Skip to main content

M&L_11_6.pdf

Page 1

'< LANDSCHAPPEN 1

:' NOVEMBER-DECEMBER 1992//

TWEEMAANDELIJKS//


Fragment Gemeentehuis Schaarbeek.

NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. 03/325.03.83 TELEFAX 03/325.68.66

Iw

.AMINCK

GASSTRAAT11A 9100LOKEREN TEL. 091/48.12.17 TELEFAX 091/48.96.61

GILLEBERTUSSTRAAT 32 1090 BRUSSEL TEL. 02/772.15.85


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948 •

11 jaargang Nr. 6 •

november-december 1992

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen, Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraat3, 1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.

ïedctctiecomité Voorzitter: E. Goedleven. 1 .eden H. Craeybeckx (voorzitter K.C.ML.), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. P. Van den Bremt.

Advertentiewerving De Ganzerik. J. Casier Maalsesteenweg 73,8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89.

Inhoud Generiek Het Gouden Leer Eloy Koldeweij Inventaris van het 17de- en 18de-eeuwse goudieder in Vlaanderen Ann Bergmans en Eloy Koldeweij

.33

Opbouw en analyse van leder: een uiteenzetting voor een beter begrip van conservatorische problemen en ingrepen Jan Wouters

Al

Conservering van het goudlederbehang van de dekenij van Zele An Peckstadt, Lieve Watteeuw en Jan Wouters

55

Beter voorkomen dan genezen

62

Richtlijnen voor de bewaring van goudieder Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35.

.63

Summary M&L Binnenkrant

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1992 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland:! 300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1992". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: kegem, kasteel Blaunhuis (foto O. Pauwels)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


m

Een PRODUKTENGAMMA gebaseerd op 3 hoofdpijlers.

éi

- RESTAURATIE - WATERDICHTING - HULPSTOFFEN

éi \m

Uit de produktengroep restauratie en waterdichting:

m

TEGOVAKON V : steenverharder op basis v a n een ethylkiezelzuur-ester. REDISIL S :

vochtwerend impregnatiemiddel op basis v a n gemodificeerde oligomeer-siloxanen W.T.C.B, proefverslag 1992 nr. HD-340/133-61.

REWAH fabriceert produkten, geeft advies en technische hulp.

Foto : Gemeentehuis van Borgerhout

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE + CONSERVATIE =

Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u Ik-weet-niet-wat zou doen om ze Ie verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN Deplgeonal Is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Deplgeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

^mMltMcAMa6tVn&

<JutC • tS%MÜn4€€€tt • tl^fafatertiéV??**

Maatsch. zetel : Bennesteeg 3, 9000 Gent (091)23 87 03 Bedrijfszetel: Wapenstraat 12B, 2000 Antwerpen (03) 248 12 97

•KlS J ^

>

Solar

Kleine Breedstraat 33, 9100 Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.

DEPIGEONAL


••

GENERIEK Al geen goud wat er blinkt Historische binnenaankledingen blijven een nog nauwelijks ontgonnen onderzoeksterrein waar M&L graag met enige regelmaat plaats voor ruimt. Ooit fel gegeerd en met eigen Zuidnederlandse productiecentra, verdient goudieder in dit opzicht meer dan de gewone aandacht. Ontstaan en bloei - met de nadruk op de 17de en 18de eeuw - van dit merkwaardig ambachtelijk product worden door Eloy Koldeweij met een vanzelfsprekende eruditie meteen ook een Europese dimensie aangemeten.

Inventaris

Aansluitend op het totstandkomingsverhaal gingen Ann Bergmans en Eloy Koldeweij gezamenlijk op zoek naar wat van deze kostbare goudledervellen in Vlaanderen bewaard bleef. Tegelijk, zo blijkt, verrassend veel maar ook bedroevend weinig. Of vormt deze inventaris slechts een eerste aanzet?

Gelooide huiden

Meer nog dan reeds gebruikelijk veronderstelt de conserverende behandeling van goudieder een grondige kennis van het materiaal en aanmaakproces dan wel de afbraakmechanismen. Huid en looistoffen in het bijzonder maken voor Jan Wouters elk bereid vel immers vrijwel uniek. Meteen brengt hij de elementen aan voor een verantwoorde diagnose.

De proef op de som

Van vele aftakelingsverschijnselen die de restauratieve aanpak van goudlederbehang onontkoombaar maken bood het ensemble in de dekenij van Zele een uitgelezen staalkaart. Redenen te over dus om de ingreep zelf te laten voorafgaan door een intensief vooronderzoek. An Pecstadt, Lieve Watteeuw en Jan Wouters illustreren met het relaas van deze opdracht nogmaals het belang van een interdisciplinaire benadering.


Beter thuisbankieren

Voortaan is uw bank dag en nacht bereikbaar. Wanneer het ü past. Gewoon met de druktoetsen van uw telefoontoestel. De laatste stand van uw rekening? Tarieven en koersen? U vraagt het aan de Tele-KB-Foon Geld overschrijven, cheques en overschrijvingsformulieren bestellen, reischeques en vreemde munten aanvragen... het kan allemaal met de Tele-KB-Foon.

Wilt u er alles over weten? Loop dan eens binnen in een KB-kantoor. Of probeer nu de Tele-KB-Foon op een van de volgende nummers : 03/226 25 26 02/502 01 00 - 091/24 13 18 - 011/23 33 33 056/25 99 00. Dan bent u meteen gewonnen voor een gratis Tele-KB-Foon-abonnement. Want beter thuisbankieren begint met de Kredietbank.

Beter met de bank van hier. België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager

AL. BUGGENHOUT BVBA

4000

BLADGOUD en accessoires voor het vergulden {mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT 139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55

Hernieuw nu uw M&L-abonnement 1993

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

Muurschilderingen • Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Boaemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Molle M. Van Der Biest L. Vandenborre H.

091/72 016/22 03/771 091/72

63 67 44 63

03 06 66 03


Closter, Originele Engelse Teakmeubelen

IMPERPLEX bonder siUtouen

leakhouten tuinmeubelen? Van "Closter" natuurlijk Omdat "Closter" je de zekerheid biedt van jarenlange Engelse traditie, op klassieke wijze gebouwd in eerlijke plantage-teak. En omdat je bij "Closter" ook de kussens en houtstok-parasols vmdt. Omdat "Closter" je laat kiezen uit meer dan 70 originele modellen, die voor iedere plaats en elke smaak een gepaste oplossing weten te bieden.

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3 0 0 0 Leuven Tel. (016) 2 3 9 8 2 5 Smederij

mu

^o [RESTAURATIE]

Molenweg 22-24 2930 BRASSCHAAT Tel. : (03) 353 97 87 • • • •

Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels

TUINMEUBELEN, OOK OM NAAR TE KITKEN.

Gediplomeerd restaurateur

Voor dokumentatie en een verdeler in uw buurt, bel, schrijf of fax: AFRA, Kerkstraat 10, 2330 Merksplas, Tel: 014/63 36 39 - Fax: 014/63 50 90

de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 punt|es samen:

n

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa| SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

Solar

Kleme Breedslraat 33 9100 St.-Niklaas

voor meer informatie belt u'. 03/7J6.9L 6z


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft V zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Komboutskathedraai zijn tonnenzware beiaard torst?


Zo kan de geschiedenis

zich blijven

herhalen

speelt, is dit een steuntje voor een mo-

Zo treedt op een dag ons patrimonium uit de schaduw.

nument, een stukje verleden of een kunstwerk.

Zo maken we op een dag kennis met ons verleden.

Zo komen elk jaar tientallen miljoenen vrij om onze geschiedenis te bewaren.

Zo verruimen we op een dag onze

En betekent een kans met de

blik met kunst.

Nationale Loterij tegelijk een kans

Al die dagen komen er mede dank-

voor talrijke opgravingen, restauraties

zij de Nationale Loterij. Want telkens wanneer iemand

of ontdekkingen. )

De Nationa Ie Loterij. Een kans hebben is teg e lijk een kans

geven.

P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ

ESLaan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091) 86 07 63 - 86 61 50 Fax: (091)86 04 15

N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S A STABILITEIT

RENOVATIE - RESTAURATIE

-

- Droogleggen van muren. - Reinigen van gevels. - Verharden en waterwerend maken van natuur- en baksteen. - Restauratie van natuursteen. - Betonherstelling - Zwambestrijding - Houtwormbestrijding.

Technische studie-Berekeningen. Scheurinjekties van steen en beton. Consolidatie van muren. Plaatsen van chemische verankeringen. Plaatsen van trekkers-vijzeltechniek. Opvijzelen van konstrukties. Polymeerchemische restauratie van hout.

SOUVERAINESTRAAT 3 8 / 4 2 - 9 8 0 0 DEINZE - TEL. 0 9 1 / 8 6 . 9 7 . 6 7 - FAX 0 9 1 / 8 6 . 9 8 . 2 6


M&L

'HET GOUDEN LEER' (1) ELOY KOLDEWEIJ

Goudlederpaneel, gesigneerd rechtsboven 'Egidius Jacobs', Mechelen, eerste kwart 18de eeuw (Mechelen, Stedelijk Museum Hof van Busleyden) (foto 0. Pauwels)

. : • • •

•-Jv

: .

'} ^ p ^ •

:

^

•'

A'

^ l ^ > ^ l 'M

"•M*

iK^I^

**.

ëkr L

""

.

"Jj

1

^S^dl ' i^^ftifts,

In 1862, inmiddels alweer honderddertig jaar geleden, verscheen in het tijdschrift De Vlaemsche School he\ artikeltje Het Gouden Leer wan de hand van M. Theophilus Versluysen, advocaat te Diest (2). Dit opstel over "een der schoonste voortbrengsels der nyverheid onzer voorouders", zoals de auteur het - met enige trots - noemt, zag korte tijd later in het Mechelsch Nieuws- en Aenkondigingsblad voor de tweede keer het daglicht (3). De vondst van een bijzonder handschrift in de familie-archieven had de Versluysen ertoe gebracht om zijn pen aan het papier toe te vertrouwen en hieruit "eenige byzonderheden" mede te delen. Met dit handschrift, getiteld Omnia majori divino dentur honori

^iü

(Alles ter meerdere ere van God), had hij een zeer bijzondere bron over het goudieder te pakken, zoals ook blijkt uit de ondertitel Secreetboek van schoone diversche en eerlijcke konsten gevonden door Jan Vermeulen, goudeleermaeker der Stadt Mechelen. A. 1677. Vermeulen heeft hierin onder andere beschreven de "methoden van het opmaeken van goudeleeren... de maniere van het goudt te maeken, soo verguldt goudt, als schildergoudt, ende alderhande vernissen,... ende hoe deselve moeten gevreven ende geaccomodeert worden ende de juste mengelinghe" (4). In 1711 heeft zijn achterneef Carolus Jacobs dit manuscript met enkele aantekeningen aangevuld, en in 1783 deed diens schoonzoon Jacobus Versluysen dit opnieuw.


M&L

Schematische dwarsdoorsnede van een stuk goudieder: 1. leder; 2. perkamentlijm; 3. zilverlaag; 4. beschermlaag; 5. geelbruine vernislaag; 6. beschildering; 7. vernis. (Tekening E.Jacobs)

Kasteel van Humbeek, slaapkamer. Goudlederpaneel, Nederland, 3de kwart 17de eeuw. Duidelijk zichtbaar is het gebruik van diverse verfsoorten (foto 0. Pauwels)

9

Versluysen noemde de vernissen, waarvan zijn betovergrootvader meerdere recepten opgeschreven had, "ons grootste geheym". Begrijpelijk, als men zich realiseert dat goudleer niets met goud te maken heeft, maar alles met zilver. Het is immers "al geen goud wat er blinkt": het goud is slechts uiterlijke schijn. Wat er wel op het leder aan te treffen is, is bladzilver, of bij goedkopere uitvoeringen of imitaties ook wel bladtin of bladlood. Door dit metaallaagje met een geelbruine vernis te bedekken, werd het goudkleurig van aanzien. Deze vernis was dus een belangrijk element van het goudleer. De samenstelling hiervan behoorde dan ook tot de werkplaatsgeheimen, niet alleen in dit Mechelse familiebedrijf, maar ook elders. In 1687 was dit ook al door de Zweedse architect Nicodemus Tessin de jonge opgemerkt toen hij in Brussel de goudleermakerij van H. Laurentz Aback bezocht: "den Ferniss zum golde ZU machen ist dass gröste Secret, welcher dieser am besten hat" (5). De exacte opbouw van een stuk goudieder is als volgt: op het leder werd allereerst een laagje eiwit of vislijm aangebracht, waarop de velletjes bladzilver gelegd werden. De totale oppervlakte van het leder werd hierbij bedekt, niet alleen de delen die later als goudkleurig zichtbaar zouden zijn. Na het polijsten van dit bladzilver werd opnieuw een laagje eiwit of vislijm aangebracht. Deze twee lagen aan weerszijden van het bladzilver dienden om oxydatie daarvan te voorkomen. Dit verzilverde vel leder werd vervolgens van een doorschijnende, geelbruine vernislaag voorzien, waardoor het zijn gouden aanzien verkreeg. Nadat het vel op deze manier geheel 'verguld' was, werd er met een drukplaat een decoratie in geperst. Deze drukplaat, die gewoonlijk ongeveer 75 x 65 cm groot was, had een negatieve - dus uitgeholde - voorstelling. Het goudieder werd met de vergulde kant hierop gelegd, en op de achterkant van het leder legde men een contramal. In plaats hiervan kon echter ook een dik opgevouwen linnen doek gebruikt worden. In een of meerdere persingen werd vervolgens de voorstelling van de drukplaat in het leder geperst, waarbij zelfs een hoogte van twee a drie centimeter bereikt kon worden. Nadat het goudleder uit de drukmal genomen was, restte nog het aanbrengen van de beschildering. Dit kon zowel eenvoudig, met slechts één of twee kleuren gebeuren, maar ook zeer uitbundig met meerdere kleuren, met zowel dekkende als lazuurverven. Een zeer uitgebreide eigentijdse beschrijving van hoe het goudieder gemaakt werd, is te vinden in het in Parijs in 1762 verschenen boekje Art de travailler les cuirs dorés ou Argentés, dat geschreven was door

wÊÊÊÊÊw ////SSSS/////SS/S///////S////,

Auguste Denis Fougeroux de Bondaroy in opdracht van de Académie Franqaise (6). Deze tekst vormde de basis van hetgeen Diderot en Le Rond d'Alembert in hun beroemde Encyclopédie over het goudleder aantekenden (7). Over hoe het goudieder in Vlaanderen gemaakt werd, worden we, behalve door het reeds aangehaalde Secreetboeck, ook geïnformeerd door enkele reis-


10

Blik in een goudledermakerij. Uit: M. Diderot en M. d'Alembert, Receuil de planches sur les sciences, les arts llbéraux et les arts méchaniques.

M&L

sich umbdrehet, undt ess wieder zum andern mahl zurückdrahet. Ehe man dass leder druckt, wirdt es erstlich im kleingrundt mit blattsilber versilbert, undt wann es hemacher vergült soil werden, gehet man es gantz mit einemferniss über, undt hemacher separiert man es daraufmit Colëuren". Jacobus Versluysen gebruikte dus kalfshuiden, zoals we in het bovenstaande reisverslag uit 1760 kunnen lezen. Ook in het Secreetboek wordt dit herhaaldelijk vermeld. In Vlaanderen, maar ook in Holland, was dit algemeen gebruikelijk, dit in tegenstelling tot Spanje, Italië en Frankrijk, waar schapen- of geitenhuiden gebruikt werden. De huiden van deze kalveren "die maer gesogen hebben " werden direct van de leerlooiers, of via tussenhandelaren gekocht, onder andere op de Antwerpse huidenmarkt (9). Maar ook wel werd het kalfsleer in Holland en Frankrijk aangekocht (10). In Mechelen looiden de meeste goudleermakers zelf de huiden, wat waarschijnlijk ook in de grotere goudleermakerijen elders gebeurd zal zijn. Het gelooide leer, in stukken van ca. 70/80 x 50/65 cm gesneden, werd "samsons" genoemd. beschrijvingen. Heel aardig is het verslag van vier Wanneer deze "samsons" beschadigd of net te klein Leidse heren die op 31 mei 1760 Mechelen bezochwaren, werden deze met kleine stukjes leer aangeten: "... (hierna) reeden wij na de goudleermaakerij vuld. Deze stukjes werden aan de zijkanten schuin van de Heer Versluys van Delfshaaven geboortig alafgesneden, waardoor de gelijmde verbinding met de waar wij zagen, hoe het goudleer op de volgende wijze gemaakt word. Eerst word het kalfsleer in kalk- "samsons" vrijwel onzichtbaar werd. Deze handeling werd "scharnieren" genoemd (11). Op deze manier putten geworpen om er het hair af te haaien, dan konden ook meerdere "samsons" tot lange verticale word het in tonnen met run gegooyt, die door manstroken aan elkaar geplakt worden, soms zelfs wernen met de voeten al rond getrapt worden, dan word den op deze manier gehele wandvlakken gemaakt. het effen en altemaal tot 4 kante stukken gesneeden en stukken die niet 4 kant kunnen vallen met kleyne stukjes aangelast, en met lijm bestreeken dat zig zeer Hoe de nog ongedecoreerde vellen goudieder van sterk en onsigtbaar aan een hegt, vervolgens worden een decoratie voorzien werden, hebben we in het er silvere plaaten of van die boekjes silver overheen reisverslag van Tessin kunnen lezen. Verhelderend gelegt en dan gepolijst, zijnde dan silverleer, en hierbij is misschien nog het reisverslag van Jan van wanneer het tot goudleer moet gemaakt worden, Roijen die in 18de eeuw in Brussel een goudlederword dat silverleer 2 maal vernist en telkens in de makerij bezocht: "daar gingen we een goudleerson te droogen gelegt, moet het dan gedrukt goud of fabriek zien, alwaar eerst de vellen aaneen gelijmt, silverleer zijn legt men het op gesneede Plaaten, de samenvoegselen gepolijst, het groote baan met waarop defiguuren die men hebben wil gesneeden zilverblad belijd en weder gepolijst werd, daarna op zijn, en dan eyndelijck word het beschilderdt..." (8). houten platen gelegd, waarin de figuren gesneden Het verslag van de Zweedse architect Tessin uit zijn, die door een rol er over passende gelijk een 1687 over zijn bezoek aan de Brusselse goudleermamangel er in gedrukt worden..." (12). kerij is veel zakelijker: "Sonsten haben wir es auch Twee fragmenten van dergelijke houten drukplaten machen sehen; Eine Presse soil nicht über 200 gulzijn enkele jaren geleden in de nijpputten achter het den kosten, imgleichen auch eine forme von metall voormalige Goudenleerhuys te Mechelen gevonden zu machen. Die stijcke seijndt eine brabandsche elle (13). Bij analyse bleek dat deze drukplaten van breit undt 5 que: hoch: ein solck stijck kömpt ungeappel- of perenhout gemaakt zijn, een gemakkelijk te fehr 3 reichssorthe zu stehen. Die obere forme wirdt bewerken houtsoort (14). Een volledige houten drukauff dubbelten ungebleichten leinwandt mit peck, plaat, die ook uit een Mechelse goudlederfabriek afwachss undt dergleichen hineingedruckt. Die rulle komstig is, wordt in de Koninklijke Musea voor unten undt oben an der Presse ist von metall. Kunst en Geschiedenis te Brussel bewaard (15). Die rader seijndt alle von eijssen, undt so gemacht, De goudledermakers lieten deze houten drukplaten dass wenn dass leder einmal geprest ist, der kerl door beeldsnijders maken. Omdat de beeldsnijders


M&L

Fragment van een houten drukplaat afkomstig uit het Goudenleerhuys te Mechelen (Mechelen, collectie Archeologische Vereniging OudMechelen)

Houten drukplaat waarmee goudieder gedrukt werd (Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

11

hierdoor onmisbaar waren voor de goudledermakerijen - zij hielden zich immers bezig met "nieuwe desseins ende modellen van platen te tekenen, ordoneren ende te snyden " - verkregen zij net zoals de goudledermakers van de Mechelse magistraat vrijdom van tocht, wacht en het geven van onderdak aan soldaten. Hierdoor kennen wij een aantal van deze beeldhouwers bij naam: zo werkte vanaf 1714 de beeldhouwer Jean Francois Boeckstuyns (0 ca. 1660 - f 1734) in Mechelen voor de goudleermakers (16), en na hem achtereenvolgens Theodorus Verhaegen ( 0 1701 - f 1759) (17), Lambertus Joseph Parant ( 0 1721 - f na 1777), Petrus Valckx (01734 - f 1785) en Jan Frans van Geel (01756 - f 1830) (18).

-"V,

Maar behalve van hout, werden de drukplaten ook van metaal gemaakt, gewoonlijk van koper maar soms ook van tin (19). Op 9 april 1655 probeerde Agnes Comelis, de weduwe van de Mechelse goudledermaker Artus Vermeulen, samen met haar zoon Peeter een octrooi op de patronen van haar koperen drukplaten te verkrijgen. Andere goudledermakers lieten deze kostbare koperen platen, waarvan het ontwerp alleen al ƒ 600,- kostte, namelijk in hout nasnijden, een veel goedkoper en minder duurzaam materiaal. De magistraat van Mechelen wees haar verzoek echter af omdat "de gesneden copere platen ende der selver inventien niet en syn gevonden by de voornoemde suppleanten, maer wel in Hollant" (20). Dat er wel octrooien op drukplaten verleend werden blijkt in het geval van Gilliam Blaes, die in 1685 een dergelijk octrooi verwierf voor zijn nieuwste set drukplaten, genaamd de "Triumph der Engelen". Blaes had deze set door Johannes van Hattem (t 1691) laten graveren (21). In 1714 bleken de koperen platen in Mechelen nog altijd gebruikt te worden, immers bij de aanvraag voor de vrijdom van de eerder genoemde beeldhouwer Francois Bouckstuyns is sprake van "het plaetsnyden in coper voor defabrique van de goudleermaeckers".

PRODUKTIE IN HET BUITENLAND

- i

SM':

De techniek van het goudleermaken is een zeer oude. Al in de 9de eeuw zou in Cordoba het vergulde en gedecoreerde leer oftewel het "guadameci" gemaakt zijn (22). In Spanje wordt de term "guadameci" echter ook in een meer algemene betekenis gebruikt voor de met aluinaarde gelooide schapenhuiden. Plantaardige gelooide geitenhuiden noemde men "cordobanes", een term die ook gebruikt werd (en wordt) voor bewerkt leder, anders dan goudieder. Deze laatste naam is overigens een rechtstreekse afleiding van de stadsnaam Cordoba, een belangrijk centrum van lederbewerking. Overigens worden met de Nederlandse termen "corduaans leer" en "spaans


12

M&L

•

leer" deze "cordobanes" bedoeld, oftewel de gelooide geitenhuiden, en dus niet het goudieder (23), In de 14de eeuw worden de gegevens over de productie van goudieder in Spanje talrijker en concreter. Behalve in Cordoba werd er toen ook in de steden Ciudad Real, Ciudad Rodrigo, Barcelona, Granada, Jaen, Madrid, Sevilla, Toledo, Valencia en Valladolid goudieder gemaakt. In enkele plaatsen waren de goudledermakers in een gilde verenigd, zoals in Barcelona waar dit al vanaf 1316 het geval was. Deze glides bepaalden onder andere de materialen die gebruikt mochten worden en de productiemethoden. Ook controleerden zij de kwaliteit van het geproduceerde goudieder. In Cordoba werd het goedgekeurde goudieder op de achterzijde van een stempel voorzien met het stadswapen. Aldus gewaarmerkt goudieder zou in Mechelen in het paleis van Kardinaal A.R de Grandvelle (1517-1586) gehangen hebben (24).

Henri De Braekeleer, De man in de stoel, 1875 (Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten)

Het Spaanse goudieder werd vanaf de 14de eeuw tot in het begin van de 17de eeuw in grote hoeveelheden geëxporteerd, zowel naar de Amerikaanse kolonieën, als naar de meeste Europese landen, waaronder Italië, Frankrijk, Duitsland en de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Na 1600 nam het aantal goudledermakerijen in Spanje en hun produktie sterk af. Traditioneel worden de oorzaken hiervoor gezocht in de veranderde interieurstijlen, evenals in de verdrijving van de Moren in 1609 en het uitbreken van de pest in 1650. In Cordoba bijvoorbeeld bestonden in 1588 circa dertig goudledermakerijen, waarvan in 1631 nog maar de helft overgebleven was. Voor zover op dit moment bekend werd in de jaren 1791-93 alleen nog maar in Barcelona goudieder gemaakt. Deze terugval is waarschijnlijk echter ook veroorzaakt door de afname van de export van goudleder, die in de 16de en begin van de 17de eeuw erg groot geweest moet zijn. Dit werd niet alleen veroorzaakt door de Moren die zich in het buitenland gevestigd hadden, maar ook door de opkomst van een nieuw, buitenlands type goudieder, dat in het midden van de 17de eeuw zeer populair geworden was: het verheven goudieder. Waarschijnlijk heeft Italië het meest van alle landen geprofiteerd van de verdrijving van de Moren uit Spanje. Met name in Venetië vestigden zich vele van hen, en deze stad ontwikkelde zich in de 16de eeuw tot het grootste en belangrijkste produktiecentrum van goudieder. In de 17de eeuw waren hier maar liefst 71 winkels gevestigd waar goudieder te koop was. Over de produktie is hier, evenals in andere Italiaanse steden, helaas slechts weinig bekend. Het staat weliswaar vast dat er ook in de steden Napels, Genua, Rome, Bologna, Ferrara, Messina en

Milaan goudieder geproduceerd is, maar wanneer exact en door wie is helaas nog onduidelijk. Het Italiaanse goudleer werd niet alleen in het binnenland afgezet, maar het werd ook naar vele andere Europese landen geëxporteerd, zij het op een kleinere schaal dan het Spaanse goudieder. Ook in de Portugese hoofdstad Lissabon is er goudleder gemaakt. Helaas zijn hierover slechts enkele losse onsamenhangende gegevens bekend, die dateren vanaf 1536 tot aan het begin van de 18de eeuw. De Moorse goudledermakers vluchtelingen vestigden zich ook in Zuid-Frankrijk, onder andere in de steden Marseille, Carpentras en Avignon. Maar ook in Rouen en Lyon zijn er goudledermakers werkzaam geweest. De vroegst bekende vermelding van Frans goudieder dateert uit 1588, toen een Parijse goudledermaker door de Franse Koningin Catharina de Medici voor zijn produkten betaald werd. Zeker tot ver in de 18de eeuw is er in Parijs goudleder gemaakt. In Duitsland is slechts op enkele plaatsen goudieder vervaardigd. Zo was er in het midden van de 17de eeuw aan het hof van de Keurvorst in Berlijn een hugenoot als goudledermaker werkzaam, en ook in de steden Augsburg en Neurenberg schijnt er aan het einde van de 17de eeuw goudieder geproduceerd te zijn. In Engeland daarentegen waren zowel in de 17de als de 18de eeuw een groot aantal goudledermakers actief. De vroegst bekende gegevens in dit land dateren van circa 1600, waarbij het duidelijk is dat de goudlederwerkers van het vasteland van Europa afkomstig waren. Met name in de tweede helft van de 17de eeuw was het goudleder-behang in Engeland erg populair, al werd het hier waarschijnlijk op een minder grote schaal toegepast dan in andere Europese landen. Londen was het belangrijkste productiecentrum, maar ook elders in het land is er goudieder vervaardigd. Zo heeft er omstreeks 1700 ook in Edinburg een goudledermakerij bestaan. Vanaf het midden van de I8de eeuw nam de belangstelling voor het goudieder in dit land sterk af, wat voornamelijk veroorzaakt werd door de snel opkomende mode van het papierbehang.

DE NOORDELIJKE NEDERLANDEN In de Noordelijke Nederlanden dateert het vroegste bericht over de productie van goudieder uit 1612 (25). In dat jaar verkreeg Claes Jacobsz te Amster-


s,

.

Em J

TiiT

I^M

oS

£& J^HHn^^Pifl

, .„-.: •

•!

\',

i •

L

li

^/-•^IFjü<yT..i 5;'

^m'y'mr:

f'

i

^t-' WP'

< i

i

•Uil

**im

1 ^n

^ÊÊts mL* K7 1

,

: ,, ••- •

r#

1*.'

•—w

:

••;


M&L

dam een octrooi van zes jaar om "vergulde en versilverde leeren te maken". Eenjaar later, in 1613 bleken ook Jacob Dircxz. de Swart en Hans Ie Maire in Den Haag goudieder te maken. Le Maire vestigde zich in 1617 met zijn werkplaats te Amsterdam, dit op uitnodiging van het stadsbestuur en met zeer gunstige condities. De Swart bleef in Den Haag achter, waar hij zijn experimenten voortzette om de fabricagemethode voor het goudieder te verbeteren. Dit resulteerde in een geheel nieuwe methode om het goudieder te bewerken, waarvoor hij zelfs op 5 augustus 1628 een octrooi voor acht jaar verkreeg. Met deze nieuwe werkwijze was hij in staat om "allerley blommen, loffwercken, personnagen, dieren, gevogelte ende anders verheven ende gebotseert gewys, sonder inckt ofte swart te drucken, printen, ende formeren, op vergulde, silvere ende allerlei] gecoleurde leeren, sijnde 't selve een gansch ander ende noyt te vooren gepractiseert werck, veel meer met het gedreven goudtsmeden werck, als met de Spaenschen ende anderen inventie van goude leeren gelijckenisse ofte gemeenschap hebbende". De Swart had de vlakke houten drukplaat, die tot dan toe altijd gebruikt werd om het goudieder van een vlak patroon te voorzien, vervangen door een houten of metalen drukplaat met een uitgespaarde - of negatieve - vorm. Door het goudieder hierin te persen kreeg het een relief-patroon. Het resultaat, het zogenaamde "verheven goudleer", had een 2 a 3 centimeter naar voren komende relief-decoratie. Deze "verheven" voorstellingen in het goudieder brachten een optisch effect teweeg dat tot dan toe volledig onbekend was: de reflecterende gouden voorstellingen in reliëf hadden een schitterende uitstraling. Dit was een effect dat onmogelijk met een ander materiaal waarmee hele wanden bekleed werden, zoals hout of textiel, bereikt kon worden. Het verheven goudieder verwierf dan ook snel een grote faam en het is dan ook zeker niet vreemd dat de vraag hiernaar in snel tempo groeide. Het was niet alleen een duur en kostbaar produkt, maar het straalde deze rijkdom ook duidelijk uit. Dit verheven goudieder werd al snel een begrip, in Frankrijk bijvoorbeeld werd het "cuir doré d'Hollande" zelfs als typebenaming voor dit verheven goudleer gebruikt, evenals in Engeland waar men dit type als "Dutch gilt leather" kende. Ook in Vlaanderen was men zich hiervan bewust, gezien de opmerking in een van de boeken van het Antwerpse handelshuis Forchondt op 27 januari 1668: "2/2 camer groen ende gout hooch verheven op syn Hollands alsoo se daer [Wenen] wysmaken, maer werden hier [Antwerpen] ghemaekt" (26).

Na afloop van het octrooi op het verheven goudieder in 1636 ontstonden ook elders in Holland goudledermakerijen. In Den Haag bleef het bedrijf van De Swart weliswaar het enige, maar in Amsterdam waren in het midden van de 17de eeuw tenminste elf bedrijven actief. En behalve in Amsterdam en Den Haag, hebben er ook goudledermakerijen bestaan in Dordrecht en Middelburg. De meeste van hen was slechts een kort leven van enkele jaren beschoren; enkele van hen bestonden gedurende twee of drie generaties. De goudledermakerijen die opgezet waren door Jacob Dircxz de Swart in Den Haag, en Hans le Maire en Maarten van den Heuvel in Amsterdam waren zonder twijfel de belangrijksten in de Noordelijke Nederlanden. Met name Hans le Maire verwierf een grote naam met zijn goudieder, en in zijn bedrijf werkten in 1621 al meer dan 50 werknemers. Omstreeks 1630 sloot hij een accoord met de weduwe van Jacob Dircxz. de Swart, waardoor ook hij in Amsterdam verheven goudieder kon gaan maken. Dit heeft ongetwijfeld een produktievergroting teweeg gebracht en in 1634 breidde hij zijn bedrijf fors uit door in Vreeland in de provincie Utrecht een tweede goudledermakerij te openen. Helaas zijn er alleen van vóór 1630 enkele cijfers bekend die iets zeggen over de produktieomvang van zijn bedrijf: in 1624 sloot hij een contract af met een zilverslager waarin onder andere vastgelegd werd dat hij gedurende zes jaar iedere zes weken minimaal 20.000 blaadjes bladzilver van hem zou afnemen. En uit 1627 is een contract met een koopman bekend, waarin een jaarlijkse leverantie van 16.000 Franse kalfsvellen, eveneens voor zes jaar, overeengekomen werd. Goudieder uit zijn bedrijf vond zijn weg over de gehele wereld. Het werd onder andere gekocht door de Deense koning Christiaan IV, Keizer Ferdinand II in Praag en werd geëxporteerd naar Denemarken, Frankrijk, Polen, Zweden, Duitsland, Rusland en zelfs ook naar China, Japan en Brazilië. De goudledermakerij van Maarten van den Heuvel te Amsterdam was opgericht omstreeks 1632, dus al vóór afloop van het octrooi op het verheven goudleder. Dit bedrijf, dat spoedig door zijn drie zoons en zijn boekhouder werd overgenomen, werd in 1641 omgevormd tot "een companie van goudleermaken". Ruim tien jaar later trokken twee van de drie zonen naar het Oostzee-gebied, en wel naar de steden Dantzig en Koningsbergen, om aldaar goudieder te gaan maken en verkopen. Deze goudledermakerij van Van den Heuvel, die gedurende enkele jaren ook een filiaal in Den Haag had, bleef tot in 1714 voortbestaan, toen een kleinzoon van de oprichter het te koop aanbood. De Middelburgse goudleermakerij die vanaf 1671 in


M&L

15

bedrijf was, sloot haar deuren in 1725. De laatste gespecialiseerde goudledermakerij die in de Noordelijke Nederlanden bestaan heeft, stond in Dordrecht. In 1753 werd zij opgeheven, na exact honderd jaar te hebben bestaan.

DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN De vroegst bekende vermelding van goudieder in de Zuidelijke Nederlanden dateert uit 1504. In dat jaar leverde Robinet Lucas uit Brussel één "tapisserie de cuyr doré faicte a la maniere d'Espagne" voor een van de paleizen van Filips de Schone (27). Helaas is over dit goudleer verder niets bekend. Was het door Robinet Lucas zelf gemaakt, was het elders in de Zuidelijke Nederlanden geproduceerd, of was het vanuit het buitenland geïmporteerd? Dit zal altijd wel een raadsel blijven, waarbij de eerste twee mogelijkheden zeker niet uitgesloten mogen worden. Immers op 15 december 1511 liet Valentijn Klee "gouden ledermakere", zoon van Thomas de Bomborgh, zich als poorter van Mechelen inschrijven (28) Klee zal op dat moment uit Antwerpen afkomstig zijn geweest, want tussen 1 oktober 1500 en 30 september 1501 had hij zich in die stad als poorter laten inschrijven (29). Van zijn activiteiten aldaar is helaas niets bekend, maar aangezien hij zich in Mechelen als goudledermaker heeft laten inschrijven, zal hij dit ambacht zeker ook al in Antwerpen uitgeoefend hebben. In 1513 verscheen in Brussel "Tbouck van Wondre", een receptenboekje, waarin tussen de meest uiteenlopende recepten, onder andere het verven van leder beschreven staat, evenals het maken van goudleer. Weliswaar is het een beknopte beschrijving, maar het geeft niettemin de essentie van het maken van het goudleer weer (30). Helaas staan al deze gegevens nog geheel op zichzelf, en dateren de eerstvolgende gegevens over de goudlederproduktie pas uit het begin van de 17de eeuw. Wel zijn er nog een aantal 16de-eeuwse vermeldingen van goudieder bekend, zoals de "drie stucken leeren tappyt" van de overleden schrijver en lid van de Staatsraad Hieronymus Busleyden, te Mechelen die in 1518 verkocht werden (31). Ook in het kasteel van Wijnendale, waar na het overlijden van Filips van Kleef in 1528 een inventaris is opgemaakt, bevonden zich drie lederen kamerbehangsels. Het lederen behangsel in "la chambre de Madame" droeg het devies van de overleden Koning Filips de Schone, en het had evenals "la chambre de monsieur" een bijpassend baldakijn (32). Twintig jaar later werden in één van de kamers van het kasteel te Hoogstraten vijf stukken rood

leder behang aangetroffen evenals acht stukken leerbehang "rood en groen met gouden bloemen" (33). Naast deze archivalische vermeldingen zijn er ook enkele losse stukken goudieder uit de 16de eeuw overgeleverd. Op de eerste plaats zijn er de twee stukken goudieder, die volgens overlevering afkomstig zouden zijn uit het paleis van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) te Mechelen. Helaas is deze herkomst alles behalve zeker en er wordt ook gesuggereerd dat zij uit de Sint-Petrusen Pauluskerk afkomstig zouden zijn. Een nadere documentatie hiervan ontbreekt dan ook (34). Spijtig is dat van een ander stuk goudleer, dat afkomstig zou zijn uit het Mechelse paleis van kardinaal A.R de Grandvelle (1517-1586) de huidige verblijfplaats onbekend is (35).

MECHELEN Zoals vermeld, heeft Valentijn Klee "gouden ledermakere " uit Antwerpen, zoon van Thomas de Bomborgh, zich op 15 december 1511 als poorter van Mechelen laten inschrijven. Behalve het feit dat hij voordien in Antwerpen woonde en dat hij in 1519 een fontein in Mechelen gemaakt heeft, is op dit moment helaas verder niets over hem bekend (36). De eerstvolgende gegevens over de goudlederproduktie in Mechelen dateren pas van bijna honderd jaar later: uit 1612. In dat jaar werd, volgens een opgave uit 1764, de goudledermakerij van de familie Vermeulen opgericht (37). Deze familie bleef gedurende vijf generaties in deze bedrijfstak werkzaam. De verschillende goudledermakerijen die in de loop der jaren in hun bezit waren, behoorden tot de belangrijkste van de stad. Het familiehuis was het "goudenleerhuys" in de Lange Ridderstraat, op de hoek bij de Klapbankbrug, in het kwartier 'De Ham'. In 1647 behoorde het aan Antoon Vermeulen Antonisz, één van de zonen van de oprichter, in 1677 was het in handen van zijn broer Jan en in 1711 van diens achtemeef Carolus Jacobs (38). Mogelijk was dit de goudledermakerij, waar de gevel het opschrift droeg "Hier in de zon, die rijst, en daalt des avonds weer, verkoopt en maakt men heel goed goud- en zilverleer" (39). Het reeds enkele keren geciteerde Secreetboeck is door drie leden van deze familie geschreven: Jan Vermeulen (tweede generatie) legde in 1677 de basis hiervoor, en Carolus Jacobs (vierde generatie) en Jacobus Versluysen (vijfde generatie) vulden het aan. Het waren ook drie leden van deze familie, Antoon, Pieter en Gillis Vermeulen, die omstreeks 1650 een nieuwe looimethode introduceerden (40). Hierbij werden de huiden in een draaiende ton


16

Twee stukken goudieder, mogelijk afkomstig uit het Paleis van Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) te Mechelen (Mechelen. Stedelijk Museum Hof van Busleyden) (foto 0. Pauwels)

M&L


M&L

Veurne: stadhuis, goudlederbehangsel in de Albertzaal. Atelier Caroius Jacobs, Mechelen, 1725 (foto 0. Pauwels)

17

gelooid, in plaats van in de tot dan toe gebruikelijke touwkuip waarin de huiden lange tijd tussen looistoffen te week werden gelegd. Deze nieuwe methode was niet alleen doelmatiger en aanzienlijk sneller dan de tot dan toe gebruikelijke, maar het leder dat op deze manier gelooid was scheen bovendien geschikter te zijn om goudieder van te maken. Dit nieuwe "tonleer" was echter de basis voor vele conflicten tussen de goudledermakers en de huidenvetters, of leerlooiers. De Mechelse magistraat probeerde weliswaar door het uitvaardigen van verordeningen deze geschillen voor te zijn, maar dit lukte slechts gedeeltelijk. Zo bepaalden zij onder andere dat de goudledermakers alleen dan huiden mochten looien, wanneer zij hiervoor expliciete toestemming hadden gekregen (41). In 1685 bleek dat Gillis Vermeulen in plaats van met één ton, zoals toegestaan was, met twee tonnen aan het werk was. Dit resulteerde in een slepende zaak, die in 1689 zelfs voor de Grote Raad kwam (42). Maar het bleef niet tot dit ene conflict beperkt. In 1708 werd de goudledermaker Jacob van der Camp door de magistraat verboden zijn leder met de ton te looien, een uitspraak die voortvloeide uit een protest van de huidenvetters, die zich in hun broodwinning bedreigd zagen. Maar het was niet alleen Van der Camp die toen door de magistraat dit recht ontnomen werd; dit gold ook voor alle andere Mechelse goudleermakers, te weten Antoon & Pieter Vermeulen, Jan van Hombergen en Juffrouw Hillema, de weduwe van Arnold Jacobs (43). Zoals te verwachten, gingen deze goudledermakers hiertegen in beroep. Zij bereidden immers al meer dan zestig jaar hun eigen 'tonleer', waarmee de magistraat al in 1687 had ingestemd. Omdat dit tonleer volgens hen veel geschikter was voor het maken van goudieder dan het touwleder van de huidenvetters, hadden zij zo'n grote faam met hun produkt weten te bereiken. Hierdoor waren zij in Mechelen nog altijd aan het werk en bestonden er elders in het land - op het kleine atelier van weduwe 'T Kindt in Brussel na - geen goudledermakerijen meer. Zij dreigden dan ook, indien zij dit recht niet zouden terugkrijgen, hun ateliers naar elders, mogelijk zelfs naar Holland te verplaatsen. Dit alles resulteerde erin dat de Grote Raad op 17 juli 1719 het eerdere vonnis van de Mechelse schepenen verbrak. Deze uitspraak viel uiteraard in slechte aarde bij de huidenvetters, en twee jaar later probeerden zij opnieuw hun gelijk te behalen door van Jacob van der Camp tegen betaling een verklaring af te dwingen dat hij afstand deed van deze uitspraak van de Grote Raad. Van der Camp werd door zijn collega-goudledermakers opnieuw de helpende hand toegestoken en het verdrag werd verbroken (44).

Het voorrecht dat de goudledermakers hun eigen leder mochten looien bleef de huidenvetters echter een doom in het oog, en in de jaren 1751-1753 was er opnieuw een conflict hierover (45). Maar de huidenvetters waren niet de enige toeleveranciers met wie de Mechelse goudleermakers in conflict zijn gekomen. Ook met de goudslagers, die hun het bladzilver toeleverden, liep het contact niet altijd even soepel. Door de bloei van de goudledermakerijen was de vraag naar het bladzilver groot. Antoon en Pieter Vermeulen, die in hun goudledermakerij meer dan honderdtwintig werklieden aan het werk hadden, betrokken hun bladzilver zelfs van vijf verschillende goudslagers (46). In 1716 waren er in totaal elf van dergelijke ateliers in Mechelen aan het werk. De goudslagers vormden dan ook een belangrijke bedrijfstak in Mechelen, en sinds 1683 waren zij in een gilde verenigd (47). Op 11 oktober 1730 nam dit gilde het besluit dat de eerst komende tien jaar geen leerlingen meer aangenomen zouden worden, hetgeen uiteraard het aanbod van het bladzilver verminderde. Protesten van de goudledermakers hiertegen resulteerden in 1737 slechts in een bekrachtiging van dit besluit door de Mechelse magistraat (48). Het gevolg hiervan was dat de goudledermakers hun bladzilver in Antwerpen en Brussel gingen kopen. Dit was uiteraard niet de bedoeling, en 2 oktober 1747 stak de magistraat hier een stokje voor door dit te verbieden. In 1779 verzocht Jacobus Versluysen hem echter om toch blad-


18

Detail van een goudlederpaneel, gesigneerd 'Egidlus Jacobs', Mechelen, eerste kwart 18de eeuw (Mechelen, Stedelijk Museum Hof van Busleyden) (foto 0. Pauwels)

M&L

zilver uit andere steden te mogen betrekken, omdat de goudslagers hun belofte om "hem soo veel silver te leveren als hij in syne fabriquen soude van doen hebben, niet hebben connen uitvoeren" (49). De Vermeulens en hun nazaten verkochten, evenals de andere Mechelse goudledermakers, goudieder naar vele plaatsen in zowel binnen- als buitenland. Helaas zijn er van al deze goudledermakers geen rekeningenboeken of memorialen bewaard gebleven. Hierdoor is alleen uit andere bronnen een beeld over de productie en afzet te vormen, zoals uit de rekeningen en de vele afschriften van betalingen die op zeer verspreide locaties bewaard gebleven zijn. Dit zijn stille en vooral ook eenzame getuigen van deze bedrijvigheid, die helaas slechts moeizaam te vergaren zijn. Hierdoor weten we bijvoorbeeld dat in 1651 Antoon Vermeulen twee kamers goudieder geleverd heeft voor het kasteel van Amalia van Solms te Turnhout met een totale oppervlakte van 442 el2 en een waarde van ƒ 647.12.- (50). Enkele jaren eerder, in 1647-1649, hadden Peter en Artus Vermeulen zeven goudlederkamers en nog enkele losse stukken goudieder van diverse patronen aan het Antwerpse handelshuis Le Candele-Schrynmakers geleverd ((51). Ook uit de bewaard gebleven archivalia van het beroemde handelshuis Forchondt komen meerdere leveranties naar voren, zoals onder andere de twee grote partijen goudieder die Jan Vermeulen in 1672

en 1673 leverde, en de leverantie van goudlederen stoelbekledingen door zijn zwager Herman Jacobs, eveneens in 1672 (52). Aan Arnoldus Jacobs, een van de drie zonen van Herman Jacobs, betaalde de stad Mechelen in het boekjaar 1693-1694 ƒ 553.38 voor goudieder dat hij in november 1692 geleverd had voor een kamer in de Réfugié van Grimbergen (53). Enkele jaren later, in 1705-1709, leverde deze zelfde goudledermaker meerdere goudlederkamers van diverse patronen en kleuren aan de Antwerpse handelaar Nicolaas Naulaerts volgens diens bewaard gebleven memoriael (54). Zijn weduwe Anna Maria Hillema had, evenals haar collega en verre familielid Jan van Hombergen, meer dan zestig mensen in dienst (55). Van Jan van Hombergen is bekend dat hem in het boekjaar 1709-1710 ƒ 983,- betaald is voor aan het stadhuis te Maastricht geleverd goudleder (56). Een uitzonderlijke plaats nemen op dit moment twee van de drie zonen van Arnoldus Jacobs en Anna Maria Hillema in, doordat uit hun werkplaatsen goudieder te identificeren valt. Zo heeft Carolus Jacobs in 1725 voor ƒ 299.- het goudieder geleverd dat zich nog altijd bevindt op de plaats waarvoor het toen gekocht is: de huidige Albertzaal van het stadhuis te Veume (57). Zijn broer Egidius Jacobs is een speciaal geval. Weliswaar zijn er uit 1727 en 1737 betalingen aan zijn weduwe bekend voor "eenighe monsters van goude leeren tot het behangen van eene choer" in de abdijkerk te Thorn (Nederlands Limburg) (58), en voor de leverantie van vierentwintig bladen goudieder aan de Sint-Pieterskerk te Rotselaar, maar op beide plaatsen is dit verdwenen (59). Goudieder uit deze werkplaats is echter te identificeren doordat Egidius Jacobs zijn naam en monogram op een van zijn drukplaten heeft laten aanbrengen. Ook aan enkele andere Mechelaren zijn er betalingen gedaan voor goudieder dat zij geleverd hebben, zoals aan Magdalena van Wyck, die in 1616 drie goudlederkamers voor het stadhuis van Mechelen leverde voor ƒ 132,- per stuk (60). Helaas is onbekend of zij zelf een goudledermakerij bezat, of dat zij 'slechts' als tussenpersoon heeft opgetreden. Ditzelfde geldt voor Jacob Mechiels die in 1658 betaald werd voor de levering van goudieder aan de Sint-Pietersabdij te Gent (61). Van Pieter Seghers, die tussen 25 juni 1613 en 24 juni 1614 acht stukken goudieder aan de Sint-Pietersabdij te Gent leverde en eenjaar later twee goudlederkamers aan de Grote Raad van Vlaanderen te Brussel, is het zelfs onduidelijk of hij wel in Mechelen woonde (62). Van Anthony van der Stock, die in 1647 twee maal voorkomt in het bewaard gebleven journaal van de


M&L

19

• Mechelen: Lange Ridderstraat 36-38, het "Gouden Leerhuys" met 19de-eeuwse verbouwde gevel (foto 0. Pauwels) Portret van Jacobus Versluysen (17201797), de laatste goudledermaker van Mechelen (Mechelen, Stedelijk Museum Hof van Busleyden) (foto 0. Pauwels)

Antwerpse handelsfirma Le Candele-Schrynmakers staat dat wel vast (63). Hij was de zoon van de in 1643 overleden Mechelse goudledermaker Peter van der Stock, en zette na het overlijden van zijn moeder Livina Montenaken in 1651 het bedrijf voort (64). Ook voor Gilliam de Blaes staat vast dat hij een Mechelse goudledermaker was. Hij leverde in 1672 2% kamer goudleer van het patroon "de hollandse plaat" aan de Antwerpse firma Forchondt (65). In 1685 verwierf hij, zoals eerder vermeld, een octrooi op een set drukplaten. Van de goudledermaker Christoffel Smout, die waarschijnlijk een aangetrouwd familielid van Gilliam Blaes was, is helaas niets bekend (66). Alles bij elkaar bestonden er in 1709 vijf goudledermakerijen in Mechelen. In 1739 was dit aantal geslonken tot vier, waar honderdenelf knechten en vier leerjongens werkten (67). In 1759 waren er hiervan nog maar twee bedrijven over, die beide gevestigd waren in het eerder genoemde "Goudenleerhuys" (68). In 1764 bleken de eigenaars hiervan, Egidius van Hombergen en Jacobus Versluysen verre familieleden van elkaar! - deze twee bedrijven tot één enkel samengevoegd te hebben. In dat jaar werkten er in totaal drieëntachtig mensen: vijfentwintig lederbereiders, acht mensen om de huiden te lijmen, vijfendertig schilders en vijftien vergulders (69). De jaarlijkse produktiewaarde was ƒ 70000,-.

Er werden ongeveer 35.000, voornamelijk Nederlandse huiden verwerkt, maar er kwamen ook wel huiden uit Frankrijk, hoewel de export hiervan uit dat land verboden was. De pigmenten en oliën kwamen uit Dantzig en Holland. Het goudieder dat in deze goudledermakerij geproduceerd werd, exporteerde men voor het merendeel naar Holland, Frankrijk, Spanje en de steden Hamburg, Dantzig, Sint-Petersburg en Kopenhagen. In 1765 breidden Versluysen en Van Hombergen hun bedrijf uit door naast het goudieder ook wasdoek-behangsels, oftewel het beschilderde lijnwaad, te gaan maken. Speciaal hiervoor werden zestien wevers aangetrokken, de verdere produktie gebeurde door dezelfde werklieden die het goudleder-behang vervaardigden (70). Na het overlijden van Van Hombergen in 1782 kwam de goudledermakerij geheel in handen van Jacobus Versluysen. Maar vijftien jaar later, toen ook hij overleed, was er niemand die het bedrijf wilde overnemen. In 1797 stierf dan ook met hem het ambacht dat de stad Mechelen zo lange tijd zoveel roem gebracht had (71).

BRUSSEL De vroegst bekende vermelding van een goudledermaker in Brussel dateert uit 1638. Op 1 september van dat jaar liet Martin Sotteau " goudeleermaeker"


M&L

zich als poorter van deze stad inschrijven (72). Evenals in de andere Zuid-Nederlandse steden dateren ook in Brussel de eerste vermeldingen van goudleder al van voordien, zoals de levering in 1573 van "6pieces de cuirs doré d'Espaigne" door Francois Guebels, tapissier in deze stad, of de vijf goudiederkamers in het Hof van Nassau in 1618, waarvan er vier eveneens als "cuir doré d'Espaigne " betiteld werden (73). De "goudeleermaeker" Martin Sotteau sloot op 26 juli 1647 een akkoord met de schilder Godefroid Allart. Hierin werd overeengekomen dat Allart voor hem een reeks van acht schilderingen van maar liefst 335 cm hoog zou ontwerpen en uitvoeren, met als onderwerp de "historie van Romulus en Remus". De goudlederen boord, die hier omheen moest komen, zou Sotteau zelf ontwerpen en maken. In 1671 bleek dat Allart meer van dergelijke schilderingen voor goudlederbehangsels ontworpen had. Dat jaar sloot hij namelijk een akkoord met de eveneens in Brussel woonachtige goudslager en goudledermaker Francois Ysenbaudt. Overeengekomen werd dat Allart hem al zijn ontwerpen in bruikleen zou geven, en dat Ysenbaudt de hieruit voortvloeiende opdrachten alleen door Allart zou mogen laten uitvoeren (74). Een andere goudledermaker in deze stad was Jean Sitteau. Tussen 1643 en 1650 leverde hij een goudlederbehangsel voor de kapel van OnzeLieve-Vrouw van Zellaer in de Sint-Romboutskerk te Mechelen (75). Laurentius Abat was een derde goudledermaker. Van hem is bekend dat hij in 1682 een goudlederkamer met het patroon "Afrique" aan Balthasar III Moretus in Antwerpen leverde. Het zal deze goudledermakerij zijn geweest die door de Zweedse architect Nicodemus Tessin de jonge in 1687 bezocht en beschreven werd (76). In deze jaren zal ook de goudledermakerij van 't Kindt al bestaan hebben. Zijn weduwe, die het bedrijf van haar overleden man overgenomen had, had in ieder geval kort na 1700 de leiding over dit bedrijf. Het leder dat daar verwerkt werd, kocht zij bij de huidenvetters in Mechelen (77). Zij moet op redelijk goede voet met haar Mechelse collega Arnoldus Jacobs gestaan hebben, want in 1706 liet hij een partij goudieder bij haar afdrukken op een van haar drukplaten, genaamd de "alliantie-plaat" (78). In 1755 bestond de goudledermakerij van 't Kindt nog altijd en was inmiddels in handen gekomen van Comelis 't Kindt, die de zaak na het overlijden van zijn moeder overgenomen had. Hij had dat jaar zestien werklieden en een goudlederschilder in dienst (79). Blijkbaar was hij niet tevreden met de omzet van zijn goudledermakerij, want hij breidde het assortiment uit door ook wasdoekbehangsels

{"toiles cirées") te gaan produceren. In Brussel was hij hiermee in ieder geval de eerste, want op 12 maart 1757 wist hij een octrooi hiervoor te verwerven (80). Twee jaar later sloot hij een akkoord met N.Deturck, die de leiding over de productie van deze wasdoeken op zich nam, en datzelfde jaar nog een tweede octrooi verwierf. Al spoedig zou blijken dat deze stap van Comelis 't Kindt een verstandige was geweest: in 1764 werkten er bij hem al weer vierendertig mensen, terwijl Deturck acht mensen in dienst had. 's Zomers werkten de werklieden van 't Kindt voor het merendeel voor Deturck, maar 's winters werd er goudieder gemaakt. De werkverdeling was als volgt: er waren twee leerlooiers, zes lederbereiders, vier mensen om de huiden te lijmen, twee mensen aan de drukpers, twee ontwerpers, twaalf schilders en vergulders, vier vemissers en twee leerjongens. Zij produceerden jaarlijks tachtig goudlederbehangsels die voor het merendeel in Vlaanderen verkocht werden. Deze hadden een gezamelijke waarde van ƒ 6900,-, of gemiddeld ƒ 85,- per stuk. Deturck bereikte op zijn afdeling zelfs een produktie van vierhonderdtachtig wasdoekbehangsels met een totale waarde van ƒ 31200,- (81).

ANTWERPEN Het is de stad Antwerpen waaraan op dit moment de eer toekomt dat aldaar de vroegst bekende goudledermaker van Vlaanderen gevestigd was. Zoals reeds vermeld had Valentijn Klee, de goudledermaker die in 1511 in Mechelen als poorter ingeschreven werd, zich tussen 1 oktober 1500 en 30 september 1501 in Antwerpen als poorter laten inschrijven. Uit de 16de eeuw zijn er weliswaar enkele toepassingen van goudlederbehang in deze stad bekend, zoals in het huis van burgemeester A.van Stralen in 1567, in de Herenkamer van het stadhuis in 1570 en in het huis van de bankier Coenraerd Schetz in 1579 (82). Maar het eerstvolgende bericht over dit ambacht dateert - overigens ook weer iets eerder dan in Mechelen - pas uit het begin van de 17de eeuw: in 1609 vestigde zich hier de Catalaanse goudledermaker Rafael Tallada, nadat deze vanuit de Franse stad Lyon, door de jacht op buitenlanders aldaar, was weggevlucht (83). In Antwerpen behoorden de goudledermakers tot het Sint-Lucasgilde zoals uit de bewaard gebleven ordonanties uit 1689 blijkt.(84). Uit de archieven van dit gilde leren we dan ook de meeste van hen bij naam kennen: Guilliam Craen (1620-21), Erasmus van Houte (1635-36), Joris Gondis (1643-44), Joan (1651 -52) (f 1696) en Peter Lambeer (1670-71, 1700/01), Peter de Riemer (1653-54), Merten Mers-


M&L

Antwerpen, goudlederbehangsel in het Brouwershuis, Antwerpen (?), 1664 (foto 0. Pauwels)

21

kuiler (1661/62, f 1662/3), Gillemans (f 1661/2), Matthias Hoeykens (1710/11) en Johannes Inck (1713/14) (85). Van een enkeling zijn op dit moment meer gegevens bekend, zoals van Hendrik Goesseels, die in 1617' 18 als leerjongen in de registers van het Sint-Lucasgilde werd ingeschreven. In 1643 droeg hij namelijk een aantal stukken goudieder aan twee familieleden over, en later in datzelfde jaar werd zijn expertise gevraagd bij een zending van ruim veertien goudlederkamers, die via Duinkerken vanuit Spanje waren gekomen en door het zeewater beschadigd zouden zijn (86). In 1649 werd ook de goudiedermaker Peter Verheyen om zijn oordeel gevraagd. Hierbij ging het om een goudlederbehangsel dat geleverd was als zijnde kalfsleder, maar bij een nadere beschouwing van Verheyen bleek het voor 1/3 deel uit besaenleder te bestaan, oftewel schapenleder (87). Dit was een veel goedkopere ledersoort, zoals onder andere uit het memoriael van de handelaar Nicolaas Naulaerts bekend is: de eenvoudigste uitvoering van een goudlederbehangsel gemaakt van besaenleder kostte 22 stuivers per el2, terwijl een zelfde uitvoering in kalfsleder 28 stuivers kostte (88). De eigenaar had dus alle reden tot klagen! Wat de relatie was tussen Dirc Pinceel, die in 1664 het goudlederbehangsel aan het Antwerpse Brouwershuis heeft geleverd, en die in de jaren 1638-'39 en 1684-'85 in de archieven van het Sint-Lucasgilde voorkomt, en Isabella Pinceel, die in 1674 een goudlederbehangsel aan Balthasar Moretus leverde en in 1684-'85 en 1717-'18 in de archieven van het SintLucasgilde vermeld wordt, is helaas op dit moment niet bekend (89). Een andere goudledermaker die omstreeks 1700 in Antwerpen werkte, was N. Bloemaerts "fabrikeur in goude keren kamerbehangsels" (90). Het lijkt waarschijnlijk dat hij familie was van de twee broers Jacques Francis en Franciscus Blommaerts, die in 1700 een nieuwe fabriek van goudieder opgericht hadden (91). In 1755 waren er in Antwerpen geen goudiedermakers meer werkzaam, maar alleen nog een drietal goudlederbehangers (92).

LUIK Ook in Luik is er goudieder geproduceerd. Op 26 april 1614 verkreeg de uit Milaan afkomstige goudledermaker Noël Barazet van de Prins-bisschop Ferdinand van Beieren een privilege om zowel in de stad als in het land van Luik goudieder te mogen produceren en verkopen (93). Zoals uit een acte van 1626 blijkt, werd het Luikse goudieder onder andere

naar Antwerpen gexporteerd (94). Twee jaar later kwam Pierre a Thilia voor vier jaar bij hem in de leer om dit ambacht te leren (95). In 1662 bestond het atelier van Noël Barazet nog altijd, en was in handen van zijn zoon Henri. Eerder dat jaar was zijn andere zoon Jacques Barazet overleden, die tot zijn dood eveneens in dit bedrijf werkzaam was geweest. Naar aanleiding van diens overlijden werden enkele verklaringen afgelegd: De beeldhouwer Nicolas Ie


22

M&L

Légat verklaarde dat hij voor de overleden Jacques Barazet een drukplaat voor het goudieder gesneden had, en Benoit Michiel verklaarde op zijn beurt dat hij voor hem gemaakt had drie of vier van de drieëntwintig stempeltjes, waarmee het leder bestempeld {"gepicqueerd ) werd, een bruineerijzer, en enkele beitels om het leder mee te snijden (96).

Hiernaast zou er volgens de literatuur ook nog goudleder in Doornik en leper gemaakt zijn, maar helaas zijn hierover geen nadere gegevens bekend (101). Het is vooralsnog niet duidelijk of dit ook daadwerkelijk het geval is geweest.

PATRONEN EN MOTIEVEN GENT Dat er ook in Gent goudieder gemaakt is, staat zonder twijfel vast. In 1667 was hier namelijk Jacob Matthijs als goudledermaker werkzaam in 'tgulden Peert' op het Wannekensaard, het huidige GrootKanonplein (97). Hij was daar hooguit pas enkele jaren gevestigd, want in 1662 had de kroniekschrijver Jules Billet immers nog de wens uitgesproken dat er goudledermakers uit Mechelen naar deze stad zouden moeten komen (98).

RIJSEL In Rijsel had zich in 1675 Jacques Dumichel als goudledermaker gevestigd, en verwierf datzelfde jaar nog het alleenrecht voor de verkoop van goudieder (99). Het vak van goudledermaker had hij waarschijnlijk in Antwerpen geleerd, uit welke stad hij afkomstig was. In 1708 overleed hij op de uitzonderlijk hoge leeftijd van negenennegentig jaar. Helaas zijn over de Venetiaan Anthoine Fraisy op dit moment geen andere gegevens bekend dan dat hij in 1613 goudieder leverde voor het bisschoppelijk paleis in deze stad (100).

Kasteel van Beauvoorde, goudlederbehangsel, Nederlanden, circa 16501680 (foto O. Pauwels)

Gedurende de bijna driehonderd jaar dat er in de Zuidelijke Nederlanden goudieder vervaardigd is, waren de patronen en de decoraties ervan zeker niet continu hetzelfde. Het waren niet alleen de stijlen en de modes die in de loop der jaren veranderden, ook de technische mogelijkheden hebben zich gewijzigd. Hierdoor veranderden zowel de op het goudieder aangebrachte patronen, als de vorm waarin het gemaakt werd. Het 16de- en vroeg 17de-eeuwse goudieder is hier vervaardigd op de manier zoals die op dat moment in alle andere landen gebruikelijk was. Het was geheel vlak en aan de voorzijde voorzien van een beschildering in één of meerdere kleuren. De vorm van deze beschildering werd benadrukt door hier omheen met kleine handstempeltjes patronen aan te brengen, waardoor de egale goudkleurige fond bovendien verlevendigd werd. De vorm van deze decoraties heeft waarschijnlijk nauwelijks of niet afgeweken van die op het buitenlandse goudieder uit dezelfde tijd, waarbij het Spaanse goudieder de toon zal hebben aangegeven. Dit is uit meerdere boedelinventarissen af te leiden: zo bevonden zich in het kasteel van Wijnendale in 1528 "sept pieces de tapisserie de cuyr, ouvraige d'Espaigne a la devise du feu


M&L

23

bleek al snel niet het verwachtte resultaat op te leveren. De werkwijze echter waarvoor De Swart in 1628 een octrooi voor acht jaar verkreeg bleek daarentegen uiterst succesvol (104). Zijn vinding, het verheven goudieder, bracht een grote verandering van het produkt teweeg. Het goudieder dat hij volgens zijn nieuw ontwikkelde produktiemethode maakte, was niet langer vlak met een erop geschilderde decoratie, maar had een decoratie die letterlijk naar voren kwam en het hierop vallende licht naar alle kanten reflecteerde. Het aanzien van het goudleder veranderde dus totaal. De reeds eerder geciteerde opmerking uit 1688 van een van de leden van de familie Forchondt "hooch verheven op syn Hollands" wordt hierdoor ineens duidelijk (105). Al snel werden er voor dit verheven goudieder speciale ontwerpen gemaakt die optimaal van deze nieuwe verschijningsvorm gebruik maakten. Hierbij werd de modernste ornamentiek verwerkt, waardoor een geheel nieuw vormenpatroon geïntroduceerd werd. Deze patronen waren zeer uitbundig en overvol gedecoreerd met allerlei florale krullen, kwabmotieven, vogels, insecten, cupidootjes en andere personen of beesten. Het was de combinatie van het 'verhevene' samen met deze nieuwe patronen waardoor het Nederlandse goudieder, en alle navolgingen daarvan, zo beroemd en modieus geworden is. Apeldoorn (Nederland): paleis Het Loo. Goudlederpaneel met een voorstelling van de hertenjacht, afkomstig uit het kasteel van Elewijt (copyright A.C.L. Brussel)

roy dom Philippe ", en in het Hof van Nassau te Brussel in 1618 waren vier goudlederen behangsels die als "cuir doré d'Espaigne" betiteld werden (102). Het merendeel van het goudieder dat op deze manier omschreven is, zal inderdaad uit Spanje afkomstig zijn, maar het is de vraag of dit altijd het geval geweest zal zijn. Boedelinventarissen zijn in dit opzicht immers niet altijd even betrouwbaar, en vaak zijn ze wat minder nauwgezet dan wij nu wensen. Leveranties geven wat dit betreft meer houvast. Zo lijkt er in het geval van de leverantie van een "tapisserie de cuyr doréfaicte a la maniere d'Espagne" in 1573 geen twijfel mogelijk (103). De kostbare zijdebrocaten waren een veel gebruikte bron van inspiratie voor de decoraties van het goudleder. Maar er zijn natuurlijk ook speciale decoraties ontworpen, zoals voor het zojuist genoemde goudleder met het devies van Filips de Schone, of de beide panelen die afkomstig zouden zijn uit het paleis van Margaretha van Oostenrijk. De eerste poging van de twee Nederlandse, en wel Haagse goudledermakers Jacob Dircxz. de Swart en Hans Ie Maire om het uiterlijk van het goudieder te veranderen door gebruik te maken van metalen drukplaten, waarvoor zij in 1613 een octrooi aanvroegen.

Dit verheven goudleer verdrong het oude vlakke goudieder, het 'Spaanse type', echter zeker niet geheel van de markt. Dit blijkt duidelijk uit het al eerder geciteerde journaal van de Antwerpse handelsfirma Le Candele-Schrynmakers: in het midden van de 17de eeuw werden nog altijd "platte camers" goudieder bij Vermeulen in Mechelen aangekocht (106). Maar dit lijken uitzonderingen te zijn. De enorme goudlederpanelen die de Brusselse schilder Godefroid Allart van mythologische taferelen voorzag, zullen echter zeker ook vlak geweest zijn. Dergelijke beschilderde panelen werden ook elders gemaakt, zoals blijkt uit de leverantie door "Sr.-Jacobs" te Mechelen van een groot goudlederen kamerbehangsel met "d'historie van Alexander en Darius" aan Nicolaas Naulaerts in 1699 (107). Ook uit inventarissen is dit type behangsels bekend, zoals bijvoorbeeld "het gouden leder rontomme deser neercamer hangende, wesende van goudt op goudt ende met eenige personagiën daeroppe geschilden" in een Antwerpse boedel uit 1644, en de "goude geschilderde leeren, cryghtriomph, 6 stucken" in een andere Antwerpse boedel uit 1704 (108). Voor zover bekend is een dergelijk goudiederbehangsel met grote geschilderde taferelen niet in Vlaanderen bewaard gebleven. In het Nederlandse


24

M&L

•

paleis Het Loo in Apeldoorn wordt echter een serie van zes grote panelen met jachtvoorstellingen bewaard, die in het verleden het kasteel van Elewijt gesierd hebben (109).

Duffel, goudlederbehangsel in het gemeentehuls, Nederlanden, Circa 1640-1680

• • Averbode, goudlederbehangsel In de Norbertijnerabdij, Zuidelijke Nederlanden, 1738

• • • Brugge: Nieuwe Gentweg 53, goudlederbehangsel. Zuidelijke Nederlanden, 1780-1800 (foto's O. Pauwels)

In het begin van de 18de eeuw trad er een belangrijke stijlverandering op, waardoor ook de op het goudleder toegepaste patronen veranderden. De decoraties werden symmetrisch in opbouw en luchtiger in aanzien. Deze stijlverandering werd veroorzaakt door de zich opdringende Franse mode, en raakte met name door het prentwerk van de architect en ontwerper Daniel Marot (1663-1752) in een stroomversnelling. Maar ook de patronen van de textilia, met name van de zijdes en de sitsen - het uit India afkomstige bedrukte katoen - hadden grote invloed op de goudlederpatronen. Deze patronen werden continu aan de nieuwe modes aangepast. Hierdoor zijn alle 18de eeuwse stijlen, inclusief alle tussenfasen, op het goudieder terug te vinden: de Lodewijk XIV-stijl, de regence, de Lodewijk XVstijl en de Lodewijk XVI-stijl. In het midden van de 18de eeuw liep het gebruik van samsons, oftewel de rechthoekige goudlederen panelen van ca. 75 x 65 cm, sterk terug. Het merendeel van de goudlederen behangsels uit deze periode bestaat uit lange verticale banen van 65 a 75 cm breed. Dus ook de uiterlijke vorm van het goudieder correspondeerde toen met de textilia! In het laatste kwart van de 18de eeuw werden deze verticale stroken zelfs ook in de breedte aan elkaar geplakt tot grote kamerbrede panelen. Ongetwijfeld waren het

dergelijke panelen die in 1788 gezien werden door de Spaanse generaal Francesco de Miranda toen hij de goudledermakerij van Jacob Versluysen in Mechelen bezocht: "... Alsdan naarde aloude manufacture van verguld leder van Mijnheer Versluysen, de enige in Mechelen. En het is curieus te zien hoe die man de kalfslederen met elkaar verbindt om er één groot stuk van te maken naar grootte die men verlangt, en zonder dat het mogelijk zij de naad te merken. Onmiddelijk beschildert hij ze en verguldt ze naar believen en volgens de tekening die men hem toezendt, zo stevig en zo heerlijk! De vierkante el kost slechts f 3.-" (110). Uit de bewaard gebleven koopmansboeken van enkele Antwerpse handelaren en andere archivalia zoals inventarissen, blijkt dat de verschillende patronen van het goudieder ieder hun eigen naam hadden. Op deze manier weten we dat er goudieder bestaan heeft met de namen: (111)

"Afrique" (mi) "alliancieplaet" (1706) "Arent" (1671-73,1675,1704) (ook in een "dyne" en "grooten" uitvoering) "arcade" (1648) "blommen " (1672) "blomplaetje" (1663) "mille fleurs" (1705-'09) (ook in een "cleyne" uitvoering) "brede plaet" (HOI) "damastpatroon" (1708-'09) "doolhof alias mille fleurs" (1708) "eendracht" (1702)


M&L

leper, goudlederbehangsel in het Bellegodshuis, Zuidelijke Nederlanden, circa 1755-1775 (foto 0. Pauwels)

1 25

•l^^HH^^^KaSI 3 Wp' , V

'^ï?-

, . r v -v"

„ ^

:>y-^

w iLmmk

tx

Z".

•?

-4/

V* ^'•,{^4 i &

*i JL

«É'H^H

was aangevraagd. Maar we weten dit ook van het "Spaenschepatroon", omdat in 1702 hierbij de opmerking werd gemaakt dat het een nieuw patroon betrof, en in 1707 werd bij de "fruythoom" en de "cleyne grenaet" aangemerkt dat deze beide patronen nog geen jaar oud waren (112). In de meeste gevallen echter weten we dit niet. Ook lijkt het vrijwel onmogelijk om bestaand goudleer aan een van deze namen te verbinden. Wat moeten we ons voorstellen bij het "fortuin", de "faemplaat" of de "vredeplaet"! Omschrijvingen als het "vogelken", di& "Aren?" of de "minnestrick" zijn weliswaar duidelijker, maar nog altijd te vaag om er één specifiek patroon mee te identificeren. Dat dit in uitzonderingsgevallen wel mogelijk is. blijkt in het geval van de "vijf sinnen". Deze naam valt met zekerheid te identificeren met het goudieder zoals dat nog altijd hangt in het Antwerpse Brouwershuis (113).

KLEUR "öfe v/er elementen" (1702) Tflemp/fle?" (1699,1702) "^/ote/estón" (1673,1675)

"fortuin" {11%) "fruythoorn" (mi-W)

Westerlo: kasteel van de Prins van Merode. Eetkamer bekleed met een goudlederbehangsel. Zuidelijke Nederlanden, 1750-1775 (foto 0. Pauwels)

Omschrijvingen van het goudieder in inventarissen. in de eerder genoemde koopmansboeken en in enkele andere bronnen, zoals rekeningen, geven vaak indicaties over de kleurstelling ervan. In de op dit moment gepubliceerde bronnen, die de periode

"grenaet" (1707-08) (ook in een "cleyne" en "n/eMH'^"uitvoe-ring) "de hollandse plaat" {1612-13) "horenplaet" (1648) "cmil'T'cwl" (1671-73) (ook in een "grooten" uitvoering) O'

"bourgoins cruys" (1700) "Latoranto"(1701) "Mercuriusplaat" (1700,1702,1708) "mimestrick" (1690) "pflpegfle)ï?/flflr"(1699,1700-'02)1705,1708-'09) "pauken'T'pam" (1611-13) "prinsenpatroon" (1648) "seetriomfken" (1673) "rfe vier seizoenen" (1702) "vij «/wen" (1664,1671-73,1696) "Spaensche patroon " (1702,1706-' 09) "strent" (1673) (ook in een "cleyne" uitvoering) "triumph der engelen " (bestaande uit 2 platen) (1685) "vaa5"(1703-'04,1708) "voge/fen" (1648,1651) "vredeplaet" (1100,1102) "Wyngaertsranck" (1671-73) Bij uitzondering is het bekend wanneer deze patronen ontworpen zijn, zoals in het geval van de "triumph der engelen" waarvoor in 1685 een octrooi

im «w" ^|^**1 rS ifli a

•2

8 m^

1'

• •

' W?' 3] i%am lik»., i r^ffc»-'^ * 1

•• IEL '^^*^'

1

m'fftfrii1!

t 1 ^<j||ji|ife ^^ p*"

r,.

••'!•£, 1

\$


M&L

couleur soo veel stuyvers" (116). De gegevens spreken voor zich: hoe meer kleuren, hoe duurder, en bij gebruik van het goedkopere besaanleder, oftewel het schapenieder, werd ook het eindprodukt goedkoper. Op 12 januari 1708 bevat hetzelfde memoriael een tweede prijsopgave, waaruit ook nog enkele andere blauw 61 maal gegevens naar voren komen: "Celles avec unfond, bruin 1 maal soit couleur de perle, bleu, verd, noir, ou autres cou"muscuscoleuf (=bruin-tint) 2 maal leurs, hormis celles de fond rouge, vient a 24 sols de goud 27 maal change, ou 28 courant. Celles de fond rouge montent Il sols d'avantage, et alors chaque couleur montent "goud en silver 9 maal "gout, silver en muscuscoleuf 7 maal lesfeuilles un sols, comme par exemple unefeuille "goud, zilver, blauw'' 1 maal aiant lefond de perle et les ramages verd, a 29 cou"goud, zilver, rood'' 1 maal rant. Celles qui ont trois couleurs, comme unfond, "grauw" 1 maal les ramages verd et lesfleurs rouge, d 30 sols; celles groen 65 maal a la naturelle, eet a dire avec toute sorte de cou"groen en roof 1 maal leurs, a 35 comme aussy celles a fond d'or piqué" "pereFI'peerF 23 maal (117). rood 47 maal Rond 1700 kostte het goudieder dus, afhankelijk van "appelbloeisel' {-licht rozerood) 5 maal de uitvoering, tussen de 22 en 35 stuivers per el2. 2 wit 9 maal Omgerekend komt dit neer op ƒ 2.06 a ƒ 3.13 per m zilver 10 maal (1 Brabantse el = 0.694 cm.). Het Brouwersgilde zwart 39 maal betaalde in 1664 ƒ 227.18 voor haar behangsel, dat "diverse couleuren 6 maal zoals we nu nog kunnen zien slechts met één kleur beschilderd was. Het was dus zeker niet de duurste Blauw en groen lijken de meest populaire kleuren soort, en er werd dus geen uitzonderlijk hoog bedrag geweest te zijn, gevolgd door rood, zwart, goud voor betaald. Maar toch, een klein huis kostte (waarbij de ornamenten gekleurd zullen zijn) en omstreeks 1680 niet meer dan ƒ 1000,- (118). "parelkleur". Wit, lichtroze en een combinatie van Kortom, een goudlederen behangsel was erg kostmeerdere kleuren kwamen blijkbaar maar weinig baar. voor, en bruin lijkt uitzonderlijk geweest te zijn. Uit deze zelfde bronnen blijkt ook dat het goudieder "gelackseerdt" kon worden geleverd, hetgeen beteOpdat de cliënten die een dergelijk kostbaar behangkenen zal dat er over het beschilderde goudieder een sel wilden kopen, beter hun keuze zouden kunnen vemislaag aangebracht was (115). Hiernaast zijn er bepalen, werden zogenaamde monsterbladen, of in totaal zeventien vermeldingen van goudieder met proefvellen, naar hen verstuurd. Op 3 maart 1708 castoor, te weten goudieder met geschoren wol erop verzond Nicolaas Naulaerts zes van deze monstergeplakt, iets dat nu als gevelouteerd goudleer betibladen naar een potentiële cliënt met daarbij de teld zou kunnen worden. Ook dit kwam in meerdere notitie: kleurstellingen voor: in blauw, groen, rood en zwart. "no.7; den Spaenschen patroon cost... 30 stuyvers. «o.2; den damast patroon, het middelste wit, het compartement daer om maskens uyt den rode, de vier groote compartement bleu tourcin, de blomkens PRIJS daer in gelaxeert, de 4 klyn compertement tegen de hoecken wit, ende de hoeken root en groen cost 28 'fa Over wat het goudieder nu eigenlijk kostte, worden no.3: den doolhof, alias mille fleurs gepicqueert, we ingelicht door verschillende rekeningen en de a 28 st. het bladt. vele leveranties die vermeld staan in de boeken van De Forchondts, van Nicolaas Naulaerts of van het no.4: den fruythoren gelaxeert a 26 st. handelshuis Le Candele-Schrynmakers. Vooral het no. 5: den Papegaey a 26 st. oock gelaxeert. memoriael van Naulaerts bevat enkele interessante no.6: de Vase a 24 st. prijsopgaven, zoals die op 20 november 1704: Nota dat men niet moet sien naer de qualiteyt en "Het calfsleer met alleenlyck eenen gront het sy wit, goudt van dese medegesonden monsters, alsoo die groen oft andre couleur cost 28 stuyv. wissel de elle nievers anders toe dienen als die gedurig te versenin 't vierkant. Dewelke twee couleuren hebben costen den, soo dat den fabriquateur die aenneemt goedt en 29 st. deen couleure, 30 st. De besaen oft schapenleer, deugtsaem te leveren. de enchle gronden 22 stuyvers en soo voorts soo veel Nota ten tweeden, als dat de goudeleiren met eenen 1617-1709 dekken, komen driehonderdvijftien kleurvermeldingen voor (114). Op basis hiervan kunnen, zeer voorzichtig, enkele conclusies getrokken worden over de populariteit van bepaalde kleuren.


M&L

27

enckelen grondt costen 24 st. gelyck als no. 5, maer als die afgeset syn met groen, soo costen die 25, ende die afgeset syn met groen en root costen 26 st., gelyck de nevens gesonde monsters 4 en 5 ende die gepicqueert syn met groen en roodt afgeset, costen 28 st. gelyck als nr.3. den patroon genaemt den Doolhof' (119).

HANDEL Het Vlaamse goudieder werd naar vrijwel alle Europese landen geëxporteerd, maar ook naar Rusland, Perzië en Klein-Azi (120). In de boeken van de Forchondts, Le Candele-Schrynmakers en Nicolaas Naulaerts zijn meerdere vermeldingen hiervan terug te vinden. Terloops zijn al enkele meldingen gemaakt van de aanwezigheid van buitenlands goudieder in deze regio, zoals onder andere de "6 pieces de cuirs doré d'Espaigne" die in 1573 door de Brusselse tapissier Francis Guebels geleverd werden. Waarschijnlijk was in de 16de eeuw het merendeel van het goudieder afkomstig uit Spanje, de vele vermeldingen van "Spaans goudieder" wijzen hierop. In de jaren twintig van de 17de eeuw, toen men in Mechelen, Antwerpen en Luik al volop goudieder maakte, werden er nog altijd grote hoeveelheden vanuit Spanje aangevoerd, onder andere door de gebroeders Goetkins uit Antwerpen (121). En behalve uit Spanje, werd er zeker tot in de jaren veertig ook goudieder vanuit Portugal en Italië geïmporteerd (122). Deze invoer geschiedde voor een groot deel via Duinkerken, waar goudieder een van de goederen was waarop vanaf 1611 op in- en uitvoerbelasting geheven werd (123). Het was dus geen toeval dat, zoals eerder vermeld, in 1643 via deze plaats goudieder voor een Antwerpse handelaar werd aangevoerd (124).

GEBRUIK ALS BEHANGSELS Over het soort kamer en het type huis waar het goudleder gehangen heeft, hierover is zonder specifiek onderzoek op dit moment nauwelijks iets naders te zeggen. De tijdsperiode en de welstand van de bewoner zijn twee elementen die het gebruik van dit kostbare materiaal zeker (mede) bepaald zullen hebben. Zo lijkt het goudleer in de 16de eeuw alleen maar bij de zeer kleine bovenste laag van de bevolking voor te komen. In de loop van de eerste helft van de 17de eeuw drong het tot een grotere groep door, maar het bleef toch nog altijd een luxeprodukt dat alleen bereikbaar was voor de zeer weigestelden.

De pronkkamer of de "salette" zal logischerwijs het eerste in aanmerking zijn gekomen voor dit kostbare behangsel, maar als men het zich kon veroorloven werden er ook andere kamers mee behangen, zoals de "voorcamer", de "keldercamer", de "neercamer",dt "bovencamer" of de "eetcamer" (125). Dat het goudieder in het midden van de 17de eeuw een zeer modieus soort kamerbehangsel was, daarover hoeft geen twijfel te bestaan. Hierop wijst niet alleen de bloei van deze bedrijfstak in deze periode, maar ook het aantal vermeldingen van een goudlederbehangsel in boedelinventarissen. Twee of drie goudlederkamers in één huis zijn in de jaren veertig van de 17de eeuw zeker geen uitzondering. Zelfs een veelvoud hiervan kwam voor, zoals in het huis van de Antwerpse zijde- en tapijthandelaar Peter van Hecke de Jonge waar zich in 1646 maar liefst zes goudlederkamers bevonden (126). In de I8de eeuw heeft het goudieder veel aan populariteit ingeboet en heeft het plaats moeten maken voor textiele wandbekledingen, en in de loop van de tweede helft van de eeuw ook voor papieren behangsels. Doordat de patronen van het goudleder echter voortdurend aan de wisselende modes werden aangepast, heeft het zich gedurende de gehele 18de eeuw toch nog als een kostbare en exclusieve behangsoort kunnen handhaven, zij het op een meer bescheiden schaal. Zowel de bewaard gebleven goudlederbehangsels zelfwijzen hierop, als ook de boedelinventarissen waarin zij vermeld staan, zoals van de woning van de koordeken van het kapittel der Sint-Sulpitiuskerk te Diest in 1731, het kasteel van Marchin in 1772, en het huis "Den Gulden Cop" te Leuven in 1773 (127). Dat goudleren behangsels ook op plaatsen toegepast werden, waar men ze in eerste instantie niet zou verwachten blijkt uit het reeds eerder geciteerde reisverslag van vier Leidse heren uit 1760. Zij reisden grotendeels per koets, maar deels werd er ook per schip gereisd, onder andere de tocht van Gent naar Brugge. Zij deden dit met de lbergie, die ten 9 uuren vertrekt na Brugge. Deselve vertoont van buyten een buytejagt, ze is 80 voet lang en heeft aan wederzijde 5 a6 raampjes. Agter boven op is een paviljoen, waar onder men met mooy weer zeer pleysierig zitten kan. Dezelve heeft 5 vertrekken, te weeten voor een kamer van de geheele breette van circa 15 voet, behangen met goudleer, daar alle fatsoenlijke luyden zig vervoegen. Van daar gaat men..." (128).

ANDERE TOEPASSINGEN De belangrijkste toepassing van het goudieder was als kamerbehangsel, maar het vond hiernaast ook


28

M&L

Goudlederen kazuifel, midden 18de eeuw (O.C.M.W., Tongeren) (foto 0. Pauwels)

Wat minder voor de hand liggend zijn de kleine rechthoekige goudlederen plaquettes of reliëfs met daarin een portret of een religieuze afbeelding geperst. Een dergelijk reliëf met Christus aan het kruis, dat zeker als Amsterdams werk uit het midden van de 17de eeuw te identificeren is, bevindt zich in de verzameling van het Gruuthuse Museum te Brugge (133). De "2 stucken goude leiren in lijsten" en "een schilderyeken op goudenleir"dk in twee verschillende Antwerpse inventarissen opgetekend staan, waren mogelijk dergelijke relifs (134).

vele andere toepassingen. Het werd onder andere voor stoelbekledingen gebruikt, zoals al uit de eerder genoemde leverantie van goudlederen stoelbekledingen door de Mechelse goudledermaker Herman Jacobs gebleken is (129). Zo bevonden zich in 1625 in de boedel van Barbara Gerrewyns onder andere vijf Spaanse stoelen "bedeel met goudeleer" (130). Maar er werden ook kamerschermen, kisten en fraaie spiegeldozen met goudieder bekleed en er werden tafelkleden, buffetkleden en schoorsteenkleden van gemaakt. In meerdere boedelinventarissen zijn voorbeelden van dit soort kleden te vinden. Aardig is dat in enkele gevallen het tafel- en schouwcleet 'en suite' waren met het behangsel: "het goude leder rontsomme de voorcreve earner tegens de mueren hangende, wesende oick den grondt blau gelyck 't voorseyde tafelcleet" "een cleyn smal schoucleeken van tselve leder" (131). Gezien deze toepassingen is het zeker niet vreemd dat er ook kussens van goudieder gemaakt zijn. Zo bevonden zich in de boedel van de in 1631 overleden Antwerpse dijkgraaf Jacques Happart "vijff gouwe leire sitcussens" (132).

Ook binnen de kerk werd goudieder gebruikt. Het is bijvoorbeeld bekend dat in 1639 goudieder werd aangekocht voor de kapel van de Onze-Lieve-Vrouw van Zellaer in de Sint-Romboutskerk te Mechelen, alwaar het op hoogtijdagen, zoals Pasen, Pinksteren, Kerstmis, Maria Hemelvaart en Allerheiligen, werd opgehangen (135). Op dezelfde manier werd er in 1653 in de Sint-Niklaaskerk te Gent goudieder in het koor gehangen op de feestdag van de patroonheilige (136). Het 'gouden leeren cleef dat circa 1600 in de kerk van Diegem hing tussen het Sint-Cornelis altaar en het schilderij daarboven, hing er waarschijnlijk continu, evenals het goudieder in het koor van de Sint-Sulpitiuskerk te Diest, vermeld in 1663-1664, en het goudleer in de Sint-Leonarduskapel van de Sint-Jacobskerk te Brugge, vermeld in 1720 (137). Het kwam ook regelmatig voor dat er voor het altaar een goudlederen kleed, oftewel een antependium, werd gehangen. In 1642 en 1660 werden dergelijke goudlederen antependia aangekocht voor twee altaren van de Sint-Pieterskerk te Rotselaar en het hoofdaltaar in de Sint-Laurentiuskerk te Brustem (138). Voor zover op dit moment bekend, is er uit de 17de eeuw niet één goudlederen altaarkleed overgeleverd, uit de 18de eeuw daarentegen meerdere: onder andere in de Sint-Joriskapel te Alken, de Zavelkerk te Brussel, de kapel van Onze-LieveVrouw van Goede Wil te Duffel, de Onze-LieveVrouwbasiliek te Kortenbos, de kerk van OnzeLieve-Vrouw over de Dyle te Mechelen en de SintGilliskerk te Mulken. Een bijzondere toepassing tenslotte is het gebruik van goudleer voor kazuifels, een gebruik waarvan helaas geen archivalische vermeldingen bekend zijn. Maar er zijn wel meerdere goudleren kazuifels overgeleverd. In Vlaanderen zijn er in ieder geval twee bewaard gebleven: in Tongeren in de collectie van het O.C.M.W., afkomstig uit de Begijnhofkerk in die plaats, en een in de verzameling van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel.


29

M&L

Antoon Vermeulen' x Elisabeth van der Vliet

Artus Vermeulen" Agnes Cornelis van de Vliet

Henricus

Peeter4

Henricus

David

Maria6

Jan5

Franc.'

Maria

Antonius

Herman Jacobs7

Antoon Amoldus x Anna Maria Hillema

Ams

Aegldius x Anna Maria Joanna — Grimberchs23

Elis'

Jan

Ams

Gerardus

Amoldus

Peeter'

Elis.h

Gielis'

Jacobus

Catharina Gommaers

Jan13

Carolus" x(l) Catharina Theresia Serraris26

Philipus

Maria

Maria14 Joannes x Jan van Hombergen15

Anna

Ther2

Cath'A.

AnnaB.

7

Antonius18 x(l) Magda de Meyer" x(2) Jeremias de With20 x(3) Frans v.Heesewyck21

Isab'

Egldius28 x Anna Maria Coppens2'

x (2) Jan Fr.Vleminckx2 Jan Grimberchs'

Anna Maria Carolus x Jacobus Versluysen30

234567-

Antoon Vermeulen (0 ? - f 12/5/1672) huwde 22/1/1622 met Elisabeth van der Vliet (0 ? - 1 1/9/1674) Artus Vermeulen {0 ? -19/7/1653) Peeter Vermeulen (0 ? - 1 ?) Peeter Vermeulen (0 21/10/1622 - 1 na 1709) Jan Vermeulen (0 8/10/1624 - f 19/1/1675) Maria Vermeulen (010/2/1628 - f 1/6/1681) huwde 14/7/661 met Herman Jacobs7 Herman Jacobs ( 0 ? - t 16/9/1679) Antonius Vermeulen {° 8/12/1631 -12/8/167?) Gielis Vermeulen (016/11/1633 - 1 30/1/1691) huwde 27/7/1669 met Catharina Gommaers ( o ?-tvoor22/12/1690) Amoldus Jacobs (0 25/6/1663 -19/4/1707) huwde 22/5/1685 met Anna Maria Hillema" Anna Maria Hillema (0 10/7/1658 -118/9/1727) Antoon Jacobs (0 ? - 1 vóór 12/3/1703) Jan Jacobs (0 ? - 1 ?)

14 - Maria Vermeulen (0 27/5/1672 - 1 27/9/1757) huwde 25/8/1692 met Jan van Hombergen" 15 - Jan van Hombergen ( 0 1644 - 1 2/9/1723) 16 - Joannes Vermeulen ( 0 15/3/1674 -16/6/1692) 17 - Catharina Antonia Vermeulen ( 0 17/10/1677 - 1 ?) 18 - Antonius Vermeulen ( 0 28/11/1678 -111/1/1712) huwde 18/9/1705 met Magdalena de Meyer" 19 - Magdalena de Meyer (0 ? - 1 6/1/1728) Zij hertrouwde 26/11/1712 met Jeremias de With 20 Zij hertrouwde 10/4/17?? met Frans van Heesewyck 21 20 - Jeremias de With (° ? - 1 ?) 21 - Frans van Heesewyck (0 ? -114/3/1728) 22 - Aegidius Jacobs ( 0 27/10/1687 -123/2/1721) huwde met Anna Maria Joanna Grimberchs 2 23 - Anna Maria Joanna Grimberchs ( 0 ? -11/8/1781) 24 - Jan Grimberchs ( 0 ? - 1 ?), familie van Anna Maria Joanna Grimberchs? 25 Carolus Jacobs ( 0 10/11/1693 -117/4/1728) huwde in 1724 met Catharina Theresia Serraris 26 26 Catharina Theresia Serraris ( 0 ? - 1 ?) Zij hertrouwde met Jan Fr.Vleminckx 27 27 - Jan Fr.Vleminckx ( 0 ? - 1 voor 13/12/1751) 28 - Egidius Hombergen (0 25/9/1705 - 1 27/7/1782) huwde met Anna Maria Coppens 29 29 - Anna Maria Coppens {0 Brussel 11/2/1711 -14/2/1789) 30 - Jacobus Versluysen ( 0 Schoonderloo 2/9/1720 - f 10/6/1797) huwde 24/10/1750 met Anna Maria Carolus Jacobs (0 8/9/1725 • t 30/10/1793) Bron: Van Autenboer E., op.cit {1970}, p. 177-185.


M&L

VOETNOTEN

(17) Coninckx H., Bij de goudenleer-fabricatie, in Mechlinia, 4, 1924, p. 113-115. (18) Van Autenboer E., op. dr., 1970, p. 175. (1) Het is niet de bedoeling van dit artikel om de geschiedenis van (19) Van Doorslaer G., Het cultuurleven in Mechelen: metalen, het Vlaamse goudieder uitputtend te behandelen. Een aantal borduurwerk, kant en goudleer, in Mechelen de Heerlijke aspecten hiervan zullen niet of nauwelijks aan bod komen. (red. Foncke R.), Mechelen, 1947, p. 626. Van Autenboer E., Het uitgangspunt is echter om op basis van de vele losse gegeop. dr., 1970, p. 175. vens die de afgelopen eeuw over het Zuid-Nederlandse goud(20) Van Autenboer E., op. cit., 1970, p. 185. Integraal gepubliceerd leder gepubliceerd zijn, een duidelijker beeld hierover samen te door Van Moer-Monballieu C, Het goudleer van het Antwerpstellen en hiermee een handvat voor verder onderzoek te geven. se Brouwershuis, in Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Alleen bij hoge uitzondering zijn enkele ongepubliceerde Schone Kunsten Antwerpen, 1972, p. 276-277. Deze laatste archiefgegevens toegevoegd. auteur heeft in 1970 een licentiaatsverhandeling over het goudDit artikel maakt deel uit van het promotie-onderzoek "Noordleder geschreven {Artes Textiles, 7, 1971, p. 195). Helaas is Nederlands goudleer in de 17de en 18de eeuw" dat verricht deze verhandeling nooit gepubliceerd, noch ergens toegankelijk. wordt aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Het onderzoek dat (21) Van Autenboer E., Gilliam Blaes, in Nationaal biografisch hiervoor gedaan is, werd gefinancierd door de Stichting voor woordenboek, I, Brussel, 1964, p. 206-207. Bossuyt H., Kunsthistorisch Onderzoek, ressorterend onder de Nederlandse Het Mechels goudleer, in Ons heem, 26, 1972, p. 142. Organisatie NWO. Rest mij nog om op deze plaats dank uit te Volgens C. van Herck heeft Van Hattem in een van zijn drukbrengen aan de interieurspecialisten van het Bestuur Monuplaten zijn naam gesneden. Helaas is dit patroon tot op heden menten en Landschappen, en met name mevrouw Ann Bergniet getraceerd. Van Herck C, Vlaamsch goudieder. Mechelsch mans, voor de vele hulp en verwijzingen die ik van hen mocht en Antwerpsch, in Antwerpen's Oudheidkundige kring, X Jaarontvangen. boek, 1934, p. 58. (2) Versluysen F., Het gouden leer, in De Vlaemsche School, 8, (22) Dit overzicht over de buitenlandse produktie is gebaseerd op de 1862, p. 27-28. eerder verschenen overzichten hiervan in Koldeweij E., De (3) Idem, Het gouden leer Ie Mechelen, in Mechelsch nieuws- en oorsprong van het goudleer en de Europese context in Scholten aenkondigingsblad, I, 1863, nr. 20,21,22. F., Koldeweij E.F. e.a., Goudleer Kinkarakawa, Zwolle, 1989, (4) Vermeulen J.A., Jacobs C. en Versluysen J., Secreetboek van p. 18-22 en Koldeweij E., How Spanish is 'Spanish Leather'?, Schoone diverse ende eerlijcke konsten gevonden door JA. Verin Conservation of the Iberian and Latin American Cultural meulen, goudleermaker der stad Mechelen Anno 1677, in Heritage. Preprints of the Contributions to the Madrid ConInstallé H., Inventaris van het fonds der lederverwerkende gress, 9-12 september 1992 (Ed. Hodges H.W.M., Mills J.S. en ambachten op het stadsarchief te Mechelen, Mechelen, 1989, Smith P.), Londen, 1992, p. 84-88. nr, 97. Dit handschrift is na de publicatie door F.Versluysen (23) Hiibner J., Algemeen Kunstwoordenboek der Wetenschappen, door vrijwel alle auteurs geciteerd. Leyden, 1734, p. 756. Helaas hebben enkele auteurs, waaron(5) Upmark G., Ein Besuch in Holland 1687, aus der Reiseschildeder L. Godenne en H.C. Rau, deze termen met elkaar verward. rungen des schwedischen Architecten Nicodemus Tessin d.J., Godenne L., Malines jadis et aujourd'hui, Mechelen, 1908, in Oud Holland,^ \900,p. 209. p. 485-489. Rau H.C., Mechelse goudleermakers in Amster(6) Fougeroux de Bondaroy A.D., Art de Iravailler les cuirs dorés dam, in Luister en rampspoed van Mechelen ten tijde van ou argentés, Parijs, 1762. In 1763 is hiervan een Duitse Rembert Dodoens. /585-7985, Mechelen-Amsterdam, 1985 vertaling verschenen. (=aflevering II van Handelingen van de Koninklijke kring voor (7) Diderot D. en Le Rond d'Alembert J., L'Encyclopédie, Parijs, oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen, p. 88 (1984 id 1755-1772, deel V, p. 54, Supplement II, p. 735. est 1985). (8) Gemeentearchief Leiden, Familiearchief Hubrecht, nr. 1185, fol. 45-46. Gepubliceerd in Koldeweij E.F., Goudleer in Neder- (24) Een fragment van dit behangsel was te zien op de tentoonstelling over oude Mechelse kunstambachten in 1911 en was op land in de 17de en 18de eeuw. Leiden, 1987 (ongepubliceerde dat moment in bezit van M. de Blauw te Mechelen. Helaas is doctoraalscriptie R.U.Leiden), p. 37. de huidige bewaarplaats hiervan onbekend. De Witte E., Cuirs (9) Stols E., De Spaanse Brabanders of de handelsbetrekkingen dorés, in Catalogue. Exposition des anciens métiers d'art der Zuidelijke Nederlanden met de Iberische Wereld, Brussel, religieux de la province d'Anvers de folklore locale, Mechelen, 1971, p. 186. 1911, nr. 942. Deze tentoonstelling is o.a. besproken door: (10) Jansen A., Het Mechelsch goudleer, zijn oorsprong en voorbeVan Doorslaer G., in L'enseignement de I'exposition d'art reiding, Mechelen, 1909 (overdruk uit: Bulletin du Cercle ancien de Malines en 1911,'m Annales de l'Académie archéologique, litteraire et artistique de Malines, 19, 1909), d'archéologie de Belgique, 64, 1912, p. 376-498. p. 289. (25) Zie voor een uitgebreider overzicht van het Noord-Nederlandse (11) /totem, p. 300. goudieder: Koldeweij, E.F., Goudleer in de Noordelijke Neder(12) Wormser J.P., Het goudieder, in Bouwkunst, 5, 1913, p. 76, landen, in Scholten F., Koldeweij E.F. e.a., op.cit., p. 23-31. noot 55. (26) Denucé J., Kunstuitvoer in de I7e eeuw te Antwerpen, de firma (13) Decock S., Het Gouden Leirhuys te Mechelen, in Handelingen Forchoudt, Antwerpen, 1931, p. 105. Van Herck C., op.cit., van de Koninklijke kring voor oudheidkunde, letteren en kunst 1934, p. 59. van Mechelen, 91, 1987, p. 227-234: deze twee fragmenten zijn (27) Duverger E., Valentijn Clee ofKlee, goudleermaker in Antwerin bezit van de Archeologische vereniging Oud-Mechelen, en pen en Mechelen,'mArtes textiles, 11, 1986, p. 162. zijn in 1985 bij een opgraving in de tuin van Lange Ridder(28) Godenne L., op.cit., p. 485. Dit feit is na de publicatie door straat 34-36, het voormalige "Goudenleerhuys", tevoorschijn Godenne door vrijwel alle auteurs geciteerd. gekomen. (29) Duverger E., op.cit., 1986, p. 163. (14) Analyse van Prof. dr. P. Baas, Rijksuniversiteit Leiden 6 mei (30) Frencken H.G.T., 'tBouckvan Wondre, Roermond, 1934, 1991. p. 36,169. (15) Deze drukplaat is in 1863 verworven, een jaar na publicatie van (31) Van Doorslaer G., La fabrication de tapisseries artistiques a het artikel over goudleer door F.Versluysen (zie noot 2). Malines,'mAnnales de l'Académie royale d'archéologie de Extraits des procès-verbaux des séances de la commission Belgique, 73, 1925, p. 105. directrice, in Bulletin des Commissions royales d'art et (32) Denhaene G., Les collections de Philipe de Clèves. pour le gout d'archeologie, 2, 1863, p. 36. Is deze drukplaat misschien uit pour le nu et la Renaissance aux Pavs-Bas, in Bulletin de de goudledermakerij van Versluysen en de Vermeulens afkoml'lnstitut historique beige de Rome, 45 (1975) p. 325,330,334. stig? Helaas is deze drukplaat op dit moment binnen het Met veel dank aan Dr. A. Korteweg te Den Haag voor deze museum niet traceerbaar. verwijzing. (16) Van Autenboer E., De familiale verhoudingen van de Mechelse goudleermakers, in Handelingen van de Koninklijke kring voor (33) Van Gelder H.A.E., Gegevens betreffend roerend & onroerend bezit in de Nederlanden in de I6e eeuw, 's-Gravenhage, 1972oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen, 74, 1970, 1973, deel I, p. 33. p. 175.


M&L

31

(34) Zie voor de referenties van deze stukken de beschrijving hiervan in de Inventaris van het 17de en 18de eeuwse goudleer in Vlaanderen. (35) Zie noot 24. (36) Van Doorslaer G., Valentin Klee, Ie premier fabricant de cuir doré d Malines, in Mechlinia, 2,1922, p. 87. Duverger E., op. dr., 1986. p. 163. Zie ook noot 27. (37) Moreaux P., LM stalistique industrielle dans les Pays-Bas autrichiens d l'époque de Marie-Thérèse, Bruxelles, 1974, p. 134. (38) De huidige nummers 34-36. Vanwege dit bedrijf werd deze brug in het midden van de vorige eeuw in de volksmond nog het "gouden leêr-brugske" genoemd. Versluysen F., op. cit., 1862, p.27. Reijdams A., De namen en de korte geschiedenis der huizen van Mechelen. Mechelen, 1896, p. 109. (39) Sweerts H., Koddige en ernstige opschriften, Amsterdam, 1682/1846, deel I,p. 182. (40) Jansen A., op. cit., p. 292-299. Bossuyt H., op. cit., p. 143-145. (41) Op 5 oktober 1684 verkregen de goudledermakers Augustijn vanden Broecke en Peter Vermeulen dit voorrecht. Installé H., op. cit., nr. 98. (42) Installé H., op. cit, nr. 92.100. (43) Jansen A., op. cit., p. 293. Installé H., op. cit., nr. 103. 104, 168, Bijlage V. (44) Jansen A., op. cit., p. 294-296. (45) Installé H., op. cit., nr. 105. (46) Jansen A., op. cit., p. 297. (47) Godenne L., op. cit., p. 489. (48) Versluysen F., op. cit., 1862, p. 28. Godenne L, op. cit., p. 489. (49) Versluysen F., op. cit., 1862, p. 27-28. (50) Rijksarchief Antwerpen, Rekening van de rentmeester van Turnhout Johan Pauly 1649-1655, fol. 126v-127. Aangekocht via Gijsbrecht de Kruyt in Antwerpen die ook de stoffen leverde. Deze aankoop van het goudieder wordt opgenomen in de monografie over de architect Pieter Post door J.J. Terwen en K.A. Ottenheym (in voorbereiding). Met veel dank aan Dr. K.A. Ottenheym voor deze verwijzing. (51) Denucé J., Antwerpsche tapijtkunst en handel, Antwerpen, 1936, p. 74-83. Overgenomen door Van Herck C, Mechelsch goudieder, in Antwerpen's Oudheidkundige kring, XlIJaarèoei, 1936. p. 83-84. (52) Denucé J., o^. dt., 1931, p, 89-90,184-186. Van HerckC, op. dr.,1934,p. 58. (53) Godenne L., op. cit., p. 487. (54) Denucé J., op. cit., 1936, p. 281, 286, 289, 360,367. Van Herck C., op. cit., 1936, p. 84. (55) Installé H., op. cit., nr. 103. (56) Gemeentearchief Maastricht, O.A. 718, fol. 80v. (57) Stadsarchief Veurne, Rekeningenboek 1725-26. Met veel dank aan de stadsarchivaris J. Van Acker voor deze verwijzing. (58) Rijksarchief Maastricht, Thorn, Habets-Flament 321 (port.13), 24 juni 1727. Vermeld in: van Cauteren J., De abdijkerk te Thorn, Zutphen, 1987, p. 17. Met veel dank aan John van Cauteren. (59) Gerits T.J., Goudleer te Rotselaar, in Ons heem, 18,1974, p. 79. (30 mei 1737). (60) Godenne L , op. cit., p. 486. (61) Ibidem, p. 486-487. (62) Ibidem, p. 485-486. (63) Denucé J., op. cit, 1936. p. 74-75. (64) Van Autenboer E., op. cit., 1970, p. 177. (65) Denucé J., op. cit., 1931, p. 87. (66) Van Autenboer E., op.cit., 1970, p. 177. (67) Ibidem, p. 173. (68) Versluysen F., op. cit., 1862, p. 27. (69) Van Autenboer E., op. cit., 1970, p. 173. Moreaux P., op. cit., p. 134-135. (70) Versluysen F., op. cit., 1862, p. 27. Moreaux P., op. cit., p. 135. De goudlederfabriek in de Nederlandse stad Dordrecht produceerde al in 1745 beschilderde linnens. Koldeweij E., op. cit., 1989, p. 31. (71) Van Autenboer E., op. cit., 1970, p. 181. (72) Duverger E., Godefroid Allart. een 17de eeuws Brussels patroonschilder voor de goudleermakers, in Artes textiles, 10, 1981, p. 298-299.

(73) Gay V., Glossaire archéologique du Moyen Age et de la Renaissance, Parijs, 1885-1887, deel 1, p. 516. Drossaers S.W.A. en Lunsingh Scheurleer T.H., Inventarissen van de inboedels en de verblijven van de Oranjes... 1567-1795, deel I, 's-Gravenhage, 1974, p.91-128. (74) Duverger E., op. cit., 1981, p. 298-301. (75) Steenackers C., La chapelle de Notre-Dame de Zellaer a l'église métropolaine de St.Rombaut d Malines, in Mechlinia, 6, 1928, p. 144. Was Jean Sitteau gerelateerd aan Martin Sotteau? (76) Voet L., The golden compasses. A history and evaluation of the printing and publishing activities of the officina Plantiniana at Antwerp, Amsterdam- London-New York, 1969-72, p. 312. Archief Plantijn-Moretus, Antwerpen, nr. 710, no. 12. Upmark G., op. cit.. p. 209: Tessin sprak van H. Laurentz Aback als eigenaar. (77) Jansen A., op. cit., p. 293. (78) Denucé J., op. cit., 1936, p. 286. (79) Verbeemen J., Bruxelles en 1775. Sa situation démographique, sociale et économique, in Bijdragen tot de geschiedenis, inzonderheid van het oud hertogdom Brabant, 46, 1963, p. 74. (80) Henne A. en Wouters A., Histoire de la ville de Bruxelles, Brussel, 1845, p. 302. (81) Van Autenboer E., op. cit., 1970, p. 173. Moreaux P., op. cit., p. 66-67. (82) Voet L , De Gouden Eeuw van Antwerpen: bloei en uitstraling van de metropool in de zestiende eeuw, Antwerpen, 1973, p. 443. Prims F., Het stadhuis te Antwerpen. Geschiedenis en beschrijving, Antwerpen, 1930, p. 28. Van Gelder H.A.E.., op. dr., deel II, p. 378. (83) Vilar P., La Catalogne dans l'Espagne moderne. Recherches sur les fondements économiques des structures nationales, Parijs, 1962, p. 590. Stols E., op. cit., p. 174. (84) Vanderstraelen J.B., Jaerboek der Gilde van St.Lucas, Antwerpen, 1855, p. 145. (85) Rombouts P. en Van Lerius T., De liggeren der Antwerpsche St.Lucasgilde, 's-Gravenhage, 1872, deel I, p. 569, deel II p. 70, 77,147,154,223, 232,248, 253, 326,331-332, 342,401, 405,595,624, 670, 673,686.689. (86) Rombouts P. en Van Lerius T., op. cit., deel I, p.543. Duverger E., Antwerpse inventarissen uit de zeventiende eeuw, Brussel, 1991, deel 5, p. 99,112. (87) Ibidem,?.m. (88) Denucé J., op. cit., 1936, p. 259. (89) Van Moer-Monballieu C, op. cit., p. 273-274. Archief PlantijnMoretus, Antwerpen, nr. 720, nr.7. Rombouts P. en Van Lerius T.,op. rir.,deein,p.503,506,710. (90) Weyerman J.C., Levensbeschrijving der Nederlandsche Konstschilders, 's-Gravenhage, 1729, p. 212. Leiss J., Leder Tapeten, in Tapeten. Ihre Geschichte bis zur Gegenwart (red. Olligs H.), Braunschweig, 1969-1970, Band I, p. 56. (91) Jacobus Blommaert was in 1699/1700 meester van het SintLucasgilde geworden. Rombouts P. en Van Lerius T., op. cit., deel II, p. 616, 619. Stadsarchief Antwerpen, stadsrekeningen 1701-1703, fol. 216. Met dank aan P. Van Herck (f) voor deze verwijzing. (92) Verbeemen J., Antwerpen in 1755. Een demografische en sociaal-economische studie, in Bijdragen tot de geschiedenis, inzonderheid van het oud hertogdom Brabant, 40, 1957, p. 55. Rest mij hierbij nog een verwijzing te geven naar een Antwerps document waarin goudieder genoemd wordt, die anders geen plaats vindt: Documenten: de inventaris van het Oostersche Huis te Antwerpen (1741), in Bijdragen tot de geschiedenis, 30, 1939, p. 62-66. (93) Vandecasteele D., Lettre de Charles van Hulthem sur les anciennes tapisseries adressée au Due Bernard de Saxe-Weimar. suivi d'un mol relatifaux tapisseries de cuir doré d Liége, Luik, 1873, p. 8-9 {=Bulletin de l'Institut archéologique liégeois, 11, 1873, p. 364-371). Idem, Z^/flèricarion^wcMiri dorés d Liège, in Bulletin de l'Institut archéologique liégeois, 18, 1886, p. 439. Yemaux C.J., Les Barazet. fabricants de cuirs doré d Liège au XVlIe siècle, in Chronique archéologique du Pays de Liège, A\, 1950, p. 22. (94) YemauxC.J.,op. dr.,p.23. (95) Vandecasteele D., op. cit., 1885, p. 439-443. (96) Yemaux C.J., op. cit., p. 27-29.


M&L

(97)

(98) (99)

(100) (101)

(102) (103) (104) (105)

(106) (107) (108)

(109) (110)

(111)

(112) (113) (114)

(115) (116) (117) (118)

(119)

De Potter F., Gent van de oudsten tijd tot heden. Gent, 18821896, deel VI, p. 336. Geciteerd door Vogts H., Das Flandrische Wohnhaus seit der Mitte des IJ.Jahrhundert, in Clemen P. (ed.), Belgische Kunstdenkmaler, Miinchen, 1923, p. 295. Van Werveke A., Gedenkbladen uit het leven onzer voorouders. Gent, 1936, p. 162. Jansen A., op. cit., p. 286 (zonder aan te geven wie en wanneer). Champier V., Les arts dans les Flandres frangaises aux XVlIe et XVIlIe siècles après les Conquetes de Louis XIV, Roubaix, 1926, p. 141-142. Wormser J.P., op. cit., p. 67-68, noot 13. Doornik in: Champier V., op. cit., p. 140. leper in: Van Herck C , op. cit., 1934, p. 57. De enige getraceerde vermelding van goudieder uit leper bevindt zich in het boek: De Recy G, Decoration du cuir; gravure, ciselure, modelage, pyrogravure, mosaique, teinture, patine;..., Parijs, 1903, als onderschrift bij fig. 203. Denhaene G, op. cit, p. 330. Drossaers S.W.A. en Lunsingh ScheurleerT.H.,op. cit.,deelI,p. 118-121. DuvergerE., op. cit., 1986, p. 162. Koldeweij E., op. cit., 1989, p. 53-54. Zie noot 26. De introductie van deze nieuwe drukmethode dateert dus van ruim twintig jaar eerder dan dat door Charles van Herck in 1940 verondersteld werd. Van Herck C, Vlaamse interieurs uit den Rubenstijd, in Antwerpen 's Oudheidkundige kring, XVI Jaarboek, 1940, p. 145. Sindsdien is deze veronderstelling door alle Vlaamse auteurs van hem overgenomen. Denucé J, op. cit, 1936, p. 80, 82-84. Ibidem, p. LXVIII, 126,143. Duverger E., op. cit, 1991, deel 5, p. 193-195. Vandenbranden F.J., Verzamelingen van schilderijen in Antwerpen, in Antwerpsch archievenblad, 22 (190?), p. 101-107. Sluyterman K., Huisraad en binnenhuis in vroegere eeuwen, 's-Gravenhage, 1925, afb. 321, 322. Antheunis L, Het bezoek van generaal Francesco de Miranda aan de stad Mechelen (1788), in Handelingen van de Koninklijke kring van oudheidkunde van Mechelen, 55, 1951, p. 156. Van Autenboer E., op. cit, 1970, p. 173. Het jaartal tussen haakjes duidt op het jaar waarin dit patroon vermeld is. De belangrijkste bronnen waaruit deze lijst is samengesteld zijn: Denucé J., op. cit, 1931; Idem, De konstkamers van Antwerpen in de 16e en 17e eeuwen, Amsterdam, 1932; Idem, op. cit, 1936. Hiernaast komen enkele aanvullingen uit: Van Herck C, op. cit, 1934, p. 59; Voet L, op. cit, p. 312; Van Moer-Monballieu C, op. cit, p. 270-273. Denucé J., op. cit, 1936, p. 210, 329. Van Moer-Monballieu C, op. cit, p. 263-278. Naast de koopmansboeken die door J. Denucé uitgegeven zijn, zijn hiervoor ook de inventarissen gebruikt, zoals die gepubliceerd zijn door Vandenbranden F.J., op. cit.; Denucé J., op. cit, 1932, en Duverger E., Antwerpse inventarissen uit de zeventiende eeuw, dl 1-5, Brussel, 1984, 1985-1987, 1989, 1991. Hiernaast is gebruik gemaakt van enkele andere bronnen, waaronder Gerits T.J., Goudleer in het kasteel Cortewalle te Beveren (1668), in Ons heem, 33, 1979, p. 71-72. Zie o.a. Denucé ]., op. cit, 1936, p. 133, 272, 350, 353, 354, 357, 349, 364. Ibidem, p. 259. Ibidem, p. 246. Fabri R., De 17de-eeuwse Antwerpse kunstkast. Typologische en historische aspecten, Brussel, 1991, p. 205. Hier worden niet alleen prijsvoorbeelden gegeven van de exclusieve kunstkasten, maar ook van de Spaanse stoelen. DenucéJ.,op.d(., 1936, p. 350.

(120) Jansen A., op. cit, p. 297; Van Autenboer E., op. cit, 1970, p. 173. Zie voor de Forchondts: Denucé J., op. cit, 1931, p. 15, 105, 115, 129, 182, 192,286. Voor N. Naulaerts: Idem, op. cit, 1936, p. 122,125,133,143, 171, 176, 204, 210, 212, 222, 259, 272, 293, 296, 298, 330, 353, 354, 357. 361. En voor Le Candele-Schrynmakers: Ibidem, p. 74. Dat er al in 1625 Vlaams goudieder in Wenen werd aangeboden blijkt uit: Duverger E., Le commerce d'art entre Flandre et l'Europe centrale au XVIIe siècle. Notes et remarques, in Actes du XXII congres international d'histoire et de l'art, Budapest, 1972, II, p. 177-178. (121) Denucé, J., Brieven en documenten betreffende Jan Breughel I en II, Antwerpen, 1934, p. 45-47. Denucé J., Spaansch en Mechelsch goudieder te Antwerpen in de XVIIe eeuw, in Antwerpsch archievenblad, 9, 1934, p. 162. Stols E., op. cit.,p. 174. (122) Denucé J., op. cit, 1931, p. 14,282. Duverger E., op. cit, 1989, deel 4 p. 142-145. (123) Voeten P., Antwerpse handel over Duinkerken tijdens het twaalfjarig bestand, in Bijdragen tot de geschiedenis, 39, 1956, p. 75. (124) Zie noot 86. (125) Zie voor de toepassing van het goudlederbehang in de salette: Vandenbroeck P., De "Salette " ofpronkkamer in hel 17deeeuwse Brabantse burgerhuis. Familie- en groepsportretten als iconografische bron omstreeks 1640-1680, in Monumenten en Landschappen, jg.9, 1990, nr. 6, p. 41-62. (126) Duverger E., De verzameling schilderijen van de Antwerpse zijde- en lapijthandelaar Peter van Hecke de jonge, schoonbroer van P.P.Rubens, naar een inventaris van 1646, in Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten A/iftce/pen, 1971, p. 149,168-172. (127) Vandeven R., Een inventaris van de inboedel van de woning van Jacob Crils, koordeken van het kapittel der St-Sulpitiuskerk te Diest (1731), in Meer schoonheid, 28, 1981, p. 47-48. Lemeunier A., Inventaires du chateau de Marchin (Belle Maison) en 1770 et 1772, in Bulletin de la Commission royale des monuments et des sites, 6,1977, p. 112, 122, 130. Vandenbroeck P., Leuvense wooncultuur in de 18de eeuw. De inventaris van de afspanning 'Den gulden Cop' (1773), in Smeyers M. (ed.), Leuvens palet..., (Area Lovaniensis artes atque historiae reserans documenla, 18, jaarboek 1989), Leuven, 1990, p. 230,240. (128) Gemeentearchief Leiden, Familiearchief Hubrecht. nr. 1185, fol.13. (129) Zie noot 52. (130) Duverger E., op. cit, 1985, deel 2, p. 441-443. (131) Idem, op. cit, deel 5,1991,p. 193-195. Een ander voorbeeld hiervan in Ibidem, p. 80-81. (132) Idem, op. cit, deel 3,1987, p. 232-236. (133) Met dank aan S. Vandenberghe voor deze verwijzing. Koldeweij, E.F., 'Een schilderij van de Koning van Sweden in goutleer'. Enkele ongebruikelijke stukken Amsterdams goudleer, in Antiek, 23,1989. p. 482-488. (134) Duverger E., op. cit, deel 2,1985, p. 240-241. Idem, op. cit, deel 5,199l,p. 440-442. (135) Steenackers C, op. cit, p. 144. (136) Van Werveke A., op. cit, p. 162. (137) Davidts J.E., De kerk te Diegem, z.p., 1963, p. 43. Frankignoulle E. en Bonenfant P., Notes pour servir a I 'histoire de Van en Brabant, Brussel, 1935, p. 88 (Met veel dank aan E. Van Autenboer voor deze verwijzing). De Vos E., Het kuipersambacht te Brugge, in Biekorf, 13, 1902, p. 173 (Met veel dank aan M.J.H. Madou voor deze verwijzing). (138) GeritsT.J., op. cit, 1974, p. 79. GeritsT.J., Goudleerte Brustem, in Ons heem, 30, 1976, p. 17.


ML

BINNENKRANT

Nr. 60 Bijlage bij M&L11/6 nov.-dec. 1992

'-•7 »

. ^

•

••i Iftl

» V ' Begraafplaats Schoonselhof, Antwerpen (foto M.M.C.)

&

/ m

. • •

• * • *


M&L

Restaufoties DE SINT-LAURENTIUSKERK TE ENAME Een grote belangstelling door toedoen van de media voor de Sint-Laurentiuskerk en de archeologische site te Ename vond haar voorlopig hoogtepunt in een ongewoon hoog bezoekersaantal ter gelegenheid van de Open Monumentendag 1992 en dit ofschoon een bezoek aan de Sint-Laurentiuskerk niet op het officiële programma voorkwam. De aanleiding hiertoe willen wij hierna bij wijze van een globaal overzicht van de bouwhistorische vondsten en problemen rond een restauratie samenvatten. Algemeen gezicht op toren en schip, Sint-Laurentiuskerk te Ename (eerste kwart 11de eeuw). (Foto S. Browaeys)

af

Stabiliteltsproblemen In 1990 werd het Bestuur Monumenten en Landschappen geconfronteerd met het bestaan - sinds 1984 - van een restauratiedossier voor de SintLaurentiuskerk. Dit dossier, opge-

maakt door architect Jacques Ysabie met medewerking van een ingenieursbureau, was door de kerkfabriek rechtstreeks ingeleid bij het provinicebestuur zonder dat hieraan enig overleg met het Bestuur Monumenten en Landschappen was voorafgegaan. Nu is een dergelijke procedureverloop niet zo uitzonderlijk, doch bij onderhavig ontwerp bleek één bepaalde "resfauraft'eirê" ingreep wel wat té ingrijpend te zijn bedacht. Aan de toren waren immers enkele verontrustende barsten annex uitbuiking van het parament merkbaar die men blijkbaar reeds bij het begin van onze eeuw had kunnen vaststellen, ten gevolge waarvan bij de restauratie van 1907 werd gepoogd om eventuele verdere zettingen door het aanbrengen van trekankers te voorkomen. Zoals in 1907 een grondig onderzoek naar de oorzaken van dit schadebeeld achterwege was gebleven, bleek men zich in 1984 evenmin een duidelijk beeld te hebben kunnen vormen van oorzaak en gevolg. Een en ander resulteerde in een rechttoe, rechtaan oplossing die erin zou bestaan de toren inwendig te versterken door het aanbrengen van een betonnen structuur en dito ringbalken over de verschillende torenniveaus. Het Bestuur Monumenten en Landschappen, dat het drastisch karakter van een dergelijke ingreep onderkende, bracht dan ook negatief advies uit. Pijlerbasisliek in Maaslandse stijl Ondertussen was ook uit een andere hoek de belangstelling voor de SintLaurentiuskerk gewekt door een laatstejaarsscriptie van toenmalige architectuurstudent Stefaan Browaeys uit Nederename en de beroepshalve belangstelling van kunsthistoricus Albert Cambier uit Ronse. Werd tot voor kort de Sint-Laurentiuskerk door kunsthistorici beschouwd als een produkt volgens de regels van de kunst van doctrinaire historiserende restauratie-ethiek, een grondiger onderzoek is situ bracht laatstgenoemde ertoe te besluiten dat het kerkgebouw zoals wij het thans kennen nog grotendeels in zijn oorspronkelijk vroeg-middeleeuws aspect bewaard was gebleven. Zo mag hier worden gewezen op de vensterbogen van de lichtbeuk waar ter hoogte van de sluitstenen elk spoor van een radiaal verlopend metselverband afwezig is, alsook op de hoefijzerbogen bij sommige vensters

en raamnissen in de toren, een vorm onstaan uit de naderhand met pleister aangewerkte steunpunten voor formelen. De grootste verrassing bleek evenwel de ontdekking op de eerste torenverdieping van een oorspronkelijk op het kerkschip geopende tribune. Deze was door twee (verdwenen) deelzuiltjes drieledig opgedeeld doch later tegen het blinde boogveld met baksteen dichtgemetseld. De gehele tribune ging dan nog eens aan de schipzijde schuil achter bakstenen invulmetselwerk en werd op de torenverdieping versneden door een in de 18de eeuw geplaatst tongewelf. Hier kon de link worden gelegd met kerken met keizerstribune en Michaelskapel boven een tweede - in ons geval oostelijk (!) - koor, een karakteristiek vooral eigen aan Rijn- en Maaslandse romaanse kerkgebouwen. Deze ontdekking noodzaakte dan ook tot een herziening van de tot dan toe geldende datering. Wegens de Maaslandse invloeden moet het gebouw tot stand zijn gekomen in de periode tussen de opkomst van de pre-stedelijke kern Ename, dus vanaf 974 toen het markgraafschap en de burcht aan de Scheldemeander op last van de Duitse keizer Otto II werden opgericht, tot 1034 toen Ename werd ingenomen door graaf Boudewijn IV van Vlaanderen. Naast een burchtkapel telde Ename toen nog twee kerken, namelijk een aan Sint-Salvator gewijde portuskerk en een parochiekerk. Deze laatste, meer zuidwaarts van het vroegmiddeleeuws havenstadje gelegen, was dus de aan Sint-Laurentius gewijde parochiekerk van de dorpskom die zich waarschijnlijk onafhankelijk van de portus had ontwikkeld. Een spoedopgraving, in de hoek tussen toren en linker zijbeuk, uitgevoerd onder leiding van Dirk Gallebaut van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, toonde aan dat dit bedehuis was voorafgegaan door een eenbeukige kerk, vermoedelijk met smallere, ingesnoerde koorpartij. Deze onder markgraaf Godfried I (de Oude) van Verdun begonnen bouw werd na het jaar 1000 onder diens zoon Herman vervangen door de huidige basilikale kerk, of nauwkeuriger; vóór 1025, het jaar waarin deze zich als monnik in de abdij van Saint-Vanne te Verdun

B I N N E N K R A N T


M&L Gezicht op de oostelijke torenwand met vrijgemaakte balkgaten van het oorspronkelijk tribuneniveau, na het wegbreken van het 18de-eeuws gewelf. (Foto S. Browaeys)

slechts tot aan de gewelflenden werd uitgebroken. Met het oog op een eventueel herbruik later bij de restauratie werd de afkomende Doornikse steen toevertrouwd aan de zorgen van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, dat het materiaal voorlopig onderbracht op de nabij gelegen archeologische site van de Sint-Salvatorsabdij.

terugtrok. Deze tweede Sint-Laurentiuskerk, de met Doornikse breuksteen opgetrokken en van oost naar west georiënteerde pijlerbasiliek met dubbele kooraanleg (oostelijke toren annex trapkoker en rechtgesloten westkoor), was dus tot stand gekomen tijdens de regering van Hendrik II (1002-1024), hertog van Beieren en Duitse keizer, tevens laatste vertegenwoordiger van het Ottoonse geslacht. Vooronderzoek Het verzuim om aan het restauratieontwerp een bouwfysisch onderzoek naar de oorzaken van het schadebeeld aan de toren te laten voorafgaan noopte het Bestuur Monumenten en Landschappen ertoe alsnog een dergelijk onderzoek te laten verrichten met gebruikmaking van de spoedprocedure voor dringende werken. Deze werken, in 1992 uitgevoerd door de n.v. P. Nijs uit Deinze, behelsden in hoofdzaak het aanbrengen van een uitwendige schoring rond de torenverdiepingen en het plaatsen van verankeringen mede in funktie van ontmantelingswerken in de toren, het plaatsen van getuigen ter hoogte van barsten en scheuren aldaar en een gedeeltelijke vrijlegging van de tribune na demontage van een orgelfront, verwijdering van de bakstenen dichtmetseling en uitbraak van het 18de-eeuws tongewelf. Tot het bouwfysisch en bouwhistorisch onderzoek, gecoördineerd door het Bestuur Monumenten en Landschappen, verleenden architect Stefaan Browaeys en kunsthistoricus Albert Gambler hun medewerking, hierin bijgestaan door Dirk Callebaut

van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Naar aanleiding van de werkzaamheden traden een paar belangrijke gegevens aan het licht. Het in 1778 geplaatst tongewelf vertoonde een veeleer parabolisch beloop en bleek nagenoeg geheel met Doornikse breuksteen te zijn gemetseld. Het ging hier kennelijk om recuperatiemateriaal, doch het was de vraag van welk gesloopt kerkgedeelte dit afkomstig was. Opgravingen hadden reeds duidelijk gemaakt dat het koor steeds een rechte sluitmuur doch geen halfronde absis heeft gehad. Een foto, genomen in de jaren vóór de restauratie van het begin van onze eeuw, bood ons een mogelijke verklaring. Het bovenste gedeelte van de rechte koorsluitgevel was - waarschijnlijk in de loop van de 18de eeuw, mogelijks op het tijdstip van de verbouwingen van 1778 - uit baksteen opgetrokken, wat wijst op een herstelling, i.e. vervanging van bouwvallig of beschadigd Doorniks parament. Dit brengt ons tot de hypothese dat het 18de-eeuws torengewelf met dit herbruikmateriaal zou zijn opgetrokken. Aangezien het gewelf de voornaamste ofschoon niet de enige oorzaak van het stabiliteitsprobleem bij de toren blijkt te hebben veroorzaakt en het optimaal vrijmaken van de oorspronkelijke architectuur bij restauratie wordt beoogd, zal het niet worden teruggeplaatst. Toch werd het uit overwegingen van stabiliteit alsnog niet opportuun geacht het gewelf tot bij de aanzetten te verwijderen, zodat het alsnog

Verder werd in de middenbeukwand rechts van de tribune-opening een romaans rondboograam vrijgelegd, doch zo mogelijk nog belangwekkender bleek na het verwijderen van de bakstenen blindmetseling bij de tribune de ontdekking van restanten van muurschilderingen op oude bepleistering op het naar het kerkschip gericht hoogveld. Voor verder onderzoek werd beroep gedaan op de afdeling conservering van het Bestuur Monumenten en Landschappen onder de leiding van Marjan Buyle. Bondig samengevat leverden een eerste onderzoek en enkele steekproevende volgende vaststellingen op: de temperaschildering op het binnenwelfvlak van de tribuneboog vertoont een decoratief fries en is waarschijnlijk de oudste; deze in het hoogveld dateert uit een tweede romaanse periode, is figuratief en bestaat uit een kring van - op een later tijdstip nogal onhandig bijgewerkte - gevleugelde engelen en het bovenste gedeelte van een kruisigingstafereel. Bij het afkappen van het binnenwelfvlak van de tribuneboog bleek door het eerste onderzoek evenwel enige schade aan de friesbeschildering te zijn toegebracht. Eén en ander werd als van een dermate historisch en artistiek belang door de media kenbaar gemaakt dat het Bestuur Monumenten en Landschappen zich genoodzaakt zag het kerkbestuur te manen voortaan de toegang tot de werf aan onbevoegden te ontzeggen. Tevens werd de noodzaak gesteld om als essentieel onderdeel voor het bij te sturen restauratieontwerp vooraf middels een tweede pre-restauratieve ingreep verder onderzoek en conservering (vrijlegging, fixatie en reiniging van pleister- en verflaag) te laten uitvoeren. De uitvoering van deze werken, waarvoor Vlaams Minister Johan Sauwens reeds een subdiebedrag van één miljoen bfr. heeft toegezegd, wordt voor het voorjaar 1993 in het vooruitzicht gesteld.

B I N N E N K R A N T


M8cL Gezicht op de binnenwand van de vrijgemaakte torentribuneboog na het wegbreken van het 18deeeuws gewelf. {Foto S. Browaeys)

schappen een aanvullend bodemonderzoek door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium aanbevolen, ditmaal de hoek gevormd door toren, trapkoker en rechter zijbeuk. Dit onderzoek werd alsnog niet verricht. Tevens deed het bestuur een beroep op de diensten van dr. ir. Koen Van Balen van het Centrum voor Conservering van de Katholieke Universiteit te Leuven om naast het door het ingenieursbureau vooropgestelde inbrengen van een betonnen structuur ook de mogelijkheid tot "zachte" alternatieven te onderzoeken.

Restauratie-opties Enerzijds bemoeilijkt de slechte staat waarin zich het metselwerk bij het tribuneboogveld bevindt de conservering van de muurschilderingen; anderzijds komt de optie tot bewaring ervan in conflict met een aanvankelijk enthousiasme, namelijk het volledig vrijmaken en deels reconstrueren van de keizerstribune. Immers, het bakstenen invulmetselwerk onder de drieledige arcatuur bij het hoogveld zou moeten worden weggenomen om tot reconstructie van twee deelzuiltjes over te kunnen gaan, hetgeen een reëel risico voor het behoud van de beschildering op het hoogveld inhoudt. Temeer dat, mochten ook de wand onder het hoogveld waardevolle - wegens de bakstenen drager niet van vóór de 13de eeuw daterende - getuigen van muurschildering aan het licht komen, men van reconstructie van de keizertribune uiteraard zal moeten afzien. Nog even terug naar het stabiliteitsprobleem waarvan het bij de opmaak van het restauratie-ontwerp betrokken ingenieursbureau de oorzaken wijt aan de aanwezigheid van talrijke ontlastingsbogen rond de ramen van de toren, alsmede aan een slechte ondergrond, i.e. funderingen. Voor zover het de ontlastingsbogen aangaat ligt het voor de hand dat de muren aan de druk van een 18de-eeuws gewelf onvoldoende weerstand konden bieden; doch wat de ondergrond betreft bracht het reeds genoemd bodemonderzoek aan de torenbasis geen merkbare gebreken bij het funderingsmetselwerk aan het licht. Teneinde toch niets aan het toeval over te moeten laten heeft het Bestuur Monumenten en Land-

Twee factoren zullen aldus uiteindelijk de verdere restauratie-opties bepalen: de resultaten van het stabiliteitsonderzoek, inbegrepen de slechte staat van het metselwerk bij het tribuneboogveld, en het verder onderzoek en de conservering van de muurschilderingen, niet in het minst de mogelijke aanwezigheid van getuigen op de bakstenen blindmetseling. Pas daarna kunnen de vragen worden beantwoord omtrent de opportuniteit van een wegens de grote historische waarde van het monument - terugbrengen van bepaalde bouwonderdelen In hun oorpronkelijk uitzicht; - Wordt de tribune opnieuw naar het kerkschip geopend en zo ja, moeten de deelzuiltjes in historiserende zin met teerlingkapiteeltjes worden opgevat, of dient de voorkeur uit te gaan naar meer "eigentijdse" mmgeving en materiaalgebruik? - Worden de vensterdorpels in de lichtbeuk opnieuw op hun oorspronkelijk niveau doorgetrokken door aan het in 1907 naar analogie met de linker zijbeuk hoger geplaatst lessenaardsdak opnieuw een geringere helling te geven? - Zal, hierop voortgaande, de aanwezigheid van stenen kruisribbengewelven in de linker zijbeuk een verlaging van de dakhelling aldaar toestaan? - Is het wel zinvol om in de 1907 niet volgens oorspronkelijk model "geresteureerde" vensters van de zijbeuken te reconstrueren, onder meer door hun dorpels opnieuw hoger te plaatsen, zodat de thans versneden rondboog van de oorspronkelijke toegang (waarschijnlijk functionerend tot de plaatsing in 1778 van een classicistisch portaal bij de toren) in de rechter zijbeuk zou kunnen worden teruggeplaatst?

Een duidelijke uitspraak aangaande restauratie-opties is dus alsnog voorbarig. Daarentegen zijn wel tijdens het vooronderzoek belang en nut gebleken van een onmisbare interdisciplinaire samenwerking tussen kunsthistoricus, archeoloog en architect. Het resultaat hiervan zal alvast kunnen blijken uit een voor de jaargang 1993 aangekondigde bijdrage in het tijdschrift M&L door de bij het vooronderzoek betrokken deskundigen. Hedwig Van den Bossche

B,M,LActiviteiten PERSVOORSTELLING VAN DEEL 14N2 IN DE REEKS BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN - KANTON VOEREN Ter gelegenheid van de persvoorstelling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het Kanton Voeren, deel 14n2 in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, organiseerde het Bestuur Monumenten en Landschappen voor een vijftigtal genodigden, waaronder Johan Sauwens, Vlaams Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, een bezoek aan de Voerstreek. Tijdens de meer dan één uur durende busrondrit, waarbij een aantal smalle wegen niet gemeden werden, lichtten wij het landschappelijk aspect toe van dit meest zuidoostelijk gelegen stukje van Vlaanderen met zijn oppervlakte van ongeveer 50 km2. Hierbij werd vooral gepoogd om het eigen specifieke karakter van dit overgangsgebied tussen droog Haspengouw in het westen en het Land van Herve in het zuidoosten, alsook de grote verscheidenheid in het gradiëntrijke Voerense landschap met zijn specifieke flora en fauna, te verklaren

B I N N E N K R A N T


M8cL aan de hand van de geologische ontstaangsgeschledenis, de samenstelling van de bodem, de oostelijke geografische ligging, de hoogte boven het zeeniveau en de menselijke beïnvloeding. Frieda Schlusmans legde de link tussen de landschappelijke ditferentiatie, de agrarische ontwikkeling, de nederzettingspatronen, gebruikte bouwmaterialen en bouwstijlen. Er werd hierbij vooral aandacht besteed aan een aantal gebouwen welke op het voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten stonden en die op 16 oktober door Vlaams Minister Johan Sauwens ondertekend werd. Omstreeks 20 uur werd in het Paviljoen bij het Veltmanshuis te SintMartens-Voeren de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het kanton Voeren aan de pers voorgesteld samen met het themanummer van het tijdschrift Monumenten en Landschappen voWeülg gewijd aan Voeren, en een brochure in de reeks Langs Vlaamse Wegen, deze laatste uitgegeven door de Stichting Monumenten en Landschappen v.z.w. in samenwerking met de plaatselijke organisaties.

Johan Sauwens, Vlaams Minister bevoegd voor Monumenten en Landschappen, tekende tijdens de persvoorstelling een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten in de Voerstreek.

Na het dankwoord aan Guide Sweron voor de vriendelijke verwelkoming en de geboden gastvrijheid schetste Vlaams Minister Johan Sauwens in het kort de bijzondere landschappelijke en historische waarden van de streek in relatie tot het bouwkundig erfgoed van dit overgangsgebied. Hij stelde vast dat het tot op heden beperkt aantal wettelijk beschermde monumenten, landschappen, stadsen dorpsgezichten niet in verhouding staat met de in hoger genoemde publikaties aangetoonde rijkdom van

Voeren. De verklaring ligt waarschijnlijk in het feit dat het bouwkundig erfgoed er niet direct bedreigd scheen en dat prioriteiten daarom elders konden gelegd worden. De Minister wenst daarom een preventief en gefaseerd beschermingsbeleid, gebaseerd op de systematische inventarisatie en de aansluitende wetenschappelijke evaluatie. Voor een eerste reeks van een zestal "evidente, grote" monumenten werd de beschermingsprocedure trouwens reeds ingezet op 12 juni 1992. Hij sugereerde tevens om de verdere studie te situeren in het kader van een Euregio-project. Samen met onze Nederlandse, Duitse en Waalse buren zou kunnen gezocht worden naar een geschikte wijze om dit belangrijke cultuurlandschap op te nemen in de evolutie van een zacht en uitgebalanceerd toerisme. Het verheugde de Minister bijzonder dat deze inventaris van het bouwkundig erfgoed aangevuld werd met de brochure in de reeks Langs Vlaamse Wegen, en met het themanummer van het tijdschrift Monumenten en Landschappen. Een compilerend en grondig artikel over de bijzondere landschappelijke karakteristieken van de streek als basismateriaal voor het veilig stellen en valorizeren van een "regionaal landschap", een artikel over de streekeigen landelijke architectuur en een bijdrage over de nederzetting Sint-Pieters-Voeren vormen de inhoud van dit laatste. Tot slot van de persvoorstelling richtte de Minister een globaal dankwoord aan allen die bijdroegen tot dit heuglijke evenement. Daarna ging hij over tot de ondertekening van een voorontwerp van lijst van 37 voor beschermig vatbare monumenten in Voeren. Tijdens de receptie werd in avant-première de onafgewerkte versie van de video Voeren in Vogelvlucht vertoond. De fotografen en videospecialisten van de Dienst Drukkerij en Fotografie van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zorgden voor dit toemaatje. H. Bats.

LandschapS' zorg NAAR EEN THERAPIE VOOR STRUCTOPATHISCHE LANDSCHAPPEN ? DE RUILVERKAVELING NIEUWE AANPAK In deze informatiebrochure, eerder verschenen als bijdrage in de Gids Ruimtelijke Planning, wordt overvloedig het woord sfruc/uur gebruikt, afzonderlijk of in samenstellingen, als substantief of bijvoeglijk. Structuur is geen eenduidige term, zeker als hij wordt toegepast op complexe realiteiten zoals landschappen al dan niet "ruilverkavelingsblok". Noch de auteur ("de wijze waarop iets Is opgebouwd en functioneert'), noch de Dikke Vandale {'wijze waarop een samengesteld geheel is opgebouwd') noch de Kleine Robert {disposition des 'parties' d'un ensemble abstrait, d'un phénomène ou d'un système complexe, généralement envisages comme caractéristique de eet ensemble et comme durable') laten zich daar erg duidelijk over uit. De woorden "caractéristique" en "durable" lijken ons essentieel in de definitie. Door de auteur wordt er ook nog een hiërarchische dimensie aan toegevoegd. Bestaat er zoiets als structofilie of structomanie, zoals men bijvoorbeeld in de psychologie of pedagogie van structopaten spreekt? Zijn er structopathische landschappen waarvan de hoofdstructuur dringend moet worden aangesterkt? Dit axioma wordt in diverse toonaarden herhaald: "Bij de uitvoering van de ruilverkaveling komt het er dus in eerste instantie op aan de grote lijn of de essentie van de structuur te vrijwaren en te versterken" (p. 24), "Essentieel voor de landschapszorg in de ruilverkaveling is in eerste instantie het bewaren en versterken van de hoofdstructuur" en "het behoud en de versterking van voldoende karakteristieke elementen die de eigenheid van het gebied vormen" (p.41). Dank zij "veldwaarnemingen, interpretatie van inventarisaties, de bodem-

B I N N E N K R A N T


6

kaart en de Ferrariskaart", via de onderlinge samenhang van de aldus onderschelden "deelgebieden" kan de hoofdstructuur van een landschap (of 'ruilverkavelingsblok') worden ontraadseld (p. 41). Het gaat wel degelijk om een axioma, want het is niet duidelijk waarom een sterk gestructureerd landschap - wat dat ook moge betekenen- beter, mooier, waardevoller zou zijn. Onoverzichtelijkheid, veranderlijkheid, onduidelijkheid, vage grenzen enzovoort worden min of meer als des duivels aanzien en een groot gedeelte van de ruilverkavelingsverrichtingen zal - ook in de nieuwe aanpak - tot doel hebben deze onzekerheden weg te werken. Dit druist enigszins in tegen de ecologische theorie, die zich traditioneel tegen scherpe grenzen en compartimenteringen heeft afgezet en het opnam voor 'iijnkorrelige patronen met vage contouren"{cfr. C.G. van Leeuwen, 1965). De brochure tracht in de eerste plaats echter een antwoord te geven op de vraag "Hoe staat het momenteel met de ruilverkaveling ?"Een niet onbelangrijke vraag als men (p. 49) verneemt dat het Vlaamse Gewest hieraan jaarlijks zowat 400 miljoen frank spendeert (de wedden van de ambtenaren en de uitrustingskosten van de Vlaamse Landmaatschappij vermoedelijk niet inbegrepen). Een tiental jaren terug lag dit bedrag rond de 600 miljoen frank. Wie heeft daar baat bij ? Was/is het sop de kool waard? De bijtitel "een toelichting bij een nieuwe aanpafc" suggereert dat de oude aanpak niet onverdeeld gunstig werd onthaald. Ondanks enkele aanpassingen in 1970 en 1978 van de oorspronkelijke ruilverkavelingswetgeving van 1956, bleef het landbouwkundig belang het ruilverkavelingsbedrijf domineren. De in 1978 voor het Vlaamse gewest doorgevoerde wetswijziging voorzag in de opmaak van een landschapsplan, de samenstelling van een coördinatiecommissie die een centrale rol speelt in de voorbereidende fase (afbakening van het ruilverkavelingsblok) en een uitbreiding van het ruilverkavelingscomité met vertegenwoordigers van het (ambtelijk) natuurbehoud en de landschapszorg. De auteur geeft toe dat deze wijziging "niet onmiddellijk" het verhoopte succes boekte, een omstandigheid die volgens de auteur te wijten is aan de

tijd die nodig is voor "een leerproces en een mentale aanpassing", aan de afwezigheid van "een stevig uitgebouwde traditie van landschappelijke verzorging" enzovoort. Ik denk echter dat er meer aan de hand is. De structuur zoals die door de wetgever in 1978 werd ontworpen, vormt op zichzelf al een potentiële haard van conflicten. Zowel in de coördinatiecommissie als in de commissie van advies en het ruilverkavelingscomité zijn de landbouwbelangen oververtegenwoordigd. Op de elf leden van, bijvoorbeeld, het ruilverkavelingscomité zijn er zes (zeven als men de voorzitter meerekent) die de "/andöouwsector" vertegenwoordigen of er uit voortkomen. Van de resterende vier zijn er twee van wie in geval van conflict landbouw versus natuur/landschap doorgaans geen stellingname kan verwacht worden, met name de vertegenwoordigers van financiën en het "face/" ruimtelijke ordening. Een identieke situatie doet zich voor in de coördinatiecommissie. In de commissie van advies, waarin ook de eigenaars of vruchtgebruikers zitting hebben, is er zelfs geen expliciete vertegenwoordiger van natuur of landschap voorzien. Een aantal leden (twee tot zes) wordt gerecruteerd onder streekbewoners "die bijzonder bevoegd zijn op agrarisch en landelijk gebied" en die geen eigenaar of gebruiker zijn. Die bijzondere competentie kan dus ook op natuur en landschap slaan. Het door de wet voorziene mechanisme van besluitvorming maakt op deze onevenwichtige samenstelling geen enkele correctie, bijvoorbeeld met betrekking tot de bescherming van minderheden. In het ruilverkavelingscomité worden de beslissingen genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Dissidenten kunnen beroep indienen bij de minister. Dit gebeurt bij mondelinge verklaring op de vergadering zelf. De minister beschikt dan over 15 dagen om dit beroep met een veto te honoreren, anders wordt de betwiste beslissing definitief. Maar van een onafhankelijke rechterlijke macht is in geval van conflict geen sprake: de opperste (scheids)rechter is tevens het politieke hoofd van de "agerende sector"- zelfs al vertegenwoordigt hij

in de huidige constellatie ook het natuurbehoud - en dus partij (de Gemeenschapsminister verantwoordelijk voor landbouw). Een tweede dysfunctie ligt in het bestaan van twee soorten planning, het landschapsplan en de infrastructuurplanning (voornamelijk het plan van wegen en waterlopen), die zich los van mekaar ontwikkelen en op een bepaald, vaak laattijdig, moment met mekaar in aanraking (aanvaring) komen. Het kosmetische karakter van het landschapsplan wordt dan meestal duidelijk. De auteur stelt terecht dat de ruilverkavelingsprojecten "veeleer het resultaat [waren] van een ongecontroleerd groeiproces" {p. 35). Het is vooral aan deze tweede dysfunctie dat de Nieuwe Aanpak tracht te verhelpen; Voorde nieuwe invulling van de voorbereidingsprocedure wordt de studie van een landschapsplan geïncorporeerd in de globale en voorafgaande planvorming" (p. 13). In het proefproject "Poppe/"werd voor de eerste keer geëxperimenteerd met verschillende planalternatieven in het kader van een globale planning, waarbij voor elke alternatief "naasf het financiële rendement van de investeringen [...] ook de ruimtelijke en visuele effecten op het landschap samen met de landschapsecologische effecten [werden] beschreven" (p. 35). Dit ligt heel dicht bij de oorspronkelijke idee van milieu-effectrapportering (die kort daarop dan ook verplicht werd gesteld voor projecten groter dan 1000 hectare of die bepaalde typen van natuurgebieden omvatten). Niemand zal ontkennen dat dit een reële vooruitgang is, maar de praktijk wijst uit dat ook hier de mentale inertie zich zal laten voelen. Misschien is er ook een ietwat overdreven geloof in technische kunstgrepen zoals multicriteria-analyse, terwijl het in feite om een maatschappelijk debat gaat dat zich afspeelt tegen een achtergrond die noch sterk gestructureerd, noch overzichtelijk, noch stabiel is: onzekerheden in ruimer Europees, of mondiaal (GATT) verband, landbouweconomie die nog steeds geen volwaardig deel is van de economische wetenschap sec. Welk soort uitrusting of infrastructuur zal de ruilverkaveling leveren voor welk soort landbouw? Bestaat het gevaar niet dat men 'structuren' gaat versterken die binnen afzienbare tijd niet meer functioneel of relevant zijn?

B I N N E N K R A N T


M&L De auteur is van oordeel dat de eerste dysfunctie, met name de onevenwichtige samenstelling van de rullverkavelingsorganen via die nieuwe 'multisectoriële' aanpak, "een beleidsmatige invulling van de voorbereidingsprocedure" (p. 10), kan geneutraliseerd worden zonder dat hiertoe een nieuwe wetswijziging nodig is. Dit technocratisch optimisme blijkt ook uit volgende passage: "Verdere aanpassing en evolutie zijn pas mogelijk als zij gedragen worden door zowel een verbreding van de doelstellingen als door de ontwikkeling van aangepaste technieken voor planvorming''. Die doelstellingenverruiming wordt verder niet expliciet besproken, maar uit de context blijkt dat het om een louter bureaucratische kwestie gaat, die door de ambtelijke vertegenwoordigers van de betrokken 'sectoren' wordt afgehandeld. Er wordt wèl gewag gemaakt van de "noodzaak tot brede maatschappelijke onderbouwing" maar hoe die moet worden bewerkstelligd wordt niet gezegd. Wellicht wordt die ook "beleidsmatig" ingevuld. Van een stuk ruilverkavelingsgeschiedenis dat in dit verband relevant is wordt in de brochure geen gewag gemaakt. In de allereerste ruilverkavelingswet van 25 juni 1956 werd in artikel 8 voorzien dat, indien de resultaten van het openbaar onderzoek daartoe "aanleiding" zouóen hebben gegeven, de minister kon beslissen om een algemene vergadering van eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers bijeen te roepen. Over het voorstel diende dan afzonderlijk gestemd te worden door de eigenaars en vruchtgebruikers enerzijds en de gebruikers anderzijds. Via een gewogen kiesstelsel (waarin ook een oppervlaktecriterium meespeelde) kon de ruilverkaveling worden weggestemd. Dit democratisch moment werd in de tweede editie van de ruilverkavelingswetgeving, 22 juli 1970, gevoeglijk weggesaneerd. Vermoedelijk werd dit niet aanzien als de meest geschikte weg naar een brede maatschappelijk onderbouwing. De auteur erkent dat zelfs de Nieuwe Aanpak niet onverdeeld positief zal zijn: "Mogelijke negatieve effecten van de verbetering van de aansluiting hebben te maken met een intensiever gebruik van de grond en het aantrekken van bebouwing naar ruimten waar dit ongewenst is" [p. 29). Deze beschouwing wordt niet verder uitgewerkt

maar verdient de volle aandacht, want ze vorm een ernstige beperking op de bruikbaarheid van de herhaaldelijk aanbevolen structuurversterkende aanpak. De wegeninfrastructuur speeW landschappelijk en ecologisch gezien een strategische rol. Het is voornamelijk door de manier van ontsluiting dat een landelijk gebied fundamenteel van karakter kan veranderen en de verhardingswijze is hierbij cruciaal. Afgezien van de visuele of esthetische verschillen tussen een aardeweg en een 3 m brede strook cementbeton vanuit zuiver economisch standpunt nog blijkbaar steeds de ideale oplossing- zijn er ook onbetwistbaar ecologische implicaties: het verdwijnen van minstens één ecologische "niche", die van de tredplanten. In sommige voltooide ruilverkavelingen kan worden vastgesteld dat een aantal van deze wegen ook gebruikt worden als sluipwegen voor niet-agrarisch interlokaal verkeer, waarop hoge snelheden kunnen worden bereikt. De verbeterde ontsluiting kan op termijn ook ontwikkelingen op gang brengen die door het ruilverkavelingscomité zeker niet bedoeld zijn, onder meer de inplanting van diverse vormen van niet-agrarische of agroindustriële, niet grondgebonden activiteiten. In de inlandse ruimtelijke ordening speelt het begrip "voldoende uitgeruste weg" en de "nuttige frontlengte" \/an een perceel overigens een sleutelrol bij het bouwrijp verklaren juridisch of de facto - van landelijk gebied. De (middel)lange termijnimpacten van infrastructurele veranderingen laten zich moeilijk inschatten via een sterk op het herkennen van 'structuren' gerichte benadering van het ruilverkavelingsblok. In de brochure (en in diverse andere teksten rond de Nieuwe Aanpak) wordt hier dan ook weinig aandacht aan besteed.

impacten van een dergelijk programma. Door een bioloog in dienst van de Vlaamse Landmaatschappij werd zelfs beweerd dat er überhaupt geen zeldzame of waardevolle tredplanten zijn en dat - als de bermoppervlakte vergroot en fatsoenlijk wordt beheerd - de balans zelfs positief zou uitvallen. Deze onderwaardering van tredplanten gaat echter voorbij aan het gradiëntkarakter van tredvegetaties, ook van de lengtegradiënt. Dat een dicht net van betonwegen in een voorheen moeilijk toegankelijk gebied op termijn geen merkbare blo- of ecologische impacten zou hebben, lijkt hoe dan ook moeilijk verdedigbaar. De mentale aanpassing laat inderdaad lang op zich wachten, of hebben we hier te maken met een absurdistische toepassing van de aanbeveling: "Op het ruimtelijk vlak biedt de wegtracering relevante mogelijkheden tot integratie en versterking van landschappelijke structuurlijnen" {p. 29) ? De Ruilverkaveting-Nieuwe-Aanpak dient tot nader order beschouwd te worden als een hoofdzakelijk literaire stroming. Van de diverse proefprojecten inclusief 'Poppel' moet nog altijd de eerste spadesteek, het eerste bindend engagement gerealiseerd worden. Artikel 63 van de ruilverkavelingswet van 1978 beperkt de taak van de coördinatiecommissie nog steeds tot het "vaststellen van het blok". Al de rest is vrijblijvend en kan bij de eerste de beste verandering van politieke wind (of door een eigenzinnig ruilverkavelingscomité) probleemloos worden weggevaagd. In tegenstelling tot de auteur (p. 4), ben ik dan ook geneigd om de aanpassing van de ruilverkavelingswet wèl als prioritair te beschouwen. R. Deneef

De praktijk wijkt ondertussen enigszins af van de Nieuwe-Aanpak-mornemens. Zo werd er dit jaar nog een 'structuurplan' goedgekeurd voor een ruilverkaveling die pas einde 1988 werd opgestart en waarin voor een oppervlakte van circa 1800 ha (1690 ha zonder de 'uitgesloten kavels') voorzien wordt in de aanleg van circa 35 km betonweg, dit is meer dan 2 km betonweg per vierkante kilometer! Het milieu-effectrapport dat naderhand werd opgesteld minimaliseerde de

B I N N E N K R A N T

Soetewey J., Ruilverkaveling in Vlaanderen - een toelichting bij een nieuwe aanpak. Brussel, 1992 Vlaamse Landmaatschappij in samenwerking met Wolters Kluwer België N.V, 51 pp.


M8cL

LE BOMBARDEMENT DE BRUXELLES PAR LOUIS XIV ET LA RECONSTRUCTION QUI S'EN SUIVIT 1695-1700 Het bombardement van 1695 en de wederopbouw die erop volgde, één van de belangrijkste episodes uit de Brusselse architectuurgeschiedenis, bleven tot nog toe verstoken van gedegen wetenschappelijk onderzoek. De jongste uitgave van de Editions des Archives d'Architecture Moderne, Le bombardement de Bruxellles par Louis XIV et la reconstruction qui s'en suivit J 695-7 700 vangt deze leemte op onvolprezen wijze op. Het boek vormt de neerslag van een studie, ondernomen door Maurice Culot, Eric Hennaut, Marie Demanet en Caroline Mierop, naar de oorzaken van het bombardement en de geschiedenis van de wederopbouw, op basis van archiefstukken en onuitgegeven documenten uit binnen- en buitenland. De niet aflatende pogingen van de Franse koning Lodewijk XIV om de Spaanse Nederlanden in te lijven, leidden in 1688 tot het uitbreken van de Negenjarige Oorlog, waarbij de Spaanse koning Karel II een alliantie aanging met de Hollandse stadhouder en koning van Engeland Willem III.

Het bombardement van Brussel door het Frans leger (13 tot 15 augustus

1695).

•^Xl'.m

Als afleidingsmanoeuver voor het smadelijke beleg van Namen, rukte een 70.000 man sterke Franse troepenmacht, begeleid door een konvooi van 900 wagens, in augustus 1695 op bevel van maarschalk de Villeroi op naar de hoofdstad. Met de stadhuistoren als richtpunt, werd het centrum van de stad vanaf de vooravond van de 14de bestookt met een regen van bommen en vuurkogels, waarop een gigantische vuurzee losbarstte. Bij het terugtrekken van de troepen, achtenveertig uur later, lag één derde van de stad - zowat 5000 openbare, religieuze en privé-gebouwen - in puin. Deze niet te verantwoorden en volkomen onnodige verwoesting van de hoofdstad van de Spaanse Nederlanden Frankrijk kon slechts een vergelding voor Engelse beschietingen op de havens Le Havre en Duinkerken inroepen - ontlokte luide protesten in geheel Europa, die doorklonken in tal van pamfletten en schotschriften. Zo ook Manneken Pis, "Vanjedereen gheacht, gheeert voor t'Mantien-Pis. He/as.' wie ben lek nu, ghemerekt ick com' te missen Het crystalline nat, het welke' ick placht te pissen? 'K ben t'Mantien sender pis, en dat my noch meer spijt, 'K ben eere naem, en (aem met mijne pisse quijt", die wenste "... dat sender pis magh zijn Louis Bourbon, En boven dien, par-bleu, Madame Maintenon". Na de paniek van de eerste dagen kregen de autoriteiten vrij vlug greep op de situatie door het uitvaardigen van een aantal noodmaatregelen. Deze moesten de voedselvoorziening en handel herstellen, woeker en speculatie tegengaan, de opruimingswerken en wederopbouw bespoedigen. Zo werden de huren en prijzen

MKM l>H IA n u t DE M K Q J W

van bouwmaterialen geblokkeerd, diverse taksen opgeheven en vreemde handwerkslui onbeperkt toegelaten, en werd de gehele bevolking zonder onderscheid van rang of stand ingeschakeld bij het puinruimen. Op nauwelijks vijf jaar tijd herrees Brussel fraaier dan ooit uit haar as, met de Grote Markt als eclatant symbool en schouwtoneel van de politieke inzet die de stedelijke autoriteiten confronteerde met het centrale gezag. Tijdsdruk en economische overwegingen speelden daarbij in de kaart van de Stadsmagistraat, spreekbuis van gilden en burgerij, die opteerde voor een behoudende wederopbouw op basis van de oude wegenis- en perceelsstructuur, zonder daarbij verfraaiing en verbetering te schuwen. Een radicale barokke stedebouw, ter meerdere eer en glorie van gouverneur-generaal Maximiliaan-Emmanuel van Beieren, bleef beperkt tot incidentele ingrepen zoals de "Hertogen van Brabant"op de Grote Markt, het Groot Vleeshuis, de Beierenstraat, alle door Willem De Bruyn, en het eerste Munttheater. Ingedeeld als een klassiek drama in drie bedrijven, brengt het boek een boeiend relaas van dit rampzalige oorlogsfeit en de glorieuze wederopstanding. Uitvoerig wordt daarbij ingegaan op de complexe voorgeschiedenis en de protagonisten, maarschalk de Villeroi - aan wie het werk ironisch genoeg is opgedragen en de keurvorst van Beieren. De subtiele machtsverhoudingen tussen de centrale en stedelijke autoriteiten enerzijds, en binnen de geledingen van het stadsbestuur anderzijds, de financiën en het wettelijk kader, en hun implicaties op de wederopbouw, worden op verhelderende wijze ontrafeld. Ook rekenen de auteurs af met de stelling dat Brussel geen wezenlijke veranderingen onderging. Het is wel degelijk een nieuwe stad die op enkele jaren verrijst, waar houtbouw definitief plaats maakt voor bak- en natuursteen, waar rooilijnen worden geregulariseerd en aan het verkeer aangepast, waar middels bouwreglementen wordt toegekeken op schoonheid, deugdelijkheid en hygiëne, waar nieuwe bouwvormen en -types zich aanmelden, overgoten door barokke praal. De talrijke geraadpleegde bouwcontracten vormden hierbij een belangrijke bron van informatie. De zorgvuldigheid waarmee toendertijd met de stedelijke omgeving werd

B I N N E N K R A N T


M&L omgesprongen moge ook het Brussel van vandaag nog tot les strekken. De verzorgde vormgeving van het boek wordt gedragen door een uitgelezen keuze aan iconografisch materiaal, dat nooit eerder in deze vorm werd samengebracht. Een afzonderlijk bijgevoegde, geïllustreerde en becommentarieerde kaart herneemt ruim 200 monumenten en huizen, vaak voor het eerst geïdentificeerd en gedateerd, uit de periode van de wederopbouw. Zij stelt de bezoeker in staat dit waardevolle patrimonium zelf te ontdekken. Arau en de Archives d'Architecture Moderne zullen vanaf volgend seizoen geleide wandelingen rond dit thema organiseren. Moge dit monumentale boekwerk de aanzet zijn tot een ruimere herdenking van het memorabele bombardement van 1695, waarvan de driehonderste verjaardag nakend is. J. Braeken

Culot M., Hennaut E., Demanet M. en Mierop C, Le bombardement de Bruxelles par Louis XIV et la reconstruction qui s'en suivit 1695-1700, Editions des Archives d'Architecture Moderne, Brussel, 1992. Formaat: 22 x 28 cm, uitvoering: ingenaaid. Prijs: 1.950,-fr.

LAND EN ZEE Bij uitgeverij Lannoo uit Tielt verscheen een prestigieus boek over het duinengebied tussen Nieuwpoort en De Panne. Dit boek kwam tot stand op initiatief van Hans Berquin. Johan Termote verzorgde de eindredactie, waarbij een twintigtal medewerkers alle informatie samenbrachten tot een uniek geheel. Sinds het midden van de vorige eeuw werd dit duingebied toeristisch ontdekt. Toch bleef nog heel wat bewaard van de toen ongerepte en onherbergzame natuur waarin enkel vissers erin slaagden te overleven. Allerlei wetenschappers registreerden reeds vroeger dit uitzonderlijk gebied.

LANDEN ZEE HET DUINGEBIED VAN NIEUWPOORT TOT DEFANNE

We denken hier aan J. Massart, R. Blanchard, Karel Loppens e.d., elk voor wat hun eigen specialiteit betreft. De noodzaak van een nieuwe en goed leesbare synthese drong zich dan ook op. Dit vormde uiteindelijk de opzet van de publikatie Tussen land en Zee. De uitgever slaagde er in deze veelzijdige en moeilijke opgave tot een goed einde te brengen. Hij bouwde het boek op rond drie grote thema's: landschap, mens en natuur. Hierbij was hij zich terdege bewust dat deze drie elementen voortdurend op elkaar inwerken. Uiteraard wordt gestart met het ontstaan en de evolutie van het duinlandschap. Hierbij is de werking van de zee doorslaggevend. Duinen leven door water en wind. Hoe deze wandelduinen bewegen in het getrokken gebied wordt duidelijk naar voor gebracht. Daarna wordt dieper ingegaan op de bewoningsgeschiedenis die op onze dagen zo ver geëvolueerd is dat er een onvermijdelijke spanning ontstaat tussen het landschap en de bebouwing. Het duingebied is vanaf haar ontstaan nagenoeg doorlopend door de mens bewoond. Rond 3000 voor Christus vormden veetelers en zoutzieders de eerste nederzettingen. Pas in het begin van onze jaartelling zou de stranden kustvisserij belangrijk worden. Aan het ontstaan en de ontwikkeling van de badplaatsen wordt een ruime studie gewijd. Opvallend is hedentendage dat de dichte bebouwing pas stopt waar het

duin één of andere vorm van bescherming geniet (p. 136). Stemt zo'n opmerking niet tot nadenken? Het derde deel van het boek handelt over de fauna en flora in het gebied. Levende duinen, zoet grondwater... alles komt aan bod, tot de honderde planten met poëtische namen als zilverschoon, pijpestrootje, geelhartje, ogentroost enzovoort. Een plezier om te lezen. Ook het bos, de paddestoelen en de dierenwereld komen aan bod; reptielen, vogels, ongewervelde dieren, konijnen Uiteindelijk weten de samenstellers het boek af te ronden met een bespreking van de schilderkunst aan de Westkust in de 19de en 20ste eeuw. Te beginnen met Francois Musin, Louis Artan en Euphrosius Beernaert, over Anna Boch, Theodore 'T scharnier, James Ensor, Felicien Rops en andere tot Constant Permeke, Henri-Victor Wolvens, Adgard Tijtgat, Valerius de Saedeleer, om te eindigen met Georges Grard en Paul Delvaux. De Proloog wordt verzorgd door Eckhart Kuycken, waarbij hij zich afvraagt welke normen wij in de toekomst mogen of moeten hanteren en hoe lang de kust nog een toeristische goudmijn blijft. Hij pleit voor een vernieuwd natuurbeleid en een goed Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Prachtige kustfoto's en kaarten illustreren het geheel. Hierbij vallen niet alleen de reprodukties op van oude kaarten en schilderijen, maar ook de foto's die met de meest moderne technieken zijn gerealiseerd, waardoor ze de kleinste details weergeven. Dat zo'n uitgave niet goedkoop is ligt voor de hand. Toch noemen we dit werk van de ploeg Berquin-Termote een aanrader en zelfs een ideaal geschenk voor een veeleisend iemand. Dit is geen gewoon boek, dit is een kunstboek. H. Gevaert

Termote J. e.a., Tussen Land en Zee. Het Duingebied van Nieuwpoort tot De Panne, uitgeverij Lannoo, Tielt, 1992, 256 blz., 100 kleur- en 150 zwartwit illustraties. Prijs: 2.450,-fr.

B I N N E N K R A N T


M8cL

10

L'ART EN LA PELL. CORDOVANS I GUADAMESSILS DE LA COLLECCIO COLOMER MUNMANY en ZLOCONE KURDYBANY W POLSCE Dat er niet alleen in de lage landen aandacht aan het goudieder besteed wordt, moge blijken uit twee onlangs verschenen publikaties in Spanje en Polen. In september verscheen het boek /.'art en la Pell. Cordovans i Guadamessils de la col.leccio Colomer Munmany, gepubliceerd door het cultuurdepartement van de Spaanse deelstaat Catalonië. Het is een rijk geïllustreerde catalogus van een gedeelte van de collectie van de industrieel Andreu Colomer Munmany. Vanuit zijn leerlooierij geboeid door de materie van het leder, heeft deze man

gedurende vijftig jaar met veel passie over de gehele wereld lederen voorwerpen verzameld. Deze collectie, bestaande uit vele honderden objecten heeft hij enkele jaren geleden, samen met het voormalige Carmelietenklooster in zijn woonplaats Vic, aan de Catalaanse deelstaat geschonken op voorwaarde dat de collectie aldaar permanent gehuisvest zou gaan worden. Het streven is dat over ruim twee jaar dit klooster, dat thans grondig verbouwd wordt, als museum geopend zal worden. Als voorproefje hierop was in september en oktober in Vic een bescheiden keuze uit deze verzameling te zien, en zal in februari 1993 een uitgebreidere selectie (circa 130 stuks) getoond worden (Sa/a Sanf Jaume van de Fundació 'La Caixa). Ter gelegenheid hiervan verscheen de catalogus L'Art en la Peil. Hierin zijn driehonderd objecten uit deze collectie beschreven en afgebeeld, waarvan

ruim veertig in kleur. Hiernaast is niet alleen een bijdrage van Andreu Colomer opgenomen, waarin hij de totstandkoming van zijn collectie beschrijft, maar ook een korte historische uiteenzetting van Joan Ainaud de Lasarte over het gebruik en de toepassing van leder in Spanje, en een bijbeschijving door Anna Soler van de twee belangrijkste types 'Cordovan' en 'Guadamacil' evenals een separate woordenlijst van materialen en begrippen. Het merendeel van de in deze catalogus opgenomen voorwerpen is ofwel 'Cordovan' (bewerkt leder in het algemeen) of 'Guadamecil' (goudieder). De eerste nummers van de catalogus zijn voor het merendeel voorwerpen uit Afrika en Azië: schilden, kruiken en godenbeeldjes. Een aanzienlijk deel van de overige catalogusnummers betreft bewerkte koffers en kisten ('Cordovan'), in allerlei maten en uitvoeringen, daterend van de 15de tot de 18de eeuw. Hierbij bevindt zich ook een fraai Vlaams koffertje (cat. nr. 90) hetgeen, evenals bij de meeste andere voorwerpen, heel erg voorzichtig als '16de eeuw, Europa" omschreven wordt. Hier zou het direct als "Plantijnkoffertje, Antwerps, eind 16de-vroeg 17de eeuw" geïdentificeerd worden. De tweede grote groep in deze catalogus wordt gevormd door de 'Guadamecil': vele Spaanse stukken goudleder, maar ook talloze stukken uit andere landen en met name de Nederlanden (onder andere een behangsel uit het Vlaamse Kasteel van Groot Bijgaarden). Al deze fraaie voorwerpen maken deze catalogus, die in het Catalaans

geschreven is (de tekstbijdragen zijn ook vertaald in het Spaans en Engels) tot een boeiende publikatie, die ons doet uitkijken naar de opening van het nieuwe museum in Vic. Maar de ge-

passioneerde liefhebber zal al in februari hiervan een voorproefje kunnen hebben in Barcelona. Het tweede boek Zlocone Kurdybany w Polsce, z problematyki importy wyrobow artystycznych is de dissertatie van Agnieszka Bender aan de Katholieke Universiteit van Lublin, Polen. Alhoewel geschreven in het Pools, hetgeen voor de meeste van ons een nog grotere handicap zal zijn dan het Catalaans, is deze studie toch zeker de moeite van het aanstippen waard. De Engelse samenvatting, de 45 afbeeldingen en de inventarislijst, bestaande uit 175 nummers, maken immers duidelijk dat zich in Polen veel goudieder uit de Nederlanden bevindt. De eerste vier hoofdstukken zijn van meer algemene aard: een literatuuroverzicht over de materie, het onderscheid tussen Corduaans leder en goudieder, de techniek van het goudledermaken, en de verschillende Europese produktiecentra. In het vijfde hoofdstuk komen historische beschrijvingen en archivalische bronnen aan de orde, evenals het in Polen bewaard gebleven goudieder. In totaal zijn er daar circa 300 goudlederen objecten bekend, waarvan maar liefst een hon-

B I N N E N K R A N T


M8d

ii

dertal antependia en eenzelfde aantal stoelen. Hiernaast zijn er elf goudiedermakers bekend. Slechts één hiervan wordt er in deze studie behandeld, omdat de resterende tien niet tot oud Pools bezit gerekend worden: deze zijn in de jaren '30 van deze eeuw aangekocht en tooiden daarvóór het jachtkasteel Moritzburg bij Dresden. In het laatste hoofdstuk wordt het in Polen bewaard gebleven goudleer nader onder de loep genomen: een klein gedeelte kan als Spaans en Italiaans geïdentificeerd worden, het meeste is echter uit de Nederlanden afkomstig. Hierover hoeft vanuit onze zijde geen enkele twijfel te bestaan: meerdere afbeeldingen tonen immers patronen die wij ook van hier kennen, zoals bijvoorbeeld het antependium in de parochiekerk te Pregowo Dolne, dat zeer verwant is aan het antependium in de kerk van Onze-LieveVrouw over de Dijle te Mechelen, of het antependium in de kathedraal van Oliwa dat gemaakt is van een drietal vellen die identiek zijn aan de goudlederwand in het Museum Mayer van den Bergh te Antwerpen.

OPENBAAR KUNSTBEZIT IN VLAANDEREN - MEESTERWERKEN OP PAPIER Vlaanderen telt talrijke openbare tekeningencollecties. Vele kabinetten nemen de vorm aan van echte schatkamers, vol meesterwerken. Het aanbod is enorm. Twee beperkingen werden daarom aan deze uitgave opgelegd. In de eerste plaats blijven de bijdragen beperkt tot verzamelingen die bladen bezitten, getekend met de hand op papier of perkament. Een tweede beperking limiteert het overzicht tot en met de periode van het classicisme. Dit derde nummer in de jaargang 1992 brengt een aantal

JAARBOEK '91 LIKONA

f

i

4

E. Koldeweij

ess •

«535. •"

Audreu Colmer Munmany e.a., /'/Art en la Pell. Cordovans i Guadamessils de la col. leccio Colomer Munmany, Vic 1992,161 pp, 300 afbeeldingen en ruim 50 kleurenplaten. Prijs: 3000 Ptas (zeer beperkte oplage) Verkrijgbaar bij Colomer Munmany S.A, T.a.v. Anna Soler, Sant Francesc 1,08500 Vic (Barcelona), Spanje. Agnieszka Bender, Zlocone Kurdybany w Polsce, z problematyki importy wyrobow artystycznych, Lublin 1992,264 pp. Prijs niet bekend. Verkrijgbaar bij de Redakcja Wydawnictw van de Katoliego Uniwersytet Lubelskiego, Aleje Raclawickie 14,20-950 Lublin, Polen

baar Kunstbezit Vlaanderen, Jaargang 1992, aflevering 3. Een abonnement kost onveranderd 600,-fr. (voor Nederlandse abonnees: 36,- NLG) voor 4 afleveringen + 4 Mededelingen + een Museumkaart. Vanuit het buitenland (behalve Nederland): 900,-fr. Een opbergband (biedt plaats aan de jaargangen 1991 èn 1992) kost 270,-fr. (18,-NLG). De afleveringen zijn ook los te verkrijgen tegen 180,-fr.; voor Nederland: 11,-NLG In deze prijs zijn de verzendingskosten begrepen. Rekeningnummer 448-0007361-87 of gironummer 135.20.

duidende artikels over de esthetische waardering van tekeningen en over de evolutie van de lekenkunst, met aandacht voor de wisselende functies en technieken. Een case-study van een kadastrale kaart uit de 18de eeuw sluit de uitgave af en maakt wegwijs in de problematiek van conservatie en restauratie van kunstwerken op papier. Het geheel wordt geïllustreerd met een reeks voorbeelden uit verschillende openbare collecties. Dat het vooral gaat om bladen gerealiseerd door Belgische of Nederlandse kunstenaars weerspiegelt de specifieke situatie in de Vlaamse musea, waar kwalitatief hoogstaande tekeningen van Italiaanse, Franse of Duitse origine relatief schaars zijn.

Hautekeete S, Peckstadt A. en Watteeuw L. met medewerking van Hoozee R. en Huvenne H , Meesterwerken op papier, Open-

De Limburgse Koepel voor Natuurstudie (LIKONA) die vanwege het Provinciebestuur van Limburg ondersteund wordt door het Provinciaal Natuurcentrum, is een samenwerkingsverband van een aantal werkgroepen van vrijwilligers die actief zijn op het vlak van studie en bescherming van bedreigde plante- en diersoorten. Eén van belangrijkste realisaties binnen de koepel is het jaarlijks te boek stellen van de onderzoekgegevens van die werkgroepen. Het opzet van het jaarboek steunt op twee elementen. Enerzijds werd een kanaal gecreëerd waarlangs informatie over de Limburgse natuur op een degelijke manier, zowel wat vorm als inhoud betreft, kon gepubliceerd worden. Anderzijds was het de bedoeling de veldwerkers, de vrijwilligersnatuurliefhebbers aan te zetten tot het neerschrijven en overdragen van hun bevindingen. Een betere kennis van het natuurpatrimonium draagt bij tot de bescherming ervan. Deze eerste uitgave van het jaarboek telt een honderdtal pagina's. Het boek bevat een aantal artikels met nieuw feitenmateriaal over de natuur in Limburg, recente waarnemingen of interessante vondsten. Het is kleurrijk geïllustreerd en met verzorgde grafieken, tabellen en schema's verduidelijkt. Volgende thema's komen aan bod: - De vissen van het Albertkanaal (H. Verreyken, K.U.Leuven);

B I N N E N K R A N T


M8cL

12

- De toestand van de Kerkuil in Limburg (J. Gabriels, Kerkuilenwerkgroep); - Merkwaardige vondsten van mossen en korstmossen op de strooien daken van Bokrijk (M. Asperges); - Verslag van 50 jaar vleermuizenonderzoek in de grotten van Vechmaal (J. Dahlen); - Vlinders in de vallei van de Zwarte Beek (D. Maes, R.U. Gent); - De waterhuishouding van de Zwarte Beek (Universiteit Groningen); - Zweefvliegenonderzoek in NoordLimburg (L. Grèvecoeur); - Nieuwe glaskroossoorten in Limburg (Plantenwerkgroep). Het geheel wordt aangevuld met een aantal wetenswaardigheden in samenvattingen en een uitgebreide literatuur-

terreinopleiding zoals deze die door de Praktijkschool wordt georganiseerd. Juridische en wettelijke aspecten komen in het praktijkboek niet aan bod; hiervoor verwijst de auteur naar de publikatiebladen van het DirectoraatGeneraal van de Arbeid van het (Nederlandse) Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Met name deze publikatiebladen met de zogenaamde Arbo-wet geven aan hoeveel belang er in Nederland gehecht wordt aan de veiligheid in de sector boomverzorging. Eén van de motieven van het boek is precies die veiligheid - waarmee overigens in België (zowel door gemeenten als door ondernemers) een loopje wordt genomen - op te drijven. A. De Haeck

M. De Borgher

Het boek kan besteld worden door 400,-fr. te storten op rekeningnummer 000-0400447-31 van het Provinciaal Natuurcentrum, Ontvangsten, met de vermelding: jaarboek Likona '91. Het kan eveneens afgehaald worden op het Natuurcentrum, Provinciaal Begijnhof, Zuivelmarkt 33, Hasselt.

WERKEN IN BOMEN Werken in bomen handelt voornamelijk over de (vele technische) aspecten in verband met het klimwerk en het werken met motorzagen in bomen en is voornamelijk bedoeld voor boomvellers, boomverzorgers, snoeiers en - in mindere mate - voor beleidsmensen. De auteur - Leen Hoogstad - is zelfstandig boomverzorger en tevens lesgever aan de Praktijkschool in Arnhem. Niet toevallig heeft hij in 1975 de besproken klimtechniek uit Engeland in Nederland ingevoerd en haar er kenbaar gemaakt. De beschouwde onderwerpen zijn zeer volledig uitgediept en aanschouwelijk gemaakt aan de hand van vele foto's. Hoewel het boek als dusdanig als cursus dient is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de lezer zichzelf opleidt; het vak vergt een begeleide

auteur: Leen Hoogstad uitgever: Praktijkschool voor bosbouw, cultuurtechniek en groene sector, Koningsweg 35, 6816 TG Arnhem, Nederland tel: 00.31/85-43100fax: 00.31/85-455629 oplage: 1000 eerste druk: 1992 aantal pagina's: 55 + een bijlage van 12 blz. (afbeeldingen met knopen) illustraties: 50 wit-zwart foto's en 4 tabellen formaat: 15,5x23,5 cm inhoudsopgave: veiligheid, klimmaterialen, klimmethoden, hoogwerkers en ladderwagens, ladders, hulpmiddelen en gereedschappen, knopen, steken, splitsen en takelingen, vangtechnieken, reddingsakties, lijst met nuttige adressen, publikaties en leveranciers en een bijlage met tekeningen van knopen, steken, splitsen en takelingen, besteladres: bij de uitgever (de Praktijkschool) en bij ArboriArnhem, Leen Hoogstad, de Wiltstraat 57, 6824 CC Arnhem, Nederland, tel: 0031/85-424223, fax: 0031/85-436990 kostprijs: f 19,50 exclusief verzendkosten, 10 % bij afname van minstens 10 exemplaren.

BELGIË ART NOUVEAUVAN VICTOR HORTA TOT ANTOINEPOMPE Een recent boek, gewijd aan de Art Nouveau in België werd samengesteld door kunsthistoricus Pierre Loze, en bijzonder fraai geïllustreerd door fotograaf Frangois Loze. België Art Nouveau -Van Victor Horta totAntoine Pompe brengt in woord en beeld een overzicht van de Belgische Art Nouveau-architectuurproduktie, vanaf de pionierswerken tot de laatste uitingen van de stijl aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. In tegenstelling tot Art Nouveau in België - Architectuur & Interieur éoorJos Vandenbreeden en Frangoise Dierkens-Aubry, dat een eerder thematisch opzet vertoont, bouwt Loze zijn overzichtswerk op volgens een strikt chronologisch schema. De Belgische Art Nouveau - in hoofdzaak althans de Brusselse - wordt hierbij grosso modo ingedeeld in drie periodes die samenvallen met de hoofdstukken van het boek. De inleiding, De oorsprong van de Art Nouveau in België, schetst de antecendenten van deze architectuurbeweging, gezien vanuit het standpunt van de jonge Horta. Citaten uit zijn Mémoires beschrijven de Art Nouveau niet zozeer als een reactie dan wel als een voortbouwen op het 19de-eeuwse eclectisme dat brak met het stroeve academisme. Het overdonderende Justitiepaleis, het rationaliteitsbeginsel van Viollet-le-Duc, de "klassieke" leerschool van Balat, de neo-Vlaamse-renaissance, het materiaalgebruik

N N E N K R A N T


M&L

ia van Hendrickx, vormden juist het fundament van zijn vernieuwende architectuur. Het eerste en meest beklijvende hoofdstuk, 1889-1987 Het ontstaan van de Art Nouveau, confronteert het vroege werk van Victor Horta met het kortstondige oeuvre van Paul Hankar, in alles eikaars tegenpolen. De belangrijkste scheppingen van beide protagonisten (onder meer de woningen Tassel, Solvay en Van Eetvelde; Hankar, Ciamberlani en Kleyer) worden hierbij in detail geanalyseerd en in perspectief geplaatst, ruim gelardeerd met Mémo/res-fragmenten, getuigenissen en commentaren. Horta komt hieruit naar voor als een vrij ontoegankelijke, solitaire persoonlijkheid, op zoek naar een nieuwe kunstvorm gestoeld op organische eenheid. Zonder de klassieke traditie te verloochenen, breekt zijn architectuurconcept met de heersende normen, ten voordele van een nieuwe ruimtelijkheid in functie van de gebruiker. Hankar benadrukt de eigen functionaliteit van elk materiaal en streeft terzelfdertijd naar dematerialisering, wat resulteert in een sterk grafisch linearisme en een zekere nochalance in de verhoudingen. Ook Octave Van Rysselberghe en de meubelontwerpen van Gustave Serrurier-Bovy en Henry Van de Velde - met de nadruk op de 'Ve/ctense"lijn komen in dit hoofdstuk aan bod. In het tweede hoofdstuk 1897-1900 De tijdgenoten, staan de volgelingen van het eerste uur centraal. Architecten als Ernest Blerot, Armand Van Waesberghe, Gustave Strauven en Victor Taelemans krijgen de nodige waardering omwille van hun jeugdig optimisme en hun streven naar een eigen originaliteit en persoonlijke expressie, die echter telkens gerelateerd wordt aan één of beide grootmeesters. Dit in tegenstelling tot een figuur als Paul Saintenoy, die wordt verweten de Art Nouveau te misbruiken als een andere vorm van eclectisme. Daartegenover benadrukt de auteur echter met klem de superioriteit van het werk van de ervaren Horta uit deze periode, dat evolueert van de bravoure van de woning Aubecq naar de monumentale bescheidenheid van het warenhuis Waucquez. In het laatste hoofdstuk De stijl anno 1900 tenslotte, valt de voortdurende toetsing aan de eersterangswerken wel erg ongelijk uit voor de tweede generatie architecten. Léon Sneyers en Paul Hamesse, de verweesde leerlingen van Hankar, zoeken diens echo in de Weense Art

Nouveau doch verzanden in een voorspelbaar formalisme; Henri Jacobs komt slechts tot een begriploze imitatie van Horta's Volkshuis. Ook een korte rondgang door België levert weinig meer op dan minimale waardering voor enkele uitschieters zoals Jos Bascourt, Emiel Van Averbeke en Paul Jaspar, en een schetsen van het eigen karakter; decoratieve overdaad te Antwerpen, traditionele tot middeleeuwse inspiratie te Gent en Luik. Het boek wordt besloten met een naar ons inziens ongemeen felle uitval naar Van de Velde, die wordt verweten het vaderschap van de Art Nouveau aan Horta te hebben willen ontfutselen, en

die haast persoonlijk ter verantwoording wordt geroepen voor de afbraak van de woning Aubecq en het Volkshuis. België Art Nouveau doet naar onze mening toch enigszins tekort aan de specifieke, zij het dan relatieve waarde van het werk van de epigonen van de eerste en tweede generatie, door een te nadrukkelijke, bij voorbaat ongelijke toetsing met de sleutelfiguren. De zuiver architecturale benadering in dit overzichtswerk is hier allicht debet aan. Toch leek het ons minder aangewezen bij herhaling de onbetwiste superioriteit van Horta en Hankar te beklemtonen, dan wel de tweede-

B I N N E N K R A N T


14

rangsfiguren in een voor hun rol aanvaardbare context te situeren. Deze opmerking doet echter niets af aan de bijzonder fraaie vormgeving van het boek dat wordt opgeluisterd door een uitgelezen keuze foto's en documenten, die in hun uitbundige verscheidenheid voldoende eerherstel leveren. Een minpunt vormt niettemin de bij wijlen stroeve vertaling van de Nederlandstalige editie. J. Braeken

Loze Pierre en Frangois België Art Nouveau van Victor Horta tot Antoine Pompe 5e Snoeck-Ducajie & Zoon, i. Gent,

geïnteresseerde leek. De talrijke figuren en de paragrafen 'tussendoor' zullen vooral voor deze laatste groep lezers hun belang hebben.

\/an Strydonck M., Radiokoolstof een maat voor het verleden, K.I.K., is te koop op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Jubelpark 1,1040 Brussel, door overschrijving van 250,-fr. + 30,-fr. portkosten op rekening 000-2004759-60, met de vermelding "brochure C-14". Na verschijning, voorzien voor december 1992, is de brochure ook te koop aan de balie van het instituut.

1991 Formaat 25 x 33,215 p

Buitenkrant

RADIOKOOLSTOF EEN MAAT VOOR HET VERLEDEN Voor de eerste maal verschijnt er in Vlaanderen een boekje over de dateringstechniek welke gebruik maakt van het in de natuur voorkomend radioactieve koolstof atoom. In deze ongeveer 80 bladzijden tellende brochure bespreekt de auteur de diverse en soms verrassende facetten van de 14C-methode. In het eerste gedeelte komt de methode zelf aan bod. Het tweede gedeelte omvat voorbeelden. Doelbewust heeft de auteur enkel voorbeelden gekozen uit de onmiddellijke geografische omgeving, zodat de lezer zich meer betrokken voelt bij de diverse onderwerpen. Zowel het gedeelte over het voorkomen van 14C in de natuur als de voorbeelden hebben de auteur de kans gegeven om uit te wijden over verscheidene takken van de wetenschap welke rechtstreeks of onrechtstreeks te maken hebben met de 14 C-datering. Een greep uit deze diversiteit brengt ons bij onderwerpen zoals dendrochronologie, klimatologie, geologie, archeologie, kunstgeschiedenis, warenkeuring, enzovoort. De brochure is opgesteld ten behoeve van zowel de gebruiker van de 14 C-metingen (hierbij wordt dan in de eerste plaats gedacht aan de archeoloog en de kunsthistoricus) als de

WAARIN ONDERSCHEIDT DE KATHEDRAAL VAN AMIENS ZICH VAN DIE VAN ANTWERPEN ? U weet het niet? En, wat is het verschil tussen de Place Stanislas In Nancy en de Brusselse Grote Markt? Of tussen het historische centrum van San Gimignano in Italië en dat van Brugge in Vlaanderen? Het lijken wel absurde raadseltjes of ouderwetse grappen. Misschien is dat ook wel zo; een Belgenmop dan wel te verstaan. Het antwoord op die vragen is dat de kathedraal van Amiens, de Place Stanislas en San Gimignano en nog meer dan 300 andere monumenten of sites wèl op de UNESCOlijst van het werelderfgoed prijken. Een lijst of inventaris die in zekere zin kan beschouwd worden als een hedendaagse versie van de antieke wereldwonderen. Ook uitzonderlijke door de natuur gevormde monumenten of natuurlijke streken, zoals de grote Amerikaanse en Afrikaanse natuurparken, zijn op de lijst opgenomen. Wat verstaat men nu juist onder "werelderfgoed"' De UNESCO omschrijft dit als "zowel door de natuur-,

als door de mens gecreëerde goederen, die om hun uitzonderlijke, onvervangbare en universele waarde, moeten beschouwd worden als behorend tot het erfgoed van alle volkeren ter wereld". De UNESCO (Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur) ontstond na de Tweede Wereldoorlog als één van de gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties, met als voornaamste doelstelling de internationale samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen op het gebied van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie. Eén van de grote realisaties van de Unesco op het vlak van het internationaal recht was het tot stand komen van de Overeenkomst of Conventie inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, tijdens de 17de zitting van de Algemene Vergadering te Parijs op 16 november 1972. Ratificatie De te Parijs vertegenwoordigde landen, waaronder België, ondertekenden er de overeenkomst. Zo'n internationale overeenkomst moet echter achteraf door het nationale parlement van de staat in kwestie geratificeerd of officieel bekrachtigd worden. Om uiteenlopende redenen heeft de Belgische Staat dat tot hiertoe niet gedaan. Hoe kan zoiets? Ter verklaring of ter verontschuldiging kan er gewezen worden op het omvangrijke dossier dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken dient samen te stellen vooraleer de tekst aan het Parlement kan overgemaakt woren. De Ministeries van Onderwijs en Cultuur die toendertijd bevoegd waren voor deze materie, hadden naar verluidt bezwaren tegen de financiële implicaties die de bekrachtiging van de overeenkomst met zich zou meebrengen. Hierdoor werd de ratificatie, het aandringen vanuit verschillende hoeken en het Monumentenjaar ten spijt, steeds opnieuw op de lange baan geschoven. Door de Staatshervorming van 1980 kwam de bevoegdheid bij de Gemeenschappen te liggen. Beide Gemeenschappen moesten nu akkoord gaan met de ratificatie en bereid zijn om er de financiële gevolgen van te dragen. Opnieuw verstreken verschillende jaren van wachten, heen en weer praten, aandringen en afremmen. In 1988 kwam de bevoegdheid over Monumentenzorg, door een nieuwe fase in de staatshervorming bij de Gewesten

B I N N E N K R A N T


M8cL is te liggen en kon men de ganse procedure van vooraf aan herbeginnen. Nu immers moesten de drie gewesten akkoord gaan, ook - en daar wringt het schoentje • om hun aandeel in de bijdrage te betalen. Niet de omvang van deze bijdrage, maar wel de verdeelsleutel blijkt nu het struikelblok. De financiële bijdrage van elk der lidstaten werd vastgesteld op één bijkomend procent van de gewone tweejaarlijkse UNESCO-bijdrage. Aangezien die laatste voor België ongeveer 220 miljoen per 2 jaar bedraagt, zou de toetreding tot de Conventie België hooguit 1.1 miljoen per jaar kosten. Een unieke - want Belgische - samenloop van omstandigheden, zoals administratieve traagheid, politieke desinteresse en communautair gekibbel, heeft ervoor gezorgd dat België één van de weinige landen is die deze overeenkomst na 20 jaar nog steeds niet heeft bekrachtigd. De Conventie De Conventie trad effectief in werking in 1975, na de toetreding of bekrachtiging van de 20ste staat. Wie de tekst zelf ter hand neemt verneemt hoe in een eerste hoofdstuk de begrippen "cultureel- en natuurlijk erfgoed" zo duidelijk mogelijk worden gedefinieerd. Wat in België verstaan wordt onder roerende kunstvoorwerpen valt buiten die omschrijving. Een volgend hoofdstuk handelt over nationale en internationale beschermingsmaatregelen. De toegetreden staten verplichten zich ertoe hun patrimonium zo goed mogelijk te beschermen, doch erkennen tegelijkertijd het principe dat dit goed behoort tot het gezamenlijke erfgoed van de gehele wereld. Bijgevolg zal ook de internationale solidariteit en bijstand van toepassing zijn. De hoofdstukken 3 en 4 gaan over de instellingen die opgericht worden om dit theoretisch principe ook concreet gestalte te geven. Daar is vooreerst de Commissie voor het Werelderfgoed, die bestaat uit 21 staten die partij zijn bij de overeenkomst. De Commissie stelt naast de lijst van het Werelderfgoed, ook een lijst op van het bedreigde werelderfgoed en bestudeert de verzoeken om internationale bijstand. De Commissie beslist tevens over de aanwending van het "Fonds voor het Werelderfgoed". Dit Fonds wordt hoofdzakelijk gestijfd door de bijdragen van de toegetreden staten. Een bijdrage die werd vastgesteld op

maximaal 1 % van de bijdrage van elke staat aan de gewone begroting van de Unesco. Hoofdstuk 5 bepaalt de "voorwaarden en regelingen inzake internationale bijstand". Deze kan onder verschillende vormen verleend worden: onder meer het sturen van deskundigen of technici, het verstrekken van opleidingen en leningen en zeer uitzonderlijk subsidiëring. In de laatste hoofdstukken tenslotte worden opvoedkundige programma's en sensibilisering van het grote publiek aangemoedigd, wordt de rapportering aan de Commisie en aan de Algemene Vergadering vastgelegd en worden de toe- en uittredingsvoorwaarden beschreven. Argumenten voor het Belgisch lidmaatschap Het is duidelijk dat België behoudens een uitzonderlijk grote ramp weinig financiële steun voor zijn monumenten- en landschapszorg dient te verwachten van het Fonds voor het Werelderfgoed. Die steun is in praktijk voorbehouden voor onvermogende ontwikkelingslanden. Door zijn late toetreding zal België ook niet onmiddellijk in aanmerking komen voor een zetel in de Commissie, om van daaruit het beleid mee te bepalen. Toch blijven er nog voldoende argumenten over die voor een onverwijlde toetreding pleiten. Op ideologisch vlak is daar de internationale solidariteit, waar we ons niet mogen of kunnen aan onttrekken. Het is ook in ons eigen belang om aanwezig te zijn op het internationale forum, al was het maar om via uitwisseling van ideeën en informatie op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen op vakgebied. Door de lijst van het Werelderfgoed zouden een aantal topmonumenten in ons land kunnen genieten van een bijkomende bescherming. Het land zelf vergroot zijn internationale culturele uitstraling en de daaruit voortvloeiende toeristische aantrekkingskracht. Wij konden de hand leggen op een document van ICOMOS-België uit 1978, waarin gesteld wordt hoe betreurenswaardig het voorkomt dat België, zes jaar na de goedkeuring, nog steeds de tijd niet heeft willen vinden om deze Conventie te bekrachtigen. Vandaag, 20 jaar na de ondertekening zijn we geen stap verder. Het is niet alleen betreurenswaardig, het is bovendien bijzonder inconse-

quent, te zien hoe het België dat zich sinds decennia opwerpt als één der grote pleitbezorgers van de Europese gedachte en integratie, anderzijds zo'n lakse houding kan aannemen. P. van Waterschoot

VLAAMSE MINISTERS In de M&L-binnenkrant, jaargang 11, nr. 2 (maart-april 1992) werd melding gemaakt van het feit dat het Bestuur Monumenten en Landschappen eind januari 1992 reeds aan zijn vierde minister toe was. Toen er op 16 oktober 1992 een einde kwam aan de proportioneel samengestelde Vlaamse Executieve namen al de leden van de Executieve op die dag ontslag om onmiddellijk opnieuw te worden benoemd. Dit was ook het geval voor Gemeenschapsminister Johan Sauwens die dit jaar als vijfde gemeenschapsminister voor monumenten en landschappen zichzelf opvolgde. Toch bleef niet alles bij het oude. De gemeenschapsministers van de Vlaamse Executieve behielden wel hun bevoegdheden maar veranderden van naam. Het besluit van de Vlaamse Executieve van 2 oktober 1992 tot bepaling van de bevoegdheden van de Vlaamse Executieve (Belgisch Staatsblad van 28 oktober 1992) wijzigt immers de titel van "Gemeenschapsminister"'m "Vlaams minister". De titel van Johan Sauwens, Gemeenschapsminister bevoegd voor monumenten en landschappen is dus voortaan; Vlaams minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming. De Vlaamse Executieve heet voortaan "Vlaamse Regering". De titel van de Voorzitter van de Vlaamse Executieve is thans "Minister-President van de Vlaamse Regering", en die van de Vice-Voorzitter van de Vlaamse Executieve "Vice-President van de Vlaamse Regering". De besluiten van de Vlaamse Regering blijven alsnog "Besluiten van de Vlaamse Execuf/eve" heten. E. Goedleven.

B I N N E N K R A N T


M&L

33

INVENTARIS VAN HET 17de- en 18de-EEüWSE GOUDLEDER IN VLAANDEREN ANN BERGMANS & ELOY KOLDEWEIJ

Fragment goudleder afkomstig uit een pand in de Maagdenstraat te Gent (foto G. Everaert)

De bedoeling van deze inventaris is vooreerst een leemte op te vullen waardoor het grote gebrek aan kennis over het eenieder zo 'bekende' en 'vertrouwde' goudieder kan aangevuld worden. Vervolgens wil hij verder onderzoek stimuleren. Het opzet sluit dan ook volledig aan bij het voorafgaande artikel.

In het verleden hebben enkele mensen deze waarde beslist ingezien, zoals bijvoorbeeld de Antwerpse archivaris Jos Vandenbranden die in de door hem gepubliceerde Antwerpse inventarissen behalve de schilderijen met een nadere omschrijving, ook het goudieder opgenomen heeft. Ook Jan Denucé heeft in zijn vele bronnenpublicaties continu aandacht aan het goudieder besteed. Maar deze pioniers hebben blijkbaar weinig navolging gekend. Ook de verspreid gepubliceerde artikels, in hoofdzaak gewijd aan de Mechelse productie, hebben niet de nodige belangstelling kunnen wekken.

Over het goudieder, en de zeer grote vormenrijkdom die de vele tientallen ateliers in de loop der eeuwen hieraan hebben weten te geven, heersen immers - ook bij kunsthistorici en interieurspecialisten - de grootste misvattingen. Vergeleken met andere muurdecoraties als bijvoorbeeld de wandtapijten, moet men vaststellen dat de studie van het goudieder geheel is achtergebleven en dit terwijl het in kostbaarheid van prijs èn van uitvoering direct volgde op de tapijten, en de goedkopere soorten daarvan zelfs overtrof in waarde.

Deze inventaris van het 17de- en 18de-eeuwse goudleder in Vlaanderen is samengesteld op basis van de vermeldingen in de literatuur, het foto-archief van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel, en vooral ook de talrijke signalementen van collega's en vakgenoten (1). Tijdens de inventarisatie werd meer dan eens vastgesteld dat het goudieder van de bekende plek verdwenen was. Oorzaken hiervan zijn onder meer het gebrek aan waardering en de wisselende smaak in de binnenhuisinrichting. Als verplaatsbaar wanddecor kwam het gemakkelijk in een nieuwe omgeving terecht, die slechts in zeldzame gevallen traceerbaar bleek. Zo verhuisde bijvoorbeeld het goudlederbehangsel van de pastorie in Neerijse naar de burge-


M&L

meesterkamer in het stadhuis van leper, en een exemplaar uit het kasteel van Groot-Bijgaarden (2) kon teruggevonden worden in een Catalaanse privécollectie. Het uit de bronnen bekende goudieder bleek ook meer dan eens gewoon spoorloos te zijn, zelfs in openbare collecties. De lijst van het 'verdwenen goudleer' is dan ook aanzienlijk. Gelukkig komt bij aandachtig archeologisch of bouwhistorisch onderzoek ook wel eens nieuw en onbekend materiaal te voorschijn. Zo noteerde de dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie van de stad Gent de jongste tijd diverse sporen die wijzen op de aanwezigheid van goudlederbehangsels onder meer in de noordelijke ruïnes van het Gravensteen, in het Francois Laurentinstituut (Onderstraat) en in het Hof van Rijhove. Belangrijke fragmenten goudieder werden aangetroffen in een herenhuis in de Maagdenstraat (3). Meerdere signalementen hadden betrekking op goudieder uit de 20ste eeuw, zowel met eigentijdse patronen versierd als met copieën van oudere (bijvoorbeeld Antwerpen, stadhuis en Museum Mayer van den Bergh; Anderlecht, Erasmushuis), of zelfs op imitaties in papier (bijvoorbeeld Antwerpen, Rubenshuis, eet- en spreekkamer; Antwerpen, Keizerstraat 9, hotel Delbeke; Brussel, Hof van Cleve-Ravenstein, Cordobazaal; Gent, Keizer Karelstraat 75, hotel Lousbergs-de Hemptinne). Deze behangsels vallen buiten de huidige inventaris, maar zijn beslist ook onderzoek waard. Wat de bewaringstoestand van de bezochte stukken betreft: deze kon in de meeste gevallen relatief goed genoemd worden. Het materiaal op zich is bijzonder duurzaam gebleken. Helaas heeft het ingrijpen van de mens door verkeerde onderhouds- en restauratiemethodes soms onherroepelijke schade aangericht. Om dit in de toekomst te vermijden wordt een lijst van nefaste handelingen toegevoegd onder de titel Beter voorkomen dan genezen. Richtlijnen voor de bewaring van goudleer. Ook de centrale verwarming die het leer volledig uitdroogt en beschadigt, vormt een reëel probleem. In het eerste deel van deze inventaris zijn de kamers met een 17de- en 18de-eeuws goudlederbehangsel opgenomen, zowel in openbaar als in privé-bezit. In vele gevallen dateert de huidige montering uit de 19de- of vroeg 20ste eeuw. De maten zijn zo zorgvuldig mogelijk aangegeven. Men moet zich echter realiseren dat veel panelen ooit aan de randen afgesneden zijn en hierna opnieuw aan elkaar genaaid. De huidige afmetingen stemmen dus meestal niet meer overeen met de oorspronkelijke. Als tweede deel volgt er een lijst van openbare verzamelingen die een of meerdere stukken goudieder

bezitten. Losse stukken in de talrijke privé-verzamelingen zijn dus niet opgenomen. Een derde deel omvat goudlederen antependia en kazuifels. Bij de beschrijving van de patronen wordt af en toe een verwijzing gemaakt naar Waalse voorbeelden. Uit tijdsgebrek kon hierbij geen volledigheid nagestreefd worden. Naast de algemene literatuurlijst die de inventaris voorafgaat, zijn de relevante specifieke bronnen bij de objecten zelf vermeld. Met de publicatie van deze inventaris zal het goudleder-patrimonium meer bekend raken, waardoor er hopelijk ook minder stukken zullen verdwijnen. Vele van de vermelde locaties zijn nooit eerder gepubliceerd noch bestudeerd. In de overtuiging dat men in de toekomst nog veel meer goudieder zal inventariseren, wordt hiermee een onderzoeksdomein geopend.

GOUDLEDERKAMERS Antwerpen, Brouwershuis Raadzaal bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1664 (geleverd door de Antwerpse stoffeerder Dirck Pinceel voor ƒ 227.18.-). Rechthoekige vellen (64 x 54 cm): twee, elkaar aanvullende patronen: elk met een voorstelling in reliëf van een kwart-cirkel, opgebouwd uit bloemen, waarnaast enkele cupido's. Gouden ornamenten tegen een rode fond. De cupido's over de beide vellen symboliseren samen de vijf zintuigen. Lit.: Van Moer-Monballieu C., Het goudleer van het Antwerpse Brouwershuis, in Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 1972, p.263-278. Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh Kamer 10 bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1750-1775. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf: in het midden van een ruitvormige cartouche, een met fruit gevulde rocaille waaruit ook meerdere bloemtakken steken. Beschildering in rood, blauw, groen en wit tegen een lichtblauwe fond (zelfde patroon als in het kasteel te Westerlo, en het kasteel van Harzé te Aywaille). Boven- en onderaan een boord (25 x 60 cm) met geschakelde vierlobbige medaillons, waarin een bloemenmand. Originele stukken aangevuld met copieën.


M&L

Antwerpen, Museum PlantinMoretus, (foto's 0. Pauwels) • zaal 21 • • z a a l 11 • • • zaal 22

35

Antwerpen, Museum Plantin-Moretus Kantoor (zaal 10) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 71 x 57 cm) met een symmetrische voorstelling in licht reliëf van een bloemvaas onder een baldakijn, waarnaast enkele losse bloemtakken. Witte met blauw en rood gehoogde bloemen, tegen gouden ornamenten en een grijsblauwe fond. Justus Lipsiuskamer (zaal 11) bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 16de eeuw (traditionele datering, mogelijk echter 17de eeuw). Rechthoekige vellen (ca. 68,5 x 60 cm) met een vlakke voorstelling van een cirkel waarbinnen en waaromheen bloemtakken. Hierbij een boord met rozen temidden van een golvende acanthusrank. In bruin op een gouden ondergrond die volledig met diverse handstempeltjes bewerkt is. Rubenszaal (zaal 19) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1725-1750. Rechthoekige vellen (ca. 99 x 69 cm) met een symmetrische voorstelling in licht reliëf van bladranken met bloemtakken temidden van handwerk. Gouden ornamenten tegen een groene fond. Salon (zaal 21) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1765-1790. Langwerpige banen (62 a 73 cm breed) met een

vlakke beschilderde voorstelling van een honingraatmotief, bestaande uit een in elkaar gevochten bloemrank van blauwgroene, met wit gehoogde bloemen tegen een gouden fond. Archiefkamer (zaal 22) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1740-1770. Rechthoekige vellen (ca. 68,5 x 63 cm) met een voorstelling in licht reliëf van enkele bloemtakken boven een bladerkrans binnen een cartouche. Witte met blauw en rood gehoogde bloemen, groene en bruine bladeren tegen een gecombineerde grijsgroene en rode fond. Zaal van de aardrijkskunde (zaal 23) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1700-1740. Rechthoekige vellen (ca. 66,5 x 52 cm) met een symmetrisch opgebouwde voorstelling in licht reliëf: een op een plateau zittende Chinees, onder een baldakijn, temidden van handwerk waartussen bladertakjes, twee draken en twee slangen. Met rood en groen gehoogde gouden ornamenten, tegen een zeegroene fond. Kleine salon (zaal 25) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1640-1670. Rechthoekige vellen (ca. 73 x 60 cm) met een symmetrisch opgebouwde voorstelling in reliëf van bladranken, waartussen in het midden een vliegende bessen etende vogel. Aan weerszijden hiervan een

,


M&L

vliegende cupido met halve festoen. Tegen de bovenrand twee vliegende cupido's die samen één hele festoen vasthouden. Groen en rood gehoogde ornamenten tegen een crème ondergrond. Slaapkamer (zaal 26) bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1660-1700. Aan elkaar gespiegelde rechthoekige vellen (ca. 73 x 59 cm) met een voorstelling in reliëf van een spiraalvormige bladrank, waarin een bessen etende vogel. Goudkleurige voorstelling tegen een lazuurrode fond.

Antwerpen, Rubenshuis, antichambre

Averbode, Norbertijnerabdij • • • Kasteel van Beauvoorde (foto's 0. Pauwels)

Veelkleurige bloemen tegen een bordeaux-rode fond (een vel hiervan bevindt zich in het Stedelijk Museum het Hof van Busleyden te Mechelen). Lit.: Gerits T.J., Goudleer te Averbode, in Ons heem, 28,1974, p. 80.

Antwerpen, Rubenshuis Antichambre bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1660-1700. Rechthoekige vellen (ca.72 x 57 cm) met een voorstelling in reliëf: een krullende bladrank met bloemen en vruchten, waartussen een vlinder, slang, draakje, aap en hond, in het midden een bessen etende vogel, dit alles in goud tegen een lazuurrode fond (vergelijk de kamer in het Bijlokemuseum te Gent).

Beauvoorde, kasteel Zaal bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1650-1680. Rechthoekige vellen (ca. 69 x 60 cm) met een voorstelling in reliëf: krullende bladranken met bloemen, in goud en gehoogd met groen en lazuurrood, tegen een zeegroene fond. Tussen de bladranken twee bessen etende vogels. Aan de bovenzijde afgezet met een boord (ca. 15 x 60 cm) met kwabmotieven waaraan flosjes hangen. Aan de onderzijde afgezet met een boord (ca. 25 x 60 cm) met twee symmetrisch geplaatste ranken waarbinnen een drakekop. Onder de ramen bevinden zich enkele vellen daterend uit dezelfde tijd, met krullende bladranken waartussen vijf cupidootjes, voorstellend de vijf zintuigen, eveneens tegen een zeegroene fond (zelfde patroon als in het kasteel te Bossuit).

Averbode, Norbertijnerabdij, prelatuur Salon bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1738 (betaling 23/6/1738: ƒ265.3.-). Rechthoekige vellen (ca.75 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf: aan weerszijden van een imaginaire middenas symmetrisch geplaatste bladranken en bloemen binnen een golvende cartouche.

Bornem, Sint-Bernardusabdij Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1760-1780. Negen kamerhoge panelen (215 x 185 a 60 cm) met een beschildering met twee gespiegelde kronkelende banden die vanaf de bovenzijde afhangen tot op het grondje aan de onderzijde. Om deze banden zijn enkele koorden gedraaid met kwasten. Hier tussenin


M&L

37

vele bloemtakken. Herkomst: bisschoppelijk kwartier in de abdij van Hemiksem. Bossuit, kasteel Torenkamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1650-1680. Rechthoekige vellen (ca. 75 x 70 cm) met een voorstelling in reliëf: krullende bladranken waartussen vijf cupido's, voorstellend de vijf zintuigen, in goud tegen een bruine fond (zelfde patroon als in het kasteel te Beau voorde). Goudlederbehangsel {niet gemonteerd) Nederlanden, 1700-1720. Rechthoekige vellen (ca. 74 x 62 cm) met een symmetrisch patroon van bladmotieven, gehoogd in groen en lazuurrood, tegen een gecombineerde zeegroene en bordeaux-rode fond (zelfde patroon als de zijpanelen van het antependium in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Geboorte te Oostham; cfr. de boord in het woonhuis te Brasschaat). • Bornem, Sint-Bernardusabdij

Brugge, Academiestraat 14-18 • • > Brugge, het Brugse Vrije (foto's 0. Pauwels)

Brasschaat, woonhuis 'Vlaamse kamer' bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1700-1730. Rechthoekige vellen (68,5 x 59,5 cm) met een symmetrisch patroon: aan de onderrand een palmet, waarboven enkele bladranken en bloemtakken en twee hoornen van overvloed. Patroon in goud, gehoogd in groen en lazuurrood, tegen een gecombi-

neerde grijsgroene en bordeaux-rode fond. Hierboven een boord (26,5 x 59,5 cm) in eenzelfde kleurstelling met een symmetrisch patroon van bladmotieven (cfr. het losse behangsel in het kasteel te Bossuit en de zijpanelen van het antependium in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Geboorte te Oostham). Brugge, Academiestraat 14-18 (Rijksarchief) Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1750-1775. Rechthoekige vellen (95 x 72 cm) met een symmetrisch patroon: in het midden boven een rocaille, enkele rijzende naturalistisch gekleurde bloemtakken, omgeven door uit rocailles opgebouwde gouden banden, en waaromheen culots en naturalistisch gekleurde bloemen; dit alles tegen een gecombineerde bruine en felblauwe fond. Brugge, het Brugse Vrije (voormalig gerechtshof) Twee kamers bekleed met een goudlederbehangsel Mechelen, 1728 (Dominicus Josephus vander Meulen). Rechthoekige vellen (78,5 x 62,5 cm) met een voorstelling in licht reliëf van een symmetrisch patroon: in het midden een uit losse bladeren opgebouwd palmet, waarboven bloemtakken, dit alles in een cartouche van handwerk. Beschilderd in wit, rood, blauw en groen tegen een gecombineerde gouden en fel blauwe fond. Aan de onderzijde afgezet door een boord (32,5 x 62,5 cm), eveneens in licht reliëf, met een symmetrische voorstelling: in het midden twee bloemtakken, met aan weerszijden daarvan een


M&L

vogel (zelfde boord in het stadhuis te Veurne (1725) en de pastorie te Wondelgem). Lit.: Van Tyghem F., Het stadhuis van Gent (Verhandelingen van de Koninklijke academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der schone kunsten, jg.l 1, 31), Brussel, 1978, 1, p.201 en 2, p.540. Brugge, Jan Van Eyckplaats 1-3 (Tolhuis, voormalige stadsbibliotheek) Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1660-1700. Rechthoekige vellen (ca. 74 x 73,5 cm), bestaande uit twee aan elkaar gespiegelde voorstellingen in reliëf: een in s-vorm krullende bladrank, in het midden eindigend in een draak. Hieraan is halverwege aan de ene zijde het voorlijf van respectievelijk een draak en een leeuw verbonden, en aan de andere zijde een ram en een eenhoorn. Een rijk en vol patroon in goud op een rode fond. Brugge, Karthuizerstraat 4 (O.C.M. W.) Grote zittingzaal bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1740-1770. Lange verticale banen (ca. 164 x 71,5 a 73,5 cm) met een geschilderde decoratie van rijzende bloemtakken met een enkele vogel, ontspruitend uit grondjes met daarbij enkele bloemen. Bloemen in roodtinten, groene bladeren op een goudkleurige fond. Herkomst: Magdalenagasthuis aan de Garenmarkt te Brugge (eind 19de eeuw). Brugge, Nieuwe Gentweg 53 Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1780-1800. Vier kamerhoge panelen (256 x 205 a 189 cm) met een beschildering in vele kleuren op gouden ondergrond: in het midden een bloemenmand op een plateau dat gedragen wordt door twee krullen die aan de beide zijkanten eindigen in een gueridon. Onder de bloemenmand twee duiven op een pijlenbundel; er boven hangt een bloemenkrans waarin respectievelijk een tuinvaas (2x), een broedende vogel, en een vogelnest met jongen. Brugge, Sint-Maartensplaats 5 (Instituut Hemelsdaele) Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1781-1785. Zeven kamerhoge panelen (318 x 53 a 353 cm) en zes bovendeurstukken (121 x 105 cm) met een beschildering in vele kleuren op gouden ondergrond. De hoge panelen hebben een identieke opbouw met hetzelfde motief, hetgeen zich op het breedste paneel

drie keer herhaalt: binnen een geschilderde lijst bestaande uit een slinger van bladwerk, staat op een sokkel een classicistische met bloemen gevulde vaas; hierboven hangt aan een gestrikt lint een krans, waarin een mand gevuld met bloemen of met vruchten; aan boven- en onderzijde opgebonden festoenen. Boven de middelste vaas van het breedste paneel is de krans vervangen door een muziektrofee. Twee bovendeurstukken tonen een met bloemen en vruchten gevulde mand respectievelijk vaas, op twee andere zijn muziekinstrumenten en een muziekstuk afgebeeld, op de twee laatste liefdessymbolen als een pijlenbundel, duiven, harten en bloemen. Dit behangsel zal met de bijbehorende betimmering direct na de bouw van het huidige huis door de toenmalige eigenaar Francois van Hamme (1779-1781) zijn aangebracht.

Brugge, Spiegelrei 3 Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1760-1785. Brede kamerhoge panelen (grootste 270 x 480 cm) met een beschildering van in parallelle golven uit een grondje stijgende spitsovaal-banden met naturalistische bloemen, tegen een gouden fond.

Brussel, stadhuis Renaissancezaal bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 75 x 65 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte zeskantige cartouche; in lazuurverven en goud tegen een grijsblauwe en groene fond (zelfde patroon als in de stadhuizen te Kortrijk, Luik en Veurne; de pastorie te Wondelgem; de kastelen van Meerhout en Olsene). Originele stukken aangevuld met copieën. Lit.: Waterer J.W., op.cil, p. 97. Duffel, gemeentehuis Burgemeesterskamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, ca. 1640-1680. Rechthoekige vellen (ca. 78 x 54 cm) met een voorstelling in reliëf: een krullende bladrank met bloemen met in het midden een bessen etende papegaai, in goud en spaarzaam gehoogd met groen en lazuurrood, tegen een zee-groene fond. Aan de bovenzijde afgezet met een boord (31 x 54 cm) met hierop in het midden een draak, omgeven door een bladrank. Herkomst: huis 'de Pelikaan' te Duffel (1964).


M&L

Brugge, Karthuizerstraat 4

Brugge, Spiegelrei 3 • • •

Kasteel van Humbeek, slaapkamer (foto's 0. Pauwels)

•

39

Gent, Bijlokemuseum voor Oudheden Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1660-1700. Rechthoekige vellen (ca. 72 x 57 cm) met een voorstelling in reliëf: een krullende bladrank met bloemen en vruchten, waartussen een vlinder, slang, draakje, aap en hond, in het midden een bessen etende vogel, dit alles in goud tegen een grijsgroene fond. Aan de bovenzijde afgezet met een boord (30,5 x 60 cm) met hierop twee krullende ranken, eindigend in twee draken (vergelijk de antichambre in het Rubenshuis te Antwerpen). Herkomst: zeer waarschijnlijk afkomstig uit de schepenkamer van het stadhuis te Gent, waaruit een datering volgt van 1682. Lit.: Van Werveke A., Gedenkbladen uit het leven onzer voorouders, Gent, 1936, p. 161; Van Tyghem E,op.cit., I,p.l80,2,p. 358. Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1750-1770. Lange verticale banen (220 x 72 a 79 cm) met hierop in rode omtreklijnen aangeduide bladeren, waartussen bloemen en enkele vogels tegen een gouden fond (cfr. twee antependia in de Sint-Jan-Baptistkerk te Chaumont-Gistoux). 's-Gravenwezel, kasteel Bibliotheek bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1750-1770. Verticale banen (versneden) met een rijk gekleurde beschildering van bladranken, waartussen rocailles

en bloemen tegen een gouden fond (exact hetzelfde patroon in de voormalige collectie Daniël Tack te leper. Zie archieffoto's A.C.L. A 48333, A 56806, A 56801, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel). Humbeek, kasteel Salon bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1760-1785. Brede kamerhoge panelen met een beschildering van in parallelle golven stijgende spitsovaal-banden met naturalistische bloemen, tegen een gouden fond. Tussen de ramen verticale banen met een tweede patroon: rijk gekleurde beschildering van bladranken met vele bloemen tegen een gouden fond. Slaapkamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1630-1650. Rechthoekige vellen (74 x 56,5 cm) met een voorstelling in reliëf: binnen een spitsovaal een aan een lint afhangende tros vruchten met aan weerszijden een vogel. Hier omheen vele bloemen, waartussen nog een vlinder en tor. Gouden ornamenten, groen en rood gelazuurd, tegen een parelgrijze fond. Aan de bovenzijde afgezet met een boord (ca. 23,5 x 56,5 cm) in eenzelfde beschildering met hierop een festoen van vruchten, hangend aan een band, en omringd door enkele vlinders en vogels. Slaapkamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1640-1670. Rechthoekige vellen (77 x 61 cm) met een voorstel-


40 .

M&L

^1 ib

Kasteel van Humbeek, slaapkamer

leper, Bellegodshuis

• » leper, stadhuis (foto's 0. Pauwels)

ling in reliëf: drie blote cupido's temidden van bladen wijnranken, waar tussenin een bessen etende vogel; onder dit alles twee halve guirlandes, opgebouwd uit vruchten en bloemen. Al deze decoraties in een zeer uitvoerige en rijke beschildering tegen een felblauwe fond. Kabinetje bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1640-1700. Het behangsel is samengesteld uit rechthoekige vellen van diverse patronen. leper, Rijselstraat 38 (Bellegodshuis) Raadzaal bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, ca. 1755-1775. Lange verticale banen (220 x 73,5 cm; vele banen zijn versneden) met een rijk gekleurde beschildering van rocailles, krullen en tegenkrullen, waartussen bloemenslingers, boeketten, vruchten en enkele vogels tegen een gouden achtergrond. Herkomst: Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, leper. Restauratie in 1991. Zie: Brugge, Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier leper, Bellegodshuis: Watteeuw L. en Peckstadt A., Conservatie en restauratie van goudieder in de raadzaal van het O.C.M. W. leper. Augustus november 1991. leper, stadhuis Burgemeesterskamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, tussen 1752-1764. Brede kamerhoge panelen (245 x

145/58/217/200/195 cm) met een vegetale beschildering met vele rode en een enkele blauwe, in wit gehoogde bloemen, waartussen meerdere vogels, dit alles tegen een grijsblauw gekleurde fond. Herkomst: pastorie te Neerijse. Lit.: De Kempeneer J., De oude pastorie van Neerijse, in Mededelingen van de Geschied- en oudheidkundige kring voor Leuven en omgeving, 1, 1967, p. 40-46, afb. 2, 3. Izegem, kasteel Blauwhuis Kamer in de noordelijke vleugel, begane grond, bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, ca. 1700-1730. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in reliëf van een centraal geplaatste hoornblazer staande op een sokkel onder een baldakijn, links- en rechtsonder een in een tuinvaas geplaatst boompje met oranjeappels. Beschilderd met lazuurrood en -groen tegen een grijsblauwe fond (cf. vel in het Stedelijk Museum Hof van Busleyden te Mechelen. Zie: Cocke M., Gids-catalogus van het Museum der Mechelse kunstambachten Huis de Zalm (heruitgave Bafcop M.), Mechelen, 1976, p. 10, nr. 8; Wormser J.P., art.cil, afb. 24). Kortrijk, stadhuis Raadzaal, een goudlederbehangsel opgenomen in de betimmering Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch


M&L

41

geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte, zeskantige cartouche; in goud tegen een blauwe fond. Helaas sterk versneden in de huidige zetting (zelfde patroon als in de stadhuizen te Brussel, Luik en Veurne; de pastorie te Wondelgem; de kastelen van Meerhout en van Olsene). Leuven, Augustinessenkiooster Gastenkamer in het Monseigneurskwartier, bekleed met een goudlederbehangsel (tijdelijk gedemonteerd voor restauratie) Zuidelijke Nederlanden, 2de kwart 18de eeuw. Rechthoekige vellen (ca. 70 x 60 cm) met een voorstelling in reliëf van twee symmetrisch geplaatste bessen etende papegaaien op een palmet in een veelkleurige beschildering tegen een zacht groene fond. Lit.: Koldeweij E.F., Goudieder, in Stad in Vlaanderen. Cultuur en maatschappij, 1477-1787 (lentoonstellingscat.), (ed. Van der Stock J.), Brussel, 1991, p. 502, nr. 287. • Sint-DenijsWestrem, kasteel Puttenhove

Torhout, kasteel Wynendale, eetkamer

Veurne, stadhuis, raadzaal (foto's 0. Pauwels)

Lier, Kerkstraat 2 Slaapkamer, eerste verdieping, bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, omstreeks 1700. Rechthoekige vellen (ca. 74,5 x 60 cm) met een over twee panelen verdeelde voorstelling in licht reliëf van een Italiaanse villa, met daarvoor een formeel aangelegde tuin waarin een fontein. Op de voorgrond een jachtscène met Diana, haar twee honden, een op een hoorn blazende ruiter en een hert. Aan de boven- en onderzijde afgezet met een rechthoekige

boord (27,5 x 74,5 cm), eveneens in licht reliëf, met een symmetrische voorstelling: in het midden een vogel in vlammen, met aan weerszijden daarvan een vogel op een balustrade met aan weerszijden daarvan respectievelijk een hert en hond (zelfde patroon als de goudleerkamer in Hotel Groesbeeck de Croix te Namen). Mechelen, Lange Heergracht 8-10 Zaal bekleed met een goudlederbehangsel Mechelen (?), 1760-1765. Lange verticale banen (ca. 340 x 75 a 90 cm) met een geschilderde decoratie tegen een gouden fond: een onderaan uit een rocaille ontspruitende bloemtak, met aan beide zijkanten bladranken afgewisseld met rocailles en bloemen, en op iedere baan hiertussen een vogel. Herkomst: naar verluidt woonhuis te Temse. Lit.: Foncke R., Goudieder, in Mechlinia, 3,1923, p. 109-110. Mechelen, Grote Markt 6 'In den Boer a la Mode' Zolder bekleed met een goudlederbehangsel Mechelen (?), 1700-1740. Rechthoekige vellen (ca. 73 x 61 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee bladranken, die elkaar kruisen om een imaginaire middenas en waaruit op verschillende plaatsen bloemen ontspruiten. Op de onderste helft een V-vormige band die naar de zijkanten uitwaaiert. Olijfgroene fond gedecoreerd met donkergroene bladeren en rode bloemen met wit en blauw. Herkomst: Befferstraat 26, Mechelen.


M&L

Meerhout, kasteel Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte zeskantige cartouche (zelfde patroon als in de stadhuizen te Brussel, Luik, Kortrijk en Veurne; de pastorie te Wondelgem; het kasteel van Olsene). Melle, kasteel d'Ansembourg Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden (Amsterdam?), 1700-1740. Rechthoekige vellen (ca. 71 x 60 cm) met een symmetrische voorstelling in licht reliëf met in de vier hoeken de symbolen van de vier elementen: een leeuw, een arend, een dolfijn met drietand, en een hagedis met bliksemschichten. In het midden, binnen een zeskantige cartouche, een bellenblazende amor, waarboven een keizerskroon. Gouden ornamenten, grijsgroene en blauwe fond (respectievelijk binnen en buiten de cartouche).

Olsene, kasteel Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte zeskantige cartouche (zelfde patroon als in de stadhuizen te Brussel, Luik, Kortrijk en Veurne; de pastorie van Wondelgem; het kasteel van Meerhout).

Sint-Denijs-Westrem, kasteel Puttenhove Kamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 74 x 60 cm) met een symmetrisch opgebouwd patroon: in het midden een verenbos, temidden van krullend handwerk en bladranken. Gecombineerde grijsblauwe en donkerbruine fond, beschilderd met witte in rood en blauw gehoogde bloemen en veren. Torhout, kasteel Wijnendaie Eetkamer en slaapkamer bekleed met een identiek goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1755-1770. Lange verticale banen (162 x 75,5 cm) met een decoratie in licht reliëf tegen een gouden fond: opeengestapelde en verspringende rocailles waartussen bloemtakken en vruchten.

Museumkamer ('bureau') bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1740-1770. Zes brede en hoge panelen (151 x 49 a 109 cm) met een beschildering van rood gekleurde bloemtakken, gehoogd met wit en donkerrood. Veurne, stadhuis Albertzaal bekleed met een goudlederbehangsel Mechelen, goudleermakerij van Carolus Jacobs, 1725. Rechthoekige vellen (ca. 77 x 63 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte zeskantig cartouche; in lazuurverven en goud tegen een grijsblauwe en roodbruine fond. Aan de bovenzijde afgezet met een rechthoekige boord (ca. 33 x 63 cm), eveneens in licht reliëf, met een symmetrische voorstelling: in het midden twee bloemtakken, met aan weerszijden daarvan een vogel (zelfde patroon als in de stadhuizen te Brussel, Kortrijk en Luik; de pastorie te Wondelgem; de kastelen van Meerhout en Olsene) (zelfde boord als in het Brugse Vrije te Brugge (1728) en de pastorie te Wondelgem). Bron: Veurne, Stadsarchief, Rekeningenboek 172526. Met dank voor deze ongepubliceerde verwijzing aan J. Van Acker. Lit.: Termote J., Het interieur van de Albertzaal in het stadhuis te Veurne. Enkele beschouwingen omtrent de hout- en lederbekleding in 1725-26, in De Gidsenkring, 22, 1984, p. 15-22. Raadzaal bekleed met een goudlederbehangsel Mechelen (?), 1760-1765. Vier brede en twee smalle, hoge panelen (ca. 310 x 333 a 383 en 310 x 126 cm) en twee bovendeurstukken (ca. 117 x 151 cm). Florale beschildering met rocailles waartussen vruchten, vogels, enkele fonteinen en oosters geïnspireerde fantasie-architectuur. Trouwzaal bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1760. Lange verticale banen (ca. 249 x 75 cm) met een geschilderde decoratie tegen een gouden fond: lange kronkelende takken met daarin verschillende soorten bloemen en met een rocaille-achtig blad. Aan de bovenzijde wordt iedere baan door een rocaille met afhangende bladeren afgesloten (cf. het goudleerbehangsel in het kasteel Berloz te Rosoux-Crenwick). Westerlo, kasteel van de Prins van Merode Eetkamer bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1750-1775. Lange verticale banen (296/275 x 76 cm) met een


43

geschilderde decoratie tegen een gouden fond: een afgeknotte boom, waaruit nieuwe takken ontspruiten met hieraan meerdere soorten bloemen. Tegen de stam een rocaille met fruit, o.a. druiven. Op iedere baan ook een dier: een exotische vogel, een everzwijn, ree, konijn of slang.

Antwerpen, Museum Vleeshuis Grote fragmentencollectie, waaronder enkele gehele wanden. Lit.: Van Herck C. en L., Musea Steen-VleeshuisBrouwershuis. Catalogus binnenversiering, goudleder, kerkversiering, Antwerpen, s.d., p. 22-26.

Gang bekleed met een goudlederbehangsel Zuidelijke Nederlanden, 1750-1775. Rechthoekige vellen (ca. 76 x 60 cm) met een voorstelling in licht reliëf: in het midden van een ruitvormig cartouche, een met fruit gevulde rocaille, waaruit ook meerdere bloemtakken steken. Veelkleurige ornamenten tegen een gouden fond (zelfde patroon als in het Museum Mayer van den Bergh te Antwerpen en in het kasteel van Harzé te Aywaille).

Brugge, Gruuthusemuseum Grote collectie losse vellen en fragmenten, waaronder een Kalvarietafereel, Amsterdam, tweede kwart 17de eeuw.

Wondelgem, pastorie Salon bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, 1710-1740. Rechthoekige vellen (ca. 77,5 x 62 cm) met een voorstelling in licht reliëf van twee symmetrisch geplaatste vogels aan weerszijden van een palmet in een langgerekte zeskantige cartouche; in lazuurverven en goud tegen een grijsblauwe fond. Aan de bovenzijde afgezet met een rechthoekige boord (22,5 x 62 cm), eveneens in licht reliëf, met een symmetrische voorstelling: in het midden twee bloemtakken, met aan weerszijden daarvan een vogel (zelfde patroon als in de stadhuizen te Brussel, Kortrijk, Luik en Veume; de kastelen van Meerhout en Olsene) (zelfde boord in het Brugse Vrije te Brugge (1728) en in het stadhuis te Veurne (1725)). Zele, dekenij Ontvangstkamer bekleed met een goudlederbehangsel Nederlanden, midden 18de eeuw. Rechthoekige vellen (63 x 75 cm) met een voorstelling in licht reliëf van een bladrank met druiven, rozen, tulpen en andere bloemen (zelfde patroon als een kamerscherm in de privé-collectie van de Parkabdij te Heverlee). Restauratie in 1989. Zie: Peckstadt A., Watteeuw L. en Wouters J., Conservering van het goudieder behang van de dekenij van Zele, elders in dit nummer.

Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Grote collectie losse vellen en fragmenten. Damme, Sint-Janshospitaal Retabeltje aan de binnenzijde met goudleer bekleed. Nederlanden, 1750-1770. Deurne, Museum voor Kunstambachten Sterckshof Wand (1750-1770) en fragment. Gent, Bijlokemuseum voor Oudheden Grote collectie losse vellen en fragmenten. Gent, Museum voor Sierkunst Kamerscherm (ca. 1740), vellen en fragment. Kortrijk, Museum voor Oudheidkunde en Sierkunst Een aantal vellen en fragmenten. Leuven, Stedelijk Museum Vander KelenMertens Een aantal vellen en fragmenten.

OPENBARE COLLECTIES MET LOSSE STUKKEN GOUDLEDER

Mechelen, Stedelijk Museum Hof van Busleyden Collectie fragmenten, waaronder: goudlederpaneel met het wapen van Margaretha van Oostenrijk (52 x 61 cm), Vlaanderen (?), omstreeks 1530 (?). Herkomst: mogelijk afkomstig uit het paleis van Margaretha van Oostenrijk, of mogelijk uit de SintPetrus- en Pauluskerk te Mechelen. Lit.: De Habsburgers en Mechelen. 'De dynastie'. 'Binnenhuis van Gotiek naar Renaissance' (tentoonstellingscat.), Mechelen, 1987, p. 86, nr.156; Cocke M., op.cit.: sedert de sluiting van het Huis de Zalm, Museum voor Kunstambachten, is het goudieder naar het Hof van Busleyden overgebracht.

Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh Wand (waarschijnlijk 16de eeuw) en diverse fragmenten.

Oudenaarde, Stedelijk Museum Kamerscherm (midden 17de eeuw) en drie ingelijste vellen.


44

•

Westerio, kasteel van de Prins van Merode, eetkamer Westerio, kasteel van de Prins van Merode, gang •••

Antwerpen, Museum Vleeshuis (foto's 0. Pauwels)

M&L

ANTEPENDIA EN KAZUIFELS

Antependia Alken, Sint-Joriskapel Goudlederen antependium Zuidelijke Nederlanden, ca. 1770-1785. 100 x196 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin St.-Joris te paard in gevecht met de draak. Aan weerszijden hiervan een bladrank met verschillende rijk gekleurde bloemen tegen een gouden fond. Beide zijkanten en bovenkant zijn afgezet met een brede grijsblauwe boord met hierop geschilderd lange bloemtakken.

Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Goudlederen antependium Italië, 1700-1740. 93,5 x 200 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde catouche, waarin een Madonna met Kind. Aan weerszijden hiervan, temidden van gouden handwerk, enkele bloemen. Een brede rand omzoomt dit paneel aan alle vier de zijden. Lit.: Bulletin van de musea van België, 7, 1966, p. 20 (afb.).

Brussel, kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel Goudlederen antependium Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. 92 x 194 cm. Een rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin Maria is afgebeeld en waaronder een banderol met de tekst 'Ave Maria'. Aan weerszijden hiervan bladranken met een vruchtentak op een grijsblauwe fond. Bovenzijde en beide zijkanten zijn afgezet met een brede boord met hierop een doorlopende beschildering van rocailles en bloemen. Duffel, kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Goede

Wil Twee vrijwel identieke goudlederen antependia Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. 97 x 206 cm (2x). Een rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin afgebeeld respectievelijk de Heilige Hermann Jozef van Steinfeld, en de Heilige Norbertus van Prémontré. Aan weerszijden van deze voorstellingen, tegen een blauw-groene fond, bladranken met bloemtakken. De bovenzijde afgezet met een brede gouden boord met hierop in het midden een cartouche geschilderd, met aan weerszijden daarvan bloemtakken die in de beide zijboorden doorlopen. Duffel, pastorie van de Sint-Martinuskerk Goudlederen antependium


M&L

I

45

^

1

•

'

'

Kortenbos, Onze-Lieve-Vrouwbasiliek Twee vrijwel identieke goudlederen antependia Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. 92x186 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop een beschildering van twee uitwaaierende takken met bontgekleurde bloemboeketten tegen een blauwgrijze fond. Aan de beide zijkanten en bovenkant afgezet met een brede gouden boord waarop een beschildering van bontgekleurde bloemboeketten in een slingerende bladrank.

). : • ,

V \ "'t

L

y

»

k

<

sS ?

^^^T m

•

>

<

1^ ^ L ^ ^W K ••

*f1

v

^J1

i^^^H

i

bovenkant oorspronkelijk afgezet met een brede grijsblauwe boord met hierop lange bloemtakken geschilderd; de rechter zijboord ontbreekt.

J

^

Brugge, Gruuthusemuseum (foto 0. Pauwels)

Mechelen, kerk van Onze-Lieve-Vrouw over de Dyle Twee zeer verwante goudlederen antependia Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. respectievelijk 99 x 217 cm en 99 x 207 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin een kelk met daarboven het H. Brood. Aan weerszijden hiervan een bladrank met verschillende rijk gekleurde bloemen tegen een grijsblauwe fond. De beide zijkanten en bovenkant afgezet met een brede goudkleurige boord waarop in het ene geval lange bloemtakken die uit een rocaille ontspruiten, en in het ander geval een aaneenschakeling van verschillende rocailles met een enkele bloem en twee vogels.

Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. 98x198 cm. Een rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin afgebeeld de Madonna met de Rozenkrans. Aan weerszijden hiervan, tegen een blauwgroene fond, vele bloemtakken. De bovenzijde afgezet met een brede gouden boord met hierop in het midden een cartouche geschilderd met aan weerszijden daarvan bloemtakken. Op de beide zijboorden een cartouche waaruit een bloemtak tevoorschijn komt. Herkomst: kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil te Duffel.

Mechelen, Stedelijk Museum Hof van Busleyden Goudlederen antependium Zuidelijke Nederlanden, ca. 1750-1770. 87x166 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche met de Heilige Drieëenheid, waaromheen tegen een grijsblauwe fond weelderige bladmotieven. Onder de cartouche een banderol, waarop geschreven 'trinitas'. Aan de beide zijkanten en bovenkant afgezet met een brede dieprode boord waarop een beschildering van weelderige rocailles in blauw, waartussen bontgekleurde bloemboeketten.

Gent, Museum voor Sierkunst Goudlederen antependium Zuidelijke Nederlanden, ca. 1765-1785. 98 x 195 cm. Een rechthoekig paneel met daarop in het midden een geschilderde cartouche, waarin een kelk met daarboven het H. Brood. Aan weerszijden hiervan een bladrank met verschillende rijk gekleurde bloemen tegen een gouden fond. De beide zijkanten en

Mulken, Sint-Gilliskerk Twee zeer verwante goudlederen antependia Zuidelijke Nederlanden, ca. 1770-1790. 100 x 176 cm. Een langgerekt rechthoekig paneel met daarop in het midden geschilderd een ronde cartouche waarin het Oog Gods, door stralen omgeven. Direct boven deze cartouche een gestrikt wit-blauw lint, en aan weerszijden van de cartouche enkele bloemtakken. Aan de


46

•

M&L

Herkomst: Begijnhofkerk te Tongeren Lit.: Ceulemans C. en Helsen J., Het kunstpatrimonium van het O.C.M.W. Tongeren (Fotoinventaris van het Belgisch kunstbezit. Openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Provincie Limburg), BrusselTongeren, 1991.

Korten bos, Onze-Lieve-Vrouwbasiliek (foto 0. Pauwels)

beide zijkanten en bovenkant afgezet met een brede boord waarop een dubbele band met bloemmotieven. Zowel het paneel als de boord hebben een grijsgroene fond. Het tweede antependium toont in plaats van het Oog Gods een kelk met daarboven het Heilig Brood.

Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Kazuifel Midden 18de eeuw. Vioolvormige voorzijde (74 x 59 cm) en rechte achterzijde (97 x 61 cm) met een beschildering van bloemen aan weerszijden van een brede middenband.

VOETNOTEN

Oostham, kerk van Onze-Lieve-Vrouw Geboorte Goudlederen antependium Zuidelijke Nederlanden, ca. 1700-1720. Het antependium bestaat uit drie losse goudieder panelen (v.l.n.r. 56,5 x 74; 60,5 x 45,5; 56,5 x 74 cm), gezet in een houten kader: het middenste paneel toont in een ovaal een geschilderde Moeder Gods in een nimbus, met in de vier hoeken een bloem: onder tulpen, boven rozen. De nimbus en fond zijn 'gepicqueerd'. De beide panelen aan beide zijkanten zijn identiek: een symmetrisch patroon met bladmotieven (zelfde patroon als het losse behangsel in het kasteel te Bossuit; cf. de boord in het woonhuis te Brasschaat).

Kazuifels Tongeren, O.C.M. W. Kazuifel met bijbehorende stola, manipel en velum Midden 18de eeuw. Vioolvormige voorzijde (95 x 53 cm) en rechte achterzijde (109,5 x 63 cm) met een groene beschildering waarin zilverkleurige bloemen en een gouden boord; in het midden een brede band in zilver en goud. Manipel en stola in eenzelfde kleurstelling met hierop een drietal Byzantijnse kruisen. Het velum is samengesteld uit verknipte onderdelen van wat ooit een tweede (identiek) kazuifel geweest moet zijn (ook in het kazuifel zelf zijn hiervan enkele stukken ingezet).

(1)

Wij danken op deze plaats voor hun praktische hulp en voor aanwijzingen: J, Braeken, M. Buyle, C. Ceulemans, N. Debisscop, M. Eeman, J. Esther, M. Goossens, M. Manderyck, L. Mondelaers, P. Sehurmans, J. Stroobants, J. Van Acker, S. Vandenberghe, C. Vanthillo, L. Wylleman. Ook danken wij alle eigenaars en verantwoordelijken van collecties die ons welwillend toelieten tot het goudieder. (2) L'art en la pell. Cordovans i guadamassils de la col.leccio Co/omer MM/WM/IV (tentoonstellingscat.), Vic, 1992, p. 128, nr. 293. (3) Met dank aan G. Everaert voor het ter beschikking stellen van deze gegevens. Op de vondst in de Maagdenstraat vestigde hij reeds de aandacht in Van ontwerp tot afverking. Gebruikte technieken en materialen, in Een remarquabel ambelissement. Gentse wooncultuur in Mozarts tijd. Gent, 1991, p. 62.

BIBLIOGRAFIE Borgrave d'Altena J., Decors anciens d'interieurs mosans, 3, Luik, 1930, p.99-101. Clouzot H., Cuirs décorés, Parijs, 1925 (=Geschmuckte Lederarbeiten, Berlijn, z.j.). Exposition des anciens métiers d'art malinois, d'art religieux de la province d'Anvers et de folklore local (tentoonstellingscat.), Mechelen, 1911, p. 202-220. Leiss J., Leder Tapeten, in Tapeten. Ihre Geschichte bis zur Gegenwart (red. H.Olligs), Braunschweig, 1969-1970,1, p.45-98, en2,p. 191-194. Oude Mechelse kunstnijverheden (tentoonstellingscat.), BrusselMechelen, 1954, p. 74-76. Scholten F., Koldeweij E.F. e.a.. Goudleer Kinkarakawa. De geschiedenis van het Nederlandse goudleer en zijn invloed in Japan (tentoonstellingscat.), Zwolle, 1989. Sluyterman K., Oude binnenhuizen in België, 's-Gravenhage, 1913. Waterer J.W., Spanish Leather. A history of its use from 800 to 1800..., London. 1971. Wormser J.P., Het goudieder, in Bouwkunst, 5, 1913, p.45-87.


M&L

47

OPBOUW EN ANALYSE VAN LEDER: EEN UITEENZETTING VOOR EEN BETER BEGRIP VAN CONSERVATORISCHE PROBLEMEN EN INGREPEN JAN WOUTERS

Leder is het resultaat van chemische en fysische interacties tussen huid en looistoffen. Deze ingrepen maken van huid een derivaat dat voldoende mechanische sterkte en goede weerstand tegen aantasting door micro-organismen bezit. Zowel de complexiteit van de dierlijke huid als die van de bewerkingen die voorafgaan aan de looiing en die van de looiing zelf, maken ieder bereid vel,

en zelfs elk apart onderdeel ervan, zo goed als uniek. Met dit gegeven moet zeker rekening gehouden worden bij de analyse van leder, te meer omdat bij oud leder ook nog verouderingsverschijnselen meespelen, die belangrijke wijzigingen in de mechanische en chemische eigenschappen kunnen veroorzaakt hebben.

I n deze bijdrage zal getracht worden om, aan de hand van een beschrijving van de structuur van de dierlijke huid, van de preliminaire en eigenlijke bewerkingen van het looiproces, van de verouderingsverschijnselen waaraan leder onderhevig is en van een geschikt analyseschema, aan te tonen dat het nu mogelijk is om op een verantwoorde manier een beeld te scheppen van de toestand waarin een lederen object zich bevindt, zodat deze gegevens kunnen gebruikt worden om gepaste conservatorische maatregelen te nemen.

le structuren worden verwijderd vóór de looiing. De instulpingen van de haarzakjes blijven echter bestaan. Het zijn de relatieve posities en grootte van deze haarzakjes, tesamen met de fijne, dicht gepakte vezelstructuur van de oppervlaktelaag van de dermis, die aan leder zijn typisch gelobt uitzicht geven (de nerf). De dermis is een uit vezels opgebouwde laag die de epidermis van voedingsstoffen voorziet. Dermale insluitsels zoals vetlichaampjes, zenuwcellen, bloedvaten en klieren verstoren de homogeniteit, qua eiwitinhoud, van de dermis. Sommige insluitsels bevatten bovendien vetten en oliën, die vlekvorming op het afgewerkt leder kunnen veroorzaken. Meerdere bewerkingen, die de looiing voorafgaan, zijn er dan ook op gericht om deze insluitsels zoveel mogelijk uit de dermislaag te elimineren. De hypodermis is rijk aan vet en wordt volledig verwijderd. Alle collageenhoudend afval kan gerecupereerd worden voor de bereiding van dierelij m (gelatine is een gezuiverde vorm van dierelijm). Een, wat men zou kunnen noemen, aangezuiverde dermis, is dus het enige wat overblijft van een volledige huidstructuur om tot leder te worden omgezet. In deze dermis vormen de collageenvezels de voornaamste structuren. Naargelang van de oriëntatie van

STRUCTUUR VAN DE HUID In een verticale doorsnede van de huid zijn drie hoofdzones te onderscheiden; de epidermis of opperhuid, de dermis of lederhuid of corium en de hypodermis of onderhuids weefsel. De epidermis is een epithelium, dat vooral dienst doet als mechanische bescherming van het wekere onderliggend materiaal en dat zelf uit een vijftal lagen opgebouwd is, waarin het keratiniseringsproces plaatsgrijpt. Rondom de haarzakjes stulpt de epidermis in de dermis in. Haren en epidermis zijn hoofdzakelijk opgebouwd uit eiwitten die men keratinen noemt. Alle epiderma-


48

M&L

ep,

TT(W^

granulaire laag 'O-

reticulaire dermis \

y

/ c j j ^ a w a r s g e s n e a e n couageenounaei

^

~ 'collageenbundel

hypodermis -< veteellen

Schematische voorstelling van een dwarsdoorsnede van een dierlijke huid

Van aminozuur tot collageenvezel

deze vezels en van hun dikte kan men twee hoofdlagen onderscheiden. In de laag die aanleunde bij de epidermis zijn de vezels fijn en vormen zij een complex driedimensioneel netwerk. Naar onderen toe, dit wil zeggen naar de contactzone met de verwijderde hypodermis toe, worden de vezels alsmaar dikker en beginnen zij een meer paralelle oriëntatie ten opzichte van de gelaagde huidstructuur te vertonen. Nergens in de doorsnede van de dermis is een abrupte overgang tussen de twee extreme vezel structuren aan te tonen. Nochtans duidt men meestal twee lagen aan, die in mekaar overgaan ter hoogte van de inplantingsdiepte van de haarzakjes: de granulaire- of nerflaag, die vooral zorgt voor het esthetisch aspect via het typisch gelobde oppervlak, en de reticulaireof vleeslaag, die een eerder viltachtige oppervlaktestructuur heeft en die de grootste bijdrage levert aan de mechanische sterkte van het leder. De tweelagige structuur komt soms duidelijk tot uiting door spontane opsplitsing van leder, vooral na veroudering. Met name schaapsleer splitst gemakkelijk op, omdat zich in de overgangszone tussen granulaire en reticulaire laag een grote hoeveelheid vetlichaampjes bevindt, die daar een discrete heterogene zone creëert. Soms wordt leder ook machinaal opgesplitst en wordt op de reticulaire laag een nieuw nerfpatroon aangebracht. De essentiële bijdrage van de huid tot het afgewerkte leder wordt dus geleverd door de dermis, meer bepaald door de vezels. Deze vezels zijn in hoofdzaak opgebouwd uit collageen. Zoals alle eiwitten of

proteïnen is collageen een natuurlijk polymeer dat opgebouwd is uit structurele eenheden die men aminozuren noemt. Deze aminozuren zijn aan mekaar gebonden via een peptidebinding. Zij vormen een ketting die meerdere honderden eenheden kan bevatten. Interacties tussen meerdere ketens zorgen voor een innige verbondenheid binnen de dermisstructuur (vorming van microfibrillen en fibrillen), waardoor de sterkte en de beperkte rekbaarheid van leder kunnen verklaard worden. Anderzijds is het dan ook logisch dat een verkorting van de ketens, door breuk van de bindingen tussen aminozuren, de verbondenheid verkleint zodat de sterkte afneemt. In de natuur komen een twintigtal aminozuren voor en van deze maken er drie ongeveer 50 % uit van het collageen: glycine, proline en hydroxyproline. De aminozuursamenstelling van collageen wijkt erg af van die van andere proteïnen, zelfs van keratine dat het grootste deel van de epidermis uitmaakt. Glycine, proline en hydroxyproline behoren tot de kleinste aminozuren en zij komen steeds gegroepeerd voor in een collageenketen. Dit heeft als gevolg dat in zulke zones de ketens mekaar zeer dicht kunnen naderen, zodat de pakking zeer dicht wordt: er ontstaan quasi kristallijne gebieden, die zeer stabiel zijn, zelfs tegenover micro-organismen. De overige gebieden bezitten een meer open structuur, de materiaalsdichtheid is hier kleiner, zodat

aminozuren

peptide

molecule

fibril

vezel


49

vreemde stoffen hierin gemakkelijker kunnen doordringen. Het zijn dus vooral deze gebieden die bescherming nodig hebben om de mechanische en biologische weerstand van de huid te verhogen. En net dit wordt bereikt door looiing. De looistoffen dringen door in de vezelstructuur van de huid, vooral dus in de open gebieden, en reageren daar met het collageen en vullen de interfibrillaire ruimtes op. Deze acties verhogen de verbondenheid tussen de ketens in de open gebieden. Bovendien verhoogt ook de biologische weerstand, omdat het door chemische reacties lichtjes gewijzigd collageen niet meer past in het microbieel metabolisme. Een ander belangrijk element in de beschrijving van proteïnen, en dus ook van collageen, is de aanwezigheid in de aminozuurketen van geladen groepen, geleverd door zure en basische aminozuren (zie ook tabel 1). Tegengestelde ladingen trekken mekaar aan en verhogen dus de verbondenheid tussen de ketens. Water bezit een bijzondere chemische structuur waardoor het in staat is gemakkelijk in het driedimensioneel collageennetwerk door te dringen (het is een kleine molecule) en daar de geladen groepen te gaan omringen (water is een polaire molecule). Hierdoor verkleint de interactie tussen de geladen groepen, de verbondenheid vermindert, de collageenketens worden verder van mekaar geduwd, de huid of het leder zwelt. Anderzijds krimpt huid of leder in een waterarme omgeving. Deze fenomenen grijpen ook plaats in omstandigheden waar geen vloeibaar water aanwezig is. Zwelling of krimp zal dus ook gebeuren naargelang in de omringende atmosfeer meer of minder waterdamp aanwezig is, dit wil zeggen, naargelang de relatieve vochtigheid verhoogt of verlaagt. De frequente dimensieveranderingen die over de jaren heen kunnen plaatsvinden door een, qua vochtigheid, onstabiele omringende

Tabel 1: analyse van vier monsters, afkomstig van hetzelfde plantaardig gelooid leder, ter illustratie van de reproduceerbaarheid en de mogelijkheid tot schaalverkleining

gewicht (mg) zuurtegraad % sulfaat % looistof % vetten % minerale as

(1)

(2)

(3)

(4)

1006

1002

203

204

4.9 0.5 17 8.5 19

4.7 0.5 21 4.3 17

0.6 16 8.9 18

0.7 15

;.* sislji,.^,

10.8

19

ï i SJ:lïl:fe;}J,!:,„a ':''•, tiïliüMdi..

atmosfeer, kunnen leiden tot mechanische beschadiging van het leder, zichtbaar onder de vorm van scheuren en laminaire opsplitsing.

VAN HUID TOT LEDER De bereiding van leder impliceert de verwijdering van structuren uit de huid (epidermis, vetlichaampjes enzovoort) en de stabilisering van het dermiscollageen door looiing. Alle bewerkingen zijn in drie hoofdgroepen onder te brengen: de voorbereiding van de huid tot de eigenlijke looiing, de looiing zelf en de nabewerkingen.

Bewerkingen van het nathuis In het nathuis wordt de huid voorbereid op de eigenlijke looiing. Bij het weken worden eerder gedroogde of gezouten huiden (op die wijze kunnen zij langer onbewerkt opgeslagen worden) opnieuw gehydrateerd en worden bovendien kleine hoeveelheden oplosbare eiwitten, vuil en bloed verwijderd. Het kalken is de behandeling van huiden met alkalische (kalk) en reducerende (sulfiden) reagentia, waardoor de epidermale structuren, inclusief de haren, loskomen. Deze structuren kunnen dan gemakkelijk weggeschraapt worden tijdens de ontharing. Bovendien wordt in het alkalisch milieu een deel van de aanwezige vetten verzeept en opgelost. Na kalking en ontharing volgt een reeks mechanische bewerkingen om de huid verder te zuiveren van storende bestanddelen en ze dimensioneel te trimmen. Zo wordt bij het vlezen de hypodermis weggesneden. Een verdere mechanische reiniging van de nerflaag en uitpersing van zweet- en talgklieren gebeurt bij het gletten. Bij het splitten of schalmen wordt de huid van dikte gesneden door verwijdering van een deel van de reticulaire laag. Na deze machinale bewerkingen wordt de huid ontkalkt. De volgende fase is één van de meest critische van de ganse lederbereiding: de beitsing. Door middel van enzymen wordt een deel van de huidsubstantie verwijderd, zodat de materiaalsdichtheid verkleint en de soepelheid van het afgewerkte leder zal verhoogd zijn. Een te ver doorgedreven beitsing geeft een leder met een veel te open structuur, met slechte mechanische eigenschappen. Na de beitsing wordt de zuurtegraad van de huid ingesteld in functie van de gekozen looiwijze, tijdens het pikkelen.

De looiing Het aantal mogelijke looiwijzen is legio. Sommige zijn specifiek in gebruik geweest in een bepaalde geografische en/of historische context, andere werden en worden gebruikt om het leder


M&L

specifiek gewenste kenmerken mee te geven. De belangrijkste looistoffen zijn aluin, chroomzouten, ijzer, aldehyden, vetten en oliën, plantextracten en synthetica. De eerste drie zijn mineraal van oorsprong, de overige organisch. In oude lederen voorwerpen zoals boekbanden en goudieder wordt men bijna uitsluitend geconfronteerd met plantaardig gelooid leder. Plantaardige looistoffen bezitten een zeer complexe structuur en ze kunnen onderverdeeld worden in twee groepen: de hydrolyseerbare en de gecondenseerde. Hydrolyseerbare looistoffen breken af onder de actie van zuren, gecondenseerde, daarentegen, vormen meer complexe structeren, ze polymeriseren. Gecondenseerde looistoffen komen meestal voor in de schors en het hout van bomen zoals de den, kastanje, eik, eucalyptus en de acaciastruik (Acacia mollissima: mimosa looistof). Hydrolyseerbare looistoffen worden gewonnen uit vruchten en gallen van planten en bomen; de meest bekende is sumac uit de bladeren van Rhus-soorten (R. coriaria, R. typhina). De plantaardige looistofextracten zijn meestal gekleurd als gevolg van de chemische structuur van de looistoffen zélf of door de aanwezigheid van organische kleurstoffen. Naargelang van het gebruikte type plantaardige looistof is het mogelijk de kleur van het afgewerkte leder min of meer te bepalen tussen lichtgeel en diepbruin. Langdurige looiing met plantextracten levert leder op dat tot 50 gewichtsprocent aan looistoffen kan bevatten. Zulk leder is stug en bezit een hoge mechanische weerstand; het wordt nog steeds toegepast in schoenzolen. Een gemiddeld plantaardig gelooid leder bevat tussen de 20 en 30 gewichtsprocenten aan looistoffen. Deze Ieders bezitten uitstekende mechanische eigenschappen voor toepassing in boekbanden, goudleer en andere voorwerpen waar vervormingen aan het leder opgelegd worden. Het is zeer waarschijnlijk dat plantaardige looistoffen een catalytische rol spelen in de degradatie van het leder waarvan zij deel uitmaken. Het mechanisme hiervan is evenwel niet gekend. Vooral wanneer gecondenseerde looistoffen aanwezig zijn is zo'n verval zelfs met het blote oog zichtbaar door rode verkleuring van het leder en soms ook door verpoedering. Deze vorm van verval noemt men wel eens rode rot. Op dit ogenblik is een meerjarig project aan de gang dat betoelaagd wordt door de Europese Gemeenschap en waaraan onderzoekscentra in vijf landen deelnemen. In dit project wordt gepoogd om, aan de hand van de kunstmatige veroudering van leder onder streng gecontroleerde omstandigheden, een idee te krijgen over de wijzigingen die zich in de

ledersamenstelling voordoen. Het laboratorium van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium neemt in dit project de analyse van de looistoffen en van de gebonden minerale zuren op zich.

Nabewerkingen Na de looiing wordt het leder op gecontroleerde wijze gedroogd. Door de natuurlijke hygroscopiciteit van collageen en looistoffen zal echter steeds een bepaald gehalte water in het leder achterblijven. Zoals voor huid zal ook hier het gehalte afhankelijk zijn van de vochtigheid van de omringende atmosfeer. Een gemiddelde waarde is 12 gewichtsprocent bij een relatieve vochtigheid van 55 %. De kleur van plantaardig gelooid leder kan gewijzigd worden door verven. Meestal worden nu synthetische verfstoffen gebruikt; tot het einde van de vorige eeuw waren dat vooral natuurlijke organische kleurstoffen zoals meekrap, cochenille, roodhout en geelhout. Tenslotte worden ook nog versoepelingsmiddelen toegevoegd, onder de vorm van vetten, oliën of wassen, dikwijls in mengsels, natuurlijk of synthetisch. Meestal ligt het vetgehalte van nieuw bereid leder tussen 4 en 10 gewichtsprocent. De kennis van het vetgehalte van oud leder is belangrijk om overvetting te vermijden. Er wordt naar gestreefd om steeds een berekende hoeveelheid vetstoffen toe te voegen, zodanig dat het totale vetgehalte niet hoger ligt dan 6%.

AFBRAAKMECHANISMEN IN PLANTAARDIG GELOOID LEDER Zoals reeds gezegd liggen de plantaardige looistoffen zélf aan de basis van een versnelde afbraak van het leder waarvan zij deel uitmaken, door zure hydrolyse en oxidatie. Er zijn echter nog tal van andere invloeden die nefaste gevolgen hebben voor de conditie van leder, en bovendien zijn sommige dikwijls synergetisch van aard. In de eerste plaats kan vervuiling van een voorwerp beschouwd worden als een vorm van degradatie, zij het dan vooral om estetische redenen. Toch kan bijvoorbeeld de afzetting van uiterst kleine metaaldeeltjes bepaalde afbraakmechanismen versnellen door catalyse. Afgezet organisch stof kan dan weer dienst doen als voedingsbodem voor de ontwikkeling van micro-organismen, wiens metabolieten verkleurend en verzurend op het leder kunnen inwerken. Vingerafdrukken en zweetvlekken bevatten eiwitten, vetten en zouten, die eveneens biodegradatie in de hand kunnen werken. Vloeistoffen, waaronder zelfs zuiver water, en wassen (van kaarsen) kunnen vlek-


M&L

51

ken en kringen veroorzaken; door doordrukking kunnen zij eveneens contactmakende materialen beschadigen. Chemische degradatie van leder vindt meestal haar oorzaken in de omringende atmosfeer. Zuurstof en waterdamp, die voor de meeste bio-organismen levensnoodzakelijk zijn, impliceren afbraak van organisch materiaal door, respectievelijk, oxidatie en hydrolyse. Catalysatoren kunnen de afbraaksnelheid verhogen; typische voorbeelden zijn zuren (hydrolyse) en metaaldeeltjes (oxidatie). Electromagnetische stralen (zichtbaar licht en ultraviolette stralen) en warmte kunnen de afbraaksnelheid nog verder opdrijven. In het laatste centennium is de concentratie van zwavel- en stikstofoxiden in de atmosfeer fel gestegen als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, petroleumprodukten, gas). Hierdoor kunnen de sterke minerale zuren zwavelzuur en salpeterzuur in leder gevormd worden, in het materiaal zelf, vlak bij de grondstof die ze kunnen vernietigen (collageen en looistoffen). De zichtbare gevolgen van verzuring zijn even eenvoudig als ingrijpend: totale verpoedering van het materiaal. Endogene verzuringsmechanismen zijn mogelijk door het aanbrengen op leder van galinktpreparaten (om te verven of te schrijven) en van materialen die zelf door veroudering zuren vrijstellen. Bovendien kan verzuring van leder nog plaatsvinden door contact met andere zure voorwerpen (zuur karton, sommige houtsoorten). Waar licht onontbeerlijk is voor degradatie spreekt men van fotochemische afbraak. Een markant voorbeeld is de verkleuring, de verharding en de verlaagde oplosbaarheid van oliën en vetten, die als versoepelingsmiddel in leder zijn aangebracht. Ook het leder zélf kan verkleuren als gevolg van oxidatieverschijnselen. In een recent onderzoek werd aangetoond dat een droge warme atmosfeer oxidatieve omzettingen teweeg brengt in de aminozuursamenstelling van collageen, waardoor de onderlinge samenhang van de eiwitten verstoord wordt. Het toepassen van conserverende ingrepen kan chemische afbraak impliceren. Detergenten en zepen in wasvloeistoffen, bleekreagentia, ontzuringsreagentia en lijmen kunnen alle, via achterblijvende residu's (bleekmiddelen, metalen uit metaalhoudende ontzuringsreagentia, uitwendige weekmakers in synthetische lijmen) één of andere vorm van chemische degradatie inhouden. Biologische afbraak wordt veroorzaakt door knaagdieren, insekten en micro-organismen, en wordt versneld door omgevingsinvloeden zoals vochtigheid, warmte, afzetting van vuil en duisternis. Gezonde voorwerpen kunnen bovendien geïnfecteerd worden door contact met aangepaste materialen, zelfs

indien dat contact niet fysisch is. De biologische schade aan leder wordt veroorzaakt door een groot aantal soorten insekten. Een analyse van het erosiepatroon maakt het meestal mogelijk om, binnen niet te nauwe grenzen, een soortdeterminering uit te voeren. Soms doen schimmels dienst als voedingsbodem voor insekten. Nog groter is wellicht het aantal micro-organismen (bacteriën en schimmels) dat schade aan leder kan veroorzaken. Schimmels van de genera Aspergillus, Penicilium en Chaetomium komen het meest voor, wellicht omdat zij zich reeds voldoende kunnen ontwikkelen bij een relatieve vochtigheid van 62 -65%, waar dit voor de meeste andere toch minstens 70 % bedraagt. Bij de bacteriën zijn die van het genus Bacillus, en meer bepaald die van de soort Bacillus subtilis, het belangrijkst. Micro-organismen ontwikkelen zich in eerste instantie niet op het leder zelf; het gelooide collageen is immers als metaboliet niet aantrekkelijk meer. Toevoegingen of vervuiling van organische oorsprong kunnen echter de ontwikkeling van microben in gang zetten. Indien deze en andere fenomenen leiden tot een gedeeltelijke afbraak van de collageen-looistofcomplexen, dan ligt de weg vrij voor verdere microbiële afbraak van het huidmateriaal zelf. Micro-organismen kunnen als zodanig of onder de vorm van sporen op het materiaal terechtkomen. Sporen kunnen zich ook reeds bevinden in materialen die voor restauratie worden aangewend (lijm, leder, karton, papier). Sporen kunnen zelfs najaren inactiviteit opnieuw kiemen, zodat een periode van negatieve controleresultaten nooit garandeert dat micro-organismen niet tot ontwikkeling zullen komen op een ogenblik dat de omstandigheden daarvoor gunstig zijn (een combinatie van hoge relatieve vochtigheid en temperatuur). Over het algemeen mag gesteld worden dat microorganismen zich optimaal ontwikkelen bij een relatieve vochtigheid boven 70 % en een temperatuur boven 20 0 C. Wat het risico op biologische afbraak betreft stijgt de relatieve vochtigheid best niet uit boven 60 % en de temperatuur niet boven 18 0 C. Een goede ventilatie beperkt bovendien condensatie. Onder de grote noemer van de mechanische beschadigingen vinden we de schade terug die veroorzaakt wordt door veelvuldige dimensionele veranderingen (onder invloed van een onstabiele relatieve vochtigheid) en alle ingrepen en invloeden van menselijke aard. Voor wat betreft leder, en in het bijzonder goudieder, betreft dit versnijdingen, doordrijven van spijkers, krammen en nietjes, plaatsing van zware contactmakende voorwerpen (schilderijen, kasten, banken), vochtschade, plaatsing van verlichting.


M&L

schakelaars en andere voorzieningen voor electriciteit, onzorgvuldige herstellingen met zelfklevende tape, overschilderingen, bevuiling door sigaretterook, bevuiling door contact met onderhoudsprodukten voor de houten lambrizering die dikwijls samen met goudieder voorkomt, enz... Hoewel de lijst van alle mogelijke oorzaken van de afbraak van leder lang en ingewikkeld is, kan met inachtname van enkele eenvoudige voorzorsmaatregelen, toch gezorgd worden voor een goede preservering van dit materiaal. Zo wordt verzuring fel afgeremd door schadelijke gassen (zwavel- en stikstofoxiden) te elimineren door luchtzuivering, door licht, vochtigheid en warmte te beperken en ultraviolette straling te elimineren, en door contacten met zuurvormende materialen te vermijden. Voor een beperking van de fotochemische afbraak vermijdt men best aërosolen, die minuscule catalytisch werkende deeltjes op het leder kunnen afzetten. Biologisch verval wordt grotendeels vermeden door een goede ventilatie, door het vermijden van stof, absolute duisternis en warmtegeleidende oppervlakken (metaal), door instandhouding van 18 0C en 50 -55 % relatieve vochtigheid, en tenslotte door het uitvoeren van regelmatige en degelijke controles en reinigingen van opslag- of tentoonstellingsruimtes, opgeslagen of tentoongestelde voorwerpen en nieuw binnenkomende objecten. Mechanisch verval wordt vooral vermeden door de voorwerpen te bewaren onder de reeds hoger geciteerde atmosferische voorwaarden en door voor zichzelf en voor bezoekers de nodige discipline voor wat betreft de manipulatie van de voorwerpen in acht te nemen.

LEDERANALYSE Wel overwogen beslissingen in verband met de conservering van een lederen voorwerp kunnen pas genomen worden als er voldoende informatie voorhanden is over de fysische en chemische toestand waarin het betreffende voorwerp zich bevindt. Nu bestaan er verschillende reeksen zogenaamde genormaliseerde methodes, waarin de laboratoriummaterialen, monstemame, analytische recepten en berekeningen, die moeten gevolgd worden, nauwkeurig beschreven staan. Zo zijn er bijvoorbeeld de ISO-normen (International Standards Organisation) en de AFNOR-normen (Association Frangaise de Normalisation). Al deze normen werden ontwikkeld ten behoeve van de lederindustrie, waar de hoeveelheden beschikbaar monster nagenoeg onbeperkt zijn. Op precieuze voorwerpen is de monstemame echter beperkt, soms zelfs uitgesloten. Om lederanalyse

toch mogelijk te maken op monsters niet groter dan 200 mg, werd over de voorbije jaren op het laboratorium van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium een methode ontwikkeld, enerzijds gesteund op schaalreductie van de bestaande genormaliseerde procédé's en, anderzijds, aangepast aan de nieuwste ontwikkelingen in de instrumentele chemische analyse.

Belangrijke analytische parameters Van alle mogelijke parameters die kunnen gemeten worden om de conditie van leder in te schatten zijn de volgende van belang in functie van de uitvoering van een conserverende behandeling. De fysische conditie kan best geëvalueerd worden door het bepalen van de krimptemperatuur. Afhankelijk van de gebruikte techniek zijn hiervoor enkele vierkante millimeter tot slechts één enkel vezeltje nodig. De temperatuur waarbij de door looiing gestabiliseerde driedimensionele collageenstructuur ineen stuikt, verlaagt met toenemende chemische afbraak. Voor een nieuw plantaardig gelooid leder ligt de krimptemperatuur rond de 80 0 C; door veroudering kan dit gemakkelijk minder dan 40 0C worden. Degradatie door verzuring kan op verschillende wijzen nagegaan worden. Eerst en vooral is de zuurtegraad van een waterig extract van het leder reeds een goede indicatie. Vermits plantaardige looistoffen echter zelf zwak zuur reageren moeten deze metingen met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. De chemische identiteit van elk verzurend produkt kan bepaald worden door ionenchromatografie. Op deze wijze kan nagegaan worden hoeveel zwavelzuur in de loop der tijden in het leder is afgezet geworden, onafgezien van de chemische vorm waarin dat zwavelzuur zich nu bevindt (bijvoorbeeld: ammoniumsulfaat). In sterk verzuurd leder kan de hoeveelheid zwavelzuur oplopen tot 6 gewichtsprocent. Tenslotte geeft de vergelijking tussen de gemeten zuurtegraad en deze, berekend uit de geanalyseerde hoeveelheid sterk zuur, een idee over de hoeveelheid ammoniumsulfaat in het leder. Vluchtige bestanddelen worden bepaald om referentiegewichten te bekomen van het te analyseren monster, waarnaar alle andere analysegegevens kunnen gerefereerd worden. Een hoeveelheid fijn versneden leder wordt daartoe eerst geklimatiseerd bij 20 0C en 65 % RV gedurende 48 u; daarna wordt het gedroogd bij 102 0C gedurende 8 u. Het gewichtsverschil is een maat voor de hoeveelheid vluchtig materiaal, vooral water, dat in het geklimatiseerd leder aanwezig was. Zoals reeds hoger vermeld maken collageen en looistoffen het hoofdbestanddeel van leder uit.


53

Elke wijziging in de samenstelling of de structuur van deze bestanddelen zal dan ook inmiddellijk gevolgen hebben voor de eigenschappen van het betreffende leder. Zuren kunnen de hydrolyse van collageen catalyseren zodat kleinere fragmenten ontstaan en het aantal aminozuur eindgroepen vermeerdert. Oxidatieve afbraakprocessen kunnen bepaalde aminozuren omzetten in andere. De bepaling van de aminozuursamenstelling en de fragmentering van ledercollageen zijn dus belangrijke indicatoren voor zijn verval. Looistoffen kunnen afbreken of polymeriseren door de actie van zuren en hun samenstelling kan veranderen door oxidatie. De bepaling van de overblijvende hoeveelheid ongemodifieerde looistoffen en de analyse van het looistofpatroon kan belangrijke informatie opleveren in verband met de aanwezige looistofklasse (hydrolyseerbaar of gecondenseerd) en met de chemische en zelfs biologische stabiliteit van het leder. Dit resultaat kan enkel bereikt worden na analyse van de extraheerbare looistoffen door vloeistofchromatografie onder hoge druk (HPLC), gevolgd door spectrale karakterisatie en quantitatieve bepaling van elke representatieve looistofcomponent. Vetten en oliën verhogen de soepelheid van leder, maar overvetting kan nadelige gevolgen hebben (uitbloeiingen, plakkerigheid). Vooraleer een nieuwe hoeveelheid versoepelingsmiddel aan oud sprokkelig leder toe te voegen, moet vooreerst de nog resterende hoeveelheid bepaald worden. De maximum toe te voegen hoeveelheid kan dan berekend worden aan de hand van het gewicht van het lederen voorwerp en de samenstelling van het vettingsmiddel. Er wordt steeds voor gezorgd om een totaal gehalte van 6 % nooit te overschrijden. De samenstelling van de verbrandingsresten van

Tabel 2 : analyse van via • plantaardig gelooide kalfsleders, in de handel aangeboden als restauratieieders (i)

1002 gewicht (mg) zuurtegraad 4.05 0.06 % sulfaat % looistof 12 % vetten 9.2 % minerale as 0.5 % Si02 in de as 0 % A1203 in de as 1 % CaO in de as 10 % P in de as 33

(2) 1001 4.15 0.03

(3) 1001 4.10 0.03

13 8.8 0.6 0 1 7 54

10 5.1 8.9 50 38 1

6

(4)

992 4.00 0.06

11 6.7 10.3

40 35 2 13

Tabel 3 : analyse van historische Ieders

(a)

(b)

datum ca. 1550 gewicht (mg) 470 369 % vluchtige stoffen 11 12 krimptemperatuur (0C) 36 zuurtegraad 2.65 2.85 % sulfaat 4.8 4.3 % looistoffen 3.2 3.9

(a)

(b)

19de eeuw

548 271 11 11 58 3.25 3.35

1.5

1.1

12.3 12.0

leder kunnen interessante informatie opleveren met betrekking tot niet vegetale looiwijzen, zoals deze met aluin (aluminium), chroomzouten (chroom) of ijzerzouten (ijzer), en over metaalhoudende toevoegingen aan leder (calcium, silicium, fosfor). Al deze bepalingen kunnen uitgevoerd worden met atomaire absorptiespectrometrie. De bepaling van al deze parameters vereist, volgens de genormaliseerde methodes, een hoeveelheid van 30 g leder. Een schaalverkleining en de invoering van de geciteerde instrumentele methodes brengen deze hoeveelheid terug tot slechts 200 mg. Verdere verbeteringen van de gebruikte methodes stellen een supplementaire reductie van het nodige materiaal in het vooruitzicht. Op dit niveau moet men er echter rekening mee houden dat de natuurlijke heterogeniteit van leder een belangrijke bijdrage begint te leveren tot de afwijkingen van de meetresultaten, als meerdere monsters van een zelfde leder onderzocht worden. Het is dus de vraag of een verdere reductie van de nodige hoeveelheid leder, tot onder 200 mg dus, wel zin heeft.

Voorbeelden De reproduceerbaarheid van de methode werd nagegaan door vier monsters van een zelfde lederen vel aan hetzelfde schema te onderwerpen. Twee monsters wogen ongeveer 1000 mg, twee andere 200 mg. De analyseresultaten staan in tabel 2. De grootste afwijkingen komen voor in monster 2, waar het looistofgehalte 31 % afwijkt van het gemiddelde van de andere drie en het vetgehalte zelfs 54 %. Het is wel duidelijk dat de reproduceerbaarheid in de kleine monsters niet slechter is dan in de grote. In een tweede groepsanalyse (tabel 3) wordt aangetoond dat het gebruikte analyseschema belangrijke verschillen kan aantonen tussen Ieders van verschillende leveranciers, die alle onder eenzelfde noemer verkocht worden, namelijk restauratieieder.


M&L

Deze vier Ieders werden onderzocht vooraleer één van hen toe te passen als verdubbelingsleder voor het restauratieproject van het goudieder behang van de dekenij van Zele. Elk monster woog ongeveer 1000 mg. Alle zuurtegraden bevonden zich in een veilig gebied. De hoeveelheden sulfaat waren bijna verwaarloosbaar. Vergelijkbare hoeveelheden looistoffen werden teruggevonden in elk van de vier monsters. De grote verschillen lagen hier in de analyse van vetten en mineralen. Inderdaad, monsters 1 en 2 vertoonden een hoog vetgehalte en een laag gewicht aan verbrandingsresten; net het omgekeerde deed zich voor in monsters 3 en 4. Quantitatieve analyse van de asse door atomaire absorptiespectrometrie leverde hoge gehaltes op aan aluminium en silicium in de laatst geciteerde monsters. Men kan zich afvragen in hoeverre deze Ieders werden behandeld met aluminiumhoudende looistoffen en met siliconenhoudende vettingsmiddelen. Vanwege deze onzekerheden en wegens het voorkomen van kleurstoffen in monster twee, werd besloten leder 1 voor het gestelde doel te gebruiken. In een derde voorbeeld wordt een overzicht gegeven van analyseresultaten, bekomen op kleine hoeveelheden van natuurlijk verouderde Ieders, uitgevoerd in dubbel (tabel 4). De 16de- en het 19de-eeuwse Ieders (code respectievelijk H8 en H3) zijn afkomstig van een grote reeks historische Ieders, geselecteerd om de natuurlijke verouderingsverschijnselen in deze materialen te bestuderen, en dit in het kader van het reeds geciteerde onderzoeksproject, gesubsidieerd door de Europese Gemeenschap. De zuurtegraden zijn in beide gevallen reproduceerbaar. H8 bleek erg verzuurd, zoals aangetoond door zijn zuurtegraad en sulfaatgehalte. Voor wat verzuring betreft was H3 duidelijk in betere conditie. Dit verschil in zuurtegraad had duidelijke gevolgen voor de krimptemperatuur. De looistofgehaltes zijn

Tabel 4: Overzicht van analyseresultaten, bekomen op kleine hoeveelheden van natuurlijk verouderde Ieders, uitgevoerd in dubbel (a) (b) datum ca. 1550 gewicht (mg) 470 369 % vluchtige stoffen 11 12 krimptemperatuur (0C) 36 zuurtegraad 2.65 2.85 % sulfaat 4.8 4.3 % looistoffen 3.2 3.9

(a)

(b)

19de eeuw

548 271 11 11 58 3.25 3.35

1.5

1.1

12.3 12.0

reproduceerbaar, maar zeer ongelijk tussen de twee ledersoorten. Deze gegevens moeten hier echter met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden omdat andere analysedetails er op wijzen dat H8 werd gelooid met hydrolyseerbare-, H3 met gecondenseerde looistoffen. In zo'n geval kunnen belangrijke verschillen optreden in het schijnbaar looistofgehalte van elk van deze Ieders.

BIBLIOGRAFIE - Association Frar^aise de Normalisation (AFNOR), Receuil des Normes Fran^aises des Cuirs et Peaux, Afnor, Pari s, 1981. - Haslam E., Chemistry of Vegetable Tannins, Academie Press, London and New York, 1966. - McLaughlin CD. and Theis, E.R., The Chemistry of Leather Manufacture, Americal Chemical Society Monograph Series. Reinhold Publishing Corporation, 1945. - Wouters J., De Opbouw van de Verschillende Grondstoffen, in Rijkdom Bedreigd, Gemeentekrediet, 1990, pp. 15-26. - Wouters J., Tannin and Ion Analysis of 20 Historical and 2 Artificialh Aged Leathers, in STEP Leather Project; First Progress foport, 1992, pp. 153-187. - Wouters J. en Danhieux L., De Beschadiging van Boeken, Archivalia en Documenten, in Rijkdom Bedreigd, Gemeentekrediet, 1990, pp. 37-58,


M&L

55

CONSERVERING VAN HET GOUDLEDERBEHANG VAN DE DEKENIJ VAN ZELE AN PECKSTADT, LIEVE WATTEEUW en JAN WOUTERS

Toestand van het goudledervoorde restauratie van 1989-1990. Het leder is gekrompen en gescheurd; de vernageling op de houten draaglatten is op verschillende plaatsen losgekomen, (eigen toto)

Zoals blijkt uit een andere bijdrage in dit nummer zijn er in Vlaanderen nog heel wat goudlederbehangsels te vinden. Over het algemeen vergt hun toestand een minimum aan conserverende en preserverende maatregelen. In sommige gevallen zou ingrijpend moeten opgetreden worden, maar de omvang van de verzamelingen, en de inherente kostprijs van de ingrepen, maken de zo nodige conservering dikwijls onmogelijk. In het geval van het goudieder van de dekenij van Zele is er aan het eigenlijke conserveringsproject een lange inleidende fase voorafgegaan. Uiteindelijk kon toch tot de conservering overgegaan worden, dankzij de aandacht die het Bestuur voor Monumenten en Landschappen aan het project besteedde en de medewerking van de deken, de kerkfabriek en het gemeentebestuur van Zele.

Ge

foudleder is een complex materiaal: er is inderdaad niet alleen het leder, maar bovendien zijn er de zilverfolie, de lijmen, de geschilderde decoratie en de vernissen. Elke potentiële ingreep op één onderdeel van dit materiaal moet dan ook goed overwogen worden in functie van de aanwezigheid van de andere en in functie van de toestand waarin de verschillende onderdelen en het goudieder als zodanig zich bevinden. Dergelijke evaluatie van de toestand kan alleen gebeuren door chemische analyse. Ook de selectie van materialen, die men tijdens de conservering op het goudieder wil toepassen, kan slechts gebeuren na uitgebreid laboratoriumonderzoek: de fysische en chemische eigenschappen van nieuwe materialen en de wijzigingen die zij, ook na veroudering, aan het oorspronkelijk materiaal teweeg brengen, worden gemeten en de beste worden geselecteerd. In een volgende fase onderzoekt de restaurateur de praktische toepasbaarheid van de produkten op het te behandelen materiaal. Het is niet uitgesloten dat in bepaalde gevallen een compromis moet gezocht worden tussen een selectie op puur wetenschappelijke basis en één gesteund op praktische ervaringen. Deze toestand impliceert een nauwe samenwerking tussen onderzoeker en restaurateur.


56

Achterzijde van een paneel vóór conservering. Oude restauraties met canvas en beenderlijm; talrijke schimmelsporen. (eigen foto)

M&L

Naast de medewerking van de reeds genoemde personen en instellingen is ook dit element van belang geweest voor de realisatie van het voorliggend project.

VOORGESCHIEDENIS EN TOESTAND VOOR CONSERVATIE Het goudieder in de raadszaal van de dekenij van Zele dateert uit het midden van de 18de eeuw en is vermoedelijk van Vlaamse herkomst. Wannéér het door de dekenij verworven werd was niet te achterhalen in de archieven. Alle muren zijn gedecoreerd over een hoogte van 265 cm, boven een 19de-eeuwse lambrisering. Het decoratieve patroon van het goudieder is samengesteld uit florale motieven en ranken, druiven en papegaaien. Ieder paneel heeft een identieke reliëfdruk, maar een verschillende inkleuring in levendige tinten, die enigszins zijn versomberd. Dit verheven reliëfpatroon is aangebracht met een houten of metalen drukplaat. De samenvoeging van de verschillende panelen resulteert in een aansluitend rankenpatroon, diagonaal verlopend over de wand. De totale verzameling bestaat uit 154 volledige panelen en fragmenten, 63 op 75 cm, waarbij de grootste maat de horizontale is. De totale oppervlakte bedraagt ongeveer 55 ml. De gebruikte ledersoort is rundsieder van mindere kwaliteit en verschillende

Een representatief paneel, vóór conservering. Hechting met spijkers, krammen en nietjes; houten latwerk zichtbaar door krimp van het leder; overschildering met donkerk.leurig vernis aan de onderste rand. (eigen foto)

panelen zijn samengesteld uit meerdere huiddelen, die via een zeer fijne uitdunning aan mekaar gehecht zijn. Natuurlijke huidbeschadigingen werden gerepareerd met aparte stukjes leder. Aan de voorzijde is niets van deze assemblages zichtbaar. In het begin van de 19de eeuw werd de zaal voorzien van een lambrisering en werd het goudieder opnieuw gemonteerd. Het wegsnijden van de oorspronkelijke naairanden dateert waarschijnlijk uit deze periode. De panelen werden individueel op een houten latwerk genageld. Op verschillende plaatsen werd een driedubbele hechting met verschillende soorten spijkers en krammen gevonden, als gevolg van alsmaar uitgevoerde hechtingen en reparaties van loskomende delen. Deze vormen van fixatie hebben grote schade veroorzaakt, vooral door inscheuring. Dit heeft een nieuwe ingrijpende restauratie voor gevolg gehad in de jaren '40 van deze eeuw. Hierbij werden de panelen opnieuw afgenomen en werden de scheuren aan de achterzijde hersteld met canvas en beenderlijm. Plaatselijk werd gerestaureerd met plamuur en harsen. Verloren delen werden ingevuld door overschildering van het canvas of de plamuur met olieverf, zodat de motieven doorliepen. Beschadigingen aan het goudvemis werden, na herplaatsen van de panelen, hersteld door overschilderen met een waarschijnlijk goudkleurig vernis. Dit vernis vertoonde vóór de huidige conservering een opvallende verdonkering, sterk contrasterend met het oorspronkelijk goudvemis. Op de achterzijde van de panelen werden diverse tekens gevonden: diagonale kruisen in krijt, aantekeningen in de hoeken met groene en rode verf. Deze zullen aangebracht zijn voor de oorspronkelijke montage. Zij kwamen immers niet op alle panelen voor, sommige waren onvolledig en er was geen logische samenhang meer te vinden. Waarschijnlijk is bij de 19de-eeuwse afname en de afsnijding van de naairanden geen rekening gehouden met de oorspronkelijke wijze van samenstellen, wat kan wijzen


M&L

57

Detailopname van een oude restauratie. • Voorzijde: retouche van goudvemis en olieverf. T Achterzijde: invoeging van een klein stukje leder, door middel van enkele naaisteken en plamuur. (eigen foto's)

op een nog vroegere montage op een andere locatie. Ondertussen heeft de installatie van centrale verwarming verder schade aan het goudieder toegebracht, door grote schommelingen in temperatuur en relatieve vochtigheid. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in golving en krimp van het leder, tot 30 mm toe. De panelen die op een hoek losraakten krompen en golfden meer, wat grote diagonale scheuren tot gevolg had. Op enkele plaatsen hingen de gegolfde panelen nog slechts met één of twee krammen, duimspijkers of nietjes aan het houten latwerk op de muur vast.

Verwijdering van de donkere goudvernisoverschildering van het ruitvormig basisreliëf; onderste strook: vrijgelegd oorspronkelijk goudvernis. (eigen foto)

Op het einde van de jaren '80 was het goudlederen behangsel dus in bijzonder slechte staat: een groot deel van de panelen hing gedeeltelijk los van de muur; ze vertoonden scheuren, verharding en golvingen; er waren talrijke zichtbare sporen van vroegere restauraties (overschilderingen). De samenhang was volledig verdwenen.

UITVOERING VAN DE CONSERVATIE In juni 1989 werd een aanvang genomen met de restauratie. De panelen werden voorzichtig van de houten draaglatten losgemaakt en ter plaatse werden stof en schimmels verwijderd door vacuümzuigen. Enkele panelen waren nog met hun oorspronkelijke

naairanden gehecht. Deze werden intact gelaten en zo in de latere montage geïntegreerd. De panelen werden stofvrij verpakt en getransporteerd naar het restauratie-atelier voor verdere behandeling en nieuwe montage. Direct na aankomst werden alle panelen aan de achterzijde gedesinfecteerd door verneveling van een waterige oplossing van paranitrofenol. Oude restauraties met canvas of linnen waren veelvuldig aanwezig op de achterzijde; deze werden mechanisch verwijderd, al dan niet na weekmaken van de beenderlijm. Indien niet weekgemaakt werden textiel en lijmlaag losgesneden met een scalpel. Weekmaking gebeurde door instrijken met een dikke stijfselpasta; na enkele minuten inwerken konden de drager en het lijmresidu met een houten spatel verwijderd worden. De ontstofte en van oude restauraties ontdane panelen werden versoepeld door relaxatie in een kleine geklimatiseerde ruimte, ingesteld op 96 % relatieve vochtigheid, gedurende 45 minuten. Hierna werden ze gedroogd en gevlakt in een sandwich van enkele lagen vloeipapier, tussen houten planken en onder lichte druk. Bij sterk uitgedroogde en gegolfde panelen volstond deze behandeling niet. Verdere versoepeling werd hier bekomen door inbrengen van wolvet en hoefolie, onder de vorm van een waterige emulsie, tot een totaal vetgehalte van 4 %. Aan de voorzijde waren de kleuren van de olieverf en de reflectie van het goudvernis enigszins versomberd door de afzetting van stof en organisch vuil (waaronder waarschijnlijk nicotine). De picturale laag werd eerst gereinigd met mengsel op basis van water, een verdikkingsmiddel, een neutrale zeep en een oplosmiddel voor vetten. Het vuil werd hierdoor uit de reliëfstructuur in suspensie gebracht. Deze behandeling werd meerdere keren herhaald, afhankelijk van de graad van vervuiling, en gevolgd door nareiniging met gedestilleerd water. Een alge-


58

Samenstelling van een nieuwe eenheid (de linker eenheid van de grote muur: 225 x 265 cm). • 15 panelen gelegd op de nieuwe lederen drager; ontbrekende zones zijn zichtbaar als lichte strepen. De ontbrekende zones zijn nu ingevuld met dun geschalmde stroken lichtbruin getint kalfsleder. (eigen foto's)

M&L

mene opheldering van de kleuren en een verbetering van de reflectie van het goudvernis waren merkbaar. De verwijdering van de donkere vernislaag aan de overschilderde randen van de panelen werd sterk bemoeilijkt door de zeer fijne reliëfstructuur van de ruitvormige achtergrondstempeiing. Deze geribde ruitvormige stempeling was met een drukplaat aangebracht en aangevuld met losse stempeltjes van hetzelfde motief, tot vlakbij de florale decoratie. De ribstructuur had een regelmaat van 1 mm. Het vernis kon best verwijderd worden met een mengsel op basis van mierezuur, ethylformiaat en dichloormethaan. Het van oplosmiddel voorziene puntje van een fijn wattenstaafje werd voorzichtig over de overschildering gerold. Bij het vrijleggen van de oorspronkelijke tekening kwam ook de eerdere beschadiging duidelijk aan het licht: op verschillende plaatsen was de oorspronkelijke goudvernislaag niet meer aanwezig en kwam het bladzilver vrij te liggen. Deze lacunes in het vernis werden in de eindfase terug ingevuld met een nieuw goudvernis. De ontbrekende fragmenten, scheuren en gekartelde randen werden hersteld door aanvulling met op patroon gesneden en uitgedunde stukjes kalfsleder, ingepast en verlijmd met stijfsellijm. Voor de uitvoering van een nieuwe montage werden twee mogelijkheden overwogen: het herstel van alle naairanden of een vlakke doublering van nieuw leder. Een reconstructie van alle naairanden zou de stevige aanbreng van stroken nieuw leder impliceren en zou een hoge trekkracht invoeren op de dikwijls droge en broze randen van het oorspronkelijk goudleder. Bovendien zou deze ingreep zeer arbeidsintensief zijn, omdat slechts enkele oorspronkelijk naden behouden waren gebleven. Een volledige doublering daarentegen, zou de optredende krachten gelijkmatig verdelen over de totale oppervlakte van het goudleder, en bovendien zou er meer bewegingsruimte ontstaan om de lacunes tussen de onregelmatige randen van de individuele panelen op te vangen.

Om deze redenen werd besloten de panelen door volledige doublering opnieuw te combineren, volgens hun configuratie voor conservering. De nieuwe drager werd samengesteld uit 155 huiden vegetaal gelooid kalfsleder, met een dikte van 0.8 mm. De centrale delen van deze huiden werden manueel aan de randen uitgedund en aan mekaar gemonteerd met een overlappende zone van 25 mm. Als verlijming werd een tweemaal met water verdunde Mowilith DM5 lijm gebruikt. Zo werden 11 grote eenheden samengesteld: 4 voor de vensterwand, telkens één links en rechts van de schouw, 3 voor de grote wand en telkens één links en rechts van de inkomdeur. De panelen werden volgens hun oorspronkelijke configuratie op de nieuwe lederen drager gelegd, zodanig dat het rankenmotief een continu, diagonaal verlopend patroon vormde. De juiste posities werden op de vleeszijde van de lederen drager genoteerd en de smalle, onregelmatige lacunes die tussen de panelen open bleven, werden bedekt met zeer dun geschalmde stroken lichtbruin getint vegetaal gelooid kalfsleder. Oorspronkelijk en nieuw leder werden voorzichtig opgeschuurd met fijn schuurpapier. Het verdubbelingsleder werd bevochtigd door verneveling. Daarna werden beide oppervlakken ingestreken met stijfsellijm, de randen met Mowilith DM, en verlijmd, vleeszijde op vleeszijde (na uitgebreide testen met verschillende lijmpreparaten bleek alleen stijfsel in deze toepassing bruikbaar te zijn; door de soepelheid van de lijmfilm kon het reliëfpatroon van het goudieder goed gevolgd worden, vooral wanneer, na een kortstondige hechting onder druk, de verlijmde Ieders nog eens behandeld werden met een vochtig doek en een vouwbeen, vooral aan de randen en over de reliëfstructuur). De nieuwe eenheden werden gedroogd tussen vloeien, die gedurende 48 uur regelmatig ververst werden. Gedurende 14 dagen werd elke eenheid dan verder tussen vloeien en onder gelijkmatige druk gehouden.


M&L

59

De hoogte van de nieuw samengestelde eenheden was steeds 265 cm; de breedte varieerde tussen 225 en 340 cm (uitgezonderd enkele zeer smalle stroken tussen de vensters). Deze nieuwe eenheden werden tijdelijk opgehangen aan een houten rek in de atelierruimte. Hiervoor werd hetzelfde ophangsysteem gebruikt als datgene wat later ook in de dekenij zou toegepast worden. Op de houten drager werden de van haakjes voorziene klittebandstroken (5 cm breed) vastgeniet. De lusjesstroken werden eerst vastgestikt op dun geschalmde lederen banden (8 cm breed) en deze werden met Mowilith DM5 op het verdubbelingsieder gelijmd, aan alle randen, plus twee verticale stroken op gelijke afstanden van mekaar en van de randen. Door middel van deze ophanging kon alles in een gecontroleerde atmosfeer in evenwicht komen, vooral dan met betrekking tot het vochtgehalte van het leder, dat door de diverse verlijmingen zeker verstoord werd. De restauratie nam een periode van 12 maand in beslag. Ondertussen werden de wanden van de zaal opnieuw bezet. De electrische leidingen werden op deze wanden gemonteerd en de contactdozen op de lambrisering. De houten draaglatten, waarop de klitteband zou worden aangebracht, werden vernieuwd en geplaatst in functie van de afmetingen van de nieuwe eenheden. De vroegere buitenlijsten, die de randen van het goudieder bedekten, werden opnieuw gebruikt, maar er werd op gelet om ze niet meer door het goudieder te vernagelen. De nieuwe eenheden werden stofvrij verpakt en vlak getransporteerd. De hechting met klitteband maakte een snelle montage mogelijk. Er werd niet beoogd om de panelen strak op te spannen, maar enige ruimte tot initiële krimp werd mogelijk gelaten. De niet strakke opspanning verleent ook enige plasticiteit aan de presentatie, die wellicht beter in overeenstemming is met de natuur van de gebruikte materialen. Bij dimensieveranderingen onder invloed van klimatologische schommelingen of in noodgevallen,

zullen de eenheden in de toekomst zonder uitzonderlijke ingrepen terug kunnen opgespannen, respectievelijk kunnen verwijderd worden. De picturale laag werd minimaal geretoucheerd: de vrijgekomen zilverlaag werd behandeld met eiwit en een basiskleur in gouache. De ontbrekende delen tussen de panelen werden niet met verf of vernis ingevuld. Door de montage werd het ritme van het rankenpatroon hersteld en kregen de wanden hun samenhang terug.

NAZORG Sinds de herplaatsing van het goudieder wordt de zaal geklimatiseerd, voor wat de relatieve vochtigheid betreft. De nagestreefde waarde bedraagt 55 %. De temperatuur varieert, zoals voordien, volgens de omstandigheden: geen ingrepen in warme en gematigde periodes en occasionele opwarming in koude periodes, ter gelegenheid van vergaderingen. Door de ene dikke buitenmuur en de drie binnenmuren die de zaal omsluiten verlopen de temperatuursschommelingen traag. Na één jaar herplaatsing werd het leder geïnspecteerd. Er bleken slechts enkele minieme hechtingen en enkele kleine aanpassingen van de opspanning noodzakelijk. Deze resultaten illustreren dat de huidige presentatie voldoende stabiliteit bezit en dat de gebruikte materialen en methoden bij optredende spanningen zelf-regulerend werken, zodanig zelfs dat lichte golvingen en minieme ontlijmingen mogen verwacht worden. Deze fenomenen wijzen er op, dat in de huidige toestand het oorspronkelijk goudieder niet meer de zwakste schakel van het geheel vormt.

TECHNISCHE GEGEVENS Schimmelwerend produkt: 0.5 g p-nitrofenol oplossen in een zo klein mogelijk volume methanol en aanlengen tot 100 ml met water. Het preparaat aanbrengen op de achterzijde van het goudieder, door verneveling (uitvoering in een zuurkast en dragen van een gasmasker zijn noodzakelijk). Dit preparaat is niet geschikt om toegepast te worden op leder waarvan het oppervlak zichtbaar is of blijft, wegens de mogelijke vorming van geel gekleurde vlekken. Versoepelingsmiddel: een mengsel van wolvet (lanoline: Roth Laborchemikalien, Karlsruhe, Duitsland) en hoefolie (Roth Laborchemikalien, Karlsruhe, Duitsland) levert in de meeste gevallen een


60

M&L

carboxymethylcellulose (Hoechst, Frankfurt am Main, Duitsland) en 2 ml niet ionogeen detergent (Varsapon N29, René De Jonghe, Gent, België) worden aangelengd tot 100 ml met water. Dit mengsel wordt goed geschud en blijft dan 24 u staan om de carboxymethylcellulose te laten zwellen. Daarna wordt de waterige oplossing gemengd met 11 trichloortrifluorethaan (Janssen Chimica, Beerse, België) en geschud tot een dikke homogene pap ontstaat. Na enige tijd staan moet het preparaat opnieuw opgeschud worden. Ook bij het werken met dit produkt moeten de nodige voorzorgen genomen worden in verband met bescherming van de uitvoerder en contaminatie van de atmosfeer. Oplosmiddel voor de overschilderingen van het goudvernis: de beste resultaten qua snelheid en selectiviteit werden bekomen met een mengsel van mierezuur, ethylformiaat en dichloormethaan (Janssen Chimica, Beerse, België), in de volumeverhouding 0.2 / 5.0 / 5.0. Het goudleder na de conservatie. (foto: 0. Pauwels)

goede versoepeling op van stug plantaardig gelooid leder, door de combinatie van smering (wolvet en hoefolie) en hydratatie (wolvet). De toepassing kan gebeuren onder de vorm van een oplossing (in white spirit) of een emulsie (in water). In dit geval gaven de restaurateurs de voorkeur aan de emulsie. Hiervoor wordt vooreerst een mengsel gemaakt van 2 g wolvet, 3 g lanoline en 2 ml van een niet-ionaire emulgator (Varsapon N29, René De Jonghe, Gent, België). Dit mengsel moet goed omgeroerd worden en mag eventueel lichtjes opgewarmd worden op bain-marie. Onder hevig roeren wordt hieraan 98 ml water toegevoegd, zodat een homogene melkwitte emulsie gevormd wordt. Met een brede kwast wordt deze emulsie op de rugzijde van het leder aangebracht. De benodigde hoeveelheid wordt berekend aan de hand van de volgende factoren: de hoeveelheid vetstoffen, die nog in het leder aanwezig zijn; een totale hoeveelheid vetstoffen in de emulsie van 5 g per 100 ml, het gewicht van elk te behandelen paneel afzonderlijk en het streefcijfer van 4 % voor het totale vetgehalte na toepassing van de emulsie. Het volume emulsie toe te voegen aan een vel van g gram dat nog p % vetstoffen bevat wordt dan: 0.2 x g x(4 - p). Indien het toe te passen volume groot is moet de emulsie in meerdere keren aangebracht worden, opdat het leder niet echt nat zou worden. Reinigingsmiddel: voor de verwijdering van stof en vuil werd een reinigingsmiddel samengesteld, volgens een recept dat al eerder door het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap te Amsterdam werd ontwikkeld. 0.2 gram

Samenstelling van het goudvernis: oude recepten vermelden vooral een oliehoudend bindmiddel (bvb. lijnolie), sandarac of colofonium, aloës en saffraan. Bij gebruik van een synthetisch bindmiddel (Paraloïd B72: DLO Chemicals, Braine-l'Alleud, België) gaven aloës en saffraan te weinig dekking. Toevoeging van alizarine leverde een goed dekkende goudkleur op. De samenstelling van het goudvernis was als volgt: 4 g Paraloïd B72 onder reflux koken in 40 ml ethanol/diacetonalcohol in de volumeverhouding 1/1 (Janssen Chimica, Beerse, België) tot alles opgelost is. Hieraan 2 g aloës, 0.5 g saffraan (deze produkten zijn te koop in de meeste drogisterijen) en 1 g alizarine (Sigma, Brussel, België) toevoegen; verder koken onder reflux, koelen en filtreren. Het vernis kan in meerdere lagen opgebracht worden. Analyse van het goudieder: zoals in een andere bijdrage van deze publicatie vermeld werd, kan de toestand van leder geëvalueerd worden aan de hand van een reeks analyses, waarvoor op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium een systeem werd ontwikkeld voor toepassing op monsters kleiner dan 1 gram. Van het goudieder van Zele werden 2 monsters geanalyseerd. De gegevens staan vermeld in de onderstaande tabel. Er zijn slechts kleine verschillen in de samenstelling van de twee monsters. De goede zuurtegraad wordt bevestigd door het lage gehalte aan sulfaat en nitraat. Het leder is weinig of niet verzuurd en er kan dus veilig gewerkt worden met water houdende lijmstof-


61

(1) gewicht in mg % vluchtige bestanddelen zuurtegraad % sulfaat % nitraat % vetstoffen % looistoffen %asse

(2)

501

601

10.9

11.3

4.0 0.4 0.1 1.6 1.9 1.0

4.1 0.7 0.1 2.7 1.6 1.5

fen. Het gehalte aan vetstoffen bedraagt gemiddeld 2.1 % zodat 1.9 % moet bijgevoegd worden om tot een totaal van 4 % te komen. Zelfs indien rekening wordt gehouden met een aanzienlijke schommeling van het vetgehalte, van het ene vel tot het andere, is het toch weinig waarschijnlijk dat de nog altijd veilige grens van 6 % ergens zal overschreden worden. De hoeveelheid extraheerbare looistoffen is, zoals voor bijna alle oude Ieders, zeer laag (ongeveer 1/10 van dit van nieuw leder). Voor dit fenomeen kan tot hiertoe geen compensatie gebeuren. Uit het analysepatroon blijkt dat voor de bereiding van dit leder hydrolyseerbare looistofen werden gebruikt. Het gehalte aan asse is laag en bevat in hoofdzaak calcium.

Analyse van het verdubbelingsieder: in totaal werden vier Ieders onderzocht, die alle verkrijgbaar zijn onder de specificatie restauratieieder (J. Hewit and Sons Ltd., Edinburgh, Schotland). Uit deze vier werd een leder gekozen dat een laag gehalte vertoonde aan minerale insluitsels en dat niet was bijgekleurd door organische kleurstoffen. De details van deze analyse staan vermeld in een andere bijdrage van deze publicatie. Selectie van de lijmen: deze selectie gebeurde op basis van een vergelijkend onderzoek naar de toepasbaarheid van lijmen voor leder dat op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium werd uitgevoerd en dat zowel natuurlijke als synthetische preparaten omvatte (de resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd ter gelegenheid van de Internationale Leder- und Pergamentstagung, Deutsches Ledermuseum, Offenbach am Main, 1989, p. 43-54). Hieruit bleek dat voor de meeste toepassingen stijfsel (zetmeel) een goede keuze is, maar dat voor stevige verlijmingen beter Mowilith DM5 (Hoechst, Frankfurt am Main, Duitsland) gebruikt wordt, maar dan wel 2 keer verdund met water om, met behoud van lijmkracht, de waterdamppermeabiliteit gevoelig te verbeteren. Voor de bereiding van de zetmeellijm werd een concentratie nagestreefd van 5 % zetmeel in water.


M&L

BETER VOORKOMEN DAN GENEZEN RICHTLIJNEN VOOR DE BEWARING VANGOÜDLEDER(I)

L y at goudleer een delicate materie is met een ingewikkelde samenstelling, mag blijken uit de diverse voorafgaande bijdragen. Hieruit volgt dat ook een behandeling niet eenvoudig kan zijn. De verschillende materialen (leder, lijm, zilverfolie, beschermlaag, verf en vernis) vragen specifieke zorgen. Een van de grootste problemen is dat een optimale behandeling van één onderdeel nadelig kan inwerken op één van de andere, ledere ingreep vereist daarom vooronderzoek èn uitvoering door een deskundige. Indien het goudieder in goede staat is, kan men het evenwel zelf ontstoffen. Hiervoor gebruikt men een regelbare stofzuiger ingesteld op zeer lage zuigkracht, en voorzien van een zacht mondstuk om krassen te vermijden. Vooraf moet absoluut de hechting van de verflaag gecontroleerd worden. Bij eventuele afschilfering dient een deskundige geraadpleegd. Reinig nooit met huishoudmiddelen of scheikundige stoffen. Gebruik géén lederversoepelingsmiddelen (olie, vetten, was, zelfs natuurproducten); tot hiertoe is er niet één waarvan vaststaat dat het op lange termijn geen nadelige gevolgen heeft voor de vernis en de verflaag. Overschilder, vernis, of herverguld niet. Het tast de authenticiteit aan en kan duurzame schade tot gevolg hebben. Gebruik nooit goud- en brons verf die spoedig oxideren en het goudieder ongenietbaar maken op esthetisch vlak. Boor, nagel noch snijd in goudieder. Leg stopcontacten en electrische leidingen er niet op aan. Hang geen voorwerpen aan nagels die het leder doorboren. Nagel het goudleer niet vast op latten of op de wand. Kleef goudieder nooit op hout of houtvezelplaten. Zowel de lijm als de ondergrond kunnen schadelijke

effecten teweeg brengen; bovendien kan het goudleder niet meer bewegen, wat scheuren voor gevolg heeft. Versnijd vellen of banen niet: hierdoor gaat onherroepelijk materiaal verloren alsook nuttige gegevens over de oorspronkelijke bevestiging. Beperk het bevestigingsmiddel tot de bovenrand; zo kunnen de vellen vrij krimpen en uitzetten. Vermijd direct zonlicht: ultraviolette stralen veroorzaken chemische degradaties en door de opwarming droogt het leder uit. Let op temperatuur en relatieve vochtigheidsgraad. Niet aangepast, of onderhevig aan te grote schommelingen, veroorzaken deze parameters fysisch verval: er ontstaan scheuren in het leder (vooral aan de boorden) en in de naden. Aanbevolen wordt een temperatuur van 18 0C en een relatieve vochtigheidsgraad van 50 a 55%. Rook niet in de ruimte waar goudieder bewaard wordt. Onderzoek het goudieder op de ontwikkeling van schimmels en insecten. Raadpleeg een deskundige wanneer deze zou worden vastgesteld. Controleer buitenmuren, dakgoten en waterleidingen achter het goudlederbehang, om waterschade te voorkomen. Voor advies staan het Bestuur Monumenten en Landschappen en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium tot uw beschikking.

(1) Een versie van deze richtlijnen is reeds verschenen in Vademecum ter bescherming en onderhoud van het kunstbezit {Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 21. 1986/87). p. 111.


M&L

63

SUMMARY

GOLD LEATHER The first evidence of the production of gold leather in Flandres dates as early as 1511: in that year a gold leather maker wa listed as burgher in Malines. From the middle of the 16th century onward many workshops were established in this city, and it was not till 1797 that the last workshop was closed here. Besides Malines, which was the main centre of production in the Southern Netherlands, there were also gold leather workshops in Brussels, Antwerp, Ghent, Lille and Liège during the seventeenth and eighteenth centuries. This article not only deals with the history of these Flemish workshops, and briefly with its international counterparts, but also with several other aspects of gold leather, such as the production, its patterns, the colours, prices and its various uses, of which the application as wallhanging was of course the most important. This article is based on some previous publications. This is important to realise because this article does not mean to be the definite one: it is meant to stimulate both systematical historical archival research, as well as research on the material itself, for up till now gold leather hardly got the attention it deserves.

CONSERVATION OF THE GOLD LEATHER HANGINGS FROM THE DEANERY OF ZELE Gold leather is a complex material consisting of leather, adhesives, silver leaf, paints and varnishes. The mid 18th century gold leather from Zele was severeley damaged by cutting away most of the sewing edges, fixations with nails and staples, installation of a central heating system, repairs with canvas and animal glue, overpainting with less stable gold varnishes and the presence of mould on the back. All this resulted in gold leather with discolorations, cracks, undulations and many areas detached from the wooden support. Conservation consisted of the following treatments: elimination of dust and mould by gentle vacuum cleaning and disinfection; removal of old repair materials if necessary after relaxation at elevated humidity; flattening of the leather after relaxation and possible addition of fatty materials (to reach a maximum of 4 % fat by weight); cleaning of the painted surface and removal of formerly added and discolored gold varnish; remounting of the panels by glueing them on large backings of new vegetably tanned leather, respecting however

the few zones that were still sewn together, to form 11 new units consisting of a maximum of 16 genuine panels; mounting of the new units on a wooden support by means of Velcro strips, allowing dimensional movement of the leather; retouching the painted and gold varnished surface with a neutrally tinted oil paint and a new gold varnish, respectively. Any product or technique applied had been formerly selected by an appropriate laboratory investigation.

STRUCTURE AND ANALYSIS OF LEATHER; FUNDAMENTALS FOR A BETTER UNDERSTANDING OF PROBLEMS AND TREATMENTS IN CONSERVATION Leather is a heterogenous material, resulting from reaction of dermal tissue collagen and tannins. The characteristics of leather are determined by the type and amount of tannins, mechanical treatments (splitting), addition of plasticizers (oils, fats, waxes-, surface consolidants (casein) and dyes. The characteristcs change under the influence of ageing phenomena, such as acidification, dimensional changes, irradiation, microbial attack, stains etc., but also by less favourable former conservation treatments. It is advisable to analyse leather before applying any conservation treatment. In the laboratory of the K.l.K. has been developed a special scheme, leading to the determination of the most important analytical features (volatile matter, pH, anions, tannins, fats, minerals, shrinkage temperature) on only 200 mg of sample. The application of this method is illustrated in the selection of a new leather to be used for repair treatments and in the analysis of a series of historical leathers, the condition of which had to be evaluated within the framework of a large leather research project, involving natural and artificial ageing.

INVENTORY OF 17TH AND 18TH CENTURY GOLD LEATHER IN FLANDERS Quite a lot of gold leather from the 17th and 18th century has been preserved in Flanders, mounted wall decoration as well as separate pieces, antependia and chasubles. Gold leather is hardly known nor studied. This inventory was drawn up to fill this gap and to stimulate further research. The location of each ensemble is marked, as wel as date, setting, dimensions and description of ornaments. If applicable, origin and relevant literature are mentioned.


Toestand vóór restauratie

Toestand na restauratie

Gemeentehuis Sint-Gillis Brussel Bouwonderneming: Sintra SA, Les Bons Villers Architect: Mr. Willems Droogreiniging: Procédé Peeling

EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg • WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING • DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT

EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie

• VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...

REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)

• CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...

REMAL : - volledig gamma

RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE

Tel. (010) 22 82 88 Fax (010) 22 84 58

PVBA


RESTAURATIE VAN DE SINT-MARIAKERK IN SCHAARBEEK

N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken

OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

GROUP Tl «"

MONUMENT


Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_11_6.pdf by Vlaanderen-be - Issuu