Raad Hoger Onderwijs 1 juli 2021 RHO-RHO-ADV-2021-007
Microcredentials in Europees perspectief Advies voor de openbare raadpleging van de Europese Commissie ‘Microcredentials for lifelong learning and employability’
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Hoger Onderwijs op 1 juli 2021 met eenparigheid van de stemmen. Voorbereiding: werkgroep Levenslang leren in het hoger onderwijs op 17 maart 2021, op 2 april 2021, op 26 april 2021, op 18 mei 2021 en 11 juni 2021, onder co-voorzitterschap van Jan Danckaert en Marc D’havé Werden geconsulteerd: Raad Levenslang en Levensbreed Leren op 11 mei 2021 Dossierbeheerders: Tine Degrande en Ewoud De Sadeleer
Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be
1 SITUERING
2
2 WERKDEFINITIE
2
3 KANSEN EN UITDAGINGEN
3
BIBLIOGRAFIE
KANSEN
3
Flexibele leertrajecten realiseren voor een bredere groep lerenden
3
Het opleidingsaanbod versterken, aanvullend aan volledige kwalificaties
4
Flexibel inspelen op noden van lerenden, arbeidsmarkt en samenleving
4
Uitwisselen van leerbewijzen tussen diverse contexten
4
Samenwerking met internationale partners en arbeidsmarktactoren
5
Erkennen van allerlei leeractiviteiten
5
UITDAGINGEN
6
Overkoepelende standaarden rond microcredentials uitwerken
6
Regelgeving beperken tot het strikt noodzakelijke
6
Inbedden in de kwaliteitszorg
7
Omvang afbakenen
7
Adequate financiering, infrastructuur, en personeel voorzien
8
Betrokkenheid en eigenaarschap van de lerende maximaliseren
8
Complementariteit bewaken
8 9
1
1 Situering Leeractiviteiten met een beperkte omvang en kleine (onderdelen van) opleidingen maken steeds vaker deel uit van het onderwijs- en opleidingsaanbod in de Europese Unie en in Vlaanderen. Zogenaamde microcredentials bieden immers mogelijkheden om het levenslang en levensbreed leren te stimuleren via flexibele leertrajecten. Er is steeds meer vraag naar de erkenning van dergelijke leeractiviteiten of van de leeruitkomsten die hieruit worden verkregen. In dit advies vertrekken we van de brede waaier aan ervaringen met dergelijke leeractiviteiten met een beperkte omvang en kleine (onderdelen van) opleidingen in het levenslang leren in Vlaanderen. Recentelijk vinden microcredentials steeds vaker hun ingang in het Vlaamse hoger onderwijs, maar er bestaan ook al jarenlang heel wat praktijken in het hoger onderwijs die kunnen doorgaan als microcredentials avant la lettre, zowel binnen de basisopleidingen als binnen het bredere aanbod van programma’s levenslang leren (zoals banaba’s, manama’s, postgraduaten en permanente vormingen). Ook bij diverse andere onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers, die opleidingen aanbieden op verschillende niveaus van de kwalificatiestructuur, neemt het belang van korte en flexibele leertrajecten toe en zijn er al praktijken die onder de noemer van microcredentials zouden kunnen vallen. Hieraan gekoppeld is ook het erkenningsgerichte denken ingeburgerd in Vlaanderen, via het erkennen van eerder verworven kwalificaties (EVK) en het valoriseren van eerder verworven competenties (EVC). Op basis van die ruime ervaring in Vlaanderen met het aanbieden van leeractiviteiten met een beperkte omvang en met bijhorende competentiebewijzen, formuleert de Vlor in dit advies aanbevelingen naar het Europese niveau toe. De centrale vraag is hoe microcredentials een meerwaarde kunnen bieden binnen het levenslang leren1 in de Europese Unie, aanvullend op de bestaande opleidingen met volledige kwalificaties. Voorliggend advies is verkennend en richtinggevend van aard en focust op de kansen en uitdagingen die gepaard gaan met microcredentials, vanuit Europees perspectief. Via dit advies, dat in eerste instantie gericht is op het Europese beleidsniveau, levert de Vlor input voor de openbare raadpleging van de Europese Commissie die momenteel loopt, getiteld ‘Microcredentials for lifelong learning and employability’ (European Union, 2021). Hoewel dit advies eveneens wordt overgemaakt aan het Vlaamse beleid, zal de Vlor zich in een vervolginitiatief toespitsen op de aanbevelingen rond microcredentials voor Vlaanderen.
2 Werkdefinitie Hoewel er op Europees niveau al verschillende definities voor de term microcredentials bestaan, is er nog geen consensus over de definitie. In dit advies hanteren we de definitie van de Europese Commissie (European Union, 2020):
1
2
Het advies wordt uitgebracht door de Raad Hoger Onderwijs, maar reflecteert ook over de toepassing in het bredere veld van het levenslang leren. Onderstaande kansen en uitdagingen zijn dus in eerste instantie van toepassing op het hoger onderwijs, maar ook andere onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers die levenslang leren aanbieden worden hiermee geconfronteerd.
‘A microcredential is a proof of the learning outcomes that a learner has acquired following a short learning experience. These learning outcomes have been assessed against transparent standards. The proof is contained in a certified document that lists the name of the holder, the achieved learning outcomes, the assessment method, the awarding body and, where applicable, the qualifications framework level and the credits gained. Microcredentials are owned by the learner, can be shared, are portable and may be combined into larger credentials or qualifications. They are underpinned by quality assurance following agreed standards.’ (p. 10) Het behalen van een microcredential kan dus op zich staan, maar er kunnen ook meerdere microcredentials behaald en dus opgestapeld worden tot een groter samenhangend geheel (‘stackability’). Daarnaast is het in de definitie belangrijk dat de lerende zelf drager is van de competenties die hij heeft verworven (‘owned by the learner’). Bovenstaande definitie hanteren we in dit advies als werkdefinitie, maar we maken nog de volgende kanttekeningen bij: ¬ de term ‘short’ die een tijdsindicatie uitdrukt, terwijl de omvang van een microcredential ook op andere manieren kan worden omschreven; ¬ het element ‘proof of the learning outcomes’, waardoor de definitie zich exclusief richt op het leerbewijs, terwijl de term microcredential evengoed wordt gebruikt om de leeractiviteit te benoemen die vooraf gaat aan het verwerven van het leerbewijs. Deze twee aspecten worden hieronder verder uitgewerkt (resp. in 3.2.4 en 3.1.6).
3 Kansen en uitdagingen In wat volgt identificeert de Vlor enkele kansen (3.1) en uitdagingen (3.2) voor microcredentials in het levenslang leren. Aan de uitdagingen worden telkens aanbevelingen voor het Europese beleid rond microcredentials gekoppeld.
Kansen Flexibele leertrajecten realiseren voor een bredere groep lerenden Microcredentials bieden de mogelijkheid om flexibele leertrajecten van beperkte omvang uit te tekenen en van een passende certificering te voorzien. Het kan hierbij gaan om nieuwe opleidingen die als microcredential in de markt worden gezet, maar ze kunnen ook de toegangspoort zijn tot onderdelen binnen het bestaande opleidingsaanbod. Zo kan een microcredential zelfs een stimulans betekenen om nadien verder en meer te gaan leren. De modulariteit die microcredentials kunnen bieden, laat lerenden toe om een traject te stoppen en later te hernemen, gedeeltelijk te volgen, etc. Dergelijke trajecten hebben zo niet alleen potentieel om de participatie van groepen die momenteel al instromen in het aanbod levenslang leren te verhogen, maar ook om een bredere groep lerenden te bereiken, bijvoorbeeld: ¬ volwassenen die willen bijleren maar omwille van de combinatie werk-gezin-vrije tijd geen volledige opleiding kunnen volgen; ¬ werknemers die nieuwe kansen op de arbeidsmarkt willen creëren door nieuwe domeinen te verkennen en nieuwe skills te verwerven; ¬ werknemers of werkzoekenden die (in het kader van hun zoektocht naar werk) de eerder verworven competenties in het domein van hun basisopleiding willen actualiseren; ¬ gepensioneerden die omwille van zelfontplooiing bepaalde competenties willen verwerven; ¬ etc. 3
Zo kunnen microcredentials bijdragen aan de inclusiviteit van het aanbod levenslang leren. Het opleidingsaanbod versterken, aanvullend aan volledige kwalificaties Microcredentials bieden kansen om de zichtbaarheid en reputatie van het bestaande aanbod levenslang leren te verhogen, of om aanvullend hierop een meer gespecialiseerd aanbod te ontwikkelen. Ook voor de lerenden creëert die complementariteit van microcredentials, ten opzichte van het bestaande opleidingsaanbod met volledige kwalificaties, mogelijkheden. De mogelijkheid om micro-credentials te stapelen (stackability) zorgt immers voor heel wat flexibele combinaties tussen microcredentials onderling, maar ook met volledige kwalificaties. Zo kan een microcredential: ¬ worden verworven voorafgaand aan het traject richting een volledige kwalificatie, om aan te tonen dat men aan de startcompetenties voldoet. Dat kan als voorwaarde voor toegang tot het traject richting volledige kwalificatie en/of als laagdrempelige manier om kennis te maken met het aanbod van een bepaalde instelling. ¬ worden ingezet als deel van het traject richting het behalen van een volledige kwalificatie, om zichtbaar te maken dat bepaalde competenties al verworven zijn. Indien het volledige traject richting een volledige kwalificatie niet wordt afgewerkt (al dan niet doelbewust), dienen microcredentials toch als manier om bepaalde competenties te erkennen. ¬ worden verworven aanvullend bovenop een volledige kwalificatie, hetzij om zo de positie op de arbeidsmarkt te versterken en de loopbaan verder uit te bouwen, hetzij omwille van zelfontplooiing en/of maatschappelijke participatie. Flexibel inspelen op noden van lerenden, arbeidsmarkt en samenleving Hoewel bepaalde vormen van het aanbod levenslang leren flexibel worden ingericht, is dit niet steeds het geval. Microcredentials hebben dan ook potentieel om sterker vraaggestuurd te werken. Ze laten toe om het aanbod beter af te stemmen op de noden van de lerende en eventueel zelfs toe te werken naar een aanbod ‘op maat’. Daarnaast kunnen onderwijs- en opleidingsverstrekkers via microcredentials snel en efficiënt inspelen op vragen uit de arbeidsmarkt of samenleving. Via microcredentials kan het bestaande aanbod ook gemakkelijker ontsloten worden voor levenslang leren. Uitwisselen van leerbewijzen tussen diverse contexten Het denken rond microcredentials brengt bestaande initiatieven rond kleine (delen van) opleidingen samen onder eenzelfde overkoepelend Europees referentiekader. Op die manier wordt vergelijkbaarheid, afstemming, inwisselbaarheid en transfereerbaarheid van leerbewijzen gefaciliteerd tussen lidstaten op Europees niveau. Vlaanderen neemt hierbij een voortrekkersrol in, met verschillende kaders die hierrond al bestaan (bijvoorbeeld EVC en EVK), maar in andere landen is dit niet in diezelfde mate het geval. Afstemming op Europees niveau is noodzakelijk. Zo’n gezamenlijk referentiekader kan ook bijdragen tot meer afstemming tussen onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers, nationaal maar ook internationaal. Op die manier kunnen er linken worden gelegd tussen diverse kwalificatieniveaus en tussen verschillende vormen van leren (formeel, niet-formeel en informeel leren). Een dergelijke uitwisseling van leerbewijzen tussen diverse contexten wordt bevorderd dankzij digitale infrastructuur.
4
Samenwerking met internationale partners en arbeidsmarktactoren De (internationale) uitwisselbaarheid en transfereerbaarheid van leerbewijzen biedt niet alleen kansen voor lerenden bij bijvoorbeeld studie- of jobmobiliteit, maar bevordert ook onderlinge samenwerking tussen onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers, en dit niet enkel op Vlaams niveau maar ook over lidstaten heen. Dankzij de hedendaagse digitaliseringsmogelijkheden kan zo een digitaal aanbod microcredentials tot stand komen. Daarnaast bevorderen microcredentials ook de samenwerking met het bredere maatschappelijke veld, waaronder ook arbeidsmarktactoren. Dergelijke samenwerkingen bieden mogelijkheden om innovatieve en aantrekkelijke leermethodes verder te implementeren. De onderwijsinstellingen hebben op dit vlak de nodige pedagogische expertise en kunnen zo in dergelijke partnerschappen een meerwaarde bieden. Erkennen van allerlei leeractiviteiten Hoewel er nog steeds ruimte moet zijn voor waardevolle vormen van leren die niet als microcredentials gecategoriseerd worden (zie 3.2.7), pleit de Vlor ervoor om microcredentials breed in te zetten, voor diverse vormen van leeractiviteiten. Dat impliceert dat heel wat vormen van formeel leren gevat worden onder de noemer microcredentials. Leeractiviteiten verkregen via non-formeel leren die voldoen aan de standaarden kunnen uiteraard ook worden gevaloriseerd via een microcredential. Daarnaast liggen er volgens de Vlor ook kansen om informele leeractiviteiten2 te valoriseren als microcredential, op voorwaarde dat er een erkenningsprocedure beschikbaar is om aan de standaarden voor microcredentials te kunnen voldoen. De koppeling van zo’n erkenning van competenties aan de uitreiking van een microcredential kan het civiel effect van zo’n bewijs van competenties versterken. Het leerbewijs, dat inherent onderdeel uitmaakt van een microcredential, biedt immers zicht op de specifieke kennis en vaardigheden van een persoon die zijn verworven door de leeractiviteit. Dat is niet alleen voor lerenden en werkgevers interessant, maar ook voor instellingen bij het creëren van inclusieve en flexibele trajecten in het kader van het levenslang leren. In dit kader wijst de Vlor erop dat de term microcredentials momenteel twee ladingen dekt. Vaak wordt de term gebruikt om te verwijzen naar het leerbewijs dat wordt verkregen na de leeractiviteit die naar een credential leidt. In dat geval wordt een microcredential verworven. Evengoed wordt de term gebruikt om de leeractiviteit te benoemen die vooraf gaat aan het verwerven van het leerbewijs; men volgt dan een microcredential. Hoewel deze laatste invulling momenteel al goed ingeburgerd is, wordt ze niet meegenomen in de omschrijving die in de Europese definitie is opgenomen (nl. ‘proof of the learning outcomes’). Nochtans zijn beide invullingen essentieel en onlosmakelijk met elkaar verbonden binnen een microcredential.
2
Voor definities van formeel, non-formeel en informeel leren, zie: Cedefop (2014).
5
Uitdagingen Overkoepelende standaarden rond microcredentials uitwerken Ondanks de bestaande initiatieven rond microcredentials is er nog geen overkoepelend Europees referentiekader met bijhorende standaarden uitgewerkt. Dit creëert heel wat verwarring bij diverse stakeholders en komt een goed begrip en een algemene bekendheid van de term microcredentials niet ten goede. Zo is het bijvoorbeeld (ook zie Cirlan & Loukkola, 2020): ¬ voor werkgevers moeilijk te begrijpen wat microcredentials zijn en welke waarde ze hebben; ¬ voor lerenden niet evident om hun weg te vinden in het aanbod levenslang leren waar ook heel wat kleinere (onderdelen van) opleidingen hun intrede maken; ¬ en voor onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers niet duidelijk genoeg hoe ze een microcredential kunnen aanbieden. Omdat microcredentials hun waarde en geloofwaardigheid ontlenen aan de bijhorende standaarden, is het van belang om op Europees niveau standaarden te ontwikkelen die de bestaande praktijken in Vlaanderen en in andere lidstaten omvatten onder de noemer van microcredentials. Dergelijke standaarden zijn ook noodzakelijk voor de transfereerbaarheid, stackability en erkenning van microcredentials. De Vlor is voorstander om die standaarden te verduidelijken in een certificaat dat bij een microcredential hoort. Het is echter niet wenselijk dat die standaarden zo verregaand zijn dat ze administratieve werkbaarheid van de uitrol van microcredentials voor het personeel (zie 3.2.5) en de institutionele autonomie van de (hoger)onderwijsinstellingen bij de kwaliteitsborging van het aanbod (zie 3.2.3) in het gedrang brengen. In dit opzicht volgt de Vlor het voorstel van de Europese Commissie om in de definitie bepaalde elementen in het certificaat naar voren te schuiven. Regelgeving beperken tot het strikt noodzakelijke Hoewel de Vlor erkent dat een overkoepelend Europees referentiekader de verdere ontwikkeling en promotie van microcredentials in de lidstaten kan ondersteunen, is het van belang om hierbij niet te vervallen in een strak bijhorend regelgevend ‘carcan’ vanuit Europa. Integendeel, de lidstaten moeten de vrijheid hebben om dit Europese kader op diverse manieren te implementeren, rekening houdend met de lokale context. Daarnaast stelt de Vlor vast dat er voor bepaalde microcredentials die momenteel worden aangeboden in Vlaanderen geen regelgevend kader bestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het aanbod microdegrees van bepaalde hogescholen, wat zich tussen het niveau van een individueel creditbewijs en een opleiding in bevindt. De Vlor is dan ook vragende partij dat nationale overheden bekijken in hoeverre er nood is aan een aanpassing van bestaande of een toevoeging van bijkomende regelgeving, in overleg met de onderwijsinstellingen en aansluitend bij hun institutionele autonomie. Het is hierbij cruciaal dat de flexibiliteit van de instellingen om opleidingen op te richten die ingaan op specifieke noden van lerenden en/of de arbeidsmarkt wordt bewaakt en gemaximaliseerd.
6
Inbedden in de kwaliteitszorg Om de kwaliteit van microcredentials te borgen, en ook om een wildgroei van microcredentials tegen te gaan, is een goede kwaliteitszorg onontbeerlijk. Anderzijds waarschuwt de Vlor voor te zware en stringente (bijkomende) kwaliteitszorgprocedures, omdat dit de flexibiliteit die microcredentials bieden in sterke mate kan beperken. De Vlor pleit er dan ook voor microcredentials in te bedden in de bestaande kwaliteitszorg van de onderwijsinstellingen en niet via een bijkomend kwaliteitszorgstelsel. Verder wijst de Vlor erop dat er potentiële verschillen zijn in de procedures voor kwaliteitszorg binnen eenzelfde type onderwijsinstelling, afhankelijk van de mate waarin de microcredentials zijn ingebed in het reguliere aanbod. Voor het hoger onderwijs bijvoorbeeld wordt de kwaliteit van microcredentials binnen reguliere opleidingen gegarandeerd door het bestaande kwaliteitszorgstelsel in eigen regie, terwijl het bewaken en verzekeren van de kwaliteitszorg voor diverse andere opleidingen zoals een dag- of avondopleiding, zomerschool, pre-initieel traject, etc. de nodige aandacht vraagt. De uitdaging wordt nog groter wanneer er over de grenzen van instellingen heen wordt gekeken. Er zijn immers grote verschillen in de procedures voor kwaliteitsbewaking tussen verschillende aanbieders levenslang leren, binnen Vlaanderen maar ook over lidstaten heen. Nochtans is het onderling uitwisselen (zie 3.1.4) en gezamenlijk aanbieden (zie 3.1.5) van dergelijke leerbewijzen op Vlaams en Europees niveau net een belangrijke opportuniteit van microcredentials. In dit opzicht beveelt de Vlor transparante communicatie over de kwaliteitszorgprocedures en hun toepassingsgebied aan. Omvang afbakenen Momenteel zijn er grote verschillen in de omvang van de microcredentials die in Vlaanderen worden aangeboden. Zo kan het in het hoger onderwijs gaan over een onderdeel van een opleidingsonderdeel waaraan een bepaalde werklast gekoppeld is, een opleidingsonderdeel, en zelfs een combinatie van meerdere opleidingsonderdelen die weliswaar niet de omvang hebben van een volledige kwalificatie (zie ook: Lantero, Finocchietti, & Petrucci, 2021). Ook voor andere aanbieders in het levenslang leren, zoals het volwassenenonderwijs, zijn er verschillen in omvang mogelijk: een microcredential zou kunnen worden gezien op het niveau van een module, een cluster van modules, een deelkwalificatie, of zou zelfs de mogelijkheid kunnen bieden om een opleiding die nog kleiner is van omvang dan een module aan te bieden. Ook de eenheid waarin die omvang wordt uitgedrukt, verschilt tussen Vlaamse onderwijs- en opleidingsverstrekkers onderling: studiepunten (ECTS), lestijden, leerwegonafhankelijke leeruitkomsten, etc. Dit impliceert dat de terminologie ‘short learning experience’, zoals die nu is opgenomen in de definitie van de Europese Commissie, niet volstaat. De term drukt immers een tijdsindicatie uit. De term ‘small’ lijkt dan ook beter geschikt om de omvang te beschrijven. Verder pleit de Vlor ook voor afstemming over de omvang van microcredentials, zowel binnen als over onderwijs- en opleidingsverstrekkers heen, maar met behoud van maximale flexibiliteit. Dit omvat ook het scheppen van duidelijkheid in de onder- en bovengrens van de omvang van een microcredential. Het vastleggen van een minimale omvang van een micocredential dringt zich op, opdat die meetbaar zou zijn. Wat de maximale omvang betreft, zou een microcredential kleiner moeten zijn dan een opleiding die leidt tot een volledige kwalificatie. Bij het bepalen van deze grenzen is het cruciaal om rekening te houden met de heersende regelgeving in elk van de lidstaten, voor de diverse aanbieders binnen het veld van het levenslang leren. 7
Adequate financiering, infrastructuur, en personeel voorzien De Vlor vertrekt vanuit het basisprincipe dat het aanbod van kleine (delen van) opleidingen maximaal toegankelijk moet zijn voor een brede groep lerenden. Er moet dus voldoende aandacht zijn om de financiële drempels voor lerenden weg te nemen. Ook de samenwerking tussen diverse onderwijs- en opleidingsinstellingen onderling, en tussen onderwijsinstellingen en externe stakeholders, vraagt de nodige aandacht op vlak van financiering. Daarnaast zou de reeds bestaande infrastructuur voor het aanbieden en uitwisselen van microcredentials (bijvoorbeeld databanken met leer -en ervaringsbewijzen) maximaal moeten worden ingezet. Ook op vlak van personeel moeten de nodige voorzieningen worden getroffen, zodanig dat de administratieve werklast en werkdruk bij de verdere uitbouw van flexibele trajecten via microcredentials wordt bewaakt. De Vlor vraagt dan ook een doordacht en doelgericht beleid rond financiering, infrastructuur, en personeel, om het aanbod en de toegankelijkheid van microcredentials te stimuleren. Tijdelijke impulsfinanciering vanuit Europa of de overheid is welkom, maar geeft geen oplossing op lange termijn. Een duurzaam financieringsbeleid, ook vanuit de lidstaten, dringt zich op. Betrokkenheid en eigenaarschap van de lerende maximaliseren De Vlor benadrukt het belang van participatie van de lerenden, zowel bij de ontwikkeling van microcredentials als bij de implementatie (kwaliteitszorg, etc.) ervan. In het hoger onderwijs vormt het betrekken van een brede groep lerenden, waaronder ook lerenden die geen standaardtraject volgen, hierbij een uitdaging. Daarnaast moet de betrokkenheid van de lerende ook worden bewaakt wanneer een microcredential verworven is. Hoewel in dit debat de focus vaak op de digitale infrastructuur wordt gelegd, vindt de Vlor het cruciaal dat het eigenaarschap bij de lerende zelf wordt gelegd. Complementariteit bewaken Naast de vraag naar wat er wel onder de noemer van microcredentials valt, is een belangrijke vraag ook wat er niet onder valt. De Vlor pleit ervoor dat er ruimte blijft voor waardevolle opleidingen of vormen van onderwijs die geen microcredential zijn. Onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers en/of lerenden kunnen hiervoor kiezen omwille van diverse redenen, bijvoorbeeld omdat die:
¬ ¬ ¬ ¬
expliciet gericht zijn op tewerkstelling en niet op het behalen van een kwalificatie; op korte termijn worden ingericht, met het oog op loopbaangerichte up- of reskilling; leiden tot tijdelijke certificaten die periodiek vernieuwd moeten worden en niet-stackable zijn; zodanig klein zijn van omvang dat de leerresultaten moeilijk kunnen of niet moeten worden beoordeeld.
Hoewel dergelijke opleidingen en vormen van onderwijs ook kunnen leiden tot een validering van de behaalde competenties, draagt dit het risico in zich dat die als minder waardevolle erkenningen zouden kunnen worden beschouwd. Hierdoor kan de drempel om dergelijke competentiebewijzen te erkennen hoger liggen dan bij microcredentials. De Vlor vraagt hiervoor de nodige aandacht.
8
Bibliografie Cedefop (2014). Terminology of European education and training policy: a selection of 130 terms. Luxembourg: Publications Office. Cirlan E., & Loukkola T. (2020). European project MICROBOL. Micro-credentials linked to the Bologna Key Commitments. Desk research report. European Union (2020). Final Report: A European approach to micro-credentials. Output of the micro-credentials higher education consultation group. doi:10.2766/50302 European Union (2021, 20 April). Public consultation launched on micro-credentials for lifelong learning and employability. Lantero, L., Finocchietti, C., & Petrucci, E. (2021). European project MICROBOL. Micro-credentials and Bologna Key Commitmenst. State of play in the European Higher Education Area.
Tine Degrande secretaris Raad Hoger Onderwijs
9