Skip to main content

Speurgids_2022.pdf

Page 1

SPEURGIDS 2022 Ondernemen & Innoveren De besteding van 4,446 miljard euro Vlaamse overheidsmiddelen voor economie, wetenschap en innovatie toegelicht

www.ewi-vlaanderen.be


Speurgids 2022 Het Vlaamse overheidsbudget voor Economie, Wetenschap & Innovatie


Colofon De Speurgids Ondernemen & Innoveren is een publicatie van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) van de Vlaamse overheid.

Contactadres: Vlaamse overheid, Departement EWI Afdeling Ondernemen & Innoveren Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel Tel.: 02 553 59 80 speurgids@vlaanderen.be www.ewi-vlaanderen.be | www.speurgids.be

Verantwoordelijke uitgever: Johan Hanssens, Secretaris-generaal Samenstelling en redactie: Stefanie Maris – deel 4: Monica Van Langenhove Datum van uitgave: juli 2022

De inhoud, cijfers en berekeningen van de Speurgids 2022 werden gemaakt op basis van gekende begrotingsbudgetten bij begrotingsopmaak 2022 tenzij anders vermeld.

Overname is alleen toegestaan met bronvermelding. Het departement EWI aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

Coverfoto © www.shutterstock.com

D/2022/3241/215


Woord vooraf Beste lezer, Als nieuwe Vlaamse minister van Innovatie presenteer ik jullie trots mijn eerste EWI-Speurgids. Naar jaarlijkse traditie biedt de Speurgids een gestructureerd overzicht van de overheidskredieten 2022 voorzien voor het Vlaamse economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. In 2021 werd onze economie nog sterk getekend door de impact van de Coronapandemie. Toch was 2021 ook meteen de start van de uitrol van het relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’. Ondanks de aanhoudende impact van de pandemie kende de Vlaamse economie in 2021 zo een bijzonder sterk herstel. Dit resulteerde in een recordaantal nieuwe ondernemingen. De algemene gunstige economische situatie leidde ook tot een groeiende krapte op de arbeidsmarkt. De terugkerende besmettingsgolven van het Coronavirus bezorgden heel wat sectoren van de Vlaamse

economie

ook

in

2021

gedurende

verschillende

periodes

tal

van

exploitatiebeperkingen. Het meest ingrijpend waren de maatregelen die zich situeerden in de eerste helft van het jaar. Maar ook in de herfst waren opnieuw ingrepen noodzakelijk om de Coronapandemie onder controle te krijgen. Daarom

bood

VLAIO

opnieuw

de

noodzakelijke

bescherming

via

het

Vlaams

Beschermingsmechanisme. Dit kon vanaf juni sterk worden afgebouwd en veel meer selectief worden ingezet. Een onafhankelijke evaluatie (van de Technopolis groep i.s.m. onder meer de KU Leuven) toonde aan dat de directe Vlaamse steun een belangrijke positieve impact had zowel op de algemene economische omstandigheden als op de veerkracht van de getroffen bedrijven om snel hun activiteitenniveau te herstellen. Naast de directe steun vingen we de impact van Coronapandemie en de uitgaven in het kader van een snelle herstart ook op via specifieke financiële instrumenten i.s.m. met PMV, zoals de ‘heropstartlening’. In 2021 verruimden we bovendien de succesvolle win-winlening en lanceerden we het nieuwe vriendenaandeel. De win-winlening zorgde voor een record aan kapitaal dat aan kmo’s ter beschikking werd gesteld en leverde zo een mooie bijdrage aan het herstel van de solvabiliteit. Via de instrumenten van VLAIO stimuleerden we dan weer de professionalisering van onze kmo’s, ook in het kader van de gevolgen van de Brexit. Naast de initiatieven in het kader van het contract ondernemerschap droeg de hervormde kmo-groeisubsidie bij aan de strategische oriëntatie op digitalisering, duurzaamheid en internationalisering. In 2021 steeg ook het gebruik van de kmo-portefeuille. Ook de lokale handel kreeg in 2021 bijzondere aandacht. We stimuleerden de omslag naar online handel en ondersteunden de lokale besturen om meer te investeren in aantrekkelijke handelskernen via doorlichtingen van de profploeg en de opstart van het investeringsfonds voor kernversterking.

3


Via VLAIO zetten we ook de inspanningen verder om de digitale en duurzame transitie van ons economisch weefsel te stimuleren. We hervormden de Strategische Transformatiesteun in de loop van 2021 met meer nadruk op duurzaamheid en voerden de verplichting in voor de steunvragende ondernemingen om over een klimaatplan te beschikken. De voorbije jaren presteerde Vlaanderen sterk voor onderzoek en innovatie. In juli 2022 presenteerde ECOOM in samenwerking met het Departement EWI de cijfers voor de O&Obestedingen. Hieruit bleek dat Vlaanderen reeds in 2019 met 3,35% bbp de 3%-norm voor O&O had doorbroken. Een belangrijke realisatie die in 2020 werd versterkt, met een O&O-intensiteit van maar liefst 3,6% bbp. Dat brengt ons in de wereldtop. In uitvoering van de beleidsprioriteiten investeerden we ook in 2021 en 2022 fors in innovatie, enerzijds d.m.v. de voorziene opstapmiddelen, anderzijds via de substantiële extra middelen van het Plan ‘Vlaamse Veerkracht’. Verschillende O&O-initiatieven met belangrijke maatschappelijke impact zagen op die manier het licht, bijvoorbeeld het impulsprogramma Bio-economie, de speerpuntcluster zorg en gezondheid, de structurele basisfinanciering voor EnergyVille, extra middelen voor de nieuwe convenanten met imec en VIB, opstappen voor Flanders Make in het kader van het lopende convenant, nieuwe investeringen voor de wetenschappelijke instellingen VLIZ en ITG, meer middelen voor het fundamenteel onderzoek via

het

FWO,

een

bijzondere

financiële

impuls

aan

toepassingsgerichte

onderzoeksinfrastructuur in onze kennisinstellingen, … Het komt er op aan met deze investeringen de maatschappelijke transities naar een digitaal, duurzaam en zorgzaam Vlaanderen te versnellen. Met deze Speurgids 2022 Ondernemen & Innoveren biedt het Departement EWI alvast een gestructureerd overzicht van de overheidskredieten voorzien voor het Vlaamse economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. De Speurgids levert hiermee de basis voor verdere analyse en monitoring van beleidsindicatoren in het beleidsdomein economie, wetenschap en innovatie. De gids is overzichtelijk opgedeeld in zes delen. Het eerste deel geeft een overzicht van de instrumenten en overheidsbudgetten die het Vlaams economisch beleid vormgeven. Het betreft een budget van meer dan 468 miljoen euro en gaat om instrumenten die de competitiviteit van de ondernemingen ondersteunen, het

ondernemerschap bevorderen, de omgevingsfactoren faciliteren, de internationalisering van de Vlaamse eonomie stimuleren en de duurzaamheid versterken. Ook enkele initiatieven uit andere beleidsdomeinen die een bijdrage leveren aan ons economisch beleid worden kort toegelicht. Deel twee gaat dieper in op het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid. Bij begrotingsopmaak 2022 wordt er een budget van 3,978 miljard voorzien voor wetenschap en innovatie. Hiervan is ruim 2 miljard euro voor onderzoek en ontwikkeling. Het EWI-Beleidsdomein is verantwoordelijk voor 75% van deze middelen.

4


In het derde deel worden de O&O-overheidsuitgaven en de O&O-kredieten van Vlaanderen in nationale en internationale context besproken. Met een O&O-intensiteit van 3,6 % van het

regionaal bbp in 2020 doorbreekt Vlaanderen opnieuw de 3%-norm en komen we in de wereldtop wat betreft O&O-intensiteit. We worden vooraf gegaan door Israël (5,44 %), ZuidKorea (4,81%), Taiwan (3,64%) en gevolgd door Zweden (3,53%), de Verenigde Staten (3,45%), Japan (3,27%) en Oostenrijk (3,20%)! In deel vier wordt dieper ingegaan op het Vlaamse relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’. In deel vijf wordt de Vlaamse deelname aan het Europees O&O&I kaderprogramma Horizon 2020 geanalyseerd. In deel zes wordt het Programma Innovatief Aanbesteden (PIO) geduid. Kortom, de Speurgids 2022 bevestigt dat het Vlaamse beleid stevig inzet op wetenschap en innovatie als drijvende kracht achter onze Vlaamse economie. Want innovatie zal de sleutel zijn om sterker uit de crisis te komen.

We wensen de lezer een verrijkende lectuur.

© Belga image

Jo Brouns Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw

5


Inhoudsopgave Woord vooraf ...........................................................................................................................................................................................3 Ten geleide Transformatief O&O&I - beleid in fundamenteel onzekere tijden ............................................ 12

Deel 1 Vlaams economisch beleid: 468 miljoen euro .................................................49 Inleiding: actoren en budgetten in het Vlaams economisch beleid ......................................................................... 51

Hoofdstuk 1 Competitiviteit van ondernemingen ondersteunen ........................................................................ 58 1.

Instrumenten binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO)

............................ 58

Strategische Transformatiesteun ........................................................................................................................................... 58 Kmo-portefeuille .............................................................................................................................................................................. 59 Kmo-groeisubsidie .......................................................................................................................................................................... 59 Carbon Leakage................................................................................................................................................................................ 60 Openbare werken: nieuwe hinderpremie/sluitingspremie ...................................................................................... 60 Screen Flanders ................................................................................................................................................................................. 61 Corona-maatregelen om bedrijven door de crisis te helpen ................................................................................... 61 2.

Instrumenten binnen PMV ................................................................................................................................................ 64 PMV65 “PMV/Z”..................................................................................................................................................................................................67 Media Invest Vlaanderen ............................................................................................................................................................. 69

3.

Instrumenten binnen de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM) ..................................................... 70

4.

Instrumenten binnen Gimv ...............................................................................................................................................73

5.

Instrumenten binnen de sociale economie: het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) ............................. 74

Hoofdstuk 2 Ondernemerschap bevorderen .....................................................................................................................76 1.

Initiatieven vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO)................................................. 76

2.

Initiatieven vanuit het beleidsdomein WSE ............................................................................................................. 79

Hoofdstuk 3 Vlaams clusterbeleid 1.

............................................................................................................................. 82

Speerpuntclusters .................................................................................................................................................................. 83 Portfolio aan speerpuntclusters ............................................................................................................................................. 83 Geoormerkte middelen voor clusterprojecten................................................................................................................ 84 Historiek benutting geoormerkte middelen voor speerpuntclusters................................................................. 84 Speerpuntclusters onder de loupe ........................................................................................................................................ 85

2.

Innovatieve BedrijfsNetwerken ...................................................................................................................................... 89 Portfolio aan Innovatieve BedrijfsNetwerken ................................................................................................................. 89 Interclusterprojecten in de transitieprioriteiten ........................................................................................................... 90 Moonshot ............................................................................................................................................................................................. 90


3.

Innovatieve ecosystemen ................................................................................................................................................... 91

4.

Dynamiek ................................................................................................................................................................................... 92

5.

Lerend netwerk....................................................................................................................................................................... 92

Hoofdstuk 4 Omgevingsfactoren faciliteren ...................................................................................................................... 93 6.

Activeringsbeleid voor on(der)benutte bedrijventerreinen............................................................................ 93 Leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten ..................................................................................................... 93 Niet-beheerde bedrijventerreinen .......................................................................................................................................... 93

7.

Brownfieldconvenantenbeleid ........................................................................................................................................ 94

8.

Herontwikkeling Ford-site ................................................................................................................................................ 94

9.

Steunverlening bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren ...................................................... 94 Bedrijventerreinen .......................................................................................................................................................................... 94 Bedrijvencentra en incubatoren ............................................................................................................................................. 94 Bedrijventerreinmanagement................................................................................................................................................... 95

Hoofdstuk 5 Internationalisering van de Vlaamse economie stimuleren........................................................ 96 1.

Beleidskredieten Flanders Investment & Trade (FIT) .......................................................................................... 96

2.

Werkingsmiddelen FIT voor het binnen- en buitenlands FIT-netwerk ................................................... 100 Een wereldwijd netwerk ........................................................................................................................................................... 100 Doelstellingen ...................................................................................................................................................................................103

3.

Overige initiatieven .............................................................................................................................................................104 Agentschap voor Buitenlandse Handel ..............................................................................................................................104 Buitenlandse economische missies ......................................................................................................................................104 Enterprise Europe Network (EEN) .........................................................................................................................................105

Hoofdstuk 6 Duurzaamheid van de Vlaamse economie versterken ................................................................. 106 Hoofdstuk 7 Transversaal economisch en innovatiebeleid: Vlaanderen Circulair, Industrie 4.0, Energietransitie, Klimaatvisie 2050 en Flanders Care ................................................................................................ 109 1.

Circulaire economie.............................................................................................................................................................109 Situering Vlaanderen Circulair als transversaal thema .............................................................................................109 Roadmap Circulaire Economie 2020-2030 ....................................................................................................................... 110

2.

Industrie 4.0 ..............................................................................................................................................................................112

3.

Zorgen voor een energietransitie .................................................................................................................................113

4.

Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 en de Vlaamse Klimaatvisie 2050 .............................................. 115 Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 ......................................................................................................................115 Vlaamse Klimaatstrategie 2050 ...............................................................................................................................................115 De Europese klimaatwet en het ‘Fit for 55 pakket’......................................................................................................116 Moonshot Vlaanderen CO2-arm: industrieel innovatieprogramma ....................................................................118

5.

Flanders’ Care ..........................................................................................................................................................................118


Hoofdstuk 8 Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)....................................................................................................................................................................................................... 120 1.

Situering ................................................................................................................................................................................... 120

2.

EFRO algemeen: 380,8 miljoen euro Europese middelen voor Vlaanderen ......................................... 120

3.

Het EFRO Vlaanderen programma: 208.8 miljoen euro Europese middelen ........................................ 121

4.

De EFRO Interreg programma’s: 172 miljoen euro Europese middelen ................................................... 123 Waar staat Interreg voor?.........................................................................................................................................................123 Wat komt in aanmerking? ........................................................................................................................................................124 Wie komt in aanmerking? .........................................................................................................................................................125 Omvang steun..................................................................................................................................................................................125

Deel 2 Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid: 3,977 miljard euro.............. 127 Inleiding: definities en actoren in het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB)............................................... 128 1.

Internationale definities: terminologische driedeling ...................................................................................... 128

2.

Overheidslandschap van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid ............................................... 129

3.

Andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse overheid

4.

De vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen ................................................................................................. 131

.....................................................................130

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO - beleidsdomein Omgeving) ................................................ 131 Agentschap ‘Onroerend Erfgoed’ (beleidsdomein Omgeving) ................................................................................ 131 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen (KMSKA – beleidsdomein CJSM) ....................... 131 Instituut voor Landbouw- en visserijonderzoek (ILVO – beleidsdomein LV)................................................ 132

Hoofdstuk 9 Het wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht..............................................................................133 1.

Wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door het Beleidsdomein EWI.................................... 133 Begrotingsopstappen afgesproken bij de regeringsvorming ................................................................................. 135 1.1. Programma ‘Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles’ (PROG EE): 830,95 miljoen euro .......................................................................................................................................................................................................138 1.2. Programma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ (PROG EF): 729,47 miljoen euro 145 1.3. Programma ‘Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie’ (PROG EG): 10,38 miljoen euro .......................................................................................................................................................................... 149 1.4. Programma ‘Duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap’ (PROG EC): 10,22 miljoen euro ..........................................................................................................................................................................152 1.5. Programma ‘Apparaat’ (PROG EA): 0,55 miljoen euro ...................................................................................... 154 1.6. Totaal budget beleidsdomein EWI over de vijf programma’s: 1,581 miljoen euro ........................... 155

2.

Wetenschapsbeleid gefinancierd door het beleidsdomein OV .................................................................... 158

3.

Wetenschapsbeleid gefinancierd door de acht andere beleidsdomeinen............................................. 165

4. Totaal: ‘Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid’ (exclusief werkingsuitkeringen Hogescholen) .......................................................................................................................................... 167


Hoofdstuk 10 Analyse van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid: 3,123 miljard euro ............................................................................................................................169 1.

Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) 169

2.

Analyse volgens beleidsdomein .................................................................................................................................... 173

3.

Analyse volgens bevoegde minister ........................................................................................................................... 175

4.

Het O&O budget: analyse volgens NABS-classificatie ....................................................................................... 176

5.

Het O&O budget: analyse van gericht versus niet-gericht onderzoek .................................................... 179

6.

Het O&O budget: analyse volgens initiatiefnemer ............................................................................................. 183

7.

Het wetenschaps- en innovatiebudget: analyse volgens zes grote indelingen .................................. 186 7.1. Niet-gericht onderzoek ......................................................................................................................................................188 7.2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen ...................................................................................... 189 7.3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven.......................................................................................................................................................................................191 7.4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s ........................................................ 193 7.5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies ........................................... 194 7.6. Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid .................................................... 195

Deel 3 O&O-overheidsuitgaven van Vlaanderen in nationale en internationale context ............................................................................................................. 196 Inleiding ................................................................................................................................................................................................... 197

Hoofdstuk 11 Internationale vergelijking van de O&O-uitgaven (GERD) ......................................................... 201 1.

De O&O-intensiteit in het Vlaams Gewest (3%-norm) .................................................................................... 201

2. Nationale en internationale vergelijking: Vlaanderen tweede hoogste O&O-intensiteit binnen EU-27 203

Hoofdstuk 12 Directe en indirecte O&O-overheidssteun in België .................................................................... 205 Hoofdstuk 13 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) ............................ 209 Hoofdstuk 14 Groeipad naar de 1% norm voor overheidskredieten ..................................................................213 1. Benaderende berekeningswijze voor publiek-gefinancierde O&O-intensiteit (“1%-norm”) op basis van GBARD.................................................................................................................................................................................213 2.

Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm ................................................................................. 216

Deel 4 Het Relancebeleid....................................................................................................... 221 Hoofdstuk 15 Van crisissteun naar relance: ‘Vlaamse Veerkracht’ .................................................................... 222 1.

Inleiding ....................................................................................................................................................................................222

2.

Het Vlaamse Relanceplan – Vlaamse Veerkracht ...............................................................................................223 Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten met Europese middelen gefinancierd ..................................................... 223 Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten, niet ingebracht in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en dus Vlaams gefinancierd ....................................................................................................................................................224 Projecten die met de reguliere begrotingsmiddelen gefinancierd worden. ................................................. 225


Deel 5 Tussentijdse analyse Horizon 2020 .................................................................. 227 Hoofdstuk 16 Vlaamse deelname aan Horzion 2020 ................................................................................................ 229 1.

Samenvatting .........................................................................................................................................................................229

2.

Algemeen ..................................................................................................................................................................................230

3.

Vlaamse deelname in H2020 ......................................................................................................................................... 233 3.1. Algemeen .................................................................................................................................................................................. 233 3.2. Kerncijfers ................................................................................................................................................................................ 234 3.3. Vlaamse deelname volgens programmaonderdeel ........................................................................................... 236 3.4. Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorie ...............................................................................................241 3.5. Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit en volgens deelnemerscategorie ................... 244 3.6. Vlaamse topdeelnemers ................................................................................................................................................... 246 3.7. Vlaanderen in de Europese rangschikking ............................................................................................................ 247

Deel 6 Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten ................................ 255 Hoofdstuk 17 Wat is PIO? ............................................................................................................................................................. 257 1.

Publieke koopkracht als katalysator van innovatie ......................................................................................... 257

2.

Wat zijn innovatieve overheidsopdrachten? ....................................................................................................... 257

3.

De 5 fases binnen PIO .......................................................................................................................................................258

4.

Innovatieve overheidsopdrachten, waarom? ...................................................................................................... 258

5.

Aanbod ...................................................................................................................................................................................... 259

6.

Lopende projecten .............................................................................................................................................................. 259

Bijlagen ............................................................................................................................................ 261 Bijlage I: Terugblik op de opstapmiddelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 en toelichting bij de begrotingsopmaak 2020.............................................................................................................................................................. 262 1.

Terugblik op de bijgekomen middelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 .......................................... 262 1.1. Totale vrij beleidsruimte voor alle Vlaamse bevoegdheden samen: recurrente middelen en investeringsenveloppe ................................................................................................................................................................262 1.2. Vrije beleidsruimte voor het beleidsdomein EWI............................................................................................... 263 1.3. De recurrente opstap van 280 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 ........................ 266 1.4. De investeringsenveloppe van 120 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 ................ 267 1.5. Begrotingsopmaak 2020 .................................................................................................................................................. 268

Bijlage II: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Not for Profit Instellingen (PNP) en Hoger Onderwijs (HE) in het kader van de GERD-berekening. ...................................................................................................................... 271 Bijlage III: Indeling van de eenmalige middelen Vlaamse Veerkracht voor het beleidsdomein EWI in O&O vs. niet-O&O middelen per jaar.................................................................................................................................... 275 Bijlage IV: Lijst met afkortingen uit tussentijdse analyse H2020........................................................................ 276 Bijlage V: Lijst met thematische prioriteiten uit tussentijdse analyse H2020 ............................................ 277


Figuren.....................................................................................................................................................................................................279 Tabellen .................................................................................................................................................................................................. 282 Glossarium.............................................................................................................................................................................................285 Medewerkers ........................................................................................................................................................................................289


Ten geleide Transformatief O&O&I - beleid in fundamenteel onzekere tijden A. De Speurgids Ondernemen & Innoveren is een jaarlijkse publicatie van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) van de Vlaamse overheid. Hierin worden de overheidsbudgetten voor zowel het economisch als het wetenschaps- en innovatiebeleid belicht. Het totaal aan vastleggingskredieten 1 ingeschreven in de Vlaamse begroting 2022 voor alle Vlaamse bevoegdheden samen, bedraagt afgerond 51,6 miljard euro. Organisatorisch is de Vlaamse overheid ingedeeld in 10 beleidsdomeinen

Figuur 1 Organogram van de Vlaamse overheid: 10 beleidsdomeinen

1

Belangrijk voor ogen te houden is dat we in de Speurgids steeds focussen op de vastleggingskredieten (voor ESRconsolidatie) zoals opgenomen in de ‘administratieve tabel’ bij de begrotingsdocumenten, zoals neergelegd in het Vlaams Parlement. Dit zijn de kredieten die aangeven voor welk bedrag de Vlaamse overheid verbintenissen kan aangaan in een welbepaald begrotingsjaar. Deze zijn te onderscheiden van de vereffeningskredieten, die het geheel van kredieten omvatten waarmee ook eerder aangegane verbintenissen kunnen worden vereffend (i.c. betaald).

12


Traditioneel vertrekt de Speurgids van de cijfers van de begrotingsopmaak van een begrotingsjaar, in casu 2022. De uitgaven 2022, zoals door het Vlaams Parlement eind december 2021 gestemd 2, vormen het uitgangspunt van de analyse. In Figuur 2 worden de beschikbare vastleggingskredieten 2022 per beleidsdomein weergegeven 3. Figuur 2 Overzicht van de vastleggingskredieten binnen de Vlaamse begroting per beleidsdomein bij begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro).

Onderwijs en Vorming

15.427,973

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

13.622,609

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justutie

5.132,080

Mobiliteit en Openbare werken

4.136,439

Werk en Sociale Economie

3.646,913

Financiën en Begroting

3.550,564

Omgeving

2.370,489

Economie, Wetenschap en Innovatie

1.975,301

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

1.345,723

Landbouw en Visserij

213,731

Hogere Entiteiten

138,307 0

2.000 4.000 6.000 8.000 10.00012.000 14.000 16.000 18.000

De beleidsdomeinen‘Onderwijs en Vorming’ (OV) en ‘Welzijn, Volksgezondheid en Gezin’ (WVG) hebben het grootste aandeel in het Vlaams overheidsbudget, respectievelijk 30% en 26% van het totaal. Het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) tekent in deze voorstellingswijze – traditioneel gebruikt in de begrotingsdocumenten 4 – voor ruim 1,975 miljard euro aan vastleggingskredieten of 3,8% van het totaal. Deze 1,975 miljard euro is evenwel een onderschatting van de vastleggingskredieten die vanuit de Vlaamse begroting geïnvesteerd worden in het brede Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. Ook andere beleidsdomeinen beschikken immers over middelen voor het beleid gerelateerd aan economie, wetenschap en innovatie.

2

Zie parlementair stuk 15 (2021-2022) Nr. 14 Tekst aangenomen door de plenaire vergadering van het ontwerp van decreet houdende de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2022. 3 “Hogere Entiteiten” vormt geen beleidsdomein maar groepeert de kredieten voor de werking van het Vlaams Parlement en de apparaatskredieten van de kabinetten van de Vlaamse Regering. 4 Zie parlementair stuk 13 (2021-2022) Nr. 1 Algemene toelichting bij de middelenbegroting en de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2022.. Ingediend 21 oktober 2021. https://www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/parlementaire-initiatieven/15670075 13


In de eerste plaats het beleidsdomein Onderwijs en Vorming waar zich de werkingsuitkeringen voor de universiteiten 5 en hogescholen 6 bevinden. Met onder meer deze werkingsmiddelen (de zogenaamde “eerste geldstroom”) financieren de universiteiten hun drieledige opdracht onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening. Bij conventie wordt geacht 25% van die 1ste geldstroom-middelen bestemd te zijn voor onderzoek. De hogescholen van hun kant financieren met hun werkingsmiddelen hun drieledige opdracht van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening en projectmatig wetenschappelijk onderzoek. Voor die laatste opdracht krijgen ze een aparte dotatie via de begroting van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Maar ook de andere acht beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid voorzien middelen voor het wetenschapsbeleid. Ook die worden toegevoegd, om zo het totaal aan vastleggingskredieten in de begroting 2022 te bekomen.

De werkingsmiddelen voor de universiteiten zijn samengesteld uit vier componenten: 1) een onderwijssokkel 2) een variabel onderwijsdeel 3) een onderzoekssokkel en 4) variabel onderzoeksdeel. De verhouding per instelling tussen enerzijds ‘onderwijssokkel + variabel onderwijsdeel’ en anderzijds ‘onderzoekssokkel + variabel onderzoeksdeel’ is gelijk aan 55 versus 45%. 6 Sinds de Speurgids 2019 brengen we ook de werkingsuitkeringen van de hogescholen mee in beeld. Hogescholen maken immers een integraal deel uit van het Vlaams O&O&I ecosysteem. Ten opzichte van vroegere edities van de Speurgids stijgt door deze opname van de hogescholen het totale overheidsbudget voor economie, wetenschap en innovatie in brede zin (dus inclusief de middelen voor hoger onderwijs) tot vier miljard euro. Met het oog op een integrale beleidsen systeembenadering is deze voorstellingswijze te verkiezen. 5

14


Tabel 1 Overzicht van de belangrijkste overheidsmiddelen (vastleggingskredieten) voor het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in brede zin bij begrotingsaanpassing 2018 en 2019, 2020, 2021 en begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro) 2018BA

2019BA

2020BA

2021BA

2022BO

A. Economisch beleid

352,718

376,108

399,353

620,59

467,60

Vanuit het beleidsdomein EWI via het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO

352,718

376,108

399,353

620,59

467,60

B. Wetenschaps- en innovatiebeleid

3.213,75

3.640,83

3.648,88

4.048,07

3.978,02

B.1 Wetenschaps- en innovatiebeleid vanuit het beleidsdomein EWI

1.232,51

1.475,25

1.418,11

1.750,17

1.581,57

858,18

999,3

990,169

1.147,77

1.153,89

374,33

475,95

427,9432

444,74

427,68

B.1.1. Via Departement EWI B.1.2. Via het Fonds voor Innoveren en Ondernemen bij VLAIO B.1.3 Via investeringen Vlaamse Veerkracht B.2 Wetenschapsbeleid vanuit het beleidsdomein O&V

B.2.1. hogeronderwijs-financiering 100% werkingsmiddelen hogescholen = bij conventie onderwijs 75% werkingsmiddelen universiteiten = bij conventie onderwijs 75% van andere middelen universiteiten en gelijkgestelde en andere instellingen 7 B.2.2. onderzoeks-financiering (O&O) 25% werkingsmiddelen universiteiten = bij conventie onderzoek Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek aan de hogescholen (PWO) 25% van andere middelen universiteiten en gelijkgestelde en andere instellingen B.3 Wetenschapsbeleid vanuit de acht andere beleidsdomeinen C. Totaal overheidsmiddelen voor het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid (A+B)

157,66 1.848,06

1.945,23

2.069,38

2.144,44

2.239,71

1.474,30

1.551,00

1.655,60

1.696,59

1.830,07

667,94

708,528

783,597

808,32

854,33

674,16

699,5

721,639

759,93

790,83

132,2

142,97

150,361

128,34

184,91

373,76

394,23

413,783

447,86

409,64

224,72

233,17

240,546

253,31

263,61

28,57

29,32

30,011

30,47

31,39

120,47

131,74

143,226

164,08

114,64

133,18

220,35

161,39

153,46

156,73

3.525,49

4.016,94

4.048,24

4.668,66

4.445,62

In Tabel 1 worden zo alle middelen gerelateerd aan economie, wetenschap en innovatie in brede zin (dus inclusief de middelen voor hoger onderwijs) beschikbaar binnen de Vlaamse begroting gegroepeerd weergegeven en ze totaliseren in 2022 tot 4,45 miljard euro. De daling in 2022 ten opzichte van 2021 met 223 miljoen euro valt uiteen in een daling met 153 miljoen euro voor het economisch beleid en een daling van 70 miljoen euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. De daling voor het economisch beleid is hoofdzakelijk het gevolg van de daling van de kredietlijn compensatie voor indirecte emissiekosten (carbon leakage) van energie-intensieve bedrijfstakken met 70 miljoen euro, door een daling van middelen voor Syntra (29 miljoen euro), door een daling in de Vlaamse co-financiering van EFRO (16 miljoen euro) en tenslotte door het feit dat de Vlaamse Veerkracht-middelen voor economie enkel voor 2021 opgenomen zijn in deze Speurgids (13 miljoen euro) en nog niet voor 2022, omdat die middelen op datum van opmaak van de Speurgids nog niet volledig toegewezen zijn.

7

Het betreft 75% van uitgaven zoals toelagen studentenvoorzieningen Hoger onderwijs, kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen, investeringen Hoger Onderwijs, subsidie ITG, werkingsmiddelen Vlaamse Autonome Hogere Zeevaartschool, …. 15


De daling voor het wetenschaps- en innovatiebeleid heeft eenzelfde oorzaak: de eenmalige relancemiddelen van 2021 reeds zijn meegenomen in de cijfers van het begrotingsjaar 2021 (157,66 miljoen euro) maar nog niet in de cijfers van het begrotingsjaar 2022 omdat die nog niet volledig toegewezen zijn. Het is de ambitie van deze Speurgids de lezer te verduidelijken waaraan deze 4,45 miljard euro overheidsmiddelen besteed worden. Naast daadkracht, vertrouwen en wendbaarheid vormt openheid immers de vierde kernwaarde van de Vlaamse overheid. Zo zal deel 1 van de Speurgids toelichten aan welke initiatieven de 468 miljoen euro voor het economisch beleid besteed worden. Deel 2 licht dan de besteding van de 3,978 miljard euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid toe. Deel 3 verlegt dan de focus naar de middelen specifiek voor onderzoek & ontwikkeling (O&O) in Vlaanderen en plaatst die in een internationale context. De O&O-uitgaven zijn immers onderwerp van regionaal, nationaal en Europees afgesproken streefcijfers en monitoring. In Deel 4 wordt het relanceplan Vlaamse Veerkracht besproken. Het betreft 4,3 miljard € eenmalige middelen die vastgelegd worden in 2021-2022 als antwoord op de coronacrisis. Voor het beleidsdomein EWI gaat het over 631 mio €. In Deel 5 wordt het Europese O&O&I-kaderprogramma Horizon 2020 besproken aan de hand van een tussentijdse analyse op basis van cijfers voorjaar 2022. Deel 6 tenslotte is een thematisch hoofdstuk dat inzoemt op een in de legislatuur 2014-2019 opgestart initiatief: het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO). Met de recurrente investering van 4,45 miljard € in 2022 in economie, wetenschap en innovatie in brede zin én met het Vlaamse relanceplan van eenmalig 4,3 miljard € tracht de Vlaamse overheid burgers, ondernemingen en maatschappelijke organisaties maximaal te ondersteunen in de fundamenteel onzekere tijden waarmee de Vlaamse economie en samenleving geconfronteerd wordt. Want nog niet eens hersteld van de coronapandemie en de daaruit voortkomende economische krimp in 2020 (-5,5% bbp Vlaanderen, gevolgd door een opleving van 7% bbp in 2021), worden we sinds begin februari 2022 - door de Russische agressie ten aanzien van Oekraïne – ook nog eens geconfronteerd met een oorlogssituatie op Europese bodem, met drastische gevolgen voor de wereldeconomie en de wereldwijd verstrengelde toeleverings- en waardeketens in een hyper-geconnecteerde wereld. De pandemie en de oorlog vinden bovendien plaats op een ogenblik dat wereldwijd alle samenlevingen geconfronteerd worden met de uitdagingen gesteld door klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, vergrijzing en snelle technologische veranderingen. Verder investeren in economie, wetenschap en innovatie in brede zin in Vlaanderen is de beste strategie om als kleine regio veerkrachtig het hoofd te bieden aan de wereldwijde uitdagingen. Hoe en waar die investeringen gebeuren, vindt de lezer in deze Speurgids. In voorliggende ‘ten geleide’ schetsen we eerst de beleidscontext en -filosofie waarbinnen deze middelen ingezet worden.

16


Vooraleer in de details te duiken, wordt de lezer eerst een helikopterzicht geboden op de grote verdelingen van de totaliteit van de 4,45 miljard euro middelen voor het economisch en wetenschaps- en innovatiebeleid. En dit volgens twee invalshoeken: 1)

Uitsplitsing van de middelen volgens de drieledige onderverdeling onderzoek en ontwikkeling (O&O), onderwijs en vorming (O&V) en wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T);

2)

Uitsplitsing van de middelen naar doelgroepen in het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid volgens de vierdelige onderverdeling kennisinstellingen, bedrijven, overheid en burger: in de innovatieliteratuur ook de ‘Quadruple Helix’ genoemd.

B. De drieledige onderverdeling: de grote bestedingscategorieën O&O, O&V en W&T Conform internationale definities uitgaande van de OESO laten wetenschappelijke activiteiten zich opdelen in drie categorieën: 1)

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “op stelselmatige wijze uitvoeren van creatieve

werkzaamheden met het doel het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen 8” Het is m.a.w. elke wetenschappelijke activiteit die tot doel heeft wetenschappelijke kennis te ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen (ontwikkeling). 2)

Onderwijs en Vorming (O&V): “alle opleidingen en vormingen van personen in natuur-, ingenieurs-, medische wetenschappen, agricultuur, sociale- en humane wetenschappen in universiteiten en andere instelling voor hoger en postsecundair onderwijs 9”. Naar Vlaanderen vertaald betreft het de financiering van het hoger onderwijs via vooral de werkingsuitkeringen aan de universiteiten en hogescholen. Het deel daarvan bij de universiteiten, dat wordt aangewend voor onderzoek (bij conventie 25%), zit in de categorie O&O.

3)

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening (W&T): “activiteiten met betrekking tot

onderzoek en ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis 10”. Dit betreft dus elke vorm van dienstverlening en wetenschappelijke en technologische wetenschapscommunicatie.

informatieverstrekking,

zoals

bijvoorbeeld

In Figuur 3 worden de 4,45 miljard euro overheidsmiddelen overzichtelijk uitgesplitst over deze drie categorieën. Vertrekpunt vormt de totale Vlaamse begroting 2022 van 51,6 miljard euro aan vastleggingskredieten. Via de beleidsdomeinen EWI (467 miljoen euro economisch beleid + 1,581 miljard euro wetenschaps- en innovatiebeleid = 2,048 miljoen euro) en O&V (2,240 miljard euro) evenals de acht andere beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid (157 miljoen euro) wordt in de Vlaamse begroting een bedrag van 4,45 miljard euro uitgetrokken voor het economisch en wetenschaps- en innovatiebeleid (cfr supra Tabel 1).

Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 44 Frascati-Manual, OECD, 2002, p. 31 10 Frascati-manual, OECD, 2015, p. 379 8 9

17


Trekken we daarvan de middelen voor het economisch beleid (467 miljoen euro) af, dan komen we tot een bedrag van bijna 3,978 miljard euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. Deze 3,978 miljard euro overheidsmiddelen ventileren we vervolgens over de drie categorieën: • • •

O&O: 2,034 miljard euro O&V: 1,791 miljard euro W&T: 152 miljoen euro.

In de onderste blokken van Figuur 3 worden dan de belangrijkste instrumenten opgelijst die onder die categorieën thuishoren, met hun corresponderende budgetten uit de Vlaamse begroting 2022.

18


Figuur 3 Overzicht van de financiële overheidsstromen (vastleggingskredieten) binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2022

19


C. De vierledige onderverdeling kennisinstellingen, bedrijven, overheid en burgers/middenveld in het Vlaams ‘Quadruple Helix model’ Naast het voorstellen van de overheidsbudgetten volgens de logica O&O, O&V en W&T is nog een andere voorstellingswijze mogelijk. Een wijze die focust op de doelgroepen van de overheidsfinanciering én op de financiering van de interacties tussen die doelgroepen. Een dergelijke voorstellingswijze bekijkt het economisch, wetenschaps- en innovatieproces vanuit systeemoogpunt. Om dit te duiden maken we een korte zijsprong naar enkele gangbare innovatiemodellen in de innovatieliteratuur. Er zijn er namelijk meerdere modellen in omloop. Welk model ook gehanteerd wordt, steeds is het nuttig een conceptueel onderscheid te maken tussen drie, door Joseph Schumpeter in de eerste helft van de 20ste eeuw 11 geïntroduceerde begrippen: inventie, innovatie en diffusie.

Figuur 4 Schumpeter-model

Een inventie is een (wetenschappelijke en/of praktijkgerichte ) uitvinding, een ontdekking zeg maar. Die is vaak, maar zeker niet altijd, het gevolg van (fundamenteel en/of toegepast en/of praktijkgericht) onderzoek, gedreven door nieuwsgierigheid. Innovatie is de toepassing van de vinding in een product, een dienst, een proces(technologie) of een organisatievorm. In het innovatieproces speelt ondernemerschap een sleutelrol 12. In het ondernemerschapsproces worden nieuwe ideeën, producten en of diensten - waarvoor een economische en/of maatschappelijke vraag is geïdentificeerd, ontwikkeld en benut. Diffusie tenslotte is de verspreiding van de innovatie in de economie en/of de samenleving. Maatschappelijke en economische vooruitgang dient volgens Schumpeter in een of andere vorm steeds dit pad te doorlopen. Want een inventie die geen toepassing noch verspreiding kent, biedt weinig maatschappelijke en/of economische meerwaarde. In elk innovatiesysteem dient bovenvermelde triloog op een of andere manier georganiseerd te worden. Er zijn verschillende (concurrerende) modellen in omloop om dit proces van inventie -> innovatie -> diffusie vorm te geven.

De inzichten van Schumpeter blijven relevant, ook in de 21ste eeuw. Zie BOELS, J. (2012) Joseph Schumpeter, honderd jaar economische ontwikkeling. Een historisch-theoretische beschouwing. Proefschrift, Universitaire Pers Maastricht. 12 Zie voor de cruciale rol van ondernemingen en ondernemerschap STAM, E. (2022) ‘Theorieën van de onderneming. De winst van een dynamisch brede welvaartsbenadering’, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Den 11

Haag.

20


Klassiek is er het lineaire innovatiemodel, waarbij innovatie verondersteld wordt te lopen langsheen de lijn fundamenteel onderzoek -> strategische basisonderzoek -> toegepast onderzoek -> valorisatie. Na de fase van toegepast onderzoek zijn er in dit model ofwel marktpartijen in de profitsector die dan de resultaten van het onderzoek via prototype -> opschaling -> marktintroductie -> diffusie omzetten in nieuwe producten, diensten, processen en/of organisatievormen. Ofwel zijn er non-profit actoren die de onderzoeksresultaten omzetten in nieuwe maatschappelijke toepassingen.

Figuur 5 Klassiek lineair innovatiemodel

In het lineaire model zitten de kennisinstellingen steeds vooraan in de innovatieketting en de bedrijven en non-profit actoren achteraan. Het model is sterk aanbodgedreven: ‘technology push’. En de wereld van de kennisinstellingen en de bedrijven/non-profit is relatief gescheiden. Er zijn weinig terugkoppelingen - of ‘feedback loops’ in het jargon – tussen kennisinstellingen en bedrijven. Ook de rol van ondernemerschap – ‘entrepreneurial discovery’ – is afwezig of wordt onderbelicht. Er wordt voorbij gegaan aan de cruciale rol van ondernemers die nieuwe ideeën (inventies) transformeren in marktklare producten, diensten, processen en/of businessmodellen (innovaties) die op potentiële markten verspreid kunnen worden (diffusie). In dit model is de rol van de overheid vooral het financieren van fundamenteel onderzoek. Vervolgens doorloopt het innovatieproces als vanzelf de verdere fasen over strategisch basisonderzoek en toegepast onderzoek tot economische en/of maatschappelijke valorisatie met als impact economische groei en/of oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Een dergelijk model kent dus enkel een financieringsrol toe aan de overheid en al helemaal geen rol aan de burger/middenveld (als groepering van burgers) die via zijn belastingsbijdragen het onderzoek financiert. Nochtans is de rol van de overheid in een samenleving ruimer dan enkel financierder. De overheid is ook regelgever en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de (arbeids)marktordening- en regulering. Hij is beheerder van omvangrijke overheidsbudgetten in beleidsvelden als gezondheid, mobiliteit, enz. Hij speelt een belangrijke rol in het voorzien van fysieke (wegen, havens, energieleidingen, …) en digitale (breedband, 5G, …) infrastructuur. Hij bepaalt het internationale handelsbeleid. Kortom, allemaal rollen die een belangrijke impact hebben op de randvoorwaarden waarbinnen economische en maatschappelijke innovatie kan ontstaan.

21


Precies om recht te doen aan die diverse rollen kwam een nieuw innovatiemodel tot leven: het ‘Triple Helix’model. In tegenstelling tot het lineaire model wordt daarin de nadruk gelegd op de onderlinge afhankelijkheid van en wederzijdse beïnvloeding door de drie sleutelactoren in het innovatiemodel: kennisinstellingen, bedrijven en overheid.

Figuur 6 ‘Triple Helix’-model

Van het lineaire naar het Triple Helix-model is al een hele vooruitgang. Doch er ontbreekt nog een belangrijke actor in de triple helix benadering: de burger en het middenveld. Ook de burger/middenveld is een relevante speler in het economisch, wetenschaps- en innovatieproces. En dat in meerdere rollen. Als belastingbetaler financiert hij het onderzoek en dient er draagvlak (in de rol als kiezer) te zijn om dit te blijven doen. Vandaar het belang van een heldere wetenschapscommunicatie. Als consument-gebruiker plukt hij de vruchten van het economisch- en innovatieproces. Die zijn over het algemeen zeer positief, maar kunnen soms toch ook zuur smaken. Denk bijvoorbeeld aan het privacy-verlies dat gepaard gaat met recente innovaties. Bovendien kan de gebruiker een belangrijke inspiratiebron zijn voor innovaties. Men spreekt van user-driven innotatie. Verder wordt de burger in zijn hoedanigheid van ‘werkende’ (werknemer-zelfstandige-ambtenaar) ook geconfronteerd met de impact van de snelle veranderingen die het innovatieproces genereert op zijn werkomgeving. Denk bijvoorbeeld aan de impact van digitalisering en globalisering op het dagelijks (arbeids)leven die noodzaakt tot bij- en/of omscholing en levenslang leren. Wanneer men weet dat het aandeel 25-64-jarigen dat deelneemt aan een opleiding in Vlaanderen slechts 8,7% bedraagt (ten opzichte van het Europees gemiddelde van 11%) en dat 82% van de Vlamingen aangeeft niet zo bereid te zijn een opleiding te volgen, ligt hier een hele uitdaging 13.

13

Zie Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (2019) Bijdrage van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming aan het regeerakkoord. Beleidsprioriteiten Onderwijs en Vorming. Beleidsprioriteit 3. 22


Maar ook in de rol van student middelbaar en hoger onderwijs is de burger betrokkene in het innovatieverhaal. Het middelbaar en hoger onderwijs vormt vandaag immers het ‘human capital’ dat later de bron vormt van het inventie-innovatie-difussie proces. Wat het middelbaar onderwijs betreft kunnen we niet om twee vaststellingen heen. Ten eerste is er de verontrustende trend van dalende leerlingenprestaties in internationaal vergelijkende testen. Ten tweede is er de STEM-problematiek: te weinig instroom in de science, technology, engineering en mathematics richtingen in het middelbaar onderwijs. Ook voor het hoger onderwijs zijn er uitdagingen te over: welke antwoorden bieden op de skills mismatch op de arbeidsmarkt en op de levenslang leren agenda? Tenslotte is er ook de rol van de burger als lid van de samenleving waarin hij - al dan niet verenigd met andere burgers - optreedt. Burgers en burgerbewegingen (civil society) eisen meer en meer hun eigen plaats op in het maatschappelijke debat en laten zich niet zonder meer vertegenwoordigen door overheden, kennisinstellingen en bedrijven. Voorbeelden zijn legio, denk maar aan de klimaatmarsen en gele hesjes. En tot welke gevolgen een groeiende kloof tussen enerzijds de klassieke ‘Triple Helix’ en anderzijds de burger kan leiden, valt vast te stellen in het Amerika van Trump en de brexit in het Verenigd Koninkrijk. Gevolgen die dan rechtstreeks inwerken op de externe omgeving waarbinnen economisch, wetenschappelijk en innovatieprocessen kunnen plaatsvinden. Er zijn dus goede redenen om het ‘Triple Helix’-model uit te breiden tot een ‘Quadruple Helix’-model.

Figuur 7 Overgang van ‘Triple Helix’ naar ‘Quadruple Helix’

23


Zo een – meer toekomstbestendig – ‘Quadruple Helix’ model ziet innovaties juist ontstaan als een dynamisch en interactief proces tussen vier actoren: kennisinstellingen, bedrijven, overheden én burgers 14. In dit model heeft elke actor zijn specifieke hoedanigheden, maar wordt de klemtoon gelegd op de onderlinge verwevenheid tussen de actoren en hun wederzijdse afhankelijkheden. Het zijn de verbindingen – (kennis)uitwisselingsrelaties - tussen deze actoren in een dynamisch ecosysteem die leiden tot economische en maatschappelijke innovatie.

Figuur 8 (Kennis)uitwisselingsrelaties tussen de vier actoren van het Quadruple Helix-model

Innovatie is in dit model veelal geen individueel, maar een collectief proces met veel betrokken partijen. Zeker in een economische en maatschappelijke wereld die ingevolge digitalisering, klimaatverandering en globalisering in volle transitie is, moeten we inzetten op een ‘transformatief’ innovatiemodel om de uitdagingen aan te gaan.

Voor de toenemende rol van burgers in het innovatieproces zie ook Winickoff D.E. en Pfotenhauer S.M. (2018), ‘Technology governance and the innovation proces’ in OECD Science, Technology and Innovation Outlook 2018: Adapting to Technological and Societal disruption, OECD Publishing, Paris. 14

24


D. Naar een transformatief innovatiemodel in Europa en Vlaanderen Ook Europa trekt sinds 2020 volop de kaart van de transformatieve innovatie. De nieuwe Europese Commissaris voor Innovatie, Onderzoek, Cultuur, Onderwijs en Jeugd – de Bulgaarse Mariya Gabriel – vat het als volgt samen in haar voorwoord bij het uiterst lezenswaardige tweejaarlijkse ‘Science, Research and Innovation Performance of the EU 2020 15’ rapport: ‘Research, innovation and education are also key drivers

for Europe’s sustainable and inclusive recovery, boosting the resilience of our production sectors, the competitiveness of our economies and the transformation of our socio-economic systems.’ Het bovenvermelde ‘SRIP 2020’ rapport plaatst transformatie als één van de vijf centrale EU O&O&I beleidsprincipes voorop, naast co-creatie, diffusie, economische en maatschappelijke valorisatie (‘uptake’) en directionaliteit. Ook in de conclusies van de Raad Concurrentievermogen, luik Onderzoek van 1 december 2020 onderlijnden de Europese ministers van wetenschapsbeleid het belang van een transformatieve onderzoeks-, innovatieen diffusiestrategie om de Europese objectieven van duurzaamheid, productiviteit en competitiviteit te bereiken. Het Europese O&O&I-beleid heeft voortaan nog meer dan vroeger sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling, zoals weergegeven in onderstaande figuur 9 uit de executive summery van het ‘SRIP 2020’ rapport. Die ontwikkeling sluit bovendien nauw aan bij de beleidsontwikkeling ondernemen en innoveren te plaatsen binnen ecologische grenzen en te laten plaatsvinden op een sociaal-inclusieve manier. In de schoot van de Verenigde Naties betreft het de ESG-doelen (Environmental, Social, Governance) van ondernemingen en het bijdragen aan de Sustainable Development Goals (SDG’s).

15

Sience, Research and Innovation performance of the EU 2020. A fair, green and digital Europe, European Commission, 27 mei 2020. 25


Figuur 9 Sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling in het Europese O&O&I-beleid

In het SRIP 2022 16 rapport gaat de Europese Commissie verder in deze benadering en trekt ze voor het Europese O&O&I-beleid lessen uit de pandemie en de oorlog in Oekraïne: ‘Bold transformative policies are

needed to ensure the success of Europe’s digital and green agenda, to strenghten resilience and preparedness and to support Europe’s competitive edge in the global race for knowledge and tech sovereignty 17.’

16

Zie het SRIP-rapport 2022: ‘Science, Research and Innovation performance of the EU 2022. Building a sustainable future in uncertain times’, European Commission, Directorate-General for Research and innovation, gelanceerd op 12 juli 2022. 17

Idem voetnoot 16, Chapter 0, Executive summery van het rapport.

26


Onder de slagzin ‘Building a sustainable future in uncertain times’ worden zes Europese O&O&I-beleidslijnen getrokken.

Figuur 10 Zes Europese O&O&I-beleidslijnen 2022

Het SRIP 2022 rapport pleit voor een Europees, nationaal en regionaal O&O&I-beleid dat:

(1) ons nog beter voorbereidt op de post-pandemische wereld via een transformatief O&O&I-beleid dat inzet op duurzaamheid; (2) onze competitiviteit herstelt en bijdraagt aan de verwezenlijking van de groene en digitale economie, voor welvarende samenlevingen waarin niemand aan zijn lot wordt overgelaten; (3) het ‘ondenkbare denkt’ en ons voorbereidt op veranderingen, zowel veranderingen die zich nu al aandienen als onverwachte ontwikkelingen, met goed beveiligde economieën, gediversifieerde toeleveringsketens en kennis die ons zal helpen toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden; (4) sterker investeert in mensen, bedrijven en instellingen bij het zoeken naar oplossingen; (5) personen en organisaties met elkaar in contact brengt zodat zij toegang krijgen tot vaardigheden en kennis, deze met elkaar kunnen delen en aldus de verschillen tussen regio's en landen kunnen verkleinen, om een sterker innovatiestelsel op te bouwen; (6) zorgt voor het scheppen van de juiste institutionele en financiële randvoorwaarden, met participatie van de burgers, om prioritaire gebieden aan te pakken.

27


Het nieuwe beleidsparadigma van transformatieve innovatie kan gezien worden als een derde generatie van innovatiebeleid.

Figuur 11 Transformatief innovatiebeleid: derde generatie

Bron: Rathenau Instituut (gebaseerd op Schot & Steinmeuller, 2018)

18

In de hedendaagse innovatieliteratuur worden nu drie generaties van innovatiebeleid onderscheiden, waarbij elke generatie van belang blijft voor het huidige beleid. Het is een en-en verhaal, geen of-of. De eerste generatie (2de helft vorige eeuw) van beleid vertrok van de vaststelling van een ‘marktfalen’. Uitgangpunt daarbij is dat bedrijven spontaan onvoldoende zullen investeren in O&O omwille van het feit dat die investeringen moeilijk toe te eigenen zijn omwille van oversijpelingseffecten naar andere bedrijven die gratis meesurfen op de (kennis)investeringen. Daarom lag de nadruk op een ‘O&O-beleid’ strictu senso, waarbij bedrijven via subsidies en fiscale stimuli verleid werden toch voldoende te investeren. Ook de bescherming van intellectueel eigendom stond centraal. Dit beleid is sterk industrie- en technologiegedreven. De tweede generatie innovatiebeleid – jaren ’90 vorige eeuw - stelde ook een ‘systeemfalen’ vast. Innovatie geschiedt niet door bedrijven op een eiland, maar in interactie met een veelheid aan actoren zoals financiers, kennisinstellingen, gebruikers en maatschappelijke organisaties opererend in een innovatie-systeem. Het beleid moet niet alleen subsidiëren, maar ook maximaal inzetten op het verbinden van al die actoren. De triple helix – interactie tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijven – kwam centraal te staan. Recent ontwikkelde zich dus een derde generatie innovatiebeleid dat vertrekt van de grote complexe maatschappelijke 21ste eeuwse uitdagingen inzake klimaat, energie, mobiliteit, voeding, gezondheid, … en daarin een ‘transitiefalen’ vaststelt.

18

Zie Rathenau Instituut, Missiegedreven innovatiebeleid: wat, hoe en waarom, 20 maart 2020.

28


Het innovatiebeleid moet daarbij inzetten op het versnellen van maatschappelijke transities richting duurzaamheid. De focus van het innovatiebeleid wordt meer maatschappij-gedreven en doelgericht en verbreedt daarbij ook naar niet-technologische innovatie en betrekt een veelheid aan actoren 19 Naast de traditionele focus van het innovatiebeleid op wetenschap en innovatie komt ook nadruk te liggen op sociale, bedrijfsmodel, en infrastructuur innovatie. Het innovatiebeleid wordt daardoor meer ‘horizontaal’. En transformatieve innovatie kan maar plaats vinden in interactie tussen de vier actoren in de Quadruple Helix. In complexe transitiedomeinen zoals energie, klimaat, voeding, gezondheid, mobiliteit, circulaire economie, industrie 4.0, … zijn immers niet alleen technologische doorbraken en innovaties nodig (het terrein van kennisinstellingen en bedrijven) maar ook flankerende maatregelen zoals nieuwe infrastructuurvoorzieningen, aangepaste regelgeving, zetten van standaarden, … (het terrein van overheden) en last but not least, ook maatschappelijke aanvaarding door de leden van de samenleving en/of gedragsverandering door de burgers. Alleen door alle actoren in een co-creërende rol te vatten, verhoogt de slaagkans van het transitiepad. Een instrument om deze co-creatie vorm te geven is een meer missiegedreven innovatiebeleid waarbij specifieke doelen worden gezet in relatie tot een maatschappelijke uitdaging. Vervolgens wordt een open proces geïnitieerd dat moet leiden naar creatieve oplossingen voor de missie: uitnodigend, inspirerend en bottum up, met en tussen verschillende disciplines, actoren en sectoren 20. De rol van de overheid is daarbij niét die van een een ‘top-down’ dirigent, maar een die in nauwe samenspraak met de drie andere actoren (kennisinstellingen, bedrijven en burgers) tot stand komt. Normstellend waar het moet, maar veelal agenderend, mobiliserend en verbindend.

19

Zie Frank W. Geels, Transformative innovation and socio-technical transitions to address grand challenges (p. 574-607) in Sience, Research and Innovation performance of the EU 2020. A fair, green and digital Europe, European Commission, 27 mei 2020. 20 Zie Goetheer, A., F.A. van der Zee, M.J.L. de Heide (2018) De staat van Nederland Innovatieland 2018. Missies en ‘nieuw’ missiegedreven beleid. Den Haag: TNO, p. 10. Ook in Vlaanderen bepleiten de sociale partners in de schoot van de SERV een meer missie-gedreven innovatiebeleid in hun advies van 22 maart 2021 ‘Het klavertje vijf van een missiegedreven innovatiebeleid’ en hun bijhorende rapport ‘Missiegedreven innovatiebeleid. Een verkenning aan de hand van

buitenlandse beleidsontwikkeling.’

29


Figuur 12 Het ‘Quadruple Helix’-model

Het Departement EWI heeft het bovenstaande ‘Quadruple Helix’ model vertaald naar de Vlaamse context en de belangrijkste spelers binnen elk van de vier actoren geïdentificeerd die het Vlaamse onderzoeks- & ontwikkelings- & innovatie model (O&O&I-model) schragen. Figuur 13 geeft dat weer.

30


Figuur 13 Actoren in het Vlaamse EWI 'Quadruple Helix' O&O&I-model

Nu we dit model hebben gedefinieerd kunnen we er ook de budgettaire stromen op enten. Om het beeld niet al te verzwaren, geven we niet alle budgetten weer, maar enkel de belangrijkste. Dat wordt weergegeven in Figuur 13.


Figuur 14 Overzicht van de belangrijkste financiële stromen binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2022 volgens het Vlaamse EWI ‘Quadruple Helix’-model


E. Vlaanderen wereldtop inzake O&O-bestedingen in % bbp Zoals hoger gesteld, wordt binnen het wetenschaps- en innovatiebeleid ook steeds specifiek gefocust op de uitgaven voor onderzoek & ontwikkeling (O&O). Deze uitgaven zijn onderhevig aan regionale (Pact 2020, Vizier 2030), nationale (Nationale Hervormingsplan) en Europese (Europa 2020) streefcijfers. Men spreekt van de 3% O&O-norm. Daarmee wordt bedoeld dat de regio, het land en/of Europa er moeten naar streven drie procent van het regionale, nationale en/of Europese bruto binnenlands product te besteden aan O&Ouitgaven 21. Waar staan we vandaag? Volgens de meest recente internationaal vergelijkbare cijfers – voor het jaar 2020 – staat Vlaanderen op 3,60% van het regionaal bbp, België op 3,48% van het Belgisch bbp en Europa (EU-27) op 2,20% van het Europees bbp 22. Met een O&O-intensiteit van 3,6% bbp positioneert Vlaanderen zich als nummer 1 in Europa en in de top-5 in de wereld, voorafgegaan door Israël (5,44 %), Zuid-Korea (4,81%), Taiwan (3,64%) en gevolgd door Zweden (3,53%), de Verenigde Staten (3,45%), Japan (3,27%) en Oostenrijk (3,20%)! Zoemen we meer in detail in op de Vlaamse cijfers In Tabel 2 worden de meest recente cijfers van deze O&O inspanningen in Vlaanderen weergegeven: in 2020 totaliseren ze tot 9,59 miljard euro of 3,60% van het Vlaams bbp 23. Tabel 2 GERD (Gross Expenditures on R&D) in miljoen euro (in lopende prijzen) en als percentage van het bruto binnenlands product voor het Vlaams Gewest (bbpr) (ESR2010-rekeningenstelsel)

in als % bbpr

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

4.116 2,01

4.149 2,06

4.641 2,21

5.088 2,33

5.676 2,53

5.827 2,55

6.073 2,59

6.469 2,68

6.904 2,76

7.499 2,89

7,905 2,93

9,350 3,35

9,588 3,60

Bron: 3% light nota Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

In grafiek-vorm geeft dit volgend beeld: op 10 jaar tijd een stijging van de O&O-intensiteit met maar liefst 1 procentpunt bbp. Figuur 15 Evolutie van de O&O-intensiteit (in % bbp) 4 3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: 3%- light nota Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

Belangrijk op te merken dat de 3%-norm gaat over bestedingen aan O&O. Wie deze bestedingen financiert (overheid of privé) is een andere vraagstelling. Zie verder bij de inleiding bij Deel 3. 22 Vergelijk met drie buurlanden: Duitsland 3,14 % bbp, Nederland 2,29% bbp en Frankrijk 2,35 % bbp. 23 Zie ‘Totale O&O-intensiteit in Vlaanderen 2010-2020. 3% light nota’, ECOOM en Departement EWI, juli 2022. 21

33


Deze bruto binnenlandse uitgaven voor O&O - internationaal de zogenaamde ‘Gross Expenditures on Research and Development (GERD)’ - zijn de optelsom 24 van de O&O-uitgaven van vier sectoren: 1) 2) 3) 4)

bedrijven en de collectieve centra publieke onderzoekscentra hoger onderwijsinstellingen en instellingen zonder winstoogmerk.

In Tabel 3 worden de uitgaven voor elk van de vier O&O-sectoren weergegeven. Tabel 3 GERD voor het Vlaamse Gewest in miljoen euro (in lopende prijzen) 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2,601

2,7522 2 44

2,670

3,045

3,416

3,892

3,956

4,182

4,469

4,650

5,172

5,436

6,639

6,815

49

48

54

57

64

69

63

66

62

64

62

66

66

Publieke onderzoekscentra 26

451

491

517

549

572

635

652

684

745

859

923

989

1,104

1,093

Hoger Onderwijs

741

820

904

984

1,032

1,069

1,136

1,122

1,167

1,306

1,313

1,389

1,505

1,577

8

8

9

9

10

16

15

22

22

27

27

29

36

36

3,849

4,116

4,149

4,641

5,088

5,676

5,827

6,073

6,469

6,904

7,499

7,905

9,350

9,588

Bedrijven collectieve centra 25

Particuliere Not for Profit GERD

Bron: 3%- light nota Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

De stijging van de O&O-bestedingen van de bedrijven is iets sterker zoals gevisualiseerd in onderstaande figuur. ‘Overheden’ staat in deze figuur voor de publieke onderzoekscentra.

Figuur 16 O&O-bestedingen naar uitvoeringssector (Vlaams Gewest, 2009-2020, in K euro)

6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2007

2008

Bedrijven

2009

2010

2011

Overheden

2012

2013

2014

Hoger Onderwijs

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Instellingen zonder winstoogmerk

Bron: 3% light- nota Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

De lezer vindt de respectievelijke instellingen onder de categorieën: bedrijven, collectieve centra, publieke onderzoekscentra, hoger onderwijs en particuliere not for profit instellingen in bijlage achteraan, zie p 202. 25 Bedoeld worden centra zoals SIRRIS, Centexbel, WTCB, …. 26 Bedoeld worden centra zoals VIB, imec, VITO, Flanders Make, ILVO, VLIZ, … 27 Bedoeld worden instellingen zoals Orpheus Instituut, Von Karman Instituut, Waterstofnet, BioBaseEurope Pilot Plant,… 24

34


De stijgende percentages in Tabel 2 (O&O-uitgaven uitgedrukt in % van het bruto binnenlands product van het Vlaams Gewest) tonen de aangehouden inspanning van zowel de Vlaamse overheid als het Vlaamse bedrijfsleven, de instellingen van hoger onderwijs als de instellingen zonder winstoogmerk om de O&Ouitgaven te verhogen. De 3%-norm werd behaald in 2019.

F. O&O in Vlaanderen: publieke versus private uitvoerings- en financieringssector In de analyses over de O&O-uitgaven wordt steevast ook een onderscheid gemaakt tussen wie O&O activiteiten uitvoert en wie ze financiert 28. Op die wijze wordt de GERD uitgesplitst per uitvoeringssector en per financieringssector. Vanuit het oogpunt van welke actor O&O uitvoert, wordt een onderscheid gemaakt tussen de BERD (Business Expenditures on R&D) en de non-BERD of dus de niet bedrijfsactoren (publieke onderzoekscentra, hoger onderwijs en de instellingen zonder winstoogmerk). Sinds 2012 is ongeveer 70% van de totale bruto binnenlandse uitgaven voor O&O afkomstig van de private uitvoeringssector.

Tabel 4 Wie voert de O&O-activiteiten uit? Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen).

BERD Non-BERD GERDgew BERD/GERDgew NonBERD/GERDgew

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2.796 1.319 4.116 68% 32%

2.718 1.431 4.149 66% 34%

3.099 1.542 4.641 67% 33%

3.474 1.614 5.088 68% 32%

3.956 1.720 5.676 70% 30%

4.025 1.803 5.827 69% 31%

4.245 1.828 6.073 70% 30%

4.535 1.934 6.469 70% 30%

4.712 2.192 6.904 68% 32%

5.236 2.263 7.499 70% 30%

2018

2019

5,498 6,705 2,407 2,645 7.905 9,350 70% 72% 30% 28%

Bron: 3%- nota light Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

Ook vanuit het oogpunt van wie de O&O-activiteiten financiert, de private sector of de overheidssector, kan een opdeling worden gemaakt.

Tabel 5 toont de meest recente cijfers voor het jaar 2019 29. Tabel 5 Wie financiert de O&O-activiteiten? Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (in % bbp)

2009 2,08 GERD/BBPR GERD opgesplitst volgens financieringssector

2011

2013

2015

2017

2019

2,35

2,56

2,67

2,88

3,35

Private financiering / BBPR

1,54

1.77

1.95

1.99

2.15

2.55

Publieke financiering / BBPR

0,52

0.58

0.61

0.68

0.72

0.80

Bron: 3% nota, ECOOM, juni 2021

28

Zie voor details de inleiding bij deel 3 van de Speurgids. Zie ‘Interpretatieve nota bij de 3%-nota. Totale O&O-intensiteit in Vlaanderen 2007-2017, ECOOM en Departement EWI, oktober 2019. In de nota wordt benadrukt dat onder publieke financiering - conform de richtlijnen in de Frascati Manual - enkel de directe overheidssteun wordt verstaan (subsidies) en niét de indirecte steun (fiscale voordelen; bv. vermindering bedrijfsvoorheffing). De indirecte overheidssteun voor O&O dient beschouwd te worden als eigen middelen van de ondernemingen. 29

35

2020

6,882 2,707 9,588 72% 28%


Uit de cijfers kan men afleiden dat ongeveer 76% privaat gefinancierd wordt en 24% overheid gefinancierd. Belangrijk aandachtspunt hierbij is de grote concentratie van de private O&O-financiering bij een beperkt aantal bedrijven in Vlaanderen, veelal onder buitenlandse controle. Belangrijk dus in het Vlaamse verankeringsdebat blijvend de nadruk te leggen op ‘kennis-verankering’. Het dynamisch lokaal eco-systeem van universiteiten, hogescholen, strategische onderzoekscentra en clusters speelt daarin een sleutelrol. Naast de directe overheidssteun in de vorm van subsidies kunnen overheden O&O-activiteiten van bedrijven ook indirect, langs fiscale weg ondersteunen. In België ligt de bevoegdheid daartoe bij de federale overheid, daar waar de directe steun een verantwoordelijkheid is van de deelgebieden. Onderstaand wordt het relatieve belang van beide steuntypes weergegeven voor het meest recente jaar waarvoor data beschikbaar zijn. De tabel leert dat op een massa van 5,1 miljard € aan O&O-uitgaven van bedrijven in Vlaanderen in 2017 de Vlaamse subsidies goed waren voor 206 miljoen € en de federale fiscale O&O-steun in Vlaanderen voor 756 miljoen €. In deel 3, hoofdstuk 12 in de Speurgids wordt dit verder geanalyseerd. Tabel 6 Directe en indirecte overheidssteun voor O&O bij ondernemingen in Vlaanderen in 2017 (i.e., de meest recente data over indirecte overheidssteun), in miljoen euro

Financieringsbron

Totaal

Percentage

Directe overheidssteun (subsidies)

206

3.98%

Indirecte overheidssteun (fiscaal)

756

14.61%

Overige financieringsbronnen 30

4,211

81.41%

Totaal BERD ondernemingen

5,172

100.00%

Bron: 3% nota, ECOOM, juni 2021

G. O&O-overheidskredieten: ‘de 1%-norm’ Om aan het dataprobleem (afnemen van enquêtes om O&O-bestedingen te achterhalen, met inherente vertraging) te verhelpen heeft men internationaal nog een andere belangrijke indicator uitgewerkt: de O&Ooverheidskredieten of de GBARD (Government Budget Appropriations of R&D). Deze indicator moet men niet berekenen uit enquêtes bij alle O&O-actoren, maar kan men rechtstreeks aflezen uit de overheidsbegroting van de regio en/of het land. In het kader van de globale 3% O&O-norm is men zo gaan spreken van de ‘1%-norm voor O&O-overheidskredieten’ en de 2%-norm voor private O&O-kredieten. Waar positioneert Vlaanderen zich op deze norm anno 2022? Wel, op 0,78% van het regionaal bbp. Daarbij dient wel voor ogen gehouden dat het cijfer voor 2020 (positief) beïnvloed werd door de krimp van het bbp in 2020 (teller/noemer – effect). Door de stijging van het bbp in 2022 zakt het weer. Voor een correcte interpretatie van het cijfer 2022 moet men rekening houden met het feit dat de eenmalige “Vlaamse Veerkracht-middelen” voor het Beleidsdomein EWI voor 2022 nog niet zijn opgenomen in deze analyse en die van 2021 wel.

30

Overige financieringsbronnen betreffen eigen financiering, financiering uit andere ondernemingen of uit private nonprofitinstellingen.

36


Figuur 17 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,00% 0,90% 0,80%

0,76% 0,77% 0,79% 0,77% 0,75% 0,75%

0,81%

0,73% 0,74%

0,81% 0,79%

0,87% 0,89% 0,90% 0,78%

0,70% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

lineaire groei tot 1%

1% norm

Bron: Eigen berekening, voor meer details zie Hoofdstuk 13

Vertrekkende van de Regionale Vooruitzichten 2021-2027 valt te berekenen dat wil Vlaanderen in deze legislatuur, dus tegen 2024, de 1%-norm overheidskredieten O&O halen, dan dient er in de begroting 2024 920 miljoen euro meer O&O-budget voorzien te worden dan in 2022 BO, of een jaarlijkse budgetaire opstap van 460 miljoen euro. H. Naast middelen worden er in het Vlaams O&O&I-landschap natuurlijk ook mensen ingezet. Ook die inzet wordt internationaal gemonitord. Men spreekt van het ‘O&O-personeel’ van een regio en/of land. Het aantal eigen medewerkers betrokken bij interne O&O-activiteiten van de uitvoeringsactoren in het Vlaamse O&Olandschap wordt weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 7 Totaal eigen O&O-personeel in voltijdse equivalenten 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bedrijven

21.402

21.530

21.116

22.160

22.652

23.397

25.389

26.866

28.725

31.131

33,614

37,813

38,943

Collectieve Centra

421

424

452

461

603

629

745

733

561

563

564

573

573

Publieke Onderzoekscentra Instellingen zonder winstoogmerk Hoger Onderwijs (gemeenschap)

2.962

3.196

3.262

3.365

3.722

3.832

4.141

4.212

4.486

4.767

5,241

5,372

5,604

152

153

167

172

120

131

241

252

269

280

279

302

302

13.104

13.794

14.499

14.749

14.966

15.358

15.821

16.022

16.127

16.312

16,732

17,325

17,937

Hoger Onderwijs (gewest)

11.569

12.205

12.881

13.149

13.408

13.817

14.299

14.454

13.917

14.107

14,455

15,223

15,936

TOTAAL (gemeenschapsbenadering)

38.041

39.098

39.496

40.907

42.063

43.347

46.337

48.085

50.168

53.052

56,431

61,385

63,359

TOTAAL (gewestbenadering)

36.507

37.508

37.878

39.307

40.505

41.806

44.815

46.517

47.959

50.847

54,154

59,283

61,358

Bron: 3%- light nota Ecoom (juli 2022), meest recente officiële cijfers

37


Uit de tabel valt af te leiden dat er een duidelijke stijging zit in het aantal eigen O&O-personeel, zowel bij de bedrijven, de collectieve centra, de publieke onderzoekscentra als in het hoger onderwijs. Kijken we naar de gewestbenadering 31, dan blijkt dat ongeveer 63% van het O&O-personeel terug te vinden is binnen de bedrijven, 26% bij de instellingen voor hoger onderwijs en 9% bij de publieke onderzoekscentra.

I.

De productiviteitsuitdaging voor de Vlaamse economie

De inzet van bovenvermelde O&O (overheids) middelen én mensen moet o.a. bijdragen aan het verhogen van de duurzame economische groei in Vlaanderen. Meer in het bijzonder moeten ze bijdragen tot de verhoging van de productiviteitsgroei in Vlaanderen. En daar ligt een hele uitdaging. De Vlaamse economie kent een hoog niveau van productiviteit, maar sinds de jaren 2000 wordt een dalende productiviteitsgroei opgetekend. In alle geavanceerde economieën vertoonde de productiviteit een algemene groeivertraging sinds het begin van de jaren 2000, maar die vertraging was meer uitgesproken in ons land dan in de EU 32. Bovendien is het verloop van de productiviteit binnen de economie zeer uiteenlopend. Productiviteitswinsten worden bijna volledig in de technologische grensbedrijven geboekt – ‘voorlopers’ en vaak in dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven. Zo dreigt een duale economie te ontstaan tussen de voorlopers en de achterblijvers 33. Productiviteit wordt gedefinieerd als toegevoegde waarde 34 die gecreëerd wordt door een uur arbeid. Hoe meer toegevoegde waarde gecreëerd wordt, hoe meer inkomen dat kan verdeeld worden tussen werknemers en investeerders en hoe gemakkelijker de politieke afwegingen op het vlak van de publieke financiën 35. Kort door de bocht kent economische groei – toename van het bbp per inwoner - maar twee bronnen.

31

Het verschil tussen de gewest- en gemeenschapsbenadering houdt verband met het al dan niet meerekenen van de O&O-activiteiten van de Vlaamse gemeenschapsinstellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In internationale vergelijkingen gaat men uit van een gewestbenadering, waarbij de voormelde activiteiten dus niet meegerekend worden. 32 Voor een analyse zie Mulder J. en Godefroid H. (2018), ‘De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring. NBB, Economisch Tijdschrift, december. 33 Zie Nationale Raad voor de Productiviteit. Jaarverslag 2019. 19 december 2019 evenals het tweede Jaarverslag ‘Van gezondheidscrisis een opportuniteit maken voor een veerkrachtige economie’, 27 november 2020 en het derde ‘Jaarverslag 2021’. 34 Toegevoegde waarde wordt als volgt gedefinieerd: het verschil tussen de waarde van de geproduceerde goederen en diensten en de waarde van de in het productieproces verbruikte goederen en diensten. Anders uitgedrukt is het de waarde die de productiefactoren arbeid en kapitaal toevoegen aan de verbruikte of intermediaire goederen en diensten. 35 Idem 30. 38


Figuur 18 De twee drijvers van economische groei

De eerste bron is de toename van het arbeidsaanbod. Wanneer meer mensen werken en/of meer mensen meer uren werken, neemt de economische groei toe. We weten evenwel dat het arbeidsaanbod in Vlaanderen ingevolge demografische evoluties – ontgroening en vergrijzing – zal afnemen. Met negatieve gevolgen voor de economische groei. Dat moet ons niet beletten inspanningen te leveren om meer mensen (langer) aan het werk te krijgen, maar van deze bron zal substantiële toekomstige economische groei niet komen. Gelukkig is er een tweede bron van economische groei en die heet productiviteitsgroei: een toename van de hoeveelheid toegevoegde waarde die geproduceerd wordt per gewerkt uur. Productiviteitsgroei van haar kant is op zich weer afhankelijk van twee zaken: kapitaalverdieping en/of multifactorproductiviteit. Met kapitaalverdieping wordt het inzetten van meer kapitaalgoederen – machines - per gewerkt uur bedoeld. Dit is logisch te begrijpen. Een magazijnier met een heftruck kan meer goederen verplaatsen dan een magazijnier met blote handen. Een bediende met een PC is productiever dan een zonder. Vandaar het belang van bedrijfsinvesteringen die de kapitaalgoederenvoorraad doen toenemen. Complexer is de multifactorproductiviteit: dat deel van de groei dat niet gekoppeld is aan de veranderde inzet van de factoren arbeid en kapitaal. Het begrip verwijst naar de efficiëntie waarmee inputs (arbeid en kapitaal) worden omgezet in output, zoals bijvoorbeeld toegevoegde waarde. Factoren die in die multifactorproductiviteit een rol spelen zijn o.a. openheid naar mondiale waardeketens, zuinige maar heldere en afdwingbare regelgeving, een state of the art fysieke en digitale infrastructuur, vlotte integratie van ICT in de productieprocessen, aanwezigheid van voldoende concurrentiële prikkels en ruimte voor startups, kwaliteit van menselijk kapitaal … én technologische en niet-technologische innovatie. Reden waarom investeringen in O&O ook de volgende jaren dienen versterkt te worden.

39


J. Een beleid dat inzet op het verhogen van de productiviteit is per definitie een multi-level governance beleid gezien de beleidshefbomen die gunstig kunnen inwerken op de productiviteit zich op maar liefst vijf bestuurlijke niveaus bevinden: lokaal (infrastructuur, …), Vlaams (regelgeving, infrastructuur, O&O-subsidies, vorming menselijk kapitaal, …) federaal (Belgische marktordening, fiscaliteit, sociaal vangnet, digitale infrastructuur, …), Europees (Europese marktordening, handelsbeleid, O&O-subsidies, …) en globaal (wereld marktordening, klimaatafspraken, geopolitiek, …). In het licht van de COVID-19 crisis heeft het Europees niveau haar belang bewezen. Zowel het Europese monetaire beleid via de Europese Centrale Bank als het Europese budgettaire beleid via het Europese Recoveryplan van 750 miljard € zijn van cruciaal belang voor het opvangen van de schokken van de crisis evenals voor de relance. Maar in een wereld waar ‘economics’ meer en meer ‘regio-nomics’ wordt en de natiestaten als economische actoren aan belang inboeten, dient het Vlaamse bestuursniveau het vertrekpunt te zijn van waaruit zowel naar beneden (lokaal) als naar boven (federaal, Europees en globaal) de noodzakelijke beleidsafstemming plaats vindt. K. En dat brengt ons bij de stand van de Vlaamse economie medio 2022. In 2020 ging de Vlaamse economie, ingevolge de coronapandemie, door extreem zwaar weer. De Vlaamse economie kende een krimp van maar liefst -5,5% bbp. In 2021 volgde op de diepe recessie gelukkig wel een krachtig herstel met een bbp-groei van 7%. De economische activiteit bereikte zijn niveau van voor de crisis. Volgens de ‘Regionale Economische Vooruitzichten 2022-2027’ 36 van medio juli 2022 zet de oorlog in Oekraïne in 2022 evenwel een rem op het herstel door een bijkomende verstoring van de aanvoerketens en de verder oplopende prijzen voor energie en grondstoffen. Ze vergroten de onzekerheid en tasten de koopkracht aan. Daardoor zou de bbp-groei in Vlaanderen in 2022 terugvallen tot 2,8% en tot 1,3% in 2023. In de periode 2024-2027 verwachten het Federaal Planbureau en de gewestelijke statistiekdiensten in hun vooruitzichten een gemiddelde economische groei van 1,5% bbp in Vlaanderen. Die vooruitzichten zijn omgeven met risico’s die overwegend negatief zijn. De oorlog in Oekraïne zou kunnen escaleren en de invoer van Russische energie zou volledig stopgezet kunnen worden, met een aanzienlijke bijkomende stijging van de energieprijzen tot gevolg. De Chinese economie is kwetsbaar voor een vastgoedcrisis, terwijl nieuwe lockdowns tot nieuwe ontwrichtingen in de internationale aanvoerketens kunnen leiden. Een hardnekkig hoge inflatie zou de centrale banken in de VS en in Europa kunnen aanzetten tot forsere verhogingen van hun beleidsrente, wat door een verkoopgolf op de obligatiemarkten tot een verdere stijging van de langetermijnrentes kan leiden en overheden met een hoge schuldgraad in de problemen kan brengen...

36 HERMREG - Regionale economische vooruitzichten 2021-2026, Federaal Planbureau, Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse, Institut Wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique, Vlaamse Statistische Autoriteit, juli 2022.

40


Figuur 19 bbp in volume, reële economische groei voor het Vlaams Gewest (1996 – 2027) 7

8 4,8

6 4 2

1,3

3,7 3,9 1,8

3,6 0,6

1,8

1,1

2,6 3

4,3 2,6 2,4 0,3

1 0,8

1,7

2,7

2,8

1,8 1,7 1,6 1,8

1,3 1,8 1,3 1,4 1,6

-2 -4

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027

0

-1,9

-6

-5,5

-8 Vlaams Gewest Bron: Regionale Economische Vooruitzichten 2021-2027 (VSA), juli 2022

L. Gegeven de zware impact van de coronapandemie op het Vlaamse economisch en maatschappelijk weefsel stelde de Vlaamse regering eind april 2020 twee adviserende comités samen: een ‘Economisch Adviescomité’ 37 en een ‘Maatschappelijk Relancecomité.’ Deze comités leverden medio juli 2020 hun rapporten af. Het Economisch Adviescomité heeft in haar rapport ‘Vlaanderen: welvarender, weerbaarder en wervender’ vier centrale doelstellingen geformuleerd: (1) Vlaanderen bij de sterkste drie regio’s brengen qua BBP/capita, (2) de Vlaamse werkzaamheidsgraad naar 80% verhogen, (3) transformatieve doorbraken realiseren en (4) de Vlaamse begroting terug naar een evenwicht brengen. Ze formuleren elf aanbevelingen waarvan zes fundamentele aanbevelingen en vijf op doorbraken gerichte. U vindt ze in Figuur 19. Vlaanderen moet daarbij inzetten op een beperkt aantal transversale en toekomstgerichte investeringen in drie doorbraakthema’s, gekoppeld aan belangrijke maatschappelijke en economische transities: digitaal Vlaanderen, duurzaam Vlaanderen en zorgzaam Vlaanderen. Een transformatief innovatiemodel in digitalisering, duurzaamheid en zorg moet Vlaanderen een top-vijf positie doen verwerven tussen de meest innovatieve regio’s en landen van de EU. Voor details verwijzen we naar het rapport.

37

Het comité bestaat uit 11 leden: naast 5 afgevaardigden van de Vlaamse ministers zes onafhankelijke experten (Koenraad Debackere als voorzitter, Wouter De Geest, Geert Noels, Ans De Vos, Marion Debruyne en Stijn Baert). Naast het rapport van het Economisch Adviescomité publiceerde ook de SERV interessante rapporten m.b.t. de economische en maatschappelijke relance. Zie www.serv.be/serv/relance. 41


Figuur 20 Synthese aanbevelingen Economisch Adviescomité juli 2020

M. Naar een systeemdenkende overheid Het Economisch Relancecomité houdt o.a. een pleidooi voor een systeemdenkende overheid. Dit past in de moderne economische en innovatie literatuur die de economische ontwikkeling van regio’s en of landen steeds meer analyseert vanuit een ecosysteem benadering. Basisinzicht daarbij is dat economische groei en innovatie niet tot stand komen in een vacuüm, maar de resultante zijn van veelvuldige interacties tussen met elkaar verbonden factoren én actoren in een ecosysteem. Stam (2020 en 2021)

38

onderscheidt tien elementen in het ecosysteem.

De basis van deze benadering bestaat uit het institutioneel kader van een regio/land. Concreet gaat het over: 1. 2. 3.

De formele instellingen of instituties (wet- en regelgeving, fiscaliteit, arbeidsmarktinstituties, kwaliteit van de overheid, …), De cultuur (waardering voor ondernemerschap in de samenleving, houding inzake risico-appetijt of integendeel risico-aversie, tolerantie voor falen, …) en De aanwezigheid van netwerken (bedrijfsnetwerken waarbinnen vlotte uitwisseling van kennis, arbeid en kapitaal plaats vindt versus eilanden en silo’s, …).

38 Stam, E., Leendertse J. en Schrijvers S., Measure Twice, Cut Once. Entrepreneurial Ecosystem Metrics, Utrecht School of Economics, Working Paper Series nr: 20-01, februari 2020 evenals Stam, E en van de Ven, A ‘Entrepreneurial ecosystem elements, Small Business Economics, 2021.

42


Figuur 21 Een 'ondernemend ecosysteem' -benadering

Bron: aangepast op basis Stam, E. en Ven, A. Entrepreneurial Ecosystem Elements, Small Business Economics, vol. 56 (2) (2020).

Bovenop deze institutionele basis is er het belang van een vlotte toegang tot hulpbronnen die ondernemerschap en economische groei mogelijk maken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De infrastructuur: zowel fysieke (wegen, havens, luchthavens, waterwegen, …) als digitale (breedbandnetwerken, 5G, …) Vraaggerichtheid: de potentiële marktvraag in een regio (binnenlandse en toegang tot buitenlandse markten) Intermediairen: mate waarin ondersteunende diensten, zoals zakelijke dienstverlening (juridisch, financieel, fiscaal, IT, marketing, …) voor bedrijven is uitgebouwd Talent: aanwezige talentpool (kwantitatief en kwalitatief aanbod van arbeidskrachten, kenniswerkers, …) Kennis: toegang tot kennis via universiteiten, hogescholen, onderzoekscentra, … Leiderschap: succesvolle rolmodellen (economisch, sociaal, wetenschappelijk, politiek, …) Financiering: toegang tot (risico-) kapitaal, publiek en privaat en/of publiek-privaat

Deze tien elementen van een goed functionerend ecosyteem maken uiteindelijk productief werknemer- en ondernemerschap – en dus finaal welvaart - mogelijk en zijn door het overheidsbeleid in min of meerdere mate beïnvloedbaar. Zo beschikt de Vlaamse overheid over sterke agentschappen die in een ‘systemische interactie’ het verschil kunnen maken en het Vlaams ecosysteem daadwerkelijk ondersteunen: -

FWO voor het voeden van de kennisbasis via fundamenteel en strategisch basisonderzoek; VLAIO en haar netwerkpartners voor het ondersteunen van ondernemen en innoveren; PMV en LRM voor de financiering; FIT voor de toegang tot buitenlandse markten en het aantrekken van buitenlandse investeringen; VDAB als activerings-, loopbaan-, en dataregisseur van talent.

Omgekeerd versterkt het productief werknemer- en ondernemerschap ook het ecosysteem, zoals de terugkerende pijl in Figuur 20 aangeeft. Het ecosysteem-denkraam biedt dus nuttige handvaten voor overheden en stakeholders om gezamenlijk strategisch het beleid te analyseren, de zwakke schakels te remediëren en de sterke verder uit te bouwen met het oog op een ecosysteem-versterkend beleid. 43


In dat perspectief is niet alleen een goede interactie tussen de Vlaamse overheidsagentschappen belangrijk, maar ook een goede afstemming tussen de diverse financieringsinstrumenten in het Vlaams O&O&I landschap. Het betreft zowel de instrumenten die het fundamenteel als diegene die het toegepast onderzoek in Vlaanderen ondersteunen. In figuur 21 worden die instrumenten weergegeven met hun bijhorende budgetten. Verder in de Speurgids verneemt U er meer over. Hier volgt enkel het overzicht. Links in de figuur- in de blauwe tekst weergegeven - staan de instrumenten ter ondersteuning van het fundamenteel onderzoek in Vlaanderen: -

het onderzoeksgedeelte van de basisfinanciering van de universiteiten (25% van de 1ste geldstroom); de fundamentele onderzoeksmandaten en -projecten evenals de wetenschappelijke infrastructuurondersteuning bij het FWO; de bijzondere onderzoeksfondsen (BOF) bij de universiteiten.

Samen slaan deze instrumenten op afgerond 853 mio € overheidsmiddelen. Naast deze financieringskanalen voor fundamenteel onderzoek zijn er in Vlaanderen de kanalen voor ondersteuning van toegepast onderzoek. Die instrumenten kunnen conceptueel gesitueerd worden op een assenkruis bestaande uit vier dimensies naargelang het instrument enerzijds vraag- dan wel aanbodgedreven is en anderzijds naargelang het dienstig is voor een individueel bedrijf dan wel voor een collectief van bedrijven. Tevens kunnen ze geplot worden op de dimensie van de zogenaamde Technology Readiness Level (TRL) waarbij een lager TRL-niveau zich verder van een (markt)toepassing bevindt dan een hoger TRL-niveau. Links bovenaan situeren zich de instrumenten die vertrekken vanuit een bedrijf en vooral het aanvragende bedrijf ten goede komt: de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten bij VLAIO, goed voor 216 mio €. Links onderaan de instrumenten met een sterke invloed vanuit de kennisinstellingen (‘aanbodkant’), maar ten voordele van een of enkele bedrijven: de Baekenland- en de innovatiemandaten evenals de ICONprojecten. Rechts bovenaan vinden we de instrumenten die vertrekken vanuit de bedrijven (‘vraagkant’) maar ten voordele zijn van meerdere bedrijven: de clusterwerking, Blikopener vanuit de hogescholen en de partners ondernemerschap en innovatieversnelling. Rechts onderaan tenslotte staan de instrumenten met opnieuw een sterke sturing vanuit de kennisinstellingen maar ten voordele van meerdere bedrijven of een groep van bedrijven: het strategisch basisonderzoek bij het FWO, de TETRA-projecten bij VLAIO, de PWO-middelen vanuit de hogescholen, de Industriële Onderzoeksprojecten bij de universiteiten, de Landbouwtrajecten bij VLAIO en het Collectief Onderzoek en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) eveneens bij VLAIO. Bovenop deze instrumenten financiert de Vlaamse overheid ook vier strategische onderzoekscentra (SOC’s) die de brug tussen fundamenteel en toegepast onderzoek slaan: imec (nano- en digitale technologie), vito (cleantech en duurzame ontwikkeling), vib (levenswetenschappen) en Flanders Make (maakindustrie). Omwille van hun gevarieerde taakstelling laten deze instellingen zich niet plotten op het assenkruis. Toelichting vindt de lezer verderop in de Speurgids en op de websites van het Departement EWI (voor Bijzondere Onderzoeksfondsen, Industriële Onderzoeksfondsen, PWO en de SOC’s), VLAIO (Onderzoeks- en Ontwikkelingsprojecten, Clusterwerking, Blikopener, partners ondernemerschap en innovatieversnelling, Baekeland- en Innovatiemandaten, ICON, TETRA, Landbouwtrajecten en COOCK) en FWO (fundamentele onderzoeksmandaten- en projecten, infrastructuur en strategisch basisonderzoek).

44


Figuur 22 Belangrijkste instrumenten en budgetten 2022 in het O&O&I-landschap gesitueerd op een assenkruis; () = mio €

45


N. Relanceplan Vlaamse Veerkracht Mede op basis van de adviezen van het economisch en maatschappelijk relancecomité maakte ministerpresisent Jan Jambon naar aanleiding van zijn Septemberverklaring 2020 het Vlaamse Relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’ bekend. Het betreft een nooit geziene éénmalige (overheids)investeringsimpuls in de Vlaamse economie en samenleving ten belope van maar liefst 4,3 miljard €. De 4,3 miljard euro middelen werden doorvertaald naar 158 projecten met een achterliggend relancebudget en gebundeld in 34 grotere logische clusters. Daarnaast zijn er 22 projecten zonder middelen uit de Vlaamse relanceprovisie, gebundeld in de 35ste cluster. Een groot aantal van de projecten werd opgenomen in het interfederaal Belgisch 'Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht' en overlegd met de Europese Commissie ten einde gefinancierd te worden via de subsidieenveloppe uit de Europese 'Faciliteit voor Herstel en Veerkracht' (FHV). Vlaanderen krijgt uit de Europese subsidie-enveloppe 2,255 miljard € 39, waarmee dus gedeeltelijk het Vlaams relanceplan gefinancierd wordt. De resterende middelen voor het relanceplan zal Vlaanderen lenen op de kapitaalmarkt. Voor het beleidsdomein EWI zijn binnen de enveloppe van 4,3 miljard € van het Vlaams relanceplan investeringen voorzien ten belope van 561 miljoen €. De focus ligt op investeringsprojecten in de domeinen duurzaamheid, digitalisering en gezondheid. In deel 4, hoofdstuk 15 van deze Speurgids wordt dit verder toegelicht. O. Efficiëntie en effectiviteit van de O&O&I-beleidsinstrumenten: de Vlaamse Brede Heroverweging (VBH) In 2021 besteedde het beleidsdomein EWI volop aandacht aan het monitoren en evalueren van het Vlaams O&O&I-beleid. Dit gebeurde in het kader van het regeringsbrede project “Vlaamse Brede Heroverweging” (VBH). Daarbij werd aan alle beleidsdomeinen gevraagd hun uitgaven kritisch tegen het licht te houden en ze te onderwerpen aan o.a. een relevantie-, effectiviteits- en efficiëntietoets. De rapporten die deze oefening opleverde zijn sinds medio september 2021 publiek te raadplegen via de website van het Departement Financiën en Begroting 40. Voor de inhoud van het eindrapport verwijzen we naar het rapport zelf. Hier geven we enkel de kernboodschap weer, die samengevat werd in de titel: ‘De weg naar een integrale duurzame Vlaamse productiviteitsagenda’.

39

Dit bedrag ging uit van de hypothese dat de lidstaat België uit de FHV een bedrag van 5,925 miljard euro zou krijgen. In gevolge de betere economische prestaties werd dit bedrag op 30 juni 2022 verminderd naar 4,524 miljard euro. Als gevolg hiervan zal het bedrag dat Vlaanderen verkrijgt ook verminderen. Op het overlegcommitee zal hierover nog een akkoord moeten gevonden worden tussen de federale overheid en de deelgebieden. 40 https://fin.vlaanderen.be/de-vlaamse-brede-heroverweging-vbh

46


Zoals hoger geschetst (onder punt I.) staat Vlaanderen voor een grote productiviteitsuitdaging. In het VBHrapport duidt de EWI VBH-projectgroep 41 het fundamentele belang van een gunstige productiviteitsontwikkeling voor de aanpak van vier grote uitdagingen waarvoor de Vlaamse economie en samenleving staan: 1. 2.

3. 4.

opvangen van de kosten van de vergrijzing (gezien hun stijging met 5 procentpunt bbp tegen 2040); houdbaarheid van de Belgische (en Vlaamse) overheidsfinanciën (gezien een verwacht Belgische schuldniveau van 124% bbp en een verwacht Belgische overheidstekort van 5,6% bbp in 2026); inclusieve groei (gezien de toenemende ongelijkheidsproblematiek) duurzame groei (gezien de klimaatuitdaging en de ambitie van klimaatneutraliteit 2050: productiever gebruik van schaarse hulpbronnen als materialen, energie en ruimte).

Voor de oplossing van alle vier problemen dient de huidige ongunstige trend in de productiviteitsontwikkeling zo spoedig mogelijk gekeerd. En dat is mogelijk door een beleidsagenda gefocust op de verhogingen van de productiviteit. Een dergelijke Vlaamse productiviteitsagenda werkt systematisch in op de determinanten die de productiviteit beïnvloeden en is beleidsdomeinoverschrijdend.

41 Bestaande uit de leidend ambtenaren van de entiteiten van het Beleidsdomein EWI, de Inspectie van Financiën, een lid van VARIO, twee leden van het Departement Financiën en Begroting en twee externe experten Reinhilde Veugelers (KU Leuven) en Gert Peersman (UGent).

47


Op basis van zowel de theoretische als empirische studies zijn een tiental determinanten van productiviteit(sgroei) af te lijnen: De Vlaamse overheid heeft de beleidshefbomen die haar toelaten geïntegreerd in te spelen op de vijf beleidsdimensies van productiviteit: • • • • •

de ‘menselijk kapitaal’ dimensie 42; de wetenschappelijk-technologische dimensie; de niét-technologische dimensie; de infrastructurele dimensie; de institutionele dimensie 43.

Een productiviteitsbevorderend beleid is derhalve per definitie een geïntegreerd en multi-level government beleid dat over beleidsdomeinen en bestuurlijke niveaus heen (Vlaams, federaal en Europees) gecoördineerd inspeelt op alle determinanten van productiviteitsgroei. Alleen een dergelijk beleid zal zowel de creatie van nieuwe kennis en technologie – belangrijk om de grens van de technologische mogelijkheden te verleggen - als de diffusie van bestaande kennis en technologie doorheen de economie (zowel de markt- als niet-marktsectoren) en samenleving evenals het (digitaal) absorptievermogen bevorderen en zo de afzwakkende trend van productiviteitsgroei ombuigen. P. Met de hierboven geschetste ontwikkelingen en het pleidooi voor een systemische benadering van het O&O&I-beleid met focus op productiviteitsgroei sluit ik af, maar niet zonder nog een woord van dank aan alle medewerkers aan de Speurgids Ondernemen & Innoveren 2022 en in het bijzonder aan Stefanie Maris. Door hun inbreng is het gelukt om alle informatie te bundelen en ter beschikking te stellen aan het rijke stakeholdersveld, zo kenmerkend voor het Vlaams ecosysteem.

Veel leesplezier.

Johan Hanssens Secretaris-generaal van Departement Economie, Wetenschap en Innovatie

42

Voor het belang zie het recente OESO project ‘The Human Side of Productivity’ https://www.oecd.org/global-forumproductivity/Human-side-of-productivity-flyer.pdf 43 Het regelgevend kader waarbinnen wetenschappelijke, innovatieve en economische activiteiten plaats vinden.

48


Deel 1 Vlaams economisch beleid: 468 miljoen euro


Inleiding: actoren en budgetten in het Vlaams economisch beleid Dit eerste deel bestaat uit acht korte hoofdstukken en heeft de ambitie de instrumenten en overheidsbudgetten van het Vlaams economisch beleid te belichten. Die van het wetenschaps- en innovatiebeleid komen aan bod in deel twee. De beleidsinstrumenten van het economisch beleid werden ingedeeld in volgende thematische hoofdstukken: • • • • • • • •

Competitiviteit ondersteunen (hoofdstuk 1) Ondernemerschap bevorderen (hoofdstuk 2) Clusters (hoofdstuk 3) Omgevingsfactoren faciliteren (hoofdstuk 4) Internationalisering stimuleren (hoofdstuk 5) Duurzaamheid versterken (hoofdstuk 6) Transversaal beleid: circulaire economie, industrie 4.0, energietransitie, klimaatvisie 2050 (hoofdstuk 7) Investeringen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) (hoofdstuk 8).

A. Actoren in het Vlaams economische beleid In dit deel wordt in de eerste plaats gefocust op de instrumenten uit het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI). Maar ook enkele initiatieven uit andere beleidsdomeinen die bijdragen tot het economisch beleid en die een breed doelpubliek aanspreken, worden kort toegelicht. De organisaties uit het beleidsdomein EWI die in het economisch beleid een belangrijke rol spelen zijn terug te vinden in het organogram van het beleidsdomein EWI zoals weergegeven in Figuur 23.

51


Figuur 23 Organogram beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie

44

Het beleidsdomein is logisch gestructureerd in functie van de verschillende doelgroepen: • •

• • •

het Departement EWI; het nieuwe Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO), in 2016 ontstaan uit een fusie tussen het Agentschap Ondernemen (AO) en het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT); de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV); de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM); de adviesraden SERV en VARIO.

De minister bevoegd voor economie, wetenschap en innovatie heeft in het begrotingsjaar 2022 een budget van 1,975 miljard euro aan beleidskredieten ter beschikking die hun weg vinden naar de respectievelijke doelgroepen enerzijds via het Departement EWI en anderzijds via het VLAIO.

Voor de volledigheid wijzen we erop dat ook het Agentschap Plantentuin Meise evenals de Vlaamse Participatiemaatschappij (VPM) tot het beleidsdomein EWI behoren. De Plantentuin Meise is sinds 1 januari 2014 een agentschap van de Vlaamse overheid. Het is een internationale wetenschappelijke onderzoeksinstelling en een botanische tuin die vooral de tropische en Europese plantkunde centraal stelt. De openbare investeringsmaatschappij VPM heeft als enige opdracht het aanhouden van bijna 27% van de aandelen van het Vlaams Gewest in de beursgenoteerde vennootschap Gimv en vormt haar referentieaandeelhouder. Daarom vermelden we ze niet specifiek in het organogram. De SERV behoort dan weer formeel niet tot het beleidsdomein EWI, maar tot het beleidsdomein Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Gezien haar centrale rol als strategische adviesraad voor het beleidsveld Economie vermelden we ze toch. 44

52


B. Wie vervult nu welke rol binnen het beleidsdomein EWI? a. Het Departement EWI 45 staat allereerst in voor de beleidsvoorbereiding, -monitoring, -evaluatie en rapportering van het gehele economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. Daartoe behoort ook de beleidsvoorbereiding in het kader van de Europese eengemaakte markt en de Europese onderzoeksruimte. Het departement is verantwoordelijk voor het wetenschapsbeleid. Daartoe financiert ze het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek via een dotatie aan het FWO. Daarnaast stimuleert het departement enerzijds het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten via de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen en anderzijds de tech transfer en valorisatie van onderzoek binnen de associaties via de financiering van de Industriële Onderzoeksfondsen en de Interfacediensten bij de associaties van universiteiten en hogescholen. Het departement financiert eveneens de vier Vlaamse strategische onderzoeksinstellingen (imec, VIB, VITO en Flanders Make), vijf ‘kennisinstellingen’ (Plantentuin Meise, Vlaams Instituut voor de Zee, Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschap en Kunsten en Alamire Foundation) en vier instellingen voor post-initieel onderwijs (Vlerick Business School, Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en het Orpheus Instituut). Het departement is daarnaast verantwoordelijk voor het beleid inzake wetenschapspopularisering en communicatie dat ze uitrolt samen met vele partners op het terrein. Tenslotte is het departement ook dienstverlener inzake personeel, human resources, facility, boekhouding en IT aan het eigen departement + VLAIO + Plantentuin Meise binnen het beleidsdomein en aan het departement WSE buiten het beleidsdomein. In totaal slaat deze dienstverlening op een duizendtal personeelsleden van bovenvermelde instellingen. b. Op 1 januari 2016 werd het Agentschap voor Innoveren & Ondernemen (VLAIO) 46 boven de doopvont gehouden. Het VLAIO is voortaan hét aanspreekpunt van de Vlaamse overheid voor alle ondernemers in Vlaanderen. VLAIO stimuleert en ondersteunt innovatie en ondernemerschap en draagt bij tot een gunstig ondernemersklimaat. VLAIO legt de focus op: • het stimuleren van groei en innovatie: door ondernemingen financieel te ondersteunen via subsidies om te kunnen groeien, transformeren of innoveren; • het bevorderen van ondernemerschap: dit in samenwerking met partners die KMO’s kunnen begeleiden van (pre)start over groei tot overname. Ook netwerking gericht op groeibedrijven wordt ondersteund; • het ondersteunen van clusters: organisaties die samenwerking en dynamiek op gang brengen binnen een groep van ondernemingen en kennisinstellingen worden gesteund; • het bevorderen van omgevingsfactoren: zo wordt o.a. de ontwikkeling van bedrijventerreinen en het voorzien van adequate bedrijfshuisvesting gefaciliteerd. c. PMV is een doe- en durfbedrijf van de Vlaamse overheid dat beloftevolle ondernemingen financiert met kapitaal, leningen en waarborgen. Dit van bij de prille start tot en met de groei en internationalisering. d. De LRM is een investeringsmaatschappij van de Vlaamse overheid die economische groei in Limburg ontgint en stimuleert. LRM richt zich tot alle sectoren en bedrijven, van starter over groeiende KMO tot grote onderneming.

45 46

53

Zie Jaarondernemingsplan 2022 van het Departement EWI. Zie Jaarondernemingsplan 2022 VLAIO.


e. Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) is een belangrijke actor in het wetenschapsbeleid en komt aan bod in deel twee van de Speurgids. f. Op 10 juni 2016 besliste de Vlaamse Regering principieel tot het opstarten van de Vlaamse adviesraad voor Innoveren en Ondernemen (VARIO). De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) hield op te bestaan eind 2016. Haar rol werd ten dele overgenomen door de VARIO 47. g. De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) is hét overlegorgaan van de Vlaamse werkgeversen werknemersorganisaties. Daarnaast functioneert de SERV als strategische adviesraad (SAR) voor materies die nauw verband houden met het sociaaleconomisch overleg: werk en sociale economie, economie, energie, algemeen regeringsbeleid. Vanuit de andere beleidsdomeinen dragen de volgende agentschappen bij tot het economisch beleid: Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen (FIT) vanuit het beleidsdomein Internationaal Vlaanderen (iV); de afdeling ESF en de ‘starterslabo’s’ vanuit het beleidsdomein Werk en Sociale Economie (WSE); Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) vanuit het beleidsdomein Omgeving.

C. Budgetten binnen het Vlaams economisch beleid In Tabel 8 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste budgettaire maatregelen binnen het Vlaams economisch beleid. Ze worden weergegeven in volgorde van de zeven hoofdstukken die verder volgen. Zoals te zien lopen de middelen voor het economisch beleid op tot 467 miljoen euro. Dit zijn de belangrijkste instrumenten in 2022: ‒ ‒ ‒ ‒ ‒ ‒

Flanders Investment and Trade: 58 miljoen euro KMO-portefeuille: 40 miljoen euro Ondernemerschapsbevordering: 30 miljoen euro Strategische Transformatiesteun: 25,5 miljoen euro Ecologiesteun: 26 miljoen euro Subsidies bedrijventerreinen: 19 miljoen euro

De belangrijkste budgetwijzigingen in 2022BO (begrotingsopmaak) t.o.v. 2021BA (begrotingsaanpassing) zijn de bijstelling bij VLAIO van de aanwending uit het klimaatfonds (daling kredietbehoefte voor indirect Carbon Leakage (69,7 miljoen euro)) en de terugdraaiing van eenmalige verhogingen in 2021 voor EFRO ( daling 16,2 miljoen euro) en eenmalig toegekende verhoging in 2021 van de kredieten voor de ondernemerschapstrajecten Syntra valt in 2022 opnieuw weg (29,7 miljoen euro). Tot slot worden volgende verhogingen van beleidskredieten voorzien: 1,2 miljoen voor de winwinlening; 3,3 miljoen voor ecologiesteun; 7,0 miljoen voor CCS/CCU projecten. Details over de instrumenten wordt verder gegeven in de hoofdstukken 1 t.e.m. 8.

47 Leden VARIO: Lieven Danneels (voorzitter), Leen Van Den Neste, Katrin Geyskens, Wim Haegeman, Johan Martens, Koen Vanhalst, Vanessa Vankerckhoven, Dirk Van Dyck, Marc Van Sande, Reinhilde Veugelers en Hilde Windels. De directeur van het VARIO- secretariaat en secretaris van de VARIO-raad is Danielle Raspoet. Zie website: http://www.vario.be/nl 54


Tabel 8 Overzicht van de belangrijkste budgettaire maatregelen voor het economisch beleid voor 2018 tot 2021 na begrotingsaanpassing, en begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro) Maatregel

2018BA

2019BA

2020BA

2021BA

2022BO

1. Competitiviteit van ondernemingen stimuleren (zie hoofdstuk 1)

111,75

120,75

84,25

84,25

81,75

Kmo-portefeuille

53,00

62,00

40,00

40,00

40,00

Strategische Transformatiesteun (STS)

43,00

43,00

28,00

28,00

25,50

11,00

11,00

12,50

12,50

12,50

3,50

3,50

Kmo-groeisubsidie Screen Flanders (steun aan audiovisuele sector)

4,50

4,50

3,50

Vergoeding aan het Vlaams Audiovisueel Fonds voor taken i.k.v. Screen Flanders

0,25

0,25

0,25

0,25

0,25

2. Het ondernemerschap bevorderen (zie hoofdstuk 2)

27,15

22,32

27,88

105,18

79,28

Initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap (financiering partnerorganisaties)

26,15

22,32

27,18

30,18

30,38

Project ondernemingsvriendelijke gemeente

0,00

1,22

Innovatieve starterssteun Overheidsopdrachten in functie van continuering beleidsgericht onderzoek inclusief opdrachten en samenwerkingsovereenkomsten met de POM’s Onderzoeken ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering en/of ondernemerschapsbevordering (studies, …) Ondernemerschapstrajecten Syntra

0,00

2,00

0,70

0,50

0,00

55,25

43,49

Toegewezen trajecten aan Syntra

0,00

2,72

1,65

Syntra (eenmalig wegens overgang van schooljaar naar kalenderjaar)

0,00

16,33

0,03

0,50

0,00

0,50

0,00

0,70

3. De omgevingsfactoren faciliteren (zie hoofdstuk 4)

23,07

37,14

36,32

33,84

22,85

Uitgaven voor de aanleg van bedrijventerreinen en voor de heringebruikname van industriële sites

20,00

25,00

14,28

19,03

19,03

Sanering en herontwikkeling Ford-site (via steun aan De Scheepvaart)

0,74

7,54

0,12

0,10

0,00

Projecten in het kader van gebiedsgerichte partnerschappen en/of het Vlaams ruimtelijk-economisch beleid

2,00

2,00

1,60

1,60

1,80

Steun aan De Scheepvaart in kader van sanering en herontwikkeling Ford-site

0,22

2,53

20,24

11,49

0,00

0,11

0,06

0,08

0,02

0,02

1,60

2,00

Beheer researchpark Zellik Projecten in het kader van de gebiedsgerichte partnerschappen en/of het Vlaams ruimtelijk economisch beleid


Maatregel

2018BA

2019BA

2020BA

2021BA

2022BO

4. Internationalisering van de Vlaamse economie bevorderen (zie hoofdstuk 5)

54,63

54,08

57,40

57,75

58,19

Werkingskredieten Flanders Investment and Trade (FIT)

41,57

42,52

45,01

45,83

46,50

Subsidies ter bevordering van internationaal ondernemen

13,06

11,56

12,38

11,92

11,69

5. Duurzaamheid van de Vlaamse economie bevorderen (zie hoofdstuk 6)

52,60

65,43

118,07

163,82

99,52

Compensatie voor indirecte emissiekosten (carbon leakage) van energie-intensieve bedrijfstakken

32,40

35,99

92,79

140,24

70,56

Ecologiesteun (-20% beschouwd als O&O; opgenomen in deel 2)

20,06

20,15

20,15

20,95

22,63

CCS (Carbon capture and Storage) backbone

0,00

0,00

5,00

2,50

5,00

Overdrachten aan VITO – Strategische ecologieprojecten

0,10

0,10

0,10

0,10

1,30

OVAM – Vlaanderen Circulair

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

6. Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (zie hoofdstuk 8)

7,28

6,27

6,44

24,50

8,30

Vlaamse cofinanciering voor EFRO-projecten

7,14

5,37

6,30

24,50

8,30

Storting aan FIT ter uitvoering van EFRO-project

0,14

0,90

0,14

2,60

0,00

0,00

Provisie opstap economie en innovatie (recurrente opstap van 195 miljoen euro in 2017)

2,60

0,00

0,00

8. Ondersteunende en facilitaire activiteiten

12,79

15,75

6,12

6,97

8,14

Beleidsgerelateerde werkingsuitgaven van het Agentschap Innoveren en Ondernemen

4,61

5,85

Beheersvergoedingen aan derden voor verschillende maatregelen (Participatiefonds Vlaanderen)

2,08

3,00

2,82

2,82

3,64

7. Budgettaire opstappen

Allerlei werkingsuitgaven voor het economisch ondersteuningsbeleid

1,95

5,18

1,87

2,25

2,25

E-loket

3,82

0,97

1,13

1,89

2,24

Validata

0,00

0,25

0,30

Studiebeurzen universiteiten en hogescholen

0,32

0,00

0,000

0,50

Herlocatiesteun


Maatregel

2018BA

2019BA

2020BA

2021BA

2022BO

9. Openbare werken

14,03

10,34

10,19

10,19

10,19

Hinderpremie (vanaf juli 2017)

10,00

10,00

10,00

10,00

10,00

Rentetoelagen als gevolg van hinder door openbare werken (uitdovend, nieuwe Hinderpremie in voege per juli 2017)

3,24

0,20

0,10

0,10

0,10

Inkomenscompensatie als gevolg van hinder door openbare werken

0,79

0,14

0,09

0,09

0,09

42,12

44,04

52,69

121,11

99,38 9,48

10. Financieringsinstrumenten Uitgaven voor de verliesfinanciering waarborgregeling van PMV

14,26

16,56

15,94

21,58

Netto verliesfinanciering van de NV Waarborgbeheer

9,90

10,29

17,98

24,00

25,84

10,00

10,00

10,00

10,00

5,00

Fiscale minderinkomsten federale overheid in het kader van de winwinlening (artikel 132 decreet)

5,58

4,57

6,10

7,26

8,44

Beheervergoeding Waarborgregeling

2,20

2,23

2,24

2,28

2,28

European Fund for Strategic Investments (EFSI)

0,00

0.200

0,25

0,25

0,26

0,19

0,19

0,19

Handelshuurlening en heropstartlening

55,56

47,90

11. Vlaamse Veerkracht relanceplan

12,99 0,00

Blue Deal - Economie

1,624

Circulair bouwen

1,971

Subsidie aan Limburg Sterk Merk (LSM) vanuit winstuitkering LRM

Beheersvergoeding voor PMV voor Win-Win lening

0,19

0,19

Circulaire economie

0,061

Investeren in kernversterking via projectoproepen

3,644

Ondersteuning bedrijven

4,719

Smart Cities

0,8

Spending reviews TOTAAL

0,167

352,72

376,11

399,35

620,59

467,60


Hoofdstuk 1 Competitiviteit van ondernemingen ondersteunen 1. Instrumenten binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) 48 Strategische Transformatiesteun De Strategische Transformatiesteun (STS) werd gelanceerd op 1 oktober 2013. Deze maatregel ondersteunt investerings- en opleidingsprojecten die in belangrijke mate bijdragen aan de versterking van het economisch weefsel in Vlaanderen. Meer specifiek gaat het om: investeringen in strategische clusters en lead plants in Vlaanderen; investeringen in de internationale doorgroei van innovatiegerichte kmo’s in Vlaanderen; transformerende investeringen, die belangrijke tewerkstelling in Vlaanderen duurzaam verankeren. Vanaf 1 november 2016 werd het beoordelingskader aangepast ten einde de meest innovatieve ondernemingen te ondersteunen. Door de coronapandemie werd binnen het Temporary Framework van de Europese Commissie een uitbreiding van de maatregel voorzien. Zo werd investeringssteun mogelijk specifiek voor de productie van voor Covid-19-relevante producten. In 2021 werden 23 steundossiers goedgekeurd voor een totaalbedrag van 16,2 miljoen euro (10,8 investeringssteun, 2,2 opleidingssteun, 1 miljoen euro bonussteun voor bijkomende tewerkstelling, en 2.1 investeringssteun Covid-19), zie Tabel 9. Bij begrotingsopmaak 2022 werd een budget van 25,5 miljoen euro voorzien. Tabel 9 Strategische Transformatiesteun volgens provinciale verdeling (2020) Provincie

Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Buiten Vlaanderen Totaal

Aantal dossiers

Steunbedrag in euro

23

16.183.734,99

3 3 5 3 8 1

2.596.713,36 2.373.500,00 1.983.871,36 1.647.392,10 5.582.258,17 2.000.000,00

Voor details wordt verwezen naar het Jaarverslag 2022 van het Agentschap Innoveren en Ondernemen en het ‘Fonds voor Flankerend Economisch en Innovatiebeleid’ 48

58


Kmo-portefeuille De kmo-portefeuille bestaat sinds 2009. Via de online kmo-portefeuille kunnen kmo’s en beoefenaars van vrije beroepen, met steun van de Vlaamse overheid, diensten inkopen die het ondernemerschap bevorderen. Vanaf 1 december 2019 werd het subsidiepercentage verminderd van 40% naar 30% voor kleine ondernemingen en van 30% naar 20% voor middelgrote ondernemingen. Het steunpercentage wordt berekend op de subsidiabele opleidings- of advieskost Sinds 1 januari 2020 geldt een maximum steunplafond van 7.500 euro per jaar voor zowel kleine als middelgrote ondernemingen. Tabel 10 geeft een overzicht van de verleende steun voor steunaanvragen ingediend in 2021. In 2021 werden in totaal 162.942 projecten gesteund via de kmo-portefeuille, goed voor een toegekende subsidie van afgerond 43,5 miljoen euro. Tabel 10 Kmo-portefeuille: verdeling van subsidie en aantal steunaanvragen per dienst in 2020 (bedragen in euro) Dienst Advies Opleiding Totaal

Aantal projecten

% projecten

4.983 157.959 162.942

3% 97% 100%

Subsidie in euro

% subsidie

8.778.567,00 34.742.924,37 43.521.491,37

20% 80% 100%

Bij begrotingsopmaak 2022 is er, net als de voorbije jaren, een bedrag van 40 miljoen euro voorzien. De verhouding projecten tussen kleine ondernemingen en middelgrote ondernemingen is respectievelijk 88% versus 12% van de projecten.

Kmo-groeisubsidie Vanaf mei 2016 zijn de pijlers strategisch advies en coaching (van de oude kmo-portefeuille) opgegaan in de nieuwe kmo-groeisubsidie. Deze nieuwe subsidie bundelt strategisch ICT-advies, strategisch personeelsmanagementadvies, de aanwervingspremies voor strategische functies en de kmohaalbaarheidsstudies met starterspakket. De kmo-groeisubsidie werd in 2021 bijgestuurd zodat het instrument ook dienstig is voor de transitie van de Vlaamse economie naar een internationale, digitale, groene en innovatieve economie. Het groeitraject van de bedrijven die steun aanvragen moet aansluiten bij één van deze vier belangrijke maatschappelijke thema's. Tijdens belangrijke kantelmomenten in de levensfases van een onderneming zoals een transformatie-, innovatie- of internationaliseringstraject, dient de onderneming een nieuwe groeistrategie uit te werken om haar doelstellingen te bereiken. Kmo’s en beoefenaars van vrije beroepen die een strategische groeisprong willen realiseren (via inkopen van advies of aanwerven van een strategisch medewerker) kunnen voortaan dus met de Kmo-groeisubsidie aan de slag. De steunvoorwaarden zijn weergegeven in Tabel 11. Tabel 11 Kmo-groeisubsidie: subsidieplafond en subsidiepercentage per type steun Externe dienstverlening Subsidieplafond Subsidiepercentage

25.000 euro 50%

Aanwerving 25.000 euro 50%

Nieuw in 2021 was ook dat de steun werd toegekend via competitieve oproepen per thema. In 2021 waren er drie oproepperiodes waar telkens meerdere thema’s werden opengesteld. De dossiers van de laatste oproepperiode (november – december) worden pas beslist in 2022. In 2021 werden 347 dossiers positief beoordeeld voor een totaalbedrag van 10,9 miljoen euro.

59


Tabel 12 geeft een overzicht van de verleende steun in 2021 volgens ondernemingsgrootte. Bij de begrotingsopmaak 2022 werd voor dit instrument 12,5 miljoen euro voorzien. Tabel 12 Kmo-groeisubsidie: verdeling goedgekeurde dossiers naar grootte van de onderneming

Kleine Onderneming Middelgrote Onderneming Totaal

Projecten

Toegekende steun

295 52 347

9.264.217 1.619.763 10.883.980

Carbon Leakage De compensatie voor indirecte emissiekosten is een tijdelijke compensatiesteunregeling (van 2013 tot 2020) om te vermijden dat bepaalde elektriciteitsintensieve bedrijven zich als gevolg van de indirecte emissiekosten in het kader van EU-ETS (EU Emissions Trading System) gaan delokaliseren naar landen buiten de Europese Unie. Bij begrotingsopmaak 2022 werd een budget van 70,6 miljoen euro voorzien. Deze middelen zijn afkomstig uit het ETS-klimaatfonds. Dit is een sterke afname ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2021, toen werd ruim 140 miljoen euro vastgelegd. Tabel 13 Compensatie indirecte emissiekosten volgens provincie van de vestiging Provincie Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Totaal

Goedgekeurde dossiers

43 14 25 6 20 108

Steunbedrag in euro

76.952.642,93 27.867.882,01 29.114.661,95 1.164.055,26 2.866.178,56 137.965.420,17

Openbare werken: nieuwe hinderpremie/sluitingspremie Momenteel lopen er nog drie maatregelen die financiële ondersteuning bieden aan ondernemingen die lijden onder de hinder van openbare werken. Voor werken gestart vóór 1 juli 2017 gelden de Rentetoelage Hinder Openbare Werken en de Inkomenscompensatievergoedingen Hinder Openbare Werken. Deze maatregelen zijn uitdovend. Voor werken gestart vanaf 1 juli 2017 kunnen getroffen ondernemingen steun genieten met de Hinderpremie. In 2017 werden de hindermaatregelen grondig gewijzigd. De hinderpremie werd ingevoerd vanaf 1 juli 2017 als radicaal digitale maatregel, administratief eenvoudig. Bijzonder innovatief is het concept dat de ondernemingen die in aanmerking komen hiervan zelf worden verwittigd. De selectie gebeurt op basis van de authentieke bronnen GIPOD voor de hindergegevens en het KBO voor de ondernemingsgegevens. De hinderpremie is een financiële tussenkomst voor zelfstandigen en kleine ondernemingen met maximum 9 werknemers die ernstige hinder ondervinden van wegenwerken in de buurt van hun zaak. Het bedrag van de premie is 2.000 euro en biedt de ondernemers de kans om zich voor te bereiden op de gevolgen van de geplande werken. Wie genoodzaakt is om zijn zaak toch te sluiten als gevolg van de hinder kan vanaf de 22ste kalenderdag van de sluiting bijkomend gebruik maken van de sluitingspremie van 80 euro per dag.

60


Ondernemers die niet in aanmerking komen voor de bovenvermelde hinderpremie en sluitingspremie kunnen in bepaalde gevallen toch nog een afzonderlijke sluitingspremie aanvragen. Deze sluitingspremie bedraagt ook 80 euro per dag en wordt toegekend vanaf de 8ste kalenderdag van de sluiting. In 2021 werd aan 3.455 verschillende ondernemingen een hinderpremie uitbetaald. De totaal toegekende steun bedroeg 7,8 miljoen euro. Van de groep van ondernemingen die de hinderpremie gekregen hebben, hebben 131 verschillende ondernemingen ook een beroep gedaan op de sluitingspremie. Hier bedroeg de steun 1,1 miljoen euro. In totaal hebben 7 verschillende ondernemingen gebruik gemaakt van de afzonderlijke sluitingspremie, waarvoor in totaal 71.680 euro steun werd toegekend. Bij begrotingsopmaak 2022 werd er een budget van 10 miljoen euro voorzien voor de hinderpremie. Tabel 14 Aantal toekenningen en budget voor premie volgens type (bedragen in miljoen euro) Type premie

Hinderpremie Bijkomende sluitingspremie Afzonderlijke sluitingspremie (groep 2) Totaal

Aantal ondernemingen

Aantal toekenningen

Steunbedrag in euro

Gemiddeld steunbedrag

7

34

71.680

2.108

3.455

3.909

7.814.560

3.317 131

3.328 547

6.656.000 1.086.880

2.000 1.987

Screen Flanders Sinds 2012 geeft de Vlaamse overheid extra financiële steun aan de audiovisuele sector. Via Screen Flanders worden audiovisuele projecten (fictie-, documentaire- en animatiefilms en animatiereeksen) ondersteund, waarbij een deel van de bestedingen specifiek in het Vlaamse Gewest gebeuren. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen behandelt het dossier, terwijl het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) de communicatie en de promotie van de maatregel verzorgt. Er werd bij begrotingsopmaak 2022 een budget van 3,75 miljoen euro voorzien waarvan 250.000 euro voor het VAF. In 2021 werd het voorziene budget van 3.500.000 euro opgesplitst in twee oproepen: • •

De eerste oproep 2021 liep van 5 februari tot en met 5 maart 2021. De budgetenveloppe bedroeg 2.000.000 euro. Er werden 22 aanvragen ingediend en hiervan werden 11 projecten goedgekeurd. De tweede oproep liep van 6 maart tot en met 10 september 2021. De budgetenveloppe bedroeg 1.500.000 euro. Gezien het grote gevraagde bedrag ten opzichte van de slechts 1.500.000 euro beschikbaar budget voor de tweede oproep, werd eind 2021 960.000 euro toegevoegd aan het budget van de tweede oproep. Er werden 21 aanvragen ingediend en hiervan konden 15 projecten worden goedgekeurd.

Corona-maatregelen om bedrijven door de crisis te helpen De uitbraak van Covid-19 eind 2019 heeft tot op vandaag een wereldwijde impact op zowel het maatschappelijk als economisch leven. Ook Vlaanderen bleef en blijft hiervan niet gespaard en elke dag doen de gevolgen van deze crisis zich meer voelen, niet alleen op vlak van gezondheidszorg en openbaar leven maar ook op economisch vlak. Ook Vlaamse ondernemingen worden nog steeds geconfronteerd met omzetdalingen en verplichte sluitingen.

61


In 2020 werd binnen VLAIO een heel ondersteuningspakket opgezet om ondernemingen met exploitatievestigingen in Vlaanderen door deze crisis te helpen en de continuïteit van deze ondernemingen te verzekeren. Hierna een overzicht van de steun verleend in de vorm van een coronapremie of Vlaams Beschermingsmechanisme: ► BVR corona hinderpremie (BVR CHP) Besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus: https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1032790&param=inhoud&ref=search&AVIDS= ► BVR corona compensatiepremie (BVR CCP) Besluit van de Vlaamse Regering van 10 april 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de exploitatiebeperkingen opgelegd door de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus: https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1032868&param=inhoud&ref=search&AVIDS= ► BVR corona ondersteuningspremie (BVR COP) Besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die een omzetdaling hebben ondanks de versoepelde coronavirusmaatregelen, tot wijziging van de artikelen 1, 9 en 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 april 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de exploitatiebeperkingen opgelegd door de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus, en tot wijziging van de artikelen 1, 6, 9 en 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus: https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1033253&param=inhoud&AID=1276298 ► BVR Vlaams Beschermingsmechanisme (BVR VBM) Besluit van de Vlaamse Regering van 7 augustus 2020 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavirusmaatregelen genomen vanaf 29 juli 2020, tot wijziging van artikel 10 en 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 inzake de corona ondersteuningspremie en tot wijziging van artikel 1 van en tot toevoeging van een bijlage aan het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2020 inzake de corona handelshuurlening https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1033573&param=inhoud&ref=search&AVIDS= ► BVR Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme (BVR VBM2) Besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavirusmaatregelen genomen op 6 en 16 oktober 2020 en tot wijziging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus: https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1033780&param=inhoud&ref=search&AVIDS= ► BVR Vlaams Beschermingsmechanisme (BVR VBM3)

62


Besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2020 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 en tot wijziging van artikel 1, 3 en 4 van en toevoeging van een bijlage aan het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavirusmaatregelen genomen op 6 en 16 oktober 2020 en tot wijziging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus https://codex.vlaanderen.be/Zoeken/Document.aspx?DID=1033896&param=inhoud&ref=search&AVIDS=1409 699,1409700,1409703,1409704 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 4 (VB4) Besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-4 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 5 (VB5) Besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 en de bijlage.

Ministerieel besluit van 25 maart 2021 tot uitvoering van artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020, wat betreft de precisering van de woorden "een andere referentieperiode in 2019" en de verlenging van de uiterste indieningsdatum van de subsidieaanvraag https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-5 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 6 (VB6) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020, tot invoeging van artikel 9/1 in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 over de corona hinderpremie en tot wijziging van artikel 9 en 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 april 2020 over de corona compensatiepremie, van artikel 9 en 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 over de corona ondersteuningspremie, van artikel 7 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 augustus 2020 over het Vlaamse Beschermingsmechanisme, van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 over het Vlaamse Beschermingsmechanisme, van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2020 over het Vlaamse Beschermingsmechanisme en van artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021 over het Vlaamse Beschermingsmechanisme (B.S.16/04/2021) https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-6 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 7 (VB7)

63


Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-7 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 8 (VB8) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-8 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 9 (VB9) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de aanhoudende coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-9 ► Vlaams Beschermingsmechanisme 10 (VB10) Besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2021 betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de coronavirusmaatregelen van 28 oktober 2020 en tot wijziging van artikel 9/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 over de corona hinderpremie https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/vlaams-beschermingsmechanisme-10 ► Corona Globalisatiemechanisme (CGM) Besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 betreffende het corona globalisatiemechanisme voor ondernemingen met een grote omzetdaling in 2020 ten gevolge van de coronavirusmaatregelen. https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/globalisatiemechanisme

2. Instrumenten binnen PMV PMV heeft één eenvoudige boodschap naar ondernemend Vlaanderen: elk goed ondernemingsplan of project in Vlaanderen dat wordt gedragen door een degelijk team, moet financiering kunnen vinden en PMV heeft alle instrumenten om de ontbrekende stukken in die financiering te helpen invullen. PMV werkt daarvoor met twee “PMV/Z”.

merken: het overkoepelende moedermerk “PMV” en het dochtermerk

“PMV/Z” werd gecreëerd speciaal voor starters, zelfstandige ondernemers en kleinere kmo’s. Mensen met goede ideeën kunnen er terecht voor gestandaardiseerde leningen tot 700.000 euro, voor de registratie van een Winwinlening of voor een waarborg tot 1,5 miljoen euro. Binnen het merk “PMV” zullen meer mature groeibedrijven en de innovatoren van de toekomst kunnen blijven rekenen op de expertise en het maatwerk van de PMV-investeringsmanagers. Zij monteren financieringsoplossingen met kapitaal, leningen en waarborgen, of een combinatie daarvan. In 2021 werden

64


er voor 40,5 miljoen euro aan leningen, 90,9 miljoen euro aan kapitaal en 501 miljoen euro aan waarborgen toegekend. Daarnaast investeert PMV indirect in Vlaamse bedrijven via fondsen. Hiervoor heeft PMV in 2020 kapitaal toegezegd aan 15 investeringsfondsen ten belope van 85,8 miljoen euro. We gaan nu dieper in op de instrumenten van enerzijds PMV en anderzijds PMV/Z.

PMV A. Kapitaal Als starter, scale-up of sterke groeier heeft een bedrijf meestal onvoldoende stabiele cashflows en moet er nog een belangrijke investeringsperiode overbrugd worden. Dan ligt het aantrekken van (risico)kapitaal voor de hand. Maar ook in een latere fase kan een bijkomende kapitaalinjectie belangrijk zijn, denk bijvoorbeeld aan verdere internationale expansie of snelle groei. Als actieve maar ‘geduldige’ investeerder is PMV een aandeelhouder die jaren samen met de bedrijven aan de toekomst wil bouwen. PMV neemt hierbij een actieve rol, zowel bij de structurering van de financieringsronde (waarbij er rekening wordt gehouden met zowel de noden van het ondernemingsteam als met die van co-investeerders) als in de opvolging na investering. Hierbij komt de uitgebreide ervaring van PMV als financiële investeerder en het sinds jaren uitgebouwde netwerk in allerlei sectoren, uitstekend van pas. PMV verschaft risicokapitaal – steeds in cofinanciering met de markt - aan seed, early stage tot meer mature ventures met heel uiteenlopende financieringsbehoeften gaande van (heel) beperkte tickets (dewelke meestal gestructureerd worden als converteerbare achtergestelde leningen) tot grote tickets (veelal gestructureerd als kapitaal of een combinatie van beide). Een goed onderbouwd en realistisch businessplan, competent managementteam met een duidelijk visie en engagement en positieve impact op de Vlaamse economie, zijn belangrijke criteria voor elke investeringsbeslissing. Sterke teams maken het succes van uw onderneming. PMV evalueert de businessplannen grondig en toetst deze op hun haalbaarheid. Daarbij wordt er onder meer gekeken naar technische haalbaarheid, marktpotentieel, USP tov de concurrentie, commerciële aanpak, een realistische inschatting van de kosten, de (volledige) financieringsbehoefte en het exit potentieel. Zoals elke kapitaalverschaffer investeert PMV om financiële meerwaarde te creëren, maar voor PMV is het ook van belang maatschappelijk meerwaarde op te bouwen en zodoende bij te dragen aan de welvaart in Vlaanderen.

B. Leningen: PMV-bedrijfsleningen PMV-bedrijfsleningen zijn financieringsoplossingen op maat met een lange looptijd voor kmo’s en grote ondernemingen. Deze leningen bedragen minimum 70350.000 euro. en maximaal 5.000.000 euro. Ze kunnen zowel achtergesteld (voornamelijk “mezzaninefinanciering”) als niet-achtergesteld zijn. De leningen zijn complementair aan bestaande (of nieuwe) bankfinanciering. Via PMV-Bedrijfsleningen verstrekt PMV-kredieten op maat aan Vlaamse ondernemingen in het kader van: • •

financiering van materiële, immateriële en/of financiële investeringen, evenals de financiering van bedrijfskapitaal bij de uitbouw van activiteiten; financiering van overnames van aandelen van een bestaande vennootschap, en/of overname van (een deel van) het handelsfonds. Deze overnames kunnen kaderen in een familiale opvolging, management buy-out (MBO) of management buy-in (MBI). Ook de instap van een financiële partij onder de vorm van een leveraged buy-out (LBO) behoort tot het werkkader;

65


•

herfinanciering van bestaande schulden om zo voldoende werkingsmiddelen in de onderneming te houden en ter versterking van de balans.

C. Waarborgen: Gigarant Gigarant is er voor ondernemingen die behoefte hebben aan kredietwaarborgen boven 1,5 miljoen euro. De waarborg kan oplopen tot 80% van het onderliggende krediet. De maximale looptijd bedraagt vijftien jaar. Het fonds beschikt over een totaal garantiebudget van drie miljard euro. In 2021 werden vanuit Gigarant 22 waarborgen toegekend, goed voor een totaal waarborgbedrag van 501 miljoen euro en een financieringsbedrag van 1,16 miljard euro. Figuur 24 Gigarant: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen (cumulatief).

3000

140 125

2500 1974

2000 1500

1143

1000 500 0

1515

1425

695

3989

125 2 2009

2010

13 428 2011

18 444 2012

cumulatief waarborgbedrag

2488

84

29

25 682

698

2013

2014

100 80 60

65 48

759

736

318

1170

1606

2090 98

120

40

37

20 851 2015

893 2016

cumulatief kredietbedrag

940 2017

1121 2018

1170 2019

1427 2020

0

cumulatief aantal verbintenissen

D. Investeringen via fondsen PMV Fondsinvesteringen voorziet in het ter beschikking stellen van risico- en groeikapitaal via onafhankelijke fondsen. Zo investeert PMV samen met andere, private investeerders (‘limited partners’) in investeringsfondsen beheerd door onafhankelijke fondsbeheerders (‘general partners’). Het zijn deze fondsen die risicokapitaal dan wel groeikapitaal verschaffen aan resp. start-ups & scale-ups en kmo’s. Op deze manier activeert PMV Fund-of-funds het beschikbare risico- en groeikapitaal in Vlaanderen en kunnen de investeringsmiddelen aanzienlijk toenemen om de ‘first equity gap’ van start-ups en de ‘second equity gap’ van scale-ups te dichten en het groeitraject van kmo’s te ondersteunen. PMV Fondsinvesteringen heeft in 2021 kapitaal toegezegd aan 5 nieuwe investeringsfondsen voor een bedrag van 30 miljoen euro.

E. Coronaleningen Om de effecten van de coronacrisis voor Vlaamse bedrijven te temperen, creëerde PMV een financiële buffer op middellange termijn met achtergestelde leningen op 3 jaar. Dit als aanvulling op overbruggingskredieten

66


op heel korte termijn vanuit het federale niveau. Hiermee komt Vlaanderen tegemoet aan de vraag van vele bedrijven om een financiële buffer op middellange termijn te creëren en zo de tijd te hebben om omzet en cashflow opnieuw op peil te brengen. De bedrijven krijgen uitstel van betaling van kapitaal en interest voor twee tot drie jaar. Zo creëert Vlaanderen extra financiële ademruimte voor gezonde bedrijven die mikken op een snelle doorstart met maximale tewerkstelling. De focus ligt op intrinsiek gezonde en levensvatbare start-upbedrijven en scale-ups, en ook mature bedrijven die tijdelijk in moeilijkheden komen door de coronacrisis en nood hebben aan financiële versterking om de gevolgen van de crisis bovenop te komen. Eind 2021 waren 571 coronaleningen opgenomen, waarvan 384 voor de doelgroep van de kmo’s en zelfstandigen en 148 voor de doelgroep van de start- en scale-ups. Het toegekende kredietbedrag kwam neer op 174 miljoen euro.

“PMV/Z” Speciaal voor zelfstandige ondernemers, starters en kmo’s lanceerde PMV in mei 2016 het nieuwe label PMV/Z. Hiermee vereenvoudigt PMV het financieringsaanbod voor deze doelgroep en benadert zij dit marktsegment beter en op een meer commerciële manier. Dit specifieke label werkt daarvoor met een “standaardoplossing op maat”, die specifieke financieringsinstrumenten groepeert: de Startlening+, kmo-cofinanciering, de Waarborgregeling en de Winwinlening.

A. Startlening De Startlening van PMV/z is een achtergestelde lening voor alle starters (werkzoekenden én anderen) die nog niet of gedurende hoogstens 4 jaar actief zijn als zelfstandige in hoofdberoep. Er kan tot maximum 100.000 euro geleend worden. De lening heeft een looptijd van 3 tot 10 jaar en de rentevoet bedraagt 3% per jaar. In 2021 werden 180 startleningen toegekend voor een gemiddeld bedrag van 56.571,72 euro. Dit betekent een totale investering van 10,2 miljoen euro.

B. Cofinanciering De Cofinanciering is een achtergestelde lening van maximum 350.000 euro, bestemd voor starters en bestaande ondernemingen. De lening wordt altijd gecombineerd met een financiering van een andere partner, ofwel van een bank, investeringsfonds of crowdfunding platform waarmee PMV een samenwerkingsovereenkomst heeft, ofwel van een of meerdere business angels, van wie er minstens één lid is van BAN Vlaanderen. Een financiering door meerdere van voornoemde partijen is ook mogelijk. De cofinancier moet instaan voor minstens 20% van de globale financieringsbehoefte. PMV/Z komt tussen voor maximaal 50% van de totale investeringsbehoeften. In 2021 werden 114 Cofinancieringen toegekend met een gemiddeld toegekend bedrag van 189.589,61 euro. Dit betekent een totale investering van 21,6 miljoen euro.

C. Cofinanciering+ De Cofinanciering+ is een achtergestelde lening van minimum 350.000 euro en maximum 700.000 euro, bestemd voor starters en bestaande ondernemingen die al een positieve cashflow genereren De lening wordt altijd gecombineerd met een cofinanciering, ofwel van een bank of investeringsfonds waarmee PMV/z een samenwerkingsovereenkomst heeft. Een cofinanciering door meerdere van deze partijen is ook mogelijk. De cofinancier moet instaan voor minstens 20 % van de globale financieringsbehoefte. PMV/z komt tussen voor maximaal 50 % van de globale investeringsbehoeften. In 2021 werden 11 Cofinanciering+ toegekend met een gemiddeld toegekend bedrag van 662.727,27 euro. Dit betekent een totale investering van 7.,3 miljoen euro.

67


D. Waarborgregeling De Waarborgregeling wil tegemoetkomen aan het tekort aan zekerheden waarmee ondernemingen vaak geconfronteerd worden, als zij een krediet willen verkrijgen van een bank. Ondernemingen die geen financieringsovereenkomst kunnen afsluiten door een gebrek aan voldoende waarborgen, kunnen via de waarborgregeling van PMV, bij 'financiële instellingen erkend als waarborghouder', tot 75% van de verbintenissen laten waarborgen door de Vlaamse overheid en dit tot een maximum bedrag van 1,5 miljoen euro. Ook voor bepaalde leasingcontracten geldt deze regeling. Figuur 25 Waarborgregeling: toegestaan waarborgbedrag, kredietbedrag en investeringsbedrag (miljoen euro) 855

900 800

729

700

630

600 400

334 249 180 203

300 200 100 0

101824

162 129 128 101 78 100 59

352 214

639

559

504

457

500

757

453

420

319 204

390

385

271 169

492

454

259

244

165

162

420

380 305 194

233

259

427 272

295

483 299

522

316

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 waarborg

kredietbedrag

investeringsbedrag

Van 2007 tot 2010 steeg het waarborgbedrag continu. Na een daling van de productie in de periode 20112014, knoopte de waarborgregeling terug aan met groei vanaf 2015. In 2021 werd een recordbedrag van 315,5 miljoen euro aan waarborgen gerealiseerd in 1899 verbintenissen (Figuur 26). De hefboomwerking blijft nog steeds groot, in 2021 werd namelijk voor elke euro waarborg 2,7 euro aan investeringen gerealiseerd Figuur 26 toont het aantal waarborgen en verbintenissen. Figuur 26 Waarborgregeling: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen 350

2500

300 250

1497

1668

1771 1576

150

780

100 50 0

684

1136

1500

1286

1000

706

500

246 10

59

78

100

203

214

204

169

165

161

194

232

259

272

295

299

316

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 waarborgbedrag

68

2000

1572 1261

200

1939 2005 1936 1911 1899

aantal verbintenissen

0


E. Winwinlening De Winwinlening is een mechanisme van PMV dat het voor kmo’s gemakkelijker maakt om financiering te vinden in hun directe omgeving. In juli 2013 werd het maximumbedrag opgetrokken tot 200.000 euro per kredietnemer. Voor deze gedeeltelijk gewaarborgde lening met fiscaal voordeel werden er in 2021 een recordaantal van 8.665 leningen geregistreerd bij PMV, voor een totaal financieringsbedrag van maar liefst bijna 152 miljoen euro. Figuur 27 Winwinlening: bedragen (in miljoen euro) versus aantal verbintenissen 350

2500

300

1939 1668

250

1497

1576

100 50 0

684

1911

1899

1136

1500

1286

1000

706

500

246 10

2000

1572 1261

780

1936

1771

200 150

2005

59

78

100

203

214

204

169

165

161

194

232

259

272

295

299

316

0

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 waarborgbedrag

aantal verbintenissen

F. Vriendenaandeel Om de spaargelden van de Vlaming te activeren, heeft de Vlaamse regering beslist om een fiscaal voordeel toe te kennen aan wie bereid is het kapitaal van Vlaamse ondernemingen te versterken. Met het Vriendenaandeel kun je als particulier tot 75.000 euro investeren in een vennootschap met een Vlaamse exploitatiezetel. In ruil ontvang je tot maximaal 5 jaar een fiscaal voordeel van 2,5% per jaar. Als onderneming kun je op die manier tot 300.000 euro extra kapitaal ophalen. Vriendenaandelen kunnen gecombineerd worden met Winwinleningen tot een plafond van 75.000 euro (voor de Vriendenaandeelhouder-kredietgever) en 300.000 euro (voor de emittent-kredietnemer). Sinds de opstart in mei 2021 werden er 80 Vriendenaandelen geregistreerd voor een bedrag van 391K euro.

Media Invest Vlaanderen Media Invest Vlaanderen (MIV) is een joint venture tussen VRT, de Vlaamse Openbare Omroep (50%); en PMV NV, de onafhankelijke investeringsmaatschappij van het Vlaams Gewest (50%). PMV en VRT wensen hun krachten en expertise te bundelen om samen €10 miljoen te investeren in beloftevolle bedrijven binnen het Vlaamse media-ecosysteem. MIV streeft ernaar om een rendabele investeringsportefeuille uit te bouwen en de professionalisering en het internationaal potentieel van de Vlaamse mediasector te ondersteunen en versterken. Media Invest Vlaanderen investeert via (converteerbare) achtergestelde leningen en/of kapitaalparticipaties van €250.000 tot €1.000.000 (richtbedragen). Voor hogere bedragen kan partner PMV aanvullend optreden.

69


Naast de financiële middelen, stellen VRT en PMV hun uitgebreid netwerk en expertise ter beschikking van de ondernemers.

3. Instrumenten binnen de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM) LRM is een investeringsmaatschappij die economische groei in Limburg ontgint en stimuleert. LRM zorgt voor een stevige basis zodat bedrijven en projecten die duurzame jobs in Limburg creëren, kunnen groeien. Samen met de troeven van de regio Limburg, zorgen de financiële middelen en expertise van LRM voor een unieke voedingsbodem. LRM heeft vier kernactiviteiten. Als risicokapitaalverschaffer voorziet LRM bedrijven met een veelbelovend plan van ‘smart money’: naast de nodige financiële middelen, geeft LRM ook inhoudelijk en strategisch advies om de groeiplannen van startups, groeiende kmo’s en grote ondernemingen te helpen realiseren. LRM is een investeringsmaatschappij die impact wil hebben. LRM streeft bij haar investeringen naar winstgeneratie en werkt als een rollend fonds. Iedereen die met impact onderneemt in Limburg kan aankloppen bij LRM. In die zin is de Limburgse Investeringsmaatschappij een generalist, maar door de jaren heen werden wel specifieke competenties opgebouwd rond een aantal sectorgeoriënteerde investeringsthema’s: Technologie & Diensten, Slimme Maakindustrie, Duurzame Samenleving, Gezondheid & Zorg, en Vastgoed. Die focus zorgt ervoor dat LRM actief kan bijdragen tot de transformatie van het economische DNA van Limburg en dat portfoliobedrijven kunnen rekenen op relevante introducties binnen een uitgebreid netwerk. LRM ontwikkelt en beheert ook innovatief vastgoed om een stimulerend omgevingskader te scheppen voor ondernemers en doet dat aan de hand van campussen – zoals Corda Campus, DronePort en Thor Park –, een uitgebreid incubatorennetwerk van zeven sectorspecifieke incubatoren, bedrijventerreinen – zoals Kristalpark III in Lommel – en sectorspecifieke infrastructuur. LRM bouwt op die manier mee aan de werkplekken van de toekomst. Investeringen in innovatieve bedrijven, vastgoed en infrastructuur versterken de kennisopbouw en stoppen de ‘brain drain’. Het is dat verstrengelde aanbod van risicokapitaal en infrastructuur dat LRM uniek maakt. De herbestemming van de voormalige mijnsites in Limburg is ook één van de kernopdrachten van LRM. Het meest actueel zijn vandaag de herbestemming van be-MINE – de voormalige mijnsite van Beringen – en Terhills, de voormalige mijnsite van Eisden in Maasmechelen/Dilsen-Stokkem. LRM investeert er gericht in toeristische projecten en bovenregionale attracties die een positief langetermijneffect hebben op de regio. Tot slot zet LRM in op innovatieve en impactvolle klimaatprojecten en eco-initiatieven die niet alleen kaderen binnen het eigen (klimaat)investeringsplan, maar ook binnen de Vlaamse en internationale klimaatdoelstellingen. LRM heeft de expertise en de middelen in huis om strategische impactprojecten in de groene energieproductie te realiseren: windmolens, zonne-energie, energieopslag… Bij de hernieuwbare energieprojecten gaan economie en ecologie steeds hand in hand. LRM engageert zich ook om haar steentje bij te dragen aan de ‘Sustainable Development Goals’ of ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen’ van de Verenigde Naties. In 2021 investeerde LRM 73,900 miljoen euro in 80 bedrijven en projecten (zie Figuur 28).

70


Figuur 28 Evolutie van het Investeringsvolume (in 1000 euro) en het aantal investeringsdossiers LRM, 2005 - 2021 120

90000 80000

104 86

70000

100 89

84

60000

73

50000

40

30000 20000 10000

15

17

21

45

47

80 80

63

58

40000

74

60

49

40

27 20

0

0 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 investeringsvolume

investeringsdossiers

Om de drempel naar groeifinanciering zo laag mogelijk te houden voor de Limburgse kmo’s, heeft LRM twee standaardproducten geïntroduceerd: de KlimOp-lening en de Plus-lening. In 2021 kwam daar ook de Doorbraak-lening bij. Daarnaast zijn er verschillende mogelijkheden om groeiverhalen van bedrijven te ondersteunen door middel van risicokapitaal.

A. LRM Plus-lening LRM heeft met de PLUS-lening een gestandaardiseerde achtergestelde lening zonder waarborgen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Dat kan voor bedragen van 50.000 tot 600.000 euro. De PLUS-lening is een aanvulling op de eigen middelen van de kmo zelf en dient dan ook als ideale financieringshefboom voor bancaire kredieten en financiering. Bankiers beschouwen de PLUS-lening immers quasi als eigen vermogen. In 2021 gingen zeven KMO’s deze lening aan voor een totaalbedrag van 1,700 miljoen euro.

B. LRM KlimOp-lening Voor kleine ondernemingen voorziet LRM met de Klimop-lening een laagdrempelige achtergestelde lening van 50.000 euro tot maximum 250.000 euro. De rentevoet is vast (4%) en verlaagt tot 3% vanaf het moment dat de onderneming vijf nieuwe werkplaatsen creëert. De KlimOp-lening is zo een hefboom voor extra bankfinanciering. In 2021 gingen twintig ondernemingen een dergelijke lening aan voor een totaalbedrag van 2,920 miljoen euro.

C. LRM Doorbraak-lening LRM ontwikkelde samen met VLAIO en de UHasselt de Doorbraaklening voor ambitieuze bedrijven die willen verduurzamen, digitaliseren of internationaliseren. Het is een uniek financieel instrument dat de combinatie van risicokapitaal en subsidies mogelijk maakt. De Doorbraak-lening is een achtergestelde lening van 50.000 tot 250.000 euro met een looptijd van 2 tot 8 jaar, waarbij er gedurende de eerste 3 jaar kan worden toegestaan om geen kapitaal af te lossen. De vaste rentevoet bedraagt 4%.

71


D. LRM Venture capital LRM financiert ondernemingen in een vroeg ontwikkelingsstadium met kapitaal. In 2021 werden vierentwintig ondernemingen met venture capital gefinancierd voor een totaalbedrag van 13,276 miljoen euro.

E. LRM Private equity LRM financiert ondernemingen in hun groeifase of in een situatie van reorganisatie met risicodragend vermogen (private equity). In 2021 werden zeven ondernemingen gefinancierd voor een totaalbedrag van 11,185 miljoen euro.

F. LRM Mezzanine LRM geeft ook achtergestelde leningen (mezzanine) die tussen het eigen vermogen en de bank instaan. In 2021 verstrekte LRM negen nieuwe mezzanineleningen voor een totaalbedrag van 21,550 miljoen euro.

G. LRM Fund-of-fund Om sectorverbreding mogelijk te maken, investeert LRM ook in andere investeringsfondsen. In 2021 realiseerde LRM vijf fund-of-fundinvesteringen voor een totaalbedrag van 1,935 miljoen euro..

H. LRM Infrastructuur LRM investeerde in 2021 ten slotte 20,459 miljoen euro in acht infrastructuurdossiers.

72


4. Instrumenten binnen Gimv Gimv is een Europese investeringsmaatschappij met 40 jaar ervaring in private equity en venture capital. Gimv is sinds 1997 genoteerd op Euronext Brussel en heeft vandaag 2,0 miljard EUR onder beheer. De portefeuille is geïnvesteerd in ongeveer 50 portefeuillebedrijven die samen een omzet van 2,5 miljard EUR realiseren en 14 000 professionals tewerkstellen. Als erkend marktleider in geselecteerde investeringsplatformen identificeert Gimv ondernemende en innoverende bedrijven met een groot groeipotentieel en begeleidt ze in hun transformatie tot marktleiders. De vier investeringsplatformen zijn: Connected Consumer, Health & Care, Smart Industries en Sustainable Cities. Elk van deze platformen werkt met een bekwaam en toegewijd team in de thuismarkt van Gimv (Benelux, Frankrijk en Duitsland) en kan rekenen op een uitgebreid internationaal netwerk van deskundigen. INVESTERINGSCRITERIA -

ambitieuze en innovatieve bedrijven met een sterk groeipotentieel kleine tot middelgrote bedrijven met een ondernemingswaarde tot 250 miljoen EUR bedrijven met een kapitaalbehoefte van 5 tot 50 miljoen EUR bedrijven met hoofdzetel in de Benelux, Frankrijk en de DACH-landen bedrijven met een sterk management, een heldere bedrijfsvisie en een strategie gebaseerd op duurzame waardecreatie en een betekenisvolle meerwaarde voor de samenleving

De maatregelen hier besproken zijn geen overheidssteun in strikte zin en Gimv is evenmin onderdeel van de Vlaamse overheid: via VPM en met 26,82% van de aandelen is de Vlaamse overheid wel de grootste referentieaandeelhouder van Gimv.

73


5. Instrumenten binnen Investeringsfonds (SIFO)

de

sociale

economie:

het

Sociaal

Het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) verleent voordelige leningen aan bedrijven uit de sociale economie. De doelgroep zijn ondernemingen die focussen op die sectorwerkgelegenheid en werkgelegenheid voor mensen met een bepaalde afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn ook een democratische besluitvorming en voorrang van realisatie van het maatschappelijk doel op de vergoeding van de aandeelhouders, belangrijk. Het Sociaal Investeringsfonds doet dat door trekkingsrechten te verlenen aan erkende financiers (Socrowd, Hefboom, Trividend en Trividend Provincie Antwerpen). Trekkingsrechten geven de erkende financiers het recht om cofinanciering te krijgen van het SIFO. Zij kunnen die gebruiken om, samen met eigen middelen, organisaties te financieren die actief zijn in de sociale economie. Het SIFO komt tussen bij volgende financieringen: investeringskredieten, bedrijfskapitaalkredieten, achtergestelde leningen en overbruggingskredieten.

A. Socrowd Socrowd staat voor Sociale Crowdfunding en werd opgericht in juni 2013, als eerste sociaal crowdfundingplatform voor Vlaanderen en Brussel. Socrowd geeft financiële zuurstof aan duurzame en sociale initiatieven in de sectoren Onderwijs, Socio-Cultureel, Welzijn, Noord-Zuid, Sociale Economie en Ecologie. Socrowd geeft renteloze leningen die voor 1/3 bestaan uit kapitaal dat door de ontvanger is gecrowdfund in zijn omgeving. Socrowd legt daar vanuit zijn eigen kapitaal 2/3 van het bedrag bij, in de vorm van een rentevrije lening. Zo versterkt een crowdfundingsactie de banden met de achterban en kan de organisatie ethisch geld lenen aan een laag tarief. Door een solide begeleiding klokt bijna ieder project af op minstens 100% van het doelbedrag. Binnen PMV wordt Socrowd erkend door twee ondersteuningsfondsen: • Waarborgbeheer NV: erkenning als waarborghouder • Sociaal Investeringsfonds: erkenning als cofinancier.

B. Hefboom & Impulskrediet Hefboom ondersteunt sociaal en duurzaam ondernemen. Hefboom doet dat door het verschaffen van advies, dienstverlening en financiering. Hefboom financiert organisaties die zich inzetten voor een sociale en duurzame samenleving, ondernemingen zoals maatwerkbedrijven, organisaties werkzaam in gezondheid, gelijke kansen, welzijn, sociaal-cultureel werk, non-profit, ecologie en duurzaamheid. Hefboom beheert daarnaast ook financieringsproducten op maat van een sector of een specifieke doelgroep zoals Impulskrediet, Cultuurkrediet en de Renteloze Kunstlening. Voor die financiering werkt Hefboom samen met het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) onder de vleugels van PMV. Het SIFO cofinanciert kredieten van Hefboom aan organisaties die sociale tewerkstelling creëren. Hefboom is een door het SIFO erkend financier. Impulskrediet verstrekt microkredieten tot 25.000 euro aan (startende) ondernemers in Vlaanderen en Brussel die omwille van bepaalde redenen niet (meer) terecht kunnen bij een reguliere bank. Op die manier krijgen kansengroepen de mogelijkheid om uit een negatieve maatschappelijke en sociale spiraal te stappen, hun zakelijke plannen concreet gestalte te geven en hun professionele leven een duwtje in de rug te geven. Voor het verschaffen van de microkredieten werkt Impulskrediet ook samen met het SIFO die tevens de microkredieten van Impulskrediet cofinanciert.

74


C. Trividend . Trividend cv is het Vlaams Participatiefonds voor de sociale economie. Trividend ondersteunt sociaal ondernemerschap via risicokapitaal voor bedrijven die bijdragen aan de tewerkstelling van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ook sociale ondernemingen die bijdragen aan de realisatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties komen in aanmerking. Trividend zorgt voor financiering op maat, afhankelijk van de fase waarin je onderneming zit. Ook de link met sociale economie beïnvloedt het bedrag en de structuur van de oplossing. Trividend financiert enerzijds via achtergestelde en converteerbare leningen van 50.000 tot 450.000 euro en anderzijds via participaties voor 50.000 tot 150.000 euro. Voor grotere bedragen wordt vaak samengewerkt met andere financiers. Dankzij de steun van haar aandeelhouders, de Vlaamse overheid, SIFO en Waarborgbeheer NV kan Trividend gunstige tarieven aanbieden.

D. Trividend Provincie Antwerpen Trividend Provincie Antwerpen is een fonds dat achtergestelde leningen van €10.000 tot €50.000 verschaft aan bedrijven uit de sociale economie in de provincie Antwerpen. De toegekende lening moet minstens twee van de volgende doelstellingen beogen: • meer doorstroom van kansengroepen op de arbeidsmarkt bewerkstelligen • nieuwe ecologisch duurzame activiteiten genereren, • een samenwerking tussen de sociale en de reguliere economie bevorderen of tot stand brengen.

75


Hoofdstuk 2 Ondernemerschap bevorderen Initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap worden zowel genomen binnen het beleidsdomein EWI, via het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO), als binnen het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.

1. Initiatieven vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) Om ondernemerschap te stimuleren ontwikkelt het Agentschap Innoveren en Ondernemen acties om de (potentiële) ondernemers te ondersteunen in hun ambitie. Er worden initiatieven aangeboden die de ondernemer trachten sterker te maken en die ervoor zorgen dat hij meer bewust is van de uitdagingen waar hij voor staat. De ondernemer kan dan volgens zijn eigen behoeften gebruik maken van dit aanbod en zich vervolgens laten bijstaan door ondersteunende (private) organisaties en/of een professioneel netwerk. In die context richt de overheid zich hoofdzakelijk op: a)

de toegang tot competenties en vaardigheden, hieronder ingevuld door: o sensibilisering, bewustmaking, cultuur en beeldvorming ondernemerschap o de levenscyclusbenadering van ondernemerschap m.i.v. ondernemende jeugd & ondernemend onderwijs, (pre)start, (hoge) groei en continuïteit b) de toegang tot financiering c) de toegang tot kennis. Rond deze thema’s worden acties opgezet, meestal vanuit een levenscyclusbenadering. De gekozen methodieken behoren veelal tot de volgende categorieën: inspireren, informeren, adviseren, begeleiden en coachen, opleiden, vervullen van formaliteiten, een netwerk aanbieden, enz. In juli 2015 keurde de Vlaamse Regering de visienota ‘Meer en ambitieuzer ondernemerschap’ goed. In uitvoering hiervan duidde de Vlaamse overheid enerzijds een aantal structurele partners aan (de innovatiecentra, FDC, Vlajo, Stichting Ondernemen en Onderwijs, BAN-Vlaanderen en Dyzo) en anderzijds besliste ze om de brede levenscyclusbegeleiding van ondernemingen uit te besteden via een overheidsopdracht. Deze overheidsopdracht werd eind 2015 uitgeschreven. Na onderhandelingen werden in mei 2016 elf vooral private partners geselecteerd die elk een sterk aanbod hebben om de doelstelling ‘meer starters, meer blijvers en meer groeiers’ vorm te geven. Deze acties spelen in op 3 domeinen: • • •

creëren van een cultuur van (ambitieus) ondernemerschap begeleiding op maat van de levenscyclus van het bedrijf met focus op (pre)starters en met aandacht voor financiering en continuïteit hoge groeibedrijven/ambitieus ondernemerschap

Volgende partners zullen samen met VLAIO voor elke levensfase van een onderneming een aanbod in de markt zetten: EY, Flanders DC, Netwerk Ondernemen, NSZ, Ondernemingsplanwedstrijd, Sirris, Startups.be, TBVOB, Unizo, VCB en Voka. Op de website www.sterkondernemen.be, of via de coaching en adviesdatabank op de website van VLAIO kan de laatste stand van zaken van het aanbod teruggevonden worden. In 2019 zette VLAIO verder in op het samenbrengen van de partnerorganisaties in een hecht netwerk waarin de verschillende actoren met elkaar samenwerken en elkaar inspireren. VLAIO nam zijn regierol in het

76


landschap opnieuw op en rolde opnieuw een activiteitenprogramma uit voor en door het VLAIO Netwerk. Het VLAIO Netwerk werd in 2021 uitgebreid: er werd een lerend netwerk geinstaleerd tussen de Vlaamse incubatoren, werden nieuwe clusterorganisaties verwelkomd en synergiën binnen het thema Ondernemersvorming. Bijzondere aandacht ging naar het thema Kennistransfer. Voor beeldvorming op het vlak van ondernemerschap, ondernemen en innoveren heeft het agentschap in de lopende overheidsopdracht ondernemerschap enkele dienstverleners aangeduid die in de periode 20172020 campagnes met bijhorende acties uitrollen om hieraan te werken. Enerzijds is er Flanders DC. De VOKA OpenBedrijvendag trekt nog steeds elk jaar ruim 500.000 bezoekers naar Vlaamse bedrijven die hun deuren openstellen. De formule blijft succesvol en kiest jaarlijks een thema. De 31e editie van de Voka Open Bedrijvendag stond in het teken van de economische relance met de slogan “Samen Ondernemen, Samen Groeien”. Unizo organiseerde met steun van VLAIO de Dag van de Ondernemer, een dag waarop de ondernemer gevierd wordt en in het zonnetje gezet wordt, en waarbij dit jaar specifiek aandacht werd besteed aan vrouwelijk ondernemerschap. Via de werkgroep STEM die maandelijks samenkomt, faciliteert VLAIO een afstemming tussen beleidsdomeinen. Tijdens deze werkgroep wordt vanuit de verschillende entiteiten informatie gedeeld over evoluties binnen het eigen beleidsdomein en wordt de ruimte gegeven om samen mee te denken om actielijnen op basis van deze evoluties uit te werken. Daarnaast worden ook samen initiatieven opgezet zoals bijvoorbeeld de voorbereiding voor het nieuwe STEM-actieplan en nieuwe oproepen. Naast de overheidsopdracht werd eind 2015 ook een EFRO-projectoproep gelanceerd rond ecosystemen voor student-ondernemers. Aalst, Antwerpen, Brugge, Geel, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk en Leuven – de Vlaamse studentensteden – zullen via deze oproep student-ondernemers een duwtje in de rug kunnen geven. In 2017 werd dit aanbod vernieuwd en werd Mechelen toegevoegd aan de ecosystemen studentensteden. Steden, onderwijsinstellingen, lokale bedrijven, organisaties en studentenverenigingen slaan de handen in elkaar en zullen zorgen voor een ondernemende omgeving voor studerende jongeren. Deze kruisbestuiving moet resulteren in een goede ondersteuning van studenten en jongeren inzake ondernemingszin en ondernemerschap. Het ondersteunen van deze ecosystemen moet leiden tot een reële werking die niet alleen de studenten stimuleert, maar evenzeer de andere partners zoals docenten en bedrijven. Met de nodige ondersteuning zullen studenten nog tijdens hun studies de stap naar ondernemerschap kunnen zetten. Binnen de hogescholen wordt veel kennis opgebouwd die een meerwaarde kan zijn voor ondernemingen. Deze kennis vindt echter niet altijd zijn weg naar de onderneming, maar ook kmo’s vinden niet altijd hun weg naar de hogescholen. Door de hogescholen werd onder coördinatie van VLHORA een nieuw kennisdiffusie-instrument ontwikkeld genaamd ‘Blikopener’. Het instrument zet in op de expertise binnen het netwerk van hogescholen en legt de nadruk op het versterken van: (1. De interne organisatie; 2. Het dienstenaanbod; 3. De externe zichtbaarheid en relaties; 4. De rapportering). VLAIO ondersteunde dit instrument financieel. Daarnaast streefde VLAIO naar het inbedden van dit instrument en de individuele hogescholen in het VLAIO Netwerk. Met de Sociale InnovatieFabriek, afgekort SIF, had VLAIO een partnerschap voor 3 jaar (2017-2019). De missie van SIF is het stimuleren, ondersteunen en promoten van sociaal ondernemerschap en brede sociale innovatie. Voor de periode 2017-2019 zette SIF in op inspireren en sensibiliseren – versterken – verbinden – internationalisering - trajecten - ontwikkeling. Er werd een subsidie van 400.000 euro per jaar toegekend of 1,2 miljoen euro voor de periode van 3 jaar. In 2019 bereikte SIF via 75 events (inspiratiesessies en netwerking) in totaal zo’n 2.677 geïnteresseerde personen. De werking van bovenvermelde partners wordt zoals gezegd aangevuld met de werking van een aantal andere structurele partners: innovatiecentra (in 2018 gefusioneerd tot vzw Bedrijfstrajecten), Flanders DC, Vlajo, Stichting Onderwijs & Ondernemen, vzw BAN Vlaanderen en Dyzo. In het jaarverslag van VLAIO kan u terecht voor meer informatie over de partners.

77


Op 26 juni 2020 besliste de Vlaamse regering dat ook de komende 4 jaar Vlaanderen 90 miljoen euro investeert om ondernemerschap en innovatie in Vlaanderen te stimuleren via “structurele partners ondernemerschap en innovatieversnelling binnen het VLAIO netwerk”. 11 geselecteerde organisaties zullen een waaier aan dienstverlening aan Vlaamse ondernemingen aanbieden. Zij engageren zich om ondernemers te sensibiliseren, te begeleiden en te ondersteunen op cruciale momenten in hun levenscyclus. Een selectie van 11 dienstverleners van VLAIO zal de komende 4 jaar jaarlijks 22,5 miljoen euro steun krijgen om een sterk en enthousiasmerend aanbod te creëren voor het Vlaams ondernemerslandschap. Zij zullen zich tot 2024 toeleggen op: 1. 2. 3. 4.

Sensibilisering, bewustmaking en beeldvorming rond ondernemen en innoveren; Begeleiding van ondernemers op kantelmomenten in hun werking; Geïntegreerde selectieve begeleiding van ambitieuze starters en groeiers; Creatie van lerende netwerken rond vernieuwing van de bedrijfsvoering en de versnelde adoptie van bewezen technologieën.

Doelstelling is ondernemers via honderden acties en initiatieven te versterken. Het pakket omvat een mix van werkvormen zoals evenementen, infosessies, webinars, online-tools, missies, bootcamps, individuele en collectieve begeleiding. Dat zal onder meer gebeuren via nieuwe methodes zoals podcast of Whatsapp. De 11 dienstverleners zijn: Unizo, Voka, NSZ, Sirris, Agoria, Starterslabo, Scale-ups.eu, Netwerk Ondernemen, Netwerk voor Innovatieversnelling in de Bouw, Verso en Syntra West. Sirris, Agoria, Verso en Syntra West zijn nieuw. Innovatie staat voorop met thema’s zoals Artificiële Intelligentie en Cybersecurity. Circulaire economie, klimaat & energie zijn nieuw binnen de dienstverlening. Met Verso is er voor het eerst een partner uit de social profit.

78


2. Initiatieven vanuit het beleidsdomein WSE Begeleidingstrajecten sociaal ondernemen (Start SOON) Kandidaat-ondernemers die aan een maatschappelijke uitdaging willen werken en sociale impact willen realiseren worden in deze trajecten begeleid bij het vertalen van hun idee naar een realiseerbaar ondernemingsplan. Het aanbod toont de ondernemers de mogelijkheden, opportuniteiten en uitdagingen van een sociale onderneming. De trajecten focussen zich daarom niet enkel op bedrijfseconomisch vlak, maar ook op de bredere werking; zoals maatschappelijk verantwoord ondernemen en de betrokkenheid van stakeholders, het HR-beleid voor start-ups, de uitdagingen in de begeleiding van kansengroepen als werknemer, de aanpassing van arbeidsprocessen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt, etc. De deelnemers kunnen zo een economisch relevante dienstverlening uitbouwen die sociale impact realiseert. Concreet is de doelstelling van deze opdracht om de deelnemers klaar te stomen voor de effectieve opstart. Het aanbod is daarom tweeledig. Er is een basistraject en een acceleratietraject beschikbaar. Het basistraject reikt de deelnemers een algemene introductie aan in alle aspecten die komen kijken bij de oprichting van een sociale onderneming en biedt begeleiding aan bij de opmaak van het ondernemersplan. Het acceleratietraject beloont sterke ondernemersideeën met een doorgedreven individuele begeleiding. Deze ondernemingsideeën stromen door uit het basistraject na beoordeling van de jury in een pitchmoment. In het acceleratietraject is er voornamelijk aandacht voor de specifieke behoeften uit het eigen ondernemersidee.

Oproep sociaal ondernemen oprichting Kandidaat-ondernemers die aan een maatschappelijke uitdaging willen werken en sociale impact willen realiseren kunnen door deel te nemen aan deze oproep een deel van hun oprichtingskosten recupereren bij de effectieve opstart van hun zaak. Het kan daarbij gaan om volledig nieuwe initiatieven of samenwerkingsverbanden tussen bestaande (sociale) ondernemingen die leiden tot de oprichting van een nieuwe, sociale onderneming. Ook zijn alle organisatievormen toegelaten, zoals de coöperatieve vennootschap en de vzw. Wanneer de ondernemers met relevante informatie voldoende het maatschappelijke nut en de concrete meerwaarde van het ondernemersidee aantonen komen de kosten die relevant zijn voor de opstart in aanmerking voor een gedeeltelijke terugbetaling tot 14.000 euro. Het kan daarbij gaan over advieskosten bij de oprichting van de nieuwe sociale onderneming; zoals het schrijven van de statuten, boekhoudkundig, financieel, juridisch of management advies, … Maar evenzeer over uitgaven zoals, de kosten voor de publicatie in het staatsblad, voor de neerlegging van de jaarrekening of de notariskosten,…. Daarnaast krijgen geslaagde projecten een forfait van 6.000 EUR als compensatie van hun tijdsinvestering om het project te realiseren. De publicatie van de statuten in het Belgisch Staatsblad vormt de verplichte output van dit project.

79


Oproep sociaal ondernemen innovatie De Vlaamse economie blijft veranderen. Maar zulke veranderingen, vb. onder de vorm van nieuwe technologieën en digitalisering, betekenen ook opportuniteiten voor ondernemers. Met deze oproep ondersteunt men ondernemers die antwoorden zoeken op deze uitdagingen en innovatie-opportuniteiten detecteren. Men ondersteunt enerzijds het conceptualiseren en ontwikkelen van innovatieve activiteiten met als doelstelling om onaangesproken markten aan te spreken. Deze activiteiten kunnen betrekking hebben op zowel de dienstverlening, producten, businessmodellen als samenwerkingsmodellen. Daarnaast komt het optimaliseren en innoveren van de bestaande bedrijfsprocessen om toekomstgericht te ondernemen en optimaal te kunnen reageren op toekomsttrends in aanmerking. De subsidie kan verleend worden aan maatwerkbedrijven, maatwerkafdelingen en lokale diensteneconomieondernemingen. Maar evenzeer aan samenwerkingsverbanden tussen bovenstaande ondernemingen en derden, zoals wetenschappelijke instellingen of reguliere bedrijven. De subsidie bedraagt 70% van de aanvaarde projectkosten met een maximumsteun van 50.000 euro. Zowel loonkosten als werkingskosten komen in aanmerking.

Starterslabo Een starterslabo (voorheen activiteitencoöperatie) coacht niet-werkende werkzoekenden naar zelfstandig ondernemerschap met behoud van hun werklozenstatuut en eventuele uitkering. Het starterslabo biedt begeleiding en coaching aan bij de uitwerking van het ondernemingsplan en laat de kandidaat-zelfstandigen toe hun ondernemingsidee binnen een beschermde onderneming te testen. Op basis van hun reële ervaringen kunnen de kandidaat-ondernemers dan beslissen of hun ondernemersproject in de praktijk haalbaar is en of ze de stap zetten naar het zelfstandigenstatuut. Hiermee wil men de reële slaagkans van de toekomstige onderneming verhogen. Daarnaast moet de coaching vanuit een starterslabo ondernemerszin (empowerment) bijbrengen die tevens kan uitmonden in een baan in loondienst op maat van de kandidaat-ondernemer. Elke provincie in Vlaanderen telt één starterslabo. Zij zijn erkend en worden gesubsidieerd door de Vlaamse overheid (beleidsdomein WSE).

Trajecten naar ondernemerschap Als vervolg van het ESF-project ‘Maak Werk van je Zaak’ en het AZO-project (begeleiding van vluchtelingen naar ondernemerschap) binnen het Europees Sociaal Fonds (ESF) werd een nieuw project opgestart: Jumpstarters. . Wie als werkzoekende droomt van een zaak, wordt gratis begeleid tot aan de opstart van zijn bedrijf. Dit project wordt mogelijk gemaakt door SYNTRA Limburg, Stebo, de afdeling ESF en duurzaam ondernemen binnen het departement WSE, VDAB en het Agentschap Innoveren en Ondernemen. De kandidaatondernemers zijn niet-werkende werkzoekenden, deeltijds werkenden met inkomensgaranties. Ook personen bedreigd door een collectief ontslag, sluiting van de onderneming of die individueel ontslagen werden omwille van economische redenen vormen de doelgroep. Er wordt specifieke begeleiding geboden voor elke werkzoekende/kandidaat-ondernemer op zoek naar zelfstandig werk. Dit betekent hulpverlening op maat inzake oriëntering, advies en begeleiding aan de hand van een menukaart. Deze bestaat uit (kortlopende) activiteiten waarop de kandidaat-ondernemer een beroep kan doen om de haalbaarheid van zijn projectidee te toetsen en vervolgens de opstart grondig voor te bereiden. Deze menukaart is een verzameling van reeds

80


bestaande activiteiten, georganiseerd door diverse private en publieke organisaties, waaronder ook initiatieven van VLAIO.

Transitiepremie Een maandelijkse transitiepremie voor ondernemers kan toegekend worden aan een werkzoekende die zich in het Vlaamse Gewest vestigt als zelfstandige in hoofdberoep nadat hij een prestarterstraject met succes heeft beëindigd. De werkzoekende dient minstens 45 jaar oud te zijn in de maand waarin met start als zelfstandige en mag nog geen recht hebben op een pensioen. Het totale bedrag dat de ondernemer ontvangt bedraag 16.230€ en wordt uitbetaald over een periode van twee jaar. De eerste maand ontvangt de ondernemer 1.040€. Dit bedrag neemt af doorheen de tijd en de laatste maand ontvangt men 312€. Een prestarterstraject focust op de voorbereiding van de opstart van een eigen onderneming. Het prestarterstraject heeft tot doel aan te leren hoe een ondernemings- en financieel plan wordt opgesteld, waarbij de haalbaarheid van het ondernemersidee wordt ingeschat. Dit moet garanderen dat een kandidaat ondernemer met een realiseerbaar ondernemingsidee start. Het prestarterstraject omvat daartoe de volgende elementen: De opmaak van een goed uitgewerkt en haalbaar businessplan; Het versterken van de algemene ondernemingscompetenties. Het prestarterstraject heeft een minimum doorlooptijd van zes weken. In het kader van het VESOC-akkoord ‘Alle hens aan dek’ is er een tijdelijke verruiming van de doelgroep goedgekeurd door de Vlaamse regering. Vanaf 1 april 2021 kunnen alle werkzoekenden die aan de voorwaarden voor het ontvangen van de transitiepremie voldoen, de premie ontvangen. Tegelijk wordt het bedrag van de premie gewijzigd naar 7.800€. Voor werkzoekenden ouder dan 45 jaar zal deze wijziging pas in werking treden vanaf 1 juni 2021. Deze verruiming van de doelgroep en de wijziging van het bedrag van de premie is niet meer in voege vanaf 1 april 2022. Meer informatie is beschikbaar via volgende link (https://www.vlaanderen.be/transitiepremie).

81


Hoofdstuk 3 Vlaams clusterbeleid

49

Het Vlaams clusterbeleid wil onbenut economisch potentieel ontsluiten en de competitiviteit van Vlaamse ondernemingen verhogen via een actieve en duurzame samenwerking tussen actoren. Het programma valt onder de verantwoordelijkheid van VLAIO. Dit clusterbeleid richt zich naar samenwerkingsverbanden van Vlaamse ondernemingen met groeiambities, innovatiebewust, met internationale blik en openstaand voor samenwerking met andere ondernemingen en kenniscentra, zowel voor de realisatie van hun individuele bedrijfsdoelstellingen als voor het bijdragen aan een competitiviteitsverhoging bij een grote groep van Vlaamse ondernemingen. Het clusterbeleid is complementair aan het reguliere steuninstrumentarium voor individuele ondernemingen. Er zijn twee types van clusters: de speerpuntclusters en de innovatieve bedrijfsnetwerken. Het verschil wordt uitgelegd in Tabel 15. Tabel 15 Overzicht van de voorwaarden voor speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken

A) Speerpuntclusters B) Innovatieve bedrijfsnetwerken Voorwaarden voor zowel speerpuntclusters als innovatieve bedrijfsnetwerken: • Actieve betrokkenheid en directe sturing door bedrijven • Samenwerking tussen bedrijven als rode draad • Gedragen visie: actieplan/competitiviteitsverhoging op maat van leden • Clusterorganisatie als facilitator • Gericht op wegwerken gemeenschappelijke (kennis)drempels • Activiteiten langsheen het innovatiespectrum • Internationale oriëntatie Voorwaarden specifiek voor Voorwaarden specifiek voor innovatieve speerpuntclusters bedrijfsnetwerken Aansluiting bij strategische domeinen / 5-tal Bottom up / 15-tal Ambitieus, grootschalig, LT visie Beperktere ambitie / KT actieplan Triple helix constellatie vereist Alle relevante actoren, focus op bedrijven Overeenkomst uitvoering comp progr. + Overeenkomst uitvoering actieplan clusterpact Max 10j, 50% private bijdr., Max 3j, 50% private bijdr, max 500 k€/j steun max 150 k€/j steun Inmiddels werden in totaal 7 speerpuntclusters erkend en 20 innovatieve bedrijfsnetwerken. Samen bereikten de speerpuntclusters in 2021 ruim 1700 ondernemingen en de innovatieve bedrijfsnetwerken nog eens circa 1115 ondernemingen. Het gaat hierbij om een goede mix van grote, middelgrote en kleine Vlaamse ondernemingen.

49 Met dank aan Annie Renders en Jeroen Fiers van VLAIO voor het aanleveren van de gegevens. Meer details over de Speerpuntclusters vindt de lezer in de EWI-Speurgids 2019.

82


Figuur 29 Bereik Vlaams clusterbeleid in 2021

1. Speerpuntclusters Het zwaartepunt van het Vlaams clusterbeleid ligt bij een beperkt aantal grootschalige en ambitieuze speerpuntclusters. Voor deze speerpuntclusters geldt dat ze voor een voor Vlaanderen strategisch domein, in een samenwerkingsverband tussen ondernemingen, kennisinstellingen en overheid (triple-helix) een ambitieuze LT-strategie en competitiviteitsprogramma ontwikkelen en uitvoeren. Er werden voor de speerpuntclusters drie rollen gedefinieerd. −

De eerste rol bestaat erin dat een speerpuntcluster (en de clusterorganisatie die optreedt als facilitator) in het Vlaams innovatiesysteem als centrale actor of spil fungeert voor het strategisch domein en door alle betrokkenen in die hoedanigheid erkend wordt. − Een tweede rol van speerpuntclusters bestaat in het opzetten en genereren van samenwerkingsinitiatieven tussen en/of voor de clusterleden langsheen het gehele innovatiespectrum, en passend in het behalen van de doelstellingen van het competitiviteitsprogramma. − Een derde rol voor speerpuntclusters bestaat erin dat ze van alle betrokken actoren het mandaat hebben om programma-middelen ter uitvoering van het competitiviteitsprogramma te beheren en eveneens middelen (inclusief mensen) mobiliseert bij de relevante Vlaamse actoren (ondernemingen, kennisinstellingen, onderzoekscentra, …) voor het realiseren van de LT-strategie. De steun aan de clusterorganisatie voor speerpuntclusters is maximaal 500.000 euro per jaar. Het steunpercentage bedraagt 50%, waarbij de overige 50% van de middelen rechtstreeks van de bedrijven dient te komen.

Portfolio aan speerpuntclusters Momenteel telt Vlaanderen 7 speerpuntclusters. Voor FLUX50 en de Blauwe cluster geldt dat het gaat om nieuwe initiatieven. De overige vier speerpuntclusters kennen een verleden als competentiepool en/of lichte structuur. De speerpuntclusters beschikken voor de basiswerking over een bezetting tussen de vijf en tien medewerkers.

83


Tabel 16 Portfolio van gesteunde speerpuntclusters

Catalisti VIL SIM FLUX 50 Flanders’ Food Blauwe Cluster Medvia

Domein Duurzame chemie Logistiek Materialen Energie Agri-voeding Blauwe economie Gezondheid en zorg

Historiek Gestart als competentiepool Gestart als initiatief van de Vl. Regering Gestart als competentiepool Nieuw bottom-up initiatief Gestart als competentiepool Nieuw bottom-up initiatief Voortbouwend op IBN Flanders.Health en erkend september 2021

Geoormerkte middelen voor clusterprojecten Specifiek voor de speerpuntclusters geldt dat ze voor de uitvoering van hun competitiviteitsprogramma aanvullend kunnen beschikken over uit het Fonds Innoveren en Ondernemen geoormerkte middelen voor het faciliteren van samenwerkingsprojecten die passen in de clusterroadmap. In 2021 was in totaal 58 miljoen euro aan gereserveerde middelen beschikbaar voor clusterprojecten van speerpuntclusters. In Tabel 17 wordt een overzicht gegeven van de benutting van de geoormerkte middelen door de verschillende speerpuntclusters. Tabel 17 Benutting van geoormerkte middelen door de speerpuntclusters in 2020

CATALISTI De Blauwe Cluster FLANDERS' FOOD Medvia FLUX50 SIM VIL Interclusterprojecten Medvia Totaal

# projecten 3 9 8 14 6 4 9 7 14 60

Beslist in 2019 steun (MEUR) 5.2 6.3 7.3 4.8 10.0 9.0 5,6 10.0 4.7 58

Naast de projectgeneratie van clusterprojecten op de geoormerkte middelen zijn de speerpuntclusters ook betrokken bij het actief inkoppelen van de clusterleden in andere projectoproepen in Vlaanderen en Europa.

Historiek benutting geoormerkte middelen voor speerpuntclusters Inmiddels loopt het clusterbeleid sinds 4 jaar. Tabel 18 geeft weer wat de historiek is van de inzet aan geoormerkte middelen.

84


Tabel 18 Evolutie Clusterprojecten van de speerpuntclusters

CATALISTI De Blauwe Cluster FLANDERS' FOOD FLUX50 SIM VIL Intercluster TOTAAL

2017 # steun projecten (MEUR) 11 12,7

2018 # steun projecten (MEUR) 7 10,1

13 29 17 9 6 85

8 10 3 11 2 41

Bron: VLAIO, ICAROS

4,9 2, 7 22,7 2,1 2,6 47,7

9,1 16,9 6,0 3,4 0,3 45,8

# projecten 5 14 10 16 6 11 5 67

2019 steun (MEUR) 11,0 17,2 19,1 13,7 11,7 6,4 6,2 85,3

2020 # steun projecten (MEUR) 7 10.4 7 7.9 8 8.5 9 8.5 4 8.0 12 6.1 5.3 4 51 55

2017: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2017: Inclusief de projecten als lichte structuur van Flanders’ Food en de projecten in de oproep transitieprioriteiten, 2018: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2018 : 2019: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2019 inclusief projecten binnen transitieprioriteiten en projecten binnen de beleidsagenda’s AI en CS, exclusief moonshot-projecten Intercluster: in 2017 en 2018 ook met Innovatieve Bedrijfsnetwerken, in 2019 met minstens 2 speerpuntclusters

Speerpuntclusters onder de loupe In de volgende paragrafen wordt meer in detail ingegaan op de werking en realisaties van de speerpuntclustes in 2019.

Catalisti De speerpuntcluster Catalisti (www.catalisti.be) heeft als missie om de chemie- en kunststofsector in Vlaanderen te verankeren, nog innovatiever te maken, de competitiviteit te versterken en het internationale bereik te vergroten. In 2021 telde de cluster meer dan 135 leden en waren er meer dan 165 unieke ondernemingen actief in de cluster. Er werden 3 projecten gesteund op de geoormerkte clustermiddelen met een totale subsidieomvang van 5,2 miljoen euro. Het betrof 2 ICON-projecten en 1 coöperatief onderzoeksproject in het kader van het beleidsplan Bio-economie. Hiernaast werden er ook twee interclusterprojecten goedgekeurd. In één interclusterproject werkt Catalisti samen met De Blauwe Cluster en Flanders’ FOOD. Het andere interclusterproject is in samenwerking met Flanders’ FOOD. Naast deze projecten ondersteund door de clusterprojectwerkingsmiddelen, heeft Catalisti verschillende andere projectdossiers actief ondersteund en begeleid, zowel Europese als Vlaamse projecten. Zo heeft Catalisti bijgedragen aan 3 Europese projecten (Horizon Europe en EFRO). Als gevolg van de clusterwerking werden in 2021 13 nieuwe succesvolle projectresultaten met groot potentieel op valorisatie gerealiseerd en 1 nieuwe octrooiaanvraag ingediend. Catalisti – Moonshot (www.moonshotflanders.be) heeft tot doel om tegen 2040 technologische doorbraken te realiseren, zowel in producten als processen, die op hun beurt tegen 2050 kunnen bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen in een economische leefbare context. Vlaanderen wil met deze Moonshot op innovatievlak een voortrekkersrol spelen door de komende twee decennia fundamentele doorbraken na te streven in het basisonderzoek aan de kennisinstellingen en die vervolgens toe te passen in de energie-intensieve industrieën (voornamelijk chemie, raffinage en staal). Deze vraaggedreven langetermijnvisie maakt overheid, onderzoekswereld en bedrijfsleven tot bondgenoten voor een succesvolle klimaataanpak. In 2021 werd voor de derde maal een aanvraagronde georganiseerd van projecten in Moonshot “De Vlaamse industrie koolstofcirculair en CO2-arm in 2050”. In totaal werden in 2021 9 Moonshot-onderzoeksprojecten goedgekeurd (https://moonshotflanders.be/) waarvan 2 als “continuation” cSBO’s, dit zijn vervolgprojecten op een eerder en succesvol uitgevoerd “sprint”

85


cSBO-project. Eveneens werden 6 “full” cSBO-projecten gesteund die over een looptijd van 48 maanden als uitgangspunt een significante technologische doorbraak willen realiseren. Ook werd 1 Later-Stage Innovation (LSI) project gesteund. Dit type project beoogt de subsidiëring van infrastructuur en kennisopbouw bij kennisinstellingen voor onderzoek dat zijn haalbaarheid al bij lage TRL heeft bewezen. De financiering voor de operationele werking van de Moonshot-coördinatiecel door Catalisti voor de volgende 5 jaar werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Om op een objectieve manier duurzaamheidsaspecten van de Moonshot-projectaanvragen tijdens de verschillende fases van een project te kunnen evalueren, werd een studieopdracht gelanceerd (Ontwikkeling van een methodologisch kader voor duurzaamheidsevaluatie van het Vlaamse Moonshotinnovatieprogramma, uitgevoerd door VITO, in samenwerking met Deloitte, UAntwerpen, KU Leuven en UGent). In totaal werd voor ca. 25.1 miljoen euro steun toegekend aan de verschillende projecten.

De Blauwe Cluster De Blauwe Cluster (DBC, www.blauwecluster.be) is opgericht door enkele Vlaamse technologieleiders en ondersteunt Vlaamse bedrijven bij het opzetten van partnerschappen met andere bedrijven, kenniscentra en overheidsinstellingen met het oog op de ontwikkeling en de bevordering van economische activiteiten op zee. Deze cluster faciliteert het innovatieproces doorheen de volledige keten, van ideegeneratie tot en met de (internationale) vermarkting. DBC is actief in 6 thematische domeinen: kustbescherming en minerale rijkdommen; hernieuwbare energie en zoetwaterproductie; maritieme verbinding; duurzame zeevoeding en mariene biotechnologie; blauw toerisme; oceaanvervuiling en afvaloplossingen. Daarnaast zijn er 2 transversale domeinen: ecosysteemaspecten (toepasselijk op alle thematische domeinen, met het oog op het ontwikkelen van duurzame activiteiten) en smart sea (Industrie 4.0 voor de offshore sector). Deze domeinen worden opgevolgd aan de hand van meerdere taskforces (interactieve workshops met bedrijven) waar dieper ingezoomd wordt op de specifieke onderzoeksuitdagingen, en door de wetenschappelijke adviesraad voor afstemming met de onderzoeksagenda's van de Vlaamse kennisinstellingen. Om de dienstverlening goed af te stemmen op kmo’s werd een kmo-comité opgericht. Dit comité is niet enkel een toetssteen voor de werking, maar dient ook om de kmo’s onderling elkaar beter te leren kennen. Enkele verwezenlijkingen uit 2021: - Er werden 9 projecten positief geëvalueerd door VLAIO voor een totale steun van 6,3 miljoen Euro. - Daarnaast was De Blauwe Cluster betrokken bij 3 van de 7 positief geëvalueerde interclusterprojecten (i.s.m. Catalisti, Flanders' Food, SIM en VIL). De werking rond kmo's heeft ertoe geleid dat 2/3 van de bedrijfsinnovatiesteun in 2021 aan kmo's werd toegekend. Met FIT werd in november 2021 een structureel partnerschap gesloten voor het opzetten van internationale activiteiten. DBC was op 24 en 25 oktober 2021 medeorganisator van de internationale G-STIC-conferentie op de wereldexpo te Dubai, als trekker van het Oceans-programma met o.m. een verdiepende sessie rond artificiële eilanden en duurzame blauwe groei, en met de uitreiking van de tweede editie van de “Blue Innovation Awards”. De EU-Commissaris voor Milieu, Oceanen en Visserij, Virginijus Sinkevičius, bracht op 6 september 2021 een bezoek aan de stad Oostende om zich te verdiepen in lokale projecten en initiatieven in de blauwe economie. Het programma werd samen opgesteld door Bluebridge, De Blauwe Cluster, Marine@UGent, Ostend Science Park en het Vlaams Instituut voor de Zee. In samenwerking met FIT werd van 21 tot 28 augustus 2021 een succesvolle groepszakenreis naar de USA georganiseerd, rond offshore windenergie. Hieraan namen 10 Vlaamse bedrijven en een vertegenwoordiging van Belgian Offshore Cluster (BOC) deel.

86


-

In mei 2021 publiceerde DBC een white paper waarin een prestatiewiel voor ecosysteembenadering (het zogenaamde EA-wiel) voorgesteld. Dit wiel moet bedrijven inzicht verschaffen in wat er wel of niet goed loopt op vlak van de ecosysteembenadering. Dit moet resulteren in een genuanceerd beeld van de prestaties en in gerichte acties om deze prestaties te verbeteren.

Flanders’ FOOD Flanders’ FOOD (www.flandersfood.com) organiseert sinds 1 januari 2018 de speerpuntcluster van en voor de Vlaamse agro-voedingsindustrie. Dit strategisch open innovatieplatform versterkt de innovatieslagkracht van de doelgroep door het verhogen van de wetenschappelijke en technologische kennis, hanteert hiervoor een geïntegreerde aanpak, en draagt op deze manier bij tot de economische en maatschappelijke ontwikkeling van Vlaanderen. In 2019 vertegenwoordigt Flanders’ FOOD 289 ledenondernemingen actief in deze sector. Om de doelstellingen van het innovatieplatform te bewerkstelligen kan Flanders’ FOOD bogen op 15 jaar ervaring op het vlak van kennisontwikkeling (via projectwerking), -verspreiding (o.a. website, nieuwsbrief, activiteiten), -vertaling (in het bijzonder naar innovatievolgers) en -valorisatie (leidend tot nieuwe producten, procesaanpassingen, investeringen, jobs, …). Samenwerking tussen verschillende actoren (bedrijven, kennisinstellingen en overheidsdiensten) in het agro-voedingssysteem staat daarbij centraal. In 2021 werden via de geoormerkte middelen van Flanders’ FOOD 2 cSBO projecten, 1 COOCK-project, 1 ontwikkelingsproject, 2 landbouwtrajecten en 2 projecten via ministerieel besluit gesteund. Daarnaast is Flanders’ FOOD betrokken bij 1 intercluster COOCK-project en 1 interclusters ontwikkelingsproject. In 2020, 2021 en 2022 legt Flanders’ FOOD een aantal nieuwe accenten in zijn werking: er zal extra dienstverlening ontwikkeld worden voor starters/scale-ups, complementair aan bestaande initiatieven, er wordt extra ingezet worden op de internationalisatie van innovatie bij Vlaamse voedingsbedrijven door hen te begeleiden naar Europese projecten en er wordt werk gemaakt van een werking ‘QuadrupleHelix’ waarbij zowel burgers/consumenten een plaats krijgen als dat er samenwerking met overheden i.c. maatschappelijke uitdagingen onderzocht wordt.

Medvia Op 18 juni 2021 keurde de Vlaamse Regering de implementatie van het impulsprogramma 'Innovatie in gezondheid en zorg' goed. Dit impulsprogramma bouwt op drie complementaire pijlers, i.e. fundamentele kennisopbouw, bedrijfsgericht onderzoek en implementatie van nieuwe toepassingen in de zorg. Het bedrijfsgericht onderzoek wordt concreet ingevuld door de nieuwe speerpuntcluster Medvia, dat van start is gegaan op 1 september 2021 en voortbouwt op de werking en resultaten van IBN Flanders.Health. Medvia stelt zich tot doel het tot ontwikkeling brengen en promoten van economische activiteiten in het Health Tech domein, meer bepaald de ontwikkeling van een internationaal vooraanstaand ecosysteem rond de convergentie van technologieën op de onderlinge raakvlakken tussen biotechnologie medische technologie en digitale technologieën. De ambitie gaat naar economische groei en verhoging van de competitiviteit , met sterke focus op jobcreatie, en naar kwaliteitsvolle en efficiënte gezondheid en zorg. De vier thema’s waarop Medvia focust zijn gepersonaliseerde geneeskunde, digitale disruptieve gezondheidsoplossingen en waarde gebaseerde efficiënte gezondheid en zorg.

geneeskunde,

In 2021 werden via de geoormerkte middelen van Medvia 14 coöperatieve O&O projecten positief geëvalueerd door VLAIO voor een totale steun van 4.7 miljoen Euro.

Flux50 De missie van de Vlaamse energiecluster bestaat er in een slimme energieregio Vlaanderen op te bouwen. De speerpuntcluster energie wil hiervoor inzetten op 5 welgekozen innovator zones of thema’s, waarbij de marktopportuniteiten en uitdagingen evenals de specifieke troeven van Vlaanderen voor elk van de innovator zones in overweging genomen worden.

87


Volgende 5 innovator zones werden gedefinieerd: 1) Energiehavens, waarbij men zal focussen op flexibele thermische vermogenstations en warmtenetwerken, demand side management, bi-directionele vermogensstromen van en naar de kust en energieopslag door power-to-products, 2) Microgrids, groepen van geconnecteerde verbruikers, verdeelde bronnen van hernieuwbare energie en energieopslag, binnen een goed gedefinieerde elektrische perimeter; 3) Multi-energie oplossingen voor districten; 4) Energy cloud platforms, die data ter beschikking te stellen van derde partijen, op een uniforme, transparante, kwalitatieve en juridisch correcte wijze; 5) Intelligente renovatie. In 2021 telde Flux50 201 leden (ca. 3/4 KMO) (excl gerelateerde bedrijven en wissellidmaatschappen); 32 nieuwe leden vonden in 2021 hun weg naar Flux50. (Bron status ledenfacturatie 20211220) Er werden 10 projectaanvragen ingediend waarvan 6 (6 goedgekeurd) werden ingediend op geoormerkte middelen Flux50, 2 (2 goedgekeurd) op intercluster middelen en 1 (1 goedgekeurd) in het reguliere kanaal, 1 is nog in evaluatie. 100% van de besliste projecten werden goedgekeurd. In het Moonshot programma werden 5 energieprojecten ingediend (MOT4) waarvan 2 goedgekeurd. Binnen de in 2021 goedgekeurde projecten zijn er 34 bedrijven actief en 6 kennisinstellingen. De ingediende projecten waren evenwichtig verdeeld over de verschillende innovatorzones. 11% van de goedgekeurde projecten waren haalbaarheidsstudies, 22% ontwikkelingsprojecten, 44% ICON projecten en 22% strategisch basis onderzoek projecten. Tot slot werd FLUX eind 2021 officieel aangesteld als structurele partner van Flanders Investment and Trade met als doel het stimuleren van groei door samen de internationalisering van de Vlaamse economie te versnellen.

SIM SIM, de speerpuntcluster in het domein van de materialen, heeft als missie bij te dragen tot de competitieve positie van de materiaalindustrie in Vlaanderen. Deze missie wordt vertaald naar vier strategische doelstellingen: het versterken van de wetenschappelijke basis en het opzetten van technologieplatformen in relevante thema's; het genereren van een 'open innovatie' omgeving voor nauwe samenwerking tussen de industrie en kennisinstellingen; het ondersteunen van de transitie naar hogere TRL niveaus en internationalisatie. In 2021 werden 2 ICON-projecten (binnen de programma’s STREAM en SOPPOM+) en 2 cSBO-projecten goedgekeurd voor een steunbedrag van ca. 9 MEUR. Beide cSBO-projecten kaderen in de opstart van een nieuw programma rond batterijen. SIMBA (Sustainable and Innovative Materials for Batteries) werd gedefinieerd in lijn met de Europese O&I-strategie voor Energieopslag en richt zich op de lokale sectoroverschrijdende competenties op het gebied van materiaalontwikkeling, elektrochemie, karakterisering, modellering en duurzaamheidsbeoordelingen. Het toepassingsgebied omvat de volledige waardeketen, van ‘grondstoffen’ tot ‘end-of-life. De ambitie van het SIMBA-programma is om deze knowhow en inspanning te bundelen om een lokaal batterij-ecosysteem te creëren, dat waardecreatie en jobs in Vlaanderen mogelijk maakt. In 2021 werd een nieuwe Special Interest Group Flanders Metal Valley (FMV) binnen SIM opgestart en werd samen met de leden een sterke basis gelegd qua structuur en missie van de organisatie. Flanders Metals Valley wil een katalysator zijn voor een levendige, klimaat neutrale en circulaire metallurgische cluster in Vlaanderen, dynamisch ingebed in een internationaal industrieel ecosysteem. Flanders Metals Valley stimuleert enerverend onderwijs en grensverleggend onderzoek in het domein van de duurzame metallurgie. Tot slot werd SIM-Flanders/Flam3D eind 2021 officieel aangesteld als structurele partner van Flanders Investment and Trade. Flam3D zal als divisie van SIM een leidende rol op zich nemen in de 5-jarige overeenkomst gezien haar rol in het stimuleren van internationale operaties. De ambitie van de samenwerking situeert zich in het stimuleren van groei door samen de internationalisering van de Vlaamse economie te versnellen.

88


VIL VIL (www.VIL.be) is sinds 2017 erkend als speerpuntcluster Logistiek en heeft als missie om Vlaanderen de Europese draaischijf in de wereldwijde supply chain te maken. Ook in 2021 slaagde VIL er in om meer dan 600 leden op te tekenen waaronder overwegend kmo’s. De VIL-leden worden aangespoord om deel te nemen aan innovatieve projecten als belangrijke trigger om logistieke innovaties in het bedrijfsleven te stimuleren en zo hun competitiviteit te verhogen. De 4 prioritaire thema’s voor de komende periode werden bepaald als digitale transformatie, groene supply chains, hinterland connectie en last mile. Naast 4 collectieve onderzoeksprojecten (COOCK), één coöperatieve ontwikkelingsproject en 2 cSBO-project zal VIL participeren in 2 interclusterprojecten goedgekeurd in 2021. Naast projectwerking werd VIL aangesteld als Hyperloop thema-manager en ook in de context van Brexit werd er verantwoordelijkheid opgenomen. In oktober 2021 opende Log!Ville, het logistiek demonstratie- en belevingscentrum te Niel. en Brexit. Het structurele partnerschap van VIL met Flanders Investment and Trade werd in 2021 hernieuwd. De ambitie van de samenwerking situeert zich in het stimuleren van groei door samen de internationalisering van de Vlaamse economie te versnellen.

2. Innovatieve BedrijfsNetwerken Innovatieve bedrijfsnetwerken zijn bedoeld voor kleinschalige clusterinitiatieven die tot doel hebben om binnen een kort tijdsbestek een dynamiek van samenwerking op gang te brengen tussen ondernemingen rond een specifiek thema, vaak in een nichemarkt. De focus ligt hierbij op zowel het uitbouwen en versterken van het ecosysteem als onderling doen samenwerken van de ondernemingen en andere actoren binnen de cluster.

Portfolio aan Innovatieve BedrijfsNetwerken In 2016 en 2018 werd, respectievelijk bij een eerste en tweede oproep voor innovatieve bedrijfsnetwerken steun toegekend aan 14 en 6 initiatieven voor een totaalbedrag van 4,7 respectievelijk 1,5 miljoen euro. Dit brengt het totaal aantal door VLAIO gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken op 20. De innovatieve bedrijfsnetwerken uit de eerste oproep hebben medio 2020 allemaal hun einddatum bereikt en worden niet langer financieel ondersteund door VLAIO. Verschillende van deze initiatieven hebben het potentieel en ook de ambitie om zich als cluster met een duurzame positie in het Vlaamse innovatielandschap te ontwikkelen. Een grote moeilijkheid die zij hierbij ervaren is om de periode na de overheidsfinanciering te overleven en een eigen zelf bedruipend financieringsmodel te ontwikkelen. Om deze bottleneck te overwinnen, heeft het agentschap een opdracht gegund aan KPMG om een 5-tal clusters te ondersteunen in de ontwikkeling van een duurzaam businessmodel voor de clusterorganisatie. Het traject werd succesvol doorlopen door 5 innovatieve bedrijfsnetwerken en resulteerde in 4 initiatieven die op eigen benen de clusterwerking verder uitbouwen. In totaal komt dit op 9 innovatieve bedrijfsnetwerken die zijn doorgestart met eigen middelen of ingekanteld zijn in een bestaande organisatie.

89


Tabel 19 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die afliepen in 2019, 2020 en 2021

Uitvoerende organisatie(s) Agelopen 2019 Power to Gas Aircargo Belgium B-HIVE BIM Digitizing Manufacturing EUKA Composieten Smart Digital Farming Innovatieve Coatings Afgelopen 2020 Offshore energie FLAG Groen Licht Vlaanderen Flanders Bike Valley Afgelopen 2021 MAAS IoT4Society – Smart Cities Vlaanderen Flanders.Health Smart Buildings in use Space 4.0 IoTValuechain – The Beacon

Waterstofnet vzw ACB vzw B-hive vzw WTCB Sirris EUKA vzw AGORIA ILVO Sirris – Centexbel Sirris – Ugent FLAG GLV vzw FBV vzw ITS.be DSP Valley- Citlylab Flanders.bio- DSP Valley - Medtech WTCB VRI vzw Agoria

Interclusterprojecten in de transitieprioriteiten In het kader van de langetermijnstrategie VISIE2050 van de Vlaamse Regering werden in 2017 zeven transitieprioriteiten vastgelegd. Voor elk van deze transitieprioriteiten werd een transitiemanager aangeduid en een startnota goedgekeurd. De speerpuntclusters zijn via hun respectievelijke clusterpacten actief ingekoppeld met de transitieprioriteiten Circulaire economie, industrie 4.0 en Energie. Dit sluit aan bij de verwachting van het beleid dat de speerpuntclusters ook mede oplossingen ondersteunen voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen. In 2017 werd door VLAIO een specifieke oproep gedaan voor clusterprojecten in de transitieprioriteiten circulaire economie, industrie 4.0 en energie. Deze oproep, waarbij de speerpuntclusters in de lead waren en met betrokkenheid van de respectievelijke transitiemanagers, resulteerde in 11 (industrie 4.0), 6 (circulaire economie) en 3 (energie) samenwerkingsprojecten voor een totaal steunbedrag van 10 miljoen euro. Om de bijdrage van de speerpuntclusters aan de transitieprioriteiten te intensifiëren werd in 2018 een 2jarige overheidsopdracht gegund aan IDEA Consult om de speerpuntclusters te ondersteunen bij de opzet en uitwerking van clusterprojecten in de transitiedomeinen (inclusief mobiliteit). De focus ligt hierbij op projecten waar meerdere speerpuntclusters bij betrokken zijn. In 2019 en 2020 werd in totaal respectievelijk 6,2 miljoen euro en 5,3 miljoen euro steun besteed aan interclusterprojecten.

Moonshot Binnen het beleidsdomein EWI werd er op de begroting 2019, binnen de budgettaire opstap, 20 miljoen EUR vrijgemaakt voor de financiering van Moonshot-projecten. Het gaat hierbij om projecten die een fundamenteel probleem oplossen dan wel een disruptieve, baanbrekende technologie voorstellen die

90


bovendien een potentieel groot effect hebben op het concurrentievermogen van onze economie. De speerpuntclusters werden uitgedaagd om samen met hun ondernemingen dergelijke Moonshotprojecten te definiëren die de werkingstermijn van de clusterprogramma’s overstijgen. Eind maart 2019 werd een Moonshot gelanceerd door de Vlaamse minister voor Economie en Innovatie om in te zetten op beloftevolle en baanbrekende technologische innovaties die een belangrijke bijdrage leveren aan een CO2-arm Vlaanderen tegen 2050 en waarbij het mogelijk is met deze technologieën impactvolle doorbraken te realiseren. Gezien de cruciale rol die chemie en kunststoffen speelt in zowel de CO2-emissies als in het vermijden ervan, krijgt de speerpuntcluster Catalisti een centrale regisseursfunctie in het Moonshot-programma. In 2019 werd voor de eerste maal een aanvraagronde georganiseerd van projecten in Moonshot “Vlaanderen CO2-neutraal”. In totaal werden 12 Moonshot-projecten goedgekeurd (moonshotflanders.be) waarvan 9 in de vorm van Moonshot SBO’s (“sprint” SBO’s of ‘versnellingsprojecten’) met als doel om op korte termijn (18 maanden) een opbouw van kritische massa rond strategische onderzoeksthema’s te realiseren. Eveneens worden 3 Later Stage Innovation projecten (LSI) gesteund die zich richten op een experimentele productdemonstratiefase voor toekomstige marktintroductie om innovatieve producten, processen en diensten te versnellen. In totaal werd voor 18,4 miljoen euro steun toegekend aan deze projecten. In totaal werden in 2020 13 Moonshot-projecten goedgekeurd (moonshotflanders.be) waarvan 6 in de vorm van Moonshot sprint SBO’s (“sprint” SBO’s of ‘versnellingsprojecten’) met als doel om op korte termijn (18 maanden) een opbouw van kritische massa rond strategische onderzoeksthema’s te realiseren. Eveneens worden 7 full SBO projecten gesteund die over een looptijd van 48 maanden als uitgangspunt een significante technologische doorbraak willen realiseren. In totaal werd voor ca. 19,7 miljoen euro steun toegekend aan deze projecten.

3. Innovatieve ecosystemen In 2021 werden onder het clusterbesluit een drietal nieuwe initiatieven opgericht en gefinancierd. Deze Innovatieve ecosystemen zijn actief in domeinen waar de Vlaamse overheid, in het kader van haar economisch en innovatiebeleid, een belangrijke impuls wil geven zodat ze in staat zijn om een sterke positie in het Vlaamse en internationale innovatielandschap te verwerven. Met het innovatief bedrijfsnetwerk Space 4.0 werd een stevige basis gelegd waarbinnen het ecosysteem van de Vlaamse ruimtevaartsector vorm gegeven werd. Via het impulsprogramma Vlaamse Ruimtevaarteconomie kon dit initiatief verder doorgroeien tot de structuur Flanders Space, ingebed bij VRI vzw. Flanders Space is de facilitator van het impulsprogramma, verenigt de belangrijke stakeholders en zet in op 4 domeinen: focus op talent, focus op competitiviteit en ondernemerschap, focus op internationale programma’s en focus op wetenschapscommunicatie. Op 21 september 2021 werd via Ministerieel Besluit een subsidie toegekend voor een bedrage van 305.574 € aan VRI vzw. In het kader van het impulsprogramma werd aan Flanders Space ook een geoormerkt budget van 2,5 mio € toegekend voor de uitvoering van innovatieprojecten. De EdTech-sector is internationaal “booming” en ook in Vlaanderen is deze sector bijzonder belangrijk geworden. Omdat onze Vlaamse bedrijven niet achterop mogen hinken, het aanwezige potentieel nog onvoldoende wordt benut en de Digisprong in het reguliere onderwijs gepaard moet gaan met een sterke pendant in levenslang leren ten behoeve van onze Vlaamse bedrijven, werd een actieplan voor de Edsector opgesteld dat inzet op het verbinden en versterken van het ecosysteem op het internationale plan, het verdiepen en verbreden van de innovatie en valorisatie binnen het ecosysteem en het versneld digitaliseren van opleiding en training binnen Vlaamse bedrijven. Op 17 december 2021 werd via een Besluit van de Vlaamse Regering een subsidie toegekend voor een bedrag van 1.826.379 euro voor het actieplan Digisprong. Deze subsidie wordt verdeeld tussen de KU Leuven (Itec)

91


voor de niet economische activiteiten, zoals onderzoek en kennisdiffusie, en Hangar K voor de uitbouw van het ecosysteem en de incubatie van spin-offs. In juni 2020 maakte de Vlaamse overheid haar visie bekend van waar men met het beleid naar toe wil om te komen tot een slimme Vlaamse regio en welke strategie men daarbij willen volgen om die visie te realiseren. Vlaanderen zal hiertoe o.a. lokale besturen maximaal ondersteunen om het beleid en implementaties rond slimme steden efficiënt en breed te verspreiden. Het platform vzw Slimme Regio Vlaanderen heeft de opdracht om het proces van matchmaking tussen de bedrijven onderling en tussen de bedrijven en de overheid te faciliteren en ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen optimaal worden ingezet. In het kader van het Relanceplan 'Vlaamse Veerkracht' kent de Vlaamse Regering 1,2 miljoen euro steun toe aan het initiatief. Het is de bedoeling om het bedrijfsleven de volgende vier jaar de kans te geven hun krachten te bundelen om innovaties te realiseren en te vermarkten.

4. Dynamiek De doorgestarte en 6 gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken bereiken samen ruim 1.100 Vlaamse ondernemingen, weliswaar zonder rekening te houden met ondernemingen die lid zijn van meerdere clusters. Deze clusterinitiatieven slagen er wel degelijk in om ondernemingen onderling te doen samenwerken. Zo werden bij de gesteunde IBNs 56 samenwerkingsinitiatieven opgestart in de periode 20192020. Voor de financiering van deze projecten doen zij beroep op het reguliere steuninstrumentarium van het agentschap. Sommige innovatieve bedrijfsnetwerken doen voor de financiering van deze projecten ook succesvol beroep op andere Vlaamse en Europese middelen, terwijl andere samenwerkingsinitiatieven zonder steun worden opgestart.

5. Lerend netwerk Naast het louter financieel ondersteunen van de clusters wordt door het agentschap ook veel belang gehecht aan een faciliterende en operationele ondersteuning van de clusterorganisaties. Deze rol wordt in hoofdzaak opgenomen via de accountmanager die de cluster van nabij opvolgt. Daarnaast worden op groepsniveau een aantal initiatieven uitgewerkt om de werking van de clusters te ondersteunen. Het lerend netwerk voor clusterorganisaties is daar het belangrijkste van. In dit netwerk komen de clustermanagers en medewerkers van de speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken samen om kennis op te doen en ervaringen uit te wisselen rond clusterspecifieke topics. De uiteindelijke doelstelling is om hun competenties te verhogen zodat de clusters aangestuurd worden door een professioneel team om op die manier de clusterexcellentie te verhogen. In 2021 konden de geplande fysieke bijeenkomsten van het ‘lerend netwerk voor clusterorganisaties’ omwille van de coronamaatregelen niet doorgaan. Omdat de ervaringsuitwisseling en het van elkaar leren toch als een belangrijk aspect beschouwd wordt in de verdere uitrol van de clusterwerking werd het online alternatief verdergezet in 2021. De online sessies worden opgebouwd rond een aantal thema’s die relevant zijn voor de dagelijkse werking van een cluster, met name communicatie, ledenbeheer, projecten en intellectuele eigendom.

92


Hoofdstuk 4 Omgevingsfactoren faciliteren Onderstaande instrumenten bevinden zich allen binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO). VLAIO wil ervoor zorgen dat bedrijven in Vlaanderen over voldoende ruimte beschikken om te ondernemen. De activiteiten gericht op bedrijfshuisvesting en -ruimtelijke economie zijn voornamelijk gericht op het faciliteren van de omgevingsactoren voor ondernemingen, meer bepaald door opdrachten en activiteiten uit te voeren in het kader van het economisch locatiebeleid, het activeringsbeleid van on(der)benutte bedrijventerreinen, handelsvestigingsbeleid en -steunverlening bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren. Het agentschap is eveneens verantwoordelijk voor de herontwikkeling van de Ford-site en het beheer van het Researchpark Zellik.

6. Activeringsbeleid voor on(der)benutte bedrijventerreinen Leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten Om in de toekomst over een betere inventaris te kunnen beschikken over de leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten en die informatie ook te kunnen aanwenden voor een activeringsbeleid is een service design traject doorlopen om goed te kunnen inschatten wat er nodig is om het hele inventarisatie-en beleidsproces te verbeteren. Via de portaalsite voor professioneel vastgoed, bizLocator, streeft het Agentschap Innoveren & Ondernemen ernaar het diverse aanbod aan werklocaties kenbaar te maken voor de verschillende doelgroepen van ondernemingen en die informatie over kavels en bedrijfsruimten ook te verrijken met informatie die relevant is voor ondernemers. Voor de communicatie via social media betaalde het Agentschap in 2020 30.000 euro. De projecten “van leegstaande naar verweven werklocaties” werden verdergezet. Tegelijk werd gepoogd om het site- en projectgerichte aanpak uit te breiden naar een wezenlijk onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk-economisch beleid. Het idee van verweefcoaching slaat intussen ook aan bij meer steden dan de 5 steden waarvoor het Agentschap een verweefcoach heeft gesubsidieerd en meer en meer steden proberen ook via het plannings-en vergunningsbeleid oog te hebben voor het behoud van de bestaande werklocaties of de creatie van nieuwe werklocaties in het stadsweefsel.

Niet-beheerde bedrijventerreinen De 5 POM’s hebben in 2018 subsidies verkregen om een project rond niet-beheerde bedrijventerreinen uit te voeren. De niet-beheerde terreinen in de provincies werden geïdentificeerd en voor 50 niet-beheerde terreinen werden voorstellen geformuleerd om ruimtewinst te bekomen. Dit project is daarmee beëindigd voor de POM’s maar VLAIO is gestart met het verder onderzoek naar de concrete realisatiemogelijkheden. Daarnaast is er een screening gebeurd van alle voortrajecten die nog niet tot realisatie hebben aanleiding gegeven en van de knelpunten die naar aanleiding van voortrajecten of brownfieldprojecten zijn opgedoken. Naar aanleiding daarvan werden drie voorstellen door de Vlaamse Regering goedgekeurd in het kader van het relanceplan Vlaamse Veerkracht. Het betrof dossiers in Zottegem (Buke), Aalst (Wildebeek), en Menen (Tybersite).

93


7. Brownfieldconvenantenbeleid Op 30 maart 2021 werd de 11de oproep brownfieldconvenanten gelanceerd. In totaal werden 15 dossiers ingediend. Daarvan werden 7 dossiers ontvankelijk en gegrond verklaard met het oog op het opstarten van de onderhandelingen. Voor 2 dossiers die gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid tot remediëring is de definitieve beslissing nog in beraad. In 2021 werden 12 brownfieldconvenanten ondertekend, 1 brownfieldconvenant werd stopgezet zonder dat de doelstellingen uit het brownfieldconvenant werden gerealiseerd. Voor 2 dossiers werden de onderhandelingen stopgezet. In totaal waren er op 31 december 2021 98 brownfieldconvenanten in uitvoering, 18 brownfieldconvenanten zijn succesvol beëindigd en 38 aanvragen waren in onderhandelingsfase. Het sluiten van brownfieldconvenanten heeft voor het Fonds Innoveren en Ondernemen geen specifieke financiële consequenties. Als een brownfieldproject in aanmerking komt voor subsidies, gebeurt dit via de reguliere subsidiemogelijkheid voor brownfields.

8. Herontwikkeling Ford-site Op 3 mei 2021 werd de omgevingsvergunning verkregen voor de inrichting van het openbaar domein in de zone A. De werken werden vervolgens opgestart onder het bouwheerschap van De Vlaamse Waterweg en onder mede-toezicht van VLAIO. Op 28 juni 2021 werd op een formeel persmoment de nieuwe naam van het terrein onthuld: Logistics Valley Flanders. In het restant van 2021 werd in eerste instantie de nieuwe drainage aangelegd, als ook de bufferbekkens. Tevens werd er een start gemaakt met de rioleringswerken en verdere grondwerken. In deze fase wordt gefocust op de zone langs de Henry Fordlaan, om de bedrijven die reeds actief zijn op het terrein zo snel mogelijk te ontsluiten. In het kader van de bodemsanering werd de laatste hand gelegd aan de bodemsaneringsprojecten voor de restverontreiniging, welke ingediend werden bij de OVAM. Tevens werden stappen gezet voor de uitgifte van de laatste uitgeefbare kavels op het terrein, waarbij de stad Genk en POM Limburg de intentie hebben deze over te nemen na opmaak van een nog goed te keuren uitgifteplan. Bij begrotingsopmaak 2022 werden geen middelen vastgelegd.

9. Steunverlening bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren Bedrijventerreinen Op 19 juli 2019 heeft de Vlaamse Regering het nieuwe subsidiebesluit tot toekenning van steun voor de (her)aanleg van bedrijventerreinen goedgekeurd. De subsidiëring van de voortrajecten, infrastructuurwerken en het beheer van bedrijventerreinen worden gefinancierd vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen. In 2021 werd voor de dossiers bedrijventerreinen 12.256.434,84 euro vastgelegd waarvan 4,7 miljoen euro voor de herontwikkeling van de FORD site te Genk.

Bedrijvencentra en incubatoren n 2020 werd een concept uitgewerkt op basis waarvan kan beslist worden welk type incubatoren nog steun kan bekomen voor de oprichting of uitbreiding. Dit kader werd gebruikt voor de evaluatie van de steuntoekenning aan enkele incubatoren binnen het EFRO – kader (REACT-middelen).

94


Bedrijventerreinmanagement In 2021 werd het kennisnetwerk Bedrijventerreinmanagement, ondergebracht bij Hiervoor werd 499.500 euro uitgetrokken. Het is uitdrukkelijke bedoeling dat de lijnsadvies ook inzetten op het helpen genereren van projecten, bedrijventerreinverenigingen te helpen bij het indienen van een EFRO-dossier op vlak

de POM’s, verlengd. POM’s naast eerstebijvoorbeeld door van verduurzaming.

95


Hoofdstuk 5 Internationalisering van de Vlaamse economie stimuleren Flanders Investment & Trade (FIT), het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen beheert het merendeel van de middelen voor de begeleiding, de ondersteuning en de stimulering van Vlaamse ondernemers bij hun internationaliseringsprojecten. Tevens wil het ook buitenlandse ondernemers overtuigen om te investeren in Vlaanderen. De financiering van internationaliseringsprojecten kan via PMV gebeuren. Het Enterprise Europe Network (EEN) is een initiatief van de Europese Commissie om kmo’s te informeren en adviseren.

1. Beleidskredieten Flanders Investment & Trade (FIT) FIT beheert vier generieke types van financiële steun aan kmo’s die willen internationaliseren en een subsidie voor een internationaal maatwerkproject. Daarnaast ondersteunt FIT ook collectieve projecten van ondernemersorganisaties en gemengde kamers van koophandel. Bij de begrotingsopmaak 2022 werd een totaalbudget van 12,6 miljoen euro voorzien voor subsidies.

Subsidies ter bevordering van internationaal ondernemen -

-

In 2021 werden voor dit subsidie-instrument 1597 dossiers goedgekeurd voor een totaalbedrag van 6.436.200 euro. Het budget voor de bevordering van internationaal ondernemen voor 2022 bedraagt 9.620.000 euro. De volgende types van projecten zijn mogelijk:prospectiereizen buiten de EER deelname aan buitenlandse beurzen of niche-evenementen de ontwikkeling en vertaling van digitale commerciële bedrijfscommunicatie de oprichting van een buitenlands prospectiekantoor. internationale maatwerkprojecten

Naast bedrijven kunnen ook (gemengde) kamers van koophandel, ondernemersorganisaties en samenwerkingsverbanden van dit systeem gebruik maken. In 2020 werden door FIT twee nieuwe subsidietypes ontwikkeld in het kader van het corona exit-plan: het starterspakket internationalisering en de bijzondere exportsteun corona. De eerste maatregel focust op jonge innovatieve startende exporteurs en de tweede maatregel op mature, gevestigde ondernemingen die voor de uitbraak van de Covid-pandemie al een mooi exportaandeel hadden opgebouwd. In 2021 kende FIT 262 starterspakketten internationalisering van elk 7.000 euro forfaitair goed. De bijzondere exportsteun corona werd in 2021 geheroriënteerd naar bijzondere exportsteun Brexit. Middels diverse oproepen werden in 2021 191 forfaitaire subsidies van 10.000 euro bijzondere exportsteun Brexit goedgekeurd. Beide steunmaatregelen worden verder gezet in de komende jaren, met die nuance dat de regelgeving rond bijzondere exportsteun Brexit en starterspakketten internationalisering in 2022 zal bijgestuurd worden . Mede dankzij Europese financiering uit de Brexit Adjustment Reserve is voor Brexit-geïmpacteerde bedrijven in 2022 en 2023 een extra budget van 11.400.000 euro beschikbaar.

Uitvoer van uitrustingsgoederen Ook voor een subsidie bij de uitvoer van uitrustingsgoederen konden Vlaamse bedrijven bij FIT aankloppen. De eindklant in een ontwikkelingsland (volgens de OESO-consensus) geniet zo een rechtstreekse korting op

96


de aankoop van uitrustingsgoederen en Vlaamse leveranciers blijven concurrentieel. Sinds 2021 zijn de subsidies voor de uitvoer van uitrustingsgoederen uitdovend. Voor dit steuninstrument kunnen geen nieuwe aanvragen of verlengingen meer goedgekeurd worden. Er werden in 2021 nog wel 21 dossiers uitbetaald voor een totaalbedrag van 1.757.987 euro op basis van eerder aangegane verbintenissen.

97


Figuur 30 Overzicht beleidskredieten FIT 2008 – 2021 (miljoen euro)

12,0

10,0

9,739

9,340 8,733

8,405 7,755

8,0

6,0 4,406 4,0

4,000 3,422

3,397

3,196

2,000

2,0 0,904 0,905 0,905 0,810 0,905 0

0,0 Bevordering van internationaal ondernemen 2017

2018

2019

2020

2021

Export van Vlaamse uitrustingsgoederen

Steun activiteiten bedrijfsgroeperingen / Kamers van Koophandel

Extra ondersteuning corona


Ondernemersorganisaties, gemengde Kamers van Koophandel en samenwerkingsverbanden Van 1 januari 2022 tot eind 2026 bundelt FIT de krachten met 21 structurele partners om de internationalisering van Vlaanderen te versterken. Het gaat onder meer om sectorfederaties, ondernemersorganisaties, (speerpunt)clusters, bilaterale Kamers van Koophandel en incubatoren. FIT gaat zo een lange termijnrelatie aan met partners en versterkt de samenwerking. Inspanningen om Vlaamse bedrijven te ondersteunen op buitenlandse markten, en om investeerders naar Vlaanderen te halen en hier te houden, renderen beter als ze gezamenlijk gebeuren. Als we de internationalisering van de Vlaamse economie willen versnellen, moeten we gaan voor een duurzame impact. Daarom engageert FIT zich samen met de partners om via deze partnerschappen de internationaliseringsstrategie Vlaanderen Versnelt! uit te voeren waarvan een update 2021-2025 op de Vlaamse Regering werd gebracht in 2021. De cofinanciering van de partnerschappen is gelijk verdeeld tussen de partners en FIT. De selectie van de partners gebeurde na een oproep voor structurele partners in 2021. Het budget voor 2022 bedraagt voor dit instrument 1.024.000 euro. Ondernemersorganisaties, gemengde kamers van koophandel en samenwerkingsverbanden die niet onder de structurele financiering vallen, kunnen gebruik maken van het subsidiesysteem ter bevordering van het internationaal ondernemen.

Bron: Visie, ambitie & suggesties voor de internationalisering van de economie, Flanders and Trade

99


2. Werkingsmiddelen FIT voor het binnen- en buitenlands FIT-netwerk Verder kunnen zowel bedrijven die internationaal actief (willen) zijn als buitenlandse investeerders ook rechtstreeks een beroep doen op dienstverlening van FIT. Voor deze dienstverlening en voor prospectie in binnen- en buitenland is een budget van 45,5 miljoen euro aan werkingsmiddelen ter beschikking bij begrotingsopmaak 2021. Dit bedrag bevat de budgetten voor personeel en huisvesting van 66 kantoren in het buitenland, personeel en kantoren in het binnenland én de werkingsmiddelen voor de organisatie van groepsacties, marketing en lokale acties.

Een wereldwijd netwerk Aantrekken van buitenlandse directe investeringen naar Vlaanderen Er wordt zeer gericht gezocht naar potentiële investeerders in het buitenland, zowel in de klassieke landen van herkomst van buitenlandse investeerders, als in nieuwe groeilanden. De prospectie naar investeerders is gericht op bedrijven die met hun activiteit het Vlaamse economische weefsel kunnen versterken. FIT begeleidt nieuwe buitenlandse investeerders en geeft in samenwerking met het VLAIO, advies op maat over alle aspecten van een nieuwe of uitbreidingsinvestering.

Stimuleren van internationaal ondernemen vanuit Vlaanderen Een uitgebalanceerd programma van acties en prospectieactiviteiten is erop gericht om enerzijds marktaandeel te veroveren in groeilanden en anderzijds marktaandeel te consolideren in mature exportmarkten. Er wordt doelgericht en proactief gewerkt op een aantal focuslanden en -sectoren. Ondersteuning van bedrijven uit Vlaanderen in niet-focusmarkten is ook een opdracht van FIT die gebeurt op basis van specifieke vragen vanwege de bedrijven uit Vlaanderen. FIT geeft Vlaamse ondernemers informatie en advies over internationale markten, en begeleidt hen in de zoektocht naar goede partners. Het agentschap versterkt Vlaamse kmo’s in hun internationale groei met aandacht voor de exportvaardigheid van het bedrijf. Om deze opdracht te realiseren, beschikt het agentschap over een reeks instrumenten.

Een netwerk in het buitenland FIT is op ongeveer 100 plaatsen in de wereld actief, via eigen kantoren of antennes, of via de kantoren van Wallonië of Brussel met wie een samenwerkingsakkoord bestaat. FIT heeft 173 eigen personeelsleden in het buitenland die proactief opportuniteiten voor Vlaamse ondernemers signaleren, buitenlandse potentiële investeerders opsporen en informatie en advies verstrekken aan Vlaamse bedrijven. In 2021 versterkt FIT de Vlaamse economische diplomatie met Science & Technology Offices in innovatiehotspots wereldwijd. Het agentschap heeft 10 techpoten: in New York, Palo Alto, Parijs, Londen, Kopenhagen, München, Mumbai, Singapore, Guangzhou en Tokio. Daar versterken technologieattachés en techdeputy’s de economische diplomatie en focussen op een of meer van deze 3 domeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech.

100


Figuur 31 Wereldwijde netwerk van FIT


Een netwerk in het binnenland FIT beschikt in Vlaanderen over een netwerk van vijf kantoren in de verschillende provincies en 14 adviseurs Internationaal Ondernemen, die bedrijven uit hun regio ondersteunen bij de opmaak van hun strategische plannen, hun prospectievragen en hen de weg wijzen naar informatie die voor het bedrijf relevant is. Er staan ook twee adviseurs Exportvaardigheden ter beschikking van de bedrijven om hen bij het ontwikkelen van hun exportrijpheid te begeleiden.

Advies en begeleiding op maat van Vlaamse bedrijven Beide netwerken werken samen om individuele bedrijven antwoord te bieden op vele vragen en hen met de juiste partners in contact te brengen. Jaarlijks worden duizenden individuele dossiers behandeld en B2Bafspraken opgezet in het buitenland.

Een actieprogramma voor Vlaamse bedrijven Een programma van groepsacties verlaagt (organisatorische en financiële) drempels voor Vlaamse bedrijven die stappen willen zetten op internationale markten. Bedrijven kunnen deelnemen aan groepszakenreizen, internationale beurzen en conferenties, seminaries met buitenlandse sprekers, contactdagen met aankopers en decision makers, contactdagen in Vlaanderen met de buitenlandse vertegenwoordigers van FIT, enz.

Kennisdatabase buitenlandse markten Via de website en de nieuwsbrieven van FIT krijgen bedrijven toegang tot marktinformatie over landen, sectoren, reglementering, zakelijke opportuniteiten, financiering van projecten door internationale financiële instellingen, enz. Deze informatie wordt hoofdzakelijk aangeleverd door de buitenlandse kantoren. Bedrijven kunnen informatie op maat krijgen via een MijnFIT-/MyFIT-profiel.

Ondernemingswedstrijden ‘Leeuw van de Export’ en Foreign Investment Trophy Met de Leeuw van de Export bekroont Flanders Investment & Trade jaarlijks de exportsuccessen van Vlaamse bedrijven, om zo het belang van export voor onze Vlaamse economie te onderstrepen. Er worden twee Leeuwen uitgereikt. Eén in de categorie bedrijven die maximaal 49 medewerkers tewerkstellen en één in de categorie bedrijven met 50 of meer medewerkers. De Foreign Investment Trophy kent sinds 2013 prijzen toe aan buitenlandse investeerders in Vlaanderen en onderstreept het belang van buitenlandse investeerders voor Vlaanderen. In 2020 werden vier prijzen uitgereikt: de foreign investment of the year, de newcomer of the year, de lifetime achievement en de exceptional investment trophy.

Eén internationaliseringsstrategie voor de Vlaamse economie Vanaf oktober 2015 bracht Flanders Investment & Trade honderden Vlaamse bedrijven, middenveldpartners, kennisinstellingen en overheidsactoren samen, om na te denken over deze cruciale vragen: • • •

Hoe willen we Vlaanderen internationaal beter in de markt plaatsen? Wat hebben de bedrijven het meest nodig? Hoe kunnen actoren in Vlaanderen nog beter samenwerken?

Het resultaat van dit co-creatieproces is de internationaliseringsstrategie 'Vlaanderen versnelt!' (2017-2021), die bepaalt welke inspanningen alle actoren samen moeten leveren om de internationalisering van de Vlaamse economie te versnellen, aanvullend op de basiswerking van FIT. Het Science & Technology-team van FIT Vlaanderen ademt onderzoek en technologie. Onze bedrijven, onderzoekscentra en kennisinstellingen aan de basis van baanbrekende innovaties. Breken Vlaamse spelers internationaal door met hun innovaties, dan 102


zorgen ze voor groei, jobs en welvaart in onze regio. Samen met buitenlandse technologiespelers die zich in Vlaanderen vestigen, staan ze zo in voor een gezond economisch weefsel. Het is dan ook cruciaal om de internationale faam van Vlaamse innovatie te boosten en Vlaamse innovatiespelers te ondersteunen in het buitenland. Dit past bovendien in de ambitie van Vlaanderen om bij de meest innovatieve regio’s van Europa te horen. Om dat te bereiken, versterkt FIT de Vlaamse economische diplomatie met Science & Technology Offices in innovatiehotspots wereldwijd. Daar spelen onder meer onze technologieattachés (TA’s) een essentiële rol en focussen we op 3 technologische domeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech. Science & Technology Offices als innovatiebakens Wereldwijd zijn er 10 Science & Technology Offices: in New York, Palo Alto, Parijs, Londen, Kopenhagen, München, Mumbai, Singapore, Guangzhou en Tokio. In samenwerking met onze partnerorganisaties zetten ze hun schouders onder 4 doelstellingen: 1. 2.

3.

4.

Technologiegedreven bedrijven uit Vlaanderen een voorsprong geven in buitenlandse markten door hen in contact te brengen met de juiste partners. Technologiegedreven spelers uit het buitenland naar Vlaanderen aantrekken – met name ‘ontbrekende schakels’. Dat zijn spelers die het innovatieve en economische weefsel van Vlaanderen complementeren en versterken, en samen met Vlaams toptalent onze regio verder uitbouwen tot een wereldhub voor innovatie. Vlaamse bedrijven, onderzoekscentra, clusters, ondernemersorganisaties, incubatoren en acceleratoren connecteren met buitenlandse spelers. Denk aan sectorgenoten, prospects, partners, distributeurs, potentiële investeerders, kapitaalvertrekkers en talent. Vlaanderen als techregio wereldwijd sterker op de kaart zetten.

Elk Science & Technology Office is verantwoordelijk voor een geografisch focusgebied en legt de klemtoon op een of meerdere van deze 3 focusdomeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech. Stuk voor stuk technologische thema’s die bijdragen tot oplossingen voor de maatschappelijke en socio-economische uitdagingen van vandaag. Sterk techteam Samen met onze Science & Technology Coordinator spelen onze technologieattachés (TA’s) een cruciale rol in de techmissie van FIT. Ze bouwen in het buitenland een uitgebreid netwerk op van techbedrijven, venture capitalists, kennis- en onderzoekscentra, clusters, incubatoren, acceleratoren enzovoort. Daarbij zorgen ze voor connecties met het Vlaamse ecosysteem. Dit team verstrekt bovendien de technologische expertise en werking van FIT. Ze maken deel uit van het uitgebreide buitenlandse netwerk economische vertegenwoordigers en werken daarin nauw samen met de collega’s binnen hun regio en in Vlaanderen. Zo voeden ze FIT zowel in Vlaanderen als in het buitenland met kennis en expertise. En op die manier is FIT gesterkt om de bedrijfswereld nog beter bij te staan.

Doelstellingen Minder belemmeringen De strategie pakt de belemmeringen en hindernissen aan die Vlaamse bedrijven ondervinden bij het internationaal ondernemen. We bekijken intern onze klantengroepen en analyseren de customer journeys die deze klantengroepen moeten afleggen, met het oog op een verbetering van de klantenervaring. Daarnaast voeren we een studieproject uit rond digitale handel, dat internationaal ondernemend Vlaanderen moet voorbereiden op de toenemende impact van digitalisering op onze handel.

103


Op www.veroverdewereld.be het web platform van Flanders Investment & Trade gelanceerd in april 2019 in samenwerking met veel organisaties, kunnen Vlaamse bedrijven wereldwijd terecht voor het deelnemen aan of organiseren van events rond internationaal ondernemen in Vlaanderen. Meer bedrijven doen internationaliseren, meer bedrijven hier doen verankeren 'Vlaanderen Versnelt!' heeft tot doel meer Vlaamse bedrijven te laten internationaliseren en meer internationale bedrijven in Vlaanderen te verankeren. FIT bekijkt daarom hoe het startups efficiënter kan begeleiden in hun internationaliseringsplannen en hoe het op een innovatieve manier internationale bedrijven naar Vlaanderen kan halen. Vlaanderens internationale positie versterken in 5 domeinen We brengen het potentieel van Vlaanderen in onderstaande 5 domeinen sterker naar buiten: • • • • •

Life Sciences & Health; Food; Solution Driven Engineering & Technology; Smart Logistics; Sustainable resources en Materials & Chemistry.

Samen met stakeholders, partners en bedrijven co-creëerde FIT een branding toolkit rond 5 economische domeinen: Life Sciences & Health; Food; Solution Driven Engineering & Technology; Smart Logistics and Sustainable resources and Materials & Chemistry. De toolkit biedt foto’s, video’s, handige teksten en facts & figures die Vlaanderen ‘herkenbaar’ maken in het buitenland, onze oplossingsgerichte aanpak benadrukken en ondernemers helpen bij het uitbreiden van hun internationale activiteiten. FIT bekijkt samen met VLAIO hoe het een methodiek kan ontwikkelen die clusters en ecosystemen helpt bij hun internationalisering. De Vlaamse Regering stemde op 12 maart in met een update van de internationaliseringsstrategie “Vlaanderen Versnelt!” 2021-2025 50.

3. Overige initiatieven Agentschap voor Buitenlandse Handel Het Agentschap voor Buitenlandse Handel (ABH) werd opgericht via het Samenwerkingsakkoord van 24 mei 2002 tussen de federale overheid en de gewesten. Het ABH stelt zich ten dienste van de drie gewestelijke export bevorderende instellingen en de federale overheid. De werking van het ABH omvat twee grote pijlers. Een eerste pijler betreft het organiseren van twee economische zendingen per jaar die vooral focussen op buitenlandse economische groeiregio’s en –landen. De organisatie hiervan gebeurt samen met het Agence wallonne à l’Exportation et aux Investissements étrangers (AWEX), Brussels Invest & Export by Hub.brussels en Flanders Investment & Trade (FIT).

Buitenlandse economische missies Jaarlijks worden onder leiding van de minister-president meerdere buitenlandse economische missies georganiseerd voor de ondersteuning en de verdediging van de belangen van Vlaanderen en de Vlaamse

50

Zie mededeling aan de Vlaamse Regering onder referentie VR 2021 1203 MED.0093/1

104


economie in het buitenland. De organisatie van het economische en B2B-luik van de missie, incl. de bekostiging, zijn in de regel voor rekening van FIT.

Enterprise Europe Network (EEN) Het Enterprise Europe Network (EEN) is een initiatief van de Europese Commissie (DG GROW) dat de Europese kmo’s wil ondersteunen en adviseren. De netwerkpartners zijn stevig verankerd in de diverse Europese regio's en goed geplaatst voor het verlenen van informatie omtrent Europese regelgeving en financiering, voor het faciliteren van bedrijvencontacten en het helpen opstarten van transnationale innovatieve projecten. In Vlaanderen zijn VLAIO en FIT de partners die het Enterprise Europe Netwerk Vlaanderen vormen en die elk vanuit hun expertise kmo's wegwijs maken bij het ondernemen in Europa en de andere partnerlanden van het programma. Enterprise Europe Network Vlaanderen behoort tot een netwerk van meer dan 600 partnerorganisaties in de EU, met 4.000 ervaren medewerkers. Dankzij dit netwerk kan men snel betrouwbare informatie leveren over de Europese wetgeving en de regelgeving in andere lidstaten. Daarnaast kan men via dit netwerk contacten leggen met bedrijven uit andere landen die op zoek zijn naar samenwerking op economisch of technologisch vlak. Het netwerk heeft bovendien ook heel wat partners buiten Europa die als Business Cooperation Centers ten dienste van de bedrijven in Vlaanderen staan.

105


Hoofdstuk 6 Duurzaamheid van de Vlaamse economie versterken A. Ecologiepremie Plus (EP) en strategische ecologiesteun De ecologiepremie is een financiële tegemoetkoming aan ondernemingen die hun productieproces willen vergroenen door te investeren in milieuvriendelijke of energiezuinige technieken. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen neemt een deel van de extra kost die een dergelijke investering meebrengt op zich. De strategische ecologiesteun heeft dezelfde doelstelling als de ecologiepremie. In dit geval gaat het over grotere specifieke investeringsprojecten op maat van een bedrijf. Bij begrotingsopmaak 2022 werd een budget voorzien van 26,282 miljoen euro voor ecologiesteun.

B. Promotie- en demonstratiecentrum van milieu- en energievriendelijke technologieën (PRODEM) PRODEM is een steunmaatregel voor kmo’s om via het onderzoekscentrum VITO milieu- of energietechnologieën te evalueren. Ontwikkelaars kunnen via PRODEM hun nieuwe technologieën testen in een reële situatie. Eindgebruikers kunnen PRODEM gebruiken voor het zoeken van milieu- en energievriendelijke technologieën en het implementeren ervan in hun bedrijfsvoering. Door de steun van de Vlaamse overheid en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) krijgen kmo’s minstens 66% subsidies voor de kosten van een haalbaarheidsstudie, een test op laboratoriumschaal, een piloottest of een test op het vlak van milieu of energie.

C. Eco-efficiëntie, Eco-efficiëntiescan en materialenscan De voorbije jaren werd door OVAM aan geïnteresseerde bedrijven een eco-efficiëntiescan aangeboden. Door een online eco-efficiëntiescan ontdekken bedrijven hun eco-efficiëntiemogelijkheden. Door de verschuivende focus van het beleid en het bedrijfsleven naar duurzaam materialenbeheer, biedt VLAIO in nauwe samenwerking met OVAM ook een materialenscan aan.

D. Groenestroom- en warmte-krachtcertificaten Sinds 2002 is in Vlaanderen een systeem van groenestroomcertificaten (GSC) van kracht ter ondersteuning van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen. Dit systeem bestaat uit 2 delen: 1.

Enerzijds krijgen producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, zoals zon, wind, biomassa en biogas (bv. vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, vergisting van mest of slib of verbranding van houtafval), … GSC’s die kunnen aangevraagd worden bij het Vlaams Energieagentschap. 2. Anderzijds moeten elektriciteitsleveranciers/toegangshouders een bepaald aantal GSC’s (het quotum) inleveren bij de VREG. Een toegangshouder is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een contract heeft gesloten met een netbeheerder, beheerder van het transmissienet of beheerder van het vervoersnet met betrekking tot de toegang tot diens net op een bepaald toegangspunt. Er geldt een gelijkaardig systeem voor warmte-krachtcertificaten, die worden toegekend voor primaire energiebesparing gerealiseerd door warmtekrachtinstallaties. Beide certificatensystemen moeten ertoe

106


bijdragen dat de vooropgestelde doelstellingen worden gerealiseerd. In 2020 werden er binnen deze certificatensystemen 6 miljoen GSC’s uitgereikt (voor een groenestroomproductie van 10 TWh) en 8,5 TWh primaire energie bespaard waarvoor ook 5,4 miljoen warmte-krachtcertificaten werden uitgereikt. De minimumwaarde voor nieuwe projecten bedraagt 93 euro per groenestroomcertificaat en 31 euro per warmtekrachtcertificaat. Uitgaande van de ruwe benadering dat installaties met een vermogen groter dan 10kW toe te schrijven zijn aan bedrijven, staan er eind 2021 9510 zonnepanelen-installaties bij Vlaamse bedrijven. Daarnaast stegen ook de overige groenestroomproductie-installaties en de warmtekrachtinstallaties. Concreet waren er eind 2021 in Vlaanderen 761 overige groenestroomproductie-installaties en 916 warmtekrachtinstallaties waarvoor Vlaamse bedrijven certificaten ontvingen.

E. Calls groene warmte Ondernemingen en entiteiten die in het Vlaamse Gewest investeren in nieuwe groenewarmte-installaties, restwarmtegebruik of de productie (en injectie) van biomethaan, kunnen via een oproep subsidies ontvangen. Deze steun is niet cumuleerbaar met het groenestroom- of WKK-certificatensysteem of de ecologiepremie. De ontvankelijke investeringsprojecten worden beoordeeld en gerangschikt. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld over de gunstig gerangschikte investeringsprojecten tot de budgettaire enveloppe opgebruikt is. Er worden twee calls per jaar georganiseerd, zie voor meer informatie over de eerstvolgende call en het beschikbaar budget op www.energiesparen.be/call-groene-warmte

F. Calls groene stroom Sinds 2021 worden jaarlijks verschillende calls groene stroom gelanceerd. De best gerangschikte projecten kunnen een investeringssteun krijgen voor de plaatsing van zonnepanelen of van middelgrote windturbines. Meer info over de eerstvolgende calls www.energiesparen.be/call-groene-stroom

en

beschikbare

budgetten

kan

u

terugvinden

op

G. Vlaams EnergieBedrijf Het Vlaams EnergieBedrijf heeft als missie de publieke sector op vlak van energie te ontzorgen, duurzamer en efficiënter te maken. Ten eerste door centraal en goedkoper energie aan te kopen. Ten tweede door energiedata te centraliseren en ermee aan de slag te gaan. Ten slotte door overheidsinstellingen en lokale besturen te begeleiden om efficiënter om te springen met hun energie.

H. Ecologisch en veilig transport van goederen Ondernemingen die uitgaven doen in het kader van ecologisch en veilig transport van goederen over de weg (EVT) komen in aanmerking voor een subsidie van de Vlaamse overheid. De steunmaatregel ging op 20 november 2017 van start. Hij wordt door het Departement Mobiliteit & Openbare Werken gecoördineerd en gefinancierd. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen staat in voor het operationeel beheer. De EVT-steun bedraagt maximaal 100.000 euro per onderneming voor uitgaven verricht in de drie kalenderjaren 2017, 2018 en 2019. In 2019 werden er 2.163 steunaanvragen 2019 uitbetaald op de begroting 2019 voor een totale subsidie van 26.480.773,32 euro. Daarnaast werden 1.163 steunaanvragen 2019 uitbetaald op de begroting 2020 voor een totale subsidie van 18.984.509,56 euro wegens overschrijding van de begroting 2019.

107


Hoofdstuk 7 Transversaal economisch en innovatiebeleid: Vlaanderen Circulair, Industrie 4.0, Energietransitie, Klimaatvisie 2050 en Flanders Care Hieronder worden drie transitieprioriteiten: circulaire economie, Industrie 4.0 en de energietransitie besproken. Hoewel de transities met elkaar interageren en samen werken, zijn deze drie prioriteiten het sterkst gelinkt met het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie. De startnota’s van deze drie transities, “De sprong maken naar Industrie 4.0”, “De transitie naar de circulaire economie doorzetten” en “Zorgen voor een energietransitie’, werden in 2017 goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

1. Circulaire economie Situering Vlaanderen Circulair als transversaal thema Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 en meerdere beleidsnota’s bevestigen het belang van de transitie naar een circulaire economie om de Vlaamse economie ‘future proof’ te maken. Op 10 juli 2020 nam de Vlaamse regering de mededeling ‘Een transversale werking voor de circulaire economie van Vlaanderen’ evenals de conceptnota ‘Circulaire economie beleidsdomein EWI’ aan. Vandaag beseffen we meer dan ooit dat we zeer bewust moeten omspringen met onze materialen. We willen ervoor zorgen dat de materialen die we vandaag ter beschikking hebben, er ook nog morgen zullen zijn om in onze behoeften te voorzien. Daarom moeten we bewuster produceren en consumeren, minder materialen gebruiken en de kringlopen maximaal sluiten. Het gaat over consumptiegoederen, bouwmaterialen, maar evengoed water, voeding en natuurlijke hulpbronnen. Door zorgzaam om te gaan met deze materialen, water en natuurlijke hulpbronnen beogen we tegelijk een gunstig effect op ons ruimte- en energieverbruik. Om praktische oplossingen te genereren is er heel wat innovatie nodig voor de Vlaamse economie. De circulaire economie brengt nieuwe innovatiekansen met zich mee, onder meer in het productontwerp, de maakindustrie, de dienstverlening en de businessmodellen. Niet onbelangrijk is de sociale innovatie: we kiezen voor meer ketensamenwerking. Dat vraagt innovatieve, diverse partnerschappen, nieuwe productie- en consumptiesystemen (zoals in de deeleconomie, dematerialiseren, levensduurverlenging door herstel of hergebruik…). We kiezen ook als overheid voor een circulair aankoopbeleid. De circulaire economie geeft eveneens impulsen aan een nieuw soort ondernemerschap en aan de jobs van de toekomst, zowel in de reguliere als in de sociale economie. Door die ketenbenadering biedt de circulaire economie dus veel kansen voor ondernemingen en de samenleving. Het leidt tot minder grondstoffenverbruik en afval, geeft toegang tot duurzame materialen en diensten. Het zorgt ervoor dat we ook in de toekomst toegang hebben tot betaalbare grondstoffen, water en voeding. Vlaanderen toont zich innovatief en creatief in de circulaire economie. De kennis die we opbouwen, zullen we internationaal valoriseren.

109


Een omslag naar een circulaire economie vereist een samenwerking van alle actoren in de samenleving: overheden, ondernemers, middenveldorganisaties, onderzoekers en financiers. Het gaat zeker ook over de burger die nieuwe jobs uit zal oefenen, nieuwe vaardigheden zal leren in de circulaire economie en die bewuster kiest als consument. De oplossingen waarvoor we kiezen moeten voor iedereen haalbaar en betaalbaar blijven. Daarom wordt voorzien in een publiek-privaat partnerschap ‘Vlaanderen Circulair’ als centraal platform. Voor de coördinatie binnen de Vlaamse overheid wordt er gewerkt met een beleidsdomein-overschrijdende coördinatiegroep, onder leiding van de 2 ministers die de meest relevante thema’s onder hun bevoegdheid hebben: Minister Jo Brouns, Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw en Minister Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.

Roadmap Circulaire Economie 2020-2030 Vlaanderen was tot op heden al zeer actief in de omslag naar een circulaire economie. Wat er de afgelopen twee jaar gebeurde kunt u terugvinden in https://vlaanderen-circulair.be/nl/terugblik. In een volgende fase van de transitie naar een circulaire economie moeten we hetgeen we leren en uitproberen op het terrein ook verankeren in nieuw beleid, nieuwe businessmodellen en economische kansen. We werken samen aan een circulaire samenleving. De circulaire economie is te benaderen als een transversaal thema (cf. Mededeling VR ‘Nieuwe aanpak transversaal beleid/horizontale doelstellingenkaders’ (VR 2020 0702 MED.0050/1)), met de ambitie om de materialenvoetafdruk maximaal te reduceren (-30% tegen 2030), jobs en welvaart te creëren, de waterschaarste tegen te gaan en de natuurlijke hulpbronnen optimaal in te zetten via het sluiten van kringlopen en via een bewuster gebruik. Dat kan door het inzetten van diverse circulaire strategieën zoals de inzet van ecodesign, nieuwe businessmodellen en deeleconomie, herstel, hermaken (remanufacturing), hoogwaardige recyclage en hergebruik. We zorgen ervoor dat we met zijn allen aan onze behoeften kunnen voldoen met minder verlies aan materialen, water, natuurlijke hulpbronnen, energie en ruimte. Door dit samen, innovatief en creatief op te nemen zorgen we ervoor dat we een koploperspositie innemen in Europa. Bij de opmaak van de Roadmap worden de ambities voor Vlaanderen geconcretiseerd en omgezet in een plan van aanpak. Dit doen we door samen met de partners een aantal thematische Werkagenda’s op te bouwen. Deze zitten in lijn met de thema’s die ook aangegeven worden als relevant voor de circulaire economie vanuit de Europese Commissie. De mate waarin en de wijze waarop er op elk thema wordt ingespeeld hangt af van de noden van en de opportuniteiten die zich voordoen in Vlaanderen. Elke werkagenda wordt uitgewerkt met de relevante publieke en private partners in een publiek-privaat partnerschap waarin de relevante trekkers worden aangeduid vanuit zowel overheid als privé. Ze maken samen een werkagenda op. Deze omvat een afsprakenkader rond de wijze waarop ze zullen samenwerken, welke ambities ze samen delen voor het desbetreffende thema (gekaderd in de algemene ambities) en welke concrete doelstellingen ze willen realiseren. In de werkagenda beschrijven ze de diverse werkpaden en de acties voor de eerste jaren. Ze maken concreet hoe ze zich zullen engageren. Dit partnerschap wordt gevormd door het samenbrengen van actoren uit de maatschappelijke vijfhoek. Het is de ambitie dat voor elk van deze strategische thema’s concrete voorstellen/projecten vorm krijgen die een duidelijke meerwaarde bieden voor de Vlaamse maatschappij via tastbare vooruitgang richting circulaire en duurzame economische activiteiten.

110


Onderstaande thema’s worden geïnitieerd als Werkagenda’s: 1) 2) 3) 4) 5) 6)

Agenda Circulair Bouwen Agenda Chemie en Kunststoffen Agenda maakindustrie (textiel, meubelen, elektro, batterijen, …) Agenda waterkringloop Agenda Bio-economie Agenda Voedselketen

Per werkagenda wordt er gewerkt met hefbomen die kunnen zorgen voor de versnelling van de transitie naar een circulaire economie. We noemen ze hefbomen, omdat ze vertrekken vanuit de aandacht voor concrete knelpunten en vanuit het goede praktijkvoorbeeld. Dankzij deze ‘hefbomen’ werken we aan de oplossing van deze knelpunten, en zorgen we ervoor dat de goede praktijken navolging krijgen. De hefboomwerking zorgt dat het geleerde verankerd wordt in nieuwe kennis, productie- en consumptiemodellen, marktopportuniteiten, jobs en vaardigheden, nieuwe allianties, een andere cultuur en gedrag in de samenleving. De hefbomen worden de aandachtspunten in elk van de werkagenda’s, en worden opgevolgd binnen Vlaanderen Circulair. Het is belangrijk dat alle overheidsinstanties (van lokaal naar Europees) die relevant zijn ook betrokken en geëngageerd zijn in een verruimde werking rond de circulaire economie. Bij het uitwerken van de werkagenda’s door de relevante publieke en private spelers, wordt er samen met de transitiemanager en team Vlaanderen Circulair gezocht naar samenwerkingen met de juiste partners om de volgende hefbomen te realiseren: 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)

Beleid en beleidsinstrumenten Onderzoek Innovatie en ondernemerschap Financiering van initiatieven en ondernemerschap in de circulaire economie (publiek, privaat, Europese projectwerking) Jobs en vaardigheden in de circulaire economie Voorbeeldrol van de overheid en circulair aankopen Communicatie en rapportering

Figuur 32 geeft dit weer in onderstaand beeld.

111


Figuur 32 Vlaanderen Circulair samengevat

2. Industrie 4.0 De maakbedrijven in Vlaanderen staan voor grote uitdagingen als gevolg van digitalisering (IoT, data) en moeten zich opnieuw positioneren in een sterk geconnecteerde wereld en tegelijk de verwachtingen qua duurzaamheid invullen. De transformatie van de bedrijven nodig om zich in deze nieuwe context duurzaam te ontwikkelen, ondersteunen we met het actieprogramma ‘Transitie naar Industrie 4.0’. De noodzakelijke transformaties liggen zowel op het vlak van technologie, als van businessmodellen en werk. Vermits een van de grote gevolgen van de digitalisering is, dat bedrijven steeds meer onderling afhankelijk worden, vullen we de doelgroep maakindustrie breed in en betrekken we ook activiteiten zoals bouw en logistiek. Het doel is zo gunstig mogelijke omgevingsvoorwaarden te creëren voor de ontwikkeling van een industrie 4.0 omgeving in Vlaanderen en zoveel mogelijk bedrijven stappen te laten zetten in hun transformatie. Een transitie heeft per definitie een lange termijn horizon. Dit hebben we in 2019 onder andere behandeld in een transitie-arena en in de insteken voor de beleidsteksten. In 2019 hebben we ingezet op vijf actielijnen, waar mogelijk in samenwerking en overleg met andere actoren die de bedrijven gericht kunnen ondersteunen. Hiermee volgen we de lijnen van de vorige jaren. • In de platformwerking verspreiden we informatie, onderhouden we netwerken en ondersteunen we het beleid. De uitbouw van de website www.industrie40vlaanderen.be, die een verbinding vormt tussen de (onderzoeks-)partners en de bedrijven, is een belangrijke realisatie. • Voor de versterking van de kennisbasis kan verwezen worden naar de ondersteuning van de verdere uitbouw van Flanders Make, naar de explicitering van het thema binnen imec en naar de betrokkenheid van de clusters. Onder andere via (collaboratieve) bedrijfsprojecten en via de ICONprojecten van Flanders Make, imec en de clusters is hier ook een belangrijke directe betrokkenheid van bedrijven. • Voor het stimuleren van toepassingen werd het volledige instrumentarium van VLAIO ingezet: steun, dienstverlening en het netwerk. De samenwerking met de clusters en IBN’s is daarbij belangrijk. De 17 driejarige industrie 4.0-proeftuinen geven hieraan een extra impuls. Die proeftuinen hebben zeer verschillende invalshoeken op het vlak van technologie, thema (bijvoorbeeld nieuwe

112


businessmodellen, competenties, …) of toepassingsdomein (bijvoorbeeld voeding). Zowel de individuele proeftuinen als het netwerk kwamen tot ontplooiing in 2019. • Met betrekking tot de omgevingsvoorwaarden was er vooral aandacht voor competenties, in aansluiting met de transitie rond werk. • Op het vlak van internationale samenwerking waren er drie invalshoeken: positionering van Vlaanderen op verwante thema’s binnen het Europees beleid (digitalisering en industrie), ondersteunen van Vlaamse actoren bij het verwerven van Europese subsidies en internationale outreach van Vlaanderen (Hannover Messe, acties met andere regio’s, enz.). Meer info en een overzicht van alle lopende acties voor Industrie 4.0 is te vinden op de nieuwe website www.industrie40vlaanderen.be.

3. Zorgen voor een energietransitie Onder ‘energietransitie’ verstaan we de evolutie naar een koolstofarm en zeer energiezuinig energiesysteem waar hernieuwbare energiebronnen de plaats hebben ingenomen van fossiele energiebronnen. Van een systeem waarbij energie vooral centraal wordt geproduceerd en nadien wordt verdeeld, moeten we evolueren naar een decentraal energiesysteem waarbij energie vooral lokaal wordt geproduceerd en verbruikt. Digitale apparatuur zal zorgen voor de aansturing en slimme koppeling van de verschillende energiediensten en/of energietechnologieën. In die zin is er een belangrijke link met de transitieprioriteit Industrie 4.0. Energie is verbonden met alle componenten van de huidige samenleving en de energietransitie is dan ook een onmisbare schakel in de overgang naar een klimaatneutrale samenleving.

Aanpak Om de energietransitie te verwezenlijken, werden vier concrete prioriteiten gedefinieerd. Drie aandachtspunten staan centraal in het bereiken van deze prioriteiten. De doelstelling is niet alleen het energiesysteem duurzamer maken, maar er ook voor zorgen dat de energiefactuur betaalbaar blijft voor de gezinnen en de bedrijven terwijl de bevoorradingszekerheid op elk moment gegarandeerd blijft. De vier prioriteiten zijn de volgende:

1)

Sterk verbeterde energie-efficiëntie realiseren

In eerste instantie moet het energieverbruik sterk worden gereduceerd in alle sectoren. Dit zorgt niet alleen voor een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, maar beperkt ook de energiekosten van gezinnen en bedrijven. De evolutie naar een energiezuinig energiesysteem zal gepaard gaan met de ontwikkeling van nieuwe aangepaste producten en diensten, wat kan zorgen voor bijkomende exportmogelijkheden, stijgende lokale omzet en daarbij horende extra banen.

2) Hernieuwbare energieproductie structureel verhogen Het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix moet richting 2030 en 2050 nog fors omhoog. Als algemeen principe wordt ingezet op de meest rendabele en efficiënte technologieën of op nieuwe technologieën met de beste vooruitzichten op dat vlak. Ondersteuning door de overheid gebeurt enkel voor de meest kostenefficiënte technologieën en is steeds tijdelijk.

113


3) Flexibel energiesysteem bewerkstelligen Wind- en zonne-energie kunnen door hun variabele productieverloop niet op elk moment voorzien in onze energiebehoeftes. Er moet werk gemaakt worden van verschillende vormen van vraagsturing en energieopslag zodat de energievraag en het -aanbod op elk moment op elkaar zijn afgestemd. Ook een betere koppeling tussen de elektriciteitsnetten van de verschillende lidstaten is essentieel om schommelingen in vraag en aanbod optimaal op te vangen.

4)

Ontwikkelen van een doordachte innovatiestrategie

De technologische oplossingen om de energieomslag te verwezenlijken, zijn vandaag al grotendeels aanwezig. Er is nog nood aan de doorontwikkeling van bestaande technologieën of processen om de kostprijs verder te verlagen of de efficiëntie ervan te verhogen. In bepaalde sectoren zullen meer ingrijpende of zelfs disruptieve innovaties nodig zijn. De opgave bestaat erin om de verschillende technologieën slim te combineren tot een geïntegreerd geheel. Een weloverwogen energie- en innovatiebeleid biedt de Vlaamse technologieaanbieders de ruimte om aangepaste of nieuwe innovatieve oplossingen te vinden voor de Vlaamse energie-uitdagingen. Die kunnen nadien worden opgeschaald zodat ze inzetbaar zijn in een zo groot mogelijke afzetmarkt.

Werking en Governance De energietransitie zal worden verwezenlijkt in nauw partnerschap met alle betrokken stakeholders. Voor de transitieprioriteit energie wordt de transitieruimte opgebouwd rond de vijf pijlers van het visietraject Stroomversnelling, nl. Energie-efficiëntie, Hernieuwbare Energie, Flexibiliteit, Financiering en Governance. Vanuit Stroomversnelling worden linken gelegd met andere lopende langetermijn (visie)trajecten zoals het Renovatiepact en de Vlaamse Klimaatvisie 2050. In samenspraak met de partners uit Stroomversnelling en een burgerpanel werd een Vlaamse Energievisie opgesteld. De Energievisie werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 mei 2017 en legt de krijtlijnen vast voor ons toekomstig energiesysteem. In de loop van 2018 en daarna zullen de werkgroepen samen werken om de visie te vertalen naar concrete acties die de energietransitie beleidsmatig en op het terrein gestalte geven. Tot slot zal ook regelmatig worden overlegd met de speerpuntcluster Energie (Flux50) om barrières die worden geïdentificeerd bij concrete projecten te verhelpen.

114


4. Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 en de Vlaamse Klimaatvisie 2050 In december 2019 keurde de Vlaamse Regering definitief het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 (VR 2019 0912 DOC 1208/1BIS en 1208/3BIS) en de Vlaamse klimaatstrategie 2050 (VR 2019 2012 DOC. 1356/1 en 1356/2) goed. Na integratie in een Belgisch plan werd dit aan de Europese Commissie bezorgd. Op 5 november 2021 besliste de Vlaamse regering tot ‘Bijkomende maatregelen klimaat’ (VR 2021 0511 DOC 1237/1) waarbij de reductie-ambitie niet-ETS van -35% steeg naar -40% in 2030 t.o.v. 2005, met een extra pakket maatregelen. Het reductiedoel van broeikasgasemissie door de niet-ETS-bedrijven werd met 10% verhoogd. Tevens werd de visienota ‘Fit for 55’ aangenomen (VR 2021 0511 DOC 1222/1 Quarter). Op 17 december 2021 werd een ‘Afsprakenkader inzake het VEKP’ (VR 2021 1712 DOC 1602/1BIS) aangenomen, met o.a. aanduiding verantwoordelijke entiteiten voor bijkomende acties.

Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 Dit geïntegreerd plan moet conform Europese afspraken de vijf dimensies van de Energie-unie behandelen. De vijf thema’s zijn bevoorradingszekerheid, interne markt, energie-efficiëntie, decarbonisatie en onderzoek en innovatie en concurrentievermogen. Hierbij moeten steeds doelstellingen, maatregelen en onderbouwde prognoses naar voor geschoven worden. Vlaanderen streeft de doelstelling na om tegen 2030 zijn broeikasgasemissies in de niet-ETS sectoren te reduceren met 40% ten opzichte van 2005. Dit is voor Vlaanderen een enorme uitdaging. De opgelegde doelstelling voor België gaat dan ook veel verder dan wat volgens kostenefficiëntie berekend was (25%). In de periode 2005-2018, een periode van 13 jaar, zijn de niet-ETS emissies in Vlaanderen bovendien slechts met 5% gedaald. In dit Vlaams Energie- en Klimaatplan (VEKP) wordt voor klimaat gefocust op de sectoren die niet gevat worden door het Europees Systeem van Verhandelbare Emissierechten (EU ETS). Het is immers enkel voor deze niet-ETS sectoren - de gebouwen, transport, landbouw, afval en een klein deel van de industrie - dat de lidstaten zelf doelstellingen moeten naleven.

Vlaamse Klimaatstrategie 2050 In 2018 publiceerde de Commissie een geactualiseerd voorstel van langetermijnstrategie onder de naam ‘A Clean Planet for All’ (COM (2018) 773). In dit voorstel – en vooral in de diepgaande analyse hierbij – wordt verkend via welke pistes de EU kan komen tot een netto-nuluitstoot tegen 2050. Op 12 december 2019 bekrachtigde de Europese Raad de doestelling van een klimaatneutrale EU in 2050, conform de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het engagement uit het Akkoord van Parijs om tegen 2020 een langetermijnstrategie te ontwikkelen, is voor EU lidstaten ook juridisch verankerd: artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, vereist dat elke lidstaat uiterlijk op 1 januari 2020, en daarna om de tien jaar, een langetermijnstrategie indient bij de Commissie met een perspectief van minstens dertig jaar. Artikel 15 en Annex IV van die verordening legt ook de minimuminhoud vast waaraan de strategieën moeten voldoen.

115


Vlaanderen streeft ernaar om de broeikasgasemissies van de sectoren die niet gedekt zijn door het EU ETS (zogenaamde niet-ETS sectoren) te reduceren met 85% tegen 2050 (ten opzichte van 2005), met de ambitie om te evolueren naar volledige klimaatneutraliteit. Voor de ETS sectoren schrijven we ons in binnen de context die Europa bepaalt voor deze sectoren met een steeds krappere emissieruimte onder het EU ETS en zetten we in op de ondersteuning van de bedrijven naar een verregaande omschakeling naar klimaatvriendelijke productiesystemen. Toekomstbeelden zijn beschreven voor 6 sectoren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

productie van elektriciteit en warmte industrie (inclusief indicatieve bijdrage voor wat betreft de niet-ETS industrie) transport gebouwen landbouw en agrovoedingsketen bodems, bossen en biomassa

De Europese klimaatwet en het ‘Fit for 55 pakket’ De Europese Raad schaarde zich in zijn conclusies van 12 december 2019 achter de doelstelling om in 2050 een klimaatneutrale EU tot stand te brengen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De leiders erkenden daarbij de noodzaak van een faciliterend kader dat alle lidstaten helpt met adequate instrumenten, stimulansen, steun en investeringen om een kosten-efficiënte, rechtvaardige en tevens sociaal evenwichtige en faire transitie te waarborgen. Bij het bepalen van de startpunten moeten de nationale omstandigheden in aanmerking worden genomen. Op 4 maart 2020 presenteerde de Commissie haar voorstel voor een Europese klimaatwet, een belangrijk onderdeel van de Europese Green Deal. Op 17 september 2020 presenteerde de Europese Commissie haar plan om de uitstoot van broeikasgassen in de EU tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Door dit ambitieniveau voor het komende decennium kan de EU via een evenwichtig traject tegen 2050 klimaatneutraliteit bereiken aldus de Commissie. In juli 2021 lanceerde de Europese Commissie een ganse reeks wetgevende voorstellen ‘fit for 55’, die aan bovenstaande antwoord gaven en waarover de onderhandelingen in 2022 zullen verder gezet en/of gefinaliseerd worden. Het pakket omvat:

116

•

een herziening van de EU‑regeling voor de emissiehandel (EU‑ETS), waarbij deze wordt uitgebreid tot de scheepvaart, een herziening van de regels voor luchtvaartemissies, en de instelling van een afzonderlijk emissiehandelssysteem voor wegvervoer en gebouwen;

•

een herziening van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten wat betreft de reductiedoelstellingen in sectoren die niet onder de EU‑ETS vallen;

•

een herziening van de verordening inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);

•

een wijziging van de verordening tot vaststelling van CO2‑emissienormen voor auto's en bestelwagens;


•

een herziening van de richtlijn hernieuwbare energie;

•

een herschikking van de richtlijn energie-efficiëntie;

•

een herziening van de richtlijn energiebelasting;

•

een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens;

•

een herziening van de richtlijn betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;

•

ReFuelEU Luchtvaart – voor duurzame vliegtuigbrandstoffen;

•

FuelEU Zeevaart – voor een groene Europese maritieme ruimte;

•

een sociaal klimaatfonds;

•

een herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen;

•

een vermindering van de methaanemissies in de energiesector;

•

een herziening van het derde energiepakket voor gas.

Binnen dit Europees beleid, wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen de ETS en de niet-ETS sectoren om de doelstellingen te realiseren. Op vandaag gelden de volgende doelstellingen: De energie-intensieve industrie en de elektriciteitssector beogen via het Emission Trading System (ETS) een reductie van 43% tegen 2030 t.o.v. 2005. Het FF55-pakket stelt een ambitieverhoging tot -61%. Voor de overige sectoren, met name transport, gebouwen, landbouw, niet-ETS industrie en afval, is een gezamenlijke reductie van 30% voorzien tegen 2030 t.o.v. 2005. In het FF55-voorstel is dit -40%. Op basis van dit kader, hebben alle lidstaten een specifieke doelstelling toegewezen gekregen. Voor België bedraagt deze bindende doelstelling -35% tegen 2030 t.o.v. 2005, en -47% volgens voorstel FF55. De Europese doelstelling inzake de inzet van hernieuwbare energiebronnen bedraagt een aandeel van 32% tegen 2030. Het voorstel FF55 trekt dit op naar -40%. In het kader van artikel 4 van de Governance Verordening moet elke lidstaat haar indicatieve bijdrage bepalen tot het bereiken van het bindende energie-efficiëntiestreefcijfer van de Europese Unie van minstens 32,5%. Volgens FF55 wordt dit -36% als finaal energieverbruik en -39% als primair energieverbruik. Bovendien zal elke lidstaat in het kader van de herziene energie-efficiëntierichtlijn over de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2030 een cumulatieve energiebesparing moeten verwezenlijken die equivalent is aan jaarlijkse nieuwe besparingen van minimaal 0,8% ten opzichte van het finaal energiegebruik (Artikel 7 van de energie-efficiëntierichtlijn). Het FF55-voorstel trekt dit op naar 1,5% per jaar voor de periode 20242030. De realisatie van deze doelstellingen is ook één van de pijlers van de Europese Energie-Unie, die een duurzaam, betaalbaar, competitief en betrouwbaar energiesysteem nastreeft. De Europese Commissie heeft op 15 december 2021 het tweede deel van haar Fit for 55-pakket gepubliceerd, waarin ze vier initiatieven voorstelt: herziening richtlijn energieprestatie van gebouwen; wetgevingspakket koolstofarme en hernieuwbare gassen; verordening uitstoot van methaan door de energiesector; mededeling ter bevordering van koolstofopslag.

117


Moonshot Vlaanderen CO2-arm: industrieel innovatieprogramma De Moonshot is een toekomstgericht industrieel innovatieprogramma, opgestart door de Vlaamse overheid in 2019. In plaats van naar de maan willen we met Vlaanderen naar een CO2-neutrale industrie tegen 2050. Binnen het initiatief werken Vlaamse kenniscentra, overheid en industrie samen aan doorbraaktechnologieën die vanaf 2040 moeten zorgen voor nieuwe klimaatvriendelijke producten en processen. Zo draagt de Vlaamse industrie haar steentje bij aan de Europese klimaatdoelstellingen en aan de afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs. Om deze doorbraaktechnologieën mogelijk te maken, investeert de Vlaamse overheid tussen 2020 en 2040 jaarlijks 20 miljoen euro in het Moonshot-initiatief. In totaal gaat het dus om maar liefst 400 miljoen euro. De Moonshot heeft tot doel om tegen 2040 technologische doorbraken te realiseren, zowel in producten als in processen, die op hun beurt tegen 2050 kunnen bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen in een economische leefbare context. Vlaanderen wil met deze Moonshot op innovatievlak een voortrekkersrol spelen door de komende twee decennia fundamentele doorbraken na te streven in het basisonderzoek aan de kennisinstellingen en die vervolgens toe te passen in de energie-intensieve industrieën (voornamelijk chemie, raffinage en staal).

Momenteel lopen er vier onderzoekstrajecten (MOT): -

MOT 1: Biogebaseerde chemie MOT 2: Circulariteit van koolstof in materialen MOT 3: Elektrificatie en radicale procestransformatie MOT 4: Energie-innovatie

5. Flanders’ Care Flanders’ Care heeft de missie: "op aantoonbare wijze en door innovatie het aanbod van kwaliteitsvolle zorg

verbeteren en verantwoord ondernemerschap in de zorgeconomie te stimuleren." Flanders' Care is een programma van de Vlaamse overheid dat streeft naar een verbetering van de zorgkwaliteit door - via innovatie - verantwoord ondernemerschap in de zorgeconomie te stimuleren. Het doel is om de vooruitgang in wetenschap en technologie in te zetten in de zorgsector en tegelijk een economische meerwaarde te creëren voor Vlaamse bedrijven. Een snel evoluerende maatschappelijke, economische, technologische en zorg- en welzijnsomgeving, maakt dat Vlaanderen (en aldus ook de Vlaamse overheid) absoluut verder moet inzetten op het realiseren van synergie tussen de ondernemerswereld, de zorg en de kenniscentra. En dit doen we met Flanders' Care 2.0. Actieplan 2.0 voor Flanders’ Care De Vlaamse Regering keurde op vrijdag 5 februari 2016 het Actieplan Flanders’ Care 2.0 goed. Voor het opbouwen van het Actieplan 2.0 werd gebruik gemaakt van de fundamenten die in de vorige legislatuur werden gelegd. Een snel evoluerende maatschappelijke, economische, technologische en zorg- en welzijnsomgeving, noopt Vlaanderen ertoe verder in te zetten op het realiseren van synergie tussen de ondernemerswereld, de zorg en de kenniscentra. De Vlaamse gezondheidszorg geldt als één van de meest kwaliteitsvolle ter wereld, heeft een grote toegankelijkheid en de kostprijs is in vergelijking met andere Westerse landen vrij laag. Flanders’ Care 2.0

118


zal dan ook permanent oog hebben voor de kwaliteit van zorg en welzijn en aansluiting zoeken bij het Vlaamse beleid rond kwaliteitsindicatoren. 1.

Er wordt rekening gehouden met de megatrends. Het “internet of things”, de doorbraak van artificiële intelligentie, de mogelijkheden van robotica en 3D-printing, de explosie van slimme materialen, … Het zijn maar enkele van de innovaties waar we mee geconfronteerd worden.

2.

We moeten ook nadenken over nieuwe organisatievormen in de zorgsector waarbij innovatie en verantwoord ondernemerschap alle kansen moet krijgen.

3.

Health in All Policies is een voorwaarde voor een geïntegreerde zorg. Deze holistische visie vereist een gedeeld eigenaarschap van alle sectoren en actoren.

4.

De burger wordt steeds mondiger en dat leidt ons ertoe dat we veel belang hechten aan het feit dat de zorgbehoevende als het ware (mede-)regisseur wordt.

5.

De mate van noodzaak, sense of urgency, is nog niet bij alle actoren even duidelijk. Vandaar dat we ambassadeurs nodig hebben die de visie van Flanders’ Care mee uitdragen.

Aan de missie van Flanders’ Care wordt via onderstaande actielijnen concreet gestalte gegeven: -

Gegevensdeling M-health Assistieve technologie en medische hulpmiddelen Chronisch zorgmodel Nieuwe samenwerkings- en businessmodellen Zorg voor talent Internationalisering Aandacht voor ethische uitdagingen

Flanders’ Care 2.0 kiest nadrukkelijk voor een aanpak die gedragen wordt over de verschillende beleidsdomeinen heen. Het Actieplan Flanders’ Care wordt dan ook gezien als een vlaggenschip dat over beleidsdomeinen een aantal noodzakelijke transities in Vlaanderen wil stimuleren en verder op de kaart zetten. Samenwerking tussen de verschillende stakeholders is essentieel om innovatie en ondernemerschap in de zorg te creëren. Het verbinden van alle betrokken partijen is cruciaal om oplossingen te verkrijgen op maat en op vraag van de gebruiker. Deze samenwerking kan op verschillende manieren tot stand komen. Ze kan gestimuleerd worden binnen projecten, maar ook organisch groeien en zo leiden tot grote samenwerkingsverbanden. Het gedetailleerd actieplan en meer informatie is te vinden op de website van Flanders’ Care.

119


Hoofdstuk 8 Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 1. Situering Binnen de EU-begroting is voor de zevenjarige periode 2014-2020 bijna 470 miljard euro voorzien voor de Europese Structuur en Investeringsfondsen (ESI-fondsen) binnen de 28 lidstaten van de Europese Unie. De ESI-fondsen omvatten het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF) het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Het Cohesiefonds kent geen uitvoering in Vlaanderen. De ESI-fondsen vormen één van de belangrijkste investeringsinstrumenten van de EU om de Europa 2020 doelstellingen te verwezenlijken: o.a. groei en banen scheppen, de klimaatverandering en de energieafhankelijkheid aanpakken en de armoede en sociale uitsluiting terugdringen. Daarnaast moeten deze fondsen de economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Europese Unie versterken en bestaande onevenwichtigheden tussen de regio’s terugdringen. Het VLAIO coördineert het beheer van EFRO. In het kader van dit hoofdstuk wordt enkel ingezoomd op het lopende EFRO dat op 31/12/2023 definitief afsluit. . In de loop van 2022 zal de nieuwe EFRO programmaperiode 2021-2027 opstarten. Hierover zal in een toekomstige versie van deze Speurgids gerapporteerd worden

2. EFRO algemeen: 380,8 miljoen euro Europese middelen voor Vlaanderen De Structuurfondsen worden voor de periode 2014-2020 georganiseerd rond 2 grote doelstellingen: -

-

120

‘Investeren in groei en werkgelegenheid’: met nadruk op de minder ontwikkelde regio’s binnen de Unie >> hieronder vallen de 208,8 miljoen euro Europese middelen voor het EFRO Vlaanderen programma; ‘Europese Territoriale Samenwerking’: ter bevordering van grensoverschrijdende, transregionale en interregionale samenwerking >> hieronder vallen de 172 miljoen euro Europese middelen voor het EFRO Interreg programma in Vlaanderen.


Figuur 33 Structuurfondsen per doelstelling en per periode (in miljoen euro) 400 319,6

350

380

300 250

201

200

208

175,6 118,6

150 100 50 0 EFRO - Vlaanderen

EFRO - Interreg 2007-2013

EFRO - Vlaanderen + Interreg

2014-2020

Het EFRO Vlaanderen programma valt onder de eerste doelstelling en subsidieert projecten die het regionaal Vlaamse concurrentievermogen vergroten en werkgelegenheid stimuleren. Op een totale enveloppe van 632,5 miljoen euro voor deze eerste doelstelling gaat er 208,8miljoen euro naar het EFRO Vlaanderen programma. Het resterende bedrag zijn middelen voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). Het EFRO Vlaanderen programma werd in 2021 aangevuld met de nieuwe prioriteit React-EU (Recovery Assistance for Cohesion and the Territories of Europe). React-EU is een nieuw, kortlopend programma (budgetjaren 2021-2023) waarmee de EU reageert op de coronacrisis en dat is uitgewerkt in de vorm van een extra prioriteit in het OP 2014-2020. De EFRO Interreg programma’s vallen onder de tweede doelstelling en subsidiëren internationale samenwerkingsprojecten op het vlak van regionale ontwikkeling. Vlaanderen verkreeg een bijdrage van 172 miljoen euro om bij te dragen aan de verschillende Interreg programma’s waarin het participeert. De bijdragen van partnerregio’s en lidstaten worden daarbinnen volgens een common pot principe beheerd.

3. Het EFRO Vlaanderen programma: 208.8 miljoen euro Europese middelen A. Wat komt in aanmerking? Het operationeel meerjarenprogramma 2014-2020 werd initieel opgebouwd rond 4 inhoudelijke prioriteitsassen en één as Technische Bijstand. Als reactie op de coronacrisis werd een extra inhoudelijke as React-EU uitgewerkt, met opnieuw een bijhorende as Technische Bijstand. Samen vormt dit een EFRO budget van 208,8 miljoen euro. ‒ ‒ ‒ ‒ ‒

As 1: Stimuleren van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (87,6 miljoen euro) As 2: Versterken van het concurrentievermogen van kmo's (28,9 miljoen euro) As 3: Bevorderen van de overgang naar een koolstofarme economie (35,21 miljoen euro) As 4: Bevorderen van een duurzame grootstedelijke ontwikkeling (16,9 miljoen euro) As 5: Bevorderen van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (31,8 miljoen euro)

Verder wordt voor 3 gebieden een “Geïntegreerde Territoriale Investeringen” strategie toegepast, waarbij op een complementaire manier, gelabelde middelen uit verschillende fondsen (EFRO en ESF) worden ingezet:

121


-

-

GTI Limburg: inspelend op de specifieke reconversieproblematiek in de provincie, als gevolg van de sluiting van Ford Genk, met als basis, het ‘Strategisch Actieplan voor Limburg in het Kwadraat – SALK’ (45 miljoen euro EFRO middelen); GTI West-Vlaanderen: gebaseerd op het strategisch plan ‘West Deal’ voor een toekomstgerichte transformatie van de provincie West-Vlaanderen (21,9 miljoen euro EFRO middelen); GTI Kempen: inspelend op de socio-economische en territoriale uitdagingen van dit gebied, met als basis, het ‘Dynamisch Actieplan Kempen – Dynak’ (10 miljoen euro EFRO middelen)

Acties in een GTI-gebied moeten beantwoorden aan een dubbel criterium: aansluiten bij de eigen regionale strategie en passen binnen de specifieke doelstellingen van het OP.

Figuur 34 Budget per prioriteitsas van het operationeel programma (2014-2020; in miljoen euro) 87,6

35,2

31,8 6,9

React-EU technische bijstand

1,3 React-EU

Duurzame stedelijke ontwikkeling

Overgang koolstofarme economie

Concurrentievermogen kmo's

16,9

Technische bijstand

28,9

Onderzoek, TO & Innovatie

100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

B. Wie komt in aanmerking? Het EFRO-programma is vooral bedoeld voor projecten van publieke actoren. Private actoren kunnen evenwel in aanmerking komen op voorwaarde dat ze rechtspersoonlijkheid hebben in Vlaanderen en de Europese regels voor staatssteun respecteren. Prioriteitsas 4 (Bevorderen van een duurzame grootstedelijke ontwikkeling) is enkel toegankelijk voor actoren uit de steden Antwerpen en Gent.

C. Omvang steun De EFRO-subsidie voor de periode 2014-2020 bedraagt maximaal 40% van de totale subsidiabele projectkost. Voor React-EU is 100% Europese cofinanciering mogelijk. Het project moet zelf de overige financiering voorzien. Deze financiering kan zowel afkomstig zijn van de projectpartners (promotor, eventuele copromotoren) als van lokale en regionale overheden en/of de private sector. De hoogte en het % aan EFRO en andere publieke financiering(en) is in geval van dossiers waar staatsteunregels gelden, wel afhankelijk van de EU voorschriften hieromtrent.

122


Het EFRO budget 2014-2020 bedraagt 208.8 miljoen euro voor geheel Vlaanderen waarvan er 45 miljoen euro gereserveerd is voor de GTI Limburg (zie hierboven). In 2021 werden verspreid over de verschillende prioriteiten en GTI’s - 6 projectoproepen gelanceerd, gericht op het versterken van de Vlaamse KMO’s (o.m. via intergemeentelijke samenwerking en digitalisering naar ondernemers, van innovatieve bedrijfsmodellen en internationalisering), het stimuleren, energetische renovaties en het bevorderen van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (innovatieve, groene en digitale transitie). Daarbij werden 22 projecten goedgekeurd door de Managementautoriteit voor een totale EFRO-steun van 33.7 miljoen euro. Hiervan werden 3 projecten binnen het bevoegdheidsdomein van het Agentschap, gecofinancierd vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen voor een totaal bedrag van 0,4 miljoen euro. Tabel 20 Stand van zaken van de uitvoering van het programma eind 2020

Prioriteit

Beschikbaar budget (miljoen euro)

Toegekende EFRO – steun (miljoen euro)

Goedgekeurde projecten

%

Prioriteit 1 - Stimuleren van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie

87,63

91,38

104,27

78

Prioriteit 2 - Versterking van het concurrentievermogen van KMO’s

28,88

29,25

101,31

109

Prioriteit 3 - Ondersteunen van overgang naar koolstofarme economie

35,21

35,90

101,96

55

Prioriteit 4 -Bevorderen van een duurzame stedelijke ontwikkeling

16,93

18,18

107,39

17

6,9

6,9

100

9

31,85

31,77

99,76

19

1,33

0

0

0

208,77

213,42

102,23

287

Prioriteit 5 - Programmawerking Prioriteit 6 – React-EU Prioriteit 7 – React-EU programmawerking Totaal

4. De EFRO Interreg programma’s: 172 miljoen euro Europese middelen Waar staat Interreg voor? EFRO Interreg is een verzamelnaam voor meerdere programma’s die - samen met andere EU Fondsen of programma’s (bijv. Horizon 2020) - functioneren binnen hetzelfde EU 2020 kader en gericht zijn op duurzame groei en jobs. Samen met het EFRO Vlaanderen programma vormen Interreg programma’s het EFRO luik van het Cohesiebeleid in Vlaanderen. Binnen dit EFRO luik wordt volop gefocust op de transformatie of structurele aanpassing van onze regionale economie. Vlaanderen heeft de keuze gemaakt om de Interreg programma’s in grote mate in te zetten als een versterkend instrument ten opzichte van het programma EFRO Vlaanderen. Elk programma is georganiseerd volgens vooraf afgebakende geografische regio’s (een grensregio, een groepering van meerdere landen, heel de EU28…) waarvoor een meer-jaren actieprogramma met gedeelde

123


prioriteiten en uitdagingen overeengekomen werd door de deelnemende EU lidstaten en regio’s als Vlaanderen. Er zijn drie soorten programma’s die Vlaanderen beheert en uitvoert in samenwerking met andere regio’s:

Grensoverschrijdende programma's Dit zijn programma’s die gericht zijn op samenwerking tussen aangrenzende regio’s van buurlanden. Vlaanderen neemt deel aan 4 programma’s met volgend EFRO budget: -

Grensregio Vlaanderen- Nederland (152 miljoen euro); Euregio Maas-Rijn (96 miljoen euro); Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen (170 miljoen euro); 2 Seas (257 miljoen euro).

Transnationale programma's Dit zijn programma’s die een groter gebied beslaan en gericht zijn op een bredere samenwerking tussen meer regio’s. Vlaanderen neemt deel aan twee programma’s met volgend EFRO budget: -

Noordzee Regio (167 miljoen euro); Noordwest Europa (396 miljoen euro).

Interregionale programma's Dit zijn meer thematische samenwerkingsverbanden tussen regio’s en kennen geen geografische afbakening in tegenstelling tot de vorige twee programma’s. Vlaanderen neemt deel aan vier programma’s met volgend EFRO budget: -

Interreg (359 miljoen euro); URBACT (74 miljoen euro); INTERACT (39 miljoen euro); ESPON (49 miljoen euro).

Wat komt in aanmerking? Alle Interreg programma’s focussen op een beperkt aantal aspecten van kernthema’s uit EU2020 die op hun beurt doorvertaald werden naar de context van een programmagebied: -

Overgang naar een kenniseconomie en versterking van innovatie; Overgang naar een koolstofarme economie; Versterken van het concurrentievermogen van KMO’s; Valorisatie en duurzaam gebruik van milieu en/of hulpbronnen.

Kernthema’s als klimaatverandering en een verbetering van de levenskwaliteit voor burger kleuren verder mee de invulling van deze thema’s. Het doel van EFRO Interreg is het mee stimuleren van transities binnen scherp afgebakende onderdelen van bovenstaande domeinen en waarvoor een geïntegreerde internationale aanpak vereist is door een veelheid aan spelers, sectoren en bestuursniveaus. Projecten hebben een hoog open innovatie gehalte en mogen geen onmiddellijk commercieel en/of winstgevend karakter hebben. Verder moeten ze passen binnen wettelijke beperkingen inzake staatssteun.

124


Wie komt in aanmerking? De publieke projectmiddelen uit deze programma’s zijn bestemd voor consortia van overheden, onderzoeksen kennisinstellingen, het bedrijfsleven en NGO’s die transitieprojecten met een langetermijnperspectief wensen uit te voeren waarvan ondernemingen en burgers beter worden. Als dusdanig vormen ze geen financieringskanaal voor individuele bedrijfsprojecten of voor projecten met een kortetermijnperspectief. De uiteindelijke begunstigden van Interreg projecten zijn ondernemingen en burgers in heel Europa. Projecten hebben een hoog open innovatiegehalte en mogen geen onmiddellijk commercieel en/of winstgevend karakter hebben. Verder moeten ze passen binnen wettelijke beperkingen inzake staatssteun.

Omvang steun De Interreg programma’s waarin Vlaanderen participeert beschikken over een gezamenlijk EFRO budget van ruim 1,7 miljard euro aan EFRO middelen. De grensoverschrijdende en transnationale programma's kunnen gemiddeld tot 50% à 60% financieren van de totaal goedgekeurde projectkosten. In het geval van interregionale samenwerkingsprogramma’s kan dit oplopen tot 85%. De overige financiering wordt (aan)gedragen door de projectindieners. Deze kunnen hiervoor eventueel aankloppen bij de bevoegde Vlaamse minister, andere overheden of private partijen. De hoogte en het percentage aan EFRO en andere publieke financiering(en) is in geval van dossiers waar staatsteunregels gelden wel afhankelijk van de EU voorschriften hieromtrent. Op datum van 1/1/2022 zijn binnen de programma’s waarin Vlaanderen participeert nagenoeg 100% van de beschikbare EFRO middelen voor projectwerking toegewezen. De programma's plannen in 2022 geen (grote) open oproepen meer en zullen eventuele restmiddelen van afgesloten projecten overwegend recycleren via kleine gerichte oproepen of kleine bijkomende kapitalisatie acties voor en door reeds goedgekeurde projecten. Wat het Fonds Innoveren en Ondernemen betreft, werden in 2021 in totaal 8 nieuwe Interreg steundossiers vastgelegd voor een totaal bedrag van 0,67 miljoen euro.

125


Deel 2 Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid: 3,977 miljard euro


Inleiding: definities en actoren in het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) Waar in deel 1 de instrumenten en budgetten van het Vlaams economisch beleid werden toegelicht, focust deel 2 op de instrumenten en middelen van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid. In deze inleiding verduidelijken we voorafgaand enkele geldende internationale definities die we in dit deel hanteren. Vervolgens staan we stil bij het overheidslandschap waarbinnen het wetenschaps- en innovatiebeleid plaatsvindt.

1. Internationale definities: terminologische driedeling Dit deel geeft een overzicht van wat het wetenschaps- en innovatiebeleid precies inhoudt. Hiervoor respecteren we internationaal gehanteerde definities. Wil men internationale vergelijkingen mogelijk maken, dient men zich immers te houden aan de internationale afspraken. De term wetenschappelijke activiteiten, zoals gedefinieerd in de “Recommendation concerning the International Standardisation of Statistics on Science and Technology” – UNESCO, 1978 (Canberra- Manual – OESO, Parijs, 1995, p. 67) omvat een drieluik: 1)

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “op stelselmatige wijze uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen” (Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 44). Het is m.a.w. elke wetenschappelijke activiteit die tot doel heeft wetenschappelijke kennis te ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen (ontwikkeling). Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden: de uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd als O&O; de fases die daarop volgen (design, testproductie, commercialisering, …) niet meer.

2)

Onderwijs en Vorming (O&V): “alle opleidingen en vormingen van personen in natuur-, ingenieurs-, medische wetenschappen, agricultuur, sociale- en humane wetenschappen in universiteiten en andere instelling voor hoger en postsecundair onderwijs” (Frascati-Manual, OECD, 2002, p. 31). Het betreft dus de financiering van de wetenschappelijke opleiding, bijvoorbeeld het deel van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten, dat wordt aangewend voor het verstrekken van onderwijs. Het deel dat wordt aangewend voor onderzoek zit in O&O.

3)

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening (W&T): “activiteiten met betrekking tot

onderzoek en ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis” (Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 379). Dit gaat om elke vorm van dienstverlening, zoals het uitvoeren van routinemetingen (zoals medische routineanalyses), wetenschappelijke en technologische informatieverstrekking (bijv. door bibliotheken of informatiecentra) en gegevensverzameling van algemeen belang (o.a. verzamelen van gegevens over sociaaleconomische fenomenen). Beleidsgerelateerde studies en de werkzaamheden van administratieve entiteiten rond de analyse, evaluatie en monitoring van externe fenomenen zijn hierin inbegrepen. Het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid omvat dan ook deze drie activiteiten: O&O, O&V en W&T. De verdere analyses zullen volgens deze terminologische driedeling verlopen. De optelsom O&O + O&V + W&T duiden we aan met WIB (wetenschaps- en innovatiebeleid).

128


Vooral de activiteit ‘O&O’ is belangrijk, gezien die internationaal gebenchmarkt wordt en zowel nationaal als regionaal aan streefdoelen gekoppeld is.

2. Overheidslandschap van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid Onderstaand wordt een bondig beeld geschetst van de overheidsstructuur voor het beheer van het wetenschaps- en innovatiebeleid. Achtereenvolgens komen het beleidsdomein EWI, de andere beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid en de vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen aan bod. Figuur 35 Organogram van het beleidsdomein EWI

51

Duiding bij het organogram vindt de lezer in deel 1 (zie p. 51).

Voor de volledigheid wijzen we erop dat ook het Agentschap Plantentuin Meise evenals de Vlaamse Participatiemaatschappij (VPM) tot het beleidsdomein EWI behoren. De Plantentuin Meise is sinds 1 januari 2014 een agentschap van de Vlaamse overheid. Het is een internationale wetenschappelijke onderzoeksinstelling en een botanische tuin die vooral de tropische en Europese plantkunde centraal stelt. De openbare investeringsmaatschappij VPM heeft als enige opdracht het aanhouden van bijna 27% van de aandelen van het Vlaams Gewest in de beursgenoteerde vennootschap Gimv en vormt haar referentieaandeelhouder. Daarom vermelden we ze niet specifiek in het organogram. De SERV behoort dan weer formeel niet tot het beleidsdomein EWI, maar tot het beleidsdomein Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Gezien haar centrale rol als strategische adviesraad voor het beleidsveld Economie vermelden we ze. 51

129


3. Andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse overheid 52 Het wetenschapsbeleid is een horizontaal beleid en situeert zich binnen de tien beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. De beleidsdomeinen zijn bevoegd voor de wetenschapspolitieke initiatieven die hun beleid ondersteunen en gestalte geven. Naast EWI zijn er deze beleidsdomeinen, met uiteraard een belangrijke rol voor het beleidsdomein Onderwijs en Vorming: -

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ) Financiën en Begroting (FB) Onderwijs en Vorming (OV) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG) Cultuur, Jeugd en Media (CJSM) Werk en Sociale Economie (WSE) Landbouw en Visserij (LV) Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) Omgeving (OMG)

52 Sinds 1 april 2017 vormen de vroegere departementen Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en Ruimte Vlaanderen (RV) het nieuwe departement Omgeving. In september 2020 fusioneerden de beleidsdomeinen Kanselarij en Buitenlandse Zaken (KB) en internationaal Vlaanderen (IV) tot het beleidsdomein KBBJ.

130


4. De vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO - beleidsdomein Omgeving) -

-

verricht beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek inzake behoud, ontwikkeling, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en haar milieu; verleent wetenschappelijke diensten ter ondersteuning van het beleid en van de doelgroepen, onder andere door advisering, experimentele analyses, het aanreiken van producten, technieken, concepten en documentatie; rapporteert periodiek over de toestand van de natuur en het natuurlijke milieu, over de effecten van het milieubeleid en de mate waarin de vooropgestelde milieubeleidsdoelstellingen werden bereikt, maakt toekomstverkenningen en evalueert de kennis en de monitoring ervan.

Agentschap ‘Onroerend Erfgoed’ (beleidsdomein Omgeving) Sinds 1 juli 2011 zijn het vroegere VIOE (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed) en het deel ‘Erfgoed' van het agentschap Ruimte en Erfgoed één agentschap met de roepnaam ‘Onroerend Erfgoed’. Het agentschap Onroerend Erfgoed wil ‘De zorg voor onroerend erfgoed voor iedereen vanzelfsprekend maken om Vlaanderen nu en straks mee vorm en kleur te geven.’ Dit wil het agentschap doen door onroerend erfgoed een meer zichtbare plek en betekenis te geven, vertrekkende van een langetermijnvisie: -

via een geïntegreerde aanpak en in dialoog met een breed netwerk, door kaders en instrumenten te ontwerpen en in te zetten, met medewerkers, gepassioneerd door erfgoed en met een rijke en diverse expertise, op een wetenschappelijk onderbouwde manier, toonaangevend en inspelend op maatschappelijke en internationale ontwikkelingen, voor een heldere en transparante erfgoedzorg in een wereld in verandering.

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen (KMSKA – beleidsdomein CJSM) Het KMSKA: -

-

verwerft, conserveert, restaureert en exposeert eigen kunstbezit, verricht wetenschappelijk onderzoek, publiceert fondscatalogi en jaarboeken, organiseert tentoonstellingen in het KMSKA zelf en in het buitenland, organiseert educatieve activiteiten: vorming van educatieve assistenten, cursussen voor volwassenen, lessen voor leerkrachten en scholen, rondleidingen, voordrachten en jeugdateliers, publicaties, organiseert documentaire activiteiten: vakbibliotheek, archief en collectieregister.

131


Instituut voor Landbouw- en visserijonderzoek (ILVO – beleidsdomein LV) Het ILVO: -

-

-

coördineert en voert beleidsonderbouwend wetenschappelijk onderzoek uit en de daaraan verbonden dienstverlening met het oog op een duurzame landbouw en visserij in economisch, ecologisch, sociaal en maatschappelijk perspectief, bouwt de nodige kennis op voor de verbetering van producten en productiemethoden, voor de bewaking van de kwaliteit en de veiligheid van de eindproducten en ter verbetering van beleidsinstrumenten als basis van sectorontwikkeling en agrarisch plattelandsbeleid, informeert het beleid, de sectoren en de maatschappij daarvoor regelmatig.

Onderstaand wordt in hoofdstuk 9 het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 10 een analyse gemaakt van het “horizontaal begrotingsprogramma” wetenschaps- en innovatiebeleid.

132


Hoofdstuk 9 Het wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht De financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) vanuit de Vlaamse overheid kent drie bronnen: 1.

het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI)

2.

het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (OV)

3.

en de ‘8 andere beleidsdomeinen’ van de Vlaamse overheid.

We lichten de financiering vanuit deze bronnen achtereenvolgens toe. Steeds worden per financieringsbron de beleidskredieten in meer detail besproken. Begrotingstechnisch betreffen het vastleggingskredieten (VAK): het bedrag aan verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar mogen aangegaan worden.

1. Wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door het Beleidsdomein EWI De initiële vastleggingskredieten in 2022 voor wetenschap en innovatie die rechtstreeks ressorteren onder de minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid bedragen 1,581 miljard euro, waarvan bijna 1,499 miljard euro gecatalogeerd wordt als ‘onderzoek en ontwikkeling’ (O&O). We werpen nu een blik op de begroting van het beleidsdomein EWI zoals opgenomen in de parlementaire documenten. De zes programma’s worden hieronder weergegeven: -

EA: Apparaatskredieten EB: Provisies EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EE: Wetenschappelijk onderzoek, excellentie voor alles EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie.

De verantwoordelijkheden van het Departement EWI situeren zich in de zes programma’s, maar het aandeel in het programma EC is beperkt. De verantwoordelijkheden van het VLAIO situeren zich via het Fonds Innoveren en Ondernemen (FIO) onder programma’s EC en voor de apparaatskredieten onder EA.

53

Onderstaand worden de bovenvermelde zes begrotingsprogramma’s geanalyseerd. Het programma EB “Provisies” is opgenomen sinds de begroting 2019i. De kredietlijnen die in de begrotingsdocumenten hieronder vallen brengen we evenwel onder bij programma EE waartoe ze voordien

53

79

FIO is het vroegere Hermesfonds bij VLAIO.


behoorden. Deze hergroepering laat toe om meer inhoudelijke analyses te maken en om historische tijdsreeksen verder door te trekken. De individuele kredietlijnen uit het definitieve budget 2021 en de initiële begroting 2022 worden per programma weergegeven en onderverdeeld volgens type (zoals uiteengezet in de inleiding van Deel 2, pagina 127): -

134

O&O: onderzoek en ontwikkeling O&V: onderwijs en vorming W&T: wetenschappelijke en technologische dienstverlening.


Begrotingsopstappen afgesproken bij de regeringsvorming Bij de regeringsvorming werden voor de legislatuur 2019-2024 voor het beleidsdomein EWI budgettaire opstappen voorzien. Het betreft zowel recurrente opstappen als (eenmalige) investeringsmiddelen. Tabel 21 Overzicht van EWI-budgettaire opstappen (2019-2024, in miljoen euro)

Jaar 2020 2021 2022 2023 2024 Totaal

Recurrente opstap (in miljoen euro)

+ 20 + 30 + 40 + 60 + 100 250

Investeringsmiddelen (in miljoen euro)

10 25 40 45 75 195

Voor duiding bij de opstap 2020 verwijzen we naar de Speurgids 2020 of naar Bijlage 1 in deze Speurgids. Begrotingsopstappen 2021 Conform de afspraken werd bij begrotingsopmaak 2021 een opstap van 30 miljoen euro recurrente middelen voorzien. Die opstapmiddelen werden geïnvesteerd in onderstaande domeinen. Tabel 22 Overzicht van de belangrijkste recurrente opstappen in 2021 voor het beleidsdomen EWI (in miljoen euro)

Recurrente EWI-opstapmiddelen 2021

30

o.a. Impulsprogramma zorg en gezondheid

6,3

InnovOcean Vliz-Ilvo gebouw

8,3

Edtech

1,8

Supernova Space

1

SolidLab

2

Waterklimaat hub bij Vito

3

Energyville convenant

3

ITG

1

Bio-economie

1

Vlaanderen circulair

1

Impulsprogramma ruimtevaarteconomie

0,5

100 Gigabit readiness

0,3

Daarnaast waren er in 2021 voor 25 mio € eenmalige investeringsmiddelen. De in 2020 aan het FWO voor onderzoeksinfrastructuur toegekende 10 mio € kon het FWO behouden en daaraan werd nog 15 mio € toegevoegd.

135


Begrotingsopstappen 2022 Conform de afspraken werden bij begrotingsopmaak 2022 een opstap van 40 miljoen euro recurrente middelen en 40 miljoen euro investeringsmiddelen voorzien. Tabel 23 Recurrente opstapmiddelen en bijkomende investeringsmiddelen in 2022 voor het beleidsdomein EWI (in miljoen euro)

Recurrente EWI-opstapmiddelen 2022 o.a.

40

Versterking en extra activiteiten in het kader van de nieuwe vijfjarige convenant met imec Versterking en extra activiteiten in het kader van de nieuwe vijfjarige convenant met VIB Opstap voor VLIZ n.a.v. het nieuw vijfjarig convenant Opstap Flanders Make conform convenant Versterking fundamenteel onderzoek FWO ITG Eenmalige investeringsmiddelen voor O&O-infrastructuur 2022

15 10 1,5 6,5 7,5 1 40

o.a. Continuering in 2022 van de in 2020 (10 mio €) en 2021 (15 mio €) toegekende investeringsmiddelen aan het FWO Infrastructuurproject imec Infrastructuurproject VIB Infrastructuurproject vito Infrastructuurproject VLIZ

25 2 2 4 2

Naast de recurrente opstapmiddelen en de eenmalige investeringsmiddelen zijn er ook de extra middelen voor het Beleidsdomein EWI in het kader van het Vlaamse relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’. Voor het beleidsdomein EWI betreft het 631 mio € eenmalige middelen die tussen 2021 en 2026 geïnvesteerd worden in het EWI-beleidsdomein, maar vastgelegd dienen te zijn eind 202 In 2021 werd reeds 170 mio € vastgelegd. Deze bedragen zitten in de begrotingscijfers 2021 in deze Speurgids reeds vervat. De Vlaamse Veerkrachtmiddelen 2022 daarentegen zijn nog niet opgenomen in voorliggende Speurgids 2022.

136


Tabel 24 Vlaamse Veerkrachtmiddelen, vastgelegd in 2021 voor economie en O&O (budget in miljoen euro)

Relanceprojecten

budget

Economie

12,986

Blue Deal – Economie

1,624

Circulair bouwen

1,971

Circulaire economie

0,061

Investeren in kernversterking via projectoproepen

3,644

Ondersteuning bedrijven

4,719

Smart Cities

0,8

Spending reviews

0,167

O&O

157,662

Bio-economie

1,277

Blue Deal

2,275

Circulair bouwen

0,672

Circulaire economie

1,278

Uitbouw van wetenschappelijke infrastructuur (ICOS, COB, …) & participatie aan internationale onderzoeksinfrastructuren

101,135

Versterking O&O bedrijven

30

Versterking onderzoeksveld en versnelling O&O

21,025

Eindtotaal

170,648

137


1.1. Programma ‘Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles’ (PROG EE): 830,95 miljoen euro De algemene beleidslijnen van dit programma zijn: (1) het versterken van het algemeen kennisverruimend fundamenteel onderzoek en (2) het versterken van het strategisch basisonderzoek . Het programma valt onder het beheer van het Departement EWI. De doelgroepen zijn de onderzoekers van universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen.

1.1.1. Evolutie van programma EE Onder programma EE worden bij begrotingsopmaak 2022 36 miljoen minder voorzien dan bij begrotingsaanpassing 2021. De daling situeert zich vooral bij het FWO ten belope van 52 miljoen euro door budgetaire fluctueringen (voor meer details zie verder “Het FWO in detail”). Ook de recurrente O&O provisie voor 2022, in gevolge de O&O-opstap, situeert zich in dit programma ten belope van 8,5 miljoen euro. Tabel 23 geeft het budget 2021 na begrotingsaanpassing en het initieel budget 2022 per kredietlijn weer. De kredietlijnen worden inhoudelijk gerangschikt 54. Figuur 34 toont de evolutie van de kredieten voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het begrotingsprogramma wetenschappelijk onderzoek - excellentie voor alles van 2008 tot 2022BO. Deze figuur dient omzichtig geïnterpreteerd te worden omwille van de fluctuaties in de machtigingen van het FWO die op hun beurt het gevolg zijn van meerjarige oproepen (EOS, Odysseus, infrastructuur, …), die in het ene jaar plaatsvinden en budgettair vastgelegd worden en dan wegvallen in de volgende jaren tot er een nieuwe oproep plaatsvindt. Ook eenmalige investeringen die in een bepaald jaar plaatsvinden spelen een rol, want die vallen het daaropvolgende jaar weer weg. Figuur 36 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles (PROG EE) 2008-2022BO (miljoen euro) 1000,00 900,00 800,00 700,00 600,00 500,00 400,00 300,00 200,00 100,00 0,00

327,35 308,13 302,26 310,91 2008 2009 2010

2011

445,33 461,35 477,05 473,07

2012

2013

2014

2015

718,98 641,90 607,60 683,08 550,77

2016

2017

2018

2019

2020

866,74 830,95

2021

2022

Onder programma EE worden kredietlijnen besproken uit programma EB ‘Provisies’ en programma EF ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’. Historisch werden ze meegenomen onder programma EE. Om de vergelijking met vorige Speurgidsen te waarborgen en om historische tijdslijnen te kunnen doortrekken worden ze hier ook onder programma EE opgenomen. Bovendien werden de middelen vastgelegd onder de O&O provisie in oktober 2018 later reeds verdeeld hoewel ze in de begroting nog onder de algemene provisie onder programma EB werden voorzien. 54

138


1.1.2. Het FWO in detail Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) verwerft de meeste middelen binnen dit programma, in totaal 456 miljoen euro (Tabel 25). Voor haar werking krijgt FWO bij begrotingsopmaak 2022 15,83 miljoen euro. Deze kredietlijn wordt gecategoriseerd als wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T) en niet als O&O-middelen. De andere kredietlijnen voor FWO worden wel gelabeld als O&O en deze onderzoeksmiddelen bedragen in totaal 440 miljoen euro. De onderzoeksmiddelen van het FWO zijn onder te verdelen in vier pijlers: fundamenteel onderzoek, strategisch basisonderzoek 55, klinisch wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksinfrastructuur (zie Tabel 25). Tabel 25 Overzicht van de onderzoeksmiddelen van het FWO per pijler bij begrotingsopmaak 2022, in miljoen euro

2022BO Pijler 1: Fundamenteel Onderzoek

246,63

Mandaten

89,06

Onderzoeksprojecten

157,57

Excellence of Science programma (EOS) Pijler 2: Strategisch Basisonderzoek

76,98

SBO

38,86

SB-beurzen

38,12

Pijler 3: Klinisch Wetenschappelijk onderzoek

17,98

Toegepast Biomedisch Onderzoek (TBM)

12,11

Fundamenteel klinische mandaten (FKM)

5,87

Pijler 4: Onderzoeksinfrastructuur Middelzware en zware infrastructuur

98,54 28

European Strategic Fund Research Infrastructures (ESFRI) en Big Science (sinds 2018) International Research Infrastructures (IRI) (vervangt ESFRI en Big Science sinds 2018)

EuroHPC Vlaams Supercomputer (VSC)

Uit recurrente opstapmiddelen 2020

53,29 0,4 6,85 10

FWO Werking

15,83

FWO Werking

15,83

TOTAAL

455,96

SBO betreft een financieringskanaal voor kwalitatief hoogwaardig op lange termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de basis vormt voor economische en/of maatschappelijke toepassingen en waarvoor om deze te realiseren een vervolgonderzoek nodig is.

55

139


De middelen voor FWO dalen in 2022 t.o.v. 2022. Dit is te verklaren doordat het FWO werkt met meerjaarlijkse oproepen, waardoor er schommelingen optreden.

Tabel 26 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022 (initieel) van het programma “Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles” (kredieten in miljoen euro)

O&O Omschrijving FWO Fundamenteel Onderzoek FWO Klinisch Wetenschappelijk Onderzoek FWO Strategisch Basisonderzoek FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur Investeringsmiddelen 2021 Onderzoeksinfrastructuur

W&T

2021ba

2022bo

357,59

246,146

Totaal FWO

2021ba

2022bo

357,59

246,146

17,19

17,979

17,19

17,979

77,469

80,13

77,469

32,3

98,545

32,3

98,545

0,000

0,000

15,569

15,828

3,000

3,000

0,000

1,305

1,305

0,000

1,106

1,106

0,000

508,190

455,967

15,569

VLAAMSE VEERKRACHT 20 – BIO-ECONOMIE FWO Ad hoc – FWO FUNDAMENTEEL ONDERZOEK ingevolge corona (verlenging mandaten) Ad hoc – FWO STRATEGISCH BASISONDERZOEK (SBO) ingevolge corona (verlenging mandaten)

2022bo

80,13

FWO werking

1.

2021ba

WIB

492,621

440,139

192,983

196,225

192,983

196,225

BOF: Methusalem-programma

19,215

19,538

19,215

19,538

BOF: tenure track-stelsel aan de universiteiten

9,695

9,858

9,695

9,858

221,893

225,621

221,893

225,621

0,188

0,188

0,188

0,188

3,795

3,35

3,795

3,350

0,750

0,750

4,733

4,288

BOF: subsidie voor de universiteiten

2. Totaal BOF Cofinanciering Steunpunt Circulaire economie Expertisecentrum Onderzoek Ontwikkelingsmonitoring ECOOM - STORE Kenniscentrum Data en Maatschappij (KDM)

en

15,569

15,828

0,000

0,75

0,75 0,750

15,828

0,000

3. Totaal beleidsrelevant onderzoek

3,983

4,288

Subsidies voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door de instellingen van postinitieel onderwijs en hoger instituten van schone kunsten (ITG) Vlerick Business School

4,985

5,052

4,985

5,052

0,741

0,754

0,741

0,754

0,540574

0,551

0,541

0,551

Antwerp Management School (AMS)

0,385

0,391

0,385

0,391

4. Totaal instellingen voor post-initieel onderwijs

6,652

6,748

6,652

6,748

Orpheus Instituut

140

0,000

0,000

0,000


O&O Omschrijving IOF - Industrieel Onderzoeksfonds Vlaanderen

W&T

2021ba

2022bo

52,311

53,19

Subsidie aan de Interfacediensten bij de Associaties Alamire foundation

2021ba 4,494

WIB

2022bo 4,494

2021ba

2022bo

52,311

53,190

4,494

4,494

0,681

0,833

57,486

58,517

0,680507

0,833

5. Totaal Kennistransfer

52,992

54,023

Plantentuin Meise

12,862

12,986

12,862

12,986

Plantentuin Meise investeringssubsidies (FFEU)

5,000

5,000

5,000

5,000

1,166

1,166

1,166

1,166

1,156

1,175

1,156

1,175

6,198

7,698

6,198

7,698

0,91

2,91

0,910

2,910

Subsidie aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) Subsidie aan de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde in Antwerpen (KMDA) Subsidie aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ)

4,494

4,494

Subsidie aan het Vlaams Instituut voor de Zee voor investeringsuitgaven (VLIZ) Subsidie aan Eigen Vermogen ILVO

0,336

0,336

0,000

Beleidsagenda Artificiële Intelligentie – Onderzoeksluik

11,707

12,305

1,84

2,00

13,542

14,305

Beleidsagenda Cybersecurity – Onderzoeksluik

8,000

8,000

1,329

1,33

9,329

9,329

6. Totaal domeinspecifiek fundamenteel en strategisch basisonderzoek

47,335

51,240

3,164

3,329

50,499

54,569

Subsidie aan het Europacollege voor United Nations University (UNU) in het kader van het programma Regionale Integratiestudies Subsidie aan UNESCO voor de ondersteuning van het Vlaams UNESCO-Trustfonds wetenschappen Uitgaven in het kader van internationale wetenschappelijke samenwerking Subsidies in het kader van internationale wetenschappelijke en innovatiesamenwerking 7. Totaal internationalisering

1

1

1,000

1,000

1,301

1,301

1,301

1,301

0,058

0,058

0,058

0,058

0,205

0,613

0,205

0,613

2,564

2,972

Actieplan "Menselijk kapitaal voor Wetenschap, Technologie en Innovatie" 8. Omkadering Jonge onderzoekers (OJO)

0,000

0,000

VARIO - werking en toelagen 9. Adviesraad

0,000

0,000

0,000

0,000

2,564

2,972

5,044

5,084

5,044

5,084

5,044

5,084

5,044

5,084

0,308

0,308

0,308

0,308

0,308

0,308

0,308

0,308

141


O&O Omschrijving

2021ba

W&T

2021ba

2022bo

VLAAMSE VEERKRACHT 158 - SPENDING REVIEWS

0,065

0,065

0,000

VLAAMSE VEERKRACHT 158 - SPENDING REVIEWS

0,071

0,071

0,000

FONDS VOOR DE PROGRAMMATIE VAN HET WETENSCHAPSBELEID Uitgaven m.b.t. de conceptie, voorbereiding en uitvoering van acties met betrekking tot wetenschap en innovatie 10. Beleidsevaluaties

2022bo

2021ba

WIB

2022bo

0,311

0,311

1,109

1,039

1,109

1,039

1,109

1,350

1,245

1,350

FRIS – onderzoeksruimte

1,500

1,500

1,500

1,500

FOSB – Open Science

5,000

5,000

5,000

5,000

1,630

0,54

1,630

0,536

0,136

0,000

Uitgaven ter bevordering van de Vlaamse Informatiemaatschappij in het kader van de Lissabonstrategie 11. Onderzoeksinfrastructuur (niet-FWO)

0,000

0,000

8,130

7,036

8,130

7,036

12. Provisie O&O (bij dep EWI)

0,000

8,489

0,000

0,000

0,000

8,489

828,175

793,520

38,568

37,429

866,743

830,949

Totaal

1.1.3. BOF De tweede grootste begrotingspost onder programma EE is de basissubsidie voor BOF. De Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF) aan de universiteiten krijgen in totaal 225,62 miljoen euro toegewezen. Voor de financiering van het fundamenteel onderzoek kunnen de universiteiten immers beschikken over twee grote financieringsbronnen, met name het FWO en het BOF. Beide bronnen zijn in principe complementair en de toekenning van de middelen gebeurt bij het FWO op basis van interuniversitaire competitie (tussen onderzoekers van de vijf universiteiten samen) en bij het BOF op basis van intrauniversitaire competitie (tussen onderzoekers binnen één universiteit). Op die manier kunnen de Vlaamse universiteiten hun onderzoeksbeleid zelf vorm geven, rekening houdend met de wettelijke kaders die de randvoorwaarden vormen. Conform de regelgeving op het BOF legt de Vlaamse Regering drie types van overheidsbijdragen vast voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen: ‒ ‒ ‒

de basistoelage voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen; de middelen die bestemd zijn voor de financiering van tenure track-mandaten (hierna tenure trackfinanciering genoemd); de middelen die bestemd zijn voor de Methusalem-financiering (laat Vlaamse universiteiten toe toponderzoekers een zevenjarige financiering toe te kennen).

De basistoelage BOF bedraagt in totaal 196.23 miljoen euro bij begrotingsopmaak 2022. Dit is een lichte stijging ten opzichte van begrotingsaanpassing 2020 (192.98 miljoen euro). Het krediet voor het tenure track-stelsel blijft bij begrotingsopmaak 2022 nagenoeg constant t.o.v. BA 2021, nl. 9,9 miljoen euro (9,7 miljoen euro in 2021BA). Door de invoering van het tenure track-stelsel krijgen een

142


beperkt aantal uitmuntende postdoctorale onderzoekers de mogelijkheid om op het niveau van docent gedurende vijf jaar zelfstandig onderzoek te verrichten. Na een positieve evaluatie kunnen deze personen zonder vacature onmiddellijk worden aangesteld als ZAP-kader. Voor de kredietlijn voor het Methusalem-programma wordt 19,54 miljoen euro vastgelegd bij begrotingsopmaak 2022. Dit budget blijft nagenoeg constant ten opzichte van BA 2021. Het Methusalemprogramma richt zich op het behoud van wetenschappelijk talent door het toekennen van langetermijnfinanciering aan excellente Vlaamse onderzoekers. Het gaat hier om ad personam toegekende excellentiefinanciering.

1.1.4. Beleidsrelevant onderzoek Onder programma EE wordt ook beleidsrelevant onderzoek gefinancierd. Meer concreet gaat het over de budgetten voor cofinanciering van het steunpunt Circulaire Economie en de subsidie aan het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM). Het steunpunt Duurzaam Materialenbeheer, de voorganger van het steunpunt Circulaire Economie, werd opgericht samen met het beleidsdomein Omgeving voor de periode 2017-2021. Na evaluatie werd een nieuwe oproep gelanceerd. In 2018 werd ECOOM geëvalueerd en op de Vlaamse regering van 5 april 2019 werd de nieuwe samenwerkingsovereenkomst ECOOM 2019-2023 goedgekeurd. De stiging van de middelen voor ECOOM houdt verband met de integratie van STORE in ECOOM vanaf 2021. Sinds 2020 worden er middelen voorzien voor het nieuwe Kenniscentrum Data en Maatschappij. In 2020 waren deze middelen afkomstig van de opstap voor de beleidsagenda Artificiële Intelligentie. Vanaf 2021 is er een eigen kredietlijn. De middelen zijn constant gehouden op 750.000 euro.

1.1.5. Postinitieel onderwijs De middelen voor het postinitieel onderwijs blijven constant op 6,7 miljoen euro in 2022 ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2021.

1.1.6. Kennistransfer Onder kennistransfer vallen de subsidie aan de interfacediensten bij de associaties, de middelen voor het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) en de subsidie aan de Alamire foundation. Met deze laatste instelling - die focust op de rijke Vlaamse polyfonie - keurde de Vlaamse regering op 20 juli 2018 een samenwerkingsovereenkomst 2018-2023 goed. De middelen voor ‘kennistransfer’ bedragen bij begrotingsopmaak 2022 58,52 miljoen euro.

1.1.7. Domeinspecifiek fundamenteel en strategisch basis onderzoek Onder de categorie domeinspecifiek fundamenteel onderzoek vallen de middelen voor Plantentuin Meise, KMDA, KVAB en VLIZ. De middelen voor de beleidsagenda’s artificiële intelligentie en cybersecurity - onderdeel onderzoeksluik - blijven constant.

143


1.1.8. Internationalisering Er zijn vier kredietlijnen onder het programma EE die kaderen in internationaliseren. Deze middelen stijgen licht met 0,41 miljoen euro.

1.1.9. Andere Vervolgens zijn er nog enkele specifieke kredietlijnen die apart vermeld worden, namelijk Omkadering Jonge Onderzoekers (OJO), VARIO, beleidsevaluaties en uitgaven voor (digitale) onderzoeksinfrastructuur (Lissabon strategie). De provisie aan het departement EWI bedroeg bij begrotingsopmaak 2022 8,489 miljoen euro. Deze werd in 2021 herverdeeld naar Energyville (3 miljoen euro), Waterklimaathub bij Vito (3 miljoen euro), SUMMA (12.000 euro), Agentschap Plantentuin Meise (500.000 euro), FWO (internetvergoedingen, 625.000 euro), Orpheus (150.000 euro) en VLIZ (1,202 miljoen euro).

144


1.2. Programma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ (PROG EF): 729,47 miljoen euro 1.2.1. Evolutie van het programma Het programma “Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie” versterkt het technologisch basisonderzoek en genereert zo extra kennis gericht op het bedrijfsleven. Daarnaast wordt meer technologische innovatie in de Vlaamse bedrijven beoogd. Om stand te houden in de huidige competitieve globale economie moeten bedrijven voortdurend streven naar verbeterde of nieuwe diensten, producten en processen. De ontwikkeling en verwerving van technologie speelt hierbij een cruciale rol. Figuur 37 toont de evolutie van de kredieten voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het begrotingsprogramma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ van 2008 tot 2022. Het budget voor programma EF is bij begrotingsopmaak 2022 toegenomen ten opzichte van begrotingsaanpassing 2021, in gevolge vooral de opstappen voor de strategische onderzoekscentra imec (+ 15 mio €), VIB (+ 10 mio €) en Flanders Make (+ 6,5 mio €).

Figuur 37 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (PROG EF) 2008-2022BO (miljoen euro) 755,48

800,00 700,00 553,64

600,00 500,00 400,00

370,69 389,83 368,01

416,06 427,19 439,66

479,81

603,78

674,71 692,41

729,47

434,12 438,05

300,00 200,00 100,00 0,00 2008 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Tabel 27 geeft het detail van de utigaven binnen dit programma.

145


Tabel 27 Kredietlijnen 2021 (begrotingsaanpassing) en 2022 (begrotingsopmaak) van het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (kredieten in miljoen euro)

O&O Omschrijving

2021

W&T

2022BO

I. Via Departement EWI

269,3

311,7

Subsidie aan imec

110,8

Subsidie aan imec in het kader van de NERFactiviteiten Dotatie aan VITO Dotatie aan VITO voor de financiering van de referentietaken Interne stromen – onderzoeksprogramma’s – VITO Subsidie aan VIB in het kader van de NERFactiviteiten Subsidie aan VIB Interne stromen – onderzoeksprogramma’s – VIB Subsidie aan Flanders Make

2021 0

WIB

2022BO 0

2021

2022BO

269,3

311,7

129,6

110,8

129,6

0,9

0,9

0,9

0,9

48,8

50,4

48,8

50,4

7,6

7,7

7,6

7,7

0,2

0,2

0,2

0,2

0,9

0,9

0,9

0,9

61,6

73,5

61,6

73,5

0,1

0,0

0,1 38,5

45,6

38,5

45,6

0,0

3,0

0,0

3,0

411,5

407,6

423,1

417,8

128,6

119,2

128,6

119,2

Bedrijfssteun Ontwikkelingsprojecten

89,2

96,6

89,2

96,6

Bedrijfssteun Clusters + Moonshot klimaat (20 miljoen euro) Toekennen van specialisatiebeurzen en doctoraatsbeurzen in het kader van het Baekeland-programma Wetenschappelijk en technologisch onderzoek met landbouwkundig doel Bevordering van technologietransfer en onderzoek door instellingen van hoger onderwijs (TETRA) Bedrijfssteun COOCK (Collectief O&O en Collectieve kennisverspreiding) Beleidsagenda Artificiële intelligentie (AI) luik implementatie Beleidsagenda Cybersecurity (SC) - luik implementatie Actieplan: Artificiële intelligentie / Cybersecurity Kennisdiffusie Hogescholen

95,0

101,2

95,0

101,2

16,8

16,8

16,8

16,8

10,3

10,3

10,3

10,3

9,6

9,6

9,6

9,6

9,6

9,6

9,6

9,6

7,5

7,5

7,5

7,5

8,4

8,4

8,4

8,4

0,0

0,0

2,85

2,65

2,9

2,7

0,0

0,0

7,5

7,5

7,5

7,5

Bedrijfssteun innovatiemandaten

5,6

5,8

5,6

5,8

Proeftuinen: City of Things & Industrie 4.0

3,6

3,6

3,6

3,6

Programma Innovatief aanbesteden (PIO)

3,5

3,8

3,5

3,8

Regeneratieve geneeskunde II. Via Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Bedrijfssteun Onderzoeksprojecten

VZW Team bedrijfstrajecten Provisie voor investeringen in O&O en het bedrijfsleven Totaal

146

11,6

5,4

5,5

18,4

9,8

1,278

680,8

719,3

11,6

10,2

10,2

5,4

5,5

19,7

9,8

692,4

729,5


Het programma EF bevat enerzijds kredietlijnen van het Departement EWI en anderzijds kredietlijnen vanuit VLAIO.

1.2.2. Kredietlijnen vanuit het departement EWI De subsidie aan imec bevat de subsidie aan imec zelf en de subsidie in het kader van NERF-activiteiten (neuro electronics research flanders; baanbrekend hersenonderzoek). De subsidie aan imec stijgt. De toelage aan VIB stijgt tot 73,5 miljoen euro (61,61 miljoen euro in 2021), de subsidie in het kader van NERF-activiteiten blijft stabiel. De toelage aan VITO blijft ook stabiel. De subsidie aan Flanders Make stijgt bij begrotingsopmaak 2022 tot 45,6 miljoen euro (38,49 miljoen euro in 2021).

1.2.3. Kredietlijnen vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Binnen het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO zijn volgende O&O&I-ondersteuningsinstrumenten onder gebracht. Onderzoeksprojecten De focus in onderzoeksprojecten ligt op het opbouwen van nieuwe kennis en het uitvoeren van hoog-risico onderzoek dat op termijn de basis vormt voor nieuwe of verbeterde producten, processen of diensten. De delen in het project die onderzoeksactiviteiten omvatten krijgen een basissteunpercentage van 50% en de delen die ontwikkeling omvatten krijgen een basissteunpercentage van 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is evenwel beperkt tot 60%. Ontwikkelingsprojecten In ontwikkelingsprojecten ligt de focus op de ontwikkeling van een volledig nieuw of beduidend vernieuwend (verbeterd) product, proces, dienst of concept; dat op eerder korte termijn een belangrijke impact heeft op de prestaties van het bedrijf. Het basissteunpercentage bedraagt 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is beperkt tot 50%. Baekeland-mandaten Met Baekeland-mandaten wil het Agentschap Innoveren & Ondernemen individuele onderzoekers de kans bieden een doctoraat uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. We voorzien in cofinanciering van de personeels- en werkingskosten die gepaard gaan met de projectuitvoering. Bij het Baekeland-mandaat is enerzijds een Vlaams bedrijf betrokken; het bedrijf bepaalt de strategische oriëntatie van het project en zorgt voor cofinanciering. Anderzijds staat een Vlaamse universiteit in voor de begeleiding naar en de toekenning van een doctoraat volgens de gangbare kwaliteitsnormen. Innovatiemandaten De Innovatiemandaten (IM) zijn een steuninstrument voor postdoctorale onderzoekers die verder basisonderzoek willen uitvoeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, met het oog op een transfer van resultaten naar hetzij een bestaand bedrijf, hetzij een nieuw op te richten spin-off bedrijf met een industriële activiteit in Vlaanderen.

147


TETRA TETRA staat open voor onderzoeksgroepen van Vlaamse hogescholen en Vlaamse universiteiten, die actief bezig zijn met praktijkgericht onderzoek. TETRA-projecten beogen om in 2 jaar tijd recent beschikbare kennis (nieuwe technologie, recent afgewerkt onderzoek of bestaande kennis uit een ander domein of andere sector) te vertalen naar bruikbare innovatieve concepten of prototypes die nieuwe marktopportuniteiten bieden aan een collectief van ondernemingen en/of non profit organisaties. De resultaten zijn gericht op economische valorisatie en hebben eventueel ook een maatschappelijke impact. COOCK-projecten De doelstelling van het programma Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) is het valoriseren van (basis)onderzoeksresultaten door het versnellen van de introductie van technologie en/of kennis bij een ruime groep ondernemingen. COOCK-projecten zijn steeds opgebouwd uit 2 onafhankelijke, maar onderling verbonden delen. Deel A is gericht op toepassingsgerichte kennisopbouw, vertaalonderzoek en kennisverspreidingsactiviteiten om de onderzoeksresultaten over te dragen naar ondernemingen uit de doelgroep. Het tweede deel (deel B) is een bundeling van alle onderneming-specifieke projecten waarbij de ontwikkelde technologie of gegenereerde kennis uit deel A in een onderneming-specifieke context geëvalueerd/geanalyseerd/toegepast wordt. Landbouw- of LA-trajecten Het doel van LA-trajecten is om vanuit een concrete vraag van een collectief van ondernemingen uit de primaire land- en tuinbouwsector, onderzoekers van Vlaamse universiteiten en hogescholen, onderzoeksinstellingen en erkende praktijkcentra, te ondersteunen om innovatieve oplossingen aan te bieden die op korte termijn toegepast kunnen worden en resulteren in zichtbare veranderingen met een duidelijke (economische) meerwaarde voor de ruime doelgroep (primaire sector en eventueel de toeleverings- en/of de verwerkende industrie). Het grootste budget binnen het programma gaat naar bedrijfssteun onderzoeksprojecten en ontwikkelingsprojecten. De middelen voor Landbouwkundig Onderzoek en TETRA blijven nagenoeg stabiel. Net als de middelen voor het Baekelandprogramma, proeftuinen, COOCK, de Innovatiemandaten en innovatief aanbesteden. De middelen voor bedrijfssteun voor de clusterwerking stijgen. In de investeringsprovisie 2022 zit 9,8 miljoen euro. Hiervan wordt 100% gecategoriseerd als O&O. In de investeringsprovisie 2021 zat 20 miljoen euro, hiervan werd 300.000 euro besteed aan economische maatregelen (beheersvergoeding PMV). Van de overige middelen werd 18,4 miljoen geïnvesteerd in O&O (gezondheid, Edtech-sector, Solid Lab en VLIZ/ILVO (gebouw Oostende)) en 1,3 miljoen aan W&T (Supernova Space en 100 gigabyte (Dynniq Belgium).

148


1.3. Programma ‘Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie’ (PROG EG): 10,38 miljoen euro 1.3.1. Evolutie van het programma De algemene beleidslijnen voor het programma “Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie” zijn het stimuleren van wetenschapsvoorlichting en -communicatie. Via wetenschapsvoorlichting wordt getracht het maatschappelijk draagvlak van het wetenschappelijk en technologisch innovatiebeleid in Vlaanderen te versterken. Evenzeer wordt ingezet op het STEM-beleid. Het programma valt onder het beheer van het Departement EWI. Figuur 38 toont de evolutie van de kredieten van 2008 tot 2022. Bij begrotingsopmaak 2022 bedraagt het budget 10,38 miljoen euro. In vergelijking met de definitieve begroting 2021 zijn de middelen licht afgenomen doordat het extra krediet ingevolge corona in 2021 in 2022 is weggevallen.. Figuur 38 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (PROG EG) 2008-2022BO (miljoen euro) 25,00

21,43

20,00 15,00

11,60

11,79

10,00

10,25

9,67

2010

2011

11,27

11,23

11,81

2012

2013

2014

10,09

9,13

11,17

13,04 10,18

10,96

10,38

2020

2021

2022

5,00 0,00 2008 2009

2015

2016

2017

2018

2019

149


1.3.2. Wetenschapspopularisering en -communicatie Tabel 28 toont hoe het budget verspreid is over zes basisallocaties. De belangrijkste structurele partners van het Departement EWI voor popularisering van wetenschap zijn stichting Flanders Technology International (FTI), de expertisecellen wetenschapscommunicatie bij de associaties en de Society Roger Van Overstraete (RVO). Onder de kredietlijn “popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie” vallen nog verschillende structurele partners en projectfinanciering, zie Tabel 29 voor een overzicht van de belangrijkste partners. Tabel 28 Kredietlijnen 2021 (begrotingsaanpassing) en 2022(begrotingsopmaak) van het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (kredieten in miljoen euro)

W&T

WIB

Omschrijving

2021

2022BO

2021

2022BO

Popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie Subsidie aan de stichting Flanders Technology International (FTI)

0,010

0,010

0,010

0,010

4,236

4,283

4,236

4,283

Subsidie aan Society Roger Van Overstraete (RVO)

0,780

0,788

0,780

0,788

Subsidies allerhande met betrekking tot de bekendmaking van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek aan structurele partners Subsidies voor de expertisecellen voor de popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie in de schoot van de associaties VLIR (Ondersteuning VABB-SHW)

3,253

3,122

3,253

3,122

2,026

2,060

2,026

2,060

0,050

0,118

0,050

0,118

Toelage aan FTI bijkomend aan subsidie ter compensatie van verliezen door corona Totaal

0,601

0,601

0,000

10,956

10,380

150

10,956

10,380


Tabel 29 Overzicht van de overige structurele partners en projectsubsidies 2022

Structurele partners 6 Volkssterrenwachten

987.109

5 Olympiades

350.000

EOS Wetenschap vzw

300.000

SciMingo vzw

246.000

Jeugd, Cultuur en Wetenschap vzw

80.000

Natuur en Wetenschap vzw

80.000

Breinwijzer vzw

80.000

Projectsubsidies Wetenschapsbarometer

35.000

EOES

6.000

Congressen Leraars Wetenschappen, Wiskunde, enz.

30.000

Geluidshuis: Podcast wetenchapje

28.000

Project wetenschapsjournalistiek van Journalismfund.eu

80.000

Projecten Ict impulsprogramma

281.649

EOS Wetenschap: project Ik heb een vraag.be EOS Wetenschap: Wetenschap in Vlaanderen: agenda Totaal

81.124 40.000 2.323.109

151


1.4. Programma ‘Duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap’ (PROG EC): 10,22 miljoen euro 1.4.1. Evolutie van het programma Figuur 39 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma “duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (prog EC) 2008-2022BO" (miljoen euro) 60,00 50,00

48,47 41,40

40,00 30,00

30,00 30,00

25,00 25,00 25,00

21,84

20,00 8,36

10,00

4,00

8,36

8,04

2017

2018

14,32

13,311

2019

2020

10,22

0,00 2008 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2021

2022

Figuur 39 toont de evolutie van de middelen onder programma EC. De afname van het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) onder programma EC weerspiegelt de afname van de ecologiepremie over deze periode. De piek in 2016 is te verklaren door de eenmalige opstap voor investeringen in O&O en bedrijfsleven van 31,8 miljoen euro uit de 90 miljoen euro die in 2016 onder programma EC werd geplaatst.

1.4.2. Kredietlijnen in detail Tabel 30 geeft een overzicht van de kredietlijnen onder programma EC die belangrijk zijn voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. Dit programma valt volledig onder het beheer van VLAIO. Vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen is in totaal een budget van 26,28 miljoen euro bestemd voor de ecologiepremie. Er wordt van uit gegaan dat 20% van het budget voorzien voor de ecologiepremie gebruikt wordt voor O&O. Bij begrotingsopmaak 2022 betekent dit dat 5,26 miljoen euro vanuit de ecologiepremie als O&O beschouwd wordt.

152


Tabel 30 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022 (initieel) van het programma duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (kredieten in miljoen euro)

O&O

O&V

Omschrijving

2021

2022BO

2021

EFRO

5,476

0

5,454553

Fonds Innoveren en Ondernemen: 20% ecologiesteun STEM

4,837

5,256 2,5

2022BO

W&T 2021

2022BO

2,5

Flanders DC

2,402

1,232

WIB 2021

2022BO

10,930

0

4,837

5,256

2,5

2,5

2,402

1,232

Flanders Future Tech Fund

0,672

0,734

0,672

0,734

Onderzoek ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering en/of ondernemerschapsbevordering totaal

0,5

0,5

0,5

0,5

11,485

6,490

21,841

10,222

7,955

2,5

2,402

1,232

153


1.5. Programma ‘Apparaat’ (PROG EA): 0,55 miljoen euro 1.5.1. Evolutie van het programma Figuur 40 toont de evolutie vanaf 2008. De budgetten zijn sterk afgenomen na 2015. Dit komt doordat de werkingskosten van het IWT gedeeltelijk zijn weggevallen of niet meer af te zonderen zijn door de inkanteling in het VLAIO. Er wordt enkel nog een werkingskost specifiek voor de uitkering van de ex-IWT maatregelen opgenomen. Figuur 40 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma apparaat (prog EA) 2008-2022BO (miljoen euro) 16,00 14,00 12,00

11,60

13,00

12,59

13,00

13,43

13,27

13,57

12,18

10,00 8,00 6,00 4,00

2,18

2,00

0,94

0,51

0,94

0,94

0,55

0,55

2017

2018

2019

2020

2021

2022

0,00 2008 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.5.2. Kredietlijnen in detail Tabel 31 geeft een overzicht van de kredietlijnen onder programma EA relevant voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. De middelen ter financiering van het programma “Apparaat” omvatten de middelen voor communicatie (116.000 euro) enerzijds en de middelen nodig voor de werking specifiek voor de toekenning van ex-IWT maatregelen (433.000 euro). Deze kredieten blijven constant bij begrotingsopmaak 2022. Tabel 31 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022(initieel) van het programma apparaat (kredieten in miljoen euro)

O&O

O&V

W&T 2021

WIB

2021

2022

2021

2022

2022

2021

2022

Communicatiebeleid EA–VLAIO/Fonds Innoveren en Ondernemen VLAIO: Werking

0,000

0,000

0,000

0,000

0.116

0,116

0.116

0,116

0,000

0,000

0,000

0,000

0,433

0,433

0,433

0,433

Totaal programma EA

0,000

0,000

0,000

0,000

0,549

0,549

0,549

0,549

EA – Departement EWI

154


1.6. Totaal budget beleidsdomein EWI over de vijf programma’s: 1,581 miljoen euro Figuur 39 en Tabel 32 tonen de verdeling van de vastgelegde middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid van het beleidsdomein EWI over de verschillende programma’s: -

EE: Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles,

-

EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie,

-

EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie,

-

EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap,

-

EA: Apparaatskredieten.

Van het totale budget maakt het programma EE ruim de helft uit (53%), opgeteld met het programma EF ligt dit aandeel rond de 99%. Tabel 32 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid begrotingsaanpassing 2021 en begrotingsopmaak 2022 in het beleidsdomein EWI (miljoen euro)

(1) O&O

(2) O&V

2021

2022

2021

EE: Wetenschappelijk onderzoek/ Excellentie voor alles EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA: Apparaat

828,18

793,52

0,00

683,64

719,32

0,00

Vlaamse Veerkracht eenmalig Totaal

(3) W&T

2022

(1+2+3)WIB

2021

2022

2021

2022

0,00

38,57

37,43

866,74

830,95

0,00

0,00

8,78

7,50

692,41

729,47

0,00

0,00

0,00

10,96

10.38

10,96

10.38

11,49

6,49

7,95

2,50

2,40

1,23

21,84

10,22

0,00

0,00

0,00

0,00

0,55

0,55

0,55

0,55

157,66

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

157,66

0,00

1.680,96

1.519,33

7,95

2,50

61,25

57,09

1.750,17

1.581,57

De eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen, toegewezen aan het Beleidsdomein EWI worden hier toegevoegd voor het jaar 2021. Voor het jaar 2022 zijn ze evenwel nog niet opgenomen. Dit geeft dus enigszins een vertekend beeld. Grafisch geeft dit het volgende.

155


Figuur 41 Procentuele verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid 2022 (initieel) van het beleidsdomein EWI over de vijf begrotingsprogramma’s, bedragen in miljoen euro en %

729,47; 46,12% 21,15; 1,34% 830,95; 52,54%

10,22; 0,65%

0,55; 0,03%

10,38; 0,66%

EE. Wetenschappelijk onderzoek/Excellentie voor alles EF. Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG. Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technoligie EC. Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA. Apparaat

Hergroepering van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid binnen het gehele Beleidsdomein EWI over de verantwoordelijke overheidsinstanties Departement EWI en het Agentschap Innoveren en Ondernemen, geeft het volgend beeld in Tabel 33.

156


Tabel 33 Verantwoordelijkheid voor de begrotingsmiddelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid 2022, initieel in het beleidsdomein EWI (in miljoen euro) voor departement en VLAIO O&O EWI EE: Wetenschappelijk onderzoek/ Excellentie voor alles EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA: Apparaat Totaal

793,52

O&V

VLAIO/ Hermes fonds

EWI

W&T

VLAIO/ Hermes fonds

0

0

311,71

407,61

0,00

0

0,73

5,76

0

0

0

0

1.105,97

413,37

0

2,5

1.519,33

EWI

0

37,43

0

0

0

0

0

10.38

VLAIO/ Hermes fonds

EWI

830,94

7,5

VLAIO/ Hermes fonds

0

311,71

417,76

10.38

0

1,23

0,73

9,49

0,12

0,43

0,12

0,43

47,93

9,17

1.153,89

427,68

2,50

2,5

WIB (totaal)

57,09

1.581,86

Figuur 42 Procentuele verdeling van de begrotingsmiddelen voor het W&I-beleid over de verantwoordelijke entiteiten Departement EWI en VLAIO (budget in miljoen euro; 2022BO)

VLAIO/Fonds Innoveren en Ondernemen; 427,68; 27%

Departement EWI; 1153,89; 73%

157


2. Wetenschapsbeleid gefinancierd door het beleidsdomein OV Het beleidsdomein Onderwijs en Vorming is inzake wetenschapsbeleid in de eerste plaats de financierder van de werkingsuitkeringen voor de universiteiten en hogescholen. Met onder meer deze werkingsmiddelen financieren de universiteiten hun drieledige opdracht onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening. Bij conventie wordt geacht 25% van die middelen bestemd te zijn voor onderzoek. De hogescholen financieren met hun werkingsmiddelen hun drieledige opdracht van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening en projectmatig wetenschappelijk onderzoek. Voor die laatste opdracht krijgen ze een aparte dotatie via het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Daarnaast financiert het beleidsdomein ook de aanvullende werkingsmiddelen en andere toelagen aan de universiteiten en aan ‘gelijkgestelde’ instellingen. Al deze kredietlijnen zitten vervat in het begrotingsprogramma “Financiering van het Hoger Onderwijs” van het beleidsdomein OV. We zoemen even in op de financiering van de Vlaamse universiteiten 56. Die werken hun eigen onderwijsen onderzoeksbeleid uit binnen het raamwerk aan wetgeving dat met betrekking tot het hoger onderwijs binnen de Vlaamse Gemeenschap van toepassing is. De Vlaamse universiteiten beschikken daartoe over vier belangrijke geldstromen: 1.

2.

De zogeheten 1ste geldstroom: de eerste geldstroom bestaat uit toelagen van de Vlaamse overheid en vormt de basisfinanciering. Deze toelagen dragen bij tot de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van de investeringen, de afbetaling van leningen en de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen. Deze geldstroom is afkomstig uit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. De 2de geldstroom: deze geldstroom is bedoeld voor fundamenteel onderzoek en wordt op competitieve basis toegekend. Universiteiten en aspirant bursalen kunnen er projectgeld en beurzen mee aanvragen voor onderzoek dat op zich niet streeft naar directe toepassingen. De middelen worden steeds op competitieve basis toegewezen. Deze competitie situeert zich intra- of interuniversitair en kan zich richten op verschillende niveaus van onderzoek. De gelden zijn beschikbaar voor alle disciplines van het wetenschappelijk onderzoek. De 2de geldstroom omvat een aantal belangrijke financieringsbronnen, waaronder het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) en de Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF). De middelen die het FWO ter beschikking stelt, worden verdeeld op basis van interuniversitaire competitie, terwijl de middelen voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen subsidies (aan de universiteiten) zijn die (over de universiteiten) verdeeld worden op basis van een aantal vaste criteria en vervolgens binnen de universiteit intern worden toegekend op basis van intra-universitaire competitie. Zoals hoger toegelicht zijn deze middelen afkomstig van het Beleidsdomein EWI.

Voor meer details over de financiering van het hoger onderwijs, zie het Verslag over de financiële toestand en de evolutie van het personeelsbestand van het hoger onderwijs in 2018. 56

158


3.

4.

De 3de geldstroom: de derde geldstroom is die voor toegepast wetenschappelijk onderzoek. Samen met of op vraag van bedrijven, overheden of particulieren gaan wetenschappers op zoek naar interessante toepassingen of innovaties. Het betreft voornamelijk de middelen voor de Industriële Onderzoeksfondsen (IOF) en de middelen die de universiteiten verwerven vanuit VLAIO en vanuit Europese fondsen. De 4de geldstroom: onder de vierde geldstroom verstaan we de samenwerking met de privésector, inclusief de wetenschappelijke dienstverlening. Dit laatste staat naast het academisch onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als derde grote opdracht ingeschreven in de Codex Hoger Onderwijs. Deze geldstroom omvat:

a.

Contractonderzoek met de privésector. Universiteiten sluiten met organisaties en bedrijven contracten af waarin wordt vastgelegd dat de universiteit tegen een financiële tegenprestatie onderzoek uitvoert voor deze organisatie of dit bedrijf.

b.

Onderzoek met de privésector met overheidssteun. Met Baekeland-mandaten wil het VLAIO individuele onderzoekers de kans bieden een doctoraat uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Het VLAIO voorziet in cofinanciering van de personeels- en werkingskosten die gepaard gaan met de projectuitvoering. Bij het Baekeland-mandaat is enerzijds een Vlaams bedrijf betrokken dat de strategische oriëntatie bepaalt van het project en zorgt voor cofinanciering. Anderzijds staat een Vlaamse universiteit in voor de begeleiding naar en de toekenning van een doctoraat volgens de gangbare kwaliteitsnormen.

c.

Wetenschappelijke dienstverlening (zonder contract). Wetenschappelijke dienstverlening omvat alle prestaties ten behoeve van derden, tegen vergoeding geleverd door de diensten van de universiteit of hieraan verbonden personen in uitoefening van hun opdracht aan de universiteit en die voortvloeien uit aan de universiteit aanwezige kennis, resultaten van wetenschappelijk onderzoek of technologie. Deze prestaties worden zonder contract uitgevoerd of rangschikken zich binnen langlopende raamovereenkomsten.

d.

Valorisatie onderzoeksresultaten. Valorisatie of ‘technologie’ transfer is de terbeschikkingstelling van (intellectuele) eigendomsrechten op universitaire kennis door verkoop of het verlenen van de toestemming tot het gebruik ervan, aan derden (waaronder overheid en bedrijven). Op die manier wordt aan derden toegestaan deze kennis verder te ontwikkelen tot een product (in de ruimste zin van het woord) dat vervolgens wordt gecommercialiseerd, al dan niet door dezelfde partner

Bovenop deze vier geldstromen zijn er nog de ‘andere opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en dienstverlening’. De financiële bijdrage van de overheid is niet de enige inkomstenbron van de universiteiten. Andere bronnen zijn o.a. de inschrijvingsgelden van studenten, de huuropbrengsten van de sociale sector, de opbrengsten van studentenrestaurants en de opbrengsten van boeken en cursussen. Onderstaand worden voor het jaar 2020 deze vier geldstromen geduid. Het aantal studenten onder diplomacontract bij de universiteiten steeg in 2020 tot 136.105. De personeelskosten van de universiteiten bedroegen in 2020 67% van de totale bedrijfskosten. De geaggregeerde personeelstewerkstelling bedroeg op 1/2/2020 25.906 VTE’s. De aantallen waren als volgt verdeeld over de personeelscategorieën - Zelfstandig (ZAP) en assisterend (AAP) academisch personeel: 5.567VTE - Integratiekader onderwijzend personeel (IK OP): 546 VTE - Wetenschappelijk personeel (WP): 12.174VTE - Administratief en technische personeel (ATP): 8896VTE - Integratiekader administratief en technisch personeel (IK ATP): 163 VTE.

159


Tabel 34 Overzicht van de geldstromen voor 2020 (in euro) Budget

% in totaal

% in 4 geldstromen

in 2020 A. A.1.

Opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en dienstverlening Overheidstoelagen en subsidies - basisfinanciering (1ste geldstr) A.1.1. Werkingsuitkeringen A.1.2. Uitkeringen DGOS A.1.3. Investeringsuitkeringen A.1.4. Sociale toelagen A.1.5. Andere overheidstoelagen en subsidies

A.2.

Overheidsbijdrage fundamenteel basisonderzoek (2de geldstr) A.2.1. BOF A.2.2. IUAP A.2.3. FWO

A.3.

A.2.4. IWT: bench fee (specialisatiebeurzen) Overheidsbijdragen toegepast wetenschappelijk onderzoek (3de gs) A.3.1. Federale overheid excl. IUAP A.3.2. Vlaamse Gemeenschap A.3.2.1. Ministerie Vlaamse Gemeenschap A.3.2.2. FWO & VLAIO A.3.2.3. IOF A.3.2.4. Andere Vlaamse intermediaire organisaties A.3.2.5. Andere bijdragen Vlaamse gemeenschap A.3.3. Steden en provincies A.3.4. Internationale organen A.3.4.1. Europese Unie A.3.4.2. Internationale instellingen

A.4.

A.5.

A.3.4.3. Andere buitenlandse overheden A.3.5. Andere overheidsbijdragen toegepast wetenschappelijk onderzoek Contractonderzoek met de privé - sector en wet. dienstverlening (4de geldstroom) A.4.1. Contractonderzoek met de privé – sector A.4.2. Contractonderzoek met de privé - sector met overheidssteun A.4.3. Wetenschappelijke dienstverlening (zonder contract) A.4.4. Valorisatie onderzoeksresultaten Andere opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en dienstverlening A.5.1. Reguliere inschrijvingsgelden A.5.2. Andere inschrijvingsgelden A.5.3. Huuropbrengsten sociale sector A.5.4. Opbrengsten studentenrestaurants A.5.5. Opbrengsten boeken en cursussen A.5.6. Andere

B.

160

Waardewijziging projecten in uitvoering

2.623.153.145 1.166.685.767

92% 41%

49%

14%

17%

18%

22%

10%

12%

1.096.597.294 478.511 34.975.810 29.375.886 5.258.265 406.615.990

232.814.354 12.904.272 160.977.738 80.373 509.701.054

42.186.483 263.917.017 49.462.187 98.879.931 55.987.326 38.977.554 20.610.019 3.602.514 193.197.238 177.326.840 13.380.191 2.490.207 6.797.802 283.894.427

137.692.425 23.670.787 12.305.147 110.226.069 256.255.907

9%

104.653.725 16.846.682 19.412.896 2.499.522 1.161.209 111.681.873 112.708.896

4%


Budget

% in totaal

% in 4 geldstromen

in 2020 C.

Geproduceerde vaste activa

D.

Giften, schenkingen en legaten

E.

Andere bedrijfsopbrengsten

0 23.352.060 106.422.484

Totaal 4 geldstromen

2.366.897.238

Totaal alle opbrengsten

2.865.636.585

0% 1% 4%

Bron: Verslag over de financiële toestand en de evolutie van het personeelsbestand van het hoger onderwijs in 2020; https://dataonderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/Financiele-toestand-en-evolutie-personeelsbestand-ho-2020-universiteitenverslag.pdf

Voor het vervolg van deze Speurgids gaan we niet verder in op deze vier geldstromen maar spitsen we ons enkel toe op de globale middelen die vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ter beschikking worden gesteld voor het wetenschapsbeleid. Vanuit het Beleidsdomein Onderwijs en Vorming is ruim 2,2 miljard euro voorzien voor wetenschapsbeleid bij begrotingsopmaak 2022 (zie Tabel 35). Deze middelen zijn onder te verdelen in de drie rubrieken O&O, O&V en W&T (zie inleiding bij Deel 2). Het aandeel van de O&O-uitgaven daarin is bijna 410 miljoen euro. Het voornaamste onderdeel van deze 410 miljoen euro wordt gevormd door 25% van de werkingsuitkeringen en gelijkaardige uitkeringen aan universiteiten, die bij conventie worden beschouwd als O&O-middelen. De werkingsuitkeringen van de universiteiten bedragen in 2022 1,054 miljard euro waarvan dus 25% of 264 miljoen euro als O&O-kredieten gelabeld worden. De middelen voor wetenschapsbeleid nemen toe ten opzichte van de definitieve begroting 2021. Figuur 41 somt de kredietlijnen op van het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV. Bij begrotingsopmaak 2022 is de basisfinanciering van de universiteiten onderhevig aan een aantal wijzigingen. De grootste worden hieronder uitgelicht: -

-

-

Het klikmechanisme Hoger Onderwijs zorgt voor een toename van 30,579 miljoen euro. Het kliksysteem houdt in dat indien de opgenomen studiepunten binnen een bepaald onderwijsdeelbudget met meer dan 2% stijgen ten opzichte van de referentiepunten, ook de onderwijsdeelbudgetten met 2% moeten toenemen. In overeenstemming met de onderwijsdeelbudgetten dienen ook de onderzoeksdeelbudgetten mee te stijgen. Door maatregelen genomen in het regeerakkoord worden de vooropstelde stijgingen in het integratiegroeipad Hoger Onderwijs (14,5 miljoen euro) niet ingeschreven in de begroting 2021. Ze werden uitgesteld tot 2022, hier werd in 2022 14,04 miljoen euro voor voorzien De groeivoet Graduaten zorgt in 2022 voor een bijstelling van ruim 19 miljoen euro In uitvoering van de beleidsnota worden de puntengewichten van enkele studiegebieden in de hogescholen verhoogd (4 miljoen euro).

161


Figuur 43 Middelen voor het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV (in miljoen euro) 2500,00 2000,00 1500,00 1000,00 500,00 0,00

3,28

3,18

740,38 681,97

633,79 2,97

2,93

2,96

562,93 565,48 566,64 578,13 600,82 606,34

2,44

2,47

2,95

667,94 575,54 625,89 641,85 606,93

3,02 708,53

5,67

783,60 808,32

2,38 854,33

934,53 839,45 869,40 903,10 792,02 780,72 787,76 749,48 717,77

447,86 303,74 311,27 311,79 317,48 239,20 259,36 306,09 338,74 327,64 356,14 373,74 394,23 413,78 427,36 2008 2009 2010

2011

2012 O&O

162

3,23

2,56

2,57

2,60

2013 O&V

2014

2015

2016

O&V(hogescholen)

2017

2018

W&T

2019 2020 2021

2022


Tabel 35 Kredietlijnen 2021 (BA) en 2022BO (initieel) voor het wetenschapsbeleid van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (kredieten in miljoen euro) O&O

O&V

W&T

WIB

2021

2022

2021

2022

2021

2022

2021

2022

253,31

263,61

759,93

790,83

0,00

0,00

1013,24

1054,43

87,29

94,82

0,00

0,00

0,00

0,00

87,29

94,82

13,90

14,01

41,70

42,02

0,00

0,00

55,60

56,02

7,49

7,49

22,48

22,48

0,00

0,00

29,97

29,97

7,99

8,09

23,96

24,27

0,00

0,00

31,94

32,36

Investeringen hoger onderwijs

9,21

9,21

27,62

27,62

0,00

0,00

36,83

36,83

Aanvullende werkingsmiddelen hoger onderwijs in Brussel Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen ITG

2,24

2,27

6,73

6,81

0,00

0,00

8,97

9,08

0,18

0,18

0,53

0,53

0,00

0,00

0,71

0,71

Subsidiëring open hoger onderwijs

0,17

0,17

0,50

0,50

0,00

0,00

0,66

0,67

Toelage associaties

0,14

0,15

0,43

0,44

0,00

0,00

0,57

0,58

0,00

0,00

808,32

854,33

0,00

0,00

808,32

854,33

30,47

31,39

0,00

0,00

0,00

0,00

30,47

31,39

2,81

2,84

8,42

8,51

0,00

0,00

11,23

11,35

1,43

1,34

4,28

4,01

0,00

0,00

5,71

5,35

Omschrijving 1.

Universiteiten

Werkingsuitkeringen 5 universiteiten Aanvullende onderzoeksmiddelen aan universiteiten ter ondersteuning integratie academisch gerichte hogeschoolopleidingen Toelagen studentenvoorzieningen voor het hoger onderwijs Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen universitair onderwijs Bijdrage wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten

2. Hogescholen Werkingsuitkering 13 hogescholen Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek (PWO) 3. Andere gelijkgestelde instellingen Subsidie verleend aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde 'Prins Leopold" in Antwerpen (ITG) Werkingsmiddelen Vlaamse autonome Hogere Zeevaartschool

163


O&O

O&V

W&T

WIB

2021

2022

2021

2022

2021

2022

2021

2022

Subsidie aan de Vlerick Business School

0,51 0,48

0,52 0,49

1,54 1,45

1,56 1,47

0,00 0,00

0,00 0,00

2,05 1,94

2,08 1,96

Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten behoeve van het Instituut voor Joodse Studies (IJS)

0,57

0,58

1,72

1,74

0,00

0,00

2,30

2,32

0,23

0,23

0,70

0,70

0,00

0,00

0,93

0,94

0,07

0,05

0,22

0,15

0,00

0,00

0,29

0,19

0,05

0,05

0,14

0,14

0,00

0,00

0,19

0,19

OV: Kwaliteit van onderwijs - Toetsen en proeven OV: Kwaliteit van onderwijs Internationaal vergelijkend onderzoek OV: Kwaliteit van onderwijs - Beleids- en praktijkgericht onderzoek en evaluatie

4,08

5,35

0,00

0,00

3,06

0,00

7,14

5,35

2,66

3,25

0,00

0,00

0,00

0,00

2,66

3,25

1,82

1,54

0,00

0,00

0,00

0,00

1,82

1,54

Werkingsuitkering aan de Nederland-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

0,00

0,00

0,00

0,00

2,606

2,381

2,606

2,381

Totaal (exclusief werkingsmiddelen voor hogescholen; opgenomen in verdere analyse van het W&I beleid)

447,86

409,64

934,53

819,86

5,67

2,38

1.336,13

1.384,77

Totaal (inclusief hogescholen)

447,86

409,64

1.788,86

1.674,20

5,67

2,38

2.144,45

2.239,710

Omschrijving Subsidie aan de Vrije Universiteit Brussel ten behoeve van het Instituut voor Europese Studiën (IES)

Subsidie aan de Antwerp Management School

Subsidie aan de Evangelische Theologische faculteit en de faculteit Protestantse Godsgeleerdheid Investeringsmiddelen en eigenaarsonderhoud Hogere Zeevaartschool Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten bate van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en Beheer (IOB) 4. Financiering van beleids-ondersteunend onderzoek vanuit OV

0,25

0,25

0,75

0,76

0,00

0,00

1,00

1,01

164


3. Wetenschapsbeleid gefinancierd door de acht andere beleidsdomeinen Het wetenschapsbeleid in de andere beleidsdomeinen omvat de wetenschappelijke beleidsinitiatieven waarvoor de bevoegdheid bij de beleidsdomeinen zelf ligt en die erop gericht zijn het eigen beleid wetenschappelijk te ondersteunen en gestalte te geven. Opnieuw worden de middelen weergegeven in de drie categorieën O&O, O&V en W&T (zie inleiding bij Deel 2). Een evolutie van het wetenschaps- en innovatiebudget per beleidsdomein is weergegeven in Tabel 40. Tabel 36 Middelen voor wetenschapsbeleid van de andere beleidsdomeinen 2022 initieel (in miljoen euro)

Omgeving

O&O 27,23

O&V 0,00

Landbouw en Visserij

W&T 30,06

WIB 57,28

22,21

0,00

6,27

28,48

Cultuur, Jeugd en Media

5,83

0,00

25,52

31,35

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

3,96

0,00

0,92

4,88

3,20

0,00

8,34

11,54

Mobiliteit en Openbare Werken

2,53

0,00

18,66

21,19

1,51

0,00

0,00

1,51

Financiën en Begroting

0,00

0,00

0,51

0,51

Totaal

66,47

0,00

90,27

156,73

Werk en Sociale Economie

A. Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ): 3,96 miljoen euro Bij begrotingsopmaak 2022 is er vanuit het departement Kanselarij en Bestuur een wetenschapsbudget van 3,96 miljoen euro voorzien. Hieronder valt de Vlaamse Statistische Autoriteit en de nieuwe studiedienst.

B. Financiën en Begroting (FB): 510.000 euro In het beleidsdomein FB is een wetenschapsbudget van 510.000 euro voorzien voor ondersteuning van beleidsvoorbereidende capaciteit. Dit wordt volledig beschouwd als W&T.

C. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG): 11,54 miljoen euro In 2022 is er vanuit WVG een budget van 11,54 miljoen euro voorzien voor wetenschapsbeleid, waarvan 3,20 miljoen voor O&O. WVG financiert de dotatie aan het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Louis Pasteur en de subsidies voor de erkende centra voor menselijke erfelijkheid, de Koninklijke Academie voor Geneeskunde en subsidies voor epidemiologisch onderzoek en indicatorenverzameling. Ook Kind en Gezin en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap voorzien een luik wetenschappelijk onderzoek binnen de eigen begroting. Bovendien financiert WVG onderzoek naar welzijn, volksgezondheid en gezin en onderzoek in het kader van armoedebeleid.

D. Cultuur, Jeugd en Media (CJM): 31,35 miljoen euro In totaal voorziet het beleidsdomein CJSM bij begrotingsopmaak 2022 voor 31,35 miljoen euro aan middelen voor het wetenschapsbeleid, waarvan 5,83 miljoen voor O&O. Het grootste gedeelte van dit budget is voor

165


de basisdotatie aan VRT waarvan 20,96 miljoen euro beschouwd wordt als W&T. Verder steunt het beleidsdomein de Vlaamse wetenschappelijke instelling KMSKA (8 miljoen euro), en zijn er middelen voorzien voor wetenschappelijk onderzoek (690.000 euro).

E. Landbouw en Visserij (LV): 28,48 miljoen euro Het beleidsdomein LV voorziet in 2022 globaal voor 28,48 miljoen euro aan middelen voor het wetenschapsbeleid, waarvan 22,21 miljoen voor onderzoek en ontwikkeling. Voor de Vlaamse wetenschappelijke instelling ILVO is er in 2022 een budget voorzien van 25,37 miljoen euro (dotatie, wedden en toelagen). Het ILVO heeft als missie het uitvoeren en coördineren van beleidsonderbouwend wetenschappelijk onderzoek en de daaraan verbonden dienstverlening met het oog op een duurzame landbouw en visserij in economisch, ecologisch, sociaal en maatschappelijk perspectief. Bovendien is er nog de subsidie aan VLAM, het Vlaams Promotie-Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (465.000 euro).

F. Werk en Sociale Economie (WSE): 1,51 miljoen euro In 2022 voorziet het beleidsdomein WSE voor studies en onderzoek 760.000 euro. Het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering, kortweg VIONA, bevordert sinds 1994 het strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen. Dit onderzoeksnetwerk is een initiatief van de Vlaamse Regering en de Vlaamse sociale partners. De focus van VIONA ligt op concrete vraagstukken met betrekking tot het actuele werkgelegenheidsbeleid. WSE steunt onderzoek naar het faciliteren van de sociale economie voor een budget van 750.000 euro.

G. Mobiliteit en Openbare Werken (MOW): 21,19 miljoen euro Een budget van ruim 21 miljoen euro is in 2022 voorzien voor financiering van het wetenschapsbeleid, waarvan 2,53 miljoen euro voor O&O. MOW financiert mobiliteitsstudies, mobiliteitsconvenants, onderzoek over havenmateries, uitgaven voor het Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek, en onderzoek uit het Vlaams Infrastructuurfonds (VIF). Vanaf 2019 wordt Xperta ondersteund. Met Xperta bundelt het departement de expertise die verspreid zat over verschillende diensten binnen één website en naar één aanspreekpunt (voor meer info zie: https://overheid.vlaanderen.be/nieuws/departementmobiliteit-en-openbare-werken-bundelt-technische-expertise)

H. Omgeving (OMG): 57,28 miljoen euro Sinds 1 april 2017 vormen de vroegere departementen Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en Ruimte Vlaanderen (RV) het nieuwe departement Omgeving. Bij begrotingsopmaak 2022 wordt door het departement Omgeving een budget van 57,28 miljoen euro vastgelegd voor wetenschap en innovatie. Het departement 0mgeving financiert onderzoek en andere wetenschappelijke activiteiten vanuit de algemene begroting en het MINA-fonds (Fonds voor Preventie en Sanering inzake Milieu en Natuur). Het programma Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu of het TWOL-programma zorgt voor afstemming tussen de onderzoeksprojecten van de diverse afdelingen van Leefmilieu, Natuur en Energie, de Vlaamse openbare instellingen VLM, VMM en OVAM en het Vlaams Wetenschappelijk Instituut INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek). De belangrijkste kredietlijn vanuit het vroegere RWO is de dotatie aan het Agentschap Onroerend Erfgoed.

166


4. Totaal: ‘Horizontaal Begrotingsprogramma WetenschapsInnovatiebeleid’ 57 (exclusief werkingsuitkeringen Hogescholen)

en

Het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) is het wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door de volledige Vlaamse overheid (zie Tabel 37). Het wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door EWI en OV vormen daarvan de hoofdmoot. Vooral voor het O&O beleid is het beleidsdomein EWI de belangrijkste financier (75%). Het beleidsdomein OV financiert 22% van het O&Obeleid en de andere beleidsdomeinen 3%. Tabel 37 Aandeel van de drie financiers in het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) bij begrotingsopmaak 2022 (miljoen euro en procentueel) O&O

O&V

W&T

totaal WIB

Wetenschaps- en innovatiebeleid vanuit het beleidsdomein EWI

1519,33

2,5

59,74

1581,57

74,71%

0,27%

39,20%

50,64%

Wetenschapsbeleid vanuit het beleidsdomein OV (zonder werkingsuitkeringen Hogescholen)

447,86

934,53

2,38

1384,77

22,02%

99,73%

1,56%

44,34%

Wetenschapsbeleid vanuit de andere beleidsdomeinen HBPWIB

66,47

0,00

90,27

156,73

3,27%

0,00%

59,23%

5,02%

2.033,66

937,03

152,39

3.123,07

Tabel 38 geeft een overzicht van de stijging van de middelen voor O&O vanaf 2009 tot 2022. Absoluut is het O&O budget de voorbije 10 jaar toegenomen met ruim 806 miljoen euro. Bij begrotingsopmaak 2022 dalen de O&O middelen t.o.v. de begrotingsaanpassing 2021. Tabel 38 Evolutie van de O&O middelen van 2009 tot 2022 (in miljoen euro) O & O

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1.227,6

1.236,0

1.243,5

1.397,8

1.298,4

1.394,7

1.597,7

1.625,7

1951,6

1.858,0

2173,0

2.033,7

Figuur 44 geeft een overzicht van de evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (beleidsdomein EWI, beleidsdomein OV en de andere beleidsdomeinen samen). Hieruit blijkt dat inzake O&O financiering de middelen vanuit het beleidsdomein EWI toenemen, terwijl de financiering voor O&O vanuit beleidsdomein OV en de andere beleidsdomeinen relatief constant blijft.

Voor de analyse van horizontaal begrotingsprogramma wetenschaps- en innovatiebeleid worden de werkingsuitkeringen van de hogescholen niet meegenomen omdat we hier een historische tijdsreeks hanteren die teruggaat tot 1993. Om die reden totaliseert het WIB in deze voorstellingswijze slechts tot 3,123 miljard euro in plaats van tot 3,842 miljard.

57

167


Figuur 44 Evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (2008 - 2022BO; in miljoen euro)

O&O 2000,00 1500,00 1000,00 500,00 0,00 2008 2009 2010

2011

2012

2013

2014

EWI

2015 OV

2016

2017

2018

2019 2020 2021

2022

2018

2019

2020 2021

2022

2018

2019

2020

2021

2022

2018

2019 2020 2021

2022

andere

O&V 1000,00 800,00 600,00 400,00 200,00 0,00 2008 2009 2010

2011

2012

2013

2014

EWI

2015 OV

2016

2017

andere

W&T 150,00 100,00 50,00 0,00 2008 2009

2010

2011

2012

2013

2014

EWI

2015 OV

2016

2017

andere

WIB 2000,00 1500,00 1000,00 500,00 0,00 2008 2009 2010

2011

2012

2013 EWI

168

2014

2015 OV

2016

2017

andere


Hoofdstuk 10 Analyse van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsen Innovatiebeleid: 3,123 miljard euro

58

1. Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) Figuur 45 en Tabel 39 geven de evolutie van de HBPWIB’s vanaf 1993 weer, samen met de verdeling naar het type activiteit: Onderzoek en Ontwikkeling (O&O), Onderwijs en Vorming (O&V) en Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T) (cfr. inleiding bij deel 2 voor de definities). We wijzen er nogmaals op dat de werkingsuitkeringen aan de hogescholen (854 miljoen euro) in deze analyse niet meegenomen worden omdat we hier werken met een historische tijdsreeks die teruggaat tot 1993. In de vorige edities van de Speurgids werden ze ook nooit meegenomen. Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T) neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 was het aandeel Onderwijs en Vorming (O&V) nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996 kwam hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O- en het O&V-aandeel nagenoeg gelijk. Sinds dan stijgen de O&Okredieten. In 1996 was het procentueel aandeel van O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2022BO is het O&O-aandeel gestegen tot 65%, O&V maakt 30% uit van het HBPWIB en W&T 5%. We bespreken de evolutie van de kredieten in de laatste twee legislaturen.

A. Legislatuur 2009 -2014 Tijdens de legislatuur 2009-2014 is het budget voor wetenschaps- en innovatiebeleid toegenomen. In 2009 was er initieel een structurele toename van het Vlaamse overheidsbudget voor wetenschap, technologie en innovatie met 29 miljoen euro en daarnaast een eenmalige kapitaalinjectie in imec via een herinvestering van de participatie in Finindus, ten bedrage van 35 miljoen euro. In 2010 waren grotere besparingen noodzakelijk. De middelen voor het HBPWIB namen desondanks toe door investeringen in het TINA-Fonds (100 miljoen) en Vinnof (20 miljoen), voor de opstart van een zaaikapitaalfonds in het kader van Flanders’ Care (20 miljoen euro) en door middelen vanuit het FFEU (20 miljoen euro) voor de Proeftuin Elektrische Voertuigen, de archivering van audiovisueel materiaal, bodemsanering en het Vlaams Supercomputer Centrum. In 2011 steeg het budget licht.

58 Voor de analyse van horizontaal begrotingsprogramma wetenschaps- en innovatiebeleid worden de werkingsuitkeringen van de hogescholen (825 miljoen euro) niet meegenomen omdat we hier een historische tijdsreeks hanteren die teruggaat tot 1993. Om die reden totaliseert het WIB in deze voorstellingswijze slechts tot 3,123 miljard euro in plaats van tot 3,977 miljard.

169


In 2012 was er een totaal wetenschaps- en innovatiebudget van 1,925 miljard euro beschikbaar, waarvan 1,236 miljard euro voor O&O. Een gedeelte van deze verhoging is enerzijds wel te wijten aan enkele eenmalige acties waaronder de investering in de cleanroom bij imec en anderzijds de nieuwe aanrekeningsregels in het kader van de inwerkingtreding van het Rekendecreet. In 2013 was een opstap ingeschreven van 32,5 miljoen aan recurrente middelen (voor BOF, FWO, IWT, IOF, …) en van 30 miljoen aan eenmalige middelen voor SOFI 2 en de cleanroom van imec. Het budget voor het HBPWIB bedroeg 1.944,05 miljoen euro waarvan 1.243,50 miljoen euro voor O&O. In 2014 werd de stijgende evolutie verder gezet dankzij het competitiviteitspact, de integratie van het hoger onderwijs en eenmalige investeringen in SOFI. In de definitieve begroting 2014 bedraagt het wetenschapsbudget 2.206 miljoen euro waarvan 1.398 miljoen euro voor O&O bedoeld is.

B. Legislatuur 2014 -2019 In 2015 werd de stijgende trend doorbroken. Door de economische crisis en de budgettaire gevolgen van de zesde staatshervorming werd de Vlaamse Regering verplicht keuzes te maken. Vooral de inspanningen voor O&O dalen door het wegvallen van eenmalige opstappen uit 2014, terwijl de investeringen in het globaal wetenschaps- en innovatiebeleid licht dalen. Dit is te verklaren doordat er, ondanks de besparingen, geïnvesteerd werd in het beleidsdomein OV. Hierdoor nemen de middelen voor O&V toe. In de definitieve begroting bedraagt het wetenschaps- en innovatiebudget 2,185 miljard euro waarvan 1,298 miljard euro voor O&O. In 2016 werd 2,235 miljard euro vastgelegd voor wetenschap en innovatie. Hiervan was 1,394 miljard voor O&O. Deze stijging was onder andere te danken aan de provisies in het Hermesfonds (voorganger Fonds Innoveren en Ondernemen; provisie opstap: 2,05 miljoen en provisie investeringen: 37,301 miljoen) en aan een eenmalige investering voor imecXpand van 30 miljoen euro. Daarnaast speelde ook het effect van de overstap van vastleggingskredieten naar machtigingen bij het FWO. In 2017 wordt de stijging doorgezet en werd een historisch hoogtepunt bereikt. Het wetenschaps- en innovatiebudget bedraagt ruim 2,477 miljard euro waarvan 1,598 miljard euro voor O&O. Deze sterke toename was te danken aan een eenmalige investeringsenveloppe van 100 miljoen euro, waarvan 39,160 miljoen voor O&O, en een recurrente opstap van 195 miljoen euro. Van deze recurrente opstap werd 111,5 miljoen euro verdeeld via het departement EWI aan imec (29 miljoen euro), VIB (14,7 miljoen euro), FWO (30,3 miljoen euro), PWO (10 miljoen euro), BOF (10 miljoen euro), …. Er werd 83,5 miljoen verdeeld via het Hermesfonds (Voorganger Fonds Innoveren en Ondernemen), hiervan werd 40,5 miljoen euro besteed aan O&O (FWO, VLIZ en VIB). In 2018 blijven de middelen voor wetenschap en innovatie lichtjes toenemen (een stijging van 2% t.o.v. de middelen bij begrotingsaanpassing 2017). Het totale wetenschaps- en innovatiebudget bedraagt 2,534 miljard euro waarvan bijna 1,626 miljard voor O&O investeringen. De middelen voor O&O stijgen licht (2%) ten opzichte van begrotingsaanpassing 2017 en dit is te wijten aan de eenmalige investeringsprovisie van 115 miljoen euro waarvan 72 miljoen in O&O geïnvesteerd wordt. In 2019 namen de middelen sterk toe. De middelen voor wetenschap en innovatie stegen met 16% en deze voor O&O zelfs met 20% ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2018. Deze sterke stijging was het gevolg van de grote recurrente opstap voor O&O en bedrijfsleven van 280 miljoen euro en van de eenmalige investeringsprovisie van 120 miljoen euro.

C. Nieuwe legislatuur vanaf 2020 Zie bijlage I voor duiding van de kredieten begroting 2020 en hoofdstuk 9 voor de kredieten begroting 2021 en 2022.

170


Figuur 45 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2022) (miljoen euro) 3.500,00 3.000,00 2.500,00 2.000,00 1.500,00 1.000,00 500,00 0,00 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 onderzoek en ontwikkeling (O&O)

onderwijs en vorming (O&V)

wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T)

Tabel 39 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2022) (miljoen euro) 2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2018

2019

2020

2021

2022

O&O

326,78

1993

…

967,95

952,67

1.121,43

1.130,07

1.224,02

1.227,58

1.236,01

1.243,50

1.397,77

1.298,43

1 394,711

1.597,69

1.630,74

1.951,59

1.858,01

2172,97

2033,66

O&V

365,13

…

532,92

531,17

580,39

566,59

567,39

578,81

601,51

608,61

718,85

788,21

755,156

780,85

792,33

841,96

871,90

911,05

937,03

W&T

31,88

…

75,10

77,52

80,17

80,26

78,75

74,27

88,32

91,95

87,81

98,41

85,959

98,87

111,33

145,51

135,47

157,76

152,39

723,79

…

1.575,97

1.561,36

1.781,99

1.776,92

1.870,17

1.880,66

1.925,84

1.944,05

2.206,06

2.184,97

2.235,824

2.477,43

2.534,40

2.932,28

2.865,28

3242,08

3123,07

Totaal WIB

171

…

2014

2015

2016

2017


In het vervolg analyseren we de ruim 3 miljard euro middelen door verschillende ‘brillen’ op te zetten: • • • • • •

172

analyse volgens beleidsdomein analyse volgens bevoegde minister analyse volgens O&O-budget volgens NABS-classificatie analyse van het O&O-budget volgens ‘gericht’ en ‘niet-gericht’ onderzoek analyse van het O&O-budget volgens initiatiefnemer analyse van het W&I-budget volgens zes grote indelingen.


2. Analyse volgens beleidsdomein Figuur 44 en Figuur 45 geven de verdeling van de middelen van enerzijds het wetenschaps- en innovatiebeleid en anderzijds het O&O-beleid over de beleidsdomeinen. KBBJ FB EWI OV WVG

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

CJSM

Cultuur, Jeugd en Media

WSE LV MOW OMG

Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving

De beleidsdomeinen EWI en OV beschikken over het grootste volume aan kredieten voor het wetenschaps-en innovatiebeleid. Beide beleidsdomeinen zijn samen goed voor 95% van het totaal budget voor wetenschap en innovatie (zie Figuur 44). Het wetenschapsbudget uit OV is voor een groot deel samengesteld uit de werkingsuitkeringen aan de universiteiten. Deze worden beschouwd als 25% O&O en 75% O&V. Het wetenschapsbudget uit EWI bevat daarentegen kredieten die vooral als O&O worden beschouwd. Hierdoor is EWI met voorsprong het beleidsdomein met het grootste O&O-budget (zie Figuur 45). Figuur 46 Verdeling van de middelen in 2022BO voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid KBBJ 0,16%

OV 44,34%

WVG 0,37%

MOW 0,68%

CJSM 1,00% Overig 5,02%

WSE 0,05%

LV 0,91%

FB 0,02%

OMG 1,83%

EWI 50,64%

KBBJ Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie FB Financiën en Begroting EWI Economie, Wetenschap en Innovatie OV Onderwijs en Vorming WVG Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

CJSM WSE LV MOW OMG

Cultuur, Jeugd en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving

Figuur 47 Verdeling van de middelen in 2022BO van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid CJSM KBBJ 0,29% 0,19%

OV 22,02% Overig 3,27% EWI 74,71%

LV 1,09%

MOW 0,12%

OMG 1,34%

FB 0,00%

WVG 0,16%

WSE 0,07%

173


Tabel 40 geeft per beleidsdomein het totale budget, opgesplitst in de drie wetenschappelijke activiteiten (definities zie vooraan deel 2): onderzoek en ontwikkeling (O&O), onderwijs en vorming (O&V) en wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T) aan. Het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) is de optelsom.

Tabel 40 Verdeling Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) voor de definitieve begroting 2021 (2021) en voor begrotingsopmaak 2022 (2022BO), over de beleidsdomeinen, gerangschikt volgens afnemend krediet voor wetenschap en innovatie in 2022BO (miljoen euro)

2021 EWI

O&O

2022

2021

O&V

2022

2021

W&T

2022

2021

WIB

2022

2021

% O&O

2022

2021

% WIB

2022

1.680,96

1.519,33

7,95

2,50

61,25

59,74

1.750,17

1.581,57

77,36%

74,71%

54,02%

50,64%

427,36

447,86

903,10

934,53

5,67

2,38

1.336,13

1.384,77

19,67%

22,02%

41,24%

44,34%

OMG

25,46

27,23

0,00

0,00

30,07

30,06

55,83

57,28

CJSM LV

4,93 22,62

5,83 22,21

0,00 0,00

0,00 0,00

21,50 6,37

25,52 6,27

26,43 28,99

31,35 28,48

1,17% 0,23% 1,04%

1,34% 0,29% 1,09%

1,72% 0,82% 0,89%

1,83% 1,00% 0,91%

MOB

2,64

2,53

0,00

0,00

23,11

18,66

25,75

21,19

0,12%

0,12%

0,79%

0,68%

WVG

3,53

3,20

0,00

0,00

8,30

8,34

9,49

11,54

0,16%

0,16%

0,29%

0,37%

KBBJ

3,96

3,96

0,00

0,00

0,00

0,92

4,99

4,88

0,18%

0,19%

0,15%

0,16%

WSE

1,51

1,51

0,00

0,00

0,00

0,00

1,51

1,51

0,00

0,00

0,00

0,00

0,46

0,51

0,46

0,51

0,07% 0,00%

0,07% 0,00%

0,05% 0,01%

0,05% 0,02%

2.172,97

2.033,66

911,05

937,03

157,76

152,39

3242,08

3.123,07

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

OV

FB Totaal


3. Analyse volgens bevoegde minister De Vlaamse Regering telt negen ministers die bevoegd zijn voor de beleidsvelden uit de tien beleidsdomeinen. Alle negen ministers van de Vlaamse Regering hebben in de uitgavenbegroting middelen voor wetenschap en innovatie ingeschreven in de beleidsvelden waarvoor ze bevoegd zijn. Hetzelfde geldt voor de middelen specifiek voor onderzoek en ontwikkeling. De verdeling, zoals weergegeven in Figuur 46 en Figuur 47 zijn opgemaakt op basis van de code ‘ordonnancerend minister’ bij de betreffende basisallocaties in de begrotingstabel. De minister van innovatie is bevoegd voor 51% van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid en de minister van onderwijs voor 43%. De overige 4% valt onder de bevoegdheid van de andere zeven ministers van de Vlaamse Regering. Figuur 48 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) 2022BO volgens de ministeriële bevoegdheden

0,07% 0,14% 0,22% 21,57%

0,64% 0,12% 0,53%

3,65%

74,78%

1,93%

Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Vlaams minister van Brussel, Jeugd en Media Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed

De minister van innovatie is bevoegd voor 75% van de middelen voor het O&O beleid en de minister van onderwijs voor 22%. De overige 4% valt onder de bevoegdheid van de andere zeven ministers van de Vlaamse

175


Regering. Net zoals bij de verdeling over de beleidsdomeinen is het verschil tussen beide figuren uit te leggen door het feit dat de werkingsuitkeringen aan de universiteiten bij conventie samengesteld zijn uit 25% O&O en 75% O&V. Figuur 49 Verdeling van de middelen voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) 2022BO volgens de ministeriële bevoegdheden

43,98%

0,72%

0,05%

5,33%

0,96%

0,72% 0,76%

0,08%

2,05%

50,69%

Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Vlaams minister van Brussel, Jeugd en Media Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed

4. Het O&O budget: analyse volgens NABS-classificatie Figuur 50 deelt het ganse O&O-budget op bij begrotingsopmaak 2022 volgens NABS-classificatie. NABS staat voor “nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en –programma’s” en is een EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O onderverdeelt naar sociale-economische doelstellingen. Deze indeling van de O&O-kredieten biedt als belangrijk voordeel dat het internationale vergelijking mogelijk maakt (zie hiervoor hoofdstuk 10). De NABS-indeling toegepast op de Vlaamse O&O-overheidskredieten houdt echter ook een belangrijke beperking in. Met de globale subsidies of dotaties voor de strategische onderzoekscentra, wetenschappelijke

176


instellingen, departementale diensten en Vlaamse openbare instellingen verricht men in vele gevallen onderzoek dat thuishoort in meerdere NABS-domeinen (bv. milieu, energie, industriële productie en technologie, …). Omdat deze opsplitsing niet steeds eenduidig vast te stellen is, wordt aan één kredietlijn ook maar één NABS-code toegekend. Het ontbreken van middelen voor energieonderzoek (NABS 5) betekent met andere woorden niet dat er door de Vlaamse overheid geen onderzoek in dat domein wordt gefinancierd. De NABS-klassen kunnen geaggregeerd worden in grotere indelingen: economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving (sociale structuren, bescherming van het milieu en exploitatie en exploitatie van het aardse milieu), onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteitsfondsen. Figuur 51 laat de verdeling van het O&O-budget 2021 over deze klassen zien. Ten opzichte van het totale O&O-budget, dalen de kredieten voor het onderzoek gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen (GUF): 20,3% in 2022BO t.o.v. 19,2% in 2021BA. Het relatief aandeel O&O-budget besteed aan niet-georiënteerd onderzoek daalt van 32% in 2021BA naar 28% in 2022BO. Het O&O-budget besteed aan economische ontwikkeling stijgt van 44% in 2021 BA naar 48% in 2022BO . In deel 3 worden deze Vlaamse cijfers internationaal vergeleken.

177


Figuur 50 Verdeling O&O-budget 2022BO volgens NABS-classificatie 1,41%

0,83%

0,41%

28,04%

43,09%

20,34%

1,39%

2,61% 0,99% 0,51% 1 Exploratie en exploitatie van het aardse milieu Economische ontwikkeling 0,38%

2 Milieu Gezondheid en omgeving 4 Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur Economische ontwikkeling 6 Industriële productie en technologie Economische ontwikkeling 7 Gezondheid Gezondheid en omgeving 8 Landbouw Economische ontwikkeling 9 Onderwijs Onderwijs en maatschappij 10 Cultuur, recreatie, religie en media Onderwijs en maatschappij 11 Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen Onderwijs en maatschappij 12 Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen Algemene universiteitsfondsen (GUF)

178


Figuur 51 Verdeling O&O-budget 2022BO volgens geaggregeerde NABS-klassen Onderwijs en maatschappij 2,28% Algemene universiteitsfondsen (GUF) 20,34%

Gezondheid en omgeving 1,82%

Economische ontwikkeling 47,51%

Niet-georiënteerd onderzoek 28,04%

5. Het O&O budget: analyse van gericht versus niet-gericht onderzoek In 2022 is er bij begrotingsopmaak een budget van 2 miljard euro voorzien voor O&O, hiervan kan 923 miljoen beschouwd worden voor het niet-gericht onderzoek en 1.111 miljoen voor het gericht onderzoek, m.a.w. een verhouding niet-gericht ten opzichte van gericht van 45/55. Het budget voor het niet-gericht onderzoek is samengesteld uit de middelen voor FWO (kredietlijn FWO en FWO fundamenteel onderzoek), de Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF), 50% van de middelen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (bij FWO), 25% van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten en van de aanvullende werkingsmiddelen, het O&O-aandeel van de andere toelagen aan de universiteiten (zie Tabel 32) en ten slotte de middelen voor internationale wetenschappelijke samenwerking. Het gericht onderzoek omvat de middelen voor FWO (strategisch basisonderzoek en klinisch wetenschappelijk onderzoek), de middelen voor VLAIO en het Fonds Innoveren en Ondernemen (zie programma EF, pagina 145), de subsidies aan de strategische onderzoekscentra imec, VITO, VIB, iMinds (tot voor de fusie met imec in 2016), Flanders Make, 50% van de middelen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (FWO), subsidie aan bv. ITG en andere gelijkgestelde instellingen, de subsidies aan de wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s, het O&O-aandeel van de horizontale initiatieven in de verschillende beleidsdomeinen (zie Hoofdstuk 9, pagina 194), de subsidie aan de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek (de algemene werking met ondersteuning van steunpunten uit EWI is gestopt vanaf 2016, steunpunten binnen beleidsdomeinen blijven tot het gericht onderzoek behoren) en ook allerhande uitgaven i.v.m. het globale wetenschaps-en innovatiebeleid. Belangrijk is op te merken dat het onderscheid tussen niet-gericht en het gericht onderzoek niet gelijk te stellen is aan het onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en evenmin met het onderscheid bottom up en top-down. Ook binnen het gericht onderzoek is er plaats voor kennisgrensverleggend fundamenteel onderzoek op initiatief van de vorser.

179


Figuur 52 en 53 tonen de evolutie van deze verhouding en de totale kredieten vanaf 1995. In 1995 was de verhouding niet-gericht/gericht 60/40, terwijl bij begrotingsopmaak 2019 deze verhouding gewijzigd is naar 42/58. Vanaf 2002 is het aandeel gericht onderzoek groter dan het aandeel niet-gericht en is sindsdien blijven stijgen tot 59% in 2010 door de extra middelen voor Vinnof, TINA-Fonds, Zaaikapitaalfonds Flanders’ Care en de eenmalige middelen vanuit FFEU, samen goed voor 160 miljoen euro. In 2015 en 2016 is de verhouding 50/50. In 2017 neemt het aandeel gericht onderzoek toe tot bijna 51% door eenmalige investeringen en door recurrentie investeringen in bijvoorbeeld de SOC’s. In 2018 en 2019 blijft het aandeel van het gericht onderzoek toenemen tot 58%. Dit is te wijten aan de recurrente opstappen uit 2017 en 2019 en aan de eenmalige investeringsenveloppes. In 2018 werd er bijna 70 miljoen bijkomend geïnvesteerd (uit de investeringsprovisie) in gericht onderzoek. Ook in 2019 gaat een groot deel van de investeringsprovisie en de recurrente opstap naar gericht onderzoek, bijvoorbeeld: 52 miljoen euro naar beleidsagenda Artificiële Intelligentie en Cybersecurity en 20 miljoen naar IOF. In 2020 neemt het aandeel van de middelen voor niet gericht onderzoek lichtjes toe. Het aandeel van het gericht onderzoek daalt, vooral in gevolge het in 2020 wegvallen van de eenmalige investering in het Flanders Future Tech Fund van 75 miljoen euro in 2019. In 2021 neemt het niet-gericht en het gericht onderzoek verder toe. In 2022BO nemen zowel de middelen voor niet-gericht als voor gericht onderzoek lichtjes af. Dit ingevolge het feit dat de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen wel al verrekend zijn in 2021, nog niet in 2022. De verhouding van niet-gericht ten opzichte van gericht onderzoek blijft sinds 2020 consequent 45/55.

180


Figuur 52 Evolutie aandeel gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2022BO 65%

60,40% 60%

58,89% 58,04% 56,31%56,28%

55,73%

54,19%

55%

58,29%

56,60% 55,15%

54,99%

53,72%

52,87%

52,54% 52,16% 51,68%51,56% 51,60% 51,04% 50,86%

50,24%50,33% 49,76%

48,40% 47,46% 44,27%

48,96%

48,32%

47,84%

49,14%

48,44%

47,13%

45,81% 43,69%43,72%

46,28%

44,85%

45,01%

45,09%

49,67% 49,03% 44,70%

45,38% 44,54%44,73%

43,40% 41,11%

40%

55,27 % 54,62%

50,97%

50%

45%

55,30%

54,91%

55,46%

41,96%

41,71%

39,60%

35% 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022i

% Niet-gericht onderzoek

% Gericht onderzoek


Figuur 53 Evolutie van de kredieten voor gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2022BO (in miljoen euro) 1.400

1.201,10 1.200

1.137,64

1.110,73

1.030,47 971,87

1.000

922,93

901,85

767,56

800

720,79 712,50 634,71 623,29

600 506,85 459,45 400

200

315,61 325,42 294,48 289,51 304,24 282,48 268,63 253,17 251,96 240,51 228,67 216,53 191,02 141,97

399,66 375,64 386,11 388,33 393,31 352,95

542,75 421,63

511,73

486,72

506,78503,23 515,07

679,73 556,28

701,91 692,80 657,41 652,30 646,13 630,21

813,95 827,55

814,35 783,34 728,89

586,09

440,94

0 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022i

niet gericht onderzoek

gericht onderzoek


6. Het O&O budget: analyse volgens initiatiefnemer De voorgaande benaderingen om de O&O-overheidskredieten te categoriseren als gericht of niet-gericht onderzoek gaan voorbij aan bepaalde essentiële verschillen in de totstandkoming van het onderzoek dat gefinancierd wordt met deze middelen. Een alternatieve invalshoek is gericht op de initiatiefnemer en focust bovendien op onderzoek met een relevantie voor het industrieel weefsel in Vlaanderen. In deze benadering worden de middelen gecategoriseerd als volgt: -

middelen die ingezet worden op initiatief van kennisinstellingen – aanbod gedreven onderzoek (KI); middelen die ingezet worden op initiatief van (individuele) bedrijven – vraag gedreven onderzoek (B); middelen die gemengd ingezet worden, d.w.z. met zowel een vraag- als aanbod gedreven karakter – hybride kanalen (H).

Een aantal initiatieven worden buiten beschouwing gelaten en opgenomen in een vierde categorie, niet van toepassing. Het betreft onder andere het O&O-gedeelte van de middelen voor werkingsuitkeringen aan de universiteiten. Ook middelen voor diverse coördinatie-opdrachten (bv. werking VIN, Flanders DC, ondersteuning SERV, …) worden niet in rekening gebracht. Bovendien is de analyse beperkt tot bestedingen die een impact hebben op het industrieel weefsel. De middelen die ingezet worden op initiatief van kennisinstellingen in de Sociale en Humane Wetenschappen worden dus buiten beschouwing gelaten omdat deze industrieel minder directe impact hebben. Tabel 41 geeft een overzicht van de opdeling van de beschouwde overheidskredieten voor O&O in de vier verschillende categorieën. Tabel 41 Categorisatie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten naar initiatiefnemer*

Kennisinstellingen (KI) • • • • • •

71% FWO-middelen1 71% BOF-middelen2 50% FWO investeringen infrastructuur (voor 2016 Hercules) Toegepast biomedisch onderzoek NERF Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek

Hybride kanalen (H) • • • • • • • • • • • • •

1)

Initiatief Vlaamse Regering3 Innovatieve mediaprojecten Strategisch basisonderzoek Specialisatiebeurzen en Baekeland-programma Lichte structuren3 Landbouwonderzoek Tetra-fonds SOC’s3 Industrieel Onderzoeksfonds 50% FWO investeringen infrastructuur (voor 2016 Hercules) Vlaamse excellentiepolen Onderzoek staalindustrie EFRO - Hermes

Bedrijven (B) • • • • • •

•

Initiatief bedrijven en innovatieve samenwerkingsverbanden Deelnemingen in de spinoffs van de SOC’s en associaties Aandeel innovatie van Fonds Innoveren en Ondernemen Participaties O&O via PMV PMV – Vinnof Participaties in PMV – Zaaikapitaalfonds Vlaanderen Medisch Centrum Participaties in het kader van innovatie: PMV – TINAfonds

Niet van toepassing • • • • • • •

Vlaams Innovatie Netwerk Vlaamse deelname aan de Europese programma's Interfacediensten Stichting Innovatie & Arbeid Flanders DC FFEU O&O-aandeel van de middelen uit de categorieën 4, 5 en 6 in de verdeling in de zes grote categorieën (zie infra 7)

Opsplitsing van FWO-middelen naar wetenschapsgebieden: Domein Wetenschap & Technologie: 28%; Domein Medisch: 29%; Domein Biologisch: 14%

Deze percentages zijn gebaseerd op een bestedingsanalyse van de FWO-middelen voor de periode 2005-2011. De overige FWO-middelen (Cultuurwetenschappen, Gedrags- en maatschappijwetenschappen, Interdisciplinair) worden buiten beschouwing gelaten. Voor deze analyse wordt elk jaar hetzelfde percentage gehanteerd. In een meer diepgaande analyse kan dit zeker nog verder verfijnd worden. 2)

Voor de BOF-middelen wordt hetzelfde percentage gehanteerd als voor de FWO-middelen. Uit de recentste jaarverslagen van de verschillende universiteiten blijkt immers dat, voor zover beschikbaar, ongeveer 30% (over de Vlaamse universiteiten heen) wordt ingezet voor Sociale en Humane Wetenschappen, de overige middelen worden toegewezen aan Biomedisch, Wetenschap en Technologie. Voor deze analyse wordt, net zoals voor de FWO-middelen, elk jaar hetzelfde percentage gehanteerd.

3)

Om pragmatische redenen worden deze middelen als hybride gecategoriseerd. Voor een meer gedetailleerde analyse is een verdere uitsplitsing over de verschillende categorieën noodzakelijk.

183


Figuur 54 toont het aandeel van de verschillende initiatiefnemers bij begrotingsopmaak 2022. Figuur 54 Aandeel van de verschillende categorieën bij begrotingsopmaak 2022

23,21% 31,68% %KI %H %B

45,11%

De evolutie van 2004 tot 2022BO van de verdeling volgens deze categorisatie wordt weergegeven in Tabel 42 en Figuur 55. In het verleden maakten de middelen voor de hybride kanalen duidelijk het grootste aandeel uit. De middelen op initiatief van kennisinstellingen en op initiatief van de bedrijven zijn echter sterk toegenomen. Figuur 56 toont een overzicht van het relatieve aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&O-budget (zonder het budget dat als ‘niet van toepassing’ werd gecategoriseerd). Het aandeel in het totale O&O budget voor initiatieven van kennisinstellingen is toegenomen van 28% in 2004 tot 32% in 2022BO. Het aandeel van de initiatieven door bedrijven is constant gebleven (met fluctuaties), 23% in 2004 en in 2022BO. Het aandeel van initiatieven van hybride kanalen is afgenomen van 49% in 2004 naar 45% in 2022BO.


Tabel 42 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

KI

145,17

162,79

180,7

194,68

216,93

228,52

225,85

233,06

259,58

156,35

273,83

273,12

354,11

377,59

340,23

394,93

384,87

480,00

2022B O 395,29

H

250,17

224,43

229,93

260,71

315,51

314,83

302,91

328,4

382,32

379,69

436,43

352,83

361,94

431,71

498,93

568,86

504,88

663,87

661,79

B

114,85

203,21

224,27

155,77

183,33

168,25

296,42

271,42

172,39

160,46

180,89

162,93

174,30

249,67

253,13

249,35

334,21

338,94

338,94

NVT

310,48

308,21

333,05

341,52

405,65

418,47

398,83

394,78

421,71

382,63

506,52

509,54

504,36

538,68

538,45

738,44

634,06

690,15

662,56

Totaal O&O

820,67

898,64

967,95

952,67

1 121,43

1 130,07

1 224,02

1 227,66

1 236,01

1 243,50

1397,77

1 298,43

1 394,71

1 597,65

1 630,74

1 951,59

1858,01

2172,97

2033,66

Figuur 55 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) 800 600

KI

400

H B

200

NVT

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Figuur 56 Evolutie van relatief aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&O-budget 2000 1500 1000 500 0

28% 49% 23%

28% 38% 34%

28% 36% 35%

32% 43% 25%

30% 44% 26%

2004

2005

2006

2007

2008

32% 44% 24%

27% 37% 36%

28% 39% 33%

32% 47%

2009

2010

2011

21%

22% 55% 23%

2012

2013

36%

31%

41%

46%

31%

47%

41%

35% 45%

40% 41%

20%

21%

20%

24%

23%

21%

2014

2015

2016

2017

2018

2019

31% 49%

32%

33%

32%

45%

45%

27%

23%

23%

2020

2021

2022

B H KI


7. Het wetenschaps- en innovatiebudget: analyse volgens zes grote indelingen Tabel 43 Verdeling van het totale budget van het HBPWIB (miljoen euro)

Jaar

1. Niet-gericht onderzoek

2.Werking universiteit en gelijkgestelde instellingen

3.Onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven

4.Wet. instellingen, dep. Diensten en VOI's

5.Horizontale initiatieven – beleidsondersteunend onderzoek

6.Globaal wetenschaps-beleid

Totaal WIB

1994

73,89

547,84

141,34

19,25

27,09

11,14

820,55

1995

78,55

544,77

132,55

19,22

25,42

7,35

807,86

1996

94,99

551,37

158,49

40,18

28,33

17,92

891,29

1997

112,18

547,65

191,19

39,89

29,85

22,10

942,86

1998

125,26

553,16

220,05

40,38

41,70

32,70

1 013,26

1999

139,94

584,86

235,24

45,81

39,34

61,80

1 106,98

2000

156,42

600,46

231,69

54,37

43,77

40,35

1 127,06

2001

164,28

612,78

243,41

52,92

68,87

23,42

1 165,67

2002

172,70

641,86

311,01

48,98

67,34

26,91

1 268,80

2003

177,77

664,78

347,89

71,80

50,50

22,47

1 335,20

2004

200,24

676,16

396,66

65,30

31,20

23,31

1 392,87

2005

213,09

694,73

453,76

69,03

33,86

24,37

1 488,83

2006

234,78

718,49

487,20

72,74

36,43

26,33

1 575,97

2007

253,34

716,17

450,31

74,49

37,07

29,98

1 561,36

2008

280,52

770,61

572,56

86,49

41,77

30,04

1 781,99

2009

296,84

778,97

555,44

80,18

34,21

31,28

1 776,93

2010

293,03

780,15

654,70

79,99

32,53

29,76

1 870,17

2011

301,67

795,87

637,38

82,02

32,35

31,38

1 880,66


Jaar

1. Niet-gericht onderzoek

2.Werking universiteit en gelijkgestelde instellingen

3.Onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven

4.Wet. instellingen, dep. Diensten en VOI's

5.Horizontale initiatieven – beleidsondersteunend onderzoek

6.Globaal wetenschaps-beleid

Totaal WIB

2012

333,96

827,67

595,11

96,85

35,63

36,62

1 925,84

2013

347,01

852,79

580,62

96,32

31,25

36,07

1 944,05

2014

349,01

1 006,97

651,24

106,76

50,65

34,43

2 199,06

2015

343,90

1 108,44

561,76

111,61

28,73

30,54

2 184,97

2016

421,17

1 057,85

599,79

103,20

31,38

22,44

2 235,82

2017

466,43

1 139,27

701,40

115,18

30,84

24,32

2 477,43

2018

411,94

1 136,08

801,17

122,25

39,26

23,70

2 534,40

2019

496,31

1 210,63

974,58

164,62

46,08

39,82

2 932,05

2020

491,40

1249,60

894,92

120,91

75,36

33,09

2 865,28

2021

617,51

1298,10

1097,55

136,48

56,06

34,05

3 242,08

2022BO

541,87

1347,77

1004,94

144,03

53,26

31,21

3 123,07

Tabel 43 toont de verdeling van het totale budget van het HBPWIB over zes grote categorieën in de periode 1994-2022BO Het is een opsplitsing naar de aard van het wetenschappelijk onderzoek (O&O) en van de andere wetenschappelijke activiteiten (O&V en W&T). We herhalen dat de werkingsuitkeringen van de hogescholen (854 miljoen euro in 2022) voor de ganse periode niet meegenomen worden in deze analyse omwille van de historische tijdsreeks.


Figuur 57 toont op basis van de initiële kredieten 2022 de verdeling van het ganse overheidsbudget voor het wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) over de zes categorieën. De middelen voor de werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen vormen het grootste aandeel, in 2022BO goed voor 43,2% van het totale wetenschaps- en innovatiebudget. Dit aandeel is toegenomen ten opzichte van de definitieve begroting 2021 (40,1%). Ook het aandeel van het niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en 50% van de middelen voor FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur is bij begrotingsopmaak 2022 gedaald t.o.v. het aandeel in 2021 (definitieve kredieten): 15,9% in 2022BO vs. 19,1% in 2021. De middelen voor het “industrieel onderzoek” vormen het tweede grootste aandeel. In 2022BO vormen de middelen voor “industrieel onderzoek” een aandeel van 32,2% van het totale wetenschaps- en innovatiebudget. Dit is een lichte daling ten opzichte van 2021 BA (33,9%). Hieronder worden de zes grote indelingen van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid 2022 meer in detail besproken. Figuur 57 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) 2022BO 4,61%

1,71%

1,00%

niet gericht onderzoek

17,35%

werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven

32,18%

43,16%

wetenschappelijke instellingen, departementale diensen en VOI's horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek globaal wetenschapsbeleid

7.1. Niet-gericht onderzoek Tabel 44 somt de middelen op voor het niet-gericht, grensverleggend onderzoek die verdeeld worden via FWO en BOF. Tabel 44 Niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en Hercules (50%) (miljoen euro) 2022BO FWO

396,38

FWO fundamenteel onderzoek

246,15

FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (50%)

49,27

FWO werking

15,83

FOSB (Flanders Open Science Board)

5,00

BOF

222,24

Basissubsidie

196,23

Methusalem-programma Tenure Trackstelsel TOTAAL

19,54 9,86 541,87

Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) zijn de twee financieringskanalen voor het niet-gericht kennisverruimend onderzoek aan de Vlaamse universiteiten:

188


terwijl FWO de budgetten toekent op basis van wetenschappelijke interuniversitaire competitie, gebeurt dit bij BOF op basis van een intra-universitaire competitie. FWO is het financieringskanaal voor het stimuleren en ondersteunen van het grensverleggend fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op initiatief van de onderzoeker (bottom-up) in alle wetenschapsgebieden aan de Vlaamse universiteiten. De BOF-middelen worden tussen de universiteiten verdeeld op basis van een verdeelsleutel waarin onder meer prestatiegerichte parameters zijn opgenomen: de BOF-sleutel. FWO en BOF werken complementair en versterken elkaar. De FWO investeringen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (ex Hercules-middelen), worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het gericht industrieel onderzoek ondergebracht wordt.

7.2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen Van het totaal aan kredieten voor wetenschaps- en innovatiebeleid nemen de toelagen voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening (Tabel 45). De initiële kredieten in 2021 bedragen 978,81 miljoen euro. Van dit bedrag is bij conventie 75% of 734 miljoen euro bestemd voor onderwijs en vorming (O&V) en 245 miljoen euro of 25% voor onderzoek en ontwikkeling (O&O).

Figuur 58 Evolutie van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten (miljoen euro) van 1993 tot 2022BO 1200 1000 800

891,78

833,63

870,37

887,50

932,66

962,19

1.013,24

1.054,43

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

820,61

2015

596,80 2006

717,59

583,08 2005

700,74

566,79 2004

2013

553,83 2003

2012

539,53 2002

682,46

512,27 2001

661,04

500,98 2000

2011

489,01 1999

2010

479,02 1998

659,04

464,64 1997

647,92

449,78 1996

2009

434,77 1995

614,28

418,67

2007

401,47

1994

200

1993

400

2008

600

2014

0

189


Tabel 45 Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen (miljoen euro) 2022BO

Universiteiten (1)

1.229,92

Werkingsuitkeringen Universiteiten

1.054,43 KU Leuven - KUB

393,31

UGent

325,25

UAntwerpen

152,89

VUB

117,21

UHasselt

65,78

Andere toelagen aan de universiteiten

260,37

Toelagen studentenvoorzieningen voor het hoger onderwijs

56,02

Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen universitair onderwijs

29,97

Investeringen hoger onderwijs

36,83

Bijdrage wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten

32,36

Aanvullende werkingsmiddelen hoger onderwijs in Brussel

9,08

Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen ITG

0,71

Toelage associaties

0,58

Subsidies in het kader van de versterking van de onderzoeksbetrokkenheid van de academische opleidingen aan de hogescholen Overige gelijkgestelde instellingen (2)

94,82

Subsidie verleend aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde 'Prins Leopold" in Antwerpen Werkingsmiddelen Vlaamse autonome hogere zeevaartschool

11,35

Subsidies voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door de instellingen van post-initieel onderwijs en hogere instituten van schone kunsten (ITG)

5,05

Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten bate van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en Beheer (IOB) Subsdie aan de Vrije Universiteit Brussel ten behoeve van het Instituut voor Europese Studiën (IES) Subsidie aan de Vlerick Leuven Gent Management School

2,32 2,08

Subsidie aan de Antwerp Management School

1,01

Subsidie aan de evangelische theologische faculteit en de faculteit protestantse godsgeleerdheid Alamire Foundation

0,94 0,83

Vlerick

0,75

Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen ITG

0,71

Orpheus

0,55

AMS

0,39

Investeringsmiddelen en eigenaarsonderhoud hogere zeevaartschool Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten behoeve van het Instituut voor Joodse Studies (IJS) TOTAAL (1) + (2)

0,19 0,19

190

33,68

5,35

1,96

1.347,77


7.3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven

van

nieuwe

Tabel 46 geeft een overzicht van de kredieten voor het gericht industrieel onderzoek. Op basis van de initiële kredieten in 2022 is er 1.005 miljoen euro beschikbaar. Het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO beheert het grootste budget: 42%. Daarnaast is een groot aandeel van deze middelen bestemd voor onderzoek uitgevoerd door de strategische onderzoekscentra (SOC’s) imec, VITO, VIB (inclusief NERF) en Flanders Make, samen goed voor ruim 31%.

Figuur 59 Verdeling van de middelen voor wetenschap en innnovatie van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 2022, initieel

14,40%

31,03%

5,29%

12,43%

3,12% 1,42% 0,93% 0,84% 0,45%

42,14%

0,30% 0,07%

Hermesfonds

SOC's

FWO

IOF

PWO

Artificiële intelligentie

Cybersecurity

provisie O&O

interface

regeneratieve geneeskunde

Flanders Future Tech Fund

191


Tabel 46 Kredieten voor wetenschap en innovatie (hoofdzakelijk O&O) van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven (miljoen euro), 2022BO FWO (1)

144,72

FWO Strategisch Basisonderzoek

77,47

FWO Klinisch Wetenschappelijk Onderzoek

17,98

(50%) FWO investeringen Herculesstichting)

(middel)zware

en

bijzondere

onderzoeksinfrastructuur

(voormalige

Fonds Innoveren Ondernemen (2) bij VLAIO Bedrijfssteun Onderzoeksprojecten Bedrijfsteun Clusters

49,27 423,45 96,55 81,17

Bedrijfsteun Ontwikkelingsprojecten

119,21

Moonshot Klimaat

20,00 16,80

Toekennen van specialistatiebeurzen en doctoraats-beurzen in het kader van het Baekeland-programma Provisie voor investeringen in O&O en het bedrijfsleven Wetenschappelijk en technologisch onderzoek met landbouwkundig doel

9,80 10,30

Bedrijfsteun COOCK (Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding)

9,60

Bevordering van technologietransfer en onderzoek door instellingen van hoger onderwijs (TETRA)

9,59

Beleidsagende Cybersecurity - implementatieluik

8,40

Beleidsagenda Artificiële intelligentie - implementatieluik

7,50

Kennisdiffusie Hogescholen

7,50

Bedrijfsteun Innovatiemandaten

5,80

VZW Team bedrijfstrajecten

5,51

20% ecologiesteun als O&O gecatalogeerd

5,26

Progamma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO)

3,78

Proeftuinen City of Things en Industrie 4.0

3,60

Artificiële intelligentie/Cybersecurity

2,65

Werking

0,43

Strategische Onderzoekscentra (SOC) (3) bij Departement EWI

311,86

Subsidie aan imec

129,61

NERF – imec

0,88

Toelage aan VIB

73,51

NERF – VIB

0,88

Toelage aan VITO

50,35

Toelage aan VITO voor de financiering van de referentietaken – vanuit departement EWI

7,66

Toelage aan VITO voor de financiering van de referentietaken – vanuit departement Omgeving

3,13

VITO - onderzoeksprogramma AI Toelage aan Flanders Make

192

0,20 45,64


Overige (4)

124,92

Artificiële intelligentie – onderzoeksluik

14,305

Cybersecurity - onderzoeksluik

9,329

IOF - Industrieel Onderzoeksfonds Vlaanderen

53,19

Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek (PWO) bij de Hogescholen

31,39

Provisie O&O

8,49

Toelage aan de universitaire interfacediensten

4,49

Regeneratieve Geneeskunde RegMed Xb

2,99

Flanders Future Tech Fund

0,73

Totaal (1)+(2)+(3)+(4)

1.004,94

7.4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s De vierde categorie bevat de kredieten verdeeld over de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, bepaalde departementale diensten of Vlaamse Openbare Instellingen (VOI’s) die ook onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening in hun opdracht voeren. In 2022 staan hier initiële kredieten vermeld voor een totaal bedrag van 144 miljoen euro. Tabel 47 geeft een opsomming van deze wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s en het overeenkomstige budget. Tabel 47 Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en Vlaamse Openbare Instellingen (miljoen euro), 2022BO Vlaamse Wetenschappelijke Instellingen (1)

67,92

Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO)

25,84

Agentschap Onroerend Erfgoed

17,67

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)

16,37

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA)

8,04

Departementale diensten en VOI’s (2)

76,11

VRT

17,99

Agentschap Plantentuin Meise

20,96

Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ)

6,07

Xperta

10,61

OVAM

6,41

Vlaamse Milieumaatschappij (VMM)

1,18

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

1,41

Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde (KMDA)

0,80

Vlaamse Landmaatschappij (VLM)

10,10

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)

0,50

Kind & Gezin

0,09

TOTAAL (1) + (2)

144,03

Voor de vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek), INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), het agentschap Onroerend Erfgoed, en KMSKA (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen) zijn er in 2022 voor een totaal van bijna 68 miljoen euro aan middelen voor wetenschaps- en innovatiebeleid voorzien.

193


De financiering gebeurt vanuit de betrokken beleidsdomeinen: ILVO vanuit LV, INBO vanuit Omgeving, Onroerend Erfgoed vanuit Omgeving en KMSKA vanuit CJSM. Voor VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee) is er in 2022 een totaal budget van 6 miljoen euro voorzien. Dit is zowel voor de werking als voor de investeringsuitgaven. Voor andere instellingen zoals Kind & Gezin, VRT of VAPH is er slechts een beperkt gedeelte van de globale dotatie voor de financiering van wetenschaps-en innovatiebeleid voorzien. Voor de Plantentuin Meise is er bij begrotingsopmaak 2022 een toelage van bijna 21 miljoen euro voorzien.

7.5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies In 2022 is er bij begrotingsopmaak voor de horizontale initiatieven en voor het beleidsondersteunend onderzoek 53 miljoen euro voorzien (zie Tabel 48). De initiatieven staan ingedeeld volgens de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. Voor EWI werd hier de kredietlijn “onderzoeken ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering en/of ondernemerschapsbevordering”. Tabel 48 Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies (miljoen euro), 2022BO

Beleidsdomein

Wetenschaps- en innovatiebeleid

Onderwijs en Vorming

13,19

Mobiliteit en Openbare Werken

11,09

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

9,53

Omgeving

6,84

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie

4,88

Landbouw en Visserij

2,63

Cultuur, Jeugd en Media

2,27

Werk en Sociale Economie

1,51

Economie, Wetenschap en Innovatie

0,81

Financiën en Begroting

0,51

TOTAAL

194

53,26


7.6. Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid In de zesde categorie kaderen de initiatieven ter ondersteuning van het wetenschapsbeleid. Bij begrotingsopmaak 2022 is een bedrag van 31 miljoen euro vastgelegd. Tabel 49 Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid (miljoen euro), 2022BO

Omschrijving Actieplan "Menselijk kapitaal voor Wetenschap, Technologie en Innovatie"

Budget 5,08

Subsidie aan de stichting Flanders Technology International (FTI)

4,28

Subsidie aan het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM-STORE)

3,35

STEM

2,50

Subsidies allerhande met betrekking tot de bekendmaking van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek aan structurele partners Subsidies voor de expertisecellen voor de popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie in de schoot van de associaties FRIS-onderzoeksruimte

2,35 2,06

Subsidie aan UNESCO voor de onderstuening van het Vlaams UNESCO-Trustfonds wetenschappen

1,30

Flanders DC

1,23

Subsidie aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB)

1,17

Uitgaven m.b.t. de conceptie, voorbereiding en uitvoering van acties met betrekking tot wetenschap en innovatie Subsidie aan de Europacollege voor United Nations University (UNU) in het kader van het programma Regionale Integratiestudies (UNU-CRIS) Subsidie aan Society Roger Van Overstraete

1,04

1,50

1,00 0,79

Bekendmaking van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek aan structurele partners Kenniscentrum Data en Maatschappij

0,77 0,75

Subsidies in het kader van internationale wetenschappelijke en innovatiesamenwerking

0,61

Bevordering van de Vlaamse informatiemaatschappij in het kader van de Lissabon-strategie

0,54

VARIO - werking en toelagen

0,31

Cofinanciering Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer

0,19

VLIR

0,12

Communicatie beleid

0,12

CJSM: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - Gent

0,08

Uitgaven in het kader van internationale wetenschappelijke samenwerking

0,06

Popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie

0,01

Subsidies ten behoeve van de academische prijzen van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde Totaal

0,01 31,21

195


Deel 3 O&O-overheidsuitgaven van Vlaanderen in nationale en internationale context


Inleiding Waar in Deel 2 het volledige Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid werd geanalyseerd met haar drie componenten: 1. 2. 3.

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) Onderwijs en Vorming (O&V) Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T)

focussen we hier in Deel 3 enkel op het O&O-luik. De reden is dat voor de O&O-bestedingen zowel regionaal, nationaal als Europees streefcijfers zijn bepaald en internationale vergelijkingen worden gemaakt. Op de Europese Top in Barcelona (maart 2002) werd het streefdoel gesteld om tegen 2010 de O&O-uitgaven (GERD) in de EU te verhogen tot 3% van het BBP (bruto binnenlands product), waarbij een derde van de O&O-bestedingen gefinancierd moest worden door de overheid en de andere twee derden door de industrie. Vlaanderen sloot in 2003 het Innovatiepact af waarin alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap het engagement aangingen om door gezamenlijke en complementaire inspanningen deze 3%-norm in Vlaanderen te realiseren. In 2009 namen de Vlaamse Regering en de Vlaamse sociale partners het initiatief om in het kader van ‘Vlaanderen in Actie’ een nieuw toekomstpact voor Vlaanderen af te sluiten met doelstellingen en acties: het Pact 2020. Dit pact weerspiegelde de gezamenlijke langetermijnvisie, -strategie en -acties van de Vlaamse Regering en de sociale partners. Voornoemde 3%-doelstelling werd hierin opnieuw hernomen. De deadline werd nu op 2020 gelegd, conform de EU 2020-strategie, de nieuwe langetermijnstrategie van de Europese Unie en de opvolger van de Lissabonstrategie. Vooraleer hier dieper op in te gaan is het belangrijk enkele internationale definities te duiden.

1.

Wat wordt precies verstaan onder O&O?

Voor het meten van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (O&O; in het Engels R&D) bestaan internationale richtlijnen in OESO-kader vastgelegd in de zgn. Frascati Manual 59. De basisdefinitie luidt als volgt: ‘Onderzoek en experimentele ontwikkeling (O&O) omvat het creatieve werk

dat op systematische wijze ondernomen wordt met als doel de beschikbare kennis uit te breiden (inbegrepen ook de kennis van mens, cultuur en maatschappij) en het gebruik van deze beschikbare kennis om nieuwe toepassingen te ontwerpen’. Onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten hebben dus altijd als doel tot nieuwe bevindingen te komen en wetenschappelijke of technische onzekerheden weg te werken.

OECD (2015) Frascati Manual 2015: guidelines for collecting and reporting data on research and experimental development. The measurement of Scientific, Technological and Innovation Activities, p. 44. 59

197


Om van een O&O-activiteit te kunnen spreken, moet aan vijf criteria voldaan zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

nieuw: in vergelijking met de bestaande kennis binnen de sector; creatief: geen routinematig karakter; onzeker: O&O begint wanneer de oplossing van een probleem niet evident is en de uitkomst onzeker; gepland: er wordt tijd, budget en personeel aan besteed; overdraagbaar en/of reproduceerbaar.

Drie types activiteiten worden met deze definitie gevat: -

-

fundamentele onderzoeksactiviteiten (‘basic research’): gericht op het bekomen van nieuwe kennis, zonder al nieuwe mogelijkheden tot toepassing in gedachten te hebben; toegepaste onderzoeksactiviteiten (‘applied research’): gericht op het bekomen van nieuwe kennis, waarbij men wel al nieuwe toepassingsmogelijkheden in gedachten heeft. Er wordt dus rekening gehouden met bestaande kennis met als doel welbepaalde problemen op te lossen. Toegepast onderzoek resulteert in een proefmodel van een product, het proces of de werkwijze. Men kan de kennis of de informatie die uit het toegepast onderzoek komt, in het algemeen patenteren of beschermen door geheimhouding; experimentele ontwikkeling (‘experimental development’): dit is de testfase van de ontwikkeling en heeft als doel op een systematische manier te komen tot nieuwe of verbeterde goederen, diensten of processen.

De bovenvermelde O&O-activiteiten kunnen: -

198

uitgevoerd worden door verschillende actoren in het O&O-landschap -> men spreekt van een analyse per uitvoeringssector van O&O; gefinancierd worden door verschillende actoren in he O&O-landschap -> men spreekt van een analyse per financierder van O&O.


2. De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O: analyse volgens uitvoeringssector De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (‘Gross Expenditures on Research and Development’) worden geanalyseerd per uitvoeringssector, waarbij de uitgaven geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit, met name door:

•

bedrijven: BERD of Business Expenditures on R&D: de bedrijvencomponent en de Collectieve Onderzoekscentra (COC; voorbeeld Sirris, SIM, WTCB, Centexbel,…)

•

overheden: GOVERD of Government Expenditures on R&D (publieke onderzoekscentra zoals ILVO, imec, VIB, Flanders Make, VITO,…)

•

hoger Onderwijs: HERD of Higher Education Expenditures on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten, als hogescholen)

•

instellingen zonder winstoogmerk: PNP of Private Not for Profit

Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke als private organisaties en internationale organisaties; bv. Von Karman Institute, KMDA,…) Of dus GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP. In het jargon spreekt men hier over de vier Frascati sectoren. De GERD kan men berekenen voor om het even welke territoriale omschrijving en relateren aan het bruto binnenlands product van de territoriale omschrijving. Dan bekomt men de ‘O&O-intensiteit’ van de territoriale omschrijving. De meest gangbare territoriale omschrijvingen zijn uiteraard Vlaanderen, België en Europa. Men heeft het dan over de ‘O&O-intensiteit’ van respectievelijk het Vlaams Gewest, België en EU-28. Deze cijfers worden gegeven in hoofdstuk 10. Daarnaast worden in analyses de totale O&O-uitgaven (GERD) ook vaak opgesplitst volgens private versus publieke uitvoeringssector (zie eveneens hoofdstuk 10): -

ratio BERD/BBPR = bijdrage van de private sector als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven in % van het BBPR

-

ratio non-BERD/BBPR = bijdrage van de publieke sector (GOVERD + HERD + PNP) als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven in % BBPR.

3. De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O: analyse per financieringssector Tenslotte worden ook analyses gemaakt die focussen op de financier van de O&O-uitgaven: private versus publieke financiering van de O&O activiteiten. Men kijkt hier dus naar de oorsprong van de middelen, los van de sector (overheid, bedrijven, …) waar het onderzoek wordt uitgevoerd. In het kader van de 3%-norm wordt algemeen aangenomen dat de private sector ernaar streeft om 2% bbp van de O&O-uitgaven te financieren en de overheden 1% bbp. Het officiële aandeel private versus publieke financiering van de O&O-uitgaven wordt in Vlaanderen bepaald via de O&O-enquêtes, afgenomen onder verantwoordelijkheid van het Expertisecentrum voor O&O Monitoring (ECOOM).

199


Om steeds zo recent mogelijke en internationaal vergelijkbare gegevens te hebben, worden door ECOOM bij de bedrijven de O&O-gegevens op twee manieren verzameld. Voor de andere uitvoeringssectoren (overheden, hoger onderwijs en instellingen zonder winstoogmerk) levert het Departement EWI de cijfers. Voor de uitvoeringssector “bedrijven” wordt er door ECOOM:

4.

-

tweejaarlijks (in de even jaren) een “O&O-enquête” georganiseerd die specifiek peilt naar de O&Ouitgaven; de resultaten daarvan verschijnen in de ‘3%-nota’ van ECOOM;

-

tweejaarlijks (in de oneven jaren) ook de ‘Community Innovation Survey’ (CIS-bevraging) gehouden, uitgevoerd in opdracht van Eurostat, die naast een brede bevraging naar de innovatie-inspanningen van de bedrijven ook peilt naar de O&O-uitgaven. De resultaten daarvan verschijnen in de ‘3% nota light’ van ECOOM: ‘light’ genoemd omdat op basis van de CIS-bevraging geen opsplitsing kan gemaakt worden tussen de publieke en private financiering van de O&O-uitgaven van de bedrijven.

O&O-overheidsbudgetten

uitgedrukt

in

(Government Budget Appropriations or outlays on R&D’)

%

van

het

BBPR:

GBARD

Er bestaat ook nog een andere berekeningswijze om de publieke financiering van O&O te achterhalen: aan de hand van de ‘budgettaire overheidskredieten O&O. In het jargon spreekt men van ‘GBARD’ of ‘Government Budget Appropriations or outlays on R&D’. Hier kijkt men naar de geplande (dus niet noodzakelijk gerealiseerde) budgetten voor O&O voorzien door een overheid. De Vlaamse begrotingsbudgetten worden opgevolgd door het Departement EWI. Op basis van deze O&Ooverheidskredieten wordt door het Departement jaarlijks een schatting gemaakt van de publieke O&Ointensiteit. Tot zover de definities. Het vervolg van dit deel van de Speurgids is als volgt gestructureerd. In hoofdstuk 11 worden de totale O&O-uitgaven (GERD) in Vlaanderen vergeleken met andere landen binnen en buiten Europa. In hoofdstuk 12 wordt een blik geworpen op de directe en indirecte overheidssteun voor O&O in België. In hoofdstuk 13 vergelijken we de O&O-overheidskredieten (GBARD) in Vlaanderen en België internationaal. In hoofdstuk 14 tenslotte, analyseren we het groeipad naar de zgn. ‘1%-bbp norm’ inzake overheidskredieten in Vlaanderen.

200


Hoofdstuk 11 Internationale vergelijking van de O&Ouitgaven (GERD) 1. De O&O-intensiteit in het Vlaams Gewest (3%-norm) Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van een regio weer te geven, is de O&Ointensiteit: het percentage van het BBPR (bruto binnenlands product van een regio) dat besteed wordt aan O&O. Voor het BBPR is ondertussen het nieuwe ESR2010 rekeningenstelsel in gebruik. Dit vormt een update van het ESR1995 rekeningenstelsel, waarop de vorige BBPR waren gebaseerd. Over het algemeen werden de grondslagen en algemene principes van het ESR1995 overgenomen in het ESR2010 rekeningenstelsel. De doorgevoerde wijzigingen hebben als doel de huidige economische omgeving nog nauwgezetter in te schatten. Deze verandering brengt met zich mee dat het BBPR voor het Vlaams Gewest relatief stijgt ten opzichte van de ESR1995-berekening. De O&O-intensiteit, het percentage van het bruto binnenlands product (BBP) dat besteed wordt aan O&O door alle onderzoeksactoren samen, wordt voor 2020 berekend op basis van de resultaten van de O&O-enquête 2021 (zie hiervoor ook de “3% light nota”, ECOOM, juli 2022). Tabel 50 laat de evolutie zien van: -

de globale Vlaamse O&O-intensiteit (GERD) in het Vlaams Gewest de opsplitsing van GERD in private en publieke financiering (de 2%- en de 1%-norm) de opsplitsing van GERD in BERD (O&O-uitgaven in de private sector) en non-BERD (O&O-uitgaven in de publieke sector).

We herinneren er aan dat de opsplitsing van de O&O-intensiteit volgens financieringssector (gefinancierd door de private of publiek sector) niet te verwarren is met die volgens uitvoeringssector (besteed binnen de private of publieke sector). De eerste heeft betrekking op de oorsprong van de middelen (privaat of publiek), los van de sector waar het onderzoek wordt uitgevoerd. De laatste heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, los van de oorsprong van de middelen, zijnde de bedrijven (BERD), het hoger onderwijs (HERD), de publieke onderzoekscentra (GOVERD) of de non-profit organisaties (PNP). De laatste drie worden samen ook de non-BERD (publieke sector) genoemd. Tabel 50 toont de evolutie na retroactieve herberekening op basis van de meest recente BBPR-cijfers (NBB, 2018).

201


Tabel 50 Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (juli 2022) 2009

2010

2011

GERD/BBPR 2,08 2,21 2,35 GERD opgesplitst volgens financieringssector Private financiering / 1,54 n.b. 1,77 BBPR Publieke financiering 0,54 n.b. 0,58 / BBPR GERD opgesplitst volgens uitvoeringssector BERD / BBPR 1,35 1,48 1,59 Non-BERD/BBPR 0,71 0,73 0,74 Bron: 3% nota light, ECOOM, juli 2022

202

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

202 0

2,53

2,56

2,59

2,67

2,76

2,88

2,94

3,35

3,60

n.b.

1,95

n.b.

1,99

n.b.

2,15

n.b.

2,55

n.b.

n.b.

0,61

n.b.

0,68

n.b.

0,72

n.b.

0,80

n.b.

1,76 0,77

1,76 0,79

1,81 0,78

1,87 0,80

1,87 0,87

2,01 0,87

2,05 0,90

2,41 0,95

2,58 1,02


2. Nationale en internationale vergelijking: Vlaanderen tweede hoogste O&O-intensiteit binnen EU-27 Tabel 51 toont de evolutie van de O&O intensiteit van Vlaanderen en België in een internationale context. In 2020 komt Vlaanderen op de eerste positie binnen Europa wat betreft O&O-intensiteit. Tabel 51 Evolutie van de GERD (Gross Expenditures R&D) van 2010 tot 2020 (% van bbp)

Landen

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Vlaanderen

2.23

2.35

2.54

2.56

2.60

2.67

2.75

2.88

2.94

3.35

3.60

Zweden

3.17(e)

3.19

3.23(e) 3.26(e) 3.10(e)

3.22(v)

3.25(e) 3.36(v)

3.32(e)

3.39

3.53

België

2.06

2.17

2.28

2.33

2.37

2.43

2.52

2.67

2.86

3.16

3.48

Oostenrijk

2.73(e)

2.67

2.91(e)

2.95

3.08(e)

3.05

3.12(e)

3.06

3.09(e)

3.13

3.20(ep)

Duitsland

2.73

2.81

2.88

2.84

2.88

2.93

2.94

3.05

3.11

3.17

3.14(p)

Denemarken

2.92

2.94

2.98

2.97

2.91

3.05

3.09

2.93

2.97

2.89

2.96

Finland

3.71

3.62

3.40

3.27

3.15

2.87

2.72

2.73

2.76

2.80

2.91

Frankrijk

2.18(b)

2.19

2.23

2.24

2.28(b)

2.23

2.22

2.20

2.20

2.19

2.35(ep)

Nederland

1.70

1.88(b)

1.92(b)

2.16(b)

2.17

2.15

2.15

2.18

2.14

2.18

2.29

Noorwegen EU (27 landen)

1.65

1.63

1.62

1.65

1.72

1.94

2.04

2.10

2.05

2.16

2.28

1.86(e)

1.91(e)

1.96(e)

1.98(e)

2.00(e)

2.00(e) 1.99(e)

2.03(e) 2.07(e)

2.11(e)

2.20(e)

Slovenië

2.05

2.41(b)

2.56

2.56

2.37

2.20

2.01

1.87

1.95

2.05

2.15

Tsjechië Verenigd Koninkrijk

1.33

1.54

1.77

1.88

1.96

1.92

1.67

1.77

1.90

1.93

1.99(p)

1.64(e)

1.64

1.57(e)

1.61

1.63(e)

1.63

1.64(e)

1.66

1.70

1.71

.

Estland

1.58

2.31

2.12

1.72

1.43

1.47

1.24

1.28

1.42

1.63

1.79

Portugal

1.54

1.46

1.38

1.32

1.29

1.24

1.28

1.32

1.35

1.40

1.62

Hongarije

1.13

1.18

1.25

1.38

1.34

1.34

1.18

1.32

1.51(b)

1.48

1.61

Italië

1.22

1.20

1.26

1.30

1.34(e)

1.34

1.37(b)

1.37

1.42

1.46

1.53

Griekenland

0.60(e)

0.68

0.71

0.81

0.84

0.97

1.01

1.15

1.21

1.28

1.50

Spanje

1.36

1.33

1.30

1.28

1.24

1.22

1.19

1.21

1.24

1.25

1.41

Polen

0.72

0.75

0.88

0.88

0.94

1.00

0.96

1.03

1.21

1.32

1.39

Ierland

1.60(e)

1.55(e)

1.56(e)

1.57(e)

1.52(e)

1.18(e)

1.18(e)

1.26(e)

1.17(e)

1.23(e) 1.23(p)

Litouwen

0.78

0.90

0.89

0.95

1.03

1.04

0.84

0.90

0.94

0.99

1.16

Luxemburg

1.42

1.42

1.21(b)

1.23

1.22

1.25

1.27

1.24

1.17

1.18

1.13

Slovakije

0.61

0.66

0.80

0.82

0.88

1.16

0.79

0.89

0.84

0.83

0.91

Letland

0.61

0.72

0.66

0.61

0.69

0.62

0.44

0.51

0.64

0.64

0.71

Bron: Vlaamse cijfers: 3% lightnota ECOOM juli 2022 – Landencijfers: Eurostat RD_E_GERDFUND, update juni 2022

203


Het aandeel private vs. publieke financiering wordt alleen berekent in de “3% nota” vandaar dat de recentste cijfers hierover van 2019 zijn. Tabel 52 toont de privaat gefinancierde O&O intensiteit 2019. In 2019 scoren Vlaanderen en België beiden 0,76% van de totale GERD. Tabel 52 Privaat en publiek gefinancierde GERD van 2019 (% van BBP)

Regio Zuid Korea Zweden Vlaanderen Japan België Duitsland Zwitserland Oostenrijk Verenigde Staten Denemarken Finland Ijsland EU (27) China Frankrijk Nederland Noorwegen Slovenië Tjechië Verenigd Koninkrijk Estland Hongarije Italië Portugal Polen Griekenland Spanje Ijsland Luxemburg Croatië Turkije Rusland Lithuania Servië Bulgarije

% private totale GERD 0,77 0,69 0,76 0,79 0,76 0,70 0,65 0,69 0,00 0,62 0,65 0,62 0,59 0,76 0,61 0,64 0,49 0,68 0,58 0,00 0,53 0,63 0,61 0,49 0,53 0,44 0,52 0,73 0,52 0,47 0,56 0,31 0,38 0,19 0,69

Bron: Eurostat RD_E_GERDFUND, update 21/10/2021

% GERD van BBP % Private GERD van BBP % publieke GERD van BBP 4,64 3,57 1,07 3,39 2,34 1,05 3,35 2,55 0,80 3,2 2,53 0,67 3,17 2,40 0,77 3,17 2,21 0,96 3,15 2,04 1,11 3,13 2,17 0,96 3,08 0,00 3,08 2,93 1,81 1,12 2,8 1,83 0,97 2,32 1,44 0,88 2,23 1,32 0,91 2,23 1,70 0,53 2,19 1,33 0,86 2,18 1,39 0,79 2,15 1,04 1,11 2,05 1,40 0,65 1,93 1,12 0,81 1,76 0,00 1,76 1,63 0,87 0,76 1,48 0,93 0,55 1,47 0,90 0,57 1,4 0,69 0,71 1,32 0,69 0,63 1,27 0,56 0,71 1,25 0,64 0,61 1,21 0,89 0,32 1,16 0,61 0,55 1,11 0,52 0,59 1,06 0,60 0,46 1,04 0,33 0,71 1,00 0,38 0,62 0,89 0,17 0,72 0,84 0,58 0,26

Berekening: privaat = BES + Rest van de wereld – zakelijke ondernemeningen

204


Hoofdstuk 12 Directe en indirecte O&Ooverheidssteun in België België streeft naar de Europese 3%-norm voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling en concreet naar de subdoelstellingen dat 2% gerealiseerd wordt door de private sector en 1% door de publieke sector. De bevoegdheden voor O&O en innovatie zijn in België over verschillende beleidsniveaus verdeeld. Vereenvoudigd gezegd zijn de gewesten bevoegd voor de directe O&O-steun en de federale overheid voor de indirecte O&O-steun. De gewesten kennen heel wat directe steun toe in de vorm van steun en subsidies voor onderzoek, technologische ontwikkeling en bevordering van innovatie. De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor het onderwijs en kennen directe steun toe in de vorm van financiering van het hoger onderwijs. Omwille van beschikbaarheid van gegevens slaan de cijfers op het jaar 2021. In 2021BO is Vlaanderen verantwoordelijk voor bijna 60% van de directe O&O-steun. De federale overheid van haar kant stimuleert de investeringen van ondernemingen in onderzoek en ontwikkeling vooral door fiscale en parafiscale maatregelen. Dit noemt men indirecte O&O-steun. Het gaat om: vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op het loon van bepaalde doelgroepen (bv. onderzoekers), belastingaftrek voor investeringen in O&O, belastingkrediet voor O&O, en belastingaftrek van inkomsten uit octrooien. In 2019/2020 hebben de fiscale- en parafiscale steunmaatregelen een budgettaire impact van 3,3 miljard euro. Inzake directe steun kan de federale overheid alleen steun (subsidies) toekennen voor hoofdzakelijk kernenergie, ruimtevaart en wetenschappelijk onderzoek nodig voor de eigen bevoegdheden. Hieronder worden zowel de directe als de indirecte O&O-steun in meer detail besproken.

A. Directe O&O steun in België: GBARD Tabel 53 geeft een overzicht van de budgettaire overheidskredieten O&O van de verschillende overheden in België (GBARD). Deze budgetten zijn gebaseerd op de begrotingsgegevens en volgen de Frascati definities. Er wordt gebruik gemaakt van conventies en sleutels voor het bepalen van het O&O-deel van de kredieten. De budgetten voor O&V en W&T worden niet opgenomen in onderstaande tabel omwille van de focus op O&O. De Vlaamse cijfers vermeld in deze tabel wijken lichtjes af van de budgetten vermeld in Deel 2. In de Speurgids cijfers werden namelijk nog correcties uitgevoerd die hier nog niet doorgevoerd werden. Figuur 60 geeft een overzicht van het procentuele aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2021. De Vlaamse overheid is verantwoordelijk voor ruim de helft van de Belgische overheidskredieten (58%) en de federale overheid is goed voor een vijfde (19%). De overige Belgische O&O-overheidskredieten zijn afkomstig van de Franse gemeenschap (12%), van de Waalse gemeenschap (9%) en van het Brussels Hoofdstedelijk gewest (2%).

205


Figuur 60 Evolutie van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 1989 tot 2020i (in miljoen euro) 2.000,000 1.800,000 1.600,000 1.400,000 1.200,000 1.000,000 800,000 600,000 400,000 200,000 0,000 2005

2006

2007

2008

Federale overheid

2009

2010

Vlaamse overheid

2011

2012

2013

2014

Franse Gemeenschap

2015

2016

Waals Gewest

2017

2018

2019

2020

2021i

Brussels Hoofdstedelijk gewest

Tabel 53 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 2005 tot 2021i (in miljoen euro) Overheid Federale overheid Vlaamse overheid Franse Gemeenschap Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk gewest Totaal

2005 462,507

2006 511,042

2007 537,636

2008 593,173

2009 515,269

2010 563,458

2011 569,171

2012 591,368

2013 601,232

2014 601,447

2015 560,635

2016 573,726

2017 678,355

2018 589,863

2019 583,297

2020 681,378

2021i 664,003

898,638

967,954

952,670

1 121,429

1 130,072

1 227,577 305,202

309,345

333,874

1 630,744 378,156

1.999,062

288,057

1 597,687 344,537

1.858,013

272,768

1 298,426 319,489

1.951,589

255,832

1 397,775 314,843

1 394,711

245,796

1 236,008 313,010

1 243,501

234,718

1 224,024 290,091

394,386

403,817

409,720

169,709 22,095

200,019 20,855

257,162 21,554

332,113 24,988

326,748 29,225

263,577 33,896

262,197 31,404

312,220 36,947

338,569 29,812

379,636 34,441

324,536 34,248

340,355 43,713

265,309 45,051

254,471 52,975

331,407 52,182

401,239 57,399

311,546 57,613

1 787,667

1 945,666

2 024,853

2 344,471

2 289,370

2 375,046

2 395,551

2 489,552

2 522.459

2 728,142

2 537,333

2 686,378

2 930,939

2 906,208

3.312,861

3.401,846

3.441,944

Bron: Budgettaire kredieten voor O&O van de overheden in België in de periode 2005-2021; https://meri.belspo.be/site/gbard_en.stm Voor 2021 worden hier de initiële budgetten vermeld, in de rest van de Speurgids worden telkens de 2021BA budgetten gemeld, dit verklaart het verschil.

206


Figuur 61 Procentueel aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2021i

Waals Gewest; 311,546; 9,05%

Brussels Hoofdstedelijk Federale gewest; 57,613; overheid; 1,67% 664,003; 19,29%

Franse Gemeenschap; 409,720; 11,90%

Vlaamse overheid; 1.999,062; 58,08%

B. Indirecte O&O-steun in België: fiscale en parafiscale maatregelen t.b.v. 3,3 miljard euro De federale overheid stimuleert de investeringen van ondernemingen in onderzoek en ontwikkeling door het toekennen van verschillende belastingvoordelen. Deze indirecte O&O-steun is een belangrijk hulpmiddel in het streven naar de 3%-norm, maar mag volgens internationale afspraken evenwel niet zomaar opgeteld worden bij de directe O&O-steun (voor meer informatie: zie Frascati Manual 2015, p. 131, en p. 343) om de O&O intensiteit (% O&O-uitgaven als % van het bbp) van ons land te bepalen. Ze dragen dus niet bij tot het verhogen van de publieke financiering van de O&O-uitgaven als % van het bbp. Die houden slechts rekening met de ‘echte’ overheidsuitgaven voor O&O en niet met de minderontvangsten die de overheid ondergaat als gevolg van de fiscale en parafiscale voordelen. Nochtans is de omvang van deze indirecte steun de afgelopen jaren enorm gestegen. De fiscale en parafiscale steun voor aanslagjaar 2019 voor heel België liep op tot 3,272 miljard euro 60. In volgorde van budgettaire omvang voor aanslagjaar 2019 bestaan de federale belastingvoordelen uit: ‒ ‒ ‒ ‒

gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op het loon van bepaalde onderzoekers: 1,129 miljard euro belastingaftrek voor inkomsten uit octrooien: 1,308 miljard euro belastingkrediet voor O&O: 0,474 miljard euro belastingaftrek voor innovatie-inkomsten: 0,252 miljard euro

De octrooi-aftrek werd recent opgeheven en vervangen door de innovatie-aftrek, vanaf 1 juli 2016. De innovatie-aftrek is niet enkel geldig voor inkomsten uit een octrooi, maar ook voor inkomsten uit auteursrechtelijk beschermende software, kwekersrecht, weesgeneesmiddelen en data- en marktexclusiviteit.

60 Zie inventaris van de federale fiscale uitgaven op de website van de FOD financieën. Laatste versie december 2021 slaat op de fiscale uitgaven 2019, dus aanslagsjaar 2019 voor de vennootschapsbelasting en jaar 2019 voor de bedrijfsvoorheffing. (https://financien.belgium.be/nl/Statistieken_en_analysen/statistische-cijfers/budgetontvangsten#q3)

207


Onderstaande figuren geven de enorme stijging van de fiscale O&O-uitgaven in de laatste tien jaar. Figuur 62 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de bedrijfsvoorheffing (in miljoen euro) 1.400,00 1.200,00 1.000,00 800,00 600,00 400,00 200,00 0,00 Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met bachelordiploma

Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met een master of een gelijkwaardig diploma (lijst 2) Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met een diploma van doctor in de toegepaste wetenschappen, exacte wetenschappen, enz. (lijst 1) Onderzoekers tewerkgesteld bij Young Innovative Companies Samenwerkingsovereenkomsten met universiteiten, hogescholen, erkende wetenschappelijke instellingen Onderzoekers tewerkgesteld bij erkende wetenschappelijke instellingen Onderzoekers tewerkgesteld bij universiteiten, hogescholen, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - NFWO en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen

Figuur 63 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de vennootschapsbelasting (in miljoen euro)

2000

1500

1000

500

0

Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019

Aftrek voor innovatie-inkomsten - vanaf 01.07.2016 Aftrek voor octrooi-inkomsten - overgangsregeling tot 30.06.2021 Belastingkrediet onderzoek en ontwikkeling

208


Hoofdstuk 13 Internationale vergelijking van de O&Ooverheidskredieten (GBARD) Het overheidsbudget voor onderzoek en ontwikkeling wordt internationaal GBARD (Government Budget Appropriations for R&D) genoemd. Deze indicator, gehanteerd door OESO en EUROSTAT, geeft een idee van de input die de overheid geeft voor O&O. Tabel 54 toont een internationale vergelijking van de GBARD als % BBP(R). De berekeningswijze van het Vlaamse cijfer wordt in hoofdstuk 13 toegelicht. Een internationale vergelijking (voor Vlaanderen en alle vergeleken landen: 2020) toont dat Vlaanderen op het vlak van O&O-overheidskredieten hoger dan gemiddeld scoort. In 2020 ligt het Vlaamse cijfer (0,82%) boven het EU27-cijfer (0,75%). Noorwegen en Duitsland zijn wereldwijd koploper, gevolgd door Duitsland, Denemarken en Griekenland. Tabel 54 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD), uitgedrukt in % BBP(R)

Land Japan Korea Noorwegen Duitsland Zwitserland Ijsland Finland Denemarken Vlaanderen Griekenland Oostenrijk US Zweden Nederland EU-27 Belgium Israel Frankrijk Estland Czech Republic Italië Spanje Luxemburg VK Canada Nieuw Zeeland

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 0,72% 0,65% 0,67% 0,82% 0,86% 1,02% 1,64% 1,39% 1,19% 1,14% 1,08% 1,04% 0,99% 1,05% 1,15% 1,17% 0,82% 0,93% 0,99% 0,97% 0,88% 0,93% 1,04% 0,92% 0,88% 0,88% 0,86% 0,86% 0,85% 0,88% 0,96% 0,92% 0,87% 0,87% 0,96% 0,89% 0,91% 0,96% 0,86% 0,85% 0,89% 0,89% 0,90% 0,84% 0,98% 0,95% 0,82% 0,79% 0,76% 0,76% 0,84% 1,01% 1,00% 0,87% 0,82% 0,80% 0,80% 0,83% 0,74% 0,73% 0,65% 0,67% 0,74% 0,71% 0,80% 0,82% 0,84% 0,44% 0,52% 0,53% 0,47% 0,58% 0,65% 0,81% 0,81% 0,80% 0,77% 0,74% 0,69% 0,69% 0,76% 0,74% 0,65% 0,63% 0,67% 0,63% 0,67% 0,65% 0,75% 0,64% 0,83% 0,78% 0,76% 0,76% 0,73% 0,68% 0,69% 0,73% 0,71% 0,68% 0,64% 0,66% 0,63% 0,66% 0,66% 0,66% 0,64% 0,61% 0,59% 0,58% 0,59% 0,65% 0,69% 0,61% 0,60% 0,62% 0,57% 0,62% 0,64% 0,64% 0,62% 0,59% 0,58% 0,58% 0,59% 0,63% 0,70% 0,64% 0,60% 0,61% 0,60% 0,59% 0,63% 0,70% 0,68% 0,64% 0,56% 0,64% 0,57% 0,61% 0,62% 0,60% 0,56% 0,56% 0,56% 0,55% 0,58% 0,51% 0,52% 0,51% 0,48% 0,46% 0,46% 0,48% 0,57% 0,56% 0,56% 0,52% 0,48% 0,48% 0,48% 0,56% 0,63% 0,62% 0,58% 0,57% 0,55% 0,58% 0,54% 0,55% 0,52% 0,50% 0,49% 0,51% 0,50% 0,51% 0,48% 0,50% 0,48% 0,49% 0,45% 0,51% 0,50% 0,47% 0,48%

209


Land Hongarije Slovenië Slovakije Polen Australië Portugal Lithuania Turkije Latvia Ierland Mexico Chili Colombia

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 0,28% 0,27% 0,38% 0,34% 0,28% 0,26% 0,49% 0,43% 0,41% 0,39% 0,37% 0,38% 0,41% 0,45% 0,37% 0,41% 0,38% 0,38% 0,38% 0,40% 0,42% 0,39% 0,44% 0,41% 0,32% 0,35% 0,27% 0,42% 0,40% 0,42% 0,41% 0,37% 0,40% 0,35% 0,35% 0,39% 0,33% 0,37% 0,38% 0,36% 0,36% 0,34% 0,32% 0,33% 0,34% 0,33% 0,30% 0,29% 0,27% 0,28% 0,30% 0,34% 0,34% 0,34% 0,34% 0,35% 0,36% 0,29% 0,16% 0,19% 0,20% 0,21% 0,20% 0,21% 0,24% 0,41% 0,28% 0,26% 0,24% 0,22% 0,22% 0,22% 0,33% 0,32% 0,27% 0,22% 0,20% 0,19% 0,19% 0,17% 0,21% 0,20% 0,21% 0,20% 0,20% 0,19% 0,08% 0,10% 0,07% 0,08% 0,07% 0,06% 0,05%

Bron: Main Science and Technology Indicators, OESO, juni 2022

Vlaanderen: Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten (35,5% ESA en de rest aan 56%) BBPR: Bruto Binnenlands Product Vlaanderen – Hermreg– Studiedienst van de Vlaamse Regering – juli 2022

Sommige landen voorzien een substantieel deel van hun O&O-uitgaven voor defensie. Op dat vlak is de VS de absolute koploper, met een O&O budget meer dan de helft voorzien voor defensieonderzoek. De Vlaamse overheid financiert helemaal geen onderzoek in de sector defensie.

210


Figuur 64 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) 2020, uitgedrukt in % BBP(R) 1,80% 1,60% 1,40% 1,20% 1,00% 0,80% 0,60% 0,40% 0,20% Japan Korea Noorwegen Duitsland Zwitserland Finland Denemarken Vlaanderen Griekenland Oostenrijk VS Zweden Nederland EU-27 België Frankrijk Estonië Tjechië Italië Spanje Luxembourg VK Hongarije Slovenië Slovakije Polen Australië Portugal Lithouwen Turkije Ierland Mexico Colombië

0,00%

defentie

civiel

Bron: Main Science and Technology Indicators, OESO, juni 2022 Vlaanderen: Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten (35,5% ESA en de rest aan 56%) BBPR: Bruto Binnenlands Product Vlaanderen – NBB juni 2022

Volgens de sociaaleconomische doelstellingen kunnen we de civiele O&O-kredieten (dit is de GBARD zonder defensie-O&O) indelen in volgende geaggregeerde NABS-klassen: -

-

“economische ontwikkeling” gezondheid en omgeving - de term ‘omgeving’ dient ruim geïnterpreteerd te worden: bescherming van het milieu, exploratie en exploitatie van het aardse milieu, zowel als maatschappelijke en sociale structuren onderwijs en maatschappij ruimtevaartprogramma’s niet-georiënteerd onderzoek, zonder algemene universiteitsfondsen algemene universiteitsfondsen (GUF).

Wat in deel 2 als ‘niet-gericht onderzoek’ werd beschouwd, is de som van de twee voormelde categorieën ‘niet-georiënteerd onderzoek’ en ‘algemene universiteitsfondsen’. Figuur 65 vergelijkt Vlaanderen internationaal, met per land de verhoudingen van voormelde indelingen ten opzichte van de totale civiele GBARD. De landen staan gerangschikt volgens afnemend aandeel in de rubriek “economische ontwikkeling”. Opmerkelijk is dat de Vlaamse overheid, vergeleken met de vermelde andere landen relatief het grootste deel van de onderzoeksfinanciering richt op economische ontwikkeling: bijna de helft. De Vlaamse overheid financiert geen onderzoek dat rechtstreeks gerelateerd is aan ruimtevaartprogramma’s.

211


Figuur 65 Internationale vergelijking van de civiele GBARD (excl. defensieonderzoek): verhoudingen economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving, onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteiten, voor het jaar 2020

Japan Korea Hongarije Israel België Vlaanderen Colombia Latvia Ierland Finland Griekenland Mexico Czech Republiek Duitsland Slovenië Turkije VK Australië Spanje EU – 27 Noorwegen Zweden Lithuania Oostenrijk Italië Frankrijk Slovakije Denemarken Portugal Nederland VS Luxemburg Polen Estonië Zwitserland

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

economische ontwikkeling

gezondheid en omgeving

onderwijs en maatschappij

Ruimte

niet-georiënteerd onderzoek

GUF

Bron: Main Science and Technology Indicators, OESO, juni 2022 Vlaanderen: enkel Vlaamse overheidskredieten, Jaar: 2020

212


Hoofdstuk 14 Groeipad naar de 1% norm voor overheidskredieten 1. Benaderende berekeningswijze voor publiek-gefinancierde O&Ointensiteit (“1%-norm”) op basis van GBARD Zoals toegelicht in de inleiding van Deel 3 wordt in het kader van de ‘3%-norm’ algemeen aangenomen dat de private sector ernaar streeft om 2% bbp van de O&O-uitgaven te financieren en de overheden 1% bbp. Om deze inspanningen te meten worden officiële O&O-enquêtes georganiseerd, in Vlaanderen onder verantwoordelijkheid van ECOOM, het (interuniversitair) Expertisecentrum O&O Monitoring. Doch deze enquêtes kijken noodgedwongen naar het verleden en zijn met enige vertraging beschikbaar. Zo zijn voor de jaren na 2019 nog geen enquêtegegevens volgens financieringssector beschikbaar. Daarom wordt ook gewerkt met een alternatieve methode: er wordt een voorlopige raming gemaakt van de resultaten van de publiek gefinancierde O&O-inspanningen in Vlaanderen op basis van de O&Ooverheidskredieten. Deze methode wordt ook internationaal gebruikt: GBARD (Government Budget Appropriations or outlays on R&D’). Hierbij wordt benadrukt dat het om een ruwe benaderingsmethode gaat, waarbij men zich baseert op een aantal veronderstellingen. De benadering gebeurt volgens drie varianten, van eng naar ruimer:

1. De budgettaire inspanningen van de Vlaamse overheid alléén Dit is de Vlaamse GBARD in strikte zin, uitsluitend gefinancierd door de Vlaamse overheid.

2. De inspanningen van de Vlaamse overheid + het Vlaamse aandeel in de federale overheidskredieten In Vlaanderen worden ook O&O-activiteiten gefinancierd met federale O&O-overheidskredieten. Wanneer dit aandeel van de federale overheid bij de Vlaamse GBARD in strikte zin (variant 1) wordt geteld, bekomt men een GBARD voor Vlaanderen die wellicht dichter bij de realiteit ligt. Deze variant is bijgevolg het meest geschikt voor internationale vergelijking. Bij de berekening van het aandeel van Vlaanderen in de federale overheidskredieten wordt volgende verdeelsleutel gehanteerd: 35,5% Vlaams ESA (Bron: VRWI) en 56% Vlaams voor de rest van de federale O&O-overheidskredieten.

3. De inspanningen van de Vlaamse overheid + het Vlaamse aandeel in de federale overheidskredieten + het Vlaamse aandeel in de kredieten van de EU- onderzoeksprogramma's (Kaderprogramma's) Bij deze derde variant rekent men bijkomend de Vlaamse return van de EU-onderzoeksprogramma’s, aangezien het hier ook gaat om O&O-activiteiten uitgevoerd in Vlaanderen en gefinancierd met overheidskredieten. Dit resultaat kan, conform de internationale afspraken, niet als GBARD worden beschouwd, maar is wel geschikt voor de benaderende berekening van het publiek gefinancierde gedeelte van de O&O-intensiteit (de 1%-norm).

213


De resultaten van deze oefening staan in Tabel 55. Op basis van de cijfers van begrotingsopmaak 2022 en ramingen voor wat betreft de federale en Europese bijdragen, worden de publieke inspanningen voor O&O in Vlaanderen (variant 3) geraamd op 0,78% van het BBPR. Dit betekent dat het geraamde percentage afneemt ten opzichte van 2021. Echter de eenmalige middelen Vlaamse Veerkracht werden al herverdeeld voor 2021 en opgenomen in de analyse, de middelen Vlaamse Veerkracht die verwacht worden in 2022 werden nog niet opgenomen. Wanneer we deze eenmalige middelen mee opnemen in deze schatting, worden de publieke inspanningen voor O&O in Vlaanderen (variant 3) geraamd op 0,93% van het BBPR. In het laatste onderdeel van Tabel 55 wordt de gemeten publiek gefinancierde O&O-intensiteit (onderdeel van de O&O-intensiteit, uit Tabel 50) van voorbije jaren opgenomen ter vergelijking. Tot 2019 zijn er metingen beschikbaar uit de O&O-enquête. Voor de raming van de meest recente jaren wordt het cijfer gebruikt uit scenario 3. In het verleden was er een systematische afwijking tussen de gemeten en de geraamde 1%-norm. Vanaf 2010 zien we dat die afwijking geleidelijk vermindert; voor 2013 zijn de gemeten en geraamde waarden zelfs zo goed als identiek. Dit heeft mogelijk te maken met de grote inspanningen die worden geleverd om betere en meer volledige resultaten te bekomen uit de O&O-enquête, wat tot een meer volledige rapportering van de O&O-uitgaven leidt.

214


O&O-kredieten als % BBPR (1%-norm)

O&O-kredieten in miljoen euro

Tabel 55 Evolutie O&O-inspanningen en O&O-inspanningen als % BBP-Vlaanderen O&O gefinancierd door EWI (1) O&O gefinancierd door OV (2) O&O gefinancierd door andere beleidsdomeinen (3) Vlaamse overheid (1) (1)+(2)+(3) Vlaams aandeel in federale kredieten (4) Vlaams + Vlaams aandeel in federale kredieten (2) Vlaams aandeel in EUKaderprogramma (5) Vlaams + federaal + EU-KP (3) (1)+(2)+(3)+(4)+(5) bbp(R) (miljoen euro) (5) O&O gefinancierd door EWI (1) O&O gefinancierd door OV (2) O&O gefinancierd door andere beleidsdomeinen (3) Vlaamse overheid (1) (1)+(2)+(3) Vlaams + Vlaams aandeel in federale kredieten (2) Vlaams + federaal + EU-KP (3) (1)+(2)+(3)+(4)+(5) O&O-uitgaven als % BBPR (1%-norm) - Publieke financiering (gerapporteerde uitgaven aan ECOOM)

(1)

(2)

(3)

(4)

2011 744,29 317,48

2012 921,37 234,04

2013 890,92 259,36

2014 957,11 306,09

2015 899,96 338,74

2016 974,782 327,640

2017 1 183,145 356,137

2020 1.358,584 413,783

2021 1.680,958 427,363

2022BO 1.519,330 447,858

165,80

80,60

93,22

134,57

59,73

92,289

58,405

53,477

136,641

85,646

64,651

66,468

1 227,58

1 236,01

1 243,50

1 397,77

1 298,43

1 394,711

1 597,687

1 625,732

1.951,589

1.858,013

2.172,972

2.033,656

283,96

297,78

301,06

295,30

297,19

276,326

332,811

298,490

286,946

326,972

319,107

325,489

1 511,54

1 533,79

1 544,56

1 693,07

1 595,62

1 671,037

1 932,232 1 924,222 2.238,535

2.184,985

2.492,078

2.359,145

160,00

160,00

160,00

190,00

190,00

190,000

190,000

190,000

190,000

190,000

190,000

1 671,54

1 693,79

1 704,56

1 883,072

1 766,345

1 867,077

2 120,498

2 114,222 2.428,535

2.374,985

2.682,078

2.549,145

218.478,8 0,34% 0,15%

224.665,0 0,41% 0,10%

228.326,9 0,39% 0,11%

233.234,7 0,41% 0,13%

242.129,3 0,37% 0,14%

251400,6 0,39% 0,13%

260608,6 0,45% 0,14%

268844,3 0,44% 0,14%

278793,3 0,51% 0,14%

266342 0,51% 0,16%

297.704,0 0,56% 0,14%

325.430,8 0,47% 0,14%

0,08%

0,04%

0,04%

0,06%

0,02%

0,04%

0,02%

0,02%

0,05%

0,03%

0,02%

0,02%

0,56%

0,55%

0,55%

0,60%

0,54%

0,55%

0,61%

0,60%

0,70%

0,70%

0,73%

0,62%

0,69%

0,68%

0,68%

0,72%

0,65%

0,67%

0,74%

0,71%

0,80%

0,82%

0,84%

0,72%

0,77%

0,75%

0,75%

0,80%

0,73%

0,74%

0,81%

0,78%

0,87%

0,89%

0,90%

0,78%

Niet berekend

0,78% (ESR1995) 0,75% (ESR2010)

0,70%

0,72% Niet berekend (ESR2010)

Niet berekend

0,80%

Niet berekend

Verwacht juli 2023

Niet beschikbaar

0,79% Niet berekend (ESR2010)

2018 2019 1 198,517 1.420,723 373,738 394,225

190,000

O&O-kredieten Vlaamse overheid stricto sensu: samengesteld uit het eigenlijk wetenschaps-en innovatiebeleid vanuit EWI en OV en uit het niet-eigenlijk wetenschapsbeleid vanuit de andere beleidsdomeinen O&O)krediet 2021 gefinancieerd door EWI is inclusief veerkrachtmiddelen, de veerkrachtmiddelen 2022 zijn nog niet herverdeeld en bijgevolg niet opgenomen in deze analyse Vlaamse overheid zoals vastgelegd in het HBPWIB; definitieve kredieten 2008-2020; 2021: initiële kredieten • Vlaams aandeel in de federale O&O-kredieten: verdeelsleutel ESA aan 35,5% Vlaams (Bron: VRWI) en rest federale kredieten aan 56% Vlaams. • Bron federale O&O-kredieten: Overleggroep CFS/STAT, bewerkingen Federaal Wetenschapsbeleid. Voor 2014 en 2020: initiële kredieten 2021 2008- 2013 volgens berekende return voor het Zevende Kaderprogramma (status eind 2014). Bronnen: Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek, De Vlaamse deelname aan de Europese programma’s voor Onderzoek en Innovatie (2007-2013), Vanaf 2014: berekening op basis van de tussentijdse analyse H2020 maart 2018 waaruit blijkt dat gemiddeld jaarlijks 190 miljoen euro naar Vlaanderen vloeit, dit is een herberekening ten opzicht van de voorgaande Speurgidsen waar het bedrag van 160 miljoen euro werd opgenomen. BBPR: Bruto Binnenlands Product Vlaanderen; Bron 2005-2020: NBB – mei 2021; Bron 2020-2021: HERMREG-FPB, BISA, IWEPS, VSA (2021). HERMREG - Regionale economische vooruitzichten 2021-2026, Federaal Planbureau, Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse, Institut wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique, Vlaamse Statistische Autoriteit, juli 2021.


2. Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm In het VRWI advies 153 (februari 2011) en 194 (december 2013) werden verschillende hypothetische scenario’s uitgewerkt om de O&O overheidskredieten te laten groeien naar de 1%-norm. Analoog wordt hier het groeipad van de O&O-overheidskredieten besproken. 61 Onder punt 1 wordt het groeipad voor O&O overheidskredieten naar de 1% norm besproken zonder rekening te houden met de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen voor O&O in 2022. In punt 2 wordt het groeipad voor O&O-overheidskredieten naar de 1%-norm besproken inclusief de relance middelen en verwachte opstappen.

1.

Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm; exclusief de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen voor O&O in 2022

In Figuur 64 wordt eerst de evolutie getoond van de geraamde O&O-intensiteit (O&O-overheidskredieten + Vlaamse aandeel federale middelen + Vlaams aandeel EU middelen). De geraamde O&O-intensiteit schommelt de laatste jaren. In 2014 namen de O&O-overheidskredieten sterk toe, door eenmalige investeringen en het competitiviteitspact. In 2015 namen de O&O-overheidskredieten weer sterk af door het wegvallen van de eenmalige investeringen en een gedeelte van het competitiviteitspact. In 2016 nemen de O&O-overheidskredieten toe dankzij éénmalige investeringen (provisie investeringen Fonds Innoveren en Ondernemen en investeringen in imec Xpand). In 2017 blijven de inspanningen voor O&O toenemen. Er was een sterke toename dankzij de grote recurrente opstap voor economie en innovatie (185,5 gelabeld als O&O) en de eenmalige investeringen in O&O (de eenmalige investering van 100 miljoen euro waarvan 39,160 miljoen euro gelabeld als O&O). In 2018 was er een lichte terugval in de geraamde O&O-intensiteit door de beperkte bijkomende opstappen ten opzichte van 2017, maar in 2019 was er opnieuw een sterke toename door de grote recurrente opstap (280 miljoen euro) en eenmalige investeringsenveloppe (120 miljoen euro). In 2020 blijft de geschatte O&O-intensiteit verder toenemen, dankzij de beperkte besparingen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling en de sterke terugval van het BBP (door de coronacrisis). In 2021 stijgt de geschatte O&O-intensiteit dankzij de stijging van FWO middelen en de opname van de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen 2021. In 2022 daalt de geschatte O&O-intensiteit maar dit is te verklaren doordat de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen 2022 nog niet herverdeeld werden en dus nog niet in deze analyse zijn opgenomen. Figuur 66 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,00% 0,90% 0,80%

0,76% 0,77% 0,79% 0,77% 0,75% 0,75%

0,81%

0,73% 0,74%

0,81% 0,79%

0,87% 0,89% 0,90% 0,78%

0,70% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

lineaire groei tot 1%

1% norm

61 Hypothese voor deze raming: Vlaams aandeel van de federale middelen groeit jaarlijks met 2% - het Vlaams aandeel van de middelen voor EU-onderzoeksprogramma’s werd constant gehouden op 190 miljoen euro (zoals berekend op basis van de tussentijdse analyse van H2020 maart 2018). De BBP projectie is gesteund op de Regionale Economische Vooruitzichten, juli 2020.

216


De lichtblauwe lijn toont hoe de geraamde O&O-intensiteit dient te evolueren om de 1%-norm te behalen tegen het einde van deze legislatuur, namelijk het jaar 2024. Indien we ervan uitgaan dat de Europese middelen constant blijven en de federale middelen toenemen met 2% betekent dit dat de Vlaamse middelen voor O&O moeten toenemen met 920 miljoen euro de komende 2 jaar, of een jaarlijkse opstap van 460 miljoen euro. Figuur 67 toont hoe het groeipad evolueert, indien er niets extra geïnvesteerd wordt ten opzichte van 2022, indien alleen geïndexeerd wordt en indien het Vlaamse O&O krediet het BBP(R) gewoon volgt. Deze drie scenario’s zorgen voor een evolutie tot respectievelijk 0,73%, 0,76% en 0,78% van de verhouding O&O kredieten t.o.v. BBP(R). Figuur 67 Groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBP(R) volgens verschillende scenario’s 0,80% 0,78% 0,76% 0,74% 0,72% 0,70%

2022

2023

2024

niets extra

0,78%

0,76%

0,73%

enkel indexatie

0,78%

0,77%

0,76%

O&O inspanningen volgen BBP

0,78%

0,78%

0,78%

Om de grootteorde van de nodige opstappen meer direct duidelijk te maken, werden in Figuur 68 verschillende mogelijke groeipaden uitgetekend, waarbij het effect van jaarlijkse opstappen van de O&O overheidskredieten varieert van 50 tot 300 miljoen euro met tussenstappen van 50 miljoen euro. Wat opvalt in deze figuur is dat een jaarlijkse opstap van 50 miljoen euro zorgt voor een afname van de geraamde O&O intensiteit. Het toont duidelijk dat naarmate het bbp sterker toeneemt grotere inspanningen nodig zijn om de 1% norm te bereiken. Met jaarlijkse opstappen van 100 tot zelfs 300 miljoen euro zal de 1% norm nog niet behaald worden tegen het einde van de legislatuur. Met jaarlijkse opstappen van 300 miljoen euro komt de 1% norm dichterbij want dan halen we tegen 2024 0,91%.

217


Figuur 68 Het effect van jaarlijkse opstappen van 50, 100, 150, 200, 250 en 300 miljoen euro op de O&Ooverheidskredieten t.o.v. het BBP(R) 0,93% 0,91% 0,89% 0,87% 0,85% 0,83% 0,81% 0,79% 0,77% 0,75%

2022

2023

2024

jaarlijkse opstap 50 miljoen

0,78%

0,78%

0,76%

jaarlijkse opstap 100 miljoen

0,78%

0,79%

0,79%

jaarlijkse opstap 150 miljoen

0,78%

0,81%

0,82%

jaarlijkse opstap 200 miljoen

0,78%

0,82%

0,85%

jaarlijkse opstap 250 miljoen

0,78%

0,84%

0,88%

jaarlijkse opstap 300 miljoen

0,78%

0,85%

0,91%

2. Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm inclusief de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen voor O&O in 2022 Tabel 56 en Figuur 69 tonen de verwachte evolutie van de O&O-kredieten en geschatte O&O-intensiteit ten opzichte van het bbp op basis van de verwachte opstappen uit het regeerakkoord en de eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen voor O&O 2021 en 2022. Tabel 56 Verwachte evolutie van de O&O-kredieten op basis van de aangekondigde opstappen/Vlaamse Veerkracht

O&O-kredieten (miljoen euro) O&O overheidsbudget (1) Verwachte opstappen in gevolge Regeerakkoord (2)

2021 2022 2023 2024 2.015,310 2.033,656 2.033,656 2.098,656

O&O investeringsmiddelen (cumulatief 195 miljoen euro) Recurente opstap O&O (cumulatief 250 miljoen euro) mildere groeipaden universiteiten: kliks O&O overheidsbudget + Verwachte opstappen in gevolge Regeerakkoord (1)+ (2)

O&O-deel van de 631 miljoen euro eenmalige Vlaamse Veerkrachtmiddelen beleidsdomein EWI; waarvan 158 miljoen euro in 2021 werd vastgelegd, de rest in 2022 ** (3) (1)+(2)+(3)

15* 40* 6,48*

5 60 0

30 100 6,48

2.015,310

2.033,656

2.125,542

2.262,022

157,662

356,139

2.172,972 2.492,078 2.682,078 297.704,0 0,73% 0,84% 0,90%

2.389,795 2.715,284 2.905,284 325.430,8 0,73% 0,83% 0,89%

2.098,656 2.430,655 2.620,655 335.945,0 0,62% 0,72% 0,78%

2.235,136 2.573,775 2.763,775 348.195,3 0,64% 0,74% 0,79%

(1)+(2)+(3) + Vlaams aandeel O&O federale overheid (1)+(2)+(3) + federale overheid + EU-Horizon Europe Vlaams bbp (1)+ (2) + (3) (1)+(2)+(3) + Vlaams aandeel O&O federale overheid (1)+(2)+(3) + federale overheid + EU-Horizon Europe *opgenomen in O&O-overheidskredieten ** zie bijlage III voor de indeling van de 631 miljoen euro eenmalige middelen Vlaamse Veerkracht (O&O vs. niet-O&O; 2021 en. 2022)

218


In de meerjarenbegroting werd een groeipad voor eenmalige O&O-investeringen voorzien van cumulatief 195 miljoen euro, hiervan wordt nog een opstap verwacht van 15 miljoen euro in 2022, 5 miljoen in 2023 en 30 miljoen in 2024. Daarnaast werd er een recurrente groeipad voor O&O voorzien van cumulatief 250 miljoen euro. Door de besparingen werden de integratiegroeipaden Hoger Onderwijs milder, desondanks wordt er nog een opstart voorzien van 6,5 miljoen euro in 2022 en 2024. Deze middelen worden recurrent doorgerekend in de berekening van de verwachte O&O-kredieten. Vanuit het plan Vlaamse Veerkracht worden ook bijkomende investeringen voorzien voor O&O. Voor meer details zie hoofdstuk 15. Deze middelen zijn eenmalig en worden dus slechts alleen in het ingedeelde jaar opgeteld bij de verwachte O&O-kredieten. In 2021 werd al 158 miljoen euro vastgelegd voor O&O-projecten, de overige middelen moeten in 2022 worden herverdeeld. Zie bijlage III voor een gedetaileerde indeling van de projecten en middelen. Figuur 69 Evolutie van O&O kredieten op basis van de verwachte opstappen t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,00% 0,95% 0,87%

0,90% 0,85% 0,80%

0,76% 0,77%

0,79%

0,81%

0,81% 0,77% 0,75%

0,75%

0,75%

0,89% 0,90% 0,89%

0,79%

0,78% 0,78% 0,79%

0,73% 0,74%

0,70% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

verwachte groei door relance budget en opstappen

1% norm

Dankzij de grote investeringen vanuit het plan Vlaamse Veerkracht in 2021 stijgt de geschatte O&Ointensiteit tot 0,9%. Indien de verwachte relancemiddelen in 2022 herverdeeld worden aan O&O-projecten neemt de geschatte O&O-intensiteit in 2022 ook toe tot 0,89%. Echter doordat deze middelen eenmalig zijn, zakt de geschatte O&O-intensiteit in 2023 tot 0,78% en in 2024 tot 0,79%.

219


Deel 4 Het Relancebeleid

221


Hoofdstuk 15 Van crisissteun naar relance: ‘Vlaamse Veerkracht’ 1. Inleiding In de Septemberverklaring 2020 stelde minister-president Jan Jambon dat de Vlaamse Regering 4,3 miljard euro vrij zou maken voor haar relanceplan. Dat plan moet de Vlaamse welvaart en het welzijn van de Vlamingen helpen versterken na corona. Het relanceplan rust op zeven speerpunten: 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

Economie en samenleving verduurzamen Investeren in infrastructuur Vlaanderen digitaal transformeren Investeren in mensen en talenten Het Vlaamse zorg- en welzijnssysteem versterken De coronacrisis beheren en Brexit De overheid efficiënter maken

Het plan is verder onderverdeeld in 35 clusters en 180 projecten. Een eerste rapportering over de voortgang van deze projecten werd uitgevoerd in april 2021. De 4,3 miljard euro middelen werden doorvertaald naar 158 projecten met een achterliggend relancebudget en gebundeld in 34 grotere logische clusters. Daarnaast zijn er 22 projecten zonder middelen uit de Vlaamse relanceprovisie, gebundeld in de 35ste cluster. Een groot aantal van de projecten werd opgenomen in het interfederaal Belgisch 'Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht' en overlegd met de Europese Commissie ten einde gefinancierd te worden via de subsidieenveloppe uit de Europese 'Faciliteit voor Herstel en Veerkracht' (FHV). De FHV zal immers financiële steun bieden aan de lidstaten voor investeringen en hervormingen, onder meer met betrekking tot de groene en digitale transities en de verduurzaming en veerkracht van de nationale economieën, en dit ten belope van 672,5 miljard euro, waarvan een onderdeel subsidies en een onderdeel leningen. Om aanspraak te kunnen maken op de middelen binnen de FHV moeten lidstaten een Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV) opstellen waarin zij hun hervormings- en investeringsagenda vastleggen. Betalingen aan de lidstaten kunnen uiterlijk tot eind 2026 gebeuren. De finale plannen dienden ingediend te worden tegen 30 april 2021 bij de Europese Commissie. Belangrijk is dat de hervormingen en investeringen zoveel mogelijk aansluiten bij de uitdagingen in het kader van het Europees Semester (landenspecifieke aanbevelingen 2019 en 2020), een bijdrage aan de groene (37% van de middelen voor klimaat) en digitale transitie (20% van de middelen) leveren en o.a. rekening houden met het principe ‘do no significant harm’.

222


Op het overlegcomité van 12 januari 2021 werd een akkoord bereikt over de verdeling van de 5,925 miljard euro subsidies 62 dewelke aan België zijn toegewezen in het kader van de Europese herstel- en veerkrachtfaciliteit (FHV). Vlaanderen kan aanspraak maken op 2,255 mia €. Daartoe heeft de Vlaamse regering op 30 april haar goedkeuring gegeven aan de Vlaamse inbreng in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht. Er zijn binnen het relanceplan Vlaamse Veerkracht aldus drie categorieën van projecten: 1) projecten met middelen uit de 4,3 miljard € Vlaamse Veerkracht-enveloppe die ingebracht worden in het ‘Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht’ en dus met Europese middelen (aan België toegewezen) gefinancierd zullen worden; 2) projecten met middelen uit de 4,3 miljard € VV-enveloppe die niét ingebracht worden in het ‘Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht’ en dus via Vlaamse schuldcreatie gefinancierd zullen worden; 3) projecten die geen beroep doen om de VV-enveloppe van 4,3 miljard € en dus met de reguliere voorziene begrotingsmiddelen gefinancierd worden.

2. Het Vlaamse Relanceplan – Vlaamse Veerkracht Onderstaand gaan we enkel in op de projecten die vallen onder de verantwoordelijkheid van het beleidsdomein EWI. Voor een totaalzicht op de Vlaamse Veerkrachtprojecten verwijzen we naar het monitoringdocument en de website van de Vlaamse Regering: https://www.vlaanderen.be/vlaamseregering/vlaamse-veerkracht. In totaal gaat het om 511 mio € middelen uit de enveloppe van 4,3 miljard € aangevuld met 50 mio € Breximiddelen en met 70 mio € Vlaamse ESR-8 kapitaalinvesteringsmiddelen voor imec. Samen dus 631 mio €.

Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten met Europese middelen gefinancierd Voor de cluster ‘versterking O&O’ werd 280 miljoen euro voorzien. Hiervan gaat 100 miljoen euro naar het versterken van O&O bij bedrijven, 60 miljoen naar het versterken van het onderzoeksveld en het versnellen van O&O, 100 miljoen euro voor het versterken van onderzoeksinfrastructuur, en 20 miljoen euro naar het actieplan bio-economie. Onder de cluster ‘waterstofonderzoek’ vallen investeringen in het kader van de IPCEI (important Projects of Common European Interest). Via IPCEI-projecten stimuleert de EU de lidstaten om middelen te bundelen in grote geïntegreerde projecten die bijdragen aan de concurrentiekracht van de Unie. Via zo’n projecten kunnen aanzienlijk marktfalen of grote maatschappelijke uitdagingen aangepakt worden waarvoor er anders geen oplossing zou komen. Dit gaat om een budget van 125 miljoen euro. In de cluster ‘uitbouwen circulaire economie’ wordt 55 miljoen euro vastgelegd. Hiervan gaat 25 miljoen euro naar het beleidsdomein EWI, namelijk 15 miljoen euro naar circulaire economie/industrie en 10 miljoen euro naar circulair bouwen. Er wordt 30 miljoen euro voorzien voor de recyclagehub, bij het beleidsdomein Omgeving.

62

Dit bedrag ging uit van de hypothese dat de lidstaat België uit de FHV een bedrag van 5,925 miljard euro zou krijgen. In gevolge de betere economische prestaties werd dit bedrag op 30 juni 2022 verminderd naar 4,524 miljard euro. Als gevolg hiervan zal het bedrag dat Vlaanderen verkrijgt ook verminderen. Op het overlegcommitee zal hierover nog een akkoord moeten gevonden worden tussen de federale overheid en de deelgebieden.

223


Voor de cluster ‘blue deal’ wordt een budget van 233 miljoen euro voorzien. Binnen het beleidsdomein EWI is hier 10 miljoen euro voor waterbesparende technieken via Ecologiesteun van VLAIO en 6 miljoen euro voor kennisopbouw rond droogteresistente teelten en nieuwe teelten. Voor droogteresistente teelten is er bijkomend nog 10 miljoen euro voorzien bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij. Tabel 57 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht en ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en Europees gefinancierd worden: ingedeeld in 'clusters' van projecten (in miljoen euro) Cluster 'versterking O&O'

280

1. versterking O&O bedrijven

100

2. versterking onderzoeksveld en versnelling O&O 3. versterken onderzoeksinfrastructuur

60 100

4. actieplan bio-economie (10 mio € in 2020 en 10 mio € in 2022)

20

Cluster 'waterstofonderzoek'

125

1. investeringen in kader 'Important Projects of Common European Interest' (IPCEI) Waterstof

125

Cluster 'uitbouwen circulaire economie'

25

1. circulaire economie/industrie

15

2. circulair bouwen

10

Cluster 'blue deal'

16

1. investeren in waterbesparende technieken via Ecologiesteun bij VLAIO

10

2. kennis opbouwen rond droogteresistente teelten en nieuwe teelten

6

Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten, niet ingebracht in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en dus Vlaams gefinancierd Er zijn ook dossiers binnen het Relanceplan Vlaamse Veerkracht die niet opgenomen worden in het Nationale Plan voor Herstel en Veerkracht. In de cluster ‘digitaliseren Vlaamse media- en cultuursector’ wordt in totaal 50 miljoen euro geïnvesteerd. Hiervan is 10 miljoen euro binnen het beleidsdomeien EWI voor het project digitaal transformatieprogramma voor de Vlaamse mediasector. Er gaat ook 29 miljoen euro naar het beleidsdomein Cultuur, Jeugd en Media. Binnen de cluster 'verbetering en verduurzaming ruimtelijke ordening' wordt in totaal 93 miljoen euro voorzien. Hiervan is 25 miljoen euro binnen het beleidsdomein EWI: 10 miljoen euro voor vernieuwing bedrijventerreinen en 25 miljoen euro voor handelskernversterking. In de cluster ‘iedereen lokaal digitaal’ wordt 120 miljoen euro geïnvesteerd. Hiervan wordt 20 miljoen euro voor Smart Cities voorzien, niet opgenomen in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht. Er wordt 100 miljoen euro geïnvesteerd via het departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken en deze wordt wel opgenomen in het Nationale Plan voor Herstel en Veerkracht. In de cluster ‘Brexit’ wordt een budget van 83 miljoen euro voorzien. Via VLAIO wordt er 50 miljoen euro voorzien voor het Brexit-actieplan voor de ondersteuning van bedrijven. Het agentschap zal deze steun vanaf 1 februari 2021 aanwenden om een ‘Brexit veerkrachtsubsidie’ toe te kennen aan Vlaamse kmo's die door Brexit genoodzaakt zijn hun strategisch businessplan te herzien. Onder deze cluster wordt voor FIT 30 miljoen euro en voor VLAM 3 miljoen euro voorzien. De meeste van de hierboven vermelde acties worden gefinancierd via Vlaamse schuldopbouw. De maatregelen met betrekking tot Brexit worden gefinancierd met een deel van de inkomsten van de Brexit Adjustment Reserve (BAR), die in totaal 198,8 miljoen euro bedragen. De Europese Commissie wil met “Brexit

224


Adjustment Reserve “ de economische en sociale gevolgen van Brexit helpen opvangen in de lidstaten en sectoren die het zwaarst getroffen zijn. De totale begroting zal 5 miljard euro bedragen.

Tabel 58 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar NIET ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (in miljoen euro) Cluster 'iedereen lokaal digitaal'

20

Smart Cities - toepassingen

20

Cluster 'Brexit'

50

ondersteuning bedrijven: Brexit-acieplan via VLAIO

50

Cluster 'Digitaliseren Vlaamse media- en cultuursector'

10

digitaal transformatieprogramma voor de Vlaamse mediasector

10

Cluster 'verbetering en verduurzaming ruimtelijke ordening'

35

1. vernieuwing bedrijventerreinen

10

2. handelskernversterking

25

Projecten die met de reguliere begrotingsmiddelen gefinancierd worden. Tabel 59 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar geen beroep doen op de 4,3 mio € financiële middelen die werden uitgetrokken (in miljoen euro) Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar GEEN beslag leggen op de 4,3 mia € financiële middelen die werden uitgetrokken 1. imec: uitbreiding clean room (40 mio €) en 2de Xpand Fonds (30 mio €)

70

2. verschillende instrumenten in de schoot van PMV: 4 projecten (achtergestelde leningen / waarborgen / Welvaartsfonds / win-win lening en vriendenaandeel) 3. uitrol glasvezelnetwerk en 5G 4. Flanders Future Tech Fund bij PMV 5. investeringen in vlaggenschipprojecten van Vlaamse havens inzake CO2-capatie & hergebruik 6. eenmalige investeringsimpulsen om mee te spelen in mogelijke Europese subsidie-enveloppes

Tot slot zijn er voor Vlaanderen ook nog bijkomende middelen voorzien uit React-EU (114,7 miljard euro). React-EU is een voorstel van de Europese Commissie om een financiële top-up van de traditionele cohesie programma's te doen in de nasleep van de coronacrisis. De middelen moeten vooral aangewend worden om crisismaatregelen te nemen, de economie verder te ondersteunen en de capaciteit voor crisisrespons in de zorg uit te breiden. Van de 37,5 miljard euro die in 2021 verdeeld wordt, zal 245 miljoen euro naar België stromen.

Meer details over de verschillende projecten kan je terug vinden op de EWI-website via https://www.ewivlaanderen.be/vlaamseveerkracht.

225


Deel 5 Tussentijdse analyse Horizon 2020


Hoofdstuk 16 Vlaamse deelname aan Horzion 2020 1. Samenvatting In dit deel 5 wordt de Vlaamse deelname aan Horizon 2020 geanalyseerd, het Europese subsidieprogramma voor Onderzoek en Innovatie in Europa voor de periode 2014-2020. Horizon 2020, kortweg H2020 is een belangrijke pijler van de Innovatie Unie, gericht op het verbeteren van de mondiale concurrentiepositie van Europa. Het programma heeft specifiek als doel het Europese beleid op het gebied van onderzoek en innovatie beter af te stemmen op de economische en sociale ambities van de Europese Unie zoals geformuleerd in de EU2020-strategie. Horizon 2020 is een competitief financieringsprogramma, waarbij de toekenning van subsidies rechtstreeks door de Europese Commissie gebeurt via de selectie van geschikte projecten op basis van excellentie. De EU maakte voor dit programma 74,8 miljard euro vrij voor de volledige periode. De cijfers in dit rapport tonen aan dat Vlaanderen actief deelneemt in H2020. Met een voorlopige return 63 van 2,70% scoort Vlaanderen zeer sterk in dit programma. Volgens een nieuwe analysemethode van de te verwachten financiële return zien we een stijging in Vlaamse return van 6KP, naar 7KP tot H2020. Tot hiertoe ontving Vlaanderen ongeveer 1.859,5 miljoen euro voor 3.906 deelnames. Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname in H2020 ligt voorlopig bij de thematische prioriteit ‘ERC’, die Vlaanderen momenteel 18,7% van zijn totale toelage voor deelname aan H2020 oplevert. Het programma ‘ICT’ levert Vlaanderen momenteel 15,1% van zijn totale toelage voor deelname in H2020 op. Ook in Marie Sklodowska-Curie Actions (MSCA) scoort Vlaanderen goed. Deze thematische prioriteit levert Vlaanderen iets meer dan 10,9% van zijn totale deelnametoelage aan H2020 op. In vergelijking met de andere deelnemende landen aan H2020 scoort Vlaanderen ook goed. Het eindigt op de zevende (i.f.v. bbp) en negende plaats (i.f.v. bevolking) in de benchmarkoefening. KU Leuven is nog steeds de sterkste Vlaamse, en ook Belgische, deelnemer en tevens de enige Vlaamse universiteit die voorkomt in de top 10 van alle internationale instellingen uit het hoger onderwijs die deelnemen aan H2020. Na KU Leuven wordt de top 3 van de Vlaamse deelnames vervolledigd door UGent (wat betreft aantal deelnames) en IMEC (wat betreft deelnametoelage). De top 5 van landen waarmee wordt samengewerkt door Vlaamse partners in H2020 bestaat uit Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland.

63

De Vlaamse return is het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen. 229


2. Algemeen Horizon 2020 is het grootste Europese subsidieprogramma voor Onderzoek en Innovatie met een budget van 74,8 miljard euro voor de periode 2014-2020. Horizon 2020, verder afgekort tot H2020, is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling (7KP). De H2020 middelen worden concreet ingezet voor drie hoofddoelstellingen: 1.

Excellent Science: Blijvend versterken van de Europese toppositie op het gebied van wetenschap. Een

budget van ongeveer 24 miljard euro voor top-wetenschap(pers), waaronder de acties van:

2.

-

-

het European Research Council (ERC);

-

-

Marie Sklodowska-Curie;

-

-

Future and Emerging Technologies (FET);

-

-

Research Infrastructures.

Industrial Leadership: Het verder versterken van Industrieel Leiderschap van ondernemingen binnen

Europa, met een budget van ongeveer 17 miljard euro voor volgende sleuteltechnologieën: -

Informatie- en Communicatie Technologieën;

-

Nanotechnologie;

-

Geavanceerde Materialen;

-

Biotechnologie;

-

Advanced manufacturing and Processing;

-

Ruimteonderzoek.

Daarnaast werd een deel van het budget gereserveerd voor betere toegang tot (risico)kapitaal voor ondernemingen en specifieke instrumenten ter ondersteuning van KMO’s (kleine of middelgrote ondernemingen) (SME Instrument). 3.

Societal Challenges: Tot slot werd circa 31 miljard euro gereserveerd voor de aanpak van belangrijke

thema’s die door alle Europeanen worden gedeeld, verdeeld over zeven hoofdthema´s: -

Gezondheidszorg, demografische veranderingen en welzijn;

-

Voedselzekerheid, duurzame landbouw, marien en maritiem onderzoek en de bio-economie;

-

Veilige, schone en efficiënte energie;

-

Slim, groen en geïntegreerd vervoer;

-

Klimaatverandering, efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen;

-

Inclusieve, innovatieve en reflectieve samenlevingen;

-

Veilige samenlevingen, beschermen van vrijheid en veiligheid van Europa en haar burgers.

Daarnaast zijn er ook nog twee specifieke doelstellingen:

6

-

Spreading excellence and widening participation;

-

Science with and for society.


En drie kleinere blokken: -

European Institute of Innovation and Technology (EIT);

-

Joint Research Centre (JRC);

-

Euratom.

Tabel 60 Structuur van het H2020-programma met bijhorende budgetten

I. Excellent Science, of which: 1. European Research Council (ERC) 2. Future and Emerging Technologies (FET) 3. Marie Sklodowska-Curie actions 4. Research infrastructures II. Industrial Leadership, of which: 1. Leadership in enabling and industrial technologies (*), (****) 2. Access to risk finance (**) 3. Innovation in SMEs (***) III. Societal challenges, of which: (****) 1. Health, demographic change and well-being 2. Food security, sustainable agriculture and forestry, marine, maritime and inland water research, and the bioeconomy 3. Secure, clean and efficient energy 4. Smart, green and integrated transport 5. Climate action, environment, resource efficiency and raw materials 6. Europe in a changing world – Inclusive, innovative and reflective societies 7. Secure societies – Protecting freedom and security of Europe and its citizens IV. Spreading excellence and widening participation V. Science with and for society VI. Non-nuclear direct actions of the Joint Research Centre (JRC) VII. The European Institute of Innovation and Technology (EIT) TOTAAL

In miljoen euro 24.232,1 13.094,8 2.585,4 6.162,3 2.389,6 16.466,5 13.035,0 2.842,3 589,2 28.629,6 7.256,7 3.707,7 5.688,1 6.149,4 2.956,5 1.258,5 1.612,7 816,5 444,9 1.855,7 2.383,0 74.828,3

231


3. Vlaamse deelname in H2020 3.1. Algemeen De gegevens gebruikt in dit rapport werden betrokken uit de databank die de Europese Commissie via het elektronisch platform e-CORDA ter beschikking stelt aan geautoriseerde gebruikers van landen die deelnemen aan Horizon 2020. Het gaat hier over de tussentijdse status van de databank op datum van 1 mei 2022. Op dat moment was ongeveer 92% van het totale voorziene deelnamebudget toegewezen. De gegevens over de Vlaamse deelname aan eerdere kaderprogramma’s werden gehaald uit vorige analyses. De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende categorieën: -

-

bedrijven; universiteiten en hogescholen; onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse Strategische Onderzoekscentra – SOC’s (Flanders Make, IMEC, VIB en VITO), de collectieve centra (bvb. Centexbel en SIRRIS) en de “andere wetenschappelijke instellingen” (bvb. ITG, VKI en VLIZ). overige instellingen, waaronder overheidsinstellingen, non-profit organisaties, internationale organisaties, GCO’s en andere instellingen die niet in de voorgaande categorieën thuishoren. Tot deze groep worden ook de Vlaamse speerpuntclusters (bvb. Flanders’ Food, VIL, SIM,…) gerekend.

Naast deze categorieën worden de begrippen “Vlaanderen”, “Wallonië” en “Brussel” gehanteerd. Deze begrippen worden afgebakend zoals hieronder aangegeven. Bij “Vlaanderen” horen: -

de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest; de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die zich bevinden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest; de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich bevinden in het Vlaamse Gewest, daarbij inbegrepen de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks onder Vlaamse bevoegdheid vallen.

Bij “Wallonië” horen: -

de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest; de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de Franse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen die zich bevinden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Waalse Gewest; de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich bevinden in het Waalse Gewest, daarbij inbegrepen de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde instellingen die rechtstreeks onder Waalse bevoegdheid vallen.

Bij “Brussel” horen: -

de bedrijven met hun zetel in het Brussels hoofdstedelijk Gewest; de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die zich bevinden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

233


Bij “Brussel” worden dus alle deelnemers uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gerekend, uitgezonderd: (1) de deelnemers uit de categorie “universiteiten en hogescholen”: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend; (2) de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die onder Vlaamse resp. Waalse / Franse Gemeenschapsbevoegdheid vallen: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend. De toewijzing van de deelnames aan de respectievelijke gewesten gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.

3.2. Kerncijfers Vlaanderen neemt voorlopig met 616 deelnemers 3.906 keer deel aan 2.826 projecten binnen Horizon 2020. De Vlaamse deelnames totaliseren daarmee een deelnametoelage van ongeveer 1.859,5 miljoen euro. Deze Vlaamse deelnametoelage vertegenwoordigt 2,70% van de totale toelage die door de Europese Commissie voor participatie in H2020 voorlopig is toegekend. In Tabel 58 wordt de evolutie van de Vlaamse deelname voor de verschillende kaderprogramma’s heen weergegeven. Tabel 61 Evolutie van de Vlaamse deelname over de kaderprogramma’s heen

6KP

7KP

H2020*

aantal deelnames

1.342

2.884

3.906

aantal projecten

1.051

2.232

2.826

aantal instellingen

422

490

616

aantal deelnames als coördinator (in %)

15,2

19,1

21,9

352,3

1.125,0

1.859,5

16,6

44,9

68,8

2,12

2,5

2,70

1,48-1,74

1,47-1,73

1,63-1,75

ontvangen budget (in miljoen euro) totaal EU-KP budget besteed aan contracten (in miljard euro) financiële return** (in %) verwachte return (in %)

* status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen. ** het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen.

Bij vorige analyses werd steeds de ‘klassieke’ berekeningswijze gebruikt voor de berekening van de verwachte Vlaamse return. Meer specifiek: eerst werd per jaar de bijdrage van België aan de financiering van de EU-begroting opgezocht (enkel de totaal nationale bijdragen, zonder traditionele eigen middelen zoals douanerechten en bijdragen suikersector). Dan werd het Belgische gemiddelde berekend, op basis van het aantal betreffende jaartallen. Nadien werden hier twee vorken op toegepast: 1) 2)

enerzijds het aandeel van Vlaanderen in het Belgische O&TO 64 (= 56%) anderzijds het aandeel van Vlaanderen in het bbp (= 57,1%)

Aangezien het echter bij bovenstaande berekening niet enkel over O&I gaat en dit dus geen goede vergelijkingsbasis geeft, werd geopteerd voor een ‘nieuwe’ berekeningswijze van de verwachte Vlaamse return. Via deze nieuwe manier wordt gekeken naar welk percentage elk kaderprogramma vertegenwoordigt in het Meerjarig Financieel Kader (verder afgekort tot MFK). Dat percentage wordt dan toegepast op de Belgische absolute bijdrage aan het MFK (zodat we op het niveau van O&I komen en de Belgische bijdrage

64 O&TO staat voor Onderzoek en Technologische ontwikkeling

234


in Horizon 2020 kennen). Op dat bedrag wordt de 56% toegepast (d.i. het aandeel van Vlaanderen in Horizon 2020). Zo komen we tot het bedrag (1,63%) dat Vlaanderen minstens zou willen “binnenhalen”, procentueel weergegeven. De tweede vork (1,75%) betreft het aandeel van Vlaanderen in het Belgische O&TO volgens de klassieke methode. Deze nieuwe berekeningswijze werd retroactief toegepast op de vorige kaderprogramma’s, maar wegens te onduidelijk cijfermateriaal voor de jaren 1994-2000 gaan we slechts terug tot het Zesde Kaderprogramma. Als we voor H2020 een verwachte Vlaamse return tussen 1,63% - 1,75% vooropstellen, dan kunnen we concluderen dat Vlaanderen met een return van 2,70% heel goed boven de verwachting scoort. In vergelijking met de voorgaande kaderprogramma’s zien we na een dalende trend tussen 4KP en 6KP nog steeds een uitgesproken stijging van de Vlaamse return van 6KP tot de huidige situatie in H2020. Tabel 62 Vlaamse aandeel in de EU uitgaven, opgesplitst per jaar ** in H2020* en vergeleken met de buurlanden Signeerdatum

ongekend

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal

Vlaams aandeel in miljoen euro

17,4

59,2

231,3

254,7

213,1

248,6

306,8

324,4

204,0

1.859,5

EU-budget in miljoen euro

302,6

3.664,6

9.424,1

9.030,9

8.504,6

9.434,1

10.740,1

11.583,1

6.110,3

68.794,3

Vlaams aandeel in %

5,8%

1,6%

2,5%

2,8%

2,5%

2,6%

2,9%

2,8%

3,3%

2,7%

ongekend

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal

Nederlands aandeel in miljoen euro

20,9

178,2

785,1

717,2

661,7

722,4

913,2

831,6

593,4

5.423,7

EU-budget in miljoen euro

302,6

3.664,6

9.424,1

9.030,9

8.504,6

9.434,1

10.740,1

11.583,1

6.110,3

68.794,3

Nederlands aandeel in %

6,9%

4,9%

8,3%

7,9%

7,8%

7,7%

8,5%

7,2%

9,7%

7,9%

ongekend

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal

34,1

523,2

1.062,7

914,4

897,6

1.012,9

1.218,2

1.273,8

612,0

7.548,9

EU-Budget in miljoen euro

302,6

3.664,6

9.424,1

9.030,9

8.504,6

9.434,1

10.740,1

11.583,1

6.110,3

68.794,3

Frans aandeel in %

11,3%

14,3%

11,3%

10,1%

10,6%

10,7%

11,3%

11,0%

10,0%

11,0%

ongekend

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal

31,6

748,9

1.493,2

1.323,5

1.258,6

1.328,9

1.420,1

1.740,2

803,9

10.149,0

EU-Budget in miljoen euro

302,6

3.664,6

9.424,1

9.030,9

8.504,6

9.434,1

10.740,1

11.583,1

6.110,3

68.794,3

Duits aandeel in %

10,5%

20,4%

15,8%

14,7%

14,8%

14,1%

13,2%

15,0%

13,2%

14,8%

Signeerdatum

Signeerdatum Frans aandeel in miljoen euro

Signeerdatum Duits aandeel in miljoen euro

* status **

op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen. bij opsplitsing per jaar worden de deelnamebudgetten toegewezen aan het jaar waarin het contract werd getekend.

235


Tabel 62 geeft het Vlaamse aandeel in de totale EU-uitgaven weer, opgesplitst per jaar, en een vergelijking met de buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. In absolute en relatieve termen ontvangt Vlaanderen momenteel het grootste budget in het jaar 2020. De jaarlijkse Vlaamse return van 3,3% is in het jaar 2021 de hoogste tot nu toe. Logischerwijze zien we dat ook bij de buurlanden Frankrijk en Nederland het laagste procentuele aandeel bij de start van het programma in 2014 ligt. Nederland volgt een beetje de curve van Vlaanderen: de percentages van Nederlandse aandeel stijgen over de jaren heen, met als piek het jaar 2021. Frankrijk kent een lichte daling in procentuele aandeel in het EU-budget van het jaar 2014 tot het jaar 2018. De jaren nadien blijven de cijfers ongeveer dezelfde, met een minder hoog aandeel in het jaar 2021. Ook Duitsland kaapt het grootste aandeel in budget weg in het allereerste jaar van Horizon 2020. We zien zelfs het laagste % aandeel in het jaar 2021.

3.3. Vlaamse deelname volgens programmaonderdeel Vlaanderen presteert voorlopig boven de benchmark (die bedraagt tussen 1,63%-1,75%) in de thematische prioriteiten: •

‘Crosstheme’ (return van 2,4%)

•

‘European Research Council’ (return van 2,6%)

•

‘Future and emerging technologies’ (return van 2,2%)

•

‘Marie Sklodowska-Curie actions’ (return van 3,1%)

•

‘Leadership in enabling and industrial technologies’ (return van 8,1%)

•

‘Information and communication technologies’ (return van 3,9%)

•

‘Advanced materials’ (return van 3,7%)

•

‘Biotechnology’ (return van 3,9%)

•

‘Advanced manufacturing and processing’ (return van 2,5%)

•

‘Space’ (return van 2,8%)

•

‘Innovation in SME’s’ (return van 2,0%)

•

‘Health, demographic change and wellbeing’ (return van 3,1%)

•

‘Food security, sustainable agriculture and forestry, marine and maritime and inland water research’ (return van 3,4%)

•

‘Secure, clean and efficient energy’ (return van 3,2%)

•

‘Smart, green and integrated transport’ (return van 2,1%)

•

‘Climate action, environment, resource efficiency and raw materials’ (return van 2,6%)

•

‘Europe in a changing world – inclusive, innovative and reflective societies’ (return van 2,3%)

•

‘Twinning of research institutions’ (return van 2,9%)

•

‘Promote gender equality in research and innovation’ (return van 3,0%)

•

‘Develop the governance for the advancement of responsible research and innovation’ (return van 2,3%)

•

236

‘Improve knowledge on science communication’ (return van 6,1%)


Daarnaast neemt Vlaanderen ongeveer volgens de benchmark deel aan ‘Nanotechnologies, Advanced Materials and production’ (return van 1,8%), ‘Secure societies - Protecting freedom and security of Europe and its citizens’ (return van 1,5%), ‘Integrate society in science and innovation’ (return van 1,4%), ‘Science with and for society – Crosstheme’ (return van 1,6%) en ‘Encourage citizens to engage in science’ (return van 1,7%). In de thematische prioriteiten ‘Research Infrastructures’ (return van 1,2%), ‘Societal Challenges – Crosstheme’ (return van 0,6%), ‘Teaming of excellent research institutions and low performing RDI regions’ (return van 0,1%), ‘Make scientific and technological careers attractive to young people’ (return van 0,7%) en Euratom (return van 0,6%) blijft de Vlaamse participatie voorlopig ver onder de benchmark. Tot nu toe is er nog geen enkele Vlaamse deelname in de thematische prioriteiten ‘Industrial Leadership – Crosstheme’, ‘Access to risk finance’, ‘Spreading excellence and widening participation – Crosstheme’, ‘ERA chairs’, ‘Policy Support Facility’, ‘Supporting access to international networks’, ‘Transnational networks of National Contact Points’, ‘Develop the accessibility and the use of the results of publicly-funded research’ en ‘Anticipating and assessing potential environmental, health and safety impacts’. Tabel 63 toont de Vlaamse deelname in H2020 per thematische prioriteit.

237


Tabel 63 Vlaamse deelname in H2020 per thematische prioriteit Pijler

Prioriteit

Programma

Code

Aantal projecten

Aantal deelnames

%

Deelnametoelage (in miljoen euro)

%

Return

Crosstheme

CROSST

EU.0.

28

30

1,0%

11,97

0,6%

2,4%

28

30

1,0%

11,97

0,6%

2,4%

Crosstheme Totaal

Excellent Science

European Research Council

ERC

EU.1.1.

232

241

8,2%

347,22

18,7%

2,6%

Future and Emerging Technologies

FET

EU.1.2.

83

100

2,9%

56,55

3,0%

2,2%

Marie Sklodowska-Curie Actions

MSCA

EU.1.3.

618

749

21,9%

203,52

10,9%

3,1%

Research Infrastructures

INFRA

EU.1.4.

81

95

2,9%

28,52

1,5%

1,2%

1.014

1.185

35,9%

635,81

34,2%

2,5%

Totaal

Industrial Leadership

Industrial Leadership - Cross-theme

INDLEAD-CROSST

EU.2.0.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Leadership in enabling and industrial technologies (LEIT)

LEIT

EU.2.1.

1

2

0,0%

4,58

0,2%

8,1%

Information and communication technologies

ICT

EU.2.1.1.

290

471

10,3%

281,01

15,1%

3,9%

Nanotechnologies, Advanced Materials and production

NMP

EU.2.1.2.

22

28

0,8%

10,82

0,6%

1,8%

Advanced Materials

ADVMAT

EU.2.1.3.

60

89

2,1%

45,14

2,4%

3,7%

Biotechnology

BIOTECH

EU.2.1.4.

26

41

0,9%

16,87

0,9%

3,9%

Advanced Manufacturing and processing

ADVMANU

EU.2.1.5.

54

76

1,9%

42,79

2,3%

2,5%

Space

SPACE

EU.2.1.6.

62

71

2,2%

27,80

1,5%

2,8%

Access to risk finance

RISKFINANCE

EU.2.2.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Innovation in SMEs

SME

EU.2.3.

43

52

1,5%

34,93

1,9%

2,0%

558

830

19,7%

463,94

25,0%

3,3%

Totaal


Societal Challenges - Cross-theme

SOCCHAL-CROSST

EU.3.0.

1

1

0,0%

0,80

0,0%

0,6%

Health, demographic change and wellbeing

HEALTH

EU.3.1.

266

370

9,4%

192,88

10,4%

3,1%

Food security, sustainable agriculture and forestry, marine FOOD and maritime and inland water research

EU.3.2.

232

404

8,2%

121,68

6,5%

3,4%

Secure, clean and efficient energy

ENERGY

EU.3.3.

200

317

7,1%

159,42

8,6%

3,2%

Smart, green and integrated transport

TPT

EU.3.4.

205

313

7,3%

121,09

6,5%

2,1%

Climate action, environment, resource efficiency and raw ENV materials

EU.3.5.

117

201

4,1%

81,85

4,4%

2,6%

Europe in a changing world - inclusive, innovative and SOCIETY reflective Societies

EU.3.6.

52

78

1,8%

23,86

1,3%

2,3%

Secure societies - Protecting freedom and security of SECURITY Europe and its citizens

EU.3.7.

71

86

2,5%

24,42

1,3%

1,5%

1.144

1.770

40,5%

726,00

39,0%

2,7%

Societal Challenges

Totaal Spreading excellence and widening participation - CrossSEAWP-CROSST theme

EU.4.0.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Teaming of excellent research institutions and low WIDESPREAD performing RDI regions

EU.4.a.

4

4

0,1%

0,29

0,0%

0,1%

Twinning of research institutions

TWINING

EU.4.b.

29

30

1,0%

5,61

0,3%

2,9%

ERA

EU.4.c.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Policy Support Facility

PSF

EU.4.d.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Supporting access to international networks

INTNET

EU.4.e.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Transnational networks of National Contact Points

NCPNET

EU.4.f.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

33

34

1,2%

5,90

0,3%

0,6%

Spreading excellence and ERA chairs widening participation

Totaal


Science with and for Society - Cross-theme

Science society

with

and

for

SWAFS

EU.5.0.

6

6

0,2%

2,11

0,1%

1,6%

Make scientific and technological careers attractive for CAREER young people

EU.5.a.

2

2

0,1%

0,36

0,0%

0,7%

Promote gender equality in research and innovation

GENDEREQ

EU.5.b.

7

7

0,2%

2,20

0,1%

3,0%

Integrate society in science and innovation

INEGSOC

EU.5.c.

7

8

0,2%

1,46

0,1%

1,4%

Encourage citizens to engage in science

SCIENCE

EU.5.d.

3

4

0,1%

0,44

0,0%

1,7%

Develop the accessibility and the use of the results of RESACCESS publicly-funded research

EU.5.e.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Develop the governance for the advancement of GOV responsible research and innovation

EU.5.f.

7

7

0,2%

2,20

0,1%

2,3%

Anticipating and assessing potential environmental, health IMPACT and safety impacts

EU.5.g.

0

0

0,0%

0,00

0,0%

0,0%

Improving knowledge on science communication

EU.5.h.

1

2

0,0%

0,60

0,0%

6,1%

33

36

1,2%

9,37

0,5%

1,9%

16

21

0,6%

6,48

0,3%

0,6%

16

21

0,6%

6,48

0,3%

0,6%

2.826

3.906

100,0%

1.859,46

100,0%

2,7%

KNOWLEDGE

Totaal Euratom

EURATOM

Euratom

EURATOM Totaal TOTAAL * status

op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.


3.4. Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorie Figuur 70a Relatieve Vlaamse deelname in 6KP, 7KP en H2020 volgens deelnemerscategorie (aantal deelnames)

6KP

7KP

H2020*

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Aantal deelnames (relatief) Universiteiten en Hogescholen *

Bedrijven

Onderzoekscentra

Overige instellingen

status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.

Figuur 71b Relatieve Vlaamse deelname in 6KP, 7KP en H2020 volgens deelnemerscategorie (deelnametoelage)

6KP

7KP

H2020*

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Deelnamebudget (relatief) Universiteiten en hogescholen *

Bedrijven

Onderzoekscentra

Overige instellingen

status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.

241


Uit vergelijking van de relatieve Vlaamse deelname van de Vlaamse instellingen (zie figuren 1a, 1b en 2) blijkt dat het relatieve aandeel van de universiteiten en hogescholen in aantal deelnames stijgt van 6KP naar 7KP en blijft stijgen naar H2020. De relatieve deelnametoelage daarentegen stijgt van 6KP naar 7KP en daalt dan lichtjes naar H2020. Het relatieve aandeel in return van de universiteiten en hogescholen blijft stijgen van 6KP tot H2020. Het relatieve aantal deelnames van de bedrijven is licht gestegen van 7KP naar H2020, idem wat betreft de relatieve deelnametoelage en return. Voor de onderzoekscentra zien we een duidelijke daling in het relatieve aantal deelnames en relatieve deelnametoelage sinds 6KP tot H2020 en een (lichte) stijging in de Vlaamse return.

Figuur 72 Aandeel van de deelnemerscategorieën in de Vlaamse return Universiteiten en hogescholen

Bedrijven

Onderzoekscentra

Overige instellingen

return in 6KP in %

return in 7KP in %

return in H2020* in %

0,00%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

2,50%

3,00%

* status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.

Wanneer we de relatieve Vlaamse en Europese deelname (Figuur 70 en Figuur 71) vergelijken zien we in Vlaanderen voor H2020 relatief gezien een iets sterkere participatie in aantal deelnames van de universiteiten en hogescholen en een sterkere relatieve deelnametoelage van de universiteiten en hogescholen én de onderzoekscentra.

242


Figuur 73a Relatieve Europese deelname volgens deelnemerscategorie (aantal deelnames)

6KP 7KP H2020* 0%

10%

20%

30%

Universiteiten en Hogescholen

40%

Bedrijven

50%

60%

70%

Onderzoekscentra

80%

90%

Overige instellingen

100%

* status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.

Figuur 74b Relatieve Europese deelname volgens deelnemerscategorie (deelnametoelage)

6KP

7KP

H2020 * 0%

20%

Universiteiten en hogescholen

40%

60%

Deelnamebudget (relatief) Bedrijven

Onderzoekscentra

80%

100%

Overige instellingen

* status op 1 mei 2022 waarbij 92% van het voorziene deelnamebudget is toegewezen.

243


3.5. Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit en volgens deelnemerscategorie Figuur 75 Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie

CROSST ERC FET MSCA INFRA INDLEAD-CROSST LEIT ICT NMP ADVMAT BIOTECH ADVMANU SPACE RISKFINANCE SME SOCCHAL-CROSST HEALTH FOOD ENERGY TPT ENV SOCIETY SECURITY SEAWP-CROSST WIDESPREAD TWINING ERA PSF INTNET NCPNET SWAFS CAREER GENDEREQ INEGSOC SCIENCE RESACCESS GOV IMPACT KNOWLEDGE EURATOM

0

50

100

Universiteiten en hogescholen

150

Bedrijven

200

250

Onderzoekscentra

300

350

Overige instellingen

400

In bovenstaande Figuur 75 wordt de participatie van de verschillende categorieën in de specifieke onderdelen aan de hand van de deelnametoelage van H2020 weergegeven. Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname in H2020 ligt voorlopig bij de thematische prioriteit ‘ERC’, die Vlaanderen momenteel 18,7% van zijn totale toelage voor deelname aan H2020 oplevert. 79,5% van die ERC-deelnametoelage komt op rekening van de universiteiten en hogescholen, waarvan 46% op rekening van de Katholieke Universiteit Leuven en 33,9% op rekening van Universiteit Gent, samen goed voor bijna 80% van de ERC-deelnametoelage bij de universiteiten en hogescholen. De Vlaamse onderzoekscentra halen 20,2% van de Vlaamse ERC-toelage naar zich toe, waarvan 82,6% naar VIB gaat. Het programma ‘ICT’ levert Vlaanderen momenteel 15,1% van zijn totale toelage voor deelname in H2020 op. De Vlaamse ICT-toelage gaat voor 61% naar de onderzoekscentra, waarvan 96% voor IMEC. Telkens ongeveer 17% van de Vlaamse ICT-toelage gaat naar de universiteiten (en hogescholen) en bedrijven. De overige 4,5% is voor de overige instellingen.

244


Ook in Marie Sklodowska-Curie Actions (MSCA) scoort Vlaanderen goed. Deze thematische prioriteit levert Vlaanderen net geen 11% van zijn totale deelnametoelage aan H2020 op. In MSCA zijn vooral de universiteiten en hogescholen aan zet, met bijna 74% van de Vlaamse deelnametoelage voor deze thematische prioriteit. Binnen deze categorie is KU Leuven de sterkste budgettaire speler, met ongeveer 56% van de Vlaamse deelnametoelage voor deze thematische prioriteit. De bedrijven halen voorlopig zo’n 12,3% van de middelen naar zich toe, de onderzoekscentra ongeveer 13,8%. In deze laatste categorie zijn dit voornamelijk VIB (35,3%) en IMEC (24,2%). Figuur 76 geeft aan welke financiële return Vlaanderen uit de verschillende onderdelen van H2020 haalt en welk aandeel de verschillende deelnemerscategorieën hierin hebben. Rekening houdend met een gemiddelde verwachte return van ongeveer 1,63-1,75% (de gele verticale lijn in de figuur), kunnen we de prestatie van de Vlaamse deelnemerscategorieën in de specifieke onderdelen van H2020 als volgt beoordelen: De deelnemerscategorie universiteiten en hogescholen laat momenteel een opvallend aandeel in de Vlaamse return optekenen bij de specifieke programma’s CAREER (100%), TWINING (94,1%), SCIENCE (91,7%), EURATOM (86,4%), SWAFS (79,4%), ERC (79,3%), GOV (78,7%), MSCA (73,6%), HEALTH (68,3%), SECURITY (67,3%) en SOCIETY (60,6%). Verder haalt deze categorie ongeveer de helft van de Vlaamse return uit WIDESPREAD (50%) en INFRA (50%). De financiële bijdrage in CAREER staat voor 83,3% op naam van VUB, de overige 17% zijn voor UA. Dit is dan ook niet verwonderlijk aangezien er enkel universiteiten en hogescholen aan dit programma kunnen participeren. De financiële return in SCIENCE komt voor 62,5% toe aan UGent en zo’n 36% aan de Karel de Grote Hogeschool Antwerpen. Van de hoge financiële return die de categorie ‘universiteiten en hogescholen’ uit TWINING weet te halen, gaat iets meer dan de helft naar KU Leuven en 27,6% naar UGent. In de financiële return die de universiteiten en hogescholen uit GOV halen, spelen KU Leuven en op een tweede plaats VUB een prominente rol. De bedrijven leveren een opvallende bijdrage in de Vlaamse return in de programma’s SOCCHAL-CROSST (100%), GENDEREQ (82%), SME (78,8%), CROSST (78,4%), ENERGY (57,1%), INEGSOC (53,2%), SPACE (52,3%), TPT (49,3%) en ADVMANU (42,3%). De onderzoekscentra staan voorlopig in zeer belangrijke mate in voor de Vlaamse return uit LEIT (90,6%), ICT (61,1%), BIOTECH (50,1%), WIDESPREAD (50%), FET (49,1%) en FOOD (40,5%). De overige instellingen tenslotte staan in voor 60% van de Vlaamse return in het programma KNOWLEDGE (VRT), 16,4% in TPT, 16% in SME en 16% in SOCIETY.

245


Figuur 76 Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie

ERC MSCA INDLEAD-CROSST ICT ADVMAT ADVMANU RISKFINANCE SOCCHAL-CROSST FOOD TPT SOCIETY SEAWP-CROSST TWINING PSF NCPNET CAREER INEGSOC RESACCESS IMPACT EURATOM 0,0%

1,0%

2,0%

Universiteiten en hogescholen

3,0% Bedrijven

4,0%

5,0%

6,0%

Onderzoekscentra

7,0%

8,0%

9,0%

Overige instellingen

3.6. Vlaamse topdeelnemers KU Leuven is momenteel de sterkste Vlaamse deelnemer met 675 deelnames en een deelnametoelage van 379,8 miljoen euro. UGent volgt op de tweede plaats wat betreft het aantal deelnames, maar IMEC staat op de tweede plaats wat betreft de deelnametoelage (zie tabel 5). Deze top 3 is vergelijkbaar met die in het Zevende Kaderprogramma. UA en VUB kampen voor een vierde en vijfde plaats in deze ranking. T.o.v het Zevende Kaderprogramma schuift VITO 1 plaats omhoog, gevolgd door VIB. Bio Base Europe Pilot Plant vzw, UHasselt en ILVO volgen op een verdienstelijke 8ste, 9de en 10de plaats.

246


Tabel 64 Vlaamse topdeelnemers Aantal deelnames

Aantal deelnames %

Deelnametoelage (in miljoen euro)

Deelnametoelage %

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

675

17,3%

379,83

20,4%

INTERUNIVERSITAIR MICRO-ELECTRONICA CENTRUM

300

7,7%

248,04

13,3%

UNIVERSITEIT GENT

381

9,8%

216,89

11,7%

UNIVERSITEIT ANTWERPEN

207

5,3%

114,68

6,2%

VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL

203

5,2%

106,34

5,7%

VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK N.V.

150

3,8%

95,76

5,1%

VIB VZW

127

3,3%

86,37

4,6%

BIO BASE EUROPE PILOT PLANT VZW

36

0,9%

29,06

1,6%

UNIVERSITEIT HASSELT

42

1,1%

22,69

1,2%

EIGEN VERMOGEN VAN HET INSTITUUT VOOR LANDBOUW- EN VISSERIJONDERZOEK

67

1,7%

22,08

1,2%

Instelling

3.7. Vlaanderen in de Europese rangschikking Brexit, een samenvoeging van British en Exit, is het uittreden van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU) op 31 januari 2020. Vanaf dat moment trad een overgangsperiode of transitieperiode in werking, die duurde tot eind 2020. In die transitiefase bleef alles nog bij het oude. De echte veranderingen vonden plaats vanaf 1 januari 2021. Want op dat moment trad het nieuwe handels- en samenwerkingsakkoord tussen de EU en het VK in werking. Het VK en de EU zijn binnen de onderhandelingen over hun toekomstige Handels- en samenwerkingsovereenkomst onder meer overeengekomen dat voor het VK het ook in de toekomst mogelijk moet blijven om nog deel te nemen aan het Horizon Europa-programma (loopt van 2021 - 2027) als geassocieerde partner. Hiervoor werd een “Protocol” overeengekomen tussen de partijen over programma’s en activiteiten waaraan het VK zal deelnemen. Indien het VK geassocieerd wordt met Horizon Europa betekent dit dat het land aan bijna alle onderdelen van het programma kan deelnemen (inclusief dus de ERC, de MSCA-acties, de clusters en missies, de partnerschappen, de JRC-acties, het EIT, etcetera). Entiteiten uit het VK zullen echter niet kunnen deelnemen aan het gedeelte van de EIC Accelerator dat werkt met het Fonds van de Europese Innovatieraad (het “EIC Fund”), dat een instrument is voor leningen en equity. Dat heeft te maken met eerdere afspraken uit het terugtrekkingsakkoord. Er is namelijk geen

247


deelname van het VK aan financiële instrumenten van de EU mogelijk. Entiteiten uit het VK kunnen dus wel deelnemen aan het subsidiegedeelte van de EIC Accelerator of aan de EIC Pathfinder component van de EIC. Tijdens de opmaak van deze analyse is de deelname van het Verenigd Koninkrijk in Horizon 2020 dus nog steeds een feit en wordt het land in elke benchmark meegenomen (zie figuren 6, 7 en 8). In deze figuren wordt Vlaanderen telkens vergeleken met een aantal deelnemende landen aan H2020. Alle landen die lid zijn van de Europese Onderzoeksruimte worden meegenomen. De Europese Economische Ruimte (EER) is het resultaat van een in 1992 gesloten akkoord tussen de landen van de Europese Gemeenschap (EG) (later de Europese Unie - EU) en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA). In theorie wil dit zeggen de 27 EU-lidstaten en drie van de vier EVA-lidstaten (Noorwegen, Ijsland, en Liechentstein). Zwitserland is lid van de EVA, maar maakt geen deel uit van de EER. We nemen dit alsnog mee in de benchmark. De deelnametoelage wordt in deze oefening gerelateerd aan respectievelijk het Bruto Binnenlands Product (bbp) en het aantal inwoners in het desbetreffende land (of regio). Figuur 75 toont de deelnametoelage gerelateerd aan het bbp. Vlaanderen scoort goed met een zevende plaats in deze benchmarkoefening, België eindigt twee plaatsjes hoger op de vijfde plaats. Cyprus kaapt de eerste plaats weg, met een duizelingwekkende score. Dit moet best in perspectief worden bekeken aangezien Cyprus wel een mooie deelnametoelage van 321,2 miljoen euro weet te behalen, maar een zeer laag bbp-cijfer heeft van 21,6 miljard euro. (Ter vergelijking: Roemenië haalt een vergelijkbare deelnametoelage naar zich toe van ongeveer 301,1 miljoen euro, maar heeft een bbp van 218,9 miljard euro). De tweede, derde en vierde plaats worden respectievelijk ingenomen door Griekenland, Estland en Slovenië. Nederland, Finland, Portugal en Spanje vervolledigen de top 10.

248


Figuur 77 Deelnametoelage (in duizend euro) / bbp (in miljard euro) CY EL EE SI BE NL VLA FI PT ES DK NO AT SE LV CH IT FR IE LU UK DE MT HR HU BG CZ LT SK PL RO 0

1.000 2.000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 11.000 12.000 13.000 14.000 15.000 16.000

Deelnametoelage (in duizend euro) / bbp (in miljard euro)

Wanneer de deelnametoelage wordt gerelateerd aan het aantal inwoners 65 (zie Figuur 78), eindigt Vlaanderen op de 9ste plaats en België op de 6de plaats. Cyprus, Noorwegen en Luxemburg vormen de top 3 in deze benchmark, gevolgd door enkele Scandinavische landen zoals Denemarken en Finland. Op de 3de plaats staat Luxemburg, op 4de plaats staat Nederland. Ook uit deze benchmark kan dus worden afgeleid dat Vlaanderen (en België) het helemaal niet slecht doet in deze tussentijdse analyse van H2020. Beide behalen voorlopig betere resultaten dan de grootste EUlidstaten Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië.

65

Bron populatie (*1 000) Vlaanderen: Loop van de bevolking | Statbel (fgov.be) – Jaar 2021 / Bron populatie (*1 000) andere landen opgenomen in de ranking: Eurostat Databank – Jaar 2021, met uitzondering van Verenigd Koninkrijk (Jaar 2020).

249


Figuur 78 Deelnametoelage (in duizend euro) / aantal inwoners (in duizendtallen) CY NO LU NL DK BE FI CH VLA IE SE AT EE SI EL ES DE UK PT FR IT MT LV CZ HU LT HR SK BG PL RO 0

25

50

75

100

125

150

175

200

225

250

275

300

325

350

375

400

Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners

In Figuur 79 wordt de deelname van de Vlaamse universiteiten bekeken in de HES-ranking van H2020, waarbij HES staat voor ‘Higher Education Services’. Enkel de top 10 van universiteiten of hogescholen werd opgenomen in de vergelijking. De University of Cambridge staat op de eerste plaats wat betreft aantal deelnames, maar moet de University of Oxford laten voorgaan als het gaat over deelnametoelage. KU Leuven eindigt voorlopig op een vijfde plaats wat betreft deelnametoelage en op de zesde plaats (na Kobenhavns Universitet) wat betreft het aantal deelnames.

250


Figuur 79 Top 10 van de universiteiten in een internationale rangschikking, gesorteerd volgens aantal deelnames en deelnametoelage Aantal deelnames

Deelnamebudget (in miljoen euro)

900

600 500

Aantal deelnames

700

450

600

400 350

500

300

400

250

300

200 150

200

100

100

50

Deelnametoelage (in miljoen euro)

550

800

0 DANMARKS TEKNISKE UNIVERSITET

TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT

IMPERIAL COLLEGE OF SCIENCE TECHNOLOGY AND MEDICINE

ECOLE POLYTECHNIQUE FEDERALE DE LAUSANNE

KOBENHAVNS UNIVERSITET

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

UNIVERSITY COLLEGE LONDON

EIDGENOESSISCHE TECHNISCHE HOCHSCHULE ZUERICH

THE CHANCELLOR MASTERS AND SCHOLARS OF THE UNIVERSITY OF CAMBRIDGE

THE CHANCELLOR, MASTERS AND SCHOLARS OF THE UNIVERSITY OF OXFORD

0

De top 5 van landen waarmee de Vlaamse (en ook Belgische) partners samenwerken in H2020 (zie tabel 6) bestaat uit Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland. Het Verenigd Koninkrijk volgt op de zesde plaats. In meer dan 73% van alle projecten waar minstens 1 Vlaamse partner is betrokken, nemen ook Duitse partners deel. In bijna de helft van de projecten waar minstens 1 Vlaamse partner in is betrokken, nemen Spanje, Frankrijk en Italië deel.

251


Tabel 65 Top 10 van het aantal samenwerkingen tussen Vlaanderen en partnerlanden (met minstens 1 Vlaamse partner per project) Partnerland

Samenwerking per project

Duitsland

73,6%

Spanje

61,0%

Frankrijk

58,8%

Italië

58,4%

Nederland

57,3%

Verenigd Koninkrijk

57,2%

België

39,2%

Zwitserland

29,2%

Oostenrijk

29,1%

Zweden

29,0%

In onderstaande figuur wordt de deelname van Vlaanderen vergeleken met de EOR-landen, op basis van het aandeel van de deelnametoelage, per deelnemerscategorie. Voor de groep HES (Higher Education Services) staat Vlaanderen op een verdienstelijke 9de plaats wat betreft deelnametoelage. De top 5 bestaat uit Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, Denemarken, Ierland en Zweden. De landen met de minste deelnametoelagen in HES zijn Frankrijk, Slovenië, Roemenië, Spanje en Bulgarije.

252


Figuur 80 Aandeel van de deelnametoelage per deelnemerscategorie in de EOR-landen UK CH DK IE SE NL EE MT VLA CZ FI CY LV AT DE SK IT NO HR BE LU LT PL EL HU PT IS BG ES RO SI FR 0%

10%

20%

30%

Universiteiten en hogescholen

40%

50%

Bedrijven

60%

70%

Onderzoekscentra

80%

90%

100%

Overige instellingen

In de categorie bedrijven, hebben IJsland (45,6%), Luxemburg (43,1%), Cyprus (40,3%) en Slovakije (39,8%) het grootste aandeel in de deelnametoelage. De onderzoekscentra van Frankrijk (43,6%), Griekenland (38,6%), Portugal (38,2%), Spanje (36,9%) en Slovenië (36,7%) halen het grootste aandeel uit de deelnametoelage van deze categorie.

253


Deel 6 Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten


Hoofdstuk 17 Wat is PIO? 1. Publieke koopkracht als katalysator van innovatie Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) heeft als doel de enorme koopkracht van de Vlaamse overheid en de publieke sector meer strategisch in te zetten voor innovatie. Het PIO creëert via innovatieve overheidsopdrachten extra mogelijkheden om, samen met ondernemingen en onderzoekscentra, de werking van de Vlaamse publieke sector te vernieuwen en innovatieve antwoorden te bieden op tal van maatschappelijke uitdagingen. Het PIO draagt zo bij tot: − − −

een performante overheid competitieve ondernemingen oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen.

Vlaanderen besteedt jaarlijks ruim 30 tot 40 miljard aan overheidsaankopen. Dit vertegenwoordigt een belangrijk economisch potentieel. Het is de bedoeling om elke Vlaamse beleidsmaker, overheidsmanager en aankoper in de publieke sector te overtuigen van de meerwaarde van innovatieve overheidsopdrachten. En ‘innovatieve overheidsopdrachten’ te ontwikkelen tot een structureel instrument voor het optimaliseren van de werking en dienstverlening van de publieke sector en het realiseren van toekomstgerichte beleidsdoelstellingen.

2. Wat zijn innovatieve overheidsopdrachten? Innovatieve overheidsopdrachten zijn overheidsaankopen gericht op de ontwikkeling of de validering van innovatieve oplossingen. Dit kunnen nieuwe of sterk verbeterde producten of diensten zijn, maar ook business-innovatie zoals de ontwikkeling van nieuwe financieringsvormen of organisatorische en sociale innovatie. Technologie kan een belangrijke rol spelen, maar het hoeft niet. Bij de aankoop van innovatieve oplossingen is een goede voorbereiding essentieel. Een diepgaande analyse van de behoeften en een vroege interactie met bedrijven en onderzoekscentra zijn sleutels tot een succesvolle innovatieve overheidsaankoop. De complexiteit en innovatiegraad van de beoogde oplossing bepalen de keuze van de aankoopprocedure. De beschrijving van de gewenste oplossing zal de leveranciers ruimte laten om de opdracht creatief en innovatief in te vullen.

257


3. De 5 fases binnen PIO 1

Behoefte-analyse Samen met eindgebruikers en stakeholders analyseren wat de beoogde oplossing precies moet kunnen. Wat is echt nodig? Wat is prioritair? Marktconsultatie Samen met bedrijven en onderzoekscentra bepalen welke oplossingen haalbaar zijn en onder welke voorwaarden. Aankoopstrategie Op basis van de innovatiegraad en complexiteit van de opdracht, een geschikte aanpak en procedure kiezen. Aankoopproces Na interactie met de kandidaat-leveranciers het meest waardevolle (prijs/kwaliteit/innovatie) voorstel aankopen. Ontwikkelen, testen en valideren van innovatieve oplossing In nauw overleg met de leveranciers het ontwikkelings- of pilootproject uitvoeren.

2

3

4

5

4. Innovatieve overheidsopdrachten, waarom? Innovatieve overheidsopdrachten hebben tal van voordelen, zowel voor de overheid als voor ondernemingen en kenniscentra. De voordelen van innovatieve overheidsopdrachten voor de overheid zijn legio:

•

de overheid versterkt zijn kennis van de ‘state of the art’ door marktverkenningen en consultaties te houden;

•

de ontwikkelde oplossingen sluiten beter aan bij de reële noden en uitdagingen doordat de overheid sterk interageert met de opdrachtnemers tijdens het ontwikkelingsproces;

•

door de inzet van aankoopprocedures zoals het innovatiepartnerschap waarbij verschillende concepten van oplossingen worden ontwikkeld en getest, verminderen voor de overheid de (technologische) risico’s bij de eigenlijke aankoop;

•

door het maximaal laten spelen van de mededinging is de ontwikkeling van de oplossingen vaak goedkoper dan bij gesubsidieerde ontwikkelingen;

•

de overheid verwerft gebruiksrechten op de resultaten van de O&O of innovatieactiviteiten, wat niet zo is bij subsidies.

•

innovatieve overheidsopdrachten beleidsdomeinen en niveaus heen;

mobiliseren

middelen

voor

innovatie

over

alle

Ook ondernemingen en kennisinstellingen zijn gebaat bij innovatieve overheidsopdrachten: •

258

ondernemers en kennisinstellingen krijgen via de directe contacten met de overheid een beter inzicht in de publieke innovatiebehoeften; dit biedt perspectieven op nieuwe onderzoeks- en innovatiethema’s en de ontwikkeling van nieuwe markten of veelbelovende niches;


•

er komen meer financiële middelen voor O&O- en testactiviteiten ter beschikking en meer mogelijkheden om samenwerkingsverbanden op te zetten; er komen nieuwe mogelijkheden om ‘the valley of death’ tussen productontwikkeling en commercialisering te overbruggen wanneer de overheid als 'launching' of 'lead costumer' optreedt; dit kan ook de mogelijkheden voor export positief beïnvloeden; de toegang voor kmo’s en starters tot de overheidsmarkten verbetert door het aankoopproces bij innovatieve overheidsopdrachten zo eenvoudig mogelijk te houden, door te kiezen voor een interactieve en gefaseerde aanpak en door minder technische specificaties op te nemen in de bestekken, maar wel gewenste functionaliteiten en mogelijke varianten.

•

•

5. Aanbod Elke Vlaamse overheidsorganisatie of organisatie uit de publieke sector wordt geconfronteerd met grote en kleine uitdagingen die om innovatieve oplossingen vragen. Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) helpt om deze innovatieve producten en diensten te laten ontwikkelen, testen en/of aan te kopen. Alle overheidsorganisaties in Vlaanderen en organisaties uit de publieke sector die vallen onder de Wet op de Overheidsopdrachten kunnen bij PIO terecht voor informatie, advies, begeleiding en cofinanciering bij innovatieve aankoopprojecten. •

PIO informeert via zijn website en nieuwsbrief over alle relevante activiteiten en initiatieven in Vlaanderen en Europa. Tegelijk werkt het PIO-team aan een gids voor innovatieve overheidsopdrachten met de ambitie om aankopers uit de publieke sector te helpen bij hun innovatieve initiatieven. PIO staat gedurende het volledige aankooptraject paraat voor adviesverlening. PIO zorgt voor de begeleiding bij het voortraject van innovatieve overheidsopdrachten, zoals onder meer het organiseren van marktconsultaties, het inhuren van externe expertise, … PIO kan cofinanciering verlenen voor de ontwikkeling en validering van innovatieve oplossingen.

• • •

Begeleiding en cofinanciering biedt PIO enkel aan projecten die in het kader van oproepen voor projectvoorstellen door PIO geselecteerd worden. Bij begrotingsopmaak 2022 is er voor PIO 3,7 miljoen euro voorzien. De specifieke noden van elk traject bepalen de omvang van de mogelijke cofinanciering. Er zijn in principe geen maximale bedragen voorzien. Om toch enige houvast te bieden voorziet PIO voor een ‘gemiddeld’ project in volgende indicatieve bedragen: • •

tot 30.000 euro voor de inzet van externe expertise, uitvoering van marktconsultaties, organisatie van gebruikersbevragingen enz. tot 1.000.000 euro voor de cofinanciering van de ontwikkeling of validering van innovatieve oplossingen (gaande van beperkte proof of concepts tot belangrijke pilootprojecten).

6. Lopende projecten Momenteel zijn er meer dan 90 projecten geselecteerd binnen het PIO. Ze situeren zich op zeer diverse vlakken. Meer informatie over deze projecten en hun uitvoering is terug te vinden op http://www.innovatieveoverheidsopdrachten.be/lopende-projecten.

259


Bijlagen


Bijlage I: Terugblik op de opstapmiddelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 en toelichting bij de begrotingsopmaak 2020 1. Terugblik op de bijgekomen middelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 1.1. Totale vrij beleidsruimte voor alle Vlaamse bevoegdheden samen: recurrente middelen en investeringsenveloppe Bij de regeringsvorming in 2014 werd een meerjarig begrotingspad 2014-2019 afgesproken waarbij onderstaande budgetaire impulsen voor diverse beleidsdomeinen werden voorzien. Voor “O&O en maatregelen bedrijfsleven” werden opstappen afgesproken oplopende tot 500 miljoen euro in 2019 (Tabel 66). Bijna de helft van de recurrente budgettaire ruimte in de vorige legislatuur (1,114 miljard euro) werd zo gealloceerd aan “O&O en maatregelen bedrijfsleven”. Tevens werden jaarlijks investeringsmiddelen voorzien voor “O&O en maatregelen bedrijfsleven” oplopend tot 120 miljoen euro in 2019 (zie Tabel 67). Tabel 66 Recurrent nieuw beleid 2015 - 2019 (in miljoen euro) voor alle Vlaamse bevoegdheden samen

Nieuw beleid 2014-2019 (VAK = VEK) in miljoen euro Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Mobiliteit en openbare werken Kanselarij en Bestuur Omgeving Omgeving Totaal VAK = VEK

262

Vlaamse Statistische autoriteit, IT, Brexit O&O & maatregelen bedrijfsleven Scholenbouw Basisonderwijs Ziekenhuisscholen Welzijn

2015

2016

2017

2018

2019 2

20

65

25

78

220

210

220

500

2,5

7,5 20,0 0,8

300

500

Cultureel Erfgoed

9,6

Topsport Sociale Economie Overige Werk

1 10 5

Infrastructuur Vlaams Brusselfonds Instandhoudingsdoelstellingen Wonen

2,5

17,5

5

5 10

20 20

20 20

0,4 30 40

90

118

470

565

1 144


Tabel 67 Jaarlijkse investeringsenveloppen 2015 - 2019 (in miljoen euro)

Investeringen (VAK in miljoen euro) Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Mobiliteit en openbare werken Kanselarij en Bestuur Omgeving Omgeving Omgeving Omgeving

2015 O&O & maatregelen bedrijfsleven Scholenbouw Welzijn Sportinfrastructuur Infrastructuur ICT Riolen Onroerend Erfgoed Asbest Droogte

Totaal investeringen (VAK)

50

10

60

2016

2017

2018

2019

90

90

115

120

100 100 10 20 10 60 10

100 100 10 110 10 50 10

140 115 10 160

150 140 0 150

50 20

50 30 10 4

400

480

610

654

1.2. Vrije beleidsruimte voor het beleidsdomein EWI De Vlaamse Regering kon in de legislatuur 2014-2019 rekenen op een vrije recurrente beleidsruimte van 1,1 miljard euro, voor al haar bevoegdheden. Maar liefst 500 miljoen euro daarvan werd besteed aan economie, wetenschap en innovatie. Het beleidsdomein EWI genoot de voorbije legislatuur van enkele grote recurrente budgettaire opstappen: 20 miljoen euro in 2015 + 5 miljoen euro in 2016 + 195 miljoen euro in 2017 en + 280 miljoen euro in 2019. Daarnaast werden grote oplopende investeringsenveloppes toegekend van 90 miljoen euro in 2016, 100 miljoen euro in 2017, 115 miljoen euro in 2018 en van 120 miljoen euro in 2019. In regel werden daarmee eenmalige investeringsuitgaven gefinancieerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht aan welke doelgroepen en concrete beleidsinitiatieven de recurrente opstapmiddelen besteed werden, opgesplitst in O&O-kredieten (dus meetellend voor de 3%-norm) en nietO&O kredieten. Tabel 68 Uitsplitsing van de recurrente opstap van 500 miljoen euro in de jaren 2015 - 2019

2015

2016

2017

2018

2019

2014-2019

0,00

8,00

45,30

0,00

95,00

148,30

1. O&O-kredieten a. gericht op universiteiten FWO

30,30

40,00

70,30

BOF (Bijzondere Onderzoeksfondsen)

10,00

35,00

45,00

IOF (Industriële Onderzoeksfondsen)

5,00

20,00

25,00

TBM (Toegepast Biomedisch onderzoek met Maatschappelijke finaliteit, via FWO) b. gericht op Hogescholen Hogescholen (PWO-middelen in 2017 en Kennisdiffusie-instrument in 2019)

8,00 0,00

0,00

8,00 10,00 10,00

0,00

6,00 6,00

66

16,00 16,00

66

Er was 8 miljoen euro voorzien waarvan 2 miljoen euro verschoven is naar AI initiatieven van hogescholen in het AI beleidsplan. 263


c. gericht op SOC's

2015

2016

2017

2018

2019

2014-2019

5,00

1,50

51,70

0,00

6,50

64,70

1,50

29,00

30,50

14,70

14,70

imec (in kader fusie iMinds sept 2016) VIB (in kader nieuwe beheersovereenkomst februari 2017) Flanders Make (in kader nieuwe beheersovereenkomst) d. gericht op kennisinstellingen

5,00 0,00

8,00 0,00

2,51

0,00

6,50

19,50

3,50

6,01

AMS (Antwerp Management School)

0,06

0,06

ITG (Instituut Tropische Geneeskunde)

0,85

0,85

KMDA (Koninklijke Maatschappij Dierkunde Antwerpen) VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee)

0,35

0,35

1,00

Plantentuin Meise Orpheus Instituut (artistiek onderzoek muziek) e. gericht op bedrijven

2,00

3,00

1,50

1,50

0,25 0,00

0,00

60,00

0,25 0,00

78,07

138,07

Opstart nieuw Vlaams clusterbeleid

40,00

20,00

60,00

O&O bedrijfsprojecten

20,00

30,00

50,00

15,00

15,00

10,00

10,00

3,07

3,07

84,50

100,50

Baekeland (pre-doc)- en Innovatiemandaten (post-doc) bij bedrijven Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) Transfert naar Fonds Innoveren en Ondernemen f. gericht op nieuwe beleidsprioriteiten

0,00

0,00

16,00

0,00

Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) Industrie 4.0

5,00

5,00

4,00

4,00

City of Things – Slimme steden en gemeenten

4,00

4,00

beleidsplan Artificiële Intelligentie

32,00

32,00

beleidsplan Cybersecurity

20,00

20,00

5,00

5,00

Gepersonaliseerde geneeskunde - eenmalige ICON-call RegMed Xb (regeneratieve geneeskunde)

3,00

3,00

Open Science-beleid kennisinstellingen

5,00

5,00

STEM-beleid

2,50

2,50

20,00

20,00

6,43

46,28

Moonshot klimaat (Vlaanderen CO2-arm in 2050) 2. Vooral maatregelen bedrijfsleven kmo-portefeuille

15,00

15,35

3,00

5,00

8,00

3,00

3,00

kmo-groeisubsidie STS (strategische transformatiesteun)

3,00 5,30

1,00

4,00

9,30

1,00

e-loket

0,50

Flanders DC (Flanders Distict of Creativity)

0,55

Wetenschapscommunicatie

0,00

3,00

Ondernemerschapsbevordering Screen flanders (audiovisuele sector)

9,50

2,00 3,50

4,00 0,55

2,00

2,00

VLAIO-werking

2,00

2,00

FWO-werking (hervorming panels)

1,00

1,00

FRIS (Flanders Research Information Space) bij department EWI

1,50

1,50

264


2015

2019

2014-2019

ECOOM (addendum beheersovereenkomst)

0,88

0,88

PMV (in kader van Flanders Future Tech Fund en InvestEU) Allerlei

1,05

1,05

280,00

519,86

3. Totaal

2016

2017

2018

8,00 20,00

8,00 5,00

195,00

0,00

* de recurrente opstap van 20 miljoen euro in 2015 werd in 2016 herverdeeld, zodat in 2016 totaal > 5 miljoen euro en totaal 2014-2019 > 500 miljoen euro.

Naast deze structurele middelen, waren er de voorbije legislatuur, vanaf 2016, ook investeringsmiddelen. Tabel 69 Overzicht van de investeringsprovisies voor de jaren 2016 – 2019 (in miljoen euro)

2016

2017

2018

2019

1. O&O kredieten Energyville – onderzoek naar duurzame energie en intelligente energiesystemen vier onderzoeksinfrastructuren (o.a. CERN)

36,65

39,17

69,90

56,64

Flanders Make Flanders Make ICON (interdisciplinair coöperatief onderzoek) FWO (2017: supercomputer 30 + Big Science 0,795) FWO internationale onderzoeksinfrastructuur

5,00

4,50 11,80 15,00

3,50 30,80 1,00

VLIZ - marine robot

3,00

VLIZ – gebouw (Innov Ocean Campus) zware infrastructuur universiteiten (in kader ESFRI) infrastructuur VIB (in kader ESFRI)

3,33 4,00 0,37

Innovatiestages

5,50

FISCH (vroegere competentiepool chemie)

1,35

interuniversitair centrum protontherapie

5,00

Project Internet of Water (imec/VITO) Project I-learn Vlaanderen: digitaal gepersonaliseerd leren (imec ondersteunt) EUROHpc (Europees high performance computing initiatief) project Terra (energie- en patrimoniumdatabank van de publieke sector – open data) City of Things : imec smart retail dashboard VLIZ ILVO: investeringssubsidie voor het bouwen van een nieuwe proefaccommodatie pluimvee

0,50 7,50

RegmedXb (regeneratieve geneeskunde)

Plantentuin Meise (digitalisering) O&O-bedrijfsprojecten bij Fonds Innoveren en Ondernemen Mobilidata (imec ondersteunt) 100 Gigabit VON (supersnelle internetverbindingen voor kennisinstellingen) Project Stressy – Stress in the city (imec)

totaal 202,36

1,90 15,00 30,00 5,24 1,19 9,72 20,00 3,50 1,58 0,40 0,24 1,00

265


2016

2017

2018

ITG: investering in infrastructuur voor een insectarium VLIZ: éénmalige investeringssubsidie Ocean Innovation Space (labo) VL Hora Hogescholen

2019 1,00 2,00 7,44

2. Vooral maatregelen bedrijfsleven

52,75

Bedrijventerreinen

20,00

kmo-portefeuille

10,00

10,00

12,00

22,27

6,70

15,00

15,00

15,00

STS (strategische transformatiesteun) Ondernemerschapsstimulering

2,10

Reconversie Ford-site

2,50

Flanders DC

0,65

rentetoelage hinder openbare werken

60,84

45,49

222,45

1,26

5,84

3,04 4,00

Beheersvergoeding WIN-WIN-lening bij PMV

0,18

inkomenscompensatie hinder openbare werken

0,79 10,80

4,06

0,14

WIN-WIN lening

5,58

FWO, Kom op tegen Kanker

1,00

STEM

2,50

Technopolis site Mechelen

4,57

10,00

Beheersvergoeding PMV Sport

0,92 0,35

30,00

FWO FRIS IT-aanpassingen WECOM 3. Totaal

63,37 5,00

Hinderpremie

EFRO/Interreg

totaal

0,20 1,00 89,4

100,0

115,4

120,0

424,8

1.3. De recurrente opstap van 280 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 In de begroting 2019 werd er een opstap van 280 miljoen euro voorzien voor het beleidsdomein EWI. Hiervan werd 171,57 miljoen toegewezen aan het departement EWI. De grootste beleidsimpulsen worden gegeven aan FWO (40 miljoen), BOF (35 miljoen), IOF (20 miljoen), beleidsagenda’s Artificiële Intelligentie en Cybersecurity en de ICON-call Personalised Medicine (57 miljoen euro samen). Er werd 105,5 miljoen euro toegewezen aan het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO. De grootste impuls werd hier gegeven aan het clusterbeleid (20 miljoen euro), de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (30 miljoen euro), en de Moonschot klimaat (20 miljoen euro). Meer details staan in Tabel 70.

266


Tabel 70 Toekenning van de recurrente opstap van 280 miljoen euro in 2019 vanuit het Departement EWI en vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)

Toegewezen via Departement EWI FWO BOF (Bijzondere Onderzoeksfondsen) IOF (Industriële Onderzoeksfondsen) Flanders Make (in kader nieuwe beheersovereenkomst) VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee) Plantentuin Meise FRIS (Flanders Research Information Space) bij department EWI Transfers naar Fonds Innoveren en Ondernemen

O&O 170,07 40,00 35,00

1,50 3,07 32,00 20,00 5,00 5,00 103,50 6,00

Moonshot klimaat (Vlaanderen CO2-arm in 2050) STEM-beleid Opstart nieuw Vlaams clusterbeleid O&O bedrijfsprojecten Baekeland (prédoc)- en Innovatiemandaten (postdoc) bij bedrijven Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK)

20,00 2,50 20,00 30,00 15,00 10,00

Totaal

totaal 171,57

20,00 6,50 2,00 1,50

Beleidsplan Artificiële Intelligentie Beleidsplan Cybersecurity Gepersonaliseerde geneeskunde - eenmalige ICON-call Open Science-beleid kennisinstellingen Toegewezen via het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Hogescholen (PWO-middelen in 2017 en Kennisdiffusie-instrument in 2019)

ECOOM (addendum beheersovereenkomst) PMV (in kader van Flanders Future Tech Fund en InvestEU) Toegewezen aan VLAIO VLAIO-werking Toegewezen aan FWO FWO-werking (hervorming panels)

andere 1,50

0,00 0,00 273,57

1,93

105,43

0,88 1,05 2,00 2,00 1,00 1,00 6,43

2,00 1,00 280,00

1.4. De investeringsenveloppe van 120 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 In de begroting 2019 werd de provisie voor investeringen in “O&O en het bedrijfsleven” van 115 miljoen euro uit 2018 verhoogd met 5 miljoen euro. Er werden dus investeringsmiddelen ten belope van 120 miljoen euro voorzien in 2019. Vijf miljoen euro werd toegekend aan een provisie bij het Departement EWI, de rest werd geplaatst op een provisie bij het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO. De tabel hierna toont in detail de investeringsprovisie van 120 miljoen euro voorzien in de begroting 2019.

267


Tabel 71 Overzicht toekenning van de investeringsprovisie 2019 vanuit het Departement EWI en het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)

Vanuit het Departement EWI ILVO: investeringssubisidie voor het bouwen van een nieuwe proefaccommodatie pluimvee ITG: investering in infrastructuur voor een insectarium VLIZ: éénmalige investeringssubsidie Ocean Innovation Space WECOM (call) Vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO VLIZ – gebouw (Innov Ocean Campus) 100 Gigabit VON (supersnelle internetverbindingen voor kennisinstellingen) Project Stressy – Stress in the city (via imec) Project Internet of Water (via imec/VITO) Project I-learn Vlaanderen (imec ondersteunt) EUROHpc (Europees high performance computing initiatief) Project Terra (energie- en patrimoniumdatabank van de publieke sector – open data) VLHORA Onderzoeksinfrastructuur – Hogescholen City of Things : imec smart retail dashboard FWO FRIS IT-aanpassingen VLIZ Bedrijventerreinen kmo-portefeuille STS (strategische transformatiesteun) Hinderpremie WIN-WIN lening Technopolis site Mechelen Beheersvergoeding Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) Sport Totaal

O&O 4,00

andere 1,00

Totaal 5,00

1,00 62,37

115,01

1,00 1,00 2,00 52;64 3,33 5,24 1,19 9,72 20,00 3,50 1,58 7,44 0,40 0,20 0,24

56,64

5,00 22,27 15,00 4,06 4,57 10,00 0,92 0,35 63,37

120,01

1.5. Begrotingsopmaak 2020 Bij de start van de nieuwe Vlaamse legislatuur 2019-2024 vertrok de - in oktober 2019 nieuw gevormde coalitie van N-VA, cd&v en Open Vld - bij de begrotingsopmaak 2020 met een negatieve beleidsruimte van 603,8 miljoen euro 67. Door het nemen van begrotingsmaatregelen ten belope van 726,3 miljoen euro werd een netto beleidsruimte gecreëerd. Maar aangezien er tevens voor 553,6 miljoen euro nieuwe beleidsmaatregelen werden genomen, sluit de begrotingsopmaak 2020 af met een tekort van -431,1 miljoen euro.

67

Zie Toelichtingen bij de middelenbegroting en de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap bij het begrotingsjaar 2020 en bij de aanpassing van de middelenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2019. Algemene Toelichting. Parlementair stuk 13 (2019-2020) – Nr 1 ingediend op 8 november 2019, p. 12-13.

268


Om de gestelde begrotingsdoelstelling voor het begrotingsjaar 2020 te halen diende de Vlaamse regering n.a.v. de begrotingsopmaak 2020 dus begrotingsmaatregelen te nemen ten belope van 726 miljoen euro voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid samen. Deze begrotingsmaatregelen situeren zich in vier categorieën: 1. 2. 3. 4.

Fiscaliteit – hervormingen: 80 miljoen euro Efficiëntie en kerntaken: 265 miljoen euro Milderen van bepaalde groeipaden in de uitgaven: 100 miljoen euro Punctuele maatregelen: 279 miljoen euro

Ook het beleidsdomein EWI diende bij te dragen tot die begrotingsdoelstelling en diende begrotingsmaatregelen (besparingsmaatregelen) te nemen in drie van de vier voormelde categorieën: 1.

efficiëntie en kerntaken: • • • •

2.

Besparing op de personeelskredieten binnen het beleidsdomein EWI (-260.000 euro bij het Departement EWI en VLAIO) Besparing op de werkingskredieten binnen het beleidsdomein (-74.000 euro bij het Departement EWI en VLAIO) De niet-indexering van de werkingsmiddelen van de door het beleidsdomein EWI gesubsidieerde instellingen (betreft de niet-indexering van de niét-loongebonden kredieten; -13,1 miljoen euro) Generieke 6%-besparing op de subsidies verstrekt door het beleidsdomein EWI (- 64,8 miljoen euro) milderen van bepaalde groeipaden in de uitgaven:

• 3.

Overslaan opstappen integratie hogescholen en universitairen (- 5 miljoen euro) punctuele maatregelen:

•

Vermindering van subsidies Economie t.b.v. – 73 miljoen euro (vermindering subsidiepercentage KMO-portefeuille 23 miljoen euro; vermindering subsidies via Fonds Innoveren en Ondernemen 10 miljoen euro; vermindering van de provisie binnen het Fonds Innoveren en Ondernemen 40 miljoen euro) Bij deze besparingsmaatregelen werden de O&O-uitgaven maximaal ontzien en werden de besparingen dus geconcentreerd op de uitgaven voor economie. Maar het beleidsdomein EWI geniet in 2020, in gevolge het afgesproken groeipad, ook van nieuwe middelen voor nieuwe beleidsimpulsen 68: • 20 miljoen euro nieuwe middelen voor beleidsimpulsen; • 10 miljoen euro investeringsmiddelen. De 20 miljoen euro nieuwe middelen worden vooral ingezet om de generieke 6%-subsidiemaatregel bij een aantal instellingen te verzachten en het overblijvende saldo gaat naar het FWO. Concreet worden onderstaand de correcties op de generieke besparing van 6 % op de subsidies - vanuit de 20 miljoen euro nieuwe middelen – weergegeven: a.

b.

68

Sommige instellingen worden vrijgesteld van de 6%-besparing: i. UNUCRIS ii. Werking en informatica van het FWO iii. het VLIZ iv. het Klinisch wetenschappelijk onderzoek bij het FWO v. strategisch onderzoekscentrum Flanders Make en VITO vi. Waarborgbeheer NV Voor andere instellingen is de besparing lager dan de 6%:

Zie parlementair stuk 15 (2019-2020) Nr 5 – E pagina 10. 269


i. Flanders Technology International ii. VIB (slechts besparing 2%) iii. IMEC c.

Het saldo dat na deze vrijstellingen en milderingen van de besparingen van de 20 miljoen euro nieuwe middelen over schiet, wordt bestemd voor het FWO (5,6 miljoen euro). Ook de 10 miljoen euro aan nieuwe investeringsmiddelen worden bestemd voor het FWO. Op deze wijze wenste de minister het signaal te geven dat de Vlaamse regering blijft investeren in lange termijn fundamenteel onderzoek die de basis vormt voor later toegepast onderzoek en mogelijke maatschappelijke en/of economische valorisatie. We wijzen er ook op dat de dotaties voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen en de Industriële Onderzoeksfondsen van in het begin uitgesloten waren van de besparingen. Zij blijven dus ook in 2020 volledig genieten van de budgettaire opstappen toegekend in 2019 ten belope van respectievelijk + 35 miljoen euro (BOF) en +20 miljoen euro (IOF).

270


Bijlage II: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Not for Profit Instellingen (PNP) en Hoger Onderwijs (HE) in het kader van de GERD-berekening. Collectieve Onderzoekscentra Collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra als competentiepolen: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Centexbel (textielnijverheid) – Vlaams Gewest Sirris (technologische industrie) – Vlaams Gewest OCW (wegenbouw) – Vlaams Gewest WTCB (bouw) – Vlaams Gewest Wetenschappelijk en Technisch onderzoekscentrum voor Diamant (WTOCD) CRM (metallurgie) - Vlaams Gewest Belgische instituut voor de Lastechniek Koninklijk Belgisch Instituut tot verbetering van de biet Proefcentrum Fruitteelt vzw Proefcentrum voor de Sierteelt Proefstation voor de Groententeelt vzw BECETEL Inagro Proefcentrum voor Groententeelt - O,-Vlaanderen Nationale Proeftuin Witloof Vlaams Centrum voor de bewaring van tuinbouwproducten –VCBT Proefcentrum voor de aardappelteelt Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) Strategisch Initiatief Materialen (SIM) Flanders District of Creativity (Flanders DC) Clusta vzw Vlaams Instituut voor de Mobiliteit Flanders Synergy Dierengezondheidszorg Vlaanderen (toegevoegd aan repertorium) Vlaams Adviescentrum voor Sensoriek van Voedingsmiddelen en Contactmaterialen/SENSTECH (toegevoegd aan repertoruim)

271


Publieke Onderzoekscentra Deze omvatten de vijf ‘grote’ onderzoekscentra, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest, de federale onderzoeksinstellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn , en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Departement Toegepaste Elektronica – Landmacht Alg. Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën - Vlaams Gewest Bodemkundige Dienst van België Studiecentrum voor Kernenergie – Mol Koninklijk Museum voor Midden-Afrika Plantentuin Meise Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Flanders Hydraulics Research Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek imec VIB Iminds (nog afzonderlijke entiteit in 2015) Flanders Make (toegevoegd aan repertorium – ontstaan uit FMTC en Flanders Drive) Vlaams Instituut voor de Zee Hooibeekhoeve Proefbedrijf voor de veehouderij Vlaams GebarentaalCentrum vzw (toegevoegd aan repertorium) Strategische projectenorganisatie Kempen (toegevoegd aan repertorium) Joint Research center Institute for Reference Materials and Measurements (JRC-IRMM)- Geel (vroeger PNP nu GOVERD)

Onderstaande Vlaamse onderzoeksinstellingen zijn gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun O&O inspanningen worden dan ook bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgenomen in plaats van bij het Vlaams Gewest: • • • • • •

• •

272

Studiedienst Vlaamse Regering Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België Agentschap Onroerend Erfgoed Stichting Innovatie & Arbeid -SERV Instituut Samenleving & Technologie Kenniscentrum Welzijn Vlaams Vredesinstituut (toegevoegd aan repertorium)


Particuliere Not for Profit Instellingen De particuliere non-profit instellingen bevatten semi-publieke instellingen, particuliere internationale instellingen uit het Vlaams Gewest: • • • • • • • • • • • • •

instellingen en

Vlaamse compostorganisatie (VLACO) Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Mobiel 21 vzw Vormingscentrum voor de begeleiding van het jonge kind Transfusion Research Center Onderzoekcentrum kind en samenleving Passiefhuis Platform Orpheus Instituut vzw OLV Ziekenhuis Aalst Von Karman Institute for Fluid Dynamics Waterstofnet Bio Base Europe Pilot Plant vzw (toegevoegd aan repertorium) Agrobeheerscentrum ecokwadraat vzw (toegevoegd aan repertorium)

273


Hoger onderwijs Het hoger onderwijs omvat naast de universiteiten en de hogescholen de zelfstandige universitaire onderzoekscentra uit het Vlaamse Gewest. De belangrijkste wijziging in het hoger onderwijs is de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten binnen de sector hoger onderwijs: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Katholieke Universiteit Leuven Universiteit Gent Universiteit Antwerpen Universiteit Hasselt Stichting Born-Bunge Instituut voor Tropische Geneeskunde Life Research Foundation Vlerick Management School UNU-CRIS Centrum voor Agrarische Geschiedenis Centrum voor Innovatie en Stimulatie van Medicijnontwikkeling (CISTIM) Research in Advanced Medical Informatics and Telematics (RAMIT) Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen Thomas More Kempen/Mechelen/Antwerpen Katholieke Hogeschool Leuven Hogeschool Gent Odisee (campus(sen) Vlaanderen) PXL Hogeschool Katholieke Hogeschool Limburg Hogeschool West-Vlaanderen - Vlaamse autonome hogeschool Vives Noord/Zuid Hogere Zeevaartschool Arteveldehogeschool LUCA- School of Arts (campus(sen)Vlaanderen) Antwerp Management School (toegevoegd aan repertorium)

Voor het hoger onderwijs wordt er ook soms een gemeenschapsbenadering gebruikt (niet voor internationale vergelijkingen), waarbij ook de cijfers van Vlaamse instellingen uit het hoger onderwijs uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijkomend opgenomen zijn: • • • •

274

Vrije Universiteit Brussel Erasmushogeschool Brussel LUCA- School of Arts (campus(sen) Brussel) Odisee (campus(sen) Brussel)


Bijlage III: Indeling van de eenmalige middelen Vlaamse Veerkracht voor het beleidsdomein EWI in O&O vs. niet-O&O middelen per jaar Projectnummer

Cluster/project/actie

Relancebudget In miljoen euro

2021 Niet O&O

VV020

VV022

Bio-economie Onderzoeksinfrastructuur (bij Strategische Onderzoekscentra [SOC's], speerpuntclusters, Vlaamse onderzoeksinstellingen en hoger onderwijs) Versterking O&O bedrijven

VV023

Versterking onderzoeksveld en versnelling O&O

VV025

Blue Deal - Onderzoek

6

VV027

Blue Deal - Economie

10

VV047

Waterstofonderzoek

125

VV055

20

VV109

Smart Cities Inhaalbeweging vernieuwing bedrijventerreinen Investeren in kernversterking via projectoproepen VLAIO Brexit actieplan

VV123 VV124

VV021

VV101 VV102

VV134 Totaal

2022

O&O

Niet O&O

O&O

20

1

19

101

101

0

100

30

70

59

21

38

2

4

2

8 125

1

19

10

10

25

4

21

50

5

45

Circulair bouwen

10

2

1

7

Circulaire maakindustrie Digitaal transformatieprogramma voor de Vlaamse mediasector ESR 8 imec clean room (40) en Xpand (30)

15

0

1

14

0

10

10 70 631

70 13

158

104

356

Het Vlaamse relanceplan Vlaamse Veerkracht betreft een eenmalige investering van 4,3 miljard euro. Daarvan is 631 miljoen euro bestemd voor het beleidsdomein EWI. Deze middelen dienen vastgelegd te zijn ten laatste 31 december 2022. Uitgaven mogen gebeuren tot eind 2026.

275


Bijlage IV: Lijst met afkortingen uit tussentijdse analyse H2020 6KP (2002-2006) 7KP 2014) H2020 (2014-2020) KULeuven UGent IMEC SOC’s VIB VITO ITG VKI VLIZ GCO VIL SIM O&TO BBP O&I MFK VUB UA UHasselt ILVO HES

276

Zesde EU-Kaderprogramma voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling en Demonstratie Zevende Europese Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische ontwikkeling (2007Horizon 2020 - Achtste Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling Katholieke Universiteit Leuven Universiteit Gent Interuniversitair Micro-Electronica Centrum Vlaamse Strategische onderzoekscentra Vlaams instituut voor Biotechnologie Vlaamse instelling voor Technologisch Onderzoek Instituut voor Tropische Geneeskunde The von Karman Institute for Fluid Dynamics Vlaams Instituut voor de Zee Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek Vlaams kenniscentrum voor de logistieke sector Strategisch Initiatief Materialen Onderzoek en Technologische Ontwikkeling Bruto Binnenlands Product Onderzoek en Innovatie Meerjarig Financieel Kader Vrije Universiteit Brussel Universiteit Antwerpen Universiteit Hasselt Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek Higher Education Services


Bijlage V: Lijst met thematische prioriteiten uit tussentijdse analyse H2020 CODE

AFKORTING

THEMATISCHE PRIORITEIT

EU.0.

CROSST

Cross-theme

EU.1.0.

EXCSCI-CROSST

Excellent Science - Cross-theme

EU.1.1.

ERC

European Research Council

EU.1.2.

FET

Future and Emerging Technologies

EU.1.3.

MSCA

Marie Sklodowska-Curie actions

EU.1.4.

INFRA

Research infrastructures

EU.2.0.

INDLEAD-CROSST

Industrial Leadership - Cross-theme

EU.2.1.

LEIT

Leadership in enabling and industrial technologies (LEIT)

EU.2.1.1.

LEIT-ICT

Information and Communication Technologies

EU.2.1.2.

LEIT-NMP

Nanotechnologies, Advanced Materials and Production

EU.2.1.3.

LEIT-ADVMAT

Advanced materials

EU.2.1.4.

LEIT-BIOTECH

Biotechnology

EU.2.1.5.

LEIT-ADVMANU

Advanced manufacturing and processing

EU.2.1.6.

LEIT-SPACE

Space

EU.2.2.

RISKFINANCE

Access to risk finance

EU.2.3.

INNOSUPSME

Innovation in SMEs

EU.3.0.

SOCCHAL-CROSST

Societal Challenges - Cross-theme

EU.3.1.

HEALTH

Health, demographic change and wellbeing

EU.3.2.

FOOD

EU.3.3.

ENERGY

Secure, clean and efficient energy

EU.3.4.

TPT

Smart, green and integrated transport

Food security, sustainable agriculture and forestry, marine and maritime and inland water research

277


EU.3.5.

ENV

Climate action, environment, resource efficiency and raw materials

EU.3.6.

SOCIETY

Europe in a changing world - inclusive, innovative and reflective Societies

EU.3.7.

SECURITY

EU.4.0.

SEAWP-CROSST

EU.4.a.

WIDESPREAD

EU.4.b.

TWINING

Twinning of research institutions

EU.4.c.

ERA

ERA chairs

EU.4.d.

PSF

Policy Support Facility (PSF)

EU.4.e.

INTNET

Supporting access to international networks

EU.4.f.

NCPNET

Transnational networks of National Contact Points

EU.5.0.

SWAFS-CROSST

Science with and for Society - Cross-theme

EU.5.a.

CAREER

Make scientific and technological careers attractive for young people

EU.5.b.

GENDEREQ

Promote gender equality in research and innovation

EU.5.c.

INEGSOC

Integrate society in science and innovation

EU.5.d.

SCIENCE

Encourage citizens to engage in science

EU.5.e.

RESACCESS

EU.5.f.

GOV

EU.5.g.

IMPACT

EU.5.h.

KNOWLEDGE

Improve knowledge on science communication

EU.6.

JRC

Non-nuclear direct actions of the Joint Research Centre (JRC)

EU.7.

EIT

The European Institute of Innovation and Technology (EIT)

EURATOM

Euratom

Euratom

278

Secure societies - Protecting freedom and security of Europe and its citizens Spreading excellence and widening participation - Cross-theme Teaming of excellent research institutions and low performing RDI regions

Develop the accessibility and the use of the results of publicly-funded research Develop the governance for the advancement of responsible research and innovation Anticipating and assessing potential environmental, health and safety impacts


Figuren Figuur 1 Organogram van de Vlaamse overheid: 10 beleidsdomeinen .................................................................................. 12 Figuur 2 Overzicht van de vastleggingskredieten binnen de Vlaamse begroting per beleidsdomein bij begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro). ........................................................................................................................................... 13 Figuur 3 Overzicht van de financiële overheidsstromen (vastleggingskredieten) binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2022 ................................................................................................................ 19 Figuur 4 Schumpeter-model ......................................................................................................................................................................... 20 Figuur 5 Klassiek lineair innovatiemodel ............................................................................................................................................... 21 Figuur 6 ‘Triple Helix’-model ........................................................................................................................................................................ 22 Figuur 7 Overgang van ‘Triple Helix’ naar ‘Quadruple Helix’ ..................................................................................................... 23 Figuur 8 (Kennis)uitwisselingsrelaties tussen de vier actoren van het Quadruple Helix-model ............................ 24 Figuur 9 Sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling in het Europese O&O&I-beleid ...................................................................................................................................................................................................................................... 26 Figuur 10 Zes Europese O&O&I-beleidslijnen 2022 ............................................................................................................................27 Figuur 11 Transformatief innovatiebeleid: derde generatie ........................................................................................................ 28 Figuur 12 Het ‘Quadruple Helix’-model ................................................................................................................................................... 30 Figuur 13 Actoren in het Vlaamse EWI 'Quadruple Helix' O&O&I-model .............................................................................. 31 Figuur 14 Overzicht van de belangrijkste financiële stromen binnen het Vlaams economisch, wetenschapsen innovatiebeleid in 2022 volgens het Vlaamse EWI ‘Quadruple Helix’-model ............................................................. 32 Figuur 15 Evolutie van de O&O-intensiteit (in % bbp)................................................................................................................... 33 Figuur 16 O&O-bestedingen naar uitvoeringssector (Vlaams Gewest, 2009-2020, in K euro) ................................. 34 Figuur 17 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1%...... 37 Figuur 18 De twee drijvers van economische groei ........................................................................................................................ 39 Figuur 19 bbp in volume, reële economische groei voor het Vlaams Gewest (1996 – 2027) ...................................... 41 Figuur 20 Synthese aanbevelingen Economisch Adviescomité juli 2020............................................................................ 42 Figuur 21 Een 'ondernemend ecosysteem' -benadering ................................................................................................................ 43 Figuur 22 Belangrijkste instrumenten en budgetten 2022 in het O&O&I-landschap gesitueerd op een assenkruis; () = mio € ....................................................................................................................................................................................... 45 Figuur 23 Organogram beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie .................................................... 52 Figuur 24 Gigarant: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen (cumulatief). ................... 66 Figuur 25 Waarborgregeling: toegestaan waarborgbedrag, kredietbedrag en investeringsbedrag (miljoen euro) .......................................................................................................................................................................................................................... 68 Figuur 26 Waarborgregeling: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen ............................ 68 Figuur 27 Winwinlening: bedragen (in miljoen euro) versus aantal verbintenissen ..................................................... 69 Figuur 28 Evolutie van het Investeringsvolume (in 1000 euro) en het aantal investeringsdossiers LRM, 2005 2021 ..............................................................................................................................................................................................................................71 Figuur 29 Bereik Vlaams clusterbeleid in 2021 ................................................................................................................................... 83 Figuur 30 Overzicht beleidskredieten FIT 2008 – 2021 (miljoen euro) ................................................................................. 98 Figuur 31 Wereldwijde netwerk van FIT ............................................................................................................................................... 101 Figuur 32 Vlaanderen Circulair samengevat .......................................................................................................................................112 Figuur 33 Structuurfondsen per doelstelling en per periode (in miljoen euro) ..............................................................121 Figuur 34 Budget per prioriteitsas van het operationeel programma (2014-2020; in miljoen euro).................. 122 Figuur 35 Organogram van het beleidsdomein EWI .........................................................................................................129 Figuur 36 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles (PROG EE) 2008-2022BO (miljoen euro).................................................................... 138 Figuur 37 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (PROG EF) 2008-2022BO (miljoen euro) .................................................................... 145 Figuur 38 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (PROG EG) 2008-2022BO (miljoen euro) ....................................................... 149 279


Figuur 39 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma “duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (prog EC) 2008-2022BO" (miljoen euro) ........................................... 152 Figuur 40 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma apparaat (prog EA) 20082022BO (miljoen euro).................................................................................................................................................................................... 154 Figuur 41 Procentuele verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid 2022 (initieel) van het beleidsdomein EWI over de vijf begrotingsprogramma’s, bedragen in miljoen euro en %................... 156 Figuur 42 Procentuele verdeling van de begrotingsmiddelen voor het W&I-beleid over de verantwoordelijke entiteiten Departement EWI en VLAIO (budget in miljoen euro; 2022BO)........................................................................ 157 Figuur 43 Middelen voor het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV (in miljoen euro) ............................ 162 Figuur 44 Evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (2008 - 2022BO; in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................168 Figuur 45 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2022) (miljoen euro).............................................................................................................................................................................. 171 Figuur 46 Verdeling van de middelen in 2022BO voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid ....................................................................................................................................... 173 Figuur 47 Verdeling van de middelen in 2022BO van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid ....................................................................................................................................... 173 Figuur 48 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) 2022BO volgens de ministeriële bevoegdheden .......................................................................................................................................................................... 175 Figuur 49 Verdeling van de middelen voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) 2022BO volgens de ministeriële bevoegdheden ..................................................................................................................................................................................................... 176 Figuur 50 Verdeling O&O-budget 2022BO volgens NABS-classificatie ................................................................................. 178 Figuur 51 Verdeling O&O-budget 2022BO volgens geaggregeerde NABS-klassen .......................................................... 179 Figuur 52 Evolutie aandeel gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2022BO ...........................................................181 Figuur 53 Evolutie van de kredieten voor gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2022BO (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................182 Figuur 54 Aandeel van de verschillende categorieën bij begrotingsopmaak 2022 ...................................................... 184 Figuur 55 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) ......................................................................................................................................................................................................185 Figuur 56 Evolutie van relatief aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&Obudget .....................................................................................................................................................................................................................185 Figuur 57 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) 2022BO .............. 188 Figuur 58 Evolutie van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten (miljoen euro) van 1993 tot 2022BO 189 Figuur 59 Verdeling van de middelen voor wetenschap en innnovatie van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 2022, initieel ..........................................................................................................................................................191 Figuur 60 Evolutie van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 1989 tot 2020i (in miljoen euro) ....................................................................................................................................................................................................................................206 Figuur 61 Procentueel aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2021i ............................. 207 Figuur 62 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de bedrijfsvoorheffing (in miljoen euro) ............................208 Figuur 63 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de vennootschapsbelasting (in miljoen euro) .................208 Figuur 64 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) 2020, uitgedrukt in % BBP(R) ......................................................................................................................................................................................................................................211 Figuur 65 Internationale vergelijking van de civiele GBARD (excl. defensieonderzoek): verhoudingen economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving, onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteiten, voor het jaar 2020 ..............................................................212 Figuur 66 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% .. 216 Figuur 67 Groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBP(R) volgens verschillende scenario’s ...................................... 217 Figuur 68 Het effect van jaarlijkse opstappen van 50, 100, 150, 200, 250 en 300 miljoen euro op de O&Ooverheidskredieten t.o.v. het BBP(R) ......................................................................................................................................................218 Figuur 69 Evolutie van O&O kredieten op basis van de verwachte opstappen t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% .........................................................................................................................................................219 280


Figuur 70a Relatieve Vlaamse deelname in 6KP, 7KP en H2020 volgens deelnemerscategorie (aantal deelnames) ............................................................................................................................................................................................................241 Figuur 71b Relatieve Vlaamse deelname in 6KP, 7KP en H2020 volgens deelnemerscategorie (deelnametoelage) .....................................................................................................................................................................................................................................241 Figuur 72 Aandeel van de deelnemerscategorieën in de Vlaamse return ......................................................................... 242 Figuur 73a Relatieve Europese deelname volgens deelnemerscategorie (aantal deelnames) ................................ 243 Figuur 74b Relatieve Europese deelname volgens deelnemerscategorie (deelnametoelage) ................................. 243 Figuur 75 Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie ......................................................... 244 Figuur 76 Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie ................................................................................ 246 Figuur 77 Deelnametoelage (in duizend euro) / bbp (in miljard euro) .............................................................................. 249 Figuur 78 Deelnametoelage (in duizend euro) / aantal inwoners (in duizendtallen) ................................................250 Figuur 79 Top 10 van de universiteiten in een internationale rangschikking, gesorteerd volgens aantal deelnames en deelnametoelage ................................................................................................................................................................251 Figuur 80 Aandeel van de deelnametoelage per deelnemerscategorie in de EOR-landen ...................................... 253

281


Tabellen Tabel 1 Overzicht van de belangrijkste overheidsmiddelen (vastleggingskredieten) voor het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in brede zin bij begrotingsaanpassing 2018 en 2019, 2020, 2021 en begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro) ............................................................................................................................................ 15 Tabel 2 GERD (Gross Expenditures on R&D) in miljoen euro (in lopende prijzen) en als percentage van het bruto binnenlands product voor het Vlaams Gewest (bbpr) (ESR2010-rekeningenstelsel) ....................................... 33 Tabel 3 GERD voor het Vlaamse Gewest in miljoen euro (in lopende prijzen)................................................................ 34 Tabel 4 Wie voert de O&O-activiteiten uit? Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen). .............................................................................................................................. 35 Tabel 5 Wie financiert de O&O-activiteiten? Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (in % bbp) ................................................................................................................................................................ 35 Tabel 6 Directe en indirecte overheidssteun voor O&O bij ondernemingen in Vlaanderen in 2017 (i.e., de meest recente data over indirecte overheidssteun), in miljoen euro.................................................................................................. 36 Tabel 7 Totaal eigen O&O-personeel in voltijdse equivalenten ................................................................................................. 37 Tabel 8 Overzicht van de belangrijkste budgettaire maatregelen voor het economisch beleid voor 2018 tot 2021 na begrotingsaanpassing, en begrotingsopmaak 2022 (in miljoen euro) ............................................................... 55 Tabel 9 Strategische Transformatiesteun volgens provinciale verdeling (2020) ............................................................ 58 Tabel 10 Kmo-portefeuille: verdeling van subsidie en aantal steunaanvragen per dienst in 2020 (bedragen in euro) .......................................................................................................................................................................................................................... 59 Tabel 11 Kmo-groeisubsidie: subsidieplafond en subsidiepercentage per type steun .................................................. 59 Tabel 12 Kmo-groeisubsidie: verdeling goedgekeurde dossiers naar grootte van de onderneming .................... 60 Tabel 13 Compensatie indirecte emissiekosten volgens provincie van de vestiging .................................................... 60 Tabel 14 Aantal toekenningen en budget voor premie volgens type (bedragen in miljoen euro) ......................... 61 Tabel 15 Overzicht van de voorwaarden voor speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken................ 82 Tabel 16 Portfolio van gesteunde speerpuntclusters...................................................................................................................... 84 Tabel 17 Benutting van geoormerkte middelen door de speerpuntclusters in 2020 .................................................... 84 Tabel 18 Evolutie Clusterprojecten van de speerpuntclusters ................................................................................................... 85 Tabel 19 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die afliepen in 2019, 2020 en 2021 ............... 90 Tabel 20 Stand van zaken van de uitvoering van het programma eind 2020 ............................................................... 123 Tabel 21 Overzicht van EWI-budgettaire opstappen (2019-2024, in miljoen euro) ........................................................ 135 Tabel 22 Overzicht van de belangrijkste recurrente opstappen in 2021 voor het beleidsdomen EWI (in miljoen euro) .........................................................................................................................................................................................................................135 Tabel 23 Recurrente opstapmiddelen en bijkomende investeringsmiddelen in 2022 voor het beleidsdomein EWI (in miljoen euro)....................................................................................................................................................................................... 136 Tabel 24 Vlaamse Veerkrachtmiddelen, vastgelegd in 2021 voor economie en O&O (budget in miljoen euro) ..................................................................................................................................................................................................................................... 137 Tabel 25 Overzicht van de onderzoeksmiddelen van het FWO per pijler bij begrotingsopmaak 2022, in miljoen euro...........................................................................................................................................................................................................................139 Tabel 26 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022 (initieel) van het programma “Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles” (kredieten in miljoen euro) .............................................................................................140 Tabel 27 Kredietlijnen 2021 (begrotingsaanpassing) en 2022 (begrotingsopmaak) van het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (kredieten in miljoen euro) ....................................................................... 146 Tabel 28 Kredietlijnen 2021 (begrotingsaanpassing) en 2022(begrotingsopmaak) van het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (kredieten in miljoen euro) ................................150 Tabel 29 Overzicht van de overige structurele partners en projectsubsidies 2022 ...................................................... 151 Tabel 30 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022 (initieel) van het programma duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (kredieten in miljoen euro) ......................................... 153 Tabel 31 Kredietlijnen 2021 (begrotinsaanpassing) en 2022(initieel) van het programma apparaat (kredieten in miljoen euro) .................................................................................................................................................................................................. 154 282


Tabel 32 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid begrotingsaanpassing 2021 en begrotingsopmaak 2022 in het beleidsdomein EWI (miljoen euro) ...................................................................................... 155 Tabel 33 Verantwoordelijkheid voor de begrotingsmiddelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid 2022, initieel in het beleidsdomein EWI (in miljoen euro) voor departement en VLAIO ........................................................ 157 Tabel 34 Overzicht van de geldstromen voor 2020 (in euro) ...................................................................................................160 Tabel 35 Kredietlijnen 2021 (BA) en 2022BO (initieel) voor het wetenschapsbeleid van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (kredieten in miljoen euro) ....................................................................................................................... 163 Tabel 36 Middelen voor wetenschapsbeleid van de andere beleidsdomeinen 2022 initieel (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................165 Tabel 37 Aandeel van de drie financiers in het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) bij begrotingsopmaak 2022 (miljoen euro en procentueel) ............................................. 167 Tabel 38 Evolutie van de O&O middelen van 2009 tot 2022 (in miljoen euro) .............................................................. 167 Tabel 39 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2022) (miljoen euro).............................................................................................................................................................................. 171 Tabel 40 Verdeling Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) voor de definitieve begroting 2021 (2021) en voor begrotingsopmaak 2022 (2022BO), over de beleidsdomeinen, gerangschikt volgens afnemend krediet voor wetenschap en innovatie in 2022BO (miljoen euro) .................. 174 Tabel 41 Categorisatie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten naar initiatiefnemer* .......................................... 183 Tabel 42 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) ......................................................................................................................................................................................................185 Tabel 43 Verdeling van het totale budget van het HBPWIB (miljoen euro)...................................................................... 186 Tabel 44 Niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en Hercules (50%) (miljoen euro) 2022BO .................................... 188 Tabel 45 Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen (miljoen euro) 2022BO ............................................190 Tabel 46 Kredieten voor wetenschap en innovatie (hoofdzakelijk O&O) van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven (miljoen euro), 2022BO ...............................................................................................................192 Tabel 47 Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en Vlaamse Openbare Instellingen (miljoen euro), 2022BO ...................................................................................................................................................................................................... 193 Tabel 48 Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies (miljoen euro), 2022BO . 194 Tabel 49 Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid (miljoen euro), 2022BO ......... 195 Tabel 50 Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (juli 2022) ................................................................................................................................................................................................................................... 202 Tabel 51 Evolutie van de GERD (Gross Expenditures R&D) van 2010 tot 2020 (% van bbp) ..................................203 Tabel 52 Privaat en publiek gefinancierde GERD van 2019 (% van BBP) ..........................................................................204 Tabel 53 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 2005 tot 2021i (in miljoen euro) ....................................................................................................................................................................................................................................206 Tabel 54 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD), uitgedrukt in % BBP(R) ......209 Tabel 55 Evolutie O&O-inspanningen en O&O-inspanningen als % BBP-Vlaanderen ................................................. 215 Tabel 56 Verwachte evolutie van de O&O-kredieten op basis van de aangekondigde opstappen/Vlaamse Veerkracht .............................................................................................................................................................................................................218 Tabel 57 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht en ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en Europees gefinancierd worden: ingedeeld in 'clusters' van projecten (in miljoen euro) .........................................................................................................................................................................224 Tabel 58 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar NIET ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (in miljoen euro) ................................................................................................. 225 Tabel 59 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar geen beroep doen op de 4,3 mio € financiële middelen die werden uitgetrokken (in miljoen euro) ............................................................................. 225 Tabel 60 Structuur van het H2020-programma met bijhorende budgetten ................................................................... 231 Tabel 61 Evolutie van de Vlaamse deelname over de kaderprogramma’s heen ............................................................ 234 Tabel 62 Vlaamse aandeel in de EU uitgaven, opgesplitst per jaar ** in H2020* en vergeleken met de buurlanden ..........................................................................................................................................................................................................235 Tabel 63 Vlaamse deelname in H2020 per thematische prioriteit........................................................................................ 238 283


Tabel 64 Vlaamse topdeelnemers ............................................................................................................................................................ 247 Tabel 65 Top 10 van het aantal samenwerkingen tussen Vlaanderen en partnerlanden (met minstens 1 Vlaamse partner per project) ....................................................................................................................................................................252 Tabel 66 Recurrent nieuw beleid 2015 - 2019 (in miljoen euro) voor alle Vlaamse bevoegdheden samen .... 262 Tabel 67 Jaarlijkse investeringsenveloppen 2015 - 2019 (in miljoen euro) ........................................................................ 263 Tabel 68 Uitsplitsing van de recurrente opstap van 500 miljoen euro in de jaren 2015 - 2019 ........................... 263 Tabel 69 Overzicht van de investeringsprovisies voor de jaren 2016 – 2019 (in miljoen euro) ............................ 265 Tabel 70 Toekenning van de recurrente opstap van 280 miljoen euro in 2019 vanuit het Departement EWI en vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)....................................................................... 267 Tabel 71 Overzicht toekenning van de investeringsprovisie 2019 vanuit het Departement EWI en het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro).............................................................................................................. 268

284


Glossarium ABH Agentschap voor buitenlandse handel

CERN Europese Raad voor Kernonderzoek

AMS

CFS/STAT

Antwerp Management School

Commissie Statistiek CJSM

AO Agentschap Ondernemen VLAIO Agentschap voor Innoveren en Ondernemen ARKimedes ARK = Activering RisicoKapitaal ARKIV private fondsen die investeren in beloftevolle kmo’s AWEX Waals Agentschap voor de uitvoer en de buitenlandse investeringen B2B Business-to-business BAN Business Angels Network BAN Vlaanderen Business Angels Network Vlaanderen BBB

Federale

Samenwerking

voor

Beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media DAR Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid ECOOM Expertisecentrum O&O monitoring EEN European Enterprise Network EFRO Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling EMBO European Molecular Biology Organisation ESA European Space Agency ESF Europees Sociaal Fonds ESFRI

BBP

European Strategy Forum on Research Infrastructures EU

Bruto Binnenlands Product

Europese Unie

BBP(R)

EU 2020

Bruto Binnenlands Product (per regio)

Europa 2020 strategie

BERD

EU-28

Business Expenditures on Research and Development BIE

de 28 EU-Lidstaten sedert 2014

Beter Bestuurlijk Beleid

Brussels Invest & Export Bizidee Bizidee is een Ondernemingsplanwedstrijd in Vlaanderen, een initiatief van het Agentschap Ondernemen BMI Belgische Maatschappij voor Internationale Investering BOF

EUROSTAT Statistical Office of the European Union EVA Extern Verzelfstandigd Agentschap EWI Beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie FB Beleidsdomein Financiën en Begroting

Bijzonder Onderzoeksfonds

285


FFEU

iMinds

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eénmalige Investeringsuitgaven FFI

The Interdisciplinary Institute for Broadband Technology (former IBBT) INBO

Flanders Fashion Institute

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

FINMIX

Innotek

FinancieringsMix

Innovatie-, Technologie- en Kenniscentrum

FIT

IOB

Flanders Investment and Trade

Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en beheer IOF

FTI Flanders Technology International vzw FWO Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen GBARD Government Budget Appropriations on Research and Development GOVERD Government intramural expenditures on R&D GSC Groene stroomcertificaten GUF algemene universiteitsfondsen HE Hogere Entiteiten HBPWIB Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid HERD Higher Education intramural Expenditure on R&D Hermesfonds Fonds voor Flankerend Economisch Beleid HUB Hogeschool-Universiteit Brussel ICT Thematische prioriteit ‘Informatie- en communicatietechnologieën’ van het Zevende Kaderprogamma IES Instituut voor Europese Studies IJS Instituut voor Joodse Studies ILVO Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek imec Interuniversitair Micro-Electronica Centrum

286

Industrieel Onderzoeksfonds ITG Instituut voor Tropische Geneeskunde iV Beleidsdomein Internationaal Vlaanderen IVA Intern Verzelfstandigd Agentschap IWT Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie KB Beleidsdomein Kanselarij en Bestuur KMDA Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen kmo kleine en middelgrote onderneming(en) KMSKA Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen KU Leuven Katholieke Universiteit Leuven LED Laagdrempelige Expertise- en Dienstverleningscentra LNE Beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie LRM Limburgse Reconversiemaatschappij LV Beleidsdomein Landbouw & Visserij MINA-fonds Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur MOW Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken


NABS

SOFI

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma's NERF

Spin-Off FinancieringsInstrument

Neuro-Electronics Research Flanders NVAO Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie O&O Onderzoek en Ontwikkeling OBPWO Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek, OCMW Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OV

STRES Strategische ecologiesteun STS Strategische Transformatie Steun TBM Toegepast Biomedisch Onderzoek met een primair maatschappelijke finaliteit TETRA TEchnologie TRAnsfer TGO Transformationeel Geneeskundig Onderzoek TINA-fonds Transformatie, Innovatie en Acceleratiefonds tUL transnationale Universiteit Limburg TWOL

OVAM

Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu UA

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

Universiteit Antwerpen

PBB

UHasselt

Preventief BedrijfsBeleid

Universiteit Hasselt

PMV

UNESCO

ParticipatieMaatschappij Vlaanderen

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization UNIZO

Beleidsdomein Onderwijs & Vorming

PNP Private Nonprofit PWO Praktitabejkgericht Wetenschappelijk Onderzoek PXL

Unie van Zelfstandige Ondernemers UNU Universiteit van de Verenigde Naties VAF

Hogeschool PXL

Vlaams Audiovisueel Fonds

RWO

VAPH

Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed SAR

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap VCK

Strategische AdviesRaad

Vlaams Centrum voor Kwaliteitszorg

SBO

VDAB

Strategisch Basisonderzoek

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ViA

SERV Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen SIFO Sociaal Investeringsfonds SIOS Strategische Investerings- en Opleidingssteun

Vlaanderen in Actie - Pact 2020 VIB Vlaams Instituut voor Biotechnologie VIF Vlaams Infrastructuur Fonds

287


VIN Vlaams Innovatienetwerk VIONA Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering VITO Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek VLAM Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing Vlerick Vlerick Business School VLIR Vlaamse Interuniversitaire Raad

Vlaams Ondernemerschapsbevorderend Netwerk VREG Vlaamse Regulator voor Elektriciteits- en Gasmarkt VRT Vlaamse Radio- en Televisieomroep VRWI Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie VUB Vrije Universiteit Brussel VZW Vereniging zonder winstoogmerk W&T

Vlaams Instituut voor de Zee

Wetenschap en Technologische dienstverlening WIB

VLM

Wetenschaps- en innovatiebeleid

Vlaamse Landmaatschappij

WSE

VLOOT

Beleidsdomein Werk en Sociale Economie

VLIZ

Vlaamse Overkoepelende Organisatie voor Technologieverstrekkers VLUHR Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad

WVG

Vlaamse Milieumaatschappij

Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ZAP

VON

Zelfstandig Academisch Personeel

VMM

288


Medewerkers Beleidsdomein Kanselarij & Bestuur | Dieter Vanhee, Jacques Nicole, Jeroen Dejonckheere, Stuyk Karen. Beleidsdomein Financiën & Begroting | Frederik Delecluyse. Beleidsdomein Internationaal Vlaanderen | FIT: Francis Baert; Toerisme Vlaanderen: Sandra Geerts, Mia Lammens. Beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie | alle medewerkers van het Departement EWI; VLAIO: Yves Schouwaerts, Yves Dierckx, David Grzegorzewski, Erik De Gendt; PMV: Frank Kindt; LRM: Paulien Souveryns, Jeroen Bloemen; Gimv: Lut Van Renterghem. Beleidsdomein Onderwijs & Vorming | Melisa Avci, Isabelle Erauw, Mathias Van Belle; Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen: Linda Chan, Karel De Temmerman, Vercammen Rik Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin | Natalie Stragier, Koen Devroey, Heidi Cloots, Jacob Koenraad, Herwig Deumens, Iris De Schutter, Marc Van Nuffel; VAPH: Ann Van Den Abbeele; Kind & Gezin: Tina Capiau. Beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media | Judith Van Doorselaer, Truyens Jasper, Caroline De Pauw, Hilde Billiet, Maarten Vandekerkhove; KMSKA: Olivier Damen, Jeroen Verbist. Beleidsdomein Werk en Sociale Economie | Johan Troch; socrowd: Ludo Dhelft; Trividend: Sybile Vancoillie. Beleidsdomein Landbouw en Visserij | Els Soenen; VLAM: Thierry Wylleman, Luc Van Bellegem. Beleidsdomein Omgeving | Connie Beyens, Verbeke Griet; Joris Vaneetvelt, Valery Stevens, Ann Beckers, Peter Putteman, Lien Vanden Driessche; VREG: Jimmy Loodts; OVAM: An Van Pelt; VLM: Veerle Verguts, Koen Desimpelaere, Dirk Van Gijseghem; VMM: Dirk Van Brussel, Krista Van Malder; aquafin: Joke Callens. Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken | Ilse De Schutter.

289


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook