Skip to main content

transitieinitieelberoepsonderwijsnaararbeidsmarkt_samenvatting_1.pdf

Page 1

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

De transitie van het initieel beroepsonderwijs naar de arbeidsmarkt met speciale aandacht voor de ongekwalificeerde onderwijsverlaters

Hilde Creten Veerle Van de Velde Jan Van Damme m.m.v. Dieter Verhaest Een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma Met ondersteuning van de administratie Werkgelegenheid en het ESF ESF: de Europese bijdrage tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid door inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen te bevorderen en door te investeren in menselijke hulpbronnen november 2002

Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek

Hoger instituut voor de arbeid


iii


SAMENVATTING EN BELEIDSAANBEVELINGEN

1. Samenvatting Van bij de start van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1998 werd een vermindering van het aantal jongeren dat de school voortijdig verlaat als een belangrijke pijler voorop gesteld in de realisatie van een betere overgang van school naar werk. Om die doelstelling te bereiken, moeten de lidstaten de kwaliteit van hun onderwijssysteem verbeteren teneinde het aanpassingsvermogen van de jongeren aan de technologische en economische veranderingen te vergroten en jongeren de kwalificaties te bezorgen die sporen met de behoeften van de arbeidsmarkt. Op de Europese Raad van Lissabon van maart 2000 engageerde BelgiĂŤ zich samen met de andere lidstaten om tegen 2010 de ongekwalificeerde uitstroom uit het initieel onderwijs te halveren. Afhankelijk van de gehanteerde definitie, gegevensbron en berekeningswijze schommelt het aantal jongeren dat vandaag in Vlaanderen het onderwijs verlaat zonder een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs op zak rond de tien procent. Hiermee behoort Vlaanderen - voortgaand op de OESO-cijfers - tot de middengroep; alhoewel heel wat kanttekeningen te plaatsen zijn bij de kwaliteit en dus ook het gebruik van deze cijfers bij een internationale benchmarking. In opvolging van de afspraken gemaakt op de Top van Lissabon werden door de Vlaamse regering tal van initiatieven aangekondigd om de ongekwalificeerde uitstroom te reduceren. Het is in het licht van al deze nieuw aangekondigde initiatieven dat we in dit onderzoek wensten na te gaan welke oorzaken en beweegredenen aan de basis liggen om het voltijds secundair onderwijs (voor de leeftijd van 18 jaar) te verlaten. Om beleidsinitiatieven op hun waarde te kunnen beoordelen, is het o.i. belangrijk dat men een duidelijk zicht heeft op de oorzaken en motieven die door de jongeren zelf worden aangehaald voor het vroegtijdig uitstromen uit het onderwijssysteem. Het verlaten van het voltijds secundair onderwijs voor de leeftijd van 18 jaar hoeft geen probleem te zijn in de mate dat jongeren erin slagen om via een duale leerweg alsnog een kwalificatie te behalen. In Vlaanderen stellen we echter vast dat ondanks een aanzienlijke groep jongeren die het voltijds secundair onderwijs verlaten zonder enige formele kwalificatie op zak, er toch maar een gering aantal doorstroomt naar een deeltijds onderwijssysteem. Vooral in het licht van de posi-


6

Inhoud

tieve doorstroomresultaten van het duaal onderwijs in het buitenland1 kan men zich vragen stellen bij het eerder bescheiden succes van de deeltijdse systemen in Vlaanderen (3% deeltijds lerenden tegenover 25 à 55% in landen als Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Denemarken). Daarom wilden we in dit onderzoek ook nagaan in welke mate de deeltijdse onderwijssystemen (al dan niet) tegemoet komen aan de behoeften van jongeren waarvoor het voltijds secundair onderwijs geen alternatief is. Een belangrijk streefdoel van de verlenging van de leerplicht is alle jongeren minimale startkwalificaties te bezorgen opdat zij zich zouden kunnen aanbieden als volwaardige deelnemers op de arbeidsmarkt. Momenteel bestaat heel wat discussie over welke uitstapniveaus uit het secundair onderwijs kunnen worden beschouwd als een afgeleide van een startkwalificatie. Deze discussie wordt samen gevoerd met de formulering en de invoering van de (specifieke) eindtermen en daaraan gekoppeld het toekennen van diploma’s en getuigschriften van het secundair onderwijs. Vooral het al dan niet diplomeren na het tweede jaar van de derde graad in alle onderwijsvormen blijkt een heet hangijzer te zijn. Hierdoor zou een diploma een zekere standaard vertegenwoordigen en zouden alle normaal vorderende leerlingen, inclusief in het BSO, hun opleiding kunnen voltooien binnen de leerplichtperiode. Sommigen achten het echter weinig realistisch te denken dat onderwijs in staat is om over alle onderwijsvormen heen de drie doelstellingen waarvoor een diploma secundair onderwijs vandaag staat, te realiseren binnen een opleidingsduur van zes jaar, m.n. (1) kritisch-creatief functioneren in de samenleving/persoonlijk leven uitbouwen/participeren aan LLL, (2) deelname aan vervolgopleidingen binnen en buiten het onderwijs, (3) vlot intreden in het beroepsleven. Zo stellen sommigen zich vragen bij de realisatie van de derde doelstelling na zes jaar ASO; anderen hebben dan weer vragen bij de realisatie van de tweede doelstelling na zes jaar BSO en blijven in dit verband pleiten voor het behoud van een extra zevende specialisatiejaar. En dan stelt zich nog de vraag naar de plaats van de deeltijdse systemen binnen dit geheel. Tegen de achtergrond van deze beleidsdiscussie wilden we in dit onderzoek tenslotte nagaan in welke mate afgestudeerden van het voltijds technisch en beroepssecundair onderwijs (zesde én zevendejaars) alsook van de deeltijdse onderwijssystemen (DBSO en leertijd van het VIZO) erin slagen om zich een toegang tot de arbeidsmarkt te verschaffen en zich er vervolgens ook kunnen handhaven en verder ontwikkelen. Op deze manier trachtten we een (gedeeltelijk) antwoord te formuleren op de vraag welke uitstapniveaus uit het secundair onderwijs kunnen worden beschouwd als een afgeleide van een startkwalificatie in de betekenis van voldoende competenties hebben verworven om in te stappen in de arbeidsmarkt en er zich staande te houden. Op andere aspecten van een startkwalificatie, m.n. de mate waarin jongeren uit de verschillende uitstapniveaus zich ook staande weten te houden in het breder maatschappelijk en persoonlijk leven en participeren aan een levenslang leren, wordt in dit onderzoek niet verder ingegaan.

1

Verklaringen hiervoor dienen niet alleen gezocht in een verschillende onderwijsomgeving, maar eveneens in de wijze waarop de arbeidsmarkt is georganiseerd.


Inhoud

7

1.1 Oorzaken en beweegredenen om het voltijds secundair onderwijs voor de leeftijd van achttien jaar te verlaten Een kort overzicht van de relevante literatuur terzake maakt duidelijk dat jongeren meestal een reeks van gelijktijdige oorzaken aanhalen om het onderwijs voortijdig te verlaten. Deze oorzaken worden voor een deel bij henzelf gesitueerd, voor een deel bij de opleiding en voor een deel bij de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt. Onderzoek vanuit de push- and pull-benadering geeft aan dat jongeren in het algemeen veel vaker push- dan pull-factoren aandragen als reden om een opleiding voortijdig te verlaten. Bij de push-factoren op individueel niveau is vooral sprake van meer problematische schoolloopbanen, minder graag naar school gaan, weinig vrienden op school hebben en minder steun van thuis ondervinden. Voor heel wat voortijdige schoolverlaters zijn echter pushfactoren met betrekking tot kenmerken van de opleiding nog van groter belang. De inhoud van de opleiding, de zwaarte ervan alsook de klachten over de beroepspraktijkvorming blijken de hoofdredenen voor uitval te zijn. Bovendien blijken problemen met de beroepskeuze een belangrijke aanleiding te zijn om een opleiding voortijdig te stoppen. De arbeidsmarkt en het aangeboden krijgen van betaald werk blijkt slechts voor enkelen het belangrijkste motief te zijn om het onderwijs te verlaten. In voorliggend onderzoek lag de focus op de vraag naar de oorzaken en beweegreden die aan de basis lagen van de beslissing van jongeren om voor de leeftijd van 18 jaar het voltijds secundair onderwijs te verlaten (=vroege uitstromers). Om dit na te gaan, kon gebruik gemaakt van de LOSO-gegevensbank waarin sinds september 1990 een generatie leerlingen (n=6 411) wordt gevolgd tijden hun loopbaan doorheen het secundair onderwijs. Van deze intredecohorte verlieten 596 jongeren (of 9,3%) voor hun 18 jaar het voltijds secundair onderwijs. Van 301 van deze jongeren (50,5%) kon elf jaar na hun start in het secundair onderwijs opnieuw een mondelinge vragenlijst worden afgenomen. Naar geslacht, voertaal thuis en sociale achtergrond bleek de representativiteit van deze groep met de potentiële doelgroep (n=596) gewaarborgd. A) Motieven om het voltijds secundair onderwijs te verlaten Een eerste opvallende vaststelling was toch het beperkt aantal vroege uitstromers uit het voltijds secundair onderwijs dat een homogene schoolloopbaan achter de rug had; méér dan zeven op tien van deze jongeren had reeds te maken gehad met zittenblijven en/of cascade in zijn schoolcarrière en sloot zijn voltijds secundair onderwijs af met een C-attest. De helft stroomde uit vanuit een tweede of derde leerjaar; méér dan 70% vanuit het BVL/BSO. In tegenstelling tot de bevindingen uit het literatuuroverzicht bleek m.b.t. onze doelgroep (vroege voltijds secundair onderwijsverlaters) de pull-factor ‘aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt en/of andere opleidingen’ gemiddeld de meeste impact gehad te hebben op de uitstroombeslissing van jongeren (voor 40% was dit ook het belangrijkste motief). De push-factoren ‘inhoud van de opleiding’ en ‘schoolmoeheid’ bleken gemiddeld de tweede en derde meeste impact gehad te hebben (voor 17 en 18% het belangrijkste motief); de ‘zwaarte van de opleiding’ en ‘persoonlijke en familiale omstandigheden’ speelden gemiddeld het minst mee in de uitstroombeslissing. Jongens bleken vooral uit te stromen omwille van een ‘aantrekkende


8

Inhoud

arbeidsmarkt en/of andere opleidingen’ en ‘schoolmoeheid’; meisjes vooral omwille van de ‘inhoud’ en ‘zwaarte van de opleiding’. Bij hen speelden ook vaker ‘persoonlijke en familiale omstandigheden’ een rol. B) Wie heeft de uitstroombeslissing mede beïnvloed? Opvallend was toch ook dat jongeren - vooraf aan hun uitstroombeslissing - het minste overleg pleegden met directie en/of leerkrachten en met het CLB (niet méér dan 16 en 11%). Vooral ouders en vrienden blijken de uitstroombeslissing van jongeren het meest te beïnvloeden. Hierbij kunnen we nog noteren dat niet-Nederlandssprekenden significant minder overleg pleegden met hun ouders en het CLB; jongeren met een turbulente schoolloopbaan (zittenblijven én cascade) significant minder met directie en/of leerkrachten (amper 7%). C) Tevredenheid met de uitstroombeslissing Wanneer jongeren vandaag terugblikken op hun uitstroombeslissing dan blijken vier op tien jongeren niet langer tevreden te zijn over hun beslissing van toen. Vooral jongeren met een gematigd problematische schoolloopbaan (enkel zittenblijven of cascade) bleken het minst tevreden te zijn. 1.2 De deeltijdse onderwijssystemen als alternatief Belangrijke troeven van de formule van ‘alternerend leren’ zijn o.a. een betere match tussen de geleerde vaardigheden en de vraag op de arbeidsmarkt, een hogere transfereerbaarheid van de geleerde vaardigheden, méér zekerheid voor de werkgever over de kwaliteit van de schoolverlater, meer garantie voor de schoolverlater op een passende job en een soepeler afstemming tussen de arbeidsvraag en -aanbod (geringere jeugdwerkloosheid). Verklaringen voor het feit dat in Vlaanderen toch niet méér jongeren doorstromen naar de deeltijdse systemen worden vooral gezocht in de negatieve beeldvorming die bestaat over het duaal leren (deeltijds onderwijs als de laagste trap binnen het cascadesysteem en geassocieerd met probleemgroepen) en het feit dat het concept ‘alternerend leren’ binnen het DBSO maar in beperkte mate wordt gerealiseerd (bijna de helft van de DBSO-leerlingen tussen 15 en 18 jaar nam in het schooljaar 2000-2001 enkel het schoolse gedeelte op). Vooral problemen met het profiel (arbeidsrijpheid) van de jongeren worden als belangrijkste reden opgegeven voor het feit dat de deeltijdse opleiding zo weinig wordt gecombineerd met tewerkstelling. Vooral leerlingen met relatief goede arbeidsmarktkenmerken (met als discriminerende factoren o.a. leeftijd, geslacht, etniciteit en vooropleiding) kunnen aan de slag. Heel wat jongeren blijken echter nog niet toe te zijn aan een beroepskeuze, missen de nodige arbeidshoudingen, hebben vaak nog te veel (persoonlijke) problemen, …. Daarnaast wordt ook gewezen op een tekort aan ‘geschikte’ arbeidsplaatsen (aansluitend bij de opleiding en interesses en niet te ver uit de buurt) en op de ingewikkelde regelgeving m.b.t. de verschillende statuten waarin jongeren kunnen tewerkgesteld (en daaraan verbonden de verschillende fiscale implicaties).


Inhoud

9

Vertrekkend vanuit deze probleemanalyse wilden we in dit onderzoek nagaan in welke mate de geringe participatie aan de deeltijdse onderwijssystemen kan worden toegeschreven aan een gebrekkige toeleiding naar dit type onderwijs alsook aan de arbeidscomponent die maar in beperkte mate wordt gerealiseerd. Hiertoe werd bij de vroege uitstromers uit het voltijds secundair onderwijs in eerste instantie nagegaan (a) in welke mate men bekend was met de verschillende deeltijdse onderwijssystemen en (b) welke de motieven waren om al dan niet door te stromen naar één van deze systemen. Vervolgens werd ook nagegaan (c) welke hinderpalen men ondervonden had bij de bemiddeling naar een geschikte arbeidsplaats en (d) wat de kwaliteit was van de deeltijdse arbeidscomponent in termen van aangeleerd vakmanschap en wisselwerking tussen werk en opleiding. Tenslotte werd ook (e) de doorstroming doorheen de deeltijdse systemen en het rendement in termen van leerplicht en behaalde kwalificaties geëvalueerd. A) Bekendheid met de verschillende deeltijdse onderwijssystemen Van alle voltijds secundair onderwijsverlaters in dit onderzoek stroomde 96% door naar de deeltijdse onderwijssystemen, 2 38% kwam terecht in het DBSO en 62% in de leertijd. Niet alleen voertaal maar ook het scholingsniveau van de moeder en kenmerken van de voltijdse schoolcarrière blijken significant samen te hangen met de keuze voor het DBSO of de leertijd. TSO-uitstromers, Nederlandssprekenden en jongeren van hoger geschoolde moeders komen vaker terecht in de leertijd. Ook jongeren met een B-attest stromen verhoudingsgewijs meer door naar de leertijd. Instromers in het DBSO hebben het voltijds onderwijs vooral verlaten omwille van ‘schoolmoeheid’ en ‘inhoud van de opleiding’; instromers in de leertijd vooral omwille van de ‘zwaarte van de opleiding’ en de ‘aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt/andere opleidingen’. Telkens ongeveer zeven op tien doorstromers naar het DBSO en naar de leertijd gaven te kennen ook weet te hebben het bestaan van het andere deeltijdse systeem maar hooguit één op tien had dit systeem ook daadwerkelijk als optie overwogen. Jongeren blijken vooral via vrienden informatie over de deeltijdse systemen te verwerven (in tweede instantie via de school voor de DBSO-instromers en via de ouders voor de instromers in de leertijd). In dit onderzoek had méér dan de helft van de vroege uitstromers uit het voltijds secundair onderwijs een gecombineerd beeld van het deeltijds onderwijs; het deeltijds onderwijs stond volgens hen zowel voor arbeidsmarktrelevant, praktijkgericht onderwijs (= positief beeld) als voor opvangnet voor probleemjongeren uit het voltijds onderwijs (= negatief beeld). Deze beeldvorming bleek niet alleen samen te hangen met de uitstroommotieven, maar evenzeer met kenmerken van de voltijdse onderwijscarrière als met het deeltijds systeem waarnaar uitstroomde. Jongeren die vooral uitstroomden omwille van de pull-kracht van de arbeidsmarkt en/of andere opleidingen hadden overwegend een positief beeld van het deeltijds onderwijs; jongeren die uitstroomden omwille van de ‘inhoud van de opleiding’ telden dan weer opvallend méér negatieve kijkers. Uitstromers omwille van ‘schoolmoeheid’ of de ‘zwaarte van de opleiding’ hadden overwegend een

2

Van de twaalf jongeren die niet doorstroomden, waren er negen op enkele maanden voor het einde van hun leerplicht uitgestapt.


10

Inhoud

genuanceerde kijk. Onder uitstromers met enkel een cascadeverleden en uit hogere leerjaren nam het aantal jongeren met een uitgesproken negatief beeld over de deeltijdse opleidingen toe. Ook onder DBSO-starters bevonden zich méér jongeren met een uitgesproken negatieve kijk op de deeltijdse systemen. B) Motieven om al dan niet door te stromen naar één van de deeltijdse systemen In lijn met eerder uitgevoerd onderzoek konden we op basis van de keuzemotieven voor de deeltijdse systemen eveneens drie profielen van jongeren onderscheiden, m.n. jongeren die vooral al doende op de werkvloer willen leren (= 70%), jongeren die vooral kiezen voor een specifiek beroep dat alleen maar kan aangeleerd via een systeem van alternerend leren (= 3%) en jongeren die vooral enkel nog maar willen deeltijds schoollopen (= 20%). Voltijds onderwijsverlaters wiens keuze voor de deeltijdse systemen vooral werd gestuurd vanuit negatieve drijfveren (= deeltijds schoollopen) of door een combinatie van redenen, werden vaker teruggevonden in het DBSO. Vooral bij uitstromers uit de lagere leerjaren en met een C-attest bleek de impact van het keuzemotief ‘deeltijds schoollopen’ het grootst. C) Hinderpalen bij de bemiddeling naar een geschikte arbeidsplaats Het welslagen van een deeltijdse opleiding wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin de combinatie van werken en leren kan gerealiseerd. Van de starters in het DBSO gaf echter één op vijf te kennen zijn opleiding niet te willen combineren met werken; uiteindelijk nam 43% tijdens zijn eerste jaar enkel het schoolse gedeelte op (significant méér meisjes en jongeren van laaggeschoolde moeders). Op de vraag naar mogelijke redenen voor het niet-werken (problemen met het profiel van de jongeren, met de bemiddeling naar geschikte arbeidsplaatsen en het tewerkstellingsstatuut) werd niet of telkens ontwijkend geantwoord (redenen minder of helemaal niet van toepassing). Hierbij konden geen significante verschillen worden opgetekend naar werkwilligheid van de jongeren. Méér dan de helft van de starters in de deeltijdse systemen gaf aan zelf te hebben gezocht naar werk (49% in het DBSO en 65% in de leertijd). Eén op vijf starters in het DBSO verwachtte echter dat de school een bemiddelende taak op zich zou nemen (één op tien in de leertijd). D) Kwaliteit van de deeltijdse arbeidscomponent De jobs van deeltijds lerenden tijdens het eerste opleidingsjaar worden over het algemeen vrij positief beoordeeld op het vlak van vakmanschap (mogelijkheid om bekwamer te worden) en wisselwerking tussen werk en opleiding (kennis uit de opleiding gebruiken, werk dat past bij het beroep dat men wil leren). Anderzijds ervaren jongeren hun werk ook als eerder belastend en veeleisend (lichamelijke inspanning, overuren, concentratie). Dit gold vooral voor jongeren uit de leertijd. Een méér expliciete evaluatie van de wisselwerking tussen werk en opleiding maakte echter duidelijk dat slechts in één derde van de gevallen er sprake was van een tweerichtingsverkeer (de opleiding betrekt de beroepspraktijk en vice versa). Als er al


Inhoud

11

wisselwerking is (in twee derde van de gevallen), is de kans groter dat dit gebeurt vanuit onderwijs, eerder dan vanuit de werkgever. E) Doorstroming en intern rendement van de deeltijdse systemen Van 18% van de jongeren die voor het einde van de leerplicht het voltijds secundair onderwijs hadden verlaten, vertoonde de schoolloopbaan ergens een hiaat waarin geen enkele vorm van onderwijs werd gevolgd. Drie procent van de vroege voltijds onderwijsverlaters kon worden beschouwd als de ‘harde kern’ van de voortijdige uitstroomproblematiek; bij hen ontbrak minstens een volledig schooljaar. Zesennegentig procent van alle vroege voltijds secundair onderwijsverlaters stroomde door naar de deeltijdse systemen. Wanneer we hun doorstroming doorheen deze onderwijsvorm onderwijs evalueren, dan konden we allereerst vaststellen dat niet meer dan 57% van de DBSO-starters en 65% van de starters in de leertijd erin slaagden hun eerste opleiding af te ronden (al dan niet met een getuigschrift). Als voornaamste reden voor het vroegtijdig afbreken werd ‘het voltijds willen gaan werken en geld verdienen’ opgegeven. Slechts sporadisch stapten jongeren van het ene deeltijdse systeem over naar het andere (7% waarvan 5% van de leertijd naar het DBSO). Ook terugkeren naar het voltijds onderwijs blijkt vrij uitzonderlijk te zijn (6% van de starters in het DBSO en 7% in de leertijd). Als we het rendement ook in termen van behaalde kwalificaties evalueren dan konden we vaststellen dat 31% van de DBSO-starters erin slaagde een kwalificatie- of studiegetuigschrift van de derde graad te behalen en 4% een getuigschrift van de leertijd. Van de starters in de leertijd behaalde 64% een getuigschrift van de leertijd en 3% een studiegetuigschrift van de derde graad DBSO. Samengevat kunnen we dus besluiten dat 65% van de jongeren die voor de leeftijd van 18 jaar het voltijds secundair onderwijs verlieten, zich alsnog konden kwalificeren.3 Niet zozeer geslacht maar de voertaal thuis en het scholingsniveau van de moeder blijken deze kwalificatiekansen sterk te beïnvloeden. Van de voltijds secundair onderwijsverlaters die vanuit een tweede leerjaar of vanuit een BSO-leerjaar uitstroomden, behaalde nauwelijks de helft een kwalificatie. 1.3 De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het initieel beroepsonderwijs Om na te gaan in welke mate het initieel beroepsonderwijs erin slaagt om jongeren voldoende uit te rusten om de arbeidsmarkt als volwaardige deelnemers te betreden, werd de oorspronkelijke LOSO-groep van jongeren die voor achttien jaar het voltijds secundair onderwijs verlieten, verruimd met jongeren uit de SONAR-gegevensbank die maximaal een kwalificatie van het initieel beroepsonderwijs hadden behaald en niet waren doorgestroomd naar het hoger onderwijs. Een moeilijkheid bij de fusie van beide gegevensbanken was evenwel dat in het LOSO-onderzoek een instroomcohorte in het secundair onderwijs werd bestudeerd (jongeren die in

3

We beschouwen iemand als gekwalificeerd wanneer deze erin slaagt hetzij een diploma of getuigschrift van het voltijds secundair onderwijs te behalen, hetzij een kwalificatiegetuigschrift of studiegetuigschrift van de derde graad DBSO, hetzij een getuigschrift van de leertijd.


12

Inhoud

1990-1991 startten in een eerste leerjaar SO) terwijl de SONAR-proefgroep bestaat uit een leeftijdscohorte (jongeren geboren in 1976). Om de arbeidsmarktintrede van beide cohorten op een betrouwbare manier met elkaar te kunnen vergelijken, werden vier grote intredecohorten op de arbeidsmarkt onderscheiden, m.n. jongeren die in 1994, 1995, 1996 en 1997 de transitie van school naar werk maakten (N=1 300). Voor al deze instroomcohorten kon een maximale gemeenschappelijke observatieperiode van twee jaar na (de eerste keer) onderwijsverlaten worden afgebakend. Voor de intredecohorten 1994 en 1995 waren ook observatiegegevens voorhanden tot vier jaar na het onderwijsverlaten. Afgestudeerden van 7TSO en DBSO vormden de kleinste groepen (respectievelijk 4 en 8%), de ongekwalificeerde onderwijsverlaters de grootste groep (28%). Het aandeel van de andere afstudeergroepen varieerde rond de 15%. In het licht van de discussies over de uitstapniveaus voor een startkwalificatie werden bij de analyse van de arbeidsmarktpositie van de verschillende afstudeergroepen van het initieel beroepsonderwijs twee essentiële componenten in beschouwing genomen; enerzijds het proces van intreden en anderzijds het proces van zich handhaven op de arbeidsmarkt. Beide processen werden in kaart gebracht aan de hand van kwantitatieve indicatoren (intrede-inactiviteit, duur van de eerste job, mobiliteit uit de eerste job, % gewerkt/werkloos/inactief, gemiddeld aantal en duur van de uitgeoefende jobs) en kwalitatieve indicatoren (statuut, arbeidsregime, contract, aansluiting met opleidingsniveau, inhoudelijke aansluiting, opleidingsmogelijkheden binnen de job, tevredenheid met de uitgeoefende jobs). Aan de hand van deze indicatoren trachtten we te analyseren in welke mate afgestudeerden van het voltijds technisch en beroepssecundair onderwijs (zesde én zevendejaars) alsook van de deeltijdse onderwijssystemen (DBSO en leertijd van het VIZO) erin slaagden om zich een toegang tot de arbeidsmarkt te verschaffen en er zich te handhaven. Hierbij waren we in het bijzonder geïnteresseerd in: −

De vergelijking van de arbeidsmarktintrede van afgestudeerden uit de deeltijdse systemen met deze uit het voltijds TSO en BSO. Uit buitenlands onderzoek krijgen we aanwijzingen dat de intrede van afgestudeerden uit het voltijds secundair onderwijs aanvankelijk minder stabiel zou verlopen in termen van méér intredewerkloosheid en mobiliteit tussen verschillende jobs mar dat deze verschillen op termijn zouden uitvlakken. Zo zouden de kansen op opwaartse mobiliteit bij afgestudeerden uit het voltijds secundair onderwijs hoger liggen dan bij leerlingen uit de deeltijdse onderwijssystemen die vaker terechtkomen in zogenaamde ‘dead-end-jobs’ en ook kwetsbaarder zijn voor ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (A).

−

Naast een vergelijking van de voltijdsen met de deeltijdsen waren we ook geïnteresseerd in de vergelijking van de arbeidsmarktintrede van afgestudeerden met en zonder een formele kwalificatie van het secundair onderwijs. Eerder uitgevoerd onderzoek leverde m.b.t. deze vergelijking aanwijzingen dat ongekwalificeerde onderwijsverlaters niet alleen langer moeten zoeken naar een eerste job maar omwille van deze langere zoektijd en hun laag kwalificatieniveau ook vaker terechtkomen in kwalitatief slechtere jobs die ze op hun beurt weer moeilijker weten te behouden(B).


Inhoud

−

13

Tenslotte waren we ook geïnteresseerd in welke mate werkervaring tijdens de deeltijdse opleiding, stage-ervaringen in het TSO/BSO en werkervaringen verworven buiten de schooluren een positief effect hebben op de arbeidsmarktintrede (C en D).

A) De arbeidsmarktintrede van afgestudeerden uit het deeltijds (DBSO en leertijd) en voltijds secundair onderwijs (TSO/BSO) Analyse van het intredeproces maakt o.m. duidelijk dat gekwalificeerden uit de deeltijds onderwijssystemen de meeste kans hebben op een onmiddellijke tewerkstelling na het onderwijsverlaten (54% en 44% van de VIZO- en DBSO-afgestudeerden t.o.v. 30 à 35% van de TSO- en BSO-afgestudeerden). Wanneer VIZO-afgestudeerden hun gunstige startpositie echter ook weten te combineren met een vlugge uitstroom uit de inactiviteit, stromen DBSO-afgestudeerden opvallend trager uit. Na controle voor achtergrondkenmerken (geslacht, voertaal en opleidingsniveau moeder) en schoolverleden (zittenblijven en cascade) blijken hun uitstroomkansen uit de inactiviteit zelfs het minst gunstig te zijn. TSO-afgestudeerden daarentegen hebben weliswaar de minste kans op onmiddellijk werk maar weten wel sneller uit de inactiviteit te geraken (verschillen met BSO-afgestudeerden evenwel niet significant). Ook zevendejaars blijken - ongeacht hun afstudeerniveau (TSO/ BSO) - sneller uit de inactiviteit te stromen dan zesdejaars (hoewel verschillen evenmin significant). Naar studiedomein konden de vastgestelde verschillen wel significant worden bevonden; zo blijken zowel TSO- als BSO-afgestudeerden uit de handel en in mindere mate uit de personenzorg niet alleen minder kans te hebben op onmiddellijke tewerkstelling maar ook minder snel uit de inactiviteit te stromen dan TSO/BSO-afgestudeerden uit de studiedomeinen auto, voeding en mechanica-elektriciteit. Eerder vastgestelde verschillen in uitstroomkansen tussen mannen en vrouwen verdwijnen indien ook wordt gecontroleerd voor het gevolgde studiedomein. De inactiviteitsperiode die aan de eerste job vooraf gaat, blijkt ook (negatieve) repercussies te hebben voor de uitstroomkansen uit deze job, m.n. hoe langer de inactiviteit na het afstuderen, hoe korter ook de duurtijd van de eerste job. Afgestudeerden van de deeltijdse systemen blijken sneller dan de andere afstudeerniveaus hun eerste job te beëindigen maar aangezien zij een hogere kans hebben op een vast contract (en de uitstroom uit vaste jobs kleiner is dan uit tijdelijke jobs), compenseren beide effecten elkaar. Evalueren we de arbeidsmarktpositie op iets langere termijn (twee/vier jaar) dan konden we vaststellen dat het aandeel werkenden onder de afgestudeerden van 6/7TSO, 7BSO en de leertijd na de eerste maanden snel toenam; na één jaar was bijna 85% aan de slag. Van de 6BSO- en DBSO-afgestudeerden was op dat moment 70 à 75% aan het werk. Na vier jaar op de arbeidsmarkt bedroeg de proportie werkenden bij 6/7TSO, 7BSO en de leertijd 90 tot 95%; bij 6BSO en DBSO-afgestudeerden stagneerde de evolutie rond de 80%. Afgestudeerden van het TSO en de leertijd kennen de hoogste gemiddelde tewerkstellingspercentages; afgestudeerden van 6BSO en het DBSO de laagste. Deze verschillen in gemiddeld tewerkstellingspercentage blijven ook bestaan na controle voor de invloed van achtergrondkenmerken en schoolverleden van de jongeren. Terwijl bij technisch gekwalificeerden de verschillen tussen zesdejaars en zevendejaars eerder minimaal zijn, wordt bij BSO-afgestudeerden de arbeidsloopbaan van zesdejaars toch getekend door duidelijk méér


14

Inhoud

werkloosheid en inactiviteit. Worden bij de analyses echter ook de studiedomeinen betrokken waarin men was afgestudeerd dan blijken de eerder vastgestelde verschillen tussen kwalificatieniveau (TSO versus BSO) en leerjaar (zesde- versus zevendejaars) niet langer meer significant te zijn. Opnieuw handel en personenzorg blijken de minste garanties te bieden voor een hoog tewerkstellingspercentage tijdens de eerste jaren op de arbeidsmarkt. Tijdens de eerste twee jaren op de arbeidsmarkt kenden afgestudeerden van 6TSO en 7BSO het grootste verloop (gemiddeld meeste jobs); na vier jaar waren dit de afgestudeerden van de deeltijdse opleidingen en in mindere mate van 6BSO. De langst durende jobs vinden we bij afgestudeerden bij de leertijd en na vier jaar bij de zevendejaars. Bovenstaande analyse ondersteunt de hypothese dat de arbeidsmarktintrede van voltijdsen aanvankelijk minder vlot verloopt in termen van onmiddellijke tewerkstelling en méér mobiliteit tussen jobs. Deze verschillen worden op termijn echter uitgevlakt; voltijdsen realiseren een hoger gemiddeld tewerkstellingspercentage en zijn gemiddeld in langer durende jobs tewerkgesteld (hun mobiliteit neemt af naarmate men zich langer op de arbeidsmarkt bevindt). De vraag rijst evenwel of de hypothese ook stand houdt wanneer wordt rekening gehouden met de kwaliteit van de uitgeoefende jobs. Alhoewel een meerderheid van de afgestudeerden van het initieel beroepsonderwijs in zijn eerste job is tewerkgesteld als arbeider, maken zevendejaars toch méér kans op een bediendestatuut (7TSO-ers ook méér kans op een job in de openbare sector). Afgestudeerden van de deeltijdse systemen hebben in hun eerste job wel de meeste kans op een vaste aanstelling (50%) en op een goede aansluiting tussen job- en opleidingsniveau (80% kans op een aansluitende eerste job tegenover 70% bij de BSO-afgestudeerden en 60% bij de TSO-afgestudeerden). Na controle voor achtergrondkenmerken en schoolverleden van de jongeren worden deze effecten iets afgezwakt maar blijven niettemin significant. Wat betreft de inhoudelijke aansluiting van de eerste job, scoren vooral afgestudeerden van de leertijd en 7BSO-ers goed (bijna 50% kans op een aansluitende job tegenover 35 à 37% kans bij DBSO- en 6BSO/TSO afgestudeerden en slechts 30% kans bij 7TSO-afgestudeerden). Controle voor de invloed van achtergrondkenmerken en schoolverleden van de jongeren versterken de effecten van afstudeerniveau allen maar. Afgestudeerden van de deeltijdse systemen voelen zich over de jobinhoud ook het minst tevreden, DBSO-ers ook minder over hun vakantieregeling. Het arbeidsstatuut, regime en contract van de eerste job blijken sterk richtinggevend te zijn voor het statuut, regime en contract van de daaropvolgende jobs. De kans om in een arbeiderjob terecht te komen - gegeven dat de eerste job ook een arbeidersstatuut had - is het grootst voor DBSO-afgestudeerden en het kleinst voor technisch gekwalificeerden. Wat betreft de kans op een voltijdse job (indien eerste job voltijds was) scoren VIZO- en 7TSO-afgestudeerden hoger en 6BSO- en DBSO-afgestudeerden lager dan gemiddeld. De samenhang tussen een vast contract in de eerste en laatste job blijkt het sterkst voor technisch gekwalificeerden en 6BSO-ers, het zwakst voor DBSO-afgestudeerden. Naar aansluiting van de laatste job met het opleidingsniveau konden we vaststellen dat de VIZO-gekwalificeerden nauwelijks nog voorsprong hebben op de andere afstudeerniveaus; voor technisch gekwalificeerden (vooral zesdejaars) en in mindere mate voor BSO-afgestudeerden blijkt de kans op een aansluitend


Inhoud

15

jobniveau evenwel verbeterd te zijn. Alhoewel de inhoudelijke aansluiting algemeen vermindert naarmate men zich langer op de arbeidsmarkt beweegt, noteren we voor 7TSO-ers een verbetering. Alhoewel jongeren in hun laatste job iets méér opleiding krijgen aangeboden en de algemene tevredenheid is toegenomen (met uitzondering van werkdruk), konden geen significante verschillen naar afstudeerniveau worden geregistreerd. Uit bovenstaande analyse kunnen we besluiten dat ook naar kwaliteit van de uitgeoefende jobs deeltijdsen in aanvang bijzonder goed scoren (o.a. meeste kansen op een vaste aanstelling, op een goed ervaren aansluiting tussen job- en opleidingsniveau en op een inhoudelijke aansluiting). Op termijn blijken echter hun kansen om tewerkgesteld te blijven in een arbeiderjob, in een voltijdse job en met een contract onbepaalde duur (vooral dan bij DBSO-afgestudeerden) minder gunstig te zijn dan voor de gekwalificeerden uit het voltijds secundair onderwijs. Ook op het vlak van niveau- en inhoudelijke aansluiting blijkt bij de laatst uitgeoefende job de voorsprong van de deeltijdsen te zijn weggeëbd. B) De arbeidsmarktintrede van ongekwalificeerde onderwijsverlaters Wat meteen opvalt bij de evaluatie van de arbeidsmarktintrede van de ongekwalificeerde onderwijsverlaters is dat hun kansen op onmiddellijke tewerkstelling na het schoolverlaten niet significant slechter zijn dan afgestudeerden van 6/7TSO en 7BSO. Houden we daarnaast echter ook rekening met de uitstroomkans uit de inactiviteit dan wijzigt dit beeld evenwel met dien verstande dat elke onderwijsverlater met een kwalificatie uit het initieel beroepsonderwijs significant sneller uit de inactiviteit stroomt dan de groep zonder een kwalificatie. Binnen de groep van ongekwalificeerde onderwijsverlaters konden we evenwel nog significante verschillen noteren naar (laatste) uitstroompositie (uit het secundair onderwijs). Zo blijken vooral uitstromers uit het DBSO en BSO significant trager uit de inactiviteit te stromen dan de TSO-uitstromers. Ongekwalificeerde uitstromers die een job hebben gevonden, blijken deze (eerste job) significant vlugger te verlaten dan gekwalificeerde uitstromers uit het initieel beroepsonderwijs; ook na controle voor achtergrondkenmerken en schoolverleden van de jongeren. Controleren we bijkomend voor de inactiviteitsduur voor de eerste job dan zijn de verschillen met DBSO-afgestudeerden evenwel niet langer significant (ook bij tijdelijke contracten zijn de verschillen met TSO-afgestudeerden niet langer significant). Evaluatie van de arbeidsmarktpositie van ongekwalificeerde onderwijsverlaters over iets langere termijn maakt duidelijk dat na één jaar nog maar amper 60% van de ongekwalificeerden aan het werk was (over de ganse observatieperiode heen nooit méér dan 70%). Ongekwalificeerde onderwijsverlaters realiseren ook het laagste gemiddelde tewerkstellingspercentage en dit blijft ook zo na controle voor achtergrondkenmerken en schoolverleden. Tijdens de eerste twee jaren op de arbeidsmarkt waren zij gemiddeld méér dan 40% van de tijd werkloos of inactief en gedurende de twee daaropvolgende jaren zakte dit cijfer nauwelijks. Naar uitstroompositie blijken vooral uitstromers uit het DBSO en BSO significant minder gewerkt te hebben dan TSO-uitstromers. Zowel over een observatieperiode van twee als vier jaar beschouwd, komen ongekwalificeerde onderwijsverlaters ook gemiddeld in de kortst durende jobs terecht. Wat betreft het aantal jobs waarin men gemiddeld was tewerkgesteld, behoren de ongekwalificeerde uitstromers eerder tot de middenmoot.


16

Inhoud

Uit de analyse van de kwantitatieve parameters kunnen we besluiten dat de kansen op een onmiddellijke tewerkstelling na het onderwijsverlaten voor de ongekwalificeerde uitstromers niet bijzonder slecht liggen. Zij die echter niet onmiddellijk werk vinden, krijgen het wel bijzonder moeilijk om uit de inactiviteit te geraken. Eens werk gevonden, blijkt men bovendien zijn job ook moeilijker te kunnen behouden. Ongekwalificeerde onderwijsverlaters zijn gemiddeld in korter durende jobs tewerkgesteld en realiseren ook de laagste gemiddelde tewerkstellingspercentages van alle onderwijsverlaters. Dit eerder negatieve beeld kan iets worden bijgesteld wanneer ook rekening wordt gehouden met de kwaliteit van de uitgeoefende jobs; vooral dan van de eerst uitgeoefende jobs. Samen met de afgestudeerden van de deeltijdse onderwijssystemen komen de ongekwalificeerden het vaakst terecht in arbeiderjobs (80%). Hun kansen op een vast contract in de eerste job zijn echter niet significant slechter dan deze van afgestudeerden uit het TSO en 6BSO. Ongeveer 70% van hen ervaart bij de eerste job ook een goede aansluiting tussen opleidings- en jobniveau (TSO-ers scoren zwakker, deeltijdsen sterker) Het zijn vooral de TSO-uitstromers binnen deze groep die een significant slechtere aansluiting ervaren. Al deze verschillen blijven ook overeind na controle voor de achtergrond en schoolcarrière van de jongeren. Wat betreft de inhoudelijke aansluiting van de eerste job scoren de ongekwalificeerde uitstromers echter significant slechter dan de gekwalificeerde uitstromers (slechts 19% kans op een inhoudelijk aansluitende job). Evalueren we de kwaliteit van de uitgeoefende jobs opnieuw op iets langere termijn, dan moeten we vaststellen dat ongekwalificeerden (samen met de deeltijdsen) niet alleen (opnieuw) het vaakst terecht komen in arbeiderjobs maar nu ook in tijdelijke jobs. Bij de ongekwalificeerden blijkt de kans dat men zowel in zijn eerste als laatste job tewerkgesteld is als arbeider het grootst, de samenhang tussen een vast contract in de eerste en laatste job blijkt daarentegen het laagst te zijn. Met 67% kans dat ook de laatste job aansluit bij het genoten opleidingsniveau, scoren de ongekwalificeerde onderwijsverlaters opnieuw het minst goed. Ook de kans dat de laatste job inhoudelijk aansluit bij de genoten opleiding is voor alle afstudeerniveaus significant hoger dan voor de ongekwalificeerde uitstromers (slechts 11% kans). Na controle voor zowel achtergrond als schoolverleden van de jongeren, de mate van aansluiting van de eerste job en het aantal jaren dat men het onderwijs verlaten had, worden de effecten op een aansluitend jobniveau nog robuuster; wat betreft de aansluitende jobinhoud blijken de verschillen met DBSO-afgestudeerden niet langer meer significant. Naar arbeidstevredenheid en opleidingsmogelijkheden in de job konden geen significante verschillen worden opgetekend tussen gekwalificeerde en ongekwalificeerde uitstromers uit het initieel beroepsonderwijs. C) Het effect van stage- en werkervaring op de arbeidsmarktintrede van TSO- en BSO-afgestudeerden Stage- en werkervaring onder de vorm van vakantiewerk of studentenjobs blijken niet zozeer de kansen op onmiddellijke tewerkstelling te beïnvloeden dan wel de uitstroomkans uit de inactiviteit. Jongeren zonder stage-ervaring hebben een significant lagere uitstroomkans en dat geldt evenzeer voor jongeren zonder werkervaring (hoewel het effect hier niet significant was). Bijkomende


Inhoud

17

controles voor de achtergrondkenmerken en het schoolverleden van de jongeren blijken weinig aan de resultaten te kunnen veranderen. Kijken we vervolgens naar de uitstroomkansen uit de eerste job dan blijken opnieuw jongeren zonder stage-ervaring en/of werkervaring een grotere uitstroomkans te hebben (enkel effect van werkervaring significant op niveau 0,010). Deze effecten blijven ook behouden na controle voor de achtergrond en het schoolverleden van de jongeren en de inactiviteit voor de eerste job. Evalueren we de effecten op iets langere termijn dan stellen we vast dat jongeren zonder werkervaring tijdens hun arbeidsloopbaan gemiddeld 14% minder zijn tewerkgesteld. Het effect van stage-ervaring gaat in dezelfde richting maar is minder groot (hoewel na controle voor achtergrondkenmerken van de jongeren ook significant). Bekijken we tenslotte ook nog de kwaliteit van de eerste uitgeoefende jobs dan blijkt vooral stage-ervaring een positief effect te hebben op de kansen op een vast contract (niet significant), op een aansluitend jobniveau en op een aansluitende jobinhoud. We registreerden enkel een beperkt positief effect van werkervaring op een aansluitend jobniveau (niet significant). D) Het effect van werkervaring tijdens het DBSO De effecten van werkervaring tijdens het eerste jaar DBSO-opleiding gaan in dezelfde richting als van stage- en werkervaring bij TSO- en BSO-afgestudeerden. DBSO-gekwalificeerden zonder werkervaring tijdens het eerste schooljaar hebben zowel een lagere kans op onmiddellijke tewerkstelling na het schoolverlaten als een lagere uitstroomkans uit de inactiviteit. Alhoewel de effecten vrij groot zijn en overeind blijven na controle voor achtergrondkenmerken en schoolverleden van de jongeren alsook intredejaar, worden ze nergens significant bevonden omwille van te kleine aantallen. DBSO-afgestudeerden hebben ook een hogere uitstroomkans uit de eerste job indien hun opleiding niet werd gecombineerd met werkervaring. Dit positief effect van werkervaring wordt nog versterkt (maar blijft niet significant) indien wordt gecontroleerd voor de invloed van de achtergrond en het schoolverleden van de jongeren, de inactiviteit voor de eerste job en het beginjaar van de eerste job. DBSO-afgestudeerden met werkervaring hebben tenslotte ook méér kans op een hoger gemiddeld tewerkstellingspercentage over de observatieperiode. Dit geldt ook voor kansen op een vast contract bij de eerste job, op een aansluitend jobniveau en -inhoud (effecten telkens sterk maar niet significant).

2. Beleidsaanbevelingen 2.1 Toeleiding naar de deeltijdse onderwijssystemen Gegeven dat jaarlijks een niet onaanzienlijk aantal jongeren het voltijds secundair onderwijs verlaten zonder enige formele kwalificatie op zak, kan men zich verwonderen over het feit dat (in tegenstelling tot in het buitenland) niet méér jongeren doorstromen naar de deeltijdse systemen. In dit onderzoek blijkt de toeleiding van jongeren die voor de leeftijd van achttien jaar het voltijds secundair onderwijs verlieten, op het eerste gezicht niet zo problematisch te zijn; 99% van deze jongeren vonden immers hun weg hetzij naar het DBSO, hetzij naar de leertijd van het


18

Inhoud

VIZO.4 Kijken we echter naar wie deze jongeren zijn die instroomden in een deeltijdse opleiding en welke beeld zij over deze onderwijsvorm hadden, dan blijkt de keuze niet altijd een onverdeeld positieve keuze te zijn: − Het zijn vooral jongeren met negatieve schoolervaringen (cascade, zittenblijven, C-attest) die instromen. − Jongens verlieten het voltijds onderwijs vooral omwille van een aantrekkende arbeidsmarkt/andere opleidingen (naast ook schoolmoeheid) maar bij meisjes speelden voornamelijk push-factoren een rol (inhoud en zwaarte van de opleiding, persoonlijke en familiale omstandigheden). − Tenslotte konden we vaststellen dat niet méér dan 38% van de instromers in de deeltijdse systemen een uitgesproken positief beeld had van deze onderwijsvorm (deeltijds onderwijs als arbeidsmarktrelevant, praktijkgericht onderwijs); 54% hing eerder een gecombineerd beeld aan (arbeidsmarktrelevant en praktijkgericht onderwijs maar ook opvangnet voor probleemjongeren). De niet altijd onverdeeld positieve keuze biedt misschien ook mede een verklaring voor het eerder beperkte rendement van deze onderwijsvorm; niet méér dan 57% van de starters in het DBSO en 65% van de starters in de leertijd slaagden er in zijn eerste opleiding af te ronden (al dan niet met een kwalificatie). Uiteindelijk behaalde niet méér dan 34% van de DBSO-starters een kwalificatie; van de starters in de leertijd waren dit er 67%. Naast de jongeren die inderdaad de stap zetten naar een deeltijds onderwijssysteem, kunnen we echter veronderstellen dat nog een (belangrijke) potentiële doelgroep in het voltijds secundair onderwijs aanwezig blijft die - omwille van verschillende redenen - de stap uiteindelijk niet heeft gezet (geen oriëntering vanuit de school, imagoproblemen van de deeltijdse systemen, bereikbaarheid van de school/centrum, geen geschikte werkervaringsplaats, geen adequaat alternatief, …). Alhoewel deze groep in voorliggend onderzoek niet expliciet werd bevraagd, konden we in elk geval vaststellen dat 52% van de ongekwalificeerde onderwijsverlaters uitstroomde vanuit een voltijdse secundaire onderwijspositie (en de stap naar een deeltijdse opleiding dus niet hebben gezet). De vraag of deze groep slechter af is (in termen van intrede en handhaven op de arbeidsmarkt) dan de doorstromers naar de deeltijdse systemen, kon in dit onderzoek positief beantwoord in de mate dat deze doorstromers er ook in slaagden een kwalificatie te behalen. Bovenstaande analyse maakt in elk geval duidelijk dat het beleid zich dringend nog eens moet bezinnen over de vraag naar de doelgroepen waarvoor de deeltijdse onderwijssystemen een aanbod willen organiseren. Richten ze zich in eerste instantie tot jongeren die op een ‘andere’ manier willen leren (in dit onderzoek 70% van de instromers), dan kan ze - hieraan gekoppeld zich meteen ook eens buigen over de vraag of bepaalde opleidingen niet beter kunnen aangeleerd via het systeem van alternerend leren (nu koos slechts 3% van de jongeren voor een deeltijds onderwijssysteem om een specifiek beroep aan te leren). Zeker in de context van permanent 4

In dit cijfer werden de 9 jongeren buiten beschouwing gelaten die enkele maanden voor het einde van de leerplicht uit het onderwijs stapten.


Inhoud

19

leren waar alternerende leersettings aan belang zullen winnen, lijkt dit alleszins een nuttige oefening. Naast deze categorie van jongeren vinden we vandaag in de deeltijdse systemen ook jongeren terug die enkel nog maar deeltijds willen schoollopen (en zo vlug mogelijk geld verdienen) (20%). Tot deze categorie behoren o.a. jongeren die nog niet klaar zijn om bepaalde keuzes te maken, niet gemotiveerd zijn om te werken en vaak verstrikt zijn in multiproblem-situaties. Eens méér duidelijkheid is geschapen over de beoogde doelgroepen, zal het vervolgens ook een zaak zijn om een adequaat en toereikend aanbod te organiseren dat voldoende is afgestemd op de behoeften van de onderscheiden doelgroepen. Tenslotte zal een goede screening van jongeren in functie van hun interesses, competenties en aspiraties en welke hen helpt bij hun beslissing om in het juiste systeem terecht te komen, onontbeerlijk zijn (zeker in het licht van de grote uitvalcijfers die we vandaag registreren). In dit onderzoek konden we ook vaststellen dat jongeren - bij hun uitstroombeslissing naar een deeltijds onderwijssysteem - zich vooral laten leiden door ouders en vrienden; en de school en het CLB in deze de grote afwezigen zijn (zeker wanneer men een problematische schoolloopbaan achter de rug had en/of thuis geen Nederlands sprak). Bovendien blijken ook vier op tien jongeren achteraf niet langer meer tevreden te zijn over hun beslissing. Deze vaststellingen kunnen de idee van een onafhankelijke trajectbepaler die vertrekt vanuit de belangen van de jongeren zelf, alleen maar ondersteunen. Met een onafhankelijke trajectbepaler bedoelen we iemand die, vertrekkend vanuit de belangen van de jongere en niet vanuit de belangen van de school, de jongere ondersteunt in zijn keuze om bij het verlaten van het voltijds onderwijs in een voor hem meest geschikte traject binnen het voor hem meest aangewezen deeltijds onderwijssysteem terecht te komen. CLB’s kunnen die taak niet op zich nemen omdat zij te gebonden zijn aan bepaalde scholen. In de publicatie van de KB-stichting ‘Toekomstgerichte reflectie over de deeltijdse leerplicht’ (1997) wordt in dit verband gepleit voor ‘regionale centra voor jongerenbegeleiding’. Als onafhankelijke instantie zouden zij ten eerste informatie moeten geven over mogelijke trajecten binnen de deeltijdse systemen aan jongeren en hun ouders, maar ook aan de interne trajectbegeleiders en kwaliteitsbewakers binnen elk deeltijds systeem. Tevens zouden zij naast de trajectbegeleiding en de toeleiding van jongeren ook de kwaliteitsbewaking van het gehele traject (voor de gehele periode van de deeltijdse leerplicht) voor eigen rekening moeten nemen en ook een katalysator kunnen zijn om het bestaand aanbod coherenter te maken. Momenteel lopen reeds initiatieven die een optimalisering van de toeleiding, trajectbepaling (en -begeleiding) van deeltijds leerplichtigen in het DBSO beogen. Het zal echter belangrijk zijn deze initiatieven op hun mérites te evalueren en hen - bij een positieve evaluatie - een ruimere toepassing te geven. In sommige beleidsteksten wordt - in functie van deze optimalisering - ook gepleit voor een duidelijker profilering en betere onderlinge afstemming van de verschillende deeltijdse onderwijssystemen. Opvallend in dit onderzoek was dat drie vierde van de instromers in respectievelijk het DBSO en de leertijd wel kennis had van het andere deeltijdse systeem maar dit als alternatieve optie nauwelijks overwogen had. Ook na de instroom bleek onderlinge doorstroom een eerder uitzonderlijk gebeuren te zijn.


20

Inhoud

2.2 De deeltijdse onderwijssystemen: een volwaardig alternatief? Met de verlenging van de leerplicht in 1983 wilde de regering vooral de maatschappelijke integratie van (laaggeschoolde) jongeren en hun participatie aan de arbeidsmarkt verhogen. Bij de uitwerking van deze wet werd echter rekening gehouden met de mogelijkheid dat niet voor alle jongeren het voltijds schoollopen tot de leeftijd van 18 jaar een geschikte optie was en daarom werd de leerplicht gemoduleerd. Het alternatief bestond erin om vanaf de leeftijd van 15 of 16 jaar een deeltijdse opleiding in een school of centrum te combineren met een deeltijdse praktijkopleiding. Via het principe van alternerend leren wilde men ook voor deze groep de beroepskansen, maatschappelijke integratie en persoonlijke ontplooiing maximaal bevorderen. In tegenstelling tot de leertijd van het VIZO waar men geen opleiding kan volgen zonder aanvullende tewerkstelling, krijgt men in het DBSO echter niet automatisch een job aangeboden. We stelden in dit onderzoek dan ook vast dat 20% van de starters in het DBSO zijn deeltijdse opleiding niet wilde combineren met een tewerkstelling en uiteindelijk 43% tijdens het eerste schooljaar enkel het schoolse gedeelte opnam. 5 Nochtans bevat het onderzoek aanwijzingen dat jongeren waarbij alternering als opleidingsconcept niet wordt gerealiseerd, meer moeilijkheden ervaren bij hun intrede op de arbeidsmarkt. In het licht van bovenstaande vaststellingen geraken sommigen ervan overtuigd dat - als men de deeltijdse onderwijssystemen wil uitbouwen tot een volwaardige (voor bepaalde beroepen zelfs meerwaardige) onderwijsvorm met dezelfde (specifieke) eindtermen en dezelfde studiesanctionering - jongeren een voltijds engagement op zich moeten nemen. In sommige beleidsteksten gaat men zelfs zo ver van te spreken van een contractverplichting waarbij alle jongeren in een deeltijdse opleiding de verplichting op zich moeten nemen om zich op een voltijdse wijze voor te bereiden op de samenleving én de arbeidsmarkt. Voor de 20% jongeren in dit onderzoek die expliciet te kennen gaven hun opleiding niet te willen (kunnen) combineren met een tewerkstelling, betekent dit evenwel dat een alternatief aanbod moet uitgewerkt. Het huidig aanbod van voor- en brugprojecten is vooral op projectmatige basis georganiseerd en zal - bij een verplichtend voltijds engagement ontoereikend zijn. Een méér structureel beleid zal zich bijgevolg opdringen. Een belangrijke kritiek op de brugprojecten bestaat er bovendien in dat ze hun oorspronkelijke opzet, m.n. doorstroming naar een reguliere arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, niet waarmaken. Een evaluatie van de projecten op het vlak van arbeidsmarkt- en doorstromingsgerichtheid (in relatie tot het profiel van de instroom) dringt zich eveneens op. In het licht van een voltijds engagement zal het tevens belangrijk zijn dat alle (arbeidsmarktrijpe) jongeren die in een deeltijdse opleiding stappen, een geschikte werkervaringsplaats hebben en het spreekt voor zich dat jongeren hiervoor niet alleen verantwoordelijk kunnen gesteld. In dit onderzoek zocht 49% van de starters in het DBSO en 69% van de starters in de leertijd zelf actief naar werk; één op vijf van de DBSO-ers en één op tien van de VIZO-ers vond echter dat de school/ het centrum een actievere rol op zich mocht 5

Op vragen naar mogelijke redenen voor de niet-tewerkstelling werd door de jongeren in dit onderzoek niet of ontwijkend geantwoord.


Inhoud

21

nemen. Uiteindelijk namen 23% van de DBSO-ers die hun deeltijdse opleiding aanvankelijk wilden combineren met werk tijdens het eerste schooljaar toch enkel maar het schoolse gedeelte op… Sociale partners leveren momenteel heel wat inspanningen om het aantal werkervaringsplaatsen uit te breiden en alhoewel dit belangrijke stappen zijn, zal er ook op moeten worden toegezien dat de kwaliteit van deze werkplekken gegarandeerd is. Alhoewel hiertoe eveneens aanzetten zijn gegeven (o.a. de aanwerving van sectorconsulenten), zal een verder stimulerend beleid in functie van de uitbouw van kwalitatieve leerplekken nodig zijn. Zo konden we in dit onderzoek vaststellen dat - alhoewel een meerderheid tevreden was over de wisselwerking tussen werk en opleiding - deze wisselwerking meestal maar vanuit één richting werd georganiseerd, m.n. de school (school betrekt de beroepspraktijk in de opleiding) en zelden omgekeerd. Voor een optimale afstemming is het evenwel belangrijk dat leraren/opleiders in de school en begeleiders op de werkplek elkaar geregeld wederzijds informeren, niet alleen m.b.t. de evaluatie van de wederzijdse kwaliteiten maar evenzeer m.b.t. de opvolging van de vorderingen van de jongeren. Zeker in het licht van de grote uitvalcijfers is het evenzeer belangrijk dat wordt voorzien in een sluitend netwerk van opvang en controle (afwezigheden) waarin zowel ouders, school, bedrijven, CLB, en leersecretaris/trajectbegeleider zijn betrokken. Het op termijn inpassen van het stelsel van alternerend leren in het modulair systeem - waardoor de overgang van de ene naar de andere opleiding wordt vergemakkelijkt - kan eveneens bijdragen tot een reductie van de voortijdige uitval. Gegeven dat nogal wat jongeren in de deeltijdse systemen hun opleiding niet afronden, is het verbazend te moeten vaststellen hoe weinig jongeren de stap (terug) zetten naar het voltijds onderwijs of een ander deeltijds alternatief. Bij de formulering van afzonderlijke eindtermen voor de deeltijdse opleidingen (o.a. vanuit de motivatie de individuele trajectbegeleiding van bepaalde categorieën jongeren niet in het gedrang te brengen) zal er daarom op moeten toegezien dat flexibele overgangen naar andere onderwijsvormen niet worden gehypothekeerd. 2.3 Een startkwalificatie voor iedereen Op de Europese Raad van Lissabon van maart 2000 heeft België zich samen met de andere lidstaten geëngageerd om tegen 2010 de ongekwalificeerde uitstroom uit het initieel onderwijs te halveren. Het garanderen van een recht op startkwalificatie voor iedereen wordt in deze als een belangrijk instrument naar voren geschoven om de ongekwalificeerde uitstroom te reduceren. De SERV pleit al sinds 1999 voor de invoering van dit recht. Belangrijke discussiepunten zijn o.m. de uitstapniveaus welke kunnen worden beschouwd als een afgeleide van een startkwalificatie met daaraan verbonden de reflectie of iedereen de respectievelijke niveaus wel kan én ook behoeft te behalen. Andere aspecten die in het debat voorlopig nog weinig aandacht kregen, hebben betrekking op de vraag naar de afdwingbaarheid van dit recht (én zo ja tot op welke leeftijd?) en hieraan gelieerd aspecten van organisatorische en financiële verantwoordelijkheidsverdeling. De discussie over de uitstapniveaus wordt momenteel samen gevoerd met de formulering en de invoering van (specifieke) eindtermen en daaraan gekoppeld het toekennen van diploma’s en getuigschriften van het secundair onderwijs. Vooral het al dan niet diplomeren na het tweede jaar


22

Inhoud

van de derde graad in alle onderwijsvormen blijkt een heikel punt. In dit onderzoek kunnen we uiteraard geen uitspraken doen over de aangewezen uitstapniveaus voor een startkwalificatie. Dan hadden we ook afgestudeerden van het ASO en het hoger onderwijs in het onderzoek moeten betrekken. Bovendien hebben we ook geen aspecten van het maatschappelijk en persoonlijk functioneren en van de participatie aan levenslang leren betrokken. Voorliggend onderzoek bleef beperkt tot afgestudeerden uit het initieel beroepsonderwijs waarvan werd nagegaan hoe ze zich op korte en iets langere termijn konden handhaven op de arbeidsmarkt. Hun arbeidsmarktintrede werd relatief bekeken (d.i. afgemeten aan de arbeidsmarktintrede van de andere afstudeergroepen van het initieel beroepsonderwijs). Deze vergelijkingen lieten ons o.m. toe na te gaan hoe ongekwalificeerde onderwijsverlaters presteren in vergelijking met gekwalificeerde uitstromers, deeltijds afgestudeerden versus voltijds afgestudeerden en TSO-gekwalificeerden versus BSO-gekwalificeerden. Met betrekking tot de ongekwalificeerde onderwijsverlaters konden we vaststellen dat hun startkansen (in termen van kansen op onmiddellijk werk en kwaliteit van de eerst gevonden jobs) niet significant slechter zijn dan van sommige andere (gekwalificeerde) afstudeercategorieën. Zij die echter niet onmiddellijk werk vinden, blijken het wel moeilijker te hebben om uit de inactiviteit te geraken. Bovendien blijkt ook hun handhavingproces op de arbeidsmarkt (zowel in termen van tewerkstellingspercentages als in termen van gemiddeld aantal, duur en kwaliteit van de uitgeoefende jobs) veel moeizamer te verlopen. Wel bestaan er binnen de groep van ongekwalificeerde onderwijsverlaters nog belangrijke verschillen naar laatste uitstroompositie uit het secundair onderwijs. Al deze vaststellingen ondersteunen in elk geval de idee van een certificeringbeleid dat én aandacht heeft voor de certificering van tussentijds behaalde kwalificaties binnen onderwijs én aandacht heeft voor de certificering van elders verworven kennis, vaardigheden en attitudes. Zeker als we de arbeidsmarktintrede van deze jongeren op iets langere termijn evalueren, is het belangrijk dat deze groep ten alle tijden (gestimuleerd) de draad weer kan opnemen binnen onderwijs zodat ze zich beter kunnen wapenen voor de arbeidsmarkt. Vergelijken we de arbeidsmarktintrede van afgestudeerden van de deeltijdse systemen met deze van het voltijds onderwijs dan kunnen we vaststellen dat de intrede van eerst genoemden in aanvang zelfs veel vlotter verloopt (zowel in termen van onmiddellijke tewerkstellingskansen als in kwalitatieve termen van de eerste uitgeoefende job) maar de verschillen op termijn worden uitgevlakt. Wat betreft tewerkstellingspercentages zien we dat - overheen de tijd - afgestudeerden van de leertijd terrein verliezen aan afgestudeerden van 6/7TSO en 7BSO; - en DBSO-ers gelijke tred blijven houden met afgestudeerden uit 6BSO. Ook op kwalitatief vlak blijkt de aanvankelijke voorsprong weg te ebben; vooral DBSO-ers blijken op termijn in kwalitatief minder gunstige jobs terecht te komen dan afgestudeerden uit het voltijds onderwijs. Uit deze analyses kunnen we voorlopig onthouden dat over iets langere termijn beschouwd, afgestudeerden uit de deeltijdse onderwijssystemen niet in dezelfde mate gewapend zijn voor de arbeidsmarkt als de voltijdsen; alhoewel hier meteen moet aan toegevoegd dat de verschillen met 6BSO niet altijd groot zijn (soms geen verschillen of verschillen in het voordeel van VIZO-ers en/of DBSO-ers). Werkervaring tijdens (het eerste jaar van) de opleiding blijkt over de gehele lijn bevorderend te zijn voor de arbeidsmarktintrede van DBSO-ers, alhoewel ook hier moet aan toegevoegd dat niet werd gecontroleerd voor instroomkenmerken (aantallen te klein).


Inhoud

23

De opvallendste conclusie die we m.b.t. de arbeidsmarktintrede van afgestudeerden uit het TSO en BSO kunnen trekken is dat niet zozeer het afstudeerniveau en -leerjaar van invloed waren op het verloop van dit intredeproces dan wel het studiedomein waarin men was afgestudeerd. De in dit onderzoek in beschouwing genomen kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren van het intredeproces op korte en iets langere termijn, laten zien dat de verschillen tussen TSO- en BSO-ers en tussen zesde- en zevendejaars niet betekenisvol zijn wanneer wordt gecontroleerd voor de invloed van studiedomein en/of, stage- en werkervaring en/of sociale achtergrondkenmerken van de jongeren. Verschillen tussen studiedomeinen blijven daarentegen bijna steeds overeind; dit vooral ten nadele van jongeren afgestudeerd uit handel en personenzorg (niveau en leerjaar doen er niet toe). Stage-ervaring blijkt vooral de kwaliteit van de intrede op korte termijn te beĂŻnvloeden; werkervaring onder de vorm van vakantiewerk en studentenjobs eerder de intrede op iets langere termijn. Een beleid dat de arbeidsmarktintrede van TSO- en BSO-afgestudeerden wil bevorderen, zal zich bijgevolg in eerste instantie moeten buigen over de arbeidsmarktrelevantie van bepaalde studiedomeinen (de economische conjunctuur mee in acht genomen) en mag daarbij ook niet de positieve invloed van stage- en werkervaring uit het oog verliezen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
transitieinitieelberoepsonderwijsnaararbeidsmarkt_samenvatting_1.pdf by Vlaanderen-be - Issuu