Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering
Beleidsdomeinspecifieke bijdrage
Deel 3.3
Beleidsdomein Financiën en Begroting
Mei 2009
INHOUDSTAFEL DEEL 1: BELEIDSDOMEINSPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE ................................ 3 1. De groei van arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid zijn noodzakelijk voor een blijvende stijging van onze welvaart................................ ........... 3 1.1 Algemeen ............................................................................................................................... 3 1.2 Jobkorting als instrument van een doelgroepenbeleid en van een actief arbeidsmarktbeleid ... 5
2. Meer en kleinere huishoudens, samengaand met een grotere verscheidenheid aan samenleefvormen ................................ .................... 6 2.1 Algemeen ............................................................................................................................... 6 2.2 Fiscaal doelgroepenbeleid: stimuleren van kangoeroewonen en duplexwonen ........................ 8
3. Verkeersstrom en in de toekom st: gaan we nog vooruit? ........................... 11 4. De vergrijzing slaat toe, langzaam m aar zeker, met een grotere financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten tot gevolg? ................................ .14
DEEL 2: VOORSTELLEN VOOR DE NIEUWE VLAAM SE REGERING ......................... 17 1. Europese dim ensie ................................ ................................ ...............17 1.1 Naar een meer actieve rol in het Europees besluitvormingsproces......................................... 17 1.2 Financiële implicaties van Europese besluitvorming .............................................................. 17
2. Een actief fiscaal beleid ................................ ................................ ........18 2.1 Fiscaal doelgroepenbeleid .................................................................................................... 18
2.1.1 Doelgroepenbeleid via verminderingen op personenbelasting en onroerende
voorheffing .................................................................................................................... 18 2.1.2 Doelgroepenbeleid via modulering van schenkingsrechten ............................................ 18 2.2 Effectieve en efficiënte fiscaliteit........................................................................................... 19
2.2.1 Afschaffing hypotheeklasten en tijdelijke verlaging registratierechten ........................... 19 2.2.2 Nieuw fiscaal pact.......................................................................................................... 20 2.2.3 Humaniserende maatregelen inzake successierechten ................................................... 20 2.2.4 Naar een Vlaamse fiscale codex ..................................................................................... 20 2.2.5 Regionalisering van het kadaster ................................................................................... 21 2.2.6 Afschaffing van achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstelling en identificatie van potentiële discriminaties ......................................................................................... 21
2.3 Vergroende fiscaliteit............................................................................................................ 21
2.3.1 Vergroening van de verkeersfiscaliteit............................................................................ 21 2.3.2 Vergroening van de registratierechten? .......................................................................... 21
3. Grotere financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten ........................ 22 4. Beheer van financiële reserves en schulden ................................ .............25 5. Risicom anagement ................................ ................................ ...............27
BIJLAGE 1: EEN BEKNOPT DOCUMENTAIR GEDEELTE ................................ .......39 1. Indicatoren, kerncijfers, statistisch materiaal ................................ ..........39 1.1 Middelenbegroting ............................................................................................................... 39 1.2 Uitgavenbegroting ................................................................................................................ 40
1
1.3 Vorderingensaldo ................................................................................................................. 41 1.4 Schuld .................................................................................................................................. 41 1.5 Provisies en fondsen............................................................................................................. 41
2. Overzichtslijst van recent beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek .......42 3. Wettelijk kader ................................ ................................ ....................45 4. Ambtelijke organisatie;................................ ................................ .........52 5. Budgettaire m assa van het beleidsdomein (beleidskredieten begroting 2009). ................................ ................................ ..................53
BIJLAGE 2: MANAGEMENTSAMENVATTING ................................ ....................55 1. Europese dim ensie ................................ ................................ ...............55 2. Actief fiscaal beleid ................................ ................................ ..............55 3. Grotere verantwoordelijkheid van de deelstaten ................................ .......56 4. Beheer van financiële reserves en schulden ................................ .............57 5. Risicomanagem ent ................................ ................................ ...............57
2
DEEL 1: BELEIDSDOMEINSPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1. De groei van arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid zijn noodzakelijk voor een blijvende stijging van onze welvaart 1.1 Algemeen Een blijvende stijging van de welvaart, gemeten aan de hand van het BBP per hoofd, vereist dat volop ingezet wordt op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en de werkgelegenheid. De nood aan een toename van de werkzaamheidsgraad (in personen) wordt op meerdere plaatsen in de algemene omgevingsanalyse terecht beklemtoond. Schematisch kan de arbeidsproductiviteit verder worden opgesplitst als:
met L het aantal werkenden en h het aantal uren per werkende. De arbeidsproductiviteit per werknemer is bepaald door de output per gewerkt uur (BBP/hL) en door het aantal gewerkte uren per werkende (h). Op beide onderdelen van de arbeidsproductiviteit doen zich pijnpunten voor, die verklaren waarom België en Vlaanderen geleidelijk hun voorsprong inzake productiviteit verliezen. Ook in Duitsland, Frankrijk en Nederland evolueerde de productiviteit zwak. Andere landen (bijv. Denemarken, Finland, Zweden, VS) kenden in het voorbije decennium een veel betere ontwikkeling van de arbeidsproductiveit, zeker in de sector van de bedrijven (bijv. Skoczylas en Tissot, 2005; Biatour en Kegels, 2008). Aantal gewerkte uren per werkende (h) België toont samen met Duitsland en Frankrijk de sterkste daling van het aantal gewerkte uren per werkende per jaar in het voorbije decennium. Het absoluut niveau van het aantal gewerkte uren per jaar is in België hoger dan in de buurlanden, maar lager dan in Denemarken, Finland en de VS. Vooral het gemiddeld gewerkt aantal weken per jaar is relatief laag in België, Duitsland en Frankrijk. In Nederland is het gemiddeld aantal gewerkte uren per week laag. Alle werkenden (15-64 j)
Gewerkt aantal uren per jaar (1) 1995
2007
Gewoonlijk gewerkt aantal uren per week (2)
Gewerkt aantal weken per jaar (1)/(2)
2007/1995
1995
2007
2007/1995
1995
2007
2007/1995
België
1674
1566
0.94
37.7
37.0
0.98
44.4
42.3
0.95
Duitsland
1534
1433
0.93
37.6
35.4
0.94
40.8
40.4
0.99
Frankrijk
1651
1561
0.95
38.4
38.0
0.99
43.0
41.1
0.95
Nederland
1391
1392
1.00
32.9
30.8
0.94
42.3
45.2
1.07
Denemarken
1541
1574(*)
1.02
35.8
35.6
0.99
43.1
44.3
1.03
Finland
1776
1714
0.96
38.1
37.6
0.99
46.6
45.5
0.98
Zweden
1609
1562
0.97
36.2
36.5
1.01
44.5
42.8
0.96
VS
1840
1794
0.98
38.6
38.7
1.00
47.7
46.4
0.97
Noot: Gegevens betreffen zowel part-time als fulltime werkenden, mannen en vrouwen, en zijn (behalve voor de VS) inclusief zelfstandigen / (*) 2006
Bron: OECD Stat (hours worked) 3
Beschikbare cijfers voor het gewerkt aantal uren per week door oudere werknemers relativeren ietwat de vaststelling dat de werkzaamheidsgraad onder oudere werknemers in het voorbije decennium in Vlaanderen en België is toegenomen (p. 61 van de algemene omgevingsanalyse). In geen enkel van de vergelijkingslanden daalde het gewerkt aantal uren door ouderen meer dan in België. De bijdrage van een stijgend arbeidsaanbod van oudere werknemers tot het BBP per hoofd blijft positief, maar is beduidend kleiner dan men op basis van de evolutie van werkzaamheidsgraad zou vermoeden. Een andere opvallende vaststelling betreft werkende jongeren. In geen van de vergelijkingslanden werken zij momenteel meer uren per week dan in België. Het Belgisch model blijft afsteken tegen het Scandinavische, waar meer jongeren werken, maar gedurende minder uren. Parallel wordt er meer tijd besteed aan studie (zie verder). Jongeren (15-24 j)
Gewoonlijk gewerkt aantal uren per week
Oudere werknemers
2007/1995 (55-64 j)
1995
2007
België
36.8
35.5
0.97
Duitsland
37.6
34.0
Frankrijk
35.9
Nederland
Gewoonlijk gewerkt aantal uren per week 1995
2007
2007/1995
België
39.9
36.3
0.91
0.91
Duitsland
37.9
35.6
0.94
34.2
0.91
Frankrijk
37.9
38.8
1.02
25.5
20.4
0.80
Nederland
33.6
30.9
0.92
Denemarken
26.7
23.5
0.88
Denemarken
36.7
36.7
1.00
Finland
31.2
31.4
1.01
Finland
38.7
37.4
0.97
Zweden
30.1
29.8
0.99
Zweden
34.5
36.5
1.06
VS
32.3
32.1
0.99
VS
38.6
39.3
1.02
Noot: Gegevens betreffen zowel part-time, als fulltime werkenden, mannen en vrouwen
Bron: OECD Stat (hours worked) Arbeidsproductiviteit per uur (BBP/hL) De output per gewerkt uur is een functie van de hoeveelheid kapitaal waarmee gewerkt wordt en van de zogenaamde multi-factorproductiviteit. Deze meet de algemene efficiëntie waarmee uren arbeid en (privaat) kapitaal worden ingezet. Een hogere scholing van werknemers, een betere technologie, een meer efficiënte organisatie, een beter uitgebouwde publieke infrastructuur, enz. dragen bij tot een hogere multi-factorproductiviteit. De fors toegenomen internationale mobiliteit van ondernemingen en fysisch kapitaal maakt het voor regio’s en landen cruciaal te kunnen beschikken over goed geschoolde werknemers en een hoge multi-factorproductiviteit. Beide verhogen de productiviteit van fysisch kapitaal en de aantrekkelijkheid van een regio voor investeerders. Beide verhogen ook de opbrengst van werken, en zijn daarmee ook een cruciale factor om het arbeidsaanbod te bevorderen (Dhont en Heylen, 2009). Onderzoek toont een relatief zwakke (en gedaalde) groei van de multi-factorproductiviteit in België sinds het midden van de jaren ’90. Duitsland, Frankrijk en Nederland kennen gelijkaardige problemen. In de Scandinavische landen en de VS is de trendgroei van de multi-factorproductiviteit sinds het midden van de jaren ’90 hoger dan in de kernlanden van de eurozone. De trendgroei is er ook toegenomen t.o.v. van de jaren ‘80 (Skoczylas en Tissot, 2005; OECD Stat). Zowel inzake (hogere) scholing als inspanningen voor innovatie blijft Vlaanderen achterop ten aanzien van die landen die recent de sterkste groei van de multi-factorproductiviteit lieten optekenen. Het belang van onderzoek en ontwikkeling voor de groei van de arbeidsproductiviteit en de economische groei staat al langer buiten discussie. Het belang van kwalitatief hoogstaand onderwijs en de juiste onderwijsinstituties voor economische groei werd recent nog aangetoond door Hanushek en Woessmann (2009). 4
Investering in onderwijs 2006 Instroom hoger onderwijs % (a)
Onderwijskwaliteit (PISA-score wetenschappen)
Onderzoek en ontwikkeling 2005 R&Duitgaven bedrijven
R&Duitgaven overheid
R&Duitgaven totaal
(% BBP)
(% BBP)
(% BBP) (b)
Vlaanderen
17.2
529
1.44
0.22
2.07
België
20.3
510
1.25
0.15
1.84
Duitsland
15.7
516
1.72
0.35
2.49
Frankrijk
18.8
495
1.35
0.38
2.16
Nederland
19.8
525
1.02
0.24
1.74
Denemarken
24.5
496
.
.
.
Finland
31.3
563
2.47
0.33
3.48
Zweden
27.1
503
2.81
0.18
3.80
(a) Aantal studenten hoger onderwijs (tertiary education) in % van de bevolking tussen 15 en 29. (b) inclusief R&D-uitgaven in het hoger onderwijs en de private non-profit sector. Bron: OECD Stat, Education Statistics (students enrolled), Regional Statistics (Innovation Indicators)
Beleidsimplicaties - De werkzaamheidsgraad moet hoger, vooral voor oudere en jongere werknemers. Doelgroepenbeleid is daarom principieel zinvol. Naast het aantal werkenden, is evenwel ook het aantal gewerkte uren per werkende cruciaal. Dit is het voorbije decennium eerder ongunstig geëvolueerd. Hier dient zich mogelijk een moeilijke afruil aan in de zin dat meer uren vergen van oudere werknemers hun uittrede uit de arbeidsmarkt kan bevorderen, en in de zin dat meer uren arbeid vanwege jongeren verdere scholing kan tegenwerken. Initiatieven ter bevordering van de combinatie werken/leren blijven heel belangrijk. - De meest efficiënte manier om de output per werknemer te verhogen bestaat in de verhoging van de arbeidsproductiviteit per uur. Een verhoging van inspanningen ten voordele van onderzoek en ontwikkeling, hoger onderwijs, publieke infrastructuur,… dragen hiertoe bij.
1.2
Jobkorting als instrument van een doelgroepenbeleid en van een actief arbeidsmarktbeleid
Sinds 2007 investeert de Vlaamse overheid via de jobkorting in een verlaging van de fiscale druk van de Vlaamse werkende bevolking. In 2008 werd geopteerd voor een uniforme belastingverlaging van 200 euro voor alle werknemers met een activiteitsinkomen van max. 23 000 euro die in Vlaanderen wonen. Vanaf 2009 werd overgegaan op een gedifferentieerde jobkorting: werknemers met een activiteits-inkomen van 5 500 tot 23 000 euro bekwamen in maart 2009 via de bedrijfsvoorheffing een netto voordeel van 300 euro; hogere activiteitsinkomens genoten een voordeel van 250 euro. In de toekomst moet nagedacht worden of dit fiscaal instrument ook kan ingezet worden voor andere doelstellingen. Specifiek moet onderzocht worden of het geschikt is om de werkzaamheidsgraad van ouderen te verhogen. Dat dit ook in de toekomst een concrete doelstelling van het arbeidsmarktbeleid zal blijven is duidelijk. In het verslag van de Hoge Raad van Financiën (2007), dat ondermeer focust op het verhogen van de vraag en het aanbod van arbeid, worden verschillende instrumenten besproken. Langs de vraagzijde moet de voorkeur uitgaan naar een verlaging van de werkgeversbijdragen op de lagere lonen; langs de aanbodskant lijken de vermindering van de persoonlijke bijdragen voor de sociale 5
zekerheid en gerichte terugbetaalbare belastingkredieten de aangewezen fiscale modi. Het onderzoek van experten van de UCL (Batyra et al.,2005) wijst verder uit dat enkel gerichte, gecibleerde belastingverminderingen zinvol zijn. De focus moet in het bijzonder liggen op de laag geschoolden enerzijds en de oudere werknemers anderzijds. De Bijzondere Financieringswet laat het toekennen door de Gewesten van een belastingkrediet op de personenbelasting niet toe; het verlagen van de sociale zekerheidsbijdragen is eveneens uitgesloten. De jobkorting kan wel aangewend worden op het niveau van de Gewesten, mits behoud van de progressiviteit, binnen bepaalde grenzen en indien gerelateerd tot de Gewestelijke bevoegdheden. De jobkorting is evenwel geen belastingkrediet, maar een belastingvermindering. In de toekomst zou de korting op de personenbelasting kunnen worden gehanteerd voor sociale doeleinden, zoals het ondersteunen van die groepen in de maatschappij die momenteel het meest kwetsbaar zijn. We denken specifiek aan het toestaan van een jobkorting aan gehandicapte personen met een OMNIO-statuut1. Een ander punt van kritiek betreft het gegeven dat er weinig relevante differentiatie is voorzien binnen het kortingensysteem. Het bedrag van de jobkorting wordt enkel bepaald in functie van het activiteitsinkomen. In een volgende legislatuur zou kunnen overwogen worden om dit instrument verder te cibleren. Gedacht zou kunnen worden aan een verhoging van de korting voor die werknemers die na de leeftijd van 55 jaar weer actief worden. Om tot reactivatie te leiden moet de korting evenwel voldoende substantieel en structureel zijn. Zo zou bvb. overwogen kunnen worden dat een 55 plusser een verdubbeling van de bestaande korting geniet gedurende tenminste 3 jaar. Simulaties moeten toelaten de concrete bedragen en duurtijd van de kortingen te bepalen rekening houdende met de budgettaire ruimte van de overheid en het 6,75% plafond2.
2. Meer en kleinere huishoudens, samengaand met een grotere verscheidenheid aan samenleefvormen 2.1
Algemeen
De vergrijzing en de verwachte trends inzake samenleefvormen vergen een nieuwe afstemming van het welzijnsbeleid, het woonbeleid en de ruimtelijke ordening. Niet alleen zal het aantal ouderen toenemen, ook hun verwachtingen zullen wijzigen. 60 plussers willen vandaag reeds zo lang mogelijk actief participeren aan het maatschappelijke leven. Ze zullen in de toekomst ook langer zelfstandig, kwaliteitsvol en onafhankelijk willen blijven wonen. Ouderen zullen mondigere burgers zijn die zelf keuzes zullen willen blijven maken over de inrichting van hun woonomgeving. De woonomstandigheden zullen moeten aangepast zijn aan de eis dat de zorg de oudere moet bereiken (de Klerk,2004) eerder dan de oudere de zorg. De groep ouderen wordt ook diverser qua karakteristieken en het woonaanbod moet daarom ook voldoende verschillende opties open laten. Tussen het moment van pensionering en de intrede in een rust- en verzorgingstehuis (RVT) of rusthuis (ROB) zal de fysieke conditie bepalend zijn voor de nood aan meer collectieve, niet geïnstitutionaliseerde woonvormen. Zo lang ze kunnen zullen ze vooral ook in een woonomgeving willen wonen waar verschillende generaties en leeffuncties deel van uit maken (Myncke & Vandekerckhove,2007,99-101). Het klassieke rusthuis zal meer en meer beschouwd worden als de laatste halte. De woonbehoeften zullen dus toenemen en veranderen. De vraag naar woningen voor ouderen tussen 2007 en 2022 correleert evident met de evolutie van de 60 plussers voor die periode in 1
Het OMNIO-statuut geeft sinds 1 juli 2007 recht op betere vergoeding van medische kosten (arts, tandarts, kinesitherapeut, apotheker, hospitalisatie, …) voor gezinnen met een laag inkomen. (Bron: RIZIV) 2 Dit is het globaal maximumpercentage waarbinnen de Gewesten kortingen etc. kunnen toekennen op de personenbelasting: zie art. 9 Bijzondere Financieringswet. 6
Vlaanderen. Verwacht wordt dat het aantal 60 plussers tussen 2007 en 2022 met 30% zal groeien (Myncke & Vandekerckhove,2007,30). Welke effecten deze evolutie zal hebben op specifieke segmenten van de woningmarkt (zoals appartementen, studio’s, etc.) hangt af van een aantal factoren. In eerste instantie is er het gegeven van de mobiliteit. Welke ouderen wensen uit zichzelf te verhuizen? Dit kan worden afgeleid uit de verhuisgeneigdheid. In het algemeen blijkt die af te nemen met de leeftijd (gemiddeld 9% wil verhuizen). Huurders willen wel beduidend vaker verhuizen(17,8%). Nog meer bepalend blijkt de kwaliteit van de woning te zijn. 50% van de bewoners van woningen in zeer slechte staat kijkt uit naar een andere woonbestemming. Uit de woonsurvey en de panelstudie op basis van de budgetenquête (Goossens & Haesevoets,2005) blijkt dat ouderen veel vaker in woningen gebouwd voor WOII leven die niet voorzien zijn van middelmatig comfort en weinig bescherming bieden tegen lawaai. Uit diezelfde woonsurvey leren we evenwel ook dat ouderen met hun woning hebben leren leven. De meerderheid van de ouderen is tevreden over de buurt waar ze wonen, 93% vindt dat zijn woning in goede staat verkeert en 94% is tevreden over het aanwezige comfort. Dit is een indicatie dat het kunnen blijven wonen op de plaats waar men zijn kinderen heeft opgevoed een hoog gewaardeerd goed is voor vele senioren. Het verlaten van de woning is niet evident en het verlaten van de woonomgeving nog veel minder. Weinig ouderen verhuizen graag en spontaan; pas wanneer de vitaliteit en gezondheid erop achter uitgaan en er externe druk is om te verhuizen, dan zetten ze de stap. Oudere bewoners met fysieke beperkingen vertonen een grotere verhuisbereidheid. Ouderen vinden in het algemeen het niet centraliseren van alle leefruimtes op het gelijkvloers een negatief element van hun woning. In 16% van de gevallen verklaren de 60 plussers die participeerden aan de survey dat ze hun huidige woning te groot vonden en dat geldt in 12% van de gevallen tevens voor de tuin. Deze uitspraken kunnen een indicatie vormen van het feit dat gegeven de conditie van de oudere, het instand houden van de woning teveel energie kost. De woonsurvey leert tenslotte dat het woningbezit afneemt met de leeftijd; woont op 60 à 64 jarige leeftijd nog 79,2% van de ouderen in hun eigen huis, dan geldt dat voor nog maar 66,1% van de senioren die 80 jaar of ouder zijn. 66% van deze huurders huurt bovendien op de private huurmarkt. Ze zijn ook vaker minder vermogend en dat maakt hen kwetsbaar. Ingeval het huurcontract opgezegd wordt moet doorgaans verhuisd worden naar een veel duurdere woonst in afwachting van een sociale woning (Myncke & Vandekerckhove,2007,56). Samengevat kunnen we dus stellen dat de impact van de vergrijzing op de woningmarkt langs de vraagkant in belangrijke mate zal afhangen van de evolutie van het aantal ouderen dat met fysieke beperkingen kampt en van de ontwikkeling van de huurmarkt. Belangrijk is daarbij te erkennen dat het groeitempo van deze bevolkingsgroep tussen gemeenten en tussen types van gebieden verschilt. Verwacht wordt dat in buitengebieden, grootstedelijke en regionaalstedelijke gebieden in de rand er zich een meer dan gemiddelde toename van de vergrijzing zal manifesteren. In het centrum van grootstedelijke en regionaalstedelijke gebieden wordt een meer bescheiden aangroei van de groep ouderen voorspeld. Op het niveau van de provincies zullen Antwerpen en Limburg verhoudingsgewijze sterker getroffen worden door de vergrijzingsgolf (Myncke & Vandekerckhove,2007,34). Prospecties m.b.t. de woningmarkt voor ouderen maken best een onderscheid tussen de 65-80 jarigen en de 80 plussers. De eerste groep woont nu ook al doorgaans zelfstandig en zal dat in de toekomst misschien nog langer volhouden dan vandaag al het geval is. De wijziging in de woonbehoefte voor deze groep zal wellicht terug te brengen zijn tot kleiner gaan wonen, het verhuizen naar serviceflats, het verhuizen naar het centrum van grootsteden en regionale steden, naar een bestemming in de buurt van een zorgcomplex of tot het investeren in verbeteringen van het basiscomfort van de woning. Mogelijk zal er zich ook een toenemende vraag naar collectieve woonvormen voordoen. Gedacht wordt dan aan quattrowonen (Myncke & Vandekerckhove,2007,91), groepswonen, kangoeroewonen, duplexwonen of aanleunwonen (Platform wonen van ouderen, 2005,4-5). Deze groep is doorgaans nog mobiel, actief en bereid om de kleinkinderen op te vangen of een aantal taken van jongere gezinsleden of huisgenoten over te nemen. In een aantal gevallen kan zo’n collectieve woonvorm ertoe leiden dat ouderen minder eenzaam zijn, in de vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen en voldoende onafhankelijk in het 7
leven blijven staan. Het nu al te grote huis krijgt een nieuwe bestemming, waardoor het onderhoud nu best beheersbaar wordt. Vanaf 80 jaar neemt het risico op ernstige fysieke belemmeringen van het dagelijks functioneren sterk toe. We stellen vast dat in vergelijking met de groep 65-80 jarigen deze ouderen procentueel vaker in een RVT of ROB stappen. In 2004 woonden 6,6% van de 60+ collectief en 1,4% bij kinderen versus resp. 19,9% en 6,2% voor de 80 plussers (Myncke & Vandekerckhove,2007,36) Ook hier is er een grote spatiale variatie vast te stellen; 60+ vind je significant meer in Antwerpen, Gent en aan de Kust. In Limburg en de Antwerpse Kempen vind je relatief de laagste percentages alleenwonende ouders. Bovendien vind je in Limburg ook relatief weinig ouderen terug in collectieve voorzieningen; dat is dan weer wel het geval in Oost- en West-Vlaanderen. Inwonen bij kinderen komt vnl. voor in Limburg, in de Brusselse agglomeratie en rond Mechelen. In grootsteden en in het randgebied en de regionale steden is deze samenlevingsvorm significant minder aanwezig. Verwacht wordt dat in 2012 het percentage van ouderen dat kiest voor een collectieve voorziening vnl. hoog zal zijn in gemeenten tussen Antwerpen en Gent, ten westen van Gent en in het zuidwesten van de provincie West-Vlaanderen. Het zal in de toekomst een hele uitdaging worden om een brede residentiële zorg te garanderen aan iedereen die er nood aan heeft. Indien we de groep 80 plus als generieke indicator van de vraag hanteren dan is er momenteel al een spanning in de verhouding vraag en aanbod aan RVT/ROBbedden. In 2007 telden we in Vlaanderen 276 154 inwoners in deze groep; in 2006 stonden daar 71 642 bedden tegenover. De groep 80 plus wordt verwacht te groeien tot 330 852 personen in 2012 en 389 915 in 2022; op basis van de wettelijke programmatiecijfers zal het aanbod aan plaatsen resp. toenemen tot 89 562 in 2012 en 103 267 euro in 2022. Vanzelfsprekend zal niet elke 80 jarige meteen of zelfs ooit nood hebben aan een opname in een rusthuis of verzorgingstehuis. Maar zelfs wanneer vertrokken wordt van de huidige concrete bezetting en wordt rekening gehouden met de demografische ontwikkelingen, met de realisatie van de programmatienormen en de ontwikkelingen op het vlak van de extramuralisering, dan blijkt de extra nood aan bedden niet te negeren. Rekeninghoudende met de 3 hiervoor genoemde componenten, voorspelde het Kenniscentrum voor duurzaam woonbeleid voor verschillende scenario’s de bijkomende vraag aan bedden. Deze blijkt te variëren in 2012 tussen 2963 en 17 920 extra bedden en in 2020 tussen -4209 en 31 625 (Myncke & Vandekerckhove,2007,128). Hoewel een versterking van de residentiële zorg onontkoombaar zal zijn, zullen toekomstige beleidsmakers ook extra-muros alternatieven moeten overwegen zoals extra capaciteit in dagverzorgingscentra, toename van de lokale dienstencentra en centra voor kortverblijf. Maar zeker moet ook geïnvesteerd worden in anderssoortige woonvormen zoals de woonzorgcomplexen en woonzorgzones die onder meer in Nederland al langer ingang gevonden hebben. Ook het stimuleren van de intergenerationele solidariteit via innovaties die in de richting van nietgeïnstitutionaliseerd collectief wonen gaan is een van de uitdagingen van de toekomst (Platform wonen van ouderen, 2005,4-5). Op die manier kan een van de huidige sterktes van het woonbeleid geborgd worden, met name het gegeven dat een heel groot aandeel van onze ouderen eigenaar is van zijn woning, wat hem beschermt tegen armoede op oudere leeftijd; het biedt tenslotte ook de mogelijkheid om oud te worden in die omgeving die men zelf gekozen heeft.
2.2
Fiscaal doelgroepenbeleid: stimuleren van kangoeroewonen en duplexwonen
Door de sterke stijging van de prijzen op de vastgoedmarkten is het sinds het begin van de jaren ‘90 voor eenverdieners en alleenstaande ouders steeds moeilijker geworden om een eigen woning te verwerven. Ook jonge starters ervaren de druk op de koopmarkt. Een studie van het Steunpunt Ruimte & Wonen wijst uit dat wonen voor hen niet zozeer onbetaalbaar is geworden maar dat er zich wel ontegensprekelijk een verschuiving heeft voorgedaan in het voordeel van kleinere, goedkopere woningen (Heylen & Winters,2008). Het is echter waarschijnlijk dat deze situatie snel en structureel zal wijzigen. Op korte termijn zal de huidige crisis de woningmarkt afkoelen. Hoewel na de economie ook de woningmarkt zich kan herstellen, moet op middellange termijn rekening gehouden worden met de effecten van de 8
vergrijzing. In welke residentiële mobiliteit deze zich zal vertalen werd reeds uitgebreid onderzocht in verschillende buurlanden. Studies van het Ruimtelijk Planbureau (Feijtens, 2005) geven bvb. voor Nederland aan dat de grotere groep ouderen de woningmarkt verder onder druk zal zetten. Velen zullen op oudere leeftijd toch nog eigenaar willen worden en daardoor zal in Nederland de druk op de woningprijzen minstens gehandhaafd blijven. Hoewel we voor België nog niet over studies beschikken die de impact op de woningprijzen op een robuuste manier bevestigen, gaan de verwachtingen van woningmarktkenners evenwel een andere richting uit. België telt immers vandaag al een zeer hoog percentage huiseigenaars onder zijn senioren. Uit de Woonsurvey en diverse studies (Myncke & Vandekerckhove, 2007; Goossens & Haesevoets, 2005) weten we ook dat zij heel vaak in relatief oude woningen met een vrij grote gemiddelde oppervlakte leven. Verwacht wordt dat vanaf 2015 een groot aantal van deze eigenaars hun woning op de markt zullen brengen (De Tijd, 2008). Dit zou het aanbod op de woningmarkt sterk doen toenemen en de huidige hoge gemiddelde verkoopprijzen doen wegsmelten. Dit gegeven zou nog versterkt worden door het feit dat de generatie van 25-35 jaar op dat moment ook zal inkrimpen, waardoor er een demografisch gestuurde daling van de vraag mag verwacht worden, die mogelijkerwijze voor een lange periode voor een stabiliteit van de woningprijzen op een veel lager niveau zal zorgen. Hoe aantrekkelijk dit vooruitzicht ook mag zijn voor toekomstige kopers, toch moet de verwachte detente op de woningmarkt genuanceerd worden. Zoals aangestipt in de algemene omgevingsanalyse is het beleidsmatig relevant om 2 groepen ouderen te onderscheiden: zij die nog in staat zijn om zelfstandig te wonen en zij die intensief moeten omringd worden met medische of andere zorgen. Uit onderzoek blijkt dat vele ouderen de overgang naar de tweede groep maken rond hun 80ste verjaardag. Het cohort 65-80 jarigen stelt specifieke uitdagingen. Hier zullen we in de toekomst te maken hebben met actieve, goed opgeleide en bewuste burgers. Door de gewijzigde samenlevingsvormen zal het ook vaak gaan om alleenstaande senioren. Verwacht mag worden dat een significant aantal van deze ouderen hun woning zullen verlaten. Feit is wel dat ze niet zozeer zullen verhuizen naar een rusthuis. Eerder zal de vraag naar kleine appartementen, serviceflats en studio’s toenemen. Omdat het aanbod aan aangepaste woningen vandaag nog onvoldoende aangepast is aan de vraag van de senioren, zal deze schaarste voor extra druk op de prijzen zorgen in deze segmenten. Verwacht wordt dat die druk sterker voelbaar zal zijn in centrumsteden, grootsteden en kustgemeenten, waar actieve senioren aangetrokken worden door de nabijheid van zeer veel faciliteiten. Hoeveel van deze jong gepensioneerden effectief hun woning op de markt zullen brengen is op dit moment moeilijk in te schatten. Uit bevragingen terzake blijkt immers ook dat de wil om te verhuizen, ondanks de te grote en oude woning vaak ontbreekt. Vele ouderen blijven vaak het liefst in hun eigen stek, omringd door hun kinderen en kleinkinderen. Het familiaal weefsel en het kunnen blijven wonen in de vertrouwde omgeving is voor veel ouderen een belangrijk goed. Woningen die bij een gelijkblijvend woonbeleid met zekerheid op de markt zullen komen, zijn de panden die in het bezit zijn van de generatie 80 plussers. Hoewel het contingent eigenaars daalt onder de hoogbejaarde senioren, zijn velen onder hen nog steeds eigenaar van vrij oude woningen, die nog niet voorzien zijn van een gemiddeld comfort en op een aantal vlakken dus dringend aan renovatie toe. Uit de studie rond de woonbehoefte van ouderen in de toekomst blijkt dat die woningen significant vaker voorkomen in de buitengebieden, de grootstedelijke en de regionaal stedelijke rand (Myncke & Vandekerckhove, 2007). Vanaf de leeftijd van 80 jaar zien we vandaag een significante toename van het aantal opnamen in RVT of ROB. De zorgbehoefte wordt op dat ogenblik vaak dermate groot dat evident gekozen wordt voor een georganiseerde en externe vorm van mantelzorg. Specialisten verwachten dat door de steeds gezondere levensstijl en de toename van de medische technologie ouderen in de toekomst veel langer gevrijwaard zullen blijven van ernstige fysieke belemmeringen. Toch zal de druk op de sector van de rusthuizen toenemen wegens de sterke aangroei van dit cohort ouderen. Bovenstaande paragrafen wijzen erop dat de vergrijzing niet alleen zaligmakende effecten zal hebben op de woningmarkt. Door het substitutie-effect is de daling van de woningprijzen niet op alle segmenten te verwachten. Twee andere bedenkingen kunnen hieraan toegevoegd worden. In eerste instantie wijzen we op het feit dat in het segment van de eengezinswoningen en villa’s een 9
sterk aanbodsoverschot kan resulteren in leegstand en verkrotting. Aangezien verwacht mag worden dat jonge gezinnen in de toekomst eerder geneigd zullen zijn om energiezuiniger en dus ook vaak compacter te wonen, wordt deze leegstand eerder voor grotere, weinig geïsoleerde, oudere woningen in de buitengebieden verwacht. Ook de gezinsverdunning zal dit in de hand werken. In tweede instantie is het waarschijnlijk dat zowel in de collectieve sector van de RVT en ROB als in de sector van de serviceflats en kleine, aangepaste, kwalitatieve appartementen schaarste-effecten zullen optreden. Hoewel investeringen in extra bedden in de rust- en verzorgingssector wellicht onvermijdbaar zijn, is de tijd ook aangebroken dat beleidsmatig wordt nagedacht hoe met deze gewijzigde vraag- en aanbodskarakteristieken zal worden omgegaan in de toekomst. De vergrijzingsproblematiek leidt ertoe dat nieuwe afstemmingen nodig zijn tussen het welzijnsbeleid, de ruimtelijke ordening en het woonbeleid. De regelgeving in deze beleidssectoren is vandaag nog te weinig gericht op diverse vormen van ‘samenhuizen’. We denken in dit kader aan kangoeroewonen en duplexwonen. Kangoeroewonen heeft betrekking op woningen die worden gedeeld door een alleenstaande oudere of een ouder stel en een jonger koppel. De oudere bewoner(s) betrekken het gelijkvloers van de woning, de jongeren bewonen de vertrekken op de verdiepingen. Beide woongedeelten zijn gescheiden maar verbonden via een interfoon, zodat de oudere bewoners in geval van nood een beroep kunnen doen op de jongere bewoners. De twee samenlevende gezinnen hebben geen familiale relatie. Is dit wel het geval dan spreekt men van duplexwonen; hier betreft het doorgaans ouderen die een annexwoning of een gedeelte van een bestaande woning van kinderen of familieleden betrekken en die omwille van privacyredenen een aparte toegang tot de woning hebben. De Australische, Skandinavische en Nederlandse toestand wijzen uit dat kangoeroewonen en duplexwonen zeker niet voorbehouden zijn voor de private markt. Ook in de sociale huisvestingssector en de huurmarkt kunnen dergelijke initiatieven ingang vinden. Dat is ook vandaag in Vlaanderen al de realiteit; duplexwoningen komen vooral voor in de sociale huursector; in 2005 waren bij de toenmalige Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (VHM) bvb. 5234 duplexwoningen beschikbaar. Anderzijds valt het niet te ontkennen dat het percentage aan ouderen, dat vandaag collectief woont buiten de RVT, kloosters of verzorgingsinstellingen, eerder verwaarloosbaar is. Toch bieden dergelijke innoverende woonprojecten de gelegenheid om ouderen met beperkte fysieke beperkingen en een verhoogde behoefte aan veiligheid, zorg en aandacht omringd te laten wonen in aangepaste en kwalitatieve woonunits. Aangezien dergelijke collectieve woonvormen grotere woonruimtes vereisen, kan dit ook het hierboven gesitueerde probleem van leegstand en verkrotting van grotere, oudere woningen tegen gaan. Kangoeroe- en duplexwonen kan verder ook interageren met een systeem van gezondheidszorg dat gekenmerkt wordt door verregaande extramuralisatie. Om economische, ecologische en sociale redenen, zou het kangoeroe- en duplexwonen fiscaal kunnen gestimuleerd worden. Eerst moet nog grondig nagedacht worden over een aantal juridische en praktische belemmeringen: - bij het omvormen van een bestaande woning naar een kangoeroewoning is momenteel een bouwvergunning vereist aangezien er sprake is van een bestemmingswijziging en de woning overgaat van de groep eensgezinswoningen naar meergezinswoningen; dit remt de omvorming van een woning tot een meergezinswoning af en moet daarom herbekeken worden; - er is onduidelijkheid over welke wetgeving van toepassing is; ingeval de oudere bewoner niet over eigen wc, bad of douche of kookgelegenheid beschikt is niet de Vlaamse wooncode maar het Kamerdecreet van toepassing; de finaliteit kan evenwel in beide gevallen dezelfde zijn; - bij het verbouwen van een woning naar een kangoeroewoning wordt vandaag het kadastraal inkomen (KI) aangepast; aangezien dit vaak resulteert in een uitbreiding van de woning zal de fiscale druk door een dergelijke verbouwing stijgen; - bij kangoeroewoningen en duplexwoningen zal het gedeelte dat niet door de eigenaars wordt gebruikt als woonhuis juridisch als tweede woonst worden beschouwd; voor dit gedeelte (ongeacht of het verhuurd wordt of niet), is het belastbaar inkomen gelijk aan het geïndexeerd KI vermeerderd met 40%; - Ambtenaren die moeten vaststellen of de zorgrelatie wel degelijk aanwezig is, ontbreken vandaag vaak de middelen om dit effectief te doen; er wordt gevreesd voor misbruiken; 10
- Er is nog te weinig nagedacht over wat er fiscaal en kadastraal moet gebeuren met de woning wanneer de oudere bewoners overlijden; - Gemeenten interpreteren wat als gemeenschappelijke delen kan doorgaan vaak erg verschillend; horen gangen, garages en de tuin hier al of niet toe? - 2 of meer volledig gescheiden en uitgeruste woonentiteiten maken is alleen maar mogelijk in stedelijke gebieden en dorpscentra; de constructie of verbouwing in andere gebieden is afhankelijk van de lokale invulling van het ruimtelijk structuurplan. Hoewel op termijn ook kan worden nagedacht over verregaandere vormen van collectief wonen zoals de Nederlandse woonzorgzones, is Vlaanderen in eerste instantie gebaat bij het stimuleren van kangoeroewonen en duplexwonen. Diverse fiscale instrumenten zijn daartoe geschikt. Dit wordt verder uitgewerkt in bijlage 2 en de bijhorende ideeënfiche;
3. Verkeersstromen in de toekomst: gaan we nog vooruit? Voorafgaande opmerking: deze titel herneemt in grote mate delen uit de algemene omgevingsanalyse maar legt daarbij ook eigen accenten. Gezien de grote actualiteitswaarde van dit onderdeel is het immers al ruim aan bod gekomen in de algemene omgevingsanalyse. De tabellen zijn voor de eenvoud weggelaten. Vlaanderen heeft een zeer uitgebreide transportinfrastructuur en een centrale ligging binnen Europa. Het wil deze troeven verder uitspelen en zijn concurrentiele positie in de logistieke sector versterken en verzilveren. Om die positie te behouden is het noodzakelijk dat de infrastructuur beter wordt gebruikt. Vlaanderen bezit een sterk uitgebouwde infrastructuur. Ons autosnelwegennetwerk maar ook het binnenvaartnetwerk zijn, na dat van Nederland, het dichtste van Europa. Het spoorwegennetwerk is zelfs het meest uitgebreide net binnen de hele Unie. Dat maakt van Vlaanderen een zeer goed ontsloten regio. Deze uitgebreide infrastructuur wordt in toenemende mate benut, zowel voor personen- als vrachtvervoer. Sinds 1995 steeg het aantal voertuig- en personenkilometer op Vlaamse wegen met 15 procent. Het bus- en spoorvervoer kenden over diezelfde periode een sterkere groei van het aantal personenkilometer. Dat resulteert in een voorzichtige aanzet tot een modal shift: het aandeel van personenwagens daalde ten voordele van de aandelen van bus-en spoorvervoer. Daarmee loopt Vlaanderen voor op de rest van de EU, waar het wegvervoer nog steeds aan belang wint. De impact van de modal shift is wel beperkt omdat het totaal aantal personenkilometer sterk stijgt en omdat het toegenomen bus en treinvervoer niet altijd autoverkeer vervangen heeft. Ook voor het goederenvervoer merken we het begin van een modal shift op. Binnenvaart en vrachtvervoer per spoor winnen terrein op het vrachtvervoer via de weg. Net als bij het personenvervoer staat deze positieve trend dwars op die van de gehele Europese Unie. We moeten echter opletten bij de interpretatie van de statistieken. De Europese definitie voor de modale verdeling houdt bij het vrachtvervoer over de weg enkel rekening met de tonkilometers afgelegd door vrachtwagens die geregistreerd zijn in een specifiek land (of regio). Er wordt dus geen rekening gehouden met het aantal tonkilometer die door buitenlandse vrachtwagens in Vlaanderen worden gereden. Deze groep is echter van groot belang op ons dicht wegennet. Ter illustratie: het aantal tkm. door Vlaamse vrachtwagens steeg tussen 1995 en 2006 met 7 procent, terwijl het aantal in Vlaanderen gereden tkm. in dezelfde periode met een 40-tal procent steeg. De globalisering en het openstellen van de Europese grenzen heeft het buitenlandse vrachtvervoer via de weg in onze centraal gelegen regio sterk doen toenemen. In 2008 wordt het aandeel van buitenlandse vrachtwagens in het binnenlandse vrachtverkeer op 42 procent geschat. Het 11
transitverkeer, waarbij geladen noch gelost wordt, steeg in België tussen 1990 en 2006 met bijna 150 procent en maakt nu 17 procent uit van het totale aantal verreden tonkilometer op de weg. Het toegenomen gebruik van onze transportinfrastructuur leidt helaas niet enkel tot tewerkstelling en economische groei. De verkeersstromen veroorzaken ook neveneffecten en externe kosten zoals congestiekost, infrastructuurkost, milieukost en ongevallenkost. Het meest zichtbare effect van de toegenomen verkeersdrukte is het fileleed tijdens de spitsuren. In 2007 stonden de automobilisten 5,4 miljoen uren in de file op de Vlaamse hoofdwegen. Dit is 5,3% van het aantal gereden uren. Op de Ring rond Brussel zijn dat 9,6% verliesuren en rond Antwerpen 4,8%. Tegenover 2006 is dat een stijging met een vijfde. Het totaal aantal file-uren is een onderschatting van de echte congestiekosten omdat er ook een belangrijke kost verbonden is aan de schedule delay. In MIRA 2004 werd uitgebreid ingegaan op de externe kosten van het wegverkeer in Vlaanderen en de mate waarin deze externe kosten al meegenomen zijn in de belastingen. Sinds 1991 zijn de externe kosten van luchtvervuiling sterk gedaald (-47%). Dit is vooral te danken aan verbeterde voertuigmotoren. Deze daling wordt echter gedeeltelijk teniet gedaan door een trend naar oudere en grotere voertuigen. De externe kosten van luchtvervuiling, klimaatverandering en geluidshinder vormden in 2002 ongeveer 12,5 % van de totale externe kosten van wegverkeer. De marginale externe congestiekosten zijn de enige kosten die in de periode 1991-2002 stijgen (+31 %). Dat komt door de toename van het verkeersvolume en de bijbehorende files. De marginale externe kosten van congestie vormen veruit de belangrijkste schadecategorie. Algemeen geldt dat in Vlaanderen de marginale externe kosten van wegverkeer groter zijn dan belastingen (27,3 euro externe kosten per 100 voertuigkilometer t.o.v. 8,6 euro belastingen). Indien de overheid ervoor zou opteren alle externe kosten van het wegverkeer te verhalen op de veroorzaker, zouden de belastingen op wegverkeer dus moeten stijgen. De externe kost zelf wordt ook kleiner wanneer de belasting verhoogt. Welke factoren beïnvloeden de toekomstige verkeersstromen van personen- en goederenvervoer? De vraag naar het aantal verplaatsingen (zowel voor personen- als vrachtvervoer) hangt af van allerlei factoren. Demografie, tewerkstelling, economische groei, nieuwe infrastructuurprojecten, locatiebeleid voor woon-, winkel- en industriezones, brandstofprijzen, wetgeving, … zijn enkele van de vele beïnvloedende factoren. De evolutie van sommige factoren is gemakkelijker te voorspellen dan andere. Zo weten we dat Vlaanderen de komende jaren geconfronteerd zal worden met toenemende vergrijzing, ontgroening en gezinsverdunning. De economische groei en het streven naar een hogere werkzaamheidgraad zal ook leiden tot een toename van het aantal werkenden. De evolutie van brandstofprijzen is dan weer moeilijker te voorspellen op lange termijn. Sommige beïnvloedende factoren hebben een sterke onderlinge wisselwerking. Na het bepalen van de verkeersbehoefte moet ook gekeken worden naar de keuze van het vervoermiddel om die verplaatsingen te maken. Die keuze wordt bepaald door de ‘wet van de minste weerstand’. Hoe minder weerstand een bepaalde vervoerskeuze opwekt, hoe meer kans dat het vervoermiddel wordt verkozen. De weerstand wordt onder meer bepaald door de kost, de reistijd, het aantal overstappen, … Goederenvervoer Door de universiteit van Antwerpen werd het MOBILEC-goederenvervoermodel uitgebouwd dat rekening houdt met de relatie tussen economie, transport en de keuze van de vervoerwijze. Het model wordt gebruikt voor de berekening van de effecten van (potentiële) beleidsmaatregelen voor Vlaanderen en doet projecties voor de periode 2000-2030.
12
Op basis van deze studie komt het belang van de uitbreiding van de wegencapaciteit en/of de verhoging van de beladingsgraad op de economische groei sterk naar voor. Het invoeren van prijsmaatregelen zonder nevenmaatregelen zou een minder sterke economische groei tot gevolg hebben. Daarom is een efficiënte besteding van de heffingsopbrengsten noodzakelijk. Eerste simulatieresultaten tonen het belang aan van een verbeterde hinterlandontsluiting voor binnenvaart en spoor. Volgens het PLANET-model van het federale Planbureau zou het totale goederenvervoer in België tussen 2005 en 2030 met bijna de helft toenemen (+45% voor tonnage, +47% voor tonkilometer). Het aandeel van het nationale vervoer zou afnemen, terwijl aan- en afvoer zou toenemen als gevolg van toenemende internationale betrekkingen. Het transitverkeer (zonder overslag) zou tegen 2030 relatief afnemen door de stijging van de transportkosten die in België hoger liggen dan in de andere landen. Het aandeel van goederenvervoer over de weg zou in de eerste periode nog licht toenemen, waardoor de gemiddelde snelheid op de weg daalt. Hierdoor zal men gemakkelijker overstappen naar het spoor en de binnenscheepvaart. Naast de potentiële goederenstromen via de weg, binnenvaart en spoor is er vrachtvervoer via lucht- en zeehavens. Voor het vrachtvervoer via de lucht wordt in de nabije toekomst een tijdelijke daling van de tonnage verwacht door de verhuis van de Europese hoofdzetel van DHL uit Zaventem. DHL is momenteel goed voor de helft van de tonnage op de nationale luchthaven. Toch zal de vervoerde vracht niet halveren, want DHL behoudt een regionale hub in Zaventem. De uitbater van Brussels Airport verwacht dat binnen enkele jaren het huidige tonnage opnieuw gehaald wordt. Voor de zeehavens wordt een sterke stijging van de overslag verwacht, en dat onder invloed van toenemende globalisering van de wereldeconomie. Landen produceren daarbij de goederen waarin ze concurrentieel zijn, andere worden geïmporteerd. De productiecyclus van één product is daarbij vaak verspreid over verschillende landen. In Vlaanderen – doorvoer en distributieregio bij uitstek – laat deze evolutie zich extra voelen. Voor de haven van Antwerpen (momenteel goed voor 70% van de overslag in de Vlaamse zeehavens) bestaan projecties tot 2030. Daar wordt een toename van het totale aan- en afgevoerde volume voorspeld van 183 miljoen ton in 2007 naar 301 miljoen ton bij hoge economische groei, of 230 miljoen bij lage economische groei. Vooral de containeraanvoer zou sterk toenemen: in 2007 goed voor 95 miljoen ton (52%), een kwart eeuw later zou dit reeds 206/ 158 miljoen ton (69%) zijn. De focus op de containers is te verklaren door de wijze van transport van en naar het hinterland. De aan- en afvoer van containers van en naar de haven verloopt bijna integraal via de weg. Voor het wegennet rond Antwerpen zou dit kunnen betekenen dat de verzadigingsgraad 100 procent bereikt. Dit veroorzaakt problemen: vanaf 70 procent treedt occasionele congestie op en vanaf 90 procent structurele congestie. Dit is duidelijk niet de ontwikkeling die men wil bereiken omdat hier de negatieve neveneffecten duidelijk groter zijn dan de baten. Een belangrijke beleidsontwikkeling hier is de kilometerheffing voor vrachtwagens die door Vlaanderen momenteel onderzocht wordt. Eerste resultaten tonen aan dat, gegeven de hoge implementatiekosten, dit best een vrij hoge heffing wordt, dat dit de groei van het vrachtverkeer duidelijk kan afremmen maar dat het terugdringen van de congestie uiteindelijk ook maatregelen vergt voor het autoverkeer dat meer dan 80% van het wegverkeer uitmaakt. Een laatste belangrijke conclusie is dat de invoering van km heffingen slechts nuttig zijn indien de netto opbrengsten goed besteed worden en dit betekent niet noodzakelijk voor verkeersinfrastructuur (bron: advies Steunpunt Fiscaliteit en Begroting, januari 2009 omtrent rekening rijden voor vrachtwagens). 13
Personenvervoer Er wordt verwacht dat de afgelegde personenkilometers wereldwijd met 1,6% per jaar zullen toenemen tot 2030. Voor de Europese OESO-landen verwacht men een groei van 1% per jaar. Verbeteringen in energie-efficiëntie van voertuigen zullen meer dan gecompenseerd worden door de toename van het aantal voertuigen en het gemiddelde gebruik ervan. Het PLANET-model van het federale Planbureau voorspelt voor België een toename van het aantal reizigerskilometer met 22% tussen 2005 en 2030. Het aantal verplaatsingen zou blijven stijgen. De aangroei zou echter het grootste zijn in de niet verplichte sfeer van recreatie, boodschappen, ... en minder bij woon-werk en schoolverplaatsingen. Voor modal splits wordt verwacht dat het aandeel van de personenwagen constant blijft, vooral door de alleen rijdende automobilisten (wat nauw samenhangt met de toename van het aantal alleenwonende personen). Het aandeel van personenvervoer via het spoor zou licht stijgen, ten nadele van het bus-tram vervoer dat onder verkeerscongestie te lijden zal hebben, bij ongewijzigd beleid. In 2030 zou (volgens het PLANET-model) de gemiddelde snelheid op de weg tijdens de spitsuren 23% lager liggen dan in 2005 en 12% lager tijdens de daluren. Dit zou resulteren in een verschuiving van het verkeer naar de daluren waardoor het de hele dag druk zal zijn op de wegen. Een mogelijke oplossing voor het terugdringen van de congestie op de weg is het meer algemeen invoeren van rekeningrijden voor auto's.
4. De vergrijzing slaat toe, langzaam maar zeker, met een grotere financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten tot gevolg? Recente studies van de HRF, Studiecommissie voor de Vergrijzing ( HRF 2003, p. 7), tonen aan dat sinds enige jaren de kosten voor vergrijzing een stijgende trend vertonen. De komende decennia zullen de kosten voor vergrijzing die ons land zal moeten torsen oplopen van 22,6% van het BBP in 2007, over 24,1% in 2013, 26,9% in 2030 tot 28,9% in 2050. Over een periode van ongeveer 40 jaar zullen de kosten van vergrijzing bijgevolg met 6,3% van het BBP toenemen. De volgende Vlaamse Regering (2009 – 2014) zal weliswaar nog niet ten volle geconfronteerd worden met de impact van de vergrijzing van de bevolking. Vanaf 2015 zal echter de bedoelde kost loodzwaar beginnen te wegen op het federale budget. Het overgrote deel van de kosten van vergrijzing worden op dit ogenblik door de federale overheid gedragen. In 2007 kwam 20,9%¨van de bedoelde kosten voor rekening van de federale overheid (entiteit I). Entiteit II (deelgebieden en lokale overheden) droeg 1,7% van de kosten. De verwachtingen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zijn dat het aandeel van Entiteit II over de periode tot 2050 zich zal stabiliseren rond 1,6%. Dit betekent dat de groei van de vergrijzingskosten (in percent van het BBP) volledig voor rekening van Entiteit I zal komen. De volgende Vlaamse Regering zal zich bijgevolg dienen te bezinnen over de vraag of en hoe lang deze situatie nog houdbaar is. De vraag in kwestie dient trouwens niet alleen door de Vlaamse Regering behartigd te worden. De overige regeringen van Entiteit II mogen het eveneens als hun taak en / of plicht beschouwen om deze vraag, die hoe langer hoe prangender wordt, tot de hunne te nemen. Rekening houdende met het voorgaande, staat de komende Vlaamse Regering voor de uitdaging om verder werk te maken van de budgettaire houdbaarheid van haar openbare financiën. Het dient gezegd: in een recent verleden is er reeds een solide aanvang genomen met het opbouwen van reserves die in functie van de noodwendigheden, voor vergrijzing zullen kunnen ingezet worden. 14
Het Vlaams Pensioenfonds, het Vlaams Zorgfonds en het Vlaams Toekomstfonds zijn in deze zin de meest voor de hand liggende voorbeelden. Hierbij mag in één adem vermeld worden dat de Vlaamse Regering er een traditie van gemaakt heeft om jaarlijks de opgelegde begrotingsnorm ruimschoots te overschrijden. Dit impliceert dat de Vlaamse Regering haar uitgaven en ontvangsten stevig onder controle heeft en op deze wijze niet onbelangrijke (kas)overschotten heeft opgebouwd. De Vlaamse Regering heeft er in een recent verleden voor geopteerd om de overschotten gedeeltelijk in te zetten voor initiatieven ter bestrijding van de economische crisis die in het tweede semester van 2008 de kop kwam opsteken. De genoemde initiatieven hadden telkens een zekere return en / of terugverdieneffect voor ogen. De Vlaamse Regering heeft in een recent verleden getracht om de interregionale transfers in kaart te brengen. Het studiewerk dat met betrekking tot het thema van de interregionale transfers is geleverd, is aanzienlijk. Ook de Nationale Bank van België heeft zich op dit terrein gewaagd (NBB, Economisch Tijdschrift september 2008, p. 99-120). De studie uitgevoerd door het Steunpunt Fiscaliteit en Begroting kwam tot de conclusie dat de transfers tussen regio’s in 2005 opliepen tot 4,7 miljard euro. Stellen dat het Vlaamse Gewest zich hier als een netto betaler gedraagt, komt neer op het intrappen van een open deur. Het is overduidelijk dat het eventueel overnemen van federale vergrijzingskosten door de Vlaamse Regering niet mag leiden tot een inflatie inzake de interregionale transfers. Het al dan niet gerechtvaardigd zijn van de transfers doet in deze niets ter zake. Bronnen - BATYRA, A., CARDULLO, G., COCKX, B., DEJEMEPPE, M., DENNI, M., GÖBEL, C., SNEESSENS, H., VAN DER LINDEN, B. (2005) Evaluations micro et macroéconomiques des allégements de la (para)fiscalité en Belgique, Série. Problèmes actuels concernant la cohésion sociale, Gent, Academia Press et Politique scientifique fédérale. - BIATOUR, B. EN C. KEGELS (2008) Productivity and growth in Belgium, Working Paper, 17-08, Federaal Planbureau. - DHONT, T. EN F. HEYLEN (2009) Employment and growth in Europe and the US – the role of fiscal policy composition, Oxford Economic Papers, forthcoming. - FEIJTEN, P. (2005) Regionale verschillen in de effecten van de vergrijzing op het woningaanbod, Ruimtelijk planbureau, paper voorgesteld op de Dutch Demography Day, 6 oktober 2005 in Utrecht. - GOOSSENS, L. & HAESEVOETS, G. (2005) Menswaardig wonen voor ouderen in Vlaanderen. De groeiende vergrijzing en haar effecten op de woningmarkt,Leuven, Provincie Vlaams Brabant. - HANUSHEK, E. EN L. WOESSMANN (2009) Do Better Schools Lead to More Growth? Cognitive Skills, Economic Outcomes, and Causation, NBER Working Paper, N° 14633. - HEYLEN K. & WINTERS S. (2008), Betaalbaarheid van het wonen voor starters op de woningmarkt. Bijkomende gegevens op basis van de Woonsurvey 2005, Steunpunt Ruimte en Wonen, Leuven, 48 p. - HRF (2007) Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen, HRF, Brussel. - HFR (2003) Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juni 2003. - MYNCKE, R. & VANDEKERCKHOVE, B. (2007) Toekomstige ruimtebehoefte voor ouderen in Vlaanderen, Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement RWO-Woonbeleid. - NBB, Economisch Tijdschrift van 18 september 2008, Intergewestelijke overdrachten en solidariteitsmechanismen via de overheidsbegroting. - SKOCZYLAS, L. EN B. TISSOT (2005) Revisiting recent productivity developments across OECD countries, BIS Working Paper, n° 182, Bank for International Settlements. - DE TIJD (2008) Vergrijzing maakt einde aan vastgoedhausse, http://www.tijd.be/nieuws/ondernemingen_diensten/Vergrijzing_maakt_einde_aan_vastgoed hausse_.6424549-431.art?highlight=ruimte, geraadpleegd op 5.3.2008. 15
DEEL 2: VOORSTELLEN VOOR DE NIEUWE VLAAMSE REGERING 1. Europese dimensie 1.1
Naar een meer actieve rol in het Europees besluitvormingsproces
Europese regelgeving wordt steeds meer belangrijk en is dikwijls determinerend voor onze eigen regelgeving. Het Europese besluitvormingsproces is transparant, toch heeft de Vlaamse overheid, zeker rond de thema’s fiscaliteit en openbare financiën (ESR), nog onvoldoende greep op enerzijds de Europese besluitvorming en het normenkader daar rond, anderzijds de interpretaties ervan. Op Belgisch niveau ligt voor fiscale aangelegenheden de kennis en de coördinatie bij de FOD Financiën, voor openbare financiën bij de Nationale Bank. Dat die kennis en coördinatie voor de Belgische staat als geheel, bij die instellingen aanwezig is, is logisch en stelt op zich geen probleem. Maar dit betekent wel dat de Vlaamse overheid afhankelijk is van deze partijen. Dit stelt ons voor problemen wanneer wij, als Vlaamse overheid, in de voorbereiding van besluitvorming, waarbij dikwijls verschillende mogelijke denkpistes naar voren kunnen worden geschoven, keuzes dienen te maken. Dit brengt het risico met zich mee dat de betrokken Europese instellingen achteraf afkeurend optreden. Wanneer bovendien in die omstandigheid bepaalde besluitvorming of voorbereidingen daaromtrent reeds aan de burger werden gecommuniceerd, leidt dit dikwijls tot verwarring. Het eigen maken van die specifieke kennis, moet bij de voorbereiding van Vlaamse besluitvorming ondersteuning bieden om: -
mogelijke discrepanties van mogelijke eigen besluitvorming met Europese regelgeving in kaart te brengen en, daarmee samenhangend,
-
het risico te bepalen dat bepaalde beslissingen door Europa anders zouden geïnterpreteerd kunnen worden;
-
eigen Vlaamse standpunten naar Europa toe beter te verdedigen, via de geëigende kanalen.
Door daarbij gebruik te maken van de reeds bestaande kanalen (via het Departement Internationaal Vlaanderen en de Vlaamse vertegenwoordiging binnen de Belgische Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Unie) moeten we op die manier beter gewapend zijn om enerzijds meer te wegen op de Europese besluitvorming, anderzijds onze besluitvorming van meet af aan beter af te stemmen op de Europese regels ter zake.
1.2
Financiële implicaties van Europese besluitvorming
Europese regelgeving noopt vaak tot het aanpassen van nationale wetgeving. Afhankelijk van de materie betreft dit regionale regelgeving. In vele gevallen heeft deze Europese besluitvorming echter ook financiële implicaties. Die implicaties kunnen zich zowel situeren op het niveau van de overheid (regionale, lokale) als op het niveau van de burger (bedrijf, natuurlijk persoon). Deze financiële implicaties worden niet steeds in kaart gebracht, maar kunnen op korte of middellange termijn een impact hebben op de begroting van de Vlaamse overheid en dus de beleidsruimte beknotten of in zeldzame gevallen uitbreiden, hetzelfde geldt naar de burger toe. In het kader van een verfijning van het Vlaamse meerjarenplan is het vanuit die optiek dus nuttig de (mogelijke) financiële consequenties van Europese regelgeving mee op te nemen of toch minstens in kaart te brengen. Dit kan gebeuren voor reeds goedgekeurde Europese besluitvorming, maar evenzeer voor besluitvorming die in de pijplijn zit. Voor Vlaanderen financieel moeilijk haalbare (mogelijke) Europese beslissingen, kunnen op die manier bij Europa aangekaart worden. Reeds 17
door Europa genomen beslissingen of beslissingen waarvan men mag verwachten dat zij op korte termijn zullen worden goedgekeurd, kunnen eventueel reeds in het meerjarenplan worden verrekend. Ook het in kaart brengen van financiële implicaties voor de burger (bedrijven of natuurlijke personen) kan nuttig zijn om Europa op de financiële gevolgen te wijzen dan wel dit in de communicatie naar de betrokkenen te gebruiken.
2. Een actief fiscaal beleid Vlaanderen heeft een actief fiscaal beleid nodig. Daartoe is een drie-sporenbeleid raadzaam: via 1) fiscaal doelgroepenbeleid, 2) effectieve en efficiënte fiscaliteit en 3) vergroende fiscaliteit.
2.1
Fiscaal doelgroepenbeleid
2.1.1 Doelgroepenbeleid via verminderingen op personenbelasting en onroerende voorheffing
Op het vlak van de impliciete toekenning van “voordelen” is voor de Vlaamse fiscaliteit een sociaal doelgroepenbeleid aangewezen. De directe toekenning van voordelen verbonden aan het OMNIOstatuut is op dit ogenblik eerder beperkt. Een gerichte forfaitaire vermindering in de personenbelasting kan op dat vlak enig soelaas bieden. Een meer gecibleerde, doelgerichte, maatregel gericht op de laagste inkomensgroepen en/of op de oudere werknemers (waarbij vervroegd uittreden zo veel mogelijk moet worden ontraden) moet bijdragen tot het vergroten van de actieve bevolking. De fiscaliteit kan ook inspelen op het welzijnsbeleid. Hoewel op termijn ook kan worden nagedacht over verregaandere vormen van collectief wonen zoals de Nederlandse woonzorgzones, is Vlaanderen in eerste instantie gebaat bij het stimuleren van kangoeroewonen en duplexwonen. Diverse fiscale instrumenten zijn daartoe geschikt. Deze voorstellen worden nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 1. 2.1.2 Doelgroepenbeleid via modulering van schenkingsrechten
Ook de schenkingsrechten kunnen, het weze bescheiden, bijdragen tot een doelgroepenbeleid. Zo zouden de schenkingsrechten kunnen gemoduleerd worden in functie van de leeftijd van de begunstigden of van de schenker. Op dit ogenblik kent het schenkingsrecht geen vrijstellingen gekoppeld aan leeftijd. Er bestaan wel in bedrag beperkte verminderingen voor kinderlast. Uit de studies van het Steunpunt Fiscaliteit & Begroting omtrent de verlaging van schenkingsrechten op roerende goederen blijkt dat duidelijk meer personen geschonken hebben dan voor de hervorming. Uit de surveys afgenomen bij potentiële schenkers en begunstigden, blijkt verder ook dat beide partijen deze hervorming een belangrijke stap in de goede richting vonden. Anderzijds stellen we wel vast dat de schenkers nog steeds vrij lang wachten om een transfer te doen naar kinderen, familieleden of andere begunstigden. Op basis van de onderzochte aktes die werden geïnventariseerd in 9 registratiekantoren blijkt dat het gemiddelde van de leeftijden van alle schenkers in de steekproef 76,3 jaar is. De gemiddelde leeftijd van de unieke schenker ligt met 78,8 jaar nog wat hoger dan die van de modale eerste schenker. De gemiddelde leeftijd van een schenkend ‘koppel’ is 71,1 jaar. De gemiddelde leeftijd van de eerste schenker is 76,8 jaar. In 68,7% van de gevallen betreft het hier een schenker van het mannelijk geslacht. De tweede schenker is een stuk jonger: de gemiddelde leeftijd bedraagt 69,5 jaar. Het gemiddelde leeftijdsverschil tussen twee schenkers van een ‘koppel’ bedraagt drie jaar. Het aantal schenkers dat gemiddeld jonger is dan 50 is quasi verwaarloosbaar (2%). (Smolders & Cottyn, 2009). Indien men de vermogensoverdracht bij leven verder wil stimuleren dan zou kunnen overwogen worden om de schenkingsrechten verder te laten variëren met de leeftijd van de schenker. Deze filosofie werd ondermeer in Frankrijk in praktijk gebracht. De Franse staat hanteert dezelfde progressieve tarieven voor schenkingen als voor erfenissen; wel is het zo dat schenkingen die voor 65 jaar plaatsvinden een korting van 25% 18
genieten op de erfenisrechten; schenkingen die tussen 65 en 75 jaar gebeuren, genieten een korting van 15%. Voor schenkingen van roerende goederen die in Vlaanderen gebeuren voor de leeftijd van 65 jaar zou men een vrijstelling kunnen overwegen. Voor onroerende schenkingen die voor de leeftijd van 60 jaar gebeuren zou men tevens een sterke korting op de huidige marginale tarieven kunnen toestaan of een belastingvrije drempel kunnen inbouwen tot 100 000 euro. Dit zou een sterke stimulans kunnen geven aan het op jongere leeftijd doorgeven van onroerend goed aan de volgende generaties. Gelet op de prijzen op de woningmarkt is het voor jonge mensen niet meer evident een eigen woning te verwerven zonder hulp van derden (ouders, grootouders, …). Ook het starten van een eigen zaak vergt een hele investering. Een vrijstelling in de functie van leeftijd is een extra stimulans om kapitaal vrij te maken en te schenken wanneer de kinderen jong zijn. Als we een kijkje nemen bij onze noorderburen dan kunnen we vaststellen dat daar wordt gewerkt met drempelvrijstellingen. Drempelvrijstellingen vervallen indien de verkrijging hoger is dan de drempel. Voor kinderen bestaan er twee drempelvrijstellingen nl. Eénmalige vrijstelling voor kinderen tussen 18 jarige leeftijd en 35 jarige leeftijd
22.760,00
Kind (per schenking – jaarlijks)
4.556,00
Deze vrijstellingen geven de kinderen, kleinkinderen een duw in de rug om een eigen woning te verwerven of een eigen zaak te starten. Bovendien zou de leeftijd van de begunstigden dalen. Nu blijkt uit voormelde studie dat de gemiddelde leeftijd van de begunstigden 46.8 jaar is, een kleine helft van de begunstigden is zelfs gemiddeld ouder dan 50 jaar. De gemiddelde leeftijd van de begunstigde in de zijlijn is gemiddeld nog een stukje ouder. Deze maatregel houdt daarnaast een terugverdieneffect in, in die zin dat de jonge mensen de verkregen sommen investeren in de economie in plaats van op een slapende spaarrekening te plaatsen.
2.2
Effectieve en efficiënte fiscaliteit
2.2.1 Afschaffing hypotheeklasten en tijdelijke verlaging registratierechten
Een effectieve fiscaliteit moet zorgen voor positieve economische stimulansen, zeker in periodes van economische teruggang. Tijdelijke fiscale stimuli kunnen de impact van deze teruggang milderen. Een afschaffing van de hypotheeklasten bij de verwerving van een eigen woning gecombineerd met een tijdelijke (drastische) verlaging van de registratierechten kan een daadwerkelijke stimulans betekenen voor de economie / bouwnijverheid. De verlaging van de registratierechten zou wel enkel verleend worden indien daadwerkelijk bouw- of verbouwingswerkzaamheden worden doorgevoerd. De bouw werd in het verleden geregeld aangeduid als sector die het herstel kan bevorderen in tijden van economische en financiële crisis. De kredietcrisis die nauwelijks twee kwartaal geleden plots haar intrede deed, doet heel onze economie in een recessie belanden. Dus ook de bouwsector. Die sector maakt zich klaar om in 2009 een negatieve groei door te maken van 0.8% tot misschien wel 1%. Op het vlak van woningbouw, daalt de markt dit jaar, maar volgend jaar zou die zich wat kunnen herstellen. Want de jongste beschikbare cijfers over bouwvergunningen handhaven zich op een goed niveau. Op lange termijn hangt alles echter af van de bouwkosten, de financieringsmogelijkheden en de evolutie van de werkloosheid. Vooral over dit laatste punt en over het gevoel van jobonzekerheid zijn de vooruitzichten zorgwekkend. De renovatiemarkt zou dan de fakkel moeten overnemen, als reservemarkt voor die van de nieuwbouw. Beide markten evolueren gewoonlijk los van elkaar. Vooral de energierenovatie dient zich aan als dé reddingsboei voor de woningmarkt! Daarbij goed ondersteund door de overheid. 19
2.2.2 Nieuw fiscaal pact
Niet alleen tijdelijke fiscale maatregelen zijn nodig om positieve economische stimulansen te brengen. Daarnaast dringen zich evenzeer permanente ingrepen om de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsfiscaliteit veilig te stellen. Deze vaststelling vormt meteen de grondslag voor een nieuw fiscaal pact. In het kader van het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen is in het verleden onderzoek gedaan naar de lokale bedrijfsfiscaliteit. Uit dat onderzoek is gebleken op basis van bevragingen bij schepenen van Financiën dat een fiscaal pact volgende essentiële componenten zou moeten beogen: - streven naar uniformiteit van de heffingen - streven naar vereenvoudiging van de lokale bedrijfsbelastingen - verhogen van transparantie/eenvoud/duidelijkheid van belastingreglementen voor bedrijven - rechtszekerheid voor bedrijven en gemeenten In het licht van de vereenvoudiging van de lokale bedrijfsfiscaliteit alsmede het formuleren van voormelde economische impuls, is het aangewezen lokale belastingen op drijfkracht af te schaffen. Voorts werden in het kader van voormeld onderzoek meerdere aanbevelingen gedaan. Uit een van die aanbevelingen bleek dat een algemene afschaffing van de belasting op drijfkracht een substantiële invloed zou hebben op gemeentelijke inkomsten. Dergelijke afschaffing zou dan ook tot een verhoging van de fiscale druk via de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen onroerende voorheffing leiden wanneer gemeenten geen passende compensatie zouden ontvangen. De afschaffing van de gemeentelijke belasting op drijfkracht kan een kostenzijde hebben van circa 90 miljoen euro.3 In Wallonië werd vanaf 1 januari 2006 voor alle nieuwe investeringen zowel de gemeentelijke belasting als de provinciale belasting op drijfkracht afgebouwd. De impact hiervan werd volledig (gemeentelijk) of gedeeltelijk (provinciaal) gecompenseerd door het Waalse Gewest. Daarbij werd geargumenteerd dat deze werkwijze viel binnen de impliciete bevoegdheden van het Gewest, zodat er geen inbreuk was op artikel 170 § 4 GW. Deze redenering zou ook door Vlaanderen kunnen worden gehanteerd. Het is evenwel geenszins de bedoeling afbreuk te doen aan de fiscale autonomie van de gemeenten. 2.2.3 Humaniserende maatregelen inzake successierechten
Een aantal maatregelen inzake successierechten zijn voorts nodig die niet zozeer een positieve economische impact hebben maar die wel vandaag ervaren onbillijkheden moeten wegwerken. Dit betreft het afschaffen van successierechten tussen partners (echtgenoten en wettelijk samenwonenden) alsook het afschaffen van successierechten van ouders die erven van hun kinderen. De afschaffing zal niet alleen de gepercipieerde onrechtvaardigheid elimineren maar vergroot meteen ook het maatschappelijke draagvlak voor de successierechten in het algemeen. Ook op deze manier kan de effectiviteit, via het verminderen van ontwijkingsgedrag, worden verbeterd. Vanuit dezelfde filosofie lijkt het aangewezen inzake successierechten een voetvrijstelling in te voeren en voor de zijlijn de rechten te beperken tot maximaal 50%. Deze voorstellen worden nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 2.
2.2.4 Naar een Vlaamse fiscale codex
Het opstellen van een Vlaams fiscale codex op het vlak van inning en invordering voor de Vlaamse belastingen moet een verregaande uniformisering en daarmee efficiëntie bewerkstelligen. Daarbij wordt in eerste instantie vooral gedacht aan de belastingen waarvan de Vlaamse Belastingdienst de inning en invordering verzekert. Dit voorstel wordt nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 3.
3 Zie Jaarbeeld 2007 Agentschap voor Binnenlands Bestuur, voor de opbrengst van de gemeentelijke belasting op drijfkracht, p. 74.
20
2.2.5 Regionalisering van het kadaster
De regionalisering van het kadaster blijft vanuit het oogpunt van een effectieve en efficiënte Vlaamse fiscaliteit evenzeer onontbeerlijk. Bij dergelijk ingreep zouden problemen aangaande het kadaster – die bijvoorbeeld de brondocumentatie vormt voor de onroerende voorheffing – snel en efficiënt kunnen worden aangepakt. 2.2.6 Afschaffing van achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstelling en identificatie van potentiële discriminaties
De vraag naar een effectieve en efficiënte fiscaliteit eist niet alleen een vooruitblik maar ook een terugblik op en screening van bestaande regelgeving. Zo kunnen niet alleen enkele achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstellingen opgeheven worden maar kunnen tevens bepaalde potentiële discriminaties geïdentificeerd en geremedieerd worden. Dit voorstel wordt nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 4.
2.3
Vergroende fiscaliteit
2.3.1 Vergroening van de verkeersfiscaliteit
Niet zozeer om economisch positieve impulsen te creëren maar wel uit bezorgdheid voor een groene fiscaliteit is de vergroening van de verkeersfiscaliteit nodig. Tevens dringt de Europese Commissie meer en meer aan om de huidige belastbare grondslagen te verlaten. Diverse ontwerprichtlijnen voorzien een gefaseerde overschakeling naar een "vergroening" van de verkeersfiscaliteit en het is slechts een kwestie van tijd dat deze definitief worden zodat Vlaanderen zich hier best op voorbereidt. Meerdere opties zijn daarbij valabel. Een plausibel alternatief is de ecologische modulering van de verkeersbelastingen. Ander valabel alternatief is het ecobonus / ecomalus systeem. Deze voorstellen worden nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 5. Voorgaande alternatieven tot vergroening van de verkeersfiscaliteit sluiten naadloos aan bij het onderzoek dat de Vlaamse Regering al heeft gedaan naar de invoering van een kilometerheffing voor vrachtwagens. Voorgesteld wordt om in elk geval verder te werken op het voorlopige standpunt van de Vlaamse Regering van 19 december 2008, nadat eerder de invoering van een wegenvignet werd afgevoerd. Dit voorstel wordt nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 5. 2.3.2 Vergroening van de registratierechten?
Niet alleen op het vlak van verkeersfiscaliteit zijn milieuvriendelijke fiscale maatregelen nodig. Naar analogie met de regeling inzake de onroerende voorheffing wordt aldus onderzocht hoe ook op het vlak van registratierechten gunstmaatregelen voor energiezuinige woningen kunnen worden getroffen. Hierbij kan gedacht worden aan de procentuele verlaging van het tarief bij de aankoop van een woning (algemeen tarief en tarief “klein beschrijf”) die voldoet aan een nader te bepalen energieprestatienorm. Dit voorstel wordt nader uitgewerkt in ideeënfiche nr. 6.
21
3. Grotere financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten Recente studies van de HRF, Studiecommissie voor de Vergrijzing (4), tonen aan dat sinds enige jaren de kosten voor vergrijzing een stijgende trend vertonen. De volgende Vlaamse Regering zal zich bijgevolg dienen te bezinnen over de vraag of en hoe lang deze situatie nog houdbaar is. De vraag in kwestie dient trouwens niet alleen door de Vlaamse Regering behartigd te worden. De overige regeringen van Entiteit II mogen het eveneens als hun taak en / of plicht beschouwen om deze vraag, die hoe langer hoe prangender wordt, tot de hunne te nemen. Rekening houdende met het voorgaande, staat de komende Vlaamse Regering voor de uitdaging om verder werk te maken van de budgettaire houdbaarheid van haar openbare financiën. De Vlaamse Regering heeft er in een recent verleden voor geopteerd om de overschotten gedeeltelijk in te zetten voor initiatieven ter bestrijding van de economische crisis die in het tweede semester van 2008 de kop kwam opsteken. De genoemde initiatieven hadden telkens een zekere return en / of terugverdieneffect voor ogen. Deze weg mag verder bewandeld worden. De Vlaamse Regering zal jaarlijks een deel van haar budget reserveren en actief beleggen. De Vlaamse Regering moet het lef en de ambitie hebben om op basis van onderhandelingen en overleg met de federale overheid en met de overige deelstaten een deel van de vergrijzingskosten naar zich toe te trekken. Echter, voor wat, hoort wat. Bijkomende bevoegdheden inzake sociale zekerheid moeten hierbij in de weegschaal durven gelegd worden. Het is overduidelijk dat het eventueel overnemen van federale vergrijzingskosten door de Vlaamse Regering niet mag leiden tot een inflatie inzake de interregionale transfers. Het al dan niet gerechtvaardigd zijn van de transfers doet in deze niets ter zake. De Vlaamse Regering zal zich bereid tonen vergrijzingskosten over te nemen als en slechts als er ook gerelateerde bevoegdheden mee overgedragen worden. Een werkbare hypothese kan hier zijn dat het Vlaamse Gewest / de Vlaamse Gemeenschap bevoegd wordt voor het vaststellen van de pensioenbijdrage die als deel van de sociale zekerheidsbijdrage ingehouden wordt op het brutoloon van de werknemers die in het Vlaamse Gewest worden tewerkgesteld. Een grotere financiële verantwoordelijkheid kan echter ook via een alternatieve weg tot resultaat leiden. Naast het opbouwen en gericht inzetten van reserves en het claimen van bijkomende bevoegdheden, kunnen de deelstaten ook via grotere fiscale autonomie de Vlaamse burger rechtstreeks vrijwaren van (vergrijzings)kosten. Meer fiscale autonomie biedt aan de deelstaten de mogelijkheid om een actiever en gerichter fiscaal beleid te voeren dat gericht kan zijn op het vermijden of minstens uitstellen van vergrijzingskosten. Fiscaliteit is nu eenmaal een uitgelezen instrument om burgers te stimuleren langer aan het werk te blijven. Bovendien kan de aanschaf of de verdere uitbouw van strategische participaties door de Vlaamse overheid in economisch relevante sectoren (bijvoorbeeld in de sector van de energie- en nutsvoorzieningen) resulteren in een grotere impact op het prijszettingsbeleid. Het prijszettingsbeleid maakt bijgevolg op deze wijze deel uit van het geheel aan instrumenten die kunnen ingezet worden om de kosten van de vergrijzing te milderen. Dat hierbij de dividendenstroom naar het buitenland getemperd wordt, kan als positief beschouwd worden. Deelstaten die op deze wijze hun verantwoordelijkheid opnemen, moeten ook gebruik kunnen maken van een flexibele normering. Een begrotingsnorm mag niet langer een rigide gegeven zijn, waarvan slechts in functie van de noodwendigheden van een deelnemende overheid afgeweken wordt. De begrotingsnormering dient over een vooraf bepaalde periode – die ruimer kan zijn dan een legislatuur - als een credit systeem geconcipieerd te worden. De betrokken deelstaat bouwt over de bedoelde periode volgens eigen ritme credits op en engageert zich om tegen het einde van die
4
Hoge Raad van Financiën, Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juni 2003, blz.7
22
periode een vooraf onderhandeld totaal te bereiken. Alleen op deze wijze kan het principe van conjunctuurgerelateerde normering ingang vinden. Aangaande de invoering van flexibele normering is het belangrijk om kort even stil te staan bij de problemen en onvolmaaktheden van het huidige systeem van begrotingsnormering. De HRF is het orgaan dat de benodigde begrotingsnormering vooropstelt op basis van een langetermijnperspectief, hierbij rekening houdende met de toename van vergrijzingskosten tot het jaar 2050. De HRF stelt deze begrotingsnormering op voor alle Belgische overheidsniveaus samen. Op basis van dit langetermijnperspectief wordt een jaarlijks te bereiken resultaat voor alle Belgische overheidsniveaus samen afgeleid. Deze resultaten op korte en middellange termijn worden overgemaakt aan de Europese Unie in het kader van de werking van het Groei- en Stabiliteitspact. Op basis van de vastgestelde korte- en middellange termijndoelstellingen worden in de schoot van het Overlegcomité en de Interministeriële Conferentie van Financiën en Begroting de verschillende jaardoelstellingen voor de diverse overheden in België afgesproken. Tot op heden heeft de Vlaamse overheid zich steeds geëngageerd om de gemaakte afspraken tussen de diverse overheden meer dan ten volle te respecteren. Zo heeft de Vlaamse overheid in de periode 1999-2007 voor 2,4 miljard euro meer overschotten geboekt dan afgesproken. De laatste begrotingsjaren hebben duidelijk aangetoond dat er evenwel een probleem is met de huidige manier van werken met vooraf vastgestelde jaargebonden normeringen. Door de forse groei aan inkomsten en de bijgevolg hoger dan ingeschatte onderbenutting van beschikbaar gestelde kredieten, wordt het Vlaamse begrotingsbeleid in de periode 2006 tot en met 2008 gekenmerkt door steeds grotere vooruitbetalingen van uitgaven, teneinde de jaarlijks te realiseren begrotingsnorm zo exact mogelijk te benaderen. De machtiging voor deze vooruitbetalingen wordt meestal op het einde van het begrotingsjaar gegeven door het Vlaams Parlement door middel van (amendementen op) extra begrotingscontroles. Dit aspect van het begrotingsbeleid is ingegeven vanuit de huidige wetenschap dat het realiseren van niet afgesproken overschotten in een bepaald begrotingsjaar niet automatisch resulteert in de mogelijkheid tot het recupereren van deze overschotten in de daaropvolgende begrotingsjaren. Zo zou het bijvoorbeeld in de huidige financieel-economische crisis interessant kunnen zijn voor de Vlaamse overheid om op een moment dat de verwachte inkomsten zwaar onder druk komen te staan de in het verleden opgebouwde extra overschotten te kunnen aanwenden om de huidige crisis te bestrijden. Tot op heden bestaan hier evenwel geen afspraken over en wordt er dan ook geremedieerd via het werken met vooruitbetalingen van uitgaven, ook al bestaat het risico dat deze vooruitbetalingen niet als uitgaven worden beschouwd van het jaar waarin ze effectief worden vereffend, en dit omwille van het feit dat er op het moment van de vooruitbetaling in principe nog geen effectieve vordering aan de Vlaamse overheid openstaat. Macro-economisch gezien laat de huidige vorm van vastgestelde jaargebonden normeringen ook geen anti-cyclisch beleid toe en werkt het zelfs eerder grotere conjunctuurschommelingen in de hand. Een tweede aspect dat bij de invoering van een flexibele normering een rol speelt, heeft betrekking op de relevantie van de huidige spijziging van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eénmalige Investeringsuitgaven (FFEU) bij een vastgestelde jaargebonden begrotingsnormering. Ook de huidige werking van het FFEU staat in principe haaks op het werken met vastgestelde jaargebonden normeringen. De werking van het FFEU bestaat erin dat niet aangewende verbintenissen - en verplichtingenkredieten worden gerecupereerd teneinde ze voor eenmalige investeringsprojecten of schuldafbouw te kunnen inzetten. De werking van het FFEU vertrekt m.a.w. van het uitgangspunt dat niet aangewende kredieten (lees: begrotingsoverschotten) van een begrotingsjaar op termijn toch kunnen worden aangewend en dit uitgaande van de veronderstelling dat er in het
23
begrotingsjaar waarin de onderaanwending zich voordoet voldoende ontvangsten zijn gerealiseerd om de toekomstige uitgaven van het FFEU te financieren. In de wetenschap dat de uitgeoefende verplichtingen van het FFEU ook meegeteld worden bij het bepalen van de totale uitgaven van de Vlaamse overheid in een bepaald begrotingsjaar en in de wetenschap dat de huidige normering jaargebonden is, dient vastgesteld te worden dat de gebeurlijke overschotten van een bepaald begrotingsjaar niet zonder meer aanleiding kunnen geven tot toekomstige uitgaven via het FFEU. Anders gesteld kan een groter dan ingeschatte onderaanwending van kredieten in een bepaald begrotingsjaar aanleiding geven tot het bemoeilijken van het behalen van de begrotingsnormering in volgende jaren. Vertrekkende van bovenstaande redenering kan dan ook vastgesteld worden dat in het licht van de huidige vorm van jaargebonden normering de werking van het FFEU niet tot zijn recht komt. Het is dan ook eerder aan te raden om de eenmalige uitgaven of schuldaflossing die door het FFEU worden gedaan via een jaarlijkse vaste dotatie van het Vlaams Ministerie voor Financiën en Begroting te financieren. Op deze manier kunnen de uitgaven van het FFEU op korte en middellange termijn beter worden ingeschat, waardoor de kwaliteit van de meerjarenbegroting positief beïnvloed wordt. De hierboven vermelde problemen zouden kunnen worden opgelost door te werken met een meer flexibele vorm van normering, waarbij gebeurlijke overschotten op de begroting in een bepaald jaar kunnen worden aangewend voor eventuele gebeurlijke tekorten in volgende begrotingsjaren. Deze flexibele vorm van normering kan in principe op verschillende manieren worden gerealiseerd: De begrotingsnormering kan worden gecorrigeerd voor gebeurlijke conjunctuurschommelingen ten opzichte van het lange termijn groeipad van het BBP. Hierbij dienen de nodige maatregelen te worden voorzien opdat de Vlaamse overheid op middellange termijn aan de begrotingsdoelstellingen voldoet. Deze vorm van flexibele normering laat bijgevolg toe om enerzijds een anti-cyclisch begrotingsbeleid te voeren en anderzijds zal de gebeurlijke grotere onderaanwending van kredieten bij hoogconjunctuur, die aanleiding geeft tot een hogere jaarlijkse spijziging van het FFEU, kunnen aangewend worden ten tijde van laagconjunctuur. Een andere vorm van flexibele normering kan er in bestaan dat extra overschotten die in bepaalde begrotingsjaren worden behaald, kunnen ingezet worden in volgende begrotingsjaren. Ook met deze vorm van normering kan de regering een anti-cyclisch begrotingsbeleid voeren en kan de huidige werking van het FFEU mee worden ondersteund. Naast de bovenvermelde positieve effecten van flexibele vormen van normering is het ook zo dat het mogelijk wordt om, naast de normering op basis van verplichtingen, ook in een normering op basis van verbintenissen te voorzien. Het werken met een verbintenissennorm biedt de mogelijkheid om de gezondheid van de openbare financiën op middellange en lange termijn te helpen ondersteunen. Tot op heden kan de werking van een verbintenissennorm moeilijk worden gecombineerd met een vastgestelde jaargebonden normering met betrekking tot de verplichtingen van de Vlaamse overheid. Bij deze twee vormen van normering – verplichtingennorm versus verbintenissennorm komen namelijk ook de mogelijk tegengestelde belangen tussen het korte en (middel)langetermijnperspectief naar voor omwille van het bestaan van conjunctuurschommelingen. Zo kan de situatie zich voordoen waarbij er, op een moment van laagconjunctuur, bij een jaargebonden normering op basis van verplichtingen opgeroepen wordt tot het doorvoeren van besparingen, terwijl de werking van de verbintenissennorm de boodschap weergeeft dat er op (middel)lange termijn nog steeds een structurele groei van de middelen te verwachten is waardoor er op het vlak van verbintenissen geen besparingen nodig zijn. Het niet besparen inzake verbintenissen kan dan evenwel weer aanleiding geven tot verhoogde verplichtingen, wat dan weer de vastgestelde jaargebonden normering in gedrang kan brengen. Samenvattend kan gesteld worden dat een systeem van flexibele normering op middellange tot lange termijn (verplichtingen- en / of verbintenissennormering) het rigide systeem van jaargebonden verplichtingennormering doorbreekt en voor de participerende overheden een aantal 24
voordelen oplevert waarbij de bewaking van de openbare financiën niet uit het oog verloren wordt. De krachtlijnen van dit voorstel zijn opgenomen in ideeënfiche nr. 7.
4. Beheer van financiële reserves en schulden De afgelopen jaren heeft de Vlaamse overheid haar schuld systematisch afgebouwd en herleid tot quasi nul op 31/12/2008. Daarenboven heeft ze een aantal reserves [Vlaams pensioenfonds, Vlaams Zorgfonds, Vlaams Toekomstfonds] kunnen opbouwen om aan toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Ook de volgende jaren kunnen er verder reserves opgebouwd worden om de toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Het kan zowel gaan om een verdere voortzetting van bestaande reserves, als het creëren van nieuwe fondsen om nieuwe uitdagingen aan te gaan zoals, bijvoorbeeld noden in het kader van de vergrijzing of in het kader van de economische crisis. Het beheer van deze verschillende reserves zit echter verspreid over de verschillende entiteiten. Verschillende kleine teams trachten dezelfde gespecialiseerde kennis op te bouwen om deze reserves zo goed mogelijk te beheren. Een optimaal beheer van deze reserves vereist specifiek, hoog gespecialiseerde competenties, die schaarser worden op de arbeidsmarkt. Het volledig uitbesteden van deze taken is een denkbare optie maar kan leiden tot een verlies aan competenties binnen de Vlaamse overheid. Competenties die hoe dan ook binnen de Vlaamse overheid aanwezig moeten zijn voor het bepalen van de richtlijnen (politiek, kader), de uitbesteding zelf en de controle op het beheer. De financiële crisis heeft aangetoond dat er (grote) risico’s zijn verbonden aan sommige beleggingen. Financiële instellingen en markten zijn niet in staat om zichzelf te reglementeren (reguleren). Daarenboven heeft, door de mondialisering, deze financiële crisis ook gevolgen in Vlaanderen. Blind vertrouwen in financiële instellingen is niet meer van deze tijd. Bij de meer risicovollere beleggingen, zoals aandelen, is het dus belangrijk dat de risico’s op voorhand voldoende worden ingeschat. Tevens dient bij het uitbreken van dergelijke crisis op een snelle en gepaste wijze geëvalueerd en gereageerd te worden. Een grondige analyse en controle en een uitgebreide rapportering zijn onder andere (belangrijke) elementen om dit te kunnen bereiken. Al deze elementen tonen aan dat een centralisatie van deze competenties, personeel en middelen en bijgevolg van het beheer van deze reserves is aangewezen. Iedere entiteit heeft ook zijn eigen beleid over het beheer van deze reserves. Wordt er in obligaties en/of aandelen belegd? Wordt er duurzaam/ethisch belegd? Welke criteria worden er gehanteerd om dit duurzaam beleggen te bepalen? Wordt er enkel belegd in Vlaamse ondernemingen of ook in Belgische, Europese of zelfs wereldwijd gevestigde ondernemingen? Het zijn allemaal vragen die ieder reservefonds zich zelf zal stellen en leidt tot een diversiteit aan beleggingsstrategieën zonder enige coherentie. Ook in dit kader is een centralisatie van het beheer aangewezen. Hierbij kan dan de nadruk gelegd worden op het ethische en duurzame karakter van beleggingen. Door consequent te zijn in al haar beleggingen kan de Vlaamse overheid een krachtig signaal geven naar het bedrijfsleven en de samenleving. Ieder fonds maakt ook kosten in het kader van het beheer van haar reserves. Kosten die het rendement verlagen. Zo zal er soms specifiek gespecialiseerde ondersteuning worden ingehuurd, zullen er kosten worden gemaakt voor het externe beheer van reserves, … Sommige van deze kosten worden dubbel gemaakt, andere kosten kan men verlagen door een groter volume aan te bieden. Het centraliseren van dit beheer versterkt de onderhandelingspositie van de Vlaamse overheid bij het beleggen van deze reserves. Daarenboven dienen er kosten gemaakt te worden bij verandering van externe beheerder. De oude beheerder dient al de effecten te verkopen en de nieuwe beheerder dient al deze effecten opnieuw aan te kopen. 25
Vandaag is het mogelijk dat Vlaanderen zelf een institutionele BEVEK opricht. Het externe beheer van deze Vlaamse BEVEK kan zonder al te grote kosten overgedragen worden van de ene beheerder naar de andere beheerder. Ieder fonds afzonderlijk zijn eigen institutionele BEVEK laten oprichten is niet de meest optimale strategie voor de Vlaamse overheid in zijn geheel. Ook hier zouden er dan sommige kosten dubbel gemaakt worden. Centralisatie zal leiden tot meer efficiëntie en kostenbesparing binnen de Vlaamse overheid. Dit zal het rendement van ieder fonds afzonderlijk uiteindelijk verhogen en zo meer middelen genereren voor de financiering van deze toekomstige uitdagingen. Dit alles zal gerealiseerd worden door de oprichting van één Vlaamse BEVEK. Zo kan er gestreefd worden naar maximale financiële meerwaarde voor de reserves van de Vlaamse overheid met de nadruk op ethische en duurzame ontwikkeling. In het kader van de financiële crisis heeft de Vlaamse overheid directe of indirecte kapitaalinjecties gedaan in verschillende financiële instellingen. De beschikbare reserves werden hiervoor aangesproken en uitgeput waardoor de Vlaamse overheid opnieuw zal moeten ontlenen. De economische vooruitzichten zijn zeker voor 2009 niet rooskleurig, hierdoor bestaat de kans dat na jaren van budgetoverschotten er in 2009 en 2010 ook zal moeten ontleend worden als gevolg van budgettekorten. Door de financiële crisis is er een schaarste ontstaan in de bankkredieten en zijn de marges spectaculair verhoogd. Gewone bankkredieten afsluiten om deze tekorten te financieren wordt moeilijk en duur. De Vlaamse overheid zal dus de verschillende onderdelen van de (internationale) kapitaalmarkt goed moeten opvolgen en adequate instrumenten ontwikkelen om zich op de meest efficiënte en goedkoopst mogelijke wijze te financieren. Dit geldt niet alleen voor haar eigen schulden maar ook voor de gewaarborgde schulden. Daarenboven zal de Vlaamse overheid, na jaren van beleggingsbeheer, weer aan actief schuldbeheer moeten doen. Hiertoe zullen de nodige normen en instrumenten worden opgezet. De krachtlijnen van deze voorstellen zijn opgenomen in ideeënfiche nr. 8.
26
5. Risicomanagement De overheid wordt door de economische en financiële omstandigheden gedwongen om in de economie, naast haar rol van regisseur, steeds meer die van speler zelf op te nemen. Via aandelenbezit en waarborgen ondersteunt de overheid momenteel sectoren, die tot dus ver, financieel, quasi uitsluitend door de privé-sector zelf werden ondersteund. Dit betekent dat de overheid steeds meer, en ook andere financiële risico’s neemt, dan dit tot nu toe het geval was. Het risicomanagement gebiedt dat hiervoor, op het niveau van de Vlaamse overheid in haar geheel, passende beheersmaatregelen worden genomen. Tegelijkertijd hebben de economische en financiële omstandigheden op de financiële markten en bij de banken ertoe geleid dat de Vlaamse overheid van haar kassiers niet meer dezelfde thesauriële ruimte kan verkrijgen, dan dat dit voorheen het geval was. Ook dit noopt de Vlaamse overheid tot een stringenter thesauriebeheer en dus een striktere beheersing van de financiële risico’s. Het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid verplicht reeds iedere entiteit een afdoend systeem van interne controle op te zetten. Dit werd verder uitgewerkt in een nota van de Vlaamse Regering, waarin enerzijds, de ontwikkelde “leidraad organisatiebeheersing” als referentie inzake interne controle naar voren werd geschoven, anderzijds aan alle entiteiten de verplichting werd opgelegd om tegen eind 2010 over een beheerste organisatie te beschikken. Naast de leidraad werden ook nog andere instrumenten ontwikkeld die de entiteiten moeten toelaten om, met respect voor een goede interne controle, zich beter te organiseren. Met deze instrumenten is er een afdekking van de belangrijkste risico’s op entiteitsniveau mogelijk, maar neemt het niet weg dat de Vlaamse overheid als geheel nog aan risico’s onderhevig is of bepaalde risico’s globaal dienen benaderd te worden, zeker op financieel vlak. Om hogergenoemde redenen is het dus onontbeerlijk dat voor het afdekken van financiële risico’s, beheersmaatregelen worden uitgewerkt die, niet alleen op entiteitsniveau, maar over alle entiteiten heen worden uitgewerkt. In de eerste plaats is dit het geval voor het thesauriebeheer. Het aanzetten tot goed financieel beheer wordt momenteel bewerkstelligd door een systeem van vergoeding die de afzonderlijke rechtspersonen voor goed financieel beheer ontvangen in het kader van het Centraal Financieringsorgaan (CFO). Of deze maatregel ook de beoogde resultaten behaalt, kunnen we vermoeden, maar is zeer moeilijk aantoonbaar. Dit is zo gesteld in een rapport dat het Rekenhof in 2008 daarover heeft opgesteld. Bovendien ligt het moeilijk om deze maatregel ook door te trekken naar alle entiteiten van de Vlaamse overheid en er dus ook de ministeries bij te betrekken. Andere beheersmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van een evaluatie van een leidend ambtenaar, zijn denkbare pistes om ervoor te zorgen dat het thesauriemanagement over de ganse Vlaamse overheid beheerst blijft. Zinvolle parameters die kunnen gebruikt worden zijn correctheid van de inschattingen (bedrag en tijdstip), respect voor de vervaldag (niet te vroeg (tenzij anders overeengekomen), niet te laat (met eventuele nalatigheidinteresten tot gevolg). Ook de entiteiten van de Vlaamse ministeries zouden op die manier kunnen geresponsabiliseerd worden. Een ander element van risicobeheer dat entiteitsoverschrijdend dient bekeken te worden is het bijhouden van een inventaris en het beheren van participaties. De Vlaamse overheid bezit zeer veel participaties in diverse sectoren. De ermee gemoeid gaande bedragen zijn enorm, de risico’s nemen in dezelfde mate toe, zeker wanneer we het hebben over publiek genoteerde bedrijven of bedrijven die aan een groot gedeelte van de Vlaamse bevolking diensten of producten ter beschikking stellen of nog voor belangrijke tewerkstelling zorgen. Het verplicht de Vlaamse overheid met deze nieuwe, maar ook bestaande, risico’s als een goed huisvader om te gaan. In eerste instantie is er dan ook de noodzaak om van een globale inventaris te vertrekken. Dergelijk globaal overzicht is echter niet permanent voor handen en vergt heksetoeren om deze bij de verschillende entiteiten te bekomen. Een permanente inventaris zou centraal en permanent ter beschikking moeten zijn. In het licht van risicomanagement is het bijhouden van een inventaris slechts een eerste stap, het beheer van de participaties zelf is nog veel belangrijker. Het moet duidelijk zijn wie wat dient te inventariseren en wie beheerder van participaties is, en welke de verantwoordelijkheden zijn van die beherende entiteiten/personen (“personen” in het kader van bijvoorbeeld een bestuurdersmandaat). Centraal kan daartoe een handreiking worden opgesteld die deels informatief is, deels een aantal verplicht te volgen richtlijnen oplegt. 27
In dezelfde lijn van participaties neemt ook het verlenen van waarborgen steeds maar toe. Ook in dit kader is nood aan een volledige inventaris en moet het duidelijk zijn wie het beheer van specifieke waarborgen voor zijn/haar rekening neemt, en wat precies onder beheer verstaan wordt. En net zoals bij participaties kan ook hier een handreiking worden opgesteld met enerzijds algemene informatie, anderzijds een verplicht aantal te volgen richtlijnen.
28
Ideeënfiche nummer 1 Naam van de actie: Een meer sociale fiscaliteit Beschrijving van de actie: Forfaitaire vermindering/jobkorting met sociale dimensie De Bijzondere financieringswet laat het toekennen door de Gewesten van een belastingkrediet op de personenbelasting niet toe; het verlagen van de sociale zekerheidsbijdragen is eveneens uitgesloten. De jobkorting kan wel aangewend worden op het niveau van de Gewesten, mits behoud van de progressiviteit, binnen bepaalde grenzen en indien gerelateerd tot de Gewestelijke bevoegdheden. De jobkorting is evenwel geen belastingkrediet, maar een belastingvermindering. Het grootste verschil tussen een belastingkorting en een belastingkrediet betreft het feit dat in het eerste geval belastingplichtigen de factuur maximaal tot 0 kunnen zien dalen. In geval van een belastingkrediet kan er wel sprake zijn van een ‘negatieve belasting’ die kan worden uitgekeerd als reëel voordeel aan de belastingplichtige. Dit verschil is vooral relevant voor die belastingbetalers die in de feiten niet belast worden, we denken specifiek aan de laagste inkomens en genieters van vervangingsinkomens. Qua zichtbaarheid en stimulerende effecten zijn beide instrumenten wel sterk vergelijkbaar. In beide gevallen gaat het om een vermindering van de te betalen belasting, die voor de burger beter voelbaar is dan wanneer het een verhoogde aftrekpost zou betreffen. Aangezien de jobkorting net als een belastingkrediet verrekend wordt via de bedrijfsvoorheffing, verdwijnt ze niet in de afrekening en verhoogt ze het maandelijks netto-inkomen van een belastingplichtige op reële wijze. De jobkorting zoals vandaag geconcipieerd lokte de laatste tijd veel kritiek uit. Door het feit dat de korting vaak geïnterpreteerd werd als een poging van de Vlaamse overheid om de hoge federale druk op de individuele burger te verlagen, vragen een aantal groepen (vrouwen in zwangerschapof moederschapverlof, mensen die door de crisis hun job zijn kwijtgespeeld, huisvrouwen en – mannen, gepensioneerden, zieken en personen met een handicap die niet kunnen werken) zich af waarom zij hiervan niet kunnen genieten. Door het feit dat de focus van de lastenverlaging op de werkende groep lag, is het uitsluiten van bovenstaande groepen een logisch gegeven. Dit neemt evenwel niet weg dat in de toekomst de korting op de personenbelasting zou kunnen worden gehanteerd voor sociale doeleinden, zoals het ondersteunen van die groepen in de maatschappij die momenteel het meest kwetsbaar zijn. We denken specifiek aan het toestaan van een jobkorting aan gehandicapte personen met een OMNIO-statuut. Een ander punt van kritiek betreft het gegeven dat er weinig relevante differentiatie is voorzien binnen het kortingensysteem. Het bedrag van de jobkorting wordt enkel bepaald in functie van het activiteitsinkomen. In een volgende legislatuur zou kunnen overwogen worden om dit instrument verder te cibleren. Gedacht zou kunnen worden aan een verhoging van de korting voor die werknemers die na de leeftijd van 55 jaar weer actief worden. Om tot reactivatie te leiden moet de korting evenwel voldoende substantieel en structureel zijn. Zo zou bvb. overwogen kunnen worden dat een 55 plusser een verdubbeling van de bestaande korting geniet gedurende tenminste 3 jaar. Simulaties moeten toelaten de concrete bedragen en duurtijd van de kortingen te bepalen rekening houdende met de budgettaire ruimte van de overheid en het 6,75% plafond uit de Bijzondere Financieringswet.
29
Op het vlak van fiscale maatregelen voor collectief wonen Indien men de huidige bewoners wil aanmoedigen om het huis zodanig te verbouwen dat het door meerdere generaties voldoende onafhankelijk van elkaar kan bewoond worden dan kan dit best gebeuren via de onroerende voorheffing. Concrete maatregelen die kunnen genomen worden hebben betrekking op het bevriezen van het K.I. gedurende een substantiële periode na de verbouwing. Alternatief of bijkomend kan ook de wetgeving aangepast worden door de huidige verminderingen, die gelden ingeval een gehandicapte persoon of een gehandicapte echtgenoot die deel uitmaakt van het gezin van de eigenaar, uit te breiden tot 2 andere personen ingeval kan worden aangetoond dat er effectief van kangoeroe- of duplexwonen sprake is. Voor kopers van potentiële kangoeroe- of duplexwoningen kan additioneel nagedacht worden over het toestaan van een uitgebreid abattement. Aanvullend kunnen ook de schenkingsrechten op de overdracht van onroerende goederen in het geval van kangoeroewoningen verlaagd worden. (cfr. de verlaging van de schenkingsrechten op bouwgronden). Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Fiscaal doelgroepenbeleid Beoogde output: Nieuwe decretale maatregelen op volgende gebieden: -
forfaitaire vermindering personenbelasting aan gehandicapte personen met OMNIO-statuut
-
Verhoging van forfaitaire vermindering voor 55-plussers Simulaties doorvoeren die de impact van maatregelen op het vlak van collectief wonen kunnen bepalen op het budget van de Vlaamse overheid en de gemeenten.
Te bereiken doel: Een meer sociale fiscaliteit. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): De uitwerking van dit initiatief en nader onderzoek ervan kan binnen de bestaande personeelsmiddelen en middelen voor het steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek worden opgevangen. Er is geen bijkomende budgettaire impact aan verbonden. Simulaties moeten toelaten de concrete bedragen en duurtijd van de jobkortingen te bepalen rekening houdende met de budgettaire ruimte van de overheid en het 6,75% plafond. Aangezien er momenteel geen betrouwbare cijfers zijn m.b.t. het aantal reeds bestaande kangoeroewoningen, is het heel moeilijk om een uitspraak te doen over de budgettaire kost hiervan. Men zal in de toekomst via simulaties van de verwachte behoefte aan dergelijke collectieve woonvormen moeten uitmaken welke impact dit zou kunnen hebben op het budget van het Gewest én van de gemeenten. Verwacht wordt evenwel dat tijdens de eerste jaren slechts een zeer beperkt aantal transacties op de woningmarkt dit karakter zullen hebben; een verbrede en versnelde invoering op grote schaal vergt immers een mentaliteitswijziging die er niet van vandaag op morgen zal komen.
30
Ideeënfiche nummer 2 Naam van de actie: Humanisering successierechten Humanisering Beschrijving van de actie: Met de afschaffing van successierechten tussen partners zou de volgende Vlaamse Regering verder gaan op de weg die ze reeds was ingeslagen bij de afschaffing van successierechten op het nettoaandeel van de langstlevende in de gezinswoning. Met deze verdere humanisering schrijft de volgende Vlaamse Regering zich voorts in in een internationale tendens om de successierechten tussen partners te elimineren dan wel ernstig te reduceren. Bovendien is dit een maatregel met een eerder beperkte budgettaire impact (zie hierna). Let wel, in tegenstelling tot in Nederland waar een ruime voetvrijstelling geldt ten aanzien van de overlevende partner, wordt hierbij geen rekening gehouden met de werkelijke of vermoedelijke draagkracht van de verkrijger. Het hanteren van een verruimde voetvrijstelling laat toe voor de diverse categorieën van belastingplichtigen onderscheiden voetvrijstellingen uit te werken. Ook in onze buurlanden zijn dergelijke voetvrijstellingen courante praktijk, daarbij is het gebruikelijk de voetvrijstelling te laten variëren naargelang de graad van verwantschap (hogere voetvrijstelling in rechte lijn dan in de zijlijn). Vooral in de zijlijn draagt een voetvrijstelling bij tot verhoogde aanvaarding van successierechten gezien de hoge tarieven. In de rechte lijn ligt de beweegreden van het invoeren van voetvrijstelling eerder in de humanisering van de successierechten gezien de nauwe verwantschap met de overledene.
Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Effectieve en efficiënte fiscaliteit Beoogde output: Verder onderzoek naar de budgettaire impact van het invoeren voetvrijstellingen en verlaagde tarieven in de zijlijn. Te bereiken doel: Meer humane successierechten. Door het verbreden van het maatschappelijk draagvlak moet ook de fiscal compliance toenemen. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Over het jaar 2008 bedroegen de rechten zonder vermindering tussen echtgenoten en samenwonenden: € 110.760.618,35. Dit is evenwel het absoluut bedrag aan gederfde belastinginkomsten waartoe een volledig vrijstelling aanleiding zou geven. Rekening houdend met bestaande voetvrijstellingen, verminderingen en aftrekken bedroegen de te betalen rechten € 107.488.362,72. In relatieve termen zouden de bijkomende gederfde belastinginkomsten voor 2008 dus circa 107.5 miljoen euro bedragen. Voor wat het afschaffen van successierechten ten aanzien van ouders die erven van hun kinderen betreft, zijn er op heden geen gegevens beschikbaar die een accurate becijfering van deze maatregel mogelijk maken. De precieze cijfergegevens zullen verder opgevraagd worden bij de FOD Financiën die de inning van deze belasting voor zijn rekening neemt. Hetzelfde geldt voor de beperking van het tarief tot 50% voor de zijlijn. Verdere uitwerking van deze maatregelen en nader onderzoek kan binnen de bestaande personeelsmiddelen en middelen voor het steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek worden opgevangen. Er is geen bijkomende budgettaire impact aan verbonden op dit vlak. 31
Ideeënfiche nummer 3 Naam van de actie: Vlaamse fiscale codex Beschrijving van de actie: Zolang de dienst van de oneigenlijke belastingen niet overgenomen is, verzekert de federale overheid de inning en invordering van deze belastingen. Vlaanderen kan die invordering pas overnemen op het ogenblik dat het er klaar voor is. Dat gebeurt niet van vandaag op morgen, maar vergt een grondige voorbereiding en een stapsgewijze aanpak. Een en ander heeft er toe geleid dat het Vlaamse Gewest sedert 1 januari 1999 de onroerende voorheffing invordert en op 1 januari 2010 de invordering van de groep verkeersbelastingen (verkeersbelasting, belasting op de inverkeerstelling en eurovignet) zal overnemen van de federale overheid. Helaas moeten wij vaststellen dat de diverse aanpassingen aan de regelgevende organisatie van de dienst van de belastingen niet altijd een toonbeeld waren van goede regelgeving. Vaak ontbrak de onderlinge samenhang en transparantie, wat zeker niet bijdraagt aan de fiscal compliance. Het is dan ook hoog tijd dat er een maximale invulling wordt gegeven aan uniformiteit op het vlak van de vestiging, de invordering en de geschillen van de gewestelijke belastingen door deze procedureregels op te nemen in een Vlaamse Codex. Dit voorstel draagt ertoe bij dat de 8 kenmerken van goede regelgeving ook daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd (zie beslissing VR/PV/2003/44 - punt 2). Goede regelgeving is immers samenhangend! Zij vertoont op zich of geplaatst naast andere regelgeving geen overlappingen en tegenstrijdigheden en maakt deel uit van een coherent geheel. Dat dit een succesverhaal kan zijn bewijst het Waalse decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen (B.S. 1 juli 1999).
Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Effectieve en efficiënte fiscaliteit Beoogde output: Een nieuw decreet houdende vestiging, invordering en geschillen van gewestelijke belastingen. Te bereiken doel: Meer transparantie, rechtszekerheid en fiscal compliance. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Verdere uitwerking van deze maatregelen kan binnen de bestaande personeelsmiddelen worden opgevangen. Er is geen bijkomende budgettaire impact aan verbonden.
Ideeënfiche nummer 4 Naam van de actie: Achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstellingen opheffen en potentiële discriminaties elimineren
32
Beschrijving van de actie: Enkele achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstellingen moeten worden opgeheven. Een duidelijk voorbeeld van een vrijstelling die niet frequent toegekend wordt en ter discussie staat omwille van deze onderbenutting is de gedeeltelijke en tijdelijke vrijstelling van de onroerende voorheffing bij de renovatie van een verwaarloosd, ongeschikt of onbewoonbaar pand (art. 253, eerste lid, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). Het is opmerkelijk hoeveel administratieve lasten en interne beheerskosten veroorzaakt worden door een vrijstelling die nauwelijks enige toepassing kent. Het identificeren en remediëren van potentiële discriminaties betreft een delicate evenwichtsoefening. Zo kunnen er bijvoorbeeld meerdere afdoende en redelijke verantwoordingen aangereikt worden waarom in bepaalde situaties feitelijke samenwoners niet of slechts gedeeltelijk kunnen genieten van een preferentiële fiscale behandeling toegekend aan gehuwde koppels en personen die een samenlevingscontract hebben afgesloten. Het is duidelijk dat niet elke ongelijke behandeling een discriminatie vormt. Deze actie vereist dat de bestaande regelgeving gescreend en desgevallend aangepast wordt. Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Effectieve en efficiënte fiscaliteit Beoogde output: Screening van wetgeving en daarna aanpassing van wetgeving om achterhaalde belastingen, onderbenutte vrijstellingen en potentiële discriminaties te elimineren. Te bereiken doel: Een meer rechtvaardige en efficiënte fiscaliteit. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Deze actie wordt opgevangen binnen de bestaande middelen voor personeel. De budgettaire impact van het opheffen van belastingen, vrijstellingen en discriminaties kan slechts wordt geraamd na de screening van de regelgeving.
33
Ideeënfiche nummer 5 Naam van de actie: Vergroening verkeersfiscaliteit Beschrijving van de actie: Vergroening van de verkeersfiscaliteit dringt zich op. Meerdere opties zijn daarbij valabel. Een plausibel alternatief is de ecologische modulering van de verkeersbelastingen. Heden blijkt er geen enkel verband te zijn tussen de milieuvriendelijkheid van een wagen (hoge ecoscore) en de te betalen BIV en verkeersbelastingen. Dit blijkt uit de grote spreiding van de huidige belasting op de inverkeerstelling (BIV) en verkeersbelastingen in functie van de ecoscore van de wagen. Dit geldt binnen elk segment. Een ecologische hervorming betekent dat er wel betaald wordt in functie van de milieuvriendelijkheid van de wagen, bijvoorbeeld met de ecoscore als belastbare grondslag. Dit betekent evenwel dat er binnen elk segment wagens zullen zijn die minder betalen dan heden het geval is, terwijl er evenzeer wagens zullen zijn die meer betalen. Ook moet worden nagegaan in welke mate LPG-wagens nog moeten gesanctioneerd worden met een aanvullende verkeersbelasting terwijl algemeen aanvaard wordt dat dergelijke wagens "zeer proper" zijn. Voor wat het tijdspad van deze ecologische modulering betreft, is het aangewezen deze slechts door te voeren na een succesvolle overname van de inning van de verkeersbelastingen. Beide projecten cumuleren zou nodeloos het overnametraject bezwaren. Ander valabel alternatief is het ecobonus / ecomalus systeem. Tot op heden is in Vlaanderen gefocust op het voormelde systeem van de ecoscore, dat verfijnder wordt geacht. De ecobonus (malus) invoeren zou enkel zinvol zijn indien het op korte termijn kan gebeuren én indien deze maatregel nu al zichtbare effecten zou hebben in Wallonië door een verschuiving naar een ander en meer milieuvriendelijk wagenpark. Het Waalse systeem komt er kort samengevat op neer dat diegenen die hun wagen vervangen door een milieuvriendelijker exemplaar, daarvoor worden beloond. Zij die een minder milieuvriendelijk voertuig aanschaffen, worden hiervoor gesanctioneerd. Het systeem geldt enkel voor natuurlijke personen. Voor grote gezinnen is een mildering voorzien. De wagen van een gezin , met ten minste drie kinderen die ingeschreven zijn op hetzelfde adres , mag meer uitstoten. Diegenen die voor de eerste maal een auto laten inschrijven kunnen eveneens vallen onder het systeem van ecobonus-ecomalus, daartoe wordt de ingeschreven wagen vergeleken met de milieuprestatie van het gemiddelde van het wagenpark. Wagens met een uitstoot van maximaal 145 g CO2, geven zo na de betaling van de BIV recht op een ecobonus, gaande van € 1 000 tot € 100. Hoe lager de CO2-uitstoot, hoe hoger de bonus. Wagens die ten minste 196g CO2 uitstoten geven dan weer aanleiding tot een ecomalus van € 100 tot € 1 000. Uit de media is intussen gebleken dat de maatregel wel degelijk succesvol is. Op 259.236 aangevraagde nummerplaten door fysieke personen, werden 70.853 dossiers behandeld voor de aanvraag van een ecobonus, goed voor een totaal bedrag van 23,8 miljoen euro, Op het vlak van de ecomalus werden er 9.555 dossiers behandeld, goed voor 2,8 miljoen euro (gegevens dd 10/02/09). Deze alternatieven sluiten aan bij het onderzoek dat al is verricht naar het invoeren van een kilometerheffing voor vrachtwagens. Voorgesteld wordt om in elk geval verder te werken op het voorlopige standpunt van de Vlaamse Regering van 19 december 2008, nadat eerder de invoering van een wegenvignet werd afgevoerd. Het standpunt betreft het streven naar de invoering van een kilometerheffing over het volledige Vlaamse wegennet voor zowel zware als lichte vrachtwagens. De hoogte van de tarieven moet verschillend zijn om sturend te kunnen werken naar de beoogde effecten. Het eurovignet voor vrachtwagens wordt bij de invoering van de kilometerheffing afgeschaft. Eventueel wordt dit uitgebreid naar het totale voertuigenpark. De nieuwe Vlaamse Regering onderzoekt verder bepaalde deelaspecten van deze optie die tot op heden onvoldoende onderbouw hebben, vooral de economische en verkeerstechnische effecten van een mogelijke invoering alsook de precieze financiële kosten en opbrengsten. Tegelijkertijd wordt met de andere gewesten in België (een aanpassing van de Bijzondere Financieringswet is 34
noodzakelijk) én met de buurlanden Nederland , Frankrijk (zou nu ook interesse hebben voor de wegen waar nog geen péage is) en Duitsland gekeken in welke mate overeenstemming kan worden bekomen over gezamenlijke modaliteiten van invoering. Vooral de ervaring in Nederland, die momenteel werkt aan de veralgemeende invoering van een kilometerheffing (ook voor personenwagens) kan hierbij richtinggevend zijn. Vooral de grote maatschappelijke discussies die een gefaseerde invoering voor de ruim 9.000.000 Nederlandse voertuigen uitlokt (eerst in de randstad dan in de rest van Nederland ) moet op de voet worden gevolgd teneinde daaruit de meest interessante conclusies te kunnen trekken. Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Vergroende fiscaliteit Beoogde output: Verder onderzoek naar de mogelijkheden tot verdere vergroening van de verkeersfiscaliteit, en desgevallend aanpassing van de regelgeving of invoering van een nieuwe decretale maatregel die het ecobonus-ecomalus-systeem behelst. Verder onderzoek naar deelaspecten, vooral dan de economische en verkeerstechnische effecten van de mogelijke invoering van een kilometerheffing. Te bereiken doel: Een meer ecologisch verantwoorde fiscaliteit. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): De budgettaire impact is afhankelijk van de gekozen piste. Vermoedelijk zal er wel degelijk impact zijn op het vlak van personeel, software en ICT-ontwikkeling.
Ideeënfiche nummer 6 Naam van de actie: Vergroening registratierechten Beschrijving van de actie: Een energiezuinige woning heeft slechts een stookseizoen van ongeveer 3 maanden. Negen maanden lang hoeft men niet te stoken. Een doorgedreven isolatiebeleid, een gezonde ventilatie aanpak, kiezen voor nieuwe generatie verwarmingssystemen en opteren voor superzuinige huishoudtoestellen gecombineerd met zonnetechnologie zijn de hoekstenen van een energiezuinige woning. Investeren in woningen om deze energiezuinig te maken komt niet alleen de portemonnee van de burger ten goede, ook het milieu vaart er wel bij. Tijdens voorgaande legislaturen werden reeds verschillende maatregelen, ook op fiscaal vlak genomen die de energiezuinigheid van de woning stimuleren. Zo ging op 1 januari 2006 de EPB(Energieprestatie en binnenklimaat)-regelgeving van kracht. Deze zorgt ervoor dat in iedere nieuwbouw of drastische verbouwing energiebesparende maatregelen genomen worden. Het energieprestatiecertificaat zorgt ervoor dat hetzij de huurder hetzij de koper van een woning bij het sluiten van de overeenkomst zicht heeft op het energiegebruik van de gehuurde/gekochte woning. Op fiscaal vlak wordt de onroerende voorheffing gedurende tien jaar verminderd voor woningen die voldoen aan een bepaald energiepeil. Met positieve stimulansen voor energiezuinige woningen wordt tegelijkertijd de economie gestimuleerd en de eigen klimaatdoelen van Vlaanderen gehaald. Ander stimuleringsbeleid voor investeringen in energie en klimaat hebben pas over enkele jaren effect en helpen dus niet om de huidige recessie te verminderen. In de bouwsector hebben investeringen snel effect, omdat bij 35
overcapaciteit de investeringen een impuls kunnen geven aan de werkgelegenheid. Dit beleid inzake energiezuinigheid van woningen kan worden verder gezet. Hierbij kan gedacht worden aan de procentuele verlaging van het tarief bij de aankoop van een woning (algemeen tarief en tarief “klein beschrijf”) die voldoet aan een nadere te bepalen energieprestatienorm. Er worden hiermee geen bijkomende lasten voor de burger gecreëerd aangezien de huidige wetgeving de koper of verhuurder reeds verplichten het energieprestatiecertificaat ter beschikking van de koper of huurder te stellen.
Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Vergroende fiscaliteit Beoogde output: Verder onderzoek naar de mogelijkheden tot verdere vergroening van de registratierechten, en desgevallend aanpassing van de regelgeving. Te bereiken doel: Meer ecologisch verantwoorde registratierechten. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Verder onderzoek naar de onderscheiden mogelijkheden, moet ook de budgettaire impact van deze maatregel identificeren.
Ideeënfiche nummer 7 Naam van de actie: Meer flexibele normering Beschrijving van de actie: Door de forse groei aan inkomsten en de bijgevolg hoger dan ingeschatte onderbenutting van beschikbaar gestelde kredieten, wordt het Vlaamse begrotingsbeleid in de periode 2006 tot en met 2008 gekenmerkt door steeds grotere vooruitbetalingen van uitgaven, teneinde de jaarlijks te realiseren begrotingsnorm zo exact mogelijk te benaderen. De machtiging voor deze vooruitbetalingen wordt meestal op het einde van het begrotingsjaar gegeven door het Vlaams Parlement door middel van (amendementen op) extra begrotingscontroles. Dit aspect van het begrotingsbeleid is ingegeven vanuit de huidige wetenschap dat het realiseren van niet afgesproken overschotten in een bepaald begrotingsjaar niet automatisch resulteert in de mogelijkheid tot het recupereren van deze overschotten in de daaropvolgende begrotingsjaren. Zo zou het bijvoorbeeld in de huidige financieel-economische crisis interessant kunnen zijn voor de Vlaamse overheid om op een moment dat de verwachte inkomsten zwaar onder druk komen te staan, de in het verleden opgebouwde extra overschotten te kunnen aanwenden om de huidige crisis te bestrijden. Een begrotingsnorm mag niet langer een rigide gegeven zijn, waarvan slechts in functie van de noodwendigheden van een deelnemende overheid afgeweken wordt. De begrotingsnormering dient over een vooraf bepaalde periode – die ruimer kan zijn dan een legislatuur - als een credit systeem geconcipieerd te worden. De betrokken deelstaat bouwt over de bedoelde periode volgens eigen ritme credits op en engageert zich om tegen het einde van die periode een vooraf onderhandeld totaal te bereiken. Alleen op deze wijze kan het principe van conjunctuurgerelateerde normering ingang vinden.
36
De Vlaamse Gemeenschap dient deze zienswijze bij de HRF ingang te doen vinden, en kan hierover de noodzakelijke afspraken maken. Ook de werking van het FFEU en het werken met een verbintenissennorm (naast een verplichtingennormering) wordt hierdoor zinvol.
Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Grotere financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten Beoogde output: De aan de Vlaamse Gemeenschap opgelegde norm door de HRF laat een anticyclisch beleid toe. Te bereiken doel: De Vlaamse Gemeenschap voert een begrotingsbeleid dat gezonde Vlaamse financiën toelaat zowel in tijden van hoogconjunctuur als in tijden van laagconjunctuur. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Verdere uitwerking van deze maatregelen kan binnen de bestaande personeelsmiddelen worden opgevangen. Er is geen bijkomende budgettaire impact aan verbonden.
Ideeënfiche nummer 8 Naam van de actie: Actief financieel management. Beschrijving van de actie: De afgelopen jaren heeft de Vlaamse overheid haar schuld systematisch afgebouwd en herleid tot quasi nul op 31/12/2008. Daarenboven heeft ze een aantal reserves [Vlaams pensioenfonds, Vlaams Zorgfonds, Vlaams Toekomstfonds] kunnen opbouwen om aan toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Ook de volgende jaren kunnen er verder reserves opgebouwd worden om de toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Het kan zowel gaan om een verdere voortzetting van bestaande reserves, als het creëren van nieuwe fondsen om nieuwe uitdagingen aan te gaan zoals bijvoorbeeld noden in het kader van de vergrijzing of in het kader van de economische crisis. De complexiteit van deze opdracht, evenals de recente financiële crisis, toont aan dat een centralisatie van competenties, personeel en middelen en bijgevolg van het beheer van deze reserves sterk aangewezen is. De Vlaamse overheid zal daardoor ook meer coherentie kunnen brengen in de te voeren beleggingsstrategie. Door hierbij de nadruk te leggen op ethisch en duurzaam beleggen, kan de Vlaamse overheid een krachtig signaal geven naar het bedrijfsleven en de samenleving. De oprichting van een institutionele BEVEK kan hier tot meer efficiëntie en kostenbesparingen leiden. Recent dienden een aantal beschikbare reserves aangesproken te worden om directe of indirecte kapitaalinjecties te doen in verschillende financiële instellingen. Hierdoor zal de Vlaamse overheid ook opnieuw moeten ontlenen. Door de financiële crisis is er een schaarste ontstaan in de bankkredieten en zijn de marges spectaculair verhoogd. Gewone bankkredieten afsluiten om de ontstane tekorten te financieren wordt moeilijk en duur. De Vlaamse overheid zal dus de verschillende onderdelen van de (internationale) kapitaalmarkt goed moeten opvolgen en adequate instrumenten ontwikkelen om zich op de meest efficiënte en goedkoopst mogelijke wijze te financieren. Dit geldt niet alleen voor haar eigen schulden maar ook voor de gewaarborgde schulden. 37
Na jaren van beleggingsbeheer, zal de Vlaamse overheid opnieuw ook een actief schuldbeheer moeten voeren. Voorstel waarbinnen deze actie kadert: Beheer van financiële reserves en schulden Beoogde output: Moderne en efficiënte beleggings- en financieringstechnieken ingang doen vinden. Te bereiken doel: Een efficiënt en effectief financieel management voor de Vlaamse overheid. Benodigde middelen (budgetten, personeel, wetgeving, ITC): Verdere uitwerking van deze maatregelen kan binnen de bestaande personeelsmiddelen worden opgevangen. Er is geen bijkomende budgettaire impact aan verbonden.
38
BIJLAGE 1: EEN BEKNOPT DOCUMENTAIR GEDEELTE 1. Indicatoren, kerncijfers, statistisch materiaal 1.1
Middelenbegroting
De algemene middelen van de Vlaamse overheid werden voor het begrotingsjaar 2009 geraamd op 25,1 miljard euro of bijna 4.100 euro per inwoner van het Vlaamse Gewest. Dat is nominaal 5,8% meer dan het jaar voordien. Tegenover 2004 (begin lopende regeerperiode) zijn de middelen met 29,0% toegenomen. Dit komt neer op een gemiddelde groei van 5,2% per jaar. De federale belastingen die de federale overheid int en doorstort aan Vlaanderen, vormen nog steeds de belangrijkste inkomstenbron. Dit zijn de zogenaamde gedeelde en samengevoegde belastingen. Het gaat over gedeelten van de personenbelasting (voor de gewesten en de gemeenschappen) en de BTW (alleen gemeenschappen). In absolute cijfers worden de gedeelde en samengevoegde belastingen in 2009 op 18,0 miljard euro geraamd of iets meer dan 2.900 euro per inwoner. Hun aandeel van 71,8% in de middelenbegroting is sedert 2002 (het Lambermontakkoord omtrent de staatshervorming) vrij stabiel gebleven. Sinds 2004 namen ze jaarlijks met gemiddeld 5,4% toe, wat hoger is dan de groei van de totale ontvangsten. Hierna wordt grafisch de evolutie van de oneigenlijke gewestbelastingen, dit zijn belastingen die in oorsprong federaal waren maar door de Bijzondere Financieringswet in grote mate geregionaliseerd zijn, weergegeven. Het gaat om het kijk- en luistergeld (K&L), de onroerende voorheffing (OVH), de belasting op spelen en weddenschappen (S&W), de belasting op automatische ontspanningstoestellen (AO), de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken (OB), de registratierechten (RR), hypotheekrechten (HR), de verkeersbelasting op de autovoertuigen (VB), de belasting op inverkeerstelling (BIV), het Eurovignet (EUV), de schenkingsrechten (SCHR), de successierechten en het recht van overgang bij overlijden. (SUCR). Deze oneigenlijke gewestbelasting worden, op de OVH en het K&L na, nog allemaal geïnd door de federale overheid. Intussen heeft Vlaanderen evenwel ook het voornemen geuit om vanaf 1 januari 2010 de dienst van de verkeersbelastingen in eigen beheer te nemen (VB, BIV en EUV). Het gros van de middelen komt voort uit slechts 3 belastingen: SUCR, RR en VB. Voor 2009 worden de opbrengsten van de gewestbelastingen begroot op 4,7 miljard euro. Dat komt neer op 760 euro per inwoner. Tegenover 2008 steeg de opbrengst met 3,3%. Dit is minder dan de stijgingen die in de vorige jaren van deze regeerperiode werden opgetekend. Gemiddeld stegen de opbrengsten sinds 2004 jaarlijks met 7,8%.
39
Ter compensatie van de overheveling van het kijk- en luistergeld naar de gewesten ontvangen de gemeenschappen sedert 2002 een speciale dotatie vanwege de federale overheid. Er is tevens een belangrijke federale dotatie voor tewerkstellingsprogramma’s en voor het universitair onderwijs ten behoeve van buitenlandse studenten.. Deze drie specifieke dotaties vertegenwoordigen 0,9 miljard euro of 3,3% van de totale middelen. De overige middelen zijn in 2009 goed voor 1,58 miljard euro of 6,1% van de totale middelen. Naast de oneigenlijke gewestbelastingen, zijn er ook eigenlijke gewestbelastingen. De Vlaamse overheid kan immers ook zelf, autonoom, belastingen instellen, voor zover de federale overheid op deze materies geen belastingen heft. Voor wat het beleidsdomein Financiën en Begroting betreft, gaat het om de leegstandsheffingen (woningen en bedrijfsruimten) en de heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen. Er is evenwel beslist de leegstandsheffing op woningen vanaf 2010 over te hevelen van het gewestelijk naar het gemeentelijk niveau.
1.2
Uitgavenbegroting
De algemene uitgaven van de Vlaamse overheid worden voor 2009 begroot op 24,8 miljard euro (betaalkredieten). Dit is een stijging met 0,25 miljard of 1% tegenover 2008. Deze beperkte stijging ten opzichte van het begrotingsjaar 2008 is het gevolg van vooruitbetalingen van voorziene uitgaven 2009 in 2008 ten belope van 685 miljoen euro. Over het geheel genomen groeiden de uitgaven tussen 2004 (begin huidige regeerperiode) en 2009 jaarlijks gemiddeld met 5%. Tegenover 2004 zijn ze met 28% toegenomen. De belangrijkste beleidsdomeinen naar uitgaven zijn al jaren nauwelijks veranderd. Financiën en Begroting gaat in 2009 wel duidelijk vooruit en neemt nu plaats 5 in. Dit heeft vooral te maken met de “jobkorting”. Dat is een vermindering op de personenbelasting. Deze is in 2009 in zijn laatste fase getreden. Vanaf 2009 zal jaarlijks aan elke werkende inwoner van het Vlaamse Gewest een korting van 250 euro worden toegekend, aan de laagste inkomens 300 euro. De minderinkomsten voor de federale overheid dient de Vlaamse overheid te compenseren met een dotatie aan het federale niveau, die ten laste komt van Financiën en Begroting. In 2009 bedraagt die dotatie 710 miljoen euro.
40
Veruit het grootste deel van de uitgaven gaat in 2009 naar Onderwijs en Vorming met 9,2 miljard euro of 37% van het totale bedrag, vooral voor de lonen van het onderwijzend personeel. Het domein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin komt op een verre tweede plaats en krijgt 3,2 miljard euro of 13%. Mobiliteit en Openbare Werken neemt met 2,9 miljard een kleine 12% voor zijn rekening. Bestuurszaken, dat onder andere ambtenarenzaken, lokale overheden en stedenbeleid omvat, en Financiën en Begroting volgen op de vierde en vijfde plaats, met 10% en 6% van de uitgaven.
1.3
Vorderingensaldo
De Vlaamse Gemeenschap levert een grote inspanning om het gezamenlijke tekort van de overheden in België te reduceren. Sinds 1997 is het vorderingensaldo in Vlaanderen positief (behalve in 2003 en 2004). Bovendien nam Vlaanderen het leeuwendeel van het door alle regionale overheden te boeken overschot voor zijn rekening. In 2007 bedroeg het vorderingensaldo van de Vlaamse Gemeenschap 806 miljoen euro.
1.4
Schuld
De totale schuld bestaat uit twee componenten: de directe en de indirecte schuld. De directe schuld is gegroeid uit de leningen die de overheid jaarlijks aanging om haar tekorten te financieren. De indirecte schuld bestaat uit leningen die Vlaamse verzelfstandigde agentschappen of lokale overheden afsloten en waarvan de Vlaamse overheid de financiële lasten geheel of gedeeltelijk op zich neemt. De totale schuld (directe + indirecte) neemt jaarlijks af, van 8,3 miljard euro eind 1995 tot 4 miljoen eind 2008.
1.5
Provisies en fondsen
De verslechterende economie wordt via een conjunctuurprovisie opgevangen. Voor de begroting 2009 wordt 173 miljoen euro ingeschreven. Voor 2008 stond 236 miljoen ingeschreven, waarvan 21 miljoen werd overgedragen naar 2009. Inclusief deze overdracht staat voor 2009 dus in totaal 194 miljoen ter beschikking. Deze provisie kan voor allerlei doeleinden worden gebruikt, maar wordt gewoonlijk toegewezen aan het Toekomstfonds of het reservefonds van het Vlaams Zorgfonds (verantwoordelijk voor de Vlaamse zorgverzekering). Dit laatste reservefonds wordt kortweg het “Zorgfonds” genoemd. Beide vormen de belangrijkste reservefondsen van de Vlaamse overheid.
41
2. Overzichtslijst van recent beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek Al het recent beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek waarover het beleidsdomein beschikt, wordt gevoerd in het kader van steunpunt Fiscaliteit & Begroting, een van de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek. In de periode van 1 februari 2007 t.e.m. 12 maart 2009 werden volgende rapporten opgeleverd: -
in het kader van Spoor A1 van het steunpunt: Evaluatie van de hervorming van de schenkingsrechten op roerende goederen en bouwgronden:
SMOLDERS, C., COTTYN, A., Spoor A1: Deelproject 1: Evaluatie van de hervorming van de schenkingsrechten op roerende goederen en bouwgronden. Deelrapport 1: Resultaten van het kwalitatief onderzoek, Juli 2007, 31 pp. SMOLDERS, C., COTTYN, A., Spoor A1: Deelproject 1: Evaluatie van de hervorming van de schenkingsrechten op roerende goederen en bouwgronden. Deelrapport 2: Eerste resultaten van de face-to-face bevraging bij 50-plussers op de Horizon-beurs in Gent, December 2007, 34 pp. SMOLDERS, C., COTTYN, A., Spoor A1: Deelproject 1: Evaluatie van de hervorming van de schenkingsrechten op roerende goederen en bouwgronden. Deelrapport 3: Analyse-1 van de websurvey inzake de kennis en effecten van de hervorming bij 25-50-jarigen, Mei 2008, 35 pp. SMOLDERS, C., COTTYN, A., Spoor A1: Deelproject 1: Evaluatie van de hervorming van de schenkingsrechten op roerende goederen en bouwgronden. Deelrapport 4: Profiel van de schenkers en begunstigden op basis van de notariële en onderhandse schenkingsaktes neergelegd bij 9 registratiekantoren, December 2008, 35 pp. -
in het kader van Spoor A2: Toekomstscenario's voor de Vlaamse begroting en fiscaliteit
HAELTERMAN, A., KUYPERS, A., OYEN, V., Spoor A2: Corporate income tax regionalization. Ility, compliance issues and EU requirements. The Belgian case, 5 oktober 2007, 17 pp. HAELTERMAN, A., OYEN, V., Spoor A2: Regionalisering personenbelasting. Inleidende studie van werkbare regionaliseringsmodellen, 29 november 2007, 37 pp. HAELTERMAN, A., KUIJPERS, A., Spoor A2: Regionalisering vennootschapsbelasting. Overzicht van de haalbare en werkbare modellen, 2 juni 2007, 25 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 1: rechtsvergelijkende studie, 13 december 2007, 7 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 2: Belastingsbevoegdheid Gemeenschappen, 20 januari 2008, 9 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 3: Woonplaats versus werkplaatscriterium, 22 januari 2008, 11 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 4: Wie moet instaan voor de inning van de geregionaliseerde personenbelasting, 6 februari 2008, 4 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 5: Waslijst fiscale voordelen versus korven, 20 februari 2008, 9 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Capita Selecta 6: Invoeging in de bijzondere financieringswet en infasering, 4 april 2008, 4 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Nota 1: Regionalisering bevoegdheden werkbaarder maken, 19 april 2008, 14pp.
42
Personenbelasting:
Huidige
HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Personenbelasting: Onroerend goed fiscaliteit, 24 april 2008, 5 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Personenbelasting. Huidige bevoegdheden werkbaarder maken. De “light” formule voor beperkte regionalisering personenbelasting zonder eigenlijk fiscale verantwoordelijkheid voor de gewesten, 5 september 2008, 18 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Personenbelasting. Huidige bevoegdheden werkbaarder maken. EU-Luik, 29 augustus 2008, 5 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Personenbelasting. Winstsplitsingsformule, 27 augustus 2008, 5 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Vennootschapsbelasting. Belastbare model. Europese en praktische haalbaarheid, 2 september 2008, 4 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionalisering Personenbelasting. Vastgoedfiscaliteit, 12 augustus 2008, 8 pp. HAELTERMAN, A., Spoor A2: Regionaliseringsmodellen Personenbelasting. Gesplitste tariefmodel versus opcentiemenmodel, 29 augustus 2008, 3 pp. ALGOED, K., HEREMANS, D., PEETERS, T., Spoor A2: Voorrang geven aan meer financieelfiscale verantwoordelijkheid in een nieuwe staatshervorming, CES – Leuvense Economische Standpunten, mei 2007, 39 pp. ALGOED, K., HEREMANS, D., Spoor A2: Toekomstscenario's voor de Vlaamse begroting en fiscaliteit: De Bijzondere Financieringswet en de staatshervorming van 2001 : feiten en cijfers. Resultaten van het kwalitatief onderzoek, februari 2008, 18 pp. ALGOED, K., HEREMANS, D., Spoor A2: Toekomstscenario's voor de Vlaamse begroting en fiscaliteit: The incentive effects of the Belgian Financial Arrangements For The Regions, februari 2008, 15 pp. VAN HECKE, A., ALGOED, K., HEREMANS, D., Spoor A2: De effecten van de vergrijzing op de uitgaven voor zorgverzekering en hoger onderwijs, Juli 2008, 49 pp. ALGOED, K., Spoor A2: De impact van de vergrijzing op de overheidsfinanciën. Voorstel ontwerp eindrapport, 27 augustus 2008, 33 pp. ALGOED, K., HEREMANS, D., Spoor A2: De overdrachten aan de Gemeenschappen en Gewesten in het kader van de Bijzondere Financieringswet: 2007-2030, 2de versie, 16 januari 2009, 15 pp. SABADASH, A., Estimating the NAIRU and potential employment for Belgian regions, CES Monetary and Information Economics, KU Leuven, 18 November 2008, 22 pp. ALGOED, K., HEREMANS, D., Spoor A2: De overdrachten aan de Gemeenschappen en Gewesten in het kader van de Bijzondere Financieringswet: 2007-2030, 1ste versie, 18 december 2008, 13 pp. -
In het kader van Spoor A3: Fiscaliteit in functie van groei en werkgelegenheid
CRABBE, K., VANDENBUSSCHE, H., Spoor A3: Are your Firm’s taxes set in Warsaw ? Spatial tax competition in Europe, augustus 2008, 15 pp. VANDENBUSSCHE, H., SCHOONACKERS, R., Corporate taxation and economic growth, 17 maart 2008, 3 pp. NURSKI, L., KONINGS, J., Spoor A3: De samenhang tussen economische groei, werkgelegenheid en begrotingsbeleid, September 2008, 36 pp.
43
-
In het kader van het - B-project: Studie van de alternatieven voor de vaststelling van het klein beschrijf
SMOLDERS, C., EECKHOUT, J., B-Project Studie van de alternatieven voor de vaststelling van het klein beschrijf: Deel 1: Rechtsvergelijkende studie van de kortingen/vrijstellingen van de registratierechten, oktober 2007, 46 pp. SMOLDERS, C., EECKHOUT, J., B-Project Studie van de alternatieven voor de vaststelling van het klein beschrijf: Deel 2 : Overzicht van de mogelijke ( alternatieve) criteria voor de toekenning van vrijstellingen en –of kortingen inzake de Vlaamse registratierechten, december 2007, 46 pp. SMOLDERS, C., EECKHOUT, J., B-Project Studie van de alternatieven voor de vaststelling van het klein beschrijf: Deel 3: Het profiel van ‘bescheiden woningen’ en hun eigenenaars. Analyse van de Woonsurvey 2005 – data. mei 2008, 20 pp. SMOLDERS, C., EECKHOUT, J., BURSSENS, J., B-Project Studie van de alternatieven voor de vaststelling van het klein beschrijf: Deel 4: Resultaten van de simulaties op basis van 2 hervormingsscenario’s, februari 2009, 40 pp. -
In het kader van B-project Verkeersheffingen
DE PALMA, A., PROOST, S., VAN DER LOO, S., B-Project Verkeersheffingen: Network development under a strict self financing constraint, Oktober 2008, 24 pp. VAN DER LOO, S., PROOST, S., B-Project Verkeersheffingen: How to enforce optimal transport pricing and investment in a federal state, 22 pp. DE PALMA, A., PROOST, S., VAN DER LOO, S., B-Project Verkeersheffingen: Assessing transport investments - towards a multi-purpose tool, September 2008, 23 pp. PROOST, S., VAN DER LOO, S., DE PALMA, A.,LINDSEY, R., B-Project Verkeersheffingen: A cost-benefit analysis of tunnel investment and tolling alternatives in Antwerp, 2005, 18 pp. -
In het kader van Wetenschappelijke dienstverlening
PROOST, S., DE CEUSTER, G., VAN HERBRUGGEN, B., Rapport: Advies omtrent hervorming voertuigbelastingen in Vlaanderen, In opdracht van: Steunpunt Fiscaliteit en Begroting, 23 oktober 2007, 27 pp. ALGOED, K., Transferten tussen regio’s in België. Een toepassing van ‘balance sheet federalism’ van het jaar 2005, April 2008, 17 pp. DE CEUSTER, G., YPERMAN, I., HENDRICKX, C., VANHOVE, F., VANHERLE, K.,PROOST, S., Eindrapport: Effecten van een kilometerheffing voor vrachtwagens, In opdracht van Steunpunt Fiscaliteit en Begroting, Rapport voor Vlaamse overheid, Departement Financiën en Begroting, 27 februari 2009, 111 pp.
44
3. Wettelijk kader Hierna volgt een beknopt overzicht van de voornaamste wetten en decreten (en enkele belangrijke Koninklijke besluiten) op de diverse domeinen die het beleidsdomein Financiën en Begroting aanbelangt, chronologisch gerangschikt: -
Wet van 15 mei 1846 op de comptabiliteit van de Staat
-
Wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
-
Koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit
-
Koninklijk besluit nr. 308 tot invoering van het Wetboek der Successierechten bekrachtigd bij wet van 4 mei 1936
-
Koninklijk besluit van 30 juli 1938 tot instelling van een betrekking van centraliserend rekenplichtige en van een betrekking van rekenplichtige der geschillen bij het bestuur der Thesaurie en Staatsschuld
-
Wetboek der Registratie-, hypotheek- en griffierechten
-
Koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten
-
Koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken
-
Koninklijk besluit van 4 april 1953 tot regeling van de uitvoering van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953
-
Wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut
-
Koninklijk besluit van 1 juli 1964 tot vaststelling van de regels van aanrekening van de budgettaire ontvangsten en uitgaven van de diensten van algemeen bestuur van de Staat
-
Wetboek van de met inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen
-
Koninklijk besluit van 31 mei 1966 houdende regeling van de controle op de vastlegging van de uitgaven in de diensten van algemeen bestuur van de Staat
-
Wet van 6 juli 1967 tot wijziging van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gecoördineerd op 3 april 1953
-
Wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977
-
Wet van 27 april 1978 tot invoering van de Nederlandse tekst en tot aanpassing van de Franse tekst van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
-
Wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren
-
Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen
-
Decreet van 23 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen tot het uitvoeren van bepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen voor rekening van de Vlaamse Gemeenschap en van de instellingen die ervan afhangen
-
Decreet van 23 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen tot het uitvoeren van bepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen voor rekening van het Vlaamse Gewest en van de instellingen die ervan afhangen
-
Wet van 13 juli 1987 betreffende het kijk- en luistergeld
-
Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten 45
-
Decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap
-
Decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991
-
Samenwerkingsakkoord tot oprichting van een algemene gegevensbank
-
Koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit
-
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
-
Decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992
-
Decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993
-
Koninklijk Besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
-
Decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994
-
Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
-
Decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994
-
Decreet van 13 juli 1994 betreffende de Vlaamse investeringsmaatschappijen
-
Decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995
-
Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
-
Koninklijk Besluit van 19 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
-
Decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren
-
Decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren
-
Decreet van 19 april 1995 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994
-
Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
-
Decreet van 22 november 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1995
-
Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 46
-
Decreet van 8 juli 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1996
-
Decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997
-
Samenwerkingsakkoord van 6 februari 1997 tussen de federale overheid en de 3 Gewesten over het Eurovignet en de rechten of retributies voor het gebruik van het wegennet
-
Decreet van 15 april 1997 houdende wijziging van artikelen 48 en 56 van het Wetboek der Successierechten
-
Decreet van 17 juni 1997 houdende wijziging van artikel 56 van het Wetboek der Successierechten
-
Decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997
-
Decreet van 15 juli 1997 houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden
-
Samenwerkingsakkoord van 25 juli 1997 tussen de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de heffing van het kijk- en luistergeld
-
Samenwerkingsakkoord van 25 juli 1997 tussen de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de heffing van het kijk- en luistergeld op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
-
Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is
-
Decreet van 19 december 1997 houdende een vermindering van de onroerende voorheffing ter stimulering van tewerkstellingsbevorderende investeringen in vorming
-
Decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998
-
Wet van 10 maart 1998 tot wijziging van de organieke wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
-
Decreet van 9 juni 1998 houdende bepalingen tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voor wat betreft de onroerende voorheffing
-
Decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998
-
Decreet van 14 juli 1998 betreffende de euro
-
Decreet van 14 juli 1998 houdende wijziging van artikel 16 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
-
Decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999
-
Decreet van 13 april 1999 houdende wijziging en opheffing van sommige bepalingen van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
-
Decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
-
Decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van artikel 257 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
-
Samenwerkingsakkoord van 26 mei 1999 tussen de federale staat, de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdende de aanstellingsmodaliteiten voor de vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en de Gewesten in het oriënteringscomité en het wetenschappelijk comité voor de economische begroting, zoals die zijn opgericht krachtens de artikelen 115 en 116 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen
-
Decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000 47
-
Protocol van 13 maart 2000 tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk Belgie¨, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
-
Decreet van 30 juni 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000
-
Decreet van 1 december 2000 houdende gelijkschakeling van de successierechten tussen samenwonenden en getrouwden
-
Decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen
-
Overeenkomst van 15 december 2000 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de begrotingsdoelstellingen voor de periode 2001-2005
-
Decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001
-
Decreet van 22 december 2000 houdende oprichting van een Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven
-
Decreet van 22 december 2000 houdende toekenning van een korting op de personenbelasting
-
Decreet van 18 mei 2001 houdende wijziging van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991
-
Decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001
-
Bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten
-
Koninklijk besluit van 13 juli 2001 houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het Ministerie van Financiën
-
Decreet van 13 juli 2001 houdende wijziging van artikel 257 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wat de onroerende voorheffing betreft
-
Decreet van 7 december 2001 tot regeling van enkele gevolgen van de invoering van de euro in de Vlaamse regelgeving
-
Decreet van 7 december 2001 houdende wijziging van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953
-
Samenwerkingsakkoord van 7 december 2001 tussen de federale staat en de gewesten betreffende de uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van hun fiscale bevoegdheden en betreffende de overlegprocedures inzake technische uitvoerbaarheid van door de gewesten voorgenomen wijzigingen aan de gewestelijke belastingen en inzake de technische uitvoerbaarheid van de invoering door de gewesten van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen van de verschuldigde personenbelasting
-
Decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002
-
Decreet van 1 februari 2002 houdende wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheeken griffierechten
-
Samenwerkingsakkoord van 25 april 2002 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende de invoering van een vermindering van de 48
belasting op de inverkeerstelling (BIV) op grond van de emissienorm van de motor (zoals bepaald in de Richtlijn 98/69/EG van 13 oktober 1998) of de aard van de aandrijvingsbrandstof, met inachtneming van de fiscale neutraliteit en ter voorkoming van de concurrentie tussen de Gewesten op het vlak van de inschrijving van de voertuigen -
Decreet van 24 mei 2002 tot wijziging van de artikelen 98 en 100 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
-
Decreet van 24 mei 2002 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van een vermindering van de belasting op de inverkeersstelling (BIV) op grond van de emissienorm van de motor (zoals bepaald in de Richtlijn 98/69/EG van 13 oktober 1998) of de aard van de aandrijvingsbrandstof, met inachtneming van de fiscale neutraliteit en ter voorkoming van de concurrentie tussen de Gewesten op het vlak van de inschrijving van de voertuigen
-
Wet van 26 juni 2002 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 14 juni 2001, 13 juli 2001 en 11 december 2001 houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en tot aanpassing van diverse wettelijke bepalingen aan de euro
-
Decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002
-
Samenwerkingsakkoord van 18 juli 2002 tussen de Federale Overheid en de Gewesten betreffende de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België binnen het Coördinatiecomité ingesteld door artikel 14 van het Akkoord van 9 februari 1994 betreffende de heffing van rechten op het gebruik van van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Eurovignet)
-
Decreet van 19 juli 2002 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994
-
Decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002
-
Decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003
-
Samenwerkingsakkoord van 7 februari 2003 tussen het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende de invoering van de euro inzake de verkeersbelasting
-
Decreet van 21 februari 2003 houdende wijziging van inkomstenbelastingen 1992 wat betreft de onroerende voorheffing
-
Koninklijk besluit van 19 maart 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit
-
Decreet van 9 mei 2003 tot invoering van een vrijstelling van successierechten voor bossen en van een vrijstelling van successierechten en onroerende voorheffing voor gronden gelegen in het VEN
-
Wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof
-
Decreet van 27 juni 2003 tot goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord van 25 november 2002 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de euro inzake de verkeersbelasting
-
Decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003
-
Kaderdecreet bestuurlijk beleid
-
Decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2003 49
het
Wetboek
van
de
-
Decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004
-
Decreet van 26 maart 2004 houdende regeling van herstelmaatregelen voor de Vlaamse paardenwedrennen, houdende machtiging aan de Vlaamse regering om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel "Vlaamse Federatie voor Paardenwedrennen" en houdende wijziging en opheffing van sommige bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
-
Decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid
-
Decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies, en de controle door het Rekenhof
-
Decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen
-
Decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest
-
Decreet van 21 februari 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2004
-
Decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005
-
Decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005
-
Decreet van 15 juli 2005 tot wijziging van artikel 55ter van het Wetboek der Successierechten en artikel 260bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
-
Decreet van 23 december 2005 tot invoering van het begrip "lichte vrachtauto" in titel II van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
-
Decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006
-
Decreet van 16 juni 2006 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake financiën en begroting als gevolg van het bestuurlijk beleid
-
Decreet van 23 juni 2006 houdende wijziging van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
-
Decreet van 30 juni 2006 houdende de invoering van een forfaitaire vermindering in de personenbelasting
-
Decreet van 30 juni 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2006
-
Decreet van 7 juli 2006 houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning
-
Decreet van 15 december 2006 betreffende corporate governance en andere bepalingen inzake de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid
-
Decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007
-
Decreet van 22 december 2006 houdende instemming met de overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, en de slotakte, ondertekend in Luxemburg op 26 oktober 2004
-
Koninklijk besluit van 7 juni 2007 houdende, voor wat de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest betreft, uitstel van inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof 50
-
Decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007
-
Decreet van 23 november 2007 houdende invoering van een bijzonder vast recht voor minnelijke ontbinding of vernietiging van koopovereenkomsten
-
Koninklijk besluit van 7 december 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing en de Vlaamse forfaitaire vermindering van de bedrijfsvoorheffing
-
Decreet van 21 december 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008
-
Decreet van 23 mei 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2008
-
Koninklijk besluit van 16 juli 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 december 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing en de Vlaamse forfaitaire vermindering van de bedrijfsvoorheffing
-
Decreet van 21/11/2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2008
-
Decreet van 19 december 2008 houdende invoering van een verhoogd abattement bij hypotheekvestiging van de enige woning
51
4. Ambtelijke organisatie; Naast het departement Financiën en Begroting maken nog een aantal agentschappen deel uit van het Beleidsdomein Financiën en Begroting. Het Agentschap Vlaamse Belastingdienst staat onder meer in voor de inning van een aantal belangrijke eigen en oneigenlijke belastingen zoals de onroerende voorheffing en de leegstandsheffingen Woningen en Bedrijfsruimten. Het Agentschap Centrale Accounting volgt de begrotings- en boekhoudverrichtingen op en certificeert deze. Het Agentschap Vlaams Toekomstfonds is opgericht als fonds om buffer te zijn in het budgettaire beleid. Het laat de Vlaamse overheid toe om op langere termijn een gezonde budgettaire koers te varen. Naast de agentschappen, bestaan in het beleidsdomein ook nog 2 Vlaamse Openbare Instellingen van type A (instellingen rechtstreeks onder de bevoegdheid van de minister): het FFEU (Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven) en het VFLD (Vlaams Fonds voor de Lastendelging). Het FFEU heeft als doelstelling de jaaroverschotten van de begroting te recupereren en te herverdelen in de vorm van krachtige investeringsimpulsen voor Vlaanderen. Het VFLD heeft voornamelijk tot doel bestaande lasten uit het verleden te lenigen.
52
5. Budgettaire massa van het beleidsdomein (beleidskredieten begroting 2009).
De kredieten van het beleidsdomein Financiën en Begroting zijn in bovenstaande tabel opgedeeld per programma en per bevoegde entiteit. Voor wat betreft de opdeling per programma kan worden vastgesteld dat het gros van de huidige kredieten zich situeert bij eerder technische programma’s zoals Provisies, Reservevorming voor Toekomstige Lasten, Achterstallen en Schuld. De taak van het beleidsdomein Financiën en Begroting als “horizontaal” beleidsdomein bestaat er dan ook in om het overkoepelende beheer van schuld en reservevorming voor toekomstige lasten op zich te nemen. Er dient nog opgemerkt dat de in de tabel voorgestelde kredieten nog abstractie maken van de kredieten die in het voorjaar 2009 nog extra aan het beleidsdomein werden toegekend voor de KBC-transactie en de oprichting van een Waarborgvennootschap. Naast de eerder technische programma’s, bevatten de programma’s Apparaatskredieten, Algemeen en Economisch Overheidsinstrumentarium kredieten die meer betrekking hebben op de eigen bevoegdheden inzake Financiën en Begroting. Binnen het programma Algemeen bevinden zich vooreerst de benodigde kredieten voor de zogenaamde ‘Jobkorting’ ten belope van 710 miljoen euro. Daarnaast hebben de meeste kredieten betrekking tot de specifieke kosten met betrekking tot de specifieke taken van de respectievelijke entiteiten van het beleidsdomein.
53
BIJLAGE 2: MANAGEMENTSAMENVATTING Europese dimensie Europese regelgeving wordt steeds belangrijker en is dikwijls determinerend voor onze eigen regelgeving. Het Europese besluitvormingsproces is transparant, toch heeft de Vlaamse overheid, zeker rond de thema’s fiscaliteit en openbare financiën (ESR), nog onvoldoende greep op enerzijds de Europese besluitvorming en het normenkader daar rond, en anderzijds de interpretaties ervan. Het eigen maken van die specifieke kennis, moet bij de voorbereiding van Vlaamse besluitvorming ondersteuning bieden om: -
mogelijke discrepanties van mogelijke eigen besluitvorming met Europese regelgeving in kaart te brengen en, daarmee samenhangend,
-
het risico te bepalen dat bepaalde beslissingen door Europa anders zouden geïnterpreteerd kunnen worden;
-
eigen Vlaamse standpunten naar Europa toe beter te verdedigen, via de geëigende kanalen.
Actief fiscaal beleid In het licht van een actief fiscaal beleid is een drie-sporenbeleid aangewezen: 1) fiscaal doelgroepenbeleid, 2) effectieve en efficiënte fiscaliteit en 3) vergroende fiscaliteit. 1) fiscaal doelgroepenbeleid Op het vlak van de impliciete toekenning van “voordelen” is voor de Vlaamse fiscaliteit een sociaal doelgroepenbeleid aangewezen. De directe toekenning van voordelen verbonden aan het OMNIOstatuut is op dit ogenblik eerder beperkt. Een gerichte forfaitaire vermindering in de personenbelasting kan op dat vlak enig soelaas bieden. De fiscaliteit kan ook inspelen op het welzijnsbeleid. Zo zou het kangoeroewonen fiscaal moeten worden gepromoot, de onroerende voorheffing lijkt hiervoor het geëigende instrument. Ook de schenkingsrechten kunnen bijdragen tot een doelgroepenbeleid. Zo zouden de schenkingsrechten kunnen gemoduleerd worden in functie van de leeftijd van de begunstigden of van de schenker. Indien men de vermogensoverdracht bij leven verder wil stimuleren dan zou kunnen overwogen worden om de schenkingsrechten verder te laten variëren met de leeftijd van de schenker. Modulaties in functie van de leeftijd van de begunstigden geven kinderen en kleinkinderen een duw in de rug om een eigen woning te verwerven of een eigen zaak te starten. 2) effectieve en efficiënte fiscaliteit Een effectieve fiscaliteit moet zorgen voor positieve economische stimulansen, zeker in periodes van economische teruggang. Tijdelijke fiscale stimuli kunnen de impact van deze teruggang milderen. Een afschaffing van de hypotheeklasten bij de verwerving van een eigen woning gecombineerd met een tijdelijke (drastische) verlaging van de registratierechten kan een daadwerkelijke stimulans betekenen voor de economie / bouwnijverheid. Niet alleen tijdelijke fiscale maatregelen zijn nodig om positieve economische stimulansen te brengen. Daarnaast dringen zich evenzeer permanente ingrepen op om de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsfiscaliteit veilig te stellen. Deze vaststelling vormt meteen de grondslag voor een nieuw fiscaal pact. In het licht van de vereenvoudiging van de lokale bedrijfsfiscaliteit alsmede het formuleren van voormelde economische impuls, is het aangewezen lokale belastingen op drijfkracht af te schaffen. Bovendien zijn een aantal maatregelen inzake successierechten nodig die niet zozeer een positieve economische impact hebben maar die wel vandaag ervaren onbillijkheden moeten wegwerken. Dit betreft het afschaffen van successierechten tussen partners (echtgenoten en wettelijk samenwonenden) alsook het afschaffen van successierechten van ouders die erven van hun 55
kinderen (wanneer deze vroeg zouden komen te overlijden). De afschaffing zal niet alleen de gepercipieerde onrechtvaardigheid elimineren maar vergroot meteen ook het maatschappelijke draagvlak voor de successierechten in het algemeen. Ook op deze manier kan de effectiviteit, via het verminderen van ontwijkingsgedrag, worden verbeterd. Vanuit dezelfde filosofie lijkt het aangewezen inzake successierechten een voetvrijstelling in te voeren en voor de zijlijn de rechten te beperken tot maximaal 50%. Het opstellen van een Vlaams fiscale codex op het vlak van inning en invordering voor de Vlaamse belastingen moet een verregaande uniformisering en daarmee samenhangende efficiëntie bewerkstelligen. Daarbij wordt vooral gedacht aan de belastingen waarvan de Vlaamse Belastingdienst de inning en invordering verzekert. De vraag naar een effectieve en efficiënte fiscaliteit eist niet alleen een vooruitblik maar ook een terugblik op en screening van bestaande regelgeving. Zo kunnen niet alleen enkele achterhaalde belastingen en onderbenutte vrijstellingen opgeheven worden maar kunnen tevens bepaalde potentiële discriminaties geïdentificeerd en geremedieerd worden. 3) vergroende fiscaliteit Niet zozeer om economisch positieve impulsen te creëren maar wel uit bezorgdheid voor een groene fiscaliteit is de vergroening van de verkeersfiscaliteit nodig. Meerdere opties zijn daarbij valabel. Een plausibel alternatief is de ecologische modulering van de verkeersbelastingen. Ander valabel alternatief is het ecobonus / ecomalus systeem. Tot op heden is in Vlaanderen gefocust op het voormelde systeem van de ecoscore, dat verfijnder wordt geacht. De ecobonus (-malus) invoeren zou enkel zinvol zijn indien het op korte termijn kan gebeuren én indien deze maatregel nu al zichtbare effecten zou hebben in Wallonië door een verschuiving naar een ander en meer milieuvriendelijk wagenpark. Voorgaande alternatieven tot vergroening van de verkeersfiscaliteit sluiten naadloos aan bij het onderzoek dat de Vlaamse Regering al heeft gedaan naar de invoering van een kilometerheffing voor vrachtwagens. Voorgesteld wordt om in elk geval verder te werken op het voorlopige standpunt van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 dat streeft naar de invoering van een kilometerheffing over het volledige Vlaamse wegennet voor zowel zware als lichte vrachtwagens. De hoogte van de tarieven moet verschillend zijn om sturend te kunnen werken naar de beoogde effecten. Het eurovignet voor vrachtwagens wordt bij de invoering van de kilometerheffing afgeschaft. Niet alleen op het vlak van verkeersfiscaliteit zijn milieuvriendelijke fiscale maatregelen nodig. Naar analogie met de regeling inzake de onroerende voorheffing wordt aldus onderzocht hoe ook op het vlak van registratierechten gunstmaatregelen voor energiezuinige woningen kunnen worden getroffen. Hierbij kan gedacht worden aan de procentuele verlaging van het tarief bij de aankoop van een woning (algemeen tarief en tarief “klein beschrijf”) die voldoet aan een nader te bepalen energieprestatienorm.
Grotere verantwoordelijkheid van de deelstaten De Vlaamse Regering moet het lef en de ambitie hebben om op basis van onderhandelingen en overleg met de federale overheid en met de overige deelstaten een deel van de vergrijzingskosten naar zich toe te trekken. Echter, voor wat, hoort wat. Bijkomende bevoegdheden inzake sociale zekerheid moeten hierbij in de weegschaal durven gelegd worden. Het is overduidelijk dat het eventueel overnemen van federale vergrijzingskosten door de Vlaamse Regering niet mag leiden tot een inflatie inzake de interregionale transfers. De Vlaamse Regering zal zich bereid tonen vergrijzingskosten over te nemen als en slechts als er ook gerelateerde bevoegdheden mee overgedragen worden. Deelstaten die op deze wijze hun verantwoordelijkheid opnemen, moeten ook gebruik kunnen maken van een flexibele normering. Een begrotingsnorm mag niet langer een rigide gegeven zijn, waarvan slechts in functie van de noodwendigheden van een deelnemende overheid afgeweken wordt. De begrotingsnormering dient over een vooraf bepaalde periode – die ruimer kan zijn dan 56
een legislatuur - als een credit systeem geconcipieerd te worden. De betrokken deelstaat bouwt over de bedoelde periode volgens eigen ritme credits op en engageert zich om tegen het einde van die periode een vooraf onderhandeld totaal te bereiken. Alleen op deze wijze kan het principe van conjunctuurgerelateerde normering ingang vinden. Een systeem van flexibele normering doorbreekt op middellange tot lange termijn (verplichtingen- en / of verbintenissennormering) het rigide systeem van jaargebonden verplichtingennormering en levert voor de participerende overheden een aantal voordelen op waarbij de bewaking van de openbare financiën niet uit het oog verloren wordt.
Beheer van financiële reserves en schulden De afgelopen jaren heeft de Vlaamse overheid haar schuld systematisch afgebouwd en herleid tot quasi nul op 31/12/2008. Daarenboven heeft ze een aantal reserves (Vlaams Pensioenfonds, Vlaams Zorgfonds, Vlaams Toekomstfonds) kunnen opbouwen om aan toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Ook de volgende jaren kunnen er verder reserves opgebouwd worden. Een optimaal beheer van deze reserves vereist specifieke, hoog gespecialiseerde competenties, die schaarser worden op de arbeidsmarkt. Het volledig uitbesteden van deze taken is een denkbare optie maar kan leiden tot een verlies aan competenties binnen de Vlaamse overheid: competenties die hoe dan ook binnen de Vlaamse overheid aanwezig moeten zijn voor het bepalen van de richtlijnen (politiek, kader), de uitbesteding zelf en de controle op het beheer. Een centralisatie van deze competenties, personeel en middelen en bijgevolg van het beheer van deze reserves is aangewezen. Iedere entiteit heeft ook zijn eigen beleid over het beheer van deze reserves. Door consequent te zijn in al haar beleggingen kan de Vlaamse overheid een krachtig signaal geven naar het bedrijfsleven en de samenleving. Centralisatie zal voorts leiden tot meer efficiëntie en kostenbesparing binnen de Vlaamse overheid. Dit zal het rendement van ieder fonds afzonderlijk uiteindelijk verhogen en zo meer middelen genereren voor de financiering van deze toekomstige uitdagingen. Dit alles zal gerealiseerd worden door de oprichting van één Vlaamse BEVEK. Recent dienden een aantal beschikbare reserves aangesproken te worden om directe of indirecte kapitaalinjecties te doen in verschillende financiële instellingen. Hierdoor zal de Vlaamse overheid ook opnieuw moeten ontlenen. Door de financiële crisis is er een schaarste ontstaan in de bankkredieten en zijn de marges spectaculair verhoogd. Gewone bankkredieten afsluiten om de ontstane tekorten te financieren wordt moeilijk en duur. De Vlaamse overheid zal dus de verschillende onderdelen van de (internationale) kapitaalmarkt goed moeten opvolgen en adequate instrumenten ontwikkelen om zich op de meest efficiënte en goedkoopst mogelijke wijze te financieren. Dit geldt niet alleen voor haar eigen schulden maar ook voor de gewaarborgde schulden. De Vlaamse overheid zal, na jaren van beleggingsbeheer, weer aan actief schuldbeheer moeten doen. Hiertoe zullen de nodige normen en instrumenten worden opgezet.
Risicomanagement Voor het afdekken van financiële risico’s, moeten beheersmaatregelen worden uitgewerkt die, niet alleen op entiteitsniveau, maar over alle entiteiten heen worden uitgewerkt. In de eerste plaats is dit het geval voor het thesauriebeheer. Het aanzetten tot goed financieel beheer wordt momenteel bewerkstelligd door een systeem van Centraal Financieringsorgaan-vergoeding. Een ander element van risicobeheer dat entiteitsoverschrijdend dient bekeken te worden is het bijhouden van een inventaris en het beheren van participaties. Centraal kan daartoe een handreiking worden opgesteld die deels informatief is, deels een aantal verplicht te volgen richtlijnen oplegt. Voorts is ook een volledige inventaris van alle waarborgen nodig en moet het duidelijk zijn wie het beheer van specifieke waarborgen voor zijn/haar rekening neemt, en wat precies onder beheer verstaan wordt. Ook hier kan een handreiking worden opgesteld met enerzijds algemene informatie, anderzijds een verplicht aantal te volgen richtlijnen. 57