (op basis van de bruto toegevoegde waarde): FK = 100 - 0,5 x ∑i│(Xi)regio 1 – (Xi)regio 2│ Met Xi het aandeel van een bedrijfstak in de hele economie. Een waarde = 0 duidt op een volledig verschillende bedrijfstakstructuur tussen 2 regio’s en bij een waarde van 100 zijn de aandelen van de bedrijfstakken dezelfde tussen de 2 gebieden.
De FK-index berekend op de bruto toegevoegde waarde van de bedrijfstaken op NACE 2-digitniveau tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest bedroeg 68 in 2019 (figuur 14). Eenzelfde berekening tussen het Vlaamse en Waalse Gewest kwam tot een FK-index van 82. Er is dus minder overeenkomst tussen de economische structuur (op basis van de bruto toegevoegde waarde) van het Vlaamse en het Brusselse Gewest, dan van het Vlaamse en het Waalse Gewest. De FK-index tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest was in 2003 niet zoveel verschillend (67). Dan volgde een geleidelijke toename tot 70 in 2008. Daarna daalde de FK-index tot ongeveer het niveau van 2020. De FK-index tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest volgens de werkgelegenheid is hoger. De werkgelegenheidsstructuur zou er dus meer gelijkend zijn dan de structuur volgens de bruto toegevoegde waarde (73 in 2020). Ook hier scoort de FK-index tussen het Vlaamse en Waalse Gewest hoger (87). En ook hier steeg de FK-index tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest aanvankelijk tot in 2008, waarna deze weer snel zakte tot ongeveer het niveau van 2020.
Figuur 14. Finger-Kreinin-index Vlaams en Brussels Gewest, 2003-2020 Op basis bruto toegevoegde waarde
Op basis werkgelegenheid
80
60
40
20
0 2004
2006
2008
Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
2010
2012
2014
2016
2018
2020
1.7.4 ROL VAN BEDRIJFSTAKKEN BIJ GROEI Kunnen de bedrijfstakken de groei van een gewest verklaren? Is er meer groei omdat er een betere mix is van sterker groeiende bedrijfstakken in dat gewest in vergelijking met het land of omdat de bedrijfstakken er gemiddeld beter presteren? Daarop kan een shift & share (S&S) analyse een antwoord bieden. Een S&S vergelijkt de geregistreerde groei van de bruto toegevoegde waarde in het Vlaamse, respectievelijk Brusselse Gewest met de groei die er zou geweest zijn mocht het Belgische groeigemiddelde van toepassing zijn in elk gewest (standaardgroei). Het verschil kan verklaard worden door 2 componenten: •
•
Structurele component: als die positief is dan is er globaal een ondervertegenwoordiging van zwakker groeiende bedrijfstakken en/of een oververtegenwoordiging van sterker groeiende bedrijfstakken in dat gewest (ten opzichte van het Belgische gemiddelde). Het omgekeerde geldt voor een negatieve structurele component. Dynamische component: een positieve dynamische component wijst erop dat de bedrijfstakken in dat gewest gemiddeld sterker presteerden dan hun Belgische evenknieën. Het omgekeerde is waar voor een negatieve dynamische component.
Dat is in formulevorm: Standaard groei: VATR,2003 . (VATB,2019 / VATB,2003) - VATR,2003 Structurele component: ∑iVA R,2003 i
∑i((VAiB,2019 / VAiB,2003) - (VATB,2019 / VATB,2003)).
Dynamische component: ∑i(VAiR,2019 - (VAiB,2019 / VAiB,2003). VAiR,2003) Geregistreerde groei: VATR,2019 - VATR,2003 Met VA: bruto toegevoegde waarde (value added), B: België, R: gewest in kwestie, i: onderscheiden bedrijfstak, T: totaal van alle bedrijfstakken
Tussen 2003 en 2019 nam de bruto toegevoegde waarde in het Vlaamse Gewest toe met 73% in nominale prijzen (figuur 15). Dat is meer dan in België (+70%). De structurele component droeg negatief bij (-2,2 procentpunt of ppt). Dat wil zeggen dat de mix van bedrijfstakken licht in het nadeel speelde van het Vlaamse Gewest. Concreet is het Vlaamse Gewest relatief sterk aanwezig in een aantal industriële bedrijfstakken die zwakker groeiden dan gemiddeld voor de hele economie. Dat werd onvoldoende gecompenseerd door een sterkere groei van tertiaire bedrijfstakken. Maar de dynamische component had een positieve bijdrage (+5,5 ppt) en is in absolute waarde groter dan de structurele component. Vooral in de tertiaire
27
sector en in de bouw groeiden Vlaamse bedrijfstakken globaal sterker dan hun Belgische evenknie. In de quartaire sector was de Vlaamse prestatie zwakker. In de industrie was het beeld gemengd. Figuur 15. Shift & share analyse op basis bruto toegevoegde waarde Vlaams Gewest ten opzichte van België, 2003-2019, in % 80
60
40
20
0
Structurele component Standaardgroei
Dynamische component
Geregistreerde groei
−20 Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De Vlaamse werkgelegenheid nam met 20% toe tussen 2003 en 2020 (figuur 16). Dat is hoger dan het Belgische gemiddelde van 17%. Enkel een positieve dynamische component (+3,0 ppt) was hiervan de oorzaak. Vooral in de uitzendsector, huishoudelijk personeel en de productie van machines, apparaten en werktuigen bleek de Vlaamse werkgelegenheidsgroei sterker dan gemiddeld in de overeenkomstige Belgische bedrijfstakken. De structurele component was nagenoeg neutraal (-0,1 ppt). Het Vlaamse Gewest is sterk aanwezig in industriële bedrijfstakken en de landbouw, met een lage groei of daling van de werkgelegenheid. Dat wordt hier gecompenseerd door een sterkere groei in tertiaire bedrijfstakken, met een sterker groeiende werkgelegenheid.
Figuur 16. Shift & share analyse op basis werkgelegenheid Vlaams Gewest ten opzichte van België, 2003-2020, in %
20
10
0
Structurele component Standaardgroei
Dynamische component
Geregistreerde groei
−10 Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De Brusselse bruto toegevoegde waarde groeide tussen 2003 en 2019 met 60% (figuur 17), minder sterk dan het Belgische gemiddelde (+70%). De structurele component was weliswaar positief (+5,9 ppt). Dit duidt op een sterkere vertegenwoordiging van snelgroeiende bedrijfstakken en/of de zwakkere aanwezigheid van trager groeiende bedrijfstakken. Vooral de Brusselse grotere aanwezigheid in sterker groeiende tertiaire bedrijfstakken speelt hier een rol. Maar de dynamische component draagt negatief bij (-15,8 ppt), en dat weegt zwaarder door. De dynamische component meet in hoeverre de bedrijfstakken in een gewest gemiddeld sneller of trager groeiden dan dezelfde bedrijfstakken in België. Op de quartaire sector na, was de dynamische component negatief voor de meeste bedrijfstakken in het Brusselse Gewest.
29
Figuur 17. Shift & share analyse op basis bruto toegevoegde waarde Brussels Gewest ten opzichte van België, 2003-2019, in % 80
60
40
20
0
Dynamische component Standaardgroei
Structurele component
Geregistreerde groei
−20 Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
De werkgelegenheid werd in het Brusselse Gewest tussen 2003 en 2020 8% groter (figuur 18). Dat is een stuk minder dan het gemiddelde voor België (17%). Vooral de globaal negatieve dynamiek van de bedrijfstakken (-8,5 ppt) speelde het Brusselse Gewest parten. Dat gold vooral voor de uitzendsector en de groothandel. De structurele component was licht negatief (-1,0). Er is dus een mix van overwegend trager groeiende bedrijfstakken. De sterke Brusselse aanwezigheid in de degressieve financiële sector (qua werkgelegenheid) werkte erg negatief door.
Figuur 18. Shift & share analyse op basis werkgelegenheid Brussels Gewest ten opzichte van België, 2003-2020, in % 20
10
0
Structurele component Standaardgroei
Dynamische component Geregistreerde groei
−10 Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen
31
2.
DE INTERREGIONALE INPUTOUTPUTTABEL 2
Bovenstaande traditionele economische statistieken geven geen volledig beeld van de economische relaties tussen het Vlaamse en Brusselse Gewest, in het bijzonder van hun verwevenheid. Daarom wordt in wat volgt gebruik gemaakt van de interregionale input-outputtabel (RIOT) voor het jaar 2015 . Het Federaal Planbureau (FPB) maakte de RIOT op, met cofinanciering door en in overleg met de gewesten. De RIOT 2015 kwam in 2021 beschikbaar.
2.1 WAT? Een RIOT geeft een overzicht van de monetaire stromen in de economieën van de gewesten (figuur 19). Daarbij worden de intermediaire stromen (levering van goederen en diensten in het productieproces), de stromen naar de finale vraag (consumptie (C), investeringen (I) en uitvoer (X)) en de stromen van de primaire inputs (elementen van de bruto toegevoegde waarde, zoals lonen en belastingen) weergegeven per bedrijfstak en per gewest. Er worden 137 bedrijfstakken onderscheiden. Figuur 19. Schematisch overzicht van een interregionale inputoutputtabel Intermediair verbruik BHG
VLG
WG
Finaal verbruik (C, I, X) BHG
VLG
WG
Output
Brussels Gewest
Vlaams Gewest
Waals Gewest
Buitenland Primaire inputs (elementen bruto toegevoegde waarde) Werkgelegenheid Noot: C=consumptie, I=investeringen en X=uitvoer. BHG=Brussels Hoofdstedelijk Gewest, VLG=Vlaams Gewest, WG=Waals Gewest. Bron: Statistiek Vlaanderen
33
Bedrijfstakken zijn onderling verweven door toelevering aan elkaar. Bedrijven uit bepaalde bedrijfstakken leveren intermediaire goederen en diensten aan elkaar en ook aan andere bedrijfstakken, die dat dan verder gebruiken in hun productieproces. Omgekeerd zijn bedrijven ook afnemer van producten uit de eigen of uit een andere bedrijfstak. Daarbij komt dat er ook handel is tussen bedrijven in de 3 gewesten onderling (interregionale uitvoer en invoer). Een RIOT geeft vooreerst een inzicht in de inputstructuur van de productie. Om goederen en diensten te produceren hebben bedrijven immers nood aan toelevering van grondstoffen of hulpfabricaten (intermediaire leveringen) uit het eigen gewest, maar ook uit de andere gewesten en import uit het buitenland. Om die intermediaire leveringen en import uiteindelijk samen te stellen tot een product of dienst zijn arbeid, kapitaal en overheidsdiensten nodig. De vergoedingen daarvoor vormen de bestanddelen van de bruto toegevoegde waarde. Een RIOT maakt het ook mogelijk na te gaan hoeveel bruto toegevoegde waarde ontstaat of hoeveel werkgelegenheid aan de slag is om aan de finale vraag te voldoen. Dat wordt hierna besproken. Dit wil zeggen hoeveel bruto toegevoegde waarde voortgebracht of werkgelegenheid ingezet wordt voor de hoofdsectoren of om te zorgen voor consumptie, investeringen en uitvoer als componenten van de finale vraag. Het gaat niet enkel over een gewest zelf. Hier komt ook aan bod in welke mate de Vlaamse en Brusselse economieën bijdragen tot elkaars bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Deze indicatoren schetsen de onderlinge verwevenheid.
2.2 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE- EN WERKGELEGENHEIDSEFFECTEN VOOR HOOFDSECTOREN Een RIOT kan becijferen hoeveel bruto toegevoegde waarde of werkgelegenheid gerealiseerd wordt voor een gewest (om aan de finale vraag van dat gewest te voldoen), niet enkel in het gewest zelf, maar ook in andere gewesten. Een RIOT houdt immers rekening met de toeleveringsstructuren tussen de verschillende bedrijfstakken onderling en de finale vraag (consumptie, investeringen en uitvoer), en dit over de gewesten heen. Voor de technische details wordt verwezen naar Eurostat (2008, 477-534). De regionale rekeningen van het INR geven weer hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid ‘in’ een gewest geproduceerd of gecreëerd wordt is. De RIOT maakt duidelijk hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid ‘voor’ dat gewest geproduceerd of gecreëerd wordt om aan de finale vraag te voldoen. Hier wordt gebruik gemaakt van de RIOT voor het jaar 2015, op dit ogenblik de meest actuele versie.
In de volgende paragrafen volgt een uitsplitsing van de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid voor het Vlaamse en Brusselse Gewest alsook in het Vlaamse en Brusselse Gewest.
2.2.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE Tabel 4 geeft een overzicht van de bruto toegevoegde waarde geproduceerd in en voor de finale vraag van een gewest. Tabel 4. Bruto toegevoegde waarde geproduceerd in en voor een gewest België en de gewesten, 2015, absolute cijfers en in % van het totaal ABSOLUTE CIJFERS (IN MILJARD EURO) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
190,0 22,1 14,2 226,2
9,7 35,2 4,8 49,7
17,3 13,5 66,6 97,4
VOOR EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
84,0 9,8 6,3 100,0
19,5 70,9 9,6 100,0
17,8 13,8 68,4 100,0
IN EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
87,6 31,2 16,6 60,6
4,5 49,8 5,6 13,3
8,8 19,0 77,9 26,1
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
217,00 70,8 85,5 373,3
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
58,1 19,0 22,9 100,0
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
100,0 100,0 100,0 100,0
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Voor het Vlaamse Gewest In 2015 werd in België 226,2 miljard euro bruto toegevoegde waarde geproduceerd om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. Het gros van die bruto toegevoegde waarde kwam tot stand in het Vlaamse Gewest zelf (84%). Het Brusselse Gewest was goed voor 10%. Het Waalse Gewest stond in voor 6% (wordt hier verder niet besproken).
35
Er zijn verschillen volgens hoofdsector (niet in de tabel weergegeven): voor de industrie, de bouw en de tertiaire sector wordt de meeste bruto toegevoegde waarde (85 tot 86%) intern Vlaams geproduceerd. Voor de tertiaire en vooral de quartaire sector springt het Brusselse Gewest het sterkst bij (respectievelijk 10% en 13%). Voor het Brusselse Gewest In 2015 werd in België 49,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd voor de Brusselse finale vraag. Het Brusselse Gewest stond zelf in voor 71% van deze bruto toegevoegde waarde. In het Vlaamse Gewest werd 20% van de bruto toegevoegde waarde voor de Brusselse finale vraag gerealiseerd, in het Waalse Gewest was dat 10%. Het Brusselse Gewest produceert naar verhouding zelf de meeste bruto toegevoegde waarde voor de tertiaire en quartaire sectoren (tussen 75% en 80%). Voor de industrie en de bouw produceert het Brusselse Gewest zelf minder dan de helft van de bruto toegevoegde waarde bestemd voor dat gewest. Voor de primaire sector is dat zelfs minder dan 20%. Vooral het Vlaamse Gewest springt hier bij. Voor de bouw en de primaire sector is het Vlaamse Gewest de belangrijkste producent van de bruto toegevoegde waarde voor het Brusselse Gewest. In het Vlaamse Gewest De bruto toegevoegde waarde die in het Vlaamse Gewest voor de Belgische finale vraag gerealiseerd wordt komt volgens de RIOT overeen met wat in de regionale rekeningen van het INR staat: 217,0 miljard euro in 2015. Het Vlaamse Gewest produceert zelf 190,0 miljard euro bruto toegevoegde waarde om aan de Vlaamse finale vraag te voldoen. Daarnaast produceert het slechts 9,7 miljard euro om aan de Brusselse finale vraag te voldoen. Of nog: van de bruto toegevoegde waarde die in het Vlaamse Gewest voortgebracht wordt, is 88% bestemd voor het Vlaamse Gewest zelf en 5% voor het Brusselse Gewest (is minder dan 10% voor elke hoofdsector afzonderlijk). In het Brusselse Gewest Bovenstaande cijfers in het Vlaamse Gewest staan in contrast tot het Brusselse Gewest dat zelf 35,2 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de eigen finale vraag voortbrengt, maar daarnaast ook 22,1 miljard euro bruto toegevoegde waarde voor de Vlaamse finale vraag. Van de totale geproduceerde bruto toegevoegde waarde in het Brusselse Gewest is 50% bestemd voor het gewest zelf en 31% voor het Vlaamse Gewest. Dat is tekenend voor de toeleveranciersfunctie van het Brusselse Gewest. Het belangrijkste deel van de bruto toegevoegde waarde dat het Brusselse
Gewest voortbrengt voor de industrie, de bouw en ook de kleine primaire sector is voor de Vlaamse finale vraag. Voor de tertiaire en quartaire sectoren is dat een vierde tot een derde, toch nog een aanzienlijk deel. Vergelijking voor en in het gewest Tot slot nog een vergelijking van de geregistreerde bruto toegevoegde waarde ‘voor’ beide gewesten versus ‘in’ beide gewesten volgens de RIOT. Hiervoor kwam aan bod dat de bruto toegevoegde waarde die volgens de RIOT in 2015 voor het Vlaamse Gewest gerealiseerd werd, hoger ligt dan wat gerealiseerd werd in het Vlaamse Gewest (226,2 miljard euro voor, tegenover 217,0 miljard euro in het Vlaamse Gewest). De bruto toegevoegde waarde die volgens de RIOT voor het Brusselse Gewest gerealiseerd werd in 2015 kwam op 49,7 miljard euro. Dat is duidelijk minder dan wat in het Brusselse Gewest geproduceerd wordt (70,8 miljard euro). De economische structuur zoals bekend uit de regionale rekeningen geeft de dominantie van de tertiaire sector weer in de bruto toegevoegde waarde, en dit in beide gewesten (54% in het Vlaamse en 65% in het Brusselse Gewest in 2015) (figuur 20). De quartaire sector komt op de 2de plaats (19% in het Vlaamse en 26% in het Brusselse Gewest), zij het dat de industrie quasi even omvangrijk is in het Vlaamse Gewest (19%). In de RIOT-omrekening blijkt de tertiaire sector in beide gewesten aandeel te verliezen (45% in het Vlaamse en 61% in het Brusselse Gewest). Industrie en bouw winnen in beide gewesten aan belang. Opvallend is het aandeel van de quartaire sector. Dit zakt volgens de RIOT in het Brusselse Gewest iets, maar stijgt in het Vlaamse Gewest. Het aandeel van de quartaire sector is volgens de RIOT ongeveer gelijk in beide gewesten (circa 24%). Het is inderdaad zo dat de quartaire sector ook belangrijk is voor de Vlaamse economie maar het doet voor de quartaire diensten in belangrijke mate een beroep op – vooral – het Brusselse Gewest. Figuur 20. Bruto toegevoegde waarde naar hoofdsector In en voor Vlaams en Brussels Gewest, 2015, in % Primaire sector
Industrie
Bouw
In het Vlaams Gewest
19
Voor het Vlaams Gewest
22
In het Brussels Gewest
6
65
Voor het Brussels Gewest
9
6
0
Tertiaire sector 6
Quartaire sector
54 8
19 45
25 26
61 20
24 40
60
80
100
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
37
2.2.2 WERKGELEGENHEID De analyse volgens werkgelegenheid is gelijklopend als de analyse over de bruto toegevoegde waarde (tabel 5). Tabel 5. Werkgelegenheid actief in en voor een gewest België en de gewesten, 2015, absolute cijfers en in % van het totaal ABSOLUTE CIJFERS (IN 1.000 PERSONEN) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
2.356,7 210,5 214,9 2.782,1
116,4 346,0 72,0 534,4
217,1 136,3 947,4 1.300,8
VOOR EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
84,7 7,6 7,7 100,0
21,8 64,8 13,5 100,0
16,7 10,5 72,8 100,0
IN EEN GEWEST (IN % TOTAAL) VOOR VLAAMSE VOOR BRUSSELSE VOOR WAALSE FINALE VRAAG FINALE VRAAG FINALE VRAAG
In Vlaams Gewest In Brussels Gewest In Waals Gewest In België
87,6 30,4 17,4 60,3
4,3 49,9 5,8 11,6
8,1 19,7 76,8 28,2
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
2.690,1 692,8 1.234,3 4.617,3
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
58,3 15,0 26,7 100,0
VOOR BELGISCHE FINALE VRAAG
100,0 100,0 100,0 100,0
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Voor het Vlaamse Gewest In 2015 waren er in België 2.782.100 personen aan de slag om aan de Vlaamse finale vraag te voldoen. Het grootste deel (85%) daarvoor werkt in het Vlaamse Gewest zelf. Het Brusselse Gewest maakt 8% uit van de werkgelegenheid voor de Vlaamse finale vraag, dat is minder dan het aandeel bij de bruto toegevoegde waarde. De verschillen tussen de hoofdsectoren zijn minder sterk dan bij de bruto toegevoegde waarde (niet in de tabel weergegeven). Voor het Brusselse Gewest In 2015 bedroeg de werkgelegenheid ‘voor’ het Brusselse Gewest 534.400 personen. Het Brusselse Gewest was zelf goed voor 65% van deze werkgelegenheid, een lager aandeel dan bij de bruto toegevoegde waarde.
Vooral voor de quartaire (77%) en de tertiaire sector (66%) zijn de meeste werkenden actief in het Brusselse Gewest. Voor de industrie en de bouw is de belangrijkste groep werkenden voor de Brusselse finale vraag aan de slag in het Vlaamse Gewest. Voor de primaire sector is het zelfs een meerderheid, maar het gaat om een heel kleine sector. In het Vlaamse Gewest De totale werkgelegenheid in het Vlaamse Gewest komt anno 2015 op 2.690.100 personen, zoals blijkt uit de RIOT en ook uit de regionale rekeningen van het INR. In het Vlaamse Gewest zelf werken 2.356.700 personen voor de Vlaamse finale vraag (88% van de Vlaamse werkgelegenheid). Daarbij komen 116.400 personen voor de Brusselse finale vraag (4% van de Vlaamse werkgelegenheid). Voor geen enkele hoofdsector gebeurt meer dan 10% van de tewerkstelling in het Vlaamse Gewest voor de Brusselse finale vraag. In het Brusselse Gewest In het Brusselse Gewest zijn er 346.000 personen actief voor de Brusselse finale vraag en 210.500 voor de Vlaamse finale vraag, of respectievelijk 50% en 30% van de Brusselse werkgelegenheid. Naar hoofdsector is het belangrijkste deel van de Brusselse werkgelegenheid in de industrie, bouw en primaire sector actief voor de Vlaamse finale vraag. En net zoals bij de bruto toegevoegde waarde werkt voor de tertiaire en quartaire sectoren het belangrijkste deel voor het eigen gewest, maar de Brusselse werkgelegenheid voor de tertiaire en quartaire sectoren voor de Vlaamse finale vraag is toch nog aanzienlijk (respectievelijk: 26% en 31%). Vergelijking voor en in het gewest De RIOT registreert een werkgelegenheid van 2.782.100 personen voor de Vlaamse finale vraag. Dat zijn er bijna 92.000 meer dan de 2.690.500 werkend in het Vlaamse Gewest volgens de regionale rekeningen. De tertiaire en quartaire sectoren (50% en 29%) nemen de meeste werkgelegenheid voor hun rekening in het Vlaamse Gewest (figuur 21). Het aandeel van de werkgelegenheid in de industrie (14%) is duidelijk lager dan bij de bruto toegevoegde waarde. Dat wijst op een hoger productiviteitsniveau. Als we de werkgelegenheid ‘voor’ het Vlaamse Gewest beschouwen, dan zakt het aandeel van de tertiaire sector naar 40%. Ook de primaire sector verliest terrein, maar het gaat om een kleine sector. De overige hoofdsectoren winnen aandeel, vooral de quartaire sector en de industrie. Net zoals bij de bruto toegevoegde waarde zijn er meer personen aan de slag ‘voor’ het Vlaamse Gewest dan ‘in’ het gewest. Het omgekeerde geldt voor het Brusselse Gewest.
39
De conclusies over de werkgelegenheid ‘in’ en ‘voor’ het Vlaamse en Brusselse Gewest zijn analoog aan de conclusies bij de bruto toegevoegde waarde: de tertiaire sector is in alle gevallen de belangrijkste werkverschaffer, maar het aandeel van de tertiaire sector ligt lager ‘voor’ het Vlaamse en Brusselse Gewest dan ‘in’ beide gewesten. En de quartaire sector blijkt even belangrijk ‘voor’ het Brusselse als ‘voor’ het Vlaamse Gewest (figuur 21). Figuur 21. Werkgelegenheid naar hoofdsector In en voor Vlaams en Brussels Gewest, 2015, in % Primaire sector
Industrie
In het Vlaams Gewest
14
Voor het Vlaams Gewest
18
In het Brussels Gewest
Bouw
Tertiaire sector
6
Quartaire sector
50 8
29 40
34
54
Voor het Brussels Gewest
8 0
7
39 52 20
34 40
60
80
100
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.3 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE- EN WERKGELEGENHEIDSEFFECTEN VOOR FINALE VRAAG Hierna wordt becijferd hoeveel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid gepaard gaan met de finale vraag in het Vlaamse en Brusselse Gewest (consumptie, investeringen en uitvoer).
2.3.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE Hiervoor kwam al aan bod dat in 2015 226,2 miljard euro bruto toegevoegde waarde geproduceerd werd in België om te voldoen aan de Vlaamse totale finale vraag. Nu zal het onderscheid gemaakt worden naar de verschillende componenten van de finale vraag. Dat geeft een inzicht voor welke activiteit juist bruto toegevoegde waarde gerealiseerd wordt (figuur 22). De Vlaamse uitvoer van goederen en diensten is samen goed voor 36% van deze bruto toegevoegde waarde (20% voor de goederen en 16% voor de diensten). De consumptie van huishoudens neemt 30% voor zijn rekening. De overheidsconsumptie (individueel en collectief) is goed voor 20% en de investeringen voor 12%. De consumptie van Instellingen zonder Winstoogmerk (IZW’s) en voorraadwijzigingen zijn posten met minieme bedragen.
Figuur 22. Bruto toegevoegde waarde om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag Naar gewest waar geproduceerd wordt, 2015, in miljoen euro In het Vlaams Gewest
In het Brussels Gewest
In het Waals Gewest
Consumptie huishoudens Individuele consumptie overheid Collectieve consumptie overheid Consumptie Instellingen zonder Winstoogmerk Investeringen Voorraadwijzigingen Uitvoer goederen Uitvoer diensten 0
10.000
20.000
30.000
40.000
50.000
60.000
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het gros van deze totale bruto toegevoegde waarde wordt geproduceerd in Vlaamse bedrijfstakken (84%). 10% ervan gebeurt in Brusselse bedrijfstakken. Het Brussels Gewest springt naar verhouding het sterkst bij voor de Vlaamse collectieve overheidsconsumptie (20%) en de consumptie van IZW’s (22%). In mindere mate is dat ook het geval voor de consumptie van huishoudens en de individuele overheidsconsumptie (13% en 10%). Nog in 2015 was de Brusselse finale vraag goed voor 49,7 miljard euro. Ook hier gaat het grootste deel van de bruto toegevoegde waarde (42%) naar de uitvoer, vooral de uitvoer van diensten (35%) (figuur 23). De uitvoer van goederen maakt 7% uit. De consumptie van huishoudens staat voor 25% en de totale overheidsconsumptie voor 19%. De investeringen (12%) hebben ongeveer een gelijk aandeel als voor de Vlaamse finale vraag.
41
Figuur 23. Bruto toegevoegde waarde om te voldoen aan de Brusselse finale vraag Naar gewest waar geproduceerd wordt, 2015, in miljoen euro In het Vlaams Gewest
In het Brussels Gewest
In het Waals Gewest
Consumptie huishoudens Individuele consumptie overheid Collectieve consumptie overheid Consumptie Instellingen zonder Winstoogmerk Investeringen Voorraadwijzigingen Uitvoer goederen Uitvoer diensten 0
5.000
10.000
15.000
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Ook voor de Brusselse finale vraag nemen Brusselse bedrijfstakken globaal het grootste deel voor hun rekening (71%), maar de andere gewesten en in het bijzonder het Vlaamse Gewest (20%) dragen relatief sterker bij dan dat Brusselse bedrijfstakken bijdragen aan de Vlaamse finale vraag. Voor de investeringen en de collectieve overheidsconsumptie is de Vlaamse bijdrage relatief het sterkst (40% en 28%), ongerekend de voorraadwijzigingen die maar een heel kleine post zijn. In absolute cijfers, echter, is de bruto toegevoegde waarde die Vlaamse bedrijfstakken produceren om te voldoen aan de Brusselse totale overheidsconsumptie en huishoudensconsumptie (1,6 en 2,8 miljard euro) kleiner dan wat de Brusselse bedrijfstakken voortbrengen voor de Vlaamse totale overheidsconsumptie en huishoudensconsumptie (6,0 en 8,7 miljard euro). Voor alle componenten van de finale vraag samen presteert het Brusselse Gewest in absolute cijfers 2,3 maal meer voor de Vlaamse finale vraag dan wat het Vlaamse Gewest voor de Brusselse finale vraag presteert.
2.3.2 WERKGELEGENHEID Ook hier is de analyse volgens de werkgelegenheid gelijklopend. 2.782.100 werkenden waren in 2015 actief om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag. De belangrijkste bestedingscomponenten waarvoor deze personen aan de slag zijn, zijn de uitvoer van goederen en diensten (samen 32%, iets meer voor goederen dan voor diensten), de consumptie van huishoudens (28%) en de totale overheidsconsumptie (26%) (figuur 24). Figuur 24. Werkgelegenheid om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag Naar gewest waar geproduceerd wordt, 2015, in miljoen euro In het Vlaams Gewest
In het Brussels Gewest
In het Waals Gewest
Consumptie huishoudens Individuele consumptie overheid Collectieve consumptie overheid Consumptie Instellingen zonder Winstoogmerk Investeringen Voorraadwijzigingen Uitvoer goederen Uitvoer diensten 0
200.000
400.000
600.000
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Globaal was het overgrote deel van de tewerkstelling actief in het Vlaamse Gewest (85%), en 8% in het Brusselse Gewest. De bestedingsposten waar het Brusselse Gewest het grootste aandeel heeft zijn de collectieve overheidsconsumptie (16%) en de consumptie van IZW’s (13%). De consumptie van huishoudens en de individuele overheidsconsumptie zijn minder prominent (9% en 8%). 534.400 personen waren in 2015 aan de slag om te voldoen aan de Brusselse finale vraag. Het gaat vooral om de uitvoer (35%, voor het merendeel diensten), de individuele overheidsconsumptie (26%) en de consumptie van huishoudens (23%) (figuur 25).
43
Figuur 25. Werkgelegenheid om te voldoen aan de Brusselse finale vraag Naar gewest waar geproduceerd wordt, 2015, in miljoen euro In het Vlaams Gewest
In het Brussels Gewest
In het Waals Gewest
Consumptie huishoudens Individuele consumptie overheid Collectieve consumptie overheid Consumptie Instellingen zonder Winstoogmerk Investeringen Voorraadwijzigingen Uitvoer goederen Uitvoer diensten 0
50.000
100.000
150.000
Bron: RIOT 2015, bewerking Statistiek Vlaanderen
Globaal is het grootste deel van de tewerkstelling actief in Brusselse bedrijfstakken (65%). 22% werkt in Vlaamse bedrijfstakken om te voldoen aan de Brusselse finale vraag. Het aandeel voor het Brusselse Gewest zakt tot ongeveer de helft in de collectieve overheidsconsumptie (46%) en nog minder bij de investeringen (37%). Dat is ook zo voor de voorraadwijzigingen, maar dat is een kleine post. Ook voor de werkgelegenheid geldt dat er meer werkenden in het Brusselse Gewest actief zijn voor de Vlaamse totale overheidsconsumptie en huishoudensconsumptie (74.400 en 69.300) dan dat er werkenden in het Vlaamse Gewest aan de slag zijn voor de Brusselse totale overheidsconsumptie en huishoudensconsumptie (22.300 en 30.100). Voor alle posten van de finale vraag zijn er 1,8 maal meer personen die werken voor het Brusselse Gewest om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag dan dat er personen zijn die werken voor het Vlaamse Gewest om te voldoen aan de Brusselse finale vraag.
BESLUIT
3
Dit rapport brengt de relatie tussen de Vlaamse en Brusselse economie in kaart. In een eerste deel gebeurt dat door analyse van het traditioneel beschikbare datamateriaal, grotendeels uit de regionale rekeningen. Een tweede deel benut de mogelijkheden van de interregionale input-outputtabel (RIOT) om de verwevenheid tussen deze beide economieën beter te schetsen. Het traditionele statistische aanbod maakt duidelijk dat het Vlaamse Gewest 5,5 maal meer inwoners telt dan het Brusselse Gewest, maar dat de Brusselse bevolking tussen 2003 en 2021 sterker toenam dan de bevolking in het Vlaamse Gewest (respectievelijk +22% en +11%). Ook voor de leeftijdscategorie waar de arbeidskrachten uit gerekruteerd worden (15-64 jaar) is er sprake van een snellere bevolkingstoename in het Brusselse Gewest. De sterkere migratiestroom van het Brusselse naar het Vlaamse Gewest doet hier geen afbreuk aan. Het bbp is in het Vlaamse Gewest 3,2 maal hoger dan in het Brusselse Gewest. Maar het bbp per inwoner ligt met 40.100 euro in 2020 in het Vlaamse Gewest duidelijk onder het bbp van het Brusselse Gewest (68.900 euro per inwoner). Dat komt doordat het Brusselse Gewest een hoofdstedelijk gebied is met vele activiteiten met hoge toegevoegde waarde. Alle verklarende factoren (arbeidsproductiviteit, werkgelegenheidsgraad en aandeel bevolking op beroepsactieve leeftijd) zijn gunstiger in het Brusselse Gewest. Dat neemt niet weg dat het verschil met het Vlaamse Gewest met de jaren kleiner wordt. De reële economische groei was met 1,7% gemiddeld over 2003-2021 in het Vlaamse Gewest immers hoger dan in het Brusselse Gewest (+0,8%). Dit komt door een sterkere groei van de arbeidsproductiviteit en meer nog van de werkgelegenheid in het Vlaamse Gewest. In 2020 was 8% van de Vlaamse beroepsbevolking aan de slag in het Brusselse Gewest. Omgekeerd was 12% van de Brusselse beroepsbevolking actief in het Vlaamse Gewest. Het is pas sinds de eeuwwisseling dat er een groter aandeel van de Brusselse beroepsbevolking werkzaam is in het Vlaamse Gewest dan omgekeerd. Let wel: in absolute aantallen is het aantal Vlaamse pendelaars naar het Brusselse Gewest een pak hoger dan omgekeerd. De werkloosheidsgraad is in het Vlaamse Gewest (6% in 2020 volgens de ruime definitie van het Federaal Planbureau) structureel lager dan in het Brusselse Gewest (16%). Vooral in de jaren 1980 en 1990 liepen de werkloosheidsgraden tussen beide gewesten uiteen. Niettegenstaande het bbp per inwoner (‘geproduceerde’ inkomen) in het Brusselse Gewest hoger ligt dan in het Vlaamse Gewest, is het beschikbaar inkomen per inwoner (‘verdiende’ inkomen) er lager: 20.300 euro per inwoner in het Brusselse Gewest tegenover 23.400 euro per inwoner in het Vlaamse Gewest in 2019. De vraag naar hoger opgeleide arbeidskrachten in het
45
Brusselse Gewest wordt kennelijk meer ingevuld door pendelaars wonend buiten het Brusselse Gewest, waardoor de werkloosheid er relatief hoog blijft en het beschikbaar inkomen relatief laag. De belangrijkste bedrijfstakken in het Vlaamse Gewest zijn de groothandel, zakelijke diensten, voeding, chemie en farmacie. In het Brusselse Gewest zijn dat de banken, zakelijke diensten en openbaar bestuur. Het Vlaamse Gewest is gespecialiseerd in de primaire sector, industrie en bouw (relatief ten opzichte van België). Het Brusselse Gewest is gespecialiseerd in de tertiaire en quartaire sectoren. Er is een betere spreiding van de economische activiteit over de diverse bedrijfstakken in het Vlaamse Gewest, wat niet hoeft te verwonderen gezien de omvang ten opzichte van Brussel en de aanwezigheid van industriegebieden, havens, open ruimte en steden. Het Brusselse Gewest is sterk gefocust op zijn hoofdstedelijke functie. De structuur van de bedrijfstakken speelt niet zo een belangrijke rol bij de verklaring van de groeiverschillen in het Vlaamse en Brusselse Gewest. Het is de dynamiek van de bedrijfstakken op zich die het verschil maakt: in positieve zin voor het Vlaamse Gewest en in negatieve zin voor het Brusselse Gewest. In het tweede deel van dit rapport werd gebruik gemaakt van de interregionale input-outputtabel (RIOT) van 2015. De RIOT laat toe de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid te berekenen die gepaard gaan met de relaties tussen de Vlaamse en Brusselse economieën. In 2015 werd in België 226,2 miljard euro bruto toegevoegde waarde geproduceerd om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag en waren er daarvoor 2.782.100 personen werkzaam. Dat gebeurde veruit voor het grootste deel in het Vlaamse Gewest zelf (84,0% van de bruto toegevoegde waarde en 84,7% van de werkgelegenheid). Dat is vooral zo voor de industrie, bouw en tertiaire sector. In het Brusselse Gewest wordt gezorgd voor 10% van de bruto toegevoegde waarde en 8% van de werkgelegenheid voor het Vlaamse Gewest. Het Brusselse Gewest leverde de sterkste bijdrage voor de tertiaire en de quartaire sectoren. Verder werd in 2015 49,7 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd voor de Brusselse finale vraag en waren daarvoor 534.400 personen tewerkgesteld. Het grootste deel daarvan gebeurde in het Brusselse Gewest (70,9% van de bruto toegevoegde waarde en 64,8% van de werkgelegenheid). Het Vlaamse Gewest springt voor ongeveer 20% bij. Het Brusselse Gewest produceert naar verhouding zelf de meeste bruto toegevoegde waarde voor de tertiaire en quartaire sectoren (tussen 75% en 80%). De Vlaamse bijdrage is het grootst voor de primaire sector, industrie en bouw. De regionale rekeningen van het INR publiceren de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid die geproduceerd of gecreëerd wordt ‘in’ een gewest. Dat kunnen we nu vergelijken met wat ‘voor’ de finale vraag van een gewest geproduceerd of gecreëerd wordt volgens de RIOT. De bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid voor het Vlaamse Gewest liggen
hoger dan wat in het Vlaamse Gewest geproduceerd wordt of tewerkgesteld is. Dat komt enkel door de industrie, bouw en quartaire sector. Dit is niet het geval voor de primaire en tertiaire sectoren. Voor het Brusselse Gewest is dat net omgekeerd. Dat komt vooral omdat de tertiaire sector in het Brusselse Gewest sterk aanwezig is en deze sector dienstverlenend werkt aan de eigen en andere sectoren in elk gewest. De industrie en bouw hebben een groter aandeel ‘voor’ het Brusselse Gewest. Maar in dit gewest verliest naast de tertiaire ook de quartaire sector terrein. De Brusselse quartaire sector levert immers relatief veel diensten aan andere sectoren, ook Vlaamse. Opvallend is dat het aandeel van de quartaire sector ‘voor’ het gewest volgens beide maatstaven ongeveer aan elkaar gelijk is in beide gewesten (circa 24% voor de bruto toegevoegde waarde en circa 34% voor de werkgelegenheid). Ten slotte werd in dit rapport ingegaan op de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid voor de componenten van de finale vraag. In het Vlaamse Gewest maakt de uitvoer (goederen en diensten) de hoofdbrok uit met 36% van de bruto toegevoegde waarde en 32% van de werkgelegenheid, vooral de goederenuitvoer. De consumptie van de huishoudens is de 2de belangrijkste post (30% van de bruto toegevoegde waarde en 28% van de werkgelegenheid). Dan volgen de overheidsconsumptie (20% van de bruto toegevoegde waarde en 25% van de werkgelegenheid) en de investeringen (12% voor beide indicatoren). Het gros van de bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid wordt voortgebracht in Vlaamse bedrijfstakken (84% tot 85%). Slechts 10% van de bruto toegevoegde waarde en 8% van de werkgelegenheid gebeurt in Brusselse bedrijfstakken (beide om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag). Het Brusselse Gewest springt naar verhouding het sterkst bij voor de Vlaamse collectieve overheidsconsumptie en de consumptie van Instellingen zonder Winstoogmerk (IZW’s). In het Brusselse Gewest is de uitvoer goed voor 42% van de bruto toegevoegde waarde en 35% van de werkgelegenheid (vooral uitvoer van diensten). Dan volgen de consumptie van huishoudens (circa 25%), de overheidsconsumptie (19% van de bruto toegevoegde waarde en 26% van de werkgelegenheid) en de investeringen (12% tot 14%). Ook het Brusselse Gewest zelf neemt het gros van de bruto toegevoegde waarde (71%) en werkgelegenheid (65%) voor zijn rekening. Het Vlaamse Gewest springt in beide gevallen voor ongeveer 20% bij. Dat is vooral het geval voor de collectieve overheidsconsumptie, de investeringen en de consumptie van huishoudens. Let op de volgende paradox: het Vlaamse aandeel voor de Brusselse finale vraag is groter dan het Brusselse aandeel voor de Vlaamse finale vraag. Dat verhult dat in absolute cijfers meer bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid in het Brusselse Gewest actief is om te voldoen aan de Vlaamse finale vraag dan omgekeerd: 2,3 keer meer voor de bruto
47
toegevoegde waarde en 1,8 keer meer voor de werkgelegenheid (en zelfs nog meer voor de consumptie van huishoudens en overheid). Dat komt omdat de Vlaamse finale vraag in absolute cijfers veel omvangrijker is (circa 5 maal groter dan de Brusselse finale vraag). Het Brusselse Gewest speelt dus ook voor de finale vraag wel degelijk een ondersteunende rol voor de Vlaamse economie. De RIOT is een welkome aanvulling bij de traditionele statistieken over de economie van het Vlaamse en Brusselse Gewest. De bijdrage van elkeen tot de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van het eigen en het andere gewest kan met de RIOT in kaart gebracht worden. Een belangrijk nadeel van de RIOT is de periodieke update (doorgaans 5-jaarlijks) en het feit dat door de omslachtige samenstelling de cijfers van een RIOT nooit erg actueel kunnen zijn. Dat maakt statistieken op basis van een RIOT moeilijk bruikbaar als basis voor een nieuwe Vlaamse openbare statistiek, maar wel voor meer verdiepende publicaties.
LITERATUURLIJST
4
Biot, V., Van Hamme, G. & Wertz, I. (2011). Economische groei zonder vooruitgang: stand van zaken in Brussel. In: Brussels Studies. Open Edition Journals. Synthesenota SGB nr. 48. Université Saint-Louis Bruxelles. BISA (2021). Sociaaleconomisch overzicht 2021. Economische, sociale en milieucontext van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. December 2021. Brussel. Cassiers, T., Leclercq, E., Vandermotten, C. & Wayens, B. (2009). De Brusselse economie. In: Brussels Studies. Open Edition Journals. Synthesenota SGB nr. 7. Université Saint-Louis Bruxelles. Charlier, J., Debuisson, M., Hermia, J.-P. & Pelfrene, E. (2019). Migraties tussen de gewesten van België. Brussel: Onderzoeksrapport BISA, Statistiek Vlaanderen en IWEPS. Eurostat (2008). Manual of supply, use and input-output tables. Luxemburg, 590 p. Federaal Planbureau (2022). Regionale economische vooruitzichten 20222027. Brussel. Yu, R. & Leung, P. (2009). The normalized revealed comparative advantage index. In: The Annals of Regional Science, Vol. 43, n.1, 267-282.
49
51
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteur Thierry Vergeynst thierry.vergeynst@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2022/3241/225
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel www.vlaanderen.be/statistiek-vlaanderen