^
^
" *^r^
^P1
"^
y$ IJl r^ymrj.
\
.•f
--«f
• mj-:
MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 10/5 / /
SEPTEMBER-OKTOBER1991 / /
TWEEMAANDELIJKS//
Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948
•
10' jaargang Nr. 5
•
september-oktober 1991
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie ; M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : L. Tack.
Redact! ecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet. L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel. (050) 36 25 89.
Inhoud Generiek "Een kamer op de maniere der Chinezen". Over de Chinoiserie in de Zuidelijke Nederlanden. Ann Bergmans Chinese tuinpaviljoens. Herman Van den Bossche
20
Aspecten van het Chinees export-wandbehang. Nicole De Bisscop
24
Het kasteel D'Ursel te Hingene. Classicisme in de 18de eeuw en vroege 19de eeuw. Madeleine Manderyck
48
Requiem voor een stad. De vernieling van het bouwkundig erfgoed in Bucarest (Roemenië).
56
Marjan Buyle en Stefaan Manciulescu Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35
62 Summary M&L Binnenkrant
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of henverken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1991 België : 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen : 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1991". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
P. LEDOULX, Het gezicht (detail) waterverf op doek, Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Inv. nr. 9450 E (foto O. Pauwels)
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
REWAH n.v VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.
(03) 485 S5 33
Restauratie Sint-Laurentiuskerk te Lokeren
NATUURSTEEN
AMINCK NV
VAN AMSTELSTRAAT 63 GASSTRAAT 11 A 2100 ANTWERPEN 9100 LOKEREN TEL 03/325.03.83 TELEX 32158 NAVLAM TEL. 091 /48.12.17 TELEFAX 03/325.68.66 TELEFAX 091/48.96.61
GENERIEK Chinoiserieën Hoewel nooit volledig van het toneel verdwenen hebben nogal wat exclusieve decoratieve grillen ooit tot zelfs de buitenlandse handel merkelijk beïnvloed. Zo ook de met exotische geheimzinnigheid omhulde chinoiserie, ontstaan in het kielzog van de Oost-Indische Compagnies. Bij wijze van kennismaking gaat Ann Bergmans ons voor bij een stijl-evolutieve analyse van de 17de tot de vroege 19de eeuw.
Paviljoenen Fabrieken allerhande behoorden tot de musts van de 18de en I9de-eeuwse tuinkunst. Chinees ogende exemplaren konden bij deze charmante bouwsels vanzelfsprekend niet ontbreken. Met weinig woorden maar des te meer prenten licht Herman Van den Bossche even het deksel van deze doos van Pandora.
Geschilderde papieren Door hun intimistische aard vonden Chinese export-wandbehangen in hoofdzaak hun weg naar Europese slaapkamers en boudoirs. Hoe ze tot stand kwamen, op welke wijze en wanneer ze onze streken bereikten of - eens ter plaatse - werden aangebracht, maakte nog tot voor kort het voorwerp uit van tal van misvattingen. Dat Nicole De Bisscop bovendien nog meerdere tientallen originele exemplaren hier te lande wist op te sporen, is dan ook niet haar minste verdienste.
Servandoni Het was in opdracht van Charles, tweede hertog d'Ursel dat deze gewaardeerde Italiaanse architect in 1761 verbouwingen startte aan het aloud kasteel van Hingene. Hierbij anticiperend op de rationalistische architectuurtheorieën van de Fransman Francois Blondel, bleef bij de classicerende metamorfose toch nog voldoende speelruimte voor luxueuze, Chinese binnenafwerkingen. Madeleine Manderyck brengt hiervan een eerste sfeerbeeld.
Exit Niet uitsluitend blind oorlogsgeweld maar meer nog doelbewuste planning dient verantwoordelijk gesteld voor de vernieling van zelfs het meest uitzonderlijk bouwkundig erfgoed. In welke mate een bevolking hiermee in haar essentie wordt geraakt, werd nog maar eens in een recent verleden aangetoond in het niet eens zo ver verwijderde Roemenië. Een uitzonderlijke blik van Marjan Buyle en Stefan Manciulescu, over de grenzen heen, naar de keerzijde van een systematieplan.
Laat de wegen herleven met kleur! Vrolijke straten en pleinen, dat kan best dank zij de minerale B a y f e r r o x - p i g m e n t e n van Bayer. Bayferrox-pigmenten kleuren de cement van de betonstraatstenen. Vermengd in de totale massa, verzekert het Bayferrox een onder alle omstandigheden stabiele en duurzame kleurechtheid. Bovendien is geen speciaal onderhoud nodig. Herstellingen en werkzaamheden kunnen zonder probleem in een handomdraai worden
uitgevoerd. In de zeer grote keuze aan vormen en kleuren vindt zeker ieder zijn gading. Betonstraatstenen, gekleurd met Bayferrox, zijn ideaal om voetpaden, pleinen, winkelstraten, galerijen, parkings, parken, tuinpaden enz. te bestraten. Ze zijn onmisbaar voor het verhogen van de verkeersveiligheid, voor de bescherming van fietser en voetganger. Laat u inspireren door vorm en kleur. Bayferrox, sta er op!
Bayer informeert: Om gratis dokumentatie en de lijst van de fabrikanten te bekomen, plak eenvou dig deze bon op uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem naar: BAYER BELGIUM S.A.-N.V. Divisie pigmenten en keramiek Louizalaan 143 1050 BRUSSEL
Bayer
Bayferrox®
2
z o s
5
de rust en het evenwicht van mineralen n
SUPPORT - SURFACE 'RESTAURATIE
+
CONSERVATIE.
Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit In 5 puntjes samen: De restauratlematenalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticlteit van het monument bewaard blijft.
H
Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren.
Het materiaal moet vri| van kunststoffen zijn en speciaal-cementEl gebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratlematerlaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratlemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbesfendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
Kleine Breedstraat 33 9100 St -N klaas
voor meer informatie belt u,' 03/776.91.61
Maatsch. zetel : Kortrljkse Steenweg 382, 9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrljfszetel : Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97
WAAR BANKIEREN EEN KUNST IS Een solide bankrelatie is van vitaal belang voor dynamische ondernemingen. Steeds meer zijn technologische vernieuwing en financiële kracht met elkaar verbonden. Paribas beoefent het bankieren als een kunst. Zij brengt kwalitatief
hoogstaande produkten, uitvoerig advies en een komplete service. Perfektie en professionalisme primeren. Paribas' financiële know-how en internationale gerichtheid bieden de grootst mogelijke zekerheid.
ia
PARIBAS WAAR
BA N KI EREN
EEN K U N S T IS
t
Paribas Bank België nv 1210 Brussel - E. Jacqmainlaan 162 - Tel. 02/220 41 11 - Fax. 02/218 51 42
• ALGEMENE BOUWQf • VERNIEUWBOUW • RESTAURATIEW • GEVELWERKEN • NATUURSTEEN Lyf#GEN • BETONREPAR^ EN «#** SPECIALE'
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft V zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens not" steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Komboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard U )rst ?
Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
Kleine Breedstraat 33 9100 St Niklaas
Ook sterk in gevelremiging - steenverhardmg - vochlwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.
WÊmêz yï/ïTm
^m W^ÊLLJ]
IfliiiSi ^^fc VV
Beter met de bank van hier.
Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig
BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc 'Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)
MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
Nk
Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
'y,
Solar
Kleine Breedstraat 33, 9100 Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.
SchudelW, 091/221753 DekoninckL 091/2531 72 Van Molle M. 016/22 67 06 Van DijckL 015/52 09 32 Van Der Biest L 03/77144 66 HuetP, 03/233 0957 Vandenborre H, & Lauwers M. 091/7263 03
DEPIGEONAL
Smederij
IMPERPLEX
o
MOLENBAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87
iSnacTinicöhen
De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25
• • • •
Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels
Gediplomeerd restaurateur
N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S.A. STABILITEIT
RENOVATIE - RESTAURATIE
-
- Droogleggen van muren. - Reinigen van gevels. - Verharden en waterwerend maken van natuur- en baksteen. - Restauratie van natuursteen. - Betonherstelling - Zwam bestrijd ing - Houtwormbestrijding.
Technische studie-Berekeningen. Scheurinjekties van steen en beton. Consolidatie van muren. Plaatsen van chemische verankeringen. Plaatsen van trekkers-vijzeltechniek. Opvijzelen van konstrukties. Polymeerchemische restauratie van hout.
SOUVERAINESTRAAT 38/42 - 9800 DEINZE - TEL. 091/86.97.67 - FAX 091/86.98.26
M&L
"EEN KAMER OP DE MANIERE DER CHINEEZEN". OVER DE CHINOISERIE IN DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN. ANN BERGMANS
P Ledoulx Aquarel tweede helft 18de eeuw, in een album met Oosterse motieven, Brugge, Stedelijke musea. Steinmetzkabinet. inv.nr. 0.3119.11 (foto P. Stuyven)
Niettegenstaande de voortdurend veranderende smaken in de binnenhuisinrichting, zijn er in Viaanderen — zoais In heel West-Europa — veei historische interieurs bewaard gebleven die exotische elementen vertonen in hun decoratie of bemeubellng. In de vakliteratuur zijn zij nagenoeg onbekend (1). Een negatieve waardering van dit stijlfenomeen en desinteresse, hebben bovendien meer dan eens tot beschadiging en vernietiging geleid. Dit artikel beoogt een Gent. Hotel Vander Meersche, Chinees papier uit de eerste helft van de 18de eeuw, verwerkt in de lambrisering (foto O Pauwels)
betere kennis en waardering van de chinoiserie, om te komen tot een betere bewaring van deze merkwaardige en waardevolle Inrichtingen.
CHINOISERIE Met de term "chinoiserie" wordt de decoratievorm bedoeld naar Chinese smaak, die ontstond op het einde van de 17de eeuw, een grote bijval kende in de 18de eeuw en een minder beduidende nabloei in de 19de eeuw (2). Het begrip China mag hierbij niet geografisch noch etnografisch opgevat worden. Destijds gebruikte men de benaming "Chinees" immers ook voor alles wat afkomstig was uit Japan, Oost- en West-Indië etcetera... . De term wordt gereserveerd voor de late 17de, de 18de en de 19de eeuw, hoewel er al in de 14de eeuw Chinese zijde geïmiteerd werd in Luca en de Medici het blauw-witte porselein al lieten namaken in de 16de eeuw. De chinoiserie wendt Asiatische motieven aan, in combinatie met Europese vormen of met louter fantasie-ornamenten als band- en rocaillewerk. Ook voorwerpen, gemaakt naar een Aziatisch model, worden chinoiserie genoemd: de imitatie van het Chinees porselein is hiervan een gekend voorbeeld. Zelfs Oostaziatische kunstwerken die
. V ^^WS^P
w *
h V
Kik
IHf H ^B ^H
s SJBlf^K^ja-l-!
I
I
H6\
^^m^
^ ^ ..•-r^^g"-" , :'^" w g : r'-
M&L
in Europese gebouwen op een of andere manier ingelijst of gemonteerd zijn, aanziet men als chinoiserie; zo bijvoorbeeld het Chinees lakwerk, of het Chinees behangpapier dat in lambrizeringen verwerkt is, en de overladen porseleinkabinetten, die in de Westerse barokke architectuur geïntegreerd werden (3). De benaming zelf dook in het midden van de 18de eeuw op in Frankrijk.
EXOTISME Het fenomeen van de chinoiserie situeert zich binnen de ruime context van het exotisme. Dit woord is afgeleid van het Griekse "é^wiikos" wat betekent: vreemd, buitenlands. Met exotisch worden dan ook de voorwerpen en volkeren aangeduid die niet uit Europa stammen. In alle tijdperken is er belangstelling geweest voor het vreemde en het onbekende. Pas vanaf 1450 echter, met de eerste golf van grote ontdekkingsreizen naar de Afrikaanse Westkust, Indië en de Nieuwe Wereld, ontstond een zelfstandig genre in de beeldvoorstellingen, met de uitheemse volkeren als onderwerp. Gedrukte reisverslagen, naast het relaas en de aanwijzingen van enkele reizende kunstenaars, waren de belangrijkste inspiratiebronnen (4). De wijze waarop dit genre vorm kreeg, is zeer veelzijdig. Immers ook in de architectuur, de folklore, het ballet, het feestwezen, de literatuur en de muziek, vond het exotisme een vaste en uitgebreide plaats. Exotisme is dus niet uitsluitend een kunsthistorisch fenomeen. Veeleer betreft het een levenshouding die al het vreemde toetst aan de eigen maatstaf, en die het exotische beoordeelt en veroordeelt overeenkomstig de eigen normen en gebruiken. Vreemde culturen worden als curiosa bekeken waardoor de eigen cultuur in het zonlicht wordt gezet en verheerlijkt. De superioriteit van het Westen wordt aldus benadrukt en bevestigd.
CHINA EN EUROPA Handelsbetrekkingen tussen China en Europa bestonden al in de antieke oudheid. Hoofdzakelijk specerijen, reukwerk, parels, edelstenen, goud, textiel en papier werden via de transcontinentale handelswegen vervoerd. Drukke contacten wisselden af met koelere betrekkingen. In de 16de en vooral in de 17de eeuw kwam de relatie tussen China en Europa in een stroomversnelling, enerzijds door de ontdekking van de zeeweg langs
Zuid-Afrika, anderzijds door de missie van de jezuïeten in China. In zeer algemene termen kan gesteld worden dat de jezuïeten het Westen in contact brachten met vele toen nog onbekende aspecten van de culturen in het Verre Oosten. Hierover brachten zij verslag uit in talrijke geschriften. Het spreekt vanzelf dat zij hierover rapporteerden in Westerse categorieën. Welk beeld vormde de Westerling zich van het Verre Oosten, op basis van deze informatie? Aanvankelijk was dit het beeld van een ideale staat, geregeerd door wijze heersers. Dit stond in schril contrast met de troebele tijden in Europa, vooral tijdens de dertigjarige oorlog (1618-1648). China werd het object van een grote fascinatie en bewondering vanuit het Westen. Dit ideaalbeeld verzwakte echter spoedig, toen ook berichten over mistoestanden in China doorsijpelden. Voor- en tegenstanders voerden hevige discussies. Uiteindelijk sloeg de bewondering om in karikatuur, scherpe satire en hevige kritiek (5).
OBJECTEN VOOR VERZAMELINGEN EN VOOR EUROPEES GEBRUIK De impact van de zeehandel is eveneens bijzonder groot geweest. Eerst via de Portugezen, later via de verschillende Europese compagnies, werden enorme hoeveelheden kunstwerken en curiosa op een veel snellere wijze geïmporteerd. Aanvankelijk waren zij bestemd voor vorstelijke en adellijke paleizen en rariteitenkabinetten (6), doch later vonden deze voorwerpen ook hun weg naar de bemiddelde burgerij. Het betrof onder meer zijde, porselein, lakwerk, spekstenen voorwerpen, ivoor, schelpen, paarlemoer en schildpad. Hoe groot de hoeveelheden wel waren, mag alleen al blijken uit de cijfers van de Oostendse Compagnie, die tussen 1722 en 1731 méér dan vier miljoen stukken registreerde (7). Een befaamde collectie bij ons, die onder meer door deze handel kon worden opgebouwd, was bijvoorbeeld die van Jozef Vanhueme, te Brugge. Zij is bekend door de catalogus die werd opgemaakt bij de verkoop na de dood van de eigenaar (8), doch ook door talrijke boeiende prenten die tot albums gebundeld zijn. Méér dan tweehonderd voorwerpen uit deze verzameling, die de meest uiteenlopende kunstwerken en objecten bevatte, waren van "Chinese" afkomst: gravures, ivoren, porselein, voorwerpen in speksteen, lakwerk, meubels, kledingstukken, dagelijkse gebruiksvoorwerpen etcetera. De bewaarde aquarellen geven
M&L
Aquarellen u^ een album met Oosterse motieven, Brugge, Stedelijke musea, Stemmebkabinet, inv.nr, 0,2119,11 (foto P, Stuyven) 1, Chinese klederdrachten, f 18 2,3,4. Chinese verzamelobjecten uit 18de-eeuwse Zuidnederlandse privé-verzamelingen, f 39, f 34, f37
11
een goed beeld van wat er zoal verzameld werd. In de onderschriften wordt verwezen naar andere verzamelaars, wordt uitleg gegeven bij de plaatjes en verhaalt men anecdotes over Chinavaarders. Heel bijzonder is het verhaal van de Oostendse handelaar Flandrin, die op één van zijn talrijke reizen bij gebrek aan fondsen om zijn koopwaar te betalen, zijn zoon als pand in China achterliet, en dit voor de duur van één jaar: "on habilla son fib en petit chinois, l'année coulée Ie père Ie rammena dans la Flandre..." (9). Boeiend zijn ook de talrijke studies van klederdrachten die wellicht naar figuren op Chinese voorwerpen gecopiëerd zijn. Vele artikelen kwamen niet zonder meer in verzamelingen terecht, maar werden hier aangepast voor specifiek Europees gebruik. De serviezen van Karel van Lotharingen die veel Chinees porselein bevatten dat onder meer door Brusselse edelsmeden in gouden en zilveren monturen gevat werd, zijn hiervan een bij ons bekend voorbeeld (10). Andere voorbeelden zijn de Oosterse stoffen die in de interieurs geïntegreerd werden, het Oosters lakwerk dat tot decoratieve betimmeringen of in meubels verwerkt werd, of de lakkasten die gewoon op een barok voetstuk geplaatst werden (11). Zoals hoger in de definitie gesteld, hoort dit alles reeds thuis onder het begrip chinoiserie. De chinoiserie ontwikkelde zich in drie perioden. Het verwerken van Chinees materiaal voor Europees gebruik, ontstond in de aanloop van de eerste periode: het vreemde, het exotische, werd hier geïntegreerd in de eigen vertrouwde objecten en leefwereld. De drie perioden lopen uiteraard wat door elkaar en zijn niet altijd strikt te scheiden.
DE EERSTE PERIODE: DE COPIERENDE EN IMITERENDE CHINOISERIE
Vanaf het midden van de 17de eeuw, in de tijd van de bloeiende handel en de China-begeestering, raakten de Chinese voorwerpen in het Westen algemeen bekend. De behoefte tot imitatie uitte zich niet alleen op het vlak van de technieken (het namaken van Oosters lakwerk of porselein), maar ook op het vlak van de beeldvoorstelling. In alle takken van de kunstnijverheid verschenen exotische figuren (12). De bronnen waarop men zich baseerde bij het copiëren, waren tweeërlei. Vooreerst beschikte men over gedrukte boeken, voornamelijk reisverslagen van ooggetuigen die ginds verbleven hadden; vervolgens waren ook de Chinese objecten zelf een belangrijke inspiratiebron. De reisverhalen beschreven het wedervaren van de Europeanen in het vreemde land, de leefgewoonten van de vreemde volkeren, hun plantenen dierenwereld. Het was een wereld die de reizigers niet kenden, die zij niet begrepen en die zij steeds beschouwden doorheen een Westerse bril. Deze boeken zijn rijkelijk geïllustreerd met gravures. Als belangrijkste gebruikte reisverhalen dienen de werken van Jan Nieuhof en Olfert Dapper vermeld. Nieuhof begeleidde het eerste Hollands gezelschap naar het hof van de Chinese keizer in 1655 (13). Dapper reisde mee met de tweede (1662) en derde missie (1666) (14). De derde belangrijkste gedrukte bron was het werk van de jezuïet Athanasius Kirchner (15). Hoewel die zelf nooit in China geweest was, schreef hij vanuit Rome een compilatie van allerhande wetenswaardigheden die hij had gelezen of gehoord. Bijvoorbeeld op een
12
M&L
mm 1 Pronkkast ca. 1720 met voorstellingen ontleend aan gravures van reisverhalen Antwerpen, Vleeshuis, Inv nr, 31.B,15 (foto O, Pauwels) 2 Gravure uft O Dapper Asia of naukeurige beschrijving van het Rijk des grooten Mogois., Amsterdam, 1672, p. 161 3 Gravure met bedelaars uit J Nleuhof, Beschrijving van 't Gesandschap . Amsterdam, 1665, dl 2, p 36
"Door wat middelen zij vergiffenis der zonden trachten te bekomen... Anderen blijven met eenig deel van hun lichaem, aen yzere haken, aen den top van een opgerechte hooge balk geklonken, een langen tijd hangen, niet zonder schrikkelijke pijn en uitstorting van bloed : terwijl zij met zwaert en schild in de handen in de lucht spelen en gezangen ter eere van hunne Goden zingen".
Antwerpse pronkkast van 1720 (Antwerpen, Museum Vleeshuis, inventarisnummer 31.B.15), met inlegwerk van schildpadschelp en palissander op een achtergrond van tin, vinden wij figuren terug uit alle de hierboven geciteerde werken: bedelaars en boetedoeners, geestelijke leiders, landlieden en zelfs een weermaker, zijn hier in een
"Men vint ook eenige van deze Sineesche trocchelaars, die zekere droogeryen op "t hooft hebben liggen, en die van boven aan brant steken, en tot op de bloote huit zoo lang laten afbranden, tot dat de stank de omstaanders in de neus trekt; midlerwijle weten ze met kryten en kermen, en wringen der handen, zoodanige gebaaren te maken, als of ze de grootste pyne leden; 't welk zy zoo lang uitharden, tot dat men hen wat geeft".
willekeurige compositie samengebracht (16). Naast de gedrukte bronnen, zijn ook de Chinese voorwerpen zelf een belangrijke inspiratiebron geweest. Hiervan werden ook talrijke motieven overgenomen zoals exotische dieren, planten, gebouwen en menselijke figuren.
M&L
Gravure van P Schenk Jr., uit Nieuwe geinventeerde Sineesen.., Amsterdam, ca 1725, p 22
Brussel, Hotel Costermans, cabinet. Wandbespanning bedrukt naar gravures van P. Schenk Jr„ 2de kwart 18de eeuw (foto O. Pauwels)
Edmgen, Arenbergpark, Chinees paviljoen. Interieur met stucwerkdecor van 1743 (eigen foto)
13
Op basis van de objecten en de reisverslagen, ontstonden er ook nieuwe prentenreeksen, die op hun beurt model stonden in de kunstnijverheid. De prenten van Petrus Schenk Sr. en Jr. mogen hier als voorbeeld gelden. Zowel in de keramiek als in de stoffenindustrie vonden zij veelvuldige toepassingen (17). Een fraaie illustratie hiervan vonden wij op een bedrukte linnen wandbespanning in een cabinet op de eerste verdieping van het Hotel Costermans te Brussel: in kleurrijke taferelen op donkere achtergrond wordt een illusionistisch rivierlandschap uitgebeeld (een vorm van lakimitatie?). Zowel het Chinese huis als de boot met zijn volutenversiering zijn een vrije interpretatie van de Schenk Jr. -gravures. De exotische gewassen zijn niet aan dezelfde bron ontleend: hier kon de ontwerper naar de eigen traditie teruggrijpen waar sinds 1733 door Jean Revel de volumineuse vruchtentrossen al gelanceerd waren. Het motief van deze uitzonderlijke in situ bewaarde wandbespanning kent ook een uitvoering in gebrocheerd satijn (Lyon, Musée historique des tissus, inventarisnummer 1.355), dat in Frankrijk gelokaliseerd wordt circa 1735-1740 (18). De gravures van Schenk waren verder zeer geliefd in de porseleinfabriek van Meissen en werden zelfs in de goudleerproductie toegepast (19). Al deze chinoiserie-voorstellingen gaven uiteraard een beperkt en zelfs stereotiep beeld van China. De willekeurige plaatsing en vermenging van motieven geeft aan dat de voorstellingen niet begrepen werden, vreemd als zij waren aan de Westerse denk- en leefpatronen. Een uitgesproken voorbeeld van dit willekeurig samenvoegen treffen we aan in het Chinees paviljoen van Edingen (20). Leopold van Arenberg liet dit tuinpaviljoen (1657-1659) in 1743 inwendig verfraaien in een zeldzame en kleurrijke techniek. Het barokke decor van panelen en moulures is uitgevoerd in stuc, gekleurd in de massa; de chinoiserie-taferelen zijn geïncrustreerd in een zwarte achtergrond (imitatie-lakwerk ?). De taferelen zijn volstrekt onsamenhangend. Zeer uiteenlopende personages en dieren verschijnen hier in een decor van architecturale en natuurlijke elementen, waarbij het onwaarschijnlijk vliegend rotswerk nog niet het meest verbazende element is van deze fantaisistische assemblage. Omdat hertog Leopold van Arenberg een belangrijke aandeelhouder was van de Oostendse Compagnie (1722-1731) kan worden aangenomen dat hij vertrouwd was met Chinese objecten, die hier als inspiratiebron kunnen gediend hebben.
14
Leuven, College Van Daele, beschilderd linnen, derde kwart 18de eeuw (foto KU.Leuven)
M&L
Een figuur als de krijger te paard kan in ieder geval rechtsstreeks aan Oosters lakwerk ontleend zijn. Andere personages, zoals de boetedoener die met een haak in de rug is opgehangen en zichzelf pijnigt door met een zwaard in het rond te zwaaien, komen ook meerdere malen in reisverhalen voor. Naast de vaststelling dat de inspiratiebronnen niet begrepen werden, blijkt uit dit voorbeeld dat het de klant niet ging om de inhoud van de voorstelling, maar wel om het effect. Hierachter schuilde een feitelijke desinteresse voor de culturele identiteit van de exotische volkeren.
'4 y T'
m
/
& Sla*** is*
^ '* •
DE TWEEDE PERIODE: DE VRIJ FANTASERENDE CHINOISERIE
Vanaf 1720 treedt in Europees verband de vrij fantaserende chinoiserie op de voorgrond. Het exacte Chinese model verdwijnt nu op de achtergrond en maakt plaats voor fantasierijke composities "naar chinese smaak": eencombinatie van Oosterse motieven met zuiver Westerse stijlelementen. De tijd waarin China als modelland werd aangeprezen, was voorbij en de Europeanen voelden zich alleszins boven hen verheven. De onbegrepen beeldvoorstellingen werkten bovendien mede spot en ironie in de hand. Voor deze nieuwe wending in de decoratiepatronen, ontstonden talrijke modelboeken in Frankrijk ( Francis Boucher, Antoine Watteau, Gabriël Huquier, Alexis Peyrotte, Jean-Baptiste Pillement) en in Duitsland (Christoph Weigel, Jeremias Wolff, Johannes Esaias Nilson). Een fraai voorbeeld in de kunstnijverheid waar dergelijke modellen zijn overgenomen is een Dinants borduurwerk in het Gruuthusemuseum te Brugge (inventarisnummer 0.1.XIX) (21).
Dinants borduurwerk, ca, 1730. Brugge, Gruuthusemuseum, Inv, nr, 0,641,XIX (foto J, Termont)
In de interieurdecoratie kunnen twee types onderscheiden worden: enerzijds de fantastische chinoiserie, anderzijds de chinoiserie-genretaferelen. Bij de fantastische chinoiserie hanteert men Oosterse motieven in combinatie met de eigen Westerse vormentaal. Markante toepassingen hiervan treffen wij bijvoorbeeld aan in modieuze rococo-behangsels van goudleer en van beschilderd linnen: een drukke combinatie van lang uitgerokken rocailles, bloemenslingers, bloeiende twijgen, al dan niet exotische planten, vruchten, vogels, bouwsels, in een soms volstrekt asymmetrische compositie. Zeer uitgesproken voorbeelden zijn het beschilderd linnen van het College Van Daele te Leuven (waarrond een hele groep met min of meer Oosterse trekken kan worden samengebracht) en het goudleer in de raadzaal van het stadhuis te Veurne, dat verwant is met de goudleerbehangsels van Malonne (22). Typerend is hun licht, speels en fantastisch karakter. Wij dateren ze circa 1760-1765.
M&L
15
vriend Augustinus Boude, wordt de schilder voor deze praktijk in het bijzonder geloofd: "Eene van zijne bijzonderste begaafdheden is het schilderen en navolgen der tapijtwerken op zekere doeken, die hij met groeve draden dede weven, daarop schilderde, met waterverwe, veelvuldige Chineesche gezichten. Zijne vreemde kruiden, boomen, planten, doen de aanschouwer verwonderen, en zijne figuren maken veelmaals een groot uitwerksel, vol natuurlijke beweginge. Men kan zich niet genoeg uitdrukken over de uitvinding der Chineesche kleedinge, die met veel kunst gewapend is, en hij heeft zich aan dien optooi uitnemende wel verstaan. Zijne tekeningen zijn vol oordeel en verstandige schikkinge, immers zoodanig dat de aanschouwers en beste kenners bedrogen worden en dezelve aanzien voor tapijten.
Brussel, Hotel Ones, blauwe kamer Musicerende Chinezen geschilderd in de kooflijst derde kwart 18de eeuw (foto B, Gochet)
Gent, Hotel Van Goethem, cabinet, parodie op een vereringsscène, tweede helft 18de eeuw (eigen foto)
Een tweede type van interieurdecoratie in deze periode, bestaat uit genretaferelen die de Chinese zeden en gewoonten illustreren: de vogel- of visvangst, de theeceremonie, musicerende mensen, vereringsscènes van vorsten en vorstinnen, goden en godinnen... . Hierin verschijnen Chinese personages, al dan niet in gezelschap van Europese figuranten. Vaak hebben deze taferelen een ironisch of karikaturaal karakter, zoals we dit aantreffen op de muurschilderingen in camaieu, in een cabinet op de eerste verdieping van het Hotel Van Goethem, te Gent (23). Ook de blauwe kamer op de tweede verdieping van het Hotel Gries te Brussel, werd gedecoreerd met dergelijke chinoiserie-taferelen op het plafond en op de sopraportes (24). Hun stijl herinnert aan de schilder Paul-Joseph Delcloche die in het paleis der prinsbisschoppen te Luik, de Chinese riten evoceerde op het plafond in de privé-raadzaal van de prinsbisschop. De aandacht dient ook nog gevestigd op de decoratie van een slaapkamer in het kasteel van Heks: de tegen een rode achtergrond op hout geschilderde chinoiserieën zijn ontleend aan gegraveerde Franse modellen: het voorbeeld van de sopraporte naar een gravure van Pillement is hiervan een duidelijk bewijs (25).
Op deze maniere heeft hij in Brugge, Aelst, en andere steden veel behangsels uitvoerig geschilderd. Een der bijzonderste is in het huis van juffrouw de weduwe Stassignon, in de groote Vlamingestrate. Ik hebbe onlangs ontdekt dat hij, omtrent het jaar 1750, nog heeft geschilderd een kamer op de maniere der Chineezen voor mijnheer Bernard van Vijve, heelmeester geboortehelper of chirurgijn in Brugge, bestaande in vier stuks, die daarna overgegaan zijn aan mijnheer Carel Dorez, bij het Vleeschhuis, dewelke hij geplaatst heeft in zijne woning, die wel het recht de aandacht der aan-
In zijn tijd beroemd voor het schilderen van dergelijke genrestukken, was de Bruggeling Pieter Ledoulx (1730-1807). Kunstschilder en historicus, schreef deze ook een biografie van de Brugse "konst-schilders, konstenaers en konstenaeressen". In de posthume uitgave van 1812 die was aangevuld met een biografie van Ledoulx zelf door zijn
16
A Kasteel van Heks, slaapkamer, sopraporte naar J Plllement, 2de helft 18de eeuw (foto 0, Pauwels) • Gravure van J. Plllement urt Oeuvre de Jean Plllement peintre et dessinateur célèbre, Parijs, 1767, pi, 107
Veurne, raadzaal van het stadhuls Behangsel in ca, 1760-1765 (foto O. Pauwels)
M&L
schouwers verdienen om hare kunstige, rijke en bevallige schikking..." Een van zijn vrienden schreef verder: hij wordt "En, wel met recht, genaamd de schilder der Chineezen" (26). In één der albums van Joseph van Huerne die reeds ter sprake kwamen, en waarin negen aquarellen van Ledoulx voorkomen, wordt de schilder ook nog om dezelfde reden onderscheiden (f52). In ditzelfde album bevinden zich drie tekeningen die mogelijk een ontwerp van interieurdecoratie voorstellen: Chinezen en Europeanen verpozen in een Oosters landschap; er wordt thee gedronken, en muziek gemaakt (f48 en 49) (27). Pieter Ledoulx werkte deze kamerversieringen uit in waterverf op grof geweven doeken, zoals we in zijn biografie gelezen hebben. Het waren schilderijen met het voorkomen van een wandtapijt. Eén bewaard voorbeeld dat aan hem wordt toegeschreven, bevindt zich in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel (inventarisnummers 9450 A-B-C-D-E). Het betreft een suite van de Vijf Zintuigen. Zij is afkomstig uit een kasteel in Sint-Michiels bij Brugge en wordt circa 1750 gedateerd. De doeken zijn duidelijk beïnvloed door het werk van Franfois Boucher, die in zijn genretaferelen op uitmuntende wijze de Chinese met de Westerse motieven wist te assimileren, zoals in de tapijtsuite van Beauvais (1742). Deze reeks van de vijf zintuigen dient begrepen als een illustratie bij uitstek van de wegen die leiden naar het genot en het vermaak. Exotische taferelen — zo werd vastgesteld — werden bij voorkeur afgebeeld in ruimten waar men at of zich vermaakte. Hieruit mag worden afgeleid dat exotisme geassocieerd werd met amusement (28). De vreemde, exotische chinoiserieën moeten geïnterpreteerd worden in het licht van de "normale", Europese architectuur en binnenhuisinrichting. In de regel hoorden chinoiserieën
immers niet thuis in de representatieve vertrekken, maar men treft ze aan in ondergeschikte ruimtes (slaapkamers, cabinetten) en bij voorkeur ook in landelijke residenties. De chinoiserie heeft steeds een speels, fantastisch karakter. In de grond betreft het een — om het met de woorden van Tilo Eggeling te zeggen — "Ausdrück Kapriziöser Launen, die man sich gelegentlich erlaubte, um das Gewohnte einmal als das Verkehrte und Aussergewöhnliche zu erleben" (29). De chinoiserie kreeg al gauw een golf van kritiek te verwerken. De Franse leidinggevende architekt Jean-Francois Blondel stond zeer afwijzend. Hij noteerde in zijn De la distribution des maisons de plaisance dat Chinese en Indiaanse planten en figuren slechts geëigend waren voor een kamer "OM on passe pour prendre Ie caffé". Ook William
M&L
17
Chambers schreef in 1757 in zijn inleiding tot Designs of Chinese buildings, dat hij een architectuur als de Chinese, die zo ver onder de Griekse lag, niet in haar geheel wou propageren, maar dat ze slechts paste voor tuinen èn voor ondergeschikte kamers in grote kastelen (30). In de architectuur van tuinpaviljoenen vond de chinoiserie daarom meerdere toepassingen. De beroemde voorbeelden kenden bij ons tot in de 19de eeuw een bescheiden navolging (hierover leest u meer in de bijdrage van Herman Van den Bossche).
DE DERDE PERIODE: DE ROMANTISERENDE CHINOISERIE
Rond 1760 treedt de laatste, romantiserende periode van de chinoiserie in. Zij moet begrepen worden in relatie tot enerzijds de Chinese tuin- en landschapsschilderkunst, en anderzijds de romantische natuuropvattingen in het Westen. Naarmate deze laatste zich meer en meer deden gelden, groeide er een grote belangstelling voor de Chinese natuurvoorstellingen. Het Chinese export-wandbehang in papier en zijde, met zijn exotische planten, bloemen en dieren, en met zijn landschappen waarin zich allerhande scènes uit Uit dit alles blijkt een mentaliteit die de eigen het dagelijks leven afspeelden kende een groot cultuur superieur achtte en die het vreemde succes. Het voldeed uitstekend aan de behoefte slechts gebruikte om de eigen superioriteit te om illusionistische tuinen en landschappen te bevestigen. De mentaliteit die de Westerse scheppen binnenshuis en het integreerde zich superioriteit voorstond, en die overigens overmoeiteloos in het classicistische interieur. duidelijk in beeld wordt gebracht in de eigentijdse Dit was ook de tijd dat illusionistisch geschilderde voorstellingen van de vier werelddelen (31), exotische landschappen binnenskamers zeer hebben wij bevestigd gezien in de 18de-eeuwse geliefd werden (32). chinoiserie-decors. Deze mentaliteit weerpiegelt zich ook op meerdere plaatsen in het reeds In Vlaanderen bleven uitzonderlijk veel Chinese meermaals geciteerde Van Huerne-album te behangsels bewaard. Een dertigtal zijn tot op Brugge: zo bijvoorbeeld in het pittige (!) verhaal vandaag geïnventariseerd (hierover leest u meer in van een verzamelaar die in China een beeld wist de bijdrage van Nicole De Bisscop). Er dient te stelen (f38) en in de beschrijvingen van benadrukt, dat ook deze Chinese behangsels in de de "heidense" gewoonten der Chinezen regel in secundaire ruimten geplaatst werden, (03: "Telle fut la fatale incrédulité de ces esclaves en dus ondergeschikt waren aan de zuiver du paganisme ..."). Westerse stijlinterieurs.
P Ledoulx, Het gehoor, waterverf op doek, ca. 1750. Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, inv. nr. 9450 C (foto 0. Pauwels)
18
Chinese verzamelobjecten in 18de-eeuwse Zuidnederlandse pnvé-verzamelingen. Aquarellen uit een album met oosterse motieven. Brugge, Stedelijke musea, Stemmetzkabinet, inv nr, 0.3119,11, f 33 en 38 (toto's P.Stuyven)
M&L
Rond het tweede kwart van de 19de eeuw was de China-mode voorbij. De kortstondige terugkeer van Chinese elementen in de neo-rococo of neo-classicistische interieurs had een andere betekenis: zij werden hier louter overgenomen als stijlelementen.
BESLUIT
Aan de hand van voorbeelden kon worden vastgesteld dat de chinoiserie zich in het interieur van de Zuidelijke Nederlanden ontwikkelde, zoals in heel West-Europa. Zowel de indeling in drie hoofdperiodes als de inspiratiebronnen en de toepassingen zijn dezelfde gebleken. De aangehaalde voorbeelden zijn weliswaar geen trendsetters geweest, maar verdienen toch ruimere bekendheid.
VOETNOTEN (1) Een eerste poging tot ontsluiting van het materiaal in Bergmans A., Exotisme chinois dans les demeures des Pays-Bas Autrichiens, in Baetens R. en Blonde B., Nouvelles approches concernant la culture de 1'habitat. Colloque international, Université d'Anvers 24-25.10.1989, Turnhout, 1991, p. 223-233. Het huidige artikel is een aangevulde bewerking daarvan. De recentste algemene litteratuur over de chinoiserie kent de toepassingen in de Zuidelijke Nederlanden niet. Ct. Honour H.. Chinoiserie. The vision of Cathay, Londen, 1961; China und Europa. Chinaverstiindnis und Chinamode im 17. und 18. Jahrhundert (tent. cat.), Berlijn, 1973; Jarry M., Chinoiserie. Le rayonnement du gout chinois sur les arts décoratifs des XVlle et XVIlIe siècles, Fribourg, 1981; Gruber A., Chinoiserie: der Einfluss Chinas auf die Europaische
Kunst 17.-19. Jahrhunderts. Bern, 1984. Van de circa dertig thans gekende ensembles van Chinees export-wandbehang in Vlaanderen wordt er niet één vermeld in Wappenschmidt F., Chinesische Tapeten für Europa. Von Rollhild zur Bildtapete. Berlijn, 1989, (2) Voor de definitie en de indeling in drie periodes baseren wij ons op Kollman E,, Chinoiserie, in Realle.xikon zurdeutschen Kunstgeschichte. 4, Stuttgart, 1958, kol. 439-481. (3) Eggeling T,, Die chinoise Innenriiumdekomtion des Barock und Rococo, in China und Europa (tent. cat,), Berlijn, 1973, p, 85-95. (4) Vandenbroeck P., Beeld van de andere, vertoog over het zelf. Over wilden en narren, boeren en bedelaars (tent. cat,), Antwerpen, 1987, p. 21-39, met uitgebreide litteratuurlijst. (5) Over de relatie China en Europa zie Europa und die Kaiser von China (tent, cat.), Frankfurt am Main, 1985; China und Europa (tent, cat.), Berlijn, 1973; beide met uitgebreide literatuurlijsten. (6) Baer W., Zur Chinamode im Kunstgewerbe, in China und Europa (tent, cat,), Berlijn, 1973, p, 48-49. (7) Marchi C.,A Enghien, dans un jardin... Pavilions dit Chinois, pavilions de l'étoile, in Annales du Cercle archéologique d'Enghien, 23, 1987, p. 202: Cf. Hervouet N,F. en Bruneau Y.,La porcelaine de la Compagnie des Indes a decor oriental, Parijs, 1986, (8) Catalogue des collections de tableaux, dessins, gravures, antiquités, curiosités, et objets d'histoire naturelle, formant le cabinet Van Huerne. Gent, 1844. (9) Brussel, Koninklijke bibliotheek. Prentenkabinet, nr.21684. Collection d'ustensiles, armes et autres effects chinois, indiens et arabes dom heaucoup du cabinet de Monsieur Josh. Vanhuerne a Bruges dessinés et peints de grandeur naturelle par Mr. Pierre Ledoulx et quelques uns par Mr. J.F. Ducq peintre artiste, f 14. De tekeningen van de Chinese voorwerpen in de verzameling Van Huerne, zijn verder verspreid over de hierna volgende albums en geïllustreerd door Pieter Ledoulx, Jan Karel Verbrugge en J.J, Ducq: Brussel, Koninklijke bibliotheek. Prentenkabinet, nr. 21685, Collection d'armures, pots &a de sauvages, turcs et indiens dont la plupart du cabinet de Monsieur Josh. Van Huerne a Bruges dessinés et peints par Mrs. Pierre Ledoulx, Jean Verbrugghe, et quelques uns par Mr. J.F. Ducq peinlres artistes; zie over beide genoemde werken: Meulemeester J.-L,, Enkele albums met aquarellen van Pieter Le Doulx uit de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, in Brugs ommeland, jg. 27, 1987, p, 161-172. Brugge, Stedelijke musea, Steinmetzkabinet, nr. 0.3119.11, Collection de coutumes etpeintures chinois; cfr. Van De Velde C , Stedelijke musea Brugge, Steinmetzkabinet. Catalogus van de tekeningen, Brugge, 1984, Priveverzameling, Calcéologie ancienne, religieuse et moderne ou collection de chaussttres de toutes les nations jusqu 'd cejour dessinée et peinte de grandeur naturelle par Mrs. Pierre Ledoulx et Jean Verbrugghe peintres artistes dont quelques par Mr. J.F. Ducq, comme cette collection est une branche de modes, on y a jouté quelques costumes qui n 'étant pas chaussures servent également a la parure tant des peuples mougerés mongerés que des sauvages leurs armures etc. se trouvant dans une autre compilation qui fait suite ou purtie de celle-ci; cfr. Vandewalle A. (red.), 100 jaar Gilliodts. Academische zitting en tentoonstelling ter herdenking van de voormalige stadsarchivaris Louis Gilliodts-Van Severen (1827-1915), Brugge, 1980, p, 70-71. (10) Karel Alexander van Lotharingen. Gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden (tent, cat.), Brussel, 1987, (11) Zie talrijke voorbeelden in de chinoiserie-literatuur onder (I), (12) BAER W.,art.ri/.,p. 48-60. (13) Nieuhof J. Beschrijving van 's Gesandschap der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie aen de Grooten Tartarischen Cham, nu Keyser van China, Amsterdam, 1665. (14) Dapper O., Gedenkwaerdig Bedrijf der Nederlandse Oost-Indische Maatschuppije, op de kuste en in het keizerrijk van Taising of Sina, Amsterdam, 1670: ID., Asia of naukeurige beschrijving van het Rijk des Grooten Mogols en een groot gedeelte van Indien, Amsterdam, 1672,
M&L
P. Ledoulx, De tastzin, waterverf op doek, ca. 1750. Brussel Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, inv. nr, 9450 D (foto O Pauwels)
19
(15) Kirchner A., China monumentis, qua sacris, qua profanis, Amsterdam. 1667. (16) Fabri R., Zuid-Nederlandse pronkmeubels 16de-18de eeuw (tent. cat.), Brussel. 1989, p. 98-103. (17) Den Blaauwen A.L., Ceramiek met chinoiserieën naar prenten van Petrus Schenk Jr., in Bulletin van het Rijksmuseum, jg. 12, 1964,2, p. 35-49; Fontein J. en Den Blaauwen A.L., 'Piclurae Sinicae ac Surattenae' van Petrus Schenk Sr., in Bulletin van het Rijksmuseum, jg. 12. 1964, 3/4, p. 91-101; met dank aan E.F. Koldeweij voor zijn medewerking. Diverse voorbeelden van rechtstreekse invloed op de textielindustrie in Bothe R., Chinesische Motive auf Textilien, in China und Europa (tent. cat.), Berlijn, 1973, p. 265-281. (18) China und Europa (tent. cat.). Berlijn, 1973, nr. M 20 p. 272. (19) Koldeweij E. F., Het goudleer-behang in de burgemeesterkamer in het stadhuis van Maastricht, in Een seer magnifiek Stadthuys. Tien studies over de bouw en de inrichting van het stadhuis te Maastricht, Delft, 1985, p. 151-159. (20) Marchi C , art. cit. (21) Vandenberghe S., Sorber F., Van Damme-Ketele L. en Verstraete P., Catalogus van de kantverzameling, Brugge, 1990, p.47. Met dank aan S. Vandenberghe voor zijn medewerking. Wij dateren het stuk ca. 1730. Voor de modellen zie o.m. Eggeling T., Die Chinoiserie in de Vorlageornamentik des 17. und 18. Jahrhundert, in China und Europa (tent.cat.), Berlijn, 1973, p. 76-84. (22) Courtoy F., Les cuirs peints de l'église de Malonne, in Namurcum, 12, nr.l. 1935, p. 1-4. (23) Fredericq-LilarM.,Z,7iote/ffl///g(M. Chef d'oeuvre du rococo gantois, Brussel, 1977, p.97; Franse franje naar Gentse maat. De burgerbouwkunst te Gent in de 18de eeuw (tent. cat.). Gent, 1984, p. 170. (24) Gochet B., Het Hanze-huis, in De woonstede door de eeuwen heen, jg. 72, 4, 1986, p. 44-69. (25) Ook de chinoiserieën in het hotel de Sélys Lonchamps te Luik en in het huis Loumaye te Tihange zijn geïnspireerd op gravures van Pillement. Zie Laffineur-Crepin M., Le salon aux balan^oires chinoises de l'hötel de Sélys Lonchamp d Liège, in Bulletin de la Société royale "Le vieux-Liège", 184, 1974, p. 332-338; ID., Le salon chinois de la maison Loumaye d Tihange, unexemple de l'influencefrangaise sur la decoration inferieure du XVIIIe siècle au pays de Liège, in Annates de la Federation des cercles archéologiques et historiques de Belgique. XLlVe Congres, 3, Huy, 1978, p. 848-856. (26) Ledoulx P.F., Levens der konstschilders konstenaars en konstenaressen zoo in 't schilderen, beeldhouwen, als andere konsten, dewelke in de stad Brugge geboren zijn, of aldaar hunne konsten geoefend hebben. Dienberghe J.B. (ed.), s.l., s.d.,p. 94-95. (27) Brugge, Stedelijke musea, Steinmetzkabinet, nr. 3119.11. (28) DöryL., Exoten.'mReallexikon zur deutschen Kunslgeschichte, 6, München, 1973, kol. 1507; Vandenbroeck P., o.c, p. 33-34. (29) Eggeling T., art. cit., p. 92. (30) Börsch-Supan E., Chinoise Innenraüme des spoten 18. Jahrhunderts, in China und Europa (tent. cat.), Berlijn, 1973, p. 96; Chambers W., Designs of Chinese buildings, furniture, dresses, machines, and utensils..., Londen, 1757, (32) Börsch-Supan E., art. cit., p. 96-99, met voorgaande voorwoord. Evans J. Pattern. A study of ornament in Western bibliografie; Cfr. ook het recente artikel van Senarclens de Europe from 1180 to 1900, 2, New York, 1976 , p. 69. Grancy A., Illusionistisch gemalte exotische Landschaftsrdume (31) Kollmann E. en Wirth K.A., Erdteile, in Reallexikon zur des spdten 18. Jahrhunderts in sterreich, in Österreichische deutschen Kunstgeschichte, 5, München, 1967, kol. 1107-1202. Zeitschriftfür Kunst und Denkmalpflege, 44,1990, p.141-151.
Heks, kasteeltuin. 'Lachende Boeddha met bewegende handen en tong", gepolychromeerde eik. Luik, tweede h e i 18de eeuw, Deze chinoiserie werd gemaakt in opdracht van de Luikse prinsbisschop de Veldbrück en stond oorspronkeljk opgesteld in een ander (?) open paviljoen In de voormalige boventuin waar hij het pendant vormde van een ander oriëntaals C?) fabriekje. Dit Boeddha-type komt eveneens voor In 18de-eeuws rococo porcelën (foto BML).
M&L
21
Afbeeldingen ate de 'Porcellyne looren' in Nanking in Nieuhofs "Beschrijving' met vertalingen in het Frans, Durls en Engels (1669) zouden grol© invloed uitoefenen in alle takken van de toegepaste kunsten en later win de tuinkunst. UitJ. Nieuhof. Beschrijving van 1 Gesandschap der Nedeiiandsche Oost-Indische Compagnie aan eten Groeten Taitatfechen Cham, nu Keyser van China, deel l AmsfBtdam, 1665.
Brugge, Kasteel Roolgem, vroeg 19de-eeuws, oorspronkelijk met Chinese figuren beschilderd, halfopen tuinpaviljoen met klassiek, octogonaal grondplan en Toscaanse zuilen en piasters op postamenten, bekroond met een door bloemenguiilandes versierd kapiteel onder een dubbel leien pagodedak met een lantaarn van iigrain schrijnwerk (foto 0, Pauwës)
Deume, Boekenbergpark, 'Chinese pagoda', circa 1802-1805, Bankier Willem Smets (1749-1818) richtte de 26 meter hoge toren op als symbool en aandenken aan zijn bbëende handel met het Verre Oosten. De tangoureure bekroning van de toren, nameljk vier in elkaar verstrengelde vergulde of bronzen serpenten die een ananas t o r m zou afkomstig zijn van de Chinese toren in laken, die in 1803 gesloopt werd. De pagoda fungeert zowel inhoudelijk en vormelijk ais scharnier tussen de 18de-eeuwse regelmatige tuinen en de oostelijke romantische tuin. Over de serpentine-vijver in de romantische tuin was een Chinese boogbrug geconstrueerd. Het geheel was gecompleteerd met een Chinese boot. Stereo-opnam© door van de Poel (19cte eeuw) (verzameling Provinciale Cultuurdenst Antwerpen)
• Vurste, Kasteel Borgwal, 19de(?)-eeuws vierkantige Chinese belvédère als convergentiepuntvan de bosdreven. De oorspronkelijkef?) onderbouw met spuitkop en halfrond waterfaekken, de Toscaanse zuilen op postamenten, bekroond met Corinttiisch kapiteel en het lijstwerk herinneren aan Roolgem. De oorspronkelffef?) beschBcterhg toont hier echter Japanse personages (foto O, Pauwels)
T Kessei-Lo, fraai woeg(?) 19de-eeuws Chinees tuinpaviljoen met zeshoekig grondvlak (foto J, de Beauffort)
22
M&L
Ptanche LXX!, (vertaald) yvij bieden, met deze tafel, vier modellen van i want het is noodzakelijk bf de eerder getoonde huisgenres ook poortjes in diverse architectuurstijten af te beelden teneinde de toegang met de op te richten woning te laten concorderen. Bijna alle oosterse constructies onderscheiden zich door de verscheidenheid der kleuren waarmee hun oppeivlak is afgewerkt,- de kleuren zijn doorgaans fel: geel. rood en blauw schitteren er naast elkander. Men mag stellen dat in deze - in overvloedig licht badende landen het verblinde en vermoeide oog nood heeft aan opvallende en opposante tinten om de objecten die zij kleuren te kunnen onderscheiden. Nr. 4 is een Chinees poortje, in hout uit te meren meteen ddltiedelémg in ptatijzer, zink of schallen... de constructie is versierd met ktokjes (karakteristiek ornament in de Chinese bouwkunst". U» A r m , Apenju et Nouveau Modèles sur I'M de Composer, de Distribuer et de Décorer toute Espèce de Jordlns, Extraits de divers ouvroges. Brussel, bij C.J. De Mat, 1829,
Schilde, Hotten Iroecks, Tussen 1723 en 1756 werden kasteel en domein grondig gewijzigd. Hovingen, pnélen, dreven, wafeipartijen. fonteinen en een grote vijver werden aangelegd. Een sluis op de Schijn zorgde voor liet waterpeil en een met terrassen omgeven Chinees paviljoen op de hoofd-as van de tuin bevatte een pompinstallaiie voor de bevoorrading van cascaden en fonteinen. Typologisch sluif de constructie aan bij de grote rococo-chinoiserièn uit het midden van de 18de eeuw, in Drotfningholm (Zweden) en Potsdom-Sanssouci (Duitsland) en zelfs de iets latere Chinese oranjerie in Laken. Uit A Basse, Geschiedenis van Schilde, Schilde, s.d. (1983).
'In de wandeltuln heeft men een blikvanger, een prttoreske anecdote nodig, in tegelmatige composities Is een architecturaal paviljoen best op zijn plaats. Maar in een landschappelijke of gemengde tuin zal men - om deze nog pittoresker te maken - bij voorkeur een Chinees paviljoen neerzetten (PI. 98, Hg 12,3,4)' UI Soitard, Manuë de rarchtecte des Jardins ou l'art de les composer et de les décorer, Ouvrages accompagné d'un grand nombre de planches. Pare, 1854.
•
M&L
23
Planch© XXIX (vertaald) 'PlezBtvaariuigen vamen een onderdoe van de tuinfabriekjes omdat zij de charme helpen bepalen van met uitgestrekte waferen gezegende sites. Zij moeten eerst en vooral een elegante vorm hebben en niet perse aangepast zijn aan het karakter der (tun-)scenes. De op dem plaat afgebeelde boten zijn van Chinese aard en beschikken over een l^inpwljoen dat de gebruikers tegen zonnestralen moet beschermen Weke voim men ook aan een boot wil geven, altijd zal men eleganlie moeten koppelen aan stevigheid. Geeft hij ook maar de minste aanleiding tot paniek zelfs van de meest timide personages, dan schel hij aan zijn doel voorbij... ook al weet men dat hef water erg ondiep Is. In plaats van een leuke boottocht te Éjn doet de idee-fke dat bij de minste beweging het scheepje slagzij kan maken, een dergelïk evenement gemakkelijk in een ware marfeling voor veen ontaarden'. l i Anon., Apergu et Nouveau Modèles sur l'Art de Composer, de Dislribuer et de Déoorer foute Espèce de Jardins, Extraite de divere ouvrages. Bwssel, bij C.J De Mot, 1829.
Het Chinees paviljoen, genaamd "Confucius' House' illustreert nog sterk de oorspronkelijk, literaire achtergrond van de chinoiserie Zo pres Leibnfe in zijn "Novtssima Sinica' uif 1697 de Confudaanse deugden en stelde hij voor dot de Chinezen missionarissen naar Europa zouden zenden om 'ons de toepassing en de praktijk van de natuurtheotogle teterennefzoals wij missionarissen naar China slum om de Chinezen in het mysterie van de Openbaring in te wijden'. Uit W. Chambers. Vteuws of the Gardens and Buildings of Kew, Londen 1763.
24
M&L
ASPECTEN VAN HET CHINEES EXPORT-WANDBEHANG NICOLE
DE
BISSCOP
Gent, Hotel Clemmen of Museum Vonder Hoeghen (foto 0, Pauwels)
Aan alle aspecten van de culturele
aanpassingsvermogen van de Chinese
uitwisseling tussen China en Europa
schilder aan de smaak van zijn
werden vele en grondige studies
Westerse opdrachtgevers. Hoewel nu
gewijd. De geestdrift waarmee in
dikwijls onderschat had het Chinees
Europa alles wat Chinees was tijdens
export-wandbehang een enorme
de 17de, 18de en 19de eeuw werd
impact op de interieurdecoratie tijdens
ontvangen gold niet de officiële
de 18de en 19de eeuw.
Chinese schilderkunst, doch enkel de
Daarnaast bepaalde het, vooral tijdens
kunstnijverheid en de decoratieve
de 18de eeuw, voor een groot stuk het
exportschilderkunst. Het verwonderlijke
beeld dat de Westerling zich van China
is dat, met uitzondering van het porse-
vormde. Verslagen en beschrijvingen
lein, deze exportkunst maar weinig
met exacte informatie over China
werd bestudeerd. Chinees export-
kreeg de Europese lezer pas vanaf de
wandbehang — naar analogie met
vroege 19de eeuw in handen.
Chinees export-porselein — is één van
De Europese schrijvers van de 16de,
de produkten die gedurende bijna drie
17de en 18de eeuw bouwden een
eeuwen naar Europa en naar de Ver-
beeld op van China, gebaseerd op
enigde Staten van Amerika werden
eigen ervaring of de verhalen van
geëxporteerd.
reizigers, dat soms juist was, soms half
Dit zijden of papieren export-wand-
juist maar veelal pure fantasie bleek.
behang werd in de havenstad Canton
Zoals we later zullen zien, was het
(Zuid-China) geschilderd, uitsluitend
beeld dat in de wandbehangen over
voor vreemde klanten.
China werd opgehangen idylisch en
Het is een illustratie van het soepele
ver van de realiteit verwijderd.
M&L
25
D
'e i fascinatie van de Westerse mens voor China dateert reeds van vóór onze jaartelling. Sinds de Oudheid was China bekend om zijn zijdeproduktie. In een reisbeschrijving uit 326 vóór Christus, van Nearchos, een hoog officier van Alexander de Grote, werd reeds over zijden stoffen uit Seri of China geschreven. De aardrijkskundige Ptolemaeus, die China "Thinae" noemt, gaf bijzonderheden, ontleend aan Marinos van Tyr, over de ongeveer 10.000 km lange "Zijderoute", die China over land met de Middellandse Zee verbond (1). Tijdens de Han- (206 vóór Christus - 221 na Christus) en de Tangdynastie (618-906) dreven de Chinezen hierlangs handel met de Westerse wereld. De handel via de zeeroutes was in handen van de Arabieren (2). Het duurde tot de Portugezen vaste voet kregen in China vooraleer Europa zich van het bestaan van Chinese kunst bewust werd. De Portugezen vestigden zich in 1509 in Malakka en in 1516 in Macao. Zij brachten druppelsgewijze Chinese kunstvoorwerpen naar Europa. Deze belandden in de kunst- en rariteitscabinetten van Europese vorsten en prinsen (3). Van de Chinese regering kregen ze toestemming om vanuit Macao tweemaal per jaar naar Canton te zeilen om daar handel te drijven. De Hollanders doorbraken het Portugese monopolie van de Chinahandel door in 1600 en 1602 Portugese schepen, volgestouwd met Chinees poselein, buit te maken (4). Deze ladingen werden in Amsterdam geveild: het vormde in Europa de aanzet tot de grote rage voor alles wat Chinees was.
begem, privéveizameling
In 1697 rapporteert Lecomte over wandbehang van zijde en papier in de Chinese interieurs (5). Concrete beschrijvingen hierover vinden we in de
18de- en 19de-eeuwse reisbeschrijvingen: - "... the side-walls are matted about three of four foot upwards from the pavement; the rest being neatly covered either with white, crimson or gilt paper: and instead of pictures they hang on them long pieces ofsaton or paper, stretched on frames, and painted in imitation of marble, or bamboo..." (6). - "Un cóté des chambres n'est quefenêtres avec des chassis de papier: sur le reste des murailles, qui sont enduites de chaux, on colle du papier blanc, & par-la on les conserve blanches & unies: le plafond consiste en un chassis garni de papier, sur lequel on trace divers ornements" (7). - "... nicely furnished room according to Chinese ideas: that is, its walls were hung with pictures of flowers, birds, and scenes of Chinese life (...). I observed a series of pictures which told a long tale as distinctly as if it had been written in Roman characters. The actors were all on the board, and one followed them readlyfrom the commencement of the piece until the fall of the curtain" (8). Chinezen noemen de grote beschilderde wandbehangen van zijde of papier "tieluo dahua" (9). Tijdens de regeringsperioden van de keizers Kangxi (1662-1722) en Qianlong (1735-1795) werden ze met tienduizenden aangemaakt in de paleisateliers en versierden ze de wanden van de paleizen en keizerlijke zomerverblijven. De meeste overleefden de tand des tij ds niet: ze gingen verloren bij branden, in oorlogen en revoluties; de resterende werden van de muren gehaald en tot rollen gemonteerd. Daarnaast hadden de Chinezen een lange traditie van grote schermen die bespannen waren met
26
M&L
beschilderde zijde of papier. Ze werden in de kwamen zich hier bevoorraden (18). Tijdens de 16de eeuw werd Canton tevens een belangrijk interieurs geplaatst, in ontvangstzalen, op de centrum van de kunstnijverheid. Zoals hoger terrassen en in de tuinen. We weten niet wanneer Chinees behang voor het reeds vermeld slaagden de Portugese handelaars er op het einde van de 16de eeuw in — zij het eerst naar Europa werd verscheept. De vroegste weliswaar beperkt — regelmatige handelsrelaties vermeldingen over beschilderde zijde of papier met het Chinese Canton op te bouwen. Toch is het voor binnenhuisdecoratie dateren hier uit de late pas in 1699 dat de haven van Canton werd 16de eeuw, zoals bij Juan Gonzalez de Mendoza "The women as well as the men be ingenious, they opengesteld voor de andere Westerse schepen. do use drawne works and carved works, excellent De Chinahandel werd tot het begin van de 19de painters of flowers, birds and beasts, as it is to be eeuw gemonopoliseerd door de verschillende seen upon beddes and bords that is brought from Europese en naderhand Amerikaanse Oostthence. I did see my selfe, one that was brought Indische Compagnies. Een "Westers handelspark" unto Lysbome in the year 1582, by Captain Ribera, van 350 meter lang werd op de oever van de Parelrivier aangelegd. ledere Compagnie huurde Chief e sergant of Manilla, ..." (10) en in de daar haar handelspost of "hong". De handels- en inventaris van 1599 van Gabrielle d'Estrée "un pavilion de tafetas de la Chine oü il y a de toutes levensvoorwaarden werden door de Chinese sortes d'oyseaulx et d'animaux représentez" (11). overheid streng gereglementeerd. De scheepvaart in de Cantonese haven werd bepaald door de moesson. In januari bliezen de moessonwinden Zowat een eeuw later komen vermeldingen en vanuit het noorden. Dan konden de schepen beschrijvingen veelvuldig voor : zonder grote problemen de terugreis aanvangen. - "Une tapisserie de taffetas blanc, peinte de Waren de leveringen niet op tijd klaar of was het figures et oyseaux de la Chine" (12); - "8 mai 1679 Vente de Mme de la Marquise de schip niet tijdig geladen, dan bleef het voor anker Listenois... pieces de pékin et des tentures de pékin fond jaune" (13); - "Divers other China & Indian Cabinets, Schreens and Hangings" (14); - "Inventaire du maréchal d'Humières, dressé a l'Arsenal Paris 31 aoüt 1694: Six feuilles de paravans de papier peint la Chine, prisés XV Livres" (15); - "... a parlour finely adorned with China paper the figures of mean and women, birds and flowers, the louiest 1 ever saw come from that Country" (16). Dit toont aan dat de invoer van zijden en papieren behang in de late 17de eeuw goed op gang was gekomen. Het behang werd gebruikt als muur- en bovendeurdecoratie, maar evenzeer voor kameren haardschermen. In de 17de- en 18de-eeuwse literatuur is de terminologie overigens nogal verwarrend. Men maakte immers geen onderscheid tussen India, China en Japan als men het "Verre Oosten" bedoelde. De geografische ligging van Canton is bepalend geweest voor de ontplooiing van de stad als handelscentrum (17). Dicht bij de monding van de Parelrivier gelegen, met een rechtstreekse toegang tot de zee, heeft het ook een kanaal dat de verbinding legt met het binnenland. Reeds tijdens de 7de eeuw beschikte Canton over een haven die belangrijk was voor de buitenlandse handel. De Arabische handelaars die de zeeroutes tussen de Oosterse en Westerse wereld beheersten
M&L
27
liggen tot het volgend seizoen. Dit betekende zware verliezen voor de Compagnie. De handel was dus zeer sterk seizoengebonden: alles moest plaatsvinden in het najaar en de wintermaanden vóór januari. Tijdens de zomermaanden mochten de Westerlingen niet in Canton blijven. Wel konden ze in de Portugese nederzetting Macao verblijf vinden. Het kwam er dus voor de Westerse agenten op aan, vanaf het ogenblik dat ze toegelaten werden in Canton, zo vlug mogelijk de transacties af te handelen opdat de bestellingen tijdig klaar zouden zijn. Daar iedereen gelijktijdig aankwam werd er een bikkelharde concurrentiestrijd gevoerd. De Westerlingen werden volledig beperkt in hun handelingen; ze mochten de Chinese taal niet leren en geen Westerse vrouw naar Canton brengen. Ze mochten ook niet rechtstreeks onderhandelen met een Chinese koopman, schilder, sierkunstenaar of ambachtsman. De Chinese regering benoemde een beperkte groep ambtenaar-handelaars die, bijgestaan door een tolk, de onderhandelingen voerden met de Westerse compagnieagenten. Zij waren het ook die de handelsposten aan de Westerlingen verhuur-
den. De gevel-architectuur van deze complexen behield in zekere mate een Europese stijl, terwijl de binnenhuisinrichting volledig Chinees was. De benedenverdieping was bestemd voor de administratie; op de eerste verdieping bevonden zich de appartementen. De verschillende gebouwen van de factorijen waren van elkaar gescheiden door genummerde binnenpleinen. Het handelspark had strikte grenzen die door de vertegenwoordigers van de Europese compagnies niet mochten worden overschreden. De toegang tot de stad Canton, het binnenland, of een andere Chinese haven was hen ontzegd. In de eerste helft van de 19de eeuw onderging de Chinahandel grote veranderingen. De handel bleef niet meer het monopolie van de Oostindische Compagnie. De handel werd vrij maar kwam voor het grootste deel in handen van grote Britse firma's. Zij eisten het recht op om opium in te voeren in China en deze te gebruiken als betaalmiddel voor thee, zijde, porselein en andere luxeprodukten. Het kwam tot ernstige conflicten die uiteindelijk leidden tot de Engels-Chinese Opiumoorlog (1839-1842). De keizerlijke Chinese legers werden verslagen, de "hong" werden door de Chinezen geplunderd, de Britten bezetten Canton en dwongen de Chinese overheid tot het vernederende verdrag van Nanjing. Dit legitimeerde de import van opium; het monopolie van Canton op de buitenlandse handel werd afgeschaft, andere havens werden geopend voor westerse schepen en Hong Kong, gelegen aan de monding van de Parelrivier, werd aan de Britse kroon toegevoegd.
DE JEZUÏETEN EN HUN INVLOED OF DE 17DE- EN 18DE-EEUWSE CHINESE HOFSCHILDERKUNST
In het kielzog van de Portugese handelaren kwamen de missionarissen (19). In 1557 vestigden de jezuïeten zich in de Portugese nederzetting Macao. Hun invloed breidde zich al spoedig uit tot Canton. Missies werden gevestigd te Nanchang en Nanjing. De eerste jezuïet die erin slaagde aan het Chinese hof te worden ontvangen en er te verblijven was Matteo Ricci. Deze priester, een man met grote eruditie, energie en persoonlijkheid, was door zijn kennis voorbestemd om in de belangrijke periode van wederzijdse bewustwording, belangstelling voor de Europese cultuur in China op te wekken. Hij kwam naar Macao in 1592. In 1601 werd hij door keizer Wanli
M&L
ontvangen. Hij slaagde erin elementen uit de Westerse schilderkunst ingang te doen vinden centraal perspectief, plastische weergave, schaduwwerking... . In de loop van de daaropvolgende jaren kwamen andere Westerse jezuïeten aan het hof de Chinese hofschilders inwijden in deze technieken. De academische schilder Jiao Bingzhen, die waarschijnlijk het perspectiefschilderen van Pater Verbiest had geleerd, maakte goed gebruik van deze kennis in de reeks schilderijen "Afbeeldingen van Rijst- en zijdecultuur" die hij in 1696 vervaardigde in opdracht van de keizer en waaraan hij kort daarna door middel van houtsneden een grote verspreiding gaf (20). Met de aankomst te Peking van Pater Castiglione in december 1715, kreeg het Chinese hof uiteindelijk een Europese schilder van enig niveau. Hij verwierf groot aanzien, produceerde heel veel, leidde talrijke Chinese hofschilders op in de westerse technieken en zou een grote invloed hebben op de smaak aan het Chinese hof gedurende zijn 50-jarig verblijf. Lang Shining (Chinese naam van Pater Castiglione) ontwikkelde een synthetische stijl waarin hij Westers perspectief, schaduw en af en toe iets van chiaroscuro op smaakvolle maar vooral bekwame en terughou-
dende wijze gebruikte om schilderijen, die verder geheel in Chinese trant werden geschilderd, een realistisch tintje te geven (21). Hier moet echter vermeld worden dat deze invloeden de smaak van ambtenaren, literati — de Chinese intellectuele bovenlaag dus — maar heel matig interesseerden. De invloed op hun kunst was eigenlijk nihil. De invloed van de Westerse kunst sijpelde wel door naar de lagere niveaus van beroepsschilders en handwerklieden, waar hij zich tot op de dag van vandaag heeft gehandhaafd.
HET CHINEES EXPORT-WANDBEHAND IN VLAANDEREN In het Vlaamse landsgedeelte bleef een belangrijk aantal Chinese wandbehangen uit de 18de en 19de eeuw in goede toestand bewaard. Een groot deel daarvan kon worden bestudeerd. Exacte datering bleek daarentegen moeilijk. De studie van het Chinees exportbehang staat nog in zijn kinderschoenen en exacte gegevens in verband met aankoop en plaatsing zijn niet gekend. Bij het naast elkaar leggen van de bewaard gebleven ensembles viel de grote diversiteit in stijl op.
M&L
29
Gent, Hotel Saceghem (foto 0 Pouwels)
Yongle paleis, provinoie Shansi. Muurschildering in de Chunyang hall met scènes uit het leven van de Daoistische onsterfelijke Lu Dongbin (Yuandynastie)
alsook belangrijke technisch-artistieke verschillen. De bestaande publikaties over dit onderwerp boden weinig concrete gegevens om een vlotte datering of situering mogelijk te maken (22). Er diende dan ook op zoek gegaan naar die elementen die aan de basis liggen van de evolutie. De studie van de inspiratiebronnen, het kleurgebruik, de technisch-artistieke veranderingen, de afmetingen van het papier, de plaatsingstechnieken en andere, zouden aldus in belangrijke mate bijdragen tot de opbouw van een chronologie. Net als de andere exportartikelen, werd het Chinees behang door de verschillende OostIndische Compagnies naar Europa gebracht. Het werd hier door de Compagnies geveild en opgekocht door handelaars en decorateurs (23). Deze verkochten het aan hun rijke klanten en zorgden ook voor de plaatsing ervan. In de Zuidelijke Nederlanden beheerste de Oostendse Compagnie vanaf 1723 de handel in onder andere Chinese luxegoederen. Veel Vlaamse families hadden er aandelen in. De Oostendse Compagnie
was dan ook bijzonder winstgevend (24). Met uitzondering van de vermelding in een dossier van Graaf d'Hane-Steenhuyse over levering en plaatsing in zijn Hotel te Gent van "... 12 benden indiaenschpapier..." door "meester tapytsier" Blaire in juli 1777 (een behang dat nu niet meer bestaat) (25), zijn in andere familiearchieven geen gegevens over aankoop of plaatsing van Chinees wandbehang te vinden. De meeste van deze behangen zijn nochtans in het bezit van families waarvan de voorouders banden hadden met de Oostindische Compagnies. Hoe kwamen zij aan hun Chinees behang: via handelaars-decorateurs, via een andere weg? In alle Oost-Indische Compagnies kregen de supercargo's en officieren de mogelijkheid om voor eigen rekening handel te drijven. Ze beschikten over een aantal privilegiekisten ("pacotille") die ze mochten volstouwen met goederen uit hun particuliere handel. Het kwam ook geregeld voor dat de supercargo voor de directeurs van de Compagnie private aankopen deed in China; supercargo Pieter van Hurk deed dit bijvoorbeeld voor de directeurs Soenens en de Pret (26). Het ziet er dus naar uit dat de Chinese behangen die nu nog bewaard zijn voor het grootste deel rechtstreeks van hand tot hand gingen, temeer dat de behangen vooral via de "pacotilles" werden overgebracht. Vanaf 1736 investeerden verscheidene Antwerpse en Gentse families in handelshuizen in de Deense Oost-Indische Compagnie en in de Bank van Copenhagen (27). Daar de wisselkoers tussen Denemarken en Vlaanderen ongunstig was en om de aandeelhouders en geldschieters een maximale winst te verzekeren konden ze zich laten betalen
-v. 1
30
Hangrol, inkt en kleuren op zijde (Mingdynastie)
M&L
"in natura", in luxegoederen dus (28). Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat een groot deel van de behangen op deze manier in onze gewesten terechtkwamen.
INSPIRATIEBRONNEN Doorgaans wordt in publikaties over Chinees export-wandbehand gesteld dat de onderwerpen en de stijl ervan weinig of geen voedingsbodem zouden vinden in de eigen Chinese tradities. Naast de in China hooggewaardeerde landschapsschilderkunst, vooral uitgevoerd met inkt in een krachtige en kalligrafische stijl en waarin persoonlijke expressie boven een getrouwe weergave van het onderwerp werd gesteld, ontwikkelde zich reeds heel vroeg een meer populaire schilderkunst. Onder invloed van het groeiende humanisme, basis voor de Confuciaanse traditie, aan het einde van de Zhoudynastie (1027 tot 220 vóór JC) kwam een realistisch getinte kunst tot ontwikkeling, die zich in de daaropvolgende eeuwen zou ontwikkelen tot een genrekunst en een enorme bloei zou kennen. Onderwerpen zoals de jacht, scènes uit het dagelijks leven en voorstellingen van feesten komen veelvuldig voor, naast een ethisch getinte kunst waarin de keizer, de geletterden en ambtenaren werden verheerlijkt in paleisscènes, audiëntie-taferelen of genrestukken waarin de ontspanning van de ambtenaar centraal staat (29). Een belangrijk deel van deze schilderkunst (4de-15de eeuw) was monumentaal: muurschilderingen in graven, tempels en paleizen. De onderwerpen waren zeer uiteenlopend; zo bijvoorbeeld de geschiedenis van het keizerrijk, godsdienstige verhalen, legendes, populaire gebruiken en feesten (30). Een prachtig voorbeeld hiervan vormen de muurschilderingen in de Chunyang Hall van het Yongle Paleis (31). Deze muurschilderingen werden in 1358 afgewerkt en hebben als onderwerp het leven van de daoïstische onsterfelijke Lu Dongbin. Het is een doorlopende compositie van 52 episodes uit zijn leven, aangebracht op drie muren. De schilders zijn anoniem en het werk is uitgevoerd in een beschrijvende stijl, karakteristiek voor de Song(906-1279) en Yuandynastie (1279-1368). De verschillende episodes zijn geplaatst in een natuurlijke omgeving met rotsen, bergen, bossen, tuinen, rivieren en meren zodat de indruk van één groot landschap wordt gewekt. Naast de illustratie van het eigenlijke onderwerp krijgen we een beeld van het sociale leven in China tijdens de 13de en
14de eeuw: markten, theehuizen, herbergen, scholen, apotheken, daoïstische kloosters, ambtenaren, boeren, vissen, studenten, leraars, monikken ... . We staan hier voor een type compositie dat tijdens de 18de eeuw in het export-wandbehang terug te vinden is. Hier dient vermeld dat deze kunst door de toenmalige hofschilders als ambachtelijke kunst werd beschouwd, omdat ze niet was gedragen door grote filosofische ideeën en beschouwingen. Toen de Mingdynastie (1368-1644) na de Mongoolse overheersing aan de macht kwam, ontstond een tijd van nationale restauratie. De eerste Mingkeizers deden een aantal oude hoftradities herleven (32). Zij waren ook sterk gekant tegen de literatie beweging in de kunst (kunst van de ambtenaren in hun vrije tijd, schilderijen met sterke filosofische achtergrond) (33). Een kunst gebaseerd op filosofische ideeën was niet meer aan de orde van de dag. Kunst moest dan een praktisch doel betrachten, namelijk het herstellen van de Chinese heerschappij. De Mingkeizers lieten aan hun hof kunstenaars werken aan schilderijen die — aanschouwelijk — een deugdzaam gedrag en wijs beheer illustreerden, aan de hand van narratieve taferelen die door iedereen begrepen konden worden. Een eenvoudig realisme, een helder koloriet en een rustig beschrijvende stijl werden gestimuleerd. Figuren en gebeurtenissen werden in een weelderige natuurlijke omgeving en in prachtige tuinen gesitueerd. Deze schilderijen toonden aan hoe de keizer zichzelf en zijn ambtenaren wilde zien. Daarnaast werd het schilderen van het dagelijks
M&L
31
leven van het volk sterk aangemoedigd: schilderijen waren een illustratie van een toestand van vrede, overvloed, orde en maatschappelijk geluk. Zij getuigden van de goedheid en wijsheid waarmee de keizer zijn mandaat volbracht (34). De romantische tegenpool hiervan waren de lyrische composities met vogels (ganzen, eenden, zwanen, hanen, fazanten) rotsen en bloemen. Deze schilderijen waren aan het hof bijzonder geliefd (35). Dit thema kent in China een lange traditie en illustreert de diepgewortelde band van de mens met de natuur. Het is tevens de illustratie van een fragment van een Chinese tuin. Een Chinese tuin is een microcosmos: een weergave van de fundamentele waarden. De rots is het object van esthetische appreciatie, voor zover het ook een natuurlijk proces illustreert: de verweerde rotsen die steeds in tuinen worden geplaatst staan voor de ononderbroken beweging van de evolutie van de tijd (36).
Brussel, Hotel Errera (foto 0 Pauwels)
Talloze ambachtelijke schilders, vooral uit Suzhou, maakten voor rijke opdrachtgevers kopieën van beroemde composities (37). In Suzhou, Nanjing, Hangzhou en op vele andere
plaatsen van de provincie Fujian ontwierpen kunstenaars als Tangyin, Luji, Luzhi, Qiuying en andere albums en prenten voor geïllustreerde boeken en voor grote encyclopedieën. Veel van dit materiaal werd gereproduceerd en op grote schaal verspreid via albums die in de ateliers van alle takken van de kunstnijverheid tijdens de Ming- en Qingdynastie werden gebruikt (38). De Manchu, die met de Qingdynastie van 1644 tot 1912 over China regeerden, wilden een eigen stempel op de Chinese schilderkunst drukken. In 1680 reeds richtte Keizer Kangxi (1662-1722) het "Instituut voor Schone Kunsten" op en liet daarvoor binnen de paleismuren van de "Verboden Stad" in Beijing werkplaatsen bouwen. Uit alle streken van het rijk werden ambachtslui, sierkunstenaars en kunstenaars gerecmteerd om les te geven aan het Instituut en om de werkplaatsen te leiden. Aan het Instituut was ook een schildersacademie waar de hofschilders werkten (40). De historieschilderkunst werd beschermd en bevorderd. Op die manier ontstond een authentieke documentatie over tal van gebeurtenissen: feestelijkheden aan het hof, huwelijken, verjaardagen, begrafenissen, audiënties, politieke gebeurtenissen zoals de ontvangst van buitenlandse gezantschappen, de inspectietochten van de verschillende Qingkiezers naar de verschillende delen van hun immens rijk, waarin op een romantische manier het dagelijks leven van de Chinese bevolking werd geschetst. Keizerlijke jachtpartijen werden op horizontale rollen van vijtien tot twintig meter geschilderd, of op "tieluo dahua", de enorme wandbehangen van zijde of papier die de zalen en verblijven van de paleizen sierden (41). Zoals reeds werd aangetoond heeft de narratieve schilderkunst diepe wortels in de Chinese kunsttraditie. De vernieuwing tijdens de Qingdynastie ligt in de verandering van stijl en in de enorme omvang van de schilderijen. De stijl evolueert van een rustig beschrijvende stijl met een eenvoudig realisme naar een zakelijke, nuchtere stijl. Alles moest met een koele precisie en tot in de kleinste details correct weergegeven worden. Het artistieke talent en de eigen stijl van de schilder kwamen niet ter sprake. Alles werd geschilderd met scherpe contouren en de verhouding tussen vóór- en achtergrond behoorde duidelijk te zijn. Het koloriet moest discriptief en stralend zijn (42). Een bijkomende vernieuwing in de Chinese hofschilderkunst vormen enkele elementen, ontleend aan de exotische westerse
32
M&L
Gent, Hotel Clemmen of Museum Vonder Hoeghen (foto 0, Pauwels)
schilderkunst: weergave van middelpuntvliedend perspectief, modelé en schaduwwerking. Tijdens de regeringsperiodes van de Keizers Kangxi (1662-1722) en Qianlong (1735-1795) werden zeer grote hoeveelheden grote handrollen en "tieluo dahua" geschilderd. Alleen door teamwork konden dergelijke grote projecten gerealiseerd worden. In de keizerlijke ateliers kwam men door een ver doorgevoerd systeem van taakverdeling tot grote efficiëntie (43). De bijzondere aanleg van ieder kunstenaar werd zoveel mogelijk benut. De indeling gebeurde in de eerste plaats naar de motieven: personages, gebouwen, dieren, landschapselementen. Deze werden uitgevoerd door daarin gespecialiseerde schilders. Bij schilderijen met één onderwerp, zoals bijvoorbeeld bloemen, vogels en portretten, werden het concept en de lijnvoering door de meester bepaald; het overige werk liet men over aan de assistenten. Ook gebeurde het dat een Pekinees hofschilder een project maakte dat elders, buiten het paleisatelier, werd uitgewerkt en volledig gerealiseerd. Zo weten we dat
de schilderijen die de feestelijkheden voorstellen naar aanleiding van de tachtigste verjaardag van keizer Qianlong, in Suzhou gerealiseerd werden naar een project van een Pekinees hofschilder. De hofschilders van de Qingdynastie bekleedden niet de positie van een kunstenaar (44). Ze werden behandeld als ambachtslui, net als de sierkunstenaars dat waren. Bijgevolg werd aan hun persoon geen aandacht besteed. De klachtenbrieven die missionarissen naar Europa stuurden leren ons dat de werkomstandigheden in de paleisateliers veel te wensen overlieten en dat de kunstenaars er erg werden uitgebuit (45). Het was een uitzonderlijke gebeurtenis wanneer een hofschilder een — lage — ambtelijke rang toegewezen kreeg. Hofschilders van de Qingdynastie werden nauwelijks betaald voor hun diensten en werden in principe behandeld als leden van een lagere stand (46). Het was ook geen functie voor het leven. Sommige hofschilders bleven tot 30 jaar in dienst van de keizer, maar meestal werden zij voor een korte tijd in dienst genomen of zelfs alleen voor
ML BINNENKRANT Nr. 53 Bijlage bij M&L 10/5 sept.-okt. 1991
ygrW
M8dl2 Ninove, Orgel in de Onze-Lieve-VrouwHemelvaartkerk, klaviatuur
B.M.LACTIVITEITEN ORGELS VAN VLAANDEREN A A N DE PERS VOORGESTELD Op vrijdag 13 september 1991 werd de overdekte binnenplaats van het Markiescomplex te Brussel voor het eerst in gebruik genomen, en nog wel voor een evenement in de Monumentenzorg. Een persconferentie over Monumentenzorg is op de vooravond van de jaarlijkse Open Monumentendag niets bijzonders, maar dat er een zeer eng omlijnd onderwerp - het historisch orgel in Vlaanderen - aan bod kwam, vraagt wel enige toelichting. Het Bestuur Monumenten en Landschappen maakt er een gewoonte van om elk jaar naar aanleiding van de Open Monumentendag met een
bijzondere thema-publikatie voor de dag te komen. In 1990 was dit een rijkelijk geïllustreerde lijst der beschermde monumenten, landschappen, stads- en dorpsgezichten. Voor 1991 had Gemeenschapsminister L. Waltniel, verantwoordelijk voor de Vlaamse monumentenzorg, de suggestie gedaan om het domein der muziek af te tasten: de Open Monumentendag, die in 1991 in het teken van de muziek stond - onder meer vanwege het Mozart-bicentenarium bood een bijkomende aanleiding om het "muzikale" \u\k in de monumentenzorg eens in de kijker te stellen. Vermits Mozart zelf ook het orgel als "de Koning der Instrumenten" betitelde, was de keuze als vanzelf bepaald: het zou een boek over historische orgels in Vlaanderen worden. De beide orgeldeskundigen bij het Bestuur Monumenten en Lanschappen begonnen onmiddellijk met het selecteren van interessante items uit het onmetelijke en onschatbare gegevensbestand. Voor de diverse vakafdelingen binnen het Bestuur Monumenten en Landschappen, waaronder "Orgels", klokken en torenuurwerken", is het een gewoonte, zelfs een noodzaak, om strikt afgebakende en wetenschappelijke research te verrichten en er regelmatig over te rapporteren, bijvoorbeeld in de Inventarissen en in dit tijdschrift. Deze keer echter drong zich een totaal andere benaderingswijze op: Open Monumenten moeten voor elkeen toegankelijk zijn, dus ook het enigmatische wereldje van de orgelkunst diende nu zijn deuren open te gooien. De kern van het thans gerealiseerde boek blijft de historisch-technische beschrijving van de 36 orgels die sedert 1972 (oprichtingsdatum van het Bestuur Monumenten en Landschappen) met overheidssubsidie gerestaureerd werden. Maar opdat het boek ruimer dan een mini-inventarisje zou zijn, werd de nodige omkadering voorzien. Na het inleidend woord van de Minister vindt men twee uitvoerige inleidende teksten: een historiserend overzicht van het Vlaamse orgel en een situerende schets. Daarna volgt een technische uitleg, waarin de geïnteresseerde leek wegwijs gemaakt wordt in de werking van een orgel; hierbij aansluitend een lijstje met veel voorkomende vaktermen en
hun verklaring. Vervolgens krijgt elk van de 36 gerestaureerde orgels een vermelding, waarin historische en technische data gegeven worden, alsook een bibliografie. Tien van deze gerestaureerde orgels werden in de periode 1986-1991 op GD opgenomen: over deze orgels krijgt de lezer een uitvoeriger tekst geserveerd. Bij het hele opzet werd een vlotte toegankelijkheid van de materie nagestreefd, wat evenwel niet betekent dat er toegevingen gedaan werden op het vlak van de wetenschappelijke juistheid van de geboden informatie. Het boek is dus ook voor vakmensen een bruikbare aanwinst, omdat het een compilatie brengt van gegevens die - al waren ze ten dele reeds in disparate bronnen beschikbaar - nu in Orgels van Vlaanderen overzichtelijk geordend en gebundeld zijn. Gemeenschapsminister L.G. Waltniel, die na E. Goedleven, bestuursdirecteur van het Bestuur Monumenten en Landschappen, en R. Gallly van de platenfirma Gailly International Brussels, het woord nam, had dan ook geen moeite om de verzamelde pers te overtuigen van het nut van deze letterlijk en figuurlijk kleurrijke uitgave. De minister nam de gelegenheid te baat om enig cijfermateriaal over het orgelbeleid aan de pers mee te geven: het aantal als monument beschermde orgels werd opgesomd, alsook de indrukwekkende bedragen die door de overheid als haar aandeel (60 %) in orgelrestauratie gestoken werden. Als primeur gaf hij een opsomming van restauratiewerken aan orgels die in de nabije toekomst van start kunnen gaan.
B I N N E N K R A N T
M8cL 3 Nederzwalm, het Petrus Haelvoetorgel
De heer Gilbert Steurbaut, van het gelijknamige Sound Recording Center, was in Brussel present met een forse klankinstallatie om tussen de toespraken in, fragmenten te laten horen uit de CD die als bijlage bij Orgels van Vlaanderen meegegeven wordt. Als extraatje werd op dezelfde persvoorstelling ook nog een nieuwe CD - de 8ste reeds - met orgelmuziek op Vlaamse orgels boven de doopvont gehouden: het gaat om bespelingen door de jonge organist Luc Bastiaens op de pas gerestaureerde orgels van Pulle (1729) en van het Herentalse Gasthuis (19de eeuw). P. Roose.
I
Orgels van Vlaanderen is een uitgave van het Ministerie van Vlaamse Gemeenschap Bestuur Monumenten en Landschappen, Brussel. In samenwerking met Blonde Artprinting International (Wommelgem); september 1991. Samenstelling: A. Fauconnier P. Roose. Vormgeving: L Tack. Technische gegevens: 144 bladzijden, A4-formaat circa 65 afbeeldingen in kleur waaronder 15 full-page), 50 afbeeldingen in zwart-wit, waaronder foto's, schetsen en tekeningen, muziekvoorbeelden, archivalia etc. Bijlage: 1 Compact-Disc, 71 minuten 36 seconden Prijs: 980,-fr. Bestellingen: Bestuur Monumen ten en Landschappen Pers & Voorlichting Markiesstraat 1, 7de verdieping 1000 Brussel.
ARCHEOLOGIE EN MONUMENTENZORG Op 4 oktober jongstleden vond naar jaarlijkse gewoonte de studiedag plaats voor de medewerkers van het Bestuur Monumenten en Landschappen. De organisatie was ditmaal in handen van de Provinciale Directie Oost-Vlaanderen, die de talrijke
deelnemers onder schitterend herfstweer vergastte op een uitgebreid en gevarieerd programma. Rond het thema "Archeologie en Monumentenzorg" werd een reeks lokaties bezocht in Zuid-Oost-Vlaanderen. Eerste stop was de archeologische site van Ename-Oudenaarde, die onder deskundige leiding van archeoloog Dirk Callebaut werd bezocht. De geschiedenis van Ename begint omstreeks 974, als versterking op de Schelde opgericht door de Duitse keizer Otto II, één van de steunpunten voor de Lotharingse grensverdediging. Rond dit castrum ontwikkelt zich in de 10de-11 de eeuw een bloeiende portus, een pre-stedelijke woonkern. Toch groeit Ename, in tegenstelling tot de versterkingen Antwerpen en Valenciennes, niet uit tot stad: de Vlaamse graaf Boudewijn IV vernielt het castrum in 1033, de woonkern verdwijnt definitief rond 1050. Om de grenspost Ename te demilitariseren richt Boudewijn V er in 1063 de Sint-Salvatorsabdij op, een benidictijnenklooster dat tot het einde van de 18de zal blijven bestaan.
De site omvat de archeologische resten van het castrum, de handelsstad en de abdij. Het castrum, gelegen binnen een oude Scheldemeander en aan landzijde afgesloten door een gracht, vertoonde een imposante donjon en een residentiële zaalbouw met kapel, volgens het type van de Ottoonse versterkte palts. Centraal in de handelsstad bevond zich het stenen Sint-Salvatorkerkje, omringd door houten gebouwen, met name archeologisch zeer belangrijke want nauwkeurig te dateren hutkommen. Onderzoek naar de haven kon door grondwaterlast slechts beperkt worden doorgevoerd. Een nieuwe abdij, waarvan het grondplan voor een belangrijk gedeelte werd vrijgelegd, werd vanaf 1133 bovenop de kunstmatig verhoogde portuszone opgetrokken. Het meest interessante gegeven van Ename is vooral de unieke momentopname van een pre-stedelijke bewoning uit de vroege middeleeuwen, van groot belang voor nieuwe kennis over de structuur van een portus, de topografische ontwikkeling, de behuizing en de materiële levensomstandigheden.
A l . J . Vande Walle leidt in 1941 -1946 een eerste onderzoek van de site, hoofdzakelijk gericht op de basilicale abdijkerk. Vanaf 1982 onderneemt de Nationale Dienst voor Opgravingen een grootschalig onderzoek onder leiding van D. Callebaut, gecombineerd met een systematische prospectie van de Scheldevallei en een historisch-geografische studie van het Oudenaardse onder leiding van L. Milis en G. Berings.
Ename wordt inmiddels uitgebouwd tot een oudheidkundig openluchtmuseum of archeologisch park, enerzijds met een stevig onderbouwde pedagogische functie en anderzijds met een wetenschappelijke betekenis als proefterrein voor experimentele archeologie. Het ligt hierbij in de bedoeling de meest relevante houtconstructies van de portus - zowel behuizing als haveninrichting - herop te bouwen.
B I N N E N K R A N T
M8d Ename-Oudenaarde, '' archeologische site
De stenen abdijrestanten worden geconsolideerd, doch ook hier wordt visualisering van de opstand overwogen; het reconstrueren van de kloostertuinen en het opnieuw vrijmaken van het grachtenstelselgrachten zullen het "parkeffect" verhogen. Aansluitend werd een bezoek gebracht aan de romaanse SintLaurentiuskerk, overblijfsel van het 10de-11de-eeuwse en parochiekerk van het huidige Ename, waar restauratieplannen werden toegelicht door architect Stefaan Browaeys. Het betreft hier een bicefale kerk met driebeukig basilicaal schip, koor en tegenkoor/tribune in de toren, uit Doornikse breuksteen, sterk verwant met de Maaslandse bouwtraditie. Bij de aanstaande restauratie, die vooraf zal worden gegaan door een stabiliteits- en bouwhistorisch vooronderzoek aan de toren, zal ernaar worden gestreefd de torentribune opnieuw vrij te maken door de sloping van een XVilide-eeuws bakstenen tongewelf en het terugplaatsen van drie rondbogen op zuiltjes. Reeds enkele proefsleuven werden getrokken ter controle van de funderingen. Hieruit bleek dat het gebouw door een zaalkerk was voorafgegaan, gesticht ten tijde van Godfried van Verdun vóór 1000, maar reeds onder diens zoon Herman gesloopt en vervangen door het huidige bedehuis. De studiedag werd verdergezet met een korte rondrit door het Bos van Ename, een beschermd landschap, in het gezelschap van collega Paul Van den Bremt. In de namiddag bracht een wandeling door de beschermde en in 1988-1989 opnieuw gekasseide, Romeinse Paddestraat de deelnemers naar het Archeologisch Museum van Zuid-
Oost-Vlaanderen te Velzeke-Zottegem, waar zij werden opgewacht door hoofdconservator Mare Rogge en Peter Van Der Plaetsen. Dit museum werd in zijn huidige vorm uitgebouwd vanaf 1983, met als doel het rijke archeologische patrimonium van Zuid-Oost-Vlaanderen te conserveren, voor de wetenschap toegankelijk te maken en voor het publiek te ontsluiten. Chronologisch overspant de collectie de periode vanaf de Vroegste Steentijd tot en met de Franken. De vestigingsplaats Velzeke vormde in de Gallo-Romeinse tijd een uitgestrekte vicus die centrale functies vervulde ten opzichte van de talrijke landelijke nederzettingen in het gebied. Een eerste museumvleugel, ingehuldigd in 1986 toont in vijf modules de Prehistorische en Gallo-Romeinse verzamelingen; in een nieuwe vleugel zal vooral de Frankische periode worden ondergebracht. Het ligt in de bedoeling op de binnenkeer een Romeinse siertuin aan te leggen. Na de afwerking van het binnenmuseum staat de uitbouw van twee archeologische parken, te Velzeke en Steenbeke, op het programma, een project dat beantwoord aan de grote publieke belangstelling voor visueel kontakt met de archeologische resten "in situ", en dat chronologisch aansluit bij het archeologisch park van het vroeg-middeleeuwse Ename. De site Velzeke/Paddestraat wordt gekenmerkt door goed bewaarde sporen van een vroeg-Romeins legerkamp, het op één na enig gekende, tevens oudste van Vlaanderen. Met het wegenknooppunt waarlangs het kamp werd opgericht speelde de site een eersterangsrol inzake de pacificatie en organisatie van Gallia Belgica. Even uitzonderlijk was de pre-stedelijke agglomeratie die erbij aansloot en tot circa 270
bewoond bleef, en het centrum was op administratief, economisch en politiek vlak voor geheel Romeins Zuid-Oost-Vlaanderen. Bovendien werd in deze zone een begraafplaats uit de vroege Ijzertijd gelokaliseerd. De site Steenbeke omvat de archeologische resten van een uitgestrekt Romeins villadomein, met een imposant hoofdgebouw en verschillende nutsgebouwen. De grootte van de hoofdwoning en de rijkdom van de opgegraven bouwresten - fresco's en marmeren wandbekleding bewijzen dat het gaat om één van de voornaamste villa's van Romeins België. De B.M.L.-Studiedag 1991 werd in een gemoedelijk sfeer vervolgd met een bezoek aan de hengstenstoeterij Van Melckebeke te GrotenbergeZottegem. Een rondleiding in Brouwerij Grombé te Zottegem, een ambachtelijk bedrijf dat opklimt tot het begin van de 19de eeuw, brouwers van o.m. het "Oud Zottegems", vormde de geestrijke afsluiting. Een woord van dank geldt de organisatoren collega's Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt en Geert Van der Linden. J. Braeken
B I N N E N K R A N T
5
LITERATUUR KLEINE L A N D S C H A P S ELEMENTEN I N L I M B U R G Het Provinciebestuur van Limburg organiseert dit jaar een grote sensibilisatiecampagne rond kleine landschapselementen. Dit zijn punt- of lijnvormige elementen zoals hagen, houtwallen, bomenrijen, beken, poelen... die het landschap vorm geven.
Musées Chanoine Puissant, Mons. Papier peint, 1813 Paysage de montagne de la série „Grande Helvétie", Rixheim (Aisace) Cat. P 36, p. 44
Meestal zijn KLE ontstaan omdat ze een welbepaalde functie hadden (een poel, een holle weg), soms als nevenprodukt van het landgebruik (een talud, een wegberm), soms op spontane wijze (een bron, een doline). Hun aanwezigheid maakt in menig opzicht de rijkdom van het landschap uit. Ze bepalen in grote mate het uitzicht van het landschap (open of gesloten landschap). Natuurwetenschappelijk brengen ze variatie in een streek (geologische ontsluitingen, infrastructuur voor het voorkomen van wilde planten en dieren). Sommige getuigen van traditionele vormen van landontginning (houtwallen) of historische gebruiken (een alleenstaande boom). Dikwijls zijn ze streekgebonden en bepalen mede de eigenheid van een bepaalde regio. Nu de kwaliteit van ons landschap hoe langer hoe meer moet inboeten door grootschaligheid, worden vele KLE verwaarloosd.
De sensibilisatiecampagne die het Provinciebestuur momenteel voert past in dit kader. Met de hulp van natuurverenigingen en gemeentebesturen worden er in de eerstvolgende maanden op meer dan 3000 plaatsen in de provincie affiches aangebracht die duidelijk de boodschap van de campagne weergeven. Door de KLE te plaatsen tegenover grote, bekende landschappen (holle weg - Grand Canyon), wordt de aandacht getrokken op de KLE die een vergelijkbare rol spelen op Limburgse schaal. De affiches werden op een zeer opvallende en tevens aantrekkelijke manier uitgevoerd. Ongetwijfeld zullen ze (na de campagne) menig bureel, huiskamer of schoolgebouw sieren. De reeks van zes affiches geeft een idee van de variatie aan KLE in de provincie. Op de affiches wordt ook melding gemaakt van de brochure KLE in Limburg. Deze geeft een meer gedetailleerd overzicht van alle KLE in de provincie. Ze werd gerealiseerd door het Provinciaal Natuurcentrum in samenwerking met een aantal specialisten. De aantrekkelijke vormgeving werd uitgevoerd door de grafische studio van het Provinciebestuur. Ook zal tijdens de maanden dat de affichecampagne loopt, het wel en wee van enkele KLE in Limburg worden toegelicht in de pers. Elk thema wordt aangebracht door een 'bekende Limburger', die een zeer persoonlijke visie op het landschapselement zal geven.
Het 100 biadzijden feilende boekje met een 50-tai fraaie kieurenfoto's is gratis te verkrijgen op het Provinciaal Natuurcentrum, Populierenlaan 30, 3620Rekem, ® 011/71.44.44.
SCHWEIZER L A N D S C H A F T S TAPETEN DES F R U H E N 19. JAHRHUNDERTS. V E R E N A BAUMER-MULLER Panoramabehangels met Zwitserse landschappen uit de vroege 19de eeuw. In december 1990 werd in Parijs een tweedaags colloquium georganiseerd omtrent panoramabehangsels (zie M&L-binnenkrant 10/1,1991). Eén van de sprekers was Verena Baumer-Muller, de auteur van dit kleine, aantrekkelijk en rijk geïllustreerde boekje. Tijdens haar betoog toonde zij al een voorproefje. Al een geruime tijd doorkruist ze Zwitserland, bezoekt kastelen, raadhuizen, chalets en dergelijke op zoek naar deze geliefde vorm van wanddecoratie. Voorts publiceerde zij verschillende artikels over dit onderwerp. Inmiddels zijn er in Zwitserland meer dan 44 panoramabehangels geïnventariseerd met de meest uiteenlopende voorstellingen.
De aandacht en zorg voor de KLE is niet een zaak van één beperkte groep mensen. Verschillende bevolkingsgroepen zijn er bij betrokken. Privé-eigenaars van hagen, poelen, houtkanten, enzovoort moeten instaan voor onderhoud. Gemeentebesturen en andere openbare diensten hebben de taak ook KLE te beheren en te onderhouden: wegbermen, holle wegen, spoorwegbermen, beekoevers, grotten. Ook de gewone wandelaar of fietser heeft zijn verantwoordelijkheid. Al was het maar wat respect op te brengen voor deze dingen en bijvoorbeeld geen afval te laten rondslingeren in wegbermen of de begroeiing niet te beschadigen.
B i N N E N K R A N T
M8cL Twaalf hadden hetzelfde onderwerp namelijk Zwitserse berglandschappen, die gestoffeerd zijn met feestende lieden, pastorale tafereeltjes en dieren. De inhoud van het 90 bladzijden tellende boekje kan men opsplitsen in twee delen. In een eerste deel gaat de auteur dieper in op de belangstelling die men had voor Zwitserland; in een tweede deel worden verschillende panoramabehangsels uitvoerig besproken. Een hulp hierbij is dat achteraan drie uitvouwbare voorstellingen in kleur zijn opgenomen. Al vanaf het midden van de 18de eeuw oefende Zwitserland een grote aantrekkingskracht uit op schrijvers, natuurwetenschappers en reizigers. Een belangrijk drijfveer was de geestdrift die men had voor het onbedorven herdersleven in het heroïsche berglandschap. Hiervan getuigen een groot aantal geschreven bronnen die in het boekje geciteerd worden. Tegenover dit ideaal stond de harde werkelijkheid: in 1798 werd het grotendeels door de Fransen bezet en verkeerde een groot deel van de bevolking in diepe ellende. Vijf jaar later was het grootste deel van Zwitserland weer onafhankelijk. Deze nationale wedergeboorte gaf aanleiding tot opgewekte volksfeesten en -spelen. Dergelijke tafereeltjes
Musées Chanoine Puissant, Mons. Papier peint, 1813 Paysage de montagne de la série „Grande Helvétie", Rixheim (Alsace) Cat. P 37, p. 44
zullen we dan ook later aantreffen op de panorama's. Uiteraard zag de toeschouwer van het behang niets van de armoede en sociale wantoestanden. Dat - op uitzondering van één - al deze Zwitserse panorama's in Rixheem (bij Mulhouse) gefrabiceerd werden wekt weinig verwondering. Deze stad was, vóór de inname van de Fransen in 1798 Mulhausen geheten, verbroederd met verschillende plaatsen in Zwitserland. Bovendien zou in Rixheim de manufactuur van Jean Zuber uitgroeien tot één der belangrijkste centra van de produktie van behangpapieren. Zuber deed een beroep op zeer bekwame artiesten. 'les Vues de Su/sse"(1804) werd door P.A. Mongin getekend. Het telde 16 banen en 95 kleuren. Twee jaar later werd het bekroond met een zilveren medaille op het Parijs Salon. De auteur gaat uitvoerig in op de iconografische voorstelling en illustreert de inspiratiebronnen van de ontwerper (onder andere litho's). Dit panorama werd een groot succes: tussen 1804 en 1823 werden 1280 exemplaren verkocht. Van het panoramabehang "L'Helvétie" zijn er twee verschillende varianten bekend. In 1815 kwam "La grande Helvétie" op de markt. Op 20 banen, die zich gemakkelijk laten onderver-
delen in 4 "tableau", kreeg de toeschouwer werkelijk een ideaal landschap voorgeschoteld. Een interessant detail is dat ook de schilder (en ontwerper), P.A. Mongin op baan 1 wordt afgebeeld. Hij wordt vergezeld door een gids en een naturalist. In 1848 zou men de achtergrond van dit panoramabehang opnieuw gebruiken voor "Guillaume Teil". De gedrukte personages worden vervangen door met de hand geschilderde. "La petite Helvétie" (u\\ 1818) bezit vrijwel dezelfde voorstelling, doch zij is minder rijk aan details. Ze is vooral interessant omwille van haar uitvoering. In tegenstelling tot alle andere panoramabehangsels is zij gedrukt op 4 horizontale (in plaats van vertikale) banen. Door haar geringere hoogte leende zij zich beter voor lagere ruimten. Het laatste Zwitserse panorame "Helvétie in Grisaille" (Paysages Suisses) dateert van omstreeks 1825-1830. Het telt maar liefst 30 banen. Tot op heden is de manufacture van dit fraaie produkt onbekend. Achteraan treft men een uitvoerige lijst aan met de vindplaatsen van deze behangsels die in Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, Zweden en Nederland bewaard worden. Ook bij ons was het panoramabehang bijzonder populair. Volgens de archieven van Zuber werden er tientallen "Les vues de Suisse" naar onze gewesten geëxporteerd. Géén enkel exemplaar is tot nu toe bekend! De enige bekende bewaarplaats van twee panelen met "La grande Helvétie" werd niet opgenomen, omdat de auteur hiervan te laat op de hoogte werd gesteld. In de Musées Chanoine E. Puissant te Mons hangen 2 kaders met elk 3 ingekorte banen. Zij werden afgenomen (!) tijdens de afbraak van het Houssiere-hospitaal in 1866. Dit boekje is één van de weinige voorbeelden van een diepere studie over panoramabehangsels. De auteur dankt dan ook hartelijk dr. Ernst Wolfgang Mick, voormalig directeur van het Deutsches Tapetenmuseum te Kassei en Bernard Jacqué, conservator van het Musée du Papier Peint \e Rixheim. G. Wisse
B I N N E N K R A N T
M8cL Geert Wisse, wetenschappelijk medewerker Ceshib, Centrum voor de Studie van het Historisch Interieur in België, p/a Seminarie voor Bouwkunst R.U.G., SintHubertusstraat 2, 9000 Gent. (Alle informatie omtrent historisch behangpapier is welkom!). Schweizer Landchaftstapeten des frühen 19. Jahrhunderts, Baumer-Muller, Verena. Bern, SI II, Stuttgart: Haupt, 1991. ISBN 3-258-04376-0. 90 bladzijden, illustraties.
DE V R O E G - M I D D E L E E U W S E SINT-LAMBERTUSKERK EN HET V A N D I N T E R O R G E L V A N O V E R L A A R (TIENEN) De bespreking van collega A. Fauconnier in M i 10/1 (Binnenkrant, p. 9-11), handelde enkel over het orgelgedeelte, geschreven door Wilfried Praet (p. 40-73). Het past evenwel om ook de originele monografie van Frans Doperé te belichten over de vroeg-middeleeuwse SintLambertuskerk van Overlaar (p. 7-39). De vroegere publikaties, die aan dit gebouw aandacht besteed hebben, beperkten zich tot deelstudies, tot een bondige beschrijving van het monument, of tot een situering in de geschiedenis van de romaanse bouwkunst. Voor het eerste heeft F. Doperé de archieven van de kerk onderzocht en deze met het gebouw zelf geconfronteerd. De Sint-Lambertuskerk van Overlaar stond reeds lang bekend om haar hoge ouderdom. Tot nog toe werd dit enkel afgeleid uit de constructie, met name uit het zeer ruwe parementwerk van de pre-romaanse beuk. Via de historische bronnen kon de auteur de Karolingische oorsprong (9de of 10de eeuw) van de kerk thans bevestigen: zij was immers een moederkerk met een eigen tiendgebied. Na de pre-romaanse beuk volgt chronologisch het halfrond afgesloten romaanse koor, dat in de 12de eeuw het oudere koor verving en aan de buitenzijde versierd is met boogfriezen en lisenen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan het plotse verschijnen van een 13de-eeuwse westtoren aan deze kleine parochiekerk. Dit was immers een kostelijke onderneming die niet als vanzelfsprekend mag beschouwd
worden. F. Doperé brengt dit hypothetische in verband met de overdracht van de tienden, van de plaatselijke heren naar het Luikse Sint-Martinuskapittel. Daarna komen de verbouwingen in de 16de, 17de en 18de eeuw aan bod. Onder meer door nauwkeurige opmetingen en door de studie van de bekapping der natuursteen, kwamen heel wat nieuwe bouwhistorische gegevens aan het licht. De restauraties in de 19de en 20ste eeuw ronden de bouwgeschiedenis af. Hierna worden nog enkele bladzijden gewijd aan het meubilair, de liturgische voorwerpen en de klokken. Samengevat belicht de studie van F. Doperé de oorsprong, de betekenis en de bouwgeschiedenis van de kerk en haar inboedel. In een voortdurende wisselwerking put hij hiervoor gegevens uit archivalische en monumentale bronnen. De geschiedenis van het gebouw die voorbeeldig is doorgetrokken tot op de dag van vandaag - wordt systematisch en helder uiteengezet. Een nauwkeurige beschrijving van architecturale details, van materialen en techieken, alsook de toevoeging van opmetingstekeningen in het illustratiemateriaal, maken van dit werk een boeiende monografie. A. Bergmans
Frans Doperé en Wilfried Praet, De vroeg-middeleeuwse Sint Lambertuskerk en het Van Dinterorgel van Overlaar (Tienen), CEOS vzw, Zwijndrecht, 1990. Verkrijgbaar door overschrijving van 250,-fr. (+ 50,-fr. verzendingskosten) op rekeningnummer 000-1525216-85 van CEOS vzw, Suikerdijstraat 40, 2730 Zwijndrecht.
Landschapswandeling Nageven. Eerder kon reeds kennis gemaakt worden met de landschapswandelingen Alden Biesen, Nieuwenhoven en Ruilingen. Landschapswandeling Nageven is een wandelgids. Ze wil een hulpmiddel zijn om het gebied ten volle naar waarde te schatten. Het Hageven is een natuurreservaat gesitueerd in een typisch Noord-Limburgs Landschap. Het strekt zich uit langsheen de Belgisch-Nederlandse grens en bevat een opvallende landschappelijke verscheidenheid: vochtige biotopen in de Dommelvallei en uitgestrekte droge zandgronden met heide en duinen. Dankzij de samenwerking tussen de provincie Limburg, de gemeente Neerpelt en de vzw Natuurreservaten ontstond een natuurreservaat van 182 hectare. Samen met het Nederlandse reservaat De Plateau vormt het een grensoverschrijdend natuurgebied van meer dan 440 hectare. De brochure kwam tot stand onder redactie van Dr. J. Stevens, bioloog verbonden aan het Provinciaal Natuurcentrum te Rekem. De Grafische Studio van de Directie Cultuur & Recreatie van de Provincie Limburg verzorgde de vormgeving. Aan de hand van teksten, tekeningen en foto's geeft de publikatie de bezoekers achtergrondinformatie over het Hageven. Aspecten als het fysisch milieu, de historiek van het landschap, het biologisch milieu en natuurbeheer komen uitgebreid aan bod. Heel wat informatie wordt verduidelijkt aan de hand van concrete waarnemingen op terrein. Hiervoor is achteraan een wandelkaart toegevoegd met de aanduiding van punten die in de tekst worden besproken. Deze brochure wil vooral een handleiding zijn bij - en een uitnodiging tot - een bezoek aan dit unieke Limburgse landschap.
LANDSCHAPSWANDELING NAGEVEN Het Provinciaal Natuurcentrum te Rekem realiseerde een vierde uitgave in de reeks beschrijvingen van natuurgebieden in Limburg, de
B I N N E N K R A N T
De Landschapswandeling Hageven kost 100,-fr. (120,-fr. bij verzending) en kan telefonisch of schriftelijk aangevraagd worden bij het Provinciaal Natuurcentrum, Populierenlaan fopuiieremaan 30 te 3621 Rekem. em. S (011)71 44 44. 44. telefax (011) 7189 12.
M&L
8
BUITENKRANT PROVINCIAAL NATUURCENTRUM STELT BOSPROJECT VOOR IN NIEUWENHOVEN
Lanaken, Stedelijk Domein KiewitXe Hasselt, Natuurhistorisch Centrum de Swaen te 's-Gravenvoeren, Werkgroep /s/s te Peer en het Heemparkte Genk. Elke uitleendepot kan, indien gewenst, begeleiders voorzien. Ook kunnen er na afspraak lokalen ter beschikking gesteld worden. De bostassen zijn uitleenbaar per 2 dagen, het lespakket per week. Telkens dient men daartoe 1000,-fr. waarborg en 200,-fr. huurgeld te betalen.
Het Provinciaal Natuurcentrum te Rekem werkte een bosproject uit dat de mogelijkheid biedt om zowel bostassen met veldstudiemateriaal als een volledig uitgewerkt lespakket te ontlenen. Op woensdag 5 juni stelde het Natuurcentrum het bosproject voor aan Limburgse leerkrachten biologie. Een lovenswaardig initiatief gezien het leerplan biologie van de 1ste graad van het secundair onderwijs een biotoopstudie voorschrijft waarin zowel biotische als abiotische factoren onderzocht worden. Het bosproject komt hier uitstekend aan tegemoet. Vanaf 1 september 1991 zullen in Limburg vijf uitleendepots functioneren van waaruit leerkachten zelf, of onder begeleiding, aan de hand van dit project een biotoopstudie rond het bos kunnen doen. Het biedt de mogelijkheid een vergelijking te maken tusen een open terrein en een bos en/of twee meer bostypes met elkaar te vergelijken. In ieder biotoop kan men daartoe vier opdrachten uitvoeren: beheer, planten, bodem en bodemdieren. Bovendien kan men het microklimaat bestuderen door lichtsterkte, temperatuur, luchtvochtigheid en windsnelheid te meten. Al het nodige materiaal bevindt zich in de bostassen. Het lespakket daarentegen bevat een gedetailleerde lesbrief met beschrijving van inleiding, probleemstelling, wandeling, terreinwerk en naverwerking. Naast een heleboel praktische tips zijn ook de nodige werkbladen en een syntheseblad voorzien; op dit laatste kunnen resultaten en besluiten ingevuld worden. Verder bevat het "bospakket" heelwat didactisch materiaal zoals dia's, transparanten, terreinillustraties, zoekkaarten, informatiebladen en topografische kaarten. Op volgende vijf plaatsen in Limburg zullen er telkens twee bospakketten beschikbaar zijn: Kinderboerderij Pietersheim te
Voor meer inlichtingen omtrent dit initiatief kan men tijdens de kantooruren terecht bij: Provinciaal Natuurcentrum Populierenlaan 30 3621 Rekem ® (011) 71 44 44 Fax:(011)718912.
REGIONAAL LANDSCHAP HOGE KEMPEN Een Regionaal Landschap kan worden omschreven als een streek met een oppervlakte van minstens 1000 hectare, met een opvallende en uitzonderlijke schoonheid van natuur en landschap. De waarde van dat samenhangend geheel overschrijdt het lokale belang. Het begrip "Regionaal Landschap" óuM voor het eerst officieel op in het "Natuurontwikkelingsplan voor Vlaanderen" en kende in Vlaanderen in het verleden (theoretische) voorlopers onder de noemers "natuurparken" en "landschapsparken". In onze buurlanden zijn vergelijkbare concepten gerealiseerd zoals "Natuurparke" (Duitsland), "Pares Naturels Régionaux" (Frankrijk), "Nationale Landschappen" (Hederland) of de "Pares Naturels" in Wallonië. Op dit ogenblik is het concept Regionaallandschap'm Vlaanderen in een stroomversnelling geraakt: er lopen (nieuwe) projecten rond de Hoge Kempen, de Vlaamse Ardennen en het Hageland, terwijl het Landschapspark Herk en Mombeek'm feite identiek dezelfde doelstellingen als een regionaal landschap nastreeft. In het dichtbevolkte, geïndustrialiseerde en verstedelijkte Vlaanderen
zijn de Hoge Kempen een unieke streek door de hoge concentratie van bossen en natuurterreinen, zowel op de droge plateaus als in de waterrijke beekvalleien. De begrenzing van het Regionaal Landschap Hoge Kempen is nog niet definitief en kan nog worden verfijnd. Nu worden (voorlopig) enkele opvallende lijnen in het landschap als grenzen gehanteerd, omdat die bekend en duidelijk zichtbaar zijn: bijvoorbeeld het Albertkanaal, de Zuid-Willemsvaart en de gewestweg van Peer naar Bree. De v.z.w. Regionaal Landschap Hoge Kempen werd in juni 1990 opgericht en heeft tot doel, volgens artikel 3 van haar statuten (B.S., 18.10.1990): "het natuurlijk patrimonium te beschermen, te beheren en te ontwikkelen en te bevorderen dat er een doeltreffend ruimtelijk, natuur- en milieubeleid wordt ontwikkeld. De vereniging heeft eveneens tot doel het cultureel patrimonium doeltreffend te beschermen, te beheren en te ontwikkelen. De vereniging wil de toegankelijkheid van het natuurlijk en cultureel patrimonium op passende wijze stimuleren via toeristische, recreatieve en educatieve maatregelen om de socio-economische belangen van de streek te behouden en te versterken. Ze kan haar medewerking verlenen aan alle overheden, groeperingen en instellingen die een gelijkaardig of complementair doel nastreven. Als werkend lid tot de v.z.w. kunnen, volgens artikel 6, alle gemeenten, binnen de geografische omschrijving van het Regionaal Landschap Hoge Kempen, toetreden. Dat geldt ook voor de openbare besturen en openbare diensten en privaatrechtelijke rechtspersonen die de doelstelling van de vereniging onderschrijven en die bovendien verdiensten inzake het behoud, de bescherming, of het herstel van natuur en leefmilieu hebben. Op die manier wil een Regionaal Landschap ook een forum zijn waar openbare besturen, diensten en verenigingen elkaar kunnen ontmoeten en samen kunnen werken aan de ontwikkeling van de streek. Een Regionaal Landschap betekent ook een groep deskundigen die beschikbaar zijn voor permanente vorming, voorlichting en educatie en die onder andere ter beschikking kunnen staan van de gemeentebesturen.
B I N N E N K R A N T
M8cL 9 Het is de bedoeling onder de vlag Regionaal Landschap een regionaal beleid te stimuleren dat in deze streek effectief de doelstellingen natuurontwikkeling en natuurgerichte openluchtrecreatie realiseert, door alle betrokkenen bij elkaar te brengen en te adviseren en om projectvoorstellen te formuleren, te begeleiden en in praktijk te brengen. Een Regionaal Landschap moet ook een kwaliteitsmerk zijn, dat borg staat voor een nauwkeurig beleid en zorgvuldig beheer van open ruimte, milieu, natuur en landschap. Veel aandacht is nodig voor de ontwikkeling van natuurgerichte openluchtrecreatie. Natuur- en bosgebieden lokken vele recreanten. Een ongecontroleerde en ongebreidelde ontwikkeling van de openluchtrecreatie schaadt bossen en natuurterreinen. De voorstelling van deze regio als een geheel onder de noemer Regionaal Landschap, met zorgvuldig uitgedokterde opvangmogelijkheden voor recreanten (wandel- en ruiterpaden, fietsroutes, bezoekerscentra, informatieborden,...) en met een gestroomlijnde uniforme informatievoorziening (kaarten, folders, brochures,...) is van groot belang om conflicten tussen natuurbehoud en recreatie te vermijden of op te lossen. Via de ontwikkeling van natuurvriendelijke vormen van openluchtrecreatie kan men aan deze streek een positieve economische impuls geven. De ervaringen in het Nederlandse Nationaal Landschap Veluwe tonen overtuigend aan dat een zorgvuldig beheer van het natuurkapitaal ook economisch rendeert. De samenwerking en steun van ambtenaren en politieke functionarissen op lokaal, provinciaal en Vlaams niveau zijn nodig om onder de noemer Regionaal Landschap Hoge Kempen een reeks mens- en milieuvriendelijke projecten op te starten. Als voorlichtingsmateriaal over het Regionaal Landschap Hoge Kempen zijn voorhanden: een folder, een videofilm en een tekstbundel met (projectvoorstellen.
Alle inlichtingen bij: Regionaal Landschap Hoge Kempen Grote Baan 27 3530 Houthalen & (011) 51 61 45 Fax. (011) 51 61 49.
LELIM V.Z.W. - LEEFMILIEU IN LIMBURG Door de provincie Limburg, in samenwerking met de gemeenten Bilzen en Ham, werd op 31 mei 1990 de v.z.w. Lelim opgericht (Belgisch Staatsblad nr. 15166 van 27 september 1990). Lelim v.z.w. is een professionele instelling die over eigen geschoold personeel en personeel in opleiding beschikt. Dit personeel staat volledig ter beschikking van de aangesloten leden om kleine landschapselementen (KLE's) te herstellen en/of te onderhouden. Hoofddoel is het achterstallig en periodiek onderhoud van geïnventariseerde kleine landschapselementen in de grote geografische gebieden van onze provincie, meer bepaald
dan in de aangesloten gemeenten van Haspengouw, Voerstreek, Kempen en Maasland. Tijdens deze werkzaamheden wordt een praktische opleiding gegeven aan "mllieuarbelders" om dit periodieke onderhoud van de KLE's ook in de toekomst te kunnen verzekeren. In de nog bestaande open ruimten wil men kleine biotopen beschermen, onderhouden of creëeren. Bescherming van kleine biotopen en KLE's omwille van hun landschappelijk karakter of de aanwezigheid van bedreigde of beschermde dieren, planten, schimmels of korstmossen heeft maar zin als er verbindingen met andere, gelijkaardige biotopen bestaan. In de aangesloten gemeenten zal dus aan deze punt- en lijnvormige elementen in het landschap veel aandacht besteed worden. Sensibilisatie van de bevolking is eveneens absoluut noodzakelijk voor het welslagen van elk KLE-programma; daarom wordt zeer nauw samengewerkt met het PNC (Provinciaal Natuurcentrum) om opvoedingsen sensibilisatieprogramma's uit te werken, in het bijzonder naar de landbouworganisaties en het onderwijs toe. Het natuurbeschermings- en behoudsbeleid in de Limburgse provincie is in de loop van de jaren geëvolueerd tot een gesystematiseerd en planmatig beleid. De idealistische inzet van zovele vrijwilligers, waardoor jarenlang het belang en behoud en beheer onderstreept werd, heeft de provinciale en gemeentelijke overheden geïnspireerd om het beheer van de open ruimte professioneel aan te pakken. In een eerste fase wil Lelim zich vooral toespitsen op de opleiding tot onderhoud van de KLE's die, vooral de laatste jaren, in onze provincie erg verwaarloosd werden of zelfs grotendeels verdwenen zijn na de herverdeling van de landbouwgronden. Voor deze opleiding werd beroep gedaan op de ervaring van de LIM cv (Limburgse Intercommunale voor Milieubeheer). Dit studie-, planningsen uitvoeringsbureau heeft samen met de Lelim een opleidingsprogramma voor de milieuarbeider uitgewerkt dat drie aspecten omvat:
- theoretisch inzicht bijbrengen in het werk waarvoor ze opgeleid worden;
B I N N E N K R A N T
M8cL 10 worden van Lelim. Er werd gestart met drie leden: de provincie. Bilzen en Ham. Nu zijn er reeds 34 gemeenten aangesloten. De aansluiting is volledig kosteloos. Voor het uitvoeren van werken wordt een minimale bijdrage gevraagd van 100,-fr. per uur en per arbeider. Wel wordt er beroep gedaan op de gemeenten om hun zwaar materieel (verhakselaar, bulldozer, hoogtewerker) te gebruiken bij het uitvoeren van de werken. Voor de werking werd de provincie in drie regio's ingedeeld: noord, midden en zuid, met als centrale plaatsen Peer, Diepenbeek en Borgloon. In elke regio werken 7 milieuarbeiders onder de leiding van een instructeurbegeleider. Het geheel wordt gecoördineerd door medewerkers van de LIM.
-
praktische en theoretische opleiding in het gebruik van het juiste materieel, vooral met het oog op veiligheid en onderhoud; - praktisch uitvoeren van veldwerk.
Per week worden er gemiddeld een halve dag aan de theorie en vier dagen en half aan de praktijk besteed. Gezien Lelim geen studiebureel is moet er voor het studiewerk en inventarisaties beroep gedaan worden op andere diensten, in het bijzonder het LISEC v.z.w. (Limburgs studiecentrum voor Ecologie en Bosbouw), gevestigd te Bokrijk, Genk; het PNC (Provinciaal Natuurcentrum) gevestigd te Rekem en de LIM cv (Limburgse Intercommunale voor Milieubeheer) gevestigd te Diepenbeek. Deze centra hebben voldoende ervaring in terreinstudies, uitgevoerd in opdracht van gemeenten, provincie, landmaatschappij of privé organisaties.
Gezien Lelim een opleidingsprogramma voorziet voor milieuarbeiders gerecruteerd uit de reconversieregio, wordt beroep gedaan op de SIM (Sociale Investeringsmaatschappij), het ESF (Europees Sociaal Fonds) en de provincie. Er is ook een beperkte eigen inbreng van 100,-fr. per uur en per arbeider. Met deze minimale vergoeding is er geen concurrentie-gevaar met de gemeentelijke groendiensten. De kleine landschapselementen die Limburg nog rijk is dragen in belangrijke mate bij tot de rijke variatie aan landschappen en ecotopen. Deze punt- en lijnvormige elementen vormen in het landschap.
Verbindingen tussen verschillende natuurgebieden die als eilandjes in het Limburgse landschap voorkomen. Limburg beseft ten volle dat deze KLE waardevol zijn voor het toerisme, de iandbouw en voor het natuurbehoud in het algemeen. Dank zij de zeer geslaagde sensibilisatiecampagne over de KLE, gerealiseerd door het PNC, is er een duidelijk, positieve respons van de gemeenten en vooral van de bevolking. De verschillende gemeentelijke subsidiëringsreglementen moeten er voor zorgen dat werken voor het leefmilieu, op lange termijn, een rendabele investering wordt.
LIMBURGSE KOEPEL VOOR NATUURSTUDIE OPGERICHT (LIKONA) Naar analogie met het Natuurhistorisch Genootschap in Nederlands Limburg werd in Belgisch Limburg een provinciale koepel voor natuurstudie opgericht. Bedoeling is de werkgroepen die zich toeleggen op de studie van de natuur in Limburg samen te brengen, te coördineren en hun werking te optimaliseren. In Limburg zijn talrijke mensen actief bezig met de studie van flora, fauna en geologie en met het verzamelen en doorspelen van gegevens naar hun vereniging. Deze inzet is meestal
Bedoeling is dat alle Limburgse gemeenten, evenals de grote natuurverenigingen zoals NAL (Natuuractie Limburg), BNVR (Belgische natuuren vogelreservaten). Stichting Limburgs Landschap, Wielewaal Limburg, NBS (Nationale Boomgaardenstichting) en andere lid zouden
B I N N E N K R A N T
M8d
ii vrijwillig en steunt op enthousiasme, liefde voor de natuur èn deskundigheid. De meeste van deze inventariseerders zijn georganiseerd in werkgroepen: de vogelwerkgroep, plantenwerkgroep, en vleermuizen-, ongewervelden-, amfibieënwerkgroep Op hun beurt zijn deze groepen een afdeling van een regionaal of nationaal gestructureerde vereniging (Natuurreservaten, Wielewaal, Instituut voor de floristiek,...). De gegevens die door deze mensen geleverd worden, zijn van cruciaal belang. Samengebracht en verwerkt geven ze ons een actueel beeld van de toestand van flora, fauna en natuur in het algemeen. Op basis hiervan kan een beschermingsbeleid worden gevoerd, kunnen gebieden beheerd, kan de bevolking gesensibiliseerd en kan actie worden ondernomen. Een goede kennis van de natuur, op basis van onderzoek is ongetwijfeld het fundament van de natuurbescherming. Ondanks de inzet en de goede wil van velen, is er nog verbetering mogelijk: de werkgroepen werken dikwijls los van elkaar, zijn niet van eikaars plannen op de hoogte; sommige werkgroepen zijn echt onderbemand, andere soms stilgevallen; heel wat belangrijke organismen ontsnappen aan de aandacht; er is het probleem van jarenlang opgebouwde terreinervaring die aan jongeren zou moeten doorgegeven worden, het probleem van het verwerken en ter beschikking stellen van gegevens, de problemen om interessante gegevens zo te publiceren dat ze de nodige uitstraling krijgen enz.... Om één en ander te bespreken en in goede banen te leiden wordt een overkoepelend overleg tussen de werkgroepen georganiseerd. Dit overleg wordt zo gestructureerd dat er in Limburg een georganiseerd geheel van werkgroepen en medewerkers groeit. De nieuwe koepel zal alle werkgroepen bundelen die flora, fauna of geologie in Limburg bestuderen. Werkgroepen die rond biotopen (bijvoorbeeld beken, hoogstamboomgaarden) of milieu (milieuverenigingen) werken vallen buiten dit kader. Op dit ogenblik maken volgende werkgroepen reeds deel uit van de koepel: planten (contactpersoon: R. Berten), vogels (J. Gabriels), amfibieën (J. Stevens), ongewervelden (L. Crêvecoeur), vleermuizen (J. Dahlen), onderaardse kalksteengroeven (P. Olefs), vissen (A. De Vocht), geologie (L. Allemeersch).
Ook de Jeugdbond voor natuurstudie (E. Schotsmans) is bij de werking betrokken. De uiteindelijke bedoeling is de werkgroepen optimaal te laten functioneren, hiaten op te vullen en het onderzoek naar flora, fauna en geologie in Limburg te stimuleren. Uiteraard behoudt iedere groep haar eigen identiteit en eigen kanalen naar nationale verenigingen. Coördinatie en ondersteuning gebeurt door het Provinciaal Natuurcentrum te Rekem. De doelstellingen van de LIKONA zijn de volgende: 1. Coördinatie van de werkgroepen; 2. Gegevens over flora, fauna en geologie verzamelen, verwerken en ter beschikking stellen; 3. Publikatie-mogelijkheden scheppen voor inventariseerders: onder andere een jaarboek en atlassen; 4. Algemene vorming van de leden; aantrekken-opleiden van jongeren; 5. Het beschermen van soorten ondersteunen (onder andere via de ondersteuningsovereenkomsten van het Provinciebestuur); 6. Grensoverschrijdende samenwerking met het Natuurhistorisch Genootschap (Nederlands Limburg). Op 18 januari 1992 zal in het Limburgs Universitair centrum te Diepenbeek een provinciale contactdag voor inventariseerders gehouden worden.
Voor informatie: Provinciaal Natuurcentrum Populierenlaan 30 3621 Rekem ® (011)71 44 44. fax. (011)7189 12.
BEROEPSVERENIGING V O O R RESTAURATEURS V A N KUNSTVOORWERPEN De tijd dat restaurateurs restauraties signeerden, zoals - het zij hem vergeven - Jan van Scorel deed, toen hij de Domtoren op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck schilderde, is definitief voorbij. Sinds 1964 is er het charter van Venetië, dat het deontologisch kader
vormt voor de restauratie van onroerend kunstbezit en sinds 1985 het charter van Kopenhagen voor het roerend kunstbezit. Hoe het hoort is bekend en keurig op schrift gesteld. Hoe het er in werkelijkheid aan toe gaat zouden wij dikwijls beter verzwijgen, ware het niet dat precies deze discrepantie tussen theorie en praktijk aanleiding was voor het oprichten van de Beroepsvereniging voor Restaurateurs van Kunstvoorwerpen (B.R.K.). Artsen, advokaten, architecten... hebben reeds lang beroepsverenigingen opgericht. Om in de wereld van de restauratie van kunstwerken niet tot een versnippering van krachten te komen, en met Europa '92 voor de deur, werd met collega's uit Engeland, Duitsland, Italië, Denemarken, Frankrijk en Zwitserland de European Confederation of Conservator-restorer's Organisation (E.C.C.O.) opgericht. Als er iets aan ons kostbaarste bezit, onze gezondheid, mankeert, laten wij ons niet door de "eerste de beste" helpen. Bijna even eensgezind als over de menselijke gezondheid is men het in het algemeen over de waarde van kunstwerken: unieke dragers van de meest intense en zuivere sporen van menselijk leven. Zouden die onvervangbare originelen, die broze, in zich gesloten gehelen, dan niet best ook geconserveerd en gerestaureerd worden door de best mogelijk gekwalificeerde mensen? Dit bereiken is het overkoepelende doel van B.R.K. (en E.C.C.O. in Europees verband). Artikel 2 van de statuten luidt dan ook: "de vereniging heeft tot doel de professionele belangen van de leden te beschermen en te ontwikkelen en bij te dragen tot het bestuderen, in stand houden en restaureren van het kultureel patrimonium". Eventjes wat bijschilderen. Zo eenvoudig (hoewel) als even een ontbrekend handje bijschilderen is het vak van restaurateur niet. Restauratie en conservatie hebben namelijk betrekking op het kunstwerk in al zijn hoedanigheden: het kunstwerk als artistieke schepping, het kunstwerk als document, het kunstwerk als fysisch object, om maar drie belangrijke te noemen. Restauratie wordt begrepen als: het begrijpbaar maken, met een minimale toegeving aan de esthetische- en historische integriteit.
B I N N E N K R A N T
M8cLli2 Conservatie is dan: het voorkomen van schade en het verval proberen te vertragen (onder andere door middel van het bijsturen van milieu-invloeden zoals vocht, temperatuur, pollutie...). Behalve over een behoorlijke dosis manuele vaardigheden en een artistiek invoelingsvermogen, zal de restaurateur derhalve ook over een behoorlijke kennis van natuur- en menswetenschappen moeten beschikken (respectievelijk vooral natuur- en scheikunde en kunstgeschiedenis). Omdat een restaurateur niet tegelijk kunsthistoricus, scheikundige, kunstenaar en natuurkundige kan en hoeft te zijn, maar wel de spilfiguur is in het interdisciplinair gebeuren, moet hij worden opgeleid op een manier die aan de specifieke behoeften van het vak tegemoet komt. Een aparte opleiding dus.
Antwerpen, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, restauratie gewelfschildering
Inderdaad, de B.R.K. zou het bestuderen met het oog op, en het instandhouden en restaureren zelf van het kultureel patrimonium toevertrouwd willen zien aan mensen die zich de moeite willen getroosten een opleiding te volgen waarin zij manuele vaardigheden leren en een kennis van diverse wetenschappen verkrijgen. Het volstaat niet een ontspoorde kunsthistoricus te zijn of een mislukte kunstschilder om, links en rechts een receptje lenend en In volle geheimdoenerei, schilderijen tot goede handelwaar te "arrangeren". Restauratie/conservatie is een volwassen vak geworden. Daarbij hoort een gedegen opleiding en een erkend diploma. Die opleiding mee helpen realiseren, op een Europees peil brengen en houden en honoreren met een erkend diploma, is een eerste concreet doel van de B.R.K.
Kwaliteit beschermt zichzelf? Het is nog maar de vraag of kwaliteit zichzelf beschermt. Alles hangt af van de vraag hoe men kwaliteit definieert. Een kunstvoorwerp dat er na restauratie (bijna) zo uitziet als het er oorspronkelijk uitzag - zo dat al mogelijk is - verkoopt misschien goed. In dat opzicht is de kwaliteit van de restauratie dus hoog. Of de intrinsieke kwaliteit van diezelfde restauratie ook hoog is, is allerminst zeker. Heel wat studie en training is nodig om de intrinsieke waarde van een (verouderd) kunstwerk te kunnen vatten en middels conservatie en restauratie te bewaren. Daarom de dubbele bescherming van respectievelijk kunstwerk en restaurateur. Het eerste zou alleen mogen behandeld worden door iemand die het van zijn fysische- tot zijn metafysische karakteristieken kent en waardeert. Vandaar een tweede concreet doel van de B.R.K.: een wet realiseren die bepaalt dat kunstwerken in openbaar bezit, van U en ons dus, alleen mogen worden behandeld door erkende restaurateurs. De restaurateur, voor zijn part, moet in de gelegenheid gesteld worden om zijn vak zo goed mogelijk te kunnen uitoefenen, dit wil zeggen hij moet zoveel mogelijk kunnen ingaan op wat het kunstwerk zelf "vraagt" en zoveel mogelijk gespaard blijven van allerhande prestige-desiderata. Het hem te verlenen statuut moet dat mogelijk maken. Ziedaar een derde concreet doel van de B.R.K. De B.R.K. inclusief of exclusief? Het ligt niet in de bedoeling andere, reeds bestaande verenigingen te beconcurreren, noch om een select clubje van mensen te vormen die "het weten". De B.R.K., en daarmee onderscheidt ze zich, aanvaardt als leden alleen restaurateurs van roerend kunstbezit (inclusief muurschilderingen en stucwerk). Handelaren, experten, antiquairs en dergelijke zijn uitgesloten. In dat opzicht is de B.R.K. exclusief. Inclusief daarentegen is de vereniging in zo verre dat zij zoveel mogelijk professionele leden tracht samen te brengen die volgens het charter van Kopenhagen kunnen en willen werken. "Willen" omdat zij zich in de eerte plaats in dienst stellen van het kunstwerk, hetgeen bijvoorbeeld wil zeggen dat ze zich de moeite getroosten dingen te doen die dikwijls
niet direct lucratief zijn of andersom juist dingen weglaten die henzelf wetenschappelijk prestige zouden opleveren, of de eigenaar veel gewin. "Kunnen" omüat ze een gedegen opleiding hebben genoten of een daadwerkelijke ervaring hebben in het vak, van ten minste zes jaar. De inhoud van die ervaring wordt, alvorens de kandidaat toe te laten, bovendien getoetst. "Kunnen" ook omdat ze zich beperken tot twee specialiteiten, hetgeen hen toelaat training, ervaring en informatie op peil te houden. Men is geen specialist in alles. Het spreekt vanzelf dat bij een wet ook een controle en mogelijke sancties horen. De vereniging voor Restaurateurs van Kunstwerken hoopt dat het streven naar goed opgeleide restaurateurs met een erkend diploma en een dito statuut enerzijds, door een wet beschermde kunstwerken anderzijds, mag rekenen op begrip en steun van allen die de dagdagelijkse zorg voor kultuurgoederen dragen (museumconservatoren, kerkelijke overheid, privé-eigenaars...), de verschillende bij de zaak betrokken overheden en, niet in het minst, van het brede publiek.
Praktische inlichtingen en formulieren tot kandidaatstelling kunnen aangevraagd worden bij het: B.R.K.-A.P.ROA. Secretariaat - Jubelpark 1 1040 Brussel.
MONUMENTENPOLIS Een beschermd monument vereist in de eerste plaats een zorgvuldig onderhoud en een adequate beveiliging. Indien het monument ondanks de nodige voorzorgsmaatregelen toch schade ondergaat, is het van belang het behoud ervan mede veilig te stellen door een aangepaste verzekering af te sluiten. Bovendien is dat een wettelijke verplichting wanneer het gaat om monumenten die met een overheidssubsidie of -premie gerestaureerd worden. Onmiddellijk na de definitieve
B I N N E N K R A N T
M8cL is Alsemberg, de voormalige kartonen papierfabriek Winderickx
oplevering van de restauratiewerken, en dit gedurende een termijn van twintig (subsidie) of tien (premie) jaar, is de eigenaar of vruchtgebruiker immers ertoe gehouden een verzekering af te sluiten voor de schade veroorzaakt door brand, blikseminslag, ontploffing en ander onheil. De schadevergoeding die op basis van die verzekering wordt uitbetaald moet integraal besteed worden aan het herstel van het monument. Wanneer niet tot herstel wordt overgegaan - omdat zulks niet meer mogelijk of opportuun is - dan moet de schadevergoeding worden afgestaan aan het Vlaams Gewest.
'üm^SSÊ tjfr
l ISEliB^MB. JHF....
•"•'BK
MSj
rjj
•/
s" 9 s 9
I^'^IBBS
De reglementaire bepalingen die het Vlaamse Gewest oplegt inzake verzekeringen zijn zeer streng, maar zijn noodzakelijk om het voortbestaan van het beschermde monument maximaal te garanderen. Om de privé-opdrachtgever van restauratiewerken meer rechtszekerheid te bieden heeft het Bestuur Monumenten en Landschappen er sinds 1984 voor geijverd dat de verzekeringswereld een speciale "monumentenpolis"zou ontwerpen en op de markt brengen. Die moest uiteraard volledig voldoen aan de voorwaarden van de decreet- en regelgeving inzake de monumentenzorg. Een dergelijk polis is er nu. Naar aanleiding van de Open Monumentendag op 15 september 1991 heeft de verzekeringmaatschappij ABB haar "monumentenpolis" aan het publiek aangeboden. Een initiatief dat beslist navolging verdient. M. Fierlafijn
INSTANDHOUDING VAN HET ARCHITECTONISCH ERFGOED VAN DE GEMEENSCHAP - STEUN VOOR MODELPROJECTEN Voor de achtste opeenvolgende keer heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen de restauratieprojecten aangewezen die zullen kunnen genieten van een financiële tegemoetkoming in het kader van de jaarlijkse aktie voor het behoud van het bouwkundig erfgoed. De actie van de Commissie is tot stand gebracht op initiatief van het Europees Parlement, in het kader van
de resolutie van de Raad van 13 november 1986 en komt voort uit het besef dat de instandhouding van het Europees architectonisch erfgoed in velerlei opzichten - met name cultureel, regionaal, sociaal en economisch - van belang is. Zo werd in 1989 in totaal 2.400.000 ecu toegekend voor 24 restauratieprojecten gekozen uit 822 inzendingen. In 1990 werd aan 26 van de 1.138 bij de Commissie ingediende restauratieprojecten in totaal 2.600.000 ecu toegekend. De projecten voor 1991 dienden ditmaal te beantwoorden aan het thema Getuigenissen van agrarische, ambachtelijke, industriële en andere produktieaktiviteiten. Met andere
woorden: de monumenten en historische plaatsen die een werkomgeving vormden en waarvan het belang voor het Europese erfgoed duidelijk is vastgesteld. Het belang van deze werkplaatsen kan gelegen zijn in het architectonisch ontwerp, in de historische en sociale betekenis van het monument of de plaats of de, door bestemming, roerende goederen die zich erin bevinden (gereedschappen, machines...). Op 433 inzendingen werden dit jaar 37 projecten geselecteerd waarover de 2.600.000 ecu zullen worden verdeeld. In eigen land ging de keuze van de jury hierbij naar twee belangwekkende initiatieven:
B I N N E N K R A N T
M8cL 14
Laken, grafbeeldhouwersatelier E. Salu
de restauratie en uitbouw tot museum - door de Herisemvrienden v.z.w. van de voormalige karton- en papierfabriek Winderickx, te Alsemberg; de restauratie en geschiktmaking tot Centrum voor Funeraire Archeologie - door Epitaaf v.z.w. - van de voormalige grafbeeldhouwersateliers Ernest Salu, te Laken. Toch moeten de overige 35 gelauwerden hiervoor qua originaliteit niet onderdoen, getuige volgend bondig overzicht: Duitsland: - De laat-middeleeuwse tinwasserij, te Altenberg, waarvan de uitbating na 550 jaar ononderbroken activiteit in 1952 werd stopgezet. - Het erts-extractiecomplex Rammelsberg, te Goslar. - De 19de-eeuwse sikkelfabriek Kuhlmann, te Leverkussen, met nog aanwezige hydraulische energievoorziening, arbeiderswoningen en de villa van de bedrijfsleider. Denemarken: - De 15de-eeuwse, nog steeds in bedrijf zijnde vakwerkhoeve Blabaek Molle, te Fakse. - Het neogotisch getinte 19de20ste-eeuwse textielbedrijf Sondermole, te Viborg. Spanje: - Het 19de-eeuwse havencomplex Antiguo dique delAstillero del Puerto Real, te Cadiz. - Het vroeg 20ste-eeuwse landbouwbedrijf Cooperativa agricola i caixa agraria, te Espluga de Francoli.
-
De 19de-eeuwse graanmolen met industrieel dorp, te Mave. - Het vroeg 20ste-eeuwse textielbedrijf in Catalaanse Art Nouveaustijl Fabrica aymerich, amaty jover, te Terrassa. Frankrijk: - De 17de-eeuwse houten windmolen, te Ouarville. - Het archeologisch site van Fontvieille, met agrarische infrastructuur en watermolen uit de 1ste-3deeeuw. - Het Carreau Rodolphe, te Pulvershelm, een monumentaal industrieel complex voor de extractie en behandeling van potas. - De 18de-eeuwse Ancienne Manufacture Royale de draps du Dijonval.
Griekenland: - Het 19de-eeuws industrieel gasbedrijf Gazl, te Athene. - De 18de- en 19de-eeuwse stenen bruggen en watermolens, te lonnina. - Het 19de-eeuwse spoorwegstation, te Kalamata. - De watermolen met ateliers van het 14de-eeuwse klooster Tlmios Prodromos, te Serrai. - Het in oorsprong 19de-eeuws entrepot voor druiven Barry, te Patras. Ierland: - de Newmills koren- en linnenmolens, te... Newmills. - Locke's distillery, een 18deeeuwse whisky-stokerij, te Kilbeggan.
B I N N E N K R A N T
M8a
is Italië: - De 16de-eeuwse papiermolen Ex opificio Papa/e, te Ascoli Piceno. - Het 18de-eeuws zoutdepot Salara-magazzino del Sale, in de oude haven van Bologna. - Het 17de-eeuws ondergronds olijfolie-verwerkingsbedrijf Frantonio ipogeo della corte, te Puglia. - De voormalige 16de-eeuwse scheepswerf Arsenale Mediceo, te Pisa. Nederland: - De 19de-eeuwse scheepswerf van Bunschoten. - Het vroeg 20ste-eeuwse Mensa complex/Techniek Museum, te Delft, in neo-Vlaamse renaissance en neo-gotiek. - De Gekroonde Brandersketel, een 18de-eeuwse jeneverstokerij, te Schiedam. - De watertoren (1901), te Schoonhoven. Luxemburg: - Het onderaardse aquaduct Qanat, te Walferdange, vermoedelijk aangelegd omstreeks 150 en buiten gebruik gesteld in 267. Portugal: - Het 19de-eeuws landbouwbedrijf Palhelras ou Lajes, te Oliveira do Hospital. - Het 19de-eeuws olijfpershuis Lagarde varas do Fojo, te Moura.
Naaikoffer, 17de eeuw. Ebbehout, parelmoer, ivoor, ingelegd lakwerk
Verenigd Koninkrijk: - De 18de-eeuwse Barnham Tower windmolen, te Barnham. - De hangbrug van Newport (1905), één der laatste 5 overblijvende van dit type. - Het Levant Mine beam engine, een granieten gebouw met één der laatste 8 (op 4000) bewaarde mijn-motoren. - Het 72 ha grote landchappelijke site van Upper Swaledale en Arkengarthdale.
TENTOONSTELLINGEN 17DE-EEUWS V L A A M S LAKMEUBILAIR Op 24 oktober opent in het Museum voor Sierkunst te Gent een belangwekkende tentoonstelling over het 17de-eeuws Vlaams meubilair in lak. Hierbij wordt voor het eerst systematisch nagegaan welke invloeden de Vlaamse ebbehoutbewerkers ondergingen van de import van lakwerk uit China en Japan. Tegen het einde van de 16de en in het begin van de 17de eeuw importeerden de Portugezen in Europa tal van lakkabinetten die qua vormgeving op Westerse modellen geïnspireerd waren, in hoofdzaak op de Spaanse en Portugese "vagueno". Ten gevolge van de toenemende belangstelling van de aristocratie en de gegoede burgerij voor het exotisch lakwerk, zetten de Europese vaklui gaandeweg een eigen produktie van lakmeubilair op. Daarbij ontwikkelden ze de zogenaamde "chinoiserle", een mengstijl van Westerse en Oosterse inspiratie. Ook in Vlaanderen rees de vraag naar lakmeubilair. In vergelijking met de evolutie in andere landen, ontwikkelde deze tendens zich in onze gewesten opvallend vroeg. Uit archivalia kunnen we afleiden dat reeds in het midden van de 17de eeuw in Vlaanderen uitzonderlijk veel meubilair in lak werd verhandeld, in hoofdzaak pronkmeubelen zoals cantoren en scribanen.
Minder bekend is de vaststelling dat de Vlaamse vaklui, naast het procédé van beschilderd lak, een eigen techniek van lakdecoratie ontwikkelden, waarbij een gekleurde lakmaterie in vooraf gegraveerde figuren in het ebbehoutfineer werd ingelegd. Voor de decoratie van dergelijk werk ging men vooral terug op de florale motieven, gebruikt bij de Italiaanse scagllola- en p/efra-duratechniek. De tentoonstelling in het Museum voor Sierkunst wil de invloeden van de Oosterse lakproduktie onder meer aantonen aan de hand van enkele karakteristieke 17de-eeuwse meubelen in imitatiestijl, een aantal modelboeken met chinoiserie-motieven van Westerse decorateurs en diverse Vlaamse pronkmeubelen. Omtrent dit onderwerp verschijnt binnen afzienbare tijd een publikatie van Wilfried De Kesel, die op het vlak van deze gespecialiseerde research niet aan zijn proefstuk toe is. Een paperback-versie ervan zal op de tentoonstelling als catalogus te koop aangeboden worden.
B I N N E N K R A N T
17de-eeuws Vlaams Lakmeubilair van 24 oktober tot 22 december 1991 in het Museum voor Sierkunst, Jan Breydelstraat 5, 9000 Gent 5 (8(091)25 66 76). Alle dagen van 9 u. tot 12 u30 30 en van 13 u 30 tot 17u30. u 30. (gesloten op maandag)
M&L CITAAT
"Quels que soient les droits de la propriété, la destruction d'un edifice historique et monumental ne dolt pas être permise a ces ignobles que leur intérêt aveugle sur leur honneur. Il y a deux chöses dans un éditice, son usage et sa beauté. Son usage appartient au propriétaire, sa beauté a tout Ie monde, C'est done dépasser son droit que de Ie détruire." Victor Hugo Hoe heilig ook het eigendomsrecht moge zijn, nooit mag men toelaten dat onwaardige speculanten verblind door eigen belang en zonder eergevoel historische of monumentale gebouwen zouden vernielen. In een gebouw moet men onderscheid maken tussen twee zaken, zijn gebruik en zijn schoonheid. Zijn gebruik komt toe aan de eigenaar, de schoonheid behoort aan de gemeenschap. Een monument vernietigen is dus in strijd met de meest elementaire grondbeginselen van het recht.
M&L
Gent, Hotel VerhaegenLammens (foto 0, Pauwels)
33
een specifieke opdracht. Na hun verblijf aan het hof keerden ze terug naar hun geboortestreek en probeerden er als gewezen hofschilder aan de kost te komen en faam te verwerven. Sommigen traden in dienst van lokale ambtenaren om illustaties te maken bij verslagen die aan de regering in Beijing moesten gestuurd worden. Het is vrijwel zeker dat een groot aantal van hen terechtkwam in de centra waar werd geproduceerd voor de export. Velen onder hen gingen werken in de ateliers van Suzhou, Yangzhou, Nanjing en andere steden waar ze albumbladeren en waaiers beschilderden of ontwerpen voor prenten maakten. Zij wisten immers wat in de keizerlijke ateliers werd geschilderd, waren op de hoogte van de keizerlijke edities en hadden westerse technieken geleerd. Een groot aantal van de schilderingen en boekillustraties ontworpen en uitgevoerd in de paleisateliers werden hier gereproduceerd en als albums met gedrukte en gekleurde prenten uitgegeven, zoals bijvoorbeeld de Inspectietocht naar het zuiden die keizer Kangxi in 1669 en keizer Qianlong in 1751 ondernamen, de Verjaardagsfeesten voor keizer Kangxi in 1721, de Afbeeldingen van de Rijst- en Zijdeproductie die in 1696 werden - "Outre Ie papier qui se fait d'écorce d'arbre, on geschilderd, evenals Werkzaamheden op het land en fait aussi de coton: & c'est Ie plus blanc, Ie plus en het Weven van Zijde, geschilderd in opdracht beau, & Ie plus d'usage. Il n'est pas sujet aux van keizer Qianlong (47). Een laatste belangrijke inconvéniens dont je viens de parier; car il se inpiratiebron waren de schilderijen en lakconserve aussi-bien, & dure autant que Ie papier schermen die bij feestelijke gelegenheden werden d'Europe" (48). geschonken: ter gelegenheid van Nieuwjaar, bij verjaardagsfeesten van ouderlingen, bij het slagen - "Le papier qui se fait de bambou, n 'est ni Ie seul, in het staatsexamen, bij het maken van promotie. ni le meilleur, ni le plus commun qui se fasse a la Tijdens de Qingdynastie was deze gewoonte heel Chine. On y employe beaucoup d'autres arbres, populair. surtout les müriers: par exemple, les ormes, le corps de l'arbrisseau qui produit le coton, le chanvre, & plusieurs autres espèces d'arbres, dont les noms sont inconnus en Europe (49). TECHNISCHE ASPECTEN
Alvorens over te gaan tot de stijlanalyse is het interessant dieper in te gaan op enkele technische aspecten. Tot op heden werd echter weinig onderzoek verricht op het vlak van de aard van het gebruikte papier, de samenstelling van de kleuren en de bindmiddelen van Chinese export-schilderkunst in het algemeen en wandbehang in het bijzonder. Bij 17de-, 18de- en 19de-eeuwse westerse verslaggevers vinden we soms heel concrete gegevens die nu door analyses worden bevestigd. Chinees papier, mianlinzhi", was heel dun en werd uit verschillende materialen geproduceerd:
- "C'est le coton qui est la matière du bon papier Chinois, d'un papier qui seroit comparable, peut-être moins supérieur au nótre, s'il se conservoit aussi longtemps. Le papier inférieur, celui qui n'est pas destine a l'écriture, est compose de la première ou seconde écorse du mürier, de l'orme, du cotonier, & surtout du Bambou ... C'est de ce papier qui sont formés les ameublements Chinois (50). Het papier van het Chinese behang in het Groot Salon" van het Hertogelijk kasteel d'Ursel te Hingene bleek aldus vervaardigd van bamboe (51) en — zoals Raynal opmerkte — op ver na niet van de beste kwaliteit. Toch mag hieruit zeker niet
34
M&L
Chinese papier, toch moeten we hier opmerken dat de Europeanen de kwaliteit ervan zeer apprecieerden en dat het Chinees papier, wat ook de soort moge zijn, de tand des tijds prachtig heeft doorstaan. Omdat het papier zo erg dun was werd het verstevigd door na het beschilderen nog verschillende bijkomende lagen papier tegen de rugzijde te kleven (52). De analyse van het papier in het kasteel van Hingene bevestigt dit (53). De Chinese kunstenaars hebben een eeuwenoude traditie van schilderen op papier en zijde. Zij schilderden met inkt en waterverf. Sinds meer dan tien eeuwen gebruiken zij dezelfde kleurpigmenten (54) van organische of minerale aard, met dierlijke lijm als bindmiddel. De organische oorspong van de blauwe en groene pigmenten in sommige werken blijkt uit een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Victoria and Albertmuseum te London: het rode pigment is vermiljoen, het gele waarschijnlijk oker (55). De analyse van een fragment van het zijden wandbehang in het Museum Vander Haeghen te Gent (Hotel Clemmen), door de laboratoria van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel, leverde het volgende resultaat op (56):
Enkele pigmenten:
Brussel, Hotel Errera (foto o Pauweis)
geconcludeerd worden dat al het papier voor wandbehang gemaakt zou zijn van bamboe. Het is vanzelfsprekend dat de Chinezen — die ieder jaar nieuw behang aanbrachten — hiervoor niet de mooiste en kostbaarste papiersoorten gingen gebruiken. Ook mag worden aangenomen dat voor de productie van exportbehang dezelfde papiersoorten werden gekozen als voor de binnenlandse markt. Daar komt nog bij dat de Europese schepen op een vastgesteld tijdstip moesten vertrekken; de Chinezen wisten wel dat de vreemdeling op 't laatste alles zou aanvaarden, om zijn schip maar vol te hebben. Als de tijd begon te dringen kon de Chinese handelaar zijn minderwaardige waren kwijt, zoals thee van slechte kwaliteit, grof porselein, verlegen zijde, minder goed beschilderd wandbehang of behang dat niet beschilderd was volgens opdracht. Wat er ook van zij en wat Raynal ook moge beweren over de minderwaardige kwaliteit van het
lila; organisch rood + Indigo + loodwit; temperabindmiddel groen i malachiet; temperabindmiddel lichtgeel; loodwit + vermoederlijk massicot bruingeel; gele oker + loodwit; temperabindmiddel roze; loodwit + organisch rood; temperabindmiddel wit: loodwit; waterig bindmiddel bindmiddel: Is slechts als sporen aanwezig en bevat dierlijke lijm en kleine hoeveelheden suikers, die als weekmaker toegevoegd zijn of als afbraakprodukt van gelatine (lijm veroorzaakt zijn door schimmelaantasting kleurstoffen: - organisch rood van de roze partijen : kraplak - groen van de biadversierlng: indigo + gambogelak
Bij de studie van bewaarde behangen valt een tweevoudige evolutie in het koloriet op. De ene is van stilistische aard en zal later worden besproken; de tweede is van technische aard. Bij de 18deeeuwse voorbeelden zijn de kleuren fris en helder. Het koloriet is subtiel, de nuances zijn verfijnd. Om de kleuren meer glans te geven legde de schilder eerst een dun laagje wit, meestal loodwit, soms ook krijt- of oesterwit. De gebruikte verf is heel dun en transparant. Er werd heel weinig
35
kleurpigment toegevoegd en verschillende lagen werden over elkaar gelegd waardoor een indruk van dieptewerking in het koloriet werd verkregen. Voor sommige accenten werd extra kleur toegevoegd. Vanaf de vroege 19de eeuw is een verandering in deze techniek duidelijk merkbaar in de behandeling van enkele motieven. De kleuren worden scherper, de verf is minder transparant. Dit komt omdat het wit niet meer onder de andere kleuren werd gelegd, maar ermee werd vermengd. Hoe later in de 19de eeuw, hoe harder de kleuren worden en hoe dekkender de verf. Deze wordt een dikke, zware gouache waarmee slechts één laag moet worden gelegd. Het koloriet is intens maar mat en vlak. De transparantie en de dieptewerking zijn helemaal verloren gegaan. Een vergelijkbare evolutie vindt men in het porselein, beschilderd met polychrome emailkleuren, zoals het zogenaamde Familie Verte en Familie Rose. Tijdens de 18de eeuw werden de motieven opgebouwd door de emailkleuren in verschillende laagjes over elkaar uit te strijken. Daardoor bekwam men een helder koloriet met een groot dieptewerking effect. In de loop van de 19de eeuw komt daarin verandering. De emailverf wordt dan dikker gemaakt door aan de verschillende kleuren wit (tinoxyde) toe te voegen. Bij het schilderen volstaat één laag van die dikke verf. Het effect van dieptewerking en helderheid gaat hierdoor verloren. Het waren vooral de frisheid, de subtiliteit en de vastheid van het koloriet die hier zo werden geprezen. Zelfs bij zonlicht bleven de kleuren onaangetast, een kenmerk dat zelfs na driehonderd jaar nog steeds geldt.
Plus il sera mince, meilleur il sera. 2° On souffle sur le papier de poussière d'eau, et on en colle les bords sur un cadre. Il se tend en se sêchant. Comme il ne seroit pas assez fort pour soutenir l'effort de l'Estompe ou du doigt, quand on étant les couleurs, on met derrière une planche cartonnée qui remplit le vide du cadre. 3° quand la peinture est achevée, on fait fondre, dans de l'eau defontaine, de la colle de gant la plus pureet la plus forte. On en verse un cinquième sur l'autre eau chaude oü l'on a fait fondre de l'alun blanc ou de roche. 4° on prend un gros pinceau on brosse. Lorsque l'eau es préparée, on en passe une forte couche sur le revers de la peinture au pastel. Comme le papier n'est pas collé, l'eau passé au travers sans peine, humecte etpénètre les couleurs, et les inbibe dans le papiers sans les déranger. Si une couche ne suffitpas on en met une seconde, mais il faut que l'eau de colle et l'alun soit plus chaude. 5° pour donner plus de corps au papier et fixer les couleurs encore plus parfaitement, on met a la main une feuille de papier bien humectée de colle sur le revers de la peinture, puis un seconde puis une troisième pour que l'humidité ne puisse pas agir sur la peinture, et en detacher les couleurs" (57). Beschilderde zijde krijgt een zelfde behandeling met lijm en aluin om de kleuren te fixeren (58). In de Chinese bronnen zijn geen gegevens te vinden over schilders die werkten voor de export. Volgens de Chinese zienswijze zijn zij ambachtslui en geen kunstenaars; daarom werd noch over hen noch over hun werk geschreven. De sierkunstenaars die wandbehang, waaiers, en andere vormen van exportschilderkunst beoefenden worden tot dezelfde groep gerekend als zij die email, zijde, lakwerk of porselein beschilderden, omdat zij hetzelfde decoratief repertoire handeerden. Het schilderen van export-wandbehang was atelierwerk waar zeer efficiënte massapraktijken toegepast werden. Sinds eeuwen kent China de traditie van kunstateliers waar ver doorgevoerde vormen van taakverdeling in de verschillende stadia van de produktie bestonden.
Westerse fabrikanten van behangpapier poogden het geheim hiervan te doorgronden. Missionaris Cibot, beschermeling van Bertin, Minister van State onder Lodewijk XI, kon de Chinezen hun geheim ontfutselen en maakte het aan zijn beschermheer over met de uitdrukkelijke eis het niet door te geven aan een Westers kunstenaar: "Void en peu de mots ce qu'on a imagine sur la maniere dont les peintres chinois fixent leurs couleurs a l'eau. Mais avant tout, nous exigeons que celui a qui Ie secret est envoyé ne Ie communi- Zo kennen we het voorbeeld van het lakwerk que a aucunpeintre qu'après avoir obtenu de lui un vanaf de Handynastie (206 vóór JC - 220 na JC); serment rigoureux de ne jamais s'en servirpour des dit van de vroege exportceramiek in Zuid China peintures qui puissent faire rougir la timide pudeur, en, in de meest extreme vorm, dit van de porseleinproduktie te Jingdezhen (59). Pas vanaf 1835 et de ne Ie communiquer a personne qu'a cette zijn in reisverhalen gegevens terug te vinden over condition. 1° Le papier sur lequel on veut peindre doit être de toen gangbare vormen van taakverdeling voor sans colle et sans alun, comme notre papier gris. exportschilderkunst in de toen beroemde ateliers
36
Gent, Hotel d'Hane-Steenhuyse (foto 0 Pauwels)
M&L
al dan niet manueel bijgewerkt, werd het Chinees van Lamqua en Tingqua te Canton — " each acquires in his life a certain perfection, particularly exportbehang volledig met de hand geschilderd. in the finish of details, but non of them is capable of undertaking an entire painting" — met een In de vakliteratuur wordt vaak de stelling naar verdere beschrijving over het mechanisch overvoor gebracht als zouden voor het overbrengen brengen van de motieven en het inkleuren van de van een groot aantal motieven transfer-methodes motieven door verschillende koloristen, elk van gebruikt geworden zijn en "patronen" die konden hen gespecialiseerd in het leggen van één welbeworden doorgetekend. Dit was, gezien de fijnheid paalde kleur (60). van het papier, zeker gemakkelijk te doen. Toch hebben we hierover enkele bedenkingen. In de 18de-eeuwse ateliers waar behang werd geschilderd voor de export waren dergelijke extreme vormen van taakverdeling niet gangbaar. Vooreerst is het niet steeds eenvoudig om de Het atelierwerk was toen geïnspireerd op technieeerste omtreklijn in het behang terug te vinden. ken die ontwikkeld waren in de keizerlijke Deze lijn werd meestal met zeer verdunde inkt ateliers. Een compositie werd opgezet door een geschilderd en in de meeste gevallen is zij "meester" en het team werkte ze verder uit. naderhand bedekt met kleuren. Daarbij komt dat De verschillende onderdelen van het ontwerp bij motieven zoals personages, vogels, bloemen werden door verschillende schilders uitgevoerd: enzovoort, na het aanbrengen van de kleuren een zo had men de berg- en rotsenschilder, de tweede omtreklijn als accent werd gelegd. bloemen-schilder, de figuren-schilder, de vogelDeze lijnen zijn meestal zeer vrij en kalligrafisch schilder, de dieren-schilder, de gebouwen-schilder, met inkt of met kleur geschilderd. Indien de ieder zijn specialiteit. schilders op grote schaal met transfers en patronen zouden gewerkt hebben, dan zouden de meeste Door dergelijke efficiënte praktijken konden motieven in de verschillende behangen identiek grote opdrachten relatief snel uitgevoerd worden. Dit bracht met zich mee dat grote vormgelijkenis zijn en dezelfde afmetingen hebben, wat zeker niet het geval is: bij opmeting van de motieven in van de motieven soms op verschillende behangen de verschillende behangen blijken deze alle voorkomt. Een treffende illustratie hiervan zijn verschillend. Wel is een grote gelijkaardigheid en het Clemmen-hehang en het /zegem-behang, een grote stijleenvormigheid in de verschillende afkomstig uit het Antwerpse Hotel Gilles de periodes opvallend. Maar gezien de ver doorgedrePélichy. Met uitzondering van enkele 19de-eeuwse ven specialisatie van de schilders in specifieke voorbeelden, waar bepaalde motieven zoals het onderwerpen en het gebruik van albums met mos en/of het loofwerk van bomen gedrukt zijn en voorbeelden is gelijkaardigheid bijna vanzelfsprekend. De zilverstift, geïntroduceerd door de Westerlingen, werd vanaf de vroege 18de eeuw en tot het begin van de 19de eeuw gebruikt in schildersateliers die werkten voor de Westerse markt (61). De omtreklijnen getekend met een zilverstift kregen na verloop van tijd een zachte metaalachtige glans. Deze techniek vinden we alleen in het Costermans-hehang terug.
••
mi
— ~ ~
,
H
i
Bij het bestuderen van de nog bestaande ensembles van papier vallen verschillende plaatsingsmethoden te onderscheiden. Het ISde-eeuwse en vroeg 19de-eeuwse behang is gekleefd op een raam waarop grof linnen of jute werd genageld. Dikwijls is op het raam met linnen nog een stevig stuk papier gekleefd. Dat het hier gaat om de oorspronkelijke plaatsingstechniek blijkt duidelijk uit wat we in de geschreven bronnen terugvinden: - " M. Pasquier de la Haye: les toiles, fagon et raccordages des trois chassis garnis en papier la Chine, 18 L." (62).
M&L
37
- S.A. Mgr. Ie Due de Bouillon: avoir garni en toile geëerd kliënteel het kostbare papier of de nog trente-six chassis: collés en papier blanc et couvertkostbaardere zijde, maar tevens de decoratieve bijhorigheden: de papier des Indes tissu, pour les fagons et - "En vente, chez Melle de Buteclaire, rue des raccordages, 290 L. - Ie port 2 L." (63). Vieux-Augustins tenture de papier la Chine, Elders werd het behang op jute gekleefd en dan d petites figures, representant les Arts et Métiers, op een raam genageld (oorspronkelijke montage compose de 13 feuilles, ayant 37 pieds de tour sur van het /zegem-behang). Voor de latere voorbeel8 pieds 10 pouces de haut, avec baguettes dorées a den, — deze geplaatst na zowat het eerste kwart Perles" (65). van de 19de eeuw — worden geen raamwerken - "M. Ie Cte. Lorlique: Les chassis et dessus de gebruikt maar is het behang op de muur gekleefd. porte garnis de toile et papier des Indes a Fleurs et Wel werd er voorafgaandelijk een dik en stevig figures avec les moulures en vernis joncquille, dont papier aangebracht (Hertogelijk Kasteel d'Ursel prix fait a 288 L. - Un dessus de porte des mêmes te Hingene) of krantenpapier {La Follie, papiers pour Ie cabinet de Madame, 12 L. Les ports Ecaussines). 21. "(66). De Oost-Indische Compagnies voerden vanuit Canton volledig geassorteerde ensembles in, dit wil zeggen "geschilderde papieren tot meubels en tot randen" en daarnaast, voor de meest kostbare soorten "in dezelfde smaak geschilderde papieren tot schoorsteenstukken, tot schilderijen" voor de bovendeurdelen (64). De Europese decorateurs presenteerden aan hun
Brussel, Hotel Costermans
Of het nu gaat om zijde of papier: het behang bestaat steeds uit lange rechthoekige banen, met een lengte gaande tot 3,5 en 4 meter. Bij zijde bestaat iedere baan uit één stuk. De verschillende banen van het zijden behang in het Museum Vander Haeghen te Gent (Hotel Clemmen), hebben een lengte van 3 meter en een breedte van 81 centimeter. De banen van papieren wand-
M&L
behang bestaan echter niet uit één stuk. Zij werden samengesteld uit een aantal rechthoekige stukken. In zijn artikel over het Chinees salon in Hotel d'Hane Steenhuyse te Gent (67) stelt de auteur dat de verschillende kleinere stukken papier bij de plaatsing door de behanger aan elkaar werden gezet. Dit is echter niet het geval, niet voor het papier in Hotel d'Hane Steenhuyse en ook niet voor de andere bewaarde ensembles. Bij grondig onderzoek is het duidelijk dat de verschillende vellen aan elkaar werden gekleefd tot lange banen vóór de beschildering. Dit is ook logisch want een schilder kan beter zijn compositie uitwerken op een groot oppervlak. De moeilijkheid om de compositie in horizontale zin te laten overeenstemmen wanneer de verschillende lange rechthoekige banen werden geplaatst, was al groot genoeg. Een ander voordeel van de lange banen was dat deze konden worden opgerold voor het transport en aldus minder gevaar liepen om beschadigd te worden. Zelfs bij de voorbeelden die pas in de late 19de eeuw zijn geplaatst is het behang met verschillende kleinere stukken tot lange rechthoekige banen geassembleerd.
"Vizitatie van de zijde stoffen, Nankins linnen en geschilderde papieren van Canton in China bij de Oost-Indische Compagnie ter Kamer Zeeland met het schip de Goede Trouw den I8de July dezes (1788) aangekomen. De twaalfde kist bevat: Geschilderde papieren tot schoorsteenstukken. 100 stuks in 2 koopen van 50 ps { = pees = stuk) ieder, hoog 3 1/2, breet 2 Cobido (1 cobido = iets minder dan 1 el, 1 el = 69 cm). Geschilderde papieren tot meubels. 572 vellen of 22 meublementen van 24 vel en 2 vel tot randen. Ieder meublement diefrent van lengte en breete. Geschilderde papieren tot schilderijen. 100 ps. dessu de portes in 34 koopen, van 25 ps, eyder in 5 desynen, hoog 2 Cob., breet 3 cob. Geschilderde papieren tot schoorsteenstukken in 5 desseynen hoog 3 112 cob., breet 2 cob., met landschappen en winkels" (69). Deze afmetingen komen vrij goed overeen met de opgemeten 18de-eeuwse voorbeelden of exemplaren. Opvallend is het feit dat de vellen van de 19de-eeuwse behangen veel kleiner zijn en vooral minder onderling verschillen. Verder onderzoek zal uitwijzen of afmetingen als dateringscriterium zouden kunnen gehanteerd worden.
In China werd het papier geschept; de vellen hadden de afmetingen van de bamboe schepmanden. In 1774 geeft Raynal hierover de volgende beschrijving: "On les blanchit au soleil, et des chaudières bouillantes les réduisent en un pate fluïde qui est étendue sur des claies, d'oü il sort desfeuilles de dix STIJL EN DATERING ou douze pieds et même davantage. C'est de ce papier que sont formés les ameublements Chinois. Er werd reeds vermeld dat we in Vlaanderen te Il plait singulièrement par les formes, l'éclat et la maken hebben met een grote diversiteit aan stijlen variété que Vindustrie a sgu lui donner" (68). in de Chinese export-wandbehangen. Globaal gezien treden in de loop van de 18de eeuw geen grote stijlveranderingen op. In de loop Dergelijke afmetingen werden echter niet terugvan de 19de eeuw daarentegen zijn duidelijke gevonden bij het papier dat gebruikt werd voor veranderingen merkbaar die aanleiding zullen export-wandbehang, noch bij de 18de- noch bij de geven tot belangrijke vernieuwingen. Tijdens het 19de-eeuwse voorbeelden. Van de ons bekende tweede en het derde kwart van de 19de eeuw voorbeelden konden we aldus de maten nagaan komen nieuwe stijlen met succes tot volle ontplooivan de vellen die de grote banen vormen: ing. 1 Sde-eeuwse voorbeelden: breedte: 122 cm tot 147 cm hoogte; 92 cm tot 64 cm
19de-eeuwse voorbeelden; breedte: 110 cm tot 120 cm hoogte; 59,5 cm tot 61,5 cm
Gelukkig staan op een lijst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (Nederland) uit 1788 enkele afmetingen vermeld:
De 18de eeuw Naar ontwerp kunnen de ISde-eeuwse voorbeelden in twee grote groepen ingedeeld worden: deze met bloemen en vogels en deze met personages. "Tuinen met bloemen en vogels" toont een fragment van een Chinese tuin. Het is een compositie met een rots op de oever, omringd met bloemen, bomen en vogels. In de Chinese
39
schilderkunst komt dit thema ook veelvuldig voor op vertikale hangrollen. Voor de ontwerpers en schilders van het export-wandbehang waren dit ideale voorbeelden, die zonder veel moeite konden worden overgenomen en uitgewerkt. Daar waar in de Chinese schilderijen de compositie heel sober blijft en de lege ruimte suggestief wordt benut, werd in de behangen — waarschijnlijk op aandringen van de Westerse opdrachtgever — de volledige ruimte beschilderd. Fazanten, kraanvogels, goudfazanten, pauwen, patrijzen, parelhoenen en andere vogels zitten op de voorgrond, tegen de oever, op een rots of op een tak. De voorgrond wordt afgesloten door mospartijen. Rondom de rots groeit een grote verscheidenheid aan bloemen en sierlijke bomen met bloesems en vruchten. Bamboe komt maar heel zelden voor. De door elkaar gestrengelde takken reiken tot de bovenrand van het behang. Tussen de wirwar van takken vliegen dan weer kleinere vogels, vlinders, waterjuffers en andere insekten. Dikwijls ziet men op één plant bloesems in de knop, bloesems in volle bloei en rijpe vruchten. Dit samenbrengen van de verschillende stadia in de ontwikkeling is heel typisch voor de Chinese denkwereld: de verandering van de seizoenen en het voorbijgaan van de tijd steeds voor ogen houden. ledere strook behang is een complete compositie en kan ook als dusdanig gebruikt worden. De compositie is technisch dermate perfect opgebouwd en uitgevoerd dat het mogelijk was verschillende stroken tegen elkaar te plaatsen om aldus een groot schilderij te creëren. Het kwam in die periode maar zelden voor dat retouches moesten uitgevoerd worden om de compositie te laten overeenstemmen. Vaak vond men de compositie op sommige plaatsen te schaars. Uit overschotten werden dan bloemen gesneden die op de voorgrond werden gekleefd, of vlinders en kleine vogeltjes om op de lege ruimten tussen de takken aan te brengen. De bomen en de rotsen zijn omgeven door helgroene en zwarte toetsen. Dit zijn modulerende toetsen die de ritmische opbouw van het schilderij accentueren en meteen ook aan bomen en rotsen volume en driedimensionaliteit verlenen. De behangen van het midden en het derde kwart van de 18de eeuw hebben over het algemeen een grotere monumentale opbouw. De rotsformaties zijn massief en monumentaal, de vogels hebben een grote spontaneïteit (Hotel Verhaegen-Lammens, Gent). De totale opbouw van de behangen in het Gentse Hotel Saceghem en het Brusselse Hotel Errera, beide uit de jaren jaren 70 of de vroege jaren 80 van de 18de eeuw.
is lichter. De rotsformaties zijn hier weliswaar meer formalistisch door hun koloriet (meer gebruik van wit) en door hun zeer grillige vorm. In de loop van de 80-er jaren van de 18de eeuw werden veelvuldig decoratieve elementen toegevoegd aan het "Tuin met bloemen en vogels" - type, zoals porseleinen potten versierd met kleurrijke glazuren en opgevuld met "Penjing" (70). Deze bloempotten staan op rotsen of op sokkels. Hogerop, in de takken van de bomen, hangen manden en vazen gevuld met bloemen, alsook vogelkooitjes en - schommels. Behangen van dit type worden in de kastelen van Zwijnaarde en Leeuwergem bewaard. De artistieke kwaliteit van het 18de-eeuwse vogelen bloementype is van heel hoog niveau. Bij alle voorbeelden valt het raffinement in het koloriet op. Bloemen en vruchten werden met grote sensibiliteit in delicate tinten geschilderd. Dezelfde sensibiliteit treft in de weergave van de vlinders. Met ontelbare kleine en fijne toetsen inkt en kleur is een licht, donzig en fladderend effect meesterlijk gesuggereerd. Overal zijn de vogels, de insekten en de flora prachtig en zeer natuurgetrouw weergegeven, zelfs wetenschappelijk exact. Het éne ensemble is levendig en spontaan (Hotel Verhaegen-Lammens, Gent), een ander kleurrijker (Hotel Saceghem, Gent; Kasteel van Zwijnaarde) een derde opvallend geraffineeerd (Hotel Errera, Brussel). Achttiende-eeuwse behangen met personages in de compositie bleven talrijk bewaard. In deze ontwerpen staat de Chinese mens centraal. We zien hem in scènes uit het dagelijks leven, in levendige straat- en dorpstaferelen, in zijn beroepsleven, bij optochten, bij feestelijkheden, in jachttaferelen ... . De algemene opbouw van alle behangen is gelijkaardig: deze van de Chinese handrol. In horizontale richting is het picturale vlak in drie zones ingedeeld. De totale compositie is geïnspireerd op de Chinese landschapsschilderkunst en op de Chinese tuinarchitectuur die daarvan een afspiegeling is. Rond de verschillende onderdelen van de woningen, terrassen en paviljoenen werden tuinen gecreëerd die een natuurlijk landschap oproepen, zonder er een slaafse nabootsing van te zijn. Rotsblokken werden opgestapeld tot bergen. Planten, bloemen en bomengroepen werden aangeplant. Daartussen zijn waterloopjes, waterpartijen en kronkelpaden aangelegd om als het ware een reconstructie van het natuurlijk landschap zoveel mogelijk te benaderen. Aangezien men bij de compositie van een tuin- en
^
f IBI^B^W^j^lJ
-.,x.:
• y
M&L
Gent, Hotel d'Hane-Steenhuyse (foto 0. Pauwels)
41
landschapsschilderij de natuur als een ideaal en poëtisch beeld wilde evoceren, werd het geheel steeds als illusionistisch ensemble opgevat. Tevens vormde deze basiscompositie een ideale omkadering voor genretaferelen en uitgewerkte verhalen. Dit basisconcept werd overal zo vakkundig opgebouwd dat bij het plaatsen van het behang weinig of geen retouches nodig waren. Langs de randen werden zoveel mogelijk rotsen met bomen geschilderd om een panoramisch effect te suggereren. Het oudste voorbeeld van de groep met personages is het behang in het Hotel Vander Meersche te Gent. Het bestaat uit vier grote en vier kleine panelen, gevat in lijstwerk. De supraporta's hebben de tand des tijds niet overleefd. Zowel op compositorische als op stylistische basis, en evenzeer naar onderwerp behoort dit ensemble tot de nu uitermate zeldzame geworden voorbeelden uit de eerste helft van de 18de eeuw. Proportioneel zijn de personages groot in vergelijking tot de hoogte van het behang. De figuren zijn samengebracht in kleine groepjes, die verspreid staan opgesteld in het landschap. Iconografisch vormt ieder groepje een op zichzelf bestaand tafereel met een specifieke betekenis. In sommige taferelen zijn de personages nog in de Mingstijl, in andere reeds volledig in de stijl van de Qingdynastie. Tijdens de eerste helft van de 18de eeuw bleven een aantal hofschilders taferelen schilderen waarin de hofdames en de ambtenaren werden voorgesteld zoals deze uit de Mingdynastie (71). Zowel hun kledij, hun houding als hun uitdrukking is in de oude stijl. De dames zijn slanke gracieuze figuren met een zacht aangezicht, zonder veel expressie. Interessant is het feit dat de taferelen in de Mingstijl naar inhoud illustraties zijn van literaire onderwerpen. Zo bijvoorbeeld de afscheidsscène van de twee geliefden uit de roman Yixiang Ji van de Yuandynastie (1279-1368) door schrijver Wang Shipu. Een tafereel geheel in de stijl van de Qing hofschilderkunst is het "Gesprek over de valk" nabij de ingang van het "Verblijf van Diepzinnigheid". Om het papier te beschermen tegen vervuiling werd het tijdens de late 19de of vroege 20ste eeuw bedekt met een laag vernis. Daardoor kreeg het behang een somber uitzicht, waardoor de onderliggende kleuren minder fris lijken. Erger is het feit dat het papier daardoor hard werd en op verschillende plaatsen ging barsten. In de behangen van de tweede helft van de 18de eeuw is de opbouw van de compositie complexer. De indeling van het picturale vlak in drie horizon-
tale zones is zeer duidelijk. De middenzone is in alle voorbeelden iconografisch de meest belangrijke. Daar worden de hoofdthema's behandeld. Rond deze thema's, alsook in de boven- en benedenzones, werden ontelbare kleine tafereeltjes en genrestukjes geïntegreerd. In de iconografisch meest belangrijke middenzone worden de hoofdthema's behandeld: de Zijdecultuur, met het kweken van de zijdewormen en het verwerken van de zijde (Hotel Saceghem, Gent), de Rijstcultuur (verzameling Soenens, Sint-Denijs-Westrem), de Porseleinproduktie (kasteel d'Ursel te Heks), Feestelijkheden bij het op rust gaan van een ambtenaar (privé verzameling, Izegem), Jachttaferelen en de Voorbereiding tot de ontvangst van het keizerlijk gevolg (Hotel Clemmen, Gent). In één van de voorbeelden werden drie grote thema's, zij het dan wel fragmentair, in één behang behandeld (verzameling Soenens, SintDenijs-Westrem). Hier krijgen we de vermenging van de thema's Zijde- en Rijstcultuur met de Produktie van Chinees porselein. We zagen reeds dat het schilderen van het export-wandbehang atelierwerk was. Grote hoeveelheden werden als het ware aan de lopende band gemaakt. Naderhand, bij de verkoop, werden ze tot kleine ensembles verdeeld. Aan de bewaarde behangen is te merken dat bij het opdelen weinig rekening werd gehouden met de thema's. Van de grote onderwerpen is zelden het ganse verloop nog te volgen. De behangen uit deze periode vertonen geen noemenswaardige stijlverschillen. Alle zijn uitgevoerd in een beschrijvende en informatieve stijl. Alles is duidelijk leesbaar en heel precies 'geschreven'. De behandeling van de figuren, de fauna en de flora, de architectuur is gelijkaardig. Figuren en dieren zijn spontaan en levendig en er werd veel aandacht besteed aan het detail. Door het frisse transparante koloriet hebben deze behangen een grote decoratieve aantrekkelijkheid. Het boeiende aan deze behangen is het feit dat zij een mengvorm zijn van Oosterse en Westerse stijlen. Bij het aanschouwen van zo'n behang valt de grote ruimtelijkheid op. Dit is heel typisch Chinees: de interesse voor de ruimte; vaste massa's zijn maar bijkomstig. Er is ook steeds een knipoog naar de monumentale landschapsschilderkunst, vooral in de bovenzones waar de compositie uitloopt in hoge, verafgelegen pieken. De figuren kregen door modelé en schaduwwerking een zekere plasticiteit. Maar door het gebruik van de transparante waterverftechniek blijven ze heel licht, met dikwijls een fragiel
42
M&L
uitzicht. In alle bestudeerde voorbeelden krijgen we een gecombineerd perspectief. De dieptewerking door een doorlopend grondvlak is Westers. In de meeste gevallen werd ook het Westers centrumperspectief toegepast, met wisselend succes weliswaar. De schilder combineerde vaak dit Westers perspectief met het Chinees vogelperspectief, waardoor we in veel gevallen in en zelfs dwarsdoor de huizen kunnen kijken en zien wat daar gebeurt. In het Chinees exportbehang van dit type is een briljante synthese gerealiseerd. Verschillende elementen van twee totaal verschillende culturen zijn zo afgewogen dat de toeschouwer voldoende exotisme zag om in vervoering - maar niet te veel om niet in verwarring te raken.
Brussel, Hotel Heyndricx-Duonel (foto 0 Pauwels)
De 19de eeuw De I9de eeuw is voor de studie van het Chinees export-wandbehang een bijzonder boeiende periode waar tot op heden weinig of geen aandacht werd aan besteed. Er is een duidelijk streven naar het opbouwen van een specifieke stijl met een eigen identiteit. De veranderingen zijn goed te volgen in de verschillende stadia van de evolutie. Tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw is de drang naar vernieuwing opvallend. Het is een periode van zoeken naar een eigen en nieuwe stijl. Naar onderwerp blijven twee groepen bestaan: de bloemen en vogels, en de personages. Beide types
ondergaan echter wezenlijke veranderingen op stylistisch en artistiek-technisch gebied. Door gebrek aan concrete gegevens is het niet altijd mogelijk een behang in de laatste jaren van de 18de dan wel in de eerste jaren van de 19de eeuw te situeren. Eenzelfde probleem stelt zich bij de datering van het export-porselein. Evoluties gebeuren langzaam, langzamer dan eeuwwisselingen of regeringswisselingen, hier van Qianlong (1735-1795) naar Jiaqing (1795-1820). Het duurt steeds verschillende jaren alvorens de kunstenaars hun stijl hebben aangepast aan de smaak en de richtlijnen van nieuwe opdrachtgevers. De ontwikkelingen in het export-porselein en het export-behang lopen in die periode parallel. Bij ons blijft het Chinees export-wandbehang veel succes kennen. Een prachtig voorbeeld van een overgangstype is het behang in Hotel Costermans te Brussel. Het is een "Tuin met bloemen en voge/"-type waarin zowel 18de-eeuwse als vroeg 19de-eeuwse elementen zijn verenigd. Het algemeen concept, de behandeling van het mos, de vogels en sommige bloemen — zoals de pioenroos — behielden een 18de-eeuws karakter. In dit behang zijn de omtreklijnen van de motieven met een zachte zilverstift getekend. Dit is een techniek uit de 18de eeuw die veelvuldig werd gebruikt in export-behang en export-zijde, maar die bij het begin van de 19de eeuw volledig verdwijnt (72). Van alle bestudeerde ensembles in Vlaams bezit is dit het enige waar zilverstift werd gebruikt. Opvallend in dit behang is het feit dat voor sommige motieven transparente verf werd gebruikt en voor andere een licht dekkende gouache. Reeds duidelijke 19de-eeuwse elementen zijn het nieuw kleurenpalet voor de rotsen en het voorstellen van verschillende bloemsoorten op één tak. Behangen waarin de vroeg 19de-eeuwse stijl volledig tot ontplooiing is gekomen vinden we in het "Klein Salon" van het Hertogelijk kasteel d'Ursel, te Hingene, en in privé verzamelingen in de omgeving van Antwerpen en Oudenaarde. Het koloriet is helder en vrolijk. De rotsen zijn kleurrijk en gedifferentieerd: ze zijn fel bruin, bruingeel, grijs of blauwgrijs. De behangen zijn geschilderd met een dekkende gouache. De motieven lijken scherper door een gebruik van contrasterende kleuren. Een grote verandering valt op in de behandeling van het mos en de vlinders. In deze behangen — en ook in de latere — werd het mos niet meer met de hand geschilderd maar in verschillende stadia gedrukt: eerst een donker licht transparant groen als fond, daarover
M&L
43
een dekkend heldergroen en daar bovenop de witte accenten. De mossen werden dikwijls diagonaal geplaatst om een grote dieptewerking van de voorgrond te verkrijgen. De vlinders werden hier met brede zwarte omtreks- en binnenlijnen geschilderd. Daardoor werden ze vlak, zwaar en plomp en verloren ze het lichte donzige effect dat ze hadden tijdens de 18de eeuw. Een grote verandering tijdens de 19de eeuw is het toevoegen van bamboe tot de flora. Lange sierlijke bamboestengels worden met de bomen vermengd en reiken tot de bovenrand van het behang (privé verzameling, omgeving van Antwerpen). Wat deze behangen uit het eerste kwart van de 19de eeuw verliezen aan raffinement wordt ruimschoots gecompenseerd door een grote fleurigeheid, levendigheid en kleurrijkheid.
De behangen waarin personages zijn geschilderd verschillen volledig van de 18de-eeuwse voorbeelden (verzameling de Potter d'lndoye, Melle). De taferelen met figuren en de genrestukjes zijn niet meer geïntegreerd in een groot landschapsconcept, maar in de sierlijke tuinen van een herenwoning, soms in een dorpsomgeving. De tuinen zijn rustig en geordend. De grote herenwoningen waren in een stedelijke omgeving geïntegreerd en de grote mooie tuinen met hun rotsen, sierlijke planten, claustra, vijvers en beekjes waren een schuilplaats, maar voor een groot aantal leden van de familie ook een gevang. In de behangen zijn de tuinen afgesloten van de buitenwereld door een scherm van bamboe, bloementakken en bomen met bloemen en vruchten. Net zoals in het "Tuin met bloemen en vogeT'-type zijn tussen de takken vlinders en kleine vogels geschilderd. In het de Poffer-behang Deze vernieuwde versie van het "Tuin met vogels zijn de bloemen, vooral de pioenrozen, nog in de en bloemen"-tj^Q kende in het westen veel bijval IBde-eeuwse transparante stijl geschilderd. en bleef waarschijnlijk doorleven tot in de 40-er en misschien tot in de 50-er jaren van de 19de eeuw. Voor de rest baden de uitvoering en de sfeer volledig in de stijl van de vroege 19de eeuw: levendig en kleurrijk. De gebruikte gouache-verf Om de binnentuin extra aantrekkelijk te maken bouwden de Chinezen op de tuinterrasen claustra. is maar licht dekkend, zodat hier zeker niet van hardheid sprake kan zijn. Opvallend nieuw is de Het waren steeds heel lichte constructies van behandeling van de waterpartijen. De watervlakbamboe. Van een extra mooie soort bamboe ken werden hier niet in een lichte en transparante werden soms heel decoratieve composities groene tot groenblauwe lavis uitgevoerd zoals in gecreëerd met ingewikkelde patronen. de 18de eeuw. Er werden hier watervlakken Rond de bamboetakken liet men klimplanten gemaakt met horizontale lijnen van verschillende groeien. Tijdens de zomeravonden waren het tinten groen, gelegd over een lavis, waardoor het heerlijke frisse plaatsen. Bij hevige zon kregen de contrast met de oevers zeer duidelijk werd. in potten gekweekte planten er de nodige schaduw. Tijdens de aangename uren van de dag werden daar de kooitjes gehangen van de zelfDe gewoonte om de compositie zodanig uit te gekweekte en met liefde gekoesterde vogels. voeren dat een panoramisch effect ontstond wanneer verschillende banen van behang tegen elkaar werden gelegd, wordt vanaf het eerste Een bijzonder aantrekkelijk behang dat bewaard kwart van de 19de eeuw achterwege gelaten. bleef in het empiresalon van het kasteel Ter Takken van bomen en bloemen lopen niet meer Beken, Gent Mariakerke (73) werd beschilderd met een claustrum-decor. Tegen een appelgroene over, er is geen "overvloeiing" meer. Om een panoramisch beeld te verkrijgen werden achtergrond wordt een fraaie en mooi gestyleerde bamboeconstructie afgebeeld. Rond de bamboe slingeren zich veelsoortige bloeiende klimplanten. Het gebruikte bamboe — Ochlanda stridula va. maculata — is van een aantrekkelijk rood gespikkeld type (74). Helemaal boven in het raamwerk hangen manden gevuld met bloemen en vruchten, daaronder vogelkooien van verschillende vorm en type; in de benedenzonde werden prachtige porseleinen potten geschilderd waarin miniatuur boompjes worden gekweekt. Op basis van stijl, koloriet en aangewende verftechniek kan dit behang op het einde van de 30-er jaren van de 19de eeuw worden gesitueerd.
44
Drongen, Kasteel Ter Beken (foto 0. Pauwels)
M&L
alle voorbeelden uit het eerste kwart van de 19de eeuw grondig bijgewerkt. Zoals we zullen zien is dit later niet altijd het geval meer. Bloemen, takken, bladeren, vlinders en vogels werden uit de overblijvende delen geknipt en over de randen van het behang gekleefd om aldus de illusie van een geheel te suggereren. Tegen het einde van het eerste kwart of bij het begin van het derde kwart van de 19de eeuw werden personages van een ander type in het export-behang geïntroduceerd (verzameling Perré, Antwerpen). Hiermee werd een eerste stap gezet naar een nieuw type behang dat de verdere 19de, en tot in de 20ste eeuw zal doorleven. De kledij en de haartooi van de voorgestelde dame is heel verschillend van de figuren die we tot hiertoe aantroffen. Het haar is hoog opgemaakt: een hoge knoet op de kruin en een tweede, laag in de hals. Bloemen en haarspelden versieren het kapsel. De knop van de haarnaald is als een rozet van filigraan. De dame draag het informeel gewaad van de hofdames uit de Qingdynastie (1644-1912) (75). De figuren werden hier als het ware neergezet op de voorgrond van een "Tuin met vogels en bloemen"-iy^t behang. Er is geen compositorische band met de achtergrond. Dit toont duidelijk aan dat we hier te maken hebben met het prille begin van een ontwikkelingsfaze die in de volgende decennia tot volle ontplooiing zal komen. Het concept van dit behang in de nieuwe stijl gaat terug op dit van het de Pofter-behang: een afgesloten tuin, maar zonder enige verwijzing naar een dorps- of
stadsomgeving daarbuiten. In haar studie over Chinees wandbehang noemt F. Wappenschmidt dit type "Chinesische Liliput unter blühenden Baumen", dateert ze het einde 18de eeuw en stelt ze dat het een Chinese interpretatie is van 18de-eeuwse Europese wandbehangen, geschilderd in Chinese stijl. Een Chinese versie dus van een Europese chinoiserie (76). Hiermee kunnen we absoluut niet akkoord gaan. Ten eerste is de stijl van de figuren in de 18deeeuwse Europese chinoiserie gecopieerd op 17deen/of 18de-eeuwse Chinese voorbeelden, figuren die totaal verschillen van deze die hier zijn voorgesteld. De inhoud, de behandeling en de algemene sfeer van deze behangen is zó door en door Chinees dat we haar stelling niet kunnen bijtreden, temeer daar de inspiratiebron van de figuren en de taferelen duidelijk aanwijsbaar is, namelijk het zogenaamd Canton porselein (77). Op het einde van het eerste kwart van de 19de eeuw onderging het Chinese export-porselein een grote stilistische vernieuwing. De porseleinen voorwerpen werden nog steeds geproduceerd in Jingdezhen, maar werden onversierd naar Canton gestuurd. In Canton werden ze dan beschilderd met polychrome emailkleuren. Daar werd op het einde van de jaren 20 van de 19de eeuw een heel eigen stijl gecreëerd: taferelen geïnspireerd op hoftaferelen en paleisscènes bevolkt met personages, uitgedost als hovelingen tijdens hun ontspanning, maar toch waardig en zelfs hautain. In de exportkunst werd er een totaal nieuw beeld opgehangen van China, een beeld van de upperclass en de intellectuelen die een rijkelijk leven leidden en niet moesten werken, maar zich onledig hielden met schilderen, kalligrafiëren, musiceren en feesten. Deze nieuwe, in Canton ontwikkelde stijl, is terug te vinden in verschillende vormen van de Chinese exportkunst van de 19de eeuw, zoals lakwerk, export-schilderkunst op albumbladeren, porselein, wandbehang, enzovoort. In het porselein zijn deze taferelen met hun drukversierde omkadering geschilderd in een zeer kleurrijke combinatie van fel roze, levendige tonaliteiten van groen, geel, blauw, aubergine en grote hoeveelheden goud. Het Canton porselein kent een hoogtepunt vanaf de 60-er en 70-er jaren van de 19de eeuw, maar blijft met veel succes doorleven tot in de 20ste eeuw. Dit porselein werd massaal naar Europa en de Verenigde Staten van Amerika geëxporteerd, waar het enorme bijval kende (en nog steeds kent). De stijl van de figuren, de inhoud van de onderwerpen en vooral het koloriet vinden we terug op het export-behang.
45
de albumbladeren en de waaiers (78). Het is duidelijk dat de in Canton geproduceerde exportkunst een stylistische renaissance beleeft. In Vlaanderen is het Aristocratische familie-type goed vertegenwoordigd. We troffen het aan in Hotel d'Hane Steenhuyse, te Gent, in verschillende privé verzamelingen in de omgeving van Antwerpen en in het kasteel La Follie, te Ecaussines. In al deze behangen vinden we dezelfde compositie, dezelfde thematische inhoud, hetzelfde kleurgebruik en dezelfde verftechniek. Het zijn stuk voor stuk familiale taferelen. We kunnen duidelijk het familiehoofd onderscheiden, omringd door zijn vrouw, concubines, zonen, schoondochter en kleinkinderen: een typische Chinese familie, die in grote harmonie samenleeft; de Confuciaanse ethiek in volle glorie. In veel gevallen zijn daarbij moraliserende tafereeltjes geïllustreerd, met een duidelijke opvoedkundige waarde. Af en toe zien we een boer vruchten komen aanbieden of een venter die bloemen aan de man brengt. In al deze voorbeelden dragen de dames, de heren de de grotere kinderen de informele zijden hofkledij: de Manchu high-society kreeg van overheidswege de toestemming deze gewaden te dragen, wat hen onderscheidde van de Chinezen (79). Kleine kinderen dragen hier wijde broeken en korte jasjes. De kledij van de boeren en de bedienden is dezelfde als deze in de 18de-eeuwse behangen. De compositie heeft een heel scenisch karakter, ze doet denken aan een toneeldecor. De figuren poseren: ze missen een levendige en spontane houding. De behandeling van de personages is stereotiep. De aangezichten zijn alle gelijkaardig en zonder uitdrukking. In de Chinese schilderkunst treft men geen portretten aan zoals wij ons die voorstellen. Er is nergens fysische gelijkenis te bespeuren. De Chinese portretschilder is nooit geïnteresseerd geweest in het lichamelijke aspect van de mens. Een goed portret reveleert aan de hand van een krachtig en levendig lijnenspel de persoonlijke en geestelijke kwaliteiten van de geportretteerde. Dit heeft voor gevolg dat alleen een groot kunstenaar de persoonlijkheid en de ziel van een mens kan visualiseren. Hier, in de exportbehangen, zijn de schilders "jiang" handwerklieden, en kunnen we van hen niet verwachten dat zij in de serieproducten die de exportbehangen waren dit hoge niveau zouden bereiken. Wel proberen zij door een gesloten en strenge uitdrukking de voornaamheid en waardigheid die de stand van de personages vereist te suggereren. Maar door een tekort aan artistiek genie bij de
schilder werden de aangezichten stereotiep en maskerachtig. In alle ensembles is de tekenstijl schematisch en dikwijls nonchalant. De brede grijze omtreklijnen en accenten verzwaren nutteloos de vormen. Typerend voor dit type behang zijn de zware zwarte omtreklijnen, een duidelijke reminescentie aan het Canton porselein. Overal is het koloriet intens en de gouache verf zeer dekkend. Het perspectief is meer Chinees dan Westers. Modelé en schaduwwerking werden steeds toegepast, maar dikwijls verstoord door de zware contour- en binnenlijnen. Realisme blijft beperkt door de inhoud van de taferelen. Meestal werd het water aangeduid door horizontale strepen over lavis (Hotel d'Hane Steenhuyse, Gent) soms ook door golvende lijnen over een lichte lavis {La Follie, Ecaussines). In alle bestudeerde voorbeelden is de compositie repetitief: een voorgrond met scenisch opgestelde figuren, tegen een achtergrond van paviljoenen en tuinen, afgesloten door een scherm van planten. Net zoals in de export-behangen van het eerste kwart van de 19de eeuw is in de bovenzone geen "overvloeiing". Maar nu krijgen we ook voorbeelden waarin de benedenzone niet altijd sluitend werd geconcipieerd (Hotel d'Hane Steenhuyse, Gent; La Follie, Ecaussines), De decorateur die het behang plaatste moest veel snij- en plakwerk uitvoeren om tot een aanvaardbaar geheel te komen, wat vrij goed lukte in Hotel d'Hane Steenhuyse, te Gent. In het behang te Ecaussines is het nog te zien dat de verschillende banen waren genummerd, met Chinese cijfers. Bij een groot deel van dit ensemble heeft de decorateur de verschillende banen door elkaar gehaald en moest hij bijgevolg heksentoeren uithalen om tot een geheel te komen. Daardoor werd weliswaar het thematisch verloop verstoord. Bij dit type behangen is dit echter niet verwonderlijk. De scenische opstelling van de figuren en de grote gelijkheid van de verschillende taferelen heeft dit in de hand gewerkt. Bijgevolg was het plaatsen van zo'n behang voor een Westers decorateur een bijzonder moeilijke opgave, die hij — en dit moeten we toch benadrukken — meestal tot een zeer goed einde bracht. Een exacte datering binnen deze groepen is met de huidige stand van kennis vrijwel onmogelijk. We weten dat dit type tijdens de 30-er en 40-er jaren van de 19de eeuw tot ontplooiing kwam. Dit is echter een periode van grote politieke crisis in China en vooral in Canton. De handel hervatte heel vlug, maar er was wel een verminderde interesse voor Chinese exportgoederen.
M&L
Vanaf de latere 60-er en vooral 70-er jaren van de 19de eeuw ontstond een nieuwe furore voor Chinese decoratieve kunsten (80). Een diepgaande studie van de Europese en Amerikaanse import is noodzakelijk om hierin een beter inzicht te krijgen. In de fototheek van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium worden fotografische opnamen bewaard van een bijzonder interessant Chinees export-behang (81). Het behoort tot het hier zopas besproken type, maar met een opvallend nieuw element. De achtergrond bestaat hier uit enkele rotsen en een scherm van met witte verf geschilderde bamboe en kleurrijke bloementakken. De herenwoning met paviljoenen en tuinen is compleet verdwenen. Deze nieuwe achtergronddecoratie vinden we terug in behangen van het "Tuin met vogels en bloemen"-iy^t, die tijdens de tweede helft van de 19de eeuw werden geplaatst. Is het Heyndrickx-Duonel-hehang, een type waarin met de witte bamboe-achtergrond werd geëxperimenteerd, of is het een late versie van het "Aristocratische"-type dat geïntegreerd werd in een reeds tot ontplooiing gekomen nieuw genre van "Tuin met vogels en bloemen"! De verschillende ensembles van het "Tuin met vogels en bloemen"-type met lange witte bamboestengels die we konden bestuderen hebben een gekleurde achtergrond: belroze {"Groot Salon", Hertogelijk Kasteel d'Ursel, te Hingene), licht geelgroen (privé verzameling, omgeving van Deinze), groen (verschillende privé verzamelingen, Brussel). Deze behangen zijn zeer aantrekkelijk en kleurrijk en hebben een grote decoratieve waarde. De artistiek-technische behandeling is vergelijkbaar met de behangen van het eerste kwart van de 19de eeuw: gebruik van een dekkende gouache verf, zware en plompe vlinders, gedrukte mospartijen. De beschildering is over het algemeen zeer fraai, met aandacht voor het detail. De vogels zijn in de meeste gevallen zeer mooi en kleurrijk. Alle aandacht wordt getrokken door de witte bamboestengels. Er is geen dieptewerking. Daardoor, alsmede door een gering modelé, door de achtergrondkleuren en door het gordijn witte bamboestengels heeft het behang het effect van een wandtapijt: de wand lijkt afgesloten. De situering van dit zeer gestyleerde type van "Tuin met vogels en bloemen"-behang wordt bevestigd door de laboratoriumanalyse uitgevoerd op het ensemble van Hingene. Daaruit blijkt dat het Chinees behang bij de plaatsing gekleefd werd op een Westerse papiersoort die na 1867 in circulatie kwam (82). We weten ook dat het behang in de privé-verzameling in de omgeving
van Deinze pas in de jaren '60 of '70 van de 19de eeuw werd aangebracht... Een aantal van deze papieren en andere van het "Aristocratische familie"-Xy\)t werden niet op een raamwerk met jute gemonteerd, maar dadelijk op de muur. Verder onderzoek kan uitwijzen in hoeverre dit een dateringscriterium kan zijn. Tot slot mag worden gesteld dat het Chinees wandbehand door zijn grote decoratieve impact, meer dan enige andere vorm van Chinese exportkunst, tot op heden zijn belangrijke plaats behield in het interieur. Oude ensembles worden in nieuwe binnenhuisontwerpen geïntegreerd; maar tevens zijn zij een dankbare inspiratiebron voor ontwerpers van behang en woningtextiel.
VOETNOTEN (1) (2) (3)
(4) (5) (6) (7)
(8) (9)
(10)
(11) (12)
(13) (14)
(15) (16) (17)
Lunsingh-Scheurleer D.F., Chme de Commande, Hilversum, 1966, p. 16. Vollmer John E., Keall E.J., Nagai-Berthrong E.. 5/tt Roads - China Ships. Toronto (Ontario), 1986. Lightbown R.W., Oriental Art and the Orient in Late Renaissance and Baroque Italy, in Journal of the Warbourg and Courtauld Institutes, London. 1969, vol. 32, p. 228-279. Medley M., The Chinese Potter, Oxford, 1976, p. 226. Le Comte L. sj., Nouveaux Mémoires sur l'Etat présent de la Chine, Paris. 1696, 3 vol., vol. 2, p. 160. Chambers Sir W., Designs of Chinese Buildings, London, 1757 (Facsimile herdruk, 1969, Farnborough), p. 9. du Halde J.B. sj.. Description géographique, historique, chronologique, politique et physique de I'Empire de la Chine et de la Tartaric Chinoise, Paris, 1735, 4 vol., vol. II, p. 241. Fortune R., Residence among the Chinese inland, London, 1857, p. 75-76. Holzwarth G., Kaiserliche Zeremomell und Festlichkeiten, in Palastmuseum Peking Schatze aus der Verbotenen Stadt (Tentoonstellingscatalogus Museum für Völkerkunde, Wien & Berliner Festspiele, Insel Verlag Frankfurt a/Main, 1985. p. 136. Gonzales de Mendoza J., Historia de las cosas mas notables, rites y costumhres del Gran Reyno de la China, Roma, 1585, in vertaling van Robert Parke, 1 januari 1589, opgenomen in Stounton G.T., The Historic of the Mightie Kingdom of China ... Hakluyt Society, London, 1853-1854, vol. I, p. 32. Havard H.. Dictionnaire de TAmeublement, Paris, 1890, 4 vol., Vol. I, p. 807. Inventaire General du Mobilier de la Couronne sous Louis A7V (1663-1715, Paris 1886, 2 vol., vol. II, p. 375 - année 1687, n 1325. Havard H., op. cit., vol. IX, p. 218 (8 mei 1679). de Beer E.S. (ed.), The Diary of John Evelyn, Oxford 1955, 6 vol., vol. 5, p. 147 (beschrijving van Whitehall op 17 juli 1693). Havard H., op. cit., vol. IV, p. 64. Macky J., A Journey Through England, London, 1724 (4de uitgave) 4 vol., vol. I. p. 2 (beschrijving van 1714 over het Chinees wandbehang te Wanstead). Voor algemene informatie over Canton en de verschillende Oost-Indische Compagnies: zie o.a.: Morse H.B., The Chronicles of the East India Company Trading to China. Oxford 1926-1929,5 vol.; Vollmer E., e.a., 5(7A: Roads-China Ships. Toronto (Ontario) 1986; Europa und die Kaiser von China, Berliner Festspiele (tentoonstellingscatalogus), Berlin, 1985.
47
(18) Debisscop N., Chinese exporlceramiek (12de-16de eeuw). (Tentoonstellingscatalogus ....) Brussel, 1988. p. 6-7. (19) In verband met de invloed van de jezuïeten, zie onder andere: Etiemble, L'Europe chinoise, Paris 1988, 2 vol.; Europa und die Kaiser von China, op cit.; Reichwein A., China und Europa, Berlin, 1923. (20) Loehr G., Peking-Jesuit Missionnary artist drawings sent to Paris in the 18th. C. in Gazette des Beaux Arts, Paris, 1962, deel II, p. 419-425. (21) Loehr G., Guiseppe Castiglione, Roma, 1940. (22) Literatuur in verband met Chinees wandbehang. zie onder andere: JourdainM. &IenynsR.S., Chinese Export Art in the eighteenth Century, London-New York, 1950, Oman C.C. & Hamilton J., Wallpapers. A History and illustrated Catalogue of the Collection in the Victoria and Albert Museum, London, 1982; Wappenschmidt F., Chinesische Tapeten für Europa, Berlin, 1989. (23) Livre-Journal de Lazare Duvaux, Marchand-Bijoutier Ordinaire du Roy: 1748-1758. Uitgegeven door L. Courajod. 2 vol. Paris, 1873. (24) Parmentier J.. "Oostendse" Zeelui en Supercargo's in Dienst van de Deense Aziatische Compagnie (1730-1747). in Mededelingen van de Maritieme Academie, Antwerpen 1983-1984-1985. Boek XXVII, p. 1-19. (25) Stadsarchief Gent, Familiearchief d'Hane-Steenhuyse. (26) Parmentier J. op. cit., p. 1. (27) Ibidem, p. 13. (28) Mededeling van historicus Jan Parmentier. (29) Debisscop N., Het Oude China, in China. Cultuur Vroeger en Nu, (Tentoonstellingscatalogus, Gent 1979, p. 56-57. (30) Barnhart R., Introductie tot Deities, Emperors, Ladies and Literati: Figure Painting of the Ming and Qmgdynasties (Tentoonstellingscatalogus), Birmingham (Alabama),1987, p. 9. (31) Liao Ping (ed). The Yongle Palace Murals, Beijning 1985. (32) Whitfield R., BUder am Hof der Ming-Dynastie, in Palast Museum Schatze, op. cit., p.70. (33) Hyland A.R.M., Figure Painting of the Ming and Qing Dynasties, op. cit., p. 13. (34) Whitfield R., op. cit., p. 70-89. (35) Chine. Trésors et Splendeurs, (tentoonstellingscatalogus) Montreal, 1986, p. 151. (36) Debisscop N., op cit., p. 106. (37) WhitfieldR..op. cit.,p. 80. (38) Medley M.. Lacquered Furniture, in Colloquies on Art & Archaeology in Asia, n 11, P. David Foundation of Chinese Art, School of Oriental and African Studies, University of London, London 1987, p. 73. (39) Debisscop N, & De Kesel W.G., Chinees Lakwerk, Zutphen 1984, p. 105. (40) Kohara H., Hofmalerei der Qing-Dynastie, in Palast Museum Schatze. op. cit., p. 90. (41) Holzwarth G., op. cit., p. 136. (42) Diesinger G., Holmaler der Qingzeit, in Palast Museum Schatze, op. cit., p. 228. (43) Hozwarth G., op. cit., p. 136-137. (44) KoharaH.,op. cit.,p. 92. (45) Gillingham M., Chinese Painted Enamels, Oxford 1978, p. 5. (46) Kohara H., op. cit., p. 92. (47) Loehr G., op. cit., p. 421; Chine, Montreal, 1986, op. cit., p. 165. (48) du Halde, op. cit., vol. II. p. 239-240. (49) Ibidem, vol. II, p. 242-243. (50) Roynal G.Th.F., Histoire philosophique et politique des établissements et du commerce des Européens dans les deux Indes, Amsterdam, 1770, 6 vol., vol. II, p. 239. (51) Liénardy A., Analyse de papiers peints de Hingene et de Tervueren. Niet gepubliceerd artikel. Met dank aan Mevrouw M. Manderyck die zo vriendelijk was mij dit artikel ter hand te stellen.
(52) zie hiervoor voetnoot 57. (53) Liénardy A., op. cit. (54) van Gulik R.H., Chinese Pictorial Art as viewed by the Connoisseur, Roma 1958, p. 367. (55) Clunas C , Chinese Export Watercolours. London (Victoria and Albert Museum. Far Eastern Series) 1984. p. 76. (56) Dossier ref. 2L/35/302442/RL/DG DI: 1114 Museum Vander Haeghen, Gent: Chinese Wandbekleding. (57) Brief van Missionaris Cibot aan Minister Bertin, in Breton de la Martinière H., La Chine en Miniature, ou choir des costumes, arts et métiers de cet Empire, Paris 1811, 6 vol., vol. VI, p. 3-5. (58) Sze M.M., The Tao op Painting, New York, 2 vol., "Chieh Tzu Yuan Hua Chuan", vol. II, p. 46-47. (59) Kerr R., Chinese Ceramics, London (Victoria and Albert Museum - Far Eastern Series) 1986, p. 37-38. (60) Craig C , op. dt., p. 81. (61) Ibidem, p. 71. (62) Livre Journal de Lazare Duvaux, op. cit., vol. II, p. 126, 16 juin 1752 n 1150. (63) Ibidem, vol. II, p. 18, 4 avril 1949 - n 182. (64) Lubberhuizen-Van Gelder A.M., Chineesche geschilderde behangsels, Oud Holland, Amsterdam, 58, 1941, p. 23-32, p. 25.36 (65) Havard H., op. cit., vol. IV, p. 60: Annonces, Affiches et Arts Divers du 15 juillet 1779. (66) Livre-Journal de Lazare Duvaux, op. cit., vol. II, p. 2, 26 septembre 1748 - n 8. (67) Daem M., Het Chinees Salon in het Hotel d'Hane-Steenhuyse te Gent, in De Woonstede door de eeuwen heen, nr. 82,1989, p. 23-26. p. 25. (68) Raynal, op. cit., vol. II, p. 239. (69) Dagregister van het kantoor Canton, Canton Archief n 313, opgenomen in Lubberhuizen-Van Gelder A.M., op. cit., p. 31-32. (70) Penjing = "scene in een pot", assemblage van een kleine rots en miniatuurplanten in een pot. Met als symbolische betekenis: het is een cosmologisch schema van rots, water en flora. De "penjing" kwamen tot ontwikkeling in de periode tussen de Han (206 voor Christus - en 220 na Christus) en de Tangdynastie (618-906). Ledderose L., The Eartly Paradise: Religious Elements in Landscape Art, in Bush S. & Murck C., Theories of the Arts of China, Princeton 1983, p. 174-178. (71) Zie illustraties van de schilderijen van Oiu Ying: IV en Wei Jujing nr. 20 in Deities, Emperors, Ladies and Literarati, op. cit. (72) Zie voetnoot 61. (73) Meirsonne A. & Baillieul B., Gentse Kastelen, Gent 1990, p. 20-21. (74) Marden L..Bfl«7feoo, the giant grass,'mNational Geographic, Washington, vol. 158, nr. 4, oct. 1980. p. 520-521. (75) "Informele gewaden" in De Verboden Stad (tentoonstellingscatalogus Museum Bovmans-van Beuningen), Rotterdam 1990, p. 189-203. (76) Wappenschmidt F.. Chinesische Tapeten für Europa, Berlin 1989, p. 64-66. (77) Feller Dr. J.O., The Canton Familie Rose Porcelains, Chinese Export Porcelain in the 19th. Century, Salem, 1982. (78) Craig C , op. cit.. vb. pi. 36 en 41. en Irons J., Fans of Imperial China. Hong Kong 1980. (79) Vollmer I.E.. In the presence of the Dragon Throne, Toronto (Ontario) 1977, p. 79. (80) Kerr. R., Traditional and Conservative styles in the Ceramic Art of China, in Style in the East Asian Tradition, Colloquies on Art & Archaeology in Asia, 14, University of London, School of Oriental and African Studies, London, 1987, p. 169-181, p. 173. (81) ACL 64255B, 64256B, 64257B, 64358B, 64269B. Het gaat hier om vijf panelen uit Hotel Heyndnckx-Duonel. We konden deze woning noch het behang vooralsnog lokalizeren. (82) Liénardy A., op. cit.
48
M&L
HET KASTEEL D'URSEL TE HINGENE. CLASSICISME IN DE 1 8DE EN VROEGE 19DE EEUW. MADELEINE
MANDERYCK
Het groot Chinees salon met wandbespanning waarop handgeschilderd chinees papier op roze fond (foto O, Pauwels)
Tussen Temse en Rupelmonde, op de
duyven, borneputte ende weerdrivers
rechteroever van de Schelde ligt de
binnenhuys, hebbende een neerhof
dorpskern van Hingene, te midden van
met een pachter wooninghe, backhuys,
polders, moerassen, schorren en dijken.
stallingen met groote schoone schuere,
Kerk en kasteel vormen er het centrum.
twee groote schone boomgaerten vol
Reeds vanaf de vroege middeleeuwen
fruytbomen" (1). Trapgevels met toren-
wordt het kasteel vermeld als een
tjes en krulsvensters in traditionele stijl
belangrijk verblijf. Zo werd het domein
bepaalden het uitzicht van dit kasteel
in het jaar 1600 beschreven als:
met een nog middeleeuws karakter.
"eene groote schone huysinghe van
In de 17de eeuw kwam het domein in
plaisancie rontomme bewatert met een
bezit van de grafelijke familie d'Ursel,
groote waeter ende optreckende brug-
die kasteel en park gedurende de 18de
ge, ..., eenen groeten steenen toren
en 19de eeuw omvormden tot een
met diversche verdiepinghen ende
gerlefelijke residentie met voornaam
daeroppe een schoone vieuge van
karakter.
M&L
Zij- en achtergevels, in kern 16de-en 17de-eeuws (cfr gevelankers) kregen zij in de 18de eeuw classicistische lijstgevels Toestond 1977 vóór restauratie (foto BML)
49
DE LAATSTE DECENNIA VAN HET ANCIEN REGIME De ideeën van de Verlichting bepaalden de laatste decennia van het Ancien Régime. Men verwachtte met de menselijke rede alles te vatten en te ordenen. Revolutionaire gedachten leidden uiteindelijk tot een nieuwe maatschappelijke orde. De adel, waaronder de vooraanstaande familie d'Ursel, bleef ook in die revolutionaire jaren een belangrijke rol spelen. Zo werd Charles, tweede hertog d'Ursel (1717-1775) militair Gouverneur van Brussel; zijn zoon Wolfgang-Guillaume (1750-1804) werd op korte tijd Minister van Oorlog van de Verenigde Belgische Provincies benoemd en nam aan de zijde van de Vonckisten deel aan de omwentelingen; zijn opvolger CharlesJoseph (1777-1861) was Burgemeester van Brussel onder Napoleon, Minister van Waterstaat onder Willem I en senator in het nieuwe koninkrijk België. Trouw aan de familiale tradities, maar tevens beïnvloed door de nieuwe ideeën van de Verlichting spendeerden zij, als "homme du monde, éclairépar les arts" hun hele vermogen aan het verbouwen en inrichten van het familiedomein te Hingene.
DE PLANNEN VAN RIDDER SERVANDONI
De vestibule met toegang naar het corps de logis, mogelijk ook naar ontwerp van G Servandoni, Opname tijdens de werken onder leiding van archtect D, Depoorter in 1989, waarbij het oorspronkelijk vlak stucplafond vervangen werd door een hedendaagse constructie (foto O Pouwels)
De grote verbouwingswerken aan het oude kasteel namen een aanvang in 1761 (2). De bestaande hoektorens werden toen verlaagd om ze te integreren in een geheel nieuwe voorgevel. Het gevelconcept was geïnspireerd op Palladiaanse voorbeelden en opgebouwd volgens de regels van het classicisme: een symmetrische aanleg met centraal een inspringende, gebogen inkompartij, een strakke gevelbepleistering en een bekronende ballustrade. De Italiaanse architect Giovanni Nicolano Servandoni (1695-1766) (3) tekende verschillende ontwerpen voor de nieuwe aanleg. Niet alleen het kasteel zelf, maar de hele site betrok hij in de planning. De aanleg begon bij het straathekken, ontworpen met hoge smeedijzeren hekdeuren tussen twee hoekpaviljoentjes; via een formele parkaanleg en een ruime voorkoer afgezet met dienstgebouwen zou een brug toegang geven tot een halfrond bordes voor de kasteelingang. Op die manier was de nieuwe voorgevel bedoeld als visueel eindpunt van een totaal-aanleg van de hele kasteelomgeving. Men realiseerde uiteindelijk enkel de verbou-
'M :"
wingswerken aan het kasteel zelf met de brug, zodat het theatraal effect van de kasteelgevel thans wat geïsoleerd van zijn omgeving blijft. Ook de andere gevels van het oude kasteel kregen in die periode een nieuw uitzicht. In plaats van de oude kruisramen kwamen eenvoudige rechthoekige vensters zonder versiering, af te sluiten met luiken. De oude gevels in bak- en zandsteen met trapgevelelementen en torentjes kregen uniforme lijstgevels afgewerkt met een strakke,
50
M&L
Plattegrond gelijkvloers en eerste verdieping.
'Chambre en niche" op de eerste verdieping Wandbetimmemg, schouw, plankenvloer en stucplafond tonen een gaaf 18de-eeuws concept De decoratieve vormentaal leunt aan bij de late Lodewijk XV-stijl (foto O Pauwels)
1e VERDIEPING
onversierde bepleistering. Over de oorspronkelijke kleurgeving van deze classicistische gevels zijn ons geen gegevens bekend vermits de oude bepleistering in het verleden volledig vernieuwd werd. Bij de gevelrestauratie in 1981 kreeg het kasteel een licht-roze kleur met grijs voor dorpels en omlijstingen (4).
OVER DE "DISTRIBUTIE"Of 'VERDEELING' VAN HET INTERIEUR.
In zijn Grondregelen der Bouw-kunde, uitgegeven in de 18de eeuw te Gent, verdeelt Pieter Van Reyschoot de bouwkunst in drie takken: de constructie {het zamenstel), de decoratie {de verciering) en de distributie {de verdeeling). Van Reyschoot nam in feite de bekende Cours d'architecture van de Franse architect Jacques Franfois Blondel uit 1771 over en speelde hiermee in op de groeiende interesse hier te lande voor de vernieuwende Franse wooncultuur. Een aangenamere levenstijl werd betracht door meer comfort en intimiteit in de woning te brengen. "Nécessité" (de functionaliteit), "Commodité" (het comfort) en "bienséance" (het toepassen van architecturale regels met respect voor de goede smaak) waren hierbij sleutelbegrippen. Voor het eerst werd de organisatie van de binnenindeling van een woning het uitgangspunt voor het architecturaal ontwerp. Bij de schikking en opeenvolging van de verschillende kamers werd er immers een ruimtelijke beleving van de binnenarchitectuur betracht, gekoppeld aan een geriefelijke functionaliteit (5). Deze nieuwe tendenzen lagen ook aan de basis van het nieuwe interieur dat de familie d'Ursel realiseerde te Hingene. De principes van Blondel werden haast letterlijk toegepast voor de nieuwe planindeling van het kasteel.
M&L
Achter de wandbetimmering is een tekening op de bepleistering zichtbaar, mogelijk een ontwerp voor stucdecoratie, In de schouw de bewaarde gietijzeren haard (foto 0. Pauwels)
De trap met gesmeed ijzeren leuning, vrij bescheiden van schaal, vermrts vooral het gelijkvloers een representatieve functie had (foto B M L)
51
Zo schikte men de representatieve ruimten voor ontvangst als een "corps de logis" in de middenas van het kasteel, evenwijdig aan de voorgevel, toeganklijk langs een centraal opgestelde vestibule. Deze ruimten namen de hele achtervleugel in van het kasteel, met centraal een grote anti-chambre of ontvangstkamer met spiegelwanden en balkon op de kasteelvijver. Rechts van de anti-chambre werd een groot salon ingericht met een luxueuze wandbespanning, bekleed met handgeschilderd Chinees papier in overwegend roze tinten. Het verleende het interieur een exotisch rafinnement. Links van de anti-chambre werd een "appartement de parade" ingericht. Zoals in de voorbeelden van Blondel bestond zo een appartement steeds uit een drietal vertrekken: een kleine anti-chambre of ontvangstkamer, die occasioneel ook dienstig kon zijn voor ander gebruik (bijvoorbeeld kon er tijdelijk een tafel geplaatst worden als eetkamer), vervolgens een kabinet als werk- of studievertrek en tenslotte een ruimere kamer met alkoof of bednis, de "chambre en niche", gebruikt als verblijf- en belangrijke ontvangstruimte. Naast de alkoof werden de kleine restruimten steeds ingericht als geriefelijke garderobes, uitzonderlijk voorzien van een toilet. Vermits dit 'appartement' een ontvangstfunctie had, kreeg het een schikking in "enfilade" zodat de drie kamers onderling in verbinding stonden via hoge dubbele deuren, visueel in eikaars verlengde geplaatst. Zo konden de kamers zowel apart als dooreenlopend gebruikt worden. Het representatief karakter van deze interieurs werd nog versterkt door de luxueuze wandbekleding van het kleine kabinet, met een kamerhoog Chinees behang op blauwe fond. Ook de rechtervleugel van het kasteel werd opgebouwd als een "enfilade", een opeenvolging van enkele representatieve ruimten, die langs hoge dubbele deuren met elkaar en met het groot Chinees salon in verbinding stonden. Een bibliotheek en een salon, eveneens voorzien van een anti-chambre, volgden hier elkaar op. Op de verdieping werden de eigenlijke verblijfsruimten ingericht. Het waren de "appartements de commodité". In tegenstelling tot het representatief karakter van het gelijkvloers werd er hier eerder een luxueuze geriefelijkheid beoogd. Een twintigtal appartementen waren verspreid over twee verdiepingen en hadden een ingenieuze indeling met alkoven, garderobes en anti-chambres. Elk appartement kon afzonderlijk bereikt worden via logisch aangelegde 'degagementen', bestaande uit gangen en trappen.
OVER DE "DECORATIE" OF DE "VERCIERING" De nieuwe binnenindeling van het kasteel, waarbij zoals gezegd, werd uitgegaan van de ruimtelijke
52
M&L
meestal uitgewerkt als een sokkellambrizering, waarboven wanddoeken, vastgezet op spieramen en afgedekt met geprofileerde latjes. Overeenkomstig de smaak en de mode van de tijd werd er zelfs in twee kamers een kostbaar, met de hand veelkleurig beschilderd Chinees papier aangebracht. De decoratie met vogels, bloemenen plantmotieven op een roze en op een blauwe achtergrond had een bijzonder verfijnd karakter. De beide behangsels, op doek gemaroefleerd, bleven hier bewaard en verlenen het 18de-eeuws interieur een bijzondere waarde en prestige (6). De overige wandbespanningen en behangsels werden waarschijnlijk in het laatste kwart van de 19de eeuw en recenter vernieuwd, overeenkomstig een opschrift op de verdieping (7). Toen werd er in de meeste kamers gekozen voor een bedrukt Indisch katoen. Uitgespaard in de wandbetimmeringen waren er in heel wat kamers ook supraporta's aangebracht. Zestien waren uitgewerkt als chinoiserieën, op papier geschilderd en op doek gemaroefleerd. De lage marmeren schouwen kregen een eenvoudig, maar bijzonder verfijnd snijwerk, vaak nog in Lodewijk XV-stijl. Erboven, voor het schouwlijf, liep de wandbetimmering meestal door, veelal opgesmukt met een spiegel of schouwstuk. Alle plafonds werden afgewerkt met stucwerk met getrokken, omlopende lijsten, waarvan de brede kooflijsten het beloop van wanden, schouwen en alkoven volgde, terwijl de verdeling in vakken Salon gelijkvloers, sopraporte met Chinese prent (foto 0. Pauwels)
• • De voorgevel van het kasteel d'Ursel te Hingene
Klem kabinet, deel van het "appartement de parade", gelijkvloers Kamerhoge wandbespanning met Chinees papier op blauwe fond (foto 0. Pauwels)
schikking en de functionaliteit van de verschillende ruimten, kreeg vervolgens een volledig nieuwe interieuraankleding, eveneens volgens de vernieuwde inzichten van de Franse interieurkunst. Hierbij werden de inrichting en decoratie van de interieurs aanzien als een totaal-concept. De bevloeringen, de wandbetimmeringen, de schouwen, het schrijnwerk van deuren,alkoven, ramen en kasten en het stucwerk van de plafonds vormden één decoratief en architecturaal ontwerp. De decoratieve vormentaal evolueerde van de late Lodewijk XV-stijl naar het meer sobere classicisme, gekenmerkt door de spaarzame decoratie. Er onstond bij dit interieur evenwel een bijzonder harmonieus ensemble, dat tot vandaag haast ongewijzigd bewaard gebleven is. De voor de tijd gebruikelijke materialen werden voor de interieurafwerking toegepast. Marmervloeren en parketten werden aangelegd in de ruimten met representatief karakter. Voor het overige waren het plankenvloeren van naaldhout, eventueel bekleed met tapijten. Haast alle kamers werden uitgerust met een volledige wandbetimmering van geschilderd hout,
•
i.lW
54
M&L
ELEMENTEN VAN DATERING EN TOESCHRIJVING
Fragment van het oorspronkelijk 18de-eeuws wandbehang. Het papier was in collage op doek gekleefd en vormde een sopraporte op de eerste verdieping (foto BML)
De gesigneerde en gedateerde ontwerpen van architect G.N. Servandoni, samen met de domaniale rekeningen bewaard in het fonds d'Ursel te Brussel (8) tonen aan, zoals hoger reeds vermeld, dat er tussen 1756 en 1769 belangrijke bouwwerken plaatsvonden te Hingene. De nieuwe voorgevel met theatrale allure zou op naam van Servandoni kunnen geschreven worden. In hoeverre deze ook betrokken was bij het inrichten van het interieur van het kasteel is evenwel zeer de vraag. De grootse allure van de vestibule, opgevat als een omlopende colonnade, sluit ongetwijfeld nauw aan bij het gevelconcept van Servandoni. Er kan bovendien een zekere verwantschap onderkend worden met zijn ontwerpen voor theaterdecors. De overige interieurs, zowel van het "corps de logis" als van de zijvleugels, ademen evenwel een heel andere sfeer van soberheid en strikt classicisme. Ze kwamen ons inziens pas op het einde van de 18de en in de eerste decennia van de 19de eeuw tot stand. De financiële problemen van de familie en de moeilijke revolutionaire tijden spreidden de inrichtingswerken waarschijnlijk over een langere periode. Dit vermoeden wordt bevestigd door een aantal vaststellingen. Zo troffen wij bij een eerste onderzoek van de domaniale rekeningen uit de latere periode onder meer de rekening aan voor de marmerbevloering in de vestibule en de eetzaal (de grote centraal gelegen "anti-chambre", die ondertussen blijkbaar een meer permanente functie als eetkamer gekregen had), dit in 1796 (9). Het is ook in diezelfde jaren dat hertog WolfgangGuillaume het prachtige paviljoen "aen de Noteleir" laat bouwen door de bekende architect August Payen (1749-1798), die samen met Louis-Joseph Montoyer enkele jaren voordien het paleis van Laken had ingericht (10).
werd aangegeven door de oude, uitgepleisterde moerbalken. Samenvattend kan besloten worden dat het geheel van het interieur van het kasteel, met het accent op het gelijkvloers en de eerste verdieping, een zeer waardevol voorbeeld is van de 18de- en vroeg 19de-eeuwse wooncultuur en architecturale decoratie, als ensemble bewaard gebleven.
Dat Payen ook betrokken zou geweest zijn bij de inrichting van het interieur van het kasteel te Hingene blijft evenwel slechts een veronderstelling, die nog verder dient bevestigd te worden. Ook de door Nicole Debisscop voorgestelde datering in de vroege 19de eeuw van het Chinees wandbehang op blauwe fond, bewaard in het kleine kabinet van het gelijkvloers appartement, kan aansluiten bij de latere datering van de interieurs (11). Kortom, het verder onderzoek van de bewaarde interieurs en een grondiger studie van het
M&L
55
Paviljoen 'aen de Noteleir" gebouwd circa 1796 naar ontwerp van arch. A, Payen. Het classicisme als voorbode van romantiek, (foto O. Pauweis)
omvangrijk familiearchief, het fonds d'Ursel, bewaard in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, zal zeker nog talrijke nieuwe gegevens kunnen opleveren in verband met de geschiedenis van dit bijzonder merkwaardig en waardevol kasteel.
(6)
VOETNOTEN (1) Mees L., Geschiedenis der gemeente Hingene, s.L, 1893. d'Ursel B. en Lemaigre G., Hingene, in De woonstede door de eeuwen heen, 1981. nr 51, p. 44-65. Arren P., Van kasteel naar kasteel, deel 1 Kasteel d'Ursel te Hingene. Kapellen, 1985. Algemeen Rijksarchief te Brussel. Privaat archief familie d'Ursel. Met dank aan de familie voor de vriendelijke toestemming tot raadpleging. (2) d'Ursel B., o.c., p.56. De bevindingen van de auteur zijn gebaseerd op de domaniale rekeningen uit die periode en op een aantal bewaarde ontwerpen voor de verbouwing van het kasteel. (3) Omtrent de werkzaamheden van deze Italiaanse architect, die tevens ontwerper was van theaterdecors en feestdecoraties zie: Saintenoy P., Servandoni, sa vie et son séjour en Belgique, in Bulletin de la Sociéte Royale d'archéologie de Bruxelles, jg. 29, 1920, p. 41-60. Voor het kasteel van Hingene zijn er enkele ontwerpen bewaard door hem gesigneerd en gedateerd 1762, waarop de toeschrijving van de nieuwe kasteelgevel gebaseerd is. (4) Belangrijke buitenrestauratiewerken werden uitgevoerd in 1984-1985 onder leiding van het architectenbureau D. & C. Van Impe en Partners (Gent). (5) In verband met de geschiedenis van het I8de-eeuws interieur verwijzen wij graag naar de recente publikatie van Van Cleven
(7) (8) (9)
(10)
(11)
J., Tot Commoditeyt ende cieraet, in Een remarquabel ambellissement. Gentse wooncultuur in Mozarts tijd. Gent, 1991. De auteur schetst op een levendige manier een beeld van de vernieuwde wooncultuur in de 18de eeuw en geeft een goede synthese van de stand van het onderzoek in dat verband. Voor nadere gegevens en bibliografie omtrent de Chinese wangbehangsels in het algemeen en omtrent deze bewaard te Hingene, verwijzen we naar het artikel van N. Debisscop in dit tijdschrift. De afmetingen van de papiervellen zijn de volgende: het papier met roze achtergrond: 119,5 cm x 60 cm; het papier met blauwe achtergrond: 121 cm x 61,5 cm. De papiervellen met roze achtergrond werden gewoon naast elkaar gekleefd op doek met ertussen andere soorten papier. De vellen met de blauwe achtergrond werden op vele plaatsen verknipt zodat de verticale naden niet over de tekeningen verlopen, en er een meer uniform effect bekomen werd. Een analyse van het papier gebeurde door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel in 1986. Mevrouw A. Lienardy, verbonden aan voormeld Instituut, was zo vriendelijk ons haar artikel Analyse de papiers peints de Hingene et de Tervueren. dat nog niet gepubliceerd is, mede te delen, waarvoor onze dank. "Tapisserie par J. Huygelen etfils Benoit 1876". Zie voetnoten I en 3. Rekening 1796, A.R. fonds d' Ursel, Rgf. 104 folio 28. onder nummer 77: "paié a J.B. Du Bols maitre tailleur de pierres a Termonde 3872 fl. pour pierres et carraux du marbre fait et livré au chateau de hinghene tant pour la place a manger, vestibule, bornes devant Ie chateau, couverture Ie long du bassin devant Ie chateau". Het paviljoen, dat een prachtig uitzicht bood op de Schelde en de dijken werd deels gebouwd met recuperatiemateriaal van het kasteel van Hoboken, eveneens in bezit van de familie. Ligging en uitzicht verraden reeds de romantiek. Het werd afgebeeld in Goetghebuer. Choix des monuments, edifices et maisons les plus remarquables des Pays-Bas, uitgegeven in 1828. In gebruik geweest door de beeldhouwer Vic Gentils, is er thans het Scheldemuseum in ondergebracht. Zie voetnoot 6.
56
M&L
REQUIEM VOOR EEN STAD. DE VERNIELING VAN HET BOUWKUNDIG ERFGOED IN BUCAREST (ROEMENIE) M A R J A N BUYLE en STEFAN M A N C I U L E S C U
Het roemtoos einde van het Vacarestiklooster, oo^ het grootste monastieke centrum in de Balkan (1716-1722) (fotoSManciulescu)
Van 1977 tot einde 1989 kende
vanaf 1977, met als alibi de aardbeving
Roemenië één van de grootste en niets
die vooral in de hoofdstad veel gebou-
ontziende aanslagen op het architectu-
wen — meestal de slordig gebouwde
raal patrimonium van een iand.
recente woonblokken — vernielde.
Geruggesteund door een waanzinnige
Tesamen met de opruiming van het
ideologie werden zowel op het platte-
puin werden ook andere gebouwen —
land als in de hoofdstad Bucarest en in
meestal kerken — moedwillig bescha-
de andere steden duizenden historisch
digd en afgebroken. Om binnenlandse
belangrijke kerken, abdijen, woon-
kritiek te vermijden werd in datzelfde
huizen, stadskwartieren en sites afge-
jaar de voltallige en goed functione-
broken.
rende directie voor de historische
Deze afbraakwoede begon vooral
monumenten opgeheven.
M&L
57
Lw.! J II i i .t.JL»,!.. i , j , t^..... Jul -L —,—riii Li 3 0
4
1 Het nterieur van de abdijkerk van Vacarest (1716-1722) was rijkelijk versierd met muurschilderingen en decoratief beeldhouwwerk (cliché B.CML) 2 Buitenaanzicht van de kloosterkerk van Vacaresti (cliché B,C Ml) 3 Plattegrond van het klooster van Vacaresti (tekening N GhikaBudesttl 4 De afbraak van de kerk van het Vacaresti-klooster (fotoS Manciulescu) 5, Lengtedoorsnede van het abdijcomplex Vacaresti (tekening N Ghika-BudestO
Voor het "verwezenlijken van de nieuwe mens" moest het verleden letterlijk en figuurlijk afgebouwd worden. Hiervoor werd niet geaarzeld om de grootste aanslag te plegen op het bouwkundig en spiritueel patrimonium van Bucarest. De niets-ontziende afbraak in het hart van een historische stad moest plaats maken voor het nieuwe civiele centrum, met als orgelpunt het megalomane Paleis van het volk, van waaruit de conducator Ceaucescu en zijn vrouw een overzicht zouden hebben op de keurig gehuisveste nieuwe bewoners van een land zonder verleden. In Bucarest werd op een as van meer dan 4 kilometer lengte dwars door het historisch centrum alles afgebroken. Hierbij werden 27 kerken en abdijen vernield en werden de woon-
huizen van meer dan 10.000 inwoners met de grond gelijk gemaakt. Dit komt overeen met 1/5 van de stad. Naast de aanslag op het hoofdstedelijk gebied werd op dezelfde manier tewerk gegaan in de overige historische steden en op het tot dan toe gaaf bewaarde patrimonium van een uitzonderlijk authentieke plattelandscultuur. Voor de meeste dorpen betekende dit "systematisatieplan" de volledige afbraak van de boerderijen, de woonhuizen en de kerken, en het hergroeperen van de dorpelingen in zielloze "agrarische centra". Na felle internationale kritiek en de monddood gemaakte nationale weerstand werd de aandacht van de publieke opinie een tijdlang misleid door
58
De heuvel van het Arsenal tijdens de afbraakwerken. Hier werd het presidentieel paleis opgetrokken (fotoS, Manciulescu)
Het monumentale kloostercomplex van Mlhai Voda (1591) In zijn oorspronkelijke toestand
Wat er overblijft van Mlhai Voda na afbraak van de kloostergebouwen en de verplaatsing van kerk en campanile, 237 m achteruit. Of hoe men een monument vernielt zonder het echt af te breken„ (foto S, Manciulescu)
M&L
de spectaculaire verplaatsing van een tiental kerken om ze te sparen". Hierbij moet men niet vergeten dat deze kerken meestal het centrale punt waren in een omringend abdijcomplex met ingangspoort en kloostergebouwen. Deze volledige context werd afgebroken en de verplaatste kerken werden midden betonblokken ingebouwd en aan het zicht onttrokken. Aan deze waanzinnige verminking van een bouwkundig erfgoed kwam een eind bij de opstand van Kerstmis 1989. Op 1 april 1990 werd een nieuwe dienst voor monumentenzorg opgericht onder de benaming "Direction des Monuments, des Sites et des Ensembles Historiques de Roumanie". DE AFBRAAK VAN DE RELIGIEUZE MONUMENTEN (1) De afbraak van de kerken en de kloosters in Bucarest begon daags na de aarbeving van 1977, waarbij deze natuurramp cynisch misbruikt werd om ook een groot aantal monumenten die door de beving niet beschadigd werden, vlug met de grond gelijk te maken. De Enei-kerk, genoemd naar haar stichter en gebouwd tussen 1720 en 1724 door de kleinzoon van prins Antoine de Popesti, werd tijdens de opruiming van een naastliggende ingestorte hoogbouw opzettelijk beschadigd en onmiddellijk afgebroken. Het oude parochiehuis uit de 18de eeuw kreeg hetzelfde lot beschoren. Dit vormde de aanzet tot een blinde, nietsontziende afbraak van de historische kerken van de stad. Uit de 16de eeuw betreurt men het verlies van de Sint-Niklaaskerk, de zogenaamde Witte kerk van de lakenwevers (Alba-Postavari), afgebroken in 1984. Het historisch waardevolle monasterium van Mihai Voda (Michel-de-Dappere, die het liet optrekken in 1591) werd gesloopt op de kerk en de campanile na. Deze werden 237 m achteruit verplaatst en vervolgens tussen betonblokken ingebouwd. De kerk van Sfinta Vineri-Herasca uit 1644 vormde een geheel met twee godshuizen, een school en een bakkerij voor behoeftigen. Deze bij de gelovigen zeer geliefde kerk, was amper volledig gerestaureerd, toen alles in 1987 afgebroken werd. Het monasterium van Cotroceni, in 1679 gesticht door Serban Cantacuzino, werd geroemd om zijn schoonheid en zijn grandioze bouwstijl. De kerk werd in 1984 met de grond gelijk gemaakt en het voormalig prinselijk — later koninklijk — paleis
M&L
59
^-ifclTTTtTflWti • •
TrTrritiMf
••,'!." •• ••.•• ••_SI..!!.".l«."Jf •• " •• " • — wt/^ rm w> m mm m m-m -m -m m ^m wi'm m 1 mmmmmmmTgyiJIm — m m m m m t mnmmmmmmmmn $ 9 m m
t
Door het historisch stadscentrum werd een niets-ontziende, kilometerbrede sleuf getrokken om plaats te maken voor dit... (foto Fondation pour l'Architecture, Brussel)
Moedwillige beschadiging van de Enel-kerk (1720-1724) na de aardbeving van 1977 (fotoS, Manciulescu)
werd door Ceaucescu als één van zijn talloze residenties ingepalmd. De Sint-Niklaaskerk van de Serviërs {Sfintul Nicolae-Sirbi), gebouwd in 1692 ter vervanging van de oude houten kerk, verdween in 1985. De Olteni-kerk uit de 17de eeuw werd vermeld in 1987. Talrijk zijn de vernielingen van religieuze bouwwerken uit de 18de eeuw: vermelde we de kerk van Spirea {Spirea Veche), de nieuwe kerk van Spirea (Spirea Noua), de reeds genoemde Enei-kerk, de kerk van het Pantelimonklooster met het prachtige mausoleum van prins Alexander Ghika, de kerk van de Bron van Genezing (Izvorul Tamaduirii), de kerk van Bradul-Staicu, de kerk van het Ooievaarsnest (Cuibul-cu-Barza), de Sint-Niklaaskerk van de Prinselijke Zolders Sfintul Nicolae Jitnitsa), een deel van het monasterium van Antim (de rest werd ingebouwd) en de kerk van de Heilige Spiridon de Oude {Sfintul Spiridon Vechi). Als een schok kwam de volledige afbraak van het prachtige abdij complex van Vacaresti, gebouwd tussen 1716 en 1722 door prins Nicolaas Mavrocordatos. Het gold als het grootste monastieke bouwontwerp van de 18de eeuw en één van de meest imposante uit het Europese ZuidOosten. In 1848 werd het aan de eredienst onttrokken en als politieke gevangenis ingericht. In 1864 werd het gevangenis van gemeen recht, tot het bij de installatie van het Ceaucescu-regime gebruikt werd als — de meest gevreesde — gevangenis voor politieke dessidenten. Op planimetrisch gebied werd dit complex gebouwd volgens de traditionele opbouw van de grote prinselijke nederzettingen in Walachije,
ft
beginnend bij de bisschopskerk van Curtea de Arges (1517-1522) tot het klooster van Hurez, gebouwd van 1691 tot 1692 door Constantin Brancovan. De ongemeen rijke sculpturale en geschilderde decoratie van de gebouwen en de interieurs inspireerde zich vooral op Hurez. Omdat deze abdij al sinds 1848 ontoegankelijk
•
60
M&L
Eenlagige njrale archtectuur in de wijk ColentmaObor. met verhoogd straatniveau Manciulescu)
Volledige karakteristieke stadsbuurten en woonwijken met interessante bouwtypologieën werden systematisch afgebroken. Het menselijk leed dat hiermee gepaard ging, is bekend. Het zou ons te ver voeren om elke buurt in detail te beschrijven. We beperken ons tot het aanstippen van de verschillende soorten woonsten, die in deze aangename historische stadswijken naast elkaar bestonden. Het oudste type vormen de eenlagige huizen van het landelijke type (hout en leem, met houten dakpannen) die vroeger tot de plattelandsbebouwing behoorden en later door de stadsuitbreiding in het stadsweefsel opgenomen werden. Ze staan ook meestal vooruitgeschoven ten opzichte van de latere rooilijn en bevinden zich tevens onder het straatniveau.
Ruraal geinspireerde architectuur (19de eeuw) in de wijk Serban-Voda, met open houten zuiiengalerij op het binnenhof (foto S. Manciulescu)
Het meest voorkomende en veruit interessantse type vormen de woonhuizen in neo-classicistische stijl. Vanaf circa 1860 kende de stad een grote bloei en een bijhorende stadsuitbreiding. De bouwpercelen werden duur, maar desalniettemin wenste de stadsbewoner het liefst een onafhankelijk vrijstaand huis (huisje) met een tuin langs alle zijden. Het ligt voor de hand dat er op die manier met de beschikbare ruimte moest gewoekerd worden. Vaak werd een bouwperceel gedeeld, waarbij links en rechts een dwarshuis gebouwd werd met een smeedijzeren hek als ingang en een gemeenschappelijke tuin in het midden. Soms ook werd de achterzijde met een gebouw afgesloten, zodat er in het straatbeeld een opeenvolging verscheen van mini-beluikjes. Deze neo-classicistische
was, is dit hoogtepunt van Roemeense bouw-, beeld- en schilderkunst onvoldoende door kunsthistorici bestudeerd kunnen worden.
Typisch laat 19de-eeuws 'tweelinghuis'op één bouwperceel, met naar elkaar toegewende voorgevels en gemeenschappelijk ingangshek. Vandaar de uitdrukking 'Hij heeft zich een paar huizen gebouwd' Wijk Antim (foto S. Manciulescu)
(*) In 1974 werd de restauratie aangevat met het oog op de inrichting van een museum voor middeleeuwse kunst. Tien jaar later begon de volledige afbraak.
DE VERNIELING VAN DE PROFANE BOUWWERKEN Met eenzelfde misprijzen voor het historisch erfgoed en de cultuur werd ook de profane architectuur letterlijk en figuurlijk van de kaart geveegd. Het prinselijk paleis uit 1775-1776, beter bekend als het Verbrande Paleis {Curtea Arsa), was onderzocht door archeologen, die er zeer interessante ontdekkingen deden. Het werd met de grond gelijk gemaakt in 1985. Het bekende Brancovenesc hospitaal ontsnapte evenmin aan de vernieling.
M&L
61
Monumentale kleine Individuele woonst L i 1897, op een transversaal bouwperceel in de Arsenal wijk. Het interieur was rijkelijk versierd met lambrizeringen en schouwen (fotoS,Manciulescu)
V
1
/v.y-" m i M -
i
I
^IT ir'iZ
^
ü
/
ï 1n ^^^
ï
1 m•L H ^
• • 'My home is my castte' Rijkversierde woning uit het einde van de 19de eeuw in de Strode Unarie (fotoS.Manciulescu)
bouwwerkjes {my home is my castle werd hier letterlijk genomen) van zeer klein formaat werden gebouwd in baksteen en afgewerkt met meestal okerkleurige pleister, terracottadecoraties, uitgewerkte dakgootconstructies, overdekkingen van de toegangsdeur in metaal en glas, smeedijzeren hekwerken en dergelijke meer. Meestal hadden ze slechts één verdieping. Het type van de grotere burgerhuizen had een verdieping (al dan niet met colonnade in hout of smeedwerk). Iets kleiner kon ook, maar dan met een "halfverheven" souterrain en verhoogde gelijkvloerse verdieping. Rond 1930 ontstonden wijken in "moderne" architectuur of vermengd met het bestaande stadsweefsel. Vele van deze gebouwen stonden tot voor kort nog altijd onafgewerkt. Vooral de pleisters werden nooit of slechts gedeeltelijk aangebracht.
In de meeste stadswijken van het historisch stadscentrum bestonden deze drie types tegelijkertijd, hetgeen een levendig en leefbaar straatbeeld vormde, mede door de overweldigende aanwezigheid van groen, tuinen en lanen. Dit alles heeft de plaats geruimd voor een megalomaan, onafgewerkt paleis met administratieve gebouwen en woningen langs een brede as, of gewoon voor enorme woestenijen binnen de stad, waar slijk, bouwpuin en half afgebroken gebouwen een desolate aanblik bieden. Exit patrimonium. VOETNOOT (1) Deze gegevens werden overgenomen van een verslag, opgemaakt door Pierre Nasturel in februari 1988 voor de Service Ortodoxe de Presse.
Monumentale bouwvormen voor een piepklein huis, in de aan afbraak ontsnapte Vlitor straat u^ de Jaren '30 (foto S, Manciuiescu)
M&L
SUMMARY
ASPECTS OF CHINESE EXPORT WALLPAPER This article deals with wallpaper painted in Canton, a chinese port city. This wallpaper was for sale to western customers and imported by the East Indian Companies. In Flanders, many "Chinese rooms" were decorated with Chinese wallpaper as a prominent feature during the eighteenth century. They retained their popularity through the nineteenth century. A great deal survived in good preservation condition. Porcelain produced for export has been a subject of interest in the West for some years, but wallpaper for export has been less studied. This article is not a history of Chinese wallpaper, but rather a study of the remained sets in Flanders. All the studied wallpapers were painted by hand with watercolours on paper or silk of Chinese manufacture. It seems indubitable that we are dealing with workshops rather than with individual artists. The organisation and arrangement of the workshops, and the technical resources which they were able to deploy in the search for their results are studied. The exact dating of the wallpapers remains problematic. But a close examination of the size of the sheets of paper, of the employed general palette and of the evolution in style, led to a chronology through the eighteenth and nineteenth centuries.
ABOUT CHINOISERIE IN THE SOUTHERN NETHERLANDS Although tastes in interior design change constantly, some historic interiors — in Flanders as well as in the rest of Western Europe showing exotic elements in the decoration and furnishing have been preserved. These are practically unknown in professional literature. By means of a few examples it is shown that chinoiserie in the Southern Netherlands developed much like in all of Western Europe. The division in three main periods as well as the sources of inspiration and the applications proved to be the same. The examples quoted are by no means trendsetters although they deserve to be more widely known.
THE CASTLE D'URSEL IN HINGENE. CLASSICISM IN THE 18TH AND EARLY 19TH CENTURY The castle, with its foundations dating from the early Middle Ages was subject to major construction works in the 16th and 17th century. From 1761 on the count's family d'Ursel reconstructed this ancient castle into a convenient family residence. The front was given a new look following the rules of classicism: traditonal cross-windows and stepped gables had to make way for sobre. plastered fronts with rectangular windows without any decoration. Some designs by the Italian architect A. Servandoni (1699-1766) for the front with central semicircular set back entrance, have been preserved.
Next an entirely new interior was made after the example of 18th century French living style. Thus an attempt was made to bring more comfort and cosiness to the residence. The principles of the French architect J. Blondel in his "Cours d'architecture" (1771) were applied almost literally. Mainly because of the planning and the way the rooms were arranged: a monumental hallway gave access to a "corps de logis" with the representative reception halls and an "appartement de parade" with antechamber, study and "chambre en niche". The rooms were visually connected like an "enfilade" by putting double doors all on one axis. The interior decoration was very closely connected with French interior art from the late 18th century with pannelling made of painted wood, worked out as dado wainscotting with painted canvas fixed on stretchers. In 2 rooms even handpainted Chinese paper was applied. Most probably these valuable interiors were constructed mainly at the end of the 18th century and the first decades of the 19th century. That is when the beautiful pavillion "aen de Noteleir" was built.
REQUIEM FOR A CITY. THE DEMOLITION OF BUCHARESTS ARCHITECTURAL HERITAGE (RUMANIA) From 1977 until 1989 Rumania went through probably the fiercest assault ever on a country's cultural heritage. In the capital as well as in provincial towns and rural villages the "systematization plan" led to the total destruction of several thousands of churches, abbeys, houses, quarters and rural sites. The demolition of churches and monasteries began right after the 1977 earthquake and ended only with the uprising at Christmas 1989. A wave of scathing criticsm, national as well as international, was simply brushed aside. Of all religious buildings, besides the loss of 16th, 17th and 18th century churches and abbeys, especially the demolition of the magnificent 18th century complex of Vacaresti came as a shock. Architecturally as well as spiritually it was the most important centre of monastic life in the Balkans. In 1974 restoration was started in view of the installation of a museum of medieval art. A mere ten years later it was knocked down. The profane architecture suffered the same fate. Entire typical neighbourhoods were destroyed systematicallv. Thus several typologies, coexisting in this pleasant garden city, were lost: the rural type, made of wood and loam and with wooden tiles, the houses of the second half of the 19th century with monumental neo-classical creations, abundantly decorated with terracotta sculptures, profiled frames and forging and finally the highly original architecture from the thirties, when the new architectur was definitely introduced. On 1st April 1990 the department for conservation of monuments was reestablished, after simply being closed in 1977. Perhaps hope for a new future.
E OOK VOOR CULTUUR
DE
BANK
DIE
*É-4'i>ÉÉ-*É*\V
ffiE
É f t \ v ^ m'.r*v>É.>É-* ' •-A.>ti WY X A l ^ X ^ A l A l i VUUR
JE
RUIMTE
GEEFT.
Toestand vóór restauratie
Toestand na restauratie
EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg . WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING . DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT
EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie
• VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...
REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)
. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...
REMAL : - volledig gamma
RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58
V
PVBA
GTI KAARTEN 1
:
1 OO
OOO
Deze kaart is de ideale streekkaart op aardrijkskundig, kultureel en toeristisch gebied. Bedrukt op beide zijden, vormt zij een origineel geheel van topografische en vrijetijdsgegevens. De topografische voorzijde, is een samenvoeging en een generalisatie van de kaarten op schaal 1 : 50 000 en geeft een goed beeld van de geografische strukturen van het gekarteerde gebied. De toeristische en kulturele keerzijde is een interessante aanvulling van de topografische voorzijde en biedt benevens utilitaire gegevens, de mogelijkheid om de vrije tijd in een gekozen streek optimaal te gebruiken. Zijn ondermeer voorgesteld: de grote routepaden, de bewegwijzerde autocircuits, een selectie van de fietsroutes, natuurreservaten, ontspanningsoorden, merkwaardige gebouwen, enz. Het hoekvignet GTI (Geografie, Toerisme, Informatie) illustreert de verschillende aspecten van de kaart.
VERKOOPDIENST Louizalaan, 306
HET NATIONAAL GEOGRAFISCH I N S T I T U U T
Tel: (02) 648 52 82 FAX: (02) 646 25 18
B-1050 BRUSSEL
— Zo kan de geschiedenis
zich blijven herhalen — speelt, is dit een steuntje voor een mo-
Zo treedt op een dag ons patrimo-
nument, een stukje verleden of een
nium uit de schaduw.
kunstwerk.
Zo maken we op een dag kennis
Zo komen elk jaar tientallen miljoe-
met ons verleden.
nen vrij om onze geschiedenis te bewaren.
Zo verruimen we op een dag onze
En betekent een kans met de
blik met kunst;
Nationale Loterij tegelijk een kans
Al die dagen komen er mede dank-
voor talrijke opgravingen, restauraties
zij de Nationale Loterij.
of ontdekkingen.
Want telkens wanneer iemand
\
€
)
Ie Loterij. De Nation a Een kans hebben is teg e lijk een kans
geven.
RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT
N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken
OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
GROUP
MONUMENT