Vlaanderen is open ruimte
Duurzaam Onderhoud van het landschap Beleidsaanbevelingen voor een duurzame organisatie en financiering van het onderhoud van landschappelijke infrastructuur VLAAMSE LAND MAATSCHAPPIJ
vlm.be
INHOUD 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 3 2 Probleemstelling................................................................................................................................. 4 3 Analyse ............................................................................................................................................... 8 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4
Wat wordt er beheerd? ........................................................................................................................................... 8 Hoe wordt het regulier beheer gecoördineerd? ...................................................................................................... 9 Hoe wordt het beheer uitgevoerd? ......................................................................................................................... 9 Wat kost het regulier beheer en hoe wordt het gefinancierd? ............................................................................. 10 SWOT-analyse ........................................................................................................................................................ 11 Sterktes .................................................................................................................................................................. 11 Zwaktes .................................................................................................................................................................. 11 Kansen ................................................................................................................................................................... 12 Bedreigingen .......................................................................................................................................................... 12
4 Aanbevelingen voor een duurzaam onderhoud van het landschap ................................................ 14 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4
Aanbeveling 1: Maak werk van meer interbestuurlijke samenwerking ................................................................. 14 Versterk bestaande interbestuurlijke samenwerkingen en breid deze uit ............................................................ 15 Stel een intermediair met een duidelijk mandaat en opdracht aan ...................................................................... 16 Garandeer kwaliteit vanuit een gedragen landschapsvisie .................................................................................... 17 Innoveer door kennisuitwisseling en digitale beheerssystemen ........................................................................... 18 Aanbeveling 2: Voorzie structurele complementaire financiering vanuit alle bestuursniveaus ............................ 19 Organiseer klaverbladfinanciering ......................................................................................................................... 19 Engageer ook andere beleidsdomeinen om financieel bij te dragen ..................................................................... 20 Oormerk middelen binnen gemeentefonds voor het duurzaam onderhoud van het landschap .......................... 21 Aanbeveling 3: Zorg voor een participatief model voor het duurzaam onderhoud van het landschap ................ 22 Erken het belang én de grenzen van een brede betrokkenheid van landschapsactoren ...................................... 23 Creëer een professionele omkadering van het vrijwilligerswerk ........................................................................... 23 Schakel ook landbouwers in als beheerders .......................................................................................................... 24 Aanbeveling 4: Ontplooi aanvullende financieringskanalen .................................................................................. 24
5 Actieplan........................................................................................................................................... 29 6 Bijlagen ............................................................................................................................................. 34 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8
Proces .................................................................................................................................................................... 34 Deelnemers traject ................................................................................................................................................ 37 Vragenlijst enquetes .............................................................................................................................................. 39 Inspiratie voorbeeld 1: De werking van Sicona ...................................................................................................... 44 Inspiratie voorbeeld 2: Project i-landschap .......................................................................................................... 46 Inspiratie voorbeeld 3: Landschapsbeheer Nederland ........................................................................................ 49 Inspiratievoorbeeld 4: La Charte Paysagère des Parcs Naturels de Wallonie ....................................................... 51 Loketten Onderhoud buitengebied in vlaanderen op vandaag ............................................................................. 53
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
1 INLEIDING Sinds 2009 bestaat er in Vlaanderen de mogelijkheid om een project “Loket Onderhoud Buitengebied” (LOB) in te dienen, met plattelandssteun via LEADER of PDPO projecten. De aanzet hiertoe werd in 2008 gegeven in het advies van de themagroep van het interbestuurlijk plattelandsoverleg (IPO) over het regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur op het Vlaamse platteland. Zo zijn er ondertussen in alle Vlaamse provincies initiatieven genomen tot de oprichting van een dergelijk LOB of lopen er gelijkaardige initiatieven (bijv. parkrangers). Hoewel deze Loketten Onderhoud Buitengebied vanuit de regio’s een antwoord proberen te formuleren op verschillende uitdagingen waarmee men geconfronteerd wordt in het beheer van het buitengebied, blijft de duurzaamheid ervan een aandachtspunt, aangezien ze nagenoeg uitsluitend afhankelijk blijven van tijdelijke projectsubsidies. Dit thema bouwt niet enkel voort op de resultaten van het beleidsadvies van 2008. Ook in meer recente IPO-adviezen wordt gesuggereerd om in te zetten op een meer structurele verankering van regionale gebiedscoördinatoren. 1 Door hier dieper op in te gaan wil dit traject deze resultaten en adviezen concreter maken en vertalen in enerzijds beleidsadvies en anderzijds concrete instrumenten hoe men dit kan organiseren en financieren. Vanuit deze bezorgdheid werd in het voorjaar van 2017 door een kerngroep bestaande uit de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Vereniging van Vlaamse Provincies, de Vlaamse Landmaatschappij en het Vlaams Overleg Regionale Landschappen een agenderingsnota ingediend op het Bestuurlijk Overleg van het IPO, met de vaststelling dat de financiering van het beheer van de open ruimte een groeiend probleem is dat moet opgelost worden. De beleidsaanbevelingen zijn vooral gericht aan de leden van de Vlaamse regering 2. Tegelijkertijd beogen de aanbevelingen inspiratie en nieuwe inzichten aan te reiken voor andere bestuursniveaus alsook voor beleidsdomeinen die op zoek zijn naar antwoorden omtrent de financiering van het beheer.
In het IPO-advies “Oogstbare landschappen” (augustus 2017, pp. 29-30) werd het knelpunt van financiering voor de coördinatie van het beheer nogmaals bevestigd: “De inzet van deskundige, neutrale, regionale coördinatoren die expliciet de taak hebben om dergelijke lokale samenwerkingsverbanden tussen verschillende groeneigenaars en beheerders onderling en met verwerkers en afnemers op te zetten en te faciliteren is hierbij een zeer belangrijke factor. Bosgroepen, regionale landschappen en agrobeheergroepen zetten hier nu reeds op in door eigenaars te mobiliseren en de samenwerking rond beheer te stimuleren en te ondersteunen, aangezien dit sterk aansluit bij hun structurele werking. Echter, de ontwikkeling (…) is op dit moment nog sterk afhankelijk van projectsubsidies, waardoor het lastig is om voldoende continuïteit te garanderen (…).” (https://www.vlaanderen.be/publicaties/ipo-advies-oogstbare-landschappen-lokale-en-regionale-valorisatie-van-biomassa-uit-bos-natuur-enlandschapsbeheer 1
2 Door de evolutie van het IPO zijn de voorliggende beleidsaanbevelingen niet op een Bestuurlijk Overleg geagendeerd. Ze werden bijgevolg niet als Mededeling van de VR gepubliceerd. Dit document wordt daarom niet gepubliceerd als IPO- advies.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 3 van 54
2 PROBLEEMSTELLING Het buitengebied3 in Vlaanderen is de afgelopen decennia snel aan het veranderen. Open ruimte wordt niet alleen schaarser door de toenemende verharding, versnippering en bijkomende bebouwing. De functies en het gebruik van het buitengebied zijn ook veranderd en toegenomen. Wijzigingen in grondgebruik en functies van de open ruimte, de gestage afname van het aantal landbouwers en veranderingen in de wijze waarop aan landbouw wordt gedaan, hebben geleid tot een verandering in de rol van de landbouwer als “klassieke” beheerder van het buitengebied. Terwijl het vroeger nog een vanzelfsprekendheid was dat landbouwers de landschappelijke infrastructuur -voornamelijk kleine landschapselementen- onderhielden, is dit nu al lang niet meer het geval. Kleine landschapselementen als hagen en houtkanten, poelen en trage wegen verloren gaandeweg hun oorspronkelijke functionaliteit in plattelandsgemeenschappen en hiermee ook hun klassieke beheerders. Vanuit het perspectief van bedrijfsvoering loonde het niet meer om deze elementen te onderhouden en in stand te houden. Voor het religieus klein historisch erfgoed vond er een gelijkaardige wijziging plaats: met de ontkerkelijking van de maatschappij ging de functionaliteit van kapelletjes in het buitengebied achteruit en daarmee ook steeds meer de beheerders. Gemeentebesturen traden hierbij steeds vaker naar voor om een oplossing, zij het meestal ad hoc, voor het achterstallig beheer te zoeken. De financiële draagkracht van plattelandsgemeenten is beperkt 4, waardoor het regulier beheer van het buitengebied niet kan worden georganiseerd op een structurele wijze. Hierdoor wordt er vaak projectmatig of ad hoc naar een oplossing gezocht, hetgeen de landschappelijke kwaliteit en duurzaamheid van de landschappelijke infrastructuur niet ten goede komt. Gelijktijdig met het gaandeweg verdwijnen van de functionaliteit vanuit een landbouwlogica, trad er echter een wijziging in functies en perceptie van deze landschappelijke infrastructuur op: de toenemende verstedelijking zorgde voor een verhoogde vraag naar kwaliteitsvolle open ruimte om te recreëren, de afname van de biodiversiteit zorgde voor een verhoogde aandacht voor het in stand houden van leefgebieden voor de typische soorten van de Vlaamse cultuurlandschappen en de klimaatverandering zorgde voor een verhoogde aandacht voor veerkrachtige landschappen met de nodige aandacht voor integraal waterbeheer en CO2 opslag. Op basis van de beleidsaanbevelingen van het voorgaande IPO-advies ‘Het regulier onderhoud van de landschappelijke infrastructuur’ werd een handleiding modelproject ‘Loket Onderhoud Buitengebied’ ontwikkeld. 5 Hierin wordt de term landschappelijke infrastructuur omschreven door middel van drie begrippen: -
kleine landschapselementen (KLE): Dit zijn houtkanten, hagen, poelen, boomgaarden, alleenstaande bomen, markante bomengroepen, bomenrijen, onverharde veld- , bos- en kerkenpaden (trage wegen), bermen (minstens langs fiets- en wandelpaden), tumuli, etc.
-
klein historisch erfgoed (KHE): Dit zijn kleine elementen en constructies, geïsoleerd of deel uitmakende van een geheel, die van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving, een volkskundige, historische of esthetische waarde hebben, als referentie dienen voor de bevolking van een buurt of wijk, of bijdragen tot het gevoel van een plaatselijke bevolking tot een bepaalde
3 Het buitengebied is - op het niveau van Vlaanderen bekeken - het gebied waarin de open (onbebouwde) ruimte overweegt en waar een buitengebied-beleid wordt gevoerd. Elementen van bebouwing en infrastructuur die in functionele samenhang zijn met de niet-bebouwde ruimte maken er onderdeel van uit en kunnen plaatselijk overwegen. Buitengebied is aldus een beleidsmatig begrip: het is het gebied waar een buitengebied-beleid gevoerd wordt. Het buitengebied complementair aan het ruimtelijk begrip ‘stedelijk gebied’ waar een stedelijk gebied-beleid gevoerd wordt. 4Voor meer informatie, zie IPO-advies ‘Bestuurskracht van landelijke gemeenten’ 5
Deze handleiding kan online geraadpleegd worden via vlaanderen.be/publicaties
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
plek te behoren, zoals fonteinen, kiosken, pompen, putten, kruisen, calvaries, veldkapellen, standbeelden, wegwijzers, schandpalen, grenspalen, mijlpalen, lantaarnpalen, uurwerken, klokkenspelen, zonnewijzers, hekkens, omheiningsmuren, luifels, graven, herkenningstekens van merkwaardige gebeurtenissen uit het verleden, balies, straatmeubilair, waterkunstwerkjes, bakhuizen, houtskeletbouw, koetshuizen, oranjerieën, prielen, ijskelders, etc. -
recreatieve randinfrastructuur (RRI): Dit zijn alle randinfrastructuren die de leesbaarheid en de beleefbaarheid van het landschap ondersteunen of versterken zoals picknickplaatsen, rustbanken, fiets- , ruiter- en wandelpaden op recreatieve routes, uitkijkpunten of –torens, informatiepanelen langs fietspaden en wandelwegen, wegwijzers van fiets- en wandelpaden, zogenaamde leerpaden. Het is geen sportinfrastructuur zoals voetbalvelden, tennisvelden, etc.
Om tot de nodige verdieping inclusief concrete maatregelen te kunnen komen wordt dezelfde afbakening gehanteerd als in het eerdere IPO advies. Er is een sterke maatschappelijke tendens om het landschap te benaderen en te benutten vanuit heel uiteenlopende noden en door diverse gebruikers, zie onderstaande figuur. Open ruimte wordt een schaars goed, de sociale controle neemt toe om deze open ruimte kwalitatief te houden. Vanuit het beleid wordt er veel aandacht geschonken aan het vrijwaren van open ruimte en het uitbouwen van gebiedsgerichte en geïntegreerde ruimtelijke visies. Terwijl er hierbij instrumenten worden uitgewerkt om de verharding te laten afnemen, nog niet ontwikkelde woon-, industrie- en recreatiegebieden te herbestemmen en een voldoende fijnmazig groenblauwe dooradering te realiseren, blijft een structurele discussie over het instrumentarium om deze open ruimte kwalitatief te houden en te beheren achterwege. Via plattelandsontwikkeling en andere investeringsprogramma’s is er sterk geïnvesteerd in het behouden, heropenen, herstellen en aanleggen van landschappelijke infrastructuur vanuit de nieuwe functionaliteit van deze elementen. Deze functionaliteit is veel sterker belevingsgericht (wandelen, fietsen,…) of wordt ingevuld vanuit biodiversiteit en klimaatadaptatie. Hierdoor is niet alleen de functionaliteit van landschappelijke infrastructuur gewijzigd, maar is er ook een verschuiving opgetreden in de beheerders en de visies op het landschap. De van oudsher aanwezige beheerders van het buitengebied zijn alsmaar minder talrijk of minder slagkrachtig om het regulier beheer van het buitengebied op te nemen. Daarnaast zijn er nieuwe actoren actief in de open ruimte die deze rol opnemen. Dit leidt tot een probleem van afstemming in visies op het landschap, op de uitvoering van het regulier beheer en op het financieren hiervan, door een integrale aanpak.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 5 van 54
Figuur: Oud tramspoor in Lage Kempen ©RLLK/Geert De Sutter
Vanuit deze beschreven uitdagingen werden twee sleutelkwesties geformuleerd als vertrekpunt om tot beleidsaanbevelingen te komen: 1. Hoe is het beheer van het landschap vandaag georganiseerd ? Vragen die hieronder meer onderzocht werden zijn: o o o o o o
Wat wordt er beheerd aan landschappelijke infrastructuur? Wie zijn de actoren die het onderhoud coördineren? Door welke actoren gebeurt het onderhoud en beheer effectief op het terrein? Wat is de rol van verschillende bestuursniveaus, betrokken beleidsdomeinen en andere actoren bij de financiering? Wat zijn kansrijke financieringskanalen en verdienmodellen? Wat leren we van buitenlandse voorbeelden?
2. Hoe komen we tot een duurzame organisatie en financiering van het onderhoud van landschappelijke infrastructuur? Wat, uitgaande van de analyse moeten we behouden en wat moeten we verbeteren? Om antwoorden op de vragen te verkrijgen werd er een verkenningstraject (1) doorlopen gevolgd door een verdieping(2) en de uitwerking van de beleidsaanbevelingen(3). In het verkenningstraject stond de analyse van de huidige situatie centraal; hiervoor vond oa. een kwalitatieve als een kwantitatieve bevraging plaats en
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
3 ANALYSE De basis voor de analyse vormt de informatie verkregen uit de resultaten van de kwantitatieve en kwalitatieve bevraging en van twee workshops met verschillende stakeholders. 6 Bijlage 6.3 geeft de leidraad van vragen weer die als basis diende voor de diepte interviews. In dit volgende hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de volgende aspecten van het beheer: Wat wordt er vandaag binnen Vlaanderen beheerd?; Hoe wordt dat beheer gecoördineerd?; Op welke wijze wordt het beheer uitgevoerd?; Wat kost het beheer? Aan het einde van dit hoofdstuk zijn de belangrijkste bevindingen bijeengebracht in een SWOT-tabel.
3.1 WAT WORDT ER BEHEERD? Hagen, houtkanten, bermen, trage wegen, waterlopen, signalisatieboorden,… Er blijkt in Vlaanderen heel wat oppervlakte dat beheerd wordt; tegelijkertijd zonder dat dit veelal planmatig, structureel en vanuit een achterliggende visie gebeurt. Uit de bevraging komt naar boven dat het bij het beheer vaker gaat over herstel- of achterstallig beheer dan over het regulier beheer, waarbij lokale besturen aangeven dat ze (steeds vaker) op problemen reageren naar aanleiding van concrete klachten dan dat ze proactief zijn. Het regulier beheer van KHE gebeurt niet of nauwelijks. Er blijkt ook geen volledig overzicht over de te beheren KLE’s of KHE te bestaan. Er wordt hierbij weinig beroep gedaan op het beschikbare Vlaamse instrumentarium, vooral omdat er heel wat vereisten gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld het verkrijgen van premies. Het valt op dat er meer draagvlak is en ook meer middelen worden ingezet voor het beheer en onderhoud van RRI. Uit de bevraging blijkt dat daar waar geïnvesteerd wordt in een wandel- of fietspad ook de aanliggende omgeving mee wordt aangepakt, waardoor onrechtstreeks wel KLE’s en in mindere mate KHE mee worden onderhouden. Gronden in eigendom of beheer van provincies en Vlaamse agentschappen worden in hoofdzaak door deze actoren zelf beheerd; met uitzondering van “groene snippers” zijn er bij deze actoren geen structurele moeilijkheden naar beheer toe. Welke landschappelijke infrastructuur er wordt beheerd, is sterk afhankelijk van de prioriteiten van het beleidsdomein dat verantwoordelijk is voor de financiering, waardoor elk domein een selectie van te beheren KLE, KHE of RRI maakt. Buiten de grote kostenposten van bermbeheer en beheer van waterlopen wordt een groot gedeelte van het beheer in het buitengebied gefinancierd met middelen vanuit het beleidsdomein leefmilieu. Hierdoor is het voor veel actoren op het terrein moeilijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen natuurbeheer en landschapsbeheer. Een haag, houtkant of poel wordt steeds meer in functie van een bepaalde biodiversiteit beheerd. Dit is een van de oorzaken die leiden tot verschillen in visies tussen de oude beheerders (landbouwers) en de nieuwe beheerders. Enkele actoren geven aan dat het begrip en de noodzaak om het cultuurhistorisch landschap structureel en planmatig te beheren door de druk op de grond alsook door de verschillende belangen en noden die leven bij de verschillende gebruikers, geleidelijk aan op de achtergrond verdwijnt, dit te samen met de hiervoor nodig kennis om het landschap te beheren rekening houdend met de cultuurhistorische waarde (bijv. dreven, holle wegen,..)
6
workshop 14 december 2017 en workshop 25 januari 2018
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
3.2 HOE WORDT HET REGULIER BEHEER GECOÖRDINEERD? Verschillende actoren staan in voor de coördinatie van het beheer van het landschap. Mede door de veelheid aan actoren ontstaat de perceptie dat geen enkele partij zich verantwoordelijk voelt voor het geheel. Verschillende respondenten geven te kennen dat een structurele aanpak van het beheer over verschillende domeinen heen opportuun is via een neutrale organisatie of intermediair die sectorale belangen kan overstijgen. Het ontbreekt aan een duidelijk kader om de rollen onderling af te bakenen tussen de veelheid aan actoren. Het resultaat hiervan is dat verschillende actoren met uiteenlopende visies in de praktijk naast elkaar werken. Daar waar er onderlinge afstemming wordt gezocht, vergt dit een bepaald proces om visies op elkaar af te stemmen, draagvlak op te bouwen en in stand te houden. De coördinerende rol van het loket onderhoud buitengebied (LOB) als een rechtstreekse vertaling uit het eerdere IPO- traject rond het regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur wordt positief geëvalueerd door de respondenten. In verschillende regio’s bevinden de LOB’s zich nog in een pilootfase en kan de aanpak onderling sterk verschillen; voor een deel is dit te verklaren door de projectmatige aanpak van de LOB’s. Voor het landschappelijk erfgoed wordt vaak ook een projectmatige aanpak gehanteerd. Hierbij is er ook nood aan een neutrale trekker voor deze projecten die de opmaak en de uitvoering van een aan een beheerplan gekoppeld actieprogramma (mee)opvolgt.
3.3 HOE WORDT HET BEHEER UITGEVOERD? Coördinatie en uitvoering van het beheer kunnen niet los van elkaar worden gezien. De versnippering in de coördinatie van het beheer heeft consequenties voor de uitvoering van het regulier beheer op het terrein: ook dit gebeurt te gefragmenteerd. Hierdoor worden de beschikbare middelen niet efficiënt genoeg ingezet en kan dit negatieve effecten hebben voor de beeldkwaliteit van het landschap. Lokale besturen worden geconfronteerd met diverse problematieken op beheervlak: onvoldoende zicht op de te beheren oppervlakte en kostprijs voor het onderhoud van ons buitengebied, te weinig middelen en capaciteit om het beheer te coördineren, te plannen en op te volgen. Lokale besturen richten zich daarom vooral op het regulier beheer van openbaar groen in de woonomgevingen en kerkhoven. Lokale overheden vinden het belangrijk om het beheer niet volledig uit handen te geven en daarnaast ook met eigen arbeiders te blijven werken, wat zorgt voor zichtbaarheid en nabijheid bij de inwoners. Door veel met eigen arbeiders te werken zijn gemeentebesturen vaak beter op de hoogte van de lokale knelpunten en kansen. Andere beheertaken in het buitengebied worden uitbesteed aan andere externe actoren. De praktische uitvoering van het beheer van KLE, KHE en RRI gebeurt vaak in samenwerking met regionale landschappen, maar ook de sector van de sociale economie, natuurverenigingen, landbouwers en groepen vrijwilligers zijn belangrijke uitvoerders op terrein. Om te kunnen investeren in het regulier beheer is veelal eerst omvormingsbeheer nodig om de jarenlange achterstand inzake beheer weg te werken. Provincies en Vlaamse administraties beschikken over een eigen systeem voor het regulier beheer van de open ruimte infrastructuur. Over het algemeen verloopt dit vlot en is dat goed georganiseerd wanneer de schaal voldoende groot is. Zowel provincies als ook Vlaamse administraties zoeken nog meer dan voordien naar partnerschappen en nieuwe formules om hun patrimonium zo efficiënt mogelijk te beheren. Zo kon bijv. het vroegere beheer eenvoudig uitbesteed worden met langlopende engagementen aan o.a. natuurorganisaties. In de nabije toekomst zou dit beheer in de markt moeten worden gezet via gunning van maximaal 4 jaar, een gevolg van de wet op de overheidsopdrachten en het gewijzigde natuurdecreet.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 9 van 54
Het beheer van landschappelijk erfgoed gebeurt in hoofdzaak projectmatig. Geïntegreerde beheerplannen vormen een nieuw instrument dat het beheer kan optimaliseren in gebieden waar zowel erfgoed-en natuurwaarden aanwezig zijn.
3.4 WAT KOST HET REGULIER BEHEER EN HOE WORDT HET GEFINANCIERD? De overgrote meerderheid van de lokale overheden geeft op basis van de resultaten van de bevraging aan niet te beschikken over voldoende financiële middelen. De kostprijs en financiering wordt vooral door gemeenten met een groot buitengebied als problematisch ervaren. Door een aantal beheertaken helemaal niet meer, louter projectmatig te doen of extern uit te besteden wordt getracht dit gebrek aan middelen (budget en personeelscapaciteit) op te vangen. Het knelpunt blijft echter dat het telkens gaat om tijdelijke oplossingen van een structureel probleem. Verschillende actoren signaleren het aflopen en stopzetten van financiering die de systematische werking van de LOB’s, parkrangers en intergemeentelijke natuur- en landschapsploegen mogelijk maakte als een belangrijk knelpunt. Alle projecten zijn ofwel afgelopen in 2018 of komen te vervallen in 2019 zonder dat er op heden een oplossing in de maak is (zie o.a bijlage 6.8 voor een gedetailleerd overzicht). De afhankelijkheid van subsidies is nefast voor een langetermijnvisie inzake openruimtebeheer in al zijn verscheidene, vaak complexe facetten. Ook bij Vlaamse instanties wordt te kennen gegeven dat ze geconfronteerd worden met verschillende uitdagingen die duidelijk financiële gevolgen hebben naar de toekomst toe; een stelselmatige uitbreiding van de te beheren gebieden zonder een toename van het beheerbudget, regressieve onderhoudsbudgetten of het gebrek aan een lange termijnbeheer bij nieuw ingerichte gebieden. Ook op Vlaams niveau worden bepaalde acties zoals communicatie en educatie m.b.t. beheer niet meer uitgevoerd of worden taken overgeheveld naar externen (bijv. natuurverenigingen). De langst lopende beheerinitiatieven weten hun werking in stand te houden door een soort van klaverbladfinanciering, een financiering waarin de verschillende bestuursniveaus financieel bijdragen aan het beheer van het landschap. Er blijkt een sterke financiële inbreng vanuit het beleidsdomein leefmilieu te zijn, waardoor vele actoren landschapsbeheer in sterke mate vereenzelvigen met natuurbeheer. De ondersteuning door provincies van interbestuurlijke samenwerkingsmodellen is tevens beduidend. Het gebrek aan een structurele oplossing voor het beheer wordt door verschillende actoren toenemend als een remmende factor ervaren voor nieuwe investeringen in de open ruimte. Voornamelijk op vlak van het RRIbeheer worden hieromtrent problemen gesignaleerd, omdat vooral gemeenten hier geen of te weinig budget voor vrijmaken. Een voldoende structurele basisfinanciering gecombineerd met een projectmatige aanpak wordt gezien als wederzijds versterkend. Projectsubsidies blijken essentieel te zijn om innovatie en samenwerking te stimuleren, waarbij het geheel van administratieve verplichtingen een kostenefficiënte uitvoering van het beheer niet mag hypothekeren.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
3.5 SWOT-ANALYSE De SWOT-analyse bundelt de voornaamste resultaten uit de bevindingen uit de enquêtes, diepte-interviews en twee workshops met stakeholders.
3.5.1 Sterktes
S1 S2
S3 S4 S5 S6 S7
STERKTES Er zijn veel actoren actief in landschapsbeheer, die gezamenlijk beschikken over heel wat kennis en aanwezige specialisatie rond verschillende vormen van beheer. Burgers vinden zowel een kwalitatief beheer van het buitengebied als het behoud van open ruimte in het algemeen steeds belangrijker. Ze later sneller hun stem horen indien het buitengebied niet kwalitatief beheerd wordt. Er bestaan vele succesvolle lokale vrijwilligersinitiatieven (knotteams, natuurverenigingen, peters en meters, …). Provincies en/of Vlaanderen ondersteunen lokale overheden om in regulier beheer te investeren en creëren duidelijke kaders (Parkrangers, INL, LOB, …). Kwalitatief onderhoud van het landschap draagt bij tot een hogere beeldkwaliteit in een gemeente en genereert (direct en indirect) ook positieve effecten voor toerisme en voor de bewoners zelf tot gevolg. Sociale economie in het beheer zorgt voor een betekenisvolle jobcreatie. Bovenlokale organisaties als Regionale landschappen worden gepercipieerd als partners en ‘samenwerkingsinstrument’ dat dicht bij de lokale besturen staan (adviseren, financieren, uitvoeren).
3.5.2 Zwaktes
Z1 Z2
Z3 Z4
Z5 Z6 Z7 Z8
ZWAKTES De grote hoeveelheid van actoren die actief zijn in het beheer werkt sectoraal denken in de hand, zorgt voor een versnipperde inzet van middelen en bemoeilijkt de veelal noodzakelijke afstemming. Bij het opmaken van inrichtingsplannen wordt zelden of pas achteraf gedacht aan beheerplannen en de nodige middelen om het beheer (achteraf) te kunnen financieren; de reflex is er niet, veelal doordat er ook geen extra budgettaire ruimte is. Aan kwaliteitsvol en efficiënt beheer is vaak een hoge kostprijs gebonden (draagvlakopbouw, inventarisatie, beheerplannen, coördinatie, uitvoering, …). Het ontbreekt aan structurele middelen voor de coördinatie en de uitvoering van het regulier beheer; projectgebonden financiering biedt vanuit dit oogpunt onvoldoende stabiliteit. Vooral gemeenten met een groot buitengebied beschikken over te weinig financiering. Veelal heerst het ‘korte termijn denken’ en wordt er ad hoc gehandeld. Er heerst onduidelijkheid over welk bestuurlijk niveau het meest aangewezen is voor de coördinatie van het beheer; mede hierdoor is er vaak geen lange termijnvisie. Onvoldoende overzicht van de te beheren delen en een complexe eigendomsstructuur bemoeilijken de organisatie en uitvoering van het beheer. De kennis en expertise rond beschikbare instrumenten (met oog op financieringsmogelijkheden) is beperkt; inclusief de mogelijkheden vanuit meer recente beleidsinitiatieven.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 11 van 54
3.5.3 Kansen
K1
K2 K3 K4 K5
K6
K7 K8
K9
KANSEN Projectsubsidies stimuleren nieuwe ontwikkelingen, innovatie en kennisopbouw. Ze zouden nog sterker ingezet kunnen worden als een onderdeel van een duurzame oplossing. Meer regionale afstemming tussen beherende partijen en interbestuurlijke samenwerking kan leiden tot efficiëntiewinst. LOB’s bieden aanknopingspunten voor een complementaire en meer gebiedsgerichte aanpak en door samenwerking anders te organiseren zijn betere resultaten te boeken. Streek- of landschapsfondsen en andere (aanvullende) vormen van financiering zoals Visitor Payback kunnen helpen om het beheer van het landschap mee te ondersteunen. De toenemende bezorgdheid, sociale controle, mondigheid van burgers en andere actoren t.a.v. van verwachtingen voor een kwalitatief landschap zet overheden (op verschillende bestuursniveaus) aan tot actie op het vlak van onderhoud en beheer. De voldoende grote kritische massa van succesvolle lokale vrijwilligersinitiatieven (knotteams, natuurverenigingen, peters en meters) is tegelijkertijd een stevige basis voor de verdere uitbouw van dergelijke initiatieven. Gewijzigd wettelijke kader (o.a. natuurdecreet, onroerend erfgoeddecreet) creëert nieuwe opportuniteiten om het beheer te (her)organiseren en mee te financieren. De mogelijkheden van instrumenten en de ‘instrumentenafweging’ moeten beter verspreid worden om vervolgens sterker mee ingebouwd te kunnen worden bij de opstart van nieuwe projecten en initiatieven. Ontwikkelingen rond nieuwe technologieën voor beheersystemen en machines laten een grotere efficiëntie toe en kunnen doelgerichter ingezet worden.
K10
Verbreding vanuit landbouw biedt mogelijkheden met oog op inkomsten vanuit beheer.
K11
Regulier landschapsbeheer kan worden opgenomen als thema in het volgende PDPO IV. Tegelijkertijd kan dit sterker gelinkt worden aan de invulling van “nieuwe” thema`s (klimaat, ecosysteemdiensten, circulaire economie,...) en aan de duurzaamheidsdoelstellingen (cfr. Sustainable Development Goals), waarvoor er draagvlak aanwezig is bij een breed publiek.
3.5.4 Bedreigingen
B1
B2 B4 B4
BEDREIGINGEN Er leeft een grote onzekerheid bij de LOB’s, INL en parkrangers omdat hun financiering op korte termijn afloopt (2018/2019), zonder zekerheid over toekomstige financieringsmogelijkheden. Ondanks het feit dat de LOB’s en andere duurzame modellen zich in de praktijk hebben kunnen bewijzen, met name ook het feit dat gemeenten, provincie en Vlaanderen hebben financieel bijgedragen bij de oprichting ervan, lijkt er geen garantie te zijn om deze initiatieven in stand te houden. De perceptie leeft dat de financiering van het beheer vandaag niet de politieke prioriteit krijgt die het zou moeten krijgen. De gecompliceerde administratie bemoeilijkt nodige veranderingen. Het gevoel leeft dat alles heel traag verloopt. De onzekerheden omtrent de financiering van de LOB’s en andere uitvoerende en coördinerende spelers vergroot de druk op andere, veelal niet en/of laag betaalde
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
B5 B6
B7
B8
actoren in het beheer: overbevraging van vrijwilligers dreigt en de sociale economie staat onder druk, waardoor de kwaliteit van het beheer in het gedrang komt. Door gebrek aan visie en coördinatie wordt het beheer op gemeentelijk niveau vaak ad hoc uitgevoerd. Het begrip en de nood om het cultuurhistorisch landschap structureel en planmatig te moeten beheren geraakt geleidelijk aan op de achtergrond mede door de vele uiteenlopende noden/belangen en de druk op de grond; tegelijkertijd gaat de nodige kennis verloren om het landschap te kunnen beheren met aandacht voor de cultuurhistorische waarden. De administratieve en organisatorische complexiteit weegt in verhouding zwaar op de kosten van het eigenlijke beheer, zonder dat hier voldoende rekening mee wordt gehouden. Voor de compostering of natte vergisting van beheerresten zoals berm- en natuurmaaisel dient er een verwerkingskost (de zogenaamde ‘gate-fee’) worden betaald, waardoor dit in verhouding zwaar doorweegt in de beheerkosten.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 13 van 54
4 AANBEVELINGEN VOOR EEN DUURZAAM ONDERHOUD VAN HET LANDSCHAP Uit de analyse en besprekingen leiden we vier aanbevelingen af voor een (meer) duurzame organisatie en financiering van het onderhoud van landschappelijke infrastructuur: • Aanbeveling 1: Maak werk van meer interbestuurlijke samenwerking • Aanbeveling 2: Voorzie structurele complementaire financiering vanuit alle bestuursniveaus • Aanbeveling 3: Zorg voor een participatief model voor het duurzaam onderhoud van het landschap • Aanbeveling 4: Ontplooi aanvullende financieringskanalen Deze vier oplossingsrichtingen zijn in de praktijk met elkaar verbonden. Het beheer van de landschappelijke infrastructuur zal enkel erop vooruitgaan door een gecombineerde inzet. Elk van deze aanbevelingen is verder uitgewerkt in verschillende onderdelen en met voorbeelden. In het hierna volgende deel (hoofdstuk 5) zijn de acties of vervolgstappen voor elk van deze aanbevelingen in een overzicht bijeengebracht.
4.1 AANBEVELING 1: MAAK WERK VAN MEER INTERBESTUURLIJKE SAMENWERKING We zien vandaag in Vlaanderen een aantal goed werkende voorbeelden van interbestuurlijke samenwerking voor het duurzaam beheer van het landschap. (Nog) meer interbestuurlijke samenwerking dringt zich op omwille van verschillende redenen (gevolgen staatshervorming, verminderde bestuurskracht landelijke gemeenten, druk op de financiële middelen, ...) In de praktijk zien we verschillende manieren waarop de samenwerking tussen de bestuursniveaus georganiseerd is. De bepalende stuwende kracht of trekkende organisatie is soms de betrokken provincie of een regionaal landschap en in een andere gevallen een private organisatie zoals een maatwerkbedrijf. Het is belangrijk de verdiensten van deze diversiteit te zien en voort te bouwen op de verwezenlijkingen ervan. Interbestuurlijke samenwerking (die op zichzelf ook vraagt om een visie, namelijk waarom doen we wat we doen en hoe pakken we het (verder) aan) heeft oog voor het hele systeem, gaande van visievorming, planning, uitvoering tot en met beheer. Voor een duurzaam onderhoud van het landschap houden we een sterk pleidooi voor een verplichte opmaak van een (overkoepelende) landschapsvisie, die als het ware het vertrekpunt vormt en aan de basis ligt van een kwalitatief (planmatig) en volgehouden beheer van het landschap. Meer en betere afstemming, zowel organisatorisch als inhoudelijk, tussen bestuursniveaus en ook verschillende beleidsdomeinen is noodzakelijk. Er dient duidelijkheid te zijn over de verschillende verantwoordelijkheden, taken, mandaten en – als cruciaal onderdeel – hoe de financiering verloopt. Het structureel voorzien in capaciteit voor een neutrale coördinator lijkt onmisbaar om een antwoord te kunnen bieden op de complexiteit van het beheer. Deze intermediair staat in voor het afstemmen van coördinatie, planning, uitvoering op terrein. De coördinatie moet gebeuren met de juiste omkadering, m.n. liefst ingebed in een stevige organisatie en met de noodzakelijke financiering. Positief is dat er in Vlaanderen een aantal organisaties zijn die de rol van intermediair in het verleden (tot op vandaag) hebben vervuld, en hierbij ook heel wat expertise hebben opgebouwd, zoals de projecten Loket Onderhoud Buitengebied (LOB) bij de regionale landschappen of de intergemeentelijke natuur- en landschapsploegen (INL) bij intercommunales. Er dient tevens ingezet te worden op versterking van de vaktechnische kennisopbouw en –uitwisseling over het uitvoeren van een kwalitatief en natuurvriendelijk openruimtebeheer.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Door te investeren in digitale beheersystemen is een meer systematische opvolging het beheer mogelijk, waardoor er efficiëntiewinsten worden behaald.
4.1.1 Versterk bestaande interbestuurlijke samenwerkingen en breid deze uit Een landschap met diverse landschapselementen en -onderdelen en tal van gebruikers en beheerders vraagt om afstemming van het beheer. De noden in het beheer verschillen van regio tot regio. Sinds de laatste staatshervorming zagen gemeenten hun takenpakket aangroeien. Omdat dit niet evenredig gepaard ging met een groei van de capaciteit en financiering, is het spanningsveld tussen de opdracht van gemeenten om het buitengebied te beheren en de competenties en capaciteit om hier in voldoende mate een antwoord op te bieden, alleen maar groter geworden. De provincies zagen hun rol en bevoegdheden veranderen en kregen een expliciete opdracht voor gebiedsgerichte werking binnen een grondgebonden taakstelling. Het draagvlak om tot meer bovenlokale samenwerking te komen, is erg groot. Uit de resultaten van de interviews, enquêtes, verdiepingsrondes blijkt dat er op veel plaatsen interbestuurlijke samenwerkingsverbanden lopen of recent zijn opgestart om een antwoord te bieden op de vraag voor het duurzaam onderhoud van het landschap. Daarbij zijn er meerdere succesvolle samenwerkingen in en buiten Vlaanderen te detecteren. De context waarin deze interbestuurlijke samenwerkingen georganiseerd zijn, varieert dan ook. Dit impliceert dat er niet één werkend standaardmodel is maar een regiospecifieke aanpak in de wijze waarop interbestuurlijke samenwerking succesvol georganiseerd is: - In Vlaams-Brabant bieden IGO Leuven en Pro Natura in 49 gemeenten hun diensten aan voor de werking van intergemeentelijke natuur- en landschapsploegen (INL). Hoewel dit niet exclusief gericht is op het buitengebied, vervullen ze er in opdracht van gemeenten een belangrijke coördinerende en uitvoerende taak. - In West-Vlaanderen worden een vijftiental plattelandsgemeenten die minder (financiële) draagkracht hebben via bilaterale overeenkomsten door de provincie ondersteund om het regulier onderhoud van groene snippers uit ruilverkaveling en landinrichtingsproject te cofinancieren. - De provincie Limburg creëert met SALK-middelen het kader om via regionale landschappen parkrangers in te zetten voor het beheer van het landschap. - In Vlaanderen zijn 12 regionale landschappen actief bij het oprichten van een loket onderhoud buitengebied, in hoofdzaak gefinancierd via Leader en PDPO-middelen. Enkele inspirerende buitenlandse voorbeelden komen meer uitgebreid aan bod in bijlage 6.4 t.e.m. 6.7. Zowel in de Vlaamse als in de externe voorbeelden is telkens sprake van een meerlagige interbestuurlijke samenwerking. Niet alleen gemeenten, maar ook andere partijen zoals de Vlaamse Overheid dragen bij aan de coördinatie en afstemming van het beheer. Door deze constructie zijn de uiteindelijke kosten per actor lager dan wanneer men er alleen voor staat. Het uiteindelijke resultaat is dat er effectief meer terreinen worden beheerd en de uitvoering een grotere landschappelijke kwaliteit toont. Continuïteit en samenhang van de beschikbare middelen en instrumenten zijn noodzakelijk om een model van interbestuurlijke samenwerking optimaal te laten renderen. Deze voorbeelden tonen aan dat verschillende modellen van beheer naast elkaar kunnen bestaan, regioafhankelijk en regiospecifiek zijn. Geen enkel voorbeeld is het enige ideaal en elk model heeft zijn verdiensten om het beheer zo goed mogelijk te organiseren en vervolgens te realiseren op terrein. Er is al zeer veel expertise over een efficiënte interbestuurlijke samenwerking aanwezig, maar de kennis is versnipperd over organisaties en individuele experten. De organisatie van de samenwerking in alle modellen heeft ook telkens
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 15 van 54
uiteenlopende financiële implicaties. Een model dat op korte termijn uitgevoerd kan worden, vertrekt van interbestuurlijk en -gemeentelijk werken vanuit een gezamenlijke visie en ondersteuning door de Vlaamse Overheid. Het is essentieel dat Vlaanderen alle initiatieven gelijkwaardig en gelijkaardig ondersteund, waarbij duidelijke resultaatgerichte randvoorwaarden en criteria opgelegd zijn, zoals gezamenlijke visie, mate van samenwerking, bijdragen aan landschapskwaliteit, minimale kwaliteitseisen, gemeentelijke cofinanciering voor coördinatie en werking, eventueel gezamenlijke coördinatie.
4.1.2 Stel een intermediair met een duidelijk mandaat en opdracht aan In vele regio’s gaat men op zoek naar complementariteit en wederzijdse versterking tussen gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies en andere beheerders in het buitengebied. Uit de verschillende praktijkvoorbeelden blijkt dat daar waar een duidelijk mandaat en een heldere taakstelling bestaat voor een interbestuurlijke actor met een regisseursrol (LOB of INL, intercommunales), het model van een interbestuurlijke samenwerking voor het beheer van kleine landschapselementen en recreatieve randinfrastructuur ook het sterkst is. Door een overlegplatform te organiseren, kan er meer uitwisseling ontstaan en kunnen er ook gemakkelijker oplossingen worden gezocht voor heel concrete problemen (bijv. inzet van bepaalde machines) en kan er doelgerichter worden samengewerkt (bijv. afstemming timing van gelijkaardige werken). Dé verdienste van het beleidsadvies van het IPO-proces “regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur op het Vlaamse platteland” 7 was de mogelijkheid tot de creatie van loketten onderhoud buitengebied (LOB). De opstartprojecten LOB hebben, zoals in de analyse werd aangetoond, een sterke expertise opgebouwd, als één van de intermediairs. Op elk bestuursniveau moet gewaakt worden over het mandaat en het ‘juiste’ gebruik van instrumenten; alsook dient er worden ingezet op flankerend beleid (bijv. regelgeving rond sociale economie en vrijwilligers). Indien er meer ingezet wordt op een duidelijke mandaat en afbakening van de verschillende -op te nementaken kan de efficiëntie worden verhoogd en worden overlapping in rolverdeling en kortetermijnwijzigingen in de taakstelling vermeden. Hierbij dient idealiter te worden vertrokken vanuit een gemeentegrensoverschrijdend beheer van de landschappelijke structuren mét een gezamenlijke visie vanuit de lokale actoren. De verschillende opstartprojecten LOB’s, ontstaan bij verschillende Regionale Landschappen, worden aangehaald als een mogelijkheid voor continuïteit, maar hun toekomst is onzeker door aflopende projectfinanciering. Tegelijkertijd zijn er ook nog andere spelers dan de Regionale Landschappen nodig om in te spelen op de verschillende lokale noden. De verschillende actoren zullen alvast bereid moeten zijn om per regio samen een visie op te stellen. De coördinatie moet ingebed zijn in een sterke organisatie die ook beschikt over een sterk netwerk en moet een duidelijk aanspreekpunt bieden. Daarbij is het onder meer belangrijk dat de coördinator/ intermediar dicht bij het dagelijks uitvoeren van de beheerstaken staat.. De structurele werking en financiering van dergelijke coördinatoren zijn cruciaal voor een goede werking. Daarom wordt in dit advies voorgesteld dat de Vlaamse overheid instaat voor de basisfinanciering van dergelijke coördinator. Overwogen kan worden om een dergelijke coördinator te voorzien op niveau van het regionaal samenwerkingsverband, vervolgens wordt het aantal dergelijke coördinatoren mede bepaald door de werklast binnen het betrokken werkgebied. Dit dient nader uitgewerkt te worden. 7
IPO-advies, 2009, regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur op het Vlaamse platteland
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
4.1.3 Garandeer kwaliteit vanuit een gedragen landschapsvisie Een kwalitatief beheer begint bij visievorming over de landschappelijke resultaten die met het beheer beoogd worden en onder welke kwaliteitsvoorwaarden deze behaald zullen worden. Door een visie voorop te stellen kan doelgericht(er) gewerkt worden. Uit de analyse blijkt dat er meer aandacht naar het achterliggend proces moet gaan om het beheer te optimaliseren en efficiënter te organiseren op een duurzame wijze. Voor de opmaak van de gezamenlijke visie op het beheer van het landschap wordt vertrokken van een regiogerichte benadering of regioanalyse en een concrete probleemstelling voor het betrokken gebied zijnde het werkingsgebied van het samenwerkingsverband (voorbeeld een regionaal landschap of intercommunale), zoals aanwezige actoren, betrokken instanties, taakverdeling, specifieke beheervraagstukken. Een landschapsvisie overstijgt het niveau van lokale administratieve grenzen en gaat in op de regiospecifieke uitdagingen voor een gebied met een zinvolle afbakening en intergemeentelijke samenwerking. Waar in het verleden plannen beperkt konden zijn tot natuurontwikkeling- en beheerdoelstellingen in de lokale context (GNOP) is er vandaag sprake van een veel grotere complexiteit aangaande de noden (cfr. klimaatdoelstellingen, klimaatadaptatie, biodiversiteit, …). Een landschapsvisie is daarom breder inzake doelstellingen en acties en vraagt een wetenschappelijke onderbouwing. Bij verschillende organisaties is er heel wat expertise aanwezig omtrent de opmaak van een landschapsvisie. Hun concrete werking en uitvoering werden uitgebouwd en georganiseerd in overeenstemming met de noden van de regio. Sommige van deze organisaties maken als voorbereiding beheersplannen voor de verschillende gebieden op en bepalen hierbij concrete acties en maatregelen. Het effectieve beheer plannen en voeren ze uit o.b.v. deze plannen. Op hun jarenlange ervaring en knowhow kan verder gebouwd worden, zowel inhoudelijk maar juist ook procesmatig. Hier valt te denken aan de concrete aanpak: hoe breng je diverse actoren en hun noden samen? en hoe bewaak je het ambitieniveau? Afstemming en expertise-uitwisseling op Vlaams niveau tussen deze organisaties kan hun werking verder optimaliseren (zie 4.1.4). Een landschapsvisie moet participatief opgebouwd worden en gedragen worden door de verschillende lokale actoren. Een landschapsvisie omvat een gelaagd verhaal van oude en nieuwe bewoners, van ‘professionals’ én van het publiek. Toekomstbeeld en beheerwijze worden hierin opgenomen. Gedragenheid komt mee tot stand door de visie te laten aftoetsen bij en met burgers. De opmaak van een landschapsvisie gebeurt bij voorkeur gecoördineerd door een bovenlokale en neutrale instantie, die in samenspraak met alle actoren het proces coördineert. Om het landschap als een goede huisvader te beheren, is blijvend investeren in draagvlak een cruciale factor. In Frankrijk en Wallonië staat dit proces van draagvlak creëren centraal bij de opmaak van een “Charte du Parc’ (Fr) of “Charte Paysagère” (Wal.)(zie bijlage 6.7). Hoewel dit document breder gaat dan louter een visie op het buitengebied en het beheer ervan, kunnen hier interessante lessen uit worden getrokken voor de Vlaamse context, met name het verkennen van de potenties van een bindend afsprakenkader tussen landschapsactoren. De opmaak van een landschapsvisie en het streven naar landschappelijke kwaliteit zijn generieke verwachtingen en worden daardoor best door de Vlaamse Overheid gestimuleerd, terwijl het beheer en de uitvoering lokaal en intergemeentelijk worden uitgewerkt en georganiseerd. Deze rolverdeling weerspiegelt zich ook in de financiering van het model (zie 5.2 aanbeveling 2). De Vlaamse Overheid kan zijn ondersteuning afhankelijk maken van een verplichte opmaak van een landschapsvisie met betrokkenheid, draagvlak en engagementen van de sleutelactoren. In de landschapsvisie kan eveneens de rol van de vrijwilligerswerking geconcretiseerd worden naast andere uitvoerende (betaalde) organisaties voor het beheer (zie 4.3 aanbeveling 3).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 17 van 54
Een landschapsvisie legt de basiskwaliteit voor het onderhoud vast. Regiospecifiek wordt concreet bepaald wat de minimale kwaliteitsvereisten zijn en de daaraan verbonden uitvoeringswijzen. Zo wordt omschreven wat er verstaan wordt onder een goed beheer van het landschap op basis van de beschikbare kennis en ervaring uit Vlaamse en buitenlandse voorbeelden. De kennisuitwisseling tussen de verschillende intermediairs (zie 4.1.4 aanbeveling 1.4) draagt bij aan een efficiënte en kwaliteitsvolle inzet van een regiospecifieke landschapsvisie.
4.1.4 Innoveer door kennisuitwisseling en digitale beheerssystemen 4.1.4.1
Innoveren door kennisuitwisseling
Het beheer van de veelheid aan landschappelijke infrastructuren vraagt een specifieke kennis. Hoewel er veel kennis aanwezig is bij gemeenten of lokale beheerders, wordt deze kennis te weinig uitgewisseld tussen de actoren. Een uitdaging is de organisatie van permanente kennis- en expertise-uitwisseling over alle bestuursniveaus heen, tussen verschillende beleidsdomeinen en met het brede veld van andere bij het beheer betrokken actoren. Tools voor een planmatigere aanpak van het beheer planmatiger, inclusief monitoring, bestaan. Opnieuw, ook hier is afstemming en samenwerking vereist. Kennishiaten en ervaringen vanuit de praktijk op lokale schaal bieden aanknopingspunten voor beleidskeuzes (voor maatregelen en onderzoek) op het Vlaamse niveau. Op deze manier kan er ook gezamenlijk bijgedragen worden aan het behalen van de klimaatdoelstellingen. Gemeenten en inwoners roepen vaak de Loketten Onderhoud Buitengebied en breder, de regionale landschappen, in voor advies over een kwaliteitsvol beheer van specifieke landschapselementen. Vlaamse actoren (bijv. Inverde), provincies en regionale landschappen kunnen een rol opnemen om, naargelang de regionale noden, vormingen op maat aan te bieden voor kwesties die zich aandienen in het regulier beheer van het landschap. Beheersplannen opmaken en zeker ook bij het effectief uitvoeren van beheerwerken ook weten hoe dit dient te gebeuren (bijvoorbeeld in het kader van specifieke soorten) vraagt kennis én opvolging van de beheerder zelf en de betrokken gemeente(n). Via de intermediairs kan er in samenwerking met de provinciale en Vlaamse actoren bij de onderhoudsdiensten en groenaannemers sterker worden ingezet op expertiseopbouw over kwalitatief en natuurvriendelijk landschapsbeheer. 4.1.4.2
Digitale beheerssystemen
De voortschrijdende digitalisering biedt kansen voor een meer systematische opvolging van het beheer, waardoor een grotere efficiëntie en ook continuïteit in het beheer mogelijk is. In heel Vlaanderen zijn gemeenten bevoegd voor het onderhoud van landschappelijke infrastructuur op hun grondgebied. Vaak hebben gemeenten hier te weinig tijd, expertise en budget voor. Bovendien is er onvoldoende aandacht voor controle en opvolging waardoor deze landschapselementen slachtoffer worden van achterstallig beheer. Een voorbeeld van een digitaal platform dat gemeenten ondersteunt bij het inventariseren en beheren van kleine landschapselementen op hun grondgebied is het digitaal platform iLandschap (zie bijlage 6.5). Dit is een digitaal platform van de Antwerpse Regionale Landschappen waarop gemeenten hun geografische data, beheerplannen en kostenberekeningen makkelijk centraal kunnen invoegen, delen en opvolgen. Het resulteert in een geautomatiseerde en planmatige aanpak, een lagere kostprijs en een efficiëntere kennisdeling in combinatie met de oprichting en werking van regionale LOB’s. Hierbij wordt nauw samengewerkt met DIPLA,
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
een digitaal systeem om het beheer van landschapselementen te standaardiseren en op te volgen. DIPLA kan ook informatie opleveren over welke verschillende reguliere beheerkosten plattelandsgemeenten hebben. De lessen uit het project iLandschap , dat gefinancierd wordt met PDPO-middelen Omgevingskwaliteit door samenwerking, kunnen ook relevant zijn voor andere regio’s in Vlaanderen. Er wordt nog verder ingezet op de verfijning van DIPLA vanuit technisch oogpunt; tegelijkertijd moeten de verschillende Regionale Landschappen (die dit systeem gebruiken) samen met de gemeenten verder blijven inzetten op een goede onderlinge afstemming en financiering. Een andere optie kan zijn om te onderzoeken of het geen schaal – en/ of financiële voordelen met zich mee kan brengen door het DIPLA systeem Vlaanderen breed te introduceren. Wellicht zullen daardoor de ‘hosting’kosten per gebruiker een stuk lager komen te liggen.
4.2 AANBEVELING 2: VOORZIE STRUCTURELE COMPLEMENTAIRE FINANCIERING VANUIT ALLE BESTUURSNIVEAUS Het onderhoud van het landschap is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van verschillende bestuursniveaus en beleidsdomeinen. Beheren en onderhouden houdt voor een groot deel systematisch terugkerende taken in. Om de kosten hiervan en de financiering van het landschapsbeheer in het algemeen te verzekeren, zijn er twee componenten: structurele en aanvullende maatregelen. Structurele maatregelen zijn het enige duurzame alternatief om op lange termijn een kwalitatief beheer te kunnen waarborgen. Concreet worden hiervoor voorgesteld: (1) complementaire financiering bij interbestuurlijke samenwerking; (2) koppeling met de middelen van alle terreinbeherende overheidsinstanties; en (3) zgn. ‘geoormerkte budgetten’ binnen het gemeentefonds via middelen die voorbehouden zijn voor het duurzaam onderhoud van het landschap. Niet enkel van het Vlaamse niveau maar ook van de andere bestuursniveaus vraagt dit de nodige financiële engagementen. Spreiding van de kosten via de zgn. ‘klaverbladfinanciering’ is een vertaling van een gezamenlijk belang in het kwalitatief beheer. Deze nota is een pleidooi voor “en/en” oplossingsrichtingen: vastleggen van structurele middelen én aanvullende alternatieve financieringskanalen (aanbeveling 4).
4.2.1 Organiseer klaverbladfinanciering De organisatie van interbestuurlijke samenwerking impliceert dat elk bestuursniveau ook financieel bijdraagt aan het onderhoud van het landschap. De financiering van het landschapsbeheer kan enkel op een toekomstbestendige wijze verzekerd worden als er structurele basismiddelen voor landschapsbeheer gereserveerd zijn. Bij de structurele oplossingsrichtingen wordt er gekeken naar een model van complementaire en langdurige financiering, waarbij verschillende bestuursniveaus op een duurzame manier bijdragen aan het kwalitatieve beheer van de open ruimte. Een onderlinge spreiding van de financiële kosten blijkt een cruciale factor om te kunnen spreken van duurzame oplossingen. Uit de analyse en de gevoerde gesprekken blijkt dat de langlopende initiatieven, zowel binnen als buiten Vlaanderen, werken met een complementaire financiering, ook wel klaverbladfinanciering genoemd. Dit financieringsmodel houdt in dat verschillende partijen zoals gemeenten, provincies en Vlaanderen op een structurele wijze proportioneel bijdragen. Een financiële impuls van hogere overheden is nodig om de gemeenten bewust te maken/te houden van het belang van landschapsbeheer en te motiveren om hierin mee te investeren. Het nodigt alle bestuursniveaus uit hun engagement voor het duurzaam onderhoud van het landschap concreet te maken en om de verantwoordelijkheid te delen. Voor een duurzaam onderhoud van het landschap vormt de coördinatie vanuit een landschapsvisie (zie 4.1.3) de ruggengraat. Voor de continuïteit inzake een duurzaam landschapsonderhoud is een weinig versnipperde stabiele basisfinanciering essentieel (minstens 50% maar liefst 75% van de geraamde totaalkosten) met een
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 19 van 54
bijkomende aanvullende financiering. De basisfinanciering van de verschillende bestuursniveaus wordt gebundeld tot een geheel dat tezamen de coördinatie en de uitvoering moet mogelijk maken. De structurele financiering van de overkoepelende coördinatie vormt het grootste struikelblok en de praktijk laat zien dat momenteel die structurele ondersteuning ontbreekt voor de verschillende, reeds, werkende initiatieven. Deze worden bij aanvang wel projectmatig ondersteund, maar daarna wordt er niet overgegaan tot een structurele financiële ondersteuning van de basiswerking. Als gevolg haken in meerdere gevallen de gemeenten en andere partners ook af. Gemeenten nemen nu in sommige regio’s al stevig hun verantwoordelijkheid door mee te financieren, zoals in Vlaams-Brabant, in Limburg en in de Westhoek (zie vermelde initiatieven bij 4.1.1.). In andere regio’s gebeurt dit (nog) niet. Om dit euvel weg te werken wordt in dit advies voorgesteld dat de Vlaamse overheid de basisfinanciering draagt van dergelijk coördinatie op niveau van het bovenlokaal samenwerkingsverband (regionaal landschap en/of intercommunale). De bijdrage van de Vlaamse overheid per samenwerkingsverband is afhankelijk van de effectieve beheersnoden van het werkingsgebied van het samenwerkingsverband en dient nader bepaald te worden. De financiering van de kosten voor de effectieve uitvoering door lokale besturen is minder problematisch. De resterende middelen worden vervolgens bijeengebracht via aanvullende alternatieve financieringskanalen. Een volgehouden duurzaam beheer van het landschap slaagt alleen als de verschillende overheden samenwerken en zich gezamenlijk engageren voor de basisfinanciering. Via maatwerk, een aanpak afhankelijk van de regio en de heersende noden naar beheer toe is meebepalend voor het samenwerkingsmodel waarvoor gekozen wordt.
4.2.2 Engageer ook andere beleidsdomeinen om financieel bij te dragen Uit de analyse en verdieping blijkt dat de enige echte garantie voor een duurzaam onderhoud van het landschap een structurele financiering voor coördinatie is, en dit met een beperkt aantal financierende partners. Ook binnen de Vlaamse overheidsentiteiten zijn er hiervoor haalbare aanknopingspunten. Diverse beleidsdomeinen en –sectoren dragen financieel bij aan het beheer van het landschap. Vandaag komen voor landschaps- en met name biodiversiteitsdoelstellingen middelen van Vlaamse agentschappen zoals ANB 8 , VMM en Vlaamse waterweg. Maar ook de beleidsvelden erfgoed, economie, toerisme, tewerkstelling en andere sectoren zijn betrokken omdat ze direct en indirect ook baat hebben van een kwalitatief landschap. De bijdragen van landschap, natuur en open ruimte aan gezondheid en welzijn worden alsmaar belangrijker ingeschat, maar de gemeenten hebben te weinig beleidsmiddelen hiervoor. Het beleidsdomein Welzijn kan dan ook middelen voorzien voor het beheer van het landschap. Voor een duurzame invulling van de blijvende opdracht voor het regulier beheer van het landschap moet de projectmatige aanpak van de mogelijkheden van PDPOIII worden overstegen. Daarom kan worden nagegaan of er in het nieuwe GLB-programma na 2020 plattelandsmiddelen voor het regulier beheer structureel kunnen worden vrijgemaakt om in te zetten voor het onderhoud van een leefbaar en veerkrachtig landschap, met aandacht voor de specifieke noden en een rol voor de verschillende actoren.
Subsidiëring voor beheer van landschappelijke infrastructuur is mogelijk indien de landschapselementen gelegen zijn in een gebied waarvoor een natuurbeheerplan is opgemaakt en ze in het beheer opgenomen zijn. De recente subsidiewetgeving m.b.t. natuurbeheer is berekend op normkosten voor verschillende soorten onderhoud bij verscheidene natuurtypes IHD. De normkosten bestaan voornamelijk uit loonkosten en klein materiaal. De normkosten zijn gekoppeld aan 42 habitattypes en onderverdeeld naar inrichting, herstel of onderhoud. De vergoeding voor deze beheerplannen houdt geen rekening met de administratieve totstandkoming en de opvolging van het pakket, wat kritiek oplevert. Bij goedkeuring van het plan door ANB volgt er een subsidie voor 6 jaar. Een beheerplan kan maximaal 24 jaar lopen. Nieuwe wetgeving gebiedt de bestaande beheerplannen te vernieuwen binnen 4 jaar (binnen SBZ) tot 6 jaar (buiten SBZ).
8
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Er kan hierbij ook worden nagedacht aan de uitwerking van nieuwe vormen van beheerovereenkomsten op het vlak van recreatie en/of erfgoed.
4.2.3 Oormerk middelen binnen gemeentefonds voor het duurzaam onderhoud van het landschap De financiering van het beheer, en met name het proactief rekening houden met de kosten die verbonden zijn aan het regulier beheer, vormt een bijzondere uitdaging voor lokale besturen, in het bijzonder voor gemeenten met een grote te beheren oppervlakte op hun grondgebied. In het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen wordt er veel aandacht geschonken aan het vrijwaren van open ruimte, onder meer door de zogenaamde “betonstop”. Daarbij wordt er de nodige aandacht geschonken aan het uitbouwen van gebiedsgerichte en geïntegreerde ruimtelijke visies en een instrumentarium om de verharding te laten afnemen, nog niet ontwikkelde woon-, industrie- en recreatiegebieden te herbestemmen en een voldoende fijnmazig groenblauwe dooradering te realiseren. Tot op heden blijft echter een structurele discussie achterwege over het instrumentarium om deze open ruimte kwalitatief te houden en te beheren. Voor plattelandsgemeenten is dit met de huidige financieringsmechanismen niet haalbaar. Verschillende actoren benadrukken het belang om open ruimte zwaarder te laten doorwegen in de verdelingscriteria van het gemeentefonds. Landelijke gemeenten hebben meestal beperkte beleidsmiddelen die prioritair ingezet worden voor hun ‘versteend’ of ‘verhard’ patrimonium. Door structureel middelen te begroten, die (exclusief) zijn voorbehouden voor het regulier beheer ( het zgn. ‘oormerken’ van middelen) worden gemeenten begeleid om hun landschappelijk patrimonium ook kwaliteitsvol te beheren. Dit wordt gezien als een tweede poot van structurele financiering. Lokale besturen zijn eerder geneigd om in hun begroting middelen te voorzien voor het landschapsonderhoud op het gemeentelijke terrein i.p.v. voor visie- en planvorming (zoals de opmaak van een landschapsvisie)en in mindere mate voor een beheersplan. De Vlaamse overheid zal gemeentes met een groot buitengebied, beperkte beleidsmiddelen en een eerder beperkte bestuurskracht financieel tegemoet moet komen, bijkomend gekoppeld aan meer maatschappelijke waardering (door hierover te communiceren, zichtbaar te maken). Voor de verdeling van de middelen van het gemeentefonds zijn andere parameters of indicatoren nodig. De nieuwe parameters geven idealiter waardering aan de open ruimte. Indicatoren gekoppeld aan natuurverbindingen, vogelrichtlijnen, habitat, ed. moeten een rol spelen m.b.t. de toewijzing van middelen. Om de verdeling van de middelen van het gemeentefonds te herbekijken is een goed inzicht in de huidige situatie noodzakelijk. Momenteel wordt 6% (sinds 2017 5,9834%) van het Gemeentefonds verdeeld op basis van open ruimte. Concreet wil dat zeggen dat hoe meer open ruimte een gemeente bezit, hoe meer een gemeente hiervoor gecompenseerd wordt via het Gemeentefonds. In 2017 werd zo 179.363.075,69 euro verdeeld over de gemeenten op basis van de parameter ‘open ruimte’. Alle gemeenten (en OCMW ’s) besteedden echter aan het beheer van de groene ruimte (beleidsveld 680 in de BBC) in het boekjaar 2016 op beleidsveld open ruimte 203 miljoen euro voor exploitatie, en 25 miljoen euro voor investeringen. ‘Open ruimte’ wordt begrepen als de aanleg en onderhoud van parken en plantsoenen. Het bestuur en de werking van de diensten die instaan voor de parken en plantsoenen. Dus, enkel nog maar voor parken geven gemeenten jaarlijks al meer uit dan de 176 miljoen euro uit het Gemeentefonds die ze op basis van het aantal hectare ‘oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, gekadastreerde wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden’ krijgen. In 2011 werd in Vlaanderen van start gegaan met een plattelandsfonds. Dit fonds had als doel bijkomende financiële ondersteuning te bieden voor ‘gemeenten op het platteland met een relatief groot spanningsveld tussen capaciteit en opdracht… De capaciteit heeft te maken met een beperkte fiscale draagkracht terwijl
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 21 van 54
bepaalde taken relatief zwaarder doorwegen bv. infrastructuur. Deze ondersteuning heeft tot doel om via de gemeenten het platteland te versterken en is onderdeel van het bredere Vlaamse plattelandsbeleid.’ Enkel plattelandsgemeenten kwamen in aanmerking voor het plattelandsfonds. Plattelandsgemeenten werden geselecteerd op basis van open ruimte criteria, meer bepaald het inwonersaantal per vierkante kilometer en het percentage bebouwde oppervlakte. Op basis van deze beide criteria werden de gemeenten gerangschikt: de 50 eerst gerangschikte (meest open ruimte) gemeenten werden beschouwd als de doelgroep van het plattelandsfonds. Om de verdelingscriteria tussen deze 50 gemeenten te berekenen werden deze gerangschikt naar ‘fiscale draagkracht’, uitgedrukt in het onroerend inkomen van de doelgemeente en de opbrengsten uit aanvullende personenbelasting van de doelgemeente gedeeld door het inwonersaantal van de doelgemeente. Het trekkingsrecht per gemeente werd bepaald door de lengte van het lokaal verhard wegennet. De onderliggende redenering hierbij is dat het onderhouden en herstellen en heraanleggen van lokale wegen een grote uitdaging is voor de doelgemeenten. Trekkingsrechten bedroegen maximaal 250.000 euro per jaar. Voor kleine gemeenten werd het trekkingsrecht bepaald door het aantal kilometer verhard wegennet te vermenigvuldigen met 1.200 euro/km en voor de resterende gemeenten 1.000 euro/km. Het jaarlijkse budget voor het Vlaamse plattelandsfonds bedroeg ca. 8 miljoen euro. In de huidige Vlaamse legislatuur werd het plattelandsfonds overgeheveld naar het investeringsfonds. Lokale besturen krijgen deze extra middelen nu jaarlijks doorgestort voor het uitvoeren van investeringsactiviteiten. De werking van het plattelandsfonds bood een instrument aan de Vlaamse overheid om lokale besturen te stimuleren om werk te maken van een kwalitatief beheer van de landschappelijke infrastructuur. Door de overheveling naar het investeringsfonds kunnen deze middelen enkel nog voor investeringen ingezet worden en niet b.v. voor beheer. Samenvattend kan gesteld worden dat de Vlaamse lokale besturen een zekere betoelaging voor het beheer van open ruimte via het gemeentefonds ontvangen maar, zoals blijkt uit bovenstaande analyse, volstaat deze betoelaging niet om parken en plantsoenen aan te leggen en te beheren. Er wordt geadviseerd de parameter ‘open ruimte’ bij de verdeling van middelen van het gemeentefonds op te waarderen. Open ruimte dient veel nadrukkelijker een parameter te worden bij de verdeling van financiële middelen. Dit sluit ook aan bij de waardering van de open ruimte door de ecosysteemdiensten als een bijkomende aanvullende financieringsbron. Er is een zekere mentaliteitswijziging gaande wat betreft de waardering van de open ruimte. Misschien dat er in de toekomst daarvoor beleidsinstrumenten zullen worden ontwikkeld. (Zie 4.4 aanbeveling 4)
4.3 AANBEVELING 3: ZORG VOOR EEN PARTICIPATIEF MODEL VOOR HET DUURZAAM ONDERHOUD VAN HET LANDSCHAP Naast de traditionele spelers engageren zich vandaag meer en meer actoren bij het onderhoud van het landschap. Dit verbaast niet als we kijken naar de brede groep die vandaag het gebruik van de open ruimte ‘claimt’, vanuit diverse beweegredenen. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid omtrent de bewustwording en sensibilisering over de meerwaarde van een kwalitatief beheer, en dit doorheen brede lagen van de maatschappij. Naast de samenwerking tussen alle bestuursniveaus zijn er zoals reeds eerder gesteld maar relevant in deze samenhang nog meer andere actoren (burgers, landbouwers, privésector, ed.) die ook bereid zijn om engagement te nemen en deel te nemen aan een participatief model voor het beheer van het landschap. Een essentiële bijdrage in het landschapsbeheer leveren vrijwilligers. Zorgen voor een kwalitatieve omkadering van het vrijwilligerswerk (wetgevend, financieel, inhoudelijk ondersteunend) is een ‘must’.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Het werk van landschapsvrijwilligers mag nooit gezien worden als plaatsvervangend voor de nood naar structurele oplossingen voor het beheer; een statement dat niet enkel van toepassing is in de context van het duurzaam onderhoud. Vrijwilligers engageren zich in eerste instantie vanuit een authentieke betrokkenheid, niet omwille van een financiële vergoeding; de meesten onder hen komen voor het sociaal contact en om bij te leren. Door de verschillende landschapsactoren actief te laten meedenken bij de opmaak van een kwalitatieve landschapsvisie (zie 4.1.3) wordt bovendien geïnvesteerd in het draagvlak voor het duurzaam onderhoud van het landschap.
4.3.1 Erken het belang én de grenzen van een brede betrokkenheid van landschapsactoren Naast de verschillende bestuursniveaus die vandaag elk vanuit eigen mogelijkheden hun rol invullen zijn er vandaag meer en meer actoren betrokken bij het duurzaam onderhoud van het landschap. Elk van deze actoren ( het landbouwers, agrobeheergroepen, natuurverenigingen, jagers, polders en wateringen, sociale economie, de landschapsvrijwilligers, bedrijven…) werken vanuit een zekere legitimiteit. Het hoge aantal betrokken partners, overheden en beleidsverantwoordelijken zorgt ervoor dat de organisatie en uitvoering complex zijn, wat veel tijd en energie vraagt. Een uitdaging is bijgevolg hoe je op een positieve en proactieve manier al de positieve betrokkenheid kan stroomlijnen en op die wijze ook werken aan het draagvlak voor een blijvend duurzaam beheer. Eén sleutel ligt in het investeren in bewustwording en sensibilisering rond de meerwaarde van een kwalitatief beheer, doorheen brede lagen van de maatschappij. Landschapsbeheer is voor een niet-professioneel veelal abstract. Bij de communicatie verdient de noodzaak van het beheer meer aandacht. Hierop moet de communicatie afgestemd worden naar de verschillende doelgroepen (bewoners, gebruikers, landbouwers, scholieren, ed.) toe. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van de verschillende bestuursniveaus. Burgers, bewoners en vrijwilligers engageren zich vooral voor het onderhoud in hun eigen omgeving. Er moet vooral geïnvesteerd worden in betrokkenheid die zich vertaalt in de eigen directe buurt. Concrete acties hebben betrekking op beheer op maat van de doelgroep en nabijheid. Sensibilisering moet gebeuren vanuit de lokale betrokkenheid bij de eigen plaatselijke leefomgeving. Vrijwilligers zijn een onmisbare schakel bij de praktische uitvoering van beheerstaken. Vele, en vooral ook, repetitieve taken zoals het knotten van duizenden knotbomen, kunnen niet meer ingevuld worden door het ‘reguliere circuit’ of gemeentelijke groenarbeiders. Buurtbewoners hebben zin en zijn bereid vanuit hun lokale betrokkenheid om deze taken uit te voeren. Het mag nooit de bedoeling zijn om de continuïteit en structurele oplossingen van beheernoden enkel te garanderen door landschapsvrijwilligers, bedrijven en andere private actoren. Een beheer dat voor een groot deel draait en opgebouwd wordt op een vrijwilligerssysteem loopt een groot risico. Aangezien mensen zich engageren vanuit diverse redenen voor een bepaalde periode staat het hen vrij om hun engagement op elk moment stop te zetten. Vrijwilligers doen wat ze kunnen, structurele oplossingen kunnen echter enkel vanuit het beleid komen. Daarom kan vrijwilligerswerk enkel aanvullend als oplossing voor het beheer beschouwd worden. Participatie en betrokkenheid bij zowel visie als de concrete praktijk vergroot het draagvlak voor de doelstellingen die men voor ogen heeft met het beheer. Sommige bedrijven en andere private actoren zijn mits duidelijke doelstellingen ook bereid om een dergelijk engagement voor het beheer van het landschap aan te gaan, zoals door investeringen in nieuwe KLE of via peterschappen voor een specifiek landschapselement of gebied. Zolang ze niet het gevoel hebben ‘dingen’ te financieren die een kerntaak van de overheid zijn, is de bereidheid tot engagement aanwezig.
4.3.2 Creëer een professionele omkadering van het vrijwilligerswerk Over heel Vlaanderen vervullen vrijwilligers, al dan niet in groep, vandaag een cruciale rol om beheertaken op terrein te uit te voeren. Hun impact kan moeilijk onderschat worden. Er is de jarenlange traditie van natuurverenigingen om samen met vrijwilligers natuurgebieden te beheren. Daarnaast is er de laatste jaren
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 23 van 54
een toenemende tendens om ook buiten natuurgebieden het landschap via vrijwilligersgroepen te beheren. Voorbeelden hiervan zijn de knotteams waarbij honderden vrijwilligers knotbomen gaan onderhouden op publiek of privaat domein. Daarnaast zijn er in elke provincie peter- en meterschapsystemen, waarbij vrijwilligers wandel- en fietsroutes op regelmatige basis screenen en problemen rapporteren aan een routedokter opdat deze instantie de link kan leggen met de verantwoordelijke beheerders. Peter- en meterschapssysteem en knotteams hebben een goede structuur, maar moeten verder gecoördineerd worden. In het landschap is veel “bandwerk” (zoals knotten, maaien, opruimen) maar tegelijkertijd is er ook veel maatwerk. Een passende taakverdeling, begeleiding bij het in orde brengen en houden van het juiste statuut (reglementair, wettelijk in orde zijn) en een aanbod van inhoudelijke (vraaggestuurde) ondersteuning maken een verschil voor het engagement van de vrijwilligers. Een inspirerend voorbeeld is de werking van Landschappen.nl (zie bijlage 6.6). In Nederland bestaat een lange traditie in het inzetten van vrijwilligers in het landschapsbeheer. Ongeveer 75.000 vrijwilligers zijn er aan de slag. Vrijwilligers zijn een belangrijke en groeiende groep van burgers en enthousiastelingen die zich inzetten voor het beheer. Zichtbaarheid, erkenning en bewuste appreciatie voor het door hen geleverde werk is een “must” om de continuïteit en (blijvende of zo lang mogelijke) betrokkenheid te verzekeren. De vrijwilligers vragen – zeker niet primair – om vergoed te worden (meer dan een eventuele vrijwilligersvergoeding of vergoeding in natura). Waardering wordt wel verwacht in de vorm van onder meer vorming op maat, ondersteuning en kennisaanbod i.f.v. de beheernoden, zichtbaarheid in de communicatie, erkenning in de vorm van een vrijwilligersfeestje, voldoende werkmateriaal en een verzekering. De goede professionele omkadering van het vrijwilligerswerk is daarom essentieel. Door vanuit Vlaanderen te voorzien in een voldoende basisfinanciering voor de coördinatie en de uitvoering van de vrijwilligerswerking is er ook voor vrijwilligers een perspectief op lange termijn. Onderdeel van de professionele omkadering vormt een “coördinator vrijwilligerswerking”, die zowel uit te voeren taken koppelt aan vrijwilligers, actuele informatie inzake statuut en een luisterend oor biedt inzake vormingsnoden, appreciatie, … Omkadering houdt ook in duidelijkheid te scheppen over de grenzen van het actieterrein van andere, met beheer begane actoren, alsook beheer waar vergoeding tegenover staat (cfr. voor landbouwers binnen beheersovereenkomsten).
4.3.3 Schakel ook landbouwers in als beheerders Landbouwers kunnen vanuit hun ervaringen met het beheer van KLE’s op hun eigen gronden ook bijdragen aan het duurzaam onderhoud van het landschapselementen in het publiek domein; dit bv. via het afsluiten van beheersovereenkomsten. Dit kan individueel of via agrobeheergroepen die een aantal boeren verenigen om gezamenlijk aan agrarisch natuurbeheer te doen Voor dit beheer verwachten ze, in tegenstelling tot het vrijwilligerswerk, een financiële vergoeding. Als voorwaarde worden dan kwaliteitseisen opgenomen in de overeenkomsten voor het onderhoud. Zo worden landbouwers ook best begeleid en vergoed om aan kwalitatief bermenbeheer te doen.
4.4 AANBEVELING 4: ONTPLOOI AANVULLENDE FINANCIERINGSKANALEN Onderhoud houdt grotendeels systematisch terugkerende taken in. Om de kosten hiervan en financiering van het landschapsbeheer in het algemeen te verzekeren, zijn er twee componenten: structurele (zie 4.2) en aanvullende financiering. Aanvullende financieringskanalen werken versterkend en variëren in complexiteit en impact. Voor het landschapsbeheer vinden we waardevolle aanknopingspunten (en deels ervaringen) bij diverse instrumenten
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
zoals het Visitor Payback systeem, landschapsfondsen en streekfondsen. Maar ook het monetair valoriseren van ecosysteemdiensten wordt onderzocht. Inkomsten uit circulaire economie kunnen ook ingezet worden voor de financiering van het beheer. Praktijkvoorbeelden laten zien dat er een bepaalde bereidheid is bij verschillende geledingen in de maatschappij om hieraan bij te dragen. Hierna volgt een beschrijving van een selectie van aanvullende financieringsmogelijkheden die het meest kansrijk zijn voor het landschapsbeheer en waar reeds ervaring in het landschapsbeheer mee is. Een belangrijke vraag hierbij is hoe kan de impact van die aanvullende financieringskanalen kan vergroot worden en hoe een multiplicatoreffect bekomen kan worden.
•
Visitor Payback en regionale toeristenbelasting
Visitor Payback is één van de mogelijkheden om het duurzaam onderhoud van het landschap financieel mee te ondersteunen. Hierbij worden bezoekers/ toeristen gevraagd om een klein bedrag/ een taks te betalen o.a. gedurende hun verblijf of via de aankoop van een toeristische kaart. Vervolgens is het de bedoeling dat een deel van de inkomsten terugvloeit naar het landschapsbeheer. Uit bevraging leren we dat hoe Visitor Payback (VPB) vandaag georganiseerd is dit nauwelijks een impact heeft, het aandeel in inkomsten stelt verhoudingswijs weinig voor 9.Bovendien kost het uitwerken van een toeristentax tijd en middelen en vloeien deze inkomsten zelden echt terug naar het landschap. De inkomsten van een toeristenbelasting en/of VPB komen in de algemene begroting van de gemeenten en worden niet geoormerkt. Bovendien staan de administratieve kosten voor het innen niet in verhouding tot de opbrengsten en moeten alle lokale ondernemers overtuigd worden om mee te werken (om geen concurrentienadelen te laten ontstaan). Kortom Visitor Payback is niet evident om te organiseren en te kleinschalig qua opbrengst. Sneller en beter is het om te putten uit middelen/opbrengsten die reeds gegeneerd worden in het buitengebied (vb. toeristentax) en deze (deels) te oormerken voor het onderhoud van het landschap. Het beleid kan echter wel kiezen om Visitor Payback op langere termijn te stimuleren als bron van inkomsten. Ondernemers dienen dan vanaf hun instap hierin begeleid te worden. Om Visitor Payback als aanvullend financieringsmodel aantrekkelijker te maken, is op middellange termijn een omschakeling in het denken nodig. Het landschap heeft dan een waarderende benadering nodig, zodat een brede range van actoren bereid wordt gevonden om bij te dragen. De verschillende bestuursniveau hebben hierbij een faciliterende en voorbeeld stellende rol.
•
Fondsenwerking: Landschapsfonds - streekfonds - regionaal fonds
In Vlaanderen zijn er verschillende ervaringen met het bijeenbrengen van financiële middelen voor landschapsbeheer via een fonds. Soms worden landschapsfondsen apart opgezet en in andere gevallen zijn ze een geïntegreerd onderdeel van een streekfonds. In elk geval blijft het belangrijk dat de overheid een signaal geeft en dit zelf concretiseert in financiële middelen en een engagement. Deze middelen zijn dan de basis voor match funding constructies. Vastgesteld kan worden dat burgers hun engagement bij de buurt en nabije omgeving meestal tonen via vrijwilligerswerk (zie 5.3 aanbeveling 3) en minder via financiële bijdragen. 9 Onderzoek Westtoer over meerinkomsten uit Visitor Payback (VPB) en andere inkomensbronnen: Geschatte waarde van de te genereren meerinkomsten door VPB , ten hoogste 10 000 euro/ jaar.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 25 van 54
Bedrijven zijn echter wel bereid een cruciale rol als financier te spelen mits duidelijk is voor wat ze zich financieel engageren. Hoe concreter de doelstelling geformuleerd is, hoe sneller er bereidheid van donoren te vinden is. Om de bereidheid van bedrijven en andere private actoren tot meebetalen van het duurzaam onderhoud van het landschap te bepalen is bijkomend onderzoek en sensibilisering nodig. Enkele voorbeelden worden hierbij als inspiratie toegelicht: - Streekfonds Vlaamse Ardennen – Streekmotor2310 - opgericht in 2017: In de Vlaamse Ardennen en Denderstreek is streekmotor23 actief. De aantrekkingskracht van dit streekfonds ligt in het gezamenlijk bijeenbrengen van middelen van bedrijven, burgers t.b.v. sociale, economische doeleinden, inclusief landschapsbeheeraspecten, via het afzonderlijke luik “Landschapsfonds” als een onderdeel binnen het streekfonds. Streekmotor financiert vooral sociaal geëngageerde projecten. Zij ervaren dat voor bedrijven sociale doeleinden veel aantrekkelijker zijn dan ‘meebetalen’ voor beheer. Hun ervaring leert dat mits de ‘juiste’ criteria, waaronder ook beheer en onderhoud op lange termijn, en dit te koppelen aan bv een projectoproep er wél gesensibiliseerd kan worden voor het beheeraspect. Het instrument heeft meer slagkracht naarmate de doelstellingen (o.a. in de vorm van projectoproepen) helder zijn. -
Landschapsfonds voor de Gentse Kanaalzone11 - opgericht in 2010: In aansluiting bij het Landinrichtingsproject Gentse Kanaalzone is 15 jaar geleden een landschapsfonds opgericht. De fondsmiddelen zijn vooral bedoeld voor de aanplanting van nieuwe KLE’s in de agrarische gebieden die onderdeel zijn van koppelingsgebieden én het beheer van de nieuw aangeplante bomen en KLE’s. Landbouwers worden hierbij betrokken via samenwerkingsovereenkomsten. Maar de slaagkracht van het Gentse Kanaalzone project is voor een deel te danken aan de cofinanciering van bedrijven die vooral worden ingezet voor nieuwe inrichtingen. De publiek ingerichte ruimte wordt beheerd door middelen van de projectpartners (havenbedrijf, de gemeente Zelzate, Evergem en Gent,…). In de periode van de actieve landinrichting (t.b.v. het ontwerpen en uitvoeren van de koppelingsgebieden) heeft de VLM een sleutelrol vervuld als draaischijf tussen al de verschillende betrokken partijen in dit gebied. Vandaag wordt deze rol ingevuld door één projectbureau, dat fungeert als één aanspreekpunt, één coördinator, die mee continuïteit bewaakt vanuit één (overkoepelde) beheersvisie. De Vlaamse Overheid is medefinancierder in het projectbureau en geeft hiermee het signaal van beheer en de continuïteit hiervan belangrijk te vinden. De implementatie van de gemeenschappelijke beheersvisie gebeurt stapsgewijs, o.a. in het gebied in en rond Desteldonk.
-
Landschapsfonds Westhoek 12 – opgericht eind 2018: Landschapsfonds Westhoek is een participatieve publiek-private samenwerking van verschillende actoren in deze regio. Het Streekfonds Zuid-West-Vlaanderen, onder de vlag van de Koning Boudewijnstichting, staat in voor de administratieve opvolging van projecten. Het Regionaal Landschap Westhoek staat in voor de procesmatige en inhoudelijke begeleiding. De projectfinanciering via het landschapsfonds gebeurt via een combinatie van crowdfunding door initiatiefnemers en matchfunding door overheden en private ondernemers. De concrete uitwerking van het landschapsfonds (voorwaarden zoals gewenste acties, begunstigden, procedures, e.d.) moet nog worden bepaald. In 2018 is het startkapitaal bij elkaar gebracht. Vanaf 2019 start het landschapsfonds als pilootproject op schaal van de Westhoek met een projectoproep.
https://streekmotor23.be/ https://www.vlm.be/nl/SiteCollectionDocuments/Eco2/20170908_ECO2_doc%20Fondsenwerving_DIG%20VERSIE.PDF 12 https://www.rlwesthoek.be/landschapsfonds/ 10 11
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
•
Ecosysteemdiensten
Inkomsten die ons welbepaalde ecosysteemdiensten leveren, kunnen op termijn een aanvullende bron zijn voor het beheren van landschappelijke infrastructuur. Door diegene die de diensten van de natuur nodig heeft om zijn/haar bedrijfsactiviteit te kunnen uitoefenen (een stilteondernemer, woon/zorg concepten en vakantieverblijven in een groene omgeving...) te laten (mee)betalen. Het monetair valoriseren van ecosysteemdiensten staat – als we naar de praktijk kijken nog in de kinderschoenen. Wel werd er al heel wat onderzoek naar verricht. 13 Omdat ecosysteemdiensten als potentiele bron van inkomsten worden gezien loopt er in opdracht van o.a. RLKM (Regionaal landschap Kempen en Maas)en onderzoek (uitgevoerd door Universiteit Hasselt) over potentieel van 4 ESD in Maasvallei (recreatie/toerisme; hoogwaterveiligheid; waterkwaliteit voor drinkwater; Co2 berging -vastlegging in bodem). Een hypothese die werd voorop gesteld was dat dit, indien daadwerkelijk betaald/ geïnd zal worden dit de overheid heel wat geld kan opleveren (zonder hier een schatting te kunnen en willen geven). Meer onderzoek naar bijkomende inkomsten via ESD benadering is wenselijk om ESD te kunnen valoriseren, getest op concrete plekken.
•
Circulaire economie
Circulaire economie wint vandaag als één van de grote maatschappelijke transitie thema’s meer en meer aan betekenis en kan ook potentieel een bijkomende financieringsbron voor landschappelijk beheer worden. In het IPO-advies ‘Oogstbare Landschappen’ 14 staat als bevinding dat de lokale en regionale valorisatie van grazige of houtige biomassa uit bos-, natuur- en landschapsbeheer in Vlaanderen momenteel nog niet veel financieel voordeel oplevert. Met betrekking tot hak-, tak- en tophout liggen de potenties vooral bij de energetische valorisatie via brandhout en houtsnippers. Uit het PDPO-project “Loket voor energiehout” bleek dat de vermarkting van houtsnippers door de Bosgroepen niet zo eenvoudig is, o.a. door de vraag naar een continue aanvoer die botst op de versnipperde eigendomsstructuur. De vermarkting van brandhout kan een valabel alternatief zijn als dit duurzaam geoogst wordt en lokaal benut via efficiënte verbranding. Het concept van de biomassawerf, waar verschillende biomassastromen logistiek samengebracht en deels verwerkt worden, kan mogelijks voor een hogere prijs zorgen. Een eerste biomassaplein werd begin 2018 in Houthalen Helchteren opgericht als coöperatieve vennootschap met sociaal oogmerk in een samenwerking tussen de Provincie Limburg, Bionerga, Nuhma en het Regionaal Landschap Lage Kempen. Een reëel probleem vandaag is dat bij de behandeling biomassa de opbrengsten vaak wegvloeien naar het buitenland. Bv. wegbermmaaisel gaat (in een pilootproject van de Waterweg) via een Nederlandse behandelingsfirma naar een verwerkingsbedrijf in Frankrijk. In de valorisatie van hout- en bermmaaisel liggen veel opportuniteiten. De grote potentie is de rechtstreekse koppeling met het beheer, maar er zijn nog veel hindernissen (schaal, logistiek, wetgevend…), op vlak van efficiëntie. Er dient aandacht te zijn voor een deels of volledig economische logica met de nodige neveneffecten: de vraag naar biomassa zal allicht toenemen waardoor de natuur- of biodiversiteitsdoelstellingen niet meer op de eerste plaats zullen komen te staan. Een gevolg zou kunnen zijn dat het beheer van het buitengebied daaronder zal leiden door te weinig aandacht voor kwalitatief en gedifferentieerd beheer. Zowel
https://www.natuurwaardeverkenner.be C.Nauta (2015): Natuurlijk kapitaal in beeld.De Ecosysteemdiensten van Nationaal Park Alte Faenen, Leeuwaarden 14 IPO advies ‘Oogstbare Landschappen, voorgelegd als Mededeling aan leden van de VR, 2017 13
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 27 van 54
biomassaproductie als kwaliteitsvol landschapsbeheer moeten hand in hand gaan. Voor deze thematiek zoekt het Platform Oogstbare Landschappen dat alle betrokken actoren bij elkaar brengt oplossingen. 15
15
https://www.vlm.be/nl/nieuws/Pages/Platform-oogstbare-landschappen.aspx
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5 ACTIEPLAN De beleidsaanbevelingen kunnen maar tot uitvoering komen als de verschillende betrokken partijen actief en binnen hun verantwoordelijkheden een engagement opnemen om zodoende tot implementatie te komen. In dit overzicht is een voorstel uitgewerkt hoe de gezamenlijke verantwoordelijkheden en de hieruit voortvloeiende taken voor het duurzaam onderhoud van het landschap tussen de verschillende bestuursniveaus opgenomen kunnen worden. Aan alle bestuursniveaus wordt gevraagd zich akkoord te verklaren met meer interbestuurlijke samenwerking en een onderlinge taakverdeling overeen te komen. Nr.
Beleidsaanbeveling
1
Maak werk van meer interbestuurlijke samenwerking
1.1
Versterk bestaande interbestuurlijke samenwerkingen en breid deze uit
..Beleidskader voor ..Engagement voor alle interbestuurlijke betrokken provinciale samenwerking opmaken diensten aangaan
Stel een intermediair met een duidelijk mandaat en opdracht aan
..Voorstel inbedden in beleidskader
Garandeer kwaliteit vanuit een gedragen landschapsvisie
..Voorstel inbedden in beleidskader
1.2
1.3
Vlaamse overheid
Provincies
Gemeenten
Andere actoren
..Engagement aangaan
..Engagement voor alle betrokken Vlaamse diensten aangaan
.. Financieel engagement voor dit onderdeel vastleggen
..Actieve uitvoering organiseren of coördineren
..Actieve uitvoering organiseren
..Actieve bijdrage aan implementatie
..Actieve bijdrage aan implementatie
..Actieve bijdrage aan implementatie
Nr.
1.4
Beleidsaanbeveling
Innoveer door kennisuitwisseling en digitale beheerssystemen
Vlaamse overheid ..Actieve uitvoering coördineren ..Organisatie generieke uitwisselingsmomenten ..Inhoudelijk bijdragen aan digitale beheerssysteem
Provincies
Gemeenten
Andere actoren
..Organisatie bovenlokale uitwisselingsmomenten
..Inhoudelijk bijdragen aan digitale beheerssysteem
..Inhoudelijk bijdragen aan digitale beheerssysteem
..Actieve deelname aan uitwisselingsmomente n
..Inhoudelijk bijdragen aan digitale beheerssysteem ..actieve deelname aan uitwisselingsmoment en
2
Voorzie structurele complementaire financiering vanuit alle bestuursniveaus
2.1
Organiseer klaverbladfinanciering
..Stabiele basisfinanciering voor de overkoepelende coördinatie en het beheer zoals structurele verderzetting van de financiering van de loketten onderhoud buitengebied of ondersteuning/hosting van het digitale beheerssysteem
..Leveren van een substantieel financiële bijdrage voor de basiswerking
2.2
Engageer ook andere beleidsdomeinen om financieel bij te dragen in het duurzaam onderhoud van het landschap
..Concrete invulling van financiële verantwoordelijkheid van Vlaamse
.. Concrete invulling van financiële verantwoordelijkheid van provinciale diensten
..Leveren van een substantieel financiële bijdrage voor de basiswerking
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Nr.
Beleidsaanbeveling
Vlaamse overheid
Provincies
beleidsdomeinen betrokken bij het landschap door betrokkenheid en bijdrage aan klaverbladfinanciering
bij het landschap door betrokkenheid en bijdrage aan klaverbladfinanciering
..Engagement voor bijdragen van beheermiddelen vanuit o.a. Platteland, Natuur, Erfgoed, Toerisme, Mobiliteit, Welzijn 2.3
Oormerk middelen binnen gemeentefonds voor het duurzaam onderhoud van het landschap
Gemeenten
..Engagement voor bijdragen van beheermiddelen vanuit o.a. Platteland, Natuur, Erfgoed, Toerisme, Mobiliteit
..Beloon gemeenten met een groot buitengebied financieel voor hun inspanningen voor landschapsbeheer
..Voorstel uitwerken voor aanpassing verdeelsleutel middelen gemeentefonds
..Aanpassing verdeelsleutel middelen gemeentefonds 3
Zorg voor een participatief model voor het duurzaam onderhoud van het landschap
3.1
Erken het belang én de grenzen van een brede betrokkenheid van landschapsactoren
..Erkenning expliciteren in bestuursdocumenten en communicatie
..Erkenning expliciteren in bestuursdocumenten en communicatie
..Erkenning expliciteren in bestuursdocumenten en communicatie
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 31 van 54
Andere actoren
Nr.
Beleidsaanbeveling
Vlaamse overheid
Provincies
Gemeenten
3.2
Creëer een professionele omkadering van het vrijwilligerswerk
.. Beleidskader uitwerken met verschillende invalshoeken: wetgevend, coördinatie, materiaal, vorming en inhoudelijk ondersteuning
..Actieve uitvoering organiseren of coördineren
..Actieve uitvoering organiseren
3.3
Schakel ook landbouwers in als beheerders
..Mogelijkheid toelaten bij uitwerking beheerplanning en uitvoering door terrein beherende entiteiten
..Mogelijkheid toelaten bij uitwerking beheerplanning en uitvoering door terrein beherende entiteiten
..Mogelijkheid toelaten bij uitwerking beheerplanning en uitvoering
4
Ontplooi aanvullende financieringskanalen ..Aantrekkelijke voorwaarden scheppen voor een bredere toepassing van aanvullende financieringskanalen
..Aantrekkelijke voorwaarden scheppen voor een bredere toepassing van aanvullende financieringskanalen
..Aantrekkelijke voorwaarden scheppen voor een bredere toepassing van aanvullende financieringskanalen
..Ruime sensibilisering over de meerwaarde van een aantrekkelijk landschap
..Actief opsporen van mogelijkheden op intergemeentelijk niveau en met lokale actoren
..Actief opsporen van mogelijkheden op intergemeentelijk niveau en met lokale actoren ..Beperkte middelen voorzien om vanuit
Ontplooi aanvullende financieringskanalen
..Mechanismen stimuleren om
Andere actoren
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Nr.
Beleidsaanbeveling
Vlaamse overheid
Provincies
Gemeenten
(toeristische) ondernemers te begeleiden bij deelname aan Visitor Payback en fondsen ..Beperkte middelen voorzien om vanuit een signaalfunctie nieuwe fondsen een startbasis te geven
..Beperkte middelen voorzien om vanuit een signaalfunctie nieuwe fondsen een startbasis te geven
een signaalfunctie nieuwe fondsen een startbasis te geven
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 33 van 54
Andere actoren
BIJLAGEN 5.1 PROCES In maart 2017 keurde het Bestuurlijk Overleg (BO )van het IPO de agenderingsfiche ‘Financiering open ruimte’ goed. Deze werktitel wijzigde gedurende de loop van het traject naar ‘Het duurzaam onderhoud van het landschap’. Op basis van de agenderingsfiche werd beslist om een voortraject op te starten aangaande de financiering van het beheer van de landschappelijke infrastructuur in de Vlaamse open ruimte. De voorliggende beleidsaanbevelingen zijn tot stand gekomen in drie fasen: (1)het verkenningstraject, (2) het verdiepingstraject met mogelijke beleidspistes en oplossingsrichtingen en (3) de beleidsaanbevelingen. (1) De verkenningstraject: Na de formele goedkeuring door het BO werd een Startnota opgemaakt door de vier initiatiefnemers VVSG, VVP, de VORL en VLM. Er werd bewust voor gekozen om bij het bepalen van de scope en de doelstellingen voort te bouwen op de inzichten uit het eerdere IPO- advies (2008) over ‘Het regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur’. Dit impliceerde ook , mede gezien de breedte van het onderwerp, zich in de aanpak en uitwerking te concentreren op drie categorieën van landschappelijke structuren in het buitengebied: namelijk kleine landschapselementen (KLE), klein historisch erfgoed (KHE) en recreatieve randinfrastructuur (RRI). 16 Het verkenningstraject beoogde: - een actuele stand van zaken over de organisatie van het beheer en het regulier onderhoud van de landschappelijke structuur in het buitengebied: KLE, KHE en RRI buiten natuurgebieden, privé terreinen en landbouwgronden. Dit kon een loket onderhoud buitengebied zijn, een gemeentelijke dienst of intergemeentelijk samenwerkingsverband of organisatie die instaat voor de coördinatie en organisatie van het beheer. (maw niet de uitvoerende partijen); - een beter zicht over hoe de coördinatie en financiering van dit beheer verloopt; - een analyse en reflectie van deze verschillende initiatieven. -
-
-
kleine landschapselementen (KLE): Dit zijn houtkanten, hagen, poelen, boomgaarden, alleenstaande bomen, markante bomengroepen, bomenrijen, onverharde veld- , bos- en kerkenpaden (trage wegen), bermen (minstens langs fiets- en wandelpaden), tumuli, etc. klein historisch erfgoed (KHE): Dit zijn kleine elementen en constructies, geïsoleerd of deel uitmakende van een geheel, die van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving, een volkskundige, historische of esthetische waarde hebben, als referentie dienen voor de bevolking van een buurt of wijk, of bijdragen tot het gevoel van een plaatselijke bevolking tot een bepaalde plek te behoren, zoals fonteinen, kiosken, pompen, putten, kruisen, calvarie ’s, veldkapellen, standbeelden, wegwijzers, schandpalen, grenspalen, mijlpalen, lantaarnpalen, uurwerken, klokkenspelen, zonnewijzers, hekkens, omheiningsmuren, luifels, graven, herkenningstekens van merkwaardige gebeurtenissen uit het verleden, balies, straatmeubilair, waterkunstwerkjes, bakhuizen, houtskeletbouw, koetshuizen, oranjerieën, prielen, ijskelders, etc. recreatieve randinfrastructuur (RRI): Dit zijn alle randinfrastructuren die de leesbaarheid en de beleefbaarheid van het landschap ondersteunen of versterken zoals picknickplaatsen, rustbanken, fiets- , ruiter- en wandelpaden op recreatieve routes, uitkijkpunten of –torens, informatiepanelen langs fietspaden en wandelwegen, wegwijzers van fiets- en wandelpaden, zogenaamde leerpaden. Het is geen sportinfrastructuur zoals voetbalvelden, tennisvelden, etc.
16
Die in de startnota voorgestelde focus en afbakening werd in de zomer van 2017 na verschillende overleg momenten van een beperkte werkgroep (vertegenwoordiging van de initiatiefnemers) verfijnd en bevestigd door het bevoegde kabinet. Vervolgens werd in het najaar een intens verkenningstraject doorlopen om zicht te krijgen op de complexiteit, de eigenlijke grootte van het probleem van het duurzaam onderhoud. Dit gebeurde door een en een Op basis van een uitgebreide vragenlijst vond een kwalitatieve bevraging en een kwantitatieve bevraging plaats van actoren die als opdrachtgever of vanuit een coördinerende rol in het regulier beheer op openbaar domein werkzaam zijn. In totaal werden 24 diepte interviews afgenomen van een vooraf geselecteerd aantal respondenten (Vlaamse administraties, provincies, regionale landschappen (inclusief verschillende loketten onderhoud buitengebied), intergemeentelijke natuur- en landschapsploegen alsook vergelijkbare initiatieven buiten Vlaanderen). Tegelijkertijd werd kwantitatieve informatie ingewonnen d.m.v. een enquête naar alle steden en gemeenten in Vlaanderen. Op deze digitale bevraging kwamen er 62 reacties. Door in te zetten op zowel diepte-interviews (kwalitatief) als een kwantitatieve bevraging werd getracht om tot een representatief beeld te komen voor de huidige stand van zaken inzake beheer. Op twee workshops (december 2017 met een beperkte groep van stakeholders en in januari 2018 met een brede groep ) werden de gewonnen inzichten en resultaten uit de kwalitatieve en kwantitatieve bevraging afgetoetst en aangevuld met mogelijke beleidsaanbevelingen. Tevens hadden de workshops als doel het vergroten van draagvlak voor de voorgestelde beleidspistes De bundeling en verwerking van dit alles resulteerde in een uitgebreide verkenningsnota in het voorjaar 2018 en gaf de aanzet voor het verdere vervolg Het verkenningsrapport werd goedgekeurd bij het kabinet en door de gemandateerde kerngroep. In dit verkenningsrapport worden de antwoorden uit de analyse geclusterd rond de vragen: - Wat wordt er beheerd? Hoe is het beheer en onderhoud van de landschappelijke en recreatieve infrastructuur in Vlaanderen georganiseerd? - Welke rollen zijn van belang en welke taakverdeling bestaat er tussen deze? Opdrachtgever, coördinator, uitvoerder(s),... Wie doet wat? - Wat is de kostprijs van dit beheer, in personeel en middelen? Wie staat er in voor de financiering? - Welke elementen zijn cruciaal om dit efficiënt(er) en kwaliteitsvol te doen? - Van welke inspirerende voorbeelden buiten Vlaanderen kunnen we leren met het oog op mogelijke oplossingen en toekomstige beleidsaanbevelingen? Een uitgebreide SWOT en de doorkijk naar drie mogelijke pijlers van de beleidsaanbevelingen, een actietabel voor het vervolg traject vervolledigen het verkenningsrapport. Het verkenningsrapport is als afzonderlijk document beschikbaar. (2) Verdiepingstraject: De verdiepingsfase werd benut om de voorgestelde beleidsopties uit te werken, bijkomende informatie te verzamelen. Basis hiervoor vormde de actietabel uit het verkenningsrapport. Hiervoor werden opnieuw i.f.v de verdiepende acties verschillende deskundige en experts van op het terrein en uit beleid en onderzoek bevraagd.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 35 van 54
Het verdiepingstraject werd afgerond met een interactieve studievoormiddag ‘Samen (verder)bouwen aan het duurzaam onderhoud van het landschap’, in het najaar (november 2018). De studiedag werd zowel aangegrepen om te inspireren; hiervoor werden buitenlandse sprekers uitgenodigd; te reflecteren ( wat kan Vlaanderen leren van de buitenlandse voorbeelden) als ook te anticiperen. Dit laatste gebeurde door de meer dan 50 deelnemers actief de mogelijkheid te bieden om de voorgestelde beleidsaanbevelingen aan te scherpen vanuit de eigen praktijk. (3) Beleidsaanbevelingen De lessen uit het verkennings- en verdiepingstraject samen met de inzichten uit de studiedag werden door de werkgroep verwerkt, met concrete aanbevelingen die moeten leiden tot de implementatie.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5.2 DEELNEMERS TRAJECT Betrokken bij het tot stand komen de beleidsaanbevelingen, tenzij vanuit de werkgroep en/of via deelname aan een of meerdere studiedagen, waren: Adinda Alwin An Ankatrien Annick Barbara Bart Bart Benny Britt Carl Caroline Davy Dieter Dirk Dirk Dolf Erik Eliza Els Foeke Frederik Gerrit-Jan Gertjan Griet Ilse Iñaki Ines Ingrid Jonas Joost-Pim Joris Karl Katrien Koen Kristin Kristien Kristof Kristof
Vanommeslaeghe Loeckx Digneffe Boulanger Grillet De Vleminck Paesen Schoukens Vangansewinkel Biermans De Nys Thys Dobbeleer Hoet Van Gijseghem Cuvelier Imbrechts Verhaert Romeijn-Peeters Hofkens Van Weverberg Faveere van Herwaarden Roelants Limet Ideler Colpaert Van Limbergen Beuls Bergmans Balis Verhees Catteeuw Geurts Van Steenbrugge De Ceuster Justaert Van Peteghem Verhoest
Stad Deinze Regionaal Landschap Pajottenland & Zennevallei Regionaal Landschap Haspengouw & Voeren Regionaal Landschap Rivierenland vzw Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Landmaatschappij Regionaal Landschap Lage Kempen Ecokwadraat Limburgs Steunpunt Rurale Ontwikkeling Provincie Antwerpen Pro Natura vzw ANB Vlaamse Landmaatschappij, werkgroep VVSG, werkgroep Vlaamse Landmaatschappij VORL, werkgroep Regionaal Landschap Zuid Hageland Vlaamse Landmaatschappij Regionaal Landschap Schelde-Durme Vlaamse Landmaatschappij, thema coördinator + werkgroep Regionaal Landschap Rivierenland Regionaal Landschap Lage Kempen Landschappen NL De Merode - Prinsheerlijk Platteland Kempens Landschap Regionale Landschappen Lage Kempen Provinciebestuur Oost-Vlaanderen Regionaal Landschap de Voorkempen Provincie Vlaams-Brabant Regionaal Landschap Pajottenland & Zennevallei Agrobeheercentrum Eco² Provinciaal Natuurcentrum Limburg Provincie West-Vlaanderen Regionaal Landschap Meetjesland Gemeente Avelgem Provincie Vlaams-Brabant Regionaal Landschap Zuid-Hageland Gemeente Berlare VVP, werkgroep
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 37 van 54
Laurien Lies Liesbeth Lieven Lotte Luc Ludo Ludwig Maja Margot Marian Mario Mathias Mathijs Nadine Nathalie Nico Paul Pauwel Quinten Raf Robert Ruben Sirka Stefaan Stijn Tim Viola Wim Wouter Wouter
Danckaerts Messely Vandenbroucke Lavrysen Deman Vande Ryse Naessens De Loose Verbeeck De Groote Gerard De Block Vanspringel Vandenbroecke Rogiers Saelens Deblauwe Van der Sluys Bogaert Cormenier Stassen Gruwez De Coninck Lüdtke Meulemeester Van Belleghem Provoost Van Rossum Boonen Brouns Vuylsteke
De Merode, Provincie Antwerpen ILVO Gemeente Zemst Vlaamse Landmaatschappij Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete Provincie Oost-Vlaanderen dienst Landbouw en Platteland Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Landmaatschappij Provincie Oost-Vlaanderen Regionaal Landschap Brabantse Kouters Provincie Antwerpen ANB Regionaal Landschap de Voorkempen Vereniging van de Vlaamse Provincies IGO Leuven Pro Natura vzw Stad Diksmuide Vlaamse Landmaatschappij Regionaal Landschap Houtland Igemo Centre de soins pour la faune sauvage (LU) Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen Regionaal Landschap Houtland Vlaamse Landmaatschappij, themacoördinator+ werkgroep Westtoer Regionaal Landschap Schelde- Durme Westtoer Regionaal Landschap Meetjesland Regionaal Landschap Noord-Hageland Vereniging van de Vlaamse Provincies Provincie West-vlaanderen
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5.3 VRAGENLIJST ENQUETES Vraag 1: Identificatie deelnemers Naam en voornaam: Functie: Mailadres Telefoon: Vraag 2: Kunt u concreet maken rond welke facetten van het beheer u vandaag werkt? Voor het beantwoorden van deze vraag, hebben we ons gebaseerd op een vaste lijst, gebaseerd op inhoudelijke afbakening zoals bepaald in het IPO “beheer van de open ruimte” en zoals geformuleerd in het modelproject LOB. Op einde van de lijst is er de mogelijkheid voorzien om aanvullingen te geven (maximum per respondent). Vul in wat u instantie beheert, onderhoudt of coördineert. Kleine Landschapselementen Ja Neen Ten dele (KLE) Lijn- of puntvormige elementen waarvan het uitzicht, de structuur of de aard deel uitmaken van het landschap. Houtkanten hagen en heggen Markante bomen/ bomengroepen (incl. knotbomen) Bomenrijen Boomgaarden Poelen Onverharde bos-, kerk- en veldpaden (trage wegen) Bermen (minstens langs fiets- en wandelpaden) Tumuli
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 39 van 54
Klein Historisch Erfgoed (KHI)
Ja
Neen
Ten dele
Kleine elementen en constructies, geïsoleerd of deel uitmakende van een geheel, die van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving, een volkskundige, historische of esthetische waarde hebben, als referentie dienen voor de bevolking van een buurt of wijk, of bijdragen tot het gevoel van een plaatselijke bevolking tot een bepaalde plek te behoren. fonteinen, kiosken, pompen, priëlen, waterkunstwerkjes kruisen, calvaries, veldkapellen wegwijzers, schandpalen, grenspalen, mijlpalen, lantaarnpalen uurwerken, klokkenspelen, zonnewijzers hekkens, omheiningsmuren, toegangspoorten graven, herkenningstekens van merkwaardige gebeurtenissen uit het verleden balies, straatmeubilair bakhuizen, houtskeletbouw, koetshuizen, oranjerieën Ijskelders Recreatieve Ja Neen Ten dele Randinfrastructuur (RRI) Alle randinfrastructuren die de leesbaarheid en de beleefbaarheid van het landschap ondersteunen of versterken Picknickplaatsen Rustbanken Fiets-, ruiter- en wandelpaden (knuppelpaden,, bruggetjes,..) Uitkijkpunten of –torens Informatiepanelen en wegwijzers langs fiets- en wandelpaden Leerpaden Aanvullingen (max. 3 per Ja Neen Ten dele respondent)
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Vraag 3: Coördinatie van het beheer In deze vraag willen we achterhalen welke actoren op het grondgebied van uw instantie een coördinerende of aansturende rol vervullen in het regulier onderhoud van de landschappelijke infrastructuur, welke factoren van invloed zijn op de efficiëntie en kwaliteit van de coördinatie van het beheer en hoe dit wordt gefinancierd. 3.1. Wie coördineert het regulier onderhoud van de landschappelijke en recreatieve infrastructuren op het grondgebied van uw instantie? Geef een eventuele rolverdeling aan indien dit door verschillende actoren gebeurt. Wie?
Wat doen ze?
3.2. Wat is de kostprijs van de coördinatie (in eigen personeel, eventuele uitbesteding, financiële middelen die er tegenover staan)? Wat?
Bedrag (op jaarbasis, uitgedrukt in VTE in geval van personeel)
Eigen personeel Uitbesteed personeel Uitbesteed bedrag Andere?
3.3. Hoe en door wie wordt dit gefinancierd? Via welke kanalen? Bijvragen: - Wie betaalt? Kunt u de verschillende financieringslijnen benoemen? - Welke specifieke project- of subsidiekanalen? - Voor overheden: vanuit welke beleidsdomeinen worden middelen geïnvesteerd in het regulier onderhoud van KLE, KHE en RRI? - Is er eigen inbreng vereist? Hoe zit de financiële verdeelseutel in elkaar? (Uit te drukken in %) 3.4. Ondervindt u moeilijkheden? Hebt u suggesties hoe het anders kan? Indien het antwoord bij vraag 1 ‘ten dele” was, probeer dan voor deze elementen te achterhalen of dit te maken heeft met een gebrek/ontbreken aan coördinatie van het beheer en wat de belangrijkste oorzaken daarvan zijn. Vindt u het al dan niet wenselijk om dit in de toekomst te veranderen en, indien ja, in welke zin? Wat gaat goed? Welke moeilijkheden ondervindt u? Wat mist u? Is dat voldoende, is het goed? Als je het niet opneemt, waarom? 3.5. Hoe tevreden bent u met de kwaliteit? Wat kan eventueel anders? Welke factoren zijn van invloed op de efficiëntie en de kwaliteit van de coördinatie, in positieve of negatieve zin? Wat zorgt er voor dat het beheer duurzaam (in de tijd) is? Knelpunten, zwaktes, onzekerheden?
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 41 van 54
Vraag 4. Uitvoering van het beheer op het terrein In deze vraag willen we achterhalen welke actoren op het grondgebied van uw instantie een uitvoerende rol hebben in het regulier onderhoud van de landschappelijke infrastructuur, welke factoren van invloed zijn op de efficiëntie en kwaliteit van de uitvoering van het beheer en hoe dit wordt gefinancierd. 4.1. Wie voert de werken uit op het terrein? Wie? Eigen arbeiders (overheden) Eigen arbeiders (niet-overheden) Sociale economie Aannemer Vrijwilligers Andere (specifieer)
Ja
neen
4.2. Wie voert welk type werken uit? Geef een eventuele rolverdeling aan (vb. aannemers, sociale economie, vrijwilligers. )Voor het type werken verwijzen we naar de omschrijving in de tabel zoals omschreven in vraag 2. Wie? Eigen arbeiders (overheden) Eigen arbeiders (niet-overheden) Sociale economie Aannemer Vrijwilligers Andere (specifieer)
Welk type werken?
4.3. Wat is de kostprijs van de uitvoering van het beheer (in eigen personeel, eventuele uitbesteding, financiële middelen die er tegenover staan)? Wat besteedt uw eigen instantie jaarlijks aan regulier beheer van de landschappelijke infrastructuur? (opgelet: dit betreft enkel de elementen zoals gedefinieerd aan het begin van deze enquête) 4.4. Hoe en door wie wordt dit gefinancierd? Hoe financiert u het beheer en herstel van KLE, KHE en RRI? Bijvragen: - Wie betaalt? Kunt u de verschillende financieringslijnen benoemen? - Welke specifieke project- of subsidiekanalen? - Voor overheden: vanuit welke beleidsdomeinen worden middelen geïnvesteerd in het regulier onderhoud van KLE, KHE en RRI? - Is er eigen inbreng vereist? Hoe zit de financiële verdeelsleutel in elkaar? (Uit te drukken in %) 4.5. Indien het antwoord bij vraag 1 ‘ten dele” was, probeer dan voor deze elementen te achterhalen of dit te maken heeft met een gebrek/ontbreken aan uitvoering van het beheer en wat de belangrijkste oorzaken daarvan zijn? Vindt u het al dan niet wenselijk om dit in de toekomst te veranderen en, indien ja, in welke zin? Bijvragen: - Wat gaat goed? Welke moeilijkheden ondervindt u?
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
-
Is dit voldoende? Indien niet: wat mist u? Wat doe je niet en waarom? Hoe veel middelen kom je te kort om het goed te doen?
4.6. Welke factoren zijn van invloed op de efficiëntie en de kwaliteit van de uitvoering van het beheer, in positieve of negatieve zin? Wat zorgt er voor dat het beheer duurzaam (in de tijd) is? Knelpunten, zwaktes, onzekerheden? Vraag 5. Kent u voorbeeldinitiatieven in Vlaanderen of elders die inspirerend kunnen zijn om de organisatie en financiering van het regulier beheer te verduurzamen?
Vraag 6. Zijn er nog aspecten waarvoor we ook aandacht moeten hebben in context van de organisatie en financiering van het regulier beheer?
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 43 van 54
5.4 INSPIRATIE VOORBEELD 1: DE WERKING VAN SICONA Case: Syndicat Intercommunal pour la conservation de la Nature (SICONA) – Groothertogdom Luxemburg SICONA was oorspronkelijk een vzw die is opgestart rond 1980 om landschapsbeheer uit te voeren toen de Kleine Landschapselementen hun functie voor de landbouwsector verloren en deze sector het beheer niet langer opnam. SICONA in 2005 doorgegroeid naar een Intercommunale structuur met de aangesloten gemeenten als leden. In het Groothertogdom zijn momenteel 2 Intercommunales actief: SICONA OUEST (22 gemeenten) en SICONA CENTRE (12 gemeenten). De Intercommunales zijn opgericht naar Luxemburgs recht en hebben een looptijd van 10 jaar die telkens met 10 jaar kan verlengd worden. Gemeenten kunnen gedurende die periode van 10 jaar niet uitstappen uit de Intercommunale. Ze kunnen dit pas doen na de perioden van 10 jaar én 2/3 van de leden moet akkoord gaan met de uitstap van een gemeente uit de Intercommunale. Elke gemeente is lid van de Raad van Bestuur en heeft 1 stem. De Raad van Bestuur stelt een Bureau aan voor de dagelijkse leiding (6 leden). Dit bureau wordt bijgestaan door een Conseil Technique waarin wetenschappers, leden van natuurorganisaties en leden van het Bureau zetelen. De missie van SICONA is natuur- en landschapsbeheer in functie van duurzame ontwikkeling. Projecten die een finaliteit hebben in toerisme, recreatie en economie behoren niet tot de taakstelling van SICONA. SICONA beschikt over terreinploegen om de werken uit te voeren. Er is een duidelijke rolverdeling tussen SICONA en de gemeenten: de gemeenten zijn verantwoordelijk voor het regulier beheer in de agglomeratie/bebouwde kom. SICONA is verantwoordelijk voor het beheer van het buitengebied. Met de Administration Nature et Forets is de afspraak dat zij het beheer van de natuurgebieden opnemen, SICONA werkt buiten de natuurgebieden. Met de Administration des Eaux is er een ongeschreven afspraak dat SICONA de kleine waterlopen voor haar rekening neemt en de waterbeheerder de grote waterlopen. Dit is een win-win omdat de terreinploegen van SICONA al in het gebied actief zijn en zo het beheer kostenefficiënter kunnen uitvoeren. Wat is de rol/aanbod van de SICONA? • Organisatie /coördinatie / uitvoeren van natuur- en landschapsbeheer met eigen ploegen of samen met aannemers • Opmaak van gemeentegrensoverschrijdende natuurbeheerplannen • Monitoring door wetenschappelijk team SICONA • Opmaak van projecten LIFE+ Natura 2000 • Communicatie en organiseren Natuureducatieve activiteiten door NME-team Hoe wordt SICONA gefinancierd? 75% van de middelen komt van de gemeenten, 25% zijn projectmiddelen (LIFE+ Natura 2000) in functie van soortgerichte acties. Globaal budget per SICONA 6 à 10 mio €. SICONA OUEST: elke gemeente draagt evenveel bij in functie van de goedgekeurde begroting, met een max. van 150.000 €/10jaar. Bij eventuele exploitatieverliezen draagt ook elke gemeente evenveel bij. SICANA CENTRE: bijdrage / gemeente in functie van aantal inwoners en oppervlakte landbouwgebied. Bij eventuele exploitatieverliezen draagt elke gemeente bij volgens de verdeelsleutel. De middelen liggen vast voor een periode van 10 jaar. Dit geeft een financiële garantie, maar biedt te weinig ruimte voor nieuwe acties/projecten.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
Succesfactoren SICONA • Het organisatiemodel (Intercommunale) is een robuust systeem dat alle gemeenten aan boord houdt door een mechanisme van onderlinge gedeelde verantwoordelijkheid. • Bij instap wordt het engagement van de gemeente (ook financieel) onderling vastgelegd. Het basisbudget van SICONA (terreinwerken + lidmaatschapsbijdrage) is budgettair verankerd bij de gemeenten. • De nabijheid en laagdrempeligheid is erg belangrijk. De mensen die de werken uitvoeren beschikken over de nodige terreinkennis beschikken en zijn gemakkelijk aanspreekbaar om een goede verstandhouding met eigenaars en aangelanden te behouden. • Omdat in de uurprijs van de terreinploegen ook de coördinatiekost verrekend is, werkt SICONA goedkoper dan wanneer alleen aannemers de werken zouden uitvoeren en de coördinatie moet gebeuren door de gemeente zelf. • Omdat gemeentegrensoverschrijdend gewerkt wordt kan er efficiënter gewerkt worden bij het onderhoud van lineaire elementen. Knelpunten en zwaktes SICONA • Gemeenten willen elk jaar nieuwe projecten omdat deze beter zichtbaar zijn en electoraal scoren. Dit gaat ten koste van het budget voor regulier onderhoud. • De budgetten liggen quasi vast voor een periode van 10 jaar. Dit laat weinig marge toe. Als er nieuwe projecten opgestart worden moet er gesnoeid worden in andere budgetten. • Het Luxemburgse model van intergemeentelijke samenwerking heeft een erg zware opstartprocedure en is log. Daarom zijn de SICONA nog niet gebiedsdekkend . Heeft dit model potenties in Vlaanderen? • Vlaanderen staat weigerachtig tegen het oprichten van nieuwe intercommunales. • De Vlaamse Provincies spelen een belangrijke rol in de financiering van landschapsbeheer, maar moeten verplicht uit de intercommunales stappen. • Er bestaan reeds heel wat intergemeentelijke samenwerkingsverbanden/ intercommunales met natuur- en landschap als hoofd – of nevenmissie (Regionale Landschappen, intercommunales zoals Leiedal / IGO Leuven, Stadlandschappen, Loket Onderhoud Buitengebied, …..) m.a.w. het speelveld is al grotendeels ingenomen. • In plaats van met eigen terreinploegen te werken wordt in Vlaanderen veel beroep gedaan op sociale economie, al of niet in samenwerking met reguliere aannemers. • Monitoring gebeurt in Vlaanderen i.s.m. Natuurverenigingen/vrijwilligers • Succesfactoren SICONA kunnen wel meegenomen worden: - Lange termijn engagement (ook financieel) van gemeenten. - Opmaak , coördinatie en uitvoering van gemeentegrensoverschrijdende beheerplannen.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 45 van 54
5.5 INSPIRATIE VOORBEELD 2: PROJECT I-LANDSCHAP oplossingsrichting i-landschap Deze nota is opgemaakt als verdieping van de oplossingsrichting ‘i-landschap’ binnen het traject ‘financiering van het beheer open ruimte’ door VVP. I-landschap is een proefproject waarbij men de coördinatie en de financiering van het beheer van het buitengebied tracht te optimaliseren. Daarnaast is er in de provincie Limburg een gelijkaardig project gestart ‘zonder hindernissen samen op pad’. Deze nota bespreekt beide projecten, analyseert de eerste resultaten van het i-landschap en toetst ze aan de oplossingsrichtingen die werden geformuleerd. -
Algemene situering
Het digitaal platform i-landschap ondersteunt gemeenten bij het inventariseren en beheren van kleine landschapselementen op hun grondgebied. Het beheren van de kleine landschapselementen is een omvangrijke taak waar gemeenten vaak te weinig tijd, expertise en budget voor kunnen vrijmaken. Bovendien is er vaak onvoldoende aandacht voor de monitoring van het beheer van het buitengebied waardoor deze landschapselementen lijden onder achterstallig beheer, met enkel ad hoc oplossingen tot gevolg. Met het project i-landschap werkt men aan een optimalisering en schaalvergroting van de aanpak van het beheer en zo aan een duurzame oplossing voor het huidige achterstallige beheer. Dit doet men door enerzijds in te zetten op efficiëntere monitoring van de landschapselementen en anderzijds door de coördinatie van de beheerswerken te herorganiseren. Vanuit eenzelfde probleemstelling en met gelijkaardige doelstellingen gaat in het najaar van 2018 het pilootproject ‘Zonder Hindernissen samen op het pad’ van start rond de optimalisatie van het onderhoud van onverharde paden in Hechtel-Eksel in samenwerking met het Regionaal Landschap Lage Kempen. In concreto worden daarin volgende doelstellingen voorop gesteld: • Inventaris: Eenvormige GIS gerelateerde inventaris opmaken; • Optimaliseren inzet middelen door planning, afstemming en samenwerking met verschillende diensten en actoren; • Visieopmaak: over gewenste beeldkwaliteit op de verschillende paden, gedragen door alle betrokken actoren; • Ad hoc klachtoplossing verminderen door opmaak preventieve beheerplannen; • Opzetten structuur om het onderhoud tot regulier beleid te maken. Beide projecten kunnen dus fungeren als pilootproject voor de oplossingsrichtingen van het thema duurzaam onderhoud van het landschap. Beide projecten ambiëren in wisselende mate een sterkere (interbestuurlijke) samenwerking en een gedeelde en duurzame financiering van het onderhoud van het buitengebied. In de verdere nota wordt er gefocust op het project i-landschap doordat dit project al uitvoering kent. -
Uitwerken van een oplossing: i-landschap
Men heeft verschillende fases in het proces afgebakend: samenwerking, pilootstudies, uitvoering samenwerking ontwikkelen (met 8 pilootgemeentes): Het project i-landschap beoogde allereerst een samenwerking met enkele lokale besturen om het open ruimte gebied van deze respectievelijke gemeenten efficiënter en kwaliteitsvoller te beheren. Dit vereist weliswaar een intensief voortraject waarbij visies, vertrouwen en operationele samenwerking dient te groeien. Samen met de Provincie Antwerpen startte men een digitaal platform waarop gemeenten hun geografische data, beheerplannen en kostenberekeningen op gebruiksvriendelijke wijze kunnen invoegen, delen en opvolgen. Dit resulteert in een geautomatiseerde en
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
planmatige aanpak, een lagere kostprijs en een efficiëntere kennisdeling. In de toekomst zouden mogelijk eveneens inwoners opportuniteiten en problemen in het platform kunnen melden. Momenteel werkt men een testcase uit in de gemeenten Berlaar en Bonheiden. In een latere fase kunnen andere geïnteresseerde gemeenten mee overstappen op het systeem. Pilootstudies ontwikkelen: dit kan verschillend zijn (over meerdere gemeenten, of over verschillende beheerstaken). Met deze studies tracht men de verschillende pistes tot samenwerking en beheer op maat uit te werken. Gaat men een coördinatie van beheer opnemen rond een bepaald type van beheer (bijvoorbeeld haagkanten, bermen, …), of werkt men een optimalisatie van het beheer uit over een geografisch afgebakend gebied? Via een studie met de betrokken gemeenten kan men dit zo het beste bepalen. Dit moet finaal leiden tot een aanbodsvorming vanuit het regionaal landschap waarop gemeenten dan kunnen intekenen. Uitvoer van het beheer: Tegelijkertijd is er de uitvoer van het digitaal platform (DIPLA) ter inventarisering. Dit is nu operationeel door de LOB-projecten. Beheerfiches zijn scherp gesteld en de inventarisatie gebeurt of is reeds gebeurd. Zo zijn in de Voorkempen de lanen en bomen reeds geïnventariseerd. Maar het kan ook gaan over bermbeheer, kmo-zone, snoeiwerk, maaiwerk, … Op dit moment putten de regionale landschappen de data in het systeem in. De regionale landschappen inventariseren dus op vraag van de betrokken gemeenten in het DIPLA. Het gaat hierbij voorlopig uitsluitend over gemeentelijke eigendommen. Zowel de studie als het opzetten van het beheer is nog in opbouw. Het beheer zelf bestaat zo uit verschillende rollen: Degene die de eigendommen input/inventariseert, degene die dan het beheer zelf coördineert en dan degene die het beheer effectief uitvoert. Inventariseren, coördineren en uitvoeren. In de huidige opzet van het i-landschap is worden deze rollen allen ingevuld door het betrokken regionaal landschap. In de toekomst kunnen de rollen ook verdeeld worden over andere bestuurlijke instanties zoals de gemeente of de provincie. Vooral in de coördinatie van het beheer zit een grote rol naar visievorming. In de uitvoer of inventarisering kan de gemeentelijke of provinciale groendienst eveneens een rol spelen. -
Wat zijn de eerste resultaten?
Door het gelopen traject van inventarisering kan men nu per element en per m² een precieze kostenstructuur voorstellen. Hoe meer gemeenten instappen in een beheersvorm, des te voordeliger de kostenstructuur wordt. Anderzijds ijveren lokale besturen ook om beheer zelf te organiseren en budgetteren. Het hangt van maatwerk af, dus de precieze resultaten zijn verschillend over elke gemeente. Het systeem geeft sowieso aan wat er wanneer moet gebeuren. Hierdoor genieten gemeenten die het effectieve beheer in eigen handen willen houden eveneens van een vergaande ondersteuning in de opmaak van hun beheersvisie en de organisatie van de uitvoering van hun beheer. -
Hoe werkt de huidige financiering? Hoe bekijkt men de toekomstige financiering?
Huidige financiering: Het project i-landschap loopt met PDPO financiering tot en met 2018. Elke deelnemende gemeente betaalt zo 10.000€ als deelname aan dit project. Hiervoor krijgt men de pilootstudie en een eerste inventarisatie en bovendien, door de PDPO cofinanciering van zowel EU, provincie en de personeelsfinanciering vanuit het regionaal landschap dient de gemeente maar aan 35% het onderhoud te betalen. Het project ‘Zonder Hindernissen samen op het pad’ kent tot 2020 een financiering vanuit PDPO van 65%. Toekomstige financiering: Na 2018 zal voor i-landschap de toekomstige financiering vanuit de besturen zelf moeten komen. Dit pilootproject heeft er wel voor gezorgd dat men nu met de opgebouwde kennis kan voortgaan door het aanbieden van beheerpakketten per beheersvorm (vb x-€ voor x-meter haag) of per zone (voor x€ het beheer van x-m²).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 47 van 54
De toekomstige financiering kan eveneens bestaan uit de voorgestelde klaverbladfinanciering zoals men deze voorstelt in het kader van dit traject. Vooral voor de coördinatie en de uitvoer van het beheer schuilt hierin veel potentieel. Een klaverbladfinanciering bewaakt daarbij de gezamenlijke engagementen en de opmaak van een gedeelde visie, waardoor alle betrokken toch hun stem in de controle over het budget en beheer behouden. Het huidige project omhelst eveneens de doelstelling om de huidige kosten en uitgevoerde werken van de gemeentelijk-individuele aanpak te vergelijken met de nieuwe i-landschap aanpak. Hiermee kan men dan een duidelijke kosten-baten analyse aantonen. Pijnpunt hierbij is dat de gemeenten die het beheer tot op vandaag achterwege laten, of geen ambitie hebben om dit beheer te doen, hiermee niet kunnen worden overtuigd. -
Conclusie: Worden de noden zoals geschetst binnen het traject duurzaam onderhoudbeantwoord?
Ja: Het model van het i-landschap optimaliseert de financiering en de coördinatie van het beheer. De lokale noden worden geïnventariseerd en via een bottom-up proces vanuit de gemeenten kan men de noden en wensen over het beheer ten volle in de uitvoer van het beheer brengen. Zo vindt er een optimalisering van de financiering en de uitvoer van het beheer plaats. Indien men eveneens een klaverbladfinanciering hieraan kan koppelen, dan wordt de belemmerend hoge financiering en complexiteit van het beheer nog verder aangepakt. Neen: het gezamenlijk opmaken van visies met de gemeenten en provincie behoort niet tot de scope van ilandschap. (Vooraf is er wel een bevraging geweest per gemeente om daar op basis van de pilootprojecten te kiezen). Het pure matchen van visies hoort dus nog te worden ontwikkeld. In het project ‘Zonder Hindernissen samen op het pad’ is dit wel expliciet opgenomen in de opstart. Dit is des te belangrijker, want in i-landschap merkt men soms een laag urgentiegevoel bij lokale besturen. En als een gemeente resoluut geen beheer wil doen, dan stopt het verhaal voor deze gemeente en verhogen de kosten voor de andere deelnemende gemeenten. De opmaak van een gedeelde visie kan niet worden onderschat in dit proces. Tot slot hoopt men dat er incrementeel meer betrokkenheid en bereidheid bij de lokale besturen wordt bereikt. Als een lokaal bestuur de eerste resultaten ziet en het potentieel van het systeem ontdekt, kan de overtuiging groeien en zo een sneeuwbaleffect veroorzaken.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5.6 INSPIRATIE VOORBEELD 3: LANDSCHAPSBEHEER NEDERLAND Landschapsbeheer Nederland 17 is een Natuur- en Landschapsorganisatie die zich inzet voor een goed beheer van het Nederlandse Landschap. De organisatie heeft een eigen bureau (koepelwerking), maar het feitelijk werk wordt door de aangesloten 12 zelfstandige provinciale organisaties Landschapsbeheer gedaan. Zij hebben net als de koepelorganisatie geen eigen terreinen in bezit. Ze werken dus steeds op terrein van derden. Als burgers zich verbonden voelen met groen dichtbij huis, dan nemen ze daar ook sneller (mede) verantwoordelijkheid voor. Vaststelling is dat een groeiende groep vrijwilligers zich –incidenteel of structureel – actief inzet voor natuur en landschap in hun nabije omgeving. Voor de Stichtingen Landschapsbeheer is hun ondersteuning zeer waardevol, zowel uit het oogpunt van ‘handen uit de mouwen’ als uit het oogpunt van betrokkenheid bij het landschap (eigenaarschap). De Provinciale Stichtingen Landschapsbeheer hebben een lange traditie van de inzet en omkadering van vrijwilligers in het landschapsbeheer. Het aantal vrijwilligers varieert per Provincie (bvb Utrecht 10.000 , Zeeland 3.000, Flevoland 1.881). Voor het geheel van Nederland zijn samen ongeveer 75.000 vrijwilligers actief). Een vrijwilliger presteert gemiddeld 70 uren /jaar. Samen presteren ze jaarlijks ongeveer 5.250.000 uren voor heel Nederland. De thema’s waarvoor vrijwilligers zich inzetten zijn divers: • Beheer Landschapselementen :knotploegen, hoogstambrigades, beheer parken, … • Agrarisch Natuurbeheer : monitoring, nestbescherming, adviseren • Cultuurhistorie: beheer erfgoedsites, onthaal, beheer begraafplaatsen • Biodiversiteit: kerkuilen, steenuilen, amfibieën • Toegankelijkheid: beheer wandelpaden, klompenpaden, gidsen • Meewerken aan Landelijke Natuurwerkdag • Kantoorwerk bij Prov. Stichting Landschapsbeheer De vrijwilligers werken samen in vrijwilligersgroepen en elke groep heeft een vrijwilliger/coördinator. Enkele vrijwilligersgroepen zijn tijdens de week actief, de meesten in het weekend. De tijd die de vrijwilliger inzet varieert : van 1 à 2 dagen/week tot enkele dagen per maand of per jaar afhankelijk van de afspraken die in de vrijwilligersploeg gemaakt worden. Sommige vrijwilligersploegen zijn actief over de hele Provincie, anderen enkel in de omgeving van hun eigen dorp. Wat is de rol/aanbod van de Stichting Landschapsbeheer? • Begeleiding bij de opstart van nieuwe vrijwilligersgroepen • Organiseren van vorming voor de lokale coördinatoren van de groepen • Organiseren van cursussen (veiligheid, kettingzaag, biodiversiteit, … • Digitale nieuwsbrief 3 à 4 keer/jaar • Jaarlijkse deelname aan vrijwilligersdag • Groepsaankoop materiaal • Uitleendienst gespecialiseerd materiaal • Jaarlijkse regiobijeenkomst coördinatoren • Professionele begeleiding (‘ploegbaas’) vrijwilligersgroepen
17
www.landschapsbeheernederland.nl
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 49 van 54
Hoe worden de Stichtingen Landschapsbeheer gefinancierd? De financiering is deels structureel via de provincies en de postcodeloterij, deels projectmatig. De structurele financiering van de provincies is de laatste jaren sterk verminderd wat voor problemen zorgt. De projectmatige financiering is telkens maar voor een beperkte periode. Het ondersteunen van het vrijwilligerswerk vergt een structurele, continue financiering in de tijd. Gemiddeld wordt aan de aan de omkadering van de vrijwilligersgroepen per Stichting ongeveer 250.000 € /jaar besteed (vorming, materiaal, verzekering + de personeelskosten van 2 à 4 professionele VTE.) Kernelementen van een succesvol vrijwilligersmodel volgens Landschapsbeer Nederland • • • • • • • •
•
Nederland kent een lange traditie van vrijwilligerswerk in landschaps- en natuurbeheer. Het succes vandaag is het resultaat van jarenlange opbouw Er is een uitgebreid aanbod aan engagement , er is ‘voor elk wat wils’ Vrijwilligers moeten kunnen terugvallen op professionele omkadering en advies Grote betrokkenheid: voldoende ruimte om eigen ideeën in te brengen De belangrijkste motivatie voor de vrijwilliger is de lokale verbondenheid. Ze kunnen het landschap in eigen dorp/streek onderhouden. De resultaten van hun werk zijn onmiddellijk zichtbaar in eigen omgeving. Stichting Landschapsbeheer rust elke vrijwilligersgroep uit met een eigen materialenstock en gespecialiseerd materiaal kan uitgeleend worden. De vrijwilliger krijgt voor zijn engagement ook heel wat terug: - Waardering vanuit de omgeving - Sociaal contact in de vrijwilligersgroep - Verzekering door Stichting Landschapsbeheer - Gratis cursussen / vormingsmomenten - Veiligheidskledij en werkkledij - Jaarlijkse dag van de vrijwilliger - Electronische nieuwsbrief Samenwerking/omkadering met de professionele krachten van de Stichting Landschapsbeheer. Deze blijvende wisselwerking is de sleutelfactor in het succes van de vrijwilligerswerking in Nederland.
Heeft dit model potenties in Vlaanderen? Vrijwilligerswerk in natuurbeheer wordt georganiseerd door Natuurpunt en natuurwerkgroepen: natuurbeheer, monitoring, kerkuilen/steenuilenwerkgroepen, ….. Vrijwilligerswerk in landschapsbeheer is quasi onontgonnen terrein in Vlaanderen. Er is de vaststelling dat mensen zich willen inzetten voor landschapsbeheer in hun nabije omgeving. De opstart van vrijwilligersgroepen in Vlaanderen kan pas slagen als: • De professionele omkadering (begeleiding, materiaal, vorming, …) verzekerd is voor een langere termijn • Vrijwilligers een uitgebreide mogelijkheid van engagement aangeboden krijgen. • Er voldoende ruimte is voor eigen inbreng van de vrijwilligers (bottom up) • Het vrijwilligerswerk kan gebeuren in de nabije omgeving van de vrijwilliger • Er op termijn financiële middelen (sokkelfinanciering) gegarandeerd zijn.. Mag niet enkel afhankelijk zijn van projectfinanciering.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5.7 INSPIRATIEVOORBEELD 4: LA CHARTE PAYSAGÈRE DES PARCS NATURELS DE WALLONIE Wat is de Charte Paysagère • Geregeld door MB Waalse regering dd 13/06/2017 • Regelgevend kader: Arrêté du Gouvernement Wallon fixant le contenu et les modalités d’élaboration de la charte paysagère des parcs naturels. (inhoudelijk en methodologisch kader voor een landschapscharter) • Moet opgemaakt worden door elk Parc Naturel Régional • Document dat een beschrijving geeft van de kenmerken van het landschap van een Parc Naturel Régional en de dynamieken/evoluties die er vastgesteld worden . • Bestaat uit een beschrijvend gedeelte, aanbevelingen en een actieplan • Is niet bindend • Bedoeld om de gemeenten te helpen bij het nemen van beslissingen • Heeft een looptijd van 10 jaar. Moet hernieuwd worden bij de heropmaak van het landschapsbeheerplan van het Parc Naturel • Wordt begeleid door een stuurgroep waarin het Waals Gewest, gemeenten vertegenwoordigd zijn; elke geïnteresseerde burger/middenveld die wil meewerken aan de implementatie kan ook zetelen in de stuurgroep. • Wordt door Waalse regering vastgesteld na de wettelijk voorziene periodes van openbaar onderzoek Doel van het Charter • De kennis over het landschap samenbrengen, landschappelijke kwaliteiten behouden, versterken en valoriseren, verbeteren van de leefomgeving • De grote uitdagingen i.v.m. het landschap benoemen en concrete acties uitwerken • Beter rekening houden met het landschap bij het nemen van beslissingen i.v.m. toekomstige ontwikkelingen • Invulling geven aan de Europese Landschapsconventie en de verplichting om binnen de 3 jaar na oprichting van een Parc Naturel een landschapscharter op te maken. Inhoud van het Charter • Analyse van het landschap: beschrijvend gedeelte, historische analyse en evaluatie van evoluties in het landschap en te verwachten evoluties, SWOT analyse • Aanbevelingen om landschap te behouden, te beheren en te versterken • Actieplan dat invulling geeft aan de aanbevelingen. Hoe wordt het charter gefinancierd? Geen financiering voorzien noch voor de opmaak, noch voor de implementatie van het actieplan. Moet gefinancierd worden met de reguliere middelen van het Parc Naturel. Succesfactoren Charter • Geeft een onderbouwing aan de acties van het Parc Naturel • Probeert alle neuzen in dezelfde richting te krijgen • Geeft onderbouwing (niet bindend) aan planvorming door gemeenten • Elk Parc Naturel is verplicht een Charter op te maken. • Geeft invulling aan de Europese Landschapsconventie
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 51 van 54
Knelpunten en zwaktes charter • Is niet bindend • Geen financiële incentives voor opmaak • Geen financiële incentives voor uitvoering acties uit actieplan Heeft dit model potenties in Vlaanderen? • • • •
•
Wie neemt hiervoor initiatief: minister van Leefmilieu of Onroerend Erfgoed? Lijkt sterk op landschapsbeheerplannen voor beschermde landschappen of ankerplaatsen Kan lukken als er vanuit Vlaanderen middelen aan gekoppeld worden voor opmaak en uitvoering acties, maar de premies die nu gegeven worden door onroerend erfgoed dekken absoluut de kosten van uitvoering niet. Zo gebruikt het Parc Naturel Régional Haute Sûre op heden een Chartre paysagère; een engagement waarin de landschapsvisie van verschillende actoren in een charter wordt opgenomen. Dit gedeeld perspectief wordt gekoppeld aan een actieplan en eventueel inrichtingsplan, met bindende afspraken op lange termijn rond financiering Een kanttekening wordt gemaakt : namelijk in hoeverre deze charte qua missie aansluit bij de actuele evolutie en noodzaak van een meer participatief model van landschapsbeheer. Een Parc Naturel Régional wordt geacht om binnen de 3 jaar na hun oprichting een participatief proces te hebben gevoerd om tot een landschapscharter te komen dat een zo breed mogelijk draagvlak als concrete acties en engagementen voor de streek omvat.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
5.8 LOKETTEN ONDERHOUD BUITENGEBIED IN VLAANDEREN OP VANDAAG Gevolg gevend aan de beleidsaanbevelingen in het IPO – rapport ‘Regulier Onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuur op het Vlaamse Platteland’ werden in Vlaanderen door de Regionale Landschappen Loketten Onderhoud Buitengebied of gelijkaardige structuren opgestart. Hiervoor werden Leader en PDPO dossiers ingediend. In Limburg werden hiervoor middelen uit het SALK (Strategisch Actieplan Limburg Kwadraat) gemobiliseerd. Deze projecten hebben, zoals in dit avies al aangegeven, een beperkte duur en liepen af of zijn aflopend in 2018, 2019 of 2020. Verderzetten van deze projecten wordt problematisch als er geen structurele financiering ingesteld wordt. Financiering Leader projecten: 50% Leader 50% Regionaal Landschap Financiering PDPO projecten: 65% PDPO 35% Regionaal Landschap Financiering SALK: 63% Provincie Limburg, 17% gemeenten, 20% Vlaanderen kost (loon- en werkingskost) coördinator/regisseur LOB in de projecten : 75.000 – 80.000€/jaar Overzicht van de LOB projecten in Vlaanderen: West-Vlaanderen: • LOB Westhoek 01/07/2012 – 30/06/2018 . 1 VTE. Eerst Leader dan PDPO. Wordt voorlopig tot eind 2019 verder gezet met eigen middelen RL Westhoek. • LOB Houtland 01/07/2015 – 30/06/2020 . 1 VTE PDPO project Oost-Vlaanderen: PDPO projecten 01/07/2015 – 01/07/2018. Verderzetting onzeker • LOB Meetjesland 1 VTE • LOB Schelde-Durme 1 VTE • LOB Vlaamse Ardennen 0.5 VTE Antwerpen: PDPO projecten 01/11/2016 – 30/06/2019 2.5 VTE voor alle LOB’s in Antwerpen samen • LOB Rivierenland • LOB Schelde Durme • LOB De Voorkempen • LOB Kleine en Grote Nete Vlaams Brabant: • LOB West-Brabant 01/04/2018 – 30/06/2020 1.3 VTE PDPO project • LOB Getevallei 01/12/2016 – 30/06/2019 1 VTE PDPO project Limburg: 6.180.000 SALK middelen ingezet voor 3 projecten Parkrangers. 01/01/2013 – 31/12/2019. Per project 1 VTE regisseur en 12 VTE arbeiders sociale economie. Verderzetting na 2019 onzeker. • • •
Parkrangers Haspengouw en Voeren Parkrangers Lage Kempen Parkrangers Kempen en Maasland
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap
pagina 53 van 54
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 54
Beleidsaanbevelingen duurzaam onderhoud van het landschap