Skip to main content

MENC005-001.pdf

Page 1

^

M i n i s r e r i e v a n d e V l a a m s e Gemeenschap A f d e l i n g M o n u m e n t e n e n Landschappen


INieuAA/e impulsen voor de landschapszorg De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid


Els Hofkens

en Inge Roosens

(eds.)

Nieuwe impulsen voor de landschapszorg De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid Fotografie Oswald Pauwels en Kris Vandevorst

\mS Jn^j

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen Brussel 2001


©

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling Monumenten en Landschappen Koning Alben Il-laan 20, 1000 Brussel - tel. (02) 553.82.34 - fax (02) 553.82.05 Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakr zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgevet

D/2OO1/3241/089 ISBN 90-403-0128-X

NUGI 655


Dit boek verscheen in het voorjaar 2001 en werd uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling M o n u m e n t e n en Landschappen

Auteurs Lambert Schoenmaekers, Raadgever minister Paul van Gremhergen Mare Antrop, Universiteit Gent Gert Van de Genachte, Aeolus bvba Mare De Borgher, Afdeling Monumenten en Landschappen Paul Van den Bremt, Afdeling Monumenten en Landschappen Guido Tack, Afdeling Monumenten en Landschappen Hans Leinfelder, Afdeling Ruimtelijke Planning Guy Vloebergh, Studiegroep Omgeving Els Hofkens, Afdeling Monumenten en Landschappen Mira van Olmen, Afdeling Monumenten en Landschappen Hubert Bats, Afdeling Monumenten en Landschappen André Cresens, Afdeling Monumenten en Landschappen Wouter Deventer, Afdeling Monumenten en Landschappen Nele Vanmaele, Afdeling Monumenten en Landschappen

Eindredactie-Coördinatie Inge Roosens

Foto's Oswald Pauwels & Kris Vandevorst

Concept en vormgeving Luc Tack

Vertaling naar het Engels Bea Maes

Cartografie OC-GIS Vlaanderen

Leescomité Edgard Goedleven, Paul Van Lindt, Lambert Schoenmaekers, Gert Van de Genachte, Mare De Borgher, Paul Van den Bremt, Guido Tack, Els Hofkens

M&L


INHOUD

Voorwoord De landschapsatlas... hoe het begon

n

L A M B E R T

S C H O E N M A E K E R S

De landschapsatlas... methode

21 MARC ANTROP

De landschapsatlas... resultaten

44

PAUL VAN DEN BREMT GUIDO TACK

De landschapsatlas... gebruiksmogelijkheden

64

GERT VAN DE GENACHTE, MARC D E BORGHER HANS LEINFELDER, GUY VLOEBERGH GUIDO TACK, ELS HOFKENS

Gids - Een selectie van relictzones en ankerplaatsen in Vlaanderen

95

ELS HOFKENS

Relictzone 'Franse en Grote Heide, domein Oude Gracht en

96

Eikelenberg' MIRA VAN OLMEN

Relictzone 'Mechelse H e i d e - H e i w i j k '

105

H U B E R T BATS

Relictzone 'Vlaamse A r d e n n e n ' NELE VANMAELE

112


Relictzones 'Oude veldgebieden, Bulskampveld en veldgebied Hoogveld en Blekkerbos'

119

WOUTER DEVENTER

Relictzone 'De vallei van de Denier (van Aarschot tot Werchter)'

126

ANDRÉ CRESENS

Ankerplaats 'Landschap van de Oude Schelde tussen Bornem en Weert'

134

Mi RA VAN OLMEN

Ankerplaats "s Gravenvoeren, Sint-Martens-Voeren en SintPieters-Voeren - deel Snauwenberg en H o o g b o s '

145

H U B E R T BATS

Ankerplaats 'Krekengebied Assenede'

155

NELE VANMAELE

Ankerplaats 'Valleien van Molenbeek en Winge van Gemp tot Horst'

161

ANDRÉ CRESENS

Ankerplaats 'Duin-polderovergang Ten Bogaerde'

168

WOUTER DEVENTER

Verklarende woordenlijst

175

Bibliografie

181

Summary

188


vnnRAA/noRn

Het is van groot belang dat we voor onszelf en de toekomstige generaties zorgen voor en bouwen aan landschappen die getuigen van ons respect voor het culturele erfgoed, drager zijn van belangrijke natuurwaarden en door zoveel mogelijk mensen kunnen beleefd worden als een aangename leefomgeving.

Vanuit deze visie acht ik het noodzakelijk om het landschapsbeleid te verruimen en te versterken. Een gedegen landschapsinventarisatie is een belangrijke baken voor het uittekenen van een dergelijk beleid.

In de legislatuur 1991 -1995 werden de eerste initiatieven genomen tot landschapsinventarisatie, in het vooruitzicht van een streekgerichte aanpak van de landschapszorg. In de voorbije jaren is continu verder gewerkt aan deze omvangrijke inventarisatieopdracht. Vandaag stel ik vast dat de laatste provinciale landschapsatlas voltooid is.

Voor u ligt het boek 'Nieuwe impulsen voor de landschapszorg'. Het geeft een overzicht van de eerste en belangrijke inventarisatiefase, m.n. de vijf provinciale landschapsatlassen die bovendien tot een geheel zijn samengebracht. De uiteindelijke inventarisatie, eens deze volledig is afgewerkt behelst echter meer. Het gaat immers niet alleen over het landschap als erfgoed. Het landschap is eveneens te beschouwen als een complexe ruimtelijke structuur en als leefruimte die mede bepalend is voor de levenskwaliteit van al wie er in woont, werkt of recreëert.

Het is uiteindelijk de bedoeling om deze ruimtelijke, visuele en belevingsinvalshoek te combineren en te integreren in een globale landschapskaart. Deze historische momentopname zal de volledige inventarisatie en holistische waardering van de Vlaamse landschappen op het eind van de 20ste eeuw omvatten. Het is tegelijkertijd een basisdocument dat een breed gedragen en ruim geïntegreerd landschapsbeleid voor de 21ste eeuw moet helpen schragen.

Dit boek verschaft inzicht in het huidige verruimde beleid inzake landschapszorg. Dat beleid is er op gericht om naast een gebiedsgerichte aanpak en de integratie van landschapswaarden in de ruimtelijke ordening ook zoveel mogelijk burgers te betrekken bij daadwerkelijke landschapszorg op het terrein. Tevens wordt een beperkte selectie van de landschappen die Vlaanderen nog rijk is uitvoerig besproken.

Een beleidsrelevante inventaris als deze heeft maar zin als de verzamelde gegevens optimaal worden gebruikt door de verschillende beleidsniveaus en de betrokken doelgroepen. Bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn daarom belangrijke vereisten. Dit rijk geïllustreerde boek is dan ook bedoeld als kennismaking en uitnodiging tot verdere verdieping. Het is een handige opstap naar meer gedetailleerde en gespecialiseerde informatie die de Afdeling Monumenten en Landschappen ter beschikking stelt. Het is tevens een referentiewerk voor al diegenen die op een of andere manier begaan zijn met het erfgoed dat nog aanwezig is in de landschappen van Vlaanderen.


Voor iedereen die in welke hoedanigheid dan ook, beslissingen voorbereidt of neemt die ingrijpen in het landschap, kan dit boek de ogen openen. Ik ben ervan overtuigd dat het er mede voor zal zorgen dat de maatschappelijke gevoeligheid voor landschapswaarden toeneemt. De kwaliteit van het Vlaamse platteland, of het gebrek eraan, was jammer genoeg niet zelden het product van een gebrek aan deze gevoeligheid.

De verschillende producten van de landschapsinventarisatie leveren een goed onderbouwd afwegingskader voor beslissingen op de verschillende niveaus. Zowel de ruimtelijke planner op Vlaams niveau als de ruilverkavelaar of de schepen van economie die een lokaal bedrijventerrein wil realiseren, alsook de natuurbeheerder die een beheersplan opmaakt, kunnen hun plannen en beslissingen mede op basis van de gegevens uit de landschapsinventarisatie beter onderbouwen.

Het verheugt me dat Vlaanderen met dit landschapsinventarisatieproject en het recent ingezette verruimde landschapsbeleid op het juiste Europese spoor zit.

Een belangrijk doel van de Europese Landschapsconventie (Firenze 20 oktober 2000) is het ontwikkelen van een vooruitstrevende visie voor en met iedereen wiens handelen een effect heeft op de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen. Daartoe is het essentieel dat 'landschap' een volwaardig facet zou worden in het beleid én dat dit beleid mee zou gedragen worden door de bevolking. Landschapsstudie en landschapszorg mogen volgens de conventie niet langer het exclusieve domein zijn van een aantal wetenschappers en technische instanties.

Ik meen dat dit project een mijlpaal is op weg naar een dergelijke aanpak.

Verschillende auteurs en medewerkers hebben hun wetenschappelijk verantwoorde en beleidsmatig relevante bijdragen geleverd. Voor hun medewerking en samenwerking zeg ik hun van harte dank.

Paul Van Crembergen Vlaams minister bevoegd voor Binnenlandse aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken

1VI&L


1 -é -f

f

LUIÏ

•%mm:

ÏZ&».

«

•-•-ii>

-i--...-

*

(

:,

.

. .


Lambert

Schoenmaekers

DE LAMDSCHAPSATLAS HOE HET BEGON

Om tot een bruik-

De Mcchelse Heide

bare methodologie

is een van de land-

te komen, werd een schappen die in de proefproject opgezet

landschapsatlas als

in de provincies

relictzone werd

Limburg en West-

afgebakend

Vlaanderen.

(foto Oswald Pauwels)

De behoefte aan een inventarisatie van het landschappelijk erfgoed als basis voor het beleid kwam pas zeer recent tot stand. Weliswaar zijn er de afgelopen decennia twee historische, gebiedsdekkende karteringen ontwikkeld die vermeldenswaardig zijn. Daarbij was de invalshoek erfgoedwaarde zeker niet expliciet: Tussen i960 en 1970 werd per provincie een stelselmatige inventarisatie gedaan van de plaatsen en landschappen die gevrijwaard moesten worden. Deze inventarisatie werd onder meer gebruikt

voor de aanduiding van de groene zones bij het opmaken van de gewestplannen. Ze geeft nog steeds een gebiedsdekkend, zij het onvolledig en momenteel grondig achterhaald beeld van de waardevolle landschappen per provincie. Verder zijn de zogenaamde toeristische studies te noemen die van 1964 tot 1974 uitgevoerd werden per gewestplangebied en door het CommissariaatGeneraal voor Toerisme gesynthetiseerd werden per provincie. Een beschrijving en evaluatie van het landschap vormde immers een hoeksteen voor

Het wandelpad langs de stenen wijngaardmuur in Wczemaal (Rotselaar) (foto Oswald Pauwels)


onder meer de voorstellen op het vlak van dagrecreatie en toerisme. Alhoewel deze studies methodologisch niet sterk wetenschappelijk onderbouwd zijn, hebben ze de grote verdienste het volledige grondgebied in kaart te hebben gebracht. O p de kaarten werden onder andere aangegeven: merkwaardige landschappen, kleinschalige landschappen of waardevolle architecturale gehelen, schilderachtige dorpen of gehuchten, vergezichten, Een eerste schets van de actuele toestand van de erfgoedwaarde van de landschappen in het Vlaamse Gewest kwam tot stand in 1985 op initiatief van de Koning Boudewijnstichting. Vanaf toen werden op lokale basis initiatieven genomen voor een geactualiseerde inventaris van het steeds meer bedreigde natuurlijke en cultuurhistorische erfgoed van onze landschappen. De invoering van het concept van de 'tradionele landschappen' door Mare Antrop van de Universiteit Gent in 1989 was een belangrijk scharnierpunt. Ook de regelgeving inzake milieu-effect-rapportering (MER) uit 1989 was een nieuwe stimulans bij de uitwerking van een dergelijk landschappelijk referentiekader. De evaluatie van talrijke MER's leverde een aantal ervaringen op die door Siegfried van Nuffel van de Afdeling Monumen-ten en Landschappen samengebracht werden in een synthesenota. Geleidelijk groeide een methodologisch kader om de - van uit de historische context gave delen als landschapsrelicten te identificeren en de landschapsecologische rijkdom van samenhangende zones te beoordelen. Naar aanleiding van de start van het planningspoces van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen liet zich eveneens de nood voelen aan een gebiedsdekkend beeld van de landschapswaarden en de regionale diversiteit in Vlaanderen. Dit leidde tot een verdere verfijning van de indeling in traditionele landschappen. Bij de lancering van de Groene Hoofdstructuur werd eens te meer vastgesteld dat er geen landschappelijk equivalent bestond.

Tijdens de legislatuur 1991-1995 werden door de toenmalig bevoegde minister stappen ondernomen voor een streekgerichte aanpak van de landschapszorg met aandacht voor de relictbetekenis van de landschappen. Tevens werd een landschapszorgbeleid in het vooruitzicht gesteld dat kadert in het algemene concept van duurzame ontwikkeling (1). Door Lisec vzw werd nog voor het eind van die legislatuur de opmaak van een landschapsatlas opgestart met co-financiering van het Provinciebestuur Limburg en het Vlaamse Gewest. Na een provinciedekkende kartering van de broedvogels (in een broedvogelatlas), planten en zwammen zouden nu ook alle landschappelijke erfgoedwaarden worden gekarteerd op basis van systematisch onderzoek van een reeks van historische kaarten. De Atlas van de relicten van de traditionele landschappen' - verder landschapsatlas genoemd - was geboren. De provincies Limburg en West-Vlaanderen dienden als proef om te komen tot een bruikbare methodologie. Ze werden in nauw overleg uitgewerkt door Mare Antrop en Gert Van de Genachte, ondersteund door de landschapsinspecteurs van de Afdeling Monumenten en Landschappen, externe deskundigen en veldmedewerkers, onder de begeesterende leiding van Siegfried Van Nuffel. De landschapsatlas werd op wetenschappelijke basis met éénduidige criteria opgemaakt op schaal 1/50.000. Het is een inventaris van alle landschapskenmerken met erfgoedwaarde die op mesoniveau relevant zijn. Zowel puntvormige, lijnvormige als vlakvormige relicten van bovenlokaal be-lang werden gebiedsdekkend gekarteerd. Samen-hangende gehelen met belangrijke erfgoedwaarden en een vrij hoge gaafheid werden gewaardeerd via aanduiding als relictzone met bijhorende beschrijvingsfiche. De meest waardevolle ensembles werden ankerplaatsen genoemd. Voor ankerplaatsen en relictzones, kortom gave landschappen, worden specifieke beleidswenselijkheden geformuleerd. Een uitvoerige toelichting bij de methodiek en de resultaten vindt u respectievelijk in de bijdragen van Mare Antrop en van Guido Tack en Paul Van den Bremt. De beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering voor 1995-1999 sloten hierbij aan en hadden bijzondere aandacht voor de landschapsinventarisa-


In het inventarisa-

tie. Bij de uitbouw van een degelijk landschapsbeleid werd de verderzetting van het werk aan de landschapsatlas als zeer belangrijk aanzien (z). Tijdens deze periode werd inderdaad in sneltempo aan de landschapsatlas verdergewerkt en werden de concepten en criteria verder verfijnd. Bij het begin van de huidige legislatuur kon Minister Sauwens, bevoegd voor landschapszorg, tevreden vaststellen dat de voltooiing van het laatste deel van de landschapsatlas - met name die voor Vlaams-Brabant - nakende was.

DE LANDSCHAPSATLAS, ONDERDEEL VAN EEN AMBITIFUS INVENTARISATIFPRQJErT DAT STILAAN VORM KRIJGT Alle goede dingen bestaan uit drie In de beleidsnota Monumenten, Landschappen en Archeologie (3) woerdt de 'Atlas van de relicten van de traditionele landschappen' duidelijk in een

structuur en als

tieproject komt het

leefruimte.

landschap niet

Het Provinciaal

alleen aan bod als

Domein 'de Hoge

erfgoed, maar ook

Houw' in Kasterlec

als ruimtelijke

(foto Oswald Pauwels)

ruimer landschapsinventarisatieproject gekaderd. Hierbij komt het landschap niet alleen aan bod als erfgoed (historische benadering), maar ook als complexe, ruimtelijke structuur en als leefruimte (visuele en belevingsinvalshoek). Bovendien dient te worden benadrukt dat elke landschapsinventarisatie bestaat uit drie onderdelen: - de eigenlijke inventarisatie of kartering - een waardering, waardetoekenning of kwaliteitsbeoordeling - specifieke beleidsvisies of ontwikkelingsperspectieven Het is de uitdrukkelijke bedoeling deze verschillende invalshoeken te combineren of te integreren


• (bi|Voorbecld het

in een globale landschapskaart. Deze kaart zal een historisch document zijn: een volledige inventari_

ir-

Osbroek In Aalst) s a t : i e e n holistische waardering van de Vlaamse wordt een extra landschappen op het eind van de 20 s t e eeuw en stimulans gegeven e e n n j e u w k a c l e r voor een breed gedragen, geïnteaan de landschaps-

i i

j

i

i

i • i

i

via de g r e e r d landschapsbeleid voor de 2i s t e eeuw. beheersovereenkomsten van het

X a Z r Meerdere schaalniveaus in functie ontwikkeling van subsidiariteit (foto Oswald Pauwels)

Uit het schema blijkt dat de drie invalshoeken en de globale landschapskaart worden opgemaakt op mesoschalig én op macroschalig niveau zodat ze niet alleen bruikbaar zullen zijn voor het landschapsbeleid, maar ook voor alle beleidsbeslissingen met landschappelijke impact op zowel provinciaal als op Vlaams niveau. Daarnaast kunnen ze en als kader gebruikt worden voor verdere verfijning op gemeentelijk niveau. Ook de integratie van de drie invalshoeken kan gebeuren op de verschillende schaalniveaus zodat de lokale besturen op basis van een actuele globale inventaris en waardering, in de geest van subsidiariteit, een eigen landschapsbeleid kunnen ontwikkelen.

De eindmeet van het landschapsinventarisatieproject is in zicht - De landschapsatlas of 'Atlas van de relicten van de traditionele landschappen' werd voor de vijf provincies midden 2000 afgerond. - De landschapsatlas werd door abstractie, selectie en synthese herwerkt tot het macroschalige niveau Vlaanderen (werkschaal 1:100.000, presentatieschaal 1:250.000). Deze opdracht is inmiddels door de Vakgroep Geografie (UG) afgerond. De kaart geeft de relictgebieden aan van Vlaams niveau, beschrijft ze, geeft een waardering en schetst de beleidswenselijkheden. - Na een methodologische voorstudie door Aeolus bvba, waarin onder andere de relatie met de ruimtelijke structuurplanning op de verschillende niveaus werd onderzocht, werd in opdracht van het Vlaamse Gewest voor elke provincie een Landschapskenmerken-kaart opgemaakt. Deze kaarten, opgemaakt door Georeto op schaal 1:50.000, geven per provincie de ruimtelijk structurerende landschapskenmerken weer van bovenlokaalhc\zng.


•

•

^xi,

Hmm

^ • i ' v i..-,

r-W'

• * * » •

•&&m. tóftti

^n

< *

•^•-r

- «r-:V*

'ie^J*.

•». ^ 1

VJ

*^,t^ •

*'<». ^•v

•

J5>

-

•

-r

•^

^

^

A

• : t«

^ j

>

v V i.

,. -,.4 ?-* S 1 .

^

.Kr~

. " - ^ J ^ - ' o " -J :

^

'

fSfe


- Binnen deze Landschapskenmerkenkaart op mesoschalig schalig niveau werden recent door selectie en abstractie de ruimtelijk structurerende landschapskenmerken van Vlaams belang geselecteerd (werkschaal 1:100.000). Het zijn de bakens, bakenreeksen, structurerende reliëfs, markante terreinovergangen, ... zoals bedoeld in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. De visuele- en belevingsinvalshoek bleef tot op heden grotendeels onbehandeld. Het beleid is er echter op gericht ook hiervoor zo snel mogelijk een bruikbare methodologie naar voor te schuiven en tijdens deze legislatuur nog een gebiedsdekkende kartering op te starten. O p die manier legt de integratie van de verschillende invalshoeken tot een globale landschapskaart de basis voor een verruimd landschapsbeleid. In de zogenaamde landschapskenmerkenkaart worden de landschapskenmerken aangeduid en benoemd, hetzij met of zonder erfgoedwaarde, die ruimtelijk structurerend zijn in volgende betekenis: - of ze hebben een bovenlokale invloed op de opbouw, ruimtelijke constellatie van het omringende landschap, bv. de Abdij van Averbode, bv. het Albertkanaal - of ze zijn visueel oriënterend, het zijn bakens in het landschap, bv. de Diestiaanheuvel Kesterheide, de VRT-zendmast te Sint-PietersLeeuw - of het zijn clusters van elementen die door hun ruimtelijke concentratie structurerend en identiteitverlenend zijn, bv. het kasteelparkenlandschap ten zuiden van Brugge, bv. het hoppeteeltlandschap rond Poperinge De kaarten geven de structuur weer van het landschap en zijn complementair aan de landschapsatlas (historische invalshoek) waarmee ze in overlay kunnen geplaatst worden.

HET LANDSCHAPSINVFNTARISATIFPRQJECT, GFFN DOFI OP 7ICH MAAR BAKEN VOOR FEN VERRUIMD BEI FID 'Het is van groot belang dat we voor onszelf en de toekomstige generaties zorgen voor en bouwen aan landschappen die getuigen van ons respect voor het culturele erfgoed, drager zijn van belangrijke natuurwaarden en door zoveel mogelijk mensen kunnen beleefd worden als een aangename leefomgeving.

Dit is inzicht, zoals het verwoord is in de beleidsnota van de Minister bevoegd voor landschapszorg (4), schraagt het thans gevoerde landschapsbeleid. In dit beleid zijn bovenal volgende aspecten vernieuwend en cruciaal: 1. de ruimtelijke differentiatie van het landschapbeleid op basis van inzichten uit het landschapsinventarisatieproject 2. de verruiming van de landschapszorg en de integratie met andere beleidsdomeinen 3. een grotere betrokkenheid van de bevolking

Ruimtelijke differentiatie van het landschapsbeleid op basis van het landschapsinventarisatieproject Met de titel 'Inzicht in het landschap als basis voor landschapszorg' gtth de beleidsnota (5) kernachtig aan dat het beleid zal gestuurd worden door de resultaten van het landschapsinventarisatieproject. Inspanningen k u n n e n gebiedsgericht worden gedoseerd zowel voor landschapsbescherming, landschapsbeheer, landschapsherstel als landschapsbouw. Daartoe wordt een getrapt model voorgesteld: - In de meest waardevolle landschappen, de zogenaamde ankerplaatsen, staan beheer en bescherming voorop - In gave streken, dit zijn streken met hoge dichtheid aan relictzones en ankerplaatsen, krijgen Regionale Landschappen een belangrijke taak in de landschapszorg - In relictzones wordt een extra stimulans gegevens via de beheersovereenkomsten in het kader van het 'Programma voor Plattelands-ontwikkeling' (POP) (6) van de Vlaamse regering - In de witte gebieden, dit zijn grotendeels verschraalde gebieden, zal gezocht worden welke gebiedsspecifieke concepten deze landschapsverschraling kunnen keren - In heel Vlaanderen is nood aan een elementaire landschapszorg door burgers. Daartoe worden onder andere convenanten met de gemeenten opgemaakt.


Categorisering op basis van

Belangrijkste

Belangrijkste

de iandschapatias

INSTRUMENT

ACTOR

Bescherming Ankerplaatsen

Beheersplan

ADMINISTRATIE MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Uitvoerend

Beheerscommissie

Streken met hoge dichtheid aan ankerplaatsen

Landschapsteam

Regulerend

REGIONALE LANDSCHAPPEN Coördinerend

&

en relictzones (Gave landschappen)

Draagvlakvormend

Landschapsanimator

Communicerend

VLM Overige relictzones Verschraalde landschappen

Uitvoerend

Beheersovereenkomst

& Gemeentelijke milieuconvenant

ADMINISTRATIE MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Uirvoerend

^^F^l

Ankerplaatsen:

Relictzones:

Verruiming van de landschapszorg, integratie met andere beleidsdomeinen

Regulerend

Verschaalde landschappen:

Landschapscategorie:

Schematlsche voorstelling van een ruimtelijk gedifferentieerd landschapsbeleid

Hoger werden reeds talrijke voorbeelden van integratie van het landschapsbeleid in andere beleidsdomeinen aangegeven: de koppeling aan het P O P (zie hoger), de verruimde taakstelling voor Regionale Landschappen en de stroomlijning van de elementaire landschapszorg via gemeentelijke convenanten. In het hoofdstuk over de 'Gebruiksmogelijkheden' wordt hier uitvoerig op ingegaan. Niet in het minst zal een belangrijke integratie gerealiseerd worden met de ruimtelijke planning en de stedenbouw en dit op twee manieren: - via de ruimtelijke structuurplanning op diverse niveaus. Daarbij zullen de relictzones uit de landschapsatlas beschouwd worden als 'gave landschappen' en de ruimtelijke landschapskenmer-

ken uit de landschapskenmerkenkaart als 'bakens', 'bakenreeksen', 'structurerende reliëfs', 'structurerende elementen', 'markante terreinovergangen' ... waarvoor specifieke ontwikkelingsperspectieven zullen worden geformuleerd, via de vertaling van de landschapswaarden en typische landschapskenmerken van ankerplaatsen uit de landschapsatlas (erfgoedlandschappen) in de voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. Zodoende worden de bepalende landschapswaarden van deze gebieden, via een sterk juridisch instrument, verankerd in het ruimtelijk beleid.

M&L


In het hoofdstuk over de 'Gebruiksmogelijkheden' wordt deze integratie met de ruimtelijke ordening verder voorgesteld. Tot slot zal de integratie met andere beleidsdomeinen (recreatie, milieu, onderwijs, ...) tijdens deze legislatuur verder worden verkend. Een eerste aanzet daartoe is eveneens weergegeven in het hoofdstuk 'Gebruiksmogelijkheden'.

Grotere betrokkenheid van de bevolking Het vergroten van de betrokkenheid van de bevolking zal vooral worden gerealiseerd via de Regionale Landschapswerking. Daar moeten landschapsanimatoren en overheidsinvesteringen in landschapswerken via Regionale Landschappen zorgen voor respectievelijk de promotie en de uitvoering van een actieve landschapszorg. O o k via de gemeentebesturen die doorgaans dichtst bij de burger staan zal het draagvlak voor landschapszorg bij de bevolking en het respect voor het eigen landelijk erfgoed worden vergroot. Hiertoe wordt een landschapsluik opgenomen in de gemeentelijke milieuconvenant.

DE VLAAMSE LANDSCHAPS70RG IN EUROPESE CONTEXT Sinds ongeveer 1994 groeide bij de Europese instellingen de aandacht voor een integrale landschapszorg, gedragen door de bevolking, over het volledige Europese grondgebied. De bestaande Europese conventies ter bescherming van respectievelijk de in het Wild Levende Fauna en Flora (Bern, 19 september 1979), het bouwkundig erfgoed (Granada, 3 oktober 1985) en het Archeologisch Erfgoed (Valetta, 16 januari 1992) hadden toen reeds raakvlakken met de landschapszorg. O n d a n k s de immense cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde van de Europese landschappen bestond er echter geen specifieke landschapsconventie. De nood aan dergelijke conventie werd dan ook scherp aangevoeld, mede door het groeiende besef dat de voortschrijdende landschapsverschraling diende gekeerd te worden in het belang van de levenskwaliteit van eenieder.

De Europese Landschapsconventie (Firenze, 20 oktober 2000) is van toepassing op alle landschappen (semi-natuurlijke, verstedelijkte, stedelijke, ...) zowel de zeer waardevolle, de 'alledaagse' als de verschraalde (artikel 2). De algemene maatregelen die op het meest relevante beleidsniveau dienen te worden genomen zijn (artikel 5): - het erkennen (juridisch, beleidsmatig) van landschappen als een essentieel onderdeel van de menselijke leefomgeving en als een uitdrukking van de diversiteit en rijkdom van hun gemeenschappelijk, natuurlijk en cultuurlij k erfgoed - een landschapsbeleid ontwikkelen gericht op de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen door het nemen van specifieke maatregelen zoals in artikel 6 - procedures ontwikkelen om het publiek en de lagere overheden in dit landschapsbeleid te laten participeren - landschap te integreren in de ruimtelijke planning en de stedenbouw, in het sociaaleconomisch beleid, het landbouw- en milieubeleid, het cultuurbeleid, ... en in alle andere beleidsdomeinen met een mogelijke impact op het landschap. De specifieke maatregelen zijn (artikel 6): - sensibilisering omtrent de waarde van landschappen en hun rol voor de kwaliteit van het leven - opleiding voor specialisten, beleidsmakers, ... en binnen het onderwijs opleiding met betrekking tot de waarde van landschappen, landschapsbescherming, -beheer en -inrichting - inventarisatie en waardering van de landschappen van het grondgebied. De inventarisatie bestaat uit het herkennen en identificeren van de verschillende landschappen, een grondige analyse van de landschapskenmerken en het identificeren van bedreigingen. Bij de waardering van de geïdentificeerde landschappen wordt het publiek betrokken - het aangeven van beleidswenselijkheden of kwaliteitsdoelstellingen via publieke inspraak - implementatie van het landschapsbeleid.


Daartoe is het essentieel dat landschap een volwaardig facet zou worden in het beleid én dat dit beleid mee zou bepaald worden door de bevolking. Landschapsstudie en landschapszorg mochten niet langer het exclusieve domein zijn van een aantal wetenschappers en technische instanties. Het ontwikkelen van een vooruitstrevende visie voor en met iedereen wiens handelen een effect heeft op de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen was een belangrijk doel van de Europese Landschapsconventie (Firenze, 20 oktober 2000).

VLAANDEREN .•. WELLICHT DE BESTE LEERLING IN DE EUROPESE KLAS Het is zeer duidelijk dat Vlaanderen met zijn landschapsinventarisatieproject en het recent verruimde landschapsbeleid op het juiste Europese spoor zit. Aan de draagvlakverbreding en participatie van lokale overheden wordt in de geest van artikel 5 druk gewerkt. De integratie met de ruimtelijke ordening die volop in voorbereiding is, is verregaand. De integratie met alle andere beleidsvelden met landschappelijke relevantie is een voortdurende bekommernis waarbij reeds enkele bakens werden uitgezet: - een belangrijke afstemming met het plattelandsbeleid is gebeurd - de motivatie van elkeen bij de landschapszorg via de gemeentelijke milieuconvenant wordt in het vooruitzicht gesteld - een vetruimde taakstelling voor de Regionale Landschappen wordt opgestart

Het lopende landschapsinventarisatieproject, waarbij de eindmeet in zicht is, is de ruimste en wetenschappelijk meest onderbouwde invulling die aan de inventarisatie bedoeld in artikel 6 kan worden gegegeven.

EINDNOTEN 1. 2. 3.

SAUWENSJ., Beleidsbrief 1992. KELCHTERMANS T, Beleidsbrief 1995. SAUWENS J., Beleidsnota Monumenten, Landschappen en Archeologie, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2000, p. 22-29. 4. SAUWENS J., ut supra, 2000, p. 23. 5. SAUWENS J., ut supra, 2000, p. 24. 6. Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen, periode 2000-2006 (in toepassing van verordening EG 1257/99^, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel, 15 september 2000.


•SHBërSK

^

_^^^4^#^

*

&

-

*

*

.

>

-

-

•


Marc

Antrop

DE LANDSCHAPSATLAS ... METHODE

Sedert het midden van de jaren '90 nam de belangstelling voor de traditionele, rurale landschappen ook in Vlaanderen gestadig toe. Dankzij een grondige inventarisatie kan een landschap zoals dat van de Koppenberg bij Helden op termijn worden veiliggesteld (foto Kris Vandevorst)

De methode voor het opmaken van de 'Atlas van de relicten van de traditionele landschappen' (verder: landschapsatlas) werd bepaald door de doelstellingen, de gebruikte begrippen en de beschikbare documenten en middelen. Het was de bedoeling om een snelsurvey te maken van de relicten van de traditionele landschappen in Vlaanderen, steunend op de beschikbare informatiebronnen, kaartreeksen en orthofoto's. De selectie van relicten impliceert het evalueren van landschappelijke structuren en elementen in functie van een waardekader. Verschillende aspecten die geleid hebben tot de uiteindelijke methode worden hier toegelicht.

WAAROM LANDSCHAPPEN BELANGRIJK 7IJN In het begin van het hoofdstuk gewijd aan de landschappen in het 'Dobns-Assessment' over Europa's milieu wordt de definitie en vooral de betekenis van de landschappen in Europa duidelijk gesteld: 'De rijkdom en verscheidenheid van de rurale land- prc(,f ten noor(|en schappen in Europa is een onderscheidend kenmerk van het kasteel van het continent. Er is wellicht veen andere plaats va" ' ,..,

.

.

,

/

;

;

te

Sint-Pieters-Rode

waar menselijke interactie met de natuur het land- ,f()t0 ^m schap zo gevarieerd en contrasterend en duidelijk Vandevorst)

M&L


gelokaliseerd getekend heeft. Ondanks de immense schaal van de sociale en economische veranderingen die met de golf van industrialisatie en urbanisatie van deze eeuw gepaard gaan in vele gebieden van Europa, blijft veel van die diversiteit bestaan en geeft een duidelijk karakter en identiteit aan landen, regio's en lokale gebieden {i). De belangstelling voor de traditionele, rurale landschappen nam sedertdien steeds toe en zo ook allerhande initiatieven om in deze snelle veranderingen waardevolle gebieden en elementen te inventariseren en veilig te stellen. In Vlaanderen werd in 1995 een eerste aanzet gegeven voor een hernieuwde aanpak van de landschapszorg in Vlaanderen door te onderzoeken welke criteria voor waardering en welke beleidswenselijkheden er geformuleerd konden worden voor een ruimtelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische en esthetische waarden van de landschappen (2). De evaluatie van deze waarden liep toen sterk achter op de kennis inzake de natuurlijke waarden zoals die onder meer reeds in de Biologische Waarderingskaart waren geïnventariseerd.

TRADITIQNFLE LANDSCHAPPEN Tot aan de grote sociale en technologische veranderingen die met de iS'*6 eeuw begonnen, leefde men in hoofdzaak van het land. Alhoewel in de loop van de geschiedenis internationale krachten een steeds grotere invloed kregen, werd het ruimtegebruik grotendeels door een lokale gemeenschap bepaald. De landschappen die hieruit gecreëerd werden, getuigden van die inspanningen om economische noden zo optimaal mogelijk af te stemmen op de lokale, natuurlijke gesteldheid. Dit gebeurde vanuit een eigen invalshoek en visie, kortom in een eigen cultuur. Zo ontwikkelde zich een grote verscheidenheid aan cultuurlandschappen die streken typeren door een unieke combinatie van een ecologische inpassing op het fysieke milieu en een eigen stijl van de landinrichting. Een dergelijke harmonieuze afstemming is niet alleen vanuit een landschapsecologische hoek belangrijk, maar ook vanuit een sociologische en culturele. Diversiteit wordt gewaardeerd en vormt een basis voor het herkennen van een eigen identiteit. Vanaf de i8" e eeuw deden zich schaalvergrotingen en versnellingen voor in de dynamiek van onze landschappen. Voordien waren de veranderingen

eerder lokaal en kleinschalig en vonden plaats op relatief korte momenten gescheiden door lange perioden van stabiliteit. Kleinkinderen leefden in dezelfde landschappen als hun grootouders. De belangrijke technologische en sociale veranderingen die met de iS^ 6 eeuw begonnen, worden terecht gemarkeerd als 'revoluties'. De Franse revolutie en de Industriële revolutie springen misschien het meest in het oog, maar ook de verschillende grote oorlogen moeten hiertoe gerekend worden. Ze boden het kader voor grote veranderingen in onze levenswijze. Een bijzonder belangrijke factor hierbij was de opkomst van nieuwe vervoermiddelen waarbij de trein een bijzonder grote rol speelde, want die liet voor het eerst regelmatige verplaatsingen van massa's mensen toe. Sommige landelijke gebieden werden ontsloten door de nieuwe verkeersinfrastructuur, andere niet. Die verkeersontsluiting wijzigde de toegankelijkheid en was de motor voor de belangrijke lokale veranderingen van het landschap. De relatie stad-platteland onderging hier sterke veranderingen en landelijke kernen werden geleidelijk verstedelijkt. De veralgemening van het autogebruik na de Tweede Wereldoorlog betekende een nieuwe fase in deze ontsluiting en zou opnieuw de relatie stad-platteland grondig veranderen. Hiermee begon de algemene verstedelijking die ook in verschillende fasen en stijlen zou verlopen.

Naast de verkeerstoegankelijkheid en de verstedelijking werd de globalisering van de wereldeconomie een belangrijke kracht in het veranderen van de landschappen. Die kracht werkt 'van buitenaf' in op het lokale gebeuren. Beslissingen over het gebruik van de eigen ruimte en land worden niet langer meer in hoofdzaak door de bewoners of eigenaars van de grond bepaald. De indeling van de traditionele landschappen van Vlaanderen dateert van 1985 en was een eerste poging om de regionale verscheidenheid van de historisch gegroeide cultuurlandschappen op kaart voor te stellen in hun situatie van voor de grote veranderingen. De indeling steunt op zowel fysische en natuurlijke kenmerken zoals reliëf en bodemgesteldheid, als op cultuurlandschappelijke kenmerken zoals bewoningsvormen, landgebruik, percelering en landschapstype. Hieruit blijkt dat het Vlaamse Gewest over een bijzonder grote landschappelijke diversiteit beschikt, die echter in een steeds sneller tempo teloorgaat. De indeling van de traditionele landschappen werd als ruimtelijk kader gebruikt bij de voorstu-


Traditionele landschappen van het Vlaamse Gewest

Legende Traditionele

landschappen

H

Stedelijke gebwden & havengebieden

Zandleem- en leamslreek

1

Kusf

Noorderkampen

|

Centrale

Kuslpolders Scheldepolders

[

landstreek

j Kempens

binnen de Vlaamse Vallei

Kempen

•i

^B

Maasland

Sche'debekken

Hagelend

Scheldebekken zonder

Vochtig

WÊÊ

Zuiderkempen Plateau

Droog

Haspengouw Haspengouw

Brabantse

Leemstreek

Land van Herve

^m

met getijden

Nelebekken

WÊÊ

Dijle-Gete-Demeras Kustbekken met Ijzer Maasbekken

De kenmerken van de traditionele landschappen werden op basis van historische bronnen, historisch-geografische monografieën, topografische kaarten en luchtfotoreeksen beschreven en ingedeeld. Aldus konden landschappelijke eenheden met een karakteristiek landschapstype worden afgebakend en gegroepeerd tot landschappelijke streken. Die beschrijving geeft een geïdealiseerd beeld van de traditionele landschapstypes en kan als referentiekader gebruikt worden voor de afweging van de verstoringen die door moderne ingrepen werden doorgevoerd. Dit laat m.a.w. toe relicten van de vroegere cultuurlandschappen te detecteren.

getijden

A N

De traditionele

natuurlijk draagvlak

landschappen van

(geologie, reliëf,

Vlaanderen zi|n de

dies van het open-ruimte-gebied in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en als basis voor een eerste indeling van Vlaanderen in ecodistricten. Dit vergde een verdere verfijning van de indeling en een afbakening op een meer gedetailleerde schaal. Dit gebeurde deels met het uitwerken van de landschapsatlas op schaal 1/50.000.

40 Kilometers

20

0

• Zandstreek buiten de Vlaamse Vallei

UNIVERSITEtT GENT

bodem) en de

0 Vakgroep Geografie 2001 Knjgslaan 281 - SS 9000 Gent Prof MarcAntrop Lic Veerle Van Êetvelde Lic JO Janssens Ltc Ilse Martens april 2001

geschiedenis vóór de moderne veranderingen van

resultante van de

landontginning

de 'Revolutietijd'

wisselwerkingen

door de mens

(eind 18de eeuw

tussen het

doorheen de

tot vandaag)

WAARDEREN VAN LANDSCHAPPEN Wat mensen waarderen in landschappen Het bepalen van landschappelijke waarden is niet eenvoudig. In tegenstelling tot het land, dat als privébezit een gebruikswaarde vertegenwoordigt die uitgedrukt wordt in de grondprijs, beschouwt men landschappen als een gemeenschappelijk erfgoed. Iedereen geeft er bijgevolg een eigen interpretatie en waardering aan. Deze indrukken zijn, zoals onze perceptie, globaal en intuïtief. In het landschapsonderzoek duidt men dit aan door te zeggen dat landschappen holistisch zijn. Landschappen zijn ook dynamisch en veranderen voortdurend, zoals de maatschappij en zoals de

M&L


waarnemers die er zich in bewegen. Dit maakt dan ook dat waarden met betrekking tot landschap kunnen veranderen en relatief zijn. Toch stelt men vast dat er blijvende waarden zijn die de meeste mensen in verschillende tijden en culturen belangrijk vonden en nog vinden. Grootschalige en monotone landschappen worden bv. minder geapprecieerd dan landschappen die een zekere afwisseling vertonen. Belangrijk is ook het contrast kunnen ervaren tussen bebouwde gebieden, met een grote bevolkingsdichtheid en dus meestal ook drukker en meer lawaaierig, en een rustige open ruimte waar het landelijke of natuurlijke karakter domineert. Algemeen geldt ook dat landschappen die verzorgd en onderhouden zijn een grotere waarde krijgen toebedeeld dan wanordelijke landschappen met veel verval en vuil. Verder is toegankelijkheid een algemeen belangrijk aspect. Toegang tot een gebied om in het landschap te vertoeven, te wandelen, te fietsen, kortom het te beleven.

Contextwaarde windmolens: een waarde van een erfgoedelement wordt niet alleen bepaald door eigen intrinsieke kwaliteiten, maar ook door zijn landschappelijke context (foto's B.Van Broeckhoven 1999)

M&L

De landschappelijke waardering wordt niet alleen gemaakt door de globale indruk, maar ook door vele details die zich herhalen, zoals een bepaalde bouwstijl, het voorkomen van bepaalde vegetatie en landgebruik. Sommige elementen zijn bijzonder, ze vallen op, het zijn blikvangers. In vele gevallen worden die aangeduid als 'monument' hetzij van culturele, hetzij van natuurlijke aard. Vele van die monumenten hebben een verhaal te vertellen, ze hebben net zoals het landschap waarin ze voorkomen een geschiedenis. Over het algemeen is de geschiedenis van monumenten en bijzondere plaatsen beter gedocumenteerd en bekend, dan die van landschappen met een moeilijk te vatten, complexe structuur. Duidelijk is wel dat het waarderen van iets samengaat met de kennis die men er over heeft. Wat men niet kent, kan

men niet beminnen. Zo zal men ook niet weten wat men verliest, wanneer dat onbekende veranderd of vernietigd wordt. Het duiden van de betekenis, de geschiedenis en het verhaal van landschappen is dus belangrijk. Te meer omdat het hier gaat over onze eigen geschiedenis en ook landschappen behoren tot de wortels van onze cultuur. Landschapselementen krijgen dan ook soms een symbolische betekenis en worden aangewezen omwille van hun 'nationaal' belang. Soms zijn ze zelfs van internationaal belang of worden ze erkend als behorend tot het culturele erfgoed van de mensheid. Maar ook op het lokale en regionale vlak kunnen elementen belangrijk zijn, zonder dat ze een nationale of internationale uitstraling hebben.

Contextwaarde, ensembles en samenhang Volgens de holistische visie bepaalt de omgeving van een element in belangrijke mate zijn uiteindelijke waarde. De waarde van de omgeving in relatie tot het beschouwde element noemt men de contextwaarde. De invloed van de omgeving kan niet zomaar afgewogen worden door het al dan niet 'alleen staan' en 'verloren zijn' van het element in een 'vreemde' (=niet passende) omgeving. Discrete elementen van verschillende aard, die een of andere samenhang of onderlinge relatie bezitten, kunnen ruimtelijk gegroepeerd voorkomen. Men spreekt dan van een ensemble. Algemeen kan gesteld worden dat de context van een ensemble de afzonderlijke waarde van ieder element op zich zal verhogen. Omgekeerd kan een discreet element ook bepalend zijn voor de waarde van de omgeving. Alleenstaande elementen zullen dikwijls als blikvanger optreden. Voorbeelden hiervan zijn


solitaire bomen en windmolens. Blikvangers kunnen een positief effect uitoefenen op de waarde van een landschap. Dat is bv. het geval als ze een belangrijk referentiepunt in de oriëntering of structuur vormen. Men spreekt dan van landmarken of bakens. Wanneer ze negatieve effecten veroorzaken, zoals een verlies aan contextwaarde, spreekt men van storende elementen. Dit is het geval wanneer ze naar hun aard, vorm, toestand of gebruik niet passen in de omgeving.

ren. De ruimtelijke samenhang bepaalt het morfologische voorkomen van verschillende elementen als een zichtbaar en herkenbaar geheel. De ruimtelijk samenhang wordt vooral duidelijk wanneer men 'van bovenaf' kijkt. Voor een waarnemer op de grond vertoont die samenhang zich als een visuele samenhang. In landschapsbeschrijvingen komt vaak het begrip 'harmonisch geheel' hierbij aan bod. Stads- en dorpsgezichten zijn hierdoor gekenmerkt.

De relaties tussen dicht bij elkaar gelegen elementen en tussen elementen en hun omgeving bepalen de samenhang. De betekenis van elk element wordt in belangrijke mate bepaald door de plaats die het heeft in het geheel. Verschillende types van samenhang kunnen worden onderscheiden, alhoewel die meestal gemengd voorkomen. De samenhang met het natuurlijk substraat wijst meestal op verticale, ecologische relaties, zoals het voorkomen van een specifieke vegetatie op een bepaalde bodem. In dat geval zullen bodemgesteldheid en begroeiing samen in de ruimte variëren en gemeenschappelijke, landschappelijke patronen vormen. De functionele samenhang drukt de wisselwerking uit tussen elementen die van elkaar afhankelijk zijn. Men noemt dit ook een landschapssysteem en het bepaalt deels de dynamiek en de processen die het geheel sturen en veranderen. De genetische samenhang drukt uit welke delen zich samen ontwikkelden in de loop van hun geschiedenis en op welke manier dit gebeurde. De ontwikkeling van de kavelstructuren hangt bv. samen met de aard en de ontwikkeling van de nederzetting. Landschapstypes getuigen meestal van een complexe genetische samenhang. De chronologische samenhang is hier gedeeltelijk mee verwant en drukt uit welke elementen gelijktijdig ontstaan zijn of tot dezelfde periode beho-

In de landschapsatlas is de ruimtelijke samenhang het belangrijkst. Hij steunt zowel op het verticaal vergelijken van de voorstelling op kaarten en luchtfoto's als op een interpretatie van de ruimtelijke context bij discrete elementen. Verder wordt ook de functionele samenhang ingeschat omwille van een belangrijke regel in de monumenten- en landschapszorg: wat niet meer functioneel is, zal verkommeren en uiteindelijk verdwijnen.

Gaafheid Gaafheid duidt op de mate waarin alle karakteristieken van een bepaald ideaal landschap, landschapstype of monument nog bewaard zijn. Gaafheid staat tegenover de mate van verstoring. In hoeverre vormt een landschap nog één geheel, is het volledig en in hoeverre is het gefragmenteerd en aangetast? Gave landschappen zijn weinig of niet door moderne grootschalige ingrepen gewijzigd. Gaafheid van het landschapsbeeld wordt bij de meeste landschapstypen positief gewaardeerd. De gaafheid wordt beoordeeld op grond van een holistisch normbeeld dat opgebouwd wordt aan de hand van ervarings- of kennisaspecten. Gaafheid hangt dus ook samen met informatiewaarde of gehalte. Hoe gaver een element of landschap is,


hoe meer informatie het bezit. Er is voldoende kennis om ideaalbeelden te vormen van de verschillende traditionele landschapstypes. Hetzelfde geldt voor heel wat bouwkundig erfgoed. Hoe een motte, een omwald site, een Haspengouwse vierkanthoeve en molensite er in hun ideale volledigheid zouden uitzien is voldoende bekend. Gaafheid wordt enerzijds bepaald door de aanwezige samenstellende elementen en hun samenhang en anderzijds door de afwezigheid van allerhande verstoringen. Er zijn echter geen vaste normen om het 'niet passen' van storende elementen te beoordelen. Dit hangt af van de aard en omvang van de verstoring, het soort landschap en verschilt van persoon tot persoon en is bovendien tijdsgebonden. De formulering van een aantal kenmerkende eigenschappen van traditionele landschappen kan in de praktijk enig houvast bieden.

1VI&L

In de toepassing voor deze landschapsatlas drukt de gaafheid de mate uit waarin de informatieve waarde vandaag, zoals afleidbaar op het referen-

Samenhang: Kaprijke

de dries, (4) proto-

ren, (6) strook-

als voorbeeld:

industrieel plein

vormige opstrek-

( I ) oud wegtracé

voor het bleken

kende percelen

op kleine zandige

van laken dat later

('meetjes') van de

rug, (2) initiële

voor tweederden

systematische

driesnedemtnng,

bebouwd werd,

ontginning vanaf

(3) toevoeging van

(5) resten van door

de weg

kerk en stadhuis

bomenrijen omgeven (oblieke luchtfoto

aan de rand van

ontginningskwartie-

J.Semey 1989)

tiedocument, zijnde de orthofotokaarten van omstreeks 1990, nog volledig en onverstoord is ten opzichte van de voorstellingen op de oude kaartdocumenten.

Herkenbaarheid en identiteit Onderzoek naar de omgevingsperceptie heeft aangetoond dat de meeste mensen landschapstypes onderscheiden om herkenbare omgevingen te vormen en om zich te helpen oriënteren. Deze oriëntatie wordt bepaald door de aanwezigheid van een ruimtelijke opbouw in een landschap. De herken-


3"^

Gaalheid, samen-

'site met wal-

hang en herken-

gracht', (b) en (c)

baarheid:

geven een herken-

(a) verschillende

baar site, maar het

monografische

is onvolledig en is

studies laten toe

minder gaal.

een ideaalbeeld te

(d) toont het site

maken van het

dat nauwelijks nog

nedenettmgstype

herkenbaar is

""i

./ / -V

baarheid van een landschap wordt daarom doorgaans positief gewaardeerd, dat wil zeggen dat als men zich in een bepaalde omgeving herkent, men zich op zijn gemak of thuis voelt. Gaafheid en volledigheid zijn criteria die herkenbaarheid ten goede komen, maar er zijn ook nog andere aspecten. Herkennen drukt de mate van overstemming uit tussen wat men waarneemt en de voorstelling die men ervan heeft. Herkenning berust dus in belangrijke mate op voorkennis. Men moet over de kennis beschikken hoe een bosontginningslandschap er allemaal kan uitzien om in de waargenomen patronen en elementen dit specifiek type landschap te herkennen. Zo ook is de nodige kennis nodig om verschillende architectuurstijlen in een gebouw te herkennen. Toch is herkenning ook werkzaam bij mensen die niet over de nodige wetenschappelijk voorkennis beschikken. In het doorkruisen van hun leefwereld bouwen mensen immers een mentale kaart op waarin de ruimte gedifferentieerd wordt tot eigen types die herkend kunnen worden zonder dat ze er daarom een precieze benoeming van kunnen geven. Belangrijk is hier het herkennen van verschillen tussen landschappelijke streken. Iedereen heeft ergens een voorstelling van 'de Kempen', 'de kust', 'de polders', enz. Het blijkt dat de meeste mensen, ongeacht hun vorming, leeftijd en sociale en culturele achtergrond, op holistische basis tot een zelfde onderscheid komen van een beperkt aantal hoofd-

types die onder meer bepaald worden door de schaligheid, de openheid en uitgestrektheid, de bebouwingsgraad en de natuurlijkheid. Men onderscheidt dan open en gesloten landschappen, vlakke en heuvelachtige landschappen, landelijke en verstedelijkte landschappen als grote categorieën. Fijnere typeringen blijken slechts mogelijk te zijn wanneer men over een achtergrondkennis beschikt en die wordt meteen gebruikt als referentie voor de beleving en waardering. In vele gevallen is die voorkennis weinig systematisch gestructureerd en eerder sporadisch en onvolledig. Bovendien is ze erg gekleurd door allerhande clichématige voorstellingen die door toeristische publicaties en door de media verspreid worden. De beleving en waardering die hieruit voortvloeit is dan ook sterk uiteenlopend. Een bijzondere vorm van herkenning is er wanneer het landschap een eigen identiteit wordt toegekend. Dikwijls gaat dit gepaard met het benoemen ervan: 'het land van Waas', 'het Hageland', enz. Dit wordt bijzonder belangrijk wanneer men ook een emotionele band met het gebied heeft, bv. omdat men er geboren is. De moderne veranderingen in het landschap zijn gekenmerkt door uniforme en sterk gelijkende oplossingen. Industrieparken zien er overal eender uit, commerciële panden benadrukken wereldwijd hun handelslogo, de aanleg van wegen en kruispunten is overal gelijk.

1VI&L


Dergelijke ontwikkelingen homogeniseren het landschap sterk en vernietigen de landschappelijke diversiteit van de verschillende streken. Hiermee gaat geleidelijk ook de identiteit verloren. Steeds meer wordt dit ervaren als een verlies van het eigen culturele erfgoed. Landschappen en relicten hierin krijgen daarom een grotere betekenis, wat ook blijkt uit een aantal recente Europese initiatieven zoals het Dornach Landscape Document en de European Landscape Convention van de Raad van Europa. De beschrijvingen van de kenmerken van de traditionele landschappen zijn in de eerste plaats bedoeld om een wetenschappelijk en systematisch kenniskader te geven voor alle landschapstypes in Vlaanderen. Zo ook worden de weerhouden relicten beschreven, in zoverre dat de kennis hierover beschikbaar was in publicaties, inventarissen en rapporten. Specifiek voor de toepassing in deze inventarisatie drukt het criterium herkenbaarheid de mate uit waarin oude vormen en structuren die op de kaart van Ferraris te zien zijn nog op het referentiedocument, de orthofoto van omstreeks 1990, terug te vinden zijn.

Natuurlijkheid Volledigheidshalve moet nog de natuurlijkheid worden vermeld. Natuurlijkheid heeft betrekking op het afwegen van de graad van menselijke impact op het landschap. Zowel de aard, de omvang en het recent karakter van menselijke ingrepen spelen daarbij een rol. Meestal worden de ingrepen uitgedrukt op schalen bepaald door: oud/klassiek/traditioneel versus modern/nieuw/ jong. Dit criterium wordt in het kader van de omgevingsperceptie in een bredere context gebruikt dan bij de biologische waardering: de natuurlijkheid van een landschap wordt hier geassocieerd met 'harmonisch geïntegreerd zijn', 'organisch gegroeid" en 'authentiek zijn' in de betekenis van echt, origineel, niet vervalst zijn. In die betekenis staat natuurlijkheid voor een bijzondere vorm van samenhang en gaafheid. Natuurlijkheid wordt door de mensen meestal positief gewaardeerd. Daartegenover worden 'menselijke ingrepen' slechts negatief gewaardeerd wanneer die proporties aannemen die niet meer op menselijke schaal staan, te monotoon en te uniform zijn. 'Natuurlijkheid' en 'menselijke ingreep' worden dan ook dikwijls als tegenpolen gezien.

O m verwarring met deze meervoudige betekenis te vermijden werd het begrip natuurlijkheid niet opgenomen als criterium in deze cultuurlandschappelijke inventarisatie.

RELICTEN EN ERFGOED Definitie 'Een relict is een overblijfsel uit vroegere tijd dat nog getuigt van de toestand die toenmaals was'. Hierbij wordt geen waardeoordeel uitgesproken en ook de aard en ouderdom zijn niet bepalend om iets als relict te beschouwen. Een relict uit de Romeinse periode is niet noodzakelijk meer waard dan een relict uit de iS" 6 eeuw enkel omdat het ouder of zeldzamer is. Met betrekking tot landschappen kunnen relicten zeer divers in aard zijn. Ze getuigen in vele gevallen van een wordingsgeschiedenis. Dit betekent dat een relict voor verschillende tijden kan staan. Landschappelijke relicten kunnen discrete objecten zijn, zoals een hoeve, kapel, solitaire boom, brug, enz. Men noemt ze soms ook erfgoedelementen. Die elementen staan niet geïsoleerd maar zijn onderling afhankelijk in een geografische context. Ze behoren tot een of meerdere structuren. Belangrijke landschappelijke structuren zijn nederzettingsvormen, bewoningspatroon, wegennet, percelering en landgebruikspatronen. Zowel elementen als structuren zijn op topografische kaarten aangeduid en interpreteerbaar. Ook luchtfoto's geven er heel wat informatie over. Deze cartografische bronnen tonen bovendien duidelijk de ruimtelijke samenhang tussen die verschillende elementen. In de landschapsatlas werd geen onderscheid gemaakt tussen de relicten naar aard of ouderdom, aangezien het informatiegehalte voor verschillende streken in Vlaanderen te sterk verschilt en er nog teveel leemten in de kennis bestaan. Daarom werd een classificatie gemaakt naar de ruimtelijke dimensie die de relicten in het landschap bezitten en dit in relatie tot de gebruikte kaartschaal 1/50.000. In wezen zijn dit punt-, lijn- en vlakvormige relicten. De hoofdcategorieën zijn dan ook puntrelicten, lijnrelicten en relictzones. Sommige relicten vormen complexen van zeer verschillende aard die echter historisch en genetisch samen horen en een ensemble vormen. Deze werden geselecteerd tot een aparte categorie die anker-


plaats genoemd werd. Ruimtelijke groepen van relicten werden in de provincie Limburg ook als clusters aangeduid. Ook werd vastgesteld dat er standplaatsen zijn in het landschap die gelegen zijn buiten de relicten, maar er een bijzonder zicht op hebben, m.a.w. van waar men het relict goed kan overzien. Deze standplaatsen werden dan als een categorie zichten opgenomen. Er werden drie criteria gehanteerd om een gebied, een ensemble of een object als relict te weerhouden: de gaafheid, de samenhang en de herkenbaarheid. Dit zijn drie aan elkaar gerelateerde aspecten die een belangrijke rol spelen in de waardering van landschappen en objecten. H u n sterke onderlinge relatie maakt dat ze niet als afzonderlijke onafhankelijke waardescores kunnen gehanteerd worden. De reden van hun gecombineerd gebruik ligt in de maximalistische benadering die bij de inventarisatie gevolgd werd. Voor de inventarisatie aangevat werd, was de verwachting gering voor het vinden van veel relicten in het wanordelijk lijkend Vlaamse landschap. Daarom werden gebieden en elementen geselecteerd wanneer aan minstens één van de criteria voldaan werd.

Typologie van de relicten Relicten werden in verschillende categorieën ingedeeld, hoofdzakelijk op basis van hun ruimtelijke dimensie. Dit gebeurde niet alleen omwille van de cartografische voorstelling maar ook omwille van de verschillende omvang en oppervlakte waarmee vaak ook een grotere complexiteit samenhangt. Relictzones Relictzones zijn gebieden van wisselende oppervlakte waarin de landschappelijke structuren van bewoning, wegen, kavels of perceelsbeplanting van de traditionele landschappen op een herkenbare manier bewaard zijn gebleven. Relictzones vertonen dikwijls nog de verticale relaties tussen de landschapscomponenten. Ze worden door veelhoeken zonder scherpe begrenzing aangegeven. Relictzones krijgen een naam die steunt op lokale toponiemen of kenmerkende eigenschappen.

Ankerplaatsen Ankerplaatsen zijn gebieden of plaatsen waar complexen bewaard zijn van verschillende erfgoedelementen die een genetische samenhang vertonen. Ze hoeven daarom niet typisch de kenmerken te vertonen van het traditionele landschap waartoe ze behoren, maar ze bezitten een uitgesproken identiteit. Ankerplaatsen komen dan ook soms buiten relictzones voor. De verschillende samenstellende delen vormen een bijzonder geheel en worden soms als een ensemble aangeduid. Het zijn plaatsen met een duidelijk verhaal, die daarom een structurerend element in de ruimte kunnen vormen. In het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen (goedgekeurd door de Vlaamse regering) werd een landschapsankerplaats als volgt gedefinieerd: 'Ankerplaatsen: de meest waardevolle landschappelijke plaatsen die bestaan uit complexen van gevarieerde erfgoedelementen die een geheel of ensemble vormen. Ze zijn uitzonderlijk inzake gaafheid of representativiteit of nemen ruimtelijk een plaats in die belangrijk is voor de zorg of het herstel van de landschappelijke omgeving.' Ankerplaatsen zijn complex en hun waarde wordt sterk meebepaald door de ruimtelijke context. Daarom wordt de kern ervan symbolisch aangegeven door een cirkel als aanduiding dat een precieze afbakening door een grondiger onderzoek dient te gebeuren. Ankerplaatsen krijgen een naam die steunt op lokale toponiemen of kenmerkende eigenschappen. Lijnrelicten Lijnrelicten worden gevormd door lijnvormige landschapselementen die drager zijn van een cultuurhistorische betekenis. Het kunnen allerhande wegtracés zijn, dijken, militaire verdedigingslinies en ook natuurlijke verschijnselen wanneer die het bindend element zijn tussen erfgoedwaarden of landschappelijk structurerend zijn. Lijnrelicten zijn dikwijls versneden of verbrokkeld in afzonderlijke segmenten. Aangezien de lineaire connectiviteit er een essentieel kenmerk van is, werden ze volledig en doorlopend aangeduid, met een aparte aanduiding voor de verstoorde delen.


Lijnrelicten krijgen een naam die steunt op lokale toponiemen of kenmerkende eigenschappen. Puntrelicten Puntrelicten bestaan uit afzonderlijke objecten met hun onmiddellijke omgeving. Het zijn dikwijls bouwkundige elementen met een bijzondere erfgoedwaarde, zoals monumenten. Niet alleen het bouwkundig erfgoed behoort tot deze categorie, maar ook alle bijzondere landschapselementen, zoals bv. een solitaire boom. Puntrelicten worden omwille van de gebruikte karteringsschaal als punten weergeven. Wanneer er beschrijvingen of studies van bestaan worden puntrelicten benoemd. In sommige gevallen zijn het beschermde monumenten. Tijdens de inventarisatie bleken er ook heel wat puntvormige elementen te bestaan die niet beschreven waren. Ze werden als nietbenoemde puntrelicten op kaart aangeduid om de ruimtelijke concentraties ervan zichtbaar te maken, als aanduiding van gebieden die verder onderzoek vragen of niet precies genoeg gelokaliseerd konden worden. Zichten (3) Zichten vormen een laatste categorie van relicten. Landschappen bezitten een wezenlijk visueel-perceptief aspect dat bepalend is voor de esthetische kwaliteiten ervan. Het waarnemen van die kwaliteiten bleek in sommige gevallen het best te gebeuren vanuit standplaatsen die zelf in een verstoorde omgeving konden gesitueerd zijn, maar een bijzonder zicht boden op een landschappelijk relict. Deze standplaatsen werden aangeduid als zichten, waarbij de beleidsmatige aanbeveling steeds het behoud of herstel is van het zicht vanop die plaats.

METHODEN VOOR LANDSCHAPPFIIIKE WAARDERING Een holistisch-typologische benadering De theoretische achtergronden en de werkwijze voor een waardebepaling van cultuurhistorische

elementen verschilt niet fundamenteel van de methoden die gebruikt worden in de landschapsevaluatie, waarbij zowel kwalitatieve als kwantitatieve criteria gecombineerd en geëvalueerd moeten worden. Principieel zijn twee benaderingen mogelijk. Een eerste vertrekt van gedetailleerde en globale overzichten van het landschap zoals die bv. op luchtfoto's en soms op topografische kaarten voorgesteld worden. Het landschap wordt geheel in al zijn complexiteit afgebeeld. Het is mogelijk de samenstellende delen te herkennen als structuren en ensembles op basis van hun ruimtelijke en morfologische kenmerken van voorkomen. O p die manier kan het landschap ingedeeld worden in verschillende types en gebieden. De werkwijze is dus in hoofdzaak analytisch. Deze benadering noemt men de holistisch-typologische methode. Een andere benadering vertrekt van een verzameling van thema's die de afzonderlijke deelstructuren of componenten van het landschap uitmaken. Dit zijn bv. kaarten die afzonderlijk het reliëf, de bodems, het landgebruik, de bewoning en de wegen voorstellen en dit van verschillende periodes. Door het 'op elkaar leggen' van deze thematische deelkaarten reconstrueert men het landschap en kan men de relaties tussen de thema's herkennen en bestuderen. Deze werkwijze staat bekend als een 'overlay'-techniek en is dus in hoofdzaak synthetisch van aard. Men noemt deze benadering ook parametrisch omdat men van afzonderlijke parameters vertrekt die samengevoegd worden.

De keuze van de methode hangt van verschillende factoren af, waaronder: de randvoorwaarden zoals doelstellingen, normen en richtlijnen de beschikbare middelen de beschikbare tijd de aard en kwaliteit van de beschikbare informatie De keuze van de methode voor de opmaak van de landschapsatlas werd in hoofdzaak bepaald door de behoeften binnen de Afdeling Monumenten en Landschappen. Door middel van een snelsurvey zouden de bestaande gegevens met betrekking tot de landschappen gebundeld worden om te komen tot een beleidsoriënterend kader voor het gehele Vlaamse Gewest. Tegelijk zou het evenwicht tussen de cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke informatie op geografische basis hersteld worden. Het algemene voorkomen van de verschil-


lende landschapstypes in Vlaanderen was reeds in grote lijnen gekend, evenals hun geïdealiseerde kenmerken die uit alle beschikbare informatie konden afgeleid worden, zoals bv. 'een typische middeleeuwse hosontginning in zandig-Vlaanderen ziet er als volgt uit....'. Het bepalen van dergelijke grote types gebeurde hoofdzakelijk door historisch-geografisch onderzoek naar de genese van het landschap. In Vlaanderen is dit onderzoek sterk verschillend geweest van streek tot streek. Meer dan eens blijkt uit lokale, gedetailleerde studies dat de ideaal-typische syntheses te algemeen zijn en dat dieper onderzoek fijne doch belangrijke nuances en variaties aan het licht brengt. Meer fundamenteel onderzoek is nodig, vooral in de gebieden waarvoor informatie over de verschillende ontwikkelingsperioden niet of onvoldoende voorhanden is. De holistisch-typologische methode laat toe te werken in gebieden met nog heel wat leemten in of een ongelijke spreiding van de kennis en toch te komen tot een volledig overzicht. Door gebruik te maken van uniforme landsdekkende en vergelijkbare kaartbronnen en luchtfotobedekkingen, kunnen typische, kenmerkende elementen en structuren beschreven worden en kunnen zij getoetst worden aan de ideaal-typische modellen uit lokale gevalstudies. Ook voor de opmaak van de landschapsatlas werd de holistisch-typologische methode gevolgd en werd gebruik gemaakt van de talrijke reeksen kaarten en luchtfoto's die in Vlaanderen beschikbaar zijn. De holistisch-typologische methode is de enige die toelaat snel te werken, ook wanneer er nog heel wat leemten in de kennis zijn. Deze benadering lag dan ook voor de hand in dit project waarbij een eerste snelsurvey beoogd werd van heel het Vlaamse Gewest op een schaal van 1/50.000. De voorgestelde tijdsduur was van 1996 tot 2000.

Selectiecriteria Landschappelijke elementen en gebieden werden geselecteerd op basis van één of meerdere kwaliteiten die bepaald worden volgens de criteria zoals beschreven in een vorige studie {4). De volgende criteria worden gebruikt voor het weerhouden van de relicten: herkenbaarheid: de mate waarin het voorkomen van oude vormen en structuren te zien op de kaart van Ferraris vandaag nog op het

referentiedocument (de orthofoto) terug te vinden zijn gaafheid: de mate waarin de informatieve waarde op het referentiedocument nog volledig en onverstoord is t.o.v. de oude kaartdocumenten; samenhang, de mate waarin de samenstellende elementen nog ruimtelijk-structureel en/of functioneel bij elkaar passen. Voor de relictzones en ankerplaatsen wordt voor deze criteria een evaluatiescore toegekend op basis van de ruimere context. Dit is overal gebeurd behalve voor de provincie Limburg. De toegekende score is relatief en dient ook zo geïnterpreteerd worden. hoog: het omschreven criterium is nog heel duidelijk aanwezig. middel: het omschreven criterium is nog duidelijk aanwezig. laag: het omschreven criterium is in mindere mate aanwezig maar nog duidelijk aanwijsbaar. niet te bepalen: door leemten in de kennis is de waarde van de criteria niet te bepalen.

TWEF PROFFPRQIECTEN De provincies West-Vlaanderen en Limburg dienden als proef om te komen tot een bruikbare methodologie voor de opmaak van een dergelijke landschapsatlas. De opmaak startte in 1996 en ze werden in nauw overleg uitgewerkt respectievelijk door de Vakgroep Geografie van de Universiteit Gent en het Lisec vzw. Vanaf het begin werden volgende randvoorwaarden vastgesteld en in acht genomen: het opzet wordt gestructureerd per provincie en uitgewerkt op schaal 1/50.000 volgens de kaartbladindeling van het N.G.I.; er wordt enkel gewerkt met de bestaande en beschikbare informatie, zonder aanvullende terreincontrole en inventarisatie. Leemten in de kennis zouden indicatief zijn voor (prioritair) verder onderzoek; de gegevens dienen gestructureerd te worden in een open systeem zodat nieuwe gegevens in de toekomst gemakkelijk toegevoegd kunnen worden; er wordt intensief en interactief samengewerkt met geïnteresseerde administraties en


diensten (verzameld in een klankbordgroep) en belangstellende veldwerkers; de Afdeling Monumenten en Landschappen ( A R O H M , Brussel) staat in voor de coördinatie, de vertaling naar mogelijke gebruikers, de verspreiding en het beheer. Als eerste opgemaakt was het atlasdeel van WestVlaanderen ook een methodologisch experiment in twee fasen. De eerste fase gebeurde in 1996 en bestond in een selectie van de informatiebronnen na grondige bronnenkritiek, de selectie van criteria, de keuze van de methode, het opmaken van een typologie van de relicten, het uitwerken van een systematisch beschrijvingsmodel en het uittesten van de cartografische voorstellingswijze. D e realisatie gebeurde in nauwe samenwerking met de klankbordgroep en werd grondig geëvalueerd door een uitgebreide leesgroep. Die ervaring was belangrijk voor het verfijnen van de methode voor de komende delen en de bijsturing van het nog lopende project in Limburg dat in 1999 gefinaliseerd werd. Een vroege inbreng van 'veldwerkers' bleek hiervoor essentieel. Er werd gekozen voor een eenvoudige aanduiding van de relicten op kaart en een uitgebreide beschrijving in fichevorm. Zo werd geopteerd om geen archeologische sites aan te duiden en een categorie niet-beschreven puntrelicten werd toegevoegd op basis van uitgebreide aanduidingen van de veldwerkers om op die wijze gebieden te markeren die verder onderzoek vragen. De holistisch-typologische methode toonde aan dat een snelsurvey van een provincie in één jaar mogelijk was. In 1997 werd een tweede fase ingezet voor het operationaliseren van het atlasdeel van West-Vlaanderen, gelijktijdig met de start van de opmaak van het atlasdeel voor de provincie Oost-Vlaanderen. In deze tweede fase werden de optimale datastructuren bepaald voor het uitwerken van een digitale versie die in het concept van GIS-Vlaanderen zou ingepast kunnen worden. Er werd tevens geopteerd voor het opmaken van een databank van de beschrijvingsfiches die gekoppeld zou kunnen worden aan de GIS-kaart. Ook diende er gedacht te worden aan een integratie van de provinciale atlasdelen op Vlaams niveau.

Voor de provincie Limburg werden eerst alle relicten geselecteerd op het beschikbare bronnenmateriaal bestaande uit oude en recente topografische kaarten, luchtfoto's en kadasterplannen, thematische inventarissen, publicaties en monografieën, aangevuld met de terreinkennis van project- en veldmedewerkers. De weerhouden relicten werden

na digitalisatie verzameld in een composietkaart op schaal 1/25.000. Vier categorieën relicten werden onderscheiden op dezelfde criteria herkenbaarheid, samenhang en gaafheid: vlakrelicten, lijnrelicten, puntrelicten en geclusterde relicten. Vlakrelicten omvatten onder meer historisch stabiele bossen en heide, plaggenbodems, zones met stabiele percelering, kleinschalige valleien, vloeiweiden en wateringen, mijnterrils en -cités, landduinen. Lijnrelicten omvatten Romeinse wegen, belangrijke wegen uit de 1 8 ^ eeuw, markante holle wegen, oude spoorwegbeddingen, steilranden of markante terreinovergangen en asymmetrische dalwanden, kanalen, dijken en belangrijke dreven. Puntrelicten worden op de composietkaart door een apart symbool naar type onderscheiden en omvatten onder meer abdijen, kloosters, burchten en kastelen, hoeves, kerken, kapellen, wind- en watermolens, schansen, tumuli, industrieel erfgoed en andere (zoals merkwaardige bomen). De geclusterde relicten verwijzen naar ruimtelijk samenhangende punt- of lijnrelicten en worden ingedeeld in drie categorieën: bouwkundige erfgoed, archeologica, graften. De composietkaart werd door de veldwerkers beoordeeld, aangevuld en verbeterd. Vervolgens werd op basis van de definitieve composietkaart overgegaan tot het afbakenen van relictzones en het aanwijzen van ankerplaatsen op holistische basis.

DE GLOBALE INVENTARISATIE Gebruikte kaartenbronnen De relicten van de traditionele landschappen getuigen van structuren en elementen van landschappen uit het verleden die nog niet door moderne grootschalige ingrepen zijn uitgewist. In de landschapsatlas worden relicten aangegeven die op oude kaartdocumenten (van de Kabinetskaart van Ferraris tot en met de topografische kaarten tot de Tweede Wereldoorlog) kenmerkend waren voor de landschappen en die nog herkenbaar waren op de gekleurde orthofotokaarten van omstreeks 1990. Dit waren de basisdocumenten. Daarnaast werden recentere uitgaven van de topografische kaarten gebruikt. D e kaart van Ferraris Met de 'kaart van Ferraris' die veelvuldig gebruikt wordt bij landschapsonderzoek, bedoelt men in feite de niet gepubliceerde Kabinetskaart van de


Oostenrijkse Nederlanden die onder leiding van graaf J. de Ferraris werd opgemaakt tussen 1771 en 1778. Deze kaart bedekt ook het Prinsbisdom Luik, zodat nagenoeg het volledige latere België weergegeven wordt op een bijzonder gedetailleerde schaal van 1/11.520. De terreinkartering vond plaats tussen 1771 en 1774 en voor het Prinsbisdom Luik iets later. De opnamen gebeurden door leerlingen en kanonniers van het Artilleriekorps 'op zicht en met de pas' en zonder basistriangulatie (5). De kaart vertoont dan ook sterke geometrische vertekeningen die naar het noordoosten toenemen (6). De uiteindelijke afwerking gebeurde op 275 kaartbladen op schaal 1/11.520 in drie gekleurde handschriftkaarten. De legende is bijzonder gedetailleerd en vooral afgestemd op militaire toepassingen. De kaart bezit niet alleen geometrische vervormingen, maar vertoont ook inhoudelijke fouten in de signatuur en zelfs fantasieën (7). Toch wordt het informatiegehalte van de kaart voor het historisch landschapsonderzoek uitzonderlijk hoog geacht, maar is een voorzichtige en deskundige interpretatie bijzonder belangrijk. Tussen 1965 en 1976 werd door het Gemeentekrediet van België een gekleurde maar tot een schaal 1/25.000 verkleinde versie van de Kabinetskaart uitgegeven. De kaartbladen omvatten telkens een vierde van de oorspronkelijke 275 kaarten. Het is deze versie die gebruikt werd bij de opmaak van de atlas. De belangrijke geometrische vertekeningen van de kaart maken een automatische overlay met de moderne kaarten voor heel Vlaanderen onmogelijk. Dit was een bijkomende belangrijke reden voor de keuze van een holistische methode. Het belang van deze historische kaart is dat ze op een gedetailleerde wijze de toestand van het landschap voor heel Vlaanderen op een uniforme wijze voorstelt in de periode net voor de grote veranderingen zullen beginnen. Dergelijke documenten zijn bijzonder geschikt voor een retrospectieve landschapsreconstructie zoals in de historische geografie gebeurt. Heel wat relicten uit verschillende periodes in het verleden kunnen op deze kaarten nog herkend worden. Topografische kaarten van de 19^ eeuw Vanaf de I9" e eeuw worden kaarten preciezer opgemeten. Naargelang de verschillende overheersingen zijn verschillende bedekkingen beschikbaar voor ons grondgebied.

Voor het oostelijk deel van Limburg en Nederlands Limburg kon ook gebruikgemaakt worden van de kaart van Tranchot-von Muffling die in 1804-1805 opgenomen werd door middel van triangulatie door ingenieurs-geografen van Napoleon. Deze kaart is van uitstekende geometrische kwaliteit en een op schaal 1/25.000 verkleinde uitgave werd in 1967 verzorgd door de Stichting Maaslandse Monografieën te Maastricht. De Militaire Verkenningskaarten werden opgemaakt tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) maar werden nooit volledig afgewerkt. In het bijzonder in Vlaanderen is die afwerking erg onvolledig. De kaarten van Philippe Vandermaelen zijn de eerste topografische kaarten voor het nieuwe België. Het is een privé-kartering op schaal 1/20.000 die tussen 1830 en i860 gerealiseerd werd. De eerste officiële topografische kaarten van België verschijnen in de tweede helft van de 1 9 ^ eeuw en kennen tot de Tweede Wereldoorlog verschillende herzieningen. D e orthofotokaarten van 1988-1991 als referentieperiode De orthofotokaarten van het Vlaamse Gewest werden opgemaakt door N V Eurosense Belfotop op basis van luchtfoto's op schaal 1/30.000 gerealiseerd tussen 1988 en 1991, met uitzondering van de kaartbladen 37-39 die dateren van 1979. De originele vorm bestaat uit gedrukte kaartbladen in kleur op schaal 1/10.000 volgens de l u i s t e versnijding van de topografische kaart 1/50.000 van het Nationaal Geografisch Instituut. Het zijn deze kaarten die bij de opmaak van de atlas is gebruikt zijn. In de loop van de opmaak van de atlas kwam ook een digitale versie van de orthofoto's ter beschikking via GIS-Vlaanderen. Die is gemaakt door het scannen van de gedrukte orthofoto's die vervolgens werden ingepast in het Belgisch Coördinatensysteem Lambert 72/50. Deze digitale orthofoto's worden verdeeld door het Ondersteun-end Centrum GIS-Vlaanderen op 23 C D - R O M s die Vlaanderen en Brussel bedekken, met uitzondering van de kaartbladen 25, 26, 33, 34 en 35 (Limburg) die niet digitaal ter beschikking staan.


Het relict 'de

Vandermaelen

Uitkerkse polder':

(ca. 1854)

vergelijking van

(c) topografische

oude kaarten:

kaart van het

(a) kabmetskaart

Militair Geografisch

van de Ferraris

Instituut (ca. 1928)

(ca. 1775),

en (d) orthofoto

(b) kaart van

(ca. 1990)

De landschapsatlas is in belangrijke mate gesteund op de interpretatie van de kleurenorthofotokaarten van Eurosense-Belfotop. De atlas geeft dan ook in hoofdzaak de toestand weer van de landschappen in de periode 1988 en 1991. Het ter beschikking komen van de digitale versie van de kleurenorthofoto's is dan ook bijzonder belangrijk voor de interpretatie van de atlas. De aangeduide relicten kunnen nu rechtstreeks bekeken worden op de topografische referentie.

M&L

Het gebruik van recentere topografische 'onderleggers' zoals de orthofotokaarten van 1995 zal hoe dan ook aanleiding geven tot soms moeilijk te interpreteren verschillen. Deze verschillen zijn geen fouten in de landschapsatlas, maar wijzen op veranderingen die zich sedert de referentiesituatie (ca. 1990) hebben voorgedaan. De ervaring leert dat de landschappelijke veranderingen de laatste jaren bijzonder versneld zijn. Het interpreteren van de informatie in de atlas moet dan ook in die optiek gebeuren. Hiermee is het ook mogelijk de recente dynamiek van de landschappen en de bedreigingen op de aangeduide relicten in te schatten.


Gebieden buiten beschouwing en gebieden met leemten in de kennis

Classificatie, typologie en codering van de relicten

Voor de landschapsatlas werden de bebouwde agglomeraties buiten beschouwing gelaten omwille van de schaal van de gebruikte basiskaart. Dit noodzaakte een pragmatische afbakening van de stedelijke kernen in functie van de informatieinhoud van de kaarten. Er werden twee afbakeningen aangeduid:

Ieder relict krijgt een unieke identificatiecode (IDcode) die gevormd wordt uit drie elementen: het type van relict aangegeven door een letter, de NIScode van de provincie en een uniek volgnummer. Het identificatievolgnummer moet uniek zijn om koppelingen met andere databankbestanden mogelijk te maken, zoals bv. het kaartbladnummer, de code van de traditionele landschappen, de NIS-code van de gemeente. Relictzones worden aangeduid met de letter R, ankerplaatsen met A, lijnrelicten met L, puntrelicten met P indien er een beschrijving of naam voor is en met X als nietbeschreven puntrelict. Zichten worden aangegeven met Z. Een volledige identificatiecode is dan bv. als volgt:

a.

de stedelijke kern is de zone binnen de stedelijke agglomeratie waar geen relicten meer aangeduid worden omwille van de schaal. De kern werd afgebakend op basis van de bebouwde zone zoals aangeduid op de oude topografische kaarten van België op schaal 1/20.000 van 1863-1943

b.

de stedelijke agglomeratie werd ruimer begrensd volgens de morfologische bebouwing zichtbaar op de kleurenorthofoto's van Eurosense (ca. 1990) én eventueel aangepast gebruik makend van de 'Morfologische structuur van Vlaanderen' zoals aangegeven in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. In deze zones worden wel nog relicten aangeduid, maar die werden geselecteerd op basis van hun informatiewaarde zoals die uit inventarissen blijkt en niet omwille van gaafheid en samenhang in hun ruimtelijke context.

Deze begrenzing gebeurde dus in een andere optiek dan die welke nu gangbaar is bij de begrenzing tussen stedelijk gebied en buitengebied in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. In de atlas moet die begrenzing dan ook enkel gezien worden als een begrenzing van het bestudeerde gebied. Sommige gebieden zijn beter gedocumenteerd dan andere. Dit resulteerde in verschillen in het kaartbeeld, vooral wat de dichtheid van puntrelicten betreft, waarvan de selectie in hoofdzaak gebeurde door middel van de Inventarissen van het Bouwkundig Erfgoed. De zichten werden aanvankelijk op de atlaskaarten aangeduid voor zover ze uit de bronnen bekend waren of door veldwerkers werden aangegeven. Vermits nog belangrijke leemten in de kennis bestaan werd beslist deze informatielaag voorlopig niet op te nemen op de C D - R O M van de landschapsatlas. Deze laag kan op latere versies steeds worden toegevoegd.

•4

NIS-provinciecode (Oost-Vlaanderen)

Type relict

^

4

Q Q 8

8

Volgnummer relict binnen de provincie

De aangeduide beschermde elementen omvatten waardevolle stads- en dorpsgezichten in het landelijke gebied, monumenten en bouwkundige erfgoedwaarden en ook landschappen die als puntvormige elementen voorkomen, zoals bijvoorbeeld een merkwaardige boom. Ze zijn opgenomen in de atlas als puntrelict. De afbakening van beschermde landschappen is nog niet opgenomen in de atlas, maar wordt als een aparte themalaag voorbereid. Er is namelijk geen eenduidige relatie tussen de typologie van de relicten (punt, lijn, vlak) en het type van bescherming: sommige stads- en dorpsgezichten zijn punten, andere vlakken; beschermde landschappen kunnen een kleiner oppervlakte innemen dan stads- en dorpsgezichten, sommige monumenten zijn lijnvormig; enz. Bovendien is in Vlaanderen de spreiding van de beschermingen zeer ongelijkmatig en draagt ze niet bij tot een waardering van gebieden. Volgende figuren geven voorbeelden van de grafische weergave en de verkorte aanduiding van de identificatiecodes op de analoge kaarten. O m de

Voorbeeld van identificatiecode voor een ankerplaats


leesbaarheid te behouden wordt de aard van het relict door de grafische signatuur weergegeven en wordt enkel het volgnummer binnen de provincie aangeduid in een verschillende lettertype (vet, cursief) naargelang het type relict. De provinciecode wordt weggelaten aangezien de provinciale atlasdelen enkel de relicten binnen hun grondgebied weergeven. Relictzones worden weergegeven door een niet omlijnd vlak met een schuine gekleurde arcering. Ankerplaatsen werden aanvankelijk aangegeven door een grote cirkel (8). Lijnrelicten zijn aangeduid door een brede gekleurde lijn, waarop verstoorde segmenten gearceerd zijn. Beschermde puntrelicten hebben een andere signatuur dan de niet-beschermde puntrelicten met beschrijving (Ppuntrelicten). Niet-beschreven puntrelicten (Xpuntrelicten) worden enkel door een gekleurd cirkeltje weergegeven zonder code. Zichten worden door gekleurde dubbele cirkeltjes aangegeven. Gebieden buiten beschouwing krijgen aparte arceringen.

digitale composietkaart op schaal 1/25.000, voor de andere provincies op een analoge kaart op schaal 1/50.000. Van deze documenten worden de relicten gedigitaliseerd en als verschillende GISlagen gestructureerd. Deze vectorlagen worden als overlay gelegd op een rasterversie van de topografische kaarten van het N.G.I. op schaal 1/10 000 (© GIS-Vlaanderen, 1996). Waar nodig wordt de positie van de begrenzingen en puntobjecten nauwkeuriger gemaakt door op het scherm correcties uit te voeren. Begrenzing en aanduiding van de relicten Alle relicten werden op een topografische werkkaart als polygonen aangeduid en dan gedigitaliseerd. Grenzen worden hierdoor als scherpe lijnen opgeslagen, maar hebben niet de betekenis van een scherpe, precieze grens op het terrein of een aanwijzende betekenis zoals de lijnen op de gewestplannen. In de voorstelling zowel op scherm

Voorstellingswijze en codering van de verschillende types 62,130 4£ 220 éOO 26 I relicten op de kaarten van de deelatlassen voor de provincies met topografische achtergrond

D e werkkaarten Het bepalen van de relicten vertrekt van het verzamelen van alle relevante elementen op werkkaarten per kaartblad van de recente topografische kaart van het Nationaal Geografisch Instituut. Voor de provincie Limburg gebeurde dit op een

(digitale versie) als op de afgedrukte kaarten (analoge versie) worden de grenzen van de relicten opzettelijk vaag gehouden. De polygonen van de relictzones worden gearceerd, maar niet omlijnd. De ankerplaatsen worden voorlopig aangegeven door een cirkelvormige 'stempel', de lijnrelicten door brede banden en de puntrelicten door een


vierkant. Wanneer de aldus bekomen aanduidingen vergeleken worden met de positie op een topografische kaart I/IO.OOO dan is een afwijking van de positie van een object of begrenzing van ca. 40 meter normaal. Deze afwijking is aanvaardbaar aangezien in deze snelsurvey besloten werd de kaartschaal 1/50.000 te hanteren en de relicten aan te geven zonder een precieze begrenzing na te streven.

CARTOGRAFIE De landschapsatlas is opgemaakt in een GISomgeving en is dus in wezen digitaal. Ten behoeve van de administratie werden ook analoge afdrukken hiervan gemaakt op schaal 1/50.000 volgens de kaartbladindeling van de topografische kaarten 1/50.000 van het N G I . Voor de analoge versie gebeurde een selectie van informatielagen en werd een bijzondere voorstellingswijze gekozen van de relicten en hun identificatiecode. Eerst wordt de digitale atlas besproken, dan de analoge kaartafdrukken.

De digitale atlas De atlas als een Arcview-project De opmaak en lay-out van de atlas gebeurde in een GIS-omgeving gebruikmakend van Arcview GIS 3.x gekoppeld aan een Microsoft Access databank. Het Arcview-project beheert alle noodzakelijke informatiebronnen om de atlas weer te geven op het scherm, om bevragingen en selecties uit te voeren en afdrukken voor te bereiden. Het gebruik van de atlas in deze vorm vereist een basiskennis in het gebruik van Arcview. Behalve de eigen themalagen van de verschillende relicten, integreert het project ook de noodzakelijke aanvullende lagen en de topografische achtergronden onder de vorm van gescande rasterkaarten en orthofoto's. De eigen gegevenslagen worden in aparte mappen opgeslagen, gescheiden van de gegevenslagen van andere producenten waar de nodige gebruikslicendes dienen gevraagd te worden. D e gegevens van de relicten zijn per provincie gestructureerd, terwijl de aanvullende themalagen geheel Vlaanderen bestrijken.

D e GIS-kaartbestanden In een geografisch informatiesysteem of GIS worden de verschijnselen per thema gegroepeerd in afzonderlijke kaartlagen. Zo zal ieder type van relict in een aparte kaartlaag (thema) beschreven en voorgesteld worden. Die kaartlagen kunnen naar wens gecombineerd worden en aangepaste voorstellingswijzen krijgen. Voor de atlas werd gekozen voor een vectorformaat voor de relicten, hetgeen toelaat ze als overlay op een gescande topografische kaart (in rasterformaat) te leggen. Hiervoor wordt de software Arcview GIS 3.x onder Windows 95, 97, 2000 of Windows N T gebruikt. De verschillende themalagen zijn in het Arcview shape-ïonmnat en zijn gegeorefereerd naar het Belgische Lambert 72/50 coördinatenstelsel. Ze zijn dus inpasbaar met andere thematische kaartlagen van GIS-Vlaanderen. Het grote voordeel van deze manier van werken is dat actualisatie van de themalagen snel en onafhankelijk van elkaar kan gebeuren. Dit is nu reeds het geval voor de afbakening van de ankerplaatsen, waar de cirkelaanduiding vervangen is door polygonen (zie verder). Binnen een GIS-omgeving dient ieder kaartobject gekenmerkt te zijn door een unieke identificatiecode. Hiermee kan ook de koppeling gebeuren met beschrijvingen in attribuuttabellen wanneer die dezelfde codes gebruiken. Deze code hoeft niet dezelfde te zijn dan die welke door de gebruiker gedefinieerd wordt. O p die manier kan het GIS zelf de integriteit van de data controleren, d.w.z. nagaan of de verschillende objecten allemaal een verschillende code bezitten. Voor de atlas wordt gewerkt met een interne identificatiecode die voor de gebruiker onzichtbaar is en een eigen identificatiecode die meer betekenis heeft voor de gebruiker en gebruikt wordt om de objecten op kaart te nummeren. Aangezien de opmaak gebeurde door het digitaliseren van de werkkaarten op schaal 1/50.000, de karteringsschaal van de atlas, bepaalt die de nauwkeurigheid van de lokalisatie. De fijnste leesbare hjnaanduiding op een schaal 1/50.000 bezit een nauwkeurigheid van lokalisatie van maximaal 10 meter. Inzoomen en vergroten van de schaal op het scherm levert dus geen grotere nauwkeurigheid op, maar zal daarentegen de normale afwijkingen sterk vergroten. Ook wanneer de themalagen op een gescande nieuwe topografische kaart op schaal 1/50.000 worden gelegd, k u n n e n


omwille van de generalisatie plaatsverschuivingen van de relictaanduidingen voorkomen ten opzichte van de kaartaanduidingen voorkomen. De basisstructuur van de kaart wordt gegeven door de traditionele landschappen die oorspronkelijk begrensd zijn geworden op schaal i/ioo.ooo waarbij de aanduidingen van de gebieden geen precieze begrenzingen aangaven. De positienauwkeurigheid van de grenzen van de traditionele landschappen is nooit beter dan 100 meter. Aangezien de indeling van de traditionele landschappen als basis dient voor de classificatie van de relicten diende hier een verfijning te gebeuren. Relicten die op of langs een grens van een traditioneel landschap liggen werden daarom nog apart bekeken om precies te kunnen bepalen tot welk traditioneel landschap ze effectief behoren. Hierdoor werd vermeden dat door blinde, automatische superpositie van grenzen kleine versnipperde elementen zouden ontstaan zonder wezenlijke betekenis.

Dit alles betekent dat het lezen van de atlaskaarten enigszins omzichtig moet gebeuren. De voorgestelde relicten refereren naar de toestand zoals die op de orthofotokaarten van omstreeks 1990 te zien was, en die situatie kan soms erg verschillen van die op de topografische ondergrond. Die moet dan ook in de eerste plaats gezien worden als een topografische referentie met plaatsnamen voor een betere oriëntatie. Aanvullende informatie op de analoge kaarten

De analoge kaartafdrukken

Behalve de voorstelling van de verschillende relicten, werden nog aanvullende gegevenslagen toegevoegd. Het betreft de begrenzing en code van de traditionele landschappen (Universiteit Gent) en de ruilverkavelingen (VLM) waarvan de uitvoering reeds het landschap zichtbaar heeft gewijzigd. Deze laatste zijn belangrijk omdat ook relictzones aangeduid werden binnen ruilverkavelinggebieden waarvan geoordeeld werd dat de herkenbaarheid en samenhang van het landschap voldoende bewaard waren gebleven.

D e topografische ondergrond van de analoge kaarten

De databanken

De analoge afdrukken van de atlaskaarten gebeuren volgens de kaartbladindeling van de topografische kaarten van het N.G.I. op schaal 1/50.000, maar gebruiken als topografische ondergrond de gescande topografische kaarten van het Nationaal Geografisch Instituut op schaal 1/10.000, die beschikbaar zijn via GIS-Vlaanderen. Deze topografische achtergrond heeft een sterk uiteenlopende ouderdom (de kaarten werden opgenomen tussen 1978 en 1993) en is zeker niet meer actueel. Toch werd deze versie als 'beste' oplossing gekozen om verschillende redenen. Deze kaart onder digitale (gescande) vorm kwam ter beschikking door GIS-Vlaanderen waardoor de reproductie goedkoper en gemakkelijker werd. Het is de meest neutrale achtergrondkaart die ook bij de gewestplannen gebruikt werd, evenals bij vele lokale studies. Proeven met de meer recente topografische kaart op schaal 1/50.000 (de schaal van de landschapsatlas) toonden aan dat de generalisatie van deze kaart een te drukke en moeilijk leesbare eindkaart opleverde. Bovendien bleek dat bij een verkleining van de kaart 1/10.000 tot schaal 1/50.000 de gegevens nog goed leesbaar bleven op de geplotte eindkaarten.

D e databank met de beschrijvingsfiches De beschrijving van de relicten gebeurt in een relationele databank die in wezen los staat van het GIS, maar ermee gekoppeld kan worden. Dit laat toe de databank op zich te gebruiken, zonder kaartvoorstelling. Er werd gekozen voor het Microsoft Access 97 programma dat deel uitmaakt van Microsoft Office 97 en draait onder Windows 95, 97, 2000 of Windows NT. De kenmerken van de relicten worden in verschillende aan elkaar gerelateerde tabellen opgeslagen. Ieder relicttype wordt opgeslagen in een afzonderlijke tabel. De tabellen bevatten in de rijen {records) de relicten, terwijl in de kolommen (velden of fields) hun beschrijvingsattributen staan. De weergave van de gegevens kan in tekst of numeriek. Dikwijls worden verwijzingscodes gebruikt. In een relationele databank gelden immers normalisatieregels, waarbij gezorgd wordt dat eenzelfde gegeven geen tweemaal opgeslagen wordt in verschillende tabellen, hetgeen het bijwerken zou bemoeilijken en een bron van fouten kan zijn. Een typisch voorbeeld is de verwijzing naar het kaartblad, de NIS-code van de gemeente


of de code van het traditioneel landschap. Die verwijzing gebeurt voor ieder relicttype naar dezelfde tabel met kaartbladen, gemeentenamen en traditionele landschappen. Zo ook is het mogelijk verwijzingen te maken tussen relicten die met elkaar geassocieerd zijn, zoals ankerplaatsen in relictzones. De verschillende attributen worden in afzonderlijke tabellen opgeslagen en dynamisch aan elkaar gekoppeld.

enkel specifiek voor bepaalde relicten. Alle gebruikte bronnen werden gebundeld in één aparte gegevensbank in Access 97.

DE PRECIEZE AFBAKENING VAN DE ANKERPLAATSEN Het opzet

De databank is voorzien van een schakelbord dat automatisch bij het openen gestart wordt. Hiermee kunnen gebruikers die geen ervaring hebben met Microsoft Access de belangrijkste keuzes voor raadpleging maken door het aanklikken van knoppen. Er worden drie groepen van bevraging voorzien: het weergeven van de lijst van de relicten naar type, de beschrijvingsfiches voor de relictzones en ankerplaatsen als formulier op het scherm weergeven en het afdrukken van een rapport voor een relictzone. De optie 'Sluiten Schakelbord' verleent directe toegang tot de databanktabellen voor de professionele gebruiker. Voor de relictzones zijn er beschrijvingsfiches gemaakt die als formulier op het scherm geconsulteerd kunnen worden of als rapport afgedrukt worden. Voor de provincie Limburg zijn dit originele tekstfiches in Office Word 97 formaat, die werden omgevormd tot formulieren en rapporten in Office Access 97 zoals bij de andere provincies. De fiches vermelden de naam en code van de relictzone, het traditioneel landschap waartoe ze behoren en de gemeenten waar ze gesitueerd zijn. De erfgoedwaarden worden beschreven volgens de categorieën zoals in het landschapsdecreet voorzien is: natuurwetenschappelijke, historische, sociaal-culturele en esthetische erfgoedwaarden. Verder worden eventueel verstoringen en beleidswenselijkheden geformuleerd wanneer die gekend zijn. Indien beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten of landschappen in de relictzone voorkomen wordt hiervan een lijst gegeven. Verder wordt de code van de geassocieerde ankerplaatsen, lijn- en puntrelicten en zichten gegeven, evenals een code voor eventuele specifieke bronreferenties.

Bij het aanduiden (afbakenen en beschrijven) van de ankerplaatsen werd steeds de definitie van de landschapsankerplaats zoals opgenomen in het voorontwerp van decreet tot wijziging van het landschapsdecreet van 16 april 1996 voor ogen gehouden.

Methode van afbakening Afstemming van de werkwijze Het ruimtelijk begrenzen van het ankerplaatsgebied en het beschrijven ervan werden uitgevoerd door de Afdeling Monumenten en Landschappen, uitgaande van de met cirkels aangegeven ankerplaatsen in de landschapsatlas. Dit resulteerde in een nieuwe thematische kaartlaag en een meet gedetailleerde beschrijving, die in een aparte databank werd opgenomen. Beide vervangen uiteindelijk de aanduidingen van de ankerplaatsen in de oorspronkelijke versie van de landschapsatlas. Bijzondere aandacht ging naar het gebruik van een uniforme methode en de procesbewaking van de aanduiding. H e t afbakenen en beschrijven gebeurde immers door vele medewerkers en onderlinge afstemming zowel binnen de verschillende buitendiensten als tussen de buitendiensten van de Afdeling Monumenten en Landschappen onderling was noodzakelijk. Hiervoor werd per buitendienst een verantwoordelijke aangeduid. Eén coördinator bewaakte de eenduidigheid tussen de buitendiensten.

De databank met de bibliografische bronnen

Voor de begrenzing werd gewerkt op schaal 1/10.000, dit naar analogie van de gewestplannen en met het oog op een maximaal gebruik van de meest recente orthofotoplans.

Voor de opmaak van de verschillende provinciale atlasdelen werden vele bronnen geraadpleegd. Sommige zijn algemene publicaties die als referentie voor heel Vlaanderen dienen, sommige zijn

Behalve de aanduiding en de beschrijving van de ankerplaatsen in de provinciale atlasdelen, waren aanvullende informatie en terreincontrole nodig. Aanvullende informatiebronnen waren onder


meer de beschermingsdossiers, de gewestplannen, BPA's, oude kaarten vanaf de Ferrariskaart, de Inventarissen van het Bouwkundig Erfgoed, eigen inventarisatiegegevens in niet-beschermde landschappen en de meest recente topografische kaarten en orthofotoplans. Wanneer deze bronnen nog onvoldoende bleken, vond een terreincontrole plaats. Bijzondere regels voor de begrenzing Als bijzondere regel voor de begrenzing van een ankerplaats werd er op toegezien dat de perimeter van het afgelijnd gebied niet zover van de kern van de ankerplaats werd bepaald dat een te groot deel van de eventueel omgevende relictzone werd ingenomen. Als vuistregel gold dat de ankerplaats niet meer dan één derde van de relictzone mocht beslaan, met uitzondering van die delen van Vlaanderen waar de landschappelijke identiteit over grote oppervlaktes goed bewaard is (zoals in de duinen, de West-Vlaamse Heuvels, de Scheldepolders, de Vlaamse Ardennen, bepaalde gaaf bewaarde riviervalleien en de Voerstreek). In die gebieden werd uitzonderlijk tot maximaal de helft van de relictzone als ankerplaats afgelijnd. Er werd naar gestreefd de landschappelijke context van de 'kern' van de ankerplaats op te nemen in de afbakening wanneer de landschappelijke samenhang tussen kern en periferie (geomorfologisch, functioneel, visueel...) relatief intact is gebleven en de gaafheid van die omgeving groot is. Bij de afbakening werd op diverse plaatsen vastgesteld dat de perimeters van de gebieden elkaar raakten. In dat geval werd afgewogen of de ankerplaatsen dienden samengevoegd te worden. Dit gebeurde wanneer geoordeeld werd dat de mate van samenhang tussen de twee ankerplaatsen groot genoeg was. Dit was bv. het geval met clusters van kasteelparken of wanneet diverse landschappelijke entiteiten een unieke landschappelijke sequentie vormen op Vlaams (en internationaal) niveau, zoals bv. de overgang van de zeereep naar de Westhoekduinen en de Oude duinen van Cabourg en de Frans-Belgische Moeren tot aan het gave deel van het Plateau van Izenbetge. In dat geval werd dus geoordeeld dat het geheel, als gevolg van de samenvoeging, een landschappelijke meerwaarde bood ten opzichte van de som van de oorspronkelijk onderscheiden delen. Wanneer de belendende gebieden daarentegen thematisch zeer verschillend zijn en er geen meerwaarde voortvloeit uit de samenvoeging, werden

ze gescheiden gehouden als twee of meer elkaar rakende ankerplaatsen. Die werkwijze heeft ook tot een aangepaste naamgeving geleid, die ook in de andere ankerplaatsen waar nodig werd doorgevoerd om tot een relatief uniforme naamgeving te komen voor het hele Vlaamse Gewest. Er werd overal gestreefd naar zo compact mogelijke grenzen, dus met zo weinig mogelijk insnoeringen en uitsprongen (met uitzondering voor lintbebouwing en bebouwing aan de rand (zie hierna)). Daarenboven werd gepoogd zo veel mogelijk gebruik te maken van fysische grenzen die duidelijk te zien zijn in het landschap: een weg, een antropogene waterloop, een h o u t k a n t — Beken en bosranden werden in de regel niet als fysische grens gebruikt omwille van inhoudelijke redenen. In het geval van een beek werd steeds het deel van de vallei aan de overkant van de beek mee ingesloten omwille van onder meer de geomorfologische samenhang, op voorwaarde dat het landschap van die overkant voldoende gaaf was. In het geval van bossen werd steeds een deel van het belendende bodemgebruik mee ingesloten als bufferzone, eveneens op dezelfde voorwaarde. Bij het ontbreken van een duidelijke en dichtbijgelegen fysische grens werd gebruik gemaakt van een perceelsgrens. Deze werkwijze heeft tot gevolg gehad dat in een aantal gevallen de begrensde ankerplaats niet samenvalt met de (vage) begrenzing van de bijhorende relictzone.

De definitie van ankerplaatsen houdt in dat het complexen zijn waarin gebouwen met erfgoedwaarde en open ruimten samen kunnen voorkomen. De kwaliteit en de toestand van de bebouwing kunnen echter sterk verschillen. Daarom werden bijzondere regels gehanteerd bij de afbakening van de ankerplaatsen ten aanzien van de voorkomende bebouwing: de bebouwing moest zowel qua schaal als qua gaafheid inpasbaar zijn om opgenomen te kunnen worden in een ankerplaats, om opgenomen te worden in de ankerplaats mocht wat betreft de schaal, de bebouwde oppervlakte (dorpskern, gehucht) niet groter zijn de oppervlakte van de open ruimte binnen de potentiële perimeter, qua gaafheid mocht het aantal gebouwen met erfgoedwaarde (waarbij de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed zoveel mogelijk als toetssteen werd gebruikt) niet kleiner zijn dan het aantal gebouwen zonder of met te sterk


aangetaste erfgoedwaarde. Landschappelijk belangrijke gebiedsdelen met verspreide bebouwing met overwegend geen of te weinig erfgoedwaarde werden dus geweerd uit de ankerplaatsbegrenzing. omwille van het streven naar gehelen of ensembles met een voldoende gaafheid en samenhang werden geen uitgesloten eilandjes met bewoning geduld. wanneer aard en schaal van 'gebiedsvreemde inclusies' (bv. kleine campings) op termijn herstel toelaten, werden ze echter wel opgenomen en in de beschrijvingsfiches als knelpunt aangeduid. lintbebouwing met te weinig erfgoedwaarde werd uit de perimeter gesloten door insnoeringen te maken langs de in het gebied penetrerende wegen. Ruimtelijk gescheiden delen van eenzelfde gebied Heel wat gebieden die fysisch-geografisch, cultuurhistorisch en/of esthetisch één geheel vormden zijn door grote infrastructuurwerken tijdens de ioste eeuw ruimtelijk versnipperd geraakt. Ze werden als één gebied afgelijnd als er minstens nog een visuele relatie tussen de onderscheiden delen bestaat. Als deze visuele band er niet meer is (bv. door een in het terrein verheven, brede autoweg) werden ze als aparte ankerplaatsen aangeduid, op voorwaarde dat de delen op zichzelf een voldoende mate van gaafheid hebben overgehouden. Bijzondere lijnrelicten In uitzonderlijke gevallen werden lijnrelicten tot ankerplaats 'gepromoveerd'. Dit gebeurde enkel wanneer er verspreid langs het tracé vlakvormige elementen met hoge erfgoedwaarde voorkomen. Dit is het geval met de Antitankgracht tussen Berendrecht en Oelegem en de Gallo-Romeinse weg in Limburgs Haspengouw. 'Tentakels' van lijnrelicten die zich te ver uitspreiden vanuit het af te lijnen vlakvormig gebied werden niet of slechts gedeeltelijk opgenomen, maar er wordt in de bijbehorende fiche wel gewezen op hun belang.

nomen wanneer ze aan minstens drie zijden ingebed liggen in een gaaf landschap en ze aanleiding gegeven hebben tot een duidelijke esthetische waarde.

De beschrijving Naast het afbakenen werden de ankerplaatsen zodanig beschreven dat ze op een voldoende wijze getypeerd werden. Deze beschrijvingsgegevens werden in een Microsoft Access 97 databank opgenomen en gestructureerd in vier delen of hoofdstukken. In hoofdstuk A worden de elementen van het landschap beschreven evenals de opbouwende onderdelen. De beschrijving omvat de natuurlijke, fysische kenmerken van het landschap, de elementen van het bouwkundig erfgoed, de nederzettingen en de archeologie, elementen van transport en infrastructuren en kenmerkende landgebruikspatronen. Erfgoedelementen werden in een hiërarchisch gestructureerde typologie opgenomen zodat opzoeken van bepaalde types gemakkelijk is. Zo zijn gelijkaardige elementen zoals een fort, een schans of een bunker gegroepeerd onder de hoofdcategorie militair erfgoed. Er werd ook een rubriek 'Knelpunten of opmerkingen' voorzien. In hoofdstuk B worden de landschapswaarden beschreven. Naast de rubrieken die in het decreet op de bescherming van landschappen voorkomen (historische, wetenschappelijke en esthetische waarde) is er een vierde toegevoegd: de ruimtelij kstructurende waarde. Een landschapselement of een groep of cluster van landschapselementen is ruimtelijk structurerend indien voldaan is aan één of meer van volgende drie voorwaarden: Het element heeft door zijn aanwezigheid een invloed (gehad) op de opbouw, ruimtelijke configuratie en/of organisatie van het (omringende) landschap. Enkele voorbeelden verduidelijken dit:

Nieuwe landschappen Nieuwe landschappen, zoals opgespoten terreinen, recente ontginningspiassen zoals die langs de Ewegen of de ontgrindingen in de Maasvallei, werden enkel binnen een ankerplaatsbegrenzing opge-

beken, valleien, samenvloeiingen vormen barrières en bepalen het nederzettingspatroon en landgebruik op een vandaag nog herkenbare wijze. Bruggen en doorwaadbare plaatsen oriënteren het verkeersnet;


n^^^Eassann Êestand Bewertefi

-inlx

Bjetó Help

CJ-R^S'ü

:

« I ^ O ^ Q t l ' 1 185181

Schermvoorbeclden

(c) ingezoomd op

van de digitale

het geselecteerde

atlasviewer:

relict, met topogra-

(a) openingsctierm,

fische achtergrond

(b) fiche van het

op schaal

geselecteerde relict,

1/100.000

vele abdijen en landgoederen hebben een tot op vandaag landschappelijk waarneembare invloed op het landgebruik en de percelering; rechte steenwegen (Oostenrijkse en Franse periode) gaven ontstaan aan nieuwe nederzettingen en verschuivingen van dorpskernen; recentere steenwegen gaven aanleiding tot ontstaan van woonlinten, winkellinten, groothandelskruispunten, ... Het landschapselement is visueel dominant aanwezig in het landschap en heeft een bakenftinctie. Dergelijke landschapselementen kunnen: ruimtebegrenzend zijn, bv. naaldbossen in de Kempen, populierenrijen in het Maasland, en/of een (positieve of negatieve) blikvanger zijn, bv. de zendmast in Sint-Pieters-Leeuw, en/of een oriënterende functie hebben, bv. in het Hageland. 3. H e t landschapselement, maar doorgaans de cluster van landschapselementen, is dusdanig kenmerkend voor het landschap of de streek. Het gaat meestal om grootschalige en repetitieve landschapselementen, bv. het kasteelparkenlandschap rond grote steden (bv. bezuiden Brugge), het bloementeeltlandschap van Lochristi en omgeving, het vakwerkgebied van Alken-Wellen, en het laagstamfruitlandschap van St.-Truiden-Borgloon / Gingelom In hoofdstuk C wordt de ankerplaats met een doorlopende tekst beschreven.

DE CD-RQM-VERSIE MET DE ATIASVIEWER

M&L

Ten behoeve van de gebruikers die enkel de kaarten en gegevens raadplegen en bevragen en die geen achtergrondkennis bezitten in het werken met Arcview of Microsoft Access, werd door de


Vakgroep Geografie van de Universiteit Gent een gebruiksvriendelijke atlasviewer ontwikkeld. De thematische kaartiagen van de atlas met de relicten en de gegevens uit Access-databank worden automatisch opgeladen. Thematische kaartiagen en topografische referentiebestanden, zoals de gescande topografische kaarten of orthofoto's worden niet bijgeleverd omdat hun gebruikslicentie bij de eigenaars moet aangevraagd worden (cf. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen). De mogelijkheid is echter voorzien om ze manueel in te laden.

EINDNOTEN (i) STANNERS D. and BOURDEAU Ph. (eds.), Europe's Environment.

The Dobris

Environment

Agency, EC

Assessment. DG

XI

Euro-pean and

Pharc,

Copenhagen, 1995, p. 172. (2) ANTROP M. en VAN DAMME S., Landschapszorg in Vlaanderen: onderzoek naar criteria en wenselijkheden voor een ruimtelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische en esthetische waarden van de landschappen in Vlaanderen. Eindrapport, Gent, RUG en Brussel, AROHM, Afdeling Monumenten en Landschappen, 1995.

Het algemeen principe voor het gebruik van de atlasviewer is door simpel aanklikken met de muis van de objecten die op de kaart voorgesteld zijn de bijhorende informatie weer te geven en desgevallend als rapport af te drukken.

(3) De digitale laag met zichten is voorlopig niet opgenomen op de CD-ROM van de landschapsatlas. Deze laag zal waarschijnlijk worden toegevoegd aan latere actualiseringen. (4) ANTROP M. en VAN DAMME S., ut supra, 1995. (5) LEMOINE-ISABEAU C , L'élaboration de la Carte de

De kaartbestanden van het Vlaamse Gewest als geheel hebben betrekking op de synthesekaart van de relicten en de gaafheid van de traditionele landschappen.

Ferraris, in: Colloquium, Spa 8-11 september 1976, De Cartografie in de iS** eeuw en het werk van graaf de Ferraris (1726-1814). Handleidingen Gemeentekre-diet van België, Brussel, 1978, p. 39-52. (6) DE PUYDT E, Vijf eeuwen kartografie in Vlaanderen,

O p provinciaal niveau zijn zijn de deelatlassen consulteerbaar door simpel aanklikken met de informatieknop en de muis. Geografische selecties op basis van gemeenten en relictcodes en —namen is mogelijk. Het resultaat is een venster met verschillende 'tab-bladen' die de diverse beschrijvingsvelden uit de databank weergeven. Hiervan kan een rapport gemaakt worden dat afgedrukt wordt.

in: De Aardrijkskunde, 4, 1991, p. 381-402. (7) DAELS L. en VERHOEVE A., Les deformations topographiques de la carte de Ferraris, in: Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige

Studies,

1963, p. 301-310. (8) In een volgende fase werden de ankerplaatsen precies afgebakend op een laag die digitaal beschikbaar is.


Guido Paul

Tack en

Van den

Bremt

DE LAMDSCHAPSATLAS.. RESULTATEM • In het kader van

Een goede aflijning

het verruimde

maakt immers een

landschapsbeleld

betere integratie in

werden de anker-

de ruimteli)ke

plaatsen in een

ordening mogelijk

tweede fase

(foto Oswald

duidelijk afgelijnd.

Pauwels)

In het navolgend verhaal presenteren wij twee reeksen resultaten. De eerste reeks gaat terug op het oorspronkelijke inventarisatieproject, dat startte in 1995. In dit project dat opgezet was als snelsurvey, ging men na waar de historisch gegroeide landschapsstructuur tot op heden herkenbaar was gebleven. Samenhang, gaafheid en herkenbaarheid van de onder-

scheiden relicten van de traditionele landschappen werden op die manier in beeld gebracht. Zoals eerder gesteld, vertrok men van een vergelijking tussen oude kaartdocumenten en recentere orthofoto's. De bestaande literatuur en een schare projecten veldmedewerkers droegen in aanzienlijke mate bij tot het uiteindelijke resultaat: een landschapsatlas met punt- en lijnrelicten, afgebakende relictzones maar niet-afgelijnde ankerplaatsen. Ook werd


— zij het op een minder systematische manier — aandacht besteed aan zichten.

Ook de inventaris van lijnrelicten moet in een later stadium nog verfijnd worden.

De tweede reeks van resultaten betreft de ankerplaatsen of de meest landschappelijk waardevolle gebieden van Vlaanderen. Door de keuze voor een gericht maar verruimd landschapsbeleid had men besloten de ankerplaatsen toch af te lijnen. Een goede aflijning maakt immers een betere integratie in de Ruimtelijke ordening mogelijk. Vanaf september 2000 en vertrekkend van de gegevens van het oorspronkelijke project begon men aan deze oefening. Het voornaamste verschil met het oorspronkelijke project b e t r o f - waar nodig - de toetsing aan het terrein. Afgelijnde ankerplaatsen werden door een snelsurvey op terrein verder verfijnd.

Voor de puntrelicten wordt hierna bij wijze van voorbeeld een verdere uitsplitsing gegeven voor de provincie Limburg: abdijen, kloosters kastelen burgerlijke gebouwen hoeven kerken 101 kapellen windmolens andere puntenelementen (o.a. bomen) schansen tumuli watermolens industrieel erfgoed

PUNTRELICTEN EN LIJNRFIICTFN Puntrelicten worden gevormd door monumenten en kleine cultuurhistorische landschapselementen of complexen ervan, en hun onmiddellijke omgeving. Ze kunnen al dan niet beschermd zijn. Lijnrelicten worden gevormd door lijnvormige elementen zoals dijken, wegen, waterlopen of complexen ervan, en hun onmiddellijk aangrenzende ruimte. De volgende tabel geeft het aantal punt- en lijnrelicten weer voor de verschillende provincies: Puntrelicten

Lijnrelicten

Antwerpen

1148

134

Brabant

1122

77

Limburg

672

53

Oost-Vlaanderen

997

88

West-Vlaanderen

607

76

4607

544

Totaal

De inventaris van de puntrelicten is nog zeer onvolledig. De aantallen puntrelicten zijn bovendien sterk wisselend van provincie tot provincie. Het is echter nog te vroeg om hieruit conclusies te trekken. In een later stadium zal de landschapsatlas op dat vlak moeten verfijnd worden, bv. aan de hand van de lopende Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed of aan de hand van een specifieke inventarisatie van monumentale bomen ...

14 90 68 129

94 21

41 7 12 102

14

RELICTZQNES Definitie De relictzones zijn gebieden met een grote dichtheid aan punt- en lijnrelicten, zichten en ankerplaatsen en zones waarin de samenhang tussen de waardevolle landschapselementen belangrijk is voor de gehele landschappelijke waardering. De criteria (één of meerdere) voor de selectie van een gebied als relictzone waren de volgende: het voorkomen van verschillende herkenbare structuren of objecten die teruggaan tot de landschappelijke situatie van het einde van de i8° e eeuw en/of tot de periode vóór de Tweede Wereldoorlog het voorkomen van geomorfologische eenheden of elementen met een structurerende of geopatrimoniumwaarde het voorkomen van concentraties van punten lijnrelicten het voorkomen van gekende concentraties van archeologische vondsten het voorkomen van concentraties van zichten of van esthetische gave landschappen die onverstoord zijn door moderne bebouwing of infrastructuren O o k waardevolle bouwelementen, zoals onder meer die beschreven in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed, kunnen zelfs verspreid en met wisselende gaafheid in een grote dichtheid voorkomen en een karakteriserend aspect vormen


van het gehele gebied. In dergelijke gevallen vormen de bouwelementen een criterium en karakterisering van de relictzone.

Totale oppervlakte De totale oppervlakte bedraagt ca. 530.OOO ha De relictzones beslaan zowat 39% van de oppervlakte van Vlaanderen.

Aantal In totaal werden 515 relictzones afgebakend.

Gemiddelde oppervlakte

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Vlaams-Brabant Limburg

De gemiddelde oppervlakte per relictzone bedraagt 1029 ha De relictzones zijn in Limburg ruim dubbel zo groot als deze van Vlaams-Brabant en de helft groter dan die van Antwerpen. Oost- en West-Vlaanderen ontlopen elkaar nauwelijks.

94 101

.36 108

76

Procentueel oppervlakte-aandeel van de relictzones per provincie SO 40 30 20

10

VL. B. Provincies

Procentueel oppervlakte-aandeel van de relictzones per provincie 1600 1400 1200 1000 oppervlakte in ha

800

i

600 400 200

VL. B.

provincie


Bodemgebruik

(hoogste percentage voor Vlaanderen), de andere akkerteelten scoren zeer laag.

Voor het bodemgebruik binnen de relictzones was het uitgangspunt een versleuteling van de eenheden van de Biologische Waarderingskaart (BWK) van België. De percentages die hierna gehanteerd worden zijn bijgevolg benaderend en berusten op een interpretatie van de oorspronkelijke eenheden.

Bodemgebruik Moeras en water Akkerland Grasland Heide, duin en struweel Bos Bebouwing Onbekend (of niet gekarteerd)

W-Vl

O-Vl

1%

In de categorie heide, duin en struweel slaat duin op land- en rivierduin. In deze categorie zijn bovendien de slikken en schorren van ZandvlietLillo opgenomen. Het heideareaal staat hier in voor meer dan 50% van deze categorie.

Vlaanderen

Vl-Br

1%

A'pen 3%

1%

2%

36%

29%

34.40%

Limb

1,70%

53%

44%

13%

30%

30%

30%

24%

19%

27,00%

2%

1%

4%

1%

4%

2,50%

6% 6%

11%

30%

25%

25%

19,20%

9% 4%

15%

7% 6%

12%

10,10%

9%

5,10%

2%

O p Vlaams niveau betekent dit dat meer dan 6 0 % van de oppervlakte aan relictzones tot de categorieën akkerland en grasland kunnen gerekend worden. Het grootste deel van deze gronden is in gebruik bij landbouwers in hoofd- of bijberoep. Bos scoort met meer dan 19% van de oppervlakte naar verhouding zeer hoog. De bosindex voor Vlaanderen bedraagt 10,8% (1).

5%

De hoeveelheid bos binnen de relictzones ligt bijna tweemaal zo hoog als de bosindex (16,2%) voor Antwerpen. Het bosareaal binnen de Antwerpse relictzones bestaat voor een kleine 6 0 % uit naaldbos.

Bodemgebruik relictzones provincie Antwerpen 5%

Per provincie zijn de onderlinge verschillen aanzienlijk.

3% moeras en water

V ' , , ^ ^ ^ ^ ^

^

^

akkerland grasland

De onderstaande cirkeldiagrammen geven een overzicht van het bodemgebruik per provincie binnen de relictzones. Hierbij dient nog het volgende te worden opgemerkt:

• •

^ '

• m

heide en duinenstruweei bos bebouwing

^m3o%

^ |

30% ^ H

^P

D

onbekend

4»/.

Er zijn geen kwantitieve bodemgebruiksgegevens voorhanden voor de totaliteit van het provinciale Buitengebied, waarmee kan vergeleken worden. De gegevens over bebouwing werden niet in de bespreking betrokken, wegens onvoldoende nauwkeurigheid (te weinig aandacht bij BWK-kartering). Voor het akkerlandareaal beschikken we ook over bijkomende statistische landbouwgegevens. Bij het graslandareaal horen naast de klassieke landbouwgraslanden ook de 'halfnatuurlijke graslanden' thuis. Eenduidige interpretatie ligt dus niet steeds voor de hand.

Provincie Limb urg

Bodemgebruik relictzones provincie Limburg 5%

3%

" i A. ^ ^^ II

Provincie Antwerpen 30% ^ H

Opvallend is het zeer kleine areaal akkerland in Antwerpen (13%). Het betreft vooral maïsteelt

^V 4%

• • • • • D

akkerland grasland heide en duinenstruweel bos bebouwing onbekend


Ook in Limburg ligt het areaal aan akkerland opvallend lager dan het gemiddelde (29%). Na maïs zijn de voornaamste teelten tarwe en suikerbieten. Duin betekent zoals in de provincie Antwerpen land- en rivierduin. Heide staat hier in voor meer dan 75% van deze categorie. De bosindex voor Limburg is 20,6%. Limburg als bosrijkste Vlaamse provincie is dus 'slechts' met 25% oppervlakte bos aanwezig binnen de relictzones. Het opgenomen bosareaal bestaat voor ruim 6 0 % uit naaldhout. Het oppervlakteaandeel aan grasland binnen de Lim burgse relictzones is het laagste van alle Vlaamse provincies. Uit de landbouwstatistiek kunnen we bijkomend afleiden dat Limburg het grootste aandeel heeft aan boomgaarden binnen de relictzones (belangrijke fruitstreek).

Provincie Oost-Vlaanderen

Bod :mgebruik relictzones provincie Oost-Vlaanderen 5%

3%

1Pi\ 13%

15%

É

^ r 30% 1

30% 1

r

moeras en water akkerland grasland heide en duinenstruwccl bos bebouwing onbekend

Provincie Vlaams-Brabant

Bodemgebruik relictzo nes provincie Vlaams-Brabant •>%_

:

,

müems en water

el ^kmmll ^k1 "" 15%^

f

1 •

K% •

^

3 0 % ^

akkerland grasland heide en duinenstruweel bos bebouwing onbekend

4%

De provincie Vlaams-Brabant scoort wat de voornaamste bodemgebruikscategorieën betreft (akkerland en grasland) vrijwel gemiddeld. Maïs en tarwe doen het ongeveer even goed, ze worden op verre afstand gevolgd door suikerbieten, gerst en aardappelen. De categorie heide, duin en struweel scoort hier het laagst van alle provincies en wordt uitsluitend gevormd door struweelvegetaties (vaak voormalige heidevegetaties) en in zeer geringe mate door heide. Het opgenomen bosareaal bestaat voor 85% uit loofhout. Grote relicten van het historische Kolenwoud (Zoniën, Meerdaalwoud, Hallerbos) dragen hier in aanzienlijke mate toe bij. Met een bosindex van 12% en een vertegenwoordiging van 25% bos binnen de relictzones, scoort Vlaams-Brabant zeer hoog.

4%

Provincie West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen is naar oppervlakte-aandeel akkerland binnen de relictzones de tweede Vlaamse provincie. Met 44% is het gemiddeld areaal ruim overschreden. Na Antwerpen heeft OostVlaanderen naar verhouding binnen de relictzones het grootste areaal aan maïs, gevolgd door aardappelen, tarwe en suikerbieten. Het areaal heide, duinen en struweel wordt vooral gevormd door struweel (allerhande struikopslag, onder meer op de voormalige heidegebieden in de veldzones), door de land- en rivierduinen langs Schelde en Leie, de slikken en schorren van Doel en enkele kleinere zoerwaterslikken en -schorren langs de Schelde en de Durme, slechts in geringe mate door heide. Bos is met 11% binnen de relictzones vertegenwoordigd, dus net geen tweemaal de bosindex (5,6%). Het opgenomen bosareaal bestaat voor ruim 75% uit loofhout.

Bodemgebruik relictzones provincie West-Vlaanderen i%

w moeras en water

15%^

11 ^

^V| 1É ^ 1

1V

30%

• A

w1 •

^F • ^

•

1

akkerland grasland heide en duinenstruweel bos bebouwing onbekend

4%

West-Vlaanderen heeft met zijn 53% akkerareaal de hoogste score hiervoor van alle provincies. De voornaamste teelten zijn maïs, tarwe, aardappelen en suikerbieten. Niet onbelangrijk is bovendien de groententeelt.


Het areaal heide, duin en struweel wordt vooral ingevuld door zeeduinen en duinstruwelen, slechts in geringe mate door heide en struweel op voormalige heide. De slikken en schorren van de IJzer en het Zwin zijn ook in deze categorie opgenomen. Als bosarmste provincie (bosindex 2,3%), scoort West-Vlaanderen naar verhouding het hoogst (ca. 6%). Het opgenomen bosareaal tenslotte bestaat voor 7 0 % uit loofhout.

VERGELIJKING MET ANDERF BFIEIDSRFLFVANTE KAARTI AGFN Voor een meer uitvoerige bespreking verwijzen we naar het hierna volgende deel over de ankerplaatsen.

Ruimtelijke Ordening Als we de ruimtelijke bestemmingen rubriceren in 'gele', 'groene' en 'rest'-bestemmingen, zien we dat het geheel van de relictzones in gans Vlaanderen voor ruim 6 0 % in 'gele', 26,5% in 'groene' en bijna 13% in 'rest'-bestemmingen ligt. De cijfers van bodemgebruik en gewestplanbestemmingen sluiten zoals verwacht nauw aan. Het kleine verschil in 'gele' gebieden (60,1%) met de bodemgebruikscategorieën (61,4%) zou men geneigd zijn zo te verklaren dat vooral een deel van de bodemgebruikscategorie grasland een 'groene' bestemming heeft gekregen op de gewestplannen. Maar dit is niet zonneklaar want de 'gele' bestemmingen scoren in Limburg en vooral in VlaamsBrabant hoger dan de bodemgebruikscategorieën akkerland en grasland samen.

•4

W-Vl

O-Vl.

A'pen

Vl-Br

Limb

Vlaanderen

Agrarisch gebied

12,5%

24,4%

17,9%

25.5%

25,9%

20,8%

Landschappelijk waardevol agrarisch gebied

65,7%

39,8%

21,5%

34.7%

21,6%

36,4%

i,3%

2,9%

Gewestplanbestemming

Oe bestemming Ecologisch waardevol agrarisch gebied

Ecologisch waardevol agrarisch gebied s.s.

3.9%

5,2%

2,0%

1,7%

s.l. omvat in de tabel ook Agrarisch gebied met bijzonder belang, Vallelgebled en

Som 'geel' gebied

82,1%

69,4%

41,4%

61,9%

48,8%

60,1 %

Groengebied s.s.

0,0%

0,1%

0,3%

0,1%

Natuurgebied

6,7%

10,8%

12,1%

20,6%

22,1%

Reservaatgebied

2,2%

2,4%

4.3%

2,0%

4,0%

3.1%

Parkgebied

2,2%

1,6%

3,5%

3.4%

1,6%

2.4%

Bufferzone

0,0%

0,5%

0,4%

0.1%

0,3%

0,3%

Bosgebied

1,0%

4.7%

7,6%

2,5%

6,7%

16,5%

0,2%

0,2% 13,8%

Som 'groen' gebied

12,1%

20,1%

37.1%

33.8%

30,7%

26,5%

Som 'geel'en 'groen' gebied

94.2-%

89.5%

78.5%

95.7%

79.5%

86,6%

Militair gebied

0,3%

0,2%

2,8%

0,3%

6,4%

Woongebied

2,3%

4,8%

7,6%

2,4%

9,1%

5.5%

Infrastructuur

0,4%

1,9%

0,9%

0,1%

0,3%

0,8%

Gemeenschapsvoorzieningen

0,6%

0,6%

1,9%

0,5%

0,6%

0.9% 1.7%

2,1%

Recreatiegebied

0,6%

1,1%

3,8%

0,5%

i,S%

Ontginningsgebied

0,8%

0,6%

1,3%

0,2%

0,7%

0,7%

Industriegebied

o ; 6%

1,0%

1.4%

0,2%

1,0%

0,9%

Ambachtelijke zone

0,0%

0,1%

0,5%

0,0%

0,4%

0,2%

Som 'rest'

5.6%

10,3%

20,2%

4.2%

20,3%

12,8%

Vallei-en Brongebied


Verhouding met natuur en bos

W-Vl

O-Vl

Minder waardevol

60,8%

40,4%

34,8%

45-8%

38,8%

43,6%

29,0%

13,6%

11,2%

12,5%

16,0%

Minder waardevol mer wv. elementen

11,0%

A'pen

Vlaanderen

BWK-waarden

Vl-Br

Limb

Minder waardevol met wv. el. en z. wv. el.

3,1%

7,6%

1,9%

6,1%

3,5%

4-3%

Minder waardevol met z. wv. elementen

2,9%

1,9%

2,2%

1,1%

1,4%

2,0%

Waardevol

8,7%

6,7%

22,3%

12,5%

17.4%

13,9%

Waardevol met zeer waardevolle elementen

6,5%

4,8%

9,5%

7,0%

5,2%

6,6%

Zeer waardevol

5,0%

4,2%

9,3%

13,4%

11,3%

8,2%

Niet gekarteerd

1,9%

4,4%

5,6%

2,3%

7-5%

4-5%

Geen waarde

0,1%

0,9%

0,1%

0,6%

2,5%

0,1%

Als we ook hier rubriceren bevat ruim 50% van de oppervlakte van de relictzones minstens biologisch waardevolle elementen en meer dan 2 0 % van het areaal van de relictzones zeer waardevolle elementen.

De totale oppervlakte bedraagt 221.051 ha, of 16,25% van het Vlaamse grondgebied, als volgt vetdeeld over de provincies West-Vlaanderen Oost-Vlaandeten Antwerpen Vlaams-Brabant Limburg

ANKERPLAATSEN Definitie Ankerplaatsen zijn complexen van gevarieerde erfgoedelementen die een geheel of ensemble vormen, dat ideaal-typische kenmerken vertoont omwille van de gaafheid of representativiteit, ofwel ruimtelijk een plaats inneemt die belangrijk is voor de zorg of het herstel van de landschappelijke omgeving (bv. als blikvanger). Algemeen zijn dit de meest waardevolle landschappelijke plaatsen. De methodologie van aanduiding en aflijning wordt uitvoerig besproken in de bijdrage van Mare Antrop.

Aantal In totaal werden 381 ankerplaatsen aangeduid. Ze zijn als volgt verdeeld over de provincies: West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Vlaams-Brabant Limburg

Totale oppervlakte

68 96 88 64 65

44.833 44.433 48.399 38.892 44.494

ha ha ha ha ha

14,18% 14,72% 16,84% 18,36% 18,33%

De oppervlakte van de ankerplaatsen neemt dus toe van west naar oost, wat gezien de verschillen in gaafheid van het landschap ook te verwachten was.

Gemiddelde oppervlakte De gemiddelde oppervlakte per ankerplaats bedraagt 580 ha, met de volgende vatiatie per provincie: West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Vlaams-Brabant Limburg

659 463 550 608 685

ha ha ha ha ha

In West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en vooral in Limburg zijn de ankerplaatsen dus groter dan het gemiddelde, in Antwerpen en vooral Oost-Vlaanderen kleiner dan het gemiddelde.


Oppervlakteverdeling

brengen waar verschillende ankerplaatsen mekaar

Een verdeling in oppervlakteklassen laat een mooie spreiding zien van erg klein (< 10 ha) tot erg groot (> 2000 ha). Als we de gebieden in rekening

raken (clusters van ankerplaatsen), dan zijn dit de grootste oppervlaktes aaneengesloten erfgoedlandschap (groter dan 2000 ha):

Verdeling van de ankerplaatsen in oppervlakteklassen 140 120 100 aantal

^0

EGL

60 40 20 0 tot 10

5 tot 50

50 tot

200 tot 500

T

500 tot 1000

1000 tot 2000

> 2000

opp. (ha)

Cluster bij Wuustwezel Cluster bij Kalmthout "s Gtavenvoeren, Sint-Maarten en Sint-Pieter' Cluster bij St-Gillis-Waas 'Komgrondgebied van Lampernisse en Kaaskerke' 'Gaasbeek, St-Laureins-Berchem, Oudenaken en Elingen' 'Vlaamse Ardennen van Koppenberg tot Kluisberg' Cluster Scheldepolders Cluster bij Borgloon Cluster bij Maldegem 'Samenvloeiingsgebied van Dijle en Demer' Cluster bij Bree Cluster bij Brecht Cluster bij Aalter Cluster bij Maaseik 'Heide-stuifeandcomplex Hechtel-Helchteren en Vallei Zwarte Beek' Cluster bij Opglabbeek Cluster tussen Tienen en Sint-Truiden Cluster bij Oud-Turnhout Cluster bij D a m m e Cluster tussen Dilsen-Stokkem en Zutendaal 'Westhoekduinen, Cabourg, Moeren en overgang naar Plateau van Izenberge' Cluster Ijzervallei Cluster Heuvelland Cluster tussen Brussel, Leuven en de taalgrens

2057 ha 2126 ha 2198 ha 2201 ha 2245 ha 2283 ha 2284 ha 2410 ha 2438 ha 2449 ha 2484 ha 2592 ha 2737 ha 2836 ha 2872 ha 2999 ha 3091 ha 3149 ha 3702 ha 3763 ha 4076 ha 4088 ha 4240 ha 7883 ha 9025 ha


Spreiding Bij een blik op de kaart die de spreiding van de ankerplaatsen over Vlaanderen weergeeft, blijkt dat deze vrij evenwichtig is. Slechts een paar zones zijn erg arm aan ankerplaatsen. Dit is vooral opvallend in de zone die min of meer begrensd wordt door de steden Torhout, Tielt, Kortrijk en Roeselare, waar het landschap in die mate verschraald is dat er ook nauwelijks relictzones werden aangeduid. Andere, kleinere zones betreffen o.a. de strook tussen Lier en Aarschot (met o.a. het verschraalde serregebied rond St.-KatelijneWaver) en het gebied tussen Gent en Lokeren.

Link met de relictzones Wanneer de spreiding van de ankerplaatsen vergeleken wordt met de spreiding van de relictzones, blijkt dat in de grote meerderheid van de relictzones van enige omvang wel degelijk één of meerdere ankerplaatsen zijn afgelijnd. Toch vallen ook hier een paar uitzonderingen op, bv. de grote relictzones in het zuidelijk Hageland (tussen Boutersem en de taalgrens) en het westelijk deel van Droog Haspengouw (tussen Landen, Sint-Truiden en Heers), waar de oppervlakte van de ankerplaatsen miniem is ten opzichte van de oppervlakte van de relictzones. Het betreft hier gebieden waar de erfgoedwaarde nog net als groot genoeg werd beoordeeld voor een inkleuring als relictzone, maar waar (o.a. door de ruilverkaveling) maar weinig deelgebieden meer aanwezig zijn die het statuut ankerplaats waardig zijn.

Link met het beschermd patrimonium Van de totale oppervlakte aan ankerplaatsen heeft op dit ogenblik 16,22% een beschermd statuut: 14,45% i s beschermd als landschap, 1,63% als stads-of dorpsgezicht en 0,13% als monument. Bij deze laatste categorie werd enkel rekening gehouden met 'vlakvormige' elementen, m.a.w. gebieden met een zekere oppervlakte die als monument zijn beschermd. Van de totale oppervlakte beschermd landschap ligt 82% binnen een ankerplaats. Het restant betreft landschappen in de stedelijke sfeer (parken, 'verkapte' stadsgezichten), gebieden ('nieuw' landschap) die exclusief of voornamelijk omwille van

flora en/of fauna zijn beschermd, of kleinere beschermde landschappen die niet in ankerplaatsen zijn opgenomen. 43,5% van het areaal beschermde stads- en dorpsgezichten en 44,4% van het areaal 'vlakvormige' monumenten ligt binnen ankerplaatsen.

Bodemgebruik Voor een digitale vergelijking met het bodemgebruik kon enkel gebruik gemaakt worden van de Corine Landuse-coverage van Vlaanderen uit 1995. Het probleem met deze gegevens is dat ze vertrekken van een grid met blokken van 5 ha, en dat er een aantal gemengde klassen gehanteerd worden. De categorie 'gemengd landelijk gebied' omvat gemengde complexen weiland en akkerland en vooral in beekvalleien ook bosjes, kleine vijvers, moerasjes etc. Een bij de realiteit aansluitende verhouding tussen grasland en akkerland valt uit deze gegevens dus niet af te leiden. O m in zekere mate hieraan te verhelpen werd op grond van analyse van de topografische kaarten nagegaan in hoeveel ankerplaatsen de diverse bodemgebruiksvormen meer dan 10% van de oppervlakte innemen. In percentages uitgedrukt geeft dit de volgende resultaten:

Grasland Bos Akkerland Open water en moeras Boomgaard Heide en stuifzand Strand en duin Slik en schor Braakland

86,8% 73,3% 65,2% 16,7% 5,1%

4,6% 3,0% 1,0%

0,5%

Er zijn geen kwantitatieve bodemgebruiksgegevens voorhanden voor de totaliteit van het Vlaamse Buitengebied waarmee kan vergeleken worden. Toch kan redelijkerwijze worden gesteld dat het aandeel van de bodemgebruiksvormen grasland, bos, boomgaard, open water en moeras, heide en stuifzand, strand en duin en slik en schor in de ankerplaatsen proportioneel groter is dan in de totaliteit van het Vlaamse Buitengebied. Van elk van deze bodemgebruiksvormen werden de gaafste voorbeelden uit de relictzones in een ankerplaats opgenomen: Grasland: diverse gave complexen in de polders, langs de IJzer, de Leie, de Schelde, de Dender, de Demer, de Dijle, de Gete etc.


Bodemgebruik Gemengd landelijk gebied Bos

W-Vl 29,9%

O-Vl

A'pen

Vl-Br

Limb

41,8%

23,8%

32,3%

28,1%

Vlaanderen 31,0%

8,3%

13,6%

36,4%

27,1%

32,4%

23,7%

Akkerland

33,3%

26,1%

7,6%

19,6%

14,5%

20,0%

Grasland

6,9%

12,3%

18,0%

10,5%

16,9%

8,2%

Bebouwing

2,1%

4,6%

3,0%

7,7%

5,3%

4,4%

Sport- en recreatiegebied

1,6%

1,7%

3,4%

2,6%

0,7%

2,0%

Heide en struikgewas

1,6%

0,0%

1.3%

0,0%

4,2%

1,5%

Open water

0,4%

0,7%

1,0%

0,5%

1,7%

0,9%

Strand, duin, stuifzand

3.3%

0,0%

0,2%

0,0%

0,5%

0,8%

Moetas

0,1%

0,3%

1,7%

0,5%

1,1%

0,8%

Schor, slik en estuarium

0,4%

0,3%

3,0%

0,0%

0,0%

0,8%

Boomgaard

0,0%

0,2%

0,0%

0,7%

2,5%

0,7%

Groen stedelijk gebied

0,1%

0,0%

1,1%

0,4%

0,2%

0,4%

Industrie- en handelsgebied

0,9%

0,0%

0,2%

0,5%

o, 5 %

0,4%

Ontginningsgebied

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

1,0%

0,2%

Rest

0,1%

0,3%

0,5%

0,0%

0,3%

0,4%

Bos: de mooiste voorbeelden uit alle Traditionele Landschappen, met een klemtoon op de bossen die sinds de kaart van de Ferraris continuïteit vertonen. Van de i8^ e -i9 c ' e eeuwse bebossingen op zand (vooral Kempen, Vlaams Veldgebied en kustduinen) werd een selectie gemaakt Boomgaard: vooral de mooiste hoogstamboomgaardgebieden uit Vochtig Haspengouw Open water en moeras: trajecten van de belangrijkste rivieren en beken met natuurlijke loop (zij het dikwijls bedijkt), trajecten van gegraven waterlopen (kanalen, grote drainagegrachten e t c ) , vijvers (bv. Kranepoel, Midden-Limburg), vennen, moerassen (bv. Blankaart, Zegge etc.) Heide en stuifzand: de belangrijkste grotere Kempische complexen (Kalmthout, Maasmechelen, Tenhaagdoornheide-Teut, Liereman, diverse militaire domeinen), maar ook kleine terreintjes in de binnenduinrand, in het Veldgebied of op rivierduin Strand en duin: alle belangrijke gebieden langs de kust Slik en schor: alle belangrijke gebieden (IJzermonding, Zwin, zoet- en brakwaterschorren langs de getijderivieren). Het aandeel akkerland is kleiner dan in de totaliteit van het Vlaamse Buitengebied als gevolg van ruimtelijke versnippering (bv. verspreide bewo-

ning op vroeg-middeleeuws bouwland) en het banaliserend effect van de landbouwontwikkelingen in de tweede helft van de 20 s t e eeuw (bv. het verdwijnen van houtige KLE's op laat- en postmiddeleeuwse akkercomplexen, o.a. door de ruilverkaveling). Toch werd extra aandacht besteed aan de opname van een staalkaart van akkercomplexen uit diverse ontginningsperiodes, o.a. De Moeren, oud-, midden- en nieuwlandpolders, delen van het plateau van Izenberge, ontginningsgronden in het Veldgebied, buikencomplexen in Binnen-Vlaanderen, kouters van de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland, het Plateau van Duisburg, open fields van Droog Haspengouw, i9^ e -eeuwse akkercomplexen door bosontginning in de zandleem- en leemstreek, etc. O p het vlak van cultuurhistorisch belangrijke teelten werden een aantal percelen met hopteelt opgenomen in ankerplaatsen bij Poperinge en tussen Aalst en Asse en met medicinale kruidenteelt bij Akrenbos.

Ontginningsstructuren Waar mogelijk werden complexen afgelijnd waar diverse onderdelen van het historische bodemgebruikspatroon, zo mogelijk inclusief de ontginningskern, nog in hun ruimtelijke samenhang vrij gaaf aanwezig zijn. Voorbeelden hiervan zijn o.a. het kouter-meersencomplex van Petegem-aan-de-


£

'-X

-.^V

'M • •r-M:s

' WÊ ^•jEaSlPr:?

'

?t"

• -'M

m


•4*

Provincie

Klein deel (meestal kerk en wat omgeving)

Belangrijk deel deel

(Zo goed als) volledig

Totaal

Het provinciaal domein en natuurreservaat 'Het Vinne' te Zoutleeuw is in ankerplaats opgeno-

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Antwerpen Limburg Vlaanderen

men omwille van

18

5

8

31

de bijzondere

40

13

57

ontginningsstructuur,

18

8

17 0

4 8

12

17

3 12

96

52-

34

Schelde (vroege middeleeuwen, Bovenscheldevallei) en het akker-beboste heide-beekvalleicomplex van Plokrooi (post-middeleeuws, Limburgse Kempen). De belangrijkste kust- en rivierpolders uit de verschillende fases (Middeleeuwen tot i^e eeuw), evenals de belangrijkste droogmakerijen (De Moeren, Moere van Meetkerke, Het Vinne te Zoutleeuw) werden opgenomen in ankerplaats met hun lineaire ontginningsstructuren (dijken, watergangen e t c ) .

Dorpen en grote gehuchten De volgende tabel geeft de opname van dorpen en belangrijke gehuchten weer.

die nog duidelijk in

43 11

het landschap herkenbaar is

41 182

(foto Oswald Pauwels)

Opvallend mager bedeeld is de provincie Antwerpen. De belangrijkste reden hiervoor is dat bij de overgrote meerderheid van de Antwerpse dorpen en gehuchten de historische kern omgeven wordt door recente verkavelingen en villawijken, waardoor opname in ankerplaats onmogelijk is. De dorpen en grote gehuchten die (zo goed als) volledig in ankerplaats werden opgenomen zijn de volgende: West-Vlaanderen: Damme, Hoeke, Houtem, Lampernisse, Lapscheure, Meetkerke, St.-Janop-den-Dijk, Zoutenaaie Oost-Vlaanderen: Kwaremont, Lede, Mullem. Vlassenbroek Vlaams-Brabant: Bellingen, Bogaarden, Elingen, Gaasbeek, Kobbegem, Oudenaken, St.Laureins-Berchem, Zoutleeuw

Opname van dorpen en belangrijke gehuchten in ankerplaatsen per provincie 60 50 40

I 1 Zo goed als volledig Aantal 30

I Belangrijk deel I Klein deel

20

10

West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Vlaams-Brabant

Antwerpen

Limburg

Provincie

M&L


Een aantal dorpen en gehuchten zijn in hun geheel opgenomen in een ankerplaats. Het West-Vlaamse

Antwerpen: Bornem-Buitenland, Gestel, Zalfen Limburg: Blaar, Groot-Loon, Heks, Heppeneert, Kanne, Kuttekoven, St.-Pieters-Voeren, 's Gravenvoeren, Val, Voort, Ziehen, Zussen

dorpje Hoeke is daarvan een mooi voorbeeld (foto A. Perceval)

Opvallend is dat 31 van deze 35 'dorpen of grote gehuchten, voor minstens de helft bestaande uit bebouwing met erfgoedwaarde, aan minstens één zijde geïntegreerd in een gaaf landschap' (want dat waren de criteria) geconcentreerd liggen in zes streken: Haspengouw (10), de kustpolders (7), het Pajottenland (7), de Vlaamse Ardennen (3), de Scheldepolders (2) en de Voerstreek (2), m.a.w. in de polders langs de kust en de Beneden-Schelde en in een discontinue band in het zuiden van Vlaanderen. Twee van deze bewoningskernen hebben het karakter van een historisch stadje: Damme en Zoutleeuw.

• Het Steen

domeinen die

of Rubenskasteel

opgenomen zijn

in Elewijt (Zemst)

in een ankerplaats

is een van de tien-

(foto Oswald

tallen kasteel-

Pauwels)

Ruraal bouwkundig erfgoed Naast andere vormen van ruraal bouwkundig erfgoed, die hierna worden besproken, werden in de meerderheid van de ankerplaatsen hoeves opgenomen die samen een staalkaart bieden van diverse streekgebonden types (langgestrekte hoeves, hoeves met losse bestanddelen, semi-gesloten en gesloten hoeves) uit verschillende periodes.

Kasteeldomeinen O p grond van analyse van de topografische kaart werden ongeveer 290 kasteeldomeinen gedetecteerd binnen ankerplaatsen. Van de belangrijkste

M&L

domeinen ligt de grote meerderheid in een ankerplaats (de opsomming is niet limitatief): West-Vlaanderen: Bossuit, Elzenwalle, G r u u t h u u s e , het Lippensgoed, Loppem, Marke, Rumbeke, Spiere, Tillegem, Tudor, Wijnendale Oost-Vlaanderen: Aaishove, Beaudries, Beerlegem, Beervelde, Breivelde, Laarne, Leeuwergem, Lozer, Nokere, O o i d o n k , Poeke, Wannegem-Lede, Wissekerke Antwerpen: Bornem, Cleydael, Hingene, O u d e Gracht, 's Gravenwezel, Vorselaar, Westerlo, Wuustwezel, Zellaar


Een groot deel van het religieus

West-Vlaanderen: Male, Westvleteren en Zevenkerke Oost-Vlaanderen: Beaulieu, Ename en Rozenberg Antwerpen: Bornem, Corsendonk, Postel, Tongerlo en Westmalle Vlaams-Brabant: Affligem, Averbode, Dilbeek, Grimbergen, Kortenberg, Park en Vlierbeek Limburg: de Achelse Kluis, Herkenrode en Kolen

Vlaams-Brabant: Boechout, Gaasbeek, het Gravenkasteel, Groot-Bijgaarden, Leefdaal, de Ribaucourt, het Rubenskasteel, Snoy, Steenhault, Ter Rijst, Tervuren Limburg: Alden Biezen, Beto, Duras, Heks, Teuven, Veulen, Vilain XIV. Rond Brugge, Gent en Antwerpen zijn verschillende clusters van kasteeldomeinen (zgn. kastelensites) als ankerplaats afgelijnd.

Religieus erfgoed Naast een 200-tal kerken, vele honderden kapellen en kapelletjes, veldkruisen etc. ligt de meerderheid van de abdijen, priorijen, kloosters en voormalige abdijsites in een ankerplaats:

erfgoed ligt in een ankerplaats. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de 0,-L-V.-abdij van Tongerlo (foto Oswald Pauwels)

Het Begijnhof van Sint-Truiden werd eveneens in ankerplaats opgenomen omdat het in het historische Buitengebied van de stad is gelegen. Belangrijke bedevaartplaatsen werden opgenomen als ze aan de criteria voor opname van bewoningskernen voldeden (bv. Scherpenheuvel, Kerzelare). Een geval apart is het gehucht Korsele te Horebeke, de enige protestantse gemeenschap die in Vlaanderen is overgebleven sinds de Reformatie. De kerk (tempel) en een belangrijk deel van de omgeving, dat zijn karakter heeft bewaard, zijn afgelijnd als ankerplaats.

Industrieel-archeologisch erfgoed Bij de aflijning werden doelbewust een aantal representatieve windmolens inclusief hun windvangzone in ankerplaats opgenomen. Goede voorbeelden zijn de windmolensites van Tielt in WestVlaanderen, Etikhove, Huise, Mater, Wannegem op de kouters van de Vlaamse Ardennen in OostVlaanderen, St.-Katharina-Lombeek in Vlaams-

M&L


Brabant, Boorsem en Elen in Limburg. De drie nog bestaande polderwindgemalen (St.-Katelsmolen in De Moeren, de molen in de Moere van Meetkerke en de Hoosmolen in de BourgoijenOssemeersen) zijn opgenomen in ankerplaats, net als de enig resterende getijdemolen (Rupelmonde). De aanwezigheid van (dikwijls een snoer van) watermolens was een bijkomend element in de aflijning van beekvalleilandschappen. Voorbeelden hiervan zijn Maarkebeek, Zwalm, Perlinkbeek en Molenbeek (tussen Herzele en Erpe-Mere) in Oost-Vlaanderen, de Grote Nete in Antwerpen, de Mark en de Maalbeek in Vlaams-Brabant, Bosbeek, Abeek, Itterbeek, Herkebeek en Cicindria in Limburg. Ander industrieel-archeologisch erfgoed omvat o.a. een aantal stokerijen (bv. die van Landskouter en Balegem), bruggen (bv. Mirabrug, Pollare), sluizen (bv. Bornem, Astene) en de mijnsites van Waterschei en Eisden. Deze laatste werden uitgekozen omdat de verschillende elementen (mijnsite zelf, cité's, spoorlijn, naaldhoutbos, terril...) er nog in één ruimtelijk gaaf complex aanwezig zijn.

Militair erfgoed Diverse elementen uit verschillende periodes werden opgenomen in ankerplaats: kleinere sttucturen zoals loopgraven, schansen en bunkers (uit verschillende gordels), maar ook grotere zoals verdedigingslinies (bv. delen van de Linie in het Waasland, de volledige Anti-tankgracht ten noordoosten van Antwerpen), forten (o.a. Kezelfort, Liefkenshoek, Franchipanie, Fort van Beieren, St.-Jan, Fort 6 uit de grote Antwerpse fortengordel), vestingen (bv. Damme, leper), verschillende militaire begraafplaatsen, o.a. een aantal van de belangrijkste in de Westhoek. Bij de aflijning is in een aantal gevallen rekening gehouden met de aanwezigheid van een historisch belangrijk slagveld (bv. Beverhoutsveld, Oudenaarde, Lafelt).

apart zijn de mergelgrotten van Riemst. De belangrijkste ondergrondse complexen zijn opgenomen in ankerplaats. O m d a t deze doorlopen onder de bebouwing moest worden afgeweken van de regel dat deze voor minstens de helft uit gebouwen met erfgoedwaarde moet bestaan. Oude ontginningen van bouwsteen zijn in veel gevallen ook bovengronds herkenbaar in diverse gebouwen met erfgoedwaarde (Diestiaan zandsteen, kalkzandsteen, mergel e t c ) .

Archeologisch patrimonium Heel wat archeologisch patrimonium is hierboven onrechtstreeks reeds aan bod gekomen. Door het vooralsnog ontbreken van een centrale archeologische inventaris kon bij het aanduiden van de ankerplaatsen in de landschapsatlas niet op een stelselmatige manier rekening gehouden worden met gekende of potentieel belangrijke archeologische sites. Hierdoor moest zowel bij de aanduiding in de atlas als bij de aflijning teruggevallen worden op de meer disparate informatie uit literatuur, aangevuld door mondelinge informatie van verschillende archeologen. In een aantal gevallen was het voorkomen van gekende archeologica op zich de reden voor opname (bv. Ename, Velzeke, burchruïne Kolmont, tombe van Pepijn van Landen, GalloRomeinse wegen, prehistorische sites, mottes en moated sites). Voortgaand op de mate van gaafheid binnen de anketplaatsen en het gebruikte bronnenmateriaal, kan rustig aangenomen worden dat binnen het deel van het Vlaams grondgebied dat door ankerplaatsen wordt gedekt (16%) de concentratie aan archeologische sites vrij hoog moet zijn. Bij elke ingreep in de bodem zal men zich dus hiervan bewust moeten zijn. O p termijn, wanneer voldoende gegevens uit de centrale archeologische inventaris bekend zijn, kan een actualisatie van bepaalde ankerplaatsen zich opdringen.

Socio-culturele waarde Oude ontginningen van bodemrijkdommen Oude ontginningen van diverse bodemrijkdommen (veen, klei, zand, leem, grind, mergel, diverse bouwstenen etc.) uit verschillende tijdsperiodes komen voor in heel wat ankerplaatsen. Een geval

In een aantal gevallen is ook de socio-culturele waarde mee in rekening gebracht. Veelal gaat het om ankerplaatsen die reminisceren aan belangrijk literair of artistiek werk, in de zin dat het landschap in kwestie hierin een rol speelt (bv. de Demerbroeken in het werk van Ernest Claes of de


• Het industrieel-

over de Dender in

archeologisch erf-

Pollare (Ninove)

goed is goed

behoort tot het

vertegenwoordigd

industrieel-archeolo-

VERGELIJKING MET ANDERE BELEIDSRELEVANTE KAARTLAGEN

in de ankerplaatsen. gisch erfgoed in Ook de ijzeren

ankerplaats

voetgangersbrug

(foto Oswald

Ruimtelijke Ordening

Pauwels)

Leiemeersen in het werk van de Latemse School), of dat er in het landschap een m o n u m e n t aanwezig is dat de schrijver of kunstenaar memoreert (bv. de tombe van Verhaeren in St.-Amands).

Een overlay van de ankerplaatsen met de digitale versie van de gewestplannen, bijgehouden tot Oi.Oi.2000, levert de volgende tabel op: Als we de ruimtelijke bestemmingen rubriceren in 'gele', 'groene' en 'rest'-bestemmingen, zien we dat


• De bestemming icologiscti waardevol

Gewestplanbestemming

W-Vl

O-Vl

Vl-Br

Limb

Vlaanderen

agrarisch gebied s.l. omvat in de tabel ook Agrarisch gebied met bijzonder belang,

Agrarisch gebied Landschappelijk waardevol agrarisch gebied Ecologisch waardevol agrarisch gebied s.l.

5,9% 59,2% 8,2%

12,3%

12,7%

10,3%

10,4%

10,4%

37,8%

24,3% 3,0%

40,7%

25,7% 2,7%

37.5%

2,9%

40,0%

53,9%

38,8%

53.2%

9,7%

5.3%

Valleigebied en Vallei- en

Som 'geel' gebied

Brongebied

73,3%

Groengebied s.s.

0,1%

Natuurgebied

11,4%

Reservaatgebied Parkgebied

5,2%

3,7%

59,8% 0,2% 18,0%

0,7% 13,6%

6,0%

9,0%

3.3%

3,8% 0,4%

Bufferzone

0,0%

0,1%

Bosgebied

1,9%

8,5%

20,8%

0,4%

0,1%

0,7%

24,8% 2,6%

32,4% 8,9%

4,4%

2,8%

3,6%

0,2%

0,4%

0,2%

9,8%

2,2%

8,9%

19,8% 6,5%

Som 'groen' gebied

22,6%

36,1%

48,3%

41,9%

47,9%

39,4%

Som 'geel' en 'groen' gebied

95.9%

95.9%

8,3%

95,8%

86,7%

92,6%

0,5%

0,5%

5,4%

2,3%

2,3%

2,2%

1,5% 1,0%

Militair gebied

0,8%

Woongebied

0,8%

1,3%

4,1% 0,8%

Gebied voor gemeenschapsvoorzieningen

0,8%

0,9%

1,9%

0,8%

0,6%

Bestaande autosnelwegen

0,5%

0,7%

2,8%

0,2%

0,4%

1,0%

Recreatiegebied

0,5%

0,3%

1,3%

0,8%

Ontginningsgebied

0,7%

0,1%

i,3% 0,4%

0,3% 0,1%

0,8%

0,4%

Waterwinningsgebied

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

1,0%

0,2%

Industriegebied

0,2%

0,1%

0,2%

0,0%

0,0%

0,1%

Ambachtelijke zone

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,2%

0,1%

Som 'rest'

4.3%

4.1%

n.5%

4.2%

11,9%

7.4%

het geheel van ankerplaatsen in heel Vlaanderen voor 53,2% in 'gele', 39,4% in 'groene' en 7,4% in 'rest'-bestemmingen ligt. Aangezien de 'gele' bestemmingen in de totaliteit van het Vlaams Buitengebied veel meer doorwegen dan de 'groene', kan gesteld worden dat de agrarische gebieden in de ankerplaatsen relatief gezien minder gevat worden dan de 'groene' gebieden. Toch blijft het aandeel 'geel' gebied in de ankerplaatsen zeer aanzienlijk. De ankerplaatsen in Oost- en vooral in West-Vlaanderen liggen beduidend meer in 'gele' en minder in 'groene' bestemmingen dan het gemiddelde; in Antwerpen en Limburg is het net andersom. Het aandeel 'geel' gebied in West-Vlaanderen is bijna dubbel zo groot als in Limburg. In de provincies Antwerpen en Limburg liggen de ankerplaatsen voor bijna de helft in 'groene' bestemmingen op de gewestplannen.

Bij de 'gele' bestemmingen valt — zoals te verwachten — het grote aandeel van de bestemming 'Landschappelijk waardevol agrarisch gebied' op. Agrarisch gebied s.s. neemt slechts 10% van het ankerplaatsareaal in. Dat het aandeel 'rest'-bestemmingen in Antwetpen en Limburg groter is dan het gemiddelde heeft vooral te maken met de opname van grote militaire domeinen in deze provincies. Ondanks het feit dat heel wat (delen van) dorpen en gehuchten in ankerplaats gelegen zijn, blijft het aandeel woongebied overal zeer beperkt: van minder dan 1% in West-Vlaanderen en Antwerpen tot iets meer dan 2% in Vlaams-Brabant en Limburg. Heel wat woningen in ankerplaatsen bevinden zich in 'gele' of'groene' bestemmingen, en zijn dus 'zonevreemd'. Gezien de plaats die ze in de ankerplaatsen innemen, lijkt het wenselijk om over een overlay te


Overlay van de ankerplaatsen met de gewestplannen % 120 100

D 80

groen gebied 60

geel gebied

40 20

West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Antwerpen

Vlaams-Brabant

Limburg

Provincie

beschikken met de ruimtelijke aspiraties van de gele en groene sector, respectievelijk de Gewenste Natuur- en Bosstructuur en de Gewenste Agrarische structuuur. Beide zijn evenwel nog niet digitaal beschikbaar.

Verhouding met natuur en bos Voor een vergelijking met de sector natuur en bos zijn wel andere kaartlagen beschikbaar. Het ankerplaatsareaal ligt als volgt verspreid over de verschillende categorieën van de Biologische Waarderingskaart (2): Biologisch minder waardevol 34i4% Complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen 17,1% Complex van biologisch minder waardevolle waardevolle en zeer waardevolle elementen 4,9% Complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen 2,6% Biologisch waardevol 14,5% Complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen 10,7% Biologisch zeer waardevol 11,1% Leeg (niet gekarteerd) 4,6%

Vlaams natuurreservaat Erkend natuurreservaat Totaal natuurreservaat

Als we ook hier rubriceren bevat zowat 61% van het ankerplaatsareaal minstens biologisch waardevolle elementen, waarvan zowat 29% minstens biologisch zeer waardevolle elementen. De conclusie moet dus zijn dat een belangrijk deel van het ankerplaatsareaal tevens voor het behoud van biodiversiteit van groot belang is. Een 'waardering' van het Vlaamse Buitengebied vanuit fysisch-geografisch, cultuurhistorisch en esthetisch standpunt leidt dus vermoedelijk tot een grote overlap met de ruimtelijke wensen vanuit een biologische benadering. Een andere vergelijking die kan gemaakt worden is deze met de Vlaamse natuurreservaten (beheerd door Afdeling Natuur) en de Erkende natuurreservaten (beheerd door de erkende terreinbeherende verenigingen). Iets meer dan 5% van het ankerplaatsareaal is officieel natuurreservaat. Drie vierden van de oppervlakte officieel natuurreservaat is binnen ankerplaatsen gelegen. Dat is meer het geval bij de Vlaamse dan bij de Erkende natuurreservaten. Een aantal van deze laatste zijn relatief klein, en vormen eilandjes natuur buiten de grotere gave com-

oPP.

O p p . in ankerplaatsen

% van ankerplaats

% in anker-plaatsen

8.591

6.832 4.988 11.820

3,1% 2>3 5-4%

79,5% 67,7% 74,i%

7-369 15.960


plexen die de meerderheid uitmaken van de ankerplaatsen. Een digitale overlay met de bosreservaten is niet beschikbaar, maar een vergelijking van de lijst en de liggingskaart ervan met de ankerplaatsen leert dat van de 1565 per 01.01.2001 erkende of aangewezen hectaren bosreservaat eveneens ongeveer drie vierden binnen ankerplaatsen gelegen is. De eerdere conclusie rond de waarde van de ankerplaatsen voor het behoud van de biodiversiteit wordt in elk geval door de overlapping van de ankerplaatsen met de officiële reservaten ondersteund.

fi£smii Met deze presentatie van de resultaten van de landschapsatlas hebben we getracht een preciezer beeld te geven van het Vlaamse landschap op de drempel van de 21ste eeuw. Een verdere verfijning en voortdurende actualisatie dringt zich op, wil men de bruikbaarheid optimaal houden. De landschapsatlas is immers een inventaris, gebaseerd op momentopnames. En het landschap is tot nader bericht dynamisch ...

EINDNOTEN (i) Boskartering 2000, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Bos & Groen. (2) Bron: geintegreerdc versie op basis van de versies 1.1 en 2.0


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
MENC005-001.pdf by Vlaanderen-be - Issuu