Skip to main content

M&L_6_3.pdf

Page 1

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 6/3

MEI-JUNI 1987

.

TWEEMAANDELIJKS


V A N L O Y IVI. & d £

Algemene restauratie- en dakwerken

Aarschotsesteenweg.4 • 3170 Herselt • Tel. 014/54.43.97 016/69.97.70


1

1

1

1 1

i

1 I 1 1 1 ' ' 1 1 1 1 >j , 1 1 1 1 K Vj

1 1 1 , 1 /

i i i 1 1

1 II

1

i i i i i i i

i i 11

rsr" 1. 1

w^ JtrV si^rn r i

" ^ « i - w w w . i - i ^ i_i^ . . . W . ^ « . . . L . . ^ . ^ . ^ , , ! 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 • Co n s t r u c t i e v e scheurinjectie i i II I r1— i I r.r I i I i I i ! i . Cc D n s o l i d a t i e v a n h o u t e n s t e e n 1— 1 1 1 1 1» p s s t a u r a t i e v a n s t e e n e n i i i ^ il/ A^l ' i i i , s e l d h o u w w e r k 1 i rï 111 l I l l u , 1 1 1 1 • Rshandeling tegen muurvocht 1 1 1 1 1. p i n s t r u c t i e v e r e s t a u r a t i e v a n lll_Njl_j ' | ' | ' | ' | h Duten d r a a g b a l k e n en b a l k • M i l l ^ Dppen a r a t i e v e en p r e v e n t i e v e As i i 1 i c ahandeling van hout I I HH ffl 1 1 I I • ba ritizwambehandeling 1 1 1 1 A 1 1 1 1 I I 1 1 II 1 1 1 1 1 1 1 I 1 1 11 1 1 , i i ' • onderzoek ' I 1I r, i ii • advies > 1 i-rA ii 11 I M . . • f a b r i k a t i e van produkten ! rii II y • u i t v o e r i n g van werken .1 '

1

I I I

i '

i i i i

i i l t HEDENDAAGSE - V A ^ n - r r - mMETHODEN - ^ - T A n n A - m - BIJ DE L r ^ ^.M^n i c n c o i M u n M i i c 1J 1 wMiVM r ; CDmiU/CM CM MnMIIMCMTPM J^J

; ' , ' 1 ' 1 !/_ i

i i i i

L i n ^ n k i i ^ A A ^ c ^ ^ i i H r T i i #^ r M - ik i r > i i

1 U r-» r e

k J^l 1 I 11 11 . 1

1

'I ' ' ' ' A

'III

mm\\\ n

1

i

'1 " IliM 1

1

1 1 1 1 i

1

1

• ]

1

1

II.

i

r' i

1

i i i i

_TTTm,. 1

1

1

II' III

1 1

i i i i i i i

i' i'i'i' 1

nv resiplast sa

LJ 1 .IVIdM^IVUlÖUcIclL 1

II. J 1 1

_

F—1 muurei f d i c h t i n g met EPISIL C 55 ( ' i * i ' • ' • ! • ' • ' i

IH" 1

1

p i T—1 s t e e r ...-......_.._

1

1

1

1

1

I

1

1

^

UO, ^ÜUU L i d - I C I . UO/HU9.UH.HU

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1 1

D E NEEF ENGINEERING

RESTAUREREN VAN HISTORISCHE GEBOUWEN EN MONUMENTEN MET KUNSTSTOFFEN ONZE SPECIALISATIE Injekteren van baksteen metselwerk Konstruktieve en dichtende scheurinjektie Droogleggen van muren PolYmeerchemische restauratie van steen Ontzwambehandeling Gelijmde wapeningen en chemische ankers Kuratieve of preventieve behandeling van hout en konstruktieve restauratie van houten draagbalken Funderingsverbetering - DNE injektiepaal met kleine diameter

dj de neef

ENGINEERING g

Industriepark 8. B - 3100 Helst o/d Berg Tel. (015) 24 62 31 - TX 62926 - FAX (015) 24 80 72 Gelieve te noteren dat o n s telefoonnummer, vermeld in het januari-februarinummer verkeerdelijk werd afgedrukt.


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnen/ware beiaard torst:-' S( )lar nv vern ieuwl en versterkt R utend In )ut met het Kenotors-Hèta systeem Xoor jaaaren. Kenofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken, Renofors-lièta is een gewapend kunstlarssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

ie Bieedsuaat 51 2700Si -NM

Ook sterk in: gevelremiging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dtchtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.

Uitvoering met anorganische produkten. Levering en verwerking van: MINEROS en KEIM produkten BETONSANERING SPUITBETON GEVELKOSMETIKA WATERDICHTING STEENRESTAURATIE BETONREPARATIES

bagral ISO-lsoleertechniek BAGRAT BELGIUM p.v.b.a. Dr. Van de Perrestraat 289 2440 GEEL Tel. 014/58 04 90

In het labyrint van bouwspeciallteiten wijzen wij de weg

Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van Den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. .015/24 19 68 ^tOAU*

^ C Ï A ^


- inbraak- en kogelwerende installaties - brandwerende beglaasde deuren - toonkasten voor musea Kwaliteitsprodukten van Ateliers

MEYVAERT OOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. 256875

EEUWENOUDE KAPGEBINTEN voor living, tentoonstellingsruimtes, opmetingen en plannen zijn beschikbaar

ARTHUR VANDENDORPE Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88

ü

STEENBAKKERIJEN HOVE A. De Vlaeminckstraat 17 - 9400 NINOVE (054) 33 26 67

VELDKEUS BREUGHEL Type-beschrijving

De handvorm wordt verkregen naar oude werkwijze. Hij is gemaakt uit leem van de Dendervallei; goed gebakken en helder klinkend. De steen wordt gemaakt uit een deeg, geslagen met de hand in een mal. gedroogd in open lucht en gebakken met steenkool. Door de manuele bewerking heeft de steen een onregelmatige vorm. De kleur van de handvorm varieert van rood tot bruin met zwarte vlekken. De huidige formaten zijn ± 22 x 10,5 x 5,5 ± 24 x 11,5 x 5,5 ± 26 x 12,5 x 5,5 ± 17,5 x 7,5 x 5,5 Andere formaten en profielstenen op aanvraag.


m ETN, F BRUXELMAN & ZOON NV S

BRUXELMAN HOUDT DE GESCHIEDENIS VAST AL EEN EEUW lAHG In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bois. Les techniques modernes sont tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus-1934

Kerk Eine-1918


M&L

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen

ISSN 0770-4948 6e jaargang Nr. 3 mei-juni 1987

Inhoud. Generiek Landschappelijke waarden, problemen en mythen in een loessleemgebied : het plateau van Duisburg R. Deneef en G. Ostyn The Courtrai chest, of de kist die zich niet laat kisten E. Goedleven

8 33

GEBODEN TOEGANG

De kerk Onze-Lieve-Vrouw ten Zavel in Brussel L. Mondelaers

45

Summary

54

M&L Binnenkrant

Het plateau van Duisburg : geulerosie in Leefdaal (foto D. Stemgée) Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers.

Abonnementsvoorwaarden 1987. België : 840 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.). CJP'ers betalen : 720 fr. Buitenland : 980 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1987". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Advertentiewerving : De Ganzerik, J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge - Tel. 050/33.82.20. Druk : die Keure, Oude Gentweg 108, 8000 Brugge - Tel. 050/33.12.35

MINISTERIE

VAN DE

VLAAMSE

Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. Box (Kabinet Gemeenschapsminister Dewael), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, G. Ostyn, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

GEMEENSCHAP 5 M&L


REWAH n.v GEVELRENOVATIE: • • • • • • • •

reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.

„...daar waar de natuur ophoudt zich te vormen, begint de mens met de hulp en de materialen der natuur zijn scheppen van een eindeloze verscheidenheid aan vormen." Leonardo da Vinci

de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. WIJ vatten dit in 5 puntjes samen:

n H H

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten Q aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiematenaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

NATUURSTEEN

fb

VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN Tel. (03) 325 03 83

AMINCK GASSTRAAT 11 A 9100 LOKEREN Tel. (091) 48 12 17 Telex 32158 NAVLAM

Solar

KieneBreedsrraalSI 2700St -Niklaas

voor meer informatie belt u'. Oj/jyó.yi. 61


:

...:,.-iii-i-..l-.^

E N E VL1E 1 *4

ItoHM

Even terzake

Het is al lang niet pluis meer op en om het plateau van Duisburg. Spectaculaire erosieverschijnselen, ietwat rommelige bodemkaarten en megalomaan te noemen bestrijdingsvoorstellen zijn voor Roger Deneefen Guido Ostyn nochtans niet meer dan aanleiding tot enig kritisch denkwerk omtrent demagogie en landschapszorg. Een eenmalig voor M&L heraangeklede blik onder de (loess)mantel der liefde.

1302 blijft onvermoeibaar opponenten in het harnas jagen, zij het voor de mooie ogen van de Courtrai Chest. Of maakt dan toch een krijgsbanier een eind aan dit verbaal geweld? Na de Vlaamse Leeuw en het Lam Gods recidiveert Edgard Goedleven thans met — onder meer — de Franse Lelie. Een veldslag in een notedop.

Van opsmuk schitterend frivool, van inborst streng aristocratisch... . Een Dame zondermeer, die zich met Lydie Mondelaers welwillend onderhoudt over facetten van gotiek: de Brusselse Onze-Lieve-Vrouw ten Zavelkerk is heden gastvrouwe.


Landschappelijke waarden, problemen en mythen in een loessleemgebied: het plateau van Duisburg Roger Deneef en Guido Ostyn, B.M.L.

Het spievormige plateau tussen het Zennebekken (de vallei van de Woluwe), de Dijle en haar bijrivieren de Voer en de Use, wordt in de fysische aardrijkskunde soms aangeduid als het 'plateau van Duisburg'. Het westelijk gedeelte ervan, ongeveer één derde van de totale oppervlakte, wordt in beslag genomen door de verstedelijkte woongebieden van Overijse en Hoeilaart en door een oostelijke uitloper van het Zoniënwoud, het Kapucijnenbos. Deze bijdrage handelt over het resterende deel, een gebied van circa 30 km2 in de driehoek gevormd door de dorpskernen van Bertem, Vossem en Huldenberg. Het gaat om een op het eerste gezicht onaangetast landbouwlandschap, golvend, versneden door diepe dalen en holle wegen en, langsheen de Dijle en de Use, begrensd door naar Midden-Belgische begrippen spectaculaire steilten, een van de weinige gebieden in Vlaanderen die de Michelinkaart (nr. 213) een parcours pittoresque waardig acht. Zo al niet vaut Ie voyage, dan toch mérite un détour, in meerdere opzichten. Plateau van Duisburg op 1150.000. Gedeeltelijke reproduktie van de topografische kaart nr. 32 met toelating A 761 van het Nationaal Geografisch Instituut

M&L8


Het Brusseliaan wordt ook nog voor andere doeleinden gebruikt dan als waterreservoir. Blind vertrouwen in de 'Biologische Waarderingskaart van België', die in de omgeving van de Gansemansstraat in Neerijse probleemloos 'akkers op leem' voorspelt, kan op het terrein bekocht worden met een tot 30 m diepe val in een circa 10 ha grote zandgroeve (foto R. Deneef, 1985) Het Brusseliaan en het Brabants Massief

Het plateau van Duisburg maakt deel uit van het Brabants Massief, dat ten noorden van de lijn Brussel-Leuven via een steil talud overgaat in de vlakte van Laag-België. Het geprononceerde reliëf en het plateaukarakter zijn in hoofdzaak toe te schrijven aan de aanwezigheid van een resistente geologische laag: het Brusseliaan. Het ondiep voorkomen van deze doorgaans grofkorrelige, 30 tot 40 m dikke, naar het noorden afbellende, tertiaire formatie, is grotendeels beperkt tot het gebied tussen Zenne, Gete en Samber. Ten noorden van Leuven duikt het Brusseliaan weg onder andere formaties. De Brusseliaan zanden ontlenen hun resistent karakter vooral aan hun permeabiliteit. Hellingafbrekende processen worden geremd, want het neerslagwater zal onmiddellijk in de bodem dringen en naar de grondwatertafel afdalen. Deze zanden geraken ook zelden of nooit zo met water verzadigd, dat solifluctie kan optreden (De Bethune, 1939). Slechts in periglaciale omstandigheden, met een bevroren en ondoordringbare grond, was erosie mogelijk. De talrijke valleitjes in het Brusseliaan tonen aan dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan (De Ploey, 1977). Het Brusseliaan geldt als een van de belangrijkste waterhoudende lagen. Ondanks zijn geografisch beperkte verspreiding draagt het voor 10 % bij in de totale Belgische waterdistributie (Van Hasselt, 1985). Het levert ook het grootste gedeelte van

de brondebieten, die 97 % van het totale debiet van de Dijle uitmaken (Gilles & Lorent, 1966). Deze feiten zijn relevant wanneer men het heeft over het 'ecologische' of zelfs het 'biologische' belang van de Brabantse leemplateaus, ook al gaat het om landbouwgebieden. Op het plateau van Duisburg wordt het Brusseliaan voor meer dan de helft van de oppervlakte bedekt door jongere, aanzienlijk minder dikke en ook minder erosiebestendige, tertiaire formaties: de doorgaans kalkhoudende zanden van het Lediaan en, boven de 80 m hoogtelijn op de hoogste toppen tussen Duisburg en Weebergbos (Leefdaal), de fijne, micahoudende zanden van het Tongeriaan (Mourlon, 1893). Het Brusseliaan rust op het leperiaan, een veelal siltige, slecht doorlatende klei, die de waterhoudende laag langs onder afsluit. Het noord-zuidprofiel tussen Haacht en Rixensart (fig. 1) geeft een idee van het verloop, de dikte en de helling van de tertiaire geologische lagen. Het hele plateau wordt — op een aantal ontsluitingen van het tertiair na — afgedekt door een laag kwartaire loessleem van wisselende dikte. In hoever de structurele invloed van het Brusseliaan op het actuele reliëf verder reikt dan hellingsbeïnvloeding (de trend naar steile hellingen) is een vraag die bij gebrek aan exacte gegevens niet afdoende werd beantwoord. De in de basis van het Brusseliaan waargenomen zuid-zuidwest - noord-noordoostgerichte geulen worden niet meer in verband gebracht met een hypothetische tectoniek (zie onder meer De Bethune, 1939), maar met erosieverschijnselen. Mariene geulerosie tij-

9M&L


Fig. I: Geologische noord-zuiddoorsnede tussen Haacht en Rixensart (naar Van Hasselt, 1985)

lUatrau

SSW*^

Duishurg

s^NNE 'HOOGTE x r n •Itiludi

B

KlZuvium

V://:\ HoloczQ.n

RmiMiZtiaan TongtHyiaan

T.o.po.'viaan

Fig.2: Dalstelsels in het plateau van Duisburg (bron: NGI-Topogr. Kaart 1970)

o

u


dens de opbouw van een zandbankensysteem in de Brusseliaanzee zou én het geulensysteem én het voorkomen van verschillende facies — voornamelijk grove losse, niet kalkhoudende kwartszanden tegenover fijne homogene kalkhoudende zanden — in het Brusseliaan kunnen verklaren (Vyncke, 1967). Dat er enig verband bestaat tussen de bronactiviteit enerzijds — de topografische kaart toont een opvallende concentratie van bronnen aan de noordoostelijke rand van het plateau van Duisburg tussen Egenhoven en Neerijse (fig. 2) — en de geulen in de basis van het Brusseliaan, het voorkomen van de facies en de schuine gelaagdheid van het Brusseliaan anderzijds, is meer dan waarschijnlijk. Eveneens lijkt het aannemelijk dat de uitgesproken asymmetrie van een groot aantal dalen, vooral de noordwest-zuidoostgerichte dalsecties (fig. 2), in een aantal gevallen niet alleen moet worden verklaard door een eventuele differentiële loessbedekking van de dalwanden ten gevolge van een 'windschaduweffect', een differentiële regen- of smeltwatererosie, dit laatste gecombineerd met verschillen in sneeuwbedekking, en de invloed van de zonnewarmte die meer solifluctie op de minst bestraalde helling kan veroorzaken (cf. Pissart, 1976). Deze processen spelen zich af in het loessleemdek, maar het is best mogelijk dat de asymmetrie ook mee bepaald werd door de schuine gelaagdheid van het Brusseliaan, zoals De Bisschop (1981) voor bepaalde gedeelten van de vallei van de Nethen vermoedt. Moeilijker wordt het wanneer men de opvallende oriëntatie van de dalstelsels in het Dijlebekken probeert vast te knopen aan structurele kenmerken van het tertiair, inzonderheid het Brusseliaan, zoals de genoemde geulen, de gelaagdheid, de facies of andere lithologische kenmerken. Te meer daar het structuurbeeld vertroebeld wordt door jongere formaties. Als men het ontstaan van de dalstelsels in het Brusseliaan bovendien gaat toeschrijven aan een soort van predispositie, zoals Van Nuffel (1966) die meent dat de dalen in het Brusseliaan in aanleg aanwezig waren op het intussen weggeërodeerde Tongeriaan, dat de dalstelsels als het ware werden overgeërfd, dan wordt een gedetailleerde landschapsgenetische verklaring praktisch ondoenbaar. Op het plateau van Duisburg vertonen de meeste depressies een duidelijke zuidwest-noordoostoriëntatie, parallel aan de Voer, de Use en bepaalde gedeelten van de Dijle (tussen Limal en Archennes, tussen Neerijse en Leuven). Pas in hun benedenloop buigen zij af om min of meer loodrecht in de hoofdvallei (Use, Dijle of Voer) uit te monden (fig. 2). De Vloedgroebe tussen Duisburg en Neerijse is hiervan een karakteristiek voorbeeld. Merkwaardig is ook dat verscheidene van de bovenlopen nagenoeg in eikaars verlengde liggen. Dit geldt in het bijzonder voor de drie belangrijkste valleien: de Nellebeek, de Vloedgroebe en de Ruwaal. Hop men dit ook probeert te verklaren, de hypothese van een aanvankelijk consequent, uit min of meer parallelle en gelijkwaardige stroompjes bestaand stelsel, dat door aantappingen tot een gehiërarchiseerd, vertakt patroon werd herwerkt, lijkt alleszins aantrekkelijk. De loessmantel Het plateau van Duisburg wordt bedekt door een compacte, vaak metersdikke laag loessleem die, naar nu algemeen wordt aangenomen, tijdens de laatste ijstijd (Weichsel of Wurm, 70 000 - 10 000 B.P.) door de wind werd afgezet. Loess is een vruchtbaar, over het algemeen kalkrijk materiaal met een overwegende korrelgrootte tussen 0,01 en 0,05 mm en — essentieel in de definitie — van eolische oorsprong. In dit verband spreekt men van primaire (door de wind afgezette) en secundaire (achteraf op andere manieren verplaatste) loess. Uit de bodemkaarten (Baeyens & Dudal, 1959; Baeyens, 1962) kan worden afgeleid dat die loessbedekking allesbehalve gelijk-

matig is. Aan de randen en op de hellingen van de valleien komen vaak ontsluitingen voor van tertiair materiaal, meestal zandig, soms kleiig, of wordt binnen boorbereik onder een ondiepe leem- of zandleembodem een zand- of kleisubstraat aangetroffen. Tevens valt het op dat de meeste van deze ontsluitingen of quasi-ontsluitingen gesitueerd worden op doorgaans steile, westelijk tot zuidelijk georiënteerde hellingen, vooral langs de valleien van de Nellebeek en de Vloedgroebe. In de literatuur schijnt men het er over eens te zijn dat loess zelden of nooit een eigen macrotopografie vormt, maar zich als een gewone dekmantel over het oorspronkelijke landschap heeft gelegd, althans in de Europese loessgebieden (Goossens, 1980). Dit betekent geenszins dat die mantel overal even dik is. Boringen van de Geologische Dienst langsheen de autosnelweg E 40, die tussen Bertem en Egenhoven het plateau van Duisburg doorsnijdt, tonen aan dat de loessbedekking de hoofdlijnen van het teriair reliëf niet fundamenteel heeft gewijzigd maar wel afgevlakt of verdoezeld. In de depressies is het pakket aanmerkelijk dikker (soms meer dan 10 m) dan op de heuvelruggen (hooguit 3 m). Een tweede aspect van de ongelijkmatige loessbedekking, is de ongelijke verdeling over de hellingen: op de noordoostgerichte hellingen ligt de loess in regel dikker dan op de zuidwestgerichte hellingen. Dit fenomeen, dat door Goossens (1980) werd vastgesteld voor een iets noordelijker gelegen gebied tussen Bertem, Veltem en Leuven, zou zich voordoen in gans Westen Midden-Europa. Dit voert ons terug tot de opvallende oriëntatie van de grote tertiair-ontsluitingen op het plateau van de Duisburg (zuidwest), de asymmetrie van bepaalde dalsecties en het reeds vermelde 'windschaduweffect'. Als de windsnelheid aan de lijzijde van een obstakel, bijvoorbeeld een heuvel, niet meer de kritische snelheid haalt die nodig is om de loessdeeltjes in suspensie te houden, zal sedimentatie optreden. Uit de differentiële loessbedekking van de hellingen wordt dan ook afgeleid dat de winden die de loess afzetten, zuidwestenwinden waren. Deze windrichting laat zich echter niet op het eerste gezicht rijmen met de algemeen aanvaarde veronderstelling dat de loessaandragende winden vanuit het glaciaal naar het periglaciaal gebied waaiden en met het feit dat bijvoorbeeld Juvigne (1976) de Noordzee tussen de Doggerbank en Denemarken als het herkomstgebied van de Weichseliaan loess aanwijst. De oriëntatie is uiteraard niet de enige factor die de afwezigheid of de geringe dikte van de loessmantel verklaart en, zeker vanaf de ontbossingen, zijn de hellingsgraad en dus de tertiaire topografie in belang gaan toenemen. Ook op oost- of noordoostgerichte hellingen werd de loess weggeërodeerd, zoals bijvoorbeeld langs de Laan te Sint-Agatha-Rode en in het Eikenbos te Bertem. Op het plateau van Duisburg komen dergelijke gevallen slechts uitzonderlijk en over beperkte oppervlakten voor. Bodemvorming op papier Aan de hand van de toelichtingen bij de bodemkaart, cursussen bodemkunde e.d. (Baeyens & Dudal, 1959; Baeyens, 1962; Scheys, 1971) kan, samengevat, volgend beeld van de bodemvorming op loess geschetst worden. Reeds tijdens het Laat-Glaciaal, bij het verdwijnen van de permanent bevroren ondergrond (permafrost) en bij gebrek aan een bodembeschermend vegetatiedek, werden grote hoeveelheden leem weggespoeld en in de valleien en depressies afgezet. Tevens begon een verweringsproces dat in de eerste plaats bestond uit de ontkalking van het loessmateriaal. Over de vraag hoe, onder welke omstandigheden en wanneer de verdere bodemvorming zich voltrok, zijn de meningen verdeeld. Aangenomen wordt dat bij de ontbossingen in het Subatlanti11 M & L


cum (2750 B.P.) op de loess grijsbruine podzolachtige bodems tot ontwikkeling waren gekomen; bodems met een uitgeloogde, aan klei verarmde (A,) 'horizont' en een aan klei aangerijkte (textuur B) horizont. Deze bodems behoren tot de vruchtbaarste van België en worden vanouds ontgonnen. Hun vruchtbaarheid is een gevolg van het feit dat ze gedeeltelijk uit verweerbare mineralen bestaan en een kruimelige structuur met een goede lucht-waterhuishouding bezitten. Vanaf de ontginning wordt de natuurlijke bodemvorming gedeeltelijk voortgezet op kunstmatige wijze door middel van bodembewerking en bemesting. Hierdoor werd de uitloging stopgezet en verkreeg de bodem door het verdwijnen van de wortelgangen en spleten van het bosprofiel een fijne, meer homogene, brokkelige structuur (niet zo gemakkelijk te begrijpen). De ontginning had echter ook degradatie tot gevolg. De hoog gelegen bodems begonnen te eroderen en in de dalen en aan de voet van de hellingen werden grote hoeveelheden colluvium en alluvium afgezet. Dit erosieproces ging zo ver, dat plaatselijk niet alleen de uitlogings- maar ook de aanrijkingshorizont werd aangetast, zodat het kalkrijke moedermateriaal (loess) of het tertiair substraat aan de oppervlakte kwam. Een tweede vorm van degradatie deed zich voor op de beboste percelen. Onder menselijke invloed onderging de bosvegetatie sterke wijzigingen in de zin van meer lichtminnende plantengemeenschappen, die ruwe humus produceerden en de bodem deden verzuren. In de uitlogingshorizont ontwikkelde zich als gevolg daarvan een zwak, bruin podzolachtig profiel met een humus- en/of ijzeraanrijkingshorizont, in kleur en/of structuur min of meer duidelijk van het bovenliggend materiaal onderscheiden.

Bodemerosie op het plateau van Duisburg (foto R. Deneef)

M & L 12

Op het terrein is het onderscheid tussen een dergelijk degradatieprofiel en de door erosie 'afgeknotte' leembodems of ontsluitingen van kalkrijk loessmateriaal, waarop zich opnieuw een zwak uitlogingsprofiel is gaan ontwikkelen, moeilijk te maken. Men is het er echter over eens dat de meeste van deze bodems (met structuur B horizont), zelfs onder bos, geërodeerde bodems zijn. De ontsluitingen van het doorgaans zandig tertiair materiaal ondergingen een podzolisatie die, naar gelang van de aard van het materiaal (textuur, glauconietgehalte), een duidelijke of minder duidelijke humus en/of ijzer B horizont vertoont. De erosieprodukten, ten slotte, vormden het moedermateriaal van het colluvium of alluvium, meestal gronden die geen enkel spoor van profieldifferentiatie vertonen en die conventioneel worden aangeduid als 'gronden op leem'. Deze collage van handboekfragmenten geeft een coherent beeld — althans op papier — van een ontwikkeling en een situatie die representatief zouden kunnen zijn voor het plateau Duisburg en voor een groot gedeelte van de leemstreek. De samenhang wordt versterkt door de cartografie, de suggestieve kleuren, de vloeiende lijnen van de gepubliceerde bodemkaarten. Fris oranje suggereert de ongerepte loessmantel, rijkelijk doorspekt met goudgeel naad- en galonwerk (de colluviale dalstelsels) en — om in de confectiesfeer te blijven — flets oranje tot vuilgrijs voor de plaatsen waar de mot er inzit (de ontsluitingen van tertiair materiaal). Een collage van fragmenten uit de bodemkaartbladen 89W en 109W (fig. 3) geeft een modelconfiguratie weer rond de Vloedgroebe te Neerijse.


Fig. 3: Modelconfiguraties en antropogene breuken in de overgangszone tussen twee kaartbladen van de Bodemkaart van België

13M&L


Leemgronden met een soms wat gevlekte textuur B horizont (Aba) nemen veruit het grootste gedeelte van de plateau-oppervlakte in beslag. Talrijke vertakte, goed ontwaterde, met profielloze colluviale (dit is van de bovenliggende hellingen afkomstige) leem (Abp) opgevulde depressies, doorsnijden het plateau. Alleen in de benedenloop van de grotere dalen (Vloedgroebe, gracht Ganspoel-Neerijse) verloopt de ontwatering wat stroef (ADp); deze gronden worden dan ook meestal als weiland gebruikt. De dalen worden in regel afgezoomd door afgeknotte leembodems of ontsluitingen van kalkrijke loess (AbB), colluvium met binnen boorbereik een begraven textuur B horizont (Abp(c)), regelrechte ontsluitingen van het tertiair, meestal Brusseliaan zand, of textuur B leembodems die zo ondiep zijn dat het tertiair binnen boorbereik (± 80 cm) ligt (sAba, gAba). In sommige gevallen is de leem met het zandsubstraat gemengd (sLba). Een mooi afgerond beeld, maar er zijn enkele dissonanten. Uit een vergelijking van de twee gepubliceerde kaartbladen waarover het plateau van Duisburg verpreid ligt, blijkt dat de bodemkundige taxering van de tertiair-ontsluitingen bij de toenmalige karteerders voor enige hoofdbrekens heeft gezorgd. Op het eerst gepubliceerde, zuidelijke kaartblad (Baeyens & Dudal, 1959) worden ze ingedeeld bij een complex van lemige zand- en zandgronden (S-Z), bruine podzolachtige bodems waarvan textuur en profielontwikkeling op zeer korte afstand kunnen variëren en die weshalve niet afzonderlijk gekarteerd kunnen worden. Op het noordelijke, drie jaar later gepubliceerde kaartblad (Baeyens, 1962) is men blijkbaar tot de overtuiging gekomen dat het uitsluitend gaat om lemige zandgronden met een weinig duidelijke humus en/of ijzer B horizont (Sbf). De grens tussen beide verloopt alleszins rechtlijnig op de grens van de kaartbladen. De gepubliceerde bodemkaarten vertonen nog andere, eveneens rechtlijnige maar op meer fundamentele appreciatieverschillen wijzende overgangen (fig. 3). Een tot boren nopend argwaan was niet te onderdrukken. De vraag in welke mate het beeld op de bodemkaarten beantwoordt aan de werkelijkheid, is van meer dan academisch belang. Hieruit zal blijken of het vertrouwen in de exactheid van deze kaarten, de afleidingen in verband met produktiewaarde van bodems, hun geschiktheid voor bepaalde teelten, typen van gebruik of bestemming etc. gerechtvaardigd zijn. Een aanwendingsmogelijkheid van actueel belang wordt door De Ploey (1986) gesuggereerd, wanneer hij naar aanleiding van alarmbelgerinkel over de toenemende erosie in onze leemgebieden, wijst op de relevantie van de „talloze kleine vlekken (...) met de vermelding „klei-zandsubstraat op geringe diepte" en stelt dat het nuttig zou zijn „onder meer op dit punt de kartering nog een over te doen", zij het dan om slechts vast te stellen dat „deze vlekken sinds die tijd alleen maar groter zijn geworden". Kan de bodemkaart gebruikt worden als een betrouwbaar referentiepunt in het erosieonderzoek? Het genetisch paradigma en het juk van de indeling Een reeks eigen (in het voorjaar 1985 uitgevoerde) boringen op het plateau van Duisburg geven een toestand te zien die nogal sterk verschilt van wat de bodemkaarten suggereren. Overeenkomsten met de door de bodemkarteerders toegekende classificatie-eenheden zijn eerder toeval dan regel. De afwijkingen hebben betrekking op fundamentele kenmerken. Het stenig substraat in bijvoorbeeld profiel 4 (fig. 4) blijkt een laag baksteenfragmenten en geen residuair basisgrind te zijn. Profiel 14 geeft zandige leem in plaats van klei. Wat er echter het meest in het oog springt bij alle opgedolven profielen (17 in totaal) is de afwezigheid van een duidelijke profielontwikkeling die enigszins past in het eerder uiteengezette genesisverhaal. Op geen enkele van de boorlokaties werd een duidelijke uitloM & L 14

gings- of aanrijkingshorizont aangetroffen. De kleur- en textuurvariaties zijn uiterst gering en wanneer zij voorkomen, duiden zij eerder op vergravingen of andere vormen van verstoring dan op een proces van natuurlijke bodemvorming. De lagen met baksteenfragmenten (profiel 4) of met stukjes houtskool (profiel 6) zijn in dit opzicht illustratief. In één geval (profiel 3) kwamen op een ogenschijnlijk ongestoorde, beboste helling vanop een diepte van circa 1 m zelfs potscherven naar boven. Deze merkwaardige afwijkingen tussen bodemkaart en werkelijkheid zouden op verschillende manieren verklaard kunnen worden: onze boringen zijn niet representatief (precies geboord op die plaatsen waar de onvermijdelijke foutenlast het grootst was), onze waarnemingen zijn niet of onvoldoende exact. Fundamentele wijzigingen in de globale bodemgesteldheid in een kwarteeuw tijds kunnen hier worden uitgesloten. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat de waarnemingen van de bodemkarteerders sterk gekleurd werden door het opgelegde morfogenetische classificatiesysteem. Twee voorbeelden buiten het plateau van Duisburg illustreren dat leembodems die grondig werden verstoord, toch volgens dit morfogenetische classificatiesysteem werden gekarteerd, zij het dan met de vermelding 'sterk antropogene invloed'. Dit geldt met name voor het ontginningsgebied van de Gobertangesteen ten zuidwesten van Tienen en voor het Terlanenveld te Overijse, dat tussen 1943 en 1946 plaats heeft geboden aan honderdduizenden krijgsgevangenen, en waar bij de opruimingswerken prikkeldraad en beton mee de grond in werden gebulldozerd. Deze feiten waren zo spectaculair en lagen in 1954— tijdens de opname van de bodemkaart - nog zo vers in het geheugen, dat ze moeilijk weggemoffeld konden worden. Men kan zich echter afvragen hoe minder spectaculaire, meer verspreide en diffuse vormen van 'antropogene invloed' in de bodemkaarten werden verwerkt. Terre-a-briques, steenputten en graften

Dit voert ons terug naar het merkwaardige profiel nr. 4 waar, onder een 40 cm dikke laag zandige leem, een 20 cm dikke, compacte laag met baksteenfragmenten wordt aangetroffen, die op haar beurt rust op ontkalkte, droge leem. Welke bodemvormende processen hebben zich hier afgespeeld? Dat de klei-accumulatie- of B2t horizont — een bruin zwaar leem dat in de 'ongestoorde' profielen van de textuur B leembodems meestal tussen 50 en 90 cm diepte voorkomt — in de loop der tijden gretig werd aangesproken voor de baksteenproduktie, was de auteurs van de bodemkaarten genoegzaam bekend. In sommige gevallen waren de B2t horizonten reeds door erosie blootgelegd en had men het maar voor het opscheppen; in andere gevallen moesten eerst de A horizonten verwijderd worden. Op het hier besproken gedeelte van het plateau van Duisburg (circa 30 km 2 ) komen, buiten de holle wegen, zowat 46 km bermen en taluds of 'graften' voor. Alaerts (1977) berekende voor het hele Brabants Plateau dat 84-86 % van deze graften evenwijdig lopen aan de hoogtelijnen. Dit evenwijdig lopen versterkt de algemene opvatting dat graften landbouwkundig en landschappelijk functionele elementen zijn: door het verminderen van de helling verhoogt de bewerkbaarheid van het perceel en daalt de globale erosievatbaarheid. Een nog relatief groot aantal graften loopt echter niet evenwijdig aan de hoogtelijnen. Volgens Gullentops (1957) kunnen graften op drie manieren ontstaan:


1. D e door het ruisselement meegevoerde leem sedimenteert bij een obstakel, bijvoorbeeld een haag; 2. tijdens het ploegen geschiedt een hellingafwaartse verplaatsing van de grond, waarbij grond wordt weggenomen bij de bovengrens van het perceel; 3. graften kunnen ten slotte ook ontstaan door de afgraving van de kleiaanrijkingshorizont, de 'terre-a-briques' of 'radebrikgrond'. H e t ontbreken van deze laag is dus niet noodzakelijk aan natuurlijke erosie te wijten en de aldus ontstane taluds aan de rand van de afgravingen zullen eerder verband houden met de eigendomstoestanden en andere ontginningsvoorwaarden dan met het verloop van de hoogtelij nen. A a n Gullentops' triade kan nog een vierde ontstaanswijze worden toegevoegd, waarbij graften overblijfsels zijn van verdwe-

nen wegen of spoorwegen. D e rond de eeuwwisseling aangelegde en tot 1957 gebruikte bedding van de buurtspoorweg Brussel - Hamme-Mille - Tienen is over haar hele traject tussen Vossem en Neerijse nog duidelijk h e r k e n b a a r , deels in de vorm van een reeks soms kronkelige, grazige of beboste b e r m e n , die op het eerste gezicht vaak moeilijk van de klassieke graften te onderscheiden zijn, deels in de vorm van nog in gebruik zijnde wegen, vaak holle wegen (fig. 5a). H e t is echter vooral de d e r d e categorie van graften, deze ontstaan ten gevolge van de afgravingen van de baksteenaardelaag, die b o d e m k u n d i g van belang zijn, o m d a t hun verspreiding, h u n aantal, hun densiteit als aanduidingen kunnen worden beschouwd van de mate waarin de natuurlijke b o d e m g e steldheid d o o r de mens werd gewijzigd. Graften die de hoogte-

Fig. 4: Beschrijving van enkele bodemprofielen naar aanleiding van boringen door de auteurs, vergeleken met de taxering van de boorlokaties op de bodemkaart van België.

U-U

1. I ' l ' l •

• •10 W? 5/é {ytLclbiuin] ,mxtiQ CPIOOQ le.mig zand + iltzx + tichtz himuiaanJUjiving -10 VR S/6 [qe.e.Zb'uu.n],matig nat Izmia zand mtt uee£ iiXzxktudn

-10 VR 5/7 ig&e.tb'uUn] .matig nat tzmio meX mindzi en kleA.ne.ii iiAXe.xkeA.en

P VI-.--'-

'.«.Tl

Vü.

zand

-10 Y9. 5/7 [geetb>wXn] ,ncX lemig zand, begin qleijzone ikleXne loutylekken] + giauconAeX * kmAticoncAeXxei -10VR5/5 [geetbiuln-donke*, geelbiuin),matig nat glauconA.ethoudend zand* zanditee.n:ConCieXteA, zeeA dunne kieibandjei .toeitviekjei -5 W? ?/4 loianiel.gtauco.nteXhoudenci zand meX zandAteenc.oneieXA.eZ ,maXAg nat,uieA.n4.g kaZkno wadend VR 7./4 7/4 loianie) .mgtA.a dioog zand met .1 loeétJu.ge, .bandjii 17,5 VR i/6lnel,dei biu*.n band je*, mXte en zwaite giAirmeJU

14-

WMM —

rlvi-.-i-:-) -••10 VK 4/6 Ifa-tuin), zondige teem fi^-i-;!;|: J- i:"L ••.( :i:vi::p-i BodemkaanX: zwak of matig gleyige kleigronden met niet bepaalde profielontwikkeling (EDx)

1 1 11 11 1

h 1.

II

*

1 1

dioge. zandiae teem 1*1» I - J — 10 VR 4/6 {biwin), +vuXte gtiimeu en bakiteentiagmenten l>l;l: I II M I 111)1

II I 111

zeeA compacte 'itAuctau/i --10 VR 5/6 IgeeZbfiiUn], dAoge leem, iteik veAbiokkeld

HUMUS ORGANISCH MATERIAAL V V VENIG mTERIAAL X X. ROESTVLEKKEN ta KALK k KALKCOKRETIES * KWARTSCONCRETIES 3 S GLIMMER es c» ZANDSTEENCONCRETIES IJZERZANDSTEENCONCRETIES c c STUKJES HOUTSKOOL A * BAKSTEENFRAGflENTEN o o

BodemkaaJit: droge lemlge zandgronden met weinig duidelijke humus of/en i j z e r B horizont (Sbf)

I 1. i - I - I

KLEI STROOISEL

ai

leem

ZAND LEEM

i 1 1 1

Sr-r-

-5 VR. 7/4 loflanie.), matig nat atausonteXhoudend zand + zand&teenconeietLeA, fCoeittge Bandjes

I (. ,1 I : r l - I I -—10 ^R 4/4 [b/uUn], d/ioge zandige

itAoolieZ

^

*»»•

P ^ P IJZERZANDSTEENBANK

•

SILEXKEIEN

BodemkaoAt: leemgronden met textuur B horizont s t e n i g s u b s t r a a t beginnend tussen tussen 20 en 80 cm (gAba)

••10 VR 5/4 'Monkel qeeZb/uUn] zandleem + hwmA

dloge

-10 VR 5,5/6 [licht aeelbiiUn-aeelb/uUn], zandige leem, dioog. hoatikooZ, kalkconcietiei, alimmeii, kalkhoudend •- -Idem, meet Bodemkaaxt:

kalkconcietieA

leemgronden met textuur B of structuur horizont (AbB)

15 M & L


Fig. 5: Graften en holle wegen in een onverstoord landelijk kader... of getuigen van een (vergeten) industriële activiteit?

A Rei-fcwtert van een oude bimAtipooim.gbe.ddinQ (J9ÖÖ-I957) i toponim {1860] bij Vwi&buAg

'Sizznpat'

B VooK-bteJid van nvzmijdige. g-ta^-ten ctte hoogteJUjntn knxüAm (Mo^deXte) £ oude 'ittznput' toponizmzn (7665) 500

lijnen min of meer dwarsen en dus niet direct in verband kunnen worden gebracht met landbouwpraktijken, komen voor deze categorie in aanmerking, vooral wanneer zij evenwijdig lopen met naar elkaar toegekeerde hellingen, zoals bijvoorbeeld in de Mo(l)sdelle bij Leefdaal (fig. 5b). Uit de in figuur 5 getoonde kaartfragmenten blijkt dat dergelijke patronen veelvuldig in het plateau van Duisburg voorkomen. In enkele gevallen wordt de suggestie die uitgaat van de topografie versterkt door de oude toponymie. Dit is onder meer het geval in de La(ar)zendelle op de grens van Bertem en KorbeekDijle, die op een 'figuratieve kaart' uit het midden van de 17de eeuw uit het archief van de Parkabdij te Heverlee (De Pape, 1665) wordt aangeduid als 'den steenput' en een nabijgelegen veld met 'opt putteken' (fig. 5b). Een ander 'Steenput Veld' wordt op de kadasterkaart van Popp (1860) gesitueerd bij het gehucht Veeweide in Duisburg, eveneens een gebied met een roerig microreliëf (fig. 5a). M & L 16

JQOOm

Een monument staat niet alleen

Van de geschiedenis van de baksteenbouw in het Brabantse zijn ons geen systematische overzichten bekend die toelaten om de voornaamste toeleveringsgebieden te situeren en, aldus, zijn eventuele invloed op de bodemvorming in een beperkt gebied als het hier besproken plateau in te schatten. Een aantal feiten kunnen hoogstens een indicatie geven. De eerste grote realisatie in baksteen in de regio is de tweede ringmuur van Leuven (1355-1360). Uit de stadsrekeningen is de herkomst van althans een gedeelte van de 'quareele' bekend, namelijk Wilsele, mogelijk het Kareelveld bij de Mechelse poort (Van Even, 1895). Waar de rest vandaan kwam is niet bekend, maar de leemgebieden van Bertem, Leefdaal en Korbeek-Dijle behoren, op nauwelijks 4 tot 8 km van de stad verwijderd en ermee verbonden door voor die tijd goede verkeers-


Canadapopulieren, veralgemeende karakteristieke adventieven (foto D. Stemgée)

wegen, onder meer de Brede Weg (cf. infra), tot de potentiële toele veringsgebieden. Alhoewel voor de meest prestigieuze gebouwen nog steeds natuursteen werd gebruikt, kan uit diverse bronnen worden opgemaakt dat de baksteenbouw vanaf de 14de eeuw in de meer bescheiden burgerlijke architectuur opgang maakt. Een voor de regio vroeg voorbeeld van baksteengotiek is het 'Huis Limburg' in de Naamsestraat te Leuven, gedateerd einde 14de eeuw (Lemaire et al., 1971). Van het veralgemeende gebruik van baksteen in de laat-gotische, de renaissance en (vaag maar veelvuldig aldus omschreven) de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur getuigen de talrijke, nog bestaande specimen in het Leuvense: het huis Van 'tSestich, het huis van Gui Morillon in de Predikherenstraat, het Van Dalecollege, bepaalde gedeelten van het Groot Begijnhof, het Wijnpersgebouw, het Arenbergkasteel... . In de loop van de 17de eeuw worden de houten, soms lemen, huizen te Leuven in massa omgebouwd tot stenen huizen (Van Buyten, 1975). In 1657 bepaalde de stadsmagistratuur trouwens dat er alleen nog maar in steen mocht worden gebouwd (Tijs, 1985). Met de economische opleving tijdens de Oostenrijkse periode gaat opnieuw een 'boom' in de bouwsector gepaard, waarbij — blijkens de inventaris van het bouwkundig erfgoed (Lemaire et al., 1971) — de baksteen volop aan bod komt. Deze conjunctuur laat zich ook gevoelen in het landelijke hinterland: de meeste grote hoevecomplexen in het Brabantse

krijgen hun definitieve 18de-eeuwse vorm. Dit geldt ook voor de pachthoven in (het Raffelberghof, het Hof ten Bos) en om het plateau van Duisburg. Uit de dateringen van de meer bescheiden dorpswoningen en kleine boerderijen (Lemaire et al., 1971) kan worden opgemaakt dat ook in de dorpen op het einde van de 18de of in de eerste helft van de 19de eeuw het versteningsproces grotendeels voltrokken was. Over de herkomst van de grondstof die bij al deze bouwcampagnes werd gebruikt, kan alleen een doorgedreven onderzoek van het historisch archief enige klaarheid brengen, maar algemeen kan gesteld worden dat de vervoerkosten een belangrijke factor waren en dat de ontginning en de produktie derhalve zo dicht mogelijk bij de werf gebeurden. De vaststelling van Voskuil (1979) voor Nederland, dat het de gewoonte was om bakstenen in veldovens te bakken in de nabijheid van het te bouwen huis, geldt ook voor deze contreien. Van slechts een paar gebouwen is ons bekend waar precies de steen werd gewonnen, bijvoorbeeld het Kerkhofveld of Kerkeveld voor de in 1751 gebouwde pastorie van Neerijse (De Kempeneer, 1967). Uit diverse mondelinge getuigenissen blijkt echter dat de veldovenpraktijk — vaak in familieverband — in de dorpen rond Leuven tot in de 20ste eeuw vrij algemeen in zwang was. De aanwezigheid van een laag baksteenfragmenten onder 40 cm zandige leem in het Overhoutveld te Korbeek-Dijle (profiel 4 in fig. 4), zou hierdoor kunnen worden verklaard, maar om hierover uitsluitsel te kunnen geven is meer nodig dan een boring. 17 M & L


Pas na de uitbouw van vlotte interregionale of interstedelijke wegen, inclusief het kanaal Leuven-Rupel, in de loop van de 18de eeuw, zou aangevoerd allochtoon materiaal, bijvoorbeeld Boomse klei, van belang geweest kunnen zijn, maar de mondelinge overlevering wil dat nog bij de wederopbouw van het in 1914 verwoeste centrum van Leuven de 'briqueteries' van de Platte-Lo ten oosten van Leuven (cf. de kaart van Vandermaelen) een aanzienlijke rol hebben gespeeld. Hiermee is het I^t verhaal verre van rond. Bij de leembouw werd van dezelfde materiaalbron gebruik gemaakt en tot ver in de 20ste eeuw, lang na het verdwijnen van de eigenlijke leembouw, werd leem nog royaal gebruikt, onder meer bij het bevloeren van schuren en voor een reeks kleinschalige, huishoudelijke behoeften. Vlekken aan de horizon Het baksteenverhaal illustreert, zelfs in zijn algemeenheid, hoe de bodem meer dan alleen maar het toneel was van natuurlijke processen of het substraat voor gezapige landbouwactiviteit. Wanneer men het echter beschouwt in het licht van een meer dan duizendjarig gebruik door de mens, is het nauwelijks meer dan een anekdote. In de bodemboekjes betreffende de leemstreek wordt een type van profielontwikkeling opgevoerd dat in principe tot historisch-landschappelijke conclusies kan leiden. Het betreft de leemgronden met een gevlekte textuur B horizont. Over de aard van die vlekken, grijsachtige met okerkleurige kringen, geven de toelichtingen bij de bodemkaarten, zelfs na close reading en vergelijkende exegese, niet alle geheimen prijs, maar er komt toch uit naar voren dat deze vlekken verband zouden kunnen houden met de inwerking van de wortels van het vroegere loofhoutbos. De ruimten die ontstonden door het vergaan van de wortels, zo luidt het, werden geleidelijk opgevuld. De aanwezigheid van organisch materiaal veroorzaakte een zijdelingse migratie van de ijzerverbindingen die op de wanden van de gangen werd afgezet. De bodemkarteerders werden in hun opvatting gestijfd door de cirkelvormige doorsnede van de vlekken en het feit dat de gevlektheid afneemt in de diepte, zodat ze geen gevolg kan zijn van een tijdelijk opgehouden watertafel (Baeyens & Dudal, 1959; Baeyens, 1962). Men laat er ook geen twijfel over bestaan dat de verspreiding van deze gevlekte textuur B bodems verband houdt met de meer recent ontboste plateaugedeelten. De gevlekte textuur B horizonten werden door de karteerders bijna uitsluitend in het zuidwestelijk gedeelte van het plateau van Duisburg waargenomen, vooral in het gebied tussen Huldenberg, Duisburg en Loonbeek. Bij twee van onze steekproeven in deze zone werden inderdaad gevlekte profielen aangeboord maar, afgezien van het feit dat er van een B2t horizont weinig te merken viel, liet de boortechniek niet toe de aard van deze vlekken nader te specificeren. De verspreiding van de gevlekte textuur B bodems zoals aangegeven op de bodemkaarten, stemt desalniettemin in grote lijnen overeen met datgene wat er van de ontginningsgeschiedenis van het plateau gekend is, maar wijkt er anderzijds ook van af in een aantal niet onbelangrijke details. Steunend op de door Verbesselt (z.d.) gecompileerde archiefbronnen en publikaties (en sommige, maar niet al zijn interpretaties en gevolgtrekkingen) en op een aantal elementen zoals de perceelsindelingen op de oude kadasterkaarten en de toponymie, kan het plateau van Duisburg vanuit het oogpunt van de ontginningsgeschiedenis grosso modo in twee zones worden ingedeeld: I. Het nagenoeg volledig ontgonnen, (noord)oostelijk gedeelte van het plateau, onder Bertem, Korbeek-Dijle, het oostelijk deel van Neerijse en het oostelijk deel van Leefdaal. AkkerM & L 18

complexen met veldindelingen die wijzen op typische dorpskouters, nemen het grootste gedeelte van de oppervlakte in. De bebossing blijft beperkt tot enkele dellen of tot de zeldzame plekken die vanuit landbouwkundig oogpunt marginaal zijn, meestal tertiairontsluitingen. Het Weebergbos vormt hierop een uitzondering. De ontginningen in deze zone hebben noch in het historisch archief, noch in de toponymie enig spoor achtergelaten. Rodetoponiemen, uitgezonderd het perifere Langerode te Neerijse, komen er niet voor en de bos-toponiemen hebben uitsluitend betrekking op nog bestaande bossen, bijvoorbeeld Struikenbos (Neerijse), Korbeekbos (Leefdaal), Overhoutveld (KorbeekDijle). Dit alles duidt er op dat de ontginningen in deze zone dateren van vóór de 'oorkondenperiode', de 11de of 12de eeuw. Voor Verbesselt staat het boven elke twijfel dat we hier te doen hebben met een van de oudste cultuurgebieden van Brabant dat, zeker wat Bertem en Neerijse betreft, rechtstreeks afstamt van een koninklijk fiscusdomein uit de Karolingische periode. De Ancien-Régime-bindingen van Bertem en Neerijse met de Franse abdij van Corbie en de eerder legendarische binding met 'founding father' Adelhard, worden hierbij respectievelijk als bewijs en als indicatie aangevoerd. Sint-Verone, een gehucht tussen Leefdaal en Bertem, vormt een bijkomende aanduiding van hoogbejaardheid. Tijdens het archeologisch onderzoek dat voorafging aan de restauratie (Mertens, 1954) van het Romaans kerkje werden Romeinse scherven opgedolven en werd onder en om het kerkje een (ditmaal letterlijk) antropogene horizont aangetroffen, namelijk een grafveld dat duidelijk ouder is dan de eerste stenen kerk die pas uit het einde van de 9de of het begin van de 10de eeuw dateert. Op grond van deze en andere elementen besluit Verbesselt dat Sint-Verone de moederparochie is geweest van de meeste Voerdorpen, in oorsprong een missiekerkje uit de 8ste of 7de eeuw. 2. In het tegen het Zoniënwoud aanleunende (zuid)westelijk plateaugedeelte tussen Leefdaal, Loonbeek, Huldenberg, Duisburg en Vossem, zijn de bos- en rode-toponiemen legio. De nu nog beboste oppervlakte is groot in vergelijking met de eerste zone (fig. 6 B). Een aantal belangrijke ontginningen kunnen aan de hand van archiefstukken gedateerd worden. Vanaf de 17de eeuw kan men met behulp van min of meer betrouwbare kaarten vrij nauwkeurig de fluctuaties van het bosareaal volgen. Dit betekent geenszins dat de nederzettingen in en rond deze zone van recentere datum zijn dan in Bertem, Leefdaal of Neerijse, maar dat hun primitief landbouwareaal veel beperkter was. De doortocht van minstens één erkende, interregionale Gallo-Romeinse weg, de 'Waalse Baan' tusen Namen en Elewijt (Mertens & Despy-Meyer, 1968), laat een vroege ontsluiting van het gebied vermoeden. Over de 'Brede Weg' die te Duisburg, haaks op de Waalse Baan, in de richting Leuven leidt langs de hoogste toppen van het plateau, bestaat minder duidelijkheid. Voor Verbesselt gaat het om een oude trekweg die alleszins een rol heeft gespeeld als 'diverticulum' in het Gallo-Romeinse wegennet. Het kwadraatpatroon in de blokindeling rond Duisburg-dorp (zie kaart vooraan artikel) benadert bovendien in hoge mate de standaardafmetingen van de Romeinse 'centuratio', vierkant met een zijde van 2400 voet (711 m) (Marien, 1980). Ten slotte is het bij Duisburg aansluitende gehucht Neerduisburg of Veeweide op de Ferrariskaart nog duidelijk te herkennen als een schoolvoorbeeld van een driesdorp (Vos, 1977), een nederzettingsvorm die doorgaans in verband wordt gebracht met de Frankische kolonisatieperiode. In deze tweede zone kan de vlekkentheorie tot op zekere hoogte getoetst worden aan de historische werkelijkheid. Op de 19de-eeuwse kadasterkaarten, bijvoorbeeld die van Popp of de


1970 [topogtaiiiche.

kaant MGI

Fig. 6: Het bosareaal op het plateau van Duisburg in 1770-1775 en in 1970; de toestand rond 1850 verschilt nauwelijks met die van 1770.

per gemeente opgemaakte reductions des plans cadaslraux (1847-1855), is het onderscheid tussen de veelal kleinschalige, primitieve dorpskouters en de grote blokpercelen van de bosontginningen uit de 12de-13de eeuw vrij duidelijk waarneembaar. Bij deze ontginningen speelden de abdijen, inzonderheid die van Park (Heverlee) en Affligem, een eersterangsrol. Reeds in de Stichtingsoorkonde van de abdij van Park uit 1129 wordt door hertog Godfried I een gedeelte van het Zoniënwoud te Vossem voor ontginning aan de nieuwbakken abdij overgedragen. Deze schenking wordt in 1240 gevolgd door een ander deel 'foresta de Songia', ditmaal in een aangrenzend gebied op Tervuren. Uit deze giften ontstond het Hof ter Munk. De grote percelen van de 'Cauter' en de 'Termunt Cauter' op de kadasterkaart van Popp (1860) laten toe deze ontginningen te situeren. Het contrast met de aanpalende, volgens Verbesselt oudere, ontginning '(T)Reuveld' e n met het kleinschalige, uit smalle stroken bestaande verkavelingspatroon van de oude dorpskouter tussen de Duisburgstraat en de Flosstraat, is opvallend. De Ter Munk-ontginning is symptomatisch voor de algemene economische heropleving in de 12de-13de eeuw en voor de daarmee gepaard gaande ontginningsgolf en de stichting van 'villae novae'. Langs de Brede Weg te Vossem komen nog ettelijke van dergelijke hofkoutercomplexen voor, doorgaans met een bos- of rode-toponiem (Krabberbos, Bui(de)lbos, Rot) of met een toponiem dat herinnert aan de ontginnende instantie, bijvoorbeeld de 'Kamerbergen', naar de abdij van Ter Kameren, 'Raffelberg', naar de abdij van Affligem. De centraal in het plateau gelegen hoeven behoren alle tot dit villa-novatype: het Hof ter Saart (van het Franse 'sart', rode), het Raffelberghof, het Hof ten Bos en het in 1650 reeds verdwenen Hof te Ganspoel. Eén dorpskern, Loonbeek, heeft vermoedelijk haar ontstaan aan een dergelijke ontginning te danken. In een oorkonde van 1177 wordt door de abdij van Corbie 50 bunder van het nemus quod jacet ultra Lunebeke voor ontginning aan haar voogd te Neerijse aangeboden.

Wanneer men aan de hand van kadasterkaarten en toponiemen deze ontginningen in kaart brengt — voor zover mogelijk — en vergelijkt met de verspreiding van de gevlekte textuur B leembodems op de bodemkaarten, stelt men vast dat minstens twee uitgestrekte ontginningsgebieden uit de 12de eeuw, met name de Ter Munkkouters te Vossem en de Tersaartkouter te Neerijse, niet binnen deze zone met gevlekte textuur B horizont vallen. De auteurs van de bodemkaarten achten het niet uitgesloten dat 'onder invloed van bewerking en van biologische homogenisatie (door wormen, mollen, muizen) de vlekken ten slotte stilaan zullen verdwijnen' (Baeyens, 1962) en uit het voorgaande is trouwens volop gebleken dat er nog andere factoren van homogenisatie werkzaam geweest zijn. Maar ook recente, precies dateerbare en aflijnbare ontginningen vertonen volgens de bodemkaarten evenmin een gevlekte textuur B horizont. Een vergelijking van de 17de-eeuwse figuratieve kaarten met die van Ferraris (1770-1775) toont aan dat de ontginningsgolf van de Oostenrijkse periode nagenoeg geen weerslag heeft gehad op de bossen van het plateau, evenmin als de massale ontginningen voor de suikerbietenteelt rond 1820, waardoor grote delen van het Zoniënwoud te Sint-Genesius-Rode en Waterloo voor de bijl gingen (Wauters, 1855). Het bosareaal van rond 1850 verschilt nauwelijks van het beeld op de Ferrariskaart. De algemene landbouwcrisis in de helft van de 19de eeuw zorgt echter voor een laatste, drastische reductie van het bosareaal. Blijkens de eerste stafkaart {Dépót de la Guerre, 1865) is drie vierde van het Tersaartbos in akkerland omgezet. Het 'Berkenbos' of 'Groen Plantsoen' ten oosten van Duisburg-Veeweide is, op 3 ha na, verdwenen. Van het Ganspoelen Kaneel- of Kaneetbos te Loonbeek blijven alleen nog de steilste hellingen en de tertiairontsluitingen bebost (fig. 6). Het is vooral deze zone die momenteel met serieuze erosieproblemen zit opgezadeld (cf. infra). Welnu, bijna geen enkele van deze tussen 1850 en 1865 ontboste leembodems heeft op de bodemkaarten een gevlekte textuur B horizont. De homogenisatie heeft hier dus — in termen van bodemvorming — bliksemsnel toegeslagen. 19M&L


M&L 20


Bodemvorming, geschiedenis en therapie Het door ons uitgevoerde onderzoek — een beperkt aantal boringen maar op strategisch uitgekozen plaatsen — bevestigt in weinige opzichten het beeld dat de officiële, gepubliceerde bodemkaarten van het plateau van Duisburg geven. Afgezien van de gevallen waarin zelfs de meest wezenlijke overeenkomsten zoek zijn (bijvoorbeeld zandige leem in plaats van een kleibodem), valt er van natuurlijke bodemprofielen, uitlogingsof aanrijkingshorizonten, weinig te bespeuren. Het enige element dat de door ons aangeboorde, op de kaarten met textuur B profielen bedachte, leembodems gemeen hebben, is dat het vaak om min of meer zandige leem gaat. Indien zich enige gelaagdheid in het profiel aftekent, dan duidt dit eerder op verstoringen — soms drastische vergravingen — dan op natuurlijke processen. Een verklaring voor deze merkwaardige discrepantie moet vermoedelijk niet alleen gezocht worden in het 'juk van de indeling', om het met Wim T. Schippers te zeggen, het feit dat de ontworpen etiketten niet altijd op de werkelijkheid passen. In het geval van de bodemkartering was er een toepasselijk etiket voorhanden: 'vergraven terreinen'; maar een kaartbeeld dat bijna geheel uit gerasterd grijs bestaat, zou minder aantrekkelijk geweest zijn. Er is reden om aan te nemen dat het bodemclassificatiesysteem, dat steunt op een bepaalde versie van de bodemvorming op leem, de karteerders serieus parten heeft gespeeld. Zelfs in gevallen waarin zij erkenden dat bepaalde bodems diepgaand verstoord werden, worden de profielen trouwhartig met morfogenetische kenmerken aangeduid. Het gebruik van de term 'paradigma' is hier dus niet overdreven. Niet alleen de algemene, stadsgewestelijke geschiedenis, maar ook de toponymie en de zeldzame gevallen waarbij vergravingen aan de hand van archiefmateriaal gelokaliseerd konden worden, wijzen er op dat de bodemgesteldheid in een landbouwgebied dat meer dan duizend jaar intensief voor allerlei doeleinden, ook als materiaalbron, werd gebruikt, niet meer als een natuurfenomeen kan worden benaderd. Het morfogenetisch classificatiesysteem van de bodemkaarten is voor een dergelijk gebied ongeveer even relevant als voor de Marollenwijk in Brussel. De bodemgesteldheid kan er alleen maar beschreven en begrepen worden wanneer het bodemfysisch onderzoek gepaard gaat met een gedetailleerd historisch onderzoek. Geldt deze vaststelling alleen maar voor het plateau van Duisburg? De vraag naar de betrouwbaarheid van de gepubliceerde bodemkaarten reikt verder dan het vooruitzicht van een soort van wetenschappelijke zelfbevrediging. Eerder werd er reeds op gewezen dat deze kaarten voor uiteenlopende doeleinden werden gebruikt (bijvoorbeeld produktiewaarde, geschiktheid voor alles en nog wat, situering van waterzieke gronden) of mogelijk gebruikt zullen worden (bijvoorbeeld als referentiepunt bij erosieonderzoek). Indien de betrouwbaarheidstoets ook voor andere gebieden dan het plateau van Duisburg negatief uitvalt, dan dreigen bepaalde projecten zoals bijvoorbeeld het in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu - uitgevoerde onderzoek naar de gebieden met 'wateroverlast' ('waterziek' is nu taboe) te vervallen tot pure (en dure) bezigheidstherapie. Bij dit onderzoek, uitgevoerd op het Proefstation voor Landbouw te Merelbeke, worden de gronden met wateroverlast ingeschat bij middel van computergestuurde oppervlaktebepalingen van de diverse bodemtypen per draineringsklasse in de landbouwgebieden volgens het gewestplan. Het project is reeds ver gevorderd: de provincies Oost- en West-Vlaanderen werden afgewerkt en voor VeurneAmbacht werd al een deel gepubliceerd. Hierbij dient opgemerkt dat de draineringstoestand van een bodem een zeer labiel gegeven is. 21 M & L


Un travail pélagique In deze termen omschrijft archeoloog Louis Galesloot in 1880 het geheel van vijvers en holle wegen in het centraal gedeelte van het Brabants plateau, voor hem onbetwistbaar het werk „des premiers occupants du sol, de ceux qui Ie déblayèrent et que s'y fixèrent", volgens hem de Kelten. Met dit lijvige essay herroept hij niet alleen een vroeger geponeerde stelling dat de holle wegen louter natuurlijke erosiefenomenen zouden zijn, maar levert hij tevens een bescheiden bijdrage tot de geopolitieke rechtvaardiging van de regionale machtsverdeling in het België dat toen zijn 'cinquantenaire' vierde. De concentratie van holle wegen en vijvers is opvallend groot in het Brusselse, dus: ..Ne pourrait-on pas conjecturer avec quelque fondement que Bruxelles, dans ['origine, a été Ie siège de quelque puissant tribu, qui aura exercé son autorité sur la contrée circonvoisine? Ce serait-ld une sorte d'embryon de géographie politique". De Poelstraat of Steenpoelstraat, een circa 800 m lange en tot 18 m diepe holle weg in de omgeving van Sint-Verone te Leefdaal (situering op de kaart in het begin van dit artikel), is volgens Galesloot een van de interessantste landelijke wegen van Brabant; de beschrijving ervan geeft aanleiding tot lyrische vergelijkingen en tot de slotvraag: „Quelle main de fée a tracé tout cela...?" De discussie over het ontstaan van holle wegen kan alleen bij een concrete geval-per-gevalbenadering tot concrete antwoorden leiden. Op grond van hun topografische ligging kan men de holle wegen op het plateau van Duisburg — circa 24 km in het totaal — indelen in twee typen: 1. holle wegen die min of meer consequent in de 'thalweg' van een colluviale depressie lopen, die deze uitdiepen of er de bovenloop van vormen. Deze wegen zijn vaak kronkelig, met vertakte boveneinden. Een typevoorbeeld hiervan is de Ruwaalstraat en haar vertakkingen te Korbeek-Dijle; 2. holle wegen die zich van hoogtelijnen of thalwegen weinig aantrekken. Zij hebben dikwijls een rechtlijnig verloop. De Poelstraat bij Sint-Verone behoort duidelijk tot de tweede categorie, waarvan mag worden aangenomen dat hun ontstaan en uitdieping primair een gevolg zijn van menselijke activiteit, zonder daarom een beroep te doen op Keltisch ingenieurswerk. Loess heeft nu eenmaal de neiging om in steile wanden te blijven staan wanneer een geul wordt ingesneden of een pad wordt uitgelopen (Zonneveld, 1981). Waar de holle wegen gevormd zijn in het doorgaans meer aan 'slumping' onderhevig tertiair materiaal (vooral wanneer het glauconiethoudend is), zal de stabiliteit vaak verzekerd worden door zandsteen- of ijzerzandsteenbanken. Holle wegen in tertiair materiaal worden vooral aan de zuidrand van het plateau aangetroffen. Het tracé en de spectaculaire diepte van de Poelstraat krijgen, historish-landschappelijk gezien, een bijzondere betekenis in het licht van Verbesselts hypothese met betrekking tot het primitief moederparochieschap van Sint-Verone. Verbesselt (z.d.) stelt namelijk vast dat de weg van Korbeek-Dijle naar Sint-Verone, waarvan de Poelstraat een deel is, 'oorspronkelijk' belangrijker was dan de wegen naar de dorpskernen van Leefdaal en Bertem. Samen met de evenwijdig lopende Blokkenstraat (situering op de kaart aan het begin van dit artikel) vormt de Sint-Veroneweg/Poelstraat het stramien waarop de grote veldenindeling gebouwd is. Deze situatie is voor Verbesselt een litteken van het belang van Sint-Verone in het nederzettingspatroon ten tijde van de Vadsige Koningen. Het bodemgebruik in grote lijnen Het hier behandelde deel van het plateau van Duisburg heeft een oppervlakte van circa 3000 ha. Hiervan ligt ongeveer 100 M&L22

ha in bebouwde zones, hoofdzakelijk de woonkernen van Duisburg. Bos, in de ruimste zin van het woord, beslaat zowat 231 ha of 7,7% van de totale oppervlakte. Deze bosjes zijn zelden groter dan 5 hectare. Uitzonderingen zijn het Weebergbos te Leefdaal (44 ha), het Korbeekbos te Leefdaal (16,5 ha), het Nieuwenhovebos te Huldenberg (24 ha), de overblijfselen van het Kaneetbos te Loonbeek (27 ha) en van het Tersaartbos te Neerijse (22 ha). Van het Struikenbos te Langerode-Neerijse (16,50 ha) werd sinds 1970 de helft omgezet in riante villapercelen. De meeste bosjes en plantsoenen liggen op tertiair-ontsluitingen. Het Weebergbos vormt hierop een uitzondering die in hoofdzaak toe te schrijven is aan historische toevalligheden. De 24 km holle wegen, waarvan de taluds meestal een struweelof bosvegetatie herbergen, en de 46 km bermen en graften, deels grazig, deels onder struweel, nemen ruw geschat 50 ha in beslag. De resterende oppervlakte, 87% van het totaal, is landbouwgrond, in hoofdzaak akkerland. Heeft een dergelijk gebied biologisch of ecologisch iets te betekenen? De oekazen van de oekologie In het najaar 1985 werd na een lange en moeizame zwangerschap maar onder bijna algemene blijdschap de 'Biologische Waarderingskaart van België' ter wereld gebracht. Althans een beperkt aantal kaartbladen, waaronder kaartblad 32 waarop het plateau van Duisburg wordt weergegeven. Alhoewel in het kader van deze bijdrage niet kan worden ingegaan op de vooronderstellingen, wetenschappelijke, methodologische en milieustrategische uitgangspunten, contradicties en controverses die aan dit (type van) document ten grondslag liggen, is het voor een goed begrip van de 'biologische waarde' van een leemplateau als dat van Duisburg noodzakelijk om op een aantal punten de aandacht te vestigen. De Biologische Waarderingskaart werd — en wordt nog steeds — opgemaakt ten behoeve van het natuurbehoud, zijnde „het streven naar het behoud van de genetische en biologische diversiteit en het behoud van ecologische processen, met inbegrip van een verantwoorde exploitatie van ecosystemen en organismen" (De Blust et al., 1985). Deze arbeid werd bovendien verricht „in het kader van het ruimtelijk beleid", niet in het minst — zoals uit tekst en context blijkt — van het ambitieuze maar vooralsnog in melige conceptnota's verzande Structuurplan Vlaanderen. De Biologische Waarderingskaart wil in eerste instantie een inventariskaart zijn die voornamelijk vegetaties in beeld brengt. 'Fauna-elementen' worden in principe aanvaard. Zij kunnen in de vorm van arceringen tot het kaartbeeld en verbaal tot de Bijzondere Verklarende Teksten doordringen, maar er wordt erkend dat er niet zoveel over geweten is. Broedende weidevogels en overwinterende watervogels genieten de facto een bevoorrechte status. Vegetatie in kaart brengen is ook niet gemakkelijk, want de karteringseenheden zijn nogal aan de abstracte kant, de vegetatie-elementen durven soms kleiner zijn dan 25 are en voor België is er helaas nog geen vegetatiebijbel a la Westhoff voorhanden. De Biologische Waarderingskaart is — anders dan de naamgeving laat vermoeden — pas in tweede instantie een waarderingskaart. De maatstaven zijn: de zeldzaamheid, de biologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en de vervangbaarheid van de karteringseenheid. Dit rigide, synecologische standpunt wordt via het kwaliteitscriterium doorbroken want de biologische kwaliteit is een dekmantel voor oude bekenden: diversiteit, zeldzaamheid. In de Algemene Verklarende Tekst (De Blust et al., 1985) worden met een naar het pathetische zwemende openhartig-


heid de binnenkamersdiscussies rond en het gesjoemel met open afwaarderingen uit de doeken gedaan. Langs een reeks van naar cognitieve dissonantiereductie tenderende, concretiserende transformaties, waarbij soortenrijkdom, rariteiten en de best professional judgements ais katalysator optreden, wordt ten slotte per afgelijnd gebied een globaal eindwaarderingscijfer bereikt, uitgedrukt in de sacrosancte drieëenheid: biologisch zeer waardevol, biologisch waardevol, geringere biologische waarde. De term 'openbaring' is hier niet overdreven. Zoals het Volk van Israël op de Sinaï wel niet compleet verrast zal zijn geweest door de Tien Geboden, biedt ook de 'biologische waarde' van het plateau van Duisburg, zoals vastgelegd op kaartblad 32, weinig verrassingen. Troosteloos wit (geringere biologische waarde) kenmerkt ruim 90% van het plateau, want dat zijn akkers op leem (BI) en derhalve biologisch niet veel soeps. Aan dofgroene tinten (zeer waardevol) herkent men de bosjes, wanneer zij tenminste niet al te opzichtig hun 'exoten' etaleren en/ of al te schraperig met hun kruidlaag omspringen, want dat wordt genadeloos afgestraft met fletsgroen (waardevol sec). Het grafisch contrast met de bodemkaarten is ronduit schrijnend. De logica die gevolgd werd bij de keuring van de meer lineaire landschapselementen, holle wegen en graften, is moeilijker te achterhalen. De Verklarende Tekst bij het kaartblad 32 stelt dat enkel holle wegen 'met een goed ontwikkelde vegetatie' in kaart werden gebracht (Janssen et al., 1985). Men onderscheidt vijf vegetatietypen in de holle wegen. Deze worden herkend aan de hand van soorten die plantensociologisch nu niet zo direct met graden van ontwikkeling in verband kunnen worden gebracht. Een vegetatietype (met wilgesoorten, witte abeel, gewone vlier, ruwe berk, bramen en puntjespuntjes) wordt a priori als weinig ontwikkeld en dus als minder interessant aangezien en louter grazige begroeiingen moeten voor een eervolle vermelding ook al heel flink hun best doen met veel en interessante soorten en zo. De Poelstraat bij Sint-Verone wordt als "biologisch zeer waardevol' gebrandmerkt, maar is die nu echt zoveel beter dan de minder diepe doch minstens even soortenrijke holle wegen in het Keerveld te Neerijse of de groeiplaatsen van naaldvaren in de holle gedeelten van de Hertsweg te Vossem? Op enkele uitzonderingen na zijn de graften er niet in geslaagd tot het kaartbeeld, laat staan de hoogwaardige tinten, door te dringen. De Algemene Verklarende Tekst (De Blust et al., 1985) waarschuwt nadrukkelijk voor de risico's die verbonden zijn aan ongenuanceerd, eigengereid gebruik van Biologische Waarderingskaarten. Het magische vergrootglas van de promotiefolders is niet voor iedereen weggelegd. Zelfs studiebureaus wordt aangeraden bij het doorgronden van de kaarten een beroep te doen op de betrokken karteringscentra en op bijkomend ecologisch onderzoek. Dat deze waarschuwing bepaald ernstig moet worden genomen, moge blijken uit volgend voorbeeld. Blind vertrouwen in de Waarderingskaart, die in de omgeving van de Ganzemansstraat te Neerijse probleemloos 'akkers op leem' (BI) voorspelt, kan op het terrein bekocht worden met een tot 30 m diepe val in een circa 10 ha grote zandgroeve. De voorspelling dat „bij nazicht en gebruik (...) er ongetwijfeld onnauwkeurigheden, onduidelijkheden, onvolledigheden of fouten (zullen) gevonden worden" (De Blust et al., 1985) wordt in onderhavig geval pijnlijk bewaarheid. Dit en een hele reeks andere details, die betrekking hebben op de situering en de aflijning van min of meer recente ingrepen of vormen van bodemgebruik, doen vermoeden dat grote delen van de Biologische Waarderingskaart betreffende dit gebied werden ingekleurd via een deels creatieve, deels op dogma's steunende interpretatie van verouderde militaire topografische kaarten.

die van 1970. Waarom toch geen gebruik gemaakt van of gewacht op meer recente uitgaven, bijvoorbeeld die van 1982? Maar het gaat hier niet om details. Het verdict omtrent het Brabants leemplateau als geheel is ondubbelzinnig: „Het leemplateau is een grootschalig cultuurlandschap en is bijgevolg biologisch weinig interessant" (Janssen et al., 1985). Het woord 'bijgevolg' staat voor het apodictische van deze uitspraak. Is tegen dit vonnis beroep mogelijk? De soms verticale neigingen van de horizontale relaties De geestelijke ouders van de Biologische Waarderingskaart van België waren zich wel degelijk bewust van het feit dat door het waarderen van elke karteringseenheid afzonderlijk „een belangrijke landschapsecologische dimensie verloren ging" (De Blust et al., 1985), dat de horizontale relaties die de grondslag vormen van elk ecosysteem — hoe ook gedefinieerd — in dit soort van waarderingskaarten volkomen genegeerd worden. Dit was trouwens een van de kernpunten in de controverse rond milieuwaarderingen en -karteringen die in de jaren zeventig de Lage Landen teisterde, en een van de hoofdredenen waarom de Biologische Waarderingskaart van België als een anachronistisch unicum mag worden bestempeld. Deze overpeinzing had echter niet tot gevolg dat het project werd opgegeven, wel dat alleen de naam werd veranderd: 'biologische' in plaats van 'ecologische' waarderingskaart. Want ondanks deze fundamentele conceptfout, zien de auteurs hun kaarten toch nog altijd als nuttig; voor de ruimtelijke planning op diverse niveaus, voor de lokalisatie en afbakening van de ruimtelijke claims van de 'sector' natuurbehoud. De kaart geeft geen rechtstreekse aanduiding van de draagkracht en geschiktheid van gebieden, zo wordt toegegeven, maar voor ervaren vegetatiekundigen of landschapsecologen vormt zij het koffiedik waaruit tot op zekere hoogte betrouwbare prognoses kunnen worden gedistilleerd (De Blust et al., 1985). Het plateau van Duisburg levert echter een frappant voorbeeld, waaruit blijkt dat dit optimisme niet helemaal gewettigd is. Bij de aanvang van dit artikel werd aangestipt dat het Brusseliaan een ongemeen belangrijke waterhoudende formatie is. Het insijpelend water voedt niet alleen een groot aantal drinkwaterwinningen, maar ook de talrijke brongebieden en kwelzones in de aangrenzende valleien. De geologische structuur van een 'biologisch weinig interessant' gebied is aldus in hoge mate bepalend voor de 'biologisch meest waardevolle' valleigronden van de Dijle, de Use en de Voer, en wordt - evengoed als het Dijlealluvium — de rechtstreekse drager van 'interessante' biotische feiten. Deze aquifer is niet onkwetsbaar. De kwetsbaarheid neemt toe naarmate de dikte van de onverzadigde zone kleiner wordt, omdat de tijd die de polluenten nodig hebben om de watertafel te bereiken korter en de concentratie waarmee zij dit doen groter wordt. Tevens zal de verspreiding van een vervuiling groter zijn, als zij zich voordoet in zones waar de aquifer hoofdzakelijk gevoed wordt. De huidige kennis van het Brusseliaan laat vooralsnog geen precieze situeringen en afbakeningen toe, maar algemeen kan worden gesteld dat de interfluvia zoals het noordoostelijk plateaugedeelte, tot de kritische gebieden mogen worden gerekend (Van Hasselt, 1985). Het biologisch belang van het plateau van Duisburg krijgt hierdoor een totaal andere dimensie, tenzij men hardnekkig vasthoudt aan de opvatting dat bijvoorbeeld een dunne darm biologisch belangrijker kan zijn dan een dikke darm, alleen op grond van de diversiteit en zeldzaamheid van de darmflora en -fauna. De meest radicale aantasting van een aquifer is hem gewoon weg te graven. Het biologisch belang van de Dij Ie vallei zou er 23M&L


Biologische aspecten van de erosie. Het afsterven van de wortelgestellen van olmen in 1981-1982, gevolgd door de vorst-dooiwerking van een paar strenge winters, heeft een groot aantal spectaculaire afglijdingen en instortingen van holle wegtaluds tot gevolg gehad zoals hier in de Poelstraat in Leefdaal (foto D. Stemgée)

in dat geval geheel anders uitzien. De bijna 50 ha grote concessie die momenteel, in overeenstemming met het gewestelijk bestemmingsplan, aan de Ganzemansstraat te Neerijse wordt uitgebaat, is gelukkig de enige in het hier besproken gebied, maar aan de randen van het plateau komen verscheidene, meer bescheiden, oude zandwinningskuilen voor. En als men de actieve en geplande ontginningsgebieden in de onmiddellijke omgeving in aanmerking neemt, komt men tot een vrij aanzienlijke oppervlakte. De gewestplannen geven slechts een partieel beeld, want de grote groeve bij het Margijsbos te Neerijse bijvoorbeeld komt op dit plan niet voor. De gewestplannen geven wel aanduidingen over de nabestemming van deze ontginningsgebieden, maar niet over de wijze waarop die verwezenlijkt moeten worden. Ten slotte wordt er evenmin een antwoord gegeven op de vraag wat er zal gebeuren wanneer de bestaande concessies niet meer volstaan om de behoeften of de vraag te dekken. Vanuit 'biologisch' standpunt is er tegen een verdere afgraving geen bezwaar. Zolang er niet aan de biologisch waardevolle of zeer waardevolle perceeltjes getornd wordt. De nieuwe terreintopografie zal hun waarde ten andere des te beter doen uitkomen. Of hebben we hier te maken met een niet-deskundige interpretatie? Als men zich nu verplaatst in het denkkader van de Biologische Waarderingskaart en het plateau van Duisburg bemonstert met dezelfde criteria — blijkens de Algemene Verklarende Tekst M&L24

steunde de waardering in de praktijk voornamelijk op soortenrijkdom en zeldzame soorten — komt men dan ook tot vergelijkbare conclusies? Is een dergelijk gebied biologisch zo minderwaardig? Begrip voor onze pioniers Eigen onderzoek, beperkt tot de flora en een dertigtal wandelingen in de periode 1980-1985, leidde tot volgende vaststellingen: Op een onderzochte oppervlakte van 2922 ha konden wij 'in het wild', dit wil zeggen: los van bebouwing, erven, sier- of moestuinen of akkerteelten, in het totaal 461 plantesoorten — of juister gezegd — taxa van vaatplanten optekenen. Het gaat doorgaans om soorten, soms om ondersoorten of variëteiten en in enkele (onder meer Rubus) noodgedwongen om genera. 45 van deze taxa komen niet voor in de Standaardlijst van de Belgische Vaatplanten (Stieperaere & Fransen, 1982) omdat zij niet beantwoorden aan de daarin gehanteerde definitie van 'inheemse' soort. Naast de bekende produktiebomen — Canadapopulier, Corsicaanse den. Fijnspar,... — omvat deze groep zeldzame adventieven zoals Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) of adventieven die min of meer typisch zijn voor grootstedelijke milieus, bijvoorbeeld Vlinderstruik (Buddleja davidii).


De vallei van de Nellebeek vormt het enige echte alluvium binnen het onderzochte gebied. Zij herbergt een aantal (23) soorten die op het plateau of in de colluviale valleien niet werden gevonden, onder meer Karwijselie (Selinum carvifolium), Dotterbloem (Caltha palustris), Moerasstreepzaad (Crepis paludosa), Reuzenpaardestaart (Equisetum telmateia). Zelfs wanneer men al de 'exoten' en de typisch alluviale planten in mindering brengt, dan blijft nog dat ruim 1/4 (27,12%) van de 'Inheems' geachte flora op het plateau vertegenwoordigd is.

De reeds gedane vaststelling dat ruim één vierde van de 'inheemse' flora op het plateau vertegenwoordigd is, krijgt meer reliëf als men de representativiteitskwestie versmalt tot het Brabants district, floristisch afgebakend op basis van de Flora van De Langhe et al. (1983) en de plantenatlas (Van Rompaey & Delvosalle, 1979). Het aantal op het plateau van Duisburg gevonden plantesoorten bedraagt bijna de helft (44%) van het totaal aantal soorten die in het Brabants district zouden voorkomen (fig. 7).

De soortendiversiteit is het grootst in die zones waarin de voornaamste bossen (Struikenbos, Weebergbos, Tersaartbos, Kaneetbos) en/of de steilranden van de Dijlevallei, de Nellebeek en de grote colluviale valleien (Vloedgroebe, Ruwaal) gelegen zijn. In enkele gevallen loopt het soortenaantal op tot meer dan 200/km2. Dit hoeft niet te verwonderen: de meer gevarieerde bodemgesteldheid, onder meer de tertiairontsluitingen op de steilranden, en het gevarieerde, kleinschaligere bodemgebruik hebben daar vermoedelijk iets mee te maken.

Het aantal pioniersoorten, planten die samengaan met een of andere vorm van 'verstoring' (cf. de hoofdgroepen 1 en 2 in de Standaardlijst van de Belgische Vaatplanten, Stieperaere & Fransen, 1982), bedraagt meer dan één derde van de voor België tot deze groepen gerekende soorten.

Wel verrassend is dat zelfs in de meest monotone, bijna uitsluitend uit akkers bestaande en van holle wegen of graf ten gespeende zones nog altijd tenminste 120 soorten per km2 werden genoteerd. Dit stemt tot nadenken over de veronderstelde biologische armoede van grootschalige landbouwgebieden en, tevens, over de selectiviteit en de rol van de toevalligheidsfactor bij veldwaarnemingen, kortom: de exactheid en de volledigheid van dit soort onderzoeken en inventarissen. De indruk was: hoe langer men zoekt, hoe meer men vindt. De snelheid waarmee een onderzoek wordt verricht kan uiteraard geen maatstaf zijn voor de biologische waarde van het onderzochte. Een vergelijking met de soortendiversiteit in andere gebieden — een van de pijlers waarop de afweging van 'biologische waarden' zou kunnen berusten — is daarom gewaagd, want dit veronderstelt dat de referentiegebieden met dezelfde intensiteit en grondigheid werden geïnventariseerd. Wanneer men het plateau van Duisburg zou vergelijken met bijvoorbeeld de aanpalende gedeelten van de Dijlevallei op grond van bestaande publikaties (o.m. Claes & Deneef, 1982), dan valt dit ten nadele uit van de 'biologisch zeer waardevolle' Dijlevallei, althans wat de diversiteit van de vaatplantenflora betreft. Even precair zijn uitspraken of vergelijkingen in verband met zeldzaamheid. Dit veronderstelt namelijk dat er voldoende gekend is wat waar groeit, en auteurs met betrekking tot het flora-onderzoek in België (o.m. Boon, 1981) zijn het er over eens dat de lacunes nog groot zijn en dat bij de absolute waarden van de tellingen met een brede foutenmarge moet worden gerekend. Bovendien geldt zeldzaamheid ten opzichte van een bepaald gebied, dat noodgedwongen min of meer arbitrair wordt afgebakend, bijvoorbeeld het grondgebied België en Noord- tegenover Zuid-België in de Standaardlijst van de 'Belgische' Vaatplanten (Stieperaere & Fransen, 1982). De zeldzaamheidsaanduidingen in de Standaardlijst, gebaseerd op de frequentie van voorkomen in de uurhokken van de Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora (Van Rompaey & Delvosalle, 1979) en weergegeven in rekenkundige en pseudo-logaritmische frequentieklassen, zijn dus erg relatief. Omdat we het niet kunnen laten, willen we toch wel de opvallendste rariteiten opnoemen: Groot springzaad (Impatiens noli-tangere), Spiesleeuwebek (Kickxia elatine), Graslathyrus (Lathyrus nissolia), Spiegelklokje (Legousia speculum-veneris). Dubbelkelk (Picris echioides). Naaldvaren (Polystichum aculeatum), Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Getande veldsla (Valerianella dentata), Tengere vetmuur (Sagina apetala subsp. erecta). Witte munt (Mentha suaveolens). Grote en Kleine teunisbloem (Oenothera erythrosepala, O. parviflora). Het merendeel van de opgesomde soorten hoort thuis in pioniersvegetaties, akkeronkruidvegetaties, 'gestoorde' milieus.

Wat is het 'biologisch belang' van dergelijke pioniersvegetaties. Waarom zijn bijvoorbeeld 'planten van heiden, venen, schaallanden en kalkmoerassen' (hoofdgroep 7) meer geliefd? Het diversiteitscriterium kan — met bij de 400 soorten in België waarvan 150 op het plateau van Duisburg — nauwelijks worden ingeroepen, evenmin als het zeldzaamheidscriterium. De geringe kwetsbaarheid of de vervangbaarheid van de 'karteringseenheden' die zij vormen? Het gejammer over De Korenbloem en De Bloemrijke Akkers van Weleer heeft wellicht duidelijk gemaakt dat ook pioniers hun gevoeligheid hebben. Wat betekenen akkeronkruidgemeenschappen 'biologisch' of 'ecologisch' gezien; of in de termen van de biologische waarderingskarteerders (De Blust et al., 1985): wat is hun reservoirfunctie, hun laboratoriumfunctie, hun regulerende, economi-

5 =5 i<

n

« ee -^ -^ >

!-. O cc t^

ï

>: Q

ta.

(-, % ^ -<: oe

s Ü

*«J

«a

m m

cCC

— f«

i N

<r

oo «vi

s s ^ =c 5 Q S

"^ W X

i!i!i!iiiiii

Wï

r-~

(J ^3

Q

e> f»

s

:

^ c 3

i T

^

11

k- alle viitplantentaxi

w

C5

p r-^e Q f<5

c 2

^ CC

cc

Ml 11

B- illcen pioniersoorten

Fig. 7: Representativiteit van de 'inheemse' vaatplantenflora van het plateau van Duisburg. t.o.v. de vaatplantenflora van het Brabants district en van België (in aantallen)

25 M & L WÊÊÊÊÊÊM


sche, socio-culturele functie? Wat betekent bio- en ecologisch hun verdwijnen in een bepaalde plantengeografische context? Dit brengt ons tot de kern van de hele waarderingsconstructie, waarin voedselarmoe, afwezigheid van verstoring, zachte grenzen ('limes divergens'), stabiliteit en regelmaat welig tieren, met aan de (vooralsnog onbevlekte) horizon een wetenschappelijk kadaver: de diversiteit/stabiliteithypothese. Tussen kanker en woestijn

Bij de paragraaf over de ontginningsgeschiedenis van het plateau, meer bepaald de laatste belangrijke bosrooiingen in de periode 1850-1865 waarbij de westelijke helft van het Tersaartbos en belangrijke oppervlakten van de bossen tussen Duisburg en Loonbeek (Ganspoelbos, Kaneetbos) voor de bijl gingen (fig. 6), werd terloops reeds opgemerkt dat momenteel vooral in deze zone ernstige erosieproblemen zich voordoen. Toen in het voorjaar 1985 het bodemerosieprobleem de (Vlaamse) media en dus de actualiteit haalde, werd door menigen de vraag gesteld: „Is Vlaanderen nu inderdaad op weg om een 'woestijn' te worden? Dramatiseren de 'geleerden' de toestand niet om aan meer onderzoeksfondsen te geraken? Is bodemerosie nu eenmaal geen natuurlijk verschijnsel dat men moet aanvaarden?" De formulering van deze nog niet zo gekke veronderstelling is niet van ons, maar van Prof. De Ploey, internationaal erkend erosie-expert en een van de voornaamste gangmakers van de mediacampagne. De term 'verwoestijning' was gevallen en een impliciete verwijzing naar de dramatische ontwikkelingen in bepaalde delen van Afrika lag voor de hand.

In een voor een ruim publiek bestemde publikatie verdedigt De Ploey (1986) zich uitvoerig tegen imaginaire of reële verwijten van paniekzaaierij. De lange-termijngevolgen van de bodemerosie in onze contreien worden getoetst aan de gangbare definities van woestijn, en De Ploey besluit dat de versnelde aanvreting van de loessleemmantels, de toenemende verstuiving op zandakkers en de effecten hiervan op hydrologie en microklimaat mettertijd miljoenen hectare akkergrond in noordwestelijk Europa tot woestijncondities zullen leiden, zij het dan een natte variante. Herhaaldelijk wordt benadrukt dat het gaat om een onomkeerbaar proces, een onherstelbare aantasting van een belangrijke natuurlijke hulpbron. Een op basis van literatuurgegevens, rapporten en terreinervaring opgestelde kaart van Noordwest-Europa geeft een idee van de omvang van het probleem. De directe en indirecte schadeposten van de erosie worden op ruim 1 miljard Bfr. per jaar geschat. Zowel in landbouwmiddens (H. Gulinck, 1985a & 1985b) als op wetgevend vlak was enige beroering merkbaar. Op 10 juni 1986 werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel 'betreffende de bestrijding van de bodemdegradatie' ingediend (Van Durme et al., 1986). In het kader van dit artikel is het om diverse redenen noodzakelijk bij de erosieproblematiek te blijven stilstaan. Vooreerst omdat vooral in de loessleemstreek de toestand kritiek wordt geacht. Het studiegebied bij uitstek, de proefvelden van De Ploey en zijn laboratorium voor experimentele geomorfologie, ligt trouwens op het plateau van Duisburg, in de reeds genoemde zone rond Ganspoel. Een groot deel van de vaststellingen en studieresultaten hebben specifiek betrekking op de daar waargenomen situaties. Ten tweede is het belangrijk na te gaan hoe

De Dijlevallei gezien vanop het Langerodeveld te Neerijse. Het insijpelend water op de 'biologisch weinig waardevolle' leemplateaus rond de vallei ligt aan de oorsprong van de algemeen veronderstelde grote biologische waarde van die vallei (foto R. Deneef, 1985)

.<,.

• v^W'

M&L26


de diagnose in gezaghebbende wetenschappelijke kringen wordt gesteld, welke elementen daarbij betrokken worden. Het probleem heeft vele vertakkingen, zowel in oorzaken als in gevolgen, en niemand zal betwisten dat een erosiebestrijdingsprogramma alles met landschapszorg te maken heeft. De kankermetafoor De Ploey (1986) gaat ervan uit dat bodemerosie vergelijkbaar is met een ziekte en „elke ziekte wordt principieel geanalyseerd in termen die behoren tot het domein van de fysiologie, de biochemie of de moleculaire biologie". Zelfs louter medisch gezien lijkt een dergelijk standpunt hoogst betwistbaar en achterhaald, evengoed als men mag stellen dat een diagnose omtrent erosieverschijnselen die uitsluitend gesteld wordt in „een taal die fundamenteel natuurkundig, fysico-chemisch of biologisch is" aan belangrijke componenten van de problematiek voorbijgaat, zeker wanneer men peilt naar diepere oorzaken. In tegenstelling tot andere auteurs (Blaikie, 1985; Huber, 1986), wordt het belang van sociaal-economische randvoorwaarden en ontwikkelingen door De Ploey uitsluitend erkend bij het uitwerken van een strategie van erosiebestrijding. Als het inderdaad zo is dat bijvoorbeeld onzeker eigendomsrecht, lage prijzen voor landbouwprodukten en hoge interesten, mede bevorderlijk kunnen zijn voor diverse vormen van bodemdegradatie (Dudal, 1985), dan horen dergelijke elementen ook integraal thuis in de diagnose. De stelling van De Ploey is onhoudbaar en in talloze andere passages van het genoemde boek wordt ze consequent verloochend, onder meer bij de bespreking van het survey- en karteringswerk, waar gesteld wordt dat een evenwichtige diagnose pas mogelijk is als men beschikt over „een geheel van natuurwetenschappelijke, agronomische, historische en sociaal-economische gegevens", of waar hij terloops laat uitschijnen dat bodemerosie iets te maken heeft met „het hele systeem dat erop gericht is quasi-onvoorwaardelijk maximale meeropbrengsten te realizeren". La Route des Professeurs Een grondige analyse van de sociaal-economische determinanten van de erosieproblematiek ligt buiten het bestek van deze bijdrage. Toch willen we, steunend op de officiële statistieken (samengevat in Schreurs, 1986) en op enkele eigen waarnemingen en veronderstellingen, wijzen op feiten die laten vermoeden dat bodemerosie niet los kan worden gezien van de algemene marginalizering van de landbouw en de precaire situatie van de landbouwers in een bepaald gebied. Een dergelijke situatie kan een gebrek aan verzorging van de bodem en ook meer uitgesproken vormen van roofbouw, zoals het wegploegen van graften en bermen in de hand werken. Men zou er kunnen van uitgaan dat, eenmaal ten westen van Leuven en met de Brusselse voorsteden aan de einder, ook de landbouwgronden worden opgenomen in de algemene opwaartse vaart der grondprijzen. Uit de ervaring blijkt immers dat de meer lucratieve gebruiksvormen die zich in de omgeving van een grootstad aandienen, niet volledig worden afgegrendeld door de bestemmingen en de 'planologische voorschriften' van het gewestplan. Wanneer het gaat om een zogenaamd grondgebonden bedrijf blijft het nog altijd mogelijk om in de landbouwzone te bouwen, en niets garandeert dat de bouwprojecten die de laatste jaren op het plateau onder die noemer werden verwezenlijkt mettertijd niet voor andere doeleinden zullen worden gebruikt. Deze hypothese — hoe dichter bij Brussel hoe duurder de landbouwgrond — wordt echter niet eenduidig bevestigd door het statistisch materiaal zoals het door Schreurs

(1986) werd verwerkt en in kaart gebracht. Het prijzenniveau in Huldenberg (inclusief Neerijse en Loonbeek) en in Bertem (inclusief Leefdaal en Korbeek-Dijle) was in 1983-1984 vergelijkbaar met de andere leemstreekgemeenten. Daartegenover staat dat het aandeel van de in pacht uitgebate landbouwgronden beduidend hoger is; over de pachtprijzen hebben we geen gegevens. De marginaliteitshypothese wordt echter wèl ondersteund door andere potentiële indicatoren. De vermindering van het landbouwareaal was in de periode 1977-1983 beduidender dan in de andere leemstreekgemeenten. Hetzelfde geldt voor de leeftijdsopbouw van de landbouwberoepsbevolking en voor de zogenaamde generatiedruk binnen de bedrijven. Het relatieve aandeel van de 50-plus bedrijfsleiders die ouder zijn dan 50 jaar en van de bedrijfsleiders zonder opvolgers, is er ook merkelijk groter. De ruimtelijke situatie van de bedrijfszetels draagt over het algemeen weinig bij tot een comfortabele bedrijfsvoering. Op Korbeek-Dijle na zijn de meeste dorpen in en om het plateau geëvolueerd tot residentiële, semi-urbane woongebieden. Tenslotte dient nog gewezen te worden op het marginaliserend effect van grote infrastructuurwerken en -projecten, niet in het minst de sluimerende projecten. Zo heeft de Route des Professeurs, een geplande verbinding tussen Leuven en de nieuwe vestiging van de Franstalige medische faculteit te Sint-Lambrechts-Woluwe, tot in de helft van de jaren zeventig, lang na de aanleg van de autosnelweg Brussel-Luik (E 40), als een zwaard van Damocles boven het plateau gehangen. Het tracé, dat nog steeds wordt weergegeven op een toeristische kaart van de provincie Brabant uitgegeven in 1982 (Geocart), zou het plateau voor een groot gedeelte doorkruisen. De formele zekerheid dat dit project niet zal worden uitgevoerd, bestaat trouwens nog niet. Alleen maar bodemfysica? Het reeds aangehaalde boek van De Ploey (1986) bevat de neerslag van jaren onderzoek, van een hele reeks thesissen, ook doctoraten. Bij deze onderzoeken — een combinatie van laboratoriumwerk (voornamelijk bij middel van een regensimulator) en veldwaarnemingen — speelde een proefveld van 1 ha te Ganspoel-Huldenberg een niet onbelangrijke rol. In overeenstemming met de reeds aangehaalde diagnose-opvatting, werd hierbij alle aandacht toegespitst op de fysische, fysicochemische en — in veel mindere mate — biologische componenten. De diverse erosieagenten, -mechanismen en -verschijnselen worden overzichtelijk en systematisch besproken. Veel van wat ook niet-ingewijde waarnemers vermoeden wordt wetenschappelijk bevestigd, zo mogelijk gekwantificeerd en in indexen of mathematische modellen vastgelegd. Dat het met kwantificering en modelbouw niet altijd van een leien dakje loopt, blijkt onder meer uit Verhaegen (1984) die, op zoek naar een betrouwbare erosiegevoeligheidsindex, vaststelt dat de Universal Soil Loss Equation van Wischmeier en Meyer alles behalve universeel toepasbaar is, dat bodem en klimaat daarvoor een te complex systeem vormen. Het boek van De Ploey bevat echter ook minder evidente vaststellingen, bij de bevinding dat geulerosie op steile hellingen meestal aanvangt op zeer korte afstand van de bovenrand van het perceel en dat bijgevolg de hellingsgraad doorslaggevender is dan de hellingslengte, een belangrijk feit bij het beoordelen van erosiebestrijdingsprojecten waarin strokenbouw wordt overwogen. Ook niet zo voor de hand liggend is de ambivalente rol van de gewasbedekking op akkers, die in bepaalde omstan27M&L


Uil de kluiten gewassen tractorsporen te Leefdaal. Tractorsporen vormen vaak de aanzet tot intensieve geulerosie (foto R. Deneef, 1986)

digheden kunnen bijdragen tot de concentratie van de neerslag in grote druppels of 'stemflow', of de turbulentie en de erosiviteit van het afstromend water verhoogt. De bodemfauna speelt evenmin een eenduidige rol: enerzijds bevordert zij een goede, kruimelige bodemstructuur, anderzijds kan zij los, erodeerbaar materiaal naar boven woelen en ook 'pijperosie' veroorzaken, volgens De Ploey een sterk onderschat fenomeen dat een belangrijke rol speelt bij de ondermijning van holle wegen, graften en bermen.

Zware medicamenten

Men kan zich afvragen of het gebrek aan belangstelling voor biologische en (landschaps)ecologische aspecten, bewust of onbewust, het oordeel van De Ploey (1986) over bepaalde erosiebestrijdingsconcepten heeft beïnvloed.

Het biologisch luik van het erosiegebeuren wordt overigens vrij rudimentair behandeld. Over de rol van bijvoorbeeld de diverse golven van iepeziekte in de aftakeling van lineaire landschapselementen en de toename van de erosiegevoeligheid van de leemplateaus, wordt met geen woord gerept. Het afsterven van wortelgestellen in 1981-1982, gevolgd door de vorst-dooiwerking van een paar strenge winters, heeft een aantal spectaculaire afglijdingen en instortingen van holle wegtaluds tot gevolg gehad, onder meer in de Poelstraat te Leefdaal, waar in 1980 nog oude, ogenschijnlijk onaangetaste olmen voorkwamen.

Zo verwacht hij weinig heil van het hergebruik, het herstel of de aanleg van lineaire landschapselementen, niet alleen omdat hij een terugkeer naar de „half gesloten tot gesloten landschappen van de voorbije eeuwen" om landbouwkundige en economische redenen onwaarschijnlijk acht, maar ook omdat hij maar half overtuigd is van hun bodemconserverend effect. Niet iedereen denkt daar zo over (Gulinck, 1985c). Een dergelijke uitspraak is mijns inziens slechts verdedigbaar als men de door vervuiling, gebrek aan onderhoud, overpopulatie en iepeziekte geteisterde holle wegtaluds en graften die wij nu kennen als norm neemt, als men de huidige conjunctuur inzake brandstofvoorziening en de prijzenpolitiek met betrekking tot landbouwprodukten als onveranderlijke gegevenheden beschouwt.

Typisch voor het belang van landschappelijke of zelfs historische elementen in het erosiegebeuren, is de nagenoeg 2 km lange, forse erosiegeul in de Mosdelle te Leefdaal. Ondanks het ploegen tekent deze geul zich jaar na jaar opnieuw af, diagonaal door de veldenindeling. Op de topografische kaart van 1970 wordt voor het tracé ervan nog een pad aangeduid. In een artikel over de 'perceelsecologie' van Bertem merkt Lorent (1981) op dat de veel voorkomende diagonale doorsnijdingen van kavels een gevolg zijn van de grondversnippering en de slechte bereikbaarheid van vele percelen. Dit voorbeeld echter laat vermoeden dat meer fundamentele, landschapsecologische oorzaken niet uitgesloten zijn.

Opvallend in de voorstellen met betrekking tot bodembescherming en de erosiebestrijding is dat de onder 'Erosiemechanismen' geëtaleerde kennis nog slechts heel sporadisch aan bod komt. Dit is niet noodzakelijk een tekort; het is best mogelijk dat kennis omtrent de morfologische basisprocessen pas relevant wordt bij het uitwerken of evalueren van concrete projecten. Als De Ploey echter belooft „te komen tot vrij scherp afgelijnde uitspraken die rekening houden met de complexiteit van het landbouwbedrijf als fysisch, technisch en sociaal-economisch gegeven", impliceert dit wèl dat hij zich ver buiten het eigenlijke terrein van de bodemwetenschapper of de fysischgeograaf waagt. De diverse oplossingen — de auteur gebruikt

M&L28


^^H>m::'

-^% „ JV-»^**- 'U*'^'•5«S

• " ' ' ^ E ^ ^

^-^^S^; ':'y-'

••'"•-»">«.•»

. ^

—

•

^P, '^t*-

Het belang van (verdwenen) landschapselementen in de erosie. Ondanks de grondbewerking verschijnt jaar na jaar deze imposante erosiegeul in de Mosdelle te Leefdaal. Op de stafkaart van 1970 wordt voor het tracé van deze geul nog een pad aangegeven (foto R. Deneef, 1985)

herhaaldelijk het woord 'medicamentatie' — neologisme of slip of the pen? — worden inderdaad vooral op hun (sociaal)economische haalbaarheid getoetst.

herstel van landschapselementen — zelfs al „roepen ze nostaligische herinneringen op aan de Middeleeuwen" — niet noodzakelijk als onrealistisch moet worden weggewuifd.

Erosiebestrijdingsprogramma's dienen volgens De Ploey (1986) aan volgende eisen of criteria te beantwoorden: 1. de voorgestelde oplossingen moeten voor de betrokken landbouwers aanvaardbaar zijn. Concreet betekent dit dat zij uitvoerbaar moeten zijn „zonder belangrijke beheersmatige of structurele veranderingen of ingrepen in de betrokken landbouwbedrijven";

In verband hiermee te brengen, wordt een idee geopperd die op het eerste gezicht nogal evident lijkt, maar zelden kan worden uitgesproken zonder in officiële landbouwmiddens gefronste wenkbrauwen op te roepen: „Aan de subsidiëring van graanoverschotten besteedde en besteedt de (Europese) Gemeenschap per jaar ongeveer 100 miljard frank of ongeveer 4.500,-fr. per hectare graan! Indien nu bodemconservatie in de kritische gebieden slechts zou mogelijk zijn mits een beperkte produktievermindering dan zou dit meteen ook betekenen dat men langs die weg kan komen tot een vermindering van de overtollige graanproduktie. Meteen zouden EG-fondsen kunnen vrijkomen om de bodemconservatie mogelijk te maken". Een voorstel dat ook voor uitbreiding vatbaar is en waarbij tevens de eerste premisse (eerbied voor structurele gegevenheden) enigszins op de helling komt. Het hoeft geen betoog dat daarbij zal worden gesleuteld aan het „systeem dat erop gericht is quasi-onvoorwaardelijk maximale meeropbrengsten te realiseren" en dat wijzigingen hieraan onvermijdelijk een diepgaande weerslag zullen hebben op de beheersmatige en structurele kenmerken van de individuele bedrijven.

2. de kosten, eventueel het inkomensverlies ten gevolge van opbrengstdaling, mogen niet alleen door de landbouwers gedragen worden. Bodembescherming is een collectieve aangelegenheid. Hiermee schaart De Ploey zich achter het in 1981 door de FAO gepubliceerde 'World Soil Charter'; 3. bodemerosie is een ernstige, wijdvertakte kwaal en vergt ook een navenante aanpak: 'Zware kwalen vragen zware medicamenten'. Dit neemt niet weg dat alle baten zoals bijvoorbeeld kleine verbeteringen in de grondbewerking, kunnen helpen. Hoezeer wij intuïtief de idee van een collectieve verantwoordelijkheid voor ons 'bodemkapitaal' ook onderschrijven, er wordt geen explicitering van de ethische grondslag van een dergelijk uitgangspunt gegeven. Het heeft echter logisch tot gevolg dat de eerste premisse moet worden uitgebreid: de voorgestelde oplossingen moeten niet alleen voor de landbouwers maar voor de hele gemeenschap aanvaardbaar zijn. Concreet betekent dit dan dat ook andere dan landbouw- of economisch-utilitaire overwegingen relevant kunnen worden. Dat bijvoorbeeld de terugkeer naar een enigszins kleinschaliger landschap via het

Wat nu precies de door De Ploey aanbevolen 'zware medicamentatie' inhoudt komt niet scherp afgelijnd uit de verf. Dat zogenaamde contourbewerking (akkerbewerking evenwijdig met de hoogtelijnen) alleen maar soelaas biedt op niet al te steile hellingen, was ons reeds eerder bekend. De omschakeling van erosiegevoelige gronden naar weiland wordt zowel om economisch-politieke (melkoverschotten) als om bedrijfseconomische redenen verworpen. Dat herbebossing van kleine oppervlakten of strooksgewijs niet altijd doelmatig is, konden we 29M&L


Het Sint-Veroneveld in Leef daal. Contourbewerking (grondbewerking min of meer evenwijdig met de hoogtelijnen) is niet altijd doeltreffend bij de bestrijding van erosie, soms zelfs niet op geringe hellingen. In de laagste delen van de voren vormen zich wachtbekkens, die bij doorbraak aanleiding geven tot het ontslaan van forse geulen (foto R. Deneef, 1985)

«ZiSèidm <!*&

&

.—iv

zelf meermaals op het terrein vaststellen. Zoals reeds gezegd worden de mogelijkheden van holle wegen, graften en diverse vormen van terrassering, waarbij al of niet gebruik wordt gemaakt van residuele landschapselementen, door de auteur eerder minimaal geacht, ons inziens niet helemaal terecht. De aanleg van protectieve grazige of braakliggende stroken op steile hellingen vindt evenmin genade, omdat uit het onderzoek van de erosiemechanismen is gebleken dat de hellingsgraad belangrijker is dan de hellingslengte. De zoektocht spitst zich ten slotte toe op twee technieken: 1. structuurverbetering van de bodem, waardoor de aggregaatstabiliteit wordt verhoogd; dit wordt voornamelijk bereikt door kalkverzorging, voldoende drainage en toevoer van organisch materiaal; 2. de in de USA ontwikkelde praktijk van minimale {conservation tillage) of zero-grondbewerking (no-tillage fanning). Het paardemiddelkarakter ontgaat ons echter, tenzij men de bij een veralgemeende toepassing van minimale grondbewerking noodzakelijke reconversie van machinepark en mentaliteit als systeemdoorbrekend beschouwt. Bodemerosie en wateroverlast De ambtenarenwerkgroep die binnen de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu (A.R.O.L.) medio 1984 werd opgericht met het oog op het uitwerken van een beleidsvisie omtrent de waterbeheersing in het Dijlebekken ten zuiden van Leuven, heeft twee substantiële aspecten van de problematiek voor zich uit geschoven: M&L30

1. Het probleem van de waterkwaliteit, 'grensoverschrijdend' want de belangrijkste vervuilingsbronnen liggen in Wallonië; 2. het erosie- en sedimentatieprobleem, dat in hoge mate bepalend is voor de waterbergingscapaciteit van een stroombekken. De inplanting en dimensionering van wachtbekkens en andere bergingsfaciliteiten zal pas met enige trefzekerheid kunnen vastgesteld worden als men inzicht heeft in het sedimentatiegedrag van de betrokken waterlopen. De meerderheid van de werkgroep stelde haar hoop in de uitwerking van een mathematisch sedimentatiemodel. De vraag is echter niet alleen of het wetenschappelijk haalbaar is voor een dergelijk beperkt gebied een model met enige prognosewaarde op te stellen, maar ook of het sedimentatie- en daarmee het hele waterbeheersingsvraagstuk zinvol kan worden bestudeerd, als men abstractie maakt van de evolutie op de leemplateaus, de herkomst van de sedimenten. De gegrondheid van deze overweging moge blijken uit het hierna volgend fotopaar, genomen in de vloedgracht tussen Ganspoel en Loonbeek voor en na een wolkbreuk in juni 1986.

Dankwoord De auteurs achten zich schatplichtig aan volgende personen en instellingen: het Instituut voor Floristiek van België en Luxemburg te Meise, het Departement geografie-geologie van de K.U.Leuven, in het bijzonder de bibliothecaresse, en Paul Van den Bremt van het B.M.L.-Gent.


Bibliografie — Alaerts, M. (1977). Proeven van antropogene geomorfologie. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Baeyens, L. (1962). Bodemkaart van België: Kaartblad 103W Duisburg & Verklarende tekst bij het kaartblad. Gent, Centrum voor Bodemkartering. — Baeyens, L. & Dudal, R. (1959). Bodemkaart van België: Kaartblad 89W Erps-Kwerps & Verklarende tekst bij het kaartblad. Gent, Centrum voor Bodemkartering. — Blaikie, P. (1985). The political economy of soit erosion in developing countries. New York, Longman. — Boon, W. (1981). Enkele kwantitatieve gegevens over de tweede editie van de Atlas van de Belgische en de Luxemburgse flora. Dumortiera 19-20, 13-21. — Claes, W. & Deneef, R. (1982). De Dijlevallei ten zuiden van Leuven, tussen de E5-autosnelweg en de taalgrens. R.M.L.Z.-Documentatiemap Landschapsonderzoek nr. 6, 3-34. — De Bethune, P. (1939). Sur Ie réseau hydrographique de la Moyenne-Belgique. Buil. Société Beige de Geologie 49, 41-50 en 137-148. — De Bisschop, W. (1981). Reliëf ontwikkeling op het Brusseliaan ten noorden van Waver. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — De Blust, G., Froment, A., Kuyken, E., Nef, L. & Verheyen, R. (1985). Biologische Waarderingskaart van België: algemene verklarende tekst. Brussel, Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie, Coördinatiecentrum Biologische Waarderingskaart. — De Kempeneer, J. (1967). De oude pastorie van Neerijse. Mededelingen Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving. 7 (1), 40-46. — De Langhe, J.E., Delvosalle, L., Duvigneaud, J., Lambinon, J. & Vanden Berghen, C. (1983). Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten). Meise, Nationale Plantentuin van België. — De Pape, L. (1665). Typographieboeck TA van de Abdij van Park. F.225. Heverlee, Archief van de Abdij van Park. — De Ploey, J. (1977). Some experimental data on slopewash and wind action with reference to quaternary morphogenesis in Belgium. Earth Surface Processes 2, 101-115. — De Ploey, J. (1986). Bodemerosie in de Lage Landen - Een Europees milieuprobleem. Leuven, Uitgeverij Acco. — Dudal, R. (1985). Bodemerosie in wereldperspectief. 9 pp. in: Bodemerosie: oorzaken, gevolgen en mogelijke oplossingen. Studiedag K.V.I.V., Sint-Truiden, 16 oktober 1985. — Galesloot, L. (1880). Essai sur Vorigine, l'ancienneté et Ie nivellement de nos chemins ruraux et sur leur contemporanéité avec nos grand étangs. Bull. Commissions Royales d'Art et d'Archéologie 19, 257-375. — Gilles, M. & Lorent, J. (1966). Debiet en lading van de Dijle. Acta Geographica Lovaniensia 4, 48-56. — Goossens, D. (1980). Een onderzoek naar de sedimentologie en het verband loessdikte - reliëf van Weichseliaanloess ten S. W. van Leuven. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Gulinck, H. (1985a). Landbouw, bodembescherming en landschapszorg. Landbouwtijdschrift 38(1), 37-47. — Gulinck, H. (1985b). Erosie in de leemstreek noopt tot maatregelen. De Boer 91(9), 25. — Gulinck, H. (1985c). De invloed van landschapselementen. 2 pp. in: Bodemerosie: oorzaken, gevolgen en mogelijke oplossingen. Studiedag K.V.I.V., Sint-Truiden, 16 oktober 1985. — Gullentops, F. (1957). L'évolution du reliëf depuis la dernière glaciation. Buil. Société Beige d'Etudes Géographiques 26(1), 71-87. — Huber, T.P. (1986). Anthropic erosion: an example of the holistic approach. Journal of Environmental Systems 15(3), 269-279. — Janssen, M., Lejeune, M., Bruynseels, G. & Vanhecke, L. (1985). Biologische waarderingskaart van België: kaartblad 32 & Verklarende tekst bij hel kaartblad. Brussel, Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin. Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie, Coördinatiecentrum Biologische Waarderingskaart. — Juvigne, E. (1976). Contribution a la connaissance de la stratigraphie du Quaternaire par lude des minéraux denses transparents entre lifel

et Ie Massif Central francais et plus particulièrement en Belgique. Université de Liège, these de doctorat en sciences géographiques. — Lemaire, R.M., Genicot, L.F., Van Aerschot, S., De Crombrugghe, A., Sansen, H. & Vanhove, J. (1971). Bouwen door de eeuwen heen - Inventaris van het Cultuurbezit in Vlaanderen. Architectuur 1: provincie Brabant, arrondissement Leuven. Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur. — Lorent, J. (1981). Perceelsecologische aspecten van de gemeente Bertem. Jaarbulletin 1981 van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud, p. 43-53. — Marien, M.E. (1980). Belgica antiqua - De stempel van Rome. Antwerpen, Mercatorfonds. — Mertens, J. (1954). Leefdaal. Opgravingen in de Sint-Verone kapel. Buil. Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen V, 143175. — Mertens, J. & Despy-Meyer, A., (1968). La Belgique a l'époque romaine (Cartes archéologiques de la Belgique 1-2). Bruxelles, Service National des Fouiiles. — Mourlon, M. (1893). Carte géologique de la Belgique: no 89 (ErbsQuerbs - Louvain) & no 103 (Duysbourg - Hamme-Mille). Commission Géologique de Belgique. — Pissart, A. (1976). Les dépóts et la morphologic périglaciaires de la Belgique. pp. 115-135 in: A. Pissart (réd.), Géomorphologie de la Belgique - Hommage au Professeur Paul Macar. Université de Liège, Lab. Geologie et Geographic Physique. — Scheys, G. (1971). Systematische en regionale bodemkunde. K.U.Leuven, Landbouwinstituut, Cursus 1971-1972. — Schreurs, V. (1986). Een plattelandsatlas voor Vlaanderen. Leuven, Stichting Plattelandsbehoud v.z.w. — Stieperaere, H. & Fransen, K. (1982). Standaardlijst van de Belgische Vaatplanten met aanduiding van hun zeldzaamheid en socio-ecologische groep. Dumortiera 22, 1-41. — Tijs, R. (1985). De voorschriften voor het indienen van bouwplannen te Leuven van de 15de tot de 18de eeuw. pp. 81-82 in: Architectuurtekeningen uit de historische steden van België. Antwerpen, Jordaenshuis. — Van Buyten, L. (1975). Groei en stagnatie van de stad Leuven (ca. 890 - ca. 1750), pp. 17-26 in: Leuven, een stad die groeit (tentoonstellingscatalogus). Leuven, Stedelijk Museum. — Van Durme, W., Duras, J. & Dierickx, L. (1986). Wetsvoorstel betreffende de bestrijding van de bodemdegradatie. Brussel, Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1985-1986, 10 juni 1986, 501 (19851986)N.l. — Van Even, E. (1895). Louvain dans Ie passé et dans Ie présent. Louvain, A. Fonteyn. — Van Hasselt, B. (1985). Hydrogeologische studie van het Brusseliana in het noordelijk Dijlebekken. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Van Nuffel, S. (1966). Studie der droge dalen in het Brusseliaan. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Van Rompaey, E. & Delvosalle, L. (1979). Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora - Pteridofyten en spermatofyten (2de editie). Meise, Nationale Plantentuin van België. — Verbesselt, J. (z.d.). Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw — Delen XV en XVI. Koninklijke Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant. — Verhaegen, T. (1984). Labo-experimenten en terreinwaarnemingen in verband met de erosiegevoeligheid van lemige bodems. K.U.Leuven. Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven doctoraal proefschrift. — Vos, C. (1977). De driesen in het arrondissement Leuven. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Voskuil, J.J. (1979). Van vlechtwerk tot baksteen: geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland. Arnhem, Stichting Historisch Boerderij-onderzoek. — Vyncke, W. (1967). Het sedimentatiemilieu van het Brusseliaan ten zuiden van Leuven. K.U.Leuven, Faculteit Wetenschappen, onuitgegeven licentiaatsthesis. — Wauters, A. (1855). Histoire des environs de Bruxelles ou description historique des localités qui formaient autrefois l'ammanie de cette ville. Livre dixième. Bruxelles, Editions Culture et Civilisation. — Zonneveld, J.l.S. (1981). Vormen in het landschap - Hoofdlijnen van de geomorfologie (Aula paperback 58). Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum.

31 M&L


EEN OPLOSSING VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tienjarige waarborg EXHYDRO : REMAPLAST : REMAS EXHYDRO inj

REMAL

waterbestendige steenbescherming door wtcb getest speciale produkten voor waterdichtheid Droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injektie-diffusie onder lage druk (brevet Mabi) chemische gevelreiniging

"%

REMAFIX :

steenverharder

REPOX :

Epoxy-harsen voor alle restauratiewerken

GLAZUR:

doorschijnend gekleurde bescherming voor beton en alle minerale ondergronden

IMLAR«xpc

kleurloze natuursteen bescherming tegen chemische pollutie

RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 22 11 - 513 70 20 tlx. : Renoma B - 23921

PVBA


MlliNNiiiiK

Inhoud nr. 30 / Bijlage bij M&L 6/3 - Mei-Juni 1987 Literatuur 2 B.M.L.-activiteiten 3 Wet- en regelgeving 6 Restauratie 6 Beschermingen 8 K.C.M.L. 9 Buitenkrant 10 Tentoonstellingen 14


LITERATUUR Georges Charier, Herman Stynen, Marc Ryckaert, Jaak Rau, Brugge Herzien. M. Van de Wiele, 1986

BRUGGE HER-ZIEN

C«oi^n ChsurHcft HcnnanStjinin, Maiv Rytkacn, j.uk R.iu

Een boek maken over Brugge is een gewaagde onderneming: kan men over deze drukst bezochte toeristische trekpleister van ons land nog schrijven zonder in clichés te vervallen? De titel laat evenwel vermoeden dat dit nu net doelbewust vermeden werd en "Brugge Herzien' is inderdaad niet geworden tot een zoveelste 'Brugge-boek', naar concept noch naar inhoud. Naar de vormgeving toe, bestaat dit boek uit drie grote delen, waarvan het middelste foto-gedeelte bedoeld is als louter kijkboek tussen twee tekstgedeelten in. In het eerste deel 'Brugge: een stad is vele steden' behandelt Herman Stynen het beeld van Brugge, het gezicht, het uitzicht, de wijze waarop deze stad zich voordoet. Meer bepaald peilt de auteur naar de mechanismen die in de loop der geschiedenis tot dit beeld hebben geleid. Hierbij wordt de mythe van de perfect bewaarde middeleeuwse stad, die drommen toeristen zich inbeelden te bezoeken, deerlijk ontrafeld. Veel van het Brugse beeld blijkt nauwkeurig opgebouwd te zijn in recentere tijden, en met succes geëxploiteerd te worden. De toon van deze bijdrage tendeert eerder naar mineur, wat culmineert in de geformuleerde kritiek die deze tekst afrondt; kritiek op een aantal zeer recent genomen beslissingen in de stad Brugge die de auteur niet rijmen kan met haar geroemde reputatie van modelstad voor de monumentenzorg. Met een lakoniek 'Het openluchtmuseum is permanent geopend' wordt dit eerste deel afgesloten.

M&L-Binnenkrant

(Terloops nog dit: de lektuur van deze bijdrage bracht mij het grapje in herinnering van het zoontje dat met een prentkaart van Brugge in de hand vraagt „of het in Brugge dan allemaal gevels met trapjes zijn", waarop vader antwoordt: „niet allemaal, maar dat komt nog"). Het kijkgedeelte van beeldkunstenaar Georges Charlier bevat stuk voor stuk meesterlijke foto's. De fotografie van Charlier is onwezenlijk mooi. De pogingen om ook hier clichés te vermijden — niet makkelijk in een decorum als Brugge — zijn geslaagd. En dat niettegenstaande het feit dat bij de keuze van de onderwerpen zelfs de klassiekers niet werden geschuwd: zo komen beelden van het Begijnhof en de Bonifatiusbrug voor, maar zij verrassen toch nog door het ongewone van het gezichtspunt dat de voorgrond bepaalt en door de subtiele weergave van licht en materiaaltextuur. Verder worden vele onbekende en originele aspecten van de Brugse binnenstad getoond: de insoliete alledaagsheid van zowel een moestuin als het interieur van de gewone man; de zogenaamd 'ontsierde' industriële gebouwen; achterkanten met bijgebouwen en bergingen die van overal konden zijn, als er niet die onmiskenbare toren op de achtergrond was. In 'Brugge in de geschiedenis: een tijdtafel' heeft Mare Ryckaert aan de hand van chronologisch geschikte data de geschiedenis van Brugge op een originele en bevattelijke wijze overzien. Ruime aandacht wordt besteed aan de topografische ontwikkeling en de stedebouwkundige en architecturale aspecten van de stad. Voor de periode na 1800 wordt dit gezichtsveld verbreed en wordt het omgaan met de bestaande stad in ruime zin in beschouwing genomen. Aldus vormt deze tijdtafel een raamwerk voor het begrijpen van de stad zoals zij zich thans voordoet. Vermeldenswaard zijn de illustraties in de beide tekstgedeelten, die telkens verrassen door hun originaliteit en authenticiteit. Een gedeelte van het historisch iconografisch materiaal komt uit de verzameling van Jaak Rau, reeds bij het publiek bekend door zijn fotoboeken over Brugge. 'Brugge Herzien' verschaft inzicht in de mechanismen die van Brugge dé kunsten museumstad van ons land hebben gemaakt en in de manier waarop dit centrum van artistiek toerisme tot stand is gekomen. Dit leidt niet enkel tot een beter begrijpen van het Brugse stadsbeeld: via het fenomeen Brugge immers worden de beweegredenen duidelijk van de restauratie-gedachte in het algemeen. Aldus is 'Brugge Herzien' meer dan een origineel Brugge-boek.

De uitgave van dit kwaliteitsvolle boek kwam tot stand op initiatief van de uitgeverij Van de Wiele en telt 144 blz. Het boek van formaat 31,5 bij 24,5 cm telt meer dan 100 illustraties, bijna alle in vierkleurendruk. Prijs: 1.595,-fr. Miek Goossens

Marianne Ström, Metro-kunst in de Metro-polen, Brussel, 1986

De Generale Bank organiseerde van 12 februari tot 10 april 1987, in haar kantoor aan d e Ravensteinstraat 29 in Brussel, een overzichtelijke tentoonstelling Metro-kunst in de Metro-polen. Negenentwintig metropolen die over een metronet beschikken (Londen reeds sinds 1863, Rijsel pas sinds 1983) werden er vergeleken op welomlijnde onderdelen, de toegang, de toegangsbewijzen, de gewelven, de zuilen, de lichtinval, het meubilair, het logo, de kunst.... Te dezer gelegenheid werd een gelijknamige catalogus gepubliceerd waarin veel meer informatie wordt verschaft dan dat d e tentoonstelling kon bevatten. De opbouw valt uiteen in vijf hoofdbrokken: d e voorstelling en identificatie, de ondergrondse architectuur, d e ondergrondse kunst, het ondergrondse meubilair, het ondergrondse sociale leven. Tentoonstelling en catalogus verrassen de kijker omwille van de schoonheid van architecturale details en kunst in deze wereld onder de grond maar ook omdat dingen naar voren gehaald worden waar de metrogebruiker niet eerder bij stil is blijven staan.


B.M.L.-ACTIVITEITEN Renovatie en herbestemming van watermolens, waterkrachtcentrales en waterturbines. Verslag van een studiereis (oktober 1986) in de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het cultureel akkoord. Meer en meer komen oude watermolens in de belangstelling. Enerzijds worden ze in het kader van monumentenzorg systematisch geïnventariseerd, op hun industrieel-archeologische waarde geëvalueerd en eventueel ook wettelijk beschermd. Anderzijds heeft het energiebewustzijn van de laatste 15 jaar geleid naar bewondering voor deze watermotoren die mede aan de basis liggen van wat J. Gimpel de 'middeleeuwse industriële revolutie' (1) noemt. Hoewel er reeds in het Romeinse verleden voorbeelden zijn van molens die wel voor 80.000 personen meel konden voorzien (2), leidt de introductie van de krukas in de 10de eeuw na Christus pas naar een uitgebreide reeks van industriële toepassingen van waterkracht. De krukas, een Chinese uitvinding, reeds in 290 voor Christus gekend, laat toe de ronddraaiende beweging van het waterrad om te zetten in op- en neergaande bewegingen van stampers, hamers, blaasbalgen... . Volmolens (zeker gekend in 1086), schorsmolens (1138), ijzermolens (1197) en papiermolens (1280), maakten deel uit van het middeleeuwse landschap (3). Zelfs toen in de 18de eeuw, met de ontwikkeling van de stoommachines ook warmte in kinetische energie omgezet kon worden was de rol van de watermotor verre van uitgespeeld. Zo vertegenwoordigt waterkracht een niet onaanzienlijke factor in de take-off van de 19de-eeuwse industriële revolutie. In landen als Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten gaan stoommachines ten andere slechts in de tweede helft van de 19de eeuw (1870-1880) een overwegende rol spelen (4). In België daarentegen bedraagt rond 1880 het aantal water-pk nog slechts 10% van het aantal stoom-pk. Gezien hun belangrijke rol als energieomvormers is het dus allerminst verwonderlijk dat in de 19de-eeuwse context de watermolens betrokken worden in de jacht op rendement. In dit verband moet even verwezen worden naar de ontwikkeling van de waterturbines. Waar het rendement van een traditoneel onderslagrad gemiddeld 25 a 30% bedraagt en dat van een bovenslagrad 50 a 60%, wordt bij de turbine het verhes beperkt tot slechts 20 a 30%. Wanneer men bedenkt dat modeme benzine- en dieselmotoren respectievelijk 25% en 30% nuttig renderen, kan men hier spreken van zeer efficiënte krachtbronnen. Het is dan ook niet verbazend dat na het 'Rapport van Rome' en met het stijgend

aantal ongelukken met kerncentrales (Windscale, Tschemobyl), meer en meer mensen en zelfs (armere) naties alternatieve energiebronnen zoeken te gebruiken, zij het dan in de marge. Deze vervangingsbronnen moeten dan wel aan enkele voorwaarden voldoen: — zij moeten hernieuwbaar zijn; — hun maatschappelijke kostprijs mag niet hoger oplopen dan bij de 'klassieke' energiebronnen; — hun pollutiecoëfficiënt moet lager liggen; — zij moeten ook als kleine inrichtingen technisch en financieel voldoende renderen; — de lokale vestigingsomstandigheden zoals topografie en klimaat moeten gunstig zijn. Uiteraard beantwoorden oude watermolens aan deze vereisten, in acht genomen dat hun stillegging meestal voortkomt uit een negatief kosten-batenprofiel. Dit geldt vooral voor graanmolens, die het belangrijkste aandeel van het watermolenpatrimonium vertegenwoordigen. De meeste watermolens werden dan ook onder druk van economische omstandigheden uit de markt gedrukt, zelfs als zij met hulpkrachtbronnen als diesel en elektromotoren werkten. Of zij nu stilliggen of nog als bedrijfje in werking zijn, watermolens worden beschermd als een kluif voor monumentenzorg: htm industrieel-archeologische waarde staat buiten kijf en zij zijn de materiële getuigen van een voorbijgestreefde fase in de technologische en socio-economische evolutie. Sommigen echter vinden dat watermolens wel nog een socio-economische rol kunnen spelen: het werken ermee kan immers zo georganiseerd worden dat de opbrengsten ten minste de instandhouding van gebouw en maalinrichting kunnen financieren. Met genoegen, en ook wel met enige spanning, kunnen wij verwijzen naar het vrij recente opduiken van enkele belangrijke initiatieven: de herinrichting van de 'Dijlemolens' te Leuven, van de 'Molen Van Doren' te Rotselaar, van de kartonfabriek 'Winderickx' te Beersel-Alsemberg, van de 'Dorpermolen' te Hasselt-Stevoort.... In deze gevallen wordt de toekomst bewust gepland met het oog op een nuttige 'herbronning' namelijk het opnieuw in werking stellen van waterraderen of turbines. Dit alles impliceert dat het Bestuur voor Monumenten en Landschappen geconfronteerd wordt met een problematiek die het zuiver historisch-architecturale kader overschrijdt. Dit is vooral het geval sinds de industrieel-archeologische waarde als mogelijke motivering voor de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten in het decreet van 3.3.1976 werd ingeschreven. Het incorporeren van rendementsgerichte en minder romantische functies vertegen-

woordigt een bijkomend aspect waarin BML moet kunnen adviseren. De bijkomende omstandigheid dat nu ook met turbine uitgeruste molens gerenoveerd worden, maakte het noodzakelijk uit te kijken naar buitenlandse ervaringen. Concreet gingen we de Westduitse restauratiepraktijk inzake watermolens bekijken en de samenwerkingsverbanden tussen overheden en particulieren. Een grootschalig voorbeeld: De 'Pfortmühle' te Hameln. In 1894 werd de Pfortmühle als industriële molen op de oever van de Weser, ongeveer ter hoogte van het stadscentrum, opgericht naar een ontwerp van architect Lingemann. Met 6 bouwlagen en 16 traveeën was het toen de grootste industriële maalderij in Duitsland. Middels een stuw konden zware turbines onder het gebouw de electro-generatoren aandrijven. Zo werden de maaltoestellen van goedkope elektriciteit voorzien. De molen viel in de jaren 1960 stil en werd leeggehaald; alleen de monumentale generatoren, zonder de turbines bleven behouden. De stad kocht het complex aan en maakte plannen om er een volkshogeschool, een conferentieruimte, een jazz-club, een bibliotheek en een galerie in onder te brengen. Ook de gratis aanwezige waterkracht wilde men weer te gelde maken. De uitvoering van de planning begon dan ook met de aanleg van een nieuwe inrichting bestaande uit een sluis, een modeme propellerturbine (type Kaplan) en een elektrogenerator van 500 kW/h, naast het molengebouw. Kostprijs: 9.000.000 DM (ongeveer 180.000.000 BF)- Met de opgewekte stroom worden thans verschillen openbare gebouwen, en na de restauratie ook de molen, van de nodige energie voorzien. De inrichting van het molengebouw zelf wordt geraamd op een supplementaire 180.000.000 BF. De redding van de Pfortmühle toont aan dat het mogelijk is grootschalige industriële complexen met historische waarde te redden. Hier wordt geïllustreerd hoe modeme technologie de redding van een stuk cultuurpatrimonium kan stimuleren mits een initiële financiële inspanning. De investering voor de 500 KW-groep wordt trouwens reeds na 9 jaar afgeschreven; maar er is bovendien ook het culturele saldo. Het behoud van de Pfortmühle betekent het behoud van een sterk beeldbepalend en verrassend element in een stad, een laatste materiële verwijzing naar de plaatselijke industriële revolutie. Een kleinschalig voorbeeld: de Wassermühle Nettetal te Wallenhorst-Rulle (Osnabrück). Toen Martin Laer de Ruller Mühle verwierf, had hij hiermee zeer concrete be-


doelingen: het malen van biologisch geteelde granen en het opwekken van elektriciteit hoofdzakelijk voor eigen gebruik. De woonruimte en een prachtige ligging kreeg hij er bij. De maalinstallatle van deze molen uit 1880 was nog vrijwel intact. De opwekkingsinrichting moest volledig worden ingebouwd. M. Laer zocht en assembleerde een aantal tweedehandse onderdelen, paste de reductieverhoudingen van d e overbrenging tussen waterrad en generator aan de snelheid van het waterrad aan, maar was toch verplicht zich een nieuwe automatische schakelkast aan te schaffen. Na harde onderhandelingen mocht hij tevens tegen een redelijk tarief stroomoverschotten leveren aan de elektriciteitsmaatschappij. De opgewekte elektriciteit (± 6 kilowatt-uur) wordt aangewend voor verlichting en verwarming van de molen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gelijkstroom en wisselstroom langs twee onderscheiden circuits die elkaar naargelang van de behoeften kunnen afwisselen. Hier kostte de inrichting 'slechts' 250.000 BF, maar dan wel dank zij veel zoekwerk naar onderdelen, en uitvoering van het werk in eigen beheer. Monumentenzorg Een dergelijke aanpak van watermolens vrijwaart niet enkel een aantal belangrijke gebouwen en objecten voor de toekomst, maar verzekert dat een hele technische know-how voor verdere inspiratie aan volgende generaties kan worden doorgegeven. Het is dan ook niet onnatuurlijk dat (slechts) in de Bondsstaten met een ontwikkeld, mod e m monumentenbeleid, het behoud van en het werken met industrieel erfgoed, in casu waterkrachtcentrales en watermolens vanuit culturele hoek wordt gestimuleerd. Inventarisering, rangschikking en betoelaging van herstellingswerken zijn er de concrete krachtlijnen van een beleid van bijvoorbeeld de overheid in Rheinland-Westfalen. Ook Vlaanderen wordt geregeld geconfronteerd met problemen inzake het behoud van waterraderen, turbines en daarop aangesloten werktuigen. De Duitse ervaringen terzake hebben ons gesterkt in onze opvatting dat een efficiënte instandhouding van industrieel erfgoed slechts mogelijk is wanneer ook mee gewerkt wordt op economische, educatieve of gemengde basis. Het werken met industrieel erfgoed, in casu waterkrachtmotoren, schept echter een aantal problemen waarvoor monumentenzorg op een zeer pragmatische wijze bij vaklui te rade moet gaan. Deze gewilde overlapping tussen monumentenzorg en verschillende technische vakgebieden werd tijdens deze reis voortdurend gerealiseerd. In de Westduitse context geldt algemeen dat de herstelling van watermolens als historisch object in bepaalde 'Lander' op relatief weinig steun kan re-

M&L-Binnenkrant

kenen, ook al zijn ze beschermd als monument. Als werkende objecten verlenen bepaalde 'Bondsstaten' naar Europese normen wel belangrijke subsidies, op voorwaarde dat de installaties heringericht worden met de bedoeling er bruikbare energie mee op te wekken. De toestand in Vlaanderen In Vlaanderen zijn ongeveer een 150-tal waardevolle watermolens overgebleven. Wij kunnen verwachten dat er binnen afzienbare tijd een 100-tal als monument beschermd zullen zijn. Deze vrij jonge beschermingscampagne kadert volledig in de groeiende belangstelling voor het watermolenpatrimonium bij het grote publiek. Méér en méér eigenaren zetten alle middelen in om hun molen in stand te houden, opnieuw in werking te stellen. Ze worden hierin gestimuleerd door het beschermingsbeleid van de Vlaamse overheid, een beleid dat niet enkel behoudend werkt, maar tevens een nieuwe inbreng mogelijk maakt. Zo heeft het Bestuur voor Monumenten en Landschappen steeds gunstig gereageerd op voorstellen om naast bestaande maalinrichtingen ook moderne toestellen — generatoren, of warmtepompen — de aanwezige waterkracht te laten gebruiken (in bepaalde gevallen ging het om de herinrichting van oude installaties). Onnodig te vermelden dat hier heel wat vragen van technische en zelfs van juridische aard kunnen ontstaan. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen tracht in samenspraak met andere besturen, technische scholen en bedrijven, op deze vragen een passend antwoord te vinden. In het licht hiervan zijn d e intensieve contacten met Westduitse firma's, eigenaren van watermolens en technici van waterkrachtcentrales uitermate vruchtbaar geweest. Energie-projecten komen vanuit de sector Monumentenzorg slechts voor subsidiëring in aanmerking in zoverre het de restauratie van als monument beschermde, historisch waardevolle inrichtingen betreft. Voor het inrichten van water- of windkrachtcentrales (max. 1 Megawatt) en in bepaalde gevallen van inrichtingen voor waimte-recuperatie kunnen gunstige fiscale faciliteiten bekomen worden. Inlichtingen terzake kan men bekomen bij het: Ministerie voor Economische Zaken Dienst voor Energiebehoud Generaal Lemanstraat 60 1040 Brussel & 02/330.90.43 J. De Schepper

Vakbeurs Restauratie in Zutphen In het Nederlandse Zutphen (provincie Gelderland) vond op 8 en 9 april 1987 voor de eerste maal de vakbeurs Res-

tauratie plaats op initiatief van de BV Beurswezen Zutphen. Deze beurs richt zich op het behoud en herstel van gebouwen, (natuurmonumenten, kunstwerken en archieven en gaf een overzicht van diverse facetten van restauratie- en conserveringstechnieken. Verschillende bedrijven presenteerden produkten en diensten op zeer gespecialiseerde terreinen als stoffering, beton, fotogrammetrie, bestratingen, plavuizen, ceramiek, hang- en sluitwerk, onderzoeken en adviezen inzake restauratie en conservering, archievenrestauratie, houtconservering, restauratie van schilderijen en muurschilderingen, hergebruik van bouwmaterialen, funderingstechnieken, ontzuring van papier, aardewerken, hydrofobeermiddelen, meubelrestauratie, lei- en natuursteen, aannemingsbedrijven. Voorts presenteerden zich een aantal overheids en semi-overheidsinstanties: onder meer de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, het Instituut Opleiding Restauratoren van het Ministerie van W.V.C., het Centraal Laboratorium. Ook privé-vereningen gaven 'acte de presence': de Vereniging van Archiefrestaurateurs, het International Institute for Conservation of Historic and Artistic Work, de Stichting Vakgroep Restauratie, de Stichting Monumentenwacht, het Nationaal Restauratiefonds. De Nederlander is duidelijk meer gesensibiliseerd voor de monumentenzorg dan de modale Vlaming. Dat blijkt uit het feit dat een aantal verenigingen in leven worden gehouden door een ledenbestand (abonnementsgeld), en dat in Nederland een degelijke restaurateursopleiding bestaat daar waar deze opleidingsmogelijkheden in Vlaanderen zo goed als onbestaande zijn. Een vakbeurs Restauratie is een initiatief dat in Vlaanderen zeker navolging verdient. P. Lagaisse

Orgeltrlp De Heer Pieter Lambert, orgelleraar verbonden aan de gemeentelijke Muziekschool Aalter en de Stedelijke Muziekacademie Deinze, organiseerde op 23 april 1987 een orgeltrlp. Deze organisatie kende een grote belangstelling van zowel orgelkenners als niet-orgelkenners. Het programma bood het volgende: bezoek aan orgelatelier Loncke te Zaïren De bedrijfsleider gaf een rondleiding in het atelier. Daar werd op een vlotte en boeiende wijze uitleg verschaft omtrent de bouw en montage van het orgel. Alle


aspecten kwamen aan bod, zowel de bouw van het eigenlijke orgel met pijpen, ventilator, windladen, registers, balgen, klavieren als de bouw van de orgelkast (het meubel). In de namiddag werd de theorie dan getoetst aan de praktijk en werd het reisgezelschap vergast op verschillende concerten. Sint-Niklaaskerk te Diksmuide Loncke-orgel van 1965, met 3 manualen, eerder barok geconcipieerd. De leerlingen van beide muziekscholen brachten werken van onder meer J.S. Bach, C. Pauman, J. Pachelbel en D. Buxtehude. Sint-Maartenskerk te Haringe (Roesbrugge) Op het historisch Pieter & Lambert Van Peteghem orgel, gebouwd in 1778 met 3 manualen, mechanisch werd een demonstratie gegeven door organist Dirk Comelis. Hij bracht werken van A. Van de Kerckhoven (soloregisters hoofdwerk), van L. Chaumont (op het hoofdwerk), van L.N. Clerambault (op het positief en het recit) en van M. Van den Gheyn. Sint-Maartenskerk leper Orgelleraar P. Lambert vergastte tenslotte te leper het gezelschap op een concert op het romantisch Anneessensorgel (1933) met werken van J.N. Lemmens, C. Franck, J. Brahms, M. Reger, F. Peeters en C.M. Widor. P. Lagaisse

Kunst en Technologie. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen op Flanders Technology International 1987. Monumenten- en Landschapszorg op dé technologiebeurs lijkt op het eerste gezicht ongetwijfeld ongewoon. En inderdaad, de kathedrale stand en zijn diareeks over het 'Lam Gods' met de prachtige en nooit vermoeiende muziek American Garage van Pat Matheny als begeleiding vielen uit de toon tussen de ontelbare computerstands en andere technologische hoogvliegers, met gezoem, gebrom en ander geluid als enige muzikale ondersteuning. De beurs leerde ons dat dit initiatief lovenswaardig is en voor herhaling vatbaar. De technologie-mens hééft belangstelling voor cultuur, en daarmee bewezen de stromen bezoekers dat de organisatoren gelijk hadden hun initiatief met het thema 'Technologie, een hart voor de mens' te bedenken. Het deed ons genoegen dat de stand van het Lam Gods als een 'verademing' werd aangevoeld; tevens als een punt van

De 'Law Cods'-stand op F.T.I. 1987 (foto M. Lorez)

rust waar men ook letterlijk op adem kon komen op de banken en terzelfdertijd zijn kermis van het wereldberoemd veelluik van Van Eyck, uitbreiden aan de hand van een diavoorstelling. De evocatie van het 'Lam Gods' liet details zien die het publiek eenvoudigweg verbaasden: brocaat, bloemen en planten, torens, het Lam, handen, voeten... En dan de techniek die bij de restauratie en de beveiliging werden ingeroepen. Het wetenschappelijk onderzoek van dit schilderij en de röntgenopnamen, op ware grootte en naadloos per paneel, door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium onder leiding van Guido Van de Voorde verwezenlijkt, werden terecht in deze diamontage vastgelegd. De compositie van het glazen schrijn en de assemblage van lagen glas en kunststof, droegen eveneens de belangstelling weg van het publiek. Het succes van de diareeks was ongetwijfeld te danken aan de lovenswaardige samenstelling, maar minstens evenzeer aan het ontwerp van de stand, een geniale vondst van architect Walter Slock van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. De ruimtelijkheid werd helemaal benut: de twee elementen, het scherm en de zitbanken, werden elk aan een kant van de gang die naar het space center leidde, opgesteld. Zodoende was 'doorgaand verkeek verzekerd. De belangstelling werd verder gewekt door de reeds eerder bewierookte kwaliteiten van montage en muziek. Maar ongetwijfeld ook door het onderwerp zelf, het Lam Gods. Het is een feit dat iedereen het Lam Gods wel enigszins kent. Precies deze bekendheid bleek een niet onbelangrijke aantrekkingsfactor te zijn: vage noties konden hier in preciezere kennis worden omgezet; de kenners hebben we met hun ge-

specialiseerde vragen naar de betreffende instanties moeten doorverwijzen. Het tweede element op d e stand, een computergeheel geflankeerd door twee agenten van de Gentse politie, was voor de F.T.I.-bezoeker niet zo evident in verband te brengen met het Lam Gods, maar vormde alleszins ook een attractie op zich. Rob Buelens van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen gaf graag uitleg over het systeem dat hij heeft uitgedacht om het kunstpatrimonium — in eerste instantie dat in beschermde kerken — op een professionele manier te beveiligen. In een notedop komt het hierop neer: de beveiliging die in de kerk is aangebracht, wordt door een computer ter plekke gecontroleerd. De computer lost er zaken als stroomuitval zelf op, maar seint verdacht lijkende informaties door aan een alarmcentrale bij de Gentse politie, waar de noodzaak tot verder ingirjpen wordt uitgemaakt. Aldus worden een permanent toezicht en een snel ingrijpen gegarandeerd. Het verband met het Lam Gods: het is uiteraard d e bedoeling de Sint-Baafskathedraal, die het Lam Gods onderdak biedt, als een van de eerste op dit computersysteem aan te sluiten. Onze indruk na een week observatie ter plekke: zonder overdrijven kan van een overrompelend succes gesproken worden. „Kunst en technologie" is een van de formules om de vrees voor een te verregaande vertechnisering van de maatschappij tegen te gaan. En die wetenschap laat ons graag een mankement vergeten als het herhaalde uitvallen van de elektriciteit, wat zelfs op een beurs als Flanders Technology International niet kan worden vermeden. M. Hoflack


WET- EN REGELGEVING De onderhoudsplicht van eigenaars van beschermde monumenten.

De Gemeenschapsminster van Cultuur, de heer P. Dewael, richtte onlangs een brief aan alle gemeentebesturen van de Vlaamse Gemeenschap waarin hij ze verzoekt de eigenaars van beschermde monumenten in hun gemeente te herinneren aan him onderhoudsplicht. Het inlichtingenformulier uitgezonderd wordt deze brief hier weergegeven: „Geachte Collega, De zorg voor het behoud en het onderhoud van ons bouwkundig erfgoed, is niet alleen de taak van de hogere overheid, maar ook die van lokale openbare besturen en particulieren. De ervaring leert echter dat, ondanks het Koninklijk Besluit van 6 december 1976, dat wijst op een aantal verplichtingen inzake instandhouding en onderhoud van beschermde monumenten, elementaire onderhoudswerken zelden of niet worden uitgevoerd. Weggewaaide of gebroken dakpannen worden niet vervangen, verstopte afvoergoten wor-

den niet vrijgemaakt en gebarsten of gebroken vensters worden niet hersteld. Dat zulks vaak de aanzet is tot meestal dure restauraties, met alle budgettaire gevolgen vandien, ook voor de gemeente die in de meeste gevallen dient bij te dragen in de restauratiekosten, hoeft geen betoog. Ik moge U daarom dan ook verzoeken de eigenaars — zowel particulieren als openbare besturen — van beschermde monumenten, gelegen op het grondgebied van uw gemeente, schriftelijk te willen wijzen op de hoger aangehaalde onderhoudsplicht. Ik zou het tevens op prijs stellen mocht U bijgaand inlichtingenformulier onder hen willen verspreiden met de vraag het ingevuld terug te bezorgen aan mijn Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Deze inlichtingen zullen dit Bestuur in staat stellen, waar nodig, in te grijpen, bijkomende informatie te verstrekken en een verantwoorde termijnplanning voor eventuele restauraties op te stellen.

Ik wil er U bij deze ook op wijzen dat de wet van 17 december 1984 (BS 29.12.1984) en het Koninklijk Besluit van 14 oktober 1985 (BS 09.11.1985) voorzien dat eigenaars van beschermde monumenten, binnen bepaalde grenzen, de uitgaven van werken die zij aan hun eigendom uitvoeren, kunnen aftrekken van hun gezamenlijk belastbaar netto-inkomen. Een brochure waarin deze en andere maatregelen worden opgesomd, werd onlangs samengesteld door mijn Bestuur voor Monumenten en Landschappen en is ook aldaar te verkrijgen. Ik wil U tot slot reeds bij voorbaat danken voor de aandacht die U aan dit schrijven zal willen besteden en voor uw gewaardeerde medewerking ten behoeve van het voortbestaan van ons cultureel patrimonium." Met de meeste hoogachting, P. Dewael.

RESTAURATIE Brugge. De reie-gevel van het SintJanshospitaal gerestaureerd De aanpak van de reie-gevel van het Sint-Janshospitaal te Brugge mag doorgaan voor een schoolvoorbeeld van wat in vakjargon een 'zachte restauratie' wordt genoemd. Alhoewel de gevels — vooral dan van het zusterklooster achter de ziekenzalen — een mengeling van vensteropeningen en ramen vertonen zoals die door herhaald verbouwen in de loop der tijden tot stand is gekomen, werd geen enkele vormelijke wijziging van de gevels doorgevoerd, dit voornamelijk omwille van de weerslag op het interieur. Het zusterklooster is nog steeds bewoond door ziekenzusters-oprust en de opeenvolgende zalen en kamers vergden geen enkele ingreep gezien hun goede toestand van onderhoud. Daarenboven zijn de meeste muren helemaal bekleed met zogenaamd 'Delftse' tegels, wat een uniek decor van blauw-

M&L-Binnenkrant

witgekleurde en geglazuurde tegels uit de 17de en 18de eeuw vormt, waaraan elke wijziging gewoon uit den boze is. Bijkomend verkeerde het aanwezige houtwerk nog in goede staat zodat niet tot vervanging, maar enkel tot onderhoudend schilderen moest worden overgegaan. Om al deze redenen werd van enige historiserende uniformisering van de openingen afgestapt, al kan dit bij een eerste waarneming als een gemiste kans worden beschouwd. De daken en dakkapellen werden enkele jaren geleden hersteld; restten nog de goten en gevels - waartoe een stelling in de reie diende te worden gebouwd. De ingrepen op deze gevels werden gerealiseerd in termen van onderhoud, versteviging en herstel, en komen samengevat hierop neer: — Om het probleem van het in de muren opstijgend vocht tegen te gaan werd een chemische barrière aange-

bracht door middel van injectie in boorgaten. — De sterk vervuilde gevel werd gereinigd door middel van bevloeüng met zuiver water. Op bepaalde plaatsen was de bevuiling zo hardnekkig dat enkel zandstralen of afschaven met de steenschaaf enig resultaat gaf. Dit werd echter bewust vermeden uit vrees de steen te beschadigen. Het resultaat van de reiniging is dus — gelukkig — niet direct spectaculair te noemen. — Het baksteenmetselwerk werd plaatselijk hersteld: verweerde stenen werden stuk per stuk uitgehaald en vervangen door soortgelijke recuperatiesteen die opnieuw in verband werd gewerkt. Ook het voegwerk werd plaatselijk hersteld met een bastaardmortel op basis van kalk. Aangezien de oude voeg een 'dag" vertoonde, werd het nieuwe voegwerk eveneens van een snede voorzien.


— Tijdens de winterperiode werd de waterstand van de reie verlaagd hiervan werd gebruik gemaakt om de toestand van het metselwerk onder het water te controleren en te herstellen. — De natuursteen werd vervangen door nieuwe, enkel daar waar hij van constructieve betekenis is. Afschilfering zonder gevaar voor de stevigheid of het dragend vermogen van de steen, werd niet als reden gezien om tot vervanging over te gaan. Het resultaat van deze hele aanpak is een gevel die zijn geschiedenis, patine en ouderdom blijft verraden. Deze restauratie zou onopvallend zijn verlopen ware er niet de in het oog springende en de ongewone behandeling van de ramen van de zogenaamde 'Pesthuizen'. Deze charmante aanbouwsels over de reie werden gerealiseerd rond het midden van de 19de eeuw, en werden op een bijzonder originele manier geopend door middel van spitsboogvormige ramen uitgevoerd zowel in baksteen als in hout. Deze houten ramen hadden al sinds mensengeheugenis een natuur kleurig uitzicht en het lastenboek voorzag in de behandeling ervan met een houtconserverend maar niet dekkend middel. Na het plaatsen van de stellers werden op beschutte plaatsen sporen van een kleurbehandeling opgemerkt. Enkele schilfers werden ontleed door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Hieruit bleek duidelijk dat de ramen beschilderd zijn geweest met olieverf. Pigmentanalyse heeft uitgemaakt dat als kleur hoogstwaarschijnlijk wit werd gebruikt. Daarom werden de houten ramen in een frisse kleur gebracht (de grijze-witte tint is een vorm van interpretatie van nu). Alhoewel deze ingreep afbreuk doet aan het vertrouwde beeld dat wij van de 'pesthuizen' hebben, is hij volkomen historisch verantwoord. Daarenboven zorgt hij voor een frisse aanblik, een niet onbelangrijk resultaat in een tijd waarin de smaak nog steeds gedomineerd wordt door allerlei fermette-bouwmodes waarvan het sausen van houtwerk bijna onuitroeibaar schijnt te zijn, een mode die ook in de restauratie van ons historisch erfgoed voor historische flaters verantwoordelijk is.

Brugge, Smt-Janshospitaal: reiegevel: de zogenaamde 'Pesthuizen' (foto B.M.L.) Brugge, Smt-Janshospitaal: leiegevel; het klooster (foto B.M.L.)

De restauratie werd uitgevoerd naar het ontwerp van architect L. Vermeersch door de firma Gustave Vandendorpe in opdracht van de stad Brugge. Zij werd voor 60 % gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap en voor 20 % door de Provincie West-Vlaanderen. Miek Goossens 'Het architectenatelier Van Dessel-Van Hee zoekt gespecialiseerde vaklui of bedrijven die zich kandidaat willen stellen voor de restauratie van typisch 18de eeuws latwerk in hout van het Waux hall paviljoen gelegen in het

park van Brussel. De werken geschieden in private opdracht Kandidaten dienen zich te melden bij de architecten, S 02/613.12.32.'


BESCHERMINGEN Het hopmagazijn met bijbehorende woningen, Poperingseweg 318-322 te leper (Vlamertinge). Dit hopmagazijn is een typisch voorbeeld uit de bloeiperiode van de ZmdWestvlaamse hophandel. Het werd gebouwd in 1869 en wordt nu gebruikt voor tabak. De architecturale details en de symmetrische opbouw geven aan de voorgevel een statig en stevig karakter. Met de reeds beschermde stadswaag te Poperinge vormt dit gebouw een waardevolle illustratie van het gebouwenpatrimonium dat in een streekgebonden bedrijfssector werd gebruikt. Waar de stadswaag echter sedert lang een overheidsfunctie vervulde (officiële keuring en weging van hopbalen), is dit pakhuis een getuigenis van het 19de-eeuwse particuliere initiatief. Het hopmagazijn is het enige resterende voorbeeld van die omvang, met archi-

tecturale waarde en in een redelijke staat van bewaring. Daarenboven is ook de installatie bijna volledig in de oorspronkelijke toestand bewaard. Belangrijk is de aanwezigheid van houten en gietijzeren persen, deze laatste vooral omwille van de aanwijzing dat het een Nolet betreft. Van deze Gentse firma, die vooral bekendheid verwierf met haar stoommachines, is de pers in leper de enige die tot dusver geïnventariseerd werd. Opmerkelijk is de aanwezigheid van 4 asten die, in tegenstelling tot de stadswaag te Poperinge, oorspronkelijk zijn. Deze verwarmde droogplaatsen zijn opgesteld volgens een logisch, symmetrisch schema. Het hopmagazijn wordt omkaderd door lage, goed bewaarde arbeiderswoningen die als het ware de materiële geschiedenis van dit pakhuis vervolledigen. Dit hopmagazijn met inbegrip van de gietijzeren handpers 'Ch. Nolet, Gand',

Het heschermde hopmagazijn in Vlamertinge (foto B.M.L.)

M&L-Binnenkrant

de houten pers voor het persen van hopstalen, de houten handpers op zolder 1 en 2, de vier asten en het gietijzeren hijstoestel werd op 16 januari 1987 beschermd als monument. Als motivering werd de industrieel-archeologische waarde als pakhuis - hopopslagplaats, met een goed bewaarde installatie en als materiële getuigen van een bepaalde technologische en bouwkundige ontwikkeling in de betrokken bedrijfssector, aangehaald. Tegelijkertijd werden de woningen in de Poperingseweg 318 en 320 beschermd als monument omwille van hun industrieel-archeologische en historische waarde als goed bewaarde, landelijke woningen met streekgebonden 19de-eeuwse kenmerken waarvan de geschiedenis door het bewoningspatroon intrinsiek verbonden is met het hopmagazijn. P. Van Lindt


K.C.M. L. In memoriam Heinrich (27.07.1935 - 14.05.1987)

Sermeus

Op donderdag 14 mei 1987 overleed ingenieur-architect Heinrich Sermeus uit Sint-Katelijne-Waver. Op weg naar de vergadering van de Koninklijke Commissie, stortte hij plots in elkaar in het station van Mechelen.

Heinrich Sermeus was een man met cultuur. Hij was lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen sedert 17 oktober 1984. Niettegenstaande zijn relatief kort lidmaatschap van onze Koninklijke Commissie, zal zijn plots en totaal onverwacht heengaan een enorme leemte nalaten. Wij hadden namelijk allemaal zo beetje het gevoel gekregen dat hij er altijd al was bijgeweest. Hij miste immers geen enkele vergadering van zijn afdeling, nam deel aan alle algemene vergaderingen en aan elk plaatsbezoek en wanneer zijn medewerking gesolliciteerd werd, maakte hij er geen enkel probleem van om ook actief aan vergaderingen van een andere afdeling deel te nemen. In den beginne — zoals elke „nieuweling" in de Koninklijke Commissie — misschien een beetje onwennig, heeft Heinrich Sermeus zich zeer snel weten te integreren in de groep. Hij begreep ten volle de opdracht van de Koninklijke Commissie en zette zich daarvoor onbaatzuchtig en voor 100% in. Zijn overtalrijke tussenkomsten tijdens de vergaderingen zelf en zijn uitvoerige rapporten, werden zonder overdrijven door al zijn collega in hoge mate geapprecieerd, omdat zij getuigden van een evenwichtige, overwogen visie en van een grondige kennis, zowel van de kunstgeschiedenis als van de bouwtechnieken. Heinrich Sermeus was stilaan een stuwende motor van de eerste afdeling aan het worden, en stelde op een volkomen ongebonden wijze zijn deskundigheid ten dienste van de monumentenzorg. Hij wist wat architectuur was; hij kende ook als geen ander het verschil tussen waardeloze en waardevolle architectuur en voor deze laatste heeft hij een permanente strijd gevoerd. Hij was ook doordrongen van de waarde van historische architectuur en wist hoe momunentenzorg echt moest worden bedreven. „Restauratie betekent voor mij twee dingen", vertrouwde hij aan een journalist toe, „eerst en vooral moet de restaurateur de gestalte van het oorspronkelijk ontwerp herstellen. Ten tweede moeten de historische verbouwingen en veranderingen beoordeeld worden en geïntegreerd in die oorspronkelijke gestalte".

Vooral het erfgoed van zijn geboortestad Mechelen lag hem na aan het hart. „Geen enkele streek in de Nederlanden kan bogen op een gelijkaardig patrimonium. Derhalve heeft het Mechelse de cultuurhistorische opdracht en tevens de ongemeen grote verantwoordelijkheid bedoelde monumenten in volstrekt gave staat te herstellen en te bewaren, om ze vervolgens onverminkt over te dragen aan de volgende geslachten als het uitzonderlijk kostbaar erfdeel, dat in grote mate het authentieke gelaat van de volksgemeenschap mede bepaalt, schreef hij. Hij zag echter dat het tegenovergestelde gebeurde: het bouwkundig patrimonium takelde af en hij weet dit aan verkeerde politieke benaderingen van de problemen, wat hij overal waar hij kon met kracht aanklaagde en bestreed, en daarbij schrok hij er niet voor terug man en paard te noemen. Ten behoeve van de adviserende werking van de Koninklijke Commissie stelde hij over het monumentenbeleid in Mechelen een lijvig memorandum op, dat als

basis diende voor een bespreking ten gronde en waarin de Koninklijke Commissie ongetwijfeld nog veel baat zal vinden in haar verdere werking. Heinrich Sermeus is niet meer. Zijn wegvallen veroorzaakt een leemte in onze kennissen- én vriendenkring. Hij was een loyaal lid, nooit verlegen om een kwinkslag, en door zijn grote mensenkennis kon hij ook steeds zonder moeite overweg met mensen van andere gezindheden. Voor ieder van ons vormt zijn heengaan een verschillende ervaring, een verschillende pijn. Steeds te laat beseffen wij dan ook dat elk contact voortaan onmogelijk is. Geen kans meer om raad te vragen, om nog eens een vertrouwelijk gesprek te hebben. Er is geen wenden aan. Alleen een terugblik op een eerlijk mens met oprechte idealen is mogelijk. A. Demey.


BUITENKRANT De Koning Boudewijnstichting en het Bouwkundig Erfgoed In de loop van maait en april hield de Koning Boudewijnstichting twee persconferenties die verband hielden met haar programma Bouwkundig Erfgoed. Op 31 maart werd het Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed voorgesteld; op 8 april stonden de monumententochten, het initiatief Verenigingen zetten zich in voor Monumenten' en de opgravingskampen voor jongeren in de kijker. Bij beide gelegenheden onderstreepte projectleider G. Knops de voortreffelijke samenwerking tussen de stichting en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen bij de administratieve en inhoudelijke uitwerking van de dossiers. Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed Sinds haar ontstaan, nu een 10-tal jaar terug, kan de Koning Boudewijnstichting rekenen op de financiële steun van de Nationale Loterij. Teneinde de activiteiten op het vlak van de Monumentenzorg — die tot dusver heel succesrijk blijken te zijn — nog te kunnen uitbreiden, heeft de Stichting op 31 maart van dit jaar een Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed opgericht. Hiermee beantwoordt zij aan de oproep van Gemeenschapsminister van Cultuur P. Dewael tot een eigen financiële inbreng van de 'cultuurconsument'. De ondernemingen kunnen op verschillend e manieren een bijdrage leveren tot de uitbouw van het Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed — zij geven geen specifieke bestemming op voor hun bijdrage, en laten

Neogotische gevel in de Aalmoezemeistiaat in Antwerpen (foto M Seresia)

M&L-Binnenkrant

de keuze van het begunstigde project over aan de stichting; — zij bestemmen aanvullende middelen voor een groter project dat reeds andere financiële steunt geniet; — zij stellen de Koning Boudewijnstichting zelf een restauratie- of renovatieproject voor dat ze — geheel of gedeeltelijk — zullen bekostigen. De projecten moeten aan 2 voorwaarden voldoen teneinde steun te kunnen krijgen van het Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed: het gaat om een beschermd monument dat na de restauratie publiek toegankelijk is. De stichting garandeert een degellijke begeleiding van de projecten vóór, tijdens en na de restauratietechnieken. Tevens doet zij het nodige om d e aandacht van het publiek te vestigen op de projecten die mogelijk zijn dank zij dit „Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed" . Verenigingen zetten zich in voor Monumenten Bij de lancering van het initiatief 'Verenigingen zetten zich in voor Monumenten' kreeg de Koning Boudewijnstichting een grote respons. Uit 67 ingestuurde dossiers heeft een commissie 27 projecten geselecteerd die met steun zouden worden gerestaureerd. In april 1987 blijkt de balans positief. Alle projecten zijn in restauratie, zoniet gerestaureerd. Een greep uit de projecten:

neogotisch pand in het Sint-Andrieskwartier, met steun van de stad en de Koning Boudewijnstichting, zes studio's en drie gemeubelde kamers ingericht ten behoeve van thuislozen. De aanpassings- en verbouwingswerken hebben de structuur en het aangezicht van de neogotische gevel veranderd, maar dan wel volgens de regels van een goed begrepen monumentenzorg. Het vernieuwde gebouw straalt iets hedendaags uit in een omgeving die dergelijke herwaarderingsimpulsen best kan gebruiken. — de oude Rosmolen in Ertvelde. De molensite van Ertvelde omvat naast een rosmolen nog een windmolen en een molenaarshuis. De huidige eigenaar wou, nu de stenen windmolen gerestaureerd en weer maalvaardig was, ook de rosmolen weer in werking stellen teneinde de maalactiviteiten ook in windstille omstandigheden te kunnen voortzetten. Na de bescherming van het 'roskot' in 1986 werd onmiddellijk werk gemaakt van de restauratie. Het gebouw en de binneninrichting werden hersteld i.s.m. het Bestuur voor Monumenten en Landschappen en de Koning Boudewijnstichting.

— neogotische gevel in d e Aalmoezeniersstraat in Antwerpen. Wageniel, v.z.w., een welzijnsorganisatie, heeft in een — niet beschermd —

— de Leurskapel in Gerstingen, Kinrooi De Geschied- en Heemkundige Kring van Kinrooi heeft een eigen restauratiefonds in het leven geroepen waarmee ze haar kleinere monumenten wil aanpakken. De restauratie van de Leurskapel, met steun van de Koning Bouwdewijnstichting, is de eerste in een reeks van minstens 5. De werken werden op min-

De 'Leurskapel' m Gerstingen (Kinrooi) (foto M. Seresia)

Dnnkbak op het Smt-Baatsplem m Gent (foto M. Seresia)


der dan 3 maand geklaard, dank zij de inzet van de hele lokale bevolking. — drinkbakken in Gent Met de opbrengst van de tentoonstelling van de Draak van het Gentse belfort in 1911 kocht de stad vijf drinkfonteinen aan ten behoeve van mens, hond, paard en vogel. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen ze geleidelijk uit het stadsbeeld tot de Gentse Vereniging voor Stadsarcheologie zich in 1977 over hun lot ontfermde en zorgde voor hun restauratie en hun plaatsing in het nieuwe stadsbeeld. — een aardig aarden monument in Kessenich Kessenich heeft een 'motte', een kunstmatige heuvel die werd bebouwd, of beter: dienst deed om een versterkte toren in te motten. Ze bestond uit een opperhof met specifiek militair karakter en een neerhof waar het dagelijkse leven zich afspeelde. Nadat de nood tot versterking zich tot de hele dorpsgemeenschap had uitgebreid, takelde de motte af; in 1899 werd er de thans nog bestaande neogotische grafkapel gebouwd. Het 'Dorpskemcomité' heeft zich sinds 1983 ingezet voor het vrijwaren van de nog aanwezige sporen van deze brok geschiedenis en heeft de berg zo ingericht dat de bezoeker zich een idee kan vormen van de functies van de gebouwen en de bouwfasen. — de calvarie van de Sint-Servaaskapel in Rommersom De Brabantse gepolychromeerde beeldengroep uit 1530 van de Sint-Servaaskapel werd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium vakkundig gerestaureerd op initiatief van de Hoegaardse Heemkundige Kring. Hij pronkt thans weer in de beschermde en eveneens gerestaureerde kapel. Dat de afwikkeling van de 27 projecten zo'n succes is geworden heeft ongetwijfeld te maken met de kleinschaligheid. Kleine monumenten kunnen betrekkelijk snel in orde gezet worden. Ze kennen een vrij snel en gunstig verloop omdat zij dikwijls niet officieel 'beschermd' zijn, of, indien zij 'beschermd' zijn, weinig administratieve, inhoudelijke en financiële problemen met zich meebrengen. Klein monumenten-werk is budgettair vrij goed en efficiënt haalbaar, omdat: a. in vele gevallen diverse instanties en sympatisanten een kleine duit in het zakje doen; b. heel wat goedkoop of gratis materiaal en onbetaald vrijwilligerswerk de kans op een snel zichtbaar resultaat vergroten. Het initiatief van de Koning Boudewijnstichting om, met steun van de Nationale Loterij, het lokale Bouwkundig Erfgoed via verenigingen op te tillen door per goedgekeurd project een bedrag ter beschikking te stellen dat varieert tussen 100.000 en 400.000,6:. heeft zonder

De gerestaureerde Calvarie van de Smt-Servaaskapel m Rommersom (copynght A.C.L.) De 'Rosmolen' m Ertvelde (foto M. Seresia)


twijfel de mogelijkheid om er iets aan te doen, sterk verhoogd. Tenslotte mag men zeker de „gezamenlijke wil om te slagen", die zo kenmerkend is voor vele lokale verenigingen, niet onderschatten. In de mate dat een in de plaatselijke historische context geworteld initiatief gepromoveerd wordt door verenigingen van ter plaatse die zich vrijwillig en vrijwel belangloos inzetten voor het welslagen ervan, is de kans op medewerking het grootst. De gedachte dat de momunentenzorg — als bouwkundig en als maatschappelijk fenomeen — van onderuit gepromoveerd moet worden, wil hij werkelijk slagen, wordt door dit 'kleine monumentenproject van de Koning Boudewijnstichtmg' op een verrassende en hoopgevende wijze geïllustreerd. De monumenten-wandeltochten De monumententochten worden in tegenstelling tot vorig jaar op een vaste dag georganiseerd: 26 april: Zoniënwandeling WatermaalBosvoorde en Oudergem 10 mei: Monumententocht in Diest 23 augustus: Monumententocht in Alsemberg-Beersel Verdere informatie omtrent de eerste drie data en wandelkaarten en affiches zijn beschikbaar bij de Koning Boudewijnstichtmg Brederodestraat 21 1000 Brussel & 02/511.18.40 Opgravingskampen Rond de burcht Pietersheim in Lanaken worden 4 twaalfdaagse kampen georganiseerd: 6 - 17 juli 20 - 31 juli 3 - 14 augustus 7 - 18 september Voor inlichtingen en inschrijvingen: Jeugd & Cultureel Erfgoed v.z.w. Postbus 20 3000 Leuven.

Brugge ijvert voor de verbetering van zijn woonklimaat. Het stadsbestuur van Brugge, dat op eigen initiatief allerlei huisvestingsprojecten en restauraties laat uitvoeren, biedt d e inwoners een aantal instrumenten aan die ze kan aanzetten tot bouwen, verbouwen of restaureren. Brugge telt thans 95 beschermde privépanden; 89 ervan liggen in de binnenstad. Bij de restauratie van de monumenten verleent de Stad een tussenkomst die varieert van 5 tot 15 procent van de kostprijs van de werken.

M&L-Binnenkrant

Voor de subsidie van kunstige herstellingen van niet-beschermde privé-eigendommen, is op de Brugse begroting 11 miljoen frank ingeschreven. In 1986 kwamen 8 projecten voor deze regel in aanmerking. Daarnaast zijn nog 15 restauratiedossiers goedgekeurd en zijn 19 nieuwe restauratie-aanvragen principieel goedgekeurd. Ook bij de niet-beschermde gebouwen gaat het hoofdzakelijk om waardevolle panden uit de 17de, 18de en 19de eeuw. De maximale premie bedraagt 500.000,-fr.

Zure neerslag in Vlaanderen Op 4 februari 1987 hield de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu een studienamiddag over de problematiek van de zure neerslag in Vlaanderen. Directeur-generaal, A. Vermeulen, lichtte het algemeen karakter van de studienamiddag toe. Hij beklemtoonde het belang van de interdisciplinaire en gecoördineerde aanpak binnen één administratie van de Vlaamse Gemeenschap. Herman De Wel, dd. Inspecteur-generaal van het Bestuur voor Leefmilieu, behandelde de huidige situatie van de luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest, de bronnen van de verzuring samen met het instrumentarium waarover de overheid beschikt, de emmissie-meetnetten en de emissie-inventarisatie. Dr. De Temmerman van het Instituut voor Scheikundig Onderzoek te Tervuren, presenteerde vervolgens de resultaten van het onderzoeksprogramma 'Verzuring van de bodem' uitgevoerd door zijn instituut, in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap. De problematiek van de gezondheidstoestand van de bossen werd fundamenteel behandeld door Prof Vein Miegroet (RUG). Hij synthetiseerde resultaten van zijn onderzoeksactiviteiten en achtergrondinformatie om het probleem in een wetenschappelijk gefundeerd perspectief te plaatsen. Als laatste spreker gaf Prof. Van Grieken (UIA) toelichting bij het mechanisme van aantasting van de Sint-Romboutskathedraal door de aanwezigheid van zure gassen in d e lucht. Voor A.R.O.L. was deze studienamiddag een première: voor de eerste keer kwamen drie van de vier besturen van deze administatie — met name het Bestuur voor Leefmilieu, het Bestuur voor Landinrichting en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen — over hetzelfde onderwerp naar buiten. De betrokkenheid van deze besturen bij dezelfde milieuproblematiek bewijst dat met de oprichting van A.R.O.L. binnen de Vlaamse Gemeenschap, een eenheid in de uitvoering van het Vlaamse Milieubeleid bereikt werd.

Voorheen waren de disciplines leefmilieu, landinrichting en momunentenzorg over meer dan drie ministeries verspreid. Voor een samenvatting van de gestelde problematiek verwijzen we naar de recente uitgebreide beleidsbrochure 'Luchtverontreiniging' van de Gemeenschapsminister van Volksgezondheid en Leefmilieu. Deze brochure is gratis te verkrijgen bij de A.R.O.L., Leefmilieucampagne, Belliardstraat 12, 1040 Brussel. P. Schreurs

Commission Royale des Monuments et des Sites. Biënnale In het leven geroepen in 1985 naar aanleiding van de 160ste verjaardag van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Lanschappen, is de tweede uitgave van de Biënnale, de tweejaarlijkse door de Franstalige sectie van de Koninklijke Commissie georganiseerde wedstrijd, ditmaal gewijd aan het leefmilieu. Twee prijzen bekronen: — enerzijds, de openbare of private instelling of persoon en eventueel de ontwerper die maatregelen hebben getroffen met het oog op het instandhouden van een natuurlandschap, een stads- of dorpsgezicht of een industrieel-archeologische site, of die de renovatie van een wijk hebben verwezenlijkt of bestudeerd; — anderzijds, de bouwheer en d e ontwerper van een woon- en/of industriezone met architecturale kwaliteiten inzake uitvoering en integratie in de omgeving. De sites waarvan sprake moeten gelegen zijn in de Frans- en Duitstalige regio of in Brussel-hoofdstad, en moeten het voorwerp van bewuste maatregelen hebben uitgemaakt in 1977 of later. De prijzen bestaan uit: — voor de openbare of private instelling of persoon en voor de bouwheer: een diploma en een kunstwerk van André Willequet; — voor de ontwerper: een diploma en een bedrag van 100.000 frank.

De kandidaturen moeten worden ingediend ten laatste op 15 juli 1987. Het volledige wedstrijdreglement kan op aanvraag worden bekomen bij het secretariaat van de Commission royale des Monuments et des Sites, rue Joseph n, 30 3ème étage - 1040 Bruxelles - S 02/ 219.18.00.


Natuurstage 'De Boeie' voor jongeren Van 22 tot 31 juli 1987 organiseert het cultureel centrum Scharpoord in Knokke een vijfdaagse natuuistage voor jongeren. Dit initiatief gebeurt in samenwerking met: — het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap — Bestuur voor Monumenten en Landschappen; — het Gemeentebestuur van KnokkeHeist; — het Natuurreservaat het Zwin Knokke-Heist; — d e Vlindertuin Knokke-Heist; — het Zeeaquarium Oostende. Het programma: Maandag 27.07.'87 09.00 - 10.00 u: verwelkoming en kennismaking 10.00 - 12.00 u: strand en duinen - ontstaan en evolutie in woord en beeld (F. Kerkhof) 13.00 - 16.00 u: strand- en duinenwandeling (F. Kerkhof) 16.00 - 18.00 u: verwerking en evaluatie van de vondsten Dinsdag 28.07.'87 09.00 - 12.00 u: het Zwinreservaat — een introductie (G. Bruggraeve) 13.00 - 17.00 u: Zwinexcurcie: fauna en flora te velde plus bezoek vlindertuin (K. Van Hoorebeke) 17.00 - 18.00 u: evaluatie Woensdag 29.07.'87 09.00 - 12.00 u: didactische uitstap naar Park 58 met als thema "bloemen en planten' (M.P. Selens) 13.00 - 17.00 u: polderfietstocht - historische evolutie van de Zwinstreek (G. Ostyn, M. Strobbe) Donderdag 30.07.'87 07.00 - 09.00 u: bezoek vismijn Zeebrugge (facultatief) 09.00 - 12.00 u: Oostende: De Noordzee en modem visserijbeheer (E. De Clerck) 13.00 - 17.00 u: bezoek Zeeaquarium Oostende (K. Van Hoorebeke)

Vrijdag 31.07.'87 09.00 - 12.00 u: Landschappen en monumenten het hoe en waarom (M. Celis, M. Ramakers, G. Ostyn) in woord en beeld 13.00 - 17.00 u: Oostkustwandeling: een ruimtelijke impressie (M. Celis, M. Ramakers, G. Ostyn) 18.00 - 19.00 u: receptie en afsluiting Deeinemzng: alle jongeren van 12 jaar en ouder kunnen deelnemen aan deze stage, dagelijks van 9.00 tot 18.00 uur. Er is mogelijkheid tot overnachting bij gastgezinnen. Kostprijs: 1950,-fr. In de kostprijs zijn stage, verplaatsingen, uitstappen en bezoeken, materiaalgebruik, middagmaal (broodmaal) en verzekering inbegrepen, (logies niet inbegrepen). Verdere inlichtingen: De Boeie C.C. Scharpoord Meerlaan 32 8300 Knokke-Heist ^050/60.19.99

De 12de Kunst- en Antiekbeurs van Knokke: een verruiming van internationale kunst- en antiekhandel De Kunst- en Antiekbeurs van Knokke in de Scharpoord brengt een verzameling kunst en antiek waarvan de authenticiteit voor internationale weerklank zorgt. Steeds meer binnen- en buitenlandse gasten vinden hun weg naar dit beursinstituut. Knokke staat borg voor een volmaakt evenwicht tussen antiek en hedendaags. De basis van dit beursgebeuren wordt de verzameling oudheden. Dit jaar ligt de nadruk vooral op de kleinere objecten, de 'objets d'arts' in porselein, glas of zilver. Enkele hooggespecialiseerde handelaren presenteren er ook hun ruime collectie juwelen. De verzamelingen faience, glaswerk, koper, tin en meubelen zorgen voor het traditionele aanbod. M e takken van de vroegere kunstambachten zijn er rijk vertegenwoordigd. Van 8 tot en met 17 augustus in het cultuurcentrum Scharpoord, dagelijks toegankelijk van 15 tot 21 uur.

Westvlaamse Molenzondagen Meer dan één derde van de ongeveer 160 industriële windmolens die ons land nog telt, bevinden zich in West-Vlaanderen. Deze provincie heeft niet minder dan 60 windmolens, een watermolen en twee rosmolens. Bijna al deze molens zijn beschermde monumenten en de grote meerderheid verkeert in goede staat. De werkgroep Westvlaamse molens organiseert voor de tweede maal in WestVlaanderen vier molenzondagen: op 28 juni, 26 juli en 30 augustus (van 14 tot 17 uur) en op de Eerste Westvlaamse Molendag (tevens Landelijke Monumentendag) op 13 september (van 10 tot 17 uur). De volgende molens zijn op die dagen pubhek toegankelijk en zullen — bij voldoende windkracht — in werking gesteld worden: Anzegem: Landergemmolen; Beveren-aan-de-IJzer: Brouckmolen; Brugge: de Nieuwe Papegaai en de SintJanshuysmolen; Damme: Scellemolen; Gistel: Oostmolen; Gits: Gryspeerdmolen; Harelbeke: Gavermolen; Hoeke: Hoekemolen; Klemskerke: Dorpsmolen; Knokke: Kalfmolen; Koksijde: Abdijmolen; Kortemark: Koutermolen; Kuume: Stokerijmolen; Leisele: Stalijzermolen; Merkem: Beukelaremolen; Meulebeke (Marialoop): Herentmolen; Nieuwpoort: Momerency's molen; Oostkerke (Damme): Dorpsmolen; Oostvleteren: Demeestermolen; Ruiselede: Knokmolen; Sint-Denijs: Molen Ter Claere; Sint-Michiels: de rosmolen in het TUlegembos; Westouter: Lijstermolen; Wevelgem: Van Butsele's molen; Zwevegem: Mortiersmolen. Op 13 september zijn daarbij nog de volgende monumenten uitzonderlijk opengesteld (van 10 tot 17 uur): Anzegem: de enige Westvlaamse watermolen; Brugge: de Bonne Chiere; Deerlijk: de oliemolen Ter Geest en ter Zande; De Moeren (Veume): de poldermolen Sint-Karel; Heule: het vlaszwingelmolentje. F. De Craeke


TENTOONSTELLINGEN Het bnismeubel bellum

tijdens

het

Inter-

Van 17 juli tot 11 oktober 1987 wordt in het Gentse museum voor Sierkunst een tweevoudige tentoonstelling opgezet rond het thema het bnismeubel tijdens het Interbellum. Het eerste deel 'Het metalen bnismeubel in België tijdens het Interbellum' verhaalt over de buismeubelontwerpen en -realisaties van Gaston Eysselinck, Huib Hoste, Marcel Baugniet, Louis De Koninck. Dit gebeurt in samenwerking met de Stichting Architectuurmuseum. Een tweede luik 'De continue-lijn: 24 schaalmodellen van buitenlandse buisstoelen uit het Interbellum', plaatst de Belgische produktie voorgesteld in het eerste deel, in een internationaal verband. Museum voor Sierkunst Jan Breydelstraat 7 9000 Gent S- 091/25 66 76 van 17 juli tot 11 oktober

Fondation pour l'Architecture Het tempo waarop tentoonstellingen elkaar in de aanstekelijke zalen van deze stichting opvolgen, laat nauwelijks nog toe op adem te komen, te meer daar de punctueel eraan verbonden catalogi en/ of publikaties méér aandacht en energie mogen vergen dan die nodig voor een desnoods éénmalige „acte de presence". Mogelijk met het zomerreces voor ogen wordt ditmaal een zonnig Noordafrikaans tweeluik opgehangen.

Le Controle Civil regional Bizerte Zarzouna (arch. J. Marmey, 1940)

Dar Benjelloun, Marrakesh (arch. W. Willis). Akwarel van Tania Concko. Het eerste, „Rationalisme et Tradition, Tunisie 1943-1947', werd in 1986 gerealiseerd door — alweer — het Parijse „Institut Frangais d'Architecture", onder leiding van Mare Breitman. Met de Franse architect Jacques Marmey als boegbeeld, ontleedt de tentoonstelling de houding van de Moderne Beweging tegenover het historisch gemerkte en traditionele Tunesië. Het tweede, „Maisons contemporaines, Valeurs traditionnelles", herkomstig van de Londense galerij Zamana, brengt een reeks ontwerpen die de jongste jaren in Tunesië, Egypte en Marokko tot stand kwamen rond het thema van de traditionele woning. Beide tentoonstellingen worden voorafgegaan door een geïllustreerde synthese van de basiskarakteristieken van de Noordafrikaanse traditionele architectuur door de architecten S. Mouline en S. Santelli. Net als Mare Breitmans gelijknamig boek, is de tentoonstelling „Rationalisme et Tradition, Tunisie 1943-1947" opgebouwd aan de hand van archieven, van teksten van architecten als Bernard Zehrfuss, Jacques Marmey, Jason Kyriakopoulos en Jean Le Couteur, spilfiguren in de korte maar bijzonder vruchtbare Tunesische wederopbouwperiode. Wanneer Bernard Zehrfuss in 1943 in Tunesië het uit Algerije afkomstig vliegtuig verlaat, door de regering van het Vrije Frankrijk gelast met een evaluatie van de oorlogsschade, beseft hij nog geenszins dat voor hem en de jonge, aan de „Ecole des Beaux Arts" afgestudeerde architecten, een uitzonderlijk en in de

M&L-Binnenkrant

architectuurgeschiedenis uniek avontuur begint. Zowat vier jaar lang zullen zijn diensten voor architectuur en stedebouw, weliswaar geschraagd door de gedachtenstromingen van de Moderne Beweging, zich aanpassen aan de Tunesische cultuur, en aldus een architectuur tot stand brengen op het scherp van rationalisme en traditie. Met zijn ploeg architecten neergestreken in Dar El Bey, in de nabijheid van Generaal Mast en diens Secretaris-generaal, Roger Gromand, zal hij voor de hele duur van het politiek mandaat van dit duo controle uitoefenen op de hele architectuur en stedebouw in Tunesië. Meerdere factoren zullen een determinerende rol spelen in hun werk. Eerst en vooral die verbazende ploeggeest, niet vreemd aan het feit dat de meesten onder hen werden opgeleid in het Atelier Pontremoh. Met uitzondering van Jacques Marmey en Jason Kyriakopoulos die reeds eerder met Noord-Afrika kennis hadden gemaakt en over beroepservaring beschikten, worden allen bovendien voor het eerst geconfronteerd met de realiteit van het bouwen en met de Tunesische architectuur. De jaren veertig tenslotte worden gekenmerkt door aanzienlijke tekorten aan bouwmaterialen als cement, beton en ijzer. De architecten zien zich dan ook genoodzaakt het ambachtelijk kunnen maximaal te benutten en him nieuwe gebouwen op te richten met behulp van traditionele technieken als het gebruik van bak- en natuursteen, gewelven, koepels en bogen.


Ervan bewust aldus een nieuw tijdperk in te leiden verwaarlozen ze daarom allerminst het ideeëngoed van de Moderne Beweging. Het uitzonderlijk karakter van hun werk schuilt integendeel in hun wil om de beginselen van het Charter van Athene aan te passen, zonder daarom in het keurslijf van voorafbepaalde modellen geprangd te blijven. Daarenboven zullen ze stuk voor stuk gefascineerd raken door de traditionele Tunesische architectuur. Eenvoudige volumes als de kubus, de halve sfeer, de halve cilinder, witte muren, terrasdaken, zijn gemeen aan zowel traditie als avantgarde. Deze vreemdsoortige kortsluiting in de geschiedenis zal aldus aanleiding geven tot een uitzonderlijke architecturale produktie die door historici en het ruimer publiek nauwelijks is gekend.

Op leven en dood

Epitaaf v.z.w. werd opgericht eind 1984 door een groep architecten, begraafplaatsverantwoordelijken, geschiedkundigen, juristen, kunstfotografen, kunsthisotrici... uit een persoonlijke of beroepsgebonden bekommernis om begraafplaatsen, kerkhoven en grafmonumenten, in het bijzonder sinds de wet van 1971 op de begraafplaatsen zonder meer komaf maakte met het stelsel van de eeuwigdurende concessies. De catastrofale gevolgen van deze wet op het ongemeen rijke architecturaal, artistiek en historisch funerair patrimonium laten zich moeiteloos raden. Op uitnodiging van het I.C.C. Antwerpen, in het kader van de zomermanifestatie Monumenta, treedt Epitaaf thans in de openbaarheid met een tentoonstelling rond dit grafmonument in zijn ^deDe tentoontellingen .Rationalisme et Tradition, Tunisie 1943-194T' en „Mai- begin 20ste-eeuwse verschijningsvorsons contemporaines, Valeurs Traditio- men. Antiquarische publikaties, originenelles", lopen in de „Fondation pour le ontwerpen van onder meer Baron Bel'Architecture", Kluisstraat 55, 1050 Brus- thune, Emile Janlet, Victor Horta, Paul Hankar, Edmond de Vigne, Jos Bascourt sel, van 26 mei tot 4 juli 1987. en Lucien Frangois, talrijke gipsmodelToegankelijk van 12.30 tot 19 u., van dinsdag tot en met vrijdag, zaterdag van len van graftekens en beeldhouwwerk11 tot 19 u, zondag en maandag gesloten. en, doch tevens actuele foto's, architecturale elementen, bronzen en stenen votiefvoorwerpen, pogen aldus zonder M.M.C.

Grafteken Fam. Oor, begraafplaats van Brussel, Evere (arch. L. Frangois)

veel pathos aandacht te wekken voor wat nu reeds gemeenzaam funeraire archeologie genoemd wordt, een nog onbekend terrein dat ongetwijfeld veler ogen zal doen opengaan. Na Antwerpen verhuist de tentoonstelling naar de badstad Knokke, om in een aan de lokale situatie aangepaste vorm het publiek van het Cultureel Centrum Scharpoord te winnen. Op Leven en Dood I.C.C., Meir.. 2000 Antwerpen van 27 juni tot 30 augustus alle dagen, van 10.00 tot 17.00 uur. Cultureel Centrum Scharpoord, Meerlaan 32 8300 Knokke-Heist van 5 september tot 4 oktober. Rechtzetting In het november/decembernummer wordt op blz. VII van de Binnenkrant vermeld, dat een object om voor bescherming in aanmerking te komen, 100 jaar oud moet zijn. Dit is een vergissing: de Nederlandse monumentenwet van 1961 zegt dat objecten van 50 jaar en ouder kunnen worden beschermd.


The 'Courtrai Chest', of de kist die zich niet Iaat kisten E. Goedleven, B.M.L

Het lijkt wel een sociologische wetmatigheid dat er in de middens van de kunstkenners meer vreugde is om één kunstwerk dat als vals-zijnde wordt ontmaskerd, dan om negenennegentig andere waarvan de authenticiteit vaststaat. Wordt de kist van Oxford in dit opzicht een pretbederver? Op de parlementaire vraag nr. 127 van 12 februari 1987 van volksvertegenwoordiger A. De Beul, antwoordde de Heer P. Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur dat: „In het huidig stadium van het onderzoek het uitgesloten is dat enige financiële tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap voorzien zou worden bij de eventuele verwerving van de kist". Het toeval wil dat in maart 1987, nauwelijks een maand na dit ministeriële antwoord, twee belangrijke wetenschappelijke artikels (Warlop, Hall) verschenen over de kist van Oxford, in Engeland de 'Courtrai chest' genoemd. Tevens kon sindsdien nog bijkomende informatie worden verzameld.

De voorgeschiedenis Sinds 1905 is de 'kist van Oxford' in het bezit van New College te Oxford. De 'warden' (beheerder), Dr. W. Spooner, ontdekte de kist toevallig in 1905 bij de inspectie van een hoeve van New College, in Stanton St. John, in pacht genomen door ene William Harris. Volgens William Harris was de kist reeds minstens zestig jaar in het bezit van zijn familie. Tegen de kwijtschelding van 50 pond pachtgeld nam de 'warden' de kist mee naar zijn ambtswoning in New College, waar ze thans nog in de woonkamer van de huidige 'warden' pronkt. In 1909 kon Charles Oman, van het Victoria en Albert museum in Londen, de gebeeldhouwde afbeeldingen op de kist identificeren als een weergave van de Slag der Gulden Sporen in 1302. In 1977 overwoog New College de mogelijkheid om de kist te verkopen. In hetzelfde jaar kwam ze naar België, waar ze in Kortrijk werd tentoongesteld. Bij deze gelegenheid werd ze onderzocht door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel. R. Sneyers, Directeur van dit Instituut, vond op basis van dit eerste verkennende onderzoek aanleidingen om de authenticiteit van de kist in twijfel te trekken. Hij stelde de stad Kortrijk voor het Research Laboratory for Archaeology and History of Art van de Universiteit van Oxford een dendrochronologisch onderzoek te laten uitvoeren. Hij meende immers dat het inschakelen van een Brits laboratorium de waarborg van wetenschappelijkheid alleen

maar kon verhogen. Tevens haalde hij zijn Engelse collega J.M. Fletcher aan om dit specifiek onderzoek op zich te nemen. Aldus geschiedde. Uit het onderzoek bleek dat de eik die het hout voor het voorpaneel leverde, gekapt werd omstreeks 1250. Terzelfder tijd met het bekendmaken van de publikatie bracht Mevrouw Geddes, een Britse specialiste inzake historisch ijzerwerk, haar rapport uit waarin zij het slot van de kist dateert rond 1600. Als specialiste van de militaire geschiedenis voegt ze er aan toe : „The great accuracy with which the arms and armour shown on the carving are portrayed convinces me that it dates from the early 14th century". Nog vóór de resultaten van dit onderzoek goed en wel bekend waren was een artikel in druk van de hand van R. Marijnissen, afdelingschef van het K.I.K., onder de titel: De „Chest of Courtrai", een vervalsing van het pasticciotype. Elementen van verscheiden herkomst zouden, met lichte variaties en omwisseling van details, zijn samengevoegd tot een authentiek lijkend geheel. De twee rapporten werden nog wel als bijlage bij het artikel gepubliceerd maar werden er niet in verwerkt. In 1980 bracht 'De Leiegouw' een belangrijke en uitgebreide bijdrage van B. De Wilde, A. Pauwels, J. Verbruggen en E. Warlop, waarin de argumenten van R. Marijnissen worden weerlegd. Met het oog op een eventuele sponsoring voor de aankoop werden in december 1986 door A. Pauwels en B. De Wilde de betwiste punten en hun weerlegging op een rij gezet : 33M&L


Argumenten die de authenticiteit in twijfel trekken

Weerlegging

1. De opbouw van de kist is confuus en onverwacht, er zijn geen vergaringen, de bodem is van een andere houtsoort.

1. Het gaat bij de kist alleen om het voorpaneel met gebeeldhouwde friezen; de kist zelf onderging een grondige verbouwing, wat geleid heeft tot een wellicht confuse en onverwachte opbouw; van de vroegere vergaringen zijn de deuvelgaten de duidelijke overblijfsels.

2. De scharnieren a. zijn primitief; b. hebben weinig gefunctioneerd, vertonen sleet noch sporen van de aanzienlijke trekbelasting; c. er wordt ook getwijfeld of het neerklappen wel mogelijk is.

2a.Het materie-onderzoek door J. Geddes (1978) dateerde het ijzerbeslag omstreeks 1600, de vermoedelijke tijd van de verbouwing. Inderdaad, ze zijn primitief, doch ze hebben niets te maken met de ouderdom van het voorpaneel; b. Ze hebben inderdaad weinig gefunctioneerd en vertonen dan ook weinig sleet. Waarschijnlijk werden ze vrij vlug buiten gebruik gesteld door het vastspijkeren van de zijkanten aan het voorpaneel, om het meubel weer als kist te kunnen gebruiken; c. Het recent losmaken van het voorpaneel, voor het dendrochronologisch onderzoek (1978), bewees dat deze scharnieren wel perfect functioneren. Deze drie argumenten (a, b en c) hebben echter niets te maken met authenticiteitsbewijzen van het gesneden voorpaneel.

3. a. Men ondergaat de zeggingskracht van de krijgstaferelen, waarvan het compositieritme verwant lijkt met onder meer miniaturen in oude handschriften; b. maar het tafereel met het inzamelen van de buit valt uit de stilistische toonaard en heeft niets meer van de 14de-eeuwse vormentaal.

3a. Feitelijk is dit een argument ten gunste van de authenticiteit. Hoger stelde R. Marijnissen dat er voor de Nederlanden geen stilistisch vergelijkingsmateriaal voorhanden is. In zijn 18de voetnoot geeft hij nochtans voorbeelden uit de Koninklijke Bibliotheek; b. Dat het plunderen van een slagveld, per definitie, een ander compositieritme (!) heeft dan krijgers in slagorde, hoeft geen betoog.

4. a. De pij van de zegenende monnik past niet in een 14de-eeuwse context; b. de drapering is geenszins wat men van een gotische 'beeldsnidere' zou mogen verwachten; c. de zegenende monnik staat niet alleen stilistisch dichter bij de 19de dan bij de 14de eeuw.

4a. Waarom de pij en het overige snijwerk niet? Alles vertoont duidelijk dezelfde stijl, vormelyk en technisch; b. Er zijn meerdere soorten gotisch beeldsnijwerk, waarvan vooral het beste overgebleven is. Snijwerk uit de grote centra zoals Parijs en Reims vertoont een sierlijker resultaat dan dat van minder toonaangevende gewesten; c. Het is ondenkbaar dat een dergelijk primitief beeldhouwwerk in het Vlaanderen van de 19de eeuw succes zou hebben gehad. Een vervalser zou zeker een grotere belangstelling hebben bekomen met een stilistisch fynere afwerking. Dat een monnik de strijders zegende is een historisch feit (cf. Spieghel Historiael).

5. Dat er loodmenie gevonden werd in de dieptes van het snijwerk, is op diverse manieren uit te leggen, behalve als materieel gegeven van authenticiteit. In voetnoot 21 wordt toegegeven dat loodmenie vaak bij vervalsing gebruikt wordt maar wel eens aangetroffen wordt op oude werken.

5. Dit is duidelijk een vooroordeel: de loodmenie, die bovenop het snijwerk ligt, kan in elke periode gebruikt zijn.

6. De patina is geen onderhoudspatina, is wel geïdentificeerd als bijenwas met sporen van olie. Beide onverdachte produkten vermogen weinig tegen het argument van de aanwezige loodmenie.

6. Al deze produkten liggen op het snijwerk en zijn later aangebracht. Toegegeven wordt dat deze vroeger ook gebruikt werden! Deze zaken kunnen dus bezwaarlijk aangevoerd worden als bewijsmateriaal van vervalsing.

7. Bewijzen dat de huidige structuur van het meubel het resultaat is van een verbouwing vraagt een lang betoog waarbij op een bepaald moment zelfs uitleg gevonden moet worden voor de omstandigheid dat ratten het gesneden paneel symmetrisch aangevreten hebben.

7. Dat de huidige structuur het gevolg is van verbouwing is thans voor iedereen duidelijk. Het betoog zou nu ook zo lang niet zijn geweest dat het niet opgenomen kon worden in de studie. Juist deze verbouwing, met de inkorting van het voorpaneel, wijst op een ouderdom lang vóór de 19de eeuw. Dat de ratten het paneel zouden hebben beschadigd, is een veronderstelling van Ffoulkes uit 1914. In alle geval is de slotplaat niet meer in het midden van het paneel, zodat nu geen sprake meer is van symmetrie. Terloops zij opgemerkt dat R. Marijnissen geen enkele afmeting geeft, wat lii j een wetenschappelijke benadering toch elementair is. Hoe kan een inkorting, kort na het maken door een vervalser op het einde van de 19de eeuw, wenselijk of noodzakelijk zijn geweest?

M&L34


Argumenten die de authenticiteit in twijfel trekken

Weerlegging

8. Het nadrukkelijk primitief karakter van het snijwerk loopt parallel met de even opzettelijke primitieve structuur van het meubel.

8. Hier vallen twee klemtonen op, namelijk „nadrukkelyk" en „opzettelijk". Deze adjectieven ter verdachtmaking, werden met geen enkel bewijs gestaafd. Laat deze beide woorden weg, en men bekomt een argument ten gunste van de authenticiteit.

9. Ijzerwerk, ogenschijnlijke herstellingen, de relatie scharnieren tot gesneden paneel enz., alles schijnt te convergeren naar het vermoeden dat we hier te maken hebben met een (al dan niet opzettelijke) vervalsing.

9. Het ijzerwerk is van latere datum, duidelijk te zien aan het slotvlak dat groter is dan de huidige slotplaat. Resten van een ouder slot zijn nog aanwezig en ook te zien op de röntgenopname. De herstellingen zijn niet „ogenschijnlijk", de metalen verstevigingen gaan over een reële barst, die derhalve ouder is dan deze versteviging. Ook is zichtbaar dat het snijwerk ouder is dan deze barst. De relatie scharnieren-gesneden paneel toont aan dat het snijwerk ouder is dan de scharnieren en niet omgekeerd.

10. Het gesneden paneel is ofwel in de 14de of in de 19de eeuw gemaakt.

10. Dit aanvaardt iedereen! Hier wordt duidelijk gesteld dat het snijwerk 14de eeuws kan zijn, zonder enige aanwijzing voor een 19de eeuwse origine. Eén enkel bewijs van vervalsing zou nochtans voldoende zijn.

11. Bij het doorbladeren van de zes boekdelen van Violletle-Duc's Dictionnaire raisonné du Mobilier Francais noteert men vormanalogieën bij het manshoge schild, het kleine ronde schildje, de drapering der dekkleden der paarden.

11. Dat een gereputeerd iconograaf als Viollet-le-Duc in /ijii standaardwerk afbeeldingen brengt die inderdaad overeenkomen met de voorstellingen op de kist, wijst op authenticiteit van de gegevens. Hier wordt echter gesuggereerd dat de vervalser ze heeft gebruikt. Van kopies kan allerminst sprake zijn.

12. Bij het bekvechten over de Leugemeete-fries en de goedendag wordt met geen woord gerept over de kist van Oxford.

12. Het bekvechten begon in 1895 en duurde meer dan 10 jaar, tot na 1905. Het is weinig waarschijnlijk dat de kist op het vasteland toen reeds bekend was, aangezien de eerste publikatie uit 1909 dateert.

13. Men heeft de indruk dat de Leugemeete-fries stond voor de twee middelste registers van de kist.

model

13. De indruk vervaagt vlug wanneer de details bekeken worden. Deze wijzen, voor wat de kist betreft, op wapenrustingen die ruim 50 jaar eerder gedateerd worden (Verbruggen)

14. Emblemen op de vanen zijn waarschijnlijk naar het boek van F. De Vigne.

14. Opnieuw dat woord 'waarschijnlijk', zonder enige verantwoording! Een ooggetuige zal het wel evengoed als De Vigne geweten hebben. Schietspoelen en gereedschap werden trouwens vele jaren op dezelfde manier afgebeeld op vanen en zegels.

15. De twee figuren in het tafereel van 'het beroven der gesneuvelden' zijn blijkbaar geïnspireerd op twee kampvechters afgebeeld in De Vignes Vade-mecum du Peintre.

15. Ook hier legt men best de twee afbeeldingen naast elkaar. Vormanalogie is ver te zoeken.

16. De 'tapisserie de Bayeux', 11de eeuw, leverde voorbeelden voor de episode van het beroven der gesneuvelden; ivoorreliëfs hebben model gestaan.

16. Dit beroemde borduurwerk bestond reeds in 1302. Het kon evengoed dan als in de 19de eeuw model hebben gestaan. Het bewijst wel dat reeds in de 11de eeuw slagvelden met gesneuvelden werden afgebeeld. Sommige ivoorreliëfs uit de 13de en 14de eeuw zijn nauw verwant met de afbeeldingen op de kist. Dat is te verwachten en wijst eerder op authenticiteit dan op vervalsing.

17. De 'chest of Courtrai' past volkomen in de toenmalige (19de-eeuwse) Vlaamse, politieke en geestelijke context.

17. Niets is minder waar! In de Vlaamse politieke en geestelijke context van het einde van de 19de eeuw zou het snijwerk ongetwijfeld: — gulden sporen afgebeeld hebben; — leeuwen met tong en klauwen getoond hebben; — Jan Breydel in de kijker gesteld hebben.

18. Wellicht leveren strikt iconografische en heraldische analyses enkele argumenten ten gunste, mogelijk zelfs die enkele verrassende details die geen vervalser kan hebben gekend.

18. Dit is een prachtig en eerlijk pleidooi, dat alle deuren opent voor de mogelyke authenticiteit. Die 'iconografische en heraldische analyses' en die 'verrassende details, die geen vervalser kan gekend hebben', werden in de studie 'De Kist van Oxford' (Dewllde, et. al.) (alrijk en met overtuigend bewijsmateriaal samengebracht.

Niet één van de argumenten die pro pleiten, kon tot alleen nog op aanvoelen en vermoeden.

toe worden weerlegd. D e tegenargumenten steunen

35M&L


M&L36


37M&L


Een Vlaamse Belgenmop ? D e kist van Oxford werd in 1905 dus gekocht voor 50 p o n d . O m g e r e k e n d in huidige muntwaarde — via de omweg van de Zwitserse goudfrank — kwam dit bedrag in maart 1987 overeen met 50.000,- fr. Dit zou a m p e r volstaan hebben voor de aankoop van het materiaal waaruit de kist is opgebouwd. Als daarenboven de kosten voor de studie, het beeldhouwwerk, vervoer en vergoeding van tussenpersonen in aanmerking worden g e n o m e n , is het duidelijk dat de eventuele vervalser (de Brugse beeldsnijder Prosper Hinderyckx?) er financieel eerder aan verloren dan aan gewonnen heeft. In dat geval heeft deze geniale vervalser wel het geheim van zijn tijdrovend e en dure grap voor zich moeten bewaren en heeft hij zich de pret van de ontknoping moeten ontzeggen.

Elf voetnoten, toe te voegen aan de 179 van de Leiegouw In zijn gelijknamige repliek op het artikel van B. D e Wilde e.a. stelde R. Marijnisssen in de Standaard van 25 juli 1980, vooreerst de vraag "waarom de kist niet is opgenomen in 'The treasures of Oxford' ", gepubliceerd in 1977. David Piper, auteur van dit boek, liet o p 11 mei 1987 weten dat hij het boek schreef in 1975 — twee jaar vóór de kist naar Kortrijk kwam. Hij beperkte zich doelbewust tot de kunstschatten toegankelijk voor het publiek. New College is namelijk geen museum: „I had to refrain from mentioning items not visible to the visitors, as the colleges do not have the staff to cope with the thousands of tourists". Daarnaast zou, nog volgens Marijnissen, „de patina, inzonderheid de aanwezigheid van loodmenie, van het gesneden paneel als artificieel — d.w.z- als frauduleus — te herkennen zijn". Naar zijn mening hieromtrent gevraagd liet Prof. E . T . Hall F B A , Research Laboratory for Archaeology and the History of Art, van de Universiteit van Oxford, op 8 januari 1987 weten: „Unfortunately the dating of wax etcetera from the bottom of the carved work would be pointless, since it would have been contaminated by subsequent treatment - the New College maid in Warden Smith's time was always was king and polishing it". In het vermelde artikel wijst Prof. E . T . Hall er daarenboven o p dat bij alle vergelijkbare o u d e , authentieke kisten die hij in Engeland onderzocht, er steeds sporen zijn van vermiljoen of loden pigmenten: ,yl particular point of similarity rests in the existence in all these chests of the remains of colouring agents (vermilion and/or red lead pigments) in the bottom of the carvings". „Na het artikel van B. Dewilde, A. Pauwels, J. Verbruggen en E. Warlop, zouden de Britten thans alle redenen hebben om dat unieke 14de-eeuwse ding bij Sotheby's of Christie's te veilen". Bij navraag naar de intenties van New College, a n t w o o r d d e . Dr. E. Rose op 19 maart 1987 : „There is no recent valuation, nor do we have one in mind because there is no intention at present of putting the chest on the market." Aldus wordt meteen de suggestie weerlegd, vervat in de parlementaire vraag van A . D e Beul: „Naar verluidt zou momenteel van Engelse zijde sterk worden aangedrongen M&L38

opdat de Vlaamse Gemeenschap zou overgaan tot de aankoop tegen een zachte prijs van de zogenaamde kist van Oxford". D e belangrijkste punten van kritiek bleven evenwel de datering van de planken en de afbeelding van een nietbestaande banier.

De datering van de planken. D e bewering „We zijn zelfs bereid de hoogst onwaarschijnlijke veronderstelling te maken dat de wetenschap ooit het 'bewijs' levert van een zeer precieze datum ergens tussen 1270 en 1300", schoot het 'Research Laboratory' in het verkeerde keelgat. Prof. E . T . Hall reageerde immers met een artikel in maart 1987 over het bijkomend onderzoek van de kist van Oxford. ,^At the same time the chest was examined by Dr. R.H. Marijnissen. Unfortunately he did not use any true scientific techniques and came to the conclusion, on art-historical considerations only, that the chest was a late19th century forgery. His arguments to the present author seem slender and of little consequence". Het dendrochronologisch onderzoek van J.M. Fletcher en de C14-proef van E . T . Hall worden door Hall zelf aldus geëvalueerd: „Toen de kist in 1977 naar Oxford was teruggekeerd werd ze door Dr. J. M. Fletcher in het Research Laboratory for Archaeology and the History of Art onderzocht met de dendrochronologische methode, een techniek die hij vele jaren aangewend had voor het dateren van middeleeuwse schilderijen op paneel. Vroeger al had hij kisten onderzocht in Westminster Abbey (1977), wat hem toeliet een referentiecurve op te stellen die de periode in kwestie omvat. De volledig op punt gestelde techniek van dendrochronologie is gebaseerd op de verschillen in de jaarlijkse groeimaat van bomen, die weerspiegeld zijn in de groeipatronen van bomen en de dikte van de groeiringen. Eenvoudige meettechnieken onder vergroting, laten toe de opeenvolging in kaart te brengen van de ringbreedte van een staal van ongekende ouderdom en ze te vergelijken met de beschikbare referentiecurves, in dit geval samengesteld op basis van de kisten van Westminster en één gemaakt voor Midden-Duitsland (Huber & Giertz-Siebenlist 1969). Geen enkel staal zal er perfect in passen. De graad van overeenkomst kan statistisch worden vastgesteld met de aangenomen waarde 'W (voor details zie Ecksten et. al. 1970) die de waarschijnlijkheid aangeeft van een volledige overeenstemming. Een perfecte overeenkomst zou een 'W-waarde geven van 100 %, maar zelden wordt een waarde van meer dan 70 % overschreden. De twee planken waaruit de kist is samengesteld, werden in gereedheid gebracht in april 1978; opmetingen gebeurden door Dr. J. M. Fletcher en F. S. Walker (Fletcher & Tapper 1984). De bovenste plank (274 ringen) werd gedateerd tussen 970 en 1243 en de onderste plank (234 ringen) tussen 983 en 1216. De 'W'-waarde bedroeg 65,5 %, een hoge graad van overeenkomst. De jongste ringen (het dichtst bij de schors) zouden bovenaan de bovenste plank en aan de onderkant van de onderste plank liggen. Rekening houdend met het spinthout zou gesteld kunnen worden dat de boom waarschijnlijk gekapt werd omstreeks 1250. De datum van de laatste groeiring in de plank geeft natuurlijk niet de datum aan waarop de sculptuur werd gemaakt. Niet alleen moet het onbruikbare spinthout worden weggesneden; ook moet de boom een tijdlang 'blijven liggen' vooraleer hij bewerkt kan worden.


De kisten van Westminster tonen aan dat er normaal een tijdsverschil is van vijftig jaar of meer tussen de datum van de jongste ring en de datum van de bewerking van het hout. Aldus mogen we aannemen dat de originele kist gebeeldhouwd werd kort na de Guldensporenslag. Spijts de nauwe overeenkomst tussen de groeiringen van de kist en die van de vermelde referentiecurves in het algemeen, en spijts de zeer goede overeenkomst voor sommige sleuteljaren, werden van andere sleuteljaren geen sporen teruggevonden.

In Oxford bestond er wetenschappelijk weinig twijfel over het resultaat, maar de Belgische achterdocht bleef. Daarom leek het aangewezen een andere techniek toe te passen om de deugdelijkheid van het resultaat na te gaan.

Tot voor kort was de C14-methode ongeschikt voor de datering van museumstukken uit organisch materiaal, omdat een onaanvaardbare hoeveelheid materiaal als staal vereist was (ongeveer 10 g). Met de ontwikkeling en het recente routinegebruik van de nieuwe AMS-methode (accelerator-based mass spectrometer. Hall 1980) volstaat een staal dat duizendmaal kleiner is (10 mg). Hierdoor zijn in belangrijke mate nieuwe mogelijkheden ontstaan voor dateringen met de radiokoolstof methode. De kist van New College werd dan ook zonder noemenswaardige beschadiging gedateerd met deze nieuwe methode. Kleine boringen (2 mm doorsnede) werden gemaakt in de bovenste van de twee planken tot in de diepste weefsels van het hout. De ene boring werd genomen dicht bij de oudste ring, de andere bij de jongste ring. Ze werden door middel van de AMS-methode uitgevoerd in Oxford in oktober 1985.

Detail van tafereel 2 (links boven) (foto D. Stemgée). In de 19de eeuw bestond nogal wat verwarring over de juiste afbeelding van de 'goedendag'. De meest correcte, in de 19de eeuw bekende afbeelding, was die op de muurschildering 'de Leugemete' in Gent. De fresco's van de Leugemete. een tot brouwerij omgebouwde kapel, werden in 1846 ontdekt door F. de Vigne. Op deze muurschildering uit 1346 waren krijgers afgebeeld, gewapend met de 'goedendag'. Deze laatste is evenwel van een later model dan de 'goedendag' van 1302, slanker en langer. De kist geeft de exacte 'goedendag' van 1302, en loont — wal nog nergens anders te zien was geweest — hoe die werd gehanteerd. Niet alleen werd de authenticiteit van deze muurschilderingen in twijfel getrokken, ook de waarde van de kopies die baron Jean de Bethune ervan gemaakt had, werd betwist. In 1902 werd een en ander grondig onderzocht door de stedelijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van de stad Gent. De kopies van de Bethune werden definitief als volledig in overeenstemming met het origineel bevonden. Door de werkzaamheden van de brouwerij waren de muurschilderingen inmiddels zo zeer aangetast dat de Commissie niet langer aandrong op conserverende maatregelen. Enkele jaren later werd het gebouw gesloopt

39 M & L


.-^^^ =aasB

Ï!5¥!Ö8ÉSÉS

tfrtfc^;

m fW

SraJEl

31

J^i^

. fttMBB

tor^

Tafereel 6 (links onder). Tijdens de Slag der Guldensporen waagt het Franse garnizoen een uitval vanuit de burcht van Kortrijk, om het Franse leger ter hulp te snellen. De leperlingen slaan de uitval af (foto D. Stemgée). - De leperlingen dragen het oude, in de 19de eeuw onbekende, wapen van de stad leper. - Aan de linkerzijde van de rechtertoren is de fel besproken Franse banier gehesen. - De wijze waarop het hout gebarsten is, loont duidelijk aan dat de barst er na het beeldhouwwerk is gekomen. Zou de eventuele 19de-eeuwse vervalser over intacte, gekloven eiken panelen beschikt hebben, die dan pas na meer dan vijfhonderd jaar plots zijn gaan barsten? - Hetzelfde geldt voor de beschadiging door de houtworm. De ronde wormgalen tonen aan dat de beschadiging dateert van na het snijwerk.

M&L40


Grafiek De resultaten gaven voor de oudste ring een ouderdom van 860 ± 60 (Ox. A. 683) en voor de jongste ring 660 ± 70 (Ox. A. 684). De hogervermelde grafiek geeft de kalibratie curve voor de periode vanaf het jaar 800 waardoor deze niet gekalibreerde gegevens omgezet kunnen worden in de kalenderjaren vermeld in de dateringstabel. kalendefjiar na Christus

Mbü

^v

1050

>\

^<v\

BSO

- ^

100

v

'V

A MV

5S0

soa >

4S0

^

550

Theore tistht

V

2 50

Gemet en verdil i i i i ^ _

\• 600

900

kalendeijaar

1000

1100

1500

120C

UOC

1500

520

^

^ l __

1600

itjrilEling

•^

1700

^ s

1600

1900

na Christus Ol

CM

Tabel: Datering DATERING Uit de tabel en de grafiek kan worden afgeleid dat, hoewel het mogelijk is de jongste ring van de bovenste plank in 1420 te dateren, het aangewezen is de plank te dateren rond 1280. In ieder geval staat het vast dat de buitenste ring van de boom in kwestie, onmogelijk afkomstig kan zijn uit de periode van de 16de tot de 19de eeuw."

Door de C 14-methode plank

ring

— 2 standaarc gemiddeld deviatie

+ 2 standaard deviatie

door dendrochronologie

oudste

1.000

1.170 ± 60

1.270

970

jongste

1.220

1.280 ± 70

1.420

1.243

bovenste

oudste onderste

983 niet gemeten

jongste

1.261

41 M & L


Besluit: de dendrochronologie en de radiokoolstofmethode leveren twee totaal onafhankelijke mogelijkheden om het hout van de kist te dateren. De jongste ring, gedateerd door de A MS-radiokoolstofmethode, valt binnen de grenzen van 2 standaard deviaties van de datum door dendrochronologie, in 1243. Volgens de AMS-radiokoolstofmethode blijkt de oudste ring enkele jaren later te dateren te zijn dan verwacht.

banier van Frankrijk wel zijn slaap niet gelaten hebben. Niet de heraldische accuratesse kwam voor hem in de eerste plaats, wel 'de lelie', het gehate symbool van Frankrijk en de Leliaards". R. Marijnissen merkt dan ook op: „De bevoegdheid van de heer Warlop inzake heraldiek wordt geenszins betwist, maar stellen we vast dat hij inzake methodiek een aardig stukje kan schaverdijnen".

De globale overeenstemming is uitstekend, zodat er geen twijfel over kan bestaan dat de planken van het voorpaneel van de kist in de 14de eeuw zijn vervaardigd. Ze kunnen onmogelijk 19de-eeuws zijn. New College heeft wel degelijk hiermee een merkwaardige kunstschat in haar bezit, en laten we hopen dat die in de toekomst in haar bezit blijft."

Z e s jaar later komt D r . E . W a r l o p in ' D e Leiegouw' hierop terug: „Meer dan zes jaar na datum vroegen we ons nog steeds af waarom R. Marijnissen dit artikel of een ander waarin er aan zijn elf bijkomende voetnoten enige lopende tekst toegevoegd was, nooit in een wetenschappelijk tijdschrift liet verschijnen?"

In het vermelde kranteartikel wordt anticiperend op het bijkomende dateringsonderzoek gesteld: „Al bewees de wetenschap dat de boom geveld werd op 11 juli van het jaar 1300, het blijft nog altijd mogelijk dat het paneel van de kist van Oxford gesneden werd tijdens de karnaval van 1880". In een brief van 8 januari 1987 geeft Prof. E . T . Hall de theoretische mogelijkheid toe dat een onbewerkt paneel uit 1300 vijfhonderd jaar later nog beschikbaar is ten behoeve van een vervalser, maar dit vindt hij toch ver gezocht: „The chance of an oak chest (with no carving) of 1300 being available for deliberate fraudulent carving in the period pre-1870 seems to stretch the imagination too far".

De banier die niet bestond H e t belang van de kist van Oxford ligt, in het bijzonder voor het Bestuur voor M o n u m e n t e n en Landschappen, allereerst in de heraldische afbeeldingen. D a a r e n b o v e n gaat de hele symboliek waarmee de Vlaamse G e meenschap zich door een eigen feestdag, vlag en volkslied wil profileren, terug o p de Guldensporenslag, waarvan de Kist van Oxford een unieke getuigenis is. Nu legt R. Marijnissen het hoofdaccent van zijn kritiek op het feit dat de banier (met slechts één lelie) uit tafereel zes in 1302 niet bestond, want destijds was de Franse vlag (banier) bezaaid met lelies. Deze 'fout' was trouwens reeds gesignaleerd in de vermelde studie van E. W a r l o p , waarin werd aangetoond dat de talloze heraldische figuren op de kist met een uitzonderlijke vakkennis waren afgebeeld. Daarenboven had hij door de ontleding van 19de-eeuwse afbeeldingen op basis van de wetenschappelijke kennis van de heraldiek, de onmogelijkheid bewezen dat al de heraldische symbolen o p de kist in de 19de eeuw gekend waren of juist afgebeeld k o n d e n worden. D e studie van J . F . Verbruggen kwam tot een gelijkaardige conclusie: ook op het vlak van de militaire geschiedenis bevat de kist van Oxford informatie die in de 19de eeuw niet bekend was. Toch bracht de Franse banier, afgebeeld o p de kist van Oxford, deze conclusies in het gedrang. O p deze banier staat één lelie en dat is fout. D r . E. Warlop vergoelijkte dit door te stellen: „ E e n 14de-eeuwse scrinewerker zal voor het aantal lelies o p de M&L42

D e bemerking „dat onze ooggetuige een Franse vlag afbeeldt die in het jaar 1302 nog niet bestond, blijkt voor de heraldiek een bewijs te zijn ten gunste van de autenticiteit. Voor dit betoog zijn we de Heer Warlop erkentelijk", dwong E. Warlop tot volgende commentaar: „Het blijft een feit — en een feit is eerbiedwaardiger dan de Lord Mayor van Londen en ook dan de Heer R.M. — dat de koningen van Frankrijk vermoedelijk sedert Lodewijk VI (1108-1137) o.m. een blauwe vlag gebruikten, bezaaid met gele lelies. Onder Karel VI (1380-1422) werd het aantal lelies beperkt tot drie. Dit laatste is o.m. te zien op een — niet vervalste... — I5de-eeuwse miniatuur waar genoemde Karel VI op afgebeeld staal met een schild van lazuur met drie lelies van goud en een blauwe banier met drie lelies. Het dekkleed van zijn paard is echter nog steeds blauw, bezaaid met gele lelies. Dit wordt bevestigd door de zegels — a/5 die niet van het majesteitstype zijn — en tegenzegels gebruikt door de koningen van Frankrijk wanneer hun wapen daarop afgebeeld is. Vanaf 1223 tot op het einde van de jaren 1380 is dit wapen bezaaid met lelies. In juli 1285 verschijnt er een tegenzegel met drie lelies, maar dan gaat het om een zegel en tegenzegel gebruikt tijdens de laatste maanden voor de dood van koning Filips lil de Stoute. In 1343, 1376 en 1380 vindt men de drie lelies op zegels gebruikt in afwezigheid van het grootzegel. Op de tegenzegels behorend bij die zegels van 1376 en 1380 staat echter nog steeds de semé de France (= bezaaid met lelies). In de vier geciteerde gevallen gaat het dus altijd om zegels die niet het normale koninklijke zegel zijn (regentschap, zegel in afwezigheid van het grootzegel). Een 'normaal' koningszegel van Karel VI, gedateerd 1392, vertoont eindelijk een tegenzegel met een schild waarop drie lelies staan. Van dan af wordt dit bij de koningen van Frankrijk algemene regel. Het wapen dat de koningen van Frankrijk op hun zegels en tegenzegels plaatsen, bevestigt dus in niet geringe mate wat hierboven al gezegd werd over hun banier. Bijgevolg mag men het nog steeds zo stellen dat de Franse banier die in 1302 wapperde op de tinnen van het kasteel van Kortrijk, blauw was en bezaaid met gele lelies. Dit belet niet dat de koningen van Frankrijk zich, wat hun tegenzegels betreft, in enkele gevallen vergenoegden met EEN lelie ! Op het tegenzegel van Filips II Augustus (1179-1223) staat er één sierlelie. Lodewijk IX de Heilige (1226-1270) had een tegenzegel met één sierlelie en een ander met gewone heraldische lelie. Ook op het tegenzegel van 't in 1343 gebruikte zegel in afwezigheid van het grootzegel (zie boven) staat er één lelie. Al deze „eenzame" leliebloemen staan niet op een schild, maar in het veld van het tegenzegel. O.i. volstaat dit om te mogen aannemen dat één enkele lelie voldoende was om (de koning van) Frankrijk te symbolizeren. Daarmee is echter nog niet gezegd dat die ene lelie ook op een banier geplaatst werd. Een banier was immers groot genoeg om ze met lelies te bezaaien. Maar wanneer een dergelijke banier zo klein afgebeeld wordt dat het aartsmoeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, is die vele lelies daarop te plaatsen — wat het geval is


•mr

&<?*!£?•-

Grootzegel van de stad Doornik uit de 14de eeuw (A.R.A. Brussel)

Detail van dit zegel met de Franse banier afgebeeld met één lelie

stad haar poorten voor koning Filips II Augustus van Frankrijk, die er een Frans kroondomein van maakte en er in 1211 de wijk Saint-Brice bij annexeerde. Van toen af was Doornik een vrije stad, die onder de bescherming van Frankrijk stond, tot keizer Karel V daar een einde aan maakte. De vestingmuur die op het hierboven vermelde grootzegel van Doornik prijkte, werd gebouwd tussen 1202 en 1302. En om nu een zinsnede aan te halen die R.M. neerpende in zijn „voetnoot" 180: „Hoeft men heus steeds maar te herhalen wat voor een schoolknaap evident is?". De burchttoren op de banieren die wapperen op de Doornikse torens, wijst op het stedelijke karakter van die plaats, de lelie op de andere banieren is het zinnebeeld van het gezag van de koning van Frankrijk. En het Detail uit tafereel zes (links onder) van de kist van Oxford. De Franse gaat om één enkele, eenzame lelie omdat het niet mogelijk was de banier afgebeeld met één lelie (foto D. Stemgée) zeer kleine banieren met lelies te bezaaien. Waren de banieren groter geweest, dan had men er meer lelies op kunnen plaatsen. In september 1426 verleende koning Karel VII van Frankrijk aan Doornik de toestemming om het stedelijk wapen (in keel een burchttoren — zie de banieren op het grootzegel — van zilver) te vermeerderen met een schildhoofd van lazuur beladen met drie bij de Franse banier in tafereel 6 van het voorpaneel van de kist lelies van goud. Het schildhoofd was groot genoeg om er méér van Oxford — wat dan? dan één op te plaatsen... . In het Museum voor Geschiedenis en Archeologie van Doornik wordt nog steeds de zilveren matrijs van het grootzegel van de stad Doornik bewaard, die gebruikt werd van de 14de eeuw tot op het einde van het Ancien Régime. Dit prachtige zegel toont ons het belfort van Doornik omringd door een van torens voorziene vestingmuur. De hemel boven dit complex is bezaaid met lelies. Op het belfort en op de torens van de vestingmuur staan er ongeveer vierkante banieren, in totaal acht, waarvan twee op het belfort en één op elk van de zes torens. Op vier van die banieren staat er een burchttoren, op de andere vier EEN lelie. Wat is nu de betekenis van die lelie en van die burchttoren op al die banieren? Bij het uiteenvallen van het Karolingische rijk kwam Doornik onder het gezag van de graaf van Vlaanderen. In 1187 opende de

Besluit (in de hoop dat dit weer geen scheve schaats wordt...): wanneer men in de I4de eeuw, toen het grootzegel van de stad Doornik gesneden werd, het wapen van Frankrijk (in lazuur bezaaid met lelies van goud) moest afbeelden op kleine oppervlakten, vergenoegde men zich met één lelie, omdat het grafisch onmogelijk was er meer op te zetten. Een eeuw vroeger hadden de koningen van Frankrijk al gebruik gemaakt van dit procédé. En niemand heeft er ooit aan gedacht te gaan beweren dat het grootzegel van Doornik een vervalsing is van het pasticcio- of welk ander type ook, vervaardigd in de tweede helft van de 19de eeuw... . Op vroeg-13de-eeuwse tegenzegels van de koningen van Frankrijk en op het 14de-eeuwse grootzegel van Doornik werd, om Frankrijk te symbolizeren, hetzelfde procédé toegepast als in tafereel 6 van het voorpaneel van de kist van Oxford. Dit is de

43M&L


Detail uit tafereel 7 (rechts onder). Uit de wijze waarop het hout gebarsten is, blijkt dat het beeldhouwwerk ouder is dan de barsten (foto D. Stemgée)

zoveelste aanwijzing voor een 14de-eeuwse oorsprong van be- op een redelijke wijze door vakmensen weerlegd konden doeld voorpaneel. De 'fans' van een 19de-eeuwse vervalser kun- worden, heeft de mogelijkheid van vervalsing tot een nen natuurlijk beweren dat hun idool ook dat 14de-eeuwse onwaarschijnlijk kleine kans gereduceerd. grootzegel van Doornik met zijn 'één-lelie-banieren' kon ken- Voor het geval hierna toch nog nieuwe argumenten connen. Daarin hebben zij gelijk. In de 19de eeuw was bedoeld grootzegel van Doornik bekend. De (Brugse) vervalser — of zijn tra aangevoerd zouden worden, moge uit wat vooraf gaat raadsman — i$ even toevallig als hij een 14de-eeuwse plank duidelijk zijn dat de kist, althans in heraldische zin, hiervond, ook op het spoor gekomen van een 14de-eeuwse zegel tegen uitstekend „gewapend" is. waarop het Franse gezag gesymbolizeerd werd door banieren waarop maar één lelie stond. Petje af...! Dan heeft hij bij zijn vervalsing gebruik gemaakt van hetzelfde procédé, goed wetende dat iedereen die min of meer op de hoogte was van heraldiek en Bibliografie vlaggenkunde, zich terstond vragen zou gaan stellen over die vrij ongewone Franse banier op de tinnen van de burcht van Kort- — R. Marijnissen en G. Van de Voorde, De „Chest of Courtrai" een rijk, een banier — en hier heeft Marijnissen overschot van gelijk vervalsing van het pasticcio-type, Mededelingen van de Koninklijke — die in 1302 niet bestond! De vervalser had nogal lef, maar dat Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van Belkomt nog voor...." gië, Klasse Schone Kunsten, XL (1978), nr. 3, p. 1-17. E. Warlop weerlegt aldus ook het laatste, tot op dit ogenblik, op objectieve feiten gebaseerde argument, dat de authenticiteit van de kist van Oxford in twijfel trekt. Sinds de kist van Oxford in 1977 even in Kortrijk werd tentoongesteld is er heel wat — en uitvoerig — over gedebatteerd. Het feit dat, zoals moge blijken uit hogervermeld overzicht, alle mogelijke op objectieve feiten gebaseerde argumenten die de autenthiciteit betwijfelen M&L44

— B. De Wilde, A. Pauwels, J. Verbruggen en E. Warlop, De Kist van Oxford, in De Leiegouw, XXIII (1980), p. 163-256. — R. Marijnissen, Elf voetnoten, toe te voegen aan de 179 van De Leiegouw. Kist van Oxford en van Kortrijk, of van Brugge en van gisteren. De Standaard, 25 juli 1980, p. 5. — J. Verbruggen, De „Chest of Courtrai", een oorspronkelijk getuigenis over 1302, in Belgisch Tijdschrift voor Militaire Geschiedenis, XXIII/7 (1980), p. 585-608. — E. Warlop, De Kist van Oxford, een banier die in 1302 nog niet bestond en het wapen van leper, in De Leiegouw, maart 1987. — E.T. Hall, The Courtrai chest from New College, Oxford, re-examinated, in Antiquity, volume 61, nr. 231, maart 1987, p. 104-107.


G E B O D E N

T O E G A N G

Onze-Lieve-Vrouw ten Zavel in Brussel 1

"•

1

# ilir '

il MW ^^^•K\|H • SSM ff 1 ^ n 1. ii I l 111 Iff/l/fl ^^ÉKr f , :;-,r' • ^t ^ sja

• 19

K*

is si ilHQ

U

i

>//

. • i • li M S r • 1 • ia; 1 1 III! Ill

./ 1 . jJl

Ét

: |

1 1 . '";^IL

1

A

m M

{ | |[

1 II l i

| • | i

M&L

f 1 1)1 m 1 ' - ^ H l ,!

'

'iflirB^

lli'

![ 1 [If

i n

l.l J:M

II! il 1

IS i !

j

!? P

l!

*TY!

h

ii

5 IHBB

1

W' - i

t Hifl^n^s IjjiÜMij É|S:"|


Nagenoeg geïsoleerde ligging van de Zavelkerk, buiten de eerste omwalling, ten zuiden van het hertogelijk paleis. Aan de zuidzijde (huidige Kleine Zavel) het voormalige kerkhof van het SintJansgasthuis. Ten noorden de eertijds aan vier zijden bebouwde Grote Zavel, toendertijd fungerend als paardenmarkt, met centraal de Zavelpoel (in 1615 gedempt). Plan van Brussel uit 1576 door Braun C. & Hogenberg Fr., uit Henne A. & Wauters A., Histoire de la Ville de Bruxelles, Brussel, 1975

De intussen door bebouwing ingesloten kerk paalt ten zuiden aan de Regentschapsstraat, die in een eerste fase in 1827 getrokken werd tussen het Koningsplein en de beboomde Kleine Zavel, in de plaats van het in 1704 opgeheven kerkhof. Popp P.C., Plan parcellaire de la Ville de Bruxelles, 1866 (Stadsarchief Brussel, Plannen Brussel 97).

De Zavelkerk met onafgewerkte westelijke portaalen zuidelijke transeptgevels, in haar omgeving van voorname woonsteden met hovingen. Op de achtergrond links de toren van het voormalige Hof van Nassau (eind 15de eeuw, huidig Museumplein), rechts de westgevel van de Magna Aula (tweede helft 15de eeuw) van het vroegere Hof van de Hertogen van Brabant, het Koudenbergpaleis (Koningsplein). Gezicht op de Zavelkerk door R. Cantagallina, 1612/ 1613 (foto A.C.L., Brussel)

De voor de grote Brabantse kerken typerende plattegrond met koor omgeven door een omgang en straalkapellen, werd hier niet toegepast. Plattegrond uit L'Emulation, jg. 31, 1906, pi. 21

*P-

1

1 '

M&L46

/

•

:

/••


Onze-Lieve-Vrouw ten Zavel in Brussel Gelegen binnen de Brusselse Vijfhoek, aan de rand van de oostelijke, aloude „residentiële" bovenstad, vormt de Onze-LieveVrouw ten Zavelkerk, halverwege de lijnrechte Regentschapsstraat, van oudsher de scheiding tussen de historische Grote en Kleine Zavel. In 1304 stonden de zusters en broeders van het Sint-Jansgasthuis aan de Grote Kruisboogschuttersgilde een deel af van hun kerkhof op de „Saedelwech" of ,,opten Savel", een moerassige en zandige vlakte, toen buiten de eerste (12de-eeuwse) stadsomwalling gelegen. Hetzelfde jaar nog liet de gilde op deze plaats een oratorium optrekken, toegewijd aan haar patroonheilige Onze-LieveVrouw. Dit werd echter spoedig te klein ingevolge de succesvolle verering van het miraculeuze Mariabeeld. Het werd vervangen door een volwaardige kruisbasiliek in laat-gotische stijl, geleidelijk tot stand gekomen in de 15de-16de eeuw. Na de aanzet van het transept, waarvan de benedenmuren en de westelijke kruisingspijlers uit ca. 1400 zouden dateren, volgde vóór 1409 de bouw van het koor, dat alleszins in 1435 beëindigd was. In het midden van de 15de eeuw was het transept overwelfd, en werd er gewerkt aan de vijf oostelijke schiptraveeën. Na een onderbreking van 1477 tot 1494 werden de werken voortgezet aan de dubbele zijbeuken.

In het door de gilden gebouwde bedehuis fungeerde het koor ah oratorium voor de Grote Kruisboogschuttersgilde; de overige militaire gilden beschikten over een altaar in het transept en de zijkapellen. Als parochiekerk, vanaf de 19de eeuw, bood ze ruimte voor de eredienst, ingetogen gebed en meer mondaine ontmoetingen. Lithografie door de Gebrs. Fietta, eerste helft 19de eeuw (Stadsarchief Brussel, Iconografisch Fonds, D 1861)


Na de aankomst van de 'Ommegang', de jaarlijkse optocht met de vereeuwiging van het miraculeuze Onze-Lieve-Vrouwebeeld, volgens de legende door Beatrix Soetkens m 1348 per boot uit Antwerpen overgebracht, greep een groot feest plaats rondom het afschieten van de op de dakruiter van de kerk bevestigde gaai; in 1615 was de winnaar Aartshertogin Isabella. Tevens wordt hiermee de hele omgeving opgetekend met bijzondere aandacht voor het bouwblok aan de noordzijde van de kerk. A. Sallaert (1613-1650), De Infante Isabella schiet de gaai bij de gaaischieting van de Grote Voetboog, 15 mei 1615 op de Zavel te Brussel (foto Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, inv. 172)

M&L 48


Na het doortrekken in 1872 van de Regentschapsstraat tot aan het Poelaertpletn, begon men aan de ontmanteling van de kerk, eindigend in 1948 met de sloop van het noordelijke bouwblok. Hierdoor kwam de kerk volledig geïsoleerd te liggen, als eindperspectief van het nu verruimde Grote Zavelplein, inmiddels grotendeels omgevormd tot parkeerplaats. Op de Kleine Zavel ontwierp architect Henn Beyaert een plantsoen met neogotische omheining, ingehuldigd m 1890. De achtenveertig hardstenen kolommen dragen bronzen heelden die de Brusselse ambachten voorstellen (foto D. Stemgée)

Wellicht ter vervanging van een initieel geplande — en voor de Brabantse kerken typerende — westertoren, werden midden- en zijbeuken in de eerste helft van de 16de eeuw verruimd met twee bredere westtraveeën en een -portaal. In 1549 werd aan de absis een sacrarium toegevoegd. Over de architect blijft men tot op heden in het ongewisse, hoewel sommigen — op stilistische basis — voor het westportaal de naam naar voren schuiven van bouwmeester Lodewijk Van Bodeghem (ca. 1470-1540), één van de leidinggevende medewerkers aan het Brusselse Broodhuis. Tot de belangrijkste verfraaiingen uit de barokperiode behoren de apostelbeelden aan de zuilen (1641-1646) en de uitbreiding, in de oksels van koor en transept, met twee kapellen (1651, 1670), gebouwd in opdracht van de prinselijke familie Tour en Tassis. Door de vestiging van deze en andere voorname adellijke families als de Egmonts, Culemborgs, Brederodes, Mansfelds, Lalaings, Lannoys en Solres in de omgeving van de kerk en in de Wolstraat, nabij het hertogelijk Paleis van Koudenberg, evolueerde de Zavelwijk in de 16de-17de eeuw tot het meest aristocratische stadsdeel van Brussel. Pas bij het concordaat van 1801 kreeg de kerk haar huidige functie van parochiekerk, aanvankelijk als succursale van de Onze-LieveVrouw ter Kapelleparochie. Bij de progressieve afbraak vanaf 1872 van de talrijke, veelal in de 18de eeuw aangebouwde en omringende huizen, noodzaakte de slechte toestand van de buitenmuren tot een dringende restauratie.


Een langdurige en algehele uitwendige restauratiecampagne, aangevat in 1874 en achtereenvolgens geleid door de architecten A. Schoy (1874-1880), J. Van Ysendijck (1895-1899) en diens zoon M. Van Ysendijck (1901-1912) resulteerde in het huidige quasi „neogotische" uitzicht van de kerk. In de geest van de Franse restaurateur E. Viollet-le-Duc werden de toenmalige „eenheidvan-stijl-principes" in casu nauwgezet toegepast: behoudens restitutie van een aantal elementen op basis van archeologische en iconografische gegevens, werden ook nooit afgewerkte of uitgevoerde constructieve en decoratieve onderdelen vervolledigd of aangevuld. Zo kregen onder meer de blijkbaar onvoltooide drieledige westelijke portaal- en zuidelijke transeptgevels een rijke afwerking met balustrades, puntgeveltoppen met maaswerk onder hogel- en kruisbloemaflijning en pinakelbeëindigingen aan de hoeksteunberen. Aan de lagere zijbeuken werden de dwarse zadeldakjes gereconstrueerd, evenals de toppen die opgevat werden als typische met maaswerk versierde kapelgevels. Verder kregen de meeste spitsboogvensters vernieuwde traceringen, werden luchtbogen toegevoegd en werd het sacrarium „afgewerkt". De afronding van deze grootse restauratie werd de toevoeging in 1917-1937 van talrijke beelden ter verfraaiing van portaal- en gevelnissen.

De overvloedige ornamentiek aan de westportaalgevel is het resultaat van de aanvullende restauratie door J. Van Ysendijck in 1896-1899. Het spitshoogvenster dat in de 17de eeuw gedicht was, werd in 1878 door A. Schoy gerestaureerd. Toestand vóór 1896 en 1914/1918 (foto's A.C.L., Brussel)

Voor de restaurati gebruikt. De vroeg rechthoekige neogo


an de Zavelkerk opgetrokken in Balegemse steen werd voornamelijk Gobertange-, Euville-, Echaillon- en Chateau-Landonsteen zmdsacristie van architect G. Deman (midden 19de eeuw) werd in 1903-1906 door M. Van Ysendijck vervangen door de huidige he sacristie Toestand 1891 en 1942 (foto's A.C.L., Brussel)

De 'kanten' afwerking van het uit 1549 daterend Sacrarium is het ceuvre van M. Van Ysendijck (1901-1903). Toestand ca. 1900 en 1914-1918 (foto's A.C.L., Brussel)

51 M&L


De subtiel gekleurde lichtinval via de talrijke glasramen verleent aan het interieur een bijzonder sfeervol effect. De twee westtraveeën met bundelpijlers en brede gedrukte spitsboogarcades dateren uit de 16de eeuw. In de dubbele zijbeuken fungeren de smallere uiterste beuken, met verhoogde bevloenng, als kapellen (foto D. Stemgée)

De merkwaardige, tweeledige, barokke Heilige Ursulakapel, op gecombineerde rechthoekige en octogonale plattegrond, bewaart de grafkelder en grafmonumenten van de prinselijke familie Tour en Tassis. Zwart marmeren muurbekleding met pilasters en nissen en fraaie beeldhouwwerken stofferen verder het interieur (foto D. Stemgée) In deze kapel sieren gepolychromeerde emblemen van de Tour en Tassisfamilie en vergulde, gekroonde initialen van de bouwopdrachtgever, graaf Lamoral, het oostelijke koepelgewelf dat door een lantaarn geopend is (foto D. Stemgée)

M&L52


Het oorspronkelijke Brabantse laat-gotische interieur, met merkwaardige ruimtewerking door de rijzig opgevatte koorpartij en de uitleg met dubbele zijbeuken, bleef daarentegen vrij gaaf bewaard. Voornamelijk in het koor zorgen de tweeledige opstand met hoge slanke spitsboog- en lancetvensters en de tot in het kruis- en straalgewelf oplopende gebundelde colonnetten voor een sterk verticaliserend effect. Het drieledige wandschema in de middenbeuk sluit in vereenvoudigde versie aan bij het Mechelse SintRomboutskoor: een spitsboogarcade gedragen door zuilen met door enkele koolbladkrans versierde kapitelen, een triforium opengewerkt met typische laat-gotische visblaasmotieven en een spitsbogig gelijkaardig getraceerd vijflicht erboven. Het systeem van bundelpijlers blijft daarentegen aangehouden in de zijbeuken en in het transept, waar zoals in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen het triforium plaats ruimt voor een decoratieve opengewerkte borstwering. De kleurrijke glasramen, de gepolychromeerde gewelfsleutels en -ribben, de vergulde kapitelen en figurale zwikopvullingen in de met blind maaswerk versierde benedenmuren en de picturale in 1876 vernieuwde muurschilderingen in het koor, verlenen aan de binnenruimte een aangepast doch sober koloriet. Naast een aantal fraaie 16de- en 17de-eeuwse schilderijen en beeldhouwwerken bewaart de kerk talrijke grafstenen en pralerige grafmonumenten, onder meer van Lamoral Claude Tour en Tassis (1678) in de door Lukas Fayd'herbe ontworpen en door V. Anthony ingerichte somptueuze Heilige Ursulakapel, met dubbele koepeloverwelving en marmeren, door pilasters geritmeerde muurbekleding. Als belangrijke getuige van de Brabantse laat-gotische kerkbouw, biedt de Onze-Lieve-Vrouw ten Zavelkerk bovendien een boeiend contrast tussen de vrij sober gehouden binnenconstructie en het eerder zwaar geornamenteerde exterieur, dat alleszins mag doorgaan als een bijzonder relevant voorbeeld van historiserende restauratie.

Bibliografie — Des Marez G., Guide illustré de Bruxelles. Monuments civils et religieux, Brussel, 1979, p. 182197. — Dessaer-De Maesschalck M. & Geeraerts R., A propos des restaurations successives de l'Eglise Notre-Dame du Sablon a Bruxelles, in Bulletin de la Commission Royale des Monuments et des Sites, dl. 5, 1975-1976, p. 17-79. — Thibaut de Maisieres M., Eglises gothiques de Bruxelles, Brussel, 1943, p. 26-31, pi. VII, XXVII-XXXII. — Henne A. & Wauters A., Histoire de la Ville de Bruxelles, Brussel, 1975, dl. 4, p. 17-30.

Openingsuren De Zavelkerk is iedere dag open van 7 u. 30 tot 18 u. 30. Op zon- en zaterdagen van 9 u. tot 19 u.


The values, problems and myths of a loess landscape: the plateau of Duisburg The eastern, agricultural part of the plateau of Duisburg, circa 20 km2, surrounded by the village centres of Bertem, Vossem and Huldenberg, forms part of the Massif of Brabant, where the Brusselian sands provide for the headlines of a topography with relatively steep slopes. The Brusselian is a most important aquifer, supplying about 10% of Belgium's drinking water and the major part of the water volume in the Dyle river. The state of the art does not allow as yet to detail the structural influences of the Brusselian on the actual relief, e.g. the dominant SW-NE orientation of the valleys. During the last ice age (Weichsel or Wiirm) the plateau was covered with silty loess. This loess mantle blurs but does not fundamentally alter the tertiairy topography. The soil science manuals give a coherent image — at least on paper — of soil development on loess. At the start of the first deforestations and land reclamations — supposedly during the Sub-Atlantic era — gray brown podsolic soils have been developed, soil with a leached A horizon and argillic B horizon. Tillage and manuring gave the soil a more stable, crumbly structure, whereas erosion truncated the hillslope soils, often denuding the unaltered loess or the tertiairy substratum. Man-induced modifications in the forest vegetation entailed other degradation processes on soils that had not yet been deforested. The published version of the official Soil Map of Belgium reinforces this coherent image by its suggestive colours and fluent lines, but attempts to assemble the two soil map leaves concerning the plateau of Duisburg reveal some curious gaps and ruptures, like tertiairy disclosures being qualified and mapped out differently. The 17 borings made by the authors in 1985 corroborate the Soil Map picture but incidentally. Most striking are the absence of natural profiles and the abundant relics of artificial disturbances. This is not surprising if one considers the scarce facts that are known about the plateau history. The extensive use of the argillic B Horizon (the 'terrea-briques') for brick manufacturing was not unknown to the authors of the Soil Map, but the morphogenetic classification system was not suited to register properly human influences in soil profiles on such a scale. Moreover, dominantly gray maps would not have been attractive. Toponomy and the presence of many tali crossing the contour lines indicate the amplitude and the omnipresence of these extractions on the plateau. From the 14th on and, especially, during the 17th century, bricks enjoyed a growing popularity in the local urban and rural architecture. Brick manufacturing in the open field near the extraction site ('veldoven') was currently practised in the villages around Leuven up to the 20th century. Theoretically the dispersion of loamy soils with a specked texture B horizon could, according to the Soil Map explanatory text, lead to landscape-historical conclusions. The ochre and gray coloured specks are believed to be a result of the filling up of the cavities left by the roots of the former forest vegetation. The Soil Map indicates that these specked B-horizons are to be found mainly in the south-western part of the plateau. Indeed, as to the deforestation and reclamation history two zones can be distinguished. The north-eastern part seems to have been completely deforested and reclaimed as early as the 11th or 12th century, whereas in the south-western part, abutting the still existing forest of Soignes, the primitive agricultural area was much more restricted. All important reclamations in the latter part can be traced in historical records or in toponomy, and extensive deforestations have taken place even up to the middle of the 19th century. But several of those attested and dated reclamations do not correspond to the zones with specked B-horizons of het Soil Map.

M&L54

In conclusion, one may doubt the utility and applicability of the published soil maps. The morphogenetic classification system that seems to have influenced both perception and interpretation, does not offer a clue to the comprehension of the real situation, because the (at least millenial) plateau history has obliterated most traces of natural soil development. The soils can only be understood if the physical data are supplemented with historical data. Another discussion point concerns the so-called biological or ecological value of the Duisburg plateau, where croplands occupy 87% of the area. Sunken roads, tali and (mostly small) woods occupy the remaining 13%. The 'Biological Evaluation Map of Belgium', published in 1985 under electoral stress by the Ministry of Public Health and Family Affairs, is in the first place an inventory of vegetations upon which an evaluation has afterwards been grafted. The explanatory text pronounces following judgment: „The loam plateau is a large-scale agricultural landscape and, consequently, of minor biological quality. The scientific foundations of this verdict are debatable. The evaluation criteria — rarity, biological quality, vulnerability and possibility of replacement of the 'mapping unit', but in practice: diversity and rarity of species, combined with the 'best professional judgment' — are completely ignored. Since it is stated that these evaluation maps could be useful in a planning or impact assessment context, the lack of ecological scope — in the case of the Duisburg plateau (and the loam plateaus of Brabant in general) — may lead to spectacular errors. The Brusselian aquifer largely determines the hydrological regime of the Dyle valley and its tributaries, where 'mapping units of high value' are supposed to abound. Therefore, interference with this aquifer, e.g. large-scale sand extractions or pollution in the feeding zones, may seriously affect those revered valley ecosystems. Even if one endorses the premises and criteria of the Biological Evaluation Map of Belgium, a thorough examination of the plateau flora and vegetation (as done by the authors, 1980-5) counters the no-value conclusion. About 460 vascular plant taxa representing more than a quarter of the 'indigenous' flora of Belgium and nearly half of the 'Brabantine' flora, have been recorded. The greatest diversity is to be found in and around the forested areas or near the steep valley slopes, but even the most monotonous cropland areas still harbour at least 120 species/km2. The floristic representativity of the so-called pioneer species of the plateau amounts to more than one third of the Belgian pioneers. How to define scientifically the biological or ecological importance of pioneer plants, of disturbed artificial environments ? Does the diversity/stability hypothesis — worn to a thread but indestructible — still offer a valuable basis for bio- or ecological evaluation? During the spring of 1985 the soil erosion issue caught the attention of the (Flemish) mass media and, hence, of the public interest. In a book published in 1986, professor De Ploey, one of the media campaign leaders, points out that a diagnosis with regard to erosion problems can perfectly and fruitfully be made in physical, physico-chemical or biological terms. But in the same publication this apparently untenable position is repeatedly being disavowed. Socio-economic factors — e.g. different forms of urbanizing pressure in the neighbourhood of big cities, as it is the case for the Duisburg plateau — may play an important role in soil erosion. However, the investigations of M. De Ploey and his team — in which the Duisburg plateau served more or less as a field laboratory — have undoubtedly contributed to the demonstration, quantification and


modelling of the physical aspects of erosion, often facts and processes that seem more or less evident. They also lead to much less evident but nonetheless important inductions, like, for instance, that in gully development the angle of inclination outweighs the slope length, that vegetation covers may entail ambivalent effects. The biological and (landscape)ecological aspects of soil erosion have been neglected to a large extent; the impact of Dutch elm disease on the degradation of linear landscape elements and the erosion potential of an area have not been examined. According to M. De Ploey, soil conservation programs should — in the first place — be acceptable to the farmers concerned. Programs that affect the prevailing agroeconomic system are doomed to fail. On the other hand, since erosion and top soil loss threaten to become serious problems in a not so far away future, only kill-or-cure-remedies will be effective. The kill-or-cure-character of the therapy proposed by M. De Ploey (esp. conservation tillage or no-tillage) becomes only apparent, if one admits the possibility that the generalization of these tillage practices necessitates a reconversion of farming technology and mentality, which, on the long term, will lead to a break-through in the system. Finally, soil erosion seems to be intimately linked with flood management problems, what can be clearly demonstrated on the plateau of Duisburg and in its surrounding valleys (Dyle, Use, Voer). Nevertheless, in 1985 a task group of the Administration for Physical Planning and the Environment (A.R.O.L. - Ministry of the Flemish Community) in charge of a flood management project for the Dyle catchment south of Louvain, contented itself with locating and dimensioning the retention basins intended to protect the agglomeration of Louvain against peak floods. Two aspects of the problem — water quality and sediment load — have been postponed to later sessions. The majority of the group members were soothed by the prospect of a mathematical sedimentation model that would allow to design and locate effective sediment traps. However, the feasability of a reliable sedimentation model on that scale must as yet be proven. A model ignoring the roots of the problem, i.e. the soil erosion on the loam plateau, might as well turn out to be a chimera.

The Courtrai Chest In the last ten years the Courtrai Chest — in Belgium called 'the Chest of Oxford' — has been a 'hot topic'. Ever since it was exposed in Courtrai in 1977 its authenticity has alternatively been questioned and sustained. At present the chest belongs to New College, Oxford. In 1905 the warden discovered the carved chest while inspecting one of the College's tenanted farms. In exchange for remitting £ 50 of rent he took the chest to his lodgings. Soon afterwards the carving on the chest was identified as depicting the Battle of the Golden Spurs at Courtrai, 1302. It was dated in the early 14th century. In 1977, when New College contemplated selling the chest, it was brought to Belgium, where it was examined by the Royal Institute for the Art Heritage in Brussels. As one came to the conclusion that the chest's authenticity was questionable, a dendrochronological examination took place by the Research Laboratory for Archaeology and the History of Art in Oxford, which confirmed the wood of the chest to date from about 1270-5. Almost simultaneously with the examination R. Marijnissen of the Royal Institute published an article (1978) in which he defined the chest as a forgery, an amalgamation of several elements. His argumentation elicited a profound reply by B. Dewilde

et.al. in the periodical 'De Leiegouw', that overruled all the objections. R. Marijnissen answered with a series of new doubtful facts. Why was the chest not included in D. Piper's book 'The Treasures of Oxford'. When asked for the reason for this the author wrote: „I had to refrain from mentioning items not visible to the visitors, as the colleges do not have the staff to cope with the thousands of tourists". The patina on the carved plank was of an artificial — and hence fraudulent — character. This argument was nullified in 1978 by the findings of E.T. Hall of the Research Laboratory, when examining related chests; „A particular point of similarity rests in the existence in all these chests of the remains of colouring agents (vermilion and/or lead pigments) in the bottom of the carvings". The date of the wood does not necessarily indicate the date of the carving. Apart from dendrochronology a radiocarbon determination in 1978 came to the same conclusion that the wood had to be from the 14th century. E.T. Hall further admits the theoretical possibility that a panel from the 14th century is used for carving 500 years later, although „this seems to stretch the imagination too far". The French banner on the chest depicts one flower-de-luce, a violation of history. Recently, E. Warlop, an authority on heraldry, wrote about his discovery of the 14th-century Great Seal of Tournai. It shows a banner with one flower-de-luce. According to him there is only one flower-deluce depicted because it was impossible to stud the very small banner with flowers-de-luce. This explanation may apply for the chest too. The scientific replies must be sufficient to put beyond doubt the authenticity of the Courtrai chest. Yet, one might add a more practical interpretation. In 1905 the chest was obtained for £ 50, an amount that was hardly sufficient to buy the wood. Consequently the eventual forger cannot possibly have had any lucrative objects in mind. Besides, if his intention was merely to make a joke, he has never enjoyed the pleasure of the denouement.

The Church of the Sabion at Brussels In the 1300s the Brussels' Cross-Bowmen's Guild used the present Place of the Grand Sabion, a marshy and sandy area outside the 12thcentury town walls, as an archery range. There they built a small chapel dedicated to the Virgin Mary. The miraculous statue of the Virgin attracted so many worshippers that the chapel soon became too small. It was replaced in the 15th and 16th century by a cross-basilica in the late-Gothic style. The Baroque period endowed the church with statues of the Apostles and with two new chapels between choir and transepts. The demolition from 1872 on of houses built against the church necessitated the repair of the outer walls. A comprehensive restoration, started in 1874, and successively led by the architects A. Schoy, J. Van Ysendyck and M. Van Ysendyck, rendered the church its present neoGothic outlook. In the spirit of the then popular unity-of-style principle — propagated by E. Viollet-le-Duc — uncompleted or even unrealized structural and decorative parts of the church were filled in. From 1917 to 1937 numerous statues were made to fill the niches of porch and facades. The original, Brabant, late-Gothic interior with a soaring choir and double aisles has survived to this day. Stained glass, polychromy, gilding and wall paintings establish a moderate coloration. Apart from some nice 16th and 17th-century paintings and sculptures the church boasts numerous tombstones and sepulchral monuments.

55 M&L


ERKENNINGEN : D 24 klasse 6 / D klasse 6

'^KE ^

ei)StwiM.M

mMWwm

ALLE WERKEN

^

STENEN - MARMERS - GRANIETEN

~

/

*

„

ALLE MARMERSOORTEN '^

*

i 1 •Tk

,

""w

* GROOT- EN KLEINHANDEL * RECHTSTREEKSE INVOER

1 Hr

1^ SHI

Rue Robert LEDECQ, 14 B-1430 - WAUTHIER-BRAINE Tél. : 02/366.90.29


Een paradpsdijke wandeling in 250 btedzijd^n itiet 350'irèiffèriillïistraties • : :

•

TUINEN INVLAANDEREN Srf

- f-

--^-^

^tïr .

~

'

•*-.,

-ï^r,

-V^ r*r/

V .1 i

? ^

in'-«fci«iyirnT u weer• verkrijgbaar tegen 2'. van TUINEN in VLAANDEREN. Rotary Brugge 't Vrije Veraniwoordelijke : Joris Verhaeghe. Stationsstraat 18. 8021 Zedelgem. tel. 050/82

^


/Sxalraniia

B

Atanumantan

lilt^ndailiik

MONUMENTENROUTES

R A B A N T bezit een rijk bouwkundig erfgoed. Kastelen, abdijen en vooral heel wat merkwaardige kerken, dikwijls met een zeer fraai interieur.

4 DEMERGOT1EK IN H E T H A G E L A N D O.L.Vrouwkcrk - Aarschol / Sint-Pictcrskerk - Tcstelt / Sint-Eustachiuskerk - Zichem / Sint-Sulpitiuskerk en O.L.Vrouwkcrk - Diest. Toegankelijk: op zondagen 3 mei. 7 juni. 5 juli, 2 augustus en 13 september van 14 tot 17 uur.

Een aantal van die monumenten, de belangrijkste. zijn doorlopend toegankelijk. De overige kunt u zelden of nooit bezoeken. Dat is ook begrijpelijk.

^ GOTIEK EN B A R O K T E L E U V E N Sint-Pieterskerk - Sint-Michielskerk - Sint-Kwintenskcrk Begijnhofkerk - Sint-Genrudiskerk. Toegankelijk: op zondagen 10 mei, 14 juni, 12 juli. 9 augustus en 13 september van 14 lol 17 uur.

Hoeveel kunstwerken werden niet reeds uit onze dorpskerken geroofd? D e kerkdeuren blijven dan ook. zeer wijselijk, gesloten. Andere monumenten zijn bewoond of hebben een funktie die permanent bezoek onmogelijk maakt.

^ K E R K E N IN D E V O E R V A L L E I Sint-Lambertuskapel - Heverlcc / Sint-Pieterskerk Bcrtem / Sint-Pauluskerk - Vossem / Sint-Janskerk Tervuren. Toegankelijk: op zondagen 24 mei, 21 juni, 19 juli. 16 augustus en 13 september van 14 tot 17 uur.

Maar toch zou u tijdens een uitstap wel eens een kijkje binnenin willen hebben! Welnu, dat heeft de Toeristische Federatie van Brabant mogelijk gemaakt. Monumenten die gewoonlijk niet kunnen bezocht worden, zullen een aantal dagen per jaar «uitzonderlijk toegankelijk» zijn.

^ K E R K E N IN H E T P A J O T T E N L A N D O.L.Vrouwkcrk - Gaasbeek / Sinl-Martenskerk - SintMartens-Lcnnik / Sint-Kwintcnskcrk - Sint-KwintensLcnnik / O.L.Vrouwkerk - O. L. Vrouw-Lom beek / SinlMartinuskcrk - Sirijtem. Toegankelijk: op zondagen 3 mei. 7 juni. 5 juli en 2 augustus van 14 tot 17 uur.

Er werd getracht om in een bepaalde streek of stad zoveel mogelijk monumenten toegankelijk te stellen op dezelfde dag. Resultaat daarvan zijn een aantal mooie monumentenroutes die door elke kunstliefhebber zullen gewaardeerd worden.

+ GOTIEK IN BRUSSEL Sini-Michielskathedraal - Stadhuis - Kapellekerk Zavclkerk - Sint-Niklaaskerk. Toegankelijk: op zondagen 24 mei. 21 juni. 19 juli. 23 augustus en 13 september van 14 tot 17 uur.

D e z e folder geeft een kort overzicht van de verschillende monumenten die toegankelijk zijn. met data en uren.

^ B A R O K TE BRUSSEL Grote Markt - Bijstandskerk - Begijnhofkerk - Rijke Klarcnkcrk - Finistcnackerk. Toegankelijk: op zondagen 31 mei. 28 juni, 26 juli, 30 augustus en 13 september van 14 tot 17 uur.

Om uw bezoek echter zo aangenaam en boeiend mogelijk te maken heeft de Toeristische Federatie van Brabant ook een speciaalnummer van het tijdschrift «Brabant» uitgegeven, waarin u een geïllustreerde beschrijving vindt van alle monumenten en hun interieur. Deze brochure, die een onmisbare gids is voor uw bezoek, wordt tegen de prijs van 100 F te koop aangeboden in alle monumenten, in alle Brabantse V.V.V.-kantoren en kan uiteraard ook schriftelijk worden besteld bij de Toeristische Federatie van Brabant. Wij wensen u alvast een aangename uitstap.

loü^ankalijk ^ KASTEEL VAN STEENHAULT TE VOLLEZELE Toegankelijk: op zondagen 13. 20 en 27 september van 14 tot 17 uur. Toegang en rondleiding: 80 F per persoon. ^ UNIVERSITAIRE GEBOUWEN TE LEUVEN Universiteitshal - Bibliotheek - Arenbergkasleel. Toegankelijk: op zondagen 8 en IS november van 14 tot 17 uur.

ABDIJEN # NORBERTIJNERABDIJ VAN A V E R B O D E Toegankelijk: op zondagen 17 mei. 2 augustus. 13 en 20 september van 14 tot 16.30 uur. Toegang en rondleiding: 25 F per persoon. (kinderen - 1 2 jaar gratis). 4 NORBERTIJNERABDIJ V A N PARK TE H Ë V E R L E E - L E U V E N Toegankelijk: elke zondag om 16 uur. Toegang en rondleiding: 50 F per persoon.

EN NOG MEER... ^ V E R Z A M E L I N G K R U I D A C H T I G E EN GENEESKRACHTIGE PLANTEN VAN DE N A T I O N A L E P L A N T E N T U I N V A N MEISE Toegankelijk: van 30 mei tot 8 juni van 4 tot 12 juli: van 22 tot 30 augustus; elke dag van 9 lot 12 en van 13 tot 17 uur. Beschrijvende brochures beschikbaar tegen 100 F en 130 F.

KASTELEN

+ MUSEUMBEWAARPLAATS VAN DE BELGISCHE S P O O R W E G E N T E KESSEL-LO Toegankelijk: op 5. 6. 7. 12 en 13 september van 9 lol 18 uur; op 8, 9. 10 en 11 september van 9 tot 16 uur.

+ « H E T STEEN» TE ELEWIJT Toegankelijk: op 1. 2. 3. 28. 30 en 31 mei; op 18. 19. 20 en 21 juli; op 15 en 16 augustus; op 13 september van 13.30 tot 17.30 uur. Toegang en rondleiding: 120 F per persoon, 100 F (groepen en +3-pas).

+ S C H A T K A M E R V A N D E SINTM A R T I N U S B A S I L I E K TE H A L L E Toegankelijk: op 29 mei (Hemelvaartdag) en 6 september van 10 tot 12 uur en van 14 tol 17 uur; op 6 juni van 14 tot 17 uur; op 7 en 8 juni van 10 lot 12 uur en van 14 tot 17 uur.

mei-nummer van het tijdschrift «Brabant» is volledig gewijd aan de aktie monumenten, uitzonderlijk toegankelijk». H et«Brabantse Dit speciaalnummer, rijk geïllustreerd met foto's, bevat de beschrijving van alle monumenten die vermeld zijn. Het is vanaf 1 mei te koop tegen de prijs van 100 F.

v^AVJvM^r

B E S T E L B O N Naam; Nr.

Straat: Postnummer: •

Gemeente:

bestelt het speciaalnummer «Brabantse monumenten, uitzonderlijk toegankelijk» en schrijft 100 F over op postrekening 000-0057401-74 van de Toeristische Federatie van Brabant. Grasmarkt 61, 1000 Brussel.

Q neemt een abonnement op het tijdschrift «Brabant» en schrijft 425 F over op postrekening 000-0057401-74 van de Toeristische Federatie van Brabant. Grasmarkt 61, 1000 Brussel. Q schrappen wat niet past

Uityiniiaxtijk

"faa^nnlLeUji

Datum

Handtekening


INVENTARIS VAN HET ORGELPATRIMONIUM

HET HISTORISCH ORGEL IN VLAANDEREN

NIEUW DEEL DEEL IV A : A. Fauconnier P. Roose

"Het Historisch Orgel in Vlaanderen" Provincie West-Vlaanderen Arrondissement Brugge en Oostende (prijs : 650,- fr.)

REEDS VERSCHENEN DELEN DEEL I

: G. Potvlieghe

"Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, Provincie Oost-Vlaanderen (uitgeput)

DEEL II A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Halle-Vilvoorde (prijs : 500,- fr.) DEEL II B : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Leuven (prijs : 400,- fr.) DEEL III A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen (prijs : 600,- fr.)

Te bestellen bij het Fonds Monumenten & Landschappen Belliardstraat 14-18 • 1040 Brussel • Rekening n u m m e r : 000-2001776-84


Kleuren verrij

Een dak in kleur is de zon... op uw huis! Is het leven al niet grijs genoeg? Geef dan eens een tintje kleur aan uw omgeving! Uw dak bijvoorbeeld: hoeveel vrolijker zou het niet staan in kleur? Bent u éénmaal zo ver, dan komt u al gauw terecht bij leien of pannen gekleurd met Bayferrox ®. Nieuwbouw

of vernieuwbouw, een vrijstaand huis of een hele stadswijk, een kantorencomplex of een historisch gebouw: de enorme keuze in kleuren en vormen garandeert een resultaat die elke stijl tot zijn recht laat komen, een totale harmonie van smaakvolle creativiteit.

Bayferrox laat uw


ken het leven

Eternit leien, antraciet (Eternit]

En omdat het pigment is geïmpregneerd in de dakelementen zijn ze uitstekend bestand tegen de tand des tijds, tegen weer en wind. Architecten en stedebouwkundigen, aannemers en dakdekkers weten het allemaal: Bayferrox geeft blijvend mooie daken.

dak kleur bekennen.

Informatie van Bayer Wilt u gratis dokumentatie en een lijst van de fabrikanten van leien en dakpannen gekleurd met Bayferrox, bevestig dan deze bon aan uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem op naar:

Bayer

BAYER BELGIUM S A - N.V Divisie pigmentenen keramiek - Louizalaan 143 1050 Brussel Vermelding van verzender noodzakelijk.


WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS

a. N.V. Tragelweg 4 9200 WETTEREN Tel. : 091/69 19 11 Brussel, Museum voor Moderne Kunst; geprefabriceerde betonelementen voor de gevelbekleding

BETONNEN SIERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW Aalst, B.B.L. : geprefabriceerde betonelementen voor eigentijdse vormgeving

9afcni

194$ AANNEMER V A N FEESTEN Fr. de Merodestraat 33, 2800 Mcchelcn TeL (015)20 4517

12 kunst-en antiekbeurs knokke 8 t/m 17 augustus scharpoonl i i i l l i i u i c i n l i u i n nic-L-rlaan XI open dagelijks van 15 tol 21 u. „.„.,*., —

RIETEN DAKEN

WILLY IBENS P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45


BEECK'SOT INERALMRBEN Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

k\ .

w

Solar

Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.

DEPIGEONAL

Volgens DIN 18363/2.4.5 Zonder kunststoffen 100 % dampdoorlatend Volledig UV- en weerbestendig Onbeperkte levensduur

Invoer en advies : W. MERTENS St. Jan Baptiststraat 7 2040 Antwerpen Tel. : 03/568.00.91


ALGEMENE BOUWONDERNEMING RESTAURATIEWERKEN GEVELWERKEN NATUURSTEENHERSTELLINGEN BETONREPARATIES EN ANDERE SPECIALE TECHNIEKEN Erkenningen Klasse 5 D24 Klasse 4 Klasse 1 D21 ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSTRAAT 20 8200 BRUGGE 2 TEL. 050/31.55.81 TELEX 82476 l>c-b

BOUWONDERNEMING

GOETINCK. ALGEMENE BOUWONDERNEMING LIEVENS MAURITS & C0 - P.V.B.A.

TEL. 02/582.25.26 • B.T.W. 400.738.078 • H.R.B. 338.757

P. VAN CAUWELAERTSTRAAT 121 - 1740 TERNAT

N.V. LAMINOIRS dakbedekking st.-pieterskaai 31 8000 brugge S (050) 32 29 44 tx81 316 lamino b

bladlood loden buizen soldeer- en diverse loodspecialiteiten ZINK met koper en titaan gelegeerd SPAANSE natuurleien met homologatie BLADKOPER GOLFPLATEN KUNSTLEIEN

LAIVlIIMaiRS dakbedekking


ZWAMMEN : GEVAARLIJK MOOI ÏJxJC

CClM O d i v / E I i i

PROTECTOR ONZE ANDERE DIENSTEN : — Bescherming tegen opstijgend grondvocht — Bestrijding van houtinsecten

Plantenstraat 76-1210 Brussel

S 02/218.08.02

Ui

Cdil

Oi

IIlwlniL>IO I

*

GRATIS INSPEKTIE

*

VEILIGE METHODE

*

SCHRIFTELIJKE WAARBORG

*

OVERAL IN BELGIË


®HET PROFESSIONEEL EN AFDOEND MIDDEL TEGEN OPSTIJGEND VOCHT Dit middel, al jaren gebruikt door renovatie- en saneringsbedrijven, is nu binnen het bereik van de doe-het-zelver. De Freezteq® behandeling tegen capillair opstijgend vocht bestaat uit het inbrengen van silikonaatverbindingen onder de vorm van diepgevroren vloeistofpatronen in boorgaten, gemaakt in de voegen van het te behandelen metselwerk. Door het geleidelijk smelten van deze vloeistofpatronen wordt een ononderbroken waterwerende zone gevormd. Een afdoende behandeling die tegelijk eenvoudig is en slechts een minimum aan kosten vergt.

SP'

x

^T-; A

..-

SP* fl^l ^Sk*1*^"—-

i %% v ^iilËfli 7 Werking

Eenvoudig

f

i

Isg4

De geleidelijke verdeling van de vloeistof gebeurt door diffusie, waarvan onderzoek uitgewezen heeft dat het de meest probate methode is voor de verspreiding van vloeistoffen in metselwerk. Precies door het capillariteitseffekt volgen de vrijgekomen silikonaten het opstijgend vocht zelf, waardoor verzekerd wordt dat de silikonaatverbindingen daar afgezet worden, waar ze het meeste effekt sorteren.

Toepassingen Het Freezteq® systeem kan als waterwerend scherm tegen capillair opstijgend vocht gebruikt worden bij volle muren, gewone spouwmuren en spouwmuren waarvan de spouw met breuksteen opgevuld is. Bij binnenmuren dient de behandeling aan één van beide zijden van de wand uitgevoerd te worden. Bij paramentvlakken de behandeling uitvoeren aan de buitenzijde van de wand. Bij zware vochtopstijging is het aangewezen binnenbepleistering te verwijderen en kan derhalve de behandeling aan de binnenzijde worden toegepast. Spouwmuren worden langs beide zijden behandeld.

Voor de probate wering van opstijgend vocht in metselwerk Een kwaliteitsprodukt van NV. - ECC Terbekehofdreef 50-52 2610 Antwerpen

Tel.: 03/8289495

De patronen zijn gevuld met een Ka-methylsilikonaatoplossing. Ze moeten minimaal een dag voor de behandeling in een diepvriezer gelegd worden. De oplossing is een licht bijtende stof, maar door de diepgevroren toestand is de kans op lichamelijk kontakt gering (geen morsen, bv.). Ook daardoor is de gewoonlijk uitgebreide injektie- of dosageapparatuur hier niet nodig. Bij het verwijderen van de plastic huls, alvorens de patronen in te brengen in het boorgat, moeten veiligheidshandschoenen gedragen worden. De patronen zijn ± 18 cm lang en hebben een diameter van 19-20 mm. Een steenboor ( 0 22 mm) volstaat voor het boren van de gaten. Voor een behandeling met afdoend effekt moet elk boorgat volledig opgevuld worden met patronen. De boorgaten worden in de mortelvoeg op een onderlinge afstand van 100-110 mm geplaatst, waarbij tot op 25 mm van de wanddikte wordt geboord. (Gedetailleerd installatievoorschrift, ook inzake afwerking, herbepleistering en behangen bijgevoegd).

Professioneel Freezteq® wordt door professionele bedrijven al jaren met sukses toegepast. In Engeland zijn er bijvoorbeeld in 1973 hele woonwijken, gebouwd in 1935, mee gesaneerd. Bij een roufine-inspektie negen maanden later bleken de behandelde muren droog en de oorspronkelijk bepleistering nog geschikt voor dekoratieve bekleding. Dit middel staat thans ter beschikking van de doe-het-zelver! Behandeling 4 maal herhalen binnen de 24 uur, of sneller, na de eerste inbreng I Bij langere wachttijd gaat Freezteq® zó efficiënt werken dat de volgende behandelingen door het eerste ingebrachte produkt worden afgestoten.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook