Skip to main content

Kinderopvang_jaarverslag_2012.pdf

Page 1

INHOUD

VOORWOORD ........................................................................................................................ 1 DEEL 1: FEITEN EN CIJFERS .................................................................................................. 2 HOOFDSTUK 1: SCHETS VAN HET OPVANGLANDSCHAP ........................................................................ 2 1.

Informele kinderopvang ............................................................................................. 2

2.

Formele kinderopvang geregeld door Kind en Gezin ....................................................... 2

3.

Formele kinderopvang geregeld door Kind en Gezin in ontwikkeling ............................... 13

4.

Formele kinderopvang niet geregeld door Kind en Gezin ............................................... 13

HOOFDSTUK 2: KINDEROPVANG IN CIJFERS .................................................................................. 15 1.

Aantal opvangvoorzieningen ..................................................................................... 15

2.

Aantal opvangplaatsen ............................................................................................. 20

3.

Evolutie van het aantal aangesloten onthaalouders ...................................................... 30

4.

Aanwezige kinderen ................................................................................................. 31

5.

Aantal verblijfsdagen ............................................................................................... 38

HOOFDSTUK 3: FINANCIERING VAN DE KINDEROPVANG VANUIT DE VLAAMSE OVERHEID ................................ 41 HOOFDSTUK 4: PERSONEEL EN MEDEWERKERS IN DE KINDEROPVANG ..................................................... 61 1.

Begeleiding en management ..................................................................................... 61

2.

Kwalificatievereisten ................................................................................................ 62

3.

Aantal personeelsleden en medewerkers en hun kwalificaties ........................................ 64

DEEL 2: BELEID ................................................................................................................... 70 HOOFDSTUK 1: VERNIEUWING VLAAMSE KINDEROPVANG ................................................................... 70 1.

Het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters ........................................................ 70

2.

Nieuwe organisatiestructuur buitenschoolse opvang ..................................................... 72

HOOFDSTUK 2: UITBREIDING VAN DE VLAAMSE KINDEROPVANG ........................................................... 74 HOOFDSTUK 3: BEVORDEREN VAN DE KWALITEIT IN DE VLAAMSE KINDEROPVANG ....................................... 77 1.

Reguliere dienstverlening op het gebied van kwaliteitsbevordering ................................ 77

2.

(Medische) preventie en veiligheid ............................................................................. 79

3.

Competentiebevordering en professionalisering ........................................................... 80

4.

Klachten over kinderopvang ...................................................................................... 82

HOOFDSTUK 4: ANDERE BELANGRIJKE ACCENTEN IN DE WERKING ......................................................... 85 BIJLAGE: REGELGEVING ...................................................................................................... 96 1. BASISREGELGEVING ......................................................................................................... 96 2. REGELGEVING PER OPVANGVORM ........................................................................................... 97 3. ANDERE REGELGEVING MET IMPACT OP KINDEROPVANG ................................................................ 102

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2010


VOORWOORD

Dit jaarverslag van de afdeling Kinderopvang van Kind en Gezin biedt een overzicht van het belangrijkste cijfermateriaal en van de voornaamste evoluties op het gebied van kinderopvang in 2012. Het is opgebouwd in twee delen.

In het eerste deel worden de feiten en de cijfers weergegeven. Na een algemene voorstelling van de structuur van het Vlaamse kinderopvanglandschap anno 2012, worden cijfers gepresenteerd over het aanbod en het gebruik, over de financiering van kinderopvang en over het personeel in de kinderopvang die onder de regelgevende bevoegdheid van Kind en Gezin valt1.

In het tweede deel worden de beleidsmatige aspecten besproken. Hierin wordt o.a. aandacht besteed aan de kwaliteitszorg, de vernieuwing van de Vlaamse kinderopvang (in het bijzonder aan de goedkeuring en de inhoud van het nieuwe decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters) en aan nog andere belangrijke accenten in de werking van de afdeling Kinderopvang.

Tot slot wordt als bijlage bij het jaarverslag een opsomming gegeven van de regelgeving die van toepassing is op de kinderopvang en van de regelgeving uit andere sectoren die een impact heeft op de kinderopvangsector, zoals deze zich voordeed tot mei 2013.

Alle benodigde cijfergegevens werden in de loop van de maanden juni en juli 2013 samengebracht en geven de situatie weer op datum van 31/12 (tenzij anders aangegeven) van de jaren die in dit jaarverslag worden beschouwd. 1

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

1


DEEL 1: FEITEN EN CIJFERS

Hoofdstuk 1: Schets van het opvanglandschap Het opvanglandschap zal door toedoen van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters ingrijpende wijzigingen ondergaan. Deze zullen zich evenwel pas voordoen na implementatie van het decreet in 2014. Bijgevolg betreft het in het jaarverslag dat voorligt nog het opvanglandschap zoals het zich anno 2012 voordeed.

Eén van de kernopdrachten van Kind en Gezin is het instaan voor de regie van de kinderopvang in Vlaanderen en Brussel. Kind en Gezin organiseert zelf geen kinderopvang, maar geeft een attest van toezicht of een erkenning aan de opvang die aan de wettelijke voorwaarden verbonden aan het verkrijgen van een erkenning of attest van toezicht, voldoet. Kind en Gezin stimuleert en ondersteunt, samen met zijn partners, kinderopvanginitiatieven die door anderen worden georganiseerd. Ouders die hun kind(eren) buitenhuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden. Hierbij bestaat een onderscheid tussen informele en formele kinderopvang.

1.

Informele kinderopvang

Informele opvang is de opvang door grootouders, familie, vrienden of kennissen en de opvang die plaatsvindt in het thuismilieu van het kind (huispersoneel, au pair, babysit, …). Deze opvang valt buiten de regelgevende bevoegdheid van Kind en Gezin. 2.

Formele kinderopvang geregeld door Kind en Gezin

De formele opvang bestaat uit een grote diversiteit van opvangvormen.

Iedereen die, al dan niet tegen betaling, kinderen onder de 12 jaar op bestendige wijze opvangt, moet zich bij Kind en Gezin melden2. Deze melding is echter een louter administratieve melding. De opvanginitiatieven die zich melden bij Kind en Gezin, kunnen wel een erkenning of een attest van toezicht vragen aan Kind en Gezin. Doen ze dit niet, dan worden door Kind en Gezin voor deze enkel gemelde initiatieven verder geen wettelijke voorwaarden opgelegd. Dit maakt dat Kind en Gezin deze opvang ook niet laat controleren tenzij er een klacht komt of er iets ernstigs gebeurt. Het Agentschap Zorginspectie gaat dan na in welke omstandigheden de kinderen worden opgevangen en of die opvangsituatie aanvaardbaar is3.

Opvang op bestendige wijze is de gewone, geregeld georganiseerde opvang. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind (babysit, au pair,…) zijn vrijgesteld van deze meldingsplicht (zie informele opvang). 3 Eind 2012 waren er in totaal 550 voorzieningen die enkel gemeld zijn bij Kind en Gezin. Zij vertegenwoordigen samen in totaal bijna 15 644 plaatsen. Bijna een vijfde hiervan zijn plaatsen voor kinderen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan. Deze cijfers zijn echter richtinggevend aangezien niet iedereen zich, ondanks de wettelijke verplichting, meldt bij Kind en Gezin, noch worden stopzettingen en/of capaciteitswijzigingen doorgegeven. 2

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

2


Zodra een opvang een erkenning of attest van toezicht heeft, dan moet deze voldoen aan de regelgeving opgesteld door Kind en Gezin. Aan het verkrijgen van een attest van toezicht of een erkenning zijn specifieke voorwaarden verbonden (zie verder in de beschrijving van elk voorzieningstype).

Het hierna volgend schema geeft een overzicht van de verschillende voorzieningstypes in de opvang erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin en de opvang met een attest van toezicht van Kind en Gezin. Binnen deze twee opvangsoorten kan nog een onderscheid worden gemaakt tussen gezinsopvang en groepsopvang. Erkende (en gesubsidieerde) opvang Gezinsopvang

-

dienst voor onthaalouders (2.1)

Opvang met attest van toezicht

-

zelfstandige onthaalouder (inkomensgerelateerd en nietinkomensgerelateerd) (2.5)

Groepsopvang

-

erkend kinderdagverblijf

-

zelfstandig kinderdagverblijf

(en buitenschoolse opvang in aparte

(inkomensgerelateerd en niet-

lokalen verbonden aan een erkend

inkomensgerelateerd) (2.6)

kinderdagverblijf) (2.2)

-

initiatief voor buitenschoolse opvang

-

(2.3)

-

lokale dienst voor buurtgerichte

zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening (2.7)

-

Vakantieopvang (2.8)

opvang (2.4) 1. Soorten formele opvang erkend (en gesubsidieerd) door of met een attest van toezicht van Kind en Gezin

2.1

Dienst voor onthaalouders (DVO)

Onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst voor onthaalouders vangen kinderen in gezinsverband op in een gezinswoning. Dit zijn vooral kinderen die nog niet naar school gaan en kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Sommige onthaalouders hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool4. Aangesloten onthaalouders mogen maximaal acht kinderen tegelijkertijd opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegeteld) met een maximaal gemiddelde van vier voltijds opgevangen kinderen per kwartaal.

Onthaalouders moeten voldoen aan een aantal minimale voorwaarden om zich te kunnen aansluiten bij een dienst voor onthaalouders. Ze zijn niet aan de dienst verbonden door een arbeidsovereenkomstmaar wel via een samenwerkingsovereenkomst. De dienst selecteert en begeleidt de onthaalouders, zorgt voor de administratieve ondersteuning van de onthaalouders en brengt hen in contact met ouders.

Diensten voor onthaalouders hebben een minimumcapaciteit van 50 plaatsen. De diensten (niet de individueel aangesloten onthaalouder) moeten op minstens 220 dagen per jaar opvang aanbieden van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Individueel aangesloten onthaalouders 4

Basisschool = kleuter – en lagere school.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

3


kunnen ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld: vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

De erkenning van diensten voor onthaalouders door Kind en Gezin houdt in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Diensten voor onthaalouders moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten deze diensten aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop de dienst zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat de dienst zijn missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop dit alles zal worden gerealiseerd en hoe de middelen daartoe zullen worden ingezet. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures worden uitgeschreven en toegepast. Diensten voor onthaalouders moeten hun werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie van de werking door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar bij een dienst voor onthaalouders zijn, tot op zekere hoogte, fiscaal aftrekbaar.

Diensten voor onthaalouders worden gesubsidieerd door Kind en Gezin. De inkomsten van de diensten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden hierin verrekend. Dat betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de dienst (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel). De aangesloten onthaalouders krijgen een belastingvrije kostenvergoeding voor de geleverde opvangprestaties en genieten een aantal sociale rechten.

De eventuele uitbreiding van het aantal gesubsidieerde plaatsen bij diensten voor onthaalouders verloopt via een programmatie.

2.2

Erkend kinderdagverblijf (KDV)

Erkende kinderdagverblijven vangen kinderen in groepsverband op. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de crèches, die kinderen opvangen die nog niet naar school gaan en kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan, en anderzijds een beperkt aantal peutertuinen voor kinderen vanaf 18 maanden tot wanneer ze naar de kleuterschool gaan. Crèches hebben een minimumcapaciteit van 23 plaatsen, terwijl peutertuinen een minimumcapaciteit van 20 plaatsen hebben. Aan crèches kan nog een kleine vestigingsplaats verbonden zijn van minimum 14 plaatsen.

Sommige

erkende

kinderdagverblijven

hebben

een

bijkomend

aanbod

van

buitenschoolse

kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool) ofwel in aparte lokalen (kinderen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

4


uit de kleuter- en lagere school). Dit laatste bijkomend aanbod staat bekend als buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverblijf (BOKDV).

Erkende kinderdagverblijven moeten minstens 220 dagen per jaar open zijn en moeten op die dagen minstens 11 uur opvang aanbieden tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Ze kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

De erkenning van kinderdagverblijven door Kind en Gezin houdt in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Erkende kinderdagverblijven moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten erkende kinderdagverblijven aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop een kinderdagverblijf zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat het kinderdagverblijf zijn missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop dit alles zal worden gerealiseerd en hoe de middelen daartoe zullen worden ingezet. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures uitgeschreven en toegepast worden. Erkende kinderdagverblijven moeten hun werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie van de werking door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een erkend kinderdagverblijf zijn, tot op zekere hoogte, fiscaal aftrekbaar.

Erkende kinderdagverblijven worden gesubsidieerd door Kind en Gezin. De inkomsten van de kinderdagverblijven uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden hierin verrekend5. Deze regeling zorgt ervoor dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de voorziening (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

De eventuele uitbreiding van het aantal gesubsidieerde plaatsen bij erkende kinderdagverblijven verloopt via een programmatie.

Erkende kinderdagverblijven kunnen echter vrij beschikken over de financiële bijdrage van de gezinnen die geïnd worden voor de buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan het kinderdagverblijf. 5

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

5


2.3

Initiatief voor buitenschoolse opvang (IBO)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang vangen kinderen in groepsverband op en richten zich exclusief op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool 6. Ze kunnen opvang aanbieden vóór en na de schooluren, op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en tijdens de schoolvakanties. Ze hebben een minimumcapaciteit van 21

plaatsen en

kunnen

hun

werking op

verschillende

vestigingsplaatsen organiseren. Deze vestigingsplaatsen hebben elk een minimumcapaciteit van acht plaatsen.

Een initiatief voor buitenschoolse opvang heeft minstens een basisopvangaanbod. Dat is een aanbod van 's morgens 7 uur tot 's avonds 18 uur gedurende ten minste 230 werkdagen per jaar, waarvan 50 volle dagen; op woensdagnamiddag opent het initiatief na de schooltijd. Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld vóór 7 uur, na 18 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden erkend door Kind en Gezin. Daarvoor is een gunstig advies van het Lokaal Overleg Kinderopvang nodig. De erkenning houdt in dat het initiatief geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten ze aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop het initiatief zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat het initiatief zijn missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop het die zal realiseren en hoe het de middelen daartoe zal inzetten. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures uitgeschreven en toegepast worden. Een initiatief voor buitenschoolse opvang moet zijn werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie van de werking door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en maximumbijdragen zijn wel in de regelgeving vastgelegd. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een initiatief voor buitenschoolse opvang, zijn tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen door verschillende instanties gesubsidieerd worden en kunnen daarnaast vrij beschikken over de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

6

Basisschool = kleuter – en lagere school.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

6


De eventuele uitbreiding van het aantal door Kind en Gezin gesubsidieerde plaatsen verloopt via een programmatie.

2.4

Lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (LoDi)

Een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse opvang of een buurt-en nabijheidsproject (BND)7 kunnen de toestemming hebben of krijgen van Kind en Gezin om een lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang te organiseren.

Een lokale dienst heeft een specifieke werking die het gebruik van kinderopvang door kwetsbare gezinnen bevordert. Hierbij staan een buurtgerichte inbedding en de participatie van de doelgroep centraal. Een lokale dienst werft ook doelgroepwerknemers8 aan die mee instaan voor de begeleiding van de kinderen en biedt hen gelijkwaardige kansen in de organisatie. Een lokale dienst werkt structureel samen met andere voorzieningen.

Er bestaan twee types lokale diensten. Elk type moet minstens tien opvangplaatsen tellen. -

Een lokale dienst voor opvang van kinderen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan. De dienst kan daarnaast ook nog kinderen uit het kleuteronderwijs buitenschools opvangen.

-

Een lokale dienst buitenschoolse opvang: biedt uitsluitend opvang aan voor schoolgaande kinderen.

De toestemming van Kind en Gezin voor de organisatie van een lokale dienst betekent dat de opvang op het moment van de toestemming voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de omgang met kinderen en ouders, de ruimte en de inrichting, de veiligheid en gezondheid, het personeel, de buurtwerking en de samenwerking. De toestemming houdt eveneens in dat de lokale dienst geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Voor de opvang van een kind dat nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaat, betaalt de ouder een prijs die wettelijk geregeld is en rekening houdt met het inkomen. Voor de opvang van een schoolgaand kind betaalt de ouder een prijs die binnen bepaalde grenzen ligt 9. Een lokale dienst doet extra inspanningen voor kwetsbare gezinnen, ook wat betreft de opvangprijs. Een sociaal tarief is mogelijk.

In 2004 werd het experiment buurt- en nabijheidsdiensten (BND) opgestart. In 2008 werden de BND-projecten door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei omgezet in lokale diensten voor buurtgerichte opvang en structureel geïntegreerd in het kinderopvanglandschap. 8 Een doelgroepwerknemer is een persoon met hoogstens een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs en die de dag voor zijn aanwerving beantwoordt aan één van volgende kenmerken: 7

   

jonger dan 50 jaar en min. 12 maanden inactief ouder dan 50 jaar en min. 6 maanden inactief min. 6 maand leefloongerechtigd of arbeidsgehandicapt

deeltijds werkzoekende leerling van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en een dag inactief Afhankelijk van het statuut waarin de doelgroepwerknemer zich bevindt, kunnen deze kenmerken wijzigen (bv. SINEprofiel). 9 Zie ‘Initiatieven voor buitenschoolse opvang’ in hoofdstuk drie van dit deel: ‘wat betalen ouders?’. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

7


De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een lokale dienst voor buurtgerichte opvang zijn, tot op zekere hoogte, fiscaal aftrekbaar.

Lokale diensten worden gefinancierd vanuit verschillende instanties. Kind en Gezin voorziet in een forfaitaire subsidie per plaats en een deel van de loonkosten van de doelgroepwerknemer. Voor de omkadering en loonkosten van de doelgroepwerknemers kunnen zij een beroep doen op middelen van Werk en Sociale Economie (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

De inkomsten van de lokale diensten (die voornamelijk kinderen opvangen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan) uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden verrekend in de subsidies. Deze regeling zorgt ervoor dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de voorziening. De buitenschoolse lokale diensten kunnen vrij beschikken over de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen.

De eventuele uitbreiding van het aantal gesubsidieerde plaatsen bij lokale diensten voor buurtgerichte opvang verloopt via een programmatie.

2.5

Zelfstandige onthaalouder (ZOO)

Zelfstandige onthaalouders vangen in een gezinswoning kinderen op in gezinsverband. Ze werken autonoom en bepalen dus zelf op welke uren en momenten ze opvang doen. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige onthaalouders vangen voornamelijk kinderen op die nog niet naar school gaan en kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Ze mogen maximaal zeven kinderen tegelijkertijd opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegeteld), zonder een opgelegd maximaal gemiddelde. Sommige zelfstandige onthaalouders hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool.

Zelfstandige onthaalouders kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot laat ’s avonds, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Wettelijk gezien moeten deze onthaalouders hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht bij Kind en Gezin aan te vragen. Hierdoor kunnen ze immers een fiscaal attest aan de ouders afleveren. Onthaalouders met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimtes.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

8


Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) voor de zelfstandige onthaalouders. Dit betekent dat gezinnen bij zelfstandige onthaalouders die inkomensgerelateerd werken een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen. Het is enkel geldig voor kinderen die door de onthaalouder worden opgevangen die nog niet naar school gaan en voor kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Voor kinderen die reeds vóór 16 februari 2009 werden opgevangen, werd een overgangsregeling geïnstalleerd.

Als de zelfstandige onthaalouder werkt met het inkomensgerelateerd systeem, dan vult de overheid het verschil tussen de bijdrage van het gezin, berekend op basis van het inkomen, aan tot een gegarandeerde dagprijs (18,27 euro sinds oktober 2012).

De eventueel nieuw toe te kennen IKG-plaatsen bij zelfstandige onthaalouders verloopt via een programmatie.

Bij alle andere zelfstandige onthaalouders (die niet inkomensgerelateerd werken), is het de onthaalouder zelf die bepaalt hoeveel de gezinnen moeten betalen. De voornaamste bron van inkomsten voor deze onthaalouders is dan ook de financiële bijdrage van de gezinnen.

Zelfstandige onthaalouders kunnen enkele vormen van beperkte ondersteuning van Kind en Gezin ontvangen, zoals bijvoorbeeld een startvergoeding en een verzekering voor persoonlijke ongevallen (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

Als de zelfstandige onthaalouder een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

2.6

Zelfstandig kinderdagverblijf10(ZKDV)

Zelfstandige kinderdagverblijven bieden opvang in groepsverband aan en hebben een capaciteit van minstens 8 plaatsen. Deze voorzieningen vangen vooral kinderen op die nog niet naar school gaan en kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Sommige voorzieningen hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool.

Zelfstandige kinderdagverblijven bepalen zelf hun openingsuren en –momenten. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige kinderdagverblijven kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot ’s avonds laat, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. In het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor de zelfstandige opvangvoorzieningen, worden drie voorzieningstypes gedefinieerd: zelfstandige onthaalouder, zelfstandig kinderdagverblijf (de term mini-crèche wordt niet meer voorzien) en zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening. 10

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

9


Wettelijk gezien moeten deze zelfstandige voorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht bij Kind en Gezin aan te vragen. Hierdoor kunnen ze immers een fiscaal attest aan de ouders afleveren. Zelfstandige kinderdagverblijven met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimtes.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) voor de zelfstandige kinderdagverblijven. Dit betekent dat gezinnen in de zelfstandige kinderdagverblijven die inkomensgerelateerd werken een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen. Het is enkel geldig voor kinderen die in deze kinderdagverblijven worden opgevangen die nog niet naar school gaan en voor kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. Voor kinderen die reeds vóór 16 februari 2009 werden opgevangen, werd er een overgangsregeling geïnstalleerd.

Als het zelfstandig kinderdagverblijf werkt met het inkomensgerelateerd systeem, dan vult de overheid het verschil tussen de bijdrage van het gezin, berekend op basis van het inkomen, aan tot een gegarandeerde dagprijs (30,42 euro sinds oktober 2012).

De eventueel nieuw toe te kennen IKG-plaatsen bij zelfstandige kinderdagverblijven verloopt via een programmatie.

Bij alle andere zelfstandige kinderdagverblijven (die niet inkomensgerelateerd werken), is het de opvangvoorziening zelf die bepaalt hoeveel de gezinnen moeten betalen. De voornaamste bron van inkomsten voor deze kinderdagverblijven is dan ook de financiële bijdrage van de gezinnen. Deze zelfstandige kinderdagverblijven kunnen een financiële ondersteuning van Kind en Gezin krijgen als ze voldoen aan een aantal voorwaarden (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

Als het zelfstandig kinderdagverblijf een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

2.7

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening11 (ZBO)

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen bieden opvang in groepsverband aan en hebben een capaciteit van minstens 8 plaatsen. Deze voorzieningen vangen enkel schoolgaande kinderen op, vóór en na de schooluren en tijdens vakantiedagen.

In het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor de zelfstandige opvangvoorzieningen, worden drie voorzieningstypes gedefinieerd: zelfstandige onthaalouder, zelfstandig kinderdagverblijf (de term mini-crèche wordt niet meer voorzien) en zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening. 11

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

10


Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen bepalen zelf hun openingsuren en –momenten. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot ’s avonds laat, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Wettelijk gezien moeten deze zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht bij Kind en Gezin aan te vragen. Hierdoor kunnen ze immers een fiscaal attest aan de ouders afleveren. Zelfstandige buitenschoolse voorzieningen met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimtes.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

De zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening bepaalt zelf hoeveel de gezinnen betalen. Als de zelfstandige buitenschoolse voorziening een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

De voornaamste bron van inkomsten is de financiële bijdrage van de gezinnen. Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen kunnen een financiële ondersteuning van Kind en Gezin krijgen als ze voldoen aan een aantal voorwaarden (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

2.8.

Vakantieopvang

De vraag naar vakantieopvang is groot. De Vlaamse regering heeft het daarom mogelijk gemaakt 12 om snel bijkomende maar toch kwaliteitsvolle opvang te realiseren door 

maximaal gebruik te maken van de beschikbare infrastructuur;

een laagdrempelige procedure te introduceren;

het organiserend bestuur te responsabiliseren voor de uitbouw van een pedagogisch onderbouwde opvang in een veilige en gezonde omgeving.

Elk organiserend bestuur dat reeds een attest van toezicht, een erkenning of toestemming heeft kan van Kind en Gezin een attest van toezicht krijgen voor vakantieopvang, weliswaar voor een locatie waarvoor het organiserend bestuur nog geen attest van toezicht, erkenning of toestemming heeft. Een attest van toezicht voor vakantieopvang is meer in het bijzonder mogelijk in: 

een gebouw waarin nog geen kinderopvang met een attest van toezicht, erkenning of toestemming aangeboden wordt;

Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2012 houdende de voorwaarden voor een attest van toezicht van toezicht van Kind en Gezin voor vakantieopvang van kleuters en lagere schoolkinderen. 12

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

11


lokalen waar vakantieopvang kan worden georganiseerd volledig afgescheiden van andere lokalen in een gebouw waarvoor er reeds een erkenning/attest van toezicht/toestemming is;

een vestigingsplaats met een erkenning/attest/toestemming waarvan de normale werking tijdens de vakantieperiodes wordt stopgezet.

Deze vakantieopvang wordt niet gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. De kosten voor vakantieopvang van kleuters en lagere schoolkinderen tot 12 jaar zijn wel tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

2.9.

Opvang via een gemandateerde voorziening (GMV)

Een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse opvang of een dienst voor onthaalouders kunnen een erkenning hebben of krijgen van Kind en Gezin als gemandateerde voorziening.

Een gemandateerde voorziening helpt ouders bij hun zoektocht naar opvang tijdens vroege of late uren, ’s nachts, tijdens het weekend of naar occasionele opvang 13. Gemandateerde voorzieningen hebben geen opdracht om te helpen bij het zoekproces naar opvang tijdens gebruikelijke dagen en uren of voor opvang die niet past binnen de occasionele opvang zoals in de voetnoot beschreven.

Gemandateerde voorzieningen staan niet altijd zelf in voor de opvang en kunnen ouders doorverwijzen naar een opvangvoorziening die het kind wel kan opvangen op de gevraagde dagen of uren. Het werkingsgebied van gemandateerde voorzieningen omvat verschillende gemeenten.

Gemandateerde voorzieningen krijgen middelen om de coördinatie van dit specifieke opvangaanbod in de regio vorm te geven en/of om de tewerkstelling en de opleiding voor doelgroepwerknemers te organiseren (zie ook hoofdstuk 3 van dit deel).

Gemandateerde voorzieningen worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Dit betekent dat ze aan de wettelijke voorwaarden voldoen. De voorziening wordt geregeld geïnspecteerd. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Wat ouders voor de opvang betalen, hangt af van het type opvangvoorziening waar de opvang plaats vindt.

d.i. kortdurende opvang van maximaal 6 maanden omwille van één van de volgende redenen: ouder werkt niet en vindt plots werk of start met een opleiding, ouder heeft een sollicitatiegesprek, er is een acute crisis in het gezin, het gezin heeft behoefte aan een kortstondige draaglastvermindering, of om sociaal/pedagogische redenen is het nodig dat het kind tijdens de dag buiten het gezin wordt opgevangen. 13

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

12


3.

Het formele kinderopvanglandschap in ontwikkeling

Het kinderopvanglandschap zoals het werd beschreven, zal er in de nabije toekomst helemaal anders gaan uitzien. Op 20 april 2012 werd immers het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse regering. Dit decreet is een kaderdecreet, dat de algemene beginselen vastlegt, maar geen gedetailleerde regels bevat.

Uitvoeringsbesluiten

zullen

de

concrete

invulling

van

het

decreet

vastleggen.

Deze

uitvoeringsbesluiten zijn nog in ontwikkeling. Het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten zal in werking treden op 1 april 2014 (zie ook deel 2: Hoofdstuk 1).

Daarnaast stelt het Vlaamse Regeerakkoord 2009-2014 ook de reorganisatie van de buitenschoolse opvang14 voorop. Bij de buitenschoolse opvang zijn echter ook andere beleidsdomeinen betrokken: Onderwijs, Werk, Jeugd, Sport, Cultuur. De weg naar een decreet Buitenschoolse Kinderopvang is dus erg complex en vergt een eigen, aparte aanpak. De Vlaamse regering heeft daarom ervoor gekozen om in eerste instantie het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters op de sporen te zetten. Dit neemt niet weg dat reeds gestart werd met de voorbereidingen van de reorganisatie van de buitenschoolse opvang (zie ook deel 2: Hoofdstuk 1). 4.

Formele kinderopvang niet geregeld door Kind en Gezin

Niet iedere formele opvangvorm die structureel wordt georganiseerd heeft een attest van toezicht, een erkenning of een toestemming van Kind en Gezin.

o

Schoolopvang

Heel wat scholen vangen kinderen op voor en na de schooluren. Deze opvang verschilt sterk van school tot school. Het aantal begeleiders, de opleiding van de begeleiders, de inrichting en de grootte van de ruimte, de manier van omgaan met ouders en kinderen en de opvangprijs zijn niet wettelijk vastgelegd. De school heeft hierin de volledige autonomie.

Scholen zijn verplicht om deze opvang te melden aan Kind en Gezin. Als de school geen attest van toezicht vraagt bij Kind en Gezin en dus enkel gemeld is, dan laat Kind en Gezin deze opvang niet controleren, tenzij er een klacht komt of er iets ernstigs gebeurt. Het Agentschap Zorginspectie gaat dan na in welke omstandigheden de kinderen worden opgevangen en of die opvangsituatie aanvaardbaar is. Scholen kunnen voor deze opvang een attest van toezicht aanvragen bij Kind en Gezin. In dat geval gaat Kind en Gezin na of de opvang voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Die voorwaarden zijn dezelfde als deze die gelden voor een zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang, buitenschoolse opvang verbonden aan een kinderdagverblijf, zelfstandige buitenschoolse opvanginitiatieven en lokale diensten buitenschoolse opvang. 14

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

13


o

Vakantieopvang via jeugdwerking, ziekenfonds of andere organisaties

Tijdens schoolvakanties zijn er tal van activiteiten en kampen voor schoolgaande kinderen zoals speelpleinwerking, grabbelpasactiviteiten, activiteiten of kampen van sport-, jeugd-, cultuur- of andere organisaties. Voor al deze opvangvormen is Kind en Gezin niet bevoegd om na te gaan of de activiteiten aan bepaalde voorwaarden voldoen.

o

Opvang van zieke kinderen

Sommige ziekenfondsen, OCMW’s en gemeenten bieden thuisoppas voor zieke kinderen aan. Ook sommige bedrijven bieden deze mogelijkheid aan wanneer de kinderen van hun werknemers ziek zijn.

Kind en Gezin is voor deze opvangvormen niet bevoegd om na te gaan of de opvang aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

14


Hoofdstuk 2: Kinderopvang in cijfers 1.

Aantal opvangvoorzieningen

Eind 2012 tellen we 384 erkende kinderdagverblijven. 40 van deze 384 erkende kinderdagverblijven bieden tevens buitenschoolse opvang in aparte lokalen aan15. Verder kunnen we nog 183 diensten voor onthaalouders en 259 initiatieven voor buitenschoolse opvang opmerken. Daarnaast zijn er in totaal nog 36 lokale diensten voor buurtgerichte opvang en 70 gemandateerde voorzieningen. Het totaal aantal door Kind en Gezin erkende (en gesubsidieerde) voorzieningen eind 2012 is slechts licht toegenomen (+0,6%) in vergelijking met de situatie eind 2011. Dit is te wijten aan de daling van het aantal diensten voor onthaalouders met 6. Eind 2012 waren er 1586 zelfstandige kinderdagverblijven, waarvan 605 (38,2%) werken met het inkomensgerelateerd systeem. Van de 901 zelfstandige onthaalouders werkzaam eind 2012 werkten 15 (1,7%) met het inkomensgerelateerd inkomenssysteem. Het aantal zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen met een attest van toezicht van Kind en Gezin actief eind 2012 bedraagt 81. In 2012 kon eveneens een attest van toezicht worden aangevraagd voor het organiseren van vakatieopvang (zie ook Deel 2: Beleid - Hoofdstuk 2). In totaal kregen in 2012 33 voorzieningen16 zo’n attest van toezicht toegewezen maar door de stopzetting van een organiserend bestuur, eind augustus 2012, worden op 31/12/2012, 32 voorzieningen geteld (zie tabel). Dit maakt dat we eind 2012 een totaal van 2600 voorzieningen noteren met een attest van toezicht van Kind en Gezin. Het aantal voorzieningen met een attest van toezicht is afgenomen met 0,8% in vergelijking met het aantal dat werd genoteerd eind 2011. Deze afname op totaalvlak is te wijten aan de daling van het aantal zelfstandige onthaalouders (ook het aantal dat met het inkomensgerelateerd systeem werkt) en van het aantal zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen. Het aantal zelfstandige kinderdagverblijven daarentegen is met 3,2% toegenomen.

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen kan nooit op zichzelf bestaan maar is altijd verbonden aan een erkend kinderdagverblijf. De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. 16 Een organiserend bestuur kan een attest van toezicht voor vakantieopvang aanvragen als het: ofwel al een attest van toezicht heeft als zelfstandig kinderdagverblijf, zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening of zelfstandige onthaalouder; ofwel al een erkenning heeft als kinderdagverblijf, dienst voor onthaalouders of initiatief voor buitenschoolse opvang; ofwel al een toestemming van Kind en Gezin heeft als lokale dienst. 15

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

15


Opvangvoorzieningen 2011

2012

Kinderdagverblijven

378

384

Diensten voor onthaalouders

189

183

23

24

38

40

255

259

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

11

12

Gemandateerde voorzieningen

70

70

926(1)

932(1)

1 537

1 586

595

605

991

901

19

15

93

81

-

32

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

2 621

2 600

Algemeen totaal

3 547

3 532

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven waarvan inkomensgerelateerd Zelfstandige onthaalouders waarvan inkomensgerelateerd Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen Vakantieopvang (2)

2. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht – situatie op 31/12 (1) Om dubbeltellingen te voorkomen wordt de buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een erkend kinderdagverblijf, niet opgenomen in het totaal. De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen immers samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. (2) In totaal waren er in 2012 33 voorzieningen met een attest van toezicht voor vakantieopvang maar door de stopzetting van een organiserend bestuur, eind augustus 2012, worden op 31/12/2012, 32 voorzieningen geteld.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen In de erkende (en gesubsidieerde) sector verstaan we onder volledig nieuwe opvangvoorzieningen die kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang waarvan de erkenning ingaat in 2012. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang (en voor erkende kinderdagverblijven) gaat het om nieuwe voorzieningen en niet om nieuwe vestigingsplaatsen. Wijzigingen in voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd. Kinderdagverblijven kunnen een toestemming krijgen om een bijkomend aanbod van buitenschoolse opvang in aparte lokalen (BOKDV) te organiseren. Omdat dit aanbod nooit op zichzelf kan bestaan maar altijd verbonden is aan een erkend kinderdagverblijf, wordt een dergelijk bijkomend aanbod niet als een nieuwe voorziening beschouwd17.

De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. 17

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

16


In de erkende (en gesubsidieerde) sector zijn er in 2012 14 nieuwe voorzieningen bijgekomen. Het gaat om 4 nieuwe initiatieven voor buitenschoolse opvang, 2 lokale diensten en 8 nieuwe erkende kinderdagverblijven18.

In de opvang met een attest van toezicht wordt een nieuwe voorziening gedefinieerd als een voorziening die in 2012 voor het eerst een attest van toezicht aanvroeg. Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden niet als nieuwe voorziening beschouwd. Voor vakantieopvang gaat het enkel om locaties (gebouwen of lokalen) waar nog geen kinderopvang werd aangeboden en waarvoor organiserende besturen voor het eerst in 2012 een attest van toezicht hebben gekregen voor het organiseren van vakantieopvang. In de sector met een attest van toezicht ligt het aantal voorzieningen dat erbij is gekomen merkelijk hoger dan in de erkende sector (N=214), maar ligt wel lager dan in 2011.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen 2011

2012

10

8

Diensten voor onthaalouders (1)

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds

0

1

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2)

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1)

6

4

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0

1

Gemandateerde voorzieningen

9

0

25

14

127

107

Zelfstandige onthaalouders

85

73

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

14

12

-

22

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

226

214

Algemeen totaal

251

228

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven (1)

schoolgaande kinderen)

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3) Zelfstandige kinderdagverblijven

Vakantieopvang

3. Aantal volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2011 en 2012 (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Voor de volledigheid geven we binnen dit kader nog mee dat twee reeds bestaande erkende kinderdagverblijven in 2012 zijn gestart met een aanbod van buitenschoolse opvang in aparte lokalen en dat in de loop van 2012 twee bestaande erkende kinderdagverblijven zijn gefuseerd met respectievelijk een ander erkend kinderdagverblijf. 18

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

17


Stoppende opvangvoorzieningen Het gaat hier om de ‘echte’ stopzettingen. Een wijziging in het voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, wordt niet als stopzetting geregistreerd. Bij deze telling worden specifiek voor de zelfstandige sector ook verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd. Indien het aanbod van buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverlijf wordt stopgezet, wordt dit niet als een stoppende voorziening beschouwd 19. In 2012 werden enkel in de sector met een attest van toezicht stopzettingen genoteerd. In totaal merken we 186 stopzettingen op. Dit zijn 35 stoppers minder dan in 2011.

Stoppende opvangvoorzieningen 2011

2012

Kinderdagverblijven

0

0

Diensten voor onthaalouders

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0

0

Gemandateerde voorzieningen

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

0

0

68

55

142

122

11

9

-

0

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

221

186

Algemeen totaal

221

186

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

schoolgaande kinderen)

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen Vakantieopvang

4. Aantal stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal stoppende opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2011 en 2012

Aantal intrekkingen van de erkenning of van het attest van toezicht In de erkende (en gesubsidieerde) sector werden in 2012 geen erkenningen ingetrokken. Het aantal zelfstandige opvangvoorzieningen waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken, is in 2012 gedaald (van 41 naar 26). De redenen om het attest van toezicht in te trekken, hebben in het merendeel van De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. 19

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

18


de gevallen te maken met de veiligheid van de accommodatie, de begeleiding van de kinderen, de bezetting en de personeelsomkadering en de hygiĂŤne en gezondheid.

Intrekkingen 2011

2012

Kinderdagverblijven

1

0

Diensten voor onthaalouders

1

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

1

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0

0

Gemandateerde voorzieningen

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

3

0

Zelfstandige kinderdagverblijven

29

19

Zelfstandige onthaalouders

10

7

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

2

0

Vakantieopvang

-

0

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

41

26

Algemeen totaal

44

26

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

schoolgaande kinderen)

Met attest van toezicht van Kind en Gezin

5. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen waarvan de erkenning werd ingetrokken en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken in 2011 en 2012

Aantal beroepsdossiers/bezwaardossiers Erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen kunnen tegen een aantal beslissingen beroep aantekenen bij de minister, die hierover een advies vraagt aan de adviserende beroepscommissie van de Vlaamse Gezins- en Welzijnsraad. Het gaat hierbij om een gehele of gedeeltelijke weigering van een principieel akkoord, een erkenning of subsidiĂŤring, een intrekking van een erkenning of een weigering van de verlenging van de erkenning. In 2012 is voor de erkende sector slechts 1 beroepsdossier behandeld. Dit zijn er 5 minder dan in 2011. Dit beroepsdossier werd ingewilligd.

Zelfstandige opvangvoorzieningen kunnen bij Kind en Gezin bezwaar aantekenen tegen het niettoekennen van een attest van toezicht of de verlenging ervan, het niet-toekennen van een capaciteitsuitbreiding en het intrekken van een attest van toezicht. Deze bezwaardossiers worden door een interne commissie behandeld. Het aantal in 2012 ingediende bezwaardossiers in de zelfstandige sector, is gedaald tegenover 2011. Van de in totaal 23 bezwaardossiers werd de helft ingewilligd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

19


Beroepsdossiers/bezwaardossiers 2011

2012

Kinderdagverblijven

4 (0)

0 (0)

Diensten voor onthaalouders

0 (0)

0 (0)

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds

0 (0)

0 (0)

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0 (0)

0 (0)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

2 (0)

1 (1)

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0 (0)

0 (0)

Gemandateerde voorzieningen

0 (0)

0 (0)

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

6 (0)

1 (1)

33 (19)

17 (7)

Zelfstandige onthaalouders

7 (3)

6 (4)

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

0 (0)

0 (0)

-

0 (0)

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

40 (22)

23 (11)

Algemeen totaal

46 (22)

24 (12)

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

schoolgaande kinderen)

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven

Vakantieopvang

6. Aantal ingediende beroepsdossiers/bezwaardossiers (en aantal ingewilligde dossiers) in 2011 en 2012

2.

Aantal opvangplaatsen

Eind 2012 bedraagt het totaal aantal plaatsen met een erkenning of met een attest van toezicht van Kind en Gezin, 126 501. Dit is een toename met 3171 plaatsen (+2,6%) tegenover het aantal plaatsen eind 2011.

In de erkende sector is het aantal plaatsen met uitzondering van de diensten voor onthaalouders in alle voorzieningstypes toegenomen. In totaal is het aantal plaatsen dat eind 2012 wordt geteld in de erkende opvang toegenomen met 1559 (+1,9%) in vergelijking met eind 2011.

Het aantal opvangplaatsen met een attest van toezicht dat eind 2012 wordt genoteerd, is t.o.v. eind 2011 toegenomen met 1612 (+3,8%). Deze toename is te wijten aan de stijging van het aantal plaatsen in de zelfstandige kinderdagverblijven en aan het bijkomend aanbod vakantieopvang. Ook het aantal inkomensgerelateerde plaatsen in de zelfstandige kinderdagverblijven is met 424 eenheden (+3,4%) gestegen. Voor de overige zelfstandige opvangvoorzieningen is er een daling van het aantal plaatsen op te merken (ook voor wat betreft het aantal inkomensgerelateerde plaatsen bij zelfstandige onthaalouders m.n. van 119 naar 100).

Voor een overzicht van het aantal opvangplaatsen per provincie verwijzen we naar tabel 9.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

20


Opvangplaatsen 2011

2012

Kinderdagverblijven

17 944

18 624

Diensten voor onthaalouders (1)

31 841

31 532

401

418

1 212

1 259

29 503

30 617

254

264

81 155

82 714

31 938

33 409

12 611

13 035

6 222

5 743

119

100

4 015

3 424

-

1 211

42 175

43 787

123 330

126 501

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven waarvan inkomensgerelateerd Zelfstandige onthaalouders (1) waarvan inkomensgerelateerd Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen Vakantieopvang (2) Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

7. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht – situatie op 31/12 (1) Een deel van deze capaciteit wordt opgevuld door eigen kinderen onder de 6 jaar. (2) In totaal waren er in 2012 1243 plaatsen beschikbaar maar door de stopzetting van een organiserend bestuur, eind augustus 2012, worden op 31/12/2012, 32 plaatsen minder geteld.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

21


8. Verdeling aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht – 2012 (situatie op 31/12)

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

22


Opvangplaatsen per provincie Antwerpen

Vlaams-Brabant

Brussels Gewest

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen

Limburg

2011

2012

2011

2012

2011

2012

2011

2012

2011

2012

2011

2012

Kinderdagverblijven

4.453

4.856

3.875

3.903

2.310

2.387

2.139

2.142

3.603

3.729

1.564

1.607

Diensten voor onthaalouders (1)

8.008

7.996

4.190

4.056

34

34

6.339

6.212

7.976

7.940

5.294

5.294

117

117

14

14

28

45

98

98

134

134

10

10

53

53

151

151

296

320

407

430

305

305

7.577

7.768

3.846

4.060

843

5.107

5.301

6.426

6.639

5.852

6.006

20

20

52

52

10

98

98

20

20

64

64

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Lokale diensten voor buurtgerichte opvang

695

(buitenschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en

20.228 20.810

12.128 12.236

3.067

3.319

14.077 14.171

18.566 18.892

13.089 13.286

Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven waarvan IKG Zelfstandige onthaalouders (1) waarvan IKG Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen Vakantieopvang Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

7.356

7.815

5.278

5.551

4.796

4.873

6.054

6.352

6.971

7.210

1.483

1.608

2 713

2 752

1 336

1 432

1 067

1 067

3 933

4 021

2 914

3 084

648

679

856

854

1.097

1.017

181

161

2.401

2.114

1.410

1.327

277

270

0

0

13

13

0

0

51

48

29

26

26

13

507

387

1.055

838

738

708

589

520

193

215

933

756

-

266

-

202

-

0

-

341

-

188

-

214

8.719

9.322

7.430

7.608

5.715

5.742

9.044

9.327

8.574

8.940

2.693

2.848

19.558 19.844

8.782

9.061

28.947 30.132

23.121 23.498

27.140 27.832

15.782 16.134

9. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht per provincie – situatie op 31/12 (1) Een deel van deze capaciteit wordt opgevuld door eigen kinderen onder de 6 jaar

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

23


Aantal opvangplaatsen in nieuwe voorzieningen In de erkende sector gaat het hier over plaatsen die er bij gekomen zijn in volledig nieuwe voorzieningen. Dit kunen kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn waarvan de erkenning ingaat in 2012. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang en erkende kinderdagverblijven gaat het om plaatsen in nieuwe voorzieningen en niet om plaatsen in nieuwe vestigingsplaatsen van reeds bestaande voorzieningen of om plaatsen in een bijkomend buitenschools aanbod in aparte lokalen verbonden aan een reeds bestaand en erkend kinderdagverblijf (deze worden als uitbreidingen van het bestaande aanbod beschouwd). Wijzigingen in voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die een crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd. In de erkende sector kwamen er 433 plaatsen bij in voorzieningen waarvan de erkenning in 2012 is ingegaan. In de opvang met een attest van toezicht gaat het om plaatsen in voorzieningen die in 2012 voor het eerst een attest van toezicht hebben aangevraagd. Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden in deze telling niet als nieuwe voorziening beschouwd. Voor vakantieopvang gaat het om plaatsen in locaties (gebouwen of lokalen) waar nog geen kinderopvang werd aangeboden en waarvoor organiserende besturen voor het eerst in 2012 een attest van toezicht hebben gekregen voor het organiseren van vakantieopvang. In de sector met een attest van toezicht kwamen er 3873 nieuwe plaatsen bij. Deze toename is respectievelijk te wijten aan het aantal bijkomende, nieuwe plaatsen in de vakantieopvang en in de zelfstandige kinderdagverblijven.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

24


Opvangplaatsen in volledig nieuwe voorzieningen 2011

2012

227

234

Diensten voor onthaalouders (1)

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds

0

17

0

0

127

172

0

10

354

433

2 142

2 284

Zelfstandige onthaalouders

420

486

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen)

402

323

-

744

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

2 964

3 837

Algemeen totaal

3 318

4 270

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven (1)

schoolgaande kinderen) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2) Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1) Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3) Zelfstandige kinderdagverblijven

Vakantieopvang

10. Aantal plaatsen bij volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal plaatsen bij volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2011 en 2012 (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen Het gaat hier om plaatsen die wegvallen als gevolg van ‘echte’ stopzettingen (voorzieningen die stoppen en waar dus geen kinderopvang meer wordt georganiseerd). Een wijziging in het voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, wordt immers niet als stopzetting geregistreerd. Bij deze telling worden specifiek voor de zelfstandige sector ook verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd. In de erkende sector zijn geen plaatsen weggevallen t.g.v. stoppende voorzieningen. In de sector met een attest van toezicht zijn er 2892 plaatsen weggevallen. Het totaal aantal weggevallen plaatsen ligt merkelijk hoger dan in 2011 ondanks het feit dat het aantal stoppende voorzieningen eind 2012 in vergelijking met eind 2011 lager ligt. Dit is te wijten aan het feit dat onder de stoppende voorzieningen voornamelijk zelfstandige kinderdagverblijven te tellen zijn met een hoge capaciteit.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

25


Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen 2011

2012

Kinderdagverblijven

0

0

Diensten voor onthaalouders

0

0

Lokale diensten voor buurt gerichte opvang (voor niet of deeltijds

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Lokale diensten voor buurt gerichte opvang (buitenschools)

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

0

0

1 212

1 696

Zelfstandige onthaalouders

854

724

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

387

472

-

0

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

2 453

2 892

Algemeen totaal

2 453

2 892

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

schoolgaande kinderen)

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven

Vakantieopvang

11. Aantal weggevallen plaatsen bij stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal weggevallen plaatsen bij stoppende opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2011 en 2012

Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen jonger dan 3 jaar20 In het Vlaamse Gewest zijn er 397,0 plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar beschikbaar. Het aantal plaatsen per 1000 kinderen is gestegen tegenover 2011. Ongeveer zes op tien plaatsen in de opvang van kinderen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan, worden gerealiseerd in de erkende sector, vier op tien in de zelfstandige sector. De toename van het aantal plaatsen per 1000 kinderen in vergelijking met vorig jaar situeert zich in de kinderdagverblijven (zowel erkende als zelfstandige). Zoals uit grafiek 14 kan worden opgemerkt, is het aantal plaatsen per 1000 kinderen jonger dan 3 jaar sinds 2007 in stijgende lijn.

Dit is verschillend van de Barcelonanorm die stelt dat voor 33% van de kinderen jonger dan 3 jaar een plaats in de formele kinderopvang moet worden voorzien. Dit betekent dat het aantal kinderen jonger dan 3 jaar dat gebruik maakt van formele kinderopvang voor kinderen tussen 0 en 3 jaar minstens 33% moet bedragen om de Barcelonanorm te behalen. Het aantal plaatsen per 1000 kinderen geeft enkel een zicht op het beschikbaar aanbod en niet over het gebruik van dit aanbod. 20

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

26


Opvangplaatsen per duizend kinderen jonger dan 3 jaar (1) 2011

2012

73,1

76,4

149,6

148,2

1,8

1,8

224,5

226,4

127,5

142,6

28,5

28,0

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

156,0

170,6

Algemeen totaal

380,5

397,0

Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders (2) Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders (2)

12. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat in de vermelde voorzieningen ook plaatsen beschikbaar zijn die door kinderen boven de 3 jaar kunnen worden ingevuld. Het is echter niet mogelijk te ramen hoeveel plaatsen voor buitenschoolse opvang gebruikt worden. Het aantal plaatsen in voorzieningen die exclusief buitenschoolse opvang aanbieden, werd niet in rekening gebracht. Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure21’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest. (2) Plaatsen die ingevuld kunnen worden door eigen kinderen onder de 6 jaar zijn inbegrepen.

13. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest

21

Wettelijke bevolking zoals geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand van de gemeenten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

27


14. Evolutie van het aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest.

Het totaal aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt van provincie tot provincie. In 2012 telt West-Vlaanderen relatief gezien het hoogste aantal en Limburg het laagste.

Het aantal erkende opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt eveneens in elke provincie, hoewel de verschillen kleiner zijn. Limburg telt verhoudingsgewijs het hoogste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen. De provincie Antwerpen telt het laagste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen.

Wat het aantal plaatsen per 1000 kinderen in de zelfstandige sector betreft, telt West-Vlaanderen veruit het hoogste aantal en Limburg het laagste. De verschillen tussen de provincies zijn groter in de zelfstandige sector dan in de erkende sector.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

28


Opvangplaatsen per 1000 kinderen jonger dan 3 jaar per provincie (1) Antwerpen

Vlaams-Brabant

West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Limburg

2011

2012

2011

2012

2011

2012

2011

2012

2011

2012

69,1

74,5

109,3

110,9

59,5

60,3

72,2

75,7

55,4

58,8

124,9

122,8

118,2

114,7

176,4

174,7

160,0

161,0

194,0

194,1

1,8

1,8

0,4

0,4

2,7

2,8

2,7

2,7

0,4

0,4

195,8

199,1

227,9

226,0

238,6

237,8

234,9

239,4

249,8

253,3

114,5

127,6

148,8

179,4

168,4

183,5

139,9

152,8

54,4

59,5

13,4

14,8

30,9

31,1

66,9

61,6

28,4

28,5

10,2

10,9

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

127,9

142,4

179,7

210,5

235,3

245,1

168,3

181,3

64,6

70,4

Algemeen totaal

323,7

341,5

407,6

436,5

473,9

482,9

403,2

420,7

314,4

323,7

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders (2) Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltiijds schoolgaande kinderen) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders (2)

15. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar per provincie in 2011 en 2012 (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat in de vermelde voorzieningen ook plaatsen beschikbaar zijn die door kinderen boven de 3 jaar kunnen worden ingevuld. Het is echter niet mogelijk te ramen hoeveel plaatsen voor buitenschoolse opvang gebruikt worden. Het aantal plaatsen in voorzieningen die exclusief buitenschoolse opvang aanbieden, werd niet in rekening gebracht. Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest. (2) Plaatsen die ingevuld kunnen worden door eigen kinderen onder de 6 jaar zijn inbegrepen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

29


3.

Evolutie van het aantal aangesloten onthaalouders

Het aantal onthaalouders dat aangesloten is bij een dienst is opnieuw gedaald (-3,0 %); eind 2012 zijn er in Vlaanderen minder dan 7000 onthaalouders aangesloten bij een dienst. Deze daling doet zich in elke provincie voor. Enkel in het Brussels Gewest is het aantal vrijwel stabiel gebleven.

Aangesloten onthaalouders per provincie 2011

2012

1 811

1 752

Vlaams-Brabant

840

810

Brussels Gewest

11

12

West-Vlaanderen

1 350

1 319

Oost-Vlaanderen

1 742

1 698

Limburg

1 251

1 206

Algemeen totaal

7 005

6 797

Antwerpen

16. Aantal onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders per provincie – situatie op 31/12

17. Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders – situatie op 31/1222

In april 2003 werd het sociaal statuut specifiek aangepast aan de werksituatie van de aangesloten onthaalouders, geïntroduceerd. 22

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

30


4.

Aanwezige kinderen (0-12jaar)

Aantal aanwezige kinderen Het cijfer van de aanwezige kinderen toont aan hoeveel verschillende kinderen er worden opgevangen binnen de beschikbare capaciteit23. Sinds 2004 worden de aanwezige kinderen geteld tijdens de week van 1 februari, naar analogie met de telling van de schoolpopulatie. Een beperkt aantal voorzieningen stuurde het registratieformulier niet terug, zodat het aantal ontbrekende kinderen voor die voorzieningen moest worden geraamd. Daarvoor werd per type de ratio berekend van het aantal aanwezige kinderen per plaats van de voorzieningen die de gegevens wel doorstuurden. Deze ratio werd dan toegepast op de ontbrekende capaciteit om het totaal aantal aanwezige kinderen in de voorzieningen die niets inleverden te ramen.

In de week van 1 februari 2012 waren in Vlaanderen in totaal 188.085 kinderen aanwezig in de opvang. Dat is 3,1% meer dan in 2011. Het aantal opgevangen kinderen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan, stijgt met 2,5%. Het aantal schoolgaande kinderen dat wordt opgevangen stijgt met 3,9%. De stijging van het aantal aanwezige kinderen is in verhouding net iets groter bij de voorzieningstypes die werken met een attest van toezicht.

Bijna driekwart van de kinderen wordt opgevangen in een erkende voorziening. Ruim de helft van het totaal aantal kinderen verblijft in 2012 in de opvang voor kinderen die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan. Deze verhoudingen zijn nagenoeg ongewijzigd gebleven tegenover 2011.

18. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2011 en in de week van 1 februari 2012 in Vlaanderen

De ratio aantal aanwezige kinderen per plaats in de opvangvoorzieningen voor kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan, bedraagt in 2012 1,29. In de buitenschoolse opvang noteren we een ratio van 2,18. Dit geeft in totaal een ratio van 1,55. Zowel in de opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen als in de buitenschoolse opvang is de ratio aantal aanwezige kinderen per plaats vrijwel stabiel gebleven in vergelijking met 2011. 23

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

31


Aanwezige kinderen Niet schoolgaand (1)

Schoolgaand

Totaal

2011

2012

2011

2012

2011

2012

22 400

23 139

117

197

22 517

23 336

537

507

490

534

1 027

1 041

34 468

34 139

6 520

6 895

40 988

41 034

14(2)

11

3 140

3 019

3 154

3 030

29(2)

202

64 784

67 941

64 813

68 143

57 448

57 998

75 051

78 586

132 499

136 584

36 978

39 257

1 203

1 385

38 181

40 642

Zelfstandige onthaalouders

6 718

6 417

866

778

7 584

7 195

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

94(2)

95

4 025

3 569

4 119

3 664

43 790

45 769

6 094

5 732

49 884

51 501

101 238

103 767

81 145

84 318

182 383

188 085

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Lokale diensten voor buurtgerichte opvang Diensten voor onthaalouders Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Totaal erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

19. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2011 en in de week van 1 februari 2012 in Vlaanderen (1) Kinderen die nog niet naar de kleuterschool gaan of kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan. (2) Het gaat hier om kinderen die slechts deeltijds naar de kleuterschool gaan en gedurende een bepaald dagdeel tijdens de schooluren in de opvangvoorziening worden opgevangen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

32


Gebruik van formele kinderopvang binnen Kind en Gezin24 De cijfers over het gebruik van formele opvang zijn gebaseerd op de registratie van de aanwezige kinderen in de week van 1 februari in alle formele kinderopvangvoorzieningen25 binnen Kind en Gezin in het Vlaamse Gewest. Het aantal aanwezige kinderen in de formele kinderopvang binnen Kind en Gezin onder de 3 jaar wordt afgezet tegen het totaal aantal kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest. Dit aantal wordt door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. We gebruiken de gegevens uit Mirage omdat de officiële bevolkingsstatistieken alleen de ‘de jure’-bevolking omvatten. De Miragedatabank daarentegen omvat nagenoeg alle kinderen die in het Vlaamse Gewest wonen. Een bijkomende reden is de late beschikbaarheid van de officiële bevolkingsstatistieken. Voor de kinderen van 3 tot 12 jaar is de Miragedatabank echter niet bruikbaar en werken we met de officiële bevolkingscijfers.

20. Kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen in het Vlaamse Gewest naar leeftijdsjaar – 2012 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 31/12/2012 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de Miragedatabank. (1) Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep

Het gebruik van formele kinderopvang ligt het hoogst bij kinderen van 1 tot 2 jaar: 58,8% van deze kinderen maakt gebruik van formele opvang. Van de kinderen van 2 maanden tot 12 maanden maakt 50,6% gebruik van formele opvang. Bij kinderen tussen 2 en 3 jaar loopt het gebruik terug tot 38,8%;

Formele opvang binnen Kind en Gezin = erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders, buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven, zelfstandige onthaalouders, zelfstandige buitenschoolse voorzieningen, zelfstandige kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang. 25 Met uitzondering van vakantieopvang. 24

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

33


deels gaat het hier al om opvang in een buitenschools opvanginitiatief. Vanaf de leeftijd van 3 jaar maakt hoogstens nog ongeveer 16,4% van de kinderen gebruik van formele opvang binnen Kind en Gezin.

Voor de leeftijdsgroep van 2,5 tot 3 jaar kan er zowel van kinderopvang als van het schoolsysteem gebruik gemaakt worden. Van de kinderen tussen 2 en 3 jaar was in de week van 1 februari 2012 55,2% ingeschreven in een kleuterschool. Nemen we dat samen met het cijfer van de formele opvang binnen Kind en Gezin, dan blijkt dat 94,0% van de kinderen van 2 tot 3 jaar één van beide systemen gebruikt26.

21. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin in het Vlaamse Gewest naar leeftijdsjaar – 2012 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen dat volgens de officiële bevolkingsstatistieken op 01/01/2012 in het Vlaamse Gewest woont, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Miragedatabank. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld.

Het gebruik van formele opvang bij kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in WestVlaanderen (61,2%). In de provincies Antwerpen (43,5%) en Limburg (44,7%) ligt het heel wat lager. De provincies Vlaams-Brabant (50,2%) en Oost-Vlaanderen (50,5%) bevinden zich hiertussen.

Het gebruik van de kleuterschool binnen de groep kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in Vlaams-Brabant (20,7%) en het laagst in West-Vlaanderen en Antwerpen (18,7%).

In grafiek 23 op de volgende pagina zien we dat in de leeftijdsgroep van 3 tot 6 jaar het gebruik van formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin het hoogst ligt in Limburg (22,2%) en 26

Kinderen in de overgangsfase tussen kinderopvang en kleuteronderwijs werden maar eenmaal geteld.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

34


West-Vlaanderen (20,5%). De provincie Oost-Vlaanderen (15,7%) neemt een middenpositie in. De provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant kennen binnen dit kader het laagste gebruik van formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin (13,6% en 13,2%). Bij kinderen van 6 tot 12 jaar ligt het gebruik het hoogst in de provincie Limburg (18,0%). De andere provincies schommelen tussen 9,0% en 11,6%.

22. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen naar provincie – 2012 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 31/12/2012 wonend in de betreffende provincies volgens de Miragedatabank. Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

35


23. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar provincie en leeftijdsklasse – 2012 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 1/1/2012 wonend in de betreffende provincie volgens de officiële bevolkingsstatistieken, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Mirageregistratie. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld.

Voor de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar is de onthaalouder aangesloten bij een dienst het meest gebruikte type van opvangvoorziening binnen Kind en Gezin. Bijna 18% van alle kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar wordt opgevangen bij een onthaalouder die aangesloten is bij een dienst. De zelfstandige groepsopvang vangt 16,3% van de kinderen op. Erkende kinderdagverblijven vangen 10,6% van de kinderen op.

De kinderen tussen 3 en 12 jaar worden, wat betreft de opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin, vooral opgevangen in opvangvoorzieningen met een erkenning met name in initiatieven voor buitenschoolse opvang of in buitenschoolse opvang in kinderdagverblijven of in lokale diensten voor buurtgerichte opvang.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

36


Kinderen onder de 3 jaar naar type opvangvoorziening of kleuterschool (1) Onthaalouder aangesloten bij een dienst

17,7

Kinderdagverblijf of lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet

10,6

of deeltijds schoolgaande kinderen) Zelfstandige groepsopvang (2)

16,3

Zelfstandige onthaalouder

3,0

IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (3) of lokale diensten

1,8

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Onderwijs

19,4

Totaal in formele opvang of kleuterschool

68,8

24. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar naar type formele opvangvoorziening binnen Kind en Gezin of kleuterschool in het Vlaamse Gewest- 2012 (percentage) (1) Percentage berekend op het aantal kinderen op 31/12/2012 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de Miragedatabank. Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep. (2) Zelfstandige kinderdagverblijven of zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen. (3) Dit is opvang in een kinderdagverblijf in aparte lokalen.

Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang naar type opvangvoorziening (1) Kinderen van 3 tot 6 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (2) of lokale diensten

13,2

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Kinderdagverblijf of onthaalouder aangesloten bij een dienst of lokale

1,9

diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Zelfstandige sector Totaal kinderen van 3 tot 6 jaar

1,2 16,3

Kinderen van 6 tot 12 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (2) of lokale diensten

9,8

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Onthaalouder aangesloten bij een dienst of lokale diensten voor

0,6

buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Zelfstandige sector Totaal kinderen van 6 tot 12 jaar

0,4 10,8

25. Kinderen in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar leeftijdscategorie en naar type opvangvoorziening in het Vlaamse Gewest - 2012 (percentage) (1) Percentage berekend op het aantal kinderen op 1/1/2012 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de officiële bevolkingsstatistieken, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Mirageregistratie. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld. (2) Dit is buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een erkend kinderdagverblijf.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

37


5.

Aantal verblijfsdagen

In de erkende kinderdagverblijven werden in 2012 meer dan 3,6 miljoen prestaties geleverd. Het totaal aantal verblijfsdagen is hiermee met 2,5% gestegen tegenover 2011. Het totaal aantal buitenschoolse verblijfsdagen is wel met 3,7% afgenomen. Bij de diensten voor onthaalouders werden in 2012 in totaal ruim 5,5 miljoen prestaties geleverd. Dit is evenwel een afname van 1,5% in vergelijking met 2011. Het gaat meer in het bijzonder om een afname van het aantal verblijfsdagen in de opvang van kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan (-1,8%).

Opvang van kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan, vindt nog altijd overwegend plaats tijdens volle dagen, zowel in kinderdagverblijven (87,2%) als bij diensten voor onthaalouders (86,2%). Het aandeel van halve dagen en 1/3-verblijfsdagen is zowel in de kinderdagverblijven als bij de diensten voor onthaalouders nagenoeg stabiel gebleven. In de buitenschoolse opvang is het aandeel van de volle dagen het grootst bij de kinderdagverblijven. Bij de diensten voor onthaalouders verloopt de buitenschoolse opvang eerder onder de vorm van volle en 1/3-verblijfsdagen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

38


Verblijfsdagen Kinderdagverblijven 2011

Diensten voor onthaalouders

2012

2011

2012

Voor opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen Volle verblijfsdagen

3.127.127

3.201.031

4.097.952

4.053.248

385.908

397.498

637.99

581.662

64.441

71.757

87.167

64.760

Aantal prestaties (3)

3.577.476 (100)

3.670.286 (102,6)

4.823.113 (100)

4.699.670 (97,4)

Aantal herleide prestaties (4)

3.341.561 (100)

3.423.699 (102,5)

4.446.005 (100)

4.365.666 (98,2)

Halve verblijfsdagen (1) 1/3-verblijfsdagen (2)

Voor opvang van schoolgaande kinderen (5) 17 522

16.473

307.556

335.208

Halve verblijfsdagen (1)

4 794

4.115

154.489

161.869

1/3-verblijfsdagen (2)

7 825

8.448

326.494

332.972

Aantal prestaties (3)

30 141 (100)

29.036 (96,3)

788.539 (100)

830.049 (105,3)

Aantal herleide prestaties (4)

22 527 (100)

21.347 (94,8)

493.632 (100)

527.133 (106,8)

3.607.617 (100)

3.699.322 (102,5)

5.611.652 (100)

5.529.719 (98,5)

3.364.089 (100)

3.445.046 (102,4)

4.939.637 (100)

4.892.799 (99,1)

Volle verblijfsdagen

Algemeen totaal aantal prestaties (3) Algemeen totaal aantal herleide prestaties (4)

26. Aantal verblijfsdagen in erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders in 2011 en 2012 (1) Verblijf tussen 3 en 5 uur (2) Verblijf van minder dan 3 uur (3) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, niet gewogen naargelang van de duur (4) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, gewogen naargelang van de duur (5) Voor erkende kinderdagverblijven: buitenschoolse opvang in eigen lokalen

In de initiatieven voor buitenschoolse opvang werden in 2012 meer dan 7,6 miljoen prestaties geleverd. Het aantal prestaties is hiermee met 8,3% gestegen tegenover 2011. Bij de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf werden iets meer dan 300 000 prestaties geleverd, wat 4,5% meer is dan in 2011.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

39


Verblijfsdagen 2011

2012

Meer dan 6 uur

813.604

860.878

Tussen 3 en 6 uur

791.019

813.221

5.429.671

5.941.828

7.034.294 (100)

7.615.927 (108,3)

Meer dan 6 uur

58 893

63 472

Tussen 3 en 6 uur

71 909

74 206

Minder dan 3 uur

181 926

189 221

Totaal aparte lokalen van kinderdagverblijven

312 728

326 899

(100)

(104,5)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Minder dan 3 uur Totaal initiatieven voor buitenschoolse opvang Aparte lokalen van kinderdagverblijven

27. Aantal verblijfsdagen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en in aparte lokalen van erkende kinderdagverblijven in 2011 en 2012

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

40


Hoofdstuk 3: Financiering van de kinderopvang vanuit de Vlaamse overheid27

1.

Erkende kinderdagverblijven

De werking van de erkende kinderdagverblijven wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid aan Kind en Gezin en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen. De subsidie die een erkend kinderdagverblijf van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

1.1.

Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Erkende kinderdagverblijven worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppesubsidiëring). Deze forfaitaire subsidie wordt berekend op basis van twee componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elk erkend kinderdagverblijf ontvangt per subsidiabele plaats het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van het personeel van 20 jaar. Per jaar dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt, met een maximum tot 40 jaar, ontvangt het kinderdagverblijf een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de bezetting. Elk kinderdagverblijf ontvangt per erkende plaats het basisbedrag dat geldt bij een bezetting van 75%. Per percent dat de bezetting hoger ligt, wordt het basisbedrag verhoogd met 0,75%. Per percent dat de bezetting lager ligt, wordt het basisbedrag verminderd met 1%. Daarnaast krijgen crèches sinds 1 januari 2004 een bijkomend forfaitair bedrag per plaats gebaseerd op hun subsidiabele capaciteit. Voor 2012 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op een uitgave van 199,868 miljoen euro.

Subsidie voor logistieke functie en directiefunctie Erkende kinderdagverblijven ontvangen naast deze forfaitaire subsidie ook een subsidie voor een logistieke functie en een directiefunctie. Deze laatste is alleen toegankelijk voor organiserende besturen met een capaciteit van minstens 50 plaatsen. In 2012 bedroeg de logistieke subsidie 7,108 miljoen euro en de directiesubsidie 6,512 miljoen euro.

Subsidie voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen Erkende kinderdagverblijven met een toestemming tot het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen, ontvangen hiervoor een bijkomende forfaitaire subsidie. In 2012 bedroeg deze subsidie 27 565,32 euro voor 14 plaatsen. Rekening houdend met de bedragen die daarnaast nog werden uitbetaald in het kader van het Generatiepact28 en voor de opvang van kinderen met een specifieke Alle financiële gegevens hebben betrekking op het subsidiejaar 2012 (vergelijkingen gebeuren met het subsidiejaar 2011). 28 Het Generatiepact wil de tewerkstelling realiseren van laaggeschoolde jongeren in de social profit sector. De Vlaamse regering heeft er in samenspraak met de sociale partners voor gekozen om de middelen in te zetten in drie deelprojecten: buitenschoolse kinderopvang, dagverzorgingscentra en deeltijds leren. 27

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

41


zorgbehoefte, komt het totale budget besteed aan buitenschoolse opvang in aparte lokalen op 2,492 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Erkende kinderdagverblijven kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderdagverblijven met een structureel aanbod en kinderdagverblijven die ingaan op individuele vragen.

Door

de

wijziging

van

het

ministerieel

besluit29

wordt

vanaf

2010

aan

erkende

kinderdagverblijven met een structureel aanbod nog enkel een bedrag per plaats uitbetaald. Dit bedrag per plaats bedroeg in 2012 4063,99 euro. Voor 2012 werd een totaal budget van 0,471 miljoen euro besteed aan structurele plaatsen in kinderdagverblijven. Voor kinderdagverblijven die ingaan op individuele vragen bedraagt de financiële ondersteuning 9,34 euro per dag en per opgevangen kind. In 2012 werd hieraan 0,095 miljoen euro besteed.

Subsidie voor gewezen DAC-personeelsleden Op 1 januari 2001 werden ook in de kinderopvang de DAC-personeelsleden geregulariseerd. Kind en Gezin nam de subsidiëring van deze personeelsleden over. Als tegemoetkoming in de loonkosten geeft Kind en Gezin een forfaitaire subsidie per voltijds equivalent tewerkgesteld personeelslid in het gewezen DAC-statuut. Deze subsidie wordt gegeven tot het personeelslid in het gesubsidieerde kader wordt opgenomen of tot hij of zij uit dienst treedt. Voor 2012 gaat het om een subsidiestroom van 3,609 miljoen euro voor 78,35 voltijdse equivalenten.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel (het VIA akkoord 2005-2010). De bijkomende middelen ten gevolge van dit akkoord voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). De middelen voor de werkdrukvermindering voor de voorzieningen van lokale besturen werden over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten verdeeld en voor voorzieningen van private initiatieven werden deze middelen verdeeld over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. Ook deze middelen zijn reeds in de bedragen opgenomen onder de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). Daarnaast werd ook personeel uitbetaald d.m.v. de VIA-subsidies Sociale Maribel en Gesco. In het kader van de VIA-subsidie Sociale Maribel (2005-2010) werd 753,19 euro per voltijds equivalent betaald voor 151,39 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een besteed bedrag van 0,114 miljoen euro in 2012. In het kader van de VIA-subsidie Gesco werd 1314,62 euro per voltijds equivalent betaald voor 47,94 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een besteed bedrag van 0,063 miljoen euro in 2012.

Het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen werd gewijzigd begin 2010. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2009. Voor erkende kinderdagverblijven houdt deze wijziging in dat het bedrag per dag en per opgevangen kind vervalt en geïncorporeerd wordt in het bedrag per plaats. 29

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

42


In 2012 kreeg een nieuw VIA akkoord (VIA 4) zijn uitvoering. Het nieuw akkoord behelst een aantal intersectorale maatregelen zoals managementondersteuning en een eindejaarspremie en voor initiatieven voor buitenschoolse opvang en diensten voor onthaalouders een aantal sectorale maatregelen (extra middelen werkdrukvermindering en aanleg pensioenfonds onthaalouders). Dit VIA akkoord heeft, met uitzondering van bepaalde sectorale maatregelen, enkel betrekking op private organisatoren van opvanginitiatieven. Voor de erkende kinderdagverblijven betekende dit nieuwe VIA akkoord in 2012 een extra financiële injectie van 0,522 mio euro. Ook voor Gesco en Sociale Maribel personeel zijn er binnen dit nieuw akkoord extra middelen voorzien. In de kinderdagverblijven werd voor het Sociaal Maribel personeel 153,86 euro per VTE voorzien. Voor 151,39 VTE’s betekent dit 0,023 mio euro in 2012. Voor Gesco bedroeg het bedrag in 2012 169,12 euro per VTE. Voor 47,94 VTE’s betekent dit bijgevolg 8 107,61 euro.

Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen in 2012 een aantal erkende kinderdagverblijven middelen toegekend voor flexibele urenpakketten (2,212 miljoen euro), ploegplaatsen (0,084 miljoen euro), occasionele plaatsen (2,942 miljoen euro), een erkenning als gemandateerde voorziening (1,108 miljoen euro) of voor een toestemming als lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (4,735 miljoen euro).

Eenmalige subsidies voor automatisering en informatisering De Vlaamse overheid wil informatisering en de elektronische uitwisseling van gegevens in de welzijnssector stimuleren, ook in de kinderopvang. Elke opvang zal bijgevolg een basisuitrusting nodig hebben zoals een computer, printer, internet. Ter ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen bij deze investering, werd in 2012 aan de erkende kinderdagverblijven een bedrag van 0,555 mio euro uitgekeerd. Dit komt neer op een bedrag van 30 euro per plaats.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

43


Erkende kinderdagverblijven - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2011

2012(1)

188,796

199,868

Subsidie logistieke functie

6,718

7,108

Subsidie directiefunctie

5,921

6,512

Subsidie buitenschoolse opvang in aparte lokalen

2,355

2,492

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,549

0,566

Subsidie gewezen DAC-personeel

3,511

3,609

VIA-subsidie Sociale Maribel (totaal)

0,041

0,137

VIA-subsidie Gesco (totaal)

0,050

0,071

-

0,522

Subsidie urenpakketten (2)

2,145

2,212

Subsidie ploegplaatsen (2)

0,110

0,084

Subsidie occasionele plaatsen (2)

2,924

2,942

Subsidie gemandateerde voorziening (2)

1,064

1,108

Subsidie lokale diensten (2)

4,450

4,735

-

0,555

218,634

232,521

(100,0)

(106,4)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

VIA 4

Subsidie voor automatisering en informatisering Algemeen totaal

28. Overzicht van de subsidies aan erkende kinderdagverblijven in 2011 en 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

1.2.

Inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen

Erkende kinderdagverblijven innen de financiële bijdrage van de gezinnen. Deze variëren naargelang het inkomen van de ouders. De inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en worden verrekend met het geheel van de subsidies. Dit betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige gevolgen heeft voor het werkingsbudget. De geïnde financiële bijdrage van de gezinnen voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen blijft echter bij de kinderdagverblijven.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

44


Erkende kinderdagverblijven – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdrage van de gezinnen in miljoen euro (1)

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdrage van de gezinnen

Algemeen totaal

2011

2012(2)

172,393

185,023

(78,9%)

(79,6%)

46,241

47,498

(21,1%)

(20,4%)

218,634

232,521

(100,0)

(105,80)

29. Erkende kinderdagverblijven: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdrage van de gezinnen in miljoen euro (1) Niet inbegrepen: financiële bijdrage van de gezinnen in buitenschoolse opvang in aparte lokalen (2) Voorlopige cijfers

1.3.

Wat betalen gezinnen gemiddeld?

In erkende kinderdagverblijven betalen de gezinnen een bijdrage per dag die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen. De berekende bijdrage is een dagbedrag voor een aanwezigheid voor 5 uur of meer. Bij een aanwezigheid van minder dan 3 uur wordt 40% van het basisbedrag aangerekend en voor een verblijf tussen 3 en 5 uur wordt 60% van het basisbedrag aangerekend. In 2012 betaalden gezinnen gemiddeld 13,94 euro per dag in een crèche en 8,60 euro in een peutertuin. Deze bedragen zijn vrijwel stabiel gebleven in vergelijking met 2011. Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen sinds 2002, verwijzen we naar grafiek 34.

Erkende kinderdagverblijven - Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen

Crèches Peutertuinen Erkende

kinderdagverblijven

(gemiddelde

over

crèches

en

2011

2012(1)

13,90

13,94

8,55

8,60

13,78

13,83

peutertuinen) 30. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in erkende kinderdagverblijven (crèches en peutertuinen) in euro (1) Voorlopige cijfers

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

45


2.

Diensten voor onthaalouders

De werking van de diensten voor onthaalouders wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen. De subsidie die een dienst van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

2.1.

Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Diensten voor onthaalouders worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppesubsidiëring). De forfaitaire subsidie wordt berekend op basis van twee componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elke dienst ontvangt per erkende plaats een basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van 23 jaar. Per jaar dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt dan 23 jaar, met een maximum tot 37 jaar, ontvangt de dienst een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de prestaties en bestaat uit een forfaitair subsidiebedrag per kind/onthaalouderdossier, aangevuld met een forfaitair basisbedrag per erkende plaats. Voor 2012 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op 23,830 miljoen euro.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel. De bijkomende middelen ten gevolge van dit akkoord voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). In 2012 kreeg een nieuw VIA akkoord (VIA 4) zijn uitvoering. Het nieuw akkoord behelst een aantal intersectorale maatregelen zoals managementondersteuning en een eindejaarspremie. Specifiek voor de diensten voor onthaalouders betrof dit akkoord ook een aantal sectorale maatregelen (extra middelen werkdrukvermindering,

middelen

voor

verhoging

van

het

barema

en

aanleg

pensioenfonds

onthaalouders). Dit VIA akkoord heeft, met uitzondering van bepaalde sectorale maatregelen, enkel betrekking op private organisatoren van opvanginitiatieven. De VIA middelen voor managementondersteuning en de eindejaarspremie voor de private organisatoren van diensten voor onthaalouders zijn opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). Ook de sectorale middelen (voor openbare en private organisatoren) werden in de enveloppesubsidie vertaald. Meer in het bijzonder hebben deze middelen betrekking op een verhoging van het barema. Dit impliceert een tegemoetkoming van 850 euro per VTE als valorisatie van de coördinatoren bij de diensten voor opvanggezinnen. De middelen voor de werkdrukvermindering voor de voorzieningen van lokale besturen werden over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten verdeeld. Voor de private organisatoren werden deze middelen verdeeld over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

46


Deze middelen zijn eveneens opgenomen in de bedragen van de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidie). Voor de diensten voor onthaalouders betekende dit nieuwe VIA akkoord in 2012 een extra financiële injectie van 0,046 mio euro. Tot slot werd personeel uitbetaald door de VIA-subsidie Sociale Maribel. Er werd 753,19 euro (VIA 2006) en 153,86 euro (VIA 2012) per voltijds equivalent betaald voor 7,14 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een totaal besteed bedrag van 0,006 miljoen euro in 2012.

Subsidie voor het vergoeden van de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders De diensten voor onthaalouders ontvangen naast de forfaitaire subsidie een vergoeding voor de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders. In 2012 bedroeg de kostenvergoeding 18,90 euro per dag per kind. Deze kostenvergoeding staat in verhouding tot de opvangduur, meer bepaald 40% voor een verblijf van minder dan 3 uur, 60% voor een verblijf van 3 uur tot minder dan 5 uur en 100% voor een verblijf vanaf 5 uur. Voor 2012 kwam dit neer op een totale uitgave van 94,213 miljoen euro.

Subsidie in het kader van het sociaalrechtelijk statuut van de aangesloten onthaalouders Daarnaast is er de subsidie in het kader van het eigen sociaalrechtelijk statuut dat aangesloten onthaalouders sinds 1 april 2003 hebben. Hierdoor zijn de onthaalouders verzekerd tegen arbeidsongevallen. Deze arbeidsongevallenverzekering komt in 2012 voor Kind en Gezin neer op een totale uitgave van 0,579 miljoen euro (84,87 euro per onthaalouder). Het sociaal statuut betekent eveneens dat Kind en Gezin een kostendekkende subsidiëring verleent voor de werkgevers- en de werknemersbijdragen. In 2012 bedroeg die 12,950 miljoen euro.

Subsidie voor samenwerking met andere diensten voor onthaalouders Diensten voor onthaalouders die samenwerken met andere diensten in een samenwerkingspool, kunnen hiervoor een subsidie krijgen. De voorwaarden zijn dat het samenwerkingsverband een minimale grootte heeft van 800 erkende plaatsen en dat het samenwerkingsverband een medewerker heeft die minstens halftijds uitsluitend werkt voor dit samenwerkingsverband. De samenwerkende diensten bepalen zelf welke opdrachten de samenwerking op zich neemt. De subsidie bedroeg in 2012 25,83 euro per plaats. In 2012 werd hiervoor een totaal budget van 0,822 miljoen euro vrijgemaakt.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Aangesloten onthaalouders kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze hiervoor bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag en per opgevangen kind. In 2012 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2012 besteed werd, bedroeg 0,285 miljoen euro.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

47


Ten gevolge van het gewijzigd ministerieel besluit30 werd in 2012, ook 0,349 mio euro betaald aan structurele plaatsen in diensten voor onthaalouders.

Subsidie voor het toekennen van een eenmalige vergoeding voor installatiekosten Onthaalouders die zich voor het eerst aansluiten bij een dienst, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. Deze vergoeding bedroeg in 2012 430,05 euro. 543 onthaalouders die in 2012 van start gingen, kregen deze vergoeding. Budgettair komt dit neer op een bedrag van 0,233 miljoen euro.

Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen een aantal aangesloten onthaalouders en hun diensten een vergoeding toegekend voor flexibele opvang. Het regelgevend kader hiervoor is in werking getreden op 1 juli 2007. Het hiervoor bestede bedrag in 2012 komt neer op 1,407 miljoen euro.

Eenmalige subsidies voor automatisering en informatisering De Vlaamse overheid wil informatisering en de elektronische uitwisseling van gegevens in de welzijnssector stimuleren, ook in de kinderopvang. Elke opvang zal bijgevolg een basisuitrusting nodig hebben zoals een computer, printer, internet. Ter ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen bij deze investering, werd in 2012 aan de diensten voor onthaalouders een bedrag van 0,946 mio euro uitgekeerd. Dit komt neer op een bedrag van 30 euro per plaats.

Het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiĂŤle ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen werd gewijzigd begin 2010. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2009. Het besluit bepaalt dat ook diensten voor onthaalouders zich kandidaat kunnen stellen voor structurele plaatsen. 30

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

48


Diensten voor onthaalouders - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2011

2012(1)

23,168

23,830

0,004

0,006

-

0,046

92,449

94,213

0,596

0,579

12,015

12,950

Samenwerking in pool

0,799

0,822

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,588

0,634

Vergoeding installatiekosten

0,257

0,233

Flexibele prestaties (3)

1,379

1,407

-

0,946

131,255

135,666

(100,0)

(103,4)

Forfaitaire subsidie basisaanbod VIA-subsidie Sociale Maribel (totaal) VIA4 Subsidie vergoeding opvangprestaties onthaalouders Arbeidsongevallenverzekering (2) Werkgevers- en werknemersbijdrage (2)

Subsidie voor automatisering en informatisering Algemeen totaal

31. Overzicht van de subsidies aan diensten voor onthaalouders in 2011 en 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) In het kader van het sociaal statuut van aangesloten onthaalouders (3) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

2.2.

Inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen

Diensten voor onthaalouders innen de financiële bijdrage van de gezinnen, die variëren naargelang het inkomen van de ouders. Deze inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en worden verrekend met het geheel van de subsidies. Dit betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige gevolgen heeft voor het werkingsbudget.

Diensten voor onthaalouders – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdrage van de gezinnen in miljoen euro

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Algemeen totaal

2011

2012(1)

67,642

72,473

(51,5%)

(53,4%)

63,613

63,193

(48,5%)

(46,6%)

131,255

135,666

(100,0)

(103,4)

32. Diensten voor onthaalouders: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdrage van de gezinnen in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

49


2.3. Wat betalen gezinnen gemiddeld?

Bij de diensten voor onthaalouders betalen gezinnen een bijdrage per dag die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen. De berekende bijdrage is een dagbedrag voor een aanwezigheid voor 5 uur of meer. Bij een aanwezigheid van minder dan 3 uur wordt 40% van het basisbedrag aangerekend en voor een verblijf tussen 3 en 5 uur wordt 60% van het basisbedrag aangerekend.

In 2012 betaalden gezinnen in een dienst gemiddeld 12,93 euro per dag. Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen sinds 2002, verwijzen we naar grafiek 34.

Diensten voor onthaalouders - Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen

Diensten voor onthaalouders

2011

2012(1)

12,88

12,93

33. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in diensten voor onthaalouders in euro (1) Voorlopige cijfers

34. Evolutie van de gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in de erkende kinderdagverblijven en in de diensten voor onthaalouders in euro

3.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

De werking van de initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt door verschillende instanties gefinancierd. De personeelskosten voor de begeleiders worden voor een deel gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. Voor de personeelskosten van de coördinator, de opleg van de personeelskosten van de begeleiders en de werkingskosten wordt er in

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

50


een subsidie voorzien door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) of door Kind en Gezin. Sommige initiatieven worden zowel door Kind en Gezin als door het FCUD 31 gesubsidieerd. Hierbij komen vanaf 2010 nog de middelen bij die door Kind en Gezin ter beschikking werden gesteld in het kader van het Generatiepact32. De subsidie die een initiatief voor buitenschoolse opvang van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

3.1. Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod De subsidie van Kind en Gezin is een forfaitair bedrag per erkende plaats. Voor de berekening ervan wordt uitgegaan van de gemiddelde kosten voor drie componenten: de werking, de opleg voor de Weerwerk-gesco’s en het loon van de coördinator. Zo komt de subsidie voor 2012 neer op 2400,51 euro per plaats voor de eerste 21 plaatsen, 1597,75 euro per extra plaats vanaf 22 plaatsen en 1412,50 euro per extra plaats vanaf 232 plaatsen. In 2012 werden 185 voorzieningen gesubsidieerd door Kind en Gezin, wat overeenkomt met een uitgave van 11,981 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen initiatieven met een structureel aanbod en initiatieven die ingaan op individuele vragen. Door de wijziging van het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte werd na 13 mei 2009 het bedrag per plaats opgetrokken tot 4063,99 euro. De individuele dagvergoeding per kind viel weg. De ondersteuning voor het structureel aanbod kwam in 2012 neer op een totaal besteed budget van 0,376 miljoen euro. Voor initiatieven die ingaan op individuele vragen bedraagt de financiële ondersteuning 9,34 euro per dag en per opgevangen kind. Voor 2012 werd een totaal budget van 0,089 miljoen euro besteed.

Subsidie voor de opvang van kinderen uit achtergestelde gebieden Als minstens 33% van de ingeschreven kinderen afkomstig is uit een achtergesteld gebied in Vlaanderen of in het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, kunnen de initiatieven een bijkomende vergoeding ontvangen per erkende plaats in de betreffende vestigingsplaatsen. In 2012 bedroeg deze vergoeding op jaarbasis 97,27 euro per erkende plaats. Dit kwam neer op een totale uitgave van 0,045 miljoen euro.

Sinds midden 2000 subsidieert het FCUD geen nieuwe erkenningen meer. Vanaf 2001 kunnen initiatieven voor buitenschoolse opvang die niet meer door het FCUD kunnen worden gefinancierd, in aanmerking komen voor subsidiëring door Kind en Gezin. Voorzieningen die na 2000 een uitbreiding kregen, worden dus deels door het FCUD en deels door Kind en Gezin gesubsidieerd. 32 Het Generatiepact wil de tewerkstelling realiseren van laaggeschoolde jongeren in de social profit sector. De Vlaamse Regering heeft er in samenspraak met de sociale partners voor gekozen om de middelen in te zetten in drie deelprojecten: buitenschoolse kinderopvang, dagverzorgingscentra en deeltijds leren. 31

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

51


Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod. De middelen voor de werkdrukvermindering werden op verschillende manieren verdeeld. De openbare initiatieven krijgen per plaats een fractie (0,04) van het voorziene subsidiebedrag voor werkdrukvermindering per VTE. De private initiatieven ontvangen een bepaald subsidiebedrag voor elke kindbegeleider en coördinator die aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet. Deze middelen zijn opgenomen in de bedragen voor de subsidie van het basisaanbod. In 2012 kreeg een nieuw VIA akkoord (VIA 4) zijn uitvoering. Het nieuw akkoord behelst een aantal intersectorale maatregelen zoals managementondersteuning en een eindejaarspremie. Specifiek voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang betrof dit akkoord ook een aantal sectorale maatregelen (extra middelen werkdrukvermindering en een verhoging van het barema voor de coördinatoren van initiatieven voor buitenschoolse opvang). Dit VIA akkoord heeft, met uitzondering van bepaalde sectorale maatregelen, enkel betrekking op private organisatoren van opvanginitiatieven. De middelen uit dit nieuwe akkoord voor management en eindejaarspremie, werden vertaald in de forfaitaire subsidiebedragen, maar wel enkel voor de private initiatieven. De sectorale middelen inzake de verhoging van het barema werden verdeeld over de (openbare en private) subsidiebedragen. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang betekende dit nieuwe VIA akkoord in 2012 een extra financiële injectie van 0,060 mio euro. Dit bedrag omvat de intersectorale maatregelen en de sectorale maatregelen. Daarnaast werd personeel uitbetaald door de VIA-subsidies Sociale Maribel en Gesco. In het kader van de VIA-subsidie Sociale Maribel werd in 2012 een bedrag besteed van 0,015 miljoen euro terwijl in het kader van de VIA-subsidie Gesco 1,666 miljoen euro werd uitbetaald. Voor het eerst kreeg ook het FCUD personeel middelen uit een Vlaams Intersectoraal Akkoord. Deze VIA4 subsidie bedroeg in 2012 0,108 mio euro. Op basis van rekenregels werd een FCUD capaciteit bepaald zodat deze middelen uitbetaald konden worden.

Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen een aantal initiatieven voor buitenschoolse opvang middelen toegekend voor flexibele urenpakketten (0,608 miljoen euro), occasionele plaatsen (0,187 miljoen euro), een erkenning als gemandateerde voorziening (0,547 miljoen euro) of voor een toestemming als lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (1,938 miljoen euro).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

52


Subsidies in het kader van het Generatiepact Het Generatiepact heeft als doel om laaggeschoolde, bij voorkeur, allochtone jongeren (< 30 jaar) aan het werk te helpen. In 2012 is 0,674 mio euro uitbetaald aan omkaderingspremie.

Eenmalige subsidies voor automatisering en informatisering De Vlaamse overheid wil informatisering en de elektronische uitwisseling van gegevens in de welzijnssector stimuleren, ook in de kinderopvang. Elke opvang zal bijgevolg een basisuitrusting nodig hebben zoals een computer, printer, internet. Ter ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen bij deze investering, werd in 2012 aan de initiatieven voor buitenschoolse opvang een bedrag van 0,770 mio euro uitgekeerd. Dit komt neer op een bedrag van 30 euro per plaats.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2011

2012(1)

10,921

11,981

VIA-subsidie Sociale Maribel

0,007

0,015

VIA-subsidie Gesco

1,281

1,666

-

0,060

Subsidie inclusieve opvang

0,489

0,465

Subsidie voor de opvang van kinderen uit achtergestelde gebieden

0,056

0,045

Subsidie urenpakketten (2)

0,591

0,608

Subsidie occasionele plaatsen (2)

0,207

0,187

Subsidie gemandateerde voorziening (2)

0,532

0,547

Subsidie lokale diensten (2)

1,864

1,938

Generatiepact

0,661

0,674

-

0,770

16,609

19,064

(100)

(114,8)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

VIA 4 Subsidie VIA4 FCUD

Subsidie voor automatisering en informatisering Algemeen totaal

0,108

35. Overzicht van de subsidies aan initiatieven voor buitenschoolse opvang in 2011 en 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

3.2. Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

Initiatieven voor buitenschoolse opvang innen de financiële bijdrage van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van deze inkomsten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

53


3.3. Wat betalen ouders?

De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen van het gezin. In de regelgeving zijn er wel minima en maxima vastgelegd. Eind 2012 waren de volgende bedragen van kracht: -

voor opvang vóór en na schooltijd bedraagt de bijdrage minstens 0,76 euro per begonnen halfuur;

-

op schoolvrije dagen en vakantiedagen geldt een bijdrage van minimaal 8,43 euro en maximaal 13,80 euro voor een verblijf van een volle dag (vanaf 6 uur), van minimaal 4,24 euro en maximaal 6,90 euro voor een verblijf van een halve dag (van 3 tot 6 uur) en van minimaal 2,83 euro en maximaal 4,59 euro voor een verblijf van minder dan 3 uur;

-

op woensdagnamiddag hebben de initiatieven de keuze tussen één van de twee bovenvermelde systemen.

4.

Zelfstandige opvangvoorzieningen

Zelfstandige opvangvoorzieningen met een attest van toezicht kunnen van Kind en Gezin verschillende financiële tegemoetkomingen krijgen.

4.1. Overzicht van de verschillende financiële tegemoetkomingen vanuit Kind en Gezin

Financiële ondersteuning van de werking In 2012 kregen zelfstandige opvangvoorzieningen (groepsopvang) een financiële ondersteuning van 578,99 euro per plaats op jaarbasis als ze voldeden aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben betrekking op de kwalificatie van de verantwoordelijke, de minimaal te behalen score op het Kwaliteitsinstrument voor Particuliere Opvanginstellingen (KWAPOI33) en het minimaal te verstrekken opvangaanbod. In 2012 kwam dit neer op een besteed budget van 13,269 miljoen euro voor de zelfstandige kinderdagverblijven en van 0,509 miljoen euro voor de zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen.

De KWAPOI is een instrument om de pedagogische kwaliteit in zelfstandige kinderdagverblijven en buitenschoolse opvangvoorzieningen te meten en te verbeteren. KWAPOI wordt gebruikt door Zorginspectie. 33

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

54


Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord Met de middelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord werd personeel uitbetaald door de VIAsubsidies Sociale Maribel en Gesco in zelfstandige kinderdagverblijven. In 2012 werd in het kader van de VIA-subsidie Gesco een bedrag van 0,012 miljoen euro besteed.

Eenmalige vergoeding voor installatiekosten (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Onthaalouders die voor het eerst starten met een zelfstandige opvangactiviteit met een attest van toezicht van Kind en Gezin, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. In 2012 bedroeg deze vergoeding 430,05 euro. In totaal werd binnen dit kader 0,019 miljoen euro uitbetaald.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Zelfstandige

onthaalouders,

zelfstandige

kinderdagverblijven

en

zelfstandige

buitenschoolse

opvangvoorzieningen kunnen een vergoeding krijgen voor de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2012 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2012 besteed werd, bedroeg 0,115 mio euro.

Verzekering tegen persoonlijke ongevallen (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Kind en Gezin verzekert sinds 1 januari 2002 de zelfstandige onthaalouders met een attest van toezicht voor persoonlijke ongevallen in de kinderopvang. In 2012 betekende dit voor Kind en Gezin een uitgave van 21 054 euro.

FinanciĂŤle ondersteuning voor flexibel opvangaanbod De zelfstandige groepsopvang kan ook een financiĂŤle ondersteuning krijgen voor een flexibel opvangaanbod. In 2012 bedroeg het totaalbedrag voor de zelfstandige kinderdagverblijven 0,627 miljoen euro. Voor de zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen ging het om een bedrag van 0,023 miljoen euro.

Eenmalige subsidies voor automatisering en informatisering De Vlaamse overheid wil informatisering en de elektronische uitwisseling van gegevens in de welzijnssector stimuleren, ook in de kinderopvang. Elke opvang zal bijgevolg een basisuitrusting nodig hebben zoals een computer, printer, internet. Ter ondersteuning van kinderopvangvoorzieningen bij deze investering, werd in 2012 aan de zelfstandige opvangvoorzieningen een bedrag van 0,707 mio euro uitgekeerd. Dit komt neer op een bedrag van 30 euro per plaats.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

55


Zelfstandige opvangvoorzieningen - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2011

2012(1)

11,336

13,778

VIA-subsidie Gesco

0,009

0,012

Eénmalige vergoeding voor installatiekosten (ZOO)

0,019

0,019

Subsidie inclusieve opvang

0,141

0,115

Financiële ondersteuning flexibel opvangaanbod (groepsopvang)

0,576

0,650

Terugbetaling inschrijvingsgeld bepaalde opleidingen

0,002

-

Verzekering persoonlijke ongevallen (ZOO)

0,024

0,021

-

0,707

12,107

15,302

(100,0)

(126,4)

Financiële ondersteuning van de werking (groepsopvang)

Subsidie voor automatisering en informatisering Algemeen totaal

36. Overzicht van de subsidies aan zelfstandige opvangvoorzieningen met een attest van toezicht in 2011 en 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

4.2. Overzicht van de financiële tegemoetkoming vanuit Kind en Gezin voor de zelfstandige opvangvoorzieningen die met het inkomensgerelateerd systeem (IKG) werken.

Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) in zelfstandige kinderdagverblijven en bij zelfstandige onthaalouders. IKG kan enkel voor kinderen die in deze voorzieningstypes opgevangen worden en die nog niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan. Het inkomensgerelateerd

systeem

werd

niet

geïntroduceerd

in

de

zelfstandige

buitenschoolse

opvangvoorzieningen. Zelfstandige kinderdagverblijven en onthaalouders konden tot in het najaar van 2010 vrijwillig in het IKG-systeem stappen. Na 2010 werden de IKG-plaatsen geprogrammeerd. Als de voorziening werkt met het inkomensgerelateerd systeem, dan betalen de ouders in die voorzieningen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. Kind en Gezin vult het verschil tussen de bijdrage van het gezin aan tot een gegarandeerde dagprijs. Deze bedraagt in 2012 voor de zelfstandige kinderdagverblijven 29,77 euro en voor de zelfstandige onthaalouders 17,88 euro. Deze bedragen werden op 1 september 2012 geïndexeerd en bedroegen vanaf dan 30,42 euro voor de zelfstandige kinderdagverblijven en 18,27 euro voor de zelfstandige onthaalouders. De voorziening die werkt met het IKG-systeem krijgt maandelijks ook nog een vast bedrag ter compensatie van de afwezigheid van zieke kinderen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

56


De volgende tabel geeft een overzicht van de bedragen die Kind en Gezin in dit kader heeft uitbetaald in 2012.

Zelfstandige opvang met inkomensgerelateerd systeem – subsidies Kind en Gezin in miljoen euro

Zelfstandige kinderverblijven Zelfstandige onthaalouders Algemeen totaal

2011

2012(1)

62,404

75,859

0,447

0,466

62,851

76,325

(100,0)

(121,4)

37. Overzicht van de subsidies aan de zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders (met een attest van toezicht) met inkomensgerelateerd systeem in 2011 en in 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

4.3. Inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen

De financiële bijdrage van de gezinnen vormen de belangrijkste bron van inkomsten voor de zelfstandige voorzieningen die niet werken met het inkomensgerelateerd systeem. Kind en Gezin heeft voor wat deze voorzieningen betreft geen zicht op de omvang van de inkomsten komende uit de financiële bijdrage van de gezinnen.

Kind en Gezin beschikt wel over deze informatie voor wat de zelfstandige opvangvoorzieningen (kinderdagverblijven en onthaalouders) betreft die werken met het inkomensgerelateerd systeem. Deze voorzieningen kunnen zelf instaan voor de facturatie van de financiële bijdrage van het gezin of kunnen kiezen voor een facturatie door een debiteurbeheerder aangesteld door Kind en Gezin. In totaal hebben de zelfstandige voorzieningen met IKG in 2012 de volgende sommen geïnd:

Zelfstandige opvang met inkomensgerelateerd systeem – verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdrage van de gezinnen in miljoen euro

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Algemeen totaal

2011

2012(1)

31,812

42,459

(50,6%)

(55,6%)

31,039

33,866

(49,4%)

(44,4%)

62,851

76,325

(100,0)

(121,4)

38. Zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders (met attest van toezicht) met inkomensgerelateerd systeem: overzicht van de verhouding subsidies van Kind en Gezin en de geïnde financiële bijdragen in 2011 en in 2012 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

57


4.4. Wat betalen gezinnen?

De zelfstandige opvangvoorzieningen die niet werken met het inkomensgerelateerd systeem, bepalen zelf hoeveel de gezinnen moeten betalen. Kind en Gezin heeft geen zicht op de hoogte van de financiële bijdrage van de gezinnen in deze zelfstandige opvangvoorzieningen.

In 2012 betaalden gezinnen gemiddeld per dag een bijdrage van 12,83 euro in de zelfstandige opvang die werkt met het inkomensgerelateerd systeem.

5. Lokale diensten voor buurtgerichte opvang

5.1. Subsidie voor de opvangwerking vanuit Kind en Gezin

De lokale diensten voor buurtgerichte opvang krijgen een forfaitaire subsidie en een aanvullende subsidiëring ter ondersteuning van hun werking met doelgroepwerknemers. In de lokale diensten voor buurtgerichte opvang voor kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan, bedroeg de forfaitaire subsidie die werd uitbetaald in 2012, 4,363 mio euro. Ter ondersteuning van het werken met doelgroepwerknemers, kregen deze lokale diensten in 2012 in totaal 0,298 mio euro. De buitenschoolse lokale diensten voor buurtgerichte opvang ontvingen in 2012 een basissubsidie van 1,781 mio euro. Voor de ondersteuning van de werking met doelgroepwerknemers bedroeg het totaalbedrag 0,118 mio euro. De

lokale

diensten

voor

buurtgerichte

opvang

in

Brussel,

ontvingen

bijkomend

nog

een

omkaderingspremie van in totaal 13 216,12 euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Lokale diensten voor buurtgerichte opvang kunnen een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2012 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2012 besteed werd, bedroeg 2335 euro.

5.2. Inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen Lokale diensten voor buurtgerichte buitenschoolse opvang innen de financiële bijdragen van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken.

Voor de lokale diensten voor buurtgerichte opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen kwam er in 2009 een wijziging van de regelgeving waardoor ook hier een financiële bijdrage van het gezin kan worden gevraagd die aan het inkomen gerelateerd is. De inkomsten van de lokale diensten voor kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden verrekend met de subsidies. In 2012 inden zij in totaal een bedrag van 401 998,66.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

58


5.3. Wat betalen gezinnen?

Lokale diensten voor buurtgerichte buitenschoolse opvang bepalen zelf hoeveel gezinnen moeten betalen. Wel is bepaald dat de bijdrage afgestemd moet zijn op de financiële draagkracht van het gezin. Kind en Gezin heeft geen zicht op de hoogte van de financiële bijdrage van de gezinnen in de lokale diensten buitenschoolse opvang. In de lokale diensten voor buurtgerichte opvang van kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan betaalden gezinnen in 2012 gemiddeld 5,90 euro per dag.

6. Overzicht van de financiering van de kinderopvang over alle opvangvormen heen Om het hoofdstuk rond financiering af te ronden, geven we een overzicht van de geldstroom per subsidiepost over alle opvangvormen heen. Dit maakt duidelijk dat vanuit de Vlaamse overheid in het subsidiejaar 2012 in totaal meer dan 485 mio euro naar de Vlaamse kinderopvang is gevloeid. Dit is een toename van 8,4% in vergelijking met vorig subsidiejaar (zie tabel 39).

Echter, een deel van dit bedrag is afkomstig uit de financiële bijdrage van de gezinnen die door de erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders, lokale diensten voor opvang van kinderen die niet of deeltijds naar de kleuterschool gaan en in de zelfstandige kinderopvang met IKG wordt geïnd en wordt verrekend met de subsidies. Het deel dat afkomstig is uit de financiële bijdrage van de gezinnen bedroeg in 2012 in totaal net geen 145 mio euro.

De grootste hap gaat naar de erkende opvang. Het aandeel dat naar de financiering gaat van het inkomensgerelateerd systeem in de zelfstandige sector bedraagt 15,7% (zie grafiek 40).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

59


Kinderopvang - Subsidies Vlaamse overheid in miljoen euro 2011

2012(1)

Realiseren van het basisaanbod

231,128

244,315

Personeel/medewerkers/aangesloten onthaalouders (VIA, DAC, sociaal

123,049

128,064

Inkomensgerelateerde opvang in de zelfstandige sector

62,851

76,325

Flexibele en occasionele opvang

16,641

17,240

Financiële ondersteuning zelfstandige groepsopvang

11,336

13,778

Inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte

1,770

1,782

Installatiekosten (aangesloten en zelfstandige onthaalouders)

0,276

0,252

Opvang van kinderen uit achtergestelde buurten

0.056

0,045

Generatiepact

0,661

0.674

-

2,978

447,768

485,453

(100,0)

(108,4)

statuut,…)

Eenmalige vergoedingen Algemeen totaal

39. Overzicht van de financiering van de kinderopvang door de Vlaamse overheid in subsidiejaar 2011 en 2012 in miljoen euro. (1) Voorlopige cijfers

Zelfstandige sector zonder IKG 3,2% Zelfstandige sector met IKG 15,7%

Erkende sector 81,1%

40. Aandeel van de erkende en zelfstandige sector in het geheel van de financiering van de Vlaamse overheid in het subsidiejaar 2012 (voorlopige cijfers).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

60


Hoofdstuk 4: Personeel en medewerkers in de kinderopvang

1.

Begeleiding en management

De voorwaarden waaraan leidinggevenden en medewerkers in de kinderopvang moeten voldoen, zijn in de regelgeving vastgelegd.

Erkende kinderdagverblijven moeten volgend personeelskader in dienst hebben: -

Per 6,5 plaatsen is er minstens één voltijdse begeleider. Voor peutertuinen is dat een halftijdse begeleider per vijf plaatsen;

-

Per 12 plaatsen is er ¼ sociaal-pedagogische functie. Per 24 plaatsen is er een extra ¼prestatie;

-

Per kinderdagverblijf is er minstens een halftijdse logistieke functie. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie;

-

Op het niveau van het organiserend bestuur – dat meerdere kinderdagverblijven kan hebben – is er een halftijdse directiefunctie tussen 50 en 99 plaatsen. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie.

Voor de aparte opvang van schoolgaande kinderen door een erkend kinderdagverblijf is er per 14 kinderen minimaal één begeleider vereist.

Diensten voor onthaalouders moeten ¼ dienstverantwoordelijke per 26,5 plaatsen in dienst hebben. Wanneer een dienst minder dan 53 plaatsen34 heeft, moet deze toch altijd een halftijdse dienstverantwoordelijke hebben.

De aangesloten onthaalouders zijn noch werknemers, noch zelfstandigen. Ze hebben een ‘sui generis’ statuut

en

genieten

een

specifieke

sociale

bescherming

en

ontvangen

een

belastingvrije

kostenvergoeding per dag per kind. De sociale bescherming houdt in dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, ziekte, beroepsziekten en arbeidsongevallen. Ze hebben recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen. Bovendien is er voorzien in een vergoeding wanneer kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder om. Een aangesloten onthaalouder kan maximaal acht kinderen tegelijkertijd opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegesteld) met een maximaal gemiddelde van vier voltijds opgevangen kinderen per kwartaal.

Erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten als personeelskader hebben: -

per 14 aanwezige kinderen is er minstens één begeleider;

-

er is minstens een halftijdse leidinggevende en er zijn voldoende leidinggevenden in verhouding tot het aantal opvangplaatsen en het aantal vestigingsplaatsen van het initiatief.

34

50 plaatsen is het minimum.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

61


Erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders of initiatieven voor buitenschoolse opvang met een erkenning als gemandateerde voorziening voor flexibele en occasionele opvang, krijgen financiële middelen. Deze middelen dienen om de coördinatie van het flexibel en occasioneel opvangaanbod in de regio vorm te geven en/of om de tewerkstelling en de opleiding voor doelgroepwerknemers te organiseren. Binnen dit kader dienen doelgroepwerknemers te beantwoorden aan het SINE-profiel (RVA): ze zijn ouder dan 45 jaar (prioriteit gaat naar ouder dan 50 jaar), werkzoekend en hebben geen diploma van het secundair onderwijs.

Lokale diensten voor buurtgerichte kinderopvang moeten minstens dit personeel hebben: -

één begeleider per 7 aanwezige kinderen onder de 18 maanden, één begeleider per 10 aanwezige kinderen ouder dan 18 maanden tot ze naar school gaan, één begeleider per 14 schoolgaande kinderen;

-

minstens een halftijdse leidinggevende;

-

doelgroepwerknemers die in het Vlaamse Gewest beantwoorden aan het SINE-profiel (zie ‘gemandateerde voorziening’) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voldoen aan de GECOvoorwaarden (minstens een half jaar werkzoekend).

Voorzieningen met een attest van toezicht voor vakantieopvang moeten minimaal 1 begeleider per 14 aanwezige kinderen voorzien. Meer in het bijzonder moet er vanaf dat er 1 kind in de vakantieopvang is, minstens 1 begeleider aanwezig zijn met een kwalificatiebewijs. Per begonnen schijf van 4 aanwezige kinderen: -

moet er minimaal 1 begeleider aanwezig zijn die aan de kwalificatievereisten voldoet en

-

mag maximaal 1 begeleider tussen 16 en 18 jaar oud zijn.

Zelfstandige kinderdagverblijven moeten dit personeelskader hebben: -

minstens één begeleider per 7 aanwezige kinderen tot 18 maanden, per 10 aanwezige kinderen boven de 18 maanden en per 14 aanwezige schoolgaande kinderen;

-

een verantwoordelijke.

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen hebben een verantwoordelijke en er is minstens één begeleider per 14 kinderen.

Zelfstandige onthaalouders werken autonoom. Ze hebben het sociaal statuut van zelfstandige. Een zelfstandige onthaalouder kan tot 7 kinderen tegelijkertijd opvangen, zonder een opgelegd maximaal gemiddelde.

2.

Voor

Kwalificatievereisten

begeleiders

die

tewerkgesteld

zijn

in

een

erkend

kinderdagverblijf

zijn

er

minimale

kwalificatievereisten vastgelegd. Mogelijkheden zijn:

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

62


-

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Verpleegkunde’;

-

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Sociale en Technische wetenschappen’, de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs (met 1 of meer cycli of van sociale promotie);

-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra.

Voor

begeleiders

die

buitenschoolse

opvang

verzorgen

in

of

verbonden

aan

een

erkend

kinderdagverblijf, gelden dezelfde kwalificatievereisten als voor begeleiders in een erkend initiatief voor buitenschoolse opvang (IBO).

Voor de sociaalpedagogische functie is 1 van de volgende kwalificatiebewijzen vereist: -

een bachelor- of masterdiploma;

-

een eindcertificaat van het hoger onderwijs (met 1 of meer cycli of van sociale promotie);

-

een eindstudiebewijs van de postgraduaatopleiding ‘leidinggevende in de kinderopvang’ of ‘verantwoordelijke in de kinderopvang’.

Voor de directiefunctie en de logistieke functie zijn er geen kwalificatiebewijzen vereist.

De kwalificatievereisten voor de dienstverantwoordelijke van een dienst voor onthaalouders zijn identiek aan deze voor de sociaalpedagogische functie. Onthaalouders moeten voldoen aan een aantal voorwaarden om zich te mogen aansluiten bij een dienst, maar er zijn geen kwalificatiebewijzen vereist.

Voor begeleiders die tewerkgesteld zijn in een erkend initiatief voor buitenschoolse opvang zijn er minimale kwalificatievereisten vastgelegd. Mogelijkheden zijn: -

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Begeleider buitenschoolse opvang’; de opleiding ‘Verpleegkunde’;

-

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Sociale en Technische wetenschappen’; de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs (met 1 of meer cycli of van sociale promotie);

-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra;

-

een attest van de opleiding ‘Begeleider buitenschoolse kinderopvang’, gefinancierd door de VDAB, gegeven in een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie (VCOK/VDKO);

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

63


-

een titel van beroepsbekwaamheid (een ‘ervaringsbewijs’) ‘begeleider buitenschoolse opvang’.

Vanaf 2010 mag niet meer dan 50% van het totaal aantal begeleiders enkel over een attest ‘begeleider buitenschoolse opvang’ van een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie beschikken. Voor de leidinggevende worden dezelfde kwalificatiebewijzen vereist als voor een verantwoordelijke van een dienst voor onthaalouders.

Doelgroepwerknemers van gemandateerde voorzieningen en lokale diensten voor buurtgerichte kinderopvang worden door hun werkgevers begeleid in een opleidingstraject. Na zes jaar moeten ze een kwalificatieattest behalen, waarmee ze als begeleider kunnen werken in een kinderdagverblijf (wanneer het gaat om de opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen) of in een initiatief voor buitenschoolse opvang (wanneer het gaat om de opvang van schoolgaande kinderen).

In voorzieningen met een attest van toezicht voor vakantieopvang, gelden de volgende vereisten: -

De coördinator beschikt over een diploma hoger onderwijs (bachelor) of heeft een eindstudiebewijs 'leidinggevende in de kinderopvang' of 'verantwoordelijke kinderopvang'. Er wordt tevens kennis van het Nederlands gevraagd;

-

De minimale kwalificaties waaraan de begeleiders moeten voldoen, zijn identiek aan de kwalificaties die gevraagd worden aan de begeleiders in initiatieven voor buitenschoolse opvang (IBO).

Voor begeleiders en verantwoordelijken in een zelfstandig kinderdagverblijf, in een zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening en voor zelfstandige onthaalouders zijn er in de regelgeving over kinderopvang geen kwalificatievereisten vastgelegd (tenzij in het kader van aanvragen voor het verkrijgen van financiële ondersteuning).

3.

Aantal personeelsleden3536 en medewerkers en hun kwalificaties37 3.1.

In de erkende (en gesubsidieerde) opvang

In de erkende kinderdagverblijven zijn er 4662,41 voltijdse equivalenten (VTE) of 6433 personen aan de slag. Ze zijn als volgt verdeeld over de verschillende functies: 3428,56 VTE (4480 personen) in een begeleidende functie, 562,23 VTE (915 personen) in logistieke functie, 557,78 VTE (830 personen) in een sociaal-pedagogische functie, 92,99 VTE (164 personen) in een directiefunctie en 20,85 VTE (44 personen) in een administratieve functie. De kwalificaties van de personeelsleden werkzaam in de erkende kinderdagverblijven zijn tweeledig. Zo heeft bijna negen op de tien personeelsleden in een begeleidende functie een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs, terwijl bijna alle sociaalpedagogische personeelsleden en de directie een eindcertificaat van het hoger onderwijs hebben.

Toestand op 1 januari. Personen die in twee functies zijn tewerkgesteld, worden in de beide functies meegeteld. 37 De kwalificaties van het personeel zijn sinds 2008 centraal bij Kind en Gezin volledig beschikbaar voor de personeelsleden die tewerkgesteld zijn in de erkende (en gesubsidieerde) sector. De gegevens van de personen werkzaam in de sector met een attest van toezicht zijn onvolledig. Om deze reden wordt met schattingen gewerkt. 35 36

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

64


In de diensten voor onthaalouders zijn er 348,78 VTE (548 personen) aan het werk. Hiervan zijn 315,28 VTE (476 personen) tewerkgesteld als verantwoordelijke. Daarnaast zijn er nog 31,45 VTE (63 personen) werkzaam in een administratieve functie en 2,05 VTE (9 personen) in een logistieke functie. Bij

deze

diensten

voor

onthaalouders

zijn

6797

onthaalouders

aangesloten38.

Quasi

alle

verantwoordelijken van een dienst voor onthaalouders kunnen een eindcertificaat van het hoger onderwijs voorleggen.

In de erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn er 2534,51 VTE (4421 personen) tewerkgesteld. 2059,15 VTE (3672 personen) hiervan zijn tewerkgesteld als begeleider. Daarnaast zijn er nog 294,11 VTE (366 personen) werkzaam als coördinator, 117,91 VTE (266 personen) in een logistieke functie en 63,34 VTE (117 personen) in een administratieve functie. Bijna de helft van de begeleiders kan een certificaat van het beroepssecundair onderwijs voorleggen. 27,5% heeft een certificaat van het technisch secundair onderwijs behaald en 9,7% is in het bezit van een certificaat van het algemeen secundair onderwijs of van het hoger onderwijs. 13,5% van de begeleiders heeft geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs. 2% heeft een certificaat ‘begeleider buitenschoolse opvang’. Quasi alle coördinatoren (97,6%) volgden hoger onderwijs.

In de buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverblijf zijn er 144,84 VTE (241 personen) werkzaam. De meeste van deze personeelsleden (123,51 VTE of 195 personen) oefenen een begeleidende functie uit. Het resterende aantal is coördinator (13,32 VTE of 29 personen) of heeft een logistieke (6,86 VTE of 14 personen) of een administratieve functie (1,15 VTE of 3 personen). Elke coördinator die werkzaam is in dit type voorziening, volgde hoger onderwijs. 69% van de begeleiders heeft een certificaat van het beroepssecundair onderwijs, 13,1% heeft een diploma van het technisch secundair onderwijs op zak, terwijl 8% met succes hoger onderwijs volgde. Het resterende aantal begeleiders heeft geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs (4%), heeft een certificaat ‘begeleider buitenschoolse opvang’ (3%) of heeft nog een ander diploma van het secundair onderwijs (2,5%).

In de lokale diensten voor buurtgerichte opvang vinden we in totaal 200,10 VTE of 277 personeelsleden terug. Bijna 7 op 10 van deze personeelsleden werkt in een lokale dienst voor buurtgerichte opvang voor opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen. De verdeling naar functie in het geheel van de lokale diensten voor buurtgerichte opvang ziet er als volgt uit: -

Geschoolde begeleider: 98,31 VTE of 128 personen

-

Coördinator: 27,13 VTE of 40 personen

-

Doelgroepwerknemer: 67,67 VTE of 98 personen

-

Logistieke functie: 5,24 VTE of 7 personen

-

Administratieve functie:1,75 VTE of 4 personen

Aangesloten onthaalouders zijn geen personeelsleden van de dienst. Kind en Gezin heeft geen volledig, noch een recent zicht op de kwalificaties van de aangesloten onthaalouders. 38

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

65


De coördinatoren in de lokale diensten hebben hoger onderwijs doorlopen terwijl het merendeel van de geschoolde begeleiders het beroepssecundair of technisch secundair onderwijs hebben afgerond. 70,4% van de doelgroepmedewerkers heeft geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs.

Tot slot vinden we in de gemandateerde voorzieningen nog 85,00 VTE (139 personen) terug als doelgroepwerknemers en 22,30 VTE of 55 personen die de functie van coördinator op zich nemen. Quasi alle coördinatoren die werkzaam zijn in een gemandateerde voorziening, hebben een hogere opleiding genoten, terwijl 7 op de 10 van de tewerkgestelde doelgroepwerknemers geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs hebben behaald.

Aantal personeelsleden en medewerkers in de erkende en gesubsidieerde opvang 2011

2012

3 280,38 (4 287)

3 428,56(4 480)

Logistieke functie

553,77 (902)

562,23 (915)

Sociaal-pedagogische functie

525,21 (795)

557,78 (830)

91,38 (164)

92,99 (164)

23,66 (52)

20,85 (44)

4 474,40 (6 200)

4 662,41 (6 433)

314,18 (475)

315,28 (476)

33,40 (63)

31,45 (63)

3,15 (11)

2,05 (9)

Totaal diensten voor onthaalouders

350,73 (549)

348,78 (548)

Aangesloten onthaalouders

(7 005)

(6 797)

65,70 (81)

72,86 (91)

42,79 (57)

46,22 (60)

17,10 (26)

17,90 (25)

5,24 (7)

5,24 (7)

1,65 (3)

1,65 (3)

132,48 (174)

143,87 (186)

1 972,90 (3 525)

2 059,15 (3 672)

291,95 (356)

294,11 (366)

109,22 (253)

117,91 (266)

55,27 (99)

63,34 (117)

2 429,34 (4 233)

2 534,51 (4 421)

Erkende kinderdagverblijven Begeleidende functie

Directiefunctie Administratieve functie Totaal erkende kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders Verantwoordelijke Administratieve functie Logistieke functie

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voor niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Geschoolde begeleider Doelgroepmedewerker Coördinator Logistieke functie Administratieve functie Totaal lokale diensten (voor opvang van niet of deeltijds schoolgaande kinderen) Initiatieven voor buitenschoolse opvang Begeleider Coördinator Logistieke functie Administratieve functie Totaal initiatieven voor buitenschoolse opvang

Aantal personeelsleden en medewerkers in de erkende en gesubsidieerde opvang Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

66


2011

2012

112,36 (176)

123,51 (195)

13,91 (29)

13,32 (29)

7,92 (15)

6,86 (14)

1,15 (3)

1,15 (3)

135,34 (223)

144,84 (241)

23,55 (34)

25,45 (37)

19,73 (33)

21,45 (38)

8,60 (14)

9,23 (15)

-

0,10 (1)

51,88 (81)

56,23 (91)

106,57 (190)

85,00 (139)

18,38 (50)

22,30 (55)

124,95 (240)

107,30 (194)

7 699,12 (11 700)

7 997,94 (12 114)

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Begeleidende functie Coördinator Logistieke functie Administratieve functie Totaal buitenschoolse opvang in aparte lokalen Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Geschoolde begeleider Doelgroepmedewerker Coördinator Administratieve functie Totaal lokale diensten (buitenschools) Gemandateerde voorzieningen Doelgroepmedewerker Coördinator Totaal gemandateerde voorziening Algemeen totaal erkende (en gesubsidieerde) opvang

41. Aantal VTE (en aantal personeelsleden/medewerkers) in verschillende functies in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen in 2011 en 2012.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

67


Verdeling personeelsprofielen volgens kwalificatie in de erkende (en gesubsidieerde) opvang (1) Erkende kinderdagverblijven BSO

Administratieve functie Begeleidende funcite Directiefunctie Logistieke functie Sociaal-pedagogische functie

TSO

Ander

Hoger

Certificaat

Andere

diploma SO

onderwijs (2)

BBO

(3)

8,7%

13,0%

6,5%

43,5%

0,0%

28,3%

87,9%

6,0%

0,1%

4,3%

0,1%

1,5%

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

14,9%

3,7%

1,1%

1,9%

0,2%

78,3%

2,0%

0,1%

0,2%

97,3%

0,0%

0,4%

Diensten voor onthaalouders (4) Administratieve functie

5,6%

16,7%

6,9%

33,3%%

0,0%

37,5%

Verantwoordelijke

0,0%

0,2%

0,0%

99,4%

0,0%

0,5%

Initiatieven voor buitenschoolse opvang Administratieve functie

20,2%

35,3%

16,0%

23,5%

0,0%

5,0%

Begeleidende functie

47,4%

27,5%

4,4%

5,3%

2,0%

13,5%

0,8%

1,1%

0,5%

97,6%

0,0%

0,3%

29,4%

15,2%

3,7%

3,4%

1,1%

47,2%

Coördinator Logistieke functie

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Begeleidende functie Coördinator

69,4%

13,1%

2,5%

8,0%

3,0%

4,0%

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang Geschoolde begeleider

67,7%

12,3%

1,5%

10,0%

3,9%

4,6%

Doelgroepmedewerker

19,4%

4,1%

1,0%

1,1%

5,1%

70,4%

0,0%

2,3%

0,0%

97,7%

0,0%

0,0%

Coördinator

Gemandateerde voorziening Doelgroepmedewerker Coördinator

18,0%

2,7%

1,3%

0,0%

6,0%

72,0%

1,2%

0,0%

0,0%

98,8%

0,0%

0,0%

42. Verdeling (in %) van het aantal personeelsleden volgens kwalificaties in verschillende functies in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen - 2012 (1) Een paar functies zijn niet in deze tabel opgenomen wegens te kleine aantallen. (2) Onder hoger onderwijs wordt hier zowel een diploma hoger beroepsonderwijs als een bachelor – of masterdiploma gevat. (3) Geen diploma hoger secundair onderwijs. (4) Kind en Gezin heeft geen volledig noch een recent zicht op de kwalificaties van de aangesloten onthaalouders.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

68


3.2.

In de opvang met een attest van toezicht.

Voor wat de medewerkers in de voorzieningen met een attest van toezicht betreft, kan volgende informatie worden meegegeven:

In de vakantieopvang met een attest van toezicht werden in 2012 in totaal 228 begeleiders ingeschakeld. Slechts een minderheid hiervan (5 personen) was jonger dan 18 jaar.

Voor wat betreft de medewerkers in de zelfstandige groepsopvang heeft Kind en Gezin slechts een gedeeltelijk beeld van het aantal medewerkers dat werkzaam is in deze opvangvorm. Dit geldt eveneens voor wat betreft de kwalificaties van deze medewerkers. Op basis van schattingen39 bedraagt het aantal begeleiders in 2012 werkzaam in de zelfstandige kinderdagverblijven meer dan 3800. 7 op de 10 hiervan hebben een certificaat of diploma van het beroeps- of technisch secundair onderwijs. Bijna 9% heeft een diploma hoger onderwijs40. Voor wat het resterend deel betreft, kunnen we meegeven dat 4% een ander diploma secundair onderwijs heeft behaald terwijl 13% over geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs beschikt. Het aantal verantwoordelijken werkzaam in zelfstandige kinderdagverblijven wordt geschat op iets meer dan 300041. 60% van deze verantwoordelijken heeft een certificaat of diploma van het beroeps- of technisch secundair onderwijs of heeft een attest verantwoordelijke. Een kwart heeft een diploma hoger onderwijs. 4% heeft nog een ander diploma secundair onderwijs. 8% heeft geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs.

Eind 2012 zijn er in Vlaanderen 901 zelfstandige onthaalouders actief. We hebben geen volledig zicht op de kwalificaties van de zelfstandige onthaalouders. Op basis van schattingen42 heeft ruim de helft een diploma BSO of TSO. 14% heeft een diploma hoger onderwijs. Het resterend aantal zelfstandige onthaalouders heeft nog een ander diploma secundair onderwijs behaald (7,8%) of kan geen diploma hoger gewoon secundair onderwijs voorleggen (18,8%).

Er werden voor de zelfstandige groepsopvang enkel schattingen gemaakt voor de zelfstandige kinderdagverblijven. Immers 97% van de zelfstandige kinderdagverblijven heeft aan Kind en Gezin de situatie op 01/01/2012 m.b.t. de medewerkers doorgegeven. Dit is slechts het geval voor 1/3 van de zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen. Dit aantal is te klein om betrouwbare schattingen te kunnen maken voor de gehele populatie zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen. 40 Onder hoger onderwijs wordt hier zowel een diploma hoger beroepsonderwijs als een bachelor- of masterdiploma gevat. 41 We houden geen rekening met het type verantwoordelijke. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen medeverantwoordelijken en verantwoordelijken noch tussen verantwoordelijken mét of zonder begeleidende taken. 42 Schattingen zijn gebaseerd op een gedeeltelijk zicht op de situatie op 01/01/2012. 93% van de zelfstandige onthaalouders stuurden de noodzakelijke informatie door. 39

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

69


DEEL 2: BELEID

Hoofdstuk 1: Vernieuwing Vlaamse kinderopvang

1. Het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters

De Vlaamse overheid wil stap voor stap voldoende, kwaliteitsvolle kinderopvang voor baby’s en peuters realiseren die voor iedereen toegankelijk is. De opvang moet zowel betaalbaar zijn voor de ouders als financieel leefbaar voor de opvangsector.

Deze vernieuwing werd vastgelegd in het decreet Kinderopvang van Baby's en Peuters en zal verder worden geconcretiseerd in de uitvoeringsbesluiten van dit decreet. Nadat de visienota in juli 2010 het akkoord van de Vlaamse regering kreeg, keurde de Vlaamse regering op 18 november 2011 het ontwerp van decreet goed. Begin 2012 werd het ontwerp behandeld in de Commissie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om uiteindelijk op 28 maart 2012 gestemd te worden in het Vlaams Parlement. Op 20 april 2012 keurde de Vlaamse regering het decreet goed. Het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten zal in werking treden op 1 april 2014.

Met dit decreet wil de Vlaamse overheid een transparanter opvangaanbod creëren. Er bestaan in Vlaanderen en Brussel heel wat verschillende opvangsoorten, elk met hun eigen regels. Dit is niet alleen verwarrend voor ouders en starters; het staat ook niet garant voor eenzelfde basiskwaliteit in elke opvangvorm. Het decreet en de vergunningsvoorwaarden moeten het kinderopvanglandschap transparanter maken.

Het toekomstige kinderopvanglandschap zal voortaan uit 3 soorten opvang bestaan: 

De gezinsopvang: maximaal 8 tegelijk aanwezige kinderen.

De groepsopvang: minimaal 9 tegelijk aanwezige kinderen.

De opvang aan huis: opvang in de gezinswoning van het kind.

Een vergunning voor kinderopvang wordt verplicht. Op dit ogenblik kan om het even wie een kinderopvang starten, zonder aan enige kwaliteitsvoorwaarde te moeten voldoen. Het volstaat om vandaag de opvang administratief te melden. Dit zal niet meer kunnen wanneer het decreet geïmplementeerd wordt. Om aan elk kind en aan elk gezin het recht te geven op dezelfde basiskwaliteit in de opvang, voert het decreet de vergunningsplicht in. Elke opvang die beroepsmatig en tegen betaling baby’s en peuters opvangt, zal voortaan een vergunning moeten hebben en zal dus moeten voldoen aan de vergunningsvoorwaarden.

Met

de

vergunning

wil

de

Vlaamse

overheid

bereiken

dat

elke

opvangvoorziening zich duurzaam en kwaliteitsvol organiseert. Als een kinderopvang geen vergunning (meer) heeft, dan moet die voorziening sluiten. De concrete vergunningsvoorwaarden zelf zullen worden vastgelegd in een uitvoeringsbesluit.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

70


Het decreet Kinderopvang streeft naar kwaliteit voor elke baby en peuter in de opvang en voor elk gezin dat opvang gebruikt, ondermeer door vergunningsvoorwaarden en een kwaliteisbeleid op te leggen, door kwalificaties te vragen van kinderbegeleiders en verantwoordelijken en door het verplichten in het voorzien van pedagogische ondersteuning.

Het decreet voert een nieuw, transparant subsidiesysteem in dat voor elke opvang op gelijke wijze toegankelijk is. De Vlaamse overheid wil hiermee de leefbaarheid van de kinderopvang bevorderen en het duurzaam ondernemerschap ondersteunen. De subsidies zijn eenduidig en gekoppeld aan opdrachten. Het volledige financiële plaatje met de concrete bedragen zal in 2013 worden uitgewerkt.

Om aan de grote vraag naar kinderopvang te voldoen, wil de Vlaamse regering verder in het aanbod investeren. Het decreet voorziet 2 fases, binnen een afgesproken budgettair kader: 1.

Tegen 2016 wil men een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan 3 jaar. In

deze fase is er nog geen recht op kinderopvang. 2.

Vanaf 2020 wil men aan elk gezin met een behoefte aan kinderopvang binnen een redelijke

termijn en binnen een redelijke afstand een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats kunnen aanbieden. Vanaf dan is er een recht op kinderopvang. Een belangrijke nuance hierbij is dat dit recht niet kan worden uitgevoerd zolang er geen dekkend aanbod is.

Om de zoektocht van ouders naar opvang te vergemakkelijken, zal er in elke gemeente een Lokaal Loket Kinderopvang moeten komen. Om de werking van de loketten te ondersteunen, ontwikkelt Kind en Gezin de Kinderopvangzoeker (zie ook hoofdstuk 4 van dit deel).

Het decreet kan echter niet in werking treden zonder uitvoeringsbesluiten. Deze besluiten zorgen voor de concrete uitwerking van het decreet en worden goedgekeurd door de Vlaamse regering. Zolang er geen goedgekeurde uitvoeringsbesluiten zijn, blijft de huidige regelgeving van toepassing.

In 2012 werd volop gewerkt aan de ontwikkeling van de uitvoeringsbesluiten. Het gaat hierbij met name vooral over het besluit van de Vlaamse Regering inzake vergunningsvoorwaarden en kwaliteitsbeleid én het besluit van de Vlaamse Regering inzake de subsidiëring. In tweede instantie betreft dit eveneens het besluit van de Vlaamse Regering met de procedures inzake vergunning en subsidiëring en het besluit van de Vlaamse Regering over respectievelijk het Lokaal Loket, de pedagogische ondersteuning en handhaving en toezicht. Het ontwerpbesluit over de vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid werd eind 2012 in een eerste versie voor advies voorgelegd aan het Raadgevend Comité van Kind en Gezin. In 2013 zullen de ontwerpen van de uitvoeringsbesluiten ontwikkeld in het kader van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters (vergunningsvoorwaarden, kwaliteitsbeleid, subsidiëring, procedures, Lokaal Loket Kinderopvang, pedagogische ondersteuning en handhaving en toezicht) voorgelegd worden aan de Vlaamse minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

71


2. Nieuwe organisatiestructuur buitenschoolse opvang Kind en Gezin werkt aan de ontwikkeling van een langetermijnvisie op de organisatie van de opvang van schoolgaande kinderen in Vlaanderen en Brussel. In 2008 werd daarvoor een denktank buitenschoolse opvang in het leven geroepen. In 2009 werd in samenwerking met deze denktank een ontwerp van visietekst opgemaakt. Kind en Gezin werkte dit voorstel in 2010 verder uit en legde het een eerste keer voor aan het kabinet Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

De visietekst gaat uit van een opvangnetwerk waarin alle actoren die betrokken zijn bij de organisatie van de opvang en van de vrije tijd van schoolgaande kinderen samenwerken. Het doel van die samenwerking is: 

een veilige omgeving creëren waar kinderen (zelf)vertrouwen vinden (een ‘nest’);

kinderen een ruim aanbod aan vrijetijdsactiviteiten (een ‘web’) aanbieden waar zij hun talenten en vaardigheden kunnen ontdekken en ontwikkelen.

Kind en Gezin ziet de opvang van schoolgaande kinderen daarom niet als een zaak van Welzijn alleen. Het zou een gedeelde verantwoordelijkheid moeten zijn van: 

alle actoren en beleidsdomeinen die betrokken zijn bij de ontwikkeling, de opvang en de vrije tijd van schoolgaande kinderen;

lokale en centrale beleidsverantwoordelijken.

Om die reden stelt de visietekst voor om de bevoegdheden van de betrokken beleidsdomeinen en niveaus duidelijk af te bakenen. Idealiter wordt de organisatie van de opvang van schoolgaande kinderen eveneens gevat in een decreet.

In het kader van de regie van de buitenschoolse kinderopvang ontbreekt het Kind en Gezin aan recente informatie. In 2000 werd een grootschalig onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van kinderopvang (uitgevoerd door HIVA). In 2002 en 2004 werd een beknopte enquête gehouden naar het gebruik van opvang in de leeftijdsgroep 3 tot 12 jaar. Teneinde de toekomstige opvang van kinderen van deze leeftijd optimaal te organiseren en om het toekomstig aanbod beter af te kunnen stemmen op de behoefte van de gezinnen, is er nood aan een actueel zicht op de knelpunten en verwachtingen die leven bij de betrokken actoren (ouders, kinderen, aanbieders van opvang en vrijetijdsactiviteiten, lokale beleidsverantwoordelijken).

In 2011 werd daarom een opdracht uitgeschreven die opgesplitst werd in 3 percelen: 

Perceel 1 omvat het in kaart brengen van het gebruik van opvang voor kinderen tussen 3 en 12 jaar met de mogelijkheid tot vergelijking met onderzoeken die in het verleden reeds werden verricht.

Perceel 2 betreft een bevraging naar wat de kinderen zelf van de opvang verwachten vóór en na de school, tijdens vakanties, schoolvrije dagen en snipperdagen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

72


ď&#x201A;ˇ

Perceel 3 betreft het in kaart brengen van de behoeften en verwachtingen van de aanbieders van opvang en van de initiatieven die zich richten naar de vrije tijd van kinderen tussen 3 en 12 jaar.

Eind 2012 werden twee (perceel 1 en 3) van deze 3 onderzoeken afgerond. De resultaten worden verwacht in 2013 en zullen dan vertaald worden naar beleidsadviezen met het oog op de toekomstige organisatie van de opvang en vrije tijd van schoolgaande kinderen. Het laatste van deze 3 onderzoeken (perceel 2) zal in 2013 worden opgestart.

Parallel aan deze 3-ledige opdracht werd in 2012 tevens een bevraging georganiseerd naar het opvangaanbod in de scholen met als doel meer zicht te krijgen op de omvang, de aard en de organisatie van het opvangaanbod dat binnen de schoolmuren doorgaat. Hiervoor werd samen met het departement Onderwijs en Vorming een gestandaardiseerde vragenlijst opgesteld die online naar alle basisscholen in het Vlaams en Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd verstuurd. De resultaten van dit onderzoek zullen in 2013 gebundeld worden met de onderzoeksresultaten van perceel 1 en 3 (zie supra). Aldus zal een totaalpakket worden samengesteld dat het nodige materiaal in handen moet geven om keuzes te maken m.b.t. de verdere invulling van de toekomstige organisatie van de opvang en vrije tijd van schoolgaande kinderen.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

73


Hoofdstuk 2: Uitbreiding van de Vlaamse kinderopvang Kind en Gezin zorgt voor de toewijzing van de middelen die door de Vlaamse regering worden vrijgemaakt voor nieuwe plaatsen in de erkende opvangsector en voor nieuwe inkomensgerelateerde plaatsen in de zelfstandige sector.

In 2012 besliste de Vlaamse regering om 7 mio euro toe te kennen voor uitbreiding van het aantal opvangplaatsen voor baby’s en peuters. Deze middelen werden voor de kinderopvang van baby’s en peuters op vier manieren ingezet: 

De

grens

voor

het

ontvangen

van

een

financiële

basisondersteuning

door

zelfstandige

kinderdagverblijven werd opgetrokken van 28 naar 50 plaatsen 43. Hierdoor krijgen bestaande zelfstandige kinderdagverblijven nog een kans om in aanmerking te komen voor extra financiële basisondersteuning. 

Bijkomende

middelen

voor

financiële

basisondersteuning

aan

nieuwe

zelfstandige

kinderdagverblijven. 

Uitbreiding van het aantal zelfstandige inkomensgerelateerde opvangplaatsen.

Uitbreiding van het aantal erkende en gesubsidieerde opvangplaatsen.

1. Financiële basisondersteuning voor bestaande en nieuwe zelfstandige kinderdagverblijven In totaal werden voor deze doelstelling 945.914,20 euro aan bijkomende middelen voorzien. Deze middelen werden niet verdeeld via programmatie maar werden bij voorrang toegekend aan zelfstandige kinderdagverblijven die reeds een financiële basisondersteuning ontvangen en waarvan het aantal plaatsen vermeld op het attest van toezicht hoger is dan 28. Daarnaast kregen ook nieuwe zelfstandige kinderdagverblijven de mogelijkheid een aanvraag tot financiële basisondersteuning in te dienen. Met dit budget was het mogelijk om 686 plaatsen financieel te ondersteunen in bestaande zelfstandige kinderdagverblijven met meer dan 28 plaatsen en 974 plaatsen in nieuwe zelfstandige kinderdagverblijven.

2. Uitbreiding van de inkomensgerelateerde zelfstandige kinderopvang Eind 2008 besliste de Vlaamse regering dat de opvangprijs ook in zelfstandige voorzieningen kan afhangen van het gezinsinkomen. De Vlaamse regering wil hiermee in de formele kinderopvang meer plaatsen betaalbaar maken voor meer ouders. Het systeem van inkomensgerelateerde kinderopvang bij zelfstandige voorzieningen (IKG) startte op 16 februari 2009.

Tot in het najaar van 2010 konden zelfstandige voorzieningen vrijwillig in het inkomensgerelateerd systeem instappen. Vanaf 2011 worden nieuwe IKG-plaatsen, net zoals in de erkende sector,

43 Besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2012 tot wijziging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

74


geprogrammeerd toegewezen. De voorziening krijgt een vaste vergoeding per dag en per opgevangen kind. Voorzieningen hebben de keuze om de financiële bijdrage van de gezinnen zelf te factureren en zelf te innen of om dit kosteloos uit te besteden aan een debiteurenbeheerder aangesteld door Kind en Gezin. Als debiteurenbeheer werd Intrum aangesteld voor een periode van 3 jaar 44.

De ouders berekenen hun bijdrage via de webmodule, beschikbaar op de website van Kind en Gezin. Kind en Gezin bezorgt de ouders een attest met een kindcode, dat het tarief vastlegt. De voorzieningen geven maandelijks de aanwezigheden van elk kind door aan Kind en Gezin, aan de hand van de kindcode.

De middelen bestemd in 2012 voor uitbreiding van het aantal inkomensgerelateerde zelfstandige opvangplaatsen (3,8 mio euro) werden verdeeld op basis van het aantal inkomensgerelateerde plaatsen (d.i. zowel zelfstandige als erkende en gesubsidieerde plaatsen) per 100 kinderen, in eerste instantie op niveau van de zorgregio. Zorgregio’s met het laagste aantal plaatsen per 100 kinderen kregen voorrang op andere zorgregio’s. Binnen de aldus weerhouden zorgregio’s werd op basis van hetzelfde criterium een rangschikking opgemaakt van de gemeenten. Op deze wijze en gebruik makend van het voorziene budget werden in totaal 816 bijkomende inkomensgerelateerde plaatsen gecreëerd in 38 zelfstandige kinderdagverblijven.

Eind 2012 bedroeg het totaal aantal inkomensgerelateerde zelfstandige opvangplaatsen 13 135, als volgt verdeeld over de provincies.

Zelfstandige

Zelfstandige

kinderdagverblijven

Onthaalouders

Aantal

Aantal

voorzieningen

plaatsen

130

2 752

0

0

130

2 752

Vlaams-Brabant

65

1 432

2

13

67

1 445

Brussels Gewest

36

1 067

0

0

36

1 067

West-Vlaanderen

193

4 021

7

48

200

4 069

Oost-Vlaanderen

148

3 084

4

26

152

3 110

33

679

2

13

35

692

605

13 035

15

100

620

13 135

Antwerpen

Limburg Algemeen totaal

Aantal

Aantal

Totaal Aantal

voorzieningen plaatsen voorzieningen

Aantal plaatsen

43. Aantal zelfstandige voorzieningen en aantal plaatsen in zelfstandige voorzieningen per provincie die inkomensgerelateerd werken – 2012 - situatie op 31/12

44

Na een Europese aanbesteding met onderhandelingsprocedure die bekend werd gemaakt in 2012, werd Intrum

opnieuw aangesteld als debiteurenbeheerder voor maximaal een periode van 3 jaar vanaf 16 februari 2012. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

75


3. De uitbreiding van de erkende en gesubsidieerde kinderopvang van baby’s en peuters

De middelen bestemd voor uitbreiding van het aantal erkende en gesubsidieerde opvangplaatsen voor baby’s en peuters (2,2 mio euro) werden verdeeld over: 

De steden Antwerpen, Gent en Brussel via een voorafname.

Zorgregio’s met het hoogste percentage kinderen die leven in een kansarm gezin. Binnen deze weerhouden zorgregio’s werden de gemeenten geselecteerd met het hoogste percentage kinderen die leven in een kansarm gezin. Zodoende werden uiteindelijk de volgende gemeenten weerhouden: Menen, Blankenberge, Ronse, Maasmechelen, Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren, Genk, Mechelen en Oostende.

De aanvragen konden zowel betrekking hebben op kinderdagverblijven als op diensten voor onthaalouders. Van het voorziene aantal kinderdagverblijfplaatsen per gemeente kon er maximaal één derde worden omgezet naar plaatsen bij diensten voor onthaalouders. In de steden Antwerpen, Gent en Brussel werd voorrang gegeven aan aanvragen komende vanuit diensten voor onthaalouders. In de andere

geselecteerde

gemeenten

werd

voorrang

gegeven

aan

aanvragen

komende

uit

kinderdagverblijven.

Op deze wijze en gebruik makend van het voorziene budget werden 235 plaatsen toegekend aan 20 kinderdagverblijven en 21 plaatsen aan 1 dienst voor onthaalouder. Dit maakt dat door deze bijkomende middelen een principieel akkoord kon worden toegekend voor 256 plaatsen in de erkende en gesubsidieerde opvang van baby’s en peuters.

4. De buitenschoolse kinderopvang

In 2012 werd een concept ontwikkeld om organisatoren van kinderopvang de nodige ruimte te geven om op korte termijn meer vakantieopvang te organiseren en beter in te spelen op de lokale vraag. De Vlaamse regering gaf op vrijdag 27 april 2012 haar definitieve goedkeuring aan een besluit dat de vlottere organisatie van vakantieopvang voor kleuters en lagere schoolkinderen mogelijk maakt binnen de welzijnssector.

Dankzij dit nieuwe besluit is het mogelijk om door een laagdrempelige aanvraagprocedure snel bijkomende opvang te realiseren door maximaal gebruik te maken van de beschikbare infrastructuur. De organisator kan zelf bepalen hoeveel kinderen er binnen een bepaalde infrastructuur worden opgevangen. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de opvang wordt in grote mate bij de organisator gelegd. Van hem wordt verwacht dat hij een inschatting maakt van de veiligheidsrisico’s en de gepaste maatregelen neemt om een veilige opvang te verzekeren.

In totaal kregen 33 voorzieningen een attest van toezicht om vakantieopvang te organiseren waardoor in 2012 1243 plaatsen beschikbaar werden gemaakt voor dit soort opvang.

In 2013 zal dit concept vakantieopvang worden geëvalueerd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

76


Hoofdstuk 3: Bevorderen van de kwaliteit in de Vlaamse kinderopvang

1. Reguliere dienstverlening op het gebied van kwaliteitsbevordering Kind en Gezin ondersteunt de kinderopvang bij het werken aan de kwaliteit op de volgende manieren: 

geven van informatie en aanbevelingen, via onder meer gratis brochures en via de website;

organiseren van studiedagen om de kwaliteit van de opvang te bevorderen en het management te versterken;

het behandelen van vragen van opvangvoorzieningen over de kwaliteit van de opvang via de Kwaliteitshelpdesk. Sinds medio 2011 worden de oproepen voor de Kwaliteitshelpdesk in eerste instantie door de Kind en Gezin-Lijn beantwoord. Indien noodzakelijk wordt er doorverwezen naar een dossierbeheerder of een stafmedewerker Kwaliteit.

Concreet ondernam Kind en Gezin het afgelopen jaar ter bevordering van de kwaliteit volgende werkzaamheden:

In 2011 werd een vooronderzoek afgerond in verband met het meten van de pedagogische kwaliteit in de formele kinderopvang. Internationale studies tonen immers aan dat kwaliteitsvolle opvang de kinderen ten goede komt en dat opvang van slechte kwaliteit schade aan hun ontwikkeling kan berokkenen. In het belang van de opvangkinderen is het daarom noodzakelijk een zicht te hebben op de pedagogische kwaliteit in de gehele formele kinderopvang teneinde deze kwaliteit te bevorderen. Het voornoemde vooronderzoek had als doel na te gaan op welke wijze deze pedagogische kwaliteit dan wel kan geëvalueerd en gestimuleerd worden. Omdat de jongste kinderen, baby’s en peuters, de meest kwetsbare groep is en rekening houdend met de evolutie naar 1 vergunde opvangsector voor baby’s en peuters in het kader van het nieuw decreet, heeft Kind en Gezin zich hierbij in eerste instantie gericht op de formele kinderopvang van baby’s en peuters. Uit het eindrapport van dit vooronderzoek, dat uitgevoerd werd door een samenwerkingsverband tussen de Vakgroep Sociale Agogiek van de Universiteit Gent en het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs van de KU Leuven blijkt dat om de kwaliteit van de formele kinderopvang van baby’s en peuters in het Vlaams en Brussels Hoofdstedelijk Gewest te meten, te monitoren en te bevorderen, er verschillende maar met elkaar verbonden, instrumenten nodig zijn: 

Een overkoepelend pedagogisch raamwerk dat de brede doelstellingen omvat van kinderopvang. Dit raamwerk vormt de basis voor de andere instrumenten.

Een wetenschappelijk instrument in functie van het meten van de pedagogische kwaliteit zodat een globaal beeld van de kwaliteit in de kinderopvang van baby’s en peuters kan gevormd worden. De afname moet periodiek in de gehele kinderopvang van baby’s en peuters kunnen gebeuren.

Een monitoringsinstrument in functie van het bewaken van de kwaliteit in individuele opvangvoorzieningen waarbij een minimale norm wordt bepaald.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

77


Een zelfevaluatie-instrument waarmee de voorziening zelf de eigen kwaliteit kan nagaan en bevorderen.

In opvolging van dit vooronderzoek werd in 2012 door Kind en Gezin een onderzoeksopdracht uitgeschreven om tot de ontwikkeling van voornoemde instrumenten te komen. De uiteindelijke gunning van deze opdracht en de eigenlijke start van de ontwikkeling van het pedagogisch raamwerk en van de instrumenten voor het meten, het bevorderen en het monitoren van de pedagogische kwaliteit, zal in 2013 gebeuren. Het volledige ontwikkelingsproces zal enkele jaren in beslag nemen.

In 2012 ging in het kader van het decreet en het ontwerpbesluit vergunningsvoorwaarden veel aandacht naar de wijze waarop kwaliteit kan gevat worden in de nieuwe regelgeving. In dit kader werden focusgroepen georganiseerd en werden thema’s rond kwaliteit getoetst bij voorzieningen en organiserende besturen. Het resultaat hiervan werd, en zal ook nog in 2013, meegenomen worden in de afwegingen rond de nieuwe regelgeving.

Daarnaast doet Kind en Gezin ook een beroep op zijn partners om de kwaliteit van de opvangvoorzieningen te verbeteren.

Partnerschap met ECEGO – Expertisecentrum voor ErvaringsGericht Onderwijs Om de kwaliteit van de opvang vanuit het oogpunt van het kind te bevorderen, heeft Kind en Gezin een overeenkomst met ECEGO, van professor Laevers, verbonden aan de KU Leuven. ECEGO ontwikkelde ZiKo. Ziko is een zelfevaluatie-instrument om het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen in de kinderopvang op te meten. Waar ZiKo de voorziening helpt om de eigen aanpak en werking te evalueren, ligt de focus bij ZiKo-Vo (volginstrument) op het volgen van het individuele kind en op het ontwikkelen van acties op maat van elk kind.

Partnerschap met het VBJK – Centrum voor Vernieuwing in de Basisvoorzieningen voor Jonge Kinderen Het VBJK onderschrijft de missie van Kind en Gezin en verbindt zich ertoe om op een resultaatgerichte manier mee inhoud te geven aan de uitvoering van het beleid betreffende het jonge kind en van de missie van Kind en Gezin.

Het partnerschap bestaat uit: 

advies verstrekken aan Kind en Gezin over het beleid betreffende het jonge kind;

op een wetenschappelijk onderbouwde wijze projecten opzetten en didactisch materiaal aanleveren in verband met kinderopvang, vernieuwde concepten ontwikkelen over opvoeden, diversiteit in de opvoeding en begeleiden en opleiden van medewerkers in de kinderopvang;

een kwaliteitsvol tijdschrift uitgeven over en voor de kinderopvang.

Elk jaar maakt het VBJK een werkingsplan op met de doelstellingen en acties voor het komende jaar. Het werkingsplan en het werkingsverslag 2012 zijn te vinden op de website van het VBJK (http://www.vbjk.be).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

78


Er werd nauw samengewerkt tussen Kind en Gezin en VBJK voor onder andere het begeleidingstraject Kinderopvang met sociale functie en de verdere ontwikkeling van de Onthaalouderacademie. VBJK maakt ook deel uit van verschillende adviesgroepen van Kind en Gezin, waaronder de stuurgroep Taalontwikkeling en Meertaligheid. (zie verder in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4 van dit deel).

Ook in kader van het nieuwe decreet wordt door Kind en Gezin beroep gedaan op VBJK. Het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters bepaalt dat de organisator voor de kinderbegeleider in de gezinsopvang dient de beschikken over een attest draagkracht. Kind en Gezin kreeg vanuit de sector heel wat vragen over hoe dit moet begrepen worden, hoe dit kan nagegaan worden en hoe dit kan versterkt worden. Omdat VBJK in het kader van het ESF-project (Europees Sociaal Fonds) ‘onthaalouders sterker maken’ reeds werkte met het begrip draagkracht, werd in 2012 aan VBJK gevraagd een exploratief onderzoek uit te voeren waarbij werd nagegaan welke elementen bijdragen aan de draagkracht van kinderbegeleiders in de gezinsopvang en hoe dit kan vertaald worden in functie van de concrete uitwerking van het decreet. De discussienota die VBJK opstelde naar aanleiding van dit onderzoek, is een weergave van de begripsverkenning via literatuur en gebruik van het begrip door andere sectoren en het resultaat van focusgroepen met onthaalouders, dienstverantwoordelijken en Zorginspectie. Gevolg gevend aan dit onderzoek stelt VBJK voor om in samenwerking met Kind en Gezin studiedagen te organiseren voor kinderbegeleiders gezinsopvang om het begrip ‘draagkracht’ te verduidelijken. Tegelijk wil VBJK methoden aanreiken voor het nagaan en het verbeteren van de eigen draagkracht. Beide opdrachten staan op de planning voor 2013.

2. (Medische) preventie en veiligheid Gids voedselveiligheid Kind en Gezin werkt in nauwe samenwerking met ONE, de zusterorganisatie van Kind en Gezin in de Franse Gemeenschap, een sectorspecifieke gids voor voedselveiligheid in de opvang van baby’s en peuters uit. De officiële erkenningsprocedure bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) werd ook in 2012 vervolgd. Daartoe vonden meerdere evaluatiemomenten plaats. In afwachting van de goedkeuring van de gids (verwacht in 2013) werd de communicatie naar en de ondersteuning van de sector reeds voorbereid.

Veilig slapen en wennen Kind en Gezin ondersteunt en sensibiliseert de kinderopvang tot het toepassen van de preventieve maatregelen in het kader van het voorkomen van wiegendood. Het valt op dat wiegendood in de opvang meestal voorkomt tijdens de eerste opvangdagen. Kind en Gezin zette daarom binnen dit kader een informatiecampagne op. Daarin werd het belang van het laten wennen van het kind vóór de eigenlijke start van de opvang in de verf gezet, alsook het houden van extra toezicht tijdens die eerste opvangdagen. Verder wordt er nagedacht over het ontwikkelen van een werkinstrument ter ondersteuning van een wenbeleid. Hiertoe werd een oproep naar goede praktijkvoorbeelden gelanceerd.

Gezondheid en hygiëne

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

79


In 2012 werd de informatie over infectieziekten geactualiseerd op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten en in overleg met het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid en andere partners, zoals de Vlaamse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Voor de kinderopvang werd een handige checklist uitgewerkt waarmee de opvang snel per ziekte kan opzoeken of een kind al dan niet naar de kinderopvang mag, wanneer het eventueel kan terugkomen en of er in de opvang extra maatregelen nodig zijn. Daarnaast werd een handige tool ontwikkeld waarmee informatie over de symptomen, de verspreiding en de verzorging van een infectie kan worden opgezocht. Tot slot werd op de website het leerpakket koorts aangepast en beter afgestemd op de kinderopvang.

Aanpak gevaardossiers Kind en Gezin volgt een interne gevaarprocedure voor de melding van een gevaarsituatie binnen een voorziening onder haar regelgevende bevoegdheid. Kind en Gezin wil aan de hand van deze procedure nagaan of de voorziening alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om een gevaarsituatie deskundig aan te pakken en te beëindigen. Elke voorziening die wordt geregeld door Kind en Gezin is verplicht om een gevaarsituatie binnen de voorziening te melden aan Kind en Gezin. In 2012 kreeg Kind en Gezin 94 meldingen die behandeld werden volgens de interne gevaarprocedure. Deze meldingen betroffen voornamelijk situaties die samenhangen met lichamelijk letsel, situaties waarvan de oorzaak niet is vastgesteld en situaties die betrekking hebben op toezicht, veiligheid en vermoedens van kindermishandeling. In 2012 zijn 10 kinderen overleden in de Vlaamse kinderopvang, waarvan 7 tijdens de slaap.

3. Competentiebevordering en professionalisering Kind en Gezin timmert op verschillende manieren aan de weg om de competenties van de personen die in de kinderopvang werkzaam zijn te verbeteren. De maatschappelijke belangen hierbij zijn groot. Er moet voldoende goede instroom mogelijk zijn voor de sterk gegroeide sector. Daarnaast moeten er mogelijkheden komen voor een gezonde horizontale en verticale mobiliteit in de kinderopvang. Tenslotte verhogen ook de maatschappelijke verwachtingen m.b.t. de kwaliteit van de kinderopvang.

Met de goedkeuring van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters is de keuze gemaakt dat in de toekomst elke kinderbegeleider en verantwoordelijke in de kinderopvang gekwalificeerd moet zijn. De maatschappelijke uitdaging om de competenties in de kinderopvang te versterken is groot. Het actieplan ‘Werk maken van werk in de zorgsector’ van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin dat door de Vlaamse regering werd goedgekeurd, bleef ook in 2012 de leidraad voor verschillende verrichtingen op dit terrein.

Er werd verder ingezet op het actualiseren van de competentieprofielen voor de kinderbegeleider in de kinderopvang. Zo werd op het Raadgevend Comité in mei 2012 positief advies gegeven m.b.t. de opgestelde competenties voor een kinderbegeleider in de kinderopvang van baby’s en peuters. Deze

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

80


competenties werden bepaald na input van een expertengroep. In het najaar van 2012 werd tevens een expertengroep competenties voor een begeleider buitenschoolse kinderopvang opgestart.

Parallel werd met SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) overlegd over de rol en de functie van het Competentsysteem en over de plaats van de kinderbegeleider kinderopvang in dit systeem. Ook werd met hen afgestemd m.b.t. het actualiseren van de beroepscompetentieprofielen. In december 2012 publiceerde SERV de Competentfiche K130301 met als titel kinderwerker. Deze fiche bevat een heel aantal verschillende functies waaronder de functie van kinderbegeleider in de kinderopvang van baby’s en peuters.

Er werd verder overlegd met VIVO (Vlaams Instituut voor Vorming en Opleiding) om af te stemmen op welke wijze en met welke timing het beroepskwalificatiedossier voor de functies in de kinderopvang kan worden

samengesteld,

zodat

vervolgens

de

beroepscompetentieprofielen

voor

kinderopvang

ingeschaald kunnen worden in de Vlaamse Kwalificatiestructuur.

Het ministerieel besluit kwalificatiebewijzen is aangepast. De volgende twee afstudeerrichtingen zijn hierin bijkomend opgenomen: 

Educatief kinderwerker.

Bachelor ‘Pedagogie van het jonge kind’.

Om bestaande opleidingen in de kinderopvang te versterken, zette Kind en Gezin in 2012 de volgende stappen: 

Kind en Gezin volgde de werkzaamheden op van de stuurgroep van de drie hogescholen rond de professionele bacheloropleiding ‘Pedagogie van het jonge kind’ (Arteveldehogeschool Gent, Karel De Grotehogeschool Antwerpen, Erasmushogeschool Brussel).

Kind en Gezin volgde de inhoudelijke uitbouw van de opleiding bachelor ‘Pedagogie van het jonge kind’ op door te zetelen in de Opleidingsadviesraad van de Arteveldehogeschool en het resonansoverleg van de Karel De Grotehogeschool.

Op vraag van de Stuurgroep van het Volwassenenonderwijs formuleerde Kind en Gezin in het najaar van 2012 een advies over de 3 uitbreidingsmodules bij het opleidingsprofiel ‘Begeleider in de (buitenschoolse) kinderopvang’ (BO PZ 108 en BO PZ 109).

Eind augustus 2012 liep het twee jaar durend proefproject rond de ‘Startopleiding begeleider buitenschoolse kinderopvang’ ten einde. Het proefproject kreeg vorm in een protocolovereenkomst tussen VDAB, VIVO, Kind en Gezin en enkele centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s). Kind en Gezin evalueerde het proefproject aan de hand van twee vragenlijsten, gericht naar respectievelijk de werkgevers (initiatieven voor buitenschoolse opvang en buitenschoolse opvang verbonden aan erkende kinderdagverblijven) en de centra voor volwassenenonderwijs. De resultaten van deze evaluatie worden verder meegenomen bij het uittekenen van kwalificerende trajecten. Een syntheserapport van deze bevragingen is terug te vinden op de website van Kind en Gezin. http://www.kindengezin.be/brochures-en-rapporten/rapporten/kinderopvang/#Andereonderzoeksrapporten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

81


De opleiding educatief kinderwerker die binnen het CVO Sociale School Heverlee werd ingericht, wordt opgevolgd door Kind en Gezin.

Tot slot liepen voor het kwalificerende traject voor onthaalouders, de volgende acties in 2012 door: 

De opvolging van de werkzaamheden van het ESF-project ‘Onthaalouders sterker maken’. Partnerorganisatie VBJK leidde het overleg met de sector, de opleidingsorganisaties en het volwassenenonderwijs en werkte hiervoor samen met CEGO (Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs).

Ondersteuning van de opleidingsdagen en de resonansgroep van het ESF-project WANDA van het VBJK en de Arteveldehogeschool in Gent dat tot doel heeft de zelfreflectie bij onthaalouders te vergroten.

4. Klachten over kinderopvang

De Klachtendienst van Kind en Gezin ontving in 2012 in totaal 1351 oproepen over kinderopvang. Het ging om 182 informatieve oproepen, 109 meldingen en 1060 dossiers waarbij een klacht werd geformuleerd. Van deze klachtendossiers waren er 913 ontvankelijk en 147 onontvankelijk. Het aantal oproepen daalde met 9,6 % tegenover 2011.

Aantal oproepen over kinderopvang 2011

2012

Informatieve oproep

144

182

Melding

192

109

Klacht

1 158

1060

Totaal

1 494

1351

44. Aantal oproepen over kinderopvang op de Klachtendienst

Informatieve oproepen bij de Klachtendienst over kinderopvang Louter informatieve vragen over kinderopvang worden doorgeschakeld naar de Kind en Gezin-Lijn en worden niet opgenomen in de cijfers over de werking van de Klachtendienst. De informatieve oproepen die wel door de Klachtendienst werden behandeld, gingen over een concreet ongenoegen waarbij advies werd gevraagd over de aanpak van het probleem. In 2012 behandelde de Klachtendienst 182 dergelijke infodossiers over een concreet probleem in een kinderopvangvoorziening.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

82


Meldingen bij de Klachtendienst over kinderopvang De Klachtendienst heeft het over een ‘melding’ wanneer een voorziening zelf contact opneemt om een incident of een probleem te melden of wanneer een ouder de Klachtendienst een situatie wil meedelen zonder dat de ouder zich opstelt als klager. De Klachtendienst kwalificeerde in 2012 109 meldingen als nuttige informatie voor het geval er nadien nog een klacht over zou binnenkomen. Meldingen van ernstige incidenten worden door de afdeling Kinderopvang opgevolgd en niet door de Klachtendienst.

Onontvankelijke klachten over kinderopvang Voor een aantal klachten over kinderopvang besluit de Klachtendienst dat de klacht onontvankelijk is, bijvoorbeeld omdat het onderwerp van de klacht buiten de bevoegdheid van Kind en Gezin valt of omdat de klacht over het algemeen beleid of de regelgeving gaat. In 2012 waren er in totaal 147 onontvankelijke klachten. Een groot deel was onontvankelijk omdat het ging om een betwisting van de te betalen sommen in de zelfstandige sector waarbij geen IKG werd toegepast en/of omdat het onderwerp van de klacht buiten het gereglementeerde kader viel en/of eerder in de privésfeer lag (buiten de bevoegdheid van de Klachtendienst van Kind en Gezin). Voor onontvankelijke klachten werd er geen onderzoek gestart. De persoon die de klacht indiende, werd wel zo goed mogelijk geholpen met informatie of advies. Eventueel werden de opmerkingen genoteerd als nuttige informatie voor Kind en Gezin, zodat er rekening mee kan gehouden worden bij beleidsvoorbereidende werkzaamheden.

Ontvankelijke klachten over kinderopvang De Klachtendienst noteerde in 2012 913 ontvankelijke klachten over kinderopvang. Het ging om 214 klachten over erkende en gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen, zoals een kinderdagverblijf, een dienst voor onthaalouders of een daarbij aangesloten onthaalouder. 608 klachten hadden betrekking op de zelfstandige sector: 523 klachten gingen over een zelfstandig kinderdagverblijf en 85 klachten over een zelfstandige onthaalouder. Tot slot werden er 70 klachten genoteerd over enkel gemelde en 21 klachten over niet gemelde kinderopvang. Het totaal aantal ontvankelijke klachten daalde met 12% in vergelijking met 2011.

Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang 2011

2012

Over een erkende (en gesubsidieerde) voorziening

243

214

Over een voorziening met attest van toezicht

678

608

Over een enkel gemelde of niet-gemelde voorziening

116

91

1 037

913

Totaal 45. Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang45

Kanttekening: regelgevend zijn de erkende voorzieningen verplicht een eigen klachtenprocedure te hebben. De voorzieningen met een attest van toezicht niet. Erkende opvang kan dus intern reeds geconfronteerd zijn geweest met klachten waarvoor zelf een oplossing werd gevonden. 45

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

83


Voorwerp van de klachten over een kinderopvangvoorziening De inhoud van een klacht kan gescoord worden aan de hand van thema’s, met een maximum van 4 thema’s per klacht. Binnen de zelfstandige sector scoorden de volgende inhoudelijke thema’s het meest: 

Klachten over personeelsomkadering stonden op de eerste plaats (16,3%). Het gaat om klachten over de aanwezigheid van te weinig personeel in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen.

Klachten over communicatiestijl, onvriendelijkheid, onheus behandelen (13,1%) namen de tweede plaats in, onmiddellijk gevolgd door de klachten over pedagogisch handelen (10,5%).

Op de vierde plaats (9,2%) kwamen de klachten over verzorging en hygiëne door het personeel ten aanzien van de kindjes.

De vijfde plaats, met 7,8 %, werd ingenomen door klachten over de wijze van bereiding of gebrek aan variatie in de aanbieding van de voeding.

De vijf meest gescoorde klachtonderwerpen die genoteerd werden voor de erkende sector, zijn de volgende:

In 23,8% van de aangehaalde klachtelementen over de erkende kinderopvang was er een ongenoegen over de inhoud van de geleverde prestatie, gevolgd door klachten over de communicatiestijl (14,5%).

Op de derde plaats (met 9,8 %) stonden de klachten over het pedagogisch functioneren.

Op de vierde plaats stonden de klachten met betrekking tot veiligheid ( 8,8%). Het betrof zowel dynamische als statische veiligheid, bijvoorbeeld kinderen die alleen werden gelaten of waarbij het toezicht ernstige lacunes vertoonde, een opvang waar iedereen zonder enige controle binnen en buiten kon, geen veiligheidshekje voor een trap, (grote) honden die tussen de kinderen rondliepen, etc.

De klachten over inschrijving sloten met 7,5% de top vijf af. Dit ging voornamelijk over de toepassing van de gereglementeerde voorrangsbepaling.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

84


Hoofdstuk 4: Andere belangrijke accenten in de werking

1. Het Lokaal Overleg Kinderopvang

Het lokaal beleid kinderopvang vindt zijn oorsprong in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 houdende het lokaal beleid kinderopvang. Dit besluit trad op 19 juni 2007 in werking.

Het besluit bepaalt dat het lokaal bestuur (de OCMW- en gemeenteraad) zijn taak betreffende de lokale regie van de kinderopvang uitoefent in overleg met Kind en Gezin. Het lokaal bestuur werkt een lokaal beleid kinderopvang uit in een lokaal beleidsplan kinderopvang, dat onderdeel is van het lokaal sociaal beleidsplan. Het lokaal beleid kinderopvang omvat zowel de opvang van babyâ&#x20AC;&#x2122;s en peuters als de buitenschoolse opvang en gaat ruimer dan de opvang die het lokaal bestuur zelf aanbiedt. Het lokaal beleidsplan kinderopvang heeft een looptijd van 6 jaar en loopt samen met de gemeentelijke bestuursperiode. Kind en Gezin vraagt advies aan de lokale besturen bij de uitbouw van opvangvoorzieningen en ondersteunt hen bij de opmaak van het lokaal beleidsplan kinderopvang.

Op 8 april 2011 gaf de Vlaamse regering haar definitieve goedkeuring aan het Planlastendecreet46. Het

Planlastendecreet

bepaalt

dat

er

aan

lokale

besturen

geen

bijkomende

plan-

en

rapporteringverplichtingen mogen worden opgelegd. Het treedt in werking op 1 januari 2014. Als gevolg van dit Planlastendecreet zal het lokaal beleidsplan kinderopvang vanaf 1 januari 2014 worden opgenomen in de strategische meerjarenplanning. Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 houdende het lokaal beleid kinderopvang zal dus moeten worden aangepast om het in overeenstemming te brengen met dit Planlastendecreet. Kind en Gezin deed in 2012 in dat verband een voorstel aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Voor de samenstelling van het Lokaal Overleg Kinderopvang verandert er niets. Het huidig besluit blijft hiervoor van toepassing.

In november 2012 maakte de minister ook de Vlaamse beleidsdoelstellingen betreffende het lokaal gezinsbeleid bekend. De lokale besturen werden hierbij uitgenodigd deze doelstellingen een plaats te geven in de strategische meerjarenplanning 2014-2019. Deze beleidsdoelstellingen houden verband met

de

buitenschoolse

opvang,

de

opvang

van

baby's

en

peuters

en

de

preventieve

gezinsondersteuning. Ze maken deel uit van het ruimere lokaal sociaal beleid. Met gerichte informatiesessies wil Kind en Gezin lokale besturen in 2013 sensibiliseren om werk te maken van de realisatie van de Vlaamse beleidsdoelstellingen rond lokaal gezinsbeleid.

Decreet houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd. 46

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

85


2. Ondersteuningsstructuur zelfstandige kinderopvang De Vlaamse regering nam sinds 2009 verschillende initiatieven om de zelfstandige kinderopvangsector te ondersteunen. In kader van het Actieplan Zelfstandige Kinderopvang (29 maart 2011) werd een integrale en geïntegreerde ondersteuning uitgebouwd van zowel kandidaat-starters als gevestigde ondernemers in de zelfstandige kinderopvang. Iedere partner draagt hieraan bij vanuit zijn eigen sterkte: 

Het Agentschap Ondernemen ondersteunt de zelfstandige kinderopvang op bedrijfseconomisch vlak. Er worden, verspreid over Vlaanderen, vormingsmomenten georganiseerd. De ondernemer in de kinderopvang kan gratis individuele begeleiding krijgen bij de opmaak van het ondernemingsplan. Specifiek voor overnemers werd een leidraad ‘Overnemen in de zelfstandige kinderopvang’ ontwikkeld.

De Vlaamse investeringsmaatschappij PMV richtte in 2009 KidsInvest op, een investeringsfonds dat alleen voor de zelfstandige kinderopvangsector beschikbaar is. De leningen van KidsInvest hebben een

achtergesteld

karakter

en

worden

verschaft

aan

marktconforme

voorwaarden.

Het

achtergestelde karakter vergemakkelijkt de toegang tot extra bankfinanciering. Dankzij de kapitaalvrijstelling van 12 maanden krijgen de ondernemers voldoende financiële zuurstof om hun zaak volop te laten bloeien. Voorwaarde is wel dat zij een businessplan en een kasplan kunnen indienen die voldoen aan bedrijfseconomische criteria. Sinds juli 2011 biedt KidsInvest ook werkkapitaalkredieten aan voor ondernemers die een tijdelijk kritieke toestand financieel willen overbruggen. 

Onder de naam VoorZet is sinds eind september 2010 een ondersteuningsstructuur actief op het terrein, specifiek gericht op de pedagogische werking van de zelfstandige kinderopvang. VoorZet heeft een uitgebreide informatieve website (www.voorzet.be) en een telefonische en elektronische advieslijn. VoorZet heeft een starterservice uitgebouwd, is actief aanwezig op de startersmarkten van Kind en Gezin en ondersteunt de starters door bezoeken te brengen. Verder heeft VoorZet ook een begeleidingstraject op maat voor risicovoorzieningen. Op het vlak van vorming is een vormingsdatabase beschikbaar op de webstek. Op het vlak van netwerking stimuleert VoorZet het meterschap en werden verschillende contactgroepen opgestart en begeleid. VoorZet organiseert ook infosessies over inspectie in de verschillende provincies, in samenwerking met ZorgInspectie en Kind en Gezin.

UnieKO kreeg in 2011 en 2012 een specifieke opdracht ter ondersteuning van de zelfstandige kinderopvang. Deze opdracht is enerzijds gericht op de ondersteuning van de zelfstandige kinderopvang in problematische toestand en anderzijds op het begeleiden van de zelfstandige kinderopvang in de overgang naar het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters. Daarnaast biedt UnieKO ook startersadvies, vorming en trefpuntwerking aan en wil UnieKO de belangen van de werkgevers in de zelfstandige kinderopvang behartigen.

Het streven is het Actieplan Zelfstandige Kinderopvang, in de aanloop naar de uitvoering van het decreet Kinderopvang

van

Baby’s

en

Peuters,

verder

te

laten

evolueren

naar

een

professionele

ondersteuningstructuur voor al wie wil ondernemen in de kinderopvang. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

86


3. Sociaal statuut onthaalouders Het Vlaamse aanbod van kinderopvang steunt voor een belangrijk deel op onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst. Zij staan in voor 35% van de plaatsen in de opvang van baby’s en peuters. Het onthaalouderschap vindt zijn oorsprong in een vrijwillige dienstverlening en groeide uit tot een semiprofessionele opvangactiviteit, totdat de onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst op 1 april 2003 een sociaal statuut kregen dat aangepast is aan hun specifieke werksituatie. De ontoereikendheid van de inkomsten die men verwerft uit de kostenvergoeding per prestatie en de onvolledigheid

van

het

eigen

statuut

inzake

arbeidsrechtelijke

bescherming

(geen

werkloosheidsuitkering, geen vakantiegeld) worden door een deel van de aangesloten onthaalouders als een knelpunt ervaren. Zowel de huidige Vlaamse als de Federale regering hebben daarom het vaste voornemen geuit om te voorzien in een werknemersstatuut voor onthaalouders aangesloten bij een dienst. In 2009 werd het overleg opgestart tussen de gemeenschappen en de federale overheid om tot een werkbaar statuut te komen. Door de val van de Federale regering in april 2010 werd dit overleg onderbroken. Het plan van de nieuwe Federale regering is echter om dit overleg terug op te nemen met de gemeenschappen. De Vlaamse regering zal hier aan meewerken. De bevindingen, bekommernissen en voorstellen die dit overleg opleveren, zullen worden meegenomen met het oog op de verdere ontwikkelingen in kader van het statuut van de onthaalouders aangesloten bij een dienst.

4. Aandacht voor coöperatief ondernemen, ook in de kinderopvang 2012 werd door de Verenigde Naties uitgeroepen tot ‘Internationaal Jaar van de Coöperaties’, met als slagzin ‘coöperatieve vennootschappen bouwen een betere wereld’. Coöperaties kunnen volgens hen een belangrijke rol spelen in ondermeer armoedebestrijding en maatschappelijke integratie. Kinderopvang is, in het licht van die doelstelling, een gedroomd terrein voor coöperatieve ondernemers. En effectief: we stellen vast dat er in 2012 een hele dynamiek is ontstaan rond de coöperatieve gedachte in de kinderopvang. Heel wat mensen gaan ermee aan de slag en zien er nieuwe kansen in. Op 29 november 2012 vond daarom, op initiatief van VBJK en Coopburo, een Denkdag Coöperatieve Kinderopvang plaats in het Vlaamse Parlement. Op een specifieke website, www.oudercreches.be, kan men terecht voor informatie over het oprichten van een oudercrèche in de kinderopvang. In 2013 zullen provinciale inforondes de voorbode zijn van trajecten op maat van wie, ook in de ruimere zin, coöperatief wil ondernemen in de kinderopvang. 5. De Kinderopvangzoeker Uit onderzoek blijkt dat de zoektocht naar kinderopvang voor heel wat ouders moeilijk verloopt 47. Eén van de doelstellingen van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters is de ouders te ondersteunen

47

Analyse van het zoekproces van ouders naar een voorschoolse kinderopvangplaats - september 2007 – MAS

(Market Analysis & Synthesis). Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

87


in

hun

zoektocht

naar

opvang.

Daartoe

zullen

instrumenten

worden

ontwikkeld

zoals

de

Kinderopvangzoeker en het Lokaal Loket Kinderopvang.

De

Kinderopvangzoeker wordt

een instrument

op

het

webportaal

van Kind

en Gezin

om

kinderopvangvragen te registreren, te behandelen en in kaart te brengen. Het doelpubliek (de gebruikers) zijn ouders (in spe), medewerkers van opvangvoorzieningen en de Lokale Loketten Kinderopvang. In 2012 werd een eerste prototype van de Kinderopvangzoeker ontworpen. Een tweede, meer uitgewerkte versie, volgde na analyse van dit prototype.

Het gebruik van de Kinderopvangzoeker zal een gedragswijziging vragen van alle betrokkenen en zeker van de ouders. Iedere ouder zal immers zijn vraag naar opvang voor hun baby of peuter moeten (laten) registreren. Te verwachten is dus dat de implementatie van de Kinderopvangzoeker heel wat dynamiek zal teweeg brengen. Een stapsgewijze implementatie is dus aangewezen om de effecten van deze dynamiek te kunnen inschatten en waar nodig bij te sturen. Daarom werd er voor gekozen om de Kinderopvangzoeker in een proeftuin uit te testen. Op basis van een aantal objectieve criteria48 werd de zorgregio Hasselt als proeftuin aangeduid. Heusden-Zolder verklaarde zich bereid om als eerste gemeente in deze zorgregio met de Kinderopvangzoeker aan de slag te gaan.

Zowel de lokale besturen als de kinderopvangvoorzieningen voor babyâ&#x20AC;&#x2122;s en peuters in de zorgregio, werden uitgenodigd voor een infomoment. Tijdens deze bijeenkomsten werd de Kinderopvangzoeker voorgesteld en gekaderd. Voor de opvolging van de proeftuin werd een stuurgroep en een werkgroep samengesteld en opgestart. De provinciaal consulent kinderopvang volgt de voorbereidingen van nabij op en geeft vanuit Kind en Gezin alle nodige ondersteuning, hierin bijgestaan door medewerkers van de centrale administratie en van het provinciaal afdelingshoofd.

Deze werkzaamheden moeten er toe leiden dat de proeftuin Kinderopvangzoeker in 2013 in HeusdenZolder van start kan gaan en daadwerkelijk kan worden gebruikt door alle betrokkenen. Op basis van de ervaringen in deze startgemeente zal Kind en Gezin de Kinderopvangzoeker bijwerken met als doel de proeftuin stap voor stap in de loop van 2013 uit te breiden naar andere gemeenten in de zorgregio Hasselt. Pas na positieve evaluatie van deze proeftuin kan de Kinderopvangzoeker uitgerold worden naar heel Vlaanderen en Brussel.

Tot slot zal tijdens deze proeftuin in kader van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ook een exploratief onderzoek lopen naar het gebruik en gebruiksgemak van de Kinderopvangzoeker zoals dat ervaren wordt door de betrokken actoren (ouders, voorzieningen, Lokaal Loket Kinderopvang) en naar de implicaties en de gevolgen voor het gedrag/beleid van de betrokkenen. Daarnaast zal ook

Voldoende grote zorgregio (adhv. het aantal geboorten per jaar) maar toch beheersbaar qua aantal gemeenten/voldoende diversiteit aan gemeenten (grote, kleine en middelgrote) in de zorgregio/geen grensregio/diversiteit in aanwezige voorzieningentypes/grootte van het aanbod in de zorgregio/voldoende evenwicht tussen vraag en aanbod (verhouding capaciteit - geboorten) in de zorgregio en aantal kinderen dat uit andere zorgregioâ&#x20AC;&#x2122;s wordt opgevangen. 48

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

88


onderzocht worden welke beleidsrelevante gegevens het systeem kan opleveren over de vraag naar opvang en over het zoekproces van ouders. Het onderzoek moet resulteren in voorstellen tot bijsturing van de Kinderopvangzoeker en tot voorstellen voor flankerende acties die de invoering van de Kinderopvangzoeker in heel Vlaanderen en Brussel kunnen optimaliseren. Het onderzoek zal uitgevoerd worden door het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving – KU Leuven (HIVA), met de medewerking van Kind en Gezin en zal in het najaar van 2013 van start gaan. 6. Kinderopvang met sociale functie Samen met zijn partner VBJK startte Kind en Gezin in 2009 het begeleidingstraject ‘Kinderopvang met sociale functie’ op. Dit traject richt zich naar de begeleiders en pedagogische ondersteuners die concreet aan de slag willen gaan rond de sociale functie in hun organisatie, regio of netwerk. Omwille van het belang van de sociale functie werd een traject opgezet dat over een aantal jaren loopt en dat effecten op lange termijn kan bekomen. Dit traject heeft als voordeel dat verantwoordelijken van kinderopvanginitiatieven bij het realiseren van de sociale functie ondersteund kunnen worden door begeleiders,

pedagogische

ondersteuners

en

collega-verantwoordelijken.

In

2012

namen

10

pedagogische ondersteuners uit 8 organisaties deel aan 4 intervisiesessies. Tijdens deze intervisies wordt de sociale functie naar de praktijk van de diverse opvangvormen vertaald. Good practices werden verzameld om ook andere opvanginitiatieven te ondersteunen. Na positieve evaluatie van het eerste traject werd in 2012 ook een tweede traject opgestart. Hiertoe werden een oproep gelanceerd, een infomoment en drie introductiedagen georganiseerd. Tijdens deze introductiedagen werden de deelnemers ondergedompeld in het diversiteitsdenken, maakten ze kennis met de DECET-principes, werden verschillende methodieken toegelicht en werd ondersteuning geboden bij de opstart van hun traject. In totaal namen 13 pedagogische ondersteuners uit 11 organisaties deel aan de 3 introductiedagen. De stuurgroep Kinderopvang met Sociale Functie volgt dit begeleidingstraject op en formuleert nieuwe voorstellen van ondersteuning met betrekking tot de toegankelijkheid en de sociale functie van kinderopvang.

Aan

de

stuurgroep

nemen

koepelorganisaties,

grote

organiserende

besturen,

vormingsorganisaties en de ondersteuningsstructuur voor de zelfstandige sector VoorZet deel.

7. Registratie van de voorrangsgroepen

Op 5 december 2008 keurde de Vlaamse regering een aantal wijzigingen goed aan het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Dit wijzigingsbesluit introduceerde onder andere de huidige voorrangsregeling voor erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Verder bepaalde het wijzigingsbesluit dat de opvangvoorzieningen ten laatste tegen 1 januari 2010 hun opnamebeleid

aan

deze

bijgestuurde

voorrangsregels

moesten

aanpassen.

Het

aangepaste

opnamebeleid moest worden vermeld in het kwaliteitshandboek, het huishoudelijk reglement en de folders bestemd voor de ouders.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

89


De

voorrangsregels

gelden

voor

minstens

20%

van

de

opvangcapaciteit

van

de

erkende

kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. De voorrang geldt voor kinderen: A. van alleenstaande ouders die door werkomstandigheden of het volgen van een opleiding hun kinderen tijdens de dag niet zelf kunnen opvangen; B. van wie de ouders een arbeidsinkomen hebben dat lager ligt dan 14.501,92 euro (geldig vanaf 1 oktober 2012 tot 30 september 2013, 14.330,61 euro tot 30 september 2012), en die door werkomstandigheden of door het volgen van een opleiding hun kinderen tijdens de dag niet zelf kunnen opvangen; C. van wie de ouders een inkomen hebben dat lager ligt dan 14.501,92 euro (geldig vanaf 1 oktober 2012 tot 30 september 2013, 14.330,61 euro tot 30 september 2012) en voor wie kinderopvang een belangrijke factor is met het oog op hun economische en maatschappelijke participatie; D. voor wie het vanwege sociale en/of pedagogische motieven wenselijk is dat zij gedurende de dag opvang en begeleiding krijgen buiten het eigen gezin.

De implementatie van de voorrangsregels werd gekoppeld aan een registratie. Zo krijgt Kind en Gezin een zicht op de mate waarin de voorrangsregels worden toegepast. Deze registratie bestaat uit het noteren van: ď&#x201A;ˇ

het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in een kalenderjaar;

ď&#x201A;ˇ

het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in datzelfde kalenderjaar.

In het eerste kwartaal van 2010 gebeurde een nulmeting van het totaal aantal kinderen komende uit een voorrangsgroep. Op het einde van 2010 (vierde kwartaal) volgde een tweede meting. In 2011 (vierde kwartaal) heeft Kind en Gezin de registratie gewijzigd door bijkomend een opsplitsing per voorrangsgroep te vragen. De meest relevante resultaten voor 2011 en 2012 m.b.t. de registratie van de voorrangsgroepen worden hierna weergegeven. 7.1.

De erkende kinderdagverblijven

51,0% van de erkende kinderdagverblijven behaalt in 2012 de vooropgestelde 20% voorrangsgroepen (de verhouding van het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2012 ten opzichte van het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2012 ). In 2011 was dit 51,7%. Het gemiddeld percentage voorrangsgroepen dat de erkende kinderdagverblijven behalen, bedraagt 21,6%. In 2011 was dit 21,0%. De mediaan49 van het percentage voorrangsgroepen bij de erkende kinderdagverblijven bedraagt 20,6% (20,2% in 2011). Wanneer alle waarnemingen worden gerangschikt van laag naar hoog is de middelste waarde de mediaan. Per definitie zijn 50% van de waarnemingen lager en 50% hoger dan de mediaanwaarde. 49

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

90


7.2.

De diensten voor onthaalouders

33,7% van de diensten voor onthaalouders behaalt de vooropgestelde 20% voorrangsgroepen (verhouding van het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2012 ten opzichte van het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2012). Het percentage voorrangsgroepen dat de diensten voor onthaalouders gemiddeld behalen, bedraagt 15,8%. In 2011 was dit 15,3%. De mediaan50 van het percentage voorrangsgroepen bij de diensten voor onthaalouders ligt op 15,6% (14,9% in 2011). Er zijn echter zeer grote verschillen tussen de opvangvoorzieningen onderling. Bij de erkende kinderdagverblijven heeft de helft van de voorzieningen een score tussen 13,2% en 28,1%. Bij de diensten voor onthaalouders scoort 50% van de voorzieningen tussen 11,1 en 22,6%. De spreiding van de voorrangsscores is zeer groot, zowel bij de kinderdagverblijven als bij de diensten voor onthaalouders. Bij de kinderdagverblijven variĂŤren de scores zelfs van 1,2 tot 71,7%. Bij de diensten voor onthaalouders variĂŤren die van 0,4 tot 39,3%.

46. Spreidingsvoorstelling van het totaalpercentage voorrangsgroepen per voorzieningstype (erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders) met een erkenning van Kind en Gezin

Wanneer alle waarnemingen worden gerangschikt van laag naar hoog is de middelste waarde de mediaan. Per definitie zijn 50% van de waarnemingen lager en 50% hoger dan de mediaanwaarde. 50

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

91


7.3.

Detail per voorrangsgroep bij erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders

Sinds 2011 wordt niet alleen het totaal aantal kinderen komende uit voorrangsgroepen geregistreerd, maar ook de details per type voorrangsgroep. Er zijn vier voorrangsgroepen (zie vroeger). Eén kind kan natuurlijk tot meerdere voorrangsgroepen behoren. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het bekomen resultaat. 2012

2011 Voorrangsgroep Gemiddeld behaald % voorrangsgroepen A. % kinderen van alleenstaande ouders, die kinderen niet kunnen opvangen, omwille van werk of opleiding B. % kinderen van ouders met laag inkomen, die kinderen niet kunnen opvangen, omwille van werk of opleiding C. % kinderen van ouders met laag inkomen, kinderopvang belangrijk voor participatie

DVO 15,3% 9,5%

KDV 21,0% 10,6%

DVO 15,8% 10,0%

KDV 21,6% 7,2%

4,5%

6,5%

5,3%

7,0%

2,2%

3,8%

2,5%

4,2%

D. % kinderen voor wie het omwille van sociale of pedagogische motieven wenselijk is dat ze worden opgevangen.

3,5%

6,9%

3,6%

7,2%

47. % kinderen per voorrangsgroep bij diensten voor onthaalouders en erkende kinderdagverblijven.

7.4.

Zelfstandige kinderdagverblijven en onthaalouders met inkomensgerelateerde (IKG) bijdrage

Voor de zelfstandige opvang die inkomensgerelateerd werkt, worden in de IKG-database gegevens verzameld die toelaten om ook voor deze voorzieningen bij benadering op te volgen hoeveel kinderen uit de eerste, tweede en derde categorie van de voorrangsgroepen opgevangen worden. Over de 4de categorie zijn geen gegevens beschikbaar in de IKG-database. De gegevens van erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders enerzijds en IKG-voorzieningen anderzijds zijn niet volledig vergelijkbaar. De kenmerken van de voorrangsregels die binnen dit kader gebruikt werden zijn immers: 

hetzij een alleenstaande ouder;

hetzij een gezamenlijk inkomen lager dan of gelijk aan een bepaalde inkomensgrens (14 501,92 tot 30/9/2013; 14 330,6 tot 30/09/2012).

In 2012 werden er bij de IKG-voorzieningen 25 738 unieke kindcodes met minstens 1 aanwezigheid geregistreerd. 14,9% van deze unieke kindcodes draagt een kenmerk dat aangeeft dat het kind tot een voorrangsgroep behoort. Dit is een toename met 1,2% ten opzichte van 2011. Voor 27,2% van de kinderen behorend tot een voorrangsgroep is dit enkel omwille van het lage gezamenlijke inkomen. Dit is een stijging met 2,1% in vergelijking met 2011.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

92


We merken dat zelfstandige IKG-voorzieningen gelegen in de provincies Antwerpen en Vlaams Brabant (met inbegrip van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) een relatief hoger percentage behalen van kinderen die tot een voorrangsgroep behoren.

Antwerpen

Behoort tot voorrangsgroep 2011 2012 15,7% 17,2%

Limburg

13,3%

15,6%

Oost-Vlaanderen

13,2%

14,6%

Vlaams Brabant (met inbegrip van Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

16,0%

16,7%

West-Vlaanderen

11,2%

12,3%

Totaal

13,7%

14,9%

Provincie

48.

%

kinderen

dat

behoort

tot

een

voorrangsgroep

in

zelfstandige

voorzieningen

die

inkomensgerelateerd werken met minstens 1 aanwezigheid in 2012 Tot slot, een kwart van het totaal aantal IKG-voorzieningen (25,1%) haalt de norm van 20% voorrangsgroepen. Dit is een daling van 2,6% t.o.v. 2011. 8. Attestering kennis Nederlands 

Heel wat opvangvoorzieningen (vooral binnen de provincie Vlaams-Brabant en Brussel) hebben een verantwoordelijke of medewerkers waarvan de moedertaal niet het Nederlands is. Omdat de regelgeving de kennis van het Nederlands verplicht voor alle verantwoordelijken van zelfstandige opvanginitiatieven en medewerkers van erkende en/of gesubsidieerde voorzieningen, wordt een bewijs van kennis van het Nederlands opgevraagd. De taalexamens die momenteel in aanmerking komen, zijn zowel wat betreft organisatie als niveau onvoldoende afgestemd op de kinderopvang. Kind en Gezin is daarom op zoek naar een alternatief voor het testen van de kennis van het Nederlands. Kind en Gezin heeft binnen dit kader twee acties ondernomen in 2012: 

Het Centrum voor Taal en Onderwijs KU Leuven (CTO) rondde het onderzoek naar de vereisten op het vlak van de taalvaardigheid Nederlands voor een begeleider en een verantwoordelijke in de kinderopvang van baby’s en peuters af. De resultaten van dit onderzoek werden, en zullen ook nog in 2013, worden meegenomen bij het overleg over de voorwaarden voor de vergunning en subsidiëring van de kinderopvang van baby’s en peuters.

In 2013 zal Kind en Gezin contact opnemen met het departement Onderwijs en VDAB om te bekijken op welke wijze er alternatieve attesteringsproeven voor kennis van het Nederlands mogelijk gemaakt kunnen worden.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

93


9. Inclusieve kinderopvang Bij de uitwerking van de vernieuwde visie op inclusieve kinderopvang werd niet alleen vetrokken van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters, er werd ook rekening gehouden met de principes die de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin beschrijft in de nota ‘Perspectief 2020: nieuw ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap’. In deze nota wordt duidelijk het accent gelegd op een inclusieve aanpak waarbij een expliciete rol voor de kinderopvang wordt vermeld.

Binnen Kind en Gezin werd in deze optiek een stuurgroep opgericht, samengesteld uit ouderverenigingen en vertegenwoordigers van zowel de sector van personen met een handicap als van de kinderopvangsector. Deze stuurgroep kreeg de opdracht een antwoord te formuleren rond de wijze waarop de behoefte aan specifieke opvang beter kan worden beantwoord en inclusieve kinderopvang beter

kan

worden

georganiseerd

en

dit

zowel

voor

kinderen

en

gezinnen

als

voor

de

opvangvoorzieningen. De werkzaamheden van deze stuurgroep resulteerden in een aanzet tot een vernieuwde beleidsaanpak van inclusieve kinderopvang. 3 algemene, maar wel samenhangende, principes worden in deze beleidsaanpak voorop geplaatst: 

De toegang tot kinderopvang als basisrecht.

De extra ondersteuningsbehoefte wordt bepaald vertrekkende van de basiskwaliteit van de kinderopvang.

Ouders zijn de eerste opvoeders.

Daarnaast pleit de voorgestelde beleidsaanpak ook voor het maximaal uitdragen en inzetten van de opgebouwde expertise en dit door enerzijds verdere expertiseopbouw en -deling binnen de kinderopvang zelf en anderzijds door aan te sluiten bij andere sectoren. Het belang van het lokale en het regionale niveau wordt hierbij benadrukt.

Verder participeerde Kind en Gezin nog aan de voorbereiding van een ad hoc onderzoek 'Nulmeting van het gebruik van reguliere welzijnsdiensten door personen met een handicap' vanuit het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Meer in het bijzonder betrof het het nagaan van de mogelijkheden om een dergelijke nulmeting op te zetten. Hierbij werden vier soorten reguliere welzijnsdiensten geselecteerd, waaronder kinderdagverblijven, (diensten voor) onthaalouders en opvang vóór en na schooltijd (IBO’s). Op basis van een inventaris en analyse van bestaande registratiesystemen worden in dit rapport per sector pragmatische voorstellen gedaan om in 2013 een nulmeting naar het gebruik door personen met een handicap te kunnen realiseren. Voor kinderopvang werd voorgesteld deze nulmeting te integreren in het onderzoek naar het gebruik van opvang voor kinderen jonger dan 3 jaar dat in 2013 zal worden herhaald.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

94


10. Kinderopvang op de website van Kind en Gezin Kind en Gezin ondersteunt ouders in hun zoektocht naar opvang door het beschikbaar stellen van opvangadressen via de Kind en Gezin-Lijn en de website. Ouders die een prijs betalen die afhangt van hun inkomen, kunnen die online berekenen en een kindcode en het attest dat het tarief vastlegt, aanvragen. Via deze kanalen en via brochures geeft Kind en Gezin ook algemene informatie over de opvang: de soorten opvang, de prijs, tips voor het vinden van een opvang die het best aansluit bij de behoeften van de ouders, … Ook personen die een opvangvoorziening willen starten of die onthaalouder willen worden, kunnen op de website of bij de Kind en Gezin-Lijn terecht, net als op de startersinfomarkten die Kind en Gezin jaarlijks samen met haar partners organiseert.

Bestaande kinderopvangvoorzieningen en lokale besturen vinden op de website een brede waaier aan informatie en werkinstrumenten die hen ondersteunen in een kwalitatieve werking. Met hun vragen kunnen ze bij de Kind en Gezin-Lijn terecht. Verder houdt Kind en Gezin via de maandelijkse elektronische Nieuwsbrief Kinderopvang geïnteresseerden op de hoogte van het reilen en zeilen in de kinderopvang. Het aantal lezers van deze Nieuwsbrief bedroeg eind 2012 7898 en kende in vergelijking met eind 2011 een sterke groei (+2272 lezers).

In 2012 ging de nodige aandacht naar de communicatie over het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters. Alle opvangvoorzieningen en lokale besturen werden op de hoogte gebracht van de goedkeuring van dit decreet. Het decreet werd toegelicht via een kortfilm, een presentatie en FAQs 51 op de website. Per aparte doelgroep werd een webpagina gemaakt waarin uitgelegd wordt wat het decreet specifiek voor hen betekent. Iedereen kon met zijn specifieke vragen naar de Kind en Gezin-Lijn mailen. Voor deze communicatie werd voor het eerst de nieuwe huisstijl van Kind en Gezin gebruikt.

Tot slot was Kind en Gezin, samen met haar partners, één van de trekkers van de tweede editie van de Kinderopvangbeurs, de ontmoetingsplaats voor professionals in de kinderopvang. Kind en Gezin gaf er een presentatie over het decreet en zette er de kinderopvangsector letterlijk in de bloemetjes. De bezoekers waren tevens welkom op de nieuwe beursstand van Kind en Gezin. Ook de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin kwam op bezoek en gaf een toespraak. Voor deze beurs werd een nieuwe brochure gemaakt: ‘Kinderopvang. Samen geven we elk kind alle kansen‘. In deze brochure lees je wat Kind en Gezin doet in de kinderopvang, samen met haar partners. Ook het nieuwe decreet Kinderopvang wordt er kort uitgelegd.

51

Frequently Asked Questions.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

95


BIJLAGE: REGELGEVING

Deze bijlage geeft het regelgevende kader weer zoals het zich voordeed tot mei 2013. Om een duidelijk beeld te scheppen, is er een opdeling gemaakt in: 1.Basisregelgeving.

Hierin

worden

de

basisprincipes

weergegeven

van

waaruit

elke

kinderopvangvoorziening moet vertrekken; 2.Regelgeving per kinderopvangvorm waarin de specifieke regels met betrekking tot de kinderopvangvoorzieningen

zelf

worden

behandeld

(attest

van

toezicht,

erkenning,

toestemming, subsidies); 3.Andere regelgeving met impact op kinderopvang. Deze rubriek gaat over de regels die van belang zijn voor kinderopvangvoorzieningen zonder de voorziening zelf te regelen.

De meeste regelgeving betreft Vlaamse regelgeving, onder rubriek 3 vindt men ook federale regelgeving, dit gaat over federale materies. Onder ieder punt vindt men het opschrift van het besluit weer. Dit opschrift geeft kort weer wat het besluit bepaalt of regelt.

Om een duidelijk overzicht te houden, zijn de referenties van de wijzigingsbesluiten niet opgenomen in de opschriften. De geconsolideerde versie van een besluit, waarin de wijzigingen zijn verwerkt, staan op de website van Kind en Gezin of op deze website http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_wet/wet.pl (Klik verder op Belgische wetgeving, waarop zich een pagina opent, waar men de datum van het besluit en â&#x20AC;&#x2DC;BS-datumâ&#x20AC;&#x2122; kan invullen. Hierop wordt een lijst weergegeven van besluiten. Klik het op te zoeken besluit aan en het geconsolideerd besluit wordt weergegeven (met de wijzigingen, en een weergave van de wijzigingsbesluiten).

1. Basisregelgeving

Kinderrechten Internationaal Verdrag van 20 november 1989 (BS 13 juli 1991) inzake de Rechten van het Kind. Dit verdrag omvat alle fundamentele rechten van kinderen. Volgens dit verdrag zijn kinderen volwaardige burgers en hebben ze zowel recht op bescherming als recht op inspraak. Het verdrag vormt het referentiekader voor elke voorziening voor kinderen, dus ook voor de kinderopvang. Dit betekent dat elke regelgeving de basisrechten van kinderen moet respecteren.

Kind en Gezin Decreet van 30 april 2004 (BS 7 juni 2004) tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin. Dit decreet richt het IVA met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin op, bepaalt de taken, bevoegdheden en middelen, alsook de organisatie en het beheer van het agentschap.

Decreet van 20 april 2012 (BS 15 juni 2012) houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

96


2. Regelgeving per opvangvorm

Iedere kinderopvang op bestendige wijze Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 2 april 2009) houdende de regeling van de melding aan Kind en Gezin van opvang op bestendige wijze.

Zelfstandige kinderdagverblijven, onthaalouders en buitenschoolse opvangvoorzieningen Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 23 april 2009) houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 24 april 2009 (BS 27 mei 2009) houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 24 april 2009 (BS 26 mei 2009) houdende de vaststelling van de wijze waarop zelfstandige onthaalouders en verantwoordelijken van zelfstandige opvangvoorzieningen de kennis van het Nederlands kunnen bewijzen.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 9 april 2009) houdende de voorwaarden inzake financiĂŤle ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiĂŤle ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) betreffende de vergoeding van installatiekosten aan onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) houdende de toekenning van een verzekering persoonlijke ongevallen aan opvanggezinnen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

97


Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 9 juni 2009) houdende de regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 23 januari 2012 betreffende de toekenning van de overheidsopdracht voor diensten van debiteurenbeheer voor de inkomensgerelateerde kinderopvang uitgeschreven door het IVA Kind en Gezin.

Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2012 (BS 29 mei 2012) houdende de voorwaarden voor een attest van toezicht van Kind en Gezin voor vakantieopvang van kleuters en lagere schoolkinderen

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen

Erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en aangesloten onthaalouders Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 19 april 2001) houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiĂŤring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 ( BS 15 juni 2011) tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen

Ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 27 juli 2001) houdende de vaststelling van de procedure tot het verlenen, het verlengen, het weigeren of het intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiĂŤring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 16 mei 2007 (BS 8 juni 2007) betreffende de bepaling van de forfaitaire subsidiebedragen voor het basisaanbod van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) betreffende de vergoeding van installatiekosten aan onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 (BS 16 mei 2006) betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2012

98


Ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) houdende de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Ministerieel besluit van 28 mei 2008 (BS 16 juni 2008) houdende de voorwaarden waaraan onthaalouders moeten voldoen om aangesloten te worden en te blijven bij een dienst voor onthaalouders en de voorwaarden voor samenwerking tussen onthaalouders.

Ministerieel besluit van 10 september 2008 (BS 26 september 2008) betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven.

Ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 (BS 20 augustus 2008) houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 24 augustus 2009) houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers.

Ministerieel besluit van 17 maart 2008 (BS 8 april 2008) tot bepaling van de financiële bijdrage van de gezinnen voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

99


gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Ministerieel besluit van 12 juni 2008 (BS onbekend) tot bepaling van de tewerkstellingsprogramma’s die specifiek gericht zijn op werken in de kinderopvang en waarvoor een premie voor gesubsidieerde contractuelen verkregen wordt.

Ministerieel besluit van 1 april 2003 (BS 6 mei 2003) tot vastlegging van de modaliteiten betreffende de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen ten behoeve van diensten voor opvanggezinnen en aangesloten opvanggezinnen.

Ministerieel besluit van 1 april 2003 (BS 7 mei 2003) houdende de vastlegging van het bedrag, toegekend aan de diensten voor onthaalouders in het kader van de verzekering voor arbeidsongevallen voor aangesloten onthaalouders.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2012 (BS 29 mei 2012) houdende de voorwaarden voor een attest van toezicht van Kind en Gezin voor vakantieopvang van kleuters en lagere schoolkinderen

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen

Initiatieven voor buitenschoolse opvang Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 27 april 2001) houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 23 augustus 2001) houdende de vaststelling van de procedure tot het verlenen, het verlengen, het weigeren of het intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001) houdende de voorwaarden inzake subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

100


Besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 (BS 16 mei 2006) betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) houdende de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven.

Ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 (BS 20 augustus 2008) houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 24 augustus 2009) houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

101


Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2010 (BS 20 juli 2010) houdende de subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang en van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in het kader van het Generatiepact.

Ministerieel

besluit

van

25

juni

2010

(BS

22

juli

2010)

houdende

de

toekenning

van

doelgroepwerknemers aan initiatieven voor buitenschoolse opvang en van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in het kader van het Generatiepact in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2012 (BS 29 mei 2012) houdende de voorwaarden voor een attest van toezicht van Kind en Gezin voor vakantieopvang van kleuters en lagere schoolkinderen

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen

3. Andere regelgeving met impact op kinderopvang

Inspectie Besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 (BS 6 mei 2004) tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Zorginspectie.

Kwaliteit Decreet van 17 oktober 2003 (BS 10 november 2003) betreffende de kwaliteit van de gezondheid- en welzijnsvoorzieningen. Dit decreet bepaalt verschillende elementen die de kwaliteitszorg in een welzijnsvoorziening gestalte geven. Per sector kan dit verder uitgewerkt worden. Dit is voor kinderopvang gebeurd met het besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011, terug te vinden onder rubriek 2 ‘Regelgeving per kinderopvangvorm’.

Lokaal Beleid Kinderopvang Besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 (nog niet gepubliceerd) houdende het lokaal beleid kinderopvang. Het betreft de rol van het lokaal bestuur, het lokaal beleidsplan kinderopvang en het Lokaal Overleg Kinderopvang.

Dienstencheques Decreet van 7 mei 2004 (BS 18 augustus 2004) houdende de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang. Dit decreet wordt opgeheven op het moment het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, in werking treedt. Dienstencheques worden nu geregeld met convenanten met het oog op één aangepaste regelgeving.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

102


DAC Besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 (BS 10 oktober 2001) houdende de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DAC-statuut. Ingevolge de regularisatie van DAC-personeelsleden werd de subsidiëring overgenomen door Kind en Gezin.

Brandveiligheid Koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. In bijlage 2 van dit koninklijk besluit worden de specifieke normen met betrekking tot de lage gebouwen bepaald. De gemeenschappelijke voorschriften voor brandveiligheid, voor alle categorieën van gebouwen ongeacht hun bestemming, worden bepaald in de federale basisnormen. De basisnormen gelden voor alle nieuwe gebouwen en zijn niet van toepassing voor ‘bestaande’ gebouwen. In functie van de datum van indiening van de bouwaanvraag wordt een gebouw al dan niet als ‘bestaand’ beschouwd. Hoge en middelhoge gebouwen waarvoor de bouwaanvraag werd ingediend vóór 26 mei 1995 en lage gebouwen waarvoor een bouwaanvraag werd ingediend vóor 1 januari 1998 worden beschouwd als ‘bestaande’ gebouwen.

Daarnaast zijn er specifieke normen voor brandveiligheid opgenomen in de regelgeving kinderopvang waaraan de kinderopvanglocaties moeten voldoen.

Technische commissie brandveiligheid Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 (BS 22 september 2009) tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Meer info is te vinden op de website www.vipa.be > brandveiligheid

> technische commissie

brandveiligheid. Met de oprichting van de technische commissie brandveiligheid kreeg het VIPA de opdracht om de Vlaamse regelgeving voor brandveiligheid te coördineren binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG). Deze technische commissie heeft een adviserende opdracht voor afwijkingsaanvragen van Vlaamse normen voor brandveiligheid en regelgevende initiatieven voor brandpreventie binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ministerieel besluit van 15 december 2009 (BS 8 januari 2010) tot benoeming van de leden van de technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

VIPA Kinderdagverblijven kunnen onder bepaalde voorwaarden een investeringssubsidie voor gebouwen genieten. Hiervoor kunnen zij zich richten tot VIPA, of meer info is te vinden op de website www.vipa.be

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

103


> sector ‘gezinnen met kinderen’ (o.a. VIPA-decreet, procedureregels, sectorbesluit voor de kinderopvang, …).

Veiligheid van speelterreinen en speeltoestellen Een speelterrein is elke speeltuin, elk speelplein, elke speelplaats waar minstens één speeltoestel aanwezig is dat door kinderen of jongeren collectief gebruikt wordt om te spelen. Kinderopvang is hier een voorbeeld van. De uitbater van het speelterrein is verantwoordelijk voor de veiligheid en het onderhoud van de installaties en het terrein. Meer informatie over de reglementering, verplichtingen voor de uitbater en meldingsplicht is te vinden op de website www.economie.fgov.be/nl/ondernemingen > Veiligheid van goederen en diensten > Veiligheid van speelterreinen en speeltoestellen.

Voedingsmiddelenhygiëne Koninklijk Besluit van 22 december 2005 (BS 30 december 2005) betreffende levensmiddelenhygiëne. Iemand die kinderen opvangt in groep, valt onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake algemene levensmiddelenhygiëne.

Melding van infectieziekten en legionella Op de website van dit agentschap zijn verschillende thema’s terug te vinden, met onder andere regelingen over de melding van infectieziekten en legionella.

Melding van infectieziekten Welke infectieziekten moeten gemeld worden, hoe de melding moet gedaan worden, en regelgeving daarover, is te vinden op www.zorg-en-gezondheid.be > ziektes > infectieziekten > meldingsplichtige infectieziekten

Legionella Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid ziet toe op de correcte toepassing van het Legionellabesluit. Tijdens een inspectie zal de toezichthoudende ambtenaar nagaan of de exploitant alle maatregelen heeft opgevolgd. De focus van de inspectie ligt op het beheersplan, de risicoanalyse en het register. www.zorg-en-gezondheid.be > gezond leven en milieu > milieu en gezondheid > legionella

Besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 (BS 4 mei 2007) betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 (16 september 2009) betreffende initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, die veroorzaakt zijn door biotische factoren, tegen te gaan.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

104


Rookverbod Wet van 22 december 2009 (BS 29 december 2009) betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook.

Privacy Wet van 8 december 1992 (BS 18 maart 1993) tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

De Privacywet wil de burger beschermen tegen misbruik van zijn persoonlijke gegevens. Hij bevat zowel de rechten en plichten van de persoon wiens gegevens verwerkt worden als de rechten en plichten van de verwerker zelf. De privacywet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn te vinden op de website van de privacycommissie: www.privacycommission.be > wetgeving en normen.

De opdracht van de Privacycommissie is erop toezien dat de privacy bij de verwerking van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd. De Privacycommissie is een federale instelling, al bestaat er sinds december 2009 ook een Vlaamse Toezichtcommissie voor het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, die gelijksoortige bevoegdheden uitoefent, maar dan op Vlaams niveau. Binnen de Privacycommissie zijn sectorale comités ingesteld die toezicht uitoefenen over een specifieke sector. Op de website van de privacycommissie is meer informatie te vinden over onder wat zijn persoonsgegevens, wat is gegevensverwerking, machtigingen, aangifte, ….

Sociaal statuut Kinderverzorgsters in dienst bij een kinderdagverblijf hebben een bediendestatuut en vallen onder de Arbeidswet van 16 maart 1971. Onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst voor onthaalouders, hebben sinds 1 april 2003 een eigen sociaal statuut als ‘fictieve werknemer’. Voor elk opgevangen kind ontvangen zij een kostenvergoeding, en zij zijn verzekerd tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid, beroepsziekten en arbeidsongevallen, hebben recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen. Bovendien is er een vergoeding ingeval kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder. Zelfstandige onthaalouders en uitbaters van een zelfstandig kinderdagverblijf zijn onderworpen aan het statuut van de zelfstandigen.

Het sociaal statuut is voor onthaalouders juridisch verankerd via de volgende besluiten: Programmawet (II) van 24 december 2002 (BS 31 december 2002) betreffende het sociaal statuut van onthaalouders aangesloten bij een dienst. Koninklijk Besluit van 18 maart 2003 (BS 27 maart 2003) tot aanvulling van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot vaststelling van de bijzondere bepalingen betreffende de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen en de beroepsziekten ten gunste van de onthaalouders.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

105


Koninklijk Besluit van 26 maart 2003 (BS 8 april 2003) tot uitvoering van artikel 7,§1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders. Koninklijk Besluit van 25 april 2004 (BS 18 mei 2004) tot wijziging, wat de onthaalouders betreft, van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Koninklijk Besluit van 3 juni 2007 (BS 14 juni 2007) tot wijziging van artikel 65 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot wijziging van artikel 2, §3, van het Koninklijk Besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, §1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders. Verder vindt men nog bepalingen in 2 ministeriële besluiten van 1 april 2003, terug te vinden onder rubriek 2 ‘Regelgeving per kinderopvangvorm’.

Fiscaal statuut Vooral de aftrek van kosten voor kinderopvang is van belang voor de sector kinderopvang.

Aftrek kinderopvangkosten voor de ouders Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (artikel 104, 7° en artikel 113, § 1) houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2004 (BS 5 augustus 2004), de wet van 27 december 2005 (BS 30 december 2005) en de wet van 22 december 2008 (BS 29 december 2009), regelt de fiscale aftrek van kinderopvangkosten. Belastingplichtigen kunnen de kosten voor kinderopvang betaald aan welbepaalde inrichtingen of personen (onder meer de opvangvoorzieningen met een attest van toezicht of een erkenning door Kind en Gezin) aftrekken. Deze aftrekbaarheid geldt voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar en is geplafonneerd.

Aftrek uit hoofde van de uitoefening van het beroep van opvangouder Voor onthaalouders aangesloten bij een dienst wordt het bedrag van de financiële tegemoetkoming beschouwd als een niet-belastbare terugbetaling voor de gemaakte kosten. De door de zelfstandige opvangvoorzieningen - vrij bepaalde - geïnde inkomsten worden beschouwd als belastbare beroepsinkomsten, zodat er beroepskosten kunnen worden afgetrokken.

Er is geen btw verschuldigd op de inkomsten van kinderopvangvoorzieningen, op voorwaarde dat het gaat om permanente opvang van kinderen onder de 12 jaar, door een erkende voorziening. In de praktijk wordt deze btw - vrijstelling evenwel ook toegekend aan zelfstandige voorzieningen.

Fiscale aftrek van kinderopvangkosten door bedrijven De programmawet van 8 april 2003 (BS 17 april 2003) voert een maatregel in om uitgaven van bedrijven voor nieuwe kinderopvangplaatsen fiscaal aftrekbaar te maken (beperkt tot een maximaal bedrag).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

106


Bevoegd paritair comité Het

bevoegde

paritair

comité

is

bepalend

voor

de

van

toepassing

zijnde

collectieve

arbeidsovereenkomsten die aangelegenheden regelen als loonschalen, arbeidsduur, vakbondsregeling, loopbaanonderbreking, brugpensioen, enz. Welk paritair comité van toepassing is, hangt af van twee zaken. 

Een eerste punt is of de cao - wet van 5 december 1968 van toepassing is. Als dit niet het geval is (bijvoorbeeld als er geen relatie werkgever - werknemer is), dan valt men onder geen enkel paritair comité.

Een tweede punt betreft de hoofdactiviteit van een voorziening. In principe gebeurt de toewijzing van een paritair comité volgens het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’ en ressorteren alle personeelsleden onder het paritair comité waaronder de hoofdactiviteit ressorteert. Als men onder de cao-wet valt en als de hoofdactiviteit kinderopvang is, dan gelden de volgende principes: -

PC 331 is bevoegd voor de crèches, peutertuinen, diensten voor onthaalouders, diensten voor thuisopvang van zieke kinderen, buitenschoolse opvang die door de Vlaamse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden erkend en/of gesubsidieerd. Uitbreiding toepassingsgebied Paritair Comité voor de gezondheidssector (PC

331):

Het

Paritair

Comité

voor

Vlaamse de

Vlaamse

welzijns- en welzijns-

en

gezondheidssector is vanaf 20 februari 2010 eveneens bevoegd voor: o

de diensten en de centra voor gezondheidspromotie en preventie, met uitzondering van de ziekenfondsen;

o

en de voorzieningen voor kinderopvang onder toezicht van de bevoegde instelling van de Vlaamse Gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

De meeste van deze diensten en voorzieningen ressorteerden tot nu toe onder het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330), residuaire inrichtingen en – diensten. -

PC 330, als residuair paritair comité voor de gezondheidszorg, is bevoegd voor de kinderopvangvoorzieningen die niet onder PC 331 vallen.

Voor de lijst met de benaming en het administratief nummer van de bij Koninklijk Besluit opgerichte paritaire comités en subcomités: zie BS van 18 juni 2007.

D/2013/4112/22

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2012

107


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Kinderopvang_jaarverslag_2012.pdf by Vlaanderen-be - Issuu