Onderzoeksrapport Hoe waarderen Vlamingen onroerend erfgoed? Wat is de sociaal-culturele betekenis ervan?
Agentschap Onroerend Erfgoed
COLOFON TITEL Hoe waarderen Vlamingen onroerend erfgoed? Wat is de sociaal-culturele betekenis ervan? REEKS Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed nr. 203 AUTEURS Endeavour: Hanne Van Gils, Bert Timmermans Universiteit Hasselt ArcK: Roel De Ridder JAAR VAN UITGAVE 2021 Een uitgave van agentschap Onroerend Erfgoed Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid, Beleidsdomein Omgeving Published by the Flanders Heritage Agency Scientific Institution of the Flemish Government, policy area Environment VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Sonja Vanblaere PROJECTLEIDER Ingrid Vanhaevre LEDEN STUURGROEP Serge Defresne, Kathleen Vancaester, Ingrid Vanhaevre, An Verhelst LEDEN PROJECTTEAM Serge Defresne, Valerie Evers, Anse Kinnaer, Ingrid Vanhaevre, Sara Vermeulen OMSLAGILLUSTRATIE Wandelpad Sinte-Gitter, Landen Copyright Wendy Claes agentschap Onroerend Erfgoed Havenlaan 88 bus 5 1000 Brussel T +32 2 553 16 50 info@onroerenderfgoed.be www.onroerenderfgoed.be Dit werk is beschikbaar onder de Modellicentie Gratis Hergebruik v1.0. This work is licensed under the Free Open Data Licence v.1.0. Dit werk is beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationaal-licentie. Bezoek http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/ om een kopie te zien van de licentie. This work is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License. To view a copy of this license, visit http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/. ISSN 1371-4678 D/2021/3241/328 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 190
Welke sociaal-culturele waarden hechten Vlamingen aan onroerend erfgoed?
2021
INHOUD INTRO
...................................................................................................................................... 4
CONTEXTUELE EN CONCEPTUELE VERKENNING ........................................................................ 8 VELDONDERZOEK ..................................................................................................................... 32 TOOLS & CONCLUSIES............................................................................................................. 150 BIBLIOGRAFIE EN AFBEELDINGEN .......................................................................................... 169 BIJLAGEN ................................................................................................................................. 173
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 2021
Welke sociaal-culturele waarden hechten Vlamingen aan onroerend erfgoed?
pagina 3 van 190
Colofon Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Jaar van uitgave 2021
Opdrachtgever agentschap Onroerend Erfgoed vertegenwoordigd door Ingrid Vanhaevre
Projectgroep Anse Kinnae, Ingrid Vanhaevre, Sara Vermeulen, Serge Defresne, Valerie Evers
Stuurgroep An Verhelst, Ingrid Vanhaevre, Kathleen Vancaester, Serge Defresne
Opdrachtnemers Endeavour Hanne Van Gils, Bert Timmermans Universiteit Hasselt, ArcK Roel De Ridder
Inhoud
4 Intro 6 DOEL EN OPZET 7 PROCES
8 Contextuele en conceptuele verkenning 10 DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ONROEREND ERFGOED BINNEN DE SAMENLEVING 21 GRIP OP SOCIALE WAARDEN
32 Veldonderzoek 36 INTRO CASES 39 IN DIALOOG I 91 IN DIALOOG II 123 IN DIALOOG III
150 Tools & conclusies 152 TOOLS 160 WAARDERINGSPROCES 164 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
169 Bibliografie en afbeeldingen 173 Bijlagen 173 DIALOOG I WAARDENWAAIER 177 DIALOOG II KAARTMATERIAAL EN MIROBORD 185 DIALOOG III KAARTMATERIAAL EN MIROBORD
Intro
Er zijn veel waarden verbonden aan erfgoed en die kunnen voor iedereen anders zijn. Het officieel beschermen van erfgoed maakt dat het kan behouden blijven voor toekomstige generaties. Het uitgangspunt bij de selectie van te beschermen plaatsen is dan ook dat ze belangrijk moeten zijn voor de maatschappij en omdat een bepaalde gemeenschap ze belangrijk vindt. Het beleid heeft hierin een cruciale maar zeer complexe rol omdat het rekening moet houden met al deze stemmen. Het agentschap Onroerend erfgoed heeft deze studie gelanceerd om via kwalitatief onderzoek meer inzicht te krijgen in methodes om lokale kennis in te schakelen in erfgoedprocessen. Dit is wat we trachten te bereiken met dit onderzoek: ten rade gaan bij een zo divers mogelijk publiek om te polsen naar hun waardering van erfgoed, en dit zowel vanuit individueel als vanuit een breder maatschappelijk standpunt.
4
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 1: bibliotheek Mechelen, Kris Vandevorst
5
Intro DOEL EN OPZET PROCES
Doel en opzet In deze studie onderzoeken we welke sociale waarden Vlamingen toekennen aan erfgoed in hun dagelijkse omgeving. “Het gaat om een kwalitatief onderzoek waarbij het niet de bedoeling is om een representatief staal van de bevolking te bevragen. We willen vooral luisteren naar de verhalen, ervaringen en verwachtingen van burgers en nagaan welke sociaal-culturele en maatschappelijke betekenis zij percipiëren.” Het agentschap Onroerend Erfgoed wil inzicht krijgen in de manier waarop burgers onroerend erfgoed in hun dagelijkse omgeving waarderen. Met het inzicht in het waarderingsproces kan vervolgens rekening gehouden worden in diverse processen om mensen meer te betrekken bij erfgoed en tot een meer gedragen erfgoedbeleid te komen. Volgende vraagstelling staat hierbij centraal: 1. Welk sociaal-cultureel belang hechten Vlamingen aan onroerend erfgoed? 2. Hoe beleven en waarderen ze het, als individu en vanuit een breder maatschappelijk perspectief? 3. Wat zijn tools die gebruikt kunnen worden om sociale waarden in kaart te brengen? 4. Hoe verloopt het waarderingsproces? 5. Wat is de potentie van sociale waardering om meer mensen te betrekken bij erfgoed? 6. Hoe kunnen de inzichten rond waardering ingezet worden in een (meer) gedragen beleid? Waar in de initiële vraagstelling de klemtoon meer lag op het definiëren van de waarden zelf, is deze doorheen het onderzoek verschoven naar de waardering als proces. Sinds de FARO-conventie (2005) wordt onroerend erfgoed expliciet gewaardeerd omwille van zijn betekenis en waarde voor mensen. Daardoor wordt in beleidsbeslissingen steeds meer rekening gehouden met de waarde die mensen hechten aan, en het gebruik dat mensen maken van onroerend erfgoed. Uiteindelijk moet dit leiden tot een meer gedragen beleid dat dichter bij de mensen staat.
6
Het agentschap engageert zich in een aantal projecten en studies die onroerend erfgoed binnen een breder perspectief plaatsen. Deze studie biedt flankerende input voor deze verbredingsoefening van het agentschap. Voor deze opdracht starten we niet van nul. Het agentschap Onroerend Erfgoed voerde al twee thematische onderzoeken uit rond het belang van onroerend erfgoed voor de Vlaming. Het eerste onderzoek is een draagvlakonderzoek, uitgegeven in 2019, van wat ‘de burger’ in Vlaanderen weet, denkt, voelt en doet in zijn relatie t.o.v. onroerend erfgoed en de zorg hiervoor. Dit onderzoek is opgevat als een nulmeting, met als doel later vast te kunnen stellen of er draagvlakvergroting wordt gerealiseerd. Er werd gekozen voor een bevolkingssurvey met aansluitend focusgroepen om ondervertegenwoordigde bevolkingsgroepen in de bevraging te bereiken. Uit het onderzoek blijkt dat het merendeel van de bevolking behoud van onroerend erfgoed belangrijk vindt en meer dan de helft wil graag meer inspraak in de onroerenderfgoedzorg. Verder blijkt vooral het belevingsaspect belangrijk, met name de esthetische waarde, maar ook sfeer, verbondenheid, natuur, groen, rust en de educatieve waarde zijn belangrijke aspecten. Daarnaast maakt erfgoed deel uit van onze identiteit, het creëert een gevoel van verbinding en trots. Als het gaat om onroerenderfgoedzorg moet er een goede balans zijn tussen behoud en modernisering (agentschap Onroerend Erfgoed, 2019). Het tweede onderzoek, uitgegeven in 2020, peilt naar de betalingsbereidheid van de Vlaming voor het behoud van bouwkundig en landschappelijk erfgoed in hun nabije omgeving, maar ook naar het gebruik, de beleving en de kwalitatieve waardering van deze plaatsen. Dit werd onderzocht door middel van twee bevragingen. Hieruit blijkt dat er een positieve betalingsbereidheid is voor het bewaren van een specifiek onroerend erfgoed in de eigen woonplaats. Er zijn verschillende redenen voor de waardering van erfgoed: omdat het mooi is, omdat onroerend erfgoed het uit-
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen zicht bepaalt, omdat het mensen samenbrengt, omdat er een verhaal achter zit, … Financiële en spirituele waarden zijn minder belangrijk (agentschap Onroerend Erfgoed, 2020). Dat laatste wordt bevestigd door studies rond de herbestemming van kerken die door de UHasselt gevoerd worden. Ook daaruit blijkt keer op keer dat mensen zich vooral hechten aan de betekenis van de kerkgebouwen voor het dorp, de wijk en vooral voor de ge-
meenschap in zijn geheel. De strikt religieuze betekenis is minder van belang zo blijkt, en dat geldt evenzeer voor de leden van de kerkfabrieken (de beheerders van de parochiekerken). Veel kerkfabrieken blijken graag hun kerk beschikbaar te willen stellen voor en te investeren in verbindende gemeenschapsprojecten, mochten ze daartoe de bevoegdheid en middelen hebben. Kerkgebouwen lijken dus uit te nodigen tot maatschappelijke projecten, en vragen bijgevolg om een (nieuw) begrip van ‘sociale erfgoedwaarden’.
Proces Het onderzoeksproces bestond uit twee parallelle trajecten: een theoretisch deel en een onderzoek naar verschillende cases. Beide trajecten verliepen parallel en voedden elkaar. Het theoretische deel hielp ons om onszelf te positioneren binnen het maatschappelijk debat en een wijze te bepalen van waaruit we naar
de resultaten van het case-onderzoek konden kijken. Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, stelden we drie types dialoogmomenten voor waarbij we op basis van cases een zo breed mogelijk publiek bevroegen via verschillende methodes.
figuur 1, processchema, Endeavour
7
Contextuele en conceptuele verkenning
In dit hoofdstuk duiken we in de theorie met als doel een kader op te stellen van waaruit we naar de resultaten van de bevragingen kunnen kijken en concrete aanbevelingen kunnen doen. In het eerste deel ‘De sociaalculturele betekenis van onroerend erfgoed binnen de samenleving’ schetsen we het landschap van waardentoekenning, met een focus op de grote verschuivingen en bijbehorende rollen doorheen de tijd, en met een blik op een mogelijke toekomst. We sluiten het eerste deel af door het kader te synthetiseren in het licht van de onderzoeksvragen en met oog op de Vlaamse context. In het tweede deel ‘Grip op waarden’ definiëren we sociale waarden binnen de bestaande waardenframes en ontleden we het proces van ‘waardering’. Doorheen het hele kader verschijnt het ‘waarderen’, als een uitgesproken dynamische aanvulling op ‘waarden’. Het waarderen als proces komt meer op de voorgrond als belangrijke inhoudelijke en methodologische kapstok.
8
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 2: abdij Bornem, Endeavour
9
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED
De sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed binnen de samenleving Het concept en de betekenis van onroerend erfgoed zijn voortdurend onderhevig aan bijstellingen door de samenleving. Oude noties worden geïnstitutionaliseerd en blijven voortbestaan, terwijl nieuwe zich aandienen. Internationaal nam de voorbije decennia de verwevenheid tussen tal van maatschappelijke processen en onroerend erfgoed toe en dit was in Vlaanderen niet anders. Stakeholders uit diverse maatschappelijke domeinen raakten sterker betrokken in waarderingsprocessen van onroerend erfgoed. Ze brachten in de negotiaties nieuwe, vaak sociale, waardennoties in. Die kregen een plek naast de zogenaamde traditionele erfgoedwaarden. De rol van de erfgoedexperten werd herijkt. Dit deel van de studie verkent de betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen tijdens de laatste decennia. Uiteraard is het niet mogelijk om een volledig overzicht te geven. Wel willen we een paar kernnoties en verschuivingen, alsook de belangrijkste actoren die daarbij betrokken waren, kortstondig belichten. Na de contextuele verkenning volgt een conceptuele, die het potentieel bevraagt van etnografische methodes en de actor-netwerkbenadering voor waarderingsprocessen van onroerend erfgoed. De mogelijkheid van erfgoed als waarachtig gedeelde praktijk staat daarbij centraal.
10
—
Onroerend erfgoed wordt steeds minder benaderd als een sector die geïsoleerd zou zijn van maatschappelijke en ruimtelijke dynamieken. Het wordt ingezet als ruimtelijke factor bij stedelijke regeneratie of omarmd als vector om te komen tot duurzame ontwikkeling, waarbij het de richting van ruimtelijke projecten en ontwikkelingen aangeeft. De rol van de overheden maakt een transformatie door: initiëren en regisseren, maar ook ondersteunen en faciliteren. Dit impliceert een sterkere betrokkenheid van de markt en het particuliere initiatief. In het kader van ‘citymarketing’ en ‘place branding’ zetten lokale besturen meer dan voorheen in op profilering. Onroerend erfgoed als identiteitsbepalende factor geldt als belangrijke troef bij het bevorderen van een vestigingsklimaat en het verhogen van de levenskwaliteit.
—
Een tweede belangrijke trend die belicht wordt, is de ‘social turn’ waarbij de waardering van erfgoed een breder spectrum gaat bestrijken en zich een evolutie voltrekt naar een pluriform waardebegrip. De erfgoedsector stelt zich open voor waarden die minder expert-georiënteerd zijn en voor toenemende interdisciplinariteit in de kennisproductie en de waardebepaling binnen het zogenaamde ‘belevingsregime’. Binnen het ‘belevingsregime’ wegen belevenis en herkenning zwaar door in narratieven over de betekenis van erfgoed. ‘Ontsluiting’ en ‘participatie’ komen centraal te staan in de werking.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
—
Een volgende, conceptuele, sectie gaat in op de mogelijkheid van erfgoed als een waarachtig gedeelde praktijk. Eigen daaraan is dat ook de terloopse of zijdelingse waardering van erfgoed een plaats krijgt. Via etnografische methodes, via het maken van een ‘vlakke’ account van een case — vanuit de loutere empirie dus — kunnen bouwstenen van een erfgoedpraktijk in kaart gebracht worden om ze later te operationaliseren in functie van bijvoorbeeld het beheer van het erfgoed. Ook gevoelens, elementen van perceptie en ‘beleving’ spelen een rol in een dergelijke account. Inzicht in het achterliggende netwerk loont, want in een netwerkbenadering is het proces in wezen gelijkwaardig aan het product en aan wat het product teweeg brengt (de performance). Dat is zo omdat het driemaal over hetzelfde netwerk gaat. Een dergelijke insteek, met inzichten die ontstaan vanuit de empirie van de case en de betrokken menselijke en nietmenselijke actoren, vervangt de bestaande theorie geenszins. Ze komt ernaast terecht, op dezelfde hoogte, en stelt mogelijk bepaalde ingedaalde inzichten in vraag. Nieuwe evenwichten tussen bestaande waarden en nieuwe waarden worden mogelijk. Afsluitend leidt een reflectie op het fenomeen van de commons — (onroerende) goederen die beheerd worden door een gemeenschap die zelf (voortdurend) de graad van openheid van de goederen onderhandelt – tot het inzicht dat het openen en/of afsluiten van erfgoed, het ontsluiten en/of het beschermen, in belangrijke mate terecht kan komen bij lokale gemeenschappen zelf. Zoals in het geval van de hierboven beschreven netwerkbenadering van erfgoed roept dit rapport de commons in als aanvulling en aanleiding tot (kritische) reflectie, eerder dan als een nieuw paradigma op zich.
1. ONROEREND ERFGOED ALS FACTOR EN VECTOR BINNEN MAATSCHAPPELIJKE EN RUIMTELIJKE TRANSITIEPROCESSEN Onder meer door de grote erfgoedconventies van de Raad van Europa sinds de jaren 1970 groeit de erkenning dat de historische omgeving een integraal onderdeel is van onze steden en landschappen, in plaats van een wereld op zich. Hierdoor verandert de omgang met de natuurlijke, gebouwde en sociale omgeving: duurzaamheid, hergebruik en herontwikkeling komen meer centraal te staan. Het (onroerend) erfgoed wordt vanwege zijn economische, sociaal-culturele en ecologische waarde aangewend in een breder lokaal of regionaal ontwikkelingsbeleid (Voor erfgoed als economische activa, zie: Rizzo & Throsby 2006; Throsby 2012; Lazrak 2013. Voor Vlaanderen: De Baerdemaeker e.a. 2011; Vanhoutte 2018). Men benadert onroerend erfgoed minder als een sector geïsoleerd van ruimtelijke dynamieken, maar zet het in als ruimtelijke factor bij regeneratie of omarmt het als vector om te komen tot duurzame ontwikkeling, waarbij het de richting van ruimtelijke projecten en ontwikkelingen aangeeft.
11
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED Drie benaderingen van onroerend erfgoed binnen een samenleving in transitie
19DE EEUW — VANDAAG
Renes, Stegmeijer e.a. 2017
Van Knippenberg 2019
Erfgoed als sector
Erfgoed als object
Overheid als regisseur + academische wetenschap Technisch, instrumenteel, procedureel
+ JAREN 1990 — VANDAAG
Erfgoed als ruimtelijke factor bij stedelijke regeneratie
Erfgoed als proces
publiek - private partnerschappen
+ JAREN 2000 — VANDAAG
Erfgoed als vector naar duurzame ontwikkeling
Geleefd erfgoed met zelforganisatie
Ondersteunende en faciliterende overheid Projectgebonden regie Sterke inbreng van de markt en particulier initiatief, waaronder civiele communities Open, actief, interactief figuur 2, een overzicht van de drie benaderingen van onroerend erfgoed, Endeavour
Afhankelijk van de modi (Voor een overzicht van de drie benaderingen van onroerend erfgoed, zie figuur 2) is er voor de overheden een andere rol weggelegd: soms nog steeds initiërend en regisserend, maar steeds vaker ondersteunend en faciliterend. Daardoor nemen de samenwerkingsverbanden en actor-relationele netwerken rond onroerend erfgoed andere constellaties aan. Het zwaartepunt ligt niet langer bij het technische en procedurele, maar verschuift naar een meer open, actieve en interactieve benadering.
12
Het betekent dat de ‘hoe’-vraag, die van oudsher de kernvraag in de planning was, plaats maakt voor de ‘waarom’- en ‘met welk doel’-vragen. Deze vragen verplaatsen zich naar het middelpunt van de planningsarena (De Roo 2007: 106). De verschuiving impliceert ook een sterkere betrokkenheid van de markt en het particuliere initiatief.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Tot de jaren 1970 zijn de hiërarchisch georganiseerde overheid en de academische wetenschap de belangrijkste actoren binnen een eerder geïsoleerde erfgoedsector. Het beheer van onroerend erfgoed geldt als een gespecialiseerde activiteit, op empirie gestoeld en gedomineerd door experten die werken met een objectgeöriënteerde methodiek. Erfgoedprofessionals en ruimtelijke ontwikkelaars zijn vaak antagonisten. Vanaf de jaren 1970 en in Vlaanderen in sterke mate vanaf de jaren 1990 gaat de markt een belangrijkere plaats innemen. Onroerend erfgoed, de voorbeeldrol van bepaalde overheden en de creatie van economische (meer)waarde door regeneratieprojecten raken verstrengeld (De Decker e.a. 2012). Publiek-private partnerschappen en projectgeorienteerde netwerken brengen verschillende partijen en actoren in de onderhandelingsprocessen binnen. Deze nemen uiteenlopende (erfgoed)waarden, middelen en instrumentarium mee. In de periode na 2000 wint de coalitievorming nog aan dynamiek. Het spelersveld en de narratieven worden diverser. Veelal bepaalt de aard van het project wie de regie opneemt. De hedendaagse ruimte is er één met betekenisvolle plaatsen, die gecreëerd worden door erg uiteenlopende actoren en partijen: ruimtelijke deskundigen, ontwikkelaars, vastgoedinvesteerders, overheden, erfgoeddiensten, belangengroepen, maar ook de burgers en de gebruikers.
De rol van onroerend erfgoed binnen regionale ontwikkeling en regeneratie Binnen regionale ontwikkeling en regeneratie biedt onroerend erfgoed door het versterken of creëren van een ‘sense of place’ een toegevoegde waarde. In de jaren 1990 gaat de idee sterker dan tevoren leven dat plekken zich nadrukkelijk moeten onderscheiden om de aantrekkingskracht op gezinnen, bezoekers, toeristen en bedrijven te behouden dan wel te versterken (Harvey 1989). Overheden zetten in op het scherper profileren van bepaalde steden en landschappen. Onroerend erfgoed als identiteitsbepalende factor geldt als een belangrijke troef bij het opzetten van ruimtelijke projecten, bij het creëren van een draagvlak en het bevorderen van een vestigingsklimaat en de levenskwaliteit (Van Dommelen & Pen 2013; Van Duyn & Rouwendal 2013; Vanhoutte 2018).
Marketingcampagnes die helpen bij het aantrekken van bezoekers, bewoners of bedrijvigheid aarzelen niet om authenticiteit als verkoopargument uit te spelen, onder meer bij processen van gentrificatie. Daarbij verschuift de klemtoon van het objectgeoriënteerde naar het (inter)subjectieve, van het factuele naar het emotionele. De toeristische sector weet al langer dat mensen voor het bezitten of bezoeken van een stukje originaliteit, een glimp van het verleden of een historisch gebouw geld over hebben. Historische landgoederen, cultuurlandschappen en ensembles van oude gebouwen in historische binnensteden worden gezien als belangrijkste trekkers in het toeristisch aanbod van bepaalde gebieden (Kunststedenonderzoek 2011, Van Loon 2013; Vanhoutte 2018). Volgens deze logica, waarin het multiplier effect centraal staat, zouden steden met aantrekkelijke, iconische gebouwen beter presteren. In het bijzonder ensembles van identiteitsdragende gebouwen en stadsgezichten kunnen gezien worden als een publiek goed dat de kwaliteit van leven in een stad verhoogt en een aantrekkelijk decor biedt voor een winkelgebied, gespecialiseerde winkels, restaurants, musea, evenementen enz. Zo blijkt dat kunststeden het vaak als leisure- en winkelsteden goed doen (Kunststedenonderzoek 2011; Van Loon 2013). Onroerend erfgoed helpt de verbinding te maken tussen het heden en verleden van een locatie. Inzetten op de betekenis en waarde van erfgoed helpt bij gebiedsontwikkeling om focus aan te brengen, verbindingen te genereren en richting te geven aan functionele programmering. Bij deze benadering ligt het zwaartepunt niet langer bij het individuele onroerend erfgoed, maar bij de beoogde transformatie van een geheel gebied en de daarmee gepaarde economische en culturele waarde. Door de hardware en het narratieve potentieel van onroerend erfgoed te combineren met de software van bijvoorbeeld evenementen wordt ook aansluiting gevonden bij de noden van de hedendaagse maatschappij (Willems 2013). De waarde van de historische dimensie komt tot uiting bij de landschapsbiografieaanpak. Daarbinnen is een centrale rol weggelegd voor de immateriële dimensie van erfgoed en het verhalend vermogen. Historische lagen en verhaallijnen, tradities of concepten die verbonden kunnen worden met het gebouw of de plek
13
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED waar de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, worden waardevol geacht om te bewaren en aan de oppervlakte te brengen. Ze zetten dan meer dan de (veelal ontbrekende) fysieke restanten de vector uit voor een architecturale en ruimtelijke ontwikkeling. Het doel dat men daarbij vooropstelt, is binnen de doorgevoerde transformatie een zeker temporeel continuüm te waarborgen. Kernkwaliteiten in de openbare ruimte of architectuur fungeren daar als de identiteitsdragers van de toekomst (Renes, Stegmeijer e.a. 2017: 121-122).
Duurzaamheid en herbestemming bij onroerend erfgoed Omdat erfgoed is ingebed in de samenleving is het beheer en de zorg van erfgoed onlosmakelijk verbonden met allerlei actuele ontwikkelingen (Zie: agentschap Onroerend Erfgoed 2016). Technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering zorgen ervoor dat gebouwen en terreinen hun gebruiksfunctie verliezen. Leegstand en verwaarlozing dreigen dan (Smit, Baarveld & Dewulf 2013). Deze zijn voor de onderhoudstoestand van erfgoedpanden vaak desastreus. Voor specifieke categorieën van onroerend erfgoed die in de problemen komen, dient daarom een nieuwe gebruiksfunctie gevonden te worden. Het in stand houden van onroerend erfgoed sluit het toekennen van een nieuw, relevant gebruik niet uit, maar de transformatieopgave vraagt vaak inventieve en arbeidsintensieve ingrepen. Daardoor lopen de kosten al snel op, zeker als restauratie noodzakelijk blijkt. Historische bebouwing en hedendaagse technieken van (ver)bouwen gaan ook niet altijd samen. Vraag is in hoeverre bouw- en architectuurhistorische waarden behouden kunnen worden als nieuw gebruik zich aandient. In het licht van het klimaatbeleid zijn behoud van onroerend erfgoed en energiebesparende maatregelen beide componenten in de discussies rond duurzaamheid (Haasdonk 2013). Het is belangrijk de mogelijkheden te onderzoeken om erfgoedgebouwen en -landschappen te verduurzamen. Daarbij wordt verder gekeken dan isolatie of andere vormen van energiebesparing. Wat is vanuit het perspectief van duurzaamheid het beste voor het behoud en gebruik van een historisch gebouw? Hoe kan men de identiteit van een
14
cultuurhistorische landschap duurzaam bewaren en via aanpassingsmaatregelen inspelen op het veranderende klimaat door bijvoorbeeld aan waterbuffering te doen? Welke hedendaagse technologieën zetten we daarbij in?
Negotiatieprocessen bij waarderingsprocessen: coalitievorming en participatie Erfgoed is een sociale constructie en een sociaal product, waarbij er evenveel verhalen als gebruikers zijn. Wat het is en hoe er mee omgegaan wordt, maakt de inzet uit van onderhandelings- en waarderingsprocessen en co-creatie (Smith 2006; Frank 2016; Jones 2017). In de loop van het proces blijkt vaak dat de verschillende stakeholders hun eigen concrete handelingsperspectief en (subjectieve) kijk op het erfgoed en de ingrepen in de fysieke ruimte hebben. Vaak gaat het om gecompliceerde processen. Niet enkel uiteenlopende visies en doelstellingen moeten op elkaar worden afgestemd, maar ook rechten en risico’s en financiële en kwalitatieve kosten en baten moeten over de verschillende actoren verdeeld worden. Er stellen zich dan keuzes. Bovendien lopen vaak niet enkel de visie en doelstellingen uiteen, maar verschillen ook de actielogica en strategie. Dit alles creëert taalafstand en misverstanden die de complexiteit van het proces nog versterken. De weging van waarden vraagt om een integrale benadering, en daarmee samenwerking tussen de verschillende disciplines (Smit, Baarveld & Dewulf 2013). Het besef dat ruimte en samenleving zich niet laten uitsplitsen, onderlijnt het belang van publieksparticipatie bij kwesties rond onroerend erfgoed. De waarde van onroerend erfgoed als ‘gemeenschappelijke hulpbron’ voor de ‘gemeenschap’ biedt dan het perspectief om tot een kader voor het beheer van dit erfgoed te komen. Een kader waarin alle actoren een actieve rol spelen in het onderhoud, het beheer en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke erfenis. Het collectieve belang op lange termijn zou hierbij voorop moeten staan. De geïnstrumentaliseerde en gestandaardiseerde vormen van burgerparticipatie bij ontwikkelingsprojecten zijn hierop echter soms niet gekalibreerd. Dit terwijl het aanboren van lokale col-
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen lectieve kennis en de participatie van de inwoners in de kennisproductie en ruimtelijke visievorming belangrijke troeven kunnen vormen (Devos 2016: 214-237). Nieuwe instrumenten zoals bevragingen in het raam van onroerenderfgoedrichtplannen komen daaraan tegemoet (Kinnaer 2018).
2. ONROEREND ERFGOED EN DE ‘SOCIAL TURN’ Met ‘social turn’ doelt men op de grote uitbreiding van het begrip ‘erfgoed’, de hieraan gekoppelde narratieven over betekenis en ‘participatie’ en de ontwikkeling van een nieuwe kennispolitiek en erfgoedregime. Een groot deel van deze narratieven en inzichten komen rond de millenniumwisseling al aan bod in publicaties uit de Vlaamse erfgoedsector (Nauwelaerts 1999). Rond 2005-2006 maken ze ook op het terrein het dominante verhaal uit, al vallen het theoretische frame en de dagelijkse praktijk niet altijd samen (Gielen 2007; Rosetti e.a. 2020). Deze verschuivingen vallen ook vast te stellen in beleidsdocumenten die voortkomen uit verschillende conventies van de Raad van Europa: de Conventie van Granada in 1985 (monumenten), de Conventie van Valletta in 1992 (archeologie), de Conventie van Firenze in 2000 (landschappen) en de Conventie van Faro in 2005 (cultureel erfgoed). De bepalingen worden van kracht in Vlaanderen en krijgen een neerslag in het Vlaamse Onroerenderfgoeddecreet van 2015.
Van expert-georiënteerde naar collectieve waardering Mensen koesteren monumenten, historische binnensteden en cultuurlandschappen al eeuwen om hun waarde als fysieke blikvangers, om hun schoonheid of als dragers van het verleden. Lange tijd zijn het in de eerste plaats experten die het waarderingsproces domineren en beoordelingscriteria formuleren. Vertaald naar bijvoorbeeld bouwkundig erfgoed zijn dat een aantal wetenschappelijk-inhoudelijke waarden, waarbij de staat of conditie van het onroerend erfgoed centraal staat. Waarden als deze verdwijnen natuurlijk niet, maar verliezen hun hegemonie. Historici, kunst-,
bouw- of architectuurhistorici en/of historisch geografen blijven op dit vlak de experten van dienst. Dat is ook het geval wanneer het erop aankomt om de cultuurhistorische waarde te bepalen. Deze houdt in dat het erfgoed in kwestie een bijzondere uitdrukking is van een culturele, sociale, economische, landschappelijke of andere ontwikkeling. Het oordeel van experten mag dan nog steeds zwaarwichtig zijn, de cultuurhistorische benadering laat openingen toe om ook het perspectief van gebruikers en belangstellenden mee te wegen. In deze context gaat het begrip verhalend vermogen een belangrijke rol spelen. Met de accentverschuiving in erfgoed wordt het belang van de herinneringswaarde en verhalend vermogen extra beklemtoond. Het gaat met name om het vermogen om aan de hand van onroerend erfgoed een belangrijke ontwikkeling of gebeurtenis uit het verleden voorstelbaar te maken, of het leven van een belangrijke historische persoon invoelbaar te maken. Gebouwen, sites en landschappen bieden een authentieke plek om naar toe te gaan en het verhaal over het verleden te beleven. Bovendien is er bij herinneringswaarde sprake van een meer collectieve waardering : “Herinnering is een vorm waarin individuele personen, afzonderlijke groepen en welomschreven gemeenschappen zich de sporen van het verleden als op henzelf betrokken toe-eigenen en ze zo tot hun eigen, geleefde geschiedenis maken”, zo luidt het bij Frijhoff. (Frijhof 2011: 11). Kortom, onroerend erfgoed fungeert als drager en trigger. Daardoor vormt onroerend erfgoed een belangrijke aanvulling op de geschreven geschiedenis, geschiedenisonderwijs, museale collecties, archieven, tradities, gebruiken en rituelen. Een belangrijke uitdaging blijft om zoveel inwoners als mogelijk bij het erfgoed te betrekken. Meer diversiteit – in de verhalen die worden verteld, in het programmeren van erfgoed en wijze van beheer– moet bijdragen aan het bereiken van een ander en meer divers publiek. Om een breder publiek te bereiken en inzicht in het (onroerend) erfgoed te geven gaan erfgoedprofessionals op zoek naar andere toegangswegen. De referentiekaders van de erfgoedprofessionals en deze van die wetenschappelijke disciplines die tot dan toe
15
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED betrokken partij waren, drijven daardoor verder uit elkaar. De publieks- of educatieve werking van de erfgoedsector verlaat de afstandelijke wetenschappelijke systematiek voor een meer direct contact met het verleden. De ontwikkeling van een kennispolitiek gericht op een breder publiek leidt in vele erfgoedontsluitingen tot het zogenaamde belevingsregime. (Gielen 2007). Dit kader maakt het de erfgoedsector ook mogelijk meer ‘essayistisch’, speculatiever en subjectiever met erfgoed om te gaan. Dit betekent een grotere rol voor de publieks- of educatieve werking die in tal van organisaties wordt uitgebreid of professioneler wordt aangepakt.
Van verbinding naar maatschappelijke verscheidenheid “Erfgoed zorgt voor vertrouwdheid in een snel veranderende omgeving”, luidt een vaak gehoorde stelling. In een tijd van globalisering en onzekerheid zoekt de samenleving naar ankers voor de eigen identiteit. In een tijd waarin tegenstellingen lijken toe te nemen, wordt erfgoed een verbindende kracht toegedicht: erfgoed versterkt onze identiteit, geeft houvast en verhoogt de kwaliteit van onze leefomgeving. Onroerend erfgoed, gebruiken en tradities uit het verleden hebben betekenis voor de toekomst van de gemeenschap, voor het debat over identiteit en voor de zoektocht naar wat haar bindt. Mensen identificeren zich bewust of onbewust met hun omgeving en met speciale plekken of gebouwen. Dit gaat samen met een verlangen naar samenhorigheid rond een gedeelde identiteit. Wel worden er kritische vragen gesteld bij die identiteit en wordt gevraagd meer ruimte te creëren in ons culturele geheugen voor herinneringen die schuren. Het wijst op de noodzaak van een herinneringserfgoed dat de volle breedte van het spectrum dekt: van erfgoed dat refereert aan successen in het verleden tot beladen aspecten die men misschien liever zou verzwijgen. Beladen erfgoed kan immers uiteenlopende emoties oproepen. Een deel van de samenleving herkent zich dan niet in een bepaalde weergave van het verleden, of heeft problemen met een bepaald aspect of klemtoon. Soms is er sprake van kwesties uit het verleden die nog steeds doorwerken in het heden:
16
bezetting en collaboratie tijdens WOII, kolonisatie en dekolonisatie. Maar controverses en gevoeligheden rondom onroerend erfgoed hoeven niet per definitie te schuilen in de toekenning van een beschermde status aan bepaalde gebouwen of landschappen. Ze kunnen evenzeer samenhangen met de waarneming dat deze toekenning achterwege is gebleven of onvoldoende plaatsvindt. Eén van de drempels betreft de technieken die beslissingsprocessen vorm geven. Deze bleken wel vaker onaangepast aan vergaande interactie met en participatie van het ‘publiek’. Nieuwe technologieën, zoals de digitale, lijken kansen te bieden om tot dusver gemarginaliseerde groepen te betrekken en bestaande en potentiële doelgroepen beter te bereiken (al blijft het opletten om geen digitale kloof te creëren). Hierbij valt te denken aan gevoelige kwesties die van belang zijn voor bepaalde gemeenschappen, zoals omgaan met misstanden uit het verleden. Tegelijk kan zo een dialoog worden aangegaan en/of een genuanceerder beeld van de geschiedenis verkregen worden. De verbindende rol van (onroerend)erfgoed blijkt ook uit de werking van de erfgoedgemeenschappen, die een cruciale factor vormen om onroerend erfgoed voor de toekomst te behouden en duurzaam te beschermen (agentschap Onroerend Erfgoed 2016). Hierop gaat de volgende sectie uitgebreider in.
3. ONROEREND ERFGOED EN EEN MAATSCHAPPELIJK GEDRAGEN ONROEREND ERFGOEDBELEID Hedendaagse benaderingen uit de sociale theorie en participatiemethodieken zijn mogelijk in staat om erfgoed en de algemene leefwereld dichter bij elkaar te brengen, om van erfgoed een waarachtig gedeelde praktijk te maken, en om nieuwe perspectieven aan te bieden die betrekking hebben op het toekomstige beheer van erfgoed. Uit de samenleving klinken signalen van zelfbeheer: groepen van mensen verzamelen zich rond een bepaald goed – een tuin, een park, een gebouw … – en slaan de handen in elkaar om dat goed te beheren en doorgaans ook te ontsluiten voor de hele samenleving. De commons vormen inderdaad
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen een inspiratie voor hoe er in de 21ste eeuw met erfgoed omgegaan kan worden; ze zorgen wellicht voor animo rond nieuwe vormen van (gedeeld) beheer van erfgoed. Maar het klinkt ook erg ‘collectief’, terwijl een andere mogelijke opstap naar een hernieuwde en verbrede erfgoedpraktijk juist (ook) vertrekt van het potentieel van erg persoonlijke appreciaties die uiteindelijk uitmonden – niet noodzakelijk letterlijk – in een breder geheel. Het is tegen die achtergrond dat de onderstaande paragrafen verkennen wat de link zou kunnen zijn tussen (voornamelijk) de actor-netwerktheorie (actor-network theory, ANT) en de sociale erfgoedwaarden. Daarna volgt een reflectie op het fenomeen van de commons in relatie tot de actor-netwerktheorie en participatiemethodieken.
sche/ontische niveau (dat van het ‘zijn’) en niet zozeer het epistemologische niveau (dat van het ‘weten’). De actor-netwerktheorie is erg pragmatisch. Het (tijdelijk) overboord gooien van alle mogelijke a priori’s komt over als contra-intuïtief, maar uiteindelijk verbreedt het de blik en de mogelijkheden op praktisch vlak.
Erfgoed als praktijk
belangrijke gevolgen voor alles wat met erfgoed te maken heeft. Enkele daarvan worden hier vermeld. De tekst gaat ook kort in op de mogelijke gevaren van de actor-netwerkbenadering. Tussendoor komen de concrete methodieken aan bod.
Het begrip van erfgoed als praktijk is in staat om het collectieve en het individuele niveau in zich te verenigen. Het gaat er dan om de bouwstenen van een dergelijke erfgoedpraktijk, die verspreid aanwezig zijn in de samenleving, te herkennen en te erkennen. De Franse filosoof en socioloog Henri Lefebvre (1991) toonde al in de jaren 1970 dat ruimte evengoed gemaakt wordt door experten (architecten, stedenbouwkundigen, politici ...) als dat het het resultaat is van de dagelijkse, in veel gevallen terloopse en dus niet op ‘ruimte per se’ gerichte handelingen van iedereen. Met erfgoed is wellicht iets gelijkaardigs aan de hand. Het is niet alleen gekoppeld aan de waardering van experten, maar ook aan het dagelijkse leven van zowat iedereen. En al die mensen hoeven er daarom niet heel bewust mee bezig te zijn. Op het niveau van het dagelijks leven houden zich kiemen van (toekomstige) erfgoedpraktijken op. Actuele methodieken uit de sociologie, met name de actor-netwerktheorie (Latour 2005), wijzen op de mogelijkheid van het expliciteren en zelfs operationaliseren van dergelijke bouwstenen of kiemen. Dat vraagt echter om een bijzondere, niet-hiërarchische kijk op de dingen. Het vraagt ook om heel veel kennis die aanwezig is binnen de wereld van het erfgoed even tussen haakjes te zetten en in eerste instantie te focussen op de concrete empirie van het bestudeerde fenomeen, op het tastbare, het materiële, maar vooral het ontologi-
Voor de actor-netwerktheorie komen kennis en actie tot stand doordat er netwerken van mensen en niet-mensen actief zijn; agency of het potentieel tot handelen is pas mogelijk doordat een ‘mens’ zich netwerkgewijs koppelt aan een ‘niet-mens’. Elk feit,
fenomeen, axioma, maar ook elke waarde, praktijk en elke ‘ordening van de wereld’ is binnen de actor-netwerktheorie het resultaat van de achterliggende netwerken van veelal disparate actoren. Redeneren op die manier heeft een aantal
Een door de actor-netwerktheorie geïnspireerde etnografische methode heeft oog voor allerhande elementen, niet alleen voor feiten en heldere uitspraken, maar ook voor gevoelens, waarden en verschillende vormen van perceptie en beleving (niet alleen voor het cognitieve niveau, maar ook voor het expressieve niveau). Siân Jones (2017) verwijst in haar artikel over sociale erfgoedwaarden rechtstreeks naar de etnografie als een voor de hand liggende methode om sociale waarden te traceren. Belangrijk daarbij is dat het verschil tussen die elementen tijdens de observatie ervan even niet van belang is; het ene is niet hoger aangeschreven dan het andere. De door de actor-netwerktheorie geïnspireerde etnograaf behandelt ze voorlopig als allemaal van gelijke waarde, en brengt pas later distincties en hiërarchieën aan, nadat alle data in kaart gebracht zijn en wanneer duidelijk wordt hoe de dingen gerelateerd zijn (of, anders geformuleerd, hoe het netwerk werkt: zonder het uitwerken van de mapping van het netwerk op een uiterst onhiërarchische en ‘vlakke manier’, geen inzicht in hoe het netwerk werkt – volgens de actor-netwerktheorie althans). Het blootleggen van een netwerk van menselijke en niet-menselijke actoren, brengt zowel 1) de productie-
17
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED wijze (proces), 2) het ding zelf dat op haar beurt het product is van het netwerk in kwestie als 3) de effecten van dat product – en dus van het netwerk – heel erg samen. Tussen haakjes: Angelsaksische sociologen, sociaal psychologen en ontwerpers noemen de effecten de performance. Latour en andere aanhangers van de actor-netwerktheorie zien ‘achter’ proces, product en performance driemaal hetzelfde netwerk, dus die drie dingen zijn niet meer dan modi van hetzelfde, namelijk het ‘issue’ of de matter of concern. Voor het fenomeen van de (sociale) erfgoedwaarden betekent dat dat het productieproces van de waarden, het waarderen dus, de waarden zelf en de effecten ervan heel dicht bij elkaar liggen. De actor-netwerktheorie inspireert hier dus vanuit pragmatische en democratische overwegingen om de breedte van het proces van het waarderen naar voren te schuiven en om een enge definitie van een waarde als iets dat in feite volledig vastligt los te laten. Waar het precies over gaat als de effecten van waarden in beeld komen, is iets moeilijker te omschrijven, omdat de performance van een waarde grotendeels, zo niet volledig, zal afhangen van de case in kwestie. In theorie echter is het niet onmogelijk om te spreken van effecten op het inventariseren, beschermen, beheren en algemeen uitdragen van erfgoed. Daar dieper op ingaan nu zou de tekst te ver leiden. Wel boeiend op dit moment is dat ook in de effecten een democratisering voelbaar zal zijn wanneer er meer actoren (meer mensen en niet-mensen) in rekening gebracht worden. Met andere woorden: als diverse mensen deelnemen aan het waarderen, dan is de stap naar een gedeeld beheer of een heel erg ‘gedragen’ bescherming eerder klein. Het is uiteraard niet verwonderlijk dat binnen de actor-netwerktheorie het onderscheid leken-professionals eigenlijk niet gemaakt wordt, toch niet wanneer de kennis of ‘het sociale’ nog in de maak is. Binnen participatietrajecten is duidelijke expertise nochtans soms wel erg op zijn plaats, en ook in de wereld van de actor-netwerktheorie zijn er procedures gangbaar, zoals het hybrid forum (Callon et al. 2011), die juist steunen op het inroepen van expertise om een kwestie verder te onderzoeken. Er is in dat laatste geval een duidelijk verschil tussen expertise (die heel flexibel en responsief ingezet wordt om nieuwe issues te onderzoeken) en voor altijd vastgebetonneerde kennis (die volgens de actor-netwerktheorie amper bestaat).
18
De actor-netwerktheorie en de daarop gebaseerde methodieken ruiken vaak naar relativisme. Die claim is moeilijk helemaal te weerleggen: de oorspronkelijke bronnen van Latour komen onder andere uit de hoek van de semiotiek en gaan ook via het postmodernisme terug tot Friedrich Nietzsche. Latour kijkt echter niet enkel naar continentaal Europa, maar ook naar het Amerikaanse pragmatisme. Dat laatste heeft oog voor de effecten, de uitkomsten: niet zozeer vanuit een utilitaristische doelgerichtheid, maar vanuit een onderzoekende houding. Daar bevindt zich al een zekere nuancering van het relativisme die ook bij Latour en zijn klemtoon op de performance van de dingen te vinden is. Daarbij komt dat de fenomenen die de actor-netwerktheorie onderzoekt meestal ‘controverses’ zijn (Latour 2005). Vertrekkende vanuit de controverse kijkt de actor-netwerktheorie naar welke actoren allemaal in de vergelijking aanwezig zijn en hoe die uiteindelijk kunnen ‘samenleven’ binnen een bepaald nieuw scenario (een ‘collectieve wereld’, een nieuwe ordening of hiërarchie zelfs – zie Callon et al. 2011). Het vermeerderen van de betrokken menselijke en niet-menselijke actoren werkt volgens Latour democratie in de hand. De actor-netwerktheorie is dus niet waardevrij, er is een democratische en zelfs sociaal-democratische agenda, maar de methodes zijn altijd erg ‘zuiver’ op wetenschappelijk vlak, erg gestuurd vanuit de empirie van alledag. Desalniettemin ligt daar ook een zwakte: de actor-netwerktheorie benadrukt heel sterk de ‘onmiddellijkheid van de dingen’ (Spencer 2021: 152) en veel minder de achterliggende structuren; daardoor wordt kennis van geijkte benaderingen, in alle mogelijke domeinen, al eens veronachtzaamd. Het zal dus niet verbazen dat op methodisch vlak aanhangers van de actor-netwerktheorie (zoals al eerder vermeld) een beroep doen op etnografische methodes maar ook op volwaardig transdisciplinair onderzoek. Dat laatste is interdisciplinair onderzoek waarin naast professionelen ook ‘leken’ een volwaardige rol hebben: ‘de leek of ervaringsdeskundige’ is dan doorgaans degene die ‘geraakt’ wordt door een bepaalde controverse en die expertise inroept om het fenomeen samen met de expert(en) te onderzoeken en om samen tot een nieuwe ordening of ‘collectieve wereld’ te komen (Callon et al. 2001; Jansens & Doucet 2011). Dat impliceert dat er procedures bestaan die leken naar waarde schatten, zoals dat in heden-
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen daagse participatieprocessen het geval is. Callon et al. (ibid.) noemen een dergelijke procedure een hybrid forum; het is hybride omwille van de interactie tussen leken en experten én omwille van de behandelde materie, die kan raken aan het wetenschappelijke en tegelijkertijd aan het sociale of maatschappelijke. Op het vlak van participatie biedt de actor-netwerktheorie voeding om bottom-up vergaarde kennis, gevoelens, appreciaties, verlangens en aspiraties, vormen van beleving … op te nemen in processen die uiteindelijk als doel hebben om een (onroerend) goed samen te beheren, of, concreter met betrekking tot dit onderzoek: in de ‘productie van waarden’. Zelfs zelforganisatie kan baat hebben bij een actor-netwerkbenadering. Het verzamelen van bouwstenen allerhande in het teken van een gedeelde ‘zorg voor’ heeft trouwens al ingang gevonden in planningsprocessen (zie Hamdi 2010). In dergelijke processen is er bovendien ontzag voor expertise omdat de bottom-up verzamelde attributen terechtkomen naast grotere, meer strategische (beleids)lijnen. Hetzelfde geldt voor ‘waarden’: nieuwsoortige waarden komen terecht naast meer traditionele of gevestigde waarden, maar daarom moeten de ‘oude’ waarden nog niet het onderspit delven. Wellicht zal ook daar een nieuwe ordening aan de orde zijn, een nieuw evenwicht tussen bottom-up en top-down, oud en nieuw. Daarover gaat het meestal: over niet zomaar eenzijdig opwaarderen van bottom-up kennis en emoties ten koste van top-down kennis en feiten. Het gaat over nieuwe ‘collectieve werelden’ waarin meer actoren en hun attributen zich kunnen vinden (kunnen ‘samenleven’) dan tevoren. De weg ernaartoe is anders – vooral meer coöperatief – dan die van de meer radicaal-politieke hedendaagse emancipatietheorieën; het effect is mogelijk gelijkaardig.
waarden niet noodzakelijk op dezelfde wijze als experten; zelforganisatie gaat dus mogelijk nog een stap verder dan de participatieve trajecten zoals hierboven beschreven. Het is maar de vraag of een volledig autonome productie van erfgoed, met alle bijbehorende facetten, maar zonder inbreng van institutionele partners, überhaupt wenselijk is. Meer heil valt er wellicht te verwachten van een minder radicale verkenning van de idee van de commons in relatie tot erfgoed. Maar op zich klinkt de drievoudige (gangbare) definitie van de commons, opgesteld vanuit de drie-eenheid ‘hulpbron, gemeenschap, beheerspraktijk’ veelbelovend. Er is een goed, een gemeenschap en een vorm van beheer/zelforganisatie door die gemeenschap ten behoeve van de leden van de (brede) gemeenschap. Er is ook onderlinge onderhandeling over hoe ‘breed’ de gemeenschap is die toegang krijgt tot het goed. In de ‘zuivere’ vorm komt er geen overheid of markt aan te pas. In een lossere vorm zorgen de commons voor een hervorming, in de zin van een hernieuwd evenwicht tussen overheid, burgers en de vrije markt. En dat is inspirerend voor het onroerend erfgoed. Sybille Frank (2016) zegt dat als erfgoed inderdaad de sociale constructie en representatie is van betekenissen verbonden aan een gedeeld verleden in het heden, dat erfgoed dan een common is. Dezelfde Frank verwijst ook naar de sociaal geograaf David Harvey, die op zijn beurt de commons benoemt als
“an unstable and malleable social relation between a particular self-defined social group and those aspects of its actually existing or yet-to-be-created social and/or physical environment deemed crucial to its life and livelihood.”
Erfgoedcommons? Een brede beschouwing over de democratisering van het benoemen van, denken over en handelen met betrekking tot erfgoed kan anno 2021 moeilijk zonder ten minste een korte reflectie op het fenomeen van de commons. Erfgoed kan verschillende waarden toebedeeld krijgen van verschillende mensen, dus in principe kan een collectief het waarderen en beheren van erfgoed helemaal zelf behartigen. Leken interpreteren
Bij Harvey gaat het dus om een groep die een duidelijke behoefte heeft gerelateerd aan de directe omgeving en die bepaalde relaties onderhoudt ten aanzien van die behoefte. Die behoeftes kunnen dicht bij de sociale waarden liggen waar dit rapport later op ingaat, bijvoorbeeld identiteit, een gevoel van plaats of well-being. De specifieke kwaliteiten die in de literatuur ‘sociale waarden’ heten, zouden inderdaad wel
19
Contextuele en conceptuele verkenning DE SOCIAAL-CULTURELE BETEKENIS VAN ERFGOED eens kunnen passen in een framework dat mede bepaald wordt door (een verwerking van) de commons. Net zoals bij de actor-netwerktheorie is het echter zaak om niet te ver mee te gaan in dergelijke theorieën en praktijken. Bepaalde aspecten ervan bieden evenwel inspiratie rond andere manieren van beheer, zelfs financiering. Ze zeggen ook iets over de tijdgeest, en de waardering van erfgoed die gebeurt in het heden. Andere facetten vormen mogelijk gevaren, of toch ten minste uitdagingen, zoals in een voorbeeld waar David Harvey (geciteerd door Frank 2016) op ingaat.
“Om een goed te beschermen”, zo zegt Harvey, “is het afsluiten ervan soms een goede optie.” In dat geval echter gaat het beschermen van het goed zelf (beschouwd als een common) ten koste van de publieke toegang ervan (op zich ook een common). Het loutere ‘openen’ of ‘ontsluiten’ van elk mogelijk erfgoed zet ook meer de deur open voor commodificatie en consumptie (Frank 2016). Praktijken van zelforganisatie staan niet zelden in het teken van het beschermen van iets, of zelfs van het beschermen van
20
het bijzondere aura van iets. In het geval van een kerkgebouw zouden we kunnen spreken over het sacrale karakter van het gebouw. De eigen kracht, werking of autonomie van het goed, als iets waarvan de commoners vrezen dat het zal verdwijnen onder invloed van factoren van buitenaf (overheidsbemoeienis, de vervlakkende werking van de vrije markt), staat dan centraal. Fredheim & Khalaf (2016) wijzen erop dat een traditioneel erfgoeddiscours voortdurend het gebruik van een object ervaart als een bedreiging (al maakt het ‘gebruiken van’ deel uit van een traditie). Voor auteurs zoals David Harvey zouden bepaalde goederen juist afgeschermd moeten blijven, zeker van de vrije markt. Naast kerken en kapellen kunnen we denken aan bijzondere natuurgebieden. Het sacrale verdraagt niet altijd de marktwerking (of te veel bemoeienis vanwege een overheid); een natuurgebied verdraagt geen ‘(over)consumptie’ ervan. Een lokale gemeenschap is in bepaalde gevallen wel in staat om een dergelijk goed te beheren: autonomie in de vorm van zelfbeheer werkt de autonomie van het ‘object’ dan in de hand. Zoals hierboven al aangehaald, is het aan de commoners om de graad van openheid te onderhandelen, en dat zal vandaag zo en morgen anders zijn: commoning is een voortdurend onderhandelingsproces.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Grip op sociale waarden In dit hoofdstuk gaan we dieper in op ‘sociale waarden’ zelf. We scherpen de definities aan. Hoe situeren sociale waarden zich in het waardenspectrum? Welke waarden vallen onder de definitie van sociale waarden? Wat is er belangrijk in het waarderingsproces? Dat zijn de belangrijkste vragen die deze sectie begeleiden. Om een antwoord te geven op die vragen maakt de tekst gebruik van enkele bronnen, de definities van
waarden die het agentschap hanteert, en van een verwerking – in de zin van operationalisering – van het theoretisch kader van het vorige hoofdstuk. Het doel is om in functie van de cases een werkbaar begrip van ‘sociale waarden’ uit te werken, ook al hebben de sociale waarden een eerder dynamisch karakter en is de precieze definitie ervan wellicht onderhevig aan verschuivingen op discoursniveau en aan omgevingsfactoren.
WAT ZIJN SOCIALE WAARDEN? We geven een kort overzicht van de waarden zoal geformuleerd in het decreet. Vervolgens kijken we naar de studie ‘De betalingsbereidheid van de Vlaming voor het behoud van bouwkundig en landschappelijk erfgoed’ uit 2020. Hier werd een breder kader geschetst vertrekkende van het juridische kader dat gebruikt wordt door het agentschap Onroerend Erfgoed. Verder zoomen we in op de omschrijvingen van sociale waarden in het bestek en onze eigen literatuurstudie.
De erfgoedwaarden volgens het onroerenderfgoeddecreet Een onroerend goed heeft sociale waarde als het in de hedendaagse gemeenschap nog een actief, overgeleverd sociaal gebruik heeft of gemeenschapsvormend is blijven werken. De continuïteit van de sociale waarde is belangrijk. Voorbeelden: Iets wat nog steeds fungeert als een ontmoetingsplek: gemeenschapscentra, dorpspleinen waar de bevolking nog regelmatig samenkomt; herdenkingsmonument waarbij nog regelmatig wordt samengekomen.
De erfgoedwaarden gehanteerd in de studie De betalingsbereidheid van de Vlaming voor het behoud van bouwkundig en landschappelijk erfgoed uit 2020. In deze studie wordt een reflectie gegeven op het juridische waardenstelsel zoals gehanteerd door het agentschap. Het waardenstelsel is ontwikkeld als instrument voor bescherming en inventarisatie, wat maakt dat de gedefinieerde waarden in grote mate gericht zijn op ‘aspecten uit het verleden’. De waarden die zeer direct en uitsluitend gelinkt zijn aan hedendaags en toekomstig gebruik zijn niet expliciet opgenomen in dit waardenstelsel. Ook worden ‘waarde’ en ‘gebruik’ niet altijd even duidelijk omlijnd en zo zijn er in dit waardenstelsel verschillende waarden die tegelijkertijd een vorm van gebruik impliceren. In de context van de studie was het belangrijk om aspecten die met hedendaags en toekomstig gebruik te maken hebben mee in rekening te brengen. Daarom stelden de auteurs een uitgebreider waardenstelsel samen op basis van bestudeerde waardenstelsels, een reeks van waarden die gelinkt zijn aan gebruik, en op die manier een aanvulling vormen op het waardenstelsel uit het Onroerenderfgoeddecreet.
21
Contextuele en conceptuele verkenning GRIP OP SOCIALE WAARDEN
Waarden uit het Onroerenderfgoeddecreet
22
expertformulering
Formulering in de context van de bevraging van de lokale bevolking
Archeologische waarde
Het is een plek die me laat ervaren hoe men vroeger leefde en werkte
Architecturale waarde
Het toont me een manier van bouwen/ landschapsinrichting uit het verleden
Artistieke waarde
Het onroerend erfgoed toont een kunstvorm uit het verleden
Culturele waarde
Het verhaal achter deze plaats is prachtig. Het onroerend erfgoed toont wie we zijn (lokale cultuur)
Esthetische waarde
Deze plaats is mooi; Het maakt mijn leefomgeving mooier.
Historische waarde
Het is een oude plaats; Het is een unieke plaats in Vlaanderen/België
Industrieel-archeologische waarde
Het is een plek die me laat ervaren hoe men vroeger werkte
Technische waarde
Het onroerend erfgoed is getuige van de ontwikkeling van de techniek
Ruimtelijk-structurerende waarde
Het onroerend erfgoed is een belangrijk oriëntatiepunt in de omgeving
Sociale waarde
Het onroerend erfgoed brengt mensen samen; Er hangt een gebruik aan vast dat we nog steeds samen doen.
Stedenbouwkundige waarde
Zonder deze plaats zou het uitzicht van de omgeving er totaal anders uitzien.
Volkskundige waarde
Deze plaats is verbonden met lokale gebruiken/ tradities
Wetenschappelijke waarde
Het onroerend erfgoed is potentieel een bron van kennis over een bepaald thema, periode of fenomeen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Aanvulling met hedendaagse waarden
Gebruik Functionele waarde
Deze plaats wordt nuttig gebruikt
Recreatieve waarde Educatieve waarde
Het is een fijne plek om je vrije tijd door te brengen Deze plaats laat toe om bij te leren over het verleden
Religieuze/spirituele waarde
Deze plaats laat me toe om stil te staan bij mezelf en mijn plaats in de wereld; Het brengt me dichter bij God
Symbolische waarde
Deze plaats maakt me trots; Deze plaats heeft een bijzondere betekenis voor mijzelf of mijn familie; Deze plaats is een belangrijk symbool voor de inwoners van onze stad/gemeente.
Financiële waarde
Deze plaats is belangrijk voor het toerisme in onze gemeente; Het is een plaats die werkgelegenheid aan mensen verschaft; Het is een bron van inkomsten voor de eigenaar.
Niet-gebruik Bestaanswaarde
Ik vind het bestaan van onroerend erfgoed belangrijk ongeacht het gebruik ervan
Overdrachtswaarde
Toekomstige generaties moeten kunnen genieten en leren van deze plaats
Optiewaarde
Ik zou het in de toekomst willen bezoeken/ gebruiken.
figuur 3, waardentabel uit de studie betalingsbereidheid, verwerking door Endeavour
23
Contextuele en conceptuele verkenning GRIP OP SOCIALE WAARDEN Dit kader biedt ons een overzicht om van te vertrekken. Sociale waarden worden hier geformuleerd als: “Het onroerend erfgoed brengt mensen samen; Er hangt een gebruik aan vast dat we nog steeds samen doen.” Dit is een redelijk beperkte omschrijving, die al wordt opengetrokken in de kadering van deze nieuwe studieopdracht.
De studieopdracht In dit onderzoek beperken we ons tot de sociaal-culturele betekenis van het erfgoed voor het individuele en collectieve welbevinden. We willen daarbij focussen op de “sociaal-culturele beleving van erfgoed”. Die kan, maar hoeft niet samen te hangen met de ‘impact’ ervan: — de zintuiglijke aantrekkelijkheid van de ruimtelijke kwaliteiten van het erfgoed met betrekking tot de vorm, inrichting, diversiteit en cultuurhistorische waarde — de gebruikswaarde (actuele of historische) — het potentiële verbindende karakter — de symbolische of spirituele waarde — de perceptie van erfgoed als hefboom voor duurzaamheid en/of ontwikkeling, als bron voor kennis en vaardigheden, als stimulans voor (lokale) aantrekkelijkheid — als element in de ‘sense of place’ die bijdraagt tot de identiteit van het individu en de (lokale) gemeenschap
Deze verschillende insteken tonen al dat de definitie van ‘sociale waarden’ breed te interpreteren is. Voor het verdere onderzoek naar de cases baseren we ons voornamelijk op de definitie van Jones, aangevuld met het aspect individueel en maatschappelijk ‘welzijn’. De juridische betekenis die het agentschap hanteert in haar processen van inventariseren en beschermen zit hierin besloten.
WAARDE EN IMPACT De waarde van onroerend erfgoed en de impact zijn verschillende zaken, toch worden deze begrippen vaak verkeerd gebruikt. Daarom is, alvorens verder te gaan, een kort overzicht van de definities van de voorgestelde termen noodzakelijk. Impact kan gedefinieerd worden als: “[a] dynamic concept which pre-supposes a relationship of cause and effect. It can be measured through the evaluation of the outcomes of particular actions, be that an initiative, a set of initiatives forming a policy or set of policies which form a strategy“ (Landry, et al., 1993).
figuur 4, waarde en impact als een dynamisch geheel, door Endeavour
Uit de literatuur: Sian Jones:
(Jones 2017) “social value is defined as a collective attachment to place that embodies meanings and values that are important to a community or communities” (Jones and Leech 2015, para 1.6; after Johnston 1994, 10; Byrne et al. 2003). “The concept encompasses the ways in which the historic environment provides a basis for identity, distinctiveness, belonging and social interaction. It also accommodates forms of memory, oral history, symbolism and cultural practice associated with the historic environment.”
24
In het kader van het cultureel erfgoed verwijst de waarde van het erfgoed naar wat bepaalde sites voor de mensen betekenen, terwijl de impact van het erfgoed hun reële invloed is op de economie en de samenleving van een regio. Beide termen zijn niet vooraf gedefinieerd, maar moeten worden opgevat als processen die aan verandering onderhevig zijn. De impact van een project kan bijvoorbeeld veranderen naarmate de daaropvolgende gebeurtenissen zich ontwikkelen. De relatie tussen waarden en de impact van erfgoed is tweeledig; waarden kunnen een invloed hebben op de impact, die op hun beurt kunnen leiden tot een verhoging van de waarden, aangezien een toename van de impact van erfgoed zich zal ontwikkelen tot een hogere
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen waardering van erfgoed. Erfgoed wordt bijvoorbeeld gewaardeerd als een cultureel goed, daarom gaan mensen het bezoeken, en dit genereert economische impact. Dit kan opnieuw leiden tot een hogere waardering van het goed. Niettemin mag niet uit het oog worden verloren dat, hoewel er steeds meer waarden en voordelen aan het cultureel erfgoed worden toegekend, deze niet altijd alleen uit de specifieke kenmerken ervan het erfgoed moeten worden afgeleid,
maar afhankelijk zijn van de betrokken actoren (de eigenaars, de lokale gemeenschappen, de autoriteiten). Men moet voor ogen houden dat er meestal stappen moeten worden ondernomen om het impactpotentieel van cultureel erfgoed in werking te stellen. Nog even scherpstellen dat we binnen dit onderzoek niet verder focussen op de impact, maar op de waarden en het proces van waardering.
SOCIALE WAARDEN IN BEELD Met het benoemen van sociale waarden verschuift de aandacht van ‘de expert’ naar ‘de leek’. Sociale waarden zijn vaker verbonden met indrukken en gevoel. Wat erg persoonlijk (subjectief) is en lastig onder woorden te brengen, en zodoende ongrijpbaar. Steeds beter wordt beseft dat de menselijke kennis van zijn omgeving niet alleen iets van het woord is, maar ook van het lichaam. Kennis komt niet alleen tot stand door abstracte beschouwing, maar ook door
concrete ervaring en beleving. De expert brengt de erfgoedwaarden onder woorden, terwijl de leek waarden meer beleeft. In het bepalen van de waarde van erfgoed is de invalshoek van de expert en de leek nodig. Onderstaand schema toont hoe sociale waarden kunnen worden uitgesplitst in bouwstenen die samen trachten een volledig beeld te geven van het ‘waardenveld’ dat sociale waarden omvat.
SOCIALE WAARDEN bouwstenen
Formulering in de context van de interviews
Samenhorigheid, ‘a sense of belonging’
Het gevoel ergens bij te horen Het gevoel van verbondenheid met vorige generaties Een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten Plekken die vrijwilligers in beweging brengt Iets waarvan mensen met diverse achtergrond samen kunnen genieten Een plek die het gemeenschapsgevoel versterkt Plekken die mensen betrokken maken bij de kwaliteit van hun omgeving en engagement oproepen
25
Contextuele en conceptuele verkenning GRIP OP SOCIALE WAARDEN
Identiteit
Het gevoel van trots als bewoner van een specifieke plaats De oorspronkelijkheid, echtheid, authenticiteit Een plek met verhalen Een plek met een eigen karakter Het geeft onze wijk/stad/land en/of onze ‘gemeenschap’/volk een eigen gezicht Plekken die de omgeving verrijken Het zijn attractieve plekken die bezoekers/toeristen lokken Het helpt de buurt opwaarderen Het doet de omgeving en de omwonenden floreren Het versterkt onze unieke (Vlaamse, regionale …, nationale) cultuur Het gevoel van status
Educatieve waarde
Het opvoedkundig, educatief belang: leert mensen iets over vroeger, de levens van vroegere generaties
Spiritualiteit
Het gevoel van zichzelf te overstijgen, het gevoel van er is iets meer. Een gevoel van harmonie
Thuisgevoel
Het gevoel ergens thuis te zijn, vertrouwdheid Een plek die herkenbaar is en waar je gehecht aan bent
Herinnering
Plekken die een ankerpunt van herinneringen vormen Gezamenlijk verleden, iets van ons samen als samenleving
Sense of place
Plekken als een oriëntatiepunt binnen de wijk of de stad Het gebouw of de plek ‘maakt’ het dorp, de wijk, de stad of het landschap of bepaalt wat het ‘lokale’ inhoudt De atmosfeer van een plek Sterke zintuiglijke ervaring Ervaring van schoonheid, rust en ruimtelijkheid
Zintuiglijk
Well-being
Een plek die doet stilstaan bij het leven Bepalen de kwaliteit van ons leven Plekken die het hoofd vrijmaken Plekken die onze horizon verruimen Heeft effect op onze gezondheid, fysiek en geestelijk welzijn Plekken die een gevoel van veiligheid oproepen
figuur 5, overzicht van waardenveld dat sociale waarden omvat
26
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen VAN WAARDEN NAAR WAARDERING Siân Jones (2017) beklemtoont in een artikel over sociale waarden dat de handeling van het waarderen meer op de voorgrond komt te staan dan waarden als dusdanig. Ze gaat zelfs verder en stelt de hele waardenbenadering in vraag: “[...] There is also the question of whether a value-based model, which inevitably tends to objectify and fix different categories of value, is even appropriate” (ibid.: 26). Wat verderop in dezelfde tekst houdt ze het er toch op dat een meer dynamische benadering van ‘waarderen’ waardevol is (ibid.: 26). De verschuiving naar het ‘waarderen’ sluit niet alleen aan bij methodologische veranderingen die verzameld kunnen worden onder de noemer ‘social turn’ (zie ook het theoretisch kader in dit rapport), maar ook bij feitelijke veranderingen die zich voltrekken in de omgevingen waar het waarderen van tel is. Fredheim & Khalaf (2016) zeggen, daarbij verwijzend naar de UNESCO Recommendation on the Historic Urban Landscape (HUL): “The urban environment is continuously changing, both physically and socially; a value typology for urban heritage must reflect and respond to this changing nature.” Een volgende reden om de aandacht te richten op het ‘waarderen’ als handeling, naast de methodologische en die gekoppeld is aan onze veranderende omgevingen, hangt samen met de verruimde focus die met de term ‘sociale erfgoedwaarden’ gepaard gaat. ‘Verruimde focus’ wil hier vooral zeggen: met eveneens oog voor de meer impliciete waardering van erfgoed. Als de vraag is om in kaart te brengen hoe mensen erfgoed niet alleen waarderen maar ook ‘beleven’, dan dringt een andere aanpak en een andere inhoudelijke zienswijze zich op. Is er een verbinding denkbaar tussen het ‘beleven’ en de sociale erfgoedwaarde? Kunnen spontane reacties, gevoelens en ervaringen een rol spelen in het waarderen en eventueel zelfs doorgroeien tot erfgoedwaarden? Of spelen ze ten minste een rol met betrekking tot sociale erfgoedwaarden? Als dat het geval is, als die opening gemaakt wordt, dan helpt een statisch begrip van waarden weinig verder. Met andere woorden: enkel een dynamisch waarderen, expliciet begrepen als werkwoord, is in staat om een link te leggen tussen de empirische bouwstenen
waaruit appreciaties van concrete gebouwen en plekken door concrete mensen bestaan en het fenomeen ‘erfgoedwaarden’. In de complexere cases van dit onderzoek komt die stap van empirie naar waarderen uitdrukkelijk terug. De vraag blijft voorlopig: hoe valt die vertaling van gevoelens, ervaringen … naar erfgoedwaarden te maken? En is die vertaalslag nodig als waarderen belangrijker wordt dan ‘waarden’? De poging die hier ondernomen wordt, is gebaseerd op een beperkt literatuuronderzoek en een toetsing daarvan aan de hand van de complexere cases binnen dit onderzoek. De resultaten van die toetsing zijn uiteraard ook beperkt. Het gaat om een verkenning, een experiment dat niet de pretentie heeft om te resulteren in een sluitende theorie van het ‘waarderen’. Het schema (figuur 6) wil weergeven dat de eventuele weg van een appreciatie ergens te velde naar een erfgoedwaarde (zoals bijvoorbeeld vastgelegd in een beschermingsbesluit) niet zomaar eenduidig is. Het gaat om wat we twee verschillende regimes zouden kunnen noemen: het regime van het ‘waarderen’ bovenaan in het schema, en het regime van de waarden onderaan in het schema. Tussen de twee regimes bevinden zich bepaalde ‘filters’. Het eerste regime, bovenaan, is dat van het ongefilterde empirische appreciëren, vanuit het dagelijkse leven, en (nog) niet noodzakelijk inhoudelijk gekoppeld aan het erfgoeddiscours. Elke appreciatie komt volledig ‘symmetrisch’ binnen. Dat betekent, naar analogie met de actor-netwerktheorie, dat het niet uitmaakt wie de appreciatie uitspreekt (kenner of leek, individu of groep), noch welke vorm de appreciatie aanneemt (kennis, associatie, gevoel, beleving … of een combinatie daarvan), noch wat het precieze onderwerp van appreciatie is (gebouw, object, landschap, stedelijke omgeving …). Dat laatste, in verband met het niet-beperken van het onderwerp van appreciatie, is in de Vlaamse context, waar het agentschap Onroerend Erfgoed zich buigt over het onroerend goed en het departement Cultuur, Jeugd en Media over het roerend en immaterieel goed, vreemd. Goed om daarbij in het achterhoofd te houden is dat de ongefilterde wereld niet uit heldere scheidingen bestaat, maar enkel uit hybriden: verbindingen van actoren (in de brede zin
27
Contextuele en conceptuele verkenning GRIP OP SOCIALE WAARDEN REGIME 1 weten, associëren, voelen, ervaren (via dagelijkse praktijken)
onderhandelen a.d.h.v. eventuele discursieve, normatieve en narratieve lenzen REGIME 2 cultuurhistorische, technische, economische, ... waarden
sociale waarden
COLLECTIEVE WAARDEN
samenhorigheid
archeologisch
spiritueel
architecturaal esthetisch functioneel educatief
thuisgevoel
tewerkstelling recreatief
IMMATERIËLE WAARDEN
MATERIËLE WAARDEN
sense of place
well-being herinnering
INDIVIDUELE WAARDEN
figuur 6, Regime 1 en 2, door UHasselt en Endeavour
28
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen van het woord) die niet onderverdeeld zijn in duidelijke categorieën. Het gaat immers om een emergente wereld in het eerste regime, waar de appreciaties spontaan verwoord worden en waar de meest disparate actoren naast elkaar bestaan. Om een voorbeeld te geven: iemand kan een gebouw appreciëren omdat er een bijzondere boekencollectie in ondergebracht is, of omdat het niet-kerkelijke gebouw toch het decor vormt van een processie. De ordening volgens geijkte categorieën komt later. Het tweede regime, onderaan, is dat van de (sociale) erfgoedwaarden. Onderaan in het schema komen erfgoedwaarden terecht, geordend volgens enkele vaste categorieën. Hier is gekozen voor de assen 1) materieel (objectgeoriënteerd) – immaterieel en 2) individueel – collectief. Er is nog een derde as denkbaar, die aangeeft hoe ‘oppervlakkig’ of ‘ingebed’ een waarde is. Janet Stephenson (2008) zegt in een tekst over de waarde van landschappen: “The temporality and changing nature of heritage is further developed through the concept of ‘embedded’ values, as distinguishable from those that are identifiable on the ‘surface’ by observing present forms, practices and relationships. Over time, surface values may become embedded, giving past interpretations of significance a role in the present.” Sociale waarden lijken (voorlopig) vluchtiger dan bijvoorbeeld historische en culturele waarden die terugvallen op gedegen onderzoek. Sociale waarden zijn bovendien eerder immaterieel en bevinden zich soms op een meer collectief, soms op een meer individueel niveau. Er is een poging gedaan om ze een plaats te geven in het schema. Het schema kan verder verfijnd worden, en aangevuld met andere waarden (uit de waardentypologieën die Fredheim & Khalaf (2016) verzamelden, komen onder andere wetenschappelijke, esthetische, symbolische/associatieve, prestige-gerelateerde, emotionele, omgevingsgebonden, gemeenschapsgerelateerde, politiek-ethische waarden en waarden gericht op zeldzaamheid, entertainment en recreatie en nieuwsgierigheid naar boven). De bedoeling van de onderzijde van het schema is dat er in een hedendaags erfgoedveld te werken valt met de opgenomen waarden.
Hoe komt de waardebepaling via een bottom-up waarderen tot stand? Mensen waarderen erfgoed vanuit relaties. Een individu of een groep is op de ene of de andere manier betrokken op een goed en drukt een appreciatie of waardering uit. Die relaties kunnen echter complex zijn: mengvormen misschien van normatieve (bijvoorbeeld: ‘ik vind dat dat bewaard moet blijven’), cognitieve (bijvoorbeeld: ‘ik weet dat dat oud is’), associatieve (‘is dat gebouw niet verwant aan de art nouveau van Horta?’, of ‘het doet me denken aan mijn oude school’), ervaringsgerichte (‘dit park bezoeken vind ik een belevenis’ of ‘dat raakt me omwille van de tactiliteit van de trapleuning en de geur van het hout’), affectieve (‘deze plek geeft me een goed gevoel’), praktische (‘door hier elke week te komen zwemmen ben ik de plek gaan appreciëren’), en allerlei hybride aspecten van waardering (‘ik weet dat mijn buurman dit belangrijk vindt’). De relaties kunnen ook ontstaan vanuit een spirituele, identitaire, verbindende (met andere mensen) of geheugen- of tijdgerelateerde logica (met betrekking tot het collectieve geheugen, persoonlijke en familiegeschiedenissen, met betrekking tot een volgende generatie). Dit lijstje pretendeert geenszins volledig te zijn. Door regime 1 op die manier te bekijken, als het veld van de relaties tussen mensen en goederen die zich op verschillende wijzen kunnen voltrekken, begint het al meer te ‘leven’. De link met waarden/waarderen wordt sterker. De praktische component is wellicht de moeilijkste om precies te benoemen. Binnen de context van dit onderzoek heeft hij vooral te maken met de ‘praktijken van het dagelijks leven’, en dus met een brede, meer antropologische invulling van ‘praktijken’. Henri Lefebvre (1991; 2014) en Michel de Certeau (1984) hadden het in hun werk over dergelijke, soms schijnbaar banale dagelijkse praktijken die zeker niet betekenisloos zijn. De praktische component heeft als bijzondere kwaliteit dat hij ook zijdelings of quasi toevallig kan werken, als de modus van waarderen van de verstrooide voorbijganger bijvoorbeeld. Door erfgoed hier te koppelen aan dagelijkse praktijken komt er haast als vanzelf een dimensie van tijd bij. Impliciet worden ‘tijd en verandering’ geïntroduceerd, elementen die volgens Fredheim & Khalaf (2016) zelfs ontbreken in het Burra-charter en in de recente documenten van English Heritage.
29
Contextuele en conceptuele verkenning GRIP OP SOCIALE WAARDEN Het ‘zijdelingse’ gewaarworden van erfgoed komt overigens nog expliciet terug in de cases, zeker in de meer uitgebreide cases. Het voorgaande kan in verband gebracht worden met het Cultural Values Model van Janet Stephenson (2008). Zij zegt: “‘Forms’ encompass the physical, tangible and measurable features of the landscape/townscape such as any structures, spatial arrangements, open spaces as well as natural and artificial features. ‘Relationships’ cover the meaning, interpretations and significance generated by the relationship between the human and the landscape/townscape; this includes identity, memories, sense of place and spirituality, while ‘practices’ encompass traditions, activities and events including human and natural systems.” Siân Jones (2017) verwijst in haar artikel over sociale waarden letterlijk naar identity, memories, sense of place en spirituality; het zijn elementen die bij Stephenson dus geduid worden als waarachtige relationships in haar Cultural Values Model.
Deliberatieprocessen en omgevingsfactoren Volgens Laurajane Smith, auteur van onder andere het kritische Uses of Heritage (2006), gaat erfgoed altijd gepaard met onderhandelen. Voor de verruiming van het waarderen die hier uitgebouwd wordt, betekent dat dat er tussen een regime van ongefilterd empirisch ‘appreciëren’ en een regime van waarden zoals gehanteerd in de erfgoedsector, altijd nog een vorm van deliberatie aanwezig is. Welke (vormen van) appreciaties groeien door tot erfgoedwaarden? Welke aspecten spelen een rol? En verwijzend naar het theoretisch kader: welke ‘nieuwe’ waarden kunnen samenleven met de bestaande? Een dergelijke deliberatie zal nooit in een vacuüm of onder steriele laboratoriumomstandigheden plaatsvinden. Er zal altijd sprake zijn van bepaalde theoretische en culturele kaders, normen en waarden, narratieven, doelen, eventuele beleidslijnen en strategische beslissingen … die de deliberaties sturen. Dat hoeft geen probleem te zijn. Een waarde wordt trouwens niet voor de eeuwigheid toegekend. Dergelijke sturende of bemiddelende elementen zijn bovendien moeilijk los te denken van wat er in regime 1 gebeurt. Het schema maakt wel een onderscheid, voor de leesbaarheid, en ook om aan te geven dat waarderen inderdaad nooit waardevrij gebeurt. De praktijk is echter complexer dan dat. Een appreciatie is nooit alleen maar een appreciatie; er is altijd wel een zekere intentie aan gekoppeld, of er zijn omgevingsfactoren die meespelen. En sowieso vindt het waarderen in een sociale, culturele, ruimtelijke ... context plaats. Op de ene of de andere manier zal die context altijd een effect hebben op het waarderen.
30
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Een eerdere studie van projectpartner Endeavour over gedrag in relatie tot verplaatsingsgedrag gekoppeld aan het wonen (Endeavour 2020) bracht eveneens het belang van een sociale en een ruimtelijke context voor menselijk gedrag aan het licht. Binnen een bepaalde context spelen objectieve en subjectieve factoren. De laatste zeggen iets over iemands idee over de context in kwestie, zoals een attitude ten aanzien van een bepaalde kwestie. Sommige processen verlopen collectief (bijvoorbeeld een al dan niet bewust collectieve reactie op een omgeving), andere verlopen meer individueel (bijvoorbeeld het samenstellen van een mental map op basis van informatie over een omgeving). Een andere, aansluitende maar tegelijkertijd meer systematische manier om naar omgevingsfactoren te kijken is via een actor-relational approach of planning (zie Boelens 2020), waarin een (stedelijk) subsysteem bestaat uit eigen gedragscodes (instituties), actoren die een rol spelen en factoren die een invloed uitoefenen. De instituties, actoren en factoren beïnvloeden elkaar, maar beïnvloeden ook andere subsystemen. Een dergelijke benadering is handig om met betrekking tot de cases in dit onderzoek een scan te maken van de omgeving en de dynamieken die er gaande zijn. Als bovendien de actor-netwerkbenadering uit het theoretisch kader consequent doorgevoerd zou worden, dan komen ‘waarden’ en ‘voorwaarden’ (of omgevingsfactoren) op dezelfde hoogte te staan. De omstandigheden of omgevingsfactoren van het waarderen maken
in een actor-netwerkbenadering onlosmakelijk deel uit van het netwerk van het waarderen. De voorwaarden met andere woorden zitten dan vervat in het waarderen. Dat hoeft het deliberatieproces er niet van te weerhouden om zekere omgevingsfactoren — bijvoorbeeld als die incompatibel zijn met de in de praktijk gehanteerde waardenkaders — weg te filteren (indien mogelijk). Daarbij komt dat het in een democratisch bestel met betrekking tot het waarderen van erfgoed vreemd zou zijn mocht er enkel eenrichtingsverkeer mogelijk zijn, van de empirie van alledag naar een geïnstitutionaliseerd waardenkader. De cases van dit onderzoek tonen de significantie van de omgekeerde beweging aan, met name van de invloed die het vastliggen van welomschreven waarden heeft op de eerder vluchtige appreciatie van onderuit. Het is niet zelden zo dat juist de bescherming van een gebied of een gebouw ervoor gezorgd heeft dat de plek op een bepaalde manier is kunnen evolueren. Dat heeft dan vervolgens met zich meegebracht dat diezelfde plek — misschien paradoxaal — vandaag door bezoekers enkel heel vluchtig of haast terloops opgemerkt wordt. Misschien wordt ze niet eens opgemerkt als erfgoed, maar als bijvoorbeeld niet meer dan een aanvulling op de omgeving of als een achtergrond waartegen zich een sfeer van ontspanning en recreatie voltrekt. Met andere woorden, ook de vluchtige, zelfs oppervlakkige ontmoetingen met onroerend erfgoed hebben nood aan een solide basis, een kader en een instrumentarium.
31
Het veldonderzoek
In dit hoofdstuk duiken we in de actie. We focussen op het beleven, ervaren, voelen en capteren van sociale waarden door middel van interviews. Het hoofdstuk is opgebouwd volgens drie type dialoogmomenten waarbij er telkens andere cases naar voor komen en verschillende methodieken gebruikt worden. Het theoretisch kader wordt op deze manier geoperationaliseerd, getest en bijgesteld. We starten met een korte introductie van de cases en de relatie tot het theoretisch kader. Vervolgens lichten we elke type dialoogmoment uitgebreid toe met een overzicht van de aanpak, de sessie zelf en een samenvattende reflectie.
32
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 3:: de volkstuintjes op het domein van de Abdij van Bornem, Endeavour
33
Veldonderzoek INTRO CASES LE GRAND HOTEL, NIEUWPOORT VAN EYCK ZWEMBAD, GENT
STADHUIS LEUVEN
SINT-GITTERDAL LANDEN
dialoog I dialoog II dialoog III
34
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen DE SINT BERNARDUS-ABDIJEN PARK, BORNEM
HET PREDIKHEREN KLOOSTER, MECHELEN
HET LANDSCHAPPELIJKE GEBIED HOUTHALENHELCHTEREN
DE BOTTELARIJ, ULBEEK
Afbeeldingen zie cases
35
Veldonderzoek INTRO CASES
Intro cases In samenspraak met het agentschap werden er een aantal cases geselecteerd. Doel was om tot een divers pallet aan cases te komen met een goede spreiding in: geografische ligging, type erfgoed, het organisatiemodel, het programma en het type activiteit dat er plaatsvindt. Het doel is om inzicht te krijgen in de sociale waarden die voorbijgangers en gebruikers toekennen aan plaatsen met erfgoedwaarde in hun dagdagelijkse omgeving. En in de manier waarop mensen waarderen,. Omdat het waarderen van onroerend erfgoed een subjectieve aangelegenheid is, wordt er gekozen voor een kwalitatieve aanpak. De bevragingen zijn onderverdeeld in drie types dialoogmomenten waarbij er telkens andere cases en methodieken gebruikt worden. Zo kan er geevalueerd worden welke methode het meest potentie biedt om sociale waarden te identificeren. Wat de cases gemeenschappelijk hebben, is dat er wordt vertrokken vanuit menselijke activiteiten (werken, wonen, onderwijs, ontspanning …) in relatie tot onroerend erfgoed. We houden ook rekening met de situatie van en rond de site, niet enkel met het object op zich. Vanwege de aard van sociale waarden moet de juiste houding en ‘tone of voice’ in de gesprekken worden aangenomen. Daarnaast is naast de concrete info uit het gesprek de observatie van niet-verbale uitingen van appreciatie of waardering opgenomen. Het veldonderzoek zorgde voor een versterking en een verfijning van het theoretisch kader. De klemtoon van het theoretisch kader op het ‘waarderen’ hangt sterk samen met de methodieken van Dialoog II en III. We kaderen kort de verschillende cases in relatie tot de gebruikte methodieken per type dialoog. De methodische benadering wordt later in detail toegelicht.
36
DIALOOG I Deze bevragingen waren korte, spontane gesprekken van gemiddeld 15 minuten, op de site, met voorbijgangers en gebruikers. We werkten met open vragen, met zo min mogelijk sturing zodat de bevraagde vanuit haar of zijn leefwereld kon antwoorden. In samenspraak met het agentschap werden er enkele hoofdvragen geformuleerd die de structuur van het gesprek bepaalden. Er werden bijvragen gesteld om bepaalde topics verder uit te diepen. We geven hieronder kort een introductie tot de cases, ze komen later uitgebreider aan bod.
Mechelen, Predikherenklooster Dit voormalige klooster in Mechelen heeft een nieuwe bestemming gekregen als ‘bibliotheek van de 21ste eeuw’. Naast haar bibfunctie biedt dit gebouw ook plaats als ontmoetingsplek voor de buurt, restaurant, koffiebar, culturele performance- en tentoonstellingsruimte en co-working space. Naast het gebouw bevindt zich de Kazerne Dossin wat het boeiend maakt om deze gebouwen als ensemble te bekijken. Deze case heeft veel media-aandacht gekregen vanwege de renovatie.
Sint-Bernardusabdij en park, Bornem Het gaat om een herbestemming door de gemeente in samenwerking met een projectontwikkelaar, bestemd als een mix van bibliotheek, woningen, toerisme en een bezoekerscentrum. De abdij zelf is nog in transformatie maar de tuin en bijgebouwen worden momenteel nog steeds gebruikt door respectievelijk recreanten en de jeugdbeweging. Vanwege haar ligging en schaal heeft ze naar verwachting een grote impact op het omliggende dorpsleven. De combinatie van functies maakt de case interessant om diverse sociale waarden over eenzelfde case te bestuderen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen De Bottelarij, Ulbeek, Wellen
Le Grand Hôtel + Albert I-laan, Nieuwpoort-Bad
Het gaat hier om de voormalige dorpsbrouwerij SintRochus-brouwerij Hayen-Bomal, een beschermd monument en beschermd stads- of dorpsgezicht. Het werd gerenoveerd door AKSI, Arbeidskansen voor Sociale Integratie (sociale economie) en is ook een recreatiegebied. Deze case maakt dat we de functie ‘werken’ in ons onderzoek kunnen integreren. We bevragen respondenten ook over de bredere omgeving waarin bijvoorbeeld de Grafkerk gelegen is. In contrast met andere cases is het geografisch gelegen in een erg klein dorp, wat bijdraagt tot een grotere diversiteit onder de cases.
De case zorgt voor een goede geografische spreiding van het geheel aan cases. Het gaat om een specifiek type van erfgoed (een voormalig hotel dat in de toekomst als een project met een gemengd gebruik ontwikkeld wordt). Met de geplande renovatie door David Chipperfield van Le Grand is er bovendien een specifieke aanleiding om personen aan te spreken (al is dat enkel zo gebeurd om bijvoorbeeld de ontwikkelaar te betrekken in een gesprek dat plaatsvond na de spontane interviews). De inhoudelijke verbreding naar de naastgelegen Albert I-laan heeft ervoor gezorgd dat allerhande omgevingsfactoren toegevoegd werden aan de case.
Zwembad Van Eyck, Gent Dit voormalige zwembad is na renovatie opnieuw in gebruik als zwembad. Dit is de enige case met een redelijk heterogeen programma: mensen betreden het gebouw vrijwel enkel om te gaan zwemmen of baden. De locatie aan de Portus Ganda met de heraangelegde publieke ruimte en het divers doelpubliek maakt dit een ideale case voor een ‘onbevangen en verstrooide blik’ van een diverse groep aan bezoekers.
DIALOOG II Het oorspronkelijke plan was om groepswandelingen te organiseren op sites die diverse erfgoedelementen in zich dragen. We verlieten die piste omwille van de coronamaatregelen. In de plaats kwam een getrapte benadering, met eerst vrije interviews ter plaatse die werden verwerkt om thema’s en gedeelde inzichten eruit te distilleren. Daarna vonden er telkens één of meerdere (online) groepsgesprekken met bevoorrechte getuigen plaats. De groepsgesprekken stonden in het teken van het leggen van verbanden tussen de vrije appreciaties van respondenten in het veld en het fenomeen van de sociale erfgoedwaarden. De geest van het wandelen bleef overeind omdat de meeste mensen die we interviewden effectief aan het wandelen waren.
Sint-Gitterdal, Landen Hier gaat het om een landschap met mottes en een archeologische zone. Het blotevoetenpad, aangelegd door de boer/uitbater van de nabijgelegen winkel annex kinderboerderij, zorgt voor een passage van (jonge) gezinnen. In grote lijnen is de context landschappelijk en de sfeer recreatief. Qua erfgoed primeert het archeologische. Dat zorgt ervoor dat Sinte-Gitter een ander type erfgoed is dan de al genoemde cases, met name omwille van de landschappelijke context.
DIALOOG III Om meer diepgaand onderzoek mogelijk te maken binnen de praktische scope van dit project verkozen we om cases in te zetten waarin het team via andere onderzoeksprojecten al een inzicht ontwikkeld had, maar niet noodzakelijk (enkel) in verband met erfgoed. We kozen voor een stedelijke en een landschappelijke case waarin diverse dynamieken gaande zijn die al in zekere zin in kaart gebracht zijn (door collega’s) binnen het onderzoeksteam. Het gaat over cases waarbij diverse (rechtstreekse en onrechtstreekse; professionele en semi-professionele) stakeholders en burgers betrokken zijn, vanuit heel diverse invalshoeken zoals natuur, jeugd, cultuur, ruimtelijke ordening, het bedrijfsleven …
37
Veldonderzoek INTRO CASES De historische binnenstad van Leuven Het Stadhuis van Leuven is het onderwerp van een open oproep. Endeavour is verantwoordelijk voor het participatief traject om op meerdere momenten met stadsdiensten, organisaties en burgers de sociale waarde van het gebouw te gaan (op)waarderen van ‘stadhuis’ tot ‘huis van de stad’. We bekijken het stadhuis in haar bredere context (grote markt, Sint-Pieterskerk, …).
Het landschappelijke gebied tussen de voormalige mijnzetels van Houthalen en Zolder De frictie tussen industrie, natuurwaarden en recreatie maakt van de zone tussen De Schacht (de voormalige mijn van Zolder in Heusden-Zolder) en Greenville (de voormalige mijn van Houthalen in Houthalen-Helchteren) een interessante case. Het is een zone met natuurgebieden, met erfgoedelementen en met industrieterreinen. Aangrenzend zijn er woonwijken. Het industrieterrein Centrum-Zuid op de vlakgemaakte terril van Houthalen is een startpunt om de bredere omgeving te verkennen. De UHasselt werkte eerder rond Centrum-Zuid, onder andere via workshops met bedrijven. De UHasselt is namelijk betrokken in het complex project Noord-Zuid, over de verkeersas Hasselt-Eindhoven die passeert aan de mijn in Houthalen. De universiteit bracht in het kader daarvan tevens de brede omgeving in kaart, aan de hand van een uitgebreide sociaalruimtelijke ’atlas’. Daarin is er veel aandacht voor de zachtere oost-westverbindingen in de regio, zoals tussen Zolder en Houthalen.
RELATIE TOT HET THEORETISCH KADER Het (ongefilterd) empirisch appreciëren Het vertrekpunt bij het veldonderzoek was het (ongefilterd) empirisch appreciëren door de betrokkenen. Dat laat zich duiden als ervaringsgericht: gekenmerkt door sensaties, indrukken en prikkels. Sensaties die “over en door het lichaam gaan”, moeten gezien wor-
38
den als ruwe ervaringen, voorafgaand aan kennis, taal of (semantische) betekenis. Het gaat dan in het kader van deze studie over de captatie van de performatieve dimensie, een intensiteit, die uitgaat van een bepaalde site of plek, van een bepaald gebouw. (Conley 2005: 244-246; Thrift 2004: 57-78; Dovey 2010: 25-27) Een sensatie houdt zich niet op in dingen: het betreft een gebeurtenis die het materiële en het expressieve koppelt. Een plek is immers meer dan de ‘harde’ en zichtbare, fysieke structuur van straten, pleinen en gebouwen. De specifieke sensatie, het specifieke ‘gevoel’ dat een plek oproept, is eveneens het resultaat van jarenlang alledaags gebruik door bepaalde mensen, van het inslijten van routes en routines, van ritmes en omgangsvormen, van lokale narratieven. (Dovey 2010: 16; Reijndorp 2010: 19-20)
De translatie Aan de reflectie voorafgaand en niet gefixeerd, laten de sensaties, en prikkels die iemand ervaart, zich vaak moeilijk vatten in woorden, waardoor de articulatie soms moeizaam verloopt. Bovendien gaat het bij de geïnterviewden om ‘leken’ of ‘geïnformeerde leken’ en niet over erfgoedprofessionals. De articulatie of beter de translatie, de poging om het ongefilterde empirische appreciëren preciezer te ‘omschrijven’, neemt een centrale plaats in in het proces van ‘erfgoedwaarderen’. Het is duidelijk dat dit proces, het ontsluiten van de sensaties, indrukken en prikkels uit de alledaagse wereld van de geïnterviewden voor de institutionele wereld van (sociale) erfgoedwaarden, geen vanzelfsprekende onderneming is. Aan de hand van de observaties en interviews die binnen de cases plaatsvonden, probeerden we grip te krijgen op het traject dat leidt van een ongefilterd empirisch appreciëren naar ‘erfgoed waarderen’ als meer bewuste, cognitieve praktijk, waaruit erfgoedwaarden kunnen voortkomen. Daarbij wordt tevens ingegaan op de factoren die het traject beïnvloeden en de controverses en matters of concern (Latour 2005) waarover de actoren die op het onroerend erfgoed betrokken zijn onderhandelen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
In dialoog I AANLOOP EN AANPAK In deze sectie komen vier afzonderlijke gebouwen aan bod. Iedere case heeft een andere functie en wijze van herbestemming. We lichten dit kort toe in de introductie van iedere case. Voorafgaand op de interviews maken we eerst een beknopte analyse van de case omdat het onze ervaring is dat factoren zoal beheer, typologie, wijze van financiering, … een mogelijk impact hebben op de uitstraling van het gebouw op de omgeving en de gebruikers. Ter afbakening van de opdracht gingen we hier niet extreem ver in. Ook beperkten we de interviews tot voorbijgangers en gebruikers. Er werden dus
geen interviews afgenomen van mensen die verbonden zijn aan de organisatie of herbestemmingsproces. Per locatie zouden we meerdere korte, spontane gesprekken aanknopen om zo een divers doelpubliek te kunnen bevragen, gelinkt aan de case. De coronamaatregelen maakten het organiseren van de bevragingen iets moeizamer naar het spontaan aanspreken en observeren toe. Maar inhoudelijk moesten we onze aanpak niet bijsturen.
AANPAK IN RELATIE TOT HET DOEL We vertrokken bij aanvang van de bevragingen niet van een wit blad. Enkele hoofdvragen hielpen het gesprek structureren en boden houvast bij het uitwerken van de diverse gesprekken. Het doel van de gesprekken was om inzicht te krijgen in het waarderingsproces: wat vindt de burger waardevol en wat bepaalt zijn of haar
waardering? Iedere locatie bezochten we met twee personen van Endeavour, zo konden we binnen een tijdsframe van ongeveer vier uur elk tien gesprekken van gemiddeld vijftien minuten voeren. De gesprekken werden opgenomen om de verwerking te vergemakkelijken.
STAPPENPLAN AANPAK DIALOOG I
Stap 1 IN GESPREK MET VOORBIJGANGERS EN GEBRUIKERS Na het aankomen op de diverse locaties stelden we ons eerst voor aan de organisatie zodat ze op de hoogte waren van onze aanwezigheid. Vervolgens namen we post op verschillende locaties en gingen we van start met het aanspreken van mensen. De gesprekken
waren gemiddeld vijftien minuten lang en we konden er gemiddeld 16 per locatie afnemen. We hadden enkele tools om het gesprek te structureren: — Het kader met hoofd en subvragen Dit document bood structuur maar overheerste niet tijdens de gesprekken, dit werd ook niet getoond aan de bevraagden. — De waardenwaaier Sociale waarden zijn moeilijk onder woorden te brengen. Daarom stelden we samen met het agentschap een waardenwaaier op.
39
Veldonderzoek IN DIALOOG I Wanneer we aanvoelden dat het gesprek vertraagde omdat mensen geen woorden vonden, legden we deze waaier op tafel. De bevraagden werd gevraagd er in stilte door te gaan en aan te duiden welke zaken voor hen van toepassing waren. In de transcripts wordt aangegeven indien we de waaier gebruikt hebben. — Voorstelling bevraagden De focus ligt op mensen die niet in directe lijn betrokken zijn bij de organisatie en/of het beheer van de locatie. Om zicht te hebben op de diversiteit in bevraagden vroegen we telkens na het gesprek enkele persoonlijke gegevens te noteren.
Stap 2 VERWERKING VAN DE RESULTATEN Deze stap bestaat uit een verwerking van de resultaten van de interviews, en meer bepaald uit het afleiden van tendensen en het trachten te vinden van sporen van sociale waarden in de empirische resultaten. De interviews werden verwerkt in templates gebaseerd op de structuur met hoofdvragen. Je kan deze vinden in de bijlage.
40
Stap 3 REFLECTIE PER CASE Vervolgens schreven we een reflectie over de case volgens een structuur gebaseerd op de initiële vragenkapstok en het waardenkader. Concreet zoomden we in op de ‘wie’ (profielen van gebruikers), hoe de plaats gebruikt wordt, de concrete waarden en ervaringen, het beheer en de renovatie. We sloten dit deel af met een korte samenvatting van de troeven en knelpunten van de case en een spindiagram waarop we vanuit onze eigen perceptie aangaven welke waarden meer of minder naar voren kwamen in de bevragingen.
Stap 4 REFLECTIE OVERHEEN DE CASES Hiervoor grepen we terug naar het theoretisch kader dat ons hielp meer grip te krijgen op het traject dat leidt van een ongefilterd empirisch appreciëren naar ‘erfgoed waarderen’ als meer bewuste, cognitieve praktijk, waaruit erfgoedwaarden kunnen voortkomen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
OPEN VRAGEN
Beheer – betrokkenheid — Wat vindt u van de restauratie? Geslaagd of niet? — Is het feit dat deze plek erfgoed is, een meerwaarde voor jou? Zou het verdwijnen van het gebouwen een gevoel van gemis met zich brengen? Ook met oog op toekomstige generaties? — Voel je je betrokken bij de plek? — Zou je willen bijdragen aan deze plek (tijd, geld, …)? — Vindt u het belangrijk dat gebouwen als deze toegankelijk zijn? — De toekomstplannen rond de plek? Ben je op de hoogte gebracht van de ontwikkelingsplannen, voel je je betrokken?
Gebruik en ontsluiting erfgoed — Wat is je motivatie om hier te komen? (vorm van gebruik) — Op welke manier ben je in contact gekomen met deze locatie? (communicatiekanalen, toevallig, …) Waarden en ervaringen — Wat zijn voor jou de troeven van deze plek? (vb. bijleren, ontmoeten, ...) — Wat zijn voor jouw de drempels / hindernissen? (vb. betaalbaarheid, cultuurverschillen, fysiek ontoegankelijk, te ver, uitstraling …) Identiteit en verbondenheid — Is de omgeving, het gebouw een punt van oriëntatie? (vb. bij het iemand wijzen van de weg…) — Hoe ervaart u dit gebouw? (specifieke visuele indrukken, geuren, geluiden, materialiteit) Wat betekent deze omgeving voor jou? (vb. herinneringen, belangrijke momenten)? — Ben je om andere redenen gekend met deze plek? (vb. de geschiedenis van, verhalen over, ...) — Wat associeer je met deze plek? Met het gebouw, de omgeving, de functie? - vb. fierheid, natuurlijk, ... - authenticiteit,… — Geeft dit je een gevoel van ergens bij te horen? Gevoel van verbondenheid? — Toont u deze plek of gebouw aan vrienden en familie uit een andere stad?
figuur 7, hoofdvragen interviews, Endeavour
41
Veldonderzoek IN DIALOOG I CASE
LEGENDE
De bibliotheek Mechelen
aanduiding van de locatie van de interviews
Afbeelding 4: zijkant van de bibliotheek
Afbeelding 5: interieur van de bibliotheek
Afbeelding 6: interieur van de bibliotheek
Afbeelding 8: interieur van de bibliotheek
Afbeelding 7: binnenplein van de bibliotheek
Afbeelding 9: Luchtfoto omgeving, Google Earth
42
“Het is een plek waar je tot rust komt, één van de beste plekken van Mechelen.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen HET PREDIKHEREN Dit voormalige klooster in Mechelen kreeg een nieuwe bestemming als bibliotheek. Daarnaast biedt het gebouw ook plaats als ontmoetingsplek voor de buurt, restaurant, koffiebar, culturele performance- en tentoonstellingsruimte en co-working space.
LOCATIE
VOORGESCHIEDENIS
Goswin de Stassartstraat 88 2800 Mechelen
— Barok klooster uit de 17de eeuw (stichting in 1654 door de predikheren, uitgeweken uit Den Bosch); — Nieuwbouw van de kerk: 1720-1735; — Tijdens het Franse Bewind (1795-1815) werd het complex korte tijd een opvanghuis voor arme bejaarden, daarna een militair hospitaal met krijgsarsenaal; — Na WOI werd het complex een militaire kazerne tot 1977; — Vanaf 1980 beschermd, kent het enkele decennia van leegstand; — Vanaf 2010 plannen voor de huisvesting van de bibliotheek naar hedendaags concept.
CONTEXT Stedelijk, gelegen in het oude centrum Betreft een gebouwencomplex bestaande uit een (voormalig) klooster (rechthoekig rond een centraal pandhof en pandgang met arcades), een kloosterbibliotheek en een kerk met sacristie. STATUS In 1980 werd het een beschermd monument. EIGENDOM Stad Mechelen
HERBESTEMMING Heden heeft het complex een publieke functie. Het huisvest een bibliotheek en fungeert als een ontmoetingsplek voor de buurt met verschillende voorzieningen: een gastronomisch restaurant, een koffiebar, een culturele performanceen tentoonstellingsruimte, een coworking space en zaalverhuur.
STAKEHOLDERS Eigenaar is de Stad Mechelen In 1982 koopt de stad Mechelen het complex aan, maar verkoopt het in 2000 aan een ontwikkelaar. In 2010 koopt de stad het opnieuw aan. De voormalige kloostertuin is intussen omgevormd tot buurtplein. Omdat lekkages, schimmels en insecten instabiliteit veroorzaken, voert men in 2012 en 2013 werken uit om het complex voor de toekomst te vrijwaren. Partners in de financiering: vanaf 2010 zijn er plannen voor de huisvesting van een bibliotheek naar eigentijds concept.
43
In 2014 sluiten de Stad Mechelen en de Vlaamse overheid de ‘Meerjarige subsidiëringsovereenkomst voor de restauratie en herbestemming van het Predikherenklooster te Mechelen’ af. Ongeveer 25 miljoen € bedroeg uiteindelijk het budget voor de totale renovatie, voor de ene helft gefinancierd door de Stad Mechelen, voor de andere helft met erfgoedsubsidies van de Vlaamse overheid Partners bij de restauratie: voor de restauratie werkte de stad samen met het architectenbureau Korteknie Stuhlmacher Architecten, geassisteerd door Callebaut Architecten en Bureau Bouwtechniek. De restauratie- en herbestemmingswerken worden in vier fasen opgedeeld, waarbij men eerst het klooster en vanaf oktober 2020 de kerk aanpakt. Het complex wordt na acht jaar van restauratie opnieuw ingehuldigd in het weekend van 31 augustus en 1 september 2019.
WAARDEN BIJ DE RESTAURATIE EN HERBESTEMMING Het restauratieconcept wil zoveel mogelijk sporen van de geschiedenis van het gebouw zichtbaar laten. Daartoe accepteert men de onvolkomenheden die vele verbouwingen en de leegstand meebrachten en komt er geen reconstructie van de originele toestand. Consolideren krijgt voorrang op herstellen; herstellen op restaureren. De restauratie en herbestemming beogen naast bouwkundig herstel ook een herinterpretatie en actualisering van de materiële en immateriële waarden en betekenissen). WEBSITE / INFO https://portfolio.onroerenderfgoed.be/ project/mechelen-het-predikheren https://hetpredikheren.mechelen.be/
Veldonderzoek IN DIALOOG I SITUATIESCHETS Het is een koude, winderige dag in maart. We spreken mensen aan op het pleintje waar de hoofdingang van het Predikheren op uitgeeft. Wanneer het begint te regenen, zetten we binnen op het gelijkvloers de bevragingen verder. Vanwege de coronamaatregelen vinden de interviews plaats met mondmaskers op. De maatregelen maken dat de bibliotheek weliswaar open is voor het publiek, maar dat het café en het restaurant gesloten zijn. Ook de cursussen en de concerten die normaal in het complex plaatsvinden, zijn afgelast.
SOCIALE WAARDERING Herinnering Anders dan de meeste bezoekers komt WF (72, M, Mechelen) naar het Predikheren voor historisch onderzoek. Hij wil de Ferrariskaart uit 1777 raadplegen, om informatie te verkrijgen over het toenmalige Arsenaal en een wapenmanufactuur die dicht bij het toenmalige kloostercomplex gelegen waren. Enkele decennia nadien zou het complex zelf voor militaire doeleinden herbestemd worden. Aan de periode dat de plek een kazerne was, heeft WF ook persoonlijke herinneringen. Meer dan 40 jaar geleden deed hij hier als lid van een erfgoedvereniging immers archeologisch onderzoek naar ramen.
Educatie MVC (37, V, Mechelen) kent de geschiedenis van het complex niet, maar volgens haar zoontje Jasper is het “een heel oud gebouw”. En dat maakt hem nieuwsgierig naar de verhalen die ermee verbonden zijn. Dat geldt ook voor Y (20, V, Mechelen) die het gebouw pas na de herbestemming leerde kennen. Ze wist niet waar het gebouw vroeger voor diende. Wanneer ze hoort dat het vroeger een klooster was en daarna een kazerne, geeft ze aan dat dit haar kijk op het gebouw verandert. Dat ze het vanwege het verhaal nog waardevoller vindt. Als de kinderen van haar zus wat ouder zijn, kan ze hen nu bovendien het verhaal achter het gebouw vertellen en hen zo met de geschiedenis in contact brengen. Het verhaal maakt het immers leuker om het aan de kinderen te vertellen. Misschien is het
44
dat waar GDG (62, V, Mechelen) op doelt wanneer ze zegt dat mensen in de zomermaanden met kinderen naar hier komen om er eventjes te vertoeven, rust en groen te ervaren en toch ook “iets mee te pikken”. AM (Mechelen) kijkt, met de verhalen over het gebouw in het achterhoofd, met meer aandacht rond. De eerste keer dat ze binnen rondliep, vielen haar bijvoorbeeld de grafstenen op. De ouderdom verleent het gebouw karakter.
Authenticiteit MV (61, V) associeert de plek met cultuur en authenticiteit. MS (37, V, Mechelen) verwoordt het als volgt:
“Je voelt de geschiedenis, zeker ook die van de oorlog. Het is een plek waar je tot rust komt, één van de beste plekken van Mechelen.” MS heeft een project met de Munt gedaan in de nabijgelegen Dossin-kazerne, wat het wel geladen maakt, al betreft dat minder het Predikheren. Ze ervaart hier een historische sensatie: “de stenen maken het verleden voelbaar.” Dat de bibliotheek in een historisch pand gevestigd is, biedt een meerwaarde: “Voor plekken en gebouwen die belangrijk waren voor vorige generaties, is binnen de samenleving te weinig aandacht.” De historische sensatie die KVH (40, M, Mechelen) ervaart, betekent voor hem een meerwaarde, al vermindert de intensiteit bij herhaaldelijk bezoek. Wel straalt het gebouw ook nu nog rust uit. AD (66, M, Hombeek) vindt het aangenamer om hier naar de bibliotheek te komen en dat heeft te maken met de inrichting en met de historische dimensie: “Het is een aparte plaats, hé. Je voelt hier toch een beetje geschiedenis.”
Sense of place RB (18, M, Mechelen) wist niet dat het gebouw vroeger een klooster en daarna een legerkazerne was, maar hij vindt de renovatie sowieso erg geslaagd, omdat je aan het karakter van de plek voelt dat die een voorgeschiedenis had. EDH (24, V, Mechelen) is erg gecharmeerd door de plek. Ook, omdat de bibliotheek in Bonheiden, die ze voor haar verhuis bezocht,
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen eerder abstract en modern is. Het contrast tussen beide gebouwen is daardoor groot. Hier zou ze “een hele namiddag kunnen rondlopen”. Het historische karakter spreekt haar erg aan, zeker in combinatie met een aantal hedendaagse elementen, die ze erg geslaagd noemt, zoals de wenteltrap boven, die ze “supermooi” vindt. Ze wil deze bibliotheek zeker aan haar zus tonen. Het geheel ademt een bepaalde sfeer en brengt haar tot rust, wat goed samengaat met de functie als bibliotheek. Ook voor RD (23, V, Mechelen) hangen aan het gebouw geen echte herinneringen vast. Ze komt immers oorspronkelijk uit Rumst. Ze geeft aan
hun eentje naar hier te komen, om een magazine te lezen en te genieten van de schoonheid en rust die het gebouw uitstraalt. MVC (37, V, Mechelen) “Het binnenpleintje waar je voor de pandemie iets kon drinken, is zeker een grote troef. De binnenruimte straalt rust uit.” Ook op haar kinderen oefent de omgeving met de waterpartij aantrekkingskracht uit. MS (37, V, Mechelen) komt soms voor de bibliotheek, maar ook de site, de omgeving van het complex trekt haar aan: die is overzichtelijk en bij goed weer heb je de waterpartij en de schaduw van het gebouw. Dan lijkt het bijna een strandscene en dat binnen de stadsring.
Afbeelding 10: het binnenplein van de bibliotheek wordt gebruikt voor diverse culturele events, Kris Vandevorst
de geschiedenis van de plek eigenlijk niet te kennen. Dat de plek erfgoed is, maakt haar niet zoveel uit. Maar dat de plek een eigen karakter heeft en “spreekt”, anders dan bij hedendaagse architectuur het geval is, bevalt haar: “Het gebouw is niet saai, maar heeft zichtbaar geleefd.” Bovendien is het een mooie, gezellige plek.
Well-being GDG (62, V, Mechelen) ervaart al bij het binnenkomen in het gebouw dat het meer is dan zomaar een bibliotheek. Ze voelt zich op haar gemak, kan er iets lezen, een beetje rusten. Daarom bezoekt ze het Predikheren ook wanneer ze geen boek nodig heeft. Dat geldt ook voor KVDP (41, M, Mechelen). Het gebouw verleidt hem net als zijn echtgenote, ertoe om soms in
Voor VM (47, V, Mechelen) is de site, net als het gebouw, aantrekkelijk om af te spreken en de tijd door te brengen, bijvoorbeeld zittend aan de waterpartij. Het verwondert haar niet dat hier concertjes worden georganiseerd. Herbestemmingen als deze geven Mechelen een aantrekkelijker imago. Waar Mechelen enkele decennia geleden een negatieve roep had, trekt de stad nu nieuwe bewoners aan. Zelfs in die mate dat het misschien wel een beetje te druk wordt.
Samenhorigheid, identiteit en trots Volgens B (64, M , Mechelen) en D (62, V, Mechelen) is het gebouw zowel op wijk- als stadsniveau belangrijk, door de nieuwe functies, maar ook als plek om af te spreken. Ze zijn trots dat de stad Mechelen,
45
Veldonderzoek INTRO CASES
Afbeelding 11: Voor de restauratie werkte de stad samen met het architectenbureau Korteknie Stuhlmacher Architecten. Er werd gekozen om de verschillende lagen van de geschiedenis zichtbaar te laten, door Kris Vandevorst
46
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen waar zij als burgers deel van uitmaken, dit project heeft gerealiseerd en dat ze dit kunnen tonen, ook aan mensen van buiten Mechelen. Doordat het project een prijs heeft gewonnen, draagt het ook bij aan de uitstraling van de stad en de verbondenheid tussen de inwoners. Daarnaast heeft het project zeker bijgedragen tot de opwaardering en heropleving van de wijk. AM (V, Mechelen ) vertelt: “Als mensen bij me op bezoek komen, overweeg ik al wel om het Predikheren te tonen in plaats van nogmaals naar de Sint-Rombouts te gaan.” Ze is zeker fier op de plek. Het is bovendien gezellig om in de zomer op het terras iets te drinken. GDG (62, V, Mechelen) zit op dezelfde golflengte. Zij is uit Brugge naar Mechelen verhuisd. Indien mensen uit Brugge haar komen bezoeken, loodst ze hen vaak naar hier om te tonen hoe men “zoiets moois” tot stand heeft weten te brengen in een historisch gebouw, hoe ze het opnieuw een functie hebben gegeven.
Afbeelding 12: interieur van de bibliotheek, door Kris Vandevorst
De renovatie GF (72, M, Mechelen) vindt het een goede zaak dat ze het gebouw op deze manier bewaard hebben en overgedragen op een volgende generatie. “Er zijn in Mechelen verenigingen die gevochten hebben tegen het afbreken van zulke grote oude gebouwen. Waarom zou je zoiets afbreken?” Hij houdt in ieder geval van oude gebouwen. JP (69, M, Mechelen) kende de plek en het gebouw al voor de herbestemming tot bibliotheek, maar “je let daar minder op als dat oud en vervallen is.” “Nu blijkt dat wel een mooi stuk.”
KVDP (41, M, Mechelen) is lovend over de manier waarop de restauratie en renovatie aangepakt werd: “Ze hadden het niet beter kunnen doen”. De mening van KVH (40, M, Mechelen) sluit daar op aan: “Het is goed dat het complex op die manier bewaard is gebleven. Het is ook op een waardevolle manier gerenoveerd, met invoeging van nieuwe hedendaagse elementen, wat me aanspreekt.” De manier waarop men het gebouw heeft weten te behouden, spreekt ook EDH (24, V, Mechelen) erg aan. In het bijzonder de wijze van restaureren en renoveren, het behouden van elementen uit verschillende perioden. JEDV (18, M, Mechelen) bevalt het dat je nog kunt zien dat het een klooster is geweest en een kazerne en nog vele andere dingen meer. En ook RB (18, M, Mechelen) vindt het interessant dat ze bepaalde stukken van het exterieur “niet te clean” hebben gemaakt. Daardoor is hij zich ook meer betrokken gaan voelen op het gebouw. RB studeert architectuur en hij hoorde dat het project een aantal prijzen heeft gewonnen, wat maakte dat hij grondiger is gaan kijken. Naar de vorige bibliotheek ging hij niet zo graag. Die sprak hem veel minder aan. Nu zou hij zelfs naar hier komen, mocht er geen bibliotheek zijn. Gewoon om rond te wandelen, want een bezoek is een heel andere ervaring geworden dan in de vorige bibliotheek. Het is ook een punt van oriëntatie geworden, waar zijn verplaatsingen op afgestemd worden. De herbestemming is een goede manier om het gebouw aan een volgende generatie door te geven. “In mijn opleiding is dit een issue dat aan bod komt: wat te doen met gebouwen, zoals kerken, die komen leeg te staan? Dan is dit een schoolvoorbeeld van hoe je zoiets kunt aanpakken.”
Programmering, publieke toegankelijkheid en uitstraling Een troef is dat binnen het Predikherencomplex andere culturele activiteiten plaatsvinden: workshops en cursussen, filmvoorstellingen en concerten. Dit draagt bij tot de bekendheid en de uitstraling van het Predikheren en vergroot ook de betrokkenheid van de Mechelaars op het project. Daarnaast hebben een café en restaurant er onderdak gevonden. Ook dat heeft het gebouw tot een oriëntatie- en trefpunt doen uitgroeien.
47
Veldonderzoek IN DIALOOG I GDG (62, V, Mechelen) betrapt zichzelf erop dat ze nu ook afdelingen bezoekt, waar ze vroeger niet kwam, om rond te kijken, maar dan begint ze te snuffelen in de publicaties die daar aangeboden worden. JEDH (18, M, Mechelen) komt enkel voor boeken naar hier, maar zijn ouders hebben hier al concerten bijgewoond. EDH (24, V, Mechelen) woont anderhalf jaar in Mechelen, na een verhuis uit Bonheiden. Het is haar eerste bezoek aan het Predikheren, maar ze had al gehoord dat het hier echt mooi was. Ze is enthousiast en overweegt zeker om hier na corona met andere mensen af te spreken om iets te drinken, eventueel in combinatie met een bibliotheekbezoek. MV (61, V, Mechelen) is één van de geïnterviewden die dat voor de coronamaatregelen al daadwerkelijk deed. Net als RM (76, V, Mechelen). Hoewel ze niet in de buurt woont en het 15 minuten fietsen is met een e-bike komt ze naar het Predikheren. Niet alleen voor de bibliotheek, maar om iets te drinken of om af te spreken met vrienden. Ook voor MS (37, V, Mechelen) is het Predikheren een ontmoetingsplek geworden, waar ze graag afspreekt voor een koffietje ‘s middags. Ze heeft hier een concert bijgewoond en de plek vervolgens aangeraden aan haar zus die koorprojecten doet binnen de stad. Wat ze wel jammer vindt, is dat het restaurant “onbeschaamd” op vlees inzet en weinig alternatieven voorziet. Bovendien wordt het “sterrenaspect” erg sterk benadrukt, ook in de media, wat met visie op duurzaamheid weinig te maken heeft: “Het is een gemiste kans, want duurzaamheid, ook en zeker van publieke gebouwen, is vandaag toch wel een belangrijk issue, zou je denken.” MV (61, V) vindt het erg waardevol dat het gebouw een herbestemming heeft gekregen. Dat biedt immers de beste garantie dat het gebouw behouden blijft. Bovendien is het op die wijze ook toegankelijk voor iedereen en niet enkel voor een kleine elite. Dat is ook de mening van AM (V, Mechelen) “Toen hier een feest was, hebben we deelgenomen en zijn we hier lang gebleven. Dankzij de publieke functie is het toegankelijk voor mij en de kinderen en geen exclusieve aangelegenheid zoals bij een duur vastgoedproject het geval zou zijn geweest.” GDG (62, V, Mechelen) apprecieert de schoonheid van het gebouw en vindt het heel goed dat het gebouw een nieuwe functie heeft gekregen: “Op die manier komen mensen in aanraking met het verleden en misschien krijgen ze daardoor een beetje oog en respect voor geschiedenis.”
48
Betrokkenheid bij het herbestemmingsproject en de publiekswerking GF (72, M, Mechelen) zegt geen weet te hebben van betrokkenheid van de Mechelse bevolking of de bibliotheekgebruikers bij de herbestemmingsbeslissing. Wel weet hij dat het project een hele tijd geduurd heeft. AM (V, Mechelen) heeft niet actief aan het herbestemmingsproject geparticipeerd, maar ze was op de hoogte van die mogelijkheid. Wel heeft ze het project via de lokale media gevolgd en hoorde ook een en ander van vrienden die er wel bij betrokken waren. VM (47, V, Mechelen) is niet naar de opening geweest, maar was al tijdens het herbestemmingsproces komen kijken toen daar de mogelijkheid toe was. Zij heeft toen in een foldertje een en ander gelezen en volgt in het algemeen wat er in Mechelen beweegt en verandert. Ook MV (61, V) had het gebouw al tijdens de werken in het kader van Open Monumentendag bezocht. Toen was trouwens de kerk open voor bezoekers: ”Ik heb ook een uitnodiging gekregen voor de verhuisactie, de zogenaamde ‘boekenstoet’, maar ik was toen jammer genoeg verhinderd om deel te nemen. Publicitair was dat wel een schitterend idee.” MVC (37, V, Mechelen) en zoontje Jasper hebben de bibliotheek mee helpen verhuizen, wat bij Jasper een levendige herinnering blijkt te zijn. Ze vinden het belangrijk dat het gebouw zo voor het publiek toegankelijk is gemaakt en geen exclusieve bedoening geworden is. Voor AM (V, Mechelen) was de opening een gelegenheid om het complex beter te leren kennen.
Afbeelding 13: zijkant van de bibliotheek, Kris Vandevorst
Het belang van de publiekswerking voor het gunstige onthaal van de bibliotheek wordt onderkend door MS (37, V, Mechelen): “Zowel inhoudelijk als inzake publiekswerking doet de bibliotheek goed werk. Met voorleesacties en dergelijke zetten ze bijvoorbeeld sterk in op community-werking.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 14: binnenplein van de bibliotheek, Kris Vandevorst
49
Beknopt overzicht van de case Predikheren TROEVEN — Het interieur van het Predikheren geeft heel wat bezoekers een gevoel van well-being, ook indien ze weinig van de achterliggende geschiedenis kennen. Dat geldt ook voor het aan het gebouw aanpalende plein. — Vele bezoekers laten zich positief uit over het specifieke karakter van het interieur. — De restauratie/ombouw van het complex wordt uitsluitend positief gewaardeerd. In het algemeen waardeert men de combinatie van oud en nieuw. Ook de zichtbaarheid van aanwijsbare sporen uit het verleden wordt op prijs gesteld. Sommigen ervaren iets wat als een historische sensatie te bestempelen valt. — Het interieur prikkelt de nieuwsgierigheid naar de verhalen die met het gebouw samenhangen. — De bibliotheekgebruikers verkiezen, haast zonder uitzondering, het huidige gebouw boven het gebouw waarin de bibliotheek voorheen was ondergebracht.
50
— Binnen het Predikherencomplex vinden culturele activiteiten plaats: workshops en cursussen, filmvoorstellingen en concerten. Dit draagt bij tot de bekendheid en de uitstraling van het Predikheren. Daarnaast hebben een café en restaurant er onderdak wat uitnodigt tot een bezoek. — Sommige Mechelaars zijn dermate fier op het gebouw dat ze bezoekers uit andere steden meenemen naar het Predikheren om hen de realisatie te tonen. — De publiekswerking van de bibliotheek zet sterk in op community-werking. — In de zomermaanden is het aanpalende plein met de waterpartij een trefplaats voor gezinnen met kinderen die naar daar komen om er eventjes te vertoeven, rust en groen te ervaren en eventueel een optreden bij te wonen.
KNELPUNTEN/CONFLICTEN — Het restaurant heeft een eerder exclusief karakter, wat de drempel voor vele Mechelaars en bibliotheekbezoekers hoog maakt.
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
well-being
figuur 8: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
gebouw omgeving
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met het gebouw samenhangen, de zwarte de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen.
51
Veldonderzoek IN DIALOOG I CASE
Zwembad Van Eyck en Portus Ganda, Gent Afbeelding 16: hoofdingang zwembad Afbeelding 15: interieur van het zwembad
Sint-Annakerk
Het voormalige RTT-gebouw Sint-Baafsabdij
De slachthuissite
Het poortgebouw
Afbeelding 18: hoofdingang zwembad
Afbeelding 17: oorspronkelijke hoofdingang zwembad Afbeelding 19: Luchtfoto omgeving, Google Earth
52
“Ik kwam hier vroeger met mijn vader zwemmen. Ik krijg hier een goed gevoel door de herinneringen aan vroeger. Het gebouw betekent dan ook meer dan louter een zwembad waar je komt om te zwemmen.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen ZWEMBAD VAN EYCK
HERBESTEMMING
Het Van Eyck zwembad is het oudste zwembad van Vlaanderen. Dit voormalige zwembad is na renovatie opnieuw in gebruik als zwembad. Dit is de enige case met een redelijk heterogeen programma, mensen betreden het gebouw vrijwel enkel om te gaan zwemmen of baden. De locatie aan de Portus Ganda met heraangelegde publieke ruimte en divers doelpubliek maakt dit een ideale case voor een ‘onbevangen en verstrooide blik’ van een diverse groep aan bezoekers.
LOCATIE
VOORGESCHIEDENIS
Julius de Vigneplein 5 9000 Gent
—
CONTEXT Stedelijk, in het oude centrum, nabij de Portus Ganda, de samenvloeiing van Leie en Schelde. Het zwembadcomplex Van Eyck werd in 1886 gebouwd en is daarmee het oudste zwembad van België. Heden omvat het een 25-meterbad, kuipbaden, omkleedruimtes, een cafetaria en de administratie van de nabijgelegen jachthaven.
— —
STATUS Sinds 05-04-1995 beschermd monument Zwembassin Van Eyck Sinds 14-09-2009 vastgesteld bouwkundig erfgoed Zwembassin Van Eyck — EIGENDOM Stad Gent
—
De Société Anonyme des Bains et Lavoirs Publics besluit in 1886 samen met de stad Gent een zwem- en badhuis te bouwen naar het ontwerp van Edmond de Vigne. Het zwem- en badhuis is open voor alle klassen van de bevolking. Vanwege de ligging nabij de Schelde kan het water van het zwembad en de badkuipen wegvloeien naar de rivier. Omstreeks de eeuwwisseling neemt de stad de exploitatie over. Aanvankelijk enkel toegankelijk in de zomer, is het vanaf 1932 ook ‘s winters open. (Voor 1932 doet het gebouw in de winter dienst voor pluimveetentoonstellingen, tenniswedstrijden en concerten.) In dat jaar zijn er grondige verbouwingswerken, waarbij het gebouw zijn art deco inrichting krijgt, er een glazen dak boven het zwembad wordt geplaatst en de kleedhokjes worden vernieuwd. In 1952 maakt een nieuwe verbouwing het gebouw geschikt voor competitiezwemmen. Op 5 april 1995 wordt het gebouw als monument erkend.
53
In 2001 sluit het zwembad de deuren voor een grondige renovatie. Wegens de beschermde status dient de oorspronkelijke architectuur zoveel mogelijk behouden te blijven. Daarom wordt besloten tot het bijplaatsen van een nieuw volume dat de cafetaria en ook de inkombalie omvat. In 2003 gaat het zwembad weer open. Het wordt voornamelijk gebruikt voor schoolzwemmen, maar is ook open voor een breder publiek, dat desgewenst nog steeds gebruik kan maken van de badkuipen, net als van de jacuzzi en de stoomcabines. STAKEHOLDERS Stad Gent met steun van de Vlaamse overheid, Provincie Oost-Vlaanderen en het Mercuriusfonds Het kostenplaatje van het project bedroeg ca. 5.763.000 euro, exclusief BTW, erelonen en zonder de buitenaanleg. Een deel van de werken (ca. 2.230.000 euro) kwam in aanmerking voor een restauratiepremie naar rato van 60% toelage van het Vlaamse Gewest en 20% provinciale toelage. De werken met betrekking tot de accommodatie van de jachthaven werden voor 20% betoelaagd met kredieten uit het Mercuriusfonds of Fonds voor Binnenstedelijke Commerciële Centra. Renovatie en restauratie: de firma nv IBENS en architectenbureau R. Berteloot Operator: de intercommunale FARYS|TMVW, drinkwaterdistributie en -transport, zuivering en beheer van sportaccommodaties WEBSITE / INFO http://stad.gent/sport2/ waar-kan-ik-sporten/zwembad-van-eyck https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten /19273
Veldonderzoek IN DIALOOG I SITUATIESCHETS Het is een heldere dag met een voorjaarszon, waardoor mensen zich relatief makkelijk aanspreekbaar tonen. We spreken mensen aan op twee locaties: op het plein tussen het zwembad en de Portus Ganda en aan de in/uitgang van het zwembad. Op de eerste locatie interviewen we vooral voorbijgangers, maar ook enkele gebruikers van het zwembad, op de tweede locatie haast uitsluitend gebruikers van het zwembad. Vanwege de toen heersende coronamaatregelen staan die aan te schuiven tot het hun beurt is om binnengelaten te worden. Al bij al levert dit een goede mix op van profielen, leeftijden en genders. De geïnterviewden komen om te zwemmen of passeren over het plein aan de Portus Ganda dat een verbinding vormt tussen de Machariuswijk op de andere oever en het centrum van Gent. Ook de meeste voorbij-
gangers hebben het zwembad al bezocht en kennen dus het gebouw. Zwemmers komen uit verschillende delen van de stad. Voorbijgangers wonen vaak in de Machariuswijk of in de onmiddellijke omgeving van het zwembad. Ze verwijzen regelmatig naar gebouwen en sites in de nabijheid als de Sint-Annakerk, de Sint-Baafsabdij, het poortgebouw, de slachthuissite of het voormalige RTT/Belgacom-gebouw (zie aanduidingen op luchtfoto) in het Gentse stadscentrum verderop zoals het Gravensteen. Bij nagenoeg iedereen die het zwembad bezocht heeft, liet het interieur een sterke indruk na, iets dat niet alledaags is en dat maakt dat het zwembad zich van andere zwembaden onderscheidt, ook door de lichtinval. Voorbijgangers zullen tijdens het gesprek sneller schakelen van het gebouw naar de plek, de Portus Ganda.
Afbeelding 20: hoofdingang zwembad, Endeavour
54
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 21: oorspronkelijke hoofdingang zwembad, postkaart via Liberas
SOCIALE WAARDERING Beleving Volgens PM (66, M, Gent) was het tot voor 20 jaar een verloederde plek, maar is de wijk nu in opgang. Het is hier aangenaam om te wonen: nog niet te druk, al trekt de wijk nu wel vele nieuwkomers aan. Het is duurder geworden en sommige van de oorspronkelijke inwoners zijn al moeten verhuizen. Bovendien zijn er verdere werken aan de gang om het open karakter van de omgeving nog te versterken. Voor sommige voorbijgangers zijn het zwembad en de Portus Ganda ook plekken waar ze bij mooi weer komen genieten van de zon en de nabijheid van het water:
“De Portus Ganda is erg mooi en pittoresk: Als je op reis bent en je komt bij een dergelijke plek, dan blijf je toch eventjes stil staan. Je hebt dan het gevoel dat je op zo’n plek zou kunnen wonen.”
Nu, EL (45, M, Gent) heeft het geluk dat hij op deze plek woont. WP (48, M, Gent) zal hem daarin bijtreden: “De Portus Ganda is altijd een fijne plek om langs te wandelen, al wordt ze door Gentenaars niet altijd opgemerkt of naar waarde geschat. Daar heb je buitenlandse toeristen voor nodig.” MO (24, V, Lokeren) benoemt één van die karakteristieken als ze aangeeft dat het plafond een speciale lichtinval creëert. Het gebouw heeft een erg mooi plafond en straalt rust uit. Het is een voldoende ruime plaats om te sporten. Je hebt er een gevoel van openheid. Het zijn deze troeven in het interieur die de plek voor SV (27, V, Gent) tot haar favoriete zwembad maken. SV komt er gemiddeld één keer per week. Sommige mensen spreken net als zij af om hier samen te komen zwemmen: “Het maakt het gebouw tot ontmoetingsplek. Ook mensen die je niet kent zijn makkelijker aanspreekbaar.” LP (23, M, Gent) herinnert zich het gebouw als geometrisch, met veel wit.
55
Veldonderzoek IN DIALOOG I Het was wel anders dan andere zwembaden, door de fijne afwerking en het statige karakter:
“We lachten er mee dat het het chique zwembad van Gent was, het bourgeoiszwembad. Het water was er ook warmer dan in andere zwembaden.” Deze perceptie klinkt ook door bij SV (27, V, Gent), die het een visueel erg interessant gebouw vindt: “Het gebouw getuigt van een bepaalde architecturale opvatting en historisch tijdperk : je moet je niet omkleden in de kelder.” ADP (56, V, Gent) vindt het een fantastisch gebouw, het beste zwembad van Gent, want het heeft karakter en is niet steriel zoals sommige andere Gentse zwembaden. Vanwege de “goede vibes” verkiest ze dit zwembad boven andere zwembaden die voor baantjes trekken meer geschikt zijn. “Zwemmen is eigenlijk best wel saai. Dus het kader is belangrijk.” Wat haar hier erg aanspreekt zijn het plafond, de kleedkamers en de douches. Ze verlenen het gebouw een zekere intimiteit. Net als andere geïnterviewden ervaart ze er rust, iets wat samenhangt met de activiteit van het zwemmen zelf. Het gebouw staat voor vele gebruikers voor authenticiteit, waarbij verwezen wordt naar het plafond, de omkleedcabines... “Je ervaart er oude vibes… Het is true aan het historische karakter van de stad.” (N, 33, M, Gent) Heel wat oudere mensen kwamen hier als kind schoolzwemmen.
Educatie PM (66, M, Gent) meent dat het zwembad één van de oudste van het land is en een prachtig historisch interieur in art deco heeft. Toen hij kind was, is hij hier komen schoolzwemmen. Je ging toen nog binnen langs de hoofdingang, waarboven je nu nog de inscriptie met de naam van het zwembad vindt. De nieuwe hedendaagse ingang stoort PM niet. Sinds de werken kom je langs de nieuwbouw binnen en word je vervolgens in het historische interieur binnengeleid met de cabines, de kleedkamers… De badkuipen, die voor hedendaagse bezoekers opvallen, verwijzen, zoals de interviewer opmerkt, naar het tijdperk waarin het ge
56
bouw dienst deed als badhuis voor de wijk. Vroeger was dat allerminst uitzonderlijk, want heel wat mensen beschikten thuis immers niet over modern sanitair. Sommige gebruikers van het zwembad appreciëren het historische kader, maar beklemtonen vooral de functionele dimensie. Ze kozen voor het zwembad omwille van de nabijheid zoals NV (33, M, Gent), omwille van de zwemles zoals P (54, M, Sint-Amandsberg) of uit gewoonte zoals AVDW (53, M, Gent). Ook ADP (56, V, Gent) geeft aan in de eerste plaats een functionele gebruiker te zijn. Het is niet zo dat het zwembad haar doet mijmeren over, of stilstaan bij vorige generaties: “Zwemmers zijn wellicht een beetje autistisch en ik vorm daar geen uitzondering op. Ik zal me bijvoorbeeld eerder bekommeren of de klok wel goed werkt, dan dat ik stil sta bij de generaties die hier voor mij zwommen.” Zowel andere historische gebouwen als het zwembad doen voor PM (66, M, Gent) dienst als oriëntatiepunt. Ze maken als “de locatie waar Gent haar ontstaan kende” het startpunt uit van het parcours wanneer hij vrienden of familie van elders Gent laat zien. Hij is trots op het Gentse patrimonium: “Ik ben toch wel een beetje een chauvinistische Gentenaar.” Het zwembadgebouw fungeert voor meerdere geïnterviewde voorbijgangers als oriëntatiepunt, zo ook voor JC (23, V, Leuven), in meer dan één betekenis:
“Historische plekken en gebouwen doen me stilstaan bij de dingen. Het besef van de verhalen die er mee verbonden zijn, maakt dat je je eigen bestaan eventjes in een ander perspectief plaatst: er hebben zoveel dingen plaatsgevonden voor je zelf geboren werd.” Wel vindt WP (48, M, Gent) het enigszins jammer dat, voor zover hij weet, in het zwembad niets staat aangegeven over de geschiedenis of de architectuur van het gebouw. “Gezien de lange verwevenheid van het gebouw met de wijk is het vreemd dat er niet meer ingezet wordt op verhalen. Dat is iets dat de buurtwerking Macharius-Heirnis op het niveau van de wijk wel doet; verhalen uit de buurt aan bod laten komen.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Door de heraanleg werd het historische karakter van de locatie beklemtoond. Het is al lang geen “nietszeggend plein” meer: “Gent dat ontstond aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, zoals men altijd zegt, dat is dus hier…” geeft PM (66, M, Gent) aan. “Op deze locatie kende Gent haar oorsprong, iets na het jaar 600.”. Het is een buurt met een historische betekenis, met veel sporen uit het verleden. De locatie staat bekend als Portus Ganda, aangelegd met aandacht voor het nabije water.
je ergens toch trots bent Gentenaar te zijn, want Gent was toch wel een belangrijke stad. Het is natuurlijk ook fascinerend om te leven, te wonen en te werken in een stad die geschiedenis ademt: “Zo van wauw, dat gebeurde allemaal hier. Waar ik nu woon!” “JC (23, V, Leuven) verwoordt het als volgt: “Historische plekken en gebouwen doen me stilstaan bij de dingen. Het besef van de verhalen die er mee verbonden zijn, maakt dat je je eigen bestaan eventjes in een ander perspectief plaatst: er hebben zoveel dingen plaatsgevonden voor je zelf geboren werd.”
“Waar Gent is gegroeid van een dorp tot een wereldstad op een zeker moment, alle verhoudingen in acht gehouden.”
JC vindt stadswandelingen met een gids “superinteressant”. “Als je zelf gidst, kun je gebouwen uit allerlei invalshoeken benaderen: de architecturale kenmerken van een gebouw of plek, maar ook de geschiedenis er achter of verhalen die met een gebouw of plek verbonden zijn. Naar die verhalen moet je soms wel op zoek gaan. Als je dat doet, dan vind je ze, al mogen de verhalen natuurlijk altijd meer toegankelijk gemaakt worden.” Een soortgelijke mening treffen we aan bij AVDW (53, M, Gent). Voor hem is Gent een stad op mensenmaat, zeker in vergelijking met steden in het buitenland: ”Gent heeft veel te bieden, maar je hebt een gids nodig om bepaalde plekken te ontdekken, in tegenstelling tot Brugge waar alles gekend is.” Er zoals hij geboren en getogen zijn, helpt: “Dan weet je meer van de geschiedenis, waardoor ook je kijk op de stad een andere wordt. Dan weet je waarom je op de Vrijdagmarkt vele mooie gebouwen vindt.”
Met op de andere oever de restanten van de SintBaafsabdij, de oude portierswoning, waar de SintBaafsvrienden (een buurtcomité) gehuisvest zijn, en de Spanjaardenwijk, zo genoemd naar de bezettingsmacht die midden zestiende eeuw de stad controleerde na het incident tussen de inwoners van Gent en Karel V. Voor hem is leven in een dergelijk historisch kader een meerwaarde. EC (66, M, Destelbergen) vindt verhalen belangrijk om door te geven. Al is het Patershol wat dat betreft nog wel een andere categorie dan het zwembad. Zelf geeft hij ook de geschiedenis door. Hij merkt dat hij dat met het ouder worden belangrijker is gaan vinden, dat hij dat vandaag meer dan vroeger naar waarde weet te schatten. Dat geldt ook voor zijn dochter en zoon, nu die op hun beurt kinderen hebben. “Zoiets mag je niet forceren op een leeftijd wanneer er nog geen interesse is. Dat is iets dat komt met de jaren.”
Opwekken van nieuwsgierigheid Voor AG (36, V, Gent) is de Sint-Baafsabdij een plek die een educatief belang heeft, ook met het oog op duurzaamheid. Maar ze ervaart op de site, naast schoonheid en rust ook de aanwezigheid van het verleden. Een verhoogd historisch besef wordt trouwens op vele locaties in Gent ontlokt: “Het maakt dat
Verbondenheid, trots en identiteit Voor heel wat voorbijgangers uit de omgeving geeft de Portus Ganda hen het gevoel ergens bij te horen, ook voor inwijkelingen uit andere delen van de stad of uit andere steden. De Portus Ganda en het zwembad maken deel uit van een mentale cartografie waartoe voor velen ook de Spanjaardenwijk, de site van de Sint-Baafsabdij en het Poortgebouw behoren. Voor enkelen ook de “Beestenmarkt” of het RTT- of Belgacomgebouw, dat deels gesloopt is. WP (48, M, Gent) associeert de plek met vertrouwdheid. Hij voelt zich zeker verbonden met de wijk. Het gebouw van het zwembad en de plek geven hem een gevoel van trots. “Het is voor vele Gentenaars een landmark.”
57
Veldonderzoek IN DIALOOG I Gent geeft JC (23, V, Leuven) een vertrouwd gevoel, het gevoel ergens thuis te zijn. Vele van haar vrienden zitten nog op kot in Gent. Haar community is sterk verweven met Gent: “Gent is een echte vriendenstad.” Het is iets dat ze in deze coronatijden mist. “Erfgoed, historische gebouwen maken het plaatje volledig. Door mijn voorliefde voor geschiedenis voel ik me hier extra op mijn plaats. Een specifieke plek, een wijk heeft hier een eigen karakter en stijl en ademt zo een bepaalde epoque. Dat is iets dat ik in een moderne stad of wijk niet heb: het besef dat de meeste gebouwen al bevolkt zijn geworden door andere mensen dan de mensen die er nu wonen of werken.”
“Tradities moeten enerzijds kunnen veranderen, maar anderzijds geven tradities en gebouwen mensen ook aarding en houvast. Misschien zijn gebouwen dan wel een onschadelijke traditie of voortzetting van de dingen.” Ook voor AG (36, V, Gent) zorgen de historische gebouwen en omgeving op een niet altijd bewust niveau voor een verbondenheid met de generaties voor haar. Ze stelde vast daar een zekere interesse voor te hebben, want ze bezoekt bijvoorbeeld de Facebook-pagina van iemand die regelmatig oude foto’s post van plekken in het Gentse. Bepaalde plekken zijn belangrijk vanwege hun herinneringsfunctie, hun betekenis voor het maatschappelijke geheugen. De persoonlijke geschiedenis van PM (66, M, Gent) is vervlochten met die van Gent. Hoewel hij niet in Gent, maar in Kuurne geboren werd, leeft hij sinds zijn vijfde in Gent “en zit Gent in mijn hart”. “Gent maakt deel uit van mijn identiteit, omdat ik zo verweven ben met de stad.” Hoewel hij graag en veel reist, is hij altijd weer blij naar Gent terug te keren. Na de dood van zijn vader keerde zijn moeder, een Gentse, terug naar haar familiale wortels. Zijn grootvader was een echte Gentenaar die samen met zijn grootmoeder een klein bruin volkscafé hield in het stadscentrum. Van hem hoorde hij verhalen over de stad. PM woonde op verschillende locaties: eerst in een sociale woning bij de Watersportbaan, een toen recent aangelegde wijk met veel groen
58
aan de andere kant van de stad; daarna op diverse locaties. Als volwassene is hij in de Dampoortwijk bij het station gaan wonen. Tot het einde van de jaren 1970 – hij verhuisde ”naar de overkant van de ring” toen hij in 1978 huwde – bevond zich aan de overkant van de Schelde nog een grootschalige site met slachthuizen waar het vee werd aangevoerd, de “Beestenmarkt”. De plek geeft EL (45, M, Gent) sterk het gevoel ergens bij te horen. Zo komt hij hier vaak iemand tegen en dan doet hij een praatje. De Portus Ganda is voor hem één van de mooiste plekken van Gent. Hij zou hier niet meer weg willen. Zijn leven is ook op de buurt afgestemd. Zijn zoontje gaat bijvoorbeeld in de buurt naar school. Toch is hij hier niet opgegroeid, want hij komt oorspronkelijk uit Aalst, maar daar heeft hij geen aanknopingspunten meer: “Ik voel me wel trots om in Gent te wonen, zeker als ik Antwerpen bezoek.” Ook JC (23, V, Leuven) voelt zich eerder met Gent verbonden dan met Oudenaarde, waar ze opgroeide. Waar ze vandaan komt is het immers “superblank”. Als ze zich met een stad moet associëren, is het Gent. Voor AG (36, V, Gent) ligt dat anders. Het is immers niet zozeer in Gent, maar in haar geboortestreek bij Aalst dat ze zich emotioneel betrokken voelt op de bebouwde omgeving. Ze denkt dan bijvoorbeeld aan woningen die afgebroken zijn, maar die ze kan linken aan de verhalen van haar ouders en grootouders. EL (45, M, Gent) apprecieert dat het een sociale buurt is, met veel nationaliteiten. Een open buurt, vitaal ook, wat een verdienste is van de goede buurtwerking. In het poortgebouw worden door buurtwerking Macharius-Heirnis regelmatig events georganiseerd voor de buurtbewoners, zoals bijvoorbeeld optredens. Volgens WP (48, M, Gent) heeft de wijk nog steeds een divers en open karakter. Op sommige andere locaties probeert Gent te hard om een hippe stad te worden, meent hij. Dan krijg je projecten zoals Dok Noord die niet ingebed zijn in het sociale weefsel. De ingrepen voelen kunstmatig aan en hebben een schaal die te groot is voor Gent. Voor PM (66, M, Gent) was en is Gent een stad die zich kenmerkt door “een open en strijdvaardige geest.” De historische gebouwen en plekken zijn de overblijfselen uit een verleden waarin de Gentenaars voor hun rechten hebben moeten vechten, want Gent kende
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 22: interieur zwembad, Rainer
59
Veldonderzoek IN DIALOOG I veel industrie, textielfabrieken waarvan je nu trouwens nog restanten ziet, tot in het stadscentrum: “Nu is het een mooie mengeling van oud en nieuw, van historie en hedendaagse elementen.”
Authenticiteit en nostalgie Voor EC (66, M, Destelbergen) is het zwembad een authentiek en uniek gebouw, het oudste van België, als hij juist geïnformeerd is. Het interieur heeft voor hem de meeste uitstraling. Hij treft er de atmosfeer van zijn jeugd aan. Daardoor roept het allerlei herinneringen op, waardoor hij in het zwembad een vertrouwd gevoel, een gevoel van thuiskomen, ervaart. Hij hecht veel waarde aan het behoud van dergelijke plekken, die voor hem vertrouwdheid bieden en een connectie met het verleden. Eigenlijk heeft hij het gebouw in de loop van de jaren niet zo hard zien veranderen. “In grote lijnen is het het gebouw dat ik me herinner van vroeger. Ook na de restauratie zijn de look en feel, zoals men zegt, hetzelfde gebleven.” Het beheer en de
uitbating hebben wel veranderingen ondergaan. Hij kan het bezoek aan het zwembad moeilijk missen: “Nu met corona is er echt een gemis wanneer ik niet kan komen zwemmen. Het blijkt voor me werkelijk belangrijk te zijn om te doen. Ik kwam hier vroeger met mijn vader zwemmen. Ik krijg hier een goed gevoel door de herinneringen aan vroeger. Het gebouw betekent dan ook meer dan louter een zwembad waar je komt om te zwemmen.” De sfeer van het gebouw verbindt hem ook ergens met eerdere generaties Gentenaars. Als AG (36, V, Gent) nostalgie voelt, gaat die eerder uit naar het dorp waar ze is opgegroeid. In Gent ontbreken deze persoonlijk gekleurde verhalen. Voor EL (45, M, Gent) valt de Portus Ganda samen met de toegangsweg naar het centrum van Gent. Daarenboven is de plek sterk verbonden met zijn ex-lief die hier vlakbij woont. Gevoelens van nostalgie ervaart hij als hij bepaalde plekken en gebouwen kan verbinden met persoonlijke dingen, zoals het verlies van zijn lief. Voor sommige geïnterviewden zoals JC (23, V, Leuven) is de meerwaarde van een historisch kader iets
Afbeelding 23: interieur zwembad, Gent verkend, Gentse StudentenRaad
60
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen dat voor Gent als geheel geldt: “Erfgoed, historische gebouwen maken het plaatje volledig … Een specifieke plek, een wijk heeft hier een eigen karakter en stijl en ademt zo een bepaalde epoque] . Dat is iets dat ik in een moderne stad of wijk niet heb.”
Een goede materiaalkeuze biedt immers al een eerste garantie tegen verloedering en dus voor behoud op lange termijn. Gebruikt men minderwaardige materialen, dan ziet men zich gedwongen tot herhaaldelijke oplapwerken, wat maakt dat op termijn de kosten hoger oplopen.”
Renovatie versus afbraak Nagenoeg alle geïnterviewden zijn het er over eens dat het een goede zaak was het gebouw te restaureren en te renoveren en de functie voort te zetten. WP (48, M, Gent) wijst erop dat het zwembad door de investering vanwege de overheid ook vandaag een belangrijke functie vervult voor de scholen en de buurt. EL (45, M, Gent) vindt het eveneens goed dat er geld wordt geïnvesteerd om gebouwen als het zwembad te bewaren, zodat ze hun functie kunnen vervullen of zodat er een herbestemming kan plaatsvinden. Dergelijke investeringen komen ook de buurt ten goede. Dat is ook de mening van SV (27, V, Gent) en MO (24, V, Lokeren). Zij voegen er nog aan toe dat het creëren van open plekken waar sociaal contact mogelijk is belangrijk is voor het sociale weefsel van een stad. Daarom is het goed dat dergelijke historische gebouwen voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor andersvaliden. Laagdrempeligheid wordt als een pluspunt beschouwd door WP (48, M, Gent). Het zorgt ervoor dat de bezoekers van het zwembad zeer divers zijn: het wordt zeker niet alleen door de middenklasse of een elite gebruikt. Wat ADP (56, V, Gent) wel betreurt en wat haar stoort, is dat het gebouw niet erg goed wordt onderhouden. Ze stuurt mails als er iets mis is, maar de uitbater Farys is nogal nonchalant en daar wilt ze zich wel eens aan ergeren. Ze betaalt met plezier haar abonnementsgeld en wil zelfs meer betalen als daar de garantie van beter onderhoud tegenover staat. Zwemmen in een mooie omgeving vindt ze belangrijk. EC (66, M, Destelbergen) is van mening dat “de mensen” al op een zeer behoorlijke manier bijdragen via belastingen: “Ze moeten het niet te makkelijk afwentelen op vrijwilligers en donaties. Als ze belastingen heffen, moeten ze er ook iets voor teruggeven.” Hij ziet zich nog eerder vrijwilligerswerk doen dan geld bijdragen. EC beklemtoont het belang van voldoende aandacht voor onderhoud: “Onderhoud van erfgoed is erg belangrijk. Daarom is een keuze voor degelijke materialen zo noodzakelijk.
AG (36, V, Gent) vindt het “top dat ze het zwembad zo bewaard hebben”. Voor WP (48, M, Gent) is het zwembadgebouw een knappe combinatie van oud en nieuw, van behoud en vernieuwing. EC (66, M, Destelbergen) deelt deze mening: “Bij sommige nieuwe invullingen of aanpassingen slaagt men er in de oude glorie te behouden of te herstellen. Het zwembad is daar een goed voorbeeld van. De achterbouw, waar nu de ingang is, is er wel nieuw bijgekomen, wat nodig was voor een efficiënt beheer, maar het interieur is hetzelfde gebleven.“. De komst van het plein noemt AG als ander pluspunt: extra groen, extra rust en voldoende aandacht voor netheid door het plaatsen van voldoende vuilnisbakken. Het plein komt de levenskwaliteit van de wijkbewoners ten goede. In de nabije toekomst zal het open karakter van de Portus Ganda trouwens nog toenemen, doordat de voormalige RTT/Belgacom-site een gedaanteverwisseling ondergaat. De (gedeeltelijke) afbraak van het voormalige RTT-gebouw, “een staaltje van “stijl absurdisme” uit de jaren zestig” aldus PM (66, M, Gent), kan bij sommige geïnterviewden op instemming rekenen, terwijl andere aangeven een gemis te zullen ervaren. Met het oog op het open karakter van de omgeving is WP (48, M, Gent) blij “dat ze dat (RTT-gebouw nvdr) aan het afsmijten zijn. Dat zal een hele verbetering zijn. Het heeft het toch al verbazend lang uitgehouden. Waarschijnlijk omdat het veel werk was om het af te breken.” AG (36, V, Gent) vond het daarentegen een mooi gebouw, uitgevoerd in beton, “art brut”. Zij betreurt dat men het meest interessante gedeelte met de garages al heeft gesloopt. “Misschien dat ze daar later toch wel spijt van gaan hebben. Dat ze gaan zeggen: ai, hoe hebben we dat eigenlijk kunnen afbreken?” Het gebouw verwees voor haar naar een bepaalde periode van denken over architectuur. De gebouwcomplexen van Gent Zuid vindt ze daarentegen foeilelijk. Ze zijn zo kolossaal en hebben dermate veel geld gekost dat je je afvraagt: “Hoe geraken we daar nog ooit van af?”.
61
Veldonderzoek IN DIALOOG I EL (45, M, Gent) vindt het ergens wel jammer dat het gebouw weg is, want het was voor hem sterk met deze omgeving verbonden. Zijn zoontje zal deze omgeving daardoor nooit op dezelfde manier kunnen ervaren als hij. Een soortgelijke bedenking klinkt door bij EC (66, M, Destelbergen): “Dat (RTT-gebouw nvdr) was weliswaar geen mooi gebouw, maar je voelt toch dat er iets verdwenen is, iets, dat niet meer terugkomt.”.
Betrokkenheid en participatie bij de herbestemming van onroerend erfgoed Er bestaat al evenmin eensgezindheid over het behoud en de herbestemming van de Sint-Annakerk, de “Gravensteen-kwestie” of de “Schapenstal”. M (22, M, Gent) zegt de heisa rond het Gravensteen niet te begrijpen. Hij geeft aan de zaken vanuit een economisch perspectief te bekijken. Hijzelf ziet wel het nut van een liftschacht. Omdat Gent in de toekomst meer zal moeten leunen op toerisme is dit een slimme investering. Je mag je niet vastklampen aan het verleden. Kosten en baten moeten goed afgewogen worden. BDS (21, M, Antwerpen) nuanceert. Hij houdt ervan om in een stad met een rijke geschiedenis en oude gebouwen te wonen. Al wordt dat historische stadsbeeld deels bepaald door restauraties van rond 1900, die gestoeld waren op toenmalige voorstellingen van middeleeuws Gent. Wat AG (36, V, Gent) aanspreekt bij de site van de Sint-Baafsabdij is juist dat ze de ruïne ongemoeid hebben gelaten en niet heropgebouwd hebben, waardoor het een beetje een fake karakter gekregen zou hebben. Nu is de inwerking van de tijd tastbaar. ADP (56, V, Gent) volgt het erfgoedbeleid niet actief, want daarvoor heeft ze het te druk. Wel merkt ze dat ze er in de loop van de jaren meer belang is aan gaan hechten. Dus in het geval van een bevraging over het al dan niet bewaren van erfgoed, zou ze wel participeren, zeker als het een plek betreft waaraan ze gehecht is. AG (36, V, Gent) vindt het zeker belangrijk dat burgers voor zaken als behoud en herbestemming interesse tonen, maar zij engageert zich niet actief. Zij heeft geen activistische ingesteldheid en vindt dat ze niet voldoende kennis van zaken heeft. Met betrekking tot het Belgacomgebouw heeft ze geen weet van een bevraging van de buurtbewoners. Wel hebben ze haar en de buurt gecontacteerd in verband met de mogelijke overlast die de werken konden veroorzaken.
62
Ze weet ook niet of het aangewezen is om iedereen bij alle ingrepen te betrekken: “Wie betrek je daarbij en waar trek je de grens van wie al dan niet bevraagd wordt?” Er bestaan al kanalen voor burgers. De mening van NV (33, M, Gent) sluit daar deels bij aan: “Ik weet niet of de mensen in het algemeen zoveel besef hebben van wat al dan niet waarde heeft.” M (22, M, Gent) waarschuwt voor de impasse waartoe burgerparticipatie kan leiden:
“Burgerparticipatie is een mooi idee, maar iets te democratisch maken kan leiden tot slechte keuzes of uitstel van keuze. Je kiest uiteindelijk je bestuurders. Die moeten ook beslissingen durven nemen.” PM (66, M, Gent) vindt dat hij voldoende bij beslissingen rond erfgoed betrokken wordt: “Als het je interesseert en je volgt het op, krijg je voldoende kansen op inspraak. Ik zeg niet dat ieder idee dat in je hoofd opkomt, gevolgd wordt. Maar je krijgt als burger, anders dan je soms hoort, wel voldoende info. Je hebt inzage in de bouwplannen, waartegen je protest kunt aantekenen. Je hebt als burger toch wel een stem.” Al is EL (45, M, Gent) er niet persoonlijk bij betrokken, toch is hij benieuwd naar wat er met de SintAnnakerk gaat gebeuren en als muziekleraar en muzikant hoopt hij een beetje op een concertzaal. Dit is een kwestie waar je als buurtbewoner indien je wenst, zonder twijfel bij betrokken kunt worden, geeft hij aan, ook dankzij de erg goede buurtwerking. Je krijgt ook voldoende informatie. AG (36, V, Gent) verwijst naar de controverse over de plannen voor de Sint-Annakerk die de voormalige kerk herbestemden tot supermarkt. Zij is daar voor zichzelf niet uit: “Ergens vind ik het jammer dat dat commercieel wordt. Anderzijds waren die protesten ook wel erg middenklasse. De stad kan niet alle leegstaande gebouwen een culturele invulling geven als bibliotheek of concertzaal, want heeft daartoe niet genoeg middelen. En dan moeten die concerten vervolgens ook nog gesubsidieerd worden. Er zijn voor mij ook andere katjes te geselen, zoals sterke sociale noden: armoede, dakloosheid.” Bij herbestemmingsprojecten moet de overheid dan ook soms zoeken naar de inbreng van privépartners.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Ook ADP (56, V, Gent) begrijpt dat er grenzen zijn aan wat de overheid vermag. Natuurlijk kan er altijd meer gedaan worden en ze vermoedt dat er nog veel aan het verkrotten is, maar er zijn nu eenmaal vele noden en beperkte middelen.” EC (66, M, Destelbergen): “De investeringen die men in het geval van het zwembad heeft moeten doen, waren natuurlijk wel aanzienlijk. Daar komt nog een behoorlijke kostprijs voor onderhoud en uitbating bij.” JC (23, V, Leuven) voegt daar aan toe dat historische gebouwen beperkingen meebrengen in het concrete gebruik, wat ook drempels opwerpt bij een herbestemmingsproject. Het is vele geïnterviewden opgevallen dat er recent met betrekking tot erfgoed meer aandacht is voor participatie uit de buurt. Het is zeker belangrijk dat bijvoorbeeld herbestemmingen gedragen worden door de buurt. Op belangrijke historische locaties of wanneer er aanzienlijke economische belangen gemoeid zijn, lijkt het AG (36, V, Gent) aangewezen de mensen in de omgeving te raadplegen. Dat vindt ook SV (27, V, Gent):
“Het is belangrijk om bij de mensen uit de buurt een draagvlak te creëren. Al laaien de emoties soms hoog op.”
MO (24, V, Lokeren): “Bij het Gravensteen is er bijvoorbeeld veel protest tegen het installeren van een lift. Dan wordt gemakkelijk uit het oog verloren dat delen van het gebouw negentiende-eeuwse toevoegingen zijn.” SV: “Sommige mensen stellen zich dan erg rigide op en vinden dat er werkelijk niets gewijzigd mag worden.” MO: “In Leuven woon ik in het Begijnhof, dat werelderfgoed is. Daar mogen zelfs de kasseien niet een beetje rechter gelegd worden, opdat je niet langer het risico zou lopen om je nek te breken.“ SV : “Brugge doet mij soms denken aan Bokrijk. Het vitale element is er ergens uit verdwenen.” Het is dan ook goed dat ze het zwembad gerestaureerd hebben met een visie: aanpassen waar nodig, met respect voor de bedoelingen van de architect. Het behouden van een functie of een herbestemming zijn belangrijk omdat het gebouw connecteert met de bewoners van de wijk en verbondenheid creëert tussen bewoners van de wijk. Met oog op de leegstaande, ontwijde kerk in de Machariuswijk is dat een actuele opgave.” Ook ADP vindt het bewaren van erfgoed belangrijk, maar meent dat Brugge daar te ver in doorgeschoten is: “Dan verkies ik toch Gent, een geslaagde mix van] de middeleeuwen, het industriële tijdperk etc… Ook het lelijke heeft zijn plaats, bijvoorbeeld in het havengebied, waar je vele gebouwen moeilijk mooi kunt noemen. Zo heb ik het eigenlijk wel graag, met een hoekje af, niet te steriel.”
63
Beknopt overzicht van de case zwembad Van Eyck en Portus Ganda TROEVEN — Het interieur van het zwembad Van Eyck geeft heel wat bezoekers een gevoel van well-being, ook indien ze weinig van de achterliggende geschiedenis kennen. De specifieke lichtinval wordt meermaals vermeld, evenals het ruimtegevoel en de genereuze omkleedcabines. — Naast een groep van functionele gebruikers, zijn er een aantal mensen die niet aarzelen om de plek hun favoriete zwembad te noemen. De binnenarchitectuur is daarin een doorslaggevende factor. — Hoewel dit nog sterker het geval was voor corona toen men er iets kon drinken, doet het zwembad ook vandaag dienst als ontmoetingsplek. — De meeste voorbijgangers, van wie het merendeel het zwembad in het verleden bezocht hebben, herinneren zich dat het interieur indruk op hen maakte. Zij beoordelen de impact van het gebouw op de omgeving als positief. Velen beschouwen het als een landmark binnen de wijk. — Voor een enkeling, een senior, roept de plek nostalgie op naar de jeugdjaren. — De renovatie van het zwembad wordt algemeen positief gewaardeerd. In het algemeen waardeert men de combinatie van oud en nieuw. Ook het behoud van de functie als zwembad kan op brede appreciatie rekenen. — Vele voorbijgangers beschouwen de Portus Ganda als één van de grote troeven van de wijk en als een relatief “goed bewaard geheim”,
64
—
—
—
—
—
dat het potentieel heeft om toeristen te charmeren. De Portus Ganda versterkt de band tussen de wijk en de Schelde, creëert een open, laagdrempelige publieke ruimte en connecteert de wijk met het stadscentrum. Door de heraanleg werd het historische karakter van de locatie beklemtoond Het is al lang geen “nietszeggend plein” meer. Voor meerdere geïnterviewden heeft de plek een grote historische betekenis, omdat het de ontstaansplek van Gent was, de samenvloeiing van Leie en Schelde ter hoogte van de Sint-Baafsabdij. Volgens de buurtbewoners drukt de Portus Ganda een sterke (positieve) stempel op de identiteit van de wijk, samen met het zwembad, de site van de Sint-Baafsabdij, het poortgebouw, de Sint-Annakerk en voor sommigen het voormalige RTT/ Belgacomgebouw. Sommigen identificeren zich duidelijk met de wijk die ze omschrijven als open, sociaal, divers en tolerant. De plek en het gebouw geven menigeen een gevoel van trots. Daarbij wordt door sommigen ook naar een duidelijke maatschappelijke dimensie verwezen: de diversiteit, weerbaarheid en openheid die zij de buurt en bij uitbreiding Gent toedichten. De buurtwerking van de wijk Macharius-Heirnis, de Sint-Baafsvrienden, zet in op (historische) verhalen uit de buurt.
KNELPUNTEN/CONFLICTEN — Een enkeling heeft klachten over de uitbating van het zwembad Van Eyck. — In het zwembad ontbreekt info over de historische achtergrond, ondanks de nauwe verwevenheid tussen het erfgoed en de wijk. — Zonder voorkennis over de Portus Ganda blijft het historisch belang van de plek verborgen. — Bij een aantal buurtbewoners leeft de bekommernis over de (beginnende) gentrificatie.
— Een aantal buurtbewoners betreurt de afbraak van de bunker, een voorbeeld van brutalistische betonarchitectuur, bij het voormalige modernistische RTT/Belgacomcomplex. — Verschillende geïnterviewden uiten bedenkingingen over het nut van burgerbevragingen.
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
gebouw omgeving
well-being
figuur 9, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met het gebouw samenhangen, de zwarte de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen.
65
Veldonderzoek IN DIALOOG I CASE
De Sint Bernardus abdij, Bornem Afbeelding 25: buitenmuur van de abdijtuin
Afbeelding 24: zijaanzicht van de abdij
Afbeelding 26: de volkstuintjes op het domein van de Abdij van Bornem Afbeelding 27: brevierpad
Afbeelding 28: pandgang tijdens de werken Afbeelding 29: Luchtfoto omgeving, Google Earth
66
“Als ik hier wandel dan verbeeld ik mij het verleden, dan zie ik de paters hier weer rondlopen.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen SINT BERNARDUSABDIJ
HERBESTEMMING
De abdij is een herbestemming door de gemeente in samenwerking met een projectontwikkelaar. Ze wordt een mix van bibliotheek, woningen, toerisme en een bezoekerscentrum. De abdij zelf is nog in transformatie maar de tuin en bijgebouwen worden momenteel nog steeds gebruikt door respectievelijk recreanten en de jeugdbeweging. Vanwege haar ligging en schaal heeft ze naar verwachting een grote impact op het omliggende dorpsleven. De combinatie van functies maakt de case interessant om diverse sociale waarden over eenzelfde case te bestuderen.
LOCATIE
VOORGESCHIEDENIS
Kloosterstraat 71 2280 Bornem
— Het klooster stamt uit de 17de eeuw, gesticht in 1603 door Pedro Coloma, heer van Bornem. Tussen 1658 en 1676 vindt een Kloosteruitbreiding (“Engels Klooster”)door Engelse dominicanen, die zich in 1658 in Bornem gevestigd hebben. — In 1659 beginnen ze een opleidingsinstituut, het zogenaamde “Engelse College”. — In 1768 wordt het inmiddels vervallen klooster, met uitzondering van de kerk, afgebroken. Tussen 1768 en 1771 wordt een nieuw klooster rondom een pandhof gebouwd, waarvan de westelijke vleugel dienst doet als nieuw college, met studentenkamers, schoollokalen en ook de studentenrefter. — Tijdens het Franse Bewind wordt het klooster geconfisceerd en in 1797 vindt een openbare verkoop plaats. — In 1872 wordt een nieuwe bibliotheek gebouwd. Met 3000 boeken (van de 13de tot 18de eeuw) uit de abdij van Hemiksem als vertrekbasis, bouwen cisterciënzers de collectie verder uit tot een exemplarische verzameling (30000 publicaties). In 1866 wordt de abdij-infrastructuur aangevuld door de bouw van werkhuizen en stallen, en in 1890-1897 door schuren en wijngaardserre. In 1856-1893 wordt het hele domein ommuurd. — In 1840-1842 wordt een nieuwe kerk gebouwd op de plaats van de oude kerk, die vanaf 1974 dienst gaat doen als parochiekerk. — In 1998 werd het Abdijplein volledig heringericht.
CONTEXT Semi-urbaan Het gebouwencomplex situeert zich op een uitgestrekt, ommuurd terrein van ca. 6,5 ha. tussen de Klooserstraat en de Sint-Amandsesteenweg dat aansluit op de dorpskern van Bornem STATUS Sinds 20-01-1998 beschermd monument Sint-Bernardusabdij Sinds 29-03-2019 vastgesteld bouwkundig erfgoed Sint-Bernardusabdij
EIGENDOM Gemeente Bornem: eigenaar van het gelijkvloerse gedeelte van de abdij
67
De voormalige stallingen van de abdij worden omgebouwd tot zes luxe appartementen en vier luxe woningen. De bibliotheek zal na restauratie herbestemd worden tot erfgoedcentrum, waar ook tentoonstellingen, projecten, evenementen, congressen en seminaries kunnen plaatsvinden. Er is ook een horecagelegenheid gepland. STAKEHOLDERS Gemeente Bornem met steun van Vlaamse overheid De gemeente Bornem ontving van Onroerend Erfgoed een erfgoedpremie van 2.123.000 euro en een restauratiesubsidie van ca.147.000 euro voor de restauratie van de bibliotheek van de abdij. De volledige gelijkvloerse verdieping, inclusief pandgang en de abdijkerk, worden in de toekomst door de gemeente ter beschikking gesteld aan de Bornemse gemeenschap. Monument Real Estate heeft samen met het architectenbureau Atelier voor Stedelijke Architectuur uit Gent na iets meer dan twee jaar voorbereidend werk, het “PPS-dossier Herbestemming Sint-Bernardusabdij” te Bornem definitief op de rails gezet. Er is een project opgezet om de volledige boekencollectie van de voormalige abdij te reinigen en te inventariseren onder begeleiding van het gemeentebestuur en het CRKC (Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur) en mogelijk gemaakt door de enthousiaste inzet van de Vereniging voor Heemkunde Klein-Brabant en meer dan 80 vrijwilligers. MEDIA “Omdat op de verdiepingen van de abdij appartementen worden ingericht, leeft bij vele Bornemnaren de idee dat hier enkel ‘rijk volk’ welkom is. Niets is minder waar. De band tussen het dorp en deze site was altijd al enorm hecht, we willen de Sint-Bernardusabdij daarom ook zo snel mogelijk weer openstellen voor en teruggeven aan de Bornemnaren.” (Citaat van erfgoedconsulent Gert Van Kerckhoven in Els Dalemans, “Werken aan historische complex zijn halfweg”, in HLN, 03-09-20) WEBSITE / INFO https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ erfgoedobjecten/1909 https://hemelswonen.be/
Veldonderzoek IN DIALOOG I SITUATIESCHETS Het is een heldere dag met een voorjaarszon, waardoor de mensen die vaak buiten het gebouw geïnterviewd worden bereid zijn tijd te maken. We spreken mensen aan op verschillende locaties, zowel op het domein, als in het abdijgebouw. In Bornem is het herbestemmingsproject nog volop aan de gang, waardoor het abdijcomplex zelf ontoegankelijk is voor het publiek. De poorten van het aanpalende domein staan wel open. De diversiteit aan profielen bij de geïnterviewden is groot: voorbijgangers, joggers, constructiewerklui, gemeentearbeiders, een erfgoedmedewerker die er kantoor houdt, een abt, groentekwekers … De mix van profielen, leeftijden en genders wijkt enigszins af van andere cases, maar levert wel interessante gesprekken op. Vanwege de heersende coronamaatregelen dragen interviewer en geïnterviewde tijdens het gesprek mondmaskers.
SOCIALE WAARDERING Beleving De gemeente- of bouwvakkers zien het specifieke werk als een interessante uitdaging en verrijkende ontmoeting met erfgoed, al is het arbeidsproces intensiever en meer tijdrovend. SD (32, M, Buggenhout) verwoordt de mening van meerdere bouwvakkers die we spraken: “Werken in een historische context heeft een grote impact op je arbeid. Je moet heel specifiek en zorgvuldig te werk gaan, wat alles vertraagt. Je staat er verstomd van hoeveel tijd er in alles kruipt. Wel haal je meer eer uit je werk.” Zo moet er behoedzaam worden omgesprongen met bepaalde elementen die een historische waarde hebben, zoals de houtconstructies:
“Het feit dat je de traditie probeert te respecteren, ook qua materiaal, zoals bijvoorbeeld bij de ramen, heeft ook zijn charmes. Door er te werken ga je de historiek van het gebouw beter begrijpen.”
68
Voorbijgangers en een enkele jogger komen uit Bornem of de nabije gemeenten. Voor KM (49, M, Bornem) die in de buurt woont, ligt de site op zijn traject. Het historische kader is niet echt een motivatie om naar hier te komen, maar hij vindt het wel een erg mooi domein. In het bijzonder de tuin en de boomgaard vindt hij prachtig en ook de gebouwen van de abdij spreken hem aan. Vele geïnterviewden hebben met de abdij kennis gemaakt in hun kindertijd of jeugd, al dan niet via een excursie met de lagere school. Op sommige jongeren maakte het bezoek, met name aan de bibliotheek, een grote indruk. Toen PS (27, M, Bornem) als kind de site bezocht, leefden daar nog drie à vier broeders in de abdij die nog echt als religieus centrum functioneerde. Vanuit het deurgat kreeg hij als kind ook een inkijkje in de toen overladen bibliotheek met al die kostbare boeken: “Broeder-boekbinder Lambertus was een echte dorpspersonaliteit. Hij wandelde in habijt door het dorp en had echt het voorkomen van een trappistenpater”. Hoewel de site in die dagen niet publiek toegankelijk was, was deze toch niet geheel afgesloten voor mensen uit Bornem. “Zo vonden de scoutsmissen doorgaans plaats in de abdijkerk en kregen de communiefeesten onderdak in een zaaltje dat aan de abdij paalde”, weet KM (49, M, Bornem). Ook andere activiteiten boden jongeren uit Bornem en omstreken de kans het domein beter te leren kennen, bijvoorbeeld het rapen van paaseieren. Tijdens zijn kinderjaren, was de erfgoeddimensie helemaal nog niet prominent aanwezig, geeft DDC (M, 43, Bornem) aan. Zijn peter, een smid en hersteller van landbouwvoertuigen, zette zich als vrijwilliger in voor de abdij: “Hij vertelde daar nu ook niet zoveel over en misschien was ik er als kind ook niet zo erg in geïnteresseerd.” Toen abt Leo (82, M, Bornem) begin jaren zestig in de abdij kwam wonen, was ook hij eigenlijk niet zo erg bezig met het historische kader: “Ik stond daar eigenlijk niet zo bij stil. Dat maakte gewoon deel uit van het gemeenschapsleven… Gaandeweg is het aspect erfgoed belangrijker geworden, vooral dan de laatste jaren… Dat bewustzijn is gegroeid.” Ook de groentekwekers P (72, M, Bornem) en de twee E’s (70, M, Bornem en 69, M, Bornem) hadden al een hechte band met de abdijsite toen die nog niet voor alles vanuit een erfgoedperspectief bekeken werd: “De paters hebben hier hun eigen cider gemaakt. Vroeger kwamen we hier om ”appelkes te pikken”.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 30: abdij van Bornem, Endeavour
69
Veldonderzoek IN DIALOOG I
Afbeelding 31: de groentenkwekers op het domein van de Abdij van Bornem, Endeavour
70
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Verbondenheid, identiteit en solidariteit
Educatie De groentekwekers zijn erg op de tuin gefocust. Ze weten welke bomen beschermd zijn en waar de beste grond is. Van het gebouw zeggen ze niet veel te weten. Vele geïnterviewden vinden dat het gebouw de lokale geschiedenis vertelt en dat het daardoor een belangrijke educatieve rol kan/zal vervullen voor de jeugd uit de streek, mits het op de juiste manier wordt ingezet. Voor PS (27, M, Bornem) was zijn relatie tot de abdij voor zijn keuze voor geschiedenis als studierichting niet doorslaggevend. Als kind en jongere kwam hij immers ook op andere manieren in contact met geschiedenis, onder meer door de rijke bibliotheek van zijn grootvader. Maar dat hij veel tijd op en nabij de abdijsite doorbracht, was wel stimulerend voor zijn studie geschiedenis: zo maakte hij aan de universiteit één van zijn eerste oefeningen bij publiekswerking over de stichter van de eerste kloosterwerking.
Prikkelend, opwekken van nieuwsgierigheid Voor PS (27, M, Bornem) oefenden “de geheimen” van de abdij, die paalde aan de scoutslokalen, aantrekkingskracht uit. Samen met zijn kameraden heeft hij in die periode de kelders van de abdij “geëxploreerd”. Door op het domein te werken, leerde hij het domein nog veel grondiger kennen. Hij ontdekte bijvoorbeeld dat de twee kleine paviljoenen bij het kastanjebos boogschuttershuisjes waren, die behoorden tot de pauselijke zoeaven. De paviljoenen prikkelden blijkbaar ook de nieuwsgierigheid van sommige bezoekers, zo bijvoorbeeld AD (82, V, Bornem) die een verhaal vertelt over broeders die er zich terugtrokken en met pijl en boog op elkaar schoten. AD geniet van deze plek: “Als ik hier wandel, dan verbeeld ik mij het verleden, dan zie ik de paters hier weer rondlopen. Ik vind het goed dat ze het gebouw terug tot leven brengen, voor onze cultuur en geschiedenis.” Iedere keer ontdekt ze iets nieuws. Vandaag had ze dat bij het brevierpad, de bomengang, aan het water: “Ik zie dan de paters lezen aan het water”. Ze is ook gelovig wat voor haar een extra dimensie aan de beleving geeft.
PS (27, M, Bornem) is er van overtuigd dat de abdijsite de Bornemse samenleving diepgaand beïnvloed en vorm gegeven heeft. De abdij was immers altijd onmiskenbaar aanwezig, maar tegelijk ook gesloten en dus enigszins mysterieus. Al maakte het gemeenschapswerk van de broeders dat zij ook in het dorpsleven aanwezig waren, onder meer door filmvoorstellingen en andere activiteiten. DDC (M, 43, Bornem) bevestigt dat de abdij hier al lang een stempel drukt op de omgeving en associeert de abdij met de streekgeschiedenis. Een andere, maar toch soortgelijke verbondenheid met het domein vinden we bij de groentekwekers van de volkstuintjes op het domein. Voor de groep groentekwekers die hier 45 jaar geleden in de moestuin aan het werk ging, was het hier een “wildernis” en vroeg het veel tijd en energie om tot het huidige resultaat te komen: “Eigenlijk zijn wij zoals de paters, zonder dat we hier moeten wonen.” Vaak spenderen ze hele dagen van ’s morgens tot zonsondergang op het domein. In de tuin praten ze veel met elkaar, houden ze elkaar gezelschap en ondersteunen ze elkaar in moeilijke momenten (ziekte, het overlijden van een naaste). Ze komen naar hier om hun gedachten te verzetten. De mensen die regelmatig op de site komen, kennen ze allemaal. Ze delen groenten en verhalen: “We zijn hier precies een familie.”
Authenticiteit en nostalgie “Bij de restauratie streven we authenticiteit na, maar dan moet je, indien er meerdere opties zijn, soms kiezen welke tijdlaag je wilt benadrukken”, stelt PS (27, M, Bornem).
“Via de scenografie willen we de lange geschiedenis van de abdij vertellen, een verhaal van hoogten en laagten. Maar natuurlijk dwingt het beschikbare budget je ook om keuzes te maken.”
71
Veldonderzoek IN DIALOOG I Abt Leo geeft authenticiteit een andere invulling. Bij hem overheerst op dit ogenblik vooral een gevoel van gedwongen afscheid nemen, “afscheid nemen van een vertrouwd kader, dat gestoeld was op religie en gemeenschapsleven”. Twee dimensies die op deze plek eeuwenlang erg belangrijk waren, maar nu in feite verdwijnen: “Natuurlijk bestaat er nog wel een vzw Sint-Bernardusabdij, maar voor mij is het hier geen abdij meer. Het gebouw is gestopt abdij te zijn. Er is geen kloosterleven meer.”
“De abdij betekende voor mij religie en gemeenschapsleven. Net die aspecten konden niet overgedragen worden.” In zekere zin wil hij emotioneel niet langer betrokken zijn bij wat er met het domein en het complex, waar hij opnieuw woont, gebeurt: “Het was en is een proces van loslaten, voortdurend meer loslaten.”
Renovatie en herbestemming Alle geïnterviewden zijn het eens dat het een goede zaak was het gebouw te bewaren, het te herbestemmen en publiek toegankelijk te maken. JV (55, M, Bornem-Wintam): “Omdat het de geschiedenis vertelt, is het belangrijk dat de gemeente daarin investeert. Anders was het misschien teniet gegaan.” KM (49, M, Bornem): “Vroeger leefde er hier misschien 50 kloosterlingen, maar zo’n vijf jaar geleden waren de gebouwen in feite verlaten. Een dergelijk groot gebouw mag je niet onbenut laten.” Dat is ook de mening van SD (32, M, Buggenhout) die het bewaren van onroerend erfgoed belangrijk vindt en een taak voor de overheid, maar die stelt dat het het wel mogelijk moet zijn om er nieuwe functies aan te geven. KM staat achter het project. De bibliotheek blijft. De daken zijn op een goede manier vernieuwd. Er komen woningen, maar het domein wordt niet afgeschermd en krijgt een meer open karakter:
“De poort blijft open staan voor Bornem en de buurt.”
72
De abdij heeft volgens hem dan ook een enorm potentieel: een uitgestrekt groen domein dat paalt aan het centrum van Bornem, een woonwijk en een cluster van jeugdbewegingen. Dat is ook voor de groentekwekers een positief gegeven: “Op zich is het wel positief dat de mensen die hier wonen naar “den hof” komen. We doen een babbeltje, het leeft hier wat meer.” Dat bepaalde zaken een toekomst en een betekenis hebben voor de gemeenschap, Bornem en omstreken, biedt abt Leo enige troost. “Ja, het is een keuze geweest om met het gemeentebestuur te gaan praten, maar wat was er anders mogelijk, hé? Op een bepaald moment waren we hier met steeds minder. We konden eigenlijk niet anders dan de gemeenschap erbij betrekken. Omdat het de enige mogelijkheid was om het erfgoed te bewaren. Want wat zou er gebeurd zijn bij een verkoop aan een projectontwikkelaar?” Om de stap naar de overdracht van de abdij te zetten, waren er dus minimumgaranties inzake behoud nodig. Iedereen vindt het een goede zaak dat het gebouw ten minste gedeeltelijk publiek toegankelijk wordt, maar het privé-project, de woongedeelten, vindt JV (55, M, Bornem-Wintam) “minder”. AD (82, V, Bornem): “Het zijn geen “gewone mensen” die hier komen wonen”. Voor DDC (M, 43, Bornem) was een andere verdeling tussen publiek en privaat wenselijk geweest. Hij had ook liever een andere invulling gezien, waardoor meer authentieke elementen voor de jongere generaties bewaard hadden kunnen worden. Maar zo geven de meesten, onder wie JV aan: “de gemeente kon natuurlijk niet alle kosten dragen.” Een lokale erfgoedprofessional onderkent dat, alvast bij de restauratie en verbouwingswerken van het gebouw, spanningen optreden tussen de waardenrasters van de betrokkenen of hun opdrachtgevers. Volgens een andere geïnterviewde gelden er in het bovengedeelte waar de appartementen komen in ieder geval andere normen dan in het benedengedeelte met bibliotheek en publieksvoorzieningen. Hij werkt in het bovengedeelte, waar de woonheden komen en waar in de eerste plaats op het behoud van de structuren, zoals de draagbalken, wordt ingezet.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 32: werken in de pandgang van de abdij, Endeavour
73
Veldonderzoek IN DIALOOG I Betrokkenheid en participatie bij de herbestemming van onroerend erfgoed Verschillende geïnterviewden gaven aan dat noch de omwonenden, noch de bevolking van Bornem, over het herbestemmingsproject geraadpleegd werden. DDC (M, 43, Bornem) heeft geen bezwaar tegen een grotere participatie van de bevolking over kwesties van onroerend erfgoed, maar de organisatie moet voldoende transparant gebeuren. Ook vermoedt hij dat niet iedereen daarin even geïnteresseerd is. SD (32, M, Buggenhout) heeft niet de indruk dat hij waar hij woont bij het erfgoedbeleid betrokken wordt. Hij voelt weliswaar niet echt nood aan participatie, maar hij zou het niet afwijzen, mocht hij geraadpleegd worden.
Sommigen betreuren dat ze niet meer bij het project betrokken werden. Omdat JV (55, M, Bornem-Wintam) hier al gedurende twintig jaar allerlei werken uitvoert, kent hij alle verborgen gebreken van het gebouw. In dat opzicht was het misschien wel een beetje vreemd dat hij bij de werken helemaal niet geraadpleegd is. De groentekwekers maken een aantal opmerkingen in dezelfde lijn. Zij kweken alles biologisch en in permacultuur, maar de “bureauman” zegt dan bijvoorbeeld dat ze alle kool en prei bij elkaar moeten zetten, wat toch echt geen steek houdt. De “bureauman” doet ook lastig over het ‘hakselhout’ en de kippen. Op hen heeft hij tot dusver alvast geen beroep gedaan bij de aanleg van de ‘historisch verantwoorde’ kruidentuin.
Afbeelding 33: buitenmuur van de abdijtuin, Endeavour
74
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 34: volkstuintjes in het domein van de abdij, Endeavour
75
Beknopt overzicht van de case Sint Bernardusabdij TROEVEN — De gemeente- of bouwvakkers zien het specifieke werk als een interessante uitdaging en verrijkende ontmoeting met erfgoed, al is het arbeidsproces intensiever en meer tijdrovend. — Voorbijgangers en joggers uit Bornem hebben de site al ‘ontdekt’ Ze vinden het een erg mooi domein. De abdij heeft volgens hen een enorm potentieel: een uitgestrekt groen domein dat paalt aan het centrum van Bornem, een woonwijk en een cluster van jeugdbewegingen. — De abdij heeft een grote impact op de gemeente en haar bewoners. Velen hebben met de abdij kennis gemaakt in hun kindertijd of jeugd, al dan niet via een excursie met de lagere school. Op sommige jongeren maakte het bezoek, met name aan de bibliotheek, een grote indruk. — Vele geïnterviewden vinden dat het gebouw de lokale geschiedenis vertelt en dat het daardoor een belangrijke educatieve rol kan/zal vervullen voor de jeugd uit de streek. Sommige delen prikkelen nu reeds de nieuwsgierigheid van voorbijgangers of bezoekers van de tuin.
76
— Via een gepaste scenografie willen de lokale erfgoedprofessionals de lange geschiedenis van de abdij vertellen. — De ‘groentekwekers’ hebben al lang een hechte band met de abdijsite. Ze weten welke bomen beschermd zijn en waar de beste grond is. — Voor de ‘groentekwekers’ staat hun activiteit voor verbondenheid en onderlinge solidariteit. In de tuin praten ze veel met elkaar, houden ze elkaar gezelschap en ondersteunen ze elkaar in moeilijke momenten. Het verbindt hen. — De abdij neemt een prominente plaats op de mentale kaart van de geïnterviewden uit Bornem. Daarom is het voor hen een evidentie dat het gebouw bewaard bleef: het vertelt de lokale geschiedenis voor de volgende generaties. — Alle geïnterviewden zijn het eens dat het een goede zaak was het gebouw te bewaren, het te herbestemmen en publiek toegankelijk te maken, al betreurt de abt wel het verdwijnen van de religieuze functie van de site.
KNELPUNTEN/CONFLICTEN — Twee dimensies, religie en gemeenschapsleven die op deze plek eeuwenlang erg belangrijk waren, verdwijnen ondanks het herbestemmingsproject. Afscheid nemen van deze voor hem essentiële dimensies valt de abt zwaar. Dat bepaalde zaken een toekomst en een betekenis hebben voor de gemeenschap, Bornem en omstreken, biedt de abt wel enige troost. — Tegenover het private deel van het herbestemmingsproject uiten sommige geïnterviewden reserves.
— Hoewel ze allemaal zorgvuldig en respectvol te werk proberen te gaan, lijken de verschillende opdrachtgevers en de betrokken gemeente- of bouwarbeiders met betrekking tot de erfgoedsite verschillende waardenrasters te hanteren. Dat geldt ook voor de ‘groentekwekers’ en de “bureauman”, een lokale erfgoedprofessional. Hun leefwereld, conventies en oriëntatie verschillen.
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
well-being
figuur 10, spindiagram met aanduiding van waarden , door UHasselt en Endeavour
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met het gebouw samenhangen, de zwarte de waarden die met de de tuin en omliggende domein samenhangen.
gebouw omgeving
77
Veldonderzoek IN DIALOOG I CASE
De Bottelarij, Ulbeek, Wellen Afbeelding 35: buitenaanzicht van De Bottelarij
Afbeelding 36: binnenplein van De Bottelarij
Afbeelding 37: rondrit van de pattondrivers
Afbeelding 38: Luchtfoto omgeving, Google Earth
78
“Als er over Ulbeek gesproken wordt dan denken mensen direct aan het pleintje met de kerk en de Bottelarij.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen DE BOTTELARIJ
HERBESTEMMING
Deze voormalige dorpsbrouwerij is een beschermd monument en beschermd stads- of dorpsgezicht. Het werd gerenoveerd door AKSI, Arbeidskansen voor Sociale Integratie (sociale economie) en maakt deel uit van een recreatiegebied. Deze case maakt dat we de functie ‘werken’ in ons onderzoek kunnen integreren. We bevragen respondenten ook over de bredere omgeving waarin bijvoorbeeld de Grafkerk gelegen is. In contrast met de andere cases is het geografisch gelegen in een erg klein dorp, wat bijdraagt tot een grotere diversiteit onder de cases.
LOCATIE
EIGENDOM
Ulbeekstraat, 3832 Ulbeek (Wellen)
AKSI (Arbeidskansen voor Sociale Integratie)
CONTEXT
VOORGESCHIEDENIS
Landelijk, gelegen tegenover de oude kerk De dorpsbrouwerij Sint-Rochusbrouwerij Hayen-Bomal bestaat uit een neoclassicistisch getint woonhuis, een mouterij, brouwzaal en stallingen in een typische, uit de late 19de eeuw. AKSI (Arbeidskansen voor Sociale Integratie, renoveerde het Bottelarijgebouw. Het woonhuis en andere delen van de voormalige brouwerijgebouwen zijn geen eigendom van AKSI en zijn niet publiek toegankelijk.
— Op de locatie was de kleine dorpsbrouwerij Sint-Rochtus gevestigd, die in 1890 door Arthur Hayen tot een indrukwekkende en, voor zijn tijd, ultramoderne brouwerij wordt omgebouwd. In de hoogdagen bestaat het complex uit een woonhuis met bijgebouwen, stallingen, brouwzaal, etc. — Het uitblijven van investeringen en de economische crisis dwingen de eigenaar in 1936 tot het stopzetten van de brouwersactiviteiten. — Na WOII onderneemt men een heropstart, die echter mislukt. Ook een herbestemming tot drooginstallatie raakt niet van de grond. In korte tijd wisselt het complex verschillende malen van eigenaar: een fruitteler installeert koelcellen; één van de schuren van de boerderij wordt tot dancing omgebouwd.
STATUS Sinds 20-11-2001 beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Sint-Rochusbrouwerij Hayen-Bomal Sinds 20-11-2001 beschermd monument Sint-Rochusbrouwerij Hayen-Bomal Sinds 01-02-2018 vastgesteld bouwkundig erfgoed Sint-Rochusbrouwerij Hayen-Bomal
AKSI en de Bottelarij zetten in op de ontwikkeling en implementatie van een aanbod van slow toerisme en slow food. Extra aandacht gaat hierbij naar de creatie van duurzame tewerkstelling, naar co-creatie en samenwerking met de lokale gemeenschap, naar het gebruik van lokale producten. De Bottelarij stelt betekenisvol erfgoed ook open voor publiek en versterkt de sociale cohesie als ontmoetingsplek voor de lokale gemeenschap. De opstart past verder in een project om een hefboom te creëren voor de kwalitatieve ontwikkeling van slow toerisme in Limburg en de Euregio, waarbij in Ulbeek wordt ingezet op de “Bokkenrijders”. Cultuurcafé de Bottelarij vormt het decor voor concertdiners, cinemadiners, kinderfilmnamiddagen, lezingen, workshops, boekvoorstellingen en veel meer. De Bottelarij verkoopt steekproducten. Daarnaast organiseert de Bottelarij zaalverhuur voor teambuilding en bedrijfevents, catering en co-working. (e-)Fietsen, duofietsen en bakfietsen worden verhuurd i.s.m. het nabijgelegen Ulbike. STAKEHOLDERS AKSI vzw is de koepelorganisatie van een cluster van bvba’s, cvba’s en vzw’s, waaronder AKSI Consulting BVBA, Aksi Bouw (isoleren en schilderen), AKSI Thuis CVBA (een schoonmaakbedrijf) en de Bottelarij VZW. In totaal zijn er meer dan 140 medewerkers actief. AKSI is eigenaar van de gebouwen en vormt de overkoepelende structuur van vzw de Bottelarij. Het project van AKSI en de Bottelarij “Genieten van Slow Toerisme en Slow Food in Haspengouw” ontving steun van: het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, de Provincie Limburg (Via Platteland Plus), Vlaamse Landbouw Maatschappij (VLM). (De totale kostprijs voor het project bedroeg: 324.563 euro, de PDPO-steun: 210.966 euro, waarvan 105.483 euro provinciale cofinanciering.) WEBSITE / INFO https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ erfgoedobjecten/32603 https://www.debottelarij.be/
79
Veldonderzoek IN DIALOOG I SITUATIESCHETS Het weer is zacht en het is het eerste weekend dat de horeca de deuren weer mag openen na enkele harde maanden van lockdown in context van Covid-19. Het management van de Bottelarij had ons gevraagd niet op het terras te interviewen wegens de stress rond de heropening van de zaak. We deden de interviews op de dag dat de terrassen weer open mochten én het was het laatste bloesemweekend, wat veel bezoekers aantrok. Dit leverde een goede mix aan geïnterviewden met verschillende profielen op. De toeristen die we spreken komen voornamelijk uit de regio zelf (Hasselt, Beringen, Heusden, Maasmechelen) maar er is ook een koppel uit Brugge. De meeste bezoekers volgen een fiets- of wandelparcours dat het plein van Ulbeek aandoet. De Bottelarij vormt in combinatie met het plein en de kerk voor de toerist een welkome rustplek op de route. Een algemene indruk vanuit de bewoners die we spreken is dat de bottelarij een plek is waar mensen graag komen en welkom zijn. De setting in combinatie met het verhaal van de organisatie. (AKSI, Arbeidskansen voor Sociale Integratie, renoveerde het Bottelarijgebouw.) roept bij de meerderheid van de bevraagden sympathie op. De meesten vinden de bottelarij met de programmatie rond jeugd, artistieke activiteiten een meerwaarde voor de gemeenschap. Tijdens de interviews werden er vaak door de geïnterviewden associaties gemaakt met de thuisstad of plek-
ken op vakantie waar ze gelijkaardige emoties bij hebben ervaren. De waarden die we hieronder benoemen zijn zodoende niet allemaal van toepassing op de case zelf.
SOCIALE WAARDERING Gebruik Het gebouw van de Bottelarij laat een breed gebruik toe (eetcafe, ontmoetingsruimte, programmatie rond cultuur, tewerkstelling, …). Het richt zich zowel op de lokale gemeenschap als op toeristen. De lokale scouts geven aan dat ze er tijdens de examens studeren, omdat er studieplekken worden opengesteld. Lokale bewoners mijden de plek tijdens drukke toeristische periodes. Zowel toeristen als lokale bewoners halen aan dat ze de laagdrempeligheid van het gebouw appreciëren. ”De no nonsense stijl spreekt me aan”, zegt een man die op wandel is met zijn familie. De Bottelarij is voor velen een plaats waar men zich op zijn gemak kan voelen. JD (55, M, Brugge) geeft aan: “Als erfgoed te luxueus wordt, dan is dit voor mij een afknapper.” Tijdens de bloesems zijn er veel fietsers en dan staat de Bottelarij gekend als fietscafé: “Echt heel het plein staat vol met fietsen dan”. Sinds het plein pas gerenoveerd is met nieuwe banken wordt het vanuit de velden gezien als startpunt: “Als ze over Ulbeek spreken dan denken mensen aan het pleintje en de Bottelarij.”.
Afbeelding 39: Vooraanzicht van de Bottelarij, Endeavour
80
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Well-being Veel mensen geven aan dat ze graag de bloesems met vrienden en familie komen bezoeken, omdat dit hen tot rust brengt, zeker tijdens de pandemie. JD (55, M, Brugge) en KVDV (51, V, Brugge), een koppel, zijn op bezoek in de streek als toeristen. Ze zijn er om moederdag te vieren: “Als we tot rust willen komen, zullen we eerder de natuur opzoeken.” Het kan soms ook verkeerd lopen zoals in Durbuy volgens RS (59, V, Hasselt). Ze noemt Durbuy als voorbeeld van een plek met erfgoedwaarde waar ze vroeger heenging om te ontspannen. “Als ik naar de Ardennen ga is Durbuy een oriëntatiepunt. Maar nu met Coucke … gelukkig blijft hij nog in de grijze steen, maar dat hotel dat hij nu gezet heeft … Hij maakt er een elitaire stad van. Je ziet duidelijk zijn stempel en inspraak. Mensen die er wonen en het dorp gemaakt hebben, betekenen dan niets meer.”
Sense of place De mensen die nog niet bekend zijn met de Bottelarij merken het gebouw onmiddellijk op. De setting met de historische vierkantshoeve, de kerk, het plein en de bottelarij wordt positief gewaardeerd, waarbij de kerk vaak wordt aangehaald: “Je kan er de verschillende lagen van de geschiedenis voelen.”Dat geldt ook voor de Bottelarij. “Het mag dan wel de enige plek zijn in Ulbeek waar je iets kan drinken, het feit dat dit kan in een historisch gebouw, is zeker een meerwaarde. Het geeft het restaurant een unieke uitstraling”, zegt C (41, V, Ulbeek). Erfgoed bezoeken hangt voor de meeste bevraagden samen met een “unieke ervaring” .
RS (59, V, Hasselt) verwijst naar haar job in het buitengewoon onderwijs: “Concrete plaatsen bezoeken, maakt de geschiedenis veel duidelijker. Dit is erg belangrijk in het leerproces.” C (28, V, Hasselt) en C (41, V, Ulbeek), twee zussen die iets zijn komen eten in de Bottelarij, vinden educatie beiden belangrijk. Al wordt C (28, V, Hasselt) niet warm van erfgoed, toch vindt ze het belangrijk dat mensen leren wat ons hier heeft gebracht en ons heeft gevormd. Het gaat ook kort over hun eigen kindertijd. C (41 jaar, V, Ulbeek) is wat ouder en was als kind lang alleen. Ze heeft wel herinneringen aan bezoeken aan oude kastelen en plekken. “Misschien dat dit aan de oorzaak ligt van mijn interesse. C. heeft dat allemaal niet mogen ervaren.”
Prikkelend, opwekken van nieuwsgierigheid Het verhaal achter gebouwen trekt aan en maakt nieuwsgierig. Wat was de functie, wat hebben ze er nu mee gedaan? Bij toeriste V (54, V, Mariakerke) wekken plaatsen met erfgoedwaarde associaties, vragen en herinneringen op. Ze helpen haar het verleden te verbeelden en zich in te leven. Dit prikkelende wordt als positief ervaren, het zet de verbeelding in gang. Nieuwe technieken en tools zoals bepaalde software kunnen het verleden meer tastbaar maken en bepaalde info beter overbrengen. Het verhaal van de plek correct overbrengen wordt dan ook belangrijk. In het geval van de Bottelarij vinden ze dit erg geslaagd. De twee vriendinnen op uitstap RS en GD (59, V, Hasselt, Bolderberg) geven aan dat ze de kerk aan het plein erg inspirerend vinden. Van de kerk is een begraafplaats gemaakt, wat ze bijzonder vinden. “Je kan er de verschillende lagen van de geschiedenis voelen.”
Educatie Verbondenheid, identiteit en trots
“Door het bezoeken van oude gebouwen en plaatsen leren we bij over onze wortels, wat ons als mensen hier heeft gebracht”, meent KVDV (51, V, Brugge). Bijleren gaat dan over zowel het verhaal achter plaatsen als over technieken, ambachten en processen. Bezoekers vinden het leerrijk om bij het binnenkomen in de Bottelarij de honderden flessen te zien. Deze opstelling en die in de schuur vertellen het verhaal van de oorspronkelijke functie.
De educatieve waarde wordt vaak direct in verband gebracht met verbondenheid, trots en identiteit. Kennis opdoen over de geschiedenis van een plek of een gebouw versterkt het gevoel van verbondenheid met een gemeenschap en geeft een gevoel van ‘behoren tot’. Het verhaal achter de Bottelarij spreekt de meeste bevraagden aan. Zo zeggen mannen die deelnemen aan een vrijgezellenfeest op het dorpsplein: “Arm en rijk samen: het is een plek waar iedereen kan komen. Ze zetten ook in op verschillende culturen. De kokkin is een Irakese. Ze brengen cultuur in het dorp.”
81
Veldonderzoek IN DIALOOG I De combinatie van de Bottelarij, de kerk, de Pattondrivers, bloesems en Bokkenrijders zet Ulbeek op de kaart. De Pattondrivers VZW is een community van mensen die “de geest van de bevrijder levend willen houden”. Ze doen dit door militaire voertuigen te verzamelen en deel te nemen aan parades. Tijdens de interviews kwamen er verschillende voertuigen voorbij, wat blijkbaar een dagelijks fenomeen is.
Afbeelding 40: pattondrivers, Pattondrivers vzw
C (41, V, Ulbeek) vindt het correct dat erfgoed mensen verbindt met elkaar. Ook immaterieel erfgoed zoals de bokkenrijders versterkt het samenhorigheidsgevoel in de streek. Ze haalt de geschiedenis van de bokkenrijders aan: “De Bokkenrijders, dat is misschien geen positief verhaal, maar mensen van hier zijn er wel fier op. Ook al waren het rovers, het zijn onze Bokkenrijders.” VDV (51, V, Brugge):
“We komen allemaal voort uit ons verleden, het is dankzij de realisaties van mensen uit het verleden dat we staan waar we staan. Ik vind dat je daarmee met respect moet omgaan. Door de geschiedenis te lezen komt die verbondenheid er meer!” Het koppel uit Brugge voelt zich voornamelijk trots over Brugge, omdat ze daar hun wortels hebben, maar weet ook andere plekken te smaken. “Wel erg leuk dat ons land zo divers is. Dit leren we nu tijdens covid meer waarderen”, verwoordt VDV (51, V, Brugge) het. In hun thuisstad verhuurt het koppel een studio via AirB&B. Dit brengt hen dichter bij de wereld en motiveert ook om zelf meer met de geschiedenis van de stad bezig te zijn.
82
De renovatie en de transformatie van de omgeving De renovatie van het gebouw vinden de meesten erg geslaagd. De elementen die het verleden tast- en zichtbaar maken, werden behouden. RS (59, V, Bolderberg ) geeft aan dat ze niets heeft tegen vernieuwing, maar “de brouwerij moet de brouwerij wel blijven. Het moet met respect gebeuren.” Ook de renovatie van de kerk en het bijbehorende plein vallen in de smaak. De uitbater maakt de vergelijking tussen nu en vroeger: “Vroeger was dit hier een grote parking, chaos, maar nu hebben ze het beter aangepakt.” Een koppel toeristen uit Mariakerke geeft aan dat oude en hedendaagse elementen kunnen samengaan op voorwaarde dat de combinatie deskundig wordt aangepakt. De vrouw is dankbaar dat ze gebouwen als de Bottelarij restaureren en dat je deze kunt bezoeken. Wanneer ze vrij toegankelijk zijn, acht ze de drempel lager. De man beaamt dit. De twee vriendinnen, RS en GD (59, V, Hasselt, Bolderberg), die op dagtocht zijn, geven aan het belangrijk te vinden dat gebouwen zoals De Bottelarij een tweede leven vinden, omdat zo gewoonten en verhalen levend worden gehouden. De man die op wandel is met zijn familie (56, M, Maasmechelen) vindt het belangrijk dat oude gebouwen bewaard blijven, maar oud en nieuw moeten ook samengaan: “Het is goed om een gezonde mix te hebben en variatie. Anders wordt het te veel van hetzelfde.”
Programmering, publieke toegankelijkheid en uitstraling De Bottelarij geldt als een geslaagd organisatiemodel, een plek, die “open en toegankelijk blijft”. Er wordt daarbij verwezen naar Durbuy, waar door de interventies van Marc Coucke de balans is omgeslagen. De programmatie van de plek wordt zowel door toeristen als lokale bewoners positief bevonden, vanwege het aanbod voor kinderen, volwassenen en de artistieke scene. De meeste mensen van het dorp kennen wel iemand die stage heeft gedaan, die groenten levert of heeft geholpen tijdens de werken. Er is daardoor een korte afstand tussen de organisatie en de gebruikers, wat het gemeenschapsgevoel ten goede komt. Ook het organisatiemodel met de sociale tewerkstelling,
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 41: binnenplein de Bottelarij, blog Solivagant Tina Sauwens
het gebruik van lokale producten in de keuken en de verkoop ervan, wordt vaak als een troef aangehaald. Wel kan er op het vlak van communicatie beter, zoals de uitbater van een lokale B&B aangeeft: “De informatie over erfgoed gaat een beetje aan je voorbij als je als fietser Ulbeek aandoet. Dan flits je voorbij het plein”.
Betrokkenheid op onroerend erfgoed Verloedering van erfgoed is vele geïnterviewden een doorn in het oog. Dorpbewoonster: “Het is jammer dat men gebouwen vaak zo lang laat verkommeren voor men ingrijpt”, zegt een oude dorpsbewoondster (76, V, Ulbeek). Toeristen maken vaak vergelijkingen met in het oog springende erfgoedgebouwen in eigen dorp of stad. Verloedering heeft een negatieve impact op het gemoed. RS (59, V, Hasselt,) verwijst naar een gebouw in Stevoort: “Elke keer als ik daar voorbij wandel, doet mijn hart zeer. Verloedering vind ik zo zonde.”
Ook Herkenrode wordt aangehaald. Als we doorvragen over hoe de situatie verbeteren kan en wie verantwoordelijkheid draagt, antwoorden de bezoekers uit Hasselt: “Het is de rol van de gemeente om overzicht te bewaren.” Ze zijn het eens over het belang van onderhoud en delen de ergernis over verloedering en de daaruit resulterende meerkosten: “Het belang van erfgoed wordt soms pas gezien als het te laat is”. Rentabiliteit is geen onbelangrijke dimensie. De combinatie van erfgoed en horeca opperen ze als een mogelijkheid: ”eten en drinken trekt mensen aan, maar dan mogen de regels niet zo strikt zijn dat er niets meer mogelijk is. In een geklasseerd gebouw moogt ge vaak niets.” Wanneer dit wel het geval is missen particulieren die erfgoed in handen hebben of de financiële draagkracht, of ontbreekt hen de mogelijkheid om het erfgoed rendabel te kunnen exploiteren. Dan verschuift het erfgoed in kwestie met de bijhorende factuur richting overheid. In vele gevallen is de staat van het erfgoed dan al problematisch.
83
Beknopt overzicht van de case De Bottelarij TROEVEN — De Bottelarij is de enige plek in het dorp waar men iets kan eten en drinken. De erfgoedsetting is zeker een meerwaarde en onderscheidt het van andere cafés in de regio. De plek voelt erg toegankelijk en laagdrempelig aan, ze werkt voor het dorpsleven als een ontmoetingsplek. — De programmatie is erg breed en genereus. Ze richt zich zowel tijdens piekmomenten (bijvoorbeeld tijdens de bloesemperiode) op toeristen als op de lokale bewoners met een kinderprogramma en culturele activiteiten. De Bottelarij brengt cultuur in het dorp, door programmatie maar ook door het culinair aanbod.
84
— De Bottelarij zet in op de korte keten en lokale samenwerkingen (bijvoorbeeld tomatenplantjes). — De Bottelarij is sociaal geëngageerd, het meest directe voorbeeld is de sociale tewerkstelling via AKSI, wat door bewoners en bezoekers positief gewaardeerd wordt. — De manier van renoveren en behoud van de inrichting van de Bottelarij verwijst naar het verleden en toont het verhaal. — De samenhang van de Bottelarij, de kerk, het plein en de bloesemroute en de Pattondrivers draagt bij tot de eigenheid en identiteit van het dorp.
KNELPUNTEN/CONFLICTEN Specifiek: — Sommige lokale bewoners mijden de plek tijdens toeristische piekperiodes. Dan staat heel het plein vol fietsen, wat wordt ervaren als overlast.
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
well-being
figuur 11, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
gebouw omgeving
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met het gebouw samenhangen, de zwarte de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen.
85
Reflecties dialoog I In de vier cases heeft het onroerend erfgoed de functie na het renovatie/restauratieproject behouden of heeft het door herbestemming nieuwe functies en gebruikswaarde gekregen. Daardoor wordt in de vier cases het erfgoed niet in de eerste plaats om zijn status als onroerend erfgoed bezocht, maar omdat de site, de plek of het gebouw het kader biedt voor alledaagse praktijken en daardoor deel uitmaakt van de leefwereld van de geïnterviewden. Dat bleek ook uit de observaties en de interviews die tijdens het veldonderzoek plaatsvonden. HYBRIDE ASPECTEN VAN ‘ERFGOED WAARDEREN’ EN ERFGOEDWAARDEN In de eerste fase van de gesprekken ging het bij de geïnterviewden voornamelijk over appreciaties die sensorisch van aard zijn, de “look en feel” zoals EC (66, M, Destelbergen) het noemde. Die werden in de loop van het gesprek eventueel geconnecteerd met persoonlijke herinneringen en betekenissen, met ‘sentimenten’ als nostalgie, ‘sense of place’ en ‘sense of belonging’, met een notie als ‘historisch besef’ of een functie/‘waarde’ als ‘ontmoetingsplaats’. Op dit punt dreigde het gesprek vaak stil te vallen. Pas na het voorleggen van een waardenwaaier, werden dan door de geinterviewden geïnstitutionaliseerde (sociale) erfgoedwaarden naar voren geschoven en al dan niet besproken. Van betekenis is dat we uitzonderingen op dit patroon zagen bij ‘geïnformeerde leken’, bijvoorbeeld architecten, historici of mensen met een architecturale of geschiedkundige interesse. In het Predikheren werden bij toeval een architect en bouwconsulent geïnterviewd. Gevraagd naar hun ervaring volgde een veeleer geobjectiveerde, haast professionele appreciatie. De in geschiedenis geïnteresseerde PM (69, M, Gent) koppelde persoonlijke biografische elementen aan de historische betekenis van de Portus Ganda en verschillende gebouwen in de omgeving. Hoewel hier het appreciëren van het onroerend erfgoed ‘duidelijker’ gearticuleerd werd, bleek opnieuw de complexiteit van het ‘erfgoed waarderen’ en de verwevenheid tussen de diverse ‘bouwstenen’. Persoonlijke en collectieve (processen van) betekenisgeving raakten daarbij onlosmakelijk verbonden en de vorming van persoonlijke en groepsidentiteiten haakten in elkaar. Bovendien was ook de sensorische dimensie prominent aanwezig.
86
‘Erfgoed waarderen’ als praktijk bleek fluïde, hybride en procesmatig te zijn. ‘Erfgoed waarderen’ laat zich moeilijk opsluiten in strak gedefinieerde (erfgoed)waarden. Wat bij een analyse wellicht meer steek houdt, is een denken in clusters als bijvoorbeeld historische sensatie – ‘sense of place’ – ‘sense of belonging’ – (intergenerationele) verbondenheid. De intergenerationele dimensie bleek voor vele geïnterviewden belangrijk te zijn, maar het belang leek toe te nemen naarmate iemand ouder wordt. Deze dimensie laat zich verbinden met de educatieve waarde van onroerend erfgoed, die door de geïnterviewden relatief vaak werd aangehaald, ook zonder voorlegging van een waardenwaaier. Onroerend erfgoed prikkelt de nieuwsgierigheid naar de verhalen erachter. Onroerend erfgoed en de verhalen die ermee verbonden zijn, helpen dan weer om bijvoorbeeld kinderen in contact te brengen met het verleden. Een verhoogd historisch besef en een ‘sense of belonging’ kunnen de basis vormen voor een zeker gevoel van trots. De ‘sense of belonging’ en het gevoel van trots lijken in meerdere gevallen samen te gaan met een collectieve identiteit. Het gaat daarbij om een set aan waarden (bijvoorbeeld diversiteit – weerbaarheid – openheid/tolerantie) waarin men zich herkent of waarmee men zich associeert. Een nauwkeuriger en vollediger karteren van de verschillende clusters en hun vectoren vereist natuurlijk een breder onderzoeksopzet dan voor de huidige studie mogelijk was. Een impliciete ontsluiting van erfgoed: factoren bij het connecteren van dagelijkse praktijken met erfgoedwaarden. Bij impliciete ontsluiting versterkt de omkadering een positieve appreciatie van het onroerend erfgoed. Gebruikers en voorbijgangers ervaren dan vaak een zekere well-being. De Bottelarij in Ulbeek bijvoorbeeld vormt voor wandelaars en fietsers een welkome rustplek op hun route. Tegelijk kunnen ze van het omringende onroerend erfgoed genieten. Dat nodigt uit om na de verpozing eventueel een aantal zaken nog wat aandachtiger te bekijken. In de Bottelarij vindt de bezoeker bovendien een programmatie rond jeugd en artistieke activiteiten. Ook bij het Predikheren en het zwembad Van Eyck is er sprake van een verrijkende interactie tussen de site of het gebouw en de gebruiker. In Bornem is dat het beoogde doel. Men hoeft geen architect of ruimtelijke deskundige te zijn om de doorwerking van onroerend goed te ervaren. Ook ‘leken’ appreciëren bepaalde architecturale en ruimtelijke kwaliteiten eigen aan een gebouw of een site, zoals duidelijk blijkt uit de cases van het Predikheren, het zwembad Van Eyck en de Portus Ganda. Ook zij genieten bijvoorbeeld van het statige karakter, de plafonds, de fijne materiële afwerking en de genereuze ruimtewerking van het zwembadinterieur in art déco. Evenmin moet men geschiedkundig geschoold zijn om iets van een historische sensatie te ervaren. Weliswaar helpt het wanneer men te maken heeft met een restauratie- en/ of ombouwproject dat algemeen als geslaagd wordt beschouwd, zoals het geval is bij het Predikheren in Mechelen.
87
Dat er van de verschillende functies die het gebouw in de loop van verschillende eeuwen vervuld heeft sporen zijn overgebleven, wordt door meerdere geïnterviewden als een meerwaarde bestempeld. Het vergroot ook hun betrokkenheid bij het gebouw. Deskundige architecturale en ruimtelijke ingrepen kunnen immers resoneren in een doorwerking die de ervaring van gebouw of plek sterk kleurt. Dat blijkt uit de case van de Portus Ganda. Door de heraanleg werd het historische karakter van de Portus Ganda in de verf gezet, waardoor de plek ander onroerend erfgoed in de omgeving met elkaar begon te verbinden: de restanten van de Sint-Baafsabdij, de oude portierswoning, de Spanjaardenwijk en het zwembad Van Eyck. Vele geïnterviewden onderkenden de positieve impact van onroerend erfgoed op de omgeving en de buurt, waarbinnen dat onroerend erfgoed vaak een oriëntatiepunt en landmark vormt of als ontmoetingsplek fungeert. Zo trekt de waterpartij op de site bij het Predikheren bij mooi weer heel wat mensen aan uit de omgeving en daarbuiten. Het verwonderde een geïnterviewde dan ook niet dat er in de zomer concertjes worden georganiseerd. Herbestemmingen als deze bezorgen Mechelen volgens haar een aantrekkelijker imago. Het blijkt duidelijk een troef dat binnen het complex meerdere (culturele) activiteiten onderdak hebben gevonden: naast de bibliotheek vindt men er een café en restaurant en er vinden workshops en cursussen, filmvoorstellingen en concerten plaats, wat de uitstraling en bekendheid van het Predikheren ten goede komt. De bibliotheek zet, bovendien in op community-werking, waardoor de band tussen de Mechelaar en de site wordt aangehaald. Ook wanneer geïnterviewden niet hebben deelgenomen aan de ‘boekenstoet’, een actie naar aanleiding van de verhuis van de bibliotheek naar de Predikherensite, hebben ze er wel van gehoord. Hetzelfde geldt voor het openingsfeest dat ook veel bijklank vond en dat de bibliotheekgebruikers en de buurtbewoners de mogelijkheid bood om met elkaar en het vernieuwde complex kennis te maken. In het geval van de Portus Ganda heeft de buurtwerking Macharius-Heirnis een belangrijke rol op zich genomen. Niet alleen organiseert deze events, zoals optredens, in het besef dat gemeenschappen steunen op gedeelde geschiedenis en verhalen, ze zet ook in op mondelinge geschiedenis. Mede op die manier probeert ze in haar werking materieel en immaterieel erfgoed uit de buurt met elkaar te verbinden. In Ulbeek wordt dat gedaan door de Bottelarij en de lokale werking rond AKSI die op veel sympathie kunnen rekenen en waar de bezoeker in contact wordt gebracht met de technieken en procedés van het brouwen en bottelen. Ook de ‘Pattondrivers’ die militaire voertuigen verzamelen en restaureren, voorzien daar in een community-werking.
88
PARTICIPATIE EN DE SPANNINGSVELDEN TUSSEN RASTERS VAN ERFGOEDWAARDEN De case van de Sint-Bernardusabdij in Bornem maakt duidelijk dat de omgang met onroerend erfgoed en de bril waardoor naar onroerend erfgoed wordt gekeken erg kunnen verschillen. Voor abt L. (82, M, Bornem) stoelden de authenticiteit en de identiteit van de abdij op religie en het gemeenschapsleven, de essenties van het abdijleven. Met het verdwijnen van deze twee dimensies die eeuwenlang erg belangrijk waren, hield een ‘leefwereld’ op te bestaan: de ingesleten dagelijkse routines , ritmes en rituelen waardoor het gebouw ervaren en toegeëigend werd, verdwenen met de paters: “Voor mij is het hier geen abdij meer. Het gebouw is gestopt een abdij te zijn. Er is geen kloosterleven meer. De abdij betekende voor mij religie en gemeenschapsleven. Net die aspecten konden niet overgedragen worden.” Een ‘leefwereld’ die wel overgedragen werd en, alvast voorlopig, gecontinueerd wordt, is die van de groentekwekers. Die hebben de laatste halve eeuw, in navolging van de paters, hun moestuin binnen de muren van het domein: “Eigenlijk zijn wij zoals de paters, zonder dat we hier moeten wonen”. Ook hier worden verhalen gemaakt en doorgegeven. Zal hun ‘levende’ sociaalruimtelijke praktijk tot het erfgoed van morgen gerekend worden? Voor de erfgoedprofessional die de groentekwekers de “bureauman” hebben gedoopt, lijkt dat geen uitgemaakte zaak te zijn. De, door de lens van de “bureauman” bekeken wellicht wat rommelige, ‘onzuivere’, praktijk van de groentekwekers en de op het domein geplande ‘historisch verantwoorde’ kruidentuin lijken op ramkoers te liggen. In ieder geval blijken de “bureauman” en de groentekwekers met andere ogen naar het domein te kijken. Hun middelen, leefwereld, conventies en oriëntatie verschillen. Het verschil in waarderingsrasters geldt in mindere mate ook voor andere geïnterviewden en stakeholders die op de site in Bornem betrokken zijn. Hoewel ze allemaal zorgvuldig en respectvol te werk proberen te gaan, lijken de verschillende opdrachtgevers en de betrokken gemeente- of bouwarbeiders de erfgoedsite niettemin enigszins verschillend te waarderen. In het geval van de bouwpromotor vormen luxueuze appartementen in een historisch kader het beoogde resultaat, in het geval van de gemeente Bornem en de erfgoeddienst wordt gestreefd om onroerend erfgoed een herbestemming te geven die dienstbaar is aan wetenschappelijk onderzoek en de (dorps)gemeenschap. Ook publieke toegankelijkheid staat voorop voor de plek waar verhalen over Bornem en de abdij zullen worden doorgegeven, niet in het minst door het abdijgebouw en -domein en hun gelaagde geschiedenis erbij te betrekken. Zo wordt ook een wisselwerking met de buurt en de wijdere omgeving nagestreefd.
89
De waarde die men hecht aan de toegankelijkheid van onroerend erfgoed wordt door het merendeel van de geïnterviewden in alle vier de cases beklemtoond, wat blijk geeft van publieke betrokkenheid op onroerend erfgoed. In het geval van het Predikheren bijvoorbeeld toonde meer dan één geïnterviewde zich werkelijk verheugd dat het geen exclusieve bedoening, geen “duur vastgoedproject” geworden was. Dat het enige aspect dat bij het herbestemmingsproject in Bornem moeilijker bleek te liggen, het private gedeelte was, is ook waarschijnlijk geen toeval. Sommige geïnterviewden in Bornem hadden de invulling liever anders gezien, al gaven zij aan dat er, gezien de financiële draagkracht van de gemeente Bornem, wellicht geen andere keuze was dan met een privé-partner in zee te gaan. Opmerkelijk is inderdaad dat de meeste ‘leken’ en ‘geïnformeerde leken’ blijk gaven van een opvallend genuanceerde kijk op het beheer van onroerend erfgoed. Zowel ‘leken’ als ‘geïnformeerde leken’ zien het belang van het behoud van de functie of van een herbestemming in: niet alleen om onroerend erfgoed voor de komende generaties te kunnen bewaren, maar ook omdat het een gebouw of plek connecteert met de bewoners in de omgeving. Er is bij velen begrip voor en bij sommigen zelfs vraag naar een pragmatische benadering van erfgoed waarbij verschillende dimensies tegen elkaar worden afgewogen. Dat bleek wanneer het ging over de herbestemmingsproblematiek van de Sint-Annakerk in de Machariuswijk. Bijdragen aan het erfgoedverhaal, bijvoorbeeld door het rondleiden van vrienden en kennissen in de eigen wijk of stad geven een gevoel van voldoening en soms trots. De betrokkenheid bleek ook uit de bekommernis over de materiële staat van onroerend erfgoed. Verloedering en nalatigheid bij het beheer worden negatief beoordeeld als een verkwisting van wat uiteindelijk collectieve middelen zijn. Wel blijven vele ‘leken’ onroerend erfgoed in de eerste plaats vereenzelvigen met een aantal iconische gebouwen. Gebouwen die vandaag met afbraak bedreigd worden, hebben in de hoofden van heel wat geïnterviewden deze status niet, wat ze extra kwetsbaar maakt.
Afbeeldingen zie cases
90
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
In dialoog II AANLOOP EN AANPAK Deze sectie bespreekt de cases die oorspronkelijk voorzien waren als ‘wandelcases’. Het zijn cases die over een gebied gaan — daarom niet heel groot — en niet zozeer over één duidelijk afgebakend artefact. De twee gebieden die aan bod komen zijn (1) het Hendrikaplein en de Albert I-laan in Nieuwpoort-Bad (plus de directe omgeving van het plein en de laan), in relatie tot Le Grand Hôtel; en (2) de Sinte-Gittersite in Landen. Oorspronkelijk was de idee om een wandeling of ‘tour’ te organiseren langs verschillende artefacten of sites, met een groep van mensen die niet samenhoren omwille van een gedeelde passie voor erfgoed. Het dialoogaspect stond voorop net als de idee dat het wandelen een vertragend effect heeft, met mogelijk een open of receptieve houding ten opzichte van de omgeving als gevolg. De verwachting bij het onderzoeksteam was dat het wandelen in staat zou kunnen zijn om het objectkarakter dat vaak nog vasthangt aan onroerend erfgoed, actief in vraag te stellen. Wandelen voegt een ‘lichamelijkheid’ toe aan het ontdekken van een site of een ‘parelketting van sites’ (zie Burckhardt 2021). Wandelen in groep zorgt ook voor ontmoeting en interactie, tussen mensen onderling en met de omgeving, althans dat was de prognose. Met betrekking tot complexe fenomenen zoals de sociale waarde van erfgoed biedt het wandelen, dat zich als fenomeen niet tot één discipline laat beperken, mogelijk nieuwe perspectieven, wellicht ook wat betreft onderzoeksmethodiek. Door de coronamaatregelen die van kracht waren op het moment dat het veldwerk gepland was, zochten de onderzoekers naar een andere aanpak, zonder
het groepsaspect. Het wandelen bleef bewaard, maar de wandeling zou nu autonoom moeten gebeuren — zonder gids dus. Daarvoor werd er geëxperimenteerd met een digitale applicatie, ontwikkeld op vraag van en samen met de UHasselt, voor diverse projecten waarin de groep Capacity Building (als deel van de onderzoeksgroep ArcK van de faculteit Architectuur en Kunst) betrokken is. Op de website deandereruimte. bmks.be is de app te raadplegen. Via de applicatie kan iedereen met behulp van een smartphone foto’s nemen van plekken, gebouwen, landschapselementen, details … die hem of haar aanspreken en die foto’s vervolgens zelf becommentarieren (‘Waarom spreekt dit mij aan?”). Een gebruiker van de app creëert zo een route (op het niveau van de app). Anderen kunnen de foto’s van een dergelijke route desgevallend becommentariëren. Het plan, corona-proof deze keer, was om mensen te leiden naar de applicatie en zo data te verzamelen over de appreciatie van plekken, gebouwen, landschapselementen, details … in een bepaalde omgeving. Het leiden zou vooral gebeuren ‘in het veld’, ter plekke dus, maar er was ook de hoop om de applicatie bekend te maken via bijvoorbeeld een toeristische dienst. Er was bij de onderzoekers voorafgaand aan de eerste test ter plaatse weliswaar al het gevoel dat werken met een applicatie wel eens te complex of verwarrend zou kunnen zijn, dat de app kortom een te grote drempel zou zijn voor veel mensen. Daarom troffen de onderzoekers enkele maatregelen. Ten eerste was er een handleiding voor de applicatie, gedrukt op één rectozijde van een A4, met zes stappen. Ten tweede waren er extra formulieren. Voor Nieuwpoort was er een vragenformulier dat mensen zelf konden invullen, met daarop vermeld een e-mailadres om zelfgemaakte foto’s naar te versturen. Het formulier kon ook dienen
91
Veldonderzoek IN DIALOOG II als leidraad voor de interviewer. Voor Landen was er een formulier dat mensen eveneens zelf konden invullen, met daarop de vraag om een viertal foto’s te nemen en die op het formulier te voorzien van commentaar. Ook het formulier van Landen kon werken als een leidraad voor de interviewer. Voor beide cases geschiedde het vooral als volgt: de interviewer stelde vragen aan de hand van het formulier in kwestie, en de geïnterviewde associeerde vrij. In de meeste gevallen vond er een spontaan gesprek plaats, en de interviewer noteerde op het formulier.
De animo bij de respondenten om zelf aan de slag te gaan met de app was relatief klein, al zijn er voor elke case wel degelijk mensen die de app gebruikten of die zelf foto’s namen en becommentarieerden aan de hand van de daarvoor ontworpen formulieren. De interviews waren een eerste stap wat betreft Dialoog II. Ze stonden in het teken van de volgende fase van Dialoog II, namelijk een groepsgesprek met enkele bevoorrechte getuigen.
AANPAK IN RELATIE TOT HET DOEL De interviews die plaatsvonden in Nieuwpoort en Landen vertrokken heel erg ‘vanaf nul’. De interviewers verwezen niet naar erfgoed, maar vroegen simpelweg naar appreciaties van de omgeving en van elementen in die omgeving. “Wat spreekt je aan, en waarom? Of
wat spreekt je juist niet aan?”, was de teneur van de vragen. Zeker de openingsvragen werden op die erg open manier gesteld, om de respondenten niet in de ene of de andere richting te duwen en om zo veel mogelijk spontane reacties te verzamelen.
SAMENVATTENDE AANPAK DIALOOG II
Stap 1
Stap 3
KORTE INTERVIEWS
SESSIE BEVOORRECHTE GETUIGEN EN OPVOLGGESPREK
Deze stap bestond uit (heel) korte interviews, spontaan op straat of in het landschap. Voor Nieuwpoort-Bad gingen de interviews vooraf door een verkennend online gesprek met architect Bart Lens, inwoner van Nieuwpoort-Stad en als architect vaak bezig met erfgoedgebouwen. Voor Landen gingen de interviews vooraf door een terreinverkenning, een gesprek met de boer/uitbater van de winkel en kinderboerderij en een online gesprek met Marijke Wouters van de IOED, of Intergemeentelijke Onroerenderfgoeddienst.
Stap 2 EERSTE VERWERKING VAN DE RESULTATEN Deze stap bestond uit een verwerking van de resultaten van de interviews, en meer bepaald uit het afleiden van tendensen en het trachten te vinden van sporen van sociale waarden in de empirische resultaten.
92
Dan volgde er telkens een meer gerichte sessie met enkele bevoorrechte getuigen (online voor Nieuwpoort en ter plaatse voor Landen), gevolgd door (een) online opvolggesprek(ken). Het doel ervan was het samenleggen van verbanden tussen appreciëren, waarderen en waarde en, indien mogelijk, om te komen tot een formulering van de sociale waarden voor het erfgoed dat aan bod kwam. Dat gebeurde op basis van de verwerking van de resultaten van de interviews, aangevuld met de diverse invalshoeken van de deelnemers.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen CASE
Nieuwpoort-Bad (Le Grand Hôtel en de Albert I-laan)
Afbeelding 42: Albert I-laan Afbeelding 43: Albert I-laan,
De aantrekking zit in “de geschiedenis, het cachet, het niet-moderne, niet rechtop-rechte, en het is vlak aan de zee, met zicht op zee.”
Afbeelding 44: de Barkentijn
Afbeelding 45: Luchtfoto omgeving, Google Earth
93
Veldonderzoek IN DIALOOG II NIEUWPOORT-BAD In deze case gaat het vooral over bouwkundig erfgoed, met name panden uit de twintigste eeuw zoals het befaamde hotel Le Grand Hôtel dat tegenwoordig The Grand heet. Maar in de interviews kwamen ook andere aspecten zoals rust, ‘ruimte en openheid’ van het strand, de dijk, de havengeul, ... en kunst in de open of publieke ruimte aan bod. Daardoor verschoof de klemtoon al snel naar de hele stedelijke ruimte van Nieuwpoort-Bad, met de nabijgelegen zeedijk, de havengeul en zelfs de iets dieper in het binnenland gelegen maar nog altijd tot Nieuwpoort-Bad behorende Simli-wijk.
De Albert I-laan, in de nabijheid waarvan de interviews afgenomen werden, is een commerciële as, met aaneengesloten bebouwing en ingevuld als een winkelstraat. De stoepen zijn vrij breed en de rijbaan bestaat uit twee rijvakken. Aan de Albert I-laan zijn er nog enkele panden van voor de Tweede Wereldoorlog te herkennen. De Inventaris van het onroerend erfgoed (inventaris.onroerenderfgoed.be) maakt gewag van een tiental panden die intussen verdwenen zijn. De appartementsgebouwen worden hoe langer hoe hoger. Nieuwpoort-Bad is een plek van tweedeverblijvers; er wonen relatief weinig vaste bewoners, in tegenstelling tot Nieuwpoort-Stad dat wat verder naar het binnenland ligt, aan dezelfde Ijzermonding. Nieuwpoort-Bad werd in de negentiende eeuw gesticht als een exclusieve badplaats — Le Grand Hôtel straalt die grandeur van weleer nog uit — en heeft nog altijd een wat ‘chiquere’ uitstraling. De winkels aan de Albert I-laan lijken te mikken op een ‘betere middenklasse’. Het marktplein van Nieuwpoort-Stad ligt in vogelvlucht op 3,2 km van het Hendrikaplein waaraan The Grand zich bevindt en dat de potentie heeft om uit te groeien tot het marktplein van Nieuwpoort-Bad. Le Grand Hôtel aan het Hendrikaplein, ook wel The White Residence en tegenwoordig dus The Grand genoemd is een statig hotelgebouw in art-decostijl van
94
architect Lagache. Le Grand Hôtel is beschermd als monument. Het gebouw neemt bijna een half bouwblok in. Het is vooral rijkelijk gedecoreerd aan de zijde van de Zeedijk en het Hendrikaplein, en minder aan de Albert I-laan waar het ook een gevel heeft. Er zijn plannen met Le Grand. Ontwikkelaar VDD Project Development gaat het gebouw restaureren, optoppen met enkele extra verdiepingen in de stijl van de oude. Het wordt een multifunctioneel complex met vooral appartementen, een brasserie en enkele winkelpanden. Voor de restauratie neemt VDD Project Development de Britse architect David Chipperfield onder de arm. De artist’s impressions van The Grand laten zien dat Chipperfield — zoals voor het Neues Museum in Berlijn — een analoge benadering (de Solà-Morales 1985) hanteert, waarbij het verschil tussen oud en nieuw subtiel is en er geen sprake is van harde contrasten. Aan het Hendrikaplein staat het beschermde neobarokke hoekhuis Hurlebise in de steigers en naast The Grand bevindt zich het beschermde complex De Barkentijn, in Normandische stijl, dat vandaag een huis is voor jeugdvakanties. Hierna volgt eerst een transcriptie van de belangrijkste elementen die de geïnterviewden aanhaalden, vooral als antwoord op de vraag wat hen aanspreekt in de omgeving. Daarna gaat de tekst kort in op de verwerking van de resultaten van de interviews en ten slotte komt de online groepssessie aan bod.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen INTERVIEWS De interviews vonden plaats op een zonnige vrijdag in de paasvakantie van 2021, ongeveer tussen 11u en 17u30. Het was opvallend koud voor de tijd van het jaar, maar desalniettemin was er veel volk op de dijk en in de Albert I-laan, waaronder ook veel Franstaligen. De mensen die het team aanspreekt voor een interview zijn daar over het algemeen heel ontvankelijk voor. De interviews werden afgenomen op de dijk voor het Grand Hôtel, op het Hendrikplein voor het VVV-kantoor, in de Albert I-laan en op het Leopoldplein (dat ook aan de Albert I-laan grenst, 800 meter ten westen van het Hendrikaplein). Een ingenieur (61, M, Nijvel) vertelt voor het VVV-kantoor dat hij viermaal per jaar aan de kust is, meestal in De Panne of Nieuwpoort. Het Grand Hôtel spreekt hem spontaan aan: “Art deco is mijn stijl.” “Het algemene concept van gebouwen zoals dit is plezieriger dan dat van moderne gebouwen.” Er is de esthetiek, maar voor hem speelt ook het restaurant mee, als een vorm van comfort. De winkel Accompli, een pand tegenover de plek waar het interview plaatsvindt, benoemt hij als mooi en stijlvol. De sculptuur van Jan Fabre valt hem ook op, op een positieve manier. “Het marktplein van Nieuwpoort-Stad is perfect! Ik ben er vandaag voor de eerste keer geweest.”, zegt de ingenieur. Dan gaat het gesprek over wat juist niet aanspreekt: “Sommige nieuwe gebouwen zijn nog neutraal, en dat is oké. Andere, duidelijk van de jaren 1990, zijn te opvallend. Ze zijn gebouwd door promotoren en de details zijn slecht waardoor de gevels snel vuil worden [geveldelen onder balkons en ramen worden vuil, n.v.d.r.]. Ik zal nooit iets kopen in Nieuwpoort-Bad. Er is een gebrek aan kwaliteit in de gebouwen.” Wat er voor hem moet veranderen is dat “nieuwe gebouwen 100% winst zijn, en geen esthetica.” Hij zegt dat een bouwhoogte van maximum drie of vier verdiepingen strikt aangehouden zou moeten worden.
“Er is hier geen eenheid in stijl zoals in Deauville. Oude gebouwen kunnen zeker de weg wijzen.”
Oude gebouwen vormen een referentie voor de respondent. ”In De Panne zijn er mooie villa’s in de ‘quartier Dumont’. Dat is perfect. Ook de preservatie van de duinen is belangrijk.” Verder zegt hij: “Kwaliteit zit in esthetiek en materialiteit.” Hij verwijst naar de eenheid van de zinken daken in Parijs. Plaatsen met een potentieel zijn voor hem de havengeul en Nieuwpoort-Stad: “De promenade [langs de havengeul, n.v.d.r.] is zeker mooi, maar omdat er geen café [open] is, is er geen comfort.” “Nieuwpoort-Stad”, daarentegen, “zou een bron van inspiratie moeten zijn voor de hele kust.” Een moeder (54, V, Heusden) en haar dochter (27, V, Heusden) uit de omgeving van Destelbergen bij Gent, zitten voor het VVV-kantoor. Ze zijn “af en toe, een keer of vier per jaar in Nieuwpoort-Bad omdat de winkels op zondag open zijn.” Het Grand Hôtel spreekt spontaan aan, ze gaan er voor de horeca, maar ook voor de grandeur. “Dat moét behouden blijven.”, zegt de moeder, “omwille van de nostalgie. Het is uniek ten opzichte van de rest.” Er is de “authenticiteit”, de “detaillering” … De dochter is interieurarchitect en let daarop. Ook een andere tearoom en het hotel tegenover de slager spreken aan, evenals het groen aan de geul. Op de vraag “wat zou er moeten veranderen?”, antwoordt het duo: ”Jammer van de nieuwbouw.” En, “Er zou parking moeten zijn. Nu is het gebouwd voor verblijvers; bezoekers vinden geen plaats; een parking verderop met shuttles zou goed zijn. Of een treinstation.” Ze besluiten daarover: “De winkelstraat mag autovrij zijn, maar niet doodgemaakt.” Voor moeder en dochter mag er meer plaats voor rust en stilte zijn, vooral voor voetgangers, die ook stilstaan af en toe. De juiste bestemming voor de gebouwen vinden ze ten slotte belangrijk, ze zijn bij voorkeur toegankelijk voor iedereen. Vier vrienden (55, 55, 54 en 53, M, Roeselare en Diksmuide) zitten op bankjes voor het VVV-kantoor. Ze vragen om een foto te nemen van hen, de ideale kans voor een interview. Hen spreekt “het beeld in het water, met de drie ruiters” aan [Men van Nina Beier, 2018, in het kader van Beaufort, n.v.d.r.]. En “het staketsel”. Vanop de pier kan de blik dan zowel naar het binnenland als naar de zee gericht zijn [de man die dat
95
Veldonderzoek IN DIALOOG II antwoord geeft, vermeldt elders dat hij oude gebouwen “niet mooi” vindt, n.v.d.r.]. Eén van de vier vindt het Grand Hôtel mooi:
“Het straalt warmte uit, een gevoel dat opkomt, en dat moeilijk te omschrijven is.” De persoon die aan het woord is heeft een liefde voor gebouwen uit de middeleeuwen en voor “authenticiteit”. Een andere man vindt het Grand Hôtel niet mooi en verkiest nieuwe gebouwen. Nieuwe appartementsgebouwen vallen het viertal op, maar doorgaans niet op een goede manier, want ze vallen vooral “tegen”. Op de vraag “wat kan er beter?” antwoorden twee personen dat het oké is zoals het is. Een andere zegt dat oude gebouwen een meerwaarde vormen, maar restauratie is dan wel noodzakelijk. En tot slot: “Een toeristische attractie zou niet misstaan.” Een jongeman (dertiger, M, Vlaams-Brabant) zit te lezen op een bankje voor een winkel in de Albert I-laan terwijl zijn vriendin aan het shoppen is. Zijn schoonouders hebben een appartement in De Haan, dus vandaag is “een korte uitstap.” De weg naast de Albert I-laan [parallel ermee en meer naar het binnenland, de Franslaan, n.v.d.r.] voelt voor hem “slim en veilig” aan. De dijk spreekt ook aan. Het valt hem op dat er weinig leegstand is. “De winkels en zeker de mix van winkels hebben/heeft een zeker effect.” “De kakofonie van bouwstijlen stoort niet.”, zo zegt hij, “maar de eenvormigheid van de nieuwbouw valt wel [negatief in zijn geval, n.v.d.r.] op.” Er zijn vernieuwingsgolven in tweede, derde, vierde lijn ten opzichte van de dijk en de Albert I-laan. “Dat is jammer, maar ook fascinerend.” Zeker jammer voor hem is dat het oude erfgoed verdwijnt. De man vindt het belangrijk om oude gebouwen te behouden, voor redenen van “milieu-efficiëntie” en voor hun “karakteristieken”. De tramlijn benoemt hij als een “litteken”. Auto’s weghalen zou voor hem helpen om de omgeving meer te appreciëren. Voor het Grand Hôtel spreken we een man (47) aan met een tweede verblijf in Middelkerke. Hij is er naar eigen zeggen maar zelden, een keer of drie à vier per jaar voor een week en daarnaast enkele weekends.
96
Hij heeft het vooral over de kwalitatieve winkels; hij is in Nieuwpoort om te shoppen. Maar verder: “Het Grand Hôtel is prachtig, authentiek, het spreekt tot de verbeelding.” De aantrekking zit volgens hem in “de geschiedenis, het cachet, het niet-moderne, niet rechtop-rechte, en het is vlak aan de zee, met zicht op zee.” Dat het centrum redelijk groot is, is voor hem een pluspunt. “Ook de havengeul is leuk om te vertoeven, zo weg van de drukte.” Nieuwbouw wordt niet zomaar positief onthaald: “Jammer dat er zo veel appartementen komen. Er wordt te weinig verbouwd.” Het Grand Hôtel heeft voor hem die opwaardering nodig. “De evolutie die er nu is, is zeker goed.” Maar daar hoort een kanttekening bij. “Nieuwpoort-Bad wil het nieuwe Knokke worden.” En ten slotte: “Er is te weinig communicatie over wat er te zien is.”. Die laatste opmerking komt vaker terug, wat wijst op een grote interesse bij diverse respondenten om Nieuwpoort-Bad te ontdekken. Mensen willen meer te weten komen, maar het lijkt erop dat ze dat het liefst op hun eigen tempo doen. En vandaag, met veel wandelaars en rustende mensen op de bankjes, ligt dat tempo schijnbaar laag. Het geeft Nieuwpoort-Bad als het ware een gemoedelijk gevoel. En misschien is dat wel een goede uitgangspositie om erfgoed te ontdekken en te appreciëren? Van een Franstalig koppel (V, 66 en M, 65) is vooral de vrouw aan het woord. Ze zijn één week in Nieuwpoort-Bad, een plek die ze ervaren als “zeer proper.” De winkelstraat spreekt hen aan, en ook “het staketsel”, de promenade langs de geul — “om de schepen te zien.” “Het park is helaas gesloten.”, zeggen ze. Qua gebouwen spreken vooral de “lage gebouwen aan, van maximum acht verdieping (min of meer).” Ook de ruimte gegenereerd door de dijk kan op appreciatie rekenen, evenals de kleine pleinen. Ze geven aan op zoek te zijn naar rust, maar ook naar cultuur. De man verwijst naar de haven, de Albert I-laan omwille van de goede winkels, en het hoekpand [Hurlebise, n.v.d.r.] omwille van “de speciale stijl van de zee”, “de vismijn” en “de schildpad” [Searching for Utopia van Jan Fabre, n.v.d.r.]. Natuurgebieden moeten voor hen open, om er te kunnen gaan wandelen en wandelkaarten voor de liefhebbers (“meer voor in het binnenland”) zouden handig zijn.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 46: de Barkentijn, UHasselt
97
Veldonderzoek IN DIALOOG II Ook van een volgend koppel uit Ninove (53 en 55, V en M, Ninove) neemt vooral de vrouw het woord. De vaargeul en de pier spreken aan. En de winkelstraat en het park naast de geul. “We wandelen vaak tot in Westende of tot Oostduinkerke.” De kerk met het plein ervoor spreekt ook aan, evenals De Barkentijn en Ter Helme [een vakantiedomein op het grondgebied van Oostduinkerke, n.v.d.r.]. “De Barkentijn springt in het oog door de architectuur, de kleur. Normaal zit het er vol kinderen (voor kampen).” Het “hoekpand” [Hurlebise, n.v.d.r.] kan op appreciatie rekenen. “Een gebouw moet leven.”, zegt de vrouw, doelend op de lege Barkentijn. “Le Grand Hotel straalde grandeur uit.” “Benieuwd wat er in de plaats komt van oude gebouwen die verdwijnen; liefst iets dat niet te hoog is.”, klinkt het nog.
“Een gebouw van negentien verdiepingen, zoals bij de plannen aan het Leopoldplein: die schaal klopt niet, zo’n mastodont. Het is een fijn pleintje, rustig aan de kerk. Die rustplaats zou dan weg zijn, de betovering zou weg zijn.” Een man (48, M, Kasterlee) zit op het plein aan de kerk. Hij heeft een appartement in Nieuwpoort-Bad en komt er minstens vier of vijf keer per jaar. Het plein aan de kerk en de “schildpad” [Searching for Utopia, n.v.d.r.] spreken hem aan. Hij is vooral op zoek naar rust, de “omgeving” is belangrijker dan specifieke plekken.
Een wandeling kunnen maken, dat is belangrijk.” Daarna gaat het over het grotere schaalniveau, dat van de hele Belgische kust in feite. “Nieuwpoort-Bad is voor mij eerder een uitvalsbasis om de kuststreek te ontdekken.” Dat gebeurt veelal met de auto. “Dat er geen station is in Nieuwpoort is een voordeel!”, zegt hij aan het einde van het gesprek. De havengeul spreekt een koppel van nieuwe bewoners (M, 68 en V, 62, Nieuwpoort-Bad) aan; “de schildpad”en de Simli-wijk. Al die elementen hebben voor hen te maken met “rust.” Er zijn geen gebouwen die in het bijzonder aanspreken. “De appartementen? Het Grand Hôtel is mooier, het hoekgebouw daar ook.” Er zijn geen plekken die hen juist niet aanspreken. Het gebouw van 19 verdiepingen, gepland aan het Leopoldplein, moest het er komen, zou eerder negatief zijn voor het koppel. Een tuin zou beter zijn. Er is “ademruimte” nodig volgens hen. Een ouder koppel (M en V, Nieuwpoort-Bad) woont nog maar pas in de badplaats. “Le Grand Hôtel valt op, het is anders, voor het overige is dit een badplaats als een andere.” Een oudere dame (V, Antwerpen) zit op een bankje in de winkelstraat. “Ik ben enkele dagen aan de kust en verblijf in Nieuwpoort-Bad.” De Barkentijn spreekt haar aan, omwille van de “Normandische stijl.” Kleinere, oude gebouwen vallen ook op. De Albert I-laan vindt ze een lelijke straat omwille van “de mengelmoes van gebouwen.” Een jong koppel (twintigers, M en V, Zedelgem) met een baby, wandelt voorbij het Grand Hôtel. “Aan de pier kunnen we de zee zien. De gebouwen blijven voor ons links liggen: geen interesse!.”
Afbeelding 47: Schildpad van Jan Fabre, UHasselt
Gebouwen hebben geen bijzondere effecten op hem. Als er iets moet veranderen dan is het voor de man de dijkaanleg aan het Hendrikaplein, dat vindt hij echt nodig. Verder: “De opwaardering van de havengeul is positief.
98
Een ouder koppel uit Waregem komt geregeld in Nieuwpoort-Bad. “Wij hebben een appartement in Oostduinkerke, ons tweede verblijf. Wij fietsen geregeld naar hier. Wij vinden het jammer dat er al zoveel mooie plekken verdwenen zijn. In Zuid-Frankrijk laten ze dat soort hoogbouw dat vaak in de plaats is gekomen voor wat er was, niet toe. Zo hebben ze de rotonde in Westende vernieuwd. Ze hebben ook een gebouw gezet van 21 verdiepingen hoog, aan het einde van de dijk. In Oostduinkerke hadden ze net een dergelijk gebouw
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen afgekeurd, omdat het gevaarlijk is voor vliegtuigen en nu doen ze het hier toch.” Nieuwpoort-Stad is volgens hem wel mooi gebleven, en De Panne ook. “De kleine cottages zijn mooi, maar er zijn er veel verdwenen. In Oostduinkerke staat nog een klein groen gebouwtje, dat is mooi, maar de samenhang met het straatbeeld is soms weg.” Ze vervolgen: “In Nieuwpoort staat ook zo een mooi gebouw: het blauwe huis met een gele steen. Daar zaten altijd Duitsers ... Gaan ze dat niet wegdoen?.” Ten slotte verwijzen ze naar de Barkentijn: “Dan is er het huis voor de minderbedeelde kinderen om een vakantie door te brengen op de dijk. De vader van Conner Rousseau is daar directeur geweest en hij komt daar soms helpen.” “En wat ik heel mooi vind is de Vaart, met de wandelroute tot in de jachthaven.”
zo een typische mooie woning, met gele steentjes.” Het koppel geeft de stad de opdracht mee om erover te waken dat de eigenheid van de omgeving bewaard blijft, maar dat er ook aandacht uitgaat naar de noden van vandaag, zoals groen. “Ze hebben wel van de weg naast de Albert I-laan een mooie plek gemaakt.” De stad is dus niet alleen slecht bezig voor het koppel.
Een koppel van plusminus 50 jaar, waarvan de vrouw in een rolstoel zit, is op stap met hun zoon van 14. Ze vinden Nieuwpoort een mooie plek, ze vinden het Grand Hôtel ook mooi. Eigenlijk komen ze hier vooral voor de go-carts. Ze waarderen Nieuwpoort ook omdat het er proper is.
Twee dames (40+, V en V, Brugge) en twee dochters van 14 jaar zijn regelmatig in Nieuwpoort-Bad en kennen het al heel hun leven. Ze vinden de dijk heel erg kindvriendelijk. Er zijn ook geen auto’s op de dijk “en dat is uniek aan de kust.” Dat is de reden voor hen om naar hier te komen. Ze vinden het Grand Hôtel heel mooi, al heeft het wel wat opfrissing nodig. Ze zouden het jammer vinden als het zou verdwijnen. Ze houden van het pleintje bij de kerk en het wandelen op de promenade. Ze houden ook heel erg van het park daar:
Afbeelding 48: Le Grand Hötel, UHasselt
Een ouder koppel van tweedeverblijvers vindt Le Grand Hôtel mooi, maar wel rommelig. “De bedrijven eronder zijn niet mooi geïntegreerd. We willen die bedrijven niet weg, ze horen erbij. Maar ze mogen wel een mooiere plek krijgen binnen het geheel.” Ze vinden verder ook het gebouw op het einde van het bouwblok mooi [De Barkentijn, n.v.d.r.]. “Dat het gebouw tussenin dan niet in dezelfde lijn ligt, is een gemiste kans.” “Als je het vanaf het strand bekijkt — dat deden we zonet en we hadden het toevallig over die gebouwen — dan valt het echt op dat het tussengebouw een mismatch is.” “We vernamen ook dat ze achter de kerk een nieuw gebouw gaan neerpoten, terwijl er echt wel nood is aan groen hier. Aan de kerk aan de linkerkant staat ook nog
Een moeder (70) en dochter (40) verblijven in een appartement. Ze houden van Nieuwpoort-Bad omdat er weinig grote gebouwen staan. De promenade naar Nieuwpoort-Stad vinden ze heel mooi. “Er is veel veranderd door de jaren heen.” Ze vinden dat die verandering heel goed gedaan is. Ze houden van de winkeliers hier, die heel vriendelijk zijn. Ze vinden het strand heel mooi.
“Het is fijn vandaag, maar vroeger was het nog fijner. Je had daar van die volkstuintjes en proeftuintjes die mensen konden beheren en er dingen uitproberen. Het had toen fijne hoeken en kanten.” Ze wandelen graag in de villawijk. “Er is ook een hele mooie kinderboerderij met een mooi wandelpad. In het algemeen kent Nieuwpoort-bad heel mooie wandelroutes.” De duinen bezoeken ze graag, achter de villawijk, en de winkels hier in het centrum. “Eigenlijk heb je hier alles: winkels, natuur, zee, alles ineens.” “Het is zonder meer de mooiste badstad aan onze Belgische kust. De trein kan hier niet aankomen en dat maakt ook dat het niet te druk wordt.” Er verandert wel veel en niet altijd in de positieve zin volgens de dames. “Er zijn al mooie plekken en gebouwen verdwenen”, zeggen ze. “Bijvoorbeeld een van de
99
Veldonderzoek IN DIALOOG II laatste villa’s op het einde van de dijk; Ze hebben dat met Beaufort geschilderd in felle kleuren. Maar nu is dat opgekocht door een vastgoedontwikkelaar. De kleine villaatjes zijn bijna allemaal weg. In Oostduinkerke staat nog één 100-jarig villaatje.” “Ook mooi is de schildpad, de paarden.” “Wist je dat go-carts ook — al weet ik niet of het erkend is — erfgoed zijn? Dat is uniek. In andere landen kennen ze dat niet. En de papieren bloemetjes die ze op het strand verkopen ook!.” Twee meisjes (15 en 15, V en V, Nieuwpoort) vinden de brede en ruime dijk heel aangenaam en uitnodigend. Al is het er soms te druk (met veel teveel kinderen en go-carts). De nabijheid en toegankelijkheid van het mooie strand kunnen ze zeker appreciëren; ze komen er vaak in de weekends en de vakanties. Over de gebouwen hebben ze niet heel veel te zeggen; ze vinden Nieuwpoort-Stad wel mooier dan Nieuwpoort-Bad. Meer banken, meer leuke plaatsen om te zitten in of aan het zand, zouden ze zien zitten. Nu zitten ze vaak tegen de witte strandcabines, maar dan zien ze de zee niet, en aan de andere kant is er vaak schaduw. De eigenaar (40+, M) van een ijsjeszaak in Le Grand Hôtel kan de mooie, verzorgde, autovrije dijk wel smaken, en ook Le Grand Hôtel zelf, maar ze gaan daar volgens hem dertien verdiepingen bovenop zetten en dat is te hoog volgens hem [het worden vier nieuwe bouwlagen, n.v.d.r.]. Hij houdt niet van de “betonnen muur” met eentonige appartementen en is bang dat de dijk binnenkort niet meer autovrij zal zijn, om ondergrondse parkings te kunnen bedienen. “Het rustige, gezellige, typische ‘kust’-karakter moet behouden blijven.” En in plaats van “allemaal dezelfde appartementen zetten” zou er meer ingezet moeten worden op de unieke aspecten van Nieuwpoort en Le Grand Hôtel. Dat komt die dag vaker naar boven: voor veel mensen zijn de oude gebouwen het waard om te behouden en kan wat er in de plaats komt niet bekoren. Restauraties en renovaties worden toegejuicht. Een koppel (40+, M en V, Gent) heeft een appartement in Nieuwpoort-Bad. Ze genieten van de mooie, brede en propere dijk. Ze vinden het hier relatief rustig ten opzichte van andere badsteden. Ze zouden zeker graag zien dat Le Grand Hôtel opgeknapt wordt en wat nieuw leven krijgt [nadat de interviewer zelf be-
100
gonnen was over Le Grand, n.v.d.r.]. In plaats van hoge appartementen te zetten, zou er meer geïnvesteerd moeten worden in de bestaande gebouwen, om die op te knappen. Le Grand Hôtel vinden ze er momenteel vrij verlaten en doods uitzien “hoewel het eigenlijk wel een mooi gebouw is.” Een oudere man die oorspronkelijk uit Brussel komt, heeft een nieuw appartement gekocht in Nieuwpoort-Stad. Hij kan de mooie kustlijn appreciëren, het feit dat het niet te druk is, en “de aangename connectie met de zee.” De gebouwen zijn niet te hoog; hij juicht zeker “het authentieke” toe. Openbare wifi zou de ervaring nog beter maken! Een man (40+) is er vandaag met de racefiets. Hij komt al vele jaren in Nieuwpoort-Bad. De brede dijk vindt hij een troef, net zoals de mooie natuur hier dichtbij. Zijn voorkeur gaat uit naar laagbouw en niet of minder naar hoogbouw, “betonnen muren, en eentonige appartementen.” Meer laagbouw zou bijdragen aan een als positief ervaren omgeving. Een andere, wat oudere man die vroeger bouwkundige was en die een dochter heeft die architect is, vindt dat Le Grand Hôtel zeker moet blijven. “Het zou jammer zijn moest het verdwijnen.” Er moet zeker iets gedaan worden met Le Grand volgens hem. Op zich heeft hij niets tegen hogere appartementsgebouwen. De kustlijn ziet hij als een mooie en verzorgde kustlijn, “en ook Nieuwpoort-Stad is zeer mooi.” Hij heeft een appartement in Nieuwpoort-Stad. Het is allemaal drukker geworden, maar dat vindt hij niet erg. Een dame van middelbare leeftijd kan heel veel plekken aanduiden die haar bevallen: het staketsel, de promenade aan de havengeul, het park aan de havengeul, de hondenweide, de winkelstraat, de kinderboerderij, de St. Bernarduskerk, de veerdienst, de avondmarkt in de zomer, de vuurtoren, de duinen ... — “te veel om op te noemen.” “Het staketsel is super, zeker in de zomer wanneer de kinderen zelf de netten mogen laten zakken. De havengeul is prachtig aangelegd en geweldig om op te wandelen of joggen.” De promenade vindt ze heel mooi, maar ze vindt het ook jammer dat kinderen er niet meer op de heuvels mogen fietsen. Haar huwelijksaanzoek ontving ze op het Loodswezenplein. De Albert I-laan vindt ze een heel gezellige, propere
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 49: hoekpand in Nieuwpoort, UHasselt
101
Veldonderzoek IN DIALOOG II winkelstraat. “De hondenwei is top: groot en proper.” Het park benoemt ze als “prachtig, proper en mooi.” Het park straalt rust uit voor haar. “De veerboot is een topdienst.” De verbreding in de Albert-I-laan, in de richting van Oostduinkerke, met de sportvelden, vindt
ze “koud, kil en ongezellig.” “Het is nochtans mogelijk om gezelligheid te creëren op een plein”, zegt ze, “zoals op het plein waar de schildpad staat.” “Quasi alles is gezellig in Nieuwpoort — misschien de duinen wat meer verfraaien en promoten?”
OPVALLENDE RESULTATEN UIT DE INTERVIEWS Heel vaak halen respondenten meerdere plekken en gebouwen aan, en leggen ze verbanden daartussen. Er ontstaan sequenties van gebouwen en plekken in de hoofden van mensen, en die sequenties lijken de ervaring te sturen. Het ontdekken van een omgeving, autonoom, maar ook graag met wat hulp van een goede kaart bijvoorbeeld, is heel belangrijk. Waar puntsgewijze appreciaties vaak werken met associaties (Deauville, Normandië, ‘architectuur van de zee’ ...) en met een kwalificatie van ‘voorbeeldigheid’, daar lijkt — al kan dat voorbarig zijn — juist de beleving van een bredere omgeving aanleiding te geven tot een productie van de bouwstenen van de sociale erfgoedwaarde (identiteit, plaats, verbondenheid…). Om de bredere omgeving te kunnen appreciëren, wordt comfort heel belangrijk gevonden (horeca in de buurt vooral), maar ook rust. Het wandelen is dan
wellicht ideaal als activiteit om die rust te vinden, om rustige plekken te waarderen en om open te staan voor erfgoed. De vraag naar extra beleving komt vaak terug. Gebouwen daarenboven worden bij voorkeur gerestaureerd en gerenoveerd.
Mensen zien graag oude gebouwen die bruisen van het leven.
Als dat gebeurt via commerciële projectontwikkeling, dan is dat oké — mensen zijn blij dat er zo schot in de zaak komt (zie Le Grand). Want het alternatief is nieuwbouw, en die kan in de kuststad op veel minder appreciatie rekenen: de schaal ervan is verkeerd, de detaillering ontbreekt — in feite zijn dat lichamelijke en zintuiglijke wijzen van waarderen.
ONLINESESSIE Aan het begin van de onlinesessie gaf de gespreksleider een introductie over het opzet van het onderzoek en over de diverse definities van sociale waarden. Praktisch verliep de sessie door als groep op een (virtuele — via het programma MIRO) kaart stil te blijven staan bij enkele plekken die tijdens de interviews aangeduid werden. Deelnemers aan het gesprek waren Kries Priem (KP), stadsgids in Nieuwpoort, Nicolas Vermote (NV), directeur van de Barkentijn, Didier Boydens (DB), mede-eigenaar van winkelpand Accompli en beheerder van een grote verzameling oude postkaarten die online terug te vinden is op postkaart-kust.be en Jo Rousseau (JR), die tot 2013 directeur van de Barkentijn was. Alle deelnemers hebben ingestemd met het gebruik van hun naam in het eindrapport. Zij participeerden in eigen naam.
102
KP: “Met de White Residence, Hurlebise, het lelijke VVV-kantoor [Hurlebise wordt het nieuwe VVV-kantoor, als de restauratie klaar is, n.v.d.r.] en het zicht op zee is het Hendrikaplein een soort van markt van Nieuwpoort-Bad.” Iedereen is het er wel over eens dat de auto’s — het plein is nu grotendeels een parking — dan uit het zicht moeten. Gevraagd naar de invulling van sociale waarde uit de thesaurus, geeft NV aan dat de Barkentijn zeker kan bogen op sociale waarde. Er is volgens hem duidelijk sprake van een sociale en overgeleverde vorm van gebruik. Er vinden al 75 jaar kindervakanties plaats, al evolueert het aspect “opvoeding” natuurlijk. Villa Crombez is bovendien, mede door het zicht op zee, voor hem een bijzondere plek. Hij is er fier op dat kin-
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen deren op die manier een vakantie aan zee kunnen hebben. Nieuwpoort-Bad is nochtans sterk gewijzigd. Maar in de directe nabijheid van het Hendrikaplein zijn er nu drie zeer waardevolle [en beschermde, n.v.d.r.] gebouwen die tegen 2024 allemaal volledig in ere hersteld zullen zijn [het gaat voor de duidelijkheid over Villa Crombez, ook de Barkentijn genoemd, The Grand en het huis Hurlebise, n.v.d.r.]. Het beheersplan voor de Barkentijn is klaar, de renovatie komt er. Nieuwpoort-Bad ligt DB na aan het hart. Hij heeft een zekere teloorgang gezien in de jaren 1980 en 1990. Mooie panden verdwijnen ook nu nog volgens DB. Mensen vereenzelvigen zich volgens hem vooral met de kleinere panden. Er komt verbetering aan volgens DB; panden worden meer beschermd. Het is opvallend dat de virtuele tafelgasten allemaal beamen en herhalen dat er (te) veel waardevolle panden verdwenen zijn in Nieuwpoort-Bad en tegelijkertijd heel optimistisch naar de toekomst kijken. Het zijn allemaal liefhebbers van bouwkundig erfgoed, dat is duidelijk, en ze verheugen zich op de oplevering van de drie beschermde panden na restauratie. JR bevestigt dat na restauratie de vroegere waarde helemaal zal terugkeren. Al in 1981 werd de Villa Crombez met tuin beschermd als stadsgezicht. Vandaag is het nog het enige “typische” kindervakantieoord in de buurt. JR schetst kort de geschiedenis van de Barkentijn. “Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de jeugdvakanties in het gebouw. De socialisten wilden een eigen centrum. Daarvoor was er al Heist, De Panne ... In 1949 kochten ze de Villa Crombez en eerst waren er per jaar vier perioden van 14 dagen voor jeugdvakanties. In de jaren 1956-57 zijn er 70 plaatsen bijgekomen. Nu zijn er meer dan 300 erkende bedden. Het hele ding was enorm verlieslatend in het begin. Toen zijn de paasvakanties erbij gekomen; er waren ook seniorenvakanties. In de jaren 1980 was er een ‘comfortboost’, na de bescherming van 1981. En nu is het complex 10 maanden per jaar voor 80 procent of meer bezet. Veel van dergelijke centra zijn weg, verkocht aan promotoren. Er is te weinig aanbod nu.”
Het ‘overgeleverde’ aspect zit voor JR vooral op de achtergrond. Het is niet top of mind. JR geeft mee dat de socialistische mutualiteit geen financiële steun geeft aan de Barkentijn, waardoor zelfbedruipend zijn op de eerste plaats komt. Dat gaat dus ten koste van bezig zijn met de kerntaak en bezig zijn met het aspect “erfgoed”. Maar de architectuur van 100 jaar geleden is er nog volgens NV: het bureau — “Ik denk dat ik het mooiste bureau heb van de hele Belgische kust.” — , de parket, de armaturen, de aankleding … “De ziel is nog voelbaar, maar de werking is uiteraard anders dan in de jaren 1950, en de opvoedingstechnieken ook — gelukkig. Nu zet de Barkentijn in op een kwalitatieve keuken met verse producten en korte keten, en dat is vanuit een respect voor de geschiedenis van de plek. Destijds moesten de kinderen namelijk koste wat het kost aankomen tijdens de vakantie, minstens één kilo.” KP is 15 jaar gids. Een van haar geleide wandelingen heet “Speuren naar sporen in de stad”. Ze zegt dat gidsen erfgoed willen promoten, terwijl de aandacht bij de dienst toerisme vooral uitgaat naar beleving, “het spectaculaire”, “verkleden” ... NV beschouwt de “gesloten periode” [door de coronacrisis, n.v.d.r.] als een confronterende periode van “oorverdovende stilte.” De Barkentijn, dat is normaal gezien “lawaai, verdriet, plezier. Nu was het desolaat, deprimerend, donker.” JR voegt toe dat het in de periode november-januari, op de kerstvakantie na, altijd rustig is. “En dat is nodig om reparaties te doen, om te schilderen enzovoort.” Over de White Residence (Le Grand Hôtel) zegt DB dat er ook een economische realiteit is, en dat betekent dat een compromis inzake erfgoed onvermijdelijk is. “Maar de integriteit van het gebouw komt nog goed tot zijn recht in de plannen.” Hij geeft aan dat het herstellen van de White in de originele staat [dus zonder de optopping, n.v.d.r.] beter was geweest, maar kan perfect leven met de huidige plannen. Het gebouw is er dan ook sterk op achteruitgegegaan, geeft DB mee, “de brokstukken vielen op het terras bij de buren.” NV voegt toe: “... anders zou het afgebroken worden op den duur. Als niemand daar geld in wil pompen, dan is dat een vogel voor de kat. Het is een goede oplossing nu, al was ‘zoals het was’ mooier geweest.” “Wel goed dat enkele verdwenen elementen meer terugkomen.”
103
Veldonderzoek IN DIALOOG II Nadat de gespreksleider aangaf dat de analoge aanpak van Chipperfield enigszins frappant is — enkele jaren, of toch decennia, geleden was het waarschijnlijk weggezet als ‘pastiche’ — wordt erop gereageerd dat het inderdaad om twee maten en twee gewichten gaat. Bij de Barkentijn moesten nieuwe leuningen — voor de veiligheid en het comfort — nog heel duidelijk contrasteren met het oude gebouw. Aanvankelijk mochten er geen nieuwe leuningen komen, na een procedure van zes maanden uiteindelijk wel. Dat geeft te denken; de Barkentijn wordt in een dergelijk geval eigenlijk ‘gestraft’ omdat het altijd in ere gehouden werd door de beheerders. Maar NV vatte het in verband met Le Grand al samen, en de ontwikkelaar zal het later bevestigen: “Anders was het verdwenen.”
DB geeft mee dat de interesse in zijn postkaartencollectie eerder beperkt is, “maar wat er op de postkaarten geschreven staat, is vaak boeiend.” “Vakantiegangers zijn er soms meer in geïnteresseerd dan de vaste bewoners.”
DB zegt iets later in het gesprek dat het over het algemeen toch niet slecht zou zijn om wat vrijer met erfgoed om te gaan, juist om het te kunnen beschermen.
De gespreksleider vraagt door op de benaming Le Petit Knokke die al eens aan Nieuwpoort-Bad gegeven wordt, door mensen uit ‘het binnenland’. Volgens DB is daar niets mis mee; het trekt een bepaalde doelgroep uit het binnenland aan. “Beleving is ook van belang.” NV zegt dat de idee ‘Knokke’ niet zo leeft in Nieuwpoort zelf.
KP geeft mee dat de White Residence tot de Tweede Wereldoorlog voortdurend verbouwd is. Er zijn diverse versies geweest van een hotel op die plek. Nu is er opnieuw een evolutie, dus die enkele lagen die erbij komen, dat past in die sequens. Na de Eerste Wereldoorlog waren er speciale vliegtuigreizen vanaf Brussel naar Oostende voor gasten van de White Residence. Over het aspect ‘geheugen’ zegt DB:
“Er leeft wel iets van een collectief geheugen in Nieuwpoort-Bad, rond het casino bijvoorbeeld dat ongeveer 40 jaar geleden afgebroken werd. Dat geheugen heeft niet altijd met ‘architectuur’ te maken, mensen weten ook nog welke winkel er waar was, of wie er woonde. Dat speelt allemaal mee. Er is veel erfgoed verdwenen de laatste 10-15 jaar, en dat is toch de ziel van die badstad die verdwenen is daarmee.”
KP brengt een andere gidsbeurt van haar aan: “Straat uit, straat in: de beau monde achterna” en betreurt dat het pand La Héronnière aan de zeedijk weggaat. Haar map met verdwenen gebouwen wordt dikker en dikker. Nieuwpoortenaren, tweede verblijvers, familieleden van ... iedereen volgde die geleide wandelingen, maar de genoemde gidsbeurt verdwijnt nu, terwijl de interesse [in dat collectieve geheugen, n.v.d.r.] er volgens KP zeker nog is.
Er wordt gezegd dat de evoluties van de afgelopen vijftien jaar — met appartementen en winkels — noodzakelijk waren. Ze hebben de tweede verblijvers aangetrokken. Maar daarbovenop is het voor NV belangrijk om de eigenheid van Nieuwpoort(-Bad) uit te bouwen. DB: “De keerzijde is dat het duur wordt.” NV voegt toe dat de transformatie te snel gegaan is: “Een zekere ziel is weg.” “Echte Nieuwpoortenaren zijn er enkel nog in Nieuwpoort-Stad, om het cru te zeggen.” JR deelt mee dat er vroeger, in de jaren 1970, vijf of zes dancings waren in Nieuwpoort-Bad. “Na de Eerste Wereldoorlog lag het volledig plat. Eerst kwamen de villa’s, maar in de periode 1939-48 was het hier volledig leeg. Nadien had het weinig zin om alles te restaureren, ook omdat de eigendom van de villa’s begon te versnipperen over verschillende erfgenamen, en toen kwamen de buildings, langzaamaan.” De mentaliteit van de Nieuwpoort-Stad zou wat anti-Nieuwpoort-Bad zijn. De gespreksleider brengt het aspect comfort aan, als in de vaak gehoorde vraag vanuit de interviews naar comfort (zoals horeca) om de omgeving te kunnen appreciëren. Daarop aansluitend zegt JR dat de gewone cafés verdwijnen en dat er geen nieuwe komen.
104
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Sommige weekends is het autoluw in Nieuwpoort-Bad, al zou dat op niet meer veel politieke animo, of preciezer op animo in de economische raad, kunnen rekenen. De zeedijk is overbevolkt volgens JR — “Dat is daarom niet slecht bedoeld.” En “Nieuwpoort-Bad is een winkelstad geworden.”
De koppeling van erfgoed aan een comfortniveau, via horeca bijvoorbeeld, kwam in de straatinterviews geregeld naar voren. Daarover zegt NV dat architectuur zeker gekoppeld mag zijn aan een bepaalde beleving (koffie drinken, pannenkoek eten …). “Veel Nieuwpoortenaren zijn nog nooit in de Barkentijn geweest.” NV wil dat gebouw echt ópenen, door eigen initiatieven. DB voegt daar aan toe dat de traphal van de White Residence prachtig is en impliceert daarmee dat die gezien mag worden door een publiek, terwijl veel Nieuwpoortenaren er nooit binnen zijn geweest. Over winkels zegt hij dat sommige winkels ‘shop&go’ uitdragen, en andere meer gelinkt zijn aan het flaneren. Het volledige verkeer bannen is voor DB geen goede oplossing. JR benadrukt nog de kwaliteit van de autovrije zeedijk, die bijdraagt aan de mogelijkheid om Nieuwpoort-Bad al wandelend te ontdekken. De Franslaan zou volgens JR ook meer “beleving” mogen krijgen. “De huidige (relatieve) kalmte en beleving gaan verdwijnen als er een overbevolking is.” KP en DB beklemtonen dat er zeker nog plekken van rust zijn in Nieuwpoort-Bad, bijvoorbeeld het Maritiem Park met haar openheid, de promenade langs de geul en de Simli-wijk met het Guido Gezelleplein. DB en NV zeggen dat de rustpunten en het erfgoed in Nieuwpoort-Bad dicht bij elkaar liggen, op een kleine oppervlakte, net als alle andere troeven, cultuur, geschiedenis, sport, natuur, twee parken …
Afbeelding 50: achter de Albert I-laan, UHasselt
NV haalt aan dat de tram vroeger over de Albert I-laan reed. Vanaf het moment dat dat niet meer het geval was [de kusttram rijdt nu dieper in het binnenland door Nieuwpoort-bad, n.v.d.r.] is de Albert I-laan “ontploft.” “Soms moet je het aandurven om een visie te hebben.” Waarmee hij aangeeft dat het autovrij maken van de Albert I-laan een kwestie van durf is. “Maar er moet wel draagvlak zijn, en een beslissing kan je terugdraaien.”
Aan het einde van het gesprek komt ter sprake dat jonge mensen rust maar niets vinden, terwijl ouderen het een geweldige troef vinden. Bekeken vanuit het erfgoed is het daarom belangrijk om aan alle leeftijdsgroepen tegemoet te komen, want veel mogelijkheden tot ontspanning (de eerder genoemde dancings en cafés) zijn weggevallen.
105
Veldonderzoek IN DIALOOG II TWEE ONLINE GESPREKKEN Na het groepsgesprek vonden nog twee aparte gesprekken plaats (online), met mensen die er niet bij konden zijn voor het groepsgesprek. Ook daaruit kwamen boeiende aspecten naar boven. Heide Ballet (HB) is onder andere curator voor Beaufort. Een ruiterstandbeeld, geplaatst in het kader van Beaufort (Men van Nina Beier) op een golfbreker in Nieuwpoort-Bad, dus onderhevig aan eb en vloed — werd enkele keren vermeld tijdens de interviews. Kunst in de publieke ruimte kwam ook los van Men diverse malen aan bod tijdens de interviews. Meestal ging het dan over Searching for Utopia van Jan Fabre, dat genoemd werd als rustpunt en als oriëntatiepunt of herkenningspunt, maar dat verder niets met Beaufort te maken heeft. HB geeft aan dat beleving en inhoud elkaar perfect kunnen aanvullen. Zeker in een “natuurlijke publieke ruimte” (het strand bijvoorbeeld) kan dat echt een vakantiegevoel uitlokken. Wat betreft het aanbieden van die extra, inhoudelijke laag zijn er geregeld gemiste kansen. Beaufort duidt elk werk met een infobord, en daarop wordt al weleens iets in verband met lokale geschiedenis opgenomen. Er is nog veel onontgonnen potentieel wat betreft het inhoudelijk uitwerken van het toeristische aanbod. Voor HB vormt toerisme op zich geen enkele bedreiging voor cultuur. Marketing daarentegen is soms wel een probleem, omdat pure marketing weinig te maken heeft met het communiceren van waarden. “Het vertellen van een (inhoudelijk) verhaal is iets anders.” Het gesprek evolueert dan naar “zachte” waarden. Doorheen het onderzoek blijkt dat veel mensen die professioneel met erfgoed bezig zijn, huiverachtig staan tegenover het sterk beklemtonen van waarden in verband met identiteit. Deze keer is dat niet anders. HB vindt het wel belangrijk om iets te doen met het (soms vage) gevoel “dat er iets verloren gaat” [wat betreft waarden uit het verleden bijvoorbeeld, n.v.d.r.]. Er is wel degelijk een zoektocht naar “soft identity” gaande zegt HB. “Mensen willen dingen naar waarde schatten, maar er zijn weinig opties om juist dat lokaal te beleven.”
106
HB streeft naar een cultuurbeleving of een beleving van omgevingen die “intelligent maar inclusief is.” Wat betreft de mogelijkheid van het eerder ‘terloops’ ontdekken van erfgoed of cultuur, geeft ze aan dat ze toch vooral blij is met de vele bezoekers die speciaal voor Beaufort afzakken naar de kust. Thibaut De Vos (TDV) is partner bij de ontwikkelaar VVD Project Development. VVD is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van The Grand, zoals het project tegenwoordig heet. Het is een project waar TDV met veel trots over spreekt. Ooit was er echt luxetoerisme in Nieuwpoort-Bad, met Le Grand Hôtel en Le Petit Casino. Na de sloop van het casino werd Le Grand beschermd, en nu wordt er een nieuwe pagina toegevoegd. In september wil de ontwikkelaar het gebouw openstellen voor bezoekers, tijdens Open Monumentendag. Het laten terugkeren van de bar en brasserie zorgt er voor dat bezoekers en zeker ook “de buurt” weer zullen kunnen genieten van het gebouw. VVD concentreert zich erg op de niche van het ontwikkelen van erfgoedsites. The White Residence was volgens TDV al 50 jaar aan het verloederen. Het stond al vijftien jaar te koop. “Een dergelijk dossier vastpakken vraagt moed.” VVD staat al vijf jaar in contact met de voormalige eigenaars. Een dergelijk gebouw “gewoon restaureren” is volgens TDV onmogelijk. Vandaar dat er verdiepingen bijgekomen zijn en dat er enkele compromissen gemaakt zijn. Wat er nu gebeurt, is voor TDV wel een statement voor Nieuwpoort-Bad, en dat is belangrijk. De reacties op het nieuwe uiterlijk van The Grand, via Facebook, zijn volgens TDV overwegend, voor 90 procent, positief [ook tijdens de straatinterviews werd er overwegend positief gekeken naar de toekomst van The Grand, n.v.d.r.]. Op haar website biedt VVD wat historiek aan over The Grand. VVD liet die in detail onderzoeken door het bureau Origin [Origin Architecture & Engineering is een architectenkantoor gespecialiseerd in restauratie en renovatie, n.v.d.r.]. Er zijn ook plannen om het Hendrikaplein aan te pakken en vooral autovrij te maken (er is een voorontwerp van Chipperfield en Bas Smets).
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 51: Albert I-laan, UHasselt
107
Veldonderzoek IN DIALOOG II
Afbeelding 52: De online gesprekken werden ondersteund door een miro-bord, een tool voor online dialoog. Het volledige bord kan in bijlage gevonden worden.
108
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
gebouw omgeving
well-being
figuur 12, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met het gebouw samenhangen, de zwarte de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen.
109
Veldonderzoek IN DIALOOG II CASE
Sinte-Gitter, Landen Afbeelding 54: Historische site Sinte-Gitter
Afbeelding 53: Landen
Afbeelding 55: Blote voetenpad
Afbeelding 56: loods over de kerkruïne
De aantrekking zit in “de geschiedenis, het cachet, het niet-moderne, niet rechtop-rechte, en het is vlak aan de zee, met zicht op zee.”
Afbeelding 57: Luchtfoto omgeving, Google Earth
110
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen SINTE-GITTER Sinte-Gitter is een van de meer gekende erfgoedsites in Landen, samen met de Rufferdingemolen (een oude graanwatermolen). Sinte-Gitter is de bakermat van het huidige Landen. Het is een Frankische site die bestaat — althans wat de duidelijk zichtbare elementen betreft — uit twee mottes (‘de tombe van Pepijn’ en de ‘Heynsberg’ of ‘Hunsberg’) en een archeologische opgraving van een kerkje en enkele graven. Die drie plekken zijn alle drie beschermd als monument. Elementen als ‘opperhof’ en ‘neerhof’ zijn nog moeilijk leesbaar (voor de leek); de oude grachtenstructuren eveneens. De hele site is sinds 2015 beschermd als archeologische site, omwille van de cultuurhistorische en de wetenschappelijke waarde.
De site ligt in vogelvlucht op 1 km van het station van Landen en op minder dan 1,5 km van het huidige hart van Landen. Ze bevindt zich op de overgang tussen het suburbane weefsel (bewoning, industrie, een militaire site, de boerderij aan het St.-Gittersplein) en het open landschap. Ten oosten van de site, in de richting van de stad, en aan de andere zijde van de weide waar een pad (de Sint-Gertrudisstraat) doorgaat, is er de recente sociale woonwijk De Mot. De stad Landen promoot de site als toeristische pool en de boer die de aanpalende winkel en kinderboerderij uitbaat, heeft er een populair blotevoetenpad aange-
legd: over de mottes, door de beek, over de nabijgelegen steilrand en door de centrale groenzone. Hierna volgt eerst een transcriptie van de belangrijkste elementen die de geïnterviewden aanhaalden, vooral als antwoord op de vraag wat hen aanspreekt in de omgeving. Daarna gaat de tekst in op de verwerking van de resultaten van de interviews en ten slotte komt de groepssessie aan bod, ter plekke georganiseerd, vlak naast de site.
INTERVIEWS De interviews vonden plaats op een frisse maar zonnige zaterdag eind april 2021. In tegenstelling tot de verwachting na het eerste verkennende gesprek met de boer was er die dag niet zó veel volk. De interviewers spraken zowat iedereen aan die die dag over het blotevoetenpad gaat. Meestal ging het om jonge gezinnen, vriendinnen met hun kinderen, of grootmoeders met hun dochter en een kleinkind.
Het team stond opgesteld aan de twee zijden van het blotevoetenpad, aan het begin en aan het einde. Aan het einde betekende: op de splitsing van het laatste stukje wandeling naar de kerkruïne en naar een kortere weg terug naar de boerderij. De boerderij markeert tevens het begin van de route; het is de plaats van de winkel en de kinderboerderij en de plaats waar mensen parkeren. Op de splitsing stelden de onderzoekers een kaart op (op een schildersezel) die diende als mogelijk canvas bij het gesprek.
111
Veldonderzoek IN DIALOOG II De persoon aan de ingang vroeg aan de bezoekers om de app te gebruiken of om een formulier in te vullen. De persoon aan het einde deed een kort interview. Niet iedereen die aan het einde verscheen gebruikte de app of vulde het formulier in. De meesten lieten zich wel interviewen. De sfeer was meestal gemoedelijk. Een eerste koppel (32 en 32, M en V, Bekkevoort) is vooral onder de indruk van het uitzicht van bovenop de dijk. Ze hebben het over “de landelijkheid, de rust.” De “inhoud” van de site kennen ze niet zo goed:
“We zijn niet zo bezig geweest met de archeologie; het was ons zelfs niet opgevallen.” Maar, “als we meer zouden te weten komen [over de geschiedenis van de plek, n.v.d.r.], dan zouden we er wel bij stilstaan.” Voor hen is vooral de natuur belangrijk. Een tweede koppel (36 en 36, M en V, De Pinte) met twee kleine kinderen zegt: “We hadden wel gelezen dat het een archeologische site is, maar met de kinderen erbij is het moeilijk om daarop in te gaan.” Doorgevraagd daarover weten ze te melden: “We hebben het ook niet ervaren dat het een archeologische site is.” WC (44, V, Ninove) is vandaag deel van een groep van zeven mensen, met een andere vrouw van plusminus dezelfde leeftijd en vijf kinderen. Ze heeft zelf foto’s genomen. Bij een foto van een boom middenin de site vertelt ze over de kracht van de natuur. Bij een foto van de kinderen op de trap naar de dijk vertelt ze dat het mooi om te zien is dat de kinderen graag wandelen. Het erfgoedaspect heeft zeker een meerwaarde voor WC, maar het blotevoetenpad is de aanleiding om de site te bezoeken. Bij een vergezicht met centraal de Tombe van Pepijn, genomen vanop de dijk, vertelt ze dat het stukje geschiedenis doet stilstaan bij hoe mensen destijds dachten: “Er was een soort van eerbied vroeger”. Een foto genomen van bovenop de tombe, met de zon die door de kruin van een boom zichtbaar is, verbeeldt voor haar het lentegevoel.
112
Een grootmoeder (uit Landen) die met een kind in een koets rondwandelt vertelt: “De entourage is goed hier. Mijn dochter organiseert een kinderfeestje op de site [aan de boerderij, n.v.d.r.]. Het is een heel verzorgde site.” Ze weet dat haar dochter heel enthousiast is over het pad, vandaar haar keuze om een kinderfeestje op de site te organiseren. Een jong koppel wandelaars uit Landen heeft het over de boshyacinten die ze gezien hebben aan de Hunsberg [het is echter onduidelijk of dat vandaag was, het koppel komt vaker op de plek, n.v.d.r.]. Voor het overige spreken vooral (herinneringen aan) de fauna en de flora aan: de zonsondergang over de nabijgelegen Wingbergstraat, een ijsplek die ze ooit aantroffen middenin de weide … De tombe vinden ze speciaal omwille van de imposante boom. Verder spreken de dieren van boer Jos aan. De “hangar” [de constructie over de kerkruïne, n.v.d.r.] spreekt minder aan. De archeologische site is bovendien gesloten, wat voor het koppel bijdraagt aan dat gevoel. “De muntzoekers, die zijn wel geïnteresseerd in archeologie.”, zeggen ze afsluitend. Maar in totaliteit kan de Sinte-Gittersite op veel appreciatie van hen rekenen. Twee dames (46 en 46, V en V, Kalken) uit Oost-Vlaanderen vertellen: “Een pluspunt is het water, voor de kinderen, en het avontuur, zo met die touwen om de berg op te gaan. Het is een fijne omgeving, met hoogteverschillen, en met het startpunt van het pad bij de dieren. Het is ook uitgestrekt. We zijn toevallig op de site uitgekomen, erop gebotst met de fiets.” De dames beschikken niet over voorkennis van de site, en hebben achteraf ook geen idee dat het een erfgoedsite betreft. Desalniettemin spreekt het pad erg aan. Een persoon van 61 (V), een persoon van 42 (V) vergezeld van een kind van 6 — wellicht grootmoeder, moeder en kind — zeggen dat je hier één met de natuur bent. “Er is het water, de boomstammen, de steile berg, en ook de geur van de natuur, de rust — mooie natuur kortom.” “We hebben dat wel gelezen”, dat het ook een archeologische site betreft, “maar we hebben het niet echt ervaren.” Als het meer benadrukt zou zijn, dan zouden de twee respondenten het archeologische aspect een meerwaarde vinden.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 58: blote voetenpad, foto van anonieme deelnemer aan bevraging ter plaatse
113
Veldonderzoek IN DIALOOG II
Afbeelding 59: Sinte-Gitter, UHasselt
114
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Een oudere werknemer (M) van Sinte-Gitter zegt dat hij de site al heel lang kent. Hij is “niet zo bezig met geschiedenis.” “Er zijn wel mooie bomen.” Een persoon van 27 uit Kerkom (Boutersem) noteert zelf als commentaar bij enkele foto’s: “Leuk voor de dieren kunnen aan te raken.”, “Leuk om in de natuur te zijn en verschillende elementen te voelen.”, “Kinderen zijn er dol op. Leuk concept.” en “Modder is leuk. Toffe ervaring.” De persoon in kwestie heeft wel gelezen dat het een archeologische site is, maar hij heeft het niet ervaren. Zijn (reis)partner is een vrouw van 36 uit Californië. Ze leeft in Hélécine en vermeldt: “So great to find a place where the kids can connect with nature and each other.” En: “Kids are so adventurous when they have a reason to be.” Voor een koppel uit Neerwinden (28 en 30, M en V) is het speelbos [naast de Sinte-Gittersite, aangelegd door Natuurpunt, n.v.d.r.] “super voor de kinderen.” De dierenwinkel, de kinderboerderij en het blotevoetenpad spreken aan. Het zou volgens het koppel nog op andere manieren op de kaart gezet kunnen worden. “De kerkruïne is interessant”, zegt de man die geboren en getogen is in Landen. Hij voegt eraan toe dat de site gekoppeld is aan Pepijn van Landen. De kerkruïne zou volgens hem open moeten zijn. Voor hem is het
eerder de geschiedenis van de site die aanspreekt, en meer concreet zijn interesse in geschiedenis eerder dan een gevoel bij die geschiedenis. De natuur is voor hem “meegenomen.” Hij benadrukt ook het archeologische aspect. Enkele jaren geleden zou er een viering georganiseerd zijn rond 800 jaar Landen aan de motte. De man geeft aan dat hij een dergelijke herdenking wel kan appreciëren. Een jong koppel uit Wommersom (Linter) geeft aan nog een ingevuld enquêteformulier op te sturen … Het pad heeft een strikte route. Wandelaars doen niet noodzakelijk het hele pad; ze doen soms een stukje en lopen dan terug. Er is veel passage aan de site — van fietsers, wandelaars, scoutsgroepen, automobilisten die even stoppen om te picknicken, en de mensen die het blotevoetenpad doen — maar in verhouding heel weinig passage aan de kerkruïne. Bij de meeste respondenten is er die dag geen interesse om aan het einde van de wandeling nog langs de kerkruïne te gaan, terwijl de kerkruïne direct aan het einde van het pad ligt, op enkele tientallen meters van de plaats waar de interviews plaatsvinden. Meerdere fietsers komen van het station van Racour. Mensen komen voor het pad, en zijn mogelijk niet ingesteld op het ‘meenemen van geschiedenis’ in hun ervaring.
OPVALLENDE RESULTATEN UIT DE INTERVIEWS Voor de case ‘Landen’ laten de resultaten zich vrij gemakkelijk samenvatten. Veel — bijna alle — resultaten liggen dicht bij elkaar. Mensen komen naar Sinte-Gitter voor het blotevoetenpad en/of de kinderboerderij. Ze weten vaak niet dat het om een erfgoedsite gaat, of ze zijn er zich wel van bewust maar laten het niet doordringen. Bijna unaniem reageren de respondenten positief op de idee om het erfgoed meer aanwezig te stellen of beleefbaar te maken, als ze er al niet zelf spontaan om vragen (wat enkele keren voorkwam
tijdens de gesprekken). Natuur is hier een mooie aanleiding om erfgoed op te enten. De beleving die nu uitgaat van het blotevoetenpad zou zo kunnen overgaan in een (volwaardige) beleving van het erfgoed. De impliciete ontsluiting van erfgoed of het zachte ‘begeleiden naar’ is iets dat, als het van de respondenten afhangt, voor de Sinte-Gittersite wel eens op veel bijval zou kunnen rekenen, althans, dat is het aanvoelen van de onderzoekers na de interviews.
115
Veldonderzoek IN DIALOOG II GROEPSSESSIE TER PLAATSE Aan het begin van de sessie, die fysiek plaatsvond ter plekke in Landen, gaf de gespreksleider een introductie over het opzet van het onderzoek en over de diverse definities van sociale waarden. Praktisch verliep de sessie door als groep stil te blijven staan bij enkele plekken die tijdens de interviews aangeduid werden, aangeduid op een kaart en verbeeld met foto’s. Deelnemers aan het gesprek waren: Maud Davadan (MD) van het Regionaal landschap Zuid-Hageland; Georges Wemans (GW) is de voorzitter van de geschied- en heemkundige kring van Landen; Johan De Rocker (JDR) is het diensthoofd Vrije Tijd en de cultuurbeleidscoördinator van Landen. De deelnemers participeerden in eigen naam en gingen akkoord met het vermelden van hun naam.
Ze is bezig met een aanvraagprocedure voor een landschapspark. De KU Leuven deed al hydrologisch onderzoek over de evolutie van de vallei en onderzoek over de interactie mens-vallei (met inbegrip van motten, waterlopen …). De geschied- en heemkundige kring van Landen bestaat sinds 1974. In die tijd was Landen en omstreken volgens GW nog ‘erfgoed-wasteland’. GW haalt de opgravingen van 1958 en 1981 in de Sinte-Gittervallei aan. In de Rufferdingemolen bevindt zich het heemmuseum, en de kerkruïne is ook een museum, maar de vraag is of het openhouden van musea aansluit bij de kerntaak van een heemkring. De kring heeft al 25 keer deelgenomen aan Open Monumentendag (OMD). “Het is constant schipperen. Er zijn minder medewerkers,
Afbeelding 60: Wandelwaarderen, UHasselt
MD houdt zich momenteel vooral bezig met een strategisch project voor de Getestreek. Ze ontwikkelt visie en is op zoek naar een streekidentiteit. Motten en tumuli horen daar zeker bij, maar Sinte-Gitter wordt niet zozeer vanuit dat identiteitsoogpunt bekeken.
116
de focus op onroerend erfgoed komt erbij, van de eigen collectie heeft de kring daarom al een deel weggedaan (er is geen nooddepot), en het publiek is vooral geïnteresseerd in het recente verleden en verwacht acties daarrond.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Een tijd geleden ontwikkelde JDR samen met de heemkundige kring een sterke focus op het toeristisch beleid. In het lokale cultuurbeleid (het cultuurbeleidsplan) is erfgoed een bewuste hoeksteen, met Sinte-Gitter als duidelijk speerpunt. In 2012 was er de Open Oproep via het Team Vlaams Bouwmeester voor de site van Sinte-Gitter. Nu bevindt Landen zich nog in de onderzoeksfase. Het is de bedoeling dat de hangar vervangen wordt door een andere constructie. De stad wil het neerhof en het opperhof van de motte (Tombe van Pepijn) beter accentueren. De firma Bailleul maakt deel uit van het consortium en staat in voor het ontsluiten van de site. Landen maakt afspraken met de Limburgse afdeling van het agentschap Onroerend Erfgoed, en het landschapsbeheerplan is goedgekeurd. Ook in samenwerking met de IOED (Intergemeentelijke Onroerenderfgoeddienst, met daarin vertegenwoordigd Landen, Linter, Geetbets en Zoutleeuw) staat erfgoed zeker op de agenda.
GW wil met de heem- en geschiedkundige kring tradities verderzetten, ook rond Sinte-Gitter, via jaarlijkse evenementen zoals de Geerteminne (een traditionele afscheidsdrink), spelen voor kinderen, gidsbeurten. “Er valt absoluut een verhaal te vertellen.”
Erfgoed is duidelijk een aandachtspunt in Landen en omgeving, met meerdere mensen en organisaties die zich bekommeren om een site als Sinte-Gitter. Al valt de bemerking dat de noden van bijvoorbeeld een heemkundige kring niet altijd politiek gedeeld worden.
MD haalt aan dat de link tussen natuur en erfgoed heel aantrekkelijk is: “Daar is een publiek voor, zeker hier in een groene long aan de rand van de stad, op de overgang naar de open ruimte.” MD herkent een link met welzijn. In Zoutleeuw zijn er zenwandelingen; het Warandebos in Rummen (Geetbets) is een erfgoedsite, maar dan een erfgoedsite die “stilstaat; de natuur heeft het overgenomen.” Daar zijn ook mogelijkheden om te werken rond welzijn.
Het verhaal van Sinte-Gitter speels vertellen [waar, zo blijkt uit de interviews, duidelijk vraag naar is, n.v.d.r.], zit volgens JDR mee in het dossier bij het Team Vlaams Bouwmeester. “Eigenlijk had die ontsluiting er al moeten zijn, met een applicatie, infoborden, een boekje (in samenwerking met Bailleul).” JDR is ervan overtuigd dat het deze legislatuur nog in orde komt; vanaf september 2021 komt er schot in de zaak. De nieuwe overkapping over de archeologische site komt er, al mogen voor het agentschap Onroerend Erfgoed de funderingen maar 30 cm diep gaan. Het dossier loopt daarop vast, maar volgens JDR is het toch mogelijk. De idee waarrond gedacht wordt qua overkapping is eigenlijk een verhoogd maaiveld. MD bevestigt dat er goed samengewerkt wordt. Ze verwijst naar de sterke samenwerking tussen het Regionaal Landschap (RL) en de IOED. Ook bij het RL is er de vraag naar ontsluiting (evenals in Zoutleeuw, voor een ander project), maar de beperkingen zijn niet min voor MD. Er kan gewerkt worden met kleine landschapselementen, of met virtueel materiaal voor kinderen …
Dan gaat het gesprek even over de soms moeizame verhouding tussen de eigenaar van de motte (de Regie der Gebouwen is eigenaar van de Tombe van Pepijn) en de pachter/uitbater van de winkel en kinderboerderij. De huidige hangar van de winkel zou dwars over een stuk neerhof zitten, in een grachtenstructuur. Uiteindelijk is hij geregulariseerd, maar ideaal is de situatie niet. Los daarvan, en dat zal later in het gesprek blijken, is er respect voor de dadendrang van de uitbater (bijvoorbeeld omwille van het blotevoetenpad dat hij uitwerkte) en worden er openingen genoemd om (meer) samen te werken. Grazers op het landschap zouden niet storen volgens de deelnemers aan het gesprek.
JDR bevestigt dat de Sinte-Gittersite een mooi stukje natuur is, met een link naar het oude Landen. Er is een ruiterpad uit Wallonië dat er passeert [de kerkruïne ligt in vogelvlucht op 1,3 km van de taalgrens, n.v.d.r.]. In het verblijfstoerisme, zo blijkt, speelt natuur een grote rol. Cultuur wordt door de deelnemers aan het gesprek genoemd als een “leuke meerwaarde”, als iets waar je als het ware “op botst.” Maar de stad bijvoorbeeld mist wat tools om die relatie met de natuur verder uit te bouwen. De Vlaamse overheid (of de Vlaamse Landmaatschappij, VLM) heeft onderzoek gedaan naar de fauna en flora op de site, maar geeft de data niet vrij. Dergelijke data zouden nochtans kunnen helpen om linken tussen natuur en erfgoed te leggen. “Natuurpunt heeft dan maar zelf onderzoek gedaan.” JDR is voorstander om op de Sinte-Gittersite enkele infoborden over natuur te plaatsen (i.s.m. Bailleul).
117
Veldonderzoek IN DIALOOG II MD geeft aan dat de hogere overheden te veel in hokjes denken: “Vlaanderen dwingt de steden en gemeenten om integraal te werken, de steden en gemeenten volgen, maar Vlaanderen zelf doet het minder.” Op zich is er geen discussie over ‘natuur als insteek’, maar het is niet altijd evident om zoiets uit te rollen. Er wordt nogmaals bevestigd dat het RL en de IOED al goed samenwerken, dat de heemkundige kring ondersteunt en dat ook Natuurpunt klaarstaat. Als de gespreksleider vervolgens via de insteek ‘ontstaansgeschiedenis van Landen’ polst naar gevoelens van identiteit gekoppeld aan Sinte-Gitter, dan wordt daar veelal voorzichtig op gereageerd. Er is niet veel animo om de koppeling Sinte-Gitter — identiteit heel expliciet te maken. De ontstaansgeschiedenis zou sowieso al niet zo sterk leven in Landen; het is niet of amper verwerkt in de leerstof. Er zouden lespakketten moeten zijn, wordt gezegd, maar dat is niet vanzelfsprekend. Nu komen er zelfs relatief weinig Landenaren naar het heemkundemuseum. In het kader van OMD, de editie ging over lokale architectuur, maakte de heemkring ooit een lespakket. 1.000 mensen namen lokaal deel aan OMD, maar de scholen hadden geen interesse in het lespakket. “De leraren zijn niet van hier.” MD zegt dat voor het RL hetzelfde geldt: lespakketten krijgen ze niet verkocht.
MD zegt dat in Frankrijk de figuur van Pepijn I nochtans op dezelfde hoogte staat als Karel De Grote. Maar identiteit houdt ook GW en JDR niet bezig.
“De lokale mensen zijn ook niet bezig met de geschiedenis van Landen. Er is niet echt een identiteit verbonden aan de site, enkel bij ouderen.” Het voorstel komt om een ‘gevoel van thuis’ dynamisch te bekijken, als iets dat in evolutie is. “Het zou in de handen moeten zijn van de mensen zelf die hier komen wonen.” Het onderwijs is dan wel nodig, om wortel te kunnen schieten. “Af en toe duiken de tumuli op in de lessen Latijn.” De discussie gaat over naar het fenomeen ‘taal’. “Taal is moeilijk; de juiste woorden vinden om iets over te brengen.” Maar daarom moeten we niet volledig overstag gaan “en alles inzetten op beleving.” Een site als Sinte-Gitter, dat is toch een soort consensus tijdens het gesprek, kan een aanleiding zijn om dieper te graven. “Maar het verhaal hier [met betrekking tot Pepijn] is niet uniek; desalniettemin is het mogelijk om ermee aan de slag te gaan, ook met de middeleeuwse mythevorming.” De compactheid en de overzichtelijkheid van de site worden afsluitend nog aangehaald als troeven. Er waren door Bailleul drie verhaallijnen voorzien voor de site: religie via Sint-Gertrudis, macht via de heren van Landen, en landschap/natuur. “Bailleul gaat daar sowieso op een hoog niveau mee om; die multiperspectiviteit is heel zeker te brengen hier.”
Afbeelding 61: wandelpad Landen, foto van anonieme deelnemer aan bevraging
JDR ziet wel mogelijkheden in het laten participeren van mensen via infrastructuur — “zoals het pad van boer Jos ook aanspreekt; de potentie is er.”
118
Enkele weken na het groepsgesprek in Landen is er nog een onlinegepsrek met Marijke Wouters (MW) van de IOED — zij was uitgenodigd voor het groepsgesprek maar kon toen niet deelnemen. Vóór haar job bij de IOED werkte zij voor het agentschap Onroerend Erfgoed. Zij kent de drie deelnemers aan het voorgaande gesprek goed. Zij had juist die gesprekspartners aangeraden tijdens een eerder, verkennend gesprek. Ze vult aan op een samenvatting van het groepsgesprek.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Over het aspect onderwijs zegt MW dat het wel mogelijk is om een ingang te vinden, bijvoorbeeld via de WO-katernen [wereldoriëntatie, n.v.d.r.] in het basisonderwijs. Het is dan zaak om aansluiting te vinden met wat de school in kwestie zelf al doet. Boer Jos geeft lessen aan kinderen op de site, over landbouw. MW heeft al aangeboden om daar een stukje erfgoed in te verwerken. Over de bezoekende gezinnen zegt ze dat die graag een totaalpakket hebben. Misschien kunnen er audiogidsen aangeboden worden? De heem- en geschiedkundige kring had volgens haar in de jaren 1970 tot 1990 nog een sterke invloed op alles wat met archeologie te maken heeft. Maar die sector is intussen sterk gecommercialiseerd, waardoor de heemkring zich meer is gaan focussen op immaterieel erfgoed. Via de heem- en geschiedkundige
kring was er dus, niet zo lang geleden, een stukje civic society actief betrokken op het onroerend erfgoed; er waren actieve vrijwilligers. En nu is dat omwille van verzekeringen, de werkdruk enz. onmogelijk geworden. Metaaldetectie is volgens MW de enige manier om als niet-100%-professional de “thrill” nog te voelen. Wat tijdens het groepsgesprek ook naar boven kwam, het drempelverlagend werken, via een verzorgde entourage (kinderboerderij, blotevoetenpad) is een meerwaarde volgens MW. Maar er zijn nog andere manieren. Ze verwijst naar Geert Verdickt (van de band Buurman) die tijdens een Facebook-livesessie de slag bij Neerwinden aanhaalde. Er is volgens MW nood aan dergelijk laagdrempelige verhalen. De izi.TRAVEL-app doet het volgens haar heel goed, ook bij ouderen: “Autonoom een stad of een andere plek kunnen ontdekken is heel belangrijk.”
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
well-being
figuur 13, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De zwarte lijn vertegenwoordigt de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen. De rode lijn die in de andere spindiagrammen gebaseerd is op een gevoel bij een gebouw werd achterwege gelaten in het diagram voor Landen.
gebouw omgeving
119
Reflecties dialoog II In de cases Nieuwpoort en Landen was het ‘ongefilterde appreciëren’ het uitgangspunt. Mensen werd gevraagd naar appreciaties van de omgeving, naar kwaliteiten en naar elementen die juist als storend ervaren worden. In het totaal bevroeg het team op die manier een 36-tal individuen, koppels, gezinnen en vriendengroepen. Als er bij de respondenten op dat moment, op de interviewdagen zelf, sprake was van het waarderen van erfgoed, dan gebeurde dat eerder terloops. Haast niemand van de geïnterviewden was die dag speciaal op pad om erfgoed te gaan ontdekken.
Veel elementen uit de reflectie van dialoog I komen terug in de cases Nieuwpoort en Landen: het hybride waarderen en de aanwezigheid van ‘clusters’ in het waarderen, het belang van educatieve aspecten, de vraag naar toegankelijkheid … Ter bevordering van de leesbaarheid van de reflectie over dit tweede dialoogmoment gaat de tekst eerst in op enkele (omgevings)factoren met betrekking tot het waarderen en vervolgens op het waarderen zelf. De interviews waren wat betreft Dialoog II slechts een eerste stap. De resultaten — hoewel er niet altijd veel reacties naar boven kwamen, laat staan (in Landen toch) diverse reacties — gaven aanleiding tot reflectie door de onderzoekers. Die reflectie was minstens tweeledig. De eerste stond in het teken van de volgende fase van Dialoog II, namelijk een groepsgesprek met enkele bevoorrechte getuigen. Dat groepsgesprek vertrok telkens van de resultaten van de interviews, en was opgezet als een gezamenlijke zoektocht naar sociale waarden. De tweede vorm van reflectie vond plaats op het niveau van het hele onderzoek, namelijk in dialoog met het theoretisch kader en het fenomeen van het ‘waarderen’ in een meer algemene zin. De spontane reacties uit de interviews van Dialoog II vormden de opstap voor een meer diepgaande reflectie over de relatie tussen appreciaties, het waarderen van erfgoed en erfgoedwaarden. Dat gebeurde vooral door de resultaten van de interviews te ordenen, ze trachten te begrijpen, en dan in verband te brengen met literatuur (en met de andere cases). Het gebruik van een digitale app om appreciaties te sprokkelen is niet succesvol gebleken. Het vormde een drempel. Dat lag niet zozeer aan de app zelf, want die werd zelden geopend, maar eerder aan ‘de idee app’ die op zich afschrikte. Wanneer de twijfelende voorbijgangers een alternatief voorgesteld werd, in de vorm van een traditioneel interview, gingen ze daar meestal op in. Af en toe namen vooral jonge respondenten het voorstel om de app te gebruiken toch aan.
120
FACTOREN WAARDERING Het is gebleken dat het bestuderen van sites met diverse erfgoedobjecten, of het verruimen van de blik van een gebouw (zoals Le Grand Hôtel in Nieuwpoort) naar een omgeving (zoals de zone rond de Albert I-laan) aanleiding geeft tot bepaalde inzichten over het waarderen en over sociale erfgoedwaarden. Mensen bouwen zelf sequenties of ervaren een omgeving vanuit een bepaald ‘beeld (van de stad)’, zoals Kevin Lynch dat in 1960 al beschreef in zijn boek The Image of the City. Lynch (1960) gebruikte niet zozeer de term mental map, maar sprak wel van een “mental image”, met knooppunten, paden, grenzen, landmarks en districten. Zeker de knooppunten (Het Hendrikaplein bijvoorbeeld), de paden (Albert I-laan, Zeedijk) en de landmarks (de kerk, de schildpad van Fabre) spelen in Nieuwpoort mee in de ervaring van de ruimte. Sequenties en verzamelingen van aanwezige elementen — en dus verzamelingen van appreciaties — wijzen in de richting van de bouwstenen van de sociale erfgoedwaarden. Fierheid over een omgeving — ‘identiteit’ is voor de betrokken (semi-)professionals veelal te fors als woord — , een gevoel van plaats en een betrokkenheid op die plaats, een appèl op het al dan niet collectieve geheugen, en aspecten van well-being lijken vaak uit te gaan van meerdere (erfgoed)elementen tegelijk. Nu, dat geldt voor Nieuwpoort, niet zozeer voor Landen, waar de voorbijgangers minder (of anders) geprikkeld werden door elementen in een omgeving die ‘erfgoed’ genoemd kunnen worden. In Landen zou het eerder vermelde ‘impliciete ontsluiten’ of ‘zijdelingse begeleiden naar erfgoed’ (zie de reflecties bij dialoog I) nog meer een rol kunnen spelen dan vandaag het geval is. Mensen komen voor het groen, de rust, of voor het blotevoetenpad, maar ze staan wel open voor wat zij dan zouden zien als ‘de toegevoegde laag van het erfgoed’. In het groepsgesprek in Landen werd concreet benoemd dat infrastructuur die uitnodigende en begeleidende rol op zich kan nemen. Beleving en erfgoed komen in dat visioen dicht bij elkaar te liggen. In elk geval zijn natuur, groen en rust contexten waarin een ‘begeleiden naar erfgoed’ kans op slagen heeft. In Sinte-Gitter raken een vorm van natuur- of stiltebeleving en erfgoed elkaar vandaag al, maar niet op een manier die altijd volledig recht doet aan de aanwezige erfgoedwaarden. De aanleiding is er om de connectie natuur-erfgoed inhoudelijk uit te diepen. Zowel in Landen als in Nieuwpoort spelen comfort, entourage en een omgeving met ‘beleving’ mee als factoren die bevorderlijk lijken voor het ontdekken en appreciëren van erfgoed. Een ‘compacte’ omgeving, met rustplekken en horeca, heeft blijkbaar voordelen. Voor de twee cases is het wandelen naar voren gekomen als zowat de basisomstandigheid van de appreciaties. Wellicht zal dat niet voor alle erfgoedsites zo zijn, en evenmin is wandelen voor iedereen vanzelfsprekend, maar het wandelen — of toch alleszins het trage tempo — is blijkbaar bevorderlijk voor een rijk ‘waarderen’.
121
SOCIALE WAARDEN Appreciaties die zouden kunnen wijzen op sociale waarden hebben vaak te maken met gevoelens van gemis, maar komen in evenveel gevallen ook voort uit positieve gevoelens ten aanzien van de omgeving, niet zelden gepaard met allerlei associaties. Wat betreft het gemis, valt in Nieuwpoort op dat veel respondenten het hebben over het verloren gaan van een zekere levendigheid, met cafés en dancings. Maar in dat geval gaat het om de mensen die Nieuwpoort-Bad al lang goed kennen. Ook niet-inwoners zien de schaal van het verleden verloren gaan. Nieuwe gebouwen zijn voor hen te groot, te bruut en te lomp. Oude gebouwen daarentegen zijn charmant, rijk gedetailleerd — wat wijst op een kleinere ‘korrel’ van die oude gebouwen —, elegant en gewoonweg mooier. Een schaal zegt iets over ‘ten opzichte van het menselijk lichaam’. Omgevingen worden inderdaad gelezen, gevoeld, afgetast met het hele lichaam. Het zijn niet alleen de ogen die lezen. Het blotevoetenpad van Sinte-Gitter is in feite een lichamelijke ervaring par excellence. Gebouwen met de ‘juiste’ schaal en de ‘juiste’ materialiteit (gele bakstenen bijvoorbeeld aan de kust), zo klinkt het af en toe, zouden moeten fungeren als voorbeelden voor de omgeving. Als die redenering stand houdt, dan zet een ‘lichamelijk’ appreciëren een waarderen in gang dat zelfs eindigt in een waardeoordeel. Dergelijke ‘juiste’ gebouwen voeden de omgeving en met de associaties die ze oproepen, voeden ze mogelijk narratieven van en voor die omgeving. En daar is op hetzelfde moment vraag naar, naar die narratieven. Er is vraag naar een rijke ervaring van de omgeving en dat wil zeggen dat het niet enkel bij ‘beleving’ hoeft te blijven. Inhoud en meerwaarde schijnen welkom te zijn. De fysieke omgeving bevat misschien aanleidingen om mensen uit te nodigen om het erfgoed te ontdekken, maar ook op een talig niveau of een niveau van betekenis zijn er waarschijnlijk mogelijkheden wat dat betreft. Een eerste verwerking van de interviews leert dat respondenten vragende partij zijn om meer inhoud ‘van buitenaf’, van experten die hen iets kunnen bijbrengen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan over een rijk gestoffeerde kaart ter begeleiding van een wandeling. Hoe precies die informatie aangeleverd door professionals in relatie kan treden met de mental maps van mensen die graag autonoom een omgeving ontdekken, is stof voor verder onderzoek. Voorlopig volstaat het om het potentieel van het narratief te benoemen. Een zoektocht naar ‘waarderen’ en sociale waarden zoals in Nieuwpoort en Landen sluit aan bij een verbredingsbeweging, die voor een stuk in het teken staat van ‘beleving’. Bij de (semi-)professionals is er sprake van een haat-liefdeverhouding met ‘beleving’. Als opstap naar inhoud is het meestal prima; als doel op zich wordt het ervaren als een reductie. Nu, beleving en (sociale) erfgoedwaarden kunnen heel dicht bij elkaar komen te liggen, bijvoorbeeld in het geval van well-being in groene omgevingen.
Afbeeldingen zie cases
122
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
In dialoog III Dit derde type veldonderzoek verschilt van de andere in die zin dat de onderzoeksteams reeds lopende projecten hebben in Houthalen-Helchteren (UHasselt) en centrum Leuven (Endeavour), waardoor ze reeds een netwerk, kennis en inzichten hebben ontwikkeld in relatie tot de context. Het gaat om een landschappelijke en een stedelijke case waarin diverse dynamieken gaande zijn die al in zekere zin in kaart gebracht zijn (door collega’s) binnen het onderzoeksteam.
Het gaat over cases waarbij diverse (rechtstreekse en onrechtstreekse; professionele en semi-professionele) stakeholders en burgers betrokken zijn, vanuit heel diverse invalshoeken zoals natuur, jeugd, cultuur, ruimtelijke ordening, het bedrijfsleven … De klemtoon ligt op het beschouwende. Dialoog III tracht sociale waarden te formuleren, samen met de stakeholders. Anders dan in Dialoog I en II staan niet de spontane reacties en appreciaties centraal.
123
Veldonderzoek IN DIALOOG III
CASE
HouthalenHelchteren,
Afbeelding 62: de mijnschachten in Houthalen-Helchteren
“Er is niet veel meer over ... Er zijn twee schachtbokken, er is een mijngebouw waar start-ups in zitten en waar men werkt rond afval en recyclage.”
124
Afbeelding 63: Luchtfoto omgeving, Google Earth
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen HOUTHALEN-HELCHTEREN NATUUR EN BEDRIJVENTERREINEN AANPAK In deze casestudy zitten diverse methodes vervat. Dat is mogelijk omdat de case deel uitmaakt van het ruimere onderzoek rond de Noord-Zuidverbinding in Limburg (NZL), een complex project waarin de UHasselt betrokken is als projectpartner. Voor de UHasselt is Houthalen-Helchteren al een tijd een belangrijke focus met betrekking tot NZL. In de ruimere casestudy kwamen de volgende, voor het onderzoek naar de sociale waarden relevante, methodes aan bod: lange interviews met stakeholders, korte interviews met omwonenden en bezoekers, ontwerpend onderzoek (met een ontwerpworkshop met studenten) en een (online) participatieve workshop met stakeholders die gebruik maakte van een kaart, fragmenten uit de interviews, discussievragen en een waardenrooster. Voor dit onderzoek naar de sociale waarden werden hieronder eerst fragmenten verzameld van de interviews die plaatsvonden binnen het kader van NZL. De participatieve workshop werd speciaal voor het onderzoek naar de sociale waarden uitgevoerd, maar diende tegelijkertijd het ruimere onderzoek. Het ontwerpend onderzoek komt hieronder niet expliciet aan bod. Het opzet van de case is vergelijkbaar met dat van de cases in Nieuwpoort en Landen, met dat verschil dat voor Houthalen-Helchteren geen (extra) straatinterviews plaatsvonden omdat de onderzoekers konden terugvallen op de datacollectie van NZL. De workshop met stakeholders was qua opzet gelijkaardig aan de workshops in Nieuwpoort en Landen.
Wie Diverse stakeholders werden al betrokken via interviews, wandelingen en (andere) workshops. Door de langlopende ervaring in NZL was het mogelijk om enerzijds data aan te brengen afkomstig van ruimtelijk planners, actoren die zich bekommeren om duurzaam-
heid, jeugdwerkers, ondernemers, lokale erfgoeddeskundigen, en anderzijds om bepaalde van die actoren aan te spreken voor een workshop specifiek over sociale erfgoedwaarden. Los daarvan was er doorheen NZL veel contact met omwonenden van diverse generaties die geregeld in het landschap vertoeven. In samenwerking met de Stichting Jos Tysmans, een organisatie die het werk van kunstschilder Jos Tysmans (1893-1974) inventariseert en ontsluit, was er interactie met omwonenden door middel van een erfgoedwandeling. Via de workshop over sociale waarden was het mogelijk om de eerdere bevindingen af te toetsen en te bediscussiëren, en om de inzichten uit te breiden.
Wat Het gaat over een gebied waar industrieel erfgoed aanwezig is, en natuurgebieden. De steenkoolmijn van Houthalen omvat naast het beschermde hoofdgebouw, de schachtbokken die beide zijn beschermd, en de mijn zelf nog een vijftal erfgoedobjecten (de drukkerij, werkhuizen, een hotel, de beschermde mijnwerkersschool en een energiestation). De ‘oude cité’ die een stuk naar het noorden ligt en de cité van Meulenberg die 1,5 km naar het oosten ligt, vallen buiten het gebied van deze case, dat zich uitstrekt tussen de steenkoolmijn van Houthalen en de steenkoolmijn van Zolder in het westen. De focus ligt op objecten en gebieden op het grondgebied van Houthalen-Helchteren, zoals daar verder zijn: het Hôtel de l’Industrie, enkele bijzondere dorpswoningen en hoeves, het kolenspoor, de voormalige terril van Houthalen, ‘Het kanaalke’ ... De workshop vertrok van drie specifieke locaties tussen De Schacht (Heusden-Zolder) en Greenville (Houthalen-Helchteren): het pomphuis aan de Laambroekvijvers, de vlakgemaake terril van Houthalen en de schachtbokken van de mijn van Houthalen. Het zijn locaties die in de eerdere interviews vermeld werden door de respondenten. Over die plekken ontstond tijdens de workshop een collectieve reflectie over sociale
125
Veldonderzoek IN DIALOOG III waarden. Een belangrijk doel was om door de inbreng van diverse stakeholders enkele perspectieven op die plekken met elkaar te confronteren.
Activiteiten In de besproken zone van erfgoed, natuur en industrie die aansluit op woongebied en die vlakbij belangrijke verkeersassen ligt, komen verschillende menselijke activiteiten voor. Omwonenden genieten er van hun wandeling of fietstocht, geïnteresseerden bezoeken de mijngebouwen, en jongeren gaan op zoek naar plekken om samen te komen. Ruimtelijke planners kijken naar het potentieel van de zone — niet in het minst ter ondersteuning van de economie — en naar de landschapswaarden; ze zoeken naar functionele en recreatieve connecties tussen plekken die nu verspreid liggen. Lokale erfgoedliefhebbers zien mogelijkheden voor participatie en engagement; ze herkennen
kansen om de jeugd iets bij te brengen over het verleden. Actoren die zich bekommeren om duurzaamheid pleiten vooral voor het belang en behoud van de biodiversiteit, die ze ook zien als een vorm van erfgoed omdat het mijnverleden er rechtstreeks mee te maken heeft. Voor jeugdwerkers maakt het landschap deel uit van de dagelijkse activiteiten en praktijken van hun doelpubliek, omdat jongeren ook in het landschap samenkomen, niet alleen ‘in de wijk’. Zodoende zien ze (kiemen van) een sociale waarde in de mogelijke connecties tussen de activiteiten van jongeren en de lokale geschiedenis. Vooral het hoofdgebouw van de mijn en de schachttorens, de vlakgemaakte terril en het pomphuis aan de Laambroekvijvers komen aan bod als het gaat over de locatie van de bovengenoemde activiteiten, maar niet alleen die drie plekken. Ook de Mangelbeekvallei wordt genoemd.
APPRECIATIES EN WAARDERING Dit deel geeft telkens eerst enkele fragmenten uit interviews weer. De fragmenten zijn thematisch geordend. Daarna volgt voor elk thema een korte reflectie, als een opstap naar de groepssessie waarop de tekst later ingaat. Enkele respondenten komen terug in het groepsgesprek.
kan worden.” Maar ook de relatie met het mijnerfgoed verdient aandacht volgens MM, zoals “Greenville, het voormalige mijngebied met de schachtbokken.” “Er is nog werk aan dat gebied maar het is interessant om daar de koppeling te leggen. In het gebouw van Greenville is er ook een tentoonstelling.”
Gebruikswaarde
Enkele studenten van de LUCA School of Arts (3 bachelor Product Design) hebben het erover dat er ruimte voor jeugd ontbreekt in het gebied. “Er is een gebrek aan veiligheid.” [De studenten onderzochten de mogelijkheden van participatie in relatie tot het ontwerpen voor erfgoedsites, met als doel het creëren van een gevoel van eigenaarschap. Ze keken naar hoe erfgoed op nieuwe manieren in gebruik genomen kan worden voor jongeren, met jeugdcultuur als een wijze van interactie met erfgoed. In hun projecten werd erfgoed besproken als iets om nieuw leven in te blazen, als hergebruik (en als gemiste kans).]
KC (stedenbouwkundig ambtenaar) bespreekt HeusdenZolder als voormalige mijngemeente, “met niet alleen de mijnsites, maar ook de mijncités, het station, oud clubhuis, de technische infrastructuren zoals de bufferbekkens en de recreatieve infrastructuur zoals het Helzoldstadion.” MM (ontwerpster) haakt in op de wandeling die in het kader van het ruimere onderzoek georganiseerd werd. “Als ik terugdenk aan het feit dat zo’n wandeling of route ook interessant kan zijn voor de medewerkers en de mensen die op het bedrijventerrein werken, dan is het misschien ook wel interessant om dat wat op te laden met een picknicktafel of een fit-o-meter ofzo …” Ze ziet dat “vooral aan de westkant in het natuurgebied, waar eigenlijk nu al een heel mooi stuk ligt waar gewandeld
126
BA van jeugdorganisatie Arktos zegt dat de jeugd in Houthalen behoefte heeft aan meer ruimte voor sociale interactie. “Het pomphuis en de Laambroekvijvers — daar komen wel veel jongeren. Het is een bekend gebied [bij de jeugd, n.v.d.r.] maar het zijn vooral de jongvol-
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen wassenen die daar komen.” Hij heeft het meer over de 20-plussers. “Je hebt jongeren die helemaal niet graag picknicken, maar zij die dat wel graag doen, zoeken een rustig gebiedje op en dan doen ze dat meestal daar.” Arne (A van het lokale jeugdhuis) brengt “de nieuwe ruimtes achter de torens” ter sprake. “Er is groen maar er wordt niks mee gedaan. Er zijn mooie paden en er is nog een mooie groene zone bij de nieuwe bedrijven.” Hij vraagt aandacht voor de omgeving omdat er niets te beleven valt voor kinderen en jongeren. “Een speeltuin, de omgeving opladen zodat er iets te doen is”, dat zou helpen volgens A. “Nu kan je er alleen wandelen.” Ook een skatepark kan soelaas brengen volgens hem. “Ik hoor jongeren klagen dat er een skatepark in Houthalen moet komen.” Ondernemer WP vertelt: “Er is niet veel meer over ... Er zijn twee schachtbokken, er is een mijngebouw waar start-ups in zitten en waar men werkt rond afval en recyclage. En dan heb je nog het pomphuis en ‘het kanaaltje’. Dat [het kanaaltje] is een uniek ding. Men heeft er in de jaren twintig van de vorige eeuw een proefproject van gemaakt om een stukje kanaal te graven om Genk met Beringen te verbinden. Men is eigenlijk heel snel van dat plan teruggekomen omdat de ondergrond niet goed was en men veel te veel sluizen moest aanleggen. [Verderop] staat een pomphuis.” WP verwijst vervolgens naar vissers die gebruikmaken van het stukje kanaal. Hij zegt dat die plek “complementair” is aan de Laambroekvijvers. “Als we gaan wandelen is het ofwel aan de Laambroekvijvers ofwel aan het kanaaltje.” Tijdens de interviews werd het historische landschap met haar erfgoedsites beschreven als vooral gebruikt voor recreatie en ontmoeting. De planners keken vooruit en zagen bijvoorbeeld connecties met toekomstige bedrijvigheid — in feite ook omwille van mogelijkheden op het vlak van recreatie en interactie. Maar ook jonge mensen worden genoemd als het gaat over de toekomst, bijvoorbeeld met betrekking tot de zone rond de schachtbokken van Houthalen, waar er ruimte is voor ontmoeting en andere activiteiten voor jongeren, in een historisch kader dus. Ten slotte zagen meerdere respondenten de erfgoedsites in de omgeving als gemiste kansen, omdat er zo veel mogelijkheden zijn op het vlak van gebruik, maar de infrastructuur en het
programma ontbreken (evenals het onderhoud vandaag, wat het lastig maakt om die sites op korte termijn te kunnen inschakelen). Op die manier is eigenlijk het immateriële erfgoed van de mijnen meer ‘ontvankelijk’ en toegankelijk voor aspecten van gebruik.
Zintuiglijke ervaring M van Tractebel kijkt vooruit, naar plannen voor vooral het industriegebied, en naar het potentieel dat uitgaat van het wandelen om een zachte laag toe te voegen aan die zone.
“De wandeling wordt verrijkt met ontmoetingsplaatsen, vooral voor de werknemers van het bedrijventerrein. Zo krijgen deze een aangename omgeving en kunnen ze de benen strekken tijdens de pauzes op het werk.” WP haakt daarop in. “Ik zou [vandaag] een dergelijke wandeling nooit doen, omdat ze gewoon niet mooi is. Het blijft wandelen langs bedrijfsgebouwen en langs een drukke weg. Het is wandelen langs een fietspad zonder dat er een voetpad is.” Hij benoemt het bedrijventerrein als “verwaarloosd”. “Het is aangelegd in de jaren 1970 toen ze de terril vlak gemaakt hebben.” De wegen zouden volgens WP heel bruut over het terrein getrokken zijn en daarna zou er “nooit iets gedaan zijn”. Hij vervolgt, over de fietspaden: “Je moet al bijna een mountainbike hebben om erover te kunnen rijden”. De werknemers van de bedrijven komen volgens WP allemaal met de auto. “De voetganger staat helemaal op de derde plaats [na de fietsers].” KC zegt over een landinrichtingsproject Mijn Mangelbeek dat het niet alleen gaat over trage wegen, maar ook over ‘beleving’. “De beleving krijgt een extra boost met de komst van een groot uitkijkplatform aan de bufferbekkens waar bezoekers kunnen zien welke impact het mijnverleden heeft gehad op het landschap.”
127
Veldonderzoek IN DIALOOG III
128
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 64: de mijnschachten van Houthalen-Helchteren, UHasselt
129
Veldonderzoek IN DIALOOG III Erfgoed werd besproken als ‘schoonheid’ en ‘esthetische ervaring’, maar dan vooral in relatie tot het gebrek aan praktische en functionele ondersteuning van een dergelijke ervaring. Dat werd met name beschreven als een uitdaging, vanwege problemen met toegankelijkheid en de noodzakelijke infrastructuur die bewoners, werknemers en bezoekers misten. Omwille van dat laatste zouden er namelijk minder mogelijkheden zijn om te interageren met, te bewegen door, en te genieten van de historische en natuurlijke omgeving. Eén opportuniteit die werd genoemd om die uitdagingen aan te pakken, is die van de trage wegen: wandelen fietspaden die, hoewel ingegeven door functionele eisen, een zintuiglijke ervaring kunnen activeren.
Gevoel van samenhorigheid en verbondenheid en gevoel van plaats, in relatie tot educatieve waarde Volgens MR van de Stichting Jos Tysmans hebben vooral jongeren en mensen van een andere culturele achtergrond vaak een beperkte relatie met het historische landschap in Houthalen-Helchteren. “Hoe kunnen we weer die relatie creëren via wandelingen?” Via een tentoonstelling over Jos Tysmans leren jongeren de historisch-landschappelijke en industriële context kennen, evenals de manier waarop de landschappelijke en industriële context tot vandaag geëvolueerd is. Als jongeren naar het landschap kijken, dan komen er volgens MR bijzondere elementen naar boven: “moestuintjes”, “autotuningplekken” enz. “De scholen kunnen actief werken rond het erfgoedlandschap. De werken van Tysmans kunnen jongeren in de omliggende scholen inspireren om de specifieke context van de mijnregio met zijn schilderijen in het achterhoofd te verkennen en zo nieuwe routes, wegen, landschapselementen en erfgoedelementen te ontdekken.” BA zegt over de schachttorens: “Ik vind het mooi. Het straalt uit dat het een mijngemeente is. Het is jammer dat er voorlopig nog niets mee gedaan is.” BA zou graag zien dat er iets gecreëerd wordt aan de schatbokken, “zoals een ontmoetingsplek, al zijn het maar bankjes of een picknicktafel ... Gewoon iets met een aantrekking.” Hij zou een plek om te “denken aan de oude tijd van de mijn” appreciëren.
130
De schachtbokken ziet hij als het vertrekpunt van allerlei verhalen: “Het is leuk om daar een verhaal mee te maken.” AM (studente LUCA School of Arts) vertelt over de zone van de schachtbokken: “Toen we er aankwamen wilden we direct een feestje geven en hadden we ideeën voor een zomerbar met een dj tussen de twee schachten ... Ik denk dat er inderdaad nood is aan een doel: een voetbalkooi of een zomerbar of een evenementenplein.” Dat is voor haar een manier om het mijnverleden te tonen. H (eveneens van LUCA): “Vanuit de bibliotheek wordt er een soort zoekwandeling georganiseerd voor kinderen. Dat is al een goed initiatief om de site terug tot leven te brengen.” In de interviews kwam, in relatie tot jongeren, vaak aan bod dat voor mensen met een migratieachtergrond erfgoed een gemeenschappelijk iets kan zijn, van waaruit gezamenlijke interesses en gemene geschiedenissen verkend kunnen worden. Voor veel deelnemers is het landschap van het beschouwde gebied een plaats waar jonge mensen in relatie kunnen komen met het verleden. Dat hoeft niet noodzakelijk via expliciete erfgoedprojecten, maar kan ook door de dagelijkse activiteiten en praktijken die in dat landschap plaatsvinden. Zo kunnen jongeren ‘zijdelings’ iets leren over een geschiedenis die hen ook meer met elkaar kan verbinden. Zeker de schachtbokken werden in dat verband genoemd, als brandpunten voor een lokale identiteit op basis van plaats, en als mogelijkheden om een gevoel van verbondenheid te stimuleren.
Zorg, welbevinden en duurzaamheid GF van de Limburgse Milieukoepel benadrukt dat de natuurgebieden die de Milieukoepel wil beschermen uniek zijn “omdat ze nog zeldzaam heidelandschap en beekvalleien bevatten. Elders is dat stilaan aan het verdwijnen”. De Milieukoepel protesteerde decennia geleden tegen gewestplannen waarop nieuwe wegeninfrastructuur aangebracht was. Die wegen zouden veel openbare ruimte in beslag namen en door een aantal natuurgebieden gaan. “Vooral de Mangelbeekvallei, Laambeekvallei en Zwarte-Beekvallei en de heidegebieden tot Leopoldsburg” noemt GF “erg belangrijk habitatgebied.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen WP deelt mee dat in Houthalen “alles wat erfgoed is, uitgewist is op een zeer grondige manier”. “En er is dan een bedrijfsterrein gekomen. Het verleden is grotendeels uitgewist …” De huidige toestand keurt hij af en wat betreft de toekomst is hij niet optimistisch. “Ik heb gepraat met de mensen van natuurverenigingen en die zijn zeer ongelukkig met de plannen die voorliggen om het pomphuis op te waarderen tot een waterbar. De reden is dat naast het pomphuis er een aantal gangen liggen en daar zit een geweldige vleermuiskolonie in. Hun opmerking was, en ik kan dat volgen: er moet altijd meer mogelijkheid zijn tot recreatie. Maar het is nog altijd in een natuurgebied. Een vleermuizenpopulatie is een bedreigde populatie, dus als men ooit van zin is om dat uit te bouwen [het pomphuis], dan gaan er een hoop mensen niet gelukkig zijn …” WP benoemt vervolgens de terril als “speciaal” natuurgebied. “Omdat dat [natuurgebied] op stukken van een flank van een terril ligt, is er een soort van microklimaat tegen die helling ontstaan, waarvan sommige mensen zeggen dat er speciale paddenstoelen zijn die ergens anders niet voorkomen.” G, Al & C (LUCA-studenten): “Dat de bewoners van het gebied niet erg gecharmeerd waren door op toerisme gerichte ideeën, leerden we toen we het over het bosgebied hadden. Het plein met de mijntorens was minder een probleem [met betrekking tot toeristische ideeën]. De meeste mensen die we spraken, waren erg blij met het kleine beboste natuurgebied waar vroeger het pomphuis stond [het gebouwtje staat er nog altijd, maar is uit dienst, n.v.d.r.]. Deze plek wordt weer ingenomen door de natuur, en dat is een goede zaak, zeiden ze. Dit gebied zou volgens die mensen het meeste geschikt zijn voor de lokale bevolking, niet zozeer voor het toerisme.” Wandelaar Erfgoeddag: “Een klein stukje natuur tussen autosnelweg, industrie en treinspoor, zonder omgevingslawaai, dat geeft een aangename omgeving.”
WP: “Ik vrees dat het mijnverleden in Houthalen niet meer leeft, doordat ze het zo grondig hebben gewist — misschien nog bij een paar mensen die er vroeger gewerkt hebben …” Hij haalt vervolgens een situatie aan van een bedrijf gevestigd “op zo’n meter of 100” van de schachtbokken dat de toestemming krijgt om een grote parking in asfalt aan te leggen op het voormalige mijnterrein. “Dat doe je toch niet?” Wat betreft aspecten van zorg, welbevinden en duurzaamheid gaat het vooral over erfgoed dat ervaren wordt als bedreigd en over erfgoed in relatie tot natuurwaarden (bijvoorbeeld het pomphuis in de natuurlijke omgeving, of de unieke biodiversiteit van de terril). Veel van de inhoud komt terug in het online groepsgesprek.
Erfgoed als platform voor participatie MR zegt over de Stichting Jos Tysmans: “De vzw streeft in al zijn projecten naar een participatief opzet met alle stakeholders in functie van het thema van het project ... Het huidige project van de Stichting draait rond ‘bedrijvigheid in het landschap van Jos Tysmans’.” NR, ambtenaar ondernemen: “Rond De Schacht hebben we een multiculturele gemeenschap die heel ondernemend is. Kan daar plek voor zijn? Hoever kunnen we gaan in verweving met omliggende functies?”
Authenticiteit en nostalgie MR benadrukt nog “het voormalig hoogste punt van Houthalen”, iets dat volgens hem niemand nog kent. “Het oude stort is weg ... en het hoogste punt van Houthalen ligt eigenlijk op het kruispunt van enkele industriewegen.”
131
Veldonderzoek IN DIALOOG III ONLINESESSIE Het opzet van de sessie was gelijkaardig aan dat van de sessies van Dialoog II. Praktisch verliep het zoals de workshop over Nieuwpoort, door als groep stil te blijven staan bij enkele plekken die tijdens de interviews aangeduid werden, aangeduid op een (virtuele — via het programma MIRO) kaart en verbeeld met foto’s. Voor Houthalen lag de focus op het pomphuis, de terril en de schachtbokken. De drie deelnemers aan het gesprek kwamen hierboven al aan het woord. De uitspraken hierboven dateren van voor het groepsgesprek en werden apart van elkaar opgetekend. Marthe Moris (MM) werkt rond duurzame bedrijventerreinen, ook in de mijnstreek, en met aandacht voor erfgoed. Gust Feyen (GF) is een pionier inzake natuurbescherming. De link erfgoed-natuur is hem niet vreemd; het kan elkaar versterken of bestrijden volgens hem. Naast MM, GF en Katrien Coenegrachts (KC) waren Mark Roekaerts, Bader Aalji (BA) van de jongerenwerking Arktos, de actieve jongeman YP, betrokken bij het lokale jeugdhuis en aangebracht door BA, en twee ondernemers met een migratieachtergrond (aangebracht door KC) uitgenodigd. Uiteindelijk namen enkel MM, GF en KC deel. YP kampte met een zwakke internetverbinding en viel voortdurend weg. De deelnemers participeren in eigen naam en gaan akkoord met het vermelden van hun naam. KC: “een gedeeld verleden helpt om raakvlakken [tussen mensen, n.v.d.r.] te vinden; er is altijd wel interesse in de geschiedenis van de plek of de geschiedenis van ouders of grootouders.” Over het pomphuis zegt GF dat dat volgens het gewestplan in natuurgebied ligt. Maar er is verstoring door de vlakbij gelegen verbrandingsoven. Recreatie daar kan inderdaad gevaarlijk zijn, omdat het inderdaad de vleermuispopulatie kan verstoren; er zijn voldoende mogelijkheden elders voor recreatie. “Destijds was er geen ruimtelijke ordening, geen visie, geen planning (met de opstart van de mijnen), dus we moeten niet alles aanvaarden wat er toen gebeurd is (of gebouwd).” Ook KC is voorstander van het meer opladen van bestaande ruimtes (rond De Schacht en cultuurcentrum De Muze in Heusden-Zolder bijvoorbeeld) dan van het ontwikkelen van een erfgoedplek als het pomphuis die
132
in een natuurgebied ligt. “Een wandellus rond het kanaaltje zou kunnen. Het zou goed zijn om het op heel zachte recreatie te houden.” MM haalt aan dat het hele gebied in staat is om een zekere identiteit te verschaffen. Een gebouw heeft onderhoud nodig, voegt ze eraan toe, doelend op het pomphuis.
“Op een bepaald moment gaat het verdwijnen — is dat dan wat we willen? Of hoe willen we ermee omgaan?” De consensus is dat het natuurgebied veel waarde heeft en het pomphuis een beperkte waarde. Er staan mooie, oude bomen en die hebben ook een waarde. De schachtbokken zijn — zeker wat betreft identiteit — veel belangrijker. Veel mensen kennen het pomphuis niet. GF voegt nog toe dat het beter onderhouden van het pomphuis zeker kan. “Maar we moeten er geen reclame voor gaan maken, en het niet attractiever maken dan het is.” Het agentschap Natuur en Bos wordt genoemd als mogelijke, zelfs “natuurlijke”, partner, en “erfgoed” als eventuele tweede partner. Wat betreft een mogelijke drager van het geheugen is het kolenspoor vlakbij: dat is echt “mijnverleden” eerder dan natuur, zeker omwille van de verbinding met de verschillende mijnsites. MM: “Het mijnverleden wordt steeds collectiever“ (hoe langer de mijnen gesloten gaan zijn, hoe collectiever). Voor het bedrijventerrein aan De Schacht (de voormalige mijn van Zolder) speelt volgens MM de mijngeschiedenis wel mee met betrekking tot de vestiging van bedrijven daar, omdat de mijngebouwen er nog heel herkenbaar zijn, maar zo sterk is de relatie wellicht niet. Bedrijven bekijken het functioneel volgens KC, al zijn er uitzonderingen. Voor een gevoel van identiteit kunnen ze volgens KC wel gevoelig zijn. Ze geeft nog mee dat een goede samenwerking met bedrijven heel wenselijk is, bijvoorbeeld in verband met groenonderhoud en onderhoud van het publiek domein. “Het mijnverleden kan helpen om bedrijven zich deel te laten voelen van een gemeenschap.”, zegt KC. “Werknemers kunnen ‘s middags even gaan wandelen in een mooie omgeving.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen De vlak gemaakte terril van Houthalen — tevens een link naar het mijnverleden — staat aan de randen nog altijd garant voor een microklimaat, met speciale vegetatie als gevolg. Omdat er niets gebeurd is op die hellingen, is de plantengroei en dierenrijkdom gunstig, maar ook die hebben een zeker onderhoud nodig. Vervolgens komt de site aan de schachtbokken van Houthalen aan bod: het voormalige mijnterrein (de mijnzetel, destijds ook de hoofdzetel van de KS of de NV Kempense Steenkoolmijnen, heet nu Greenville). Tijdens eerdere interviews kwam al naar boven dat dat een goede plek zou zijn om dingen voor de jeugd te organiseren, want er is daar ruimte. Er is echter een woonproject gepland op die site (aan de zijde van het nieuwe gemeentehuis), maar vandaag is de zone direct rond de schachtbokken nog afgezet met hekken omdat er soms brokstukken naar beneden vallen. De deelnemers aan het gesprek zijn het erover eens dat als er iets is dat bijdraagt aan een gevoel van identiteit, het wel de schachtbokken zijn. Onderhoud is trouwens mogelijk en nodig, en dan is de ruimte errond bruikbaar voor vanalles en nog wat (recreatie …). KC: “In een vage en veranderlijke omgeving vormen de schachtbokken een landmark, ze zorgen voor ‘herkenning’. Met betrekking tot het mijnverleden zijn ze wellicht het belangrijkste herkenningspunt.” Ze laten toe dat het geheugen erop geënt wordt. KC: “Waarom geen skybar ontwikkelen in de lifttorens?” [die plannen bestonden blijkbaar al eerder, n.v.d.r.]. “Elementen van herkenning”, “een vorm van houvast”: het draagt volgens KC bij aan een gevoel van well-being. Op het symbolisch-associatieve niveau spelen de schachtbokken ook.
Toch ligt volgens KC de klemtoon wat erfgoed betreft soms te veel op gebouwen. “De enorme impact op het landschap vanuit de mijnen, met het kolenspoor, de bufferbekkens, de stations, de mijnverzakkingen …” vormt voor haar nog meer een reden om het over sociale waarden te hebben. En dat is zeker een aanleiding om die impact in ruimtelijke plannen terug te laten komen op de ene of de andere manier. GF gaat daarop verder: “het tramspoor, het klein kanaalke … vaak zijn die dingen te linken aan de mijnen, maar niet altijd.” KC legt nog een link met de specifieke demografie van de streek. In Heusden-Zolder bijvoorbeeld wonen heel veel mensen van Turkse afkomst. Er zijn ook veel ondernemers met een migratieachtergrond, maar (algemeen) in Heusden-Zolder en Houthalen-Helchteren wonen heel veel laaggeschoolden. De huidige generaties (twintigers, dertigers, veertigers) kijken niet noodzakelijk met veel nostalgie naar de mijnen; het is niet altijd iets louter positiefs voor hen. KC wijst op het gevaar van een “blanke-middenklasseblik” op het fenomeen van de mijnen. “Onder mensen met een migratieachtergrond speelt de (erfgoed)toeristische insteek die ‘wij’ cultiveren veel minder.” Maar jongeren moeten die ruimte volgens haar ook wel kunnen gebruiken (en in tweede instantie misschien het erfgoed ontdekken). MM sluit af met een reflectie over erfgoed. “Zonder de mijnen had Midden-Limburg er helemaal anders uitgezien. Het multiculturele aspect is ook ontstaan vanuit de mijnen. Dát is de echte erfenis van de mijnen. Het multiculturele is ook een evidentie voor jongeren.” Voor de streek is immaterieel erfgoed — eten onder andere — ontzettend belangrijk, ook daar is consensus over.
133
Veldonderzoek IN DIALOOG III
Afbeelding 65: Luchtfoto omgeving, Google Earth
134
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
SPINDIAGRAM zintuigelijk spiritualiteit
educatie
identiteit
thuisgevoel
samenhorigheid ts mensen
herinnering
sense of place
pomphuis schachtblokken omgeving
well-being
figuur 14, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour
Dit diagram werd na de verwerking van de interviews door de onderzoekers opgesteld. Dit is dus niet op feiten gebaseerd maar op een aanvoelen. De rode lijn geeft de waarden aan die met gebouwen samenhangen, de zwarte de waarden die met de gebouwde omgeving samenhangen. Wat betreft de gebouwen is er een apart diagram voor het pomphuis en voor de schachtbokken.
135
Veldonderzoek IN DIALOOG III CASE
Leuven
Afbeelding 66: grote markt
Afbeelding 67: Stadhuis Leuven
“Het stadhuis moet echt hét vertrekpunt worden voor iedereen die de stad beter wilt leren kennen, voor de bezoeker én de Leuvenaar”
Afbeelding 68: Luchtfoto omgeving, Google Earth
136
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen LEUVEN Endeavour begeleidt voor stad Leuven, van 2020 tot 2024, het transitietraject van Stadhuis naar ‘huis van de stad’. Binnen dit traject bouwen we op bestaande sociale waarden en definiëren we welke sociale waarden het stadhuis wil creëren voor de Leuvenaars in de toekomst aan de hand van een nieuwe invulling als ‘huis van de stad’. Tijdens de ontwerpfase en ontwikkelingsfase, zal het gebouw geactiveerd worden met tijdelijke acties. Hierdoor kan het programma al getest worden en mensen ook betrokken blijven bij de transformatie die meerdere jaren zal duren. Er werden vanuit deze opdracht meerdere workshops georganiseerd om tot een gedeeld ambitiekader te komen en acties uit te stippelen voor de tijdelijke activatie. Omdat dit traject een voorbeeld is van hoe sociale waarden kunnen worden meegenomen in een transformatietraject zagen we een opportuniteit om de studies aan elkaar te koppelen. Samen met het agentschap beslisten we echter om de trajecten niet met elkaar te verweven maar naar elkaar te verwijzen en kennis uit te wisselen.
AANPAK We organiseerden een rondetafelgesprek met burgerexperten. Met burgerexperten doelen we op burgers die vanuit hun passie expert zijn geworden in een bepaald topic maar hier op vrijwillige basis mee bezig zijn. Omdat dit moment valt in de laatste fase van de studie en we de overige bevragingen met burgers en voorbijgangers achter de rug hebben, bood dit moment een kans om ook een stem te horen die beide kanten van het verhaal omvat. Die van de leek en de expert. Het doel was dus om een reflectie te krijgen
op de waardentoekenning van burgers t.o.v. onroerend erfgoed vanuit hun kennis, werking, aanpak en leefwereld. Zo vormt, voor ons, dit gesprek de ideale brug tussen de inzichten die we opdeden met de korte bevragingen met burgers en het formuleren van conclusies/ aanbevelingen. Het werd een gesprek waarin diverse topics werden aangehaald: van verdwaalde toeristen, de stad en haar schaduwburgemeester, tot de nood aan dagdagelijks erfgoed en de potentie van publieke ruimte en events om mensen te betrekken bij erfgoed.
137
Veldonderzoek IN DIALOOG III SITUATIESCHETS We spraken af aan het stadhuis in Leuven, een ideale locatie voor een gesprek over de gedeelde passie: erfgoed dichter bij mensen brengen. Terwijl we wachten op Ramon blijken we te midden van een trouw te zijn beland. We wijken uit naar een terras met uitzicht over het plein. “De Sultan van Oman heeft hier nog gelogeerd, duidelijk een man met goede smaak”. — Ramon Kenis (RK) is 72 jaar en is oorspronkelijk van Bolderberg in Limburg. Voor zijn studies architectuur verhuisde hij ettelijke jaren geleden naar Leuven, waar hij altijd is blijven wonen. Momenteel kan hij zijn passie voor gebouwen en geschiedenis inzetten als voorzitter van Het Leuvens Historisch Genootschap.
— Michel Van Vlasselaer (MV) is 70 jaar. Hij volgde in zijn jongere jaren een opleiding in de publiciteit. Vandaag werkt hij als vrijwilliger in Het Stuk, in de universitaire bibliotheek en werkt hij samen met Ramon op de visualisatie van het historisch centrum Leuven binnen Het Leuvens Historisch Genootschap. Michel is na de studies beland in Leuven, maar hij is reeds sinds zijn jeugdjaren bekend met de stad. — Vincent Stockx (VS) is 32 jaar. Hij is geschiedkundige en combineert gidsen bij Leuven Leisure met zijn werk als leerkracht geschiedenis in Aarschot. Hij geeft ook opleiding aan de gidsenopleiding CBO. Daar focust hij op hoe je toeristen met diverse culturele achtergronden laat kennismaken met Vlaams erfgoed. Hij is sinds zijn jeugdjaren gekend met de stad.
IN GESPREK Met de blik op het plein zien we hoe de laatste huwelijksgasten plaats maken voor enthousiaste toeristen met selfiesticks. Dit geeft een directe aanleiding om het gesprek te starten met een korte reflectie over de omkadering van erfgoed voor verschillende types van bezoekers.
Teleurgestelde toeristen
VS: “Leuven als cultuur- en kunsthistorische toeristische bestemming scoort hogere ogen in het buitenland, in het bijzonder Spanje, de VS en Nederland, dan in Vlaanderen. Dit om uiteenlopende redenen. In het geval van Spanje is dat de ‘Habsburgse connectie’, in het geval van de VS de media bekendheid die de stad kreeg als slachtoffer van de Duitse oorlogsagressie. Ze combineren Leuven met een bezoek aan Brussel, Gent of een andere stad, wat maakt dat ze maar een paar uur hebben om de stad te ontdekken.”
138
MV: “De stad Leuven heeft enorm veel te bieden, maar wat ontbreekt is een goede aanpak. Een bezoek van (buitenlandse) toeristen aan Leuven kan vandaag makkelijk op een halve teleurstelling uitlopen.” “De eerste bestemming voor toeristen is vaak het stadhuis. Het stadhuis blijkt echter vaak gesloten en er is dus in de huidige situatie ook niets te beleven. Vervolgens steken ze over naar de kerk, het ticket van de kerk is ook geldig voor museum M. Ik ben vrijwilliger bij museum M dus ik vang regelmatig dit type van bezoekers op. Ze vragen me dan wat ze nog kunnen bezichtigen in de stad. Het begijnhof, of de Abdij van Park, maar dit is vaak nét iets te ver van het centrum. Het begijnhof is een goed voorbeeld van een plek met potentie in de stad. Het is er prachtig, maar doods. Momenteel is er geen kader waarbinnen toeristen ontvangen worden. Er is nood aan meer begeleiding en een plek waar je even kan rusten, iets drinken en de omgeving in je opnemen.” RK: “Ja wat je zegt klopt, en geldt voor meerdere plaatsen in Leuven: de bezoeker heeft een fantastische buit voor zich, maar hij kan er niet aan. Om aan de ontsluiting van het Leuvens erfgoed te werken en de flow voor bezoekers te verbeteren moet er worden ingezet op de samenwerking tussen universiteit, stedelijke diensten en erfgoedorganisaties. Maar deze verloopt momenteel moeizaam.”
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Twee ‘local communities’: erfgoed en Leuvense schizofrenie RK: “Specifiek aan de context in Leuven is de bijzondere verhouding tussen universiteit en stad. Dit zijn twee aparte werelden, twee lokale ‘communities’, waarvan de tweede zeer heterogeen is. De universiteit is enorm belangrijk voor de stad, ook binnen hun rol als erfgoedbeheerder, maar het is een erg gesloten gemeenschap. Als ze iets organiseren, verschijnt dit niet in de stadskrant, ze hebben hun eigen communicatiekanalen. Dus ja, als je niet bij de club hoort, val je uit de boot. Wat problematisch is naar ‘ownership’ toe. De bewoners van Leuven voelen zich niet meer betrokken bij de stedelijke dynamiek en de bijhorende erfgoedverhalen. Dit heeft op lange termijn een impact op de identiteitsvorming. Het is een gebrek aan normaliteit.”
VS: “Er wordt wel eens gezegd dat de rector de schaduwburgemeester is. In Oxford heb je ook een dergelijke situatie, daar spreken ze van the Gown en the Crown. Dit maakt dat de gewone Leuvenaar wel ergens voelt dat dat er veel gebeurt in Leuven, maar niet echt betrokken wordt. Het gebeurt wat over de hoofden heen.” MV: “Erfgoedinitiatieven van de ene ‘local community’ gaan vaak aan de andere ‘local community’ voorbij, de betrokkenheid van de gewone burger bij het erfgoed is erg laag. Een belangrijk deel van het patrimonium is in handen van de universiteit: de lokale, stedelijke geschiedenis wordt dan minder belicht. RK: “Je merkt ook dat als Leuvenaars een dagje vrij hebben ze naar ‘het hinterland’ trekken om te recreëren. Omdat het aanbod binnen de stad niet voldoende ontsloten wordt.”
Afbeelding 69: velodroom leuven, door Eric Danhier
139
Veldonderzoek IN DIALOOG III Levende en abstracte geschiedenis VS: “Om even terug te komen op het profiel van de stadsbezoekers. Hier heb je een groot verschil tussen de Vlaamse dagjestoeristen en de hoger opgeleide buitenlandse toeristen. Deze laatste hebben meestal interesse in kunst en worden aangetrokken door bijvoorbeeld Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts. De motivatie is anders dan bij de Vlaamse toeristen. We merken vanuit onze werking van Leuven Leisure vooral een gebrek aan ontsluiting van erfgoed voor de Vlaamse bezoekers.” MV: “Het is een feit dat menselijke verhalen mensen aantrekken. Een tijd geleden hadden we een expo georganiseerd over de Eerste Wereldoorlog en de impact op het leven in de stad, dat trok enorm veel oudere mensen aan, die overliepen van de verhalen van hun ouders en mensen die ze kenden. Dat bracht enorm veel emoties met zich mee.
Mensen blijven ongeveer tot 100 jaar na de feiten geïnteresseerd in geschiedenis vervolgens verdwijnt de persoonlijke connectie en daarmee ook de interesse. En dan moeten er andere manieren worden gezocht om ook jongere mensen te betrekken.”
RK: “Soms is het niet meer mogelijk om naar ‘de fysieke plek’ te verwijzen, maar is het wel waardevol dat de herinnering nog bestaat bij iemand. Er is dus nog wel een organische band. 100 jaar is inderdaad het maximum voor ‘levende geschiedenis’ anders is het weer kennis die ‘slimme mensen uit boeken weten’.” VS: “Het is inderdaad waar dat voor kinderen de afstand tussen bepaalde events en hun eigen leven steeds groter wordt. Door in mijn lessen, foto’s van het oude gebombardeerde Leuven en Aleppo te vergelijken, krijg ik de aandacht van de leerlingen vast.” MV: “Ook nieuwe technieken zoals virtual reality en 3D-modellen kunnen helpen om jongere mensen bekend te maken met onroerend erfgoed, al bestaan de oorspronkelijke gebouwen niet meer. Met het historisch genootschap zetten we actief in op het verbeelden van het verleden om mensen bewust te maken en te betrekken bij hun stad. Zo hebben we al een reconstructie gemaakt in 3D van het kapucijnenklooster. Dit doen we dan met beelden en met virtual reality. Zo trekken we ook de jeugd aan.”
100 jaar
levende geschiedenis via persoonlijke connecties, verhalen van familie, kennissen, ...
abstracte geschiedenis via tentoonstellingen, literatuur, educatie, ...
figuur 15: weergave van de nabije geschiedenis en de verre geschiedenis vanuit individueel oogpunt, eigen materiaal
140
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Verbinding tussen het verleden en heden RK: “De sleutel ligt voor mij in het linken van actuele problemen en thema’s aan onroerend erfgoed om verbinding met de geschiedenis te maken en mensen te betrekken. Projecten zoals de nieuwe Velodroom, een tijdelijke publieke constructie gebouwd naar aanleiding van het WK wielrennen, is een goed voorbeeld van hoe een populair project de kans biedt om mensen kennis te laten maken met het Leuvense wielerverleden. De velodroom verweeft zo verschillende draden van geschiedenis met elkaar, dat is de kracht van dit soort interventies. Daar moeten we meer op inzetten om de gewone mens betrokken te krijgen met het verleden. Het is dit soort van laagdrempeligheid dat nodig is. Iedereen geniet van deze plaats, jong oud, verschillende culturen. Andere voorbeelden zijn de focus op de e-bike en voormalige fietsenfabriek aan de Vismarkt. Met het genootschap proberen we met een project rond de Kruidtuin ook de link te maken met thema’s zoals gezondheid, klimaat en cultuur. Zo vertalen we complexere zaken en kennis over het verleden die misschien wat te abstract is naar herkenbare dagdagelijkse zaken.”
Verbinding tussen immateriële en materiële erfgoedbeleving: noodzaak niet-academisch aantrekkingspunt MV: “Neem nu ‘Leuven als bierstad’. De bierproductie en cultuur is zowel ruimtelijk als maatschappelijk verweven met de stad. Maar er is geen biermuseum, deze troef wordt niet uitgespeeld. Ook andere musea met focus op het dagdagelijkse zijn doorheen de jaren verdwenen uit de stad. Ik denk aan het treinmuseum, het speelgoedmuseum, …”
VS: “De kleine geschiedenis is ook geschiedenis en vaak eerder iets waar mensen zich in kunnen herkennen. Straathistories is hier een mooi initiatief in. Vanuit dienst erfgoed krijg je hulp om samen met je straat of wijk de plaatselijke geschiedenis te onderzoeken. Dit is bijvoorbeeld gedaan in De Mussenwijk. Daar springen mensen wel op, daar willen ze echt aan meewerken.”
Afbeelding 70: Straathistories, Jan Krab
141
Veldonderzoek IN DIALOOG III
Afbeelding 71: Het toekomstbeeld van het stadhuis met aangebouwd bezoekerscentrum. Afbeelding uit de visiebundel van team Anno, Deruyter en Felt architecten.
142
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen De waarde van het dagdagelijkse
Verschuivingen in het onderwijs
RK: “Als ik in mijn wijk, waar een bonte gemeenschap leeft, mensen vertel over een bepaald gebouw of landschap in de wijk en ik weet ze te prikkelen dan voel ik echt op een moment een ‘klik’. Dan gaan ze naar huis en staan ze de volgende dag aan de deur met oude foto’s of een boek. Het is erg belangrijk om de juiste toon te vinden als je mensen wil betrekken, je mag niet te belerend zijn. VS: Dit heeft inderdaad ook te maken met hoe aan ons vroeger geschiedenis gegeven werd, met de focus op belangrijke momenten, koningen en personen. We hebben niet geleerd dat onze alledaagse geschiedenis ook waarde heeft. Het alledaagse wordt vaak als ‘banaal’ gezien. Mensen kunnen daarvan meespreken.”
VS: “Zoals het nu in het leerplan is opgenomen gaat er minder op feiten worden ingezet en meer op bronnen om binnen het hedendaags aanbod van informatie fakenews uit te sluiten. Ik zie hier wel een bedreiging omdat inhoudelijk inzicht in de geschiedenis ook zoveel inzicht geeft in de wereld van vandaag. Er is enorm veel druk op vakken zoals filosofie, geschiedenis en esthetica.”
Multicultureel erfgoed Het gesprek belandt regelmatig op de spanning tussen de gesloten wereld van de universiteit en de stad. De stad bestaat bovendien uit een diverse gemeenschap met een brede culturele achtergrond. Hoe kan je mensen erfgoed leren waarderen waarmee ze geen directe geschiedenis delen? RK: “Door ook interesse te tonen in hun gebruiken en vervolgens de brug te leggen. VS: “Er zijn ook verschillende strategieën voor verschillende culturen nodig. Er is een verschil bij mensen die ook Europese wortels hebben en waarmee we meer sociaal-culturele overlap hebben. In de Reuzenstoet loopt nu (sinds enkele jaren) ook een Poolse pop mee, wat een enorm succes is en zorgt voor meer betrokkenheid van de Poolse gemeenschap. Religieus erfgoed delen met mensen die dezelfde religie delen is ook gemakkelijker dan met pakweg de moslimgemeenschap.” VS: “Verwijzen naar gebouwen die getuigen van migratie en de achterliggende verhalen brengen kan ook helpen om bruggen te bouwen. Er zijn veel gebouwen in de stad die getuigen van migratie. Zo hebben we bijvoorbeeld het Iers college.” RK: “Het Red Star Line museum in Antwerpen is een goed voorbeeld van hoe je onroerend erfgoed en immaterieel erfgoed kan samenbrengen én verwijzen naar een actueel thema zoals migratie.”
Transformatie en herbestemming Tot slot richten we ons naar het stadhuis en gaat het gesprek kort over de toekomstige transformatie en mogelijke impact voor de stad. RK: “De nieuwe plannen waarbij het toeristisch onthaal meer naar voren wordt gebracht, zal al veel verschil maken in de begeleiding van bezoekers. Nu is het toeristisch onthaal moeilijk vindbaar.” “Ik heb het gevoel dat de plannen echt aansluiting vinden met de noden die wij vandaag ook detecteren.” MV: “Het stadhuis moet echt hét vertrekpunt worden voor iedereen die de stad beter wilt leren kennen, voor de bezoeker én de Leuvenaar. Wat de programmatie in het gebouw betreft zou het goed zijn dat er echt iets te zien en te beleven valt, persoonlijk zou ik erg fan zijn van een bier-proeftoog.” VS: “Nu dat er geen administratie meer zit in het stadhuis hebben veel mensen geen échte band meer met het stadhuis. De programmatie zal dus ook aan de noden van de Leuvenaar moeten voldoen om hem of haar de drempel te doen oversteken.” “Wat de rol van private ontwikkelaars betreft: op zich hebben we in Leuven niet meer enorm veel historische gebouwen. Ik kan me voorstellen dat we anders vaker een conflict tussen waarden en invalshoeken zouden meemaken.” MV: “Ik wil graag, om af te sluiten, het belang van toegankelijkheid van onroerend erfgoed benadrukken. Dit zou bijna als een clausule bij herbestemming moeten worden opgenomen.
Als gebouwen niet toegankelijk zijn, hoe kunnen mensen ze dan liefhebben?”
143
Veldonderzoek IN DIALOOG III Omgang met onroerend erfgoed Bij het praten over beheer en ontsluiting van erfgoed, dwalen we af naar Engeland en het model van The National Trust. VS: “Een organisatiemodel zoals The National Trust is typisch Engels. Er is daar door de eeuwen heen gebouwd aan een cultuur van beheer en erfgoedwaardering. Erfgoed zowel materieel als immaterieel maakt er echt deel uit van de dagelijkse cultuur.
Ik weet niet of er zoveel Vlamingen zo trots zijn op hun erfgoed, er wordt over het algemeen weinig aandacht aan gegeven. Veel Vlamingen beseffen niet wat voor schatten we in eigen land hebben.”
SOCIALE WAARDEN — Vanuit het perspectief van de bevraagden is de stad Leuven verdeeld in 2 werelden met een eigen organisatiemodel: de KU Leuven en de stad Leuven met haar bewoners. De KU Leuven heeft een enorme impact op de stad, niet enkel ruimtelijk door de vele universitaire sites maar ook door het beheer en ontsluiting van haar patrimonium. In eerste plaats richt de universiteit zich op haar eigen gebruikers, waarvan een groot deel uit naburige steden en uit het buitenland. Dit creëert een spanning omdat de bewoners van Leuven zich minder en minder betrokken voelen bij de stedelijke dynamiek en de bijhorende erfgoedverhalen. Dit heeft op lange termijn mogelijks een impact op de identiteitsvorming en het engagement vanuit burgers tot hun stad. — Om de Leuvenaar te bereiken moet er worden ingezet op een laagdrempelig ontsloten aanbod, met focus op het dagelijks in plaats van het erfgoed dat geassocieerd wordt met de universiteit, en meer kunstzinnig of wetenschappelijk van aard is. — Op projectniveau kan er meer ingezet worden op het maken van verbindingen: tussen immateriële en materiële erfgoedbeleving, tussen ‘boekengeschiedenis’ en ‘levende geschiedenis’, tussen lokale gemeenschappen en tussen generaties.
144
Evenementen en projecten zoals de Velodroom kunnen hier de brug maken door hedendaagse thema’s of interventies te koppelen aan de achterliggende geschiedenis. Ook het Red Starline museum is hier een voorbeeld van. — Gemiddeld gesteld gaat het interesseveld van een persoon tot 100 jaar terug in de tijd en is dit meestal gelinkt aan ervaringen binnen de eigen leefwereld. Hierin hebben verhalen via familie, kennissen of indrukken uit de nabije omgeving een impact. Tijdens het gesprek werd de nabije geschiedenis in relatie gebracht met de ‘kleine’ geschiedenis, waarmee verwezen wordt naar de geschiedenis van het dageljkse, de geschiedenis waarin mensen zich kunnen herkennen. Deze herkenbaarheid kan gevoed worden. In vele gevallen zijn mensen zich niet meer bewust van de erfgoedwaarde in hun nabije omgeving. Trajecten zoals straathistories, gesubsidieerd door de erfgoedcel, geven mensen een aanleiding om te ontdekken en kennis te verwerven. Zo worden op een zachte manier associaties tussen kennis, omgeving, verhalen en erfgoed in gang gezet. Wat dan weer leidt tot een grotere waardering, het erfgoed wordt zo actief en bewust deel van de leefwereld.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 72: Grote Markt, Leuven, Endeavour
145
Reflecties dialoog III Het team verwachtte dat de diverse actoren die deelnamen aan de sessies van Dialoog III al langer dan vandaag ‘waarden produceren’ in verband met de geselecteerde cases. Maar die waardenproductie werd nog niet eerder geëxpliciteerd. Zoals ook aangegeven in Wrestling with the Social Value of Heritage: Problems, Dilemmas and Opportunities (Jones 2017) laten zachte, participatieve trajecten toe om op een meer subtiele manier sociale waarden bloot te leggen. Bij Dialoog III lag de klemtoon meer op beschouwingen met een kleine groep dan op het sprokkelen van spontane reacties. De reflecties bij Dialoog III bouwen verder op die van Dialoog I en II. Om herhaling te vermijden, gaan ze daarom op sommige punten minder diep in. Op andere punten gaan de reflecties dan weer verder. ETNOGRAFISCHE METHODE: HET TRAJECT VAN EEN ONGEFILTERD EMPIRISCH APPRECIËREN NAAR ‘ERFGOEDWAARDEREN’ EN ERFGOEDWAARDEN Tijdens het rondetafelgesprek in Leuven werd aangehaald dat de gemiddelde geïnteresseerde persoon een interesse in geschiedenis heeft die tot 100 jaar teruggaat. Mogelijk vindt het ongefilterde appreciëren meer aansluiting bij die meer recente geschiedenis, al kan het voorbarig zijn om dat zo te formuleren. In het algemeen ging het tijdens Dialoog III minder over de spontane ervaring met erfgoed dan tijdens Dialoog I en vooral II. Omdat er vooral groepsgesprekken plaatsvonden met mensen die over een zekere (professionele) kennis beschikken, liet de methodiek zich minder inspireren door de etnografie.
HYBRIDE ASPECTEN VAN ‘ERFGOEDWAARDEREN’ EN ERFGOEDWAARDEN Tijdens Dialoog III werden hybride wijzen van erfgoedwaarderen besproken. In Leuven bijvoorbeeld is het erfgoedaanbod uitgebreid, maar de ontsluiting kan volgens de deelnemers aan het gesprek beter. Misschien kan een bewustzijn over de hybride aspecten van het erfgoedwaarderen daar iets aan verhelpen? Wat vooral volgt uit het groepsgesprek is de mogelijke impact op de waardering van erfgoed die het actieve en bewuste koppelen van diverse elementen kan hebben. Bij de deelnemers is er als het ware een vraag om ‘hybride te ontsluiten’. Het betrekken van alledaagse geschiedenis bij hedendaagse ingrepen in het stadscentrum is een optie die naar
146
voren komt. Door de aanwezigheid van de KU Leuven, als een soort parallelstad in of zelfs ‘naast’ Leuven, lichten volgens de deelnemers alleen de meer officiële en wetenschappelijke elementen op. De actoren ter plaatse dreigen die elementen bovendien op een belerende manier te brengen. Dat gaat ten koste van de kleine geschiedenis, de dagelijkse omgeving, het dagelijkse erfgoed, de verhalen uit de eigen straat en zelfs het potentieel om zelf associaties te maken. De bewoners van Leuven voelen zich, aldus de gespreksgenoten, niet (meer) betrokken bij de stedelijke dynamiek en de bijhorende erfgoedverhalen. Dat heeft op lange termijn zelfs een impact op de identiteitsvorming, zo redeneert de groep. Het mogelijke belang van nabijheid gaat schijnbaar verloren. En de kwalificatie ‘nabijheid’ bevindt zich wel degelijk in de sfeer van het erfgoedwaarderen en de sociale waarden.
HET ZIJDELINGSE BEGELEIDEN NAAR ERFGOED: FACTOREN BIJ HET CONNECTEREN VAN DAGELIJKSE PRAKTIJKEN MET ERFGOEDWAARDEN Het gesprek over Houthalen-Helchteren ging voor twee artefacten twee schijnbaar verschillende richtingen op. Maar tegelijkertijd kunnen die twee richtingen gevat worden in één term: ‘vaagheid’. Concreet ging het eerst over het pomphuis aan de Laambroekvijvers dat volgens de deelnemers beter niet te veel ontsloten wordt, om de natuurwaarden in dat gebied te vrijwaren. Daarna stelde de groep scherp op de schachtbokken van de voormalige mijn. Daarin ontwaarde zij vooral veel potentieel, zeker met het oog op een plek voor de lokale jeugd. Vaagheid, zoals besproken door Ignasi de Solà-Morales (1995) in de tekst Terrain Vague, houdt zowel het ‘(nog) niet-ontwikkelde’ in, als het potentieel dat uitgaat van een ruimtelijk vage site. Niet alles hoeft sterk ontsloten en ontwikkeld te worden, en sommige artefacten en sites lenen zich daar beter toe dan andere. Verderop in deze sectie komen we nog terug op wat dat kan betekenen in relatie tot sociale waarden.
ERFGOED BESCHIKT OVER DE MOGELIJKHEDEN OM TERLOOPS AAN EDUCATIE TE DOEN In Houthalen bakenen de schachtbokken een plek af die een gevoel van plaats of samenhorigheid versterkt en die volgens de deelnemers aan het gesprek in de eerste plaats toegankelijk zou moeten zijn (en veilig). Het is een ideale plek, zo blijkt, om iets flankerends te organiseren en om terloops erfgoed te brengen. Door de flankerende activiteit, waarbij in Houthalen vooral aan de jeugd gedacht wordt, ontstaat er eventueel een collectieve beleving van de plek. Dat laatste kan vervolgens een positief effect hebben op identiteitsvorming.
PARTICIPATIE EN SPANNINGSVELDEN Leuven is zoals hierboven vermeld volgens de perceptie van de deelnemers verdeeld in twee werelden met een eigen organisatiemodel: de stad Leuven met haar bewoners en de KU Leuven. In Houthalen is er eveneens sprake van diverse werelden.
147
Rond het pomphuis komt de discussie ‘natuur versus recreatie’ naar boven, en zelfs ‘natuur versus onroerend erfgoed’. De jeugd — dat is toch de verwachting bij de gesprekspartners — heeft een andere blik dan de oudere bevolking. De ‘typische’ appreciatie voor het mijnerfgoed linken de deelnemers aan het gesprek in Houthalen vooral aan een blanke middenklasse. Voor mensen met een migratieachtergrond, zo wordt gezegd, heeft het mijnverleden niet noodzakelijk die positieve, zelfs romantische connotatie. Tegelijkertijd komt aan het licht dat de multiculturele samenleving zelf wel eens de belangrijkste erfenis van de mijnen kan zijn. Maar dan is er sprake van cultuur, eetcultuur bijvoorbeeld, en minder van onroerend goed. In Leuven gaat het gesprek op een bepaald moment over mogelijkheden om bepaalde ‘doelgroepen’ aan te spreken door in te spelen op hun leefwerelden. Dat houdt in feite een vorm van dienstverlening in — outreaching —, gericht op mensen met een migratieachtergrond, jongeren of juist ouderen, enz.
SOCIALE WAARDEN Uit het voorgaande volgt dat precies het inzetten op sociale waarden zou kunnen helpen om jongeren te betrekken. Sociale waarden zijn bovendien (mogelijk) in staat om keuzes met betrekking tot erfgoed te helpen maken. Daarop doordenkend heeft het in Houthalen misschien inderdaad zin om de schachtbokken te restaureren en de zone errond af te stemmen op jongere gebruikers. Dergelijke wensen klonken duidelijk tijdens het groepsgesprek. Het lijkt haalbaar om sociale waarden inhoudelijk te koppelen aan dergelijke reële noden. Aan de schachtbokken worden immers sociale waarden toegekend (identiteit, thuisgevoel, samenhorigheid). Er is die kans om jongeren op die manier te betrekken op het erfgoed. De eventuele wijze waarop dat gebeurt, kan aansluiten bij wat hierboven benaderd werd als ‘zijdelings begeleiden naar erfgoed’ en als ‘terloopse educatie’. Het stadhuis in Leuven heeft eenzelfde herkenbaarheid en biedt een gelijkaardig potentieel. Een ander aspect dat in Houthalen naar boven kwam, is dat van het welbevinden. Alweer gaat het over de schachtbokken. De herkenbaarheid ervan zorgt voor een soort ankerpunt in een veranderlijke context. Dat hangt samen met welbevinden. Een herkenbaar element, zo suggereert het groepsgesprek, heeft de capaciteit om sociale waarden toegekend te krijgen. Het is als het ware ontvankelijk voor sociale waarden zoals identiteit, thuisgevoel enz.
148
OMGEVINGSFACTOREN Sociale waarden blijken geschikt om discussies te voeden over brede fenomenen, zoals landschappen, steden en de dynamieken die er aanwezig zijn. Dat blijkt uit de groepsgesprekken van Dialoog III. Het trachten te benoemen van sociale waarden gaat goed samen met het ontdekken van de complexiteit van een bepaald gebied, en omgekeerd. Sociale waarden vormen een waardevolle opstap om (ruimtelijke, maatschappelijke …) fenomenen te exploreren die moeilijk te exploreren zijn.
REFLECTIE OVER DE METHODOLOGIE Dialoog III haakte aan bij lopende processen. Professionals bekijken niet alleen een hele omgeving (en kennen die doorgaans goed), maar zien daarnaast verbanden doorheen de tijd. Ze zien toekomstmogelijkheden en het potentieel van een gedeeld verleden. Ze leggen verbanden tussen maatschappelijke, ruimtelijke en andere processen die plaatsvinden en (het potentieel van) sociale waarden. Dat betekent eveneens dat tijdens dergelijke sessies de impact van sociale waarden benoemd wordt en gestalte krijgt. De deelnemers aan de gesprekken waarschuwen echter zelf voor een al te starre blik vanuit één perspectief, namelijk de blik van de blanke middenklasse. En daar hoort een verwachting bij: dat de klemtoon meer op het immateriële komt te liggen als mensen met een migratieachtergrond betrokken worden via participatieve trajecten en in stakeholderonderzoek. Sociale waarden lijken inderdaad fluïde te zijn en minder sterk gekoppeld aan het materiële. Het mijnverleden bijvoorbeeld, wordt volgens een deelnemer hoe langer hoe collectiever. Het daalt gaandeweg in, maar daarom wordt het niet materiëler.
Afbeeldingen zie cases
149
Tools & conclusies TOOLS
Tools & conclusies
Dit laatste, concluderende hoofdstuk, bestaat uit 2 delen. In het eerste deel gaan we dieper in op de gebruikte ‘tools’ tijdens de verschillende dialoogmomenten. We evalueren deze kort aan de hand van troeven, knelpunten en suggesties met het oog op toekomstige toepassingen. Het tweede deel bestaat voornamelijk uit conclusies. Het is onze ambitie om in dit deel de focus te leggen op de belangrijkste ‘rode draden’ die kwamen bovendrijven bij de verwerking van de interviews.
150
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeelding 73: mijnschachten, Houthalen-Helchteren, UHasselt
151
Tools & conclusies TOOLS DE ONDERZOEKSVRAGEN Het agentschap Onroerend Erfgoed wil inzicht krijgen in de manier waarop burgers onroerend erfgoed in hun dagelijkse omgeving waarderen. Met het inzicht in het waarderingsproces kan vervolgens rekening gehouden worden in diverse processen om mensen meer te betrekken bij erfgoed en om tot een meer gedragen erfgoedbeleid te komen. Dit leidt ons tot volgende onderzoeksvragen: — Welke tools kunnen gebruikt worden om sociale waarden in kaart te brengen?
— Hoe verloopt het waarderingsproces? — Wat is de potentie van sociale waardering om meer mensen te betrekken bij erfgoed? — Hoe kunnen de inzichten rond waardering ingezet worden in een (meer) gedragen beleid? Waar in de initiële vraagstelling de klemtoon lag op het definiëren van de waarden zelf, is deze doorheen het onderzoek verschoven naar waardering als proces.
Tools METHODOLOGISCHE REFLECTIE In de drie ‘Dialoogvarianten’ pasten we verschillende gespreksvormen toe. Gemeenschappelijk eraan was de kwalitatieve opzet. Maar het gebruikte format en het type bevraging was anders. We overlopen kort de troeven, de knelpunten en suggesties per type dialoog.
Welke tools kunnen gebruikt worden om sociale waarden in kaart te brengen? In alle dialogen gingen we etnografisch te werk met interviews en observaties. Vrijuit praten blijkt een valabele methode om inzicht te krijgen in individuele waardetoekenning. De respondenten hadden immers de keuze om zelf te bepalen wat ze belangrijk vonden.
152
Wat de observaties betreft namen we notities over de setting en omgevingsfactoren. Meer specifiek werd gefocust op uitdrukkingen die naar het belang van een plaats verwezen (als aanleiding voor een mogelijke band), termen die de (intensiteit van de) relatie beschreven en de reden(en) die de respondenten hiervoor aangaven. Andere verbale en niet-verbale parameters die een blik op iemands houding over een plaats met erfgoedwaarde kunnen gunnen zoals de lichaamstaal (gestiek, houding, gelaatsuitdrukking), stemgebruik, hoe lang iemand over een thema praat, herhaling of de gemoedstoestand, werden niet expliciet geregistreerd.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen DIALOOG I Hier verliepen de bevragingen onder de vorm van korte, spontane gesprekken van gemiddeld 15 minuten, op de site, met voorbijgangers en gebruikers. In samenspraak met het agentschap werden er enkele hoofdvragen geformuleerd die houvast boden om het gesprek te structureren. Er werden bijvragen gesteld om bepaalde onderwerpen verder uit te diepen. Omdat sociale waarden moeilijk onder woorden te brengen zijn, gebruikten we als hulpmiddel een ‘waardenwaaier’ met enkele beschrijvingen, die we konden inzetten als het gesprek vertraagde of als mensen moeite hadden om de juiste woorden te vinden. De bevraagden werden verzocht de waaier in stilte te doorlopen en aan te duiden wat voor hen van toepassing was. Voor meer uitleg over deze aanpak zie Dialoog I onder het hoofdstuk veldonderzoek.
Troeven:
— Dit type van gesprek vraagt een beperkte voorbereiding, wat het mogelijk maakt om snel op te starten en snel tot eerste resultaten te komen. — Doordat de gesprekken ter plaatse worden uitgevoerd, is het mogelijk een divers publiek aan te spreken, via online kanalen is dit moeilijker. — Aanvullend op de gesprekken zijn ook de observaties enorm waardevol. Bevraagden maken vaak de link met gebouwen en plaatsen in de nabije omgeving. Daarop kan je gemakkelijker inspelen op locatie. In Gent verwezen de bevraagden vaak naar de link van het zwembad met de heraangelegde oevers van de Portus Ganda of de sloop van een brutalistisch gebouw in de buurt.
In Bornem konden we door ons rondom het terrein te begeven met mensen praten die hier al hun hele leven woonden en het domein dus in meerdere periodes konden situeren. — De waardenwaaier is een erg behulpzame tool om de bevraagden te helpen om bepaalde gedachten onder woorden te brengen. We hebben deze waaier aangepast na elke sessie op basis van voorgaande ervaringen. Het is belangrijk dat deze tool niet onnodig complex wordt. Het doel is om bepaalde gesprekselementen te kunnen uitdiepen. — Het is een voordeel om steeds met twee mensen ter plaatse te gaan. Niet enkel kan je zo dubbel zoveel interviews afnemen in dezelfde tijd, maar je kan ook verschillende posities innemen op het terrein, wat de diversiteit in interviews ten goede komt. Zo kon persoon 1 bij het zwembad in Gent zich focussen op de directe gebruikers van het zwembad en persoon 2 zich richten op voorbijgangers of gebruikers van het plein. Nog een voordeel is dat je steeds naar je collega kan verwijzen, wat meer credibiliteit geeft en het gesprek (mogelijk) vlotter van start doet gaan. — De gesprekken leveren soms erg concrete feedback op de werking van het gebouw/ de locatie, de inrichting van publieke ruimte of de programmatie op. Zo gaf een oudere vrouw in Mechelen bij de bibliotheek aan dat het voor haar gemakkelijk zou zijn als de postbus was uitgerust met een handtasplank, wat haar rug minder zou belasten. Ouders hadden dan eerder suggesties met betrekking tot veiligheid voor de spelende kinderen op het plein achter de bib. De mensen van de volkstuintjes in Bornem waren dan weer vragende partij om vanuit hun kennis mee input te mogen geven voor de heraanleg van de historische kruidentuin. Dit zijn erg concrete tips die niet direct input geven voor dit onderzoek maar wel nuttig kunnen zijn voor de organisaties ter plaatse.
153
Tools & conclusies TOOLS
Afbeelding 74: Bibliotheek Predikheren, Mechelen, Kris Vandevorst
154
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Aandachtspunten:
Suggesties:
— Een gesprek vraagt behalve tijd ook relatief veel interpretatie, kennis en kunde van de interviewer. Hij moet vooral goed kunnen luisteren, zonder de geïnterviewden te beïnvloeden. — De bevragingen zijn erg afhankelijk van de externe condities zoals het weer, het tijdstip, de drukte ... Als het bijvoorbeeld regent, zijn mensen minder geneigd om een gesprek aan te gaan. Ook de maatregelen en algemene situatie omwille van Covid-19 (maskers, afstand, …) vormden een belemmering voor spontane gesprekken. — Het type en de kwaliteit van resultaten varieert sterk per interview. Er is voldoende tijd nodig om dieper op bepaalde elementen te kunnen ingaan. Een interview met iemand die slechts vijf minuten tijd heeft en erg gejaagd is, verschilt van een interview met iemand waarmee je dieper op bepaalde waarden en connecties kan ingaan. Dat bemoeilijkt de interpretatie van resultaten soms. We merkten bijvoorbeeld in Bornem op dat de abdij voor bepaalde bevraagden een rol speelde in zowel hun jeugd als in de huidige situatie, dit kan je niet achterhalen op slechts tien minuten.
— Pas dit type van dialoog toe als je snel diverse inzichten over een concrete locatie wil krijgen. Dan kan het goed zijn om de profielen nog iets scherper te noteren. — Het kan boeiend zijn om naast de spontane gesprekken met een kaart te werken en een mapping-oefening te doen. Het doel is om directe input te krijgen over een specifieke plaats. Het is soms interessant om dit om te keren, mensen aan te spreken, hen te vragen welke plaatsen met historisch karakter voor hen waardevol zijn, vervolgens dieper in te gaan op het waarom en dit dan te linken met de waardenwaaier. — Er kwam erg veel praktische feedback in relatie tot de werking en het gebruik van de verschillende cases naar boven. De output is dus niet enkel interessant voor dit onderzoek maar kan, indien bepaalde aspecten iets dieper bevraagd worden, ook nuttige informatie opleveren voor de eigenaars/beheerders van de cases zelf.
155
Tools & conclusies TOOLS DIALOOG II
De dialogen type II gingen uit van een getrapte benadering: na vrije interviews ter plaatse volgden een verwerking van de interviewresultaten en één of meerdere (online) groepsgesprekken met ‘bevoorrechte getuigen’.
— De blikken van de al dan niet geïnteresseerde leek, de semi-professional en de professional komen naast elkaar terecht. De mogelijkheid ontstaat om de diverse blikken elkaar te laten versterken of uitdagen.
Aandachtspunten: Troeven:
— Zoals bij dialoog I is het ter plaatse gaan een belangrijk voordeel. De interviewer en de geïnterviewde(n) ontdekken niet zelden samen de omgeving. — De vrije interviews geven aanleiding tot soms erg vrije associaties vanwege de respondenten. Omdat de interviewer aan het begin van een interview nooit verwees naar de term ‘erfgoed’, ontstaan er op het niveau van de verwerking mogelijkheden om erfgoed en het dagelijkse leven op een haast spontane manier met elkaar te verbinden. Respondenten kleuren als het ware buiten de lijntjes. De praktijk laat zich niet vangen in strikte categorieën. Dat is heel inspirerend, zeker als het doel is om mensen meer te betrekken bij erfgoed en om tot een gedragen erfgoedbeleid te komen. — Getrapt werken, met een belangrijk reflectiemoment tussen de grote stappen, laat toe om bepaalde verbanden of mogelijke verbanden die naar voren komen tijdens de interviews te testen in de groepssessies. De verbindingen tussen de spontane associaties en appreciaties en ‘erfgoed’ werden gaandeweg scherper doorheen de cases. — Door de combinatie van interviews ter plaatse met een groepssessie ontstaat er directe input voor die bijhorende sessie. De sessie krijgt ook richting daardoor.
156
— De drempel om online tools te gebruiken blijkt hoog, ook al zijn de tools (schijnbaar) eenvoudig. De online tool (app) was geen succes. De cases zijn daardoor niet gestrand, omdat de onderzoekers telkens één of meerdere alternatieven achter de hand hadden om mensen te bevragen. — Hetzelfde kan gezegd worden over online meetings. In de online sessie voor Nieuwpoort zaten mogelijkheden tot interactie ingebouwd, maar het was moeilijk om én een gesprek te leiden én mensen aan te sporen om de online tool (in dit geval Miro) ten volle te benutten. — Het is een uitdaging om een diverse groep aan respondenten bij elkaar te krijgen in een online sessie, maar het is ook haalbaar. — Voor de onderzoeker(s) is dit een complexe en tijdrovende methodiek, maar ook een heel leerrijke methodiek. Er is de methodische eis om vanuit vrije associaties en appreciaties te evolueren naar iets dat meer tastbaar is, in dit geval: naar een interactie met het erfgoeddiscours. De methodiek heeft op geregelde tijdstippen bijsturing nodig om dat doel te bereiken. En er is de inhoudelijke eis: de onderzoeker heeft tijd nodig om zich in te werken in de case en om inhoudelijk verbanden te kunnen leggen tussen de vrije associaties en appreciaties enerzijds en het erfgoeddiscours anderzijds.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen bepaald aantal interviews te komen en als het onderzoek focust op plaatsen met veel voorbijgangers. In Landen was een dag misschien te kort om tot een solide dataset te komen. — Voorzie voldoende tijd tussen de interviews en de groepssessie, om de resultaten van de interviews te laten indalen alvorens naar een volgende fase over te gaan. Het kan helpen om met meerdere personen de interviews onder de loep te nemen om sneller tot inzichten te komen die een rol kunnen spelen tijdens een groepssessie.
Suggesties:
— De aanpak werkt goed voor complexere cases, zoals Nieuwpoort-Bad. Op een dergelijke plek is er veel te zien en te beleven. Repondenten komen met allerlei, soms onverwachte, invalshoeken. Zo ontstaan er veel mogelijkheden om verbanden te leggen met sociale waarden en erfgoed in het algemeen. In Landen was dat veel moeilijker en bleef de scope beperkter. — De aanpak werkt goed als er tijd is om tot een
DIALOOG III De dialogen type III bestonden uit twee cases die op een andere manier al deel uitmaakten van de projectenportefeuille van de onderzoekers. Voor de case Houthalen-Helchteren maakten we gebruik van bestaande interviews en daarin gingen we op zoek naar aanknopingspunten met betrekking tot sociale erfgoedwaarden. Op basis van die selectie organiseerden we een online groepssessie die inging op enkele erfgoedobjecten. Die sessie had als doel het verder uitdiepen van het mechanisme van het waarderen van erfgoed en het onderzoeken van de mogelijkheid om sociale waarden te formuleren. Methodisch waren er duidelijke overlappingen met Dialoog II.
Troeven:
— Deze methodiek is handig om tijd te winnen. Er zijn namelijk datasets ter beschikking om op verder te werken. Concreet voor Houthalen-Helchteren geldt dat er geen interviews meer uitgevoerd moesten worden, maar wel verwerkt. Omdat de datasets in dit geval uitgebreid zijn, en omdat het voorgaande onderzoek in zekere zin inhoudelijk aansluit bij een onderzoek naar sociale waardering, is het inhoudelijk verantwoord om op die manier tijd te winnen.
— Het is mogelijk om een meer gerichte groepssessie te organiseren, met actoren die al betrokken waren in het voorgaande traject. In het geval van Houthalen-Helchteren hebben we kunnen zorgen voor een diverse groep, opererend vanuit diverse invalshoeken. — Er moet minder aandacht uitgaan naar inhoudelijke achtergrondkennis, omdat die al verworven is. Daardoor ontstaat er ruimte om te focussen op de inhoud van het huidige project én op de methodische uitdaging van het evolueren van bestaande data naar een bijdrage aan het huidige onderzoek.
Aandachtspunten:
— Omdat er geen (extra) interviews plaatsvinden specifiek gericht op het huidige onderzoek, heeft de dataset die voorhanden is een minder scherpe focus. De interviews in Landen en Nieuwpoort waren heel vrij. Toch was het eenvoudiger om van daaruit een groepsgesprek voor te bereiden. De snelheid van Houthalen-Helchteren is niet alleen een voordeel gebleken. — Ook met heel bewust gekozen participanten aan het groepsgesprek is de interactiviteit van een dergelijke sessie niet vanzelfsprekend (zie eveneens hierboven).
157
Tools & conclusies TOOLS — Het betrekken van jonge mensen is niet eenvoudig, wellicht mede omdat er een zekere schroom is om deel te nemen — een gevoel van niets te kunnen bijdragen, terwijl het omgekeerde waar is — en omdat het opzet van het onderzoek in zijn geheel eerder abstract is.
Suggesties:
— Deze methodiek is slechts aan te raden als er een voldoende grote dataset is en als er voldoende inzicht in de case opgebouwd is. Dat was in Houthalen-Helchteren het geval. — Voor een online sessie is een verslaggever onontbeerlijk, zodat de moderator kan focussen op het verloop van het gesprek.
We organiseerden in het historische hart van Leuven een rondetafelgesprek met burgerexperten. Dit gesprek vormt de brug tussen de inzichten die we hebben opgedaan met de korte bevragingen met burgers en het formuleren van conclusies. De setting was informeel, wat wil zeggen dat het gesprek plaatsvond op een terras, tijdens een drankje en niet in een georganiseerde context zoals een zaal met publiek.
Troeven:
— Dit type van gesprek sluit mooi aan bij de bevragingen uit dialoog type I. Bepaalde stellingen of inzichten uit de eerste bevragingen met voorbijgangers en gebruikers konden we als insteek gebruiken voor de rondetafelgesprekken. Waar de voorbijgangers soms moeilijk op de juiste woorden konden komen, hielp het gesprek met de burgerexperten om bepaalde gaten in kennis aan te vullen of een diepere betekenis te geven.
158
— Een dergelijk gesprek kan overal plaatsvinden. Het gesprek in Leuven vond plaats op een plaats die werd voorgesteld door de bevraagden. Dit maakte dat de bevraagden in hun comfortzone zaten wat de openheid van het gesprek ten goede kwam. Doordat we ons te midden van de historische setting bevonden, konden directe verwijzingen gemaakt worden naar type gebruikers en verschillen in ontsluiting.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen Knelpunten:
— Het enthousiasmeren van mensen via online kanalen vraagt meer tijd en omkadering. — Het is niet evident een voldoende diverse groep burgerexperten samen te stellen. We brachten een redelijk eenzijdig publiek bij elkaar. Meer diversiteit in leeftijd en achtergrond was beter geweest. Bijvoorbeeld iemand van de KU Leuven of iemand met een andere culturele achtergrond. Dit had het gesprek echter mogelijks complexer en gevoeliger gemaakt en hierdoor hadden we niet evenveel onderwerpen kunnen behandelen.
Suggesties:
— Het is aangewezen om rond concrete cases de dialoog met stakeholders over sociale waarden aan te gaan. In de case van Bornem zou dit bijvoorbeeld betekenen dat er een focusgesprek komt met de mensen die verbonden zijn aan de groententuin, de nieuwe bewoners, de buurtbewoners, de mensen van de jeugdbeweging, … om vanuit deze verschillende perspectieven de troeven en knelpunten van de site inzichtelijk te maken. In een volgende stap kan er dan bijvoorbeeld met een infomoment op informele wijze een dialoog tussen de verschillende groepen worden opgezet. — Beperk je dialoog tot maximaal 2,5 uur. Dit is voor een doorlopend gesprek met een beperkt aantal bevraagden in een informele setting een maximum.
— Deze vorm van dialoog leent zich om na verkennende gesprekken dieper in te gaan op bepaalde onderwerpen, stellingen, projecten ... Idealiter overstijgt dit het nimbysyndroom omdat deelnemers tussen betrokken burgers en kennisinstellingen in staan.
Er zijn met andere woorden voor- en nadelen verbonden aan alle methodes. Er is geen standaardmethodiek die in alle contexten toepasbaar is, eerder een combinatie van methodieken die kunnen worden uitgezet en gepland in een participatieproces op maat van de vraag én context. Binnen deze opdracht was het onze doelstelling om via verschillende dialoogmomenten gekoppeld aan verschillende types van cases inzicht te krijgen in de toekenning van sociale waarden. Een concrete aanleiding waar ook een zekere dringendheid mee gepaard gaat, zoals bv. de herbestemming van een kerk, zal automatisch de antwoorden meer richting geven en tot meer concrete input leiden. De bovenstaande technieken kunnen na verdere verfijning zeker worden ingezet in diverse begeleidingstrajecten. Een concreet vervolgtraject, zou kunnen helpen de werkvormen verder te testen, scherp te stellen en uiteindelijk te komen tot een breed inzetbare toolbox.
159
Tools & conclusies WAARDERINGSPROCES
Waarderingsproces HOE VERLOOPT HET WAARDERINGSPROCES? We grijpen hiervoor terug naar het schema dat we introduceerden in het theoretisch kader. Aan de hand van dit kader blikken we terug op de overkoepelende resultaten uit de verschillende dialoogsessies. Hierbij geven we een korte reflectie over de belangrijkste gevoelens, percepties, kennis en prikkels die naar boven kwamen tijdens de bevragingen en wat een mogelijke impact is van deze gevoelens. Vervolgens kijken we naar welke factoren het proces van waardering beïnvloeden en op welke manier.
Ervaring van schoonheid Vakmanschap en het gebruik van lokale materialen kwamen meermaals naar boven in de bevragingen. Historische gebouwen hebben door hun unieke uitstraling een grote aantrekkingskracht op mensen. Deze ervaring van schoonheid biedt voor velen een meerwaarde in het dagelijks leven. Het brengt een vorm van vreugde met zich mee.
ONGEFILTERD APPRECIËREN
DE ONDERHANDELING
SOCIALE WAARDEN
Gevoelens, indrukken en prikkels komen ongefilterd binnen.
Er ontstaat een complex proces waarbij diverse clusters worden gemaakt van waardenbouwstenen in relatie tot narratieven, specifieke lenzen, ...
Patronen of clusters van waardenbouwstenen kunnen worden samengenomen en gecategoriseerd onder sociale waarden.
Figuur 16: verloop van het waarderingsproces, door Endeavour
ONGEFILTERD APPRECIËREN
Ontdekking
De indrukken die bij een eerste aanschouwing ongefilterd binnenkomen, geven aanleiding tot een reactie die aanzet tot een band met een plaats en de waarde die mensen eraan toekennen. De meest voorkomende ongefilterde gevoelens die we tijdens de gesprekken registreerden, sommen we op.
Plaatsen met erfgoedwaarde prikkelen de verbeelding en bieden de mogelijkheid tot persoonlijke ontdekking, evenals de ontdekking van schoonheid en natuur. De verkenning van de plaats en het potentieel voor avontuur is een bemoedigend vooruitzicht. Ontdekken voedt ook de waardering voor de plek en houdt de opwinding voor herhaalde bezoeken in stand, aangezien mensen geïnteresseerd zijn om iets nieuws of anders te zien. Dit gevoel van ontdekken hangt ook expliciet samen met het gevoel van voldoening dat mensen krijgen als ze iets bijleren.
Rust In bijna alle cases werd het gevoel van rust aangehaald. Dit had veelal te maken met de functies en de uitstraling van het object of landschap op zichzelf maar soms ook met de ruimere omgeving.
160
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
DE ONDERHANDELING ALS SPEL TUSSEN WAARDENBOUWSTENEN
Identiteit en samenhorigheid Mensen haalden vaak aan dat de plaatsen met erfgoedwaarde doen nadenken over het grotere geheel: over hoe mensen vroeger leefden, bouwden, zich ontspanden. Het gevoel van een gemeenschappelijke basis creëert een vorm van verbondenheid.
De uiteindelijke waardering van onroerend erfgoed is een hybride spel van verschillende waardenbouwstenen. Een kerk staat weliswaar in de eerste plaats voor sociale waarden die levensbeschouwelijk zijn gedefinieerd, maar heeft ongetwijfeld ook functionele waarden. Een monument dat betekenis heeft voor onze (nationale, lokale …) geschiedenis – het heeft cultuurhistorische waarde – is ongetwijfeld meer waard op de markt als het geschikt is voor alledaags gebruik.
CULTUREEL KADER & INSTITUTIONEEL KADER Moment in tijd narratieven
INTERNE FACTOREN PERSOONSGEBONDEN
EXTERNE FACTOREN ONROEREND ERFGOED OBJECT
De relatie met de plaats De intentie De modus van benadering De leek / geïnformeerde leek Sociaal demografische factoren Waarden en normen
Het ruimtelijk ontwerp Het programma Het beheersmodel De wijkwerking De toegankelijkheid Bescherming De kwaliteit van de omgeving
Figuur 17: dit schema verbeeldt de verschillende factoren die invloed hebben op het waarderingsproces, door Endeavour
161
Tools & conclusies WAARDERINGSPROCES WELKE FACTOREN BEÏNVLOEDEN HET PROCES VAN WAARDERING? Verschillende type factoren hebben een impact op het proces van waardering. Hieronder sommen we ze op zoals ze zichtbaar werden tijdens de diverse bevragingen.
INTERNE FACTOREN De relatie met de plaats Dit gaat over hoe mensen connecties aangaan met plaatsen op verschillende momenten in hun leven. Voor sommigen komt de connectie tot stand door herinneringen aan een verleden. Zoals appels stelen uit de abdijtuin in Bornem in de jonge jaren. Voor anderen door ervaringen met belangrijke personen gelinkt aan de plaats, zoals een zwembadbezoek in Gent met je ouders 50 jaar geleden. Of ervaringen in het hier en nu, zoals de bibliotheek in het Predikherenklooster bezoeken met de kinderen. Ook associaties met gelijkaardige plaatsen (mental map) kunnen een invloed hebben op de relatie met de plaats. De manier waarop verbindingen tot stand komen, ondersteunt de idee dat niet alle plaatsen die we bezoeken betekenisvol worden. De band die wij met plaatsen hebben, verandert in de loop van de tijd. De plaatsen waarmee wij momenteel in het hier en nu verbonden zijn, zullen uiteindelijk geassocieerd worden met nostalgie en de vormingsjaren.
De intentie Dit gaat over de verwachting, agenda, missie die achter de beschouwing zit en deze mee richting geeft. Bezoekers aan het Van Eyck zwembad die voor de werkdag een uurtje baantjes willen trekken kijken met een andere bril naar deze plek dan iemand die op het plein voor het zwembad met zicht op de Portus Ganda met vrienden heeft afgesproken voor een aperitief in een historische setting. Of wandelaars die de Bottelarij in Ulbeek bezoeken als rustpunt op hun route en de tijd kunnen nemen om het verhaal tot zich te laten komen.
162
De modus van benadering De manier waarop iemand een plaats benadert, beïnvloedt de waardering. Met de auto, al wandelend, met de fiets, iedere modus heeft een bepaalde snelheid en framing. Bij de langer lopende cases viel telkens op dat het wandelen een positief effect heeft op de wil om erfgoed te ontdekken. Sommige mensen zijn niet geïnteresseerd, maar in veel andere gevallen zorgt het wandelen voor een vertraging en creëert het een openheid ten opzichte van de omgeving. Dat gebeurt meestal ongefilterd. Het meerlagige beeld dat de wandelaar opbouwt, focust niet exclusief op erfgoed.
De leek / geïnformeerde leek Dit heeft te maken met het niveau van feitelijke kennis over de plaats. Binnen deze studie lag de focus enkel op de leek zoals de gebruiker, voorbijganger … en niet de expert zoals de erfgoeddeskundige, architect, historicus, …. Maar binnen de categorie ‘leek’ bestaan nog verschillen in niveau van kennis. Dit heeft een impact op de cognitieve relaties tussen indrukken, gevoelens en prikkels (“ik weet dat dit oud is dus, …”) die gemaakt worden.
Sociaal-demografische factoren Factoren zoals afkomst, etniciteit, religieuze achtergrond, leeftijd, opleidingsniveau, … hebben een invloed op de waardering. Dit is binnen het huidig onderzoek niet specifiek bevraagd. In bepaalde cases kwam het sporadisch aan bod maar te impliciet om hier uitgebreide conclusies over te schrijven. Wat meermaals aan bod kwam, is dat de persoonlijke appreciatie voor erfgoed steeg bij het ouder worden. Dit hangt samen met associaties met familie, het verzamelen van kennis en inzichten en de wens om bijzondere plaatsen (en bijhorende ervaringen) te delen met mensen die belangrijk voor de geïnterviewde zijn. Zo gaven meerdere bevraagden aan dat ze pas vanaf middelbare leeftijd en het ouder worden van hun ouders interesse begonnen te krijgen in historische plaatsen waar ze een connectie mee hadden. Die connectie kon al dan niet via familie, kennissen of eigen ervaringen verlopen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Waarden en normen De persoonlijke waarden en normen die bepalen hoe een leek tegenover onroerend erfgoed staat in het algemeen én bijgevolg ook tegenover individuele cases.
EXTERNE FACTOREN
Ganda in Gent die mee verhalen verzamelde, of de streetstories in Leuven waarbij bewoners zelf actief mee op zoek gaan naar de geschiedenis van hun wijk en straat.
De toegankelijkheid
De manier waarop er wordt omgegaan met historische elementen, de lichtinval, de aaneenschakeling van ruimten, het integreren van technieken, … al deze zaken beïnvloeden de appreciatie van de waarnemer. Dit werd sterk benadrukt in de case van het Predikherenklooster te Mechelen, waar de bezoekers het comfortniveau van het gebouw in combinatie met het zicht- en tastbaar houden van de geschiedenis bijzonder appreciëren.
Om een plaats te kunnen appreciëren moet deze toegankelijk zijn. In eerste instantie moet de plaats fysiek toegankelijk zijn. De ligging en obstakelvrije toegang zijn hier belangrijke aspecten. Ook het ontwerp, het programma en de wijze van communicatie zijn belangrijk om de plaats een toegankelijke uitstraling te geven. Met het oog op een breed publiek en de wens om een inclusieve erfgoedsite te bekomen, moet het ook betaalbaar blijven voor een brede groep gebruikers. Er werd meermaals aangehaald in de bevragingen dat het exclusief maken van erfgoed, bijvoorbeeld door de invloed van Marc Coucke in Durbuy, een negatieve invloed heeft op de persoonlijke perceptie.
Het programma
Bescherming
De functies die verbonden zijn aan een plaats bepalen het karakter van de plaats en hoe (en door wie) deze gebruikt wordt op het niveau van de buurt of stad. Zo dient de bibliotheek in Mechelen de gehele stad en biedt ze naast haar hoofdfunctie als bib ook aanvullende activiteiten die maken dat de plaats ontmoetingen kan faciliteren.
Gebouwen en landschappen die van een type bescherming genieten, hebben een grotere garantie op behoud. Met bescherming komen er natuurlijk ook randvoorwaarden. Een kanttekening is hier dat er voldoende flexibiliteit of dialoog dient mogelijk te zijn rond de invulling en renovatie om een herbestemming met lokale waarde afgestemd op de huidige noden mogelijk te maken. Dit is erg contextgebonden en werd niet specifiek bevraagd in de cases.
Het ruimtelijk ontwerp
Het beheersmodel De wijze waarop een plaats beheerd wordt, verschilt enorm. Een plek zoals een bibliotheek met een heldere beheersstructuur en rolverdeling heeft een eigen communitywerking, wat de openheid van het project ten goede komt. Ook in de Bottelarij was dit merkbaar, de organisatie is geworteld en vernetwerkt in het lokale verenigingsleven wat in grote mate bijdraagt aan haar draagvlak.
De wijkwerking Hiermee doelen we op initiatieven (bottom-up of topdown) op wijkniveau die de lokale gemeenschap mee stimuleren om meer te weten te komen over hun dagelijkse omgeving. Bijvoorbeeld de wijkwerking Portus
De kwaliteit van de omgeving Dit kwam in bijna alle cases sterk naar voren, een gebouw is geen eiland op zich maar schrijft zich in haar directe omgeving in. In Mechelen werd de integrale aanpak met de bibliotheek in het voormalige Predikherenklooster, de Dossinkazerne en de Tineltuin enorm gewaardeerd door de bezoekers. Deze aanpak creeert een nieuwe duidelijke attractiepool op niveau van Mechelen en straalt af op de buurt. In Nieuwpoort en Landen bleken omkadering en comfort (horeca met name) belangrijk te zijn om een omgeving en haar erfgoed ten volle te kunnen ontdekken.
163
Tools & conclusies CONCLUSIES & AANBEVELINGEN Narratieven Verhalen zijn van alle tijden en goede verhalen zijn vaak tijdloos. Mede door transformatie of herinterpretatie hebben oude verhalen vaak betekenis in het hier en nu. Daarmee kan een parallel getrokken worden naar erfgoed. Erfgoed is per definitie iets om door te geven. Maar wat geef je dan door? Is dat de ervaring, de feitenkennis, een nieuw perspectief of kennis? Verhalen kunnen, ongeacht het antwoord op die vraag, een krachtig instrument zijn voor de ontsluiting van erfgoed.
Cultureel, institutioneel kader Hieronder verstaan we de spelregels, gewoonten en gebruiken die samenhangen met de huidige cultuur en
instituties betrokken bij de context waarin het onroerenderfgoedobject zich bevindt.
Moment in tijd De tijdsdimensie beïnvloedt zowel de interne en externe randvoorwaarden als de culturele institutionele context. In het schema omkadert dit het geheel, omdat alles altijd in continue verandering is. Het moment van de waarneming is dus uniek voor iedere case. Tijd in relatie tot de staat van de case kan gaan over de fase van transformatie. Je kijkt anders naar een leegstaand gebouw dan een gebouw tijdens een renovatie of een jaar na oplevering. Maar ook over het tijdstip in de dag, in het jaar of breder in een specifieke tijdsgeest.
Conclusies en aanbevelingen DE POTENTIE VAN SOCIALE WAARDERING OM MENSEN TE BETREKKEN OP ERFGOED? HOE KUNNEN DE INZICHTEN ROND WAARDERING INGEZET WORDEN IN EEN (MEER) GEDRAGEN BELEID? De potentie is in de eerste plaats afhankelijk van de specifieke context, er is geen algemeen antwoord. Hieronder geven we een aantal aanbevelingen die de potentie vergroten. 1. Maak het onroerend erfgoed toegankelijk. Toegankelijkheid geldt als belangrijke meerwaarde en versterkt vaak de erfgoedwerking. — Toegankelijkheid moet hier niet alleen fysiek, ruimtelijk, maar ook immaterieel begrepen worden: sociaal, financieel, programmatorisch.
164
— De wijze waarop het onroerend erfgoed ruimtelijk benaderd kan worden, werkt door in het proces van waarderen. Uit verschillende cases, waaronder Nieuwpoort-Bad blijkt bijvoorbeeld dat wandelen of een traag tempo van naderen bevorderlijk is voor een rijke ervaring. — De omgeving van het onroerend erfgoed speelt een rol in het proces van waarderen. Ze zorgt al dan niet voor een kader waarin een bezoeker of voorbijganger het onroerend erfgoed optimaal ervaart (bijvoorbeeld het zwembad Van Eyck en Portus Ganda, Nieuwpoort-Bad).
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
—
—
—
—
Ze verlaagt of verhoogt de drempel tot het onroerend erfgoed, wanneer ze potentiële bezoekers afschrikt of aantrekt. Ze houdt beperkingen of mogelijkheden in voor het programma van het onroerend goed. Een grote meerderheid van de geïnterviewden vindt de publieke toegankelijkheid van onroerend erfgoed een meerwaarde, onder meer omwille van de rol als ontmoetingsplek die het onroerend erfgoed dan vaak speelt. Of publieke toegankelijkheid sociale inclusiviteit en diversiteit betekent, hangt in belangrijke mate af van de programmatorische invulling. Deze kan zich richten op brede lagen van de bevolking zoals in het geval van een zwembad of een bibliotheek, op lokale recreanten of toeristen, maar ook op een publiek van veeleer bemiddelde gourmets in het geval van het sterrenrestaurant in het Predikheren. Daarbij kan een diversiteit aan functies zorgen voor interessante kruisbestuivingen en wederzijdse versterking. Het merendeel van de geïnterviewden beklemtoont het belang van de publieke toegankelijkheid van onroerend erfgoed en geeft zo blijk van betrokkenheid op onroerend erfgoed. Door de functies die het onroerend erfgoed vervult, gaat het een rol spelen in het maatschappelijke en alledaagse leven. Er wordt bijgevolg onroerend erfgoed ontsloten voor bezoekers die anders minder in aanraking komen met onroerend erfgoed. Herhaaldelijk bezoek blijkt te leiden tot bekommernis over de materiële condities van het onroerend erfgoed en versterkt het draagvlak voor het behoud ervan. Een omkadering die zorgt voor comfort in de vorm van horeca bijvoorbeeld, of een omkadering die een (belevings)laag voor kinderen toevoegt, draagt bij aan het ontdekken van erfgoed.
2. Creëer een bestemming op maat van de buurt of de stad. Het programma maakt een belangrijk verschil bij ‘impliciete’ en ‘expliciete’ ontsluiting. — Het aanbod en de diversiteit aan functies stelt onroerend erfgoed ten dienste van de bevolking en ontsluit het op een ‘impliciete’ wijze, waardoor ongefilterd appreciëren mogelijk wordt. Het programma versterkt vaak de wisselwerking tussen het onroerend erfgoed en de omgeving, maakt van het onroerend erfgoed een ontmoetingsplek voor de buurt en speelt een verbindende rol binnen het alledaagse leven. Belangrijk hierbij is dat het programma aansluit op de noden vanuit de buurt of breder de wijk of stad. Dit is vaak een complexe oefening omdat het programma ook het financieel model (grotendeels) bepaalt. Het herbestemmen van erfgoed is duur, er wordt dan ook vaak een samenwerking met een private partij aangegaan. De case van de abdij in Bornem illustreert hoe er binnen een publiek-private samenwerking kan gezocht worden naar een balans tussen rendement, erfgoed en lokale verankering door een divers programma en een duidelijk afsprakenkader. — Bij gebrek aan programma blijft de ‘impliciete ontsluiting’ en de verbindende rol binnen het alledaagse leven grotendeels uit. Daardoor gaat de mogelijkheid verloren om in een latere fase aan meer ‘expliciete ontsluiting’ (inzetten op de erfgoeddimensie) te doen (bijvoorbeeld de schachtbokken in Houthalen). — Bij bepaalde programma’s is de stap om expliciet te ontsluiten groter dan bij andere. Een functie als zwembad leent zich bijvoorbeeld minder tot het expliciteren van de erfgoeddimensie dan een functie als bibliotheek (of erfgoedbibliotheek) waar een historische dimensie meer vanzelfsprekend is en naast de bibliotheek-
165
Tools & conclusies CONCLUSIES & AANBEVELINGEN
werking andere culturele activiteiten kunnen worden opgezet. — Programma’s houden ook beperkingen en mogelijkheden in voor gemeenschapsvorming in het algemeen en een community-werking met betrekking tot erfgoed in het bijzonder. Het organiseren van ledenactiviteiten rond erfgoed is meer vanzelfsprekend vanuit bijvoorbeeld een bibliotheek of abdij dan vanuit een zwembad.
3. Vertrek vanuit de leefwereld van de betrokkenen om de potentie van erfgoedwaarderen écht te kunnen benutten/ vatten — De ethische principes van UNESCO inzake de borging van immaterieel cultureel erfgoed benadrukken het eigenaarschap van lokale erfgoedgemeenschappen en dichten deze een belangrijke rol in het proces van erfgoedwaarderen toe. Dat houdt ook implicaties in voor de omgang met onroerend erfgoed, bijvoorbeeld met betrekking tot het gebruik ervan. — Erfgoed bewaren is belangrijk, maar dit mag niet betekenen dat er een ‘reset’ moet gebeuren, dat het landschap, de site of het gebouw vanzelfsprekend terug naar een zogenaamde ‘oorspronkelijke staat’ dient gebracht te worden. Dit kan immers hedendaagse noden hypothekeren en organische en informele manieren van ‘erfgoedmaken’ verstikken (bijvoorbeeld de ‘groentekwekers’ in Bornem). De vraag daarbij is wanneer bepaalde praktijken en bijhorende gevoelens in relatie tot een plaats worden meegewogen. — In plaats van een erfgoedwerking van bovenuit te installeren dient men te onderzoeken of er met betrekking tot het landschap, de site of het gebouw aanknopingspunten zijn met al bestaande gebruiken.
166
— Waarderen kan doorgroeien tot medebeheren van onroerend erfgoed. Als de opening er is, als de waarden en praktijken van mensen buiten de geïnstitutionaliseerde erfgoedwereld ernstig worden genomen, zijn die misschien bereid om zorg te dragen voor het onroerend erfgoed. Men kapitaliseert zo een waardeproductie die al plaatsvindt (bijvoorbeeld de huisvlijt rond kerkgebouwen), waarbij erfgoedwerkers niet te snel moeten uitgaan van een smet op het onroerend erfgoed.
4. Ontsluit onroerend erfgoed lokaal door het delen van ‘kleine verhalen’ en geschiedenis op menselijke schaal — Gemeenschappen steunen op gedeelde verhalen. Lokaal kan de directe leefwereld van mensen en de geschiedenis van de plek vaak concreet verbonden worden met materieel en immaterieel erfgoed (bijvoorbeeld de Portus Ganda met de wijkwerking Macharius-Heirnis, de case van Leuven). ‘Kleine verhalen’ en ‘levende geschiedenis’ werpen een ander licht op onroerend erfgoed dat mensen in het alledaagse leven gebruiken of waar ze vaak voorbij gaan zonder meer. Verhalen op menselijke schaal laten makkelijker toe om buurtbewoners, onder wie ook ‘nieuwkomers’, op sleeptouw te nemen. — In deze narratieven gaan de verschillende categorieën erfgoed ook moeiteloos in elkaar over en versterken ze elkaar (bijvoorbeeld Houthalen, case Leuven). Zo kan op een laagdrempelige manier aan het ongefilterd appreciëren een meer bewust erfgoedwaarderen toegevoegd worden. Bovendien betrekken ‘gedeelde verhalen’ mensen niet alleen op het onroerend erfgoed, maar versterken ze ook de onderlinge verbondenheid.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Wanneer de verhalen voldoende inzetten op diversiteit en het vinden van (fysieke) aanknopingspunten, kunnen ook ‘nieuwkomers’ bereikt worden. Daardoor wordt het voor hen makkelijker om zich te identificeren met lokaal erfgoed. Ook actuele thema’s als duurzaamheid lenen zich soms voor een vertaling waarin een koppeling plaatsvindt met lokaal onroerend erfgoed (bijvoorbeeld de case van Leuven). — Er is een vraag om meer inhoud aan te reiken, zodat wandelaars bijvoorbeeld de diepere lagen van een landschap kunnen leren kennen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat die inhoud niet opgedrongen wordt. Wandelaars verkennen een omgeving graag op hun eigen tempo, maar als ze door iets geraakt worden, willen ze een vlotte toegang tot meer duiding.
5. Zet in op erfgoed om tot een duurzaam en gelaagd landschap te komen. — Duurzaamheid is een begrip dat op verschillende manieren kan geïnterpreteerd worden. Een (her)bestemming kan bijdragen tot de verdere ontwikkeling van een gebouw of een landschap en zijn betekenis voor de samenleving vandaag en in de toekomst. Het garandeert dat het erfgoed aan toekomstige generaties wordt doorgegeven. Erfgoed opnieuw gebruiken, is niet alleen duurzaam en zinvol vanuit ruimtelijke argumenten. De aanwezigheid van erfgoed draagt ook bij tot de kwaliteit van de leefomgeving en heeft het potentieel om mensen met elkaar te verbinden tot ‘erfgoedgemeenschappen’. — Herbestemmen is een manier om continuïteit te garanderen. Meerdere bevraagden gaven aan het positief te vinden dat gebouwen werden gered van verloedering door te herbestemmen of te renoveren. Dit voornamelijk in relatie tot educatieve waarden, zodat toekomstige generaties kunnen blijven voelen en beleven hoe het dagelijks leven was in het verleden. — Herbestemmen met het oog op circulariteit kwam een aantal keer naar voren. Hierbij werd tijdens de gesprekken niet gefocust op specifieke renovatieprincipes, maar wel op de idee dat door het gebouwenbestand te herbestemmen bestaande gebouwen een nieuw leven gegeven wordt en er geen nieuwe gebouwen moeten voorzien worden. — Bovendien werd de idee van een gelaagde stad of landschap, waar meerdere tijdperken en culturen zicht- en voelbaar zijn door meerdere mensen als een grote meerwaarde gezien.
167
Tools & conclusies CONCLUSIES & AANBEVELINGEN
6. Hou het soms impliciet. Expliciteren van onroerend erfgoed is niet altijd nodig (om er ‘samen’ van te kunnen genieten). — Bij ‘impliciete ontsluiting’ wordt het onroerend erfgoed niet in de eerste plaats bezocht om zijn status als onroerend erfgoed, maar omdat het landschap, de site of het gebouw in kwestie het kader bieden voor alledaagse praktijken. Ook dan biedt onroerend erfgoed, nog afgezien van de maatschappelijke functies die het vervult, een meerwaarde. Vele gebruikers en voorbijgangers ervaren een zeker welbevinden. Men hoeft geen deskundige te zijn om van een cultuurhistorisch landschap ‘lichamelijk’ te genieten of om bepaalde architecturale en ruimtelijke kwaliteiten eigen aan een gebouw of een site te ervaren, zoals duidelijk blijkt uit de cases. — Voor sommigen wordt door kennis van een bepaald onroerend erfgoed de betrokkenheid op het landschap, de site of het gebouw groter. Niettemin is het belangrijk voldoende oog te hebben voor het ongefilterde appreciëren. Het is een dimensie van de subjectieve beleving en onderdeel van het proces van waarderen van onderuit. Het is hier dat eventueel de kiem gelegd wordt voor latere betrokkenheid bij het onroerend erfgoed.
168
7. Hou er rekening mee dat het waarderen van onroerend erfgoed een complex en hybride proces is — Het vatten van het waarderingsproces van onroerend erfgoed vraagt een sectoroverschrijdende en multiperspectivistische blik. In de praktijk zijn strakke scheidingslijnen niet houdbaar, gezien de vele wisselwerkingen tussen de sensorische, emotionele en cognitieve dimensies, tussen de ruimtelijke en de maatschappelijke kaders en tussen de materiële en de expressieve kwaliteiten. Naast het biografische traject van het individu speelt de specifieke context van het landschap, de site of het gebouw een belangrijke rol binnen het proces van erfgoedwaarderen. Dit betekent dat bij het karteren van het erfgoedwaarderen noodgedwongen elementen buiten beeld blijven. Ook de opdelingen tussen materieel en immaterieel en tussen roerend en onroerend erfgoed vervagen bij veldonderzoek. Op het terrein wordt men getroffen door de grote verwevenheid tussen de verschillende categorieën. De vele interacties tussen de categorieën ressorteren vaak wederzijdse versterking. — Bij het analyseren van het erfgoedwaarderen lichten clusters van waarderingsnoties op. Zo kunnen bijvoorbeeld historische sensatie, ‘sense of place’, ‘sense of belonging’ en (intergenerationele) verbondenheid vaak gekoppeld worden. Een nauwkeuriger en vollediger in kaart brengen van de verschillende clusters en hun vectoren vereist echter vervolgonderzoek. — De studie wijst op het belang van impliciete ontsluiting en van ongefilterd appreciëren binnen processen van erfgoedwaarderen.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Bibliografie Bauman Z. (2000). Liquid Modernity. Oxford: Polity Press.
de Solà-Morales Rubió, I. (1995). Terrain Vague. In Davidson, C. (red.), Anyplace. Cambridge: The MIT Press, pp. 118-23.
Bonnet A. & Alexander C. (2013). Mobile nostalgias. Connecting visions of the urban past, present and future amongst ex-residents, Transactions of the Institute of British Geographers, 38 (3), pp.391-402.
Doucet, I., & Janssens, N. (red.) (2011). Transdisciplinary Knowledge Production in Architecture and Urbanism. Towards Hybrid Modes of Inquiry. Dordrecht/Heidelberg/ Londen: Springer.
Boltanski L. & Thévenot L. (1991). De la justification. Les économies de la grandeur. Parijs: Editions Gallimard.
Dovey K. (2010). Becoming Places. Urbanism, Architecture, Identity, Power. London-New York: Routledge.
Boym S. (2001). The Future of Nostalgia. New York: Basic Books.
Endeavour, Cosmopolis (VUB), & Ovum Novum Perplexicorum. (2021, april).Gedragsstudie: Nabijheid van voorzieningen versus verplaatsingsgedrag en woonplaatskeuze. Departement Omgeving.
Burckhardt, L. (2021). The Science of Walking. In: Kiss, D. & Kretz, S. (red.) Relational Theories of Urban Form. An Anthology. Bazel: Birkhäuser, pp. 319-349. Boelens, L. (2020). Planning van de Lage landen. Ruimte & Maatschappij, 11(2), pp. 7-37.
Frank, S. (2015). Urban Commons and Urban Heritage: Input for the Urban Heritage Seminar Series, University of Gothenburg, 23rd August 2013. In: Benesch, H. et al. (red.) Heritage as Common(s). Common(s) as Heritage. Gothenburg & Stockholm: Makadam Publishers.
Callon, M., Lascoumes, P. & Barthe, Y. (2009). Acting in an Uncertain World. An Essay on Technical Democracy. Cambridge: The MIT Press.
Fredheim, L.H. & Khalaf, M. (2016). The significance of values: heritage value typologies re-examined, International Journal of Heritage Studies, 22 (6), pp. 466-81.
Coccossis H. & Nijkamp P. (red.) (1995). Sustainable Tourism Development., London: Avebury. Conley T. (2005). Sensation, In A. Parr (red.) The Deleuze Dictionary. Edinburgh: EUP, pp. 244-246;
Frijhoff W.T.M. (2011). De mist van de geschiedenis. Over herinneren, vergeten en het historisch geheugen van de samenleving. Nijmegen: Van Tilt.
De Baerdemaeker M., Vastmans F. & Vandekerckhove B. (2011). De sociaal-economische impact van het onroerend erfgoed(beleid) in Vlaanderen. Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed.
Gielen P. (2007). De onbereikbare binnenkant van het verleden. Over de enscenering van het culturele erfgoed. Leuven: Lannoo Campus.
de Certeau, M. (1984). The Practice of Everyday Life. Berkeley: University of California Press. De Decker P., Van den Broeck P. & Loopmans M. (2012). Van bewonersgerichte stadsvernieuwing naar stadsontwikkeling. 30 jaar beleid voor de stad. In D. Holemans (red.), Mensen maken de stad. Berchem: EPO, pp.37-47. De Roo Gert. (2007). Shifts in planning practice and theory: From a functional towards a communicative rationale. In G. De Roo & G. Porter (red.) Fuzzy Planning: The Role of Actors in a Fuzzy Governance Environment. Ashgate, pp. 103-114. invoegen Devos T. (2016). Participation & Coproduction in Urban Planning. Reviving the Political Dimensionof Citizen Involvement in Spatial Projects. KU Leuven PhD. Arenberg Doctoral School Faculty of Science. de Solà-Morales Rubó, I., ([1985] 1996). From Contrast to Analogy: Developments in the Concept of Architectural Intervention. In: K. Nesbitt [red.] Theorizing a New Agenda for Architecture: An Anthology of Architectural Theory 1965-1995. New York: Princeton Architectural Press, pp. 230-37.
Haasdonk M. (2013). Governance. In S. Van Dommelen & C.-J. Pen (red.) Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Den Haag: Platform 31, pp.119-127. Hamdi, N. (2010). The Placemaker’s Guide to Building Community. Londen: Earthscan. Jones, S. (2017). Wrestling with the Social Value of Heritage: Problems, Dilemmas and Opportunities, Journal of Community Archaeology & Heritage, 4 (1), pp. 21-37. Kinnaer A. (2018). Draagvlak bij burgers voor een hoogstamboomgaardenbeleid in Haspengouw. Resultaten van een online bevraging in het kader van het Onroerenderfgoedrichtplan ‘Hoogstamboomgaarden in Haspengouw’. Onderzoeksrapport agentschap Onroerend Erfgoed nr. 99. Lefebvre, H. (1991). The Production of Space. Malden: Blackwell Publishing. Lefebvre, H. (2014). The Critique of Everyday Life. Londen: Verso. Landry, C. (1993). The social impact of the arts. A discussion document. Stroud: Comedia.
169
Bibliografie
Latour, B. (1999). Pandora’s Hope. Essays on the Reality of Science Studies. Cambridge: Harvard University Press.
Spencer, D. (2021). Critique of Architecture. Essays on Theory, Autonomy, and Political Economy. Bazel: Birkhäuser.
Latour, B. (2005). Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network Theory. Oxford: Oxford University Press.
Stephenson, J. (2008). The Cultural Values Model: An integrated approach to values in landscapes. Landscape and Urban Planning, 84, pp. 127-39.
Lazrak F. (2013). Het effect van investeringsprojecten op het maatschappelijk rendement van cultureel erfgoed, In S. Van Dommelen & C.-J. Pen (red.) Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Den Haag: Platform 31, pp. 113-117.
Thrift N. (2004), Intensities of feeling. Towards a spatial politics of affect, Geografiska Annaler, 86 (2004): pp. 57-78. Willems 2013
Lynch, K. (1960). The Image of the City. Cambridge: The MIT Press. Nauwelaerts M. (red.) (1999). De toekomst van het verleden. Reflecties over geschiedenis, stedelijkheid en musea. The future of the past. Reflections on history, urbanity and museums. Antwerpen: Am. Renes, J. Stegmeijer, E. Luiten, E.,& Janssen, J. (2017). Heritage as sector, factor and vector: conceptualizing the shifting relationship between heritage and spatial planning. In Cultural heritage and sustainable development: Economic benefits, social opportunities and policy challenges. Chania: Technical University of Crete, pp. 114-130. Reijndorp A. & Reijnders L. (2010). De alledaagse en de geplande stad: over identiteit, plek en thuis. Amsterdam: SUN Trancity. Rizzo, I. & Throsby, D. (2006). Cultural heritage: economic analysis and public policy. In V. A. Ginsburg, & D. Throsby (red.), Handbook of the economics of art and culture. Amsterdam: Elsevier, pp. 983-1016. Smit M., Baarveld M. & Dewulf G. (2013). Cultureel erfgoed en verevening, In S. Van Dommelen & C.-J. Pen (red.) Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Den Haag: Platform 31, pp.85-99. Smith, L. (2006). Uses of Heritage. Londen/New York: Routledge.
170
Throsby, D. (2012). Heritage economics: a conceptual framework. In G. Licciardi, & R. Amirtahmasebi (red.), The economics of uniqueness: investing in historic city cores and cultural heritage assets for sustainable development. New York: World Bank Group, pp. 45-74. Uyttenhove P.(1999). In M. Nauwelaerts (red.) De toekomst van het verleden. Reflecties over geschiedenis, stedelijkheid en musea. The future of the past. Reflections on history, urbanity and museums. Antwerpen: Am : pp. 107-114. Van Duyn M.& Rouwendal J. (2013). Cultureel erfgoed en het vestigingsgedrag van huishoudens, In S. Van Dommelen & C.-J. Pen (red.) Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Den Haag: Platform 31, pp. 45-53. Vanhoutte C. (2018). De directe economische impact van onroerend erfgoed in Vlaanderen. Satellietrekening onroerend erfgoed Vlaanderen. Conceptueel raamwerk 2018. Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed. Van Knippenberg K. (2019). Towards an evolutionary heritage approach: fostering community-heritage engagement. Paper presented at the 13th AESOP Young Academics Conference 2019. Van Loon R. (2013) Binnenlands toerisme en cultureel erfgoed, In S. Van Dommelen & C.-J. Pen (red.) Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Den Haag: Platform 31, pp. 63-73.
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Afbeeldingen AFBEELDINGEN Afbeelding 1: pag. 5: bibliotheek Mechelen, door Kris Vandevorst Afbeelding 2: pag. 8: abdij Bornem, Endeavour Afbeelding 3: pag. 33: de volkstuintjes op het domein van de Abdij van Bornem, Endeavour Afbeeldingen pag. 34 en 35 komen terug in de cases CASE, pag. 42: De bibiotheek Mechelen Afbeelding 4: zijkant van de bibliotheek, agentschap Onroerend Erfgoed, Kris Vandevorst Afbeelding 5: interieur van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 6: interieur van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 7: binnenplein van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 8: interieur van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 9: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 10, pag. 45: het binnenplein van de bibliotheek wordt gebruikt voor diverse culturele events, agentschap Onroerend Erfgoed, Kris Vandevorst Afbeelding 11, pag. 46: Voor de restauratie werkte de stad samen met het architectenbureau Korteknie Stuhlmacher Architecten. Er werd gekozen om de verschillende lagen van de geschiedenis zichtbaar te laten, Kris Vandevorst Afbeelding 12, pag. 47: interieur van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 13, pag. 48: zijkant van de bibliotheek, Kris Vandevorst Afbeelding 14, pag. 49: binnenplein van de bibliotheek, Kris Vandevorst CASE, pag. 52: Zwembad Van Eyck en Portus Ganda, Gent Afbeelding 15: interieur van het zwembad, Rainer Afbeelding 16: hoofdingang zwembad, Endeavour Afbeelding 17: oorspronkelijke hoofdingang zwembad, postkaart via Liberas Afbeelding 18: hoofdingang zwembad, Endeavour Afbeelding 19: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 20, pag. 54: hoofdingang zwembad, Endeavour Afbeelding 21, pag. 55: oorspronkelijke hoofdingang zwembad, postkaart via Liberas Afbeelding 22, pag. 59: interieur zwembad, Rainer Afbeelding 23, pag. 60: interieur zwembad, Gent verkend, Gentse StudentenRaad CASE, pag. 66: De Sint Bernardus abdij, Bornem Afbeelding 24: zijaanzicht van de abdij, Endeavour Afbeelding 25: buitenmuur van de abdijtuin, Endeavour Afbeelding 26: de volkstuintjes op het domein van de Abdij van Bornem, Endeavour Afbeelding 27: brevierpad, Endeavour Afbeelding 28: pandgang tijdens de werken, Endeavour Afbeelding 29: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 30, pag. 69: abdij van Bornem, Endeavour Afbeelding 31, pag. 70: de groentenkwekers op het domein van de Abdij van Bornem, Endeavour Afbeelding 32, pag. 73: werken in de pandgang van de abdij, Endeavour Afbeelding 33, pag. 74: buitenmuur van de abdijtuin, Endeavour Afbeelding 34, pag. 75: volkstuintjes in het domein van de abdij, Endeavour
CASE, pag. 78: De Bottelarij, Ulbeek, Wellen Afbeelding 35: buitenaanzicht van De Bottelarij Afbeelding 36: binnenplein van De Bottelarij, blog Solivagant Tina Sauwens Afbeelding 37: pattondrivers, Pattondrivers vzw Afbeelding 38: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 39, pag. 80: Vooraanzicht van de Bottelarij, Endeavour Afbeelding 40, pag. 82: pattondrivers, Pattondrivers vzw Afbeelding 41, pag. 83: binnenplein de Bottelarij, blog Solivagant Tina Sauwens Afbeeldingen pag. 86 tot 90 komen terug in de cases CASE, pag. 93: Nieuwpoort-Bad Afbeelding 42: Albert I-laan, UHasselt Afbeelding 43: Albert I-laan, UHasselt Afbeelding 44: de Barkentijn, UHasselt Afbeelding 45: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 46, pag. 97: de Barkentijn, UHasselt Afbeelding 47, pag. 98: Schildpad van Jan Fabre, UHasselt Afbeelding 48, pag. 99: Le Grand Hötel, UHasselt Afbeelding 49, pag. 101: hoekpand in Nieuwpoort, UHasselt Afbeelding 50, p. 105: achter de Albert I-laan,UHasselt Afbeelding 51, pag. 107: Albert I-laan, UHasselt Afbeelding 52, pag. 108: De online gesprekken werden ondersteund door een miro-bord, een tool voor online dialoog. Het volledige bord kan in bijlage gevonden worden. CASE, pag. 110: Sinte-Gitter, Landen Afbeelding 53: Landen, UHasselt Afbeelding 54: Historische site Sinte-Gitter, UHasselt Afbeelding 55: Blote voetenpad, foto van anonieme deelnemer aan bevraging ter plaatse Afbeelding 56: loods over de kerkruïne Afbeelding 57: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 58, pag. 113: blote voetenpad, foto van anonieme deelnemer aan bevraging ter plaatse Afbeelding 59, pag. 114: Sinte-Gitter, foto uit eigen archief Afbeelding 60, pag. 116: Wandelwaarderen, eigen kaart Afbeelding 61, pag. 118: wandelpad Landen, foto van anonieme deelnemer aan bevraging Afbeeldingen pag. 120 tot 121 komen terug in de cases CASE, pag. 124: Houthalen-Helchteren Afbeelding 62: de mijnschachten in Houthalen-Helchteren, UHasselt Afbeelding 63: Luchtfoto omgeving, Google Earth Afbeelding 64, pag. 128-129: de mijnschachten van Houthalen-Helchteren, UHasselt Afbeelding 65, pag. 134: Luchtfoto omgeving, Google Earth CASE, pag. 136: Leuven Afbeelding 66: grote markt, UHasselt Afbeelding 67: Stadhuis Leuven, uit de visiebundel van team Anno, Deruyter en Felt architecten. Afbeelding 68: Luchtfoto omgeving, Google Earth
171
Afbeeldingen
Afbeelding 69, pag. 139: velodroom leuven, door Eric Danhier Afbeelding 70, pag. 141: Straathistories, Jan Krab Afbeelding 71, pag 142: Het toekomstbeeld van het stadhuis met aangebouwd bezoekerscentrum. Afbeelding uit de visiebundel van team Anno, Deruyter en Felt architecten. Afbeelding 72, pag. 145: Grote Markt, Leuven, eigen materiaal Afbeeldingen pag. 147 tot 149 komen terug in de cases Afbeelding 73, pag. 151: mijnschachten, Houthalen-Helchteren, eigen materiaal Afbeelding 74, pag. 154: Bibliotheek Predikheren, Mechelen, agentschap Onroerend Erfgoed, Kris Vandevorst Afbeelding 75, pag. 176: wandelpad Landen, UHasselt
172
FIGUREN figuur 1, pag. 7: processchema,Endeavour figuur 2, pag. 12: een overzicht van de drie benaderingen van onroerend erfgoed, Endeavour figuur 3, pag. 23: waardentabel uit de studie betalingsbereidheid, verwerking door Endeavour figuur 4, pag. 24: waarde en impact als een dynamisch geheel, door Endeavour figuur 5, pag. 26: overzicht van waardenveld dat sociale waarden omvat figuur 6, pag. 28: Regime 1 en 2, door UHasselt en Endeavour figuur 7, pag. 41: hoofdvragen interviews, Endeavour figuur 8, pag. 51: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 9, pag. 65: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 10, pag. 77: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 11, pag. 85, spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 12, pag. 109: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 13, pag. 119: spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 14, pag. 135 spindiagram met aanduiding van waarden, door UHasselt en Endeavour figuur 15, pag. 140: weergave van de nabije geschiedenis en de verre geschiedenis vanuit individueel oogpunt, eigen materiaal Figuur 16, pag. 160: verloop van het waarderingsproces, door Endeavour Figuur 17, pag. 161: dit schema verbeeldt de verschillende factoren die invloed hebben op het waarderingsproces, door Endeavour
Onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van onroerend erfgoed in Vlaanderen
Bijlage 1 Dialoog I waardenwaaier
173
Bijlage 1 Waardenwaaier één één overover persoonlijke persoonlijke beleving beleving en waardering en waardering •
Gevoel • Gevoel ergens ergens bij te horen bij te horen
•
Gevoel • Gevoel ergens ergens thuis te thuis zijn,tevertrouwdheid zijn, vertrouwdheid
•
Herkenbaarheid • Herkenbaarheid
•
Gehechtheid • Gehechtheid
•
Anonimiteit • Anonimiteit
•
Gevoel • Gevoel van verbondenheid van verbondenheid met demet generaties de generaties voor mij voor mij
•
Het• gebouw Het gebouw en de en plek deals plek is als eenisoriëntatiepunt een oriëntatiepunt binnen binnen de de wijk ofwijk de stad of de stad
•
Sterke • Sterke zintuigelijke zintuigelijke ervaring ervaring
•
(Sterke) • (Sterke) ervaring ervaring van schoonheid van schoonheid
•
Sterke • Sterke emotionele emotionele ervaring ervaring
•
Gevoel • Gevoel van trots vanals trots Gentenaar als Gentenaar
•
Ankerpunt • Ankerpunt van herinneringen van herinneringen
•
Verbinding • Verbinding gevoelgevoel van verbondenheid van verbondenheid tussentussen verschillenverschillende mensen de mensen
Associaties Associaties
174
•
Oorspronkelijkheid, • Oorspronkelijkheid, echtheid echtheid
•
Een • plek Eenmet plekverhalen met verhalen
•
Een • plek Eenmet plekeen meteigen een eigen karakter karakter
•
Nostalgie • Nostalgie
•
Vitaliteit • Vitaliteit
•
Variëteit • Variëteit
•
Verlies • Verlies
•
Een • plek Eendie plek medie even me doet evenstilstaan doet stilstaan bij dingen bij dingen
•
Opvoedkundig, • Opvoedkundig, educatief educatief belang: belang: leert mensen leert mensen iets iets
•
Duurzaamheid • Duurzaamheid
•
Kunstmatigheid • Kunstmatigheid
175
Afbeelding 75: wandelpad Landen, UHasselt
176
Dialoog I Transcripties interviews De Bottelarij, Ulbeek 12 bevragingen, 4 gesprekken met meerdere mensen 9 Vrouwen 8 Mannen tussen 21 - 58 jaar
Bijlage 2: Dialoog II kaartmateriaal en mirobord
177
Bijlage 2 Nieuwpoort-bad WandelWaarderen: Wandelend waarderen van de omgeving / NIEUWPOORT-BAD Op en rond het Hendrikaplein en de Albert I-laan in Nieuwpoort-Bad gaan de UHasselt en de Vlaamse overheid op zoek naar jouw waardering van de omgeving. We willen je vragen om gebouwen en plekken aan te duiden die voor jou iets uitstralen, een bepaald gevoel opwekken, een betekenis dragen. Of jouw blik op het landschap of de omgeving nu de blik is van de wandelaar, de toerist, de persoon die in de buurt werkt, de bewoner, de fietser of de natuurliefhebber: elke aanduiding van een element uit de omgeving aangevuld met een korte omschrijving waarom dat element eruit springt, is welkom. De elementen die je aanspreken kunnen van velerlei aard zijn: een oud gebouw of een overblijfsel ervan, een monument, een plein of een straat...
Je kan je antwoorden neerschrijven op de achterzijde. Hiervan kan je dan een foto nemen en die opsturen naar het volgende e-mailadres: mela.zuljevic@uhasselt.be.
178
Wat zijn plekken of gebouwen die je aanspreken? Of waar je graag komt? Welke zijn de plekken waar je met mensen samenkomt? Waarom? (Duid de plekken eventueel aan op de kaart op de achterzijde)
Welke zijn de gebouwen of plekken die je juist niet aanspreken, of waar je niet graag bent? Waarom ?
Wat moet er veranderen om deze plaatsen wel aangenaam te maken?
Zijn er plaatsen, al dan niet positief of negatief, die een potentieel hebben om in de toekomst te verbeteren of meer in de kijker gezet te worden?
Hoe kunnen we deze plekken verbeteren of meer in de kijker zetten volgens jou?
Ben je bereid om deel te nemen aan een online-groepsgesprek over de voorlopige resultaten van dit onderzoek? Zo ja, gelieve hier je e-mailadres te delen:
179
Bijlage 2 Nieuwpoort-bad Mirobord Een Mirobord is een online canvas dat je kan gebruiken voor werksessies of brainstorms. In deze studie werd dit gebruikt om de groepsgesprekken te faciliteren voor Nieuwpoort-Bad en Houthalen-Helchteren.
180
181
Bijlage 2 Sinte-Gitter, Landen
182
183
Bijlage 2 Nieuwpoort, Landen
DE ANDERE RUIMTE IN 6 STAPPEN: Stap 1: Surf naar https://deandereruimte.bmks.be/
Stap 2: Registreer of meld aan
Stap 3: Eens aangemeld kies je een project
Stap 4: Als je een wandeling wilt starten druk je op ‘Route toevoegen’
Stap 5: Als je een plek op de wandeling wilt aanduiden druk je op ‘Locatie toevoegen’. Je kan deze plek beschrijven en ook een beeld toevoegen.
Stap 6: Vul de naam en de beschrijving in, voeg het beeld toe. Druk dan op ‘Locatie aanmaken’
184
Bijlage 3: Dialoog III kaartmateriaal en mirobord
185
Bijlage 3 Houthalen-Helchteren Mirobord
186
187
188